DOOE AFRIKA'S WILDERNISSEN.
DOOR
AFRIKA'S WILDERNISSEN.
De. CARL PETERS' TOCHT
BEWERKT DOOR
JOHAN GRAM.
LEIDEN. â A. W. SIJTHOFF.
Van Uganda naar het Vaderland.
INHOUD. c â = - '
HOOFDSTUK I.
Bladz.
In Uganda.................... 1.
HOOFDSTUK II.
Om het Victoria-Nyanza-meer naar Usukuma........74.
HOOFDSTUK III.
Van het Victoria-meer naar het Vaderland.........120.
'l
J
I.
In Uganda.
VY anneer ik bijgeloovig van aard was, zou ik al dadelijk bij onze aankomst te Uganda gelegenheid gehad hebben om mij allerlei sombere dingen voor den geest te halen. Ik had onder een boom plaats genomen en juist aan mijn bediende Eukua bevel gegeven, op eene door mij aangewezen plek mijne tent op te slaan. Rukua zette zijn Lancasterrepeteergeweer tegen een banaanstruik en wilde zich juist gereed maken, om mijn bevel ten uitvoer te brengen, toen er op eenmaal een schot knalde, en Rukua bloedend voor mijne voeten in elkaar zakte. De kogel was hem
WIJ MOETEN DEN LANDWEG- NEMEN.
onmiddellijk naast den ruggegraat door de long gedrongen en onder den linkerarm er uit gegaan.
In het allereerste oogenblik dacht ik, dat Talabanga die onvoorzichtigheid begaan had, en reeds haalde ik mijn revolver voor den dag, om hem daarvoor te straffen, toen ik bespeurde, dat Rukua door zijn eigen buks getroffen was geworden. Ondanks mijne herhaalde waarschuwing had hij die niet alléén geladen, maar ook met gespannen haan weder meegenomen, en zoo was ze van de bananen-struik afgegleden en onder het vallen afgegaan.
Aan herstel van den armen trouwen kerel was niet te denken. Wij legden snel een verband aan, maar de adem floot bij eiken haal door de opening der wond en bracht voortdurend zwarte bloed-golven te voorschijn. Ook begon hij heel spoedig te ijlen, en riep afwisselend mijn naam en dien van zijn vriend en landgenoot Selek uit.
Ik liet den armen drommel op mijn bed in eene naburige hut brengen, maar reeds na een half uur had hij den geest gegeven, en ons bleef slechts de treurige plicht over, voor eene behoorlijke begrafenis zorg te dragen. Ik verbood nu in het algemeen, om geladen geweren te dragen, daar inderdaad het eenvoudig marscheeren levensgevaarlijk werd, al was er ook geen sprake van een vijandelijken aanval.
Des namiddags kwam Kamanyiro als gewoonlijk naar ons toe en bracht mij het bericht, dat de booten, welke ons tot Muanga brengen zouden, in de Grant-bocht gereed lagen.
Daarheen trokken we dus den volgenden morgen. Wij begaven ons eerst op den grooten straatweg, die van Usoga naar Mengo loopt, sloegen echter spoedig na negen uur links af, om in een zeer wijde bocht tot aan den zuidwestelijksten hoek te komen. Hier kwamen wij tegen den middag aan, om tot onze teleurstelling te bespeuren, dat er geene booten daar ter plaatse waren.
Daarentegen ontving ik daar een schrijven van Mr. Gordon, v/aarbij ik werd uitgenoodigd, langs den landweg naar Mengo te trekken:
9
wij moeten den landweg nemen.
Bulingogwe, den 18 Febr. 1890.
Waarde Heer!
Muanga, Koning van Uganda, bedankt u voor uwen brief van 14 Februari 1890. Hij wenscht, dat wij u zeggen, dat de pest heerscht op het eiland, waar wij allen opeengehoopt werden. Dat eiland hebben we verlaten, en nu willen wij ons weder naar Mengo op het vaste land begeven. Wij hebben geene vrees voor de pest ginds, want daar woont geen sterveling. De Koning zendt u een bode, Mika Sematimba geheeten, die Kiswahili verstaat en u naar Mengo zal begeleiden, waar gij met den Koning eene samenkomst kunt hebben. Muanga noodigt u uit om heel spoedig te komen, en wanneer gij over het meer naar Usukuma wilt gaan, zal hij u kano's geven.
Oprecht de uwe
E. C. Gordon.
Het postverkeer met Muanga had door booten op het Victoria-meer plaats.
⢠Ik bevond me nu in een allesbehalve verkwikkelijken toestand. De christenen op de eilanden drongen er bij mij op aan, dat ik over land naar de hoofdstad zou trekken, waar zij dan van het daartegenover liggend eiland zich met mij in verbinding wilden stellen. Pusschen mij en deze hoofdstad lag een volkomen verwoest gebied, en van de positie der Arabische party bezat ik geene nauwkeurige kennis. Wel werd mij medegedeeld, dat de christenen de Arabieren nog niet lang geleden voor Mengo teruggedreven hadden, maai het hof was ondanks al dit gebeurde toch op de eilanden gebleven, en de boden deelden mij uitdrukkelijk mede, dat ook Karema nog in het noorden van Uganda stond.
Hoe kon ik dus aannemen, dat hij geene poging wagen zou, om mijne verbinding met de christelijke partij te verijdelen?
Ik liet des avonds Kamanyiro Kaüta komen, tot wien ik zeide:
âGisteren hebt ge mij meegedeeld, dat ik hier aan de Grantbocht op het Victoria-raeer booten zou vinden. Nu, waar zijn je booten?quot;
âDe booten zijn er niet!quot;
3
DOOR HET VERWOESTE UGANDA.
âDat weet ik ook. Ik ben een Duitscher, en wij Duitschers zijn er niet op gesteld, dat men ons leugens opdischt. Wanneer hier geene booten waren, waarom heb-je me dan gisteren gezegd, dat ik die hier vinden zou?quot;
âMijne lieden hadden 't mij verzekerd.quot;
âJawel, je lieden hadden je dat verzekerd. Ik geloof er niemendal van en raad je aan, in 't vervolg zulk een wijze van handelen tegenover mij na te laten, hoor! Ik deel je nu mee, dat wij morgen vroeg zullen oprukken, om naar Mengo te marscheeren. Maar ik zal nu niet meer op de manier der Waganda, zooals in Usoga, maar op de manier der Duitschers marscheeren, d. w. z,, dat wij van 's morgens vóór zonsopgang tot den middag snel voorwaarts zullen rukken, om zoo spoedig mogelijk Mengo te bereiken.
âHoud dus je manschappen gereed, en wie niet in staat is om snel te marscheeren, dien zend ik onmiddellijk over den Nijl terug naar Usoga. Vóór alles raad ik je aan, je vrouwen daarheen te zenden. Wanneer gij zelf niet in staat zijt, met mij mee te gaan, dan moogt ge eveneens naar Usoga terugkeeren. Dit zijn mijne bevelen, en ik laat het nu aan u over, of gij die opvolgen wilt ja of neen.quot;
Deze toon was voor den ouden Uganda-groote, die nog den dag te voren een heel dorp had laten afranselen, om ons een begrip van zijne macht te geven, iets zeer ongewoons. Ik mag naar de beschrijvingen van Emin Pacha en Stanley verwijzen, om aan te ⢠toonen, met welk eene aanmatiging deze grooten vroeger gewoon waren tegenover blanken op te treden. Kamanyiro had reeds eenmaal te Usoga beproefd, dien ouden toon ook tegenover mij aan te nemen. Toen ik op zekeren morgen last gaf om op te rukken, en mijne tent afgebroken werd, zond hij mij een zijner bedienden met de opmerking, dat ik mijne tent gerust weder kon laten opzetten, want dat wij heden niet verder gingen. Ik had hem toen bij mij ontboden en hem vrij droogjes gevraagd, of hij soms dacht, dat ik in den afgeloopen nacht mijn verstand verloren had, of dat zulks misschien bij hem 't geval was, waarop wij ons drie minuten later luidruchtig te zamen op marsch bevonden hadden.
4
DOOR HET VERWOESTE UGANDA.
Hier aan den Mjl bevond zich de provincie, waarin Kamanyiro gouverneur was, en reeds den volgenden dag zou het blijken, dat zijne verouderde opvatting lijnrecht in strijd was met de onze, gelijk wij die gewoon waren op onze expeditie toe te passen.
Op dezen dag beklommen we reeds voor zonsopgang den rand, die het Victoria-meer als de omheining van een krater omzoomt. Uganda is in zijn zuidwestelijk deel minder vruchtbaar dan Usoga. Men zou kunnen zeggen, dat in Usoga het grootst gedeelte bebouwd en in Uganda het grootst gedeelte steppe is. Het geheele land wordt omlijst door een tafelvormige heuvelketen, en evenzoo strekt zich een dergelijk gebergte onafzienbaar noordwaarts langs den Nijl uit. De vorm der bergen is heel eigenaardig, zooals ik dien nog nergens anders gezien heb, steeds tafelvormig en vlak afgestompt.
Deze heuvels strekken zich onafgebroken tot aan den noordoosthoek van het meer, tot aan de monding van den Katonga naar Buddu uit. Tegen het meer aan vallen de bergen, zooals ik reeds gezegd heb, meestal steil en kratervormig naar beneden. Daar dit meer allerlei bochten in het land vormt, en eene reeks meer of minder liefelijke eilanden daarvóór liggen, is de aanblik van de bergtoppen af zeer schilderachtig en verrassend.
Laat men het oog rechts over de tafelheuvelen naar het Noorden weiden, dan breidt zich ginds eene groote vlakte uit, die slechts hier en daar door enkele heuvels verbroken wordt. Tegen de hellingen naar het Noorden liggen de dorpen en aanplantingen der Waganda, steeds omringd door altijd groene bananenboschjes, met koren- en bataten-velden omgeven. Het geheel biedt een vreemden, maar zeer bekoorlijken aanblik.
Tot dezen uitersten zuidwesthoek van Uganda waren de schaduwen van den oorlog nog niet doorgedrongen. Eerst den tweeden dag kwamen wii in een verwoest en afgebrand gebied. Hier bevonden zich ook nog lieden, die met stomme verbazing en schuwheid de groote zwart-wit-roode vlag aangaapten, welke door ons voor de eerste maal, onze karavaan voorafgaande, naar Uganda gedragen werd.
Daar ik heel goed wist, dat ik tegenover Arabische ondernemingen
5
KBIJGSYBBTOON DER KARAVAAN.
in de eerste plaats zeker moest zijn van den zedelijken invloed dien mijne komst te weeg bracht, had ik er voor gezorgd, dat er een goede roep van ons vooraf ging, en had ik ook boven alles reeds uit Usoga eenige trommelslagers meegebracht, die over de wijd uitgestrekte hoogten het krijgssignaal luid deden weerklinken. Drie doffe trommels, waarop maar altijd-door een roffel geslagen wordt, en daartusschen steeds de groote pauke â dit alles brengt wel een ernstigen en dreigenden indruk te weeg.
Zoo ging het den ganschen morgen door in westelijke richting. De eene heuvelenrij na de andere werd overgetrokken, en in de diepten werd eene reeks van stroomloopen voorbij gemarscheerd, welke de wateren van Uganda in het Victoria-Nyanza-meer voeren.
Ik legerde dezen dag, den 22en Februari, in Tschioragoma, eene groote nog goed onderhouden aanplanting van den koning met een breeden, doorloopenden weg, waarlangs ik het leger liet opslaan.
Kamanyiro Kauta verscheen eerst een uur na mijne komst en wel zeer vermoeid en hijgend van de inspanning. Ik ging hem eenige schreden te gemoet en wenschte hem een weinig spottend geluk met zijne onvermoeidheid in het marscheeren. Daarop nam ik hem bij de hand en bracht hem als gewoonlijk naar den zetel voor mijne tent. Nu barstte echter de oude heer in een vloed van verwenschingen en schimpredenen uit, die ik wel niet allen verstond, daar zij hoofdzakelijk tot de Waganda gericht waren, die in groote hoopen om hem heen stonden, maar waaruit ik toch kon opmaken, dat zij tegen de aanmatigingen der blanken gericht waren, die zich verbeeldden, dat zij in Uganda eenvoudig als heer en meester konden optreden. Hij eindigde zijne toespraak met eene mededeeling aan mij, dat de koning beslist had dat ik nu drie dagen in Tschioragoma zou vertoeven.
Ik antwoordde nu Kamanyiro heel kalm, dat hij in 't vervolg, als hij weder eens eene volksvergadering mocht willen houden, zich daarvoor een andere plaats dan mijne tent kon uitzoeken, en dat hij overigens in mijne nabijheid niet zoo behoefde te schreeuwen, daar ik zeer goed hooren kon. Wat zijne meedeelingen betrof, zoo geloofde ik niet, dat Muanga eene dergelijke bepaling voor mij
6
KAMANYIEO BEDAAET.
gezonden had. Al mocht dit overigens ook wél het geval zijn, dan zou ik toch niet in de gelegenheid zijn, om daaraan gevolg te geven, omdat ze niet met mijne wijze van reizen overeenkwam.
âGe zegt, dat deze manier van reizen zoo de gewoonte is in Uganda. Nu, dan kunt gij, Waganda, er u aan houden. Ge kunt, wat mil betreft, niet slechts drie dagen, maar desnoods drie jaar hier in Tschioragoma blijven. Ik ben een Duitscher en ben niet van zins, de gewoonten van vreemden, maar mijne eigen gewoonten te volgen.quot;
Nu barstte er bij Kamanyiro een nieuwe vloed van verwenschingen los. Hij had altijd gezegd, dat de blanken Uganda nog zouden inpalmen, en dat kwam alleen hiervan, dat men daar nu de woorden van Jezus duldde en den ouden godsdienst te gronde liet gaan.
Ik stond nu op en zei tot Kamanyiro:
âNu verlang ik alleen te zijn. Ga naar je eigen woningen.quot;
En toen deze aan die uitnoodiging geen gevolg gaf, liet ik eenige Somalis een handje helpen, hetgeen op de Waganda een onbeschrijfelijk diepen indruk maakte.
Al was ik ook zeer geneigd, om aan de ingekankerde eigenzinnigheid van een oud Uganda-hoofd heel veel toe te geven, zoo meende ik toch niet dat het met de belangen van Duitschland en vooral niet met onze belangen overeenkwam, om hier de rol te spelen, welke vorige reizigers, maar vooral Stanley, zich hadden laten welgevallen.
Stanley was, zooals ik te Uganda vernam, zeven maanden om zoo te spreken gevangen gehouden, en op hem beriep zich ook Kamanyiro elk oogenblik, wanneer hij met dergelijke eischen voor den dag kwam. Om deze reden greep ik met vreugde de gelegenheid aan, om den ouden heer eens heel duidelijk te maken, dat er een groot onderscheid was tusschen het jaar 1889 en den tijd dat Stanley zich te Uganda bevond; voorts, dat het een zeer groot verschil maakt, of iemand aan de spits eener gewapende expeditie ter ondersteuning van den koning van Uganda verschijnt, dan wel of hij, gelijk Stanley, alleen voor een bezoek in 't land komt; ten slotte dat, afgezien van dit alles', ik niet genegen was, de
VBEDE MET KAMANYIEO.
traditioneele rol der blanke Europeesche reizigers in dit deel van Afrika te spelen.
Nadat ik Kamanyiro had laten verwijderen schreef ik daarop den volgenden brief aan Gordon:
âTschioragoma, den 22⢠Februari 1889.
âWaarde Heer!
Kamanyiro Kauta zeide mij heden, dat de koning hem bericht gezonden had, dat ik hier drie dagen blijven zoude. Daar dit in onmiddellijke tegenspraak is met uw schrijven van gisteren, kan ik niet gelooven, dat het waar is. Doch wat er ook van moge wezen, zoo beantwoordt het in elk geval niet aan mijne plannen en aan mijne manier van reizen, en zal ik derhalve mijn marsch naar Mengo voortzetten. Ik zal morgen in Katente legeren en overmorgen in Wakarimbue. Wees zoo goed, den koning te vragen, of het inderdaad zijn wensch is, dat ik in eene plantage aan den straatweg drie dagen vertoeven zal. Geef mij een kort antwoord. Hier is geen voedsel voor mijne expeditie.
âOprecht de uwe
âCarl Peters.quot;
Aan den Heer E. O. Gordon.
Dezen brief zond ik dadelijk aan Kamanyiro Kaüta met het verzoek, hem over water aan den koning te doen toekomen. Kamanyiro, die den inhoud daarvan wel vermoeden kon, zond daarop na het ontbijt het hoofd van zijn harem, die onze namiddagsontspanningen in Usoga placht te leiden, met de opmerking, dat mijne schapen niet goed vooruit kwamen, zooals hij op den marsch met eigen oogen gezien had. Nu vreesde hij dat, als ik op dezelfde wijze verder trok, ik dan heel veel schapen verliezen zou.
Ik kon mij bijna van lachen niet onthouden, maar zond echter het geruststellend antwoord terug, dat de schapen uit het Massai-land afkomstig waren, waar ik ze in den oorlog had buit gemaakt,
8
SOMBERE INDRUKKEN.
en dat ze nog aan heel andere marschen gewend waren geweest. Overigens kwam het er in 't geheel niet op aan, al gingen er ook eenigen 't hoekje om. Raakte de kudde op haar einde, dan zou ik me wel eene nieuwe weten te verschaffen.
Toen zond Kamanyiro eene tweede boodschap: of ik verlangde, dat de brief nog heden aan den koning verzonden werd of morgen? â Ik antwoordde: âvandaag en wel dadelijk.quot;
Intusschen was het tegen den avond geworden en plotseling hoorde ik mijn ouden vriend in grooten optocht naar mij toekomen. Hij dreef verscheidene slachtossen voor zich uit, had hoenders in manden, benevens bananen en honig! Luid krijschend, gelijk het zijne gewoonte was, wilde hij mij omarmen, maar heel koeltjes en droogjes belette ik hem dit. Toen nam hij naast mij voor mijne tent plaats, en zocht zijne verlegenheid tegenover zijne eigen lieden door voortdurend babbelen en lachen te verbergen. Hij beproefde ook, ouder gewoonte, telkens my met een vol glas te begroeten, hetgeen ik intusschen beleefd van de hand wees. Van mijn vertrek op den volgenden morgen vroeg sprak ik opzettelijk niet en was nu zeer gespannen of Kamanyiro in Tschioragoma achter zou blijven of zich verder bij mij aansluiten zou.
Den volgenden morgen, toen wij ons gereed maakten om te vertrekken, bespeurden wij reeds, dat zijne meisjes reisvaardig waren, en toen ik tegen den middag in Katente mijn leger opgeslagen had, kwam hij als eene geknakte lelie aan, om mij te begroeten.
Onderweg had hij mijnheer Von Tiedemann zijn leed geklaagd, dat hij een oudo man was en niet zoo marscheeren kon als wij jonge lieden. Derhalve ried ik hem aan, zich een draagbaar te laten maken en zich door zijne slaven te laten dragen, maar hiervan wilde Kamanyiro niet hooren. Hij vreesde vermoedelijk, dat zijne slaven, die hem allen uit het diepste van hun gemoed haatten, van de gelegenheid gebruik zouden maken, om hem bij een of anderen afgrond naar beneden te storten. Hoe het dan ook wezen mocht, van nu af was onze wederzijdsche verhouding gelijk zij behoorde te zijn, en dit is later ook voor al mijne betrekkingen tot de Waganda beslissend gebleven.
9
1
NABIJ MENGO.
Van Katente uit Kwamen wij in geheel verwoest land. Niet alleen waren de dorpen verbrand, de banaanstruiken verwoest â maar het geheele landschap was eenvoudig afgebrand en vormde éene koolzwarte vlakte. Op de wegen lagen geraamten en nog in ontbinding verkeerende lijken, die de lucht verpestten.
De zonneschijn, die zich lachend over Usoga had verspreid, was verdwenen, de hemel meestal met grauwe wolken bedekt, en een benauwende wind deed of de zwarte aschmassa's dwarrelend naar omhoog stuiven, of goot koude regenbuien over de expeditie uit. Alleen gieren, die zich aan de lichamen der onbegraven lijken te goed deden, schenen dit land te bewonen.
Elk spoor van menschen was hier verdwenen. Eene beklemmende eenzaamheid vervulde het hart. Want al waren zulke indrukken ook niet in staat, invloed op onze beslissingen uit te oefenen, zoo moesten ze toch op onze stemming in de hoogste mate hunne uitwerking doen gevoelen.
Dof en [spookachtig weerklonk de trommelslag van de heuvelen, waarvan wij den een na den ander overtrokken. Kwamen we in de diepte, dan hadden we öf een rivier öf een stroomloop over te trekken, waarby een gebroken brug het beeld der verwoesting rondom ons nog vertoonde.
En wie stond er ons borg voor, dat wij niet achter een dezer heuvelrijen, achter de rotsen waar wij voorbij trokken, plotseling met de salvo's der Arabische aanhangers van Karema ontvangen zouden worden? Wie had er voor in kunnen staan, dat hij de volgende vijf minuten, den dag of nacht die aankomen zou, nog in leven zou zijn?
Zoo trokken wij in spanning en sombere stemming voort, en vreugdeloos was de tijd in het eenzame leger, dat ons afwisseling noch voedsel meer aanbood.
Aldus ging het twee dagen lang voorbij Kigogorro en Nu-murjango, totdat op den 25sten Februari de straatweg plotseling weder levendig begon te worden. Tevens ontving ik dezen dag antwoord op mijn schrijven, en wel, dat de Koning geenerlei bevel gegeven had, dat ik mij hier of daar zou ophouden. In-
10
INTOCHT TE MENGO.
tegendeel wenschte hij, dat ik zoo spoedig mogelijk naar hem toe zou komen.
Plotseling boog nu de weg, die zich op het laatst gedeelte dier streek westnoordwestelijk om de Murchison-bocht gewend had, naar het zuiden.
Op dezen hoek waren soldaten van Muanga in slagorde geschaard, die ons met blyde uitroepen welkom heetten, ons goudgele banieren aanboden en den schuimenden beker reikten.
Zoo naderen wij Kisallosallo, eene plantage des Konings, ongeveer een mijl noordwaarts van de residentie Rabaga-Mengo. Van alle kanten stroomen de soldaten van Muanga toe, wier voorpostenketen sedert twee dagen tot Kisallosallo vooruitgeschoven is. Wij hebben deze overschreden en zijn derhalve nu inzooverre in veiligheid, als de gemeenschappelijke strijdkrachten van Muanga en de mijnen in staat zijn, zich tegenover de Arabieren, Wanjoro en deels tegenover de Mahdisten uit het noorden staande te houden.
Ons leger sloegen wij in Kisallosallo op, en ik zond dadelijk boden naar den Koning, om hem onze aankomst in de nabijheid zijner residentie te melden. Ik vernam, dat ik Muanga morgen in Mengo zou vinden, en dat de Fransche zending den eerstvolgenden nacht uit Bulingogwe daarheen dacht te verhuizen. Des avonds kwamen de trommelslagers van Muanga bij ons aan, om ons door een taptoe hulde te brengen en den volgenden 'morgen plechtig naar de residentie te begeleiden.
De aanbrekende morgen vond ons als gewoonlijk reeds op marsch. Een breede weg voerde nog over twee verdere heuvelruggen, doch nu steeds in zuidelijke richting. Van alle kanten stroomden er menschenmassa's bijeen, om ons blijde te begroeten of in eerbiedig zwijgen ons voorbij te zien trekken. Ter rechterzijde bespeurde ik eene reeks gebouwen, die er in de verte als pyramiden uitzagen, maar in werkelijkheid kegels voorstelden. Ik vernam, dat het de grafteekenen van Mtesas en van de Koningen uit de dynastie der Wakintu waren.
Plotseling ijlde een bont getooide bediende van Muanga naar mij toe, en mompelde eenige woorden, om even snel weder te ver-
11
ONTVANGST BIJ MUANGA.
dwijnen. Marko deelde mij mede, dat hij eene boodschap van Muanga overbracht, welke het verlangen zijns meesters uitdrukte, om mij zoo spoedig mogelijk te zien. Dit werd nog drie-, viermaal herhaald.
Daar duikt een heuvel voor mi] op, waarop ik eenige gebouwen bespeur. Er wordt mij gezegd, dat zulks Mengo is. In de diepte voor dezen heuvel zwenkten wij zelve naar de linkerzijde af, om een bananenboschje in te trekken, waar een smaakvolle plantage ons als voorloopig verblijf aangewezen werd.
Ik bracht mijne soldaten in de gebouwen onder, maar liet in-tusschen voor ons zelve, ouder gewoonte, de/ tenten opslaan. Ik knapte mij toen wat op, en schoor mij, om mij daarop dadelijk naar den Koning te begeven.
Van vijf tot vijf minuten kwamen er nu aanhoudend boden van wege den Koning, die altijd maar het verzoek herhaalden, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden komen, daar de Koning door het verlangen werd verteerd om ons te zien. Dit is de hoffelijkheid van Uganda, die wij voor de eerste maal ondervonden. Wij kleedden ons op zijn paaschbest en de soldaten en eenige uitgezochte dragers moesten in 't gelid treden. Met de vlag vooraan, gingen wij langzaam den breeden weg naar Mengo op, om Muanga, den Mfalme, Kabaka van Uganda, voor de eerste maal te begroeten.
Hoe verder wij den heuvel beklommen, des te grooter werd het gedrang. Op de hoogte bevond zich eene omheining van matten, waarin we door een poort binnentraden. Rechts en links waren de soldaten van Muanga met het gepresenteerd geweer opgesteld, eene rij vormend naar een ontvangzaal, die voorloopig van riet was samengesteld. Op Europeesche trommels werd een roffel geslagen, de trompetten werden geblazen, terwijl wij langzaam groetend dooide rijen der soldaten stapten.
Voor den ingang der halle vatten mijne Somalis post, en wij traden nu de propvolle ruimte binnen, gevuld met de grooten van Uganda, die rechts en links tegen de wanden zaten of stonden. Zoodra wij de zaal waren binnengetreden, verhief zich aan het uiterste einde een nog jonge man van zijnen zetel, geheel in Europeesche kleeding. Zijne donkere oogen zagen ons welwillend aan. Een donkere
li'
ONTVANGST BIJ MXJANGA.
baard omlijstte een gezicht, dat een bijna Europeesch type had. Neus en mond waren regelmatig gevormd, de laatste was een weinig groot, maar muntte uit door onberispelijke witte en mooie tanden. Zijn geheele voorkomen had op het eerste gezicht iets zeer aangenaams en sympathisch. Dat was Muanga, Uganda's Koning, die sinds langen tijd in de Europeesche pers bekend was als de âbloedhondquot; Muanga. Hij droeg een wit- en zwart pak, dat hem het voorkomen van een welgesteld Europeesch heer op een zomer-uitstapje gaf.
âKomt nader,quot; zei hij in vloeiend Kiswahili (âKaribuquot;), terwijl hij ons eenige schreden tegemoet ging en ons de hand drukte. âHoe gaat het u? Neemt plaats,quot; tevens op twee zetels wijzende, welke aan zijn rechterhand voor ons neergezet waren.
Op dit oogenblik werd ik in de Fransche taal door een heer aangesproken, dien ik in het eerste oogenblik niet voor een Europeaan zou gehouden hebben. Hij was in een lang wit gewaad gekleed en droeg een rood kapje op het hoofd.
âIk ben pater Lourdel en heb u brieven gezonden.quot;
Dat was dus het hoofd der katholieke zending in Uganda. Hij deelde mij dadelijk mede, dat hij eerst den vorigen nacht van Bulingogwe naar hier gekomen was, en dat zij zich allen voorloopig heel armoedig om Mengo heen hadden neergezet.
Onmiddellijk daarop verschenen twee andere Europeanen aan den ingang, die ons in het Engelsch begroetten. Het waren de heeren Gordon en Walker.
Bij deze plechtige ontvangst werd mij het schouwspel geboden, mijn goeden ouden vriend Kamanyiro Kaüta op handen en voeten te zien komen aankruipen, om den Koning, naar de oude wijze der Waganda, te begroeten. Deze nam echter de begroeting bijzonder droogjes en koel op.
âHet verheugt mij, Muanga, den Kabaka van Uganda te zien,quot; zoo begon ik ons onderhoud. âIk ben uit het Oosten de Tana en den Kenia voorbijgetrokken, heb met de Gallas, Massais en vele anderen te kampen gehad en vernam in Utoga, dat Emin Pacha naar wien ik me hier begaf, met Stanley afgetrokken was, en dat
13
ONDERHOUD MET MUANGA.
gij de hulp der Europeanen behoefdet. Derhalve ben ik over den Nijl gekomen en door uw land naar hier gemarscheerd.quot;
âIk heb vernomen, dat gij de Massais geslagen hebt, en ik weet, dat de Duitschers den oorlog kennen en allen soldaten zijn. Wees welkom hier! Het verheugt mij, dat juist Duitschers mijn land komen bezoeken. Vertel mij nu eens een en ander van uwe gevechten met de Massais.quot;
âDe Massais zijn zeer woest,quot; zeide ik âen geene vrienden der blanken. Zij veroorloofden zich aanvallen op mijne expeditie, maar toen hebben wij hen viermaal teruggeslagen, en velen hunner gedood, tal van dorpen verbrand en vele kudden uiteengedreven.quot;
Muanga lachte vroolijk bij dit relaas. âIn het algemeen,quot; ging ik voort, âhoudt men in het Oosten van uw land niet van de blanken. Wij hebben ook in Kawirondo de Mangati moeten tuchtigen.quot;
âOok dit hebben we hier vernomen,quot; antwoordde Muanga. âWaar hebt ge uw geschut?
âMijn geschut heb ik bij de Gallas achtergelaten. Misschien komt er nog eene tweede colonne mijner expeditie achterna gemarscheerd en die zal dan vermoedelijk ons geschut meebrengen, dat ik in dit geval u schenken zal.quot;
âDank u wel,quot; zei hij. âIk hoop, dat gij op de tweede colonne hier bij mij wachten zult. Wat gij in mijn land mocht willen hebben, is ter uwer beschikking. Deel mii uwe wenschen slechts mede en zend onmiddellijk naar mij, wanneer ge 't een of ander mocht willen hebben. Het is mijn voornemen, voor u een groot huis, dicht naast het mijne, te laten bouwen.quot;
âLang kan ik niet bij u blijven, daar ik verder naar de Duitsche kolonie aan de overzijde van het meer moet. Wanneer gij door mij boodschappen naar de kust wilt zenden, en ik u in het een of ander van dienst kan zijn, zeg het mij en het zal eveneens geschieden.quot;
âEene boodschap naar de kust zou ik u gaarne willen meegeven, maar daarvan zullen we vandaag nog niet spreken!quot;
Alles wat Muanga zeide, gaf den indruk eener rustige en be-scheidene openhartigheid, en toen wij na een bezoek van een half
14
ONDERHOUD MET PATER LOURDEL.
uur afscheid van hem namen, waren wij allen allergunstigst over hem gestemd. Dien hadden we ons zeer stellig geheel anders voorgesteld.
Mr. Gordon en Mr. Walker vergezelden ons naar onze tent, waar ik hun tot mijn leedwezen slechts thee en koffie kon voorzetten. Spoedig verscheen ook pater Lourdel, die nog bleef toen' de Engelschen opstapten.
Zeer spoedig begon de pater over den toestand in Uganda te spreken en deelde mij bijzonderheden omtrent de Engelsche voorstellen mede, welke intusschen mislukt waren, daar Mr. Jackson niet alleen niet zelf gekomen was, maar ook niet eens munitie en kruit had willen zenden. Toen vroeg ik hem:
âWenscht dan de koning in het algemeen een of ander Euro-peesch protectoraat ?quot;
âVolstrekt niet. Zelfs in de dagen zijner verbanning uit Uganda hebben wij hem slechts na lang gepraat kunnen overreden, om dergelijke voorstellen althans in overweging te nemen.quot;
âNu, dan moet hij zich tot de Europeesche machten wenden met het verzoek, om zijn land neutraal te verklaren, precies zoo als dit met den Kongo-staat het geval is. Wanneer de boven-Nijl onzijdig werd verklaard, dan zouden alle Europeesche machten daarmee evenzeer gediend zijn. Alleen zou Muanga dan moeten besluiten, zekere, in Europa algemeen erkende, volkenrechtelijke grondregelen voor zijn gebied aan te nemen.quot;
âGelooft u, dat zulk een voorslag van Muanga in Europa bijval zou vinden?quot;
âDat durf ik niet zeggen. U weet, dat ik door eene Duitsche commissie ben uitgezonden om Emin Pacha te ondersteunen, dien ik ook dergelijke voorstellen dacht te doen. Voor Uganda heb ik geenerlei opdracht van mijn comité. Eene offlcieele opdracht van Duitschland heb ik in 't geheel niet. Maar wanneer Muanga bereid is, dergelijke voorstellen tot Europa te doen richten, dan wil ik mij gaarne bereid verklaren, die naar ginds over te brengen. Vóór alles moest echter Muanga de bepalingen der Kongo-acte voor zijn gebied aannemen en in het bijzonder ook de noodige waarborgen
15
ONDERHOUD MET PATER LOÃRDEL.
geven, dat de slavenhandel en slavenuitvoer in zijn land onderdrukt zal worden.quot;
âDaartoe zal de koning zeker gaarne bereid zijn, daar hij de Arabieren haat en het wegvoeren zijner onderdanen toch ook volstrekt niet gaarne zien kan. Voor wij hem van Usukuma naar Uganda terughaalden, hebben wij in deze richting reeds ruggespraak met hem gehouden. Overigens zullen wij bij het doorzetten van zulke plannen rekening hebben te houden met de Engelsche intrigues.quot;
âIk begrijp niet, welk belang Engeland er bij kan hebben, om hier juist in Uganda een protectoraat te verkrijgen.quot;
âEngeland wenscht het handelsmonopolie.quot;
âDit is niet formeel mogelijk, daar Uganda binnen de zone ligt van den door de Kongo-acte vastgestelden vrijhandel. Het protectoraat zonder een dergelijk monopolie kost den Engelschen alleen maar geld. Wanneer Muanga ons Duitschers het protectoraat over Uganda aanbood, en mij om mijne meening in Duitschland gevraagd zou worden, dan weet ik niet, of ik niet beslist afraden zou om het aan te nemen. In volkomen het zelfde geval bevindt zich Engeland.quot;
Over de grondslagen van onzen arbeid wisselde ik dus reeds den eersten morgen mijner komst met pater Lourdel van gedachten.
Des namiddags waren mijnheer v. Tiedemann en ik op het Engelsche station ten eten genoodigd. Dit lag in het noorden der residentie en was natuurlijkerwijze, daar al de vroegere gebouwen door de opstandjes verwoest waren, nog zeer eenvoudig, maar de gewaarwording, dat wij weder eens bij Europeanen te gast waren, had toch iets buitengemeen prettigs voor ons.
Na het eten verscheen de minister van Muanga, wiens titel katikiro is, om met mij eenige zakelijke aangelegenheden af te doen. Hij is, evenals alle hoogere staatsambtenaren in Uganda, een nog zeer jonge man met bijzonder energieke en listige gelaatstrekken, die juist niet een heel aangenamen indruk maken.
Op den man af vroeg hij :
âWelke geschenken denkt gij den koning aan te bieden ?quot;
16
DE MINISTER VAN MUANGA.
âIk wil hem 100â120 pond fijn jachtkruit geven, daarenboven een Lancasters-repeteergeweer met 50 patronen, duizend slaghoedjes en eene reeks kleinigheden zooals zeep en dergelijken.quot;
âEn hoe lang denkt gij hier te blijven? Wij hopen toch minstens op een bezoek van 3â4 maanden. Karema staat in het Noorden en kan elk oogenblik de residentie aanvallen. Zoo lang gij hier zijt, zal dit wel niet geschieden, daar hij zich reeds vóór het aanrukken uwer expeditie verder naar 't .Noorden teruggetrokken heeft. Dan zullen ook van alle kanten de vluchtelingen onzer christelijke partij naar Uganda terugkeeren, en onze stelling zal daardoor wezenlijk verbeteren.quot;
âHet doet mij leed, dat ik in geen geval 3â4 maanden kan blijven. Ik heb geene opdracht om hier in Uganda te vertoeven, en iedere dag mijner expeditie kost 50 Mark aan loon voor mijne manschappen. Echter ben ik bereid tot den 16en Maart hier te blijven. Van daag hebben wij den 26en Februari, dat maakt dus â drie weken.quot;
âVan daag hebben wij niet den 26eu, maar den 25en Februari,quot; zeiden de Engelsche zendelingen.
âVergeef mij,quot; zeide ik, terwijl ik mijn dagboekje opensloeg, âwij hebben van daag den 26en Februari.quot;
âJa, wij rekenen 25 Februari,quot; zeiden beiden.
Het bleek later, dat wij door eene of andere vergissing inderdaad een dag in de tijdrekening vooruit waren, en dat de Engelschen gelijk hadden. Ik heb in de volgende beschrijvingen intusschen steeds onze tijdrekening behouden, daar het niet nauwkeurig viel te bepalen, op welken dag de vergissing van die tijdverschuiving had plaats gevonden.
â't Moge zijn zooals 't wil, maar laten we den 16en Maart als â den dag van mijn vertrek uit Uganda nu voor goed vaststellen. Ik heb geene munitie genoeg, om den koning te kunnen voorstellen, Karema en de Wanjoro in het Noorden aan te vallen en te verslaan. Zou daarentegen Karema naar het Zuiden rukken, dan ben ik bereid, met mijne geheele expeditie Muanga te steunen en, ingeval â deze het wenscht, ook het bevel over zijne lieden op mij te nemen.
III. 2
17
TWEEDE ONTVANGST BIJ MUANGA.
âOm dit laatste echter behoorlijk te kunnen doen, moet ik verzoeken, dat het mij geoorloofd zij, zijne soldaten en vooral de officieren zijner troepen, van nu af eiken dag oefeningen te doen maken, opdat zij zich aan onze wijze van vechten gewennen.quot;
Na lang beraad verklaarde de katikiro zich met deze voorwaarden te vereenigen, die eenigermate onder den waarborg der Engelsche zending getroffen werden en die later ook door Muanga en de katholieke partij aangenomen zijn. Op den 16en Maart, zoo werd mij vast beloofd, zouden de booten ter plaatse zijn, die mij alsdan naar Usukuma over het Victoria-meer zouden brengen.
Den volgenden morgen had er eene tweede plechtige ontvangst bij Muanga plaats, waarbij ik hem de geschenken ter hand stelde. Muanga was buitengewoon verheugd. De 100 pond jachtkruit stelden hem immers in de gelegenheid, 500 zijner soldaten wederom voor een gevecht met munitie te voorzien, hetgeen onder zekere omstandigheden het handhaven van zijn troon ten gevolge kon hebben.
Des namiddags brachten mijnheer v. Tiedemann en ik in ons uniform een bezoek aan de katholieke zending. Hier leerden wij behalve onzen bekende van den vorigen dag, pater Lourdel, ook pater Denoit kennen.
Terwijl pater Lourdel een man was met een zeer energiek uiterlijk en krachtige trekken, scheen ons pater Denoit daarentegen, die ongeveer 30 jaar oud mocht zijn, eene soort van Johannestype toe, met een zacht en vriendelijk gelaat, door een donkeren baard omlijst, met dweepende oogen en een zeer week gevormden mond. Beiden behoorden tot de Mission d'Alger, de zoogenaamde âwitte broeders,quot; en pater Lourdel arbeidde reeds sinds 10 jaren hier in Uganda. Op mijne vraag, of hij er niet vurig naar verlangde, weder eens naar Frankrijk terug te keeren, verklaarde hij:
âWij zijn naar hier gekomen om te sterven, wij keeren nooit meer naar het vaderland terug.quot;
Hij vermoedde toen zeker niet, hoe spoedig dit woord van hem verwezenlijkt zou worden. Hij placht ook dikwerf te zeggen: âals wij ons gezond voelen, willen we niet, en als wij ziek zijn, kunnen we niet terugkeeren.quot;
18
DE KATHOLIEKE ZENDING.
Ik gaf hem mijne bewondering te kennen over de offervaardigheid zijner geestelijke orde. In de jaren, dat deze aan het meer heeft gearbeid, heeft ze de helft der broeders door allerlei ziekten verloren.
Tot pater Lourdel zei ik;
âMen spreekt zooveel over ons reizigers, over Emin Pacha, Stanley en anderen; wat gij hier doet is inderdaad veel heldhaftiger, en gij doet het uitsluitend voor uwe groote idealen. Uwe namen zijn in Europa ternauwernood bekend. De eerzucht, die anderen drijft, komt bij u niet in aanmerking.quot;
âOnze belooning verwachten wij na den dood, wanneer het den Heere behaagt.quot;
Ik heb de neerzettingen dezer katholieke missie rondom het gansche meer, in Uganda, op de Sesse-eilanden en in Usukuma leeren kennen, en ik moet mijne oprechte bewondering voor den werkkring dezer mannen te kennen geven. Juist omdat zij de belofte van armoede, gehoorzaamheid en kuischheid afgelegd hebben, omdat zij noch eigen bezit bijeenbrengen, noch ooit voor goed in het vaderland terugkeeren, hebben zij er dubbel belang bij, hunne stations zoo gemakkelijk mogelijk in te richten; en daar hun uit Europa weinig ondersteuning gewordt, zijn ze gedwongen, de natuurlijke hulpbronnen van het land naar hunne krachten te ontwikkelen.
Daar de protestantsche zendelingen aan het Victoria-meer steeds slechts tijdelijk arbeiden tegen betaling, daar bij hen het verlangen bestaat, om vroeger of later naar Engeland terug te keeren en clan ook een klein fortuintje in Londen te vinden, geven zij zich voor het zendingshuis zelf minder moeite, zij worden niet zoo geheel en al één met het land en kunnen dit dientengevolge ook minder van nut zijn. Wat ik van de Engelsche zendingshuizen gezien heb, staat in elk opzicht bij de Fransche achter. De katholieken hebben overal groote en gemakkelijke huizen, door wijd uitstekende daken beveiligd, welke zuilengangen vormen en de mogelijkheid bieden, om zich voor de heete zon te beveiligen en ook in den regen niettemin lichaamsbeweging te nemen.
19
DE KATHOLIEKE ZENDING.
Om deze zendingshuizen vond ik op alle plaatsen die ik gezien heb, tuinen, waarin niet alleen de groenten der tropen, maar ook alle soorten van Europeesche groenten gezaaid waren. Terwijl de Engelsche zendelingen in Uganda als de inboorlingen moesten leven, voedden zich daarentegen de katholieke broeders met Europeesche aardappelen en brood met boter, met zelf gemaakte kaas, met alcohol die uit bananen gebrand werd, met rapen, penen,
allerlei kool, ananas, oranje-appelen en andere vruchten voor het nagerecht.
Terwijl de Engelschen in akelige huizen wonen, heeft iedere katholieke pater of broeder zijn eigen koel, wit gepleisterd kamertje, en komen allen voor hunne maaltijden in een gezellig refectorium bijeen. Daar zij geene Europeesche arbeidskrachten bezitten en zich toch aangenaam in :t land willen inrichten, zijn zy gedwongen, wat overigens de regels hunner orde hun ook reeds voorschrijft, met de grootst mogelijke zorgvuldigheid om te zien naar lieden.
20
GEHEIM ONDERHOUD MET MÃANGA.
die allerlei arbeid kunnen aanleeren. Willen zij tafels, stoelen, eet-gereedschap hebben, dan moeten zij die laten maken door hunne kweekelingen, en daarom hebben zij er dus het grootste belang bij, dat deze zulk werk ook behoorlijk leeren doen. Hiervoor is nu het stelsel der dienende broeders, van welke er aan ieder station een of meer geplaatst zijn, weder bijzonder praktisch. Zoo vormt zich spoedig door de katholieke zending eene nederzetting van vlijtige en handige werklieden, en op deze wijze wordt zij voor de verdere omgeving een wezenlijke zegen.
Nu was echter op 27 Februari te Uganda van het katholieke station niet veel te zien, want het was door de Arabieren verwoest geworden en slechts de grondvesten stonden nog. Pater Lourdel had zich evenals alle anderen voorloopig moeten inrichten en ontving mij in eene halle, die door heggen omringd was. Wij gebruikten hier onze thee, waarbij pater Lourdel een doosje sardines ten beste gaf, eene bijzondere lekkernij voor ons, die bij ons de herinnering van het vaderland levendig wakker riep.
Van de katholieke missie begaven wij ons onder leiding van pater Lourdel naar Muanga. Ik wilde beproeven, de overeenkomst, die ik den vorigen dag met pater Lourdel getroffen had, zoo spoedig mogelijk aan Muanga's oordeel te onderwerpen, en had daarom een vertrouwelijk onderhoud met den koning verzocht.
Wij vonden Muanga met slechts weinig gevolg in een kamer van zijn paleis, dat als een paddestoel uit den grond stak. De toegang tot het inwendige van het paleis wordt doolhofsgewijze door eene geheele reeks van binnenplaatsen en dwaalwegen gevormd, waarin de soldaten van Uganda dag en nacht plegen te legeren. Daarnaast zijn gebouwen voor de vrouwen des konings en voor diens hofstaat. Het geheel geeft den indruk, gelijk ik mij den hofstaat van Attila in Hongarije gewoon was voor te stellen. Alle gebouwen zijn uit ruw hout samengesteld, maar hebben om hunne groote ruimte en ontzaglijk aantal toch iets kloeks en aangenaams. Toen wij Muanga begroetten, verwijderde hij op mijn wensch al zijne dienaren en liet, zonder dat ik het hem verzocht, in de naburige kamers kijken, of er ook soms lieden waren, die ons gesprek
21
HET ONTWORPEN VEHDEAG.
konden beluisteren. Toen fluisterde hem pater Lourdel mijne voorstellen in de ooren, waarop Muanga pater Lourdel's oor greep, om er hem zijn antwoord in te fluisteren. De slotsom dezer wonderlijke audientie was de volgende verklaring van Muanga:
âWanneer Dr. Peters mijne boodschap naar Europa wil overbrengen, dan ben ik bereid, een verdrag met hem te sluiten, volgens hetwelk ik van het recht van den Mfalme, dat de lieden in Uganda slechts met zijne toestemming reizen en handeldrijven of huizen mogen bouwen, tegenover de Duitschers en de andere Europeanen afstand doe.
âVerder ben ik bereid, mijn ivoor alléén aan de Duitsche maatschappij te verkoopen, wanneer deze mij kruit en munitie daarvoor leveren wil. Ik wil geen dienaar van eenig Europeaan zijn. Zij zullen allen gelijke rechten in mijn land hebben, maar vriendschap zou ik alléén met den grooten sultan der Duitschers willen sluiten. Wanneer de dokter zulk een verdrag wil opstellen, zal ik het onderteekenen en wil ik er ook voor zorgen, dat al mijne grooten hunne namen er onder zetten.quot;
Dat was juist hetgeen ik beoogde. Gelukte het mij, den koning van Uganda aan deze beloften te binden, dan meende ik aan de algemeene Europeesche zaak een grooten dienst bewezen te hebben. Een ieder, die de reisbeschrijvingen uit Uganda leest, weet, welke belemmeringen in dit land steeds aan de vrijheid van beweging der Europeanen in den weg staan. Daarvan weten Felkin en Stanley, Emin Pacha en Juncker mee te praten. Wanneer de koning de grondbeginselen der Congo-acte aannam, dan was dit land eerst feitelijk voor het Europeesch verkeer geopend. En dat moest aan alle natiën die bij het zeegebied belang hadden, evenzeer ten goede komen.
Ik begaf mij dadelijk met pater Lourdel in mijne tent en sloeg hem het volgende ontwerp van het verdrag voor, dat wij na eenige kleine wijzigingen ook behouden hebben. Het verdrag stelden wij in de Fransche taal, in Kiganda en in Kiswahili op, en in deze drie talen is het later ook onderteekend.
Het luidt als volgt;
22
VERDEAG MET MUANGA.
âMengo, 28 Februari 1890.
Tusschen den koning Muanga, Kabaka van Buganda, en Dr. Peters is het volgende voorloopige verdrag overeengekomen:
Koning Muanga neemt de bepalingen van het Berlijnsche verdrag (Congo-acte) van Februari 1888 aan, voor zoover die op Buganda en zijne schatplichtige landen betrekking hebben. Hi] stelt deze landen open voor alle onderdanen van Z. M. den Keizer van Duitschland en voor alle andere Europeanen. Hij waarborgt den onderdanen van Z. M. den Keizer van Duitschland evenals allen anderen Europeanen, die daarvan nut willen trekken, algeheele handelsvrijheid, benevens vrijheid om zich in Buganda en alle daaraan schatplichtige landen te vestigen.
âKoning Muanga sluit vriendschap met Z. M. den Keizer van Duitschland en verkrijgt vrijheid van handel, van vestiging en neerzetting voor zijne onderdanen in het geheele gebied van Z. M. den Keizer van Duitschland.
âDr. Carl Peters neemt de verplichting op zich, de bekrachtiging van dit voorloopig verdrag aan de Duitsche Regeering voor te stellen.
âDit verdrag is opgesteld in het Kiganda, Kiswahili en Fransch.quot;
Den volgenden dag, den 28en Februari, stelden wij den tekst dei-drie verdragen vast, en den len Maart begaf ik mij opnieuw met pater Lourdel naar Muanga, die mij in zijn kabinet ontving.
Er waren bij hem zijne beide ministers, de huisminister Cyprian, Kaüta genaamd, de eigenlijke staatsminister, Katikiro, en eenige andere grooten. Ik legde hun de grondtrekken van het verdrag uit, en zette uiteen dat, daar Uganda tot het christendom was overgegaan en de christelijke partij hier heerschte, het ook noodig was, dat het in zijne algemeene aangelegenheden de grondbeginselen van Europa aannam.
âDe Europeesche mogendheden,quot; ging ik voort, âzijn het in een verdrag, dat in 1885 te Berlijn gesloten is, omtrent zekere algemeene rechtsbeginselen betreffende Afrika eens geworden. Deze wensch ik door de Waganda eveneens te zien aangenomen, en ik heb dien-
23
VERDEAG MET MUANGA.
tengevolge het navolgende verdrag, dat ik u heb doen voorlezen, ontworpen. Ik verzoek u, dit nu te willen onderteekenen.quot;
De koning en Cyprian Kaüta onderteekenden het dadelijk, nadat Muanga verklaard had, daarmede ongeveer in dezelfde verhouding tot de Europeesche mogendheden te willen treden, welke ook de Sultan van Zanzibar tegenover hen inneemt.
De Katikiro, voorstander der Engelsche partij in Uganda, weigerde zijne handteekening daaronder te plaatsen, en verklaarde, dat hij eerst met de heeren Gordon en quot;Walker over de zaak van gedachte moest wisselen.
Hierdoor kwam de geheele aangelegenheid nu in haar tweede stadium. Door deze weigering van den Katikiro zou er een conflict noodzakelijk zijn geworden, om het verdrag in Uganda algemeen te doen erkennen.
Toch was ik vast besloten dit door te zetten, toen mij in Uganda de groote handelsbeteekenis dezer landen duidelijk en klaar werd.
Naar Uganda toch stroomt het ivoor in den vorm van belasting en ook als handelsartikel in ruil tegen eetwaren en andere dingen, uit alle landen in het Noorden en Westen van het Victoria-meer tot aan het Albert-meer bijeen, om van hier uit zijn weg over het Victoria-meer naar Tabora en de kust te nemen.
Uit de tollen, welke de Duitsche maatschappij aan de kust heft, blijkt de omvang van den Uganda-handel, welke zeer zeker niet geheel te berekenen is, maar toch voor een ieder die met Afri-kaansche toestanden bekend is, duidelijk wordt uit het feit, dat 60â80 Arabieren zich in dit land gevestigd hebben. Voorts blijkt dit uit het groot aantal Europeesche wapenen en munitie, Europeesche stoffen en ijzerwerk, gereedschappen enz., die te Uganda zijn. Want al deze dingen zijn toch ten slotte van de kust en van Zanzibar daarheen gekomen en tegen ivoor verhandeld.
De Arabieren in Uganda stonden in de nauwste betrekking tot hunne geloofsgenooten in Tabora en dreven den ruilhandel tot ver noordwaarts van Uganda. Naar het mij bleek, ging door bemiddeling van Kimbulus in Busiba (Karague) kruit tot naar Unjoro, en, naar men mij te Uganda meedeelde, zelfs tot naar Mahdi.
24
VEEDRAG MET MUANGA.
Zoo is in den Tabora-handel de geheele beweging op het Victoria-meer begiepen en groote handelsberoeringen te Uganda moeten zieh derhalve onmiddellijk in den omzet aan de kust en ook in de tol-opbrengsten van Bagamoyo en Dar-es-Salam doen gevoelen.
Dooi duizend kanalen zijpelt het Uganda-ivoor, afgezien van de onmiddellijke verzending van het opgekochte materiaal over het meer naar het Zuiden. Het is het groote koopgeld van dit gebied en gaat misschien door zes, zeven en meer handen, alsvorens het naai iaboia of Irangi, waar de Arabieren zich evenzeer neergezet hebben, aan de kust en in den wereldhandel komt.
