-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HANDBOEK

DERDE DEEL.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

HANDBOEK

J

VOOR DEN

rr

DOOR

G. R EINDERS,

OUD-UCKRAATt AAN DE lil.IKSI.ANI)l:OIquot;\VSCHl)lll. TIC WAGENTNOEN.

VIERDE, HERZIENE DRUK.

DERDE DEEL.

X

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2043 6329

TE GKOXIXGKN RFJ J. B. WOLTERS, 100:!.

-ocr page 8-

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.

-ocr page 9-

INHOUD.

I. ALGEAIEENE VEETEELT.

lil/..

Inleiding......................................................4

HOOFDSTUK 1.

De samenstelling der landuouwdieren...............;5

I. De scheikundige en anatomische samenstelling.......3

I. Stikstofhondonde verbindingen.................4

1. De eiwitstoffen..........................................4

a. Gewoon eiwit of albumine................D

b. Globulines.....................5

c. Kaasstof of caseïne..................5

d. Eiwitstoffen, bij den dood stollende en onopgeloste eiwitstoffen . . 5 '2. Lijmgevende stollen....................5

3. Fermenten.......................5

4. Verschillende andere stikstofverbindingen............6

II. Stikstofvrije verbindingen; i. vet. 2. koolhydraten. 3. stikstofvrije organische zuren.......................(i

III. Niet verbrandbare of aschbestanddeelen.............Ö

De belangrijkste dierlijke weefsels. Tusschencelstof.........8

1. Weefels enkel uit cellen bestaande. Epithelium.........9

'2. Weefsels waarbij de grondzelfstandigheid meer op den voorgrond treedt 'J

a. Bindweefsel, vetweefsel, veerkrachtig weefsel........-10

b. Kraakbeenweefsel...................10

c. Deenweefsel.....................10

d. Tandbeenweefsel...................10

3. Vloeibare weefsels; n. lymphe; b. synoviale vochten; c. chyl; d. bloed '12

4. Spierweefsel......................12

5. Zenuwweefsel......................13

Klieren als eenvoudige organen, Excretiën en secretion......13

II. De uit- en inwendige bouw der landbouwdieren en de verschillende organen van een d i e r 1 ij k lichaam, met a a n d u i-ding van hunne verrichtingen...............14

a. Het geraamte.......................14

De verbindingen der beenderen onderling (geledingen of gewrichten).

Deze zijn; 1. onvolkomene, 2. kogelgewrichten, 3. scharniergewrichten. Banden 1'J Van de grootte en den stand der beenderen hangen de vorm en de sterkte

van een dier af.....................19

b. De spieren........................20

c. De huid, haren, horens, nagels en hoeven............25

Zomer- en winterhaar. Haarwisseling..............27

De bloedvaten, zweetkliertjes, smeerkliertjes en gevoelstepeltjes der huid . 27

d. Het zenuwstelsel......................27

e. De ingewanden. Borst- en buikholte..............20

Het darmkanaal met de secretie-organen.............20

Verschil in verteringsorganen geeft verschil in de vertering van 't voedsel

bij de onderscheidene dieren.................30

-ocr page 10-

INHOUD.

Biz.

De samenstelling van 't bloed.................31

Vermeerdering en vermindering van do hoeveelheid bloed.......32

Bloedsomloop. Het hart en zijne deelen; slagaders, aders en haarvaten . . 33

Grootc en kleine circulatie..................34

Het kloppen van 't hart; de hartslag en de polsslag.........35

Chyl- en lymphvaten....................36

Ademhalingsorganen.....................3(')

üe ademhaling. Samenstelling der uitgeademde lucht........38

Ademhalingsgeluiden....................3H

Nieren..........................30

Voortplantingsorganen....................39

Tabellen voor de gemiddelde samenstelling van eenige dieren en van enkele nadere bestanddeelen....................40

HOOFDSTUK 11.

Dli UliLANGRIJKSTE LEVENSVERSCHIJNSELEN...............42

1. Voedingsverrichtingen...................42

Doel der voeding. Het voedsel..................43

A. De spijsvertering. Het kauwen............, ... 43

Het doorslikken en herkan wen............ .... 44

Verandering der spijzen in maag en darmen............46

De vertering en wat daarop van invloed is............48

li. Bloedsomloop en stofwisseling.................50

Opneming van stollen in 't bloed . ,..............50

Voorraad in het bloed en in het weefselsap............51

Voit's onderscheiding van het voorraads- of oinloopend en het orgaaneiwit 52

Stofwisseling.......................52

Verandering van de voedingsstoffen en hare rol bij de voeding.....5'2

De belangrijkste voedingsstoffen zijn: eiwitstoffen, vet en koolhydraten . 54 Hare veranderingen kunnen bestaan in: a. Vorming van lichaamsdeelen;

b. splitsing; c. verbranding.................34

Het eindproduct van de oxydatie der eiwitstoffen is ureum......55

De hdeveelheid ureum in de urine is eene maat voor de omzetting van

liet eiwit........................56

De eindproducten van de verbranding der vetten en koolhydraten zijn:

koolzuur en water....................57

't Verschil tusschen het voedsel en de vaste uitwerpselen is eene maat

voor de spijsvertering...................57

't Verschil tusschen de hoeveelheden ureum, koolzuur en water, de opge-nomene hoeveelheid zuurstof en de verteerde stollen is eene maat voor

hetgeen van het verteerde voedsel achterblijft of van de stofwisseling. . 57

C. Onderhoudsvoedsel en honger. Vorming van vet en vleesch, melk enz. in

het dierlijk lichaam....................58

Proeven van Voit en anderen.................59

D. Arbeidsvermogen. Spierkracht. Warmte.............63

Wat voor het verrichten van arbeid noodig is...........65

Voorbeelden van den invloed der voeding op het verrichten van arbeid . . 65

Wet van de isodynamie der voedingsstoffen............08

Verbrandingswarmte der voedingsstoffen, voeder- of voedingseenheid ... 69

Verbindingswarmte en arbeid. Het nuttig effect..........71

Invloed van de inrichting van het geraamte en van de spieren.....71

Verandering van de spieren..................73

De dierlijke warmte in betrekking tot de omgeving.........73

VI

-ocr page 11-

INHOUD.

lil/.

De huisdiere ii in bet rekking tot de buiten wereld.......75

Invloed van liclit......................70

Ue zintuigen.......................77

Voortplan tingsverr ie li tingen. Geboorte- en ontwikkelings-

tijdperken........................78

Paring en bevrucliting. Tochtigheid .... ..........70

Draagtijd.........................HO

Kenteekenen van het drachtig zijn......... .....Hl

Ontwikkeliug van het jonge dier (embryo) uit het ei.........81

De nageboorte d. z. de vruchtvliezen...............81

Voeding van het embryo...................81

De geboorte kan zijn rechttijdig en ontijdig (het verwerpen)......83

Kenmerken van het naderen dei' geboorte. De weeën........83

Het jong geboren dier. Zijn voedsel...............84

De levenstijdperken:

a. het tijdperk der ontwikkeling...............84

b. het tijdperk van volle kracht................85

c. het tijdperk van den ouderdom of van het verval........85

HOOFDSTUK 111.

KIGKNLIJEE TEELT.......................80

Hetaanfokkenvanvee...................80

A. Indeeling van de fokdieren naar soort, ras, slag, stam en familie .... 80

Natuur- en fokrassen; landrassen................87

Conformiteit en constantheid in een ras.............87

Stamboom en stamboek...................88

13. Kokmethoden en eenige grondregels voor liet aanfokken.......88

Aanfokken in een zuiver ras of reine teelt. Bloedmenging ....... 8!J

Kruisen. Volbloed, halfbloed enz................89

Breeding in and in. Inzucht. Doorfokken............80

Paren in bloedverwantschap. Nadeelige gevolgen daarvan. Incestziicht . . 90

Bloedverversching.............'........91

Grondregels voor het aanlokken................91

C- Beoordeeling der fokdieren..................9'i

1. Raskenmerken......................92

2. Individueele kenmerken..................93

Het meten van vee...................95

IJ. Afstamming. Erfelijkheid en veranderlijkheid...........98

Atavismus........................99

Vorming van het geslacht...................99

Conservatieve vererving....................101

Bijzonder overervend vermogen. Individualpotenz..........101

Een goede afstamming is niet voldoende: er moet ook voor eene goede

voeding en verpleging gezorgd worden. Invloed van klimaat en grond . . 101

K. Methode van beoordeeling..................104

K. Het gebruik en de behandeling der fokdieren...........104

Invloed van de voeding der moeder, ook op 't verwerpen.......105

Epidemisch karakter van 't verwerpen..............105

Gebruik van de fokdieren als zoodanig. Wanneer ue moederdieren het

eerst toe te laten. Aantal dekkingen van het vaderdier........100

Toezicht en hulp bij de geboorte enz...............100

Het voederen en verplegen van vee.............107

A. Wat men onder den naam veevoeder dient te verstaan, welk voeder den

VII

-ocr page 12-

INIIOUI).

Biz.

land bouwer al voor zijn vee ten dienste staat, en waarvan zijne waarde

voor de voeding afhankelijk is. Voedingsstoffen en hare bepaling . . . 107 Verteerbaarheid van de eiwitstoffen, liet vet, de stikstofvrije extractiel-

stoll'en en de celstof...................•. 109

Gelijkheid van de geheele hoeveelheid stikstofvrije extractiefstolfen en de

gedeelten daarvan en van de celstof, die verteerd worden......110

Verteringscoefficienten en invloeden daarop............111

liene opgave van de gemiddelde samenstelling van t voedsel is niet voldoende. De qualiteit moet ook beoordeeld worden.........113

Voedingsverhouding. Deze kan zijn: ruim, nauw of normaal.....113

Som der voedingseenheden..................115

De belangrijkste voedingsmiddelen. — 1. Groenvoeder. — a. Gras. . . . 115

b. Hoode klaver, luzerne, serradella, incarnaatklaver, enz.....llü

c. Witte klaver, rupsklaver, Zweedsche basterdklaver enz.....116

d. Rogge, haver, gerst enz.................117

e. Groen mengvoer...................117

/'. Bladeren van mangel wortels, suikerbieten enz.; het moes, de stronken

en bladeren van witte kool..............117

'2. Hooi (venhooi, hooi eener enkele grassoort, klavcrhooi, wikkenhooi enz.) 117

3. Stroo en ander gedroogd ruwvoer..............121

4. Kaf, peulen, hauwen, enz.................122

5. Knollen en wortels...................122

G. Granen en zaden....................12'2

7. Bijproducten van fabrieken, koeken enz.............125

Voedingsmiddelen van dierlijken oorsprong. Afgeroomde melk, karnemelk,

wei, vleeschmeel, meikevers................128

Berekening van den prijs der voedingsmiddelen..........128

IJ. Het bereiden van veevoeder..................130

Wortels en knollen worden in stukken gesneden of tot moes gemaakt . . 130

Stroo en grofstengelig hooi snijdt men tot haksel.........130

Granen en zaden worden geplet, gemalen of gebroken........131

Het weeken, broeien, koken en stoomen van veevoeder.......131

Inmaken of samenpersen van groenvoer.............132

Broodbereiding......................133

C. Werktuigen ter bereiding van veevoeder. — 1. Hakselsnijders.....134

2. Wortelsnijders en moesmakers...............130

3. Plet- en breek machines en molens.......,.....141

4. Ivoekbrekers.....................145

5. Inrichtingen voor het koken enz. van veevoeder........140

D. Het voederen.......................146

Onderhoudsvoer en productievoer. Bepaling van de hoeveelheid naar het

gehalte van 't voedermiddel en de diersoort...........147

De overgang van 't eene voer tot het andere meet langzaam plaats hebben 149

Regelmaat en orde bij het voederen..............150

Tijd van voederen. Voedertijden................151

Zomerstalvoedering of weidegang................152

't Belang van het waarnemen der resultaten...........152

Drinkwater en drinkwaterleiding................153

Verpleging en inrichting der veestallen.............154

Doelmatige temperatuur. Ventilatie. Grootte en zuiverheid......155

Rein houden der huid....................156

Gezondheid en ziekten der dieren...............156

-ocr page 13-

mnouD.

Wz.

II. BIJZONDERE VEETEELT.

HOOFDSTUK I.

RUNUVEKTEELT.........................159

I. Afstamming en eigenschappen van liet rundvee......159

Runderen en runderachtige dieren (Bullels en bisons).........159

Tot de runderachtigen behooren, belialve 't Europeesche rund: de Ysik, de

Gayal, de Ganer, het Sundaneesche rund en de Zebu........159

De Earopeesche runderen stammen af van Bos taurus primigenius (Oerrund),

B. t. brachyceros, B. t. frontosus en B. t. brachycephalus.......KiO

Kenmerken van het Rund...................170

Benamiugen van het Rnnd...................170

Kenmerken voor den ouderdom.................171

Ontwikkeling, de belangrijkste ziekten en schadelijke dieren van 't Ruud 173

II. De rundveerassen. Naar de woonplaats onderscheidt men: laaglands-

rassen, bergrassen en hindrassen. Stamrassen............174

Brachycephale en Dolichocephale rassen, volgens Sanson........177

A. Het Nederlandsche rundvee en zijne typen............178

I. Het rundvee in de provincie Groningen............181

'2. » )gt; » » » Friesland............185

3. « » » » » Drente..... .......188

4. » » » « » Overijsel............189

5. » » » » » Noord-Holland..........191

t). » i) » » » Zuid-Holland...........193

7. » » » ii » Gelderland ...........194

8. » » » » i) Utrecht.............195

9. » ii » i) » Zeeland.............195

10. ii » i) ii » Noord-Brabant..........196

11. ii » » ii » Limburg............197

Vreemde rassen, hier te lande ingevoerd............197

B. Overzicht van de buitenlandsche rundveerassen..........198

a. Rassen, afstammende van Bos taurus primigenius........198

1. Het laaglandsch vee..................198

'2. Het l'odolische of steppenvee...............'200

3. De groep van Caledonische runderen............200

4. De runderen van de Sarmatische laagvlakte.........'200

5. De Skandinavische runderen...............'200

b. Rassen, afstammende van Bos taurus brachyceros........'201

c. a , » ii » ii frontosus.........202

d. « , ii ii ii ii brachycephalus.......204

e. Het Fransche rundvee..................205

f. Het Engelsche vee....................209

J. De korthoorns....................'209

2. De Herefords.....................216

3. Het Devon-vee....................216

4. Het Sussex-vee....................216

5. liet langgehoornde vee.................217

6. Het Jersey- en Guernsey-vee...............'217

7. Het vee van Wales, het Anglesea- en Kerry-vee.......218

8. Het Ayrshire-vee...................218

9. Het ongehoornde vee..................'218

jf. Het rundvee in Noord-Amerika...............218

III. liet aanfokken van runderen...............220

IX

-ocr page 14-

INHOUD.

Biz.

Goede inelkrassen, rassen voor liet beste mestvee, voor werkvoe en voor twee of meer doeleinden geschikt..................

a. Kenmerken van goed melkvee. Bloedvaten of meikaderen. Melkspiegel enz. '221

b. Kenmerken van goed mestvee.................225

c. » » d werkvee.................220

d. » » dieren voor twee of meer doeleinden........227

Het laten dekken der koeien en beliandeling der kalveren.......228

IV. Voeding en verpleging van het Rund...........230

Het natuurlijk voedsel van 't Rund................230

«. De voeding van kalveren en van jong vee............231

Voedernormen daarvoor........•...........232

Hoe de voeding in de practijk geschiedt.............233

Surrogaten voor melk....................235

De voeding moet rekening houden met het doel, dat men met het jonge

vee voor heeft......................237

Weide voor jongvee....................237

b. De voeding van melkvee...................238

Samenstelling en vorming van melk..............238

De invloed der voeding op het voortbrengen van melk is beperkt.... 239

Voedernormen voor melkvee.................240

Hoe de voeding in de practijk geschiedt.............242

aa. De voeding in den zomer.................242

bb. IJe voeding in den winter.................244

c. De voeding van mestvee...................248

Vorming van vet en vleesch.................2411

Verschillende soorten van mesting. Halve en volle mesting, slappe en

kernmesting. Vetweiderij en spoelingmesterij. Extensieve en intensieve

mesterij........................251

Kalvermesterij......................251

Tijdperken van mesting...................252

Voedernormen voor mestvee.................253

Het mesten van ossen en vaarmelken..............255

Het mesten van stieren...................258

Het snelmesten. Hoe dit in Engeland geschiedt..........258

d. De voeding van werkvee...................200

Onderhoudsvoer en voeding in den tijd dat gewerkt wordt......200

Voedernormen.......................201

Voederwijze of voederregeling. Voorbeelden uit Duitschland......201

Voorbeelden hier te lande..................202

Verpleging van het Rund..................263

V. Gebruik van het Rund en zijne producten.........264

A. Gebruik van melkvee. Zuivelbereiding..............204

1. Samenstelling en eigenschappen der melk in het algemeen. Melkonder-

zoek. Roommeters l'ioscoop................205

a. De methode van Soxhlet.................271

b. De Lactobutyrometer van Marchand............271

c. Het controle-toestel van Fjord en de Lactoscoop........272

d. IJe lactokrit van De Laval................272

e. Methoden van Babcock, Lindström, Thörner, Rahm, Kanisz en Gerber. Gerbers acid-butyrometer................272

2. Invloeden, die de hoeveelheid en hoedanigheid der melk wijzigen. Vor

ming der melk in de melkklieren..............274

Het melken.......................278

X

-ocr page 15-

INHOTJJ». XI

l!lz.

Gebreken der melk....................280

Veranderingen die de melk na het melken ondergaat en de middelen

om liaar tegen bederf te bewaren..............28'2

Bacteriën en Bacteriologie.................282

a. Het zuurworden der melk................285

b. Het dikworden van melk of room zonder voorafgaand zuurworden . 285

c. Lange, slijmige, draderige melk..............285

d. Gekleurde melk . . .................285

c. Bittere, ransige en zeepachtige melk............286

Behandeling en gebruik van melk in het algemeen. Zuivelfabrieken. . 287

Het klensen of (iltieeren, meten of wegen en liet afkoelen der melk . 287

Het vervoer van melk...................291

Samenstelling van marktmelk .... ...........2915

Het roomen der melk...................294

A. De oudere roommethoden. Inrichtingen en toestellen daarvoor. . . 294

Voordeelen der Swartzsche methode............296

Het afnemen van den room ... ...........297

Wat op het uitroomen van invloed is............298

B. De nieuwe roommethode door middel van centrifuges of separators.

Voorwarmers, pasteurs en koelers, regeneratief-voorwarmers of warmtewisselaars in een zuivelbedrijf...........299

a. De separators van De Laval en de Alfa-separators......306

b. De centrifuges van Bnrmeister en Wain..........310

c. De balans-centrifuge.................312

d. Centrifuge van Mélotte................314

e. De overige centrifuges................317

Voordeelen van het centrifugaal roomen............318

Inrichting van een roomboterfabriek..............319

Uitroomingsgraad. Gebruik en samenstelling van loom en afgeroomde

melk........................319

Boterbereiding. Het karnen.................321

De karnen. Verschillende stelsels...............321

Theorie van het karnen..................323

Roomkarnen en melkkarnen................325

Beoordeeling of de melk geschikt is tot karnen.........325

Boterextractor enz..........................................326

Het zuren van den room..................326

1'asteuriseeren en uitluchten van den room...........328

Doelmatigste temperatuur bij het karnen............330

Snelheid der polsbeweging. Verwarmen van melk en room.....331

Hoe te zien, of het karnen gedaan is.............331

Behandeling der boter. Het zouten en kneden. Boterkneders .... 332

Het kleuren van boter...................334

Hoeveel melk voor 1 KG. boter noodig.............335

Botersoorten. Boter voor de verzending............336

Eigenschappen en samenstelling van boter...........336

Kunstboter.......................337

Kaasbereiding......................337

Vette en magere, zure en lebkaas..............337

Kaasbereiding in 't algemeen. Leb of stremsel..........337

De verschillende soorten van kaas..............342

Werktuigen en gereedschappen voor de kaasbereiding, enz......343

Het rijpen der kaas....................347

-ocr page 16-

INHOUD.

Biz.

Goudsche-kaasbereiding..................350

Noord liollandsche- of Edammer-kaasbereiding..........353

Leidsche-kaasbereiding..................354

Friesche-kaasbereiding...................356

Verbetenngen in de kaasbereiding..............357

Buitenlandsche kaassoorten. Derbykaas enz...........350

Bereiding van zure kaas. Potkaas en kaas van gepasteuriseerde melk . 300

Zwitsersehe kaas.....................30Ü

Gebreken der kaas: a. liet blauw worden; b. knijpers; c. kwaadaardig breken of kruin draaien, en de rijzers, heft of bolle kaas: d. rimpel-

korst; e. kleurselvlekken; /. zoutbarstjes...........3ül

g. Pokken, Kanker en gebreken door insecten..........362

Hoeveelheid melk voor 1 KG. kaas noodig...........362

Wei of hui en haar gebruik................363

Weiboter en melksuiker, witte ziger en mysostkaas........363

Albumine en kunstkaas..................363

Gebruik van melk in de huishouding. Verdikte en verduur/., melk, enz. 363

B. Gebruik van mestvee....................364

Verdeeling van het vleesch in klassen op de Engelsche markt.....364

Betrekking tusschen het slachtgewicht en het levendgewicht.....366

Bepaling van het levendgewicht................366

C. Gebruik van werkvee. Hoeveelheid vee hier te lande........366

Voor welken arbeid en wanneer werkossen geschikt zijn.......367

Aanspanning en behandeling.................367

D. Bijproducten van het Rund. Mest, huid, horens, hoeven enz......367

HOOFDSTUK 11.

PA ARDENTEELT.........................367

I. Afstamming en eigenschappen van het Paard.......363

Wilde en verwilderde paarden..................368

Soorten van het geslacht Paard (Equus). Muilezels en muildieren.....36!(

Benamingen van het Paard...................360

Kenmerken van den ouderdom. Samenstelling der tanden........360

Ontwikkeling van 't Paard...................372

Beoordeeling van den lichaamsvorm of het exterieur. Normale vorm .... 372

Schoonheid en kleur der paarden.................374

Afzonderlijke lichaamsdeelen. Kop, hals, schoft, rug, lendenen, kruis, staart,

borst, buik, llanken, ledematen en hoeven............374

Het draven. Ziekten en schadelijke dieren van 't Paard........381

II. De paardenrassen.....................381

Brachycephalen en dolichocephalen................382

Arabische of lichte en westeische of zware paarden..........382

Halfbloedpaarden en ponies...................383

A. De Nedeiiandsche paarden en de paardenfokkerij hier te lande .... 384

Het Friesche paard.....................384

Het Geldersche, 't Zeeuwsche en 't Utrechtsche paard........386

Verbeteringen in de paardenfokkerij. Remontepaarden, enz.......380

1gt;. Overzicht van de paardenrassen en de paardenfokkerij in het buitenland . 303

Arabische paarden. Russische.................303

Volbloedpaarden......................304

Paardenfokkerij in Hongarije.................305

Zware of Westersche paarden.................305

Percherons en andere Fransche paarden ..........................307

XII

-ocr page 17-

mhottd.

Biz.

De lielgische en Engelsche paarden...............399

De Duitsche en overige buitenlandsche paardenrassen........403

III. Het aanfokken van paarden................406

Kenmerken van rijpaarden. Cavaleriepaarden............400

» » trekpaarden. Koetspaarden.............406

)) it hengst en merrie................408

Aanfokken in stoeterijen en door particulieren............408

Behandeling der drachtige merrie en de geboorte van 't veulen......409

IV. Voeding en verpleging van 't Paard........., . . 409

Voeding var. 't veulen en van jonge paarden............410

Voedervormen volgens Settegast, Wollï, enz.............411

Verpleging. Inrichting der stallen................414

De hoeven der paarden. Het beslag................414

V. Gebruik van liet Paard..................416

Aantal paarden in Nederland..................416

Draagvermogen en trekkracht..................416

Wijze van aanspannen. Aanfokken en verkoop van .jonge paarden, liijproducten 418

De teelt van ezels, muilezels en muildieren.............419

HOOFDSTUK III.

Schapenteelt ..................................................420

I. Afstamming en eigenschappen van het Schaap.......420

Veiwantschap van 't Schaap en 't Rund. Rassen Benamingen......420

Kenmerken van den ouderdom en ontwikkeling...........421

De ziekten en schadelijke dieren van quot;t Schaap...........422

H. Schapem assen......................422

A. Kortstaartigen.......................422

a. Gehoornde heideschapeu in hooglanden............422

b. Ongehoornde of marschschapen in laaglanden..........422

1 j. L a n g s t a a r t i g e n.....................423

Breedstaart- of vetstaartschapen................423

Schapen met langen staart niet met wol begroeid.........423

» » » » met wol begroeid...........423

1. Rassen met gemengde wol.................423

a. Het zackelschaap; b. het hangoorschaap; c. het bergschaap; d. het

landschaap, enz...................423

2. Rassen met merghoudende wolharen.............424

3. Rassen met eigenlijke wol.................424

a. met niet zeer kroeze wol; b. met kroeze wol. Merinos.....424

De Engelsche rassen zijn langwolligen: Leicester's, Cotswolds, Lincolns; of kortwolligen; Southdowns, Oxforddowns, Shropshires, de Hampshiredowns

en bergrassen.......................426

De Nederlandsche schapen zijn:

A. Kortstaartige kustschapen..................429

1. Het Groningsche schaap; 2. liet Friesche schaap........429

3. Het Tesselsche schaap; 4. Het Zeenwsche of Vlaamsche schaap . . . 431

B. Langstaartigen. 1. Het Drentsche schaap.............432

2. Het Velnweschaap. 3. Het Kempensche schaap..........433

Engelsche schapenrassen hier te lande...............433

IH. Het aanfokken van schapen................435

Kenmerken van vleesch-. wol- en melkschapen...........435

Hoofddoel hier te lande is vleesch; daarom veelvuldig kruisen met Engelsche rassen..........................4;{0

xiii

-ocr page 18-

inhottil.

Blz.

Wijze van paren en ontwikkeling der lamineren...........430

IV. Voeding en verpleging van het Schaap...........436

Het gewone voedsel der schapen. De schaapswelden. Normaal voeder voor

mestschapen, wolschapen en lamineren. ... .........437

V. Gebruik van het Schaap. . . .............438

Aantal schapen hier te lande..................438

a. Wol. Bij zijne beoordeeling moet gelet worden op;

1. het min of meer gekronkeld zijn der wolharen.........439

'2. hare fijnheid, 3. de gelijkheid. Wolmeters...........439

4. de hoogte en lengte, 5. vastheid en rekbaarheid, 0. veerkracht, 7. klenr 440

8. glans, 9. het vetzweet...................441

Vereeniging van de wolharen tot strengetjes, stapeltjes, stapels en het vlies 441

Hoogte en lengte der stapels. Rek der wol............441

lioornwolachtige. viltlge en heedlge wol. Haarstand.........442

Pikkige en gedraaide wol. Goed gestapelde en viltige wol......442

Het scheren en 't scheergewicht. Gevolde en gladde wollen stollen . . . 443

/(. Het vleesch der schapen, c. Melk. Schaapkaas..........443

rl. Bijproducten van 't Schaap. — De geitenteelt...........4irgt;

HOOFDSTUK IV.

Varkenstkei.t.........................447

I. Afstamming en eigenschappen van 't Varken..... . . 447

Kenmerken van 't Varken............,......447

Wilde en tamme varkens...................448

Benamingen. Kenmerken van den ouderdom. Ontwikkeling, ziekten en

schadelijke dieren van 't Varken................448

II. Varkensrassen .... .................450

A. Het Europeesche landzwijn, het meest met het Kmopeesche wilde varken

overeenkomende.....................451

a. Kleine kortoorige, b. Groote grootoorige slagen..........451

li. Het Indlsch-Chlneesche tamme varken, alsmede het zoogenaamde Japan-

sche maskerzwijn.....................452

a. Het grootoorige Indische zwijn. b. Het kortoorige Indische zwijn . 452

C. De tusschen beide hoofdvormen in staande middenvormen.......453

1. Kroesharige varkens...................453

2. Romaansche varkens. 3. De Engelsche vai kensrassen : 1. kleine, 2. groote

en 3. varkens van middelbare grootte............454

De Nederlandsche varkens........... ......457

IH. Het aanfokken van varkens................457

Keuze van de fokdieren in het algemeen. Keuze van den beer en van de zeug 458

Het laten dekken en de behandeling der biggen...........458

IV. Voeding en verpleging van het Varken...........459

Het voeder en de voedernormen.................459

Nuttig en schadelijk voeder voor 't varken.............460

Proeven aangaande het mesten van Varkens.............461

Stalruimte en voedertroggen..................462

V. Gebruik van het Varken..................462

Handel in varkens. Aantal varkens...... .......' • 462

Gebruik tot het voortbrengen van biggen..............462

Het mesten op jeugdigen of op rijperen leeftijd...........462

Vleesch- en spekvarkens. Het slachtgewicht.............463

De bijproducten........,..............463

xiv

-ocr page 19-

IXIIOTTl.

Blz.

LANDHUISHOUDKUNDE.

Inleiding...........................404

HOOFDSTUK f.

Wat voor iieï uitoefenen van met i.aniiüouw-hrdri.if noodio is......465

I. De productiemiddelen...................405

a. Het kapitaal.......................405

an. Vast kapitaal.....................405

Waarde van den grond, (irootte en afmetingen der grondstnkken.

Samenstelling en hoedanigheid..............400

Ligging van den grond. Algemeene verbeteringen........400

Gebouwen zijn een noodzakelijk kwaad. Bonwkapitaal. enz.....407

Omvang van het begrip boerderij. Groote, middelbare en kleine boerderijen 40S

bh. Het bedrijfskapitaal...................408

Vee. Waartoe het dient. Hoeveelheid en soort.........409

Werktuigen en gereedschappen...............470

Omloopend bedrijfskapitaal. Verhouding der verschillende kapitalen . 470

ft. De arbeid Handenarbeid. Soort van arbeiders..........47'!

Hoeveelheid arbeid bij aangenomen werk.............472

Arbeid door paarden en machines verricht............473

Het verhuren van werktuigen.................474

II. Gelegenheid tot verkoop der producten, aanvoer van grond

stoffen enz.......................474

De markt. Vervoerkosten Handelswegen.............474

Coöperatieve vereenigingen. Wetgeving..............474

HOOFDSTUK H.

Hoe de boerderijen zijn ingericht, i.andhouwstri.ski.s.........470

Wat onder een landbouwstelsel verstaan wordt.............470

De geïsoleerde plaats van v. Thünen.................470

Intensieve en extensieve landbouw. Wijze van cultuur..........477

Landbouwstelsels........................47K

I. Weide- of grasbouw. '2. Wisselbouw. 3. Graanbouw........478

a. Het één-, b. het twee-, en o. het drieslagstelsel enz.........478

4. Het vruchtwisseling-stelsel...................478

5. De meest intensieve landbouwstelsels. Vrije of speculatie-boerderij en de

industrie-landbouw................ .... 47!1

Kapitaal en arbeid bij de verschillende stelsels benoodigd............479

De landbouwstelsels in Nederland..................480

1. Veehouderij....... ................480

2. Akkerbouw........................481

A. Akkerbouw op het zand................481

n. Korenbouwerij: aa. het drieslagstelsel, bb. de Twentsche roggebouw,

co. De Gooische boekweitteelt...............481

b. Wisselbouw. Vlaamsche bouwerij, c. Vruchtwisseling......481

Rijenteelt der Veenkoloniën, cl. Geestbouwerij..........482

B. Akkerbouw op de klei.................482

a. Korenbouwerij op de rivierklei, b. korenbouwerij op de zeeklei . . . 482

c. Tarweteelt, d. Zeeuwsche tarweteelt; e. polderbouw.......483

Bijzondere teelten.....................484

Zelf-exploitatie of verpachting der boerderijen. Voordeelen van het eerste . . 484

xv

-ocr page 20-

INHOUn.

Biz.

De verpachtingen zijn tijdelijk of erfelijk...............486

Tienden. Recht van beklemming..................486

De gewone verpachtingen en de belangrijkste punten, die bij een huurcontract

in aanmerking moeten worden genomen...............487

i. Tijd van aanvaarding, 2. duur van de pacht............487

3. de jaarlijksche huur, 4. borgstelling, 5. onderhoud der gebouwen, 6. alge-

meene verbeteringen van den grond, 7. het gebruik van den grond .... 488

8. de teruggave. Verbetering in de pachtcontracten...........489

Eigenerfden boerenstand. Grondrente. Landnationalisatie.........490

Verhuring van los land enz.....................490

HOOFDSTUK III.

De uitkomsten van het bedrijf..................491

Financieele uitkomsten......................491

Vragen die door eene nauwkeurige boekhouding opgelost kunnen worden . . . 492 Berekening van de zuivere opbrengst en van de ondernemerswinst bij eigen

exploitatie en bij verhuring. Taxatie en balans............492

De leer van het evenwicht of de statica der vruchtbaarheid van den grond. . . 492

Beoordeeling of de vruchtbaarheid van den grond toe- dan wel afneemt of gelijk blijft 493

Tabel 1. Gemiddeld procentisch gehalte der voedermiddelen aan onzuivere en aan verteerbare voedingsstoffen, enz. volgens C. Lehman n en

anderen......................494

ii 11. Aanwijzende liet gehalte der stikstof houdende stollen (onzuiver eiwit) aan zuiver eiwit en niet-eiwitachtige stollen (amiden enz.) van eenige voedermiddelen, uitgedrukt in procenten van het stikstofgehalte , bl. 109.................. 502

» III. Aanwijzende de afmetingen van stieren en koeien der Duitsche

rundveeslagen, in procenten van de schofthoogte, volgens Werner 503 )gt; IV. Voor de afmetingen van eenige runderrassen, absoluut en in

procenten van de schofthoogte, naar Werner..... 504 en 505

» V. Bevattende eenige voederrantsoenen, volgens Em 11 Wolff, Maercker

en anderen.....................506

» Vla. Voor herleiding van het soortelijk gewicht van volle melk bij verschillende temperatuur tot dat bij IS0 C...........512

» Vlft. Idem voor afgeroomde melk...............512

n VII. Gemiddelde samenstelling van gemengde melk........513

n VIII. Verschillende opbrengst aan melk , boter en droge stof van enkele

koeien uit eenzelfde beslag vee.............514

Alphabetisch register . ....................515

xvi

-ocr page 21-

I. AUEMEENE VEETEELT.

Inleiding. De veeteelt is een bijzondere tak van den landbouw. Zij stelt zich ten doel enkele diersoorten met de in 't wild groeiende of de geteelde planten of ook met de daaruit bereide producten te voeden, teneinde ze voor den arbeid te gebruiken of door lien andere producten (melk, vleesch enz.) te verkrijgen, die marktwaarde of in 't algemeen bruikbaarheid bezitten. Behalve voeding vereischen deze dieren, als huisdieren, allerlei verpleging en bescherming, en wanneer de landbouwer zich op de aanfokking er van toelegt, een bepaald toezicht op de voortplanting, teneinde zulke dieren te bekomen, welke naar de omstandigheden en het doel waartoe zij dienen zullen, de meeste waarde bezitten.

Meer nog dan bij de plantenteelt heeft de mensch zich op deze zoogenaamde keuze bij het aanfokken, tot veredeling van dieren en op hunne voeding en verpleging toegelegd en daardoor diersoorten of -rassen verkregen, welke niet meer in het wild voorkomen en daar ook niet goed meer zonden kunnen leven, of met de in 't wild voorkomende stamouders in aard en eigenschappen aanmerkelijk verschillen.

quot;Wij mogen echter aannemen, dat onze huisdieren in liet algemeen eens in het wild voorkwamen, schoon het niet mogelijk is van alle de wilde stamouders aan te wijzen, en dat de mensch al zeer vroeg, waarschijnlijk nog vóór dat hij planten verbouwde, zich heeft toegelegd ze te temmen en ze ten zijnen nutte te gebruiken l). Uit het nomadenleven voortgekomen, is de veehouderij een belangrijke tak van het landbouwbedrijf geworden vooral in die streken, waar natuurlijke weiden worden gevonden, en op hoe hoogeren trap thans do landboTiw eener streek staat, des te meer veredeld is ook veelal het vee.

De planten hebben wij, Dl. II, bl. 1, met kleine fabrieken vergeleken. Uit een landbouwkundig oogpunt kunnen wij de dieren eveneens als zoodanig, hun organisme als eene machine beschouwen. Immers ook de landbouwdieren zijn bestemd om ruwe grondstoffen te verwerken en daardoor arbeid of nieuwe

1) Onder de getemde dieren zijn er, zooals de olifant, die zich niet in gevangenschap voortplanten; deze worden gewoonlijk niet als hnisdieren beschouwd. Men zie hierover verder o. a. de werken van Darwin, inzonderheid The variation of plants and animals under domestication en C. E. K. Hartman, Darwinisme und Thier-prodnetion.

REINHERS, 111. Vierde druk. i

-ocr page 22-

producten voort to brengen, en evenals liet arbeidsvermogen en hot product, door eene macliine voortgebracht, afhangen van den bouw en de inrichting van liet werktuig, zoo is hot voortbrengend vermogen van een dier ook van zijnen bouw afhankelijk. Daaruit volgt de noodzakelijkheid dat, wanneer men de werkzaamheid dezer machines zal besturen, men hare samenstelling en werking evengoed als die eener gewone werkmachine dient te kennen.

Evenals bij de Algemeene Plantenteelt dienen wij ons dus hier vooreerst bezig te houden met de samenstelling dier voorwerpen, van de diersoorten namelijk, die onder den naam vee gewoonlijk worden samengevat. Wij rekenen daaronder: runderen, paarden, schapen en varkens. Wij sluiten dus uit: de teelt van gevogelte (pluimvee), die der bijen, van zijdewormen en de zoogenaamde kunstmatige vischteelt, enz. Slechts ter loops zal in de Bijzondere Veeteelt van geiten en ezels worden melding gemaakt!).

Terwijl wij alzoo in ons eerste hoofdstuk van de Algemeene Veeteelt over de samenstelling dezer dieren handeion, geven wij in een tweede hoofdstuk een overzicht van hunne voeding, voortplanting, in eén woord van hunne voornaamste levensverschijnselen, om in een derde hoofdstuk de eigenlijke teelt, dat is het aanfokken, het voeden, het verplegen enz. dezer dieren te behandelen.

1) Het volgende lijstje geeft een overzicht van ile dieren die al geteeld worden.

Van de Gewervelde dieren:

Uit de klasse der Zoogdieren:

Uit de orde der Roofdieren: hond, kat, fret.

„ „ „ „ Knaagdieren: konijn en marmotje of Guineesch biggetje (Cavia Cohai/a).

„ „ „ „ Eenhoevii/en: paard , ezel, muildier (bastnard van ezel en men ip), muilezel (bastaard van ezelin en hengst).

„ „ „ „ Veelhoevigen: varken, Indische olifant (plant zich niet in gevangenschap voort).

„ „ „ „ Tweehoevig en: runderen ('t gewone rund. Zebu of bultos, Yack of knoros en de gayal), bulfels, lama's, schaap, geit, rendier, edelhert en damhert (beide laatste in parken), kameel, dromedaris.

Uit de klasse der Vogels; huis- en zoogenaamde tortelduif of lachdnir,(CWitmfca risorid), huishoen, kalkoen, parelhoen, pauw, fazanten, struisvogel, zwanen, ganzen, eenden; bovendien verschillende zangen siervogels.

Uit de klasse der Visschen: karper, goudvisch, zeelt en forel.

Van de Gelede dieren:

Uit ile klasse der Insecten: bij, zijderups, Japan scho zijderups (^l I Incus Yamamai)

en de Ailanthnsrups (Snturnia cynthia).

Uit de klasse dei- Schaaldieren: rivierkreeft.

Van de Weekdieren:

Uit de klasse der Schelpdieren: oester.

-ocr page 23-

3

HOOFDSTUK 1.

DE SAMENSTELLING DER LANDBOUWDIEREN i).

In hunnen bouw en in hunne samensteUing en eigenschappen hebben onze lauclbouwdieren zeer veel overeenkomst. Zij bezitten allen inwendig een beenig geraamte van nagenoeg gelijke samenstelling en organen voor den bloedsomloop en de spijsvertering, wier inrichting slechts in enkele opzichten van elkander verschilt; uitwendig zijn zij allen met eene behaarde huid bekleed; zij brengen allen levende jongen tor wereld, die zij met hunne melk zoogen. Als voorwerpen van het Dierenrijk behoorcn zij dus tot de Zoogdieren en wel tot die afdeeling welke men met den naam Hoefdieren kan bestempelen.

Evenals de samenstelling eener plant kan men ook die van 't lichaam van een dier uit een verschillend oogpunt beschouwen.

Uitwendig merken wij er aan op: een hoofd, hals, romp en ledematen, en daaraan weder verschillende deelen; inwendig het uit verschillende beenderen samengestelde geraamte, waaraan vooral de voor de beweging dienende spieren (het vleesch) bevestigd zijn en dat verscldllende holten omsluit, waarin weder andere meer edele deelen als de hersenen en het ruggemerg en de hoofdorganen voor de ademhaling, den bloedsomloop, de spijsvertenng en de voortplanting gevonden worden.

Een nader onderzoek dezer organen leert, dat men daarin, evenals in de organen eener plant, verschillende weefsels kan onderscheiden en dat elk dezer weefsels uit min of meer gelijksoortige cellen is opgebouwd. Bij dit onderzoek naai- den bouw der cellen en weefsels moet weder van een microscoop gebruik worden gemaakt; het leert ons de anatomische samenstelling van een dier kennen; terwijl een scheikundig onderzoek de verschillende scheikundige verbindingen leert kennen, waaruit die weefsels enz. bestaan.

Wij zullen eerst de scheikundige en anatomische samenstelling der land-bouwdieren nagaan om daarna de verschillende organen en den uit- en inwen-digen bouw te behandelen.

I. DE SCHEIKUNDIGE EN ANATOMISCHE SAMENSTEL!.ING DER LANDBOUWDIEREN.

Gelijk wij, I, bl. 168, de bestanddeelen eener plant tot 3 groepen; water, verbrandbare en onverbrandbare stoffen {asch) gebracht hebben, kan men ook de bestanddeelen van een dier tot deze drie groepen samenvatten.

Het water maakt daarvan wel de hoofdmassa uit. Het vormt niet slechts

!) M. Wilckens, Dia naturgesetzlichen Griindlagen der landw. Thierhallung in van der Goltz, Ilandbuch der gesammten Landwirthschaft. G. Run ge, Lehrbuch der physiol. u. pathal. Chemie. C. F. Muller, Anatomie u. Physiologie des Pferdes. Dezelfde, Anatomie u. Physiologie des Rindes. H. C. B. Benz. Körperbau und Lehen der landw. Haussaugethiere. Ilr. W. Ellen berger, Handbuch der verglei-chendev Histologie nnd Physiologie der Ifaiissaugethiere. Em. Wnlff, Fii tterung slehre.

i*

-ocr page 24-

4

het hoofdbestanddeel van de dierlijke vochten, als bloed, gal enz., maar het doortrekt ook al de andere deelen. Hoppe-Seyler zegt daarom terecht: „Alle organismen leven in waterquot;, en aangezien de meeste organen mot bloed doortrokken zijn, dat voortdurend in beweging is, kan men ook met hem zeggen: „in stroomend waterquot;. Met alle voedsel, zoowel vast als vloeibaar, wordt het lichaam water toegevoerd; door het speeksel en de overige verteringsvochten als het maagsap, de gal enz. worden verschillende voedingsstoffen vloeibaar; zij gaan in het bloed over, dat zich in het lichaam verspreidt; door het zweet en de nrine worden de onbruikbare stoffen rdt het lichaam verwijderd. Er stroomt alzoo voortdurend water door het dierlijk lichaam en zijne organen worden door water om- en doorspoeld. Door onttrekking van water houdt het leven op en alle stoffen, die sterk water aantrekken, werken in het dierlijk lichaam als vergiften. Bovendien is het water de regelaar van de dierlijke warmte. Stijgt de lichaamstemperatuur, zoo verdampt er meer water aan zijne oppervlakte, en aangezien het verdampende water warmte bindt, dat aan het lichaam wordt onttrokken, daalt do lichaamstemperatuur en werkt het water dus afkoelend.

Als gemiddeld kan men stellen dat 2/3 van een dierlijk lichaam water en slechts 1l3 vaste stof is. Deze verhouding wisselt intusschen aanmerkelijk af naar den ouderdom en den staat der voeding van een dier. Zoo bevat een pasgeboren kalf 80—-SSO/q, een goed gemest kalf daarentegen niet meer dan 40 %, een halfvette os ongeveer 50 0/o en een vette os niet meer dan 40 a 45 0/0 water. In de beenderen van een pasgeboren dier komt ongeveer 700/o, maar in die van een volwassen en gemest dier niet meer dan 20 0/o voor. Het lendenstuk van een mageren os bevat 77 0/o en dat van een vetten os ongeveer 63 0/0 water.

Van de ongeveer 1/3 droge stof, die men dus overhoudt na volkomen uitdroging van een dier, zijn de belangrijkste nadere bestanddeelen in liet volgende overzicht bijeengevoegd.

1. Eiwitstoffen.

2. Lij ingevende stoffen, hoorustof en elastine.

3. Fermenten.

4. Verschillende andere stikstofverbindingen.

II. Stikstof vrije verbin- f 3et' _

J 2. Koolhydraten.

dingen. ' J

3. Stikstofvrije organische zuren, enz.

III. Niet verbrandbare of asch-bestanddeelen.

De onder I en II genoemde verbindingen zijn verbrandbare stoffen. Van deze treden in een dier de stikstofhoudende op den voorgrond, terwijl in eene plant de stikstofvrije de overhand hebben.

I. Stikstofhoudende verbindingen. Do belangrijkste hiervan zijn:

I. Stikstofhoudende verbindingen.

1. De eiwitstoffen. Deze komen evenals in eene plant ook in een dierlijk lichaam deels in opgelosten i), deels in onopgelosten toestand voor, en hebben eene dergelijke samenstelling, I, bl. 178. quot;Wij vermelden van de eerste:

!) Do eiwitstoffen behooren moest tot ile zoogenaamile colloïden ilie als niet geheel oplosbaar worden beschouwd omdat zij niet door een dierlijk vlies gaan.

-ocr page 25-

O

a. Gewoon eiwit of albumine, overeenkomende met liet plantenalbumine, I, bl. 178, oplosbaar in zuiver water en voorkomende, behalve in liet dierlijk ei, in het bloedvocht (serum), de lymphe enz. b. GlobiiUnes, oplosbaar in oplossingen van chlooralkaliën van bepaalde sterkte (10 proe. opl.) en welke gevonden worden in het bloed, in de spieren en in eidojer. c. Kaasstof of caserne, oplosbaar o. a. in basisehe-alkalizouten en dus stollende als de vloeistof zuur wordt, voorkomende in de melk. d. Eiwitstoffen, oplosbaar zoolang liet dier leeft, maar bij den dood stollende. Hiertoe behooren de fibrine in het bloed, die oorzaak is van het dikworden van het afgetapte bloed en de rnyosine in de spieren, welke het stijfworden van een lijk veroorzaakt.

Van de eiwitstoffen die in onopgelosten toestand voorkomen vermelden wij het haemaglobine, eene eiwitstof verbonden met eene kleurstof (haematin) en die het hoofdbestanddeel van de roode bloedlichaampjes vormt.

2. Lijmgevende stoffen. In samenstelling komen deze veel met de eiwitstoffen overeen en worden daartoe niet zelden gerekend. Zij bestaan ook uit koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof en zwavel maar zijn gewoonlijk iets rijker aan laatstgenoemde twee elementen. Zij zijn uit de eigenlijke eiwitstoffen ontstaan, en in het dierlijk lichaam steeds in vasten toestand voorkomende, geven zij, evenals de cellulose in eene plant, aan verschillende weefsels en organen de noodige stevigheid. Zij vormen zoo het vaste deel van de spieren (het bindweefsel), terwijl de vloeibare of halfvloeibare eiwitstoffen het weeke bestanddeel hiervan uitmaken. Voorts vormen zij het hoofdbestanddeel van de kraakbeenderen, van het verbrandbare deel der beenderen, van de banden, pezen en van de huid. — Do samenstelling van deze verschillende lijmgevende stoffen is niet volkomen dezelfde. Ook in hare eigenschappen verschillen zij eenigszins, en daarom worden zij veelal door verschillende namen aangeduid, als osséine in de beenderen, chondrine in de kraakbeenderen. Zij komen echter hierin met elkander overeen, dat zij bij koking mot water nagenoeg alle opgelost, maar bij bekoeling weder vast worden, in tegenstelling met de eiwitstoffen, die juist bij koking uit eene oplossing veelal stollen, dat is vast worden; en de gemeenschappelijke naam, lijmgevende stoffen, heeft men aan deze verbindingen gegeven, omdat zij door koking met water de bekende lijm leveren.

Tot de lijmgevende stoffen werden vroeger ook gebracht: de hoorn*tof, het hoofdbestanddeel van de horens, hoeven, haren en opperhuid, en het elastine, een bestanddeel van het zoogenaamde veerkrachtig weefsel. Beide bestaan ook uit dezelfde elementen maar de hoornstof is veel rijker aan zwavel, -4 a 5 pet., en bezit eenigszins andere eigenschappen — zij is b.v. niet verteerbaar — en ook het elastine wijkt in enkele eigenschappen (zij is mede moeilijk verteerbaar) van de lijmgevende stoffen af.

3. Fermenten. Met dezen naam (verg. 1, bl. 180) worden eene menigte verbindingen aangeduid, die in verschillende dierlijke vloeistoffen, als speeksel, maagsap, alvleeschsap enz., de zoogenaamde secretiën, voorkomen en bepaalde veranderingen in de voedingsstoffen veroorzaken, waardoor deze zoogenaamd verteerbaar worden. Wij komen daarop later terug en noemen hier slechts de belangrijkste, nl. ptyalin in het speeksel, pepsine in het maagsap, pancreatin en thrypsine in het alvleeschsap.

-ocr page 26-

6

Al doze verbindingen worden evenals de lijmgevende stoffen, de hoornstof en do eigenlijke dierlijke eiwitstoffen, uit de in liet voedsel voorkomende eiwitstoffen gevormd, waaruit reeds do belangrijkheid van do eiwitstoffen in het voedsel van onze huisdieren blijkt.

4. Verschillende andere stikstofverbindingen. Behalve de genoemde komen in een dierlijk lichaam nog verschillende andere stikstofhoudende verbindingen voor, b.v. de galzuren in de gal en verschillende kleurstoffen. Stikstofhoudond zijn ook de meeste afslijtingsproducten van 't dierlijk lichaam, nl. verschillende araidoachtigo stoffen als: de pisstof (ureum), het piszuur on 't paardenpiszuur in de urine, het kreatin en kreatinin in het vleesch enz.

II. Stik stof vrije verbindingen. Terwijl de stikstofhoudende eiwit- en lijmgevende stoffen vooral als bouwstof van het dierlijk lichaam dienen, worden de stikstofvrije verbindingen moer voor de voortbrenging van warmte en van arbeidsvermogen in hot dierlijk lichaam gebruikt; sommige daarvan kunnen daartoe ook als reservestof in het lichaam worden opgehoopt, evenals b.v. zetmeel in oeno plant. Als zoodanig moet in de eerste plaats genoemd worden;

1. Vet, van eene dergelijke samenstelling als de I, bl. 176 vermelde vetten en oliën. In het vet onzer huisdieren hebben de vaste stearine on do palmitine echter de overhand boven de vloeibare oloïno; vandaar dat het bij de gewone temperatuur steeds vast is en hoe moer stearine en palmitine (vooral het eerste) daarin voorkomt, des te vaster is het vet.

Onder den naam van talk, ongel of reuzel wordt hot vet gewoonlijk aangeduid, dat in de buikholte rondom de nieren, in het net en 't darmscheil en in het vleesch (zie hieronder spier- en bindweefsel) voorkomt. Ook het gele beenmerg bestaat bijna geheel, 't ruggomerg en de zenuwen voor ruim 200/o on de hersenen voor ongeveer 8 % uit vet, dat overigens in bijna alle lichaamsdoelen in kleine hoeveelheid gevonden wordt. Eenigszins moer samengesteld is de boter, het bekende vet dor molk, gelijk ons later bij de zuivelbereiding zal blijken.

2. Koolhydraten. Van deze vermelden wij in de eerste plaats het ghjeogeen, eene stof die, wat hare samenstelling betreft, het meest met zetmeel overeenkomt, maar in koud water althans schijnbaar oplosbaar is. Zij wordt vooral in de lever maar ook in de spieren opgehoopt en ontstaat hier uit druiven-suiker of uit eiwit, die met het bloed worden aangevoerd. Gelijk wij later zullen zien speelt deze stof in het dierlijk lichaam eene dei-gelijke rol als het zetmeel in eene plant. In de tweede plaats noemen wij de druivensuiker, die steeds in kleine hoeveelheid in het bloed voorkomt en bij ziekelijke toestanden ook in de urine, terwijl melksuiker een normaal bestanddeel van de melk vormt.

3. Stikstofvrije organische zuren. Hiervan vermelden wij slechts hot melkzuur, dat hot meest bekend is in de zuur geworden melk en zeer algemeen, maar steeds in kleine hoeveelheid in 't dierlijk lichaam verspreid voorkomt, inzonderheid in 't vleesch, in de maag en darmen on in hot voedingsvocht, dat uit maag en darmen in 't bloed overgaat enz.

III. Niet verbrandbare of zoogenaamde aschbestanddeolen worden in alle deelen van een dierlijk lichaam in grootero of geringere hoeveelheid gevonden en hangen nauw samen met zijne stofwisseling, evenals dit in eene plant het geval is. In enkele deelen worden zij meer bepaald opgehoopt

-ocr page 27-

(

om daaraan de noodige vastheid te geven. Zoo vindt men in de beenderen bijna 70 % ascli, waarvan OU 0/o phosphorzure, kalk en verder phosphorxure

magnesia, koolzure kalk en koolzure magnesia en een weinig fluor calcium.

-ocr page 28-

8

Eene nog grootere hoeveelheid asch treft men in de tanden aan, vooral in het tandgiazmir, dat uit 90—980/o niet verbrandbare stoffen bestaat. Als andere aschbestanddeelen vermelden wij: het keukenzout of chloornatrium, het chloorkalium, de phosphorzure kali en phosphorzure soda en het ijxei\ die in verschillende dierlijke vloeistoffen en weefsels voorkomen en bij den groei of voor het vormen van verschillende andere stoffen als de gal, hot maagsap enz. bepaald noodig zijn. Zoo is het keukenzout een nooit ontbrekend bestanddeel van de bloedvloeistof en dient hier waarschijnlijk om sommige eiwitstoffen (globuline) in oplossing te houden. Voorts ontstaat daaruit waarschijnlijk zoutzuur, dat als bestanddeel van het maagsap voor de vertering van 't voedsel dient. Chloorkalium komt regelmatig in de bloedlichaampjes en in het vleeschsap voor, terwijl de phosphorzure zouten (behalve dat zij tot vorming der beenderen noodig zijn) ook dienen tot vorming van enkele phos-phorverbindingen als lecithin en nucléin, die zeer verspreid maar vooral in de hersenen voorkomen. IJzer treft men aan in de bloedlichaampjes (5—7 %) en in kleine hoeveelheid in de haren, de zwarte kleurstof van 't oog enz. Genoeg om aan te wijzen, dat ook deze stof, evenals de hierboven genoemde of hare nadere bestanddeelen als phosphorzuur, kalk, kali, natron en chloor, noodig zijn in 't voedsel van 't dier. Van den anderen kant gaan sommige dezer aschbestanddeelen waarschijnlijk meer toevallig met het voedsel naar binnen en doen zij dus geenerlei nut, evenals zulks in eene plant het geval schijnt te zijn. Verg. I, bl. 206.

Een dierlijk lichaam is nu op eene dergelijke wijze opgebouwd als het lichaam eener plant en ontwikkelt zich ook op eene soortgelijke wijze uit eene cel, het dierlijk ei, als wij dit I, bl. 186 en volg. van eene plant hebben nagegaan. Uit de eicel, Fig. I9, worden na de bevruchting (zie hieronder. Hoofdstuk II) nieuwe cellen gevormd, die eerst gelijksoortig zijn, maar bij de verdere ontwikkeling van het dier in vorm en samenstelling van elkander afwijken en voor verschillende functiën dienen, slechts in enkele gevallen, b.v. bij de bloedlichaampjes. Fig. l1-4, den eigenaardigen celvorm behouden, maar meestal de gedaante van vezels, Fig. 16 en 7 ^ aannemen en zich tot verschillende groepen, weefsels, vereenigen. Uit deze weefsels zijn de verschillende organen en hieruit ten slotte het geheele dier opgebouwd.

De eiwitachtige stoffen of het protoplasma, waaruit eene levende cel bestaat, omsluit een meestal in het midden gelegen kern, eu deze op zijn beurt een of meer kernlichaampjes. Een eigenlijke celwand is niet altijd waar te nemen, maar waar cellen aan elkander sluiten ontstaat öf een structuurloos vlies door verdichting van het protoplasma aan den omtrek der cel of er scheidt zich aan den omtrek uit het protoplasma eene kleine hoeveelheid met die van de celinhoud verschillende stof af, die de cellen, als cement de steenen in een muurwerk, aan elkander hecht, öf eene grootere hoeveelheid, die in dit geval den naam van tusschcncelstof of grondxclfstandigheid draagt. Is er alzoo tussehen de cellen slechts eene dunne laag, b.v. in de opperhuid. Fig. 112 en 13) (ian is het alzoo gevormde weefsel duidelijk als uit cellen opgebouwd te herkennen. Bij aanwezigheid van grondzelfstandigheid komen de cellen verder van elkander te liggen. Fig. l11, en is de opbouwing van het weefsel uit cellen minder

-ocr page 29-

9

gemakkelijk waar te nemen. In de gronclzelfstandigheicl vormen zicli vaak door verdichting en verharding vastere deelen of er zotten zich anorganische stoffen, vooral kalkzouten in af, waardoor het weefsel meer vastheid, ja hardheid krijgt (bindweefsel, veerkrachtig weefsel, beenweefsel). Nog in andere gevallen bevinden de cellen zich in eene vloeistof die er een zelfstandig geheel mede vormt. In dit geval spreekt men wel van eene vloeibare grondzelfstandigheid en van een vloeibaar weefsel.

De volgende weefsels kan men onderscheiden;

1. quot;Weefsels enkel uit cellen bestaande of cellen die door een dun vlies aan elkander zijn gehecht (celweefsel). Deze weefsels worden gevonden aan de oppervlakte der huid en aan die van verschillende holten, klieren enz., welke met de buitenlucht in gemeenschap staan, zooals het darmkanaal, de longen enz. Deze organen zijn namelijk aan hare vrije oppervlakte met eene of meer lagen cellen bekleed, welke de daaronder liggende deelen voor uitwendige invloeden min of meer beschermen, soms, zooals in het darmkanaal, ook dienen om voedingsstoffen op te slurpen, of zooals in de longen eene mechanische werking uit te oefenen en slijm, stofjes enz. uit het daarmede bekleede orgaan te verwijderen of te verplaatsen, enz.

Men duidt dit weefsel in het algemeen met don naam epithelium (beklee-dings- of met betrekking tot de huid opperhuid weefsel) aan, Fig. 2. Ook de

haren, nagels, horens, hoeven on klauwen bestaan daaruit. De gedaante zijner cellen is zeer verschillend: aan de opperhuid plaatvormig, in hot darmkanaal meestal cilindervormig; in de baarmoeder, de luchtpijp enz. is hare vrije oppervlakte met kleine haartjes (cili'ón) bezet, welke in eene voortdurende heen- en weergaande beweging zijn, waardoor de bovengenoemde mechanische werking wordt uitgeoefend.

Fig. 2. Plaatvormig epithelium Het epithelium is meestal niet vergezeld van

(bovenste laag) uit de pens van zenuwen noch van bloedvaten. Het is derhalve een rund; a,celkernen. Vergr. 250.

zonder gevoel (aan onze opperhuid, de haren, nagels enz. het bost waar te nemen) en groeit slechts daar, waar het met de andere weefsels samenhangt. Een gedeelte zijner cellen wordt voortdurend afgestooten en gaan in slijm over of verhoornen (opperhuid). Intussehen worden in de daaronder gelegen lagen steeds nieuwe cellen gevormd uit de bloed-vloeistof die uit het daarmede samenhangend weefsel diffundeert.

Ook lichaamsholten en verschillende klierbuizen, die niet met do buitenlucht in verbinding staan, zijn met een dei-gelijk weefsel bekleed. De cellen van dit Aveefsel, dat men endothelium noemt, dienen om als een filter verschillende vochten door te laten.

2. Weefsels waarbij de grondzelfstandigheid meer op den voorgrond treedt, zoodat do eigenschappen meer afhankelijk zijn van deze dan van de cellen. Bij koking gaat de grondzelfstandigheid, inzoover ze uit organische stoffen bestaat, in lijm of verwante stoffen over, bl. 5; vandaar den naam lijmgevend weefsel, waarmede zij ook wel bestempeld worden. Over 't geheel geven deze weefsels steun en stevigheid aan verschillende

-ocr page 30-

10

organen on dienen zij om tie meer weeke deelen met elkander te vereenigen. Naar do verhouding van hare hoofdbostanddeolon: grondzelfstandigheid, cellen on vezols tot elkander kan men onderscheiden: bindweefsel, waartoe ook het velweefsel en hot veerkrachtig weefsel gebracht kunnen worden, het kraakbeen-, heen- en tandbeenweefsel.

a. Bindweefsel. Dozen naam heeft men aan dit weefsel, dat in verschillende deelen van hot lichaam gevonden wordt, gegeven, omdat hot vooral dient om verschillende dooien aan elkander te verbinden, ofschoon zulks nog zeer verschillend geschiedt en het weefsel ook nog van verschillende geaardheid is. Als eone losse massa treft men het tusschen de huid en de daaronder liggende dooien aan, hot omgeeft de spieren on vereenigt de spierbundels.

Zet zich in dit losse weefsel vet af, zoo wordt het velweefsel gohoeten. Waar dit geschiedt bestaat het bindweefsel uit betrekkelijk «rooto cellen met dunnen wand, welke met vet gevuld zijn. Ook het votwoefsel is zeer algemeen in hot lichaam verspreid, vooral rondom de beweegbare organen en die welke aan afkoeling zijn blootgostold; slechts in enkele zijner deelen, als in don schedel, de nieren en do milt komt het nooit, op andere plaatsen. als rondom hot hart, de nieren, in de oogholten enz. bestendig voor. Zijne hoeveelheid hangt evenwel nauw samen met don staat dor gevoedhoid van 't dier. Is dit gemest, zoo wordt het vooral aangetroffen rondom de nieren, hot net en !t darmscheil, onder de huid en in hot bindweefsel dor spieren, Fig. 3 en l7, (doorwassen vleesch). Bij ziekte en slochto voeding verdwijnt het vet uit dit weefsel; dan is 't mot een waterig vocht gevuld, vandaar dat mager vleesch moor water bevat. Met vet gevuld, geeft dit weefsel afronding aan een dier. Het vet zelf kan als eone rosorvestof worden beschouwd, die in tijd van gebrek, tot onderhoud van 't leven gebruikt wordt en als een slechte geleider van warmte hot dier warmer houdt. Komen in het bindweefel veel vezels voor, dan is

Fiquot; 3 Vier dwarssre- '1Gt: harder en vaster en hoeft oen moer bepaalden sticopte spiervezels, waar- vorm. Zijn deze vezels veerkrachtig, zoo noemt men ^eWe^zijn^08 vetweefsel het gewoonlijk veerkrachtig weefsel. Dit veerkrachtig weefsel vormt het hoofdbestanddeel van de banden, waarvan do bekende nekband der paarden, runderen enz. tot voorbeeld kan dienen. Ook maakt hot een bestanddeel uit van do huid en van den wand der slagaderen, waardoor deze veerkrachtig zijn. De veerkrachtige vezels leveren bij koking geen Jijm. Dit is wel het geval mot do niet-veerkrachtige vezels, die, in kleine bundels vereenigd, de hoofdmassa van de uiteinden der spieren, de pozen vormen on daaraan bij goringen omvang grooto vastheid geven.

b. Kraakbeenweefsel. Dit weefsel bestaat uit eone grondzelfstandigheid, die nog van verschillende hoedanigheid kan zijn (doorschijnend, vezelig en veerkrachtig) en uit cellen, die in een van een kapsel omgeven holte liggen. Fig. 4 en l1'1. Het vormt hot hoofdbestanddeel van het weeke en buigzame kraakbeen, waaruit oorspronkelijk, in don footustoestand van hot dier, ook do beenderen bestaan. Langzamerhand gaat het in eigenlijk beonweefsol over en slechts in enkele gedeelten van 't lichaam, b.v. de ooren en aan de uiteinden

-ocr page 31-

11

der ribben en 't borstbeen, is hot moer blijvend. Later lean ook kraakbeen verkalken, dat is zich kalkzouten in do grondzelfstandig'heid afzetten, waardoor liet ondoorschijnend en broos wordt en zijne buigzaamheid verliest; maar

dit kan ook met enkele andere weefsels plaats hebben.

c. Beeniveefsel vormt het hoofdbestanddeel van de beenderen en onderscheidt zich van liet kraakbeen weefsel o. a. doordat het niet buigzaam en rekbaar, maar hard en broos is. Deze eigenschap heeft liet verkregen door afzetting van zouten (phosphorzure en koolzure kalk en phosphorzure en koolzure magnesia met een weinig fluorcalcium) in de grondzelfstandigheid.

De beenderen vormen of oene vaste, dichte massa öf zijn meer sponsachtig. Vast zijn in den regel de deelen aan den omtrek van een been, meer sponsachtig en los de centrale deelen en de kubusvormige beenderen, b.v. die van den voetwortel en de wervels. Do vaste deelen bestaan uit plaatjes die evenwijdig aan den omtrok en verder concentrisch om kanaaltjes (de Haversche of mergkanalen) loopen, Fig. 5. Deze kanaaltjes staan met elkander in verbinding en bevatten o. a. zenuwen en bloedvaten. De sponsachtige beenderen bostaan uit balkjes en plaatjes, op verschillende wijze tegen elkander geplaatst en holton vormende % waarin een week weefsel gevonden wordt.

uit van do beencellcn of osteoblaslen,

die

evenals de plaatjes kringsgewijze geplaatst zijn, Fig. I10 en Fig. 5. Bij den overgang van kraakbeen in waar been wordt het eerste goresorbeerd en worden door do cellen de zouten in de grondzelfstandigheid van hot ver

5. Beenweefsel: a, lengte, ft, dwarsdoorsnede. In a /iet men twee mergkanalen, waarvan de bovenste zich vertakt; in 6 twee in het midden der kringen.

vormde weefsel afgescheiden, waardoor dit vast wordt. Is het boen gevormd, zoo wordt do plaats der ostooblaston ingenomen door do beenlichaampjes, dat zijn kleine aan haren omtrek vertakte en mot sap gevulde holton, waarin meestal nog celkernen worden aangetroffen. De pijp- en andere grooto beenderen worden daarbij hol en met merg gevuld. Door de kanaaltjes aan haren omtrok staan de beenlichaampjes met elkander en mot de ovengenoemde mergkanalen in verbinding, welke laatste hot geheele boon doortrekken en waarin zich bloedvaten en zenuwen bevinden, waardoor de stofwisseling in hot been moge-

-ocr page 32-

12

lijk wordt gemaakt. Uitwendig zijn de beenderen, inzoover zij uit waar been bestaan, met eene huid (het beenvlies) bekleed, waarvan Inin verdere dikte-groei uitgaat en waarin zich bloedvaten verspreiden, welke met de zooeven vermelde kanalen en kanaaltjes in verbinding staan. Do lengtegroei der pijp-beenderen heeft daar plaats, waar naar de uiteinden toe kraakbeen in echt been overgaat. Zoodra die overgang ophoudt, houdt ook de lengtegroei op.

Het merg der beenderen kan men onderscheiden in rood beenmerg, dat in de korte beenderen en in de uiteinden (epiphysen) der pijpbeenderen gevonden wordt en veel bloedcellen bevat en geel beenmerg, dat o. a. in de inwendige holte van het middenstuk (diaphyse) der pijpbeenderen aanwezig is en grooten-deels uit vet bestaat.

(/. Tandbeenweefsel. De hoofdmassa der tanden bestaat uit tandbeen. Van boven is dit, als met eene muts overdekkend, glazuur bekleedt, dat als een verkalkt epithelium is te beschouwen en van onderen, aan den wortel der tanden, door eene cementlaag omgeven, dat eene dergelijke structuur en samenstelling heeft als het beenweefsel. Hier is het tandbeen ingestulpt en op een papil of tandkiem geplaatst, waarvan de groei der tanden uitgaat. Ook het tandbeen bestaat uit eene verkalkte grondzelfstandigheid, die echter meer vezelig en met talrijke kanaaltjes doortrokken is; de daarbij behoorende cellen liggen alle boven de tandkiem, derhalve aan den ondersten ingestulpten wand van het tandbeen.

3. Vloeibare weefsels. Bij deze weefsels bestaat de grondzelfstandigheid uit eene vloeistof, waarin zich cellen vrij bewegen, die met de vloeistof één geheel vormen en daannede in wisselwerking treden. Hiertoe behooren:

a de lymphe, eene geelachtig gekleurde of kleurlooze vloeistof, die alle weefsels omspoelt en behalve in de lymphvaten, in holten en spleten van liet bindweefsel gevonden wordt. De daarin voorkomende kleine ronde cellen zijn bekend onder den naam van lymphcellen.

b. de synoviale vochten. Hieronder verstaat men eene draderige, geelachtig gekleurde vloeistof, welke in de gewrichtsholten, rondom de pezen enz. gevonden wordt en met lyinphe veel overeenkomst heeft.

k. de chyl in de in den darmwand ontspringende chylvaten. Zij verschilt van de lyinphe door de groote hoeveelheid kleine vetdruppels die er in aanwezig zijn en haar een vetachtig uitzicht geven.

d. Bloed. Ook dit is eene min of meer geel gekleurde vloeistof, die echter rood ziet door de daarin aanwezige roode bloedcellen of bloedlichaampjes. Behalve roode komen in het bloed ook witte lichaampjes voor, die den naam van leucocyten dragen.

Over de samenstelling dezer vloeibare weefsels en hunne verhouding tot elkander zie men hieronder bij den bloedsomloop.

4. Spierweefsel. Dit weefsel vormt wat men in 't dagelijksch leven gewoon is vleesch te noemen; het is het vleesch zonder 't vet, 't bloed, de zenuwen, enz. daartusschen, kortom liet vormt de hoofdmassa van de voor de beweging dienende spieren, zonder de pezen waarmede deze aan de beenderen of aan elkander gehecht zijn. Keeds een oppervlakkig onderzoek toont ons aan, dat het vleesch of juister eene spier uit een bundel draden bestaat, die men in hunne lengte in kleinere en deze nogmaals in kleinere bundels

-ocr page 33-

13

kan splijten, die eindelijk zoo fijn zijn, dat men ze niet meer met het bloote oog kan onderscheiden. Deze allerfijnste draden worden spiervezels of 'primitief-hundels, Fig. 3 en Fig. I7, geheeten. Deze primitiefbundels zijn namelijk te beschouwen als in de lengte met elkaar vergroeide cellen, zoodat in één bundel verscheidene kernen voorkomen; zie Fig. I7. Zij zijn met bindweefsel tot bundeltjes, deze op gelijke wijze tot bundels en de bundels op hunne beurt tot grootere bundels en eindelijk tot de geheele spier vereenigd. Ook de spier zelve is door bindweefsel, de zoogenaamde spierscheede, omgeven. Deze eigenaardige inrichting veroorzaakt, dat wij het in de richting van den draad gesneden vleesch taaier vinden dan het dwars op den draad gesnedene. In 't laatste geval wordt namelijk het taaiere bindweefsel ook fijn gesneden, en in het eerste geval niet of weinig. In een gemest dier zet zich in dit bindweefsel vet af.

De spiervezels hebben het vermogen zich samen te trekken. In de 'meeste spieren blijken zij bij genoegzame vergrooting duidelijk dwars en, schoon minder duidelijk, overlangs gestreept te zijn; zie Fig. I7. Andere spiervezels, hoofdzakelijk van zulke spieren, welke onafhankelijk van den wil zijn, als die dor ingewanden, de bloedvaten, de baarmoeder enz. zijn niet gestreept maar glad, Fig. 1° en Fig. C. Zij zijn bleeker en minder samentrekbaar dan de dwarsgestreepte.

De spieren zijn de organen voor de beweging van 't dierlijk lichaam. Zij zijn door middel van pezen aan de beenderen enz. be-^ vestigd en door zich samen te trekken, doen zij de

beenderen en alzoo het daarmede verbonden lichaamsdeel in de gewrichten draaien. Elke spier is voorzien van talrijke zenuwtakken en bloedvaten, welke in een omhulsel van bindweefsel tusschen de bundels heen-loopen. De eerste geven den prikkel tot samentrekking der vezels, de laatste voeren het bloed voor de stof-a wisseling en de voeding aan.

5. Het zenuwweefsel vormt het hoofdbestanddeel van de hersenen, het ruggemerg en de zenuwen. Meestal zijn de cellen van dit weefsel in lange draden (zenuwvezels) veranderd; in andere gevallen (in de zoogenaamde gangliën. Fig. I5) is de celvonn nog duidelijk te herkennen.

Uit deze verscliillende weefsels zijn nu do minder of meer samengestelde organen van een dierlijk lichaam opgebouwd. Eenvoudig samengestelde organen zijn b.v.

Fis. 0. Spiervezels (^e klieren, die in het algemeen dienen om stoffen uit uit ilo maag eener koe; het bloed af te scheiden; stoffen die öf nutteloos of spitse0 nkeinflen.''' schadelijk uit het bloed verwijderd moeten worden b.v.

urine, öf voor een bijzonder dool moeten dienen b.v. het maagsap voor de vertering van 't voedsel of de melk voor do voeding van een jong dier. De door do klieren afgescheiden stoffen worden wol met den vreemden naam van exereliën en senreticn bestempeld.

-ocr page 34-

14

In zijn eenvoudigsteti vorm bestaat een klier uit een tot een zakje of buisje gevormd vlies welks eene zijde met epithelium is bekleed, terwijl aan de andere zijde haarvaten loopen die het bloed aanvoeren. Om do oppervlakte te vergrooten, komen echter in het vlies instulpingen voor welke zich niet zelden op verschillende wijze vertakken en kronkelen, terwijl zich in de alzoo gevormde buis cellen bevinden die de afscheiding van stoffen uit het blood bewerken of tot bepaalde vloeistoffen (excretiën) verwerken.

Eene klier bestaat dus uit een min of meer ingestulpt vlies (de klierbuis) en kliercellen. — De verschillende in het lichaam aanwezige klieren hebben verschillende functiën te vervullen en kunnen elkander, met enkele uitzonderingen, niet in hare functiën vervangen. •

Meer samengestelde organen zijn de huid, het geraamte, de spieren, het darmkanaal enz., waarvan wij nu een overzicht zullen geven met aanduiding van hunne verrichtingen.

II. DE UIT- EN INWENDIGE BOUW DER LANDBOUWDIEREN EN DE VERSCHILLENDE ORGANEN VAN EEN DIERLIJK LICHAAM, MET AANDUIDING VAN HUNNE VERRICHTINGEN.

Wij beginnen met het geraamte of het samenstel van beenderen, dat als het ware den grondslag voor dien bouw vormt. Zie hierbij Fig. 8 en 9.

Evenals 't geheele lichaam kan het geraamte van een onzer landbouwdieren worden verdeeld in: kop {schedel): hals, romp en ledematen. Aan den kop treft men uitwendig aan: de kruin {top), het voorhoofd, het aangezicht, de neus, oogen en ooren, de kaken met de lippen. Zijn geraamte onderscheidt men in schedel- en aangezichtshcenderen. De eerste omsluiten de schedelholte, waarin de hersenen geplaatst zijn; aan den omtrek des schedels treft men verschillende holten voor de zintuigen {oog-, oor- en neusholten) aan. Laatstgenoemde staan in verbinding met de schodelholte door eene of meer openingen tot doorlating van do zenuwen, die uit de hersenen ontspringende, zich in do zintuigen uitbreiden. In den achterschedel wordt eene opening, het achterhoofdsgat gevonden, die de verbinding van de hersenen met het ruggemerg mogelijk maakt.

De beenderen des aangezichts vormen bij onze huisdieren ongeveer eene driezijdige pyramide. Wij vermelden daarvan slechts het neusbeen en de beenderen der hoven- en onderkaak, Fig. 7. Die der bovenkaak zijn drie in getal: twee zijdelingsche stukken en een tusschenstuk (het tusschenkaakbeen). De onderkaak bestaat uit twee aaneengegroeide of met kraakbeen aaneen gevoegde beenstukken.

Alleen de onderkaak is beweegbaar; zij is door eene geleding met het tot den schedel bchoorende slaapboen verbonden en beweegt zich bij het openen en sluiten van den mond behalve op en neer, min of meer zijdelings en naar-voren en naarachteren. De kaken, die met eenige gehemeltebeenderen de mondholte omsluiten, dienen tot bevestiging der tanden, die men in snijtanden, hoektanden en maaltanden of kiezen onderscheidt. Over 't getal en de samenstelling der tanden zal in do Bijzondere Veeteelt liet noodige gezegd worden. Hier vermelden wij alleen dat de snijtanden min of meer beitelvormig zijn en

-ocr page 35-

dienen om hot voedsel af te bijten, terwijl do kiezen van emailplooien zijn voorzien en dienen om het voedsel min of meer fijn te raaien.

Aan den hals, die den kop met den romp verbindt, merkt men uitwendig den nek uk met de karn en de keel k op. Schoon van verschillende lengte treft men hier bij al onze huisdieren 7 beenderen aan, waaraan de naam wervels gegeven wordt. Dergelijke wervels worden in den romp en in de staart gevonden: hals-, horst- of rug-, lenden-, kruisbeen- en staart wervels; zij dragen samen den naam van wervelkolom. Do wervels sluiten aan den onderkant met hun dicht gedeelte, liet zoogenaamde lichaam, aan elkander. Do daarboven geplaatste hogen dragon verschillende uitsteeksels en omsluiten eene holte, waardoor in de geheele kolom, met uitzondering van de staart-wervels, een kanaal, het ruggemergkanaal, gevormd wordt. Van de uitsteeksels

vermelden wij de naarboven gerichte doornsgewyze, die op de hoogte der schoft s, en bij 't paard en 't rund ook op de hoogte van 't kruis kr, vrij lang zijn, en de zijdelings geplaatste dwarse uitsteeksels, die aan de lendenwervels

het sterkst ontwikkeld zijn.

Aan de borstwervels, bij het paard 18, bij het zwijn 14 en bij de herkauwende dieren 13 in getal, sluiten zich bij deze verschillende dieren een even groot getal ribben aan. De voorste paren ribben, de ware, zijn met het andere uiteinde aan het horstheen bevestigd. Do overige ribben, bij het paard de achterste 10 paren, bij het zwijn de achterste 7 en bij de herkauwers de achterste 5 paren, sluiten niet aan het borstbeen; zij zijn slechts onderling door kraakbeen vereenigd en worden mlsche ribhen geheeten.

De borstwervels, de ribben en 't borstbeen vormen samen do borstkas. Ter weerszijden hiervan zijn de schouderbladen met de voorste ledematen daaraan bevestigd, geplaatst. Do achterste ledematen zijn verbonden met het hekken, een zeer onvolkomen gesloten kom, welke van boven door het kruisbeen (de 4 a ö met elkaar vergroeide kruisbeen wervels), zijwaarts door de heupbeenderen, van achteren door de xitbeenderen en van voren door de schaaruheenderen gevormd wordt. De lendenwervels, hier vóór geplaatst, zijn bij 't paard en de herkauwende dieren G en bij 't varken 5—7 in getal, terwijl het getal staartwervels bij het paard en 't schaap ongeveer 18, bij het rund 18—20 bedraagt.

Aan de doelen der ledematen en de daarin voorkomende beenderen worden dergelijke namen gegeven als aan cle overeenkomstige deelen van het menschelijk lichaam. Zie de Fig. 8, 0 en 13 mot do verklaring. De beenderen der achterste ledematen zijn; het dijbeen, de knieschijf, het scheen- en 't. kuitbeen, de

-ocr page 36-

16

beenderen van den voetwortel, van den middelvoet en den teen of de teenen; die der voorste ledematen zijn: het opptrarmbeen, de ellepjp en 't spaakheen, de handwortelheentjes, middelhandsbeentjes en vingerkootjes.

Lichaatnsdeelen.

Kon ! 0' 00r' og- 00g' nequot;s' ■ ' hl, bovenlip, ol, onderlip.

Hals: h, hals, nk, nek, k, keel.

Romp

Ledematen

(h, borst, s, schoft,h, borst, s, schoft, r, rug, ld, lendenen, kr, kruis, bk, bnik, j /', flank, l, lies, «t, staart.

l

b, dij- of bovenschenkel, Sch, schenkel of onderschenkel, hk, hak, Spr. g, spronggge-wricht, p, pijp of middelvoet, resp. middelhand, kn, voorknie of handwortel, hf, hoef, v, vinger, resp. teen.

Geiaamtedeelen. bovenkaaak, ok, onderkaak.

li, halswervels.

r, s, borst- of rugwervels met de ribben en van onderen het borstbeen, ld, lendenwervels, kr, heiligbeen- of kruisbeen-wervels, st, staartwervels.

h, heupbeen, z, zitbeen, d, dijbeen, kn, knieschijf, sb, kuit- of scheenbeen (ver-groeid\ vw, voetwortelbeenderen, mv, mid-delvoetsbeen, v', teenkootjes, sb, schouderblad, oa, opperarmbeen, eb, ellepijp, va, spaakbeen, htv, handwortelbeentjes, mh, middelhandsbeen, v, vingerkootjes.

hk.


Terwijl de beenderen der bovenste deelen van do ledematen van alle huisdieren en die van den mensch vrijwel met elkander overeenkomen, beginnen zij van af- den voet- en don handwortel moer van elkander te verschillen.

-ocr page 37-

17

Bij den mensch komen in den voetwortel 7 beenderen voor, in drie rijen geplaatst, maar van de drie beentjes der onderste rij zijn bij het paard de beide binnenste en bij 't schaap en 't rund de twee buitenste tot één been

2: 3. S

2 s

quot;-3 2.:? E= - • «T _

-s s-^O'

2- p jr-rTaQ

2

5 5 i § ^' |

fO S 05' m o crgt;

rtgt; 2 O

3 =-Ciq lt; -5 C

d. g- rtgt; re 3 P 2 =

2 5quot; 2-quot;* x ^

3 ^ ^ fD

„ 3 Squot; 0:2.=

lt; « Squot; ro

6 1 Squot; Cquot;-.. _

» o- 2 ?r

3 Cu o* -• 3 O» C 3: c* fD ^ Oi OQ O rit ^ ® 3 Oquot; --— 3 ... ft» CC

CD 3 (tgt;

quot; tS 5 quot; —

-5-lt;

agt; cr ^ ^ 5 ? 2 ngt; quot; » ^ 3 iyj yT 3- 3

2^ s- i Ï

v.. quot;S CC , quot;3 CD

?|- -5 ° 2 quot; 'cd' ^3 .y; 3* C-

èto£-S = =

cd c-:

r cd

^ r- 2 CD V3

3 .3: 5 - 0-7Q 2.—• lt;oa)

rT) Cr CD CD lt;~,■ CD —-7-3 CD Q 2 P ^ -• 2-

CD •

Z-Z-ë * S

cd j;-2 o-

CD i « O — ^ 2 C/3 3 - • Ir- ^ 2- ^

2-3 -^D i»J 3 —

gt;- m 3quot; 3

re

§ co?--s = to -

quot; 11.

CD re g

CD CD Ct1

3 3 ^

g'CoaT 2. 2 S- ^

c.i3

gt;: 5 re 5 •r-J g re ,?

vergroeid, zoodat hier slechts G beenderen gevonden worden. Deze beenderen vormen samen het spronggewricht van 't dier, aan welks goede samenstelling vooral bij 't paard, gelijk bekend, veel gelegen is. Ook de handwortel of de voorknie bestaat uit verschilende beentjes, in twee rijen geplaatst. Bij den mensch. Fig. 10, 11 en 12, is hun getal 8, bij het paard 7, bij 't rund 6 RKINDERS , III. Vierde druk. 1

1

3. CD 3.3q «t- 3 re re

-ocr page 38-

is

en bij 't varken 7. In den middel voet en middelhand komen bij den mensch 5 beentjes voor, maar bij het paard slechts 3, één groot been, pijphe.en ge-heeten, en daarachter twee kleinere, de (jriffelbeentjes; bij 't rund en schaap treft men hier 2 met elkaar vergroeide en bij 't varken 4, twee grootere en daarachter twee kleinere beenderen aan. Met de middelvoets- of middelhands-beendoren zijn de kootjes van den teen of der teenen en van den vinger of der vingors verbonden. Het paard bezit aan elk der achterpooten slechts één teen met 3 kootjes en aan de voorpooten één vinger met 3 kootjes; 't rund en schaap bezitten aan eiken poot 2 teonen (resp. vingers), elk met 3 kootjes en het varken heeft 4 teonen of vingers met 3 kootjes ieder. Het laatste lid (het laatste kootje) der teenen of vingers is met een hoef bekleed: men noemt hot paard derhalve een éénhoevig {éénteenig), de herkauwende dieren tweehoevig (liveeleenig) en het varken een veelhoevig {veelteenig) dier. Terwijl

de mensch op den geheelen voet loopt, loopt het paard mot eiken poot op één, hot rund op twee en het varken op 4 teenen, waarvan echter slechts de voorste twee den grond raken. Om zulks, wat hot paard betreft, des te beter te kunnen zien, zijn in Fig. 13 het geraamte van een der voorste en een der achterste ledematen vergroot voorgesteld.

Gelijk uit de figuren blijkt, hebben de verschillende beenderen van 't geraamte een zeer verschillenden vorm en verschillende afmetingen. Wat den vorm betreft kan men ze onderscheiden in lange of ^ypbeenderen, platte en kubusvormige. Ook zijn zij op verschillende wijze met elkander verbonden, al naar hot doel, waartoe de natuur ze bestemd heeft. Beenderen, die organen omsluiten, welke geen beleediging van buiten kunnen verdragen, zijn of onbeweegbaar met elkander vereenigd, öf laten slechts eene geringe beweging toe; andere daarentegen kunnen hunnen betrekkelijken stand zeer wijzigen. Onbeweegbaar vereenigd zijn b.v. de verschillende schedolbeenderen, die de hersenen en de daarmede verbonden zintuigen omsluiten. Weinig beweegbaar zijn de

-ocr page 39-

19

verschillende wervels, vooral op de schoft en 't kruis, waar zij de ledematen steun moeten geven; meer beweegbaar zijn die van den staart, welke geen ruggemerg bevatten en die van den hals en de lendenen, wier grootore inwendige holte eene grootere speelruimte voor het ruggemerg toelaat. Het meest

kunnen de beenderen van de voor plaatsverandering dienende ledematen bewogen worden.

De verbinding van dergelijke beweegbare beenderen noemt men geledingen of gewrichten en onderscheidt die in: 1. onvolkoniene geledingen , wanneer tusschen de beenderen wel eenige beweging mogelijk maar deze toch zeer beperkt is, b.v. de verbinding der ribben met de wervels, die der beenderen van den handen voetwortel enz.; 2. kogelgewrichten, als de beenderen zich in verschillende richtingen kunnen bewegen en om hunne as kunnen ronddraaien, b.v. de verbinding van 't dijbeen met het heupbeen (heupgewricht) en die van 't opper-

Fig. 12. ^4, hand van den mensch; armbeen met het schouderblad (schouder- of B, hand van het varken, ter ver- , • j tt . i i n • • n.

gelijking. In elke vinger telt men OOecjgewTichl). Het OGweegbare beGn IS in dit

drie kootjes, de duim is dus bij geval van een rond gewrichtshoofd voorzien, liet varken afwezig. i ^ ^ ^ , i •.

dat m eene holte van het andere been sluit;

3. scharniergewrichten, als het been zich slechts in ééne richting om hot

andere bewegen (buigen of strekken) kan, b.v. de verbinding van 't dijbeen

met het scheenbeen (kniegewricht), die van 't opperarmbeen met de ollopijp

on 't spaakbeen (ellebooggewricht).

Voor het bijeenhouden der beenderen dienen verschillende banden, dat zijn sterke en min of meer veerkrachtige massa's, welke over de geleding heen van het eene tot hot andere been of langs eene geheele rij van beenderen loopen. Van het laatste geval geeft ons de bekende nekbaml, die vooral bij paarden en runderen sterk ontwikkeld is en hier van de doornsgewijze uitsteeksels der wervels deels naar den schedel, deels met verschillende takken naar de middelste halswervels loopt, een goed voorbeeld. Schedel en halswervels zijn daardoor als 't ware aan eene veer opgehangen, waardoor eene al te groote schudding van deze deolen bij de beweging van 't dier voorkomen wordt. Samentrekking der spieren bij de beweging van beenderen gaat veelal met eene uitrekking der banden gepaard. Eene te groote krachtsinspanning, waarbij de banden te veel worden gespannen, geeft niet zelden aanleiding tot ontsteking van deze deelen en moet dus vermeden worden.

Van de grootte der beenderen en hunnen betrekkelijken stand hangt de geheele vorm en, ook omdat zij moeten dienen tot bevestiging der spieren, in vele opzichten de sterkte van een dier af. Bij 't beoordeelen of een dier voor het een of ander doel goed gevormd is, moeten dus de grootte en do betrekkelijke stand der beenderen in de eerste plaats in aanmerking worden genomen. In mageren toestand kan daarom in vele gevallen beter over dien vorm geoordeeld worden, dan wanneer het dier gemest is. Het vetweefsol toch geeft aan het dier afronding van vorm, doordien het do holten tusschen

-ocr page 40-

20

de spieren enz. opvult en de uiteinden der beenderen of hunne uitsteeksels en

-ocr page 41-

21

merkt. De meeste spieren zijn met hare uiteinden, de pezen, aau de beenderen bevestigd en doen deze in hunne gewrichten draaien; andere zijn verbonden met de huid en doen deze bewegen; nog andere maken een bestanddeel uit van de inwendige organen; het darmkanaal, 't hart enz. Laatstgenoemde keeren meestal in zich zelve terug en vernauwen alzoo door hare samentrekking-de holte, die zij omsluiten. Ook zijn de bewegingen, door do spieren dezer

inwendige organen veroorzaakt, als het kloppen van 't hart, het wormsgewijze op- en neergaan van 't darmkanaal enz., onafhankelijk van den wil, terwijl die, welke veroorzaakt worden dooide spieren der beenderen en de huid, in den regel daarvan afhankelijk zijn. Alle spieren staan echter in verbinding met zenuwen, waarvan de eigenlijke prikkel tot beweging moet uitgaan. De pezen, waarmede de spieren aan de

beenderen zijn gehecht, zijn veel dunner dan liet middengedeelte, de buik der spier, en niet veerkrachtig maar even vast. Daardoor wordt plaatsing gevonden voor de aanhechting der spieren; zie Fig. 1Ö en 17.

Het bewegend vermogen der spieren is gelegen in hare samentrekking; de beenderen waartussehen zij zijn ingeplant doen daarbij dienst als hefboomen. Fig. 14—17 kunnen ons daarvan een denkbeeld geven. In Fig. 14 zijn een drietal spieren aan den arm van een mensch voorgesteld. De spier, met 1 aangeduid, ingeplant tusschen het opperarmbeen en de duimkootjes, is de buiger van den duim; 2, de tweehoofdige armspier, tusschen het schouderblad en liet spaakbeen, is de buiger van den benedenarm; 3, is do binnenwaarts-

-ocr page 42-

draaier van do liand. In Fig. 15 is nu voorgesteld, hoe de tweehoofdige arm-spier bij liet opbeuren van den benedenarm werkt. De beenderen van den benedenarm dienen hier tot éénarmigen hefboom, die in het ellebooggewricht zijn steunpunt vindt en hier kan draaien; de benedenarm en het gewicht in de hand genomen vormen den last; de kracht grijpt aan daar waar de pees i aan het spaakbeen bevestigd is: de hefboomsarm der kracht is dus kort. Uit de figuur ziet men dal bij het samentrekken der spier, waarbij de benedenarm in een horizontalen stand komt, de spier m verkort maar tevens dikker is geworden. (Zeer goed waar te nemen wanneer men bij het opbeuren van den benedenarm de hand op de spier houdt.)

Op oene dergelijke wijze werken nu ook de spieren bij onze huisdieren. Fig. 1G doet de voornaamste uitwendig gelegen spieren van het paard zien, omtrent wier aanhechting en benaming wij echter in geene bijzonderheden kunnen treden ; Fig. 17 , die van den rechter-achterpoot van het rund, waarvan de namen bijgevoegd zijn. Op oen paar punten wenschen wij echter nog de aandacht te vestigen. In het hierboven gegeven voorbeeld werkt de kracht aan een korten, de last aan een langen hefboomsarm. Daardoor wordt aan snelheid gewonnen, dat is, de benedenarm en zijn last kunnen zich snel opheffen, maar de kracht moet naar verhouding dat haar hefboomarm korter is, grooter zijn. Bij het voortbewegen van een dier heeft nu iets dergelijks plaats, wanneer een der ledematen wordt opgebeurd en daardoor vooruitgebracht.

-ocr page 43-

23

Wanneer b.v. de benedenarm met de gebogen voet wordt opgeheven, Fig. 18, dan ligt het draaipunt dr van den als hefboom werkenden benedenarm in het ellebooggewricht, het aangrijpingspunt van de schouderspier (de kracht kr) daar waar deze kort onder het spaakbeen is ingeplant, en het aangrijpingspunt

van den last U — de zwaarte van den poot — in zijn zwaartepunt, d. i. ongeveer in het voorknie-(handwortel-) gewricht. Moet echter het voorste deel van den romp door de op den bodem rustenden jJoot, Fig. 19, voor-uitgeschoven worden, dan ligt het steun- of draaipunt van den hefboom daar, waar de teen den grond raakt ; het aangrijpingspunt der kracht, kr, ligt aan de punt van het elleboogsuitsteeksel, waar de strekspieren van den benedenarm zijn ingeplant, en het aangrijpingspunt van den last — de voor-waartsschuivende bovenarm met hetgeen daarop rust — ligt in hot gewricht tusschen boven- en onderarm. Ook hier werkt dus het gestrekte voorste lid als ecu éénarmige hefboom. In het eerste geval echter (bij hot buigen van den poot) werkt do kracht aan oen korten, tic last aan een langen hofboomsarm en wordt in snelheid go-wonnen ; in het tweede geval werkt do kracht aan een langen, de last aan oen korten hofboomsarm en wordt in snolheid verloren maar in kracht gewonnen. Op gelijke wijze werken de spioron bij het bulgen en strekken van een dor achterste ledomatou. In Fig. 20 werkt do buigspior van hot spronggewricht, wijl zij bij kr is ingeplant, aan tien korten arm van don hefboom, die bij dr

Fig. tquot;. Rechter-achterpoot van het Kiind; ile oppervlakkig gelegen spieren van het bekken en den boven-schenkel zijn weggenomen: 1. lange rugspier; l', ondiepe groef daarvan voor den top van de groote dijspier; '2, pees van de groote dijspier; 3, bovenste deel van de afgesneden middelste dijspier; 3', hare pees; 4-, kleine dijspier; 5, pyramidevormige spier; 0, kleine tweeling; 7, buitenste vulspier; 8, vierhoekige schenkelspier; 9, darmbeenspier; tO, rechte schenkelspier; li, buitenste dikke schenkelspier; t'2, bovenste einde van den achtersten kleinen kop van den bnitenwaartsstrekker; 13, lange binnen waartsstrekker; quot;14, dikke binnen waartsstrekker; 14', onderste deel daarvan; 15. vereenigde korte en groote binnenwaartsstrekker; 16, buitenste tweeling- of knit-spier; 10', Achillespees; 17, dunne strekker van het spronggewricht; IS, scheenbeenbuiger; 10, voorste beneden-schenkelspior; 20, lange teenstrekker; 21, lange kuitbeenspier; 21', pees daarvan; 22, strekker van de buitenste teen; 22', pees daarvan; 23, korte teenstrekker; 24, dikke buiger van het hoefbeen; 25, opbeurder van den staart; 26, zij waartsstrekker van den staart, a, kruis-zitbeenband ; b, buitenste zijband van het kniegewricht; c, spierbanden.

-ocr page 44-

24

in het spixmggewricht draait on hier dus zijn steunpunt heeft, terwijl de last U, de zwaarte van den voet, aan oen langen hefboomsarm werkt. Daarentegen werkt bij het strekken van den achterpoot, Fig. 21, de strekspier, die bij kr is ingeplant, aan een langen hefboom, wijl nu liet steun- of draaipunt dr gelegen is daar waar de voet op de aarde rust, de last It echter, het voor-waartsschuivende achterbeen niet hetgeen daarop rust, aan een kortoren hefboomsarm. Ook hier wordt in het eerste geval, bij het buigen van den poot, aan snelheid en in het tweede geval, bij het strekken van den poot, in kracht

gewonnen. In hot algemeen dus, wanneer de spieren aan de korte hefbooms-armen dor beenderen werken, wordt aan snelheid gewonnen maar aan kracht verloren. Dit is steeds hot geval met de buigspieren die de leden buigen en vooruitbrengen, terwijl door de strekspieren, die het geheele lichaam met de daaraan verbonden last vooruitschuiven, aan lange hefboomsarmen werkende, aan kracht gewonnen wordt maar aan snelheid verloren gaat.

Dooi' de strekspieren moet in het algemeen eene grootere kracht uitgeoefend worden, hare doorsnede is daarom grooter dan die der buigspieren. Zij zijn ook ingeplant aan breedere beenderen, vooral die der ledematen, als het

-ocr page 45-

schoiulorl ilad, hot olleboogsuitsteoksel, do becnderon van hot sprong- 011 ello-booggewricht enz. Bijzonder sterk in do breedte ton kosto van de Jongto zijn dozo ontwikkeld bij zware trekpaarden, in tegenstelling van paarden die een snollen gang hebben. Goede trekpaarden bezitten ook in don regel een gespleten kruis, omdat do hier aanwezige spieren, die tot de krachtigste strekspieren bohooren, alsdan zoo sterk ontwikkeld zijn, dat zij aan weerszijden boven do doornsgewijze uitsteeksels van liet krnisbeen uitsteken.

Wij zullen hier omtrent de verschillende spieren van het lichaam der huis-

Fig. '20. Gebogen achterpoot van Fig. 21. Gestrekte aohterpoot van liet het paard; dr, draai- of steunpunt; paard. De spieren in deze en vorige figuur kr, aangrijpingspunt van de kracht; zijn door lijnen aangeduid.

It, id. van den last.

dieren in geene nadere bijzonderheden treden. Het bovenstaande moge voldoende zijn om te doen zien, dat oene goede spierontwikkoling in het nauwste verhand staat met de kracht, die een dier kan uitoefenen. Wat bovendien daarop van invloed is, zal hieronder bij 't behandelen van de stofwisseling in de spieren blijken.

c. De huid. Het met spieren (vleesch) bekleede geraamte van een dier is verder geheel omgeven door een kleed, dat we gewoon zijn huid te noemen. De huid is echter niet enkel een bekleedingsmiddel, maar ook de hoofdzetel van het gevoel; bovendien bevat zij verschillende klieren, die zweet en vet af-

-ocr page 46-

2G

scheiden. Behalve de uitwendige deelcn zijn ook de holten, die met de buitenlucht in verbinding staan , als de mondholte, het darmkanaal, de geslachts-

openingen enz. met eene huid bedekt, en tot zekere grens zijn deze deelen ook gevoelig, dat is vatbaar om indrukken van de

daarin aaiuvezige voorwerpen te ontvangen. liet moest ontwikkeld is deze zoogenaamde tastzin bij onze huisdieren in de hnidder lippen.

Do huid, Fig. 22, bestaat nit twee hoofdlagen, de op-jperhuid en de daaronder gelegen eigenlijke, huid of Icdcr-huid. Do opperhuid is gevormd nit liet eigenaard ige weefsel , waarvan wij bl. 9 reeds melding maakten. In onze figuur stelt ss do nieuw gevormde laag cellen, hs de min of meer afgestooten, de doode collenlaag voor. Ook de haren en de hoornen van schapen, runderen enz., alsmede de nagels, hoeven, klauwen enz. behooren tot de opperhuid. Ook deze groeien niet aan hun vrij uiteinde, maar ter plaatse waar zij met de andere lichaams-deelen voreenigd zijn: de haren in kleine instul pingen der huid op de zoogenaamde haarpapil, de horens, Fig. 23, op de huid, die de hoornpit (een beenig uitwas van het voorhoofdsbeen) bedekt, de nagels en hoeven op de eigenlijke huid, die het laatste vinger- of teenlid bedekt.

Do zoogenaamde putjes, waarin de haren groeien, hebben meestal een schuine richting en daardoor zijn ook de haren ten opzichte van de huid schuins geplaatst. Gelijk bekend, is die haarrichting niet

-ocr page 47-

27

overal dozclfdo en kan men do huid daarnaar in verschillende velden afdeelen. Een dergelijk veld is de zoogenaamde melkspiegel boven den uier.

Omtrent de samenstelling der. haren zelve treden wij hier in geene bijzonderheden; wij zullen bij de wol der schapen daaromtrent een en ander mede-deelen. Alleen maken wij hier nog opmerkzaam op het bekende feit, dat do huisdieren met uitzondering van 't schaap l) jaarlijks van haar verwisselen. Des zomers is hunne huid veelal met kort dicht-aanliggend haar bedekt {zomcr-haar). Tegen het koude jaargetijde ontwikkelen zich kleine zoogenaamde pluimharen daartusschen; de gladde haren richten zich daarbij meer op, zoodat het geheele baarkleed nu ruiger is en oud of winterhaar gebceten wordt. In 't voorjaar of, hij ruime stalvoedering en warme standplaats reeds vroeger, wordt dit oude haar afgeworpen en door nieuw of zomerJiaar vervangen.

Daar deze verwisseling niet zelden zeer snel plaats heeft, gaat hiermede eeue vermeerderde toevoer van bloed naar de huid gepaard, waardoor het dier gevoeliger voor schadelijke invloeden wordt; werkdieren moeten in dit tijdperk zooveel mogelijk van te veel arbeid onthouden en in 't algemeen de dieren voor te groote afwisseling van temperatuur beveiligd worden.

Do eigenlijke huid, — ook lederhuid gehceten, omdat zij door verwijdering der opperhuid en het onderhuidsche bindweefsel en behandeling met looistoffen tot leder bereid wordt — is rijk aan bloedvaten h{i. en do zetel van de zwectkliertjes sd, de smecrkliertjes id en van do yevoelslepelljes hw, waarin zenuwen eindigen; waarover later. Het onderhuidsche bindweefsel uh, dat de huid met het vleesch vereenigt, is eene der bewaarplaatsen van het vet der dieren. In gemesten toestand, wanneer zich daarin vet opgehoopt heeft, geeft dit weefsel aan het dier ronding en een belangrijk beschuttingsmiddel tegen koude. Eene niet te dunne maar ook niet te grove en eene los aanliggende huid, die op eene goede ontwikkeling van de huid klieren of van het onderhuidsche bindweefsel wijst, is voor vele onzer landbouwdieren, inzonderheid voor mestvee, het meest gewenscht. Zie kenmerken van melk- en mestvee, enz.

d. Het zenuwstelsel. Do hersenen, 't mggemerg en de daarmede verbonden zenuwen en hare eindtoestellen, de zintuigen, vormen de organen, waardoor hot dier zich met de buitenwereld in betrekking stelt. Hersenen en 't rnggemerg. Fig. 24, hh en rk, noemt men het centraal of middelpunt-^leelte; de zenuwen , welke daaruit haren oorsprong nemen en zich in de verschillende doelen van 't lichaam verspreidon, hot peripherisch of omireAsgedeelte. De laatste zijn of gevoels- bi bewegingszemvwen óf gemengd. De gevoels- of gewaarwor-dingszonnwen dienen om de indrukken, door de zintuigen opgevangen, te geleiden naar de hersenen; hier krijgt het dier — hoe weet men niot — bewustzijn van deze indrukken. De geleiding der bewegingszenuwen is juist omgekeerd. Zij brengen don wil van 't dier, die zijnen zetel hooft in de horsenen, over op do spieren, welke zich daarop samentrekken en beweging

Volgens Bendz, Körperbau n. Leben der landw. Haussauijelhiere, wisselen de schapen in koude streken, b.v. op IJsland en de Faroër, en wel in de maand Juni, wel van haar.

-ocr page 48-

28

veroorzaken. En, schoon onafhankelijk van den wil, staan ook de andere bewegingen, als het kloppen van 't hart enz. onder den invloed van zenuwen. Het zenuwstelsel moet dus als een van de belangrijkste organen van een

dier worden beschouwd. Datgene wat men den aard, de natuur of het temperament van een dier noemt, is grootendeels van zijn zenuwstelsel afhankelijk, ofschoon ook de overige organen daarop van invloed kunnen zijn.

-ocr page 49-

29

e. De ingewanden. Onder ingewanden verstaat men de organen, welke in de groote lichaamsholte onzer dieren worden aangetroffen, Fig. 24. Door liet middenrif is deze holte in tweeën verdeeld: de borst- en de huikholte.

In de borstholte bevinden zich de longen en 't hart of de hoofdorganen voor den bloedsomloop en de ademhaling en in de buikholte de maag met de darmen enz. of de hoofdorganen voor de spijsvertering, alsmede de nieren, die de pis afschciden en de voortplantingsorganen.

De borstholte wordt gevormd door do borstkas, Fig. 8, 9 en 24, waarvan de ruimten tusschen de beenderen gesloten zijn: zijwaarts door de tnsschen-ribspieren, van voren door de halsspieren en van achteren door het middön-rif, eene dunne plaatvormige spiermassa, die zich vanaf het kraakbeenig gedeelte van 't borstbeen langs de ribben tot aan de lendenwervels min of meer bolvormig uitstrekt. Inwendig is zij bekleed door het horstvlies, dat tevens de omkleedsels vormt van de bovengenoemde daar aanwezige organen.

Do beenige grondslag der buikholte is minder volkomen. Hare benedenzijde wordt slechts voor een gedeelte door beenderen ondersteund; aan hare bovenzij treft men de lenden wervels en aan haren achterkant de beenderen van het bekken aan. Verschillende spieren aan deze beenderen bevestigd, vormen samen een gesloten geheel, dat inwendig bekleed is met het buihvlies, 'twelk ook hier weder do omkleedsels levert voor do in deze holte aanwezige ingewanden en een vocht afscheidt, dat de ingewanden glibberig maakt, waardoor deze in hunne beweging minder wrijving ondervinden. Het buikvlies is namelijk als 't ware een zak met vele plooien, in welke plooien de maag, de darmen enz. gevat zijn en onderling in verband gehouden worden. De plooi, waarin hoofdzakelijk de dunne darmen bevat zijn, heet darmscheil, terwijl het omkleedsel der maag het groote net en dat, 't welk de lever en de maag en de darmen gedeeltelijk omgeeft, het kleine net geheeten wordt. Waar het wandbekleedend gedeelte overgaat in het ingewand-bekleedend deel, i-akon do wanden van den zak elkander en vormen alzoo een dubbel vlies, eene soort van brug, die beide bekleedsels voreonigt. Tusschen do beide platen der brug loopen bloedvaten, zenuwen enz. van den buikwand naai' de ingewanden, en bij goed gevoede dieren zet er zich eene groote hoeveelheid vet tusschen af.

Van de ingewanden zelve vermelden wij in de eerste plaats het voor de spijsvertering dienende darmkanaal, Fig. 24. Dit bestaat uit eene lange buis met verschillende verwijdingen, die van de mondholte naar do aars en dus door de geheelo lichaamsholte heenloopt. Men onderscheidt er aan: den slokdarm , de maag, do dunne en de dikke darmen. De slokdarm, het voorste deel, loopt in den hals boven de luchtpijp en in de borstholte boven de longen. Vervolgens het middenrif doorborende, gaat hij in de buikholte in do maag over. Bij het paard en 't varken is deze enkelvoudig, maar bij het schaap, 't rund en andere herkauwende dieren bestaat zij uit vier doelen : do pens, dc muts of netrnaag, de boekpens en de lebmaag, zie Fig. 25, waarover straks nader. Op do maag volgen do dunne darmen, waarvan het onmiddellijk op de maag volgend deel de twaalfvingerige darm geheeten wordt; terwijl men aan de dikke darmen nog onderscheidt: den blinden darm (die bij het paard. Fig. 24, zoor groot is), den karteldarm en den endeldarm, die in de aars eindigt. Inwendig is het darmkanaal bekleedt met eene slijmheid, de zoogenaamde

-ocr page 50-

30

voering, die dikwijls verschillende plooien vormt, Fig. 26, en aan den imven-digen darnnvand, vooral aan do afdeelingen van do saineiigestelde maag der herkauwende dieren zoo'n verschillend aanzien geeft. Uitwendig is het omgeven door do takken van 't bovenvermelde buikvlies, terwijl de eigenlijke dikte van den dannwand bepaald wordt dooi' de spierhuid, door wier samentrekking de verplaatsing der spijzen mogelijk wordt gemaakt.

Teneinde dc spijzen op haren weg door 't darmkanaal te doen verteren, moeten zij met verschillende stoffen worden vermengd. Deze stoffen worden door verschillende klieren, de zoogenaamde secreticorganen, uit het bloed bereid en daarna in het darmkanaal bij het voedsel gevoegd. De belangrijkste dezer socretieorganen, over wier inrichting wij, na het daarvan op lil. 13 medegedeelde, in geene nadere bijzonderheden treden, zijn: speeksel-cn slijm-Idieren, die speeksel en shjtn afscheiden in de mondholte; de lever, die de cjctl afscheidt, welke eerst in tie galblaas verzameld cn daarna door oene

Fig. 26. Darmplooi. nauwe buis in den twaalf-vingerigen darm uitgestort wordt, de alvleesch- of huik-speekselklier, die het alvleesch-sap afscheidt, 't welk zich bij den inhoud van den twaalfvingerigen darm voegt, en verschillende klieren in den maag- en darm-wand , die het maag- en darmsap afscheiden.

quot;Welke verschillende invloeden deze stoffen op het voedsel uitoefenen, zal hieronder bij de verschijnselen der spijsvertering nog nader worden vermeld. Wij bepalen ons hier tot de opmerking, dat het verteerde door den dannwand heentrekt en in het bloed overgevoerd wordt, terwijl het niet verteerde deel van 't voedsel als vaste uitwerpselen door den endeldarm uit de aars wordt verwijderd.

Daar do spijsverteringsorganen bij de verschillende dieren belangrijk van elkander afwijken, niet alleen bij verschillende geslachten, soorten enz., maar ook bij verschillende rassen, ja zelfs 1 iij dieren van een en hetzelfde ras, zoo dient met het oog daarop de voeding van een dier geregeld te worden. De

-ocr page 51-

BI

herkauwende dieren niet hnnne samengestelde maag verteren het voedsel beter dan 't paard 011 't varkon en trekken dus uit zoogenaamd ruw voor, li.v. stroo, meer voedingsstoffen. Dieren, die van hunne jeugd af aan meer geconcentreerd voedsel ontvangen, lammeren of kalveren b.v., die lang aan de moeder zuigen en dus weinig gras of ander voeder nemen, bezitten eene kleinere pens dan dezulke, wien al spoedig eene schrale weide aangewezen wordt of die eene groote massa slecht voedsel bekomen. Daarentegen is de lebmaag van de eerstgenoemde dieren grooter.

Yooral door Wilckens zijn eene menigte proeven in deze richting genomen. Hij zegt daarvan: „Tn alle pasgeboren en jonge herkauwers is de verhouding tusschen lebmaag en pens het kleinst. Hoe langer nu een dier met krachtige voedermiddelen (melk, lijnzaaddrank en lijnkoeken, moutkiemen enz.) gevoed wordt, dos te grooter blijft de lebmaag in verhouding tot de pens of met andere woorden: des te meer blijft eene verhouding bestaan als die in jeugdigen toestand.quot; In welk geval eene dergelijke voeding gewenscht, wanneer minder gewenscht is, zal ons later blijken.

Ook bestaat er een aanmerkelijk verschil in de lengte van 't darmkanaal. Terwijl bij vleeschetende dieren, b.v. eene kat of een hond, het darmkanaal slechts 4—G maal zoolang is als hun lichaam, is het bij :t paard 10—12 maal, bij 't rund 20 maal, bij 't schaap on de geit 25—26 nml en bij het varken ongeveer 15 maal zoo lang. Daar nu het voedsel des te beter zal verteren, naarmate het darmkanaal langer is, volgt ook hieruit, dat de herkauwers dit beter kunnen dan de overige dieren en in 't algemeen de planten-otenden beter dan de vlecschetendon. Van grooten invloed op de vertering door het darmkanaal zijn intusschen ook de plooien der slijmhuid, daar de verterende oppervlakte hierdoor wordt vergroot. Fig. 26. Een juister maatstaf voor de vertering dan de hierboven genoemde lengte van 't darmkanaal zou dus zijn de geheele inwendige oppervlakte van maag- en darmwand.

