ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

V

- -5 «

amp;

—

'

i

_:_

ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

DOOR AFRIKA'S WILDERNISSEN.

ocr page 8
ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11

I.

Door de Massais over het Leikipia-plateau naar het Baringo-meer.

T

J e Kikuyu genoot onze expeditie, die dooide marschen langs de boven-Tana terdege geleden had, zeven dagen rust en vreugde. Kikuyu is een land, overvloeiende van melk en honig, en waar dus niemand gebrek behoeft te lijden, Een bergland met zacht hellende heuvelen, den Kenia in het Zuiden,

i

ocr page 12

KIKUYU.

rijkelijk met water doorsneden en dat zich groen en frisch voordoet.

Dit land heeft twee afdeelingen: Kikuyu-Mbi aan de rechterzijde der Tana (Kikuyu 2), waar -wii ons bevonden, en Kikuyu mnea aan den linkeroever der rivier {Kikuyu 1). Thomson vertelt veel van de ontembare wreedheid der bewoners, doch die verhalen zijn overdreven, evenals alle schilderingen, welke Thomson van de doorgestane gevaren onder de bewoners dezer steppe aan den verbaasden Europeaan geeft. Graaf Teleki en de reiziger von Höhnel hadden den diefachtigen Wakikuyu de overmacht der Europeesche wapenen zoo terdege aangetoond, dat wij hier tegenover eene bevolking stonden, wie het aan rooflust niet ontbrak, maar die door angst weerhouden werd. De hoofden der inboorlingen haastten zich, vrede met ons te maken, hetgeen door het slachten eener geit of van een schaap voltrokken werd.

De jongere inwoners daarentegen konden hun zucht tot diefstal, die hun aangeboren is, niet onderdrukken, ook zelfs niet, toen ik met toestemming der oudsten op elke poging tot roof of diefstal de doodstraf gesteld had, en nadat reeds een groot aantal van hen als slachtoffer hunner roofzucht gevallen was. Werden de kudden door het land met het weelderig hoog gras gedreven, dan greep plotseling een zwarte arm, welks eigenaar intusschen door het struikgewas volkomen verborgen bleef, op zijde in de kudde, pakte een lammetje bij het achterbeen en trachtte even snel als hij er tusschen gekomen was, met het diertje te verdwijnen. Dan hadden de Somalis de gewoonte in het struikgewas te schieten, waaruit gemeenlijk smartelijke kreten weerklonken, hetgeen bewees, dat de verdiende straf den misdadiger ten deel gevallen was.

Zoo trokken wij gedurende zeven dagen door dit schoone Kikuyu, dat in zijne flora reeds de vormen der gematigde luchtstreek vertoont. Hier was onder anderen eene boomsoort, die geheel en al aan onze Europeesche eiken herinnert. Ook vond ik er de frissche groene klaver uit het Noorden van Europa, waaraan onze ezels, geiten en schapen zich terdege te goed deden. Klare beekjes stroomden in alle richtingen met eene gemiddelde temperatuur van 14—15° C. De nachten waren reeds tamelijk koud, de thermometer

2

ocr page 13

NABOOTSENDE INSECTEN.

daalde tot ]0 uur 's avonds op 8—9° O. Des morgens lag er rijp over het land.

Hetgeen men echter in geen enkel bosch van Europa ontmoet, zijn de nabootsende insecten in de Afrikaansche wouden, waarvan Henry Drummond in zijne reis door Centraal-Afrika zulk eene belangwekkende beschrijving geeft. Nabootsing, zegt hij daar, is bedrog in de natuur. In het Afrikaansche woud vindt men duizenden en duizenden insecten, wier uiterlijk, tot het geringste vlekje en plooitje, eene beleediging voor de waarheid is; bij wie elke houding bedacht is en hare bedoeling heeft en wier geheele leven één voortgezette leugen is. Tegenover deze meesterstukken van bedrog zijn de vindingrijkste bedriegerijen der menschen alledaagsch en doorzichtig. Misleiding is niet alleen de groote levensregel in een tropisch woud, maar de eenige voorwaarde er van.

Alhoewel de buitengewone wonderen van nabootsing vrij wel aan de wetenschap bekend zijn, hebben nog weinigen de gelegenheid gehad, ze in de natuur te bestudeeren. Geene studie in de natuurlijke historie hangt echter meer af van waarneming op de plaats zelve; want ofschoon bij enkele nabootsende vormen ook de nagebootste vorm een insect is, en de twee soorten thans naast elkaar kunnen gelegd worden, zijn de groote meerderheid van nabootsende insecten navolgingen van voorwerpen in den omtrek, die niet in de kasten van een museum ter vergelijking kunnen geplaatst worden. Behalve dit, is het niet alleen de vorm, maar ook het gedrag van het nabootsend insect, al zijne gewoonten, die moeten worden nagegaan; zoodat museumbij dragen in dit geval geheel nutteloos zijn, zonder de uitvoerigste toelichtingen van den natuurkundige, die alles ter plaatse heeft nagegaan.

Ook voor oningewijden is dit onderwerp makkelijk te verstaan. Laat mij met eene kleine inleiding over de kleuren der dieren in het algemeen aanvangen. Nabootsing bestaat in de gelijkenis tus-schen een dier en eenig ander voorwerp in den omtrek, waarvan het voor het bewuste dier een praktisch voordeel is eene min of meer nauwkeurige kopie te zijn. De gelijkenis mag zich tot elk voorwerp, hetzij bezield of onbezield, uitstrekken. Het mag zich

3

ocr page 14

DE KLEUR VAN HET DIEE.

beperken tot kleur, of wel zich ook uitstrekken tot vorm, en zelfs tot gewoonte; maar van deze is de eerste verreweg de belangrijkste.

Bij dieren dient de kleur hoofdzakelijk tot twee doeleinden. Zij is of beschermend of waarschuwend. Het doel van het eerste is, het dier onzichtbaar te maken; het doel van het tweede juist het tegendeel — het zichtbaar te maken. Waarom het met sommige dieren de bedoeling kan zijn, zichtbaar blootgesteld te zijn, zal blijken uit het volgende voorbeeld van „waarschuwendequot; kleur. Er zijn twee groote farniliën van kapellen, de Danaidae en Acraiedae, die oneetbaar zijn, omdat zich in hun lichaam bijtende en ongezonde sappen bevinden. Deze dieren zouden licht door vogels, apen, hagedissen en spinnen, die alle veel van vlinders houden, opgepeuzeld kunnen worden. Doch het zou eene teleurstelling voorden eter zijn, die zijn prooi weer onmiddellijk zou uitbraken, en tevens zou het een onnoodig offer wezen van de zijde der kapel. Derhalve dient de schaduwzij dezer kapellen op eene of andere wijze bekend te zijn en zijn zij dus met bijzondere kenmerken voorzien en onderscheiden zij zich door sterk sprekende teekening en schitterende kleuren, zoodat de vogel, de aap en de overigen in een oogwenk zien wat er van de zaak is. Deze bezielde gevaarsignalen fladderen gerust door de wouden met de grootste onverschilligheid, in het helderste daglicht, waarbij iedere beweging vertrouwen en zelfgenoegzaamheid teekent, terwijl hunne donkere broederen, in vreeze voor hun leven, door de opene vlakten moeten ijlen. Om dezelfde reden zijn welgewapende of stekende insecten altijd zichtbaar versierd met' waarschuwende kleuren. Zoo zijn wespen daarom zoo opzichtig mogelijk gemaakt, opdat men ze dadelijk zoude zien en zorgvuldig vermijden. Dezelfde wet is toegepast op bijen, waterjuffers en andere opzichtige vormen, en het mag als een regel worden beschouwd, dat alle vroolijk gekleurde insecten tot een van beide dezer klasse behooren: dat zij bf slecht om te eten zijn, of wel dat zij steken.

Nu is het een merkwaardig feit, dat al deze schitterende en ongezonde schepselen zeer nauwkeurig worden nagebootst in hun uiterlijk door andere schepselen, die niet door sterke sappen worden

4

ocr page 15

DE POFADDER.

beschermd, maar welke dus denzelfden vrijdom deelen. Dat dit gevallen van nabootsing zijn, blijkt uit verscheidene overwegingen, waarvan niet de minst treffende is, dat menigmaal een van beide geslachten beschermend gekleurd is en niet de andere.

De schitterende kleuren van vergiftige slangen worden somtijds door natuurkundigen opgevat als een waarschuwing, maar de bijzonderheden aangaande de kleuren der kruipende dieren zijn nooit uitvoerig aan het licht gebracht. De moeilijkheid werpt zich op, dat indien met het sprekend geel en oranje van sommige slangen bedoeld wordt, om voor gevaarlijke dieren te waarschuwen, hetzelfde in het oog loopende voorkomen de dieren, op welke de vergiftige dieren azen, zoude behooren te waarschuwen, zoodat, wanneer men op slangen jaagde, een opzichtig vel haar tot groot voordeel zoude zijn, terwijl daarentegen, wanneer zij zelve op de jacht gaat, het haar tot groot nadeel is. Doch wanneer men op de plaats zelve nagaat op welke wijze de slang werkelijk jaagt, dan wordt het duidelijk, dat juist de levendige en bijzondere kleuren in de meeste gevallen dienen om haar in het verschuilen behulpzaam te zijn.

Een van de fraaiste en meest versierde van alle kruipende dieren is de pofadder. Dit dier, welks beet doodelijk wordt, is van drie tot vijf voet lang en ongeëvenredigd dik, daar het in sommige deelen bijna even dik is als het onderst gedeelte van de dij. Het geheele lichaam is versierd met vreemde groene, gele en zwarte ornamenten, en in een museum liggende, lokken zijne schitterende kleuren zeker iedereen tot zich. Doch in de natuur heeft de adder een geheel anderen achtergrond. Het is hoofdzakelijk een bosch-dier, dat onder de gevallen bladeren, in de diepe schaduw der boomen, bij den rivieroever thuis behoort. In zulk een houding nu, op een afstand van een voet of twee, is zijn uiterlijk zoo volkomen één met den boschgrond, dat het er niet van te onderscheiden is.

Op zekeren dag wilde ik juist onder een boom gaan liggen, om wat uit te rusten, toen ik eerst de plek eens onderzocht en een eigenaardigen vorm tusschen de bladeren ontdekte. Verschrikt deinsde ik terug, toen ik een adder van de grootste soort ontdekte, welks dikke rug alleen slechts zichtbaar was en welks klauwen

O

ocr page 16

EEN ZEBRA-HUID.

een paar duim van mijn gelaat af waren, toen ik mij bukte. Het dier lag verborgen tussclien gevallen bladeren, waarmede het zoo bedriegelijk overeenkwam, dat, zonder de gewone voorzorg, die bij het reizen in Afrika eene gewoonte wordt, ik er stellig op ware gaan zitten; en als men zich op een pofadder nederzet, heeft men ook voor het laatst gezeten. Mij dunkt, dat deze kleur van de adder meer beteekent dan waarschuwen, en dat zijne zoogenaamde slaperige houding niet altijd rust bedoelt. Dit gedierte lag in zijn volle lengte tusschen de verdorde bladeren verborgen. Nu behoort het tot de eigenaardigheid van de pofadder, dat ze achteruit slaat. Op den grond liggende, voert ze als het ware bevel over de ge-heele achterhoede, en zoodra eenig deel wordt aangeraakt, keert de kop zich met onbeschrijfelijke snelheid naar achteren, en werpen zich de vergiftige vangers op hun slachtoffer. De pofadder vormt aldus een soort van afschuwelijken valstrik in de wouden, die onopgemerkt blijft, totdat zij met een plotselingen sprong haar prooi grijpt.

Doch dat de hoofdfunctie der kleur bescherming beoogt, blijkt uit de eenvoudigste waarneming van het dierlijk leven in elk deel der wereld. Zelfs onder de groote dieren, welke men zou mogen onderstellen, dat onafhankelijk van bedrog zijn en wier voorkomen, behalve op hunnen geboortegrond, overal een geheel tegenovergestelde theorie doet vermoeden — zelfs onder hen is de kleuren-harmonie met de omgeving altijd min of meer treffend. Wanneer wij b. v. de huid van een zebra bezien, met dat donder-en-weerlicht-patroon van zwarte en witte strepen, zouden wij meenen, dat zulk een zichtbaar voorwerp eerder de aandacht zou lokken dan afleiden. Doch de uitwerking in de natuur is juist tegenovergesteld. Het zwart en wit ontnemen daaraan geheel en al het begrip van een vast lichaam; de twee kleuren schijnen samen te smelten tot een grijs, dat de aandacht niet trekt, en van nabij is het een effect als van lichtbundels, door het struikgewas gezien. Het is mij zelf in het woud gebeurd, dat ik slechts één eenzame zebra meende te zien, en wel omdat het dier door zekere beweging, ten gevolge van mijn naderen, zijn bijzijn verried, en plotseling ont-

6

ocr page 17

BEDROG IN YOEM EN KLEUE.

dekte ik, dat ik omringd was door een geheele kudde, die voor mij volkomen onzichtbaar bleef, totdat zij zich bewoog. De onbewegelijkheid van wild in het veld, wanneer het gevaar nabij is, is alom bekend, en ieder jager weet, hoe moeilijk het is om zelfs de grootste dieren te treffen, al staan zij ook tegenover hem. De tijger, welks strepen in het oog vallend 't riet van het struikgewas waarin hij loert, nabootsen, wordt nergens in Afrika gevonden; maar zijn mooie neef, de luipaard, komt in groot aantal in deze wouden voor, en zijn gevlekte huid brengt hetzelfde begrip van vaagheid te weeg als in het geval van de zebra. Het nijlpaard schijnt het diepe water der rivieren, waar het 't grootste gedeelte van zijn tijd doorbrengt, een voldoende bescherming te achten; maar de krokodil wordt wonderbaarlijk verborgen door zijne geschubde modderkleurige huid, en het is dikwerf geheel onmogelijk op eenigen afstand te zeggen, of de voorwerpen, die langs de rivier liggen, alligators of gevallen blokken zijn.

Doch verreweg de wonderbaarlijkste voorbeelden van een beschermend tooisel worden daar gevonden, waar het bedrog van den vorm gepaard gaat met dat van de kleur, en hierop alleen is de uitdrukking van nabootsing in den strikten zin des woords toepasselijk. De trap van ingewikkelde volmaaktheid, welke de nabootsing in een ongestoord en tropisch land als Centraal-Afrika bereikt heeft, is zoo verwonderlijk en ongeloofelijk, dat men aarzelt om te vertellen wat de oogen hebben aanschouwd. Voor ik naar Afrika vertrok, was ik natuurlijk bekend met de verslagen over nabootsende insecten, te vinden in de werken van Bates, Belt, Wallace en andere natuurkundigen; doch geenerlei beschrijving bereidt iemand het allerminst voor op de verrassing die hem wacht, wanneer hij voor het eerst deze dingen in de natuur ontmoet. Mijne kennismaking daarmede had plaats aan de oevers van het Shirwa-meer — een van de kleinere en minder bekende onder de Afrikaansche meren — en ik zal het relaas nauwkeurig meedeelen, zooals ik het in mijne aanteekeningen vind. Op zekeren dag had ik mij tus-schen hoog, droog gras neergezet, toen een mijner manschappen plotseling uitriep: „chirombo!quot; „Chiromboquot; beteekent een of ander

7

ocr page 18

HET LEVENDE BOSJE HOOI.

oneetbaar dier in het algemeen, en ik zag naar alle kanten, waar zich het dier bevond. De inlander wees op mij. Ik kon niets zien, maar hij kwam naderbij, en naar een bosje hooi wijzende, dat op mijn jas gevallen was, herhaalde hij: „chirombo!quot; In de meening dat het een of ander insect moest zijn, dat tusschen het hooi zat, nam ik het in mijne vingers, bekeek het, en zei hem scherp, dat er hier geen „chiromboquot; was. Hij lachte, en opnieuw naar het hooi wijzende, riep hij: „Moio!quot; — ,,'t Leeft!quot; Het hooi zelf was de chirombo. Ik overdrijf niet, wanneer ik zeg dat het bosje hooi niet meer op een insect geleek clan op mijn barometer. Ik was vast besloten mij nooit door een dier nabootsende misleidingen te laten foppen, en was ongeloovig genoeg, om te vermoeden dat de beschrijvingen van Wallace en van anderen wat heel sterk gekleurd waren; maar ik beken oprecht dat ik volkomen bekeerd en geslagen werd door den allereersten nabootsenden vorm, dien ik zag. Het was een van die zeer merkwaardige familie der Phasmidae, doch stellig kon nergens in de natuur zulk een ander schepsel zijn. Neem een paar duim gedroogde, gele grasstengels, zooals men er gebruikt om door de steel van een pijp te halen; neem dan zes andere stengels, bijna even lang en een vierde zoo dik, buig ze allen in 't midden, in welken hoek gij wenscht, steek ze in drie tegenovergestelde paren, op welken hoek gij verlangen mocht, op den eersten grasstengel den beste, en ge hebt mijn chirombo.

Wanneer ge hem vangt, zijn zijne ledematen aan eiken hoek ineengedraaid, alsof het geheel gemaakt is van één langen stengel van het fijnste gras, dat op een dozijn plaatsen gedraaid, en dan zacht saamgedrukt is tot een wanordelijken hoop. Heeft hij eenmaal een stand aangenomen, dan beweegt of wijzigt hij, ten gevolge van een wonderbaarlijk instinct, nooit een zijner vele hoeken, zelfs geen halven graad. De wijze, waarop dit insect de oogverblinding volhoudt, is inderdaad even verwonderlijk als de nabootsing zelve; gij moogt het naar alle kanten keeren en wenden: het is en bliift louter gedroogd gras, en niets zal het er toe brengen, om door het flauwst vermoeden eener plotselinge beweging zijn verwantschap met het dierenrijk te bekennen. Al zijne familieleden hebben deze

8

ocr page 19

GBASSTENGf EL-INSECTEN.

macht om zich dood te houden; maar hoe zulke uitgemergelde en vochtlooze geraamten u in den waan kunnen brengen, dat zij in leven zijn, is het wezenlijke geheim. Deze Phasmidae zien er meer uit als geesten dan als levende wezens, en zóo taai zijn zij, dat, als men ze voor de verzameldoos tracht te dooden, de sterkste kneep tusschen vinger en duim niet meer vat op hen heeft dan dit op staaldraad zou hebben. Men dient ze dus tegen eene of andere harde zelfstandigheid half te verpletteren, voor het weinige leven dat zij hebben, aan de wetenschap geofferd is.

Ik onderzocht na deze nog vele duizenden Phasmidae, Mantidae en andere nabootsende vormen, en stellig is er in de natuur geene merkwaardiger of belangwekkender studie. De grasstengel-insecten leven uitsluitend tusschen het lange gras, dat in de bosschen veelvuldig voorkomt en dikwerf eene hoogte van acht of tien voet bereikt. Gedurende drie vierendeels jaars krijgt het door de zon eene stroogele kleur, en zijn al de insecten eveneens gekleurd. Alhoewel geel de grondtoon van dit gras is, heeft men veel afwisseling daarbij, voornamelijk tegen de laatste helft van het jaar. Of zij zijn hier en daar met rood en bruin getint, gelijk de herfstkleuren in Europa, of zij zijn gestreept en gevlekt met zwarte of andere merkteekenen, die het naderend verval aankondigen. Al deze verschijnselen worden nauwkeurig door de insecten nagebootst. Om de misleiding volkomen te maken, stelt bij sommigen de antennae grassprietjes voor, die dikwerf een tot twee duim lang zijn en aan het eind van het lichaam, een aan eiken kant, uitsteken, gelijk grashalmen aan het eind van een stengel. De lievelingshouding dezer insecten is een grashalm vast te klampen, alsof zij tegen een paal klauterden; dan wordt het lichaam tegen den stam gedrukt en in positie gehouden door de twee voorpooten, die zoo ver naar voren zijn uitgestrekt, dat zij ééne lange lijn met het lichaam vormen, en zoodanig met den stengel vereenzelvigd zijn, dat zij er als 't ware een deel van uitmaken. De vier andere pooten staan in stijve houding, terwijl de voelhorens van boven zijn opgericht.

Wanneer een dezer insecten naar een nieuwen grasstengel springt, verdwijnt het als 't ware plotseling voor uwe oogen. Het blijft daar

9

ocr page 20

NABOOTSING VAN SCHOBS.

volkomen stijf, als een samenstellend deel van het gras zelf, met zijn lange ledematen even krom en vertakt als gedroogd hooi, geheel hetzelfde in kleur, hetzelfde in fijnheid, en onmogelijk te ontdekken. Deze halmen zijn, evenals ledematen en lichaam, afwisselend gekleurd in overeenstemming met jaargetijden en gewoonten. Wanneer het gras met de herfsttinten prijkt, zien zij er eveneens uit; de kleuren doorloopen menige schakeering, van het zuivere schitterende rood, zooals de vinnen eener baars, tot de diepere donkerroode kleuren, of het donkere goud van port. Doch een nog zonderlinger feit blijft ter vermelding over. Na het regenseizoen, wanneer het nieuwe gras met zijne levendige kleuren opkomt, schijnen deze insecten van verdord gras alle te verdwijnen. Hunne kleur zou hun nu niet meer tot bescherming dienen, en hunne plaats wordt ingenomen door andere insecten, die even groen als het nieuwe gras zijn. Of dit nieuwe insecten zijn of dezelfden in lentekleedij, weet ik niet, maar ik zou denken, dat zij te zamen eene verschillende bevolking uitmaken, daar waarschijnlijk het gansche vroegere geslacht bij het einde van den zomer volledig is.

Behalve de insecten die gras nabootsen, is er een andere groote klasse, die takken, stokjes en kleinere twijgjes nabootst. De algemeenste van deze is een wandelende twijg, drie of vier duim lang, schijnbaar met mos bedekt en geheel en al met stof bevlekt, gelijk de echte tak. De nabootsing van schors is een van de grootste misleidingen in de natuur; de fijne bestreeping en de stoffige vlekken zijn nauwkeurig weergegeven, terwijl de verdeeling van het lichaam de knobbelige overgangen met verwonderlijke juistheid vertoont. Bij het vinden van een dezer insecten heb ik dikwerf een takje van een boom in de nabijheid afgesneden en de twee ter vergelijking naast elkaar gelegd; en wanneer beide gedeelteliik bedekt zijn door de handen, zoodat men slechts het gedeelte van het insectenlichaam ziet, dat geene ledematen heeft, dan is het onmogelijk om het eene van het andere te onderscheiden. De gewrichten der ledematen in deze wormen zijn knobbelig, opdat zij knobbels zouden schijnen, en de karakteristieke houdingen van het insect dragen er allen toe bij om de misleiding nog te versterken.

10

ocr page 21

NABOOTSING VAN BLADEREN.

Eene met nog grooter zorg bewerkte reeks van wormen zijn •die, welke bladeren voorstellen. Zij behooren voor het meerendeel tot de Mantis en sprinkhanen-soorten, en men vindt ze in alle vormen, grootten en kleuren, die het gebladerte in iederen graad van groei, rijpheid en verval nabootsen. Sommigen hebben het blad op hunne breede vleugelschilden in levendig groen gestempeld, met aderen en middelste vezels, en met merkwaardige uitzettingen over de borst en langs al de ledematen, ten einde kleinere bladen na te bootsen. Ik heb herhaalde malen deze wormen in het bosch niet alleen met het levende blad vergeleken, maar ook met verschrompelde, verkleurde en verdorde bladeren, en inderdaad zijn de nabootsingen der verdorde herfstbladeren even talrijk en sterk als die van den levenden worm.

Mosplanten en paddestoelen worden eveneens voortdurend door insecten tot model gekozen, en vermoedelijk is er niets in het plantenrijk, hetzij knoest, uitwas, noot, stof, schaal, doorn of schors, dat niet zijn levende tegenpartij in een of anderen dierlijken vorm heeft. De meeste motten, wormen, kevers en in het bijzonder de larvenvormcn, worden min of meer door nabootsing beschermd; en eigenlijk is bijna de geheele bevolking der tropen, hetzij op bekende of onbekende wijze, schuldig aan nabootsing. De insecten, die mos-planten nabootsen, zijn zelfs geteekend met zwarte plekjes, die zich als diepten voordoen, welke onregelmatig op den rug voorkomen, of die de anders gevaarlijke symmetrie van de met franje omzoomde zijden verstoren. De bedoeling van deze koolzwarte kenteekenen prikkelde mijne nieuwsgierigheid een poos lang. De eerste die ik zag, was een specimen van zonderlinge en zeldzame Harpax cel-laria, welke op het vuur in het kamp geworpen was, zich vastklampende aan een met mosplanten bedekt blok. Zoo uitmuntend werd de schijn bewaard, dat zelfs de inboorlingen misleid werden, totdat de schuldige zijne ware hoedanigheden verried door zijne gaasachtige vleugels op te lichten.

Doch het zou te wijdloopig worden, om al de verschillende wegen van deze aartsbedriegers te volgen, en ik zal mij alleen bepalen tot een anderen nabootsenden vorm, die, wat weloverdacht phari-

11

ocr page 22

EEN WITTE SPAT.

zeïsme betreft, de kroon spant van alle kruipende en vliegende voorwerpen. Het allereerst zag ik dien aartsleugenaar op het Tanganyika-plateau. Ik had een week lang, zonder mij van een plek te verwijderen, mij in de verdroogde bedding eener rivier opgehouden, want dit is de eenige manier om er achter te komen wat er wezenlijk in de natuur omgaat. Een troonhemel van bladeren was boven mijn hoofd gespannen, waarin vele vogels huisden, en de granietsteenen van het droge stroombed, evenals langs de oevers, waren met witte uitwerpselen dier vogels bezaaid. Op zekeren dag zag ik tot mijne verbazing een van deze plekjes zich bewegen. Het was een eenvoudige witte, spat op den steen, en toen ik naderbij kwam, bespeurde ik, dat ik mij vergist moest hebben; het was onmogelijk, en nu was het ding ook volmaakt onbewegelijk. Doch ik had het stellig zich zien bewegen en ik raakte het aan. Het was een dier. Ontegenzeggelijk was het zoo dood als een steen, op het oogenblik dat ik het aanraakte; maar men kent al heel spoedig deze fopperijen en ik gaf het een minuut of twee om levend te worden, terwijl ik er vlug eene schets van nam, voor het geval dat het door den steen mocht verdwijnen, want in dat land van wonderen weet men wezenlijk nooit wat er gebeuren kan.

Hier was het wit gedruppel van een vogel plotseling levend geworden en bewoog zich over een rots; en nu was het weer eenvoudig vogelvuil, en toch had ik als Galileo willen zweren, dat het zich bewogen had. Daartoe kwam het echter niet, en ik begon al te vreezen dat ik ten slotte gefopt zoude zijn, toen ik mij naaiden anderen kant omwendde. Zoo een of ander ongeloovige nu nog mocht willen volhouden, dat dit vogelvuil was, dan laat ik zulk een vogelspat met zes ledematen, een kop en een verdeeld lichaam aan zijn oordeel over. Het dier oprichtende, dat gedurende deze gansche proefneming geen teeken van leven vertoonde, ging ik een paar stappen achteruit en wachtte af wat er gebeuren zou. Het lag onbewegelijk op den steen; geene ledematen, geen kop, geene voelers; niets was er te zien dan een vlakke witte plek, zoo als men er precies eene krijgen kan met eene witte plek kalk. Nu bewoog het zich en de plek zou langzaam tusschen de steenen

12

ocr page 23

NABOOTSING IS GEEN TOEVAL.

verdwenen zijn, zoo ik den bedrieger niet gegrepen en voor mijne verzameling gevangen genomen had. Na dezen keer zag ik, alles bij elkaar genomen, nog een doziin van deze insecten. Zij hebben omtrent de grootte van een kwartje, zijn iets meer ovaal dan rond, en zoo wit als een sneeuwvlok. Deze blankheid hebben zij te danken aan een aantal kleine bundels van fijn dons, die uit bijna onzichtbare verhevenheden op den rug voor den dag komen. Het is een franje van dergelijke bundeltjes op zijde, die ook den rand zoo bedriegelijk op een plasje doet gelijken. De benedenzijde van het lichaam heeft in zijn geheel geene bescherming. De ledematen zijn louter draden, en de beweging van het insect is langzaam en eentonig, met herhaalde tusschenpoozen, ten einde de geheele omgeving aan zijnen onbezielden toestand te doen gelooven. Tenzij nu dit insect met zijne kleur en gewoonten niet beschermd wierd, zou het eenvoudig geen kans hebben, om in het leven te blijven. Het ligt onbevreesd blootgesteld op de naakte steenen gedurende de helderste uren van den tropischen dag, een tijd waarop bijna ieder ander dier zich schuil houdt. De echte vogeldroppels liggen op de steenen in 't rond en wanneer men nu de twee bij elkaar ziet, is het moeilijk te zeggen, of men het meest getroffen is door de oorspronkelijkheid van het denkbeeld, dan wel door de buitengemeene stoutmoedigheid, waarmede de rol volvoerd wordt.

Het zal uit deze korte aanteekeningen duidelijk worden, dat nabootsing niet een toevallig of zeldzaam verschijnsel is, maar dat zij onafscheidelijk deel uitmaakt van de huishouding der natuur. Het is niet eene toevallige betrekking tusschen eenige voorwerpen, maar een zoo ver uitgestrekt stelsel, dat waarschijnlijk het geheele •dierenrijk er min of meer in begrepen is.

Men mag het ook voor zeker aannemen, dat een zoo alom verspreid en welgeslaagd plan gegrond is op een of ander gezond nuttigheidsbeginsel. Dat beginsel, dunkt mij, is waarschijnlijk zijne spaarzaamheid. De natuur doet alles zoo eenvoudig mogelijk, en met de geringste uitgave van materiaal. Ga nu eens de ontzaglijke besparing van spieren en zenuwen, van instinct en geestkracht na, •door het leven van een dier afhankelijk te maken van lijdelijkheid

13

ocr page 24

WEGLOOPEN VAN DRAGERS.

in plaats van werkzaamheid. In stede van weg te moeten loopenr heeft het dier zich eenvoudig stil te houden; in stede van te-moeten strijden, heeft het zich slechts te verschuilen. G-eene wapenrusting is er noodig, geen krachtige spieren, geene machtige vleugelen.

Eenige vlekjes verf, een kleine vervorming van borst en buik, eene vlugge wending van antennae en ledematen, en de zaak is in orde.

Tot zoover de belangwekkende waarnemingen van den Engelsch-man, die een jaar of wat vóór Dr. Peters eene reis door Centraal-Afrika ondernam.

Wij voegen ons nu weder bij onze expeditie door het schoone Kikuyu en luisteren opnieuw naar hetgeen Dr. Peters omtrent dien tocht vertelt.

De wegen, zoo gaat het reisverhaal voort, loopen hier meestal over de ver uitgestrekte heuvelen. Hadden wij de hoogte bereikt, dan werd ons steeds het uitzicht op de trotsche en ernstige vormen van den Kenia vergund, die zich al duidelijker in het Noorden vertoonde. De Wakikuyu grepen begeerig naar de bonte en witte stoffen, welke wij bij ons hadden, en brachten ons daarvoor tal van hoenders, melk en honig, ook heel veel koren, zoodat blanken en zwarten zich aan de schatten van dit heerlijke land te goed deden.

Kikuyu is ongetwijfeld de parel van de Engelsche bezittingen, wanneer men Uganda niet mederekent. Het is maar jammer, dat dit koele en vruchtbare land zoo ver van de kust ligt, anders zou het stellig uitmuntend geschikt zijn voor eene kolonie van Euro-peesche boeren.

Den 17en December naderden wij de westelijke grens van Kikuyu. Ik had dezen morgen beproefd om 15 nieuwe dragers tot Baringo aan te nemen. De brutale kerels, die door de ondervinding dei-vorige dagen niets geleerd hadden, verkeerden in den waan, dat zij ons zoodanig bij den neus konden nemen, dat wij hun de bonte en witte stoffen nu reeds zouden geven en zij er zich dan dadelijk mee uit de voeten zouden kunnen maken. Doch op een dergelijke poging hunnerzijds was ik natuurlijk voorbereid. De wegloopers werden door eenige schoten dadelijk getroffen en het gelukte ons,

14

ocr page 25

DE SCHUCHTERE VOLKSMASSA.

nog elf van die heerschappen te grijpen en behoorlijk te ketenen, zoodat zij nu tegen wil en dank besluiten moesten met ons den tocht naar de door hen zoo verafschuwde Massai-landen te aanvaarden.

Dit had plaats te midden eener volksmassa, welke geene dui-

zenden, maar zeker tienduizenden telde, gelijk over het algemeen Kikuyu ontzaglijk dicht bevolkt is. Maar zóó bang en schuchter was die menigte, dat zij het niet waagde ons aan te vallen, niettegenstaande wij toch slechts een vijftigtal menschen telden.

Wij werden begeleid door den opperpriester, die met alle mogelijke geheimzinnige plechtigheden de bruggen inzegende, waarover wij gingen, en de wegen besprenkelde. Ook gaf men ons den raad,

15

ocr page 26

DE WATEREN VAN KIKUYU.

elk oogenblik bij een dubbelen weg te spuwen, om, gelijk de Wakikuyu zeiden, het kwade lot af te wenden, naar ik vermoedde: om van de kwade geesten verlost te worden.

Nu trokken wij nog langs eene reeks kralen en weiden voorbij, met den Kenia in het blinkende zonlicht ter rechterzijde. Van lieverlede hield het bebouwde land op. Een dicht woud sluit Kikuyu van het land der Massai af. Lianen strekken zich overal uit en scherpe brandnetels maken een tocht bezijden het pad letterlijk onmogelijk.

Voor het eerst sedert eene week zagen wij hier weder groote kudden wild. Hier zetten wij ons neder en namen afscheid van de ons vergezellende hoofden der Wakikuyu. Slechts drie wegwijzers nam ik verder met mij mede, die ons uit het oerwoud moesten brengen op de hoogvlakten van Leikipia tot aan de grenzen der Massai-landen. In het westen verhieven zich scherp en duidelijk de bergen van het Naiwascha-meer, door de Massais Subugu la Poron genaamd. Kechts prijkte, aanhoudend zichtbaar, de Kenia, een onschatbaar merkteeken voor het verder vervoer der expeditie. Daar ik wist, dat hij precies op den eaquator ligt en dat het Baringo-meer, waar ik me heen begaf, zich omstreeks V'10 noordelijk bevindt, had ik, de behoefte aan water daargelaten, met het bepalen der marschroute in de eerstvolgende weken geenerlei moeilijkheden.

Aan den zoom van het woud, op eene tweede lichte plek van het bosch, liet ik tegen den middag het leger opslaan bij een waterpoel, waaruit mijne karavaan het noodige scheppen kon. De wateren van Kikuyu loopen gezamenlijk in de Tana uit. Wij stonden nu aan eene waterafscheiding, daar wy dezen dag aan het stroomgebied der Guaso Nyiro kwamen, welke uit de bergen van het Naiwascha-meer naar het Noorden loopt, langs den Kenia en de Endika-bergen voorbij, waar hij zich naar het Oosten omwendt. Wij stonden hier den 17en December aan eene watergrenslijn, van waar een gedeelte naar het Noorden loopt, doch vlak daarnaast de van den Kenia ontspringende Tana zich naar het Zuiden heenspoedt. De Tana draagt in Kikuyu den naam van Sagana; de Kenia heet Kilenia, hetgeen overeenkomt met Kilima of berg.

16

ocr page 27
ocr page 28
ocr page 29

WINTERKOUDE.

Op dezen dag verlieten ons de wegwijzers der Wakikuyu, die ons verder van geen nut meer konden zijn, daar zij het gebied van het Leikipia-plateau, dat door de Massais wordt bewoond, niet kenden.

De thermometer daalde dezen nacht tot 2 graden onder nul, inderdaad echt kerstmisweder voor den feesttijd, die nu aanbrak. De licht gekleede manschappen klaagden luide over de koude, en ook ik, ofschoon ik in een wollen deken gewikkeld was, wollen ondergoed droeg en mijn winterjas over mij uitspreidde, werd van nu af geregeld tusschen 3 en 4 uur wakker, bibberend van de koude.

Als wij des morgens door het met rijp bedekte gras liepen, drong de kou ons letterlijk de voeten in, niettegenstaande wij wollen kousen en hooge laarzen droegen. Wanneer dan echter de zon hooger klom, hadden wij het heerlijkste Europeesche Augustus-of September-weer. De lucht was boven zoo dun, dat het oog tot op onmetelijken afstand kon doordringen. Als het ware tastbaar kwam een heuvel, een boom, ja zelfs een blad aan den boom tegen de kristallen lucht af. Het wild, dat in dichte groepen aast, scheen zoo tastbaar nabij te zijn, dat men onwillekeurig altijd aanlegt om het neer te schieten. Maar jawel! De kogel gaat niet verder dan de helft van den afstand.

Aan onze rechterzijde behouden wij echter den geheelen morgen den Kenia, die met zijne ijskroon zich trotsch en voornaam boven de hem omgevende hoogten verheft. Kuisch en rein staat hij daar, en onwillekeurig heft hij de ziel uit de kleingeestige zorgen en ge dachten van het alledaagsche naar den Eeuwige omhoog. Klimt de zon tegen den middag tot het toppunt, dan verheft zich ook de temperatuur tot op 30 graden boven nul. Maar nu begint de Kenia zijn ijshoofd in de wolken te verbergen, en spoedig tegen den namiddag valt er een hagelbui of een plasregen op ons leger neer, waardoor de temperatuur weder tot op 17—30° 0. afgekoeld wordt, zoodat wij van vijf uur af onvriendelijk en koud November-weer hebben.

Zoo gaat de tocht door het Leikipia-plateau voort, zoo lang wij

ons onder den Noordoostmoussson bevinden, die van den Kenia

11. 2

17

ocr page 30

HET KBNIA-PLATEAXJ.

neerstrijkt. Dit gansche land heeft iets spookachtigs en bovenaardsch. Wij bevinden ons hier misschien op het oudste stuk der aarde, dat zeker sedert millioenen jaren de zon in het aangezicht heeft gezien. Leikipia stond boven de oppervlakte der zee, sedert Zuid-Amerika tweemaal onder de golven bezweken is, en zoo staart het den beschouwenden wandelaar ook aan. Het ziet er uit als eene stokoude, rimpelige vrouw, levensmoede en uitgeteerd, die ook harerzijds bereid is, liever vandaag dan morgen, opnieuw in den verkwikkenden afgrond des doods onder te gaan.

Rechts en links heeft het stokoudje zijne eveneens oude zonen neergezet: Subugu la Poron en den Kenia. Maar Kenia is de eerstgeborene. Hij draagt de koningskroon, die als diamanten vonkelt, en bij hem is de zetel der donkere wereldgestalten, die hier hunne snoode plannen smeden en uitvoeren. Op den Kenia woont, naar de opvatting der Massais, de Godheid zelve, en ongenaakbaar onttrekt zich deze godenzetel aan elke aanraking met het eindige.

Den Kenia met zijne 28000 voet hoogte te beklimmen, zal een waagstuk zijn, dat slechts de koenste en stoutmoedigste Alpen-beklimmers zouden kunnen beproeven. Hadden de Hellenen den Kenia aanschouwd, zij zouden den Olymp onttroond en de woning van den Eeuwige naar hier overgebracht hebben.

Dit plateau bereikten wij den 18eri December, vervuld van al het geheimzinnige en dreigende van dit vreemde landschap. Den 19en December hadden wij nog eene reeks bosschen door te trekken, langs tal van ruischende beekjes, die hun vulkanische steenen naar het Noorden brachten. quot;Wij sloegen op dezen dag ons leger aan de Guaso Nyiro op, welke, diep in vulkanisch gesteente loopende, links langs den Kenia noordwaarts stroomt.

Ik besteeg des namiddags een heuvel, die den omtrek beheerscht. Daar strekte zich op eenmaal de blik in de onmetelijke vlakte van het Noorden uit. Het land is licht golvend, en niets belemmert het vorschend oog. De fantasie wordt levendig, en men meent tot Abyssinië en Egypte te kunnen zien. Natuurlijk is dit een gezichtsbedrog, veroorzaakt door de volstrekte doorschijnendheid en lenigheid der luchtzee.

18

ocr page 31

EENE UITGEZOCHTE LEGERPLAATS.

Ik besloot, deze steppe eerst in noordelijke richting door te trekken, totdat de Kenia zuidoostwaarts van ons lag, mij dan vervolgens naar het westen te wenden, om een der zuidelijke zij-stroomen naar het Baringo-meer te nemen.

Het land scheen verlaten. Op de toppen der heuvels staken de eigenaardige omheiningen der Massai-kralen uit. Menschen waren er niet te zien. Dit alles moest het onaangename karakter van het landschap nog zooveel mogelijk bevorderen. Het gevaar bij dit trekken door een land zonder wegen en zonder gidsen, die het terrein kennen, ligt hoofdzakelijk in de waterquaestie. Het vinden van water is geheel en al toeval. Hoe kon ik, wanneer ik 's morgens met mijn leger opbrak, weten waar en of ik zelfs wel water vinden zou. Met dit doel placht ik in deze dagen altijd minstens één marschuur met eenige manschappen vooruit te gaan en overal uit te zien naar den loop van een beekje of een poel van staand water.

Den 20en December gelukte het mij intusschen, mijn doel op uitnemende wijze te bereiken. Wij legerden dezen dag ten oosten van den Kenia aan een bijstroom van de • Guaso Nyiro, de liefelijkste legerplaats, die wij op de geheele expeditie nog gehad hadden. De oever is hier omzoomd door malsch gras, dat in den herfst alle mogelijke kleuren aanneemt. Dit tapijt is hier en daar met schilderachtige boomengroepen bedekt, waaronder accacia's in het bijzonder uitkomen.

Om zijne liefelijkheid heb ik dit dal, dat ik reizigers, die na mij mochten komen, ten zeerste aanbeveel, Margaretha-dal genoemd. Deze naam kwam mij in de gedachte, toen ik bij den terugkeer van eene verkenning naar het noorden een blik wierp op het bekoorlijke beeld mijner legerende karavaan, die aan 't koken was, op de weidende kudden, de kameelen en ezels, en op de vergenoegde menschen.

In den namiddag van den 20en December, juist toen ik een bericht voor Duitschland schreef, waarin ik meldde, dat Leikipia verlaten scheen te zijn en dat het al den schijn had alsof de Massais voor ons de vlucht genomen hadden, wierp de Kenia voor

19

ocr page 32

DE MASSAI-WEGr.

de laatste maal toch weder zulk een hagelbui op mijn tent, dat alles kort en klein dreigde te worden gebeukt, alsof de groote berg mij bij de ooren wilde grijpen over den waan waarin ik verkeerde. De Kenia, wiens zonen de Massais zich noemen, kende zijne kinderen beter! Hij wist heel goed, dat zich deze voor niemand, het allerminst voor eene kleine expeditie als de onze, zouden terugtrekken, en hiervan zouden wij den volgenden dag overtuigd worden.

Vóór ik met mijn relaas voortga, heb ik eene korte uitweiding over de richting der door mij aangevoerde Duitsche Emin Pacha-expeditie hier in te lasschen. De Massai-weg gold vóór mijne expeditie in het algemeen als praktisch bijna onbegaanbaar. Men had eene sterk overdreven voorstelling van de gevaren van dezen weg. Stanley had dan ook, met het oog op al deze moeilijkheden, besloten, den grooten omweg om de Kaap en den Congo te maken, niettegenstaande hij toch, met ons vergeleken, over ontzaglijke middelen beschikte en op den steun van alle offlcieele kringen, die in Afrika aan het werk zijn, kon rekenen. Men heeft mij een gezegde van Stanley meegedeeld, volgens hetwelk deze van meening was dat, om met de wapenen in de hand door de Massais te komen, men eene macht van ten minste 1000 Europeanen achter zich moest hebben. Aldus werd de toestand nog door zeer velen beschouwd. Zoowel Wissmann als Eeichardt verklaarden dat de weg door het Massai-land onuitvoerbaar was, en Wissman vooral had, toen hij zijn plan omtrent den te volgen weg langs de Tana uiteenzette, het trekken om het Massai-land als van zelf sprekend daarbij opgenomen.

Deze beschouwing moest ook wel aannemelijk schijnen, wanneer men de berichten der beide reizigers las, die tot nu toe door het Massai-land getrokken waren, namelijk van Dr. Fischer en vooral van Thomson.

Thomson voerde in het Massai-land eene expeditie aan, waarmede onze karavaan vergeleken allerbelachelijkst moest schijnen, en toch had hij zich in dit land eene behandeling laten welgevallen, welke naar de Europeesche begrippen niet alleen onbehoorlijk, maar zelfs onwaardig zoude genoemd worden. Daarvoor vindt men in de

20

ocr page 33

HOUDING TEGENOVER DE BEVOLKING.

beschrijving zijner reis bewijzen in overvloed. Thomson dacht door allerlei grappen en verzinsels indruk op de Massais te zullen maken; zoo gaf hij zich o. a. voor een groot toovenaar uit, nam het valsche gebit uit zijn mond en zette het er weer in; zoo maakte hij van zeker poeder bruisende limonade en beweerde, dat de duivel er in zat. Doch het gelukte hem niet. Ik zelf heb beproefd, den Massais door woudbranden, door donderbussen, ja zelfs door eene volledige zonsverduistering, die toevallig op den 23en December plaats vond, ontzag in te boezemen, maar ik heb ondervonden, dat alleen en uitsluitend kogels uit onze repeteergeweeren en buksen, en dat wel op hen zelve gericht, ontzag op hen konden uitoefenen.

De uitkomsten van al die pogingen, welke Thomson aanwendde, waren er dan ook naar. Ik voer hier het een en ander uit zijn reisboek aan, om dit duidelijk te bewijzen. Ik doe dit aan den eenen kant, om aan te toonen, welke opvatting de Massais in deze streken van de blanken moesten hebben, en aan den anderen kant, omdat ik omgekeerd mijnerzijds bij de eerste ontmoeting met de Massais eveneens onder den indruk dezer beschrijving van Thomson stond. Doch ik was vast besloten, er mocht dan van komen wat er wilde, om eene dergelijke houding tegenover mij volstrekt niet te dulden.

De Massais hadden Thomson o. a. verboden, op hun grond en bodem te schieten. Nu vertelt Thomson zelf het volgende:

„Ofschoon er ossen waren, die de tegenwoordigheid van Massais op een afstand van ongeveer een mijl deden vermoeden, zoo besloot ik toch, met het oog op onzen hongerigen toestand, een schot te wagen.quot;

Het dier valt, de bediende van Thomson vliegt er onmiddellijk op af en snijdt er dadelijk een stuk vleesch uit, om het rauw op te eten. Thomson vertelt nu verder:

„Ik werd in mijn luid verzet en bedreigingen gestoord door waarschuwende stemmen, en toen ik mij omkeerde, zag ik mijne manschappen in de richting van de kraal der Massais wijzen. Nu zal 't er gaan spannen, dacht ik bij mij zeiven, toen ik groote massa's van krijgslieden met hunne flikkerende speren in allerijl op ons zag

21

ocr page 34

Thomson's belaas.

toesnellen. Ik liep dadelijk naar mijne manschappen terug, terwijl Braim een groot stuk van den zebra meenam. De krijgers waren spoedig bij ons, en in antwoord op hunne kreten bleven wij staan en trokken ons bijeen. De Elmoran eischten op woeste manier opheldering. Toen zij hunne groote speren in den grond stieten, vroegen zij ons, of wij wenschten te vechten. Zoo ja, dan waren zij bereid. Wij zetten dadelijk ons deemoedigste gezicht op en hielden ons alsof we allervreeselijkst ontsteld waren en het diepste berouw hadden over hetgeen er gebeurd was. Het speet ons erg, zeiden wij, dat wij zoo tegen hunne gebruiken gezondigd hadden. Maar wij hadden het slechts gedaan, om een bijzonder gedeelte uit de darmen van het vee te krijgen, dat we noodig hadden, om zeker toovermiddel te bereiden. Het nam niet weg, dat wij hun door allerlei geschenken uit onzen voorraad, die zoo allertreurigst aan 't verminderen was, moesten bevredigen, en eerst toen namen zij er genoegen in, om ons ongestoord te laten gaan.quot;

Een weinig verder vertelt Thomson van de Massais uit de streek, waar wij nu binnentrokken:

„De Massais werden zóo onbeschoft, als ik nog nooit ondervonden had. Zij ontzagen zich niet. om ons staande te houden en met hunne speren tegen onze borst om kralen te vragen.

„De Massais waren in groot aantal en bleven voortdurend zoo hatelijk en onverdragelijk, dat het om gek te worden was. Zij speelden met ons als de kat met de muis en het einde zou ongetwijfeld volkomen hetzelfde geweest zijn, als niet eene zekere geheimzinnige vrees en ontzag, die zij voor mij als bovenaardsche macht hadden, hen teruggehouden had (zoo althans verbeeldt zich deze reiziger). Ik moest maar voortdurend voor hen te pronk staan, hunne smerige handen drukken, als het hun goed dacht, mijn gebit uit den mond nemen om door hen te laten bewonderen en op hen spuwen, om hun te toonen, dat ik niet kwaad op hen was.

„Ook werd ik bijna van alles beroofd. De krijgslieden waren strijdlustig, en het kleinste ongeval had het teeken voor een algemeen bloedbad kunnen worden. De Massais bevalen ons, hen niet al te na te komen, totdat zij het over mij onderling eens

22

ocr page 35

OOESPEONGr DEK MASSAIS.

geworden waren. Eindelijk, na eene gevangenis van vier dagen, waren wij zeer verheugd te vernemen, dat wij verder konden gaan.quot;

Thomson vertelt verder nog dat een Massai hem op zekeren dag bij den neus pakte, om te zien, of die even los zat als zijne tanden; dat op een anderen dag de Massais zijne schildwacht afmaakten, en dat hij toen gedwongen werd, omdat er bloed op hun bodem gestort was, nog bovendien belasting aan hen te betalen.

Dat alles was er voorgevallen tusschen den eersten blanke en den hoogmoedigen Massai-stam, dien ik den volgenden dag ontmoeten zou.

Langen tijd heeft men gemeend, dat de Massais tot het groote hamitische ras in het Noordoosten van Afrika behooren, en met Somalis en Gallas verwant zijn. Uit latere onderzoekingen is echter gebleken, dat zij tot een ras in Centraal-Afrika uit de streken van den boven-Nijl en het Mambuttu-land behooren. Evenals bij de hunnen van Attila en andere zwervende volken hebben zich ook bij hen de eigenschappen van roofzucht en bloeddorst op de sterkste wijze ontwikkeld. De dagelijksche vleeschkost waarmee zij zich voeden, heeft hunne natuurlijke wildheid nog doen toenemen en de verstomping van het gevoel, welke bij lieden moet ontstaan, die sedert eeuwen het huisdier, dat zij zelf opgebracht en verzorgd hebben, koelbloedig slachten en opeten, toont zich hier in de hoogste mate. Een herdersvolk, waar de herder niet tegelijkertijd de slachter van zijn vee is, zal zachtmoedig van aard zijn, gelijk het ons door de dichters zoo menigmaal beschreven is. Maar waar de herder van geslacht tot geslacht tegelijkertijd de slachter van zijn vee is, zoo als dat bij de Mongolen op de hoogvlakten van Centraal-Azië en bij de Massais op de vlakten van Centraal-Afrika het geval is, daar moet van lieverlede het gevoel verstompen en het hart zwijgen. Deze wet heeft te allen tijde de herders der nomaden-stammen tot de wildsten uit het menschelijk geslacht gemaakt, gelijk wij ze in Europa door figuren als Attila en Dschingis Chan belichaamd hebben gezien.

Er komt bij, dat zulke rassen door de eigenaardigheid hunner bezigheden nooit lang op de zelfde plek kunnen blijven. De groote

23

ocr page 36

KARAKTER VAK HET RAS.

kudden, welke zij bezitten, vorderen eene voortdurende veranderingvan woonplaats. Terwijl de akkerman gedwongen is, op zijn plek gronds, waaraan zijn hart hangt, stevig te blijven zitten, geeft de zwerver niet het allerminst om het bekoorlijke van een eigen thuis. Daar, waar weiland voor zijn vee is, waar water om te drenken voorhanden is, trekt hij met zijne kudden heen, en dit zwerven van de jeugd af maakt hem dan ook van eene andere zijde weder geschikt voor krijgstochten.

Aldus zijn de Massais de schrik van heel oostelijk Afrika geworden. Woonachtig op de hoogvlakten oostelijk van de meren, waar winter en zomer, niet in den loop van 12 maanden, maar in den loop van 24 uren jaar uit, jaar in naast elkaar wonen, waar de winter den nacht voor zich genomen heeft en de hitte der tropen op den dag heerscht — daar is hij verhard tegen alle verrassingen van het weer.

Vlug ter been spoedt hij zich door de steppen tot in de rijke landen der Bantu in het Zuiden, ja, zelfs tot in de kustplaatsen. In overeenstemming met zijn karakter, heeft hij zich een eeredienst gevormd, volgens welken de Massais zonen der Godheid zijn en een natuurlijk, hun door God geschonken recht op al het vee der aarde hebben. Hij, die niet tot het Massai-ras behoort en in wiens bezit vee wordt aangetroffen, is derhalve den dood schuldig, en zonder mededoogen vermoordt de Massai niet alleen de weerbare mannen, maar ook jonge kinderen, meisjes en grijsaards. Slaven uit andere stammen versmaadt hij geheel en al.