Dezen tusschenhandel drijven onder anderen ook de bewoners van het eiland Bukerebe, wier handelscolonne ik zoowel te Busiba als ook te Usukuma gezien heb. Zij betalen met visschen en ook ijzerwerk, die zij hunnerzijds weder te Usukuma inruilen. Ik geloof, dat men bij de beoordeeling der Oost-Afrikaansche handelspolitieke verhoudingen dezen tusschenhandel van stam tot stam altijd veel te weinig in rekening brengt. Daarin ligt toch het zwaartepunt van den slavenhandel. Maar ook eene reeks van andere producten worden hier, naar het schijnt, sinds eeuwen door den eenen stam met den anderen geruild. Zoo levert Usukuma houweelen en ijzerwerk voor de stammen tot voorbij Ugogo. Wij ontmoetten somwijlen karavanen van inboorlingen, die uit het zuidoosten kwamen, toen wij door de Wembaere-steppe marscheerden. Wanneer ik vroeg: âWaarheen?quot; dan antwoordden zij: âWij willen naar Usukuma.quot; â âWat wilt ge daar?quot; â âWij willen yembe (houweelen) koopen.quot;
Op deze wijze onttrekt zich de handelsomzet van Uganda naar de kust aan alle onmiddellijke berekening. Dat zou slechts alleen in Uganda zelf vastgesteld kunnen worden. Maar de feiten, welke ik hierboven aanvoerde, zullen over de beteekenis daarvan in het algemeen wel geen twijfel overlaten.
Daar Uganda naar het Oosten geheel afgesloten was, zoo moesten de tegemoetkomingen in het verkeer met Uganda, waarop ik in myn ondeihoud met Muanga boven alles aandrong, voornamelijk den handelaren uit het Duitsche gebied en dientengvolge ook den omzet aan onze kust ten goede komen, maar bovendien toch ook
25
MEEDEELING DEE ENGELSCHE ZENDELINGEN.
tevens elke natie, die ondernemingen in deze landen op het oog mocht hebben. Zoo onder anderen al dadelijk Mr. Stokes, wiens agenten ik op verschillende punten rondom het meer aantrof, en de Engelsche zendelingen, die na de bekrachtiging van dit verdrag voor het ongeval bewaard zouden zijn, gelijk hun dat reeds herhaaldelijk weervaren was, dat hun namelijk de Koning maanden achtereen verbood om hunne woningen te verlaten, en hun zelfs het wandelen ontzegde, gelijk zulks Mr. Gordon en Mr. Walker overkomen is. Of dat hij hen plotseling uit het land zette, gelijk dat Mr. Mackay beleven moest, en dergelijke beperkingen der persoonlijke vrijheid!
Des te meer was ik dus verrast, toen Mr. Walker en Mr. Gordon, die op den lsten Maart het middagmaal bij mij gebruikten, mij te kennen gaven, dat zij Muanga het recht moesten ontzeggen, verdragen met derden te sluiten, daar hij zich reeds onder Britsche bescherming gesteld had. Dit gaf mij ongetwijfeld aan den anderen kant eene ongezochte aanleiding, om de zaak tot eene beslissing te brengen.
Ik deed nu onmiddellijk den Koning eene schriftelijke vraag toekomen: de Engelschen hadden gezegd, dat hij afhankelijk was van de Britsch-Oostafrikaansche maatschappij en dat hij dus geenerlei recht meer had, om met anderen verdragen te sluiten. Vóór ik met de geheele zaak verder kon gaan, moest ik dus eerst weten, hoe het hiermede stond, daar het geenszins mijn plan was, een ongeldig verdrag mee naar Europa te nemen. Derhalve verzocht ik, dat niet alleen Muanga maar ook de grooten des lands daarover hunne meening te kennen gaven, of zij afhankelijk (Watuma-slaven) van de Engelschen waren, dan wel of hij, Muanga, nog hetzelfde recht als Mtesa bezat.
Op den tweeden Maart onderteekenden intusschen de gezamenlijke grooten en gouverneurs der katholieke partij, die de meerderheid in het land uitmaakten, het verdrag ten huize van pater Lourdel en later in mijn leger.
Op den morgen van den 3den Maart had Muanga eene staatszit-ting bepaald, waartoe de gezamenlijke grooten des lands en ook
26
BIJEENKOMST TEN PALEEZE.
de prinsessen uit het huis der Wakuntu uitgenoodigd waren, voor zoover zij aan de moordenaarshanden van Karema ontkomen waren. Ik was de laatste, die verscheen. De beide Engelschen wisten zelfs niet, wat er gaande was. Muanga deed eerst eene reeks kleinere staatszaken af, benoemingen tot gouverneurs en dergelijke dingen. Toen stond ik op en sprak ongeveer het volgende;
âIk ben op uwen wensch naar hier gekomen, om u tegen de Arabieren bij te staan. Ik ben de vriend van Muanga en van u allen geworden. Wij zijn allen christenen, wij kennen allen de woorden van Jezus en vereeren die; blanken en Waganda zijn geheel gelijk. Het is derhalve noodig, dat de Waganda tegenover ons blanken datgene voor recht erkennen, hetwelk wij in onze landen tegenover hen als zoodanig beschouwen.
âWanneer lieden uit Uganda naar Duitschland willen komen, kunnen zij reizen en wonen en handel drijven, waar zij slechts willen; evenzoo, wanneer zij naar Frankrijk of naar Engeland gaan. Ik verlang, dat gij Waganda mij het zelfde recht voor ons Europeanen toestaat, niet voor ons Duitschers alleen, maar voor alle Europeanen, tot welke natie zij ook mogen behooren. Muanga heeft zich bei eid verklaard, afstand te doen van het recht van den Mtesa, om den blanken te verbieden, in Uganda te reizen of handel te drijven, of hen uit het land te zetten wanneer het hem goed dunkt. Hij heeft hieromtrent een verdrag met mij gesloten. In dit verdrag verzoekt hij ook om de vriendschap van den grooten keizer der Duitschers. Nu komen de Engelschen tot mij, die hier naast mij zitten en zeggen: Muanga en de Waganda hebben in 't geheel geen recht meer om zulke verdragen te sluiten, en zij vertellen mij, dat de Waganda slaven der Engelschen geworden zijn. Derhalve richt ik tot u, tot de Waganda, de vraag: Hebben de Engelschen de waarheid gezegd? Dan zal ik natuurlijk het verdrag verscheuren. Of hebben zij onwaarheid gesproken? Komt er dan nu oprecht voor uit.quot;
Deze woorden deden bij de gezamenlijke Waganda zulk een storm van verontwaardiging tegen de Engelschen onstaan, dat ik een oogenblik vreesde voor geweldige tooneelen. Toen sprong Muanga
27
VEKKLAKING DES KONINGS.
van zijn troonzetel op en zeide, terwijl hij zich in het bijzonder tot Gordon en Walker wendde:
âGij hebt gehoord, wat Dottore Patasi gezegd heeft. Zegt mij nu zelf, of zijne woorden waar zijn, of gij werkelijk naar hem toe gegaan zijt, om te zeggen wat hij meegedeeld heeft, ja dan neen.quot;
Een weinig uit het veld geslagen, verklaarde Mr. Gordon, dat de â koning zeer zeker de vlag der Britsch-Oost-Afrikaansche Maatschappij aangenomen had, en dat zulks evenveel beteekende, alsof hij de Britsche bescherming had aangenomen. Dat was zeer zeker hunne opvatting, en dat hadden ze mij gezegd.
Daarop zei Muanga:
âGij allen weet dat, toen wij ons op het eiland van het Victoria-meer bevonden, wij zoowel boden naar Stanley als naar Mr. Jackson gezonden hebben met de bede: komt ons helpen, dan zullen wij de vlag van Engeland aannemen, en den Engelschen den uitsluitenden handel in Uganda verzekeren. De Engelschman zou dan alleen in Uganda handel mogen drijven. Brengt mij terug op den troon van Mtesas, en er zal gebeuren hetgeen ik u geschreven heb. Wat is daarop geschied? Stanley, die van Unjoro kwam en met Amdallemin weigerde om aan de smeekbeden zijner christelijke broeders gevolg te geven, trok in een wijde bocht om Uganda heen. Mr. Jackson, die met veel soldaten lang in Kawi-rondo lag, is niet alleen niet gekomen om ons te helpen, maar heeft zelfs geen enkel patroon, geen hand vol kruit ter onzer ondersteuning gezonden. Nu beweren de Engelschen, omdat Mr. Jackson in een pak zijne vlag zond, dat ik daarom onder Britsche bescherming zoude staan. Tot onze hulp is alleen de dokter en de Badutschi gekomen. Wanneer ik mijn land onder iemands bescherming stel, dan zal het onder die van den grooten Keizer der Duitschers zijn. Maar ik wil blijven, wat Mtesa was, ik wil niemand toebehooren. Allen zullen welkom in Uganda zijn. Wanneer de Duitschers komen willen, dan mogen zij komen, wanneer de Franschen komen willen, dan mogen zij komen, wanneer de Engelschen komen willen, en dit kunt gij Mr. Jackson schrijven, en het zelfde recht willen hebben als de Duitschers, dan zullen zij
28
UITSLAG DEB VERGADERING.
mij even welkom zijn. quot;Willen zij echter mijn land inpakken, dan zal ik oorlog met hen voeren, want wij Waganda willen vrij zijn, en ik wil blijven wat Mtesa was!quot;
Hetgeen men in Europa âstormachtige bijvalquot; pleegt te noemen, vond nu plaats in de vergadering, met uitzondering van enkele aanhangers der Engelsche partij. Alles sprong op, en verdrong zich rondom Muanga om hem de handen te drukken.
Nu trad ik nog eenmaal op en zei:
âIk heb uwe woorden, o koning, gehoord, en ik zie, dat uwe grooten met u overeenstemmen, en weet, dat gij, evenals al uwe grooten, het verdrag zullen onderteekenen. Hoor nu, wat ik denk te doen, om u te toonen, dat ik werkelijk de vriend der Waganda ben. Ik hoor, Muanga, dat er in het westen van het Victoria-meer nog vijanden zitten, die met Karema bevriend zijn, en u weigeren de schatting te betalen, welke zij u schuldig zijn. Ik verneem, dat in Busiba voornamelijk Kimbulu zit, die uwen vijanden in Unjoro het kruit uit Unjanjembe verstrekt. Wanneer gij oorlog in het Noorden wilt voeren, dan moet gij eerst het gansche Zuiden in uwe hand hebben. Ik ben bereid u hiertoe de behulpzame hand te bieden. Geef mij booten en eenige manschappen, en ik zal de lieden van Busiba dwingen, u, Muanga, als hun heer te erkennen, u schatting te betalen en Kimbulu uit het land te zetten. Op deze wijze denk ik u eene zekere verbinding met onze Duitsche kolonie en de christenen aan de kust, uwe vrienden, te verschaffen.quot;
De koning lachte luide van vreugde, toen ik mijne toespraak geëindigd had, en ook de overige Waganda, o. a. Gabriel, het hoofd der Waganda-troepen, kwamen mij hartelijk voor het aanbod bedanken.
Toen stond Muanga nog eens op en herhaalde:
âOpdat allen het weten:
âIk ben de zoon van Mtesa, en wat Mtesa in Uganda was, dat wil ook ik blijven, en tegen iedereen, die dit niet wil, zal ik oorlog voeren.quot;
Daarop draaide hij zich plotseling om en verdween door een achter-uitgang der zaal in zijne bijzondere vertrekken, waardoor de vergadering opgeheven was. .
29
GEVOLGEN DER VERGADERING.
Nu drong de vloed, door pater Lourdel geleid, naar de huizen van den Katikiro en van de leiders der Engelsche partij. Ik vond het beter, aan deze bijeenkomst, door welke de Katikiro gedwongen zou worden zijne handteekening onder het verdrag te plaatsen, geen deel te nemen, maar begaf me naar onze legerplaats terug.
Feitelijk stelde de menigte nu den Katikiro voor de keuze: of het verdrag te onderteekèneh of af te treden.
Des namiddags kwamen de heeren Gordon en Walker bij mij en deelden mij mede, dat het in deze vergadering bijna tot handtastelijkheden gekomen ware, en dat zij voor den avond eene vechtpartij vreesden, zoo opgewonden waren de gemoederen.
âLaat ons het verdrag eens lezen, dan kunnen wij beslissen wat ons te doen staat.quot;
Zij lazen nu den inhoud, en het was Mr. Walker, die tot Gordon zei:
âMij dunkt, dat wij onzen menschen moesten raden, het stuk te onderteekenen.quot;
Ik antwoordde:
âDat moet gij weten, hoe gij hierin te handelen hebt. Ik hecht geen gewicht aan de onderteekening der grooten, daar de naam des konings buiten Uganda staatsrechtelijk bindt. Overigens bied ik u, ingeval er eene botsing tusschen beide partijen mocht plaats hebben, hetgeen ik ten zeerste betreuren zou en ook met alle geweld zal beletten, bescherming in mijn legerkamp aan. Op de partij, die het eerste schot afvuurt, zal ik van mijnen kant laten schieten.quot;
Ik schreef toen dadelijk den volgenden brief aan pater Lourdel:
âMengo Eubahga, 4 Maart 1890.
Waarde heer!
âIk verneem, dat de beide christelijke partijen op het punt staan, elkaar te gaan beoorlogen.
âIk geloof, dat zulks het einde der dynastie zoude wezen, daar Engeland hierdoor genoodzaakt zou worden, het land te bezetten. Ik ben zeker, dat gij alles doen zult wat in uw vermogen is, om de harten uwer lieden te bevredigen en daden van geweld te verhinderen.
30
beeichtejst naar zanzibar en duitschland.
âIk verwacht met groote belangstelling het antwoord des konings op mijn voorstel.
âAanvaard, waarde heer, de verzekering der groote hoogachting van uwen u toegenegen
Carl Peters.quot;
Nog op den avond van denzelfden dag kwamen de gezamenlijke grooten der Engelsche partij, met Katikiro aan het hoofd, om het verdrag te onderteekenen.
Van den anderen kant ontving ik van pater Lourdel geruststellende verzekeringen: zij, de zendelingen, waren voor de werken des vredes, niet voor den oorlog, en het sprak van zelf, dat zij alles wat in hunne macht stond, in het werk zouden stellen, om den vrede te verzekeren, die overigens in geen geval bedreigd was, daar niemand aan geweld dacht.
Het slot van mijn brief had betrekking op een voorslag, dien ik nog den 3en Maart aan den koning gedaan had, om mij namelijk zijn admiraal, Djumba, ter beschikking te stellen, ten einde zooveel mogelijk vele booten voor de voorgenomen expeditie om het westen van het meer op de Sesse-eilanden samen te trekken. Om meer nadruk aan de zaak te geven, wilde ik mijnheer v. Tiedemann eveneens naar Sesse zenden, waar hij in de Fransche missie bij Monseigneur Livinhac een veilig onderkomen vinden zou.
Tegelijkertijd stelde ik een kort bericht op aan het Duitsche Generaal-consulaat te Zanzibar over de gebeurtenissen in Uganda en het door mij gesloten verdrag, hetwelk ik op eene, mij daartoe door den koning afgestane boot, onmiddellijk naar Usukuma zond.
Kenschetsend voor mijne stemming in die dagen is een gelijktijdig schrijven aan Dr. Arendt, dat met dezelfde gelegenheid over het Victoria-meer ging:
Eubahga in Uganda, 7 Maart 1890.
Waarde Arendt!
âIk vermoed, dat gij wel de telegraphische meedeeling ontvangen zult hebben, dat mijne expeditie tot aan de grenzen
31
DE BRIEF AAN Dr. ABENDT.
van het gebied van Emin Pacha doorgedrongen was, toen ik nog te rechter tijd het bericht ontving, dat deze vertrokken was, om zuidwestelijk zich naar Uganda te kunnen begeven. Technisch was in Wachores residentie mijne taak geheel afge-loopen, want, gelijk Emin Pacha mij kon bevestigen, was het volstrekt niet moeilijk meer, van daar naar Fauvera door te dringen, waar Emin vroeger een station had. Ook heden nog bevind ik mij juist niet al te ver van Mwutan-Nzige en zou er elk oogenblik heen kunnen wandelen, wanneer daar niet de Mahdisten of de opstandelingen der aequatoriaal-provincie waren, maar Emin Pacha nog stond. Ook dit zal Emin Pacha of ook Stanley of ook Dr. Pelkin of deze of gene kenner van gindsche verhoudingen bevestigen. In ieder ander land zou ik eene dergelijke bevestiging kunnen ontberen, daar ik zelf het beste weet, hoe en met welke inspanning van zenuwen deze gebeurtenis bereikt werd. In Duitschland zou mij een dergelijk certificaat, dat ik mijne taak als een fatsoenlijk mensch vervuld heb, ge-wenscht voorkomen.
âZonder u iets nieuws te willen meedeelen, kan ik ook nog het volgende vermelden. Driemaal op mijne expeditie hebben de Engelschen zich tegenover mij gesteld. Telkens onder geheel verschillende omstandigheden, ben ik zoo gelukkig geweest, hun het hoofd te kunnen bieden.
âDe eerste maal wilden zij mij den toegang naar Witu versperren en daarna den marsch langs de Tana beletten. Ik heb in Oda-Boru-Ruwa den Engelschen invloed verwijderd en daarvoor den Duitschen in de plaats gesteld. Voorts zou ik volgens de voorspelling van Mr. de Winton aan het Baringo-meer eene Engelsche expeditie vinden. De Engelsche expedition moesten omkeeren in de steppen of aan de boven-Tana, door welke ik heengedrongen ben: aan het Baringo-meer wappert de Duitsche vlag.
âTen slotte hadden de Engelschen reeds hunne vlag naar Uganda gezonden, en alles was rijp voor de Engelsche bescherming. De Engelsche vlag gaat heden van hier terug, en van
32
DE BEIEP AAN Dr. AEENDT.
alle Engelsche bescherming, of liever van alle toestemming daarin, heeft koning Muanga zich dezer dagen plechtig in het openbaar los verklaard, en ik breng een handels- en vriendschapsverdrag mee terug.
âIk ben bij het doorzetten dezer expeditie achtereenvolgens met de Wagalla, Wandorobbo, Wadsaga, Wakikuju, Massai, Wakamasia, Wa-Elgejo en Mangati slaags geweest. Geen dezer stammen heeft mijn doortocht kunnen beletten, en zij allen hebben de Duitsche vlag leeren vreezen. Deze uitkomst heb ik met 15 Askaris en een vijftigtal dragers bereikt en met ruilartikelen, die uit het uitschot der voorhanden artikelen te Lamu bijeengezocht waren, en welke men ons âals voor de Tana tot Oda-Boru-Ruwa wel voldoendequot; had opgegeven. Dit, mijn waarde Arendt, is de Duitsche Emin Pacha-espeditie van de Kwaihu-bocht naar de hoofdstad van Uganda: Tana-Baringo-Kijl!
âHet schitterendst bedrijf dezer expeditie is gewis de Uganda-zaak.
âDeze meedeelingen, waarde Arendt, doe ik u niet uit zucht tot snoeven, maar omdat ik mijn standpunt toch wel eens tegenover den een of ander helder uiteen wil zetten. Ik weet nog in 't geheel niet of ik terugkom, want ik heb nu de taak op mij genomen, om het westen van het Victoria-Nyanza-meer te zuiveren van Arabieren en zal, wanneer mijne patronen toereikend zijn, daarna op Unjanjembe marscheeren, om de stelling van Tipo-Tib in oogenschouw te nemen.
âMen heeft mij de voortzetting aan mijn ouden arbeid willen beletten. Op wezenlijk grootsche wijze stelt mij het noodlot daarvoor schadeloos. Ga ik daarbij te gronde, dan zal dat niet weekhartig, maar op mannelijke, fiere wijze geschieden, en de Duitsche vlag, die ik naar hier gebracht heb, zal mijn doodskleed zijn. Ik heb gedaan wat ik kon, om haar op mijne wijze hier te eeren. Dat ik mij in de opvatting, hoe dit gebeuren moet, van het meerendeel mijner landgenooten onderscheid, is niet de laatste reden geweest, dat ik in Duitsch-
mijnheer v. tiedemann naar sesse.
land herhaaldelijk haat en schimp ontmoet heb. Maar daarom heb ik de zwart-wit-roode banier en ons brave vaderland niet minder hartstochtelijk lief, en overigens ligt de schuld ook voor een goed deel aan mij ....
âUganda, een heerlijk land, gaat nu gebukt onder den oorlog....
Met vriendelijken groet
Uw
Carl Peters.quot;
Naschrift op 8 Maart:
Daar zit juist een voormalig bediende van Emin Pacha naast mij. Ik heb heden van Muanga het verbod van slaven-uitvoer uit het land verkregen.
C. P.
Aan de Engelschen in Kawironde zond ik afschrift van het verdrag in den Franschen tekst met het volgend schrijven:
âDr. Carl Peters veroorlooft zich, bijgaand afschrift aan de heeren der B. E. A. A.-expeditie te doen toekomen, met het bericht, dat koning Muanga gisteren in eene openbare vergadering, welke de heeren der Engelsche zending bijwoonden, zich vrij van alle verplichtingen verklaard heeft, op welke de B. E. A. A. zich, op grond van aan Mr. Jackson gerichte brieven, zou kunnen beroepen, daar de voorwaarden, naar hij meent, niet vervuld zijn, welke hij gesteld had, om onder de bescherming van bovengenoemde Maatschappij te komen.
Dr. Carl Peters gelooft niet dat zijn zending de rechten van eenige Europeesche natie schendt.quot;
Den 6en Maart ontving ik de beslissing des konings betreffende mijn voorslag over het bijeenbrengen der booten op de Sesse-eilan-den. Hij verklaarde zich bereid, zijn admiraal daarheen te zenden en mijnheer Von Tiedemann toe te staan, op dezelfde boot mede naar de Fransche zending te varen.
34
MONSEIGNEUR LIVINHAC.
Dientengevolge gaf ik mijnheer v. Tiedemann dadelijk de opdracht, zich voor den volgenden morgen reisvaardig te houden. Doch Djimba verscheen nog niet, zoodat mijnheer v. Tiedemann nog een dag wachten moest.
Den 8en Maart des morgens begaf hij zich met zijne bedienden naar den oever van het Victoria-meer, tegenover het eiland Bulin-gogwe, en reeds den volgenden dag ontving ik de tijding, dat hij den nacht te Bulingogwe quot;had doorgebracht en in drie dagen te Sesse dacht te zijn.
Ik zelf trok den 8en Maart met mijne geheele expeditie naar een bekoorlijk landhuis, dat mij de koning aan de oostelijke helling van den Rubaga-heuvel te midden eener bananen-aanplanting afgestaan had. Het huis bestond uit drie groote kamers, die, in den trant der Indische woningen, van riet waren opgetrokken. Keuken en woning voor de bedienden bevonden zich in bijhuizen. Zooals het bij de Waganda gebruikelijk is, bestond de binnenplaats uit een aantal vierkanten die van riet gevlochten waren. Voor den ingang tot deze binnenplaatsen waren de huizen voor mijne colonne, zoodat ik al mijne manschappen bijeen had en toch volkomen ongestoord en alleen was. Aan den post naast den hoofdpoort-ingang fladderde de groote Duitsche vlag. Ik vermeld hierbij nog, dat ik ook in Uganda wederom dag en nacht vier posten om ons leger hield opgesteld, steeds den grondregel volgende, dat ik eene overrompeling, van welke zijde die ook komen mocht, zeer stellig allersmadelijkst gevonden en gestraft zou hebben.
Den 9en Maart maakte ik tot my'ne groote vreugde kennis met Monseigneur Livinhac, die van de Sesse-eilanden gekomen was om een bezoek te brengen aan de nieuw opgerichte katholieke zending.
Monseigneur Livinhac, evenals zoo vele zijner broederen in deze landen, is een in 't oog vallend knap en eerwaardig man, met een grooten langen zwarten vollen baard. Een met brillanten bezet kruisbeeld hangt over het witte kleed op zijne borst. Ik vond in hem een zeer fijngevoeligen, door en door beschaafden en onbevooroor-deelden man, vol geestdrift voor de zaak welke hij diende, en tevens met een veelomvattenden blik voor de groote hervormingen,
35
verbod van slavenhandel.
die van lieverlede in de Afrikaansche toestanden kunnen plaats grijpen.
Den 8en Maart smaakte ik eerst het genoegen hem te zien. Op Zondag den 9en Maart gebruikten wij in de katholieke zending gezamenlijk het middagmaal, welks toppunt een flesch Algerijn-schen wijn was, dien Monseigneur Livinhac meegebracht had, een zeer zeldzaam genot, dat, gevoegd bij het opwekkend onderhoud, ons in eene bijna Europeesche stemming bracht.
In de daarop volgende dagen begon ik nu een tweede gewichtige vraag voor Uganda in oogenschouw en in behandeling te nemen. Wanneer Muanga en zijne partij tot het Europeesch-christelijke stelsel wilden toetreden, dan was het voor hem volstrekt noodig, zich geheel en al op het standpunt der anti-slavernij-beweging te plaatsen. Uganda, vooral wegens de bijzonder knappe Beyma-meisjes, was vroeger een der grootste middelpunten van den slavenhandel geweest. In de week van 9 tot 16 Maart gelukte het Pater Lourdel en mij, den koning de volgende plechtige verklaring te doen afleggen, welke deze zaak geheel tot een goed einde bracht:
âIk, Muanga, koning van Buganda, verklaar in tegenwoordigheid van Dr. Carl Peters en van pater Simeon Lourdel, dat ik allen slavenhandel verbied in Buganda en in de landen welke daaraan onderworpen zijn, en dat ik mijn uiterste best zal doen, in al de landen die mij onderworpen zijn, den uitvoer van slaven te beletten.
Mengo, den 16en Maart 1890.
Muanga, Kabaka van Buganda,
Simeon Loubdel, van de missie van Algiers, Superieur der katholieke zending.
Dr. Carl Peters.quot;
Deze verklaring werd gelijktijdig in de Kiganda-taal openbaar gemaakt en hierna aan de grooten des lands in eene plechtige zitting medegedeeld.
36
BESCHOUWINGEN.
Om de christelijke gedachten, die aan deze acte ten grondslag lagen, nog scherper te doen uitkomen, drong ik bij den koning er op aan, dat hij, in navolging van hetgeen in den Congo-staat was
1
besloten, den christelijken godsdienst in al zijne landen als alleen heerschende eeredienst zou afkondigen.
De koning benoemde mij tot zijn gevolmachtigde voor de^onder-handelingen in dit opzicht, ingeval ik in Europa tot de overtuiging mocht geraken, dat zulks in orde kon komen. De christelijke godsdienst werd buitendien als staatskerk in allen vorm afgekondigd,
37
BESCHOUWINGEN.
door de bepaling, dat staatsbetrekkingen slechts door christenen bekleed mochten worden, zoodat alle heidenen, indien zij niet wilden overgaan, hunne ambten behoorden neer te leggen.
Dit werd in Uganda en zijn geheelen omvang doorgezet, en op deze wijze verloor ook mijn oude vriend Kamanyiro Kaüta zijne provincie. De koningin-moeder, de weduwe van Mtesa, die zelve heidin gebleven was, ofschoon ik met haar op een zeer goeden voet stond, was niettemin genoodzaakt, al hare hofbeambten, die eveneens het oude geloof beleden, te ontslaan en een christelijken hofstoet op te richten, hetgeen haar alles behalve aangenaam was. Het mohamedanisme werd eenvoudig verboden en met doodstraf bedreigd. Het heidendom wordt geduld, maar de christelijke godsdienst blijft de in elk opzicht heerschende eeredienst.
Ik werkte aan al deze aangelegenheden zeer ijverig mede, omdat deze inrichtingen naar mijne beschouwing volkomen overeenstemden met de toestanden die in het noorden van het Victoria-meer bestonden. Het mohamedanisme kreeg den nekslag door het â verbod van slavenhandel. Deze moest in Uganda verboden worden, daar hij zonder omwegen het op de vernietiging van het christendom toelegde, en wanneer men in het algemeen den slavenhandel gedoogde, zou hij bij de naburige mohamedaansche mogendheden in het noorden zeer gemakkelijk wederom de heerschappij kunnen verkrijgen.
Het heidendom kon men van een politiek standpunt dulden, wanneer men het slechts geene invloedrijke positie in het land liet. Het laatste was daarom gevaarlijk, omdat in den ouden heiden-schen godsdienst de dynastie zelve eene bovenaardsche vereering genoot, en het dus aan te nemen was, dat, ofschoon Muanga het met de katholieke partij eens was, bij den heerscher altijd nog een sterke voorkeur voor dezen godsdienst bestaat, welke licht gevaarlijk kon worden voor de christelijke ontwikkeling, ingeval deze niet de geheele staatsmacht in handen had. Gaf men nu het heidendom eene zoodanige plaats, gelijk wij het in Uganda deden, dan had het ongeveer de stelling als in het midden van den Komeinschen keizertijd, en dan kon er geene sprake van zijn of het zou spoedig van zelf verbrokkelen.
38
OPKOMST VAN HET LAND.
Om aan de partij van Karema een flinken slag toe te brengen, verzocht ik den koning te bepalen, dat op diens hoofd een prijs van 50 Frasilas ivoor wierd gezet, terwijl al zijne aanhangers, wanneer zij het mohamedanisme wilden afzweren, kwijtschelding van straf en vrije terugkeer naar Uganda wierd toegestaan.
Ik trok echter dat voorstel na de opmerking van pater Lourdel in, dat niemand geloof zou hechten aan de uitbetaling van den prijs, die voor het hoofd van Karema was uitgeloofd, noch aan het nakomen der algemeene kwijtschelding van straf, zoodat derhalve een dergelijk besluit onpraktisch zoude zijn. Daaraan had ik in 't geheel niet gedacht.
Intusschen had ik, ook niettegenstaande dit alles, gedurende deze weken in Uganda het groote genoegen, van te kunnen opmerken hoe het land weder in bloei begon toe te nemen. In het noorden van Mengo was spoedig onder hooge boomen de dage-lijksche markt weder geopend en met groote massa's, eiken dag meer en meer, stroomden de christelijke vluchtelingen van alle kanten naar hun vaderland terug.
Als de bloesems na een lenteregen ontloken op alle heuvelen weder huizen en dorpen. De breede mooie wegen, die met gras begroeid waren, waren spoedig weder schoon gemaakt en leverden het nette gezicht op, dat aan al deze nederzettingen eigen is. Overal werd geplant en gewied en daar, merkwaardig genoeg, met onzen intocht in het land ook de regen weder gekomen was, zoo groende en bloeide het weldra in alle oorden en op alle punten.
De gemeenten van beide eerediensten gingen nu ook dadelijk aan het bouwen van godshuizen. Het symbool en de zegen des kruises waren overal merkbaar.
Dat was voor mij de grootste voldoening, welke de gevaren en zorgen der reis mij in het algemeen hadden kunnen schenken. Wanneer ik mij in het openbaar, steeds met zekere deftigheid en ceremonieel, liet zien, verdrongen zich de mannen en vrouwen om mij heen, om mij jubelend te begroeten en mij te bedanken voor de hulp, die ik hun verleend had. Het waren voor mij aandoenlijke uren en dagen, wanneer ik er aan dacht, wat uit dit zoo rijk ge-
39
DE WAGANDA.
zegend land nog worden kon, wanneer het onder Europeeschen invloed, flink arbeidend, voorwaarts schreed, gelijk dit in deze. weken zoo verblijdend het geval was.
Daar ik zoo geheel alleen was en gewoonlijk voor mij zeiven leefde, had ik, behalve mijne correspondentie en mijne politieke bemoeiingen, die nog steeds eenige uren daags vorderden, tijd in overvloed, om land en volk te bestudeeren en zeden en gebruiken te leeren kennen.
Natuurlijk kon ik in dit opzicht niet tot een afdoend resultaat geraken, maar juist omdat ik Uganda onder zulke eigenaardige omstandigheden zag, zullen mijne beschouwingen niet geheel en al zonder belang zijn.
Wanneer men de volkeren mag verdeelen in twee helften, waarvan de eene geroepen is om te heerschen, en de andere om te dienen, dan behooren de Waganda zonder bedenken in de rij der eersten. Trotsch, tot wraakzuchtige gevoeligheid toe, moedig en dapper tot barbaarschheid, hebben zij het instinktmatig gevoel hunner overmacht over anderen, hetwelk de natuurlijke voorwaarde tot heerschen is. Het is nog niet zoo lang geleden, dat de koning van Uganda zich voor den eersten monarch der wereld hield en evenzeer op blanken als op Arabieren neerzag.
Mtesa had zelfs de naieveteit, eene dochter der koningin van Engeland tot zijne gemalin te begeeren, en meende dat hij H. M. Victoria daarmee al heel wat eer bewees. Voorzichtigheidshalve hielden intusschen de Engelsche zendelingen het schrijven dat daarop betrekking had, maar stilletjes te Usambiro. Maar ook de eenvoudige Mganda, hoe onvoorwaardelijk hij aan de oppermacht van zijn Mfalme onderworpen is, weet, waar hij dit vermag, terdege goed te bevelen. Ik had gelegenheid, dit zoowel te Usoga als ook op mijn tocht om het Victoria-Nyanza-meer op te merken.
Als gids had ik Stephano, een jongen bediende van den Katikiro, bij mij en had er schik in, met welk eene zekerheid deze, die zich tegenover mij als een slaaf gedroeg, honderden van Wasesse-roeiers zoowel als anderen uit de stammen van het Westen kommandeerde. Dat zit den Mganda eenigermate in het bloed, en zijne meerderheid wordt nergens bestreden.
40
DE WAGANDA.
Wat ontwikkeling van het verstand aangaat, overtreffen de Waganda dan ook alle andere Afrikaansche stammen. De zendelingen hebben het mij verzekerd, en ik had persoonlijk gelegenheid het op te merken, met welke snelheid zij de dingen opvatten en zich daarmede eigen maken.
In tegenstelling met alle andere negers heeft de Mganda behoefte aan vooruitgang. Ongeloofelijk snel is het christendom er doorgedrongen, nadat zij eenmaal van de meerderheid van het blanke ras overtuigd waren en met het christendom heeft zich ook tevens de kunst van lezen en schrijven algemeen verspreid.
De zendelingen van beide eerediensten stemmen in de schildering van den ijver, waarmee de Mganda zich op het leeren toelegt, overeen. Hoe geheel anders als de zedelijk en geestelijk verstompte Mwangwana aan de kust of de domme Msukuma en Mjamwesi! In den Mganda zit vuur, karakter en verstand, en zonder eenigen twijfel heeft dit ras eeno toekomst.
Onmiskenbaar gaan met al deze voorrechten eene reeks fouten gepaard. De kinderlijke onbeschaamdheid, waarover Emin Pacha klaagt, heb ik niet gevonden. Andere tijden, andere zeden, en het is zeker ook een onderscheid, of men alleen te Mtesa komt of wel aan het hoofd van eene oorlogzuchtige expeditie te Muanga!
In het algemeen is er met het christendom grooter eerbied ontstaan jegens het blanke ras, dat ginds den nieuwen godsdienst gebracht heeft. De meerderheid van ons ras is den Waganda duidelijk geworden, en hij zou van ons zooveel mogelijk willen leeren. Maar zijn zucht om iets te beteekenen, laat hem den gewonen dagelijkschen handenarbeid versmaden, en daar hij toch leven moet. grijpt hij het bedelen of stelen aan. In een land, waar het persoonlijk eigendom geheel en al van de luimen des heerschers afhangt, ontbreekt de voorname prikkel om iets op deugdelijke en eerlijke wijze te verkrijgen, en het gevaarlijke geluk, dat de duurzame banaan, die nauwelijks eenigen arbeid vordert, hem alles verschaft wat hij voor zijn levensonderhoud behoeft, heeft zijn lust tot niets doen nog in hooge mate doen toenemen.
Dit gelukkig volkje behoeft slechts woningen voor zich te bouwen .
41
DE WAGANDA.
waarvoor het riet, dat overal groeit, zeer gemakkelijk materiaal biedt, en zijne kleedij, Mbugo, te vervaardigen, waarvoor de schors van een vijgeboom ter beschikking is, om zijne dagen in zalig niets doen door te brengen.
De onrijpe banaan wordt gedroogd en geeft gemalen het fijnste witte meel, dat ik ken. Zelfs geef ik aan het ugali (brei) uit bananen-meel verre boven roggemeel de voorkeur. Of wel, men roostert de groene banaan, om een gerecht te verkrijgen, dat zeer veel heeft van aardappelen die in de schil gesmoord zijn. Of wel, men kookt een rijpe bananensoort met de schil in kokend water en men heeft, nadat de schil afgetrokken is, een compote, dat even lekker smaakt als ingemaakte peren. Als nagerecht is bijzonder aanbevelenswaardig de rijpe banaan, afgehaald, in tweeën gesneden en in de pan met suiker en boter gebakken, wat een schotel oplevert, die bij den Europeeschen appelpankoek zeker niet behoeft achter te staan.
Er zijn nog andere manieren, om de bananen te bereiden, en daartoe behooren ook de verschillende schuimende dranken, welke uit deze vrucht gewonnen worden, van den lichten, op champagne gelijkenden Muënge (tamo-tamo) tot de zware, bedwelmende Pombe-soorten.
Waarlijk, kostbaarder gave konden de goden dezen landen aan den noordelijken rand van het Victoria-Nyanza-meer niet schenken dan zijne onafzienbare bananenbosschen, waaruit millioenen men-schen zich op even gemakkelijke als aangename wijze voeden. Maar, even als dit op de Zuidzee-eilanden het geval moet zijn, is dit geschenk van een voedingsmiddel, dat al te gemakkelijk te verkrijgen is, ook hier met gevaren verbonden, waaraan zelfs de vurige wilskracht van dit ras niet altijd weet te ontkomen. Wie in Uganda reist, moge op zijn goed letten, vooral ook des nachts, en hij moge zich verweeren tegen het bedelen van grooten en kleinen. Anders zal hij niet heel veel uit deze landen mee terugbrengen.
De wijze van groeten der Waganda is vroolijk en levendig. Ontmoeten elkaar twee bekenden, dan zegt de een, terwijl hij de hand van den anderen grijpt:
42
DE TROMMEL DEB WAGANDA.
âOtanioquot; â âehquot; (brommend) antwoordt de ander. En nu wordt er wederkeerig gebromd: âehquot; âehquot; âehquot; âehquot; âehquot; âehquot;, waarbij de stem steeds meer en meer daalt, en er soms ook een nieuw otiano tusschen gestrooid wordt.
De wijze waarop men zijn dank betoont, bestaat in het vlak neervallen op de buik, terwijl beide handen met de binnenvlakte tegen elkaar worden gelegd en dwars door de lucht geslagen, met een herhaald: âNianzig, nianzig, nianzigquot;.
Geheel en al in overeenstemming met het levendig bloedrijk gestel, is de liefde voor muziek bij dit volk sterk ontwikkeld. Stanley vertolkt Uganda met trommelland. Ik heb te vergeefs naar eene juiste verklaring voor deze vertaling gezocht. Veeleer beteekent Mgande in de Kiganda-taal âbroederquot; en zou Uganda derhalve be-teekenen âBroederlandquot;, zooals wij spreken van ons âvaderlandquot;. Maar al moge ook de vertaling van Stanley niet juist zijn afgeleid, dan is er toch in den aard der zaak veel voor te zeggen, want een trommelland is Uganda in den waren zin des woords. Men trommelt er dag en nacht en in alle oorden en plaatsen. Daartoe noodigt het heuvelrijke land met zijne ver weerkaatsende hoogten en weerklinkende dalen in het bijzonder uit. Van de hoogte van Mengo of Rubahga is men ongetwijfeld bij machte, het land op minstens eene mijl in den omtrek met trommelsignalen te beheer-schen. Dit wordt door het koninklijke hof dan ook in den volsten omvang gehandhaafd. Muanga heeft een geheel huis met allerlei soorten van trommels. Door middel van deze instrumenten is het mogelijk de grootste verscheidenheid in de signalen te brengen, welke in den geheelen omtrek dadelijk begrepen worden.
Dikwijls wanneer Gabriel, het legerhoofd, bij mij was, stond hij plotseling op en zei: De poorten worden gesloten, of: De koning wil mij spreken, of: De askaris moeten dansen, of iets dergelijks. En wanneer ik dan vroeg: hoe weet ge dat? dan antwoordde hij lachend: âNgoma.quot; (Trommels). In het bijzonder indrukwekkend is â de oorlogstrommel, ook zelfs voor een Europeesch oor. Die trommels, in de quinte gestemd, worden in een eigenaardigen roffel geslagen, hetgeen een deftig ernstig en tevens dreigend karakter draagt.
48
44
ger waren, maar het ensemble
DE ZANGEN DEE quot;WAGANDA.
iemand onwillekeurig de handen voor de ooren doet houden.
Bovendien hebben de Waganda snaarspeeltuigen, hoorns en zelfs kleine houten piano's, waarvan zich een zeer klankvol exemplaar in de instrumentenverzameling van Muanga bevindt.
Daarnaast treedt de zanger op. Hij draagt voor bij den trommel, waarop hij zelf ter begeleiding van zijne voordracht slaat. Hij schijnt liefde-zangen of lofliederen op den Muanga of een aanwezigen groote voor te dragen. Bij de eersten glimlacht hij veelbeteekenend, of begeleidt zich ook wel met eene rhythmisch dansende beweging, zonder van zijne plaats te komen.
In koor zingen de Waganda niet onmelodisch, nu eens een weinig weemoedig, dan weder woest en krijschend. Men heeft altijd het gevoel, dat zij, even als de papegaai, een brok van eene melodie machtig zijn, maar het niet verstaan, om de afzonderlijk gescheiden partyen tot eene werkelyke en geheele melodie te doen ineensmelten. Het is alsof zij naar de uitdrukking van iets zochten, dat zü zouden willen uitspreken, zonder daarvoor gepaste uitdrukking te vinden.
Overigens heb ik Uganda in eenen te ernstigen tijd gezien, om een juist oordeel over den levenslust en de zangtalenten van dat ras te kunnen vellen. De honger heerschte in 't land, en de oorlog stond voor de deur. Dan gaat het zingen en dansen niet van harte. Maar de bevolking stroomde toch eiken dag meer en meer naar 't land terug, overal werd gebouwd en, alles bij elkaar genomen, was het mij toch wel mogelijk, een juist oordeel omtrent deze zijde van het volkskarakter uit te spreken.
De huizen der Waganda-grooten zijn in hooge mate smaakvol, meestal zijn ze geheel van riet netjes opgebouwd en gelijken op den Indischen bouwtrant. Mijn huis bij Eubahga, dat ik, zooals reeds door mij vermeld is, de tweede week betrok, bestond voor en achter uit twee open hallen in den vorm van een halven kogel, waarin ik mij zeer aangenaam had ingericht. De middenruimte vormde eene groote half donkere kamer, waartoe van een derden kant eene deur, die gesloten kon worden, toegang verschafte. Het aardige huisje was in het vierkant door eene hooge heining van
45
46 BOUWKUNST DER WAGANDA.
rietwerk omgeven, waarboven slechts de boomen van het bananen-
bosch uitstaken, in welks nabijheid de bezitting gelegen was. Dit
BOUWKUNST DEE WAGANDA.
binnenhof was weder door andere matten-omheiningen in verscheidene ruimten afgedeeld, in een waarvan het huis voor de keuken lag. Drie deuren aan drie zijden gaven uit de buiten-omheining toegang naar buiten. Voor een dezer deuren, op een afstand van 10â15 schreden, lagen de woningen voor de slaven, waar ik Askaris en dragers huisvestte. Mijne bedienden en de keuken had ik in de kleine afzonderlijke binnenplaatsen gelegerd. Zoo had ik al mijne lieden bij de hand en was toch zelf volkomen alleen en ongestoord. Zekerlijk dus de aangenaamste bouwtrant in deze landen, die maar te bedenken is. Daar de binnenpleintjes met fijngestampte klei bestraat waren, was het lastig om alles heel zindelijk te houden.
De huizen der slaven en armen bestaan even als bij de Bantu uit meer of minder groote hutten in den vorm van hooischelven, met een sluitbaren ingang, en die van binnen door eene soort van pilaren geschraagd worden. In den huishouw zijn de quot;Waganda uiterst handig. Binnen drie, vier dagen waren geheele dorpen plotseling uit den grond verrezen, waar te voren slechts eene woestenij geweest was. Te Mengo verrezen in ééne week ontvangzalen van buitengemeenen omvang, honderden huizen voor de wachten, de trommelslagers en de slaven des konings.
Behalve deze vlugheid in het bouwen van huizen zijn de Waganda, gelijk Emin Pacha ook reeds doet uitkomen, bijzonder handig in smidsarbeid. Bij Rubahga is zulk eene smederij, die ik eens bezocht. De lieden arbeiden daar bijna uitsluitend met Europeesche instrumenten, en ik geloof ook, met eene handigheid, welke die van den Europeaan evenaart. Ik heb hier verscheidene geweren laten herstellen en onder anderen een verloren gegaan brokstuk van een der magazijngeweren voor het uithalen der afgevuurde patronen geheel nieuw laten maken. Al dat werk werd nauwkeurig en netjes gedaan. Het handwerk is hier echter ook nog in eere. De bezitter der smederij was juist tot een der hoofden benoemd geworden. Het ijzer krijgen de Waganda hetzij uit Unjoro of uit Usagara in het westen van het meer of in den vorm van ijzer-draad van de kust. In Uganda zelf wordt geen ijzererts gevonden..
47
KLIMAAT TE UGANDA.
De door mij aangevoerde feiten toonen aan, dat wij in dit levendig en karaktervol volk tegenover een ras staan, dat in de hoogte gaat en voor de ontwikkeling van Centraal-Afrika eene toekomst heeft. Evenals de Thüringers leven zij in hun eigenaardig golvend heuvelland blijmoedig en levenslustig. Maar dieper dan bij den Duitschen stam zijn hier de sombere karaktertrekken van bloedige wraakzucht en brutale wreedheid ingeprent. Wij zijn te Uganda in het bereik der sombere Centraal-Afrikaansche dwingelandij. Men verwondert zich over de tallooze eenoogigen en menschen zonder ooren, neuzen en lippen, die men hier ontmoet. Maar de zendelingen weten u van heel andere dingen te vertellen. Den heerscher alléén behoort alles in het land. Hij beveelt, en men brengt hem dadelijk vee, dochters en vrouwen. Hij beveelt: honderden zijner onderdanen worden naar den brandstapel gesleept en onder vreese-lijke smarten vermoord. Achter elkaar worden de ledematen afgesneden, voor de oogen der ongelukkigen geroosterd en deze alsdan gedwongen, ze op te eten. Vervolgens roostert men de romp langzaam, en alles wordt aangewend om de ellende zoolang mogelijk te rekken. Dit hebben mohamedanen en christenen hier moeten beleven, en eerst zeer kortelings is mét het christendom hierin een gunstige wending gekomen.
En toch is dit land, wat klimaat en landschap betreft, vroolijk en mooi, zoodat men zich er over verbaast, dat onder dezen hemel zulke dierlijke wreedheid haar zetel kan hebben. In Uganda stijgt, volgens de meedeeling van Pater Lourdel, de thermometer in den heetsten tijd, namelijk in Februari, nooit boven 28° C. in de schaduw, terwijl hij in Juli, de koudste maand, tot op IS3 C. des nachts daalt.
Het is allermerkwaardigst, dat Uganda volgens de jaargetijden tot het zuidelijk halfrond behoort, terwijl het toch geographisch tot het noordelijke gerekend wordt. Ook is het land niet zoo scherp in een nat en droog tijdperk verdeeld als in de andere landen der tropen, al valt er ook in de maanden Maart tot Mei meer regen dan gewoonlijk. Het regent er onregelmatig op alle tijden van het jaar, hetgeen aan den invloed van het meer toegeschreven moet worden. En de omarmingen van hemel en aarde zijn hier van buitengewoon
48
ONWEDEES TE UGANDA.
vurigen aard. Nergens heb ik zulk een menigte krasse onweeren bijgewoond als in en bij Uganda. Gedurende het onweer is het lichten van den bliksem bijna niet van de lucht af. Het weerlicht trilt voortdurend als een gasvlam, die door den herfstwind bewogen wordt. Daarbij aanhoudend korte rollende donderslagen. En wanneer wij zelf geen onweer boven ons hadden, dan stond toch eiken avond in de maand Maart éene zijde van den horizon, meestal de noordelijke, in vlam. Maar de aarde toont zich hier ook dankbaar genoeg voor den hemelschen regen. Alles groent en bloeit, en ik ben met de zendelingen overtuigd, dat de grond hier in staat is, stellig alles voort te brengen, wat tot de tropen en de gematigde luchtstreek behoort. Slechts wil ik met een enkel woord de uitmuntende Uganda-koffie vermelden, die wij geregeld dronken, en die hier in het wild groeit. Mijnheer v. Tiedemann kocht 50 pond voor een stuk stof van 4 armlengten. Tusschen Mokka-koffie en deze vind ik geen onderscheid. Bovendien vermeld ik tabak en suikerriet, maniok, het roode sorgho, erwten, boonen, bataten, enz. De katholieke zending had op haar station alle soorten van Europeesche groenten. Daarbij is het land uiterst gezond. Nog is geen zendeling in Uganda gestorven, behalve pater Lourdel, en voor longzieken zou dit land niet minder dan Madera aan te bevelen zijn.
En van waar komen dan de bewoners van dit land? Van waar hebben zij die meerderheid en die hoogere beschaving, waardoor zij boven de andere Bantu staan? Want Bantu zijn zij volgens hun doen en laten zonder eenigen twijfel, en ook hunne taal toont dit aan. Maar er is in deze oorspronkelijke bevolking nog een tweede element gedrongen, dat uit het Noorden gekomen is. Emin en Felkin noemen deze noordbewoners Wahuma (noordbewoners), ik heb in Uganda den naam Beyma gevonden. Wahuma worden in Usukuma de Massai genaamd, en dit woord heeft dezelfde beteekenis als Wasukuma, hetgeen ook wederom niets anders als noordlieden be-teekent. Deze Beyma kwamen lang geleden uit het verre noorden, gingen niet ver van Mruli over den Nijl en veroverden al het land in het noorden en westen van het meer. Zij vestigden hier een groot rijk onder de Wakintu, uit wier stam nog de tegenwoordige
49
AFSTAMMING DER WAGANDA.
50
dynastie der koningen van Uganda afkomstig is. Hun rijk strekte zich uit tot den Mwutan Nzige en in het zuiden tot aan het noordelijk einde van den Tanganjika. Daartoe behoorden de landen Usoga, Uganda, Unjoro, Meru, Usagara en Uhha in het zuiden. In Uhha heerscht dit ras der Beyma nog heden zuiver en onvermengd. In het noorden smolt het met de oorspronkelijke bevolking ineen, of scheidde zich in de herdersbevolking der Beyma scherp van de heerschende gemengde bevolking af. Zulke Beyma vindt men in Uganda nog bij honderdduizenden. Zij leven geheel voor zich, hunne meisjes worden echter om hare uitstekende schoonheid wijd en zijd gezocht, en door deze dringt het Beyma-bloed onophoudelijk verder en verder door. Hetgeen ik van de Beyma zag, gaf een slank type te aanschouwen, vochtige en droomerige oogen en bijna Kaukasische gelaatstrekken. De kleur is lichtbruin, en de gezichten herinnerden mij aan afbeeldingen in de oud-Egyptische tempels.
Pelkin vertelt, dat zij ook Wawitu genoemd worden, hetgeen ik niet kon vaststellen. Deze naam zou afkomstig zijn uit streken, die oostelijk van Lamu liggen. Voor de geschiedenis van Centraalen Noord-Afrika zoude het echter van groot gewicht zijn om te weten: van waar de Beyma komen en tot welk ras zij behooren. Zij spreken het Kiganda, maar met eene vreemde uitspraak. Bij nader onderzoek gelukte het mij echter, eene reeks woorden in hunne taal te ontdekken, die niet tot het Kiganda en derhalve tot de oorspronkelijke taal der Beyma behooren. Ik laat hier deze woorden volgen, in de hoop dat kundiger mannen dan ik daaruit gevolgtrekkingen zullen weten te maken.
Beyma:
Kiswahili: Kiganda:
naku katonda
siku
mhungu
Dag God
dubaga (of Rubahga, zooals de vroegere hoofdstad van Uganda)
birr o
ruhale
duivel
shetani
bahvesi (naar het schijnt meer aartsengel)
Iguru
ster
tonda
katonda
|
AFSTAMMING DER WAGANDA. | ||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Wanneer men de opgeworpen vraag beantwoorden wil, zal men er ook de woorden bij moeten nemen, die in het Ziganda en Beyma inheemsch zijn, maar van het Kiswahili afwijken, want er kunnen toch ook in het Kiganda woorden uit het Beyma doorgedrongen zijn. Dit' onderzoek laat ik echter aan kundiger mannen over, daar ik van Kibantu slechts het Kiswahili ken en de van het Kiswahili afwijkende stammen toch altijd nog eigen Uganda-afwijkingen in Kibantu kunnen zijn. Intusschen volgen hier eenige woorden, (Me misschien tot verder onderzoek kunnen leiden.
51
|
Kiswahili: |
Kiganda en Beyma: | |
|
rund |
Ngombe |
nte unte |
|
vogel |
ndege |
njungu |
|
vrouw |
manamke |
mkasi |
|
sultan |
sultani |
kabaka (Beyma: mukama) |
|
kind |
mtoto |
muana |
|
nacht |
usiku |
kirro (vergelijk birro = dag) |
|
ziel |
roho |
mtinsa |
|
stok |
fimbo |
mkoni (Beyma: mugd) |
|
vet |
rnafuta |
msigo |
|
melk |
masiva |
mate (Beyma: matd |
|
oorlog |
mwifa |
baruana (Beyma: turuanï) |
Ik laat het bij deze proeven, daar verdere niet-Kiswahili-stammen in Kiganda voor den navorscher wel in de Kiganda-spraakkunst van monseigneur Livinhac zijn na te sporen.
AFSTAMMING DER WAGAKDA.
Felkin meent, dat de Beyma van oud-Abyssinischen oorsprong zijn; ik zou bijna vermoeden, dat zij tot het ras der quot;Wagalla, Somal, behooren. Zij zijn zonder eenigen twijfel evenals dit een zuiver herdersvolk, en eenige woorden hunner taal klonken in mijne ooren als zeer bekende Somali- of Wagalla-uitdrukkingen. Zoo b. v. birro ~ dag, Kisomal beri = Kigalla bom â morgen vroeg; njürra = regen, Kisomal górrdh. Ik laat dit verder rusten.