Gelijk reeds hierboven gezegd is, gaat hetgeen van het voedsel verteert over in 't bloed, de bekende vloeistof, die als een vloeibaar weefsel, bl. 12, grootondeels uit water bestaat, maar waarin verschillende stoffen (eiwit, suiker, zouten enz.) opgelost zijn en waarin millioenen (in het bloed van een paard in 1 cM.^ gemiddeld 7 millioen) cellen of bloedlichaampjes zweven. Deze vormen ongeveer 1/3 van de geheele massa. Hot zijn èf roode lensvormige schijfjes van 0.0005—0.006 mM. middellijn, of witte, kleurlooze cellen welke meestal grooter en van verschillenden vorm zijn. Do hoeveelheid van de eerste, die aan hot blood do bekende roodo kleur geven, is veelal 400 — 600 maal grooter dan die der laatste, maar deze verhouding is bij verschillende dieren, in de verschillende lichaamsdeolon en naar don toestand waarin een dier verkeert, zeer ongelijk; bij sommige ziekten als loukaomie (bleekzucht) is het getal witte lichaampjes toe- en dat dor roode afgenomen. Do roode lichaampjes hebben hun kleur to danken aan hot haemaglobine, bl. 9, en bevatten als anorganische stoffen hoofdzakelijk kalium in verbinding met chloor en phosphorzuur en bijna al de in hot bloed aanwezige zuurstof, die mot hot haemaglobine schoikundtg verbonden is en hot bloed heldor rood kleurt. Hot in het bloed aanwezige koolzuur daarentegen is in de bloodvlooistof voor oen

-ocr page 52-

32

groot deel als natriumbicarbonaat opgelost en kleurt het bloed blauwrood. De witte bloedcellen, ook leucocyten en lymphcellen gelieeten, Fig. 27, omdat zij ook in de lymphe en de lymphkliereu voorkomen, hebben een zeer verschillende functie: zij nemen vaste deeltjes in zich op en vervullen alzoo, in

verband met haar vermogen om door een wand hoen te dringen, Fig. 29, waarschijnlijk een belangrijke rol bij de spijsvertering b.v. van vet; zij treden verder vooral op bij herstelling van weefsels, b.v. bij verwondingen. Eene belangrijke functie van de roode bloedlichaampjes is dat zij zuurstof naar de verschillende weefsels voeren. De bloed vloeistof, ook bloedserum ^0 geheeten, bevat ongeveer 90 0/0 water enlO0/o vaste stoffen. De anorganische zouten die er Fig. 27. Verschillende vormen opgelost in voorkomen, zijn keukenzout en bij

van witte bloedlichaampjes of planteneters vooral natrium-carbonaat, bij vleesch-leucocvten. , , ■ , , ,

eters vooral meer natnum-phosphaat en verder

een weinig calcium- en magnesiumphosphaat. De geheele hoeveelheid bloed is verschillend naar den voedingstoestand der dieren: arbeidende, magere, jongere en kleinere bezitten meer bloed clan gemeste, oudere en grootere. De gemiddelde hoeveelheid bedraagt 1/^—i/g van het gewicht der dieren.

De spijsvertering heeft dus ton gevolge dat de hoeveelheid bloed of de daarin aanwezige stoffen vermeerderd wordt; door het drinkwater, dat denzelfden weg volgt als de als spijze opgenomen vaste stoffen, vermeerdert vooral zijn watergehalte. Er wordt echter altijd naar een zeker evenwicht gestreefd, zoowel tusschen den inhoud der bloedcellen en de in het serum opgeloste stoffen als tusschen dezen en dien der andere weefsels. Door deze worden namelijk verschillende stoffen aan het bloed ontnomen.

Vooreerst ter vorming van het speeksel, de gal, het alvleeschsap, het maag-en darmvocht, met één woord van de verschillende secretiën, die, gelijk reeds gezegd, voor de spijsvertering dienen, en in de tweede plaats ter vorming van nieuwe lichaamsdeelen en van de stoffen, die voor de voortplanting dienen. In de derde plaats verbranden er, ter voortbrenging van de dierlijke warmte en van den arbeid, in de weefsels verschillende stoffen, die voor een deel aan het bloed ontleend worden. De daarvoor noodige zuurstof wordt door de ademhaling in het bloed opgenomen en met de als scheepjes dienende bloedlichaampjes naar de verschillende lichaamsdeelen gevoerd. In de vierde plaats worden verschillende stoffen, die voor de voeding onbruikbaar of toevallig in het lichaam aanwezig zijn, in het bloed opgenomen en door bepaalde organen daaruit weder afgescheiden.

Voor al deze verrichtingen en nog eenige andere, die later vermeld zullen worden, is het bloed voortdurend in beweging. Het stroomt naar het darmkanaal om daaruit het verteerde voedsel voor een deel (voor een ander deel wordt dit eerst door de chylvaten opgenomen) op te nemen, naar de secretieorganen om het materiaal voor 't speeksel, gal enz. en naar de voortplantingsorganen om weder andere stoffen te leveren. Het begeeft zich naar de verschillende lichaamsdeelen om deze materiaal voor het groeien enz. af te staan.

-ocr page 53-

33

Terugkeerende neemt liet de verscliillende onzuiverheden op. Hot stroomt naar de longen om bij de ademhaling sommige dezer onzuiverheden (vooral koolzuur) af te slaan en zuurstof op to nemen, voorts naar de nieren, waarin het overtollige water met verschillende daarin opgeloste stoffen, als pis, uit hot bloed en vervolgens uit het lichaam verwijderd worden, enz.

't Voornaamste orgaan, waardoordeze zoo belangrijke bloed-beweging veroorzaakt wordt, is het harl. Met dit min of meer kegelvormig lichaam, dat in do borstholte tusschen de beide voorste gedeelten der longen gelegen is, zijn verschillende buizen, slagaders , aders en haarvalcn, verbonden, waarin hot bloed rondgevoerd wordt.

Fig. 28 kan ons van de inlichting van een zoogdier-hart, van de buizen die er mode in verbinding staan en van de daarin plaats hebbende bloedbo wegingen een denkbeeld geven. De lichting van den bloedstroom is door pijltjes aangegeven. K noemt men de linker-, K de rechterlcawer, B de linker- en B de reehler-hoexem van 't hart. Alleen de linkerkamer en -boezem en zoo ook de rechterkamer en -boezem staan met elkander in verbinding. Tusschen een kamer en den daarbij behoorenden boezem bevinden zich echter klapvliezen, die ver-hindereu dat het bloed van de kamer naar don boezem stroomt, üe wanden van 't hart, 3

REiNDEHS, UI. Vierde druk.

-ocr page 54-

84

vooral die der linkerkamer, bestaan uit eene stevige spiermassa. Trekken deze spieren zich samen, b.v. die der linkerkamer, zoo wordt de inwendige hartholte vernauwd. Het bloed doet do klapvliezen samenvallen, zoodat het niet naar den linkerboezem, wel naar de groote slagader, Ao, kan ontwijken. Deze verdeelt zich in verschillende takken, waarlangs het bloed naar de verschillende lichaanisdeelen gevoerd wordt. In de verschillende lichaamsdeelen gaan de slagadertjes in een netwerk van fijne buisjes, die met het bloote oog niet meer zijn waar te nemen, in een zoogenaamd haar vat ennei, Fig. 29,

over. De fijne haarbuisjes, li, vereenigen zich weder tot slagadertjes, daarna tot groo-tere aders. Ha, waarlangs het bloed naar den rechter-boezem van 't hart terugstroomt. Deze omloop van 't bloed, uit de linkerkamer door de verschi I lende lichaanisdeelen naar den rechterboe-zem dus, wordt de groote circulatie geheeten. Door do kleine circulatie verstaat men daarentegen den loop uit de reehterkamer door den longslagader, Lsa, naar de longen, waar het een dergelijk haar-vatennot als het zoooven

lichaampjes gaan; e, witte bloedlichaampjes door den (jeil Jinkorboezom van 't hart wand van het bloedvat gaande.

teruggaat.

Ofschoon onze teekening. Fig. 28, slechts een schema geeft van bovengenoemde bloedbaan en niet met do werkelijkheid overeenkomt, doordien onder anderen verschillende buizen zijn weggelaten, geeft zij toch omtrent den bijzonderen loop nog eenige aanwijzing. Do lichaamsslagader, Ao, waarin hel bloed uit do linkerkamcr stroomt, verdeelt zich in twee hoofdtakken en elk dezer takken op hunne beurt in verschillende kleinere. Een dezer hoofdtakkon, do voorslc. groote slagader (die in onze figuur naar boven loopt), voorziet den hals, den kop, de voorste ledematen en het benedenste deel van borst en buik van bloed. Do tweede hoofdtak, de achterste groote slagader, loopt langs de wervelkolom tot aan het bekken en verdeelt zich hior in twee takken, waarvan de eene naar den rechter- en de andere naar den linkerachterpoot gaat. Bovendien splitst hij zich op verschillende hoogten in eene menigte takken on voort alzoo het bloed, behalve naar de achterste ledematen, naar do borst, de ingewanden, de nieren, de geslachtswerktuigen onz., mot één woord naar de achterste deelen van 't lichaam en de ingewanden der buikholte. Eenige dezer takken zijn in onze schets nog bijzonder aangewezen. Het zijn die, aangeduid door d en Ie. De takken d gaan naar het darmkanaal, vormen

-ocr page 55-

Sn

hier een haarvatennet, dat is verdeelen zich langs dit kanaal (zie Fig. 26) in haarfijne buisjes, die het verteerde voedsel opnemen, om zich daarna tot een ader, de poortader PA, te vereenigen. De poortader gaat naar de lever en vormt hier nogmaals een haarvatennet. Daarheen loopt ook de zooevengenoeinde tak /e, de leverslagader, hier insgelijks een haarvatennet vormende. Wij zullen de beteekenis daarvan hieronder nagaan. Wij merken hier slechts op, dat het bloed, 't welk in de lever niet gebruikt wordt voor de galbereiding, zich door eenige buizen in de groote ader Ha, de achterste Iwlader, uitstort, waarin al het bloed, dat door de slagaders naar de achterste deelen van 't lichaam gevoerd en hier niet verbruikt is, naar den rechterboezem van 't hart teruggaat; terwijl het bloed, dat de voorste lichaamsdeelen doorstroomd heeft, dooide voorste kolader. Ha', in hetzelfde gedeelte van 't hart terugstroomt.

Van hier stroomt liet bloed in de rechterkamer, daarna in de longslagader, Lsa, die zich weldra in twee takken, één voor de rechter, de ander voor de linker long, verdeelt. In de longen zelve verdoelen beide zich in eene menigte kleinere takken, die eindelijk een haarvatennet vormen. In dit haarvatennet zijnde, verliest het bloed zijn koolzuur en neemt zuurstof op (zie hieronder) en verzamelt zich vervolgens weder in eenige buizen, do lorujaders. La, die het naar den linkerboezem voeren, waaruit het in de linkerkamer overgaat om op nieuw zijn kringloop te beginnen.

Het afwisselend samentrekken en weder ontspannen van de wanden dei-hartkamers veroorzaakt het kloppen van 't hart, den harlslag. Bij het samentrekken wordt het bloed in de slagaders geperst, bij het ontspannen worden de kamers weder aangevuld uit de boezems en deze uit do aders.

De snelheid, waarmede het bloed de verscbillende lichaamsdeèlen doorstroomt en de kracht, die het hart daartoe uitoefent zijn vrij aanzienlijk. Men rekent dat de geheele omloop bij een paard in ongeveer 30 seconden volbracht wordt en dat bij den hengst dit door ongeveer 14—1.6, bij de merrie door ongeveer 20 hartslagen geschiedt. Het aantal hart- of polsslagen (zie hieronder) in de minuut is dus dubbel zoo groot. Bij jonge dieren volgen de hartslagen elkander sneller op; bij een pas geboren veulen b.v. telt men 100—120, bij een kalf 100—130 in de minuut. -Bij een volwassen rund wordt de omloop in ongeveer 42 seconden door ongeveer 50 hartslagen volbracht en telt men 58—62 hartslagen in de minuut. Overigens wisselt de hartslag aanmerkelijk af naar den toestand, waarin zich het dier bevindt, of het b.v. in rust of in beweging is. ■—- Do kracht, waarmede hot bloed in do grooto slagader geperst wordt, blijkt uit de hoogte waartoe hot opgevoerd wordt in eene buis, in de slagader gestoken. Colin nam waar, dat deze hoogte bij oen paard 2.36 meter bedraagt en hij berekent daaruit, dat de druk, door de linkerkamer van 't hart uitgeoefend, niet minder dan 111.5 KG. bedraagt. Do dunnere wanden van do rechter-hartkamer oefenen een veel geringeren druk uit. De weg, dien hot bloed van hieruit moet doorloopen, de kleine circulatie, is trouwens ook veel korter.

Uit het bovenstaande blijkt, dat men slagaderen noemt de buizen, die het bloed uit het hart naar de verschillende lichaamsdeelen en naar de longen voeren, en aderen de huizon, waarin het naar 't hart terug gaat. De slagaderen zijn van dikke wanden voorzien, die veerkrachtig zijn. Na het door-

-ocr page 56-

;gt;()

snijden lilijven zij daarom open staan en krimpen in. Zij dragen door hare veerkracht liij tot voortstuwing en een meer geregelden loop van 't bloed. Wordt dit namelijk int het hart erin geperst, zoo zetten zij zich uit en ontspannen zich daarna langzamerhand weder. Men kan alzoo voelen, dat het bloed er doorstroomt (de zoogenaamde polsday der slagaderen, die dus met don hartslag gelijken tred houdt en bij onze huisdieren het best waar te nemen is aan den hoek der onderkaak). Uitgezonderd de longslagaderen bevatten zij helder rood (gezuiverd) bloed. De aderen bezitten veel dunnere wanden, die niet veerkrachtig zijn en zich dus niet terugtrekken, wanneer zij doorgesneden worden. Het bloed stroomt daarin langzamer en niet stootsgewijze, zooals in de slagaderen. Zij zijn op verschillende hoogten van klapvliezen voorzien, die verhinderen dat het in tegengestelde richting stroomt, en bevatten met uitzondering van de longaderen, donkerrood (onzuiver) bloed. De slagaderen kan men ook aanvoerende, de aderen afvoerende vaten noemen, omdat de eerete het bloed naar de verschillende organen en weefsels toe, de laatste het weder naar 't hart terugvoeren. Beide worden om hun inhoud ook bloedvaten geheeten.

Behalve deze zijn er echter nog andere vaten noodig. Vooreerst wordt hot verteerde voedsel van 't darmkanaal slechts voor een gedeelte in het haar-vatennet van do poortader opgenomen. Het grootste gedeelte van de min of meer melkachtige vloeistof, die door den darmwand heengaat, verzamelt zich in eigene kanalen, die den naam van chijlvaten (Fig. 28, OH) dragen. Andere vaten bestempelt men met den naam van lymph- of water vaten (Fig. 28, L), omdat zij eene waterige vloeistof, lymphe, bevatten. Terwijl toch het bloed do verschillende weefsels in de haarvaten doorstroomt, treedt het bloedwater met verschillende daarin opgeloste stoffen, door osmose, I, bl. 211, door den dunnen wand der haarvaten in de weefsels. In die weefsels zelve heeft eene bestendige stofwisseling plaats. Er komen daarin alzoo verschillende stoffen voor, die deels nog tot voeding kunnen dienen, deels daartoe onbruikbaar zijn, in allen gevalle hieruit verwijderd moeten worden , wanneer het lichaam gezond zal blijven. Gedeeltelijk worden deze stoffen weder door de haarvaten opgenomen ; voor het grootste deel verzamelen zij zich echter onder den naam van lymphe in de bovengenoemde lymphvaten. Chyl- en lymphvaten komen samen in eene buis, de horsthuis, die haar inhoud in een tak van de bovenste hol-ader uitstort en dus bij het bloed voegt. Chyl en lymphe doorstroomen echter, alvorens bij het bloed gevoegd te worden, verschillende klieren, do lymphklieren, waarin zij reeds eenigsziris aan het bloed gelijk gemaakt worden. Ook het bloed zelve doorstroomt dergelijke klieren, waarin om hot zoo uit te drukken, de bloedvorming plaats heeft. Daartoe behoort o.a. do milt waarin vooral do witte bloedlichaampjes gevormd worden, terwijl do vorming van do roode bloedlichaampjes in het bijzonder in het roode beenmerg plaats heeft.

Do longen zijn do hoofdorganen voor de ademhaling van 't dier. Zij vullen, uitgezet als ze zijn zoolang hot dier loeft, nagenoeg do geheel o borstholte; bij don dood vallen zij samen on nemen dan oeno veel kleinere ruimte in.

De longen staan in verbinding mot do luchtpijp, die haren oorsprong in de mondholte neemt en langs de keel naar de borstholte loopende, zich hier in

-ocr page 57-

tjikkinir van «Ie linker loiiicslapuicr en hare vert

de Umiü de Ioiil'

i ni ingen in

twee takken, een voor de rechter- en oen voor de linkerlong verdeelt, ï'ig. 30. In de longen verdoelen lieide takken /.ieh in eene menigte kleinere, waarvan de zeer fijne uiteinden in blaasjes eindigen. Van de bloedvaten, die zich als hierboven vermeld in do longen verspreiden, loojit hot haarvatennot over deze blaasjes, die zeer dnnne wanden bezitten, heen. De luchtpijptakken met hare blaasjes en de bloedvaten zijn door bindweefsel met elkander vereenigd en vormen zoo een samenhangend geheel, do longen. Fig. 31. Uitwendig zijn deze evenals het hart door gedeelten van hot borstvlies omgeven, dat oen vocht afscheidt waardoor genoemde organen glibberig worden gemaakt en bij hunne bewegingen minder weerstand ondervindon.

De luchtpijp on hare verschillende takken en blaasjes zijn met lucht gevuld.

2. Bij hot inademen stroomt er

lucht naar binnen; .bij het uitademen wordt de lucht gedeeltelijk naar buiten gevoerd. In hoofdzaak geschiedt zulks door do verwijding en vernauwing dor borstholte, waardoor de spanning der lucht in do longen af- of toeneemt en er om oven-wicht to maken met die der buitonlucht lucht- in- oi' uitstroomt. Do borstholte wordt vergroot door het samentrekken van 't middenrif en van alle spieren, die de ribben naar voren en naar henoden doen draaien; ■/jj wordt vernauwd door hot ontspannen van 't middenrif (dat nu door de ingewanden dei-buikholte naar voren geduwd wordt) on door do spieren, welke de ribben in tegengestelde richting doen draaien. Do in- en uitademing der lucht geschiedt bij do landbouwdieren grooteu-deels door do neusholte. H, Maar terwijl er alzoo afwisselend lucht uit en in de longen treedt, hooft or in do blaasjes nog iets anders met die lucht plaats. Het donkorroode bloed der longslagadoron, liet haarvaten net dat over de longblaasjes loopt, doorstroomende, verliest naraolijk koolzuur en waterdamp, die door de diffusie, I, bi. G1 , door de uiterst dunne wanden in de blaasjes treden, terwijl er omgekeerd zuurstof uit de blaasjes in het bloed overgaat, dat nu, in plaats van donkerrood, helderrood gekleurd wordt. Do lucht in de blaasjes, alzoo rijker geworden aan koolzuur en waterdamp en armer aan zuurstof, wordt gedeeltelijk uit- en daarvoor versche dampkringslucht ingeademd.

-ocr page 58-

Do snelheid der ademhaling is zeer verschillend naar de soort, den ouderdom enz. van 't dier en zijn gezonden of zieken toestand. Bij een gezond dier in rnst bedraagt zij bij 't paard 8—12 ademhalingen in de minuut, zoodat op 1 ademtocht ongeveer 4 polsslagen komen; liet rund en 't schaap ademen 18—20 en het zwijn ongeveer 20 keer in de mimmt. Snelle en met veel inspanning gepaard gaande bewegingen versnellen de ademhalingen evenals den hartslag zeer.

Slechts een gedeelte van de in de longen aanwezige lucht wordt mot eiken ademtocht verwijderd en door versche vervangen. De uitgeademde is ongeveer i/g armer aan zuurstof en 100 maal rijker aan koolzuur dan de dampkringslucht, gelijk uit onderstaande opgave blijkt:

in 100 ruimtedeelen dampkringslucht zuurstof 20.81

stikstof 79.1 ü

koolzuur 0.03

De hoeveelheid koolzuur, die in zekeren tijd uitgeademd en de hoeveelheid

zuurstof, die inge-wV ademd wordt, is

overigens van verschillende omstandigheden afhankelijk. Bij het verrichten van arbeid (beweging) worden beide grooter, maar de afscheiding van

koolzuur is dan betrekkelijk meer dan de opneming van zuurstof.

De ingeademde lucht vermengt zich door de diffusie, I, bl. 01, met de

Fig. 31. Zeer vergroote doorsnede van een gedeelte eener ]]](.|,, • i Inno-long: ft, longblaasjes; a, slijmvlies; c, afgestooten cellen van . _ °

het slijmvlies, dat den binnenwand der blaasjes bekleedt; d, blaasjes, de uitge-haai vaten, waarvan zich takken over de blaasjes verspreiden. ademde met de lucht

dor omgeving van 't dier. Bevat de dampkringslucht veel koolzuur, dan wordt de diffusie in de longen aanzienlijk verminderd en gaat er minder zuurstof in de blaasjes en in 't bloed over, wat de gezondheid van 't dier benadeelt en ten slotte zijn dood ten gevolge kan hebben. Vandaar het belang eener voldoende luchtverversching in de veestallen, waarop wij later zullen terugkomen.

Met de ademhaling gaan niet zelden verschillende, deels van den wil des diers afhankelijke, deels daarvan onafhankelijke geluiden gepaard: het brullen, hinnehan, hoesten onz. en de inwendige geluiden. De laatste ondergaan bij ziekten der ademhalingsorganen menigvuldige veranderingen, wier waarneming tot het herkennen der ziekte kan leiden.

mtgeademde lucht 15—17.5

79 3.0—5.5

-ocr page 59-

39

Hangt van de inrichting van 't spijsverteringskanaal en do organen, die or mede in verbinding staan, veel af, hoe het voedsel verteert, eene goede inlichting der organen voor den bloedsomloop en de ademhaling is niet minder van gewicht. Daarvan is vooral afhankelijk, hoe het verteerde voedsel verwerkt wordt of verwerkt kan worden.

De borstholte is do aangewezen plaats der voor deze verrichtingen dienende hoofdorganen. Een breede en diepe borstkas wijst dan ook op een goeden omvang daarvan, vooral van de longen; hij is, gelijk wij later znllen zien, voor sommige dieren gewenscht, voor andere, naar het schijnt, minder.

Vroeger meende men dat ook bij de zoogdieren door de hnid ademhaling-plaats heeft, dat is zuurstof opgenomen en koolzuur afgescheiden wordt, evenals dit bij de lagere dieren geschiedt. Men grondde zich daarbij op proeven met het vernissen der huid, wat den dood ten gevolge had. Later is gebleken dat door dit vernissen een groot warmteverlies plaats heeft en de dieren sterven dooi1 te groote afkoeling. De proef gelukt ook alleen bij dieren, die een dunne huid hebben b.v. konijnen, niet bij dieren met een dikke huid, b.v. honden. Ook blijven de dieren in leven wanneer zij in cene warme ruimte gebracht worden.

Ofschoon dus meer bepaald door de longen zuurstof ingeademd en in het bloed overgaat en uit liet bloed tredend koolzuur uitgeademd wordt, heeft het verbruik der zuurstof en het vormen van koolzuur, dat is het verbranden van koolstofhoudende organische stof slechts voor een gedeelte in liet bloed plaats, het grootste gedeelte van de ingeademde zuurstof wordt in de weefsels verbruikt of in het algemeen in de levende cellen of hunne omzcttingsproducten, niet in de hen omgevende vloeistoffen. Evenals in de longblaasjes heeit er derhalve ook in de weefsels eone ademhaling plaats, eeno ademhaling waarbij door de weefselcellen zuurstof opgenomen en koolzuur afgestaan wordt; vergelijk bl. 33.

De nieren, wier eigenaardige vorm eiken landbouwer bekend is, zijn ter weerszijden van den wervelkolom in de buikholte geplaatst, lig. 24. Omtrent hare inrichting treden wij in geene bijzonderheden. Het zij genoeg op te merken, dat naar elke nier eeno slagader loopt, die zich daarin in verschillende kleine buisjes splitst. De of urine scheidt zich uit het hierdoor aangevoerde bloed voortdurend af en verzamelt zich in kleine kanaaltjes, die in de nierholte samenloopen. Zij stroomt uit deze holte vrij regelmatig door de urineleiders in de urineblaas, /;/, om hieruit van tijd tot tijd door do pisbuis in de tevens voor de voortplanting dienende organen en vervolgens naar buiten te worden gevoerd. Zie de samenstelling van urine, I, bl. 378.

De voortplantingsorganen worden in het achterste deel der lic-haamsholte. meer bepaald in de bekkenholte, gedeeltelijk ook in bijzondere uitstulpingen hiervan, aangetroffen. Zij zijn verschillend bij liet mannelijk en vrouwelijk dier. Bij het eerste dienen zij tot het voortbrengen van het zaad of sperma en bezitten hier verder eene inrichting om dit te bewaren en tergelegentijd jn het geslachtsorgaan van een vrouwelijk dier over te brengen; bij het laatste

-ocr page 60-

40

tol voortbrenging van de zoogenaanide eicellen of eieren, en nadat hiervan een of meer door hot sperma van 't mannelijk dier bevrucht zijn, om de zich hieruit ontwikkelende vrucht (foetus) te voeden, ton slotte ter wereld to brengen on een kortoren of langoren tijd mot oeno bijzondere vloeistof {melk) te voeden.

Het sperma van 't mannelijk dier is eene dikke slijmige vloeistof, waarin eene menigte kleine lichaampjes, vjiermatozmden, zweven en zich bewogen. Hot wordt uit hot bloed gevormd in de xaadklieren der hallen en bewaard in de zaadblaasjes of daarmede overeenkomende organen, tussehen don endeldarm en de pisblaas gelogen. Tijdens 't bevruchten wordt hot hieruit in het pis-kanaal der roede overgebracht om daarmede in het vrouwelijk geslachtsorgaan gevoerd te worden.

De vrouwelijke voorttelingsorganen, Fig. 24, bestaan uit do eierstokken, waarin do eieren gevormd worden, de eileiders en de baarmoeder met hare hoornen. Gedurende den bronstijd komen een of meer eieren vrij en gaan langs den eileider in do baarmoeder, /7«, over, oin zich hier, na de bevruchting, tot vrucht te ontwikkelen. Do baarmoeder mondt uit in de schrede. in welks onderkant ook do urine uit do pisblaas ontlast wordt.

De molk, die tot voedsel van 't jonge dier moet dienen, wordt uit het bloed in do molkklieren gevormd. Over de samenstelling daarvan zal bij hot rundvee het noodigo gezegd worden.

Wij besluiten dit hoofdstuk mot een overzicht van do proeentsgewijzo samenstelling van oenigo dieren en van eenigo hunner voornaamste bestanddeelen. Volgens Emil Wolf1) komen in onderstaande dieren gemiddeld ten honderd voor:

LICHAAMSDEliLKN.

OS.

VET KALF.

SCHAAP.

VAK

vKN.

.Middelmatig gevoed.

Vet.

Mager.

Middelma- |

tig gevoed. |

Vet.

rte lt;y c O

5 «

jS fcp

Vet.

Bloed.........

4,7

3.0

4,8

3,0

3,0

3.2

7.3

3,6

Huid en horens.....

8.4

6,0

6.8

l'ooten tot aan het sprong

0,6

0,3

7.2

en voorkniegewricht . . .

1,1»

1.0

1,0

Wol, gewasschen.....

-

-

5,0

4,7

4.0

-

Wolvet.........

-

4,8

4,5

3,6

-

Kop..........

2,8

2,6

4,8

4.6

4,3

32

-

-

Tong en slokdarm ....

0,6

0,5

0,5

O.'i

Ingewanden.......

0,8

7,2

7,7

8,5

8,1

6,6

o,s

6,0

Inhoud van maag en darm .

18,0

12,0

7,0

16,0

15,0

12.0

7,0

5,0

Vet van 't net en darmen .

2,3

4,5

2,4

3.0

4,1

6,8

1,7

2,5

4 vierdels met nieren en

't niervet (slachtgewicht) .

47,4

00.3

60,0

43,3

45,3

52.8

72,8

82.1

Verlies en een weinig afval.

4,1

1,4

4,6

1,3

0,8

0,6

0,0

0,4

1000

100,0

100,0

100,0

100,0

100.0

100,0

100,0

1) Oiootemlet'ls door VVollV berckenil uit een onderzoek van gcslaelite dieren door Lawes en Gilbert in Engeland.

-ocr page 61-

41

De belangrijkste daarin voorkomende scheikundige verbindingen ten honderd zijn:

SCHAAP.

OS.

VA IJKEN.

VET KALF.

BKSTANDDKKLEN.

Vet.

Mager.

Vet.

^ amp;

— to

— iD

54,3 15,8

7.1 4.8 18,0

100.0

1.02 2,14 0 00 0,18 0,14 0,02

0 3'»

00,1 15,3 13,1 4.5 7.0

53.7

14.8 13,2

3,3 15,0

100,0

1.20 1,35 0,04 0,10 0,15 0,02

0.20 3.30

43 0 13 7 26.8 3,0 12.0

56,6 15,4 8,0 3,4 10,0

100,0

1.33 1,40 0,05 0,10 0,15 0,02

0 20 3,40

100,0 | 100,0

i.r»4 1.03 0.06 0.20 0,07 0,01

0 50

4 50

1.50 1,74 0,05 0,14 0,12 0,01

0,28 3,90

4,80

Water.........

Stikstofverbindingen. . . .

Vet..........

Minerale stollen.....

Inhoud van maag en darmen

De minerale stollen bevatten:

Phosphorzuur......

Kalk..........

Magnesia........

Potasch........

Soda..........

Kiezelzuur.......

Zwavelzuur, chloor en koolzuur .........

44,8

53.0

42.0

12,2

13.0

1,10

28,1

22,5

40,2

2,0

2,7

1,8

12,0

7,0

5,0

100,0

100,0

100,0

1,13

1,10

0,73

1,10

1.15

0,73

004

0,05

0,77

0.14

0,15

o,o:;

0,13

0.10

0,10

0,02

-

0.07

0,25

0.15

0.10

2,1)0

2,70

1,80

Wij zien dus, dat liot water en 't vetgehalte het meest afwisselen en dat hoe grooter het vetgehalte is, des te lager het watergehalte is en omgekeerd. Dat lilijkt ook uit de volgende tabel, die ons tevens doet zien oji welke wijze de scheikundige verbindingen in eenige hoofdbestanddeelen van 't dier verdeeld zijn.

Samenstelling ten honderd der onderstaande nadere be

standdeel en van eenige dieren.

A-nduiding der hoe-veellu-id van enkele be-standdeelen dezer ;i.sch.

Mager rundvleesch Vet rundvleesch Mager scluipen vleesch Vet schapenvleesch Vet varkensvleesch Beenderen van het rund

zeer mager schaap 18.! vet schaap vette os varken

waarin ongeveer 0.5 d. phosphorzuur en 0.0 potasch.

i.o a 1.4

^ waarvan 17 d. phos-' phorzuur en 20 d. kalk.

48

I 'aardebloed • »3 %

bloed bolletjes

5(i.a % bloedwel

47 o/0 bloedwei

bloedbol-letjes

in 100 d. bluedbol-letjes

00

38.8 0.7 0.5

iti KM) d. bloedbol-letjes

60.9

In mod. bloedwel

91.3 7.3 j 5,6 U.8 )

In KW il. bloedwel

91.9 (j.8 0.5 0.8

In mod. bloedwei

89.7

39.1

10.3

Bloed van de fibrine bevrijd, wiuirvan het ongeveer U.IJ a 0.7 0/o bevat

water.....

stikstofverbindingen

vet enz.....

aschbestanddeelen .

Water

Stikslot'ver-bindigen

Vet

72

19,3

3.6

51

14.8

29.8

72

18.3

4.9

53

12.4

31.1

39

9.8

48.9

30

20.6

1.4

18.2

2.2

79.6

4.6

0.9

94.5

5

0.8

94.2

4.8

0.9

94.3

Varkensbloed

Aschliestand-deelen

Kunderbloed

M.7% bloedljol-letjes

in 100 d. bloedbol-letjes

63.2 34.7 1.2 0.9

(iS.I quot;/o bloedwel

-ocr page 62-

-12

De aschbestanckloolen tier bloedbollotjes (bloeclcellen of bloecllichaiiinpjcs) zijn hoofdzakelijk ijzer en dan kalium verbonden mot chloor en phospliorzuur, die der bloedwei natrium verbonden met chloor en voorts natriumcarbonaat en natriumphospliaat, calcium- en magneshmiphosphaat, bl. 8.

HOOFDSTUK 11.

DE BELANGRIJKSTE LEVENSVERSCHIJNSELEN i).

De verschillende organen van een dier en hunne verrichtingen staan met elkander in een innig verband. Geen daarvan kan gemist worden 2). Terwijl do eerste alzoo het dier tot een ondeelbaar wezen, een individu, vormen, uiten de laatste zich in hetgeen men gewoon is leven te noemen.

Wij hebben in het vorige hoofdstuk die organen leeren kennen en hunne verrichtingen aangeduid, thans zullen wij hunne verrichtingen, de levensverschijnselen, in hun onderling verband, nader beschouwen. Zij kunnen gevoegelijk tot drie groepen worden gebracht: 1. de voedingsverrichtingen, 2. dc belrekki)igsverrichtingen en 3. de voortplantingsverrichtingen.

1. DE VOKDINGSVERRICHTINGEN.

Deze hebben ten doel: het groeien en het onderhouden van de stofwisseling in 't dier. Door hot eerste neemt zijn omvang en zijne zwaarte toe; zonder de laatste is geen dierlijk leven mogelijk. Met die stofwisseling in het nauwste verband staat het voortbrengen van de dierlijke warmte, van arbeid, enz.

Ter verduidelijking van een en ander vergelijken de dier-physiologen het lichaam van een dier niet zelden met eene stoommachine. Om deze te verwarmen, in beweging te brengen en arbeid te doen verrichten, moet zij gestookt worden. Daarvoor is brandstof noodig. Tot een gelijk doel moot het dierlijk lichaam gestookt worden; daarvoor gebruikt het voedsel.

Maar eene stoommachine slijt ook af; sommige harer deelen moeten van tijd tot tijd worden hersteld. Daarvoor is ook. schoon ander materiaal noodig. In niot mindere mate slijt het lichaam van een dier af. Het ceno orgaan meer, het andere minder, maar alles slijt af en gaat als bestanddeel van 't lichaam te niet en wordt door andere gelijksoortige stoffen vervangen. Men denke slechts aan onze opperhuid, aan onze nagels, aan de hoeven der paarden enz.; hoe zij aan het eene eind afslijten en daar waar zij met de eigenlijke huid

l) Zie bij Hoofdstuk I en verder G. Coliu, Traité du Physiologie comparée des Aniniaux domestiques. Dr. I). Huizinga, Een en ander over voeding. J. Marey, Iji Machine animale.

'-) Geheel juist is dit niet, want sommige organen kunnen elkander in limine verlichtingen vervangen; dit is b.v. liet geval met enkele klieren, b.v. de milt, die kan worden weggenomen zonder dat de levensverrichtingen merkbaar gestoord worden.

-ocr page 63-

vereenigd zijn, aangroeien. Zoo ook worden de andere lieliaamsdeelen voortdurend vernieuwd. Voor dit herstel is dus steeds aanvoer van nieuwe stoffen, dat is voedsel noodig. Ja, in zekeren zin stookt liet lichaam zich zelf op, en wanneer niet genoeg nieuwe bouwstof aangevoerd wordt, neemt het in gewicht af, vennagert het.

Dat er voorts voedsel noodig is om het lichaam van een dier grooter en zwaarder te maken of iets voort te brengen, zal onuoodig zijn te zeggen.

Het voedsel dat het dier gebruikt, is van anderen aard dan dat der plant. Deze leeft i) van betrekkelijk zeer eenvoudige verbindingen, zie I, bl. 209, gene van verbindingen die door de planten, of wat de vleescheters betreft, door andere dieren bereid zijn.

Eiwitstoffen, koolhydraten (stikstofvrije extractiefstoffen, zie I, bl. 185), vet of olie en enkele zouten zijn daarvan de belangrijkste.

Deze stoffen moeten echter, om voor de voeding dienstbaar te worden gemaakt , belangrijke wijzigen ondergaan. Bovendien is hetgeen 't dier als voedsel opneemt, het voedermiddel (b.v. stroo, graan enz.), niet geheel ter voeding bruikbaar. Hot bevat de eigenlijke voedingsstoffen maar deze zijn slechts voor oen doel verteerbaar en verder stoffen die niet tot voeding kunnen dienen.

Om nu het verteerbare van 't onverteerbare te scheiden, hot eerste in :t bloed te doen overgaan en hot tweede (bij te veel eten ook het onverteerde maar verteerbare) weder uit het lichaam te verwijderen, daarvoor dienen het reeds bl. 29 vermelde spijsverteringskanaal niet de daarbij behoorende klieren. Tot de voedingsverrichtingen behoort dus:

A. D e sp ij s v e r t e r i n g.

De eerste verrichting hiertoe noodig, is het opnemen van quot;t voedermiddel in de mondholte. Bij 't paard en 't schaap zijn daartoe vooral do lippen behulpzaam en bij het rund de tong. Groeiende planten (gras en klaver) worden door do snijtanden afgesneden. Het rund, dat geene snijtanden in de bovenkaak bezit, omvat genoemde stoffen met de tong en houdt zo daarmede tegen, terwijl de snijtanden dor onderkaak ze afsnijden, quot;t Schaap, dat evenmin snijtanden in de onderkaak heeft, gebruikt daarbij zijn zeer beweegbare bovenlip en is daardoor in staat het gras dicht bij den grond af te bijten. Het varken maakt van zijne vooruitstekende en stompere snijtanden minder gebruik om het voedsel stuk te bijten of af te snijden dan wel om liet stuk te stooten en af te scheuren.

In de mondholte opgenomen, wordt hot voedsel gekauwd; bij do zijwaartscho en voor- en achterwaartsche beweging der onderkaak, wrijven de kiezen mot hare platte kroonen over elkander en wordt liet voedsel tusschen de email-plooien daarvan min of meer fijn gewreven. Het varken bezit kiezen, wier kroonen minder plat zijn; ook kan het zijn onderkaak niet zijwaarts bewegen en daardoor hot voedsel niet zoo fijn malen.

!) Met uitzondering van de eclite parasieten (op andere planten levende en zich daarmede voedende), de saprophyten, die van plantenafval leven en de zoogen;i:mide insectenetende planten.

-ocr page 64-

44

Onder liet kauwen wordt het voedsel met speeksel en slijm uit de speeksel-en slijnddieren vermengd en daardoor niet alleen weekcr gemaakt, maar ook scheikundig veranderd. Het ferment des speeksels, de jrtijalin, zet namelijk liet onoplosbare zetmeel om in de oplosbare gom en druivensuiker. Deze omzetting begint reeds in de mondholte, maar heeft vooral plaats in de maag en in de darmen, waarin liet voedsel vervolgens overgebracht wordt. De

hoeveelheid speeksel, door de speekselklieren afgescheiden, is vrij aanzienlijk. Zij wordt bij liet schaap op 5, bij het paard op 42, bij het rund op niet minder dan 56 KG. in de 24 uur begroot.

Door het slikken, waarbij de luchtpijp met het strotklepje bedekt en iels naar voren getrokken wordt, de hiermede verbonden slokdarm opengetrokken en de neusholte door het week gehemelte afgesloten wordt, gaat de jn brokken bijeengebrachte spijs in den slokdarm over. Zij is nu van den wil onafhankelijk; zoodra echter een spijsbrok in den slokdarm gekomen is, begint deze zich wormsgewijze samen te trekken, waardoor de brok in de maag wordt overgebracht, n^. mui iu'i niiid, van uoveii ye/ieu. De verandering, die hot

De pens is ■looi-csnclcii en op zij fjclcj?.! en het voedsel hier ondergaat, komt gedeelte, uat over uc muts en uockpcns neeniigt,

weggelaten: a, slokdarm; pens; t', mnts olquot; net- ^'ellSWcUir bij clllc Jcindbouw-nncig; lIU , lippen der slokiliirmsliMif; et, boek pens, dieren in hoofdzaak op hét-opengesneden oin hare Maden (plooien) ƒ en de liierin

nitinondeiidc slokdiinnsteuf te doen zien; y, opening zeilde neer, maar daarbij der bookpens die naar de lebmaag h leidt; i, plooien voegt zich voor de dieren, iler slijmbnid daarin: twaalfvingerige darm.

lt;lic eene samengestelde maag bezitten, als het rund, 't schaap, de geit enz. nog de bijzondere verrichting, welke ten doel heeft: een voorafgaand weeken en een daaropvolgend herkauwen van 't voedsel. Teneinde deze verrichting begrijpelijk te maken, zal het noodig zijn omtrent de samenstelling van de maag dezer dieren nog in eenige bijzonderheden te treden; zie Fig. 82. Gelijk reeds bl. 20 gezegd is, bestaat bij deze dieren de maag uit vier afdeelingen. Van deze is de pens het grootst; zij heeft bij het rund een inhoud van 100, ja soms van 200 liter en is door insnoering nog verdeeld in twee afdeelingen, een bovenste zak, die door de pensluils met den slokdarm verbonden en onmiddellijk achter hot middenrif in de linker bovenste helft van de buikholte is gelegen, terwijl zij naar

-ocr page 65-

achteren tot ilc laatste valsche rib reikt 1) en een onderste zak. De muts of netmaag, de tweede afdceling van de samengestelde maag, is veel kleiner. Zij heeft door oeno opening gemeenseliap niet de pens en op do plaats waar beide samenkomen mondt ook de slokdarm in de pens uit. De slokdarm a eindigt hier echter niet, zij loopt door dit gedeelte der pons heen maar vormt mi niet meer een gesloten geheel, geene buis; zij is aan de eeno zijde, bij d. als 't ware opengesneden en vormt dus eene soort van goot of sleuf. Komt nu het slechts grof gemalen en in groote brokken doorgeslikt voedsel hier aan, zoo bieden dc wanden dier goot niet genoeg weerstand; zij buigen open en het voedsel gaat over haren rand in de pens of in de mufs over. Hetzelfde geschiedt met 't drinkwater, wanneer 'tdier dit in groote slokken neemt. Brijachtig voedsel en zoo ook in kleine teugen genomen water, loopen echter voor oen gedeelte door de goot heen, komen dus slechts voor een deel in de pens of muts, maar gaan direct in de derde maag, de boekpens ce, over.

Wij willen echter aannemen, dat het dier moer grof voer, hooi of stroo b.v., krijgt en zich hieraan te goed doet. Met speeksel vermengd en grof gekauwd , zal dit grootendeels in do pens overgaan, die, aangezien nu ook de bovenste zak gevuld wordt, aan de linkerzijde der buik in de hoogte stijgt. Onder don invloed van 't speeksol en de hoogere temperatuur, wordt hot voedsel als 't ware gebroeid, de maagwanden zijn in voortdurende beweging en de bovengenoemde scheikundige verandering grijpt daaronder plaats. Met zoo'n goed gevulde pens wordt het dier gewoonlijk suf en slaperig. Hot gaat liggen of blijft rustig staan, en nu begint het weldra te herkauwen. Volgons sommigen wordt daarbij do adem ingehouden, dat is de luchtpijp door het strotklepje afgesloten; het middenrif trekt zich samen, waardoor de borstholte verruimd, de lucht in de longen en in do luchtpijp verdund (zie bl. 37) en eene drukking op de pens wordt uitgeoefend. Deze luchtverdunningen in de longen en in de luchtpijp zou dan eene geringere spanning in genoemde organen ton gevolge hebben, waardoor de spanning in de pens betrekkelijk grootor, do drukking uitwendig op den slokdarm geringer en dientengevolge zou hot brijachtig geworden voedsel in de mondholte teruggaan. Volgens Colin-) ochlor worden door de werking van don maagwand, geholpen door hot middenrif on do spieren van het achterlijf, de spijsbrokken in den mond teruggebracht. Nog andoren meenen dat, aangezien do wand van do netmaag oen krachfigor spiorlaag bezit en alzoo eene grootero drukking kan uitoefenen dan do pons, hot geweekte voedsel bij gedeelten uit de pens in do netmaag gaat en van hieruit door den slokdarm in den mond terugkeert.

Hoe dit ook zij, hot herkauwen duurt zoolang tot do pens en do muts van hot moest week geworden voeder bevrijd is. Dan begint hot dier op nieuw to vreten. Zal hot echter goed herkauwon, zoo moot hot niet verontrust worden in don tijd, waarop deze verrichting gewoonlijk plaats grijpt. Wordt hot in 't herkauwen gestoord, zoo duurt hot soms gornimen tijd vóórdat het

!) In dit bovenste gedeelte van de pens verzamelen zich natmniijk de in de maaj_f aanwezige gassen, en wanneer bij bias- of trominolzncht do pens sterk is uitgezet, wordt in dit achterste gedeelte bet troqnart gestoken.

2) G. Colin, Traité de Physiologie comparée de* animaux.

-ocr page 66-

46

weder begint. Het laten werken van mestossen, maar ook het drijven en verontrnsten van runderen en schapen in 't algemeen, kort na het eten, moet dus zooveel mogelijk worden vermeden.

Na 't herkauwen en weder doorslikken gaat het nu brijachtig geworden voedsel voor een deel door de slokdarmsleuf in de derde maag, de boekpens e over, wanneer het namelijk geene genoegzame drukking uitoefent, om over de wanden der sleuf heen te dringen.

Volgens Colin echter komt ook het herkauwde voedsel grootendeels in de pens en netmaag terug, en gaat het hier genoegzaam geweekte en brijachtig geworden voedsel, soms ook zonder herkauwd te zijn, regelmatig van de pens of van de netmaag in de boekpens over.

Niet bij alle herkauwende dieren is de slokdarmsleuf even groot. Bij het schaap is zij kleiner dan bij liet rund, en dientengevolge gaat er bij het eerstgenoemde dier niet zoo licht voedsel door de sleuf dadelijk in de derde maag' of met andere woorden: gaat meer alles in de pens over en dientengevolge herkauwt ook het eerste dier beter en vaker dan het laatsle. Heele graankorrels ontsnappen b.v. niet zoo licht aan de vertering bij het schaap als bij het rund.

In de derde maag wordt de spijze tusschcn de verschillende plooien, die de wand dezer maag bezit, doorgevoerd en de inwerking van quot;t speeksel voortgezet; dooi' verlies van water, dat de maagwand opslorpt en aan de daar aanwezige bloedvaten overgeeft, wordt de spijsbrij droger. Na een korteren of langeren tijd, gaat deze eindelijk in de vierde afdeeling, de lebmaag i, over.

In deze inaag-afdeeling heeft weder eene andere verandering met, het voedsel plaats. De talrijke kliertjes, warmede hare wanden bezet zijn, scheiden het maagsap af, waarvan do meest werkzame bestanddeelen, het zoutzuur en do pepsine, eiwitstoffen doen veranderen in pepionen, waardoor deze meer oplosbaar worden en het vermogen bekomen door een dierlijk vlies, den maag- of darmwand heen te dringen. Ook hier wordt dus een gedeelte van 't voedsel door do opslorpende vaten, welke in dien maagwand verspreid zijn, opgenomen. Wat liior niet verteert, gaat door de zoogenaamde portier in do dunne darmen over.

Is de maag voor de vertering werkzaam, dan is de portier gesloten. Bij het paard kan hot voedsel ook niet langs den slokdarm in den mond terng-keeren, wat bij vele andere dieren, schoon niet herkauwende, wel het geval is; het paard kan niet braken. Vandaar do niet zeldzame gevallen, dat do maag van een paard, bij te veel eten van graan, berst.

Bij dieren, die, gelijk het paard en 't varken, eene enkelvoudige maag bezitten en dus niet herkauwen, komt de verrichting hunner maag in hoofdzaak met die der vierde maagafdeeling van de herkauwers overeen. Ook bij kalveren en lammeren, die nog zuigen of slechts melk als voedsel ontvangen, zijn de eerste afdeelingen der samengestelde maag nog onwerkzaam on slechts weinig ontwikkeld, zie hl. 28. Eerst langzamerhand, wanneer het jonge dier naast melk ook ander voedsel bekomt, ontwikkelen zij zich en worden werkzaam. Plotselinge overgangen van gemakkelijk verteerbaar voedsel, zooals do melk, tot voedsel, dat minder gemakkelijk verteert en waarvoor ook de verrichtingen der andore maagafdoelingen vereischt worden, moeten hier dus worden vermeden.

j, Hd

-ocr page 67-

47

De spijsbrij, die uit de maag in de darmen overgegaan is, is echter op verrena nog niet verteerd. Een groot gedeelte van de voedingsstoffen is nog in het geheel niet of nog niet voldoende opgelost of voor den overgang in 't bloed geschikt geworden, 't Is daarom ook onjuist, de maag eenvoudig het orgaan der spijsvertering te noemen. Eene oven belangrijke rol vervullen de darmen daarbij, vooral bij het paard. Bovendien zijn do darmen, mot name de darmplooien, Fig. 2G, bl. 30, met haar chyl- ou bloedvaten de plaats waar het verteerde voedsel in hot bloed wordt opgenomen. De maag heeft het voedsel daartoe slechts gedeeltelijk voorbereid. In do darmen komt de spijsbrij in aanraking met nog twee zeer werkzame verteringssappen: het alvleeschsap, dat in de alvleeschklier bereid wordt, en de gal, die door de lever wordt afgescheiden. Door het alvleeschsap worden nog niet verteerde eiwitstoffen in peptonen, het zetmeel dat nog niet door 't speeksel is veranderd wordt er door in de oplosbare suiker omgezet. De omzetting van zetmeel hoeft in het algemeen daar of dan in het darmkanaal plaats, waar of wanneer liet spijs-verteringsvocht niet zuur is. Eene te groote hoeveelheid zuur (melkzuur, boterzuur enz.) ten gevolge van ondoelmatige voeding of ziekelijkon toestand van 't dier, benadeelt dus deze omzetting en heeft veelal diarrhee, bias enz. ten gevolge.

Vroeger meende men dat de in de ruwe colstof voorkomende cellulose, bij de vertering eene dergelijke verandering ondergaat als het zetmeel, dat zij namelijk wordt omgezet in gom on suiker. Uit de proeven van Henneberg en Stohmann met herkauwers en van Hofmeister met paarden is ook gebleken, dat in het darmkanaal van plantenetende dieren een aanzienlijk dool dor cellulose (bij herkauwende dieren 50—700/o en bij paarden 20—40%) verdwijnl, dat is in de vaste uitwerpselen niet teruggevonden wordt. Intusschen is door latere onderzoekingen van Tappeiner gevonden, dat do cellulose bij do hor-kauwende dieren in de pens en in den blinden darm en bij paarden in den blinden darm en een gedeelte van den dikken darm (do grimdarm) een soort gisting ondergaat, waarbij methaan of moerasgas en eenige vluchtige vetzuren, voornamelijk azijnzuur en boterzuur ontstaan l). Azijnzuur en boterzuur zijn met water mengbare vloeistoffen, gaan voor het grootste deel in 't bloed over en worden alzoo verteerd, terwijl het moerasgas zich hij do overige darmgassen als zwavel waterstofgas enz. voegt. Ellenberger en Hofmeister houden het voor mogelijk dat de cellulose, als zij overbodig is, moerasgas enz. vormt, terwijl zij bij gebrek aan andere koolhydraten opgelost wordt, dat is versuikert, en dat het van 't opzuigend vermogen van den darm afhangt, of er voel of weinig cellulose in moerasgas wordt omgezet. Met de vorming van moerasgas gaat in allen gevalle die van azijnzuur en boterzuur gepaard: het ontstaan van bias zon dus met eene sterke moerasgas-gisting hand aan hand kunnen gaan.

1) Rohalve ile genoemde moerasgasgisting komen er in het daimkanaal dikwijls nog andere, dooi- bacteriën of door andere lagere organismen veroorzaakte, gistingen voor, h.v. melkzunrgisting. Vele bacteriën, waaronder de zoogenaamde rottingsbacteriën, in liet darmkanaal komende on waardoor nit een koolhydraat naast Imterzniir, koolzuur en waterstof gevormd worden, worden echter door het zontznnr van het. maagsap gedood.

-ocr page 68-

48

G. Kühn en anderen hebben aangetoond dat ook de meer gemakkelijk verteerbare koolhydraten met name zetmeel in het darmkanaal moerasgasgisting kunnen ondergaan (en zeker ook melkzuur- en boterzuurgisting), wanneer zij niet in suiker omgezet en door den darmwand geresorbeerd worden. Zij kunnen zoo ten prooi van de bacteriën vallen, die ze eerder aantasten dan de moeilijker oplosbare bestanddeelen van den eelwand. Daardoor laat zich dan ook verklaren, wat meermalen is aangetoond kunnen worden, dat de gemakkelijker verteerbare koolhydraten de verteerbaarheid van de cellulose verminderen. Bij aanwezigheid van veel eiwit is de verteerbaarheid van do cellulose grooter.

Uit een en ander volgt dus dat de verteerbaarheid der cellulose en hare waarde als voedingsstof naar omstandigheid zeer verschillend zijn.

Van den anderen kant meent men, dat het nut der cellulose minder gezocht moet worden in hare waarde als directe voedingsstof, maar meer in den mechanischen invloed (de prikkel) dien zij en de haar in de ruwvezel vergezellende onverteerbare stoffen op den darmwand uitoefenen, een prikkel waardoor do darmbeweging en de afscheiding van verteringsvochten wordt bevorderd.

Van de voedingsstoffen, die voorts bepaald in de darmen verteerd, dat is geschikt gemaakt worden om door den darmwand heen te gaan, behoort ook het vet. liet zijn het alvleeschsap en de gal, die deze vertering bewerken en wel hoofdzakelijk door het vet te verdoelen in druppeltjes, die zoo klein zijn, dat zij slechts even met den microscoop kunnen worden waargenomen, waardoor de doorgang uit het darmkanaal naar de chylvaten bevorderd wordt, en voor een ander deel door het te verzeepen dat is om te zetten in een vetzuur zout en glycerine, die mede door den darmwand kunnen worden opgenomen.

Al de bovengenoemde vochten: het speeksel, 't maagsap, 't alvleeschsap en de gal zijn voor oene goede spijsvertering noodig, eensdeels om de voedingsstoffen de verschillende veranderingen te doen ondergaan en ze geschikt te maken om in het bloed te worden opgenomen, anderdeels ook om eene genoegzame hoeveelheid vocht te leveren, die voor dien overgang noodig is. Want daartoe moeten de stoffen niet alleen opgelost zijn, maar ook eene tamelijk verdunde oplossing vormen. De hoeveelheid water, met het voedsel opgenomen, is daartoe veelal niet voldoende; do verschillende spijsverterings-klieren moeion in het ontbrekende voorzien. Hierboven is reeds van eenige dieren de verbazende hoeveelheid speeksel opgegeven, die zij in 24 uur .afscheiden. Ook do hoeveelheid maagsap, gal en pancreasvocht, ofschoon met minder zekerheid bekend, bedraagt in de 24 uur verscheidene kilogrammen. Hij oen rund van 500 K.G. kan het pancreasvocht op 7 KG. in do 24 uur geschat worden. Dat vocht, in de klieren uit het bloed afgescheiden, wordt in het darmkanaal uitgestort en keert met de verteerde voedingsstoffen in het Moed terug. Er heeft derhalve, als de maag en darmen voor de spijsvertering werkzaam zijn, eene vochtstrooming plaats; 1) van uit het bloed door de klieren in hot darmkanaal en 2) uit het darmkanaal weer terug naar het bloed.

Dat gedeelte nu van 't voedsel, 'twelk of zonder verandering, b.v. sommige zuron en do amideachtige lichamen, of door de inwerking van do verschillende verteringsvochten in andere stoffen omgezet, door den darmwand heentrekt en in 't bloed overgaat, is zoogezegd verteerd; wat niet verteerd is, wordt als vaste uitwerpselen van tijd tot tijd uit het lichaam verwijderd. Daarbij

-ocr page 69-

49

voegen zicli enkele afscheidings- en afslijtingsproducten van de slijmhnid van maag en darmen en een gedeelte van de in liet darmkanaal gestorte secretiën. Een groot gedeelte van de verleringsvochten wordt echter, gelijk reeds opgemerkt is, weder door den darm wand opgezogen. Bepaaldelijk heeft dit met de gal plaats, die door de poortader naar de lever terugstroomt, om na eenigen tijd op nieuw in het darmkanaal uitgestort te worden. Zie bl. 35.

Zonder grove fouten te begaan, mag men dus uit eene vergelijking van hetgeen als voedsel opgenomen is en hetgeen in de vaste uitwerpselen teruggevonden wordt, besluiten tot hetgeen daarvan verteert. Verschillende onderzoekingen dienaangaande, vooral in Duitschland, hebben over die verteerbaarheid van het voedsel door de landbouwdieren veel licht verspreid. Bij de behandeling der verschillende voedermiddelen komen wij daarop terug. Het moge hier voldoende zijn om te doen zien, dat het resultaat der voeding van een dier in de eerste plaats van de spijsvertering afhankelijk is.

Verschillende omstandigheden, die wij hier nog niet allo kunnen overzien, zijn daarop van invloed. Vooreerst de hoedanigheid der voedingstof zelf. Twee voedermiddelen kunnen b.v. wel dezelfde hoeveelheid eiwitstoffen bevatten, maar terwijl die van het eene bijna geheel verteerbaar is, verteert van die van het andere slechts een gedeelte. In de tweede plaats de inrichting van 't spijsverteringskanaal en do daarbij behoorende organen. Deze verschilt vooral bij de onderscheidene diersoorten, 't rund en 't paard b.v.; maar ook bij verschillende rassen, ja bij de verschillende individuen van een en 't zelfde ras kunnen dienaangaande verschillen bestaan, vergel. bl. 31. Ook do staat der gevoedheid van 't dier kan daarop van invloed zijn. Een mager dier, arm aan bloed, zal niet genoeg secretiën kunnen leveren, om eene groote hoeveelheid voedsel te verteren. Een goed gevoed dier zal dit wel kunnen. Niet zonder invloed daarop zullen ook de verschillende gemoedsaandoeningen van 't dier zijn. Gelijk ons bij hevige gemoedsaandoeningen, door vermindering van speekselafscheiding, het eten in de keel blijft steken, hevige toorn en schrik op do afscheiding van gal werken, waardoor deze, met het bloed vermengd, eene bekende ziekte, de geelzucht, kunnen veroorzaken, zoo ook zullen bij een dier zenuwaandoeningen invloed uitoefenen op het afscheiden van verteringsvochten. Kwellingen, verschillende invloeden, die het onrustig maken en zijne driften opwekken, kunnen daarom niet anders dan nadeelig op zijne spijsvertering zijn. Zoo ook ziekelijke toestanden en overmatige arbeid.

In de derde plaats is de wijze hoe het voedsel toebereid en aan quot;t dier gegeven wordt, van invloed op de spijsvertering. Ongebroken graankorrels kunnen zelfs bij 't rund onverteerd door het darmkanaal gaan. Brijachtig voedsel aan een herkauwend dier gegeven, kan aan de nuttige werking van 'therkauwen worden onttrokken en onverteerd blijven. In de betrekkelijk kleine maag van een paard blijft het voedsel slechts korten tijd. Zij kan dikwijls het rantsoen van één schofttijd niet bevatten. C. F. Muller geeft aan, dat als oen paard 2.5 KG. hooi in eens opvreet, dit zich met het viervoud van zijn gewicht dus met 10 KG. speeksel en slijm vermengt en eene massa vormt, die de kleine maag driemaal vullen zou; zij zon zich dus in den schofttijd tweemaal naar de darmen moeten ontlasten. Wordt in denzelfden schofttijd eerst haver en dan hooi opgenomen, zoo voert het laatste dadelijk een groot deel van de

REixuiiRS, JII. Vierde druk. 4

-ocr page 70-

So

eerste naar do darmen. Do haver wordt daardoor niet voldoende niet maagsap en spooksel vermengd om verteerd te worden, 't Is daarom boter de haver na 't hooi te geven. Ook liet drinkwater gaat spoedig uit de maag in de darmen over en sleept niet zelden van den inhoud der maag, vooml de haverkorrels, mode. 't Is daarom boter hot drinkwater toe te dienen na hooi dan wel na haver, die langer in 't darmkanaal vertoeven moet, om de daarin voorkomende eiwitstoffen enz. te doen verteren.

In do vierde plaats oefent de verhouding tnssehen de voedingsstoffen of de samenstelling van het voederrantsoen invloed op de vertering uit. Uit verschillende proeven is o. a. gebleken, dat als men schapen en ossen eerst voedert nitslnitend met hooi of stroo en de hoeveelheid eiwit, koolhydraten enz., die daarvan verteerd wordt, bepaalt, de verteerde hoeveelheid eiwit en celstof van dit zoogenaamde mw voer aanzienlijk minder wordt, wanneer men den dieren bij het hooi veel zetmeel, gom of suiker geeft, 'tzij als zoodanig, 'tzij in voedermiddelen als aardappels of mangelwortels, waarin deze voedingsstoffen in aanzienlijke hoeveelheid voorkomen. Toevoeging van voeder, dat rijker aan eiwit is, b.v. zemelen of koeken, vermindert daarentegen de verteerbaarheid van het eiwit enz. in het ruw voer in veel geringere mate. Zoowel om deze als nog andere redenen, die hieronder zullen worden vermeld, is het van belang, dat er eeno zekere verhouding tnssehen do voedingsstoffen (het eiwit, de stikstof vrije extract iefstoffen en het vet) in 't voeder is. Neemt men de hoeveelheid zetmeel, b.v. door het toedienen van veel graan of aardappels als bijvoeder te groot, dan blijft een gedeelte van het zetmeel onverteerd niet alleen, maar er verteert ook minder van do celstof of het eiwit in het stroo of hooi aanwezig. Zie hieronder bij do veevoedering.

Het onverteerde vindt men in de uitwerpselen terug, maar als mest hebben het zetmeel en de celstof weinig of geene waarde. Minder nadeelig is eene eenigszins te groote hoeveelheid eiwit in krachtvoer toegediend. De vertering van het eiwit en de celstof in 't ruwe voer wordt daardoor toch veel minder tegengegaan, en mocht ook iets van het eiwit aan de spijsvertering ontsnappen, in den mest terecht komende, verhoogt het door zijn stikstofgchalte de waarde hiervan in niet geringe mate. Zie I, bl. 382.

B. Bloedsomloop en stofwisseling.

Het door 't darmkanaal verteerde voedsel wordt, gelijk reeds bl. 48 opgemerkt is, deels door de aderen van maag en darmen, deels door de chylvaten in 't bloed opgenomen en de hoeveelheid bloedvloeistof en der daarin opgeloste stoffen daardoor dus vermeerderd. Maar behalve uit het darmkanaal gaan nog op verschillende andere wijzen stoffen in 't bloed over of kan dio overgang op andere wijzen plaats hebben. In 't algemeen wordt het opnemen van stoffen in 't bloed met don naam opzuiging (resorptic) bestempeld. Zoo zuigen de lymph vaten en de aderen, Fig. 28, bl. 33, het vocht weder op, dat, uit het bloed afgescheiden, de weefsels van cel tot col doortrekt, en storten het weder in het aderlijk bloed uit. Door de longen wordt voorts zuurstof in het bloed opgenomen. Bovendien kunnen genoemde organen verschillende andere stoffen opzuigen. Dampen van alcohol, vluchtige vergiften enz. gaan zeer

-ocr page 71-

51

spoedig door do longen in 't bloed over. Vaste maar oplosbare stoffen worden door de met de opperhuid bedekte huid zeer langzaam, maar daar, waar de opperhuid is weggenomen, zeer spoedig opgezogen. Het wasscheu of insmeeren iler huid van dieren met vergiften kan dus veelal zonder gevaar geschieden, wanneer geene wonden aanwezig zijn, maar zoodi-a do opperhuid barsten of wonden vertoont, b.v. bij schurft, kan op deze wijze vergiftiging in hot Moed plaats hebben.

Het bloed nu is de vloeistof, die in hot onderhoud, den groei enz. der verschillende lichaamsdeelen voorziet. Van den toevloed van bloed naar een orgaan is dan ook zijn meerdere of mindere groei of zijne werkzaamheid afhankelijk , en naarmate eenig orgaan meer werkzaam is, wordt ook de toevoer van bloed daarheen grooter. Wanneer de maag en de darmen werkzaam zijn, om het voedsel te verteren, stroomt er ook meer bloed naar hot darmkanaal, om de noodige verteringssappen te leveren en het verteerde op te nemen. Aan do geringe hoeveelheid bloed in dit gedeelte van het, vaatstelsel en de daardoor veroorzaakte werking op de zenuwen wil men dan ook het gevoel van honger toeschrijven. Zoodra er nieuw voedsel in 't darmkanaal komt, wordt bloed aangevoerd en 't hongergevoel bevredigd. Bij bewegingen wordt meer bloed naar do daarbij gebruikte spieren, bij voel melkafscheiding naar den uier gevoerd, enz.

Wij zien hieruit dat de bloodbeweging in do oene of andere richting sterker of zwakker zijn kan. Do landbouw-practijk dient daarmede rekening te houden. Een werkdier met eone gevulde maag te laten arbeiden, is even ondoelmatig als dat iemand na een goed maal gaat studeeren. Want of do spijsvertering of de andere werkzaamheid zal daaronder lijden. Wanneer bij eone koe in den bronstijd er meer bloed naar de voortplantingsorganen stroomt, en het dier meer beweging maakt, vloeit er minder naar den uier en geeft hot minder melk. Om dezelfde reden vermindert het melkgeven na de bevruchting, wanneer er bloed voor den groei van 't kalf verbruikt wordt enz.

Wij moeten echter om de voedingsverschijnselen te doen begrijpen en, door do toepassing van de kennis dezer verschijnselen, tot eone doel matige vee-voedering te geraken, nog eenigszins dieper daarin doordringen. Daar het verteerde voedsel in 't bloed overgaat, wisselt de hoedanigheid van het bloed at naar den aard van !t voedsel, inzonderheid wat de daarin opgeloste stoffen betreft. Ontvangt een dier meer eiwit in 't voedsel, zoo wordt ook het bloed rijker aan eiwit; gaan uit het darmkanaal meer vet of koolhydraten over in 't bloed, zoo komen tot zekere grens ook meer van deze stoffen erin voor. Het bloed nu kan men als de voorraad beschouwen, waaruit do verschillende lichaamsdeelen voortdurend gevoed worden.

Maar behalve bloed is er nog eene andere voorraad, die te dezen opzichte van even veel, zoo niet van meer beteekenis is. Het is het sap, dat in de verschillende weefsels gevonden wordt.

Wat heeft er toch met het bloed, wanneer het zijn weg door de haarvaten, bl. 54, neemt, plaats? Van do bloed vloeistof en van de daarin opgeloste stoffen gaat een gedeelte door den dunnen wand dier haarbuisjes heen, doortrekt. do weefsels en voegt zich bij het vocht, dat hier reeds aanwezig is.

Dit vocht, waaraan wij don naam weefselsap zullen geven, moet, in het

-ocr page 72-

52

protoplasma iler colion opgenomen, als het eigenlijke voodingsvoeht worden beschouwd. Wij mogen aannemen dat dit dergelijke stoffen opgelost bevat als ook in het bloed voorkomen. Stikstofhoudende verbindingen, b.v. eiwit, stik-stofvrije verbindingen, b.v. vet, en eenige zouten zijn daarvan de belangrijkste. En naar de stoffen die uit het darmkanaal naar het bloed worden gevoerd, wisselt ook de hoedanigheid en de hoeveelheid van de in het weefselsap opgeloste stoffen af. In een mager dier houdt het weinig opgelost. Dan is liet dus meer waterig. Vandaar ook het groote watergehalte van mager vleesch, hl. 4 en 40. In een goed gevoed dier zijn in hot weefselsap meer stoffen (eiwit enz.) opgenomen, waardoor zich ook het betrekkelijk geringer watergehalte van zoogenaamd vet vleesch laat verklaren.

Uit een en ander volgt dus, dat de voorraad in het bloed en in de weefsels, waaruit het dier zich voeden moet en waarvan, gelijk hieronder nog nader blijken zal, alle levensverrichtingen min of meer afhankelijk zijn, qualitatief maar vooral quantitatief zeer verschillend kan wezen. Aau hot daarin voorkomende eiwit wordt door Voit de naam van voorraads- of omloopend eiwit gegeven, om het te onderscheiden van dat 'twelk meer bepaald een bestanddeel der weefsels vormt en dat door hem met den naam van orgaaneiwit wordt bestempeld.

De in het bloed en in het weefselsap opgenomene stoffen en de weefsels zelve ondergaan eene bestendige verandering, die men gewoonlijk stofwisseling noemt. Vermeerdert van den eenen kant, gelijk wij hierboven hebben gezien, de hoeveelheid bloedvloeistof en de daarin opgeloste stoffen voortdurend door nieuwen aanvoer uit het darmkanaal, van den anderen kant vermindert daarvan de massa, doordien het bloed verschillende stoffen aan de weefsels of de daaruit gevormde organen afstaat.

Ook de in het bloed zwevende bloedlichaampjes blijven niet voortdurend bestaan; zij gaan te gronde en worden door nieuwe vervangen. Het roode beenmerg, de milt en enkele andere klieren schijnen de organen te zijn, welke voor de vorming dienen. Bovendien doet de bij de ademhaling opgenomene zuurstof een gedeelte der bloedbestanddeelen verbranden. Kortom er heeft eene bestendige verandering met het bloed plaats.

Iets dergelijks hoeft met de weefsels en het weefselsap plaats. Onder anderen doet de opgenomene zuurstof ook hier stoffen verbranden en worden door celvorming in de bestaande nieuwe orgaandeelon of weefsels gevormd (geassimileerd). Er wordt daartoe voortdurend nieuwe voorraad uit het blood aangevoerd, maar tevens stoffen, in de eerste plaats de verbrandingsproducton, door de lymph vaten of door opzuiging in de haarvaten, weder naar het bloed teruggevoerd. Of anders: er gaat eene bestendige stroom van vocht door de weefsels, waarmede deze het voor hunnen groei en de stofwisseling noodige ontvangen en liet onbruikbare (de afslijtings- en verbrandingsproducten) wordt verwijderd.

Wij meeten ons hier bepalen tot eene bloote vermelding van de veranderingen, die de voedingsstoffen bij haren loop door het lichaam ondergaan en van de rol, die zij bij den groei en do stofwisseling vervullen.

Gelijk sommige als voedsel opgenomene stoffen onveranderd door het darmkanaal gaan, zoo schijnen ook enkele in het bloed opgenomene verbindingen

-ocr page 73-

53

daarmede door liet lichaam te worden gevoerd, zonder merkbaar te veranderen of direct aan de stofwisseling deel to nemen. Daartoe behooren hot water, sommige zouten en kleurstoffen (aan de kleur van de urine soms gemakkelijk waar te nemen). Toch dragen het water en enkele zouten middellijk tot de stofwisseling bij. Zoo is het water, behalve dat het de vertering en de opzuiging van tic voedingsstoffen bevordert, noodig voor do vorming van de verteringsvochten, als gal, speeksel enz. en in 't algemeen voor den omloop van de verschillende stoffen. Eene te groote hoeveelheid water is nadeelig; het versnelt te zeer den gang van 't voedsel door het darmkanaal; het benadeelt het opzuigen dor voedingsstoffen en veroorzaakt eene te snelle ontleding daarvan in do verschillende lichaamsdeelen; vermeerderde watertoevoer bevordert b.v. ilo omzetting van eiwit; en daar hot op do temperatuur van het lichaam verwarmd moet worden, onttrekt het hieraan onnoodig te veel warmte. Gebrek aan water is echter niet minder nadeelig zoowel voor de spijsvertering als ook voor de stofwisseling in do weefsels, daar het bloed onder deze omstandigheden hieraan water onttrekt, waardoor zij hunne normale gezwollenheid verliezen en niet in staat zijn de gewone stofwisselproducten te leveren, 't Gebrek aan water geeft het gevoel van dorst. — Van do in 't bloed opgenomen zouten zijn de kalk-, kali- en ijzerzouten en het keukenzout van het meeste belang. Kalk, vooral phosphorzure kalk, is noodig voor de stofwisseling en den groei der beenderen. Proeven o. a. van Lehmann hebben aangetoond, dat jonge honden en varkens, die bij overigens toereikend voeder geen kalk-zouten daarin ontvingen, door de zoogenaamde Engelsche ziekte (rhachilis) werden aangetast l), vooral wanneer hun daarbij tevens melkzuur (b.v. zure melk) gegeven werd. Toevoeging van kalkzouten (hot bost phosphorzure kalk) bij het voeder deed hou van do ziekte herstellen. Van alle bekende voedermiddelen is de moedermelk dan ook het rijkst aan kalk; dan volgen do eidojers. Jonge dieren, die, ontwend, kalkarm voeder ontvangen — en dit kan b.v. met varkens die mot aardappels en karnemelk gevoed worden, het geval zijn — geve men dus wat phosphorzure kalk bij het voer. Is het dier volwassen, zoo is ook nog wel kalk noodig, maar in het meerdere voeder dat het ontvangt is dan in den regel genoog voorhanden.

Uzerzouton zijn noodig voor de vorming van tie roode bloedlichaampjes, wier kleurstof ijzer bevat. Zij komen echter evenals de kali- en de overige

!) (ntusschcu kan ilezc ziekte soms ook ontstaan, ofschoon genoeg kalk in liet voeder aanwezig is. Onderzoekingen van Oeclisner ile Coninck en aiitleren liebben ge-leent dat bij dergelijke beenziekten in de meeste gevallen meer kalk, bij menschen ook meer pliospborznur en chloor in de urine voorkomt dan gewoonlijk. Volgens hen zou dan de oorzaak der ziekte zijn, dat tengevolge van storingen in de voeding er kalk enz. aan de beenderen onttrokken wordt of daarin niet wordt afgezet, maar door zoutzuur of melkzuur in oplossing komt of blijft en met de urine wordt afgescheiden. Pfliiger is van oordeel dat phosphorzure kalk en ook koolzure kalk niet worden geresorbeerd en dat vooral phosphorzure kali de vorm is waarin do dieren het noodige phosphorzuur ontvangen. Intusschen is het een feit dat dieren die b.v. gevoederd worden met veel hooi van madelanden waarin weinig phosphorzuur en vooral weinig kalk aanwezig is, dikwijls zwakke beenen krijgen en dat toevoeren van phosphorzure kalk dan als geneesmiddel kan dienen.

-ocr page 74-

54

phosphorzure zouten, die nog eene bijzondere rol bij de stofwisseling in liet bloed en in de weefsels vervullen, in den regel in het voedsel en in het water dat de landbouwdieren ontvangen in genoegzame hoeveelheid voor. Met liet keukenzout is dit niet altijd hot geval. Plantenetende dieren hebben daarvan meer noodig dan vleeschetende. Er zijn voorbeelden genoeg bekend, dat zij stukken steenzout, in hun bereik gebracht, gaan aflekken, en menschen, die ♦ veel plantaardige spijzen eten, gebruiken meer zout dan dezulken, die veel vleesch eten. Vooral bij aardappels, boonen en erwten verlangen wij veel zout. Bunge heeft nu aangetoond, dat wanneer dergelijke stoffen, die veel kali bevatten, tot voedsel genomen en dus veel potaschzonten in het bloed en in het weefselsap overgevoerd worden, het keukenzout hieruit als het ware verdreven en met de urine uit het lichaam verwijderd wordt, waardoor storingen iu do voedingsverrichtingen ontstaan. Bij een zeer kalirijk voedsel, b.v. aardappels , kan eene opzettelijke toevoeging van keukenzout dus in de eerste plaats noodig zijn. Overigens dient men in aanmerking te nemen, dat het drinkwater en ook liet stroo, hooi enz. hier te lande waarschijnlijk meer keukenzout bevat dan in landen verder van de zee verwijderd en de toevoeging hier dus minder noodzakelijk zal zijn dan elders. Bovendien eene matige hoeveelheid keukenzout is nuttig, eene te groote qnantiteit schadelijk. Het geeft eene prikkel tot opneming van water, waarvan eene matige hoeveelheid de spijsvertering bevordert; zijne aanwezigheid in het weefselsap vermeerdert hier de omzetting van het eiwit, en in 't algemeen geeft eene matige hoeveelheid aan 't dier eene zekere welgedaanheid. Eene te groote hoeveelheid doet het echter vermageren en mocht zijne zwaarte ook al toenemen, dan komt dit — proeven hebben hot bewezen — doordien het watergehalte van 't dier grooter is geworden. In het algemeen wordt daarbij naar een zeker evenwicht gestreefd. Wordt eene betrekkelijk groote hoeveelheid zout in het voedsel gegeven en in het bloed opgenomen, dan wordt voor het hei-stellen van 't evenwicht water aan de weefsels, vooral aan de klieren onttrokken en ontstaat het gevoel van dorst.

Eene bijzondere rol bij de stofwisseling heeft de zuurstof, die, bij de ademhaling in het bloed opgenomen, daarmede naar de weefsels wordt gevoerd,

gelijk hierboven reeds werd vermeld en ons straks nader zal blijken.

Wij zullen nu eerst nagaan de verandering der organische voedingsstoffen en de rol die deze bij de stofwisseling in het dier spelen. Eiwitstoffen en eenige andere stikstofhoudende verbindingen, vet, suiker en eenige organische zuren zijn daarvan de belangrijkste. Deze veranderingen kunnen bestaan in:

a) vorming van lichaamsdeelcn om de inmiddels afgesletene te vervangen of bij den groei nieuwe te vormen;

h) splitsing van stoffen in twee of meer andere of vorming van eene nieuwe stof uit twee of meer andere;

c) verbranding van stoffen, dat is verbinding mot zuurstof.

Uit hoofdstuk I is ons gebleken, dat, afgescheiden van de beenderen, de droge stof van oen dier grootendeels uit eiwit of daarmede nauw verwante stoffen bestaat. Men mag dan ook aannemen, dat de eiwitstoffen in het voedsel in de eerste plaats dienen om het materieel voor den groei enz. der weefsels of juister voor do vorming van nieuwe cellen te leveren. Zij mogen daarom

-ocr page 75-

55

in het voedsel nooit ontbreken en kunnen nooit, geheel iloor eene andere voedingsstof vervangen worden. Uit lijm, amiden en andere stikstofhoudende niet-eiwitstoffen worden in het dier geen eiwit of in het algemeen geen weefsel-bestanddeelen gevormd. Omtrent de rol dezer stikstofhoudende verbindingen bij de voeding is men nog in het onzekere. Hoogstens oefenen zij, evenals de hieronder te vermelden vetten en suiker, eene eiwitbesparende werking uit l).

Toch is ook de vorming van nieuwe lichaamsdeelen uit het eiwit van liet voedsel niet zoo eenvoudig als men wel zou kunnen meenen, omdat het dierlijk eiwit dat daarbij gevormd wordt en een georganiseerden vorm krijgt, wezenlijk verschilt van het plantaardig eiwit, dat onzen huisdieren meest tot voedsel dient.

De meest juiste voorstelling die men zich daarvan kan maken is waarschijnlijk deze, dat de voedingsstoffen, zoowel de eiwitstoffen als de stikstofvrije stoffen in het protoplasma der cellen worden opgenomen en dat daarin verschillende splitsingen en vereenigingen plaats hebben. De splitsing van eiwit geschiedt dan vaak zoo dat een stikstofvrij en een stikstofhoudend product gevormd wordt. Zoo neemt men aan dat bij splitsing van eiwit o.a. vet ontstaat, vooral op grond van het verschijnsel dat bij het vervetten van een weefsel het protoplasma der cellen door vetdruppels vervangen wordt 2). Een tweede stikstofvrij splitsingsproduct van de eiwitstoffen is het yhjcogcen, een tot de koolhydraten beboerende stof, die, in de lever gevormd en daarin opgehoopt, als reservestof dient en eene belangrijke rol speelt bij het verrichten van arbeid, gelijk straks nader zal blijken.

Stikstofhoudende stoffen, als splitsingsproducten in het dierlijk lichaam gevormd , kent men verscheidene. Wij noemen slechts het kreatin en kreatinin. Vele dezer splitsingsproducten ondergaan nog weder verandering en nemen daarbij meestal zuurstof op. Hot stikstofhoudende eindproduct daarvan is dan hoofdzakelijk het ureum of de pisstof, die met de pis of urine uit het lichaam verwijderd wordt. Geene andere stikstofverbinding verlaat in noememwaar-

1) JJe laatste onderzoekingen daaromtrent zijn die van Keiler {Chcni. Zeil. 31). Volgons deze is asparagine (een in plantaardig voedsel vaak voorkomend amid , 1, ld. 181) bij vleeschetende dieren zonder werking, maar bij plantenetende dieren werkt het, bij voeder, arm aan eiwit en rijk aan koolhydraten, eiwitsparend, zoodat eiwit, dat, zonder gelijktijdige aanwezigheid van asparagine, verbruikt wordt, in het lichaam als orgaaneiwit kan worden opgenomen. Ook ammoniakzouten (dus stikstofh. anorganische verbindingen) werken volgens K. op eene dergelijke wijze, lieide bevorderen volgens hem ook de vertering der koolhydraten. Hij wil zulks op de volgende wijze verklaard hebben. Asparagine en de ammoniakzouten treden bij do stofwisseling niet in de plaats van eiwitstoffen, maar werken indirect doordat zij in het darmkanaal voor de bacteriën tot voedsel dienen, waartoe anders eiwit verbruikt wordt. Deze werking treedt hot meest te voorschijn bij voeder, arm aan eiwit. Wordt moeren meer eiwit gegeven, dan wordt de invloed der amiden steeds geringer, aangezien de bij de eiwitstol'fen ontstaande splitsingsproducten toereikend zijn om de bacteriën te voeden; vergelijk bl. 48. Uij voeder dat rijk aan eiwit is of eeiMï voldoende hoeveelheid eiwit bevat, zouden do amiden dus van geen dienst zijn, wel in voederrantsoenen arm aan eiwit, zooals b.v. aan dieren die op onderhoudsvoedsel gesteld zijn, gegeven wordt.

-) Volgens IMlüger is de vorming van vet uit eiwit onzeker; volgens hem ontstaat dit uit het vet van het voedsel zelf en uit koolhydraten.

-ocr page 76-

56

düje hocveeUicid hei lichaam l). Daar men nu weet, dat uit 100 gewichtsdeelen Avaterviij eiwit, 33,5 gew. d. ureum kunnen ontstaiin, en liet niet moeilijk is hiervan de hoeveelheid in de urine nauwkeurig te bepalen, beschouwt men de quantiteit ureum in de urine als maat voor de hoeveelheid eiwit, die in het lichaam ontleed is. Hoe nicer ureum dus in de uriue gevonden wordt, des te meer eiwit is er omgezet en omgekeerd.

-Maar behalve door splitsing kunnen er ook door vereeniging van twee of meer stoffen in het protoplasma nieuwe stoffen ontstaan. Zoo is het mogelijk ilat uit het gesplitste eiwit op nieuw en een eenigszins anders samengesteld eiwit ontstaat. Met het vet in het voedsel is dit eveneens het geval. Dit sjilitst zich waarschijnlijk eerst in vetzuren en glycerine; vetzuren en glycerine vereenigen zich echter daarna weder tot een vet, ■waarbij de verhouding der samenstellende deelen eenigszins anders wordt. Immers, ofschoon het vet in het voedsel wel van invloed kan zijn op de hoedanigheid van het vet in het dier, is de samenstelling en daardoor ook de consistentie van het dierlijke vet eene eenigszins andere. Men denke slechts aan het botervet.

Ook de in het bloed in den vorm van suiker opgenomene koolhydraten ondergaan verschillende veranderingen. Voor een deel wordt daaruit in de lever het zooevengenoemde glycogeen gevormd en voorts heeft men met zekerheid kunnen aantoonen, dat uit koolhydraten in hot dierlijk lichaam ook vet kan gevormd worden. Het eerste heeft men kunnen aantoonen omdat juist na het gebruik van veel koolhydraten er zich veel glycogeen in de lever ophoopt en het tweede omdat bij bepaalde rantsoenen, aan varkens b.v. gegeven, de hoeveelheid ontleed eiwit en het vet in het voedsel niet voldoende zouden zijn voor de vorming van het in 't lichaam aangezette vet, en de vorming daarvan wel niet anders dan uit de tevens in het rantsoen aanwezige koolhydraten verklaard kan worden.

Op grond van deze en andere onderzoekingen neemt men dus aan:

dat het eiwit in het dier slechts uit ander eiwit ontstaat;

dat glycogeen wordt gevormd uit eiwit en koolhydraten (volgens Chauveau ook uit vet);

dat vet, behalve uit het voedsel, in het lichaam wordt gevormd uit eiwit en uit koolhydraten.

Het glycogeen, de in het bloed aanwezige suiker en tot zekere hoogte ook de vetten vormen echter geen wezenlijk bestanddeel van het dierlijk lichaam. Do vetten en ofschoon in veel geringere hoeveelheid het glycogeen worden wel in hot lichaam opgehoopt, gereserveerd (en bij het vetmesten geschiedt die ophooping van vet met landbouwkundige doeleinden), maar zij dienen om te gelegener tijd verbruikt, verbrand te worden. Verbranden, dat is het opnemen van zuurstof, is namelijk het derde belangrijke scheikundige verschijnsel dat in het dierlijk lichaam plaats heeft, ter voortbrenging van warmte of ander arbeidsvermogen. Van de genoemde stoffen verbranden de koolhydraten (glycogeen en suiker) hot gemakkelijkst, moeilijker hot vet, 'tzij het in het

1) In de urine van grasetendc dieren, vooral in die van paarden, komt ook in afwisselende hoeveellieid paardenpiszuur of liippurzuur, in de urine van vleesclietendc dieren unnezuur voor.

-ocr page 77-

57

voedsel tumwezige of het uit de eiwitstoffen afgesplitste. Daarbij kunnen door opneming van zuurstof nog verschillende tusschenprodueten ontstaan; de eindproducten van de verbranding zijn echter koolzuur en water, waarvan liet eerste hoofdzakelijk door de longen, hot Luiste ook met de urine het lichaam verlaat.

Heeft men dus in het verschil tusschen hetgeen in de vaste uitwerpselen voorkomt en de stoffen, die 't dier als voedsel opneemt, oen maat voor de vertering van 't voedsel, uit de bepaling van de hoeveelheden ureum, koolzuur en water, welke het lichaam verlaten en de hoeveelheid zuurstof, die het dier inademt, valt het niet moeilijk ten naastenbij te berekenen, wat van het verteerde voedsel in het lichaam achterblijft of juister eene maat voor de stofwisseling in het dier; anders gezegd: eene maat voor de aanzetting en omzetting van het eiwit en het vet in 't dier.

Belangrijke onderzoekingen zijn in deze richting gedaan. Men heeft niet alleen de dieren op verschillende wijzen gevoederd en het voedsel en het drinkwater alsmede de daarbij verkregen uitwerpselen nauwkeurig bepaald en onderzocht, maar ook menschen en dieren onder verschillende omstandigheden in een bijzondei daarvoor ingerichten toestel geplaatst, zoodat tevens de hoeveelheid zuurstof, die ingeademd werd, en het koolzuur en de waterdamp, die uitgeademd werden, bepaald konden worden.

Als voorbeeld van zoodanige stofwisselingsvergelijking vermelden wij de volgende door Henneberg op grond van eene door hem genomene proef, opgesteld. Deze proef werd genomen met een os, die 712.5 KG. zwaar, gedurende 28 dagen dagelijks gevoederd werd met: 5 KG. klaverhooi, 6 KG. haverstroo en 8.7 KG. gebroken boonen en voorts U.06 KG. keukenzout en 56.1 KG. drinkwater ontving.

Do gemiddelde dagelijksche toeneming in levend gewicht bedroeg bij dit

voeder 1.085 KG., terwijl de dagelijksche ontvangst en uitgaaf waren als volgt in KG.:

Ontvangst. Water Ascli Koolstof Waterstof Stikstof Zuurstof Aan voeder, drinkwater en

inademing....................58.200 0.890 5.825 7.500 0.31 U 10.150

U itgaaf.

A. Aan urine en vaste uitwerpselen:

13.90 KG. urine............13.075 0.305 0.220 0.025 (1.170 0.105

40.65 „ vaste uitw. . . . 36.075 0.575 2.585 0.310 0.105 2.000

B. Aan uitademing door huid, longen en darmkanaal:

9.525 KG. water............9.525 — — — — —

9.795 „ koolzuur .... — — 2.67 —- — 7.125

0.030 „ moerasgas ... — — 0.02 0.01 — —

Som der uitgaven .... 57.675 0.880 5.495 0.345 0.275 9.230

Ontvangst grooter dan

uitgaaf......................0.525 0.010 0.330 0.050 0.035 0.875

Men kan nu de volgende berekening maken. Er is een winst van 0.035 KG. stikstof en aangezien de eiwitstoffen gemiddeld 16 proc. stikstof bevatten.

-ocr page 78-

beantwoordt l. gew. cl. stikstof aan 6.25 gew. cl. eiwit; 0.035 KG. stikstof dus aan 0.25 X 0.035 = 0.219 KG. eiwit. In de eiwitstoffen gaan op 1 deel stikstof 3.35 deelen koolstof. Voor de vorming van 0.219 KG. eiwit was dus 0.219 X 3.35 = 0.117 KG. koolstof noodig. Er is 0.330 KG. koolstof opgenomen. Voor de vetvorming blijft dus 0.330 — 0.117 = 0.230 KG. koolstof beschikbaar, en daar 1 deel koolstof beantwoordt aan 1.307 deolen vet, kan daaruit 0.239 X 1-307 = 0.278 KG. vet gevormd zijn.

De dagelijksche gewichtstoeneming moet dus bedragen:

aan eiwit .... 0.219 KG.

„ vet .... 0.278 „

„ water .... 0.525 „

„ asch .... 0.010 „

samen . . 1.032 KG., wat met de direct door weging gevondene hoeveelheid (1.035 KG.) vrij wol overeenstemt.

De verschillende resultaten die dergelijke voedingsproeven gegeven hebben, o. a. dat bij het verrichten van arbeid meer zuurstof opgenomen en meer koolzuur uitgeademd wordt, bespreken wij hieronder.

De ademhaling door de longen en de afscheiding van de urine door de nieren staat met de stofwisseling in het nauwste verband. Hoe meer stoffen er in het lichaam verbranden, des te meer zuurstof moet er aan- en des te meer koolzuur weggevoerd worden. Naar die mate moet ook do ademhaling krachtiger zijn, en omgekeerd: hoe krachtiger de ademhaling is, des te moer zuurstof er opgenomen en des te grooter het stofverbruik door verbranding wordt.

De quantiteit urine die afgescheiden wordt is grootendeels afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen water, dat zeer spoedig zijn weg door het lichaam neemt; en de hoeveelheid van de daarin opgeloste stoffen hangt vooral af, gelijk reeds gezegd, van de eiwitomzetting en verder van die der stoffen die als voedsel opgenomen maar aan de stofwisseling weinig of niet deelnemen en met de urine weder uit het lichaam worden verwijderd.

Opmerkelijk is ook de snelheid waarmede de voedingsstoffen in het lichaam worden omgezet. „Ook na de rijkste maaltijdquot;, zegt Bunge, „zijn do opge-nomene voedingsstoffen reeds na verloop van een halven dag voor het grootste deel tot de eindproducten: koolzuur, water eu ureum verteerdquot;. Dit geldt voor den mensch. Bij het rund en andere herkauwende dieren mot hun samengestelde maag duurt die omzetting gewis langer, maar ook bij het paard en het varken geschiedt zij ongetwijfeld snel en geeft dit eenige aanwijzing voor niet te lange poozen tusschon de voedertijden.

C. Onderhoudsvoedsel en Honger. Vorming van vet en vleesch, melk enz. in het dierlijk lichaam.

Nu wij de belangrijkste voedingsstoffen hebben leeren kennen en de veranderingen die zij in het lichaam ondergaan en in het algemeen do stofwisseling in het dier en de methode van onderzoek daarbij, dienen wij de voeding en de stofwisseling nog nader met het oog op de productie te beschouwen.

Als do belangrijkste organische voedingsstoffen die daarbij vooral in aanmerking komen hebben wij loeren kennen: eiwitstoffen, vetten en koolhydraten

-ocr page 79-

59

eu als algomecne regel kan men stellen, dat noch de eiwitstoffen alleen, noch de veilen en koolhydraten alleen in staal zijn hel lichaam te onderhouden, laat slaan ie doen groeien of iets voort te doen brengen, maar slechts dexe sloffen gezamenlijk en in eene zekere verhouding.

Wij zullen, teneinde zulks duidelijk te maken — want het betreft hier een voor den veehouder zeer belangrijk feit — ons eenige bepaalde gevallen stellen. Wij willen vooreerst aannemen, dat de uitgaven en inkomsten elkander nagenoeg dekken en er dus geen winst of verlies is. Het dier ontvangt dan slechts voedsel voor zijn onderhoud; de hoeveelheden koolstof en stikstof bv., die in de urine, in de vaste uitwerpselen en in het uitgeademde koolzuur voorkomen, zijn nagenoeg even groot, als die in het voedsel opgenomen. Do hoeveelheid voedsel nu, die een dier voor zijn onderhoud noodig heeft, is reeds zeer verschillend. Zij is grooter, wanneer het dier uitwendigen arbeid verricht of veel beweging maakt, dan wanneer het rustig op stal staat. Want voor het verrichten van dien uitwendigen arbeid wordt meer stof verbruikt, meer zuurstof opgenomen en meer koolzuur afgescheiden, derhalve meer koolstof-houdende stof verbrand. Zij verschilt ook naardat het dier zich reeds in een goeden staat bevindt of mager, levendig van aard of traag is, enz. Een groot en volwassen dier heeft absoluut wel meer onderhoudingsvoedsel noodig dan een klein en nog jong dier, maar berekend per 100 KG. levendgewicht, moot een klein en jong dier meer ontvangen om in 't gewone levensonderhoud, waarbij het lichaam niet vermageren zal, te voorzien.

Wij willen nu aannemen, dat een dier zich in een middelmatig gevoeden toestand bevindt, en dat men het in dien toestand ongeveer wil houden. Wat is daarvoor noodig of beter het goedkoopste voedsel? Een zeer eiwitrijk voer? Neen, want behalve dat zulks te duur zou komen, treft zulk voer ook minder doel. Voit voederde o. a. een hond gedurende eenigen tijd enkel met vleesch, van vet ontdaan. Om het dier ongeveer op dezelfde hoogte te houden, waren dagelijks 1500 gram vleesch noodig. Maar tot ongeveer hetzelfde resultaat kwam hij door het met 500 gram vleesch en 200 gram vet te voeden. Dergelijke resultaten werden verkregen, wanneer hij een hond met vleesch en zetmeel voederde. Ook dan was een voel geringere hoeveelheid noodig, dan bij voeding met enkel vleesch.

Onze huisdieren moeten natuurlijk ander voeder gebruiken, maar verschillende onderzoekingen hebben geleerd, dat ook hier dezelfde beschouwingen gelden. Volgens proeven van Henneberg en Stohmann blijft een volwassen os ongeveer in denzclfden toestand, wanneer hij op 1000 KG. lovend gewicht dagelijks 0,6 a 0,7 KG. eiwit en 7 a 8 KG. stikstofvrije stoffen uit hot voedsel verteert, en de geheele hoeveelheid droge stof van 't voeder minstens 14 a 15 KG. bedraagt. Deze hoeveelheid voedingsstoffen is b.v. aanwezig in; 19,5 KG. klaverhooi of in 3,7 KG. klaverhooi, 13 KG. havorstroo en 0,6 KG. raapkoeken of in 25,6 KG. mangel wortels, 12,6 KG. havorstroo en 1 KG. raapkoek.

Ontvangt een dier geen of niet genoeg voedsel, lijdt het honger, zoo leeft het van zijn eigen vleesch en vet, om in hot noodige stofverbruik to voorzien. Dan wordt ook het plantenetend dier als het ware een vleescheter. Natuurlijk kan dit slechts eenigen tijd duren. Bij hongerproeven die Chossat met duiven nam, stierven de dieren toen zij 40()/n van hun gewicht verloren hadden.

-ocr page 80-

Oudere honden gingen na een dergelijk gewichtsverlies, jongeie na een verlies van 331/3 n/(| en zeer jonge honden reeds na een verlies van 20 0/0 te gronde.

Plantenetende dieren kunnen in don toestand van honger niet zoo lang leven als vleeschetende. Colin liet een krachtig en tamelijk vet paard van 4U5 KG. hongeren; dagelijks kreeg het gemiddeld 1,4 KG. water; het leefde nog 30 dagen en had bij zijn tlood 80 KG., dus ongeveer 1/5 van zijn gewicht verloren. Een éénjarig rund van 146 KG. verloor in de eerste hongerdagen 4,25 KG. in 24 uur, een hamel van 30 KG. zonder voedsel of drinken in 22 dagen 12,85 KG. of 430/y van zijn levendgewicht.

En wat is noodig om een onzer huisdieren te doen groeien, vet te maken of melk te doen geven, dat is het niet enkel te onderhouden, maar ook iets te doen voortbrengen? Men zou kunnen vermoeden, dat vermeerdering enkel van het eiwitgehalte van 't voeder voldoende is. Door b.v. minder stroo en meer koeken, boonmeel enz. te geven, zal het niet moeilijk zijn te bewerken, dat een os, die bij bovenstaand voeder nagenoeg hetzelfde gewicht behoudt, dagelijks eenige malen meer eiwit in zijn voedsel bekomt, terwijl de hoeveelheid slikstofvrije stoffen weinig of niet vermeerderd wordt. Eene dergelijke voeding zal echter geenszins doel treffen. Want vooreerst wordt de quantiteit droge stof in 't voeder allicht te gering en de geheele spijsvertering en de gezondheidstoestand van het dier in gevaar gebracht. Maar in tie tweede plaats treft zij om nog eene andere reden geen doel. Ofschoon toch uit eiwit vleesch en vet gevormd kunnen worden, en deze lichaainsbestanddeelen naar wij mogen aannemen daaruit ontstaan, heeft er bij vermeerdering van het eiwitgehalte in 't voedsel nog iets anders plaats. Men vermeerdert door deze eenzijdige eiwitvoeding wel het eiwit van 't bloed en in liet weefselsap, met andore woorden wel het omloopend eiwit, maar men vormt nog geen orgaaneiwit. Want dit voorraadseiwit wordt weder ontleed en met eenigen tijd is er weder evenwicht tusschen de in- en uitgaven. Men vindt meer ureum, bl. 55, inde urine en de hoeveelheid daarvan beantwoordt weder aan do quantiteit eiwit, die uit het darmkanaal in 't bloed is overgegaan. De geheele stofwisseling in het dier wordt wel grooter, de staat zijner gevoedheid beter, maar er wordt nog geen vleesch en ook weinig of geen vet gevormd, aangezien het afgesplitste vet bij gebrek aan koolhydraten verbrandt.

Anders wordt echter 't geval, wanneer men tegelijk met het eiwit ook het vetgehalte of de hoeveelheid koolhydraten of beide vermeerdert. Dan houdt men, aangezien vetten en koolhydraten zich gemakkelijker met de zuurstof verbinden dan de eiwitstoffen, althans gedeeltelijk de omzetting van het eiwit tegen, zoodat zich dit als orgaaneiwit in het lichaam ophoopt. Iets dergelijks heeft bij do vetvorming plaats. Dit ontstaat, gelijk wij reeds weten, uit eiwitstoffen of uit koolhydraten of wordt met het voedsel aangevoerd en direct opgenomen ij. Wordt echter niet genoeg koolhydraat of vet mot het voedsel

!) J)e meeste pliysiologen nemen thans aan dat bij de vetvorming protoplasma, bl. 8, door vet wordt vervangen, en aangezien de verschillende verrichtingen van hot protoplasma uitgaan, moeten met de vetvorming de levensfunctiën en ook de eiwit-omzetting geringer worden. Zie hierachter het vervetten van spierweefsel. Vandaar ook dat in een vet lichaam in den toestand van honger minder eiwit ontleed wordt (omdat er minder protoplasma-hondende cellen zijn) dan in een mager lichaam,

-ocr page 81-

G1

aangevoerd, waarmede de ojigonomene zuurstof zich kan verbinden, zoo verbrandt hot vot, 'tzij dit met hot voedsel aangevoerd, 'tzij het uit hot eiwit of koolhydraten ontstaan is, en kan het zich dus niet ophoopen. Zelfs wordt, bij oen overmaat van eiwit in 't voedsel, hot vet, dat reeds als woefselbestand-deel is opgenomen, weder in omloop gebracht. Yotte menschen kunnen alzoo door het gebruik van veel en mager vleesch vermageren (zoogenaamde bantingkunr).

Hot vet en de koolhydraten, in 't bloed en hot weefsel sap, kan men dus spaarmiddelon voor hot eiwit noemen. Daardoor laat zich nu ook verklaren waarom Voit in zijn bovengenoemde proef met zooveel minder eiwit toe kon wanneer hij den hond bij het vleesch vet of zetmeel gaf. Wordt namelijk enkel vleesch gevoederd, zoo wordt daaruit weinig of geen orgaaneiwit gevormd, maar het blijft omloopend eiwit dat spoedig weder ontleed wordt. Wordt vot of een koolhydraat daarbij gegeven, zoo houden deze tot zekere hoogte die ontleding tegen, zoodat orgaaneiwit gevormd kan worden. Een eenzijdig toedienen van vot of koolhydraten is echter evenmin doelmatig. Gaat men b.v. bij oen normaal gevoed dier tot een eiwitarm voedsel over, dan blijft de eiwitomzetting eenigen tijd bestaan, ofschoon zij spoedig vermindert; er wordt dan in de eerste plaats vet aan de weefsels onttrokken, maar er kan als het dier vermagert ook eiwit aan de weefsels onttrokken worden en tot omloopend eiwit overgaan, zoodat hot dier ook in dit opzicht afneemt. Dit is des te meer nadeolig, omdat er veel meer tijd en voedsel noodig zijn om hot verlies, dat de organen geleden hebben, te herstellen, dan men anders aau voeder bespaart. Van den anderen kant wordt orgaaneiwit ook veel minder gemakkelijk ontleed als het omloopeml eiwit. Dit loeren b.v. de hongerproeven waarbij hot omloopend eiwit (dus de ontleding van eiwit) spoedig vermindert.

Uit een en ander volgt dus, dat hot voor eene goede productie niet voldoende is een dier eene genoegzame quantiteit voeder too te dienen „om de maag te vullenquot;, maar dat men tevens op het gehalte van hot voeder moot lotton; dat er eene zekere verhouding tusschen de voedingsstoffen moet bestaan, en dat vooral de overgang van een eiwitarm tot een eiwitrijker voeder slechts langzaam en veelal onder gelijktijdige vermeerdering van de stikstofvrije stoffen moot geschieden.

Welke de meest gunstige verhouding ongeveer is, zal bij de voedering van elk dier in hot bijzonder worden vermeld.

Eenige algemeene opmerkingen omtrent de vleesch- en vetvorming mogen hier nog eene plaats vinden.

Het spreekt vanzelf, dat, wanneer het voedsel van een dier niet alleen in zijn onderhoud zal voorzien, maar ook zal dienen om iets voort lo brengen (vleesch of vet), daarvoor eono grootore hoeveelheid noodig is. Maar ook de machine, dat is het dier zelve, moot daartoe in oen goeden toestand zijn. Zijne organen moeten goed functioneeren, dat is het werk kunnen verrichton dat hun is opgedragen, en wanneer een dier iets voort zal brengen, 'tzij vleesch of vet, wordt van verschillende organen meer vereischt. Wij kunnen, meenon wij, dit het best uitdrukken door te zeggen, dat het dier daartoe in oenen goeden staat van gevoedheid moot zijn.

Dit geldt vooral voor jonge dioron waarbij do vleesch vorming moer op den voorgrond treedt. Daarbij dient men het begrip vleesehvorming ook niet m

-ocr page 82-

62

de enge beteekenis van spiervonning op te vatten, maar meer als die van organen in liet algemeen die uit eiwit of verwante stoffen bestaan, /.ij het ook dat hot vleesch daarvan do hoofdinassa vormt.

Voor die vorming van orgaanéiwit moet er nn altijd in het bloed, enz. een zekere hoeveelheid oinloopend eiwit, een zekere voonaid zijn, en dit is nn juist ook hot geval wanneer wij zeggen, dat het dier zich in een goed ge-voeden toestand bevindt. Van die voorraad wordt altijd een zeker deel ontleed , maar getmcht moet worden de voeding zoo te leiden, dat daaruit veel orgaaneiwit gevormd kan worden.

Er zijn nu invloeden die de ontleding bevorderen, b.v. het toedienen van veel zout, bl. 54, waarvan het gevolg is het opnemen van oene bovenmatige hoeveelheid drinkwater, en andere die haar beperken en de vorming van orgaaneiwit daaruit bevorderen, b.v. wanneer reeds vet in het lichaam is afgezet of bij eene voldoende hoeveelheid eiwit, meer vet of meer-koolhydraten in het voedsel worden gegeven. Dan wordt de eiwitomzetting beperkt, meer orgaaneiwit gevormd en neemt hot dier alzoo in gewicht toe. Voor onze huisdieren zijn vooral de koolhydraten hier van belang, omdat men in hot toedienen van vet bij deze dieren altijd meer beperkt moet blijven dan met koolhydraten, aangezien de spijsverteringsorganen, vooi-al de samengestelde maag dor herkauwors, slechts cone beperkte hoeveelheid vet verdragen. (Vgt;k is de eiwitsparendo werking van koolhydraten, b.v. van zetmeel, een betrekkelijk groote, gelijk bij proeven door Mnnk met honden genomen, gebleken is. Terwijl toch de zoogenaamde verbrandingswannte van vetten, dat is de hoeveelheid zuurstof om ze volledig te verbranden 2.4 maal grooter is dan die van een koolhydraat, is do eiwitbesparende werking daarvan nagenoeg even groot. Kan dus door toevoeren van vet en koolhydraten de ontleding van eiwit worden tegengegaan en daardoor ook de hoeveelheid eiwit in het voeder tot een minimum gebracht worden, toch is er altijd een zekere voorraad noodig, want men bedenke dat het vleesch of in het algemeen de hoofdmassa der organen slechts uit eiwit gevormd wordt.

Met de vetvoming is dit eenigszins anders, omdat vet ook uit het vet van het voedsel zelf en uit koolhydraten kan gevormd worden. Toch is, al neemt men ook met Pflfiger aan, dat in het dier geen vet uit eiwit ontstaat, ook bij de vetvorming eene zekere voorraad eiwit noodig, om de verschillende organen te doen werken en in stand te honden. Eene eenzijdige toediening van eiwit werkt echter, zooals wij reeds gezien hebben, bl. G1, op de vetvorming nadeelig, wat bij de vleesehvorming niet zoo bepaald gezegd kan worden.

Ongunstig voor de vetvorming zijn verder eene bovenmatige hoeveelheid drinkwater, eene to hoogc of te lage staltempcratuur en spierarbeid, b.v. veel beweging. Daarentegen wordt de vetaanzetting bevorderd: vooreerst door vermeerdering van vot en van koolhydraten in het voedsel. Vooral de laatste zijn voor de vetvorming in plantenetende dieren van gewicht, omdat deze eene betrekkelijk groote hoeveelheid daarvan verdragen on verteren kunnen. Bovendien heeft men met vrij groote zekerheid kunnen aantoonen dat in het lichaam uit koolhydraten ook vet gevormd wordt. Van het meeste gewicht is echter de vetsparende working der koolhydraten, daar zij zich gemakkelijker met

-ocr page 83-

G3

zniifsfof verbinden clan do vetten, doze als hot ware voor oxydatie beschermen, zondat zij in liet lichaam kunnen worden opgehoopt. Tn die vetsparende werking staan de koolhydraten volgens Voit ook weder hooger dan uit do ver-iirandingswarmto kan worden afgeleid en zijn niet 2.4 gew. d. gelijk 1 gew. d. vet maar reeds 1.75 gew. d.

Voorts schijnt op de vetvorming van gmistigon invloed to zijn eene zekere bloedarmoede. Al kan daarvan nog geene voldoende verklaring worden gegeven, een feit is hot, dat door aftapping van bloed bij het begin van het mesten dikwijls gunstige resultaten verkregen zijn en dat dieren die betrekkelijk armer aan bloed zijn als b.v. varkens zich gemakkelijker laten mesten dan b.v. runderen en paarden. Ook de armoede van mestkalveren althans aan roode bloedlichaampjes staat gewis met hun goed vet-wonlon in verband.

Bij het bovenstaande hebben wij hoofdzakelijk het onderhond en het voortbrengen van vet en vleesch in hot dierlijk lichaam op het oog gehad, maar dezelfde beschouwingen golden, wanneer oen dier drachtig is, melk geeft en wat een mannelijk dier aangaat, veelvuldig voor hot dekken wordt gebruikt. Immers voor de voeding van het jong of de jongen in de baarmoeder, de vorming van melk in de melkklier en van het sperma in de mannelijke voort-telingsorganen zijn wol in de eerste plaats eiwitstoffen, maar verder ook stikstofvrije stoffen noodig, die uit het liloed afgescheiden, in do genoemde organen do eigenaardige omzetting ondergaan, die of voor de vorming van het jong of voor do bestanddeelon der melk of van het sperma noodig is. Wat melk betreft behandelen wij die veranderingen in hot hoofdstuk over het rundvee en de zuivelbereiding.

Wel kunnen, zooals wij straks bij het arboidsvermogen van een dier nader zullen ontwikkelen, do voedingsstoffen elkander tot op zekere hoogte vervangen. Wanneer dus in het voedsel slechts zooveel eiwit gegeven wordt als noodig is om de afstervende cellen en de afgesleten weefsels in stand te honden, dan kunnen al de overige organische voedingsstoffen min of meer dienen voor de verschillende verrichtingen welke voor hot onderhond van het dierlijk lichaam noodig zijn. Ofschoon nn eene dergelijke vervanging geenszins altijd, vooral niet uit een geldelijk oogpunt, doeltreffend is, mag toch niet worden vergeten, dat oen dierlijk lichaam zich daaraan niet stoort, maar zich naar een en ander voegt.

D. Arbeidsvermogen. Spierkracht. Warmte.

De bewegingen van een dier zijn willekeurig of onwillekeurig. Als voorbeeld van de laatste noemen wij het kloppen van 't hart en de beweging van het darmkanaal; als voorbeeld van de eerste kunnen het loopen, springen enz. dienen. De nadere oorzaak der bewegingen moet gezocht worden in de samentrekking der spieren, maar die samentrekking wordt geenszins om niet verkregen. Er is zoo gezegd kracht voor noodig.

Juister is het echter hier niet te spreken van kracht, maar van arbeidsvermogen, of, gelijk do Engelschen het zeer eigenaardig noemen, energy.

Met do bewegingen gaat namelijk gepaard het verrichten van arbeid, die

-ocr page 84-

64

men nog kan onderscheiden in inwendigen, welke voor hot loven volstrekt noodig is on in uitwendigcn arbeid, waarmede hot dier zijn eigen lichaam en do daarmede verbonden lasten verplaatst.

Dit verrichten van arbeid staat met do stofwisseling in het nauwste verband. Het vermogen daartoe of zooals men 't kan noemen, de energy, bezit elke levende cel en zoo ook elk orgaan dat uit levende cellen is opgebouwd. Zoo ook do spieren. Daarin is energy opgehoopt, die zich op de eenvoudigste wijze uit in beweging. Men noemt dit daarom arbeidsvermogen van beweging. Daartegenover staat arbeidsvermogen van plaats.

Eenige voorbeelden aan de werktuigkunde ontleend, mogen dit duidelijk maken. Arbeidsvermogen van beweging bezitten een kogel uit een kanon geschoten, oen zwaar voorwerp dat men van zekere hoogte laat vallen, een vliegwiel in beweging enz. Arbeidsvermogen van plaats daarentegen bezit een voorwerp op eene zekere hoogte gebracht, b.v. het opgetrokken gewicht van oen uurwerk. Daarin is arbeidsvermogen opgehoopt, dat bij het dalen van 't gewicht dient om het uurwerk in beweging te brengen. Ook oen gespannen veer bevat arbeidsvermogen van plaats dat tot gelijk doel kan dienen. Warmte, electriciteit en de scheikundige aantrekking zijn weer andere vormen van arbeidsvermogen. Waterstof en zuurstof b.v. bezitten scheikundig arbeidsvermogen. Zoo ook do koolstof, do koolhydraten en de vetten, omdat zij zich met zuurstof kunnen verbinden. Het gevormde water en 't koolzuur en zoo ook de zouten hebben met betrekking tot oen dierlijk lichaam geen arbeidsvermogen; zij kunnen dan ook geen arbeid voortbrengen.

De eene soort van arbeidsvermogen kan in eene andere worden omgezet. Wanneer b.v. do zuurstof zich met waterstof of met do eene of andere brandstof of in het dierlijk lichaam met do eene of andere voedingsstof verbindt, mot andere woorden; wanneer er verbranding plaatsheeft, gaat er scheikundig arbeidsvermogen verloren en daarvoor komt arbeidsvermogen in den vorm van warmte in de plaats. Bij een dalend gewicht gaat arbeidsvermogen van plaats over in arbeidsvermogen van beweging, bij eene stoommachine gaat moleculair arbeidsvermogen in den vorm van spankracht van den stoom voor eene gedeelte in arbeidsvermogen van beweging, dat men ook mechanisch arbeidsvermogen kan noemen, over. Ook door eleetriciteit kan werktuigelijk arbeidsvermogen verkregen en dus werktuigelijke arbeid worden verricht.