Maar, wanneer hier ook alle voorwaarden voorhanden zijn, om de wilde en ruwe eigenschappen van den man tot volle ontwikkeling te brengen, zoo is toch ook bij de Massais aan den anderen kant de veredelende invloed merkbaar, dien het bewustzijn van het heer-schen overal bij de volken doet ontstaan. Gewoon dat alles rondom hen bij den naam van „Massaiquot; rilt en beeft, is onder de krijgslieden van den stam een natuurlijke trots ontstaan, dien men aristocratisch zou kunnen noemen. Als jonge hoogmoedige adellijken zijn mij de Massais van het eerste oogenblik af te gemoet getreden. Voor hén bestaat er slechts ééne bezigheid, dat is de oorlog en

24

ocr page 37

SCHEIDING VANquot; GEHUWDEN EN ONGEHUWDEN. 25

het beschermen der kudden. Alle andere bezigheden, zoo als: handel met doortrekkende karavanen en het maken van wapens en gereedschappen, het eigenlijke drijven der kudden — dat alles wordt door de Wandorobbo gedaan, eveneens een Massai-soort, die met de oorlogzuchtige stammen hier samen wonen.

De aangeboren oorlogzuchtige en hoogmoedige geest der Massais wordt nog aanzienlijk versterkt door de eigenaardige huiselijke verhoudingen en de inrichting van dezen stam. Deze inrichting is geheel en al aartsvaderlijk, zoo als wij die uit het Oude Testament kennen. De oudsten zorgen voor de groote aangelegenheden van den stam en vertegenwoordigen dezen in de buitenwereld. Het huisgezin en de daaruit voortgekomen stam vormt één geheel, en hierdoor heeft zich hier, gelijk overal in dergelijke toestanden, de bloedwraak in haar zuiversten vorm ontwikkeld. Wordt een uit den stam door een lid van een anderen stam vermoord, dan wordt omgekeerd op den anderen stam wraak genomen, onverschillig of daarbij de moordenaar of een ander getroffen wordt.

Maar, wat in het Massai-dom geheel eigenaardig schijnt te zijn, dat is de scherpe maatschappelijke scheiding der getrouwden en ongetrouwden. De ongehuwde Massai, Elmoran geheeten, is vóór alles krijgsman. Hij mag zich alleen met melk of met vleesch, in elk geval slechts met dierlijk voedsel voeden, en wel mag hij slechts het een óf het ander gebruiken. Wil hij van den melkkost tot den vleeschkost overgaan en omgekeerd, dan moet hij vooraf een braakmiddel innemen, opdat het verschillend voedsel in zijn maag niet bijeen zal komen.

Voorts houdt hij er veel van, om het bloed uit een levenden os te zuigen, wien dan eerst een gat in den hals of in den nek gesneden wordt, waaruit de Massai-krijger volop bloed drinkt, om het gat later weder met een bosje gras dicht te stoppen. Plantaardig voedsel is alleen aan de gehuwde Massais en aan de vrouwen veroorloofd. Voor den soldaat schijnt dit te slap. Maar op de groote vlakten, ver van de grenzen waar andere stammen akkerbouw drijven, is dit zeker ook voor het ouder gedeelte der bevolking een zeer zeldzame afwisseling van den dagelijkschen melkkost. De melk wordt

ocr page 38

DE ELMOEAN.

voornamelijk zuur gedronken in den vorm van wei en is ongetwijfeld een zeer gezonde en smakelijke kost.

Als men een Massai-kraal binnentreedt, dan ziet men dezen kos-telijken drank in een aantal pompoenen in de hutten van leem en koemest tegen de wanden staan in verschillende graden van verzuring.

De Elmoran, de ongehuwde Massai-krijgsman, woont in afzonderlijke dorpen. Het meisje kiest voor haar man diengene, die het wildste en moedigste den slag aanvaardt, die het grootst aantal vijanden neervelt, en de grootste massa vee buit maakt. Dit is dus een groote prikkel voor den oorlogzuchtigen, roofgierigen geest der Elmoran. Zoo doet dan ook teedere genegenheid van den Massai-kriigsman hem dikwerf naar zijn speer grijpen en op buit uitgaan.

Terwijl de Massai-krijgsman zich bijna geheel naakt vertoont met de mooie lans in de rechterhand, en in den linkerarm het breede schild, dat bijna het geheele bovenlichaam bedekt en met wapens beschilderd is, soms een kort dierenvel met kralen geborduurd over de schouders geworpen, dat tot op de heupen naar beneden valt, zijn de meisjes daarentegen zeer voegzaam tot den hals in dierenvellen gehuld, zoo als ik dit bij al de krijgszuchtige en fiere stammen van Noordoostelijk-Afrika gevonden heb.

Op den 21en December zou mijne eerste persoonlijke kennismaking met dit merkwaardig ras plaats hebben. Ik had op dezen dag den koers mijner espeditie noord-noordwestelijk gehouden, om de bergen, die van het Naiwascha-meer naar het Noorden uitloopen, een weinig te naderen. Toen ik onderweg met Hussein en twee mijner bedienden alleen voor de karavaan trok, stiet ik op groote kudden zebra's, waarvan ik er twee neerschoot. Bij de gevallen dieren liet ik een bediende achter, om aan de aanrukkende karavaan de boodschap over te brengen, dat zij de dieren zouden slachten en het vleesch mee naar het leger te nemen. Ik alleen trok met Hussein en Eukua verder om naar water voor onze legerplaats te zoeken.

Onderweg deelde mij Hussein mee, dat de Somalis om zebra's niets gaven, en ik beloofde hem dus, dat ik voor de Somalis een

26

ocr page 39
ocr page 40
ocr page 41

EERSTE ONTMOETING MET DE MASSAIS.

antiloop zou schieten. Tegen 11 uur kwamen wij aan een stroomloop, dien wij later als Gnare G-obit beschouwden. Met eenige moeite gelukte het, een overgangspunt te vinden, waarop ik Rukua terugzond om de karavaan naar hier te brengen. Ik zelf maakte voor mijnheer v. Tiedemann een blad papier aan een boom vast, met de opdracht, op deze plek het leger te laten opslaan, en begaf me toen in noordelijke richting verder, om de beloofde antiloop voor Hussein te schieten. De Gnare Gobit is in zijn geheelen loop door bosch omlijst, hetwelk zich echter niet over het door de rivier besproeide gebied uitstrekt. Bij deze smalle woudstreep aan den stroom zou het leger opgeslagen worden en hier begaven wij ons nu in om op antilopen te jagen. Dat bosch zal op de linkerzijde ongeveer 100 meter breed zijn. Wij hadden het nog niet doorkruist, toen ik op eene lichte plek aan de linkerhand plotseling groote massa's rundvee opmerkte. Op eene hoogte aan gene zijde van het woud zag ik eveneens ontzagwekkende kudden.

Ik maakte Hussein hierop opmerkzaam, die mij ook dadelijk in gebroken Engelsch meedeelde, dat hij veel mannen zag. Dit konden slechts Massais zijn. Ik floot een deuntje en meende dat het beter was om nu de antilopenjacht maar te laten rusten. Het scheen mij nu veel beter toe, om naar de legerplaats terug te gaan en de aanrukkende karavaan daar te verwachten.

Nauwelijks hadden wij den boom met het vel papier voor Tiedemann weder bereikt toen op eens vroolijk zingend: „O ho! O ho!quot; van deze zijde der rivier en van boven en beneden den stroom aan de overzijde, in groepen van drie of vier man, Massai-krijgslieden op ons afkwamen. Daar wij geenerlei betrekkingen met dezen Massai-stam hadden, beval ik Hussein den rug te dekken, en legde zelf op de groep aan, die regelrecht op ons afkwam. Mijn revolver had ik naast mij op den grond gelegd, om hem dadelijk bij de hand te hebben. De Massais zagen ternauwernood deze maatregelen, toen zij hunnerzijds schilden en speren neerlegden en ongewapend op vriendschappelijke wijze naar mij toetraden. Ik legde nu eveneens mijn buks neer, en met een vriendelijk „quot;Wadsakquot; begroetten mij de Massai-krijgslieden, nadat zij mij ten teeken hunner vriendschap-

27

ocr page 42

DE KRALENquot; DER MASSAIS.

pelijke gezindheid aangespuwd hadden, en eveneens Hussein Fara. Op mijn vraag vernam ik, dat ik mij in het gebied van EIbejet bevond. In een oogwenk waren wij door 12—15 jonge slanke Massai-krijgslieden omringd, die ook dadelijk een eentonig lied begonnen te zingen en een dans om ons uitvoerden.

Van lieverlede kwam nu ook tot mijne groote vreugde mijne karavaan aan, benevens eenige Somalis, die den Massais in hoogmoed niet veel toegeven en door hen ook dadelijk als gelijken werden beschouwd, terwijl geen Massai zich verwaardigde, een onzer dragers een groet te schenken.

De Massais zochten mijn manschappen ontzag en vrees in te boezemen, door hun de uitwerking van hun werpen en stooten met de lans en ook de uitwerking van de vergiftigde pijlen te ver-toonen. Ik verheugde mij er over toen ik zag, dat mijne Somalis er mee lachten, en nu op hunne beurt aan de Massais met allerlei gebaren de uitwerking der repeteergeweren trachtten duidelijk te maken.

Plotseling kwamen andere Massai-krijgers met den eisch, dat ik eene andere plek voor mijn leger zou uitzoeken, want dat dit de wadde was, waar zij gemeenlijk hun rundvee drenkten. Ik gaf den Massais te kennen, dat ik daar geen lust in had. „Overigens kunt ge uw rundvee immers toch in 't water drijven, al legeren wij hier ook.quot; Na lang dralen gaven zij toe, en zoo liet zich dezen morgen alles vriendschappelijk genoeg aanzien.

Ik nam nu mijn straks gestoord jachtplan weder op, en gaf vier mijner manschappen bevel om mij te volgen. Begeeft men zich nu uit den woudzoom, dan heeft men voor zich een vlakken, geheel met gras begroeiden heuvel, die evenwijdig met den G-nare Gobit loopt en naar het Zuidwesten en Noordoosten zacht uitvloeit. Op dezen heuvel in het Zuidwesten ligt de hoofdkraal van EIbejet, op de noordoostelijke helling der daartoe behoorende Elmoran-kraal. quot;Verdere kralen bevinden zich ook aan den rechter oever van den Gnare Gobit, en naar het Noorden zijn alle hoogten er mee bezet.

Deze kralen zijn deels slechts samengesteld uit ronde leemen hutten, welke van binnen open zijn, deels zijn zij ook, behalve de

ocr page 43

VOOR DE POORTEN VAN ELBEJET.

buitenwanden dezer hutten, nog met eene omheining van doornen en struikgewas omgeven, die soms wel 1 meter dik en 3—4 meter hoog is. Door deze omheining voeren deuren naar binnen, en naar Afrikaansche begrippen is zulk eene omheinde plaats, als ze goed verdedigd wordt, onneembaar. De Massais, die op hunne rooftochten altijd zonder omheining slapen en slechts op hunne waakzaamheid vertrouwen, hebben in hun eigen land ter beveiliging van vrouwen en vee de beste omheining, welke men misschien in heel Afrika vindt, en ook hierin toont zich de praktische oorlogzuchtige zin van het volk.

Aan de hellingen van den heuvel bij den Gnare Gobit graasden duizenden runderen en schapen, bewaakt door Elmoran-krijgslieden of ook door Wandorobbo. De Elmoran zijn uitsluitend met lansen en schild, de Wandorobbo en oudere Massais met pijl en boog gewapend.

Onze komst voor de poorten van Elbejet bracht natuurlijk groote opschudding te weeg. Van alle kanten kwamen er krijgslieden aan-geloopen, om ons te begroeten en nieuwsgierig drongen ook de Massai-meisjes zich om ons heen, die ons eveneens met een handdruk welkom heetten. Onvoorzichtigerwijze schoot ik tweemaal met de buks naar een gier, doch beide keeren mis, waarop men mij luidkeels hoonend uitlachte. Vooral deden hier de oude Massai-vrouwen aan mee. De hooge dunk, dien de vrouwen der Massais van hare zonen koesteren, overtreft alles, wat men apenliefde noemt, en zij stellen er prijs op, dit op de meest in het oogvallende wijze door het minachtend behandelen van andere mannen te toonen.

Toen ik tegen twee uur in ons leger terugkeerde, ontmoette ik eenige wild geworden stieren der Massais, terwijl van de rechterzijde eenige Massai-oudsten naar ons toe kwamen. Daar een dei-stieren zich gereed maakte om ons vijandelijk aan te vallen, deed ik het dier door een schot uit mijn buks in 't zand bijten, hetgeen op de Massais blijkbaar een zeer onaangenamen indruk maakte. Ik noodigde toen de oudsten uit, mij naar mijn leger te vergezellen om met mij eene samenkomst te hebben. Toen wij de legerplaats naderden, bespeurde ik onder een boom groote hoopen Massai-

29

ocr page 44

30 DE MASSAIS WORDEN OPROERIG.

krijgers bijeen, die ons met een krijgsgezang wilden verwelkomen. Ik wist dat het gevolg daarvan het invorderen van eene schatting zoude zijn, en ik was vast besloten, die in geen geval te betalen.

;

1 'js ^

■ »■ —hr |1 | ■'-amp;£

Door stieren bedreigd.

ocr page 45

HOOGE EISCHBN.

tent kwam, waar ik in mijn leunstoel zat, om mij het schieten te verbieden, vuurde ik mijn loop tweemaal boven zijn hoofd af. Ik gaf daarop onmiddellijk bevel aan mijne Somalis, om al de Massais uit onze legerplaats te verwijderen, doch ik volgde hen niettemin en riep hun toe, dat ze met mij buiten ons terrein zouden vergaderen.

Daar ik maar heel weinig van hun taal radbraakte, moest de onderhandeling door bemiddeling van een der gevangen Kikuyu-lieden gevoerd worden, met wie zich weder mijn bediende Rukua een beetje verstaanbaar kon maken.

Ik stelde den Massai-oudsten voor, mij wegwijzers tot het Baringo-meer te geven en mij ook eenige ezels te verkoopen. Daarvoor zou ik hun dan al mijn IJzerdraad geven dat ik nog bezat en ook eenige kralen, waarvan ik nog een klein bundeltje bij mij had. Wij zouden elkaar dan wederkeerig ons bezit waarborgen en als goede vrienden scheiden.

„Gij moet weten,quot; zei ik hem, „dat er ook onder de blanken groot verschil is. Hier is vijf jaar geleden een blanke bij u geweest, wiens stam van den onze even verschillend is als b. v. de Waki-kuyu van den uwe. De blanke, die hier kwam, was een Engelschman, en gij hebt hem slecht genoeg behandeld. Ik behoor echter tot den stam der Duitschers (Badutschi), en wij sterven liever, dan dat wij ons zulk eene behandeling laten welgevallen. Wilt gij dus geen mijner vredelievende voorstellen aannemen, zeg het me dan maar ronduit, dan kunt gij oorlog met ons voeren.quot;

De Massais lieten mij daarop meedeelen, dat ik eerst schatting voor hunne jonge krijgslieden had te betalen, vóór zij genegen waren verdere onderhandelingen met mij aan te knoopen. Toen ik dit kortweg van de hand wees, stonden zij plotseling op, zonder een woord tot afscheid te zeggen, en nu zeide mij de Kikuyu-man, dat wij aan 't oorlogen zouden gaan.

Ik ging in de legerplaats ontbijten en besloot de zaak nog des namiddags tot eene beslissing te brengen. Ik liet mijnheer v. Tiede-mann het bevel over het kamp en begaf me met 30 man naaide hoofdkraal van Elbejet, ten einde omtrent de bedoelingen der

31

ocr page 46

4

32 VEEDEAG MET DE MASSAIS.

Massais volkomen ingelicht te worden. Ik plaatste mijne lieden in een halven kring achter mij en begaf mij slechts met Rukua en een Kikuyu-tolk op den voorgrond, waarheen ik de oudsten der Massais wenkte. Ik liet nu den eisch omtrent het verkoopen van een ezel mijnerzijds vallen en verlangde alleen een gids naar het Baringo-meer, waarvoor ik ook wilde betalen. De verbittering van de zijde der Massais was nu zoo groot, dat verscheidene Elmorans met opgeheven lans naar mij toesprongen om mij neer te vellen. Maar met genoegen merkte ik op, dat mijne manschappen deze poging met luid gelach beantwoordden. Twee, drie salvo's onzer geweren waren immers voldoende geweest om het heele hoopje Massais in eene minuut onschadelijk te maken.

Terwijl ik met de Massais aldus onderhandelde, kwam eene oude Massai-vrouw naast mij staan, die bij elk woord dat ik sprak, in een hoonend gelach losbarstte. Ik liet ze door twee mijner Somalis verwijderen en kwam nu met de Massai-oudsten tot het besluit, dat wij wederkeerig den vrede zouden behouden, dat zij mij een gids naar het Baringo-meer zouden geven, waarvoor ik behoorlijk betalen zou, en dat zij mijn eigendom zouden eerbiedigen, gelijk ik het daarentegen het hunne zou doen.

Mijn Kikuyu-man had er veel toe bijgedragen, om deze uitkomst te verkrijgen. Toen hij beproefde om den Massais vrees aan te jagen, door hun toe te voegen:

„Ge kunt den blanke niet beoorlogen, want hij komt van God. Ziet eens, hij voert elf lieden van onzen stam in ketenen met zich mede,quot; antwoordden de Massais kortaf en fler: „Wij zijn ook geene Wakikuyu, maar wij zijn Massais.quot;

Nadat het verdrag, dat ik met hen gesloten had, door bespuwen bezegeld was, begaf ik mij naar mijn kamp terug met het gevoel, door dezen hoogmoedigen Massai-oudste toch geslagen te zijn. Mijne poging om mij in hunne laatste plannen in te dringen, was op den koelen hoogmoed van dezen man afgestooten, die in onwrikbaarheid inderdaad zijns gelijke zocht en die aan het einde, toen de onderhandelingen met mij afgeloopen waren, zijne verachting jegens mijne dragers, die achter mij zaten, duidelijk te kennen gaf, door

ocr page 47

MACHT EN INVLOED DER MASSAIS.

vlak voor hen te gaan staan, met eene minachtende beweging zijner hand op hen te wijzen en daarop even hoonend te lachen.

Die Massai had zeker ontelbare malen Zanzibar-karavanen uit elkander gejaagd en vernield. De Massais deinzen zelfs voor geen vuurwapens terug. Nog in het jaar 1887 dreven zij een Arabische karavaan van 2000 geweren uit elkaar en vermoordden tot op den laatsten man, legden al de lijken op eene rij naast elkaar en elk daarvan spottenderwijze met zijn geweer op schouder. Gewoonlijk schieten de karavanen hun geweer ééns af, om dan dadelijk op de vlucht te gaan, waarbij zij door de rappe Massais tot op den laatsten man regelmatig neergeveld worden. De Massai verstaat het, om zich te vrijwaren tegen het eerste schot, door zich onmiddellijk op den grond neer te werpen of ook achter boomen te schuilen, en is, vóór men met het tweede schot gereed is, al lang er bij gesprongen, om met zijn lans een eind aan de zaak te maken.

Ik liet des avonds vier posten om het kamp uitzetten en begaf me tegen 9 uur nog zelf tot aan den zoom van het woud, om blauwe en roode raketten naar omhoog te werpen, ten teeken voor de Massais, dat wij wakker waren. Ook hoorde ik het geweldige brullen der Massais in beide kralen, toen ik mij weder naar 't kamp begaf.

Des nachts ontwaakte ik herhaaldelijk van schoten mijner posten. Toen ik naar de reden vroeg, werd mij gezegd, dat Massais rondom het kamp slopen en juist beproefd hadden om een vracht patronen er uit te stelen. Reeds in dezen nacht kwam de gedachte bij mij op, of het niet het allerbeste zou wezen, maar in eens Elbejet aan te vallen. Onze manschappen hadden alles geslagen wat zich tot heden tegenover hen geplaatst had, maar de vrees voor de Massais was bij een groot aantal dragers nog zeer levendig, en ik wist heel goed, dat juist de eerste schitterende uitslag beslissend zou zijn. Ik liet dat plan intusschen varen, in de hoop dat de Massais den volgenden morgen de op zich genomen verplichting tot het aanwijzen van een gids zouden nakomen, en dat dan door een flinken marsch aan de alles behalve prettige positie voor goed een ^inde zou komen.

Toen ik den volgenden morgen opstond, werd mij al dadelijk

II. 3

33

ocr page 48

BESLUIT TOT DEN AANYAL.

gemeld: vooreerst, dat de beloofde gids niet gekomen was, en vervolgens, dat twee pakken goed des nachts, ondanks alle waakzaamheid, midden uit het kamp gestolen waren, en ten derde, dat men ons met pijlen beschoten had. Een groot aantal zulke pijlen werd mij ten bewijze getoond.

Nu was mijn besluit genomen. Eerbiedigden de Massais zoo weinig onze afspraken van den vorigen dag, die wij als eerlijke mannen met een handdruk beklonken hadden, dan was het duidelijk dat, wanneer ik na mijn zelfstandig optreden van Zaterdag deze schending van ons verdrag ongestraft liet, zij nog geheel andere dingen zouden durven ondernemen. Het was eene der kritiekste beslissingen op onze geheele expeditie, en ik vroeg dus ook mijnheer v. Tiede-mann wat hij er van dacht. Toen deze het mij toestemde, gaf ik dadelijk het bevel dat 35 man zich gereed moesten houden om slag te leveren.

Stilzwijgend stapten wij door het woud aan den oever, toen plotseling de Somalis gezamenlijk op de knieën vielen en Allah om bescherming smeekten voor hetgeen ons nu te wachten stond. Toen wij aan den woudzoom kwamen, vormden wij een lange lijn. Den rechtervleugel nam ik, den linker gaf ik den heer v. Tiede-man over, en het midden werd door Hussein Fara aangevoerd. De zwart-wit-roode vlag droeg Rukua, die eenige stappen vooruitliep. Zoo stormden wij onmiddellijk noordwaarts op de kraal aan. Tus-schen de kraal en ons bevond zich eene groote kudde, wier herder ons op den brutaalsten toon toeriep, dat wij om de kudde heen zouden gaan, daar we anders het vee zouden wegdrijven. Dat wij met ons klein troepje het stoute plan hadden om Elbejet aan te vallen, vermoedde de goede jongen niet, totdat een kogel hem dooide ribben vloog, en zijn onbeschoften mond voor altijd tot zwijgen bracht.

De Massais houden van lang slapen, omdat het 's morgens zoo koud is, en wij overrompelden Elbejet volkomen. Onze schoten maakten hen wakker. Op eenmaal stormden de mannen uit den ingang ons te gemoet, terwijl vrouwen en vee in wilde vlucht aan de tegenovergestelde helling naar beneden vlogen. De oudste, met

34

ocr page 49
ocr page 50
ocr page 51

ELBEJET GENOMEN.

wien ik den vorigen dag onderhandeld had, scheen het met zijn gevolg in 't bijzonder op mij gemunt te hebben. Zij trachtten den ingang van de kraal te verdedigen. Drie pijlen van den oudste vlogen rakelings langs mij voorbij, terwijl ik tweemaal eveneens mijn doel miste. Mijn derde kogel ging hem dwars door de slapen, en nu vloden de Massais hals over kop langs de andere helling naar beneden. Bij het eerste gevecht gelukte het ons zeven van hen neer te schieten, en op onze zijde hadden wij nog geen enkelen man verloren.

Ik was nu heer en meester van Elbejet, van de alles beheer-schende stelling dezer geheele streek, en ik had bovendien eene kudde vee van ruim 2000 stuk in mijne handen. Ik besloot nu, een deel mijner manschappen terug te zenden naar het kamp aan de rivier en dadelijk mijne geheele karavaan naar deze voordeelige positie te laten komen.

Aan deze gewis verstandige beslissing kon echter geen gevolg gegeven worden, daar wij op eenmaal beneden in het kamp geweervuur hoorden weerklinken, en ik weldra zag, hoe van alle zijden Massais in groote menigte daarheen stormden. Werd het kamp door de Massais ingenomen en was daarmede onze munitie in hunne handen, dan waren wij allen verloren. Dus zoo snel mogelijk naar 't kamp terug om dat te behouden! Wat mij persoonlijk betreft, ik had al mijn kruit verschoten en moest reeds daarom alleen munitie hebben. De trompet blies den terugtocht, die door ons ook in goede orde plaats had. Niettegenstaande dit alles werden toch op dezen terugtocht drie van mijne manschappen, o. a. de oudste der Manyema Nogolo, door de Massais neergeveld.

Zoodra ik in 't leger aangekomen was, liet ik dadelijk het allereerst munitie uitdeelen, voor de Somalis zoo veel, als ieder hunner aan patronen ook slechts dragen kon, voor mij 75 patronen, waarvan ik er Kukua 50 te dragen gaf. In een oogenblik waren de tenten opgerold, en het bevel tot den aftocht halfrechts uit het bosch bekend gemaakt.

Ik ging vooruit met Musa Somal, Aio Agal en mijne beide bedienden Rukua en Buana Mku, om den weg voor de colonne vast

35

ocr page 52

AANVAL DER ELMOEAN.

te stellen. In het midden werden de groote kudden, de kameelen, ezels en vrouwen genomen, en het slot vormde mijnheer v. Tiede-mann wederom met eene afdeeling Somalis.

Wij waren ongeveer 30 meter vóór de colonne drie minuten door het bosch voortgegaan, toen Aio Agal plotseling zei; „Nimamka brenjeheiquot; (vele mannen). En daar kwamen zij aanstormen, de trotsche Elmoran der Massais, als eene dichte menigte wolven, bij honderden, boom om boom ons naderende. Onmiddellijk nadat Aio mij dit bericht had, viel hij dood neer, door een pijl doorboord. Rukua en Buana Mku hadden ternauwernood gezien, wat daar voor ons kwam aanhollen, of door ontsteltenis en schrik bevangen, namen ze de vlucht, regelrecht naar de colonne toe. Ik begreep terdege dat, als ik hetzelfde deed, de Massais dan met luid geschreeuw achter ons zouden komen aanstuiven, en wij in een oogenblik allen gezamenlijk neergeworpen en afgemaakt zouden worden. Derhalve was ik besloten, den strijd hier onmiddellijk te aanvaarden en het was mij volkomen duidelijk, dat nu elk schot zijn doel moest treffen, wanneer deze dag niet mijn einde, of dat der Duitsche Emin Pacha-expeditie zou worden.

Zoo ontspon zich dus een zeer zeldzaam gevecht hier in het woud nabij den Gnare Gobit. Van boom tot boom naderden de Massais, zich steeds met groote omzichtigheid tegen de kogels dekkende. Ik mag gerust zeggen, dat ik in deze volgende minuten mijn leven en dat van ons allen voor verloren hield, en ondanks dit alles kon ik bij deze onberispelijke wijze van aanvallen een gevoel van bewondering voor onze tegenstanders, die ik toch tegelijkertijd doodelijk haatte, niet onderdrukken. Het gelukte mij herhaaldelijk, door een dubbelschot twee der voorste Massais neer te schieten, waardoor de overigen onthutst werden en mij tijd gaven om opnieuw te laden.

In het bijzonder maakte ook het repeteergeweer van Musa een kranige uitwerking op hen. De achterladers kenden zij, maar het stelsel der repeteergeweren moest hun al heel bovenmenschelijk en onverklaarbaar toeschijnen. Intusschen riep ik om Hussein, en na vijf minuten der pijnlijkste spanning had ik de blijde verras-

36

ocr page 53
ocr page 54
ocr page 55

DE AANVALLERS OP DE VLUCHT.

sing, dat ik mijne lieden eindelijk achter mij ter hulp zag toeschieten. Een Massai, die nu juist op 't punt stond mij aan te vallen, werd door onzen keukenjongen Farjalla door een schot in het gezicht getroffen, en nu trok ik mijnerzijds met hoera's tegen de Massais op. Eerst bleven zij staan, daarop weken ze van lieverlede achteruit, en na een gevecht van een half uur bereikten wij den woudzoom, van waar de Massais, altijd met de borst naar ons gekeerd, langzaam op Elbejet en naar beide zijden heen zwenkend, zich rechts en links terugtrokken.

Intusschen was ook de colonne van achteren bij mijnheer v. Tie-demann aangevallen, en het knetterend geweervuur nam daar nu en dan voor mij een verontrustenden omvang aan. Mijnheer v. Tie-demann kwam in onmiddellijk levensgevaar door het plotseling weigeren van het mechanisme van zijn repeteergeweer, terwijl de Massais inmiddels op hem aanvielen. Doch het aanvallen der dragers, tot wier vorming ook hier het voorgevecht gelegenheid gegeven had, besliste aan deze zijde eveneens de zaak heel spoedig, en nu rukte ik van mijnen kant altijd verder op Elbejet aan, verjoeg de Massais rechts en links, totdat ik twee derden van den heuvel in mijne macht had.

Het bevel: „Misigo miote embelequot; (alle lasten naar voren), dat ik in het bosch riep, was voor mijnheer v. Tiedemann de welkome tijding, dat het gevecht aan mijne zijde in ons voordeel beslist was, en nu verschenen allereerst mijne kameelen, toen de groote kudden en alle dragers met hunne lasten aan den woudzoom. Deze lasten liet ik nu weder op twee derden van de heuvelshoogte neerleggen en formeerde de manschappen voor den tweeden aanval op Elbejet zelf.

Voorzichtig begaven we ons eerst naar de eene poort, waarvoor wij post vatten, en vervolgens om de kraal heen ook naar de overige ingangen. Toen wij langzaam de kraaldeur naderden, bespeurden we tot onze vreugde, dat Elbejet verlaten was. Bij den tweeden aanval hadden we ook onze twee pakken, die den nacht te voren gestolen waren, terug gevonden. Nu gaf ik bevel om Elbejet te plunderen en aan acht hoeken in brand te steken.

37

ocr page 56

ELBEJET IN BRAND GESTOKEN.

Huilend en brullend van woede bespeurden de in het struikgewas rondom den heuvel bij duizenden verzamelde Massais ons voornemen, om hetgeen zij anders van hun kant gewoon waren, nu hun zelf in hun eigen land aan te doen.

Eene poos later schoten de vlammen naar alle zijden uit de groote kraal naar den hemel op. Een kortstondig gevoel van zegevierende voldoening voor ons, dat spoedig verdreven werd door de overweging wat er nu gedaan moest worden.

Aan den kant waar ik geschoten had, vonden wij 43 Massai-lijken, allen door den kogel van voren geraakt. Het verlies der Massais moet echter stellig meer dan het drievoudige bedragen hebben, daar van achteren met dezelfde verbittering als van voren gevochten werd, en zij in de meeste gevallen in staat waren hunne gevallen stamgenooten weg te sleepen. Daar de Massais het zevental, dat aan onze zijde gevallen was, op de schandelijkste wijze verminkt hadden, werd weerwraak genomen, en sneden onze manschappen den lijken der Massais de koppen af en slingerden die onder hunne stamgenooten naar beneden aan den voet van den heuvel.

Wij hadden in dit gevecht zeven man verloren, een verlies, dat met het oog op ons gering aantal gevoelig genoeg was. Maar vrij wat bedenkelijker was het feit, hetwelk door mij bevestigd werd, terwijl de vlammen van Elbejet hoog opstegen, dat de Somalis 900 patronen uit hunne repeteergeweren verschoten hadden, en dat mij derhalve nog maar 600 patronen overgebleven waren. Ook de dragers hadden ontzaglijke hoeveelheden munitie verschoten. Inderdaad kon ik met Pyrrhus uitroepen: nóg zulk eene overwinning, en ik ben verloren! want ik was zelfs niet eenmaal in staat, een tweede gevecht als het daareven geleverde behoorlijk ten einde te brengen. De Massais hadden ons maar voortdurend aan te vallen, om ons aldus met meetkunstige zekerheid ten slotte geheel ten onder te brengen.

Daar kwam nog bij, dat ik geheel zonder gids was en in een vijandig land geene inlichtingen omtrent het krijgen van water mocht verwachten.

38

ocr page 57

VOORWAARTS !

Het was 11 uur in den voormiddag. Mijne colonne was uitgeput van vermoeienis. Eenige onzer manschappen waren bovendien door pijlen verwond. Het lag dus voor de hand, om het overige van den dag hier boven op den heuvel gelegerd te blijven. Aan den anderen kant van den heuvel stond immers nog de Elmoran-kraal, waarin mijne colonne zich verschansen kon. Maar in dit geval had ik den toegang tot het water vermoedelijk opnieuw moeten veroveren en bovendien was ik dan aan het veel grootere gevaar blootgesteld, dat de Massais versterkingen uit een naburig district van Laschan ontboden, zoodat wij dientengevolge den volgenden dag een veel gevaarlijkeren strijd dan heden te voeren zouden hebben.

In een toestand als de mijne kwamen er nu en dan ook wel voor een oogenblik plannen om terug te trekken op. Als ik eens terugmarscheerde en van daar uit den tocht in eene andere rich-ling beproefde? De zoete vrede der voorgaande avonden kwam mij nu verleidelijker dan ooit voor den geest.

Ik verwierp deze plannen die bij mij opdoemden, en beval om half twaalf, dat wij in noordoostelijke richting zouden oprukken. Daar mocht ik vertrouwen, dat ik water zou vinden, hetzij den Gnare Gobit, hetzij den G-uaso Nyiro. Vóór alles echter geraakte ik dan uit het centrum der Massais, wier verbittering nu tot woede gestegen was, en zoude het mij kunnen gelukken, het geheele gebied in een groote bocht om te trekken.

Dus voorwaarts! De groote kudden in het midden, alle lasten verpakt, zette de colonne zich langs den heuvel in beweging. Aan den anderen kant liet ik dadelijk de Elmoran-kraal in brand steken en marscheerde toen langzaam langs de noordoostelijke helling van den heuvel naar beneden. Geen sikkepitje lieten wij den Massais achter, geen stuk vee van de genomen kudden werd achtergelaten. De Massais, die onze bewegingen in den aanvang niet begrepen, volgden spoedig, op een behoorlijken afstand, langzaam onze schreden. Doch de kogels uit mijn buks en Tiedemann's repeteergeweerkogels, die we hun van tijd tot tijd nazonden, hielden hen op flinken afstand van de colonne.

Tegen 3 uur in den namiddag gelukte het mij, een toegang tot

39

ocr page 58

HET KAMP OP DEN HEUVEL.

het water te krijgen, waar ik mijne dorstige karavaan, vee en menschen, drenken kon. Noordwaarts van deze plek zag ik een heuvel, die den geheelen omtrek beheerschte, en daar besloot ik te legeren. Ik begaf er mij met de voorhoede heen en vond, dat-hij door honderden Massais bezet was.

Zóo vermoeid waren onze zenuwen, zoo onverschillig tegenover het gevaar hadden de gebeurtenissen van den nacht en den dag ons gemaakt, dat ik, zonder de eigenlijke colonne af te wachten, met de weinige Somalis mijner voorhoede zonder bedenken den heuvel optrok en op de Massais vuurde. En zulk een indruk had de nederlaag van dezen morgen op hen gemaakt, dat zij in wilde vlucht de plaats ruimden en naar de rechterzijde van den Guaso Nyiro trokken.

Op den heuvel vond ik eene omheining voor vee. Ik liet dadelijk twaalf posten om den heuvel uitzetten, om de Massais, welke de hoogten rondom bezet hielden, in het oog te houden, sloeg de tenten op en richtte mijn kamp huiselijk in. Ieder kreeg verlof om zooveel vee te slachten als hij maar wilde, en nu had er eene ontzaglijke slachting onder de runderen en schapen plaats. Een neger kan zulk eene hoeveelheid voedsel in zijn maag bergen, dat een Europeaan zich daar geene voorstelling van kan maken. Heeft hij een schaap, dan eet hij het op, worden er hem meer dan een gegeven, dan weet hij er ook raad mede.

Tegen den avond begaf ik mij met een gedeelte mijner soldaten naar eene wadde beneden aan den heuvel en liet nu voor de colonne groote hoeveelheden water, dat gekookt moest worden, naar boven brengen. Geen Massai liet zich zien.

Onze stemming was heel ernstig, maar volstrekt niet ongelukkig. Mijnheer v. Tiedemann sloot op dezen dag zijn dagboek af, omdat hij meende, dat wij dien nacht niet zouden overleven. Ook ik geloofde, dat de Massais des nachts een ontzaglijken aanval beproeven zouden, en hield daarom tot middernacht de eene helft der colonne onder mijnheer v. Tiedemann, de andere helft onder mijn bevel van middernacht af tot des morgens, onder de wapenen. Op grooteren afstand had ik voorposten uitgezet, die voortdurend bezocht

40

ocr page 59

DE VIJAND DREIGT OPNIEUW.

werden, en legervuren werden zooveel mogelijk aan de hellingen van den heuvel onderhouden.

Dien nacht was het pikdonker. Herhaaldelijk vielen er stortbuien naar beneden. Ik liet ook lichtraketten in de lucht stijgen, om den Massais te toonen, dat wij op onze posten waren. Door het knetteren van dit vuurwerk rukte zich ongelukkigerwijze een gedeelte der buitgemaakte kudden los, waarvan we nooit meer iets gezien hebben.

Vóór het aanbreken van den dag marscheerde ik in noordelijke richting af. quot;Wat van de buitgemaakte gereedschappen niet meegenomen kon worden, liet ik vernielen, om het althans den vijand niet meer in handen te laten vallen. Den geheelen morgen ging het langs den stroomloop in noord-noordwestelijke richting. Geen Massai was er te zien. De eindelooze steppe scheen uitgestorven te zijn gelijk twee dagen te voren.

Na een langzamen marsch van zeven uren, daar de kudden rechts en links van de colonne gedreven moesten worden, kwamen wij aan een bocht der rivier, waar deze zich plotseling scherp naar het Westen omwendt. Hier bevond zich een doorwaadbare plek, waar ik de geheele colonne naar den rechter oever liet overtrekken, om mijn leger weder in een Massai-kraal op een heuvel aan gene zijde van den oever te betrekken.

Zouden de Massais het opgeven, om wraak over hunne neerlagen van den vorigen dag te nemen? Wij deden ons best, ons aan deze hoop over te geven, en om ons een weinig te verstrooien, gingen mijnheer v. Tiedemann en ik, na ontbeten te hebben, in mijne tent een kaartje spelen.

Tegen vijf uur trad een mijner bedienden mijne tent binnen met het bericht: „Massai wanakuja!quot; (De Massais komen.) Wij begaven ons de tent uit, en jawel, daar kwamen zij aan over de aan den oever liggende heuvelketen, steeds van het oosten naar 't westen, zoo stil mogelijk marscheerende. Een troep kwam dicht langs den rivieroever en zette zich onder een boom vlak tegenover ons leger neder. Ik liet mij mijn buks brengen, schoot naar de overzij en raakte een der kerels in het been, waarop zich de geheele colonne zoo spoedig mogelijk verwijderde.

41

ocr page 60

DE VERRASSENDE ZONSVERDUISTERING.

Ik was nu op den laatsten beslissenden strijd voorbereid. Wanneer de Massais na hunne nederlaag van den vorigen dag ons nog eens aanvielen, dan kon ik slechts aannemen, dat dit in de volle vastberadenheid gebeurde om, het kostte wat het wilde, onze karavaan te vernietigen. Dat was alleen mogelijk, wanneer zij, zonder zich te bekommeren om hetgeen op hunne zijde vallen mocht, eenvoudig kwamen aanstormen en ons met hunne lansen neerstaken.

Daar deed zich nu op eenmaal iets voor, hetgeen ik tot nu toe slechts in romaneske reisbeschrijvingen gelezen had. Om vijf uur twaalf minuten ongeveer begon plotseling de zon te verduisteren. Wij wisten in den aanvang zelfs niet, wat dit te beteekenen had, doch begrepen heel snel, dat er eene totale zonsverduistering op til was. Meer en meer begon het eenzame landschap, waarboven de Kenia en de Subugu la Poron zich nog altijd dreigend verhieven, te verduisteren. Alsof de aarde zich in den nacht wilde storten, waaruit zij ontstaan is, zoo vertoonde zich de hoogvlakte van Leikipia aan onze starende oogen.

Ook wij werden door deze toenemende duisternis zoodanig getroffen, dat we voor een oogenblik de zorgen van het oogenblik vergaten. Mijne eigen lieden waren vol ontsteltenis over hetgeen in de natuur plaats greep.

De Massais, wien ik eenige dagen te voren had doen gelooven, dat ik door hun Engai benoemd was, geloofden, zoo als ik eenige dagen later vernam, dat hetgeen zich nu voordeed, door mijne too-verkracht ontstaan was. Of misschien zagen zij ook wel in die zonsverduistering eene waarschuwing van hun God voor zich zeiven. Hoe het zij, toen de zon het uitgestrekte landschap weder bescheen, zagen wij hen zonder geruisch, gelijk zij gekomen waren, in enkele troepjes westwaarts weder afmarscheeren, en op dezen avond bleef een aanval hunnerzijds achterwege. Slechts een enkele post bleef op den heuvel aan gene zijde der rivier gelegerd.

De Massais staken een hunner eigen kralen in brand, vermoedelijk om zich te warmen en, naar ik dacht, om ons wakker te houden. Des avonds dienden mijne jongens met de buks over den schouder, toen wij aan tafel zaten, en was ik wederom gedwongen,

42

ocr page 61

DE DAG VOOR KERSTMIS.

de halve colonne des nachts onder de wapenen te houden. Aan eigenlijk slapen was voor ons natuurlijk niet te denken.

Den volgenden morgen doorzocht ik de lage gedeelten aan de rivier, en gelukte het mij, aan de overzijde van den stroom eenige posten te ontdekken, op welke ik schoot, zonder hen intusschen te treffen.

Ik brak om zes uur op met de overtuiging, dat de Massais volkomen op den goeden weg waren, om ons klein te kriigen. Zij hadden ons maar altijd wakker te houden om onze zenuwen te doen verslappen, en van tijd tot tijd aan te vallen, om onze patronen te doen verschieten, en het kon niet missen, of we vielen ten slotte in hunne handen.

Het was de 240 December, een dag waarop men in Duitschland de gewoonte heeft den kerstboom aan te steken. Wij marscheerden op dezen dag tot een uur 's middags steeds in noord-noordwestelijke richting. Op den marsch vielen er eene menigte schapen en geiten, welke ik liet dooden, opdat ze den Massais niet levend in handen zouden vallen. Mijne aandacht werd dezen morgen voortdurend door zeven Massais bezig gehouden, die aan den tegenovergelegen oever steeds gelijken tred met onze expeditie hielden. Ik schoot eenige malen naar de overzijde, doch te vergeefs, daar de afstand te groot was.

Om een uur liet ik het leger weder op den heuvel, welke den omtrek geheel beheerschte, aan de rechterzijde van den Guaso Nyiro opslaan. Ik verdeelde een last kruit onder de dragers en liet den ganschen namiddag kogels gieten. Ik vulde ook den voorraad repeteergeweer-patronen aan, welke de Somalis bij zich droegen, zoodat ieder man weder 60 stuks in zijn bundel had. Verder gaf ik ieder mijner dragers van de meegenomen vlagstoffen een stuk doek als hoofddeksel, opdat hun voorkomen wat krijgshaftiger zoude zijn en zij zich zeiven wat meer soldaat zouden gevoelen.

Hierdoor werd de stemming in het leger bijzonder opgewekt, en de vroolijkheid nam nog toe, toen het mij tegen drie uur gelukte, den aanvoerder der zeven Massais, die aan de overzij eveneens halt gehouden hadden, door een mooi schot op 800 meter kopje-over te doen duikelen.

43

ocr page 62

NACHTELIJKE OVERVAL.

De Guaso Nyiro stroomt om den heuvel, waarop wij gelegerd waren, vrij nauwkeurig in een halven cirkel. Ik plaatste des avonds acht posten rondom het leger en liet ook weder vuren branden vóór de posten.

Tegen zes uur gebruikten we ons avondmaal en toen geraakten we onwillekeurig in eene zekere kerstmis-stemming. Ik verzocht mijnheer v. Tiedemann eenige uren te waken en mij tegen middernacht te wekken. Tegen half acht ging ik dus geheel gekleed op mijn veldbed liggen, ten einde een uur of wat te slapen.

Om tien uur werd ik door een schot gewekt, waarop een geheel salvo volgde. Onmiddellijk daarop hoorde ik het hyena-achtige huilen der Massais uit het zuid-zuidoosten.

De Massais waren van het Noorden gekomen en meenden ons leger van de zuidzijde te kunnen overrompelen. Zij waren bij Daud Wals gekomen, die hier de wacht had, en deze had dadelijk een hunner neergeveld, waardoor de Somalis gewekt werden. Ik kwam uit mijne tent en riep, om mijnen lieden een hart onder den riem te steken, den Massais toe: „Karibu Elmordn mutakufa mote!quot; (Komt op Elmoran, gij zult allen sterven!)

Ik liet dadelijk alle legervuren uitdooven, gaf mijnheer v. Tiedemann het bevel aan de rivierzijde over, waar wij niet aangevallen werden, en spoedde mij zelf naar de buitenzijde, waar de Massais huilden. Ik liet alles, wat wij aan koffers en lasten bezaten, vooruit schuiven en beval mijnen manschappen zich daarachter te verschansen, om ons tegen den hagel van pijlen te dekken. Totdat dit gebeurd was, hadden zij een klein geweervuur op de Massais te onderhouden, ten einde deze van eene bestorming onzer legerplaats af te schrikken. Daarop liet ik lichtraketten halen, en sissend vloog nu de eene raket na de andere in den duisteren hemel naar omhoog, en gaf juist voldoende licht, opdat onze beste schutters bij die lichtschemering hun doel onder de dreigende gestalten daarbuiten konden uitzoeken. Een fantastisch beeld, dat zijne uitwerking op geweldige zenuwen niet missen kon. Daarbij hieven mijne lieden een rhythmisch gezang aan, dat met het refrein sloot: „Kupdnda, Kupdnda Schdro!quot;

44

ocr page 63
ocr page 64
ocr page 65

OP VERDROOGDE VLAKTEN.

Tot een uur duurde deze spookachtige vertooning. Toen hoorden wij het gehuil der aftrekkende Massais in het zuiden van lieverlede wegsterven. Aan onzen kant was slechts een drager, Boma genaamd, en wel door onze Somalis, in wier schietlijn hij zich bij vergissing begeven had, door den arm geschoten. De Massais hadden vele verliezen gehad, zoo als talrijke bloedplassen en zeer vele achtergelaten schilden den volgenden morgen bewezen.

De overrompeling was dus mislukt, maar onze toestand was den volgenden morgen nog treuriger dan den dag te voren. De Massais hadden het in hunne hand om ons aan te vallen wanneer zij wilden. Werden zij geslagen, dan bleef de toestand voor hen nog altijd dezelfde. Werden wij echter maar ééne keer geslagen, dan waren we allen verloren. Daar kwam bij, dat ik nu reeds den vierden nacht zonder eigenlijken slaap geweest was.

Tegen zonsopgang brak ik met mijne uitgeputte manschappen weder op, marscheerde een uur lang aan den rechter oever van den Guaso Nyiro verder, welke rivier ik toen op eene doorwaadbare plek overtrok. Ik wilde dezen dag beproeven, in meer westelijke richting de steppe door te trekken, daar ik in 't geheel niet weten kon, waar de Guaso Nyiro mij heen brengen zou.

Wij waren nu uit de streken, welke van de winden te lijden hebben, die van den Kenia herwaarts strijken. Wij kwamen op geheel verdroogde vlakten, die door de Massais eerst kort te voren verbrand waren. De vlakten, die in het zuiden van Leikipia licht golvend schijnen, worden hier dichter aaneengesloten. Het zijn werkelijke randplateaux, waarvan het hooger opgezette als een steile wand in het dieper liggende naar beneden valt. In het Noorden komen eigenaardig gevormde steenmassa's op deze vlakten voor, welke het landschap een wonderbaarlijk en zeldzaam karakter schenken.

Spookachtig wierp de wind, die uit het Noorden over de troos-telooze zwarte steppe floot, dwarrelende asschenmassa's naar omhoog, welke als gestalten uit de onderwereld heel ver zichtbaar over de vlakte heentrokken. Droefgeestig zong of liever jammerde de noordenwind door de half verbrande boomen een spookachtig deuntje bij deze luchtvaart der aschspoken.

45

ocr page 66

OPNIEUW DE MASSAIS.

Een gevoel van eindelooze eenzaamheid en verlatenheid drong in ons hart, toen wij aan den linker oever der rivier deze vlakten beklommen hadden. Tot in het oneindige scheen de zwarte vlakte zich uit te strekken. Nergens was eenige stroom, eenig water zichtbaar. Hier en daar aan den horizon doken Massaigedaanten op, die verdwenen, zoodra ik mijne zeer ver dragende buks op hen afvuurde.

Zoo ging het altijd maar voort in westnoordwestelijke richting, totdat de zon loodrecht op ons hoofd scheen. Daar lacht ons plotseling frisch groen tegen, en zeer stellig komen we nu op een anderen bodem. Zouden we soms een waterstroom te gemoet gaan? Ach neen! Uit een nauwkeurig onderzoek blijkt, dat dit lagere terrein droog is, en dat er vooreerst nog geen water voorhanden schijnt te zijn.

In al hare ruwheid en barbaarschheid doet zich de natuur hier aan ons voor, en het kost groote zelfbeheersching om zich hier niet aan wanhoop over te geven. Wanneer er hier geen water is, dan loopen wij allen gevaar van dorst om te komen. Terug dus naar de rivier! luidt het bevel. En uit noordwestelijke richting begeven wij ons nu naar het noordoosten.

Weder hebben wij twee uren gemarscheerd. Daar zien we op eenmaal den Guaso Nyiro weder voor ons. Voor dezen namiddag hebben we althans nog water!

Plotseling meldt Eukua: Ilassdi Tele! (vele Massais!) Juist zoo, op al de heuvels wemelt het van gestalten! Dus moet er opnieuw gevochten worden! Ik zeg: Dan zullen we hier de Massais verslaan ! Maar Eukua maakt mij op eene omheining aan de rivier opmerkzaam, waarin we onze kudden kunnen drijven, en waar we gunstiger kansen bij een gevecht hebben.

Voorwaarts dan! De kudden in de omheining, die dadelijk gesloten wordt. „Bunduki teare!quot; (de geweren gereed) roep ik mijn manschappen toe. „Tearequot; is het eenige antwoord.

Zoo wachten wij dus op den beslissenden strijd, misschien met den stillen wensch, dat er aan die kwelling nu eens een eind moge komen.

Maar geen enkele Massai begint den aanval. Plotseling nadert ons een oude Massai-vrouw, met een bosje gras zwaaiend.

„Wat is dat?quot; zeg ik.

46

ocr page 67

VREDESAANBOD. 47

„De Massais willen vrede,quot; antwoordde mij de Wakikuyu. Ik ben zeker nooit eene dame met grooter genoegen te gemoet

gegaan, dan zulks nu met het vertoon van al mijne beleefdheid tegenover dit oud. leelijk Massai-wijf geschiedde.

ocr page 68

DE BLIJDE BOODSCHAP.

Ook ik nam een bundeltje gras in de hand, en zorgde er voor, dat er eene bloem onder was. Zoo gracieus mogelijk liep ik de dame te gemoet en nam haar bij de hand, om haar op een plekje naast mij op den grond te noodigen.

Spoedig was dan ook het onderhoud in vollen gang. Ik vernam, dat de Massais vrede met mij wenschten, ingeval ik mij wilde verbinden om geen dorpen meer van hen af te branden, niet meer op hen te schieten of hunne kudden te rooven.

Ik antwoordde aan de vrouw, dat ik daartoe gaarne bereid was, wanneer de Massais mij gidsen tot Baringo wilden meegeven. „Maar,quot; zei ik, „waar loopt deze rivier heen, waar wij ons nu aan bevinden?quot;

Zij beduidde mij, dat de Guaso Nyiro eerst nog naar het Noorden, maar dan noordwaarts van de Endika-bergen zich naar het Oosten wendde.

„Hoe ver is de Guaso Narok van hier?quot;

„Omstreeks anderhalven dag, wanneer ge den Guaso Nyiro volgt, éen dag, wanneer ge dwars naar den Guaso Narok heentrekt.quot;

„En van waar komt de Guaso Narok?quot;

Zij wees in de richting naar den Baringo heen.

„Hoe ver is het Baringo-meer van hier?quot;

„Vijf dagen, als je goed marscheert.quot;

„Wonen daar ook Massais?quot;

„Massais zijn er overal,quot; antwoordde zij.

„Het is toch geene gewoonte bij u, dat de vrouwen over oorlog en vrede beslissen. Wanneer de Massais vrede willen sluiten, laten ze mij dan mannen zenden, aan wie ik geschenken kan geven en met wie wij den vredesbond in allen vorm kunnen aangaan.quot;

Zij beloofde toen, dat tegen den avond elf mannen der Massais bij mij in 't leger zouden komen en ging heen, met een ring aan den vinger, dien ik er aan gestoken had, en met bloemen in de hand, om haren stam de vredesboodschap over te brengen.

Zoo zoude derhalve de blijde boodschap van het Kerstfeest nog aan ons vervuld worden. Kostelijker kerstgeschenk had zelfs het oude Europa ons niet kunnen vereeren.

48

ocr page 69

VREDE MET DE MASSAIS.

Tot mijn groot leedwezen deden zich bij mijnheer v. Tiedemann dezen dag voor de eerste maal de kenteekenen eener ernstige ziekte voor, waardoor hij twee dagen later aangetast werd.

Nog vergat ik te melden, dat wij sedert onzen aftocht uit Kikuyu eigenlijk plantaardig voedsel in 't geheel niet meer hadden of aten, maar ons uitsluitend met vleesch moesten behelpen. Daarbij kwamen de koude nachten, de opwindende gebeurtenissen, zoodat er onder mijn manschappen verscheidene ziek werden.

Des avonds om zes uur verschenen er 11 Massais, die zich echter niet in ons kamp waagden. Ik had geen lust, om mij ongewapend aan hunne lansen bloot te stellen, daar ik de streken van dat volkje maar al te goed kende. Derhalve nam ik eenige mannen, met buksen mede, liet de wapenen nederleggen, verzocht den Massais dit hunnerzijds met hunne lansen ook te doen en met mij te midden der wederzijdsche wapenen een onderhoud te hebben.