Intusschen zij het mij veroorloofd, gronden hier aan te voeren, die het voor mij aannemelijk maken, dat overoude betrekkingen tusschen het meergebied en de oud-Egyptische beschaving hebben plaats gehad.
1. Dat de ouden de centraal-Afrikaansche meren gekend hebben, is een bekend feit. Aristoteles vermeldt reeds kort en krachtig:
âDe kraanvogels trekken tot aan de meren boven Egypte, waaide Nijl ontspringt. In gindschen omtrek wonen de dwergen en dat is geen vertelseltje, maar de zuivere waarheid. Menschen en paarden zijn, naar de vertelling luidt, van een kleine soort en wonen in holen.quot;
Vooral schijnt het opmerkelijk, dat Aristoteles het feit, dat de Mjl uit meren in het zuiden ontspringt, niet als iets nieuws, maar als iets dat zijn lezers reeds bekend is, tegelijkertijd herhaalt. De bijvoeging âdat is geen vertelseltjequot; bewijst overigens, dat Aristoteles zijne berichten omtrent het dwergvolk uit eene voor hem geloofwaardige bron, waarschijnlijk van reizigers heeft, gelijk die ook in lateren tijd, door Schweinfurth en anderen als volkomen juist is erkend. Het volk der Pygmeën is door Schweinfurth in het dwergvolk der Akka zuidwaarts van Manbutta weder herkend. Nu zou het mogelijk kunnen zijn, dat zulke berichten uit de derde en vierde hand naar Egypte gekomen waren. Maar dit moge zijn zooals het wil, in elk geval bewijst dit zekere betrekkingen.
Eratosthenes laat eveneens 200 jaren voor Christus den Nijl uit meren ontspringen. Nauwkeuriger berichten schijnt Ptolemeus gehad te hebben, die op zijne kaart twee Nijlmeren aangeeft, Victoria- en Albert-Nyanza, en zuidwaarts van het meer het maangebergte vermeldt. Dit maangebergte verschijnt dus reeds voor Christus en
52
HET MAANGEBEEGTE.
in eenigszins twijfelachtige gestalte bij alle volgende geographen. Kan het betwijfeld worden, dat dit maangebergte bekendheid met Unjamwesi (Un = land, ia vorm van den tweeden naamval, mwesi â maan, dus land der maan) in het zuiden van het Victoria-Nyanza-meer veronderstelt, waaruit feitelijk de laatste uitloopers van den Nijl vloeien? Stanley meende onlangs in Rumenzori het fabelachtige maangebergte ontdekt te hebben, maar hij geeft er geenerlei gronden voor aan. Hij drukt de berichten der ouden over het maangebergte af, doch roert niets aan waarom juist deze berichten op den Eumenzori toepasselijk zijn, en de kaarten der ouden, die hij zelf overdrukt, weerspreken juist zijne stelling, in zooverre als juist door hen allen het maangebergte in het zuiden van het Victoria-meer aangegeven wordt. Het is zoo heel moeilijk niet, een of anderen berg op te delven en te zeggen; âdat is nu het maangebergtequot;, en de een heeft dan ook op dezen en de andere op genen berg gedoeld. Maar zeer zeker is de uitlegging vrij wat aannemelijker en wordt boven alles door de opgaven van Grieken en Arabieren bevestigd, om het ontstaan van den naam af te leiden van den op den huidigen dag nog gebezigden landsnaam Unjamwesi.
Vermoedelijk vernamen handelaars te Uganda, dat aan gene zijde van het meer Unjamwesi, het land der maan, gelegen was, en brachten dit nieuws mee naar Egypte over. Waar de naam Unjamwesi zelf van afstamt, is niet heel duidelijk; de Unjamwesi-bergen hebben, van het oosten gezien, den vorm van halve bollen en doen min of meer aan eene opkomende maanschijf denken. Het kan zijn, dat de naam hierdoor ontstaan is, maar dit doet hier ook niets ter zake. Wat Stanley omtrent beschrijvingen uit de ouden over het maangebergte meedeelt, behoort geheel tot het gebied van de fabel en kan even goed op een ander gebergte, dan juist op den Rumenzori betrekking hebben. De berg, waarvan in de berichten sprake is, wordt niet Rumenzori, maar Kumr genaamd, en er wordt van groote bouwen en holen in dien berg gesproken. Het is bekend, dat Thomson in Elgumi en wel in Elgon gebouwde holen ontdekt heeft. Of in de fabelen over den geheimzinnigen
53
HET MAANGEBERGTE.
54
berg Kumr aanleiding tot zulke onderstellingen in Elgumi bestond, kan natuurlijk niet uitgemaakt worden, maar is misschien eerder een spoor, dat na te gaan was, dan wel de Eumenzori, dien, in
het voorbijgaan gezegd, niet Stanley, maar Casati het eerst ont. dekt heeft. Er kan voor ons toch geene aanleiding toe bestaan, in Rumenzori het maangebergte te erkennen, alleen omdat Stanley er toevallig voorbijgetrokken is.
DE KONINGSGBAVEN INquot; UGANDA.
55
zijn oorsprong denzelfden naam, dien hij eeuwen geleden aan zijne monding droeg.
DE KONINGSGRAVEN IN UGANDA.
Dit is te verklaren, daar het toch een buitengemeen onwaarschijnlijk toeval zoude zijn, dat lieden uit het noorden aan zijn brongebied waren, of wel omgekeerd, dat er een tijd geweest moet zijn, waarin men zich aan de beide einden bewust was van de identiteit van dezen stroom.
De bewijskracht van dit feit wordt niet geringer daardoor, dat nu misschien nieuw voortgedrongen stammen aan den middel- of bovenloop andere namen voor de rivier hebben. Het zou mogelijk kunnen zijn, dat juist slechts aan de monding en de bron de oude oorspronkelijke bewoners waren blijven wonen, en derhalve de oude naam zich steeds gehandhaafd had. Ook dit is toch wederom slechts te verklaren, wanneer men aanneemt, dat er in vroeger tijd betrekkingen tusschen het uitmondings- en brongebied hebben bestaan.
3. Bij Mengo zijn 33 koningsgraven uit het geslacht der Wakintu. In de oudsten daarvan moeten overoude oorkonden der dynastie mee begraven zijn. Dit werd mij niet alleen door Muanga verteld, maar ook door de zendelingen bevestigd. Ik beproefde toestemming te verkrijgen om de oorkonden te mogen uitgraven, maar het bijgeloof der Waganda is toch nog zoo sterk, dat mij Muanga, al geschiedde die weigering ook in de beleefdste vormen, die toestemming niet durfde geven. Daarentegen kreeg ik machtiging om eenige dezer graven te mogen bezoeken. Dr. Felkin deelt mij mede, dat hij de graven al gezien had; intusschen heeft hij er geene beschrijving van gegeven. Ik herinner er tevens aan, dat het aantal van 33 graven niet onwaarschijnlijk bewijst, dat er slechts 33 geslachten der quot;Wakintu over Uganda geregeerd hebben. Uit de vertellingen der Waganda blijkt juist, dat de residentie van dit vorstengeslacht oorspronkelijk meer in de nabijheid van het Albert-meer gelegen was. De nog heden bestaande naam Kitarra (d. i. Stad der Wakintu) in het noordwesten van Uganda leidt tot de gevolgtrekking, dat het geslacht oorspronkelijk daar geheerscht heeft. Men zal uit de 33 graven met zekerheid niet het maximum maar slechts het minimum der koningsgeslachten kunnen afleiden.
Deze graftomben zijn op de volgende wijze ingericht: Wanneer
56
DE HOLEN IN ELGON.
men uit de verte aankomt, denkt men piramiden voor zich te hebben, doch in werkelijkheid stellen die bouwwerken groote kegels voor, die in den trant der Waganda van hout gebouwd zijn. Treedt men er binnen, dan komt men in eene half donkere halle, welke door eene reeks van zuilen gedragen wordt. In den achtergrond dezer halle bevindt zich een gordijn, dat beschilderd is en waarvoor de wapenen en lievelingsgereedschappen der afgestorvenen uitgestald zijn. Ligt men het gordijn op, dan komt men in eene donkere ruimte, waarin schachten en gangen in de aarde gegraven zijn.
In deze gangen zijn allerlei stoffen voor kleederdrachten, kauri-schelpen en andere voorwerpen van waarde, die in Uganda gangbare munt zijn, opeengehoopt. Aan het uiterste einde dezer gangen bevindt zich de kist met het gebalsemde lijk van den afgestorvene. Het schijnt dat, om het lijk goed te bewaren, men het laat uitdrogen en vast in doeken perst, maar de Waganda verzekeren mij ook, dat zij het verstaan, door inspuitingen in het bloed het lijk voor verrotting te bewaren.
Vóór het gordijn waken voor den jongst gestorvene, dus voor Mtesa, dag en nacht twaalf meisjes. Van tijd tot tijd trekken de gezamenlijke vorsten des lands met trommels en fluiten naar den afgestorvene, om hem eens te bezoeken, volkomen alsof hij nog in leven ware.
Hoe komen nu juist de Waganda aan zulk een wijze van begraven en bewaren van lijken? Oogenschijnlijk hebben wij hier toch met urnen te doen, die naar mijn weten anders bij geen enkelen Bantu-stam voorkomen. Ik weet heel goed, dat ook op Madagascar dergelijke gewoonten bestaan, en dat de oude Azteken op dergelijke wijze hunne groote dooden ter aarde bestellen, maar deze beide landen liggen toch wat al te ver af, dan dat men eenig verband daartusschen zou kunnen aannemen. Veeleer zou men geneigd zijn, hier aan invloeden uit het Noorden, vooral uit het oude Egypte, te denken. Zeer zeker is ook dit bewijs niet zoo bijzonder krachtig of overtuigend, maar in verband met hetgeen reeds door mij is aangevoerd, is er toch wel eenige waarschijnlijkheid voor mijn vermoeden.
57
DE HOLEN IN ELGON.
58
Thomson heeft, zooals ik reeds vermeldde, in Eigon groote gebouwde holen ontdekt, die, naar zijne beschrijving, slechts van een beschaafd volk kunnen afstammen. Door wie kunnen die gemaakt zijn? Men kan daar ook aan andere oorzaken denken. Er kunnen gemakkelijk Indiërs of Arabieren van de oostkust over den Baringo gekomen zijn en deze holen gemaakt hebben. Doch het meest voor de hand ligt het ook hier, aan Egyptenaren te denken. Stanley geeft uit eene Arabische beschrijving van den Nijl de volgende belangwekkende, zij het ook eenigszins fabelachtig klinkende, vertelling: âDe geschiedschrijvers beweren, dat Adam aan zijn zoon Seth den Nijl vermaakt had, die volgens de voorspelling in het bezit der kinderen gebleven is. Zij zouden naar Egypte zijn gekomen, waar zij aan den stroom den naam van Lui gegeven en op de bergen gewoond hadden. Na hem is zijn zoon Kinaan, toen diens zoon Mahabil, toen diens zoon Jaud, toen diens zoon Hamu, toen diens zoon Hermes gekomen; dit was Idrisi de profeet. Idrisi was begonnen met wetten en orde in het land te brengen. De Nijl placht hen te overvallen, en zij waren die wateren op de hooge bergen en het hoogere land ontvlucht, totdat de vloed weder viel, waarop zij al het land, dat kaal gebleven was, beplantten. Idrisi had toen de lieden van Egypte bijeengeroepen en was met hen naar den eersten stroomval van den Nijl getrokken. Hij had beproefd om land en water gelijk te maken, door het hoogere gebied te verlagen en het lagere te verhoogen, even als hij nog anderen arbeid volgens de wetenschap der sterrekunde en meetkunde verrichtte. Idrisi zou de eerste geweest zijn, die over deze wetenschappen gesproken en boeken geschreven had. Daarop trok hij naar Abyssinië en Nubië en riep de lieden bijeen en vergrootte of versmalde de lengte van het stroombed van den Nijl, al naarmate deze te snel of te langzaam liep. Hij berekende zelfs den omvang van het water en de snelheid der strooming. Hij was de eerste, die de strooming van den Nijl tot Egypte regelde. Naar de overlevering luidt, werd Idrisi ten tijde van Am-Kaam, een der koningen' van Egypte, ten hemel gevoerd, en daar hij het opkomen van den vloed vooruit zag, bleef hij aan de andere zijde van den evenaar en bouwde daar op de
DE HOLEN IN ELGON.
helling van den berg Gumr een paleis. Hij bouwde dit op zeer groote schaal en maakte ook de koperen beelden, uit wier monden het water van den Mjl stroomde, die vervolgens in een groot meer en van daar naar Egypte vloeide.quot;
âIdiar el Wai zegt, dat de lengte van den Nijl is twee maand-reizen op moslemitisch gebied en vier maanden in onbewoond land. De bron ligt op den berg Gumr aan gene zijde van den evenaar, de vloed komt uit de duisternis, stroomt het licht te gemoet en vloeit langs den voet van den berg. De bovenvermelde koning Am-Kaam is Hermes I. De duivelen droegen hem naar dezen berg, die Gumr heet, en ginds zag hij, hoe de Nijl uit de Zwarte zee ontsprong en in den berg Gumr vloeit. Koning Am-Kaam bouwde op de hellingen van den berg een paleis, dat 85 beelden bevatte, naar welke hij al het water, dat in dezen berg vloeit, afleidde. Hij leidde het door gewelfde gangen, totdat het de beelden bereikte en in bepaalde hoeveelheid met nauwkeurig berekenden kubiek-inhoud uit de monden vloeit.quot;
Wanneer deze beschrijvingen over het algemeen met wezenlijke feiten in verband staan, zou men dan niet werkelijk bij den klank van het woord Gumr aan El-Gumi denken, waarin de Elgon met zijne onopgehelderde, geheimzinnige holen troont? Van den Elgon stroomt de Nsoia naar het Victoria-meer, en van den anderen kant stroomt de Mjl wederom langs de hellingen van den berg, zij het ook op eenigen afstand, voorbij. Was den fabelverteller misschien, hoe nevelachtig ook, iets bekend van grootsche Egyptische ondernemingen in EIgumi, als wier stomme, maar welsprekende getuigen nog heden ten dage de door Thomson ontdekte holen daar staan?
Voor het goed begrip van een en ander deel ik Thomsons beschrijving nog eens beknopt mede:
âDaar lag voor mij een tamelijk groote afgrond, 30 voet diep, 200 voet lang en ongeveer 20 voet breed, loodrecht gehakt uit een vulkanisch mengsel van vulkanisch gesteente.quot; In dit hol vond Thomson geheele dorpen. âOp mijne vraag, wie deze zeldzame uitholling gemaakt had, werd mij gezegd, dat het Gods werk was. ,Zouden wij,' zoo spraken zij, âzouden wij met onze gebrekkige
59
EGYPTISCHE BETREKKINGEN MET UGANDA.
hulpmiddelen zulk een hol kunnen maken? En dit is nog niets in vergelijking met anderen, die gij rondom den berg zult zien. Kijk daar en daar en ginds! Deze zijn van zulk een grooten omvang, dat zij tot diep in de duisternis zijn voortgezet, en wij zelfs hun einde nog niet gezien hebben. In eenigen zijn groote dorpen met geheele kudden rundvee. En toch vraagt gij, wie die gemaakt heeft! Zij zijn zekerlijk Gods werk!' â Er bestond volstrekt geene overlevering onder de lieden betreffende deze holen. â ,Onze vaderen woonden hier, en hunne vaderen deden het zelfde,' was het onveranderde antwoord op mijne vragen. En toch droegen de holen het onbetwistbaar kenteeken, dat zij noch een natuurlijken noch een onnatuurlijken oorsprong bezaten. Zij moesten door menschenhanden uitgehold zijn. Dat was een feit, waarover zeer stellig geene twee meeningen bestaan konden.quot;
Thomson zelf komt tot de volgende slotsom:
âWanneer ik alles naga, dan kan ik slechts tot ééne slotsom komen, en deze is, dat in een zeer ver verwijderd tijdperk een of ander machtig ras, in kunsten en beschaving aanmerkelijk alle anderen vooruit, deze groote holen heeft uitgegraven, met het doel om naar kostbare steenen of misschien kostbare metalen te zoeken. Kunnen wij aannemen, dat de Egyptenaren werkelijk zoo ver zuidwaarts gingen? Zoo niet, welk ander ras kon dan deze buitengewone toevluchtsoorden uitgegraven hebben?quot;
En nu hoore men, wat de lieden te Uganda elkaar nog heden ten dage van de afstamming van den eersten Kintu vertellen. De eerste Kintu kwam van het Noorden naar Uganda en was in alle opzichten een bovenmenschelijk wezen. Hij had kennis van alle dingen en heeft beschaving en ontwikkeling in het land gebracht. Kintu trouwde, nadat hij eene reeks proeven van zijne boven-menschelijke grootte gegeven had, eene dochter des hemels, en uit deze echt ontstond het vorstengeslacht, dat heden ten dage nog op den troon van Uganda zit.
Wij vinden dus sprookjesachtige overeenstemmende geruchten uit Egypte betreffende ondernemingen van een buitengewoon man naar het Zuiden en in Uganda sprookjesachtige geruchten van het verschijnen
60
EGYPTISCHE BETREKKINGEN MET UGANDA.
van een held uit het Noorden. Wij vinden tegenwoordig nog in Elgumi grootsche gedenkteekenen van kunstarbeid uit die dagen en in Arabische vertellingen den naam Gumri, die merkwaardig gelijkluidend met dien van Elgumi is. Leiden ook deze sporen weder niet tot de slotsom, dat er een tijd geweest is, waarin inderdaad Egyptische ondernemingen zich tot de bron van den Witten Nijl hebben uitgestrekt? De historische overlevering, welke nog heden in Uganda levend is, spreekt van eene verovering van het gansche gebied door een blanken stam, die van het Noorden kwam, bij Mruli over den Nijl trok en het geheele gebied om het Victoria-meer en het Albert-meer in één groot rijk vereenigde. Dit zijn de herderstammen der Beyma, die heden nog, zooals [ik verteld heb, in Uganda onvermengd behouden zijn, en die óf van oud-Abyssinischen oorsprong zijn, óf in elk geval uit het noorden van Uganda afkomstig zijn.
Staat deze geschiedkundige overlevering in eenig verband met de oude, fabelachtige sprookjes, welke ik daareven gekenschetst heb, en volgens welke een Egyptische koningszoon de lieden uit Abyssinië en Soedan bijeenbracht, om met hen naar de bronnen van den Nijl te trekken ? En tot welke groote geschiedkundige omwenteling doet dit alles besluiten?
Ik moet mij hier er toe beperken, dit alles slechts als vraagpunten voor verdere navorschingen aan te stippen en mogelijke oplossingen aan te duiden, waarvoor misschien nooit wezenlijke bewijzen gevonden zullen worden, daar zij uit de grijze schemering van een ver vervlogen tijdperk tot ons zijn overgekomen. Als gedenkteekenen daarvan bestaan nu nog slechts de holen van den Elgon en de grafmonumenten der Wakintu, maar wie zal durven beweren, dat beide in onmiddellijk verband met elkaar staan?
Ik vat de slotsom mijner eigen beschouwingen en vermoedens beknopt in de volgende volzinnen te zamen:
1. Oude Egyptische betrekkingen en invloeden van beschaving strekten zich, hetzij middellijk of onmiddellijk, tot Uganda uit en reikten zelfs door overlevering tot Unjamwesi (land der maan).
2. In vroeger tijd heeft er uit het Noorden naar Uganda eene
61
OUD-EGYPTISCHE BETREKKINGEN MET UGANDA.
landverhuizing plaats gevonden van een ras, dat boven de Bantu verheven was en dat onder zijne dynastie der Wakintu hier een groot lijk stichtte, uit welks vermenging met de oorspronkelijke bewoners het tegenwoordige üganda-dom ontsproten is.
3. Misschien was het deze landverhuizing, welke de betrekkingen met Egypte bewerkte, welke de koningsgraven doen vermoeden. Men zou zich althans kunnen voorstellen, dat zij onder leiding van een Egyptischen prins (Mfalme?), door de zwervende volken in het zuidelijk Egypte of ook door Abyssiniërs zijn aangelegd. Maar het kan ook zijn, dat oud-Egyptische handelsbetrekkingen tot aan het Victoria-meer en deze landverhuizing geheel afgescheiden van elkaar plaats hadden en eerst te Uganda tot datgene samensmolten, waarvan wij heden nog donkere sporen herkennen.
4. De Wakintu komen in sprookjes en overleveringen als een geslacht van een uitmuntend ras voor, dat de beginselen der beschaving naar Uganda gebracht heeft en daarvoor ginds tot heden ten dage bijna goddelijke vereering inoogstte. Tot op den huidigen dag is in dit vorstengeslacht, volgens zijn eigen geloof, de kracht der voorspelling voorhanden, waarvan Mtesa nog herhaaldelijk een praktisch gebruik maakte. Dit leidt tot de gevolgtrekking, dat wij in hen en in hunne omgeving de oorzaken voor de hoogere positie der Waganda tegenover het overige Bantu en de dragers der betrekkelijk grootere geschiedenis dezer landen erkennen moeten.
Iets meer bepaalds aan te toonen, was mij niet mogelijk. Men zoude moeten beproeven, om nauwkeuriger opgaven hetzij in Egyptische hieroglyphen-voorstellingen te vinden, hetzij, indien de berichten omtrent het voorhanden zijn van oorkonden in de oudste koningsgraven bevestigd mochten worden, die uit te graven en te ontcijferen. Wanneer het gelukken mocht, daaromtrent zekerheid te verkrijgen, zouden daardoor geheel nieuwe inzichten zoowel in de geschiedenis der Egyptenaren als in de ontwikkeling der Centraal-
Afrikaansche toestanden verkregen zijn.
â¦
* *
Onder zulke bezigheden en beschouwingen verliepen de dagen in Uganda snel genoeg. In de namiddagen placht ik kortere of
62
LEVENSWIJZE TE UGANDA.
langere wandelingen met pater Lourdel te doen, of de heeren der Engelsche missie kwamen gezellig den avond bij mij doorbrengen.
De namiddaguren bracht ik ook zeer dikwerf bij Muanga door, met wien ik onafgebroken vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Ook met andere Waganda-grooten ging ik veel en gaarne om. Alleen met den Katikiro wilde maar geene hartelijke betrekking ontstaan. In den aanvang beproefde hij, mij door plompe vleierijen te winnen. Toen hem dat niet gelukte, meende hij den ouden hoogmoedigen toon van den eersten minister van Uganda jegens vreemden ook tegenover mij te kunnen aanslaan. Elk oogen-blik verscheen zijn bediende Stephano met de boodschap:
âKatikiro amekwitaquot; (de Katikiro laat u roepen). Eerst maakte ik mij daarvan in beleefde bewoordingen af. Ten slotte begon het mij te vervelen.
âDe Katikiro?quot;
âJa, gij moet dadelijk bij hem komen.quot;
âVraag den Katikiro, of het hem in zijn bol scheelt. Wanneer hij mij wenscht te zien, dan kan hij bij mij komen: als ik hem spreken wil, dan zal ik wel bij hem komen. Maar ik wil hem niet spreken.quot;
Hiermede hielden de dringende boodschappen op, maar onze ontmoetingen aan 't hof hadden van nu af een zuurzoet karakter.
Ik had ook te Uganda in de Engelsche zending eenige boeken gevonden, Shakespeare en Gibbon's Romeinsche Geschiedenis, waarin ik nog al veel las. De IS36 Maart, de dag, die voor mijn vertrek bepaald was, naderde, maar van de booten was niets te zien. Dr. Felkin zegt met recht, dat het gemakkelijker is, Uganda binnen te trekken, dan er weder uit te komen. Wanneer men de geschiedenis der reizigers in dit land nagaat, zal men de bevestiging daarvan vinden.
Ik begaf me dus den 16en Maart naar koning Muanga en zei hem:
âVan daag zouden de booten voor mij gereed zijn. Waar zijn ze?quot;
âIk heb bericht ontvangen,quot; antwoordde hij, âdat zij allen reeds bij Sesse bijeengebracht en op weg naar Uganda zijn.quot;
âDaar ze nog niet hier zijn, zoo geef ik er de voorkeur aan, op
63
BRIEF VANquot; Mr. JACKSON.
den landweg door zuidelijk Uganda op Bunjako te marscheeren, en zoo Sesse te bereiken. Ik denk maandag van hier te vertrekken.quot;
âWacht nog eene week,quot; antwoordde Muanga.⢠âZijn de booten er alsdan nog niet, dan moogt ge heen gaan, maar ik weet, dat zij dan bepaald hier moeten zijn.quot;
âNu goed, dan zal ik nog eene week wachten.quot; Toen ik thuis kwam, ontving ik een brief van den heer v. Tiedemann, waarin mij de meedeeling van Muanga omtrent het bijeenzijn der booten bevestigd werd.
Maar de volgende week verliep, en wederom werd er van de booten niets vernomen. In deze week sloot ik vriendschap met de moeder van Muanga, de lievelingsvrouw van Mtesas, die ik bezocht, en met wie ik allerlei geschenken wisselde. Zij is eene vrouw, die men inderdaad eene dame noemen mag, ongeveer 40 jaar oud, met een nog jeugdig uiterlijk en een bijzonder schrander gelaat.
Den 21en Maart verklaarde ik Muanga, dat ik vast besloten was, naar Buwjako tegenover Sesse te trekken, en wel zoude ik zonder uitstel op Maandag 24 Maart uit mijne legerplaats oprukken. Den 22sten Maart, juist toen ik het middagmaal gebruikt had en mijn pijp rookte, liet de koning mij verzoeken, om eens even aan het hof te komen. Ik schoot vlug mijn uniform aan en haastte mij er heen, in de hoop van daar eindelijk berichten omtrent het aankomen der booten te ontvangen.
Ik vond dan pater Lourdel en de heeren Walker en Gordon reeds bijeen. Pater Lourdel deelde mij bij mijn binnentreden mede, dat er brieven van Mr. Jackson waren aangekomen, die ik toch den koning eens te lezen moest vragen. Muanga deed zijn best, om welke beweegreden weet ik niet, mij eerst van het lezen van dien brief af te houden. Op mijn herhaald verzoek echter gaf hij mij den brief, doch voegde er dadelijk bij, dat ik mij over den inhoud niet warm behoefde te maken, daar deze van geene beteekenis voor hem was.
Ik nam den brief van Jackson in de hand, en wie beschrijft mijne verbazing, toen ik de navolgende meedeeling daarin las. Hij had vernomen, dat Dr. Carl Peters met mijnheer v. Tiedemann op hunne
64
BRIEF VAN Mr. JACKSON.
reis naar Etnin Pacha te Uganda waren aangekomen. Hij hield het voor zijn plicht, Muanga mee te deelen, dat deze beide heeren zonder toestemming hunner Regeering zich in deze streken ophielden. Met machtiging der Duitsche en Engelsche Regeering had hij zich er mede belast, beiden het voortzetten van den tocht te beletten en, zoo noodig, hen gevangen te nemen. Hij verzocht derhalve Muanga, zijnen vriend, daar hij zelf niet te Uganda was, deze inhechtenisneming te doen plaats hebben, daar beiden reeds schade genoeg in Afrika aangericht hadden. Overigens hoopte hij zelf, Muanga spoedig te zien, want binnenkort kwam hij met 500 man aldaar.
De brief was uit de eerste dagen van Maart gedagteekend en kwam uit Kawirondo. Ik heb reeds vroeger verteld, dat ik Mr. Jackson herhaaldelijk aangeboden had, op vriendschappelijke wijze in deze streken samen te werken, en dat ik hem meedeelingen over den weg naar Uganda en ook over mijne onderhandelingen met den koning gedaan had.
Op dit alles antwoordde nu Mr. Jackson met dit schrijven aan den koning van Uganda. Hij zelf was er voor teruggedeinsd om met 500 man naar hier te marscheeren, en kende Muanga slechts als den moordenaar van Haunington en den vervolger der christelijke partij. Nu noodigde hij dezen door hem gevreesden heerscher van Uganda uit, mijnheer v. Tiedemann en mij in hechtenis te nemen! Mr. Jackson moest uit den geheelen loop mijner expeditie weten, wat zulk eene uitnoodiging te beteekenen had. Hij moest voor alles weten, dat ik mij levend door geen mensch ter wereld gevangen zou Men nemen, en dat omgekeerd Muanga, ingeval hij den wensch van den Engelschman mocht inwilligen, zeer stellig geene inhechtenisneming, maar om de groote zekerheid het ten onderbrengen onzer expeditie bevelen zou.
Dit belette hem echter niet, een dergelijk voorstel naar Uganda te zenden. Ik moet bekennen, dat de eerste gewaarwording, welke ik na het lezen van dezen brief kreeg, een gevoel van afkeer jegens de Engelschen in Kawirondo was, die mij er juist de lieden naar schenen te zijn, om de Duitsche Emin Pacha-expeditie op te houden of ons zelfs in hechtenis te nemen. Mr. Jackson met zijn III. 5
65
MUANGA LAAT ZICH NIET OMPRATENquot;.
aanmatigend optreden en zijne angstige beslissingen kon mij nog al ontzag inboezemen!!!
De tweede gewaarwording was eene zekere zielesmart, dat een Engelschman het dorst te wagen zich hier in Uganda, ten behoeve van maatregelen tegen eene Duitsche expeditie, op de toestemming eener Duitsche Regeering te beroepen. Ik heb eerst later kunnen vaststellen, dat Mr. Jackson hiertoe gerechtigd was. Den 22en Maart echter kon ik Muanga, na het lezen van den brief, uit volle overtuiging koel antwoorden, dat deze bewering van Jackson een leugen was.
âMen weet immers, hoe Mr. Jackson's verhouding tot mij is.quot;
âZeker, zeker,quot; zei Muanga, wien deze uitlegging bijzonder juist toescheen.
Nadat wij gezamenlijk afscheid van Muanga genomen hadden, keerde ik later met pater Lourdel daarheen terug.
Muanga nam nu den brief van Jackson nog eens ter hand, spuwde er op en wierp dien achter zich over zijn schouder. Toen zeide hij tot mij:
âJackson is mijn vijand en ik ben de vijand van Jackson. Nu ben ik uw vriend. De Katikiro en de Engelschen zijn hier geweest en hebben bij mij aangedrongen, dat ik Mr. Jackson nog eens zou uitnoodigen, naar hier te komen. Wanneer ge wilt, neem dan mijne soldaten en trek hen tegemoet en doe met hen wat u goeddunkt.quot;
âDat schijnt mij noch in uw belang noch in ons aller voordeel te zijnquot;, antwoordde ik. âDe beslissing over alles, wat hier in Uganda zal gebeuren, zal in Europa geschieden, en het is beter, wanneer ik mij op mijn tocht naar het meer niet van den weglaat brengen. Mr. Jackson heeft de gewoonte om zeer langzaam te mar-scheeren, en wie weet wanneer hij hier zal aankomen en of hij wel eens komen zal. Het is beter, dat ik dadelijk naar de landen ten westen van het meer trek en dan naar de kust ga om uwe aangelegenheden daar te behartigen.quot;
âDit schijnt mij ook beter toe,quot; zei Muanga. âIk heb bericht ontvangen, dat de booten reeds bij Ntebe aangeland zijn. Wanneer ge wiit, kunt ge daarheen trekken en er gebruik van maken.quot;
66
VERWIKKELINGEN.
Hoe juist mijn vermoeden was dat Jackson wel nog in langen tijd niet naar Uganda zou komen, bleek weldra in de volgende maand. Eerst in de tweede helft van April is hij daar gekomen!
In deze dagen hadden er heftige standjes tusschen Muanga en den Katikiro plaats. Muanga was wel bereid om Jackson het bezoeken van Uganda toe te staan, maar bleef er bij, dat hij van alle verplichtingen jegens de Engelschen ontheven was en er ook geenszins aan dacht, die op nieuw aan te gaan.
Ik gaf nu bevel, om alles voor het opbreken van het kamp in gereedheid te brengen. In den namiddag van den 238ten nam ik plechtig afscheid van Muanga.
âZeg aan de uwen in Europa,quot; zei Muanga, âdat ik, ingeval de Engelschen zich met hunne vrienden, de Arabieren, mochten verbinden en mij aanvallen, tegen elke daad van geweld hunnerzijds namens u protesteer. Wanneer de Engelschen hier hun protectoraat in Uganda willen oprichten, zal ik ze bestrijden. Word ik geslagen, dan zal ik met al mijne lieden er uit trekken en mij elders vestigen. Dit machtig ik u, in Europa mede te deelen, en kom gij dan spoedig weder, mijn vriend. Ik weet, dat gij mijn vriend zijt, en verzoek u, dit ook uwen grooten keizer te zeggen. Ik wil ten allen tijde de vriend blijven der Europeanen, die vreedzaam in Uganda zullen wonen, maar boven alles wil ik de vriend van het volk der Duit-schers zijn. Dit zweer ik bij God en Jezus Christus!quot;
âVaarwel Muanga! Ik ben gaarne naar Uganda gekomen, toen gij mij riept, en heb u gaarne geholpen. Gij weet het eveneens, dat ook ik uw vriend zal blijven en mij er steeds in verblijden zal, u te kunnen helpen.quot;
Daarop zeide hij:
âOntvang mijnen dank voor hetgeen gij aan mij en de Waganda bewezen hebt, en zeg den Europeanen en uwen keizer, dat zij u weer naar mij toe moeten zenden.quot;
Tegen zijne gewoonte begeleidde mij Muanga tot de uiterste poort van zijn paleis. Nog een laatste handdruk, en ik liep haastig den heuvel van Mengo af, naar mijn legerkamp toe.
Twee uren daarna verscheen een bode van den koning bij mij
67
KAREMA IN AANTOCHT.
met het bericht, dat Karema van het noorden kwam aanrukken, dat hij eene reeks dorpen had verbrand en binnen een of twee dagen voor Mengo zou staan. Muanga waarschuwde mij, onder deze omstan-heden den landweg over Ntebe in te slaan. âWacht nog eenige dagen hier, totdat wij nauwkeuriger berichten hebben.quot;
âVan waar weet Muanga dit?quot; vroeg ik.
âDe Katikiro is bij hem en heeft den man meegebracht, die met het bericht uit het noorden gekomen is.quot;
âZeg dan Muanga, dat ik mij door een bericht van den Katikiro niet zal laten terughouden, om aan onze afspraak gevolg te geven, en dus morgen vroeg hoop te vertrekken.quot;
Het was mij terstond duidelijk, hetgeen ook eenige dagen later de volle waarheid bleek te zijn, dat de Katikiro het naderen van Karema als een list gebruikte, om den koning te overreden, Mr. Jackson ter hulp te roepen en daardoor de Engelsche zaak te dienen. Ik was vast besloten een streep door deze rekening te halen.
Den volgenden morgen begaf ik mij met mijne steeds marsch-vaardige colonne het allereerst naar de katholieke zending, om verdere ophelderingen te vragen. Een hevige stortbui werd de aanleiding, om mijne lieden al dadelijk in de schuren van het zendingshuis onder te brengen en den aftocht uit te stellen.
Pater Lourdel deelde mij mede, dat ook door de katholieke partij, welke Muanga aanhing, intusschen berichten omtrent het naderen van Karema ontvangen waren, en spoedig daarop kreeg ik ook een smeekschrift van Muanga.
âBlijf nog in Uganda, mijn vriend. Karema en de Arabieren en Wanjoro zijn in aantocht, wij zullen van daag of morgen oorlog hebben. Verlaat mij niet in dezen toestand, dan zal ik u eeuwig dankbaar zijn.quot;
Toen was mijn besluit genomen. Ik mocht onder geene omstandigheden uit Uganda vertrekken, vóór deze zaak beslist was. Daar ik dien morgen vast overtuigd was, dat ons onmiddelijk een kampstrijd te wachten stond en ik vernam, dat de booten intusschen bij Kasi tegenover Bulingogwe aangeland waren, zoo verzocht ik dadelijk
68
BIJEENKOMST TEN PALEIZE.
toestemming, om de vrouwen en de invaliden der expeditie te doen vertrekken, ten einde ze op Sesse bij mijnheer Von Tiedemann in veiligheid te brengen.
Dit werd mij onmiddellijk toegestaan, en de colonne marscheerde dientengevolge om 9 uur naar het Victoria-meer af. Ik zelf behield slechts 25 man in Uganda achter, met wie ik mijn legerkamp weder betrok, en zond nu aan koning Muanga het verzoek, dadelijk een algemeenen krijgsraad van het leger en de Waganda-grooten bijeen te roepen. Om 1 uur was geheel Mengo en Rubaga met dansende en schilderachtig uitgemonsterde soldaten bezet. Ik begaf mij met mijne Somalis naar de hof burg, waar reeds de grooten des lands vergaderd waren. Een fantastisch en krijgslustwekkend gezicht leverde het aanrukken der verschillende troepen soldaten om den koning op. Hunne geweren over den rechter schouder houdend, kwam de eene troep na den anderen aangedanst, vurige liederen zingend, waarin zij dood aan de vijanden van Muanga en trouw aan den koning beloofden. Toen ik binnentrad, stond de geheele vergadering op, en sprak ik Muanga op de volgende wijze aan:
âNu, Muanga, is Karema in aantocht? Dat is opperbest, dan kunnen wij de geheele zaak van daag nog ten einde brengen.quot;
Een toestemmend gelach weerklonk door de ruime halle, en ik ging voort:
âKomaan, deze zaak moet afgedaan worden. quot;Wanneer Karema in het noorden van Uganda staat en uwe dorpen afbrandt en uwe onderdanen verdrijft, laat ons dan nog heden namiddag uittrekken en hem verslaan en naar Anjoro terug drijven. Wanneer gij dit wilt, dan ben ik bereid, met de lieden die ik nog heb, mij aan het hoofd van den geheelen troep te plaatsen, en neem het dan op mij, de vijanden neer te vellen.quot;
âDe berichten zijn nog onbestemd,quot; antwoordde Muanga. âWat hebt gij te zeggen, Gabriel?quot;
Gabriel, het hoofd der Waganda-troepen, mijn bijzonder goede vriend, wierp zich voor den koning op den grond en zei:
âO Mfalme, de blanke, de doktori heeft gelijk. Laat ons naar het noorden trekken en Karema aanvallen.quot;
69
VERTEEK UIT UGANDA.
Daarop stond de vertrouwde van den Katikiro op en zei:
âWij protestanten hebben ons, toen we eenige weken geleden met u naar Uganda terugkeerden, alleen verbonden, tegen Karema en de Arabieren te kampen, wanneer deze uwe residentie mochten aanvallen. Wij zijn echter niet verplicht, mee naar het noorden te marscheeren en onzerzijds Karema aan te vallen. Zeg den Doktori Patasi, dat hij hier wachte, totdat Karema ons in Mengo aanvalt; wil hij echter gaan, dan moet hij wachten, totdat Mr. Jackson en de Engelsche espeditie zal gekomen zijn, dan zijn wij sterk genoeg om niet alleen Karema, maar ook de Wanjoro te verslaan.quot;
Ik stond op en zei:
âOm Karema en de Wanjoro te verslaan, daartoe zijn we ook nu sterk genoeg, en wanneer de Katikiro en zijne partij niet mede willen uittrekken, laat ons dan alleen gaan en Karema aanvallen of ons althans vergewissen, of hij wel in Uganda is. Wanneer gij ook dat niet wilt, zendt dan boodschappers uit en laat berichten uit het noorden halen. Staat Karema wezenlijk, zooals de Katikiro beweert, een dagmarsch noordwaarts van Mengo, dan kunnen de boodschappers ons morgenmiddag bescheid brengen. Deze tijding zal ik in Uganda afwachten. Valt de tijding in ontkennenden zin uit, dan zal ik onmiddellijk naar mijne booten aan het Victoria-meer marscheeren en al het verdere aan u overlaten. Dit is mijne beslissing, en zegt nu of zij goed is of niet.quot;
Muanga zeide:
âGij hebt juist gesproken. Wanneer de Katikiro en zijne partij niet mee willen strijden, laat ons dan boodschappers uitzenden, die morgen namiddag bescheid zullen brengen. Melden zij, dat Karema komt, dan vecht gij met ons tegen hem; berichten zij echter, dat die tijding een leugen is, dan trekt gij naar het meer, waar de booten zoo lang voor u gereed blijven liggen.quot;
Dit besluit vond algemeene instemming en zoude, naar mij verzekerd werd, ook dadelijk uitvoering erlangen. Ik begaf me derhalve naar mijn leger terug. Des avonds kwam Mr. Walker van de Engelsche zending by mij, om mij mee te deelen, dat hij in 't
70
ÃTAAE BULINGOGWE.
geheel niet geloofde, dat er boodschappers uitgezonden waren. De heele historie, zoo bleek hem nu maar al te goed, scheen op een leugen te berusten.
Ik wachtte nu tot den volgenden middag toen Pater Lourdel mij kwam zeggen, uit vertrouwelijke berichten te hebben vernomen, dat Karema niet in het land was en dat de geheele tijding slechts verzonnen was, zooals ik zelf reeds vermoed had, om Muanga angst aan te jagen en hem te nopen, Jackson voor diens steun het Britsche protectoraat aan te bieden. Des namiddags ontving ik een schrijven van Gabriel, dat ik nog bezit, waarin hij mij meldde:
âDaar even komen mijne boodschappers terug en melden, dat noch de Mahdi, noch Karema, noch Wanjoro in Uganda zijn, en dat alles eene leugen is. Wanneer gij wilt, vertrek dan morgen, wilt gij daarentegen hier blijven, dan zal het ons aangenaam zijn.quot;
Ik beval nu dat wij den volgenden morgen zouden oprukken. Dien avond bracht ik nog met Gabriël bij mij aan tafel door, waar ik hem op thee onthaalde. Wij spraken veel over Duitschland en Uganda, en hij gaf den wensch te kennen, mij ook eens in Duitschland te bezoeken. Nog beter ware het echter, verzekerde hij, wanneer ik spoedig naar Uganda terugkwam, om alle betrekkingen vriendschappelijk tusschen Duitschers en Engelschen te regelen. Ik mag er voor uitkomen, dat mij het afscheid van den voornamen en bedaarden jongen Mganda wezenlijk zeer deed; hij was de eenige geboren gentleman, dien ik in dit land gevonden heb.
Den volgenden morgen in alle vroegte reeds ging het naar ouder gewoonte onder trommelslag naar het zuiden. Des nachts hadden onweer-regens, welke tot zes uur 's morgens geduurd hadden, de lucht gezuiverd. Nu was de lucht helder, en een frissche zonneschijn straalde over het bloeiende landschap.
Hoe was het tafereel veranderd sedert den dag toen ik voor het eerst het verwoeste Uganda binnentrok! Overal weder breede, goed onderhouden wegen, vroolijke menschengroepen, overal de zegen
71
OP BULINGOGWE.
van den arbeid op velden en in dorpen. Een troostrijk gevoel van dankbaarheid vervulde mijn hart, dat het mij vergund geweest was, aan zulk een vreedzaam opbouwen van het land mede te werken, en eene blijde hoop voor de toekomst maakte zich van mij meester.
De Duitsche Emin Pacha-expeditie had dus ook tot dit zegenrijk gevolg kunnen bijdragen, en wie kon weten, welke gevolgen haar optreden in deze voor de latere ontwikkeling van Midden-Afrika nog hebben kon!
Zoo ging het, opgeruimd van hart, door het goed aangebouwde land steeds in zuidelijke richting. Spoedig wisselde een groot woud de velden af, waardoor een breede weg liep. Wij beklimmen de heuvels, die het Victoria-meer in het noorden omringen. Daar fonkelt plotseling links het water aan onze voeten! Blauw en schitterend strekt zich het meer voor ons verbaasd oog uit. Wij dalen langzaam de helling af en ik vraag:
âWat voor een land is dat daar ginds, 'twelk we voor ons zien ?quot;
âDat is Bulingogwe,quot; antwoordt Marco.
De booten lagen in Kasi aan de rechterzijde van den uitersten inham van de Murchison-bocht. Spoedig waren de Wasesse van onze aankomst onderricht, en het duurde omtrent een halfuur, toen de fantastische booten met hunne ver uitstekende voorboegen overkwamen, om mijne geheele colonne op te nemen. In snelle vaart snijden wij door den spiegelgladden vloed naar Bulingogwe toe. Binnen tien minuten is het eiland bereikt en ik beveel, het leger op te slaan op eene schilderachtige helling, die het uitzicht op de Murchison-bocht en het meer naar het zuiden biedt.
Achter ons ligt het stof der intrigues van Uganda, voor ons eene nieuwe en groote taak, die wij moeten oplossen. In den wind fladdert, voor de eerste maal weder sedert weken, de kleine marsch-vlag der Duitsche Emin Pacha-expeditie, welke den Kenia gezien heeft en die in de Massai-gevechten ons steeds voorafging.
Genotvol zweeft het oog over de heerlijke bocht met hare bosch-rijke hellingen, en trotsche blijdschap sluipt onze ziel binnen. Wel
72
OP BULINGOGWE.
73
liggen er nog zware hinderpalen, eene hoogst moeilijke taak, tusschen ons en het vaderland, maar voor de eerste maal wordt in dit oogenblik Schiller's woord in ons levend; âWant naar den ouderlijken haard zijn de schepen gekeerd, en wederom gaat het naar het vaderland!quot;
Om het Vietoria-Nyanza-Meer naar Usukuma.
Den 26en Maart had ik op het eiland Bulingogwe met het lezen van Carlyle's Frederik de Groote doorgebracht, toen ik tegen den avond plotseling door geroep op den bergkam, welke het eiland in west-oostelijke
OP BULINGOGWE.
richting doorsnijdt, opmerkzaam gemaakt werd. Ik trad uit de tent, welke aan de westelijke helling van de Murchison-baai opgeslagen was en zag Pater Lourdel, door eenige begeleiders gevolgd, de helling afkomen.
De ezels, die ik destijds den Massais afhandig had gemaakt, had ik voor de helft aan de katholieke, voor de andere helft aan de Engelsche zendelingen geschonken.
Pater Lourdel vertelde mij, dat hij in Mango vernomen had, dat de Djumba ons naar Bulingogwe had laten brengen, maar de booten dadelijk terug had laten komen. Hij had dadelijk aan eene list van den Katikiro gedacht, die ons immers geheel in zijne macht had, als aan de bootslieden het bevel gegeven was, met hunne booten naar Sesse terug te keeren. Daarom was hij zelf nog dien avond op een der door mij geschonken ezels naar hier gereden en wilde den nacht bij mij doorbrengen.
Ik dankte Pater Lourdel voor zijne goedheid en gaf dadelijk bevel, een behoorlijk avondmaal gereed te maken. In dien tusschentijd deed Pater Lourdel mij eenige belangwekkende meedeelingen aangaande het wegvoeren van Emin Pacha door Stanley. Het had mij reeds in den eersten brief, dien ik van de Pranschen in üsoga ontving, getroffen, dat de tijding over den opstand der troepen van Emin Pacha op zulk eene leuke wijze was meegedeeld. âWanneer men aan zekere geruchten geloof mag slaan, dan zouden de troepen van Emin aan het muiten zijn geraakt.quot; Nu deelde mij pater Lourdel voor de eerste maal uitdrukkelijk mede: âHij heeft niet gewild, Stanley heeft beslag op hem gelegd alsof het een dief was, en zoo als onze lieden in Ankore hebben opgemerkt, heeft hij Emin zeer slecht behandeld.quot;
Daar Pater Lourdel alles van derden vernomen had, kon ik zoo maar niet dadelijk groot gewicht aan zijne woorden hechten, omdat ik mij toch niet kon voorstellen, dat Emin Pacha tegen zijn wil zich door Stanley uit eene provincie zoude hebben laten ontvoeren, waarin hij gouverneur was. Doch eerst in Mpuapua had ik volle zekerheid, dat de mededeelingen, die ik reeds in Bulingogwe en later in Ukumbi ontving, nog niet eens de volle waarheid bevatten.
75
OP BULINGOGWE.
Stanley heeft Emin Pacha niet alleen door de bekende daad van geweld op 5 April 1889 gedwongen, met hem af te trekken, maar hem ook vooral door onjuiste mededeelingen genoopt, zich aan de overmacht te onderwerpen. Hij zeide tot Emin, dat hij hem om het Victoria-meer heen naar Kawirondo wilde brengen en hem dan van Mombas uit de middelen verschaffen, om niet alleen zijne oude positie in de aequatoriaal-provincie, maar ook Uganda en Unjoro, natuurlijk onder het opperbeheer der Britsch-Oost-afrikaansche maatschappij, weder te veroveren.
Deze beloften heeft hij toen later in Usukuma niet gehouden, en daardoor werd Emin Pacha genoodzaakt, tegen zijn wil, mede naaide kust te marscheeren. Deze houding van Stanley is des te onbegrijpelijker, omdat hij daardoor ook de belangen zijner lastgevers, de Britsch-Oost-afrikaansche maatschappij, tegenwerkte. Het plan, dat Sir William Mackinon op koene wijze ontworpen heeft, om de landen aan den Boven-Nijl Engelsch te maken, mag inderdaad grootsch genoemd Worden. Wanneer dit plan volkomen in duigen gevallen is, dan is dat in de eerste plaats de schuld van Stanley en niet minder van Jackson, wien het in het juiste oogenblik aan de noodige vastberadenheid haperde, om het ten uitvoer te brengen.
Dit onderwerp vormde de stof van het onderhoud tusschen Pater Lourdel en mij onder ons avondmaal, waarbij Lourdel nog eenmaal zijne overtuiging uitsprak, dat Engeland door de besluiteloosheid van Jackson de gelegenheid voor goed verloren had om Uganda op vreedzame wijze in bezit te krijgen.
Wij werden plotseling gestoord door het landen van booten nabij: mijne tent en het naderen van eene groote menigte lieden. Nu vertoonde zich de Djumba (admiraal) van Muanga met eeregeschenken voor mij en met Nugula, dien hij mij voorstelde als den Kabaka (vertegenwoordiger des konings) bij de door mij aan te voeren Uganda-expeditie tot zuivering van de westzijde van het meer. Nugula wierp zich voor mij ter aarde en beloofde, mij in alles gehoorzaam te zullen zijn. De flottille, die bestemd was om de manschappen tot het inzamelen der schatting naar Busiba, het voorland van Karague in het zuiden van den Kagera, over te brengen.
76
PATER LOURbEL.
was bij Sesse bijeen, waarheen ik van Bulingogwe in drie dagen zoude komen.
âGinds zult gij een honderdtal booten vinden. Morgen in de vroegte zullen de 33 booten, die in het bijzonder voor het overbrengen uwer colonne bestemd zijn, in de bocht zijn, om ons dadelijk naar Mfoh te brengen.quot;
âWaar zal ik dan de zieken vinden, die ik eenige dagen geleden naar Sesse afgezonden heb?quot;
âOok die zullen morgen hier voor Bulingogwe zijn. Zij hebben eergisteren den weg verloren en zijn naar Ntebe gemarscheerd. Toen ik vernam, dat gij heden zelf naar Sesse opgerukt zijt, heb ik dadelijk booten achterna gezonden, om ze terug te laten komen, en ze zullen morgen hier zijn.quot;
Daar had ik weder eens een voorbeeld van het nakomen van beloften door de Waganda. Ik liet nu Djumba en Nugula vertrekken, terwijl ik hun nogmaals aanbeval, morgen met zonsopgang de booten gereed te houden. Pater Lourdel begaf zich toen in een der hutten nabij mijne tent aan het strand, om op een uitslaanden stoel een niet zeer aangenamen nacht door te brengen, daar al deze hutten letterlijk van het ongedierte wemelden.
Den volgenden morgen werd ik door een plasregen gewekt. Deze hield eerst om half zeven op, tegen welken tijd Pater Lourdel aan 't ontbijt verscheen. Ik vermeld bij deze gelegenheid, dat ik gedurende de geheele expeditie steeds aan de drie vleeschmaaltijden daags vasthield. Des morgens in de vroegte vóór het oprukken der colonne werd een kop warme koffie of chocolaad met melk gebruikt, waarbij steeds koud vleesch of in den regel ook meelbrei met honig ter beschikking was. Tusschen 10 en 11 uur op den marsch liet ik een kwartier legeren, en dan werd er koud vleesch, koude meelbrei en mosterd gebruikt. Na aankomst in 't leger werd dadelijk een krachtige soep gekookt, en dan vleesch gebraden, en dit werd des avonds tegen zes uur nog eens herhaald. Koffie, waarbij door de kudden die wij hadden, in den regel melk voorhanden was, vormde steeds het besluit bij eiken maaltijd en daarna werd uit een Afrikaansch pijpje tabak van het land gerookt.
77
PATER LOURDEL.
Deze tabak is in die verschillende landen zeer uiteenloopend, maar onderscheidt zich vooral bij de G-alla van de Tana en in Kawirondo door zijn goeden en aromatischen smaak. Wij gaven er althans verre de voorkeur aan boven den tabak die hier uit Europa was ingevoerd en dien we in Ukumbi vonden.
Op het meer kwam als een welkome toegift bij onze keuken nu en dan lekkere visch op tafel. Buitendien gelukte het mij, groote voorraden gerookte sprinkhanen, die netjes in matten verpakt zijn, te verkrijgen, en hierdoor hadden we een smakelijk schoteltje meer. In vet gebraden, smaken ze bijna als versch varkenvleesch, en] daar het mij gelukt was, het dreigend gebrek aan zout door het koopen van 10 pond Unjoro-zout te Uganda te doen ophouden, zoo konden wij altijd zonder gewetensknaging er wat zout bij nemen. Daar wij aan 't meer ook altijd nog bananen en andere vruchten kregen, bovendien zeer dikwijls versche dikke melk konden krijgen, zoo was onze voedingswijze gedurende de eerstvolgende weken, naar de Afrikaansche toestanden althans berekend, zeer voldoende, en liet dientengevolge ons aller gezondheid niets te wenschen over.