Eene dergelijke omzetting van arbeidsvermogen heeft nu ook in de spieren plaats. Ofschoon te dezen opzichte nog veel onzekers bestaat, weet men toch dat do zoogenaamde kracht der spieren, of juister haar arbeidsvermogen, hare energy, nauw samenhangt met de stofwisseling in het dier; dat het vermogen van een dier, arbeid te kunnen verrichten niet slechts afhangt van de samenstelling der spieren zelve maar ook van de daarin plaatsgrijpende scheikundige veranderingen. Daardoor gaat scheikundig arbeidsvermogen verloren en komt er arbeidsvermogen van beweging voor in de plaats, die zich uit in samentrekking van de spier. De eigenlijke prikkel tot samentrekking gaat echter niet uit van de spieren zelve, maar van de zenuwen, die er mede in verbinding staan, waaruit dus volgt, dat ook de werking der zenuwen van invloed is op de beweging, op het verrichten van arbeid door de spieren. Of nu de scheikundige werking in do spieren een gevolg is van deze samentrekking, door

-ocr page 85-

Cf)

die zonuwprikkol veroorzaakt, clan of do zonuwprikkol de scheikundige working veroorzaakt on deze op hare benrt warmte en electricitoit doet ontstaan en dat hierdoor de spior zich sainontrokt, is niot mot zekerheid bekend. Samentrekking iler spieren en warmteontwikkeling gaan intnsschon — wij weten het aan ons zolven en kunnen het bij elk dier dat zich beweegt waarnomen — hand aan hand.

Vroeger meende men (Liebig) dat, liij het verrichten van arbeid door een dier, de spieren zelve verbruikt worden. Naarmate er meer werk wordt gedaan, des te meer slijten do spieren af, werd gezegd, en 't is quot;dus noodig, dat arbeiders .011 werkdieren voedsel bekomen, dat zoor rijk aan eiwit is. Koolhydraten en vet daarentegen zijn, zoo zoide men, noodig voor het onderhoud der dierlijke warmte.

Eenvoudige practische waarnemingen leerden echter het tegendeel. Engelscho arbeiders, die in den oogsttijd veel werk verrichten, voeden zich dan bij voorkeur met aardappelpudding, doorweekt van vet, ibis met oen voedsel, zoor arm aan eiwit. Aardappels met spek of zeer vet schaapvloosch is voor do boeren-arbeiders hier to lande de meest geachte kost. De koelies voeden zich hoofdzakelijk met rijst en ontvangen dns evenmin voel eiwit in hun voedsel. Opzettelijke proeven van Pottenkofer en Voit hebben dan ook bewezen, dat, wanneer 0011 mensch of dier arbeid verrichten, de hoeveelheid nreiim in do urine veelal niot grooter, dus niet moer eiwit wordt omgezet; wel wordt er moer zuurstof opgenomen en koolzuur afgescheiden en derhalve meer koolstofhoudonde stof in hot lichaam verbrand. Zij vonden b.v. dat bij gemiddelde kost, op oeno tijdruimte van 24 uur berekend,

de eiwit- het vet- koolzuur zuurstof water afgesclieiilen

omzetting verbruik uitgeailemii ingeademd als urine door de huid in rust 137 gr. 219 gr. 928 gr. 832 gr. 105C gr. 931 gr. bij arbeid 137 „ 320 „ 1209 „ 1000 „ 1155 „ 1727 ,,

Die grootere afscheiding van koolzuur tijdons den arbeid vonden Zuntz 011 Lehman ook bij paarden. Een paard, dat in rust in een uur slechts 203 gram koolzuur uitademde, ademde in denzelfden tijd bij aanhoudenden spierarbeid 1030 gr., dus vijfmaal zooveel uit.

Ook bij het kauwen en slikken van voedsel, bewegingen dus die in gewonen zin niet als arbeid worden opgevat, wordt meer stof in het lichaam verbrand en alzoo moer koolzuur uitgeademd. Henneberg toonde dit bij schapen aan, die, in oen stal gehouden, des daags meer koolzuur uitademden dan 's nachts; maar werden zij des daags met rust gelaten en 's nachts gevoederd, dan had juist het omgekeerde plaats. Van de goheolo hoeveelheid koolzuur die zij in 24 uur uitademdon violen 54 0/q in de 12 uur dat zij gevoederd 011 400/n in de 12 uur dat zij mot rust werden gelaten.

Uit de gemelde proef van Pettenkofer en Voit en van anderen blijkt dus, dat het niet in do oorsto plaats eiwit is dat bij het verrichten van arbeid verbruikt wordt. Maar welke stof is het dan die vooral verbruikt, dat is verbrand wordt om hot arbeidsvermogen te leveren? Men hooft gevonden dat het in do eerste plaats het glycogeen is, 'twelk, als roods vroeger is opgemerkt, uit eiwitstoffen en suiker in de lever gevormd en hier bewaard wordt. Ook in de spieren komt het voor. Hot is echter waarschijnlijk dat nElNUF.RS, III. Vierde druk. 5

-ocr page 86-

(,(i

het oerst in (Iniivonsuikov wordt omgezet en als zoodanig in de spieren overgaat. Het glycogeen kan men dns als eene voorraadstof beschouwen, die als do steenkool in do tender van een locomotief, in tijden van rust in de lever opgehoopt en bij het verrichten van arbeid door do machine zelf verplaatst en verbruikt wordt. Gedeeltelijk gaat het daarbij in melkzuur over. Is geen of niet genoeg glycogeen of druivousuiker in do spier voorhanden en veel melkzuur daarin opgehoopt, dan is de spier vermoeid. Verder mag men aannemen dat bij het verrichten van arbeid ook vet wordt verbruikt.

Het arbeidsvermogen in 't dierlijk lichaam heeft — om op deze vergelijking nog eens terug te komen — een dergelijken oorsprong als dat eener stoommachine. Terwijl hier in den vuurhaard do turf of de steenkool verbranden en de noodige warmte voortbrengen om het water in stoom te doen overgaan, door welks spankracht de zuiger en daarmede de geheele machine in beweging wordt gebracht, zoo verbranden er ook in het dierlijk lichaam en waarschijnlijk meer bepaald in de spieren, in de eerste plaats stikstofvrije stoffen (glycogeen en suiker en vet), waardoor het dierlijk arbeidsvermogen wordt voortgebracht.

Uit het bovenstaande mag men nu echter niet afleiden, dat voor arbeiders en zoo ook voor werkdieren een stikstofvrij voedsel voldoende of ook een voedsel, dat behoorlijk eiwit bevat, in vele gevallen niet doeltreffend zou zijn. Vooreerst toch kan, als reeds meermalen is gezegd, uit eiwit glycogeen gevormd worden, dus indirect het materiaal voor het voortbrengen van arbeid leveren en zullen met uitzondering van het ureum ook de stikstofhoudende splitsingsproducten van het omloopend eiwit daartoe kunnen dienen.

Uit andere proeven is ook gebleken dat bij aanhoudenden arbeid meer stikstofhoudende stoffen worden omgezet, ofschoon dit vooral geschiedt wanneer niet genoeg stikstofvrije stoffen aanwezig zijn. Door verbranding van eiwit kan dus ook spierkracht ontstaan. Daarbij moet men zich niet voorstellen dat het arbeidsvermogen in een dier op zoo'n eenvoudige wijze wordt verkregen als bij de verbranding in eene stoommachine. Er hebben bij het verrichten van arbeid verschillende omzettingen plaats, alvorens de eindproducten der verbranding: koolzuur en water, gevormd worden. Aangenomen dat die omzettingen in de spiercellen geschieden, ontstaan daarbij tevens stoffen, als melkzuur, die daaruit verwijderd moeten worden. Daarvoor is een krachtige bloedstroom noodig en, om die te onderhouden, een aanhoudende toevoer ook van eiwithoudende stoffen onmisbaar. Voor het verbranden is bovendien zuurstof noodig, en voor den aanvoer daarvan zijn niet alleen goede longen, maar om ze naar de weefsels te voeren waar de verbranding plaats heeft, een krachtige bloedstroom dienstig.

Voorts bedenke men, dat evenals bij eene stoommachine het ijzer van den cilinder, ook bet eiwit der spieren slijt, als mensch en dier arbeid verrichten. Daarbij komt, dat de te verrichten arbeid van de goede ontwikkeling der spieren afhankelijk is, en daar deze uit eiwit bestaan of daaruit opgebouwd worden, die goede ontwikkeling der spieren slechts te verkrijgen is door eiwit in het voedsel. Om die spieren góed in stand te houden, moet steeds eiwit aangevoerd worden en in het spierweefsel-sap in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn. Ook is het nog de vraag, of bij een voedsel, arm aan eiwitstoffen.

-ocr page 87-

«7

de zenuwen, die toch ook medewerken tot liet voortbrengen van den spierarbeid , wel de noodige veerkracht behouden. „Zwakke menschen en herstellenden kunnen bij hetzelfde voedsel niet zoo veel werk verrichten als forsche arbeiders niet goed ontwikkelde spieren; de eersten moeten langzamerhand door voedsel weder gesterkt worden, alvorens zij weder met volle kracht kunnen werken. Opdat echter een krachtig organisme bij aanhoudenden arbeid in denzelfden toestand blijve, is ook dagelijksche toevoer en omzetting van veel eiwit noodigquot;, zegt Emil Wolff i).

Blijkt uit bovenstaande voorbeelden het nut van veel koolhydraten en veel vet in het voedsel van den arbeider, daartegenover kunnen dan ook andere voorbeelden worden gesteld van arbeiders die zich meer met vleesch, eieren en ander stikstofrijk voedsel voeden, dat zij bij veel werk meer volharding, meer energy toonen en niet zoo spoedig vermageren, als den met aardappels en vet gevoeden werkman.

Ongetwijfeld is dit ook op de dieren, die tot het verrichten van arbeid gebruikt worden van toepassing. „Waterig, weinig proteïn- (eiwit-) bevattend voeder geeft een slap, weekelijk lichaam, zonder kracht of toon. Dit leeren de met gras en aardappelen, tegenover de met haver of rogge gevoederde paardenquot;, zegt Haubner2). Wij hebben ook hierboven, bl. 55, daarop reeds gewezen. Om arbeid te verrichten, moet er voorraad van verbrandings- en reparatiemateriaal zijn. Een goed gevoed dier, dat veel zoogenaamd krachtvoer heeft ontvangen, houdt den arbeid langer vol en vermagert, ook bij veel arbeid, niet zoo spoedig dan een ander, dat, schoon voor het oog in een goeden staat gebracht, in zijn voorraad wel genoeg verbrandings- maar niet genoeg reparatiemateriaal bezit.

Do aard, de natuur, het temperament van een dier, dat een eiwitrijk voedsel ontvangt, is in den regel ook vuriger dan van zulk een, welks voedsel arm aan eiwit is. Zoo wil men den meerderen moed, de grootere kracht en de meerdere levendigheid van de roofdieren aan hun vleeschdieet toeschrijven. Arbeiders, ja geheele volken, zooals de Patagoniërs, die bijna uitsluitend van vleesch leven, kunnen den arbeid langer volhouden en zijn niet zoo spoedig vermoeid. Hun voorraad aan verbrandings- en reparatiemaleriaal is grooter, of geraakt niet zoo spoedig op dan die van den aardappeletenden arbeider of van oen paard, dat doorgaans weinig krachtvoer ontvangt. Want daarop schijnt de vermoeidheid der spieren vooral neer te komen, dat die voorraad in liet weefselsap verbruikt is. Dan is er rust noodig om meer zuurstof op te nemen, bl. 5G, en stoffen uit het bloed aan de weefsels, in do eerste plaats aan de spieren, af te staan, alsmede voedsel om den voorraad in 't bloed weder aan te vullen.

Eene voeding, rijk aan eiwit, is echter slechts doelmatig, wanneer er veel arbeid van 't lichaam gevergd wordt en dit langzamerhand daarop is ingericht. „Zij past niet bij een zittend, traag leven. Het verbruik is dan niet sterk genoeg, de omzetting niot intensief genoeg om al het eiwit van den voorraad

1) Em. Wolff, Die Emahrnny der landw. NiUzthiere.

2) C. G. Haubner, De gezondheidsleer der landhuishoudelijke dieren.

-ocr page 88-

G8

behoorlijk to vorbvanden. Het gaat er mee als wanneer we steenlvool wilden stoken in een slecht trekkende kachelquot;. Wij krijgen dan eene onvolledige verbranding, een walmend vnnr. Zoo ook in hot lichaam bij eene eiwitrijke voeding, ,,'t Is waar, tot voortbrenging van warmte en arbeid kunnen we in ons lichaam, als hierboven gezegd, wel eiwit verbranden. Maar clan moet de omzetting ook zeer intensief zijn, anders loopen we gevaar van ophooping van half verbrand eiwit, van omzettingsprodncten, die niet gemakkelijk verwijderd worden, maar in het lichaam blijven en als ziekte-oorzaak kunnen werken. Vetten en koolhydraten verbranden gemakkelijker en geven minder aanleiding tot onvolledige omzettingsprodnctenquot;]). Ze zijn te vergelijken met hout en turf, die minder warmte geven, maar ook in eene minder goed trekkende kachel vollediger verbranden dan do veel warmtegevende steenkool.

Zou dit ook niet op onze werkdieren van toepassing zijn? De nitstekende werkpaarden, de Percherons, zijn bekend wegens hun groot volhardingsvermogen, maar zij ontvangen in hun dagelijksch rantsoen bij de noodigo hoeveelheid stroo of hooi ook twee- a driemaal zooveel haver als een gewoon werkpaard. Hnn lichaam is daarvoor geheel ingericht. Intusschen moeten zij ook geregeld werken. Loopen zij eenigen tijd ledig, zoo zijn het onhandelbare dieren, gelijk do heer Sanson mij meedeelde. Paarden, die veel en aanhoudend zullen werken moeten langzamerhand aan eene behoorlijk eiwitrijke voeding gewend worden; er moet eene behoorlijke hoeveelheid eiwit in hun bloed en weefselsap voorhanden zijn, om tot reparatiemateriaal te dienen; maar tevens is het wenschelijk dat vet en koolhydraten aanwezig zijn om te kunnen verbranden. Want wordt bij gebrek aan reparatie- of ook van verbrandingsmateriaal het orgaaneiwit aangetast, dan vermagert het dier. Er is dan veelal veel tijd en voedsel noodig om het weder op gelijke hoogte te brengen. Paarden, die minder aanhoudend werken, hebben niet zoo'n intensief voeder noodig.

Uit het bovenstaande blijkt echter weder, wat reeds bl. G3 opgemerkt is, dat de voedingsstoffen elkander tot op zekere hoogte kunnen vervangen. Wanneer dus slechts zooveel eiwit in het voedsel gegeven wordt als hot dier door de afstervende cellen en de slijting der weefsels verliest, dan kunnen alle overige voedingsstoffen elkander vervangen om het arbeidsvermogen, noodig voor de verrichtingen van het dier, te leveren. Daaruit volgt verder, dat het dierlijk lichaam tot op zekere hoogte er voor ingericht is om, onafhankelijk van de samenstelling van 't voeder of de voedingsverhouding, allo organische stoffen voor zijne verrichtingen te gebruiken; het dierlijk organisme beschermt zich derhalve zelf voor overvloed of gebrek aan voedsel; in hot eerste geval wordt vooral vet in hot lichaam opgehoopt, in het tweede geval vet en vleesch verbruikt.

Volgons Rubner geschiedt die vervanging van de eene voedingsstof door do andore in verhouding van de hoeveelheid harer vorbrandingswarmto. Aan dozo door hom ontdekte wet wordt de naam van de wet van de isodynamie der voedingsstoffen gegeven. Om dus haar warmte-effect te loeren kennen, hooft men van do verschillende voedingsstoffen do verbrandingswarmte bepaald in

1) l)r. D. Iln i7in lt;»a, Een rn ander over voeding.

-ocr page 89-

ÜfJ

oen zoogenaamdeii Calorimeter, voor con deel ook in liet dier zelf, en dus die hoeveelheid in warnite-eenhedeu of ealoriën kunnen uitdrukken i).

De uitkomsten waren als volgt; van de volgende stoffen leverden 1 gram aschvrije en droge stof ealoriën (kleine):

Eiwit en andere stikstof li. sloffen.

Albumine van eier . . 5721

Eidojer............5840

Albumine uit bloed . . 591S

Fibrine „ „ . . 5G37

Spiervezels..........5721

Vetvrij vleesch . . . 5662—5641

Caseïne uit -melk. . . 5867—5850

Pepton............5299

Plantenfibrine .... 5942

Legumine..........5793

Conglutine..........5479

Elastine............5961

Chondrine.....5131

Osseïne............5040

Leucine............6533

Hippurzuur..........5678

Urinezuur..........2741

Ureum............2537

Asparagin.....3511

Asparaginzuur.... 2896

Deze hoeveelheden ■warmte zouden

Vetten en oliën.

Dierlijke vetten (gem.) . 9500

Botervet............9231

Lijnolie............9488 —9439

Olijfolie............9467—9608

Kaapolie............9627—9759

Papaverolie..........9597—9562

Koolhydraten.

Cellulose......4185

Glycogeen.....4191

Zetmeel......4183

Rietsuiker..........3955

Melksuiker..........3952

Maltose............3949

Glucose............3743

Vruchtensuiker. . . . 3755 Zuren.

Azijnzuur............3505

Wijnsteenzuur .... 1700

Boterzuur............5647

Glycerine......4312

de genoemde voedingsstoffen leveren


wanneer ze volledig verbrandden, gelijk dit in een calorimeter geschiedt, do eiwitstoffen dus, afgescheiden van de kleine hoeveelheid zwavel die tot zwavel-dioxyd verbrandt, tot koolzuur, water en stikstof, de vetten en koolhydraten tot koolzuur en water. Maar in het dierlijk lichaam is dit, met name met de eiwitstoffen, niet het geval. Er blijft daarvan een rest over, die nog verbrand zou kunnen worden. Stellen wij dat dit ureum is met nog ruim 2500 ealoriën per gram en dat het eiwit waarvan het afkomstig is, inet gemiddeld 5800 ealoriën per gram, voor 1/3 in ureum overgaat, dan zou dit 1/3 gram nog 883 ealoriën bezitten en als het overige volkomen verbrand is, 4967 ealoriën hebben kunnen leveren. Op grond van verschillende proeven, ook bij nienschen

') Onder eene Calorie of warnite-eeiilieiil verstaat men de hoeveelheid warmte, die noodig is om 1 KG. water van 0° C. tot l^C. te brengen. Dit is dan eene groote Calorie, terwijl men eene kleine calori noemt de hoeveelheid wannte uoodigom 1 giam water van 0° G. één graad te verwarmen. Neemt men intusschen voor de verbranding in liet eerste geval 1 KG. en in het tweede 1 gram stof, dan wordt de hoeveelheid warmte door hetzelfde aantal warmte-eenheden uitgedrukt, maar men bedoelt dan in het eeiste geval groote en in het tweede kleine ealoriën.

Een calorimeter is een toestel, waarin eene hoeveelheid stof volkomen verbrand en de hoeveelheid warmte met behulp van een thermometer en eene vloeistof gemeten kan worden. Bij de proeven met dieren werden deze in een bepaald daarvoor ingericht toestel, als het ware een grooten calorimeter, geplaatst.

-ocr page 90-

7(1

eti dieren, meent Rubner hiervoor echter 410U caloriën te moeten stellen, dus de verbrandlngswarmte van eiwit nagenoeg even hoog als die van de koolhydraten, met name van zetmeel, terwijl die van vetten en oliën gemiddeld 5)300 bedraagt; zie vorenstaande tabel.

Volgens deze bepalingen is dus de verbrandlngswarmte van 1 KG. vet 2.3 maal hooger dan die van 1 KG. eiwit of koolhydraat; volgens anderen is dit l'.I a 2.5, gemiddeld kan men 2.4 stellen.

In die verhouding staan deze voedingsstoffen dus ook in hare productie van arbeidsvermogen, hare energy, tot elkander en kunnen zij met hot oog daarop elkander vervangen, dat is: 1 KG. vet tegen 2.4 KG. eiwit en 2.4 KG. kool-nydraat.

In al deze gevallen wordt aangenomen dat de voedingsstoffen geheel verteerbaar zijn of komt alleen het verteerbare deel daarvoor in aanmerking. Neemt men nu 1 KG. verteerbaar koolhydraat, b.v. zetmeel als voedereenheid aan, dan vertegenwoordigt 1 KG. verteerbaar eiwit ook eene voedereenheid en l KG. verteerbaar vet 2.4 voedereenheden. Op deze wijze kan men ook het gehalte van een voedermiddel aan voedingsstoffen ia voedereenheden uitdrukken 1).

Opgemerkt dient te worden, dat deze proeven van Rubner en anderen hoofdzakelijk bij menschen en vleeschetende dieren zijn genomen en dat volgens proeven van G. Kiihn, Keiler en anderen bij plantenetende dieren, die meer ruw voer ontvangen en er ook andere ontledingsproducten, b.v. hippnrznur ontstaan, de warmteproductie iets lager is. Ook moet niet worden vergeten, dat de opgegeven cijfers slechts gemiddelde zijn, die nu eens hooger dan lager kunnen wezen. Men zie daarover het volgende hoofdstuk onder Voedermiddelen.

Welke betrekking bestaat er nu tusschen de verbrandingswarmte en de arbeid door een dier verricht?

Men weet dat de Natuurkunde leert dat 1 warm te-een held of Calorie 424 arbeidseenheden of kilogram nieters (KG.M.) kan voortbrengen -). Bij de omzetting van warmte in arbeid in eene machine gaat echter altijd een zeker deel verloren of juister: slechts een gedeelte wordt in arbeidsvermogen omgezet, bij een stoommachine hoogstens 10 0'y. Zoo is het ook in een dierlijk lichaam.

Evenals men nu heeft nagegaan hoeveel KG.M. arbeid eene stoommachine

levert, wanneer daarin b.v. 1 KG. steenkolen verbrandt, zoo heeft men ook

' ' \

1) Tegenover Hit resultaat der proeven van Rubner, Zuntz en andere Duitsche onderzoekers staat dat van Chauveau, Contejan en anderen in 1'rankrijk. Chauveau meent de bron van kracht in een dier vooral te moeten zoeken in de verbranding van het glycogeen, dat in de lever ontstaat en in de spieren verbrandt. Aangezien nn 'glycogeen kan gevormd worden uit eiwit, vet of oen ander koolhydraat, b.v. suiker, zouden deze voedingsstoffen in hare arbeidsproductie tot elkander staan in verhouding van de hoeveelheid glycogeen die zij vormen. Meer bepaald werd dit door hem voor suiker en vet aangetoond en zou 1 gew. d. suiker gelijk staan met 1.52 gew. d. vet. De voediugsstoll'en zouden elkander dus niet kunnen vervangen in verhouding van hunne veihrandingswarmte maar in verhouding van hare isoglycogenetische werking, dat is eiwit : vet : koolhydraat als l.'i'i : 1.52 : 1. Jahresberlchl der Thier-Chemie, Ud. 28 uit Com/jl. rendus, T. 120.

-) Onder eene arbeidseenheid of kilogrammeter verstaat men de arbeid die verricht wordt door 0| beuring van 1 KG. 1 meter hoog.

-ocr page 91-

proeven bij dieren genomen om na te gaan hoeveel KG.JI. arbeid verkregen wordt, wanneer daarin een voedereenheid, dat is 1 KG. voedingsstof van de waarde als b.v. 1 KG. zetmeel verbrandt. Eerst werd daarvoor nagegaan, hoeveel voeder b.v. oen paard van b.v. 500 KG. levend gewicht noodig had, wanneer liet in rust was, dat is geen nitwendigen arbeid verrichtte, daarna hoeveel verteerde voedingsstof hot meer noodig had, wanneer hot een hellend terrein moest oploopen of op een horizontalen weg een last moest trekken, enz. Als het oj) eene dergelijke wijze 500,000 KG.M. arbeid verachtte, dan was daarvoor gemiddeld 0,913G KG. voedingsstof, van de waarde als hierboven is aangegeven, noodig.

Nu geeft 1 KG. dezer voedingsstof bij verbranding I I Oo Caloriën, dus 0,9136 „ „ „ „ „ 3746 „ .

Theoretisch kan dit aantal Caloriën leveren 37-ie X ^24 = 1,588,000 KG.M. arbeid; er is slechts 500,000 KG.M. arbeid verricht; het nuttig effect is dus 31,5 quot;/o-Proeven met andere paarden en mot honden en menschen gaven een dergelijke uitkomst, zoodat men kan zeggen dat het nuttig effect van den spierarbeid ongeveer l/g is van de theoretische hoeveelheid die uit de verbranding in het lichaam afgeleid zon kunnen worden, of aangezien 0,9136 KG. verteerbare voedingsstof 500,000 KG.M. arbeid leverden, 1 KG. voedingsstof ongeveer 550,000 KG.M. kan leveren.

Uit de daarbij genomen proeven bleek verder dat oen paard van 500 KG. levend gewicht dagelijks 3,3 KG. verteerbare voedingsstof (eiwit en stikstofvrije extractstoffen gelijk gesteld en vet met '2,4 vermenigvuldigd) voor zijn onderhoud noodig heeft. Voor elke KG voedingsstof die een paard daarenboven ontvangt, kan het dus 550,000 KG.M. arbeid verrichten, of anders; wanneer een paard van 500 KG. levend gewicht arbeid zal verrichten, dan moet het, behalve 3,3 KG. verteerde voedingsstof, die hot dagelijks voor zijn onderhoud noodig heeft, om niet in gewicht af te nemen, voor elke 550,000 KG.M. te verrichten arbeid nog 1 KG. verteerbare voedingsstof daarenboven ontvangen.

Dergelijke theoretische beschouwingen hebben natuurlijk slechts eone betrekkelijke waarde omdat er ook individueele verschillen zijn. In hot algemeen kan men echter zeggen dat de oorsprong van het arbeidsvermogen of wil men de kracht, noodig tot het verrichten van arbeid, gezocht moet worden in de stofwisseling in 't dier. Daarbij gaat scheikundig arbeidsvermogen verloren en daarvoor komt warmte en spierarbeid in de plaats. Verbranding, vooral van stikstofvrije stoffen, speelt daarbij eene groote rol en vandaar dat een dier dat arbeid verricht ook meer zuurstof noodig heeft en meer koolzuur uitademt, bl. 65.

Maar gelijk de arbeid, die door eene stoommachine verricht wordt, ook afhangt van de machine zelve, zoo hangt de arbeid door de spieren verricht, ook van de spieren zelve, ja van 't geheele gestel dat is van het geraamte enz. 'eens diers af.

Over de doelmatigste inrichting van 't geraamte zal in de Bijzondere Veeteelt, bij de behandeling van ons voornaamste werkdier, het paard, een en ander worden medegedeeld. Dat inderdaad het geheele lichaam b.v. bij het trekken van een last hiertoe medewerkt, kan elk persoon die een last trekt, ons doen zien. Immers door de vooroverhangende houding ziet men dat de zwaarte van zijn lichaam daarbij een der factoren is. Zoo ook wanneer een

-ocr page 92-

72

ccn paard een last trekt. Fig. 33 kan ons dit iluidelijk maken. Wat doet een trekkend paard eigenlijk? Het schuift het zwaartepunt van zijn lichaam steeds naar voren. Daartoe worden de achterdijen beurtelings gestrekt en daardoor de romp in de richting van het naarboven gericiite pijltje en naar voren vooruitgeschoven. Dientengevolge valt het lichaam in do richting van de loodlijn en is het dier genoodzaakt den tegenovergestelden voorpoot voomit te brengen en den naarvoren vallenden romp te steunen. Op het achterdeel van 't lichaam werken dus twee krachten onder een zekeren hoek, waarvan de resultante gevonden wordt door een paralellogram te construeeren. De diagonaal wijst dan de resultante aan, dat is de richting waarin het lichaam zich voortbeweegt en tevens de juiste richting van do trekstrengen. Wat do spieren betreft, hangt de kracht, die zij kunnen uitoefenen, wezenlijk van hunne dikte, dat is van het aantal vezels er in voorkomende, af. Volgons Marey1) bedraagt de samentrekking eener spier ongeveer 1/3 van hare lengte. Hoe

langer spieren des te meer bedraagt dus do geheelo samentrekking, des te grooter is de beweging der beenderen, waartusschen zij geplaatst zijn. Door lange spieren kan dus eene groote beweging worden verkregen; korte en dikke spieren daarentegen kunnen veel kracht uitoefenen, maar de beide aanhechtings-punten van de beenderen, bl. 19, niet veel tot elkander doen naderen. Niet altijd zijn de spieren van eene en dezelfde diersoort even lang, noch even dik, waaruit dus volgt, dat zij niet evenveel kracht kunnen uitoefenen, noch even groote bewegingen maken.

Ook het gewond zijn aan werken is van invloed op het nuttig effect. Proeven hebben geleerd dat personen die niet gewoon zijn een borg te beklimmen, meer koolzuur uitademen en dus meer stof verbruiken dan zij, die wel gewend zijn zulks te doen. Om zich in evenwicht te houden, den juisten stand en de

3) J. Marey, Ka Machine animale.

-ocr page 93-

73

vereischte liassen to nemen hebben de eersten moer spierbeweging noodig; en zoo is liet ook met een werkdier, dat niet aan het tuig gewend, niet goed beslagen of slecht voor het werk geoefend is. Evenals hot nuttig effect eener slecht ingerichte machine of die niet goed gesmeerd of niet goed loopt, geringer is dan een goed ingericht en goed loopend werktuig — en wat zich ten slotte openbaart in een grooter verbruik van steenkool om hetzelfde effect te krijgen — zoo is het ook met oen werkdier dat niet goed gebouwd, slecht onderhouden en als het ware niet voor den arbeid aangepast is: hot zal van eeno gegevone hoeveelheid voeder minder nuttige arbeid kunnen verrichten.

Ook kan, wanneer cene spier lang onwerkzaam is, spierzelfstandighcid in vet overgaan, bl. 55. Marey zegt: „De genees- en heelkunde geven hiervan bewijzen genoeg. Zij toonen b.v. aan, dat de beweging zelve de spier onderhoudt. Eene lange rust heeft eerst eene vermindering van haren omvang, dan tie verandering der elementen, waaruit zij is .samengesteld, ten gevolge. Vet-lichaampjes treden in de plaats van de gestreepte vezels, waaruit zij gewoonlijk bestaat , en wanneer het aantal veÜichaampjes al grooter en grooter wordt, nemen /ij geheel de plaats der spierzelfstandigheid in.quot; Rij verlammingen en ontwrichtingen van ledematen komt dit meermalen voor.

In 't algemeen veronderstelt men — Darwin en anderen hebben zulks door tal van voorbeelden aangetoond — dat de organen naar hunne bijzondere verrichtingen gewijzigd worden. In het bijzonder is dit ook op de spieren van toepassing. Zij groeien of nemen af naardat er voor hare gewone verrichtingen eeno grootere of kleinere kracht vereischt wordt on verdwijnen geheel, wanneer hare functie geheel ophoudt. Daarin is vooral het nut oonor voldoende beweging en oefening der spieren van jonge, vooral werkdieren, gelogen.

Bij oude dieren gaat spier- in peoszelfstandigheid over. De pezen worden daardoor langer, het samentrekbare deel der spieren korter, en daar eene korte spier zich in 't gohool minder samentrekt, wordt do daardoor veroorzaakte beweging geringer. Een oud paard kan nog wTel kracht uitoefenen, maar niet hard meer loopen; de verplaatsing zijner boenon bij het gaan is gering.

Herhaaldelijk hebben wij er roods op gewezen, dat bij de stofwisseling in het lichaam warmte ontstaat; dat beweging en warmteontwikkeling hand aan hand gaan; dat voor de chemische energie die verloren gaat, voor oen doel warmte in de plaats treedt. Een nauw verband bestaat er tusschen die warmteontwikkeling in het dier en de temperatuur zijner omgeving. Onze huisdieren en zoo ook alle zoogdieren en vogels bezitten eene bepaalde, standvastige lichaamstemperatuur van 38 a 40° C. Die temperatuur is dus hoogor dan de gemiddelde temperatuur der omgeving, maar of een en hetzelfde dier zich op eene der Polen dan wel op de Linie dor Aarde bevindt, of hot winter of zomer is en of hot in een warmen dan wol in oen kouden stal geplaatst is, de temperatuur van zijn lichaam blijft steeds nagenoeg dezelfde. Alleen het verrichten van arbeid (zie hieronder) on vooral ziekelijke toestanden kunnen hierin oenige wijziging brengen; bij typhus kan de temperatuur soms 4° stijgen.

Do bron der lichaamswarmte moet dus, als gezegd is, gezocht worden in de scheikundige werkingen, inzonderheid in do verbinding der zuurstof mot

-ocr page 94-

de verbmnclbare stoffen in liet liloed en in liet weefselsap aanwezig. Men heeft gevonden, dat behalve in de in werking zijnde spieren er in de verschillende klieren, wanneer zij vocht afscheiden, warmte vrij wordt. Bij paarden die arbeiden kan de lichaamstemperatuur dan ook 1 a 11/2° C. boven de normale worden. Met het bloed wordt die warmte in de verschillende lichaamsdeelen verspreid. Wij leeren daaruit een nieuwen dienst van het bloed kennen, waarop wij bl. 33 reeds wezen, dezen namelijk, dat het de temperatuur van het lichaam overal nagenoeg gelijk doet zijn. Slechts het bloed, dat uit de verschillende lichaamsdeelen, dus van de warmtebronnen naar het rechter gedeelte van 't hart terugkeert, is iets warmer (bij den mensch ongeveer Vj^0) dan dat 'twelk, van do longen komende en hier mot do koudere zuurstof van den dampkring vermengd, door hot linker gedeelte van 't hart stroomt.

Maar hoe komt het, dat de lichaamstemperatuur nagenoeg dezelfde blijft, niettegenstaande de temperatuur der omgeving verandert? Vooreerst merken wij op, dat do hoeveelheid warmte, die in het lichaam wordt ontwikkeld, zeer verschillend kan zijn naar do hoeveelheid opgenomen voedsel, de meerdere of mindere beweging van 't dier enz., maar het lichaam verliest ook voortdurend warmte door uitstraling en door mededeeling aan de omgevende lucht en vooral door verdamping van vocht aan zijne oppervlakte. Naarmate er nu meer warmte in hot lichaam wordt ontwikkeld, naar die mate is ook het verlies grootcr, en naardat de behoefte aan warmte grooter wordt door het geleden verlies, naar die mate wordt er ook meer warmte voortgebracht of er naar gestreefd het verlies te vergoeden. Wij kunnen dit opmerken bij de bewoners der poolstreken, die veel beweging maken om zich warm te houden, terwijl die der heete gewesten liefst een lui en vadzig leven leitien.

Een dier, in oen kouden stal geplaatst, heeft dus meer voedsel noodig, 0111 warm te blijven, dan wanneer hot in een behoorlijk warmen stal geplaatst is; en als het juist genoeg voedsel ontvangt voor het onderhoud der warmte en de overige verrichtingen kan het geen vet en vleesch aanzetten. Karei Theodoor, hertog van Beieren, gaf aan een kat gedurende ü maanden steeds hetzelfde voedsel. In het koude jaargetijde, van 1G Januari tot 30 Maart, bleef haai gewicht nagenoeg gelijk en wisselde slechts af van 2557—2650 gram. Van dien tijd af nam met do intrede van het warmere jaargetijde haar gewicht toe, tot op het einde der proef, den 14 Juni, toon het 3047 gram bedroeg. In den koudon tijd nam de afscheiding van koolzuur en het opnemen van zuurstof toe, in den warmen tijd namen zij af. Bij eene temperatuur van —3.2° C. bedroeg de afscheiding van koolzuur in G uur 22.03 gr., bij 30.8° C. 12.03 gr.; bij oen temperatuurverschil van 34° C. bedroeg zij dus in den konden tijd S3 quot;/o meer. Derhalve werden er in den koudon tijd meer kool-stofiijke stoffen (vet en koolhydraten) ontleed dan in don warmen tijd, toen deze stoffen bespaard en aangezet werden, waardoor de gewichtstoeneming wordt verklaard.

Men rekent, dat het ^/jj doel van de dagelijks in het lichaam voortgebrachte warmte door uitstraling in en mededeeling aan de omgevende lucht verloren gaat, dat het 1/4 deel dient om het water, dat uit de longen en door de huid in dampvorm ontwijkt, te doen verdampen en dat do rost, dus het 1/12 deel, wordt gebruikt om het voeder, het drinkwater en de ingeademde lucht op de

-ocr page 95-

(O

temperatuur van 't lichaam te brengen. Hoc hooger nu de staltemporatuur is, des te minder warmte verliest het licliaam door uitstraling enz., behoeft er dus ook niet zoo veel warmte in het lichaam te worden voortgebracht, behoeft er minder voedsel in liet lichaam te verbranden en kan er meer in vet en vlcesch worden aangezet. Daarom gebruiken ook kleinere dieren naar hetzelfde levende gewicht berekend, meer voedsel voor het onderhoud der dierlijke warmte, aangezien hunne oppervlakte grooter is in verhouding tot hun gewicht dan bij grootere dieren, bl. 59. Van den anderen kant echter neemt bij eene hoogere temperatuur de verdamping van water aan de oppervlakte van hot lichaam toe, waardoor meer warmte wordt verbruikt. Ook maakt eene te hooge temperatuur do dieren onrustig, zij versnelt den bloedsomloop en de ademhaling, waardoor weder nuttelooze inwendige arbeid verricht en stof verbruikt wordt enz. C. van Voit nam dan ook waar dat bij eene temperatuurs-verhooging van 15.7° bij een man de koolzuurafscheiding mot 11)% toenam.

Daaruit volgt dus, dat noch eene lage noch eene hooge temperatuur gunstig is. De doelmatigste temperaturen worden hieronder, bij de verpleging der dieren, opgegeven.

Uit een en ander volgt verder, dat mensch en dier zich min of meer naai do temperatuur der omgeving voegen. Zij bezitten daartoe nog eene bijzondere inrichting, als hot ware een zelfwerkendon regelaar der temperatuur, die de warmte van 't lichaam terughoudt, wanneer hot verlies in eene koude omgeving groot dreigt tc worden, maar dit verlies doet toenemen, wanneer er meer warmte in liet lichaam wordt ontwikkeld. Dit dubbel doel wordt bereikt door de eigenschap der bloedvaten, dat zij zich verwijden en vernauwen kunnen. Wij hebben, bl. 51, hierop reeds gewezen, in hooge mate komt deze eigenschap nu toe aan de bloedvaten, die langs de oppervlakte van het lichaam loopen. Geprikkeld door de gevoelszenuwen vernauwen zij zich in eene koude en verwijden zich in eene warme omgeving. In liet eerste geval stroomt dientengevolge minder bloed langs do oppervlakte van 't lichaam en verdampt er minder water. Zoowel om deze als gene reden moet dus het warmteverlies geringer zijn. Is de temperatuur der omgeving hooger, of ook wordt er meer warmte in liet licliaam ontwikkeld, zoo verwijden zicli de bloedvaten langs de oppervlakte, wordt hier meer bloed heengevoerd, en neemt het warmteverlies zoowel door uitstraling als door verdamping toe. Inzonderheid is dit laatste het geval, wanneer water in vloeibaren toestand, als zweet, zich aan de oppervlakte verzamelt.

2. DE HÜISIUKKEN IN BETKEK KING TUT tlE BUITENVVEKEEIi.

Datgene, wat een dier omgeeft, de buitenwereld, heeft een machtigen invloed op zijn geheele zijn of bestaan. De lucht, die het inademt, koudeen warmte, droogte en vochtigheid zijn factoren, die de stofwisseling in zijn licliaam en tie behoefte aan voedsel meer of minder wijzigen en op zijne gezondheid een onmiskenbaren invloed uitoefenen.

Bij de voeding en verpleging van het vee zullen wij herhaaldelijk gelegenheid hebben op een en ander de aandacht te vestigen. Hier willen wij nog

-ocr page 96-

76

eenigo punten behandelen omtrent den invloed der omgeving onzer huisdieren in het algemeen.

Wij' hebben hierboven reeds gezien van welken invloed de temperatuur der omgeving op de stofwisseling is. Ook het licht is daarop van invloed, zoodat in het licht meer koolzuur wordt uitgeademd dan in het donker. Dat meerdere koolzuur is afkomstig van do sterkere vertering der voedings- of lichaams-bestanddeelen in het licht. Hieruit volgt, dat eene sterke verlichting en de daardoor veroorzaakte sterkere stofwisseling minder gunstig moet zijn voor liet ophoopen van stof, b.v. van vet in het lichaam, dan eene matige afsluiting van het licht.

AVeiske te Breslau nam eenige proeven met deels jongere, deels oudere, volwassen konijnen, die hetzij in het licht, hetzij in het donker gehouden, hetzelfde voedsel ontvingen, zoowel wat de hoeveelheid als wat de hoedanigheid betreft. Hierbij werd gevonden dat, tengevolge van de geringere stofwisseling, de in het donker gehoudene of matig verlichte konijnen vrij wat meer in gewicht waren toegenomen dan die, welke aan liet volle licht waren blootgesteld. Toen op het einde der proef de dieren geslaclit en ontleed werden, bleek het dat de in het donker gehoudene veel vetter waren en dat bij gelijk voedselverbruik hot vetgehalte van de in het licht en in het donker gehoudene stond bij de jonge konijnen, na eene voeding van 1G dagen, als 100 : 126, bij eene 46-daagsehe voeding als 100:119, en bij de volwassen konijnen, na eene voeding van 24 dagen, als 100:216 en'na eene 75-daagsche voeding als 100 : 138. Hieruit volgt dus, dat vooral bij de oudere dieren de vetaanzetting in het donker aanmerkelijk grooter is dan in het licht; maar dat de vetaanzetting geenszins evenredig is met den duur der voeding en dat hot aanvankelijke voordeel bij eene langere afsluiting van 't licht, tengevolge van nadeelige werking op het lichaam, weer verloren gaat. Inderdaad kon bij deze proeven worden aangetoond, dat tengevolge van de lichtaf si uiting bij de proefdieren eene vermindering van de geheele hoeveelheid bloed en van zijn gehalte aan roode bloedlichaampjes intrad, wat natuurlijk van nadeeligen invloed op het geheele leven van liet dier moet zijn geweest.

Evenals eene plant wordt ook een dier bij eene langere afsluiting van het licht bleekzuchtig; dan lijdt hot aan bloedarmoede en vooral aan de voor het normale leven onmisbare hoeveelheid roode bloedlichaampjes.

Waar het dus in de veehouderij vooral er op aankomt gezonde, normale en krachtige dieren te hebben als b.v. bij liet aanfokken en opfokken of waar eene goede stofwisseling noodig is b.v. bij melk-en werkvee, daar is het wenschelijk do dieren niet aan den goeden invloed van het licht te onttrokken. Daarentegen mag het gewenscht geacht worden om tie ruimten voor het opstallen van mestvee, dat spoedig naar de slachtbank gaat en dat wegens de vetvonning zich niet moer in normalen toestand bevindt, donker te houden teneinde op deze wijze do stofwisseling in hot lichaam te verminderen on de aanzetting van vet en vleesch te bevorderen, aangezien onder deze omstandigheden, bij gelijk voeder, eene grootere toeneming in gewicht en eene rijkere vetvonning kan worden verwacht.

Maar het dier staat nog op eene andere wijze met de buitenwereld in betrekking. Door middel van zijne zintuigen ontvangt hot indrukken, die naar

-ocr page 97-

(i

do hersenen geleifl, het bewustzijn geven van 'tgcon in zijne omgeving plaats grijpt. Zijn vrije wil uit zich in verschillondo bewegingen, waarvan tie belangrijkste is de verandering van plaats. Hot verrichten van nitwendigen arbeid , hot trokken of dragen van lasten enz., gaat daarmede niet zelden gepaard.

Omtrent do samenstelling der zintuigen moeten wij naar andere werken verwijzen 1). Met eeno korte aanduiding van hunne verrichtingen moonon wij hier te kunnen volstaan. Welke gewaarwordingen het dier door do zintuigen en do daarmede verbonden zenuwen al ontvangt, daartoe kan men slechts besluiten door eene vergelijking van de indrukken, die do buitenwereld dooide gelijksoortige organen ons geeft en van do inrichting dezer organen zelve. Zoo meent men uit do waarneming, dat hot paard en vele andere zoogdioron bij de nachtelijke duisternis met grooto zekerheid hunnen weg weten te vinden, oj) te moeten maken, dat de gezichtszenuw dezer dieren zoor gevoelig is voor het licht. De pupil of do zoogenaamde oogappel, waardoor de lilt;-ht-straleu het oog binnentreden, is dan aanzienlijk grootor dan des daags. De stand der oogen van de meeste huisdieren veroorlooft hun echter niet, gelijk wij dit kunnen, een voorwerp met beide oogen tegelijk te zien, maar hun gezichtskring is des te grooter, zoodat zij beter de voorwerpen, die zich zijwaarts van hen bevinden, kunnen waarnemen.

Do uitdrukking; „het oog is de spiegel dor zielquot; is in vele opzichten ook op de dieren, in hot bijzonder op het paard en den hond, waarbij liet ziele-lovon moor ontwikkeld schijnt te zijn, van toepassing. In do uitdrukking van het oog, in den blik, is dan ook veelal te lezen, wat in het binnenste van een dier omgaat. Don opmorkzamen waarnemer zal hot niet moeilijk vallen den goeclaardigen van den hoosaardigen, den Icvcndigtn of vurigen van den ftlaperigen blik te onderscheiden, zonder dat het noodig is de bepaalde kcn-nierken daarvan op te noemen.

Niet minder dan het oog verraden de houding en do beweging van het uilwendig oor, wat in het gemoed van een dier omgaat, zijne meerdere of mindere opmerkzaamheid, zijne hartstochten; zoodat ook dit orgaan van gewicht is om de hoedanigheid van een dier, inzonderheid van oen paard, te booor-deelon. Het booze paard legt zijne ooren plat neer en naar achteren, alsof het daarmede ontdekken wil, hoe het achteruit moet slaan, om zijn vijand te treffen. Een dergelijken stand hebben do ooren van een schuw paard, als hot bang is voor voorwerpen, die het met 't gezicht niot kan waarnemen. Het goedaardige dier daarentegen richt de ooren op en houdt de openingen voorwaarts gekeerd, en is het levendig en vroolijk, zoo zijn zo in voortdurende beweging; het is dan opmerkzaam. Het slaperige, onopmerkzame dier daarentegen, dat zich weinig inspant, laat de ooren hangen. Uit de waarneming, dat do moeste huisdieren zelfs zwakke geluiden vernomen, mag men opmaken, dat hun gehoor vrij scherp is.

De smaakzin, die hoofdzakelijk haren zetel in de tong heeft, schijnt bij onze huisdieren niet sterk ontwikkeld te zijn; daarentegen bezitten zij veelal oen fijnen en scherpen reuk, die hen instinctmatig bij do keuze der voeder-

1) Zio h.v. F. Müllor, Physiologie (ter Ifatissiiugcllnere.

-ocr page 98-

78

middelen leidt. Ook het varken is te dezen opzichte geenszins misdeeld. De herkauwende dieren ontdekken, door den reuk, voorwerpen op grooten afstand en plaatsen zich daartoe in den wind op.

De gevoelsindrukken zijn zeer verschillend. Wij kunnen onderscheiden: indrukken die wij bij hot aanraken der voorwerpen ontvangen of het tastgevoel, indrukken van warmte en koude of het ternperaiuurgevoeI en het gevoel dat wij pijn noemen. Terwijl pijn ook in de inwendige organen kan worden waargenomen (men denke aan spierpijn, gewrichtspijn enz.), hebben het temperatuur- en het tastgevoel meer hunnen zetel in de huid. De gevoels-zenuwen , welke hier op eene eigenaardige wijze in de zoogenaamde tastlichaam-pjes eindigen, ontvangen daarin de indrukken, welke warmte of koude, de vorm en de oppervlakte van eenig voorwerp op de opperhuid teweegbrengen, om deze naar do hersenen te geleiden. Bij den mensch is het tastgevoel het meest ontwikkeld aan de toppen der vingers, bij de dieren vooral in de lippen en in de huid, die de natuurlijke openingen van 't lichaam bekleedt en inzonderheid ook op de spits der tong. Het is hier noodig voor het willekeurig gebruik dezer organen en geeft het dier bewustzijn van de aanwezigheid van vreemde voorwerpen. „Als de lippen gevoelloos zijn, zoo kan het dier de voedermiddelen niet opnemen of vasthouden; is de tong zonder gevoel, zoo kan zij het voeder onder het kauwen niet tusschen do tanden houden, noch de spijsbrok voor het doorslikken vormen. Gevoelloosheid van den endeldarm en van de urinewegen ontneemt aan het dier 't bewustzijn van de ophooping van excrementen en urine in deze organen en daardoor de heerschappij over hunne willekeurige ontlastingquot;, zegt Bendz.

3. VOORT PLANTINGS VERRICHTINGEN. GEBOORTE EN ONTWIKKELINGSTIJDPERKEN.

Evenals liet leven der plant is ook dat van een dier aan een zekeren tijd gebonden, en evenals bij de eerste wordt ook bij do laatste voor de voortplanting, dat is voor het instandhouden derzelfdo soort op verschillende wijzen gezorgd. Het zal onnoodig zijn die verschillende wijzen hier te bespreken. De voortplanting van do door ons te behandelen landbouwdieren wordt de geslachtelijke geheeten, omdat twee verschillende individuen, een mannelijk on een vrouwelijk, daarvoor noodig zijn.

In beginsel komt deze overeen met de voortbrenging van zaad bij de planten. Gelijk toch het plantenei bevrucht moet worden door stuifmeel, zoo moet liet oi van 't vrouwelijk dier bevrucht, worden door hot sperma van 't mannelijk individu.

In bijzonderheden echter wijkt de geslachtelijke voortplanting bij do dieren aanmerkelijk van die der planten af; zij verschilt daarvan o. a. ook hierdoor, dat de dieren een vrijen wil, eene bepaalde geslachtsdrift bezitten, welke aan de planten niet of niet in die mate mag worden toegekend. Tengevolge van die geslachtsdrift naderen de dieren van verschillend geslacht elkander om te paren {dekken, bespringen, aanloopen), waardoor de bevruchting van het ei mogelijk wordt gemaakt.

De eieren van 't vrouwelijk dier, waarvan de eerste aanleg reeds bij de

-ocr page 99-

7!»

geboorte aanwezig is, ontwikkelen zich langzamerhand in de eierstokken, totdat zij geschikt zijn om bevrucht te worden. Zij bestaan uit een wand, die kleine openingen, zoogenaamde porenkanaaltjes bezit en de dooier omsluit. In den dooier kan men nog onderscheiden het kiemblaasje en de kiemvlek. Fig. I9. Rijp geworden bersten de blaasjes of zoogenaamde Graafsche foüikels, waarin zij zich bevinden, en het vrij geworden ei gaat in den met franjes bezetten eileider en vervolgens in de baarmoeder over, bl. 40. Bij dieren, die moer dan één jong ter wereld brengen, zijn ongeveer terzelfder tijd meer eieren rijp en bevinden zich dan ook tegelijk moer eieren in de baarmoeder.

Omstreeks den tijd, dat bij onze huisdieren een of meer eieren rijp zijn om in de baarmoeder over te gaan, heeft er een sterkere bloedstroom naar de geslaehtsdeelen plaats; deze zwellen daardoor op en scheiden dan eene slijmerige vloeistof af, die dikwijls bloederig is en meestal een eigendommelijken, naar het schijnt door het reukorgaan van 't mannelijk dier derzelfde soort gemakkelijk waar te nemen, reuk bezit. De geslachtsdrift van 't dier wordt door de verhoogde werkzaamheid van de geslaehtsdeelen in dit tijdperk, dat één of meer dagen duurt en gewoonlijk bronstijd of tochtigheid heet, opgewekt; het rund loeit en springt op andere koeien, en in 't algemeen zijn do tochtige dieren onrustig en willig hel mannelijk dier to ontvangen, bewegen de min of meer roodachtig gezwollen lippen der schaamspleet, enz. Gewoonlijk heeft de paring slechts om dezen tijd het gewenschte gevolg. De bronstijd treedt in: bij het rund 20 a 28 dagen en bij de merrie van den 7'len tot den IT)116quot; dag na de verlossing; gewoonlijk laat men de merrie op den 1 lden of 12den dag weder dekken. Tot zoolang geene bevruchting heeft plaats gehad, keert hij een tijdlang periodisch terug; bij het paard om de 8 a 10 dagen, soms ook wel later, enkele merriën zijn bijna voortdurend hengstig; bij hot rund, 't schaap, de geit en de zeug om de 3 week. Hij openbaart zich bij het paard vooral in 't voorjaar, bij het rund in den zomer, bij het schaap in den herfst en bij het varken eenige malen in 't jaar. Een en ander hangt intusschen ook af van de omstandigheden, waaronder het dier leeft, van den tijd sedert dat het gebaard heeft, of het gezoogd wordt enz.; zoodat bij onze huisdieren het tochtig zijn en bevrucht worden in elk jaargetijde kan plaats hebben. Slechts in genoemde tijdperken is het willig zijn duidelijker aan do opgenoemde kenmerken waar te nemen. In enkele gevallen gaan ook do eieren in de baarmoeder en treedt dus de bronstijd in, zonder dat men iots bijzonders aan het dier en zijne geslaehtsdeelen bespeurt {stille bronstijd).

Bij een mannelijk dier heeft de afscheiding van hot sperma of zaad meer geregeld plaats en treedt de geslachtsdrift (althans bij onze huisdieren) minder periodisch in, maar wordt meer ten allo tijdo opgewekt door do nabijheid van een vrouwelijk dier derzelfde soort. Een stier schijnt eene bollige of tochtige koe zolfs op con zekeren afstand (wellicht door den reuk) to kunnen ontdekken en volgt haar bestendig, ofschoon zij vóór dien tijd niot zijne bijzondere aandacht trok. Wordt do geslachtsdrift opgewekt, dan scheiden do voorttelings-klieren eene grootore hoeveelheid vloeistof af, waardoor de ballon zwellen; er hoopt zich eone grootore hoeveelheid vloeistof in hot mannelijk paringslid, do roede, op, waardoor deze zich uitzet; onder de gewone omstandigheden

-ocr page 100-

80

S-vormig gekromd, strekt dit orgaan zich nu, waardoor hot nit do zoogenaamde voorhuid treedt. Is de roede in het vrouwelijk orgaan gebracht, dan wordt, bij de onderscheidene dieren nog verschillend maar hij het rund en 't schaap, gelijk een schrijver zich uitdrukt, „bij een krachtigen stoot en een hartstochtelijken nastootquot;, bij het varken eenigc malen, hot sperma in do schoode of bij liet rund en 't schaap waarschijnlijk direct in do baarmoeder uitgestort.

De spermatozoïden of xaadlicltaampjes zijn hot eigenlijk bevruchtend dool van quot;t sperma. Zij hebben eeno lengte van ongeveer J/go mM. en bestaan uit oen ei- of poorvorinigen knop en een staartachtig aanhangsel. Door hare oigon-aardige bewogingen en door die dor trilharen, waarmede de binnenwand van het vrouwelijk geslachtsorgaan bezet is, komen zij in do baarmoeder of in do hooger liggende doelen met het rijpe oi in aanraking. Do eigenlijke bevruchting komt nu tot stand doordat één of meer zaadlichaampjes (één is voldoende) door een porenkanaaltje van den wand in don dooier van het ei dringt. Het zaad lichaam jij o verliest nu zijn aanhangsel en het verdikte uiteinde wordt tot

van hot ei, vormt. Hierop begint de coldecling. Fig. 34, en celver-moordering-, waartoe do noodige stoffen uit hot bloed der bloedvaten van do aderhuid (zie hieronder) diffundeert, derhalve door het vrouwelijk dier aangevoerd worden, hot jnnge dier zich alzoo ontwikkelt.

In welk gedeelte van hot vrouwelijk geslachtsorgaan do bevruchting van 't ei plaats hooft, is niet met zekerheid bekend; wol weet men, dat het jonge dier, vóór zijne geboorte foetus of embryo gehooton , zich in do baarmoeder, gedeeltelijk ook in do daarbij behoorondo hoornen, ontwikkelt. De tijd, voor die

sainensmoltendo met do eikern. do kliovinsskorn , in hot midden

ontwikkeling noodig. wordt gewoonlijk draagtijd goheoten; de verschiilonde ontwikkolingstoostandon, die hot embryo daarbij doorloopt, leert zijne ontwïk-kelingsgesehiedenis.

Do draagtijd duurt hij een gemiddeld

Merrie.......481/2 weken

Koe........ 401/2 „

Schaap.......211/2 „

Varken.......17 „

Ezelin.......52 „ — —

Geit........22 „ — —

Vroegrijpe dieren hebben meestal een kortoren draagtijd dan do gemiddelde.

Of oen dier drachtig is, kan in den eersten tijd na hot bevruchten niet

altijd met zekerheid worden gezegd. Gewoonlijk rekent men dat zulks hot

en de waargenomen ip bij

kortste tijd langste tijd

259 dagen 411 dagen

210 „ 331 „

134 „ 161 „

109 „ 133 „

-ocr page 101-

81

goval is, wannoor hot op don gownnon tijd, na hot dokkon, niot Avodor tochtig wordt on hot mannelijk dier alsdan niot wodor tot don sprong toelaat, daarbij de staart togen do goslachtsdeelon drnkkendo. Do morrio logt dan, hij don hengst toegelaten, de ooren plat op den kop on slaat aehtornit. In 'talgemeen worden do dieren, zoo zij drachtig geworden zijn, rustiger; melkgevende koeion on schapen verminderen, hij hetzelfde voedsel, in melk.

Nochtans kan men zich, gelijk reeds gezegd is, op deze konteekenon niot altijd verlaten.

Na verloop der helft van den draagtijd neemt do omvang der Imik merkelijk toe; de lendenon zakken door; in het loopen is hot dier meer bedaard en niot zelden kortademig; niettegenstaande don meerderen oetlnst wordt de staat zijner gévoedheid niet beter. Do aanwezigheid van den foetus (hot jonge dier) kan men bospenren aan diens bowogingen, door de hand vóór don nier aan do Imik te honden (bij het rnnd hot duidelijkst aan do rechterzijde). inzonderheid als men het drachtige dier eenigeu tijd laat hongeren en dan kond water geeft.

Schapen onderzoekt men hot best op hnnne drachtigheid door ze op don rng to leggen en hnnne Imik te betasten.

Do naderende geboorte kan aan verschillende veranderingen bij het moedor-dier worden waargenomen: do nier zwelt op; nit de scheode vloeit niet zelden oene slijmigo, soms met bloed vermengde vloeistof; de verschillende banden van hot bekken worden slap, waardoor do geledingen van het krnisboon met do honpbeenderen ruimer worden; inzonderheid kan men het wegvallen der breede bekken-banden. Fig. 17, hl. 23, bespeuren bij de merrie en do koe; do geboorte heeft dan eerstdaags plaats.

Ons bestek laat niet toe de ontwikkolingsgeschiodonis van het jonge dier (hot embryo of foetus) nit hot ei na te gaan. Met het embryo worden daaruit verschillende vliezen of huidon gevormd, die hot jonge dier tot zijne gobnorlo omgeven en dan als „narjeboortequot; nit de baarmoeder verwijderd worden. Deze vliezen zijn: 1° de vrucht- of schaaphuid of het amnion. Deze omgeeft iiot embryo hot naast on vormt als 't ware de eerste zak, waarin zich langzamerhand eene vrij groote hoeveelheid eener waterige vloeistof, hot vrvchtiralcr, verzamelt, waarin het embryo als 't ware zwemt. Daarop volgt 2° de jii.shtüil of de piszak {aUnnlois), die den foetus slechts gedeeltelijk omgeeft en door eene buis. die door den navelstreng heenloopt, met zijne pisblaas in verbinding staat. Hierin verzamelt zich o. a. de pis van het jonge dier. 3° de lederhuid of het chorion, welke hot buitenste bekleedsel vormt en nu eens op deze dan op gene wijze met do baarmoeder samenhangt. Zij wordt om de menigte bloedvaten, welke zich hierover verspreiden, ook vaat- of aderhuid geheeten; zie Fig. 35. Deze bloedvaten, welke moeten dienen om het voedend materiaal voor den groei van den foetus uit het moederdier aan te voeren, vereenigen zich tot een paar groote stammen, welke door don navelstreng heen, in den foetus overgaan. Do verspreiding dier bloedvaten over de aderhuid is nog zeer verschillend. Bij het rund en 't schaap vormen zij, iu de vlokken of lobben (cotyledones) waarmede de aderhuid van afstand tot afstand bedekt is, haarvatennetten (verspreide moederkoek); bij hoogere dieren en bij don mensch verloopen zij vooral in den schijfvormigen, bij den hond in den

rkindkrs, III. Vierde druk. 0

-ocr page 102-

82

gordclcormigen moederkoek en bij het paard en 't varken in ile kleine vlokken, waarmede bijna de geheele aderhnid bedekt is.

Intussehen is ook do baarmoeder veranderd, kort vóór on in den tijd dat oon bevrucht oi hierin aanwezig is. Zoolang hot moedordior niet drachtig is, is hare holte zeer kloin ; hare wanden zijn betrekkelijk dun en de bloedvaten daarin weinig ontwikkeld. Inwendig is zij bekleed mot oon slijm- of klior-vlies; haar eigenlijke wand bestaat uit oonige door elkaar geweven spierlagon. Zoodra nu oen of moor bevruchte eieren aanwezig zijn, kleven deze aan den baarmoedorwaud vast, en terwijl zij zich tot vrucht met de daarbij behooronde omkleedsels ontwikkelen, verandert hier ook hot kliervlies der baarmoeder; het komt mot de vrucht in een min of meer innig verband. Het verdikt zich moor en moor on do bloedvaten worden steeds wijder, zoodat steeds moer bloed kan worden aangevoerd. Dat bloed is bestemd de vrucht te voeden ; maar hot gaat niet onmiddellijk in do aderen der vruchthuid over. Integendeel gaan er, ter plaatse waar de adorhuid van de vrucht met hot kliervlies dor baarmoeder veroeuigd is, slechts van zijne bostanddoelen (door osmose) uit do haarvaten van de baarmoeder, dus van het mooderdier, in do haarvaten van do vruchthuid en dus naar de vrucht over.

Hierboven word gezegd, dat.het verband dor baarmoeder en do vruchthuid

min of moor innig is. In 't algemeen wordt die

vereeniging bloed- of moederkoek geheeten, omdat zich daarin do haarvaten dor baarmoeder en iler vruchthuid verspreiden on ontstaat zij doordat do nitbreidingen (vlokken) dor adorhuid in kleine holton van dobaarmooderdringon. Blijven nu die vlokken en holton kloin, gelijk bij hot paard en 't zwijn, zoo is de samenhang der aderhuid mot den baarmoederwand gering; bij de geboorte van het jong of der jongen laat do aderhnid van do baarmoeder dus gemakkelijk los, en wordt do nageboorte derhalve zonder kwetsing en zonder moeite verwijderd. Bij het rund en 't schaap is do vereeniging inniger; hier zijn de holten, waarin de vlokken of'lobbeu dor adorhuid (zie Fig. 35) gedrongen zijn, dieper en meer vertakt. Schoon ook hier de scheiding zonder belangrijke scheuring geschiedt, wordt toch do nageboorte niet zoo gemakkelijk verwijderd. Bij het. rund duurt het dan ook eonige uren, ja soms oenige dagen, alvorens de nagelloorte loslaat.

Zoo lang de foetus nog klein zijn, veranderen zij dikwijls hunne ligging in

-ocr page 103-

83

hot vruchtwater; later wordt die meer bepaald. Waar gewoonlijk slec-hts één jong geboren wordt, als bij de merrie en do koe, ligt hij aanvankelijk in die baarmoederhoorn, waarin het ei uit de eileider aangevoerd werd; later ligt het voorste gedeelte in het baarmoeder-lichaam, het achterdeel in genoemde hoorn. Eerst kort vóór de geboorte moot het, door samentrekking der baarmoeder, de ligging aannemen, die voor hot baren de meest gunstige is: de buik naar beneden, de rug naar boven gericht; de voorpooton gestrekt en hierop do kop rustende, welke daarmede als 't ware eono wig of kiel vormt, zio Fig. 85. Bij dieren, die gewoonlijk verscheidene jongen ter wereld brengen, liggen de foetus, elk door eigene vliezen omsloten, in oene rij in do baarmoederhoornen on zijn door oene slijmige massa, alsmede door min of meer sterke insnoeringen van do baarmoeder, gescheiden.

Do kenteekenen van het eindigen van den draagtijd zijn hierboven roods vermeld. Hoeft de geboorte op den rechten tijd jjlaats, zoo heet zij oene rechlljdige; geschiedt zij voordat do foetus geheel volwassen is. zoo heet zij oene ontijdige, on als zij zóó vroeg plaats heeft, dat het jong na do geboorte niet leven kan, zoo zegt men dat het verworpen is. Nadert de tijd dor bevalling, zoo wordt het dier onrustig, verandert dikwijls van stand of gaat tusschonbeide ook liggen, plaatst zich dikwijls zoo alsof hot urine of vaste uitwerpselen wil ontlasten, kijkt herhaaldelijk achteruit enz. Men veronderstelt, dat thans oene groote hoeveelheid bloed naar do gcslachtsdoelen toestroomt, waardoor do zenuwen geprikkeld worden on de baarmoeder zich samentrekt (vergol. bl. 51). Dozo met meer of min inwendige pijn gepaard gaande samentrekkingen van de baarmoeder worden weeën (dolores) goheoten. Zij hebben, in verband met samentrokkingen van 't middenrif en van do buikspieren, ton doel: het uitdrijven der vrucht. .Men onderscheidt zo in voorbereidende, uitdrijving^- en naweeën. De vóórbereidende weeën gaan met do bovenvermelde onrust van 't dier gepaard en duren niet zelden vorschoidende uren. Later, bij hot begin der uitdrijvingsweeën, wordt hot persen slerker, do baarmoedermond meer geopend, aars en schaamspleet worden moer naar achteren gedrongen en de vruchtvliezen komen in den vorm eenor mot water gevulde liaan in de schaamspleet te voorschijn.

Rij die verwijding dor geboortewogen wordt do foetus meer vooruit geschoven en door de meerdere spanning van het vruchtwater, door oene plotselinge beweging van 't dier of door do voorwaarts schuivende pooien dor vrucht, borst ton slotte do blaas. Bevorderlijk voor de bevalling is een niet te vroeg bersten, wijl do geboortewegen daardoor ruimer gemaakt worden. Bij de morrio berst do blaas dikwijls in hot geheel niet; hot veulen komt dan, nog door do vruchtvliezen omgeven, ter wereld.

Na het borsten dor blaas worden do weeën krachtiger en volgen elkander sneller op. Do voorpooton en kop worden meer on meer zichtbaar en dringen steeds vorder naar buiten. Don moesten weerstand biedt de doorgang van het borst- en schoudergodeolte. Is dit Ie voorschijn gekomen, zoo volgen do aehtordoolon in don regel gemakkelijk'.

Do bevalling duurt gewoonlijk slechts korten tijd, vooral bij de merrie; maar zij kan ook wol eens verscheidene uren duren, als het inoederdier b.v. zwak is, de geboortewogen te nauw zijn of do begrenzende doelen niet genoeg

0*

I

-ocr page 104-

84

uitwijken, ilonr do grootto of misvorming ilor jongen, hnnne verkeerde ligging enz. Onder deze omstandigheden zijn de eigene krachten der natuur niet zelden ontoereikend en is eene min of meer kunstmatige verlossing noodig.

Na de bevalling volgt eenigen tijd rust, dan treden de naweeën in om do do vruchtvliezen, de nageboorte, af te drijven, 'twelk bij onze huisdieren in den regel zonder veel moeite geschiedt. Bij hot rund echter, kan, wegens do vastere vereeniging van do vaathnidlobbon mot de baarmoeder, de nageboorte soms verscheidene dagen blijven hangen; soms moet zij kunstmatig worden verwijderd. Het opzuigen van de ontledingsproducten door den baarmoederwand zou het dier ziek maken.

Wordt hot jong, gelijk bij 't paard wel plaats heeft, geboren, zonder verbreking dor vrucht vliezen, zoo moeten deze dadelijk worden verscheurd, tenzij zulks door het moederdior of door de bewegingen van het jong geschiedt, opdat hot kan ademen. De behoefte om te ademhalen treedt namelijk in, zoodra do navelstreng verbroken of ook samengedrukt is, zoodat de bloedsomloop hierin gestoord wordt. Hot gebeurt derhalve niet zelden, dat liet nog in de geboortewogen aanwezige dier ademt en zelfs zijne stem doet hooren. Do verscheurde vaten in de navelstreng sluiten zich, zonder te bloeden, evenals de hier doorheeuloopende pisbuis der piszak; wat van don navelstreng overblijft verdroogt en valt af.

Het pas geboren dier is nat en zijne huid met een slijmig vocht, het footusslijm, overtrokken, 'twelk door de moeder afgelikt wordt. Evenals de longen wordt nu ook do huid werkzaam; de bloedstroom neemt oone andere lichting: die door den navelstreng houdt op; die door de longen en langs hot darmkanaal begint of wordt werkzaam; de pis, die zich tot nog toe in do allantoïs ontlastte, wordt nu op de gewone wijze door do gewone pisbuis verwijderd.

De melk is bestemd om tot eerste voedsel voor het jong te dienen. De eerste melk, biest of colostrum geheeten, bevordert de ontlasting van do bruine, taaie vloeistof, hot darmpek of meconium, 'twelk in liet darmkanaal van het pas geboren dier aanwezig is.

Bij het veulen drogen do dikke, weeke hoornkussens aan de zolen der hoeven uit en bladeren af; iets dergelijks hooft mot de hoeven dei1 herkauwende dieren en met die van 't varken plaats.

In hot leven onzer huisdieren kunnen drie tijdperken worden onderscheiden;

a. Het tijdperk der ontwikkeling, dat van de geboorte af duurt tot den tijd, dat hot lichaam zijne normale grootte en zijn normalen vorm bereikt heeft. De tandwisseling is dan afgeloopen en 't gewone getal tanden aanwezig. Behalve dat de verschillende organen en lichaamsdeelen in dit tijdperk groeien, veranderen ook hunne betrekkelijke grootte en hun stand.

Het veulen, 't kalf en 't lam bezitten een betrekkelijk korten romp, een smal kruis en lange ledematen en, daar de romp minder op de pooten drukt, staan deze rechter in de gewrichten. De doornsgewijze uitsteeksels der wervels zijn minder ontwikkeld en daardoor vallen do schoft en het kruis minder in het oog. Bij de toeneming in grootte worden de beenderen allengs vaster en minder vaatrijk, do mergholten grooter; hot merg wordt vaster en rijker aan

-ocr page 105-

vet. Do verschillende uitsteeksels der beenderen treden allengs duidelijker te voorschijn. Het vlecscli wordt vaster en meer rood van kleur; de pezen en banden worden sterker.

Ook do kleur van het haar verandert veelal.

Bij do herkauwende dieren treden do hoornen allengs te voorschijn en ontwikkelen zich de eerste magen, inzonderheid de pens, nadat zij aan plantaardig voedsel gewend zijn enz. Op hoe jeugdiger leeftijd eenig ras deze verschillende veranderingen ondergaat, des te vrocgrijpcr is het.

Hot snelst noemt het lichaam in gewicht toe in den tijd van het zogen. Wilckens nam waar dat 7 kalver, die bij do geboorte een gemiddeld gewicht hadden van 35.5 KG., na een zoogtijd van 70 dagen 104.8 KG. wogen en na een jaar 28C.G KG. Terwijl hun levend gewicht in den zoogtijd van 10 woken verdrievoudigd was, was hot in do overige 42 weken slechts verachtvoudigd.

b. Hei tijdperk van volle kracht. In dit tijdperk staat het dierlijk organisme op zijn hoogsten trap; het is in het bezit der grootste kracht en volharding. De beenderen zijn volledig ontwikkeld, hard geworden en, waar dit geschiedt, met elkander vergroeid; uit sommige kraakbeengedeelten (aan do ribbon en 't schouderblad) wordt nog waar been gevormd.

De spieren en banden zijn in dit tijdperk hot sterkst en in de meest gunstige verhouding tot het verrichten van arbeid. Do geslachtsdrift en do vruchtbaarheid zijn hot grootst, do nakomelingen hot krachtigst.

Men rekent, dat het paard in dit tijdperk is van het einde van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar. Van de overige huisdieren kan het moeilijk worden vastgesteld. Met uitzondering van het melkvee, worden de meesten reeds voordat zij zelfs dit tijdperk hebben bereikt, om hun vleesch on vet gedood.

c. Het tijdperk van den ouderdom of van het verval. Nadat het dier zich een korter of langer aantal jaren in zijne volle kracht heeft vertoond, worden de levensverrichtingen allengs minder; ten slotte nemen zij veelal snel af: het lichaam wordt bouwvallig. Het geraamte is nu lichter en vaster, maar breekbaarder. De spieren verliezen haren omvang en hare veerkracht; het vet onder de huid verdwijnt, waardoor 't geheole lichaam meer hoekig wordt. De spijsverteringsorganen zijn minder werkzaam, de tanden voor een groot deel afgesleten enz. De kleur van het haar wordt lichter, bij het paard veelal het eerst boven de oogen, in den regel met het 14Ue jaar. De geslachtsdrift en do vruchtbaarheid verminderen en honden ten slotte geheel op. De nakomelingen zijn zwakker.

Hoe oud onze huisdieren al kunnen worden, is geenszins mot zekerheid bekend. Dertig jaar is reeds een hooge ouderdom van hot paard, ofschoon er enkele voorbeelden zijn van SOjarigen leeftijd. Van hot wilde varken zegt men dat het ongeveer 25 jaar, van het rund dat het tegen do 30 jaar oud kan worden. Maar, gelijk reeds gezegd is, de landhuishoudkundige bedoeling brengt mede, dat men ze zelden een hoogen ouderdom laat bereiken.

-ocr page 106-

86

HOOFDSTUK III.

Ü E EIG E N L IJ K E TEEL T i).

1. HET AANTOKKKN VAN Vi:i;.

SJedits in enkele gevallen voorziet de veehouder zich van vee door aankoop. In den regel fokt hij aan, dat is, Imit do dieren door paring vermenigvuldigen en voedt cn verpleegt do jonge dieren met zorg, anders gezegd; hij fold ze op.

Daarbij tracht hij veelal zijn veestapel to veredelen, dat is vee te verkrijgen, dat, onder do omstandigheden, waaronder hij verkeert, hot bost beantwoordt aan 't dool, waartoe 't gehouden zal worden. In hot bijzonder legt hij zich op veredeling bij het aanfokkon toe, wanneer do nakomelingen niet enkel zullen zijn: dieren voor 't gebruik, maar als zij weder voor het aanfokkon bestemd zijn; wanneer hij is fokker in do eigenlijke botoekonis van 't woord.

Eone eerste voroischto om tot dit doel te geraken is oono zorgvuldige keuzo van de to paren dieren. De landbouwer is in die kouze — enkoio bijzondere gevallen niet in aanmerking genomen — beperkt tot dieren van dezelfde soort.

Wat verstaat men daardoor? Wij zullen dit vooreerst nagaan. Hij onze huisdioron komen echter nog andere onderscheidingen in aanmerking.

A. Indoeling van de fokdieron naar soort, ras, slag, stam e n f a m i li e.

Bij het vorgolijkon van de verschillende wezens, dio tot het grooto dierenrijk ■behooron, zijn do dierkundigen or too gekomen, verschillende typen van dior-vornion aan te nomen. Do dieren van ééne en dezelfde typo verdoelen zij, naar den graad hunner verwantschap, eerst in klassen, de klassen in orden, do orden in familïón, de familiën in geslachten en de geslachten in soorten. Zoo behooren het paard en de ezel tot hetzelfde geslacht, maar men-beschouwt ze als verschillende dier-soorten. Men rekent namelijk twee dieren tot hetzelfde geslacht, wanneer zij wel met elkander kunnen paren, maar de jongen, die hieruit voortkomen, zoogenaamde bastaards, onderling onvruchtbaar zijn. Deze onderscheiding heeft echter veel van zijne waarde verloren, sedert men gevonden hoeft, dat sommige als bastaards beschouwde dieren wel vruchtbaar zijn 2). Dieren, die niet met vrucht kunnen paren, brengt men tot verschillende geslachten of als 't verschil nog grooter is tot verschillende familiën enz. Paren echter twee dieren met elkander en kunnen de jongen, daaruit voort-

J) II. Settegast, Die ThierzuclU. Wilckons, ^Voiskc en Mamman, Xia-ht-umj , Füllerimj u. Gesund hei tap j! etje der landiv. Haussatiyelhiere in von der Goltz, Jlandbuch. Jul. Külin, Die ziveckmiissigslc Ernaliruny tien Hindvichs. II. Werner, Die Itinderzueht. ('. I.eisewitz, Lehr- und Handbnch dor allgemeinen landwirlh-schaflUchen Thierzuchl. A. Sanson, Trailé de zoötechnic. .1. Chalmers Morton, Hand Book of the Farm Series (The Live Stook of the Farm bij Several Writers).

'-) IVoeveii iliciiaangaauüe zijn vooral genomen aan het baudbouw-instituut der universiteit te llalle.

-ocr page 107-

87

komonde ook onderling weder voorttelen, zoo beschouwt men zo als dieren van dezelfde soort ^).

Dieren van dezelfde soort, zoowel do in 't wild voorkomende maar vooral de geteelde, kunnen echter nog aanmerkelijk van elkander verschillen. Men verdeelt zo daarom nader in rassen, slagen, stammen en familiën.

Do vordooling in rassen en slagen is eenigszins willekeurig en hot begrip daarvan niet altijd even ruim. Sottegast maakt onderscheid tiisschon ,

overgangs- on fokrassen, naardat zij, voorzoover bekend is, geene verandering hebben ondergaan, door betere voeding, verpleging enz. eenigzins gewijzigd zijn of door eono zorgvuldige, keus bij hot paren enz. tot oon bijzonder ras zijn aangefokt. Meer in zwang is do verdeeling van Nathusius in natuur- en fokrassen. Onder een naluurras verstaat men dan dieren van dezelfde soort, die naar den bodem, het klimaat on de landhuishoudkundige toestanden, waaronder zij gehouden worden, in bouw en eigenschappen min of moor verschillen. Zoo kan men bij hot rundvee onderscheid maken tusschon gehcrgle-on laaglandrassen, die kennelijk van elkander verschillon o. a. door den eenigszins ingebogen rug en den meer opgoriehten staart van de eersten. Aangezien dergelijke rassen, die min of meer een product van don bodem on in 't algemeen van hot land waar zij gehouden worden, zijn, noemt men zo ook wel landrassen. Eono keuzo van do te paren dieren wordt daarbij wel gedaan, maar dieren van eenigszins afwijkende eigenscha[ pon worden van de teelt uitgesloten of wanneer eono paring mot zoodanig dier ook al een enkele koer plaats heeft, vooral bij hot paren in het wild, wat bij deze rassen soms nog wordt toegelaten, zoo verdwijnen die nieuwe eigenschappen toch weder door paring met dieren van het normale type. Vandaar do vaak vrij groole overeenkomst tusschon de individuen van een natuurras, waarvan wij,als voorbeelden noemen: het Russischo en Hongaarsche steppenvee, hot Veluwsche schaap, hot oude Kozakkenpaard enz. Van vele natunrrassen is do afkomst niet bekend. Hoo toch verschillon tusschen landrassen, als wij b.v. tusschen het Groningsehe mot oen korten en hot Veluwsche schaap mot oon langen staart kunnen opmerken, ontstaan zijn, zal hieronder bij erfelijkheid en veranderlijkheid worden vermeld.

Fokrassen zijn verkregen door eeno bijzondere keuze te doon van de parende dieren met hot oog op bepaalde diensten. Van vclo fokrassen is do afkomst bekend en weet men uit welke natuurrasson zij zijn aangefokt. Als voorbeelden noemen wij het Engelsche volbloedpaard, hot Shorthorn vee, het Friesche stamboekveo enz. Van een fok ras vooral verlangt men dat do dieren zooveel mogelijk gelijk of zooals men 't noemt conform zijn, dat or conformileü in

1) Linnaous was van moeniiig dat do sourten geschapcn zijn on gcon vcniiidering ondergaan, ruvicr was ongeveer dezelfde meening toegedaan; volgens liem ondergaan de kenmerken der soorten weinig of geen verandering maar kninien er' in de soort wel variëteiten enz. ontstaan. Latere onderzoekingen hebben daarover meer liclit verspreid, en deze in verband met de opklimming in de geologisclic formaties van lager tot lioogor ontwikkelde dieren, hebben Darwin en anderen geleid tot de theorie dei' evolutie, volgens welke de hooger ontwikkelde dieren nit de lager ontwikkelde zijn ontstaan. Zie daarover Ch. Darwin, On the origin of species hi/ means of nalural selection or Hie preservation of favoured races in the struyyle for life.

-ocr page 108-

88

liot ras is, en wanneer men b.v. vcischilleiicle individnen van een Engelseh fokras beschouwt, blijkt het dat men daartoe ook zeer goed kan geraken. Vorder wenscht men dat zij hare eigenschappen zoo veel mogelijk getrouw doen overerven; dan zegt men dat het ras constant, dat er constantheid in het ras is.

Toch kunnen er in de eigenschappen der dieren van eenzelfde ras nog vorschillen zijn en dit heeft aanleiding gegeven tot eene nadere verdeeling in slagen, stammen en familiën. Tot de indeoling in slagen komt men, doordat er, bij veel overeenkomst, altijd eenig verschil is in een ras naar de verschillende bedoelingen waartoe het vee gehouden wordt of naar den' bodem waarop het zijn voedsel vindt. De begrippen ras en slag worden echter verschillend ruim genomen, zoodat de een noemt een ras wat door een ander een slag wordt geheeten. Wij moenen dat het begrip ras niet te ruim moet worden opgevat, omdat daardoor de indeeling in slagen beter tot haar recht komtl).

Meer bepaald zijn de begrippen stam en familie. Bij deze indeeling gaat men van een ander beginsel uit; men let daarbij namelijk op de afkomst en noemt dieren van denzelfden stam, wanneer aangetoond kan worden, dat zij van eone bepaalde en gelijkvormige kudde vee afkomstig zijn. Om die afkomst te bewijzen, dienen een stamboom en een stamboek.

Beperkter is het begrip familie. Daaronder verstaat men een moeder-dier met hare nakomelingen. De mannelijke dieren, bij den aanlok gebruikt, worden daarvan uitgesloten. Want aangezien een mannelijk dier gewoonlijk verscheiden vrouwelijke dekt, zou dit te veel verwarring geven.

Het spreekt nu vanzelf, dat men in eene familie, een stam of een slag, als vormende kleinere groepen van dieren, eene grootere conformiteit mag verwachten dan in een geheel ras; en werkelijk is dit met verschillende nmd-veeslagen en -stammen, b.v. in Friesland, Noord-Holland, enkele gedeelten van Groningen enz. ook het geval. In andere streken is er echter door kruising of bloedmenging en niet zorgvuldige keus van do parende dieren een groot mengelmoes ontstaan of — wat Setlogast noemt een janhagel — dieren, waarvan men eigenlijk niet kan zeggen tot welk ras, slag, stam of familie ze behooren en daarom ook wel rasloos worden geheeten.

B. Fok met hod en en oenige grondregels voor het aanfokken.

Gelijk reeds hierboven is gezegd, kan de landbouwer met meer of minder goed gevolg dieren met elkander laten paren, ook wanneer zij tot eone verschillende soort of althans tot eon verschillend ras behooren. In den regel paart hij echter slechts dieren van denzelfden stam, van hetzelfde slag of van hetzelfde ras. Ja, hij ziet bij de keuze van de te paren dieren nauwkeurig too, of zij wol von één stam, slag of ras zijn, en zoo dit niet het geval mocht wezen, dus óf in liet mannelijk öf in het vrouwelijk dier bloed van een ander ras of

1) In ile vorige uitgaven van tiet Handboek volgilen wij meer de Duitsclie zienswijze en namen liet begiip ras niiiiier, zoodat b.v. liet Nederlandsche rundvee met dat van Nooid-Diiitlt;rliland als één ras beschouwd werd. Wij meenen echter thans dat er verschillende redenen zijn om in deze do Kngelsche fokkers te volgen, het begrip ras minder ruim lo nemen en hier te lande minsieiis een drietal rundveerasseu te onderscheiden.

-ocr page 109-

89

slag mocht voorkomen, zoo worden deze zorgvuldig van do teelt uitgesloten. Men noemt dit dan aan fokken in een zuiver ras of reine leell. Door kruisen. verstaat men daarentegen het paren van dieren, die tot verschillend ras, een verschillend slag of een verschillenden stam behooren, vau dieren dus, die iu hunne eigenschappen van elkander verschillen. Het aanfokken in een zuiver ras zou men ook het paren van min of meer gelijksoortige en kruisen het paren van meer ongelijksoortige dieren kunnen noemen. Hij een gering verschil, b.v. bij dieren van een verschillenden stam of eene verschillende familie of ook van verschillend slag, als het begrip daarvan niet te ruim wordt genomen, UI. 88, spreekt men ook wel van bloedmenging.

't Doel van het kruisen is, óf van het eene ras enz. hot andere te vormen, cn men onderscheidt dan, naardat men hiermede gevorderd is: halfbloed-, driekwartbloed-, zevenachtste hloeddieren enz. tot volbloed; of men beoogt daarmede een bestaand ras te verbeteren, door het door paring met dieren van een ander ras, een ander slag of een anderen stam slechts enkele eigenschappen daarvan mede te deelen.

Laat men vervolgens de verschillende kruisingsproducten, dus de dieren van gemengd bloed onderling paren, zoo volgt men een stelsel, dat in Engeland breeding in and in, in Duitschland Inzncht heet en waaraan wij den naam doorfokken zullen geven. Deze methode is vooral in Engeland o. a. door de fokkers van het Durhamvee gevolgd en nog steeds gaan zij daarmede voort, namelijk door de beste producten uit de verschillende stammen of familiën van dit ras, dat zijn dezulke die het best aan hun oogmerk beantwoorden, bij elkander te brengen i).

In 't algemeen is het aanfokken in een zuiver ras het gemakkelijkst. Men is daarbij het moest verzekerd, dat de nakomelingen ook de eigenschappen der ouders zullen erven, alzoo eigenschappen bezitten, die men in de ouders zeer waardeert.

Het resultaat eener kruising daarentegen kan zeer verschillend uitvallen. Naarmate de rassen of slagen, die men met elkander kruist, moer overeenkomst hebben, naar die mate ontdekt men gewoonlijk meer eenheid in de kruisingsproducten. Loopen de te kruisen rassen meer uiteen, zoo bestaat er niet zelden oen groot verschil tusschen de nakomelingen; er kunnen goede maar ook slechte dieren onder zijn, en men kan minder bepaald zeggen, tot welk ras zij behooren. In hot bijzonder is dit het geval, wanneer men de kruisingsproducten weder onderling paart, dus door „breeding in and inquot; een ras verder tracht te verbeteren. Die kruislingen toch doen hunne eigenschappen met minder zekerheid overerven; hunne kinderen gelijken niet zelden meer op hunne grootouders dan op henzelven. Men noemt dit verschijnsel terugslag of atavismus; zie hieronder.

D Het l)egri|i Inzucht, naai liet ons-voorkomt een minder gepaste naam, in Dnitsch land aan deze methode gegeven, is verscliillend; velen verstaan er onder aanfokken in bloedverwantschap. De beteekenis door ons daaraan gegeven komt ons het meest juist en de naam doorfokken het meest gepast voor; nit den aard der zaak zal „breeding in and inquot; vaak aanlokken in bloedverwantschap zijn, maar ook bij bet aanlokken in een zuiver ras is aanfokken in bloedverwantschap niet uitgesloten. Aanfokken in bloedverwantschap wordt ook wel „Inznebt in engeren zinquot; geheeten.

-ocr page 110-

90

Er is clan voel konnis en overleg van lie zijde des fokkers noodig om tot een goed resultaat te komen. Het einddoel daarbij moet zijn: de verschillende iumgelokte dieren zoo veel mogelijk met elkander te doen overeenkomen, dat is conformiteit in het ras te brengen en eene zekere standvastigheid {constantheid) in de overerving te verkrijgen.

Gelijk reeds hierboven gezegd, i.s dit met de producten eener eerste of tweede kruising veelal niet hot geval. Het doel van !t kruisen is clan ook geenszins altijd een nieuw ras te vormen, maar in den regel betere dieren voor hot gebruik te verkrijgen. Men paart daartoe mannelijke dieren van het ras, waarmede men veredeJen wil, met hot bestaande ras, en voert daartoe, als men het noodig oordeelt, telkens weder nieuwe fokdieren aan. Wordt nu echter daarbij uit de gekruiste dieren geen goede keuze gedaan of ook nu eens hiermede, clan daarmede gekruist, zoo bekomt men allicht wat wij genoemd hebben een „mengelmoesquot;.

Intusschen doen zich bij het kruisen en vooral bij het aanfokken in 't gekruiste ras nog andere verschijnselen voor, waarop wij hier met een enkel woord do aandacht moeten vestigen.

Gesteld, een landbouwer koopt, tot veredeling van zijn rundvee, oen slier van een vreemd ras en laat zijne koeien hierdoor dekken. De stier behoudt hij eenige jaren en de bij de eerste kruising verkregen vrouwelijke runderen worden weder door dezen stier, dus door den vader gedekt. Of ook een jonge stier van de eerste generatie wordt als springstier aangehouden en dekt nu zijne half-zusters, zijne moeder enz., kortom het begrip van verwant-zijn op gelijke wijze bij het vee toepassende als bij den mensch, laat de landbouwer hier paren in bloedverwantschap. Aangezien nu de bloedverwante dieren in den regel veel overeenkomst hebben en beide de eigenschappen, die men wenscht aan te fokken, allicht bezitten, mag men verwachten, wijl gelijksoortige dieren met elkander gepaard veelal ook een daarmede overeenkomend product leveren, dat men op deze wijze het spoedigst zijn doel zal bereiken. Do gebroeders Colling, de fokkers van liet verbeterde Durhamvee, Hakewell en van de latere fokkers van het Durhamvee o.a. Booth, hebben deze zoogenaamde methode van aanlokken in blocdccrwaidschap meermalen ook gevolgd.

De ondervinding leert echter, dat een dergelijk paren van bloedverwante dieren, vooral ais de verwantschap zeer nauw is, b.v. van ouders en kinderen of van volle broeder en zuster niet zelden nakomelingen geeft, die vele gebreken bezitten, ja voor de verdere teelt geheel ongeschikt zijn; zij zijn ziekelijk, vooral wat de ademhalingsorganen betreft, zoogenaamd overlionwd en verfijnd in enkele lichaamsdeelen en niet zelden onvruchtbaar. Men verklaart zulks door het lelt, dat de nakomelingen niet enkel de goede, maar ook de slechte eigenschappen erven en de laatste naar het schijnt soms in groote mate. Do nadeelige gevolgen nu van het paren in bloedverwantschap openbaren zich, althans blijkens de ondervinding in de provincie Groningen, meer hij het aanfokken in een gekruist clan wel in een zuiver ras. Er zijn althans voorbeelden genoeg bij runderen en schapen, waarbij steeds uit dezelfde ,.laagquot; gefokt wordt en derhalve noodzakelijk paring in de naaste familie moei plaats hebben, geene nadeelige gevolgen daarvan ondervonden zijn. Bij het kruisen van het Groninger rund met het Durhamvee en van het Groninger schaap

-ocr page 111-

1

91

met het Engelsche Leicesterras hebben zich daarentegen verscheidene gevallen eener ziekelijke ontaarding, b.v. lamheid en onvruchtbaarheid, bij het aanlokken in de naaste familie geopenbaard. Van het Arabische paard wordt beweerd, dat eene paring in de naaste familie onmogelijk is. Moge dus het aanfokken in de naaste bJoedverwantschap in sommige gevallen geene nadeelige gevolgen hebben, in enkele zelfs gmistige resultaten geven, in 't algemeen verdient deze methode, vooral die in de naaste bloedverwantschap, bij de Duitschers Incestzucht geheeten, geeno aanbeveling; men dient althans daarmede zeer voorzichtig te zijn vooral bij het kruisen en alleen dan bloedverwante dieren ter paring toe te laten, wanneer men weet dat zij, althans op het oog, vrij van gebreken zijn i).

Intusschen kan men in een gekruist ras aanfokken, zonder daarom in de naaste familie te laten paren en in 't algemeen de familieteelt vermijden, door van tijd tot tijd een mannelijk fokdier aan te keepen [blocdvcrvcrschiny) of door mot de buren, die allicht een gelijk doel beoogen, mot de mannelijke dieren voor het dekken te ruilen. Do gebroeders Colling verhuurden hunne stieren aan de buren voor hot gebruik en zochten onder deze kruiselingen nieuw fokinateriaal uit. Ook Ellmann en Webb pasten deze methode toe bij hot vormen hunner beroemde schapenrassen.

lloe men echter ook aanfokt, 'tzij in eigen ras, slag of stam, 'tzij dat men kruist, in elk geval dient gezorgd te worden, wil men deugdzaam vee bekomen en het desnoods veredelen, dat de te paren dieren zooveel mogelijk zonder gebreken zijn en goed gezond, alsmede zooveel mogelijk overeenkomen met liet doel waartoe ze worden gehouden.

De volgende grondregels worden daarbij gevolgd. Zoowel het mannelijk als het vrouwelijk dier moeten zooveel mogelijk beantwoorden aan het doel der fokkerij. Daarvoor is noodig niet alleen eene beoordeeling naar haar uiterlijk (extérieur), maar ook naar hunne afstamming en naar hunne verrichtingen. De te paren dieren moeten niet alleen o|i zich-zelve goed zijn (individueele kenmerken) maar ook de goede kenmerken van het ras of den stam bezitten (raskenmerken).

Wordt in dezelfde richting doorgefokt, dan moet er niet op gerekend worden, dat „golijk met gelijk gepaard gelijk, maar slechts overeenkomst geeftquot;; dieren waaraan belangrijke afwijkingen van de ras- en stanikenmeiken worden waargenomen, moeten dan van de teelt worden uitgesloten, tenzij ze tot verbetering kunnen leiden.

Bij het aanbrengen van verbeteringen, 'tzij door kruisen of door reine teelt, moet ook in dezelfde richting worden doorgefokt. Daarbij geldt dan niet de regel, dat „gelijk met ongelijk gepaard vereffening geeftquot;, dat wil zeggen liet eene lichaamsgebrek, b.v. een te hooge rug niet door een lichaamsgebrek in tegengestelde richting, b.v. door paring met een dier met een te lai^e rug vereffend kan worden, maar slechts door paring met een dier dat een goed gebouwden, normalen rug bezit. Bij het kruisen dient dan ook op de overeenkomst, der rassen te worden gelet. Een vaak voorkomend gebrek in een koudbloed paard, een te veel afhangend kruis, te willen verbeteren b.v. door

|

■') Zie liiorovei' ucnigo artikels in Ned. Landb. Weuliblad, ie .liungany.

-ocr page 112-

92

kruising met oen Arabisch paard is minder zeker dan het paren met een dier van hetzelfde ras dat een goed gevormd kiuis bezit.

C. Beoordeeling der fokdieren.

Het ligt geheel voor de hand dat men bij de keuze der fokdieren in de eerste plaats zal letten op de verrichtingen met betrekking tot hot doel ■waartoe het vee gehouden wordt, b.v. bij eene koe of zij veel en deugdelijke melk geeft, bij een paard of het goed draaft, bij een renner op groote snelheid enz. Proeven dienaangaande zijn echter niet altijd te nemen, vooral niet omdat nog jonge dieren reeds voor het aantokken bestemd worden. De landbouwer raadpleegt bij het kiezen der dieren voor het aantokken daarom veelal hun uiterlijk aanzien, hun extérieur, aangezien practische ervaringen en wetenschappelijke onderzoekingen geleerd hebben, dat een dier van dezen of genen vorm het best aan dit of dat doel beantwoordt. Toch ■ moet men niet te veel aan den vorm blijven hangen en niet meenen dat daarmede alles verkregen wordt. Op een goeden bouw en een goeden stand van een fokdier moet gewis prijs worden gesteld, vooral wanneer deze op eene goede gezondheid en eene goede productie wijzen; ook kan men aan een zekeren schoonheidsvorm tot zekere hoogte de voorkeur geven. Maar de verrichtingen van een dier blijven toch altijd de hoofdzaak. Hij liet beoordeelen heeft men dus naast de morphologische ook op physiologische kenmerken te letten en vooral op een goed tot waarde maken van het voeder, wat men in den regel met de veehouderij beoogtl).

Verder heeft men bij het beoordeelen onderscheid te maken tusschen:

1. raskenmerken, die aan eene groep van dieren (ras, slag, stam enz.) eigen zijn en

2. individu ede kenmerken, welke voor elk dier afzonderlijk gelden.

1. Raskenmerken zijn b.v.;

a. de kleur van huid en haar en bij schapen de hoedanigheid der wol;

b. de afmetingen. Er zijn groote en kleine, zware en lichte rassen. Daarbij is er verschil in de betrekkelijke afmetingen, b.v. tusschen lengte en hoogte, tusschen die van romp en ledematen enz.

c. de constitutie, b.v. grof- en fijnheid en het overbouwd zijn. Grof noemt men een dier als de uitstekende deelen van den romp en de aanhangende deelen, als kop en ledematen en in het algemeen do beenderen naar verhouding zwaar, de huid dik, de horens groot en de haren grof en stijf zijn. F/jn noemt men het wanneer het omgekeerde 't geval is. Te fijn mag een fokdier echter weer niet zijn, en wanneer men in zekere fokrichting te veils gegaan, b.v. de beenderen, de huid enz. te fijn, bij mestvee de voortplantingsorganen te zwak of bij melkvee de uierontwikkeling en die der bijbehoorende organen te groot zijn geworden, in verhouding tot de overige deelen, dan noemt men een dergelijk ras overbouwd. Ook spreekt men wel van edel- en niet-edel zijn of van een veredeld en niet-veredeld ras, naardat er al of niet verbeteringen in zijn aangebracht.

d. Vroeg- en laatrijpheid. Eerstgenoemde eigenschap is vooral aangefokt in rassen die voor mestvee gehouden worden, om ze eerder voor de slachtbank

1) Zie daarover: Emil Putt, Der Formalismus in der landwirlliscliafllichen Thierzucht en Ailolf Kriimer, Das schönslc Bind.

-ocr page 113-

93

gereed te heblion; laat rijp daarentegen zijn vclo nog weinig veredelde natunr-rassen.

k. Tcmperavmü en natuur. De eigenschappen, die men als temperament en natuur aanduidt, hangen nauw samen met hot zenuwleven en aJzoo met de constitutie van een dier. Yooral onder de paarden wordt er dienaangaande verschil waargenomen, dat wil zeggen: onderscheid gemaakt tusschen rassen met meer of minder temperament en natuur, en deze op grond daarvan in warmbloedige en koudbloedige ingedeeld.

f. Geschiktheid tot een waardig voeder verbruik. Ook dienaangaande bestaat er zeker verschil, ofschoon door onvoldoende of onvolledige proefnemingen zulks moeilijk door cijfers uitgedrukt kan worden; in sommige gevallen merkt de practische landbouwer intusschen wel, welk ras hem in dit opzicht hot voordeeligst is.

2. Individueele kenmerken.

Het is intusschen niet voldoende dat oen fokdier de kenmerken van het ms bezit, waarin men wenseht aan to fokken, maar het moet ook op zich zoli' als individu oen goed fokdier zijn. Want niet alle individuen van oen ras zijn gelijk en juist met het oog op veredeling is het gewenscht daartoe do moest geschikte uit te zoeken.

Vooreerst dient men in aanmerking te nomen:

a. hel verschil tusschen mannelijke en vrouwelijke foikdieren. Do eersten moeten een mannelijk, de laatsten een vrouwelijk uitzicht en karakter hebben en niet omgekeerd. Want ten dezen bestaat er een typisch verschil. De mannelijke fokdieren van oenzelfde ras zijn over 't geheel grootor dan de vrouwelijke; hun lichaamsvorm is echter meer gedrongen en dientengevolge is er eene andere verhouding in de afmetingen der verschillende doelen. De kop is betrekkelijk zwaarder en over 't geheel ook breeder maar korter; zoo ook de hals; de borst is dieper on breeder; het overige dool van den romp hooft evoneens meer omvang maai- is korter; daarentegen zijn hot kruis- en bekkongedeelto smaller en daardoor minder ruim dan bij do vrouwelijke dieren; do ledematen zijn zwaarder maar korter. Verder zijn de beenderen en de spieren bij een mannelijk dier meer ontwikkeld en de eerste hoekiger en van zwaardere uitsteeksels voorzien. Daardoor is de lichaamsbouw grover on komen de vorschilllende overgangen der lichaamsdeelen meer uit; grover zijn ook de huid, de horens en hoeven. In verband met dien groveren bouw van een mannelijk dier is zijne minder vroege ontwikkeling (het is minder vroegrijp), zijne grootere kracht en weerstandsvermogen. Die grootere kracht vertoont zich in al zijne verrichtingen: do stofwisseling is grootor, de spijsvertering krachtiger, bloedsomloop en ademhaling zijn sterker. Daardoor hoeft hot moer voedsel voor zijn onderhoud noodig en iaat het zich niet zoo gemakkelijk mesten. In hun geslachtsleven vertoonen de mannelijke dieren voorts moer moed en strijdlust; zij zijn ook prikkelbaarder dan do vrouwelijke dieren, die vreesachtiger, gedweeër en zachter zijn en slechts in don bronstijd in hun loven afwijkende verschijnselen vertoonen.

Het geslachtsleven en zijne verrichtingen zijn dus van invloed op vorm en karakter van oen dier. Dit blijkt het best uit den invloed van het castreeren, althans van oen mannelijk dier en wanneer dit op jeugdigen leeftijd geschiedt.

-ocr page 114-

94

Dan ontwikkelt zijn lichaamsbouw zich eenigszins anders: het lichaam wordt slanker en minder gedrongen, de kop niet zoo breed on gewoonlijk iets langer; hals en nek worden niet zoo krachtig, de ledematen langer en fijner van bouw, evenals 't geheele geraamte, 't spierstelsel en do huid. Tevens wordt hot gedweeër, minder boosaardig en in verband met oen en ander de stofwisseling gewijzigd, zoodat hot zich gemakkelijker Luit voeden en mesten.

Bij een vrouwelijk dier heeft het castreeren niet zoo'n grooten invloed. Wol wordt, tengevolge van hot ophouden der geslachtsdrift door het castreeren, de periodieke prikkelbaarheid onderdrukt en honden de andere levensverschijnselen daardoor moer een regelmatig verloop, wat b.v. bij rundvee in den regel van gunstigen invloed is op liet mesten; maar de lichaamsvorm en liet geheele uitzicht blijven meer onveranderd, zoodat de gecastreerde vrouwelijke dieren veel minder in vorm en temperament veranderen dan bij de mannelijke door deze operatie geschiedt.

Naar liet schijnt vertoont dus een mannelijk dier meer neiging tot verandering dan een vrouwelijk en wanneer men de mannelijke dieren van een ras onderling vergelijkt dan is dientengevolge de overeenkomst daartusschen in don regel ook minder groot dan de tot éénzelfde ras, slag of stam bohoorendo vrouwelijke dieren. Deze vertoonen meer het rastype en de raseigenschappen, kunnen er in den regel beter naar beoordeeld worden dan naar de mannelijke, die een meer individueel karakter bezitten. Maar juist om die individueelo eigenschappen die een mannelijk dier kan bezitten, meer nog dan een vrouwelijk dier van hetzelfde ras en deze misschien ook meer doet overerven, is de keuze van oen mannelijk dier van zooveel gewicht; waarbij nog komt dat oen mannelijk fokdier moestal een groot aantal vrouwelijke dekt en dus ook daardoor op do voortplanting zijner eigenschappen van grootere beteokenis is.

Voor hot beoordeelen van de stofproductie, van het tot waarde maken van het voeder door het dier, inzoover dit mogelijk is, vormen echter het extérieur en hot karakter van eon vrouwelijk dier een beteren maatstaf, ofschoon ook in dit opzicht de invloed van het mannelijk dier niet uit het oog moet worden verloren. Immers kent men verschillende gevallen, dat b.v. cono melkkoe do eigenschap van vetrijke melk te geven meer van den vader dan van do moeder hooft geërfd, zonder dat dit aan het uiterlijk kon worden opgemerkt en zij niot minder maar ook niet moer hot typische karakter van het ras vertoonde. Bij hot typische raskaraktor kan een vrouwelijk dier dus ook individueelo physiologischo eigenschappon bezitten die het van don vader geërfd heeft en aan zijn uiterlijk niet altijd zijn waar te nemen.

b. Gezondheidslorsland cn gehreken die een dier ongeschikt maken voor de fokkerij;

c. Vorm en andere uitwendige kenmerken (extérieur).

Beide staan inzoover mot elkander in verband, dat gebreken in den lichaamsbouw die op eeno zwakke constitutie wijzen, b.v. een smalle borst, een zwakke rug onz. on die doen vermoeden dat do levonsverrichtingon bij oen dier niet normaal zullen verloopen, zich soms uitwendig laten wnariiemen. Zoo wijzen ook een goede eetlust en eeno normale spijsvertering op eeno goede gezondheid. Mot eeno doeltreffende voeding gaan dan oen goede voedingstoestand, een normale groei en eeno normale ontwikkeling gepaard. Blijven deze, niettegen-

-ocr page 115-

staande cone voldoende voeding, achterwege of is de ontwikkeling der organen niet harmonisch, zoo wijst znlks op hot een of ander gebrek, dat het als fokdier minder doet aanbevelen. Daarbij dient vooral te worden gelet op eeno goede ontwikkeling en een gezonden toestand van die organen, welke bij het gebruik on de productie in werking komen, als uiergebroken bij melkvee, gebroken in do ademhalingsorganen on in die voor den bloedsomloop bij paarden. Maar deze gebreken laten zich niet altijd uitwendig waarnemen en kunnen slechts uit een onderzoek naar de verrichtingen worden opgemaakt, b.v. uiergebroken. Moer bepaald is dit het geval met de verborgen en zoogenaamde koopvernietigende gebreken, als de onmakheid en stugheid der paarden. Voor sommige ziekten of gebreken is ook een bijzonder onderzoek noodig of dienstig, b.v. hot inspuiten met tuberculin voor hot opsporen van tuberculose bij runderen, hot longeeren voor dat op cornage bij paarden.

Omtrent de verschillende ziekten onzer huisdieren, hunne verschillende gebreken en bijzonderheden hun extérieur betreffende, verwijzen wij naar do Bijzondere Veeteelt. Hier doelen wij nog iets mede omtrent de afmetingen van een fokdier in hot algemeen en hoe /.ij bepaald worden. In hoofdzaak

(si) gt;

M I M I I I I I I I I I I i I I i i I I I I I I I I I

Méér clan iOO c.M

m 2Ar C.M.

Kig. 30. Maatstok volgens Lycltin; n, luchtbelwaterpas.

komt het beoordeelen van het extérieur toch neer op hot vergelijken van de afmetingen der uitwendige lichaamsdooien en hel opmaken van do verhouding die dnartusschon beslaat.

Voor dit meten worden eonige vaste punten on wel de onder do huid waarneembare uitsteeksels van het geraamte aangenomen , en bedient men zich hot best van do hoek- of galgmaat of, voor het meten van rondo lichaains-deelon b.v. den omvang der borst, van do bandmaat. Het meest in gebruik zijn de maatstok van Kaltenogger on van Lydtin, Fig. 30; voor het bepalen der afmetingen van don schedel enz. ook do passer van Wilckens.

Dn volgende afmetingen worden het meest genomen, zie Fig. 37 en 38 on vergelijk daarbij die van het geraamte. Fig. 7 on S, hl. 10 en 17.

Dr lencjle van den romp, ab, van do punt van den boeg (hot bovenste uitstekende punt van het opperarmbeen) tot het uitsteeksel van 't zitbeen. Deze is ongeveer 4n/o langer dan do horizontale lijn tusschen de langs go-noemde punten vallende loodlijnen; zie in Fig. 3S de gestippelde lijn. De lengte van den romp kan, horizontaal gemeten, worden verdoold: in de roor-hand, van do punt van den boeg tot. den aehterston (bovensten) schouderrand; de middrlhniKl, van don achtersten (bovensten) schouderrand tot de heupuitsteeksels; de achlerhcmd. van de heupuitsteeksels tot de zitbeenuitsteeksels.

-ocr page 116-

90

hot rund langs liet uitsteeksel cquot; van den band aan het spaakbeen beneden het opperarmbcen-spaakbeengewrieht. Het ellebooguitsteeksel ligt op dezolfdo hoogte als hot borstbeen, zoodat het punt /'do onderste grens van do borstkas

aanwijst; bij hot rund is c' schijnbaar do onderste grens der borst on wordt ook wel hot Bielersche punt geheeten; f, het uitsteeksel van 't haakbeen hgt ongeveer tor halver hoogte van /quot;, al zoo af = l/2 Rf

-ocr page 117-

De hoogte van het kruis, dd, waarvan di (van liet kruis tot de knieschijf) ile hoog-te van den achtcrromp aangeeft en id' de lengte der achterste ledematen.

De breedte-afmetingen van den romp; zie hierbij ook Fig. 39. Daarvan kunnen worden genieten: de breedte van de voorborst vin tusschen de beide boeguitsteeksels a en do borstwijdte op, genieten loodrecht achter den schou-dertop; de lendenbreedte qr; de kruis- of heupbreedte st, tusschen de beide buitenste darmbeenuitsteeksels h; de dij breedte uv, tusschen de buitenste dijspieren r, en de zitbeenbreedte xz, tusschen de buitenste uitsteeksels van

de zitbeenderen b. De omvang van de borst wordt gemeten met den maatband loodrecht achter hot schouderblad.

Voor de afmetingen der ledematen komen behalve do genoemde nog in aanmerking: de schouderlengte, van de punt des boegs a, langs c, de kamknobbel, tot den bovenrand van het schouderblad; de lengte van den bovenarm af. de lengte van het heupbeen hb (het kruis) en do lengte van de bovendij; bij het paard van b tot i. bij het rund van s tot i, (zie ook Fig. 7 en 8). Verder

wijzen pf, qf' en kl eenige diepteafmetingen van de ledematen aan, terwijl de breedte van het voorkniegewricht gemeten wordt tusschen de beide knobbels van het spaakbeen en de breedte van het spronggewricht tusschen de beide knobbels van het scheenbeen.

De lengte van den hals, oc, wordt gemeten van de ooropening tot don kamknobbel van het schouderblad of ook wol, vooral bij runderen en schapen, van de hoofdkruin tot de schoft.

Als afmetingen van den kop komen in aanmerking, Fig. 40: de lengte ah, van do kruin tot den buitensten rand van het tusschen kaakbeen, nog te onder-reindeus, III. Vierde druk. 7

-ocr page 118-

9S

sclioitloii in voorhoofdslengte bn on neuslengte au, en ilc breedten tusschcu de ooren c.f\ de oogen yh en ik en de wanguitsteeksels tm; bij liet rund ook tusschon de horens cd, en de lioornlengtc, aan den buitenkant genieten. Verder nog do hoogte van de onderkaak, van den kaakhoek tot den onderrand van het jukbeen, de breedte van den koelgang of de afstand tusschen de hoeken van de beide beenstukken der onderkaak en do neushoogie, van den kinhook der onderkaak tot de punt van hot neusbeen.

De lijn g, van de laatste of voorlaatste borstwervel tot liet borstbeen, wijst ongeveer de ligging van het middenrif, dus do scheiding tusschen borst- en buikholte aan.

Aangaande eenige andere afmetingen en omtrent de verhouding tusschen de afmetingen verwijzen wij naar de Bijzondere Veeteelt.

Settegast meent voor de moesten onzer landbouwdioron oen idealen grondvorm te kunnen aannemen. Trekt men eono horizontale lijn over het midden dei-schoft naar den staartwortel en eene hiermede evenwijdig van het elleboogs-uitstoeksel naar achteren, vereenigt deze verder door twee loodlijnon, waarvan de eene langs het booguitstoeksel en de andere langs het zitbeen loopt, dan vormen deze lijnen een parallelogram, een soort van raam, en hoe beter het dier daarin past, dat wil zoggen hoe minder daarvan ongevuld blijft, des te meer beantwoordt het aan den door hem aangenomen idealen grondvorm. Verdeelt men hot parallelogram in drie rechthoeken door loodlijnen, de eene langs het uiteinde van den schouder en de andere langs de heup, dan moeten volgens Settegast in een harmonisch gebouwd dier deze drie rechthoeken gelijk zijn. Neemt men voor de lengte van het ideale dier 24 doelen, zoo vallen er op eiken rechthoek 8; deze gewonschte verhouding noemt hij daarom den 8('g vorm. Ook de breedte van voren en van achteren (tusschen de heupen) moet dan 8 van deze doelen zijn, zoodat het geheel een parallelopipedum vormt, waarvan echter de hoogte van den romp, van do schoft tot den elleboog, 10 moot bedragen, terwijl de lengte der boenen, dus van den elleboog tot den grond, 8 doelen bedraagt.

Dergelijke ideale vormen komen echter zelden voor en bovendien passen niet alle vormen, op zich zelf uitstekend, in hetzelfde raam. Daarom is het beter de dieren- die het best aan hot doel beantwoorden op te zoeken, hiervan de afmetingen te bepalen en zoo tot een gemiddelden vorm, dat is tot eene gemiddelde verhouding in de afmetingen te geraken. In de Bijzondere Veeteelt zullen daarvan eenige voorbeelden worden gegeven. Slechts willen wij hier nog opmerken dat bij hot beoordeelon naar het extérieur ook de leeftijd in aanmerking moet worden genomen, zie daarvoor bl. 84 en 93, alsmede de conditie waarin het dier zich bevindt, namelijk of het mager, goed gevoed of vet, opgewekt en in vollo kracht of suffig en vermoeid is, aangezien dit niet zonder invloed kan zijn op den vorm dien en het uitzicht dat het dier hoeft.