Dit gebeurde, en spoedig waren de vredesvoorwaarden, naar den maatstaf van hetgeen des middags bepaald was, van beide zijden goedgekeurd en door driemaal bespuwen van man tot man bezegeld.

Ik schonk daarop ieder der Massais een vingerring. en eenige kralen en slachtte, ten teeken dat ook stam met stam in vrede en vriendschap wilden leven, een mijner schapen, die hun zelf ontnomen waren, en stond dit den Massais af. Zij vroegen verlof des nachts in het leger te mogen blijven slapen. Dit wees ik voorzichtigheidshalve van de hand, en gaf hun te kennen, dat het beter was, dat zij er buiten sliepen.

Mochten zij 's nachts in 't leger komen, dan hadden mijne posten bevel op hen te schieten. Ik was des te voorzichtiger, juist omdat zij vrede gesloten hadden, en zette des nachts, in plaats van de gewone acht eenvoudige posten, acht dubbele posten uit. Ook bleef ik zelf het grootste gedeelte van den nacht op mijn stoel vóór de tent in de open lucht, bij welke gelegenheden ik met Hussein Fara sterrekundige beschouwingen hield.

Den volgenden morgen verschenen inderdaad de Massais, om de op hen genomen verplichting, ons naar het Baringo-meer te geleiden, schijnbaar te vervullen. De onderhandelingen met hen voerde

II. 4

49

ocr page 70

DE ZWARTE EIVIEE.

voortdurend een zeer geschikte jonge Kikuyu-man, die zoo sprekend op den Franschen dichter Voltaire geleek, dat ik hem dezen naam gegeven had, die ook spoedig in mijne geheele expeditie en onder de Massais populair werd.

De Kikuyu-lieden begonnen zich bij onze colonne meer en meer thuis te gevoelen. Vooreerst was het voor hen eene ontzaglijke vreugde geweest, dat de hoogmoedige Massais, hunne doodsvijanden, zoo terdege het onderspit gedolven hadden. Voorts deden zij zich bijzonder te goed aan de menigte schapen en geiten, die ik hun liet afstaan. Zij slachtten die niet, maar lieten ze stikken, zoodat al het bloed in het vleesch blijft. Geslacht vee staat hun evenzeer tegen als ons gestikt vee.

Wij beklommen nu weder, terwijl wij de rivier verlieten, de linker hoogvlakte, waarop wij ons altijd in noordwestelijke richting voorwaarts bewogen. Spoedig kregen wij in west-noordwestelijke richting vóór ons hoogten in 't gezicht, welke ons door de Massais als Subugu la Baringo (Subugu beteekent eene bergomlijsting) werden genoemd. Dat moest dus de Dönjo Gelescha zijn. Op de vlakte vonden wij groote Massai-kudden, en ik willigde ter liefde van den vrede gaarne in, hier stil te houden, totdat de Massais ze uit onze nabijheid voortgedreven hadden. Was dit geschied, dan spoedden zich jonge Massai-krijgers naar ons heen, om ons met het gebruikelijke Sotua (vriend) te begroeten. Dat alles liep als van een leien dak.

Tegen den middag kwamen wij aan een droog rivierbed en geraakten nu op zwarten vulkanischen bodem. De Guaso Narok beteekent in de Massai-taal „Zwarte rivierquot;, juist omdat zij over zwart gesteente stroomt; voor mij was dus dit terrein een welkom teeken, dat wij inderdaad den loop der rivier naderden.

Eene sombere, steil naar omhoog stijgende vulkanische rotspartij, welke wij aan onze rechterzij lieten tusschen de monding van den Guaso Narok en den Guaso Nyiro, noemde ik naar mijnen voorganger in deze landen, graaf Teleki, „Teleki-rotsenquot;.

De hitte begon op den zwarten steen onaangenaam te worden. Wij kwamen nu op een breed spoor. De Massais deelden mij mede,.

50

ocr page 71
ocr page 72
ocr page 73

VEKEAAD DER MASSAIS.

dat ik hen maar altijd volgen zou, en ik alsdan binnen een uur den Guaso Narok zou bereiken. Zij zouden intusschen naar hunne woning gaan, om levensmiddelen te halen. Derhalve trok ik met Hussein en Rukua aan het hoofd der colonne vooruit naar den G-uaso Narok.

De houding der inboorlingen veranderde in dit middaguur zoodanig, dat alles bij ons naderen op de vlucht ging. Dat wekte inderdaad wantrouwen bij ons op.

Tegen twee uur vond ik acht ezels en een os, door hun meesters verlaten, met huisgereedschap en melk beladen. Terwijl ik steeds het ossenspoor volgde, kwam ik ten slotte in een eng dal. Het was drie uur geworden, en de zaak begon mij zeer verdacht voor te komen. Ik besloot halt te houden en mijne colonne af te wachten, doch intusschen Hussein en een anderen Somali, die in mijne nabijheid gekomen was, uit te zenden, om te bevestigen, of zich de loop van den Guaso Narok in het voor ons liggend dal bevond. De boden waren nog niet terug, toen plotseling geweervuur achter mij hoorbaar werd.

In een oogwenk waren de hoogten rondom met Massai-krijgs-lieden bedekt. Nu was alles klaar. Snel liet ik de lasten bijeenbrengen en beval 15 der intusschen aangekomen dragers, mij naar achteren te volgen. Maar zoo moede en stomp waren mijne manschappen door den gloeienden marsch geworden, dat ik geen zes man bijeen kon krijgen. Zoo spoedde ik mij, door slechts één Somali vergezeld, alleen naar achteren, om te zien wat er gebeurd was.

Spoedig vond ik mijnheer v. Tiedemann met de kameellieden. Hij berichtte, dat de Massais van den vorigen avond plotseling onzen zieken drager Saburi op verraderlijke wijze hadden neerge-stooten. Zij waren wel is waar dadelijk door hem en de Somalis verjaagd, maar intusschen was Saburi onder vreeselijk lijden gestorven. Het leventje zou dus opnieuw beginnen! Hoe afgemat ik mij te voren ook gevoeld had, maakte zich toch bij 't vernemen van den gemeenen sluipmoord zulk een woede en tevens zulk eene minachting voor deze Massais van mij meester, dat mij de gedachte aan den strijd aangenaam was.

51

ocr page 74

GEEN WATER!

„Voorwaarts! Drijft de ezels naar de dragers,quot; riep ik den Somalis toe, toen ik de acht Massai-ezels nog zag, die ik eerst gespaard had, „en dan zullen wij die ellendelingen als honden afmaken!quot; De Somalis waren over dit vooruitzicht niet bijzonder gesticht, ook konden zij mijne verontwaardiging over die handelwijze der Massais, die hun volkomen gerechtvaardigd scheen, daar de bloedschuld van 22 December nog niet gewroken was, niet begrijpen. Intusschen slaagde men er in, vijf van de ezels te grijpen, hetgeen eene zeer welkome buit voor de overladen colonne was.

Toen ik bij de rustplaats terugkwam, berichtte mij Hussein, dat het dal vóór ons droog was. Wel bevond zich aan de rechterhand, loodrecht daarop uitkomende, een rivierloop, doch zonder een droppel water.

Hierin bestond het wezenlijke gevaar! Naar alles te oordeelen wat er gebeurd was, moest ik aannemen, dat de Massais mij geheel en al bij den neus genomen hadden. De thermometer wees over de 50° aan. Het zweet brak ons bij deze gloeiende hitte uit. Droog kleefde de tong aan 't verhemelte. En hier lagen wij, omringd door vijandelijke krijgers, die slechts op het oogenblik loerden, dat wij geheel en al uitgeput zouden zijn, om ons aan te vallen en ten onder te brengen.

In zulke oogenblikken schijnt de natuur ons erbarmloos, ja wreed toe, gelijk ik het eens in 't Engelsche kanaal ondervond, waar ik door de woedende golven schijnbaar reddeloos in den afgrond geslingerd werd. Bedding van buiten is er niet; men gevoelt dat men uitsluitend alles van zich zeiven moet hebben. Maar juist in der-gelijken toestand wordt het wanhopende hart dikwerf plotseling door een gevoel van hoogeren steun gesterkt. De te nemen beslissingen schijnen ons dan ingevingen van hooger hand.

Zoo ging het mij in dit oogenblik. Op eenmaal kwam de gedachte bij mij op: wanneer ik over eene helling in het Westen van het dal voorwaarts trek, moet ik water vinden. Dus voorwaarts!

„Blaast de trompet. De trommels geroerd! De vlag in de hoogte en weg met de Massais.quot; Op deze, die ons van alle kanten in 't vizier hadden, moet de plotselinge, volkomen juiste beweging naar

52

ocr page 75

EINDELIJK GEVONDEN.

het werkelijke water toe, een inderdaad spookachtigen indruk gemaakt hebben. Eigenlijk verzet had er niet plaats, toen wij zoo plotseling in een rechten hoek van den tot nu gevolgden weg afweken. Wat eerst op de rotsen te zien was, verdween plotseling, en nu ging het in een tocht op leven en dood naar het Westen heen.

Achter ons volgden de Massais als hyenas. Maar zij hielden zich voorzichtiglijk buiten schot. Ik hoorde achter mij voortdurend het geknal der door de heuvelen weerkaatste geweerschoten, evenzeer als de dubbele schoten uit mijne buks achter gehoord werden. Maar wat konden ons allen op dit oogenblik de Massais schelen! Water, water! gilde het in ons binnenste!

Daar ontwaren we een stroom!

Webigi! schreeuwen de Somalis. Madji! gillen de dragers. Wij komen naderbij — het rivierbed is droog! Blijkbaar is het hetzelfde, dat Hussein reeds te voren gezien heeft.

De zon daalt! Het is vijf uur des namiddags! Wat te doen?

„Laten we nog den naastbijgelegen heuvel beklimmen, om te zien, of er misschien aan den anderen kant water te vinden is,quot; riep ik Hussein en Musa toe, met wie ik de voorhoede vorm! Dus verder!

Toen ik den heuvel halverwege opgeklommen was, kwam v. Tie-demann aangeloopen, en riep mij van beneden toe:

„Kom terug; de Massais tasten ons van achteren aan!quot;

„Jaag dan de Massais terug; ik zoek naar water!quot;

Boven op de hoogte stond eene oude Massai-kraal, waar een man naast zat. Als wolven sprongen we op hem toe; de Somalis grepen hem, en ik hield hem den mond van mijn revolver tegen de slapen.

„Wijs mij den Guaso Narok, of ik schiet je morsdood.quot;

„Guaso Ndrok,quot; antwoordde hij, bevend van angst, „Guaso Ndrok Ldnaquot; (Guaso Narok ginds), met de hand in de diepte wijzend. Het was een Andorobbo, die deze gelukstijding gaf; ik geloof dat de stem van een engel mij in dit oogenblik geen hartelijker dank jegens den Allerhoogste had kunnen inboezemen. Hoe innig dankbaar boog ik mij dien avond voor die geheimzinnige Macht, welke

53

ocr page 76

RUST IN DE KRAAL.

het lot eens menschen bestuurt, en ons ook ditmaal van den vree-selijken ondergang gered had!

Langzamerhand kwamen de dragers aan, van welke ik er dadelijk 25 met kruiken onder behoorlijke militaire bedekking met den Ando-robbo naar de rivier beneden zond, om water naar boven te halen. Toen kwam mijnheer v. Tiedemann.

Ik had mij op een stoel aan den ingang van de kraal neergezet, had mijn dorst reeds uit de kruik van den Andorobbo gelescht en rookte een pijp.

„Wel, mijnheer v. Tiedemann, een beetje vermoeid?quot;

„Water, hebben we water ?quot;

„Water!quot; hernam ik met gemaakte achteloosheid, „waarom zouden we geen water hebben ? Daar beneden is immers de G-uaso Narok! Neem dit intusschen,quot; en ik reikte hem de naast mij staande kruik aan. „Of wilt ge er een teugje cognac bij?quot; Met beide handen greep mijnheer v. Tiedemann de mijne:

„God zij dank!quot; riep hij uit. „Dan komen we misschien nog aan het Baringo-meer!quot;

Ik voerde mijne dragers benevens mijne veekudden in de Massai-kraal, die ik door het verbranden van eenige uitbouwen in staat van verdediging bracht. Onze tenten, benevens die der Somalis, liet ik daarbuiten opslaan. Daarop zette ik weder acht posten uit, daar de legervuren der Massais dreigend van alle heuvelen in 't rond opflikkerden. Om negen uur zaten we in den maneschijn heel prettig bij een schapencoteletje met cognac en water.

Dezen nacht had ik sedert dagen achtereen voor de eerste maal weder een langere rust, daar ik mijn bediende Rukua voor de deur mijner tent liet liggen, en de Somalis mij beloofd hadden, dat zij hunnerzijds de posten behoorlijk wakker zouden houden. Ik had ook bevolen, dat de colonne den volgenden morgen eerst om half zeven zou oprukken, en zoo ontwaakte ik den 27en December verkwikt, als een nieuwgeboren mensch.

Ongelukkigerwijze was dit bij den heer v. Tiedemann niet het geval geweest. Hij had des nachts niet kunnen slapen, en den volgenden morgen brak dan ook de dysenterie bij hem uit.

54

ocr page 77

OVER DEN GUASO NAEOK.

Tegen zeven uur trok ik met mijne kudde en mijne geheele colonne over den Guaso Narok, die hier helder en frisch over de rotsen stroomt en bruist.

Aan de overzijde der rivier kwamen eenige Wandorobbo naar mij toe, die mij meedeelden, dat de ezels, die ik den dag te voren had laten nemen, hun toebehoorden. Daar zij intusschen geenerlei bewijs voor deze bewering konden leveren, wees ik ze als „ongegrondquot; van de hand. Mijn voorstel, om wat naderbij te komen, ten einde met mij over den weg naar het Baringo-meer te spreken, namen zij niet aan, daar zij wel vreesden, dat ik hen anders met geweld zou dwingen, ons den weg te wijzen.

De Guaso Narok stroomt hier door een diepen ketel zijne ver-eeniging met den Guaso Nyiro te gemoet. Ik besloot, den steilen wand, die hem naar het Westen insluit, te beklimmen en eene poging te doen, of het niet mogelijk zou wezen, over de hoogvlakte heen onmiddellijk naar den -daags te voren gezienen Baringo-berg te marscheeren. Ik beval mijnen lieden, voor heden water-mee te nemen. Het vee was behoorlijk gedrenkt, en ik mocht dus hopen, na een marsch van ongeveer twee dagen, over de steppe hier of daar opnieuw water te zullen vinden en den Baringo te bereiken.

Onder ontzaglijke moeilijkheden, gedeeltelijk door hard en doornachtig struikgewas, kwamen wij tegen negen uur op de hoogte. Voor ons lag eene zwarte, verkoolde steppe, waarover de Noordenwind streek, en waar zich hier en daar een verlaten Massai-kraal bevond. Keken wij naar beneden, naar de bestegen helling, dan kon het oog tot op schijnbaar onafzienbaren afstand den zuidwestwaarts buigenden loop van den Guaso Narok volgen, waarachter op zeer grooten afstand de hellingen van het Elbejet-district zichtbaar werden.

Nu ging het in west-noordwestelijke richting steeds voorwaarts. Van Massais was geen spoor meer te zien. Al de kralen waren ledig. Tot een uur marscheerde ik volgens het kompas altijd nauwkeurig in de ingeslagen richting. Spoedig werd mij bericht, dat de kudde niet meer in staat was ons te volgen, en gedeeltelijk reeds aan den weg was blijven liggen. Dit dwong mij om halt te houden, ten einde de colonne bijeen te krijgen. Ik gaf den lieden nu een half

55

ocr page 78

STEEDS DOOB DE MASSAIS GEVOLGD.

uur rust, met het plan om daarna tot 's avonds verder te trekken. Maar mijnheer v. ïiedemann zeide mij, dat hij ziek was en zich niet in staat gevoelde, zulk een gedwongen tocht mede te maken. Dit was natuurlijk beslissend.

Ik had door Rukua de vlakte vooraf laten onderzoeken. Toen hij om twee uur met het bericht terugkwam, dat er nergens water voorhanden was, gaf ik het op om nog verder noordwaarts te trekken en wendde mij in zuidelijke richting naar den Guaso Narok heen.

Om vier uur vond ik, terwijl ik mijne colonne een heel eind vooruit was, een verlaten Massai-kraal, waarin ik onze vlag plantte en die ik voor ons in bezit nam. Spoedig was ze door mijne manschappen gereinigd en door 't een en ander in verdedigbaren staat gebracht. Zoodra mijnheer v. Tiedemann daar was, begaf ik mij met eenige manschappen op den zoek naar water in zuidelijke richting.

Tegen vijf uur vonden wij een waterpoel binnen een steenmassa, en zoo kon de geheele colonne dien avond nog haar eten koken.

Ik had des nachts slechts drie posten noodig om de kraal te bewaken, en sliep voor de tweede maal uitmuntend, daar wij binnen de omheining, bij goede bewaking, in volkomen veiligheid waren.

Voor den 28etl December besloot ik, ter wille van de erg uitgeputte colonne en vooral om mijnheer v. Tiedemann, rustdag te houden. Ik bepaalde mij er toe, het leger slechts ongeveer 1000 meter dichter bij het water, dat we den vorigen avond gevonden hadden, te verplaatsen, en bracht de karavaan weder in een flinke Massai-kraal, die ik door het afbranden der uitbouwen en door versterking der omheiningen inderdaad in een volkomen oninneembaar bolwerk herschiep.

lt;■ Het was grauw en leelijk weer, en van de Massais was dien dag geen spoor te zien. Maar het onaangename was, dat regelmatig des nachts hunne legervurcn op de nabijgelegen heuvelen zichtbaar waren, een teeken, dat zij, evenals vroeger, gelijk hyena's

56

ocr page 79

DE EEUWIGE KENIA.

des nachts om onze colonne slopen, en dat wij de grootste voorzichtigheid in acht moesten blijven nemen.

Den 29en December drongen wij door tamelijk struikgewas weder naar de rivier, wier loop ik nu in een sterken dagmarsch steeds in zuidwestelijke richting volgde. Nog altijd staarde de Kenia ons in het Zuidoosten aan. De berg, die eenige weken geleden mij in verrukking had gebracht, scheen nu voor ons allen iets noodlottigs te hebben. Wij konden er nu niet meer naar kijken, omdat wij onder zijne hellingen te veel hadden moeten doorstaan. Maar onbewegelijk keek hij op ons neer. Wat gingen hem, die blijkbaar voor de eeuwigheid geschapen was, de kleingeestige aandoeningen van menschelijk leed aan?

Waar wij nu heen gingen, hadden de Massais voor onze expeditie de vlucht genomen. De kralen, ook aan de overzij der rivier, waren allen verlaten, ofschoon zij nog sporen droegen, dat zij nog kort te voren bewoond waren geweest. Dit was een zeer heugelijk teeken.

Daarvoor tastte den 29en December weder eens een domme rhinoceros onze karavaan aan, totdat een kogel uit mijne buks in zijn kop hem noopte, van richting te veranderen en na een woedenden loop in 't rond, naar het Noorden heen de wijk te nemen. Jammer genoeg liet zich een groot deel onzer lieden verlokken, hem nutteloos een aantal kogels en kruit achterna te zenden.

Om een uur bracht ik mijne colonne weder in een Massai-kraal, die van den Subugu la Poron, die er van hier volkomen als de Kenia uitzag, in noordelijke richting lag. Tot mijne vreugde begon de Kenia dezen dag zich in blauw schemerlicht te vertoonen, terwijl aan de westzijde de randbergen van het Leikipia plateau scherper voor den dag kwamen. Wanneer niet de eeuwige vleeschkost zonder eenig plantaardig bijvoedsel ons meer en meer was begonnen tegen te staan, zou onze toestand van lieverlede weder aangenaam geworden zijn, daar wij ons aan het waakstelsel al reeds gewend hadden.

Den volgenden dag bereikten wij door een marsch van zeven uur een groot fraai Massai-dorp, ongeveer op de plek waar de

57

ocr page 80

DE KIKUYU LIEDEN ONTVLUCHTEN.

Guaso Narok begint om de noordelijke uitloopers der Aberdare-keten zijne zuidelijke richting in te slaan. Wij waren op dezen dag langs eene reeks groote papyrus-moerassen getrokken, welke niets zijn als stilstaande wateren van den Guaso Narok op den hier volkomen vlakken grond.

Des namiddags zond ik elf mijner flinkste lieden uit, om zich te overtuigen, of de Guaso Narok hier inderdaad naar het Zuiden loopt. Was dit het geval, dan hadden wij het punt bereikt, van waar destijds Thomson in noordwestelijke richting naar het Baringo-meer was getrokken, en moesten dan den volgenden morgen denzelfden sprong beproeven. En een lastige sprong was het, want Thomson had destijds in den regen gemarscheerd, maar nu bevonden we ons in den drogen tijd en waren dus aan het gevaar blootgesteld van geen water te vinden.

Voor dat wij heen gingen liet ik dus al ons vee nog drenken, en na een marsch van een goed uur kwamen we weder in het dichte doorn- en struikgewas, waarvan ook Thomson in zijn reisboek een alles behalve opwekkende beschrijving geeft. Zoo erg als Thomson de zaak schildert, scheen zij ons echter niet toe.

Eenige Somalis met scherpe zwaarden en bijlen vooruit waren onze baanbrekers, steeds in noordwestelijke richting, waarvan ik echter tegen den middag naar 't Westen afweek, daar ik op deze wijze sneller den Guaso Tien hoopte te bereiken, die reeds in het Baringo-meer vloeit en mij tot richtsnoer voor den verderen marsch zou dienen.

Terwijl wij ons zoo door het struikgewas heenwerkten, wierpen op eenmaal de Kikuyu-lieden hunne lasten neer en verdwenen rechtsaf. Ik meende eerst, dat zij Massais gezien hadden, en sprong dus naar de linkerzij heen. Toen intusschen daar geen sterveling te zien was. werd het mij op eenmaal duidelijk, dat het niet zoo zeer om vrees voor de Massais te doen was, dan wel om van alle banden ontslagen te zijn, hetgeen ik hun dan ook niet zoo bijster kwalijk kon nemen. Slechts twee van de Kikuyu-lieden werden door de Somalis gegrepen en moesten tot het Baringo-meer mede. De weggeworpen lasten daarentegen was ik nu gedwongen

58

ocr page 81

WEDER NAAK WATER ZOEKENDE.

' weder op de karneelen te stapelen, zoodat de reis nu nóg langzamer ging.

Hetgeen wij aan woudbeken hier vonden, was droog, en de stemming werd des te somberder, daar er geenerlei berekening te maken was, wanneer en of wij ons wel ooit uit het struikgewas zouden kunnen werken.

Des middags gaf ik aan de colonne eene kleine rust. De Somalis, Hussein in 't bijzonder, smeekten luide Allah om hulp, waartoe ik ze in zulke omstandigheden altijd opwekte, om hunne stemming steeds hoog te houden. De dragers toonden, vooral in deze dagen, een treffend vertrouwen in mijn persoon. Zij zeiden herhaaldelijk ; wij zullen water vinden, want de chef heeft het gezegd, dat wij van daag water zouden vinden.

Den geheelen namiddag arbeidden wij verder. Eindelijk van vier uur af begon het struikgewas een weinig meer open te worden. Wij kwamen aan een breed rhinocerosspoor en om vijf uur in een open, maar ongelukkigerwijze volkomen droog dal, oogenschijnlijk datgene, hetwelk Thomson het Marmose-dal noemt. Hier sloeg ik het leger op.

Mijnheer v. Tiedemann deelde mij dadelijk nadat we het leger hadden opgeslagen mede, dat hij nu bepaald de kenteekenen van dysenterie kon vaststellen. Ik had voor ons beiden een ketel water laten meevoeren, waarvan ik voor hem cacao liet koken. Maar ik was zeer terneer gedrukt. Hoe kon ik hem helpen? De dysenterie moet op eigenaardige wijze genezen worden. Thomson had er bij zijn uittocht uit Afrika van op den dood gelegen, en wij hadden ternauwernood de helft van den tocht achter den rug.

Maar gewichtiger voor het oogenblik was het, om water voor de karavaan te vinden. Ik zond voor dit doel twee colonnes in zuidelijke en zuidwestelijke richting, terwijl ik zelf met Hussein Para in noordwestelijke richting aan het zoeken ging. Tegen zes uur kwamen wij onverrichter zake terug, en ik nam een karig avondmaal alleen voor mijne tent, nadat ik de posten om de legerplaats had opgesteld. Ook Eukua met zijn troep was van 't Zuiden teruggekeerd, zonder iets gevonden te hebben.

59

ocr page 82

EEN GELUKKIG NIEUWEJAAH.

Het -was oudejaarsavond, en mijne vrienden in 't vaderland zaten nu in den kring hunner bekenden en bloedverwanten rondom de welvoorziene tafel. De temperatuur was des nachts altijd nog koel, en boven mij vlamden als duizenden geheimzinnige vraag-teekens de sterren der equatoriale wereld. In het struikgewas om mij heen lieten zich de stemmen der wildernis vernemen. De jakhals huilde, en in de verte brulde een leeuw.

Des avonds werd mij gemeld, dat Amdurabi uit Lamu, die reeds langen tijd ziek geweest was, niet te vinden was. Waar en hoe zou die arme drommel zijn einde gevonden hebben?

Ik zat in droevig gepeins over dit slot van het jaar 1889, toen tegen middernacht op eenmaal blijde kreten van de zuidzijde van het kamp weerklonken en onmiddellijk daarop de Gallaman Man-dutto in triumf door eenige dragers bij mij gebracht werd. Hij was juist van zijn tocht naar het zuidwesten teruggekeerd en op zijne schouders droeg hij twee kruiken vol water. „Mandutto heeft water gevonden,quot; dat was de blijde tijding, die dadelijk van mond tot mond door het geheele leger zich verspreidde en de stemming, die eerst zoo diep gedaald was, op eenmaal in levendige vreugde deed veranderen.

Met een hart vol dankbaarheid legde ik mij nu ter ruste. Op eenigszins wonderbaarlijke wijze was ook dit gevaar wederom afgewend, en vol blijde hoop in de toekomst sluimerde ik het jaar 1890 in.

Het door Mandutto gevonden water was een stilstaande poel aan de helling der westelijke omlijsting van het Leikipia-plateau. Het was onder riet en biezen verborgen en daardoor voor het opdrogen door de zon lang bewaard gebleven. Naar dit water, dat ongeveer een mijl van ons leger zich in zuidwestelijke richting bevond, verlegde ik op den morgen van den len Januari mijn leger en hield daar wederom een rustdag, om van hier uit den volgenden morgen den tocht tot Guaso Tien te volbrengen.

De wind blies ruw en koud uit het noorden, een echt Januari-weer. Maar wij hadden water! Wij konden cacao drinken en soep koken, en zoo bracht ik met het oog op hetgeen achter ons lag

(30

ocr page 83

DE WEGWIJZERS TEGEN WIL EN DANK. 61

een mooien feestdag door. Ik begon op dezen dag mijn Massai-bericht voor Europa uit te werken, en schreef ook brieven aan mijn bloedverwanten.

Wij waren nu over de 800 voet hoog en moesten den volgenden morgen stellig de daling van de Leikipia-vlakten naar het Westen bereiken.

Toen ik des namiddags in mijn tent zat, werd mij plotseling bericht, dat er menschen in de nabijheid waren, die blijkbaar met ons in onderhandeling wenschten te treden. Ik liet ze ontbieden en bespeurde, dat het jeugdige Wandorobbo waren.

„Kent gij den weg naar den Guaso Tien?quot; vroeg ik hun, toen ze in mijn leger plaats genomen hadden.

„De Guaso Tien is zeer nabij,quot; zeiden zij.

„Hij loopt naar den Baringo, niet waar?quot;

„De Baringo is ginds.quot; Zij wezen naar het noordwesten.

„Dan is deze berg ginds, dien wij zien kunnen, zeker de Dönjo Gelescha?quot;

Zij knikten toestemmend, verbaasd dat ik den naam leende.

„Nu zal ik jelui wat zeggen, mijne goede Wandorobbo. Gij wijst mij den weg naar den Guaso Tien en naar Njemps. Daarvoor zal ik u eenige stukken vleesch en mooie kleeren schenken, wanneer we te Njemps aankomen.quot;

Zij keken elkaar aan en schenen met dezen voorslag niet ingenomen te zijn. Ik ging daarop aldus voort:

„Bij ons is het gewoonte, dat men den vreemdeling, die in het land komt, den weg wijst, wanneer hij daarom vraagt. Wie dat niet vrijwillig doet, die wordt er toe gedwongen. Dat is zoo ons gebruik. Gy schijnt geen lust te hebben om dit gebruik te volgen. Dan moet ik u verzoeken dezen nacht bij mijne Somalis te slapen, opdat ge niet weder bij nacht en ontij heensluipt. Overigens zult gij goed behandeld worden.quot;

Toen beiden nu plotseling, ondanks miine vriendelijke woorden, beproefden om het op een loopen te zetten, werden zij door de Somalis gegrepen en gebonden. Wij zijn toen de volgende dagen zeer vriendschappelijk met hen tot Njemps gemarscheerd, van waar

ocr page 84

AAN DEN GTJASO TIEN.

zij met rijke geschenken naar hun stam terug mochten keeren. Hiermee was de hoofdzorg van de laatste week opgeheven en heden voor de eerste maal had ik weder volle vertrouwen in den verderen gang onzer expeditie.

Den volgenden morgen overschreden wij onder leiding der beide Wandorobbo den westelijken rand van Leikipia, eerst over verbrand struikgewas en ruw jong hout, daarna kwamen we plotseling tegen het Westen op een breeden weg, die er bijna als eene laan uitzag.

Op eenmaal deed mijne gansche colonne een kreet van verrukking hooren. Voor ons opende zich een groen dal, waarin de helling der Leikipia-vlakte loodrecht naar beneden viel. In dat dal echter zagen wij een rivier, en de ons leidende Wandorobbo zeiden dat het de Gruaso Tien was. Derhalve hadden wij het stroomgebied van den Baringo bereikt. Achter ons lag het ruwe ongastvrije plateau van Leikipia, en waarschijnlijk nu ook voor altijd de zorgen der Massai-kampen.

Door gras van eene manshoogte ging het nu een kwartier uurs lang tot aan den Guaso Tien. Deze rivier was over het algemeen opgedroogd en slechts op de plaatsen, waar hoog riet de zonnestralen tegenhield, bevond zich eenig water, waarmee de karavaan zich laafde. Ik besloot derhalve weder stroomafwaarts te marscheeren, waar volgens zeggen der Wandorobbo beter water voorhanden was.

Tegen drie uur kwamen wij aan een geweldigen afgrond, waaide Guaso Tien zich steil in de diepte begint neer te storten. Over woest gesteente en ontzaglijke rotsblokken, dikwijls slechts met moeite een steunpunt vindende, klauterden wij naar beneden. Maar eindelijk werd het pad zeer smal en hield geheel op, toen wij aan een rotsblok kwamen, dat het geheele saamgedrongen rivierbed volkomen vulde en een loodrechten val van minstens 20 meter vormde. Hier was het geheel ondoenlijk om verder te komen, en derhalve besloot ik, aan een kleine uitstekende bocht daarboven, waar een weinig water onder de rots stond, voor dezen nacht het leger op te slaan.

Steil verhieven zich aan weerszijden de oevers, zoodat elk slechts

62

ocr page 85

EENE MERKWAARDIGE KKATERVORMING.

zacht uitgesproken woord luid in de diepte weerklonk. Ik behoefde hier slechts twee posten boven en beneden op te stellen, om voor eiken vijandelijken overval zeker te zijn, en toen 's avonds de legervuren der expeditie tegen de rotsen en in de rivierdiepte omhoog flikkerden, hadden wij een tafereel voor ons, zoo als men het zich niet romanesker zou kunnen voorstellen.

Mijne Somalis hadden den dag te voren, toen zij het afdalen met de kameelen beproefden, een pad aan de rechterzij van den Guaso Tien ontdekt, dat ik den volgenden morgen betrad. Het bracht ons eerst 2500 meter hoog op den uitersten rand van het Baringo-meer, van waar de Dönjo Gelescha zich nog slechts als een kleine heuvel verhief. Ik vond van hier uit een rondblik over deze geheele, allereigenaardigste omranding en meende te kunnen vaststellen, dat wij daar met een geweldigen kraterring te doen hebben, welks doorsnede ik op ongeveer 15 Daitsche mijlen schatte. Binnen een grooten ring schijnt eene reeks van kleine kraterringen opgesteld te zijn, wier diepste het Baringo-meer zelf is. Zoo staan wij hier tegenover een kratervorming, waarvan ik op aarde geen tweede voorbeeld ken en die ik slechts met de ringgebergten van de maan zou kunnen vergelijken.

Op een naar beneden slingerend pad daalden we nu naar omlaag, om den Guaso Tien weder aan het punt te bereiken, waar hij uit zijne zuidelijke richting in een bijna rechten hoek naar het Westen afwijkt. Van hier af hadden wij den rivierloop zelf te volgen. De rotsen rechts en links, die hem volkomen afsluiten, bereiken eene hoogte van ongeveer 800 voet. Zij vertoonen zich nu eens dichter dan weder verder van elkaar. Het schijnt, alsof hier de rots door een of ander onheil van elkaar gespleten is en een groote scheur gevormd heeft, waarin de Guaso Tien zich naar beneden stort. Het merkwaardige bij dezen stroomloop was bovendien, dat overal waar hij in diepe schaduw stond, hij dadelijk een waterstand ontwikkelde, terwijl in die gedeelten, waar de zon hem loodrecht bescheen, slechts een droog rivierbed voorhanden was. Waar het water echter weer dadelijk van daan kwam, was nauwelijks te ontdekken.

63

ocr page 86

BBAND IN DE STEPPE,

Op één punt kwamen de rotsen zoo dicht bijeen, dat nauwelijks een ezel zich door de spleet kon wringen, en de kanieelen hier natuurlijk bleven steken. Derhalve liet ik het leger nog eens beneden dit punt aan een verwijding in de diepte opslaan, en hier heb ik een heelen dag vertoefd, om de kameelen er uit te krijgen, wat dan ook met groote inspanning gebeurde.

Zoo verlieten wij eerst den 5ei1 Januari de engte van den Guaso Tien, die den zuidoosthoek van het Baringo-meer bereikt, om ons naar de Njemps-vlakte te begeven. Ik liet dezen dag het leger aan een kleinen bijstroom van den Guaso Tien opslaan. Terwijl dit gebeurde, had een der dragers het ongeluk, een brandend stuk hout in het ontvlambare droge gras te laten vallen. Dit vatte vuur en met de snelheid van den wind breidde het zich om de hellingen en de grassteppe uit.

Dit gaf mij gelukkigerwijze aanleiding, om eene legerplaats op te zoeken, die reeds afgebrand en dus niet meer gevaarlijk was. Ik zeg „gelukkigerwijze,quot; want tegen den avond sprong de wind om, en nu keerde op eens het vuur, dat des middags op de steppe voortgewoekerd had, langs een omweg naar ons terug, en wel met eene snelheid, waarvoor het niet mogelijk zou geweest zijn, indien wij ons te midden dier grasvelden bevonden hadden, de vlucht te nemen. Het gelukte ons met groote moeite, ezels en munitie in het midden der door mij opgezochte kale legerplaats te brengen. Mijnheer v. Tiedemann, die zijne tent aan den rand der grassteppe had en er nog in lag, moest in allerijl ongekleed er uitspringen, daar hij anders groot gevaar had geloopen, van te verbranden. Gelijk altijd en overal, waar sterke tegenstellingen van hoog en laag samentreffen, werden wij hier ook door verraderlijke windvlagen geplaagd, zoodat we den geheelen nacht door gevaar liepen, plotseling onze tenten te zien omwaaien.

Gaarne verlieten we dus den volgenden morgen de ongastvrije plek, in de hoop, heden nog het Baringo-meer zelf te kunnen bereiken. Met zulk een vurig verlangen moet Mozes uitgetrokken zijn, toen hem werd toegezegd, dat hij het beloofde land zou aanschouwen.

ocr page 87

DE KLAUTEEPABTIJ NAAR BENEDEN.

Van het Baringo-meer had Thomson verleidelijke beschrijvingen gegeven. Wij hoopten hier overvloed van eten te vinden en het gevoel van veiligheid voor lichaam en leven weder te krijgen. Geduldig berustten we dus in ons lot, dat wij uren lang door de uitgedroogde prairie te marscheeren hadden.

Tegen elf uur was de laatste rand bereikt en daar lag het inderdaad voor ons! Beneden ons breidde zich eene groene grassteppe uit, die wel is waar ook hier en daar bruinachtige en roodachtige tinten aannam. Vlak tegenover ons stak eene steile rotspartij omhoog, die volgens de kaarten Kamasia moest zijn, hetgeen ook de Wandorobbo, die steeds een en al verbazing waren als ik hun zulke namen noemde, bevestigden.

Aan de rechterzijde echter ligt in een fraaie bocht, gelijk de golf van Sorrente of Napels, het liefelijk bekken van het Baringo-meer, waaruit naar het Noorden eenige eilanden zichtbaar worden. Donkerblauw slaat het Bariago-meer zijn oog naar den stralenden hemel op. Men weet niet, of daar beneden de wezenlijke hemel is, dan wel in het luchtruim dat zich boven ons uitspant. Als een landschap uit het sprookjesland breidt zich voor ons uit, hetgeen wij daar beneden aanschouwen.

Zoo zal het ons dus werkelijk vergund zijn, de ongastvrije steppen der Massais levend te verlaten! Ja, het is ons vergund! Het is geen droom meer! Wij behoeven slechts naar beneden te klimmen, om de werkelijkheid zelve te grijpen.

Ongeveer een uur lang zwolgen wij allen in de aanschouwing van het dichterlijk tooneel. Of mijne dragers misschien niet meer in verrukking geraakten door het vooruitzicht van hetgeen er nu voor den pot te wachten was, zal ik maar in 't midden laten. In ■elk geval was de blijde stemming zeer algemeen, en in deze stemming werd ook de zeer lastige klimpartij naar beneden sneller en makkelijker volbracht, dan anders wel het geval placht te wezen,

Wij hadden ongeveer 1200 voet loodrecht naar beneden te klauteren, hetgeen voor de kameelen en ook voor de dragers met hunne lasten van 60 pond en meer inderdaad geen hapje was.

II 5

65

ocr page 88

VOOR NJEMPS NKÜBUA.

Aan den uitersten voet van den kraterrand aangeland, hield ik rust, om de geheele colonne bijeen te hebben. Een kameel was ongelukkigerwijze dezen morgen bezweken, zoodat ik er nu nog maar drie had.

Maar wat beteekende dat tegenover het feit, dat wij nu toch het Baringo-gebied stellig bereikt hadden! Tegen twee uur mar-scheerden wij onder trommelslag door de grassteppe naar het Westen af. Aan den gezichteinder voor ons doken voor de eerste maal sedert langen tijd weder acacia's en mimosa's op. Het waren de omtrekken van den Guaso na Nyuki, waar we ons heen begaven. Tegen vijf uur waren wij er over, en gelijk vroeger in de kalme dagen aan de Tana betrok ik mijne legerplaats onder schaduwrijke mimosa-boomen, en het was met een gevoel van ware vreugde des harten, waarmee ik mij om zeven uur, toen de maan vreedzaam en stil opgekomen was, aan het avondmaal voor mijne tent neerzette.

Van de inboorlingen zagen wij dezen avond nog niets. De beide Massai-nederzettingen van Njemps ndogo en Njemps nkubua (het kleine en het groote Njemps) bevinden zich aan den Guaso Tigerisch, die ongeveer een uur westelijk van den Guaso na Nyuki naar de Baringo loopt. Het was weder een gevoel als aan den vooravond van Kerstmis, waarmee ik me dezen avond ter ruste legde.

Den volgenden morgen in alle vroegte ging het onder trommelslag in west-zuidwestelijke richting verder. Spoedig kwamen wij op een breeden weg, en plotseling hoorde ik aan mijn linkerzijde geroep van menschen. Het deed ons goed, hier, in het hart van Afrika, het oude „Jamboquot; van de kust te hooren. Wij hadden op eenmaal het gevoel, dat wij weder in vreedzame aanraking met de buitenwereld kwamen. Nog eenige honderd schreden en de dichte omheiningen van Njemps nkubua doken voor ons op. De oudsten van den stam kwamen naar buiten. Op mijn „Jamboquot; volgde onmiddellijk een vriendelijk „Jambo Sanaquot;. De handen werden bespuwd en geschud.

Spoedig plaatste zich een troep der bewoners aan de spits dei-colonne, en brachten ons langs een omweg om Njemps. Wij overschrijden den Guaso Tigerisch en bevinden ons in de schaduw

66

ocr page 89

BIJ EEN BEVEIENDENquot; STAM.

van koele mimosa-boomen aan de noordelijke omheining van het oord, op de oude legerplaats der doortrekkende karavanen, waar destijds ook Thomson en Dr. Fischer vertoefd hebben. Snel zijn de lasten neergelegd, de tenten opgeslagen en spoedig hebben wij het zoete gevoel, dat we naar hartelust uitrusten bij een met ons bevrienden stam.

De moeilijkheden en gevaren onder de Massais van het Leikipia-plateau beginnen, als onweerswolken, nadat een onweer uitgewoed heeft, ook aan den horizon onzer herinneringen van lieverlede weg te trekken.

67

ocr page 90

II.

Van liet Baringo-meer naar liet Victoria Nyanza-gebied.

Njemps ligt eene mijl zuidwaarts van het Baringo-meer verwijderd. Ongelukkigerwijze kan ik in de lofliederen van Thomson over deze plaats en hare bewoners niet mede instemmen. Hij was een en al verrukking over de veiligheid, die hij hier genoot, en dat zal hem zoo opgewonden gemaakt hebben. Wij hadden ons onze veiligheid tot nu toe weten te veroveren en schatting hadden we ook vroeger nergens betaald, zoodat ?■ deze twee laatste voor-deelen ons nu juist niet [gt;1^^ zoo troffen. Wat echter

ocr page 91

RUILHANDEL MET DE MASSAIS.

de gewichtige vraag van voeding en onderhoud betreft, zoo gelukte het ons slechts door de omstandigheid, dat wij eten met eten konden betalen, om koren, honig en visschen van de inwoners te krijgen. Zij leden zelve honger en hadden tegen kleeren of zelfs sieraden zich ternauwernood bereid verklaard, voedsel af te staan. Maar ik betaalde met bokken en schapen, en hierdoor gelukte het, een en ander, waaronder zekere hoeveelheid roodachtige gierst, weri-weri genaamd, voor mij en mijne manschappen te verkrijgen, en ook wat honig en dagelijks visch machtig te worden. Uit het koren werd eene soort van meel gemaakt, dat, in zoutwater gekookt, bij melk heel lekker smaakte.

De Massais herkenden in de door ons meegebrachte schapen nu en dan exemplaren, welke hun hunne neven van Leikipia, met wie zij in doodsvijandschap leefden, geroofd hadden. Natuurlijk kon er geene sprake van zijn, dat ik hun terug ging geven zonder daarvoor iets terug te krijgen, daar ik anders wel mijne heele kudde had kunnen weggeven. Alles bijeengenomen leefden wij heel vriendschappelijk met elkaar, daar wij door gemeenschappelijke vijandschap tegen een derde verbonden waren.

Ik had al de ellenden van den tocht door Leikipia zeer spoedig overwonnen, maar mijnheer v. Tiedemann kon zijne gezondheid in de zes dagen, welke wij aan het Baringo-meer doorbrachten, ongelukkigerwijze niet terugkrijgen.

De daling tusschen den Dönjo Gelescha in het Oosten en het Kamasia-plateau in het Westen, dat ongeveer in gelijke hoogte steil daalt, is 1300 meter boven den zeespiegel, en wij hadden sedert langen tijd weder aangename warmer nachten, terwijl de dagen steeds nog dragelijk koel waren.

De schaduwzijde van deze streek is de buitengewone droogte, welke zeer dikwijls den oogst vernielt en hongersnood doet ontstaan. Wel hebben de Massais, die hier, in tegenstelling met hunne broeders op de hoogvlakten, akkerbouw drijven, een zeer kunstig bedachte bevloeiing ingericht, maar deze hangt geheel af van den Guaso Tigerisch, die om dezen tijd van het jaar eveneens menigmaal uitdroogt.

69

ocr page 92

70 DE quot;WENSCHELIJKHEID VAN EESquot; BARING O-STATION.

Het Baringo-meer bezocht ik op Zondag den 12en Januari. Wij zagen groote massa's wild van allerlei soort op den weg. Van het meer was intusschen niet veel te zien, daar het aan zijn zuidelijken oever met breed riet omgeven is, waar men eerst doorheen moet dringen, om de watervlakte te kunnen aanschouwen.

Zoo liefelijk als het zich, van de hoogte uit bezien, voordoet, zoo weinig bekoorlijks biedt het aan zijne oevers zelve. De bewoners dezer streken, door de Wanjamwesi Wakuasi, d. w. z. handelaars, genoemd — een naam, die overigens bij de Massais zelve niet bekend is — zijn door oorlogen zeer ineengesmolten en vreesachtig geworden, zoodat zij ten gevolge van een en ander in het verkeer veel bescheidener zijn dan hunne brutale neven op de vlakten daarboven. Zij behooren tot den grooten stam, die, naar het schijnt, in het begin dezer eeuw door de overige Massais overweldigd en naar alle kanten uit elkaar gejaagd werd: deels nog verder naar het Noorden aan de door graaf Teleki ontdekte meren, deels naar Useguha, deels naar Kawirondo en dicht aan de oevers van het Victoria-meer. Deze lieden zijn schrander en kunnen zeer gemakkelijk beschaafd worden. Zij hebben gaarne met vreemdelingen te doen, omdat deze hen tegen de Massai-stammen kunnen beschermen, welke van tijd tot tijd invallen bij hen doen. De handeldrijvende vreemdelingen, onverschillig of het Arabieren of Europeanen zijn, hebben er hunnerzijds eveneens belang bij, om deze kolonie van vreedzame en vriendelijke Massais hier voortdurend te behouden.

Ik zette mijne denkbeelden over dit punt in een bericht aan het Duitsche Emin Pacha-comité aldus uiteen:

„Een Baringo-station zoude voor het toegankelijk stellen van Centraal-Afrika en de groote plateaux, waarover onze weg gevoerd heeft, van de allergrootste beteekenis zijn. Hier in eene vreedzame oase kunnen de expeditiën, die, van het Oosten komend, zich naar het Noorden of Westen begeven, uitrusten en zich op de hen verder wachtende moeilijkheden voorbereiden. Ook is het

ocr page 93

DE DUITSCHE VLAG TE NJEMPS.

bekend, dat Njemps aan de Baringo een der groote middelpunten van den Oost- en Centraal-Afrikaanschen ivoorhandel is. Ik acht het evenzeer in het belang der beschaving als in dat van den algemeen Europeeschen handel, om de kolonie der hier wonende schrandere en bescheiden Wakuafi voor de verwoesting door Mas-sais en Wasuk, door wie zij steeds bedreigd worden, te beschermen en voortdurend te beveiligen. Met één woord, ik acht het vestigen van een sterk Europeesch station aan het Baringo-meer in het belang der geheele verdere beschavende ontwikkeling van Oost- en Midden-Afrika. Vijf blanken en 25 goed gewapende Askaris met geschut zouden naar mijne schatting voldoende wezen, niet alleen om dit liefelijke dal te beveiligen, maar ik geloof ook, dat zulk eene op te richten handelsfactorij zeer spoedig de gedane uitgaven zou goed maken. Welke natie zulk een station hier opricht, is vrij onverschillig. Ik zoude dit ongetwijfeld zelf doen, als ik mijne krachten niet geheel en al voor mijne verdere taak noodig had. Mij zijn ongelukkigerwijze de meeste middelen, waarover ik te beschikken . had, te Zanzibar en aan de kust door grof geweld ontnomen.

Intusschen, om toch wat te doen, heb ik met de quot;Wakuafi een verdrag gesloten, dat hun de vriendschap der Duitschers waarborgt, en hun land ter mijner beschikking stelt, wanneer ik daartoe de noodige verdere stappen doe. Tevens heb ik te Njemps den 9en Januari de Duitsche vlag geheschen. Ik meen te mogen aannemen, dat de zwart-wit-roode vlag tot heden nog de meest gevreesde bij de Massais is, en, totdat in Europa de zaak beslist wordt, houd ik het voor 't nuttigste, dat juist deze vlag hier waait. Ik maak daardoor Njemps alombekend als Europeesch en in het bijzonder als Duitsch bezit. ïot dit laatste acht ik mij bevoegd, omdat de Baringo met Njemps ten Noorden van de evennachtslijn in het Londensch verdrag niet mede begrepen is.

Van hier zoude, mijns bedunkens, het allerbeste noordelijk van den Kenia eene duurzame verbinding met Oda-Boru-Kuwa te ontwerpen en te handhaven zijn, en wanneer Emin Pacha nog in

71

ocr page 94

HET VERDRAG MET DE OUDSTEN.

Wadelai is en genegen mocht zijn, om tot dit plan mede te werken, dan zoude er in het hart van Afrika eene keten van Europeesche posten tot stand te brengen zijn, die op de bevaarbaarheid der ïana steunde en, zoowel uit een oogpunt van handel als van beschaving, van buitengewone beteekenis voor Oost- en Midden-Afrika zou kunnen worden.quot;

In verband hiermede had ik reeds den 8en Januari het volgende verdrag met de oudsten gesloten:

Njemps aan het Baringo-meer, 8 Januari 1890

VERDRAG.

De oudsten der Wakuafi te Njemps en aan het Baringo-meer verzoeken Dr. Carl Peters om zijne vriendschap.

Zij hebben vernomen, dat hij de Massais geslagen heeft, welke hunne vijanden zijn.

Zij verklaren, Dr. Peters als hun heer te erkennen, en verzoeken hem, bij Z. M. den Duitschen Keizer om inlijving van het Baringo-land in het Duitsche gebied te vragen.

Dr. Carl Peters verklaart zich, na langdurige beraadslaging in eene bijeenkomst der Wakuafi, bereid, hun zijne vriendschap te waarborgen en hen tegen de Massais te beschermen, zoolang hij aan het Baringo-meer vertoeft. Hij verklaart zich bereid, de Duitsche vlag te hijschen, om daarmee den Massais ook verder te toonen, dat hij het Baringo-gebied als het zijne beschouwt, en dat het onder zijne bescherming staat.

De afstand van Njemps en van het Baringo-gebied aan Dr. Carl Peters en het aannemen daarvan door Dr. Peters voor zich en zijne vrienden wordt door de onderteekening van beide zijden en door de bij de Wakuafi gebruikelijke vormen, evenals het in bezit nemen door het hijschen der Duitsche handelsvlag binnen de omzooming van Njemps Nkubua voltrokken, terwijl Dr. Peters zich nog bereid verklaart, ingeval dit mogelijk is, met Emin Pacha

72

ocr page 95

proviandeering is hoofdzaak.

omtrent het wijzigen van het machtsgebied in deze streken in onderhandeling te treden.

Dr. Carl Peters.

Oudsten der Wakuafi van Njemps en Baringo:

Handteekening van Laonania.

„ „ Sombeja.

„ „ Barzalot.

„ „ Longoletea.

„ „ Lendeka.

„ „ Nendalom.

Getuigen:

Hussein Fara, Musa-Dar-es-Salaam, Bwana Mka, Rukua, v. Tiedemann,

getuigen dat de bovenstaande acte in den vorm van een verdrag tusschen Dr. Peters en de Wakuafi van Njemps en Baringo op den huldigen dag is afgesloten.

Njemps, 8 Januari 1890.

Den 9en Januari was derhalve binnen de omheining van Njemps de Duitsche vlag geheschen, die ver in den omtrek zichtbaar was.

Voor den verderen tocht naar het Westen liet ik de lasten aanmerkelijk bijeenpakken, zoodat van nu af de dragers bijna uitsluitend voor het vervoer daarvan belast waren, en de lastdieren slechts in geval van nood daarvoor werden gebruikt.

Voorts zorgde ik voor de proviandeering der colonne, daar ik zeer wel wist, dat wij nu over de Augusta-Na-Njuki moesten trekken, waar geene levende ziel woonde.

Zooals ik vroeger al eens heb gezegd, is de proviandeering bij Afrikaansche expedition eigenlijk de hoofdtaak van den leider, waartegen hij flink opgewassen moet zijn, wil hij althans zijn doel bereiken.

Wie dit gewichtig punt niet terdege ter harte neemt, is als aanvoerder niet veel waard. Stanley geeft hoog op van het lijden,

7S

ocr page 96

STANLEY'S LUCHTHARTIGHEID.

dat zijne expeditie bij haar tocht langs de Aruwimi van den honger te doorstaan had. Ik heb bij het lezen van dat relaas de opmerking niet kunnen weerhouden: Maar gevoelt Stanley dan in 't geheel niet, dat hij in deze schilderingen blijk geeft van eene onverantwoordelijke fout zijnerzijds? In de beschrijving blijkt dit in geenerlei opzicht. Nu geef ik toe, dat men niet altijd voor een dergelijk ongeluk verantwoordelijk gesteld kan worden, ofschoon ik toch in 't algemeen overtuigd ben, dat de aanvoerder eener expeditie, vooral wat dit betreft, eerst goede inlichtingen omtrent den te nemen weg moet inwinnen, alvorens hij honderden men-schen in zulke streken voert, of, ingeval het niet mogelijk is dat alles te vernemen, door het medevoeren van kudden of het bepalen van proviandstations tegen het verhongeren der manschappen dient te waken. Dat echter Stanley zelfs bij zijn derden tocht door het woud, toen hij toch de omstandigheden heel nauwkeurig kende, al wederom van een „hongerlegerquot; vertellen moet, beantwoordt niet aan de mate van bewondering, welke ik vroeger geneigd was aan Stanley, vooral als aanvoerder zijner expeditie, te brengen. Ik zou er althans tweemaal over denken, om eene groote expeditie aan een man toe te vertrouwen, die zulk een verzuim van den hoofdplicht eens aanvoerders voor iets heel gewoons houdt, en die zelfs nog van meening schijnt te zijn, dat hij door de schildering van het lijden, hetwelk uit zulk eene nalatigheid voortvloeide, het medegevoel van Europa zal opwekken.