Pater Lourdel en ik wachtten tot halfacht op de booten van de overzij, maar de Sesse-lieden, die uitsluitend de bemanning uitmaakten, verroerden zich niet. Daar ook Djumba en Nugula naar de overzijde teruggehaald waren, bevonden wij ons feitelijk in den toestand, dien Lourdel den dag te voren voor mij gevreesd had. Wij begaven ons nu naar den oever en trachtten door allerlei tee-kens de aandacht der Sesse-lieden aan de overzij te wekken. Geen antwoord, geen teeken, dat men ons begrepen had of dat men geneigd was, aan ons roepen eenig gevolg te geven.
Ik sloeg nu pater Lourdel voor, met mij naar het eiland te gaan en te beproeven, of wij niet ergens een klein visschersbootje konden opscharrelen, waarin we dan naar de vloot aan de overzij zouden kunnen roeien. In de bocht tusschen het vaste land en het eiland zag men eenige dezer bootjes met een of twee man. Lourdel wenkte er enkele herhaaldelijk, doch te vergeefs. Eindelijk kwam op zijne meedeeling, dat hij in naam des konings beval, een daarvan tot aan het riet rondom het eiland, maar men weigerde naderbij te komen.
78
AFVAABT VAN BULINGOGWE.
Toen begaf pater Lourdel het geduld. Met een snellen sprong, was hij in 't water, en vóór de visschers weg konden roeien, had hij de boot gegrepen, een der lieden met een krachtigen vuistslag over boord geslingerd, was zelf in de boot geklommen, en roeide nu, zoo nat als hij was, onmiddellijk alleen naar de flottille aan de overzijde, terwijl hij mij toeriep, dat ik maar wachten moest en dat hij mij de booten wel brengen zou. â¢,
Nauwelijks zagen de Sesse-lieden, dat wij weder in 't bezit van een boot gekomen waren, of op eenmaal maakten zij hunne geheele vloot gereed en deden al wat zij konden om naar ons toe te roeien. Zij waren dus niet van plan geweest, ons in de steek te laten, maar daar zij zonder toezicht waren, hadden zij het er maar eens van genomen, om eens ferm te luieren.
Ik heb me op 't meer spoedig moeten overtuigen, dat mijne tot hiertoe gevolgde gewoonte, om voor zonsopgang op te rukken, met deze lieden in 't geheel niet vol te houden was. Eiken morgen had ik op nieuw den strijd tegen de traagheid der bootslieden te voeren.
De Sesse-eilanden zijn het groote scheeps-arsenaal en de oefeningsplaats voor de zeemacht van den koning van Uganda. Hier bevinden zich honderden booten, die op een bevel des konings dadelijk in zijn dienst gesteld moeten worden. Met deze vloot hebben de Waganda zich de heerschappij op het geheele Victoria-meer veroverd. Alles, wat zich van booten van andere stammen nog op het meer vertoont en zich aan den kabaka niet onderwerpen wil, wordt zonder verdere plichtplegingen aangevallen en vernield. Op deze wijze heeft deze de landen om het geheele noorden en westen van het Nyanza-meer tot achter Ukumbi schatplichtig gemaakt.
Pater Lourdel kwam tegen 10 uur nog door- en doornat naar Bulingogwe terug. Ik gaf hem wel dadelijk droge kleeren, maar ik vrees toch, dat hij zich dezen morgen de kiem eener koorts op den hals haalde, waaraan hij tot mijn groot leedwezen zoo spoedig zou bezwijken. Ik had den energieken en bedaarden man, die de belangen zijner kerk zoo kloek in Uganda wist te doen gelden, zeer hoog leeren schatten. Hij was destijds 39 jaar oud, had sedert 1879 in Uganda gearbeid en alle wisselingen in dit land meegemaakt. Hij
79
AFSCHEID VAN PATER LOÃRDEL.
had ook geenerlei neiging om Uganda ooit weder te verlaten.
Nu nam ik afscheid van hem. Mijne zieken waren eveneens naar behooren van Kasi aan de overzijde mee naar hier gebracht. Snel waren ook mijne lasten en lieden op de booten gepakt, en nu nam ik in de grootste daarvan plaats. Voor in de boot bevond zich eene vrije plek, waarop mijn leunstoel geplaatst werd, waarin ik plaats nam. Tegen het overklotsen der golven beschermde ik mij door een antilopenvel, dat mij Pater Lourdel nog in 't laatste oogenblik schonk.
âTot weerziens, Pater Lourdel, tot weerziens in Europa of in Uganda!quot; riep ik hem voor de laatste maal uit de boot nog toe.
âTot weersziens in Uganda,quot; antwoordde hij, âzoo God wil!quot; terwijl hij met zijn zakdoek als afscheidsgroet heen en weer zwaaide.
Ik beantwoordde den afscheidsgroet, en nu doorkliefden de booten het blauwe meer naar het Zuiden heen. Dat was inderdaad een heerlijk schouwspel, zooals het iemand zelden gegeven wordt te aanschouwen. De morgen was koel na de stortbui van den afge-loopen nacht, en de zon door voorbijtrekkende wolkjes nu en dan even bedekt. Rechts en links de scherpe omtrekken der kusten van Uganda, met woud of plantages bedekt, uit de zich uitspreidende Murchisonbocht te voorschijn komende. Voor ons, op verren, zeer verren afstand, de lijnen van een eiland, waarvan slechts nog de bergen boven den horizon zichtbaar waren. En daar schoten zij voorwaarts, de fantastische booten, als zeepaarden in een wedloop met elkaar meedingende. Een licht koeltje uit het zuiden verfrischte zinnen en zenuwen. Het vermocht de oppervlakte van het water heden slechts even te rimpelen, en nog bespeurden we niets van den golfslag, aan dien van den oceaan gelijk, die ook zelfs bij niet hevigen wind het gladde Victoria-meer zoo snel in beweging kan brengen.
Bewegelijk als het gebarenspel van een geestig gezicht is het voorkomen van het Victoria-Nyanza-meer. Van daag slaat het het blauwe oog peinzend naar het diepe uitspansel op, in liefelijke frischheid der jeugd stralend, de ziel tot blijmoedige beschou-
80
HET MEER.
wingen wekkend. Vonkelend in het glanzende zonnelicht strekt het zich voor ons in het schijnbaar onmetelijke uit. Aan den horizon schemert een groen eiland of misschien ook de bergtop van een «iland gelijk aan eene liefelijke fata morgana. Op den diepblauwen vloed bewegen zich witte zwanen of ook eenden. Boven de oppervlakte van 't blauwe water zweven adelaars, die op visschen loeren. In groote scholen springen visschen in de hoogte, of een grauw-buikige wentelaar ploft behagelijk in den halfkoelen vloed onder.
Zoo ligt het Victoria-meer in zijn zondagsgewaad voor ons, en slechts van tijd tot tijd trekt de schaduw eener wolk als de verschijning uit een droomgezicht daar overheen. Des middags wijkt de oostelijke oever meer en meer naar achteren, wij houden aan den westelijken kant en varen langs scherp geteekende boomgroepen of liefelijk verscholen dorpen. De vloot is nu ver uit elkander geweken. Mijn groot vaartuig, dat door 26 roeiers voortgedreven wordt, met de zwart-wit-roode vlag er op, ging allen voor, den overigen den weg wijzende.
Om drie uur bereiken wij een vlak eiland, dat juist in het zuiden voor de Muschison-baai ligt. Wij ankeren hier, om den lieden een weinig rust te geven en de uit elkaar geraakte vloot op nieuw bijeen te brengen. Maar niet lang houden wij ons hier op. Reeds na een kwartier geef ik het teeken tot voortzetting der vaart naar het eiland Alfoh, vlak tegenover kaap Ntebe, waar wij dezen nacht willen slapen. Wil wenden ons nu naar het westen om, en de karakteristieke oevers in Uganda blijven noordelijk van ons liggen.
Voorwaarts gaat het in versnelde vaart, hoog klotst het schuim tegen den boeg der boot. Van tijd tot tijd springt er een golf over, wier droppels langs mijn antilopenvel afrollen. Het meer, dat van morgen zoo spiegelglad was en bijna smachtend het hemelgewelf tot zich trok, is nu door een licht avondwindje gekruld. Even als het voorhoofd bij ernstig nadenken zich een weinig fronst, zoo doet zich nu de oppervlakte in een geheel andere lichtweerkaatsing voor. Ver in het zuidwesten duiken weldra geheimzinnige vormen boven den horizon op. Eerst weet men niet, of het eigenaardige vaartuigen zijn, of wat het dan wezen mag. Marco, die achter mij plaats
81
BOOTSVAAET.
genomen heeft, licht mij in, dat het de westelijke uitloopers der Sesse-eilanden zijn.
Steeds dieper daalt de zon. Als een smeulende vuurmassa vlamt het meer in het westen. Snel schiet mijn vaartuig door de golven. Ik kijk om mij heen en bespeur dat wij alleen zijn; slechts in de verte aan den horizon enkele punten! Dat zijn de voorste mijner nakomende booten.
Vóór ons stijgt, steeds duidelijker en scherper, land op, waarheen koers gezet wordt, Ik vraag er naar en verneem, dat het de omtrekken van het eiland Sesse zijn. In allerlei bochten slingert zich de kust van Uganda daarheen. Nu maakt zij eene sterke bocht naar het noorden, om bijna als een eiland in het meer te springen, tegenover de eilanden waarop wij nu aanhouden.
âDat is Ntehe,quot; verklaart Marco.
De zon is in het westen verzonken, het avondrood opgevlamd en uitgebrand, en nu ligt het Victoria-meer in den bleeken glans der volle maan voor ons. De eilanden in het zuidwesten zijn niet meer zichtbaar. Voor ons verheft zich duister en barsch het eiland, dat scherp en steil uit het water te voorschijn komt, begroeid met knoestige, vreemde boomen. Men vraagt zich onwillekeurig af, hoe het mogelijk zijn zal, hier eene landingsplaats te vinden.
Nader komende, bemerk ik dat er een kanaal in 't land loopt, waarvan wij gebruik maken, en dat we het eiland Mfoh in het zuidwesten moeten aanklampen. Terwijl de oevers naar het oosten steil naar beneden vallen, strekken zij zich in het zuiden en westen vlak in 't water uit. De oever vormt hier eene wijde bocht en hier zal ten slotte onze bootsvaart van heden â want het is reeds 7 uur in den avond â een einde nemen. Spoedig knarst de boot op het vlakke zand, de Sesse-lieden springen in 't water, om ze nog een eind verder voort te trekken. Ik word op de schouders genomen en door twee sterke kerels naar land gedragen. In eene vaart van acht tot negen uren hebben wij Mfoh bereikt, maar nu moeten we nog op de overige booten wachten, om de tenten te kunnen opslaan en avondeten gereed te maken.
Het duurde een half uur vóór de volgende boot aankwam, en
82
OP MFOH.
's nachts om 12 uur, toen ik voor de laatste maal alles nakeek, ontbraken er nog eenigen. Gelukkigerwijze waren de tentlasten in een der voorste booten gepakt, zoodat ik om 8 uur mijne tent onmiddellijk aan den oever van het meer kon opslaan. Mijn avondeten kreeg ik eerst tegen 10 uur, maar de maan scheen helder, en spookachtig kwamen de omtrekken der eilanden uit het meer op.
Mijne lieden waren in huizen op verschillende deelen van het eiland ondergebracht, en ik had tot laat in den nacht met den postendienst werk, om te zorgen, dat de booten behoorlijk bewaakt werden. Ik was namelijk nog altijd voor intrigues uit Uganda bevreesd. Mocht de vloot onverhoeds des nachts eens verdwijnen, dan waren wij, naar alle waarschijnlijkheid, op een verlaten eilandje van het Victoria-meer, onzen ondergang zeer nabij. Laat legde ik mij ter ruste, doch het was besloten dat ik dezen dag niet al te veel rust zou krijgen.
Des nachts kwam er een onweer opzetten, zooals ik mij niet herinneren kan er ooit een zoo ontzagwekkend en grootsch te hebben bijgewoond. De eene bliksemstraal trilde en schoot na den anderen, en dat ik er mij midden in bevond, werd mij duidelijk uit het feit, dat bliksem en donder onmiddellijk op elkaar volgden. Daarbij stroomde de regen op de tent en in het meer neer. Het was alsof al de sluizen des hemels voor een nieuwen zondvloed geopend waren, en alsof deze aarde door het woedende element verslonden zoude worden. De storm huilde en floot.
Daar mijne tent met haar ijzeren spits het hoogste punt in den omtrek was, werd mijn toestand inderdaad levensgevaarlijk. Maar toch had ik geen lust om op te staan, totdat ik eindelijk daartoe wel genoodzaakt werd. De stormwind, die de golven van het Victoria-meer beukte en opzweepte, zoodat zij bijna tegen mijne beschutting sloegen, had mijne linnen tent zoodanig heen en weer gewiegd, dat ik elk oogenblik vreesde, dat ze uit elkaar zou gerukt worden. Zoo mocht ik een halfuur gelegen hebben, toen mijn vermoeden plotseling verwezenlijkt werd. De touwen, die het dak aan de eene zijde vasthielden, lieten los, en daar lag ik onder mijne tent begraven. Tegelijkertijd sloeg de bliksem in den vlaggestok, die zich
83
NACHTELIJK ONWEER.
voor de tent bevond, zoodat ik den schok in al mijne ledematen voelde. Ik ontdekte den volgenden morgen, dat de lansspits op den vlaggemast verbogen en half gesmolten was, en dat deze zelf vernield op den grond lag. Voor mij was de beslissing nu zeer eenvoudig. Slechts in een hemd gekleed liep ik op goed geluk naar de hutten, waarin, naar ik wist, de Somali ondergebracht waren. Ik vond ze dan ook om een vuurtje zitten, trok dadelijk mijn doornat hemd uit en hulde me in een wollen deken. Buitendien nam mij Jama Ismael in zijne armen, zoodat ik zeer spoedig weder warm werd en daardoor aan de gevaarlijke gevolgen van dit onvrijwillig stortbad ontkwam.
Intusschen begon de morgen te schemeren, en gelukte het mij, beslag op mijn bediende te leggen en een droog pak kleeren uit mijne koffers te krijgen. Nadat ik mij geschoren en aangekleed had, versterkte ik mij door een krachtig ontbijt tegen al het doorgestane lijden.
Het onweder was voorbij, maar de golven van het Victoria-Nyanza toonden nog overal hooge witte koppen, zoodat mijne Sesse-lieden verklaarden, dat wij voor heden niet verder konden. Intusschen kwam hier Stephano bij mij, dien de Katikiro gezonden had, om brieven naar het Engelsche sta.tion te Usumbiro over te brengen en tegelijkertijd voor mijne expeditie al het noodige te bezorgen. Hij bracht mij een huichelachtig briefje van den Katikiro, dat aldus luidde:
âGroet en nogmaals groet en wederom groet, mijn vriend! Waarom zijt gij vertrokken, mijn vriend, waarom laat gij ons vol deernis achter, ons, uwe vrienden in Uganda? Wat zult gij aan de kust zeggen, wanneer uwe broeders u vragen: hebt gij de Arabieren uit Unjoro verjaagd, en waarom zijt gij uit Uganda weggegaan, alvorens dit geschied was? Groet en nogmaals groet en wederom groet!quot;
Ik antwoordde den Katikiro twee dagen later uit Sesse het volgende :
âGroet en nogmaals groet en wederom groet! Uwen brief heb ik ontvangen en zonder genoegen gelezen. Ik ben gaarne uit Uganda heen gegaan, omdat mij uwe kibbelarijen met Muanga niet aan-
84
NAAR SESSE.
stonden. Gij vraagt mij, wat ik aan de kust zeggen zal, wanneer mijne broeders mij vragen, waarom ik uit Uganda weggegaan ben ? Ik zal mijn broeders meedeelen, dat gij een leugenaar zijt, en dat gii en uwe vrienden Uganda ten onder zult brengen. Gaarne wil ik terugkomen, en wel met soldaten en kanonnen, om Muanga te helpen, meester te worden over zijne slechte onderdanen, aan wier spits gij u bevindt. Groet en nogmaals groet en wederom groet!quot;
Niettegenstaande het meer den ganschen morgen zeer hoog stond, beval ik om 11 uur de afvaart naar het eiland Buvoh, waar wij heden dachten te legeren. Het Victoria-meer had vandaag den golfslag der Oostzee, men herkende het bijna niet, wanneer men zich de kalme oppervlakte van den vorigen dag herinnerde. Slechts met buitengewone inspanning werkten zich mijne lieden tegen den zuider-wind op. De boot werd heen en weer geslingerd, zoodat ik van tijd tot tijd vreesde, dat ze zou omslaan. Voortdurend sloegen de golven over de verschansing heen, en waren wij allen weldra door en door nat.
De Sesse-lieden plegen het roeien tamelijk onafgebroken door rhythmische gezangen te begeleiden. Op een der achterste roeiers-banken staat de voorzanger. Hij zingt ongeveer het volgende: Hei hei heia! Hei hei hei hei hei heia! Of er worden ook meer ingewikkelde zaken voorgedragen. Hij vertelt lange rooversgeschiede-nissen van het meer, of wel liefdesgeschiedenissen, doch altijd in een rhythmischen vorm, waarbij het koor in regelmatige refreins invalt; of wel er treedt een der Waganda op, die een loflied op Muanga zingt en op zijn vriend, den Msangu, Kupanda Scharo genaamd, een lied, dat mijne lieden bij voorkeur zongen en tusschen het Victoria-meer en de kust bijna eiken morgen deden hooren;
âEh! Buana mkubua etu Kupanda Scharo?quot;
Koor: âScharo?quot;
Solo: âIn Scharo!quot;
Koor: âScharo?quot;
Solo: âIn Scharo!quot;
Koor: âScharo?quot;
Solo: âEh! Buana mkubua etu Kupanda Scharo!quot;
85
NAAR SESSE.
âEh!quot; (zang uitgehaald) âis niet onze leider de bestormer dei-steden?quot;
âKoor: âSteden?quot;
Solo; âJa steden?quot; enz.
âJa, uw leider is de bestormer der steden!quot;
Vandaag beproefden zij door liedjes in doffer en stiller toon den storm te bezweren, hetgeen hun intusschen niet gelukte. Eerst tegen 4 uur des namiddags kwam ik met mijn boot op het eiland aan. Ik had heden de voorzichtigheid gehad, mijn tentlast en al mijn bagage in mijne eigen boot mee te brengen, zoodat ik van de achtergeblevenen in zooverre onafhankelijk was en er dadelijk toe kon overgaan, aan den zuidelijken rand van het eiland, weer in een bananenplantage, mijn eigen tent op te slaan. Mijn gezicht was door de zon van den vorigen dag en den wind van heden zoo terdege verbrand, dat zich overal kleine blaasjes vertoonden, en ik er bijna zwartrood uitzag. In het vervolg werd ik voorzichtiger, door op het midden van den dag mijn gezicht geheel met linnen te bedekken, zoodat ik, althans van voren, in de boot er uitzag als het gesluierde beeld te Saïs. Daardoor verloor de tocht voor mij heel veel van haar bekoorlijks, maar ik ontliep althans het gevaar van een zonnesteek.
Mijne kleine vloot was door den storm uiteengejaagd, en ook op den morgen van den 29en Maart waren nog niet alle booten bijeen. Ik besloot, ondanks dit alles, verder den tocht naar Sesse voort te zetten. Hier moest ik toch een of meer dagen vertoeven, om de groote vloot bijeen te krijgen.
Ik smachtte naar het aangename station der Franschen en naar het verkeer met Europeesche landgenooten. Ik liet derhalve eenige Waganda achter, om op de nog ontbrekende booten te wachten, en vertrok tegen 10 uur, steeds naar het vlak tegenover ons liggend eiland Sesse koers zettend. Spiegelglad lag heden het] Victoria-meer voor ons, met zijn donkerblauw oog naar den heerlijken hemel gericht. Liefelijk bescheen de zon de woudrijke oevers van Sesse, langs wier bochten wij pijlsnel voorbijgleden. In het noordwesten voor ons dook scherp en bepaald de monding aan den Katonga op.
86
NAAR SESSE.
waar het land naar het zuiden ombuigt. Terwijl het noorden van het Victoria-meer uit een tafelvormig heuvelland bestaat, is de kust in het westen bijna volkomen vlak. Ik vroeg: âWelk land is dat daar ginds?quot;
âBudduquot;, antwoordde Marco.
De ondervinding der voorafgaande dagen had mij geleerd, dat het aanbevelenswaardig was, een flinken voorraad proviand mee aan boord te nemen. Zoo had ik mij van vleesch en bananen rijkelijk voorzien en dit droeg er in hooge mate toe] bij, om de reis aangenamer te doen zijn.
Belangwekkends was er genoeg te zien. De bochten van Sesse waren rijk aan watervogels van allerlei aard, en al waren zij het ook niet geweest, dan zou het reeds heerlijk geweest zijn, de schitterende pracht der tropische wereld zoo volop te genieten. Het was iets heerlijks, de wonderbaarlijke schoonheid van het landschap in zich op te nemen.
Zoo ging het tot ongeveer 4 uur in den namiddag steeds in westelijke richting. Nu was de noordwesthoek van Sesse bereikt, en draaiden de booten zuidwaarts om. Spoedig kwam het vooruitstekend gedeelte duidelijk in 't zicht waar Sesse het vaste land van Buddu het meeste nadert. Hier lag de Fransche zending, zooals mij verteld was. Flink en gelijkmatig roeiden de manschappen voort, en vlug schoot het vaartuig langs den groenen oever voorbij. Daar dook in het bosch de gestalte van een blanke op met een bediende.
âBuana mdogoquot;, âde Jongeheerquot;, (woordelijk: de kleine heer) riepen mijne bedienden. Inderdaad, het was mijnheer Von Tiedeman! Ook zijn metgezel had de zwart-wit-roode vlag en ons herkend, en vroolijk vuurde mijnheer Von Tiedemann ter onzer eere zijn geweer af. Ik beantwoordde het schot, spoedig knarste de boot op het zand, en met een handdruk begroetten mijnheer v. Tiedemann en ik elkander, na eene scheiding van eenige weken. Mijn reisgenoot was zeer verrast, toen hij vernam dat de geheele karavaan onderweg was.
Naar Sesse waren de tijdingen van de Uganda-moeilijkheden overgewaaid en Monseigneur Livinhac had gemeend, dat het wel ontzaglijk lang zou duren, eer ik er van daan kwam. Des te blijmoediger
87
IN DE KATHOLIEKE ZENDING.
SS
was de stemming van mijn reisgezel, toen hij nu vernam, dat wij zonder veel oponthoud van Sesse naar het zuiden verder zouden gaan. Wij schreden langs het kleine pad van de landingsplaats naar boven, waar het welgestelde Fransche s'tation lag. Eechts, als men
boven aangeland was, lag een laag woonhuis, voor ons de kapel en rondom de huizen der gemeente, alles even net en zindeliik; het geheel was door tuinen omringd, waaraan zich op den verderen achtergrond het donkere woud sloot.
IX DE KATHOLIEKE ZENDING.
Monseigneur Livinhac begroette mij allerhartelijkst en wenschte mij geluk met het onverwacht snelle vertrek uit Uganda, hetwelk, naar hij zeide, eenig in de geschiedenis der Uganda-reizen mocht heeten. Ik werd in het refectorium gelaten en dadelijk op een glas wijn en koffie onthaald. Tot mijn leedwezen vernam ik, dat een der paters hopeloos aan een leverontsteking lag. De kalmte, waarmede deze gebeurtenis door de kameraden van den hopeloozen zieke werd opgevat, had voor mij iets bijzonder verheffends.
âWe zijn hier om te sterven,quot; was het eenvoudig, bescheiden gegeven antwoord. Geen sprake van nuttelooze klachten, van senti-menteele beschouwingen, maar alleen mannelijke onderwerping aan het raadsbesluit der Voorzienigheid. Het avondeten, dat in het refectorium der zending smaakvol toebereid en op europeesche wijze opgedaan was, daarenboven door kaarslicht beschenen, had vooi mij iets bijzonder deftigs. Onze eischen van het leven waren zoo gedaald, dat het feit van bij avondlicht te kunnen eten, ons eene ongehoorde weelde toescheen.
Na het avondeten speelde ik een tooneel af, hetwelk zoo romantisch klinkt, alsof het in een drama had plaats gevonden. Wij spraken over de gebeurtenissen in Uganda, over Jackson's eisch tot inhechtenisneming en de geschiedenis der laatste dagen, en kwamen daarbij als van zelf op den leider der Engelsche partij in deze streek, op Mr. Mackay. Ik sprak over den grooten invloed, dien deze in Uganda scheen te hebben, hetgeen mij Monseigneur Livinhac ook volkomen toestemde. Ik had reeds vroeger vernomen, dat Mr. Mackay te kennen moest gegeven hebben, dat hij toch nog hoopte, zijn programma, Afrika Engelsch te maken van den Tafelberg tot den Atlas, door te zetten, waarbij hij als zijne meening te kennen gaf, dat de Duitsche maatschappijen, die ginds arbeidden, volstrekt geen steun bij de Duitsche Regeering hadden. Wanneer de tijd daartoe gekomen was, zou hij de Arabieren tegen de Duit-schers loslaten, en dan zou men eens zien, hoe snel de geheele onderneming daar in elkaar zou storten. Ik bracht toen de vraag te berde, of Duitschland tegenover zulk een man niet gerechtigd was, streng op te treden en hem over de grenzen te doen
89
MONSEIGNEUR LIVINHAC.
brengen, daar zulke plannen toch met hoog verraad gelijk stonden.
âIk ben gaarne bereid, Mr. Mackay dadelijk mee naar de kust te nemen. Overigens,quot; ging ik voort, âMonseigneur, wanneer zal u weder eens naar Europa terugkeeren ?quot;
âNooit! Ik zal hier tot aan mijn dood blijven.quot;
âDat is zeer jammer, want het zoude mij een buitengewoon genoegen zijn, u als reisgezelschap te mogen meenemen.quot;
In het zelfde oogenblik trad een man de kamer in, viel voor Monseigneur op de knie en kuste zijne hand. Hij sprak met hem en deelde hem een en ander in de taal der Wasukuma mee, wat ik niet ,verstond. Ik meende te bespeuren, dat Monseigneur Livinhac een weinig verbleekte, en zag hem vol verwachting aan.
âMr. Mackay is gestorven,quot; zei hij kortweg, âen men roept mij naar Europa terug.quot;
Daar men kon aannemen, dat Monseigneur Livinhac na het ontvangen van zulke gewichtige tijdingen gaarne alleen zoude zijn, namen wij zeer spoedig afscheid van hem, en ik maakte er mijnheer Von Tiedemann opmerkzaam op, dat, wanneer dit tooneel, dat daareven plaats gegrepen had, op de planken vertoond ware geworden, men ongetwijfeld den dichter van groote onwaarschijnlijkheid beticht zou hebben.
De volgende morgen deed zich zonnig en blijmoedig voor, gelijk de afgeloopen dag. Ik had den dag te voren Nugula naar de kleinere Sesse-eilanden gezonden om de groote vloot bijeen te brengen, waarmede ik Busiba wilde aanvallen.
Den 30en Maart, op een Zondag, bleef ik in de Fransche zending, om mijne eigen expeditie daar bijeen te brengen. Ik had mijne tent onder een grooten boom laten opslaan en daar de zieke pater van daag pijnlijker was dan anders, gebruikten wij. Monseigneur, mijnheer Von Tiedemann en ik, onze maaltijden in deze tent. Den nacht te voren was er nog eene vloot van Muanga uit Usukuwa naar hier gekomen, welke kruit en munitie voor den koning en goederen voor de katholieke zending aldaar meebracht. Ik wist den leider dezer expeditie te bewegen, eenige zijner grootste booten tegen kleinere mijner flotille met mij te ruilen, hetgeen hij na
90
AFVAART VAN SESSE.
ruggespraak met Monseigneur Livinhac ook deed. Stephano liet ik in bijzijn van Monseigneur komen en gaf hem te kennen dat van nu af aan de intrigues van Uganda een einde moest komen, want ik wist heel goed, dat hij tot de Engelsche partij behoorde.
âYan nu af echter ben ik en niemand anders weder het hoofd in de expeditie, en een ieder heeft mij te gehoorzamen. Wanneer gij dit in elk opzicht nauwkeurig en gewillig doet, dan zult ge in Usukuma geschenken van mij krijgen; bemerk ik echter een enkele maal, dat gij mij tegenwerkt, in het geheim of in het openbaar, dan wordt gij in ketenen gelegd en terdege geranseld. Prent je dit terdege in.quot;
Al waren dezen woorden tegenover den offlcieelen vertegenwoordiger des konings ook een beetje hard, zij deden terdege hunne uitwerking. Ik heb op de verdere expeditie geene reden gehad, over Stephano ontevreden te zijn.
Des namiddags verschenen de laatste booten, die sedert verleden Vrijdag uit het gezicht geraakt waren, en ik kreeg des avonds nog het bericht, dat de groote vloot bijeen was. Voor Nugula liet ik het bevel te Sesse achter, met mij de geheele vloot dadelijk te volgen en die in Sango, in het noorden der Kagera-monding bijeen te brengen, van waar wij dan den volgenden dag op Busiba zouden lostrekken. Aan mijne vloot beval ik, zich voor Maandag morgen gereed te houden, daar op Sesse de levensmiddelen niet overvloedig waren, en ik ook overigens ongeduldig was, om de plaats der handeling naderbij te komen.
Zoo ging het derhalve op Maandag, den 31en Maart, reeds weder van Sesse in zuidelijke richting. Voor wij afvoeren, namen wij hartelijk afscheid van Monseigneur Livinhac en spraken met hem over den gemeenschappelijken terugkeer van Usukuma naar de kust. Monseigneur wilde ons achterna komen, zoodra hij in 't bezit van het schrijven uit Europa zoude zijn, dat hem uit Afrika terugriep. Dit schrijven verwachtte hij nog denzelfden dag, daar hem door de booten gemeld werd, dat vier Fransche zendelingen uit Usukuma vertrokken waren, om hunne broeders in Uganda te
91
DE DOODSTIJDING-.
versterken. Hij geloofde dus dat wij hen van daag of morgen op het Victoria-meer ontmoeten zouden.
Het was een heerlijk mooie morgen. Aan 't strand krioelden onze lieden en de Waganda dooreen, die van het zuiden naar hier gekomen waren, Binnen een half uur waren de booten voor de afvaart gereed. Ik steeg in het grootste, dat met de Duitsche vlag prijkte. Nogmaals een hartelijk afscheid van Monseigneur, dien ik een âtot weerziensquot; toewenschte, en toen ging de vloot vroolijk 't meer op. Zoodra wij door het kanaal waren, dat Sesse van het vasteland scheidt, werden wij weder een golfslag als op den oceaan gewaar. De klippen wemelden van meeuwen en andere vogels. Klotsend sloeg voortdurend de hooge branding tegen de booten aan. Al onze booten bleken echter daartegen opgewassen te zijn. Hoe menigmaal zij ook in de diepte der golfdalen verdwenen, steeds kwamen zij weder op den top, en spoedig verdween ook het onaangenaam gevoel eener mogelijke kentering.
Rustig en kalm roeiden de lieden onder rhythmisch gezang voort, en werd ook het snel vooruitkomen door den zuid-mousson en de tegenstroomende branding belemmerd, zoo kwamen wij toch, ondanks dit alles, snel genoeg vooruit en verloren tegen den namiddag het grootst gedeelte der booten uit het gezicht. Ik liet dus wat langzamer roeien, om althans de helft der booten wat naderbij te krijgen.
Tusschen 2 en 3 uur dook er een zeil op: dat konden niet anders dan de verwachte Pransche zendelingen zijn. Ik beval op het zeil aan te houden, en zond eenige booten vooruit.
Inderdaad was het de boot der Pransche zendelingen, die geen vermoeden hadden, dat wij het konden zijn. Mijne lieden verzochten hun, de zeilen te laten vallen, en nu schoot ik zelf met mijne groote boot naar voren:
âGoeden dag heeren! Ik ben Dr. Peters!quot; riep ik hun toe.
âquot;Wat, Dr. Peters? Zijt gij dan niet dood? Wij hebben het bericht van uw overlijden gelezen!quot;
âNeen, heeren, ik ben in 't geheel niet dood. Hebt gij niet een stuk of wat flesschen cognac voor ons?quot;
92
VAART NAAR KAGtERA.
âOngelukkigerwijze niet!quot;
Nu lagen wij in de lengte onze booten naast elkaar, en vernam ik, dat wij, volgens de berichten uit Europa, door de Massais of Somalis zouden zijn afgemaakt.
âHoe ziet het er in Europa uit? Is daar oorlog of vrede?quot; ging ik voort.
âGeen oorlog.quot;
âIs er ook iets gewichtigs in Europa voorgevallen?quot;
âNiet, dat wij weten.quot;
âHoe ziet het er in de Oost-Afrikaansche kolonie uit?quot;
âDe weg naar Bagamoyo is vrij, voorzoover het de Arabieren betreft, en hij wordt slechts bedreigd door rooverbenden. Onze laatste post is tusschen Usongo en Massali overvallen, en hierdoor zijn wij bijna geheel zonder nieuws van de kust.quot;
âHoe ziet het er in Usukuma uit?quot;
âIn Usukuma is eten in overvloed, maar de Arabieren van Margo bedreigen de Europeanen.quot;
âWeet gij ook iets van de Arabieren in Karague, waar wij nu heen gaan?quot;
âNeen, wij hebben altijd op de eilanden overnacht, uit vrees voor hunne aanvallen.quot;
âWij willen dezen nacht in Baale ons leger opslaan. Willen de heeren niet met ons daarheen gaan, om ginds een gemeenschappelijk leger te betrekken.quot;
âTot ons leedwezen kunnen we niet, daar we van daag nog naar Sesse moeten, omdat wij gewichtig nieuws voor Monseigneur Livinhac hebben.quot;
âDus is het waar, dat Monseigneur naar Europa terugkeert?quot;
âJa, wij brengen hem het besluit waarbij hij teruggeroepen wordt.quot;
âNu, dan zal ik met hem samen kunnen reizen. Ik zal hem dan te Nyayesi verwachten.quot;
Het gesprek werd nu door het sterk woelende meer bijna half schreeuwend gevoerd. Ik liet mijne boot los maken, om mijnheer Von Tiedemann gelegenheid te geven, nog eenige vragen tot
93
NAAR KAGEEA.
de heeren te richten. Een tiental minuten later eindigde dit aller-origineelste onderhoud op het Victoria-meer.
âGroet de heeren in Sesse en in Uganda.quot;
âGroet onze broeders in Usukuma.quot;
Het zeil werd opgehaald, en spoedig verwijderden wij ons van elkaar, de een naar het Noorden, de ander naar het Zuiden. De zon begon te dalen en kleurde de bochten in het Westen met een gloeiend rood. Wij voeren nu langs plaatsen voorbij, waar men rook zag opstijgen. Ik beval aan land te gaan, maar er werd mij gemeld, dat Baale niet ver meer was, en wij daar alleen eten zouden vinden.
Zoo ging het dus hij maneschijn verder. Om acht uur knarsten de booten op het zand. Even als overal aan het Victoria-meer strekt zich de oever vlak en langzaam in het water uit, zoodat de lieden altijd gedwongen zijn in het water te springen en de boot een eind weegs voort te trekken. Over het algemeen is het Victoria-meer, dat ongeveer de grootte van het koninkrijk Beieren heeft, tamelijk vlak, waardoor het zich verklaart, dat bij elke opkomende vlaag zich zoo spoedig golven vormen. Het geheel bestaat uit vul-kanischen grond. De eilandgroepen in het Zuiden zijn in den regel niets anders dan randen van kraters. Dergelijke kraterranden moeten zich hier en daar ook onder de oppervlakte bevinden en daardoor ondiepten vormen, die voor de scheepvaart zeer gevaarlijk worden. Om deze reden zijn voor het Victoria-meer vlak gaande stoombooten zonder kiel het aanbevelenswaardigst. Zij moeten echter regelmatig gebouwd zijn, om tegen de plotseling opkomende buien en den golfslag bestand te zijn.
Ik had na aankomst te Baale alles bijeen slechts 11 booten, de overige hadden tegen den hoogen golfslag niet kunnen opkomen en waren, zooals ik later vernam, meer noordwaarts te Bujaju blijven liggen. Een weg van eene minuut of vijf bracht ons door woud en maïsvelden van het strand naar het dorp Baale, waar ik de tenten liet opslaan en de hutten door mijne manschappen betrokken werden. Bij de booten plaatste ik, gelijk alle avonden, eenige posten. Spoedig waren er eenige hoenders gekocht en in
94
NAAR KAGEEA.
den pot gedaan, zooclat wij tegen tien uur nog een warmen maaltijd konden hebben. Tot nu toe was de voeding voor ons nog heel aangenaam, daar wij van Uganda rijst mee hadden genomen, en bananen overal te krijgen waren. Ik had mijn Somali-hoofd Hussein met de kookkunst vertrouwd gemaakt. Hij verstond het terdege, om ons een goede soep te koken en ook vleesch naar den aard te braden. Bij de Somalis behoefde men daarbij niet voor eenige onreinheid bevreesd te wezen, daar zij voorbeeldeloos zindelijk zijn.
Ik wilde den volgenden dag te Baale blijven liggen, om de overige booten af te wachten. Toen mij echter tegen den middag gemeld werd, dat men de booten aan den horizon in zuidelijke richting had zien voorbijvaren, gaf ik het bevel om op te rukken en nog dezen dag, den len April, Dumo te bereiken, een oord, dat uit Stanley's reisbeschrijving bekend is, en waaraan Stanley, naar hij vertelt, ook ditmaal bij zijn terugkeer van het Albert-meer gedacht had. Stanley had zonder bezorgdheid daarheen kunnen trekken. Hier heerscht stille vrede, en daar de christelijke partij steeds in het bezit van booten was, zoude het hem waarschijnlijk gelukt zijn, eveneens eene vloot bijeen te brengen, om over het meer naar Usukuma te komen.
Wij kwamen te Dumo bij ondergaande zon aan. Het vlek ligt aan een kleine bocht te midden van velden, waarheen men, even als bij Baale, over een moerassig en woudrijk terrein komt. Dumo is klein en was den len April verlaten, hetgeen een weemoedige en eenigszins neerdrukkende uitwerking op ons had. Maar de avond, terwijl wij bij maneschijn in de open lucht onzen maaltijd gebruikten, verliep allerprettigst in opgewekte gesprekken, en een flinke slaap verkwikte ons voor den volgenden dag.
Des morgens was het Victoria-meer weder onstuimig, de golven hadden witte koppen, en mijne manschappen uit Sesse hadden geen lust om verder te gaan. Niettemin beval ik het hun, en al waren we ook doornat, toch bereikten wij reeds des namiddags om drie uur het vlek Sango, dat schilderachtig op den top van een zeer ver zichtbaren heuvel noordwaarts van de monding der Kagera gelegen is, van waar men een voortreffelijk vergezicht over de
95
TE TABALIKO.
bergen van Ankore of Busagalla heeft. Hier moest ik mijne ge-heele vloot bijeentrekken, omdat wij den volgenden dag reeds te Busiba hoopten aan te komen.
Sedert drie dagen had ik van de rest mijner eigen lieden niets meer gezien, en ik begon een weinig ongerust daarover te worden. Intusschen richtten wij ons alleraangenaamst in een hoog bosch, waar ook tal van bananen groeiden, in onze tenten in. Eten werd in overvloed aangebracht, en wij konden het ons daar goed laten smaken. Tot mijne groote vreugde kwamen onder een geweldig gejuich en hoera-geschreeuw des avonds de booten met Nugula aan, en er werd mij bericht, dat ook mijne gezamenlijke lieden in aantocht waren.
Aan het strand beneden den heuvel van Sango, welke een weinig landwaarts gelegen is, ging het nu druk en vroolijk toe. In het geheel lagen er nu 93 booten bijeen, welke door meer dan 2000 man bezet waren. De reeks legervuren deed aan de tallooze lantarens eener stad denken. Overal werd naar eten gezocht, vroolijk gezang weerklonk nu eens van het eene, dan weder van het andere legervuur, en ik zag met gespannen belangstelling de gebeurtenissen van den volgenden dag te gemoet.
Keeds in alle vroegte liet ik het leger opbreken, om nog zoo mogelijk in het midden van den dag aan te komen in Tabaliro, een eiland van Basiba in het zuiden der Kagera-monding. Wij hadden een mooi uitzicht op den Kagera, die breed en met groote watermassa's hier in het meer stroomt. Er kwamen op deze plek eene reeks zeldzame steenkegels uit het water te voorschijn, welke echter voor het meerendeel slechts door watervogels bewoond zijn.
Het grootste dezer eilanden is het vruchtbare en dichtbewoonde Tabaliro, dat wij om twee uur bereikten. De bewoners van dit eiland waren Karema toegedaan en stonden onder den invloed van Kimbulu.
Hier zou mijn arbeid beginnen. Ik liet dadelijk de hoofden van den stam voor eene beraadslaging ontbieden, toen ik, met mijne vloot vooraan, met ongeveer 20 booten geland was. Het is een ras dat geheel en al verschilt van de Waganda in het Noorden.
96
TE TABALIEO.
korte lansen en pijl en boog; de vrouwen zijn met lange onder-
kleeren van stroo bedekt en zien er uit als wandelende bezems. III. 7
97
DE WASIBA ONDERWERPEN ZICH.
Zij hebben geheel en al het karakter van echte wilden. Des te meer wekten zij mijne belangstelling, daar wij hier voor het eerst op onze expeditie in het eigenlijke gebied der Duitsche belangen gekomen waren. Ik liet hun meedeelen, wie wij waren en wat wij wilden.
âIk kom in den naam van Muanga, koning van Uganda. Gij zult hem als Mfalme van Uganda erkennen en hem de schatting betalen, welke gij hem schuldig zijt. Gij zult de Arabieren uit uw land jagen. Zoodra gij dit doet, zult gij vrede hebben; indien gij het niet wilt, dan verklaar ik u den oorlog.quot;
Het trof mij, dat de lieden niet zoo onderworpen waren, als ik dit gewoon was. Ik zond hen weg met het bevel, dat zij den volgenden morgen op eene groote vergadering bijeen zouden komen, waar wij over de zaken zouden handelen.
ïoen er verscheidene mijner booten aan den horizon zichtbaar werden, begaf ik mij in het dorp, waar ik mij huiselijk dacht in te richten. Maar weldra vernam ik, dat zich de inwoners tot een aanval op ons voor den nacht gereed maakten. Dientengevolge achtte ik het beter, een gemeenschappelijk leger met mijne manschappen onmiddellijk aan het strand bij de booten op te slaan, en wij trokken dus daarheen. De tenten waren spoedig opgeslagen, en vroolijk fladderde de Duitsche vlag hier op Duitschen grond voor de eerste maal in den wind over de heerlijke bocht voor ons, waar de eene boot na de andere landde, zoodat het geheele strand spoedig met de puntige vaartuigen bedekt was.
Om den lieden van Busiba te toonen, dat het niet onze gewoonte was, ons om de zwarten te bekommeren, liet ik dadelijk alles, wat aan kudden in den omtrek was, bijeendrijven en in bezit nemen en dreigde hen, indien zij zich nog vóór den avond niet onderwierpen, de naburige dorpen in brand te steken.
âIk heb vernomen, dat gij dezen nacht oorlog met ons beginnen wilt, en ik geloof wel, dat gij zoo dwaas zijt, maar gij zult ons leeren kennen. Wanneer gij aan oorlog met ons de voorkeur geeft, dan zal geen uwer er levend van af komen. Gij ziet, dat ik nu uwe kudden al in bezit heb, en spoedig zult gij ook de vlammen
98
BEIEP VAN PATEB LOÃEDEL.
van de daken der huizen naar omhoog zien schieten. Beslist dus nu! Wilt gij Muanga als uw koning erkennen of wilt gij sterven?quot;
âWij willen Muanga en u als onzen heer erkennen, van de Arabieren willen wij niets weten,quot; luidde het antwoord, maar den ganschen avond door ontving ik elkander tegensprekende berichten van Nugula en de andere Waganda. Nu eens hoorde ik, dat de Wasiba ons zouden aanvallen, dan weder, wanneer ik er op in wilde hakken, zocht men mij over te halen, om tot den volgenden morgen te wachten. Derhalve liet ik des nachts scherp wacht houden en wachtte den volgenden morgen af.
In alle vroegte reeds kwam Nugula met de oudsten van den stam ons melden, dat alles tusschen hen uitgemaakt was. De Wasiba hadden zich aan Muanga onderworpen en wilden de schatting betalen, welke hij mocht verlangen, en zelfs wilden zij nog in den loop van den morgen voldoen hetgeen gevorderd werd. Kim-bulu en Mtatemboa, de Engelsche leiders op het tegenoverliggende vaste land, waren reeds eenige dagen geleden, toen zij bericht van onze komst ontvangen hadden, gevloden. Aan een strijd was dus niet te denken, en hij, Nugula, verklaarde zich bereid, indien ik het goed vond, in Tabaliro al het verdere alleen af te doen.
Deze mededeeling werd mij den volgenden dag in een ander gedeelte van Busiba bevestigd door een schrijven van Pater Lourdel van 31 Maart. Daarin schreef hij mij het volgende:
âZeer waarde heer!
âKoning Muanga draagt mij op, u te berichten, dat Mtatemboa, een der schatplichtige hoofden, bij wie gij door moet trekken, met een deel zijner lieden, uit vrees voor uwe komst, op de vlucht is gegaan. Koning Muanga verzoekt u, midden door het land van Mtatemboa te trekken, om den lieden van dat land nog grooter vrees aan te jagen. Ik geloof, dat gij bij de doortocht door Useba niets te vreezen zult hebben.
âGij zult er goed aan doen, de hoofdstad van Mtatemboa te verbranden, hem zelf uit het land te jagen en een zijner zoons in zijne plaats te stellen.quot;
99
DE ARABIEREN ZIJN GEVLOGEN.
Dit was een voor ons zeer welkome keer, die de zaken namen, daar wij hierdoor van de noodzakelijkheid ontheven waren, hier aan de westzijde vau het Victoria-meer voor ons geheel vreemde belangen nog eens aan het vechten te gaan met tegenstanders, wier macht wij niet in staat waren te berekenen.
Hadde ik den brief van pater Lourdel nog in Sesse ontvangen, dan zou ik mij zeer zeker aan Muanga's wensch, om de hoofdstad van den gevluchten Mtatemboa te verbranden, niet onttrokken hebben, maar ik ontving dien eerst te Bukoba, toen deze landstreek reeds achter ons lag. Daarin werd mij bevestigd, dat de gezamenlijke Arabische partij van het land zich bij ons naderen aller-wege uit de voeten gemaakt had, en nu zag ik af van eene vervolging in het mij onbekende westen, ook met het oog op mijn geringen krijgsvoorraad, en bepaalde mij tot de letterlijke vervulling der door mij te Uganda opgenomen taak, namelijk de Wasiba wederom aan Muanga te onderwerpen en de schatting voor hem in te zamelen. Dit gebeurde in den loop van 4 April te Tabaliro en later te Bukoba, waar ik weder een dag voor dit doel bleef liggen. Ik zag van het avontuur van een tocht in het mij onbekende westen des te eerder af, daar ik in Tabaliro ook het volgende schrijven van Monseigneur Livinhac ontving, met berichten over de toestanden in het zuiden van het meer, waaruit ik besluiten moest, dat de Duit-sche Emin Pacha-expeditie ook daar strijd te voeren zou hebben. Die brief van Monseigneur luidde als volgt:
âZeer waarde doctor!
âHet is waar dat ik door mijne superieuren naar Europa teruggeroepen ben. Ik zal mijn best doen, om mij in het zuiden van het meer bij u te voegen, en zal gaarne gebruik maken van het vriendelijk aanbod dat gij mij gedaan hebt, om onder de bescherming van uwe vlag te reizen. De bode, die onze laatste brieven gebracht heeft, is tusschen Usongo en Masali aangevallen. Bijna al onze brieven en dagbladen zijn verloren geraakt, zoodat wij nu geheel zonder nieuws zijn. Pater Schynse schrijft mij uit Zanzibar. De karavaan Stanley-Emin is daar
100
onderwerping van busiba.
op het eind van November gelukkig aangekomen. De weg is vrij en de Duitsche vlag wappert overal van Mpuapua tot Zanzibar.
âIk verzoek u vriendelijk u te Nyazegi op te houden, waar gij een groote woning zult vinden om u en uwe manschappen behoorlijk te huisvesten. Vandaar hebt gij slechts een marsch van 8 uur naar Bukwabi. De weinige Arabieren die zich te Masawza (golf van Speke) bevinden, doen alles wat zij kunnen om de bevolking tegen de blanken op te hitsen. Uwe komst zal hen wat beleefder doen worden, naar ik hoop.
âTot het genoegen van u weldra weer te zien en gezamenlijk met u te reizen.
âIn afwachting van dit genoegen bied ik u de verzekering aan van mijn diepen eerbied en bijzondere hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn
Uw toegenegen
Léon Livinhac,
Hoofd der Algerynsche zending.quot;
Wanneer men in overweging neemt, dat ik voor de repeteergeweren nog ternauwernood 40 patronen per man had, en dat de krijgsvoorraad zoowel van mijne voor- als achterladers eveneens buitengemeen ingekrompen was, dan zal men begrijpen, waarom ik mij tegenover al deze tijdingen tot de eenvoudige vervulling dei-op mij genomen taak beperkte.
Nadat op 4 April alles geregeld was, en Nugula verklaarde, dat ik hem al het verdere gerust kon overlaten, voer ik des avonds om 8 uur van Tabaliro af, om, verder naar het zuiden gaande, ook het vasteland van Busiba aan Muanga te onderwerpen.
Zulke nachtvaarten op het Victoria-meer hebben buitengemeen veel voor op de vaart in het schelle zonlicht, als de weerkaatsing der zonnestralen op het water de huid onmeedoogend verbrandt, en de hitte, wanneer men zich hiertegen door dek tracht te beschermen, onverdragelijk wordt. Des nachts is het koel, men kan
101
IN DE BOCHT VAN MAKONGA.
dan den lastigen helm afzetten en op zijn gemak zich in zijn stoel neervielen. Aan den hemel staat de heldere maan, die het land en de geheimzinnige watervlakte mild en heerlijk beschijnt. Ver in het oosten staan als een vaste muur zwarte onweerswolken aan den hemel, waarin het onophoudelijk trilt en licht. Maar boven ons is het helder, en slechts als droombeelden trekt van tijd tot tijd eene lichte wolk langs de maan voorbij. In zoete ruste sluimert de gansche natuur om ons heen, en peinzend verdiept zich de ziel in het groote geheim van het heelal.
Als snuivende rossen op een renbaan schieten de booten pijlsnel naast elkaar langs donkere bochten en fantastisch vooruitspringende hoeken der kust, welke scherp en steil in het meer dalen. De manschappen sluimeren en men hoort slechts het kuchen der bootslieden en den rhythmischen slag der roeiers. Onwillekeurig zweven de gedachten naar het vaderland, men denkt aan hetgeen men daar achterliet, de nacht overbrugt de beperkingen der ruimte. Zoo gaat het den geheelen nacht door tot tegen den morgen. Van tijd tot tijd vliegen wij een eilandje voorbij, dat zich links in 't water verheft.
Ik wilde eigenlijk dezen nacht tot Bakoba varen, maar tegen 3 uur trokken er onweerswolken uit het Oosten zich boven ons zamen, er kwam een sterke wind opzetten, en wij mochten blij zijn, dat wij door inspanning van de uiterste krachten der bootslieden de bocht van Makonga konden bereiken, juist vóór het on-weder met al zijn geweld boven ons losbarstte.
Snel waren de tenten opgeslagen en de bagage er in geworpen. Terwijl de bliksemstralen trilden, de donder ratelde, en een zware regen naar omlaag stortte, maakte ik het mij in een der huizen van het oord, waarin zich mijne Somalis hadden ingekwartierd, zoo aangenaam mogelijk. Voor mijne colonne beschikte ik steeds over 33 booten; de kleinere vaartuigen, welke verder achtergeble-en waren, hadden op verschillende plaatsen aan de kust onderkomen gezocht en gingen ons in de morgenuren vooruit langs Makonga onmiddellijk naar Bukoba, waarheen het marschbevel der vaart luidde.
102
103
Ik had, vóór ik me daarheen begaf, een klein strafgericht over mijn bediende Buana Mku te volvoeren.
Ik had den avond te voren een half hoen van mijn avondeten bewaard, dat ik nu verlangde om het op te peuzelen.
âHet halve hoen?quot; zei Buana Mku. âDat heeft u gisteren avond al opgegeten,quot; antwoordde hij mij onbeschaamd, daar hij zeker vermoedde, dat ik het feit reeds vergeten zoude hebben.
Nu gun ik mijn bedienden gaarne een half hoen, vooral als het niet aan eten hapert, maar deze onbeschaamdheid, om mij in het gezicht voor te liegen, noopte mij er toe, Buana Mku weder eens op eene gevoelige wijze te doen beseffen, dat het onder alle om
§Mm
yfs, '/vd-i-h
m
vaart langs de kust van Busiba.
IN BUKOBA.
standigheden het verkieslljkst in het leven is, de waarheid te zeggen. Vijf en twintig zweepslagen gaven hem aanleiding, zich deze overtuiging meer en meer in te prenten.