D. Afstamming. Erfelijkheid en veranderlijkheid. Atavismus.

Intusschen is een dier, met oen in allo opzichten goed uitzicht en van een goeden vorm nog geenszins altijd een goed fokdior. Het kan goede uitwendige kenmerken bezitten en door de bijzondere zorg aan het opfokken besteed boven anderen uitmunten, maar intusschen inwendige gebreken hebben die

-ocr page 119-

09

eerst later voor lt;]on dag' komen. Bovemlieu is het nog onzeker, of liet zijne goede eigenschappen op zijne nakomelingen zal overdragen. Men dient daarom ook op zijne afkomst te letten, en hierop berust vooral het nut van het aanleggen van een stamboek. Wanneer men namelijk door hot stamboek kan aantoonen, dat de meeste individuen dei' familie of vaii den stam, waartoe 't behoort, uitstekende dieren waren en ook vrij van verborgen gebreken, dan heeft men groote zekerheid — de ondervinding leert het — dat ook de nakomelingen die goede eigenschappen zullen erven. Kent men echter de stamouders niet, zoo kunnen, wijl het mogelijk is, dat hieronder dieren met slechte eigenschappen gevonden werden, door den zoogenaamden terug-slag (atavismus), deze slechte eigenschappen weder voor den dag komen. Ja zelfs heeft men nog in de Ge generatie eigenschappen der voorouders voor den dag zien komen. Vandaar ook dat men bij het aanfokken in een zuiver ras veelal zekerder is van de gewenschte overerving dan bij het aanfokken in een gekruist ras, daar het kind b.v. meer op de grootouders, die nog de oude eigenschappen bezitten, dan op de ouders kan gelijken.

Voorbeelden van terugslag zijn het optreden van hoornvormingen bij schaap-en runderrassen die tegenwoordig hoornloos zijn, of van een bijzondere haarkleur of teekens, b.v. zwarte strepen bij varkens en paarden. Ook gebreken, b.v. aan het gezicht, of ondeugden, b.v. onmakheid bij paarden, kunnen van voorouders geërfd zijn. Behalve bij kruisingen komen dergelijke terugslagen ook veel voor, wanneer de dieren zich voortplanten onder ongunstige omstandigheden of in oen ander klimaat. Enkele gevallen zijn bekend van het voorkomen van paarden met drie teenen, zooals er eeuwen geleden geleefd hebben en waarvan de versteende overblijfselen in de tertiaire lagen gevonden worden.

Een bepaalde wet voor de overerving kent men niet. Zoowel het vaderdier als het moederdier oefenen invloed op het nieuwe wezen uit, nu eens meer het eerste dan eens meer het laatste. Wel is de invloed van het mannelijk dier op den geheelen veestapel grooter, daar hot gewoonlijk verscheidene vrouwelijke dieren dekt en het laatste slechts enkele individuen voortbrengt. Op eene goede keuze van het mannelijk fokdier dient dus in de eerste plaats het oog gevestigd te worden. Maar de invloed der moeder is niet minder van belang, ook omdat de vrucht in het moederlijke lichaam gevoed wordt.

Omtrent de vorming van het geslacht en wat daarop van invloed kan zijn, zijn vele hypothesen opgesteld en statistieke cijfers verzameld, zonder dat men dienaangaande een bepaalde wet of zelfs geen doorgaanden regel heeft kunnen opstellen. Volgens Thury hangt het geslacht af van de rijpheid van 't ei op het oogenblik der bevruchting. Heeft dit tijdens de bevruchting een zekeren graad van rijpheid nog niet bereikt, zoo ontstaat daaruit volgens hom een vrouwelijk, heeft het op dit tijdstip dien graad reeds overschreden, een mannelijk dier. Om een jong van het vrouwelijk geslacht te bekomen moet dus in het begin, ter verkrijging van een mannelijk dier op het eind der tochtigheid gedekt worden. Volgens anderen hebben de ouderdom en de sterkte of zwakte invloed op de vorming van 't geslacht. Zijn beide ouders nog zeer jong, zoo wil men dat meer vrouwelijke, maar zijn ze meer bejaard, dan meent men, dat meer mannelijke dieren worden geboren. Ook heeft men gemeend dat hot paren van oudere moederdioren met jongere mannelijke meer

-ocr page 120-

100

vrouwelijke, eene paring in een omgekeerd geval meer mannelijke dieren geeft; statistische gegevens hebben evenwel geleerd, dat juist het omgekeerde eerder het geval is. Daarmede in overeenstemming is dan ook de waarneming, aangezien oudere dieren in den regel minder krachtig zijn, dat krachtig gevoede, minder afgewerkte en weinig voor het aanfokken gebruikte dieren hun geslacht eerder voortplanten dan zwakke, slecht gevoede dieren. Volgens Wilckens, die daaromtrent vele waarnemingen deed, kan men met waarschijnlijkheid voorspellen, dat jonge, goed gevoede moederdieren betrekkelijk meer vrouwelijke en oude, slecht gevoede moeders meer mannelijke jongen ter wereld brengen. De geslachtsvorming zou dus (evenals bij de bijen) meer een gevolg zijn van tie voeding dan van overerving en men brengt dit hiermede in verband dat er in het jonge foetus nog geen geslachtsverschil is, maar het sexueele verschil zich eerst ongeveer in het midden van het foetus-leven openbaart. Maar ook op dezen regel zijn vele uitzonderingen; in allen gevalle schijnt eene willekeurige voortbrenging der geslachten onmogelijk te zijn. Düsing heeft, in verband met het verschijnsel dat er in de natuur altijd een zeker evenwicht is tusschen het getal mannelijke en vrouwelijke dieren van dezelfde soort, de hypothese opgesteld, dat de natuur zelve voor het in stand houden van dit evenwicht zorgt; en wel op deze wijze, dat zij aan de dieren die zwakker zijn en dus kans zouden loopen van uit te sterven, een zekeren voorsprong geeft in het overerven van hun geslacht. Is dus het vader-dier zwakker dan de moeder, dan zouden meer mannelijke en omgekeerd meer vrouwelijke dieren geboren worden. Maar volgens Richartz is dan overigens het overervend vermogen van het sterkere dier grooter. quot;Wanneer dus het overervend vermogen (de Potenz) van hot vrouwelijke dier de overhand heeft, zoo worden meer jongen van het mannelijke en omgekeerd als die van het vaderdier de overhand heeft, meer van het vrouwelijk geslacht geboren. Daarmede gaat dan gepaard, dat de vaderlijke eigenschappen meer op de jongen van het vrouwelijk geslacht en de eigenschappen der moeder meer op de jongen van het mannelijk geslacht overgaan; en zoo wordt een zeker evenwicht verkregen. Bewijzen daarvoor hebben de paardenstamboeken geleverd. Daarin kunnen namelijk verschillende hengsten worden aangewezen, waarvan ds uitstekende eigenschappen veel meer op merrieveulens clan op hengstveulens zijn overgegaan, en omgekeerd 1). Met uitzondering misschien van in de bovengenoemde gevallen is echter het meer of minder overervend vermogen van een vader- of moederdier vooraf niet te bepalen; het wordt eerst door de nakomelingen aangewezen. Worden echter in eene fokkerij veel jongen van het mannelijk geslacht geboren, zoo kan zulks eene aanwijzing zijn, dat de invloed van den hengst, stier, ram of beer op de overerving niet groot is en hot dus aanbeveling zou kunnen verdienen ze door anderen te vervangen. Want, aangezien het mannelijk fokdier gewoonlijk vele vrouwelijke dekt, moet op het overervend vermogen daarvan in de eerste plaats de aandacht gevestigd worden.

In 't algemeen erven de nakomelingen in meerdere of mindere mate de

]) Zie daarover F. W. Dünkelberg, Die allgemeine nnd angcwandle Viehzucht.

-ocr page 121-

101

eigenschappen der ouders, soms ook die der vooroudei's, zoowel de goede als do slechte. Men noemt dit wel comervalieve overerving i).

Zoo zijn ook erfelijk gezondheid en sommige ziekten of de aanleg daartoe. Daarom geldt als grondregel voor de fokkerij, dat ter verkrijging van gezonde, krachtige dieren de fokdieren van eene gezonde, krachtige familie moeten afstammen, een goed gevormd lichaam bezitten en in een volkomen gezondheidstoestand verkeeren. Erfelijk zijn vooral die ziekten, welke op een gebrek-kigen lichaamsbouw, inzonderheid van de beenderen en pezen berusten; zoo ook gebreken der ledematen, b.v. sjuit, hazenhak, overbeonen (exostosen), gallen enz. bij paarden, gebreken in de wol bij het schaap; voorts oogziekten, als periodieke ontstekingen, maanblindheid en de staar, hersenziekten, als kolder, vallende ziekte, aanvallen van duizeligheid enz. Veelal zijn deze ziekten bij de geboorte nog niet aanwezig, maar komen' cerfit later onder gunstige omstandigheden tot ontwikkeling en volkomenheid, zoodat alleen de aanleg tot ziekte vererft. Erfelijk zijn ook ondeugden, als het kribbijten en de onmakheid bij paarden.

Niet erfelijk schijnen te zijn verminkingen, althans wanneer deze niet samenhangen met den bouw of het leven van een dier, b.v. het afkorten dei-staart van schapen of varkens.

Wat de kleur van het haar betreft, vererft bij Engelsche volbloed- en halfbloed-paarden, volgens Wilckens, de voskleur het standvastigst; deze kleur treedt ook bij atavismus het veelvuldigst op. Bij kruising schijnt de bruine kleur het standvastigst te zijn en vooral over te gaan als hot veulen eene merrie is; eene zwarte kleur vererft bij kruising minder zeker. In de meeste gevallen deed een der ongelijk gekleurde ouders met de kleur van het haar ook de lichaamsvorm overerven.

Behalve de eigenschappen, die het jonge dier erft, kan het, evenals dit bij de planten 't geval is, I, bl. 228, ook nieuwe eigenschappen verkrijgen, 'tzij deze plotseling ontstaan (zoogenaamde spontane of sprongvariatie) of doordat het dier zich oj) eenigerlei wijze naar de veranderde levensomstandigheden heeft gevoegd. Komen deze veranderingen het fokdier ten goede, dan maakt de fokker daarvan gebruik om zijn vee te veredelen, en er zijn er -) die beweren, dat dieren met zulke nieuwe eigenschappen een bijzonder overervend vermogen {Individualpotenz) bezitten. Naast eene conservatieve kan men alzoo van eene progressieve overerving spreken.

In allen gevalle hebben, bij verplaatsing van een dier in eene andere luchtstreek, het klimaat en de grond en voorts verandering in de wijze waarop het gevoed en verpleegd, dat is opgefokt wordt, grootere of kleinere veranderingen ten gevolge, die het öf als fokdier, omdat men mag aannemen, dat ook deze niet geheel zonder invloed op de nakomelingen zullen zijn, èf althans als gebruiksdier meer of minder waarde geven.

!) Meermalen heeft men ook beweerd dat het mannelijk dier, vroeger ter dekking gebruikt, van invloed is op de eigenschappen der jongen, verwekt door eene latere dekking door een ander mannelijk dier, ja zelfs ook het zien van een ander mannelijk dier tijdens of kort vóór het dekken (het zoogenaamde verzien)-, maar voldoende bewezen is dit niet.

2) Settegast en zijne leerlingen.

-ocr page 122-

102

Aan den invloed van 't klimaat en don grond kan dc landbouwer niet veol veranderen. In 't algemeen zal hij 't best doen dieren te kiezen, die voor 't klimaat, waar hij zijn bedrijf uitoefent, passen.

Intusschen kan hot niet onbelangrijk zijn op enkele klimatischo invloeden do aandacht te vestigen, omdat daardoor ton deele verklaard kunnen worden de eigenschappen, die de landbouwdieren in eeno bepaalde streek bezitten, zich daarvoor „aangepastquot; hebben, en omdat zij eenige aanwijzing geven welke veranderingen bij het overbrengen in een ander klimaat zullen optreden.

Vooreerst veranderen het haar en de huid onder den invloed van een ander klimaat. In een koud klimaat is de stand van het haar dichter en zijn do afzonderlijke haren dikker, een warm klimaat heeft een tegenovergesteld gevolg; vele dieren zijn in een warm klimaat zelfs geheel kaal. Van de huidlagen is de opperhuid in een warm klimaat dikker, maar het onderhuidsche bindweefsel dunner. Met de dikkere opperhuid gaat eene sterkere horenontwikkeling in een warm klimaat, en met het dikkere onderhuidsche bindweefsel vetafzetting onder de huid in een kond klimaat gepaard. Een dergelijken invloed hebben droogte en vochtigheid. In een vochtig klimaat is hot haar langer, bij schapen is het wolhaar meer slicht (minder gekroesd) en dikker dan in een droog klimaat, waar het wolhaar fijner en kroeser is (merinos). De geheele huid is dikker in een vochtig klimaat. Alle herkauwende dieren bezitten in landen mot een droog en warm klimaat als Hongarije, Italië en Afrika lange en dikke horens, in een gematigd en koud klimaat blijven de horens fijner en korter; hoornlooze runderen komen vooral in een koud, hoornlooze schapen in een gematigd en kond klimaat voor. De kleur der haren wordt in het algemeen onder den invloed eener sterkere verlichting donkerder.

Overbrenging van een warm naar een koud klimaat heeft veelal een nadee-ligen invloed op de ademhalingsorganen. Daminann nam waar dat de uit Engeland aan de Oostzeeknst in Pommeren ingevoerde Lincolnschapen bijna zonder uitzondering aan longontsteking te gronde gingen. Schapen uit een warm klimaat in den Londenschen dierentuin overgebracht, hielden het volgens Youatt geen twee jaar vol; allen stierven aan longtering. Volgens Darwin kan men in de bergachtige en enkele andere streken van Engeland geen Leicesterschapen honden; zij sterven aan borstvliesontsteking. De ademhaling is in een bergachtige streek, tengevolge van den geringeren luchtdruk, krachtiger en de stofwisseling dientengevolge grooter dan in een laag land; gebergtorassen zijn daarom minder geschikt om vetgemest te worden dan laaglandsrassen.

Ook op de voeding der dieren is het klimaat van invloed. In een koud klimaat is de behoefte aan voedsel grooter, en tevens bezitten de dieren in een koud klimaat een losser bindweefsel, zoowel in de onderste huidlaag als in de andere organen. Dientengevolge zijn de dieren in een gematigd en koud klimaat meer geschikt voor vetmesting; ook is het koude jaargetijde daarvoor meer gepast dan het warme, waarin het opnemen van voedsel en de vet-vorming beperkt zijn. Door vetvonning past zich het dierlijk organisme voor een koud of warm klimaat aan. Aangezien echter de hoeveelheid verteerd voedsel in een koud klimaat soms slechts toereikend is voor het onderhoud der warmte en de dierlijke verrichtingen, zoo blijven de dieren in hunnen

-ocr page 123-

103

groei terug en hunne productie (vleosch-, vet- en inelkvonuing) vermindert; alleen de wolproductie wordt door een koud klimaat begunstigd. Dientengevolge krijgen in een koud klimaat de huisdieren vaak niet hunne normale grootte, wat de kleine Noorsche paarden doen zien.

Do vruchtbaarheid wordt door een warm klimaat begunstigd, de geslachtsdrift treedt daarbij eerder op. Dieren uit tropische gewesten planten zich in de dierentuinen der gematigde luchtstreken öf in het geheel niet voort öf eerst dan wanneer zij zich voor een gematigd klimaat hebben „aangepastquot;. De molkklieren schijnen zich in het algemeen beter te ontwikkelen in een vochtig dan in een droog klimaat; want de beste melkkoeien en melkschapen vindt men in de vochtige laaglanden en gebergtestreken.

Op gelijke wijze als een dier zich zoo voor het Idimaat aanpast, zich daarnaar voegt, zoo gaat het ook met den bodem en de daarvan veelal afhankelijke voeding en de geheele behandeling. Darwin houdt het voor waarschijnlijk dat de toeneming in grootte, de neiging tot vetworden, de vroegrijpheid en de veranderde lichaamsvormen van onze veredelde runderen, schapen en varkens het onmiddellijk gevolg zijn eener rijkere voeding. Wij hebben hierboven , bl. 31, er reeds op gewezen, hoe de maag van het rund onder den invloed van het voedsel gewijzigd kan worden. Bij varkens is waargenomen, dat bij eene rijke voeding de schedel breeder en korter wordt, en bij ossen en schapen die vroegrijp zijn en gemakkelijk vet worden is de omvang der borstkas en daarmede ook hot gewicht der longen kleiner als bij dieren welke deze eigenschappen in mindere mate bezitten.

De vroegrijpheid, bl. 92, die zich kenmerkt door een vroeg wisselen der tanden, door eene vroege verbeening van de naden des schedels en van de eindstukken dor pijpbeenderen, door een korteren draagtijd en door eene sterke ontwikkeling van den romp, terwijl de kop en de ledematen vroeg ophouden zich te ontwikkelen en dus kleiner blijven, — is volgens Wilckens en anderen wezenlijk het resultaat van eene rijke, in het bijzonder eiwitrijke en phosphaatrijke voeding. Vooral Wilckens en Sanson hebben daarvan vele voorbeelden verzameld en de laatste heeft aangetoond dat het gewicht der beenderen bij vroegrije dieren slechts 11 proc., terwijl de vleeschmassa 47 proc. bedraagt. De verhouding van 't gewicht der beenderen tot dat van 't vleesch is dus als 1 : 4.27 ; voor laatrijpe dieren heeft Sanson die verhouding als 1 ; 3.14 berekend.

Dat ook door oefening de organen zich in eene bepaalde richting knnnon ontwikkelen blijkt mede uit verschilllende voorbeelden. Yooral aan de beenderen en de spieren voor de willekeurige beweging wordt dit waargenomen. Nathusius heeft aangetoond dat varkens, die moeten wroeten om hun voedsel te zoeken, oen langeren snuit met sterkere spieren hebben dan b.v. de Engelsche varkens, die rijk gevoed worden en niet noodig hebben te wroeten of daarin door het „ringenquot; belet worden; en vooral Darwin heeft verschillende feiten bijeenverzameld om aan te toonen dat door hot gebruik of niet-gebruik van de bewegingsorganen hun vorm of hunne verrichtingen gewijzigd worden. Ook inwendige organen als de longen en het hart ondergaan door oefening verandering. Volgens Schwarznecker weegt het hart van een gewoon paard 4—-41/2 KG., terwijl dat der Engelsche renpaarden, waarbij de bloedstroom wegens de grootere stofwisseling voel krachtiger is, over de Gljo KG. weegt.

-ocr page 124-

104

Verder is het bekend dat door do prikkel, welke door het zuigen of melken op de zenuwen van do melkklier wordt uitgeoefend, de molk zich afscheidt. Blijft deze prikkel achterwege, zoo houdt het melkgeven op. Runderen die niet of slechts weinig gemolken worden, gelijk dit met die in Hongarije en l'odolië veelal het geval is, kunnen hunne kalveren nauwelijks eenige maanden zoogen, terwijl bij de Nederlandsehe runderen, waarbij de uier of de melkklier door zorgvuldig uitmelken sterk ontwikkeld wordt, de melkopbrengst niet zelden meer dan GOOG liter 's jaars bedraagt. Ook onze schapen, die veelal slechts om de wol en het vleesch gehouden worden, geven hiervan een voorbeeld; de uier is hierbij sterk teruggegaan, terwijl hij bij het, ook om de melk gehoudene, Friesche schaap sterk ontwikkeld is.

Deze voorbeelden mogen voldoende zijn om te doen zien dat een fokdier, naast de van zijne ouders geërfde, door ,,aanpassingquot; en door oefening ook nieuwe eigenschappen of eigenschappen van een hoogeren graad kan bekomen.

Men mag zich dus niet enkel op de afstamming verlaten, maar elk fokdier moot, zal het op den naam deugdelijk aanspraak maken, overeenkoinstig zijne bestemming goed gevoed, goed verzorgd of in het algemeen goed opgefokt worden.

E. Methode van beoordeeling. Daaronder verstaat men de wijze waarop een dier gekeurd wordt en den gang daarbij gevolgd.

Gewoonlijk wordt het daarbij eerst in zijn geheel beoordeeld, wat afstamming, karakter, type enz. betreft, alsmede zijne constitutie en conditie; verder naar zijne verrichtingen, inzoover deze, als b.v. draven en loopen, beoordeeld kunnen worden. Daarna gaat men meer in bijzonderheden de verschillende lichaamsdeelen na.

Gewoonlijk wordt daarbij aan de verschillende deelen of verrichtingen geen gelijke waarde en niet altijd dezelfde waarde toegekend. Bij eene melkkoe hecht men b.v. veel waarde aan goede melkteekens en aan het geven van veel en vette melk , bij een renpaard aan groote snelheid op de renbaan. Als fokdier moeten echter ook de andere deelen of eigenschappien in aanmerking worden genomen, want door sommige gebreken in den bouw of in physiolo-gische eigenschappen zou het als zoodanig geheel onbruikbaar kunnen zijn. Zijn er bij een ras of slag gebreken in den vorm of in eigenschappen, dan wordt hetzij bij reine teelt hetzij bij kruising bijzonder veel waarde gehecht aan een dier dat deze gebreken niet heeft en het goede lichaamsdeel of de gewenschte eigenschap in het bijzonder op prijs gesteld.

Om die betrekkelijke waarde aan te geven en ook bij het vergelijkend beoordeelen op tentoonstellingen en keuringen, is het doeltreffend gebruik te maken van een puntenstelsel, zooals thans bij veekeuiingen ook veelal geschiedt en waarbij aan elk lichaamsdeel enz. een verschillend maximum aantal punten wordt toegekend.

F. Het gebruik en de behandeling der fokdieren; het opfokken der jonge dieren. Wat het opfokken der jongen betreft, kan de landbouwer door de voeding van het moederdier, gedurende de drachtigheid, daarop reeds invloed uitoefenen. Vóór de geboorte toch geschiedt de groei van 't jonge dier door het bloed der moeder. Drachtige dieren moeten daarom in den regel meer voedsel ontvangen en dit voedsel moet vooral van

-ocr page 125-

105

goede samenstelling', dat is zoodanig zijn, dat het geschikt is voor de voeding van den foetus. Behalve eiwitstoffen, vet en koolhydraten, dienen hierin b.v. phosphorzunr en kalk voor den groei der beenderen in voldoende hoeveelheid voor te komen.

„De moeder is de voederbak der vruchtquot;, zegt Haubnerl). „Men moet haar goed en rijkelijk voederen, omdat zij hare vrucht mede te verzorgen heeft, maar slechts met natuurlijke voedermiddelen. Krachtig, droog voer, dat vol-en dikbloedig maakt, begunstigt het ontstaan van lamheid, krampen enz., en de moeders hebben naderhand ook weinig en doorgaans ongezonde melk. Veel lauwwarm, verslappend vloeibaar voeder geeft krachtelooze jongen en begunstigt het verwerpen. Ontbreken aan hot voeder de noodige stoffen, onverschillig van welke soort, dan worden deze aan de moeder onttrokken, om voor do vorming der vrucht te dienen. Wij zien dit duidelijk aan de brosheid der beenderen, waaraan vooral dragende en zoogende moeders lijden. Inzonderheid heeft men op de voeding te letten in de tweede helft der zwangerschap. De zwangere baarmoeder vermindert de ruimte der buik- en borstholte en bezwaart de verteringswei ktuigen. Daarom moet tegen ieder overmatig gebruik van voeder gewaakt en dit in herhaalde kleine hoeveelheden aan de dieren gegeven worden. Drachtige moedorscluvpen overdronken zich aan spoeling; zij zwollen op en kregen indigestie. Zij herstelden, maar de daarna geboren lammeren werden lamquot;.

Het verwerpen van 't jong of de jongen, dat bij het rund het veelvuldigst en meestal in de 5d0 tot de 7de maand der drachtigheid voorkomt, kan dus, gelijk uit het bovenstaande blijkt, door ondoelmatig voedsel veroorzaakt worden. Behalve eene te groote hoeveelheid gehaltloos en moeilijk verteerbaar voeder geven ook opblazend voeder en vooral bevrozen (b.v. aardappelen en knollen), bedorven en met roest, brand en andore schimmelplantjes bezet voeder, inzonderheid graan of hooi, waarin of waarop moederkoorn, II, bl. 1C4, voorkomt, tot het verwerpen aanleiding en moeten dus niet aan drachtige dieren gevoederd worden. Zoo oek het laten grazen in vochtige, met hermoes bezette of berijpte weiden. Bij 't rund werken ook te veel naar achteren afhellende stallen het verwerpen in de hand.

Niet zelden heeft men voorts, althans bij runderen, waargenomen, dat wanneer zich één geval van verwerpen heeft voorgedaan, er meer volgen; de oorzaak hiervan is, dat de uitgeworpen onvolkomen ontwikkelde vrucht en hare vliezen of stoffen, hiervan afkomstig, besmettend op het verwerpen werken, liet zoo spoedig mogelijk verwijderen en diep begraven of verbranden daarvan en afzondering van het dier dat het jong uitgeworpen heeft is daarom aan te raden. Het gebruik van ontsmettingsmiddelen en inspuitingen, waarbij een veearts geraadpleegd moet worden, zijn mede gewenscht.

Maar aangezien de oorzaak soms in het voedsel gevonden moet worden en dit allicht voor alle drachtige dieren van eenen stal hetzelfde is, kan ook hierdoor het gelijktijdig optreden van het verwerpen veroorzaakt worden. Ook wil men dat deze en gene gebreken in de voortplanting of daarvoor dienende

1) De Gezondheidsleer, vertaling van En klaar.

-ocr page 126-

lOf)

organen erfelijk zijn en dus het mannelijk dier daarop mede van invloed is. Er zijn althans voorbeelden, dat verscheidene koeien, door één en denzelfden stier gedekt, do vrucht te vroeg afzett'en l).

Er is echter nog meer. Ook de geheele verzorging dor drachtige dieren moet goed zijn. Het stoot en en slaan op de buik en in 't algemeen eeiie ruwe behandeling moet worden vermeden. Zoo ook kunnen eon te snel drijven of het laten verrichten van veel en vooral van vermoeiend werk dc vrucht doen verwerpen. Eene matige beweging is echter meer voor- dan nadeolig. Bij het zuiveren der huid door het rossen beperke men zich tot het noodzakelijkste.

Hier zij ook aan 't gebruik der fokdieren als zoodanig herinnerd. Ofschoon de geslachtsdrift bij de huisdieren zich al vroeg ontwikkelt, bij het paard reeds in het 2de, bij de herkauwende dieren op het einde van 't eerste jaar en bij 't varken met 9 maanden, en or voorbeelden zijn eener vruchtbare paring zelfs op nog jeugdiger leeftijd, is het toch ter verkrijging van krachtig vee noodig, dat zij niet te jong als fokdier worden gebruikt. Beide geldt zoowel voor mannelijke als vrouwelijke dieren. Landhuishoudkundige bedoelingen brengen weliswaar mede, dat men somtijds hiervan afwijkt, inzonderheid bij melkvee, omdat een vroeger paren den aanleg tot melkgeven bevordert; maar wordt hieraan te veel toegegeven, dan wordt gelijk men 't noemt, de melktype overbomvd: de goede evenredigheid tusschen de verschillende deelen gaat verloren; een ziekelijke toestand en zwakheid des lichaams kunnen daarvan het gevolg zijn.

Een mannelijk dier wordt veelal gebruikt voor het dekken van een vrij groot getal vrouwelijke. Hengsten dekken in een jaar niet zelden meer dan 100 merriën, stieren 70—90 koeien en rammen 100—200 ooien. Niet onwaarschijnlijk wordt wel eens te veel van hen gevergd, te meer daar hunne diensten niet over een geheel jaar regelmatig verdeeld, gevraagd worden, maar grootendeels in den dektijd, dat is een tijdperk van eenige weken, veelal zoo gekozen, dat de jongen in het voorjaar geboren worden. Men bedenke, dat eene krachtige voeding in dien tijd wel veel kan verhelpen, maar dat er ook tijd moet zijn voor de vorming van het sperma. Dekken is nog geen bevruchten en bovendien; men wil krachtige jongen hebben en 't is de vraag, of een te veelvuldig dekken Ivort na elkander, hierop geen nadee-ligen invloed uitoefent.

Ook mag het geheel onthouden van arbeid bij dekhengsten en het opsluiten in een veelal niet genoegzaam verlicht hok, als niet bevorderlijk worden beschouwd om eene krachtige nakomelingschap daarvan te verkrijgen, wat zich uit hetgeen hierboven van de overerving is gezegd, ook laat verklaren.

Bij de geboorte zelve is in enkele gevallen hulp en tengevolge van de wijze, waarop de huisdieren veelal gestald worden, in allen gevalle toezicht van de zijde des landbouwers noodig. Op bl. 83, bij Fig. 35 is gezegd, welke do gewone ligging van het jong in de baarmoeder tegen het naderen der geboorte is. Wij vermelden hier eenige gevallen van verkeerde ligging; één der voor-pooten op den kop, de andere naar achteren gebogen; de kop tegen de borst

1) Zie hierover E. Zscliokke, Die Unfruchlbarkeit den Hinde», ihre Ursachen and Bekampfunij.

-ocr page 127-

1(17

gedrukt en met het aangezicht op de poolen liggende; do navelstreng rondom een dor voorpooten en deze daardoor naar achteren gevomvon. In hot laatste geval moot de navelstreng verbroken en do poot in zijn juiste stand gelogd worden. Ook in de eerste twee gevallen zou do verkeerde ligging een onoverkomelijke hinderpaal voor het baron zijn en moeten genoemde deolon in hunnen juisten stand worden gebracht. Zulk eene verkeerde ligging on eeno bijzondere grootte van 't jong bij gelijktijdige nauwheid van 't bekken maken don bijstand van een veearts dikwijls noodzakelijk. Zoo ook bij gobrokkigen afgang der nageboorte, waardoor gevaarlijke ziekten kunnen ontstaan.

Na de geboorte is de moeder niet zelden uitgeput; men houdt haar vooreerst aan hetzelfde voor en geeft haar lauwwarm, althans niot te koud drinkwater. Zij hoeft ook thans voel voedsel noodig voor het voortbrengen der melk, die men als het doelmatigste voedsel voor hot jong mag beschouwen. Later moet dit hiervan afgewond (gespeend) en overeenkomstig het dool, waartoe 't dienen zal, gevoed worden. Op een en ander komen wij in de Bijzondere Veeteelt terug.

Hot verder opfokken bepaalt zich hoofdzakelijk tot do zorg eenor doelmatige voeding en verpleging. In 't algemeen moet ook voor eeno voldoende beweging, noodig tot oefening en ontwikkeling der spieren, gezorgd worden; werkdieren moeten bovendien aan het verrichten van arbeid enz. gewond worden. Ook daaromtrent verwijzen wij hier naar de Bijzondere Veeteelt.

'2. HET VOEDEREN EN VERPLEGEN VAN VEE.

't Doel van het houden van vee is, gelijk reeds bl. 1 werd gezegd, bepaalde diensten daarvan te vorkrijgen: het verrichten van arbeid bij workvee, het voortbrengen van molk, vet en vloesch bij melk- en mestvee, of van jonge dieren bij fokvee. In al deze gevallen kan hot vee als 't ware als eene machine worden beschouwd, waardoor van bepaalde stoffen (veevoeder) deze verschillende producten worden verkregen.

't Is dus van belang, dat wij uiteenzetten:

A. WAT MEN ONDER DEN NAAM VEEVOEDER DIENT TE VERSTAAN, WELK VOEDER DEN LANDBOUWER AL VOOR ZIJN VEE TEN DIENSTE STAAT, EN WAARVAN ZIJNE WAARDE VOOR DE VOEDING AFHANKELIJK IS.

Vooreerst merken wij op, dat er onderscheid dient gemaakt te worden tusschen een voodormiddel en eene voedingsstof. Door voedingsstoffen verstaat men do scheikundige verbindingen in het voeder, die bij de spijsvertering min of moor gewijzigd in het bloed opgenomen worden en voor de voeding kunnen dienen. Eiwitstoffen, suiker, zetmeel enz. (stikstofvrije extractiof-stoffon), celstof, vet en enkele zouten zijn daarvan de belangrijkste. quot;Welke rol deze stoffen bij de voeding spelen, is hierboven reeds aangewezen.

Een voodings- of voedermiddel is oen natuurlijk mengsel van verschillende voedingsstoffen, b.v. stroo, hooi, koek enz. Weliswaar zijn hiermede nog verschillende andere stoffen vermengd, als water, verschillende aschbestand-deelen enz., maar hot water kan om niet door eeno quantiteit drinkwater worden vervangen, en een groot gedeelte van de aschbostanddoelen gedraagt

-ocr page 128-

10S

zich tiij de voeding onverschillig. Wat van de laatste noodig is bedraagt in allen gevalle slechts eene geringe hoeveelheid in verhouding tot de eiwitstoffen enz.; zoodat deze Mj hot bepalen van de waarde als voedsel, weinig of niet, wel wanneer men tevens op de qualiteit van den daarbij verkregen niest let, in aanmerking komen. Dit is evenmin het geval met enkele andere verbindingen, als b.v. de reukstoffen in het hooi, die, ofschoon voor de voeding niet geheel onverschillig, toch in zoo geringe hoeveelheid aanwezig zijn, dat deze en de waarde daarvan moeilijk bepaald kunnen worden; zij verhoogen echter, om het zoo uit te drukken, de qualiteit der voedingsstoffen, 't Is daarmede evenzoo gesteld als met de specerijen of in 't algemeen de stoffen, die den smaak verhoogen (zoogenaamde condimenten), in het voedsel van den mensch. In liet algemeen werken deze stoffen op de zenuwen en daardoor op de spijsvertering. Zij zijn derhalve wel degelijk van nut. „Goed specerijachtig hooi is vaak de beste vergoeding voor alle maagversterkende middelenquot;, zegt Haubner.

Ook moet men niet denken, dat, schoon de eiwitstoffen, het vet, de koolhydraten enz. wezenlijk slechts voor de voeding dienen en grootendeels de waarde van eonig voedingsmiddel bepalen, een mengsel van deze stoffen voor de voeding voldoende zou zijn. Neen, niet de voedingsstoffen als zoodanig, maar gelijk zij in de voedingsmiddelen voorkomen, in vele gevallen slechts een mengsel van verschillende voedingsmiddelen vormen een geschikt voedsel.

Uitgezonderd het varken, dat zich van nature ook met voeder van dierlijke afkomst voedt, en de jonge dieren, die met melk gevoed worden, zijn de natuurlijke voedermiddelen voor het vee van plantaardigen oorsprong. Uit de samenstelling der planten, I, bl. 168 en volg., is ons ook gebleken dat daarin de voedingsstoffen voor de dieren in grootere en kleinere hoeveelheid aanwezig zijn, en reeds op bl. 185, lste Deel is aangegeven, hoe die, als nadere be-standdeelen der planten, worden bepaald. Die nadere bestanddcelen van de belangrijkste voedermiddelen, gelijk eene scheikundige analyse ons die leert kennen, zijn in eene tabel, aan het einde van dit Deel bijeengevoegd. Met uitzondering van het water en de asch voor een groot deel, kunnen die nadere bestanddeelen hier als voedingsstoffen worden beschouwd.

Tot goed begrip dienen wij echter nog het volgende daaraan toe te voegen. De hoeveelheid eiwitstoffen wordt bepaald, werd I, bl. 185 gezegd, door het stikstofgehalte met G.25 te vermenigvuldigen. Maar aangezien de in de planten voorkomende zunramiden en amidozuren, de alcaloïden en sommige glucosiden ook stikstof bevatten, is deze bepaling en berekening niet geheel juist. Men heeft het op deze wijze bepaalde en berekende eiwit daarom ruw-eiwit of onzuiver eiwit genoemd, en langen tijd gemeend, dat die onzuiverheid in het algemeen van geene groote beteekenis was. Later heeft men echter gevonden dat in sommige voedermiddelen, als groenvoer en vooral in groen persvoeder, de hoeveelheid dezer niet-eiwitstoffen vrij aanzienlijk is. In wortel- en knolgewassen werd bovendien salpeterzuur, in andere voedermiddelen ammoniak gevonden. Ook deze werden vroeger, met de stikstofbepaling als basis, eenvoudig voor eiwit aangeslagen. Een en ander leidde dus tot de wenschelijk-lieid liet eiwit in de voedermiddelen direct te bepalen, waarvoor Stutzer eene methode (neerslaan met koperhydroxyd) heeft bedacht. Het verschil van de hoeveelheid gevonden ruw-eiwit en die van het op laatstgenoemde wijze ge-

-ocr page 129-

109

vonden eiwit geeft alzoo ten naaste bij de hoeveelheid stikstofhondende niet-eiwitstoffen, ainiden, aan i).

Diuir voorts door den aether, ■waarmede liet vet uit do voedermiddelen getrokken en bepaald wordt, ook nog kleurstoffen enz. in oplossing worden gebracht, is ook dit aether-extract geen zuiver vet en wordt daarom in de tabel mede onzuiver genoemd. Hetzelfde geldt, als reeds I, bi. 171 is gezegd, voor de celstof, die daarom ook ruw vezel of juister ruwe of onzuivere celstof wordt geheeten.

Wij weten verder, dat van de voedingsstoffen, door het darmkanaal gaande, slechts een gedeelte verteert, en natuurlijk kan alleen dit ter voeding dienen. Zoo werd, volgens onderzoekingen van Henneberg en Stohmann, (in de veronderstelling dat hot ruw-eiwit van het bijgevoegde grof gemalen boon meel geheel verteert), door tweejarige ossen slechts verteerd:

van liet ruw-eiwit in tarwestroo .... 26 ten honderd „ „ „ „ haverstroo .... 49 „

„ „ „ „ boonstroo.....51 „

„ „ „ „ klaverstroo.... 51 „ „ ,, ,, „ weidehooi .... CO „

derhalve van het eiwit in stroo en hooi voorkomende gemiddeld slechts de helft.

Ook van het in de tabel vermelde onzuivere vet of olie verteert slechts een gedeelte. Volgons Henneberg en anderen, door een os van het in tarwestroo voorkomende 36 O/q, van dat in haverstroo 35 0/0, van dat in boonstroo 50 %, van dat in roode-klaverhooi 51 0/(j enz.

Dezelfde opmerking geldt voor de als stikstofvrije extractiefstoffen vermelde bestanddeelen (de suiker het zetmeel, de organische zuren, pectinestoffen enz. zie I, bl. 171). Vroeger hield men 't er voor, dat deze in water, verdunde zuren, enz. oplosbare stoffen, door het darmkanaal gaande, geheel verteerd zouden worden, maar verschillende onderzoekingen hebben geleerd, dat ook hiervan slechts een gedeelte verteerbaar is. Zoo verteerde, volgens Henneberg, Stohmann en anderen, een os van deze stoffen:

in het tarwestroo voorkomende 40 ten honderd. „ „ haverstroo „ 43 „

„ „ boonstroo „ 67 „

„ „ roode klaverhooi „ 67 „

„ „ weidehooi „ 64 „

Het onder den naam ruwe celstof vermelde bestanddeel daarentegen word vroeger voor geheel onverteerbaar gehouden. Henneberg on Stohmann meenden intusschen uit hunne onderzoekingen te moeten opmaken, dat zij gedeeltelijk wel verteerd wordt, b.v. door eenen os;

van de ruwe celstof in tarwestroo voorkomende 52 ten honderd „ „ „ „ „ haverstroo „ 59 ,, ,, ,, ,, ,, boonstroo ,, 06 ,,

„ „ „ „ „ roode klaverhooi „ 43 „

,, ,, ,, ,, ,, weidehooi ,, 6/ ,, ,

1) Juister is het om te zeggen: tiet geJeelte van ile gevondene hoeveelheiil stikstof dat niet als eiwit voorkomt.

-ocr page 130-

110

ilns nagenoeg evenveel als van do andere stikstofvrije stoffen; zie intnsschen bi. 47. Zij leerden daarbij echter den regel kennen dat do qnantitoit stikstof-vrije extractiefstoffen in eene menigte voedingsmiddelen als geheel verteerbaar beschouwd kan worden, wanneer men de hoeveelheid ruwe celstof, daarin voorkomende, als niet verteerbaar aanneemt, 't Is hun namelijk gebleken, dat de som van de verteerde hoeveelheid ruwe celstof en het gedeelte, dat van de stikstofvrije extractiefstoffen verteert, nagenoeg gelijk is aan de geheele hoeveelheid stikstofvrije extractiefstoffen, welke in het voedingsmiddel voorkomt, gelijk uit onderstaande (abel blijkt:

Soort van

Verteerde

Verteerde stik

Som

Stikstofvrije extrac

voedingsmiddel

ruwe celstof

stofvrije extrac

van

tiefstoffen in hot

KG.

tiefstoffen

beide

voedermiddel

KG.

KG.

KG.

Haverstroo

3.79

3.21

7.00

7.24

Tarwestroo

1.68

1.08

2.76

2.75

Boonstroo

3.1G

5.44

8.60

8.74

Klaverhooi

5.14

11.49

16.63

17.26

Weidehooi

8.69

6.96

10.65

10.46.

Slechts in jonge planten (b.v. gras en klaver of hooi daarvan), waarin do celstof van weinig zoogenaamde incrusteerende stoffen, I, bl. 170, vergezeld is, werd gevonden dat van haar iets meer verteert en de som der verteerbare stikstofvrije stoffen iets grooter is dan de geheele qnantiteit stikstofvrije extractiefstoffen. Daarentegen vonden zij dat van oude klaver, welker celstof veel minder gemakkelijk verteerbaar is, aangezien zij hier door incrusteerende stoffen is omgeven, de som der verteerde stikstofvrije stoffen iets minder bedroeg.

Intnsschen is, gelijk reeds bl. 47 werd opgemerkt, door Tappeinergevonden, dat de celstof wel voor een gedeelte in het darmkanaal verdwijnt, dus niet in den mest terug wordt gevonden, maar niet, zooals b.v. zetmeel, in suiker overgaat maar door eene soort gisting in moerasgas enz. Tappeiner meent daarom ook dat aan de verteerde celstof niet dezelfde voederwaarde mag toegekend worden als b.v. aan het verteerde zetmeel.

Hoe dit ook zij — wij komen hieronder daarop nog terug — wij zien uit het bovenstaande, dat ter beoordeeling van de waarde van eenig voedingsmiddel, als voedsel, men dus niet enkel dient te vragen, hoeveel voedingsstoffen daarin voorkomen, maar ook welk gedeelte daarvan verteerbaar is. Nemen wij tot voorbeeld haverstroo. Honderd kilogram hiervan bevatten gemiddeld :

maar hiervan verteert slechts

gemiddeld:

zoodat gemiddeld slechts voor

de voeding dient 1.4 KG. 0.7 KG. 10.3 KG. 22.5 KG.

Dooi' te bepalen de hoeveelheid der afzonderlijke voedingsstoffen in het voeder on in den afgescheiden mest zijn de meeste voedingsmiddelen op hunne

stikstofvrije extract.stoffen. 33.3 KG.

45 0/0

ruw eiwit. 4 KG.

35 0/0

ruw vet. 2 KG.

ruwe celstof. 39.5 KG.

57 o/o

35 o,

70

-ocr page 131-

Ill

verteerbaarheid onderzocht. In procenten uitgedrukt wordt het cijfer dat dio vertecrbaarheid aangeeft vertoringscoëfficient geheetcn. Van de eiwitstoffen kan (l(i verteringscoëfticieut ook door kunstmatige vertering bepaald worden. Stntzer heeft daarvoor eene methode bedacht, hierin bestaande dat men op eene bepaalde hoeveelheid voeder met bekend eiwitgehalte achtereenvolgens kuustmaagsap (pepsine en zoutzuur) en sap van de buikspeekselklier (thrypsin en koolzure soda) gernimen tijd laat inwerken bij eene temperatuur van 87° C., waarbij het verteerbare eiwit in oplossing komt.

Uit dit onderzoek omtrent de verteerbaarheid van de voedingstoffen is in het algemeen gebleken, dat deze nogal uiteenloopt naardat het voedermiddel oud of jong en naar de wijze waarop hot is toebereid of met andere voedermiddelen vermengd wordt, en vooral wat de celstof betreft ook naar de diersoort.

In de zoogenaamde geconcentreerde of krachtvoedermiddelen zijn de voedingsstoffen het best verteerbaar. Zoo verteert b.v. in boonen en erwten het eiwit voor ongeveer 90 proc. en in de granen en in lijn- en raapkoek van 75—85 proc., terwijl ook het daarin voorkomende vet en de stikstofvrije extractstoffen grootendeels worden verteerd.

Middelmatig verteerbaar zijn de verschillende hooisoorten en hot stroo van peulvruchten en het slechtst verteerbaar is het stroo van granen, vooral van wintergranen, zoodat van het eiwit, het vet en de celstof hierin voorkomende, gewoonlijk slechts 1/4—verteert.

Ook wisselt de verteerbaarheid van do voedingstoffen in dit zoogenaamde rmvvoer (hooi en stroo) veel meer af dan in het krachtvoer, zoodat het voor deze voedermiddelen niet gemakkelijk gaat de verteringscoëffidënten met juistheid aan te geven. Zoo kan in weidehooi de verteringscoëfficiënt van het rnw-eiwit afwisselen van 42—72 proc., van het vet van 10—G3 proe., van de ruwe celstof van 43—7G proc. en van de stikstofvrije extractstoffen van 49—7G proc.

In bot algemeen stijgt of daalt de verteerbaarheid van het eiwit in het ruwvoer met het gehalte aan eiwit, terwijl de ruwe celstof een juist tegen-overgestelden invloed heeft op de verteerbaarheid van het eiwit. Wolff vond als het gemiddelde van een groot aantal voedingsproeven dat in geval van best hooi, met 20 proc. ruw-eiwit en 18 proc. ruwe celstof, ongeveer 76 proc., bij een hooisoort met 13 proc. eiwit en 27 proc. celstof, ongeveer G4 proc. en bij een hooisoort met 10 proc. eiwit en 30 proc. celstof, slechts ongeveer 50 proc. van het eiwit verteerde.

Voorts hangt de verteerbaarheid af van het tijdstip waarop de planten geoogst, of zij dus jong of oud zijn, alsmede van de weersgesteldheid gedurende het oogsten, gelijk hieronder bij het bespreken van de verschillende voeder-middelen nader zal blijken. Ook de bewerking van 't voeder (zie hieronder en ook bl. 49) is op zijne verteerbaarheid van invloed.

Wordt bij ruwvoer eiwitrijk krachtvoer b.v. graan of koek gegeven, zoo heeft dit in het algemeen geen nadeeligen invloed op de verteerbaarheid van het ruwvoer. Dit is evenmin het geval wanneer een voedermiddel, rijk aan vet, daarbij wordt gevoerd, tenminste wanneer dit in een geschikten vorm, b.v. in dien van emulsie of als lijnzaad wordt gegeven. Anders wordt het geval, wanneer men bij het ruwvoer geeft voedermiddelen die rijk aan kool-

-ocr page 132-

112

hydraten, (zetmeel of suiker) en arm aan eiwit zijn, b.v. aardappels of bieten. Dan neemt de verteerbaarheid van het ruw voer, in de eerste plaats van het daarin voorkomende eiwit on verder van de celstof af. Men zegt daarom dat do verteerbaarheid van liet ruwvoer daardoor eene depressie ondergaat, die wanneer hot zetmoelgohalte niet meer dan 10lt;'/ü van de droge stof bedraagt nog niet groot is, maar aanzienlijk wordt, wanneer het in eene hoeveelheid van 25 a 30 ^'0 van de droge stof van 't voederrantsoen wordt gegeven. Dan gaat de verteerbaarheid van het eiwit van b.v. do helft tot een dorde terug.

Doze teruggang der verteerbaarheid van het eiwit is echter voor oen dool slechts schijnbaar, omdat er voor de vertering van de groote hoeveelheid zetmeel ook meer stikstofhoudend verteringsvocht noodig is, dat in de uitwerpselen overgaat en het stikstofgehalte hiervan verhoogt.

Overigens meent men die depressie te moeten toeschrijven aan de wijzigingen die in de omzettingen van de voedingsstoffen bij aanwezigheid van eene groote hoeveelheid koolhydraten plaats hebben. Tengevolge van verschillende gistingen worden zuren als azijnzuur en melkzuur gevormd, die den wand van het darmkanaal prikkelen, waardoor de peristaltische bewegingen toenemen en het voedsel dit te snel doorloopt en, slecht verteerd, meestal in brijachtigen toestand het darmkanaal verlaat. Bij een onderzoek blijken dan vaak nog veel zetmeelkorrels daarin aanwezig te zijn. Daarbij worden dan de celwanden van het ruwvoer door de aanwezige bacterieën, die in de koolhydraten voldoende voedsel vinden, minder steile aangetast, de celstof daardoor minder omgezet en ook de in het ruwvoer aanwezige eiwitstoffen minder blootgelegd, zoodat de verteringsvochten er minder goed op kunnen inwerken. Bovendien schijnen bij afwezigheid van eene voldoende hoeveelheid eiwit de verteringsvochten zelve minder werkzaam te zijn.

Dat ook verschillende diersoorten liet voeder niet even goed verteren, is reeds herhaaldelijk gezegd. In het algemeen verteren de herkauwende dieren liet ruwvoer het best. Terwijl deze toch van de droge stof in liet stroo van 40—60 en in groenvoer en hooi 60—80 proc. verteren, wordt door paarden gewoonlijk 11 a 12 proc. minder daarvan verteerd; bij klaverhooi is dit verschil reeds niet zoo groot, terwijl de voedingsstoffen in granen en zaden als gerst, haver, mais, boonen en erwten door paarden nagenoeg even goed verteerd worden als door herkauwers. Het verschil is dan ook veelal gelegen in de ruwe celstof, waarvan door een paard ongeveer 20 proc. minder verteerd wordt dan door een schaap. Ook kan er in dit opzicht verschil bestaan bij dieren derzelfde soort en van hetzelfde ras, en bij dieren van verschillenden leeftijd, ofschoon door proeven is aangetoond dat dergelijke verschillen in het algemeen van geen groote beteekenis zijn, vooral niet wanneer de dieren onder gelijke omstandigheden verkeeren en het verschil in leeftijd niet te groot is. Oude en jonge dieren verteren het voedsel echter niet zoo goed als die van middelmatigen leeftijd. Wel kan er bij twee dieren van dezelfde soort en die hetzelfde voer ontvangen een groot verschil zijn in de productie, in zoover het eene dier van het voer b.v. meer melk geeft, het andere meer vleesch en vet aanzet, enz.

De gemiddelde hoeveelheid verteerbare voedingsstoffen in eenig voedermiddel bekomt men derhalve door de blijkens de analyse aanwezige gemiddelde

-ocr page 133-

118

qiiantiteit met do gemiddelde verteringscoëfficiënt te vermenigvuldigen en dit product door 100 te deelen. Op deze wijze zijn de verteerbare hoeveelheden ruw eiwit (eiwit en amid), vet enz. van de verschillende voedermiddelen berekend en in tabel I opgegeven.

Bij het gebruik van deze tabel dient men echter in aanmerking te nemen, dat deze slechts gemiddelde cijfers bevat. Hierboven en ook reeds vroeger, zie o.a. Deel I, bl. 179, hebben wij intusschen er op gewezen, dat vooreerst de hoeveelheid van de nadere bestanddeelen eener plant en dus haar gehalte aan voedingsstoffen aanmerkelijk kunnen verschillen, en dit geldt voor elkander voedermiddel. Daarbij is tevens opgemerkt, dat de hoedanigheid dier nadere bestanddeelen vrij wat verschilt, en dientengevolge ook do verteerbaarheid niet altijd dezelfde is. Voorts is opgemerkt , dat de aard van het spijsverteringskanaal, dus het dier, dat hot voedsel verteren zal en de wijze, waarop gevoederd wordt, van invloed op de vertering van eenige voedingsstof is. Men kan dus vooreerst niet zeggen, dat het een of ander haverstroo juist 4 0/o ruw eiwit bevat, want er is haverstroo onderzocht, dat slechts 1.3 o/o bevatte, maar ook waarin niet minder dan 7 0/o eiwit gevonden werd, en in de tweede plaats niet, dat ongeveer een derde van dit eiwit zal verteren, want bij proeven is gebleken, dat de verteerbaarheid van het ruw-eiwit in haverstroo kan afwisselen van 1/7—

Elk voedermiddel moet derhalve eigenlijk op zich zelf beoordeeld worden, zoowel wat zijn gehalte aan voedingsstoffen als wat de verteerbaarheid betreft. Opgaven van het gemiddelde of ook van het hooger of lager gehalte kunnen dienaangaande wel aanwijzing geven, gelijk zulks door Jul. Kühn in zijn bekend werk over de voeding van het rundvee 1) geschiedt; maar ook do laatste beteekenen niets, als men niet weet te beoordeelen wanneer het gehalte lager, wanneer het hooger zijn zal. Dezelfde opmerking geldt voor de verteerbaarheid, gelijk uit de voorbeelden, hierboven opgegeven, is gebleken. De landbouwer kan zich dus niet geheel verlaten op de cijfers, die hot gemiddelde gehalte aan verteerbare voedingsstoffen van de voedermiddelen in do tabel aangeven. Zijn practische blik zal hij tevens daarbij moeten Ie baat nemen, en het voedermiddel in zijn gehalte aan verteerbare voedingsstoffen nu eens iets hooger dan iets lager moeten aanslaan. De meest voorkomende afwijkingen deelen wij hieronder mede bij de behandeling der voedermiddelen afzonderlijk.

Er is nog een punt, waarop bij het beoordeelen van een voedingsmiddel gelet dient te worden; het is de verhouding, die er tusschen do stikstof-houdende eiwitstoffen en de stikstofvrije stoffen of beter tusschen het verteerbare deel van beide bestaat. Dij de voedingsverschijnselen hebben wc toch. bl. 49 en Cl, er op gewezen, dat voor eene doelmatige voedering eene zekere verhouding tusschen deze stoffen in het voedsel noodig is. 't Is dus van belang, dat men die verhouding in de verschillende voedingsmiddelen ten-naastenbij kent, om bij het toedienen van een voedermengsel zooveel mogelijk tot eene juiste voedingsverhouding te geraken.

Deze voedingsverhouding wordt intusschen niet altijd op gelijke wijze aangegeven. Men kan deze vooreerst aangeven tusschen de onzuivere voedings-

!) Jul. Kühn, Die ziveckmaszigsle Ernahrung des Ttinclviehen. REINDERS, III. Vierde tlnik.

8

-ocr page 134-

114

stoffen, zonder hare verteerbaarheid in aanmerking te nemen. Als eenheid wordt dan genomen één deel rnw eiwit en de hoeveelheid rnw vet met 2.5 vermenigvuldigd en bij de stikstofvrije extractstoffen opgeteld. Do hoeveelheid ruwe celstof wordt dus verwaarloosd.

Zoo bevat haverstroo gemiddeld 3.5 ruw eiwit, 1.8 vet on 37.3 stikstofvrije extractstoffen. De verhouding wordt dan;

, 1.8 X 2.5 37.3 f , 10 ...

1 : - ^ . !- of 1 : 12 bijna.

Roodo klaver bevat: 3.1 eiwit, 0.0 vet en 0.1 stikstofvrije extractstoffen, zoodat hierin de verhouding tusschen de onzuivere voedingsstoffen is:

1 : of , : 3.4 ruim.

Beter is hot echter de verhouding in de verteerbare voedingsstoffen uit te drukken. Zoo nemen Wolff (Lehmann) en ook wij de hoeveelheid verteerbaar ruw-oiwit (eiwit on amid) als eenheid aan en vermenigvuldigen het verteerbare rnw-vet met 2.4, om dit in voedingswaarde met de eenheid verteerbare stikstofvrije extractstoffen en de verteerbare ruwe celstof te doen overeenkomen. Zij nemen daarbij namelijk aan, dat het vet en de andere verteerbare stikstofvrije stoffen in het lichaam verbrandende en juist daardoor de eiwitstoffen voor verbranding, dat is voor het verbinden met zuurstof bewarende, bl. Cl, er voor het verbranden van vet ongeveer 2.4 maal zooveel zuurstof noodig is als voor 't verbranden van eene gelijke hoeveelheid van do andere stikstofvrije stoffen, en derhalve het voor zuurstof bewarend of anders het warmtcvoortbrengend (arbeids-)vermogen, of wil men het voedend vermogen van vet ook ongeveer 2.4 maal zoo groot is. Dooi' voedingsverhonding verstaan wij dan de verhouding tusschen de hoeveelheid verteerbaar rnw-eiwit en de som van het verteerbare deel der stikstofvrije extractiefstoffen plus de verteerbare ruwe celstof plus 2.4 maal het verteerbare vet in eenig voeder. Nemen wij weder tot voorbeeld haverstroo en roodo klaver. Honderd KG. daarvan bevatten:

verteerbaar verteerbaar verteerb. stikstofvr. verteerb.

rnw-eiwit. ruw-vet. extractiefstoffen. ruwe celstof. Haverstroo 1.2 KG. O.G KG. 1G.8 KG. 21.7 KG.

Roode klaver 1.7 „ 0.4 „ 0.1 „ 2.0 „

De voedingsverhouding is dus:

in haverstroo 1.2 : (O.G X 2.4 10.8 21.7) of 1 : 33.3.

in roode klaver 1.7 : (0.4 X 2.4 -|- 0.1 -j- 2.0) of 1 : 5.9.

Anderen, waaronder Kühn, nemen het verteerbare deel van het zuivere eiwit als eenheid aan, vermenigvuldigen het verteerbare vetgehalte met 2.4 en tellen bij dit product het verteerbare deel van de stikstofvrije extmetief-stoffen, de helft (Kühn 80%) van de ruwe celstof en de stikstofhoudende niet-eiwitstoffen op. Zij rekenen dus: 10 dat slechts het verteerbare deel van het eigenlijke eiwit als zoodanig waarde heeft; 20 dat de overige stikstofhoudende stoffen evenals de stikstofvrije stoffen eiwitsparend zijn en alzoo eene dergelijke rol als laatstgenoemde bij de voeding vervullen, en 3n aangezien de celstof volgens het onderzoek van Tappeiner eigenlijk niet verteerd maar in het darmkanaal ontleed wordt, slechts ongeveer do helft daarvan voor de voeding dient.

-ocr page 135-

Om dus de voedingsverhouding volgens dezen te berekenen, trekt men de hoeveelheid araiden van do hoeveelheid verteerbaar onzuiver eiwit af; men bekomt zoo de hoeveelheid verteerbaar zuiver eiwit. Do hoeveelheid amiden wordt opgeteld bij de som van 2.4 X ,l0 hoeveelheid verteerbaar vet, do verteerbare stikstofvrijo extractstoffeu en 1/2 X hoeveelheid verteerbare cel-stof en deze som gedeeld door hot cijfer dat de hoeveelheid verteerbaar zuiver eiwit aangeeft. Wij krijgen dan eene voedingsverhouding in

Haverstroo 1.1 : (0.6 X 2.4 10.8 -f i(2 X 21.7 0.1) of 1 : 20.4. Roode klaver 1.1: (0.4 X 2.4 6.1 -f 1/2 X 2.9 -f 0.0) of 1: 8.3.

Is, gelijk in haverstroo, do hoeveelheid verteerbare stikstofvrijo stoffen groot, in betrekking tot hot verteerbare eiwit, dan noemt men do verhouding ruim; is daarentegen do hoeveelheid verteerbaar eiwit betrekkelijk groot, als b.v. in erwten en boonen, waar eeno verhouding van 1 : 2 a 3 voorkomt, dan noemt men haar nauw; terwijl eene verhouding als in goed gras of grashooi (1 ;G), als gemiddelde of normale verhouding beschouwd kan worden.

Vooral mot het oog op do productie van arbeid gaat men er meer en meer toe over om, naar hot voorbeeld van Rubner, do voedingswaarde van oen voedermiddel in voedereenhoden, bl 70, uit to drukken. Onder het hoofd „Som dor voodingseenhodonquot; is daarvoor in Tabel I achter dit Deel oono kolom gevoegd. Tor verklaring voegen wij hierbij dat deze cijfers zijn verkregen door do procenten verteerbaar eiwit 011 amid, die dor verteerbare stikstofvrijo extractstoffeu, do holft van do vortoorbare colstof on 2.4 maal do hoeveelheid procenten verteerbaar vet samon te tollen.

Wij zullen thans do voornaamste voedingsmiddelen in hot kort bespreken.

1. Grroonvoeder. Do verschillondo soorten van groenvoodor, mot name do gras- 011 klaversoorton, vormon hot natuurlijkste voedsel voor de moeste landbouwdioron. Allo zijn gekenmerkt door 0011 groot watorgohalte, dat ongeveer afwisselt van 70—900/0. Zij bevatten derhalve gemiddeld ülochls 10 a 30% droge stof, waarvan 1—5 eiwitachtigo stoffen, 0.4-• 1.1 0/0 vet, 0—14n/0 stikstofvrijo extractiofstoffon on 3—14 0/0 colstof zijn. In 't algemeen is het groenvoer voedzamer en gemakkelijker to verteren, als het jong is. Hot bevat dan meer water, maar do drogo stof is betrekkelijk rijker aan eiwitachtigo stoffen en armer aan colstof. Onder do eiwitachtigo stoffen komen dan eohtor meer amiden voor. Ook is do colstof van minder onverteerbare incrusteerondo stoffen omgeven en derhalve zelve vertoorbaarder. Na don bloeitijd en vooral nadat het zaad rijp is geworden, daalt het water-, eiwit-, on aschgohalto en do vorteringsvochten van 't darmkanaal lossen de voedingsstoffen dan voor een veel kleiner gedeelte op.

Do belangrijkste soorten van groenvoodor, voor welker samonstolling wij naar de tabel achter dit deel geplaatst verwijzen, zijn:

a. Gras. In algomeenen zin verstaan wij hieronder hot groenvoer dor graslanden, in meer beperkten zin hot groene produet eenor enkele grassoort. Eerstgenoemd groenvoer biedt de grootste verscheidenheid aan, naar de planten, waaruit het is samengesteld, 011 deze zijn weder afhankelijk van den bodem, de min of moer sterke bemesting enz., vergelijk II, bl. 394, zoodat wij hier van de schrale heidevelden en drioslandon, die aan de dieren niet

8*

-ocr page 136-

116

zelden een armoedig bestaan geven, en de graslanden der rijke klei- en veengronden, waarop zij vet worden of overvloedig melk geven, allerlei overgangen ontmoeten. Vandaar dan ook het groote verschil in de samenstelling. Goed weidegras bevat in den bloeitijd ongeveer 25 0/o droge stof en daarin zijn: 3 a 40/o ruw-eiwit, waarvan ongeveer 1/4 amiden zijn, 0.7 a 0.80/o rnw-vet, 12 0/() stikstofvrije extractiefstoffen en 8—10% ruwe eelstof, maar op een drogen grond en in drogend weer zal de hoeveelheid droge stof allicht grooter (30 a 450/0), op een vochtigen grond en in vochtig weer geringer (15 a 20%) worden. Komen veel klavers tnsschen het gras voor of is het jonger, dan is het rijker aan eiwit (4 a 4.5%) enz. In :t algemeen wordt een mengsel van goede grassen, zonder vermenging met veel andere planten, ook niet van veel klavers, voor het beste gehouden. De waarde van het gras eener weide als voeder moet derhalve geheel naar den aard der planten, naar den graad harer ontwikkeling enz. beoordeeld worden.

Minder verschil is er natuurlijk in de samenstelling eener enkele grassoort, b.v. Eaaigras, Timotheegras enz. Zie de tabel.

b. Iloode Klaver, Lnzrrne en voor de zandgronden ook de SerradeMa, Incarnaallclaver enz. dienen vooral voor stalvoedering. De Luzerne kan iets vroeger en vaker gesneden worden, maar lijdt soms door nachtvorsten en wordt eerder hardstengelig dan roode Klaver. Bij deze klaversoorten geldt hot vooral; hoe ouder, hoe armer aan eiwit enz. (zie I, bi. 170) en hoe minder gemakkelijk verteerbaar. Het laatste blijkt uit de opgave der volgende verterings-coefficiënten. Deze zijn gemiddeld voor

het ruw-eiwit.

Koode Klaver kort vóór den bloei 73 „ begin van den bloei 74 „ volle bloei 67

„ tegen 't einde v. d. bloei 59

Vooral in jeugdig-en toestand y.ijn zij betrekkelijk rijk aan eiwitachtige stoffen. Gedeeltelijk laat zich die grootere hoeveelheid en de gemakkelijke verteerbaarheid van de eiwitachtigo stoffen in jeugdigen toestand verklaren door de grootere hoeveelheid amiden welke dan aanwezig zijn en die op 1/4—l/o van het eiwit geschat kan worden, terwijl die hoeveelheid in den bloeitijd nog ongeveer 1/5 bedraagt; zoodat b.v. in roode Klaver van de 3.3 proc. onzuiver eiwit die zij vóór don bloeitijd, en van de 3 proc. die zij in vollen bloei zijnde bevat, resp. 2.5 en 2.4 proc. zuiver eiwit is. Zeer jonge klaver wordt niet zonder gevaar voor de gezondheid van de dieren gegeven en in allen gevalle doet men wel, om tot eene betere voedingsverhouding te geraken, ze vermengd met voeder, minder rijk aan eiwitstoffen, b.v. stroo, hooi, gras, snijhaver of mais te vervoederen. Dammann raadt aan, aangezien jonge welige klaver (en in 't algemeen geil groenvoeder) bij runderen en schapen licht bias en bij paarden windkoliek kan veroorzaken, als voorbehoedmiddel daartegen, met de roode Klaver 4—6 KG. per hectare Karwijzaad uit te zaaien. Daalde Karwij een meerjarig gewas is, blijft zij met de Klaver doorgroeien.

c. Wille Klaver, liupslclaver, Zweedsche of Basterdklaver enz. dienen meer voor weide. Ook zij zijn rijk aan eiwitachtige stoffen evenals de hierboven

het

de stikstofvr.

de ruwe

ruw-vet.

extract.st.

eelstof.

62

76

55

71

77

56

63

70

48

45

71

39

-ocr page 137-

117

gonoomdo klaversoorten. Vergeleken met gras zijn echter de klaversoor ten over 't geheel ook iets rijker aan water, zoodat het grootere gehalte aan eiwit in klaver eerst blijkt wanneer men dit in betrekking brengt tot do hoeveelheid droge stof. Immers heeft men

in Gras op '25 ileelcn droge stof 3 ileelen ruw-eiwit dus op honderd 12

in roode Klaver „ '20 „ „ „ 3 „ „ „ „ „ 15

in witte ,, „ 20 „ „ 3.5 „ „ M „ ,, 17.5

in jonge Luzerne „ 19 „ „ „ 4.5 „ „ „ „ „ 24

Om eene betere voedingsverhouding te verkrijgen is het tegelijk uitzaaien van eenig graszaad bij witte Klaver enz. als kunstweide dus zeer gepast, 11, bl. 384.

(I. Rogge, Haver, Gerst enz. worden nu eens bij gebrek aan ander groenvoer (klaver), dan eens meer opzettelijk gezaaid en in groenen toestand voor stal voedering gebruikt: lïoggo vooral om. te gelijk met stroo gegeven, als overgang tot de weide of ander groenvoer te dienen; later meer Haver en Gerst om te gelijk met klaver of tussehen de klaversneden in gegeven te Worden. Een gepast voer bij klaver (of ander stikstofrijk voeder, b.v. oliekoeken) is ook Mais in groenen toestand, daar dit gewas in tegenstelling van klaver, armer aan eiwit en rijker aan stikstofvrije stoffen is. In Hongarije zaait men dit gewas van begin Mei af alle drie weken, om van Juli tot October steeds groen voeder te hebben; zoo ook op enkele boerderijen in Zeeland. Als groenvoer op de zandgronden dient do Spurrie hier nog in 't bijzonder vermeld te worden. Ook worden gele Mosterd en enkele andere oliegewassen soms tot groenvoeder verbouwd.

e. Groen mengvoer. Het onder d vermelde groenvoer, met namequot; de snij-haver, is betrekkelijk armer aan eiwit dan klaver. Om tot afwisseling hiervan te dienen of in 't algemeen tot eene betere voedingsverhouding te geraken, is 't dus van belang, een eiwitrijker voedsel er aan toe te voegen. Daartoe wordt wel in het voorjaar b.v. alle drie week gezaaid: een mengsel van Haver en Wikken of van Haver en Erwten, in 't algemeen een graangewas met een peulvrucht, waardoor eene groote hoeveelheid stalvoeder met een doelmatige voedingsverhouding kan worden verkregen.

f. Voorts worden als groenvoer nog gebruikt: de bladeren van Mangel-woiiels, Suikerbieten enz., het Moes, de Mergkool, de stronken en bladeren van witte Kool, die in den herfst tot overgang naar het vvintervoer kunnen dienen. Met uitzondering van de koolstronken is de voedingsverhouding in ■deze plantaardige stoffen nauw en een gelijktijdig voederen van stroo en hooi dus wel gepast. De bladeren van Mangelwortels en Suikerbieten mogen niet in te groote hoeveelheid gegeven worden, daar zij, wegens hun aanzienlijk gehalte aan organische zuren, licht diarrhee veroorzaken. In de nabijheid van bosschen en in tijden van voedernood kan ook het loof (bladeren en rijsjes) van booraen dienen, waarvan de voederwaarde niet onbelangrijk is; zie hieronder bij hooi.

2. Hooi. Goed geoogst hooi kan in zijne voederwaarde met het groenvoer, waaruit het door droging verkregen is, nagenoeg gelijk gesteld worden, beide natuurlijk in volstrekt drogen toestand gedacht. Aangezien echter in den regel hooi wordt gemaakt in den Moeitijd van gras en klaver en deze dan niet zoo

-ocr page 138-

118

rijk zijn aan ei witachtige stoffen enz., is ook liet hooi daarvan in don regel niet zoo voedzaam als jong gras en jonge klaver. Van 3 a 31/-; KG. groenvoer bekomt men 1 KG. hooi, dat, na den oogst, door uitzweeting gewoonlijk nog eenige procenten water verliest, om ten slotte met een watergehalte van 14—181'/,, vervoederd te worden.

Goed hooi wordt voor de herkauwende dieren als het beste hoofd voer gedurende den staltijd beschouwd; zijne verteerbare voedingsstoffen en de verhouding daartusschen kunnen min of meer als basis strekken ter berekening van eenig ander voederrantsoen.

Bij voorkeur wordt het gegeven aan kalveren, aan dieren met een zwakke spijsvertering en aan melkkoeien tegen den tijd van 't kalven. Aan laatstgenoemde dieren enkel stroo als hoofdvoer te geven, zou hunne pens te veel „bezwarenquot;. Zulks wordt bevestigd door eene proef van Fürstenberg, die vond, dat een 0.139 M3 groote pens, met stroo gevuld, 10 KG. meer weegt dan wanneer zij met hooi gevuld is.

Als hooisoorten kunnen worden onderscheiden: gewoon grashooi, waaronder veelal uitmunt dat der oude graslanden {ven- of fenhooi of oude fenJioot), hooi eener enkele grassoort, klaverhooi, wikkenhooi enz.

Al wat hierboven opgemerkt is omtrent het verschil in samenstelling van het groenvoer is ook van toepassing op het hooi daarvan. En bovendien kan door het weer, gedurende den oogsttijd, door het verlies aan bladmassa, dat het (vooral klaverhooi) bij het oogsten ondergaat en door de wijze waarop hot verder bewaard wordt, die samenstelling nog aanmerkelijk gewijzigd worden en de daarvan afhankelijke voederwaarde dns vrij wat verschillen. Hooi dat, van zonnige plaatsen afkomstig, zonder slap te zijn, eene goede bladmassa bevat en daarbij een aromatischen reuk bezit, wordt veelal met voorliefde gevreten en heeft in den regel ook eene meer voedende werking dan dat, 'twelk van beschaduwde plaatsen en van geil opgeschoten planten afkomstig is. Toch is het ruw-eiwitgehalte van het eerste vaak niet hooger, ja soms nog iets lager dan dat van het laatste. Hetzelfde is niet zelden het geval met het hooi van het zoogenaamde blauwgras (zure grassen), ofschoon ook daarvan de voederwaarde veel lager wordt geschat. Voor het beoordeelen der voederwaarde van hooi is de scheikundige analyse dus alleen niet voldoende en moet een botanisch onderzoek mede worden ter hand genomen. Schindler vond in vier verschillende hooisoorten, van welke nquot;. 1 als voortreffelijk, nO. 2 ais goed, n0. 3 als minder goed en nquot;. 4 als niet goed bekend stonden, wat hare scheikundige samenstelling aangaat, slechts weinig verschil, gelijk uit onderstaande opgaven blijkt, terwijl een botanisch onderzoek het volgende aan 't licht bracht. Br kwamen voor in:

nO. 1

nO. 2

nü. 3

u0. 4

Echte grassen

51.3 0/0

54.5 O/o

34.7 0/u

40.9 o/0

Zure grassen

2.1 „

12.6 „

35.0 „

44.8 ,,

Peulvruchten

19.3 „

8.9 „

1.9 „

0.0 „

Verschillende andere planten

27.3 „

24.0 „

28.4 „

14.3 „

Ruw-eiwit

9.4 „

7.1 „

8.2 „

CO

Hieruit volgt dus, dat wanneer de scheikundige analyse, althans wat het j-uw-eiwitgehalto betreft, geene aanmerkelijke verschillen aangeeft, het hooi

-ocr page 139-

119

met peulvruchten vermengd van betere en dat waarin vele zure grassen voorkomen van slechtere qnaliteit is.

Eon onderzoek omtrent do samenstelling van verschillende grassen on andere planten in grasland had mede plaats aan liet proefstation te quot;Wageningen '). Ook daaruit blijkt dat de samenstelling daarvan niet altijd overeenstemt met de voederwaarde die de practijk aan verschillende planten of een mengsel er van gewoonlijk toekent. Mogelijk komen er in het hooi van sommige dezer planten, b.v. van de Carexsoorten, nog stoffen voor, b.v. looizuur, die van nadoeligen invloed op de voederwaarde er van zijn.

Bij het beoordeelen van hooi dient men dus in de eerste plaats te letton op de planten die het samenstellen 2). Jn goed hooi komen de beste zoete grassen, eenige klaversoorten en overigens weinig andere planten voor. De kleur moet blank (blauwachtig groen), de reuk aangenaam, de smaak zoet, niet bitter of samentrekkend zijn. Verder dient men te letten op de stengels, die lang, fijn on buigzaam moeten zijn en van smalle bladen voorzien en van bloemen, waarin nog geen zaad vorming heeft plaats gehad; bloemenen bladen moeten goed bewaard zijn gebleven. Eenige distels (Cirsium arvense) en Kar wij ziet men niet ongaarne in hooi, omdat deze aanwijzen dat het van goede kleigronden afkomstig is. Zuur hooi, van lage, moerassige gronden afkomstig, bevat veel Carexsoorten en voorts Russchen, Heermoes, Waterbies, grassen van slechtere hoedanigheid als Struisgrassen, Vlot- en Rietgras en voorts dikwijls Koekoeksbloem (Lynchus flos cuculi), Ratelen [lihinanlhnn), Zuring (liiunex) en Watermunt (Mentha aquatica) enz. Uit hooi bezit weinig halm, het is grofbladig en op het gevoel ruw en scherp. Ook het hooi van veengronden afkomstig, waarin Veenwindhalm (Aira caespilosa}, Honiggras (Hierochloa horealis) en veel Ganserik (Polrntilla anserina) voorkomen, wordt geacht van mindere qualiteit te zijn, en in het algemeen beschouwt men het hooi van zure, moerassige en veenachtige gronden des te slechter, naarmate er meer van de genoemde planten in voorkomen. Dergelijk hooi is ook vaak arm aan kalkzouten en na een veelvuldig voederen van zulk hooi komen beenziekten (Ehachitis) niet zelden voor, bl. 53.

Naar de plaatsen van afkomst onderscheidt men in den handel hier Ie lande vooral Langstraatsch, Kampereilandsch cn Uiterwaardseh hooi. Het eerste groeit o]) zavelgronden, bevat veel blad, maar is kort van halm en daardoor zacht op het gevoel. Als kenmerkende planten komen er in voor Trilgras (Briia media), Reukgras {Aidhoxanthnni odoratnm) on wit Struisgras (Agrosha alba). Het Kampereilandsch en Uiterwaardseh hooi is afkomstig van kleigronden; het is langer, bevat groote bloempluimen en is hard en vast op het gevoel zonder ruw te zijn. De beste grassen als Raaigras, Beemdlangbloem, Beemdgras, Vossestaart, Kamgras en Timotheegras komen er in voor. Kenmerkend voor dit hooi is verder, evenals voor dat van de andere klei graslanden , de Veldgerst [Hordewit pralensc). Tegenover het Uiterwaardseh hooi staat het binnenveldsche, dat gewoonlijk van mindere fpialiteit is, terwijl men cum de Zuiderzee binnen- en buitendijksch hooi onderscheidt. Het laatste,

1) Landbouwkundiij 'Tijdschrift, Ie jaargang.

-) W. C. Schimmel, llandleidiitj lui du l'aardekcnnis,

-ocr page 140-

120

evenals dat van de kwelders in Groningen en Friesland afkomstig, ■wordt ook schooi geheeten. liet is gekenmerkt door eenige strandplanten als Zeezout-gras (Trichoglin), Zeeweegbree (Plantago maritima) en ronde Zeebies {Juncus hulhosus) enz., lieeft veelal eene bruine kleur en is gewoonlijk kort en fijn. Kuinre, Eemnes en Marken zijn de voornaamste plaatsen, vanwaar het inden handel komt.

Nog onderschoidt men hooi van de eerste snede ('t gewone hooi) ennahooi; het laatste is zacht en slap op het gevoel, heeft eene donkergroene kleur, een sterken reuk en bevat gewoonlijk geen bloemen. Het wordt voor minder voedzaam gehouden, evenals liet hooi van land dat voorgeweid is, en meer halmen van laatbloeiende grassen als Timotheegras, Struisgras, Zorggras en laatbloeiend Beemdgras (Poa serotine) bevat.

Valt er, terwijl hot gemaaide groenvoer, om te drogen op 't veld ligt, veel regen en moet liet, alvorens als hooi geborgen te kunnen worden, hier lang verblijven, zoo spoelen de oplosbare, dus de gemakkelijkst verteerbare voedingsstoffen uit of gaan dooi' rotting en broeiing voor een gedeelte verloren. Ja zelfs bij het gunstigste weer kan door de meerdere of mindere zorg bij hot hooien, II, bi. 78, minder of meer van de voedzamer blad-en bloemmassa verloren gaan en het verlies ItM'/o en meer bedragen. Een en ander kan ten gevolge hebben, dat de quantiteit ruwe celstof van 10 a 30% tot 40 a ó00/0 stijgt en de quantiteit ruw eiwit, suiker enz. naar evenredigheid minder wordt. En naarmate de hoeveelheid ruwe celstof grooter wordt, wordt ook do verteringscoëfficiënt, die voor het eiwit ongeveer GO, voor het vet 40 a GO, voorde stikstof vrije extractief stoffen GO a 70 en voor de ruwe celstof 40 a 00 bedraagt, geringer. Stutzer vond dat in weidehooi, 'twelk zeer lang aan regen was blootgesteld geweest, van het verteerbare eiwit 33.3—47.4 proc. verloren was gegaan, terwijl luzernehooi, dat 17—25 dagen beregend was, 2G.3—55.Ü prov. van het verteerbare eiwit verloren had. Een dergelijk verlies kon ook Limoges l) aantoonen. Ook bij een langer bewaren van hooi en dei-gelijk ruw voer neemt het gehalte af en wordt tie verteerbaarheid minder. Volgens onderzoekingen in Hohenheim daalde de verteringscoëfficiënt van het eiwit van etgroen-hooi, GO op het einde van October, tot 5G in 't midden van Januari en tot 55 op 't einde van Maart. In grashooi vond men, midden November, het eiwitgehalte 7.G5 en de verteringscoëfficiënt daarvan 55; einde Maart was het eerste gedaald tot op 7.12 0/0 en de verteringscoëfficiënt van dit eiwit was slechts 40. Hofmeister vond, van eenzelfde soort klaverhooi naardat het 1/2, 1 of 4 jaar oud was, als verteringscoëfficiënt voor het ruw-eiwit resp. C8.4, G5.0 en 50.7 %, en van de stikstofvrije extractstoffen 73.4, G3.1 en 40.7 n/,, Anderson vond in versch hooi 16.54 O/q water en 6.10/i, ruw-eiwit en na een jaar 13.13 0/o water en slechts 40/o ruw-eiwit. Ouder wordende verliest het hooi ook langzamerhand zijn kleur, reuk en smaak; liet wordt droger en stoffig en vormt niet alleen een minder voedzaam maar ook een minder gezond voedsel. Veel hangt ten deze echter ook af van do wijze waarop liet bewaard is; het best geschiedt dit op eene droge plaats en bij weinig afwisseling in temperatuur. Schadelijk voor do gezondheid kan ook

') Landiv. Wochenblalt f. Schleswij-Holstein, 1802.

-ocr page 141-

121

beschouwd worden beslijkt hooi (tengevolge van overstrooming of langdurigen regen), met roest bezet en beschimmeld hooi. Nieuw, nog niet uitgezweet, hooi is moeilijker te verteren dan het licht gebroeide en mag niet in te groote hoeveelheid gegeven worden, aangezien het dan stoornis in do spijs-vertering kan veroorzaken. Sterk gebroeid hooi is minder voedzaaam en wordt ook minder graag gegeten.

3. Stroo en ander gedroogd ruw voer. Van alle voedingsmiddelen is het stroo het rijkst tuin ruwe celstof, vooral dat van wintergraan. Zomer-graan-stroo bevat gemiddeld iets minder en wat meer eiwit en is dientengevolge ook verteerbaarder dan wintergraan-stroo.

Stroo van Zomergerst en Haver heeft dus eene grootere voederwaarde dan dat van Wintergerst, Tarwe en Rogge. Van alle stroo'soorten is roggestroo het hardst en het moeilijkst verteerbaar.

Rijker aan eiwit is het stroo van peulvruchten (boonen, erwten enz.); de celstof hierin is echter, vooral in boonstroo, van veel incrusteërende stoffen omgeven en dientengevolge minder gemakkelijk verteerbaar dan do celstof van het stroo der granen. Do meeste voederwaarde van deze stroosoorten heeft dat van linzen (7 proc. verteerbaar eiwit), daarop volgen boonstroo met 4 a 5 en erwtenstroo met ongeveer 3 proc. verteerbaar eiwit; het moeilijkst verteerbaar is, het 't best aan schapen te vervoeren, wikkenstroo met 3 a -JL proc. verteerbaar eiwit.

Wat hierboven opgemerkt is omtrent het verschil in voederwaarde van eene en dezelde soort van hooi, is ten deele ook op het stroo van toepassing. Inzonderheid is de graad van rijpheid, waarop eenig gewas gesneden is, van invloed op de samenstelling en verteerbaarheid van het stroo daarvan afkomstig , en in 't algemeen kan gezegd worden: hoe rijper de granen of zaden bij het zichten of maaien zijn, dos te harder is het stroo en des te geringer zijne voederwaarde; want zijn gehalte aan eiwit en stikstofvrije extractief-stoffen neemt onder deze omstandigheden af en de quantiteit ruwe celstof, er in aanwezig, is dan betrekkelijk grooter. — Als voeder alleen is stroo niet voldoende. Daartoe is de voedingsverhouding te wijd. Desniettemin vormt heteen zeer gepast voer, vooral voor de herkauwende dieren, ter verkrijging van het noodige volume bij do aan voedingsstoffen rijke granen, zaden, koeken en zemels, de waterrijke wortels en knollen en bij sappig, eiwitrijk groenvoer, bij het laatste ook om de opblazende werking daarvan tegen te gaan. Stroo met roest, meeldauw enz. bezet of door bladluizen aangetast en, naar het schijnt, ook het stroo van een geil gewas afkomstig, heeft niet zelden zenuwziekten vooral bij paarden ten gevolge.

Ook het hooi (stroo) van Lupinen, ofschoon rijk aan eiwit, bevat tevens bitterstoffen (alcaloïden) die veroorzaken dat het niet graag, vooral niet door runderen en paarden, nog wel door schapen gevreten wordt en soms ziekelijke verschijnselen (lupinose) veroorzaakt, waarom men met hot voeren daarmede steeds voorzichtig moet zijn; II, bl. 368. Hot best doet men met enkele dieren eerst de proef te nemen.

Bij gebrek aan ruw voer wordt ook wol het loof van boomen vervoederd en daartoe in Juli of Augustus verzameld en gedroogd, zijn gehalte :uin voedingsstoffen en de verteerbaarheid daarvan maakt het trouwens daarvoor wel

-ocr page 142-

122

geschikt l). Soms voert men in zulke gevallen ook gedroogd aardappelloof, maar daarmede dient men voorzichtig te zijn daar het vooral bij runderen ziekelijke verschijnselen kan geven l).

4. Kaf, peulen, hauwen enz. Over 't geheel is dit voer iets rijker aan voedingsstoffen en eenigszins malscher (armer aan houtvezel) dan het stroo der planten, waarvan het afkomstig is. Men dient echter te zorgen dat liet vrij van stof en frisch is, wanneer liet vervoederd wordt. Kaf van granen vormt, met uitzondering van dat der Gerst en Rogge, die wegens de daarbij voorkomende naalden licht aanleiding geven tot ontsteking van de slijmvliezen der mond- en keelholte en tot verstopping van de boekpens1), een zeer goed voeder voor rundvee. Slechts gebroeid of gekookt mag gerst- eu roggekaf gegeven worden. Haver- en tarwekaf geeft men liefst in vereeniging met wortels of met spoeling. Aan rundvee kan het ook afzonderlijk en droog gegeven worden, aan paarden wordt het bij voorkeur vochtig gegeven. Do peulen van boenen, lupinen enz. worden bij voorkeur aan schapen, het kaf van boekweit en lijnzaad aan varkens gevoederd. Koolzaadhauwen geeft men aan schapen, maar is ook passend voor mestvee, dat veel maagverslappend voer, b.v. zemels, dust enz. enz. ontvangt.

5. Knollen en wortels. Vormen hooi, stroo enz. het voornaamste droogvoer, de daarbij veelal gevoederde wortels en knollen zijn gekenmerkt door een groot watergehalte, 70~900/(|. De droge stof, 10—3üu/o, is arm aan eiwit en celstof, maar rijk aan stikstofvrije extractiefstoffen (suiker, pec-tinestoffen, zetmeel). In passende verhouding met hooi of stroo gevoederd, mogen hare voedingsstoffen als geheel verteerbaar worden beschouwd. Alleen of ook in te grootc hoeveelheid bij ander voer gegeven, verslappen zij de spijsverteringsorganen te veel. Maar met hooi of stroo en krachtvoer (graan, koeken enz.) in gepaste hoeveelheid worden zij vrij algemeen als een voortreffelijk mest- en melkvoer voor de herkauwende dieren beschouwd. Voor paarden worden de gele wortels 't meest aanbevolen.

De belangrijkste tot veevoeder gebruikte wortels en knollen zijn: a. aard-appds, algemeen voor varkens, in sommige streken en in sommige jaren bij grooten voorraad ook voor runderen en schapen als mestvoer of ook in niet te groote hoeveelheid voor melkvee gebruikt. De meeste aanbeveling verdienen hiertoe eiwitrijkere en zetineelarmere soorten. Bevrozen, rottende, ontkiemde en door ziekte aangetaste aardappels zijn schadelijk, b. Mangelworlch, c. jde wortels, d. koolrapen en stoppelknollen, enz. welke meestal aan melk- en jongvee gegeven worden en e. topinamboers en pastinaken, waarvan nochtans een zeer beperkt gebruik wordt gemaakt.

ü. Granen en zaden. Wegens hun groot gehalte aan voedingsstoffen worden deze vooderiniddelen terecht met den naam „krachtvoerquot; bestempeld.

De droge stof, die zij ter hoeveelheid van SO a 90 quot;/o of iets meer of minder bevatten, bestaat bij de granen voor i/y of i/s, 'Al erwten, boonen enz. voor ongeveer Xj-t en bij de oliezaden voor 1/4 uit eiwitaehtige stoffen. De rest der droge stof bestaat bij granen en de zaden der peulvruchten grootendeels

1

) JJ a rn m a n n, Gesundheil.spflegc.

-ocr page 143-

123

uit zetmeel, bij de oliezaden deels uit olie, deels uit plantenslijm, enz. liet gebruik van laatstgenoemde zaden tot veevoeder is zeer beperkt, dat van granen, boonen, erwten enz. meer algemeen.

Daaronder bekleedt, als voeder voor paarden en jong vee .en voor drachtige en zoogende koeien en schapen, de haver wegens hare gemakkelijke verteerbaarheid eene eerste plaats. In do laatste jaren heeft zij als paardenvoeder slechts een geduchte concurrent gevonden in de mais en soms ook in gerst. Als mestvoer voor rundvee en varkens was de mais reeds lang gunstig bekend. Gerst wordt in warmere landen aan paarden, hier te lande meer aan mestvee gegeven. Rogge is minder gemakkelijker te verteren en wordt het meest aan varkens en aan mestvee gevoederd, slechts bij uitzondering aan paarden, b.v. bij paarden die zwaar werken, kan men 1/4—1/2 van het rantsoen haver door rogge vervangen. Aan weinig of niet-werkende paarden veroorzaakt zij licht stoornis in de spijsvertering en koliek. Tarwe is veelal te duur om tot veevoeder gebruikt te worden; waar dit geschiedt dient zij voor mestvoer. Boonen, erwten enz. dienen vooral tot vetmesting, maar zijn, bij ander voer in gepaste hoeveelheid, ook wegens haar phosphorzuur-, kali- en kalkgehaite zeer gepast voor jongvee. Van de oliezaden wordt het meest gebruikt het lijnzaad voor melkvee en ten achtergebleven jong vee. In sommige streken dienen ook de eikels, de paardekastanjes en de zaden van andere boomvruchten tot veevoeder. Wegens hun looizuurgehalte dient men bij hot gebruik daarvan voorzichtig te zijn. Het best passen ze voor varkens. AVil men zo in eenigszins groote hoeveelheid aan herkauwende dieren vervoeren, zoo doet men het best ze te schillen en te verdoelen en ze eenige dagen onder herhaalde vernieuwing met koud water uit te trekken. Ook worden dergelijke zaden wol geroosterd, om ze smakelijker te maken en ze beter te kunnen bewaren.

Het klimaat, de grond enz. hebben ten gevolge, dat ook in de samenstelling van eene en dezelfde soort van graan of zaad vrij wat verschil gevonden wordt en deze daardoor als veevoeder meer of minder waarde of geschiktheid krijgt. Dezelfde graansoort heeft derhalve in verschillende oogstjaren niet ■ütijd hetzelfde gewicht en daarmede ook niet dezelfde voederwaarde, zooals uit de volgende bepalingen van Schindler blijkt:

Gewicht van Gewicht van UlOO Oogstjaar. 1 Liter in grammen. korrels in grammen. 1885 790.-1 32.87

Heine's tarwe

1886 783.8 28.80

1887 765.6 27.54

1888 782.2 30.91

1889 727.5 25.62

Mold's roode tarwe

1886 778.3 37.87

1887 782.8 30.67

1888 788.2 38.87

Vooral in haver bestaat een groot verschil. Goede voerhaver moet een dunnen glanzigen bast bezitten en uit droge, vaste en harde korrels bestaan, niet ontkiemd noch gebroeid zijn en geen muffen reuk hebben. Om de kleur en de reuk te verbeteren of haar beter togen bedcif te bewaren, wordt veel

-ocr page 144-

124

haver gezwaveld. Dczo haver heelt, wanneer de oorspronkelijke kleur niet zwart is, eeue dofwitte kleur on niet de frissche reuk aan goede haver eigen. Nieuwe haver en zoo ook nieuwe rogge zijn niet nadeelig voor de gezondheid maar minder gemakkelijk verteerbaar en moeten daarom slechts met mate vervoederd worden.

Gelijk bekend, dient tor bepaling van de meerdere of mindere waarde van granen of zaden veelal het volume-gewicht, dat is het gewicht van 1 liter of 1 hectoliter en wordt aangenomen, dat de waarde van hot zwaardere graan naar evenredigheid meer stijgt dan het volume-gewicht, vooral bij tarwe en bij brouwersgerst, waar de waarde vooral moet gezocht worden in het zet-meelgehalte. Met het gewicht van een hectoliter daalt bij rogge, tarwe en gerst hot getal korrels daarin aanwezig en neemt het gewicht en de grootte (het volume) van ééne korrel toe. En aangezien eene zware en groote korrel meer voedingsstoffen bevat (vergelijk II, bi. (3) vermeerdert natuurlijk hare waarde niet het gewicht. Niet altijd echter is liet korrelgewicht evenredig met het volumogewicht, zooals uit de volgende bepalingen van Schindler bij

tarwe blijkt:

Dikkop uit Engeland Mold's tarwe uit Engeland Boheemsche tarwe Spolding uit Engeland

quot; )! J)

Dikkop „ „

Hongaarsche tarwe uit Bandar Lijflandsche tarwe Moravische win tertarwe Landtarwe uit Neder-Oostenrijk

Gewicht van 1 Liter in grammen

71;

732.8 74:3.0 744.0 753.0

767.9 772.2 772.7 788.2 800.0

:.o

Gewicht van 1000 korrels in grammen 30.54 30.07 37.77 32.18 38.40 38.20 32.1G 37.52 38.87 30.63


Vooral bij haver neemt liet getal korrels niet altijd toe als het hectoliter-gewicht afneemt en ook liet gewicht van eene korrel in veel mindere mate af. Hier is de zwaarte grootendeels afhankelijk van de dikte van den bast, dat is hoe dikber bast, hoe lichter naar evenredigheid de korrel. Een en ander blijkt uit de volgende bepalingen van A. Muller l).

winterrogge wintertarwe

Gewicht van 1 hectoliter Getal korrels in 1 hectoliter Gewicht van eene korrel Specifiek gewicht Volume van eene korrel

a

77 KG. 2817606 25.8 mG.

1.39 18.6 cM3

62.4 KG. 4537215 12.9 mG. 1.39 9.3 cM3

a

86.9 KG. 2403583 32 mG.

1.39 23.1 cM3 55.9 KG. 3993903 13.2 mG. 1.39 9.5 cM^


Voorts werd gevonden bij witte haver:

a

62.6 KG. 1944016 30.5 mG.

54.2 KG. 1744822 29.2 mG.

45.7 KG. 1547073 27.9 mG.

Gewicht van 1 hectoliter Getal korrels in 1 hectoliter Gewicht van eene korrel

Nobbe, llantlhuch der Sameakunde.

-ocr page 145-

125

G. Wmider vond in 1 hectoliter gerst van 70.7 KG. 1339000 korrels.

en „ 1 „ „ „ 53.9 KG. 2353848 „

Hoe mi het gehalte aan voedingsstoffen rijst of daalt niet het volnmegewieht,

blijkt uit de volgende bepalingen

van A.

Muller

1 on G.

Wunder.

winterrogge

wintertarwe

gerst

haver

a

h

a

h

a

b

a

b

Hectolitorgewicht

77

02.4

80.9

55.9

70.7

53.9

02.0

45.7

KG.

KG.

KG.

KG.

KG.

KG.

KG.

KG.

Water

18.8

16.5

15.7

15.0

20.9

19.8

14.7

14.0

Eiwitstoffen

n.i

10.1

11.8

13

9.5

10.7

0

8.0

Vet

Sfikstofvr. oxtr.st.

2.3 65.4

2.8 04.2

2.0 05.8

2.4 61.2

} 00.9

00.1

58.5

57.2

(waarvan zetmeel)

(65)

(03.0)

(04.4)

(58.8)

(56.1) (54.7)

Ruwe eelstof

3.5

4.0

2.5

0.0

5.9

0.4

8.5

10.7

A sch

1.4

1.8

1.0

1.8

2.7

3

2.75

2.7

100

100

100

100

100

100

100

100

Met het volnme-(hecto]iter-)ge\vicht daalt dus duidelijk liet zetmeelgehalte ton honderd en stijgt hot gehalte .aan ruwe eelstof. Do hoeveelheid ton honderd van het eiwit is bij rogge, tarwe en gerst iets grooter, bij haver iets geringer in hot lichtere graan. De voedingsverhouding, gesteld dat de verteerbaarheid dezelfde blijft, is in lichtere rogge, tarwe en gerst dus iets nauwer dan in zwaardere.

In een hectoliter licht graan is natuurlijk absoluut minder eiwit, enz. aanwezig dan in 1 hectoliter zwaar graan. Zoo b.v. in 1 hectoliter van de hierboven vermelde wintertarwe.

water

eiwit

vet

zetmeel

eelstof

asch

86.7 KG.

13.6

10.3

1.2

55.9

2.2

1.4

55.9 „

8.7

7.2

1.3

32.2

3.4

1.1

Maar 100 KG. lichte rogge, tarwe en gerst bevat, volgens bovenstaande bepalingen wat meer eiwit en ruwe eelstof en minder zetmeel dan 100 KG. zwaar graan. De stand der marktprijzen, het beschikbaar ander voer enz. moeten nu beslissen wat het doelmatigst is, zwaar of licht graan te voeren.

Soms wordt ook ongedorscht graan, haver of rogge vervoederd. Dit is altijd min of meer gevaarlijk. Geschiedt het in den oogsttijd als het graan nog versch, soms gedeeltelijk onrijp is, zoo veroorzaakt hot vaak koliek, althans bij paarden, en doet men het in den winter, zoo is hot veel meer mot stof bezet, dat eveneens ziekteverschijnselen kan veroorzaken, dan het gedorschto graan en stroo.

7. Bijproducten van fabrieken. Sommige landbouwproducten worden of in 't geheel niet öf slechts in beperkte hoeveelheid direct aan het vee gevoederd. Daartoe behooren do oliezaden en do suikerbieten. Maar ook 't gebruik der granen tot direct veevoodor is betrekkelijk gering; grootendools worden zij in fabrieken verwerkt tot meel of voor het bereiden van spiritus, bier enz. gebruikt.

Do fabrikant heeft slechts een enkel doel, veelal slechts een enkel bestand-dool van hot landbouwproduct noodig. l'it de oliezaden wordt de olie geperst.

-ocr page 146-

126

uit do bieten do suiker getrokken. Den meelfabrikant is liet om de kern van 't graan te doen; voor den bierbrouwer, den brander en stijfselfabrikant is het zetmeel van 't graan van 't meeste belang. Zetmeel, suiker en olie nu zijn voor de voeding van vee wel van belang, maar zij komen, schoon dan moer onzuiver, veelal in andere voedingsmiddelen: stroo, hooi, wortelgewassen enz. in genoegzame hoeveelheid voor. In allen gevalle hebben het zetmeel dei-granen, de olie der oliezaden en de suiker der suikerbieten en veelal ook de kern van eenig graan voor andere doeleinden meer waarde dan voor veevoeder, te meer wijl zij geenszins kunnen dienen om de waarde van den mest te verhoogen. Do fabrikant verzamelt echter ook zooveel mogelijk de overige bestanddeelen der verwerkte plantaardige stoffen, als bijproducten van zijn fabricaat en het zijn deze, die wegens hun gehalte aan stikstofhoudende stoffen en enkele stikstofvrije stoffen niet zelden nog eene hooge waarde hebben als veevoeder en, wegens hunne aschbestanddeelen vooral, als mest. Daarin vooral is het nut gelegen van liet verbinden eener fabriek met de boerderij: de voor andere doeleinden meer waardige producten, als zetmeel, suiker, spiritus cn olie worden uitgevoerd; de voor veevoeder nog bruikbare stikstofhoudende en stikstofvrije stoffen en de als mest zoo nuttige aschbestanddeelen blijven op de boerderij. Zie I, bl. 414.

De belangrijkste producten van fabrieken zijn in de tabel achter dit Dool vermeld. Die van de beet wortel suikerfabrieken hebben, naar de hoedanigheid dor wortels, eene verschillende waarde. Over 't geheel zijn zij rijk aan water. Do strooi) of melasse wordt hier als veevoeder nog weinig gebruikt, meer in Noord-Dnitschland, waar zij op de boerderijen met stroohaksel wordt vermengd of ook wel uitgeloogd en als drank gegeven. In de laatste jaren wordt zij aan de fabrieken ook wel vermengd mot 20 a 25 proc. turfmolm, mot 50 proe. palmkookineel of met 50 proc. maiskiemkoeken enz. en zoo in den handel gebracht. Het voedend bestanddeel van melasse is hoofdzakelijk suiker, maar zij bevat bovendien een groot gedeelte der aschbestanddeelen van de bieten, die haar een alkalische reactie geven en waardoor zij licht diarrhee veroorzaakt. Hot anders voor de voeding waardolooze turfmolm moot nu dienen om door zijn gehalte aan humuszuren de alkalische reactie weg te nemen. Over do waarde van dergelijke preparaten wordt nog verschillend geoordeeld. Soms dienen zij ook om minderwaardige melasse aan den man te brongen. Meer aanbeveling verdient het daarom de melasse zolvo aan to koopen, met water te verdunnen on eiken dag of in allen gevalle niet te veel in eens, in passende verhouding met haksol, zemelen enz. te vermengen. Do pnlpo (do Schnitzel der Duitschers) komt thans in Duitschland ook gedroogd in don handel voor, hier te lande, voorzoover wij weten, nog niet.

Op zich zelve zijn deze bijproducten niet bruikbaar; zij moeten met stikstof-rijker voeder (b.v. koeken) on ander droog voer (stroo of hooi) en, voor do gezondheid dor dieren, niet in groote hoeveelheid gegeven worden.

Do overgebleven vezels der aardappelmeelfabrieken hebben veelal cono zeer geringe voeder waarde. Meer waarde hebben de overblijfselen der stijfsolfabriekon (tarwe- en roggodraf) en het glutenmeel. — Van de bijproducten der branderijen on bierbrouwerijen vormen do moutkionien oen zeer krachtig, do waterige spoeling of slonipo een zoor slap voor; beide zijn echter, wegens hun betrek-

-ocr page 147-

kelijk hoog chvitgohalte, zoor gopast bij stroo, kaf, hooi enz. De spoeling werkt wegens hare waterigheid verslappend op de spijsverteringsorganen en mag nooit in te groote hoeveelheid gegeven worden. In de laatste jaren hoeft men zo door uitpersing droger en daardoor ook meer gemakkelijk vervoerbaar trachten to maken (spoelingkoeken en gedroogde spoeling). Het moest gepast is zij voor mest- en melkvee. Drachtige en zoogende kooien, jong vee en paarden voegt zij niet. Een onachtzaam voeren, vooral van zuur gewordene spoeling heeft niet zelden verschillende ziekten bij het rund tengevolge. — Do afval iler meelfabrieken, de zemels, zijn veelal iels rijker aan eiwitachtige sloffen dan de granen zelve, waarvan zij afkomstig zijn; zij vormen een zooi-gepast voor voor mest- en melkvee en, wegens hun gehalte aan phosphorzure zouten, ook voor jong vee. — Nog rijker aan eiwit zijn de koekon der olio-slagorijen; al naar de zaden, waarvan deze afkomstig zijn en do meerdere of mindere zorg, waarmede het persen heeft plaats gehad, is er echter nog vrij wat verschil in hunne voederwaarde. Zoo onderscheidt men bij lijnkoeken harde en zachte, naardat het persen bij eene hoogere of lagere temperatuur hooft plaats gehad. Daarbij komt, dat niet allo met dezelfde graagte door het vee gegeten worden; er zijn er onder, b.v. raap-on doderkookon, die, wegens hun gehalte aan vluchtige oliën, een min of meer bitteren smaak en reuk hebben en deze ook wol aan de melk mededeelen bij hot voederen aan melkvee. Raapkoeken kunnen bij oen to hoog gehalte aan mosterdolio, wat bij die nit Indisch zaad geslagen niet zeldzaam is, zelfs vergiftig zijn. Hun gehalte daaraan mag niet hooger wezen dan 0.5 procent. Een goeden naam hebben, wegens den smaak en als zeer gezond voedsel, de lijnkoeken en do palm- en katoenkoeken. De laatste worden tegenwoordig bijna uitsluitend van gepeld zaad in den handel gebracht, daar de harde zaadhuid slechts weinig voeder-waarde hooft niet alleen, maar wegens de nog aanhangende katoonvezels ook voor de gezondheid dor dieren nadoelig is. Do palmkooken zijn evenals de kokosnootkoeken minder rijk aan eiwit maar zeer gezocht voor melkvee, daar zij gunstig op de melkafscheiding werken. Rijk aan eiwit zijn daarentegen do aardnootkoeken, eveneens uit gepeld zaad geslagen en de sosamkoeken. Behalve als koeken komen deze bijproducten der oliefabrieken ook in don vorm van meel in den handel voor, wanneer namelijk de olio niot door persen maar door uittrokking, b.v. met benzine uit de zaden vorkregen is.

Nog eene menigte zaden meer kunnen zoo olie en kook of meel leveren: Dl. II, bl. 227. Niet zelden worden deze echter met de moor bekende zaden, b.v. lijnzaad, vermengd en komt de afval als vorvalscht bestanddeel in domoor gangbare koekon voor. Eene dergelijke vervalsching is vooral daarom in het oog te houden, omdat sommige dezer vreemde zaden als het ricinus- en het mosterdzaad, voor het vee schadelijke bestanddeelen bevatten; zio hierboven.

Als voedingsmiddelen van dierlijlcrn oorsprong komen vooreerst in aanmerking do melk en de bijproducten der boter- en kaasmakerij: afgeroomde melk, karnemelk en wei. Bij de zuivelbereiding komen wij daarop terug. Voorloopig verwijzen wij voor de samenstelling dezer stoffen naar de tabel. Verder moeten hier nog worden vermeld: vleeschmecl, het gedroogde overblijfsel dor vloeschextract-fabrieken in Zuid-Amerika, met 10 a 13 O/u water, 72 a 73 quot;/n eiwit (vort. coeff. Oö) en 11 a 120/(| vet (vort. coeff. fl.S) en meikevers, waarin

-ocr page 148-

128

gedroogd 13.2o/o water, 550/0 eiwit (vert. eoeff. 77) en 11% vet (vort. cooff. 83) gevonden werd, die bij oen eiwitarm voer, b.v. aardappels, een geschikt voer voor varkens vormen; hloedmelasse, mengsel van bloed en melasse en daarbij gevoegd kaf, zemels enz. om het te laten opzuigen, waarna de ver-kregene melasse door kneden, persen en drogen in den vorm van koeken of grof poeder gebracht wordt; peplonvocder, een product van de Berlijnsche veemarkt, bestaande uit gerstenmeel uit de ingewanden der geslachte varkens, bloed en fijn gehakseld hooi; Iropoiiafval, kalfroom enz.

Evenals do relatieve prijs der meststoffen bepaald kan worden naar den prijs harer waardegevende bestanddeelen, zie I, bl. 420, zoo is men ook gewoon de waarde van een voedingsmiddel in geld uit te drukken naar het gehalte en don prijs der verteerbare voedingsstoffen, die het bevat. Voor de voederwaarde is het onverschillig of die verteerbare voedingsstof in hooi, in stroo of in gras enz. voorkomt; zie intusschen de noot op bi. 129. Neemt men derhalve de verteringscoefficiënten in aanmerking, zoo is het niet noodig nog een afzonderlijken prijs voor het eiwit in graan en een anderen voor dat in hooi enz. aan te nemen. Omtrent de relatieve waarde van de verschillende voedingsstoffen loopen de gevoelens echter nogal uiteen. Aangezien in veel normaal veevoeder op 1 deel verteerbaar zuiver eiwit 6 deelen verteerbaar stikstofvrije stoffen voorkomen, stelde J. Kühn de waarde van 1 deel verteerbaar eiwit gelijk aan G deelen stikstofvrije stoffen en ouder deze 1 deel vet gelijk aan 2.4 deelen stikstofvrije extractstoffen, terwijl van de verteerbare eelstof door hom slechts de helft in waarde werd aangeslagen, en de stikstof-houdende niet-eiwitstoffen met de verteerbare stikstofvrije extractstoffen m waarde gelijk werden gesteld.

Tegenwoordig echter wordt in Duitschland meer de waardeberekening volgens Emil AVolff (Lehmann) gevolgd en 1 KG. verteerbare koolhydraten (stikstofvrije extractstoffen) als waarde-eenheid aangenomen, terwijl de prijs van 1 KG. verteerbaar onzuiver eiwit (eiwit en amid) drie maal en die van hot vet twee maal hooger wordt gesteld. De prijs van de verteerbare eelstof wordt even hoog als die der koolhydraten aangeslagen, maar men brengt slechts de helft in rekening, bl. 114; zoodat de verhouding wordt tusschen eiwit en de overige stoffen ,als 3:2:1: l/o. Voor eene vergelijking wordt dan de prijs van eéne waarde-cenheid berekend. Nemen wij daarvoor lijnkoek van eene samenstelling als in do tabel is opgegeven en stollen wij daarvoor een marktprijs van /9.50 do 100 KG. Wij krijgen dan:

verteerbaar eiwit 22.7 X 3 = 74.1 waarde-eenhodon.

vet 3.G X 2 = 19.2

„ extractstoffen 25.7 X 1 = 25.7 „

,, eelstof 4.1 X 1l2 — 2.5 „

Samen......121.5 „

9.50

Een waarde-eenheid kost dus: r — 7.8 cent, on 1 KG. verteerbare

121.5

eelstof 3.9, 1 KG. stikstofvrije extraetstoffen 7.8, 1 KG. verteerbaar vet 15.G en 1 KG. verteerbaar eiwit 23.4 eent.

-ocr page 149-

12f)

Naar dezen nifuitstaf i) den prijs van eenige andere koeksoorten borekenonde, zal men bv. vinden voor 100 KG. aardnotenkoek /quot;12.24 en voor 100 KG. katoenkoek / 11.47. En toch zijn deze koeksoorten aan de markt in den regel lager in prijs dan lijnkoeken. Dit komt o. a. omdat men aan lijnkoek nog eene bijzonder gunstige werking bij de voeding toeschrijft en ze dus meer gezocht is.

Bij aankoop van koek onder controle van een proefstation hier te lande wordt behalve zuiverheid gewoonlijk slechts het onzuivere eiwit- en vetgehalte gegarandeerd en daarbij eene waardeverhouding tusschen eiwit, vet en overige stikstofvrije stoffen aangenomen van 4:3:1. Do hoeveelheid dezer laatstgenoemde stoffen wordt dan niet bepaald maar geschat: in lijnkoek b.v. op 28 proc.

Aangenomen nu dat de bovengenoemde lijnkoek verkocht is voor /'9.Ö0 en daarin gegarandeerd 28.5 proc. eiwit en 10 proe. vet, dan wordt eene waarde-eenheid als volgt berekend:

stikstofvrije stoffen 28 X 1 = 28 waarde-eenheden.

vet 10 X 3 == 30

eiwit 28.5 X ^ = 114 „

Samen .... 172 „

950

Eene waarde-eenheid kost dus: ^ - = 5.5 cent, dat is 1 KG. eiwit22et,

1 KG. vet 16.5 cent en 1 KG. overige stikstofvrije stoffen 5.5 cent.

Mocht nu bij het onderzoek blijken dat de lijnkoek slechts 26.4 proc. eiwit en 8.5 proc. vet bevat, dus 2.1 proc. eiwit en 1.5 proc. vet te weinig, dan kan 2.1 X 22 1.5 X 16.5 of 40 25 = 71 cent op de 100 KG. gekort worden.

Naast de voederwaarde moet ook de mestwaarde van een voedingsmiddel niet uit het oog verloren worden. Immers een groot gedeelte van de stikstof en van de aschbestanddeelen gaat met de uitwerpselen in den mest over en verhoogt of liever bepaalt daarvan grootendeels de waarde. Zie I, bi. 37G.

1) In plaats van de verhouding 3:'2:1, nam men vroeger die van 5:5:1 aan. Volgens König is de verhouding 2.5:1.5: I beter. Dergelijke berekeningen zijn opgemaakt uit de marktprijzen. Bij het berekenen van den prijs in de tabellen van Wolll' is 1 KG. koolhydraat op quot;11 Pf., I KG. vet op 22 Pf. en 1 KG. eiwit op 33 Pf. gesteld, in Ned. munt dus resp. ongeveer 0.5, 13 en 19.5 cent. Werner meent dat, ofschoon deze prijsbepaling juist moge zijn voor voedermiddelen die geregeld op de markt verhandeld worden, zij voor de producten uit de boerderij als hooi, stroo enz. te hoog is en stelt baar 20 proc. lager. — Ook andere omstandigheden dienen nog bij eene dergelijke berekening in aanmerking te worden genomen. In voedermiddelen, die b.v. ook door den inensch of voor andere doeleinden worden gebruikt, als melk, tarwe, rijst enz. is de prijs van eene voedereenheid veelal hooger, in voedermiddelen die meer afval zijn b.v. pulpe of waarin naast zuiver eiwit veel amiden voorkomen, b.v. groenvoer, of scbadelijke bestanddeelen bevatten, b.v. lupinen, lager. Verder dient men in aanmerking te nemen, dat hetgeen in de tabellen als vet wordt opgegeven, onzuiver vet of juister aetberextract is en dit van sommige voedermiddelen als groenvoer, hooi, stroo en persvoer zeer onzuiver kan zijn. In zoo'n geval is het beter dit niet als vet aan te slaan maar bij de andere stikstofvrije stolfen te voegen en derhalve er geene hoogere voederwaarde aan toe te kennen.