Ik gaf aan den Baringo ieder mijner lieden voor 12 dagen meel, en daar ik altijd nog over ongeveer 400 stuks vee beschikte, zoo kon ik den 18en Januari den tocht naar het quot;Westen op Kawirondo met een gerust geweten aanvaarden.

Op dezen dag waren wij ongeveer op anderhalve mijl westwaarts van Njemps aan een liefelijken bocht van den Guaso Tigerisch gelegerd, waar destijds graaf Teleki weken lang zijn leger opgeslagen had.

Den volgenden morgen was het onze taak, den wand van het Kamasia-plateau, die steil in de vlakte naar beneden valt, te beklimmen! Wij begaven ons reeds voor zonsopgang op weg, en

74

ocr page 97

BEKLIMMING VAN DEN KAMASIA-KAM. 75

nu ging het bij de steeds glooiender wordende zon voortdurend bergopwaarts.

Het Kamasia-plate.au is in elk opzicht de tegenhanger van den Dönjo Gelescha en het Leikipia-plateau. Evenals dit gaat het terras-gewijze naar beneden. Het ziet er uit, alsof men eene reeks op elkaar gestapelde kraterwanden, die ringvormig in elkander gesloten liggen, te beklimmen had.

Ik had mijn vriend Laonania weten over te halen, ons den weg tot de eerste waterplek in Kamasia te wijzen. Wij mar-scheerden echter den geheelen middag, zonder dat we water zagen. Eindelijk hielden wij aan een zeer karig vloeiende bron in het uitgedroogde bed van den Guaso Kamnje halt, waar wij het leger dicht bijeengedrongen tegen eene berghelling moesten opslaan.

De inboorlingen van dit land zijn eveneens Massais en hebben veel van de onbeschofte Leikipia-bewoners. Ofschoon zij wisten dat wij deze geslagen hadden, drongen zij zich met veel rumoer bij ons in en gedroegen zich tamelijk ongemanierd, zoodat ik ze uit het leger joeg. Intusschen boden zij ons heerlijken honig te koop aan. Ook dreven zij hunne stoutmoedigheden niet zóóver, dat het tot een gevecht kwam.

Den 15en Januari beklommen wij toen slingersgewijze den kam van Kamasia, eene echte klauterpartij, die tot mijne verbazing zelfs tot een goed eind werd gebracht door de kameelen, die er wel is waar onbeladen op klommen, behalve dat een daarvan den Somali Achmed droeg, die aan ontsteking leed.

Terwijl de oostelijke helling van Kamasia zeer droog is, bevinden zich aan de westelijke zijde eene reeks beken en frissche plantengroei.

Ik had te Njemps de ziek geworden vrouw van mijnen drager Pemba moto op diens verzoek aan de zorg van gindsche Massais achtergelaten, en den vorigen dag was mijn drager Chamsin, die eenige gereedschappen droeg en hinkte, niet in de legerplaats aangekomen. Op den morgen van den 15en Januari voelde Pemba moto zich plotseling zoodanig tot zijne vrouw aangetrokken, dat hij zich voor het opbreken der expeditie, onder achterlating van zijn last, uit do voeten had gemaakt.

ocr page 98

NAAR HET WESTEN.

Ik sloeg dezen dag mijn leger weder aan den hoek van eene berghelling onmiddellijk over een beekje in een kleine vlakte op. De lieden van Kamasia hadden zich tot nu toe van alle vijandelijkheden tegenover ons onthouden. Tegen den middag werd er gemeld, dat zij van onze kudde schapen trachtten te stelen, maar dat zij door de geweerschoten der Somalis snel verjaagd waren.

Tegen drie uur verscheen nu plotseling Pemba moto geheel ongekleed en zonder wapens in wilde vlucht weder bij ons, met de tijding, dat de Wakamasia Chamsin afgemaakt, hem zijn last afgenomen en ook beproefd hadden, op hém zelf beslag te leggen. Slechts met achterlating van al zijn goed was het Pemba mogelijk geweest te ontkomen en de espeditie weder te bereiken.

Ofschoon het hier blijkbaar een oorlogsgeval betrof, kon ik er niet toe besluiten, den lastigen tocht over den kam van den Kamasia nóg eens te maken, maar bepaalde mij er slechts toe, aan mijne lieden bevel te geven, elke handeling van de Wakamasia, die van nu af vijandig jegens ons bleken te zijn, met geweld te beantwoorden.

Zoo trokken wij op den morgen van den 16en Januari steeds over een heuvelachtigen en gedeeltelijk glooienden bodem weder naar het Westen. De Wakamasia beproefden herhaaldelijk, uit onze veekudde te stelen, doch werden telkens door de Somalis teruggedreven, waarbij velen hunner vielen.

Tegen twaalf uur bereikten wij de westelijke helling van het Kamasia-plateau en waren niet weinig onaangenaam verrast, voor ons, weder door een breed dal van ons gescheiden, op nieuw een steilen rotswand te zien, die schijnbaar loodrecht in de diepte viel.

Ik vernam, dat dit het land Elgejo was, waar de lieden zeer kwaadaardig waren, veel erger dan in Kamasia, naar de Wakamasia beweerden. Ik bevond mij nu in zuidoostelijke richting boven Kapte, het landschap dat de westelijke helling van Kamasia omvat.

Nadat ik met de lieden boven eene vredesgeit geslacht had.

76

ocr page 99

DE WAKAMASIA EISCHEN SCHATTING.

begon ik de afdaling, die gemakkelijker ging, dan wij boven hadden kunnen vermoeden. Plotseling zag ik een groenen stok over den weg liggen en daarachter bevonden zich 50—60 inboorlingen met hunne lansen in de hand en met gespannen pijl en boog. De lieden

verbeeldden zich. dat zij schatting van mij konden eischen, doch zagen spoedig van dit vriendelijke plan af, toen ik mijn geweer aanlegde en ze met oorlog bedreigde. Zij waren door Thomson verwend, die hierover het volgende vertelt:

„We moesten meer dan eens halt houden, om de schatting te

ocr page 100

ONTMOETING MET DE KARAVAAN.

betalen, vóór wij toestemming kregen om verder te gaan. De weg werd gesloten, doordien men eenige groene takken over het voetpad legde, en het was voldoende, over dat geheiligd symbool heen te stappen voor daartoe verlof gegeven was, om de lieden in de hoogste opgewondenheid te brengen.quot;

Toen de Wakamasia zich later op hun eigen handje in 't bezit van de door hen verlangde schatting op kosten mijner kudde wilden stellen, werden er nog drie van hen bij deze rooverij neergeschoten. Wij deden dit ook, omdat ze Chamsin zoo schandelijk vermoord hadden. Daarna was de vrede in 't land hersteld. Zij kwamen ons nu gewillig verklaren, dat zij ook zonder schatting onze vrienden wilden zijn.

Ik sloeg mijn leger dezen dag eenigszins zuidelijk van Kapte aan de westelijke helling van het gebergte op. De Kamasia-lieden, die zich nu heel vriendelijk gedroegen, brachten ons allerlei eetwaren te koop aan, en wij zagen een allerrustigsten namiddag in 't verschiet, toen al onze oplettendheid plotseling gewekt werd door geweervuur aan den voet van het terras, waarop ons leger zich bevond.

Wat kon dat zijn? Zeker eene karavaan, zoo het al geene Europeanen waren? Eene Engelsche expeditie? Misschien Stanley of zelfs Emin Pacha in persoon?

De Wakamasia, die er bij waren, lichtten mij weldra in, dat het eene karavaan van Juma Kimaraeta was, mij zeer wel bekend uit de reisbeschrijving van Thomson en Teleki.

Daar verschenen i'eeds op de helling van den heuvel vlak voor ons de eerste gestalten. Snel achter elkaar vuurden zij hunne geweren in de lucht af, hetgeen ik met een schot uit mijne tent beantwoordde. Ik zond hun mijn oudsten drager Musa en mijn bediende Buana Mku te gemoet, om hen te begroeten. Spoedig daarop verschenen zes schilderachtig gekleede Ai-abieren in mijn leger, de aanvoerders der voorbijtrekkende expeditie.

Zoo moet het den zeevaarder gaan, als hij op een geheel onbevaren zee, in de poolzee bij voorbeeld, plotseling een ander schip gewaar wordt. De Arabieren begroetten mij bijna als landgenooten.

78

ocr page 101

ONDERHOUD MET DE ARABIEREN.

Zij spraken immers het Kiswahili, dat ons gemeenzaam was, en zij waren immers uit Pangani, dat mij van vroeger zoo welbekend was. Hier in de Massai-stammen verdwijnt het verschil in ras en belangen tusschen ons en de Arabieren. Wij hebben één gemeenschappelijk belang, en wel de handhaving van ons zeiven tegenover de wilde inboorlingen, die ook van hun kant nauwelijks een onderscheid tusschen Europeanen en Arabieren maken.

De aankomenden deelden mij mede, dat zij van Turkanj kwamen en langeren tijd in Engabot geweest waren.

Ik vroeg hun natuurlijkerwijze, of zij mij ook eenig bericht van Emin Pacha konden geven.

„Emin Pacha, wie is dat?quot;

„Een blanke, die aan gene zijde van Turkanj aan den Nijl woont. Hebben u de lieden uit Turkanj nooit over hem gesproken?quot;

„Neen, nooit.quot;

„Hebben ze u niet medegedeeld, dat aan de westelijke grens van hun gebied de ,Turki' wonen ?quot;

„Neen, ook niet.quot;

„Wat voor nieuws brengt gij mij uit het Noorden mee?quot;

„Turkanj is een droog land. De bewoners zijn vreedzaam, maar in het afgeloopen jaar zijn de Massais er heengekomen en hebben de kameelen der inboorlingen weggenomen.quot;

„Gij waart ook in Engabot. Hadt gij daar eten?quot;

„De lieden van Engabot waren vroeger goed, maar zijn nu slecht geworden.quot;

„Hebt gij ook eenig nieuws uit Kawirondo?quot;

„In Kawirondo in Kabaras moet een blanke zijn, die om het meer heen daar gekomen is, zoo vertelden de lieden ons gisteren in Elmutticy.quot;

„Een blanke? Wat voor een blanke? Komt hij van de kust of uit het binnenland?quot;

„Van de kust komt hij niet. Hij moet vele vrouwen en soldaten bij zich hebben. Wie zijt gij echter en waar komt ge van daan?quot;

79

ocr page 102

BELANGRIJKE MEDEDEELINGEN.

„Ik ben een Duitscher en mijn naam is Kupanda Scharo, in Europa Dr. Peters. Wij zijn de Tana op getrokken, door de Gallas en over het Leikipia-plateau door de Massais. Wij hebben de Massais geslagen en Elbejet verbrand. Hier ziet ge de overblijfselen der kudde, die we hun ontnomen hebben.quot;

„De Massais geslagen? Dat is heel knap {ngema sana). De blanken verslaan nu alles. Buana Mkubua (Graaf Teleki) heeft het vorig jaar de Wasuk in het Noorden geslagen.quot;

„Wij hebben overal slag moeten leveren, daar we geene schatting willen betalen en de lieden ons aanvallen. Ook hier in Kamasia hadden we van daag al weer moeilijkheden.quot;

„Zeer goed. Maar waar wilt ge heen?quot;

„Ik wil naar den blanke aan den Mjl en eerst naar Uganda. Hebt ge nieuws uit Uganda?quot;

„Uit Uganda niet, maar ge verneemt dat in Kawirondo. Daar zijn de menschen heel goed. Ge kunt daar zonder geweer met een stok uit wandelen gaan. Daar is ook veel eten, en ge verneemt daar alles wat gij slechts wenscht. Er wonen daar ook Wangwana, van wie gij stoffen koopen kunt.quot;

Dat waren belangwekkende meedeelingen; vooral prikkelde het bericht omtrent den blanke onze fantasie. Geheimzinnig klonk het bericht, dat de Arabieren brachten, en wij vermoedden, dat het in een of anderen samenhang met het doel onzer expeditie moest staan. Ik schonk den Arabieren eenige ossen, en vroeg hun, of zij ook een brief van mij naar de kust wilden meenemen. Zij stemden hierin toe en verwijderden zich, terwijl er van weerskanten groeten gewisseld werden, met de belofte, dat zij 's avonds terug zouden komen.

Groot was de vreugde onder mijne manschappen over het nieuws, dat wij vernomen hadden. Wanneer er een blanke met groote kudden in Kawirondo was, zoo bleek de algemeen uitgesproken opvatting te zijn, dan kon dit slechts een Duitscher wezen, daar andere lieden geen kudden bij zich hadden — zoo dachten althans mijne dragers en soldaten.

Na het ontbijt schreef ik een kort bericht over den loop der

80

ocr page 103

AFSCHEID VAN DE ABABIEEEïT.

expeditie tot dusverre aan het Duitsche Emin Pacha-comité, dat ook behoorlijk in het begin van April te Zanzibar aankwam en de eerste bevestiging bracht, dat onze expeditie niet ten onder gegaan was. Met dezen aangenamen arbeid hield ik mij tot zes uur 's avonds bezig.

Na het eten kwamen de Arabieren, onder welke vooral de zeer schrandere Buana Mku uit Pangani het onderhoud leidde, nog eens bij ons. Ik onthaalde ze op cacao met suiker, en wij verbabbelden, terwijl daarbuiten de regen neerkletterde, eenige aangename uren in mijne tent, terwijl zij bij mij allerlei omtrent de toestanden van Leikipia vernamen, daar zij geneigd schenen, daaraan de voorkeur boven den Nawaischa-weg te geven. Ons onderhoud had in het donker plaats.

Ik heb nog vergeten, reeds vroeger te vermelden, dat wij sedert Massa geheel zonder licht waren. Welk eene mate van ontberingen in deze éene kleine omstandigheid ligt, is in Europa nauwelijks te begrijpen. Men hangt dan geheel en al van zon en maan af, en als er geen maan scheen, waren wij gedwongen, vóór zes uur te eten en alsdan onmiddellijk naar bed te gaan. Eerst in Uganda kreeg ik den inval om uit al het vet dat wij hadden en uit gedraaid katoen zelf kaarsen te vervaardigen.

Laat mij bij deze gelegenheid er nog bijvoegen, dat de Engel-schen in Lamu mij ook 6000 stuks sigaren ontnomen hadden, zoodat wij het slechts met pijpen en Afrikaansche tabak moesten doen, als we ons dat genot althans verschaffen wilden. Aan het Baringo-meer was ook de laatste flesch cognac geledigd, zoodat ons nu nog slechts koffie, thee en cacao overbleef, hetgeen overigens, onder ons gezegd, onze gezondheid zeer ten goede kwam.

Bij het afscheid schonk ik Buana Mku een vaatje kruit en nieuwe kleeren en met onze brieven scheidden zij van ons voor den nacht. Den volgenden morgen bij den aftocht werd er nog eens afscheid genomen, en met hartelijke wenschen scheidden wij van elkaar: wij, om naar Uganda te trekken, zij, om den terugtocht door de Massais voorbij Kilima-Ndscharo te ondernemen.

Deze ontmoeting met de Arabische expeditie was als het eerste

II. 6

81

ocr page 104

ÏE ELGEJO.

zwakke schemeren van den dag met het oog op ons doel. In den blanke die Kawirondo moest bewonen, hadden wij een onderwerp, dat aan de fantasie gedurende den marsch en dikwerf ook later aan ons gesprek leven en kleur bijzette. Wij konden ons nu zeer weinig met elkaar bemoeien, daar mijnheer v. Tiedemann voortdurend ziek was en meestal na den marsch dadelijk naar bed ging.

Van Kapte trokken wij naar Elmuttiey in een marsch van acht uren. Elmuttiey ligt aan de groote daling, welke zich tusschen Kamasia en Elgejo in noordzuidelijke richting uitbreidt en door de Weiwei-rivier doorsneden wordt.

Op dezen dag overleed de Somali Achmed, d!e des avonds bij vlammende toortsen door zijne stamgenooten begraven werd, een zeer fantastisch tooneel! Zij baden hunne Mohamedaansche gebeden met woeste stuiptrekkingen. Ieder drukte den doode op 't hart, zijn naam voor Allah te vermelden. Vreemden, die dit zonderlinge schouwspel zagen, moesten gedacht hebben, dat er hiertoover-spreuken, duivelsbezweringen en spookgeschiedenissen in 't spel waren.

Zeer vreemd zagen er bij zulk eene daling tusschen twee opstijgende rotswanden des nachts de vuren der dorpen uit, die tegen de bergen opgebouwd zijn. Dit had ons reeds aan het Baringo-meer getroffen, en kwam hier nog eigenaardiger uit.

Ik had gehoord, dat in Elgejo veel eten was, maar de menschen hier hielden zich op merkwaardige wijze op een afstand van ons. Van nature tot onbeschoftheden geneigd, precies als de Wakamasia, durfden zij ons toch niet aan, daar zij van het lot hunner stamverwanten van Kamasia, maar bovenal van het lot der Massais gehoord hadden.

Zij zijn gekleed als de Wakamasia, op wie zij ook in uiterlijk gelijken, namelijk met een korten schoudermantel, die intusschen het eigenlijke lichaam volkomen naakt laat. Zij dragen een lange, smalle speer van zeven voet en daarbij pijl en boog. De taal is hier, evenals in al de landen dezer streek, die der Massais.

Op aanbeveling van Buana Mka had ik dadelijk bij mijn aankomst

82

ocr page 105

DE GIDS KIEOBANI.

naar een wegwijzer, Kirobani, vernomen, die den weg naar Kawi-rondo kende en tegen behoorlijke betaling in vee misschien genegen zoude zijn, ons daarheen te brengen. Kirobani verklaarde zich ook daartoe bereid, nadat wij als prijs vijf schapen en een voldoende hoeveelheid stoffen bepaald hadden.

Daar de voedingsmiddelen der colonne voor den ons wachtenden steppenmarsch niet voldoende schenen, besloot ik den volgenden dag hier te blijven om ons verder te proviandeeren. Ik zond dadelijk des morgens lieden naar de dorpen, die aan de berghelling lagen, om inkoopen te doen, maar zij kwamen des namiddags onverrichter zake terug. De lieden hadden niets willen verkoopen, en ook al mijn eigen pogingen daartoe mislukten geheel.

Dezen dag kwam tot mijn leedwezen ook een weglooper uit de Arabische expeditie bij mij aan, dien ik ongelukkigerwijze niet kon terugzenden, daar de afstand tusschen beide expedities reeds te groot was, en dien ik derhalve in mijne colonne moest opnemen. De man heette Buana Marumba en was uit Mombassa geboortig.

Toen ik den 18den Januari met mijne colonne vertrok, was Kirobani ondanks zijne schetterende beloften niet verschenen. Ik zond derhalve lieden uit om hem te zoeken, doch zette mij intusschen met mijne colonne naar de rotszijde, die wij moesten beklimmen, in beweging.

Kirobani, die zijne betaling gedeeltelijk al ontvangen had, werd verscholen in een Mtama-veld door mijne lieden gevonden. Ik ging naar hem toe en zei:

„Nu voorwaarts, oude jongen! Wijs ons den weg naar Kawi-rondo.quot; Een kort afgestooten „a, a, aquot; was 't antwoord op mijn aanmoedigende toespraak. Ik zei: „voorwaarts!quot; En wederom dat pauwachtige: „a, a, a.quot;

Toen greep ik hem bij de schouders en schudde hem eens heen en weer. Nu ging hij aan 't blazen, precies als eene kat die zich tegen een hond in de weer stelt. Toen raakte mijn geduld ten einde. Een flink gemikte vuistslag in 't gezicht en een touw om den hals, dat de Somalis hem aandeden, gaven Kirobani duidelijk te kennen, dat ik niet van zins was, zoo maar eenmaal aangegane

83

ocr page 106

HET LAATSTE KAMEEL.

verbintenissen te laten verbreken. Dadelijk nam hij eene zeer hoffelijke en bescheiden houding aan en stapte nu welgemoed den berg op, terwijl mijne colonne volgde. Dezen morgen moest ik het voorlaatste mijner kameelen laten dood maken, daar het in 't geheel niet meer in staat was, het rotspad op te marscheeren.

Ik legerde tegen 12 uur op een uitstekend rotsgedeelte, halverwege den klim, waar een kleine beek voorbij klaterde.

Vriend Kirobani liet ik uit voorzichtigheid aan den ketting leggen, en hij ontving in dezen toestand ook bezoeken van zijne familie. Ik gaf hem goed te eten, en hij zei, dat ik hem heel gerust los kon laten, want dat hij er naar verlangde, met ons naar Kawirondo te gaan. Van deze vreugde zijns harten was ik echter toch nog niet voldoende overtuigd en derhalve bleef de genomen maatregel van kracht.

Om ons laatste kameel wat kracht bij te zetten, kookten de Somalis een geheel schaap voor het dier. Tot onze groote verrassing vrat het kameel dezen vleeschkost met den grootsten smaak tot het laatste stukje op.

Ook heden mislukten alle pogingen om eten voor de karavaan te krijgen. De lieden wilden niets verkoopen, en zij gedroegen zich aan den anderen kant toch ook niet zoodanig, dat er aanleiding

tot oorlog kwam.

Des avonds viel er eene ontzaglijke stortbui op ons neer, die vol vreugde door ons werd begroet, daar zij de hoop versterkte, dat het ons gelukken zou, op de Angata-na-Nyuki (roode vlakte), water te vinden. Maar de nacht was pikdonker, zoodat men geene hand voor oogen kon zien, en om die ontzaglijke regens hadden de posten onder de tent der Somalis gescholen. Dat was eene gelegenheid voor Kirobani, welke hij niet ongebruikt liet. Den volgenden morgen was hij met zijn ketting aan de voeten verdwenen. Hij had wel is waar slechts heel kleine stappen kunnen nemen, maar toch was hij nergens te vinden. Derhalve bevond ik mij in de onaangename noodzakelijkheid, om toch zonder wegwijzer naar Kawirondo te trekken.

Den ganschen nacht door had er in de dorpen boven ons een

84

ocr page 107

HET ELGEJO-PLATEAU.

woest gejoel en brullend leven plaats gehad. De bewoners hadden den geheelen nacht door drinkgelagen gehouden en zagen er ook nog zeer soezerig uit toen wij den volgenden morgen onze klimpartij langs den rotswand voortzetten.

Steiler werd onze klimpartij. Toen wij de dorpen voorbij waren, bereikten wij weldra een woud. Het gelukte mij hier, met drie lieden uit Elgejo overeen te komen, dat zij mij tegen een behoorlijk aantal stoffen naar het plateau zouden begeleiden en dan weder omkeeren. Nadat we het hout voorbijgetrokken waren, kwamen we opnieuw aan een uitstekend deel van den berg, waar ik halt hield, om mijne kudde en de ezels af te wachten. Er werd mij hier gemeld, dat twee ezels in elkaar gezakt waren en niet verder konden, en dat ook een gedeelte van het vee achtergebleven was.

Van alle kanten kwamen Wa-Elgejo met honderden, ja duizenden aanrennen, wier houding tegenover ons aanmerkelijk onbescheidener was dan de twee vorige dagen. Eindelijk trok de kudde uit het struikgewas op, en nu ging het verder langs het duizelingwekkend pad aan den rotsrand naar omhoog.

De hoogste top van het Elgejo-plateau is met een lava-kap bekroond, die loodrecht naar beneden valt en niet te beklimmen zou zijn, wanneer er niet een scheur doorliep, waarin men trapsgewijs naar omhoog kan komen. Om dit echter te kunnen, moet men natuurlijk eerst weten, waar deze scheur is.

Waar de lava-kap zich op de rots bevindt, is ook nog een uitstekend gedeelte, waarop voor eene karavaan voldoende plaats om te legeren is. Deze vlakte was dicht met Wa-Elgejo bezit, en toen ik daar met mijne voorhoede verscheen, traden op eens mijne drie gidsen ter zijde en weigerden, mij den toegang naar den rotstrap te wijzen. Al mijn praten werd met een nijdig 6 ë ö beantwoord, en toen ik eindelijk de hand op een hunner legde, om hem te dwingen, zijne verplichtingen, waarvoor hij reeds betaald was, na te komen, verhief zich op eenmaal een wild krijgsgeschreeuw onder de Wa-Elgejo. Zij zwaaiden hunne speren, drongen op dreigende wijze naar mij toe, en van rots tot rots weerklonk overal krijgsgeschreeuw.

Op eenmaal knetterden onze vuurwapenen. De Wa-Elgejo hadden

85

ocr page 108

DE LAATSTE BOTSHOOGTE.

zich tusschen mijne Somalis en mijne kudde ingedrongen, om de laatste te stelen. Nu was het genoeg! Daar de Wa-Elgejo nu ook begonnen met pijlen op ons te schieten, vuurden wij er tusschen, waardoor drie hunner gedood werden, zoodat de overigen in allerijl achter rotsblokken verdwenen. Toch gelukte het ons, althans een der gidsen te grijpen, dien we aan een touw legden, om hem te dwingen, ons de laatste klimpartij te wijzen.

De Wa-Elgejo zetten achter hunne rotsblokken het krijgsgeschreeuw en hun overigens volkomen doelloos pijlen schieten voort. Ik bepaalde mij er toe, van tijd tot tijd een schot uit mijn buks te doen, waarvoor nog altijd 500 patronen voorhanden waren, om ons dien troep van 't lijf te houden. De Somalis beneden hadden eveneens heel snel de aanvallers op zijde geworpen, zoodat ik een uur later het genoegen had, niet alleen mijne kudde, maar ook het laatste kameel en de ezels bij onze haltplaats te zien verschijnen.

Nu trokken we verder naar de laatste rotshoogte. De gids moest ons nu goed- of kwaadschiks den toegang wijzen, en wij begonnen stap voor stap naar omhoog te klimmen. Ongelukkigerwijze sprong hij toch, ondanks mijne waarschuwing, plotseling op zijde, van het rotspad onmiddellijk in de diepte, zich aan het struikgewas vastklemmend, om te vluchten. Een mijner lieden schoot op hem, en zoo viel tot mijn spijt ook nog deze Elgejo-man, hetgeen mij des te meer leed deed, daar wij den weg nu wisten, en het gescher-mutsel met zijne stamgenooten als geëindigd kon worden beschouwd.

Eindelijk waren wij boven, en voor ons op de hoogte van Elgejo, 2500 meter hoog, lag een dicht woud, waar een pad heen leidde. Hier hield ik stil, om de geheele colonne af te wachten. Van lieverlede kwamen de dragers kuchend aan, die ik dadelijk terug moest zenden, om de lasten der dieren naar boven te brengen. Men meldde mij, dat het kameel op den trap was blijven steken, en voor- noch achterwaarts kon gebracht worden. Ik moest het bevel geven, het den hals af te snijden, om het niet in de handen der Wa-Elgejo te laten vallen en ruimte voor de colonne te maken. Na een ingespannen arbeid van twee uur was alles boven.

Beneden ons lagen in duizelingwekkende diepte de neerzettingen

86

ocr page 109
ocr page 110
ocr page 111

DE ANGATA NA NYUKI.

der Wa-Elgejo, van wie we ons nu bevrijd hadden; vóór ons het woud, dat ons op de Angata na Nyuki brengen moest. Dus voorwaarts op het pad, aan welks ingang wij legerden en dat ik in dien tusschentijd door Rukua en een Somali reeds tot den anderen kant van het woud had laten onderzoeken. De weg werd zeer lastig gemaakt door eene soort van scherpe brandnetel, die van beide zijden er over hing. Intusschen waren we binnen een halfuur aan het tegenovergestelde einde, en daar lag nu de Angata na Nyuki voor ons, welke Elgejo van Kawirondo scheidt.

De namiddag was grauw en koud als op de Schotsche hoogvlakten. Nu en dan viel er eene kleine regenbui, en een koude herfstwind blies uit het noorden over de voor ons liggende steppe.

Het leger betrok ik dezen dag een uur verder aan den zoom van een dicht woud. Water vonden wij niet, maar ik ontdekte een zwarten, moerassigen bodem, waaruit mijne lieden, al ging het ook lastig, een zandig vocht wisten te persen, dat ons de mogelijkheid schonk, des avonds ten minste een soep met vleesch te koken en een kop thee te drinken.

Den volgenden morgen ging het toen in scherp westelijke richting op de volkomen kale Angata na Nyuki. Rechts, juist in het noorden, peilden wij den Tschibscharagnani en half rechts in het noordwesten den Elgon, de beide tegenhangers van den Kenia en Subugu la Poron aan de andere zijde van den Baringo-val.

Deze Angata na Nyuki is volgens haar karakter en vorming geheel de tegenhangster van het Leikipia-plateau, dat zij in hoogte zelfs nog iets overtreft. Het gansche geweldige gevaarte daalt naar het westen, naar het Victoria Nyanza van lieverlede tot op 4000 voet, en, wanneer men het nauwkeurig beziet, dan bespeurt men ontegenzeggelijk eenheid in vorming en karakter.

Doch was het Leikipia-plateau door menschen bewoond, hier geraken wij op de Angata na Nyuki in een volkomen onbewoond gebied. Hier woonden niet al te lang geleden nog stammen, die met de Wakamasia en Wa-Elgejo verwant waren. Zij zijn tot op den laatsten man door de zuidelijke Massai-stammen uitgeroeid, en nu betreedt slechts de vluchtige voet van antiloop en zebra, rhino-

87

ocr page 112

DE ELGON.

ceros en buffel in ontzaglijke kudden de kale steppe. Scherp komt elke hoogte en daling tegen de doorschijnende lucht af. Voor ons aan den gezichteinder verheffen zich de Surrongai-heuvels, die wij moeten overtrekken, om Kawirondo te bereiken.

Eene droomerige stemming bekruipt het hart in deze grootsche eenzaamheid, die slechts alle twee jaren eenmaal door eene naar het westen trekkende karavaan wordt verbroken. Ginds de Elgon, die ons zoo tastbaar dichtbij schijnt te zijn, dat men hem binnen eenige uren denkt te bereiken; schijnt hij niet honend en minachtend neer te zien op ons, nietige stervelingen, en te vragen wat wij hier te zoeken hebben waar de eeuwigheid zelve haar woon-zetel opgeslagen heeft en op ons neerziet?

In de Elgon bevinden zich volgens Thomson die zonderling gebouwde holen, welke hem deden vermoeden, dat hier eeuwen geleden eens een beschaafd volk geleefd heeft. Zijn het de geesten van oude heldengeslachten die uit de zonderlinge tonen van den noordenwind tot ons spreken, welke over de vlakte heenstrijkt?

Wij zijn nu uit de droge luchtstreek. Fantastisch ronden zich de wolken aan den gezichteinder, die met den storm boven de Angata na Nyuki naar omhoog trekken. Dagelijks ontlaadt zich de donkere hemel in zware regenbuien over de dorstige aarde, welke zich reeds met eene nieuwe, sappig groene grasvlakte bedekt. Als trommelslagen vallen de zware regendroppels op de tenten neer, en fluitend orgelt de wind door het riet aan den oever van den stroom. In de natuur worden er heftiger kampen gestreden. De hemel roept zijne wolken bijeen, om de donkere machten in het hart der aarde tot den strijd op te roepen. Dreigend trekt hij het wolkenheir bijeen, en nu volgt er bliksemstraal op bliksemstraal, nu eens fel wit, dan weder blauwachtig flonkerend over het donkere looden veld, en als dreunende kanonschoten rollen er keer op keer korte donderslagen. Ook hebben wij eiken avond het schouwspel, in het zuidwesten voor ons aan den gezichteinder, van het lichten in de richting van het Victoria-Nyanza-gebied.

Het is hier aangenaam en koel. De nachten zijn niet zoo koud als op het Leikipia-plateau; men is hier reeds onder den milderen

88

ocr page 113

DE DROOM.

invloed van het Victoria-meer, en derhalve zijn ook de dagen minder heet. Wij hebben bijna de weersgesteldheid van de tweede helft van September in noordelijk Europa. Ook de waterquaestie is vrij wat gemakkelijker geworden.

Dadelijk op den eersten dag bereikten we een zuidelijken zijstroom van de Nsoia, en hoe verder wij naar 't westen marscheerden, des te meer nam het aantal beekjes toe, waarvan we er menigmaal een dozijn op een morgen hadden over te trekken. De zorgen der achter ons liggende weken zijn voorbij.

Ginds voor ons in het noordwesten, links van Elgon, opent zich de poort, die ons naar de landen van Emin-Pacha zou kunnen leiden. Als wij ons daar eens onmiddellijk heen begaven ? De verleiding is groot genoeg, maar wij zijn altijd nog zonder eenige tijding van hetgeen er intusschen in de aequatoriaal provincie kan voorgevallen zijn, en aan den anderen kant wenkt ons Kawirondo en de geheimzinnige gestalte van den blanke, van wien wij in Kamasia gewag hoorden maken. Voorwaarts dus, steeds regelrecht vooruit, naar de Surrongai-bergen!

Nu werd ik op de Angata na Nyuki door een droom verrast, die mij deed nadenken. Over het algemeen droom ik weinig of in het geheel niet, maar reeds aan de boven-Tana had ik driemaal een en denzelfden droom gehad, die zoo al niet op mijne beslissing, althans op mijne stemming invloed uitoefenen moest. Driemaal had ik aan de boven-Tana, toen die voortdurende hinderpaal der rivier ons allen begon te vermoeien, gedroomd, dat ik om deze reden de expeditie had opgegeven, naar Mombas teruggemarscheerd was en mij nu in Duitschland bevond. Al de drie keeren was op de eerste vreugde van het wederzien in 't vaderland een buitengewoon smartelijk gevoel gevolgd, dat de expeditie hier zoo op eenmaal verbroken was, en dadelijk was de wensch ontstaan, om ze op de plaats waar ze opgegeven was, weder op te nemen. Telkens was ik met het beklemmend gevoel ontwaakt: hoe kom ik nu weder door de blokkade in 't binnenland en op de plek terug, waar ik van daan gekomen ben?

Op de Angata na Nyuki lag ik op zekeren nacht te sluimeren

89

ocr page 114

AAN DE SURKONGAI-HEUVELEN.

en droomde, dat ik mij op dezelfde plaats bevond, waar ik inderdaad op dezen dag gelegerd was, maar het voorkomen van Afrika was zeer veranderd. Ik bevond mij niet in mijne tent, maar in een steenen huis, dat door Duitschers gebouwd was, en waar behalve den bouwmeester nog eenige andere ingenieurs en ook verscheidene dames woonden. Ik trad het huis binnen, noemde mijn naam en vertelde, dat wij, onder zware worstelingen met de Massais, naar hier gekomen waren, en dat het mijn plan was, mij naar Emin Pacha te begeven. Ik werd door allen zeer vriendelijk ontvangen, maar op mijne laatste mededeeling werd mij eenstemmig geantwoord:

„Naar Emin Pacha? Maar die is immers te Berlijn. Hoe komt ge er toe om Emin Pacha hier in centraal Afrika te zoeken?quot;

Daarop antwoordde ik: „Is Emin Pacha te Berlijn? Maar wat voert gij dan hier uit?quot;

„Weet ge dat nog niet? Wij zijn hier, om een spoorweg naar Uganda te leggen.quot;

„En wat voert Emin Pacha dan te Berlijn uit?quot;

„Hij heeft de aequatoriaal-provincie sinds lang verlaten.quot;

„Dat geloof ik niet. In elk geval moet ik me daarvan met eigen oogen overtuigen.quot;

Onder dit laatste gedeelte van het gesprek vernamen we voortdurend een gebrom en gerommel als van iets bovenaardsch. Het was alsof er iets spookachtigs altijd nader en nader kwam aan-bruisen.

In den angst daarover werd ik wakker en bevond mij te midden van een dier tropische onweders, waarvan ik te voren sprak.

Zoo eindigde deze droom, die op mijne fantasie een zekeren, aanhoudenden indruk bleef maken. Den 22en Januari trokken we over den Guaso Marim en waren den volgenden dag aan de Sur-rongai-heuvelen. De Angata na Nyuki wordt, hoe verder men naar het westen komt, steeds weelderiger. Naar het westen heen ver-toonen zich weder heerlijke woudpartijen, en aan de beekjes vinden we ook sinds eenigen tijd weder de waaierpalmen. De rijkdom aan wild wordt steeds grootscher. Buffelkudden, niet bij duizenden, neen, ik zou bijna zeggen: bij tienduizenden, grazen aan den woud-

90

ocr page 115

STEEDS IN GOEDE RICHTING.

zoom, om zich in donderenden galop uit de voeten te maken, zoodra de bukskogel onder hen te recht komt. Ik schoot den 24cen Januari vijf buffels, om welke ik me echter verder niet bekommeren kon, daar eene vervolging ook slechts van een kwartier den gang der expeditie te veel vertraagd zoude hebben. Een er van was een ontzaglijk groot dier, en om mijn lieden gelegenheid te geven dit te slachten, sloeg ik des middags mijn leger nabij de westelijke helling der Surrongai-heuvelen nog eens aan deze zijde van Kawi-rondo op.

Het was een droevige regenachtige dag, maar wij waren allen toch in eene opgewekte stemming. We wisten nu toch zeker, dat we den volgenden morgen hot vruchtbare land van Kawirondo zouden bereiken, waar wij tijdingen omtrent ons reisdoel hoopten te ontvangen.

Tegen twee uur verschenen op eenmaal vier Wandorobbo in ons leger, die ik verzocht des nachts te blijven, om ons den volgenden morgen een makkelijk punt te wijzen, waar wij in het veel lager liggende Kawirondo konden dalen.

Dezen dag, den 25en Januari, bleek het ook, dat de richting, die ik van Elgejo af onveranderd ingeslagen had, steeds goed geweest was. Wij kwamen vrij juist onmiddellijk te Kabanas aan, van welks hoofdplaats wij nog maar een kwartier naar 't noorden afgeweken waren.

Een marsch van drie kwartier bracht ons dezen dag tevens tot aan den rand der Surrongai-bergen, en daar zagen wij op eenmaal de dorpen en aanplantingen van Kawirondo voor ons, van waaruit vroolijke, veel belovende rookwolkjes zich naar omhoog kronkelden.

De Wandorobbo wezen ons zeer nauwkeurig de hoofdplaats van Kabaras en verzochten toen verlof om terug te keeren, daar zij in oorlog met de Kawirondo's waren, hetgeen ik hun natuurlijk ook toestond.

Nu bleef ons echter nog het moeilijk vraagstuk over, een punt te vinden, waar wij naar beneden in de diepte konden komen. De Angata na Nyuki valt hier bijna loodrecht 1400 voet in de diepte en het scheen op het eerste gezicht onmogelijk, ergens naar beneden

91

ocr page 116

DE INWONERS TAN KABAEAS.

te komen. Tweemaal moesten wij omkeeren, omdat bij het dalen er altijd weer loodrechte brokken waren, die onbegaanbaar bleken te zijn. Eindelijk ontdekte ik eene zachtere helling, en hier maakte ik nu, met den Somali Omar Idle vooruitgaande, eerst over rotsachtig gesteente en vervolgens door gras van eene manshoogte, voor mijne karavaan baan.

Na twee uren was alles beneden aangeland, en nu nam ik mijn weg in nauwkeurig westelijke richting weder op. Ik marscheerde tot omstreeks drie uur des namiddags en hield halt, toen ik mij aan een beekje tegenover de eerste aanplantingen der Wa-Kawi-rondo bevond. Naar mijne gewoonte wilde ik mij aan de bewoners van het land niet met eene vermoeide en hongerige, maar den volgenden morgen met eene uitgeruste en verzadigde karavaan voor het eerst vertoonen.

Ik was met Rukua, Hussein en twee andere Somalis vooraan en zond nu twee Somalis terug, om mijne lieden bijeen te brengen. Eerst na ruim een uur gelukte het, de kudde naar hier te voeren, en het was bijna zes uur, toen de later afgezonden Rukua er in slaagde, de dragers met mijnheer ven Tiedemann te vinden, die den weg verloren hadden en in een meer zuidelijke richting afgedwaald waren. Het was juist nog tijd, om voor de duisternis de tenten op te slaan, toen plotseling de gewone regen weder op ons neer begon te kletteren. Maar de keuken was onder een tent, en zoo konden we dus altijd nog eene krachtige soep en gebraden schapenvleesch gebruiken en onder het rooken van een pijp, terwijl er een zachte melodische regen naar beneden ruischte, aangename beschouwingen over den verbeterden toestand onzer expeditie houden.

Een korte marsch van een groot halfuur bracht ons den volgenden morgen aan de eerste dorpen der lieden van Kabaras. Ik vuurde ter begroeting twee schoten af, en toen ging het, met de vlag voorop, bij trommelslag naar de hoofdplaats, het met een rooden leemen muur omheinde Kabaras, aan welks noordelijken ingang de oudsten reeds gezeten waren om ons vriendelijk te verwelkomen. „Jambo Sanaquot; klinkt het. Wij zwenken links van het

92

ocr page 117
ocr page 118
ocr page 119

GEWICHTIGE TIJDING OMTRENT STANLEY.

oord, en onder ontzaglijke katoenboomen, iets beneden de zuidelijke omheining van Kabaras, slaan we alsdan ons leger op.

Mijne eerste vraag is natuurlijk naar den blanke te Kawirondo.

„Zijn er blanken in Kawirondo?quot;

„Ja,quot; wordt mij eenstemmig geantwoord.

„Hoeveel?quot;

„Sommigen zeggen twee, anderen vier.quot;

„Hebben de blanken vele soldaten?quot;

„Ja, ontzaglijk veel, en eiken morgen blazen zij op de trompet, precies als bij u.quot;

„Kent gij de namen der blanken? Heet misschien een van hen Emin Pacha? En zijn er Turken bij?quot;

„Emin Pacha? Dien kennen we niet.quot;

„Waar komen dan de blanken van daan? Komen zij van de kust of zijn ze uit het binnenland gekomen?quot;

„Zij zijn uit het zuiden langs de Nyanza om gekomen?quot;

„Heet hun aanvoerder dan misschien ook Stanley?quot;

„Ja, ja, juist zoo, Stamuley!quot;

Deze vragen richtte ik tot verscheidene der Wa-Kawirondo herhaaldelijk, en altijd werd mij geantwoord: „Jawel, Stamuley. Zij hebben ook vee bij zich, eene groote kudde, en hun groote heer heet Stamuley.quot;

Dat was gewis eene hoogst belangrijke tijding voor mij. Zoude Stanley, van wiens reis ik verder niets weet, dan dat hij de eerste maal van Mwutan Nzige aan den Mongo teruggemarscheerd was, misschien op den Ujidji Tabora-weg aan de Victoria Nyanza en van daar naar Kawirondo gemarscheerd zijn, om van hier uit weder voeling met Emin Pacha te krijgen ? Of was misschien Emin Pacha bij hem, en kenden de inboorlingen alleen diens naam niet?

Ik zette mij dadelijk neer en schreef den volgenden brief in het Engelsch:

„Kabaras, 26 Januari 1890.

„Mijnheer!

„Bij mijne aankomst alhier dezen morgen vernam ik de tijding, dat er Europeanen in Kwa Sundu zijn. Daar ik te Kwa Sundu

93

ocr page 120

de kawirondo-bewonebs.

aanstaanden Woensdag of Donderdag zal aankomen, zal ik zeer verheugd zijn, een Europeaan te ontmoeten, die zich ginds bevinden mag. Zeer aangenaam zal mij een kort bericht zijn, waaruit mij blijkt, wien ik het genoegen zal hebben te zien.

Ik heb de eer te zijn, mijnheer.

Uw zeer Dienstw.

Dr. Gael Petebs.

Aan den Europeaan, die vermoedelijk in Kwa Sundu of in Kawirondo zal zijn.quot;

Dezen brief zond ik dadelijk door de beide Somalis Sameter en Jama Ismael onder begeleiding van een Kawirondo-man naar Kwa Sundu af, met het bevel, mij het antwoord naar Kwa Sakwa te zenden, waarheen ik den volgenden dag marscheeren wilde.

Intusschen bekeek ik met oprechte belangstelling de wonderlijke figuren der Kawirondo-bewoners, die zich in mijne legerplaats vertoonden. In groote pompoenen brachten zij koren van allerlei soort en honig aan, benevens eieren, hoenderen en melk. De mannen zijn met een schootvel bekleed, de vrouwen daarentegen dragen bijna geene kleederen, en dit vormt een merkwaardig onderscheid met de Massai-landen, waar dit juist omgekeerd het geval is.

Met de Bantu-bevolking gemengd zitten hier overal brokken van den vroeger machtigen Baringo-Massai-stam, Wakuafi genaamd, die door de zuidelijke Massais uit de Angata na Nyuki geworpen waren.

Zij doen hier meestal voor de inheemsche sultans heerediensten en vormen in hoofdzaak het leger voor geheel Kawirondo.

Thomson vertelt veel van het gevaarlijke van zijn toestand in Kawirondo. Hij zat steeds in den angst, dat men hem zou neervellen. Ik daarentegen kan verklaren, dat wij bij deze argelooze en gezellige lieden voor dergelijke bezorgdheden niet de allergeringste reden gevonden hebben. Inderdaad was het er, gelijk de Arabieren in Kapte gezegd hadden: Hier kan men zonder wapenen en alleen met een wandelstok uit kuieren gaan.

94

ocr page 121

THOMSON IN KA.WIRONDO.

Thomson heeft onder de Massais zelfs eene toegevendheid getoond die ik reeds gekenmerkt heb. Dat deze toegevendheid juist niet uit een christelijk gevoel van naastenliefde ontsproot, in navolging van

het gebod dat, wanneer de linker wang getroffen wordt, men dan ook de rechter moet voorhouden, bewijst Thomson door de beschrijving van zijn optreden tegen de Massais in Kawirondo.

Daar zegt hij o. a. het volgende: „Zij poogden ook mij te over-

95

ocr page 122

HET LAND VAN BELOFTE.

bluffen en zich alles aan te matigen. Maar ik bracht hun spoedig aan 't verstand, dat, wat ik onder de Massais in hun eigen land kon uithouden, ik hier niet van hen dulden zou. Inderdaad, uit een zeker, sinds lang onderdrukt gevoel van wraak deed het mij niet weinig genoegen, nu eene flinke, brutale houding tegenover

deze schurken te kunnen aannemen, wanneer deze of gene onder hen mijn geduld op eene al te harde proef stelde. Eveneens haalden mijne lieden er hun hart aan op, hen nu eens flink onder handen te nemen en hen te bedreigen met al wat leelijk was.quot;

Ik heb ook de Massais in Kawirondo altijd zeer bescheiden in hunne houding tegenover ons gevonden en ben geen enkele keer genoodzaakt geweest, hen voor eene of andere brutaliteit te straffen.

De groote rijkdom aan goede voedingsmiddelen in dit land was voor ons en mijne lieden allerheerlijkst. De hoenderen waren vet en malsch, en nauwelijks was een drietal voldoende, om onzen honger aan het ontbijt te stillen. Zoo sterk was de behoefte van ons lichaam, om na al de doorgestane ellenden der laatste maanden zich nu eens te goed te doen. De honig was zoo wit als suiker en rook heerlijk naar bloesera. Daarbij melk en eieren, die op allerlei wijze werden klaar gemaakt. Boonen en koren en graanvruchten van allerlei aard, als brei in melk gebruikt of bij het gebraden vleesch

96

W a-Kawirondo.

ocr page 123

REZOEK VAN WANGWANA.

met eene krachtige saus genoten, vormden eene aangename afwisseling van den gewonen vleeschkost, en heerlijke bananen, die rauw gegeten of in vet en suiker gebakken werden, boden een kostelijk nagerecht. De geheele wereld scheen ons met nieuwe kleuren getooid, en daarenboven was onze verwachting gespannen omtrent de geheimzinnige blanken die in onze onmiddellijke nabijheid waren.

Den 27en Januari vierden wij 's keizers verjaardag, en onder trommelslag ging het toen den 28en Januari, met onze gidsen vooruit, op flink gebaande paden naar het zuiden. Steeds meer en meer bebouwd deed zich het landschap voor, het eene dorp volgde op het andere, en welgevoede kudden runderen graasden op de weiden. Marscheerden wij langs eene nederzetting, dan kwamen de lieden ons koren, melk en honig aanbieden. Hier deed onze naam van overwinnaars der Massais zich bijzonder sterk gevoelen. Ik kan gerust zeggen dat wij, in verband met het gebeurde met de Massais, in Kawirondo meer populair waren dan op eenig ander gedeelte van onzen tocht. Hier kent men dan ook juist de Massais in al hunne brutale wreedheid en gevaarlijke wildheid maar al te goed.

Tusschen twee dorpen aan eene liefelijke glooiing in eene rijk bebouwde vlakte sloeg ik dezen dag het leger op en ontplooide de groote expeditie-vlag aan den rand der helling, zeer ver zichtbaar in het gansche landschap.

Ik had nauwelijks de tent laten opslaan, toen op eenmaal ge. weerscheten luid in de diepte beneden ons afgevuurd werden, en onmiddellijk daarop vijf in witte hemden gekleede lieden in galop, vriendelijk groetend, kwamen aanloopen.

„Daar komen de boden van de blanken!quot; zeiden de Wa-Kawi-rondo, en onmiddellijk daarop werden door mijne Somalis de aankomenden voor mijn zetel gebracht.

„Wie zijt gij ?quot; vroeg ik.

„Wij zijn Wangwana van de kust, en dit zijn de zonen en de lieden van den sultan Sakwa van Kawirondo. De sultan zendt ons, om u in zijn land welkom te heeten.quot;

„Wat voor blanken zijn er in Kawirondo, en wat weet gij van hen?quot;

II. 7

97

ocr page 124

gg ONDERHOUD MET DE APGEZANTEÏT.

„Het zijn Engelschen, Mr. Jackson, Mr. Martin en twee anderen.quot;

„Sedert -wanneer zijn zij hier?quot;

„Sedert vele maanden. Maar onlangs zijn zij naar Elgumi gegaan en verder op, om olifanten te schieten.quot;

„Wat doen zij hier?quot;

„Zij hebben te Kwa Sundu een station opgericht en koopen ivoor op. Er zijn ook boden uit Uganda tot hen gekomen, maar in Uganda wordt oorlog gevoerd, en geen mensch kan daarheen gaan. De Arabieren hebben Muanga verjaagd en alle christenen gedood. De Engelschen mogen niet in dit land komen.quot;

„Zijt gij bevriend met uwen sultan?quot;

„Sakwa, onze sultan, is groot en rijk. Hij houdt niet van de lieden die naar hier komen om ivoor te koopen en wild te schieten. Sakwa houdt van flinke lieden die den oorlog verstaan. Wij weten, dat gij, heer, de Massais verslagen hebt, en daarom wil Sakwauw vriend zijn. Hij zendt ons om u dit te melden, en noodigt u uit, morgen in zijne residentie binnen te trekken, en daar een station te stichten. Sakwa houdt niet van de Engelschen, maar wel van de Duitschers. Maar waar wilt ge heentrekken?quot;

„Ik wil naar 't land der Turken, naar Emin Pacha. Hebt gij

eenig bericht van hem?quot;

„De Turken moeten ginds zijn (naar het noorden wijzende), maai zij quot;zijn zeer ver. Wij hebben geen bericht van hen. Emin Pacha

kennen wij niet.quot;

„Kent gij den weg naar Unjoro?quot;

„Unjoro is zeer ver. Wij kennen den weg daarheen niet. Zes jaren geleden kwam hier een blanke, die naar Uganda wilde. Maai de Waganda hebben hem en al zijne lieden gedood. De Waganda zijn zeer slecht, en geen van ons gaat die streken uit.quot;

„Zendt boden naar uwen Sultan, en zegt hem, dat ik morgen tot hem komen zal. Ik wil naar Unjoro gaan en kom als vriend. Al het verdere zal ik morgen met hem persoonlijk bespreken.quot;

Daarmede hadden we de opheldering omtrent onze blanken in Kawirondo. Het was niets meer of minder dan de Jacksonsche Emin Pacha-expeditie, en waarschijnlijk hadden de lieden van

ocr page 125

AANKOMST TE KWA SAK WA.

Kabaras den naam „Stanleyquot;, waarmede deze expeditie samenwerken zou, daarbij hooren noemen.

Nadere ophelderingen moesten ons de volgende dagen brengen, en derhalve schorsten wij alle verdere vermoedens voorloopig op.

Den volgenden morgen trokken wij in zuidwestelijke richting over eenige hoogten verder. Overal zagen wij ontzaglijke veekudden. „Dat behoort alles aan Sakwa,quot; zeiden de gidsen. De Massais die het vee hoedden, schoten toe, om ons eerbiediglijk te begroeten, en nadat we een zljstroom van den Nsoia overgetrokken waren, rozen op eenmaal de geweldige roode muren en de hooge poorten van Kwa Sakwa, niet als een dorpje, maar als eene stad voor ons op.

Eene dichte menigte stroomde ons uit de poort tegemoet, en er werd mij ook dadelijk meegedeeld, dat de sultan zelf met zijne broeders ons tegemoet kwam, om ons behoorlijk te verwelkomen. Daar ik echter de bedoelingen dezer lieden nog niet genoegzaam kende, gaf ik bevel om in elk geval de geweren voor den strijd gereed te houden.

Zoo trokken wij in gesloten gelederen naar de noordoostelijke poort der stad. Ongeveer 300 meter rechts van den weg stond een groote boom, en daaronder zat Sakwa met de zijnen. Eene groote bronzen keten hing om zijn hals, en rijk waren zijne armen met kunstige koperen ringen versierd. Hij droeg eene lans in de rechterhand, en een katoenen hemd bedekte zijn lichaam. Voor ik aankwam, verhief hij zich met al zijn gevolg van zijn zetel en kwam mij met uitgestoken hand tegemoet. Hand in hand begaven we ons toen met deftigen ernst naar den ingang van Kwa Sakwa.