Daarop voeren wij naar Bakoba, waar wij reeds in ruim 2 uren aankwamen. Ter linkerzijde, tegenover de bocht van Bukoba, ligt het kleine eiland Bukerebe, dat zich schilderachtig boven de watervlakte verheft. In het zuiden liggen eenige andere eilandjes vóór de kust. Zij zijn allen verlaten. Nadat de Waganda het geheele meer bemachtigd hebben, vestigen zich de inwoners veel liever meer landwaarts, in plaats van aan de voortdurende knevelarijen der voorbijgaande Uganda-vloten blootgesteld te zijn. Bukoba is het hoofdpunt der zuidelijke Busiba. Van hier uit bereikt men, zooals mij gezegd werd, in drie marschen Karague.
Ik liet het leger op een groen weiland ongeveer 20 meter boven de watervlakte, met een heerlijk uitzicht over de bocht opslaan. Het weiland was op den achtergrond door hoog geboomte ingesloten. Het geheel had als natuurschoon iets bijzonder bekoorlijks en lokte door zijne geheele ligging in alle opzichten tot het oprichten van een station uit. Ik heb deze plaats later in Mpuapua voor dit doel Emin Pacha aanbevolen. Zij is dan ook bijzonder voor een station geschikt, omdat er eten in overvloed in de buurt voorhanden is, en de haven eene goede ankerplaats voor de booten waarborgt.
Dadelijk na aankomst zond ik soldaten en Stephano naar den Sultan des lands, dien ik gelastte, met mij eene samenkomst te beleggen. Deze had geen lust, zich met vijandelijkheden in te laten en zond dadelijk een zeer aannemelijk geschenk voor onze lieden en voor mij. Ik zond hem daarop des avonds een tegengeschenk aan kruit en goed, ook eenige vingerringen en ontving den volgenden dag nog eens drie slachtossen en eene reeks schapen en bokken, ook melk en honig in overvloed.
De Sultan, die mij, om ons te verwelkomen, den eersten dag zijne zonen gezonden had, verscheen op den tweeden dag, een Zondag, persoonlijk bij mij, om zich te onderwerpen. Hij beloofde mij op de bondigste wijze, de schatting aan Muanga te betalen.
104
BUMBIDE.
zoodra Nugula zich met de booten daartoe bij hem vervoegen zou. Zoo was dus ook hier mijne taak vervuld, en ik bracht op den zesden April een heerlijken Zondag door.
Het was Paaschzondag en de plechtigheid van het Paaschfeest drong ook in onze zielen door. Des avonds hadden wij volle maan, en een lang onderhoud hield ons tot des nachts nog voor onze tent wakker.
In alle vroegte werden wij door een plasregen gewekt, die den ganschen morgen voortduurde en ons belette voor den middag buiten te komen. Om 1 uur brak de zon door, en nu liep ik uit, om het eiland Bumbide (door Stanley Bumbire genaamd) nog des avonds te bereiken.
Hier had Stanley destijds den zoogenaamden âverschrikkingsdag van Bumbirequot; beleefd, toen de inboorlingen hem bij de ooren uit zijn boot wilden trekken en hem met den dood dreigden, waaraan hij slechts door snelle vlucht ontkwam. Hij ijlde van hier naar het zuiden terug, naar het zoogenaamde toevluchtseiland, gelijk hij het betiteld heeft (Banderema-Refuge Island) tegenover Soswa.
Ik was zeer verlangend dezen wilden volksstam te leeren kennen, die een Stanley zulk een schrik aangejaagd had.
Tegen den avond om 7 uur lagen de hooge oevers van Bumbide vlak voor ons. Wij voeren er nu een uur langs in zuidelijke richting. Om 8 uur gingen wij aan land en klauterden een steile helling op, waar langs de dorpen verstrooid lagen. Wie beschrijft mijne verbazing, toen ik een argeloos, schuchter volkje ontdekte, dat zich haastte om al onze wenschen te voorkomen, allervlugst de huizen voor ons ontruimde, bij het opslaan der tenten flink hielp, en eten aanbracht zoo veel als er op 't eiland maar te krijgen was. Mij bekroop de gewaarwording, dat de lieden toch al ontzaglijk veranderd moesten zijn sinds Stanley ze bezocht had, en deze gewaarwording is ook tijdens mijn lang verblijf op het eiland op geenerlei wijze veranderd.
Den volgenden morgen was als gewoonlijk het weder opnieuw regenachtig, en ook ditmaal kon ik eerst tegen den middag afvaren, om des avonds het zuidelijkste der drie Bumbide-eilanden te berei-
105
BUMBIDE.
ken. Hier moesten wij het leger aan 't strand dicht opeengedrongen opslaan, hetgeen zeer onaangenaam was, daar ik toch altijd nog 800â900 man bijeen had. De avonden waren voor ons heel behagelijk, daar wij nu over licht beschikten, hetwelk ik in XJgunda had laten bereiden. Dit bestond uit een groot teervat met vet gevuld, waarin drie, vier pitten geplaatst waren, die aangestoken werden en de duisternis rondom met een hoog opflikkerend licht verjoegen. Dit was des te aangenamer, daar de maan, op welke wij anders steeds stellig konden rekenen, nu van avond tot avond wederom verdween.
Den 9en April, des morgens, besteeg ik de steile helling van Bumbide, om een overzicht over de zee en het landschap te hebben. Heel ver in het zuidoosten werd mij een puntje getoond, dat mij als Soswa, het doel onzer huidige vaart, genoemd werd.
In het zuiden breidde zich een geheele krans van eilanden uit, die de zuidwestelijke zijde van het Victoria-meer een weinig omsluierde, doch geenszins zoodanig, dat wij niet daarachter den oeverrand nauwkeurig volgen konden. Dat was het land Usindja, zooals mijne lieden zeiden, dat zich in het zuidwesten van het meer uitstrekt. In blijmoedige stemming keerde ik naar het leger terug, daar vandaag de richting naar het zuiden zou ophouden en de koers naar het oosten beginnen.
Ongeveer om 8 uur vertrokken wij en nu ging het verder, doch vooreerst nog steeds in zuidelijke richting. Toen wij vervolgens het eiland Rubili bereikt hadden, waar een deel onzer manschappen gehoopt had dat we aan land zouden gaan, liet ik naar het oosten keeren en op Soswa koers zetten.
Het was een heerlijke namiddag. Helder was de lucht, welke den blik heel ver deed rondwaren. De krans van eilanden, dien wij in het zuiden lieten liggen, en welks cirkelvormige omtrek naar het noorden de Bumbide-eilanden uitmaakten, was schilderachtig, dikwerf wonderlijk en deed onwillekeurig aan de wordingsgeschiedenis denken. Oogenschijnlijk hebben wij in het Victoria-meer â dat werd mij dezen namiddag zeer duidelijk â een gebied van ontzagwekkende vulkanische werkzaamheid voor ons. Ik heb aan het gansche meer
106
SOSWA.
sporen kunnen waarnemen van het terugtreden der watervlakte en ik heb in Ukumbi van Monseigneur Hirth vernomen, dat het meer 17 jaar achtereen rijst, om dan weder in een cyclus van 17 jaar te dalen. Of dit nog op vulkanische regelmatige beroeringen van den bodem van het Victoria-meer betrekking heeft, durf ik niet zeggen, doch wel vermoed ik het. Op dergelijke wijze verheffen zich en dalen de oevers en zeebodems van oceanen, zij het ook in grooter tijdsverloop. Wanneer de regelmatige veranderingen van het niveau der watervlakte waar zijn, zullen zij moeilijk anders verklaard kunnen worden.
Dit waren de beschouwingen op den 9en April, terwijl wij naar het eiland Soswa, dat aan den verren gezichteinder opdook, koers zetten. De zon daalde, maar Soswa werd nog maar altijd niet bereikt. Onze vloot was sinds lang achter ons onzichtbaar geworden, en de boot van mijnheer Von Tiedemann, de mijne en een derde bleven steeds bij elkaar. Het werd 9 uur 's avonds, voor wij het eerste der Soswa-eilanden naderden. Het was door boschaadje omgeven, en de wind, die meer en meer was opgezet, deed de golven onheilspellend tegen den rotswand klotsen. Wij voeren verscheidene eilanden langs door eene soort van kanaal, totdat wij eindelijk, het was reeds 10 uur 's avonds, de landing aan een steenig en onherbergzaam strand in het zuiden van een der eilanden ondernamen. Door doornachtig struikgewas gelukte het, een open stuk grond te vinden, waar de tenten opgeslagen konden worden. De manschappen bracht ik onder in vervallen hutten, welke de Waganda overal voor het nachtleger op hunne vaarten langs het meer hadden opgericht. Het zijn eenvoudige stroohutten, die echter tegen noodweer en regen beschutten. Vele mijner lieden, al de Somalis o. a., waren op den watertocht ziek geworden. Hadden wij nu moeten vechten, dan zou het slecht met ons afgeloopen zijn.
Ook in dezen nacht kwam er weder een heftig onweer opzetten, met storm en plasregens vergezeld, hetgeen onder het ver vooruitspringend tentdak een wezenlijk levensgevaar werd, daar de hevige windvlagen elk oogenblik de tent dreigden op te nemen. Zoo kwam er dus niet veel van slapen, maar den volgenden morgen, toen wij
107
DE MEERVAART LOOPT TEN EINDE.
ontwaakten, lachte de zon weder met haar gouden gelaat over het heerlijke meer, welks zuidelijken oever wij nu voor oogen hadden. De stemming werd al meer en meer blijmoedig, toen mij om acht uur gemeld werd, dat een gedeelte der booten die den vorigen avond achter gebleven waren, reeds in den vroegen ochtend Soswa voorbij geroeid was, op Bandelundo koers zettende, waar wij heden dachten te legeren. Snel beval ook ik de afvaart der op Soswa legerende booten, waarvan er des nachts wederom 11 aangekomen waren.
Was het verblijf op Soswa onherbergzaam en onaangenaam, zoo werden wij te Bandelundo daarvoor rijkelijk schadeloos gesteld. Hier konden wij het leger op den vlakken grond onder de schaduw van een grooten katoenboom opslaan. De zon scheen vriendelijk. Eten was er voor ons voldoende te krijgen, daar we nog altijd schapen van de Massai-kudden bij ons hadden, en er ook nog koren voorhanden was.
Zoo brachten wij een mooien namiddag en avond op Bandelundo door, blijde in het vooruitzicht dat de watertocht, die ons al meer en meer begon tegen te staan, nu binnen twee dagen ten einde was, als het ons ten minste een beetje meeliep.
Al deze kleine eilandjes maken zulk een zonderlingen indruk, daar zij buitengemeen steenachtig zijn en dikwerf allervreemdste vormen vertoonen. Zij steken meestal scherp en fel wit boven den blauwen vloed uit en wekken vooral bij maneschijn tot allerlei fantastische droomerijen op.
Wij voeren nu aanhoudend langs geheele groepen of ook langs enkele dezer rotseilandjes voorbij, en de geest had hierdoor aanleiding tot beschouwingen van allerlei aard. Maar de bekoorlijkheid van het nieuwe was aan de reis ontnomen; in den regel stak ik maar dadelijk mijn zonnescherm op en nam uit mijne bibliotheek een of ander boek, dat ik nog niet al te dikwerf gelezen had, en begon dat op nieuw. Hier in deze dagen las ik Bulwers âLaatste dagen van Pompejiquot; nog eens over, en wezenlijk, eene meer geschikte omgeving, om de handeling in het zonnig heldere Pompeji aanschouwelijk te maken als het Victoria-Nyanza-meer bij klaarlichten dag, kan men zich moeilijk voorstellen.
108
KUEU.
Wij voeren dezen dag naar het eiland Kuru, dat tegenover Kome ligt, welks bewoners alleen in staat zijn geweest, den Waganda het hoofd te bieden, en dientengevolge in verbitterde vijandschap met hen leven. Op Kome zagen wij kudden en den rook van hut-tenvuren. Daar het koren voor mijne manschappen erg krap begon te worden, zoo had ik gaarne naar den overkant gezonden, om eten van daar te halen, maar stoffen, om het te betalen, had ik niet meer, en het stuitte mij tegen de borst, om een stam aan te vallen, dien ik om zijn onafhankelijken zin en zijne dapperheid tegenover de gevreesde Waganda heimelijk toch waardeerde en bewonderde.
De oever van Kuru, waar wij nu gelegerd waren, is zeer stee-nig, en het zou heel wat moeite gekost hebben, om plaatsen voor de tent van mijnheer v. Tiedemann en mij te vinden. Wij wisten, dat wij den volgenden dag Nyagesi, het station van de Fransche zending, bereiken konden, en waren derhalve in zeer opgewonden stemming, toen wij bij de thee na het avondeten voor mijne tent, door onze primitieve lamp verlicht, daar bijeen zaten.
In Nyagesi moest een mooi woonhuis voorhanden zijn, zelfs eene kamer op de eerste verdieping was ons beloofd. Wij hadden voorts in Sesse gehoord, dat er daar Europeesche tabak was, en dat wij sedert maanden ons weder eens het genot van een glas cognac met water zouden kunnen verschaffen. Dit alles prikkelde onze fantasie alleraangenaamst, en in opgewekte stemming begaven wij ons eerst 's avonds om elf uur naar bed.
Des morgens vroeg ging het verder, eerst langs het eiland Kome, vervolgens langs het vasteland, dat in het zuidwesten steeds scherper en duidelijker te voorschijn trad. Het weder was op nieuw heerlijk, en om 12 uur voeren wij langs het eiland Djuma voorbij, waar Stephan mij voorsloeg, nog eens het leger op te slaan, hetgeen ik echter van de hand wees.
Nu wendden wij in zuid-oostelijke richting om, en kwamen ook de oevers links, die in de kreek van Ukumbi geleiden, steeds duidelijker voor den dag. Wij konden duidelijk waarnemen, dat wij het einde der vaart nu naderden, maar het duurde toch nog
109
AANKOMST TE NYAGESI.
den ganschen namiddag, vóór wij den ingang van den Sond bereikten. Om half zes voeren wij langs den merkwaardig gevorm-den zuidwesthoek der invaart en aanschouwden ook links deze eigenaardige granieten, steenkegels en bazaltvormingen, welke aan de kust van Usukuma zulk een bijzonder karakter schenken.
Te midden van den Sond ligt een klein, scherp gevormd, met hoog hout begroeid eiland, dat wij rechts lieten liggen. Wij naderden nu meer en meer de oostelijke zijde van de straat, waar de neerzettingen en vuren der Wasukuma zichtbaar waren. De roeiers waren uitgeput door de inspanningen der laatste dagen, maar nu raapten zij al hunne krachten nog eens te samen, en onder vroolijk gezang naderden wij de plaats, waar wij in de schemering de omtrekken der katholieke zending van Nyagesi ontwaarden.
Ik stond voor aan den boeg der boot, vol verwachting de aankomst en de ontmoeting met de broeders der zending verbeidende. Langs wonderbaarlijke steenvormingen naderden wij meer en meer het strand. De boot schoot vooruit, ik sprong er uit, en te midden der duisternis werd ik in mijne moedertaal, doch in een zeer sterk Elzasachtigen tongval, met de volgende woorden begroet:
âDoor God gegroet, mijne heeren! Ik ben verrast u reeds te zien. Uwe komst is mi] door een schrijven van Monseigneur Livinhac reeds aangekondigd. Ik ben Monseigneur Hirth en vermoed Dr. Peters voor mij te hebben.
Verheugd riep ik uit:
âGoeden avond! Ik ben alleraangenaamst verrast, dat men mij hier in mijn moedertaal begroet. Mijnheer Von Tiedemann zal ook dadelijk komen, zijne boot volgt onmiddellijk achter de mijne.quot;
Dit had dan ook dadelijk plaats, en nu stapten wij door maïs-plantages en tuinvelden naar het ruime, door gebouwen ingesloten vierkante plein, aan welks linkerzijde de helder verlichte kamers van het Broederhuis van het zendingstation Nyagesi ons gastvrij toelonkten.
Wij liepen nu een langen zuilengang door en Monseigneur Hirth bracht mijnheer Von Tiedemann even als mij ieder in een voor ons ingericht slaapvertrek. Eerst ons wat opgeknapt en toen bega-
110
IN NYAGESI.
ven we ons in het woonvertrek van Monseigneur Hirth, waar Pater Gujaud en de broeder van het station ons voorgesteld werden. Ik stelde hem het schrijven uit Uganda ter hand, hetwelk Monseigneur Hirth las, waarop hij ons nog eens welkom heette.
Nu bracht men ons in het refectorium, waar een naar onze begrippen letterlijk koninklijk maal ons wachtte. Eerst kwam er een op Fransche wijze toebereide groentesoep, daarop visch, aardappelen, brood, koolrapen, wortels en kool met lamsvleesch en gebraden kippen; ten slotte kregen wij kaas, boter en vruchten, en daarbij werd koele bananenwijn geschonken en dit alles door een glaasje kristalhelderen bananenbrandewijn besloten. Wie zal het ons ten kwade duiden, wanneer onze stemming bijzonder vroolijk en opgewekt was! Achter ons lagen de gevaren en ongemakken op het Victoria-Nyanza-meer, en in werkelijkheid bevonden wij ons nu op grond en bodem der Duitsch-Oost-afrikaansche kolonie. De terugkeer naar de kust en naar het vaderland, welke tot heden toe nog altijd in een nevelachtig verschiet gelegen had, werd met den dag van heden weder een feit, waarmede wij wederom praktisch rekenen konden, en met éénen slag lag de toekomst weder helder voor ons. Wel waren er nog heel wat zorgen voor mij in 't verschiet. Bij de behandeling, welke ik sedert het begin der expeditie ondervonden had, moest ik er op voorbereid zijn, nieuwe moeilijkheden in dit opzicht te zullen ontmoeten, zoodra ik het kustgebied bereikte. Maar de zenuwen waren gestaald door hetgeen achter ons lag, en ik had mij sinds lang er aan gewend, het oude gezegde op ons toe te passen, wanneer ons weder nieuwe zwarigheden en gevaren boven het hoofd hingen: âAls mannen moeten wij dat ook dragen!quot;
In Zondagsstemming werd ik den volgenden morgen in een wit gepleisterde slaapkamer wakker. Ik had te Nyagesi eene reeks Duitsche en Fransche tijdschriften, die natuurlijkerwijze slechts tot de afgeloopen maand Augustus liepen, in de bibliotheek van Pater Schynse gevonden; daaronder was ook de Duitsche koloniale courant en het Mouvement géographique uit Brussel, waarin wij, zij het ook in zeer verminkten en onjuisten vorm, de eerste berichten van onze landing in de Kwayhu-bocht lazen. Ik stond naar mijne gewoonte
Ill
IN NYAGESI.
reeds voor 6 uur op en zette mij in den stillen vrede van den naderenden Zondag in den zuilengang van het station rustig peinzend neer.
Om 6 uur luidde de klok der zending voor het gebed, en ook ik boog mij in mijne ziel deemoedig voor God, die ons tot heden uit. alle gevaren en moeilijkheden gered had. Daarop vereenigde ons een smakelijk ontbijt in de eetzaal, en vervolgens schreef ik brieven naar Duitschland, welke reeds den volgenden morgen door ijlboden, mijne beide dragers Farialla en Pemba moto; naar de kust zouden gebracht worden.
Ik stelde er des te meer prijs op, deze berichten zoo snel mogelijk naar ginds te verzenden, daar ik in Nyagesi nog verdere bijzonderheden vernomen had omtrent hetgeen er verspreid was over het mislukken en uiteenspatten onzer expeditie, en men niet weten kon, of onze betrekkingen in Duitschland door latere berichten reeds gerustgesteld waren. Zoo schreef ik ook een langen brief aan het Duitsche Emin Pacha-comité en aan de Duitsche koloniale Maatschappij. Daar de eerste dezer beide tijdingen voor de stemming van dezen dag kenschetsend is, zoo laat ik dien brief ook hier volgen;
âIk verneem hier bij mijne aankomst te Usukuma, dat men in Europa onze expeditie voor mislukt en mij zelf voor dood verklaard heeft. Men heeft daaraan de beschouwing vastgeknoopt, dat men dit immers voorspeld had, ja dat de geheele wereld het vooraf geweten had, dat men met eene expeditie als de mijne niet dooide Massais komen kon; dat ik dus vrijwillig in mijn eigen ongeluk geloopen was en dergelijke dingen meer. Het zij mij derhalve veroorloofd, omtrent een en ander het volgende mede te deelen;
1, Vooreerst was ik op de plaats zelve zeker beter in staat, dan onze vitters in Europa of aan de kust, om de vraag te beoordeelen of het met de mij ten dienste staande middelen mogelijk of niet mogelijk ware, mijne expeditie te doen slagen. Het is nooit mijne bedoeling geweest, het leven van mij toegenegen lieden als een onzinnige op het spel te zetten. Wanneer ik niettegenstaande dit alles met mijne kleine colonne steeds voorwaarts ging, zoo ge-
112
DR. PETERS' GEDRAGSLIJN.
beurde dit, omdat mij de moeilijkheden die mij te wachten stonden, ondanks al het gepraat en lawaai, niet onoverkomelijk toeschenen, «n de uitslag heeft mij dan ook volkomen in het gelijk gesteld.
2. Het onderscheid tusschen de opvatting der moeilijkheden die mij te wachten stonden, vond hierin zijne oorzaak, dat ik in het algemeen aan het initiatief der Arabieren en Afrikanen heel weinig iiandacht schenk en derhalve steeds overtuigd ben, met voorzichtigheid, gepaard aan snelle besluiten, mij er wel door te kunnen redden. De gevaren in de MassaManden hebben nooit grooten indruk op mij gemaakt. De reizigers die daarover geschreven hebben, Thomson en Dr. Fischer, hebben nooit een vastberaden houding tegenover deze â¢eenigszins onbeschaamde zonen der steppe aangenomen en konden derhalve ook geen juisten maatstaf bieden voor de beoordeeling der gevaren op dezen tocht.
Feitelijk zijn ook deze gevaren niet zoo vreeselijk, als men zegt en denkt, en mijn tocht door dit gebied, ofschoon ik slechts over 60 tot 70 man beschikte, is volstrekt geen heksenwerk geweest, alhoewel het zijne bezwaren had en het er soms vrij bedenkelijk uitzag. Ik hoop oprecht, dat ons voorbeeld, wanneer het gevolgd wordt, het zoogenaamde âMassai-gevaarquot; in zeer korten tijd zal doen verdwijnen. In elk geval kan er geene sprake van zijn, dat ik ons leven lichtzinnig op het spel heb gezet, omdat ik de gevaren juist inzag en, gelijk de uitslag bewezen heeft, ook niet te gering achtte.
3. Over het algemeen schijnen, wat de reizen door Afrika betreft, eene reeks van vooroordeelen te bestaan, welke in het belang van het openzetten van dit werelddeel zoo spoedig mogelijk â opgeheven dienen te worden. Hiertoe behoort vooral het geloof, dat men met een bovenmatig groot aantal ruilartikelen en dragers uittrekken moet, om naar Centraal-Afrika te kunnen komen. Daar iedere drager per maand gemiddeld l'/a Doti stof verbruikt, kan men gemakkelijk genoeg berekenen, op welk tijdstip hij zijn eigen last opgegeten zal hebben. En wanneer men gelooft, dat de groote menigte het weerstandsvermogen verhoogt, dan kan ik er op wijzen, dat in dit opzicht alles van de inrichting afhangt, welke bij een
113
DE MGWAGWANA.
klein troepje gemakkelijker tot stand te brengen is dan bij een groot.
De eigenlijke Mgwagwana is laf en sleept door zijn slecht voorbeeld de betere elementen eener expeditie mede. Voorbeelden in dit opzicht zijn de expeditiën van Arabieren, dikwerf duizenden sterk, die door de Massais geslagen worden. De Engelsche expeditiën in Oost-Afrika, die gelijktijdig met mij uittrokken en vele honderden sterk waren, bleken toch niet zoo slagvaardig te zijn en niet zulk een weerstandsvermogen te bezitten als de mijne, van welke ik iederen man ken, en die door éénen geest bezield is. Vele lasten van ruilartikelen brengen als van zelf het gevaar met zich mede, dat men nu en dan den strijd met dezen of genen stam afkoopt, waardoor het aanzien van het blanke ras slechts lijdt en de naieve aanmatiging der Afrikanen eenvoudig vergroot wordt. Het zal mij verheugen, wanneer men uit eene vergelijking der Duitsche Emin Pacha-expeditie met anderen erkennen zal, dat ik mij aan deze groote fout nooit schuldig gemaakt heb. Ook heeft de uitkomst geleerd, dat onze expeditie in alle landen zoo in aanzien is geweest, als dit met de waardigheid van ons Europeesch ras overeenkomt.
Zelfs in deze landen hier geven er de vijandelijke partijen de voorkeur aan, bij onze komst de vlucht te nemen, zooals b.v. in het westen van het Nyanza de machtige Arabier Kimbulu, die over de 100 olifantenjagers heeft, met zijn geheelen aanhang, dien ik op mij genomen had, uit het land te jagen. De stammen, die met ons vrede wilden houden, zijn daarbij steeds goed gevaren.
4. Op deze wijze heeft onze expeditie, ofschoon ongelukkigerwijze Emin reeds vroeger zijn land verlaten moest, hetgeen altijd zeer te betreuren zal zijn, toch in den geest kunnen arbeiden, die ons naar hier gebracht heeft. Aan de Duitsche Emin Pacha-expeditie was het vergund, het geheele Tana-gebied en TJsoga te onderzoeken. Wij konden Muanga met zijne christelijke partij naar Uganda terugbrengen en daardoor in het noorden van het Nyanza-meer een christelijk bolwerk tegen den islam oprichten, Uganda door aanneming der Congo-acte en van het beginsel van het verbod van
114
VERDERE UITWEIDINGEN.
slavenhandel bij de halfbeschaafde landen van Afrika, zooals Zanzibar, samenvoegen en het westen van het Victoria-Nyanza-meer van Arabische invloeden zuiveren.
Dit was inderdaad het doel, naar hetwelk door onze beweging voor de boven-Mjllanden gestreefd is, waardoor wij op de ontwikkeling van Midden-Afrika, als wier voorvechter wij met recht Emin Pacha beschouwden, invloed hoopten uit te oefenen. Ik geloof, dat men in Europa geneigd zal zijn, de beteekenis dezer Emin Pacha-expeditien verre beneden de waarde te schatten. Maar misschien zal hij, die een goed inzicht in de dingen heeft, toch den zedelijken invloed waardeeren, welken het toesnellen van zoo vele expedition ter redding van een uitnemenden blanke als Emin Pacha over geheel Midden-Afrika zal doen ontstaan. Dit heeft ons in deze landen als een voornaam ras gekenschetst en dat is voor alle tijden geldend. Eere zij Stanley, wien het vergund geworden is, Emin Pacha naar de blanke wereld terug te brengen ')⢠Maar ook wij hebben daartoe mogen bijdragen, dat in de opvatting der menschen het opgeven der positie aan den boven-Nijl slechts van voorbijgaanden aard schijnt, en dat het âTutarudiquot; (wij zullen terugkeeren) levendig blijft. Wil Europa deze overtuiging over de geheele noordoostelijke zijde van het werelddeel uitstrekken, dan is vooral het uitzenden eener sterke expeditie door de Somali- en Galla-landen aan te bevelen, om ook dezen trotschen stammen het besef van ons overwicht in te prenten, en eindelijk den moord van von der Decken te wreken.
Het onderzoek van het geheele Juba-gebied zou het aardrijkskundig doel dezer expeditie moeten zijn, hetgeen inderdaad een eisch van onzen tijd is. Zulk eene expeditie, op geheel andere ethische en aardrijkskundige uitgangspunten berustende, zou natuurlijkerwijze naar het aardrijkskundig einddoel der Emin Pacha-expeditiën terug moeten brengen; en daarmede zoude het laatste gedeelte van den geheimzinnigen sluier, die Oost-Afrika omhult, opgetild zijn.
115
5. Onze eigen onderneming overziende, schijnt het mij toe, dat
') Zoo dacht ik nog op den 13en April 1890.
slot der beschouwing.
de groote beslissende strijd om Oost-Afrika, welke daar tusschen Europeanen en Arabieren gevoerd werd, nu voor ons beslist is. Het Arabierendom is overal geslagen. Hiertoe heeft in de eerste plaats de Duitsche tocht onder kapitein Wissmann bijgedragen. Maar ook Stanley, Graaf Teleki en wij konden daartoe een en ander bijbrengen. Stanley, door de stammen tusschen Congo en Mwutan Nzige,
de Wanyoro en Wanera te slaan, Teleki, door Wakikuju en Wasuk terug te drijven, wij, doordien wij achtereenvolgens den Wagalla,
Wadsagga, Wakikuju en Massais, om de kleineren niet te noemen, de overmacht der Europeesche wapenen duidelijk maakten, doordien wij de christelijke partij te Uganda ondersteunden en den Arabischen invloed in het westen van het Nyanza-meer verbraken â
wij hebben mede gearbeid tot het verchristelijken van Oost- en Centraal-Afrika.
Zoo vormen al deze ondernemingen ten slotte éen groot gemeen- ,
schappelijk geheel, en in dezen geestelijken samenhang moet ook de t
Duitsche Emin Pacha-expeditie begrepen worden. Wanneer men haar zoo opvatte, zoude misschien menig vroegere tegenstand tegen deze onderneming ophouden, en men zal toegeven, dat, wanneer zij ook schijnbaar haar doel gemist heeft, zij toch niet te vergeefs geweest is in den dienst der groote zedelijke denkbeelden, welke juist nu in Afrika naar hunne verwezenlijking streven.
Ik heb de eer, mij met onveranderlijke hoogachting te teekenen,
uw steeds toegenegen
Carl Peters.
PS. Ik denk tegen het einde van Juni te Zanzibar te zijn, en breng Monseigneur Livinhac mede, die tot hoofd der zending te Algiers benoemd is.quot;
gt;)âº
Nadat deze berichten gereed en ook eenige andere brieven geschreven waren, bekoorde mij des avonds eene wandeling met Monseigneur Hirth door de tuinen der zending, hetgeen mij opnieuw bewees, wat bij ijverigen arbeid uit dit land gemaakt kan worden. Verscheidene soorten van Europeesche groenten groeiden
l lt;
116
NAAE UKUMBI.
hier. Een groot terrein was met bananen beplant, welke uit Uganda waren ingevoerd. Overal opgewekt leven en zegenrijke arbeid!
Wij waren juist nog in deze beschouwing verzonken, toen plotseling geraas aan het strand onze aandacht tot zich trok, en ons gemeld werd, dat de rest mijner booten, die den vorigen avond niet aangekomen was, nu in aantocht bleek te zijn.
Dadelijk gingen wij naar den oever en daar telden we meer dan 20 booten, welke op ongeveer gelijke hoogte achter de eilanden, die wij den vorigen avond voorbij getrokken waren, te voorschijn kwamen. Toen zij den oever in 't gezicht kregen, schaarden zij zich allen op eene rij, en begonnen zwenkingen te maken en andere bewegingen uit te voeren. Vervolgens zetten zij koers op het strand, en spoedig was ik omringd door de mij nog ontbrekende manschappen, die ik sedert Bumbide niet gezien had.
Snel deelde ik dien zelfden avond nog stoffen aan hen uit, zoodat zij zich rijkelijk van voedsel konden voorzien. Zij werden in de huizen der zending ondergebracht en spoedig heerschte er eene zeer vroolijke stemming onder de manschappen, die nu eveneens zeker waren, waaraan zij dikwerf getwijfeld hadden, dat zij althans weder naar hun vaderland terug zouden keeren.
Den 14en April besloot ik, met een deel mijner lieden naar Ukumbi over te varen, dat drie uren ten zuiden van Nyagesi ligt. Mijnheer v. Tiedemann wilde er eveneens eenige dagen heen, en gaf er de voorkeur aan, met de boot verder te gaan. Daar de Arabieren van Margo het Duitsche gezag nog niet erkend hadden, scheen het mij van belang toe, in Ukumbi dadelijk de Duitsche vlag te hijschen en het land door een verdrag onder Duitsche bescherming te brengen, des te meer, daar de Fransche zending mij Juist daarom verzocht.
Op den morgen van den 14en April had Pater Guyaut tevens eene photographische afbeelding van ons leger en onze Askaris gemaakt. Na het middageten rukte ik met Hussein, Fara en eenige andere Somalis en mijne bedienden uit, om tegen den avond Ukumbi te bereiken.
Het had tegen middagtijd weder sterk geregend, en het land zag
117
TE UKUMBI.
er dus overal even frisch en groen uit. Wel was het water, dat op de wegen stond, voor het vervoer zeer lastig, maar een tropisch landschap wint toch altijd door het vochtige element. De eigenaardige basaltkegels en granietvormingen die ik reeds op de boot waargenomen had, kenschetsten, gelijk ik nu zag, inderdaad dit gansche deel van Usukuma. Voortdurend daarlangs loopt de weg.
van waar nu en dan de bocht van het Victoria-meer aan de rechterhand zichtbaar is.
Toen ik in een dorp, omtrent in het midden tusschen Nyagesi en Ukumbi aangeland was, kwam mij reeds de ezel tegemoet, dien Monseigneur Hirth, die des morgens er heengetrokken was, de vriendelijkheid had ons te zenden, en zoo verliep de
rest van den tocht op zeer gemakkelijke wijze. Door een breed moeras ging het weder langzaam bergopwaarts, door dorpen, die door breede wegen tusschen groene heggen doorsneden waren, door Mtama- en Maïsvelden, toen plotseling ter linkerzijde, aan de helling van een der reeds beschreven steenkegels, het welgestelde zendingsstation van Ukumbi voor ons lag.
De zon was aan 't dalen toen wij het naderden, en juist luidden de klokken der kerk voor de avondvesper. Door een gewelfde poort kwamen wij op een vierkante binnenplaats, die door gebouwen omringd was. Op de Veranda verscheen Monseigneur Hirth, die den trap afdaalde, om mij welkom te heeten.
118
TE UKUMBI.
119
*
r
TE UKUMBI.
Zaterdags heen, om er des Zondags godsdienst te houden, en keerde dan des Maandags weder naar Ukumbi terug. In de week, gedurende welke wij in deze streek waren, was pater Guyaut met een broeder voortdurend te Nyagesi in afwachting van Monseigneur Livinhac. Het hoofd van Ukumbi en Nyagesi was tot nu toe monseigneur Hirth geweest, die intusschen in de plaats van den naar Europa teruggeroepen Monseigneur Livinhac tot hoofd der gezamenlijke katholieke zending aan het Victoria-meer benoemd was geworden.
Monseigneur Hirth is een lang mager man met een lichten vollen baard en een gouden bril. Hij heeft geheel en al het karakter van een Duitschen geleerde en is in de dogmatiek van zijn godsdienst in buitengewone mate thuis. Hij spreekt en schrijft heel goed Duitsch, al doet hij ook het eerste met een sterk Elzassischen tongval. Ons onderhoud werd afwisselend in het Duitsch en Fransch gevoerd, en menigen langen avond hebben wij over het onderscheid in de leer onzer beide kerken geredekaveld.
Onmiddellijk na mijne komst stelde mij Monseigneur Hirth den Père procureur der zending, Monseigneur Hautecoeur voor, een heel belangwekkend en levendig mannetje, die jarenlang in Unjanjembe gewoond had en mij veel gewichtigs over het doen en laten der Arabieren aldaar mee kon deelen. Daar Monseigneur Hautecoeur het ver in woordspelingen en geestige toespelingen gebracht had, droeg hij tot den opgewekten conversatie-toon aan tafel in hooge mate bij. Hij zorgt voor al de stoffelijke aangelegenheden der zending en is in alle mogelijke dingen even handig, van het schrijnwerken en draaien af tot het vervaardigen van patronen en het herstellen van geweren. Ik bracht heel graag in den namiddag een uurtje of wat in zijne woning door, om hem aan zijn verschillenden arbeid te zien.
Behalve deze beiden bevond zich nog een dienende broeder te Ukumbi, die echter spoedig na mijne aankomst aldaar aan dysenterie ziek werd en tijdens mijn verblijf overleed. Deze had zich bijzonder verdienstelijk gemaakt door het aanleggen van den tuin, waarin hij allerlei Europeesche groenten en ook vruchten van de kust, z;ooals b. v. oranje-appelen, kweekte. Deze tuin bevond
121
USUKUMA.
zich onder de gebouwen en werd door een afgeleid bergbeekje besproeid.
De geheele neerzetting was om gezondheidsredenen op de hoogte
aan de oostelijke zijde van de ver inloopende Kreek gebouwd,
hetgeen daar echter tegen de koortsmiasmen nog niet voldoende beschermde.
Het landschap Usukuma, in tegenstelling met Uganda, wordt door groote dorheid gekweld en ziet er acht maanden van het jaar lang, naar men mij zeide, zeer verbrand uit. Dit is voor den landbouw natuurlijk zeer nadeelig, en zoo komt het, dat de inwoners zich voornamelijk op veeteelt toeleggen. Het vee wordt tijdens de droogte in de bosschen gedreven, maar ik heb toch niet goed kunnen be-
122
HET HIJSGHEN DER VLAG IN ÃKUMBI.
grijpen, hoe het den lieden mogelijk is, deze ontelbare massa rundvee het geheele jaar door te voeden.
Toen ik Usukuna zag, hetgeen tijdens den grooten regentijd het geval was, geleek het geheele land wel ééne frisch groene weide. Op de velden groeide en rijpte maïs en mtama, daarbij overal bataten en groene boonenvelden, zoodat ik levendig aan onze noord-duitsche velden herinnerd werd, wanneer ik over de groote vlakten heenzag, welke slechts door de steenkegels bezet zijn, waarvan ik reeds vroeger gewag maakte.
Ook de bewoners van dit land bezitten het karakter van noordelijke Europeanen: ze zijn zwaartillend en soezerig, maar, naar het schijnt, vertrouwbaar en degelijk. Alles bij elkaar genomen, is Usukuma voor Duitschland een kostbaar bezit, daar de Wasukuma zonder quaestie de beste dragers en in elk opzicht flinke arbeiders leveren. Zij voelen zich bijzonder gedrongen om met de kust en het blanke ras betrekkingen aan te knoopen en zullen zonder twijfel in de toekomst onze bruikbaarste onderdanen zijn. Ik schat hen nog hooger dan de Wanjamwesi, vooral ook omdat deze sinds eeuwen meer onder Arabische invloeden hebben gestaan, hetgeen bij de Wasukuma geenszins het geval is. Deze sloten zich zeer spoedig bijzonder bij mij aan en van alle kanten kwamen er verzoeken en aanvragen om de Duitsche vlag te schenken, waaraan ik alleen niet voldoen kon, omdat ik zoovele vlaggen niet meer in mijn bezit had.
Op plechtige wijze heesch ik op den 16en April des morgens de vlag te Ukumbi, en nam daarmede voor Duitschland bezit van de zuidzijde van het Victoria-meer. Door bemiddeling van Monseigneur Livinhac had ik tevens met den sultan van Ukumbi een verdrag gesloten, waarin deze het Duitsche gezag erkende en om de vlag verzocht. Daarop werd het dundoek in diens residentie op een hoog punt plechtig geheschen en door saluutschoten begroet. Zoo wapperde de vlag reeds van verre zichtbaar ook voor de booten, die van het Noorden in de Kreek varen.
De Arabieren van Margo waren bij het naderen onzer expeditie in de bosschen gevlucht, zooals ik van Monseigneur Hirth vernam.
123
124
HET LEVEN TB UKUMBI.
der vlag naar jSTyagesi terug, daar de beschikbare ruimte te Ukumbi vrij beperkt was, en nu volgden er eenige hoogst eigenaardige weken vol rustig leven voor onze expeditie, welke na allerlei avonturen eindelijk hier gekomen was. Te Ukumbi bevond zich eene nederzetting van Mr. Stokes, waar zich verscheidene Wangwana en eene geheele reeks slavinnen bevonden. Hier hadden mijne lieden dag en nacht pleizier, waarbij de bierkruik niet ontbrak. Het gevoel van eigenwaarde was bij mijne manschappen ontzaglijk toegenomen. Wanneer ik ze, met alle mogelijke snuisterijen opgedirkt, het hoofd in den nek, tusschen de inboorlingen zag stappen, die zij nauwelijks met een blik verwaardigden, of, wanneer zij bij de bierkruik orn 't vuur gelegerd waren en van de Massais en Waganda aan de griezelende toehoorders vertelden, dan kon ik mij dikwijls van lachen niet houden. Nu kregen zij eigenlijk voor de eerste maal op de geheele expeditie regelmatig poscho, daar de katholieke zending mij tegen een wissel op Zanzibar genoeg kleeren verkoopen kon. Zij konden in hun levensonderhoud voorzien, maar ouder gewoonte beproefden zij in den eersten tijd toch nog altijd om eenvoudig weg te kapen wat zij wenschten, zonder zich de moeite van het onderhandelen te geven, en waren zeer verrast, toen ik voor dergelijke wijze van doen terdege de zweep op hun rug liet aankomen. Eerst langzamerhand gewenden zij er zich aan, in de Wasukuma Duitsche onderdanen en beschermden te eerbiedigen.
Ik zelf bracht te Ukumbi mijne dagen zeer kalm en idyllisch door. Ik bewoonde een gezellig kamertje, waarin ik 's morgens de gewoonte had te lezen of te schrijven. Om 6 uur stond ik op en hield inspectie over miine manschappen, die in het gelid voor de veranda moesten staan.- Dan werd het ontbijt in het refectorium gebruikt, en daarna zaten we een uurtje te samen op de koele veranda, een pijp Europeeschen tabak te rooken. Vervolgens placht ik de Somalis te bezoeken, die in eene tent ter rechterzij van het zendingsstation ondergebracht waren. Daarna schreef ik brieven of las ook wel tot 12 uur, als wanneer de klok voor het tweede ontbijt ons naar het refectorium riep. Dan was er soep, gebraden vleesch, groenten, aardappelen, brood en boter met kaas, en een glas cognac
125
MIJN GEMOEDSTOESTAND.
met water droeg tot de opgewekte stemming bij. Na het ontbijt werd weder eene pijp gerookt en koffie gebruikt. Daarna begaf ieder zich weder naar zijn eigen kamer, ik, om te lezen, of wel ik bracht een bezoek aan Monsieur Hautecoeur. Tegen 4 uur haalde ik Monseigneur Hirth of Monsieur Hautecoeur voor eene wandeling in den omtrek af. Wij doorwandelden den omtrek in alle richtingen, of wij gingen ook weieens naar 't meer, om een visch te vangen, of naar een dorp om honig te koopen. Om 6 uur was er vesperdienst, en om halfzeven kwamen wij allen bijeen voor den hoofdmaaltijd, waaraan zich na afloop daarvan meer of minder lange gesprekken in het refectorium of, wanneer de muskieten niet te gevaarlijk waren, ook op de veranda vastknoopten.
Men zal mij toegeven, dat zulk eene levenswijze in het hart van Afrika aangenaam genoeg is, en men zal er zich misschien over verwonderen, wanneer ik meedeel, dat mij reeds na verloop van een week een onrust overviel, die ik ternauwernood bedwingen kon en die mij er met geweld toe dreef om het een of ander te doen of te ondernemen, al ware het slechts om de Arabieren van Margo aan te vallen, of de vijandelijke bewoners aan de overzij der Kreek te verdrijven. Het willen en handelen was te veel eene tweede natuur geworden, dan dat het zich zoo spoedig met een rustig levensgenot als mij nu ten deel viel, had kunnen tevreden stellen. Dan kwamen er ook weder uren, waarin de geest, als eene grooten-deels ontladen electrische batterij, geneigd was, zich aan mijmeringen en fantastische overpeinzingen over te geven. Alle prikkel tot willen en handelen bleef dan weg, en de geest gaf zich geheel aan beschouwingen over. De groote vraagstukken van het zijn kwamen in al hunne scherpte te voorschijn, en als in vroegere jaren trachtte de geest daarvoor eene oplossing te vinden.
Soms nam ik ook aan den kerkdienst der katholieken deel. Wanneer des avonds om 6 uur de klok voor het gebed luidde, maakte zich een stemming van mij meester, die ik in mijne jeugd meermalen gevoeld had. Ik begaf mij in de kapel, die met kaarsen verlicht was en waar de wierook haar geur verspreidde. In deze kapel stond een harmonium, waarop Monseigneur Hirth op mees-
126
MUSA EK DE KROKODIL.
terlijke wijze speelde. En wanneer dan de kinderen bij de tonen van dit instrument in welluidende harmonie hunne lofzangen deden hooren, loste zich ook de ziel in weemoed op. Toen ik voor de eerste maal weder zoo de tonen der muziek hoorde, doordrong mij een heftig gevoel van weemoed en medelijden met mij zeiven. Al dat hartstochtelijk worstelen en strijden der laatste maanden kwam mij voor den geest; ik moest mijne handen tegen mijn gelaat drukken, om krampachtige snikken te onderdrukken.
Zoo verliepen de dagen op gelijkmatige en aangename wijze. Yan Monseigneur Livinhac kwam geenerlei bericht. De regentijd had zich nu met volle kracht ingezet, dagelijks kwamen er stroomen van den hemel naar beneden, meestal onder bliksem en donderslag. Uit Usukuma en ook uit Usumbiro kwamen berichten van groote overstroomingen, welke de wegen aan de kust letterlijk onbegaanbaar maakten.
Onder mijne manschappen ontstonden allerlei ziekten en ongesteldheden, en den 24eiquot;1 April werd ook mijnheer Von Tiedemann hevig door koortsen aangetast. Den 25en April verloor ik den flinken kleinen Musa uit Dar-es-Salam, die na Nogola's dood de oudste der dragers was. Hij was met twee zijner kameraden uit Dar-es-Salam naar eene bocht van het Nyanza-meer gegaan om te baden. Hassam, de broeder van Musa en een zijner beide metgezellen, die aan den oever stond, bespeurden plotseling dat een krokodil den bader naderde. Snel beproefden beiden door zwemmen den oever te bereiken, hetgeen Maniumku, den anderen gezel, ook gelukte. Maar vóór Musa den oever bereiken kon, was de krokodil hem nabij, pakte den armen drommel bij den nek, en, zonder dat hij zelfs nog éen gil kon uitstooten, verdwenen beiden in de diepte.
Wij zaten juist aan 't nagerecht van het middagmaal, toen Hassam en Maniumku luid weenend de kamer binnenliepen met de tijding:
âMusa is door een krokodil opgegeten!quot;
Ik sprong op, zette mijn helm op en wierp de buks over mijn schouder, in de hoop dat ik althans het ondier nog zou kunnen
127
KOORTSEN.
straffen. Maar dit was met zijn buit zeker naar een of ander eilandje in de kreek gezwommen en liet zich niet meer zien. Ik vernam van de Paters, dat de krokodillen van het Victoria-meer allergevaarlijkst zijn. Zij werpen de kleine visschersbooten om, ten einde de menschen die er in varen te vangen, en vallen ook somtijds de lieden, die aan den oeverrand staan, aan. Zeer vele Wasukuma
verliezen op deze wijze hun leven. Het deed mij ontzaglijk leed van den armen Musa en ik verbood mijnen manschappen het baden, doch een dergelijk verbod bleek mij geheel overbodig te zijn, want niemand ging meer te water.
Daar de berichten uit Nyagesi eenigszins bedenkelijk luidden, begaf ik mij er den 27en April heen, om mijnheer v. Tiedemann te bezoeken. Hij vreesde op den namiddag van dezen dag dat hij aan hepathie leed, hetgeen gelukkigerwijze eene dwaling bleek te zijn.
128
mm
r
KOORTSEN. 129
Ik bleef den 28ei1 en 29en te Nyagesi, waar wij des namiddags eene gemeenschappelijte leeuwenjacht op touw zetten, waaraan ook mijnheer Von Tiedemann kon deelnemen. De leeuw maakte zich des namidags van een schaap uit de kudde der zending meester. Wij verscholen ons in de nabijheid der kudde, maar de brutale gast moest de lucht van ons gekregen hebben, want hij roofde dezen namiddag een schaap uit eene andere kudde, welke dicht bij ons weidde. Wij hoorden hem vlak in de nabijheid brullen, toen mijn bediende Mabruk hem opjoeg, maar kregen hem ongelukkigerwijze niet onder schot.
Den 30en April ging ik, gerust gesteld over mijnheer v. Tiede-mann's toestand, naar Ukumbi terug. Des avonds bleven wij laat op, daar ik het er nu eens op gezet had, het Walpurgis-uur wakend af te wachten. Ik had op den 30en April, daar het mij onmogelijk was geworden in een gesloten vertrek te slapen, mijne tent op de binnenplaats der zending wederom laten opslaan, en eerst na middernacht begaf ik mij daarheen.
Maar dat lange opblijven zou noodlottig voor mij worden. Ka het ontbijt van den len Mei bespeurde ik plotseling eene lichte rilling en kreeg ook dadelijk het verlangen, om naar bed te gaan. Een uur daarna lag ik in de hevigste koorts, en was de echte moeraskoorts of malaria bij mij uitgebroken.
Bet eigenaardige dezer ziekte is, dat zij in de eerste plaats het zenuwgestel aangrijpt en de wilskracht verlamt. Men gevoelt zich hevig ter neer gedrukt, en men lijdt aan allerlei beangstigende voorspiegelingen. Men klappertandt en rilt of men steunt, half ver smachtend in droge gloedhitte. In dezen toestand denkt men den dag niet te overleven. Ik dacht stellig dat ik sterven zou, en ik kan de verzekering er bij geven, dat de gedachte daaraan iets bijzonder heerlijks voor mij had, verlost te zullen worden van al dat stormachtige worstelen en aan den oever van het Victoria-meer te rusten.
Maar de Voorzienigheid had het anders bepaald. Sterke hoeveelheden braakpoeder verlichtten het gestel, en daarop diende mij pater Hautecoeur, die mij in behandeling genomen had, regelma-
III. 9
I
VEBTEEK UIT UKUMBI.
tige portiën chinine toe, welke de koorts na een delirium van drie dagen verjoegen. Maar wat had deze aanval mijn lichaam verzwakt! Nog drie dagen geleden was ik frisch en krachtig geweest gelijk in Europa, en nu was ik ineengezakt en zwak, zoodat ik nauwelijks in staat was rechtop te gaan, als ik van het zendingshuis de 20 stappen naar mijne tent aflegde. Ik vermeld dit slechts om duidelijk te maken, van welk eene soort de malaria aan het Victoria-Nyanza-meer is.
Terwijl ik door de koorts geteisterd werd, was de broeder dei-zending gestorven en begraven. Den 4en Mei was mijn koortsaanval gebroken, en den 5en kon ik mij voor de eerste maal weder in mijn leunstoel neerzetten. Intusschen luidden ook de berichten over mijnheer v. Tiedemann verontrustend: ook hij werd door ijlende koortsen bezocht. Hij had op zekeren nacht het geheele station in oproer gebracht door revolverschoten, die hij op tegenstanders, die in zijne verbeelding bestonden, afvuurde. Met deze tijding kwam pater Guyaut den 8en Mei naar Ukumbi.
Nu bleef er voor mij slechts ééne mogelijkheid over: ik moest het opgeven, langer op Monseigneur Livinhac te wachten, van wien nog maar altijd geene tijding gekomen was. Bleven wij in deze koortsstreek, dan moesten zich de aanvallen ontegenzeggelijk herhalen en ten slotte noodlottig voor ons worden. Dus weg uit Ukumbi, hoe slap wij ons ook gevoelden, voort naar andere streken ; alleen verandering van klimaat kon ons beter doen worden!
Den 6en Mei schreef ik mijnheer Von Tiedemann dat wij den 8en naar de kust zouden optrekken. Den zevenden kwamen wij te Ukumbi aan, waar ik intusschen alle toebereidselen voor den aftocht gemaakt had.
Ik had twaalf nieuwe dragers aangenomen en kleerenstof, welke voor het onderhoud mijner colonne tot aan de kust toereikende konde zijn, van de zending gekocht. Buitendien had ik mij uit voorraden, welke Dr. Hans Meier door Mr. Stokes naar het meer gezonden had, voor onze eigen behoeften een weinig geproviandeerd. Ik nam 11 üesschen cognac mede en eenige kistjes beschuit. Buitendien had ik mij twee last rijst aangeschaft.
130
DOOR TJSUKÃMA.
Op den avond van den 7en Mei waren wij toch weder zoo ver hersteld, om aan het gemeenschappelijk avondmaal in de missie te kunnen deelnemen. Ik herstelde buitengewoon snel van de gevolgen van den koortsaanval en was op den morgen van den 8en Mei weder geheel op de been. Hevige regenbuien deden ons echter den aftocht tot 11 uur uitstellen. Wij zaten nog op de veranda voor mijae kamer in ernstig onderhoud met Monseigneur Hirth. Toen helderde de hemel op. Nu liet ik het trompetsignaal voor den aftocht geven. Een stormachtig gejuich van al onze manschappen bewees mij, met welk een verlangen ook zij dat oogen-blik van den aftocht te gemoet hadden gezien. De trommel werd geslagen. Begeleid door Monseigneur Hirth en monsieur Hautecour stelde ik mij aan de spits van den tocht. Wij verlieten de binnenplaats der zending en wendden ons rechts, en toen ging het over de schouders der heuvelen welke de zending in den rug afsloten, in zuidelijke richting evenwijdig met de kreek van het Victoria-meer.
De marsch was dezen dag tamelijk bezwarend, maar het bewustzijn dat wij weder onderweg waren, hield ons in een goed humeur. Herhaaldelijk hadden wij moerassige watervlakten en poelen door te trekken. Zoo werd het bijna 6 uur, voor wij onze legerplaats bereikten. Te Nd inga was er juist een groot volksfeest. Voortdurend trokken er dansende en zingende groepen over het dorpsplein voorbij, waar ik de tenten liet opslaan en verzocht, dat men niet zulk een geraas zou maken.