REixnF.RS, 111. Vierde, druk. 9

-ocr page 150-

Nemen wij met Wolff aan dat 1 KCgt;. stikstof als In de handelsmeststoffen oen waarde heeft van (iG ct., 1 KG. plïösphorzuur van 30 et. en 1 KG. kali van 12 ct. en dat van de stikstof in het voedenniddel de helft en van het lihosphorznnr en 't kali twee derde in den mest tereebt komt, dan heeft 1000 KG. vervoederd hooi eene mestwaarde van

Stikstof = 7.7quot;) a 00 ct....../5.11

Phosphorznnr 4.3 X 2/3 = a 30 „.....„ 0.S7

Kali 16X2/3 = 10.6 a 12 „.....„1.27

/•7.2.quot;)

on 1000 KG. lijnkoek eene incstw;mrdo van

47.2

Stikstof =23.0 a 06 ct....../quot;15.58

Phosphorznnr 10.2 X 2/3 — 10-8 a 30 „ . . . . „ 3.24

Kali 12.5 X 2/3= 8-3 a 12 ....... 1.—

/quot;19.82

De mestwaarde van lijnkoeken is dus meer dan tweemaal hoogor als dio van hooi.

B. Het tokiikrkedkx van vkkvoeukk.

Behalve door de wijze, waarop eenig voedingsmiddel geteeld, geoogst en bewaard is, kan nog op de verteerbaarheid zijner voedingsstoffen invloed worden uitgeoefend door eene bijzondere toebereiding, 't Doel dier bereiding kan tevens zijn; het voedsel smakelijker en meer geschikt to maken om door hot vee te worden opgenomen, in enkele gevallen ook om het beter te bewaren.

Wortels en knollen worden in stukken gesneden of tot moes gemaakt om zo beter met liaksel enz. to kunnen vermengen on het stikken der dieren in te groote brokken to voorkomen. Te klein mogen do stukken echter niet zijn, daar deze door de dieren licht ongokanwd doorgeslikt worden en zoo juist aanleiding tot verstikking kunnen geven. Bovendien gaat mot het fijner verdoelen (tot moes) ook moor sap verloren.

Slroo en grofstcngelici hooi snijdt men tot haksel; het wordt daardoor meer geheel door de dieren opgevreten en, mits goed gekauwd, beter verteerd. Hoofddoel van hot hakselen is echter, genoemde voodormiddelon mot ander voeder, b.v. haver on wortels, te kunnen vermengen. Gras on klaver worden to dien einde ook wel gesneden, om zo met stroohaksel to kunnon vermengen. Kan men over eono genoegzame hoeveolhoid stroo beschikken, dan is het snijden tot haksel minder noodig of nuttig; men kan dan hot beste door de dieren laten uitzoeken on het overschot tot strooisel gebruiken. Goed hooi wordt ook het bost ongohaksold vervoederd.

Wordt hot stroo tot haksel gesneden dan moet dit in geen geval to kort zijn, daar hot anders niet good gekauwd en met speeksol vermengd wordt: voor runderen on schapen ongeveer 2.5—5 cM., voor paarden niet korter dan 1—2 cM. Fijner gesneden haksel veroorzaakt verstopping en daardoor dikwijls koliek bij deze dieren. Voeder, dat niet slechts hard maar bovendien van

-ocr page 151-

131

stekels of aiuloro aanhangsels voorzien is, b.v. do Gaspeidoorii {fllrx eiiropaeiiK) of boomrijs moot bovendien geplot worden, waarvoor bepaalde niaoliines bestaan i).

Granen en xadrn worden ijeplel, gebroken of gemalen. Hot piotten lieott ton dool hot kauwen bij jongo en oude dieren moor gomakkolijk temaken en, mochten do korrels in hun geheel doorgeslikt worden, door hot verbreken der vrucht- en zaadhuid don inbond met de vertoringsvochten beter in aanraking to brongen. Het plotten wordt vooral toegepast bij lijnzaad en bij haver soms voor paardonvoedor. Eon veelvuldig gebruik van geplette haver schijnt echter aanleiding te kunnen geven tot verslapping; merkt men dus dat do haver ongeplot goed gekauwd wordt (weinig hoelo korrels in do uitwerpselen worden gevonden), zoo is 't beter liet plotten achterwege te laten. Ook is het vermengen dor graankorrels mot liaksol oen middel om ze beter te doen kauwen en daardoor de vertering mogelijk te maken. .1. Lohmann vond b.v., dat bij kalver op den leeftijd van 1/2—1 jaar, van hot hun gegeven gerst- en haver-rantsoon ongeveer do helft minder ongekauwdo korrels in de uitwerpselen voorkwamen, wanneer iiot met liet dubbele gewicht baksel dan wol zonder dit vervoodord werd.

Voor rnndoron en varkens worden de granen en zaden (vooral gerst en boonen) meer gebroken of gemalen, veelal met water oenigszins vochtig gemaakt of met water en baksel vermengd, gegeven, vooral aan mestvee.

Harde korrels b.v. boonen, erwten en maïs laat men ook wel weeken, om ze den dieren gemakkelijker to doen kauwen. Voor dit weeken dient men niet meer water te nemen als volstrekt noodig is, aangezien de voedingsstoffen anders uitgeloogd en met het overtollige water verwijderd worden. Alleen de lupinen worden mot eene grootore, ongeveer de drievoudige hoeveelheid water overgoten en daarbij G—10 proc. van het gewicht dor korrels ammonia gevoegd, om de bittere stoffen en liet vergiftige ictrogen weg te nomen. Deze vloeistof laat men, onder herhaald omroeren, 2—3 dagen er op staan, kuit zo dan afloopon en wascht do lupinen herhaaldelijk met koud water af. Andere middelen 0111 do lupinen smakelijker en gezonder te maken zijn verdund zoutzuur en hot stoomon, II, bl. 3ö.S.

Hot broeien, koken of aioomen van 't voeder heeft een gelijk doel; en ofschoon uit verschillende j) roe ven geblekon is. dat hot nuttig effect van hot voeder daardoor weinig of niet wordt verhoogd, wordt het in vele gevallen toch smakelijker en eten do dieren er meer van. Ook is het toedienen van warm voedsel daarom nuttig, omdat het lichaam daardoor warmer gemaakt wordt en dus voor do voortbrenging van warmte minder voedingsstof verbruikt behoeft te worden. Hot stoomon wordt beter geacht dan hot koken, daar hot voeder daarbij minder vocht opnoemt; het broeien is vooral daar van toepassing-waar hot eene voodermiddel, b.v. aardappels, in gokookten of gestoomden toestand en nog warm mot een ander voodermiddel, b.v. meel vermengd zal worden. Het meest gepast is dergelijk toebereid voeder bij mestvee (varkens en runderen). De voodormiddolen, die men deze bewerkingen doet ondergaan, zijn velerlei: aardappelen, knollen, kaf, peulen en hauwen, hardstengelig on oenigszins beschimmeld hooi en stroo enz. In ons land is deze wijze van

1) yed. Landt). Weekblad, 2e jiiargang,

-ocr page 152-

132

toebereiding vooral in Noord-Brabant in gebruik. Hier gaat dagelijks de sop-ketel te vuur. In dien sopketel wordt zoo wat alles gekookt, wat nog eenigs-zins naar eten gelijkt: knolgroen en knollen, groene en droge spurrie cn voorts stroo, kaf en doppen van dit gewas; aardappels, wortels, koolzaadhauwen, vlasdoppen, kaf on klaver en granen, nahooi en stroo tot haksel gesneden en soms karnemelk en het overschot van 't middageten. Eerst vult men den ketel met loof, knollen enz. in stukken gesneden, giet daarop water en drukt het houten deksel stevig op de massa, die, na eenigen tijd verwarmd te zijn, sterk ineenzakt. In den winter voegt men dan behalve water, nog kaf, nahooi, spurriehooi enz. toe en laat eenigen tijd doorkoken. Als do sop gaar is, wordt niet langer opgestookt, maar de luchttoegangen van den vuurhaard gesloten en zoo de ketel warm gehouden. Bij het voederen, dat des winters driemaal en warm en des zomers tweemaal per dag en koud geschiedt, wordt bij do sop meel, in water verdeelde raapkoeken, spurriezaad, karnemelk enz. gevoegd l).

Door het broeien enz. wordt vooral tie natuurkundige toestand van het voeder veranderd; zijne verschillende deelen worden meer los en opengelegd; ook kan een begin eener scheikundige verandering daarbij reeds zijn ingetreden, waarbij de voedingsstoffen meer oplosbaar worden gemaakt.

Op do eenvoudigste wijze kan zulks geschieden, door haksel, kaf enz. met in stukken gesneden of tot moes gemaakte wortels te vermengen en eenigen tijd op eene warme plaats te laten (zelfverhitting). Een te sterk broeien of veel gebroeid voer wordt echter voor de herkauwende dieren geenszins voor-deelig geacht, het verslapt de verteringsorganen te zeer. Geheel ondoelmatig wordt daarom door velen het koken en broeien van 't voeder voor jongvee beschouwd, of in 't algemeen voor vee, dat des zomers weder in de weide gaat. Ook is een goed zuiver houden der broeibakken volstrekt noodzakelijk, om het zoo nadeelige beschimmelen van 't voer te voorkomen. Zeer gepast komt ons de in Engeland niet zelden gevolgde methode voor, dat men haksel met tot moes gemaakte wortels vermengt, hierop eene zekere hoeveelheid gekookt lijnzaad giet, en dit 24 uur, alvorens te vervoederen, laat staan.

Eene groote scheikundige verandering ondergaat het voeder, wanneer men b.v. het graan laat ontkiemen en tot mout maakt, gelijk de Engelschman niet zelden ten behoeve van zijn mestvee doet, of stengels, bladeren enz. van verschillende afkomst inkuilt of door samenpersing in eenen hoop bewaart. Bi] het mouten van granen (gerst en tarwe) wordt het zetmeel in gom en suiker omgezet en in dezen vorm zeer gemakkelijk uit het darmkanaal opgenomen. Het graan verliest echter daarbij iets in gewicht, en 't is de vraag of do betere vertering van 't voedsel tegen dit gewichtsverlies en don arbeid, die aan het mouten besteed moet worden, opweegt. Ook het zetmeel der aardappelen kan men door toevoeging van mout in suiker omzetten.

Het inmaken of inkuilen en samenpersen van veevoeder heeft ten doel: stoffen, die licht bederven, niet dadelijk vervoederd en niet op gelijke wijze als hooi gedroogd kunnen worden, voor bederf te bewaren, of ook stoffen, die op zich zelve niet graag door het vee gegoten worden, meer smakelijk te

1) W. .1. D. van Iterson, Schets van de landhuishnuding der Meierij.

-ocr page 153-

133

maken. Daartoe komen vooral in aanmerking: bladeren van mangelwortelen en andere knolgewassen, aardappelen, rapen en wortels, die bevroren zijn of gevaar loopen van te bederven, loof van maïs en lupinen, het oude groen van gras- en klavervelden enz. Het Duitsche tijdschrift „der Landwirthquot; beveelt daartoe aan vóór den winter nog eens rond te kijken en alle stoffen, welke op de weiden, op het bouwland, in den tuin en in het bosch voorkomen en daar zonden verrotten, voor de inmaakkuilen te verzamelen. „Er zal daar nog veel te vinden, zoo te zeggen bijeen te sdirabbelen zijn, om een of meer kuilen te vullen en dat in het voorjaar te pas kan komenquot;. Ook het loof van lupinen kan op deze wijze smakelijk worden gemaakt, daar het door de verandering in de zuurkuilen zijn bitteren, walgelijken smaak verliest.

Hoe dit inkuilen en samenpersen geschiedt en omtrent de daarbij plaats hebbende gistingen ia Dl. II, bl. 80 en volg., het noodige gezegd. Hier deelen wij nog mede, dat het voeder in de kuilen of samengeperste hoopen bruinachtig wordt en in een min of meer speklagen toestand overgaat. Midden uit den hoop of kuil ruikt het aangenaam zwak zuur, maar aan de kanten waar bederf is ingetreden, bij niet voldoende persing enz. ook midden inden hoop, zeer onaangenaam naar boterzuur en ammoniak. Aan goed ingekuild of geperst voer gewennen de dieren echter spoedig en zij vreten het dan gaarne. In groote hoeveelheid mag het niet gegeven worden, vooral niet dat van mangel-bladen, wijl het licht diarrhee veroorzaakt.

Uit een onderzoek door de Duitsche Landw. Gesel Ischaft i) en anderen, o. a. aan het proefstation te Groningen, is gebleken, dat de veranderingen die het voeder in de kuilen of pershoopen ondergaat, en het daarbij geleden verlies nogal aanzienlijk zijn. Rekent men daarbij den afval van de kanten -') die als voeder onbruikbaar is geworden, dan mag het verlies aan organische stof dooreengekoinen wel op 20 a 25 proc. gesteld worden. De belangrijkste veranderingen ondergaan de eiwitstoffen. die deels in amiden, deels in ammoniak overgaan, zoodat althans het verteerbaar zuiver eiwit, in persvoeder, aanzienlijk verminderd is. Zie de tabellen achter dit deel.

Ook zemels en aardappels onderwerpt men wel aan de melkzure gisting om ze smakelijker en gemakkelijker verteerbaar te maken, door ze (de aardappels vooraf gekookt) met zuurdeeg, warme wei of zure melk vermengd, eenigen tijd te laten staan; zie ook H, bl. 277.

Voorts zij hier aan 't gebruik van 't keukenzout herinnerd, niet enkel als nuttig toevoegsel bij het de spijsvertering verslappende voer als b.v. aardappelspoeling, maar ook bij hooi en stroo, dat niet geheel droog geborgen en min of meer beschimmeld is. Bij elke 100 KG. van zulk hooi of stroo voegt men, laagsgewijze daartusschen gestrooid, 1/2 KG. zout.

Ook is het bereiden van veevoeder (vooral van boonen en rogge of van een mengsel van verschillende granen en zaden) tot brood een middel, om het verteerbaarder en smakelijker te maken. Inzonderheid wordt hiervan gebruik gemaakt, als de prijzen der gemakkelijk verteerbare haver hoog zijn. Haubner

1) Dr. Fr. Albert, Untersuchungen üher Grünpreszfutler.

2) Door liet afsteken iler kanten en bepleisteren met leem enz. kan dit verlies min of meer worden voorkomen.

-ocr page 154-

134

stelt ü KG. roggebrood gelijk aan 41/2 ol hoogstens G KG. haver of aan 10—12 KG. hooi en acht het voeren van roggebrood raadzaam als de haver-en rogge prijzen tot elkander staan ais 3 ; 4. Toevoeging van boonen of erwten-meel doet de voederwaarde van 't brood stijgen en dan kunnen G KG. brood tegen 8 KG. haver gesteld worden.

Voor jong vee wordt bij voeder, dat geene genoegzame hoeveelheid phosphor-znur en kalk voor den groei der beenderen bevat, liet gebruik van beenmeel-beschuit aanbevolen. Ter bereiding hiervan worden gelijke gewiehtsdeelen fijngebroken haver en roggezemels met water aangemengd en hierbij zooveel zuurdeeg gevoegd, dat op 100 KG. mooi G KG. zuurdeeg komen. Op elke 100 KG. van het mengsel voegt men 7 KG. fijn beendernieel. Na liet gisten (zuren) wordt het deeg tot brood gevormd en gebakken. en do alzoo verkregen brooden worden in schijven gesneden en als beschuit geroosterd. Ook is daarvoor in gebruik de zoogenaamde gepraecipiteerde basisch phosphorzure kalk. Dit wordt, behalve voor jonge dieren, aanbevolen voor oudere wanneer men vreest dat niet genoeg phosphorzuur of kalk in het voeder (b.v. in hooi van laagveen-graslanden, of van zoogenaamd blauwgras) aanwezig is, bl. 53 en 119. Aan rundvee, schapen, varkens en gevogelte wordt het gegeven vermengd met natte zemelen of meel, aau paarden onder vochtig gemaakte haver. Daarvan wordt aanbevolen als dagelijksch rantsoen voor

een volwassen paard 15—30 Gram ,

„ rund

25—40

11

„ „ schaap

10—20

11

„ „ varken

10-21

11

„ veulen of kalf

8—15

11

„ lam of big

3—G

11

drachtige dieren naar soort

2—10

11

een mestos

40 - 50

.1

en bij spoelingmesteiij kan men tot 75 gram gaan.

C. WeKKTUIGEN TEK BEKEIDINO VAN VEKVOEDEli.

liet volgende moge dienen om een overzicht te geven van de meest belangrijke en de doeltreffendste werktuigen bij het toebereiden van veevoeder in gebruik.

1. Haknelsnijders. Deze dienen voor het snijden van stroo, hooi en groenvoer en zijn van verschillende afmetingen en inrichting. De meest gebruikte en doeltreffendste zijn die naar het stelsel van Lester vervaardigd, waarbij de voor 't snijden dienende gebogen messen, aan de spaken van een vliegwiel bevestigd zijn en het stroo, in een bak gelegd, door rollen, van tanden voorzien, regelmatig toegevoerd wordt.

Wij vermelden daarvan slechts die van Richmond and Chandler, welke zoowel van kleinere afmetingen voor handenarbeid. Fig. 40 en 41, als van grootere afmetingen en dan van eene inrichting om door een rosmolen of stoommachine in beweging gebracht te worden, voorzien. Fig. 42, vervaardigd worden. Maar 'fzij door een kruk met de hand, 'tzij met behulp van een riem zonder

-ocr page 155-

oiiul door eon rosmolen of stoommachine, in beide gevallen worden het vliegwiel en de daaraan verbonden messen in de eerste plaats in beweging gebracht. Op de as van het vliegwiel is voorts een kegelrad bevestigd, dat in een kegelrad grijpt, aan welker as tandraderen bevestigd zijn, waardoor de horizontale assen, Fig. 41, bewogen worden. Daar aan deze assen de getande aanvoerrollen bevestigd zijn, worden ook deze in beweging gebracht. Om het stroo enz., dat in den bak, aan do voorzijde van een stalen mondstuk voorzien, gelegd wordt, van verschillende lengte te kunnen sniji len, leveren de fabrikanten bij de machine overbrengende raderen van verschillende grootte, teneinde de snelheid der rollen te kunnen veranderen. Hoe sneller de rollen ronddraaien, hoe meer stroo, bij dezelfde snelheid van t vliegwiel natuurlijk, aangevoerd on des te langer het baksel wordt.

Met sommige machines van li. amp; C. kan stroo van vijfderlei lengte, van i/g—1 Engelsche duim (ongeveer 0,8—2,5 cM,) gesneden worden; met sommige machines voor strooisel nog langer, 7,5—15 cM.

Verstoppingen worden voorkomen doordien de afstand der rollen, door het aan een hefboom bevestigde gewicht tegen elkander gedrukt, gewijzigd kan worden. In plaats van een hefboom met gewicht, brengen K. amp; C.

thans veelal eene veer aan. Door eene andere inrichting, de zoogenaam- ,,

,i , ,• , 'quot;'S- *'■ el1 Lli. Iiakselmacliine met overdekte aan-

(le SlOJMnohon , kan men voerrollen enz. (rinin;/-cover).

voorts de beweging der rollen onafhankelijk van die van 't vliegwiel doen

-ocr page 156-

136

ophouden, zoodra do hand oens arbeiders, een steen of iets dergelijks zich tusschen de rollen bevindt of ook terug doen gaan (back- of reverse-motion) en daardoor het stroo enz. dat aanleiding tot de verstopping gaf, gemakkelijk ^ ei wijderen. Voor het snijden van hooi wordt ook wel, vooral in grootere machines, eene ketting of een net zonder eind aangebracht, om den aanvoer geregeld te doen plaats hebben. Dit net volgt den gang der stop- en reverse-motion. Eene andere verbetering is het voorzien van de aanvoerrollen van een beweegbaar deksel (rising-cover), om bij verstoppingen het vastloopen en breken van de rollen te voorkomen of gemakkelijker te kunnen reinigen. Om te vol-

f, ______

doen aan de veiligheidswetten in het buitenland, brengen de fabrikanten, o. a. Lanz te Mannheim, tegenwoordig nog bijzondere aansoerinrichtingen aan en wordt ook het vliegwiel voor een gedeelte overdekt. Fig. 42 wijst eene dergelijke machine van Richmond en Chandler aan, waarvoor deze firma in 1898 te Birmingham bekroond werd.

2. Wortelsnijders en moesmakers. Ook van deze werktuigen bestaan verschillende stelsels. Er zijn wortelsnijders waar do messen op eenen trommel. nog andere, waar zij op eenen kegel of op eene verticaal of horizontaal beweegbare schijf bevestigd zijn. De messen zijn mode van verschillenden vorm; sommigen snijden de wortels in schijven, andere in reepen; zij zijn in

-ocr page 157-

137

dit geval steeds op de wijze van een beitel in eeno schaaf geplaatst, zoodat de dikte en breedte der te snijden stukken wordt bepaald door de snijvlakte die door de schijf of trommel gaat. De afgesneden stukken vallen dan door eene opening aan de andere zijde naai boneden. Fig. 43, die van verschillende mesvormen, als in Fig. 44 voorgesteld, kan worden voorzien, stelt een der veel gebruikte, die van Bentall voor.

De wortels worden hierbij in een bak geworpen, die aan een of meer der zijden van een rooster voorzien is, om zand, steentjes enz. door to laten en wegens zijn eigenaardigen vorm veroorzaakt, dat de wortels, door hunne zwaarte tegen de schijf, welke langs de opene zijde van den bak gedraaid

wordt, aangedrukt en met de messen afgesneden worden. Do schijf van gegoten ijzer bestaat uit een 4-tal sectoren, die elk afzonderlijk vervangen kunnen worden, a—e en k; hij beweegt zich in de platte trommel met uitloop en is dus in Fig. 43 niet zichtbaar. Messen van den vorm m snijden de wortels in schijven, die van den vorm h en i in vingervormige reepen, terwijl die van den vorm l meer bij wijze van een rasp werken, de wortels nog fijner verdeelen en alzoo aan de machine moer het karakter van een moesmaker geven. Nog meer is dit het geval met de raspschijven n en h, waar een groot aantal mesjes straalsgewijze op eene schijf geplaatst zijn. Zij zijn nog verschillend om grove, fijne of zeer fijne stukken te snijden en dienen

-ocr page 158-

vooral voor liet raspen van aardappels, terwijl aan den bak don meest geschikten vorm wordt gegeven en in den bodem ook wel oen schroef zonder eind is aangebracht, om ook de laatste wortel- of aardappelstnkken te raspen. Een bezwaar levert het slijpen der mesjes.

Veel gebruikt worden voorts de wortelsnijders vervaardigd volgens Gardner's patent. Fig. 45, waarbij op een cilinder messen van den vorm als m, Fig. 4-1;, 0111 schijven van 5/y Eng. dm. dikte (15.87 mM.) of trapsgewijze beitelvormigc

messen om reepen van 3/4 5/S) 7^ ^ 8^ of X 5/.s Eng. dm. (19.05 X 15.87, 22.22 X 19.05 of 38.09 X l:quot;gt;-^7 mM.) te snijden, geplaatst zijn. Zijn beide aangebracht, dan moet voor het snijden van schijven de trommel in do eene, om reepen te snijden in tegenovergestelde richting gedraaid worden.

-ocr page 159-

139

Het gebogen oppervlak met de inosson bestaat uil een drietal stukken, .1, die elk voor zich vernieuwd kunnen worden. De bak kan draaibaar overgeslagen worden om de messen te reinigen enz. De firma Bentall heeft aan den cilinder nog verschillende andere verbeteringen aangebracht, o. a. een kam , Fig. /j, om te voorkomen dat do wortels den bak verstoppen.

A

Verder vermelden wij nog de wortelsnijders volgens Moody's patent, waarbij golfsgewijze gebogen of kamvonnige messen op een kegelvormige trommel geplaatst zijn. Ook deze machines snijden fijne reepen of stukken, om de

wortels geschikt te maken ter veriren-ging niet haksel van stroo of hooi ook voor jongvee, b.v. lammeren.

Hebben de wortelsnijders dus ten doel reepen of schijven te snijden, met de eigenlijke moesmakers beoogt men de wortels nog fijner, tot brij of moes, te maken. Ook van deze zijn, behalve de bovengenoemde, die naar het stelsel van Bentall vervaardigd het meest in gebruik. Zie Fig. 40. Do wortels, in den bak geworpen, komen daar onderin in aanraking met een horizontaal geplaatsten cylinder van gegoten ijzer, aan welks omtrek spiraalsgewijze haakvormige tanden geplaatst zijn. Aan de as van dien cylinder zijn een of twee krukken bevestigd om hem rond te draaien, een vliegwiel voor de regelmatige bewe-

-ocr page 160-

140

s SÏÏ t; T wdks - - -

«=' irtr;. £;r::}

Oük geschikt om kool tot moes te maken.quot; ^ amp;tnkken- Deze macllines zijn W men de wortel- en knolgew™ geheel ontdoen van de aanhangende

aarde — en dit zal in vele gevallen zeer wenschelijk zijn — ilan dienen ze gewasschen te worden. Een der doeltreffendste ^eiktuigen, daarvoor in gebruik, is de waschtrotnmel der suikerfabrieken. Deze beslaat uit een houten bak, waarin de trommel van latwerk met behulp van een kruk kan rondgedraaid worden. Aan de as der trommel zijn spiraalsgewijze spaken bevestigd, om de te wasschen wortels of en kno]lon om te roeren. De schuin-sche bodem van den bak is van een rooster voorzien. Fig. 47 stelt

0» wasclitrommel zragt;l8 die

^ „ct

* •quot; ^quot;quot;tequot; r rjs

-ocr page 161-

141

te doen vallen. Ook Gross amp; Co. te Leipzig-Eutrilzicli leveren daarvoor eene, naar 't ons voorkomt, doeltrcffemlo machine.

3. Plet- en breekmachines cu molens. Voor het pletten of kneuzen van lijnzaad, haver enz. dienen smalle holle rollen ot' schijven, die aan hun omtrek glad of, van kleiner middellijn, aan den omtrek van groeven voorzien, tegen elkander in gedraaid worden.

Do granen of zaden (vooral lijnzaad, haver en mout) laat men hij kleine hoeveelheid tnsschen deze rollen loopen nit een bak, daarboven geplaatst.

Fig. 50. Bamford's meelmoleii, uit elkander genomen om de maal-schijven te doen zien.

Met deze graanknevizers of plotters (corn, seed and mall crushers) verbinden de fabrikanten niet zelden een boonen- en maisbreker of splitter (bean and Indian corn kibbling mill). Zij leveren deze werktuigen echter ook afzonderlijk.

Fig. 48 stelt een graanpletter en Fig. 49 een graanpletter met boonenbrekcr (rechts in de fig.) van Richmond en Chandler voor.

Hot pletten of kneuzen wordt in eerstgenoemde molens verkregen door spiraalsgewijze of horizontaal gegroefde rollen, die met verschillende snelheid

-ocr page 162-

i'omldicuion. De afstand dor rollen on do toevoor van het graan of zaad kunnen alnaar do soort van graan of zaad, die en den graad, waarop men dit wil pletten of breken, geregeld worden. De rollen kunnen met do bovenste schroef gemakkelijk gesteld worden, terwijl do bovenste kleine rol den aanvoer regelt en de spiraalveer aan de voorzijde dient om den afstand der rollen grooter to maken wanneer een hard voorwerp, oen spijker b.v., daartusschen mocht komen. Zeer algemeen in gebruik zijn voorts de brekers voor boonen enz. volgens Biddell's patent vervaardigd. Met werkende deel hiervan bestaat uit oen hollen cilinder, gevormd door driekante, stalen mesjes of ribben, die aan hunne uiteinden op ringen rusten. Elk mes heeft drie scherpe kanten, die achtereenvolgens voor het breken gebruikt en vervolgens vernieuwd kunnen worden. Bij het ronddraaien van den cilinder worden de mesjes voorbij een stalen mondstuk gevoerd en hiertegen de boonen verbrijzeld of gespleten. De

kibbler, Fig. 49 rechts, werkt op gelijke wijze; do pletter, Fig. 40 links, bestaat uit een paar gladde cilinders.

Een grooteren graad van verdeoling ondergaan do granen en zaden door het malen, 'twelk voor veevoedergebruik evenwel steeds grof geschiedt en eigenlijk slechts bestaat in een fijner breken.

Behalve gewone molens dienen hiervoor ook kleinere werktuigen op gelijke wijze ingericht, maar die b.v. door een rosmolen in beweging gebracht kunnen worden. Wij vermolden voorts de molens van Harford en Perkins te Petersborongh, waarbij het van steenen enz. gezuiverde graan ojj oen geribden kegel, die in een anderen insgelijks geribden kegel ronddraait, gevoerd en waartussehen het gemalen of gebroken wordt. Do afstand dei-kegels kan, alnaardat men 't noodig acht, door een stel schroef iets nauwer of wijder gestold worden.

In de laatste jaren is daarvoor echter een ander stelsel in gebruik gekomen op hetzelfde beginsel berustende als dat der gewone graanmolens, maar waarbij, in plaats van maal„steenenquot;, gebruik wordt gemaakt van gegroefde metalen schijven of platen van zoogenaamd harlguss. De maal..schijf' beweegt zich daarbij veelal niet horizontaal maar verticaal.

Op zoodanige wijze ingericht zijn o. a. do graanmolens van Bamford. Fig. 50 doet ons daarvan de inwendig werkende doelen, de maalschijven, zien en Fig. 51 een der kleinste molens van deze soort in opstand. Fig. 50 wijst verder aan hoe het graan uit den vultrechter of het kaart in het midden van de trommel loopt, waarin oen der maalschijven vast staat, de andere met tamelijk groote snelheid bewogen wordt. Door de middelpuntvliedende kracht

-ocr page 163-

14:;

wordt liet graan liissclieu do groeven dor scliijven en liet verkregen meel naar den uitloop van het deksel, hier afgenomen, gedreven. De maalsehijven zijn omkeerbaar, dat is zij kunnen aan beide zijden gebruikt worden, en zijn zo

versleten, gemakkelijk door nieuwe worden vervangen.

De molens zijn verder voorzien van zelfwerkende voeren als die van Richmond on Chandler, Fig. 48, om harde voorwerpen door te laten en kunnen zoowel gesteld worden om boonen enz. te breken, als graan enz. tot min of meer fijn meel te malen. — Bekend voor hot maken vanHart-guss is de fabriek van II. Grnson (Gru-

Fig. 'të. Excelsior-molcns van Krieilrich Knipp (Grnson-work te yonwerk) te Magde-Masdeburij-Biickau). Affenten G!is. Remv en lïienfait, Amsteriiani. . i .i

0 D burg-Buekau, thans

in handen van de firma Krnpp, en hot behoeft ons niet te verwonderen dat onder de verschillende voorwerpen door deze fabriek van Hart-guss gemaakt,

ook maalsehijven en daarvoor passende molens be-hooren. De maalsehijven voor de Excelsior-molens van deze firma hebben den vorm van een ring, Fig. 53. Volgens de nieuwste constructie daarvan zijn op de platte vlakken, op gelijken afstand van het middelpunt (concentrisch),

Fig. 53. Maalschijf of ring van Gruson's molens. d^g Ju kringen,

eerst ribben en, verder naar den omtrek, tanden van driehoekige doorsnede geplaatst, zoodanig dat tussclien twee kringen van tanden kringvormige

-ocr page 164-

144

openingen bewegen zich do tanden der beweegbare schijf en omgekeerd.

Het in 't midden der schijven ingebrachte maalgoed wordt ook hier door de middel-vliedende kracht naar den omtrek gedreven en komt daarbij in aanraking met de scherpe en harde kanten der ribben en driehoekige tanden. De eerste dienen om het graan te breken, de laatste om het te malen.

Do maalschijven zijn aan haar binnensten omtrek dunner, zoodat de doorsnede van hare oppervlakte de gedaante heeft van een driehoek; voorts is de afstand der ribben van de twee schijven grooter dan die dei-tanden, welke naar den omtrek toe steeds kleiner wordt; daardoor strijkt het maalgoed gemakkelijk tnsschen de ribben door en heeft een voorafgaand breken plaats, terwijl het tnsschen de dichter staande tanden gemalen wordt. Naar de soort graan, enz. en de fijnheid dat men malen wil, kan de afstand der schijven ook gewijzigd worden.

Deze nieuwe maalschijven vereenigen de voordeden van de geribde schijven die hot maalgoed breken en voortbewegen met die van de getande schijven die het vermalen, en door de eigenaardige vereeniging van beide stelsels kan er bijna

-ocr page 165-

145

kegel der maalschijfas bevestigde bus

-ocr page 166-

146

rollen, door ijzeren ringen omgeven, welke van scherpe punten voorzien zijn, waartussehen de koeken in min of meer fijne stukken, verdeeld worden. Wil

men deze geheel fijn hebben, dan zijn gewoonlijk een dubbel stel rollen noodig, waarvan het bovenste paar de koeken breekt en het onderste paar, van groeven voorziene, rollen de stukken fijn maalt, Fig. 57.

5. Inrichtingen voor het koken enz. van veevoeder. Voor het koken van veevoeder kan men zich al op verschillende wijze behelpen. Eene zeer eenvoudige en doelmatige inrichting is de in Fig. 58 afgebeelde kookpot. Kan men over stoom beschikken, zoo beveelt zich een cilindervormig vat, van boven door een deksel vast gesloten en om eene as kunnende draaien, daartoe zeer aan. De stoom wordt dan in het met veevoeder beschikte vat geleid en dit alzoo een korteren of langeren tijd verwarmd. Verschillende fabrikanten leveren daartoe ook bijzonder ingerichte toestellen met stoomketel, broeibakken enz. Fig. 59 wijst Eckerts kooktoestel met vrijstaande en dus verplaatsbare stoomketel aan.

U. Het voederen.

Eene doelmatige voedering van 't vee is ongetwijfeld eene der moeilijkste opgaven voor den veehouder. Het komt daarbij aan niet enkel het vee te voeden zoo dat het gezond blijft en groeit of arbeid, melk euz. voortbrengt, maar ook zoodanig, dat men door het vee de hoogst mogelijk geldelijke opbrengst van het voeder verkrijgt, en daarvoor is veel overleg noodig. Met elk soort van vee is daarvoor het meest dienstig; zulks hangt van verschillende omstandigheden: hot beschikbare voeder, de meest gevraagde dierlijke producten enz. af. Hier is het beter mestvee, daar melkvee te houden, op sommige plaatsen loont het meer om runderen, elders meer om varkens te mesten, enz. Maar welk soort van vee men ook houdt, in elk geval dient het eene doeltreffende quantiteit voeder van een doeltreffend gehalte aan voedingsstoffen te ontvangen. Beide is te zeer afhankelijk van het soort van vee, zijn individueelen toestand, het doel waartoe 'tgehouden wordt, de wijze waarop 't gestald is enz., en wij zouden te veel in bijzonderheden moeten treden, wanneer wij die hier in plaats van in de Bijzondere Veeteelt wilden aangeven.

Wij bepalen ons hier daarom tot enkele algemeene opmerkingen.

Eik dier heeft dagelijks eene zekere hoeveelheid voeder met eene zekere hoeveelheid voedingsstoffen noodig, om de verteringswerktuigen te vullen

-ocr page 167-

147

en liet gewone stofverbrnik, ter voortbrenging van de dierlijke warmte en voor het verrichten van den inwendigen arbeid enz., te dekken. Krijgt het niet meer dan volstrekt hiervoor noodig is, zoo ontvangt het slechts ondcr-houdsvoer. Wordt moer gegeven, zoodat door liet meerdere iets voortgebracht wordt, zoo heet dit productievoer, bl. 58 en volg.

In het natuurlijk voeder voor t vee, b.v. gras, is in den regel op eene gepaste wijze voor een en ander gezorgd: behalve dat het in 't gewone levensonderhoud voorziet, wordt daardoor ook nog iets voortgebracht, b.v. melk. De landbouwer geeft echter ook voeder, dat minder natuurlijk is en wil door het vee iets bereiken, wat door eene streng natuurlijke voeding veelal niet te verkrijgen is. Daarvoor is liet noodig. dat hij do betrekking kent tussehen de hoeveelheid voeder en zijn gehalte tot do spijsvertering on de voeding, want de voedingsverschijnselen loeren, dat, zal de voeding doeltreffend zijn. het voeder een zeker gehalte aan voedingsstoffen moet bezitten.

De landbouwer is dienaangaande echter aan zekere grenzen gebonden; soms kan een hooger, soms een lager gehalte wenschelijk zijn, maar bovendien moet het een zeker volume bezitten om de maag' te vullen. Bij een te geconcentreerd voeder, als de maag slechts ten deele gevuld wordt, daar zij eerder verzadigd of met andere woorden do honger eerder gestild is, wordt de normale spijsvertering belemmerd, wijl de -daarvoor noodige werktuigelijke verrichtingen niet genoegzaam onderhouden worden. En wordt de maag niet gevuld door overigens doeltreffend, minder geconcentreerd voeder, met andere woorden ontvangt het dier niet genoeg, zoo vermagert het of do voeding treft geen doel.

Om tot dit volume te komen dient bij stalvoedering zoogenaamd ruw voer, stroo en hooi, wortelgewassen enz. In een mogelijk gebrek aan voedingsstoffen en om tot eene betere voedingsverhouding to geraken, wordt vervolgens door het toedienen van zoogenaamd krachtvoer (koek, graan enz.) voorzien.

Wegens het groote verschil in watergehalte, dat slechts middellijk voor de voeding dient en bij droog voer door eene grootore quantiteit drinkwater kan worden vervangen, geeft de ipiantiteit voeder als zoodanig eon zeer onzekeren maatstaf voor de te geven hoeveelheid, 't Is daarom beter dien te bepalen naar de droge organische stof, in het voeder aanwezig. Do droge stof, in droog voer, neemt ook, met water en speeksel vermengd, in de maag ongeveer dezelfde ruimte in als de droge stof in groenvoer. En, wegens het groote verschil in de betrekkelijke zwaarte of het volume-gewicht van de voedingsmiddelen , verdient eene bepaling der hoeveelheid naar het gewicht de voorkeur boven die in maat. Wel kan het voeder bij liters enz. worden afgemeten, als men slechts weet, hoeveel voeder eenig dier ilaarbij in gewicht ontvangt.— De 'lagelij ksche behoefte aan voeder is voorts afhankelijk van den ouderdom (jong of volwassen vee), en, bij min of meer volwassen dieren van het levend gewicht, den door hen te verrichten arbeid enz., maar het is onmogelijk die behoefte naar dezen of genen maatstaf met zekerheid te bepalen. Als de doeltreffendste voor het onderhoudsvoer wordt die naar het levendgewicht beschouwd. Bij hetzelfde levendgewicht van eene en dezelfde diersoort bestaat er echter niet zelden een groot verschil in de afmetingen van maag' en darmen enz. Proefnemingen hebben trouwens bevestigd, dat twee dieren van nagenoeg hetzelfde gewicht niet hetzelfde voedsel b.v. voor hun onderhoud noodig hebben,

10*

-ocr page 168-

146

rollen, door ijzeren ringen omgeven, welke van scherpe punten voorzien zijn, waartnsschen de koeken in min of meer fijne stukken verdeeld worden. Wil

men deze geheel fijn hebben, dan zijn gewoonlijk een dubbel stel rollen noodig, waarvan het bovenste paar de koeken breekt en liet onderste paar, van groeven voorziene, rollen de stukken fijn maalt. Fig. 57.

5. Inrichtingen voor het koken enz. van veevoeder. Voor het koken van veevoeder kan men zich al op verschillende wijze behelpen. Eene zeer eenvoudige en doelmatige inrichting is de in Fig. 58 afgebeelde kookpot. Kan men over stoom beschikken, zoo beveelt zich een cilindervormig vat, van boven door een deksel vast gesloten en om eene as kunnende draaien, daartoe zeer aan. De stoom wordt dan in het met veevoeder beschikte vat geleid en dit alzoo een kortoren of langoren tijd verwarmd. Verschillende fabrikanten leveren daartoe ook bijzonder ingerichte toestellen met stoomketel, broeibakken enz. Fig. 59 wijst Eckerts kooktoestel met vrijstaande en dus verplaatsbare stoomketel aan.

U. Het voederen.

Eene doelmatige voedering van 't vee is ongetwijfeld eene der moeilijkste opgaven voor den veehouder. Hot komt daarbij aan niet enkel het vee te voeden zoo dat liet gezond blijft en groeit of arbeid, melk enz. voortbrengt, maar ook zoodanig, dat men door het vee de hoogst mogelijk geldelijke opbrengst van het voeder verkrijgt, en daarvoor is veel overleg noodig. Niet elk soort van vee is daarvoor het meest dienstig; zulks hangt van verschillende omstandigheden: het beschikbare voeder, de meest gevraagde dierlijke producten enz. af. Hier is hot beter mestvee, daar melkvee te houden, op sommige plaatsen loont het meer om runderen, elders meer om varkens te mesten, enz. Maar wolk soort van vee men ook houdt, in elk geval dient het eeno doeltreffende quantiteit voeder van een doeltreffend gehalte aan voedingsstoffen te ontvangen. Beide is te zeer afhankelijk van liet soort van vee, zijn individueelen toestand, het doel waartóe 'tgehouden wordt, de wijze waarop 't gestald is enz., en wij zouden te voel in bijzonderheden moeten treden, wanneer wij die hier in plaats van in de Bijzondere Veeteelt wilden aangeven.

Wij bepalen ons hier daarom tot enkele algemeene opmerkingen.

Elk dier heeft dagelijks eene zekere hoeveelheid voeder met eene zekere hoeveelheid voedingsstoffen noodig, om de verteringswerktuigen te vullen

Agent Cli. R. KouveM te Amsterdam.

-ocr page 169-

147

en liet gewone stofverbruik, ter voortbrenging van de dierlijke warmte en voor het verrichten van den inwendigen arbeid enz., te dekken. Krijgt het niet meer dan volstrekt hiervoor noodig is, zoo ontvangt het slechts ondcr-houdsvoer. Wordt meer gegeven, zoodat door het meerdere iets voortgebracht wordt, zoo heet dit productievoer, bl. 58 en volg.

In het natuurlijk voeder voor 't vee, b.v. gras, is in den regel oj) eene gepaste wijze voor een en ander gezorgd: behalve dat het in 't gewone levensonderhoud voorziet, wordt daardoor ook nog iets voortgebracht, b.v. melk. De landbouwer geeft echter ook voeder, dat minder natuurlijk is en wil door het vee iets bereiken, wat door eene streng natuurlijke voeding veelal niet te verkrijgen is. Daarvoor is het noodig. dat hij do betrekking kent tusschen de hoeveelheid voeder en zijn gehalte tot de spijsvertering en de voeding, want de voedingsverschijnselen leeren, dat, zal de voeding doeltreffend zijn, het voeder een zeker gehalte aan voedingsstoffen moet bezitten.

De landbouwer is dienaangaande echter aan zekere grenzen gebonden; soms kan een hooger, soms een lager gehalte wenschelijk zijn, maai- bovendien moet het een zeker volume bezitten om de maag te vullen. Bij een te geconcentreerd voeder, als de maag1 slechts ten deele gevuld wordt, daar zij eerder verzadigd of met andere woorden de honger eerder gestild is, wordt de normale spijsvertering belemmerd, wijl de -daarvoor noodige werktuigelijke verrichtingen niet genoegzaam onderhouden worden. En wordt de maag niet gevuld door overigens doeltreffend, minder geconcentreerd voeder, met anderewoorden ontvangt het dier niet genoeg, zoo vermagert het of de voeding treft geen doel.

Om tot dit volume te komen dient bij stalvoedering zoogenaamd ruw voer, stroo en hooi, wortelgewassen enz. In een mogelijk gebrek aan voedingsstoffen en om tot eene betere voedingsverhouding te geraken, wordt vervolgens door het toedienen van zoogenaamd krachtvoer (koek, graan enz.) voorzien.

Wegens hot groote verschil in .watergehalte, dat slechts middellijk voor de voeding dient en bij droog voer door eene grootere quantiteit drinkwater kan worden vervangen, geeft de ijuantiteit voeder als zoodanig een zeer onzekeren maatstaf voor do te geven hoeveelheid, 't Is daarom beter dien te bepalen naar de droge organische stof, in het voeder aanwezig. De droge stof, in droog voor, neemt ook, met water en speeksel vermengd, in tie maag ongeveer dezelfde ruimte in als de droge stof in groenvoer. En, wegens het groote verschil in de betrekkelijke zwaarte of het volume-gewicht van de voedingsmiddelen, verdient eene bepaling der hoeveelheid naar het gewicht de voorkeur boven die in maat. Wel kan het voeder bij liters enz. worden afgemeten, als men slechts weet, hoeveel voeder eenig dier daai'bij in gewicht ontvangt.— De dagelijksche behoefte aan voeder is voorts afhankelijk van den ouderdom (jong of volwassen vee), en, bij min of meer volwassen dieren van het levend gewicht, den door hen te verrichten arbeid enz., maar het is onmogelijk die behoefte naar dezen of genen maatstaf met zekerheid te bepalen. Als de doeltreffendste voor het onderhoudsvoer wordt die naar het levendgewicht beschouwd. Bij hetzelfde levendgewicht van eene en dezelfde diersoort bestaat er echter niet zelden een groot verschil in de afmetingen van maag' en darmen enz. Proefnemingen hebben trouwens bevestigd, dat twee dieren van nagenoeg hetzelfde gewicht niet hetzelfde voedsel b.v. voor hun onderhoud noodig hebben,

■10*

-ocr page 170-

148

on is hot derhalve niot zeker dat con mini van 450 KG. Jovondgewicht jnist l/s mooi' voeder moet ontvangen dan een van 40() KG., schoon zijn levendgewicht l/8 moer bedraagt. Do bijzondere aard van 't dier (zijne individiialiteit), de wijze waarop liet van zijne jeugd af aan gevoerd is, komen hierbij ook on niot zoldon meer in aanmerking dan eonig verschil in gewicht. Slochts in het algemeen kan dus het levendgowicht eon maatstaf ter bepaling van dehoevool-heid voeder voor eonig dier zijn. Hoofdzaak is, gelijk nog hieronder nader zal worden aangegeven, mot het dool voor oogon, het resultaat dor voedering waar te nemen on daarnaar de hoeveelheid voeder to regelen. Door de gelijksoortige on nagenoeg even zware dieren bij olkander te plaatsen wordt, althans wat hot hoofdvoor betreft, als het ware onwillekeurig aan oen gelijk levendgowicht een gelijk voeder verschaft. Goed is hot echter, dat een landbouwer, die inderdaad ondervinding bij het voederen wil opdoen, van do betrekking tusschen liet levendgewicht en het gewicht van de droge stof in liet voer zich rekenschap geeft!).

Vooral moet met de te geven quantiteit rekening worden gehouden, wanneer van het eene voer tot het andore zal worden overgegaan. Wel kan hot spijs-vorteringskanaal zich uitzotton en inkrimpen, zoodat het bij voeder van meer omvang wijder en bij meer geconcentreerd voer nauwer wordt; maar dit wijder en nauwer worden heeft slechts langzaam plaats. Het is geen lijdelijk uitzetten of inkrimpen, maar evenals een werkzame spier groeit en zwaarder wordt of de baarmoeder na het drachtig worden zich vergroot en na de bevalling weder in omvang afneemt, zoo ook de maag en darmen. Zij voegen zich slechts langzamerhand naar den omvang van 't voeder. Een dier, aan volumineus voeder gewend, overvreet zich daarom lichtelijk als het zooveel geconcentreerd voeder als het lust, kan bekomen. Zijne maag en darmen kunnen het voeder wel bevatten, maar do vertoringsvochten zijn niot in staat het te verteren.

Bij het voederen dient dus in de eerste plaats op de hoeveelheid droge stof, of juister de droge organische stof die het dier ontvangt, gelet te worden; deze moet in overeenstemming zijn met de bijzondere behoeften van 't dier en bij den overgang van liet eene voeder tot het andere even groot blijven of slechts langzamerhand veranderen.

1gt; .lules Crévat (Alimentation rationelle iln bétail, Küliling's lamlw. Zeit. 1888) bepaalt de noodige boeveelheid voeder naar den borstomvang der dieren, en geeft daarvoor de formule R = C2 X f, waarin R de boeveelbeid voeder, C de borstomvang en /'een factor beduidt, die afbankelijk is van de diersoort en bet gebruik der dieren, voor eiwit, vet en koollmlraten. In booiwaaide uitgedrukt stelt bij /'=rgt; en wordt de formule H = ('2 X i'e boeveelbeid voeder vindt bij derhalve door de voedings-factoren rnet het vierkant van den borstomvang te vermenigvuldigen. Voor eene melkkoe na bet kalven zijn zijne factoren, dus /'; voor eiwit 0.3'J, voor vet 0.10 en voor koolhydraten 1.78. Derhalve beeft eene melkkoe van b.v. 1.70 M. borstomvang, overeenkomende met 420 KG. gewicht, in bet dagelijkscb rantsoen noodig: 1.70 X 1.70 X 0.39 - 1.18 KG. eiwit, 2.80 x 0.10 = 0.29 KG. vet en 2.89 x 1.78 = 5.14 KG. koolhydraten.

Deze voederbepaling naar den borstomvang beeft inderdaad iets voor boven die naar het levendgewicht, aangezien het laatste ook afhankelijk is van den inhoud van maag en darmen, en bet levendgewicht mede verschilt naar bet watergehalte der weefsels. Zie hierachter bet gebruik van rnestvee.

-ocr page 171-

149

In de tweede plaats moet op het gehalte worden gelet, en daarbij komt dan vooreerst in aanmerking de vraag: hoeveel verteerbaar eiwit bevat het voer of moet liet bevatten; voorts hoeveel verteerbaar vet en hoeveel andere verteerbare stikstofvrije stoffen komen er in voor, en in welke verhouding staat hot verteerbare eiwit tot de verteerbare stikstofvrije stoffen ?i)

Bepaalde voorschriften laten zich dienaangaande wel niet geven — wij komen daarop terug bij de voeding van elk soort van vee in 't bijzonder — , maar in de eerste plaats bij liet toedienen van het hoofdvoer moet naar eene zekere verhouding worden gestreefd en bij den overgang van het eene voer tot het andere worden getracht, dat die verhouding nagenoeg dezelfde blijft of slechts langzamerhand verandert.

Plotselinge overgangen vooral van droog voer tot groen voer en omgekeerd, moeten tevens, ook ingeval de verhouding dezelfde blijft, worden vermeden. De volgende proef van Lehmann toont dit ten duidelijkste aan. Twee l1/^ jarige ossen ontvingen, gedurende 99 dagen, dagelijks het volgende wintervoer: 3/4 KG. raapkoeken, 21/.) KG. roggestroo, 21/2 KG. hooi en 10 KG. aardappels. Bij dit voer won de eene os dagelijks 0.77 KG. en de andere 0.815 KG. in levendgewicht. Van af den 22 Mei werd hun, in plaats van dit stalvoer, klaver gegeven zooveel als hun lustte, en daarbij werden de volgende gewichtsveranderingen waargenomen.

os 1 os 11 Gewicht op den 22 Mei 417 KG. 362.5 KG. „ „ ,, 24 „ 412.5 „ 354 „ ,, „ „ G Juni 406 „ 356 „ „ „ „ 9 „ 416.5 „ 363 „ ......13 „ 420 „ 371 „

!) bij het berekenen van voedennengsels kan men of empirisch te werk gaan, door met behulp van de tabellen, die het gehalte aangeven, door toevoeging of vermindering zoo lang te zoeken totdat de gewenschte hoeveelheid en de verhouding gevonden zijn, of gebruik maken van algebraïsche vergelijkingen. Stellen D. E en K de gewenschte hoeveelheden droge stof, eiwit en stikstofvrije stoffen (verteerbare stikstofvrije extractstollen, '/•_) verteerbare celstof en het 2.4-vOud van het vet) voor, noodig voor quot;1000 KG. levendgewicht en per dag, d, e en k resp. het gehalte aan deze verteerbare stollen van '1 KG. en x, ;/ en z de hoeveelheden van de verlangde voeder-middelen, zoo heeft men de volgende vergelijkingen, die voor de onbekenden opgelost, het gevraagde aangeven

dx -I- (/]_'/ tl'tz — It ex eji/ B'iZ - K kx -1- A-' 1/ ■ /io ï — K.

Wil men ook het vet berekenen zoo is nog eene vierde vergelijking op het verteerbare vet betrekking hebbende, noodig. Om tot een bruikbaar resultaat te geraken, dient men de voedermiddelen te kiezen deels met een wijdere deels met een nauwere voedingsverhouding (zie hl. 115), als in het verlangde mengsel. Kenvoudiger en in vele opzichten practischer wordt de berekening, wanneer men eerst bepaalt waaruit liet hoofdvoer zal bestaan of welk en hoeveel hoofdvoer (hooi, stroo, wortelgewassen enz.) men beschikbaar heeft, het gehalte van het rantsoen aan eiwit enz. hiervan berekent en daarna met behulp van bovengenoemde vergelijkingen of door beproeving nagaat , hoeveel krachtvoer hierbij gevoegd moet worden om de gewenschte hoeveelheid te bekomen.

Over de berekening van het voeder naar voedereenheden zie men hierachter, bij het voederen van melk- en werk vee.

-ocr page 172-

150

Ue nadeelige invloed van den snellen overgang van het winter- tot het zomervoer was dus zóó groot, dat er 18 dagen verliepen, alvorens de dieren weder de zwaarte hadden, die zij vóór de verandering bezaten. quot;Was hun bij het eerste groenvoer nog wat droogvoer gegeven, dan waren zij wellicht voortdurend in gewicht toegenomen; thans was het voer, dat zij gedurende die 18 dagen ontvingen, voor de productie verloren. Iets dergelijks ondervond Lehmann bij den overgang van mangel wortels tot aardappels, die hij aan ■21/2 jarige ossen, naast ander voer (raapkoekmeel, hooi en stroo) gaf. liet den dag der verandering namen de ossen in gewicht af en er verliepen bij den eenen os 7 en bij den anderen 12 dagen, alvorens zij hun oorspronkelijk gewicht terug bekwamen. Bij eene andere proef, waarbij de aardappels langzamerhand door mangelwortels vervangen werden, de hoeveelheid van de eerste dus allengs verminderd en die van de tweede vermeerderd werd, en ze dus een tijdlang naast mangelwortels aardappels ontvingen, bleven de dieren voortdurend in gewicht toenemen. De dieren moeten dus langzamerhand aan het voeder gewennen; hunne spijsvertering moet daarvoor als 't ware eerst worden ingericht.

Het meest in het oogloopend is die nadeelige invloed eener te snelle voederwisseling bij kalveren, die langen tijd aan eene koe gezoogd hebben of in 't algemeen bij jongo dieren aan wie de moedermelk in eens onttrokken en meer vast voedsel gegeven wordt. Dagen, ja weken kunnen daarbij soms verloopen, alvorens zij weder beginnen te groeien. Vergel. bi. 40.

Een dier, dat in eene weide loopt en alzoo min of meer op eene natuurlijke wijze aan zijne behoefte aan voedsel kan voldoen, neemt daarbij eene zekere regelmaat in acht, zoowel in de hoeveelheid voedsel die liet opneemt als in den tijd, dien het aan het opnemen besteedt. Is er eene zekere ledigheid in de maag ontstaan, die bij het paard en 't varken min of meer volkomen, maar bij de herkauwende en vele andere dieren nooit volkomen is, zelfs als het dier den hongerdood sterft, zoo drijft het gevoel van honger, bl. 59, het tot het opnemen van nieuw voedsel aan. Is de maag weder gevuld, zoo ontstaat het gevoel van verzadiging en het dier houdt met vreten op. Op de gewone wijze verzadigd, is de maag echter nog geenszins tot de uiterste grens gevuld en ook de eetlust niet tot haar einde. Door verschillende lekkere beetjes kan zij op nieuw opgewekt worden. Volgens Haubner kan do maag, na de gewone verzadiging, nog i'j tot l/y meer voeder opnemen. Eindelijk ontstaat het gevoel van oververzadiging en van afkeer. Niet altijd is er ook honger, schoon do maag ledig is, b.v. bij een paard na veel lichamelijke inspanning.

üp de verzadiging is voorts de aard van 't voedsel van invloed. Moeilijk verteerbaar voeder maar vooral voeder, rijk aan voedingsstoffen, verzadigt eerder en houdt langer tegen; gemakkelijk verteerbaar, inzonderheid vloeibaar en saprijk voer daarentegen vult wel de maag, maar het gevoel van verzadiging wordt er niet door bevredigd, of de trek lt;ot eten keert spoedig terug. Sommige voedingsmiddelen, schoon overigens van weinig beteekenis, schijnen ook de eetlust op te wekken.

Heeft het dier te veel voedsel ontvangen, dat is zich overvrelen, is het te

-ocr page 173-

gulzig geweest, zoodat het voeder, niet behoorlijk gekauwd on met weinig speeksel vermengd, in de maag komt, zoo ontstaan daardoor licht storingen in de spijsvertering. Hot te gulzig vreten komt niet zelden voor bij dieren, die uitgehongerd zijn of zich overwerkt hebben. In het eerste geval is 't ge-heele lichaam, zijn ook de spijsverteringsorganen verzwakt en in het tweede geval is de bloedstroom hiervan te voel afgeleid en verloopt er eenigen tijd, dat het spijsverteringskanaal daarvan weder zijn deel krijgt. Volumineus en gemakkelijk verteerbaar voeder, b.v. eenig gras of hooi, is dan het minst gevaarlijk.

Een oven-reten bij eeno overigens normale spijsvertering heeft licht plaats, wanneer liet dier te veel voeder, dat het graag lust, of in 't algemeen te veel zoogenaamd opblazend voeder, b.v. jong gras, jonge klaver, granen enz. ontvangt. De sfijsverteringsvochten zijn dan ontoereikend om al het voeder op te lossen en in 't bloed te doen overgaan; het blijft in de maag liggen en gaat hier rotten en verzuren, waarbij verschillende gassen zich ontwikkelen, die oprispingen, winden en rijkelijke darmontlastingen ten gevolge hebben. Maar de werkzaamheid van liet darmkanaal kan onder deze omstandigheden ook geheel uitgeput geraken, terwijl de gisting en de daarmede gepaard gaande gasontwikkeling voortgaan, of ook het voeder tol eene min of meer harde massa samenballen. Bias of troinmelzucht, kramp, verstopping, maagkolder, soms een plotselinge dood door beroerte en, bij paarden, ook wel een barsten der maag zijn daarvan het gevolg.

Bij het toedienen van zooveel mogelijk voer, hoe doeltreffend zulks onder sommige omstandigheden moge zijn, b.v. bij snel mesten en bij het vergen van veel arbeid, dient men dus voorzichtig te zijn. Al deze verschijnselen, die in do practijk lang niet ongewoon zijn, doen zich echter het meest voor bij snelle overgangen, als het dier dadelijk te veel voeder ontvangt, waaraan het niet gewoon is, als er geene goede verhouding tusschen het volume en het gehalte bestaat enz. Zij mogen hier als zoovele bewijzen strekken, dat eene groote rcgebnaal en orde bij het voederen in acht genomen moeten worden, wanneer men tot een gunstig resultaat wil komen.

Die regelmaat moet er ook zijn in den tijd van voederen.

Van nature zijn onze huisdieren gewoon op min of meer geregelde tijden zich te verzadigen en vervolgens rust te nemen. Dan is de maag werkzaam om het voedsel te verteren. Bij de herkauwende dieren volgt op het opnemen van 't voeder nog het herkauwen. Volgens Haubner vordert een volkomen herkanwen minstens l1^ a 2 uur, zoodat als men hier bijrekent den tijd, die voor het opnemen van 't voeder noodig is, er ongeveer 4 uren van den oenen verzadigingstijd tot den anderen verloopen. Bij het paard en 't varken, schoon deze dieren niet herkauwen, wordt er ongeveer evenveel tijd aan 't verteren besteed. Eau en ander hangt echter ook van de gewoonte, de soort van voedsel enz. af. Jonge dieren moeten in 't algemeen vaker gevoederd worden dan volwassenen. Gemakkelijk verteerbaar voedsel lean men vaker toedienen; voor de vertering van 't gewone, niet toebereide ruwvoer is een langere tijd noodig. Diereu, die 4 a ó maal daags voeder ontvangen, verlangen dit op den daarvoor vastgestelden tijd even goed als dezulken, die zich met -i maaltijden moeten tevreden stellen. In de praktijk bestaan te dezen opzichte ook de grootste verschillen. Te weinig voedertijden zijn echter even nadeelig als

-ocr page 174-

152

te snel op elkander volgende. Want in het eerste geval moet het dier te veel in eens opnemen, en in het tweede geval wordt geen genoegzame tijd voor het verteren of bij 't schaap en 't rund ook voor het herkauwen gegeven. Maar welke voedertijden men ook vaststelt, men dient cr zich aan te houden. Evenals het dier tocli aan de maat en het gehalte van 't voeder gewoon geraakt, zoo ook aan den tijd, waarop het dat ontvangt. Wordt de voedertijd overschreden, zoo is het onrustig; verkort men den tusschentijd, zoo is de maag nog niet gereed het te ontvangen; beide omstandigheden, die met het doel, liet voeder te doen verwerken en productief te maken, in strijd zijn.

Deze verschillende opmerkingen mogen hier voldoende zijn om te doen zien, dat er bij liet voederen nog meer noodig is, dan eenvoudig liet voeder af te passen en voor een behoorlijken omvang, een goed gehalte en eene goede voedingsverhouding te zorgen, om er op te wijzen, dat men bij het voederen wel met scheikundige werkingen, maar met scheikundige werkingen in het dierlijk lichaam to doen heeft, die door verschillende omstandigheden gewijzigd worden. Daarbij komen nog verschillende landhuishoudige omstandigheden, de marktprijzen van het aan te koopen voeder b.v., in aanmerking.

Ook de vraag, wat het doelmatigst is, xomerslalcoedering of weidegang. laat zich niet in algemeenen zin beantwoorden. Voor het eerste pleit, dat het voeder in een meer juiste verhouding gegeven kan worden, dat er minder voeder vertreden en het In den regel meer productief gemaakt wordt, inzonderheid bij mestvee en bij melkvee dat men afmelken en daarna mesten wil, ook wegens den daarbij verkregen stalmest. Daartegenover staan echter niet onaanzienlijke uitgaven voor arbeid en den minder gunstigen gezondheidstoestand van het vee bij de zomerstalvoeclering. Fokvee en jongvee laat men daarom bij voorkeur in de weide.

Op één punt meenen wij ten slotte nog opmerkzaam te moeten maken, op het belang namelijk eener nauwkeurige waarneming bij het voederen. Wij hebben hierboven, bl. 148, reeds daarop gewezen. .Mnn kan en moet wel een zeker rantsoen toedienen, dat in het algemeen passend is voor do dieren, die men heeft; aan dat rantsoen moet men ze zooveel mogelijk houden en het hun in de eenmaal vastgestelde orde en op den bepaalden tijd geven, maar men mag zich daarop geenszins geheel verlaten; men moet ook waarnemen, of liet resultaat der voedering inderdaad beantwoordt aan de verwachting en zoo niet, het rantsoen individueel of algemeen wijzigen. Bij mestvee komt dan vooral het waarnemen van de toeneming in gewicht, 'tzij door te wegen, 'tzij door te meten l) in aanmerking; hij melkvee het letten op de hoeveelheid en het

1) Zie hieronder: Gebruik van mestvee. liij het beoordeelen van de uitwerking van 't voeder door weging dient men in aanmerking te nemen, dat bij gelijkblijvend of toenemend lichaamsgewicht, het lichaam rijker aan water doch armer aan eiwit en vet kan worden en omgekeerd; ook kan bij gewichtstoeneming eu vetafzetting het lichaam armer aan eiwit worden. Naast de verandering in lichaamsgewicht moet derhahe het betasten van den romp in de zoogenaamde vetgrepen niet achterwege blijven, wanneer de uitwerking van het voederen niet eenige juistheid zal beoordeeld worden. Met het oog op een schijnbaar afnemen of gelijkblijven in gewicht bij verlies van water en afzetting van vet, kan het meten van den borstomvang der dieren soms de voorkeur verdienen boven het wegen.

-ocr page 175-

1 ó:?

gehalte der melk, bij werk- en jongvee op het toenemen in grootte en omvang; en in het algemeen dient gelet te worden op het geheele uitzicht der dieren. Uit een en ander moet het positieve resultaat der voedering opgemaakt worden ; het negatieve resultaat wordt min of meer aangewezen door de hoedanigheid en de samenstelling der uitwerpselen. Wel zal voor het laatste do wetenschappelijke bijstand van een scheikundige van voel gewicht kunnen zijn, maar toch kunnen een nauwkeurig letten op de hoedanigheid dier uitwerpselen en een onderzoek naar hunne bestauddeelen onder den microscoop den landbouwer ook wel iets loeren. De zoo schadelijke afgang van veel zetmeel, het min of meer verteerd zijn der celstof en der eiwitstoffen laten zich, bij eenige oefening, met behulp van jodium onder den microscoop, wel aantoonen. Vergel. 1, bl. 180 1).

Behalve voeder heeft het vee dagelijks eene zekere hoeveelheid drinkwater noodig en met het oog op de gezondheid moet dit van goede hoedanigheid zijn. Do eischen aan goed drinkwater te stellen zijn 1, bl. 130, vermeld. Do hoeveelheid hangt af van de quantiteit water die het voeder roods bevat. Absoluut kan die daarom het best worden aangegeven in betrekking tot de hoeveelheid droge stof die het voeder bevat. Gemiddeld kan men volgens Damman aannemen dat op 1 KG. droge stof

een paard noodig heeft 2—3 KG.

,, rund „ „ 4—5 „

„ schaap „ „ 2 „

„ varken „ „ 7—8 „ ,

onverschillig of dit als zoodanig of als bestanddeel van het voeder gegeven wordt. Ontvangen de dieren droog voer, dan kan men rekenen, dat een paard dagelijks 20—30, een rund 30—üO en een schaap l1/^—3 liter drinkt; bij groenvoeder, pulp enz. natuurlijk minder.

De doelmatigste temperatuur van het drinkwater is 10—15° O.

Vee dat in de weide loopt kan in den regel naar welgevallen water drinken uit slooten, beken, vijvers of dobben. Op stal moet het gedrenkt worden, één, twee a drie keer daags met emmers of uit een goot waarin het water gepompt wordt. Meer en meer gaat men er echter toe over om ook in den stal eene inrichting aan te brengen, waarbij het vee uit een steeds met water gevulden bak naar welgevallen kan drinken. Fig. 60 stelt zoodanige drinkwaterleiding voor, zooals die in Groningen op verschillende plaatsen is aangebracht. Gewenscht is het daarbij dat voor werkpaarden de drinkbak kan worden afgesloten, omdat als dit verhit op stal komt of ook na het rantsoen haver het dadelijk drinken minder gewenscht is.

Eene doelmatige voedering is voorzeker, bij eene goede keuze van het te houden vee, eene eerste vereischte om tot de hoogst mogelijke opbrengst daarvan te geraken. Maar er is meer. J. Kühn zegt; „Wie geen hart voor zijne dieren heeft, heeft er ook geen geluk mee, en waai'het oog des meesters niet met zorg en liefde over het vee waakt, daar is geen gunstig gevolg en geen zegen.quot; Mort do landbouwer in do eerste plaats een wakend oog honden

!) Keiii^e lt;revil'l(!n dtiarvan werden doui- mij verzameld met vriendelijke medewerking van eenige landbouwei-s, /ie Laudboiiw-lvroniek der Nieuwe Gron. Courant, 1879.

-ocr page 176-

154

op de voedering en tie (Uiarbij verkregen resultaten, hij heeft nog op tal van zaken meer, zijn vee betreffende, te letten, te veel om ze hier alle op te noemen. Een paar zaken van meer algemeenen aard dienen wij echtei nog na te gaan: do inrichting der stallen, de behandeling van de huid en de behandeling der dieren in hot algemeen.

Welke stalinrichtingen er hier te lande al voorkomen, behandelen wij eerst later. Het zij hier voldoende er op te wijzen, welke eischen in het algemeen aan eenen veestal gesteld mogen worden.

Haubner stelt aan öen goeden veestal de volgende voorwaarden; 1. Hij moet met gezonde, frissche lucht gevuld zijn en van een gepasten warmtegraad. 2. De lucht moot kunnen worden vefverscht, zonder dat de dieren door tocht

worden getroffen. 3. Hij moet in behoorlijke mate verlicht, 4. droog en zindelijk, 5. ruim en gemakkelijk zijn en eindelijk C. de dieren moeten er tegen beleedigingen en andere ongemakken (b.v. insecten) beveiligd wezen.

Op eene menigte bijzonderheden moet worden gelet, om inderdaad aan die vereischten to voldoen, als de ligging, het bouwmateriaal, de grootte in betrekking tot het getal dieren enz. Verontreinigd en dientengevolge ongezond kau de stallucht zijn; door eene te groote hoeveelheid koolzuur, koolwaterstoffen, zwavelwaterstof, koolzure ammonia enz., gassen die deels door de

-ocr page 177-

155

ademhaling, deels door den rottenden mest enz. in of naliij den stal, in do lucht opgehoopt kunnen ■worden, 't Spreekt van zelf, dat deze gassen altijd, zij het dan in mindere mate, aanwezig zijn. De stallucht is juist door den eigenaardigeu reuk dezer gassen gekenmerkt. Slechts in te groote hoeveelheid worden zij schadelijk. Het sterk prikkelende koolzure ammoniakgas kan b.v. oogontsteking veroorzaken.

Do stahvarmte moet eenigszins verschillen naar de soort, hot ras en den leeftijd der dieren, alsmede naar het doel waartoe ze gehouden worden. Als de doelmatigste stal temporat uur geeft Haubner aan:

Voor het paard van 120.C—170.5 of gemiddeld 10° C. „ „ rund „ 10° —170.ó „ „ 120.5 C. „ „ schaap „ 70.5—120.5 „ „ 10' C. „ „ varken „ 10° —l?0.quot;) „ „ 120.r) C.

Het paard zou volgens Haubner dus warmer gestald moeten worden dan het rund. De hier gedane opgave heeft echter mee!' betrekking op edele paarden. Voor werkpaarden, die van tijd tot tijd in de koudere lucht naar buiten moeten, is dit voorzeker minder gepast. Waar de paarden ook in het voorjaar en in den herfst te velde gaan, om te werken, is het dan ook in den regel bete!' den paardenstal iets koeler te houden.

Dammann geeft als de gepaste stahvarmte voor runderen en paarden op 12.5—17.5° C., de laagste graden voor mestvee, de hoogste voor edele paarden, zogende moeders, veulens en kalver; ook mestvarkens wil Dammann koeler, zeugen niet biggen warnier (tot 17.5° C.) gestald hebben.

Volgens de proeven van Henneberg en Stohmann, werd bij eene temperatuur van 16° C. door het rund de geringste hoeveelheid voedsel voor het onderhoud der dierlijke warmte verbruikt. Beueden 10° C. was voor eiken graad lagere temperatuar 5—6 0/o voedsel meer noodig.

Eene eenigszins hoogere temperatuur is doeltreffend voor de moederdieren met hunne jongen. In 't algemeen moet tegen eene snelle afwisseling van temperatuur gewaakt of er moeten bijzondere maatregelen daartegen genomen worden (gebruik van dekken).

Of eene opzettelijk aangebrachte ventilatie noodig is, daarover moeten de ondervinding en een onderzoek naar do stallucht beslissen. Eene vrij aanzienlijke luchtverversching heeft volgens een onderzoek van Petteukofer en Marcker door de muren enz. plaats; zij is in den regel, bij niet te kleine stallen, voldoende.

Stallen voor mestvee worden iets donker gehouden, bl. 76, maar die voor ander vee moeten behoorlijk verlicht zijn. Bij voorkeur kuit men het licht boven of achter de dieren invallen.

Behalve ruimte voor het te bergen voer enz. geeft Haubner aan , dat noodig zijn;

Voor

den

stand

van een

paard

1.57 M. breedte bij '2.8

M. lengte.

*1

11

ii jj

hengst

1.8-2.2 „

JJ

,, 3—3.75

IJ JJ

ij

IJ

IJ

eener drachtige

merrie

3 „

JI

u 5.6

IJ JJ

11

JJ

van een

rund

1.3—1.4 „

JJ

9 •■2—2 5

jj

JI '(l

ii

11

JJ

u JI

schaap

0.8

M2

11

IJ

ii JI

ooi

0.0 a 1

JI

J1

11

JI

jongvee

0.G a 0.7

IJ

ii

J1

J1

jj ji

zeug

2.0 a 4.0

IJ

gt;5

JJ

JJ

ii u

inestvarken

2 a 2.4

JI

-ocr page 178-

De hoogte van don stal moet, volgens Haxibner, 3.1—5 meter bedragen, de bodem vast zijn, geen vocht doorlaten en gelegenheid geven tot afloop van do urine. Jongvee laat men liefst vrij loopen in hokken; ook bij andere dieren verdient het plaatsen in hokken of zoogenaamde potstallen de voorkeur, wanneer men over genoeg strooisel beschikken kan, vooral uit het oogpunt der mestbereiding. Eene sterke ontwikkeling van koolzure ammonia (vooral uit hot ureum van de urine) mag niet plaats hebben, daar zij de waarde van den mest vermindert en de gezondheid der dieren benadeelt. Het strooien van gips, kaïnit of superphosphaat, ijzervitriool enz. leggen de ammonia vast en nemen derhalve den prikkelenden reuk der veestallen weg, I, bl, 390. Meer aanbeveling verdient echter het gebruik van tm-fstrooisel of van humushoudende aarde, I. bl. 393.

Dammann is uit een gezondheidsoogpunt geen voorstander van het plaatsen der dieren op den mest, dus in den potstal, omdat allerlei ziekten, bij paarden b.v. weeke hoeven, daarvan het gevolg kunnen zijn, en zegt dat dergelijke stallen alleen aanbeveling verdienen uit het oogpunt van mestbereiding.

In allen gevalle dragen oen niet te zuinig gebruik van strooisel, een zorgvuldig verwijderen der uitwerpselen enz., bij tot zindelijkheid in den veestal en tot zuiverheid van de huid der dieren. En eene zuivere huid draagt veel bij tot hunne gezondheid.

Het zweet, de opperhuidschilfers, stof enz., vormen op de huid licht eene korst, die de gewone „uitwasemingquot; tegengaat en aan ongedierte (huidparasieten) eene schuilplaats verleent. Proeven hebben bewezen, dat bij het over-strijken der huid met vernis de lichaamstemperatuur daalt, bl. 39.

Door rossen en borstelen en zoo uoodig door wasschen en baden moet de korst verwijderd of haar ontstaan voorkomen worden. De geheele werkzaamheid der huid wordt daardoor sterker en alle levensverrichtingen worden meer opgewekt en gaande gehouden.

In de laatste jaren is ook het wegscheren van het winterhaar, in het begin van den staltijd, meer in zwang gekomen, om het reinigen der huid gemakkelijk te maken. Verschillende proeven hebben bewezen, dat inderdaad de gezondheid en de groei der dieren er door bevorderd worden. Zorg voor koude-vatten is dan echter dubbel noodig. Volgens Dammann verdient het scheren geene aanbeveling, vooral niet voor werkpaarden die nu en dan den stal verlaten.

De voorwaarden, waaronder de dieren gezond zijn en blijven, kunnen in hen zeiven of daarbuiten gelegen zijn.

Tot de eerste behooren een goed geëvenredigden, normalen lichaamsbouw, een rustig temperament, afstamming van gezonde ouders en van eene gezonde familie. Om hieraan te voldoen heeft de landbouwer op een en ander te letten bij het aanfokken. Zie bl. 91 en 101. Tot de uitwendige voorwaarden der gezondheid rekent Haubner: eene zuivere lucht van gepaste warmte, gezond voedsel en drank, gepaste beweging, rust en slaap, zindelijkheid en verzorging der huid, orde en regelmaat in de voeding. Vele ziekten kunnen door het inachtnemen dezer voorwaarden worden voorkomen, maar ziekelijke dieren of enkele harer organen door een juist vervullen dezer voorwaarden ook sterker worden gemaakt. Vooral het blootstellen aan eene afwisselende temperatuur en he

-ocr page 179-

in

geven van te koud drink water heeft vaak ziekten ten gevolge en moet dus vermeden worden.

Of een dier gezond is, laat zich opmaken uit zijn geheele gedrag en voorkomen: het moet vroolijk en opmerkzaam zijn. Een geoefend waarnemer ontdekt bij het nagaan der levensverrichtingen, „onder de meest verschillende omstandigheden, in de weide zoowel als op stal, bij het vreten zoowel als bij het werk, in do rust en bij uiterlijke opwekking enz.quot; afwijkingen van den gezondheidstoestand, wanneer de dieren nog geen eigenlijk teeken van ziekte vertoonen. De huid moet zacht en glad, de lichaamswarmte gelijkmatig verdeeld zijn: alleen de ooren, de beenen en de horens moeten iets kouder zijn. Bij het rund moet ook de neusspiegel kouder en gelijkmatig bevochtigd wezen. Van belang is voorts het nagaan der eetlust, der spijsvertering en der ademhaling.

,,Ziekte is afwijking van den normalen toestand, waarbij de verrichtingen des lichaams door inwendige omstandigheden gestoord zijn en de geregelde ontwikkeling van het dier en zijn bestaan in gevaar verkeerenquot;. Tot haar ontstaan werken mede; aanleg of vatbaarheid er voor en eene oorzaak buiten het dier gelegen. Do kwade droes b.v. is bepaald eigen aan paarden, de longziekte aan het rundvee. Andere ziekten treffen de dieren meer in 't algemeen, maar zij zijn lang altijd niet even vatbaar daarvoor. Terwijl zij het eene dier treffen, blijven anderen gezond. Worden vele dieren tegelijkertijd door dezelfde ziekte aangetast, zoo is zij heersnhend (epidemisch).

De oorzaken der ziekten, buiten het dier gelegen, moet de landbouwer vooral in het oog houden en afwenden, om zijne dieren gezond te doen blijven.

Sommige dezei oorzaken zijn plaatselijk in den bodem (miltvuur), of in de lucht gelegen {inheemsche ziekten) b.v. de runderpest in de steppen van Rusland. Niet zelden gaat ook eene ziekte van het eene dier op het andere over: zij is hcsmetlelijk, b.v. longziekte, 't mond- en klauwzeer, kwade droes. Strenge afzondering of onmiddellijke dooding en zoo noodig ontsmetting van alles wat met het zieke of de verdachte dieren in aanraking is geweest, zijn daartegen in den regel de beste middelen.

Waar het pas gaf bij het voeder, het voederen enz. hebben wij reeds gewezen op hetgeen aanleiding kon geven tot ziekte. Hier zij er nog op gewezen, dat, behalve bij besmetting, nu eens de oorzaak kan gelegen zijn in het weer: kouvattng, zonnesteek, veel regen, dauw en nevel en daardoor soms te waterrijk voedsel; dan in het drinkwater (vcrscli pompwater met weinig organische stoffen, niet te veel zouten en eene temperatuur van 10—15° C. is het best) of in het voeder. Wat dit laatste betreft is bij de verschillende voedermiddelen daarop reeds de aandacht gevestigd. Hier zij nog gewezen op den schadelijken invloed van bedorven voeder, hetzij door rotting of schimmelvorming, hetzij door insecten, vooral bladluizen, en andere dierlijke of plantaardige. parasieten , soms ook door overstrooming of hevige regenvallen, bevriezen enz. veroorzaakt. In al deze gevallen is voorzichtigheid aan te raden; dergelijk voeder mag in geen geval in groote hoeveelheid gegeven worden en bij de minste afwijking van de gezondheid moet met het voederen daarmede worden opgehouden, of door koking, broeiing enz. de schadelijke werking worden tegengegaan. Veroorzaakt dergelijk voeder dikwijls verschijnselen van vergif-

-ocr page 180-

158

tiding, niiuu^- en ilavmontstckingen, koliek enz., eono vergiftiging

kan verder veroorzaakt won Ion door liet eten van giftplanten, hetzij op de weide, in den stal of meer toevallig langs weg en hof, als daar zijn: de Wolfsmelk-soorten, het Bilzenkruid, de Bnxboom, do Nachtschaden, de zaden van Bolderik vooral in Rogge enz. Zie Dl. U, bl. 395. Verfstoffen, b.v. in compost op weilanden gebracht, kunnen mede aanleiding geven tot vergiftiging.

Ten slotte wijzen wij nog op het nut eener zachte, liefderijke behandeling dor dieren in liet algemeen. Do Engelsche veefokker is daar om het te bewijzen. „De geheele behandeling van hot vee aldaar geschiedt met liefde en belang-btelling, zonder eenig hard woord of eenige wreede daad. Een gevolg van deze wijze van behandeling is dan ook het rustige, hot tamme, het gehoorzame, ja het verstandige, aan het Engelsche vee eigen. Dat zijn altemaal dingen, die van zelf spreken; maar hot moet erkend worden, dat zij in Groot-Britanië in practijk gebracht worden en ontegenzeggelijk van invloed zijn op het resultaat der veeteelt. Niemand zal dit bestrijden, en toch hoe vaak wordt tegen deze van zelve sprekende regels gezondigd!quot; Zoo zegt Theodor Körner in „Die Laudwirthschaft in Grossbritanniën, nach eigener A nschauung dargestolltquot;.

-ocr page 181-

B I.I ZO ND ERE VEETEELT.

HOOFDSTUK i.

RITND VEETEELT i).

i. AFSTAMMING EN EIGENSCHAPPEN VAN HET RUNDVEE.

Onder den naam runderen begrijpt raeu de verschillende diersoorten en rassen van het geslacht Rund (Bos). Minder juist is de benaming hoornvee.

De dierkundigen brengen deze dieren tot liet type der Gewervelden, de klasse der Zoogdieren en de orde der Herkauwers of Tweelioevigen; met het Schaap, de Geit en eene menigte dieren meer vormen zij van deze orde de familie der Holhoornigen, die men nog weder in twee onderfamiliën: de Runderachtigen en de Geitachiigen kan onderscheiden. De eersten zijn onder anderen gekenmerkt door een breoden, onbehaarden neus, nagenoeg ronde horens, een staart die aan zijn uiteinde gewoonlijk een haarbos draagt en overigens gelijkmatig behaard is, en een uier met 4 tepels, terwijl de Geit-achtigen, waartoe o.a. het Schaap en de Geit behooren, een behaarden neus, een gespleten bovenlip, een nier met 2 tepels, een gelijkmatig behaarden staart zonder haarbos en veelal kantige horens bezitten. Tot de Runderachtigen behooren, behalve dieren van het geslacht Rund (Jloa), de Buffels (gesl. Bubalns) en de Bisons (gesl. Bison).

Buffels, Fig. 61, worden o. a. in Amerika, in Afrika, in Italië, in Bulgarije, Zevenbergen en in onze Oost-Indische bezittingen (bier onderden naam van karbouwen) vooral als trekdier gebruikt. Zij zijn gekenmerkt o. a. dooi een kort naarbuiten. gebogen voorhoofd. Bisons kwamen in het diluviale tijdperk in Europa veelvuldig in het wild voor; men treft thans nog in Amerika den Bison americanus of Buffalo en in eenige bosschen van den Kaukasus en in Littauen den Bison europaeus of Wisent, Eig. 0'2, in het wild aan. In Littauen worden de Bisons in het woud Bialowicza en in Kaukasië in het woud Atzilhow opzettelijk voor geheele uitroeiing beschermd; dergelijke maat-

1) Zie, behalve de vroeger vermelde werken : L yd tin und Werner, Dan Deutsche Rind; H. Lehnert, Rasse und Leislungen nnserer Rinder; Dr. H. Werner, Die Rinderzücht; Dr. C. F. Miiller en Dr. O. Rolide, Die Rindoiehzucht; G. .1. Henge-veld. Hel Rundvee.

-ocr page 182-

160

regelen zijn ook in Amerika noodig geworden. Hier zwerven nog eenige

'v

■TV

x

' V\

-ocr page 183-

161

hoiKlerclen in do gebergten van Montana en Colorado rond; een tweehonderdtal wordt in hot Yellow-stone nationale park opzettelijk aangehouden. Blijkens eene telling in 1889 bedroeg het geheele aantal wilde eu getemde Bisons in Amerika sleeiits 1091; terwijl hun aantal in 1870 nog op 4 millioen geschat werd.

De Bisons zijn gekenmerkt door een voorhoofd dat meer breed dan lang is, een schoft hooger gelegen dan het kruis, terwijl kop en hals lange wolachtige haren dragen en de kin een langen baard. Het zijn sterke, geharde dieren.

die in troepen leven en bij schaarschte van voedsel zich met wat dor gras en boomrijs kunnen onderhonden. Do Amerikaansche zijn door hun dikke huid en wollig haar bestand tegen de sneeuwstormen {blizzards) die in den winter meormalen over de prairiën waaien; zij zetten letterlijk hun kop daartegenin, terwijl de gewone runderen er voor op do vlucht en dan meestal te gronde gaan.

Een en ander heeft eenige Amerikaansche farmers in de laatste 25 jaren aanleiding gegeven om do gewone runderen met bisons te kruisen en deze in de prairiën gewenschte eigenschappen der bisons in het gewone rund over te brengen. Vooral heeft zich daarop toegelegd C. J. Jones te Garden City reindrrs, iit. Vierde drul;. 11

-ocr page 184-

102

(Kansas), die in 1888 in hot bezit was van 57 stuks in liet wild gevangen bisons en daarmede Galloway-, Shorthorn-, Hereford- en gewone Toxas-nmderen krnisto. Do ervaring hoeft daarbij geleerd dat eene vruchtbare ver-eeniging van een bisonstier en eene koo van 't gewone rund mogelijk, maar eene omgekeerde paring onvruchtbaar is. ï)o alzoo verkregen halfbloeddieren

hebben nog voel van een bison; zij kunnen in troepen worden gehouden, zijn bestand tegen de sneeuwstormen , stollen zich met een schraal voedsel tevreden, terwijl zo niot wild of boosaardig zijn en hun vlecsch voor even goed wordt gehouden als dat der beste gemeste Texasrunderen. Van deze halfblooddioren laten de vrouwelijke zich met een bisonstier vruchtbaar paren i).

Meer overeenkomst met ons gewone Rund hebben do volgende, deels nog

1 Drillschfl. iMmlw. Presse, ISOt), nn.

-ocr page 185-

163

in het wild voorkomoncle, ilcols gotonnle dieron, die men daarom ook tot hetzelfde geslacht Bos brengt. Van den anderen kant vertoonen /.ij overeenkomst met de l^isons, wat aanleiding hooft gegeven tot don naam Bisonnm-deren. Rtttiineier beschouwt als hun stamvorm de Jlo.s elruscus, waarvan sehedolvormon in de tertiaire aardlagen (pliocoen) gevonden worden. Daarvan wijkt in lichaamsvorm, o. a. door het gebogen voorhoofd, nog het meest van het gewone Rund af do Yak of Knor-os, (Co.s- grunnims), Fig. 63, dio in

Fig. (m. Indisi-he Zebu of liultos.

Midden-Azië deels in het wild (in de berglanden), deels als huisdier voorkomt; hij wordt door «Ie bewoners van Thibet, Mongolië en-/,, als last- en trekdier on tot hot leveren van melk gebruikt; het haar van dit dier levert aan de Tangnten de grondstof voor weefsels, terwijl de prachtige staait, behaard als dio van een paard, bij de Perzen, Turken, Chineezen en Indianen een belang-riik versieringsmiddol is. Verder vermelden wij den Gayal of het Sylhetnansche rund (Bos frontalis). Fig. 64, dat op hot vasteland van Tndiö in het wild leoft. maar ook getemd als huisdier gehouden wordt; ook treft men aldaar

11*

-ocr page 186-

104

den Ganer of het Dsehungelrund [Bos gaurus) in liet wiM ;uin. Op de Snnda-eilanden komt liet Suudaneesche rund (Bos Sonddicus) in liet wild voor, waarvan de stier op Java Banting, de koe Sapi of Sampi geheeten wordt.

Al deze runderen zijn gekenmerkt door een min of moor hoogon rug en schoft en vertoonen daardoor min of meer overeenkomst met Bisons. Meer

-ocr page 187-

165

bepaald con vctbult op do schoft bezitten de runderen, onder de namen Zcbu. en San;/a bekend, Fig. 65. Deze bultmnderen, die wellicht tot een of twee soorten (Bos zebu s. indicus en Bos africanus) kunnen samengevat worden, maai' waarvan dan nog zeer onderscheiden rassen bestaan, beklecden in de heete gewesten van Azië (Arabië, Perzië, Armenië, Bengalen enz.) en in Afrika (Kaap de Goede Hoop, het land der Hottentotten en op Madagascar) de plaats van ons rund als huisdier; zij bewijzen den bewoners dier gewesten allerlei diensten. De oud-Egyptische nmderen, ook de bekende Apis-stieren, behoorden hiertoe zoowel als hot heilige rund der Brahminen cn de runderen, die thans in Egypte als huisdier gehouden worden. Zij komen niet meer in het wild, wel hier en daar verwilderd voor.

Op vele plaatsen in Afrika, b.v. aan de Kaap. wordt de Zebu echter langzamerhand door invoering van 't gewone Rund verdreven.

Aan het landbouwinstituut te Halle zijn proeven genomen met hot paren van de bovengenoemde runderen, zoowel onderling, b.v. van do Yak en do Zebu, als met het gewone Rund. Hieruit is gebleken, dat deze paring wel gelukt maar de nakomelingen onderling onvruchtbaar zijn. De vrouwelijke bastaards, verkregen door paring van een gayalstier met verschillende runderen , bleken wel vruchtbaar te zijn wanneer zij gedekt werden door een stier van zuiver ras; de mannelijke bastaards daarentegen bleken steeds onvruchtbaar, zoowel bij paring met een vrouwelijke bastaard als met een van zuiver ras.

-ocr page 188-

166

nen Z7r, Urochs of Auerochs (Ocrrund) goheoten. Later hooft men in de Zwitschersche paalwoningen en in verschillende diluviale gronden rundersche-

-ocr page 189-

107

dels gevonden, die mot dozo lioschiijving zeer goed overeenkomen. Klitiineier,

Owen en anderen hebben deze schedels en de daarop ingeplante horens vergeleken met die dei-tegenwoordige nmderen en gevonden (in aanmerking genomen dat dooi- de keuzo bij liet aanlokken en de verandering van leefwijze, voeding enz. in don getemden staat, dit oorspronkelijke rund wel zal veranderd en inzonderheid de horens ingekort zullen zijn), dat de vorm der schedels van vele Enropeesche runderen daarmede zeer goed overeenkomt. De meeste overeenkomst er moe vertoont hot steppenvee m Rusland, Hongarije , de Donau vorstendom men enz., dat zich ook thans nog door een grooto hoornontwikkeling onderscheidt on het wilde of halfwilde vee in de parken van Schotland, Fig. 07 ')•

liet veen van Gulden in Brandenburg, heeft Nehring berekend dat do Uros. waarvan dit afkomslig is, eeue schofthoogte gehad moet 1 lebben van 1.75 M. jS'ilsson geeft, te oordeelen naar de gevonden skeletten , als lengte op 3.45—3.70 M.

Door moting van een geraamte, gevonden

Kig. 71. Schedel van een Imicliyeeros-i mid, tui- /ijilu gezien. en ;1]y hoogte 1.88 M. Er zijn echter ook geraamten van kleineie afmetingen gevonden. In

') Ramm, Die Artcn nnd Kassen qep Itindes, bescliouwt cle runJeieii in ile Scliotsche parken niet als oorspronkelijk wilde maar als getemde, die verwilderd zijn en waarbij die met eene witte kleur, welke altijd in boog aanzien liebben gestaan, zijn nitgezoclit: in vorm en boornontwikkcling komt bet in de verschillende parken aanwezige vee ook veel met dat quot;t welk in tie naaste omgeving, althans vroeger gevonden werd, overeen.

-ocr page 190-

168

oude geschriften worden voorts vele mededeelingen omtrent den Uros gedaan en bestaan er bovendien enkele afbeeldingen van. Als het meest met die bo-sclirijvingen en met liet geraamte overeenkomende beschouwt Nehring ') die van eene schilderij in olieverf, door Hamilton Smith te Augsburg gevonden,

Behalve geraamten en schedels van dit langgehoornde Oerrund, Fig. 68 en 61), zijn nog drie andere schedelvormen gevonden van runderen, die in lang vervlogen tijden geleefd moeten hebben: 10 schedels van een klein, licht rund

met kleine, korte horens en een breed, lang en oneffen voorhoofd, Fig. 7U en 71, door Rütimeier Boh Brachyceros, door Owen Bos longifrons geheeten,

') Globus.

-ocr page 191-

1(59

in ijo Zwitsersche paalwoningen en in de venen en hot dilnvium van Engeland, Ierland en Skandinavië; schedels van runderen met een breed gewelfd voorhoofd, verheven kniinbeen en niet dikke, grove en sterk zijwaarts en naar beneden gekromde horens. Fig. 72 en 73, in do venen van Skandinavië door Nilsson, en waaraan door dezen de naam Bos frontosus gegeven is; 3° schedels van runderen waarvan de kop kort maar boven de oogholton en in hot gezicht breed geweest moet zijn, in de paalwoningen van Laibach door Wilckens en door hem het kortkoppige rund {Box brachycephalus) geheeten. Volgens Rütimeier en anderen vindon ook deze drie vormen in het thans levende vee nog hunne vertegenwoordigers: Bos brachyceros o. a. in het grijsbruine vee in Zwitserland, Bos frontosus in liet gevlokte Zwitsersche vee, vooral in de kantons Born en Freiburg, en Bos brachycephalus o. a. in hot Zillertlialer on Dnxer vee.

Op grond van een en ander nomen zij aan, dat do Europeesche tamme runderen van oen viertal stamsoorten of rassen afkomstig zijn of althans oen viertal hoofdvormen daarbij kunnen worden onderscheiden.

Deze zijn: 1° Bos taurus primigenius Rütimeier, in het geraamte het moest met den Uros overeenkomende.

2° Bos taurus longifrons Owen of B. t. brachyceros Rütimeier, met een lang voorhoofd en korte horens.

3° Bos taurus frontosus Nilsson, met oen groot voorhoofd.

4° Bos taurus brachycephalus Wilckens, met een korten kop, maar breed voorhoofd.

Dat tleze vier stamrassen ook eenmaal in liet wild in Europa voorkwamen wordt wel betwijfeld, maar moer waarschijnlijk geacht, dat de gevonden schedels van reeds getemde vormen afkomstig zijn. Nohring en anderen beschouwen de üros dan ook als het eenige wilde rund dat in Europa voorkwam en de stamvader van het tamme Europeesche rund, waarmede echter bloed van Zebus en andere runderen gemengd kan zijn, waardoor zich do afwijkingen laten verklaren. Wilckens meent dat hot tamme rund uit Azië afkomstig is en betwijfelt het of dit van don Uros afstamt, daar hot volgens hem te veel daarvan in grootte verschilt; hij verdoelt, evenals Nohring ou Sanson (zie liiorondor), de tamme runderen in langkoppigon (dolichocephalen) en kortkoppigen (hrachycephalen), en is van mooning dat do eersten, die het grootste aantal vormen, uit Azië, waarschijnlijk door Afrika in Europa zijn gekomen, terwijl de kortkoppigen in Europa inheemsch waren en afstammen van Bos etruscus, welke Rütimeier, gelijk hierboven gezegd is, als do gemeenschappelijke stamvorm van do bisonrundoren beschouwt.

De meeningen omtrent de afstamming van de Europeesche tamme runderen en vooral omtrent do verschillende stamvormen en do daarop berustende indeeling loopen dus nog zeer uiteen. Als vrij zeker mag echter worden aangenomen dat do geschiedenis van do tamme runderen nauw samenhangt met die dor volkeren welke ze getemd of zo op hunne tochten hebben meegevoerd. Don weg, dien de volkeren bij hunne verplaatsingen volgden, doorliep ook hot vee, en naast vole andere gedenktoekonon zijn op dien weg hier en daar ook sporen van het vee dat zij medovoerden achtergebleven. Zoo word westelijk Zwitserland bevolkt door de Bourgondiërs, die, waarschijnlijk uit zuidelijk Zweden

-ocr page 192-

17(1

afkomstig, in het bezit waren van het tot hot frontosns-ras bohoorendo gevlekte vee, dat thans in dit gedeelte van Zwitserland voorkomt en dat door We rner mede op het eiland Gotland is gevonden. Op gelijke wijze zijn ook de wegen die andere volksstammen als de Kelten en de Gothen gevolgd en do landen die zij in bezit genomen hebben, gekenmerkt door een eigenaardig soort vee, waaromtrent wij hier echter in geene nadere bijzonderheden kunnen treden '). Vermenging van de verschillende stamrassen heeft daarbij ongetwijfeld plaats gehad, zoodat daaruit allerlei tnsschenvormen zijn ontstaan.

Wij kunnen het tamme Eund (Bos Taurus) in het algemeen een holhoornig herkauwend of tweehoevig dier noemen, dat een onbehaarden neus en bovenlip (neusspiegel) zonder groef, een uier met vier tepels en een staart niet eene haarkwast bezit. Wat men onder een herkauwend dier verstaat en hoe de maag van zulke dieren is ingericht, is bl. 44 en wat een tweehoevig dier is, bl. IS genoegzaam verklaard. Ook do overige lichaamsdeelen zijn uit het vroeger daarvan vermelde genoegzaam aangegeven.

De huid aau de benedenzij van den hals is ruim en hangt als een ledige zak naar beneden, waaraan men den naam kossem geeft.

Het voorhoofd is lang en min of meer plat; de horens zijn aan hunne basis

weinig verdikt (onderscheid met de buffels) en nagenoeg rolrond. Zij staan aan weerszijden op de uiteinden van den beenigen kam, die het voorhoofd van het achterhoofd scheidt en zijn verschillend gekromd; bij het Nederlandsche rund veelal eerst zijwaarts en iets naar achteren, dan voorwaarts en aan de punt veelal iets naar beneden of naar boven. Zij bestaan. Fig. 74, uit een ronden beenigen kern (huoni-pil), een uitsteeksel van 't voorhoofdsbeen, en een hollen hoornen koker yhoornschecdc), die rond en glad en aan de basis van eenige kringen voorzien is, wier aantal mot den ouderdom toeneemt en bij koeien, die eenige kalveren hebben voortgebracht, het best waar te nemen zijn (zie hieronder). Slechts bij enkele rassen ontbreken de horens; de haarwervel op het voorhoofd en tnsschen de oogen is bij deze dieren grooter, en de kruinharen zijn langer en dichter. Bij den stier zijn de horens korter en dikker, bij den os of gesneden stier veelal langer, staan verder uit elkaar en verkrijgen eene zoogenaamde breede vlucht.

Tot op den ouderdom van 9 maanden wordt liet rund kalf van 9 tot 21 maanden pink, hokkeling of enter, van 21 maand tot ongeveer 2 jaar en 9 maanden twinter geheeten en verder als driejarig, vierjarig rund enz. onder-

') Zie daarover 11. Werner, Die Rinderzucht.

-ocr page 193-

171

scheiden. Het mannelijk dier heet Klier, hul of hol cn gesneclen, o.v, liet vrouwelijk dier koe. Men heeft dus: stier-kalf, enlcr-, hcinlcr-, rfr/r- en meerjarige slieren; os-kalf] enter-, iwinter-, rfne- en meerjarige ossen. De euterstier wordt ook pinks lier on in 't algemeen als hij voor het dekken gebruikt wordt, spring- of rijslier geheeten. Stieren, die, na voor het dekken gebruikt, gesneden zijn, noemt men hol-ossen of seharige ossen. Meer verschil beslaat er in de benamingen van het vrouwelijk dier. Het eenvoudigste zou zijn ook hier van koe-kalf enter-, Iwinter-, drie- en meerjarige koe te spreken, maai- behalve koe-kalf zijn de benamingen kuisch- of kui-kalf vaars-, vare-, veers-, vierxe- en viaalkalf in gebruik. Van 8 a 9 tot 20 a 21 maanden noemt men het enter-, pink- of kalfvaars, schot-pink, maal pink, enterrier of ook eenvoudig enter, pink, hokkeling of heukel] vervolgens tot ongeveer driejarigen leoftijlt;l: twinler-vaars of ook vaars, viers, vierxe, twinter, kalf-schot Ier, rier, trient, tweejarige maal of eenwinter en, voortaan toe geheeten, wordt het, wanneer het 2e, 3e enz. kalf is voortgebracht, als tweede kalfs-, derde kalfs-koe enz. onderscheiden. Eene vaars, die o)i ongeveer tweejarigen leeftijd geen kalf voortbrengt, heet gelde vaars of gelde kalf-schotter.

Eene koe, die een of meer kalveren voortgebracht heeft, maar op den gewonen tijd niet weder drachtig wordt en dus den volgenden winter geen kalf voortbrengt, heet vaar-melk of vare, guste of geile koe-, op den gewonen tijd weder drachtig zijnde daarentegen neurende, kalf-oi lijd koe. Eene koe, die na herhaald bespringen niet drachtig wordt en dus om-ruchtbaar blijkt te zijn, wordt kwee of kween geheeten. Dezulken komen het meest bij tweelingen voor.

Ter bepaling van den ouderdom van 't rund kan het gebit ten naastenbij tot maatstaf strekken.

Evenals de meeste herkauwende dieren bezit het rund in de onderkaak 8 beitelvormige snijtanden, Fig. 75, en

Kig. 7rgt;. Snijtiunl t01. weerszijden daarvan G kiezen met platte, van email-van liet ruiiil. , . . . -ii iii

plooien voorziene, kroonen; in de bovenkaak komen geene

snijtanden voor, maar evenals in de onderkaak aan elke zijde ü kiezen, waarvan de eerste drie, premolaren geheeten, wisselen, de laatste drie, de

molaren niet wisselen. 1 iij de geboorte zijn gewoonlijk nog maar 2 of 4 snijtanden en in 't geheel 8 a 12 kiezen voorhanden: langzamerhand breken ook de andere snijtanden door. Deze eerste tanden, melktanden geheeten, zijn echter klein, komen bij het grooter worden der kaken weldra hol te staan en slijten spoedig af. Fig. 7 (i. De voorste (middelste) snijtanden worden gr ash ij Iers, de volgende hinnenste-, de daarop volgende huitenste middellanden en de achterste hoek-snijlanden geheeten. Heeft het rund zekeren leeftijd bereikt, zoo vallen de snijtanden en de reeds bij de geboorte aanwezige of kort daarna doorbrekende kiezen uit en worden door andere, blijvende tanden en kiezen vervangen.

-ocr page 194-

Daai1 ilozo aanzienlijk grooter zijn en een anderen vorm bezitten, kunnen zij gemakkelijk van do melktanden worden onderscheiden. En daar dit wisselen

van de tanden en kiezen op min of meer bepaalden leeftijd geschiedt, heeft men in het niet of reeds aanwezig zijn van de blijvende tanden een middel om den leeftijd van 't rund ten naastebij te bepalen. Do volgende tabel bevat de levenstijdstippen, waarop het doorbreken en wisselen der tanden gewoonlijk geschiedt of do hoeveelheid en soort van tanden en kiezen alsdan aanwezig. De melktanden zijn daarin door kleine, do blijvende door vettere cijfers aangeduid, terwijl de cijfers 1, 2, 3 enz. de opvolgende kiezen en tanden van voren naar achteren aan elke zijde in de kaken aanduiden.

OUDE R D 0 M.

s

NUT,

NUE

N.

KIK

Premolaren.

K N.

M

olaren.

SAMKN.

1

3

4

1

2

3

4

5

ü

1. Tijdperk van de melktanden

bij de geboorte........

2

-

_

4

4

4

14

1 week oud.......

2

2

4

4

4

2—3 weken ».......

2

2

2

4

4

4

20

11. Tijdperk van het wisselen

der tanden.

'/*— v,h jaar, FiS- 7G . . .

2

2

2

2

4

4

4

4

24

IV-n, »,Fig. 77...

2

2

2

2

4

4

4

4

4

28

2 —2i;2 » , Fig. 78 . . .

2

2

2

2

4

4

4

4

4

4

32

23,,—8 » ........

2

2

2

2

4

4

4

4

4

4

32

3i/4-4 » , Fig. 7!) . . .

2

2

2

2

4

4

4

4

4

4

32

Hot wisselen en doorbreken der tanden heeft intusschen niet altijd zoo regelmatig plaats als in de tabel is aangegeven. Zoogenaamd vroegrijpe en in :t algemeen zulke dieren, die in hunne jeugd goed gevoed worden, wisselen

hunne tanden eerder dan laat-rijpc (b.v. hot Russische step-penvee), ziekelijke en slecht gevoede dieren, waarvan de voorste blijvende snijtanden eerst op twee- en de laatste blijvende snijtanden vaak eerst op vijfjarigen leeftijd doorbreken.

Bereiken de dieren een

-ocr page 195-

/

hoogen oudenlom — liet Rund kan 20—30 jaren oud worden, maar stieren worden zelden langer dan 5 a (J jaar, veelal niet langer dan 3 a -1 jaar gehouden, ossen veelal niet langer dan 2 a 3 jaar, werkossen in het buitenland

van G—12 jaar, de

koeien zelden langer dan 10—15 jaar, — zoo worden de snijtanden stomper, verliezen hunne witte kleur en vallen ten slotte uit. Ook wordt de huid van oude dieren en bij koeien de uier slapper en meer rimpelig.

Hoeveel kalveren eene

melkkoe gedragen heeft, wordt door het getal hoornringen min of meer duidelijk aangewezen. Gedurende de drachtigheid staat namelijk de hoorngroei min of moer stil of is hij minder sterk. Het gedeelte van 't hoorn, dat alsdan gevormd wordt, is dus van het in de overige levenstijdperken gegroeide te onderscheiden. Daar de koe in den regel elk jaar een kalf voortbrengt, zoo kan elke ring voor één jaar (de eerste echter voor tweejaar) gerekend worden. Is de koe in eenig jaar niet drachtig geworden, zoo is de tusschenruimte lot de volgende ring grooter; is het kalf verworpen, zoo ontstaat een minder duidelijke ring. Maar ook de meerdere of mindere gezondheid van 't dier en de wijze waarop het gedurende do drachtigheid gevoed is, kan op do ring-vorming van invloed zijn, zoodat het getal ringen niet altijd met juistheid den ouderdom aanwijst.

Het Rund groeit het meest in het eerste en tweede jaar zijns levens en is eerst op 4- a öjarigen leeftijd volwassen. De geslachtsdrift ontwaakt roods op l'/j- a 2jarigen leeftijd, bij krachtige voeding en aanleg tot vroegrijpheid dikwijls reeds vroeger. De draagtijd duurt gemiddeld 285 dagen of ruim 40 weken, bij stierkalveren gewoonlijk iets langer. In den regel brengt de koe maar één kalf, soms twee, zeer zelden drie ter wereld. Het gewicht der kalveren bedraagt 20—60 KG. of ljl2—'/u van 'iet gewicht der koeien; van deze bedraagt het levend gewicht op den volwassen leeftijd 200—800 KG., stieren en ossen zijn zwaarder; hun levend gewicht wisselt zoo ongeveer af van 300—1000 KG. quot;Veeslagen of -rassen, waarvan het levend gewicht der koeien 400 a 500 KG. bedraagt, zou men van gemiddelde zwaarte, die daarbeneden lichte en daarboven zware slagen kunnen noemen.

De belangrijkste ziekten, aan hot Rund bijzonder eigen, zijn: de runderpest, de longziekte, het mond- en klauwzeer, de knobbelziekte, tuberculose of parelzickte, het miltvuur en bij kalveren dc witte diarrheo. Als schadelijke dieren op of in het Rund worden aangetroffen : Schurftmyten {Dermatocoptus of Dennatophagus spec.), Luizen {Uacmaiopinus emysternis en //. tenuirostris), Horzels (Hypoderma bovis en Gaslrm pecorum). Dazen of Bremzen (Tabanus bovinus), Tsetse vlieg (Glosfsina morsüam) in Zuid-Afrika, Golnmbaszor mug (Simulia maeulata) in de landen aan don Bonodon-Donan, Lovorbot (Distnmn),

-ocr page 196-

174

Lintwormen (Tnenin expansa on T. denticulala), Palissadenwoi'inen {Stronr/ijlua micrurus on enlvole andero soorfon) in do longen onz. ').

2. IJK RUNDVKKUASSEN.

Hot klimaat on do grond hobbon een onmiskenbaren invloed op eenigo veesoort. Wat liet rundvee betreft, valt vooral hot verschil tusschen hot vee der lago vlakke landen en dat der bergstreken in liet oog. Het lagelands vee, dat zijn voedsel, zonder voel inspanning, in vlakke weiden zoekt, bezit een meer nitgerckten hals en veelal oen min of meer afhangend kruis mot laagliggenden staart on is uit zijnen aard zacht en gedwee; zijn temperament is goedaardig. Hot bergvee daarentegen, dat vooral in zijne jeugd op de hoogste bergweiden gedreven wordt, om zijn voedsel te zoeken, bekomt juist daardoor een meer opgeriehten stand: de hals is korter; de staart ligt hoog; do rug is meestal iets ingebogen, de achterste ledematen, die het dier bij het bestijgen der bergen moeten steunen, zijn sterker ontwikkeld; de frissche berglucht maakt het dier levendiger; de meerdere kracht, die het in zijne jeugd moet ontwikkelen , sterker en het levert daarom veelal boter werkvee dan dat der lago kuststreken.

Dit in 't oogloopend verschil heeft de veekundigen aanleiding gegeven de Enropeesche runderrassen in te doelen in laaglandsrassen en hergrassen. Tns-schenbeide treft men echter allerlei overgangen aan, waaraan men den naam van landrassen geeft.

Volgens Lydtin J) is het rund in de eerste plaats een product van den bodem. Deze is verschillend rijk aan zouten, wat van invloed is O]! de planten die er groeien en daardoor ook op de plantenetende dieren die zich daarmede voeden. Do invloed van het klimaat en zoo ook hoogte en laagte van den bodem zijn volgens hem van minder beteokenis. Zie intusschen hierboven.

') Zie hierover Dr. .i. Ritzema Bos, De dierlijke imrnsielen vnn den mensch en de huisdieren.

2) Drta Deutsche Bind, hl. 12, uit Festschrift fur die Mi tg lied er der XXT Ver-sammluny dcutschcr Land- und Forstwirte iiher die Land- und Forslwirthschaft in Grossherzoythum linden. Lydtin zegt liier: ,.Op gneiss- en granietgronden zijn de veeslagen bij gemiddelde grootte fijn van beenderen. De afstammelingen van kruisingen met zware runderen gaan daarin altijd weder terug. De ontwikkeling van het lichaam is langzaam, overal treft men echter bij eene overigens doeltreffende behandeling eene in verhouding tot de lichaamsgrootte aanzienlijke melki-ijklieid aan. Deze veeslagen vinden wij nergens op de kalkgronden; zij worden in enkele streken nauwkeurig naar de geognostische grenzen gescheiden.

Op kalkgronden zijn de veeslagen sterker, vooral is de bouw der beenderen zwaarder, de lichaamsontwikkeling sneller. Dit blijkt niet alleen bij kruisingsproducten van groote slagen, die ook zonder invoer van nieuw bloed en zonder bijzondere zorg bij het aanfnkken en voor de voeding in stand blijven; maar ook de oorspronkelijke inheemsche slagen hebben dit karakter, zooals b.v. het Baarerveeslag (in Baden) door zijn schoenen, vollen lichaamsbouw van gemiddelde grootte aanwijst. Nergens is ons echter een veeslag van uitstekende melkrijkheid van op kalkgronden gefokte koeien bekend geworden, on de aldaar ingevoerde runderen van de rnelkrijkste rassen zijn in ile volgende geslachten weder tot hare goede middelmatigheid teruggegaan.

De bonte zandsteen wijst zoowel met betrekking tot do melkrijkheid als de licbaams-

-ocr page 197-

Ofschoon dienaangaande nog veel onzekers Ijostjiat, zie lil. KiO, kunnen volgens Hütimeier en anderen voor het Eurojjoesche innd een viertal starasoorten of rassen worden aangenomen. Deze zijn;

a. rassen, die afstammen van den Oer of Hos laurux priiiiigenius, Fig. 60, GS on 09. Deze zijn gekenmerkt door een laag ingeplanten staart, een afdalend kruis en veelal zwarten breeden neusspiegel. Do kop is lang en smal, liet voorhoofd vlak. De hoornscheeden sluiten dicht aan den kop en krommen zich eerst iets naar achteren en zijwaarts, vervolgens naar voren en niet de spits veelal naar boven. Do horens zijn aan hun basis meestal wit, aan den top zwart. Hot gedeelte der kaken, waar geen kiezen gevonden worden, is bo-trekkelijk lang en het deel waarin de kiezen geplaatst zijn kort. Hiertoe bo-hooren o. a.: de steppenrassen in zuid-oostelijk Europa en do rassen der Noorddnitsche laagvlakte;

h. rassen, afstammende van het korlhoonncjc Rund [Bos taurus brewhyeeros of B. I. lonyifrons), Fig. 70 en 71. Deze worden het best vertegenwoordigd door het één kleurige, grijsbruine Alpenvee. Zij hebben hot karakter van een bergras; de staart is hoog ingeplant, hot kruis niet afiiangend maar iets naar boven gericht. Do kleur is grijs of grijsbruin; bonten komen zelden voor. Kenmerkend is eeno heldere omzooming van den donkeren neusspiegel, een heldere kring rondom de oogen, terwijl do buikzijde en de binnenkant der beenen mede lichter gekleurd zijn. In de oorschelpen wordt oene lichter gekleurde haarbos en aan haren omtrek worden lange randharen aangetroffen. De kop is breeder maar korter dan die van de onder a vermelde veerassen; het voorhoofd is oneffen en tusschen de uitstekende oogkassen ingedrukt. Do horens zijn kort en betrekkelijk dik, aan de bovenzijde afgeplat, aan de onderzijde afgerond, dicht aan den schedel ingeplant en zijwaarts mot do spits naar boven gericht. Tusschen de horens is de schedel oenigszins verheven. De

ontwikkeling ile ongunstigste uitkomsten aan in ilo fokkerij, ilie sledits iloor een voortdurend kruisen of menging (Aullrischen) met andere betere veeslagen verbeten! kan worden.