Eene breede gracht, over welke een brug naar de poort voert, omringt de muren der plaats. Is men binnen de omheining, dan komt men eerst op een groot ruim plein, omgeven door de woningen der militaire bezetting. Vandaar komt men op een tweede groot vrij plein, dat in een uitgestrekten kring door de vele huizen van den Sultan omringd is. Al deze huizen zijn bewoond door zijne tallooze vrouwen, in wier midden hij zelf woont. Dit plein, gaf mij de koning te kennen, kon ik als het mijne beschouwen. Ik kon of

99

ocr page 126

BEZOEK VAN ALI SOMAL.

in zijne huizen wonen, of mijne tenten laten opslaan, volkomen zoo als ik wenschte. Tegelijkertijd wees hij mij twee vette ossen, die voor heden mijn voedsel zouden uitmaken, en eiken morgen, zoo lang ik daar verblijf hield, zouden er telkens twee slachtossen voor ons gereed staan. In groote kruiken werd toen bruin bier voor ons gebracht, waarbij honig, eieren, hoenderen en melk, benevens goudgele bananen gevoegd werden. Spoedig waren huizen voor müne lieden ontruimd, de tenten opgeslagen en midden in Kwa Sakwa woei des middags voor de eerste maal de zwart-wit-roode vlag.

Ik had mij ternauwernood in mijne tent huiselijk ingericht, gebaad en mij geschoren, wat ik eiken dag dadelijk na het eindigen van den marsch placht te doen, toen op eenmaal geweerschoten uit de zuidelijke poort nieuw bezoek aanmeldden. Er verschenen dragers van de Engelsche expeditie, om ons te begroeten, en van hen won ik nauwkeuriger meedeelingen in omtrent hare bedoelingen, vooral omtrent Ali Somal, die gedurende de afwezigheid der vier blanken hoofd van het station was. De expeditie was 500 dragers sterk en met Remington-geweren gewapend. Munitie was er rijkelijk voorhanden. Zij hadden nog meer dan 50 last patronen.

Des namiddags kwam Ali Somal zelf met mijne beide Somalis van Kwa Sundu naar hier, om ons te begroeten. Het was een jonge Somali, die er bijzonder schrander uitzag en zich uitmuntend voordeed, in volledig Europeesche kleeding; hij heette ons zeer hartelijk welkom en noodigde ons dadelijk uit, zoo spoedig mogelijk naar het Engelsche station te komen. „Mr. Jackson zou het mij zeer kwalijk nemen, als ik u hier bij Sakwa liet blijven. Het zal hem zeer leed doen, dat hij juist afwezig is, maar gij moet in elk geval zoo lang wachten, totdat hij terugkomt.quot;

„Waar is Mr. Jackson dan heen gegaan? Is hij misschien door Elgumi naar Emin Pacha gegaan?quot;

„Volstrekt niet. Als hij naar Emin Pacha gegaan ware, dan zou hij mij stellig meegenomen hebben. Xeen, hij is op de jacht. Hij heeft langen tijd, eenige weken achtereen, aan den Elgon ginds gejaagd en ook verscheidene olifanten geschoten en is nu waarschijnlijk met het zelfde doel verder naar het noorden getrokken.''

100

ocr page 127

MEDEDEELINGEN VAN ALT SOMAL.

„Maar als hij alleen jagen wil, waarom neemt hij dan 450 man en al die blanken mee noordwaarts ? Is hij dan alleen maar om te jagen in deze streek gekomen?quot;

„Dat niet. Wij hadden de opdracht, ons van hier uit met Stanley in verbinding te stellen, om diens expeditie in de Nijllanden te ondersteunen. Maar Stanley is aan de westzijde van het Victoria-meer aan de kust teruggemarscheerd, en derhalve konden we hem niet helpen.quot;

„Is Stanley aan de westzijde van het Victoria-meer afgemar-scheerd ? Maar is hij dan voor de tweede maal naar Emin Pacha teruggekeerd, en is Emin Pacha misschien met hem meegetrokken ?quot;

„Neen, Emin Pacha is in zijn land achtergebleven. Met Stanley is een andere blanke naar het zuiden getrokken. Emin Pacha heeft oorlog met de Wanjoro gehad, die zijne lieden geslagen en hem naar het noorden gedreven hebben. Hij is nu geheel alleen in de aequatoriaal-provincie, en van hier uit is het niet mogelijk hem te bereiken.

„Hoe weet ge dat?quot;

„Mr. Jackson zou dolgaarne naar Emin Pacha of ten minste naar Uganda getrokken zijn, maar hij kon dit niet doen, omdat de stammen in het westen ons allen vijandig gezind zijn, en wij eenvoudig den dood tegemoet zouden zijn gegaan, wanneer we daarheen gemarscheerd waren. De Wanjoro willen van de blanken niets weten, en in Uganda heerschen de Arabieren. De Waganda dooden iederen blanke, die in 't land komt, en eene expeditie, die deze landen binnentrekt, is van te voren reeds veroordeeld.quot;

„Hebt gij tijding uit Uganda?quot;

„Ja, herhaaldelijk. Zelfs de lieden der laatste Waganda-deputatie zijn nog in mijn leger, en ge kunt van hen zelve inlichtingen vragen. De christenen van Uganda hebben reeds herhaaldelijk naar ons gezonden om hen toch te hulp te komen, dan wilden zij de Engelsche vlag aannemen, maar Mr. Jackson heeft dit altijd van de hand gewezen, omdat zijne legermacht daartoe te zwak is. Wacht op Mr. Jackson, die zal u dit alles zelf nauwkeuriger vertellen. Binnen 14 dagen moet hij terug zijn.quot;

101

ocr page 128

de kawirondo-bewoners.

aanstaanden Woensdag of Donderdag zal aankomen, zal ik zeer verheugd zijn, een Europeaan te ontmoeten, die zich ginds bevinden mag. Zeer aangenaam zal mij een kort bericht zijn, waaruit mij blijkt, wien ik het genoegen zal hebben te zien.

Ik heb de eer te zijn, mijnheer.

Uw zeer Dienstw.

Dr. Gael Peters.

Aan den Europeaan, die vermoedelijk in Kwa Sundu of in Kawirondo zal zijn.quot;

Dezen brief zond ik dadelijk door de beide Somalis Sameter en Jama Ismael onder begeleiding van een Kawirondo-man naar Kwa Sundu af, met het bevel, mij het antwoord naar Kwa Sakwa te zenden, waarheen ik den volgenden dag marscheeren wilde.

Intusschen bekeek ik met oprechte belangstelling de wonderlijke figuren der Kawirondo-bewoners, die zich in mijne legerplaats vertoonden. In groote pompoenen brachten zij koren van allerlei soort en honig aan, benevens eieren, hoenderen en melk. De mannen zijn met een schootvel bekleed, de vrouwen daarentegen dragen bijna geene kleederen, en dit vormt een merkwaardig onderscheid met de Massai-landen, waar dit juist omgekeerd het geval is.

Met de Bantu-bevolking gemengd zitten hier overal brokken van den vroeger machtigen Baringo-Massai-stam, Wakuafi genaamd, die door de zuidelijke Massais uit de Angata na Nyuki geworpen waren.

Zij doen hier meestal voor de inheemsche sultans heerediensten en vormen in hoofdzaak het leger voor geheel Kawirondo.

Thomson vertelt veel van het gevaarlijke van zijn toestand in Kawirondo. Hij zat steeds in den angst, dat men hem zou neervellen. Ik daarentegen kan verklaren, dat wij bij deze argelooze en gezellige lieden voor dergelijke bezorgdheden niet de allergeringste reden gevonden hebben. Inderdaad was het er, gelijk de Arabieren in Kapte gezegd hadden: Hier kan men zonder wapenen en alleen met een wandelstok uit kuieren gaan.

94

ocr page 129

THOMSON IN KAWIHONDO.

Thomson heeft onder de Massais zelfs eene toegevendheid getoond die ik reeds gekenmerkt heb. Dat deze toegevendheid juist niet uit een christelijk gevoel van naastenliefde ontsproot, in navolging van

het gebod dat, wanneer de linker wang getroffen wordt, men dan ook de rechter moet voorhouden, bewijst Thomson door de beschrijving van zijn optreden tegen de Massais in Kawirondo.

Daar zegt hij o. a. het volgende: „Zij poogden ook mij te over-

95

ocr page 130

HET LAND VAN BELOFTE.

bluffen en zich alles aan te matigen. Maar ik bracht hun spoedig aan 't verstand, dat, wat ik onder de Massais in hun eigen land kon uithouden, ik hier niet van hen dulden zou. Inderdaad, uit een zeker, sinds lang onderdrukt gevoel van wraak deed het mij niet weinig genoegen, nu eene flinke, brutale houding tegenover

deze schurken te kunnen aannemen, wanneer deze of gene onder hen mijn geduld op eene al te harde proef stelde. Eveneens haalden mijne lieden er hun hart aan op, hen nu eens flink onder handen te nemen en hen te bedreigen met al wat leelijk was.quot;

Ik heb ook de Massais in Kawirondo altijd zeer bescheiden in hunne houding tegenover ons gevonden en ben geen enkele keer genoodzaakt geweest, hen voor eene of andere brutaliteit te straffen.

De groote rijkdom aan goede voedingsmiddelen in dit land was voor ons en mijne lieden allerheerlijkst. De hoenderen waren vet en malsch, en nauwelijks was een drietal voldoende, om onzen honger aan het ontbijt te stillen. Zoo sterk was de behoefte van ons lichaam, om na al de doorgestane ellenden der laatste maanden zich nu eens te goed te doen. De honig was zoo wit als suiker en rook heerlijk naar bloesem. Daarbij melk en eieren, die op allerlei wijze werden klaar gemaakt. Boonen en koren en graanvruchten van allerlei aard, als brei in melk gebruikt of bij het gebraden vleesch

96

Wa-Kawirondo.

ocr page 131

EEZOEK VAN WAN G WAN A.

met eene krachtige saus genoten, vormden eene aangename afwisseling van den gewonen vleeschkost, en heerlijke bananen, die rauw gegeten of in vet en suiker gebakken werden, boden een kostelijk nagerecht. De geheele wereld scheen ons met nieuwe kleuren getooid, en daarenboven was onze verwachting gespannen omtrent de geheimzinnige blanken die in onze onmiddellijke nabijheid waren.

Den 27en Januari vierden wij 's keizers verjaardag, en onder trommelslag ging het toen den 28en Januari, met onze gidsen vooruit, op flink gebaande paden naar het zuiden. Steeds meer en meer bebouwd deed zich het landschap voor, het eene dorp volgde op het andere, en welgevoede kudden runderen graasden op de weiden. Marscheerden wij langs eene nederzetting, dan kwamen de lieden ons koren, melk en honig aanbieden. Hier deed onze naam van overwinnaars der Massais zich bijzonder sterk gevoelen. Ik kan gerust zeggen dat wij, in verband met het gebeurde met de Massais, in Kawirondo meer populair waren dan op eenig ander gedeelte van onzen tocht. Hier kent men dan ook juist de Massais in al hunne brutale wreedheid en gevaarlijke wildheid maar al te goed.

Tusschen twee dorpen aan eene liefelijke glooiing in eene rijk bebouwde vlakte sloeg ik dezen dag het leger op en ontplooide de groote expeditie-vlag aan den rand der helling, zeer ver zichtbaar in het gansche landschap.

Ik had nauwelijks de tent laten opslaan, toen op eenmaal ge. weerscheten luid in de diepte beneden ons afgevuurd werden, en onmiddellijk daarop vijf in witte hemden gekleede lieden in galop, vriendelijk groetend, kwamen aanloopen.

„Daar komen de boden van de blanken!quot; zeiden de Wa-Kawi-rondo, en onmiddellijk daarop werden door mijne Somalis de aankomenden voor mijn zetel gebracht.

„Wie zijt gij?quot; vroeg ik.

„Wij zijn Wangwana van de kust, en dit zijn de zonen en de lieden van den sultan Sakwa van Kawirondo. De sultan zendt ons, om u in zijn land welkom te heeten.quot;

„Wat voor blanken zijn er in Kawirondo, en wat weet gij van hen?quot;

II. 7

97

ocr page 132

98 ONDERHOUD MET DE AFGEZANTEN.

.,Het zijn Engelschen, Mr. Jackson, Mr. Martin en twee andei en.

„Sedert wanneer zijn zij hier?quot;

„Sedert vele maanden. Maar onlangs zijn zij naar Llgumi gegaan en verder op, om olifanten te schieten.

„Wat doen zij hier?quot;

„Zij hebben te Kwa Sundu een station opgericht en koopen ivoor op. Er zijn ook boden uit Uganda tot hen gekomen, maar in Uganda wordt oorlog gevoerd, en geen mensch kan daarheen gaan. De Arabieren hebben Muanga verjaagd en alle christenen gedood. De Engelschen mogen niet in dit land komen.quot;

„Zijt gij bevriend met uwen sultan?quot;

„Sakwa, onze sultan, is groot en rijk. Hij houdt niet van de lieden die naar hier komen om ivoor te koopen en wild te schieten. Sakwa houdt van flinke lieden die den oorlog verstaan. Wij weten, dat gij, heer, de Massais verslagen hebt, en daarom wil Sakwa uw vriend zijn. Hij zendt ons om u dit te melden, en noodigt u uit, morgen in zijne residentie binnen te trekken, en daar een station te stichten. Sakwa houdt niet van de Engelschen, maar wel van de Duitschers. Maar waar wilt ge heentrekken?quot;

„Ik wil naar 't land der Turken, naar Emin Pacha. Hebt gij

eenig bericht van hem?quot;

„De Turken moeten ginds zijn (naar het noorden wijzende), maar zij zijn zeer ver. Wij hebben geen bericht van hen. Emin Pacha kennen wij niet.quot;

„Kent gij den weg naar Unjoro?quot;

„Unjoro is zeer ver. Wij kennen den weg daarheen niet. Zes jaren geleden kwam hier een blanke, die naar Uganda wilde. Maar de Waganda hebben hem en al zijne lieden gedood. De Waganda zijn zeer slecht, en geen van ons gaat die streken uit.quot;

„Zendt boden naar uwen Sultan, en zegt hem, dat ik morgen tot hem komen zal. Ik wil naar Unjoro gaan en kom als vriend. Al het verdere zal ik morgen met hem persoonlijk bespreken.quot;

Daarmede hadden we de opheldering omtrent onze blanken in Kawirondo. Het was niets meer of minder dan de Jacksonsche Emin Pacha-expeditie, en waarschijnlijk hadden de lieden van

ocr page 133

AANKOMST TE KWA SAKWA.

Kabaras den naam „Stanleyquot;, waarmede deze expeditie samenwerken zou, daarbij hooren noemen.

Nadere ophelderingen moesten ons de volgende dagen brengen, en derhalve schorsten wij alle verdere vermoedens voorloopig op.

Den volgenden morgen trokken wij in zuidwestelijke richting over eenige hoogten verder. Overal zagen wij ontzaglijke veekudden. „Dat behoort alles aan Sakwa,quot; zeiden de gidsen. De Massais die het vee hoedden, schoten toe, om ons eerbiediglijk te begroeten, en nadat we een zijstroom van den Nsoia overgetrokken waren, rezen op eenmaal de geweldige roode muren en de hooge poorten van Kwa Sakwa, niet als een dorpje, maar als eene stad voor ons op.

Eene dichte menigte stroomde ons uit de poort tegemoet, en er werd mij ook dadelijk meegedeeld, dat de sultan zelf met zijne broeders ons tegemoet kwam, om ons behoorlijk te verwelkomen. Daar ik echter de bedoelingen dezer lieden nog niet genoegzaam kende, gaf ik bevel om in elk geval de geweren voor den strijd gereed te houden.

Zoo trokken wij in gesloten gelederen naar de noordoostelijke poort der stad. Ongeveer 300 meter rechts van den weg stond een groote boom, en daaronder zat Sakwa met de zijnen. Eene groote bronzen keten hing om zijn hals, en rijk waren zijne armen met kunstige koperen ringen versierd. Hij droeg eene lans in de rechterhand, en een katoenen hemd bedekte zijn lichaam. Voor ik aankwam, verhief hij zich met al zijn gevolg van zijn zetel en kwam mij met uitgestoken hand tegemoet. Hand in hand begaven we ons toen met deftigen ernst naar den ingang van Kwa Sakwa.

Eene breede gracht, over welke een brug naar de poort voert, omringt de muren der plaats. Is men binnen de omheining, dan komt men eerst op een groot ruim plein, omgeven door de woningen der militaire bezetting. Vandaar komt men op een tweede groot vrij plein, dat in een uitgestrekten kring door de vele huizen van den Sultan omringd is. Al deze huizen zijn bewoond door zijne tallooze vrouwen, in wier midden hij zelf woont. Dit plein, gaf mij de koning te kennen, kon ik als het mijne beschouwen. Ik kon of

99

ocr page 134

BEZOEK VAN ALI SOMAL.

in zijne huizen wonen, of mijne tenten laten opslaan, volkomen zoo als ik wenschte. Tegelijkertijd wees hij mij twee vette ossen, die voor heden mijn voedsel zouden uitmaken, en eiken morgen, zoo lang ik daar verblijf hield, zouden er telkens twee slachtossen voor ons gereed staan. In groote kruiken werd toen bruin bier voor ons gebracht, waarbij honig, eieren, hoenderen en melk, benevens goudgele bananen gevoegd werden. Spoedig waren huizen voor mijne lieden ontruimd, de tenten opgeslagen en midden in Kwa Sakwa woei des middags voor de eerste maal de zwart-wit-roode vlag.

Ik had mij ternauwernood in mijne tont huiselijk ingericht, gebaad en mij geschoren, wat ik eiken dag dadelijk na het eindigen van den marsch placht te doen, toen op eenmaal geweerschoten uit de zuidelijke poort nieuw bezoek aanmeldden. Er verschenen dragers van de Engelsche expeditie, om ons te begroeten, en van hen won ik nauwkeuriger meedeelingen in omtrent hare bedoelingen, vooral omtrent Ali Somal, die gedurende de afwezigheid der vier blanken hoofd van het station was. De expeditie was 500 dragers sterk en met Kemington-geweren gewapend. Munitie was er rijkelijk voorhanden. Zij hadden nog meer dan 50 last patronen.

Des namiddags kwam Ali Somal zelf met mijne beide Somalis van Kwa Sundu naar hier, om ons te begroeten. Hot was een jonge Somali, die er bijzonder schrander uitzag en zich uitmuntend voordeed, in volledig Europeesche kleeding; hij heette ons zeer hartelijk welkom en noodigde ons dadelijk uit, zoo spoedig mogelijk naar het Engelsche station te komen. „Mr. Jackson zou het mij zeer kwalijk nemen, als ik u hier bij Sakwa liet blijven. Het zal hem zeer leed doen, dat hij juist afwezig is, maar gij moet in elk geval zoo lang wachten, totdat hij terugkomt.quot;

„Waar is Mr. Jackson dan heen gegaan? Is hij misschien door Elgumi naar Emin Pacha gegaan?quot;

„Volstrekt niet. Als hij naar Emin Pacha gegaan ware, dan zou hij mij stellig meegenomen hebben. Neen, hij is op de jacht. Hij heeft langen tijd, eenige weken achtereen, aan den Elgon ginds gejaagd en ook verscheidene olifanten geschoten en is nu waarschijnlijk met het zelfde doel verder naar het noorden getrokken.quot;

100

ocr page 135

MEDEDEELINGEN VAX ALI SOMAL.

„Maar als hij alleen jagen wil, waarom neemt hij dan 450 man en al die blanken mee noordwaarts? Is hij dan alleen maar om te jagen in deze streek gekomen?quot;

„Dat niet. Wij hadden de opdracht, ons van hier uit met Stanley in verbinding te stellen, om diens espeditie in de Mjllanden te ondersteunen. Maar Stanley is aan de westzijde van het Victoria-meer aan de kust teruggemarscheerd, en derhalve konden we hem niet helpen.quot;

„Is Stanley aan de westzijde van het Victoria-meer afgemar-scheerd ? Maar is hij dan voor de tweede maal naar Emin Pacha teruggekeerd, en is Emin Pacha misschien met hem meegetrokken?quot;

„Neen, Emin Pacha is in zijn land achtergebleven. Met Stanley is een andere blanke naar het zuiden getrokken. Emin Pacha heeft oorlog met de Wanjoro gehad, die zijne lieden geslagen en hem naar het noorden gedreven hebben. Hij is nu geheel alleen in de aequatoriaal-provincie, en van hier uit is het niet mogelijk hem te bereiken.

„Hoe weet ge dat?quot;

„Mr. Jackson zou dolgaarne naar Emin Pacha of ten minste naar Uganda getrokken zijn, maar hij kon dit niet doen, omdat de stammen in het westen ons allen vijandig gezind zijn, en wij eenvoudig den dood tegemoet zouden zijn gegaan, wanneer we daarheen gemarscheerd waren. De Wanjoro willen van de blanken niets weten, en in Uganda heerschen de Arabieren. De Waganda dooden lederen blanke, die in 't land komt, en eene expeditie, die deze landen binnentrekt, is van te voren reeds veroordeeld.quot;

„Hebt gij tijding uit Uganda?quot;

„Ja, herhaaldelijk. Zelfs de lieden der laatste Waganda-deputatie zijn nog in mijn leger, en ge kunt van hen zelve inlichtingen vragen. De christenen van Uganda hebben reeds herhaaldelijk naar ons gezonden om hen toch te hulp te komen, dan wilden zij de Engelsche vlag aannemen, maar Mr. Jackson heeft dit altijd van de hand gewezen, omdat zijne legermacht daartoe te zwak is. Wacht op Mr. Jackson, die zal u dit alles zelf nauwkeuriger vertellen. Binnen 14 dagen moet hij terug zijn.quot;

101

ocr page 136

102 SLECHTE TIJDINGEN OMTRENT E1IIN PACHA.

„Veertien dagen kan ik hier niet wachten, want ik zal reeds binnen eenige dagen van hier naar het westen afmarscheeren.quot;

„Wilt gij van hier naar het westen afmarscheeren?quot;

„Zeer zeker. Wanneer Emin Pacha nu alleen in zijne provincie is, heeft hij des te eerder hulp noodig.quot;

„Maar hot is onmogelijk om naar het westen te gaan. Dan voert ge u zeiven en uwe lieden den dood tegemoet. Emin Pacha is geslagen en is niet meer wat hij was.quot;

„Wanneer Emin Pacha geslagen is, dan heeft hij de hulp nog des te meer noodig. Maar hoe weet gij overigens zoo precies, dat het onmogelijk is, de reis naar het westen voort te zetten? '

„Wij hebben vertrouwbare berichten van alle zijden. Ik kan u de brieven uit Uganda zelfs toonen, als u dat belang inboezemt. Dan zult gij alles zelf zien en het plan opgeven, om al uwe lieden naar den ondergang te voeren. Ik heb er bijzonder belang bij, daar zich twaalf mijner eigen broeders bij uwe expeditie bevinden, wier leven ik zoo gaarne zou willen redden. Lees morgen de brieven uit Uganda zelf en gij zult mij gelijk geven. '

„Best. Ga nu naar de Somalis, die u berichten uit uw vaderland zullen geven. Zoo lang gij bij mij in Kwa Sakwa blijft, zijt gij mijn gast.quot;

Wat waren dat voor tijdingen, die ik hier kreeg?

De groote Engelsche Emin Pacha-expeditie lag hier reeds sedert maanden aan de grenzen der Nij Handen, zonder een stap verder in deze richting te wagen.

Emin Pacha door de Wanjoro geslagen en eenzaam op zijn post achtergebleven, terwijl zijn blanke begeleider, dus vermoedelijk Casati, met Stanley aan de kust afgetrokken was? Uganda in handen der Arabieren, en Kaba-Rega, dien ik uit Emin's beschrijvingen als zijn trouwen vriend kende, nu de vijand der Europeanen en van Emin zelf!

Men zal begrijpen, dat wij door deze meedeelingen, waaraan voor ons op redelijke gronden niet te twijfelen viel, vreeselijk ontroerd waren. Uit dien chaos van gewaarwordingen kwam echter altijd weder de eenzame gestalte van Emin Pacha in een wereld van vijandelijke machten te voorschijn, door allen verlaten : in het noorden

ocr page 137

VOORSTEL VAN L)EX SULTAN.

door den malidi, in het zuiden door de Wanjoro bedreigd, met den ondergang voor oogen en, naar het ons moest toeschijnen, vastbesloten om zich daaraan te onderwerpen.

Hoe ware het mogelijk geweest, dat ook slechts één oogenblik ons besluit tot wankelen had kunnen worden gebracht, om ons nu vooral dadelijk naar hem heen te spoeden, hetzij om hem te helpen, hetzij om met hem te vallen, als het wezen moest.

Doch laten we eerst afwachten, wat de volgende dag ons verder brengen zal. Deze bracht al dadelijk eene zeer eigenaardige uit-noodiging van den kant van den Sultan Sakwa. De Sultan verscheen reeds des morgens vroeg met groot gevolg voor mijne tent, om mij het volgende voor te slaan:

„Twee uren noordwaarts van hier,quot; zei hij, „bevindt zich de rooverstam der Mangati in een land, dat wij Njoro noemen. Deze lieden doen voortdurend invallen in mijn gebied, bedreigen mijne kudden en verbranden mijne dorpen. Het geheele westen van den Nsoia-stroom hebben zij verwoest. Ik heb den Engelschen herhaaldelijk verzocht, deze Mangati te verslaan, en hun aangeboden, als zij dit wilden doen, dan hunne vlag voor Kawirondo aan te nemen. Maar de Engelschen zijn bang, hebben zich in hun station opgesloten en schuwen den strijd met de Mangati. Nu zijt gij Duitschers gekomen, die zelfs de Massais verslagen hebt. Ik geef u al mijne Askaris, gij verslaat dan de Mangati, waarop ik uwe vlag aanneem en u de helft van het buit gemaakte vee afsta.quot;

„Maar wat heb ik met de Mangati te maken? Ik denk er volstrekt niet aan om met de Mangati den strijd aan te binden. quot;Wij hebben met de Massais moeten vechten, omdat zij ons het eerst aanvielen. Wij Duitschers vechten over het algemeen slechts, wanquot; neer wij aangevallen worden, of wanneer lieden aangevallen zijn, die onder onze bescherming staan.quot;

„Nu, wij willen onder uwe bescherming komen. Gij zult onze heer en meester zijn, wanneer gij de Mangati voor ons slaat.quot;

„Wanneer ik u dit genoegen ook al zou willen doen, dan kan ik het toch in dit oogenblik niet. Ik moet nu naar het westen rnarscheeren, naar een grooten blanke die ginds woont. Wanneer

103

ocr page 138

VOORSTEL VAN DEN SULTAN.

ik mijne patronen hier verschiet, hoe zal ik dan mijn vriend aan den Nijl kunnen bereiken?quot;

„Aan den Nijl kunt gij toch in geen geval komen. Ginds wonen de Waganda, die zeer boos zijn en iedereen dooden die hen nabij komt. Eenigen tijd geleden was hier een blanke bij ons, die ook door deze landen heen wilde. Maar de Waganda hebben hem en al zijne lieden gedood.quot;

„Maar zijn dan de Wasoga ook al zoo kwaadaardig? Wanneer ik aan deze zijde van den Nijl door Usoga en later aan deze zijde der rivier langs ünjoro trek, dan behoef ik toch de Waganda niet te vreezen.quot;

„De Wasoga en Waganda zijn geheel hetzelfde,quot; zei hij. „De Wasoga zijn slaven van den Mfalme (koning) van Uganda en moeten alles doen wat hij zegt.quot;

„Maar voor de tijding van onzen doortocht naar Uganda komt, zijn wij Usoga lang doorgetrokken en wanneer de Wasoga ons dat beletten, dan zullen wij hen verslaan, volkomen zoo als wij de Massais verslagen hebben.quot;

„In Usoga zijn vele Waganda, en zij hebben daar heel veel geweren. Alle stammen kunt gij verslaan, maar wanneer gij beproeven zoudt, de Waganda en de Wasoga te beoorlogen, dan zult gij het onderspit delven. Versla de Mangati voor ons en neem onze gastvrijheid aan. In dien tusschentijd zenden wij tijding aan den blanke. Wanneer hij zoo groot is, als gij zegt, dan zal hij u soldaten zenden, opdat ge veilig naar hem toe kunt komen. Wij weten wel, dat ginds tegen de dalende zon de Turken wonen, en dat zij ook geweren hebben. Wanneer hun Sultan een blanke is, wacht dan hier op tijding van hem, dan zult gij zeker tot hem geraken.quot;

„Ik heb nu al uwe woorden begrepen; ga nu en laat mij alleen, opdat ik alles overdenke. Het antwoord zal ik u heden namiddag geven.quot;

Het aanlokkende in het voorstel van Sakwa was, dat ik door het aan te nemen mij een vast steunpunt in Kawirondo schiep. Sloegen wij de Mangati, dan moest buitendien ons aanzien naar het westen nog aanmerkelijk toenemen, en dat kon vermoedelijk voor den doortocht door Usoga weder beslissend worden. Aan den anderen kant kwam het niet met mijne beginselen overeen, om

104

ocr page 139

AANVAL TEGEN DE MANGATI.

onder Duitsche vlag een stam aan te vallen, die te voren geenerlei vijandelijkheden jegens ons bedreven had.

Dientengevolge besloot ik, zeer zeker den Sultan mijn steun bij de onderwerping van den rooverstam in het zuiden te schenken, maar noch onze vlag, noch een van ons blanken aan den strijd te laten deelnemen.

Ik stond hem onder aanvoering van Hussein 35 man voor den volgenden morgen toe, onder voorwaarde, dat hij eveneens zijne gezamenlijke Askaris, zijne Massais, benevens zijne Banta onder bevel van Hussein zou stellen en het hun mogelijk maken, nog des nachts de Mangati te verrassen, om ze don volgenden morgen voor zonsopgang te kunnen verslaan.

Sakwa bewilligde in alles, maar legde zijne belofte, gelijk deze negers gemeenlijk doen, slechts half ten uitvoer. In plaats dat Hussein, gelijk ik verlangd had, tusschen 5 en 6 uur naar den vijand optrok, werd het tusschen zeven en acht uur, vóór zij te Njoro aankwamen, dat niet twee, maar bijna vier uur verwijderd was.

De Mangati waren op hunne hoede, hadden hunne kudden naar achteren gedreven en verwachtten mijne lieden. Er ontspon zich nu een uiterst verbitterd, ja moorddadig gevecht, waarbij Hussein de fout beging, niet den steeds door ons aangewenden maatregel te volgen, namelijk om, na eenige salvo's met „hoera!quot;, steeds voorzichtig op een afstand blijvend, den vijand langzaam te naderen.

Wij hoorden den ganschen morgen het levendige knetteren der percussie-geweren en het scherpere geluid der getrokken loopen, en zagen ook eenige dorpen in het zuiden in brand staan.

Tegen 3 uur des namiddags kwamen eerst de soldaten van Sakwa teruggemarscheerd, in groote troepen bij honderden, ondereen dof krijgsgezang, en vervolgens mijn eigen lieden met hun bijzonder krijgsgezang.

De Mangati waren totaal geslagen, hadden twee dorpen en 56 man verloren, maar het was Hussein niet gelukt, in het bezit van de veekudden te geraken, en de reeds zoo aanmerkelijk ingekrompen voorraad patronen der expeditie was door dit gevecht op bedroevende wijze verminderd. Ik had nu voor de repeteergeweren nog 40—50 stuk. Buitendien hadden wij verscheidene gekwetsten.

105

ocr page 140

EEKE OVERWINNING MET EENE GROOTE SCHADUWZIJDE.

Daarentegen was ontegenzeggelijk heel Kawirondo vol van bewondering voor ons troepje, en dit verbreidde zich al heel spoedig ver naar het westen tot naar Uganda toe. Sakwa bracht nog des avonds slachtossen voor mijne lieden en haalde den volgenden namiddag op een heuvel in zijne verblijfplaats aan een mast van 15 meter hoog de groote zwart-wit-roode vlag op. Zijne vrouwen voerden dansen ter onzer eere uit.

Maar wat had dit alles te beteekenen tegenover het feit, dat we nog slechts zoo weinig patronen hadden en hiermede in het gevaarlijke Nijlgebied moesten trekken.

Den volgenden morgen marscheerde ik ondanks de smeekbeden van Sakwa, om nog wat te blijven, onder trommelslag over goed bebouwd land verder naar het zuiden, om mijn leger nog dezen dag in het Engelsche station Kwa Sundu te betrekken. Hier moest en zou ik beslissende opheldering omtrent de toestanden in het westen ontvangen en daarvan zou mijn besluit afhangen, of ik den doortocht door Uganda zou kunnen wagen, dan wel of het zaak was, onmiddellijk op Unjoro af te gaan.

106

ocr page 141

ij waren in het Engelsche station iieel spoedig huiselijk ingericht. De jonge Sultan ontving ons met een geschenk van drie slachtossen, waarbij wel is waar het kinderlijk verzoek gevoegd was, dat, nu wij de Mangati in de buuit van Kwa Sakwa geslagen hadden, wij morgen de Mangati in de nabijheid van Kwa Sundu zouden ten onder brengen.

Buitendien kwamen de hoofden der Massais in Kawirondo met eeregeschenken en het verzoek, met mij in vriendschappelijke betrekkingen te mogen treden. Zij waren allen bereid, mij als hun heer en hoofd te erkennen. Ik scheepte ze allen af totdat ik uit de aequatoriaal-provincie teruggekeerd zoude zijn. Zoodra ik mijn

ocr page 142

DE TOESTAND IN UGANDA.

Duitschen broeder daar gevonden had, kwam ik met eene grootere macht terug, en dan zouden wij nader over hunne verhouding tot mijn stam beraadslagen.

Uit de meedeelingen, welke Ali Somal mij schriftelijk voorlegde, vernam ik al dadelijk het volgende over de omstandigheden in Uganda, en wel uit een schrijven van Mr. Mackay uit Usumbiro van den 25en Augustus 1889 aan Emin Pacha, dat vermoedelijk ter verzending hier in het Engelsche station lag, en dat ik woordelijk laat volgen:

„Muanga, de zoon en opvolger van Mtesas, koning van Uganda, deed zich in het jaar 1887 meer en meer als oen verwoed man en dwingeland kennen, totdat in September of October 1888 na de poging zijnerzijds om zijne lijfwacht te vermoorden, van welke de meesten hetzij christen of mohamedaan waren, deze plotseling opstonden en hem van den troon dreven. De onttroonde koning ontkwam met een kano naar de zuidzijde van het Victoria-meer.

„Een broeder van Muanga, Kiwewa geheeten, werd in zijne plaats koning, en deze kondigde dadelijk vrijheid voor alle kerkgenootschappen af, doch trad spoedig daarna vijandig tegen de christenen op en na eene groote slachting onder hen gehouden te hebben, verdreef hij ze uit zijn land.

„Zij vluchtten nu naar Busagalla (Usagara), dat ook Ankore genoemd wordt, welks koning Antari hen als kolonisten ontving. Slechts weinigen ontkwamen op kano's naar de zuidzijde van het meer en werden gedeeltelijk door de Roomsche priesters te Ukumbi en gedeeltelijk door de Engelschen in Usumbiro opgenomen. De heeren Gordon en Walker, benevens de Roomsche zendelingen in Uganda werden voor eene week gevangen genomen, en beide zendelingsstations geplunderd en verwoest; hierop werd aan alle zendelingen toegestaan, in eene boot Uganda te verlaten.

„Natuurlijk waren de Arabieren de voorname aanhitsers en aanvoerders bij het ten gronde richten der christelijke zendingen, maar zij zelve genoten ook niet lang de gunst van Kiwewa. Hij vond hen te ijverig in hun wensch om hen tot het mohamedanisme te bekeeren, en op een zekeren dag liet hij al hunne hoofden in

108

ocr page 143

DE TOESTAND IN UGANDA.

Burgah gevangen nemen en doodde met eigen hand drie hunner aanvoerders. Op eene of andere wijze wisten de anderen echter spoedig daarop in vrijheid te geraken en nu moest Kiwewa, om zijn eigen leven te redden, op de vlucht gaan.

„Toen werd een andere broeder, Karema (of Kalema) genaamd, tot koning gekozen, en zijn troepen gelukte het, het leger, dat door Kiwewa bijeengebracht was, te verwoesten. Deze laatste viel in Kalema's hand, werd in ketenen gelegd en gedood. Muanga nam eerst de vlucht naar de Arabieren van Muju, verliet deze later, daar hem de slechte behandeling bitter tegenstond, en begaf zich naar de Pranschen te Ukumbi, waar hij tot April 1888 verbleef.

„Intusschen kwam Mr. Stokes, vroeger medelid der Engelsche expeditie, nu een handelaar, van de kust met een eigen boot aan. Muanga drong bij hem aan, dat hij hem mee naar Buganda zou nemen, om te beproeven zijn verloren troon te herwinnen. De boot landde in de nabijheid van de Kagera-monding, waar Muanga tot opstand aanhitste en spoedig een grooten aanhang won, vooral onder de verbannen christenen in Busagalla of Ankore. Karema zond een sterk leger, om Muanga te ontmoeten, en verwoestte de strijdmacht van den laatste.

„Muanga zelf ontkwam naar de Sesse-eilanden, waar hij door de bewoners erkend werd. Nu bevond hij zich opnieuw aan het hoofd van eene niet onbelangrijke strijdkracht met al de kano's van het land. Met hen begaf hij zich naar de Murchison bocht en ontscheepte op een eilandje tegenover Munyonyo.

„Kalema zond nu eene strijdkracht, om de landing van Muanga te beletten, onder aanvoering van een Arabier, Hamis Belui genaamd, maar deze strijdmacht trok zich spoedig terug. Muanga's» troepen landden en verbrandden Munyonyo. Eveneens had er een slag in Kyagore plaats, waarin Kalema's leger geslagen werd....quot;

Tot zoover het bericht uit het schrijven van Mr. Mackay. Deze meldt verder, dat Mr. Stokes spoedig daarop naar Ukumbi teruggekeerd is en nu, dus in Augustus 1889, op het punt staat, met eene nieuwe uitrusting van wapenen en krijgsvoorraad, ter hulp van Muanga terug te keeren. Muanga had eene uitnoodiging tot de

] 09

ocr page 144

MUANGA EN KAREilA.

Pranschen en Engelschen gericht, om zich op de Sesse-eilanden te vestigen. Eenige Franschen waren reeds gegaan, terwijl Mr. Gordon en Walker den volgenden dag in kano's naar Sesse vertrekken zouden.

Mr. Mackay voegt daarbij: „Natuurlijk kunnen de missionarissen Muanga in zijn strijd niet steunen, maar hunne tegenwoordigheid is van waarde voor zijn naam, terwijl dit hunne wederzijdsche gemeenten aanmoedigen kan. Protestanten en katholieken tellen gezamenlijk ongeveer 1500, naar hun eigen schatting over de 2000 man. Zij hebben alles bij elkaar 1000 geweren, maar heel weinig kruit. Behalve deze heeft Muanga verscheidene duizenden Heiden-sche aanhangers, gewapend met speer en schild, terwijl Karema meer dan 2000 geweren en al de Arabieren met hunne slaven achter zich heeft. Maar Karema is, geloof ik, den Islam niet genegen, en gebruikt zijne partij slechts als zijn hoofdverdedigingsmiddel. Hij vermoordde onlangs nog al de prinsen en prinsessen, die hij in zijne handen kon krijgen, om te voorkomen, dat de een of ander van hen als mededinger naar den troon optreden zou.

„Dat heeft zijne populariteit niet vermeerderd, terwijl ik hoor, dat verscheidene zijner aanhangers oproerig zijn. Maar zij vreezen om zich bij Muanga aan te sluiten, daar deze verbitterd tegen allen is, die tot het mohamedanisme behooren. Mijn raad aan Muanga is intusschen, rustig in het bezit der Sesse-eilanden te blijven en met behulp der talrijke kano's, welke hij heeft, de kusten van Uganda te blokkeeren en den Arabieren te beletten, nieuwen toevoer te ontvangen. Op deze wijze zal hij van lieverlede vele aanhangers krijgen. Inderdaad hebben de meesten zijner vroegere hoofden zich reeds bij hem aangesloten.

„Toen Mr. Stokes Uganda verliet, was daar de tijding ontvangen, dat eenige blanken in Usoga in de buurt van Wachores land aan wal gestapt waren. Dat moet, dunkt ons, de voorhoede der Britsch-Oostafrikaansche expeditie zijn, op weg naar Wandelai met proviand en munitie voor u (Emin), met wie Muanga beproefd heeft zich in verbinding te stellen, maar zij hebben geene tijding meer van hen.quot;

Nu komt Mr. Mackay met een tamelijk kinderlijk voorstel aan

110

ocr page 145

koning müanga onder engeland's macht. 111

Emin Pacha voor den dag, hetwelk deze, toen ik het hem later in Mpuapua meedeelde, niet minder naief vond dan ik, toen ik hem 't volgende voorlas:

„Nu is de tijd daar, een flinken slag te slaan om Uganda in bezit te krijgen. Wanneer Jackson en zijne gezellen namelijk Muanga ondersteunen in de onttroning van Karema en zijne Arabieren en hem zelf weder op den troon brengen, dan zal het land daarna stellig in hunne hand zijn, en dan zullen zij den sleutel der gansche westelijke omgeving van het Victoria-meer bezitten. Maar ik vrees, dat de expeditie der Britsch-Oostafrikaansche maatschappij dragers uit Zanzibar in dienst heeft, op wie men als soldaten weinig vertrouwen kan.

„Gij (Emin Pacha) hebt het leger, en slechts door den steun van een of twee regimenten van uwe troepen, onder geschikte aanvoerders, is het mogelijk, dat Karema's fanatieke krijgsmacht ten onder gebracht en de gewezen koning Muanga weder op den troon geplaatst kan worden, niet als een onafhankelijk souverein gelijk te voren, maar als een agent der Britsch-Oostafrikaansche maatschappij. Zijne afzetting en verbanning schijnt voor hem een gevoelige les te zijn geweest, en ik heb ten minste eenige hoop, dat, als hij weder de macht heeft, hij verstandiger regeeren zal dan vroeger. Intusschen is het naar mijne overtuiging bijzonder wen-schelijk, dat het hem niet overgelaten wordt, zich op zijn eigen hulpbronnen te verlaten, maar dat hij van anderen, die er buiten staan, afhankelijk wordt voor zijn koningdom, dat wil zeggen, van u zelf en van de Britsch-Oostafrikaansche maatschappij. Op deze wijze zal zijne toekomstige goede houding verzekerd zijn.

„Ik heb den heeren Walker en Gordon verzocht, u na hunne aankomst in Sesse te schrijven en den stand der zaak nauwkeurig uit een te zetten, hoe zij die vonden. Ik ben door den consul-generaal te Zanzibar zoowel als door de agenten der maatschappij en door Mr. mackinnon zelf uitgenoodigd, zoover ik kan, de belangen der maatschappij te bevorderen.

„Ik meen dit van mijn standpunt niet beter te kunnen doen, dan door u en de heeren aan het hoofd der expeditie met den juisten

ocr page 146

KONING MUANGA ONDER ENGELAND'S MACHT.

stand van zaken te Uganda bekend te maken, in de meening, dat zich nu eene zeldzame gelegenheid voordoet, die nooit in ons leven terug zal keeren, om niet alleen van de markt in Uganda zeker te zijn, maar ook de controle over het gansche land in handen te krijgen.

„Daar mijne broeders zoowel als de Fransche zendelingen er op voorbereid zijn, om zich bij Muanga aan te sluiten, zal dit voor u een voldoende waarborg wezen, dat aan deze partij de voorkeur moet gegeven worden. Karema is fanatiek, en zoolang hij de macht heeft, zal hij steeds de vijand van een ieder zijn, die, gelijk wij en de Britsch-Oostafrikaansche maatschappij, de welvaart van het meergebied in het harte dragen.quot;

Uit verdere papieren, die mij te Kwa Sundu ter inzage werden gegeven, bleek mij, dat Muanga met behulp van Stokes inderdaad den 4en October 1889 Karema's aanhang geslagen en zich weder in het bezit van den troon gesteld had; dat hij twee gezantschappen aan de Engelsche expeditie in Kawirondo gezonden had, met het verzoek aan Mr. Jackson om hem ondersteuning te brengen, en met het aanbod, zoo dit geschiedde, aan de Britsch-Oostafrikaansche maatschappij niet alleen het handelsmonopolie in Uganda en al zijne landen te verzekeren, maar zich zeiven onder Britsche bescherming te stellen.

Deze briefwisseling was onderteekend door Muanga zelf, door de Engelsche zendelingen en ook door pater Lourdel. Uit de geheele toedracht kon ik opmaken, dat Mr. Jackson eerst lang gedraald en toen de zaak van de hand gewezen had. Diens antwoord heb ik eerst later te Uganda kunnen inzien, en daaruit bleek mij, dat hij zich met zijne 500 Remingtons niet sterk genoeg achtte om naar Uganda te trekken, waar de partijen ongeveer tegen elkaar opwogen, maar dat hij zich veel liever in het noorden op de jacht begaf, gelijk ook nu het geval was.

Uit het laatste schrijven van pater Lourdel, gedagteekend 1 December van het eiland Bulingogwe, bleek, dat op het einde van November het leger van Muanga opnieuw geslagen moest zijn (hetgeen feitelijk op 22 November het geval was geweest); dat de christenen weder

112

ocr page 147

louedel's brief.

op de eilanden van het Victoria-meer gevlucht waren en van hier dringender dan ooit beden om ondersteuning aan de Engelsche expeditie richtten.

„Waarde heer,quot; zoo schreef die geestelijke, „tot ons leedwezen hebben wij vernomen, dat gij, althans voor het oogenblik, geen hulp kunt verleenen aan Muanga en aan de christenen van Buganda, gelijk wij gehoopt hadden.

„Koning Muanga had mij opgedragen u in zijn naam den Kis-wahili-brief te schrijven, dien ik u gezonden heb, toen hij de tijding omtrent de nederlaag van zijn leger nog niet vernomen had. Daar hij genoodzaakt is geworden, op het eiland Bulinguge de vlucht te nemen, roept hij meer dan ooit met aandrang uwe hulp in.

„Ter belooning hiervoor biedt hij u, behalve den uitsluitenden handel in Uganda, als geschenk honderd ivoren frasilas (8500 pond) aan, die hij u geven zal wanneer hij op den troon hersteld zal zijn. Hij belast zich ook met de voeding uwer manschappen en neemt uwe vlag aan. Wij katholieke zendelingen zullen ons gelukkig achten en dankbaar zijn dat ons de bescherming ten deel zal vallen, die gij aan de zendelingen en christenen in dit land schenken zult, als gij er in slaagt om de mohamedanen te verjagen.

„Wil de goedheid hebben mijne welgemeende groeten aan uwe onversaagde metgezellen over te brengen. Moge God uwe onderneming blijven zegenen en begunstigen ....

Siméon Loukdel.quot;

Zoover reikten dus mijne berichten in Kawirondo. Ik wist bovendien, dat de Engelschen ondanks al die mededeelingen niet naar dat weinig aanlokkende Uganda, maar wel op eene olifantenjacht in het noorden gegaan waren.

Ik heb dit alles hier meegedeeld op het gevaar af, daardoor in verdenking te komen, dat ik het brievengeheim in Kawirondo geschonden heb, maar ik hoop, dat dit verwijt als onverdiend zal beschouwd worden. Vooreerst betreft het hier niet het openbreken van brieven, maar van stukken, welke mij door het toenmalige officieele hoofd van het Engelsche station voorgelegd werden met

113

ocr page 148

VEEHOOR DER WASOGA.

de bijvoeging, dat ook zeer stellig zijne meesters „mijne broedersquot;, mij al deze meedeelingen en nog verdere gaarne zouden doen, indien zij in zijne plaats waren, en met de uitdrukkelijke machtiging, om er afschrift van te nemen.

Voorts neme men ook mijn toestand in aanmerking. De verantwoordelijkheid, welke ik voor mijne expeditie en mijne manschappen had, en die het mij gewis ten plicht maakte, mij alle inlichtingen te verschaffen, welke ik over de voor ons liggende landen maar eenigszins verkrijgen kon.

Nadat ik mij zoo in het algemeen op de hoogte had gesteld, liet ik de Wasoga, die de laatste Ugandapost in het Engelsche leger gebracht hadden, voor mij brengen, om hen zoo uitvoerig mogelijk uit te vragen.

„Gij zijt Wasoga. Wie heeft u naar hier gezonden?quot;

„Wij zijn door de Waganda gedwongen, hun den weg naar het Engelsche leger in Kawirondo te wijzen.quot;

„Wat voor berichten brengt ge uit Uganda? Wie is daar heer en meester?quot;

„In Uganda is oorlog. Eenigen tijd geleden had Muanga de Arabieren geslagen. Ten laatste was echter Karama weder koning, en Muanga met de zijnen op de eilanden gevlucht.quot;

„Wat is Usoga voor een land? Behoort het tot Uganda of hebt gij eigen hoofden?quot;

„Wij hebben eigen hoofden, maar zij zijn allemaal aan den Kabaka van Uganda onderworpen.quot;

„Is het vreemden geoorloofd, zonder toestemming van den Kabaka door Usoga te trekken?quot;

„Wanneer er een vreemdeling naar Usoga komt, moeten onze sultans dit aan den Mfalme van Uganda melden. (Kabaka ofMfalme is de titel des konings van Uganda. Ik vermoed, dat Kabaka het Bantu-woord is, terwijl Mfalme misschien van Semitischen oorsprong is. De titel van Kabaka is oogenschijnlijk dezelfde, als het Kaba in den titel van koning Kaba Rega van Unjoro). Wanneer deze het toestaat, kunnen zij verder trekken. Wanneer hij wil, moeten zij in Usoga blijven of, wanneer hij het beveelt, moeten zij terugkeeren.quot;

114

ocr page 149

HET KISWAHILI EN KISOGO.

„Iquot; sr in Usoga voldoende eten?quot;

„Zooveel eten als zand aan de zee.quot; Zij maakten daarbij de beweging van het ophoopen van zand met beide handen.

„Wat voor eten?quot;

„Bananen, koren en vleesch van allerlei soort.quot;

„Houden de Wasoga van de blanken of voeren zij oorlog met hen ?quot;

„De Wasoga houden van de blanken, maar zij moeten doen wat de Waganda hun zeggen.quot;

„Zijn er Waganda in Usoga?quot;

„Ja, zij komen elk jaar, om de schatting van daar te halen, en nu zijn er velen hunner ginds, die den oorlog in Uganda ontvloden zijn.quot;

„Behooren de Wasoga tot de partij der Muangas of hangen zij Karema aan?quot;

„Muanga is de Mfalme van Uganda, en Karema slechts een booswicht, die oorlog tegen dezen maakt.quot;

„Nu wil ik weten, hoe een aantal uitdrukkingen der Kiswahili-taal in Kisogo heet.quot;

Ik schreef een aantal woorden op en zond daarop de Wasoga weg.

Eenige dezer woorden laat ik hier volgen, om aan te toonen, dat de taal der Wasoga eigenlijk zuiver uit den Bantustam afkomstig is.

Nederlandsch: Kiswahili: Kisogo:

115

De weg

ndjia

njola

gaat

anakwenda

elegenda

waar ?

ivapi ?

ekuba?

Naar de Turken

qua Turki

Kubo Turki

wil koren

nataka veri veri

ndagale limere

water

madji

rnadsi

hoen

kuku

koko

eieren

majai

rnagi

melk

maswa

amata

voorwaarts

twende

tugende

ik wil

nataka

ndagale

ocr page 150

116 INLICHTINGEN OMTRENT DEN WEG NAAR KWA TELESSA.

Nederlandse h:

een gids naar Unjoro langzaam geef

Kis wahili:

Kisogo:

muntu Unjoro geran pole npa

kiongosi kwa Unjore

pole pole nipe en zoo verder.


Nu liet ik den Sultan met zijn gevolg komen en vroeg hem:

„Kent gij een land dat Unjoro heet?quot;

Hij wees in noordwestelijke richting.

„Zijn de Wanjoro uwe vrienden of uwe vijanden?quot;

„De Wanjoro zijn onze vrienden, de Waganda onze vijanden.quot;

„Wanneer gij naar Unjoro wilt gaan, moet ge dan door Usoga of Uganda gaan?quot;

„Neen, wanneer we naar Unjoro willen, dan moeten we over Kwa Telessa gaan. Van daar gaan we naar Akore of Akola en van ginds direct naar Unjoro. Tot Akore zijn het vier dagen, van daar tot den Nljl naar Unjoro weder vier dagen, over den Nijl een dag, zoodat we van hier naar Unjoro negen dagen noodig hebben.quot;

„Hebt gij veel verkeer met de Wanjoro?quot;

„Ja. De Wanjoro komen naar Kwa Telessa en brengen ons kruit en munitie daarheen. Wij brengen er vee en koren heen en krijgen daarvoor kruit in de plaats.quot;

„Is Kwa Telessa een groote plaats?quot;

„Kwa Telessa is eene groote stad, en daar wordt men op de hoogte gesteld van alle landen in het Westen.quot;

„Kunt ge mij gidsen naar Kwa Telessa geven?quot;

„Zeker, ik ben uw vriend, en gij kunt hier bevelen. Wanneer gij wegwijzers naar Kwa Telessa hebben wilt, zal ik ze u geven.quot;

„Hoeveel dagen hebben we noodig van hier naar Kwa Telessa?quot;

„Wij slapen den eersten dag te Kwa Tindi, den tweeden te Kwa Tunga en komen den derden dag te Kwa Telessa.quot;

„Wat voor lieden wonen in deze landen?quot;

„Ginds wonen de Walukuma.quot;

ocr page 151

VERZET DER SOMALIS.