Het was een kostelijk gevoel, na de rust der laatste weken zich weder in beweging te zetten, en in zeer vroolijke stemming zaten wij sedert langen tijd weder voor de eerste maal gemeenschappelijk des avonds in mijne tent. Ongelukkigerwijze werd de vreugde na het avondeten gestoord door een koortsaanval, die mijnheer von Tiedemann weder aantastte, en hem noopte, zich dadelijk naar bed te begeven.
Den volgenden morgen in alle vroegte gingen wij verder, steeds langs goed onderhouden zindelijke dorpen en door vruchtbaar, flink bebouwd land. De tegenstelling van het reizen hier in het Duitsche
131
BIJKDOM AAN VEE.
gebied met dat in de woeste steppen vau het noorden, deed zich in alle sterkte gevoelen. Ik placht te zeggen, dat wij den weg van het meer tot aan de kust als balletdanseressen overwipten. De voeding was steeds goed geregeld. Wij hadden eiken dag gidsen, die ons aan water wisten te helpen, en ik had eigenlijk geen verdere inspanning of arbeid als die, welke in het marscheeren zelf gelegen is. Van Ukumbi sloten zich drie Wangwana, die in dienst van Mr. Stokes stonden, onder de leiding van Salm uit Pan-gani bij mij aan. Zij kenden land en lieden opperbest, en van nu af gebruikte ik hen als middelaars met de inboorlingen. Buitendien voegden zich op dezen tweeden marschdag 100 Wasukuma bij mijne expeditie, om onder onze hoede ook mee naar de kust te trekken. Zij dreven groote veekudden met zich mede, welke zij in Bagamoyo wilden verkoopen.
De Wasukuma zijn een reislustig volkje, en bij den veerijkdom van het land, die hen in staat stelt, van de kust de zoo bijzonder gezochte katoenstof te verhandelen, zal het verkeer tusschen dit land en de kustplaatsen reeds in de eerstvolgende jaren ontzaglijk toenemen, des te meer, wanneer door eene stoomboot op het Vic-toria-meer ook de handel tusschen de oevers in het Noorden en Zuiden levendiger zal worden, waardoor de Waganda in staat gesteld zullen worden, eveneens onmiddellijk met de kust handel te drijven.
De landstreek Usukuma maakt na den grooten regentijd geheel en al den indruk van eene Hollandsche vlakte. Zij is zoo vlak als een bord, geheel en al groen en slechts hier en daar gekenmerkt door de vroeger reeds beschreven steenkegels. Daartusschen treffen machtige kudden rundvee ons oog, die duizenden en duizenden tellen en aan de Massai-landen herinneren. Deze veerijkdom had voor ons het zeer aangename gevolg, dat wij over een grooten voorraad melk beschikken konden, welke vooral in den vorm van dikke melk of hangop een heerlijk voedsel uitmaakte. Ik had nu ook altijd op onze marschen in eene groote flesch botermelk bij mij, een drank, die even verkwikkend als voedzaam is, en mijne lichaamskrachten, die door de koorts zeer verminderd waren, weer zeer deed toenemen.
132
UIT KABILA.
Het onaangename in de eerste marschdagen bestond hoofdzakelijk in den moerassigen aard van den bodem. Het noodlot scheen ons op deze expeditie geene der moeilijkheden van het reizen door Afrika te willen besparen. In het Noorden hadden wij met dor hout en onherbergzame steppen te worstelen gehad, nu leerden wij de vrij wat grootere bezwaren kennen, om uren lang door water of slijk te moeten stappen. Bij eiken stap liepen wij hier gevaar, dat onze laarzen in de modder bleven steken, daar wij dikwijls tot over de knie er inzakten en elke dag het gevaar deed toenemen, dat opnieuw de malaria-koorts ons aantastte; want deze modderpoelen zijn de uitgezochte verblijfplaatsen voor den malaria-bacillus.
Den 9en Mei waren wij te midden van een zeer rijk en goed beplant dorp, Kabila genaamd, gelegerd, hetwelk zich vooral door zijne talrijke kudden onderscheidt. Des namiddags overviel ons een hevige stortregen, hetgeen ons met een treurig voorgevoel voor den tocht van den volgenden dag vervulde.
Op dezen dag zouden wij door het overtrekken van een beek in het eigenlijke land Nera komen, waar wij vanzelf den Stanley-weg zouden bereiken.
Keeds in de vroegte trokken wij uit Kabila, om weldra in een eindeloozen modderpoel te geraken, waarin wij stap voor stap, zoo langzaam mogelijk, slechts vooruit konden komen. quot;Wij kwamen aan de wadde van den zijstroom, die in het Victoria-meer vloeit, maar al de pogingen om er door te trekken, moesten als nutteloos opgegeven worden. De stroom was al te sterk en het water ging den lieden tot over het hoofd. Wat te doen? De gidsen sloegen voor, naar Kabila terug te keeren. Dit wees ik van de hand! Daar ik vernomen had, dat de vloed wat verder hooger op door het toestroomen van twee beken gevormd was, besloot ik te beproeven, of ik niet eerst den eenen en vervolgens den anderen zou kunnen overtrekken.
Wij stapten dus langzaam naar het oosten toe, en het gelukte ook, in den van het noordoosten komenden bijstroom een breede plek te ontdekken, waar den manschappen het water slechts tot aan de borst kwam, en wij derhalve overheen konden. Nu dus
133
DAGVERDEELING.
naar den zuidelijker stroom toe! Maar elke poging, om hier eene plek te vinden waar men over heen kon komen, was vergeefsch, en daar de zon haar toppunt reeds overschreden had, moest ik wel goed- of kwaadschiks besluiten, een plek in de moerassige vlakte uit te zoeken, waar het leger opgeslagen kon worden. Dit werd eindelijk gevonden beneden aan de reeds meergemelde steenheuvels, juist ten noorden van de plek aan de rivier, waar wij ons bevonden, en waarheen ik de geheele karavaan leidde.
âHet water hier zal morgen al weder weggeloopen zijn,quot; beweerde de van Ukumbi meegenomen gids, âals het ten minste niet weder regent.quot;
In de levenswijze der expeditie was ook in zooverre eene verandering gekomen, dat ik uit Ukumbi een pak kaarsen had meegenomen, en wij het ons dus des avonds in de tent veel prettiger konden maken. Met éene kaars moesten wij vier avonden toekomen, maar dat gaf ons dan toch eiken avond twee uren licht en daar mijnheer Von Tiedemann nu des avonds meestal te bed lag, kon ik mij na het avondeten bij een pijp tabak aan het lezen van boeken wijden. Dit ontnam dan ook aan onze levenswijze het daglooner-achtige van den heentocht.
Den volgenden morgen kwamen wij aan de rivier terug, en inderdaad, de gids had het zeer juist voorspeld: het water was zoo ver weggeloopen, dat wij nu in staat waren, het lastige beletsel te boven te komen en, al moesten we ook nog een uur lang in de modder waden, het land Nera, en wel een groot rijk dorp, bereikten.
Uit Ukumbi had ik in dit dorp twee ezels besteld, om ook in dit opzicht mijnheer v. Tiedemann en mij eene aangename afwisseling in de voortdurende beweging te bezorgen. De ezels werden ons des namiddags bezorgd, en al waren zij ook niet behoorlijk afgericht om bereden te worden en al vereischten zij in den eersten tijd een nauwlettend toezicht, daar zij alle oogenblikken de neiging toonden, om in het doornachtig struikgewas op hol te gaan, zoo zijn zij ons toch op den tocht tot Mpuapua terdege van nut geweest.
134
TE NEEA.
Mijne gewoonte van reizen was nu aldus:
Des morgens om halfzes werd het eerste signaal voor het opstaan gegeven, en wel nadat ik mij eerst gewasschen en aangekleed had. Dadelijk moesten de manschappen zich dan naar hunne lasten begeven en vóór alles ook zich naar de tenten spoeden, die in een oogenblik afgebroken waren. Twee minuten daarna werd een tweede trompetsignaal gegeven, terwijl wij, gewoonlijk bij de keuken staande, een slok warme koffie, meelbrei en nu, sedert we uit Ukumbi waren, ook een tijd lang beschuit gebruikten. Weder ongeveer twee minuten later, en het derde signaal werd gegeven, de trommelslag weerklonk, en wij zetten ons in beweging, terwijl de colonne zich achter mij, daar ik met de gidsen en de vlag vooraan marscheerde, snel bijeen voegde.
Dan placht ik de beide eerste uren te wandelen en liet mij omstreeks tegen acht uur den ezel brengen, waarop ik onafgebroken een uur lang reed. Van 9â11 uur marscheerde ik weder en hield dan eene rust van een groot kwartier om te ontbijten. Het ontbijt bestond geregeld uit koud vleesch en meestal ook uit meelbrei. Daarna werd er verder voortgerukt, al naar den afstand dèr legerplaats, tot den middag of ook wel tot in den namiddag. Moest er toch in den namiddag gemarscheerd worden, dan had ik de gewoonte om tusschen 12 en 1 uur halt te houden en liet in den regel voor mijnheer Von Tiedemann en mij cacao of thee koken. In dit geval verviel dan natuurlijk de eerste rust. Het laatst gedeelte van den marsch reed ik meestal weder.
Op deze wijze legden wij dagelijks ongeveer 2â4 mijlen af. Op de terugreis bedroeg die gemiddelde afstand dagelijks ruim 2l/2 duitsche mijl. Hier in Nera was het, dat Salim en zijne begeleiders ons aantroffen, en onder hunne leiding ging het nu den volgenden morgen in zuidelijke richting het land verder in.
In Nera had een half jaar geleden Stanley te strijden gehad. Mij dunkt, dat Stanley in zijne reisbeschrijving zijn toestand te Nera in een veel te ongunstig licht plaatst. De lieden te Nera hebben van oudsher het zwak, de karavanen zeer onheusch te bejegenen, maar wanneer iemand, gelijk Stanley, over ongeveer 1000 man en over
135
TE NERA.
136
' â v- quot;
7
I
j
AANVAL DEE INBOORLINGEN.
vanen door trillers en allerlei geblaer vrees aan te jagen. Zooals ik van mijn bediende Selek, een man uit deze streken, vernam, ligt het echter volstrekt niet in hunne wijze van doen, om menschen te vermoorden, zij houden zich maar zoo en bereiken aldus in den regel hun doel, dat de dragers de lasten wegwerpen, welke alsdan een welkome buit voor de inboorlingen worden.
Toen zij beproefden, om ook onze expeditie op deze wijze aan te randen, kwamen ze heel slecht van de reis. Wij vuurden er tusschen, en vier hunner hadden hunne dwaasheid met het leven te boeten. Ik strekte er drie neer, en mijnheer Von Tiedemann één. Binnen twee minuten was de geheele bende verdwenen.
Ik neem aan, dat in Stanley's fantazie het gevaarlijke van zulke toestanden levendiger is dan in mijn neder-saksisch brein, maar dergelijke reisbeschrijvingen hebben toch het nadeel, dat zij latere bezoekers reeds van te voren in eene zekere angstige stemming brengen en daardoor aanleiding geven, dat aan de ongerechtvaardigde onbeschaamdheden der inboorlingen meer wordt toegegeven, dan in het belang van het open stellen dezer landen wenschelijk is.
Feitelijk zijn de Afrikanen uit een oorlogzuchtig oogpunt niet zeer angstverwekkend en het allerminst de Bantu-stammen in het Duitsche beschermend gebied of zelfs het Wangwana-gepeupel aan de kust. De eenigen, die in dit opzicht nog ontzag weten in te boezemen, zijn de Massais op de hoogvlakten.
Van den 12en Mei af bevond ik mij op den weg, dien Stanley en Emin Pacha genomen hadden. Wij gingen den 13en bij Muamara over den quot;Wami, een bijstroom van het Victoria-Nyanza-meer, en bereikten den 14en het landschap Sekke, waar wij op de reeds beschreven wijze den volgenden morgen met de bewoners slaags raakten. Met Sekke hadden wij het laatste land van Usukuma bereikt en trokken nu in een marsch van vier uur door een buitengewoon wildrijk bosschage, waar wij in het bijzonder eene menigte giraffen en zebra's aantroffen, naar Unjamwesi.
Drummond herinnert er in zijn merkwaardig boekje aan, dat deze dieren zóo ongewoon zijn, om gestoord te worden, dat men ze
137
NAAB UNJAMWESI.
met een weinig omzichtigheid zonder eenig gevaar op zeer kiemen afstand kan gadeslaan. Het moge misschien wat vreemd klinken, maar mij schijnt het toe, dat er onder die grootere dieren geen mooier is dan de zebra. Van nahij gezien is zijn gestreepte huid zeker even fraai als die van den tijger, terwijl de vorm en bewegingen van zijn lichaam in elk opzicht edeler zijn. Zijn gang is, wat gratie betreft, zeer stellig niet te vergelijken met dien van de verschillende soorten van antilopen en reeen, die naast hem op het gras trippelen, en men kan nooit geheel vergeten dat hij eigenlijk een ezel is; maar alles bijeengenomen behoort toch dit fraaie dier eene hoogere plaats in te nemen dan het menschdom hem tot heden geschonken heeft.
De Wasekke hadden ons nog een eind weegs in het bosch vervolgd, maar zich intusschen schuw buiten het bereik onzer geweren gehouden. Ten slotte gaven zij de nuttelooze vervolging op, en nu trokken wij verder, gelijk in vroeger dagen, eenzaam en alleen door de wildernis. Om een uur bereikten wij de esrste Unjamwesi-kraal Sijanga, waar wij door de bevolking met de grootste hartelijkheid ontvangen werden.
In deze streek drijft Mr. Stokes, een vroeger medelid der Engel-sche zending in Usumbico, zijne zaken. Hij heeft zijn hoofdnederzetting in Usongo, van waar hij echter hoofdzakelijk handel naar het Victoria-Nyanza-meer drijft. Ik vermeldde reeds, dat ik zijne agenten in Uganda en in het westen van het meer had aangetroffen, waar zij ivoor kochten. Stokes heeft als een geslepen Ier juist de beste keuze gedaan, door in het binnenland alles op te koopen, hetgeen nog de eenige manier is, om hier geld te verdienen. Het opkoopen aan de kust, waar de Europeaan met de Indiërs mede te dingen heeft, en waar de prijzen geheel en al van Europa afhankelijk zijn, biedt voor groote winsten geen speelruimte meer. Om deze reden heb ik van den beginne af aan in de Duitsch-Oost-afrikaansche maatschappij de meening voorgestaan, dat zij het zwaartepunt harer handelsondernemingen naar het binnenland verplaatsen zou, waar het ivoor nog zonder vasten prijs is, en slechts de vervoerkosten den prijs aan de kust bepalen. Dezen
138
IN UNJAMWESI.
weg heeft de Maatschappij onlangs ook ingeslagen, en het is te verwachten, dat zij daarbij niet alleen zelve haar voordeel zal doen, maar ook tot het openstellen en beschaven van het hart van Afrika geheel anders zal bijdragen, dan wanneer zij zich er toe bepaald hadde, handelsfactorijen aan de kustplaatsen te vestigen.
Ook de Britsch-Oost-afrikaansche maatschappij is van den beginne af aan, zooals van zelf sprak, van dit gezichtspunt uitgegaan. Het eerste, wat William Mackinnon deed, was het stichten van Engel-sche stations langs de Tana, in Miansini aan het Naiwascha-meer en in Kwasundu aan het Victoria-Nyanza-meer. Door de nederzetting van Mr. Stokes is Usongo, dat vier tot vijf dagreizen van Tabora ligt, terecht het tweede handelspolitieke middenpunt van Unjamwesi geworden en vormt als zoodanig eene zekere tegenstelling met Tabora.
Het gevolg daarvan was, dat het verkeer van het Victoria-meer naar de kust zich er aan gewend heeft, den omweg over Usongo op de zoogenaamde Ndjia Stokisi te maken. Daar Mr. Stokes kara-vanenverkeer van Usongo aan het Victoria-meer onderhouden moest en van Usongo tevens zijne waren naar de kust zond, gingen ook andere karavanen dezen weg, zoo o. a. Stanley met zijne expeditie.
Een blik op de kaart toont echter duidelijk aan, dat deze route een aanzienlijken omweg vormt. Menigen morgen werd ik met zekeren wrevel gewaar, dat wij ons in zuid-zuidwestelijke richting voortbewogen, in plaats van naar het zuidoosten heen, waar toch ons doel lag. Monseigneur Livinhac had mij reeds in Uganda het denkbeeld aangegeven en herhaaldelijk ter sprake gebracht, of ik niet beproeven zou, in het belang van het openstellen van het verkeer van de kust naar het Victoria-meer, een directen weg van Ukumbi of zelfs van de Speke-golf naar Bagamoyo te openen. Ik besloot dezen raad zooveel mij doenlijk was op te volgen, en ontwierp reeds te Sijanga het plan, om niet den omweg door Unjamwesi te nemen, maar direct op Ugogo aan te houden en derhalve de Wembaere-steppe dwars door te trekken. Wel deed Salim zijn best, om mij dit plan uit het hoofd te praten, daar hij mij op het dreigende Massai-gevaar wees, dat ook Stanley genoopt had.
NAAR DE WEMBAEHE-STEPPE.
140
den omweg door Unjamwesi te nemen. Ik antwoordde hem daarop: De Massais kennen wij en vreezen wij niet. Wie de Massais
BIJ KELETESA.
aanhoudend tegen de rooverachtige Massai-stammen te verdedigen. Dientengevolge heeft zich hier een oorlogzuchtige geest ontwikkeld.
Naar Keletesa begeleidde mij een gids, die juist van de kust teruggekeerd was. Het ideaal van een Usukuma-dandy! Een Euro-peesche pantalon en hemd sierden den jeugdigen pronker. Zijn mooie krulkop werd door een Europeeschen helm beschut tegen de stralen der voor zijn brein zoo gevaarlijke zon. Doch dat was mijnen vriend nog niet voldoende. Zooals hij het in Bagamayo gezien had, spande hij, als de zon tegen 8 uur hooger steeg, een zonnescherm uit en trok, om zijne zachte handjes te beschermen, een paar wollen handschoenen, No. 13 of 14, aan. Met een medeiydenden blik zag hij op onze versleten plunje neer en met waardigen ernst nam hij de welverdiende hulde vooral van het vrouwelijk geslacht zijner landslieden in ontvang.
Keletesa had ternauwernood mijne aankomst vernomen, of hij heesch in zijne residentie de Duitsche vlag in top, welke hij van Bagamayo meegebracht had, en verscheen toen zelf, om ons vriendschappelijk te begroeten. Hij toonde mij ook een brief uit Bagamayo, die door kapitein Richelmann onderteekend was, het eerste Duitsche stuk, dat ik sedert een jaar onder mijne oogen kreeg.
Onder een schaduwrijken boom sloeg ik mijne tent op, en mijne lieden trokken in de huizen der Wasiha, die ons gastvrij ter beschikking werden gesteld. Vreugde en dans trokken nu de kraal binnen, en Keletesa hield met mij twee lange samenkomsten. Ik vroeg hem :
âWanneer gij naar Bagamoyo gaat van hier, welken weg pleegt ge dan te nemen?quot;
âIk ga door de Wembaere-steppe naar Usure in zeven dagen; van Usure naar Muhalala en ügogo eveneens in zeven dagen.quot;
âIs er dan in de Wembaere-steppe water voor eene karavaan te vinden ?quot;
âWater is er nu genoeg. Wanneer de stroomloopen droog zijn, heeft men het zand maar op te graven, en men vindt water in de diepte.quot;
141
142 IN DE WEMBAEBE-STEPPEN.
âWilt gij mij gidsen geven, om mij door de steppen heen te brengen?quot;
Gidsen kan ik u niet meegeven, omdat zij niet alleen terug zouden kunnen komen. De weg loopt namelijk dicht langs Massai-stammen, en gij moet zorgvuldig oppassen, dat zij uwe expeditie niet aantasten. Wanneer gij gidsen hebben wilt, kunnen er eemge tot Mpuapua meegaan en wachten, totdat uwe expeditie naar hier terugkomt, maar gij kunt den weg niet missen, als ge maar altijd de sporen volgt, die ik met mijne lieden achtergelaten heb. Dan zult ge ook eiken dag eene legerplaats van mij vinden, waarin uwe lieden slapen kunnen. Er is maar éen weg door de Wem-
baere-steppe.quot;
âDus water zal ik eiken dag vinden?quot;
âEiken dag veel water,quot; zei hij. âMaar u moest nog eemge dagen hier blijven en u proviandeeren, daar gij in de steppe geene
levensmiddelen vindt.quot;
âOch, daarvoor behoef ik niet verscheidene dagen hier te blijven,
want mijne manschappen hebben Poscho tot Mpuapua.quot;
Ik riep toen Musehe, den tegenwoordigen oudste der dragers, en Hussein, en beval hun, aan de manschappen te zeggen,^ dat ieder voor zeven dagen eten moest koopen, daar wij door deA\em-
baere-steppen zouden trekken.
Den volgenden morgen in alle vroegte braken wij op, en kwamen in den aanvang nog altijd langs eenige nederzettingen voorbij. Links in de heldere morgenzon breidde zich de witte steppe onafzienbaar ver uit. Toen wij de laatste neerzettingen der Wasiha achter ons hadden, kwamen we in eene inderdaad buitengewoon â woeste streek, in een grauw en smerig boschachtig land, met overal gelijkmatig verdroogde boomen. Bij lederen stap dwarrelde het stof naar omhoog, dat de geheele colonne als in een wolk hulde. Zoo sleepten we ons tot in den namiddag steeds in zuid-zuidoostelijke richting. Nu dook er een nieuwe rivierloop voor
ons op.
âDat is de rivier Yanguke,quot; zei Salim, âzij stroomt totManonga, waar wij morgen slapen. Daar wij den ganschen morgen nog met
ONGESTELDHEID VAN DEN HEER VON TIEDEMANN. 143
gerust hadden, zoo besloot ik hier ons eene korte poos op te houden, om vervolgens des namiddags tot de eerste legerplaats van Keletesa verder te trekken. Zulk een marsch door woeste steppen werkt beklemmend op de ziel, en tamelijk neergedrukt zette ik mij aan den rivieroever neer, om mijne colonne te verwachten.
Mijnheer Von Tiedemann was ver achtergebleven. Toen hij aankwam, vertelde hij mij zeer terneergeslagen, dat de dysenterie zich op nieuw bij hem geopenbaard had, en dat hij van daag onmogelijk verder marscheeren kon. Dientengevolge ging ik aan het rondkijken, om eene behoorlijke legerplaats in den omtrek te vinden. Dit was eene vrij moeilijke taak, daar de bodem in de nabijheid van het water moerassig en oogenschijnlijk koortsig was, terwijl de steppe door hard en doornachtig struikgewas versperd was.
Eindelijk, ongeveer 20 meter noordwaarts van den waterloop, vond ik eene tamelijk vrije ruimte, die ik met den bijl liet reinigen. De Yanguke met den Manonga behoort reeds tot de stroomvorming van de Wembaere.
Wij legerden nu eiken dag aan een bijstroom dezer rivier, welke wij eerst eenige dagen later zelf overtrokken. Salim beweerde, dat zij in de laatste plaats tot het stelsel van den Rusidschi behoorde, eene bewering, die ik intusschen voor volkomen ongerechtvaardigd beschouw. Het schijnt, dat zij zich in de Wembaere-steppe naar het Noordoosten wendt en misschien den bovenloop van eene in de Speke-golf uitmondende bijrivier van het Victoria-meer uitmaakt.
Wij brachten eenen vrij droefgeestigen namiddag in deze steppe door. Ik liet voor mijnheer Von Tiedemann met behulp van zijn ledekant een draagbaar maken, om hem in het vervolg door eenige Wasukumadragers op deze wijze te kunnen vervoeren. Het loopen toch moet door hen die aan dysenterie lijden, zooveel mogelijk vermeden worden.
Zoo ging het den volgenden dag in zuid-oostelijke richting verder. Het landschap veranderde een weinig in zijn voordeel, inzooverre als het loof er wat frisscher uitzag en er ook eenige sporen van wild zichtbaar waren. Yooral zagen we heel veel struisvogels in
OVEBPEINZINGEN IN DE STEPPE.
de steppe, waarvan we er echter toch geen onder schot kregen. De dragers, die mijnheer Von Tiedemann vervoerden, bleven een heel eind achter, zoodat ik heel bezorgd over zijn lot werd en lieden terugzond om naar hem te zien.
Ongeveer een uur na mijne aankomst in de legerplaats aan de Manonga die ik om 2 uur bereikt had, kwam toch eindelijk mijnheer v. Tiedemann aan. Hij klaagde er over, dat de draagbaar, die hem aan de felle zonnestralen bloot stelde en elk oogenblik met het gevaar dreigde, van omver geworpen te worden, den tocht al heel pijnlijk voor hem had gemaakt. We moesten het dan ook aan den invloed der zon toeschrijven, dat mijnheer v. Tiedemann des namiddags door een hartklopping overvallen werd, die angstverwekkend was en mij met groote bezorgdheid vervulde. Intusschen was hij den volgenden morgen aanmerkelijk beter en kon hij dezen dag weder marscheeren.
Voor onzen horizon verhief zich nu een scherp begrensd bergland, dat mij op mijne vraag door Salim als Iramba genoemd werd. Ter linkerzijde weidde de blik steeds over een kaal of ook wel met kort hout begroeid steppen-terrein, de eigenlijke Wembaere-steppe, die naar het land der Massais voert. Soms deed er zich ook een klein gedeelte hoog hout voor, waar in den lommer der boomen eene frisschere flora gedijen kon. Hier weidden groote kudden van giraffen en zebra's, van welke het mij toch niet gelukte, een neer te schieten.
De marschen duurden nu geregeld tot in den namiddag, daar wij ons om het water stipt aan de legerplaatsen van Keletesa te houden hadden. Hier vonden de manschappen in den regel kleine stroohutten der Wasiha, waarin zij zich huisvestten, en we konden altijd zeker zijn, dat we daar in de buurt water vonden. Alles bij elkaar genomen boeide deze hernieuwde marsch door de wildernis na het lange verblijf in beschaafde landen aan het Victoria-meer mij ongemeen; de herinnering aan den tocht van den bovenloop der Tana werd wederom levendig bij mij, en ik kon mij weder geheel aan overpeinzingen overgeven.
Op zulk eene Afrikaansche expeditie heeft men veel meer ge-
144
IN IBAMBA.
legenheid dan anders tot nadenken en overpeinzen. Men is bijna den ganschen dag alleen, ver van het gedruisch der wereld, en slechts de groote indrukken der reine onvervalschte natuur werken op de fantazie. Ernstig en vrij van het hartstochtelijk rumoer van Europa vliet het leven voort, en de geest wendt zich noodzakelijkerwijze als van zelf naar het groote en eeuwige toe. Zoo wint hier het leven aan innerlijke diepte en reinheid van wil, en juist dit is het, wat aan een terugblik op zulke weken, wanneer men in de Euro-peesche beschaving is teruggekeerd, iets als van een smachtend ver-langen naar de loutering en onschuld van het paradijs schenken kan.
De tocht door de steppen nam reeds den 23en Mei een einde. Deze dag was een der onaangenaamste op de geheele expeditie. Wij trokken des morgens in zuidelijke richting verder, steeds met de scherpe, blauwe helling van het Iramba-plateau in de heldere morgenzon voor oogen. Daar dook frisch groen voor ons op, dat ik geneigd was, voor een mooi weiland te houden. Maar het ging mij daarmede als den grenadiers van Frederik den Groote in den slag bij Praag. Het werd me al heel spoedig duidelijk, dat de zoogenaamde weide een afschuwelijk moeras was. Eerst beproefde ik, er om heen te gaan, maar na een half uur moest ik inzien, dat het zich onafzienbaar voor ons uitstrekte en derhalve doorwaad moest worden.
Nu ging het er maar op los! Van 's morgens half tien tot in den namiddag, steeds tot aan de heupen, ja zelfs tot aan den buik in het water, door riet en taaie modder wadende. Van tijd tot tijd was ik gedwongen, eenige manschappen te roepen, omdat mijne laarzen eenvoudig in het slijk bleven steken. Met ontzaglijke moeite bereikten wij een hoogere plek in het moeras, waar wij althans een tijdlang konden uitrusten. Daarop begon het lieve leventje weder van voren af aan, totdat eindelijk de oorzaak van dit alles zichtbaar werd, namelijk de Wembaere-rivier, die uit hare oevers getreden was, en die wij ten slotte, tot aan de borst in 't water wadend, moesten overtrekken.
Ons allen stond nog het onheil voor oogen dat Musa overkomen
was, en de herinnering en de gedachte, dat een hongerige krokodil in. 10
145
DB SULTAN.
van de mooi© gelegenheid om eens een krachtig ontbijt te doen, gebruik zou maken, droeg er natuurlijk niet toe bij, om het waden te veraangenamen.
Uitgeput en nat klauterden wij uit het moeras eindelijk tegen een hooger terrein op, waar wij snel van kleeren verwisselden, om niet nog ten overvloede ons eene doodelyke kooits op den hals te halen. Voor ons zagen wij weidende kudden en ook herders, die zich echter haastig uit de voeten maakten, toen ik eene poging waagde, om een praatje met hen te houden.
Geheel en al uitgeput rustte de colonne om halftwee onder het lommer van eenige boomen uit, om tevens wat te eten, maai nog ongeveer drie uur hadden wij te marscheeren, voor wij de legerplaats van Keletesa bereikten. Ik besloot hier e6n dag uit te rusten, om de colonne voor den hernieuwden steppenmarsch, die tusschen Iramba en Ugogo voor ons lag, opnieuw te proviandeeren.
Des namiddags reeds zond ik den Sultan Kilcoma een verzoek, zich met mij in betrekking te stellen, ten einde met mij over onze zaken in onderhandeling te treden. Ook liet ik er bijvoegen, dat hij de schatting voor mij niet vergeten zou; ik wenschte wel eenige ezels en schapen te hebben. De lieden in Iramba behooren, naai het schijnt, tot hetzelfde ras als de Wagogo, een mengsel van Banta- en Massai-bloed. Het zijn gevreesde lieden, die hunnerzijds voorbijtrekkende karavanen aanvallen, om hen tot het betalen van schatting te dwingen. Echter zijn de lieden in het noordelijk Iramba met de Wasiba van Keletesa bevriend, naar mij Salm vertelde.
Des namiddags, op 24 Mei, kwam de Sultan met een groot gevolg, waaronder mij vooral eene reeks jonge meisjes troffen, die alleen met rokjes van kralen bekleed waren, hetgeen wezenlijk allerliefst stond. Ik zette den Sultan het doel uiteen, dat mij aanleiding gegeven had, hem te laten roepen.
âIk weet heel goed, dat gij hier dicht bij de Massais woont, die naar hier komen en uwe dorpen verbranden, uwe lieden vermoorden en uwe veekudden stelen. Nu ben ik de vijand der Massais met welke wij herhaaldelijk gestreden hebben, en alle vijanden der Massais zijn mijne vrienden. De kortste weg van Nyanza naar de
146
HET IEAHBA-PLATEAU.
kust loopt door uw gebied, en ik vermoed, dat in het vervolg vele Duitschers hier zullen doortrekken. Daarom wil ik u onze vlag geven, die misschien de Massais zal afschrikken. Vóór alles echter zullen mijne broeders, wanneer zij hier doortrekken, dadelijk weten dat gij onze vriend zijt. Gij zult hun eten brengen, en zij zullen u dan ook geschenken geven, en, wanneer zij gidsen willen hebben, zult gij hun ook wegwijzers naar Basiha geven. Zijt gij bereid, zulk een vriendschapsbond met mij te sluiten?quot;
âDaartoe ben ik zeer gaarne bereid. De Massais zijn nog een halfjaar geleden hier geweest en hebben mij mijne kudden weggedreven, en ik weet dat zij terugkomen, zoodra zij zien, dat mijne kudden weder groot geworden zijn. Daarom zal ik blijde zijn, wanneer de Duitschers dikwerf door mijn land komen, en ik verzoek u, mij de vlag te geven, dan wil ik gaarne de dienaar der Duitschers zijn.quot;
âZeer goed. Hier hebt ge onze vlag, die mijne soldaten vandaag nog bij u zullen hijschen, en hier geef ik u uwen brief. Maar weet wel, dat ik nu ook van u verlang, dat gij aan alle expedition onder Duitsche vlag uw steun schenkt. Nadat gij de Duitsche vlag hebt, zijt gij gehouden, hun alles te geven wat zij van u verlangen, anders zullen we oorlog tegen u voeren en u allen ten onder brengen. Wanneer gij echter trouw en flink jegens ons zijt, zullen mijne broeders, die misschien komen, altijd gaarne bereid zijn, u ook hunnerzijds geschenken te geven.quot;
Een uur daarna verliet mij de Sultan, en ik zond eenige Somalis mede, die op eene hoogte de zwart-wit-roode vlag heschen. Dit land heeft zijne beteekenis voor het karavanenverkeer juist door de omstandigheid, dat het tusschen twee steppen ligt en derhalve als steunpunt voor de reis in het geheel niet terzijde kan gelaten worden.
Den 25en Mei zetten wij onzen marsch in zuidelijke richting voort, steeds het Iramba-gebergte aan de linkerzijde houdende. Ik zag, hoe het gebergte in de verte al vlakker en vlakker werd, en besloot, zijne zuidelijke uitloopers te overschrijden. Daarachter zouden wij eene tweede vruchtbare neerzetting, namelijk TJsure aantreffen, waar wij ons op den steppen-marsch naar Uweri-Weri konden voorbereiden.
147
HET IEAMBA-PLATEAU.
Het Iramba-plateau is met fraai hoog hout begroeid, waarin zich de plantages der bevolking bevinden. Het was ons in Noord-Iramba gezegd, dat wij met de lieden in het zuiden te kampen zouden hebben, en ik ondernam derhalve den tocht op dezen dag op dezelfde omzichtige wijze als vroeger in de Massai-landen. Maaide Wa-Iramba hadden oogenschijnlijk geen lust, zich met ons te meten. Wij vonden in het woud, waardoor onze weg voerde, herhaaldelijk houthakkers, die ons op onze vraag naar den weg, bereidwillig inlichting gaven. Van vijandelijke neigingen was niets te bespeuren, en spoedig lagen ook de sporen dezer neerzetting achter ons, en weder omgaf ons de uitgestrekte en eenzame steppe. In deze verloren wij het spoor der karavaan van Keletesa en hadden nu onzen weg alleen te zoeken. Intusschen vonden wij des middags water, en gelukte het den Wangwana van Salim, van hiei het spoor van Keletesa op nieuw te ontdekken, zoodat wij tegen é uur diens legerplaats aan een moerassig stuk grond gelukkig bereikten.
Ik had den nacht te voren het ongeluk gehad, door een duizendpoot in mijn bed te worden gekweld, die mij in mijn vinger beet, zoodat mijn arm in de verschillende deelen zeer pijnlijk en geheel stijf was. In den volgenden nacht, toen wij om 9 uur naar bed gegaan waren, had ik eene tweede, onaangename verrassing. Mijn bediende had het waschtoestel, dat uit een waterdichten zak, die in een toestel op drie pooten hing, met water voor den volgenden morgen vlak bij mijn bed neergezet. Des nachts kwam er als gewoonlijk een weinig wind opzetten, die de tent heen en weer bewoog en oorzaak was, dat het waschtoestel omviel, zoodat de geheele inhoud daarvan zich over mijn wollen deken en mijn lichaam uitstortte. Ik riep mijn bediende, maar ik kon toch niet besluiten om op te staan, doch bleef in de natte dekens liggen. Het gevolg daarvan was, dat ik den ganschen volgenden dag het onbehagelijke gevoel van eene naderende koorts had.
Dezen dag richtte ik den koers der expeditie naar de zuidelijke helling van het Iramba-plateau. De grond werd meer en meer golvend en prijkte door zijne vochtigheid met eene rijkere flora.
148
IN USUBE.
Machtige varens, gelijk vroeger aan de Tana, verhieven zich in het lommer van eeuwenoude boomen, en aan de nu uitgedroogde rivierloopen schoot weelderig frisch gras op.
Zoo ging het van 10 uur af steeds hooger, tot eindelijk tusschen 11 en 12 uur een zeer steile en lastige bergwand beklommen moest worden. Ik kwam ongeveer tegen 12 uur boven en maakte halt, om de achtergebleven colonne af te wachten. Wij gebruikten ons ontbijt, en toen ging het op de hoogte van het plateau verder tot drie uur des namiddags. Daar opende zich het woud, en zagen wij op eenmaal een maïsveld voor ons. Een marsch van een half uur bracht ons door de korenvelden, en toen verrees op een heuvel voor ons een met roode leemmuren versterkte plaats, die ons levendig aan Kabaras en Kwa Tindi herinnerde.
In deze streken is het de gewoonte dat eene naderende karavaan, om hare vreedzame bedoelingen kenbaar te maken, met slaanden trommel elk oord nadert. Ik wist dit niet, en zoo kwam het, dat de bevolking eerst als een bijenzwerm dooreen warrelde, vooral toen zij de Duitsche vlag in 't oog kreeg. De lieden vreesden, dat wij de plaats zouden aanvallen en uitplunderen. Ik liet intusschen den Sultan melden, dat ik met de beste bedoelingen hen voorbij trok, en vernam nu, dat wij ons bij Makongo, in de nabijheid van Usohore, bevonden. Onder een grooten boom aan de linkerzijde der omheining liet ik de tenten opslaan en verbood, op verzoek der oudsten, aan mijne lieden, om hun leger binnen de omheining van het oord op te slaan. Anders zouden er allicht oneenigheden kunnen ontstaan, meenden de oudsten.
Mijne poging, om met den Sultan dezer plaats vriendschap te sluiten, mislukte echter geheel. Zijne bloedverwanten kwamen mij spoedig hunne verontschuldigingen aanbieden, dat hij nog niet komen kon, omdat hij stomdronken was. Op mijn voorstel waren zij bereid, hem met water te begieten, zoodat hij misschien des avonds zou kunnen komen. Toen ik des avonds liet vragen, of zjj nu den Sultan zouden brengen, werd mij geantwoord, dat het water niets geholpen had en dat hij nog altijd erg dronken was, maar den volgenden morgen om 5 uur zou komen.
149
DE ONZICHTBARE SULTANE.
Doch ook den volgenden morgen had hij zijn roes nog niet uitgeslapen. Men beproefde hem naar mij toe te brengen, maar tuimelend zakte hij in de poort ineen. Derhalve zond zijn broeder mij, ten bewijze hunner vriendschappelijke gezindheid, twee slacht-ossen, waarmee ik mij over het mislukken van den vriendschaps-bond tusschen mij en den Sultan troosten moest.
Van Makongo ging het in zuid-oostelijke richting verder, waarbij de zuidelijke helling van het Iramba-plateau nu in het Noorden voor ons bleef liggen. Wij kwamen spoedig uit de aanplantingen weder in het hooge bosch.
Ik had dezen morgen het ongeval, dat mijn ezel plotseling, zonder eenige verklaarbare reden, met mij in doornachtig struikgewas het op een draf zette, waardoor de huid mijner linkerhand onbarmhartig gekwetst werd. Dientengevolge nam ik nu de methode van den heer Von Tiedemann aan, namelijk mijn onafgerichten ezel, als ik er eenmaal opzat, behoorlijk door een Somali te laten leiden, hetgeen wel is waar niet heel fraai stond, maar wel zoo gemakkelijk an verstandig was.
Om 11 uur opende zich het hooge bosch, en zagen wij wederom aanplantingen voor ons, en wel de velden van het Sultanaat TJsure. Intusschen trok ik de eerste dorpen voorbij, daar ik de residentie bereiken wilde, waar eene Sultane den schepter voert. Wij kwamen voor deze residentie, die eveneens met vaste muren omgeven was, eerst na 1 uur aan. Ongelukkigerwijze vernamen wij dadelijk na onze aankomst, dat het hare Hoogheid de Sultane zeer leed deed ons niet te kunnen ontvangen, daar zij en hare geheele hofhouding dronken waren. Het was oogsttijd geweest, als wanneer, naar het mij telkens bleek, de landbouwende stammen van Afrika meer of minder dag aan dag dronken zijn.
Zij die meenen dat men, door den invoer van sterken drank in Afrika te beletten, een einde zal kunnen maken aan het alcoholmisbruik aldaar, verkeeren juist daarom in dwaling, wijl de inboorlingen sedert eeuwen hunnen drank zelf toebereiden, en zich zoo lang bedwelmen, als er nog maar hier of daar koren te krijgen of te verbouwen is. Wel is waar zijn de inheemsche Pombe-sooiten
150
DE ONZICHTBARE SULTANE.
lichter dan de Europeesche brandewijn en daar de inboorlingen steeds gewoon zijn groote massa's te verzwelgen, behoeft men er niet aan te twijfelen, dat brandewijn zeer stellig gevaarlijker is voor hen dan de inheemsche sterke drank.
Ik moest dus ook hier in Usore voor dezen dag van de persoonlijke ontmoeting der Sultane, overigens eene vroegere vriendin van Dr. Fischer, afzien. Echter verscheen haar eerste minister, die geheel in het rood gekleed was, herhaaldelijk bij mij, vernam naar onze wenschen en bracht ook op de bereidwilligste wijze allerlei soort van eten voor ons aan.
De koorts, die ik den dag te voren had voelen aankomen, brak dezen dag bij mij uit. quot;Wel was het slechts een zwakke aanval, die ook den volgenden dag weder voorbijging, maar toch was ze mij onwelkom genoeg, daar ze de pas gezamelde lichaamskrachten opnieuw verteerde.
Ook in Usore besloot ik een onderwerpingsverdrag met de Sultane te sluiten en de Duitsche vlag te hijschen. Dit gebeurde den 29en Mei 1890. Zeer verre zichtbaar werd hier tegen den avond de zwart-wit-roode vlag geheschen en door drie salvo's der Somalis begroet.
De beteekenis van Usore voor de ontwikkeling van den door mij opengestelden karavaanweg staat gelijk aan die van Noord-Iramba; karavanen, die van de eene of andere zijde komen, kunnen hier van de vermoeienissen van den steppentocht uitrusten en zich opnieuw proviandeeren.
Toen wij juist wilden afmarscheeren, werd mij gemeld, dat Man-dutto verdwenen was. Als reden daartoe vernam ik, dat hij eenige dagen geleden zijne vrouw, eene jonge, zeer schoone Galla-vrouw, met een mes in het dijbeen gestoken had. Dientengevolge was zij niet in staat geweest verder mede te marscheeren, en Mandutto had haar niet in den steek willen laten. De negers hangen allen hunne vrouwen en meisjes zeer trouw aan, gelijk ik op de heele reis steeds heb kunnen waarnemen. Wat Mandutto betrof, zoo deed het mij leed, dat hij mij niet over het geval had aangesproken, want dan zou ik hem gaarne zijn welverdiend loon hebben uit-
151
NAAR UWEEI-WEEI.
betaald, daar ik over dragerskrachten nu in overvloed kon beschikken. Het was een groot offer, dat deze neger bracht, door zijn geheele loon te laten varen, alleen om bij zijne zieke vrouw te kunnen blijven.
Den 31en Mei ging ik van Usure opnieuw de steppe in. De Sultane had mij drie ossen laten brengen, die ik liet meedrijven en, van welke ik alle twee dagen er een liet slachten. Buitendien liet ik voor ons 8 hoenders in manden meedragen en ook verscheidene schapen drijven. Ik vermeld ter loops, dat in de nu voor ons liggende steppe geen voeder voor deze hoenders te krijgen was. Ik nam toen het eigenaardige middel te baat, om er althans wat van te halen, dagelijks twee hoenders als voedsel voor de overigen te laten slachten, koken en klein hakken, waardoor de voorraad wel snel verminderde, maar intusschen voldoende bleef zoo lang wij in de steppe waren. Evenzoo werden ook de hoenders met den afval van schapencoteletten gevoed.
Dezen dag moest ik den marsch bij een waterpoel, die in het woud gevonden werd, afbreken, daar mijnheer Von Tiedemann opnieuw ernstig ziek werd. Wederom brak dysenterie bij hem uit, die vooral den eersten dag een dreigend karakter aannam, zoodat ik voor het ergste vreesde. Mijnheer v. Tiedemann had alle gevaren en ellenden der expeditie trouw met mij meegemaakt. Ik mocht er niet aan denken, dat ik hem nu op den laatsten tocht nog zou kunnen verliezen.
Den l⢠Juni bleef ik, om hem wat rust te schenken, in het woud liggen. Ik herstelde in deze dagen geheel en al van mijnen laatsten koortsaanval, daar ik om zoo te zeggen dag en nacht doorsliep. Den len Juni sliep ik van de 24 uren er volle 19, de overige vijf werden geheel en al aan de voeding gewijd.
Zoo rukte ik den 2en Juni dus volkomen hersteld en versterkt weder op, maar mijnheer v. Tiedemann was zoo mat, dat hij nauwelijks in staat scheen om de expeditie te volgen. Derhalve liet ik des avonds door Salim en de Wangwana eene makkelijke hangmat voor hem maken en drong er bij hem op aan, dat hij daarvan vooreerst steeds gebruik zou maken, terwijl ik hem vier stevige Wasukuma als dragers daarvoor aanwees.
152
IN UWEEI-WEBI.
Dank zij zijn krachtig gestel, dat de koortsaanvallen steeds weder overwon, werd zijne gezondheid onder deze omstandigheden van lieverlede beter, zoodat hij tamelijk hersteld te Mpuapua aankwam, waar Emin Pacha hem betere middelen voorschreef.
Zoo trokken wij door de droge steppe steeds in zuidelijke richting verder. quot;Wij hadden steeds tot ver in don namiddag te mar-scheeren, om bij water te komen, maar wij vonden toch eiken dag behoorlijk drinkwater, al waren we ook nu en dan verplicht het uit den grond te graven. Drie of vier bronnen op dezen weg zouden volkomen voldoende zijn, om dezen het geheele jaar door goed begaanbaar te maken, en dit zou eene bekorting van den weg van de kust naar het Victoria-meer van ongeveer negen dagen wezen. De weg is vlak en goed, al is hij ook hier en daar een weinig door struikgewas belemmerd, en ook lastdieren vinden er voer genoeg. Zoo geloof ik, dat deze weg eene toekomst heeft.
Den 6en Juni kwamen wij eindelijk na een krassen dagmarsch in het landschap Ãweri-Weri, hetwelk Dr. Fischer in het jaar 1886 nog in bloeienden toestand aangetroffen heeft, maar dat nu door de Massais volkomen verwoest was. In de plaats van bloeiende neerzettingen vond men er eene woeste wildernis; de vroegere korenvelden waren weder door struikgewas ingenomen. Van de dorpen waren slechts nog ellendige overblijfselen te zien, en geen mensch bewoonde het verwoeste land. Dezelfde verontwaardiging, die zich ook op de Angata na Nyuki van mij meester had gemaakt, werd nu ook weder tegen deze barbaren der hoogplateaus gewekt, en het deed mij oprecht leed, dat onze oude vrienden hier nog niet eens eene poging waagden om zich met ons te meten. Ik betrok het leger beneden een heuvelring, van waar echter het uitzicht op de woeste Massai-steppe open stond. Het was een grauwe, akelige dag, er streek een onaangename wind over de steppe, en ik zag in droevige stemming te midden der verwoesting om mij heen. Water was er slechts in modderpoelen voorhanden. Ik liet de tenten opslaan en was zeer blijde, dat een uur daarna ook mijnheer Von Tie-demann aankwam, die in zijne hangmat al de ellenden van den dag beter doorstaan had, dan ik had vermoed.
153
NAAR UC40G0.
Sedert verscheidene dagen gebruikten wij voor de eerste maal weder gezamenlijk het avondeten. Toen ik daarna uit de tent kwam, om eenige bevelen te geven, bespeurde ik, dat de hemel in het westen heel eigenaardig rood zag, hetgeen op zulk een laat uur toch onmogelijk door de zon veroorzaakt kon zijn. Ik riep er mijn reisgenoot bij, die mij nu vertelde, dat hij in den namiddag herhaaldelijk kanonschoten uit het westen meende gehoord te hebben. Dit wekte de fantazie tot allerlei veronderstellingen op. Zoude de strijd tusschen onze landgenooten en de Arabieren zich reeds zoo ver naar het westen hebben uitgebreid; zou men reeds gekomen zijn tot datgene, hetwelk wij aan het Victoria-meer als noodzakelijk erkend hadden: Tabora te bezetten, om ook daar aan het Arabieren-gepeupel een einde te maken? Hussein, wien ik ook omtrent de roode kleur der lucht ondervroeg, verstoorde echter die illusie, door heel nuchter te zeggen, dat ze door de zon ontstond, hetgeen zeer zeker na 7 uur 's avonds heel ongewoon, maar toch in elk geval mogelijk was.
Van Uweri-Weri trokken wij den volgenden morgen steeds door boschachtig terrein verder naar het zuiden en kwamen tusschen 10 en 11 uur te Kabaragas bij den stam der Wakimbu aan. Het oord ligt in een bocht, en de bewoners kwamen nieuwsgierig van de roode leemmuren loopen, toen wij van de helling naar beneden klauterden. Snel was de vriendschap tusschen ons gesloten, het leger in het westen van het oord opgeslagen, en allerlei voedsel aangeschaft. Sedert acht dagen voor de eerste maal weder vreemde menschen! De lieden vertelden mij al spoedig het volgende:
âVoor acht dagen zijn hier drie boden der Badutschi van Mpuapua op den Usonga-weg voorbij getrokken, die brieven aan den blanke, die van Uganda komt, moeten overbrengen.quot;
Dit werd mij later te Mpuapua bevestigd. De heeren van het station hadden mij een vriendelijken welkomstgroet en ook tijdingen uit Europa willen toezenden. Ongelukkigerwijze werd mij dit alles nu onthouden, daar ik, hetgeen men te Mpuapua niet vermoeden kon, in plaats van door Unjamwesi door de Wembaere-steppe gemarscheerd was. Ik heb de brieven eerst verscheidene maanden
154
EEN REIZEND ARABIER.
later in Duitschland ontvangen. Dit was des te meer jammer, omdat zij mij van menige zorg die mij nog te Ugogo drukte, met betrekking tot onze ontvangst aan de kust ontheven zouden hebben.
Den 8en Juni kwamen wij eindelijk in het landschap Ugogo aan. Tegen 1 uur bereikten wij het oord en het landschap Muhalala, dat 1058 m. boven den spiegel der zee gelegen is. Wanneer men van het Noorden aankomt, breidt deze landstreek zich bekoorlijk in de diepte uit. Voor ons in het zuiden verheffen zich de bergen van Bunduko, ter linkerzijde stijgen andere donkere bergen op. Het zijn de Bachi-bergen. Naar de kaarten te oordeelen, zou men denken, dat geheel Ugogo een vlak plateau was. Dit komt vermoedelijk hierdoor, omdat ieder reiziger denkt, dat Ugogo zoo bekend is, dat het niet noodig is, nog nadere toelichtingen te geven. Het gevolg hiervan is, dat juist de kaart van dit land bijzonder onnauwkeurig is.
Ik sloeg dezen dag het leger in eene omheining aan de noordelijke helling boven de dorpen op. Wij hadden hier een heerlijk uitzicht over de geheele streek. Nauwelijks had ik mij op mijn gemak in mijne tent ingericht, toen Salim aankwam met de mee-deeling, dat beneden in Muhalala twee Duitschers gelegerd waren, die van Tabora naar Mpuapua gingen.
Dadelijk zond ik een brief aan deze twee blanken, waarmee ik eenige Somalis wegstuurde. Zij kwamen binnen een uur terug met de tijding:
âHier onder bevindt zich slechts éen reiziger, niet twee, en deze is ook niet met eene expeditie hier, maar geheel alleen, is ook geen Europeaan, maar een Arabier, gaat ook niet naar Mpuapua, maar naar Irangi.quot;
Opnieuw een proefje, welke waarde men in het algemeen aan de meedeelingen van zwarten hechten kan.
Het bleek nu, dat de reiziger in quaestie de Arabier Mohammed Bin Omari, een der groote Tabora-Arabieren was, die ook handelsfactorijen in Irangi bezat en nu zijn karavaan daarheen volgde, om het ginds opgestapelde ivoor dan later naar de kust te vervoeren.
Uit al hetgeen ik in deze dagen over Irangi gehoord heb, moet
MOHAMMED BIN OMARI.
ik besluiten, dat dit land misschien eene toekomst hebben zal. Het schijnt, evenals Iramba, eene vochtige oase in de aan water zoo arme steppe te vormen, en mij werd meegedeeld, dat de lieden aldaar âgoedquot; waren, hetgeen scheen te beteekenen, dat ginds geene Massais wonen. Het is wel hetzelfde ras, dat wij in Iramba vonden en hetwelk met de Wagogo nauw verwant is.
Mohammed Bin Omari verscheen na het onbijt bij mij, om zijn eerbied te betoonen en om mij schatting te brengen.