De Uijnvlakte heeft met betrekking tot de eigenschappen van hot vee niets bijzonders; zij is in staat zich elke fokkerij en elke richting daarin ten nutte te maken.quot;

Verder zegt hij: „Als wij ons niet vergissen, zoo wijzen ook andere landen dergelijke betrekkingen aan, ten minste komen de vergelijkende beschrijvingen van veeslagen met de geognostische kaarten vaak met de vermelde waarnemingen overeen, en het mag daarom van dos te meer belang zijn dit onderzoek voort te zetten, zijn beteekenis te bevestigen of te verwerpen, aangezien hiervan de doeltreffendheid van liet invoeren van veeslagen afhankelijk kan zijn en fouten vermeden kunnen worden, die naar het ons voorkomt reeds vaak, door bet niet in acht nemen van de genoemde betrekkingen, gemaakt zijn.quot;

Voorts merkt hij met betrekking tot verplaatsing van vee van den eenen naar den anderen bodem op, „dat men om terugslagen en verliezen te voorkomen, geen fokstier van een beteren op een slechteren bodem moet brengen, maar in het laatste geval er naar moet streven den schralen bodem te verbeteren, door deze in staat te stellen oen grooter procent kenmerkende kalkplanten van giooter voedingswaarde, in de eerste plaats klaversoorten, voort te brengen en derhalve niet alleen oen krachtig, productief veeslag te voeden maar het. ook grooter, zwaarder en productiever te makenquot;.

Onze practische vooronders brachten dit ook steeds in toepassing. Vee om vet geweid te worden, hl. •180, werd in don regel van schralere streken ingevoerd; zie ook hl.lS'i-.

-ocr page 198-

170

oogen staan iets meer zijwaarts clan bij die der eerste groep. Hot gebit van do kiezen noemt oeno betrekkelijk groote, dat der snijtanden eone betrekkelijk kleine ruimte in. De hiertoe behoorende runderen zijn over 't geheel kleiner dan de Oer-runderen;

c. rassen, afstammende van het brecdkoppige Bund {Bos iaurus frontosus), Fig. 72 en 73. Ook deze runderen hebben het karakter van bergvee en worden het best vertegenwoordigd döor het gevlekte Berner en Freiburger vee in westelijk Zwitserland. Do inplanting van den staart is nog'hooger en het kruis nog meer verheven dan bij de vorige groep. De staartwortel is dik. Van den schedel is het voorhoofdsbeen breed en gewelfd. Ook tusschen de horens, die als het ware op stelen zitten , aan den boven- en benedenkant min of meer afgeplat en zijwaarts en naar beneden gericht zijn, is de schedel verheven. Do oogen staan nog verder zijwaarts dan bij de korthoornige runderen. Over 't geheel zijn hot forsch gebouwde dieren, die het beste werkvee leveren;

d. rassen, afstammende van hot kortkoppige Rund (Bon iaurus hrachyce-phalus), waartoe o. a. het Üevon-vee in Engeland, het vee in Oost-Tyrol, het meeste Spaansche vee en enkele andere rassen behooren. Zij zijn gekenmerkt door een korten maar, vooral op de hoogte der oogen, broeden kop, een broeden mond en neus, die aan het uiteinde eenigszins omhoog staat en grooto horons, die eerst zijwaarts dan naar achteren en opwaarts en aan den top naar buiten gebogen zijn.

Daar in de afmetingen van den schedel de voornaamste onderscheidingskenmerken van deze rassen gelegen zijn, geven wij hier do afmetingen in procenten van do koplongte, volgens Werner ').

Primigenius.

Longifrons.

Frontosus.

Brachycephalns.

Lengte voorhoofd

47.7 »0

4S.4 quot;/„

48.5

5-J 7 o

» neus

52.3 »

51.6 »

51.5 »

47.3 »

Tusschenhoornlijn

31.3 »

30.1 »

36.4 »

37.3 »

Slaaplengte

37.9 »

37.8 »

39.4 »

44.9 »

Breedto voorhoofd

47.0 »

47.7 »

50.0 »

58.1 »

Breedte kaken

41.7 »

44.4 -

45.1 »

48.5 »

Hoornlengte

54.4 »

51.9 »

55.3 »

52.3 •■gt;

Uit deze afmetingen blijkt dat het breedlcoppige Rund hot meest in den vorm des schedels van de overige stamrassen afwijkt. Want terwijl bij do andere rassen het voorhoofd nagenoeg even breed als lang en steeds korter is

') Deze afmetingen worden iloor Werner aldus bepaald; zie hierbij Fig. 40:

Koplengle: van de kruin tot den voorsten rand van de tusschenkaak, derhalve bij het levende rund tot den bovenrand van den neusspiegel.

Lengte voorhoofd en neus of het aangezicht', worden van elkander gescheiden dooide lijn die de binnenste ooghoeken verbindt.

Tusschenhoornlijn: deze wordt over de kruin van den eenen hoornwortel tot den anderen gemeten; het meetpunt is de grens van hoorn en haar.

Slaaplengte: tusschen den buitensten ooghoek en den hoornwortel.

Breedte voorhoofd: de grootste breedte ligt tusschen de buitenste ooghoeken.

Breedte kaken: van den buitensten ooghoek tot de kromming van de naar boven gaande onderkaak.

Hoornlengte: deze wordt bepaald door meting van den buiteusten boog.

-ocr page 199-

i]an ilc nous, is Iiij het kort koppige rund liet voorhoofd breeder dan lang, terwijl de neuslengto vrij wat korter is dan hot voorhoofd.

Uit in hot oog loopendo verschil heeft volo veeknndigon dan ook aanleiding gegeven tot do onderscheiding van twee groepen van ninderon: liroedkojipigon. ovcreenkomoiide met do brachyce])halon on langkoiipigon of dolichoeephalen ').

Mot name maakt Sanson 1) doze onderscheiding en niet alleen hij do nm-deren maar ook iiij do andore iandbouwdioren. Tot goed begrip voegen wij hier echter bij, dat deze onderscheiding goene betrekking heeft op do gehoele lengte van don kop maar op don eigenlijken schedel, dat is het gedeelte waarin de horsonen besloten zijn, en dat do onderschoiding alleen goldt voor normale, vronwolijke of niet ontmande mannelijke dieren. De sohodol van oen os is altijd minder breed dan die van een stier, en hetzelfde geldt voor oen ruin of hamel in vergelijking met een hengst of ram.

Bij de broodkoppige runderen is do nek of do afstand tusschon de ooren altijd brooder dan do afstand tusschon de basis van quot;t oor en de buitenooghoek, bij de dolichocephalen is eerstgenoemde afstand steeds kleiner. Bij de brachycephalen is de schedel dus wezenlijk kort of broeder dan lang, bij de dolichocephalen is ;t omgekeerde hot geval.

Sanson onderscheidt de tamme runderen verder in een twaalftal rassen waarvan er zes tot de brachycephalen en zes tot de dolichocephalen bohooron. He zes brachyeophale rassen zijn volgons hom:

Bos Innnis asiatiais of hot groote Steppenvoe in Azië, Hongarije enz.: II. t. ihericus of hot Iberische ras in Spanje, zuidelijk Frankrijk, noordelijk Afrika en eenigo eilanden in do Middollandsche Zee;

B. /. ligrrieinsis of hot ras der Vendée in westelijk' Frankiijk: B. t. ctvvct'HGTists of het ras van Auvergno in middon-Fratdvrijk : /'■ t. jnrassicus of hot ras van de Jura in oostelijk Frankiijk en hot bonte vee in westelijk Zwitserland, en

B. t. caledoniensi* of hot veeras der Schotsche hooglanden; ook het wilde parkrund, bl. 10;quot;) en 106, behoort volgens hem hiertoe.

De zes dolichocephale runderen zijn volgens Sanson:

Box taurns hatavicus of het Xederlandsche Rund:

B. t. germanicus of hot Duitsehe vee, in Duitschland vertegenwoordigd door het Broitenburger, AVilstermarscher en Mecklenburger, in Engeland door de Ilorofoi'ds en in Frankrijk door het Xormandische vee (Cotentine en Augoronne); Jl. I. Inberiiicus of hot lorsche vee;

13. t. britannicus of het hoornlooze vee in (rroot-Britanniö:

/'. t. alpinutt of het bruine Alpenvee, en

B. I. aquitanims, waartoe hot meeste vee in zuidwestelijk Frankiijk behoort. Wij voegen nog hierbij, dat volgens Sanson geen typisch verschil bestaat tusschon het door hem aangeduide vee

1

engte. Is de neuslengte langer dan de voorliooldslengte, zoo is liet dier in den regel ook hoogbeenig en heeft grooteie horens.

-) A. Sanson, in Diclionnnire (iWi/ricnlInm en Trailr de. Zoiilcchnir..

RKINDRRS, III. Vierde drill,'. jo

-ocr page 200-

170

oogen staan iets meer zijwaarts dan bij die der eerste groep. Hot gebit van de kiezen neemt eeno betrekkelijk groote, dat der snijtanden eene betrekkelijk kleine ruimte in. De hiertoe behoorende runderen zijn over 't geheel kleiner dan de Oer-runderen;

c. rassen, afstammende van liet hreedkoppige Rund {Bos taurus frontosus), Fig. 72 en 73. Ook deze runderen hebben het karakter van bergvee en worden het best vertegenwoordigd door het gevlekte Berner en Freiburger vee in westelijk Zwitserland. De inplanting van den staart is nog 'hooger en het kruis nog meer verheven dan bij de vorige groep. De staartwortel is dik. Van den schedel is het voorhoofdsbeen breed en gewelfd. Ook tusschen de horens, die als het ware op stelen zitten , aan den boven- en benedenkant min of meer afgeplat en zijwaarts en naar beneden gericht zijn, is de schedel verheven. De oogen staan nog verder zijwaarts dan bij de korthoornige runderen. Over 't geheel zijn het forsch gebouwde dieren, die het beste werk vee leveren;

d. rassen, afstammende van het kortlcoppige Rund (Bos taurus hrachyce-phalus), waartoe o. a. het Devon-vee in Engeland, het vee in Oost-Tyrol, het meeste Spaansche vee en enkele andere rassen behooren. Zij zijn gekenmerkt door een korten maar, vooral op de hoogte der oogen, breeden kop, een breeden mond en neus, die aan het uiteinde eenigszins omhoog staat en groote horens, die eerst zijwaarts dan naar achteren en opwaarts en aan den top naar buiten gebogen zijn.

Daar in de afmetingen van den schedel de voornaamste onderscheidingskenmerken van deze rassen gelegen zijn, geven wij hier de afmetingen in procenten van de koplengte, volgens Werner ').

Primigenius. Longifrons. Frontosus. Brachycephalns.

Lengte voorhoofd

47.7 «/.

48.4 quot;/„

48.5 quot;/o

52.7 quot;/o

» neus

52.3 »

51.6 »

51.5 »

47.3 »

Tusschenhoornlijn

31.3 »

30.1 »

36.4 »

37.3 »

Slaaplengte

37.9 »

37.8 »

39.4 »

44.9 »

Breedte voorhoofd

47.0 »

47.7 »

50.0 »

58.1 »

Breedte kaken

41.7 »

44.4 *

45.1 »

48.5 »

Hoornlengte

54.4 »

51.9 »

55.3 »

52.3 »

Uit deze aimetingen blijkt dat het breedkoppige Rund het meest in den vorm des schedels van de overige stamrassen afwijkt. Want terwijl bij de andere rassen het voorhoofd nagenoeg even breed als lang en steeds korter is

') Deze afmetingen worden door Werner aldus bepaald; zie hierbij Fig. 40: Koplengte: van de kruin tot den voorsten rand van de tusschenkaak, derhalve bij het

levende rund tot den bovenrand van den neusspiegel.

Lengte voorhoofd en neus of het aangezicht-, worden van elkander gescheiden door

de lijn die de binnenste ooghoeken verbindt.

Tusschenhoornlijn: deze wordt over de kruin van den eenen hoornwortel tot den anderen

gemeten; het meetpunt is de grens van hoorn en haar.

Slaaplengte: tusschen den buitensten ooghoek en den hoornwortel.

Breedte voorhoofd', de grootste breedte ligt tnsschen de buitenste ooghoeken.

Breedte kaken; van den buitensten ooghoek tot de kromming van do naar boven

gaande onderkaak.

Hoornlengte-, deze wordt bepaald door meting van den bnitensten hoog.

-ocr page 201-

177

ilan do neiis, is bij liet kortkoppige rund het voorhoofd breeder dan lang, terwijl de neuslengte vrij wat korter is dan het voorhoofd.

Dit in het oog loopende verschil heeft vele voeknndigen dan ook aanleiding gegeven tot do onderscheiding van twee groepen van runderen: breedkoppigen, overeenkomende met de brachycephalen en langkoppigen of dolichocephalen ').

Met name maakt Sanson J) deze onderscheiding en niet alleen bij do runderen maar ook bij de andere landbouwdieren. Tot goed begrip voegen wij hier echter bij, dat deze onderscheiding geene betrekking heeft op de geheelc lengte van den kop maar op den eigenlijken schedel, dat is het gedeelte waarin de hersenen besloten zijn, en dat de onderscheiding alleen geldt voor normale, vrouwelijke of niet ontmande mannelijke dieren. Do schedel van een os is altijd minder breed dan die van een stier, en hetzelfde geldt voor oen ruin of hamel in vergelijking met een hengst of ram.

Bij de breedkoppige runderen is de nek of do afstand tusschen de ooron altijd broeder dan de afstand tusschen de basis van 't oor en do buitenooghoek, bij de dolichocephalen is eerstgenoemde afstand steeds kleiner. Rij de brachycephalen is de schedel dus wezenlijk kort of broeder dan lang, bij do dolichocephalen is 't omgekeerde het geval.

Sanson onderscheidt de tamme runderen verder in een twaalftal rassen, waarvan er zes tot do brachycephalen en zes tot de dolichocephalen behooren. Do zes brachycephale rassen zijn volgens hein:

Bos taurus asiaticus of het groote Steppenvee in Azië, Hongarije enz.;

B. t. ibericus of het Iberische ras in Spanje, zuidelijk Frankrijk, noordelijk Afrika en eenige eilanden in do Middellandsche Zee;

B. t. ligeriensis of het ras der Vendée in westelijk Frankrijk;

B. t. arvernensis of het ras van Anvergne in midden-Frankrijk;

B. t. jurassieus of hot ras van de Jura in oostelijk Frankrijk en het bonte vee in westelijk Zwitserland, en

ƒgt;'. t. caledonieasis of het veeras der Schotsche hooglanden; ook het wilde parkrund, bi. 165 en 1G6, behoort volgens hem hiertoe.

Do zes dolichoccphale runderen zijn volgens Sanson:

Boa taurus hatavicus of het Nederlandsche Rund;

B. t. gevmanicus of het Duitsche veo, in Duitschland vertegenwoordigd door het Rrcitenburgor, Wilstermarscher en .Mecklenbnrger, in Engeland door do Herefords en in Frankrijk door hot Normandische vee (Cotentine en Augeronne);

B. t. hibernicus of het lersche vee;

B. t. hritannicus of het hoornlooze vee in Groot-Rritannië;

B. t. alpinus of het bruine Alpeiivee, en

B. t. aquitanicus, waartoe hot meeste vee in zuidwestelijk Frankrijk behoort.

Wij voegen nog hierbij, dat volgens Sanson goon typisch verschil bestaat tusschen het door hem aangeduide veo

') 'Volgens Lehnert, t. a. pi., moet bij een normaal gebouwd licbaam de kop-lengte 30% van de romplengte zijn; is deze korter, zoo spreekt men van een korten kop, is zij langer van een langen. De neuslengte is volgens hem de belft van de kop-lengte. fs de neuslengte langer dan de voorboofdslengte, zoo is bet dier in den regel ook lioogbeenig en beeft grootere hoi ens.

;) A. Sanson, in Diclionnaira tfAyricuUurc en Trcülr de, Zoiilcchnie.

RKINDKRS, 111. Vierde drill;. \-2

-ocr page 202-

17s

met den naam van II. t. ligeriensis B. t. batavicus JS. t. juras.iicuft B. t. alpinns

on door andoren met dien van

B. t. primigenius.

B. t. longifrons.

B. t. fronlosus.

B. t. hrachye.ero.i.

Terwijl dus enkele van de door Sanson aangenomen rassen zeer goed met die van anderen overeenkomen, 1 dijkt er van den anderen kant een niet onbelangrijk verschil te bestaan. Zoo vormt volgens Sanson het Nederlandsehe vee een afzonderlijke type, overeenkomende met het door anderen als B. I. longi frons aangeduid, terwijl liet volgens de meeste Dnitsehe veekundigen tot het primigeniusras behoort. Eensdeels wordt zulks veroorzaakt doordat do afmetingen niet altijd gelijk genomen worden; de een (Sanson) meet b.v. de breedte van den schedel tusschen do ooroponingen, een ander (Werner) tus-schon do beide buitenooghoeken. Bovendien is hot getal schedelmotingen nog to goring om algemeene gevolgtrekkingen daaruit op te maken, en is hot geenszins altijd zeker of men mot oen zuiver ras, dan wel mot eeno vermenging van twee of meer stamrassen te doen heeft.

Aan het eind van dit Dool zullen do afmetingen van oenige belangrijke veerassen worden opgegeven volgens Werner, wiens indeeling, als het meest op gedane metingen gegrond, wij in hoofdzaak zullen volgen '). Vooreerst bepalen wij ons echter tot het Nederlandsehe rundvee] daarna zullen wij oon overzicht van de andere Europeesche rundveesoorten of rassen geven.

A. HET XEDERLANDSCHE KUNKVEE.

In de vorige uitgaaf van het Handbook werd door ons gezegd; „Welk verschil or ook moge bestaan tusschen de runderen in de onderscheidene streken van Nederland, men mag ze als dieren van een en 'tzelfdo ras beschouwen, dat ook buiten ons land in Oost-Friesland, Sleeswijk-Holstein enz. gevonden wordt. liet verschil in den bodem en het daarvan grootendeels afhankelijk verschil van voedsel, de wijze van aanfokken enz. hebben echter allerlei onderrasson of slagen doen ontstaan.quot; En verder: „In liet oog vallend is te dezen opzichte het verschil tusschen het vee der klei- en zavelgronden, dat der ontgonnen zand- on veengronden, en dat der heidevelden. Maar ook tusschen het vee der gelijknamige gronden bestaat er, naar de (pialiteit van don grond, de meerdere of mindere zorg bij het aanfokken enz. niet zelden een aanmerkelijk verschil.quot;

Deze uitspraak moge nog in zoover juist zijn, wanneer men het begrip ras in ruimen zin opvat. Tegen die opvatting rijst echter dit bezwaar, dat alles to veel over één kam geschoren wordt en do onderverdoolingen minder goed tol haar recht komen.

In allen gevalle moonou wij dat hier to lande een vijf-tal rundvee-typen

') Eene dergelijke indeeling naar de afmetingen van oen enkel lichaamsdeel, liiei die van den schedel, is altijd min of meer kunstmatig, liet ontbreekt dan ook niet aan bedenkingen daartegen, /.ie o. a. I 'r. K. Ha mm, Die Arlen iiml ïïnswn ilvs Bimles.

-ocr page 203-

kunnen worden onderscheiden, die men zonder bezwaar als rassen zon kunnen beschouwen. Deze zijn:

1. de Groninger zwarte wit- en blaarkoppen, Fig. 80—82 en PI. I;

'2. het zwartbonte Friesêhe en Noordliollandsche vee, Fig. 83—8;quot;), 89 en 90;

3. liet meestal roodbonte vee langs den Usel, Rijn en Maas in Overijsel, Gelderland en Noord-Brabant (land van Cuvk), i'l. II en Fig. 8S;

4. het zand- en heidevee m het oosten van Groningen (Westerwolde, Drente en Overijsel), waarvan dat der zandgronden voor een deel van Overijsel en verder van Gelderland, Noord-Brabant en Limburg nog eenigszins verschilt dooi' meerdere grofheid (meer werkvee). Fig. 8G en 88;

5. het Zeeuwsche vee, Fig. 91.

Daarvan zijn de eerste drie verreweg van het meeste belang, terwijl de laatste twee door invoer van ot kruising met do andere drie rassen meer en meer verdwijnen ').

Bij de beschrijving van het Nederlandsche rund zouden we ons tot deze typen, met aanduiding der plaatsen waar zij gevonden worden, kunnen bepalen. Daartoe zou echter een tamelijk uitgebreid onderzoek noodig zijn geweest. Wij geven daarom een kort overzicht van de veetypen in de verschillende provinciën en gebruiken daarbij hel bekende werk van Ilengeveld ï) hoofdzakelijk als onzen gids.

') Werner {RinderzKc/il, //'lt;-' Ait/I.) brongt liet Nederlandsche rund tot de ondersoort (Abarf) Oerrund (Bos taums primigenim), en verder tot de groep der laaglands-rassen, die liij ook als liet Gerraaansche ras (C. I. p. germanicus) onderscheidt.

Dit Germaansehe ras verdeelt hij in een vijftal onderrassen: liet Friesche, Saksische, Vlaamsche Normandische en Angelsaksische. Met uitzondering van het quot;oude, niet verbeterde Zeeuwsche rund, dat. hij tnt het Vlaamsche onderras brengt, rekent hij als tot liet Friesche onderras te behooren, niet alleen al het overige Nederlandsche vee, maar ook het roodbonte en zwartbonte vee aan den Neder-RIjn, het roodbonte vee in Westfalen, het roodbonte en zwartbonte vee in Oost-Friesland, Oldenburg, Sleeswijk-llolstein, Jutland, Mecklenburg en verderop in Noord-Dnitschland. liet Nederlandsche vee verdeelt hij dan verder in twee groepen: klei-(Marsch-)vee en zand-(geest-)vee, en onderscheidt bij het Marschvee twee slagen: a. het Westfriesche met een onderslag in Noord-Holland en h. bet slag in Groningen, terwijl hij het in Groningen, Friesland, Drente, O.erijsel en Gelderland voorkomende geestslag nader onderscheidt in: a. een geestslag van de zandgronden, /?. van de heidegronden en van de humusrijke veen-gronden (hoogveen).

ïot het Saksische onderras rekent Werner het éénkleurige roodbruine vee van de Oostfriesche en llannoversche kleigronden, het Angler-vee, het roode vee van Noord-Sleeswijk en dat van het Sileziscbe laagland. Hij acht het waarschijnlijk dat de bonte runderen oorspronkelijk door de Friezen, de eenkleurig roode door de Saksers aangelokt zijn, zonder daarvoor echter bewij/.en aan te voeren. De vraag zou zoo gedaan kunnen worden, of van het vee der Saksers, die toch een belangrijk deel van Nederland hebben bevolkt, geen sporen zijn overgebleven. En vanwaar is bet eigenaardige zwart witkop- en zwartblaarde Groninger vee afkomstig, dat toch blijkbaar van het Friesche vee in aard en eigenschappen verschilt? Zoo ook, of er van het vee der Kelten, die toch ook, zij het dan tijdelijk, mede een deel van ons land, o. a. Drente, bevolkt hebben, nog iets is oveigebleven.

•) G. .1. Hen ge veld, Ih;! Rundvei'. Dit werk, waarvan bet '2e deel omstreeks 187.0 verscheen, is echter tamelijk verouderd. Te betreuren is het zeker, dat de studie van ons vee in de laatste jaren zoo verwaarloosd wenI. te meer omdat hetgeen daaromtrent

12*

-ocr page 204-

180

Omtrent de geschiedenis van het Nederlandsehe vee, wat zijn aard en eigenschappen in vroegere eeuwen betreft, is weinig hekend. Wel weet men (zio G. II enge veld, t. a. jd., 2quot; deel) dat de Friezen, ten tijde der Romeinsche overheersching', veehouders waren; dat hun vee groot van stuk was. zoodat do Romeinen van hen ossehuiden eischten, even groot als van don Oer; dat witte runderen hooger in aanzien stonden dan donker gekleurde (voor de eerste had men eene soort vereering); maar omtrent vorm, hoorn-ontwikkeling' enz. leert de geschiedenis overigens niets.

In latere eeuwen worden vette runderen vaak ten geschenke gegeven. Belangrijke markten, o. a. te Schoorl, Enkhuizon en Hoorn, werden gehouden, waar veel vet vee word aangevoerd, ook vee uit Denemarken, Zweden en andere Noorsche rijken, dat hier te lande was vetgeweid. Te Enkhnizon werden in 1624 niet minder dan 11 TG!) ossen verkocht. Te Amsterdam werden dagelijks vet geweide ossen uit Holland, Gelderland, Friesland, Utrecht, Overijsel en Groningen verkocht; ieder landschap had zijne bijzondere verkoopplaats. In hot voorjaar, in April, werden magere-ossemarkten gehouden, waar vooral beesten uit Denemarken en Holstein werden aangeveerd om hier vetgeweid te worden. In 1389 werd door Albrecht van Beijeren aan do Denen en Eijderschen vergund om te Hoorn eene wekelijksche ossenmarkt te houden.

Ook in de omstreken van Groningen werd voel vee geweid '). Daaronder was echter mede veel vee, dat hier niet gefokt, maar van elders werd aangevoerd I).

in biiiteiiliuiilsdie geschriften wordt medegedeeld zoo onjuist is. Zie o. a. Dr. E. Ramm, Dip Arten nnd Hansen des Rindes.

') Zie Mr. It. O. F ei th, Over den veehandel en de ossen van Groningen, in de Bijdragen lot de geschiedenis en oudheidkunde van de provincie Groningen, Dl. lil, lil. 245 en v.

-) Dit blijkt nit een paar stukken in liet Rijks Arcliief te Gioningen {Regisler van het Oud Archief te Groningen {geschreven vervolg) 1580, n0. I01\ Zij hebben betrekking op of vormen een adres van Burgemeester en Raad van Groningen aan de Staten-Generaal, naar aanleiding van een vonnis, door dit lichaam den 21 Januari '1597 betrekkelijk liet Stapelrecht gewezen.

Een artikel van dit vonnis bepaalde namelijk dat niet aan de stapelrechtsbepalingen onderhevig zijn goederen van buiten ingevoerd; een ander dat wel paarden en ander vee, uit de Ommelanden afkomstig, te stapel in de stad moesten worden gebracht. Nn redeneerden de Ommelanden, dat niet aan de stapels onderhevig waren die beesten, welke van buiten waren ingevoerd en die in de Ommelanden waren geweid. Dit werd door ile stad bestreden in de volgende woorden. In het eerste stnk;

„(Het is ook verkeerd) — tgundt de requiranten (in casu de Ommelanden) int l ie art. van beur libel seggen. dat tgundt van buvten ingevoert ende inde Ommelanden upgevoedet ende geweydet is van tstapelrecht vrij wesen sonde.

Want calveren, speenveivkens, lammeren, voolens S:de andere jonge beesten buvten de Omlanden gevallen ende binnen gebracht aldaer opgevoedet ende tot volwassen vette beesten geweydet ende gemestet zijnde, verstaen worden binnen landts gewas te wesen ende binnen slandes gevallen te zijn.

Om reedenen, dat sulcke jonge beesten nemen luier groeyssel, wasdom, perfectie ende volmaecktheyt binnen de Oinlanden ende krijgen aldaer een ander naem, als dat te voerens was een calf, wordt een stier, koe ofte osse, een lam wort een schaep, een voolen wort een peerdt et sic de coeteris, ende mitsdien don inlandtsclien stapel subject, niet min als ander binnen lants ghuedt.

Te meer, angeseen doch seer weinich ofte by cants ghaer ghene voelens (daer oll'

-ocr page 205-

181

Zoowel in de Groninger Oinraelanden als in Holland word dus vroeger veel vee van Luiten ingevoerd, vooral uit liet noorden en oosten, minder naar liet schijnt uit het zuiden. Later, toen veeziekten den veestapel teisterden en bij overstroomingen veel vee verdronk, was mede aanvulling uit den vreemde noodig. In hoever dit van invloed geweest is op de eigenschappen van het aanwezige vee is moeilijk te zeggen '). Omgekeerd ging in vroegere eeuwen, maar vooral in deze eeuw, veel Nederlandseh vee naar het buitenland; Noord-Duitschland, Denemarken, Zweden, Engeland, Italiö, Spanje, Frankrijk, liolgiü, Zuid-Afi'ika en Noord-Amerika J).

1. Het rundvee in de provincie Groningen *). De hoofdtypen van het vee

iiiiemaels peerden in den Omlamlen upgevoedet worden) daerselll's vallen, inaei' all ineestlycken van bnyten lieer inkoomen.

Als oouk de ossen welckc om weder te vercoopen ende wt te voeren gemestet worden vast alle ghaeder wth Dennemarcken, Oostvrieslant ende ander nabuyr provinciën mager in d' Omlanden gebracht worden. Solden dan nw deselve onder den stapel neet beklemmet wesen, waeren ile woorden van ossen ende paerden te vergeell's in de sententie gesteld.

In het tweede stnk wordt dit beredeneerd als volgt:

Kerst ongeveer op dezelfde wijze als boven, door bier in de Ommelanden te weiden worden de dieren van eene gebeel andere gedaante „daer doch yderman kenlich, wat voer een kracht de npvoedinge ende bet groeyssel in allen creaturen zijn hebbendequot;. Dergelijke dieren moeten ter stapel worden gebracht: „Solde voorwaer anders ile Groeninger stapel, soe voele peerden ende ossen belanget, gants onvruchtbar ende nichtsweerdich zijn. Want doch meer als notoir, dat alle lt;le voelens so in I.angewolt ende Duyrswolt enicbsins vallen moegen neet bestant en zijn, om daer mede bet tijnde deel der Omlanden tottes landes gebruyek alleene te versorgen. Svoe'ingelvcken van de jnnge kalver soe van Omlandtscbe koeyen gevallen en de tot ossen upgevoedet worden, wal mit der waerheyt mach gesecht ende snstineert worden dat sie nergentsne genoech zijn. om den vvften part der inwoonders van Stadt ende lande tot buses nootdrnft daer mede te gerijven. Maer moeten noch jaerlicx ettelycke dnesenden van bnyten jnnck ofte mager her in gebracht ende aldaer upgevoedet ende vetgemaecket werden, so men slechts nootdrnft binnen de provincie begeert te hebben. Daer benevens noch toe considereren staet, boe onmoegelyck het den Olderman wesen sonde de binnen landts gevallen peerden ende ossen vanden bnytenlandtschen so in de Provincie gemestet ende opgevoedet zijn, int verhandelen ende nvthvoeren t'onderscheyden. Waer wt dan oock wall consequentelyck volgen sail, overmits een iegelyck up zyn vordel besiepen is, dat alles wat eenichsins verhandelt ofte wtgevoert mnebte worden, neet als voer bnytenlandts solde angegeven worden ende ulso de stapel in ell'ect gants illusoir gernaecket.quot;

Uit dit laatste blijkt, dat het verschil in type tusschen inlandsch en nitlandsch vee niet zoo erg groot was, anders zou de Olderman (de stadsambtenaar, met de uitvoering van de stapelrechtsbepalingen belast) wel kunnen merken, met welk soort koeien hij bet te doen bad.

') Hugo Lehnert: Hasnn und Leisttmg unserer Binder, wil de verschillende kleuren in ons vee aan den invloed van de buitenlandscbe runderen door terugslag toeschrijven. Is deze opmerking juist, wat wij nog niet zoo voetstoots aannemen, dan is zij zeker niet minder van toepassing op het Duitsche vee in sommige stroken. Zie o. a. L. Hoffmann, Allgemeine Tierzvcld over Atavismus.

2) Zie daaromtrent o. a. J. R. Ivuperns. Geschiedenis van het Friesche Ihmdveeslag.

Omtrent afmetingen, melk- en boteropbrengst enz. van de rassen vindt men eenige opgaven aan het eind van dit Deel,

-ocr page 206-

1S2

in deze provincio vormen do zwartwit- on blaarkoppen, waarvan do lioofd-zetol is het Noordelijk Westerkwartier, Hnnzeg-o en Fivelgo, maar dat van

Tii;. 80. ISai.ma, oi^. ./. Schuiringa Rz. te Balmaliui/en, frein. OMeliove. prov. fiioiiinjieii. N0. 417quot;), N. R. S., oml, Oct. 1901, 'i'/i jaar, bekrooml in ISdO te Noord-liom, in 11(00 en 1901 te Zuidliorn met eerste prijzen en in -IfldO te Gioningen (centrale stierenkem ing).

daar uit ook in do andere deelen der provincie en vooral in Drente, Znid-Holland, Utrecht en Oelderland verspreid is. Hengeveld zegt van het vee in

rij;. 81. Iïmmie III, eij;. K. Vencma, OMeliove, prov. Groningen. N0.11978, N. R. S., oml, Oct. 1901 , 'i1/.. Jaar ')•

') Aangaande ileze en volgende afbeelding merken wij op, dat beide nog jonge koeien zijn en de photograpliiën genomen zijn in liet laatst der lactatieperiode, waardoor de geringe uierontwikkeling zich laat verklaren. Omtrent melkopbrengst, afstamming en afmetingen zie men eenige opgaven aan liet eind van dit Deel.

-ocr page 207-

183

Noordelijk Westerkwartior, Fig. 80 on 81 : „Dit vee behoort tot de grooto voorassen en bezit een goed geëvenredigden, fraaicn en fijnen lichaamsbouw. De grootte van den kop, do lengte van den hals, de lengte en breedte van don overigens breeden schoft, rug, lenden, heupen en kruis staan allen mot elkander in cone gewensehte verhouding. Do borst is tamelijk breed on diep, de ribbon zijn gevuld en gewolfd, do flankstreek niet to lang, de dijen gevuld, hot kruis recht on do staart recht on kort aangezet; bij do jongere dieren is het kmisbeen wel eens wat hoog en driekantig op de wijze van een ezels-kruis, doch dat verdwijnt op later leeftijd en wordt meer plat, terwijl de dijen van achteren en ter zijde goed en laag gebroekt (met vleesch bezet) zijn, doch van achteren eer plat dan afgerond: eene gewensehte eigenschap in do oogen der veefokkers, die zulks gaarne zien, zelfs zoo, alsof de dijen van achteren als mot eene spade afgestoken zijn en een breed vierkant vormen. Daarbij zijn de ledematen ook breed van voren en van ter zijde, bij de jonge dieren wel eens wat lang, doch goed en stevig gevormd, waardoor het ge-hoele dier een eenigszins slank, fraai afgerond voorkomen heeft. Voor kleiveo zijn hot goraamte en de ledematen fijn gevormd. De kojj is van een eigonaar-digen vorm. Hij is eer klein dan groot met een breed voorhoofd, voorzien mot goed gekromde, naar voren gerichte kleine horens, van fijn weefsel; do neus is aan liet grondstuk broed en loopt bijna spits uit tot aan don breeden neusspiegel, waardoor dit deel mot do onderlip eenigszins breed on groot schijnt, doch inderdaad met den mond, kin en mondspleet fijn besneden is. Do huid ligt ruim en los over het lichaam en is van fijn, zacht en veerkrachtig weefsel.....Het bezit een uitmuntenden aanleg voor molkrijkheid

en paart daarbij dezelfde neiging om gemakkelijk vet te worden.quot; Hengeveld noemt de kleur zwartbont, zwart witkop, zwartblaar en bij onkelen vaalbont. Dit is in zoover juist als vroeger meer zwartbonten voorkwamen; in de laatste jaren worden echter moer zwartblaron gehouden. Ook enkele roodblaren en rood witkoppen komen voor, maar deze vormen meer eene uitzondering. Do kleur is dus zwart met meer of minder wit aan het benodondeol van borst, buik, pooten en staart. Komt verder wit aan den romp voor, dan bepaalt zich dit tot enkele plekken, vooral op nek, schouders of schoft. Verder is de kop wit, met uitzondering van den meestal donkerblauw gekleurden neusspiegel. Zwarte kringen om de oogen, waaraan velen de voorkeur geven, omdat dezo dan minder licht ontsteken (daarom geeft men ook wel de voorkeur aan donkere spenen), maken het zwartblaard. Men onderscheidt daarbij vaste en losse blaren, naardat deze al of niet met het zwart van don hals samenhangen. Sommigen geven aan de eerste de voorkeur, omdat zulke dieren hunne eigenschappen meer constant zouden overerven.

Met dit vee in hot Westerkwartier komt dat in Hnnzego en Fivelingo het moest overeen. Dat in Fivelingo is echter iets fijner, liet Hunsingoër zou men als een bijzonder slag van witkopvee kunnen beschouwen, dat iets meer aanleg voor vet- en vleeschvorming heeft, ofschoon, nu de zuivelbereiding eenhoogere vlucht lieeft genomen, het in de laatste jaren ook meer voor den melkvorm is aangefokt. Fig. 82. Hengeveld zegt ervan: Vooral het achterstel is sterk gevleesd en ontwikkeld, en in plaats van platte dijen zijn zij hier rond 'en lager afhangende, zoodat dit eer als een gebrek dan als deugd zou kunnen

-ocr page 208-

1S4

aangemerkt worden, vooral bij de stieren, waardoor dikwijls kalveren met steen- of paardebillen de verlossing gewoonlijk vertragen. Evenwel vermindert dit, daar men zorgvuldiger wordt in do keuze der fokstieren.quot; Dit gebrek komt trouwens bij meer laaglandsrassen voor, ook in Noord-Duitschland, waar het bekend is onder den naam Üoppellendigkeit, en in Frankrijk, waar het Gul de chcval hoet.

Hoe meer men in dit noordelijk deel dor provincie naar het oosten gaat en langs den Dollard liet üldambt nadert, des te meer verdwijnen de witkoppen en treft men meer zwartbont vee aan. Men heeft hier in die kleur aangefokt en daartoe niet zelden met Frieseh vee gekruist, vooral in het Oldambt, mot het oog op den uitvoer naar Duitschland, waar deze kleur nu eenmaal gezocht is. Of en in hoever hier eenige constantheid en eenheid in het veeslag verkregen is valt moeilijk te zeggen. Ook al met het oog op den uitvoer naar Duitschland heeft men in de omstreken van Delfzijl, vooral te Heveskes,

Uchtvaal of zilvergrijs vee aangefokt. Vee van een dergelijke kleur, lichter of donkerder vaal, werd vroeger ook veel ton zuiden van Groningen, in de omstreken van Haren, gehouden, en ook thans nog treft men hier en in andere doelen der provincie enkelen van die kleur aan. Zie plaat I. Overigens is dit vee hier verwant met het „AVoidjer-rasquot;, een veeslag dat vroeger op de zandgronden van Groningen, in het zuidelijk Westerkwartier en in de omstreken van Slochteren, werd gehouden, meest zwartbont van kleur was en, evenals het overige Groningsche vee, op betere weiden overgebracht, zich uitstekend ontwikkelde en vooral gemakkelijk vet werd.

Het had echter veel gebreken in den vorm, als oen smalle schoft en rug en smalle lendenen, afdalend kruisbeen, weinig gevulde dijen met naar elkander toegekeerde hielen, dus „koehakkigquot; staande achterbeenen, enz.

Het oude slag is daarom door invoer van witkop of zwartblaard vee uit

-ocr page 209-
-ocr page 210-
-ocr page 211-

Hnnzego en het Westerkwartier, liier en daar waiirscliijiilijk ook door Friesch vee, vervangen of door kruising daarmede verbeterd, zoodat liet thans nagenoeg verdwenen en aldaar een min of meer gemengd veetype verkregen is. Hetzelfde is het geval met liet meest zwartbonte vee der Groningsche Veenkoloniën, dat mode het karakter van zand vee heeft, verbeterd door kruising met Hoogelandster, Friesche of Noordhollandsche stieren. Een en ander noemt niet weg, dat ook hier zeer goede stallen vee te zien zijn.

Van de koloniën of nit hot Oldambt naar Westerwolde gaande wordt het vee, evenals de bodem, over 't geheel schraler. Men is hior in een Drentsch landschap met het heivee, aan velo hooge zandgronden van Drente eigen, dat men echter in de laatste jaren door kruising met Groningsch kleivee tracht te verbeteren, maar dat waarschijnlijk ook in zich zelf door betere voeding en eene zorgvuldige keuze bij het aanfokken tot een voor deze streken passend melkveeslag gewijzigd zou kunnen worden.

2. Het rundvee in Friesland. Naar den aard van den grond kan men in Friesland Idri-, veen- en zandvee onderscheiden. Volgens Hengeveld is hot Friesche kleivee groot van stuk, beenig, langer en minder gedrongen dan het Groningsche, hooger op do boenen, hooger en scherper van rug, ondieper van borst, meer platribbig, doch hot bezit, hoewel minder gebroekt, een vrij lang en breed achterstel met een groot ontwikkelden uier en is de melkrijkheid hooger dan van het laatstgenoemde. Intusschen is, vooral door den invloed van het Friesch Rundvee-Stamboek, dit vee in de laatste HO jaren aanmerkelijk verbeterd en is er meer eenheid in de veestapels van de verschillende eigenaars gekomen, zoodat het meer en meer beantwoordt aan het ideaal, door het Friesche Stamboek gesteld; Kleur: zwartbont met witte vlam voor en achter, ster voor den kop met vier witte pooten. Huid-, los, fijn, zacht. Haar: fijn, zacht. Kop: fijn, niet lang, oogholten groot; oogen groot, goedaardig uitziende; nensspiegel blauw, breed; neusgaten groot. Homm: fijn, glad, naar beneden gericht en iets naar voren gebogen. Hnls: lang, fijn, naaide borst toe fijn uitloopende. Borst: diep, breed. Schoft: niet breed, niet smal. Schouders: goed gesloten, niet te zwaar. Ribben: lang, zacht gerond. Rug: recht, de wervels duidelijk voelbaar. Lendenen: tamelijk breed. Kruis: vlak, zoo mogelijk vierkant. Bekken: breed. Ledematen: dijen tot aan de Achillespees recht doorloopend; gewrichten krachtig, buigzaam. Staart: lang, fijn, fijn behaard. Uier: fijn, week, met eene zachte buiging aan het lijf sluitende. Tepels: sterk ontwikkeld, doch niet te lang, even ver van elkander verwijderd; een blauwe kleur van de tepels verdient de voorkeur, omdat deze meer weerstand bieden aan de zonneroos. Meikaderen: sterk gezwollen.

Men houdt dus aan de zwartbonte kleur vast; roodbonten en gemengdkleu-ligen worden ook wel in liet Stamboek ingeschreven, maar afzonderlijk gehouden. Ook vroeger schijnt men aan do zwartbonten de voorkeur te hebben gegeven').

') In een boekje, getiteld: Onderwijzer der Boeren of' de)' Landlieden, opgestelil door een voornuam Heer en Liefhebber van 't Land-leven en in 1758 uitgegeven bij Abraham Fenverda te Leeuwarden, leest men bl. :i8: „De Kolenr van quot;t Hair doet eygentlvk niets tot de Heugd der Koeyen, maar men meent egter bevonden te hebben, dat de svvarte en swart-bonte de meeste en de beste Melk geven, als mede ile witte, dog welkers Melk so goed niet sonde syn: Daar en boven syn dese witte

-ocr page 212-

ISC

In do hiiitste jaron let men niet enkel op vorm en klenr, in aar traclit men

I'ijl. 8;). Iiix/.E. eiix. üirk li. Pnlma, te Wirdiim, prov. Frieslaml (klcitrioml), 1'riescli li. S. n0. 10 H. B. Cleb. k2() April '180^: in 1800 te Leenwanlen tweoniunl bi'krooiid met den I6quot; piijs; daarna verkocht naar lielfrië.

Kif:. 84. G Kit it rn K XIII, ci^-. Kornetii X. Kupurus, te Marsnrn, prov. Friesland (zware kleigrond). Friescli 1!. S. nquot;. 8782. Geb. '27 Jan. 1805; in I80() en 1807 te Leeuwarden met den len prijs bekroond.

tederder van aard. Hoe 't sy, byna ydor Landman of lioer beeft in de Kolenr svn verkiesing en een soort van Liefliebbery, die hem ook vry staat, en een soort van groot vermaak geeft: Dus sal men by de eene lioer dikwyls meest louter swart bonte, by de andere allemaal rode of rood-bonte Koojen, etc. vinden. Edog Helaas! de verkiezing in deze staat niet altijd vry, gelvk nu sedert veele .laren door de droevige sterfte des Rundvees gebleken is, maar alles schynt sicli in desen opzigte weer te herstellen, en het daar door voor den Landman en 'c Land llorissanter te worden.quot;

-ocr page 213-

ook de beste inolkgeefstors on vooral do liosto boterkoeien, dat zijn die, welke do meeste boter leveren, op te sporen. Zie de tabel daarvoor achter dit Deel.

Het grootste Friesche vee treft men aan op de kleigronden, waar veeteelt, en niet, zooals in do Bildt, graanbouw hoofdzaak is, dus in de gemeenten Wongeiadeel, Barradcel en Wijmbritseradecl, 1, bl. 21. Hot vee heeft hier geheel den melk- of den melk- en vleeschvoriïi, Fig. 88 en S-t. De mecsten hebben een mageren kop met middelmatig fijne hoornen; de kossem begint halverwege den hals en hangt bij sommigen in eenc ruime plooi tusschen de voorpooten; de borst is tamelijk breed en ondiep, hot achterstel breed en veel meer ontwikkeld dan het voorstel, maar niet zeer bevleesd. Door dit minder gebroekt zijn komen de zoogenaamde hielpezen meer nit dan bij het Groninger kleivee. De buik en do nier zijn groot, de spenen fijn, de meikaders breed met vele kronkelingen, liet zoogenaamde melkgat, waar de aders dieper in 't lichaam gaan, groot, de melkspiegel breed en hoog.

Het Stamboek onderscheidt verder knip- en veengrond en zandgrond.

De veengronden, die zulk eene groote uitgestrektheid in het midden van Friesland innemen, bezitten een veeslag, welks lichaamsvorm meer geëvenre-digd is dan dat der kleigronden; het is meer rond, breed en diep. korter op de beenen en meer gebroekt. Do beste typen van dit vee treft men aan in Lemsterland; dat in do streken aan de oostelijke en zuidelijke zandruggon (do woudstreek) grenzende is iets minder, en zoo ook dat dor streken waar do grond moerassiger is. Hengevold zegt voorts van dit vee: „Het geraamte, do hoornen en ledematen zijn fijn. Do huid ligt los en ruim over het lichaam, voelt zacht en week en is van geen grof weefsel. Het haar is zacht en glad, moest zwartbont mot weinig wit. Do kop is wel gevormd, eer fijn dan grof, de hals niet to lang en niet zeer laag aangezet; de borst is tamelijk diep, de ribbon en borstkas rond, tegen den rug een weinig plat, de hongergroeven, of afstand tusschen de laatste rib tot do uitstekendo heup, lang; lange lenden.

-ocr page 214-

liet kruis een weinig verheven mot sterken iiulrnk vóór de inplanting van den staart wortel, die breed en vet is en in een recht afhangenden, langen, fraai gepluiinden en dunnen staart eindigt. De heupen, hot kruis en do dijen zijn lang en matig breed; de achtorboonen /.ijii breed gebroekt. De stand is recht, on alleen de staart banden konden wat korter zijn. De aanlog voor melkgeving en vetgroei is uitstekend. Do molkteokens zijn van do beste soort, terwijl de weeke, fijne, zachte en losse huid oen goeden aanleg voor votwording verraadt.quot;

In hot vee der zandgronden van Friesland bestaat eone grootere verscheidenheid. In sommige stroken komt het meer mot hot kleivee, in andere meer met dat der veengrondon overeen. Volgens Hongevold treft men oen goed soort van vee aan in do omstreken van Heerenveen, het Oranjewoud enz., waarvan sommige individuen eone bijzondere lengte bezitten in verhouding tot hunne overige lichaamsdeelon, Fig. 85.

3. Het rundvee in Drente. Deze provincie bezit al zeer verschillend vee. Op de veengrondon, in de omstreken van Meppol, het deugdelijke vee, dat

hierboven, als aan de veengronden in Friesland (Lomster!and) eigen, beschreven is, doch niet zelden vermengd met rood Ovorijsolsch vee en met dat der Drentsclie zandgronden; in hot noorden dor provincie, vooral in de omstreken van Zuidlaren en Vries, meer Groningsch witkopvee. Aan de grenzen van Friesland vindt men meer liet vee der Friesche woudstreken. De meer Drentsclie veetype moet men echter op do hooge zandgronden in het oostelijk doel der provincie, het Ellertsveld, Zwoeloo, Oosterhesselon, Odoorn, Sleon, enz., zoeken. Het is het hoivee, ook „heisnikkenquot; of „poepenquot; genaamd, min of meer overeenkomende met het vee in quot;Wbsterwolde en in het oosten van Overijsel. Hengeveld zegt hiervan: „Het is een onooglijk slag van vee: klein, mager, met kleinen reusachtigen kop met fraaie groote oogen, kleine lange spitse opstaandt hoornen, zeer bewegelijke ooren, eene oplettende physionomie (gelaatsuitdrukking'), schralen hals, scherpe schoft, zwakken rug en lenden, die met eene verdieping in het kruis overgaan en vandaar tot aan don staart en de zitbeenderen rijzen, juist het tegenovergestelde van good gebouwd vee.

-ocr page 215-

ISO

ilus zwak en smal van kruis, met lange banden, ,,knikbanclenon ook wel gohcel bandeloos, daarbij koehakkig en „sabelbeenigquot; van achteren en van voren hoog op do beenen met ondiepe borst.quot; De kleur is meest zwartbont.

Is, volgens bovenstaande beschrijving, dit Drentsche heidevee van zeer slechte hoedanigheid, men dient daarbij in aanmerking te nemen, dat do schrale gronden dezer streken ook geen best kleivee kunnen voeden. Daar, waar de gronden meer ontgonnen zijn en meer en beter voedsel leveren en het vee wellicht ook overigens botor verzorgd wordt, b.v. iu de omstreken van Havelte, Dwingeloo enz., is zijne hoedanigheid veel beter. Ook op de groengronden in de omstreken van Dalon en Koevorden komt een voel beter veeslag voor. Vooral nu het Nederlandsch Rundvee-Stamboek hier zijn invloed doet gelden en men zich meer op verbetering toelegt, heizij van liet eigen ras, hetzij door kruising met Groningsch of Friesch vee, gaat ook het Drentsche vee vooruit en werden daarvan vroeger, evenals in Groningen, Friesland on Noord-Holland, door het buitenland exemplaren aangekocht.

l-quot;ig. 87. Drentsche koe, eig. Van l'iest, te Fluitenberg, gein. Kiiinen, prov. Drente, oud ± 8 jaar.

Het oude Drentsche veetype gaat onder deze omstandigheden meer en meer verloren. Fig. 8ö en 87, waarvan de eerste koe waarschijnlijk iets te grof, de laatste iets te fijn is, stellen nog exemplaren van dit type voor. Beiden zijn zwartbont.

4. Het rundvee in Overysel. In deze provincie kan vooral onderscheiden worden; het heidevee in het oostelijke deel van Twenthe en in de omstreken van Oldenzaal; het vee dor zand- en kleigronden aan de oevers der verschillende beken en riviertjes en van den I.Fsel, en het vee langs do Zuiderzee en aan de monden van den IJsel (Kampereiland, Mastenbroek, Genemuiden, Blokzijl enz.). Het echte heivee is volgens Hengeveld nog slechter dan in Drente; „het is klein, schraal, mager, doorgezakt, buitengewoon koehakkig en sabelbeenig, zóó sterk zelfs, dat de hakken aan de binnenzijde soms ontveld en zwerende zijn, door het tegen elkander slaan der spronggewrichtenquot;.

-ocr page 216-

190

Als een bijzonder kenmerk van dit vee kan vermeid worden, dat de breedte van den kop tnsschen de basis der hoornen smaller is dan de breedte tns-schen de buitenste oogbogen. Do kleur is roodbont, vaalrood en zwartbont.

Intusschen is dit vee in do laatste jaren veel verbeterd en niet alle zanden veengronden van Overijsel leveren ook zulk slecht vee: dat der beekbezin-kingen gelijkt veel op het vee uit de omstreken Dalen en Koevorden; dat der ontgonnen zandgronden heeft overeenkomst met het Drentsche en Friesche zand vee, ofschoon liet type meer herinnert aan het roodbonte Usel vee. Fig. 88 stelt een der exemplaren van dit zandvee voor, dat behalve ter voortbrenging van mest en melk ook voor het verrichten van arbeid gebruikt wordt.

Dit roodbonte IJsol-vee, dat men aantreft van do Zuiderzee, langs de beide IJsel-oevers in Overijsel en Gelderland, langs den Nieuwen I.lsel en in de Lijmers, in Over-Betuwe, Maas en Waal in Gelderland, langs de oevers van do Maas in Limburg en in het land van Cnyk en Eavenstein in Noord-Brabant

en verder den Rijn op tot aan Ruhrort, moet zeker, zoo niet als een bijzonder ras, dan toch als een bijzonder veeslag beschouwd worden '). Natuurlijk is ook verschil daartusschen; het is zwaarder op de kleigronden en lichter op de zandgronden en niet overal even goed geëvenredigd, maar over 't geheel een in deze streken gezocht veetype, dat min of meer in de drie richtingen als melkvee, mestvee en ook als werkvee gefokt kan worden. PI. II.

') Ook Hen ge veld, I. a. p. lie Deel, hl. 4rgt;S, zegt: „Na deze korte opgave van de eigenschappen der verschillende soorten van vee in Gelderland en deze onderling vergelijkende, zoo komt liet mij voor, dat de oorspronkelijke vorm van liet roode vee van de heistreek en der IJsel-oevers dezelfde is, gewijzigd door Jaren lang gebrek en overvloed, doch eene onde type in zich bevattende, eenigszins verschillende van ons gewone Nederlandsche vee.quot; In hoever hier verwantschap is met de roode Saksische Unterart \ i i Werner, bl. ITÜ, zon een onderzoek moeten looien.

-ocr page 217-
-ocr page 218-
-ocr page 219-

Vooral dat van hot Kamporeiland munt uit door groote- melkrijkhcid, maar men kan niet zeggen (lat hot fraaie dieren zijn, 'twclk trouwens met veel melk geven gewoonlijk ook niet gepaard gaat. Hengeveld zegt: .,Het Kamper-eilandsch vee is groot, grof en zwaar, ook van beengestel. Do kop is groot on dik met grove hoornen, de mond breed en wijd, de hals lang on mager, tamelijk diepe borst, hooge schouders, eene verdieping achter de schoft met een groot hazenleger, de rug en lendenen eenigszins kameelruggig, het kruis breed en lang met naar buiten uitstekende heupbeenderen, wat los van bandon, breed van achteren met sterk uitstekende zitbeenknobbels en niet zwaar gobroekt; de ledematen zijn grof en do stand van achteren wat koehakkig. Hot is in óen woord een groot en plomp dier, mot grove en dikke huid.quot;

Hot Mastenbroeksche vee, waarmede dat langs liet Zwarte Water en het Meppeler diep, in de omstreken van Zwartsluis en Hasselt, overeenkomt, is fijner; „het heeft een kleineren kop, fijnere horens, wel een hertenhals, doch zwaarder en korter, breeder en dieper borst, minder kameelrug, breede dijen en meer gebroekt; do beenen zijn korter door de meerdere diepte en meer gelijkmatigen omvang van t lichaam, dan die der runderen op het Kamper-oiland.quot;

Meer geëvenredigd is het vee van do IJsel-oevers, PI. II, van Westervoort tot Zwolle, en daardoor van fraaier lichaamsvorm dan het hierboven beschrevene. In den laatsten tijd is men begonnen een stamboek van dit vee aan te leggen.

ó. Hel rundvee in Noord-Holland. Deze provincie bezit, zoo niet het Vieste, dan toch liet zwaarste vee van Nederland. Hengeveld zegt ervan: „Over het algemeen treft men in Noord-Holland good gebouwd, wolgevoed en zwaar vee aan, van eene fijne vezel on middelmatig fijn beengestel. Het is beter gevormd, fijner, zwaarder, grooter, in één woord, boter ontwikkeld dan liet Friesche kleivee, en als hot de afrondingen bezat van het meer welgemaakte, doch niet zoo zware Groninger kleivee, dan was er op het Noord-hollandsche vee niets aan te merken. Wat te hoog op de beenen, of, zooals men daar zegt, er waait te veel wind door de beenen, is het grootste gebrek, dat men kan aanwijzen.quot;

Vroeger werd veel Friesch en ook wel Groningsch vee ingevoerd, maar met het oog op hot verkoopen van fokvee heeft men zich in de laatste jaren meer op het zelf-aanfokken en het verbeteren van het bestaande veeslag toegelegd. De invloed van het Nederlandsch Rundvee-Stamboek op het veredelen heeft zich hier vooral doen gelden. Evenals in Friesland kunnen er thans in deze provincie, vooral in de Boemstor on in de omstreken van Hoorn, geheele familiën worden aangewezen, die blijkbaar van één stam zijn en van eene conformiteit, als op weinig andere plaatsen in Nederland. Fig. 89 en 90 wijzen meer bepaald de Beemster typen aan. Zeker kan men het zwartbonte Noordhollandsche vee met het Friesche als vee van één ras beschouwen. Werner houdt liet voor hetzelfde veeslag als hot Friesche kleivee en noemt het een onderslag van het Friesche, met meer geschiktheid om gemest te worden; hij beschouwt het als een vorm, in het midden staande tusschen het Friesche en het Groninger veeslag, wat ons minder juist voorkomt, al moge het waar zijn, dat het Noordhollandsche vee het Groningsche in grootte en liet Friesche in de afronding der vormen overtreft. In het algemeen is het,

-ocr page 220-

192

evenals het Irieseho voe, hoogbeeniger en bezit liet grovere leden clan het Groniugsche vee; soms bezit het ook eene niet voldoend diep ontwikkelde borst. Er komen echter in den laatsten tijd vele stammen voor die minder

hoogbeenig zijn en eene sterker ontwikkelde voorhand bezitten. In het oogvallend krachtig ontwikkeld is de achterhand; het vierkante, zeer lange en

breede kruis is van achteren bijna oven breed als van voren, zoodat de zit-

-ocr page 221-

193

beenderen zeer ver van elkander af staan; de dijen zijn ook meer gevleesd als bij de Friezen; do staart is breed aangezet, lang, fijn en eindigt in een witte dunne, maar toch lange kwast; de middelhand is lang, maar in den rug en in do lendenen voldoencie breed, zoodat de uitgezette buik daarmede goed evenredig is. Met dezen lichaamsbouw, die op don melk-vleesehvorm wijst, gaat gepaard een zeer groot, afgerond, vierkant uier. Ook de hals, van middelmatige lengte, is voller en gaat beter in de schoft over als bij de oude Friezen.

Het Noordhollandsche vee is een bij uitstek melkgevend vee. Daarmede in overeenstemming zijn: de sterke ontwikkeling der achterdeolen, de breede heupen, de breede lenden, de groote buik en de groote uier. Het voorstel is, daarmede vergeleken, niet zelden veel minder ontwikkeld, wat intusschen vaak kenmerkend voor een dergelijk veeras is, al moge een overbouwd zijn in deze richting ook schadelijk wezen.

Van het eigenlijke Noordhollandsch vee is nog te onderscheiden het rundvee op zuidelijk Tessel en dat van het eiland Wieringen, dat zwart- en witbont, of ook rood- en vaalbont is en veelal eene witte streep over den rug bezit. Over 't geheel bezit dit veeslag een goed geëvenredigden, gedrongen lichaamsvorm met kleinen kop, levendige oogen en kleine, levendige ooren, maar een eenigszins hoog kruis.

6. Het rundvee in Zuid-Holland. Evenals in Noord-Holland Friesch vee wordt aangevoerd en dit vooral vroeger plaats vond, voert men in Zuid-Holland veel Groningsch vee in, ofschoon ook de andere provinciën (Friesland van de veengronden en Noord-Holland) hun contigent leveren, om in de voortdurende behoefte — daar betrekkelijk weinig vee aangefokt wordt — te voorzien, 't Gevolg daarvan is, dat men in Zuid-Holland allerlei slag van vee aantreft. Dit neemt niet weg, dat dit van uitstekende hoedanigheid is; want veelal de beste runderen gaan onder den naam van Hollandsche koeien op 3-a 4-jarigen leeftijd hierheen en, in beste graslanden overgebracht, ontwikkelen zij zich bijzonder gunstig. Grootendeels is dit melkvee, dat eenige jaren aangehouden en daarna vetgemest wordt.

Veel vee wordt in Zuid-Holland gemest door middel van spoeling in de omstreken van Schiedam, waartoe deels de afgemolken vare koeien, deels ossen worden aangekocht, vooral van de Zuidhollandsche eilanden, waar meer vee wordt aangefokt. In de streken, waar zuivelbereiding hoofdzaak is, worden de geworpen kalveren veelal vetgemest. Slechts enkelen fokken hun melkvee zelf aan, en bij dit vee kan van eene oorspronkelijke Zuidhollandsche veetype sprake zijn. Eene der zoogenaamde liefhebberij-kleuren, lakenveld, nog in enkele exemplaren in deze en aangrenzende provinciën, Utrecht en Noord-Holland, aanwezig, wijst die type min of meer aan ').

') Opmerking verdient, dat de lakenvelders in Amerika zeer gezocht zijn, waarschijnlijk grootendeels uit liefhebberij, gelijk dit vroeger ook hier op de buitenplaatsen het geval was. Zie Van Lennep, Ferdinand Huyk, Nieuwe Volksuitgave, bl. 185. Vroeger kwam in het Zwitsersche kanton Appenzell vee met eene dergelijke kleur, onder den naam Gurtenvieh (gordelvee), voor. Thans treft men nog slechts hier en daar een enkel exemplaar er van aan.

reindebs, iii. Vierde druk. is

-ocr page 222-

102

evenals liet Friesche vee, iioogijceniger on liezit hot grovere leden dan het Groningsclie vee: soms bezit hot ook oene niet vokloond diep ontwikkelde horst. Er komen echter in den laatston tijd vele stammen voor die mindor

hoogheenig zijn en eone sterker ontwikkoldo voorhand bezitten. In het ooi;-vallend krachtig ontwikkeld is do achterhand; het vierkante, zeer lange eii

prijs en den eersten prijs. De moeder van deze koe werd 15'maal met den eersten prijs bekroond.

breede kruis is van achteron bijna even brood als van voren, zoodat de zit-

-ocr page 223-

193

beenderen zeer ver van elkander af staan; de dijen zijn ook meer gevleesd als bij de Friezen; do staart is breed aangezet, lang, fijn en eindigt in een witte dunne, maar toch lange kwast; de middolhand is lang, maar in den rug en in do lendenen voldoende breed, zoodat de uitgezette buik daarmede goed evenredig is. Met dezen lichaamsbouw, dio op don meik-vleeschvonn wijst, gaat gepaard een zeer groot, afgerond, vierkant uier. Ook do hals, van middelmatige lengte, is voller en gaat beter in de schoft over als bij de oude Friezen.

Het Noordhollandsche vee is een bij uitstek melkgevend vee. Daarmede in overeenstemming zijn: de sterke ontwikkeling der aehterdeolen, de breede heupen, de breedo lenden, do grooto buik en de groote uier. liet voorstel is, daarmede vergeleken, niet zelden veel minder ontwikkeld, wat intussehon vaak kenmerkend voor een dergelijk vooras is, al moge eon overbouwd zijn in deze richting ook schadelijk wezen.

Van het eigenlijke Noordholiandsch vee is nog te onderscheiden het rundvee op zuidelijk Tessol en dat van het eiland Wieringen, dat zwart- en witbont, of ook rood- en vaalbont is en veelal eene witte streep over den rug bezit. Over 't geheel bezit dit veeslag een goed geëvenredigden, gedrongen lichaamsvorm met kleinen kop, levendige oogen en kleine, levendige ooren, maar een eenigszins hoog kruis.

C. Het rundvee in Zuid-Holland. Evenals in Noord-Holland Friesch vee wordt aangevoerd en dit vooral vroeger plaats vond, voert men in Zuid-Holland veel Groningsch vee in, ofschoon ook de andere provinciën (Friesland van de veengronden en Noord-Holland) hun contigent leveren, om in de voortdurende behoefte — daar betrekkelijk weinig vee aangefokt wordt — te voorzien, 't Gevolg daarvan is, dat men in Zuid-Holland allerlei slag van vee aantreft. Dit neemt niet weg, dat dit van uitstekende hoedanigheid is; want veelal de beste runderen gaan onder den naam van Hollandscho koeien op 3-a 4-jarigen leeftijd hierheen en, in beste graslanden overgebracht, ontwikkolen zij zich bijzonder gunstig. Grootendeels is dit melkvee, dat eenige jaren aangehouden en daarna vetgemest wordt.

Veel vee wordt in Zuid-Holland gemest door middel van spoeling in do omstreken van Schiedam, waartoe deels de afgemolken vare koeion, deels ossen worden aangekocht, vooral van de Zuidhollandsche eilanden, waar meer vee wordt aangefokt. In de streken, waar zuivelbereiding hoofdzaak is, worden de geworpen kalveren veelal vetgemest. Slechts enkelen fokken hun melkvee zelf aan, en bij dit vee kan van eene oorspronkelijke Zuidhollandsche veetype sprake zijn. Eene der zoogenaamde liefhebberij-kleuren, lakenveld, nog in enkele exemplaren in deze en aangrenzende provinciën, Utrecht en Noord-Holland, aanwezig, wijst die type min of meer aan ')•

') Opmerking verdient, dut de lakenvelders in Amerika zeer gezocht zijn, waarschijnlijk grootendeels uit liefhebberij, gelijk dit vroeger ook hier op de buitenplaatsen het geval was. Zie Van Lennep, Ferdinand Huyk, Nieuwe Volksuitgave, bl. 185. Vroeger kwam in het Zwitsersche kanton Appenzell vee met eene dergelijke kleur, onder den naam Gurtenvieb (gordelvee), voor. Thans treft men nog slechts bier en daar een enkel exemplaar er van aan.

REiNnEUS, 111. Vierde druk. 1!?

-ocr page 224-

194

7. Het rundvee in Gelderland. Of er, behalve het lil. 189 vermelde I.lsel-vee, in Gelderland nog een afzonderlijke voetyjic is, valt moeilijk te zeggen. Veel van het hier op do. kleigronden van de Betuwe enz. gehouden vee is van Hollandsche, Friesche en Groningsche afkomst of met hot oude ras vermengd , zoodat hier vaak, vooral op de uiterwaarden, allerlei vee bij elkander gevonden wordt.

Do zetel van dit oude ras was volgens Hengeveld de Betuwe, en mogelijk zijn hier of op de naburige Vel uwe nog typische exemplaren, waarvan Fig. 92 er een voorstelt, te vinden. Hengeveld beschrijft het als volgt: „Een korten, eenigszins spitsen, fraai gevormden kop, met heldere, goed uitkomende oogen, zonder groot to zijn, velen mot eene ossevormige hoornvlueht, anderen met meer duikende horens, gevulden hals, hooge cn lange schoft, tamelijk diepe borst met duidelijk ontwikkelden kossem, waardoor het geheele voorstel goed

ontwikkeld is en overgaat in een ongelijkon rug, gesloten flanken, een kort kruis mot eenigszins smalle henpen, soms de heupbeenderen wat uitstekende en omhoog staande, waarbij het kruis dan niet altijd recht is, maar wat onregelmatige richting heeft, daarbij kort is met hooge aanzetting van den staart. Het kruis is dus niefzeer afdalende of laag, maar aan het begin, de binnenste darmbeen uitsteeksels, hoog, valt dan wat weg en wordt bij de staartinplanting weder hooger. Het achterstel is wat lager dan het voorstel, naar evenredigheid niet zoo sterk ontwikkeld, maar toch goed gesloten on gebroekt.quot; De kleur was meest licht zwartbont, enkelen ook blauw- of roodbont. De vraag is echter, in hoever dit nu met het roodbonte IJsel-vee, zooals dit in de Boven-Betuwe, in den Ooipolder bij Nijmegen, in de Lijmers, de streek aan den rechter Rijnoever tusschen Westervoort en Emmerik (die thans wel do zetel van liet beste Geldorsche vee genoemd mag worden) voorkomt, vermengd is.

-ocr page 225-

195

Even verschillend als in de rivierpolders is hot vee oji do Veluwe, in de graafschap Zutphen en in den Gelderschen Achterhoek. Dat op de kleigronden aan den linkeroever van don l.lsol komt overeen niet dat aan don rechteroever in Overijsel, dat op de zeeklei aan de kusten dor Zuiderzee moer niet het vee van 't Kamper-eiland en Genemuiden, maar op de zandgronden van do graafschap Zutfen en van de Veluwe treft men weder vee van zeer verschillende hoedanigheid aan. Naast het onoogelijke, meestal roode hoivee en op do grenzen van Pruisen, evenals hier en daar in Overijsel en Drente, Mnnstersch vee, vindt men, vooral aan de oevers van den Berkel en op de grens der Veluwe in de Geldersche vallei, een beter, zij het ook wat grover veeslag aan, al bezit hot ook in het algemeen hot karakter van zandvee.

8. Hel Utrechtsche rundvee komt aan den kant dor Veluwe vrij wel met het in deze streek van Gelderland voorkomende zandvee overeen; dat op do

klei- en veengronden mot hot Noord- en Zuidhollandsche. In 't algemeen kan men dit laatste als Friesch of Groningsch vee beschouwen, dat zich op gemelde gronden goed ontwikkeld heeft.

9. Het rundvee in Zeeland. Zeeland bezat vroeger oen eigen veetype, dat echter door invoer van en kruising met Noordhollandsch vee nagenoeg verdwenen is. Hengeveld zegt van dit oorspronkelijk Zoeuwsche vee hot volgende: „De oorspronkelijke kleur was roodbont en schijnt af te stammen van het roode Vlaamsche vee, zooals zich dat in België en Frankrijk vertoont. Later hebben de zwartbonten en witruggen ') do meerderheid uitgemaakt en

') Niet onwaarschijnlijk komt het ons voor dat deze witruggen, die men althans vroeger ook op Texel en Wieringen vond, verwant zijn met Noorsch vee aan de kust van Noorwegen; zie hl. 204.

13*

-ocr page 226-

19G

zijn ook dezen van ouden datum, alsmede de vaalkleurigen; doeli ofschoon te dien opzichte weinig bionnen zijn na te slaan, zoo kan men toch wel stellen, dat door hunnen hoogen ouderdom de lichaamsvormen, hetzij de róodvaal- en zwartbontkleurigen, benevens onder de laatsten die met witten rug (witlikken), allen dezelfde zijn als die, aan het oude Zeeuwsche vee in het algemeen eigen, en slechts onderling verschillen, daar grondsgesteldheid en voedering op do eilanden en in Zeenwsch-Vlaandoren eenig onderscheid daarin kunnen te weeg brengen.quot;

Hot zuiverste en het meest ontwikkeld trof men .dit vee aan op Zuid-Beveland, Fig. 91, dat door Hengeveld aldus bescheven wordt; „Het is van een groven, knokkigen bouw, hoog en lang van lichaam. De kop is dik en grof, de beenen grof en opstaande; de schoft en rug scherp, de heupen zeer uitstekende, het kruis afdalende en de staart hoog en zwaar aangezet, smal tusschen de zitbeenknobbels en eenigszins spits van achteren, met aanleg voor breede en diepe borst, platte ribben, groeten buik, grooten uier, ruime melk-geving, de ledematen eer kort dan lang, soms met fijne pijpbeenderen en klauwen. Het geheel is een hoekig, grof, krachtig en gehard dier, met dik behaarden huid.quot;

Die niindêr gewenschte eigenschappen hebben gewis aanleiding gegeven om het door ander vee te vervangen. Vooral op het eiland Schouwen heeft men oene kruising met het Hollandsche vee reeds lang in toepassing gebracht, waardoor het vee de eigenschappen hiervan heeft aangenomen; en vindt men aldaar een slag, dat tusschen het Hollandsche en Zeeuwsche vee in staat. In Zeeuwsch-Vlaanderen op de zandgronden, hoofdzakelijk in het zoogenaamde 5de district, werd vroeger een lichter veeslag gevonden, overeenkomende met het vee in Oost-Vlaanderen; in het •4de district eindelijk weder zwaarder vee, dat deels met het vee der eilanden, deels met het bruinroode Vlaamsche vee in Frankrijk verwant was. quot;Waarschijnlijk zijn nog eigenschappen van dit vee in deze districten overgebleven.

10. Het rundvee in Noord-Brabant. Evenals in Zuid- en Noord-Holland wordt in Noord-Brabant veel vee van elders aangevoerd, 't Gevolg is, dat hier moeilijk van eene bijzondere en bepaalde veetype sprake kan zijn. Wel wordt er aangefokt, maar de kalveren, en daarvan niet zelden de besten, worden grootendeels vetgemest en andere dieren van elders aangekocht om in de behoefte te voorzien. Men vindt er Geldersch-Overijselsch vee, vooral in het land van Cuyk en Kavestein, Hollandsch (Friesch) en sporen van het oude Zeeuwsche vee, dat echter, bij eene veelal schrale voeding en door het te laten dokken op nog jeugdigen leeftijd er niet beter op geworden is. Het meest oorspronkelijk nog is het vee der hei- en zandgronden in het zuidelijk en oostelijk deel der provincie en in de Meijerij van Den Bosch.

Ofschoon dus over 't geheel weinig zorg aan het opfokken en veredelen van 't vee wordt besteed, komen daarop toch ook vele uitzonderingen voor, en vooral in de laatste jaren is daarin verbetering gekomen. Men vindt zoo ook in Noord-Brabant wel uitstekende dieren, al onderscheiden zij zicli niet door bijzondere kenmerken van de andere Nederlandsche veetype. Volgens Hengeveld kan het vee der kleigronden, in het land van Altena en Hensden, en dat van de bebouwde zandgronden, in de omstreken van 's-Hcrtogenbosch,

-ocr page 227-

197

beschouwd worden „als tot do Nederlandsche type behoorende, met neiging tot oen breed en plat kruis, een gestrekt lichaam met wat ingebogen lendenen, schcrpen schoft, middelmatig fijne, binnenwaarts gekromde hoornen en een weinig hoog op de beenen. De aanleg tot melkgeving is gewoon. Het vleesch is van goede cpialiteit.quot;

Het eigenlijke zand- en heivee heeft de volgende eigenschappen: „middelmatige ontwikkeling van het lichaam, spitsen kop met groote, naar voren gebogen hoornen, slanke, smalle borst, magere schoft en schouders, rechten rug en een recht kruis met afhangende staartaanzetting, smalle heupen, spits achterstel, een naar den buik geplaatsten uier, grooten tonvormigen buik, van voren wat zwak en van achteren wat eng in de ledematen.quot; Over 't geheel toont het meer aanleg tot melkgeven dan voor de vleesch- en vetvorming. Het beste vee van dit slag vindt men in de omstreken van Schijndel, Boxtel enz.; meer zuidwaarts is hot van mindere qualiteit.

11. Het rundvee in L/imhurg komt in hoofdzaak met dat in Noord-Brabant en Gelderland overeen en is, evenals dit, zeer gemengd. In het noordelijke deel vindt men het Noordbrabantsche zand- en heivee; dat langs do Maas is iets beter, en het vee der Limburgsche klei staat tussehenbeide in. Over 't geheel heeft het een eenigszins langen vorm (in do omstreken van Maastricht is hot iets meer gedrongen) on eénige gebreken, die aan het echte Nederland-sche vee niet eigen zijn, als: „grove hoornen, eene dikke en grove huid, een laag on zeer afhangend kruis, dikken staart, terwijl het vee der zandgronden daarbij nog koehakkig is, wat slingerend van gang en los in de heupen, zooals dit ook aan het aangrenzende Pruisische vee eigen is.quot; Do kleur is meestal roodbont, evenals bij het overeenkomstige Noordbrabantsche en Geldorsch-Overijselsche vee, met uitzondering natuurlijk van het veelal zwartbonte Hol-landsche vee, dat ook daartusschen voorkomt en vooral in de laatste jaren tot veredeling van het bestaande is ingevoerd.

Behalve in vroeger eeuwen is er ook in de laatst verloopen eeuw wel eens vreemd vee in Nederland ingevoerd: zoo in Gelderland, bij Nijmegen, enkele exemplaren Zwitsersch vee; op Ned. Mettray, bijZutfen, door den heer Duf röne, het ongehoorndo Sarlabot-vee; op de boerderij van het Loo, door Z. M. Koning Willem 111, Alderney-voe. Op het Nederlandsche vee is dit echter van geenerlei invloed geweest.

Van iets grootere beteekenis was die van het .Engelschc Durham- of Shorthorn-vee, maar toch ook niet in die mate, als men die in het buitenland soms doet voorkomen '). Het was namelijk in het derde quart der vorige eeuw, toen het mesten van vee en de productie van stalmest meer op den voorgrond traden, dat men in enkele streken: in hot noorden van Groningen, aan do Usel-oevers, in de Lijmers, in de Betuwe, in Utrecht en vooral in Zeeland, met dit vee ging kruisen, om ons vee meer vroegrijp en in 't algemeen meer geschikt voor het mesten te maken.

Maar o. a. in het noordon van Groningen heeft men al spoedig daarmede opgehouden, omdat het gekruiste vee te veel in het melkgeven terugging en

') Zie de aangehaalde werken van Ramm, Lehnert en Werner.

-ocr page 228-

als slachtvee, wegens te veel vet, door de slagers minder gezocht was. Thans is van den invloed der Shorthorns op het aldaar aanwezige vee nagenoeg niets meer te bespeuren. Iets langer heeft men daarmede volgehouden in Zeeland, vooral in den Wilhelmina-polder. In de laatste aflevering (1'JüO) van het Ned. Rundvee-Stamboek zijn .in de afdeeling voor deze provincie nog een paar gekruiste stieren ingeschreven.

B. OVERZICHT VAN DE BUITENLANDSCHE EUND VEER ASSEN.

Wij volgen daarbij Rohde, Hengeveld en Werner.

«. Kassen, afstammende van Bos taurus Primigenius, bl. 175.

1. Het laaglandsch vee. Behalve de Nederlandsche veeslagen of -rassen, brengt men hiertoe het Oostfrirsche en Oldenburgsche [Jeverland- en Wezer-) vee, de veeslagen in Sleeswijk-Holstein enz., het vee aan de oevers van den Weichsel in Pruissen, do meeste veeslagen in België en in Noordelijk Frankrijk en eenige Engelsche, Russische en Noorsche rassen (zie hieronder). Over 't geheel komt dit vee met het Nederlandsche overeen, ook daardoor, wijl hier op vele plaatsen Nederlandsch vee is ingevoerd, b.v. iu Denemarken en aan de oevers van den Weichsel, waar zich vroeger Hollandsche kolonisten hebben gevestigd, tot zelfs in Oostenrijk, in de mark Wels (Welserbonten). Zoo ook het roodbonte en zwartbonte vee aan den Neder-Rijn in Duitschland; zie bl. 190 '). In Zweden houdt Dybeck bepaald Groningsch vee, ook aan zijn kleur, zwart witkoj), te herkennen. Meer bepaald Hollandsch (Friesch) vee treft men verder aan in Oost- en West-Pruissen, dat hier zuiver gehouden en in zich zelf veredeld wordt. Sedert 1883 is daarvan in Oost-Pruissen en vanaf 1889 in West-Prnissn een stamboek aangelegd. Werner brengt al dit vee tot één ras, het Germaansche ras.

De grondsgesteldheid, de meerdere of mindere zorg bij het aanfokken enz. hebben min of meer kenmerkende wijzigingen in dat laaglandsch vee doen ontstaan, waardoor verschillende rassen, onderrassen of slagen kunnen worden onderscheiden. Dat van Oost-Friesland komt, behalve in kleur — het is meest zwartbont —, door zijne afronding van vorm het meest met het Groningsche vee overeen; het Oldenburgsche vee is iets grover (goed werk vee), en vooral dat aan de Wezer, 'twelk meer als melkvee wordt gehouden, is vroeger veel met Shorthorns gekruist. Dit laatste is ook het geval met het vee van de alluviale kleigronden in Sleeswijk-Holstein, vooral in Tonderen, Eiderstedt en Dithmarschen. Thans worden de slagen meer zuiver gehouden, 'tzij, zooals aan de Wezer, meer een Nederlandsch type, 'tzij, zooals in Eiderstedt en Dithmarschen, meer een Shorthorntype. Zuiverder is gehouden hot Breiten-burger vee, donkerrood of donker roodbont, in zuidwestelijk Holstein (Itzehoe), dat in de eerste plaats om de melk gehouden wordt en dan ook een zuiverder melkvorm vertoont.

') In Das Deutsche Rind wordt liet roodbonte en zwartbonte vee van den Neder-Rijn, liet Eupen-Limpurger en het roodbonte on zwartbonte Westfnalsclie vee als van Nederliindsche afkomst beschouwd; de zwartbonte veeslagen in Noord-Duitschland daarentegen van Oostfriesche of Hollandsch-Oostfriesche afkomst, wat zeker niet geheel juist is.

-ocr page 229-
-ocr page 230-
-ocr page 231-

199

Evenals bij ons kan men onder deze verschillende veeslagen do alluviale of marsehslagen onderscheiden van die der diluviale zandgronden of geestslagen. Zoo heeft men zoowel onder het Oostfriescho als onder het Oldenburgsche vee een marsch- en oen geestslag, en terwijl het bovengenoemde Sleeswijk-Holsteinsche vee grootendeels mai'schvee is met een schoft hoogte der koeien van gemiddeld tot 140 cM. (bij de Eiderstedters), behooren meer bepaald het roode Angler en Jutlandsche vee tot de kleinere geestslagen niet eene schoft-hoogte van gemiddeld 124 cM. Vooral het Angler vee, dat veelvuldig naai Noord-Duitschland wordt uitgevoerd ') en ook over een groot gedeelte van Denemarken verspreid is, staat bekend als uitmuntend melkvee Noor de zandgronden , en het geringe lichaamsgewicht in aanmerking genomen, is het een van do melkrijkste veerassen. Plaat III.

Werner brengt het met liet roodbruine Oostfriescho marschvee, hot

roodbruine vee langs de Elbe in Hannover, dat in Noord-Slees^ijk en in Sileziö tot één groep: hot Saksische onderras. Het eveneens rood gekleurde Jutlandsche vee is van geringer boteekenis en bezit meer den vleeschvorm. Verder brengt Werner tot de laaglandsrassen het zoogenaamde landvee in Noord-Duitschland, de Hoerenhof (Herregards) runderen in Zuid-Zweden, het Sraaalenene-vee in Noorwegen, de Strómholms in 1 inland en het ' liolmogarj vee in Rusland; de meeste dezer slagen of rassen zijn echter niet zuiver gehouden, maar niet ander vee gekruist. Zoo in Rusland met Hollandsch quot;see.

Omtrent hot nog tot hot laagland sche vee behoorende Vlaamsche, Norman-

') Volgens Lehnert is liet thans minder in trek en heelt liet ook weinig voor boven het zand vee uit Groningen, Drente, Gelderland of Oost-Friesland.

-ocr page 232-

20U

dische cn Angelsaksische (Shorthorn) vee, zie men hieronder liet Framiche en EngeJsche rundvee.

2. Hel Podolischc of Steppen-vee (-ras), in het zuid-oosten van Europa. Dit vee is gekenmerkt door eene zilvergrijze, muisvale of bruin-grijze, maar nooit gevlekte kleur en de zeer lange, zijwaarts gerichte horens, die eene lengte van 0.65 a 0.8 meter bezitten, ja men heeft onder de hiertoe behoo-rende Hongaarsche runderen exemplaren gevonden, waarvan de horenvlucht 2.3 meter bedraagt. Fig. 93. Na het Zebu-rund, in oostelijk Azië en Afrika, heeft het Podolische vee van alle runderen de grootste geographische verspreiding. Men treft het toch aan van af Italië in geheel oostelijk Europa en in westelijk Azië tot China.

Rohde brengt tot dit ras do volgende slagen; het vee in Hongarije en de Donauvorstendommen, het daarvan afstammende vee in het hertogdom Stiermarken, het zoogenaamde Uomaansche ras in Italië en het eigenlijk Podolische vee in zuidelijk Rusland. Het zwaarste vee van dit ras vindt men in Bessarabië, het lichtste in Servië. Vooral in de uitgestrekte steppen van hot Russische rijk, zoomede op de Hongaarsche puszten (steppen) wordt dit vee in groote troepen geweid en verblijft hier bijna hot geheele jaar. Het bezit wel aanleg voor vleesch- en vetvorming. Ook is hot zoor goed werkvee on wordt daartoe in Hongarije ook veelvuldig gebruikt. Het molkgovond vermogen daarentegen is zeer gering. Do ruime weide, die'do step]ion in het voorjaar geven, maakt het spoedig vet; als slachtvee wordt het dan naar Weenon, Berlijn enz. uitgevoerd. In de droge zomermaanden moot hot echter dikwijls honger en nog meer dorst lijdon; verschillende ziekten breken dan uit, waarvan de gevaarlijkste, de runderpest, de kudden aanzienlijk verdunt eu die door de uitgevoerde dieren niet zelden naar andere streken overgebracht wordt.

3. Dp groep van Caledonische runderen. Hiertoe brengt Werner het zoogenaamde wilde rund in Groot-Brittannië, Fig. 07, dat, vroeger waarschijnlijk hier algemeen verspreid, thans nog in enkele parken gehouden wordt en nu als verwilderd beschouwd moot worden; zie echter de noot op bl. 166. Het meest bekend is dat van het Chillinghampark in Northumberland. Verder rekent Werner als tot deze groep te bohooron het vee in westelijk Schotland, dat van de Schot-scho hooglanden en op de Shetland- en Orkney-eilandon, het vee op IJsland, de Ayrshires en hot Schotsche ongohoornde vee met de ongehoorndo Angus, Galloways on Abordoens. Zie hieronder. Volgens Sanson zijn bij deze groep twee typen te onderscheiden: de eigenlijke Schotsche runderen, die volgens hem brachycephaal, en de hoornloozo runderen, die dolichocephaal zijn.

4. De runderen van de Sannatische laagvlakte. Hiertoe behoort het meestal rood gekleurde Poolsche vee in Silezië, Littauen en Lyfland, hot zwarte, bruine of roodbonte vee in Groot-Rusland en het zwartbonte of roodbonte vee in hot landschap Perm in het Uralgebied. In het algemeen onderscheidt zich dit Russische vee door bijzondere laatrijpheid, en vooral het Permsche vee lijdt een kommervol bestaan; horons afwezig of slecht ontwikkeld. Werner zegt, dat bij de slechte voeding onder dit vee koeien voorkomen, die op 3-jarigen leeftijd de geringe hoogte hebben van 87 cM., bij een levendgewicht van 00—100 KG., en kalver van slechts 8 '/„—10 KG. levendgowicht ter wereld brengen.

5. De Scandinavische runderen. Over 't geheel is dit vee licht van kleur

-ocr page 233-

201

of bont on bezit het oen slank uiterlijk; aan do Noorwoegsohe kust komen witruggen voor. Het is meest klein van stuk, velen zijn niet zwaarder dan 200 KG., maar het geeft betrekkelijk veel en vetrijke melk (vetgehalte 4.3 — 4.5°/,,); voor een deel is hot ongehoornd. Van de verschillende slagen noemen wij hot Zweedsche Jemtland-Fjellras, het slag in Herjeadals en het Noorweeg-sche bergras in Thelemarken en in het Hallingdal.

h. liassen, afstammende van Bos taurus brachyceros of B. t. longifrons, bl. 175. Behalve het écnkleurige, bruingrijze vee in Zwitserland, vooral in de kantons Zurich, Luzern, Schwijz, Zug, Uri, Glarus, Untorwalden, Tossin, Wallis en ten deele ook in Bern, worden door Rohde van dit-vee de volgende slagen onderscheiden: het slag in het Montafuner-dal in lirol, het Algauer-vee in Beieren en sommige slagen in westelijk Frankrijk.

Werner zegt, dat het echte bruin-grijze Alpenras, dat volgens Nehring ook van hot Oorrund afstamt, in 14 oostelijke kantons van de 22 kantons, waarin

Zwitserland verdeeld is, voorkomt en verder verspreid is over Algau, do Vorarlberg, westelijk Tirol, het oostelijk deel van Stiermarken, enkele plaatsen in Opper-Italië en in de Alpen van Savoye. Hij verdeelt het naar do kleur in drie onderrassen: bruin vee, grijs vee en geel vee.

Behalve door de kleur, die alzoo van zwart-bruin met allerlei trappen tot helder grijs of geel overgaat en aan de onderdeden, in de oorschelpen, bij den muil en op den rug veelal iets lichter is (bij hot Podolischo ras zijn deze doelen niet zelden donkerder gekleurd), is dit vee gekenmerkt door een korten kop met breeden muil en breed voorhoofd. De hoornen staan zijwaarts en naarboven en zijn meestal kort. De hals is korter dan bij het laaglandsvee, do kossem grooter. Het lichaam is tonvormig en gedrongen, de borst brood, de staart hoog aangezet. Do korte, niet zelden dikke, plompe pooten zijn van broede, sterke gewrichten voorzien.- Daarmede in overeenstemming is hot veelal grofdradige vleesch. Over 't geheel heeft liet de kenmerken van een bergras, dat door de Alpenbewoners grootendeels als melkvee gehouden en des zomers

-ocr page 234-

202

op de bergen geweid, des winters en in de andere jaargetijden in de dalen deels geweid, deels gestald wordt.

Het Zwitsersehe bruine vee, waarvan hot zoogenaamde Schivyzer-ras als hot meest typische kan beschouwd worden, is het grootst, iets kleiner is hot grijze vee, vooral in Graubunderland, het Mürzthal en het dal van de Etsch voorkomende, en het kleinst is hot geelachtig-grijze Algiluer vee. Dit laatste. Fig. 94, dat als melkvee een zeer goeden naam had en daartoe in zijne eigenlijke woonplaats (de Zwabisch-Beiersche hoogvlakte en de Algauer Alpen in Beieren en Würtemberg) gehouden, maar ook veelvuldig naai' Duitschland uitgevoerd werd, is echter door veeziekte en zorgeloos aanfokken nagenoeg verdwenen en vervangen door een grooter slag, waartoe folimateriaal uit Montafun en Schwyz is aangevoerd. Thans zijn hier fokvereenigingen werkzaam om een moer constant ras te verkrijgen en daarmede de concurrentie met het Sim-menthaler vee (zie hieronder), dat ook hier veelvuldig wordt ingevoerd, vol te houden.

Omtrent het vee van do Vendée in westelijk Frankrijk en dat van de Kanaal-eilanden, dat volgens Werner mede tot het longifrons-ras behoort, zie men hieronder het Rundvee in Frankrijk en Engeland.

c. Rassen, afstammende van Bos tanrus frontosus, bl. 17quot;). Werner verdeelt deze in twee groepen: gevlekt vee en éénkleurig vee. Tot het gevlekte vee brengt hij hot Gotische ras in zuidelijk Zweden (Smaland) en op het eiland Gotland en de bonte Zwitsersehe veeslagen, door hem liet Bourgondische vlekveeras gelieeten, in do kantons Freiburg, Bern, Neuenburg, Solothurn, Basolland en voor het meerendeel in Aargau, Thurgau, Waadt en Schaffhausen. Voorts is hot van uit Zwitserland over Zuid-Duitschland verspreid.

Volgens Sanson is hot frontosus vee brachycephaal; het wordt door hom het vee van de Jura gelieeten. Over 't geheel is dit vee groot en veelal grof van stuk en daarom meer als werk- en mestvee dan wel als melkvee geacht; het vormt met de hierboven genoemde brachyceros-rassen hot voornaamste bergvee in Europa.

Het oénkleurigo frontosus-vee is meest geelrood tot vaalgeel en isabella-kleurig en daarvan kunnen worden ondorsclioiden; het Franken-vas in Beieren, Würtemberg en Midden-Frankrijk, het Norische ras in Stiermarken, Karinthiö en enkele andere streken van Xeder-Oostonrijk en het Piëmonteesche ras in Noord-Italië. Vele van de hiertoe bohoorende veeslagen zijn waarschijnlijk ontstaan door kruising met andere rassen of slagen, vooral met het hieronder te vermelden Koltonvee; zie bl. 204.

Het gevlokte vee is licht roodbont of zwartbont. Bijzonder groote slagen zijn hot licht roodbonte Simmenthcder. in het Zwitsersehe kanton Bern, maar waartoe ook het Moszkireher vee in zuidelijk Baden en het Miesbachor vee in Beieren behooren, en het zwartbonte Preiburger vee in het Zwitsersehe kanton van dien naam. Hot lovondgewicht der volwassen Simmenthaler stieren bedraagt !)00—1000 KG., gemest 1200—1500 KG., dat der koeien 700— 800 KG. en gemest 900—1100 KG. Nog zwaarder is liet oude Freiburger. Stieren van dit vee wegen niet zelden 1800 KG. en koeien van 700—1200 KG. Door kruising met Simmenthalers gaat het oude Freiburger vee echter moer en meer verloren.

-ocr page 235-
-ocr page 236-
-ocr page 237-

Hot roodbonte Sirainenthaler ras is namelijk in do laatste jaren veel verbeterd. De zware, hooge staartaanzetting, de grove huid en horens, de grove beenderen zijn meer en meer verdwenen en een dier is verkregen, dat bij een schoenen vorm en eene goede melkrijkheid, geschiktheid voor het niesten en voor den arbeid in zich vereenigt. Vooral in laatstgenoemde twee richtingen mnnt het nit, zij het ook dat het in alle drie richtingen gefokt wordt. Thans is het ook in andere Zwitsersche kantons, maar ook in Baden, Beieren, Wiirtemberg, Hohenzollern, Hessen en in Midden- en Noord-Duitschland tot in Brandenburg, West-Pruissen en Silezië verspreid. Alleen in het koninklijk Saksen bestaan er 7 0 vereenigingen, die zich het aanfokken van dit vee ten doel stellen en die niet minder dan 140 stieren houden. Zie Plaat IV.

Eene groote tegenstelling met dit zware Simmenthaler en Freibnrger vee, waarvan de koeien eene gemiddelde schofthoogte hebben van ongeveer 140 cM., vormt het kleine Lötsche slag in het kanton Wallis, dat een gemiddeld levendgewicht van 260 a 300 KG. en een schofthoogte van gemiddeld 120 cM. heeft, en vooral het Hinterwalder slag aan de zuidelijke helling van den Feldberg en naburige hoogten (Schwarzwald), waarvan de schofthoogte dei-koeien gemiddeld slechts 116.5 cM. bedraagt met een gemiddeld levendgewicht van 250 KG. Het is, evenals de meeste bergrassen, laat rijp, maar geeft betrekkelijk veel melk, jaarlijks ongeveer hot vijfvoud van zijn levendgewicht, en fijn vleesch.

De overige in Zwitserland en in Zuid-Duitschland voorkomende veeslagen, ofschoon 't meest het type van het Zwitsersche vlek vee vertoonende, zijn minder zuiver gehouden. Daartoe behoort o. a. het Ansbach-Tricsdorfar vee, het Zwaben-Beiersche vlekvee, het Neckar vee, het Bayreuther en Spessarl vee en dat van den Boven-Pallz. .Meer en meer worden deze slagen, als reeds gezegd, door Simmenthaler vee verdrongen of daarmede gekruist.

Van het hier voorkomende éénkleurige en tot het groote Frankenras be-hoorende vee noemen wij slechts het Sehcinfelder vee in Beieren, het Glanen Donnersberger vee in den omtrek van Homburg en Rijn-Beioren en het Zwahen-Limpurger vee in het Würtembergsche graafschap Limpurg ').

') Als voorbeeld van een rundveestam uit verschillende kruisingen verkregen en van de daarbij waargenomen teruggeslagen kan vermeld worden de tot laatstgenoemd veeslag behoorende veestam van het Würtembergsche kroondomein Rosenstein. Daarin is bloed van Hollanders, Zwitsers, Schwaabsch-Limpnrgers, Alderneys en zelfs van Zebu's aanwezig. Ongeveer 25 jaar en 6 a 7 generatiën waren noodig om dezen stam min of meer constant er. conform te maken, zoadat er weinig terugslagen meer voorkwamen. Toen echter van dezen ongeveer 40 jaar ouden stam een stier aan de landbouwschool te Hongaarsch—Altenburg gebruikt werd om daarmede Lavanthaler en Ilongaarsche koeien te kruisen en C. Schultz de afstammelingen daarvan in 1808 mot elkander vergeleek, moest hij daarvan het volgende zeggen: „De stier was naai- zijn niterlijken vorm onberispelijk ; als vaderdier ontleedde hij zich echter weder in al de elementen, waaruit hij oorspronkelijk ontstaan was. He theorie van den terugslag werd hier schitterend bewezen, want hier stonden kalver in ééne rij: Zwitsers en Limpurgers, ja er was een kalf onder dat getrouw het type van een Hollander weergaf: de droge kop, de glinsterend zwarte kleur, de witte strepen, de wigvormige ster enz. En deze producten had de afstammeling van een ras verwekt, tot welks vorming reeds in 1824 de eerste grond gelegd was.quot;

-ocr page 238-

204

Omtrent het hiertoe hehooremle vee in Midden-Frankrijk (het Féiuehnslag-iTi Franseli-Comté en dat van Charolais) zie men hieronder.

Het in Neder-Oostenrijk voorkomende éénkleurige frontosusvee, door Werner tot één ras, het Norische (naar de Norische Alpen), gebracht, is van gemiddelde grootte; de Mariahofer en Lavanthalerslagen zijn de belangrijkste verscheidenheden.

Het frontosusvee in Piëmont ■(Piëmonteesche ras) behoort tot de kleine berg-rassen en is volgens Werner waarschijnlijk ontstaan door kruising van rood Keltenvee, bruinvee en vlekvee. Het is betrekkelijk goed melk- en mestvee en meest stroogeel van kleur.

d. Rassen, afstammende van Bos tanrus brachycephalus, bl. 17G. Men kan hierbij twee groepen van rassen onderscheiden. De runderen der eerste groep komen overeen met die van het Iberische hoogland (Spanje), die van de tweede groep worden door Werner Keltische hooglandsrassen ge-heeten, omdat zij bij hunne kenmerken van overeenkomst dit gemeen hebben, dat zij voorkomen in streken, bewoond door volkeren van Keltischen oorsprong.

De Iberische runderen, die, behalve over Spanje en Portugal, verspreid zijn over zuidelijk Frankrijk (zie hieronder). Noord-Afrika, de eilanden Sardinië en Corsica en de zuidpunt van Italië, hebben, met uitzondering van enkele Fransche slagen, die lichtgeel of grijs gekleurd zijn, veelal eene donkerbruine kleur. Hun lichaamsvorm is klein en gedrongen, met korten, dikken hals en sterke schouders, waardoor zij voor trekvee het meest geschikt zijn.

Iberische runderen zijn door de Spanjaarden ook naar Zuid- en Noord-Amerika gebracht, en de verwilderde runderen, welke hier worden aangetroffen, in de Pampas van Buenos-Ayres en in de provinciën van Texas, zijn meest van Spaansche afkomst.

Tot de Keltische rassen behoort liet vee in Bretagne, het Kerry-vee in Ierland en verscheidene Engelsche veerassen (zie hieronder); voorts het vee in Auvergne, eenige slagen in Noord-Italië, hel bonte Tiroler vee, het Salz-burger vee en veel van het roode vee in Zuid-Duitschland, dat wij hieronder zullen samenvatten onder den naam van het Zuidduitsche landvee.

Tot het bonte Tiroler vee behooren de Duxer- en Zillerthalerslagen in Oostenrijk, het Eringer slag in Zwitserland (kanton Wallis), een gedeelte van het vee in de Vogezen en het Kuhlander vee in Moravië. De kleur van dit vee is meest rood-bruin of zwart-bruin met witte plekken en veelal lichter gekleurden rug. Voor een deel is liet Alpen-vee, dat kleiner, voor een ander deel dalvee, dat grooter van stuk is.

Ook het Salzhurger vee, waarvan nog kunnen worden onderscheiden het Pinzgaüer-, het Möllthalcr- en het bonte veeslag in Stiermarken, komt daarmede veel overeen. Daarvan is het Pinzgaüer vee van rood-bruine kleur, met wit aan de onder- en rugzijde van don romp, thans verreweg het belangrijkste van de Oostenrijksche Alpenrassen. Want niet alleen in Pinzgau (Salzburg) wordt het gevonden, maar ook in Beieren, Karinthië, Tirol enz.

Verder vermelden wij nog het Egerlander vee in noordwestelijk Boheme, het Voigtlander vee in den Boven-Paltz, het Vogelsbcrger vee in liet Rhön-gebergte en den Vogelsberg, het Kelheimer vee, het vee van den Taunis, het Westerwald, den Harz enz. Over 't geheel is het vee, tot laatstgemelde

-ocr page 239-

205

slagen behoorende, éénkleurig rood, rood-bruin of geol-rood; liet Kelhoimer en Westerwalder vee is echter wit van onderén met witte bles of ook wel roodblaard. Niet overal is het echter zuiver gehouden, evenmin als het hierboven genoemde Tiroler en Salzburger vee, en ofschoon de type van het kortkoppige rund moge voorheerschen, waarschijnlijk met andere stamrassen vermengd of ook soms ontstaan door kruising van verschillende slagen onderling.

Naar de grens der Noordduitsche laagvlakte is het meer verwant met het lagelandsch vee; in de meer zuidelijk en hooger gelegene streken heeft het meer het kenmerkende van bergvee.

In 't algemeen wordt dit roode Duitsche vee met den naam „landrasquot; of het Jandvecquot; bestempeld, om het daardoor te onderscheiden van de niet zelden ingevoerde vreemde rassen (Hollanders, Algauers, Simmenthalers enz.). Do hoedanigheid is nog zeer verschillend; het bezit over t geheel eene middelbare grootte: de schofthoogte der koeien gaat veelal niet boven de 125 cM. Voor den arbeid is het veelal wel geschikt, maar als mest- of melkvee munten slechts enkele slagen uit.

Na dit overzicht van de voornaamste buitenlandsche veerassen, volgens hunne vermoedelijke afstamming, zullen wij nog afzonderlijk in het kort bespreken

e. het Fransche rundvee. Dat het rundvee in noordelijk Frankrijk en in België, wat zijne afstamming betreft, tot het lagelandsch vee gebracht worden moet, is hierboven reeds opgemerkt, ilea kan van dit laaglandsch vee hier hoofdzakelijk onderscheiden: 1° het rood-bruine Vlaamsche vee, door Werner als onderras van het Germaansche ras beschouwd, dat behalve in eigenlijk Vlaanderen ook in de streek van Duinkerken zuidwaarts tot Boulogne, Montreuil en Abbeville en oostwaarts tot Arras nog onder verschillende namen voorkomt, b.v. het zwarte of zwartbonte Ardenner vee en hef Belgisclt-Limburger vee in oostelijk en noordelijk België; ook hot oude Zeeuwsche vee brengt Werner hiertoe, wat, in zoover dit rood gekleurd is, juist mag zijn; 2° het zwaardere Normandische vee. Van het laatste, welks kleur meestal bruin of zwart-bruin (snoekkleurig), maar ook wel lichter is, moeten twee hoofdgroepen worden onderscheiden naar do streek waar het gehouden wordt. Dat van Coteniin, in de vochtige kuststreek van La Manche, wordt bijna uitsluitend als melkvee gehouden en in die richting aangefokt; het is niet groot, maar geeft veel molk, rijk aan vaste stof, en die uitstekende boter levert (boter van Isigny). Het vetgehalte der melk is 5 proc. en meer. Het Cotentische vee is daarbij zeer zuiver gehouden en in de laatste jaren een stamboek daarvoor aangelegd. Behalve eenige fokstieren worden bijna uitsluitend vrouwelijke runderen aangehouden. De tweede hoofdgroep van het Normandische vee wordt naar de vallei van dien naam, dat van Auge, geheeten. Do weiden zijn hier rijker en het vee is daardoor meer ontwikkeld. Voel jong vee wordt uit Cotentin aangevoerd en, in de rijkere weiden van Auge gebracht, krijgt hot meer aanleg om gemest te worden; naast den molk vorm ontwikkelt zich de vleeschvorm. Do melkproductie is hier dan ook niet zoo uitsluitend het hoofddoel als in Cotentin. Met het oog op de vleeschproductie is er, eenige jaren geleden, veel gekruist met Shorthorns (vooral in het land van Caux in de richting van den mond der Som me). waardoor liet Normandische vee minder zuiver is gebleven in Auge

-ocr page 240-

206

dan wel in Cotentin. In do laatste jaren is men echter ook hier met het kruisen met Shorthorns opgehouden.

Ook ongehoornd vee komt in dit gedeelte van Frankrijk voor, afkomstig van Dutróne, te Sarlabot in Calvados, en verkregen door kruising van Normandisch vee met de ongehoornde Engelsche Suffolks, bi. 197. Bijzonder klein van stuk is het bonte Bretagner vee, dat typisch is voor het Keltische ras, bl. 204. Het levendgewicht dezer runderen bedraagt gewoonlijk niet meer dan 150—200 KG.; stieren en ossen 250—350 KG. en gemest 500—000 KG. Het geringe levendgewicht in aanmerking genomen geeft het veel en vooral vette molk met 18 0/n dróge stof en 5.7 0ln vet. Voor de schrale weiden in dit gedeelte van Frankrijk schijnt het zeer gepast te zijn en wordt het zorgvuldig zuiver gehouden. Het hoofdvoeder in den winter is Gaspeldoorn (Ulex europaev.x). Verder naar de kust komt een grooter slag voor.

Het vee in Midden- en Zuidelijk Frankrijk is grootendeels bergvee, dat, volgens Werner, deels tot de frontosus, deels tot de brachycephale veerassen behoort, bl. 202 en 204. Daarvan verdienen vooreerst vermeld te worden: het gele of vaalbruine vee van Limousin en het stroogele vee van de Garonne, beide hoofdzakelijk als werk- en mestvee gehouden en die met liet vee van Agenais als variëteiten van het door Sanson alzoo genoemde ras van Aquitanië vormen. Vooral het vee van Limousin staat in Frankrijk bekend als uitstekend vleesch te leveren. Het vee van de Garonne wordt gewoonlijk langer voor den arbeid gebruikt alvorens gemest te worden, tot op den leeftijd van 8 a 10 jaar, en levert derhalve uit den aard der zaak minder deugdelijk vleesch. Verder vermelden wij nog het vaal- of dasgrauwe vee van Gascogne (uitstekend trekvee) en het grauwgele vee van Bazac in de onherbergzame Landes van Zuidwestelijk Frankrijk, 'twelk met het vee van Béarn in de Baskische provinciën en dat van Ariège het kleine ras der Pyreneën vormt — volgens Sanson is dit Alpenvee — en voor het grootste deel 't type van werkvee vertoont. Voorts zij nog vermeld het vee van Camargue, een eiland in de Rhone, dat zich mede door eene geringe grootte onderscheidt, volgens Sanson het meest met het Fodolische steppenvee overeenkomt en op genoemd eiland in volkomen vrijheid, door bereden herders bewaakt, leeft. Het ras van Salers on dat van Aubrac, samen het vee van Auvergne vormende, draagt weder geheel het karakter van bergvee. Ofschoon weinig melk gevende, wordt het toch grootendeels als melkvee gehouden, maar ook wel als werkvee naar elders vervoerd om vervolgens in vruchtbaarder streken vetgemest te worden.

Het vee in Noordoostelijk Frankrijk is, evenals het landvee in Duitschland, meer van gemengden aard. Wij noemden daarvan vroeger, bl. 204, het Vogezen-vee, dat brachycephaal en donkergekleurd is mot witte rugstreep. In Westelijk Frankrijk komt het brachycephale rund meer voor. Men kan dit in het algemeen het ras van de Vendér noemen, ook door Sanson wordt het onder dien naam samengevat. Het is éénkleurig rood met helderder en donkerder schakeeringen en wordt nog in verschillende slagen en onderslagen onderscheiden, als het vee van Parthenay (Deux-Sèvres), dat van Poitou, Maraichine, Nantes, Marche en Lemans. Daartoe behoort volgens Werner ook het zooevengenoemde vee van Aubrac in de departementen Lozere en Aveyron, dat volgens hem waarschijnlijk is ontstaan door kruising van hot ras dor Vendee mot dat van

-ocr page 241-

207

Salers, in klem' veel mot het Algüncr vee overeenkomt en, de armoedige streek in aanmerking genomen, voor de verschillende doeleinden uitstekend past. 0]i sommige plaatsen is hier ook gekruist met Shorthorns, vooral het vee van Lemans (Maneelle) en Jaarnit een gekruist i'as, een métis, het Durham-Mancean, ontstaan, evenwel met veel Durhambloed, zoodat velen slechts in zoover van de echte Durhams verschillen, dat zij niet in het Fransche stamboek daarvoor zijn ingeschreven.

Tot de éénklenrige groep der frontosnsrassen behooren eindelijk het Fémelin-slag, volgens Sanson Juravee, in Fransch Comté (zeer goed melkvee, maar vooral zeer gezocht als mestvee) en het slag van Charolais, Fig. 95. Dit laatste moet tot hot beste Fransche vee gerekend worden, waartoe het door eene zorgvuldige keus bij hot aanfokken en eene doeltreffende voedering en verzorging der jonge dieren gebracht is. liet kan inderdaad als een fokras beschouwd worden. Rohde zegt van dit vee; ..liet Charolais-ras behoort, naar zijn uiterlijk voorkomen, geheel tot het zware landvee, dat uitmunt door zeer breede vormen

en sterke, korte ledematen, maar niet zoo ver veredeld is als de beste Engel-sche rassen. De kop is met zijne tamelijk groote horens te zwaar, de beenderen zijn te grof om met de Engelsche rassen te kunnen wedijveren, bij welke het gewicht der achterste lichaamsdeel en nog sterker uitkomt, terwijl het middelste deel nog korter is en de henpen breeder zijn. Daarentegen geven de dieren van lipt Charolais-ras den indruk, dat zij eene sterkere constitutie en een levendiger temperament bezitten, derhalve geschikt voor den arbeid zijn, wat van de Engelsche rassen niet gezegd kan worden. In allen gevalle hebben de fokkers, die zich met de verbetering van het Charolais-ras hebben onledig gehouden, het zeer gunstige resultaat verkregen, oen dier te hebben geschapen, dat, bij niet te hooge eischeu voor de voeding en verpleging en met eene krachtige constitutie, een groot vermogen om vet te worden en het voeder tot eene goede waarde te brengen in zich vereenigt, waardoor het voor den landbouwer buitengemeen nuttig is. Naar onze meening staat hot te dezen opzichte hooger dan de zeer veredelde Engelsche rassen, die weliswaar volko-

-ocr page 242-

mener van vorm zijn, maar alleen dito met nog meer voordeel gehouden kunnen worden, wanneer aan de tamelijk hoog gestelde eischen voor voeding en verpleging niet te kort gedaan wordt.quot; Werner zegt er van: „Bij dit ras treedt eene groote regelmatigheid in den lichaamsbouw, bij een voortreffelijke ontwikkeling van de beste vlceschgedeelton te voorschijn, zoodat de dieren den vleeschvorm der Engelsche slagen naderen.quot;

Bij de afbeelding, Fig. 95, voegen wij in het kort do beschrijving, die Rohde van dit merkwaardige ras geeft. „Ue kop is kort, kegelvormig, breed van voorhoofd, met breede, sterk gespletene lippen en groote neusgaten. Ue oogen hebben een levendigen, maar zachten blik en de kaken zijn zacht en vleezig. De tamelijk lange en witte horens zijn zijwaarts of naarvoren en met de spits naarboven gericht. De hals is kort en krachtig, maar niet zeer vleezig. Rug en schoft zijn breed, de ruglijn is recht, de lendenen breed, de heupen niet te sterk uitstekend, maar ver van elkander verwijderd, de staart iets hooger aangezet dan het kruis, van boven fijn en van gemiddelde lengte. De dijen zijn breed en vleezig, de stand der achterpooten is krachtig, het lijf goed afgerond in de ribben en niet te lang, schouders en borst goed bevleesd, de laatste breed en goed uitkomend, de ledematen krachtig, maar niet te zwaar, eerder fijn en goed geplaatst. De huid is van gemiddelde sterkte, maar week en buigzaam, met fijne, witachtige haren bedekt. De deelen, die van belang zijn voor den slager, inzonderheid de rug, de lendenen, het kruis en de dijen zijn sterk ontwikkeld, goed met vleesch bezet en zwaar.quot;

De fokkerij van het Charolais-ras is een dér sprekendste voorbeelden, dat men ook een ras in zich zelf, zonder te kruisen, kan verbeteren en naar de geaardheid van den grond en de diensten, die men er van verlangt, kan inrichten. Verschillende fokkers, inzonderheid in Midden-Frankrijk, in de laatste 30 jaar vooral Massé te Bourgoing, hebben zich daardoor inderdaad verdienstelijk gemaakt. Thans is dit vee over een groot gedeelte van de vruchtbare weiden in Midden-Frankrijk verspreid.

Sanson meent intnsschen dat onderscheid gemaakt moet worden tnsschen het eigenlijke Charolais- en het Nivernais-ras. De eigenlijke Charolais, die sedert lang bekend zijn en hun zetel hebben in het oude Charolais (Saone et Loire), waar, aan een bijriviertje van de Loire, rijke weiden gevonden worden, behooren, evenals de Fémelins en het vee van Tourache, tot het Jnra-ras, maar heeft zich op de rijke weiden meer ontwikkeld, terwijl de ledematen betrekkelijk kort zijn gebleven; de Nivernais, die men veredelde Charolais zou kunnen noemen, daarentegen zijn ontstaan door kruising met Shorthorn-vee. Zij vormen dus niet meer een zuiver ras, maar wat Sanson noemt een métis. Van het eigenlijke Charolais-ras worden in gemelde streek niet meer koekalver acngehonden dan noodig zijn om den veestapel in stand te houden. De stierkalver daarentegen worden, voor zoover zij niet voor het aanfokken noodig zijn, later als ossen, maar meestal niet langer dan een paar jaar, voor den arbeid gebruikt en daarna gemest. Dit mesten geschiedt in de rijke weiden, wat men hier emboucher noemt. Ook de kalfkoeien, die niet gemolken worden, maar hare kalvers zoogen, vinden hier haar voedsel. De koekalver worden dan voor het meerendeel als vet verkocht, terwijl ook de aangehoudenen bij de ruime voeding zich flink ontwikkelen, wat van zelf spreekt.