„Zijt gij bevriend met hen, of leeft ge met hen in oorlog?quot;

„De Walukuma zijn onze vrienden. Dicht bij hen wonen echter de Walundu. Dat zijn zeer slechte lieden, en met hen zijn we in oorlog.quot;

„Wanneer ik dus naar Telessa marscheer en van daar naar TJnjoro, dan behoef ik Usoga en Uganda niet aan te doen.quot;

„Neen, deze landen blijven aan de linkerhand liggen, en gij komt regelrecht te Unjoro.quot;

„Bezorg mij dan gidsen naar Kwa Telessa. Morgen zal ik hier blijven en overmorgen wil ik van hier naar Unjoro marscheeren. Wanneer ik terugkom, zal ik uwen Mangati ook klop geven, hoor.quot;

Den volgenden dag werden de onderhandelingen voortgezet, waarvan de uitkomst was, dat ik drie gidsen Gosia, Amoquaja en Waschitoba voor Kwa Telessa aannam.

De 3e Februari is voor mij een der onverkwikkelijkste dagen der gansche expeditie geweest. Wel had ik het genoegen, mijnheer v. Tiedemann nu volkomen hersteld te zien, maar op dezen dag had er een voorval plaats, dat al mijne andere plannen omver dreigde te stooten en mij met schrik deed ontwaren, dat ik van mijne eigen expeditie niet zoo onvoorwaardelijk zeker was, als ik tot nu toe vermoed had.

Des morgens reeds kwam Ali Somal met Hussein, om bij mij aan te dringen, dat ik toch dien tocht naar het Westen niet zou ondernemen.

„Algemeen is men van meening,quot; zeiden beiden, „dat u daarbij te veel waagt; gij zijt voor geenerlei gevaar bevreesd, maar ge zult ons aller ondergang bewerken.quot;

„Wacht hier toch,quot; voegde Ali Somal er bij, „totdat mijnheer Jackson en zijne drie gezellen terugkomen. Dan kunt gij gemeenschappelijk overleggen, en ik weet, dat het mijnheer Jackson zeer aangenaam zal zijn, met u te zamen een plan ten uitvoer te leggen.quot;

„Maar mijnheer Jackson heeft hier reeds over de vier maanden vertoefd, en gij hebt mij gisteren verteld, dat zoodra hij van het Noorden weder terugkomt, hij naar de kust terug zou gaan.

117

ocr page 152

ONDERHOUD MET AL! EN HUSSEIN.

Hoe kan-je nu zeggen, dat het hem aangenaam zal zijn, met mij een gemeenschappelijk plan ten uitvoer te leggen?quot;

„Mijnheer Jackson zou zelf veel te- graag naar Uganda gegaan zijn, maar om de onzekerheid der toestanden aldaar zag hij er tegen op. Als hij ziet, dat u vast besloten is om voort te gaan, dan zal hij zich waarschijnlijk bij u aansluiten.quot;

„Nu, dan is het toch nog beter, dat ik vooruitga en toekijk of

de wegen veilig zijn. Ik schrijf dan aan mijnheer Jackson en zal mij er in verheugen, wanneer hij mij volgt.quot;

„Ik kan dat niet bepalen,quot; zei Ali Somal, „maar ik zou zoo gaarne het leven mijner broeders, de Somalis, redden, die allen zeggen dat u te veel waagt, en die liever hier zouden willen wachten, dan nu reeds met u meegaan.quot;

„Is dit waar?quot; vroeg ik aan Hussein?

„Ja, heer. Ik ga gaarne met u mede, om met u te sterven.

] 18

ocr page 153

ONDERHOUD MET DE SOMALIS.

maar de anderen zagen liever dat ge hier quot;wachttet. Zij hebben er genoeg van om eiken dag oorlog te voeren.quot;

„Nu, ga dan en zeg aan uwe lieden, dat ik uwe woorden gehoord heb. Ik heb steeds gemeend, dat ik soldaten en mannen bij mij had, maar ik zie nu, dat dit niet het geval schijnt te zijn. Zeg aan de Somalis, dat ik ieder hunner, die liever hier bij de Engelschen wil blijven, daartoe verlof geef, en hem ook niets van het loon denk te korten, dat hij tot heden verdiend heeft. Maar voeg er ook bij, dat mij uit de beslissing, welke sommigen nemen zullen, blijken zal, of wij Duitschers ons in de Somalis vergist hebben of niet. En vraag hun, wat ik later in Aden omtrent uwe broeders melden zal.quot;

„Zeer goed, heer.quot;

Hussein ging en keerde na een uur terug met het antwoord, dat de Somalis meenden te mogen aannemen, daar ik hun gevraagd had of zij wilden blijven, dat ik hen verder niet noodig had. Nu, dan verzochten zij toestemming om hier gezamenlijk te mogen blijven.

„Hussein, wil jij ook hier blijven?quot;

„Neen, heer, ik zou gaarne met u medegaan, maar ik zou wenschen, dat ook al de andere Somalis meegingen.quot;

„Nu, roep dan uwe lieden om daarover met mij eens te praten.quot;

De Somalis verschenen daarop voor mijne tent en ik zei hun ongeveer het volgende:

„Gij weet, dat ik u te Aden heb laten aannemen, om een grooten Duitscher, die in het land der Turken heerscht, met mij op te zoeken. Wij zijn te zamen de Tana opgemarscheerd, waar de Engelsche expeditie terug moest keeren, en kwamen vroeger dan deze aan het Baringo-meer aan. Wij zijn het geweest, die de hoogmoedige Massais van Leikipia geslagen hebben, en elke stam, die ons in den weg stond, is door ons op den grond geworpen. Hebt gij ooit tijdens de expeditie beslissingen van mij vernomen, welke ten gevolge hadden, dat ons aller leven in de waagschaal werd gesteld? Heb ik u tot nu toe niet door alle moeilijkheden gelukkig heengebracht?quot;

„G-ij zegt de waarheid, heer.quot;

119

ocr page 154

ONDEEHOUD MET DE SOMALIS.

„Hebben wij niet altijd eten in overvloed gehad? Heb ik u niet door landen geleid, waar weg noch steg was. en ik slechts uit de boeken de richting kon bepalen?quot;

„Jawel, heer.quot;

„Gelooft gij niet, dat uw leven mij evenveel waard is als het

mijne, en dat ik evenzeer ten onder zal gaan, wanneer gij sterft?quot; „Gij waart overal de eerste, heer.quot;

„Nu, en gelooft gij dan, dat ik verlang, hier in dit helsche land van Afrika te sterven? Meent gij, dat ik nu in landen trekken zou, waar de dood ons stellig en zeker wacht, en dunkt u niet,

120

ocr page 155

DE SOMALIS VERKLAREN ZICH OVERTUIGD.

dat, wanneer ik niettegenstaande dit alles naar het Westen verder trek, ik inlichtingen bezit, die beter zijn dan alles wat gij daarover hoort. Ik heb de groote brieven gelezen, welke Ali Somal mij gegeven heeft, en ik weet even goed als deze, dat wij in de landen, waar wij nu binnen trekken, geen oorlog meer voeren kunnen. Maar weet gij niet, dat ik, wanneer ik het wil, ook vrede maken kan, zooals met de Gallas aan het Baringo-meer ? Nu, wat zegt gij daarop?quot;

Daarop antwoordde Musa Somal:

„Heer, toen Hussein heden morgen vroeg, of wij hier wilden blijven, of met u medegaan, toen hebben wij gemeend, dat wij u te veel waren en dat gij zonder de Somalis verder wildet gaan. Nu wij echter hooren, dat gij nog van uwe Somalis houdt en evenals vroeger vader en moeder voor hen wilt zijn, zoo kunnen wij u niet verlaten, maar willen wij met u gaan en met u sterven.quot;

„Wat spreekt gij van sterven ? Ik heb u toch daareven gezegd, dat ik hier niet verlang te sterven. Wij zijn allen in Gods hand. Wanneer Allah het wil, dan sterven wij, het zij hier, het zij ergens anders. Wanneer Allah het echter niet wil, dan zullen wij ook niet sterven, waar we ook heen gaan.quot;

Een goedkeurend gemompel volgde op dit betoog en ik ging voort;

„Zoo wil ik u dan ook mijne plannen mededeelen. Er is van hier een weg naar Emin Pacha, die Usoga en Uganda links laat liggen en onmiddellijk naar Unjoro leidt. Te ünjoro is een koning, Kaba Rega, die vroeger de vriend van Emin was, en met wien ik vriendschap hoop te sluiten. Gelukt mij dit, dan wil ik bij zeker oord, Mruli genaamd, over den Nijl trekken. Gelukt het niet, dan marscheeren wij aan de rechterzijde van den Nijl op Fauvera, een station van Emin. Wanneer wij flink doorzetten, kunnen wij in negen dagen aan den Nijl zijn, en van daar zal ons God verder helpen. En nu gaat, soldaten der Somalis, en overweegt de woorden, die gij vernomen hebt!quot;

Intusschen hadden de dragers de lucht gekregen van hetgeen onder de Somalis voorviel, en dadelijk kwamen ook deze bijeen

121

ocr page 156

HET KEISPLAN WOEDT DOORGEZET.

en zonden afgevaardigden naar de Somalis met de boodschap:

„Wanneer gij met Kupanda Scharo (Dr. Peters) niet verder wilt trekken, dan zullen wij ook niet gaan. Laat ons weten, wat gij besloten hebt.quot;

Daarop antwoordden de Somalis:

„Wij Somalis én de dragers zijn tweederlei. Wij volgen de bevelen van onzen bevelhebber en wanneer gij dit niet wilt, dan zullen wij u op zijn bevel bestrijden en een ieder, die wegloopt, neerschieten.quot;

Dit antwoord werd mij later door den oudste der dragers Musa uit Dar-es-Salaam, die de deputatie geleid had, bevestigd.

Het plan, dat ik den Somalis voorgelegd had, was het gevolg der verschillende inlichtingen, die ik te Kwa Sundu had kunnen verkrijgen en berustte op de herhaalde verzekering van Ali Somal, dat Emin Pacha alleen in zijne provincie achtergebleven was. In dit geval stond het als een paal boven water, dat wij alles zouden beproeven, om tot hem te geraken, en was ik vast besloten voor dit doel alles op het spel te zetten. Door een andere beslissing te nemen, zoude het mij toegeschenen hebben, alsof ik de opdracht aanvaard had, om het inwendige van den Vesuvius te onderzoeken, daartoe groote middelen bijeengebracht had, hiermee tot aan den rand van den krater gekomen was en — dan weder omgekeerd en naar huis gedropen zoude zijn met het bericht: het gaat niet!

Volgens de berichten uit Uganda moest ik er van afzien, door dit land te trekken, omdat ik daardoor de risico op onnoodige wijze verdubbeld zou hebben. Gelukte het mij, levend door Uganda te komen, dan waren daardoor de gevaren van Unjoro nog geenszins verminderd.

Aan den anderen kant mocht ik echter hopen, ingeval ik het geluk had Emin Pacha te ontmoeten, alsdan met dezen gemeenschappelijk in overweging te nemen, wat misschien voor de christelijke partij in Uganda te doen was. Het was toch duidelijk, dat wij de Uganda-kwestie in de eerste plaats in overweging moesten nemen, omdat zij de mogelijkheid in zich bevatte, om op de snelste wijze munitie voor onze karavaan te verkrijgen.

122

ocr page 157

VERTKEK UIT KWA SUNDU.

Uit al deze overwegingen vloeide het plan tot mijn verderen tocht voort, dat ik reeds den volgenden morgen ten uitvoer besloot te leggen. Langer hier in Kawirondo te wachten, had geen doel voor ons. Daardoor werden de goederen der expeditie maar nutteloos verbruikt en verzwakte de geestkracht mijner manschappen.

Daar intusschen op de uitzichten van den tocht geenerlei berekeningen te maken waren, zoo besloten mijnheer v. Tiedemann en ik, onze brieven en berichten voor Europa ter verzending aan de kust in het Engelsche station achter te laten, een noodlottig besluit, dat het verlies van deze geheele verzending ten gevolge heeft gehad.

Het is mij met deze postverzending precies zoo gegaan als met alle brieven, die mij naar Zanzibar met de Engelsche mail gezonden waren — er is nooit iets van te recht gekomen. Daar het mij zeer wenschelijk toescheen, zoo het eenigszins mogelijk was, den rijken munitie-voorraad der Engelschen voor Emin Pacha te behouden, zoo liet ik voor Mr. Jackson een brief in zijn station achter, waarin ik hem van mijn tocht in de richting naar Uganda kennis gaf en hem eene vriendschappelijke samenwerking voorstelde. Ik bood mij aan, hem omtrent de eigenaardigheden van den weg voortdurend op de hoogte te houden en hoopte, dat hij dan besluiten zou, in het belang der beschaving en menschenliefde, mij met zijne expeditie in de aequatoriaal-provincie te volgen, om gemeenschappelijk met mij aan de ondersteuning van Emin Pacha te arbeiden.

Met zonsopgang den 4en Februari liet ik onder trommelslag uit het Engelsch station te Kwa Sundu uitrukken. Te voren had ik nog mijn best gedaan, om het den sultan en den zijnen duidelijk te maken, dat zij beter deden, tegenover ons het listige en mein-eedige van het zwarte ras, waarover door alle reizigers geklaagd wordt, niet in toepassing te brengen.

Toen ik wilde vertrekken, verklaarden mij op eenmaal de gidsen, dat zij geen lust hadden om vandaag mee te gaan. En toen ik nu bij hen aandrong, dat zij toch de op zich genomen verplichting jegens mij gestand zouden doen, werd ik weder door het koppige ë ë ë verblijd, dat ik reeds vroeger vermeld heb. Een paar goedgemikte vuistslagen in tegenwoordigheid van de geheele bevolking en

123

ocr page 158

OVER DE NSOIA.

de Engelsche manschappen gaven, na een kort onderhoud met de familie van den sultan, op zachte wijze aan, dat zulk eene houding tegenover ons niet te pas kwam. Maar éérst na de bedreiging, dat ze anders wel eens een kopje kleiner zouden kunnen worden, besloten zij, de taak, waarvoor ik hun reeds den vorigen dag het verschuldigde had uitbetaald, te vervullen.

Mijn humeur was dezen morgen ook daarom niet best, daar mij bericht was, dat een mijner Somalis, Ismail Ali genaamd, wegge-loopen was. Dit was alleen dan mogelijk, wanneer of de Engelsche bezetting öf de bevolking mee in 't spel was. Maar wij hadden wat beters te doen, dan hier verder te blijven om op een weglooper te jagen, en derhalve rukten wij tegen zes uur in noordwestelijke richting uit. Van zeven uur af trokken wij met tamelijke moeite de steenige rivier Nsoia over, die beneden Kwa Sundu in de Victoria Nyanza vloeit, nadat zij boven de Angata na Nyuki van haar water heeft ontlast.

Dank zij den roep, die van ons uitgegaan was, verdrongen zich de Wakawirondo met hunne kudden aan de rivier, om de weide-plekken aan den anderen oever op te zoeken, hetgeen zij tot he.den vol vrees voor de westelijke stammen vermeden hadden.

De stroom der Nsoia is hier tamelijk sterk, en het overzetten ging met groote bezwaren gepaard. Herhaaldelijk werden er dieren uit mijne kudde meegesleurd, die met moeite weder gegrepen moesten worden. Om negen uur was alles aan den rechteroever, en nu ging het voort naar het verre, onbekende westen.

Het landschap, waar we doorheen trokken, bood inderdaad een zeer onverkwikkelijken aanblik. Overal verwoeste aanplantingen, geheel of half verbrande dorpen. Hier waren de Mangati „bezig geweest,quot; en wanneer ik tot dezen morgen altijd boos op mij zeiven was geweest, dat ik me er toe had laten bewegen, aan den strijd tegen hen deel te nemen, zoo verheugde ik er mij nu toch over, dat deze roovers en bandieten eens een flink lesje gehad hadden.

Zoo ging het zes uren achtereen steeds over lang uitgestrekte heuvelvlakten heen. De bergen, die Kawirondo in het oosten en

124:

ocr page 159

IN HET LANDSCHAP KWA TINDI.

Samia in het noorden afsluiten, lagen voortdurend in zuid-westelijke richting voor ons.

Tegen drie uur des namiddags bereikten wij hunne noord-oostelijkste uitloopers, en hier betrok ik het leger aan den kleinen stroom Manieni, die naar het Victoria-meer vloeit, ongeveer drie mijlen westwaarts van Nsoia. Het landschap neemt hier plotseling weder een frisscher karakter aan. Wij kwamen weder in bewoonde streken en aan kralen, welke door korenvelden omringd waren.

Dat was het landschap Kwa Tindi, dat wil zeggen: het landschap van den Sultan Tindi, die over het westelijkste deel van Kawirondo regeert. Hier was nog nooit een blanke vóór ons geweest, maar de bevolking had van ons gehoord, en zoo verdrongen zich zoowel de ongekleede vrouwen en meisjes der Kawirondos als de tot den hals gekleede Massai-vrouwen rondom mijne expeditie, om brandhout en levensmiddelen van allerlei soort te koop aan te bieden. Ook de Sultan Tindi had ternauwernood onze aankomst vernomen, of hij zond mij uit zijne residentie, die ongeveer een uur westelijker lag, boden, die mij verwijtend vroegen:

„Waarom slaat ge uw leger zoo ver van mijne hoofdstad op? Waarom komt ge niet bij mij, die toch gaarne uw vriend zou willen zijn?quot;

Ik antwoordde den boden:

„Zegt aan uwen sultan, dat mijne lieden heden te vermoeid zijn, om nog tot Kwa Tindi te kunnen marscheeren. Overigens moge de sultan overtuigd zijn, dat ik met vriendschappelijke bedoelingen in zijn land gekomen ben. Ik wil er morgen doorheen trekken naar het westen toe. Vraagt uwen heer, of dit in vrede geschieden kan, of dat hij zich liever in den strijd met ons meet.quot;

„Tindi wenscht uwe vriendschap, maar wij haasten ons om hem uwe woorden over te brengen.quot; .

Anderhalf uur later, tegen den avond, kwamen zij terug:

„De Sultan laat u zeggen: Waarom spreekt de groote blanke, die de Massais, die onze vijanden zijn, en de Mangati, die onze dorpen plunderen, geslagen heeft, met mij over oorlog? Ik en mijn land behooren hem toe, en ik wensch slechts, dat hij morgen komt.

125

ocr page 160

ROOVERBENDEN TE ELGUMI.

om bij mijne residentie zijn leger op te slaan. Wij zullen hem alles geven wat hij wenscht en hem alle eer bewijzen, die hem toekomt.quot;

Ik antwoordde den boden:

„Zegt aan uwen Sultan, dat ik zijne woorden des vredes gehoord heb en ze aanneem. Morgen zal ik langs zijne residentie voorbijtrekken, daar ik verder op Unjoro ga, maar wanneer ik terugkom, dan zal ik mijn intrek bij hem nemen, en zullen we vriendschapsgeschenken met elkaar wisselen.quot;

Op den avond van dezen dag zoude ik nog gelegenheid hebben, mij van de ongeregelde toestanden dezer streek met eigen oog te overtuigen. Ik had mij juist te bed gelegd, toen op eenmaal aan de kraal, tien minuten oostwaarts van ons leger, waarlangs we des namiddags voorbij getrokken waren, een helsch leven ontstond: horengetoeter, fluiten, schreeuwen, wild gehuil vermengden zich tot een chaos van tonen. Van tijd tot tijd was er een oogenblik rust, maar dan verhief zich het gejoel weer met hernieuwde kracht. Ik riep mijn post bij mij in de tent en vroeg wat er gaande was. Hij bracht mij de gidsen van Kawirondo en van deze vernam ik, dat rooverbenden uit Elgumi daar juist de kraal hadden aangevallen en nu was men daar handgemeen geworden.

„Zoo hebben de Massais uit Tindi verteld, zeiden zij, die daareven voorbijgekomen zijn, om de Wa-Elgumi te verjagen.quot;

Ik liet Hussein voor mij komen en dadelijk honderd patronen voor mijne manschappen uitdeelen. Het gevaar voor ons leger was nu dubbel zoo groot. Het was even goed mogelijk, dat de Wa-Kawirondo, indien zij geslagen werden, naar ons kamp vluchtten, en wij daardoor in den strijd gewikkeld werden, dan dat de Ka-Elgumi, wanneer dit niet mocht gebeuren, vol overmoed op hun mogelijke overwinning, zich eveneens op ons wierpen.

Zeer kenmerkend voor de onverschilligheid, waarmee wij destijds allen gewoon waren dergelijke mogelijke gebeurtenissen op te vatten, is zeer zeker, dat wij heel rustig in bed bleven liggen. Eerst toen het leven en kabaal ook aan de andere zijde van de kraal en wel in onze onmiddellijke nabijheid toenam, stond ik op, liet mijne

126

ocr page 161

TE KW A TINDI.

wapenen gereed maken, stak een pijp op en zette mij doodbedaard in een stoel voor mijne tent.

Ook mijnheer Tiedemann liet ik verzoeken, zich bij mij te voegen, en zoo hadden wij van 10—1 uur het eigenaardig schouwspel, een strijd tusschen inboorlingen in onmiddellijke nabijheid te kunnen bijwonen.

De maan straalde helder over het landschap in 't rond, de kik-vorschen kwaakten in het beekje achter ons, en alleen de mensch bewees al wederom dat hij naar Gods beeld geschapen was, door dezen stillen vrede der natuur door gillen en angstgeschreeuw zoodanig te verstoren, dat onze ooren er van tuitten.

Tegen 1 uur begonnen de Massais, die in de soldij van Tindi stonden, hunnerzijds den aanval, en van lieverlede verloor zich het slaggewoel in het Noorden, waar de inboorlingen eveneens wakker waren gebleven en zij de wijkende vijanden met geschreeuw en gekrijsch ontvingen.

Als een spook was al het kabaal en rumoer weder verdwenen, en spoedig lag de aarde in zoete rust en diepen vrede, zich badende in het maanlicht, weder aan onze voeten. Mijne manschappen hadden de heele zaak van zoo weinig beteekenis geacht, dat zij onder al dat krijgsgeschreeuw heel vreedzaam doorsnorkten.

Met het aanbreken van den dag liet ik den volgenden morgen de trompet blazen, ten teeken dat het kamp onmiddellijk opgebroken moest worden, en spoedig trokken we verder in noordwestelijke richting. Even over zessen gingen wij den Sio over, en tegen 7 uur bereikten wij Kwa Tindi.

Dit plaatsje is schilderachtig op eene hoogte tusschen basaltrotsen gelegen. Het is door een flinken rooden steenen muur en eene breede gracht omringd, de poorten zijn kloek en ferm gebouwd en door bruggen met de buitenwereld verbonden. Zoodra wij in de nabijheid van een of andere plaats kwamen, had de trommelslager bevel, steeds en zonder fout een roffel te slaan. Zoo trokken we ook langs Kwa Tindi voorbij. In ontzaglijk aantal stroomde de bevolking voor de poort, om ons aan te gluren, en ik meende ook in die hoop menschen, den sultan, vrij herkenbaar aan zijn

127

ocr page 162

TUSSCHEN FAKULU EN ESCHEKÜLU DOOE.

sieraden, en zijn gevolg te ontdekken. Intusschen hield ik mij met begroetingen niet op. Op korten afstand trok ik langs de stad voorbij, en spoedig lag alles gelijk eene Fata Morgana achter ons. Wij trokken nu twee stroomloopen over, zij-riviertjes van den Sio, waarvan er een Nogombe heette. Toen wij deze over waren, wendden zich onze gidsen plotseling van het noordwesten naar het westen, Toen ik hiertegen bedenking opperde, zeiden zij mij:

„In het noorden wonen de Walundu, met wie wij in oorlog zijn. Daar kunnen we niet heen. Maar vertrouw gerust op ons, wij zullen u op dezen weg morgen naar Kwa Telessa brengen.quot;

Toen vroeg ik hun;

„Welk land ligt dan ginds links voor ons?quot;

„Dat is het land Samia, en daarachter ligt Usoga. Daarheen zullen wij u niet brengen, maar naar Kwa Telessa, van waar ge naar Üngoro verder kunt gaan.quot;

„Hoe heeten de bergen daar links, waar Samia achter ligt?quot;

„Dat is de Fakulu.quot;

„En de bergen hier rechts van ons, die van Elgon naar hier uitloopen.quot;

„Dat is de Eschekulu.quot;

(Kulu = berg gelijk in Kiswahili: Kili = berg.)

Tusschen deze beide hoogten, die wij reeds van Kwa Sundu uit gezien hadden, en welke zich van daar uit als een verbroken randgebergte in het westen van Kawirondo voordeden, trokken wij nu door. Tusschen beide bevindt zich eene opening van 3—4 mijlen breed, die een hoogvlakte van ruim 200 meter vormen.

Als eerste blanke, die door deze opening heen gemarscheerd is en de vorming dezer bergen heeft nagegaan, heb ik de bergketen in het zuiden naar den landgenoot, dien we nu zochten, „Emin Pacha-gebergtequot; genoemd, terwijl ik de keten in het noorden naar diens vriend en lijdensgenoot „Junkerketenquot; gedoopt heb.

Beide hebben in hunne gedaante bijna niets met elkaar gemeen. De Emin Pacha-bergen strekken zich in west-oostelijke richting uit, keeren alleen hun smalleren kant naar Kawirondo toe en behooren geheel en al tot de vulkanische omlijsting van het Victoria-meer,

128

ocr page 163

TE KWA TUNGA.

terwijl de Junker-keten niets is als een zuid-westelijke uitlooper van den Elgon. Natuurlijk behooren zij beide tot het grootsche vulkanische stelsel, waaraan al de hoogvlakten, waar we overheen getrokken waren, hun ontstaan te danken hebben. Toen ik op den morgen van den 5en Februari my met deze aanteekeningen bezig hield, had ik de gewaarwording, dat wij inderdaad nu de streek binnentrokken, waarin deze beide mannen hun leven op het spel zetten.

Kawirondo lag nu achter ons, en het landschap nam van lieverlede een nieuw karakter aan. De palmboom vertoonde zich weder, en allengskens werd ook het karakter der bewoners geheel anders. Wij trokken over berg en dal en door beken en moerassen tot 2 uur des namiddags.

Toen bereikten wij het groote oord Kwa Tunga, eveneens met fiere muren en hoog gewelfde poorten omgeven, waarboven gevels en huisdaken uitstaken, die mij bijna aan Indië herinnerden.

„Habesch!quot; riepen mijne Somalis, toen zij dit oord in het gezicht kregen, en toen ik hun vraagde wat zij daarmee bedoelden, antwoordden zij mij;

„Volkomen als in Kwa Tunga zijn de dorpen in Abyssinië gebouwd.quot;

Kwa Tunga ligt vlak noordelijk van de Emin-Pacha-bergen en toont ongeveer het midden daarvan. Ik vestigde mijn leger aan de zuidelijke wallen van het vlek, tegenover de bergen, die ik dezen geheelen namiddag voor oogen had.

Onder aan den heuvel, waarop deze plaats en mijn leger zich bevonden, loopt een beekje. De lucht was helder en rein als op een Augustusdag in Duitschland. De betrekkingen met de bevolking waren van vriendschappelijken aard, en in opgewekte stemming brachten wij namiddag en avond door. Ofschoon er eten in overvloed voorhanden was, liep den volgenden morgen een mijner dragers met zijne vrouw weg. Uganda stond nog altijd als een dreigend spook voor mijne manschappen.

Op dezen dag ging het in west-noordwestelijke richting op Kwa Telessa verder. Steeds meer bebouwd, steeds vruchtbaarder deed

II. 9

129

ocr page 164

KWA TELESSA.

zich het landschap aan ons voor. Tegen groene hellingen volgde het eene dorp op het andere, en op die fluweelige landen weidden groote kudden van runderen en schapen. De vriendelijkheid dei-bevolking werd ons op allerlei wijze getoond. Onze gidsen hadden hun maar te zeggen, dat wij de lieden waren, die Massais en Mangati geslagen hadden, om stormachtige bij valsbetuigingen hunnerzijds uit te lokken. De wijze van begroeten in deze streek bestaat in het knippen met duim en wijsvinger, hetgeen, vooral in grootere groepen, bijzonder aardig en bevallig staat.

Wanneer we voorbij een kraal trokken, kwamen vrouwen en meisjes naar buiten, om ons water en dampende bataten te brengen. Eigenaardig is de wijze, waarop deze Walakuma hunne dorpen versterken. De leemen muur, die nog in Kwa Tunga thuis behoorde, verdwijnt nu, en in de plaats daarvan verrijzen machtige omheiningen van cactussen, die op eene hoogte van 8—12 meter het geheele oord omgeven, gewis een even smaakvolle als veilige afsluiting. Om een uur bereikten wij Kwa Telessa.

Kwa Telessa is met een dicht levend hek omheind en ligt zelf volkomen in een bananenbosch verborgen, waarin de hutten schilderachtig verstrooid zijn. Steeds hadden wij meer en meer de gewaarwording, dat we ons in Centraal-Afrika bevonden. Op Kwa Telessa waren voor de allereerste maal de beschrijvingen van toepassing, welke Emin Pacha en Schweinfarth van Centraal-Afrika geven. Daarbij vonden we ook hier op eenmaal de bekleedingsstof uit Uganda, namelijk de bruine schors van den wilden vijgenboom, waaruit een soort van stof gemaakt wordt. Ook de taal wordt anders. In de klanken, die wij te Kawirondo vernomen hadden, vermengden zich reeds de lagere tonen van Uganda.

Onder een grooten katoenboom binnen de omheining van het oord, sloegen wij onze tenten op, terwijl de manschappen in de naburige hutten onder het lommer der bananen een onderkomen vonden. Vriendelijk en voorkomend kwamen de inboorlingen ons te gemoet. Toen ik spoedig na mijne aankomst, in mijn stoel liggend, een beetje uitrustte, werd ik plotseling door gegiegel aan de achterdeur mijner tent gestoord. Ik draaide mij om en zag drie

130

ocr page 165

ONDERHOUD MET SULTAN TELESSA.

wezenlijk allerliefste jonge meisjes staan, die in roode stof gekleed en met kralen versierd waren, en die, zoodra ik mijn gelaat naar haar toe wendde, mij schelmachtig met het gewone knippen der vingers begroetten. De meisjes deden mij in hare wijze van doen bijna aan Europeesche jonge dames denken.

Eten was hier in overvloed voorhanden en spoedig kwam ook de Sultan Telessa uit een naburige plantage om mij te begroeten. Het was een oudachtig man met krachtige gelaatstrekken, die eene hooge mate van wilskracht te kennen gaven.

Telessa begaf zich met al zijn gevolg naar mijne tent, terwijl hij mij met oprechte verbazing, maar tevens met zekere weldoordachte terughoudendheid monsterde.

„Vrede zij met u,quot; zoo sprak ik hem aan. „Het verheugt mij, in het land van Telessa te zijn. Ik heb reeds van u in Kawirondo gehoord en ben naar hier getrokken, om u te leeren kennen en inlichtingen omtrent de landen in het Westen van u te ontvangen.quot;

„De Msunga (blanke) moge vragen wat hij verlangt te weten.quot;

„Ik wensch te weten, of gij tijdingen uit de landen van het Westen hebt. Kent gij Unjoro en zijn koning Kaba Rega.

„De Wanjoro ken ik, maar Kaba Rega ken ik niet.quot;

„Kent gij den grooten stroom in het Westen, den Nijl, dien de lieden hier Kyira noemen?quot;

„Ik ken den Kyira wel. De zonen uit mijn land gaan er menigmaal heen.quot;

„En hoeveel dagen is het van hier tot aan den Kyira?quot;

„Vijf dagen. In hoeveel dagen zijt gij van Kwa Sundu naar hier gekomen?quot;

„In drie dagen.quot;

„Dan hebt ge nog vijf dagen tot aan den Mjl.quot;

„En hoe ver is het tot aan de Wanjoro?quot;

„Bij de Wanjoro komt ge in vier dagen van hier uit.quot;

„Is u iets bekend van blanken, die te Unjoro wonen?quot;

„Jawel, daar is mij iets van bekend. Er wonen daar twee groote blanken, die vele soldaten en groote huizen bezitten. Een mijner manschappen is langen tijd in dienst dier blanken geweest.quot;

131

ocr page 166

VERDER ONDERHOUD MET DEN SULTAN.

„Zijn de soldaten dezer blanken Turken of wat voor lieden zijn het ?quot;

„Ik geloof dat het Turken zijn. Maar mijn man zal u dat alles beter kunnen vertellen.quot;

„Is deze man hier in Kwa Telessa te vinden?quot;

„Hij woont niet ver van hier.quot;

„Zend dan om hem en laat hem bij me komen, en deel hem mede, dat ik rijke geschenken voor hem heb. Van avond, wanneer de zon in het Westen zinkt, kom dan met hem terug, en dan zullen we verder over de zaak onderhandelen.quot;

Ik was besloten, den volgenden morgen te Kwa Telessa te blijven, om alles te vernemen, wat ik hier maar kon uitpluizen. Al was ik ook niet geneigd, om het spoor, dat zichtbaar scheen te worden, volle vertrouwen te schenken, zoo lag het toch voor de hand, dat ik nu, vóór ik verder ging, met de grootste omzichtigheid naar de verhoudingen alhier moest vernemen, om mijne colonne niet blindelings haar ondergang te gemoet te voeren.

Des avonds kwam Telessa terug, en wij wisselden al dadelii'k de gebruikelijke vriendschapsgeschenken met elkaar. Hij bracht vee, eieren en melk, honig en bananen, terwijl ik bonte stoffen, een weinig kruit en kralen aanbood.

„Wel, hebt ge den man meegebracht, die in dienst der blanken te Unjoro was?quot;

„Ik heb om hem gezonden, maar hij zal eerst morgen vroeg hier kunnen zijn.quot;

„Dus, dat blanken in Unjoro wonen, is u zeer goed bekend?quot;

„Ik weet het even stellig als het feit, dat wij hier te zamen zijn.quot;

„Weet ge dan ook de plaats, waar zij wonen?quot;

„Ja, die ken ik wel. Zij hebben een groot huis en vee], heel veel manschappen.quot;

„Dan zijt ge zeker ook wel bereid, een schrijven van mij aan deze blanken te doen bezorgen, wanneer ik uwe boden betaal en u zelf verder geschenken geef?quot;

„Dat wil ik heel gaarne doen, en ge kunt hier op 't antwoord wachten, om te zien of ik de waarheid zeg of lieg.quot;

132

ocr page 167

HET VEEZENDEN DER BRIEVEN NAAR UNJORO. 133

„En in hoeveel dagen denkt ge, dat de boden terug kunnen zijn?quot;

„In drie dagen kunnen zij van de blanken hier weer terug zijn.quot;

„Nu, dan zal ik u wat zeggen. Geef mij boden, die mijn schrijven vooraf herwaarts bezorgen, en geef mij gidsen, die mij denzelfden weg achterna brengen. Dan zullen de terugkeerende boden mij onderweg treffen, zoodat ik hun bericht aldaar in ontvang kan nemen. Wanneer de blanke zoo nabij is, dan zal ik spoedig bij u terug zijn, en dan zullen wij onderling verdere geschenken ruilen. Gij zult mijne vlag hebben en wij zullen voortdurende vriendschap sluiten.quot;

„Uwe vlag neem ik gaarne, want ik weet, dat gij de Massais verslagen hebt. Twee jaar geleden zijn de Massais tot hiertoe gekomen en hebben mij mijn vee geroofd.quot;

„Best, doe nu derhalve morgen wat ik u opgedragen heb.quot;

Een levendig knippen van al 't volk in 't rond bewees, met welk eene vreugde de uitkomst onzer beraadslaging onder de bevolking opgenomen werd.

Den volgenden morgen om zeven uur was er eene nieuwe groote volksvergadering. De geheimzinnige bediende der blanken van Unjoro was er nog altijd' niet, maar daarom had Telessa twee boden meegebracht, die, naar hij verzekerde, den weg goed kenden en ^mijne brieven zouden overbrengen. Ik stelde toen in die groote volksmenigte twee brieven op, die in den loop van den morgen nog verzonden werden. Wel kon het er niet bij mij in, om al hetgeen Telessa mij vertelde, op Emin Pacha toe te passen, maar er kon toch in elk geval eenig spoor in deze richting zichtbaar worden.

Toen Emin Pacha bericht ontvangen had van het naderen van Dr. Fischer, zoo vertelt hij zelf, schoof hij zijne troepen tot Mruli vooruit. Kon hij na den aftocht van Stanley nu niet berichten omtrent het naderen van Oost-Afrikaansche hulptroepen ontvangen hebben en kon hij niet door voorgeschoven stations in deze richting eene verbinding met hen bespoedigen ?

Zoo schreef ik dus, daar ik niet kon aannemen dat Emin Pacha

ocr page 168

angst der manschappen.

zelf zich hier in het Oosten zou bevinden, maar daar ik hoogstens Casati of Egyptische officieren hier vermoedde, in de Engelsche en Fransche taal den volgenden brief:

Kwa Telessa, 7 Februari 1890.

Aan dezen of genen heer of beambte van Zijne Excellentie Dr. Emin Pacha, die zich te Unjoro ophoudt.

Bij mijne aankomst op gisteren te Kwa Telessa, op weg naar Zilne Excellentie Dr. Emin Pacha, heb ik de tijding ontvangen, dat zich een Europeaan in oostelijk Unjoro bevindt. In dit geval zou ik mij voor een kort bericht zeer verplicht achten.

Ik zal dezen brief heden afzenden en hem morgen met mijne kleine expeditie op denzelfden weg volgen. Een antwoord zal mij op den weg vinden, welken deze brief gemaakt heeft.

Dit antwoord zal zeer verplichten Dr. Cakl Peters.

Nadat deze brief afgezonden was, gaf ik aan mijne gidsen uit Kwa Sundu hun afscheid, en stelde hun tevens berichten aan de heeren der Engelsche expeditie over de gebeurtenissen van onzen tocht en een schrijven voor de heeren Hansing amp; Co. te Zanzibar ter hand.

In den verderen loop van den dag werden mijne manschappen wederom door tijdingen omtrent oorlogsgevaren in het Westen verontrust. De Walundu zouden den doortocht naar het Noordwesten onmogelijk maken. Ik herkende mijne lieden wederom niet! Door den dwazen angst, die in de gelederen der Engelsche expeditie heerschte, waren zij letterlijk volkomen aangestoken. Het was alsof hun plotseling de blinddoek van de oogen gerukt was, en zij nu eerst inzagen, langs welken afgrond zij zich met mij waagden.

De arme drommels vergaten hierbij geheel, dat ook te voren

134

ocr page 169

VOORTZETTING VAN DEN TOCHT.

het pad niet altijd even veilig geweest was. Om nu verder weg-loopen en onderlinge bangmakerijen te voorkomen, liet ik hen 's avonds allen bijeenkomen, nam hun hunne geweren af en liet de verdachte stokebranden maar wederom aan den ketting leggen. Niettegenstaande deze voorzorg werd mij den volgenden morgen bericht, dat er wederom één hunner naar Kawirondo teruggeloo-pen was.

Den volgenden morgen had ik al dadelijk de gewone moeilijkheden met Telessa, die blijkbaar zijne belofte, om mij gidsen te leveren, niet ten uitvoer dacht te leggen, maar intusschen met de gebruikelijke beweeggronden spoedig tot het vervullen zijner verplichting gedwongen werd.

Wij zetten ons daarop naar het quot;Westen in beweging, ons richtende naar een heuvel, die zich vrij nauwkeurig onder 34 graden oosterlengte tot 1° noordelijk van het meer in noord-zuidelijke richting voor ons verhief. Ik beval den gidsen, dat zij ons aan den noordelijken hoek van deze heuvelenrij zouden brengen, maar zij verklaarden dat zulks niet ging, omdat ginds oorlog was. Wij zouden allen gedood worden, als we daarheen marscheerden.

Inderdaad hoorden we gedurende dezen marsch herhaaldeliik het lawaai en krijgsgeschreeuw van het kamp ten noorden van ons, en met het oog op den angstigen geest mijner manschappen, stemde ik er in toe, de heuvels voor ons iets beneden den noordelijken hoek te overschrijden. Deze heuvels, die het eigenlijke Usoga in het oosten begrenzen, heb ik „Wissmann-heuvelsquot; gedoopt. Wanneer men van het Oosten nadert, doen zij zich zeer steil voor, doch komt men er wat naderbij, dan bemerkt men al spoedig, dat zij heel gemakkelijk te beklimmen zijn. Eigenlijk gaat dit bijna onmerkbaar door bananenboschjes en andere aanplantingen.

De morgen was onpleizierig voor mij, daar mijne lieden herhaaldelijk bij mij aandrongen, dat ik toch te Kwa Telessa eerst de beantwoording zou afwachten der brieven, die ik gisteren aan Emin Pacha vooruit had gezonden, alvorens ik in het onzekere verder ging.

135

ocr page 170

ONTMOETING VAN DEN VREEMDELING.

Ik gaf hun toen zeer krachtig te kennen, dat zij zich met het leiden der expeditie niet te bemoeien hadden, en zoo trokken wij langs bevolkingen, die ons eveneens waarschuwden om toch niet verder te gaan, langs de Wissmann-heuvelen voorbij.

Toen wij omtrent tot aan hun voet genaderd waren, gaf mijnheer v. Tiedeman plotseling een signaal met de trompet om halt te houden. Ik was zeer nieuwsgierig naar de oorzaak daarvan, toen ik op eenmaal langs de colonne een prachtig gekleeden jongen man met een klein, maar eveneens deftig gevolg haastig op mij af zag komen. Dit jonge mensch was bekleed met een goudgestikten donkeren Arabischen kaftan en droeg een rooden tulband. Toen hij mij naderde, viel hij voor mij op den grond en kuste mijne voeten. Het was ons in 't geheel niet mogelijk om te weten te komen, wie hij was en wat hij wilde, maar hij stelde zich onmiddellijk aan het hoofd van mijne karavaan, haalde eene fluit te voorschijn en wees ons den weg, terwijl hij nu eens weemoedige dan weder korte zeldzame wijsjes op zijn instrument blies, welke zijn gevolg met een rhythmisch, eveneens eigenaardig gezang begeleidde.

Zoo ging het door een zeer woest terrein op kronkelende wegen in zuid-westelijke richting verder. Er lag iets geheimzinnigs in deze gansche gebeurtenis. De jonge vreemdeling scheen mij een prins uit het sprookje toe, die gekomen was om ons naar zijn kasteel te voeren, en de fantasie ontwaakte om achter het geheim van zijn optreden te komen. Nu begon plotseling een voorgevoel bij mij op te doemen, dat dit alles in een of ander verband met het doel mijner expeditie stond, en dat mij beslissende ophelderingen te wachten waren.

Toen wij den kam der Wissmannheuvels bereikt hadden, was, als in een sprookje, het karakter van het geheele landschap eensklaps veranderd. Uit de steppe, die ons drie uur lang omsloten had, betraden we op eenmaal vruchtbaar, goed bebouwd gebied. De weg leidde door bananen en altijd weer bananen, waarin wij heden ook voor de eerste maal den grijzen papegaai bespeurden. Mijne lieden deden zich te goed aan de rijke schatten, en als in het sprookje stond ook voor ons met too verslag alles ter beschikking.

136

ocr page 171

DE WAGANDA MARKO EN TALABANGA.

Uit de huizen stroomden de lieden om ons vette kwartels in mandjes of gemeste hoenderen of ook koren en vruchten aan te bieden. In ontzaglijke glazen werd schuimende bananenwijn geschonken, en overal vernamen wij vroolijk fluitspel of vurig getrommel. Voor mijn geheimzinnigen gids bogen allen even diep, en ik kon onmiddellijk bespeuren, dat hij hier in deze streken te bevelen had.

Aan den westelijken voet der Wissmannheuvels vestigde ik mijn leger en knapte mij wat op, waarbij mijn jonge onbekende vriend mij weder een fluitconcert gaf, toen op eenmaal twee geweerschoten uit het zuiden weerklonken, en twee nieuwe gestalten ten tooneele verschenen. Het waren de Waganda Marko en zijn metgezel Tala-banga, en nu zou plotseling de geheimzinnige sluier die onze verhouding zulk een bekoorlijk karakter schonk, opgelicht worden. Marko had een smal gezicht, dat er buitengewoon verstandig uitzag. Hij zoowel als zijn begeleider Talabanga waren Roomsch-katholieke christenen en spraken het Kiswahili.

Zij hadden ternauwernood voor mij en mijnheer v. Tidemann op den grond plaats genomen, toen ik hen naar hun naam en hun stand vroeg. Nadat ze mij daarop geantwoord hadden, vroeg ik:

„In welk land bevinden wij ons hier?quot;

„Wij zijn hier in het gebied van Muangas, van den Mfalme van Uganda, in Usoga. Die daar, (wijzende op den geheimzinnigen vriend van dezen morgen) is Mlamba, zoon van den Sultan Wachore, wiens land Akola noordelijk van ons ligt en in een dag te bereiken is.quot;

„Wat doet gij hier in Usoga?quot;

„Ons heeft Muanga, koning van Uganda, naar de Engelschen te Kwa Sundu in Kawirondo gezonden, om hun hulp voor de christenen te verzoeken. Maar de Engelschen zijn bang en hebben zich niet vertoond. Nu kregen wij bericht, dat er Badutschi in aantocht waren, die de Massais geslagen hebben en daarom hebben wij hier op u gewacht. De brieven, die gij gisteren uit Kwa Telessa gezonden hebt, kwamen van nacht hier aan. Ik heb ze doorgezonden naar Muanga.quot;

„Waar is Muanga nu?quot;

137

ocr page 172

VEEDEE ONDERHOUD MET DE WAGAKDA.

„Muanga is op Bulingogwe, een eiland van het Victoria-meer. Bij hem zijn vijf blanken. Schrijf hem, dat gij in Usoga, zijn land, aangekomen zijt, gelijk dit de gewoonte bij de Waganda is. Muanga zal blij zijn als ge bij hem komen wilt.quot;

„Gaarne wil ik naar Muanga gaan en gaarne wil ik hem en mijne christelijke broeders in Uganda helpen. Maar om dit te kunnen, moet ik vooreerst meer hulp om mij heen hebben, en daarom marscheer ik nu onmiddellijk naar Unjoro, naar het opperhoofd dei-Turken, die een Duitscher en broeder van mij is. Met hem wil ik over een en ander onderhandelen, en hij zal mij meer menschen geven, met welke ik dan de christenen te Uganda te hulp kan komen.quot;

„Wilt gij naar Unjoro? Maar weet gij dan niet, dat Kaba Eega de vijand der Europeanen is en dat hij oorlog met u beginnen zal?quot;

„Ja, maar met behulp van Emin Pacha zal ik toch wel in staat zijn, dit met Kaba Eega klaar te spelen.quot;

„Emin Pacha? Wie is Emin Pacha? Blanken zijn er te Unjoro niet meer, zij zijn gezamenlijk met Stanley afgetrokken.quot;

„Gij vergist u,quot; zeide ik, „niet alle blanken uit Unjoro zijn met Stanley heengegaan. De grootste van deze, Emin Pacha, is achter gebleven. Kent ge Emin Pacha niet?quot;

„Ik spreek de waarheid. Alle blanken zijn afgetrokken, en daar zijn er niet meer te Unjoro. (Wioto wamdoka na hapana wasungu katika Unjolo.) Stuur er brieven heen en vraag het aan de blanken bij Muanga. Als ik onwaarheid spreek, beneem me dan 't leven.quot;

„Maar hoe weet ge dat alles?quot;

„Hoe zou ik het niet weten? Ben ik niet zelf bij Stanley in Bufagalla (Ankoro) geweest, om hem te verzoeken, den christenen van Uganda te hulp te komen. In zijn leger heb ik niet alleen zijne officieren gezien, maar ook Amdallah, diens dochter, zijne blanken en bovendien veel, veel Turken. Amdallah zond eenigen tijd geleden naar Uganda, om stoffen van ons te koopen, maar de lieden werden door de Wanjoro aangevallen en uitgeplunderd, en hij heeft het goed niet gekregen. Daarom waren hij en al zijne manschappen die ik bij Stanley gezien heb, in dieren vellen gekleed.

188

ocr page 173

OPMERKINGEN OMTRENT STANLEY'S HOUDING. 139

Ik heb ze allen gezien, daar is geen enkele blanke meer te ünjoro.quot;

„Gij hebt Stanley verzocht, Muanga hulp te brengen ? Heeft Stanley dit dan niet willen doen?quot;

„Neen, hij zeide, dat hij naar de kust moest gaan. De Engelschen zijn bevreesd, en daarom komen zij niet naar Uganda. Maar gij, schrijf gij aan Muanga, alvorens gij naar Unjoro verder trekt. Schrijf aan uwe blanke broeders bij den koning, dan zullen zij u bevestigen wat ik verteld heb. Wij zullen gezamenlijk naar Wachores residentie marscheeren, en ge kunt daar het antwoord afwachten. Wanneer er nog éen blanke te Unjoro is, kunt ge er heen gaan. Wanneer echter alle blanken uit Unjoro vertrokken zijn, snel dan de christenen te Uganda ter hulp, en als ge daarna wilt, zullen we later allen gemeenschappelijk tegen de Wanjoro optrekken.quot;

„Wanneer kan ik antwoord van Muanga hebben?quot;

„Binnen zes of zeven dagen.quot;

„Best, dan zal ik brieven naar Bulingogwe zenden. Ga nu. Uwe overige woorden zal ik in overweging nemen en u het antwoord van middag geven.quot;

Bij deze mededeelingen van Marko moet ik nog doen opmerken, dat Stanley's voorstelling betreffende het verzoek der Waganda om hen ter hulp te komen, blijkbaar het geheele voorval tracht te verzwakken. In elk geval stemt datgene, hetwelk hij in zijn tweede deel (blz. 834—337) daarover meedeelt, niet overeen met datgene, hetwelk mij later ook te Uganda van andere zijde bevestigd werd. Stanley rept er met geen woord van, dat Koning Muanga zich met hem in aanraking had gesteld, en toch schreef mij reeds pater Denoit den 13en Februari uit Bulingogwe:

„Wat Emin Pacha aangaat, deze moet nu te Zanzibar of zelfs in Europa aangekomen zijn. Hij was op het einde van Augustus in het zuiden van den Nyanza. Daar was hij aangekomen in gezelschap van Stanley, langs den weg van Onnyoro, Ousagara, Ouca-ragwe enz. zonder zich naar Uganda te begeven, ofschoon de christenen van dat land hem om hulp gesmeekt hadden.quot;

Pater Denoit zegt hier dus duideliik, dat de christenen van Uganda Stanley om hulp hadden gevraagd, terwijl Stanley de zaak

ocr page 174

ZWAKHEDEN IN STANLEY'S GEDRAG.

zoo voorstelt, alsof slechts de christenen van Ankore hij hem geweest waren. Gelijk mij Muanga zelf later vertelde, had hij Marko, precies als later naar de Engelschen te Kawirondo, eerst naar Stanley gezonden, met het formeele verzoek om steun. Betreffende de geschiedenis van het afwijzen van dit verzoek door Stanley heeft mij Emin Pacha later te Mpuapua eenige uiterst belangwekkende meedeelingen gedaan.

Emin Pacha drong er bij Stanley op aan, dat hij. het verzoek der Waganda toch zou inwilligen, maar Stanley was daarover in toorn ontstoken. „Daarvoor zijn we veel te zwak,quot; had hij herhaaldelijk verklaard. „Gij kent Uganda niet, wanneer ge meent, dat wij met onze macht (ongeveer 1000 man) naar Uganda zouden kunnen trekken.quot; Daarop bood Emin Pacha aan, met zijne eigen manschappen alleen aan het verzoek der Waganda-christenen te voldoen. Toen was Stanley echter uitgevaren. Tot zulk eigenmachtig handelen had de Pacha geen recht meer, en Stanley zou hem onder bewaking laten stellen, indien hij beproeven mocht, een dergelijk plan ten uitvoer te brengen. Hij, Stanley, was verantwoordelijk voor den veiligen terugkeer van den Pacha en van zijne manschappen naar de kust, en zonder bevel der koningin van Engeland was hij niet genegen, zich in de zaken van Uganda te mengen.

Deze meedeelingen, welke Stanley in zijne voorstelling laat rusten, werpen op de gebeurtenis een nieuw licht. Zij bewijzen in elk geval, dat Stanley zich niet sterk genoeg voelde, naar Uganda te trekken, en derhalve deze uitgezochte gelegenheid om het land voor de belangen zijner natie te winnen, liet voorbijgaan. De zelfde fout die Stanley, naar mijne meening, op deze expeditie herhaaldelijk begaan heeft, waardoor de geheele onderneming zulk een zonderling en, voor hen die er buiten stonden, bijna onverklaarbaar karakter verkrijg, waarop ik later nog wel eens terug zal komen.

Intusschen schreef ik brieven aan koning Muanga in Kiswahili, aan Monseigneur Léon Livinhac in het Fransch en aan de heeren Gordon en Walker in het Engelsch. Daar de inhoud dezer drie

140

ocr page 175

BRIEF AAK MONSEIGNEUR LIVINHAC.

brieven de zelfde was, zoo deel ik uit den brief aan Livinhac het volgende mee:

Monseigneur!

Ik heb de eer u mee te deelen, dat ik met eene kleine expeditie in het land van den sultan Wachore aangekomen ben. Toen ik de grenzen van dit land overschreed, is uw dienaar Marko gekomen en heeft mij gezegd, dat de Europeanen, die ik te Unjoro vermoedde, zich te Uganda bevinden, en dat hij mijne brieven voor hem aan u gezonden heeft. Buitendien heeft hij mij gewichtig nieuws omtrent den aftocht van Emin Pacha met Stanley naar Europa gegeven. Wanneer dit bericht waar is, zoude mijne expeditie voor Emin Pacha natuurlijkerwijze afgesloten zijn.