âTreed nader,quot; zei ik tot hem, toen hij aan den ingang van mijne tent met eenig gevolg verscheen. âKomt gij uit Tabora?quot;
âIk kom uit Tabora,quot; antwoordde hij, âen wil naar Irangi.quot;
âWel, hoe ziet het er in Tabora uit? Wilt gij Arabieren daar den oorlog met ons Duitschers, of hebt gij liever vrede?quot;
âWij Arabieren van Tabora wenschen den vrede en hebben deze boodschap ook reeds naar de kust gezonden.quot;
âNu, dat is best. Ik geloof ook, dat dit geheel en al overeenkomstig uwe belangen is, want gij zult wel ingezien hebben, dat gij niet in staat zijt u met de Duitschers te meten. De tijding dat mijne broeders Buscheri geslagen hebben, zal u wel bekend zijn. Wij van onzen kant hebben de stammen in het noorden geslagen, de Gallas en de Massais, en komen van Uganda naar hier.quot;
âWat voor nieuws brengt gij uit Uganda?quot;
âIn Uganda zijn de Arabieren evenzeer geslagen als in het oosten, zij zijn allen gedood of hebben de vlucht naar Unjoro genomen. In Uganda heerschen de christenen en, wanneer de Arabieren daarmede handel willen drijven, dan zullen zij zich ook daar aan de christenen moeten onderwerpen. De oorlog is ten einde, gij zijt op alle punten geslagen en zult, naar ik voor u hoop, vermoedelijk niet meer zoo dwaas zijn, den strijd tegen de Badutschi op te nemen.quot;
âDe oorlog is ten einde,quot; herhaalde Mohammed Bin Omari, âen wij allen willen den vrede. Bewerk gij toch dat wij vrede hebben met Uganda. Uwe kunde is reeds tot ons in Tabora doorgedrongen, en wij weten, dat gij ons ook aan het Victoria-meer vrede verschaffen kunt.quot;
âDaarover moet ik eerst de bevelen van den grooten Sultan van
156
MOHAMMED BIN OMARI.
Badutschi kennen. Wanneer deze het wil, dan ben ik gaarne bereid, ook uwen vrede met Uganda te maken.quot;
âWilt gij mij dan niet een brief geven, dat ik de vriend der Duitschers ben en vrede met hen zoude wenschen?quot;
âGaarne wil ik u zulk een brief geven. Maar weet, dat het slechts van uw eigen gedrag afhangt, of gij voortdurend vriend der Duitschers zijt of niet; onze oogen zijn scherp, en wij ontdekken spoedig, of iemand het eerlijk met ons meent of ons foppen wil.quot;
Mohammed Bin Omari schonk mij nu eenige schapen, rijst, melk en honig en vroeg:
âIs er nog 't een of ander dat gij van mij verlangt te hebben? Zeg het mij en ik zal u alles geven, wat gij verlangt. Wilt gij misschien stoffen hebben of kralen?quot;
âIk dank u, stoffen hebben wij niet noodig en kralen evenmin, maar geef mij nauwkeurige inlichtingen omtrent den toestand in ügogo. Hoeveel dagen reizens zijn we hier nog van Mpuapua?quot;
âTot Mpuapua zijn negen of tien dagen, wanneer gij goed mar-scheert.quot;
âZullen wij oorlog moeten voeren in de landstreek naar Usagara?quot;
âOorlog niet, wanneer gij schatting aan Makenge betaalt.quot;
âIk ben een Duitscher en betaal geene schatting. Ik heb ook aan de Massais geene schatting betaald en wil van Makenge hopen, dat hij ons niet met eischen tot het betalen van schatting aankomt.quot;
âVaarwel dus!quot;
Toen wij den volgenden morgen langs de helling naar beneden stegen en voorbij Muhalala marscheerden, stond Mohammed Bin Omari met zijn gevolg aan den weg om ons nog eens te begroeten en mij verdere geschenken in rijst, suiker, melk en schapen aan te bieden. Men moet van de Arabieren getuigen, dat zij buitengemeen hoffelijke en wellevende vormen hebben en zeer zeker meer fijn gevoel in hun doen en laten toonen dan de meeste blanken.
In oostelijke richting werd nu de tocht voortgezet. Om 10 uur spreidde zich plotseling voor mijne verbaasde blikken, diep beneden ons liggend, een landschap uit, dat in het verre oosten door blauwe bergen omlijst was. Dat was het eigenlijke land Ugogo en de rots-
157
STANLEY EN DE WAGOGO.
helling, waar we voor stonden, niets als de zuidelijke uitloopen der Mau-omlijsting, welke wij maanden geleden bij Elgejo beklommen hadden. Verrukt weidde het oog over het in de diepte liggende vlakke land, dat zich als eene met ijs en sneeuw bedekte zee voor ons uitbreidde.
Nu kwam het er op aan, hier naar beneden te klauteren. Maar de omstaande Wagogo wezen ons den weg, en al kostte het ook moeite, toch gelukte het ons, na verloop van een uur, de geheele colonne en de lastdieren gelukkig aan den voet der helling te brengen.
Deze bergrand heet in Ugogo Kilima Tindi. De bergen, die in blauwen nevel aan den verren horizon in het oosten schemerden, behoorden reeds tot de Marenga Mkali of wel de westelijke omheining van Mpuapua. Dit alles deelde mij de welingelichte Salm mede. De troep mijner Wanjamwesi en Mangema barstte in luid gejubel uit, toen zij het hun zoo welbekende Ugogo voor zich zagen liggen.
In oostelijke richting ging het nu in den middag verder. Heet brandde de zon op ons neer. Stanley noemt Ugogo een tuin en bejammert het, dat hij er niet toe kon bijdragen, het flink als zoodanig te bebouwen. Hij zou waarschijnlijk terdege teleurgesteld zijn, als hij iets dergelijks beproefde. Meer toch dan eenig ander land in Oost-Afrika is deze zoogenaamde tuin niets dan een dorre grasvlakte, waarin de rivierloopen slechts in den korten regentijd eenig water brengen, en waar zelfs de espeditiën, die, gelijk wij, onmiddellijk na den regentijd het land doortrekken, voortdurend met de dorheid te kampen hebben.
De rivier Bubo, welke van het Noorden naar Ugogo stroomt en tot het gebied der Eufidschi behoort, was reeds in het midden van Juni volkomen droog, en wTe dienden het water daarin uit te graven.
Yan zulk een land is geen tuin te maken, hier is alleen veeteelt mogelijk en maïs en korenbouw slechts in kleine, zeer beperkte streken. Van alle landen, die wij doorgetrokken zijn, is Ugogo het leelijkste, haast zou ik zeggen het afzichtelijkste, en geheel in overeenstemming met het karakter van het land is ook de geest der bewoners.
158
NOG STEEDS STANLEY OVER UGOGO.
Gezicht op de TJgogovlakte by Mtivi.
De Wagogo zijn volgens hun ras een Bantu-stam, doch blijkbaar sterk met Massai-bloed gemengd. Evenals deze zijn zij brutaal en diefachtig. Vreemden beschouwen zij eenvoudig als vijanden, en daar
sinds eeuwen het verkeer door hun land gaat, hebben zij zich een stelsel van rooverachtige schattingheffing aangewend, waaronder al de karavanen zwaar gebukt gaan.
Stanley klaagt op eenigszins sentimenteele wijze hierover. âEr
159
STANLEY'S HOUDING.
zijn daar altijd moeilijkheden en oproeren aan het broeien. De streek is een warnest van allerlei ongerechtigheden, welke den reiziger, zoo lang hij zich daar bevindt, dag aan dag kwellen. Geene andere inboorlingen verstaan het zoo goed, om de reizigers te sarren en te bemoeilijken. Men zoude haast meenen, dat er hier of daar te Ugogo eene school moest zijn, om de hoofden, die eene vosachtige geslepenheid bezitten, in gemeene streken en kwaadaardige plagerijen te onderwijzen. Negentien jaren geleden beschouwde ik dit land en zijn bevolking met verlangende blikken en zag daarin een veld, dat eenige inspanning waard scheen om het meester te worden. Ik was overtuigd dat Ugogo in zes maanden tot een behoorlijk goed geregeld land en zonder groote kosten en moeite tot een zegen voor de bewoners en voor vreemden gemaakt kon worden. Ik had er gaarne een aangenamen hoofdweg voor het verkeer met ver verwijderde volken gemaakt, een land, dat rijkdom voor de bewoners en allerlei gemakken voor de karavanen zoude hebben aangeboden. Bij de aankomst te Ugogo vernam ik, dat mij deze hoop voor altijd afgesneden was. Het zal de bestemming der Duit-schers zijn, dit alles ten uitvoer te leggen, en ik benijd hen daarom. Voor mij is het een zeer onaangename gewaarwording, dat ik nooit in de gelegenheid zal zijn, de onbeschaamdheid der Wagogo-hoofden te onderdrukken en het land zindelijk, gezond en zelfs knap van uiterlijk te maken. Ofschoon mijne beste wenschen de pogingen der Duit-schers vergezellen, bekruipt mijne ziel toch twijfel, of Ugogo dat schoone land der rust en gulheid worden zal, waartoe ik het in mijne droomen verheven had.quot;
Hoe jammer voor Ugogo, dat Stanley zijne plannen voor dit land niet ten uitvoer heeft kunnen brengen. Het zou inderdaad voor heel Oost-Afrika een buitengewoon voordeel zijn, wanneer de karavanen, in plaats van door een volkomen droog grasland achter Usagara, door een bloeienden en groenenden tuin konden mar-scheeren. De âonbeschaamdheid der Wagogo-hoofden te onderdrukkenquot;, daartoe zou Mr. Stanley ook bij zijn laatsten doortocht door dit land eene mooie gelegenheid gehad hebben, waarvan het slechts te betreuren is, dat hij zich die niet ten nutte heeft gemaakt.
160
STANLEY'S HOUDING.
Wij stonden den 9ei1 Juni in het westelijkste deel des lands van Makenge, en snel sloeg ik het leger dezen dag in Mtive op, weder op een legerplaats van Mr. Stokes. Makenge had, toen Stanley eenige maanden geleden door zijn land gemarscheerd was, dadelijk dezen het verzoek gezonden, om schatting te betalen. Stanley, die toen aan het hoofd stond van 1000 man en die met voortreffelijk geschut gewapend was, had dit als eene uitmuntende gelegenheid kunnen aangrijpen om âde onbeschaamdheid der Wagogo te onderdrukkenquot;, want dergelijk vragen om schatting tegenover zulk eene sterke expeditie, die bovendien door negen blanken wordt aangevoerd, is toch inderdaad als eene onbeschaamdheid te beschouwen.
Stanley zond echter, in plaats van zich te haasten om dit broeinest van ellendige ondeugden op te ruimen, aan Makenge de bij karavanen gebruikelijke schatting. Maar Makenge was daar niet mee tevreden. Hij zond de eenvoudige schatting terug en vorderde nu van Stanley, dat deze al zijne manschappen zou zenden om heerendiensten te verrichten. Hij wenschte, dat Stanley eene versterkte legerplaats voor hem bouwen zou.
Dat was de tweede gelegenheid voor Stanley, om de âonbeschaamdheid van den grootsten roover aller Wagogo-hoofden te onderdrukkenquot;. Hij was over den eisch van Makenge ook vertoornd genoeg, maar in plaats van dien van de hand te wijzen en af te wachten wat er gebeuren zou, gaf hij als de meer verstandige toe en zond hem nu viermaal de gewone schatting, waarmede Makenge toen ook zoo vriendelijk was zich tevreden te verklaren.
Dit kleine voorval tijdens het verblijf van Stanley te Ugogo vertelt hij in zijn reisverhaal niet, en ik voer dit hier slechts aan, om het nu volgende relaas begrijpelijker te maken.
Het moest natuurlijk voor de hand liggen dat, wanneer eene expeditie van de sterkte als die van Stanley te Ugogo, genoegen nam om schatting te betalen, men dan van deze lieden juist geene bijzonder groote achting en daarmede overeenstemmende bescheidenheid tegenover het blanke ras te verwachten had. Het kan derhalve dan ook niemand verwonderen wat ons in dit land te beurt viel.
in. ii
161
STANDJES MET DE WAGOGO.
Wij zaten nog aan het ontbijt, toen zich vlegelachtige Wagogo om onze tent verdrongen, en een hunner brutaal aan den ingang mijner tent ging staan. Op mijn verzoek om zich voort te scheren, bleef hij mij brutaal staan aangrijnzen. Nu sprong mijnheer v. Tiedemann, die het dichtst bij den ingang zat, op, pakte den kerel beet en gooide hem op zij.
Ik sprong nu ook op en riep Hussein toe, hem te grijpen en een lesje met de nijlpaardenzweep te geven. Dit werd onder luid gehuil voltrokken, terwijl de Wangwana meldden, dat de man, die het pak ontving, de zoon van den Sultan was. Terwijl dit nog hier plaats greep, weerklonk aan den noordkant van ons leger het ons maar al te wel bekende strijdgehuil der Wagogo. Deze hadden mijne lieden van 't water verdreven, omdat ik geene schatting betaald had, en kwamen nu op onze legerplaats aangestormd. Ik begaf me dadelijk naar de noordzijde en zag hoe de Wagogo-krijgslieden, de meesten ieder met twee lansen gewapend, kwamen aangedanst en den strijd aanbonden.
Daar zij met pijlen begonnen te schieten, vuurde ik daartusschen en schoot een hunner neer, terwijl ik een tweede in den arm raakte. Nu vlogen zij in wilde vlucht heen, en spoedig kwamen eenige der oudsten, om vredesonderhandelingen met ons aan te knoopen. Den geheelen namiddag werd onderhandeld en des avonds eindelijk uitgemaakt, dat er boden naar den Sultan Makenge zouden gezonden worden, wiens residentie wij den volgenden dag zouden binnentrekken, om de zaak aan zijne beslissing over te laten.
Ik liet het leger des nachts door twaalf posten bewaken en mar-scheerde den volgenden morgen onder trommelslag langs geheele benden Wagogo naar het Oosten verder. De weg leidde door een tamelijk uitgedroogd rivierbed naar het land Unjanguira. Om elf uur kwamen wij aan een mooi bebouwd gebied, dat mij levendig aan de landstreek van het Mörismeer bij Alexandrië herinnerde. Het trof mij, dat groote troepen van menschen achter de maïsvelden rondliepen, en verder deed mij het aanhoudend hyenaachtige gehuil der Wagogo, dat ik zeer duidelijk als krijgsgeschreeuw herkende, heel onaangenaam aan.
162
VERRAAD DER WAGOGO.
Toen wij door de maïsvelden oostwaarts van de dorpen doorgedrongen waren, bespeurde ik plotseling honderden Wagogo-krijgs-lieden met aangelegde pijl en boog en de lans voor den strijd gereed, geknield aan den linkerkant van den weg, terwijl een dei-hoofden naar ons toegeloopen kwam met den op brutalen toon uitgesproken eisch om schatting.
Mahongo! Mahongo! schreeuwden zij. Mijne verachting jegens dit lage gepeupel was den vorigen dag nog toegenomen. Ik gaf mijn bediende mijne buks, nam mijn langen stok en liep hiermee op de Wagogo toe, terwijl ik hun toeriep:
âScheert jelui hier voort en neemt je in acht!quot;
Zij stonden toen gezamenlijk op en gingen langzaam zijwaarts.
Nu marscheerde ik tot aan eene legerplaats in het zuiden van Makenge's residentie. Spoedig, zond ik eene boodschap aan den Sultan met het verzoek, dat hij zich met mij in aanraking zoude stellen, opdat ik te weten kon komen, of hij oorlog wenschte dan wel vrede.
De boodschapper kwam onverrichter zake terug. Eene karavaan van Waniamwesi, die in de buurt gelegerd was, had hem gewaarschuwd, dat hij de residentie der Makenge niet binnen zou gaan, want dat daar duizenden krijgslieden bijeen waren, om ons aan te vallen.
Om tegen dit mogelijke geval gewapend te zijn, daar mijne voorladers bijna allen zonder munitie waren, liet ik dadelijk den stevigen last ijzerdraad, dien ik op de expeditie meegenomen had, in stukken vijlen en aan de manschappen uitdeelen. Daarop zetten we ons aan 't ontbijt, waarbij afgezanten der Waniamwesi-karavaan verschenen om vriendschap met ons te sluiten.
Terwijl ik met hen onderhandelde, kwamen er plotseling boden van Makenge.
âOnze Sultan laat u zeggen, dat hij vrede met u wenscht. Hij verlangt de vriend der Duitschers te zijn, en gij zult geene schatting in zijn land betalen.quot;
âZegt uwen Sultan,quot; antwoordde ik, âdat wanneer hij vriend der Duitschers en onze vriend wil zijn, hij dan geschenken met
163
AANVAL DER WAGOGO.
mij dient te wisselen. Hij zende mij koren en honig, en ik zal hem kruit en kleedstoffen doen toekomen.quot;
Terwijl wij nog onderling daarover spraken, knalde er plotseling geweervuur in het westen van ons leger, en wel opnieuw aan 't water. In woeste vaart kwamen mijne lieden van gene zijde in de legerplaats aanstormen. Ik greep mijne buks en kwam uit mijne tent, roepend:
âWaar zijn de Wagogo?quot;
âDaar en daar en daar, van alle zijden komen ze aan!quot; werd mij geantwoord. Inderdaad zag ik van alle kanten, dicht op elkaar gedrongen, de quot;Wagogo komen aandansen.
Deze aanblik wekte in zoo hooge mate mijn toorn op, dat ik mijn manschappen toeriep:
âDererah Somal! (Strijdt Somalis!) Grijpt de buks, zonen van Unjamwesi, zonen van Usukuma en zonen van Manyema! Voorwaarts! weg met de Wagogo!quot;
Snel waren de schikkingen getroffen: een deel der Somalis had de oostelijke en noordelijke zijde van het leger te dekken; naar het westen en zuiden, van waar de hoofdaanval kwam, stormde ik met ongeveer 20 man den vijand te gemoet. Mijnheer v. Tiede-mann was eerst aan mijne zijde, later zond ik hem naar den oostkant terug.
De Wagogo vielen, naar Tiedemanns schatting, met eene sterkte van 2 tot 8000 man aan en hadden voor een deel voorladers. Het noodlottige voor mij was, dat mijne manschappen met het doorge-vijlde ijzerdraad maar op korten afstand konden schieten, en dat daardoor van de grootere voortreffelijkheid onzer vuurwapenen ditmaal geene sprake was. Daarentegen werkten mijne buksen met dubbelen loop en de repeteergeweren der Somalis op de gewone uitmuntende wijze.
Volgens de oude taktiek, die ik ook bij de Massais had gevolgd, liet ik eenige malen achtereen vuren, om eerst verscheidene aanvallers in het zand te doen bijten! Daarop ging het met hoeras! voorwaarts, doch steeds zoodanig, dat onder dit vooruittrekken op de bewegingen der tegenstanders nauwkeurig gelet werd en
164
NEDERLAAG DEK WAÃOGO.
als zij bleven staan, ook wij halt hielden, om weder te schieten.
De zon scheen gloeiend heet, maar binnen een half uur waren de Wagogo naar het zuiden en westen van het leger teruggedrongen, en nu zond ik een boodschap aan mijnheer v. Tiedemann, dat hij in de legerplaats zou blijven en deze bewaken. Ik zou intusschen naar de dorpen op een afstand van ongeveer een kwartier ten zuiden van ons rukken en de quot;Wagogo daar van mijn kant aanvallen. Toen ik dit besluit ten uitvoer ging leggen, en op die dorpen aanrukte, kwam er op eenmaal eene boodschap van Makenge:
âDe Sultan wenscht vrede met u, hij zal schatting betalen in ivoor en ossen.quot;
, Daarop zeide ik: âDe Sultan zal vrede hebben, en wel den eeuwigen vrede. Ik zal den Wagogo eens toonen, wie de Duit-schers zijn.quot;
Zoo ging het tegen het eerste dorp, waarin de Wagogo zich eerst zochten te verdedigen. Toen intusschen velen hunner doode-lijk getroffen waren, kozen zij het hazenpad en was het dorp in onze macht.
âPlundert het dorp en werpt vuur in de huizen, verwoest alles wat niet branden wil!quot;
Ongelukkigerwijze bleek het al heel spoedig, dat de Wagogo-dorpen zelve niet goed branden, daar de houten huizen met eene laag leem bedekt zijn. Ik liet nu groote massa's droog hout in de huizen brengen en stelselmatig vuren aansteken. Tegelijkertijd waren de bijlen aan den gang, die ik uit de legerplaats had laten halen om de muren stuk te slaan, zoodat het eerste dorp spoedig verwoest was. Ik dekte dit werk met drie Somalis naar de zuidzijde, terwijl ik de horden der Wagogo door mijne schoten op een afstand joeg.
Intusschen zond ik naar de naburige Wanjamwesi-karavanen, waarmede wij te voren vriendschap gesloten hadden:
âKomt en helpt ons. Wanneer wij de kudden der Wagogo in handen hebben, zult gij ook een deel van den buit krijgen.quot;
Dat was tusschen 2 en 3 uur des namiddags. Intusschen waren
165
HET VEBBRANDEN DER DORPEN.
de Wanjamwesi toch nog niet geheel zeker van hunne zaak, want zij verschenen eerst om 5 uur op de plaats van het gevecht. Toen riep Hussein mij toe:
âHeer, kom, de Wagogo vallen de legerplaats aan!quot;
Ik antwoordde daarop:
âIk zal jelui toonen, hoe men de Wagogo van de legerplaats verjaagt.quot;
Wij slopen nu in het maïsveld en begonnen plotseling de horden, die van het oosten kwamen aandringen, in de zijde en in den rug te beschieten. In wilde vlucht stoven zij nu als krankzinnigen uit elkaar. Mijne verachting voor de quot;Wagogo was zoo groot, dat ik in dit gevecht herhaaldelijk mijn manschappen toevoegde: âIk zal jelui toonen wat voor gemeen gepeupel wij voor ons hebben. Blijft allen staan, ik zal geheel alleen de Wagogo op zijde dringen!quot; Ik liep toen op de Wagogo toe, riep hoera! en honderden van hen stoven op zijde.
Ik vermeld dit niet, om deze handeling als iets bijzonder heldhaftigs voor te stellen, maar om te toonen, uit welke soort van menschen dit gansche Afrikanenras bestaat en welke overdreven beschouwingen in Europa aangaande de krijgshaftigheid dier lieden en de middelen om hen te onderwerpen, heerschen. De Wagogo gelden voor een der meest gevreesde stammen in het gansche Duitsch-Oost-Afrikaansche beschermingsgebied, voor wie de Wangwana van de kust rillen en beven, wanneer zij dit land binnentrekken; en toch waren wij met twintig man en slechte munitie bij machte, duizenden hunner uiteen te jagen.
Van 3 uur af trok ik tegen de verdere dorpen in het zuiden op. Overal hetzelfde schouwspel. Na korten weerstand stoven de Wagogo uiteen, er werd vuur in de huizen geslingerd, en de bijlen deden het hunne, om stuk te slaan wat niet te verbranden was.
Zoo werden tot halfvijf twaalf dorpen verbrand, maar tegen de kudden, welke verder in het zuiden aan eene berghelling weidden, kon ik niets doen, omdat ik in den regel slechts 6â10 man in mijne onmiddellijke omgeving had en vermoeden moest dat de Wagogo hier met verwoedheid zouden strijden.
166
167
Eerst dacht ik, dat het
Wagogo waren, en wilde beginnen met op hen te vuren. Maar mijne lieden schreeuwden mij toe;
âHet zijn de Wanjamwesi, die naar u toe komen!quot;
Nu riep ik hun toe:
âKomaan Waniamwesi! Voorwaarts naar de ossen der Wagogo! Ginds zijn ze! Hoera!quot;
Voort ging het in woesten loop naar de kudden ossen langs verscheidene dorpen. De Wagogo deden hun best om de kudden snel zijwaarts te drijven, maar het gelukte ons toch 2 tot 300 stuks
BUITGEMAAKT VEE.
meester te worden en de herders, voor zoover zij de vlucht niet namen, neer te schieten.
Van het vele schieten was mijne buks zoo heet geworden, dat ik ze nauwelijks nog in de hand kon houden. Ik had persoonlijk dezen dag zoo bijzonder druk moeten schieten, omdat ik vrijwel de eenige geweest was, die nog over voldoenden kruitvoorraad beschikte. Mijn gloeienden dorst kon ik van tijd tot tijd door wat zure melk stillen.
De zon daalde in het westen neer, toen ik ten slotte beval terug te keeren. Ook mijne manschappen waren zoo vol vechtlust, dat ik ze er amper toe krijgen kon, om mee terug te gaan.
Zij plunderden in de dorpen, of sarden de Wagogo, die steeds nog in groote massa's op den achtergrond stonden of lagen. Om half zes ving de terugtocht aan. De kudde werd mee gedreven, en op grooten afstand volgden ons de Wagogo, steeds nog op ons vurende tot in de nabijheid der legerplaats. Maar geen stuk van hun vee konden zij terug krijgen. Zij hebben dan ook den volgenden morgen als cijfer van hun verlies op dezen namiddag âmeer dan vijftigquot; opgegeven.
Toen wij de legerplaats naderden, kwamen mijnheer v. Tiedemann en de manschappen aldaar ons blijde tegemoet.
âNu, miinheer v. Tiedemann, me dunkt, dat we tot Mpuapua meer dan voldoende voedsel hebben,quot; zeide ik, op de kudde wijzende.
quot;Wij schudden elkaar de hand en liepen de legerplaats in. Mijne lieden voerden oorlogs- en vreugdedansen om het vee uit. Zoodra ik in mijne tent was, leschte ik weder mijn dorst door cognac en water, deelde daarop dadelijk het overschot van kruit en ijzerdraad rond en zette de posten om de legerplaats uit.
Ik gevoelde eene eigenaardige zwaarte in mijn hoofd door het vele loopen in de zon. Zoo als dan ook reeds dien zelfden nacht bleek, had ik eene hersenaandoening gekregen, welke zich in de eerstvolgende dagen zoowel door doofheid, als ook door verhoogde temperatuur en een algemeen onwelzijn deed kennen.
Alvorens ik van de dorpen der quot;Wagogo teruggekeerd was, had ik hun toegeroepen:
168
ONDERWEEPING DEE WAGOGO.
âNu kent gij Kupanda Scharo en de Duitschers wat beter dan van morgen, maar gij zult ze nog op eene geheel andere wijze leeren kennen. Ik blijf nu bij u in dit land, zoolang als er nog éen mensch van u leeft, zoolang als er nog éen dorp van u staat, en éen stuk vee van u buit te maken is!quot;
In de legerplaats begon nu eene geweldige slachting, overal heerschte er eene vroolijke stemming rondom de legervuren, waaraan ook de Waniamwesi, die tot 's avonds bij ons bleven, deelnamen.
Om 9 uur zond Makenge zijne zonen. Zij brachten eenig ivoor, dat eene zuivere waarde van ongeveer 600 gulden uitmaakte, als eerste schatting en verlangden, mijne vredesvoorwaarden te vernemen.
âZegt uwen sultan, dat ik met hem geen vrede wil. De Wagogo zijn leugenaars en moeten van de oppervlakte der aarde vernietigd worden. Wanneer de sultan echter de slaaf der Duitschers worden wil, dan kunnen hij en de zijnen in leven blijven. Dan zende hij mij morgen, ten teeken uwer onderwerping, schatting van runderen en schapen en bokken, hij zende mij melk en honig, dan zullen wij verder onderhandelen.quot;
Des nachts viel ik in een vasten slaap, waaruit ik intusschen reeds voor zonsopgang door het gebrul van runderen gewekt werd. Makenge had 38 slachtossen gezonden en buitendien een aantal kleiner vee. In den loop van den dag kwamen er nog melk en honig en andere dingen bij.
Nu liet ik er mij toe in, hem een verdrag toe te staan, waardoor hij onder het Duitsche gezag gesteld werd. De vlag beloofde ik te zenden, zoodra ik Mpuapua bereikt zoude hebben.
De groote Wanjamwesi-karavaan, die in de nabijheid lag, zond dezen dag hare afgevaardigden en zeide:
âWees gij onze aanvoerder, wij willen uwe volgelingen zijn.quot; Deze karavaan was over de 1200 man sterk en beschikte o. a. over een groot aantal trommelslagers.
Nadat aldus op 11 Juni alles geregeld was, ging het den 12ei1, terwijl de zwart-wit-roode vlag vroolijk in den morgenwind fladderde, onder Hinken trommelslag naar het oosten verder, met de kudde der Wagogo vooruit. Geen Wagogo liet zich in de geheele landstreek zien.
169
VERDERE MARSCH DOOR TJGOGO.
Wij legerden dezen dag aan de Bubo-rivier, die in noord-zuide-lijke richting stroomt, maar destijds, gelijk ik reeds vermeld heb, zonder water was. Ik kon nauwelijks den eenen voet voor den anderen zetten, en liet dus op dezen dag eveneens een draagbaar voor mij maken, waarop ik mij den volgenden dag liet vervoeren.
Wij bereikten door een marsch van 3^- mijl den 13en Juni ün-gombe. Het water, dat hier in kleine vijvers stond, was door de gedrenkte kudden zoodanig verontreinigd, dat wij het niet eens voor soep gebruiken konden.
Op dezen dag zond de zoon van Makenge, die hier gouverneur was, ongevraagd twintig andere slachtossen als schatting. Wij vonden hier eene groote Arabische karavaan liggen, welke eveneens met de Wagogo nog over de schatting aan het onderhandelen was. Het was de karavaan van Mohamed Bin Omari, dien ik te Muhalala aangetroffen had.
Nauwelijks had deze onze aankomst vernomen, toen eene deputatie naar mij toe kwam met de uitnoodiging, om ook hun aanvoerder te zijn. Zij wilden mij als manschappen dienen, wanneer ik hen veilig uit Ugogo zoude brengen. Ik nam dezen voorslag aan en voerde nu het bevel over meer dan 2000 menschen.
Des nachts begon ik op weldadige wijze te zweeten, hetgeen mij zeer groote verlichting schonk, ofschoon de doofheid nog bleef voortduren. Op dezen dag liet ik eerst in den namiddag oprukken, eene handelwijze, die overal aanbevelenswaardig is, waar men niet hopen kan, in één marsch water te bereiken. De manschappen kunnen dan op de oude legerplaats nog afkoken, het vee kan voor dien dag gedrenkt worden, en men bereikt dan den tweeden dag wederom water.
Den 14en Juni wendden wij ons uit de oostelijke richting een weinig naar het oost-noord-oosten, om de zoogenaamde Lindi-berg-keten om te gaan. Nadat wij eenige uren door woud en bosschage gemarscheerd waren, kwamen wij om 5 uur aan een open grasvlakte, die intusschen droog was. Hier werd het leger opgeslagen.
Het was een onvriendelijke avond. De wind blies sterk, en rillend en bevend zaten we in mijne tent. Ik legde mij zeer treurig in
170
EENE BLIJDE TIJDING.
mijn bed, terwijl ik aan mijne doofheid dacht. Alle mogelijke bezwarende gedachten kruisten door mijn brein. Ik dacht: als ik nu bij mijne doofheid ook nog eens blind werd, wat voor een treurig lot dan in de toekomst mijn deel wel zou worden. Heel laat sliep ik in, werd tegen 2 uur wakker, en riep mijn bediende, dat hij mij wat te drinken zou geven. Ik had voor mijnheer v. Tiedemann en mij water mee laten voeren. Wie beschrijft echter mijne blijde verbazing, toen ik bij het antwoord van Buana Mkus bespeurde, dat mijne doofheid volkomen weg was, en ik weder zoo scherp kon hooren als te voren.
In eene zeer blijmoedige stemming rukte ik dus den volgenden morgen in alle vroegte op, en bereikte Matako, terwijl ik de Lindi-bergen steeds achter mij liet. Van hier tot de volgende waterplaats Msango moest een marsch van 12 uren zijn. Ik besloot derhalve, de taktiek van vorige dagen weder te veranderen, door te bevelen, dat we des nachts om 12 uur zouden afmarscheeren, om den volgenden dag tegen den middag in Msango aan te komen. Wel versliepen wij dat uur, zoodat wij eerst tegen 8 uur 's morgens van Matako hier kwamen, maar het bleek al heel spoedig, dat de afstand tot Msango feitelijk slechts 10 uren bedroeg, zoodat wij slechts even over het middaguur ons einddoel bereikten.
Deze nachtelijke marschen hebben het aangename, dat men zich op zyn gemak in de draagbaar kan laten vervoeren, waartoe ik op den dag, al voelde ik me ook niet wel, toch nooit het geduld had. Wanneer dan de morgen aanbrak, liet ik in den regel aan eene legerplaats halt houden en de stroo-hutten aansteken, waaraan we ons warmden en in wier lichtschijn wij ons ontbijt gebruikten.
Daarna kwam dan eerst de eigenlijk mooie marsch van eenige uren, waarop van de ezels gebruik werd gemaakt, en daar het landschap hier inderdaad in de nabijheid der westelijke omlijsting van Ugogo weelderiger en mooier begon te worden, zoo behoort deze marschdag naar Msango tot een der liefelijksten op de geheele terugreis.
In Msango vonden wij eene groote Wanjamwesi-karavaan, die uit Mpuapua kwam. De hoofden kwamen dadelijk naar mij toe, om
171
HET VERBBANDEN DER DORPEN.
de Wanjamwesi toch nog niet geheel zeker van hunne zaak, want zij verschenen eerst om 5 uur op de plaats van het gevecht. Toen riep Hussein mij toe:
âHeer, kom, de Wagogo vallen de legerplaats aan!quot;
Ik antwoordde daarop:
âIk zal jelui toonen, hoe men de Wagogo van de legerplaats verjaagt.quot;
Wij slopen nu in het maïsveld en begonnen plotseling de horden, die van het oosten kwamen aandringen, in de zijde en in den rug te beschieten. In wilde vlucht stoven zij nu als krankzinnigen uit elkaar. Mijne verachting voor de Wagogo was zoo groot, dat ik in dit gevecht herhaaldelijk mijn manschappen toevoegde: âIk zal jelui toonen wat voor gemeen gepeupel wij voor ons hebben. Blijft allen staan, ik zal geheel alleen de Wagogo op zijde dringen!quot; Ik liep toen op de Wagogo toe, riep hoera! en honderden van hen stoven op zijde.
Ik vermeld dit niet, om deze handeling als iets bijzonder heldhaftigs voor te stellen, maar om te toonen, uit welke soort van menschen dit gansche Afrikanenras bestaat en welke overdreven beschouwingen in Europa aangaande de krijgshaftigheid dier lieden en de middelen om hen te onderwerpen, heerschen. De Wagogo gelden voor een der meest gevreesde stammen in het gansche Duitsch-Oost-Afrikaansche beschermingsgebied, voor wie de Wangwana van de kust rillen en beven, wanneer zij dit land binnentrekken; en toch waren wij met twintig man en slechte munitie bij machte, duizenden hunner uiteen te jagen.
Van 3 uur af trok ik tegen de verdere dorpen in het zuiden op. Overal hetzelfde schouwspel. Na korten weerstand stoven de Wagogo uiteen, er werd vuur in de huizen geslingerd, en de bijlen deden het hunne, om stuk te slaan wat niet te verbranden was.
Zoo werden tot halfvijf twaalf dorpen verbrand, maar tegen de kudden, welke verder in het zuiden aan eene berghelling weidden, kon ik niets doen, omdat ik in den regel slechts 6â10 man in mijne onmiddellijke omgeving had en vermoeden moest dat de Wagogo hier met verwoedheid zouden strijden.
166
167
Eerst dacht ik, dat het
quot;Wagogo waren, en wilde beginnen met op hen te vuren. Maar mijne lieden schreeuwden mij toe:
âHet zijn de Wanjamwesi, die naar u toe komen!quot;
Nu riep ik hun toe:
âKomaan Waniamwesi! Voorwaarts naar de ossen der Wagogo! Ginds zijn ze! Hoera!quot;
Voort ging het in woesten loop naar de kudden ossen langs verscheidene dorpen. De Wagogo deden hun best om de kudden snel zijwaarts te drijven, maar het gelukte ons toch 2 tot 300 stuks
BUITGEMAAKT VEE.
meester te worden en de herders, voor zoover zij de vlucht niet namen, neer te schieten.
Van het vele schieten was mijne buks zoo heet geworden, dat ik ze nauwelijks nog in de hand kon houden. Ik had persoonlijk dezen dag zoo bijzonder druk moeten schieten, omdat ik vrijwel de eenige geweest was, die nog over voldoenden kruitvoorraad beschikte. Mijn gloeienden dorst kon ik van tijd tot tijd door wat zure melk stillen.
De zon daalde in het westen neer, toen ik ten slotte beval terug te keeren. Ook mijne manschappen waren zoo vol vechtlust, dat ik ze er amper toe krijgen kon, om mee terug te gaan.
Zij plunderden in de dorpen, of sarden de Wagogo, die steeds nog in groote massa's op den achtergrond stonden of lagen. Om half zes ving de terugtocht aan. De kudde werd mee gedreven, en op grooten afstand volgden ons de Wagogo, steeds nog op ons vurende tot in de nabijheid der legerplaats. Maar geen stuk van hun vee konden zij terug krijgen. Zij hebben dan ook den volgenden morgen als cijfer van hun verlies op dezen namiddag âmeer dan vijftigquot; opgegeven.
Toen wij de legerplaats naderden, kwamen mijnheer v. Tiedemann en de manschappen aldaar ons blijde tegemoet.
âNu, miinheer v. Tiedemann, me dunkt, dat we tot Mpuapua meer dan voldoende voedsel hebben,quot; zeide ik, op de kudde wijzende.
Wij schudden elkaar de hand en liepen de legerplaats in. Mijne lieden voerden oorlogs- en vreugdedansen om het vee uit. Zoodra ik in mijne tent was, leschte ik weder mijn dorst door cognac en water, deelde daarop dadelijk het overschot van kruit en ijzerdraad rond en zette de posten om de legerplaats uit.
Ik gevoelde eene eigenaardige zwaarte in mijn hoofd door het vele loopen in de zon. Zoo als dan ook reeds dien zelfden nacht bleek, had ik eene hersenaandoening gekregen, welke zich in de eerstvolgende dagen zoowel door doofheid, als ook door verhoogde temperatuur en een algemeen onwelzijn deed kennen.
Alvorens ik van de dorpen der Wagogo teruggekeerd was, had ik hun toegeroepen:
168
ONDERWERPING DER WAGOGO.
âNu kent gij Kupanda Scharo en de Duitschers wat beter dan van morgen, maar gij zult ze nog op eene geheel andere wijze leeren kennen. Ik blijf nu bij u in dit land, zoolang als er nog éen mensch van u leeft, zoolang als er nog éen dorp van u staat, en éen stuk vee van u buit te maken is!quot;
In de legerplaats begon nu eene geweldige slachting, overal heerschte er eene vroolijke stemming rondom de legervuren, waaraan ook de Waniamwesi, die tot 's avonds bij ons bleven, deelnamen.
Om 9 uur zond Makenge zijne zonen. Zij brachten eenig ivoor, dat eene zuivere waarde van ongeveer 600 gulden uitmaakte, als eerste schatting en verlangden, mijne vredesvoorwaarden te vernemen.
âZegt uwen sultan, dat ik met hem geen vrede wil. De Wagogo zijn leugenaars en moeten van de oppervlakte der aarde vernietigd worden. Wanneer de sultan echter de slaaf der Duitschers worden wil, dan kunnen hij en de zijnen in leven blijven. Dan zende hij mij morgen, ten teeken uwer onderwerping, schatting van runderen en schapen en bokken, hij zende mij melk en honig, dan zullen wij verder onderhandelen.quot;
Des nachts viel ik in een vasten slaap, waaruit ik intusschen reeds voor zonsopgang door het gebrul van runderen gewekt werd. Makenge had 38 slachtossen gezonden en buitendien een aantal kleiner vee. In den loop van den dag kwamen er nog melk en honig en andere dingen bij.
Nu liet ik er mij toe in, hem een verdrag toe te staan, waardoor hij onder het Duitsche gezag gesteld werd. De vlag beloofde ik te zenden, zoodra ik Mpuapua bereikt zoude hebben.
De groote Wanjamwesi-karavaan, die in de nabijheid lag, zond dezen dag hare afgevaardigden en zeide;
âWees gij onze aanvoerder, wij willen uwe volgelingen zijn.quot; Deze karavaan was over de 1200 man sterk en beschikte o. a. over een groot aantal trommelslagers.
Nadat aldus op 11 Juni alles geregeld was, ging het den 12en, terwijl de zwart-wit-roode vlag vroolijk in den morgenwind fladderde, onder flinken trommelslag naar het oosten verder, met de kudde der Wagogo vooruit. Geen Wagogo liet zich in de geheele landstreek zien.
169
VERDERE MARSCH DOOR UGOGO.
Wij legerden dezen dag aan de Bubo-rivier, die in noord-zuide-lijke richting stroomt, maar destijds, gelijk ik reeds vermeld heb, zonder water was. Ik kon nauwelijks den eenen voet voor den anderen zetten, en liet dus op dezen dag eveneens een draagbaar voor mij maken, waarop ik mij den volgenden dag liet vervoeren.
Wij bereikten door een marsch van 3.^ mijl den 13en Juni Un-gombe. Het water, dat hier in kleine vijvers stond, was door de gedrenkte kudden zoodanig verontreinigd, dat wij het niet eens voor soep gebruiken konden.
Op dezen dag zond de zoon van Makenge, die hier gouverneur was, ongevraagd twintig andere slachtossen als schatting. Wij vonden hier eene groote Arabische karavaan liggen, welke eveneens met de Wagogo nog over de schatting aan het onderhandelen was. Het was de karavaan van Mohamed Bin Omari, dien ik te Muhalala aangetroffen had.
Nauwelijks had deze onze aankomst vernomen, toen eene deputatie naar mij toe kwam met de uitnoodiging, om ook hun aanvoerder te zijn. Zij wilden mij als manschappen dienen, wanneer ik hen veilig uit Ugogo zoude brengen. Ik nam dezen voorslag aan en voerde nu het bevel over meer dan 2000 menschen.
Des nachts begon ik op weldadige wijze te zweeten, hetgeen mij zeer groote verlichting schonk, ofschoon de doofheid nog bleef voortduren. Op dezen dag liet ik eerst in den namiddag oprukken, eene handelwijze, die overal aanbevelenswaardig is, waar men niet hopen kan, in één marsch water te bereiken. De manschappen kunnen dan op de oude legerplaats nog afkoken, het vee kan voor dien dag gedrenkt worden, en men bereikt dan den tweeden dag wederom water.
Den 14en Juni wendden wij ons uit de oostelijke richting een weinig naar het oost-noord-oosten, om de zoogenaamde Lindi-berg-keten om te gaan. Nadat wij eenige uren door woud en bosschage gemarscheerd waren, kwamen wij om 5 uur aan een open grasvlakte, die intusschen droog was. Hier werd het leger opgeslagen.
Het was een onvriendelijke avond. De wind blies sterk, en rillend en bevend zaten we in mijne tent. Ik legde mij zeer treurig in
170
EENE BLIJDE TIJDING.
mijn bed, terwijl ik aan mijne doofheid dacht. Alle mogelijke bezwarende gedachten kruisten door mijn brein. Ik dacht: als ik nu bij mijne doofheid ook nog eens blind werd, wat voor een treurig lot dan in de toekomst mijn deel wel zou worden. Heel laat sliep ik in, werd tegen 2 uur wakker, en riep mijn bediende, dat hij mij wat te drinken zou geven. Ik had voor mijnheer v. Tiedemann en mij water mee laten voeren. Wie beschrijft echter mijne blijde verbazing, toen ik bij het antwoord van Buana Mkus bespeurde, dat mijne doofheid volkomen weg was, en ik weder zoo scherp kon hooren als te voren.
In eene zeer blijmoedige stemming rukte ik dus den volgenden morgen in alle vroegte op, en bereikte Matako, terwijl ik de Lindi-bergen steeds achter mij liet. Van hier tot de volgende waterplaats Msango moest een marsch van 12 uren zijn. Ik besloot derhalve, de taktiek van vorige dagen weder te veranderen, door te bevelen, dat we des nachts om 12 uur zouden afmarscheeren, om den volgenden dag tegen den middag in Msango aan te komen. Wel versliepen wij dat uur, zoodat wij eerst tegen 3 uur 's morgens van Matako hier kwamen, maar het bleek al heel spoedig, dat de afstand tot Msango feitelijk slechts 10 uren bedroeg, zoodat wij slechts even over het middaguur ons einddoel bereikten.
Deze nachtelijke marschen hebben het aangename, dat men zich op zjjn gemak in de draagbaar kan laten vervoeren, waartoe ik op den dag, al voelde ik me ook niet wel, toch nooit het geduld had. Wanneer dan de morgen aanbrak, liet ik in den regel aan eene legerplaats halt houden en de stroo-hutten aansteken, waaraan we ons warmden en in wier lichtschijn wij ons ontbijt gebruikten.
Daarna kwam dan eerst de eigenlijk mooie marsch van eenige uren, waarop van de ezels gebruik werd gemaakt, en daar het landschap hier inderdaad in de nabijheid der westelijke omlijsting van Ugogo weelderiger en mooier begon te worden, zoo behoort deze marschdag naar Msango tot een der liefelijksten op de geheele terugreis.
In Msango vonden wij eene groote Wanjamwesi-karavaan, die uit Mpuapua kwam. De hoofden kwamen dadelijk naar mij toe, om
171
NOG EENS DE MASSAIS.
mij te begroeten. Zij voerden de Duitsche vlag en gaven eenige, zij het ook verwarde berichten van de kust.
âWij hadden gehoord, dat gij de Massais geslagen hebt, en nu wachten de Duitschers te Mpuapua op u. Ginds is ook Min Pacha, die goederen voor u gebracht heeft, en met wien gij naar het Nyanza-meer terug zult keeren.quot;
âWilt gij zeggen, dat Emin Pacha te Mpuapua is?quot;
âJa, te Mpuapua is Min Pacha, en zij hebben vee als zand. Ginds is een groot huis van steen.quot;
Deze tijdingen waren zoo buitengemeen verrassend, dat zij onze fantazie en ons gesprek den ganschen dag steeds levendig hielden, en dat ik in den grond mijns harten ze bijna niet voor waar kon aannemen. Ik dacht, dat het als gewoonlijk wel weder op eene vergissing zou uitloopen. Daarin zou ik mij echter ditmaal bedriegen.
De 17e Juni bracht ons slechts een kort eind verder. Wij trokken nu het land Mahamba in, naar een oord, dat naar den Sultan Yagallo genaamd wordt. Kwam-Yagallo ligt aan de zuidwestelijke helling der Pameda-bergen, welke het eigenlijke Ugogo van de Ma-renga Mkali afscheiden, en die wij in het zuiden moesten omtrekken. Hier vonden wij eene reeks van karavanen, die onder de Duitsche vlag van het oosten naar hier getrokken waren.
De legerplaats werd aan een plas opgeslagen, welks inhoud wel een weinig brak water maar toch drinkbaar was. Marenga Mkali wil zeggen: zoutig water en heeft zijn naam van het natrongehalte van het water in deze landstreek.
Onze tenten waren nauwelijks opgeslagen, toen op eenmaal mijne manschappen meldden:
âMassais! Massais!quot;
Inderdaad, aan de overzijde der legerplaats dreven de Massais hunne kudden naar den stroom, om ze daar te drenken. Daar waren zij dus eindelijk weer, onze goede oude vrienden, wel'is waar een beetje smeriger dan de trotsche zonen van het Leikipia!
De Massais hier in het Noorden drijven ook akkerbouw en zijn zeer zeker een beetje door Bantu-bloed ontaard, maar in hun voor-
172
NAAR MPUAPUA.
komen, en vooral in hunne bewapening, geleken zij toch op hunne stamgenooten in het Noorden.
âKomt maar hier naar dezen kant der rivier,quot; riep ik hun toe. âBrengt mij geschenken mee, dan zult gij ook van mij geschenken hebben.quot;
âWie zijt gij?quot; antwoordden zij.
âIk ben Kupanda Scharo, en wij hebben de Massais van het Leikipia-meer geslagen.quot;
âNeen, blijf gij op die zijde, wij blijven aan dezen kant, want wij zijn bang om naar de overzij te komen.quot;
Een luid gelach van de zijde onzer lieden beantwoordde deze openhartige meedeeling en hoe verlokkend de groote kudden der Massais den Somalis en ook ons zeiven mochten schijnen, zoo zag toch ook ik er van af, om de Massais aan den overkant aan te vallen. Om twee uur waren zij met hunne kudden weder in de steppe afgemarscheerd.
In dezen nacht liet ik kort na middernacht oprukken. Nu trokken wij de Marenga Mkali in, en wij hadden een flink eind weegs achter ons, vóór de morgen aanbrak. Nadat wij ontbeten hadden, ging het verder voorwaarts, en nu kwamen we 't bergland in, dat Usogo van Usagara scheidt, fraaie vormen met makkelijke pasovergangen, waardoor de weg zich onafgebroken voortslingert. Herhaaldelijk ontmoetten wij Wanjamwesi-karavanen, die van het Oosten kwamen en ons met een eerbiedig â Jamboquot; of âmorgenquot; begroetten. Soms bood het uitzicht ter linkerzijde ons een kijkje in de steppe der Massais. Eens werd mij aan den verren gezichteinder in het noordoosten een heuvel gewezen, dien Salim voor de Kilima Ndscharo hield. In hoeverre dit juist was, laat ik rusten.
Den geheelen morgen ging het door bergland. De lucht was opwekkend, daar voortdurend een koeltje in de dalen ons verfrischte. Overal vertoonde zich talrijk wild: giraffen en zebra's.
Zoo ging het tot den middag. Daar kronkelt zich de weg langs eene berghelling ter linkerzijde. Wij buigen noordwaarts om en zien een engen bergpas voor ons; tegen den berg liggen maïs- en mtana-velden. Wij zijn in Kampi, de Marenga Mkali ligt achter ons, en
173
NAAR MPUAPUA.
wij hebben nu nog slechts een kleinen dagmarsch tot aan het Duitsche station te Mpuapua.
Ook hier vonden wij wederom karavanen. Het verkeer door deze geheele streek is over het algemeen zeer druk. Ik ken geen Duit-schen straatweg, waar zulk een regelmatig onafgebroken verkeer van personen en goederen plaats heeft dan op dezen karavanenweg van Ugogo naar de kust. Alles bijeen genomen moet dit honderd duizenden van menschen jaar in jaar uit bedragen.
Toen ik in 't kamp was aangeland, was het eerste wat ik deed, een schrijven te richten âaan de heeren van het station te Mpuapuquot;, en dadelijk door boden te laten verzenden, waarin ik meedeelde, dat ik den volgenden morgen om halfelf daar hoopte aan te komen.
Het water was van onze legerplaats ruim een uur verwijderd, en zoo duurde het tot den avond, voor wij dezen dag onzen maaltijd konden gereed maken. Na het avondeten kwam er zulk een sterke wind uit het oosten in het dal, waarin we gelegerd waren, opzetten, dat de tent naar de eene zijde geheel omboog en in tweeën brak. Daar er geen uitzicht was, dat de wind in den loop van den nacht zou gaan liggen, moest ik er toe besluiten, mijn veldbed in de open lucht, slechts door eenig bosschage beschermd, te laten opslaan en zoo te gaan slapen. Toch sliep ik daarom niet minder rustig en vast, daar ik ten gevolge van al de ellenden der laatste nachten en dagen inderdaad zeer uitgeput was.
En nu kwam de laatste marschdag aan, waarop we ten slotte met Duitsche landgenooten vereenigd zouden worden. In opgewekte en aangedane stemming rukten wij op, om eerst den bergpas voor ons te beklimmen, van waar aan de andere zijde het dal van Mpuapua zich voor ons openen zou. Ik spoedde mij met eenige lieden der colonne vooruit. Het dalen ging heel gemakkelijk. Het struikgewas ging van lieverlede in hoog geboomte over, en zoo ging het steeds verder naar het oosten. Op eenmaal ontmoetten we soldaten in de uniform der Duitsche beschermingstroepen, die ons begroetten. Wij moesten dus in de onmiddellijke nabijheid van het station zijn. Nog ééne bocht en op de tinnen van Mpuapua zagen wij de zwart-wit-roode vlag.
174
ONTMOETING MET EMIN PACHA.
Luide klopte het hart bij dit gezicht, en in blijmoedige opgewondenheid volgden wij het pad, dat zich nu langs de noordzijde van het station kronkelde. Men moest ons intusschen van ginds gezien hebben, want er vertoonden zich eenige heeren in de poort.
Spoedig besteeg een hunner een ezel en reed mij te gemoet; hij sprong er af, ontblootte het hoofd en begroette mij. Het was mijnheer lanke. Daarachter kwamen twee heeren te voet aanloo-pen, het waren het hoofd van het station, luitenant Von Bülow, en luitenant Langheid. âEmin Pacha is ook hier!quot; Daar kwam een heer van middelbare lengte aan, in een eenvoudig blauw uniform en met een helm op het hoofd. Een zwarte volle baard omlijstte een gezicht welks rimpels van ingespannen geestelijken arbeid getuigden. Dat was Emin Pacha!
âExcellentie, mag ik u Dr. Peters voorstellen?quot; zei mijnheer v. Bülow.
âHet verheugt mij -zeer, u te zien,quot; zei Emin Pacha, terwiil hij mijne hand greep en die streelde. âIk weet waarlijk niet, hoe ik u danken zal voor alles, wat gij voor mij gedaan hebt.quot;
Ik was door het ontmoeten van landgenooten en de voor mij zoo verrassende samenkomst met Emin Pacha zoo aangedaan, dat ik nauwelijks spreken kon. Ik vergenoegde mij er dus eenvoudig mede, Emin Pacha de hand te drukken.
âWat voor eene expeditie hebt gij achter u?quot; ging deze voort. âWij hebben het allen voor onmogelijk gehouden, dat gij er door zoudt komen. Maar kom nu toch mede in mijne tent.quot;
âWaar is mijnheer Von Tiedemann toch?quot; vroeg mijnheer Von Bülow, die een oude kameraad van hem uit het cadettencorps was.
âMijnheer v. Tiedemann komt achteraan met de karavaan mee,quot; antwoordde ik.
âDan ga ik hem een eindje tegemoet,quot; zei mijnheer v. Bülow, terwijl hij afscheid van ons nam.