-ocr page 243-

209

maar -waardoor zich laat verklaren dat dit vee eene zekere vroegrijpheid met een goeden aanleg voor het mesten en niet voor liet melkgeven bezit.

Het tegenwoordige Mvernais- of Charolais-Nivernais-ras, dat een zeventig jaar geleden, vooral op hot voorbeeld en door den invloed van den graaf van Bouillé te Villars, door kruising van Charolais met Shorthorns verkregen is, en waarop de bovengenoemde beschrijving van Rhode waarschijnlijk betrekking zal hebben, is thans, behalve in Nivernais, over verschillende andere Fransche provinciën verspreid, vooral in het noorden, waar ossen van dit ras bij de beetwortelcultuur gebruikt en daar o. a. met pulpe vetgemest worden en voorts in Cher et Allier, waar zij, na eenige jaren als werkvee dienst te hebben gedaan, in de euibauches van la Nièvre worden gemest. Als bewijs van vroegrijpheid haalt Sanson tot voorbeeld aan een os, die op don leeftijd van 4G maand levend 930 KG. woog, en bij het slachten 617 KO. vleesch, benevens 60 KG. vet leverde. Van het vleesch was 277 KG. lste, 130 KG. 2de en 180 KG. 3de soort. Onder het slachtvee van La Villette te Parijs nemen de Nivernais een eerste rang in. Sanson beveelt intusschen aan, het meer in de richting der Charolais dan wel in die van de Shorthorns te veredelen.

f. Het Engelsche vee. Wat hierboven is opgemerkt omtrent het aan-fokkeu van het Charolais-ras, dat men hot namelijk aanfokt met het oog op de diensten, die men er van verlangt, is vooral ook door de Engelsclie fokkers in practijk gebracht. Vooral in Engeland gaat mon uit van dit zeer juiste beginsel. Geen land kan dan ook wijzen op zooveel fokrassen als juist Engeland.

Vroeger werden de Engelsclie runderen onderscheiden in : langhoornigen (in het westen van Engeland en in Ierland), middelhoornigen (bergvee), korl-hoornigrn (oorspronkelijk in do graafschappon York en Durham, thans over geheel Engeland en in vele andere landen verspreid), de ougehoornde rassen (vooral in Noord-Engoland on Schotland) en het Alderney-ras (op de Kanaaleilanden).

Do runderen, waarvoor de Koninklijke Landbouwinaatschappij in Engeland tegenwoordig gewoonlijk afzonderlijke prijzen uitlooft, zijn:

Korlhoorns (Shorthorns), Here fords. Devons, Sussex, Wales, Roode hoorn-looien , Aberdeen-Angus (mede ongehoornd en zwart, enkele rood), de zwarte ongehoornde Galloways, do Ayrshircs, Jerseys on Guernseys, Kerries en Dexter Kerries, de Long horns en het vee der Schotsche hooglanden.

Van deze behooren de Shorthorns, de roodc hoornloozen (in Suffolk en Norfolk), het vee der Schotsche hooglanden, de Ayrshircs en de ongehoornde Schotsche veeslagen (in Aberdeen, Angus en Galloway) tot de primigenhis-rassen, de Jerseys en Guernseys tot de longifrons-rassen en het Kerry- en ongehoornde vee in Ierland, alsmede dat van Wales, de longhorns, het Devon-en Sussex-vee en de Herefords tot de brachyceplialus-rassen. Bepaalde melk-rassen zijn de Ayrshircs, de longhorns, de roodc hoornloozen, de Jerseys, Guernseys en Kerries; de overigen vertoonen moer den vleeschvorm, terwijl de shorthorns min of meer tusschen beide staan, ofschoon meestal meer do vleesch- dan wel de melktype vertoonende.

1. Korlhoorns. Onder al deze rassen of slagen staan de korlhoorns, naar hunne oorspronkelijke woonplaats ook Durhams geheeten, bovenaan. Zoor •waarschijnlijk is in deze oostelijke streken van Engeland vroeger Hollandsch

REINDERS, III. Vierde druk. H

-ocr page 244-

of Holsteinsch vee ingevoerd, en in allen gevalle onderscheidde het vee hier zich al vroeg door het bezit van kleinere horens, eeno dunnere huid en fijnere beharing van het vee in Engelands westkust en in Ierland, dat in 't algemeen lang gehoornd en, overeenkomstig hot ruwe klimaat, met eene dikke huid en grof haar bedekt was. Vandaar do oudere onderscheiding in langhoornige en korthoornige runderen, terwijl de veerassen, die de meer bergachtige streken van MMden-Engeland bewoonden, tot de middelhoornigen gerekend werden. Het kortgehoornde vee, in de graafschappen Durham en York, stond dus reeds lang als uitstekend mest- en melkvee bekend; maar zijne beroemdheid heeft het eerst gekregen door de Gobi-. Colling, die omstreeks het jaar 1775 begonnen zijn het te veredelen en er het meest vroegrijpe en meest geschikte vee voor het vetmesten van hebben gevormd. Thans wijkt dit vee dan ook in vele opzichten van het oude ras af. In zijne beschrijving van dit beroemde ras zegt Eohde: „Eene zeer gezochte kleur is bruinrood, evenals die van het Breitenburger vee in Holstein. Er komen echter ook veel bruin-bonte of roode met witte plekken aan de borst, den kop en den buik voor. Men houdt de bruin-roode kleur als het teoken eener vastere constitutie en meerdere melkrijkheid en treft deze derhalve vooral in zulke kudden aan, waar het mesten niet het eenige doel is. Minder algemeen is de witte kleur, ofschoon zij bij vele voortreffelijke stammen voorkomt. Men is van meening, dat de witgekleurde dieren teerder zijn en derhalve niet meer zorg verpleegd moeten worden; dat de nadeelige gevolgen van do teelt in bloedverwantschap, bl. 90, er meer bij voorkomen, maar dat zij dikwijls een uitstekenden aanleg voor vet- en vleoschvorming bezitten. Een bijzonder kenmerk der witte dieren is eene bruine kleur van den binnenrand der oorschelpen. Als derde, in lateren tijd zeer gezochte en verspreide, kleur is roodschimmel. De aldus gekleurde dieren bezitten eene goede constitutie en een goeden aanleg voor de vet- en vleeschvorming, maar zij staan in melkgevend vermogen bij de bruin-rooden ten achteren. Daar de kleur evenwel eene geheel individueelo eigenschap is, mag men daaruit niet opmaken, dat alle witte en roodschim-melige koeien slechte melkgeefsters zijn; in de fokkerijen echter, waar deze kleuren vooral voorkomen, is het doel der teelt eene zooveel mogelijke geschiktheid voor het mesten. Kenmerkend is verder de kleur der neushuid, die altijd, ook bij de bruine dieren, vleeschkleurig is; vertoouen zich hier bij een dier zwarte of blauwe vlekken, zoo rekent men het niet tot de verbeterde korthoorns. Opmerking verdient, dat anders bij het moeste lagelandsvee do nousspiegel donker gekleurd is, bl. 181 en volg.; zij was dit ook bij het oude korthoornras; vandaar de naam roodneuzen, die men schimpenderwij ze aan de verbeterde korthoorns gegeven hooft.

Van eigenaardige hoedanigheid is voorts de huid en geheel verschillend van het overige laaglandsvec. De fijne, dunne, droge en dichtaanliggonde, met fijne, korte haren bezette huid, welke laatstgenoemd vee gemeenlijk bezit en als een goed toeken van melkrijkheid geldt, diende cone verandering te ondergaan bij dieren, bij welke uiet het melkgeven, maar geschiktheid tot mosten door hot aanfokkon en de verzorging bevorderd worden moest. Door de sterke ontwikkeling van hot vetweofsel daaronder wordt de huid week en veerkrachtig, laat zich met don vinger indrukken en ligt los en bewegelijk op die doelen

-ocr page 245-
-ocr page 246-
-ocr page 247-

211

van 't lichaam, waar zich in het bindweefsel vet heeft afgezet. Maar niet alleen in hot vetweefsol onder de huid, ook in deze zelve zet zich vet af, waardoor de huid schijnbaar dikker, maar ook weeker wordt en hij vette dieren de eigenaardige hoedanigheid aanneemt, welke de Engelschen „soft fatquot; (week vet) noemen. Is dit punt der vetheid bereikt, zoo hebben de dieren „voelingquot;; de huid laat zich gemakkelijk indrukken en ligt zóó los op het vetweefsel, dat zij zich met duim en vinger gemakkelijk laat samenvouwen.

Deze eigenaardige hoedanigheid der huid is het zekerste teeken van den aanleg om gemakkelijk vet te worden, en aangezien de Engelschen den grootsten prijs daarop stellen, zoo is dit als een zeker kenmerk aan te nemen, dat deze aanleg tot vetworden (die echter gemakkelijk in vetzuchtigheid ontaarden kan) zooveel mogelijk ontwikkeld is.

De huid van melkvee krijgt deze voeling nooit, omdat het vetweefsel onder de huid en de neiging tot het afzetten van vet daarin veel minder ontwikkeld is en hij het mesten de vetvorming meer inwendig, inzonderheid in de buikholte, plaats heeft. Bij eigenlijk gezegd melkvee, dat gemest is, krijgt het lichaam daarom ook nooit die afronding, welke bij de korthoorns eigenaardig is; aan sommige gedeelten van 't lichaam, inzonderheid aan de achterste, zet zich hier dikwijls eene groote massa vet af.

Uit den vorm van den kop, schoon iets verschillende van ons vee, blijkt ten duidelijkste de overeenkomst met het laaglandsvee. De voorhoofdskant is vlak en zonder gezwollcne verhevenheid; het voorhoofd zelf breed en iets korter dan het benedenste dool van 't gezicht, tusschen de oogholton oenigs-zins uitgehold, maar overigens geheel vlak en tusschen de slaapgroeven en do oogholton oven brood. De oogen zijn groot, hebben een zachtaardigen blik en zijn door oen licht gekleurden, niet hehaarden ring omgeven. De horens liggen met de voorhoofdskant in dezelfde horizontale lijn, buigen echter daarna naar beneden en naar voren en zijn bij de koeien niet zelden naar beneden hangende; hunne lengte bedraagt 21—30 cM. en meer, en de verticale doorsnede is bijna altijd iets grooter dan de horizontale, mot eenigszins spitsen onderkant. Hunne kleur is wederom kenmerkend voor het verbeterde ras; zij is geel als was, zonder donkere spits of strepen. Men rekent, dat een dier, waarbij laatstgenoemde kleuren aan de horens gevonden worden, niet tot de echte korthoorns behoort.

Wil men derhalve de zuiverheid van bloed aan uiterlijke kenteekonon waarnemen, zoo heeft men vooral te letten op do roode kleur van don neusspiegel, de wasgele horens en de roode kringen rondom de oogen. Plaat V.

Een korte, spits toeloopende kop met breed voorhoofd geldt als een toeken van geschiktheid voor vleesch- en vetvorming, een meer lange en smalle kop als een teeken van melkrijkheid. In 't algemeen is de kop klein, en zijn gewicht bedraagt slechts een klein gedeelte van 't geheele lichaam. Ook de pooton zijn kort en dun, de hals is kort en de lange staart vormt met den rechten rug een rechten hoek. Alleen die doelen, waaraan of waarop zich vleesch of vet afzet, dat is de romp met het bovendeel der ledematen, zijn sterk ontwikkeld en heeft geheel het type van normaal gebouwd mestveo. De heupen en schouders zijn broed uitgezet, liet huikgedeelte is kort. De geheele

14*

-ocr page 248-

212

romp heeft in goed gemesten toestand den vorm van oen paralellopipednm, dat door vlakken, die achter de schouderbladen en vóór de heupen getrokken worden, in drie ongeveer even groote kuben verdeeld kan worden. Behalve breed uitgezette schouders en heupen is daarvoor noodig, dat de ribben in groote bogen uit den ruggegraat ontspringen, de lendenen breed en vol zijn en het kruis breed en goed bevleesd is.

Bij goed gemeste dieren verdwijnen de holten achter de schouders, in de flanken en do hongergroeven bijna geheel, zoodat de zijden bijna even vlak zijn als de rug. Do vooi'pooten staan ver uit elkander en de diepe borst hier-tusschen hangt meer naar beneden dan de buik.

Op welke wijze do Engelsche fokkers tot dit resultaat gekomen zijn ? Omtrent de middelen, door de Oebr. Colling aangewend, bestaan verschillende en zeer tegenstrijdige berichten. Dit schijnt wel zeker, dat Charles Colling in 1785 in het bezit kwam van een beroemden stier, Hubback, die de eigenschappen, welke men in mestvee vooral waardeert, in hooge mate bezat. Hij liet al zijn koeien door dezen stier dekken. Daaronder behoorden Duchess, Daisy, Lady Maynard en Phoenix, wier afstammelingen beroemd zijn geworden. Wegens te groote vetheid werd Hubback echter weldra afgeschaft en als dekstier vervangen door Bolinghrokc, die met de koe Phoenix Favourite voortbracht. Ook Bolingbroke kon wegens te groote vetheid niet lang worden aangehouden. Bovendien waren zijne nakomelingen meest kockalvcr, maar met zijn zoon Favourite was Colling gelukkiger. Deze hield hij verscheidene jaren — men zegt van zestien — als dekstier en fokte daarbij in sterke mate aan in bloedverwantschap. Favourite dekte niet slechts zijne moeder Phoenix, waaruit de beroemde stier Cornet is voortgekomen, maar ook zijne zusters, dochters en kleindochters. Ook wordt gezegd, dat in eene enkele familie bloed van een ongehoornde Galloway-koe gebracht werd. Deze werd daarom de Alloy-familie geheeten en als stammoeder de koe Lady beschouwd '). Maar

') De volgende stamboomen van den stier Comet en de koe Lady wijzen een en ander aan;

[ Marker's stier. / , , Fol,jambe Hubback

| Haughton Dochtei. van

Younquot; ( Dalton Duke ( Collings' stier

Strawberry

| Foljambe

| Lady Maynard j

Comet

Uolingbroke

( :

| Kleinzoon van Bolingbroke , I fialloway-koe

Lady ' I Oude Johanna (Shorthorn)

Phoenix

Zoon van lïolingbroke

De sterke familieteelt, die echter volgens Bates tegenover Coates, don uitgever van het Shorthornstamboek, door Ch. Colling ontkend werd, blijkt vooral uit de volgende stamboom van de koe Clarissa:

Uolingbroke

Favourite

( Lady Maynard | Alcock's stier

Dochter van Srnit's stier

Phoenix

! Favourite

Young Phoenix

| Phoenix

-ocr page 249-

213

hoe ilit ook zij, als zeker mag worden aangenonion dat do Gclir. Colling uit-gegaan zijn van liet beginsel, uitsluitend zulke dieren voor don aanfok uit te zookon, die bij een gedrongen lichaam breed en afgerond en niet hoog op de boenen zijn. Zulke dieren worden onder alle rassen, niet het minst onder do Nederlandsche runderen, waarmede de shorthorns zoo nauw verwant zijn, aangetroffen; deze munten steeds uit door eene groote neiging voor de mesterij, veelal ten koste van het melkgevend vermogen. Immers bij koeien met veel aanleg tot vetvorming blijven de melkklieren slechts korten tijd werkzaam; de hoeveelheid der afgescheidene melk neemt zeer spoedig af, en naarmate de functie der melkklieren vermindert wordt de werking in het vetweefsel grooter; de dieren nemen bij overigens gelijke voeding zeer snel in omvang en gewicht toe. Teneinde intusschen te bewerken, dat het middelste of het buikgedeelte van het lichaam betrekkelijk minder en het voorste en achterste deel, waar zich het meeste vleesch afzet, zich des te sterker ontwikkelden, was het noodig dat de spijsverteringsorganen door gehaltloos en volumineus voeder niet bovenmate uitgezet werden. Niet alleen dus de keuze der fokdieren, maar ook de voeding was bij hen geheel er op gericht, evenredigheid in de lichaams-deelen te verkrijgen. Ook thans nog laat men de kalveren aan de moeder zuigen. Creeft deze niet genoeg melk voor eene goede en krachtige ontwikkeling van het jong. zoo wordt (volgens Rohde, zie echter hieronder) eene min te hulp genomen, waartoe in den regel eene niet veredelde of eene niet-stamboomkoe dient. Op den leeftijd van drie maand voegt men haver- of boonineel aan de zoete molk toe. Met de laatste houdt men echter vol, soms tot op den leeftijd van S a 10 maand. Bij goed weer kunnen zij vrij rond loepen, veelal in do weide met hunne moedei' of de minnekoe.

Door deze krachtige voeding ontwikkelen zij zich snel; zij bereiken op den leeftijd van twee jaar niet zelden een levend gewicht van 700 a 800 KG. Hunne vetachtige ontaarding maakt ze echter soms onvruchtbaar. Voor fokdieren neemt men daarom do voeding in het tweede jaar minder intensief en wordt hun lichaam meer gehard. Ook bij slecht weer worden zij in de weide gedreven en moeten zij zich met goed weidegras tevreden stellen. Zij worden alsdan tot den stier toegelaten, zoodat zij in hun derde jaar liet eerste kalf werpen.

Bovenstaande voederwijze wordt intusschen slechts door fokkers gevolgd, bij wie het aankweeken van den aanleg voor de vetvorming hoofdzaak is en inzonderheid bij dieren, die tentoongesteld zuilen worden. Het houden en

Cornet

Wildair { Kjivourite

Wellington

Clarissa,

Dochter van ! j Favourite

l Dochter van !

[ Dochter van

| Favourite

I Young Phoenix Young Phoenix

Favourite

Onbekemle moeder

J Favourite S IMioi'nix

( Favourite I

l Dochter van

Favourite

Onbekende moeder


-ocr page 250-

214

aanfokkon van dieren van zuiver bloed, liet behalen van prijzen daarmede op de tentoonstellingen is, zegt Sanson, in Engeland, evenals in Frankrijk, eene soort sport geworden. Voor dergelijke dieren mogen soms hooge prijzen bedongen kunnen worden; de praetijk echter kan daarmede niet altijd rekening houden.

„De eigenaardige vorm der verbeterde korthoorns,quot; zegtEohde, „komteerst tot zijne waarde, wanneer bij den geërfden aanleg tot vetvorming de krachtige voeding in de jeugd niet vergeten wordt. Maar van een dier, dat zoo'n aanleg heeft en zulk eene voeding ontvangt, kan men geene groote vruchtbaarheid, geen groot melkgevend vermogen verwachten. Zijn de levensverrichtingen in het lichaam van 't jonge dier voortdurend op de vleesch- en vetvorming gericht, zoo kan de voortbrenging eener andere stof, b.v. melk, moeilijk plaats hebben. Hoe sterker de aanleg tot vet-worden in de jeugd ontwikkeld is, des te overvloediger groepen van vetcellen, bl. 10, kan men in de spieren waarnemen, des te meer ontwikkelt zich het vetweefsel onder de huid en in het lichaam. Bij eene voortdurend krachtige voeding (bij weinig beweging) gaat ook hot spierweefsel ten deole in vet over, bl. 73. De smaak van het vleesch wordt dientengevolge er niet beter op. De consumenten in Engeland klagen niet zelden over de te vette hoedanigheid van het vleesch, en 't is bekend, dat veel van het voor de tentoonstellingen gemeste vee niet naar den keuken, maar naar den zeepzieder gaat.quot;

Ook hier te lande werden de gemeste shorthorns minder graag door de slagers gekocht, eensdeels omdat hun slachtgewicht tegenviel, anderdeels omdat het met veel vet doorgroeide vleesch door de consumenten minder gewild was. Te Parijs heeft men met het oog daarop een bepaald onderzoek ingesteld en gevonden, dat ongeveer '/3 van het vleesch buiten de gewone consumptie valt, als zijnde te vet, terwijl zulks bij een inlandsch (Limousin) rund slechts 14 proc. bedroeg. De verhouding tusschen vet en eiwit in het totaal droge vleesch bedroeg bij de shorthorns 1 : 1.25 en bij het Limousin-rund 1 : 1.G7.

Het beroemde vee van de Gebr. Colling is na hunnen dood verkocht en daardoor verspreid. Men is begonnen stamboeken aan te leggen, die de afkomst der tegenwoordige shorthorns van dit vee aantoonen. Men kent alzoo verschillende stammen, kudden en familiën. De belangrijkste dezer stammen zijn die van Mason, Bates en Booth, fokkers, die van het vee der Collings gekocht en de veredeling hebben voortgezet ').

') De shoitlioins door Bates aangefokt, meest afkomstig van Young Duchess of Duchess I, waarvan de stamboom als volgt is (zie ook bl. '212);

j Comet

Duchess I J ( Favourite f Favourite

I Duchess ( Daisy-stier .

I I J Pnnch-koe

' Dochter van gt; .

I [''avourite ' Dochter van J

I llubback-koe,

zijn meest rood of roodbont, soms roodschimmel: witten komen zelden voor. Deze vindt men meer onder die van den lioothstam, die over 't geheel lichter geklemd zijn,, b.v. lichtroodschimmel, en wel zwaar in het bekken- en schoftgedeelte zijn, maar niet zoo regelmatig gebouwd als de shorthorns van Bates. Deze laatsten zijn het meest in Amerika en in Australië gezocht, rnaar daarnaast ook shorthorns van den

-ocr page 251-

Thans zijn de shorthorns over alle werelddeelen verspreid, vooral in Amerika en Australië, en wat de Europeesche staten betreft vooral in enkele doelen van Frankrijk (Maine en Anjou, Sarthe, Mayenne en Main-et-Loire), Sleeswijk-Holstein en België, hetzij dat men ze daar als zuiver ras aanfokt of mot het bestaande vee kruist. Waar men dat ras zuiver wil houden, als in Amerika, in Holstein en in Frankrijk, heeft men stamboeken daarvoor aangelegd. Een 40—50 jaar geleden werd ook in Nederland veel shorthorn vee ingevoerd met het doel, den aanleg tot vleesch- en vetvorming in ons vee te verbeteren, met name in Zeeland, Groningen, de Betuwe en langs den Uscl. De mindere melkrijkheid van de kruislingen, in verband met de geringere waarde van hun te vet vleesch voor de slachtbank, heeft, als reeds gezegd, aanleiding gegeven, dat men daarmede nagenoeg geheel hoeft opgehouden; zie bl. 197.

Dieren, in het Engelsche stamboek, in 1822 door Coates aangelegd, inge

schreven, heeten Improved shorthorns. Hen rekent echter dat zij eerst dan tot den stamboom {pedigree) behooren, wanneer zij minstens in de -l'10 generatie van een dier van zuiver shorthornbloed afstammen. Tegenover deze Improved shorthorns staan de gewone (commun breed). Onder deze laatsten komen niet zelden goede melkgeefsters voor. Maar ook sommige houders van de veredelde korthoorns, o. a. Carrington op Croxden-abdy in Leicestershire, hebben zich, opgewekt door den vooruitgang in de zuivelproduct ie, in de laatste jaren meer op den melkvorm toegelegd. Prijzen voor melkvee (Dairy cattle) worden thans op de Engelsche tentoonstellingen uitgeloofd, en in de klasse der koeien van

Booth-stam, uit het graafschap Aberdeen, die krachtiger van constitutie zijn en naaiden fokker van deze richting ook Cruikshanks geheeten worden. Op de tentoonstelling van de R. A. S., in 1901 te CardilV gehouden, werden afzonderlijke prijzen uitgeloofd voor Lincolnshire Red Shorthorns, die uitmunten dooi' eene grootere gevleesdheid en daarom door slagers zeer gezocht zijn. Journ. of the B. A. S., 1888 en 1001.

-ocr page 252-

216

llUO Engelsche ponden on meer lovondgewicht behalen de Improved shorthorns in den regel de eerste prijzen. Naast de shorthorns met den typischen vleeschvorm, Plaat V, treft men alzoo thans Dairy shorthorns, die meer den melkvorm vertoonen, onder de Improved shorthorns aan. Fig. 96 stelt een dergelijke Dairy shorthorn voor. Waarschijnlijk zou het kruisen van ons vee met deze Dairy shorthorns, die over 't geheel ook vettere melk geven dan ons vee, hetere resultaten geven dan met de vroeger ingevoerden, die te veel den vleeschvorm bezaten.

Het gcheele geheim in het aanfokken van zulke goed melkgevende dieren bestaat, volgens Ashborn te Cctowe, een der fokkers van dit vee, hierin, dat men van de volgende middelen gebruik maakt:

1° de vaderdieren moeten van eene voortreffelijke melkkoe afstammen;

2° slechts zulke koekalver worden aangebonden, die van melkrijke koeien afkomstig zijn;

3U de kalver laat men niet door de koeien zoogen, maar voedt ze eenige weken met volle melk, daarop krijgen ze afgeroomde melk en vast voedsel;

4U het kalf mag nooit vet, maar moet in een matig gevoeden, vleezigen toestand, die op eene goede gezondheid wijst, worden gehouden. In den zomer moet men het weide, lijnkoek en zont om te likken en in den winter goed hooi, turnips en lijnkoek geven.

Van de overige Engelsche veerassen vermelden wij nog in 't bijzonder:

2. De Herefords, Fig. 100, vaal- of roodbruin met witten kop en roode kringen om de oogen (blaarkoppen), witten buik en staart en dikwijls witte streep over rug en schoft; de tamelijk lange horens staan ver uiteen en zijn eerst zijwaarts, dan horizontaal naar voren en tegen de punt naar buiten en naar achteren gericht. Dieren, tot dit ras behoorende, bereiken veelal eene aanzienlijke zwaarte; zij worden meer voor do vleesch- en vetvorming dan wel voor de melk gehouden en leveren, in gemesten toestand, vleesch, dat veelal meer gezocht is dan dat der korthoorns. Hunne ontwikkeling is echter iets minder vroeg. Oorspronkelijk voorkomende in het graafschap Hereford, aan den voet van het Wales-gebergte, zijn zij thans over verscheidene graafschappen verbreid. Een stamboek (Herdbook for Hereford-cattle) is er voor aangelegd.

3. Het Devon-vee. Ook dit vee, oorspronkelijk in de graafschappen Devon en Corn wallis thuis behoorende, heeft als mest- en werkvee een goeden naam en is thans, daar de Devons met veel minder voer toe kunnen als de shorthorns en Herefords, over de minder rijke weiden van geheel Engeland verspreid. Het klimaat in Schotland schijnt voor hen te ruw te zijn. Hun vleesch wordt door de Engelschen voor zeer fijn en smakelijk gehouden en duur betaald. De kleur is meestal effen donkerrood met lichtere neus en lippen. De tamelijk lange hoornen zijn wijd uitstaande. Gelijk bl. 209 is gezegd, behoort dit vee tot de kortkopjiige runderen, evenals de Herefords; volgens anderen is het ontstaan door kruising van het kortkoppige met het longifrons-rund.

4. Het Sussex-vee is iets grover van leden dan de Devons, maar evenals dit rood van kleur en wordt als mest- en werkvee gehouden. Do vrij lange horens herinneren aan het Podolische vee. Zij staan bij de Engelschen niet zoo hoog aangeschreven als de drie hierboven vermelde slagen en zijn dus ook weinig buiten het graafscliap Sussex verspreid.

-ocr page 253-
-ocr page 254-
-ocr page 255-

217

5. ' Hel langgehoorndc vec: waartoe hot I)ishlc/j-rats behoort. Dit eens zoo beroemde, door Bakewell verbeterde en voor de vleesch- en vetvorming gefokte vee wordt thans minder gozocht dan hot kortgehoornde en de lierefords, liet schijnt uit Ierland afkomstig te zijn en komt thans nog liet meest voor in Leycester en Lancashire. Aangezien hot langgehoornde vee, een honderd jaar geleden, in de graafschappen van midden-Engeland een zeer goeden naam had als melkvee en dus oorspronkelijk uitstekend melkvee schijnt geweest te zijn, hoeft men zich in de laatste jaren er op toegelegd om hot weder in de lichting van melkvee te verbeteren.

6. Het Jersey- en Guernsey-vee ontleent zijn naam aan de eilanden in het Kanaal. In 't algemeen wordt het ook Eilander-vee geheeten; vroeger werd het mot den naam Aldcrriey-vee bestempeld. Met alleen in Engeland, vooral in de parken, maar ook in Amerika is dit vee zeer gezocht, met name do Jerseys, waarvan dan ook in beide landen een stamboek gehouden wordt. In het Amerikaansche stamboek zijn meer dan. 30000 dieren van dit ras ingeschreven, terwijl van het kleine eiland Jersey jaarlijks 1000—1200 fokdieren worden uitgevoerd.

Van beide eilanden is het vee klein, bezit het een aangenamen vorm en behoort het tot de melkrijkste rassen. Desniettemin bestaat er oen kennelijk verschil tusschen en heeft er nagenoeg geene vermenging plaats van beide rassen. De reden daarvan is, dat men noch op Jersey Guernsey-vee, noch op Guernsey Jersey-vee toelaat. Men fokt hier steeds aan in een zuiver ras. Het Jersey-vee is dasgrauw tot isabel met hier en daar zwarte plekken en lichter in de lendenen, het kruis, de binnenzijden der ledematen, den buik en de keel. Het is kleiner dan het Guernsey-vee, dat bleekrood met plekken wit en geel (reekleurig) is.

De Amerikaan Waring—Ogden Farm, die deze eilanden bezocht, zegt van het eerste '): „Het Jersey-rund is een product van het eiland Jersey, van zijn grond, zijn klimaat, zijn landbouwstelsel, de omstandigheden, waaronder do landbouwers aldaar zich bevinden en de behoeften van de dichte bevolking. Onder den invloed der zorgvuldige verpleging door den landbouwer en van het aangename klimaat is hot Jersey-rund geworden, wat het is: een klein, gehoorzaam, nuttig huisdier.quot; De in Engeland 't meest gezochte kleur is effen met zwarte muil, omgeven door eene lichtere kleur en zwarte haarbos aan staart en voorhuid. Plaat ^1. De horens zijn klein en barnsteengeel. Op Jersey zelf houdt men veel van eene witte kleur.

Het Guernsey-rund is minder fraai gebouwd, maar niet minder melkrijk en wordt niet minder zorgvuldig verzorgd. Kenmerkend zijn, behalve do groot-gevlekte reekleur, de heldergele muilspiegel en de gele oogleden. Do horens zijn gewoonlijk barnsteengeel, en waar het haar wit is, is de kleur der huid helder oranje, slechts in helderheid overtroffen door hot goudgele van het binnenste van 't oor.

Merkwaardig is het hooge gehalte der melk van dit eilander-vee aan vaste stof en aan vet. Het vetgehalte bedraagt niet zelden moer dan 5 proc. Bovendien is de melkopbrengst niet gering. Gemiddeld bedraagt deze 20(10 liter.

') George K. Waring Jr., A Farmers vacation; Boston, 1870.

-ocr page 256-

218

maai- zij schijnt liij enkele individuen in Amerika tot 3000, ja tot 3600 liter te stijgen, zoodat, met het hooge vetgehalte, eene Jersey-koe niet zelden meer boter levert dan eene Hollandsche koe. Bij een wedstrijd, gehouden te Chicago in 1893, gaf de eerste prijswinster, Brown-Bessie, eene Jersey-koe, in 14U dagen 2544 liter melk, dus per dag ruim 18 liter, waaruit 152 KG. boter werd verkregen. De melk had dus een vetgehalte van 5.97 proc. Bij een gemiddeld levendgewicht van 350 KG. levert 100 KG. dus gemiddeld 5.G liter of 5.8 KG. melk. Het vleesch heeft weinig waarde.

7. Hd vee van Wales. Op de Engelsche tentoonstellingen wordt dit vee onder den naam van Welsh black (hot donkergekleurde Wales-vee) gevraagd. Veelal worden hiervan nog verschillende slagen onderscheiden. Het is van gemiddelde grootte en meestal donkerbruin tot zwart van kleur en bezit het karakter van bergvee; het munt niet zeer uit in melkrijkheid, maar is voor de streek, waar het vooral voorkomt (Pembrokeshire en aangrenzende graafschappen), zeer goed mestvee. Met dit vee verwant is dat van hot eiland Anglesea en het Kerry-vee in Ierland, dat, even klein als het Bretagner vee, waarmede het ook overigens veel overeenkomt, zich met eene schrale voeding moet tevreden stellen; het is het vee der arme lersche pachters; Youatt noemt hot „de koe der armenquot;.

8. Het Ayrshire-vee. Dit, ook in verschillende andere landen bekende, veeras is waarschijnlijk verkregen door kruising van het vee der Schotsche hooglanden met Hollandsch of met het oude Durham-vee. 'tls dus, evenals de shorthorns enz., een fokras, waarbij echter niet de vet- en vleesch vorming, maar het voortbrengen van melk het doel geweest is. De Ayrshires hebben dan ook om hare melkrijkheid een goeden naam, maar zij eischen eene zorgvuldige voeding. De kleur is meestal roodbruin met meer of minder wit. 't Is het voornaamste melkvee in westelijk Schotland aan de Clyde en meer veredeld dan het vee der Schotsche hooglanden, dat in de hooglanden zelf niet grooter is dan kalver van een zwaar veeslag, maar in de richting van het graafschap Argyl, waar de weiden beter worden, allengs in grootte toeneemt. Daarmede verwant is ook het kleine en eveneens sterk en wollig behaarde vee in noordelijk Schotland en dat der Shettland- en Orkney-eilanden.

9. Het ongchoornde vee. Groot-Britannië en Ierland bezitten ook vele ongehoornde veerassen of slagen. Schotland heeft zijne zwarte Angus of Aberdeciis en Galloways, waarvan de laatsten een gedrongen lichaamsvorm en goeden aanleg voor vleesch- en vetvorming bezitten, de eersten grooter en beter melkvee zijn. In de graafschappen Suffolk en Norfolk komt the red polled Norfolk en Suffolk breed voor, rood of vaalbruin van kleur, in lichaamsvorm mot de Devons overeenkomende, maar beter melk- dan mestvee; in Ierland treft men ongehoornd vee in het dal van den Shannon aan, dat met het Kerry-vee verwant is.

g. Het rundvee in Noord-Amerika. Op de uitgestrekte grasvlakten (prairiën) in het zuiden en westen van Noord-Amerika, vroeger door de bisons bewoond, wordt thans nog vee in groote troepen, in half wilden toestand, gehouden. Dit vee is meest van Spaansche afkomst en wordt naar den staat, waaruit hot vooral verspreid is geworden, gewoonlijk Texas-vee geheeten.

De dieren, die op ongeveer 5- a 6-jarigen leeftijd rijp voor de slachtbank

-ocr page 257-

219

1. Shorthorns. 1«. Hoornloozc

shorthorns.

2. Aberdeen-Angus.

3. Hereford.

4. Galloway.

» Aberd. Aug. » Hereford Cattle

Galloway

5. Sussex.

B.

Jersey.

Guernsey.

Ayrshire.

Hood hoorn-loos vee

Devon.

Friesch-Hol-steinsch vee.

I lollandsche Lakenvolders.

Zwitsersch brninvee.

1. 2_

3.

4.

5.

6.

Brandon. Dayton.

Wheeling.

Pennsylvania. Connecticut.

8.

zijn, worden clan in do zoogonaamdo rounds gevangen en naar do grooto slachthuizen to Chicago, Kansas-city enz. gevoerd om meest in den vorm van bussen-vleesch de gelieele wereld door verzonden te worden. Ter zelfder tijd (in den herfst) worden de jongere dieren van een brandmerk voorzien (aanwijzende de verschillende eigenaren), de overtollige mannelijke dieren gecastreerd enz.

Hot is hot zwaarst in de noordelijke staten (in slachtrijpen toestand 500 a G50 KG.), liet lichtst en veel minder van qualiteit in de zuidelijke staten, waar liet vooral veel aan de Texas-koorts lijdt, oene ziekte, door een bacil, die de roode bloedlichaampjes vernietigt, veroorzaakt en door eeno soort mug verbreid wordt.

Hot vee, dat op de boerderijen in de oostelijke staten gehouden wordt, is meest van Engelschen oorsprong. Do moeste Engelsche rassen, zoowel vleesch-als melkrassen, zijn hier vertegenwoordigd. Het volgende lijstje '), mot aan-duiding van de daarvoor bestaande fokvereenigingen en haar zetel, geeft hiervan een overzicht.

FOKVEREENIGINGEN.

Veeras. Naam. Zetel.

Staat. Stad.

A. Vlees c h r a s s e n [Berf cattle).

Amer. Shorthorn Breeders Association. Illinois. Springfield. ;gt; Polled Durham Breed. Assoc. Indiana. Mexico.

Sussex »

M o 1 k r a s s e n (Dai.sij caltlc).

American Jersey Cattle Club. New-York. New-York. » Guernsey » gt; New- 1'eterboro.

Hainpsliire.

» Ayrshire Breed. Assoc. Vermont.

Bod Polled Cattle Club of America.

Illinois. Harvay. Missouri. Independence. Independence. Tennessee. Nashville.

Ohio.

West-Virginia.

Ilolstein-i'Visian Association of America. Vermont. Brattleboro.

Dutch Belted Cattle Association. Brown Swiss Cattle Breed. Assoc.

American Devon Cattle Club.

Easton.

Groton.

I) Naar Kam in, Die Arlen and liassen des Rindes.

-ocr page 258-

220

Hot onder (3 vomicldo Friesch-IIolsteinschc veo is mcost van Friescli-IIol-Jiindseho afkomst on wordt in Amerika vooral in do melkrichting gefokt en veredeld. In 1899 waren 74474 dieren in het stamboek ingeschreven. Van het stamboek der Hollandsche lakenvelders, bi. 193, verscheen in 1899 het 4d0 deel. Dit vee, in 1850 voor liet eerst ingevoerd, vindt men bijna iiitslnitend in de staten New-York, Pennsylvania on Massasclmsets. Omtrent melkopbreng-sten enz. zie men eenige opgaven aan hot eind van dit Doel.

3. IIKT AANFOKKEN VAN RUNDEREN.

Eene eerste vereischte om van het vee do hoogst mogelijke opbrengst te verkrijgen is eene juiste keuze van zulke dieren, die aan hot doel, dat men met de veehouding beoogt, het best beantwoorden.

Men kan te dezen opzichte de volgende onderscheiding maken:

a. het voortbrengen van melk is hoofdzaak, de vleesch- en vetvorming of hot verrichten van arbeid zijn meer bijzaak;

h. het vetmesten van vee is hoofdzaak, de melkerij meer bijzaak;

c. het verrichten van arbeid treedt op den voorgrond, het voortbrengen van vleesch en melk meer op den achtergrond;

d. op twee of meer dezer doeleinden wordt nagenoeg evenveel prijs gesteld.

Gelijk ons uit de beschrijving der rundveerassen gebleken is, beantwoorden

sommige rassen of slagen beter aan dit, andere meer aan dat doel.

Goede melkrassen zijn: hot Hollandsch-Friesche, het Angler en Vlaamsche vee, het Ayrshire-vee in Schotland, het ongehoornde Suffolk-vee, het Gnernsey-en Jersey-vee, het Algauer vee enz.

Het beste mestvee vormen de Herefords, Shorthorns enz. in Engeland, hot vee van Limousin, Charolais, Auge enz. in Frankrijk, het Ditmarschor en Eider-stodter veo in Slees wij k-l lolstein, in Nederland het Groningsehe en Usel-voe.

Goed werkvee leveren: het steppenvee, do moeste bergrassen, de Devons en do Sussex in Engeland en het Charolais- en Garonais-vee in Frankrijk, en in Duitschland veel van het landvee, in ons land het vee in Overijsel, Gelderland, Limburg en Noord-Brabant, liet meest met het IJsel-type overeenkomende.

Voor twee of meer doeleinden geschikt zijn: het Charolais-ras, het Pinzgauer vee, het Simmenthaler en in ons land de verschillende slagen, die of meer den melk-vleeschvorm vertoonen, als die in Friesland en Holland, of meelden vleesch-melkvorm, als die in Groningen en langs den Usel, èf dien van werk- en mestvee, b.v. de meer grove slagen van het Usel-vee.

Maar ook treft men onder elk ras, slag of stam goede en slechte dieren of individuen aan, die meer of minder aanleg voor deze of geene voortbrenging toonen.

Een landbouwer nu, wien het bij 't houden van vee hoofdzakelijk om de melk of hare producten te doen is, zal natuurlijk geeno runderen aanschaffen, die wel aanleg voor de vleesch- en vetvorming bezitten, maar weinig melk geven. Wil hij zijn vee voor den arbeid gebruiken, zoo zal hij daarvoor zooveel mogolijlc sterke dieren kiezen, en is vetmesterij zijn hoofddoel, zoo zoekt hij runderen, die aanleg hebben om met het minste voeder het spoedigst in

-ocr page 259-

gewicht too te nemen en vet te worden. Wordt hierop gelet bij het aankoopen van vee, 't is van het grootste belang daarop ook het oog te honden hij het aan-fokken. Fokkers van naam hebben zich juist er op toegelegd, dieren voor een gegeven dool uit te kiezen en ze door oene juiste paring en voeding tot meer volkomenheid te brengen , zij hebben daardoor de zoogenaamde fokrassen verkregen , die wereldberoemd zijn geworden.

a. Melkvee. Van eene melkkoe verlangt men, dat zij veel melk van eene goede samenstelling geeft. Om dus de boste melkgeefster te leeren kennen, is het noodig hare melk te meten of beter te wegen en de samenstelling, met name het vetgehalte, te onderzoeken (zie hieronder bij zuivelbereiding). Zij moet deze eigenschap op hare nakomelingen doen overerven en ook de stier in dit opzicht een goed overervend vermogen bezitten. (Letten op afstammelingen.) De beste melkgeefsters en afstammelingen daarvan, overigens zonder gebreken zijnde, worden dus uit den voorhandenen stapel uitgezocht. Verschillende uitwendige kenmerken gaan met een goed melkgevend vermogen gepaard, die vooral bij het aankoopen van vee geraadpleegd worden. Van belang is het ook, daarbij op de afkomst te letten (stamboek).

In de eerste plaats komt te dezen opzichte in aanmerking de goede ontwikkeling van den uier, waarin de melk bereid, en van de bloedvaten of meikaderen, waardoor het voedend materiaal voor hare vorming, het bloed, gevoerd wordt. De uier moet behoorlijk groot, vierkant, met eene dunne, weeke huid bedekt, niet vleezig zijn en zich zooveel mogelijk naar voren en achteren uitstrekken. In uitgemolken toestand moet hij vele plooien vertoonen. Do tepels moeten gangbaar, niet te klein zijn en in een vierhoek naar buiten staan. Aanwezigheid van bijtepels acht men een gunstig teeken. Van de meikaderen. Fig. 98, verlangt men dat zij groot zijn, een kronkelenden loop hebben én zich vóór den overgang in den uier sterk vertakken. De zoogenaamde melkkuilen of melkgaten, waarin zij zich, door de inwendige lichaarasdeelen, naar het hart begeven, moeten groot en zoo dicht mogelijk bij de voorpooten gelegen zijn.

In de tweede plaats wordt door sommigen veel waarde gehecht aan de ontwikkeling van den melkspiegel. Daaronder verstaat men de plaats aan het achterste gedeelte van den uier en de dijen, waar hot haar van beneden naar boven gericht is. De grens tusscheu dit en het omringende naar beneden gerichte haar is min of meer duidelijk aangewezen. Fig. 97. Hoe uitgebreider die melkspiegel, hoe scherper- hij begrensd en hoe fijner het naar boven gerichte haar is, des te grooter is niet zelden de melkopbrengst eener koe. Wordt de spiegel door grove, lange haren begrensd, zoo wil men, dat de koe weinig melk geeft en daarmede spoedig ophoudt. Eene gele tint en het bedekt zijn van den spiegel met gele schilfers, die zich er gemakkelijk laten afkrabben, moeten een hoog vetgehalte der molk aanwijzen. Stieren, van eene goed melkgevende laag afkomstig, vertoonen veelal eene dergelijke toekoning, verkeerdelijk „zaadspiegelquot; geheeten.

Guenon, een Fransch herder, volgens Rhode een tuinman en tevens veehandelaar, die vooral op dezen loop van het haar opmerkzaam gemaakt en verband tusschen don daardoor gevormden spiegel en het melkgevend vermogen gezocht heeft, bracht de verschillende vormen, door hem gevonden, tot 8 klassen. die hij als lier-, hand-, omgekeerd hart-, gaffel-, kruik-, winkelhaak-,

-ocr page 260-

222

wig- en schildvormigcn onclerscheidde. Naar de grootte der koeien nam hij in elke klasse een drietal afdoolingen {grootste soort, middelsoort en kleine) aan en verdeelde voorts, naar de mate van ontwikkeling der spiegels, elke klasse in 8 orden. Bovendien onderscheidde hij zoogenaamde basterdvormen, waarbij ile spiegel wel goed ontwikkeld kan zijn, maar de melkopbrengst geringer is. Bij dezen is het opstijgende haar van den spiegel op enkele plaatsen afgebroken door neerdalend haar of men vindt in de nabijheid der scheede bijzondere haarwervels ').

Van de verschillende klassen is de liervormige, Fig. !)7, het grootst. Gelijk men ziet breidt hij zich uit, behalve over den nier en de dijen, tot rondom

de scheede. Als een bijzonder kenmerk van de eerste orde nam Gnenon nog aan het bezit van twee kleine schildjes, in den vorm van een ovaal, waar het haar naar beneden loopt; bij de tweede en derde orden is nog één dezer schildjes aanwezig, maar bij de vierde en volgende orden treft men zo niet meer aan.

De omvang van don spiegel neemt van den liervormigen tot den schildvormigcn meer en meer af.

') F. Gnenon, De mterlijke kcnlcckenen rlr.r melkrijhheid hij k oei fin.

-ocr page 261-

223

Koeien nu, die een lste kl. Ist0 o. melkspiegel bezitten, geven volgens Gnenon de meeste melk dagelijks en houden het langst vol niet melkgeven; kleinere koeien geven natuurlijk minder, grootere meer. liij de andere klassen is de spiegel minder groot en de melkopbrengst ook geringer. Guenon schat b.v. die van de lste kl. lste o. op 2U liter daags, die van de 2de kl. lste o. op 18 liter en zoo afdalende tot de 8ste kl. lste o., waarvan hij de melkopbrengst niet hooger dan 12 liter daags aanslaat. Meer neemt de opbrengst af naar de orden. De hoofdvorm is nog wel aanwezig, maar de breedte van don spiegel wordt allengs geringer, wanneer men in elke klasse van de lste tot de 8ste orde overgaat. Terwijl Guenon de melkopbrengst van de lste kl. lste o. op 20 liter schat, begroot hij die der lste kl. 2de o. op 18, die der lste kl. 3de o. 0p io enz.; die der lste kl. 8ste o. geven volgens hem niet meer dan 4 liter daags. Op gelijke wijze neemt volgens hem hot melkgevend vermogen in do andere klassen mot de orden af; oene koe met een melkspiegel van de

8ste kl. 8ste o. zou b.v. niet meer dan 2 liter daags geven. Hier is de melkspiegel dan ook nauwelijks meer te ontdekken.

Ongetwijfeld is die verdeeling in klassen en orden kunstmatig en komt het er meer op aan op den omvang, de begrenzing en de hoedanigheid van het haar te letten, dan wel op don vorm. Ook is er geene betrekking gevonden tusschen den loop van 't haar en do ontwikkeling van den uier, waarvan toch in hoofdzaak het melkgevend vermogen afhangt. Is de uier slecht ontwikkeld, zoo zal een breede melkspiegel dit niet kunnen vergoeden. Lit een onderzoek van wijlen den hoer Amersfoort, op de Badhoeve te Haarlemmermeer, met 44 Groninger koeien, is bovendien gebleken, dat goed melkgeven met een weinig ontwikkelenden melkspiegel en weinig melkgeven met een goeden melkspiegel gepaard kan gaan. Op zich zelf mag dus ongetwijfeld aan den melkspiegel, ais kenmerk eener goede melkkoe, niet die waarde toegekend worden, die

-ocr page 262-

224

sommigen er aan hechten of gehecht hebben, ook omdat er geencrlei physio-logisch verband daarvan met de ontwikkeling van den nier gevonden is. Hoogstens kan hij eenige aanwijzing omtrent do melkiijkheid geven, waarom wij hier de aandacht er op vestigen.

Er worden trouwens meer kenmerken opgegeven van goed melkvee, waarvan het physiologisch verband tot de melkrijkheid meer of minder moeilijk te zoeken is. Als zoodanig gelden, zie hierbij Fig. 98 en 99: een dunne (smalle) hals, doch goed sterk en lang in den nek; een fijne kop, lang, smal. maar het aangezicht niet veel langer dan het voorhoofd; fijne horens vooral aan do basis, glanzig en vast met goed zichtbare jaarringen; groote, heldere oogeji; een dunne, fijne huid, arm aan onderhuidsbindweefsel en daarom aan den hals fijn geplooid, minder gemakkelijk verschuifbaar als bij mestvee; het kossem weinig ontwikkeld; het haar kort, fijn, zacht, glanzig, aanliggend, ook het tophaar tusschen de horens moet fijn zijn; schoft matig breed, goed afgerond,

schouders droog, maar niet te smal en te steil geplaatst; de voorhand moet niet minder dan 22.6 quot;/o van de romplengte bedragen; borstkas lang, tengevolge van een lang borstbeen en lange wervels; de ribben ver uit elkander liggende, zoodat tusschen de laatste of voorlaatste minstens twee aaneengesloten vingers kunnen liggen, maar goed gerond en het borstbeen niet te hoog geplaatst; borstomvang niet minder dan 112 0/0, de diepte der borst niet onder do 44 0/o en de breedte niet onder de 28 quot;j,, van de romplengte; rug lang, maar recht en niet te scherp; lendenen lang en met den rug in eene rechte lijn liggende, dus niet ingezonken en niet te smal; buik wijd peervormig, als naar achteren toe wijder wordende, niet opgeschort of hangend; kruis lang en breed, beide afmetingen ongeveer 33 van de romplengte; staart lang, fijn aangezet; ledematen niet te grof en te lang met goed breede en krachtige gewrichten en goed geplaatst, niet koehakkig; beenderen niet te grof.

Toch wordt door de veekenners meer of minder waarde hieraan gehecht. Dieren met zulke eigenschappen worden bepaald als melkvee gezocht. Verkeerd

-ocr page 263-

is liet echter, aan een enkel kenmerk of aan een enkel lichaamsdeel te veel of te uitsluitend waarde te hechten; zoo b.v. aan den melkspiegel. „Hot ge-heele min of meer vrouwelijke voorkomen, de gelieele indruk, dien het vee geeft, is de maatstaf, die den veekenner bij zijne keuze leidt,quot; zegt Petersen '), „en hij ziet dan zelden mis.quot; De hoedanigheid der huid, gelijk die hierboven van melkvee is aangegeven, staat nog hot meest in verband met de ontwikkeling en de hoedanigheid van den uier en daardoor met de melknjkheid. Zoodanige huid toch kenmerkt eene goede klierontwikkeling daarin, terwijl de geringe ontwikkeling van het onderhuidsche bindweefsel op eene geringere vetvomiing wijst. Is derhalve dit bindweefsel der huid zwak ontwikkeld, zoo zal dit ook in de melkkliereu het geval zijn, dus weinig vet, maar eene goede kliermassa daarin vermoed kunnen worden. Eene dunne huid, fijne horens en eene fijne beharing gaan, als vormingen van dezelfde soort, in den regel mede met elkander geilaard. Dat de bloedvaten (melkaderen) bij eene dunne huid meer zichtbaar worden laat zich begrijpen, maar is nog geen bewijs hunner grootere ontwikkeling. Gephilosopheerd in den trant van Lamarck en Darwin, kan er ook verband gezocht worden tusschon do dunne huid en den langen staart. Wegens hunne dunne huid worden zulke dieren namelijk meer geplaagd door insecten, dit maakt een meerder gebruik van den staart noodig, en dit gebruik heeft eene meerdere ontwikkeling, dus een langoren staart ten gevolge. Bij het minder vroegrijpe melkvee zijn echter ook de wervels meer uitgegroeid, dus langer geworden, wat mede van invloed moet zijn op de lengte der staart.

Volgens Fürstenberg gaat de omvang van het klierweefsel in den uier samen met de richting van het haar; en daardoor zou er eenig verband gezocht kunnen worden tusschon den omvang van den melkspiegel en de uierontwikkeling. Giesl 2) vond voorts bij 70 Berner kooien, dat de melkrijkheid des te grooter is naarmate de haarwervel op den rug verder van het doornuitsteeksel van den eersten rugwervel verwijderd is. Bij een afstand van 54 —00 cM. vond hij de jaariijksche melkopbrengst ruim 3200 liter, bij 44—53 cM. 2500 liter en bij 34—43 cM. 2380 liter.

b. Mestvee. Van vee, dat men hoofdzakelijk-voor de vet- en vleeschvorming houdt, verlangt men, dat het reeds op jeugdigen leeftijd voor de slachtbank geschikt zij. Het moet daartoe zoogenaamd vroegrijp zijn en zich gemaklxljk laten voeden, ook met geconcentreerd voedsel. Voor eene beoordeeling moeten dus de slachtresultaten in verband met de voeding worden nagegaan, evenals bij melkvee de melk- en botoropbrengst. Daarbij is 't van belang, dat vooral die lichaamsdeelen sterk ontwikkeld zijn, waarop zich vleesch en vet afzetten. Deelen van minder waarde, als de kop, hals en pooten, wenscht men daarom zoo klein mogelijk in verhouding tot den romp. Zie Fig. 100. Vergelijkt men deze figuur met Fig. 99, dan ziet men dat er in do relatieve afmetingen van beide dieren een groot verschil bestaat. Bij do Angler koe, als type van melkvee, staat de romplengte tot de hoogte van den romp (afstand van schoft tot elleboog) als 100 : 42.9 en tot. de pootlengte (afstand van elleboog tot den

') C. Petersen, Anleilung zum Belriebe der Milchwirthsciiaft. :) Oeal. landtv. Wochenhlalt, 18K1, S. ^35.

REiNDERS, UI. Vierde druk.

15

-ocr page 264-

226

grond) als 100 : 32. Bij dc Hereford-koe, als type van mestvee, is de verhouding tusschen romplengte en hoogte als 100 : Ö7.3 en tot de pootlengte als 100 : 20.3. In den regel neemt bij vroegrijpe dieren de hoogte van den romp toe en de lengte der ledematen of de gestelhoogte af. Van den romp moet het buikgedeelte van niet te grooten omvang en lengte zijn. De afstand van de schoft tot den heup mag niot veel meer dan '/j gedeelte van de geheele lengte, gerekend van het boeggewricht tot het zitbeenuitsteeksel, bedragen. De longen mogen niet te groot zijn. Een betrekkelijk kleine buik wijst op een geringeren omvang van maag en darmen, minder voor eene groote hoeveelheid ruw voer, dan wol voor geconcentreerd voer aangewezen. Kleinere longen wijzen op een geringer verbruik van zuurstof, zoodat er minder voedingsstoffen in hot lichaam verbranden, maar daarin opgehoopt worden. Als verdere kenmerken gelden: een losse, licht verschuifbare huid, met fijn, maar soms lang haar bezet, dat aan den hals en het voorhoofd niet zelden gelokt is, rijk aan onderhuidsbindweefsel, aanwijzing gevende dat zich daar

Fig. 100. Ilerefonl-koe als type van mestvee.

vet kan afzetten, vooral op de ribben, naast den staartwortel, de liezen enz. (zoogenaamde vetgrepen); kop klein en fijn in het aangezicht, maar de schedel als plaats van de hersenen zoo groot mogelijk, het voorhoofd langer dan het aangezicht en even breed als lang; horens klein en fijn; hals zeer kort, maar vol, vooral waar hij iu de schouders overgaat; schoft breed, goed met de schouderbladen verbonden; schouders breed en goed bevlcesd; borstkas naar allo zijden goed ontwikkeld en meer gezakt dan het laagste punt der buik; lendenen zeer breed en kort, goed bevleesd; buik tonvormig; kruis sterk bevleesd en breed, met rug en schoft in eene lijn liggende; staart middelmatig lang en niot te grof; de bovenste doelen der ledematen tot elleboog en voetwortel (spronggewricht) middelmatig lang en goed bevleesd, de onderste doelen kort; heenderen fijn, althans bij vroegrijpe dieren; uier en melkteekens middelmatig; temperament kalm, o. a. blijkende uit een rustigen blik.

c. Werkvee. Runderen, hoofdzakelijk voor het verrichten van arbeid gehouden , moeten een goed gebouwd geraamte met sterk ontwikkelde spiereu bezitten. De pooten van gemiddelde lengte en dikte — bijzonder dikke been-

-ocr page 265-

1

227

deren zijn niet altijd sterker dan dunnere, wijl zij veelal zeer spongieus zijn — dienen van breede sprong- en Icniegewrichten en goed ontwikkelde pezen voorzien te zijn. Zij moeten %ic}i behoorlijk snel kunnen bewegen. Voorts zijn van belang eene goed ontwikkelde borstkas met krachtige longen en eene niet te dunne, dichtaanliggende huid, wat op eene goede ontwikkeling van do lederhuid wijst, met lang, grof haar bezet; kop lang en smal met krachtige horens; hals lang en droog; schoft hoog en krachtig; schouders normaal geplaatst, lang, breed en goed gespierd; rug en lendenen recht, lang en droog; kruis middelmatig lang en breed, iets afhangend en goed bevleesd, maar niet zoo volumineus als bij mestvee; buik vlak, meestal iets opgeschort; staart lang en goed aangezet; ledematen behoorlijk lang, niet zoo kleine gestelhoogle als bij mestvee. Als betrekkelijke afmetingen kunnen hier gelden; de romplengte tot de gestelhoogte als 100 ; 35 a 38. terwijl de hoogte van den romp bij do schoft 45 a 50 proc. van do romplengte uitmaakt, gelijk dit b.v. bij vele steppenrunderen hot geval is. Stand der ledematen en gang normaal. Uier klein en behaard ').

d. Vee, voor twee of meer doeleinden gehouden. Bij dieren, minder uitsluitend voor 6ón doeleinde gehouden, legt men natuurlijk op do kenmerken van twee of meer der bovengenoemde eategoriën gewicht. Zoo acht men b.v. in melkvee, dat ook zeer geschikt voor de slachtbank is, de eigenschap zeer, dat het gemakkelijk vet wordt, schoon het dan minder de echte melktype moge vertoonen. Bij ossen, die men eerst voor den arbeid gebruiken en daarna mesten wil, kan men niet zoo op fijnheid van beenderen en vroegrijpheid letten als bij dezulke, die uitsluitend voor mestvee bestemd zijn. Het verrichten van arbeid is gewis het eerste doel geweest waartoe men vee heeft getemd, daarna het voortbrengen van melk, vet en vleesch. Elk dezer bedoelingen, zoo streng mogelijk doorgevoerd , beantwoordt aan bepaalde omstandigheden en wijst tevens oen zekeren graad van ontwikkeling van do veefokkerijen aan. Toch zijn er omstandigheden waaronder hot gewenscht kan zijn dieren te houden, die bij het bezit van kracht en volharding tamelijk gemakkelijk vet worden en eene behoorlijke hoeveelheid melk van eene goede samenstelling geven. Een zoodanig veeras vormen b.v. de Simmenthalers in Zwitserland, en bij een dergelijk ras treden de verschillende kenmerken ook van gemiddelde hoedanigheid op.

Bovenstaande kenmerken hebben betrekking op de vrouwelijke fokdieren. Van de stieren, zie ook bl. 93, is de huid veelal dikker en harder, liet haar langer en grover, de kop breeder en krachtiger, de horens zijn sterker, dikker aan de basis en meer zijwaarts staande, zoodat de lioornvorm der stieren in het algemeen niet de typische gedaante en kromming hoeft van liet slag waartoe zij behooren; do hals is korter, krachtiger en het kossem sterker ont-

') De Deutsche LanJwirtschafts-Gesellschaft laat op hare jaarlijksche tentoonstellingen trekossen en koeien met betrekking tot hunne verrichtingen beooiileelen naar het aantal minuten, nooilig om een kilometer met een normalen last af te leggen. Deze last bedraagt bij één paar ossen

boven de 24 centenaars......80 centenaars,

onder »24 » ......00 »

Voor koeien rekent men denzelfden last voor het dubbele lichaamsgewicht.

15*

-ocr page 266-

wikkekl. Het lichaam is in liet algemeen bij gelijken leeftijd zwaarder en de voorhand sterker ontwikkeld ilan de aehterhand, wat bij de vrouwelijke dieren in den regel juist omgekeerd 't geval is. Bij de keuze van een fokstier let men natuurlijk ook op eene normale ontwikkeling der voorttelingsorganen. Builen, verhardingen of zweren, die op een ziekelijken toestand wijzen, mogen daaraan niet voorkomen. De balzak moet niet te veel afhangen, wat op eene zwakke ontwikkeling der buikspieren wijst; van de ballen is de linker gewoonlijk iets kleiner, maar het verschil moet niet te groot zijn.

Bij het beoordeeleti van fokvee komen dus drie punten in aanmerking: de verrichtingen, de afstamming en het uiterlijk aanzien, het extérieur. Daarvan zijn de verrichtingen wel het belangrijkste, maar do vorm moet daaraan niet geheel worden opgeofferd, noch omgekeerd de vorm aan de verrichtingen, en bovendien op de afstamming worden gelet.

Bij het beoordeelen naar het extérieur moeten ras- en individueele kenmerken , bl. 92, wel worden onderscheiden, en beide moeten met elkander in verband worden beschouwd. Niet aan alle kenmerken wordt daarbij echter altijd en door alle fokkers evenveel gewicht gehecht, wat dan in een punten-stelsel kan worden uitgedrukt. Neuhausz-Selchow let bij het beoordeelen van eene melkkoe bijzonder op de hoedanigheid van huid en haar; een ander hecht veel aan de afmetingen van en de uitdrukking in den kop; een derde neemt meer den geheelen lichaamsvorm in aanmerking. Maar al hecht men niet aan alle punten evenveel gewicht, eene veelzijdige beoordeeling zal in den regel toch gewenscht zijn.

Vroeger werd hier te lande nog al eens een vreemd rundveeras ingevoerd, met name, ruim een kwarteeuw geleden, Engelsche Shorthorns, met het doel om daarmede te kruisen en aan ons vee meer den mestvorm en de eigenschap van vroegrijpheid te geven, bl. 197. Thans is het aanfokken in een zuiver ras of kruisen met een inlandsch ras of slag meer de regel.

Men tracht daarbij het bestaande ras of slag te verbeteren, op sommige plaatsen meer den melk-vleesch-, op andere meer den vleesch-melkvorm in liet oog houdende. Aanfokken van enkel mestvee is thans minder het hoofddoel, zooals wel vroeger, bl. 197. Aanbeveling verdient daarbij niet slechts op de hoeveelheid, maar ook op de hoedanigheid der melk de aandacht te vestigen, aangezien het vetgehalte van het Nederlandsche rund, ongeveer 3 proe., betrekkelijk laag genoemd mag worden en in deze richting verbeterd kan worden; zie onderzoekingen en resultaten dienaangaande aan het eind van dit Deel.

Gaat men in een stamboek de fokregisters na, dan blijkt het dat bij sommige fokkers hier te lande de familieteelt geenszins is buitengesloten. Bij verkoop van het fokvee moge zulks minder of geen bezwaar geven, voor eigen fokkerij zal het spoedig blijken, bl. 90, dat bloedverversching of bloed uit een andere familie gewenscht is.

Over de voortplanting zelve en de verschijnselen daarbij is bl. 78 en volgende reeds het noodige gezegd.

Hoe vroegrijper eenig dier is, des te eerder treedt, bij goede voeding, de tochtigheid (bolligheid of bolschheid) in, des te jonger kunnen de koeien gedekt, des te eerder de stieren ter dekking toegelaten worden. Meestal

-ocr page 267-

229

geschierlt zulks in den zomer van hun tweede jaar, als zij den ouderdom van ongeveer l'/i jaar bereikt hebben. Minder vroegrijpe dieren worden later tochtig en paart men eerst op lateron leeftijd. De bolligheid keert bij niet-bevruchting alle drie week terug en duurt van 24—36 uur.

Wordt echter de vroegrijpheid door eene sterke voeding te zeer bevorderd, dan is zulks niet zelden nadeelig voor de vruchtbaarheid. Die sterke voeding moet dus bij fokvee in het algemeen en bij melkvee, waar het geslachtsleven meer op den voorgrond treedt, in hot bijzonder vermeden worden. Die voeding moet wel goed zijn, maar bij melkvee niet te geconcentreerd, opdat het darmkanaal zich behoorlijk ontwikkele en ingericht worde voor do vertering-van eene groote hoeveelheid voedsel; wat later dan ook zichtbaar is aan een behoorlijken omvang van het buikgedeelte.

Bij melkvee wordt ook het laten dekken van do koeien op jeugdigen, nog niet volwassen leeftijd als een middel beschouwd ter bevordering van de melkrijkheid, aangezien de geslachtsdeelen, waartoe ook de uier behoort, nog in vollen groei zijnde, zich dan meer zullen ontwikkelen. Ook heeft het telken jare voortbrengen van een kalf eene sterkere ontwikkeling van hot achterdeel ten gevolge. De ontwikkeling dor voorste lichaamsdeelen blijft daardoor echter wel eens wat te veel ten achteren, vooral wanneer de voeding te schraal is. Om deze reden wordt het voor fokvee nuttig geoordeeld , ze na het eerste afkalven in hetzelfde jaar niet weer te laten dekken, maar een jaar te laten „overloopenquot;. Overigens is het telken jare laten kalven, meestal in het voorjaar, Maart of April, regel en, daar de draagtijd ongeveoi 9 maand bedraagt, laat men de koeien in Juni of Juli dekken. Heeft do geboorte 230 dagen na de bevruchting plaats, zoo komt het kalf dood ter wereld; is het 260 dagen oud, zoo kan het met eenige opmerkzaamheid opgefokt worden, maar acht men het niet geschikt voor den aanfok. Ook de kalveren van vroegmelken, die in den herfst of winter en die, welke des zomers of laat in 't voorjaar geboren worden, houdt men in den regel niet aan. 't Getal aan te houden kalveren verschilt overigens of men slechts voor eigen behoefte, dan wel meer of minder fokt. In 't algemeen echter worden die aangehouden, welke van goede ouders afstammen en zonder gebreken zijn.

Vooral wordt daarop gelet bij de keuze van een stier. Stieren worden meestal slechts één dektijd gebruikt, bijzonder goede exemplaren meer jaren ter dekking gehouden. Op groote boerderijen houdt men ook een jongen stier voor de jonge en een twee- of driejarigen voor do oudere koeien. Sommige landbouwers houden ongaarne een twinter- of meerjarigen stier wegens de moeilijkheid van het afkalven (te zware kalveren). Anderen achten dit bezwaar minder eu zien terecht in het gebruik van een meer volwassen stier een middel tot veiedeling van den veestapel. Engelsche fokkers houden dan ook oen stier, die de gewenschte eigenschappen bezit, vele jaren aan. Jonge stieren mogen in allen gevalle niet te veel, b.v. niet veel vaker dan eens per dag dekken. De mannelijke dieren, die men niet voor het dekken wil houden en als ossen hier te lande veelal mest, worden op den leeftijd van 8 a 10 week gecastreerd. Hot vleesch blijft clan malscher en fijner, de dieren zijn handelbaarder en worden gemakkelijker vet; de huid blijft dunner, het haar fijner en langer, maar hot wordt niet zoo glanzig als bij den stier; de kop wordt smaller en langer, de

-ocr page 268-

230

hals langer en vooral in den nek minder breed; de horens worden langer en anders geplaatst, en in het algemeen wordt de omvang van het lichaam grooter, de voorhand en de achterhand worden meer gelijk en het temperament rustiger, bl. 92 en 103. Wil men er echter trekossen van maken, zoo is 't beter later, op den leeftijd van 5 a 9 maand, te castroeren, opdat de spiervezels grover worden om meer kracht tc kunnen uitoefenen; ook de nek -wordt dan zwaarder, wat vooral bij trekossen, die met hot hoornjuk trekken, gewensclit kan zijn. Trekossen worden gewoonlijk in hun derde jaar in gebruik genomen. Koekalveren, die men niet wil aanhouden, worden meest terstond geniest, de aangehoudenen, als reeds gezegd, met hun tweede of derde jaar als melkkoe gebruikt.

Wat voorts het opfokken van kalveren betreft, daaromtrent zal hieronder, bij de voeding en verpleging van 't Kund, het noodige worden gezegd. Wij merken hier nog slechts op, dat het niet voldoende is de juiste dieren te kiezen, maar dat ook de voeding en verpleging daarmede in overeenstemming moeten zijn. Door overerving verkrijgt het kalf slechts de eigenschappen zijner ouders, eene doeltreffende voeding is eene der voornaamste factoren om het vooruit te brongen en er van te maken, wat de fokker verlangt. Wij hebben hierboven daarop reeds gewezen, maar zullen bij de voeding en verpleging van 't Kund nog eenige voorbeelden daarvan geven.

4. VOEDING KN VERPLEGING VAN HET RUND.

In zijne natuurlijke woonplaats, de uitgestrekte grasvlakten, wordt het Rund in zijne jeugd met de moedermelk gevoed en langzamerhand gewend aan het groene voer, gras en andere planton, dat de vlakte aanbiedt. Evenals de overige landbouwdieren kan het intusschen ook aan ander voeder worden gewend: verschillend droog voer, hooi, stroo, granen enz. In Noordelijk Europa is viseh een zeer gewoon toevoer voor het Rund. Kabeljauw-koppen worden hier met zeewieren en mossen van allerlei soort in een ketel zoolang gekookt, totdat de beenderen week of tot eene gelei geworden zijn; daarna werpt men de breiige massa den beesten voor en deze vreten dit voor hen zoo onnatuurlijke voedsel met graagte. Ue stellages, waarop men op de Lofodden de kabeljauw droogt, moeten tegen de runderen beschut worden, aangezien deze, zonder bedenken, zich aan de halfdroge visch te goed zouden doen '). Ook vleeschmeel wordt wel ter voeding van rundvee gebruikt.

En ofschoon men bij de voeding van het Rund met zijn natuurlijken aanleg altijd rekening zal moeten houden, als men het niet geheel tot een ziekelijk product wil doen ontaarden, vooral bij fokvee, zoo moet van den anderen kant wel degelijk in aanmerking worden genomen, dat het niet meer de bewoner der grasvlakte is, maar dat het, om productief te zijn, anders gevoed en verpleegd dient te worden, dan het in zijn natuurlijken staat gewoon was. Het oeconomisch standpunt, waarop de veehouder zich moet plaatsen: door het vee van het voeder de hoogst mogelijke opbrengst te verkrijgen, maakt

') Hrehm, Illustrirtes Thierlehcn.

-ocr page 269-

231

voorts eene doelmatige voeding van het tot zoovele verschillende doeleinden gehouden Knnd tot eene zijner moeilijkste opgaven.

Naar die verschillende doeleinden hebben wij te onderscheiden: n. de voeding van kalveren en van jongvee; h. de voeding van melkvee; c. de voeding van meulvee; d. de voeding van werkvee.

a. De voeding van kalveren enz. In zekeren zin mag men zeggen, dat op de voeding van 't kalf reeds vóór zijne geboorte invloed wordt uitgeoefend. Hoe boter toch de moeder gevoed wordt, in des te beteren staat komt het kalf, dat zij voortbrengt, tor wereld. Na de geboorte ontvangt het eerst molk, 'tzij men het aan do moeder laat zuigen, 'tzij men hot laat drinken. Eene zekere hoeveelheid van de eerste moedermelk (biest) mag nion het niet onthouden voor het afdrijven der darmpek (meconium), bl. 84. Versche melk is verder in den eersten tijd het natuurlijkste voedsel, schoon ook surrogaten daarvoor in gebruik zijn (zie hieronder). Het darmkanaal is nog niet in staat om het later te ontvangen voedsel te verteren. Langzamerhand moet het hieraan worden gewend.

Al spoedig dient men ook in het oog te houden, wat men met hot jonge dier voor heeft; of het als kalf gemest zal worden (zie hieronder voeding van raestvee), of men het op lateren leeftijd enkel wil mesten, dan of het als fokdier zal worden aangehouden, enz. Behoudt het in het eerste geval gewoonlijk versche melk totdat het vet is, in de laatste gevallen is het al spoedig op ander voedsel aangewezen en moet het langzamerhand daaraan worden gewend. Al naar omstandigheden kan dit voeder nog zeer verschillend zijn, maar overeenkomstig den leeftijd, den individueolen toestand enz. moet het een zekeren omvang bezitten en eene zekere ipiantiteit eiwitstoffen, stiiv-stofvrije extractiefstoffen en vet bevatten. Ook mag een zeker aschgehalte, in de eerste plaats de phosphorzure kalk voor den groei der beenderen, daarin niet ontbreken.

Vergelijkt men nu de samenstelling van melk met het later te ontvangen voeder, b.v. gras of hooi, dan blijkt het, dat de eerste rijker aan eiwit en vet, maar armer aan stikstofvrije exstractiefstoffen is en dat in de eerste eene andere voedingsverhouding dan in de laatste voedermiddelen voorkomt. Zie de tabel achter dit Deel. Daarbij moet niet worden vergeten, dat de voedingsstoffen, in de melk voorkomende, gemakkelijker verteerbaar zijn, dan in het later te ontvangen gras of hooi.

Daar nu als een der eerste voederregelen geldt, dat alle plotselinge overgangen van het eene voeder tot het andere moeten worden vermeden, zoo komt het hier vooral aan op het kiezen van het meest gepaste voedsel, waarbij de voedingsverhouding, zonder groote sprongen, langzamerhand wijder wordt.

Teneinde te dezen opzichte een zekeren maatstaf ter beoordeeling te hebben, hebben Emil Wolff, Kühn en anderen zekere normen vastgesteld voor de (piantiteit droge stof, verteerbaar eiwit enz., die, per 100 of per 1000 KG. levend gewicht berekend, in de verschillende leeftijden noodig zijn. Die van Emil Wolff (Lehmann) voor aanstaand melkvee zijn in de volgende tabel opgegeven, met uitzondering van de eerste twee maanden, waarin verondersteld wordt, dat het kalf melk ontvangt.

-ocr page 270-

232

Koeveellieid dagelijksch voetier per 100 KG. levend gewicht in kilogrammen.

Ouderdom

Gemiddeld

Geheele

Verteerbare stollen.

Voedings-verhouding.

in

maanden.

levend gewicht in KG.

hoeveelheid droge stof.

Eiwit.

Stikstof-

vrije stollen.

Vet.

Voedereenheden: celstof = 1/2.

2—3

70

2.3

0.4

1.30

0.2

2.1

1 ; 4.5

3—0

140

2.4

0.3

1.28

0.1

1.7

1 : 5.1

6—12

230

2.7

0.2

1.25

0.05

1.37

1 : 6.8

12—18

320

2.6

0.18

1.25

0.04

1.28

1 : 7.5

18—24

400

2.6

0.15

1.2

0.03

1.18

1 : 8.5

Jul. Kühn stelt de volgende normen ;ian verteerbare stoffen voor de voeding per 100 KG. levend gewicht in kilogrammen.

ü. WANNEER HET MELKGEVEN ONTWIKKELD ZAL WORDEN.

b. WANNEER GESCHIKTHEID TOT MESTEN HET DOEL IS.

Leeftijd.

Eiwit-stoffen.

Stikstof-

vrije stüli'en.

Vet.

Voedingsverhouding.

Eiwit-stollen.

Stikstof-

vrije stotTen.

Vet.

Voedingsverhouding.

Eerste 3 md. 'jaar.

V, » 3/4 » 1 » in het 2C j.

0.44 0.30 0.25 0.22 0.18 0.165

0.62 0.90 1.10 1.20 1.20 1.25

0.45 0.20 0.15 0.10 0.06 0.04

1 ; 3.9 1 ; 4.6 1 : 5.8 1 : 6.5 1 : 7.5 1 : 8.4

0.60 0.45 0.35 0.28 0.24 0.22

0.88 1.00 1.20 1.20 1.20 1.25

0.60 0.40 0.20 0.12 0.08 0.06

1 : 3.9 1 : 4.4 1 ; 4.8 1 : 5.3 1 : 5.8 1 : 6.3

Voor aan te fokken werkvee kunnen ongeveer dezelfde normen worden aangenomen als voor melkvee.

De geheele hoeveelheid droge stof bedraagt, volgens Kühn, op 1U0 KG. levend gewicht, in hot r-uigtijdperk (de eerste drie maanden) ongeveer 2 KG.; zij mag ook bij het begin van het afwennen slechts allengs vermeerderd worden , zoodat zij bij toekomstig melkvee op den leeftijd van 'j2 jaar en bij het aanfokken van mestvee eerst op 3,..)-jarigen leeftijd ongeveer 2.5 KG. bereikt. Vanaf dit tijdperk kan zij voor melkvee 2.5—3 KG. op 100 KG. levend gewicht bedragen. Voor het tot mesten aangefokte vee echter is ook verder een meer geconcentreerd voeder, dat dus bij dezelfde hoeveelheid eiwit enz. armer aan droge stof is, het meest gepast, en mag de geheele hoeveelheid droge stof niet veel meer dan 2.5 —2.0 KG. op 100 KG. levend gewicht zijn. Stieren, ook voor aanstaand melkvee, wil Kühn iets beter, ongeveer als liet mest-fokvee, gevoed hebben.

Gelijk men uit deze opgaven ziet wordt do voedingsverhouding, door voor hetzelfde levend gewicht allengs minder eiwit te nemen en do hoeveelheid stikstof vrije extractiefstoffen tot zekere grens te vermeerderen, steeds wijder, wijder echter voor het op minder geconcentreerd voeder aangewezen melk- en werkvee dan voor mestvee. 't Spreekt echter van zelf, dat de totate hoeveelheid eiwit, die het dier ontvangt, steeds grooter wordt. Een kalf, dat b.v. op '/^-jarigen leeftijd ongeveer 100 a 150 KG. weegt en dan 0.3 KG. verteer-

-ocr page 271-

233

baar eiwit in zijn voedsel moet ontvangen, weegt op '/,-jarigen leeftijd wellicht 20U KG. en heeft dan minstens 2 X ^-20 = 0.40 KG. noodig, enz.

In het algemeen kan, volgens Kirchner, de toeneming in levend gewicht als volgt worden gesteld van koekalver, wier gewicht bij de geboorte 20— 60 KG. of l/j2 — '/li van liet gewicht der kooien bedraagt.

Toeneming in gewicht

Bij de geboorte

36 KG.

-------------O

in het geheel.

per dag.

Na '/» jaar

150

»

114 KG.

1.253 KG.

9 'U »

220

»

70 -gt;

U.770 »

» 1 »

300

»

80 »

0.440 »

» 2 »

400

»

100 »

0.274 -

» 3 »

470

»

70

0.192 -

» 4 »

500

»

30 -

0.082

Deze gewichten, die echter door -weging moeten gecontroleerd worden, kunnen dus eenigszins als maatstaf dienen bij het berekenen van 't rantsoen. Van stieren is het gewicht minstens 30—35 proc. en van ossen 20—25 proc. hooger.

Verder moet worden opgemerkt, dat de hier vermelde overgangen niet plotseling, maar zoo langzaam mogelijk moeten geschieden, en dat deze normen niet als bepaalde voorschriften gelden (als zoodanig worden zij door Wolff en Kühn ook niet beschouwd), maar slechts als een zekeren maatstaf ter beoordeeling, welke samenstelling het te geven voeder ongeveer moet hebben.

Gaat men nu na, hoe de voeding van kalveren en van jongvee in de practijk geschiedt, dan leert de berekening, dat, schoon zij over 't geheel den aangewezen gang neemt, toch ook niet zelden belangrijke afwijkingen daarvan voorkomen.

liet laten zuigen aan de moeder moge de natuurlijkste voeding zijn voor de kalveren, in de practijk stuit men daarbij toch op verschillende zwarigheden. Meestal geven de koeien te veel melk, haar uier wordt derhalve niet voldoende door het zuigen geledigd en het melkgeven daardoor verminderd. De kalveren worden later minder gemakkelijk aan ander voeder gewend en verwilderen, bij de moeder rondloopende, min of meer. Wel kan men den zuigtijd b.v. tot een viertal weken beperken, daarbij het kalf van de moeder afnemen en b.v. 4 a 5 maal daags laten zuigen en, zoo noodig, den uier verder uitmelken, maar een en ander kost even goed toezicht en zorg dan het geregeld laten drinken der melk. Men mag dan ook zoggen, dat het laatste hier te lande regel, het zoogen uitzondering is; 't meest gepast zal dit nog zijn bij vaarzen en bij vee, dat weinig melk geeft. In Engeland laat men kalver, voor mestvee aangefokt, dikwijls zuigen, twee aan eene koe en twee keer por dag. Zij krijgen daarbij spoedig ander voer. Zware kalver laat men op den leeftijd van 6 week nog eens per dag zuigen en, 8 maand oud, worden zij afgewend en door andere kalver vervangen. Op deze wijze kunnen jaarlijks 4 a 5 kalver met de melk van eene koe aangefokt worden. Aanstaand melkvee laat men niet zuigen ').

De kalveren gewennen spoedig aan het drinken uit den emmer; ook zijn bepaald daarvoor ingerichte zuigemmers te bekomen. Bij een en ander moet intusschen voor eene goede zuiverheid van het drinkgereedschap gezorgd en bij het laten drinken regelmaat en orde in acht worden genomen.

') Hand Book of the Farm Series (The Live Stock of the Farm).

-ocr page 272-

234

Gelijk reeds gezegd, ontvangt het kalf in de eerste weken na de geboorte vrij algemeen zoete, pasgemolken en dus nog wanne melk. Eerst wordt melk van do moederkoe, later gemengde van de verschillende koeion dooreen gegeven. Met het toedienen van melk wordt intusschon niet overal even lang aangehouden, en hetgeen er voor in de plaats wordt gestold is niet altijd hetzelfde. In Groningen wordt meestal de oersto 4 a G weken enkel volle zoete molk en wel quot;gt;—8 liter daags gegeven; dan vermindert men deze langzaraorliand en geeft daarvoor karnemelk in de plaats, tot dat men op den leeflijd van ongeveer '/j jaar met zoete melk geheel ophoudt en tot aan den herfst G a 10 litor karnemelk (soms ook meer) geeft met b.v. '/j a 1 litor havermeel of J/3 liter gekookte boonen. Andoren voederen minder intensief en vervangen de volle melk eerder door karnemelk. Soms wordt dagelijks per hoofd een ei bij de karneniolk gegeven of ook eenig gekookt lijnzaad bijgevoegd.

In Friesland en Holland, waar behalve botor ook kaas uit do melk bereid wordt, houdt men do eiwit- on vetarme wei over, die hior weldra naast en allengs in de plaats van zoete molk treedt, waarbij dan wat lijn koek meel en ook wel karnemelk gevoegd wordt. Men geeft b.v. de eerste 2 weken volle melk on vervangt deze nu allengs door karnemelk en wei, zoodat het kalf b.v. met de 13® week enkel deze ontvangt en wel van elk ongeveer 8 liter daags. Elders vervangt men, na verloop van 3 a 4 week, de zoete melk allengs door afgeroomde, die het best vooraf gekookt of op ongeveer 70° verwarmd (gepasteuriseerd) wordt, daar zij anders licht diarrhee veroorzaakt ').

Naast deze zuivelproducten ontvangen do kalveren allengs goed grashooi of eenig goed gras, of zij gaan in de weide. Het toevoeren van veel klaver wordt minder goed geacht. Zij maakt ze te dikbuikig.

Vergelijkt men nu de samenstelling dezer verschillende voedingsmiddelen mot hot hierboven vermelde normale voedsel, dan blijkt het, dat men door combinatie van twee of drie wrel in de aangegevene richting zal kunnen voederen. Bij de vetarme karnemelk en hot havermeel zouden wij eenig gekookt lijnzaad-meel zeer gepast achten. Zoo ook bij de afgeroomde melk. Bij de eiwit- en vetarme wei is het beter wat lijnkoek, die rijker aan eiwit is, te voeren. Door het toevoeren van goed gras en hooi ontvangt het kalf veelal genoeg aschbestanddeelen voor den groei der beenderen. Mocht dit niet het geval zijn, b.v. op lichte gronden met blauw gras, zoo is toevoeren van wat phosphorzure kalk wenschelijk, bl. 53 en 119. Wordt weinig hooi, maar in plaats daarvan stroo en wortels toegevoerd, zoo kan, als overigens behoorlijk eiwitrijk voedsel, b.v. graan on zemels, gegeven wordt, dat wel phosphorzuur, maar weinig kalk bevat, het toevoegen van laatstgenoemde stof in den vorm van geslibd krijt (b.v. 10 a 15 gram per dag en per hoofd) bij den dagelijkschen drank van nut zijn.

C. TreurnietJ) heeft ten behoeve van melkleveranciers aan zuivelfabrieken eenige rantsoenen voor het opfokken van kalveren ontworpen. Hij beveelt aan dagelijks: de eerste 15 dagen moedermelk, te beginnen met 1;',1 a 3/4 liter en

1

') In Oost-Pruisen wordt bij gekookte of gepasteuiiseenle melk eene kleine hoeveel-lieiJ keukenzout gegeven, wat volgens proeven van Mittcher (Weekbl. v. Zuivel her eiding ^ 8 Juli 1902) ook betere resultaten gaf dan b.v. cViloorcalcium.

-ocr page 273-

235

met 'iter per dag opklimmende, tot dat het kalf op den 15den (lag 41/, liter bekomt. De moedermelk is door hare samenstelling in den eersten tijd geschikter dan de gemengde melk, dat is die van eenige koeien samen. Hiermede wordt op den 16den dag begonnen en bij de •l'/u liter zoete melk liter karnemelk gegeven. Het rantsoen zoete melk blijft nu hetzelfde, maar de hoeveelheid karnemelk wordt per dag met ongeveer '/.t vormeerderd,

zoodat hot kalf op den leeftijd van 4 week ontvangt: 4'/-, liter zoete melk en 2 a 3 liter karnemelk. Nu gaat men de hoeveelheid zoete melk allengs verminderen, per dag met '/.i liter, en geeft daarvoor eene gelijke hoeveelheid wei in do plaats, alsmede eieren, brood en haver, waarvan do hoeveelheden steeds vermeerderd worden, zoodat het kalf ontvangt:

Zoete Karne- Wei. Eieren. Brood. Haver,

molk. melk.

4 week oud 4'/t liter 2 a 3 liter ]jA liter 'j2 HG. KG.

5 » » 2'Z, gt;■ 2 a 3 » 2 » 1 2 » 1 » U » » 2 » 2 a 3 » 4 » 1 3 » 2 »

Mot dit kuitste wordt voortgegaan tot iian den weidetijd; in do weide ontvangt hot;

Zoete

Karne

Wei.

Eieren,

. Brood.

Meel.

Haver.

melk.

melk.

le dag

2 liter

2 a 2,/j liter

4'

'/j liter

1

23/, HG.

quot;/4 HO.

2 HG.

6e »

l3/4 »

2 »

Vs »

1

1 'li! »

VI, »

2 »

12e »

1 »

2 »

C

»

1

- »

2 »

2 » ,

natuurlijk de zoete melk en het brood langzamerhand verminderende en de wei en het meel vermeerderende, totdat het op don 12den dag dat hot in de weide loopt het daarbij opgegeven rantsoen ontvangt. Uit rantsoen behoudt het tot aan den herfst. Onder brood wordt hier verstaan goed gebakken roggebrood en minstens een dag oud, onder meel 4/5 doelen rogge en '/s ''eel lijnzaad door elkander gemalen.

Natuurlijk moet men ook met dit voorschrift oordeelkundig te werk gaan. Of het best is de wei zoet of zuur te geven is niet met zekerheid uitgemaakt, wol dat het verkeerd is den eenon dag zoete en den anderen zure wei te geven. Loopen de kalver in de weide en is het gras van minder goede dualiteit, dan is het niet onwaarschijnlijk dat het laatstvermelde rantsoen ontoereikend is. Krijgen zij overvloedig gras, dan kan iets minder krachtvoer worden gegeven. Hoofdzaak is dat het kalf regelmatig doorgroeit, maar daarbij niet vet wordt, omdat vette kalver later minder geschikte melkkoeien zijn en een vet kalf, 's winters op stal gebracht, meer iian onderhoudsvoer kost, althans veel meer voer noodig heeft om ook dan gestadig door te groeien.

Met het toedienen van zuivel wordt echter niet overal even lang, maar meestal tot op den leeftijd van ij.i jaar volgehouden, en in de meerdere behoefte aan voedsel en allengs door meer weide of hooi of door stroo en door verder toevoer voorzien.

In streken, waar de melk duur verkocht kan worden, heeft men nog naar andere surrogaten voor de moedermelk omgezien en deze met meer of minder goed gevolg al spoedig daarvoor in de plaats gesteld. Adam Muller geeft, naar het voorbeeld van Liebig's voedsel voor jonge en zwakke kinderen, het

-ocr page 274-

236

volgende voorschrift: 280 gram tarwemeel worden met 4 liter water en 2 liter afgeroomde melk tot eene gewone brij gekookt; vervolgens worden nog

2 liter afgeroomde melk en 36 gram eener oplossing van dubbel koolzure potasch (2 gewichtsdeelen kaliumbicarbonaat opgelost in 11 gewichtsdeelen gedestilleerd water) en ten slotte 280 gram grof gemalen mout bij de heete meelbrij gevoegd; het geheel blijft nu een half uur onder omroeren op eene warme plaats (I iij ongeveer 60° C.) staan, wordt vervolgens oven opgekookt en daarna, om het van de bolsters te bevrijden, door een zeef of teems doorgezegen. De drank blijft slechts 24 uur goed en moet dus eiken dag op nieuw bereid worden. Zij wordt langzamerhand voor de moedermelk in de plaats gesteld, tot dat zij alleen en wel tot 8 liter per dag gegeven wordt. De kalveren ontvangen voorts goed weidehooi als toevoer.

In de omstreken van Gembloux ') bereidt men een dergelijken drank op nagenoeg dezelfde wijze, door 3 KG. lijnkoek, 5 KG. rijstmeel, 3 KG. mout,

3 KG. roggemeel, 70 gram koolzure potasch, 00 KG. water en 30 KG. afgeroomde melk te koken.

In beide gevallen bekomt men een voedsel, waarin wel nagenoeg dezelfde voedingsverhouding voorkomt als in koemelk, maar dat armer aan vet is. Door de inwerking van de diastase in liet mout op het zetmeel gaat deze stof in de meer gemakkelijk verteerbare suiker over, 1, bl. 180, waardoor dit surrogaat zich gunstig onderscheidt van b.v. een mengsel karnemelk en meel of gekookte boonen, dat, bij goed hooi of gras, in het tweede vierdeljaara gepast mag zijn, maar op den leeftijd van 4 a 5 weken zeer waarschijnlijk niet genoegzaam verteerd wordt. Om het iets vetter te maken mag het bijvoegen van wat gekookt lijnzaad gewenscht zijn. Zie ook kalfroom, bl. 252.

In den volgenden winter, aldus op den leeftijd van '/a—' jaar, is de voeding minder intensief. Hooi en stroo met mangehvortels en meer of minder graan of boonen is dan het meest gewone voedsel. In Groningen b.v. ontvangt het stroo met 2l/2 a 3 liter (1 a 1.5 KG.) haver of haver en boonen, geplet of gemalen, of stroo met l'/j liter (0.6 a 0.75 KG.) haver en 25 liter (15 a 18 KG.) maogelwortels. Anderen geven stroo met boonbrood, gekookte boonen of boonen met een stuk raapkoek. Van graan en mangelwoitels zegt men dat het vee meer bij vet en vleesch komt, maar dat het door boonen beter aangroeit. Kan men geen hooi geven, dan is het stroo van peulvruchten (boonen en erwten), ook om zijn grooter kalkgehalte, meer gepast dan het zoogenaamde witstroo. Vormt het laatste de hoofdmassa van het ruw-voer, zoo zon ook dan het toevoegen van eenig krijt bij het voer nuttig kunnen zijn. In Friesland wordt in den regel met hooi gevoederd en daarbij een halve lijnkoek daags gegeven.

Don daaropvolgenden zomer wordt het jonge vee veelal geweid of op stal met klaver gevoederd. Van droog voer gaat men derhalve dan weer tot groen voor over, en 't is van belang daarbij zooveel mogelijk voor een zachten overgang te zorgen, 't Best is, bij het groenvoer eerst nog wat droog voer, stroo of hooi, te geven. Ongunstig zijn veelal ook de resultaten, wat de voeding betreft, wanneer het jonge vee, bij eene schrale wintervoedering, terstond in beste weiden gebracht wordt of omgekeerd.

') Landbouw-Couranl 1878 en Akkerbouw 1873.

-ocr page 275-

237

Nog dient de vraag overwogen te worden, of wel altijd genoeg onderscheid gemaakt wordt in de voeding van aanstaand melkvee en aanstaand mestvee, gelijk blijkens bovenstaande nonnen door Kühn en ook door Lehmann wordt aanbevolen. Daar, waar men zich op bet aanfokken van melkvee vooral toelegt, houdt men er van het jonge vee tot op ongeveer l'/2-jarigen leeftijd min of meer schraal te voederen ; eerst togen het afkalven wordt iets meer toevoer b.v. in plaats van een halve, een heele lijnkoek gegeven. Daarmede in overeenstemming zijn de ervaringen van Riedesel en Wilckens. Beiden zochten door eene betere voeding der kalveren melkrijker vee te verkrijgen, maai' de uitkomst beantwoordde geenszins aan de verwachting. Zoo liet Wilckens zijne kalveren 2 a 3 maanden aan de koeien zuigen en voedde ze ook na het afwennen rijkelijk. Maar hij moest het later zelf erkennen, dat „de kalveren, die zich het snelst ontwikkeld hadden en de mooiste en meest afgeronde vormen bezaten, de slechtste melkkoeien werdenquot;. Voor aanstaand melkvee dus althans niet eene te rijke voeding; het moet niet gemest worden, maar 't is voldoende dat het voortdurend groeie en zich ontwikkele en 'zich daarbij kunne bewegen. Dan krijgt ook de borstkas meer omvang en kunnen de longen zich daarin beter ontwikkelen. De beenderen en de spieren groeien meer uit, ribben en wervels worden langer, de afstand der ribben wordt grooter, hot middenstel neemt, in verband met de sterkere ontwikkeling van het darmkanaal, in omvang toe; de ledematen blijven niet zoo kort als bij mestvee, de spieren ontwikkelen zich meer normaal en gaan niet zoo in vervetting over. Een en ander, en vooral het laatste, is van belang, wanneer aanstaand melkvee ook voor den arbeid zal worden gebruikt. Aanstaand mestvee daarentegen, dat men reeds op jeugdigen leeftijd voor de slachtbank geschikt wil hebben cf waarin men den aanleg voor de vet- en vleeschvorming ontwikkelen wil, wordt in zijne jeugd ongetwijfeld wel eens te schraal gevoed, ofschoon dit ook van meetaf geenszins gemest moet worden. Zie hieronder het mesten van vee. Men denkt er niet altijd genoeg aan, dat de voeding der dieren een der eerste middelen tot hunne verbetering is. Vergelijk bl. 104. Is b.v. de voeding van melkvee in de jeugd te schraal, het voedsel wel van groeten omvang, maar van te gering gehalte, dan zet zich wel het buikgedeelte uit, maar borst en achterstel zijn daarmede niet in overeenstemming. Men krijgt dieren met hangbuiken; zie b.v. Mg. 86—88.

Van de weiden worden in het algemeen de meer schrale voor het jonge vee bestemd; niet zelden wordt het achter het melkvee en het te mesten vee aan geweid; dit neemt alzoo het beste gras tot zich en laat het mindere aan 't jonge vee over. Bij gebrek aan weide is het jonge vee in don regel het eerst aan de beurt om op stal en dan meestal met roode klaver gevoederd te worden. De vraag verdient overweging of het niet goed zou zijn bij de vochtige en eiwitrijke klaver wat stroo, beide tot haksel gesneden, te geven; uit proeven van G. Kühn is het doelmatige daarvan gebleken. Eene andere vraag is, of alzoo bij het aanstaande fokvee wel altijd voor voldoende beweging gezorgd wordt; eene zoogenaamde loopplaats of kleine, weide bij den stal is zeker doelmatig. Het meest gepast is de zomer-stalvoedering ongetwijfeld voor het aanstaande mestvee. Ook door hot toevoeren van koek, meel enz. heeft men het dan, en beter dan op de weide, in zijne macht, dit vee naar zijne

-ocr page 276-

238

bijzondere behoefte te verzorgen, en tot zekere grens is veel beweging voor zulk vee minder gewenscht, wanneer het althans op jeugdigen leeftijd gemest zal worden. Zie hieronder; de voeding van mestvee.

De voeding in den volgenden winter komt al met die op ongeveer éénjarigen leeftijd overeen. In de bouwstreken is stroo het hoofd voedsel; daarbij worden eerst mangelwortelbladen of wat ander groenvoer, vervolgens mangel-wortels, b.v. hectoliter of 25 KG., met kaf of 2 liter (1.5 a 1.6 KG.) boonen, 21/s liter (1.2 KG.) haver, een halve lijnkoek of een raapkoek gegeven. Slechts de kalfvaarzen ontvangen iets meer en zoo mogelijk ook wat hooi, wat in de weidestreken, waar minder mestvee wordt aangefokt, meer het hoofdvoer is, met, als reeds gezegd is, '/,—1 lijnkoek daags.

In het derde levensjaar worden do vrouwelijke runderen gemolken en ontvangen dan eene weide als de andere melkkoeien: ook de ossen, die nu vetgeweid of den volgenden winter gemest zullen worden, geeft men nu in den rogol eene betere weide. Zoo ook de gel (onbevrucht) gebleven vaarzen. Stieren worden in 't algemeen, maar vooral in den dektijd, iets boter gevoed.

Ten slotte vermelden wij eenige rantsoenen voor jong melkvee, bij stalvoe-dering, door Em. Wolff ') opgegeven.

Leeftijd 2—3 mnd. Leeftijd 3—6 mnd. Leeftijd 6—12 mnd. Leeftijd 12—18 mnd.

Gem. levendgew. 70 K( i. Gem. levendgew. 140 KG. Gem. levendgew. 230 KG. Gem. levendgew. 320 KG. 1 KG. weidehooi 2 KG. weidehooi 3 KG. weidehooi 4 KG. weidehooi

4 » afgeroomde melk 1 » haver 2 » stroo v. zomergraan 4 » stroo v. zomergraan

0.5 » haver 0.5 » roggezemels 1 » haverkaf 9 » aardappels

0.08» aardnootolie 0.83 •gt; lijnkoek 4 » mangelwortels 1 » raapkoek

1/2 » moutkiemen */4 » aardnootkoek

b. Voeding van melkvee. Het doel, dat men met het houden van melkvee heeft, is hot -voortbrengen van eene zooveel mogelijk groote quantiteit melk van eene goede samenstelling, dat is rijk aan boter en kaas. In 't algemeen is men het daarover eens, dat beide in de eerste plaats afhankelijk zijn van de ontwikkeling van het daarvoor dienende orgaan, den uier of de melkklieren, en dat de voeding eerst in de tweede plaats daarvoor in aanmerking komt.

De molk is het product van de melkklieren. Met uitzondering van het water komen hare hoofdbestanddeelen : de kaasstof, de boter en de melksuiker, als zoodanig niet in het bloed voor, maar worden in de melkklier gevormd. Bovendien bewijst de samenstelling van de asch der melk, dat de laatste niet eene eenvoudige afscheiding uit het bloed, maar uit cellen, uit een weefsel ontstaan is. De asch der melk heeft namelijk eene dergelijke samenstelling als de asch van weefsels; zij komt niet overeen met die der vochten, welke, zooals do bloedvloeistof, liet lichaam doorstroomen. Zij is rijk aan phosphorzure kalk en kalizouten en bevat slechts weinig keukenzout, welke laatste daarentegen een gewoon bestanddeel van 't bloed en andere lichaamsvochten uitmaakt.

Uit een en ander vloeit voort, dat hoe meer ontwikkeld, hoe rijker aan cellen de melkklieren zijn, des te meer melk kan worden voortgebracht. Maar dientengevolge is ook de geheele behandeling, de wijze van melken, de tijd na het afkalven enz., daarop van invloed. Do voeding komt in hoofdzaak

') Mentzel 11. Lengerke's Landw. Kalender. Aan het einde van flit deel zullen meer rantsoenen tabellarisch worden opgegeven.

-ocr page 277-

^30

slechts in zoover daarvoor in aanmerking, als zij moet dienen om het materiaal te leveren voor de vorming van melk in de cellen. Zijn echter de melkklieren weinig ontwikkeld, zoo helpt ook de beste voeding niet; een rijker toevoer van voedsel baat dan weinig voor het melkgeven; het wordt voor andere doeleinden, voor de vet- en vleeschvorming in het lichaam, verbruikt.

Rij een goed ontwikkelden nier passen mtusschen ook goede verteringsorganen. Yan twee dieren, met even goed ontwikkelde melkklieren, zal daarom dat de meeste melk geven, 'twelk in zijn darmkanaal eene daaraan beantwoordende hoeveelheid voedsel opnemen en verteren kan, met andere woorden er dient eene goede verhouding tusschen de ontwikkeling der melkklieren en de spijsverteringsorganen te zijn. Gelijk reeds hierboven gezegd is, dient bij het aan-fokken van melkvee daarop dus vooral gelet te worden, namelijk dieren te verkrijgen met goed ontwikkelden uier en die eene goede hoeveelheid voedsel kunnen verteren. Dit is des te meer van belang, omdat beide eigenschappen erfelijk zijn.

Als voedingsstof komen ook hier in de eerste plaats de eiwitstoffen in aanmerking. Zij toch moeten het materiaal leveren, waaruit niet alleen de melkklieren worden opgebouwd, maar ook voor hetgeen in de kliercellon verwerkt wordt. Vet- en koolhydraten kunnen daarvoor slechts ton deele dienen. Deze werken eiwitsparend; zij moeten daarom in eene zekere verhouding tot het eiwit in het voedsel worden aangevoerd. Eene te groote hoeveelheid vet en koolhydraten is echter nadeelig, omdat zij vorming van orgaaneiwit en vet in andere deelen van het lichaam ten gevolge heeft en de afscheiding van melk benadeelt. Voortdurend, inzonderheid als hot orgaan, de melkklieren, in volle werking is, moet eiwit worden aangevoerd. Dan vooral moet er voorraad van omloopend eiwit zijn, bl. 52. Daarom wordt eene koe, die veel melk geeft, soms mager, wanneer namelijk niet genoeg eiwit met het voedsel aangevoerd of dit voor andere functiën (oxydatie) wordt verbruikt; orgaaneiwit wordt dan in omloopend eiwit omgezet. De landbouwer drukt dit gewoonlijk uit door te zeggen, dat eene melkkoe tegen het melkgeven in goeden staat moet wezen, dat zij eene zekere welgedaanheid moet bezitten, dat dit of dat voedsel goed nawerkt enz. Jul. Kühn zegt, met betrekking tot de voeding van melkvee: De hoeveelheid en het gehalte aan droge stof der melk is des te gunstiger, hoe rijker aan eiwit tot zekere grens het voedsel is en hoe minder van hot stikstofgehalte daarvan voor den opbouw en voor de herstelling van het lichaam verbruikt wordt. Daarom geven dieren, die gedurende den winter slecht gevoederd worden en in voedingstoestand zeer ten achteren gekomen zijn, ook bij volle weide of groenvoer noch zooveel melk, noch zooveel boter als koeien, die in een gelijkmatig goeden voedingstoestand zijn gebleven.

Hoe goed echter eene behoorlijk rijke voedering door de melkkoeien beloond moge worden, zoowel in betrekking tot de quantiteit als ook wat betreft de qualiteit der melk, zoo weinig betalen zij een bovenmate ontvangen voeder. Proeven van Gustav Kühn en M. Fleischer hebben dit ton duidelijkste bewezen. Deze vonden, dat, zoodra voor de normale verrichting van hot organisme on de regelmatige werking der verschillende organen in liet algemeen gezorgd is, op de melkproductie slechts binnen zeer nauwe grenzen en hoogstens op de quantiteit, veel minder op de qualiteit, door meer toevoer van voedingsstoffen invloed kan worden uitgeoefend. Bij eene in het algemeen passende voeding

-ocr page 278-

240

hangt de hoeveelheid melk wezenlijk van de individualiteit van 't dier af. Dit neemt echter niet weg, dat do smaak en de ronk der voedingsmiddelen, die dikwijls van onweegbaar kleine hoeveelheden afhankelijk zijn, ook aan de melk en boter worden medegedeeld en dat op de meerdere of mindere vastheid en do kleur van de laatste de voedingsmiddelen eveneens niet zonder invloed zijn. Op deze en gene bijzonderheden komen wij Meronder, bij de zuivelbereiding, nog terug. Eene bijzonder gunstige werking op de quantiteit droge stof der melk in het algemeen en van de boter in het bijzonder heeft men ook bij het voederen met palmkoeken waargenomen, terwijl waterrijk voeder in het algemeen waterrijke melk levert. Hoofdzaak is en blijft echter, dat bij eene in het algemeen passende voeding de hoeveelheid melk wezenlijk afhangt van de individualiteit der koe en dat bij de voeding niet enkel het levend gewicht, maar ook de hoeveelheid melk, die zij geeft, in aanmerking moot worden genomen, 't Is trouwens in de practijk van algemeene bekendheid, dat de beste melkgeefsters liet meest vreten.

Ook Gustav Kühn ') zegt aan hot slot zijner proeven over de voeding van melkvee; „De landbouwer zal wèl doen, niet alle melkkoeien van zijn stal gelijk, b.v. zoo ongeveer naar haar levend gewicht, te voeden; hoogstens kan hij haar een zeker hoofdvoer op zidk eene wijze toedienen, maar het licht verteerbaar bijvoer moet hij, naar hare individueele voortbrenging en alzoo op grond van verschillende melkmetingen, in ongelijke hoeveelheid aan elk dier in 't bijzonder doen geven.quot;

Bepaalde voorschriften voor de voeding van melkvee kunnen dan ook moeilijk worden gegeven.

C. Lehmann stelt als normaal dagelijksch rantsoen per 1000 KG. levend gewicht voor eene melkkoe in het midden der lactatieperiode in afgeronde cijfers en aannemende dat voor onderhoudsvoer 0.7 KG. verteerbaar eiwit en 7 KG. verteerbare stikstofvrije stoffen (inclusief 2.5 maal de hoeveelheid vet) noodig zijn:

Bij een ilagel. Droge stof. Eiwit. Vet. Stikstofvrije Voedereenheden; Verhouding, melkgift van stoffen, eelstof v. d. helft.

5 KG. 25 KG. 1.6 KG. 0.3 KG. 10.0 KG. 10.2 KG. 1 ; G.7

7.5 » 27 » 2.0 » 0.4 » 11.0 » 12.2 » 1 : G.0

10 » 29 » 2.5 » 0.5 x 13.0 » 14.2 » 1 : 5.7

12.5 » en meer 32 » 3.3 » 0.8 » 13.0 » 1G.0 » 1 : 4.5

Volgens Jul. Kühn zal men zich, wat de samenstelling van het voeder betreft, aan de volgende grenzen kunnen houden:

Voor 1000 KG. levend gewicht moet het dagelijksch voeder bevatten aan:

droge stof.................. 20 —33.5 KG.

verteerbaar zuiver eiwitl)............ 1.5— 2.4 »

verteerbaar vet................0.4— 0.7 »

verteerbaar stikstofvrije extractiefstoffen, de helft der verteerbare eelstof en de stikstofhoudende niet-eiwitstoffen . 12.0—14.0 » voedingsverhouding...............1 : 5 a 1 : 8.

') Füh lings, I.andw. Zeitxmg iS79. J) Zie bl. 114.

-ocr page 279-

241

Emil. Wolff gaf vroegerals normale hoeveelheid op voor 1000 KG. levend gewicht:

geheele hoeveelheid organische stof ')...........24 KG.

verteerbaar eiwit en amiden..............2.5 »

verteerbaar vet..................0.4 »

verteerbare stikstof vrije stoffen.............12.5 »

verteerbare stoffen in 't geheel.............15.4 »

voedingsverhonding.................1 : 5.4.

Geeft eene koe volop melk, dan is de hier voorgeschrevene hoeveelheid eiwit waarschijnlijk niet toereikend. Aannemende toch, dat in de melk ;5 proc. eiwitstoffen en 3 proc. vet aanwezig zijn en dat het vet ook hoofdzakelijk uit eiwit is ontstaan, — de kleine hoeveelheid vet in het voeder is daarvoor in allen gevalle van geringe beteekenis —, dan zullen, aangezien volgens het onderzoek van Henneberg voor de 3 proc. vet ongeveer G proc. eiwit noodig zijn, in 'tgeheel voor 100 deelen melk 9 deelen eiwit vereischt worden. Neemt men mi aan, dat op 1000 KG. levend gewicht 25 KG. melk wordt voortgebracht, dan zouden daarvoor 2.25 KG. eiwit noodig zijn en blijven er bij eene hoeveelheid van 2.5 KG. in het voeder slechts 0.25 KG. voor do gewone stofwisseling over.

Proeven om door toevoeging van meer vet aan het voedsel de productie dei-melk of het vetgehalte daarvan te verhoogen hebben geen resultaat gegeven. Beter is het de geheele hoeveelheid voeder, en in de eerste plaats het eiwitgehalte te verhoogen, om dit in overeenstemming met do melkproductie te brengen, zooals hierboven is aangegeven. Op grond van de proeven van Hubner en in aanmerking nemende dat vet ook uit koolhydraten kan gevormd worden, is C. Lehmann geneigd de hoeveelheid voeder voor eene melkkoe in warmte- en voedingseenheden aan te geven, bl. 70. Het onderhoudsvoeder van eene melkkoe van 500 KG. vertegenwoordigt volgens deze proeven eene warmtehoeveelheid van 1G400 groote caloriön, en bij de verwerking van het voeder tot melk gaat ongeveer 55 0/0 verloren en wordt dus 45 0/0 nuttig effect verkregen.

Geeft nu eene koe van bovengenoemd levend gewicht dagelijks 10 KG. melk, dan vertegenwoordigen do bestanddeelen daarvan, zie bl. GO;

eiwit 320 gram X 5.8 = 185G cal.

vet 3G0 » X 9-13 = 3323 »

suiker 500 » X 3.95 = 1975 »

samen . . . 7154 cal.

Rij 45 quot;/„ nuttig effect moet de warmtehoeveelheid in het voeder dus zijn;

7154 X = 1589S cal.

4i)

daarbij voor onderhoudsvoer 1G400 »

samen . . . 32298 cal.2).

1

) De geheele energie van het voeder is derhalve aldus ongeveer verdeeld : 50 0/0 voor het onderhoud,

20 » in de melk,

30 » voor de productie der melk.

Jordan, .Tentier en Fuller {Molkereizeit. lierlin, 8 Maart 1002) vonden daarvoor bij shorthorn- en Jersey-koeien en een vetarm voedsel resp. ruim 40, 30 en 20 a 25 proc.

REINDF.RS, 111. Vierde druk. -IC

-ocr page 280-

Dit aantal Caloriën moet nu over de drie voedingsstoffen verdeeld worden. Neemt men daartoe aan, dat eene hoeveelheid van 250 gram vet in het dagelijksch rantsoen niet te veel is, en verder eeno voedingsverhouding van 1 : 5.5, dan heeft men do volgende drie vergelijkingen:

1. vot = 250.

2. 4.1 X ehvit 4.1 X stikstofvrije stoffen 9-3 X vet = 32298.

3. eiwit: stikstofvrije stoffen -)- 2.5 X vf't = 1 : 'quot;gt;■5.

Do oplossing van deze drie vergelijkingen geeft:

eiwit 1221 gram, vet 250 gram, stikstofvrije stoffen Cl 10 gram, of afgerond per 1000 KG. levend gewicht:

2.44 KG. eiwit, 0.5 KG. vet en 12.2 KG. stikstofvrije stoffen.

Zonder bezwaar kunnen deze cijfers nog iets meer afgerond worden, li.v. in plaats van 2.44, 2.5 KG. eiwit.

„Uit de geheele wijze van berekening blijkt,quot; zegt Lehmann, „dat hot in de eerste plaats daarop aankomt genoeg voedingsstoffen in het algemeen te geven, maar dat men in de verhouding daartusschen eenigo vrijheid heeft. In plaats van 250 gram vet kan men b.v. iets meer of iets minder nemen en daarnaar de qnantiteit stikstofvrije extractstoffen met eene gelijkwaardige hoeveelheid verminderen of vermeerderen.quot;

Verder ziet men, dat de hoeveelheid voedsel ook afhankelijk is van de samenstelling der melk. Daarvan wisselt minder af de goheele hoeveelheid droge stof, dan wel het vetgehalte (zie zuivelbereiding), zoodat men do toelage bij hot onderhoudsvoeder ook zonder bezwaar naar het vetgehalte der molk kan aangeven en wel in dezen zin, dat boven het onderhoudsvoeder gegeven wordt per dag voor elke KG. melk dat de koe geeft bij een vetgehalte van 2.5 0ln ... . 333 gram voedingsstoffen van de waarde van zetmeel. 3.0 » .... 358 » » » » » » »

3.5 » .... 383 » » » » » » »

4.0 » .... 408 » » » » » » »

4.5 » .... 433 » » » » » » »

Behalve melk brengt het vrouwelijke volwassen rund in den regel jaarlijks een kalf voort. Aangezien zulks valt in een tijdperk dat de melkproductie vermindert, behoeft de hoeveelheid voeder mot liet oog daarop niet verhoogd te worden. Toch moet eene rationeele voeding daarmede rekening houden. Inzonderheid moet dan in het voedsel de noodige hoeveelheid phosphorzure kalk voor de vorming der beenderen aanwezig zijn. Te veel ruw voer (stroo) mag tegen het laatst der draagtijd niet worden gegeven; zoo ook geen beschimmeld en bevrozen voer, bl. 105. Goed hooi met eenig koek of graan mogen als hot doelmatigst worden beschouwd. Zie ook hieronder.