Marko heeft mij gezegd, dat koning Muanga zich zeer verheugen zou, wanneer wij in zijn land kwamen. Monseigneur zoude mij zeer verplichten door een korte meedeeling omtrent de gebeurtenissen in de equatoriaal-provincie en den mogelijken aftocht van Emin Pacha. Wanneer dit bericht zich bevestigen mocht, en koning Muanga mij uitnoodigt, ben ik bereid, naar Uganda te marscheeren.

In geval, dat het bericht van Emin Pacha's aftocht zich niet mocht bevestigen, doch zoo gij mij intusschen schrijft, dat de weg door Unjoro niet doenlijk is, zoude ik eveneens bereid zijn, mijn weg door Uganda te nemen.quot;

In den brief aan Muanga en de Engelschen voegde ik er bij, dat ik bereid was, mij met mijne kleine macht in dienst der beschaving en van het Christendom te stellen, voor het geval dat de koning mij daarom verzocht.

Des namiddags liet ik Marko op nieuw komen, gaf hem de brieven over, die den volgenden dag naar Uganda gingen, en deelde hem mijn besluit op do volgende wijze mede:

„Ik heb u de brieven gegeven, welke gij naar Uganda zenden zult. Ik zal intusschen mijn marsch naar Unjoro tot aan de noord-

141

ocr page 176

IN NOORDELIJKE RICHTING VERDER.

westelijke grens van Wachores land voortzetten, om, voor het geval dat ik op mijne aanvraag in Uganda geen bevredigend antwoord krijg, mijn tocht hetzij aan dezen kant van den Nijl of wel door Unjoro onmiddellijk weder te kunnen opnemen. Ingeval gij de waarheid gezegd hebt en Emin Pacha, wat ik nog niet geloof, uit het land der Turken heengegaan is, dan ben ik bereid, naar Uganda te trekken, oorlog tegen Karema en de Arabieren te voeren en de christenen, mijne broeders, naar Uganda terug te brengen. Zend derhalve nu boden aan Wachore en deel hem mede, dat ik morgen in zijn land en den volgenden dag naar zijne residentie komen zal en dat ik bereids met Muanga vriendschappelijke betrekkingen heb aangeknoopt.quot;

Luid vreugdegejuich was het antwoord op deze mijne mede-deeling, en mijne bevelen werden ook dadelijk ten uitvoer gebracht. Hoe meer ik over Marko's opgaven nadacht, des te minder was ik geneigd, ze voor aannemelijk te houden. Ik vermoedde veeleer, dat Amdallah een van de Egyptische officieren van Emin Pacha was, die misschien een troep Egyptische soldaten onder Stanley te kom-mandeeren had. Ik geloofde dit des te eerder, toen mij Marko op mijne vraag; „Wie is de chef der geheele expeditie: Stamuley of Amdullah?quot; geantwoord had: „Stamuley.quot; Dit scheen toch met de stelling van Emin, gelijk mij die voor den geest stond, in het geheel niet overeen te brengen.

In mijn leger heerschte nu eene opgeruimde stemming. Eten en drinken was er in overvloed, en den geheelen avond renden de Wasoga met groote fakkels door het kamp, om bij het drinken, dansen en spelen het noodige licht te verschaffen.

Den volgenden morgen ging het in noordelijke richting, de Wismann-heu velen steeds aan de rechterzij houdende, verder. Wij ontmoetten groote troepen fantastisch gekleede Wasoga-krijgers met smaakvolle uit hout gevlochten schilden, aan de kanten behangen met apen- en andere vellen. Zij trokken oostwaarts ten oorlog tegen de Walundu.

Opnieuw was dezen dag een drager weggeloopen, dien ik niet verder liet vervolgen, daar het lot der expeditie nu op geheel

142

ocr page 177

DE RESIDENTIE WACHOEES.

andere veronderstellingen berustte. Door bananenvelden en rijk bebouwd land ging het voorwaarts, totdat wij om elf uur weder in een heerlijk bananenbosch ons leger opsloegen.

Het leven in Usoga was bijzonder aangenaam. Yoor den tocht waren er gidsen, zoodat ik zelf, kalm waarnemende en opmerkende, verder trekken kon. Waren wij ergens aangeland, dan waren de inboorlingen dadelijk bereid hunne huizen voor mijne manschappen in te ruimen, en dan werd dadelijk volop eten van alle kanten aangebracht, zonder dat iemand er aan dacht, betaling. van ons te verlangen.

Een verdere marsch bracht ons zuidwaarts tot aan de residentie Wachores en nu hadden wij, volgens zeggen der inboorlingen, nog slechts drie marschen of ongeveer zes expeditie-marschen tot aan het Mjlmeer Kioga. Van daar uit had ik eene vluchtige verbinding met Emin Pacha kunnen aanknoopen in geval deze zich nog in zijne oude stations bevond. Met zijne stations Kodji en Famera had ik onmiddellijke verbinding te water.

Onder buitengewone moeilijkheden en gevaren waren wij tot aan de grenzen der aequatoriaal provincie van het oosten uit genaderd. Het kwam er nu nog slechts op aan, of het noodlot zijnerzijds ons het loon voor zooveel strijden en inspanning zou toekennen ja of neen.

Ik had Marko nog herhaaldelijk uitgevraagd. Zijne mededeelingen weerspraken elkaar intusschen telkens, en zoo gaf ik mij dus opnieuw aan de hoop over, dat Emin misschien toch nog te Wadelai zou wezen, en dat het mij ten slotte toch nog vergund zoude zijn, het doel der Duitsche Emin Pacha-expeditie te bereiken.

Vond ik Emin te Wadelai, dan wilde ik het van daar ook beproeven, mij met Muanga in verbinding te stellen, door gemeenschappelijk optreden TJnjoro te onderwerpen en aldaar onzen landgenoot vrije overtocht over het Victoria-meer tot aan de Duitsch-Oostafrikaansche kust te verschaffen, van waar snel en gemakkelijk genoeg ondersteuning voor hem te verkrijgen was.

Was dit gelukt, dan konden wij ons later, wanneer ik de omstandigheden op de plaats zelve had leeren kennen, het Mahdi-

143

ocr page 178

IN USOGA.

vraagstuk wat nauwkeuriger bezien, om vast te stellen, of althans niet beproefd kon worden, om datgene ten uitvoer te brengen, wat de fantasie van Europa in den zomer van 1888 over de bewegingen van den blanken pacha verspreid had.

Intusschen bekeek ik land en menschen te Usoga met zekere verhoogde belangstelling. Dit land vormde tot nu toe op de landkaarten eigenlijk nog eene witte vlek. Voor ons was door blanken nog geenerlei bericht over dit land naar Europa gezonden, en toch is het wezenlijk de moeite waard, Usoga ter kennis van de beschaafde wereld te brengen. Want de plantengroei is er zoo weelderig en het bezit eenen graad van beschaving, die weldadig verrast, wanneer men van het Oosten deze streek binnentrekt, en die het land ongetwijfeld eene groote beteekenis voor de toekomstige ontwikkeling van het donkere werelddeel verzekert.

Akolo is een deel van het gezamenlijke Usoga, waarin het dooide macht en het verstand van zijnen Sultan Wachore de voornaamste plaats inneemt. Usoga schijnt zich van het meer tot 1 7ï0 noorderbreedte uit te strekken. Zijne westelijke grens vormt de Nijl, die hier Kyira of ook Nyiro genoemd wordt. In het oosten scheiden de Wissmann-heuvels het land van de Walukuma, en in het noordwesten van de Walundu af.

Dit gansche landje gelijkt, van een bergtop af bezien, een golvend meer, welks golven in den wind verstrooid zijn. De heuvelkammen zijn meestal met rotsen of steenen bekroond. De overgang over de verhoogingen gaat zonder moeilijkheden gepaard, gemeenlijk door banaanboschjes. Het gansche heuvelenland wordt in Usoga Namakoko wa Wachore genoemd. Het onderscheid in hoogte tus-schen berg en dal, die lang uitgestrekt en in onregelmatige richting zijn, zal ruim 50 tot 100 meter bedragen. Eerst wanneer men het westen van Usoga nadert, dagen ontzaglijke bergketenen, die van het Zuid-zuidoosten naar het Noord-noordoosten loopen, op. Zij scheiden het Nijldal tegen het oosten af, hebben eene breedte van ongeveer drie mijlen en kunnen op hoogten tot 1800 meter wijzen. Naar het noorden heen verloren zij zich in een onafzienbaar verschiet. De zuidelijkste en, naar mij toescheen, ook belangrijkste

144

ocr page 179

HET BANANENLAND USOGA.

berg in deze keten, welke zich reeds boven den Nijl verheft, heet Ndira Wera. (Wera beteekent wit. Of Ndira wederom met Kyira of Nyiro samenhangt, of dat het slechts eenvoudig „wegquot; beteekent, durf ik niet zeggen.) Ik heb deze randketen „Reichard-ketenquot; gedoopt.

Onder den Ndira Wera legerde ik den 17fin Februari, precies op de plek, waar bisschop Hannington, S'/o jaar geleden, met zijne colonne vermoord was geworden. De legerplaats bevindt zich eene mijl noordoostwaarts van Ukassa, en wij vonden nog een aantal schedels en beenderen. Hier bezocht ik des namiddags voor de eerste maal den Nyanza-stroom, waarvan we den dag te voren reeds een ver insnijdenden inham gezien hadden.

Ongeveer een half uur van deze legerplaats bevond zich een geheel afgesloten, ongeveer een halve vierkante mijl groote bocht, waaruit drie smalle, lange kreeken in 't land spoelen. Deze bocht staat door een kanaal met de Nyanza, en wel aan de buitenzijde van de Napoleonsgolf, in verbinding. Visschershutten, schilderachtig in bananenvelden verstrooid, omlijsten het strand. Een lange bergrug, zeer ver naar beide zijden dagen lang zichtbaar, scheidt deze bocht van de Napoleonsgolf naar het Westen af en schenkt haar geheel het karakter van een groot landmeer. Ik weet niet of Stanley, op wiens legerplaatsen wij eenige malen sliepen, ze gezien heeft. Op de kaarten vind ik ze niet. Daar zij voor de kenschetsing van dit gedeelte van Usoga opmerkenswaardig is, heb ik haar een naam gegeven, en wel dien van Arendt-bocht, en den bergrug, dié haar naar het Westen afsluit, Schroedersberg. Den 18Gn Februari legerden wij eindelijk aan den Schroedersberg, en wel ongeveer 12 minuten van de Napoleonsgolf, die ik dezen dag voor het eerst te zien kreeg.

Dit zoo begrensde landje Usoga, dat men in zijne inwendige deelen met Thüringen zou kunnen vergelijken, houdt zich in de eerste plaats met het kweeken van bananen op groote schaal bezig. De banaan wordt gebraden, gebakken, gekookt, rauw gegeten en boven alles gedronken. En wel hebben de lieden verschillende

wijzen om hun drank te bereiden. Het limonade-achtige Muënge

II. 10

145

ocr page 180

EEN VEOOLIJK EAS.

wordt zonder gisting uit het uitgeperste sap der rijpe vrucht samengesteld. Daarbij is er een met Mtama doortrokken sterk bedwelmende drank, dien zij pombe .noemen, en voorts een tusschen-drank, Mrissa geheeten, waarin de Mtama-bijvoeging ontbreekt. De Wasoga drinken of zuigen dezen wijn of dit bier van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Reeds des middags waren mijne vrienden, de sultans, in den regel in een toestand van overspannen vroolijkheid.

Behalve deze bananengerechten worden er ook veel bataten gegeten en ook verschillende korensoorten en peulvruchten. Buitendien is het land rijk aan runderen, schapen, geiten en allerlei gevogelte. Behalve hoenderen eet men daar eene zeer lekkere soort van vette kwartels, die ons bijna dagelijks in kleine gevlochten mandjes gebracht werden.

Over het algemeen zijn de Wasoga een beminnelijk, levenslustig volkje, dat nooit een leeg bierglas voor zich heeft, en waar trommel en fluit dag en nacht in beweging is.

146

ocr page 181

ZEDEN EN GEWOONTEN DER WASOGA.

Volgens hun ras behooren zij geheel en al tot de Waganda. Maar hun gezicht is fijner gevormd, en zij behooren ontegenzeggelijk tot de knapste rassen van oostelijk Centraal-Afrika. Zij hebben in de uitdrukking hunner oogen, in de zachtheid hunner gelaatstrekken iets bepaald vrouwelijks, en daarom is ook vooral het vrouwelijk gedeelte der bevolking het schoonst.

Hunne kleeding bestaat voornamelijk, evenals bij de Waganda, uit een roodachtig weefsel van boomschors, dat om de leest met een gordel wordt dichtgesnoerd en het geheele lichaam bedekt. Daarnaast zijn echter ook al reeds vele katoenen stoffen ingedrongen, zoodat men er allerlei soort van kleederdrachten opmerkt. Als sieraad houden zij het meest van kralen en ringen, waarvan zij zeer smaakvolle voorwerpen in ijzer vervaardigen. Buitendien zijn zij zeer handig in het snijden van hout en het vlechten van matten. Kortom in al hun doen en laten is een opmerkelijke graad van behaagzucht en goeden smaak te bespeuren.

Ook in hunne bewapening is de overgang uit een zeer lagen trap van beschaving tot een hoogeren merkbaar. Speer en boog schijnen de oorspronkelijke volkswapening geweest te zijn, benevens het schild van gevlochten hout, dat fantastisch met vellen is versierd. In dezen tegenwoordigen tijd echter tracht een ieder, die wat meer in de melk te brokken wil hebben, een buks te krijgen, en zelfs geldt bij de voornaamsten de oorspronkelijke voorlader in 't geheel niet meer voor iets bijzonders. In Usoga evenals in Uganda kan men bijna elke soort van het moderne geweermodel vertegenwoordigd vinden, tot zelfs het allernieuwste. Wel hapert het gewoonlijk aan patronen, evenals onlangs ook aan kruit en lood. Maar ik geloof ternauwernood, dat het mogelijk zijn zal, de behoefte aan deze artikelen hier weder uit te roeien. Evenmin als de Arabieren zullen deze stammen weder voor goed tot eene bewapening met pijl en boog terugkeeren.

De huizen zijn als groote bijenkorven, in den vorm van een halven kogel of ook met dak en eene soort van gevel voorzien. Van binnen is het huis met stroo of hooi belegd, en ziet er zindelijk en behagelijk uit. Naderden wij hier of daar, dan sprak het van

147

ocr page 182

HET WACHOEE-LAND.

zelf, dat de bewoners zonder plichtplegingen hunne behuizingen ruimden, om voor onze lieden plaats te maken.

Dit land nu is in eene' reeks kleine sultanaten gesplitst, waarvan Wachore in Akela het belangrijkste is. Wachore beteekent eigenlijk: de lieden van Akola of Achore, hetgeen hetzelfde is. Het schijnt, dat ieder Sultan van dit land den naam van Wachore draagt, hetgeen derhalve geen eigen naam, maar een titel zoude wezen. Al deze Sultans zijn weder afhankelijk van Mfalme, den koning van Uganda, dien zij jaarlijks eene vast bepaalde schatting aan ivoor, runderen, slaven en andere artikelen moeten voldoen.

Ik geloof, dat Wachore gaarne van de tegenwoordige onrust in Uganda gebruik zou hebben gemaakt, om aan deze verplichting te ontkomen, als hij maar kruit genoeg had gehad en zich op zijn eigen landslieden had kunnen verlaten. De Waganda in mijn leger vreesden in Wachoreland twee nachten lang een aanval, eene vrees, die overigens met hunne minachtende behandeling der Wasoga eenigszins in tegenspraak was. Intusschen was Wachore ook eenigs-zins huiverig voor moeilijkheden met ons, die vriendschap met hem gesloten hadden. Genoeg, de aanval bleef telkens achterwege, en vermoedelijk heeft Wachore het goede oogenblik voor altijd voorbij laten gaan.

Mijne verhouding tot Wachore was van den aanvang af steeds van zeer hartelijken aard. Ik kwam den 10en Februari in het zuiden zijner residentie aan, en er werd mij terstond eene bananen-beplanting van den Sultan als legerplaats voor mij en mijne manschappen aangewezen. De Sultan zond mij dadelijk twee mooie melkkoeien met hare kalveren als vorstelijk geschenk en stelde zijne velden en bananen voor het onderhoud mijner lieden ter beschikking.

Als tegengeschenk liet ik hem een Indische zijden shawl, een mooien tulband, een vaatje kruit, benevens een achterlader met 12 patronen aanbieden. Ik liet mijne beide bedienden zich in hunne prachtige roode met goud gestikte liverei kleeden en zond dit alles toen aan den Wachore. Deze had zich intusschen met de dames van zijn harem en groot gevolg in beweging gesteld, om

148

ocr page 183

WACHOEE.

ons een plechtig bezoek te brengen. Mijne boden kwamen hem onderweg tegen, en hij had zich reeds met den nieuwen tulband getooid, toen hij tegen drie uur des namiddags bij ons aankwam. Zijne Hoogheid had een weinig te diep in het glaasje gekeken. Vermoedelijk had hij zich moed willen verschaffen. Er waren namelijk de avontuurlijkste geruchten omtrent ons verspreid, die ons, zoo al niet tot menscheneters, dan toch tot iets stempelden, wat er al zeer nabij kwam. Dat de eigenlijke hoofdbezigheid der „Badutschiquot; het vermoorden van menschen was, scheen zelfs bij de verstandigste Wagonda vast te staan. Gelijk mij Marko vertelde, moeten Engelschen en Arabieren dergelijke meedeelingen aan de Victoria-Nyanza verspreid hebben. Wij in het bijzonder worden daarvoor gehouden na den Mangati-slag en ook om de ontzaglijke Massai-kudde, die wij meevoerden.

Wachore is een man van omstreeks -40 jaren, met uitnemend schrandere en aangename gelaatstrekken. Eene diepe sabelnerf in het gezicht bewijst, dat hij zich niet aan de gevaren van den oorlog onttrekt. Hij had ontzaglijke kruiken met verschillende soorten van wijn en bier meegebracht, en goed- of kwaadschiks moesten we hem menigvuldiger bescheid doen, dan ons wel lief was. Hij sprak en lachte onophoudelijk, en wij waren spoedig goede vrienden. Zijne dames, die lachend onder fantastische met apenvellen behangen schilden, die zij horizontaal boven het hoofd hielden, uitkeken, monsterden intusschen met oprechte verbazing de nooit geziene gasten, de tent en de onbewegelijk daarbij staande Somalis met hunne steeds schilderachtige dracht. Ik liet ieder van haar een spiegeltje aanbieden, waarvoor zij met een coket lachje bedankten en waarvan zij als echte Eva'sdochters het gebruik dadelijk begrepen.

Over zijne betrekkingen met den koning van Uganda gleed Wachore met zekere diplomatische gladheid heen. Hij beschouwde ons eenvoudig als vrienden van Muanga en beperkte zich tot de verklaring, dat hij vriend van een ieder was, dien Muanga als vriend erkende. Het ontging mij niet, dat Marko hem met zekere overdreven vriendelijkheid en hoffelijkheid, maar toch met zekere hoog-

149

ocr page 184

NIEUW BEZOEK.

hartigheid, al was dit ook onder beleefde vormen verborgen, behandelde.

„Mijn land is uw land,quot; zei Wachore. „Wanneer gij het een of ander mocht wenschen, zeg het mij dan ronduit, en gij zult het dadelijk hebben.quot;

Om halfvijf verwijderde hij zich eindelijk met zijn gevolg en dadelijk werden er nu groote manden vol hoenderen, eieren, kwartels, benevens schapen en geiten aangebracht, ten bewijze dat het den Sultan in ons kamp bijzonder goed bevallen was.

Nauwelijks waren de trommels en fluiten van Wachore in de richting van het noorden verstomd, toen op eenmaal uit het westen de muziek van eene reeks trommels en fluiten aankondigde, dat een nieuwe optocht mijn kamp naderde.

Ik vroeg Marko, wat dit was en hij antwoordde: „Dit is de groote der Waganda (mkubwa)! Wees niet vriendelijk tegen hem, hij is slecht en een leugenaar, en hij kent de woorden van Christus niet.quot;

Met wezenlijke verbazing zag ik toen een persoon aankomen, die, naar zijne kleedij te oordeelen, aan een oostersch hof scheen te behooren, maar dien ik alles behalve in Centraal-Afrika had denken te zien. Een donkere, met zilver gestikte kaftan viel over een hemelsblauwen, eveneens met zilver gestikten wijden broek naar beneden. Op het hoofd prijkte een diadeem, die kunstig uit aan elkaar geregen kralen van verschillende kleuren was samengesteld, en welk hoofdtooisel als een kroon op zijn hoofd stond.

De drager van dit sieraad was Kamanyiro Kaüta, de neef van den afgestorven Koning Mtesa, de oom van Muanga, tot wiens partij hij behoorde. Bij de nederlaag der christenen was hij dooide Arabieren over den Nijl gejaagd en hield zich nu in Usoga op, en beweerde, dat hij daar als buitengewoon gezant van Muanga de belangen van zijn land vertegenwoordigde. Onder dit voorwendsel had hij zich eene menigte goederen en zaken toegeëigend.

Luid schreeuwend kwam hij op mij af, om mij te begroeten, waarbij zijne kapel er terdege op los blies. Ik nam hem toen bij de hand en bracht hem langzaam voortstappende voor mijne tent, waar hij op een zelf door hem meegebrachten zetel plaats nam.

150

ocr page 185

KAMANYIEO.

terwijl ik mij tegenover hem op mijn eigen zetel neerzette. Mijnheer v. Tiedeman, die door al dat leven uit zijn tent gelokt werd, was niet weinig verrast, toen hij deze nieuwe processie bij mij vond.

Kamanyiro Kaütas' houding tegenover Marko scheen in den aanvang zeer gespannen te zijn. Zooals Marko mij later omstandig vertelde, had hij hem verwijtend gevraagd, waarom hij niet de groote Engelsche expeditie uit Kawirondo naar hier gebracht had. Kama-nyiro's glanstijd scheen in de dagen van Mtesas geweest te zijn en vooral in de maanden, toen Stanley te Uganda was. Dientengevolge had hij natuurlijk sympathie voor de Engelschen, welke hij in mijn bijzijn wel verhelen kon, maar inderdaad toch eigenlijk nooit prijs gaf.

Marko antwoordde hierop echter zeer leuk, dat daar de Engelschen niet wilden komen, hij ze toch onmogelijk had kunnen brengen. Daarop ging hij tot eene schildering van onzen tocht over, wees op de kudde, die wij den Massais afgenomen hadden, en deelde mede, dat wij het geweest waren, die de Mangati aan het noordwestelijk deel van het Victoria-meer geslagen hadden.

Luid schreeuwend sprong na dergelijke meedeelingen de oude heer altijd van zijn stoel op om mij in zijne armen te drukken, en dit telkens onder een schel getoeter der zeven muzikanten die zijne kapel uitmaakten.

Toen Marko geëindigd had, zei Kamanyiro tot mij: „Ik begroet u, Duitscher, als vriend van Muangas en als mijn vriend. Wij zijn allen volkomen hetzelfde, en wat wij bezitten, is het uwe, wat gij bezit, is het onze.quot;

Daarop maakte zich de optocht, die uit zeventig personen bestond, weder gereed om te vertrekken, en was spoedig onder tromgeroffel en schel fluitgeblaas als eene zonderlinge fata morgana verdwenen, en weldra zat ik in den liefelijken vrede van mijn bananenboscli, waarover de volle maan haar licht uitgoot, alleen.

Den volgenden morgen brachten wij den Sultan Wachore ons tegenbezoek. Voor dergelijke bezoeken hadden wij ons een uniform saamgesteld, dat mijnheer Von Tiedemann verzonnen had: witten broek met breede gouden streepen op zijde en hooge laarzen, witte

151

ocr page 186

BEZOEK AAN DEN SULTAN.

buizen met roode schouderlappen die met goud geborduurd waren en eveneens dergelijke opslagen aan de mouwen. De helm was insgelijks met gouden streepen versierd, en ik droeg buitendien nog een zwart-gouden sjerp. Even als in Europa en zelfs nóg meer, maken dergelijke uiterlijkheden in Centraal-Afrika heel wat vertoon, en het zou niet bijzonder handig geweest zijn, uit dit feit geen voordeel te trekken.

Wachore ontving ons in een kogelvormige, aan een kant open halle, op een indischen divan liggend, in een zwarten goud ge-borduurden kaftan gekleed. Hij rookte eene pijp en had zooals van zelf spreekt een groot glas met bananenwijn naast zich staan, waaruit hij door een rietje het bedwelmende nat inslorpte.

„Wij zijn gekomen, om u te begroeten,quot; zei ik, toen wij op onze meegebrachte zetels voor hem plaats genomen hadden, „om u te zeggen, dat wij uwe vrienden zijn en ook vrienden met u hopen te blijven.quot;

„Een ieder, die de vriend der Muanga's is, is ook mijn vriend. Ik houd van de blanken, en verheug mij er in het bijzonder over, met de Duitschers, die den oorlog kennen, vriendschap gesloten te hebben.quot;

„Hebt gij reeds blanken ontmoet?quot;

„Vroeger eens in Uganda.quot;

„Nu wij hier bij u geweest zijn, zullen er zekerlijk vele blanken in uw land komen.quot;

„Zij zullen mij allen welkom zijn, vooral de Duitschers,quot; antwoordde hij.

Zoo ging het gesprek langer dan een uur voort, waarbij voortdurend bananenwijn gedronken en de pijp opnieuw gevuld werd. Boven de sopha van Wachore hingen eenige geweren. Het waren achterladers van verschillende stelsels, vooral een Henry-Martini, dien Wachore er af liet nemen, om mij dien te toonen. Hij was geladen en gespannen, zoodat toen mijnheer Von Tiedemann het geweer in handen had, het plotseling afging. De kogel vloog door het hoofd van een man uit het gevolg van Wachore, zoodat diens oogappel voor ons neerviel en de man onmiddellijk dood was.

152

ocr page 187

EEN NOODLOTTIG VOORVAL.

raakte een tweede in de wangen, waardoor ook deze later aan de gevolgen gestorven is. Een oogenblik was alles stil, daarop verontschuldigde ik mijnheer Von Tiedemann bij Wachore:

„Mijn vriend is er zeer bedroefd over, dat het geweer afgegaan is.quot;

Plotseling barstte Wachore in een schaterlach uit:

„Het heeft niets te beteekenen, dat was maar een slaaf. Dat heeft ook uw vriend niet gedaan, maar het geweer; daar moet ge u volstrekt niet om bekommeren.quot;

Het geheele hof stemde met dit wel eenigszins gedwongen gelach in. Snel werd het lijk weggenomen, zand over de bloedvlak gestrooid, en dadelijk werd de bananenwijn opnieuw rondgereikt, precies als wanneer een tafelgast in Europa een kostbaar glas of bord breekt en de hoffelijke gastvrouw zich beijvert, om zoo spoedig mogelijk het pijnlijke voorval te doen vergeten. Dat is de waarde van men-schenlevens in Afrika.

Toen dit pijnlijke tooneel juist voorbij was, verscheen Kamanyiro Kaüta met zijn gevolg, en nu sprak ik met hen af, dat ik in langzame dagmarschen verder naar den Nijl trekken zou. Zoodra het antwoord uit Uganda aankwam, dat den aftocht van Emin Pacha bevestigde, zoude ik bereid zijn, met de naar Usoga gevluchte Waganda over den Nijl te trekken en eene poging te wagen om Muanga en de christelijke partij in het land terug te brengen.

Een dergelijk noodlottig ongeval als het daareven vermelde overkwam ook Du Chaillu, toen hij, jaren geleden, Afrika doorkruiste. Toen hij zich namelijk in het dwergenland bevond, ging het geweer van een zijner zeven metgezellen bij ongeluk af en doodde niet alleen een man, maar ook de zuster des konings. De inboorlingen beschouwden dit toen als een aanval en peperden dit den koenen reiziger en zijn gevolg zoodanig in, dat allen verplicht waren zoo snel mogelijk den aftocht te blazen.

In de Mei-aflevering van de Fortnightly Review van het afge-loopen jaar komt van dezen vermaarden reiziger eene schets voor betreffende het dwergenland, welke in de hoogste mate merkwaardig

153

ocr page 188

du chaillu.

is. Toen de onverschrokken Du Chaillu in 1872 in zijn werk The country of the Dwaefs zeer veel over het groote woud in Afrika meedeelde, hield iedereen dat voor sprookjes. Men beweerde, dat hij den lichtgeloovigen maar een en ander op den mouw wilde spelden. Nu echter Stanley's reis de merkwaardige mededeelingen van den koenen reiziger vóór hem in alle opzichten bevestigd heeft, nü eerst is Du Chaillu in zijne eer hersteld.

Hetgeen Du Chaillu omtrent dat groote woud in oostelijk Afrika vertelt, is zóo belangwekkend, dat hier uit zijn boeiende reisschets een en ander volgt.

Nadat het groote woud in Oost-Afrika, aldus vertelt Du Chaillu, wel een kwart eeuw lang aan de algemeene aandacht ontsnapt was, heeft het op eens wederom een ieders belangstelling getrokken door den heldhaftigen tocht van Stanley en zijne volgers.

Aangezocht om eenige mijner ervaringen mee te dealen van die merkwaardige streek, ten tijde dat ik als de eerste blanke, die ooit in die verborgenheden was doorgedrongen, ginds vertoefde, doe ik dit des te gereeder, daar mijne wijze van onderzoeken, door de noodzakelijkheid gedwongen, zoo geheel en al verschilde van die van Stanley en anderen, dat dientengevolge mijne ervaringen in sommige opzichten eene geheel andere beschouwing van het veelzijdig vraagstuk bevatten dan die, welke hij ons geeft.

Ik kan niet nalaten ter loops te wijzen op den bitteren storm van ongeloof en tegenstand, dien mijn verhaal destijds in sommige kringen verwekte. De menscheneters, de dwergen, de gorilla's, de bergen, het oneindige bosch — dit alles werd als sprookjes, of nog erger, als door mij verzonnen fabeltjes bespot. Ik voelde dit alles terdege in dien tijd, en zonder de standvastigheid en goedheid mijner talrijke vrienden, die mij steunden en aanmoedigden, zoude ik het niet doorstaan hebben. Ik troostte mij toen met de overtuiging, dat de waarheid op den langen duur toch moest zegevieren.

Mijne wijze van reizen en onderzoeken verschilde in menig opzicht van die van Stanley. Ik reisde geheel alleen, op mijn gemak en voor mijn eigen rekening, slechts begeleid door inlanders, die mijne benoodigdheden en verzamelingen droegen. Ik had dus

154

ocr page 189

HEX HEIZEN IN AFRIKA.

aan geen groot gezelschap den kost te geven en evenmin een ontzaglijken voorraad levensmiddelen te vervoeren en te beschermen. Ik leerde genoeg van de talen en de verschillende tongvallen dier streek, om met de inboorlingen, onder wie ik mij bevond, op vriendschappelijken voet te komen. Als een vriend ging ik van den eenen stam naar den anderen, leerde hunne gewoonten kennen en leefde gelijk zij, voor zoover dit althans een beschaafd mensch mogelijk was. Spoedig bespeurde ik, dat het een onbegonnen werk zoude zijn, te beproeven om een weg te banen door het ondoordringbare woud, en dat het, om verder te komen, noodig was de ingewikkelde en doolhofachtige inlandsche paden van dorp tot dorp te volgen, en alle hoop te laten varen van in een rechte lijn van de eene zijde naar de andere te komen.

Stanley daarentegen, die aan het hoofd van een klein leger stond, die daarbij gebonden was aan tijd, de verantwoordelijkheid droeg om zijn talrijk gevolg te voeden, zijne kostbare levensmiddelen te vervoeren en die bovendien in een beperkten tijd zijne hoogst belangrijke zending te volvoeren had — Stanley daarentegen was genoodzaakt, zijn weg, ondanks hindernissen, die een minder krachtig man in weinig tijds zouden hebben ter neer gedrukt, te forceeren.

Dit ontzaglijk verschil in omstandigheden moest noodzakelijk van invloed zijn op onze beschouwingen over die streek, maar juist daarom zal die vergelijking het feit nog des te treffender maken, dat Stanley, voor zoover de gebeurtenissen op onze tochten overeenstemden, mijn verhaal van vijf-en-twintig jaar geleden, in de hoofdtrekken heeft bevestigd.

Ondanks al de boeken, die groote natuuronderzoekers daarover geschreven hebben, schijnen weinig menschen eenig juist begrip van reizen in Afrika te hebben. Sommigen zijn van meening dat alles in wagens met ossen bespannen geschiedt — een vervoermiddel dat van de Kaap afkomstig is, maar niet uitvoerbaar zou zijn in Centraal-Afrika, waar een wiel een even groote zeldzaamheid als een ijsbeer is. Anderen daarentegen meenen, dat de onderzoekers alleen met het kompas werken, de kortste lijn voor hunne bestem-

155

ocr page 190

HET VOETPAD IN AFKIKA.

ming kiezen, en hun karavaan door de spoorlooze wildernis richten ala een schip op zee.

Nu zal het voor die slecht ingelichten een verrassing zijn te vernemen, dat vermoedelijk geen onderzoeker die zijn weg door Afrika nam, ooit langer dan een dag of wat een of ander betreden pad gemist heeft. Geen streek der beschaafde of onbeschaafde wereld is vermoedelijk beter van wegen voorzien dan dit onbekende vasteland. Elk dorp is met een ander dorp verbonden, elke stam met een naastbijgelegen stam, elke staat met zijn nabuur en zoo derhalve met alle overigen. De taak van den onderzoeker bestaat dus eenvoudig hierin, om uit dit net van wegen een keuze te doen en een algemeene richting te houden. Laat hem te Zanzibar beginnen, zijn voet op een Afrikaansch voetpad te zetten en zijn gelaat naar Tanganyika te richten, in acht maanden zal hij er zijn, indien hij slechts volharding toont. Van dorp tot dorp zal hij overgeleverd worden en natuurlijk hier en daar omwegen maken, om de onoverkomelijke hinderpalen der natuur of de zeldzame gevaren van vijandige stammen te vermijden, doch nooit zullen de sterren alleen hem tot gids strekken, nooit zal hem in werkelijkheid een betreden pad ontbreken, totdat honderden en honderden mijlen tusschen hem en de zee liggen, en zijn eindeloos voetpad besluit met een kano aan de oevers van de Tanganyika. Vaart hij het meer over en landt hij nabij een of ander dorp aan, dan neemt hij den draad weder op. Nu zwoegt hij weer verder voort, nu eens te voet, dan weder in een kano, doch steeds zijn verbindingslijn in het oog houdende, totdat hij op zekeren dag plotseling weer de zeelucht opsnuift en zijn trouwe gids hem aan de oevers van den Atlantischen oceaan voert.

De inlandsche paden, die ik daareven heb beschreven, hebben overal in Afrika hetzelfde karakter. Het zijn wezenlijke voetpaden, nooit meer dan een voet breed, zoo hard als diamant, en door een onafgebroken reeks inlandsche handelaars met sporen doorploegd. Als regel geldt, dat deze voetpaden wonderbaarlijk recht op hun doel afgaan. Gelijk de wegen der oude Romeinen, loopen ook deze regelrecht over alles heen, over bergruggen, door valleien, nooit

156

ocr page 191

HET VOETPAD IN AFRIKA.

voor eenig beletsel terugdeinzende, noch eenigszlns ter zijde wendende. Toch zijn er ondanks dezen algemeenen regel om steeds rechtuit te gaan, afwijkingen en buitenoms in 't klein waar te nemen. Alhoewel het Afrikaansche voetpad in zijn geheel een rechte lijn is, zijn toch geen vijftig meter daarvan ooit recht. De reden is daarvan niet ver te zoeken. Ontmoet men een steen, geen inboorling zal er ooit aan denken dien op zij te leggen. Waarom zou hij dat doen? Het is immers gemakkelijker er omheen te wandelen. De daaropvolgende man, die langs dien weg komt, zal hetzelfde doen. Hij weet, dat honderd man na hem komen; hij beziet dien steen; in een oogenblik is die steen uit de aarde losgewoeld en op zijde geworpen. Doch neen, ook hij zet zijn reis voort. Met om de moeite die het hem kosten zou, maar de gedachte komt niet bij hem op. Het zou evenmin bij hem opkomen, dat deze steen een onverplaatsbaar voorwerp was, en dat hij dien ter wille van het algemeen welzijn verplaatsen moest, dan wel dat de soort tot deze of geen verscheidenheid behoort. Geslachten na geslachten zijn langs dien steen voorbijgegaan, en nog altijd wacht hij op een man, die hem op zij schuiven zal. Gemeenlijk zet iedere vier mijlen op een voetpad door een reeks van allerlei kleine ongelijkheden zich tot vijf of zes uit. Nu zijn deze afwijkingen ook niet zonder be-teekenis. Elke daarvan heeft een geschiedenis, die van duizenden jaren dagteekent, maar waarvan de aanleiding in den loop dei-eeuwen verloren is geraakt.

De hoofdoorzaak zijn waarschijnlijk gevallen boomen geweest. Wanneer een boom dwars over een pad valt, komt niemand er ooit aan. Evenals in het geval van den steen, gaat de inboorling er om heen. Het hout is te jong om het in zijn hut als brandhout te gebruiken; en vóór het droog is en de witte mieren het gegeten hebben, is de nieuwe omweg een onmisbaar deel van den weg geworden. De kleinere onregelmatigheden worden veroorzaakt door de boomen en stammen van het oorspronkelijk woud, waardoor het pad eerst gemaakt is. Doch wat ook de oorzaak wezen moge, dit is zeker dat, wat volharding in de rechte lijn in het algemeen, en uiterste weifeling en besluiteloosheid in het

157

ocr page 192

DE WOUDWILDERNIS.

bijzonder betreft, de Afrikaansche wegen eenig in aanleg zijn.

Zonder verdere inleiding ga ik nu over tot het geven een er beschrijving van het groote woud in Centraal-Afrika.

Wanneer men de westkust van Afrika boven de rivier Campo, 2° ten noorden van den evenaar gelegen, nadert, en zuidwaarts zeilt langs het land tot de Gaboon-rivier, wier zuidelijke oevers evenwijdig met den evenaar en slechts enkele mijlen ten noorden daarvan loopen, dan aanschouwt men steeds een dicht, onafgebroken woud, dat zich tot den oever uitstrekt, en ziet men ver in het binnenland, verscheiden bergreeksen, die tot hun toppen met boomen bedekt zijn. Deze bergen zijn bekend onder den naam van Sierra del Crystal. Men verliest ze allengskens uit het oog wanneer men de Gaboon nadert.

Deze ontzagwekkende boschrijke streek, waarin ik verscheidene jaren (1856—1859) doorbracht, toen ik nog een jongen was, en die ik opnieuw in 1863—1865 bezocht, vormt den voorpost van het reusachtige woud, dat ik het eerst onderzocht heb en dat de heldhaftige Stanley betreden heeft en gedeeltelijk doorgetrokken is. De westelijke grens van dezen woudgordel is de zee zelve, tot aan wier strand de wortels der boomen zich uitstrekken.

Een groote en prachtige aanblik wordt den reiziger bereid, die zich in deze woudwildernis bevindt. Ik althans was diep getroffen door de majesteit van dit tooneel en in bewondering verzonken over den verwonderlijken plantengroei, die het kenmerkte.

De stilte van dit woud, als men er door reist, is soms terneerdrukkend. Uren achtereen trekt men er door zonder zelfs het geschreeuw van een aap, den schrillen kreet van een papegaai of den voetstap van een hert te hooren. Slechts het vallen van een blad, het gemurmel van een of ander verborgen beekje, het gonzen van insecten, en hier en daar het eenzame geluid van een vogel, geeft een sprankje leven en brengt eenige verlichting in de droefgeestigheid der groote eenzaamheid, die u omringt. De gewaarwording die zich van u meester maakt als gij in die stilte voortschrijdt, is onbeschrijfelijk.

Soms wordt die stilte even verbroken door den zwaren stap

158

ocr page 193

BLOEMEN EN VRUCHTEN IN HET WOUD.

van den olifant, het knorren van een beer of de lichte voetstappen van een of ander dier. Reusachtige boomen, zich tot eene hoogte van twee- of driehonderd voet en zelfs meer verheffende, heerschen over deze zee van eeuwigdurend groen gebladerte als reuzen van het woud, gereed om de eerste waarschuwing te geven van den naderenden storm, die de rust van hun domein verstoren zal.

Onder deze ontzaglijke boomen groeien andere, minder groote boomen, onder deze wederom nog kleinere, van alle grootte en vorm, en ten slotte ziet men een dicht kreupelbosch. En welk een ondoordringbaar kreupelbosch. Dikwerf tracht het oog tevergeefs er door heen te dringen. Lianen strekken zich als reusachtige slangen in groote hoeveelheid van boom tot boom uit, en slingeren zich om de stammen of hangen van hunne takken af, stekelige kruip-planten hechten zich met hunne puntige doornen aan de kanten der bladeren vast; gras met kanten zoo scherp als scheermessen klemt zich aan uwe kleeren vast of snijdt u diep in 't vleesch, indien het een uwer blootgestelde lichaamsdeelen raken mocht; of wel er vallen pijnappels bij duizenden woest naar omlaag.

In sommige jaargetijden wordt de eentonigheid van het donkere groen verbroken door bloemen die, dikwerf schitterend van kiemen schoon van vorm, de boomen geheel bedekken. Andere boomen en planten dragen een rijken overvloed van noten, vruchten en bessen van allerlei vorm, kleur en grootte. Het aantal dezer vruchtdragende boomen is zeer groot; één daarvan biedt vooral een zeer fraai gezicht aan, wanneer hij vruchten draagt; van zijne takken hangen dan groote trossen vruchten in den vorm van olijven, schitterend rood van kleur, en heerlijk om te eten, ofschoon zij eenigs-zins zuur zijn.

Ebbenhout en gomelastiek wordt hier in overvloed gevonden; maar ongelukkigerwijze wordt het laatste hoe langer hoe zeldzamer ten gevolge van de ongehoorde verkwisting die daarbij plaats heeft.

De inboorling denkt bij zich zeiven: „Als ik niet alles neem wat ik kan, zal een ander het doen;quot; en hierdoor gaat het sap door uitputting verloren. Ivoor, was, kopal, gom, hout, ebbenhout en een weinig palmolie zijn de voortbrengselen van dit land.

159

ocr page 194

HET LEVEK IN HET BOSCH.

Ten zuiden van den evenaar wordt de eentonigheid van het woud langs de zeekust, en hier en daar naar het binnenland, verbroken door open weilanden, totdat deze weder de plaats ruimen voor het dicht aaneengesloten kreupelbosch. Eenige rivieren besproeien het land; hare oevers bij de zeekust zijn laag en moerassig, en bedekt met wortelboomen zoover het brakke water loopt.

In mijn boek over Afrika schreef ik destijds: „De onderzoeker vindt hier eene zoodanig boschrijke streek, dat het gansche land beschreven mag worden als één ondoordringbaar kreupelbosch, waar men slechts doorheen kan komen door zijn weg met den bijl te hakken. De wouden, die hier eeuwen in sombere eenzaamheid hebben doorgebracht, schijnen ongunstig voor het voorttelen van dieren, die hunne voornaamste bewoners zijn.quot;

Ook schreef ik toen; „Sommige slaven van de Apingi zijn van zekeren afstand oostwaarts gebracht, hetgeen zy voor eene reis van twintig dagen hielden, en verzekerden allen dat de bergen die zij konden zien waar zij woonden, hun onafgebroken keten voortzetten ver voorbij hunne eigen landstreek.quot;

Het kwam mij waarschijnlijk voor, dat de ondoordringbare wouden dezer bergreeks en hunne wilde bewoners een onoverkomelijken scheidsmuur vormden voor Mohammedaansche overwinnaars. Ten zuiden van den evenaar zijn zij in West-Afrika nog nooit doorgedrongen.

Honger en gebrek stonden mij steeds te wachten, doch als men jong en vol geestdrift is, worden die ontberingen weinig geteld. Dikwerf moest ik langen tijd achtereen op noten en bessen teren, eens zelfs elf dagen lang — doch toen werd mijn honger ten slotte gestild, doordat ik een stuk van een luipaard, dien ik geschoten had, opat. Voor ons voedsel steunden wij voornamelijk op onze geweren en de natuurlijke voortbrengselen van het woud. Ik had geen voorraad Europeesche levensmiddelen bij mij, maar leefde gelijk de inboorlingen van de hand op den tand, want dragers om voorraad te vervoeren, waren er niet te krijgen. Behalve honger lijden was er nog een grooter beletsel voor de geregelde voortzetting van mijn tocht. Ik had meer dan vijftig koortsaanvallen te

160

ocr page 195

DE DIERENWERELD.

•verduren, zoodat ik meer dan veertien ons quinine, behalve arsenicum, innam, om de koorts kwijt te raken; menigmaal lag ik hulpeloos onder een boom in 't woud, slechts steunende op de Voorzienigheid die over mij waakte. Toen later al dat hongerlijden, •die ongemakken en zoovele andere ellende vergeten waren, lachten mij de Afrikaansche wouden met hun verborgen schatten weer opnieuw toe.

Dit woud, dat zoo rijk is aan noten, bessen en vruchten, is inderdaad een geschikt oord voor den aap. Daar woont de grootste en machtigste aller apen — de gorilla — een reus van kracht, die de groote eenzaamheid van alle kanten doorkruist als de koning van het woud. Het mannetje valt op woeste wijze en zonder vrees menschen aan, wanneer hij in zijn schuilplaats gestoord wordt. Een mijner jagers werd gedood door een dezer monsters, die, in zijne woede, den loop van het geweer omboog en den man toen voor dood liet liggen.

Behalve de gorilla zijn er nog andere verscheidenheden van apen of chimpansees, waaronder de kooloo-kambo, de nshiego-mbouve of kaalhoofdige aap, de nshiego-kengo en nshiego, welke laatste de welbekende chimpansee is. Men kan zich een denkbeeld vormen van den ouderdom van dit groote woud als men bedenkt, dat de apen, die daar gevonden worden, slechts de overlevenden zijn van tallooze soorten uit een ver verleden tijdvak.

Het gebrul van den gorilla is het zonderlingste en schrikwekkendste geluid, dat men in deze Afrikaansche wouden hoort. Het begint met een scherp geblaf en gaat dan in een diep rollend bas-geluid over, dat volkomen op het rollen van verre donderslagen door het luchtruim gelijkt, en dat het woud met zijne trillingen vervult.

Noch leeuw, zebra, gnoe, rhinoceros, giraf of struisvogel, noch het groot aantal verscheidenheden van antilopen, die in andere streken van het vasteland zoo algemeen bekend zijn, kent men hier. Evenmin vindt men er tam vee, paarden of ezels; de eenige huisdieren zijn geiten, eendvogels en ééne soort van schapen. De insectenwereld is er zeer uitgebreid: scorpioenen en oorwormen, H 11

161

ocr page 196

DE BASHIKOUAY.

muskieten zonder tal, en ook een soort van mug, die misschien nog lastiger is dan de muskiet. Onder de vreeselijke vliegen noem ik de ibolai, die tweemaal zoo groot is als onze gewone vlieg; de nekouna, die met zijn snavel zoo vlug in het vleesch dringt, dat dikwijls het bloed reeds stroomt voor gij weet dat ge gebeten zijt. Het jeuken begint echter dadelijk en duurt uren achtereen, bij tus-schenpoozen afgewisseld door plotselinge, pijnlijke steken, die soms den heelen dag aanhouden. De beet van de iboca is de ergste van alle, en kleederen beveiligen daartegen niet; dikwerf heeft mij 't bloed van gelaat of armen gestroomd, zoodat men denken zou, dat een bloedzuiger aan den gang geweest was. De afschuwelijkste van allen is de elomay, een soort van wesp.

De kapellen zijn nu en dan buitengewoon talrijk en fladderen over den weg; haar vlucht is zoo geruischloos als het woud zelf.

Van slangen is er groote overvloed; enkele zijn goedaardig, maaide beet van de meeste soorten is doodelijk. Er zijn boom-, landen waterslangen. De laatsten heb ik dikwerf in elkaar gedraaid op boomtakken onder water zien rusten. Deze zijn verschillend in grootte en in vergifgehalte. Er zijn gevallen waarin de persoon, die gebeten wordt, in zeer korten tijd bezwijkt.

Ook is er een groot aantal soorten van mieren, van welke men er eenige in ontzaglijke hoeveelheid vindt. De merkwaardigste en vreeselijkste van allen is de bashikouay, een vraatzuchtig dier, dat niets wegvoert, maar zijn prooi op de plek zelve verslindt. Dit beest is de vrees van alle levende dieren in het woud — van den olifant, den luipaard, den gorilla en de gansche insectenwereld — en zelfs de mensch is verplicht bij het naderen dezer vrijbuiters te vluchten of zich door vuur of kokend water te beschermen. De bashikouay heeft de gewoonte om door het bosch te trekken in een lange, regelmatige lijn, omtrent twee centimeter breed en dikwerf mijlen lang. Langs de geheele lijn bevinden zich grootere mieren buiten de rijen; deze doen als officieren dienst en houden orde in het zonderlinge leger. Komen zij op een plaats, waar geen boomen zijn om hen te beveiligen tegen de zon, tegen welker hitte zij niet bestand zijn, dan wroeten zij onmiddellijk den grond open en maken

162

ocr page 197

DE MACHT DER MIEREN.

tunnels. Soms zijn er meer dan twaalf uren mee gemoeid als zulk een leger voorbijtrekt.

Wanneer zij honger krijgen, dan verspreidt zich de geheele bende, als op een bevel, dat op hetzelfde oogenblik langs de geheele linie schijnt gegeven te worden, door het woud, en valt aan en verslindt alles wat het tegenkomt, en dit met eene woede, die letterlijk onweerstaanbaar is. Al de andere woudbewoners wijken bij dien aanval. Ik zelf heb daarbij het hazenpad gekozen om mijn leven te redden. Gelukkig is hun naderen vooraf bekend; het stille woud wordt plotseling levendig, men hoort het stampen van den olifant, de vlucht van de antiloop of de gazelle, van den luipaard en de slangen, kortom, de gansche levende wereld vlucht in dezelfde richting heen.

Ik herinner mij nog den eersten keer, toen ik deze aanvallende bashikouays op mijn weg vond. Ik wist toen nog niet wat mij boven 't hoofd hing. Geheel alleen was ik aan 't jagen, toen op eenmaal het woud in beweging kwam, op de wijze als ik boven heb trachten te beschrijven; een plotselinge vrees greep mij aan, ik wist niet wat dit alles te beteekenen had. Misschien was er een of andere schok in de natuur op til. Ik bleef dus even op mijn geweer rusten, toen ik plotseling, als bij tooverslag, geheel en al met mieren bedekt was en overal door hen gebeten werd. In allerijl vluchtte ik, om mijn leven te redden, in dezelfde richting welke de dieren hadden ingeslagen, en het middengedeelte van een stroompje werd toen mijn toevluchtsoord. Hunne wijze van aanvallen bestaat in een geweldigen sprong; onmiddellijk worden de scherpe scharen in 't voorwerp geslagen en zij laten eerst los wanneer het voorwerp wijkt. Zelfs klimmen zij tot in den top der boomen om hun prooi te bemachtigen. Deze mier schijnt door eene soort van woede bezield te zijn, welke oorzaak is, dat zij op eigen veiligheid volstrekt geen acht geeft, maar alleen haar prooi zoekt meester te worden. Somtijds heeft men menschen, die, beschuldigd van tooverij, ter dood veroordeeld waren, aan een boom vastgebonden, en bevonden dat een voorbijtrekkend leger hongerige bashikouay's in korten tijd slechts een afgekloven geraamte achterliet.

163

ocr page 198

STORMEN IN HET WOUD.

De macht en kennis van den blanke strekte zich vroeger slechts enkele mijlen van de kust uit en het binnenland was een onbekend terrein. Hetgeen ik dus voornamelijk beoogde was: de rivieren op te varen, bekend te worden met de bijgeloovige gewoonten en zeden der zwarte stammen die tot heden nog door geene blanken bezocht waren, in het groote woud te jagen, verzamelingen voor natuurlijke historie te maken en het land te onderzoeken.

In dat groote woud reisde ik dus, steeds te voet in elke richting, nimmer vergezeld door eenigen blanke, meer dan tien duizend mijlen; daar schoot, bewaarde en bracht ik meer dan tweeduizend vogels mee naar huis, van welke er velen voor ons geheel nieuwe soorten waren; meer dan twee honderd viervoetige dieren — van welke er twintig en meer tot geheel nieuwe soorten behoorden; meer dan tachtig geraamten, en ongeveer honderdtwintig schedels. Dit alles moest op den rug mijner metgezellen gedragen, zorgvuldig ingepakt en voor stortregens beveiligd worden.

Welk noodweer en gevaren ons dikwerf op onze tochten bedreigden, blijkt reeds uit het feit, dat het regenseizoen nabij de zeekust bijna negen maanden duurde en in de bergen de regen aanhoudend scheen te stroomen. In October stak er een woedende orkaan op, die het machtige woud tot op zijne grondvesten deed schudden, zoodat menigmaal de oude reusachtige boomen, onmachtig om zijne kracht te weerstaan, neerstortten en in hun val alles meesleepten. Het luid gekraak van een honderdtal neerstortende boomen vervulde dan het woud. De orkaan werd gevolgd door vree-selijke donderslagen en de felste bliksemschichten, en menigmaal was er uren achtereen geen tusschenpoos van enkele seconden, en stroomde de regen onophoudelijk van 's morgens tot 's avonds.