Ik ging intusschen hand in hand met Emin Pacha naar diens tent. Aan de noordzijde van Mpuapua was onder hooge boomen het leger van Emin Pacha opgeslagen. Vroolijk fladderden de wimpels op de tent, die tot mijne verbazing met dezelfde letters
175
EMIN PACHA TE MPUAPUA.
P. E. P. E. (Petersche Emin Pacha-expeditie) geteekend waren als onze eigene vlaggen. Emin Pacha helderde mij dit lachend op:
âGij ziet, dat wij ook de letters uwer expeditie voeren.quot;
Hij had de door mij in Zanzibar achtergelaten tenten overgenomen.
Voor de tent van Emin woei de groote zwart-wit-roode vlag, en aan beide zijden stond een stuk geschut. Zijne Soendaneesche soldaten werden opgesteld en begroetten met het geweer.
âMaar nu, met welke soort van verfrissching kan ik u dienen? Drinkt ge een glas rooden wijn, portwijn, een glas bier of.... ? Dr. Stuhlmann,quot; riep hij nu een heer toe, die juist aankwam en er ziekelijk uitzag, âwij hebben hier Dr. Peters!quot;
Ik begroette Dr. Stuhlmann. dien ik uit Zanzibar kende, en die juist van een zwaren koortsaanval aan de beterende hand was.
âNu dokter, niet waar, nu laat ge ons een flesch champagne brengen,quot; zei Emin Pacha tot Dr. Stuhlmann.
Emin Pacha had zijne tent buitengewoon smaakvol ingericht, door zijn bed in het achterste gedeelte te schuiven en op den voorgrond eene tafel en stoelen te plaatsen. De tafel was met schrijfgereedschap bedekt, ook lagen er boeken omheen. Boven de tafel hingen zorgvuldig geprepareerde vogelgeraamten. Het geheel bood den aanblik van eene Duitsche studeerkamer.
âEn nu, Dr. Peters,quot; ging Emin Pacha voort, âwat u in de eerste plaats belang zal inboezemen: vorst Bismarck is geen rijkskanselier meer.quot;
âWat? Is vorst Bismarck geen rijkskanselier meer? Is hi] gestorven?quot;
âNeen, hij is niet gestorven, hij heeft zijne betrekking neergelegd.quot;
âEn wie is zijn opvolger?quot;
âGeneraal Von Caprivi,quot; zei hij. âIk kan u meedeelen,quot; ging hij voort, âdat Z. M. de keizer de levendigste belangstelling voor onze koloniale zaak schijnt te hebben. Als blijk van deze belangstelling heeft hij mij opgedragen, eene expeditie naar het meergebied te voeren, om ginds den Duitschen invloed te doen gelden. Over het ten uitvoer leggen dezer opdracht denk ik met u een en ander nader
176
ONDERHOUD MET EMIN PACHA.
te bespreken, daar gij toch op het oogenblik de man zijt, die van ons allen de toestanden aan de nieren het beste kent. Maar daarover spreken we morgen, en vraag mij nu wat gij eerder wenscht te vernemen.quot;
âWat is er van graaf Herbert Bismarck geworden?quot;
âHij is tegelijk met zijn vader afgetreden en in zijne plaats is vrijheer von Marscliall staatssecretaris van buitenlandsche zaken geworden. In het algemeen zult gij de toestanden in Europa en ook de stemming omtrent eene expeditie zeer veranderd vinden. Wij allen arbeiden met nieuwen frisschen ijver, in goed vertrouwen op de toekomst onzer zaak,quot; zei Emin.
Ik vertelde nu Emin Pacha hetgeen door mij te Uganda gedaan was. Telkens viel hij mij in de rede, terwijl hij met een vriendelijk lachje naar Dr. Stuhlmann kijkend, herhaaldelijk de woorden âuitmuntend, uitmuntend!quot; er tusschen wierp.
Intusschen kwam ook mijnheer v. Tiedemann aan, die eveneens door Emin Pacha op de hartelijkste wijze verwelkomd werd. Ik deelde mijnheer v. Tiedemann het daareven vernomen nieuws mede, dat vorst Bismarck geen rijkskanselier meer was.
âDat weet ik al,quot; zei mijnheer v. Tiedemann droogjes, âik ben al volkomen op de hoogte.quot;
Zijn vriend Bülow had hem reeds het verrassende nieuws medegedeeld.
Ongeveer drie kwartier zaten we aldus in het drukste gesprek bij Emin in zijne tent. Ik beval, dat mijne expeditie haar leger dicht nabij het zijne zou opslaan, en zoo wapperden in de bocht tusschen den heuvel van Mpuapua en de berghelling in het noorden de Duitsche vlaggen en wimpels.
âMijne heeren, het is tijd om te gaan eten,quot; âzei mijnheer v. Bülow. âMag ik u verzoeken, u naar het station te begeven. Ik heb ook de beide heeren van de Eransche zending, pater Schynse, een Duitscher, en een Franschen pater uitgenoodigd, zoodat we van daag een groote tafel hebben. Ik zal u nu met de heeren in kennis brengen.quot;
Wij stonden op, en Emin Pacha bleef nog even achter, om wat
III. 12
177
IN HET STATION.
toilet te maken. Intusschen kwamen de beide heeren uit de Fran-sche zending aan, met wie wij eveneens kennis maakten. Zoodra de Pacha gereed was, liepen wij een pad op om ons naar het station Mpuapua te begeven. Het is buitengewoon hecht en sterk van rots-steenen gebouwd en heeft een toren van 2 meter dikte. Mijnheer von Bülow liet ook juist een waterput binnen het station graven, waaraan druk gewerkt werd.
Inderdaad is deze bouw een werk waarvoor men eerbied moet hebben. Men mag gerust zeggen, dat Mpuapua bij eiken aanval, die zonder geschut ondernomen wordt, volkomen oninneembaar is, wanneer het behoorlijk verdedigd wordt. Ik geloof ook, dat de streek gezond is. Wel is het in Mpuapua zeer winderig, en men moet zich derhalve voor koude vatten zeer in acht nemen; doch als men voldoende voorzichtig is, zal men er stellig gezonder blijven dan in de vochtige en zware lucht der kust.
Wij bekeken de gezamenlijke gebouwen eens en traden spoedig een zeer flink ingerichte eetkamer binnen, waar ons een naar Afrikaansche begrippen Lucullus-maaltijd wachtte, voornamelijk omdat wij er Europeesche groenten van allerlei aard vonden en voorts krachtige vleeschgerechten van buitgemaakte runderen en Europeesche lekkernijen uit blikjes. Daarbij hadden de heeren uit het station ook de vriendelijkheid gehad, alles, wat zij nog van dranken bezaten, reeds weken lang voor onze aankomst te sparen, zoodat wij in dit opzicht eene keuze hadden, zooals ze in Europa bij dergelijke gelegenheden ternauwernood grooter is.
Toen wij den eersten honger gestild hadden, stond Emin Pacha op, tikte aan zijn glas en begroette ons met hartelijke woorden, terwijl hij op de berichten omtrent onzen dood wijzende, er nog eens voor uitkwam, dat hij het niet voor mogelijk had gehouden, om van het oosten uit zijne provincie te bereiken.
Ik bedankte Emin Pacha, terwijl ik zijn arbeid aan den boven-Nijl in het licht stelde en uiteenzette, dat wij alle moeiten en gevaren gaarne getrotseerd hadden, in de hoop, onzen grooten Afrikaan-schen landgenoot van nut te kunnen zijn. Mijnheer v. Tiedemann dronk een glas op het hoofd van het station, mijnheer v. Bülow,
178
MET EMIN PACHA TE MPÃAPUA.
en zoo zaten wij voor het eerst sedert een jaar weder met land-genooten aan tafel, en bleven wij in eene zeer opgewekte stemming.
Lang bleven wij te zamen zitten, en de zon was reeds aan het dalen, toen ik met Emin Pacha eene wandeling door de legerplaats deed, om na te gaan, of mijne manschappen allen goed ondergebracht waren. Ook dit was het geval, en zij allen zwelgden in het heerlijk bewustzijn, het sterke bolwerk der Badutschi bereikt te hebben. Nu waren alle nooden en zorgen vervlogen, en was de Duitsche Emin Pacha-expeditie feitelijk geëindigd.
De avond vond ons al weder aan de gemeenschappelijke tafel, het onderhoud van 's morgens werd voortgezet, en ik had vooral meer dan des morgens gelegenheid ook pater Schynse te leeren kennen, met wien ik nog lang opbleef, toen de overige heeren zich reeds in hunne kamers ter rust begeven hadden.
Den volgenden morgen begaf ik mij reeds vóór 6 uur in het leger van Emin Pacha, om met hem allerlei noodzakelijke dingen af te spreken.
Wij gebruikten in de open lucht in gezelschap van den luitenant Langheid ons ontbijt, en ik begaf mij toen met Emin Pacha voor de verdere beraadslagingen in zijne tent. Ik legde hem vooreerst al mijne verdragen uit Uganda en van het Victoria-meer voor, waarvan hij later afschrift liet nemen. Ik maakte er hem opmerkzaam op, dat de Engelsche partij te Uganda misschien beproeven zou, met behulp van Jackson, Muanga te dwingen, deze overeenkomsten te verbreken en andere in het belang der Engelschen aan te gaan. ïen einde de Duitsche belangen, totdat hieromtrent door Z. M. den Duitschen keizer zoude zijn beslist, te verzekeren, besloot Emin Pacha, dadelijk boden daarheen te zenden, om den koning mee te deelen, dat hij op bevel van Zijne Majesteit den Duitschen keizer naar het Victoria-meer trekken zou, en hem aan te manen, totdat de beslissing des keizers daar was, geene nieuwe overeenkomsten van welken aard ook, die in tegenspraak met de door mij medegebrachte verdragen waren, aan te gaan. De bode ging met dezen brief reeds den volgenden dag naar Ukumbi op reis.
Nadat dit gebeurd was, spraken wij over den toestand der
179
ONDERHOUD MET EMIïT PACHA.
equatoriaal-provincie. Emin Pacha wees er op, dat hij zich nu in dienst van het Duitsche Rijk bevond, dat hij daarentegen bereid was, wanneer hij later door eene of andere omstandigheid weder in zijn oude land mocht terugkomen, alsdan daarvoor dezelfde verplichtingen op zich te nemen, welke Muanga voor Uganda op zich genomen had, en in den geest dezer opvatting aan den boven-Nijl bezig te zijn. Voor hij in deze richting iets besliste, moest hij natuurlijk allereerst de stelling kennen, welke de keizerlijke Regeering verlangde in te nemen, en hoopte hij, zoo het eenigszins mogelijk was, mij opnieuw in Afrika te ontmoeten.
Ook hieromtrent werd een stuk opgemaakt en geteekend.
Als derde punt wisselden wij van gedachte over het voorliggend doel der expeditie van Emin Pacha. Hij verzocht van mij nauwkeurige inlichtingen omtrent de landen in het Westen en vroeg mij om raad omtrent hetgeen hem in de eerste plaats te doen stond, om de hem door den keizer gedane opdracht ten uitvoer te brengen. Ik kon hem naar mijn beste weten slechts raden, vóór hij iets anders deed, in de allereerste plaats Tabora of eene geschikte plaats in de nabijheid van Tabora te bezetten.
âDit is dus ook uwe opvatting,quot; zei Emin Pacha. âDat komt geheel overeen met mijne eigen beschouwingen en met hetgeen pater Schynse mij zegt.quot;
Ik antwoordde hem toen:
âIk ben zelfs in de gelegenheid, u uit naam van Monseigneur Hirth mee te deelen, ingeval gij Tabora mocht willen bezetten, dat alsdan de katholieke zending haar station Kipallpalla gaarne voor uw doel ter beschikking zal stellen. Over de vraag omtrent de doelmatigheid om Tabora het allereerst te bezetten, behoeft in het geheel niet lang te worden geredekaveld. Tabora is het middelpunt van den ganschen Arabischen invloed van het meergebied. Juist om zijn centrale ligging is het de hoofdzetel van het Arabierendom geworden. Wie Tabora in zijne macht heeft, bezit daardoor den sleutel tot de drie meren, en derhalve is het eerste, wat van Duitsche zijde dient te gebeuren, het bezetten van Tabora. Wanneer gij er toe besluiten mocht, eerst een station aan een der
180
VERDER ONDERHOUD.
meren te stichten, zoudt gij daardoor slechts plaatselijk voordeel bereiken. Met Tabora daarentegen oefent gij uwen invloed op de drie meren te gelijk uit-quot;
âHet verheugt mij zeer,quot; zei Emin Pacha, âdat wij het omtrent dit punt zoo volkomen eens zijn, en ik ben vast besloten, ook in dezen zin nu voort te gaan. Daar gij, naar het schijnt, in Ugogo zeer zwaar te strijden hebt gehad, zal ik mijnheer v. Bülow verzoeken, met een gedeelte zijner manschappen zich bij mijne expeditie naar het binnenland aan te sluiten. Gij zoudt mij zeer verplichten, wanneer gij mij nu eenige meedeelingen omtrent de toestanden in Ugogo zoudt willen doen.quot;
âIk zal de vrijheid nemen, eene zeer nauwkeurige opgave van den weg voor u uit te werken, waarin in het bijzonder de eigenaardige waterquaestie van dit land behandeld zal worden.quot;
âEn welke plaatsen aan het Yictoria-meer,quot; ging Emin voort, âzoudt gij mij voor het vestigen van een station aanbevelen?quot;
âIk zoude u aanraden daarvoor vooral Bukoba in het zuiden van den Kagero in aanmerking te doen komen. De zuidelijke rand van het meer is vlak en ongezond, het westen vruchtbaar en, naar ik geloof, gezonder, daar het hooger gelegen is. Bukoba schijnt mij aan alle voorwaarden voor het stichten van een station te beantwoorden.quot;
Emin Pacha teekende al deze bijzonderheden heel zorgvuldig op, en het was reeds over tienen, toen wij te zamen in het station stapten, waar wij dadelijk met behulp der overige heeren er toe overgingen, de gewichtige beslissingen van dezen morgen op papier te brengen.
Daarna schreef ik brieven aan Monseigneur Hirth en pater Lourdel te Uganda, en zoo hadden wij een heel mooi dagwerkje achter ons, toen wij ons tegen 1 uur aan het ontbijt zetten. Terwijl wij aan tafel zaten verscheen een Engelsche zendeling uit het in de nabijheid gelegen Engelsche zendingshuis van Kisowke, een vriendelijke bescheiden man, die met heel veel belangstelling naar onze avonturen in het noorden vernam. Hij bleef den geheelen namiddag bij mij zitten, toen de overige heeren zich teruggetrokken hadden om een klein middagdutje te doen. Dat was de tweede dag.
181
HOUDING VAN STANLEY.
Na 4 uur begaf ik mij naar Emin Pacha, die mij nu tal van bijzonderheden omtrent zijne expeditie en Stanley's komst aan den boven-Nijl meedeelde. Tot mijne groote verbazing vernam ik hier de volle bevestiging van datgene, hetwelk ik bij wijze van gerucht reeds hier en daar aan het Victoria-meer vernomen had, namelijk dat Stanley Emin Pacha letterlijk met geweld uit de aequatoriaal-provincie meegevoerd had.
Emin Pacha vertelde het mij aldus:
âToen Stanley voor de eerste maal aan het Albertmeer kwam, zoude hij verloren zijn geweest, als Casati en ik hem niet ter hulp waren gekomen. Stanley is niet tot ons gekomen, maar wij tot hem. Hij heeft de aequatoriaal-provincie evenmin bereikt als gij. Toen hij eerst in Kiwalli aankwam en geene tijding van ons vond, waagde hij het niet, langs het Albertmeer tot naar Wadelai door te dringen, maar liet vier maanden verloopen om een boot machtig te worden. Toen kwam de espeditie terug, en nu zochten wij haar op, brachten haar levensmiddelen en kleeding, en op deze wijze werd de expeditie voor den ondergang behoed.quot;
Geheel in denzelfden geest uitte zich eenige maanden later Signore Casati tegenover mij.
âToen begon Stanley er bij mij op aan te dringen, dat ik mijn post zou opgeven. Hij deelde mij mede, dat de Khedive in persoon hem tot dat doel naar mij gezonden had, namelijk om mij het bevel over te brengen, dat ik de aequatoriaal-provincie verlaten zou. Stanley gaf mij te verstaan, dat hij desnoods gemachtigd was, mij met geweld uit de provincie weg te voeren. Destijds was echter mijne positie aan den boven-Nijl nog van dien aard, dat, ingeval ik nog munitie en kleerenstoffen gehad hadde, ik mij daar voortdurend had kunnen handhaven.
âEerst later, en wel, zij het ook niet onmiddellijk door de intrigues, dan toch door het optreden der Engelschen, verzetten mijne lieden zich tegen mij, en wel uitsluitend omdat zij niet uit hunne provincie wilden trekken. Ik ben overtuigd dat, als ik nu behoorlijk van uitrusting voorzien er weer terugkeerde, zij mij allen juichend welkom zouden heeten. Maar, wanneer Stanley de opdracht van
182
DE DEIE VOOESTELLEN VAN STANLEY.
den Khedive had om mij van ginds weg te voeren, dan heeft hij tegenover den Khedive in elk geval niet koninklijk gehandeld, want eenige dagen later kwam hij plotseling met het aanbod van den koning der Belgen, om de vlag van den congo-staat in de aequato-riaal-provincie te hijschen. Koning Leopold bood mij voor de kosten van beheer 1000 pond 's maands toelage. Mijn eigen inkomen moest ik Stanley maar opgeven, dan zou dat zeer zeker worden toegestaan.
âOok deze tweede voorslag, die met den eerste zoo volkomen in tegenspraak was, werd door Stanley niet flink behandeld. Eenigen tijd daarna ried hij mij aan, dat ik me toch met zulk een voorstel niet zou inlaten, daar de Congo-staat, waar hij juist van daan kwam, zich in een toestand van groote verwarring en verrotting bevond. Buitendien was het Emin toch ook bekend, hoe koning Leopold Stanley destijds behandeld had. Stanley kon hem dus niet raden, de opdracht aan te nemen, maar hij deed hem nu een derde voorstel. Van Mombas uit zoude eene Britsch-Oost-Afrikaansche maatschappij naar den boven-Nijl trachten te komen. Nu sloeg Stanley Emin voor, in dienst dezer maatschappij te treden. Emin zoude met al zijne troepen onder Stanley's leiding om het Victoria-meer naar Kawirondo trekken. Daar zouden zij een daartoe geschikt eiland op het Victoria-meer uitkiezen, waarop Emin Pacha zich vestigen kon. Dan zoude Stanley naar Mombas terugtrekken, om ondersteuning voor hem aan te brengen. Ieder officier van Emin Pacha en al zijne manschappen zouden met dezelfde bezoldiging, welke zij onder de Egyptische Regeering hadden, in dienst der Britsch-Oost-Afrikaansche maatschappij treden. Emin Pacha zoude dan over zijn inkomen met de maatschappij te Londen kunnen onderhandelen.quot;
Nadat ik in Europa teruggekeerd was, heb ik natuurlijk met levendige belangstelling het verhaal van Stanley omtrent deze voorstellen gelezen. Zij komen ook voor in zijn boek, maar in een ander verband en vóór alles met geheel andere redenen omkleed. Vooral drukt Stanley er op, dat hij dezen laatsten voorslag aan Emin Pacha niet in naam der Britsch-Oost-Afrikaansche maatschappij, maar slechts als een geheel persoonlijk voorstel gedaan heeft.
183
KOG STEEDS OVER STANLEY.
In tegenspraak hiermede heeft Emin Pacha te Mpuapua op de stelligste wijze herhaaldelijk verzekerd, dat Stanley voor het geval, dat Emin geneigd mocht wezen, dit voorstel aan te nemen, een contract uit Londen had meegebracht, onderteekend door de stichters der Britsch-Oost-Afrikaansche Maatschappij, notarieel opgemaakt en van zegels voorzien, waaronder Emin Pacha slechts zijn naam had behoeven te schrijven, om de zaak dadelijk geheel in orde te hebben. Deze vertelling van Emin is in dit opzicht onvoorwaardelijk geloofwaardig, daar er immers bij hem geenerlei reden bestond, om iets onwaars mee te deelen, terwijl het begrijpelijk is, dat de Britsch-Oost-Afrikaansche Maatschappij later, toen Emin in Duitschen dienst getreden was, reden had, om ook zelfs het feit van een voorstel aan Emin Pacha te ontkennen.
âIntusschen,quot; zoo ging Emin voort, âook dezen laatsten voorslag, welks aanneming Stanley half door bedreigingen afdwong, heeft hij niet ten uitvoer gebracht. Toen wij in het zuiden van het Victoria-meer aangekomen waren, had hij plotseling geen lust, mij om het meer heen te voeren en naar Kawirondo te brengen, van waar ik, zooals uitdrukkelijk overeengekomen was, met de door Stanley aan te brengen hulptroepen mijn gebied TJnjoro en Uganda opnieuw in bezit zoude nemen, maar hij verklaarde plotseling, dat ik met hem naar de kust moest gaan, om de zaak volkomen in orde te krijgen. Zonder uitdrukkelijk bevel der koningin van Engeland kon hij zich in dat Uganda-net niet verder mengen. Op deze wijze ben ik gedwongen geworden, terwijl er oorspronkelijk slechts van eene verlegging van mijn hoofdkwartier van het Albert-meer naar het Victoria-meer sprake geweest was, mede naar de kust te mar-scheeren.quot;
âIn Uganda zich te doen gelden,quot; dat was Emin Pacha's meening, die hij herhaaldelijk uitsprak, âwaagde Stanley niet, gelijk hij in het algemeen bij het leiden zijner expeditie, waarvoor ik in vele bijzonderheden de grootste bewondering koester, door dikwerf groote omwegen den stammen, die hij voor oorlogzuchtig hield, uit den weg placht te gaan. Vandaar de merkwaardige omwegen, bochten en hoeken op zijn expeditie.quot;
184
STANLEY'S ZONDENREGISTER.
Emin placht dikwerf te vertellen:
âWanneer Stanley eens licht ongesteld werd, aan maagkramp of iets dergelijks leed, dan moesten wij weken lang op een punt stil blijven liggen. Daarentegen werd op den welstand of de ongesteldheden der overige medeleden der expeditie niet de minste acht geslagen. Maar wat dezen man onderscheidt, is de buitengewone tegenwoordigheid van geest en de zeldzame vastberadenheid, waarmede hij eenmaal genomen besluiten ten uitvoer brengt. Kwam er hier of daar een onverwacht beletsel tusschen, dan duurde het maar korten tijd, totdat Stanley zijn besluit genomen had, hetwelk dan ook dadelijk, het mocht kosten wat het wilde, ten uitvoer gebracht werd.quot;
Ik moet hier als mijne meening uitspreken, dat ik dit roemvol oordeel over Stanley als aanvoerder der expeditie, hetwelk Emin Pacha juist met het oog op zijne laatste expeditie velt, om verschillende redenen niet voor juist kan houden.
Over Stanley's tegenwoordigheid van geest in enkele gevaarlijke toestanden heb ik geen oordeel te vellen, maar zijn expeditie-aanleg in het algemeen en zijne beslissingen op gewichtige keerpunten der onderneming, komen mij toch in hooge mate onbegrijpelijk, ja ik moet het zeggen: verward voor.
Zoo is het mi] onbegrijpelijk, waarom Stanley, om bij Emin Pacha te komen, in het jaar 1887 niet den gemakkelijkeren weg van de Oostkust insloeg. Wat hij voor de Westkust doet gelden, is in geenerlei opzicht steekhoudend. Ik heb later vernomen, dat in dit opzicht een door den Congo staat te kennen gegeven wensch, in welks dienst Stanley in 1887 nog stond, groot gewicht in de schaal had gelegd. Dat zou zijn algemeen plan althans begrijpelijker maken. Maar onbegrijpelijk is mij dan zijne verbintenis met Tippu ïib. Stanley zoekt deze verbintenis hierdoor verklaarbaar te maken, dat Tippu Tib te gevaarlijk was geweest, zoodat hij hem als tegenstander niet had durven achterlaten. Maar Tippu Tib bevond zich toch in 1887 te Zanzibar en is eerst door Stanley weder naar den boven-Congo gezonden. Stanley kende Tippu Tib als een bedrieger. Aan zoo iemand pleegt men toch in het algemeen niet het bewaken
185
STANLEY S KRITIEK.
van zijn huis toe te vertrouwen of hem een of anderen post van vertrouwen op te dragen.
Het alleronbegrijpelijkste echter schijnt mij de terugtocht toe, om eene ijzeren boot te halen, na de eerste aankomst aan het Albert-meer, een terugtocht die hem 4 maanden kostte, terwijl hij toch in 15 dagen bij Emin Pacha had kunnen zijn.
Juist als men zich op het standpunt eener Afrikaansche expeditie plaatst, wordt het nog onverklaarbaarder, waarom Stanley zich althans niet met Emin Pacha door brieven in verbinding stelde, vóór hij terugging, en, wanneer hij toch eenmaal terugging, waarom hij dan niet dadelijk destijds alles in het werk stelde, om voeling met zijne achterhoede te houden.
Er ligt in deze houding van Stanley, wanneer hij daarvoor geene betere reden weet aan te voeren als in zijn boek, zulk eene mate van besluiteloosheid, dat ik ze maar geenszins in overeenstemming kan brengen met het beeld, hetwelk ik mij van dezen man, ook door persoonlijke kennismaking, gevormd heb. Door deze gedragingen werd de duur der expeditie tot drie jaren gerekt, hetgeen natuurlijk de onderneming ontzaglijk duurder maakte.
Nu geldt van Afrika-reizen hetzelfde als van elke andere zaak, dat zij namelijk dan als het flinkste geslaagd kunnen beschouwd worden, wanneer zij den allerbesten uitslag met de geringste middelen weten te bereiken. Het gaat er mee als met de oplossing van mathematische opgaven. De eenvoudigste en snelste weg is gewis ook de beste. Stanley's onderneming, van dit standpunt beschouwd, komt mij voor als de oplossing eener vergelijking met geheel onnoodige omwegen en formulen.
En wat is er dan ten slotte met deze verspilling van geld en menschen bereikt? De aequatoriaal-provincie is verlaten, Uganda noch Wadelai is onder Britsche bescherming gebracht; daarvoor echter is in Emin Pacha, die vroeger een oprechte vriend van Engeland was, een even oprechte tegenstander van Stanley geschapen.
Ziedaar de slotsom eener onderneming, die volgens het voorgeven er op berekend was, de beschaving en het christendom in
186
STANLEY'S KRITIEK.
centraal-Afrika te dienen, doch gelijk uit den derden voorslag van Stanley blijkt, althans er naar streefde om het gebied aan den boven-Mjl onder Engelschen invloed te brengen. Noch het voorgewende noch het werkelijke doel zijn bereikt geworden. Voor de beschaving van den boven-Nijl had zelfs de Mahdi niet schadelijker kunnen zijn, dan Stanley feitelijk geworden is. Wat echter het vestigen der Engelschen in deze landen betreft, zoo heeft Stanley door het afwijzen van Muanga's steun en door het vermijden van eene samenwerking met de Jacksonsche expeditie er toe bijgedragen, dat de stemming in Uganda juist in vijandschap tegen Engeland overgeslagen is. Dit moge nu Stanley met zijne machtgevers verder uitmaken. Men zal zich echter deze feiten voor oogen moeten houden, wanneer men een juist beeld omtrent de waarde der laatste onderneming van Stanley verkrijgen wil.
Gelijk ik eerst te Mpuapua vernam, is het de onderneming van Stanley geweest, welke ook onze eigen plannen voor de aequato-riaal-provincie vruchteloos heeft gemaakt. Ernin Pacha heeft mij bevestigd, dat wij ook met de geringe krachten welke wij bezaten, hem wezenlijk van nut hadden kunnen zijn, inzooverre wij nameliik, zooals ik reeds aangetoond heb, hem verbinding met Uganda en daardoor met de Duitsch-Oost-Afrikaansche kolonie bezorgd hadden. Ware Stanley in de moerassen aan de Aruwini blijven steken, dan zou Emin Pacha heden ten dage, naar alle menschelijke berekening, in eene volkomen veilige positie nog in Wadelai staan. Het ge-heele gebied in het noorden van het Victoria-meer zou dan éen gesloten bolwerk onder christelijken invloed wezen, hetwelk mettertijd Nijlafwaarts tegen het Mahdi-dom voet voor voet had kunnen vergroot worden, terwijl daarentegen nu het Arabierendom zich tot de noordelijke grenzen van Uganda uitstrekt en Uganda zelve door het geharrewar van den partijstrijd geteisterd en in zijne ontwikkeling op onberekenbare wijze gestoord wordt. Zoo zal men derhalve moeten erkennen, dat Stanley's onderneming voorde algemeene menschelijke en ook voor de Engelsche belangen in hare uitkomsten nadeelig is uitgevallen.
Het laat zich begrijpen, dat dergelijke beschouwingen, gelijk wij
187
EMIN PACHA ALS MENTSCH.
ze natuurlijkerwijze bij ons samenzijn te Mpuapua hielden, voor Emin-Pacha en ook voor mij steeds met smartelijke gewaarwordingen gepaard gingen, maar de slotsom onzer besprekingen was toch altijd, dat, hoeveel er ook verloren mocht zijn, wij met hand en tand moesten zorgen, dat het verlorene gemeenschappelijk teruggenomen wierd.
Wij vleiden ons met de hoop, dat we hiertoe niet alleen de deelneming der mogendheden op het vasteland, maar ten slotte ook die van de Engelsche regeering zouden verkrijgen. Wij kenden toen in Mpuapua den inhoud der nieuwe overeenkomst tusschen Duitsch-land en Engeland nog niet, welke al deze dingen in het noorden van het Victoria-meer inderdaad op de lange baan geschoven heeft.
Intusschen had ik gelegenheid, ook de zuiver menschelijke eigenschappen van Emin Pacha in de dagen van ons samenzijn iets nader te leeren kennen, zoowel zijne echt Duitsche nauwkeurigheid bij zijnen wetenschappelijken arbeid, waaraan hij zich vooitdurend wijdde, als ook de natuurlijke goedhartigheid, die uit zijn geheele voorkomen spreekt. Dikwijls, wanneer wij over de gewichtigste dingen spraken, bracht hem zijn jager, die er steeds op uit was, een geschoten vogel, dien Emin met eene soort van haast in de hand nam, nauwkeurig onderzocht, inschreef en voor het ontleden naast zich legde. Al zijn werk, ook zijn reis-register, getuigde van de grootste juistheid van waarneming en nauwkeurigheid van ontleding.
In dit opzicht bestaat er tusschen Emin Pacha en Stanley gewis een sterk sprekend onderscheid. Terwijl ik overal, waar de kaarten alleen op Stanley's opgaven berustten, b. v. bij Uweri-Weri, ze na eenige proeven eenvoudig op zijde legde, zoude ik elke opgave, welke Emin Pacha met zijn naam bestempelde, zonder eenig onderzoek als authentiek aannemen.
Zijne zorgvolle, bijna vaderlijke goedhartigheid voor ons bleek uit allerlei treffende bijzonderheden. Ofschoon wy ons naar de kust spoedden en hij daarentegen voor onbepaald langen tijd naar het binnenland trok, rustte hij niet, voor wij eene reeks geschenken
188
AFTOCHT VAN MPÃAPUA.
van hem aangenomen hadden. Kleeren, linnen, reukwerk, dranken, dat alles werd ons als het ware opgedrongen, en wel steeds op eene allervriendelijkste wijze en met een allerinnemendst glimlachje. Men zag het hem aan, welk een genoegen hij zelf in het weldoen schiep. Ofschoon zijn rijpaard gevallen was, werd hij er bijna boos om, toen ik mij er nog langer tegen verzette, om een zijner mooie ezels ten geschenke te aanvaarden. Nog op het laatste oogenblik, toen ik van hem afscheid nam, en naar een stok voor den ezel zocht, drong hij mij zijn rijzweep op, en toen ik de opmerking maakte: âMaar dan heeft u er geen,quot; zei hij: âO, ik zal me wel behelpen, ik zal wel wat vinden.quot;
Voor alles wat wij daarentegen ten zijnen behoeve konden doen, toonde hij ons eene wezenlijk roerende dankbaarheid. Ik liet hem eenige wetenschappelijke instrumenten en ook eenige boeken, die hem zeer veel genoegen schenen te doen, achter.
In dat korte tijdsverloop ben ik niet in staat geweest, mij een oordeel over Emin Pacha als politiek man of organisator te vormen â daarover moeten buitendien zijne daden zelve spreken. Maar den mensch Emin Pacha hebben zoowel mijnheer v. Tiedemann als ik oprecht leeren lief krijgen, en steeds zullen we aan hem in dankbare herinnering terugdenken.
Over die dagen van Mpuapua ligt een waas van gemoedelijke innigheid, die steeds den wensch weder doet ontstaan, dergelijke uren en dagen nog eens in 't leven te genieten.
In den namiddag van den 21en Juni lieten wij ons in een gezamenlijke groep, zoowel als Emin Pacha en ik alleen, door mijnheer Janke voor Emins tent photographeeren. Voor den volgenden dag was het vertrek bepaald. Wij wilden weder oostwaarts naar de kust terug, en Emin Pacha zoude zijn marsch naar Ugogo beginnen. De avond verliep nog weder eens op de prettigste wijze. Den volgenden morgen om 6 uur bevonden wij ons allen in onze legerplaatsen, om alles voor den aftocht in orde te brengen.
Om halfzeven, tegelijkertijd, marscheerden de beide expedition met vliegende vaandels en slaande trom in tegenovergestelde richting van elkaar af. Ik had Emin Pacha den dag te voren nog 27 dragers
DOOR USAGARA.
uit mijne Wasukuma kunnen verschaffen, hetgeen hem zeer welkom was, daar een deel zijner lieden van de kust hem ontloo-pen was.
Wij daarentegen scheidden van Mpuapua flink uitgerust met allerlei nieuwe heerlijke dingen, maar bovenal met brood en groenten. De heeren bleven nog een half uurtje bijeen, daarop namen wij afscheid. Mijnheer v. Tiedemann had van mijnheer v. Bülow een rij-os ten geschenke gekregen, ik besteeg den witten ezel van Emin Pacha.
âVele groeten aan Duitschland en groeten aan het Victoria-meer en tot weerziens!quot; Men drukte elkaar de hand en zonder veel woorden te gebruiken reed ik in snellen draf mijne voorwaarts-trekkende colonne achterna. Aan eene bocht van den weg keek ik nog eens om, nog eens rustten mijne oogen op den kleinen, zoo eigenaardigen persoon van Emin Pacha. De hoeden werden gezwaaid, en achter mij, als een schoone droom, verzinkt Mpuapua en hetgeen ik daar aan gewaarwordingen doorleefd heb, in den schoot van het verledene.
Over den verderen tocht tot aan de kust kan ik kort zijn, want de weg van Mpuapua naar Bagamoyo is bekend. Ik volgde den zuidelijken weg door Usagara. Oprecht gesproken, wilde ik mij het laatste gedeelte der reis zoo gemakkelijk mogelijk maken. Gevaren waren er niet meer te duchten, en er was mij nog al aan gelegen, niet al te vermoeid aan de kust aan te komen, waar het gevaar van koortsaanvallen bijzonder groot is.
De noordelijke streek over Mamboya is steiler, maar eenige dagen korter, de zuidelijke weg is liefelijker en gemakkelijker. Iedere marschdag was nu in zekeren zin een feestdag voor ons. Eten en drinken was rijkelijk voorhanden, en reeds in Tubugue, onze eerste legerplaats, ontvingen wij een schrijven van de kust, waarin ons gemeld werd, dat zeven lasten met Europeesche lekkernijen, waaronder ook worst, ingelegde vruchten en champagne, door onze vrienden uit Zanzibar ons tegemoet gezonden werden, welke wij nu eiken dag konden verwachten. Al kregen wij die ook eerst na zeven dagen, dan nog was de verwachting zeker reeds een genot voor ons. Zoo materieel wordt de mensch, wanneer hij vele maanden achter-
190
TE LONGA.
een tot de allernoodzakelijkste behoeften des levens beperkt is.
Van de tweede legerplaats, van Mlale, zond ik mijn laatste bericht en een telegram voor Europa naar Zanzibar vooruit, waarin ik vooral het gevecht te Ugogo en mijne samenkomst met Emin Pacha beschreef.
Op den middag van den 25ei1 Juni, van het hoogvlak in het noorden van den Mkondogua-stroom, viel mijn blik voor de eerste maal weder vol verrukking op het heerlijke Usagara onder mij, en in die aandoening des harten vloeiden mij de tranen uit de oogen. toen ik bedacht dat het ons zes jaren geleden vergund was geweest, dit landschap voor Duitschland te verwerven. Mijn gedachten zweefden terug naar de uren, die ik in het Mkondogua-dal met mijn vriend Jühlke doorgebracht had, en naar de wereld van gebeurtenissen en gewaarwordingen, welke tusschen de Decemberdagen van 1884 en Juli van 1890 voor mij lagen.
In langzame, prettige dagmarschen ging het nu naar beneden in het liefelijke Mkondogua-dal, dat, evenals zes jaren geleden, mij weder zeer levendig aan den Rijn of aan den Neckar herinnerde.
Den 26en marscheerde ik Muinin-Sagara voorbij. Op alle mogelijke hoeken woei nu de Duitsche vlag, de lieden kwamen overal de poorten uitloopen en beweerden, mij nog van mijn laatste verblijf aldaar te kennen, hetgeen ik echter de vrijheid nam niet te gelooven.
Wij legerden weder op dezelfde plaatsen, waar mijne eerste expeditie gelegerd had. Den 27Bn Juni, toen ik te Mkondogua binnentrok, bereidden ons de daar gevestigde Arabieren een plechtige ontvangst. Zij kwamen ons gezamenlijk tegemoet, brachten ons naar de Barasa, boden ons vruchten en melk aan en, toen wij van den eersten Arabier afscheid genomen hadden, moesten wij nog naar een tweeden, een zekeren Buana Sani, om een ontbijt te gebruiken, dat de katholieke zendelingen van Longa ons gezonden hadden.
Pater Horné, wien ik uit Kidai onze aankomst gemeld had, zond ons naar Mkondongua zendelings-kweekelingen vooruit, die ons een grooten ruiker aanboden en een hartelijken welkomstbrief met eene uitnoodiging brachten. In geen geval mochten wij Longa voorbijtrekken, zonder de gastvrijheid der zending genoten te hebben.
Zoo reden wij nog in den namiddag van den 27en Juni met
191
192
IBi
Sagara-landschap.
eenige lieden naar Longa, waar wij eene warme ontvangst en eene reeks berichten uit Europa vonden. Ik heb nog vergeten te melden,
MEOGRO.
dat wij in ïubugae ook onze brieven uit Europa ontvangen hadden; meedeelingen van het Duitsche Emin-Pacha-Comité en brieven van onze bloedverwanten uit het vaderland, wier steeds herhaalde lezing aan deze laatste dagen der expeditie nog eene bijzondere waarde schonk.
Den 28en Juni, een Zaterdagavond, brachten wij alleraangenaamst in het liefelijk station Longa door, dat smaakvol en frisch aan de Longa-beek op eene berghelling gebouwd is, en het uitzicht op de bergen van Ukami opent. Daar zaten wij uren lang in de lommerrijke veranda, van onze expeditie vertellende of een en ander omtrent Europa vernemende, bij een glas rooden wijn en water over het verrukkelijk mooie landschap heenziende. Pater Horné is een Duitscher, als ik mij niet vergis, een Hes, een flinke, aangename man. Den 29en gebruikten wij ons middagmaal nog in het zendingshuis.
Juist toen ik bevel tot het oprukken der expeditie naar Farhani gezonden had, kreeg mijnheer v. Tiedemann een aanval van koorts, zoodat ik hem aanried, in Longa te blijven, totdat het over zou wezen. Ik zou dan te Mrogro, eene andere zending dei-Katholieken, op hem wachten. Ik moest afmarscheeren, omdat de expedie reeds onderweg was. Hierdoor had ik nu dus vier marschdagen door de Mkata-vlakte tot Mrogro alleen te maken.
Toen ik een dagmarsch voor Mrogro te Wiansi legerde, vernam ik, dat er eene Duitsche expeditie in de buurt lag. Ik zond er Hussein heen met het bericht, dat ik te Wiansi was, en toen ik 's avonds reeds in bed lag, kwam mijnheer de la Frémoire, de chef der expeditie, die voor Mpuapua bestemd was, nog te paard aandraven. Hij bracht eene flesch champagne en een flesch Vermouth mee, en wij bleven tot laat in den nacht in een opgewekt gesprek bijeen.
Den volgenden morgen ontbeten wij te samen in de open lucht, en toen marscheerde ik verder naar Mrogro, over den Lugerengere. Als eene groote massa verheft zich van dezen kant het bergplateau van Ukami, aan welks helling het mooiste aller stations, dat ik ooit gezien heb, Mrogro, schilderachtig gelegen is. Dezen morgen kreeg ik de zeven lasten met Europeesche lekkernijen, dicht voor Mrogro, en daar ook ik lichamelijk me niet prettig gevoelde, zoo besloot ik, hier in het schoone Mrogro nog eens een zevental
III. 13
198
KAAR BAGAMOYO.
dagen uit te rusten, ten einde volkomen frisch aan de kust aan te komen en van de heerlijkheden, die ons gezonden waren, zooals woi'st en ingelegde vruchten, op mijn gemak te genieten. De waardeering dezer dingen was zoo geheel anders, dan in Europa het geval zoude zijn. Wij vergaten geheel en al, dat, als wij maar eerst weder te Zanzibar of Europa waren, wij dan waarschijnlijk in de gelegenheid zouden zijn, ons worst en peen, knollen en kool dagelijks aan te schaffen.
Ook in Mrogro, bij pater Karst en broeder Basilid, twee Lotha-ringers, die het Duitsch zeer vloeiend spraken, vond ik de hartelijkste ontvangst en bracht in de letterlijk Europeesche inrichting van dit station eene rustige prettige week door.
Den 5en Juli kwam mijnheer v. Tiedemann gezond en wel aan. Wij hadden eene voortreffelijke keuken, die broeder Basilid zelf beheerde, de kust dicht bij en vonden ook eenige nieuwe lectuur, o. a. ook Europeesche tijdschriften in het station.
Vooral stelde ik groot belang in de koffle-aanplantingen aldaar, die broeder Basilid, gebruik makende van een stroomende bergbeek, daar gekweekt had. Zij voorzagen niet alleen de stations, maar ook al de gezamenlijke overige katholieke zendingshuizen van koffie en zouden, naar Basilid meende, zeer spoedig een batig saldo opleveren. Een ieder, die in Oost-Afrika aanplantingen wil beproeven, kan ik zeer aanraden, zich een tijdlang naar Mrogro te begeven, om daar in de leer te gaan. Mrogro is wezenlijk een model voor het Duitsch-Oost-Afrikaansche gebied.
Den 10en Juli brak ik eindelijk weder op, om nu in flinke mar-schen het overschotje der reis af te leggen. Met mij ging nog mede zekere mijnheer Neuhaus, een ziekenoppasser uit de beschermingstroep, dien Emin Pacha daar als koortslijder achtergelaten had, en dien ik mee naar de kust liet dragen.
Wij trokken op de bekende wijze naar Bagamoyo. Onze gezondheidstoestand was voortreffelijk, en het bewustzijn, dat we in eenige dagen verlost zouden zijn van alle ellenden en gevaren dezer expeditie, waaruit wij maanden lang niet gedacht hadden levend te zullen geraken, deed onze harten luider kloppen.
194
NAAR BAGAMOYO.
Den 15en Juli legerde ik in Pigiro, omtrent een uur van het veer over den Rufu verwijderd. Ik vernam, dat hier een Duitsch ambtenaar geplaatst was, en zond dadelijk mijn bediende Selek en den Somali Mohammed Ismael daarheen, om onze aankomst te melden. Zij kwamen met het antwoord terug, dat de blanke heden de koorts had, maar de groeten liet doen en eenige hoenders had mee gegeven.
Den volgenden morgen ging het in alle vroegte naar Mtoni. De weg liep door frisch gras, dat door den regen van den laatsten nacht nog vochtig was. ISTa een marsch van een uur flonkerde de mij zoo welbekende Rufu aan de rechterzijde. Aan de overzijde der rivier zag ik een groote loods en eene Europeesche tent. Ik liet een schot afvuren, en spoedig verschenen er eenige bootslieden, die de boot aan de keten naar ons toetrokken, en spoedig daarop ook een blanke voor de tent. Ik klom met eenige manschappen in de boot, en toen wij in 't midden der rivier waren, riep de blanke van den anderen kant:
âZijt gij Dr. Peters?quot;
Ik antwoordde:
âJawel, en wie zijt gij dan?quot;
âIk ben Bohndorf,quot;
âDat doet mij bijzonder veel genoegen, dat gij juist de eerste zijt, dien ik hier zie.quot;
Hartelijk begroette mij nu mijnheer Bohndorf, dien ik anderhalf jaar geleden in Egypte had leeren kennen en dien ik later ook te Bagamoyo gezien had. Hij bracht mij in zijne tent en trok eene flesch champagne open, die, naar hij zeide, voor onze aankomst aldaar gezonden was. Mijnheer v. Tiedemann, die later aankwam, vond ons reeds in een levendig onderhoud over onze expeditie en de gebeurtenissen aan de kust.
Tot mijn spijt kreeg mijn reisgenoot een nieuwen aanval van de koorts, zoodat hij er de voorkeur aan gaf, eenige uren bij mijnheer Bohndorf uit te rusten, en ik den korten afstand, die ons nog van Bagamoyo scheidde, alleen moest afleggen.
Mijnheer Bohndorf deelde mij mede, dat de heeren eigenlijk plan hadden gehad, ons te Mtoni te ontvangen, en ik ze op den weg daarheen wel ontmoeten zou. Zoo legde ik met een kloppend hart
195
AANKOMST TE BASAMOYO.
het overige van den weg af, nu eens door struikgewas, dan weder door de aanplantingen van kokosnootpalmen, die bereids tot Baga-moyo behooren. Plotseling kwam de plaats voor ons in het gezicht. Hechts, steeds langs een kokospalmboschje, marscheerden wij onder trommelslag. Toen wij het Duitsche station in het gezicht kregen, liet ik door mijne soldaten drie salvo's afvuren. Daar openden zich de poorten en de gezamenlijke heeren kwamen ons tegemoet, vooraan mijnheer v. Paerbrand, die hier het hoofd van het station, dat tijdelijk afwezig was, verving.
Van blijde aandoening kon ik nauwelijks spreken, toen ik de heeren begroette. Mijne soldaten werden in loodsen ondergebracht, en ik werd naar het salon van het station geleid. Op den weg daarheen deelde mijnheer v. Paerbrand mij den uitslag der Duitsch-Engelsche overeenkomst mede, waardoor al hetgeen onze expeditie in het noorden verkregen had, aan Engeland was afgestaan, en waarvoor Duitschland Helgoland gekregen had. Overigens was aan Engeland het protectoraat over Zanzibar toegestaan, waartegen Duitschland de Duitsch-Oost-Afrikaansche kust feitelijk verbleef.
Over de gewaarwording, welke deze tijdingen in mij wakker riepen, glijd ik heen. Ik trok mij twee uren lang in den salon terug om het hieromtrent met mij zeiven eens te worden, en verzocht toen, dat men over het gansche onderwerp niet meer spreken zou. Hier vond ik een groot aantal telegrammen uit Europa, die mij bij mijn terugkeer geluk wenschten, en ook weder brieven van mijne bloedverwanten en vrienden.
Toen ik de ontroering, waarin ik door al die berichten en de lezing dezer bewijzen van deelneming geraakt was, een weinig te boven was gekomen, verscheen mijnheer v. Paerbrand opnieuw, om mij voor een feestmaal af te halen, waartoe de gezamenlijke Duitsche heeren te Bagamoyo, o. a. ook de Oostenrijksche consul uit Bombay, een zeer vriendelijk en beminnelijk man, die een bezoek te Bagamoyo bracht, en mijne vrienden van de zending, pater Etienne en broeder Oscar, al de officieren en beambten der beschermingstroep en der Duitsch-Oost-Afrikaansche Maatschappij verzocht waren. Onder anderen was ook mijnheer v. Sievers, het
196
NAAR ZANZIBAR.
hoofd der zee-afdeeling van het Rijks-commissariaat, verschenen, die met mijnheer Donarsky van Zanzibar overgekomen was, om het benoodigde voor mijne overvaart naar Zanzibar ter mijner beschikking te stellen.
Het ging er vroolijk en prettig aan tafel toe, de wijn werd niet gespaard, en de stemming was alleraangenaamst.
In den namiddag verscheen mijnheer v. Tiedeman, die tot mijne vreugde volkomen hersteld was en aan het avondmaal deel kon nemen. Daar hij een oude vriend van mijnheer Paerbrand was, zoo besloot hij, eenige dagen in Bagamoyo te blijven. Wij spraken af, dat wij met de Fransche mail te zamen naar Europa zouden reizen, en ik nam den volgenden morgen om 9 uur hartelijk afscheid van de gezamenlijke heeren, om op het stoomschip âMünchenquot;, waarover mijnheer von Sievers dezen dag persoonlijk het bevel voerde, naar Zanzibar den overtocht te doen.
Ik nam mijne gewone kleine karavaan, die tot 60 man ineengekrompen was, mee aan boord, bovendien den Oostenrijkschen consul en mijnheer Donarsky. Ook de gravin Blücher, de voorzitster van den Vrouwenbond, was aan boord, zoodat wij eene aangename vaart over het Zanzibar-kanaal hadden.
Het was voor mij een verheffend oogenblik, toen het vaste land van Afrika, waarop ik precies 1 jaar, 1 maand en 1 dag met het doorzetten der expeditie had doorgebracht, aan den westelijken horizon begon weg te zinken. Als eene geweldige klove lag het tusschen mij en mijn vroeger leven in Europa. Het jaar 1889/90 was zoo rijk aan gewaarwordingen en indrukken van allerlei aard, dat het een inhoud van vele jaren, ja bijna van een geheel leven scheen te omvatten. Het scheen mij toe, alsof ik een geheel ander mensch was dan degene, die in Juni 1889 van Bagamoyo naar het Zuiden vertrokken was, om de Emin Pacha-expeditie te beginnen. Schemerend zonk het vaste land van Afrika weg, en spoedig dook het eiland Zanzibar voor ons op.
Daar herkende ik al de oude plaatsen weer, die ik in 't jaar 1887 zoo menigmaal bezocht had. Toen verschenen de masten der schepen voor ons, de huizen, vervolgens de vlaggen der consulaten. Wij voe-
197
TE ZANZIBAB.
ren langs de Duitsche oorlogsschepen, de âCarolaquot; en de âSchwalbequot; voorbij, waar wij door de officieren vriendelijk begroet werden.
Het anker viel, wij stegen in de booten, en spoedig stonden wij op de oud-bekende plaats op vasten grond en bodem. Ik begaf me dadelijk naar het Duitsche Rijkscommissariaat, waar de toenmalige vertegenwoordiger, kapitein Richelmann, mij op de vriendelijkste wijze welkom heette en mij uitnoodigde, het middagmaal bij hem te gebruiken. Het toeval wilde, dat ik, bij kapitein Richelmann en mijnheer von Sievers vertoevend, mij weder in hetzelfde huis bevond, dat ik vóór den aanvang der expeditie bewoond had. Maar ook in deze ruimten herkende ik mij zei ven amper weder; zoo diep en ingrijpend hadden de gebeurtenissen van het laatste jaar op mijn zieleleven gewerkt.
Te Zanzibar bracht ik toen eenige aangename dagen in de Duitsche kolonie door. Daar ik tijdingen uit Berlijn ontving, welke mijne spoedige komst aldaar wenschelijk maakten, en de kapitein luitenant Von der Groeben, dien ik aan boord der âSchwalbequot; leerde kennen, mij meedeelde, dat de nieuwe Engelsche stoomschepen, die tot Napels liepen, zeer gemakkelijk ingericht waren, verzocht ik den consul-generaal Michahelles, zich met het Britsche consulaat-generaal te verstaan, opdat mij eene onbelemmerde terugreis op de Engelsche stoombootlijn zoude worden gewaarborgd. Ook hier scheen de stemming geheel veranderd te zijn: de Engelschen waren de voorkomendheid zelve, en derhalve begon des Dinsdags aan boord van de Britsche stoomboot âMaduraquot;, in gezelschap van den kapitein-luitenant Von der Groeben, de terugreis naar Europa, terwijl mijnheer Von Tiedemann bij verkiezing met de Fransche mail vertrok.
Den 9en Augustus was ik te Napels, werd den 15en te Milaan namens het Emin Pacha-comité door den heer Oscar Borchert begroet; den 18en kwam ik te Wildbad weder op Duitschen grond en bodem en werd den 25en Augustus door het Duitsche Emin Pacha-comité en mijne vrienden te Jüterbock en aan het Anhalter Spoorwegstation na eene afwezigheid van precies anderhalfjaar hartelijk welkom geheeten.
Op den avond voor mijn vertrek uit Zanzibar, toen ik na eene
198
VAN ZANZIBAR NAAR HET VADERLAND.
wandeling voor den ingang van de Duitsche club stond, had ik het genoegen gehad, admiraal Fremantle nog eens te zien. Hij ging met een der Engelsche kapiteins ter zee voorbij, keerde zich toen om, kwam naar mij toe en zei:
âHoe vaart u, Dr. Peters? Ik mag u wel mijne gelukwenschen aanbieden bij het gelukkig ten uitvoer brengen uwer expeditie.quot;
âDank u zeer.quot;
âU heeft een groot werk achter u. Daartoe is veel energie en moed noodig geweest.quot;
âDank u zeer; ja.quot;
âHeeft u vele moeilijkheden ondervonden?quot;
âVooral aan de kust.quot;
âJa, dat weet ik.quot;
199