Des morgens, bij het aanbreken van den dag, stonden wij op, werd het eten bereid en gebruikten wij een schraal ontbijt, wandelden of reisden tot den middag, rustten dan een uurtje uit, maakten ons voedsel gereed, en gingen dan weer op marsch, totdat de zon onderging. Wanneer wij ons nachtkwartier gekozen hadden, was het eerste, wat mannen en vrouwen deden, hout te sprokkelen om vuur aan te leggen, groote bladeren te zoeken om onze hutten

164

ocr page 199

ELLENDE OP BEIS.

te overdekken, en stokken te snijden om die hutten te bouwen, want ik had geen tent bij mij, daar het onmogelijk was, zware bagage door het woud mee te voeren. Dit alles was buitendien in zulk een overvloed in het woud, dat alles doorgaans binnen een half uur bijeengebracht was. Gewoonlijk was er een stroomend beekje in de nabijheid, zoodat we makkelijk water konden krijgen. Vervolgens stapelden we groote houtvuren op en maakten het ons zoo aangenaam mogelijk; vooral zorgden wij er voor, de vuren zoo te bouwen, dat de regen des nachts ze niet kon uitblusschen. Een groot deel van den avond werd gemeenlijk doorgebracht met de vellen van vogels en dieren toe te bereiden, die ik geschoten had.

Ten einde het land te onderzoeken diende ik eerst goede maatjes te zijn met het hoofd en het volk aan de zeekust, en hunne taal te leeren. Na een poos zou dit volk mij dan weder overbrengen bij het volk van den naburigen stam; hier zou ik opnieuw vriendschap sluiten en mijn weg verder trachten te vinden en nieuwe dragers zien te krijgen; één taal of één tongval zou mij wel door drie of vier stammen brengen, maar dan moest ik mij daar ophouden om een ander dialect te gaan leeren.

Lastdieren vindt men daar niet, man of vrouw is ginds het eenige lastdier. Een pad leidt steeds van het eene dorp naar het andere en derhalve van den eenen stam naar den anderen; soms worden enkelen daarvan uithoofde van oorlog of vijandschap tusschen dorpen of stammen weinig gebruikt; voorts kan men ze soms moeilijk onderscheiden en zijn zij menigmaal als verloren in het dichte kreupelbosch, zoodat de uiterste omzichtigheid en al de bedrevenheid mijner menschen vereischt werd, opdat we het spoor niet bijster zouden worden. Bovendien zijn er ook nog paden, die naar plantages loopen, zoodat men dan plotseling aan het eind daarvan staat; ten slotte zijn er ook jachtsporen. Ongelukkig de man, die zijn weg verliest. De meeste dorpen zijn klein en dikwerf zeer ver van elkaar verwijderd, zoodat geen benden van honderden menschen het land zouden kunnen doortrekken zonder hongersnood te doen ontstaan, en zelve gebrek te lijden, omdat er geen voldoend voedsel te verkrijgen zoude zijn; derhalve zou men het voedsel met geweld

165

ocr page 200

DE VOEDINGSMIDDELEN.

moeten nemen, en zoude het naderen van zulk een bende aangekondigd worden door de oorlogskreten en de vijandelijkheden der inboorlingen, zoodat de eene bloedige strijd na den anderen daarvan ongetwijfeld het gevolg zoude zijn.

Het advies van mijn ouden vriend, koning Guongueza, waarvan ik de juistheid dikwerf ondervond, luidde aldus:

„Luister nu eens naar hetgeen ik u zeg, want gij zult menigen vreemden stam bezoeken. Als ge op den weg of in de dorpstraat een mooien tros vruchten met aardnoten daarnaast ziet liggen, raak ze dan niet aan, maar verlaat onmiddellijk het dorp, want het is een listig dorp, waar de bewoners op den loer liggen om te zien wat ge er mee doen zult. Als de bevolking van een of ander dorp u aanraadt om eendvogels of geiten te vangen, of vruchten voor u zeiven te plukken, zeg hun dan: vreemdelingen steken zelve de handen niet uit, dat is de plicht van den gastheer, om de geit of den eendvogel te vangen, en vruchten te plukken, en de geschenken naar den koning te brengen. Wanneer u in een of ander dorp een huis is aangeboden, houd u dan daarbij en ga in geen ander; en als gij een zetel ziet, neem er dan geen plaats op, want er zijn zetels, waarop slechts de eigenaars zich mogen nederzetten. Maar boven alles behoed u voor de vrouwen 1 Ik zeg dat alles opdat gij veilig moogt reizen.quot;

De voedingsmiddelen dezer streek zijn: maïs, aardappelen, pisangs, yamswortel, cassava (manioc), pompoenen en aardnoten. De twee eersten groeien niet ver in het binnenland. In evenredigheid tot deze groote wildernis is de mensch er schaarsch; de bevolking is in een groot aantal stammen verdeeld; ik zelf ben er onder vijf-en-dertig geweest. De stammen zijn wederom in horden verdeeld. In menige streek verkeert de bevolking in een voortdurenden staat van oorlog.

Veelwijverij en slavernij zijn er wettig erkend; de meesten houden slaven, maar deze moeten tot een anderen stam behooren. De kinderen van slaven zijn geene slaven, maar vormen eene afzonderlijke klasse. In vele gevallen kunnen ouders, met toestemming hunner wederzijdsche bloedverwanten, hunne kinderen verkoopen.

166

ocr page 201

DE HANDEL IN IVOOB.

Hoe machtiger een man is, hoe meer slaven en vrouwen hij bezit. Het aanbidden van afgodsbeelden, het geloof in goede en kwade geesten, in de macht van toovermiddelen en van betoovering zijn overal inheemsch. Grooter vloek echter dan de slavernij zelve, is het geloof der bevolking in toovermacht. Wee den man die voor een toovenaar gehouden wordt, of de vrouw die verondersteld wordt eene toovenaresse te zijn; slechts het Godsoordeel door de mboundou te drinken, kan voor de misdaad doen boeten, en gelukkig zij, die deze proef doorstaan, want deze mboundou is een zeer zwaar vergif.

De meest karakteristieke trek, dien ik bij deze negerstammen ontmoet heb, is hun bijzondere lust en liefde voor handel. De gelukkige of ongelukkige, die een olifant doodt en ver in 't binnenland woont, kan langen tijd wachten, soms verscheidene jaren, alvorens hij in ruil voor zijn ivoor goederen ontvangt. De slagtand van den olifant komt langs de rivier of de paden, die van het eene dorp naar het andere leiden, en zoo vereischt de reis een geheelen tijd.

De handel wordt bij ruiling op de volgende wijze gedreven: Aan de stammen langs de zeekust sluit zich in het binnenland de eene stam na den anderen aan. Ieder dezer stammen eischt voor zich het recht van doortocht en eigent zich het privilegie toe om als tusschenpersoon te dienen voor het verder vervoer naar den naasten stam. Voor dezen dienst heft men een zwaar loon en staat geen inbreuk op den regel toe. De gelukkige eigenaar van een slagtand wordt door deze handelswetten verplicht, die aan iemand uit den naburigen stam meer nabij de kust, dien hij kent, toe te vertrouwen. Deze zendt of bezorgt den tand aan het naburige hoofd of aan een vriend. Aldus gaat het ivoor door tal van handen vóór het de kust bereikt. Maar dit is nog maar een klein gedeelte van het kwaad. Daar de verzender zijn ivoor op krediet stuurt, wordt deze handel geheel en al op krediet gedreven, en wordt er geenerlei zekerheid gegeven-

Het ivoor van de kust moet het beste zijn uit geheel westelijk Afrika, en is of was in de dagen waarvan ik spreek zeer menig-

167

ocr page 202

DE OLIFANT IN AFRIKA.

vuldlg, daar van de Gaboon alléén jaarlijks meer dan 100,000 pond kwam. Menig ivoren tand vindt zijn weg van het binnenland naar de zeekust.

Wanneer nu de laatste zwarte den blanken koopman den ivoren slagtand overlevert, houdt hij vooreerst een vrij ruim gedeelte voor zijn eigen diensten in en levert het overige aan den eerstvolgenden stam of man in de rij over. Deze neemt op zijne beurt het hem toekomende voor zijne moeite van het overbrengen en geeft wat er overschiet aan zijn volgman, en zoo vervolgens, totdat er eindelijk een bitter beetje in handen komt van den man, die den olifant gedood heeft, zoodat het bedrag, dat deze ontvangt, al heel gering is in vergelijking van hetgeen aan de kust ontvangen werd.

Hoe eerder de laatste olifant in Afrika bezwijkt, hoe beter. Het ivoor toch is daar de groote bron van ellende. Niemand in het binnenland zal het over zich verkrijgen, om den normalen rijkdom te ontginnen of de wezenlijke nijverheidstakken van het land te ontwikkelen, zoo lang er nog olifantstanden zijn. Van al de vijanden toch die er nu nog in Afrika zijn, is het ivoor stellig de grootste. Niet alleen omdat daar waar een artikel is, aan hetwelk eene ingebeelde waarde wordt toegekend, dit zoo licht eene slechte uitwerking op den voortbrenger kan hebben, evenmin omdat waar geld is, ook omkooping, schraapzucht en twist heerscht, maar omdat hierdoor beginsellooze lieden, en in het bijzonder Arabieren, op de slechtste wijze met de inboorlingen in aanraking worden gebracht, uitsluitend in ééne en wel in de laagste richting invloed op hen oefenen, en hen steeds slechter maken dan zij waren — slechter in begeerigheid, in schelmerij, in geloof in het menschdom, en in hun opvatting van de beschaving. Bovendien moet een Arabisch koopman voor eiken tand dien hij verlangt, een slaaf koopen, huren of stelen, om het ivoor naar de kust te vervoeren. Slavernij is op zichzelve ellendig genoeg, maar hier krijgt men den langen slaven-marsch met zijne ongekende afgrijslijkheden, welke bijna uitsluitend door den handel in ivoor zijn ontstaan en blijven voortduren. Derhalve zal het uitroeien van den olifant een keerpunt vormen in den slavenhandel. De olifant heeft veel gedaan voor Afrika, maar

168

ocr page 203

MENSCHENETERS.

het beste wat hij nu voor zijn land kan doen, is, voor altijd te verdwijnen.

De slaven worden op dezelfde wijze verkocht. De schuldeischer woont in zulk een geval bij den schuldenaar en wordt als gast hoog vereerd.

Tijd wordt door den Afrikaan geheel buiten rekening gesteld. Het dorp van een vriend is een even aardig plekje als eenig dorp uit zijn eigen land, en misschien komen zijne goederen wel in een maand of wat aan. Zoo gaan de dagen dus alleraangenaamst om.

Tot de merkwaardigste volksstammen, die ik in dat groote woud ontdekte, behoorden de menscheneters en de dwergen.

De menschenetersstammen, waarmede ik in aanraking kwam, waren de Fans en de Oshebas. Het zijn de knapste negers, die ik ooit in 't binnenland gezien heb, en het eten van menschenvleesch schijnt hun goed te bekomen, alhoewel ik later andere Fanstammen zag, die het flinke voorkomen dezer bergbewoners misten.

Het vreemdste van deze Fans is hun voortdurend beslag leggen op het westwaarts gelegen land. Deze Fans zijn veel lichter van kleur dan eenige stam langs de kust; zij zijn sterk, groot en welgevormd, en blijkbaar zeer werkzaam. De mannen waren meeren-deels naakt en droegen geen kleederen om de heupen, maar in plaats daarvan boomschors, waarover van voren het vel van een wilde kat of eenig ander dier gehangen was. Hunne tanden waren afgevijld, hetgeen het gelaat een spookachtig en wreed voorkomen geeft, en sommigen hadden bovendien hunne tanden zwart gemaakt. Al de Fans droegen queues. Hun wollig haar was in lange, dunne vlechtjes uitgerafeld, en aan het eind van elk vlechtje bengelden een stuk of wat witte kralen, koperen of ijzeren ringen. Sommigen droegen veren mutsen, maar anderen wederom lange staarten van hun eigen haar gemaakt en van een soort van vlas of hennep, dat hun een zonderling voorkomen gaf.

De vrouwen, die zelfs nog minder gekleed waren dan de mannen, waren veel kleiner dan zij, en met uitzondering van de bewoners van Fernando Po, die Eunymals genoemd worden, heb ik nooit zulke leelijke vrouwen gezien als deze. Ook zij hadden hare tanden

169

ocr page 204

LEVENSWIJZE DER MENSCHENETEES.

afgevijld, en de meesten harer hadden het lichaam rood geverfd, door middel van een kleurstof, die zij uit het hout trekken. Zij droegen hare kleintjes op den rug in een zwachtel, van een soort van boomschors gemaakt, en aan den hals der moeder vastgehecht.

De koning had een zeer woest voorkomen, zijn lichaam was roodgeverfd en zijn gezicht, borst, maag en rug waren op ruwe wijze getatoeëerd.

De queue van Ndiayai, den koning, was de grootste van allen, en eindigde in twee punten, waarin koperen ringen hingen, terwijl de top met witte kralen was versierd. Koperen ringen om de enkels klingelden als hij liep. De voorzijde zijner bekleeding was een mooi stuk paardenvel. Zijn baard was in verscheidene vlechtjes verdeeld, waaraan eveneens witte kralen hingen.

Het eenige kleedingstuk der koningin was een reep roodgeverfd boomschors, dat ternauwernood vier centimeter breed was. Haar geheele lichaam was op de grilligste manier getatoeëerd, zoodat haar vel, dat lang aan de lucht was blootgesteld geweest, er ruw en knoesterig door geworden was. Zij droeg twee ontzaglijke ijzeren ringen om de enkels, want ijzer is bij de Fans een zeer kostbaar metaal, en had in hare ooren een paar zware koperen ringen van twee duim in doorsnede. Hierdoor waren hare oorlellen zoodanig uitgerekt, dat ik gemakkelijk mijn pink in de gaten had kunnen steken waarin de ringen hingen.

Al de Fansdorpen zijn sterk omheind of met paalwerk voorzien, en des nachts wordt er zeer zorgvuldig wacht gehouden. De negers hebben een hondensoort, wier scherp geblaf hen waarschuwt, zoodra er iemand van buitenaf aankomt. De dorpen zien er algemeen zindelijk en schoon uit; de straten worden behoorlijk geveegd, en alle afval — behalve natuurlijk de beenderen hunner menschelijke slachtoffers — wordt weggeworpen.

Teek enen van hun menscheneten, in hoopen van menschen-beenderen, met anderen afval vermengd en ter zijde van verschillende huizen geworpen, zag men overal.

De dorpen bestonden voor het meerendeel uit een enkele straat van 600 tot 800 meter lang, met huizen aan weerszijden. Deze

170

ocr page 205

HUNNE WAPENEN.

waren klein en slechts acht tot tien voet lang, vijf of zes breed en vier of vijf hoog met schuine daken. Zij worden van boomschors gemaakt, en de daken bestaan uit eene soort van matwerk van palmboombladeren. De deuren gaan open tot de dakgoten, en vensters zijn er niet. Als smeden overtreffen zij verre al de stammen uit deze streek, die niet in aanraking met de blanken zijn gekomen. Door hunne oorlogzuchtige gewoonten is ijzer een zeer noodzakelijk artikel voor hen geworden; en alhoewel hun gereedschap zeer eenvoudig is, blijkt hun geduld zeer groot en brengen zij heel knap en fraai werk voort.

Deze menscheneters hebben eene groote verscheidenheid van wapenen. Ik zag mannen gewapend met kruisbogen, waaruit hetzi] pijlen met ijzeren punten geschoten werden, hetzij kleine pijlen, die aan den punt van doodelijk vergif voorzien waren. Deze zijn zoo licht, dat zij eenvoudig weg zouden waaien als zij in de groef van den boog werden gelegd. Om dit te voorkomen, maken zij gebruik van eene soort van gom, waarvan een stukje aan de onderzij van den boog bewaard wordt en waarmee een plekje in de groef even gewreven wordt. Het handvat van den boog is vernuftig gespleten en door een pennetje, dat als een trekker werkt, wordt het touw van den boog los gemaakt. Daar de veer zeer sterk is, doorklieft de pijl een grooten afstand met buitengewone kracht.

Met hunne bogen, wier behandeling groote kracht vereischt, zijn zij goede scherpschutters. Zij moeten op hunne heupen zitten en beide voeten op het midden van den boog zetten, terwijl zij met alle macht aan het koord trekken om hot te spannen.

De groote pijlen hebben een ijzeren punt, ongeveer als de scherpe weerhaken van een harpoen. Deze worden gebruikt voor het jagen op wilde beesten en zijn ongeveer twee voet lang. Maar het moorddadigste wapen is een schijnbaar onbeteekenend stokje, niet meer dan twaalf duim lang en slechts aan het eene einde gepunt. Dit is de bekende vergiftigde pijl — een werptuig, dat den dood brengt overal waar het mede in aanraking komt, wanneer het slechts zoo diep als de punt van een naald in het bloed dringt. Het vergif wordt gemaakt van de sappen eener plant, die mij niet getoond

171

ocr page 206

HUNNE WAPENEN.

werd. Zij doopen de scherpe punten der pijlen verscheidene malen in dit sap en laten ze dan flink drogen in het bosch. De punt krijgt er eene roode kleur door. De pijlen worden zeer zorgvuldig in een zakje bewaard, dat van het vel van een of ander wild dier gemaakt is. Zij worden het meest door de naburige stammen gevreesd, daar zij met zulk een kracht geworpen of gemikt kunnen worden, dat zij op grooten afstand nog hunne uitwerking doen.

Over hunne schouders hing het groote mes en in hunne handen hielden zij speren en het groote schild van olifantenhuid; om den nek en het lichaam hingen allerlei toovermiddelen en versierselen, die rammelden als zij liepen.

Hun schild is gemaakt van de huid van een ouden olifant en alleen van dat gedeelte, dat tegen den rug ligt. Wanneer dit goed gedroogd en gerookt wordt, is het zoo hard en bijna zoo ondoordringbaar als ijzer. Het schild is omstreeks drie voet lang en twee-en-een-half breed.

Sommigen dragen op hun schouder de vreeselijke oorlogsbijl, waarvan één slag voldoende is om een menschelijk lichaam te splijten. Sommige dezer bijlen waren zeer fraai versierd met slingers als anderszins en zoo mooi gesmeed, dat het voor de bekwaamheid hunner werklieden getuigde.

Het oorlogsmes, dat aan hunne zijde hangt, is een vreeselijk wapen van drie voet voor een gevecht van man tegen man, en zooals zij mij uitlegden, is het bestemd om het in 's vijands lichaam te stooten. Ook dragen zij nog andere messen, die een voet lang en acht duim breed zijn.

Voorts hebben de Fans een vrij zonderlinge gepunte bijl, die op een afstand geworpen wordt, met de punt naar beneden valt en een vreeselijke wonde teweegbrengt. Met deze bijl wordt steeds naar het hoofd gemikt, en dit doen zij met groote juistheid. De punt dringt in het hoofd door en doodt het slachtoffer onmiddellijk; vervolgens wordt dan de ronde punt der bijl gebruikt om het hoofd af te snijden, dat als een zegeteeken door den overwinnaar wordt medegenomen.

Verscheidene mannen droegen ook een kleiner mes, dat mij

172

ocr page 207

DE DWERGEN.

onhandelbaar toescheen, doch dit diende meer voor jachtmes, hakmes en tafelmes. Dè speren, die zes tot zeven voet lang zijn, worden met groote kracht en groote juistheid geworpen.

In het midden van dit groote woud ontdekte ik in het jaar 1865 eenige dwergjes. Voor het eerst had ik over dit dwergvolk hooren spreken in de Apingi-streek, onder den naam van Ashangos; ofschoon zij onder de Ashangos Obongos genoemd worden. Om de buitensporige en overdreven beschrijvingen, die men er van gedaan had, had ik niet meer geloof gehecht aan het bestaan dezer dwerg-stammen dan aan dat van menschen met staarten, die stoeltjes bij zich hadden met een gaatje er in, om er hun staart door te steken, of aan de verhalen der menschen met gekloofde voeten.

Het eerste positieve bewijs, dat ik kreeg van het werkelijk bestaan dezer dwergen, had op de volgende wijze plaats;

Terwijl ik het woeste bosch van de Ashango-streek doortrok, vonden wij plotseling een menigte hutten van buitengewoon kleinen omvang, die ik voorbij zou zijn geloopen in de veronderstelling, dat het afgodshuisjes waren, indien mijne gidsen mij niet verteld hadden, dat wij in dit district dorpen zouden vinden van een stam dwergnegers, die in de Ishogos- en Ashango-streken en andere meer oostelijk gelegen gedeelten verstrooid zijn. De hutten hadden een lagen ovalen vorm, het hoogste gedeelte, dat het dichtst bij den ingang was, kan omtrent vier voet hoog zijn; de grootste breedte was ook ongeveer vier voet. Aan iedere zijde waren drie of vier stokken voor de mannen en vrouwen om op te slapen. De hutten waren gemaakt van buigzame takken, die tot een cirkel gebogen, met beide einden in den grond waren gestoken; de langste takken waren in het midden en de andere werden achtereenvolgens korter, terwijl het geheel met groote bladeren bedekt was.

Zoover mijn herinnering strekt, zijn deze dwergen -door het groote woud verspreid. Hier en daar zijn verscheidene dezer dorpen vlak naast elkaar. Soms kon ik zien, dat een dorp juist verlaten was, terwijl andere bewoond waren, doch de bevolking op de jacht of aan het visschen was.

Deze dwergen werden achtereenvolgens gezien door den Duitschen

173

ocr page 208

DORPEK DEE DWERGEN.

natuuronderzoeker Schweinfurth, die zoo vriendelijk was mij als hun ontdekker te vermelden, voorts door Dr. Junker en het allerlaatst door Stanley.

De dwergen waren zeer bang voor mij en ik had groote moeite om ze te naderen; doch bij zekere gelegenheid stonden wij op eenmaal voor twaalf hutten van dezen zonderlingen stam, op een afgelegen punt in het woud, die daar onregelmatig verstrooid lagen en gezamenlijk slechts een heel klein lapje grond besloegen. Toen wij naderden was er geen teeken van eenig levend schepsel te zien en we vonden de hutten dan ook inderdaad verlaten.

Wij lieten die verlaten hutten liggen en zetten onzen weg door het bosch voort, doch binnen een afstand van een kwart mijl kwamen we aan een ander dorp, dat, evenals het vorige, uit omstreeks een dozijn slecht gebouwde hutjes bestond. Blijkbaar waren zij pas gebouwd, want de boomtakken waaruit zij samengesteld waren, vertoonden nog hunne frissche bladeren. Wij naderden met de grootste omzichtigheid, en ten einde den wilden bewoners geen schrik aan te jagen, hielden mijne Ashango-gidsen op voorkomende wijze een bundel kralen in de hoogte en riepen hua toe: „Loopt niet weg, de geest is met ons gekomen om je deze kralen te geven!quot; Doch al die voorzorg was vruchteloos, want de mannen waren al gevloden toen wij naderbij kwamen. Die vlucht was zeer gehaast gegaan. Wij spoedden ons naar de hutten en vonden daar echter gelukkig nog drie oude vrouwen en een jongen man, die geen tijd hadden gehad om weg te loopen, en bovendien verscheidene kinderen, die in een der hutjes verborgen waren.

De gaten, die tot deuren in de hutten dienden, waren met frisch bijeen gezamelde boomtakken gesloten, ten teeken dat de bewoners afwezig waren en het niemand veroorloofd was daar binnen te treden. De kleur van dit volk was vuilgeel, lichter dan van de Ashangos, die rondom hen wonen, en hunne oogen verrieden ontembare wildheid, die mij in de hoogste mate trof. In hun geheele voorkomen, hun lichaamsbouw en kleur, ook in hunne woningen, zijn zij geheel en al verschillend van de Ashangos of andere stammen onder welke zij leven. De Ashangos ontkennen dan ook alle

174

ocr page 209

VOORKOMEN EN KLEEDERDRACHT DER DWERGEN. 175

verwantschap met hen. Er worden van weerszijden geene huwelijken aangegaan, maar de Ashangos huwen onder elkaar, zusters met broeders, ten einde de huisgezinnen zooveel mogelijk bijeen te houden. De kleinheid hunner gemeenten en de afzondering, waarin die deerniswaardige schepselen leven, werkt dit alles in de hand.

Hunne voorhoofden zijn buitengemeen laag en smal, en zij hebben uitstekende kaakbeenderen; maar ik heb geenerlei bijzonderheid in hunne handen of voeten of in de ligging der teenen of in de lengte hunner armen met betrekking tot hun lichaam waargenomen; hunne ledematen schenen mij toe wat klein te zijn in evenredigheid tot hun lichaam; ook scheen de palm hunner hand bijna blank te wezen. Hun hoofdhaar groeit in zeer korte gekrulde bosjes, zooals dat van de boschjesmannen van Zuid-Afrika, waarmede zij zeer veel gemeen hebben; dit is des te merkwaardiger, daar de Ashangos en naburige stammen lang en dik hoofdhaar hebben, hetgeen hen in staat stelt om het op verschillende wijzen te dragen; bij de Obongos daarentegen is het dragen van het haar, zooals de andere stammen dit doen, onmogelijk. De eenige kleeding die zij dragen, bestaat uit eigen gemaakt goed, dat zij van de Ashangos koopen, of dat deze laatsten hun alleen uit goedheid geven, want ik heb opgemerkt dat het eene gewoonte onder de Ashangos was, om hun eigen afgedragen goed aan deze arme Obongos te geven.

De Ashangos en andere stammen mogen de komst dezer merkwaardige dwergen in hunne dorpen wel lijden, omdat de Obongos zeer geoefend en vlug zijn in het vangen van wilde dieren en visschen. Hetgeen zij daarvan overhouden, na in hun eigen behoeften te hebben voorzien, verkoopen zij aan hunne buren in ruil voor vruchten en ook voor ijzeren artikelen, kookgereedschap, water-jukken en velerlei andere dingen, die zij noodig hebben.

De wouden nabij hunne dorpen zijn zoo bezet met strikken en valputten, dat het voor jagers hoogst gevaarlijk is om daarin rond te trekken; ik zorgde er althans altijd voor om niet des avonds uit hunne dorpen terug te wandelen.

De Obongos blijven nooit lang op eene plek. Zij zijn een bij uitstek zwervend volk, dat zich van de eene plaats naar de andere

ocr page 210

DE TAAL DER DWEEGEN.

begeeft, zoodra de jachtvoorraad schaarsch wordt. Doch zij trekken niet heel ver weg; d. w. z. dat de Obongos die binnen het Ashango-gebied wonen, niet daar buiten gaan; vandaar dat zij genoemd worden de Obongos van de Ashangos — zij die onder de Eyari wonen, worden Obongo-Nyari genoemd — en zoo gaat het eveneens met andere stammen. Men zegt dat er tot zeer ver in het Oosten van Afrika Obongos leven, zoo ver als de Ashangos of hunne slaven daarvan kennis dragen. Ik was verbaasd over de goedheid, ja zelfs de teederheid, welke de Ashangos hun kleinen buren bewezen. De Obongo-taal is een mengsel van hetgeen hunne oorspronkelijke taal en de talen der verschillende stammen, onder welke zij geleefd hebben, jaren geleden waren. De grootste dwerg, dien ik zag, was 5 voet en 'A duim hoog. De anderen verschilden van 4 voet en 'A duim tot 4 voet T/t duim. Ik nam de maat van eene vrouw en deze was 3 voet 9 duim lang, doch dit was eene groote uitzondering.

Na dit uitstapje met Du Chaillu, hetgeen onzen lezers wederom een nieuw beeld van Afrika onder de oogen bracht, keeren wij tot Dr. Peters terug, die juist na zijn bezoek aan den sultan in het leger wedergekeerd was.

Wij waren nauwelijks, aldus gaat Dr. Peters voort, in het leger terug, toen Wachore reeds aan mijnheer Von Tiedemann een mand vol eieren zond, om hem duidelijk te toonen, dat hij hem het voorgevallene van dien morgen volstrekt niet ten kwade duidde. Ik van mijne zijde zond daarvoor aan Wachore een tweeden met goud geborduurden Kaftan.

Mijne manschappen waren over het lot dat hun te wachten stond, nog maar altijd niet gerust. Om hun een grooter gevoel van veiligheid te schenken, liet ik van nu af des nachts, in de plaats der tot nu toe bestaande vier posten, altijd slechts éen post optrekken, omdat ik zeer goed wist dat, mochten we inderdaad in deze landen aangevallen worden, het dan volkomen onverschillig was, hoeveel man er op post stonden. In dit geval waren wij onder alle omstandigheden toch verloren.

176

ocr page 211

NAAR HET WESTEN.

177

f,

Dr. Peters leest Stanley's brief.

ocr page 212

stanley's teleurstellende bbief.

de heeren der Engelsche expeditie gericht, en ik wilde ze juist teruggeven, toen ik plotseling opmerkte, dat als afzender op den eenen brief H. M. Stanley vermeld stond. Mij doortrilde bij dezen aanblik de blijde hoop, dat de tijdingen van Stanley's aftocht niet zouden uitkomen, want wanneer hij nu een schrijven naar Usoga zond, dan kon hij toch onmogelijk vijf maanden geleden uit de aequatoriaal-provincie vertrokken zijn. Marco maakte een einde aan mijne onzekerheid, door den brief open te scheuren en mij dien ter lezing te geven. Door het eigenaardige van mijn toestand achtte ik mij hiertoe ten volle gerechtigd.

En nu viel de sluier van het omfloersde beeld, en zag ik het in zijne volle naaktheid voor mij. Het schrijven luidde aldus:

Kerkzendings-station Makoio, 4 September 1889.

De heer H. M. Stanley en de expeditie voor de bevrijding van Emin Pacha is in het Station Makoio aan het zuideinde van het Victoria-meer aangeland, vergezeld door Emin Pacha, Signor Casati, 40 Egyptenaren en ongeveer 400 Soedaneezen.

De aequatoriaal-provincie is dientengevolge verlaten. Ladó, Mugi Geri en Dufile zijn sedert eenige maanden in de macht van den Mahdi. Na het ontruimen van Wadelai en Nuguri-Station deserteerden de meesten van de troepen in massa en gingen naar Makraka. Van een klein aantal der troepen hoorde men ten slotte te Msua, maar al de soldaten, die in de provincie gevonden werden, zijn opstandelingen tegen de Egyptische Regeering, en er kan dus op hen niet vertrouwd worden. Er werd een brief aan Mr. Stokes gezonden, die dergelijke mededeelingen bevat.

Mijnheer Stanley kwam hier den 28ei1 Augustus 1889 aan. Binnen weinige dagen zal de expeditie van hier naar de kust trekken via Mpuapua.

(get.) H. M. Stanley.

Zoo luidde de koele en droge inhoud van het schrijven. Geen groet aan zijne landgenooten, geen raad of voorstel voor Jackson. Ofschoon ik den inhoud van dit schrijven sedert verscheidene dagen

178

ocr page 213

WIJZIGING VAN HET DOEL.

had kunnen vermoeden, werkte het niettemin verpletterend op mij. Terwijl ik dus nog in Muina lag, was Emin Pacha reeds aan het zuideinde van het Victoria-meer geweest. Toen ik te Kwayhu-bocht landde, moest hij zijne provincie sedert lang verlaten hebben.

Daarvoor dus al die gevaren, zorgen en inspanningen, om hier aan de poorten der aequatoriaal-provincie deze tijding te ontvangen! Welke bedoeling kon de Voorzienigheid daarmee hebben, als ze ons tot hier liet komen, om ons nu eerst duidelijk te doen beseffen, dat alles voor niemendal geweest was!

„Toch wil ik, ondanks dit alles, naar Wadelai trekken!quot; Dit was mijn eerste besluit. „Misschien komt dan Emin Pacha later nog eens, om ons te bevrijden,quot; klonk het daarop honend in mijn binnenste. Maar dit gevoel van trots moest toch zeer spoedig voor verstandiger overwegingen plaats maken.

Nog bestond er, naar ik wist, mogelijkheid, om de expeditie niettemin dienstbaar te maken aan de groote opvatting waaruit zij ontstaan was!

Was Emin Pacha weg en de eaquatoriaal-provincie gevallen, dan lag de beslissing in de groote tegenstelling tusschen Christendom en Arabierendom noordwaarts van het Victoria-meer in Uganda. Uganda moest tot een bolwerk gemaakt worden, om den Mohame-daanschen stormvloed van het Noorden af te dammen, en misschien tot uitgangspunt voor het herwinnen van datgene, wat ginds verloren was. De beide Engelsche expedition in het Westen en Oosten waren er voor teruggedeinsd, om in dit verwarde kluwen de hand te steken. Gelukte het aan de Duitsche Emin Pacha-expeditie, hier tot eene beslissing in christelijken zin bij te dragen, dan mochten wij gerust zeggen dat al de inspanning en moeite, die ons tot aan Wachore's residentie gebracht hadden, niet te vergeefs geweest waren. De expeditie had dan een tastbaar einddoel gevonden en wij konden met een goed geweten later onze machtgevers onder de oogen komen.

Tegelijkertijd mocht ik hopen, te Uganda in bepaaldelijk Duitsch-nationaal belang ook te kunnen werken. Ik heb eerst later vernomen, dat Uganda reeds vóór het vertrek mijner expeditie dooide toenmalige Duitsche Regeering aan Engeland afgestaan was.

179

ocr page 214

DE YBEDEBEEKERS IN AFEIKA.

maar hiervan was ons niet de allergeringste mededeeling gedaan. Men had eene groote Duitsche expeditie naar deze landen laten aftrekken, zonder het noodzakelijk te achten, haar van deze gewichtige beslissing op eenigerlei wijze kennis te geven.

Hetgeen de Arabieren ook in dit gedeelte van Afrika zijn, blijken zij overal te wezen; de schrik en geesel van het geheele land. Te recht wijst Henry Drummond er op, dat onder deze dikwerf eenvoudige stammen de Arabieren, ongenoode vreemdelingen van een ander ras en een anderen aard, zich van het noorden en oosten indringen, met het vastberaden opzet om van dit paradijs eene hel te maken. Het schijnt de afschuwelijke bestemming van dit volk zonder huis of kluis te zijn, hun leven te besteden om anderen uit hun huis te verjagen. Waar zij ook in Afrika komen, overal zijn de volgers van den Islam de vredebrekers, de verstoorders van het aartsvaderlijk leven, de verbrekers van den familieband. Reeds hebben zij van het geheele vasteland een schrikbewind weten te maken en hebben dit bereikt door één middel: vuurwapens; zij doen dit voor één doel: ivoor en slaven, want deze twee zijn één. De slaven zijn noodig om er ivoor mee te koopen; en dan zijn er nog meer slaven noodig om het te vervoeren. Zoo is de levende man zelf de handelskoers van Afrika geworden. Het artikel is verplaatsbaar, makkelijk te verkrijgen en dadelijk verhandelbaar.

Arabische kampementen, om den groothandel in dit vreeselijk artikel te kunnen drijven, zijn overal in Afrika gevestigd. Zij staan gemeenlijk in verbinding met rijke Arabische handelaars te Zanzibai en andere plaatsen aan de kust, en de gemeenschap wordt onderhouden door karavanen, die bij lange tusschenpoozen van de eene plaats naar de andere trekken. Daar deze karavanen altijd uitgebreid en terdege van oorlogmateriaal zijn voorzien, zijn de zwakke en verdeelde inlandsche stammen, waar zij doorheen trekken, geheel aan hen overgeleverd, en zijn hunne tochten door het vasteland met allerlei daden van dwingelandij en knevelarij bezoedeld. Zij verschijnen plotseling ten tooneele, blijven lang genoeg om hun doel te bereiken en verdwijnen alleen om terug te keeren, wanneer er een nieuwe oogst ontstaan is, die het plukken wraard schijnt.

180

ocr page 215

DE ARABISCHE HANDELAARS.

Somtijds zetten deze Arabische handelaars zich voor een jaar of twee in het hart van eene of andere rustige gemeente in het afgelegen binnenland neer. Dan toonen zij zich uiterst vriendschappelijk, beleedigen niemand en ruilen op eerlijke wijze. Zij planten de zaden hunner lievelingsgroenten en vruchten, want de Arabieren hebben altijd 't zaad bij zich, alsof zij voornemens waren daar steeds te blijven. Intusschen koopen zij ivoor in zulk eene hoeveelheid, dat er groote stapels achter hunne hutten liggen en al hunne ruilgoederen verdwenen zijn. Dan onstaat plotseling op zekeren dag de onvermijdelijke twist, gevolgd door een bloedbad op groote schaal. Er worden bij die slachting slechts genoeg inboorlingen gespaard om het ivoor naar de kust te dragen; de stroohutten van het dorp worden in brand gezet, de Arabieren heffen het kamp op en de slavenmarsch, die erger dan de dood is, neemt een aanvang.

Dit laatste bedrijf in het drama, de slavenmarsch, is de aanblik van de slavernij, die hoofdzakelijk de hartstochten en de deelneming der buitenwereld heeft opgewekt; maar grooter kwaad nog is de demoralisatie en ontvolking van stammen, waardoor die slavernij noodwendig wordt voorafgegaan. Het is voor dien handel noodig, dat de streek, die door den slavenhandelaar wordt afgejaagd, in voortdurende politieke gisting worde gehouden; dat, om samenspanning te voorkomen, hoofden tegen hoofden worden opgehitst en dat, zoodra eenige stam mocht dreigen, om zich een overheer-schende macht aan te matigen, dit verhinderd worde door tot opstand onder de anderen aan te zetten of door daarvan een werktuig tegen hen te maken. De onderlinge betrekkingen van stam tot stam zijn zoo verwikkeld, dat het onmogelijk is de uitwerking te overdrijven, welke een stoornis van het evenwicht teweegbrengt. Doch evenals een rivier, dient een slavenkaravaan langs haar ge-heelen loop door ontelbare schatplichtigen gevoed te worden; vooreerst om een voldoend aantal menschelijke wezens voor den tocht bijeen te zamelen en voorts om de ontzagwekkende verliezen, door wegloopen, ongeschiktheid en dood, te herstellen.

Menigeen verbeeldt zich, dat de doodsklok der slavernij geslagen was, tengevolge van de gebeurtenissen, die op den dood van Living-

II. 12*

181

ocr page 216

DE GEVOLGEN DEE ARABISCHE INDRINGERS.

stone volgden. Tijdens het leven van den grooten onderzoeker hoorden wij van beteugeling der slavernij, de Engelsche regeering hield er zich mede bezig en er werd inderdaad wat gedaan. Doch die jammerklachten zijn reeds vergeten en men hoort nu weinig meer van de open wond der wereld. Het treurspel wordt elk jaar en elke maand herhaald, getuige zulke gruwelen als die van de Boven-Kongo, de Kassai en Sankaru-streek, door Wissman beschreven, en van het Welle-Juakua-district, door Van Gele medegedeeld. Nog kortelings zag een onderzoeker, die van het Nyassa-meer naar het Tanganyika-meer trok, het geheele zuidelijk einde van Tanganyika, met groote en welvarende dorpen bevolkt. Zijn opvolger vond er niet één men-schelijk wezen, niets dan verbrande huizen en verbleekte geraamten. Nog kortelings, in het laatst van 1887, gebeurde het, dat de Arabieren aan het noordelijk einde van het Nyassa-meer, na veertien dorpen met de meeste inwoners verwoest en de bevolking van één dorp in een hoog, droog grasland vervolgd te hebben, dit land aanstaken, het omsingelden en met stok en speer allen neersloegen, die uit de nog genadiger vlammen trachtten te ontkomen. De Wa-Nkonde-stam, waartoe dit volk behoorde, was, tot die gebeurtenis, een van de welvarendste stammen in oostelijk Centraal-Afrika en bewoonde een landstreek, die buitengewoon vruchtbaar en schoon was. Drie rivieren, die zelfs bij de hevigste droogte nooit haar loop staken, liepen door hun grondgebied en hunne oogsten waren de rijkste en meest afwisselende in die streek. Zij bezaten kudden van runderen en geiten, vischten in de meren met netten, smeedden ijzer met zeldzaam vernuft en vaardigheid; en dat zelfs artistieke smaak zich onder hen was begonnen te ontwikkelen, bleek uit de versieringen op hunne hutten, die zelve wederom in Afrika eenig waren om de samenstelling en schoonheid van teekening. Kortom, dit volk was door zijn eigene aangeboren bekwaamheid en de natuurlijke hulpbronnen van zijne streek op den weg naar beschaving.

Nu merke men de snelle overgangen in die daling en val op. Jaren geleden begon een onopgemerkt beekje van dien grooten Arabischen vloed, die met nauw hoorbaren loop en steeds afwisselende bedding nooit opgehouden heeft door Afrika te stroomen, in

182

ocr page 217

OP WEG NAAE UGANDA.

het land te droppelen. Eerst werd de Arabier daar geduld en betaalde wat hij kocht. Van de Wa-Nkonde-hoofden werd land gekocht en hunne souvereiniteit erkend. Zoo nam de Arabier in macht toe. Van lieverlede ontwikkelde dit zich tot een machtigen inval en begonnen de Arabieren openlijk voor hun doel uit te komen. Eén onder hen werd tot het aanvoerderschap verheven, met den titel van „sultan van Nkondequot;. De spanning nam toe en was ten slotte niet meer te dulden. Na ontelbare schermutselingen werd het einde der bloedige geschiedenis nog verhaast en na een afschuwelijk bloedbad werden de overblijvenden van den Wa-Nkonde-stam uit hun vaderland verjaagd. Zoo luidt het allerlaatste hoofdstuk uit de geschiedenis van de Arabische overheersching in Afrika.

Den 13en Februari 1890 moest ik dus aannemen, dat de teerling over Uganda's lot nog niet geworpen was, dat de kampprijs nog ter beschikking was en den koenste ten deel zou vallen; dat in elk geval verhinderd kon worden om het land alleen en uitsluitend ten bate van Engelsche belangen te doen strekken.

Dit vooruitzicht moest verlokkend toeschijnen en mijne wilskracht doen ontvlammen. De Voorzienigheid had onze plannen op Unjoro en het Noorden verijdeld. Daartegen zich te verzetten, lag buiten onze macht. Daarvoor wees zij ons duidelijk en onmiskenbaar op het Zuidwesten, waar groote beschavingsbelangen op het spel stonden.

Derhalve op weg naar Uganda!

Een half uur na ontvangst van Stanley's brief, dien ik overigens naar Kawirondo verder zond, gaf ik bevel aan mijne colonne, zich marsch-vaardig te houden, om den volgenden morgen in alle vroegte naar Uganda te trekken. Ik was mij zeiven wel bewust, welk waagstuk ik daarmee opnieuw begon, maar ofschoon ik inzag, dat ik nu gerust naar de Engelsche expeditie te Kawirondo terug kon trekken, mag ik gerust verklaren, dat deze gedachte geen seconde lang bij mij opgekomen is.

Des avonds zat ik langer dan gewoonlijk in ernstig onderhoud met mijnheer v. Tiedemann voor mijne tent. Het schemerlicht van het bananenboschje tooverde spookachtige gestalten voor onze oogen, een licht nachtwindje ruischte door de trillende blaren. In

183

ocr page 218

KAMANYIRO ALS AANGENAAM REISGENOOT.

de verte weerklonken de trommels, de fluiten en het gezang der Wasoga. In het leger was het doodstil.

Toen ik mij daarna ter ruste legde, overviel mijn hart een gren-zenloos gevoel van verlatenheid en een diep medelijden met mij zeiven. Mijne gedachten zweefden naar mijn vaderland, hetwelk had kunnen gedoogen, dat eene vreemde macht het dorst te wagen, ons van de meeste middelen, om hier overal met klem en nadruk op te treden, te berooven. Ik kwam mij zeiven als een verstootene voor! In krampachtig snikken loste zich deze heftige zielesmart op. Buiten streek de nachtwind door de ruischende blaren van het bananenbosch; de toppen van den hoogen vijgenboom, waaronder mijne tent opgeslagen was, bogen zich in den wind en vertelden zonderlinge wijsjes. Mijne ziel werd eindelijk tot kalmte gebracht, doordien zij zich onderworpen schikte in de eeuwige en ondoorgrondelijke raadsbesluiten der Godheid.

Den volgenden morgen vond de opgaande zon ons op marsch in zuidwestelijke richting. Ik wilde den Mjl bij Jinja boven de Eipon-vallen overtrekken en zond opnieuw brieven aan Muanga met het verzoek, mij booten aan de Grant-bocht te sturen, opdat ik mij van daar over zee met de christelijke partij zou kunnen vereenigen.

De verdere marsch door Usoga had op buitengewoon aangename wijze plaats. De dagmarschen waren klein, daar ik het bijzijn van Kamanyiro en zijne omgeving in aanmerking nam. Eten en drinken was in overvloed voorhanden, en de namiddagen en avonden werden ons verkort door de dansen en gezangen der meisjes van Kamanyiro, waartoe wij geregeld na het middageten uitgenoodigd werden.

Soms had er ook eene volksvergadering plaats, waarin Kamanyiro aan de Wasoga onzen groet overbracht en met hen over de teedere vriendschap sprak, die hem en ons verbond.

Kamanyiro was tegen den middag geregeld dronken, maar daar hij altijd in een goed humeur was, droeg hij tot de gezelligheid der expeditie terdege bij.

Welk een ontzaglijk onderscheid was dit, wanneer ik aan de tijden dacht, toen wij over de hoogvlakten onder den Kenia of over de Angata naar Nyiku getrokken waren.

184

ocr page 219

BEVESTIGING VAN EMIN'S AFTOCHT.

De trommelslagers van Kamanyiros en zijne andere dienaren waren bijna allen éénoogig. Toen ik dezen eens vroeg, hoe het toch kwam, dat hij louter dienaren met één oog had, maakte hij eene beweging, alsof hij met een vinger iemand een oog uittrok, zwaaide met dien vinger naar den grond en zei: „Zoo ziet het er beter uit.quot; Mannen met één oog behoorden min of meer tot de liverei van dezen vorst en deze eigenaardigheid was niet door een toeval ontstaan ; maar de oude heer wist zelf het allerbest, waar zij van daan kwam.

Den 16en Februari ontving ik eindelijk de brieven uit Uganda, welke de tijding van Emin's aftocht bevestigden, en ons uitnoo-digden, ter ondersteuning der christelijke partij herwaarts te komen. Wel deelden de Franschen ons mede, dat in het land pest, hongersnood en zwarte pokken heerschten, maar dit mocht natuurlijk op mijne beslissingen geen invloed uitoefenen.

Den 186n Februari vestigde ik mijn leger, gelijk reeds is medegedeeld, op de plaats waar bisschop Hannington destijds de hardnekkigheid, waarmede hij den marsch naar Uganda van het oosten uit ondernam, ondanks de waarschuwingen, welke hem in dit opzicht van Franschen en Engelschen op de dringendste wijze geworden waren, met zijn dood geboet had. Sultan Duba, die de doodstraf aan Hannington voltrokken had, was bij het naderen onzer expeditie op de vlucht gegaan en hield zich steeds op grooten afstand van ons. Ik zoude den moord van een blanke heel gaarne op hem gewroken hebben, ofschoon hij inderdaad slechts uitvoering gaf aan eene uitspraak der rechters in de hoofdstad van het rijk.

De Waganda hebben eene overoude voorspelling, volgens welke eene expeditie, die van het Oosten komen mocht, het land uiteten en aan de dynastie der Wakintu een einde maken zal. Derhalve is het binnentrekken van het Oosten uit steeds verboden geweest, en mijne expeditie was de eerste, welke aan dezen kant het land binnenkwam. Muanga had Hannington derhalve verboden, uit Kawirondo naar Uganda te komen, had hem zelfs booten gezonden, welke hem naar Usukuma en van daar naar Uganda brengen zouden. Bisschop Hannington is dus geenszins in verband met de later aangevangen vervolging der christenen gevallen, maar om geheel andere

185

ocr page 220

AAN DEN OEVEB VAN DEN NUL.

beweegredenen, welke met den godsdienst niets te maken hebben.

Den 19en Februari fonkelden plotseling de golven van den heiligen Nijl aan mijne voeten. Ik mag gerust zeggen, dat mij een gevoel van trotschen triumf doortrilde, toen ik den Nijl in het gezicht kreeg. Wat nog niemand tot heden toe gelukt was, had de kleine Duitsche Emin Pacha-expeditie bereikt! Tana, Buringo, Mjl! Met een zestig man waren wij door Gallas en Massais tot aan de oostelijke grens van Uganda gedrongen. Wat het lot ook verder over ons beslissen mocht — in elk geval was de eer gered.

Ik betrok mijn leger ongeveer vijftig schreden boven den oever der rivier. Honderden van christelijke Waganda, vooral vrouwen en meisjes, kwamen toeloopen om ons te begroeten. Zij verwelkomden ons als redders en bevrijders, doch verklaarden op mijn voorstel, om met mij naar den anderen oever te trekken, dat zij hier gaarne toe bereid waren, maar toch nog twee dagen daarmee wilden wachten. De aanhankelijkheid en het vertrouwen dezer lieden had voor mij iets roerends en aandoenlijks.

Toen ik den volgenden morgen den overtocht mijner expeditie naar Uganda leidde, was de geheele rechter Nijloever met honderden dezer lieden, die in bruine schorsstoffen gekleed waren, bedekt. Ik had mijn stoel aan den rechteroever laten plaatsen, om van hieruit het overzetten der karavaan te leiden.

Beneden mij vertoonde zich een buitengewoon bezield en vroolijk beeld: de fantastische Waganda-booten met hunne lang voorspringende voorboegen, welke door een opgezet gewei, met kralen en vellen behangen, versierd waren, verdrongen elkaar in 't water, om mijne manschappen of het vee op te nemen.

Deze booten zijn uit aan elkaar genaaide planken gevormd, welke door eene reeks van vaste ribben verbonden zijn. Over deze ribben zijn kleine roeibankjes geplaatst, waarop, al naar de grootte, 14 tot 30 roeiers zitten, die het vaartuig met eene soort van spanen voorwaarts brengen. Op een der banken daarachter staat de zanger, die het geheel leidt, en dien de roeiers in koor met hunne rhythmische gezangen begeleiden. Aan den boeg zit de stuurman. Het geheel biedt een schilderachtig beeld aan. Wanneer

186

ocr page 221
ocr page 222
ocr page 223

TOCHT OVEE DEÏST NUL,

de roeiers flink voort maken, doorklieft het vaartuig tot zelfs vijf Engelsche mijlen in het uur. Het vaartuig heeft eene soort van kiel, waardoor het den vloed snel en vlug doorsnijdt, en welks voorste verlengde einde de daareven beschreven machtige voorboeg is. Het geheel herinnert aan afbeeldingen, zooals men ze wel op Egyptische tempels ziet. Doch men ga eens na welk eene krachtsverspilling met dergelijk vervoer gepaard ■ gaat. Om 6 of 7 passagiers of 8 tot 10 lasten over het Victoria-meer te brengen, daar behooren 25 tot 30 lieden toe. Men kan er zich dus niet over verbazen, dat bij eene dergelijke verspilling van krachten het in Afrika niet zoo gemakkelijk gaat om veel en spoedig hulp te krijgen.

Intusschen ging het overzetten mijner manschappen, lasten en kudde tamelijk snel. Lading na lading werd aan de overzijde gezet die ik reeds den dag te voren bezocht had. Toen alles over was, voer ik zelf met de vlag naar den linkeroever, en spoedig marscheerde ik met mijne colonne in zuidelijke richting naar eene plantage van Kamanyiro, waar ik plan had, dezen dag mijn leger op te slaan.

De overgang was eenige honderden schreden boven de Ripon-vallen voltrokken. De Mjl is hier ongeveer 2000 meter breed. De Riponval stort zich aan de linker- of Uganda-zijde in een val, aan de rechterzijde in snelle stroomen naar het Noorden. De val mag 10 tot 12 meter hoog zijn. Zeer opmerkelijk is de menigte visschen, welke in dezen val mede naar beneden gesleept worden. Men haalt die met groots haken zonder aas vlak onder den val uit het water. Vermoedelijk geraakt de visch, wanneer zij naar beneden getuimeld is, in eene soort van bedwelming en kan hierdoor zoo gemakkelijk gevangen worden. Ik zag althans, hoe een man in vijf minuten negen of tien groote visschen er uit haalde. De visschen zijn zeer smakelijk. Er zijn zoowel platvisschen als zalmsoorten, die in ons eentonig maal eene zeer welkome afwisseling brachten.

Tegen 12 uur was de plantage van Kamanyiro bereikt en werd het eerste leger op den bodem van Uganda betrokken. Toen de laatste booten, welke Kamanyiro en de zijnen overgezet hadden, naar TJsoga terugkeerden, bekroop mijn hart eene soort van beklemming.

quot;Wij stonden nu blijkbaar tegenover gevaren, welke alles over-

187

ocr page 224

188 EENE DONKERE TOEKOMST.

troffen wat achter ons lag. Ik kende noch Muanga noch den geest zijner partij, en evenmin was mij iets omtrent de stelling der Arabieren bekend. Hoe, wanneer de booten, welke wij in de Grant-bocht verwachtten, daar niet waren? Moest ik dan niet aannemen, dat de Arabische partij onder alle omstandigheden mijne vereeniging met Muanga met geweld verhinderen zou? En hoe kon ik denken, dat ik in dit geval hoop had, den ondergang met mijne geheele expeditie te ontgaan ? Ik wist immers zeker, dat wij Keremar wanneer hij ons flink aanpakte, bij geene mogelijkheid zouden verslaan. Zeker konden wij ons leven duur genoeg verkoopen, maar aan eene overwinning of een ontkomen, in geval wij door de Arabische partij werden aangevallen, was niet te denken.

Onze toestand was dus inderdaad even wisselvallig als het lot in eene loterij of het spelen aan eene bank.

Toen wij met vliegende vaandels en slaande trom de plantage van Kamanyiro binnentrokken, waren mijne manschappen vergenoegd en uitgelaten. Maar mijne gewaarwordingen waren ernstiger dan ooit, en dreigend stond mij de naaste toekomst voor oogen.

ocr page 225
ocr page 226
ocr page 227
ocr page 228

____

. .

■

ocr page 229
ocr page 230