In de practijk bestaat eene oneindige verscheidenheid in de voeding van het melkvee. Wij hebben hier te onderscheiden: aa. de voeding in den zomer, en bb. de voeding in den winter.

aa. De voeding in den zomer. Goed weiland, in het bijzonder zoogenaamd oud groenland, is voor melkvee voorzeker het meest gepaste zomervoer. Maar niet ieder landbouwer heeft dit te zijner beschikking. In vele bouwstreken treden kunstweiden, veelal witte Klaver met eenig gras, maar die niet altijd genoeg voedsel geven, in zijne plaats. Niet zelden zijn ook de gewone gras-

-ocr page 281-

I

243

landen te schraal om het vee veel melk te doen geven en het behoorlijk bij vloesch te honden. Elders komt men voor het melkvee weide te kort en moet men met het voederen van Klaver enz. op stal, dns door hoelo of halve zomer-stalvoedering, in het ontbrekende voorzien, liet meest gepast is zulks nog bij melkvee, dat enkel om de melk gehouden en daarna gust wordt gelaten. Vee, ook voor het aanfokken gehouden, dient zich meer vrij te kunnen bewegen. Bij halve stalvoedering komt hot gewoonlijk des nachts, soms ook op het heetst van den dag, onder dak en wordt het met droogvoer, of anders mot groenvoer, Snijrogge, Spurrie enz., in Noord-Brabant ook met sop, bl. 132, toegevoerd. Bij heele stalvoedering vereischt hot veel zorg om den geheelen zomer door genoegzaam en gepast groenvoer te hebben. Snijrogge, roode Klaver, Luzerne, Gras, Haver met Wikken, Spurrie, en tegen den herst Mais, loof en bladeren van bieten, enz. zijn daarvan do belangrijkste. De moeilijkheid om mot dit voedsel, van zooveel verschillenden aard, dikwijls ook van verschillenden ouderdom en dus ook daarom in samenstelling aanmerkelijk van elkander afwijkende, bl. 115, gelijkmatig te voederen, heeft sommigen doen voorstellen al het groenveel' te drogen en ook des zomers slechts droog voer te geven. Kramer en lurstenberg meenen, op grond van opzettelijke onderzoekingen , zulks te moeten aanbevelen. Bedenkt men echter, dat het drogen van groenvoer in ons min of meer vochtig klimaat dikwijls veel tijd en arbeid kost en met aanzienlijke verliezen gepaard kan gaan, zoo mag deze voederwijze geenszins zonder nader onderzoek worden aanbevolen. Ecne proef van Werner leerde, dat, bij hetzelfde gehalte, klaver-hooi iets vettere melk leverde en het levend gewicht iets meer deed toenemen dan versche klaver.

Op zich zelf is elk van de boven genoemde soorten van groenvoer zelden oen gepast voeder voor melkvee: het is öf te arm öf te rijk aan eiwit, liet best doet men daarom, twee of drie soorten, eiwitrijkeen eiwitarme, te gelijk te voeren, b.v. Haver en Wikken. Verder zal men ook hier de ondervinding, bl. 240, moeten raadplegen en, is het te arm aan eiwit, b.v. mais, het zoo noodig door toevoer van koek, of als het te rijk is aan eiwit, b.v. klaver, door bijvoeren van stroo moeten verbeteren. Wat het voederen met klaver betreft, hebben proeven van G. Kühn en anderen bewezen, dat het snijden tot haksel en het te vermengen met stroohaksel ook hier voordeelig uitkomt, even als wij dit voor het voederen van jongvee hebben aanbevolen. G. Kühn voederde eene koe, 400 KG. zwaar, eerst met roode Klaver zooveel als haar lustte. Zij gebruikte hiervan dagelijks 05.1quot;) KG. of, per 1000 KG. levend gewicht berekend, 33.9 KG. droge stof, en hierin waren aan verteerbare voedingsstoffen aanwezig; 4.7 KG. eiwit, 0.9 KG. vet en 14.7 KG. koolhydraten, derhalve met de zeer nauwe voedingsverhouding van 1 ; 3.4. Na eenigen tijd werd een vijfde deel van de droge massa der roode Klaver door daartussehen gesneden stroo vervangen. Het dagelijksch rantsoen bevatte nn: 2G.5 KG. droge stof met 3.C KG. eiwit, 0.7 KG. vet en 11.02 KG. koolhydraten, en niettegenstaande de vermindering van eiwit en vet in het voeder, bleef do melk- en boteropbrengst even hoog als bij het voederen van enkel klaver.

In de omstreken van Schiedam wordt het melkvee in de weide mot spoeling toegevoerd, op gelijke wijze als mestvee, maar hot ontvangt meer weide en minder spoeling dan dit: zie bl. 250.

10*

-ocr page 282-

244

hb. Ik voeding in den winter. Mot het stiillon van 't melkvee in den herfst wordt het melkgeven, dat in hot laatst van den weidetijd, vooral bij nat, gnur weer, reeds aanzienlijk verminderd is, allengs geringer. Wel kan bij eene goede winterstalvoedering nog lang met het molken worden voortgegaan , maar bij het drachtige vee heeft het kalf ook zijne eischen. De stroom wordt hier door de natuur wel min of meer zelve verlegd, maar de voeding moet ook rekening daarmede honden.

De overgang van het groenvoer tot het droge wintervoer moet langzamerhand geschieden. Worden de weiden te schraal, dan kan toevoer van droog voer of ander groen voer in de weide gewenscht zijn, om de melkproductie niet te veel te doen dalen. (Zie ook de samenstelling van het botervet onder zuivelbereiding). Op stal wordt bij liooi cn stroo eerst hot loof van de verschillende wortel- en knolgewassen enz., daarna worden deze laatste zelve gegeven. In de bomvstreken, waai' veelal schaarschte van hooi is, wordt dit steeds tot het laatst van don draagtijd en na het afkalven voor het melkvee gespaard en in den eersten tijd meer stroo en wortels gegeven. Daarbij wordt dan in den regel ook hot kaf gevoegd. Sedert de zuivelbereiding in Denemarken zoo'n hooge vlucht hooft genomen worden aldaar veel meer knol- on wortelgewassen , vooral koolrapen boven den grond, verbouwd '). Uit stroo en mangelwortels alleen laat zich echter geen goed voederrantsoen voor melkvee samenstellen. Wel gaat de melkafscheiding daarbij geregeld door, maar ten koste van het orgaaneiwit ; het vee vermagert. Daarom dient nog krachtvoer te worden toegevoegd. Ook wanneer onkel hooi of persvoeder wordt gegeven is daarbij krachtvoer noodig om hot vee in een goeden staat te houden. Als krachtvoer wordt vooral haver of koek aanbevolen. Haver is licht verteerbaar; men geeft daarvan niet licht te veel. Van koek, althans van dezelfde soort, worde liefst niet meer dan 1 a l'/j KG. por dag en por hoofd gegeven. In het bijzonder zijn do palmkoeken voor melkvee aanbevolen. Uit nauwkeurige prooven van G. Kühn en uit verschillende waarnemingen van Saksische landbouwers — zie hieronder — is ook gebleken, dat de palmkoeken inderdaad een voedormiddol vormen, dat eene bijzonder gunstige werking uitoefent op de verhooging van het vetgehalte dor molk en op de hoedanigheid van het botervet. In den laatsten tijd is die gunstige werking echter weer in twijfel getrokken 1). Een dergelijken invloed wil men aan kokoskoeken en moutkiemen toeschrijven. Ook boon- en erwtemeel, rogge- en gerstemeel en zemels zijn als voeder voor melkvee in gebruik en waar fabrieken aanwezig zijn, spoeling, brouwersdraf enz. Zijn de aardappels laag in prijs, zoo worden deze mode wel aan melkvee vervoederd, hot best ongekookt. Zij werken gunstig op de melkafscheiding. Van de krachtvoedermiddelen werken boon- en erwtenmoel daarop minder gunstig, en nog minder gunstig het zaad van wikken en lupinen.

Welke van deze verschillende voedingsmiddelen het boste en goedkoopste zijn, en hoeveel daarvan al gegeven moet worden, hangt van zooveel verschillende omstandigheden af, dat geenorlei voorschrift dienaangaande steek houdt. „Het is ondoenlijk,quot; zegt Petersen, „eene bepaalde aanwijzing te geven,

') VAcjricullnrp. en Danemnrk d Vexposiiion de. Paris, 10(10. -) Klein, Erfolfireiche Milcliwirluchafl, S. IS.

-ocr page 283-

245

hoe krachtig gevoederd worden moet en welke voedcrmiddclen onder alle omstandigheden de voorkeur verdienen, maar de regel, dat er altijd getracht moet worden de melkkoeien steeds gelijkmatig sterk te voederen, mag de landbouwer nooit uit het oog verliezen. Wordt er vandaag goed gevoederd en morgen slecht, zoo kan in dusdanig geval het goede voeder niet naar zijne waarde ten nutte gemaakt worden. De voedingstoestand bepaalt in de eerste plaats de hoogte van de melkopbrengt, of met andere woorden: de laatste stijgt niet eerder, voor dat het geheele organisme der dieren zich voor de krachtiger voeding ingericht heeft. Dit feit maakt, naast dit andere, dat ook do vertering slechts bij eene gelijkmatige voeding zoo volkomen mogelijk zijn zal, het inachtnemen van bovengenoemden regel tot eene dringende noodzakelijkheid.

De spreuk: „omstandigheden veranderen de zaken,quot; komt echter ook in dit geval tot haar recht. In zulke boerderijen, waarin men tot nog toe geslaagd is de voeding der melkkoeien zoo krachtig mogelijk te kunnen opvoeren, waar men de melkrijkste koeien krachtiger voedert dan de minder goede, kan het goed zijn, de melkkoeien tegen het einde van 't tijdperk van melkgevon, wanneer zij alzoo weldra opnieuw zullen afkalven en gedurende het droogstaan, minder krachtig te voeden clan in den besten melktijd, en wel niet alleen daarom, wijl zij het krachtiger voeder in dit tijdperk minder productief maken, maar ook om de dieren tegen allerlei ziekten, als kalverziekte, uierontstekingen en dergelijke storingen, na het afkalven te vrijwaren. Hoe minder krachtig echter de voeding is, in des te, geringer mate is deze voorzorg noodig of voordeelig. Bij eene voeding, die de melkkoeien in de periode van hare hoogste melkopbrengst noodzaakt van de in den voorafgaanden tijd opgespaarde krachten meer of minder te teren, is zulk eene verandering in de voeding ongetwijfeld ook nadeelig.quot;

Door het bestuur der verbonden landbuuwvereenigingen te Halle in Saksen is onder leiding van hot proefstation aldaar in den laatsten tijd een onderzoek ingesteld omtrent de doeltreffendste voedering van melkvee, en op grond daarvan een aantal typische voederrantsoenen vastgesteld, waarvan er eenige aan het eind uan dit Deel zullen worden medegedeeld.

Uit de gedane waarnemingen konden de volgende besluiten worden getrokken.

1. Men neme van het hoofdvoer zooveel als met het oog op den aanwezigen voorraad aan voederniiddelen in de boerderij mogelijk is, en trachte boven alles de dieren eene voldoende hoeveelheid stroo en kaf te doen opnemen, om daardoor op de goedkoopste wijze de hoofdmassa van de noodige hoeveelheid stik-stofvrijo stoffen te verkrijgen.

2. Wanneer men dit doet zal men weinig van de stikstofarme krachtvoeder-middelen (b.v. mais of rijstmeel) behoeven te geven.

3. Eene bevredigende productie kan slechts dan verkregen worden, wanneer eene voldoende hoeveelheid voedingsstoffen in het rantsoen aanwezig is, en als normale hoeveelheid voor 1000 KG. levend gewicht kan worden aangenomen 2.50 KG. verteerbare stikstofhoudende en 13.50 KG. verteerbare stikstofvrije stoffen.

4. Bij melkgevende dieren , en in het bijzonder in den eersten tijd na het afkalven, zal nog eene verdere stijging tot 3 KG. stikstofhoudende, ja nog daarboven en tot 15 KG. stikstofhoudende stoffen kunnen rendeoren, in de veronderstelling evenwel, dat de stikstofvrije stoffen in hoofdzaak door het

-ocr page 284-

246

hootdvoer geleverd en slechts eeno inutige lioeveelhcid eiwitarme kracht voeder-middelen gebruikt wordt.

5. Zoodra in het verder verloop van den tijd van het melkgeven (lactatie-poriodo) do uitgaaf van het meerdere rantsoen niet meer gedekt wordt door do verkregen melkopbrengst, vermindert men allengs de hoeveelheid krachtvoer. Droogstaande koeien geve mon slechts matige giften krachtvoer en late daarbij de sterk werkende eiwitrijke voedermiddelen geheel achterwege (wegens gevaar voor kal verziek te enz.; zie hierboven).

ö. Men bestede de grootste zorg aan de keus der krachtvoedermiddclen, aangezien hiervan vooral afhangt of de voeding zal rendeeren. Men zie daarom niet O]) tegen de geringe moeite, het gehalte van het hoofdvoer aan voedingsstoffen te berekenen en daardoor ocne belangrijke aanwijzing omtrent de juiste keus van de krachtvoedermiddelen te verkrijgen.

7. Men neme daarbij in aanmerking, dat in verreweg de meeste gevallen het hoofdvoer betrekkelijk te arm is aan stikstofhoudende stoffen en clerhalve in de eerste plaats toevoeging van stikstofrijke krachtvoedermiddelen noodig is.

8. Voor eeno bevredigende productie is dus in de eerste plaats eene toereikende hoeveelheid stikstofhoudende stoffen noodig. Eeno voeding, te rijk aan stikstof, is in den regel minder schadelijk dan eene te arm daaraan, aangezien de overmaat turn stikstof, ook als zij voor de melkproductie niet meer rendeert , de waarde van den mest verhoogt.

Na deze verschillende beschouwingen en opmerkingen zullen wij eenige rantsoenen nog iets nader bespreken.

Op grond van bovenstaande onderzoekingen en proeven te Lauchstadt in Saksen wil Maercker zoowel aan melk- als aan mestvee een grondvoeder gegeven hebben, bestaande uit minstens 5 KG. hooi en 12 KG. stroo per 1000 KG. levend gewicht. Het ontbrekende wordt dan aangevuld deels met voedermiddelen, rijk aan koolhydraten, als wortelgewassen, aardappels enz., in de boerderij aanwezig, of gemakkelijk verkrijgbaar, als b.v. pulpe, spoeling enz., deels uit eiwitrijk krachtvoeder, dat veelal moet worden aangekocht; zoodat men voor melkvee per 1000 KG. levend gewicht ongeveer krijgt 2.5 KG. verteerbare stikstofh. stoffen, 13 KG. verteerbare stikstofvrije extractstoffen en 0.5 KG. verteerbaar vet. Nemen wij echter het eenvoudigste geval en stellen we, dat een veehouder voor zijn melkvee een voldoende hoeveelheid goed grashooi heeft, en met Wolff aan, dat voor 1000 KG. levend gewicht (dus ongeveer voor 2 koeien van 500 KG.) noodig zijn:

Geheele hoeveelheid Verteerbaar eiwit Verteerbaar Overige verteerbare organische stof. (O.) en amid. (E.) vet. (V.) stikstofvrije stoffen. (K.)

24 KG. 2.5 KG. 0.4 KG. 12.5 KG.

met eene voedingsverhouding van ongeveer 1 ; 5.4.

Uit de tabel achter dit Deel kan men de samenstelling van zeer goed hooi naslaan. Het bevat ongeveer 80 proc. organische stoffen. Om do daarvan vereischte hoeveelheid te verkrijgen heeft men dus 30 KG. noodig. Wij krijgen dan

O. E. V. K.

30 KG. goed hooi 24 KG. 2.2 KG. 0.39 KG. 12.5 KG. en komen dus eiwit en eenig vet te kort, wat het gemakkelijkst wordt aan-

-ocr page 285-

247

gevuld door ecu hoeveelheid koek liij te voeren. Nemen wij daarvoor een Sesamkoek, dan krijgen wij;

1 KG. Sesamkoek 0.8 KG. 0.33 KG. 0.1 KG. 0.15 KG.

Dus samen 24.8 KG. 2.53 KG. 0.49 KG. 12.6 KG.

Wij krijsen dus oen voedingsverhouding van

2.5 ; 0.49 X 2.5 12.G = 1 ; 5.49,

gelijk vereischt wordt.

Geeft het vee volop melk, dan kan de quantiteit eiwit zeker nog iets verhoogd worden, te meer omdat bij het eiwit in hooi ook amidon voorkomen; maar dan is het beter, ook met het oog op do te karnen boter, niet meer Sesamkoek, maar liever raapkoek of pahnkoek te nemen.

Wij hebben hierboven aangenomen, dat hot hooi van zeer goede qnaliteit is. Is dit echter niet het geval, om welke reden ook, dan is het noodig moer krachtvoer bij te voeren. Allerlei graden kunnen zich daarbij voordoen, maar nemen wij eens hooi waarvan 30 KG. slechts het volgende bevat, wat zeer goed kan voorkomen:

O. E. V. K.

24 KG. 1.3 KG. 0.18 KG. 10.9 KG.

Van dit hooi dezelfde hoeveelheid voerende, ontvangt het vee wol ongeveer dezelfde hoeveelheid droge organische stof, maar veel minder voedingsstoffen, liet is zeker niet wenschelijk, van dit hooi hetzelfde rantsoen te geven. Do slochto qualiteit zal trouwens ten gevolge hebben, dat niet alles wordt opgevreten. Nemen wij dus aan dat het vee, in plaats van 30 KG., 20 KG. per

O.

E.

V.

K.

20 KG. slecht hooi

1G KG.

0.92 KG.

0.12 KG.

7.3 KG.

Er moot zijn

24 »

2.50 »

0.40 »

12.5 »

Dus oen tekort van

8 KG.

1.58 KG.

0.28 KG.

5.2 KG.

Om dit te dekken zou bijgevoerd kunnen worden:

O.

E.

Y.

K.

2 KG. palmkoek

1.72 KG.

0.30 KG.

0.18 KG.

1.08 KG.

2 » raapkoek

1.G4 »

0.50 »

0.14 »

0.46 »

5 » haver

4.25 »

0.40 »

0.21 »

2.23 »

3 » tarwezemelen

2.52 »

0.30 »

0.09 »

1.41 »

Samen

10.13 KG.

1.50 KG.

0.52 KG.

5.18 KG.

In 20 KG. hooi was

1G.— KG.

0.92 KG.

0.12 KG.

7.30 KG.

Dus samen

2G.13 KG.

2.42 KG.

0.64 KG.

12.48 KG.

De voedingsverhouding is dan:

2.42 : (0.G4 X 2-r-gt;

12.48) =

1 : 5.8.

Wij zien dus, dat mot deze hoeveelheid krachtvoer de hoeveelheden organische stof en stikstofvrije stoffen ruim voldoende zijn en ook de voedingsvor-houding vrij goed is, maar dat do hoeveelheid eiwit, iets grooter kon wezen. Om hot eiwitgehalte te verbeteren zou het daarom wenschelijk zijn, in jdaats van palmkoek of raapkoek, die wij mot hot oog op do boter hebben opgegeven, een gedeelte daarvan door oen eiwitrijkere koeksoort, b.v. aard noot-, katoen-of Sesamkoek te vervangen.

-ocr page 286-

248

Nemen wij nu nog het geval, dat in eene boerderij geen weidehooi voorhanden is, maar als rmvvoer in hoofdzaak Idaverhooi, haverstroo en maiigel-wortels, en dat eene eenvoudige berekening geleerd heeft, dat op de 1000 KG. levend gewicht gedurende don staltijd daarvan dagelijks gegeven kan worden: S KG. klavorhooi, 10 KG. haverstroo en 20 KG. mangel wortels. Wij hebben dan:

O. E. V. K.

8 KG. klavorhooi 6.32 KG. 0.56 KG. 0.09 KG. 2.96 KG. 10 » haverstroo 8.20 » 0.14 » 0.07 » 4.01 »

20 » mangelwortels 2.40 » 0.22 » 0.02 » 2.00 »

Samen 16.92 KG. 0.92 KG. 0.18 KG. 8.97 KG. Hierbij zou gevoerd kunnen worden:

6 KG. haver 5.10 KG. 0.48 KG. 0.26 KG. 2.65 KG.

1 » raapkoek 0.82 » 0.25 » 0.08 » 0.24 »

2 » aardnootkoek 1.71 » 0.86 » 0.13 » 0.54 » Wij krijgen dan 24.55 KG. 2.51 KG. 0.65 KG. 12.43 KG.

mot eene voedingsverhouding van 1 : 5.6.

Dit rantsoen is schijnbaar vrij goed. Er moet hier echter vooreerst niet vergeten worden. dat het eiwit vooral in het klaverhooi en de mangelwortels geen zuiver eiwit is, maar vrij wat amiden bevat — zie hiervoor do tabel achter dit Deel — en ten tweede, dat het voeren van bieten de verteerbaarheid van het eiwit en van de stikstofvrije stoffen vooral in stroo vermindert. De hoeveelheid droge slof in de mangelwortels bedraagt ongeveer 14 proc. van de geheele hoeveelheid droge stof in het ruwvoer. Volgens Wolff bedraagt dan de dépressie voor het eiwit ongeveer 4 proc. en voor de stikstofvrije stoffen 2 proc., zoodat het eerste met ongeveer 0.04 en het tweede met 0.17 verminderd wordt. Om het evenwicht te herstellen zou het bijvoeren van nog wat koek, b.v. 1 palmkoek, dus gewenscht kunnen zijn.

c. Voeding van mestvee. Ook met betrekking tot het mesten van vee zijn in Duitschland vele proeven genomen, maar meestal met dieren, die met ons mestvee niet altijd kunnen worden vergeleken, namelijk met afgedankte werkossen of oude melkkoeien, terwijl hier te lande naast melkvee, dat men niet langer wenscht aan te houden, ook veel jonge ossen en jonge stieren op ongeveer 2- a 3-jarigen leeftijd gemest worden. Waar in Duitschland spiake is van het mesten van vee zijn het dus runderen meer dau volwassen en die eerst voor andere doeleinden zijn gebruikt, hier ook runderen, nog niet of nauwelijks volwassen en die voor een deel van meetaf voor het mesten zijn voorbereid; daar dieren die bij den aanvang van 't mesten veelal in een min of meer mageren staat zich bevinden, hier ook dieren die in goede weiden niet vet zijn geworden, maar toch behoorlijk goed er uitzien. Een en ander dient men bij het beoordeelen van de voorschriften voor de voeding van mestvee, uit bovengenoemde proeven voortvloeiende, in aanmerking te nemen.

De bedoeling van het veemesten is het voortbrengen van zooveel mogelijk vet en vleesch; het eerste meer bij oudere, reeds volwassen dieren; het laatste meer bij jonge, nog in groei zijnde dieren. Beide gevallen moeten wol worden onderscheiden. Yet is eene stikstofvrije stof, die zich op verschillende plaatsen in het lichaam in het bindweefsel afzet. Vleesch (de eigenlijke spier-

-ocr page 287-

249

substantie) is, evenals bovengenoemd bindweefsel, stikstofhoudend. Ouk in hei bindweefsel tussehen de spierbundels zet zich vet af, bi. 10. liet bindweefsel, de eigenlijke spiersubstantie met nog eenigo andere weefsels komen in samenstelling met eiwit overeen; zij vormen de hoofdmassa van het zoogenaamde orgaaneiwit in het lichaam.

Naast dit orgaanciwit bevat liet lichaam in het vleeschsap, het bloed enz. omloopond eiwit, dat meer direct uit hot eiwit van 't voedsel is ontstaan en op zijne beurt dient om de verschillende weefsels te vormen. Het is do voorraad, waaruit door celdeeling spiervezels, dus vleesch en andere weefsels, alsmede vet gevormd worden , bl. G2.

Vandaar dat ook bij het mesten van vee in de eerste plaats eene voldoende hoeveelheid eiwit in het voedsel aanwezig moet zijn ').

Voor het onderhond der dierlijke warmte en voor 't verrichten van arbeid zijn intusschen ook stoffen noodig. Deze worden in het lichaam verbruikt, verbrand en leveren alzoo warmte en ander arbeidsvermogen, bl. C4. Het zijn hoofdzakelijk het vet en de koolhydraten, welke, in vereeniging met do bij de ademhaling opgenomene zuurstof, daarvoor dienen.

De koolhydraten worden met het voedsel opgenomen; het vet kan, als boven gezegd, ook door splitsing van de eiwitstoffen en uit koolhydraten zijn ontstaan, bl. G1 en 62. Bij het mesten tracht men het verbruik, dat wil zeggen de oxydatie van deze stoffen zooveel mogelijk te beperken; vandaar het nut eener niet te lage staltemperatuur en eene niet te sterke verlichting, het voordeel van zoo quot;weinig mogelijk beweging en eene slechts matige ontwikkeling der longen, zoodat eene niet te groote hoeveelheid zuurstof opgenomen wordt. Meer bepaald dienen de koolhydraten in het voedsel ook om tie eiwiwitstoffen en het vet voor oxydatie te bewaren, opdat deze zich in het lichaam kunnen afzetten. Er kan echter ook vet uit de koolhydraten ontstaan, en liet is nog niet voldoende opgehelderd, welk aandeel nu eens deze dan gene stoffen aan do vetvorming bij het mesten hebben.

lüj het niesten van volwassen dieren, trekossen boven do 5 a (i jaar en oude melkkoeien, heeft geeno nieuwvorming van spiervezels plaats, maar er zet zich bij deze dieren vet in het bestaande of tijdens het mesten nieuw gevormde bindweefsel af. Tevens worden de spiervezels met eiwitrijk vleeschsap doortrokken. Het vleesch wordt in het algemeen tijdens het mesten armer aan water en rijker aan vet enz., gelijk uit het volgende onderzoek van vet en mager vleesch door Breunlin blijkt.

In 1000 KG. vleesch werd gevonden:

Spiervleesch

Vet.

Asch.

Water.

(eiwit).

een vetten os

350

239

15

390 KG.

» mageren »

308

81

14

597 »

Verschil

48

158

-f 1

— 207 KG.

Het vleesch van oen vetten os bevat derhalve ongeveer de helft meer vaste stoffen of een derde minder water als het vleesch van een mageren os.

l) Volgens Maercker bedraagt het omloopend eiwit, bij normale stofwisseling, 5— 10 proc. van het geheele eiwitgehalte, in den hongertoestand slechts 1 proc.

-ocr page 288-

242

Dit aantal Caloriën moet nu over de drie voedingsstoffen verdeeld worden. Neemt men daartoe aan, dat eene hoeveelheid van 250 gram vet in het dagelijkseh rantsoen niet te veel is, en verder eene voedingsverhouding van 1 ; 5.5, dan heeft men do volgende drie vergelijkingen:

1. vot = 250.

2. 4.1 X eiwit -{- 4.1 X stikstofvrije stoffen -|- 9.3 X vet = 32298.

3. eiwit: stikstofvrije stoffen -)- 2.5 X vet = 1 : 5.5.

Do oplossing van deze drie vergelijkingen geeft:

eiwit 1221 gram, vet 250 gram, stikstofvrije stoffen G110 gram,

of afgerond per 1000 KG. levend gewicht:

2.44 KG. eiwit, 0.5 KG. vet en 12.2 KG. stikstofvrije stoffen.

Zonder bezwaar kunnen deze cijfers nog iets meer afgerond worden, li.v. in plaats van 2.44, 2.5 KG. eiwit.

„Uit de geheole wijze van berekening blijkt,quot; zegt Lehmann, „dat hot in de eerste plaats daarop aankomt genoeg voedingsstoffen in liet algemeen te geven, maar dat men in de verhouding daartusschen eenige vrijheid heeft. In plaats van 250 gram vet kan men b.v. iets meer of iets minder nemen en daarnaar de qnantiteit stikstofvrije extractstoffen met eene gelijkwaardige hoeveelheid verminderen of vermeerderen.quot;

Verder ziet men, dat de hoeveelheid voedsel ook afhankelijk is van de samenstelling der melk. Daarvan wisselt minder af de geheele hoeveelheid droge stof, dan wel het vetgehalte (zie zuivelbereiding), zoodat men de toelage bij het onderhondsvoeder ook zonder bezwaar naar het vetgehalte der melk kan aangeven en wel in dezen zin, dat boven het onderhoudsvoeder gegeven wordt per dag voor elke KG. melk dat de koe geeft bij een vetgehalte van 2.5 0ln ... . 333 gram voedingsstoffen van de waarde van zetmeel. 3.0 » .... 358 » » » » » » »

3.5 » .... 383 » » » » » » »

4.0 » .... 408 » » » » » » »

4.5 » .... 433 » » ■gt; » » » »

Behalve melk brengt het vrouwelijke volwassen rnnd in den regel jaarlijks een kalf voort. Aangezien zulks valt in een tijdperk dat de melkproductie vermindert, behoeft de hoeveelheid voeder met hot oog daarop niet verhoogd to worden. Tocli moet eene rationeele voeding daarmede rekening honden. Inzonderheid moet dan in het voedsel de noodige hoeveelheid phosphorzure kalk voor de vorming der beenderen aanwezig zijn. Te veel ruw voer (stroo) mag tegen het laatst der draagtijd niet worden gegeven; zoo ook geen beschimmeld en bevrozen voer, bl. 105. Goed hooi met eenig koek of graan mogen als het doelmatigst worden beschouwd. Zie ook hieronder.

In de practijk bestaat eene oneindige verscheidenheid in do voeding van hot melkvee. Wij hebben hier te onderscheiden: aa. de voeding in den zomer, en bb. de voeding in den winter.

na. De voeding in den zomer. Goed weiland, in het bijzonder zoogenaamd oud groenland, is voor melkvee voorzeker het meest gepaste zomervoer. Maar niet ieder landbouwer heeft dit te zijner beschikking. In vele bouwstreken treden kunstweiden, veelal witte Klaver met eenig gras, maar die niet altijd genoeg voedsel geven, in zijne plaats. Niet zelden zijn ook de gewone gras-

-ocr page 289-

landen te schraal om het vee veel melk te doen geven en het behoorlijk bij vleesch te houden. Elders komt men voor het melkvee weide te kort en moet men met het voederen van Klaver enz. op stal, dus door hoele ot' halve zomer-stalvoedering, in het ontbrekende voorzien. Het meest gepast is zulks nog bij melkvee, dat enkel om de melk gehouden en daarna gust wordt gelaten. Vee, ook voor het aanfokken gehouden, dient zich meer vrij te kunnen bewegen. Bij halve stalvoedering komt het gewoonlijk des nachts, soms ook op het heetst van den dag, onder dak en wordt hot met droogvoer, of anders met groenvoer, Snijrogge, Spurrie enz., in Noord-Brabant ook mot sop, bl. 132, toegevoerd. Bij heele stalvoedering vereischt het veel zorg om den geheelon zomer door genoegzaam on gepast groenvoer te hebben. Snijrogge, roode Klaver, Luzerne, Gras, Haver met Wikken, Spurrie, en tegen den herst Mais, loof en bladeren van bieten, enz. zijn daarvan de belangrijkste. De moeilijkheid om met dit voedsel, van zooveel verschillenden aard, dikwijls ook van verschillenden ouderdom en dns ook daarom in samenstelling aanmerkelijk van elkander afwijkende, bl. 115, gelijkmatig te voederen, heeft sommigen doen voorstellen al hot groenvoer to drogen en ook des zomers slechts droog voer te geven. Kramer en Fürstenberg meenen, op grond van opzettelijke onderzoekingen, zulks te moeten aanbevelen. Bedenkt men echter, dat het drogen van groenvoer in ons min of meer vochtig klimaat dikwijls veel tijd en arbeid kost en met aanzienlijke verliezen gepaaid kan gaan, zoo mag deze voederwijze geenszins zonder nader onderzoek worden aanbevolen. Eone proef van Werner leerde, dat, bij hetzelfde gehalte, klaver-hooi iets vettere melk leverde en het levend gewicht iets meer deed toenemen dan versche klaver.

Op zich zelf is elk van de boven genoemde soorten van groenvoer zelden een gepast voeder voor melkvee: het is of te arm öf te rijk aan eiwit. Het best doet men daarom, twee of drie soorten, eiwitrijke en eiwitarmo, tegelijk te voeren, b.v. Haver en Wikken. Verder zal men ook hier do ondervinding, bl. 240, moeten raadplegen en, is het te arm aan eiwit, b.v. mais, het zoo noodig door toevoer van koek, of als het te rijk is aan eiwit, b.v. klaver, door bijvoeren van stroo moeten verbeteren. Wat het voederen met klaver betreft, hebben proeven van G. Kühn en anderen bewezen, dat het snijden tot hakscl en het te vermengen met stroohaksel ook hier voordeolig uitkomt, even als wij dit voor hot voederen van jongvee hebben aanbevolen. G. Kühn voederde eene koe, 400 KG. zwaar, eerst met roode Klaver zooveel als haar lustte. Zij gebruikte hiervan dagelijks 65.15 KG. of, per 1000 KG. levend gewicht berekend, 33.9 KG. droge stof, en hierin waren aan verteerbare voedingsstoffen aanwezig: 4.7 KG. eiwit, 0.9 KG. vet en 14.7 KG. koolhydraten, derhalve met de zeer nauwe voedingsverhouding van 1 : 3.4. Na eonigen tijd werd een vijfde deel van de droge massa der roode Klaver door daartusschen gesneden stroo vervangen. Hot dagelijksch rantsoen bevatte nu: 2G.5 KG. droge stof met 3.G KG. eiwit, 0.7 KG. vet en 11.02 KG. koolhydraten, en niettegenstaande de vermindering van eiwit en vet in het voeder, bleef de melk- en botcropbrengst even hoog als bij het voederen van enkel klaver.

In de omstreken van Schiedam wordt het melkvee in de weide met spoeling toegevoerd, op gelijke wijze als mestvee, maar het ontvangt meer weide en minder spoeling dan dit; zie bl. 256.

10*

-ocr page 290-

244

bh. Dc voeding in den winter. Mot hot stallen van 't melkvee in den herfst wordt het melkgeven, dat in het laatst van den weidetijd, vooral bij nat, gnur weer, reeds aanzienlijk verminderd is, allengs geringer. Wel kan bij eene goede winterstalvoedering nog lang met hot melken worden voortgegaan, maar bij hot drachtige vee heeft het kalf ook zijne eischen. Do stroom wordt hier door de natuur wel min of meer zelve verlegd, maar do voeding moet ook rekening daarmede houden.

De overgang van hot groenvoer tot het droge wintervoer moet langzamerhand geschieden. Worden de weiden te schraal, dan kan toevoer van droog voer of ander groen voer in de weide gewenscht zijn, om de melkproductie niet te veel to doen dalen. (Zie ook de samenstelling van het botorvet onder zuivelbereiding). Op stal wordt bij liooi en stroo eerst het loof van do verschillende wortel- en knolgewassen enz., daarna worden deze laatste zelve gegeven. In de bouwstrokon, waar veelal schaarschte van hooi is, wordt dit steeds tot het laatst van den draagtijd en na het afkalven voor het melkvee gespaard en in don eersten tijd meer stroo en wortels gegeven. Daarbij wordt dan in den regel ook het kaf gevoegd. Sedert de zuivelbereiding in Denemarken zoo'n hooge vlucht hooft genomen worden aldaar veel meer knol- en wortelgewassen , vooral koolrapen boven den grond, verbouwd '). Uit stroo en mangelwortels alleen laat zich echter geen goed vooderrantsoen voor melkvee samenstellen. Wel gaat de melkafscheiding daarbij geregeld door, maar ten koste van het orgaaneiwit; het vee vermagert. Daarom dient nog krachtvoer te worden toegevoegd. Ook wanneer enkel hooi of porsvoeder wordt gegeven is daarbij krachtvoer noodig om het vee in oen goeden staat te houden. Als krachtvoer wordt vooral haver of kook aanbevolen. Haver is licht verteerbaar; men geeft daarvan niet licht te veel. Van koek, althans van dezelfde soort, worde liefst niet meer dan 1 a l'/j KG. per dag en per hoofd gegeven. In het bijzonder zijn do palmkoeken voor melkvee aanbevolen. Uit nauwkeurige proeven van O. Kiihn en uit verschillende waarnemingen van Saksische landbouwers — zie hieronder — is ook gebleken, dat de palmkoeken inderdaad een voedermiddel vormen, dat eene bijzonder gunstige werking uitoefent op de vorhooging van het vetgehalte dor molk en op de hoedanigheid van hot botorvet. In den laatsten tijd is die gunstige werking echter weer in twijfel getrokken J). Een dorgelijken invloed wil men aan kokoskoeken en moutkiemen toeschrijven. Ook boon- en erwtomeel, rogge- en gerstemeel en zemels zijn als voeder voor melkvee in gebruik en waar fabrieken aanwezig zijn, spoeling, brouworsdraf enz. Zijn de aardappels laag in prijs, zoo worden deze mede wel aan melkvee vervooderd, het best ongekookt. Zij werken gunstig op do melkafscheiding. Van de krachtvoedermiddelen werken boon- en orwtenmeel daarop minder gunstig, en nog minder gunstig het zaad van wikken en lupinen.

Welke van deze verschillende voedingsmiddelen het beste en goedkoopste zijn, en hoeveel daarvan al gegeven moet worden, hangt van zooveel verschillende omstandigheden af, dat geonorlei voorschrift dienaangaande steek houdt. „Het is ondoenlijk,quot; zegt Petersen, „eene bepaalde aanwijzing te geven,

') L'Agrimlltire en Danemark n Vexposition de l'nrix. quot;10(1(1. 5) .1. Klein, Erfolyreiche Milchwirtschaft, S. IS.

-ocr page 291-

245

hoe krachtig gevoederd worden moot en welke voedermiddelen onder alle omstandigheden de voorkeur verdienen, maar do regel, dat er altijd getracht moet worden de melkkoeien steeds gelijkmatig sterk te voederen, mag de landbouwer nooit uit het oog verliezen. Wordt er vandaag goed gevoederd en morgen slecht, zoo kan in dusdanig geval het goede voeder niet naar zijne waarde ten nutte gemaakt worden. De voedingstoestand bepaalt in de eerste plaats de hoogte van de melkopbrengt, of met andere woorden: de laatste stijgt niet eerder, voor dat het geheele organisme der dieren zich voor dc krachtiger voeding ingericht heeft. Dit feit maakt, naast dit andere, dat ook dc vertering slechts bij eene gelijkmatige voeding zoo volkomen mogelijk zijn zal, het inachtnemen van bovengenoemden regel tot eene dringende noodzakelijkheid.

Dc spreuk: „omstandigheden veranderen de zaken,quot; komt echter ook in dit geval tot haar recht. In zulke boerderijen, waarin men tot nog toe geslaagd is de voeding der melkkoeien zoo krachtig mogelijk te kunnen opvoeren, waar men de melkrijkste koeien krachtiger voedert dan de minder goede, kan liet goed zijn, de melkkoeien tegen het einde van 't tijdperk van melkgevcn, wanneer zij alzoo woldra opnieuw zullen afkalven en gedurende het droogstaan, minder krachtig te voeden dan in den bosten melktijd, en wel niet alleen daarom, wijl zij hot krachtiger voeder in dit tijdperk minder productief maken, maar ook om de dieren tegen allerlei ziekten, als kalverziekte, uierontstekingen en dergelijke storingen, na het afkalven te vrijwaren. IIoo minder krachtig echter de voeding is, in des te, geringer mate is deze voorzorg noodig of voordeelig. Bij eene voeding, die do melkkoeien in de periode van hare hoogste melkopbrengst noodzaakt van de in den voorafgaanden tijd opgespaarde krachten meer of minder te teren, is zulk eene verandering in de voeding ongetwijfeld ook nadeclig.quot;

Door hot bestuur dor verbonden landbouwvereenigingon to Hallo in Saksen is onder leiding van het proefstation aldaar in don laatston tijd een onderzoek ingesteld omtrent de doeltreffendste voedering van melkvee, en op grond daarvan een aantal typische voederrantsoenen vastgesteld, waarvan er eenige aan het eind uan dit Deel zullen worden medegedeeld.

Uit de gedane waarnemingen konden do volgende besluiten worden getrokken.

1. Men neme van hot hoofdvoer zooveel als mot hot oog op don aanwezigen voorraad aan voedermiddelen in de boerderij mogelijk is, en trachte boven alles de dieren eene voldoende hoeveelheid stroo cn kaf te doen opnemen, om daardoor op de goedkoopste wijze de hoofdmassa van de noodige hoeveelheid stik-stofvrije stoffen te verkrijgen.

2. Wanneer men dit doet zal men weinig van dc stikstofarme krachtvoeder-middelen (b.v. mais of rijstmeel) behoeven te geven.

3. Eene bevredigende productie kan slechts dan verkregen worden, wanneer eene voldoende hoeveelheid voedingsstoffen in het rantsoen aanwezig is, cn als normale hoeveelheid voor 1000 KG. levend gewicht kan worden aangenomen 2.50 KG. verteerbare stikstofhoudende en 13.50 KG. verteerbare stikstofvrijo stoffen.

4. Bij melkgevende dieren , en in het bijzonder in den eersten tijd na het afkalven, zal nog eene verdere stijging tot 3 KG. stikstofhoudende, ja nog daarboven cn tot 15 KG. stikstofhoudende stoffen kunnen rendeeren, in de veronderstelling evenwel, dat de stikstofvrije stoffen in hoofdzaak door het

-ocr page 292-

246

hootdvoer geleverd en slechts cenc matige hoeveelheid eiwitanne kraclitvoedei'-middelen gebruikt wordt.

5. Zoodra in het verder verloop van den tijd van hot melkgeven (lactatie-periode) do uitgaaf van het meerdere rantsoen niet meer gedekt wordt dooide verkregen molkopbrengst, vermindert men allengs de hoeveelheid krachtvoer. Droogstaande koeien geve men slechts matige giften krachtvoer en late daarbij de sterk werkende eiwitrijke voedermiddelen geheel achterwege (wegens gevaar voor kal verziek te enz.; zie hierboven).

6. Men bestode de grootste zorg aan de keus der krachtvoedermiddelen, aangezien hiervan vooral afhangt of de voeding zal rondeeren. Men zie daarom niet op tegen de geringe moeite, het gehalte van het hoofdvoer aan voedingsstoffen te berekenen en daardoor eene belangrijke aanwijzing omtrent de juiste keus van de krachtvoedermiddelen te verkrijgen.

7. Men neme daarbij in aanmerking, dat in verreweg de meeste gevallen het hoofdvoer betrekkelijk te arm is aan stikstofhondende stoffen en derhalve in de eerste plaats toevoeging van stikstofrijke kracht voedermiddelen noodig is.

8. Voor eene bevredigende productie is dus in de eerste plaats eene toereikende hoeveelheid stikstofhondende stoffen noodig. Eene voeding, to rijk aan stikstof, is in den regel minder schadelijk dan eene te arm daaraan, aangezien de overmaat aan stikstof, ook als zij voor de melkproductie niet meer rendeert, de waarde van den mest verhoogt.

Na deze verschillende beschouwingen en opmerkingen zullen wij eenige rantsoenen nog iets nader bespreken.

Op grond van bovenstaande onderzoekingen en proeven te Lauchstiidt in Saksen wil Maercker zoowel aan melk- als aan mestvee een grondvoeder gegeven hebben, bestaande uit minstens 5 KG. hooi en 12 KG. stroo per 1000 KG. levend gewicht. Het ontbrekende wordt dan aangevuld deels met voedermiddelen, rijk aan koolhydraten, als wortelgewassen, aardappels enz., in de boerderij aanwezig, of gemakkelijk verkrijgbaar, als b.v. pulpe, spoeling enz., deels uit eiwitrijk krachtvoeder, dat veelal moet worden aangekocht; zoodat men voor melkvee por 1000 KG. lovend gewicht ongeveer krijgt 2..quot;) KG. verteerbare stikstofh. stoffen, 13 KG. verteerbare stikstofvrije extractstoffon en 0.5 KG. verteerbaar vet. Nemen wij echter het eenvoudigste geval en stellen we, dat eon veehouder voor zijn melkvee een voldoende hoeveelheid goed grashooi heeft, en met AVolff aan, dat voor 1000 KG. levend gewicht (dus ongeveer voor 2 koeien van 500 KG.) noodig zijn:

Geheelo hoeveelheid Verteerbaar eiwit Verteerbaar Overige verteerbare organische stof. (O.) en amid. (E.) vet. (V.) stikstofvriie stoffen. (K.)

24 KG. 2.5 KG. 0.4 KG. 12.5 KG.

met eene voedingsverhouding van ongeveer 1 : 5.4.

Uit de tabel achter dit Deel kan men de samenstelling van zeer goed hooi naslaan. Het bevat ongeveer 80 proc. organische stoffen. Om de daarvan vereischte hoeveelheid te verkrijgen heeft men dus 30 KG. noodig. Wij krijgen dan

O. E. V. K.

30 KG. goed hooi 24 KG. 2.2 KG. 0.39 KG. 12.5 KG. en komen dus eiwit en eenig vet te kort, wat het gemakkelijkst wordt aan-

-ocr page 293-

2-17

gevuld door een hoeveelheid koek hij te voeren. Nemen wij daarvoor een Sesamkoek, dan krijgen wij:

1 KG. Sesamkoek 0.8 KG. 0.33 KG. 0.1 KG. O.ló KG.

Dus samen 24.8 KG. 2.53 KG. 0.49 KG. 12.0 KG.

AVij krijgen dus een voedingsverhouding van

2.5 : 0.49 X 2-5 12-« = 1 : ó-49.

gelijk vereiseht wordt.

Gooft het vee volop melk, dan kan de quantiteit eiwit zeker nog iets verhoogd worden, te meer omdat bij het eiwit in hooi ook amiden voorkomen; maar dan is het heter, ook met het oog op de te karnen boter, niet meer Sesamkoek, maar liever raapkoek of palmkoek te nemen.

Wij hebben hierboven aangenomen, dat het hooi van zeer goede qualitcit is. Is dit echter niet het geval, om welke reden ook, dan is het noodig meer krachtvoer bij te voeren. Allerlei graden kunnen zich daarbij voordoen, maar nemen wij eens hooi waarvan 30 KG. slechts het volgende bevat, wat zeer goed kan voorkomen;

O. E. V. K.

24 KG. 1.3 KG. 0.18 KG. 10.9 KG.

Van dit hooi dezelfde hoeveelheid voerende, ontvangt het vee wol ongeveer dezelfde hoeveelheid droge organische stof, maar veel minder voedingsstoffen. Het is zeker niet wenschelijk, van dit hooi hetzelfde rantsoen te geven. De slechte qualiteit zal trouwens ten gevolge hebben, dat niet alles wordt opgevreten. Nemen wij dus aan dat het vee, in plaats van 30 KG., 20 KG. per 1000 KG. levend gewicht ontvangt of verbruikt, dan hebben wij:

O.

E.

V.

K.

20 KG. slecht hooi

1G KG.

0.92 KG.

0.12 KG.

7.3

KG.

Er moet zijn

24 »

2.50 »

0.40 »

12.5

»

Dus oen tekort van

8 KG.

1.58 KG.

0.28 KG.

5.2

KG.

Om dit te dekken zou bijgevoerd kunnen worden:

O.

E.

V.

K.

2 KG. palmkoek

1.72 KG.

0.30 KG.

0.18 KG.

1.08

KG.

2 » raapkoek

1.64 »

0.50 »

0.14 »

0.46

»

5 » haver

4.25 »

0.40 »

0.21 »

2.23

»

3 » tarwezemelen

2.52 »

0.30 »

0.09 »

1.41

»

Samen

10.13 KG.

1.50 KG.

0.52 KG.

5.18

KG.

In 20 KG. hooi was

16.— KG.

0.92 KG.

0.12 KG.

7.30

KG.

Dus samen

26.13 KG.

2.42 KG.

0.64 KG.

12.48

KG.

De voedingsverhouding is dan:

2.42 :

(0.64 X 2-rj

12.48) =

1 : 5.8.

Wij zien dus, dat met deze hoeveelheid krachtvoer do hoeveelheden organische stof en stikstofvrije stoffen ruim voldoende zijn en ook de voedingsverhouding vrij goed is, maar dat de hoeveelheid eiwit iets grooter kon wezen. Om het eiwitgehalte te verbeteren zou het daarom wenschelijk zijn, in plaats van palmkoek of raapkoek, die wij met hot oog op de boter hebben opgegeven, eon gedeelte daarvan door een eiwitrijkere kooksoort, b.v. aard noot-, katoen-of Sesamkoek to vervangen.

-ocr page 294-

248

Nemen wij nu nog liet geval, dat in eeno boerderij geen weidehooi voorhanden is, maar als rmvvoer in hoofdzaak klaverhooi, haverstroo en mangel-wortels, en dat eene eenvoudige berekening geleerd heeft, dat op de 1000 KG. levend gewicht gedurende don staltijd daarvan dagelijks gegeven kan worden:

5 KG. klaverhooi, 10 KG. haverstroo en 20 KG. mangelwortels. Wij hebben dan:

O. E. V. K.

8 KG. klaverhooi 6.32 KG. 0.56 KG. 0.09 KG. 2.96 KG. 10 » haverstroo 8.20 » 0.14 » 0.07 » 4.01 »

20 » mangelwortels 2.40 » 0.22 » 0.02 » 2.00 »

Samen 16.92 KG. U.92 KG. 0.18 KG. 8.97 KG. Hierbij zou gevoerd kunnen worden:

6 KG. haver 5.10 KG. 0.48 KG. 0.26 KG. 2.65 KG.

1 » raapkoek 0.82 » 0.25 » 0.08 » 0.24 »

2 » aardnootkoek 1.71 » 0.86 » 0.13 » 0.54 » AVij krijgen dan 24.55 KG. 2.51 KG. 0.65 KG. 12.43 KG.

mot eene voedingsverhouding van 1 : 5.6.

Dit rantsoen is schijnbaar vrij goed. Er moet hier echter vooreerst niet vergeten worden. dat het eiwit vooral in het klaverhooi en do mangelwortels geen zuiver eiwit is, maar vrij wat amiden bevat — zie hiervoor de tabel achter dit Deel — en ten tweede, dat het voeren van bieten de verteerl laarheid van het eiwit en van de stikstofvrije stoffen vooral in stroo vermindert. De hoeveelheid droge stof in de mangelwortels bedraagt ongeveer 14 proc. van de geheele hoeveelheid droge stof in het ruwvoer. ATolgens Wolff bedraagt dan de depressie voor het eiwit ongeveer 4 proc. en voor de stikstofvrije stoffen 2 proc., zoodat het eerste mot ongeveer 0.04 en het tweede met 0.17 verminderd wordt. Om het evenwicht te herstellen zou het bijvoeren van nog wat koek, b.v. 1 palmkoek, dus gewenscht kunnen zijn.

c. Voeding van mestvee. Ook met betrekking tot het mesten van vee zijn in Duitschland vele proeven genomen, maar meestal met dieren, die met ons mestvee niet altijd kunnen worden vergeleken, namelijk met afgedankte werkossen of oude melkkoeien, terwijl hier te lande naast melkvee, dat men niet langer wenscht aan te houden, ook veel jonge ossen en jonge stieren op ongeveer 2- a 3-jarigen leeftijd gemest worden. Waar in Duitschland sprake is van het mesten van vee zijn hol dus runderen meer dan volwassen en die eerst voor andere doeleinden zijn gebruikt, hier ook runderen, nog niet of nauwelijks volwassen en die voor een deel van meetaf voor het mesten zijn voorbereid; daar dieren die bij den aanvang van 't mesten veelal in een min of meer mageren staat zich bevinden, hier ook dieren die in goede weiden niet vet zijn geworden, maar toch behoorlijk goed er uitzien. Een en ander dient men bij het beoordeelen van de voorschriften voor de voeding van mestvee, uit bovengenoemde proeven voortvloeiende, in aanmerking te nemen.

De bedoeling van het veemeston is hot voortbrengen van zooveel mogelijk vet en vleesch; het eerste meer bij oudere, reeds volwassen dieren; het laatste moer bij jonge, nog in groei zijnde dieren. Beide gevallen moeten wel worden onderscheiden. Vet is eene stikstofvrije stof, die zich op verschillende plaatsen in het lichaam in het bindweefsel afzet. Vleesch (de eigenlijke spier-

-ocr page 295-

l'49

substantie) is, evenals bovengenoemd bindweefsel, stikstofhoudend. Ook in het bindweefsel tusschen de spierbundels zet zich vet af, bi. 10. Het bindweefsel, de eigenlijke spiersubstantie met nog eenige andere \veefsels komen in samenstelling met eiwit overeen ; zij vormen de hoofdmassa van het zoogenaamde orgaaneiwit in liet lichaam.

Naast dit orgaaneiwit bevat het lichaam in het vleeschsap, het bloed enz. omloopend eiwit, dat meer direct uit het eiwit van 't voedsel is ontstaan en op zijne beurt dient om de verschillende weefsels te vormen. Hot is de voorraad, waaruit door celdeeling spiervezels, dus vleescli en andere weefsels, alsmede vet gevormd worden, bl. G2.

Vandaar dat ook bij het mesten van vee in de eerste plaats eene voldoende hoeveelheid eiwit in hot voedsel aanwezig moet zijn ').

Voor het onderhoud der dierlijke warmte en voor 't verrichten van arbeid zijn intusschen ook stoffen noodig. Deze worden in hot lichaam verbruikt, verbrand on leveren alzoo warmte en ander arbeidsvermogen, bl. G4. Hot zijn hoofdzakelijk het vet en de koolhydraten, welke, in veroeniging met de bij de ademhaling opgenomone zuurstof, daarvoor dienen.

Do koolhydraten worden met het yoedsel opgenomen; het vet kan, als boven gezegd, ook door splitsing van de eiwitstoffen en uit koolhydraten zijn ontstaan, bl. G1 on 02. Bij het mesten tracht men het verbruik, dat wil zoggen de oxydatie van deze stoffen zooveel mogelijk te beperken; vandaar het nut oenor niet te lage staltemperatuur en oono niet te sterke verlichting, hot voordeel van zoo weinig mogelijk beweging en eene slechts matige ontwikkeling der longen, zoodat eene niet te groote hoeveelheid zuurstof opgenomen wordt. Meer bepaald dienon de koolhydraten in hot voedsel ook om do eiwiwitstoffon en het vet voor oxydatie te bewaren, opdat deze zich in het lichaam kunnen afzetten. Er kan echter ook vet uit do koolhydraten ontstaan, en het is nog niet voldoende opgehelderd, wolk aandeel nu eens deze dan gono stoffen aan de votvorming bij het mesten hebben.

Bij het mesten van volwassen dieren, trekossen boven do 5 a (i jaar en oude melkkoeien, hooft goono nieuwvorming van spiervezels plaats, maar er zet zich bij deze dieren vet in het bestaande of tijdens het mesten nieuw gevormde bindweefsel af. Tevens worden do spiervezels mot eiwitrijk vleeschsap doortrokken. Hot vleescli wordt in hot algemeen tijdons het mesten armer aan water en rijker aan vet enz., gelijk uit het volgende onderzoek van vet

en mager vleescli door

Breunlin blijkt.

In 1U00 KG. vleescli

werd gevonden:

Spiervleescli

Vet.

Asch.

Water.

(eiwit).

bij een votton os

35(3

239

15

390 KG

» » mageron »

308

81

14

597 »

Verschil

48

158

___r

— 207 KG

Het vleescli van oen votton os bevat derhalve ongeveer de helft moer vaste stoffen of oen dorde minder water als hot vleescli van oen mageron os.

') Volgens Maercker bedraagt het omloopend eiwit, bij normale stofwisseling, 5— 10 proc. van het gelieele eiwitgehalte, in den liongertoestand slechts 1 proc.

-ocr page 296-

250

Terwijl hot lichaam van een mager dier GO—70 proc. water bevat, bedraagt die hoeveelheid in een gemest dier slechts 10—50 proc. Ju den eersten tijd van het mesten wordt het losse bindweefsel onder de hnid, van het net, rondom de nieren enz. met vet gevuld, daarna zet zich ook vet af in die weefsels, waarin bij werk- en melkvee gewoonlijk geen vet voorkomt, als in het bindweefsel der spieren; en bij het mesten tot den uitersten graad van vetheid treedt een ziekelijke toestand, de vetzucht, op, doordien spierweefsel in vet-weefsel overgaat, bl. 73. Een dergelijk mesten kan men daarom vetmesten noemen.

Uit hot bovenstaande volgt, dat voor het vetmesten, dat is voor het ophoopen van vet en eiwitrijk vleeschsap in reeds volwassen dieren, niet alleen noodig is eeno voldoende hoeveelheid voedsel, maar ook eene zoo volkomen mogelijke lichamelijke rust en dus afwezigheid van alles, wat tot in- of uitwendige bewegingen aanleiding kan geven. Onder deze omstandigheden wordt het vet, naarmate het in liet lichaam gevormd wordt, niet vernietigd, maar hoopt het zich als reservestof, naar do individueele geschiktheid van het dier, op de aangeduide plaatsen op. De hoedanigheid van het vet (week of vast) hangt mede eenigszins van het voedsel af.

Eenigszins anders is het geval met het mesten van jonge, nog niet volwassen dieren. Hier heeft minder aangroei van vet plaats, dat is dit zet zich minder at in het bindweefsel, dat de spieren (hot vleeseh) enz. omgeeft, maar, terwijl de spiermassa zelve door nieuwe eelvorming toeneemt, in het bindweefsel, dat de spierbundels met elkander vereenigt. Deze inesting heet daarom vleeschmest; zij levert, mits goed geleid, meer zoogenaamd doorwassen vleeseh, bl. 10. De vetvorming in de spierbunders mag echter niet te veel de overhand hebben.

Volgens Krause staan er voor het voortbrengen van spiervleesch slechts twee wegen open. De spiervezels moeten of in aantal óf in dikte toenemen, daar hare lengte bepaald is door die der beenderen en in het algemeen dooide grootte van het lichaam. De spiervezels nemen in dikte toe door het gebruik, door krachtsinspanning, maar, gelijk bekend is, wordt het spiervleesch daardoor tevens vaster en taaier, wat natuurlijk voor de productie van goed vleeseh niet gewenscht is. Bovendien kunnen de spiervezels slechts binnen zeer enge grenzen in dikte toenemen. De tweede weg, de vermeerdering van liet aantal spiervezels, heeft slechts op jeugdigen leeftijd door splijting overlangs plaats. Voor de ontwikkeling der spieren is het dus gewenscht, dat de jonge dieren in de vrije lucht aanhoudend aanleiding tot spierbeweging hebben en daarbij rijkelijk gevoed worden met stikstofhoudond voedsel.

Deze waarnemingen komen met die dor practijk zeer goed overeen, volgens welke fijn, malsch, saprijk vleeseh, dat weinig vet bevat, maar goed daarmede doorregeld is, slechts verkregen wordt bij jonge dieren, die zich regelmatig bewegen kunnen en daarbij in goede weiden overvloedig voedsel ontvangen. Dat onder deze omstandigheden de dieren ook niet beter zouden uitgroeien, dus het geraamte niet grooter en derhalve de spieren niet langer zouden worden, gelijk Krause meent, valt, dunkt ons, moeilijk te betwijfelen.

Op het voortbrengen van dergelijk vleeseh is ook in Duitschland in de laatste jaren meer en meer de aandacht gevestigd. „In plaats van oude dieren, die groote vetmassa's van weinig waarde voortbrengen en welks vleeseh door ouderdom of langdurigen arbeid hard en taai is geworden, verschijnen thans

-ocr page 297-

jongere, vroegrijpe re, inet goed ontwikkelde fijne spiervezels op onze tentoonstellingen en markten van vet vee,quot; zegt Werner.

Men kan liet dus vleesohmcsling noemen, wanneer, zooals bij jonge dieren, door en tijdens het mesten vooral'vleesch wordt gevormd, ter onderscheiding van het mesten van oude dieren, waarbij vooral vet gevormd wordt en dat daarom meer bepaald vetmesling heet. Naar den graad van vetheid kan men verder onderscheiden; halve en volk mesting, slappe en kernmes ling. Voorts hebben wij te onderscheiden het mesten van vee in de graslanden, dat gewoonlijk veiweiderij heet, terwijl men daar, waar spoeling de hoofdmassa van het voedsel vormt, van spoeling mes terij spreekt. Daar het mesten in de weide slechts langzaam verloopt en geruimen tijd in beslag neemt, kan men dit ook exlensieve mesterij noemen, terwijl het mesten op stal, dat zoo snel mogelijk geschiedt, intensieve mesterij kan worden geheeten.

Jlin of meer op zich zelf staat het mesten van kalveren, dat wij daarom het eerst zullen behandelen.

Het mesten van kalveren, hier te lande vooral in Holland, Noord-Brabant en Gelderland in gebruik, is zeer eenvoudig. Bij voorkeur geschiedt zulks enkel door zoete melk, zoo pas van de koe, drie- a viermaal daags gegeven, eerst in matige hoeveelheid, maar langzamerhand meer, zooveel als het kalf lust, zie bl. 233. Het doel is hier wit, min of meer met vet doorregeld en daardoor vast. maar malsch vleesch te verkrijgen. De witte kleur van dit vleesch wordt veroorzaakt doordat het bloed dezer dieren arm wordt aan roode bloedlichaampjes, zichtbaar o. a. aan de bleeke kleur van do binnenzijde der oogleden, het tandvleesch en de bovenvlakte der tong; en dit is oen gevolg niet slechts van het voedsel, maar ook omdat de kalver zooveel mogelijk in het donker worden gehouden, bl. 76. Enkele kalver echter schijnen, niettegenstaande deze voorzorgen, toch van nature minder blank vleesch te leveren. Bijvoeder, als hooi of meel, mag niet gegeven worden, omdat het vleesch dan niet blank blijft. Zoo noodig voorziet men do kalver daarvoor van een muilkorf. Slechts in enkele gevallen, als het kalf de melk niet goed verdraagt (diarrhee veroorzaakt), gaat men tot meel, eieren (met de schaal gegeven) enz. over; waarschijnlijk is in zoo'n geval de Liebig's melk, bl. 235, als surrogaat wel gepast. Diarrhee komt vaak voor als de koeien van den stal in de weide gaan; daarom wordt in dit tijdperk de melk met oen weinig water verdund. Het mosten wordt verder bevorderd door rust, een gepaste temperatuur (15— 20° C.) en zindelijkheid, niet slechts van den stal, maar ook van de drinkvaten. Veelal worden de kalver in kleine stallen van 1.5 meter lengte en 0.5 meter breedte geplaatst, waarin ze slechts staan kunnen en gaan liggen.

Het mesten duurt hoogstens drie maand en voor 10 liter volle melk of iets meer kan men rekenen op eene gewichtstoeneming van ongeveer 1 KG. In Noord-Brabant rekent men, dat oen gewoon kalf van 125 tot 140 KG. levend gewicht, als het geslacht wordt, gemiddeld 12 a 1-1 liter melk per dag gebruikt. Men begint dan met 3 liter daags en zoo opklimmende, tot zij op don leeftijd van 7 a 8 weken 15 a 20 liter melk ontvangen; op den leeftijd van 10 a 12 weken behooren zij dan voor de slachtbank gereed te zijn ').

') Groninyer Landbouw-cowanl, '2e jaargang, u0. S.

-ocr page 298-

In Groningen mest men gewoonlijk korter, b.v. G week; de dieren zijn dan natuurlijk minder goed uitgemest.

In plaats van volle melk wordt soms afgeroomde melk gegeven, maar dan steeds eene geringere qualiteit vlecseli verkregen, minder vast en niet zoo blank, een gevolg van de geringere vetheid en het hoogere watergehalte. Ook kan de minder blanke kleur haar oorzaak hebben in het bijvoeren van karnemelk of meelpap. Men heeft ook getracht, in plaats van het afgeroomde botervet, eene andere vetsoort aan de geroomde melk toe te voegen en dit door een bepaald daarvoor dienend toestel, émulseur geheeten, daarin fijn te verdeden. Een dergelijk surrogaat is de Delftsehe kalfroom, waarvan de bereiding een fabrieksgeheim is, maar die volgens een onderzoek te Hoorn ') waarschijnlijk verkregen wordt, door bij een mengsel van suiker en grond-notenolie een waterig aftreksel van grondnoten en, om de evengenoemde fijne verdeeling (emulsie) te bevorderen, een weinig natronloog (ons lijkt beter kaliloog of koolzure kali) te voegen, en wel in deze verhouding: Het waterig aftreksel wordt verkregen door op 1 deel grondnoten (ongebrand) 4 deelen water te nemen. 50 cM3 van dit aftreksel en 5 cM3 10 0/0 natronloog worden gevoegd bij 355 gram suiker, onder verwarming opgelost in 100 c5P water, goed doorgeroerd, en dit mengsel mot 450 gram grondnotenolie in een mortier of ander toestel samengewreven.

Volgens voorschrift worden kalfroom en afgeroomde melk in een zekere verhouding gemengd. De resultaten, daarmede bij het mesten en ook bij hot opfokken van kalveren verkregen, zijn aanyankelijk niet ongunstig, maar dienen nader bevestigd to worden om dit surrogaat onvoorwaardelijk te kunnen aanbevelen J).

Wij zullen nu eei-st de wijze van veemesten bespreken, gelijk die, op grond van genomen proeven, door eenige üuitsche autoriteiten wordt aanbevolen. Gelijk reeds gezegd is, werden die proeven meestal genomen met volwassen dieren, b.v. trekossen van G—8 jaar. Wij hebben hier dus te doen met vetmesting, en het volgende heeft daarop dan ook in hoofdzaak betrekking.

De toestand, waarin deze dieren zich bevinden wanneer zij voor de slachtbank bestemd worden, kan nog verschillend wezen, maar als regel mag men aannemen, dat zij min of meer vermagerd zijn en niet gewoon aan de intensieve voeding, die zij voortaan zullen ontvangen. Zij moeten dus eerst voor het eigenlijke mesten worden voorbereid, hierin bestaande, dat een zekere voorraad van omloopend eiwit in liet lichaam wordt opgehoopt en de spijsverteringsorganen, tot tog toe ingericht voor meer ruw voer, worden gewend om meer geconcentreerd voedsel te verwerken. Men noemt dit daarom hel tijdperk van voorbereiding. Wanneer de spijsverteringsorganen alzoo, door steeds rijkere voedering, aan het opnemen van meer geconcentreerde voedingsstoffen zijn voorbereid en de vorming van meer vetweefsel, door grootere losheid van de onder de huid liggende bindweefsellaag, bl. 27, kenbaar wordt, eerst dan is het tijd en loont het, sterker te mesten. Is deze toestand daar — en hoe beter

') F. VV. J. Boekhout, lets over da bereiding van kalfroom, in liet Weekblad voor Zuivelbereiding en Veeteelt. 18 Febr. 1902.

2) Kalfroom cn hare toepassing op de boerderij voor hel mesten en hel fokken van kalveren; vijf bekroonde opstellen.

-ocr page 299-

253

de dieren vóór liet begin van 't mesten gevoed worden dos te eerder is zulks het geval —, zoo tracht men door volop voeder, vooral rijk aan eiwit en vet, te geven het mesten te bespoedigen. (Tijdperk van eigenlijk niesten.) De vreet-lust wordt onder deze omstandigheden allengs minder; steeds wordt die gaande gehouden en het voedsel in een meer en meer gemakkelijk verteerbaren vorm gegeven. Vooral togen het einde van 't mesten helpt eene vermeerdering van het eiwitgehalte van 't voedsel niet meer voor de vetvorming; daarentegen werken nu gemakkelijk verteerbare koolhydraten (in Engeland gebruikt men b.v. mout) in genoegzame hoeveelheid altijd nog met eene rijkelijke hoeveelheid eiwitstoffen gegeven, bijzonder gunstig op de vetvorming.

De normale hoeveelheid voedingsstoffen, in deze drie verschillende perioden aanbevolen, is als volgt. Emil. Wolff (Lehmann) beveelt do volgende hoeveelheden aan voor mestossen per 1000 KG. levend gewicht:

Gehoele hoeveelheid droge stof Verteerbare eiwitachtige stoffen Verteerbare stikstofvrije stoffen Verteerbaar vet Som der voedingsstoffen:

ruwe celstof = 1

» » = '/,

Voedingsverhouding

Volgens Jul. Kühn wordt in hot begin gegeven op 1000 KG. levend gewicht;

1.8— 3.0 KG. verteerbaar zuiver eiwit;

0.5— 1.2 » verteerbaar vet;

10.0—14.0 » verteerbare stikstofvrije extractiefstoffen, enz., zie bl. 114.

Do hoeveelheid droge stof bedraagt in hot tijdperk van hot eigenlijke mesten 30 KG. of iets meer, maar wordt allengs verminderd tot 28 KG. en minder op de 1000 KG. levend gewicht. Do voedingsverhouding bedraagt hij hot begin 1 : 5.5 a 1 ; 7.5; zeer magere dieren geeft men 't liever aanvankelijk wat slechter, b.v. 1.5—1.7 KG. eiwit, 0.5 KG. vet en 12.d a 13.0 KG. stikstofvrije stof op de 1000 KG. en neemt de voedingsverhouding dus wat wijder, b.v. 1 ; 7. In de hoofdmestperiode bedraagt deze 1 ; 5 a 1 ; G, en tegen hot einde weer iets wijder, b.v. 1 : G en daarboven.

Als voorbeeld der voeding van zoo'n mestos halen wij het volgende voorbeeld, door Kühn gegeven, aan, op 1000 KG. levend gewicht:

1. bij het begin;

GO KG. mangelwortels,

4 » haverstroo als baksel,

5 » » voor het afvoeren,

e periode.

2e periode.

3e periode.

30.0 KG.

30.0 KG.

2G.0 KG.

2.5 »

3.0 »

2.7 »

15.0 »

14.5 »

15.0 *

0.5 »

0.7 »

0.7 »

18.7 »

19.2 »

19.4 »

15.G »

17.0 »

17.2 »

1 : 6.5

1 ; 5.4

1 : G.2

waarin, in aanmerking genomen de

bl. 112 vermelde depressie: 20.4 KG. droge stof, 2.25 » verteerbaar zuiver eiwit, 0.8 » » vot,

13.7 » verteerbare stikstofvrije

stoffen, voedingsverhouding 1 ; G.O;

(zie bl. 114)

8 » klaverhooi,

3 » roggezemelen, 2 » raapkoek, 2 » aardnootkoek, 1 » grof gemalen mais, 0.5 » lijnzaadmeel, 30 gram zout;

-ocr page 300-

waarin:

29.7 KG. droge stof,

2.85 » verteerbaar zuiver eiwit, 0.9 » » vet,

13.8 » verteerbare stikstofvrije stoffen, voedingsvorhoiuling 1 : 5.G;

(zie 1.1. 114)

waarin:

28.1 KG. droge stof, 2.71 » verteerbaar zuiver eiwit, 0.9 » » vet,

14.0 » verteerbare stikstofvrije stoffen, voedingsverhouding 1 : 0.

(zie bl. 114)

roggezenielen, raapkoek, aardnootkoek,

grof gemalen mais, gerstmeel, lijnzaadmeel,

60 3

3 7 1 1

4 2

2.5 0.5

50 gram zout;

Maar, gelijk reeds hierboven gezegd, liet vee, dat gemest wordt, is niet altijd en overal hetzelfde en inzonderheid verschilt het Duitsohe mestvee niet zelden van het onze. Daarbij komt, dat men niet overal hetzelfde voeder te zijner beschikking heeft en dat dit veel in samenstelling verschillen kan. Ook verschilt de graad van vetheid, waartoe het vee gebracht, en de snelheid, waarmede het gemest wordt, aanmerkelijk. Uit een en ander laten zich de vrij groote verschillen, die men in de opgaven der rantsoenen voor mestvee dikwijls aantreft, ten deele verklaren.

in de hoofdperiode van 't mesten: KG. mangelwortels,

» haverstroo als haksel, » » voor het afvoeren

» klavorhooi,

» roggezenielen,

» raapkoek,

aardnootkoek,

grof gemalen mais,

lijnzaadmeel,

40 gram zout;

3. in het laatste tijdperk van 't mesten: KG. mangelwortels,

» haverstroo als haksel, » » voor het afvoeren

» klaverhooi,

GO 4 4

8 2 2

3.75

1.5

0.5

In de laatste jaren zijn door Saksische landbouwers, in vereeniging met het proefstation te Halle, eerst op verschillende boerderijen, later oj) do boerderij der Saksische landbouwkamer te Lauchstadt, meer practische mestproeven genomen om na te gaan, in hoever de door Wolff gegeven en in Duitschland meest gevolgde voorschriften bij het mesten van vee juist zijn '). 't Doel daarvan is niet alleen na te gaan, door welk voedsel de grootste toeneming in levend gewicht, maar ook, boe de beste slachtwaar wordt verkregen. Nu eens werd daarbij de hoeveelheid stikstofvrije stoffen vermeerderd, dan verminderd, en zoo ook met meer of minder stikstofhoudende stoffen gevoederd als door Wolff wordt aanbevolen. Als algemeen resultaat werd daarbij verkregen, dat bij volwassen mestvee de voedingsverhouding ruimer kan zijn als door Wolff en Külm zijn aangegeven. Want wanneer per 1000 KG. levend gewicht 2 KG. stikstofhoudende voedingsstoffen bij 15 KG. stikstofvrije gegeven

') Dr. M. Mae rek or uiid Dr. A. Morgen, FiHlerung nnd Schlachlergebnis en Berichte i'iber die Versuchswirlschafl Lauchsliull.

-ocr page 301-

255

werden, was do uitkomst even gunstig als wanneer do dieren 3 KG. stikstof-houdende ontvingen. Wel kan in de eerste 4 weken, in het tijdperk van voorbereiding, do hoeveelheid stikstofhoudond voedsel iets grooter zijn, b.v. 2.5 KG., maar in hot eigenlijke mesttijdperk is 2 KG. geheel voldoende. Op grond daarna beveelt Maerckor aan, als normaal rantsoen voor volwassen mostossen: 2 KG. stikstofhoudendo voedingsstoffen, 0.5 a 0.7 KG. vot on 15 KG. stikstofvrije voedingsstoffen, dus een voedingsverhouding van ongeveer 1 : 8. Voor niet volwassen inestvee beveelt hij echter meer stikstofhoudend voedsel aan, on wel 3 KG. stikstofhoudend op 15 KG. stikstofvrij, dus een voedingsverhouding van 1:5. Verder word gevonden, dat waterrijk voeder, b.v. pulpo, nadeolig werkt op het toenemen van hot levend gewicht en gedroogde pulpo voor most- en werk vee de voorkeur verdient. Eon ongunstig resultaat gaf ook het voederen van bietenbladoren aan mostvee. Dergelijke voedermiddolen, waarin voel amidon voorkomen, mogen gepast zijn voor melkvee, voor mostvee kunnen zij minder worden aanbevolen. Ook de spoeling van branderijen schijnt beter voor melkvee dan wel voor mostvee te passen en, als men de qualiteit van hot vleesch in aanmerking noemt, financieel minder gunstige resultaten te geven. Door Maerckor wordt in hot algemeen bij mostvee als grondvoer aanbevolen per 1000 KG. levend gewicht: 5 KG. hooi en 12 KG. stroo, evenals bij melkvee.

Niet onbelangrijk is verder het resultaat, dat het mesten van dieren van goede qualiteit financieel veel betere uitkomsten gaf, dan wanneer men daartoe dieren van slechte qualiteit bestemt, althans wanneer het niesten, zooals hier geschiedde, intensief plaats hooft. Slechts dieren van den eersten rang gobruike men daarvoor, want met geringere dieren door eene krachtige voeding iets goods te willen produceeren is vergeefscho moeite, zeggen de berichtgevers van bovengenoemde proeven. De kunst van het aanfokken en die van het mesten van vee — dit blijkt ook hier — moeten elkander dus de hand reiken.

Thans zullen wij nagaan welke dieren hier te lande vooral gemest worden, hoe dit mesten geschiedt, en eenige opmerkingen daaraan toevoegen.

Hoofdzakelijk zijn dit ossen, stieren en vaarmelken.

Do ongeveer 5000 trekossen, nog in ons land voorkomende (oen 25 jaar geleden waren er ongeveer dubbel zooveel), vooreerst buiten beschouwing latende, zijn de ossen, die hier worden aangehouden, van meetaf bestemd om gemest te worden. Als jongvee opgefokt en gevoed, bl. 237, zijn hot, gemest wordende, over 't geheel nog betrekkelijk jonge dieren, van ongeveer 2- a 3-jarigen leeftijd, nog niet geheel volwassen. Wij hebben hier dus te doen met vleoschmesting. Zij leveren, goed gemest, mot vast vet doorregold vleesch (kernmestifig). Heeft echter het mesten te snel plaats, zoo zet zich uitwendig wel vet af, zoodat zij op het oog en op 't gevoel vet schijnen, maar het vleesch is minder doorwassen en dientengevolge waterrijker (slappe mesting). Ook de stieren die gemest worden zijn betrekkelijk jonge dieren.

De vaarmelken zijn van verschillenden leeftijd, deels oudore, die in het melkgeven teruggaan, deels jongere, die blijkens ondervinding niet genoog melk geven of wegens een gebrek in don uier of in do voorttolingsorganon voor fok- of melkvee ongeschikt zijn geworden. Om ze rustiger te honden heeft men wel voorgesteld de te mesten kooion to castrooron, gelijk men dit

-ocr page 302-

tot gelijk doel met stieren doet; maar de resultaten, daarmede verkregen, schijnen nog niet zeer gunstig te zijn, zoodat zulks weinig of niet in practijk wordt gebracht. Yaarmelken, die in do weide gemest worden, laat men tot gelijk doel wel dekken enkele maanden vóór den tijd dat ze geslacht zullen worden.

Op tweeërlei wijze heeft het mesten dezer dieren hier te lande hoofdzakelijk plaats: 1° op stal met stroo, hooi, wortels, graan, boonen, koek enz. door landbouwers in de bouwstreken, vroeger vooral met het oog op) do productie van stalmest; of met spoeling, onder bijvoeging van hooi en soms ook nog boonen en lijnkoek, door de spoelingmesters in de nabijheid van branderijen (Schiedam en de Groninger Veenkoloniën); 2° in de weide. Het mesten geschiedt in hot eerste geval vooral des winters. De ossen hebben echter in den vooraf-gaanden zomer, dus op ongeveer l'/j- a 2y,-jarigen leeftijd, in behoorlijk goede weiden geloopen, zoodat zij gewoonlijk reeds goed gevoed zijn als zij op stal gaan en met het eigenlijke mesten begonnen wordt. Dit maakt dus een verschil met trekossen, die ouder en meestal in minder goeden staat zijn als het mesten daarvan een aanvang neemt.

Geschiedt het mesten door landbouwers, dan krijgen de ossen gewoonlijk stroo en, waar voorraad is, wat hooi; sommigen voegen wortels of aardappelen hierbij, anderen niet. Als verder toevoer wordt gegeven: boonen- en gerstemeel, waarvan men de hoeveelheid langzamerhand soms tot 15 liter (ongeveer 10 KG.) doet stijgen; anderen geven minder meel, maar in de plaats daarvan lijnkoek of voegen bij het meel wat lijnzaad. Of deze voeding rationeel is? Uit eenige opgaven is ons gebleken, dat, wanneer men het rantsoen, hier gegeven, vergelijkt met het bovenvermelde in Duitsehland, de hoeveelheid stroo en wortels, die men hier geeft, geringer, de hoeveelheid graan en boonen aanzienlijk grooter is. Het vee ontvangt bij deze voederwijze, wanneer gerst, haver en boon meel het hoofd-krachtvoer vormen, veel zetmeel, dat, al is het voeder ook gebroken of gemalen, niet geheel verteert, gelijk ons bij onderzoek gebleken is. Dit krachtvoer dient vooreerst ora genoeg eiwitstoffen te geven, maar het vee ontvangt daarbij te veel koolhydraten, zoodat liet stroo slecht verteerd wordt en zelfs van het overigens gemakkelijk verteerbare zetmeel overblijft. Ongetwijfeld is het daarbij voederen van koek, lijnzaad, zemels en dergelijke voedermiddelen, die rijker aan eiwit, maar armer aan koolhydraten zijn, en van de gemakkelijk verteerbare wortelen, gelijk b.v. in Engeland geschiedt, uit het oogpunt der voeding rationeeler. In dit geval wordt hot stroo of het ander ruwvoer beter verteerd. Om die verteerbaarheid te bevorderen zou het ook meer in den vorm van haksel en met wortels vermengd gegeven kunnen worden. Proeven, in Engeland genomen, hebben geleerd, dat tot zekere grens met de hoeveelheid wortels do hoeveelheid stroo, die door mestdieren gevreten wordt, toeneemt. Men zou ongeveer evenveel droge stof in wortelgewassen als in hooi en stroo kunnen geven, wat ons, in verband mot de Duitsche proeven, wat veel schijnt. Hationoeler is ook het voederen met de zetmeelarmere peldersdust, omdat daarbij geen zetmeel verloren gaat; althans kon bij laatstgenoemd voedermiddel, volop gegeven, door ons weinig of geen zetmeel in de uitwerpselen ontdekt worden.

Bij deze wijze van mesten, waarbij blijkbaar do stikstofvrije stoffen in overmaat aanwezig zijn, wordt intusschen uitstekend vleesch verkregen, en ook hel slachtgewicht is groot, geheel in overeenstemming met hetgeen aim

-ocr page 303-

257

het proefstation te Halle en te Lauchstadt gevonden werd (zie hierboven). Bij de verschillende aldaar genomen proeven bleef toch, bij eene vermeerdering van de stikstofvrije stoffen tot een zekere grens (20 KG. op 1000 KG. levend gewicht), de verhooging van liet slachtgewicht in geen enkel geval achterwege, zoodat de proefnemers tot het resnltaat komen, dat de stikstofvrije voedingsstoffen veel grooteren invloed op de verhooging van het slachtgewicht uitoefenen als de stikstofhondende1).

Voor de spoelingmesterij worden, evenals gewoonlijk door bovengenoemde landbouwers geschiedt, weideossen opgekocht en des winters op stal gezet. Tc Schiedam ontvangen deze dieren viermaal daags spooling, zooveel hun lust, en daarbij tweemaal daags hooi. Ossen, des voorjaars opgekocht, gaan in de weide, en dozen wordt daarbij spoeling, in bakken in hot land geplaatst, gegeven. Gewoonlijk wordt het vee hier tweemaal, soms driemaal per jaar omgezet, zoodat zij, na 4 a G maand mestens, voor do slachtbank worden afgeleverd, en behalve ossen ook veel afgemolken melkkoeien (vaannelken). Do qualileit van het vleesch verschilt nogal naar de meerdere of mindere hoeveelheid toevoer (kernmesting of slappe mesting).

Het mesten van ossen in de weide geschiedt hot meest op de uiterwaarden langs de groote rivieren. Elders, o. a. in Groningen, zijn hot meer vaannelken, welke in de beste graslanden worden vetgeweid. Deze worden dan tot aan den weidetijd doorgemolken en dan droog gezet. Gewenscht is hot, dat beide, ossen on vaannelken, reeds op stal goed gevoed, dus min of meer voor hot mesten in de weide voorbereid zijn. Niet te vochtige weiden, die, niettegenstaande hare drogere ligging, steeds volop gras geven, zijn daarvoor het meest geschikt. Langdurige regen, waarbij het gras te waterig wordt, is niet voordeelig. Zijn de weiden wegens ongunstige weersgesteldheid of door andere oorzaken te schraal, zoo wordt dit vee slechts half vet en moet hot verder op stal worden klaar gemaakt. Mogelijk zou door het bijvoederen van krachtvoer, b.v. koek, gelijk de Engelschmau doet en gelijk de Schiedammer door spoeling verkrijgt, in het een of ander gebrek in de voeding op do woide kunnen worden voorzien.

Vaannelken worden overigens ook wel op stal, op gelijke wijze ongeveer als ossen, in den winter mot droogvoer, soms in den zomer met klaver en kortvoer, gemest. In enkele gevallen mest men dos zomers op deze wijze ook jonge ossen aan de klaverbak.

C. Tautzer heeft gedurende eenige jaren nagegaan hoeveel de gewichtstooneming van ossen en koeien van het Budjadinger veeslag bij het mesten in de weide is').

De uitkomsten waren als volgt:

Aantal jaren.

Geniidd. gewicht

Aantal weide-dagen.

Gemiddelde gewichtstoeneming

bij liet j aan liet begin. 1 eind. KG. I KG.

per dag

pei lt; 1G1 ■ pei-dinr.l por .quot;gt;00 Kl i. lov. gow. KG. ! KG. KG.

30 driejarige ossen 10 tweejarige » 12 koeien

u

3 11

527 444 409

709 022 047

15G 182 1G2 : 178 174 148

1.1 GO 1.091 0.852

1.100 1.220 0.854

') Wij beschouwen een en ander hier enkel uit liet oogpnnt iler voeding en laten financieele qnestiën daarbij bulten beschoiiwing.

2) Milchzeitung, 1801.

RElXDEUS, 111. Vierde drul;. 17

-ocr page 304-

258

Het mesten van stieren, die niet verder voor het dekken aangehouden en dan vroeger veelal gecastreerd werden , maar thans meer als zoodanig gemest worden, heeft, al naar omstandigheden, op gelijke wijze plaats als voor het mesten van ossen is aangegeven. Uit den aard der zaak maken deze slechts een betrekkelijk klein gedeelte van het te mesten vee nit, ofschoon hun getal in de laatste jaren niet onbelangrijk is toegenomen.

Het melkvee geeft in zijne producten bijna dagelijks rente van het kapitaal, dat het vertegenwoordigt. Met mestvee is zulks niet het geval. Eerst dan, als het verkocht wordt, bekomt men het kapitaal, met de rente enz., terug. Hoe sneller dit kapitaal omgezet wordt dos te voordeeligor is het dus. Vandaar het voordeelige van snel-mesten, in zoover zulks met eene inderdaad goede mesting gepaard gaat. Maar vandaar ook het voordeel van vroegrijp vee, waarin men reeds op jeugdigen leeftijd eene groote hoeveelheid vleesch en vet kan ophoopen.

Inzonderheid in Engeland legt men zich daarop toe, niet alleen door vee, dat deze eigenschap bezit, aan te fokken, maar ook, door eene meer intensieve voeding van meetafaan, het spoedig voor de slachtbank gereed te hebben. Zoo voedert men, volgens een verslag, daarvan gegeven '), iu de graafschappen Surrey en Sussex, waarbij het vee op den leeftijd van twee jaar, of soms nog jonger, verkocht kan worden, o. a. als volgt: de eerste 3 a 4 weken wordt zoete melk gegeven, tot ongeveer 9 liter per dag; de zoete melk vervangt men langzamerhand door afgeroomde melk, die verdikt wordt door gekookte haver- of lijnzaadmeel. Langzamerhand worden de kalveren gewend om lijnkoek en hooi te vreten. Op den ouderdom van drie tot zes maanden bedraagt het dagelijksch rantsoen ongeveer 0.3 KG. lijnkoek met dezelfde quantiteit boon-meel en ongeveer 18 liter wortels, hooi, stroo en zont. Do hoeveelheid koek en meel wordt langzamerhand vermeerderd, totdat zij op den leeftijd van een jaar dubbel zooveel als boven vermeld krijgen. Des zomers wordt ook groenvoer, b.v. klaver, gegeven, dat gesneden en steeds op stal toegediend wordt, dien zij eerst verlaten, als zij aan den slager worden afgeleverd. Htm dagelijksch voeder is dan ongeveer 1.8 KG. koek en 2.7 KG. boontneel met wortels en eene matige hoeveelheid hooi. Volgens eene andere opgave wordt in den eersten staltijd, dus op den leeftijd van ongeveer 1 jaar, 1.1 KG. lijnkoek, 12 liter mangel wortels, stroo en grof hooi gegeven. Den volgenden zomer, in de weide gaande, ontvangen zij dezelfde hoeveelheid koek en den volgenden winter, dus tegen tweejarigen leeftijd, als zij meer bepaald gemest worden, eerst drie maand lang 45 liter mangelwortels en 2,/4 a 23li KG. lijnkoek en ten slotte nog 2,li a 23/4 KG. erwten- en gerstenmeel bovendien. Deze dieren hebben dan een gewicht van ongeveer 300 a 400 KG. Men rekent, dat jonge ossen of koeien, die van de geboorte af goed gevoed worden, op den leeftijd van 100 week, 100 Smithfield-stone (ongeveer 300 KG.) wegen. Financieel schijnt deze voederwijze in Engeland goede resultaten te geven. Men rekent, dat de kosten van aankoop, voeding en verder onderhoud, gemiddeld f 4,20 per week, vergoed worden door de opbrengst bij verkoop en dus do mest als zuiver voordeel kan worden beschouwd.

Wij willen daarmede deze min of meer geforceerde mesting niet onvoor-

') Journal of Ihc Itoi/al Agriculhiral Society of England, Vol. XIV, Part. I.

-ocr page 305-

259

waardelijk aanbevelen. Integendeel, de ondervinding heeft geleerd, dat op deze wijze dikwijls vleescli wordt verkregen dat veel te vet is, en juist in den laatsten tijd vraagt de markt wel gemest vleesch, maar geen vet. Worden de dieren van kalf af te snel gemest en hebben ze daarbij weinig beweging, dan wordt, gelijk licht te begrijpen is, het spierweefsel weinig ontwikkeld, wel liet vetweefsel; spierweefsel gaat ten deele in vetweefsel over. Daarbij komt, dat de dieren een zekeren leeftijd bereikt moeten hebben om deugdelijk vleesch te leveren. Een kalf kan men tot op den leeftijd van ongeveer 13 weken met melk mesten; maar het vleesch, b.v. van een t'énjarig geniest beest, is wat men noemt niet rijp; het is bleek van kleur, smakeloos en meestal minder voedzaam. Er is dus een grens, ofschoon het moeilijk valt die te trekken, omdat zulks niet enkel afhankelijk is van het voeder, maar ook van de individueele en raseigenschappen van het te mesten vee.

In het algemeen moet het te mesten vee zich tot op zekeren leeftijd regelmatig ontwikkelen, bij een gepast gebruik der spieren, om, allengs voorbereid, in een betrekkelijk korten tijd bepaald gemest te worden. Hoe beter en hoe langer, tot zekere grens, die voorbereiding duurt, hoe rijper het is, des te deugdelijker wordt het vleesch. Een driejarige os, en wellicht nog ouder, levert daarom in den regel beter vleesch dan een tweejarige. Daarom kunnen ook trekossen van 6—8 jaar, ofschoon dan niet zoo fijn als jongere ossen, een zeer deugdelijk, rijp en smakelijk vleesch leveren, wanneer zij slechts tot een ras behooren dat zich goed laat mesten en ze in hunne jeugd goed gevoed en door bovenmatigen arbeid niet te veel vermagerd zijn. Zij kunnen dan ook met een der bovengenoemde rantsoenen in den betrekkelijk korten tijd van 21/, a 3 maand vet zijn. Oudere trekossen, en zoo ook oude melkkoeien, ver-eischen daartoe een te langen tijd van voorbereiding om de kosten goed te maken. Bovendien zijn de spieren taai geworden, te veel in peeszelfstandigheid, bl. 73, omgezet, en het bindweefsel daartusschen is te oud om snel vernieuwd te worden. Daarom levert zulk vee, althans wanneer het mesten snel geschiedt, en dit rendeert gewoonlijk het best, slechts weinig met vet doorgroeit], minder saprijk vleesch, maar slechts met aangegroeid vet in de buikholte, derhalve in het losse bindweefsel van de inwendige organen. Toch kan ook eene melkkoe deugdelijk en fijn vleescli leveren — fijner in den regel dan trekossen, omdat de spiervezels bij het niet-verrichten van arbeid minder grof zijn — wanneer zij slechts niet te oud is en langzaam gemest wordt, aangezien alleen dan zich voldoende vet afzet in het bindweefsel der spierbundels.

De duur van het mesten is derhalve afhankelijk van den graad, dien men bereiken wil, van den bijzoaderen aard van het dier, dat gemest wordt, en van de min of meer juiste samenstelling van het rantsoen. In het algemeen verdient een korte mesttijd de voorkeur, omdat er dan minder onderhoudskosten zijn. Het intensieve mesten dient niet langer dan 2'/» a 3 maand te duren, en bij eene goede voeding is deze tijd ook voldoende. Men kan dan rekenen dat door 12 a 13 KG. droge stof in het mestvoer 1 KG. toeneming in het levend gewicht wordt verkregen, derhalve eene dagelijksche gewichtstoeneming van l'/j—l'/s KG. Dit toenemen in gewicht is in het begin sterker als later; vooral in het laatste stadium van het mesten, wanneer het water in de weefsels door het soortelijk lichtere vet vervangen wordt, neemt het gewicht weinig of

17*

-ocr page 306-

260

niet meer toe. Ook van de vleeschprijzen hangt liet at', tot welken graad liet mesten moet worden voortgezet. Wordt eene hoogfijne qualiteit van vleesch niet voldoende betaald, dan is het beter het mesten eerder te staken.

D. Voeding van werkvee. De runderen, voor den arbeid gebruikt, zijn ossen, in enkele gevallen stieren, en voor lichten arbeid worden ook koeien genomen. Evenals bij andere werkdieren wordt hunne voeding geregeld naaiden te verrichten arbeid. Des winters, als zij weinig of geen werk doen, ontvangen zij slechts onderhoudsvoer; 4 a G weken vóór den voorjaarsarbeid worden zij allengs intensiever gevoederd, en zijn ze in den herfst min of meer vermagerd, zoo wordt hun aanvankelijk 's winters iets meer gegeven, om wat beter in 't vleesch te komen. Jongere dieren laat men niet slechts minder arbeid verrichten, maar men geeft het hun ook buiten de periode van weiken beter. Zelfs 4- a 5-jarige ossen moeten, om te blijven groeien, iets meer ontvangen.

Volgens Henneberg en Stohmann kan een trekos, voor onderhoudsvoer, met een der volgende rantsoenen toe, per 500 KG. levend gewicht berekend:

1. 7.085 KG. haverstroo, 1.31 KG. klaverhooi, 0.2C KG. raa2gt;koek en 0.045 KG. zout;

2. G.5 KG. haverstroo, 1.80 KG. klaverhooi, 0.28 KG. raapkoek en 0,045 KG. zout;

3. 5.045 KG. roggestroo, 1.90 KG. klaverhooi, 0.285 KG. raapkoek en 0.0475 KG. zout;

4. G.285 KG. haverstroo, 12.78 KG. raangelwortels, 0.5 KG. raapkoek en 0.0475 KG. zout.

In deze rantsoenen komt voor, per 1000 KG. levend gewicht berekend: ruim 15 KG. droge stof, bijna 1 KG. onzuiver eiwit, waarvan ruim de helft verteert, en ruim 13 KG. stikstofvrije stoffen inclusief vet, waarvan 7—7.7 KG. verteren of gemiddeld op 0.57 KG. verteerbare stikstofhoudende 7.4 KG. stikstofvrije stoffen, dns een voedingsverhouding van 1 : 13.

Do ossen, waarmede deze proeven werden genomen, waren tamelijk zware dieren, en do stal, waarin zij stonden, tamelijk hoog in temperatuur (15— 20° C.). C. Lehmann acht het daarom beter, de hoeveelheid voedingsstof iets grooter te nomen en wel 0.7 KG. stikstofh. op 8.4 KG. stikstofvr., dus een verhouding van 1 : 12, terwijl voor de geheele hoeveelheid organische stof 17.5 KG. genomen wordt met 0.15 a 0.20 KG. vet.

.Uit latere proeven van G. Kühn en Keiler is wel gebleken, dat de hoeveelheid stikstofvrije stof iets kleiner kan zijn, maar aangezien het niet wenschelijk is de onderste grens te nemen, meent ook Keiler dat men zich aan bovengenoemd rantsoen kan honden. Voor kleinere dieren moet het echter nog iets grooter zijn.

In Caloriën uitgedrukt is voor het onderhoud voor 1 KG. levend gewicht in 1 uur ongeveer 1 Cal. noodig en levert 1 gram verteerde organische stof gemiddeld 3.5 Cal., wat men dus het nuttig physiologiscli effect kan noemen; zie bl. 71.

Voor het verrichten van arbeid is intusschen noodig, behalve een goed ontwikkeld lichaam, eene voeding, waarbij niet alleen hot vleesch, de spieren enz. in stand worden gehouden, maar ook genoeg brandstof wordt aangevoerd voor het voortbrengen van 't verlangde arbeidsvermogen. Te groote vetvorming in het lichaam moet daarbij worden vermeden, daar eene met.vet doortrokken

-ocr page 307-

2(31

spier minder sterk is. Ook is een te waterig voedsel nadoelig; de spieren worden onder die omstandigheden te week en met te veel vocht doortrokken. Eene dikke, maar droge en betrekkelijk magere spier kan de meeste kracht uitoefenen.

In den zomer, wanneer de meeste arbeid door deze dieren verricht wordt, is dus droog voer wel gepast en bij gebrek aan groen voer worden de trekossen dan ook het eerst op droog voer gezet. Wordt klaver of ander waterig voedsel gegeven, zoo is toevoeren van stroohaksel wenschelijk. Weide voedering is minder gepast, tenzij men de ossen om beurten laat werken; de schofttijd duurt hun te kort om zich zat te vreten. Ossen, 9 a 10 uur daags, met eene pauze van 2 a 3 uur, werkende, hebben geen tijd genoeg om te herkauwen en dienen dus meer geconcentreerd voedsel te ontvangen: baksel met 1 a 1 '/i KG. gebroken graan, erwten of boonen of 1 ill a 2 KG. raapkoek. Als voedingsnormen, die bij een en ander geraadpleegd kunnen worden, gelden hier voor 1000 KG. lovend gewicht, volgens Kühn:

geheele hoeveelheid droge stof ongeveer........25 KG.

verteerbaar zuiver eiwit, al naar het werk.......1.5—2.3 »

verteerbaar vet, » » » » .......0.3—0.6 »

verteerbare stikstof vrije extractiefstoffen enz.......11 —13 »

voedingsverhouding...............1:0 a 1:7.5.

Volgons Emil. Wolff (Lohmann):

Bij volle Dij gomigoii Bij iniddelma- Bij /waren stalnist. arbeid. tigen arbeid. aibeid.

droge stof in het geheel. . 18 KG. 22 KO. 25 KG. 28 KG.

verteerbare stikstofh. stoffen 0.7 » 1.4 » 2.0 » 2.8 »

verteerbaar vet.....0.1 » 0.3 » 0.5 » 0.8 »

verteerbare stikstofvr. stoffen 8.0 » 10.0 » 11.5 13.0 » som dor voedingsstoffen:

celstof =1.....8.9 » 12.1 » 14.7 » 17.7 »

» = '/j.....7.5 » 9.7 » 12.0 » 15.0 »

voedingsverhouding. . . 11.8 » 7.7 » 0.5 » 5.3 »

Niet slechts in het voeder, maar ook in de wijze, waarop dit aan het rundvee toegediend wordt, in de voeder wijze of voederregeling, bestaat eene vrij groote verscheidenheid. Kalveren, die nog aan de melk zijn, ontvangen deze in 3 a 4, beter in 4 a 5 malen daags. Later, in de v/eide, wordt hun de bijgevoerde karnemelk enz. in twee malen, 's avonds cn 's morgens, gegeven. Zoo ook, wanneer zij niet naar buiten gaan on, behalve zuivel, b.v. hooi krijgen, dat hun eenige malen daags in kleine hoeveelheden toegediend wordt.

Op stal worden de runderen in het algemeen driemaal, soms, inzonderheid mestvee, viermaal gevoederd. Men rekent, dat er tusschen twee maaltijden minstens 3 a 4 uur verloopen moet, om de vertering en het herkauwen van 't voedsel niet te storen. Bij hot voeder ontvangen de dieren het noodige drinkwater, dat hun meestal slechts tweemaal, soms driemaal daags, zooveel hun lust, gegeven wordt. Uit den aard der zaak hangt do hoeveelheid daarvan van de soort voeder enz. af. In den regel bedraagt zij, na aftrek van het water in 't voeder, 4 a 6 maal de quantitcit droge stof in 't voer. Veel water verhoogt de hoeveelheid omloopend eiwit, bl. 52; melkvee heeft de grootste

-ocr page 308-

262

ijuantiteit water nooilig. Wordt eenig zont, bl. 5-4, bij het voeder gegeven, zoo wordt meer gedronken en ook daardoor de hoeveelheid omloopend eiwit vergroot. Warm drinkwater moge in enkele gevallen verkieslijk zijn, zeer koud in enkele gevallen schadelijk, matig kond, frisch water wordt in het algemeen voor het beste gehouden.

Bij het op bl. 253 vermelde rantsoen voor mestvee in Duitsehland wordt de volgende vooderorde slipt in acht genomen:

's Morgens 5 uur, eerste hoofdmaaltijd. Eerst wordt 3/8 gedeelte van het haksel in drie portion gegeven, in dier voege, dat, als de eerste portie opgevreten is, de tweede en vervolgens de derde toegediend wordt. Daarop volgt 2 KG. hooi.

's Middags 11 uur, tweede hoofdmaaltijd, bestaande in 2/8 van het haksel voer, in twee portiën gegeven, daarna de lijnzaad- en meelpap en ten slotte 2 KG. hooi.

's Namiddags 4 uur wordt koud water te drinken gegeven.

's Namiddags 5 uur, derde hoofdmaaltijd, gelijk aan die van 's morgens, uitgezonderd dat, in plaats van hooi, stroo bij het afvoeren gegeven wordt.

In Groningen ') ontvangt het rundvee des morgens, te 4, 5 a 6 uur, nadat de stallen van stroo ontdaan en schoon geveegd zijn, eerst drinken, daarna wordt stroo gegeven; vervolgens krijgt het mestvee het mestvoer, het andere vee hooi of wortels; tusschenbeide wordt de mest naar buiten en ten slotte weder strooisel op stal gebracht, waarna met stroo en hooi of stroo alleen wordt afgevoerd.

De middagvoedering, tegen 12 uur, is eenvoudiger; het jonge vee, dat slechts eenmaal daags toevoer (graan, boonen of koek) krijgt, ontvangt dat nu; aan het mestvee wordt weder mestvoer en algemeen stroo of hooi gegeven, terwijl, als veel wortels gevoederd worden, ook thans daarvan eene portie wordt toegediend.

Des namiddags, van 4—6 uur, wordt op gelijke wijze als des morgens gehandeld, terwijl des avonds om 8 a 9 uur aan het mestvee nog eene portie toevoer gegeven wordt.

Deze voorbeelden, die gemakkelijk vermeerderd zonden kunnen worden, duiden eenigermate den algemeenen gang van het voederen, maar ook het verschil, dat er in de voederwijze bestaat, aan. Ongetwijfeld volgt het eene voeder beter op het andere, dan omgekeerd, maar de verschillende omstandigheden, waaronder de landbouwer zijn bedrijf uitoefent, veroorzaken, dat, gelijk er geene bepaalde voorschriften voor de soort en de hoeveelheid voeder gegeven kunnen worden, men evenmin eene bepaalde voederwijze kan voorschrijven. Maar, welke voederwijze men ook moge aannemen, hoofdzaak is, dat men de noodige orde en regelmaat, ook wat den tijd betreft, en vooral zindelijkheid daarbij in acht neemt.

Bij de zomer-stalvoedering met klaver enz. wordt gewoonlijk vaker gevoederd.

Veel voedertijden hier te nemen zal echter minder doelmatig zijn; 't best

') P. Heidema Sen. en E. Dijkema, Beschrijving van den landbouw in Hunse-f/oo, en C. Geei'tsoma, Beschrijving van den landbouw in hel Oldnntbt, Fivelingoo en Weslern'olde.

-ocr page 309-

263

is, oin het vermorsen tegen te gaan, het voeder, op eiken voedertijd, in eeuige malen te geven. Als het voeder goed nialsch en vochtig is laat men daarbij maar eens por dag drinken.

Werner geoft voor zomer-stalvoedering de volgende regels:

1. De overgang van droog- tot groenvooder moet allengs geschieden; ongeveer 14 dagen moeten daarover verloopen.

2. Niet meer groenvoeder dan voor één dag moot binnengehaald worden, het best 's morgens een uur na zonsopgang en 's avonds vóór 't begint te dauwen. Verwelkt voer, met name klaver, is ongezond eu geeft aanleiding tot lilas.

3. Het voeder moet dun uitgespreid, koel bewaard en bij broeiing dadelijk omgezet worden. Ook kan het door overgieting met water verfrischt worden.

4. Voeder, door regen nat geworden of mot schimmel bezet, moet met grooto voorzichtigheid gevoederd worden; in dit geval verdient bijvoederen van haver of stroo aanbeveling en vóór dat men groenvoer geeft.

5. De voedertijden moeten stipt in acht worden genomen en het groenvoeder in zooveel mogelijk kleine giften worden gegeven, om vermorsing en bias te voorkomen.

6. Het drenken moet niet direct na het voederen, maar eerst als de dieren beginnen te herkauwen plaats hebben.

7. Voor de gezondheid der dieren en derhalve ook voor de vermeerdering der productie moet voor goed strooisel, zuivere lucht en eeno goede huidvor-pleging gezorgd worden.

Na het vroeger, bl. 154, medegedeelde over de verpleging van do land-bouwdioren in het algemeen, zal het onnoodig zijn aangaande de verpleging van hot Rund nog in 't bijzonder uit te weiden.

Het Rund vooral is dankbaar voor eene zachte en liefderijke behandeling en eene rustige omgeving. In de weide zoowel als op den stal moot daarvoor

zooveel mogelijk gezorgd worden en alles zooveel mogelijk worden verwijderd of niet worden toegelaten wat het Rund verontrusten zou. In zoogenaamde loopstallen, door eenige boomen of door Fig. 101. Troquar. b 1 t 1 ' , ° . . ,

een hoop stroo, geve men hot m de weide mm

of meer beschutting tegen koude winden, regen of de brandende zonnestralen enz. Bij het optreden van bias of trommelzucht moet worden getracht de in de pens opgehoopte gassen to doen ontwijken of op eene andere wijze te verwijderen. Dit kan geschieden of dooi- middelen die een deel van het gas (koolzuur) binden, b.v. het ingeven van een flesch kalkwater, öf door afkoeling eene verminderde spanning geven, b.v. overgieten met koud water, of oprispingen veroorzaken, b.v. het aanleggen van een stroo-wrong bij wijze van een toom, waarbij het deel dat boven den tong in den mond komt met traan, bruine teer of pekel bevochtigd wordt, öf als deze middelen niet baten, het maken van een opening in de pens met behulp van een scherpe priem of troquar, bl. 45. Zie Fig. 101.

Behalve voor eene voldoende voeding moet in de weide ook voor goed drinkwater gezorgd worden. Gebrek aan het eene of het andere, zoomede onvoldoende afsluiting, zijn daar veelal de oorzaken van het zoo nadeelige

-ocr page 310-

264

„schuimenquot; of uit de weide vluchten. Allerlei middelen worden dan te baat genomen dat te beletten, als het koppelen, het tuieren, blinddoeken enz.

Niet minder dan in de weide heeft het Eund op den stal, behalve eene voldoende voeding, allerlei verpleging noodig. Veel hangt van de inrichting der stallen, hunne grootte en ligging ten opzichte van de andere gebouwen en de geheele omgeving af, of het zich hier inderdaad thuis gevoelt. Daarvan is ook grootendeels afhankelijk de staltemperatuur en de meerdere of mindere zuiverhuid der stallucht, waaromtrent bl. 155 reeds het noodige gezegd is.

5. GKBRUIK VAN FIKT RUND EN ZIJNE PHODUCTEN.

De hoofddoeleinden, waartoe het Rund gehouden wordt, zijn: als melkvee, als meslvee en als werkvee. Als nevendoel voegt zich daarbij nog het aan fokken van jonge dieren. .Moesten wij in de le uitgave van dit Handboek schrijven: „Eigenlijke fokkers, die zich meer bepaald toeleggen om deugdelijke jonge fokdieren te verkrijgen en deze voor meer dan de gewone marktprijzen te verkoopen, gelijk in Engeland, komen hier te lande weinig, wellicht te weinig voor,quot; thans kan gezegd worden, dat in het laatste 30-tal jaren, met name in de provinciën Friesland en Noord-Holland, velen zich toeleggen op het voortbrengen van fokvee, vooral met het doel om ze voor goede prijzen naar het binnen- en buitenland (üuitschland, Noord- en Zuid-Amerika, België en Afrika) af te zetten. Meer algemeen fokken die landbouwers, welke een zeker veeslag bezitten, dat met hunne bedoelingen het meest strookt en dit niet kunnen koopen, in eigen ras aan, om in dezelfde laag te blijven. Soms wordt dan ook door dezen meer vee aangefokt dan voor eigen behoefte als melkvee enz. noodig is en op zekeren leeftijd verkocht ; andere landbouwers fokken in 't geheel niet of niet genoeg aan en moeten door aankoop in de behoefte voorzien. Daaruit resulteert vooral de handel op onze veemarkten. Wij achten het onnoodig, daarbij langer stil te staan.

De hoofdproducten, die het Rund levert, zijn: melk, vleesch en arbeid. Horens, Mauwen, hoeven en de huid worden weliswaar ook gebruikt, maar do waarde daarvan is in betrekking tot de melk en het vleesch en den arbeid gering; met hot oog daarop heeft de teelt geenszins plaats. Als bijproduct meonen wij voorts den mest te moeten beschouwen; nog niet lang geleden werden juist daarom runderen in sommige streken gehouden.

Ofschoon alzoo het eene product het andere veelal niet uitsluit, noch bij het eene doeleinde het andere uit het oog verloren behoeft te worden, behandelen wij voor een gemakkelijk overzocht:

A. gebruik van het melkvee om de melk en bereiding van producten daaruit (zuivelbereiding); B. gebruik van meslvee; C. gebruik van werkvee; D. de bijproducten van het Rund.

A. GEBRUIK VAN MELKVEE (ZUIVELBEREIDING) ').

Melk en de daaruit bereide producten zijn in vele Nederlandsche gewesten

') Dr. \V. Kirchner, IJnndbuch der Milchivirtschaft. Dr. \V. Fleischmann, Lehrbuch der Milclnvirlschafl. C. Petersen, Anleitunrj zum Betriehe der Milchivirl-

-ocr page 311-

265

kot hoofddoel, waarom liet Rund gehouden wordt. Daar. waar de melkgereede koopers vindt, in do nabijheid van steden en dorpen, en dus duur verkocht kan worden, wordt zij als zoodanig aan den man gebracht. Op aanfokken legt men zich hier in den regel weinig too. Bij voorkeur worden steeds nieuw-melkkoeien aangekocht en, zoodra deze in het melkgeven aanzienlijk verminderen, weder verkocht en door nieuwe vervangen. In enkele streken wordt ook veel melk verbruikt voor het mesten van kalveren, bi. 251. De grootste hoeveelheid melk dient echter ter bereiding van boter en kaas, en het is daarmede dat wij ons hier hoofdzakelijk moeten bezig houden.

1. Samenstelling en eigenschappen der melk in het algemeen. Meikond er zoe k.

Do melk bestaat uit ivater (83—90 0/0), waarin verschillende stoffen min of meer opgelost zijn en waarin eene menigte (in 1 liter minstens 80000 millioen)

inicroscopisch kleine vetbolletjes, van 0.01—0.0016 mM. doorsnede zweven. Fig. 102. Do melk-vloeistof, waarin de bolletjes zweven, wordt gewoonlijk serum geheeten. Do in het water of het serum min of meer opgeloste stoffen zijn bekend onder de namen: kaas-stof oi caseïne (3—5 0('0), gewoon eiwit of alhurnine en enkele andere eiwitstoffen (samen 0.2—0.6 0/0), melksuiker (3.7— 5.7 %) en enkele zouten of aschbestanddeeleu (0.4—0.S) 0;o). Bovendien treft men er nog eenige gassen en enkele andere stoffen (pisstof, reukstoffen, citroenzuur enz.) in zeer geringe hoeveelheid in aan.

Gaat men melk filtreeren door den wand van een poreuzen pot, b.v. een filter van Chamberland, zoo gaan de werkelijk opgeloste stoffen door den wand heen, de andere blijven daarop achter. Met het water gaan dan dooi het filter de melksuiker, eene kleine hoeveelheid van de eiwitstoffen, hoofdzakelijk gewoon eiwit of albumine, en een gedeelte van de zouten of ascli-bestanddeelen der molk. Op het filter blijven achter, behalve het vet en enkele aschbestanddeelen (phosphaten), do eiwitstoffen die in de melk niet werkelijk opgelost zijn, maar zich daarin in colloïdalen, min of meer gezwollen toestand

schaft. Dr. F. Stohmann, Milch- und Molkereiproduclie. .1. Klein, Krfolrjrciche Milchwirlschaft. A. Dud mix, Le lait. Dr. P. Ho 11 man. Handhoek voor den kaasmaker. .1. Rinkes Borger, Praktisch leeshoek over zuivelbereiding. Bijblad voor do Landbouw-couranl 1874, enz.

-ocr page 312-

26G

bevinden. Deze worden gewoonlijk met den naam van kaassfoF of caseïne bestempeld. Volgens Eugling wordt de kaasstof in de melk in min of meer opgelosten (gezwollen) toestand gehouden door caleiiimphosphaat; volgens Söldner is zij, opgelost, als eene neutrale kalkverbinding te beschouwen. Een grootere of kleinere hoeveelheid van één dezer verbindingen maakt ook dat de toestand van gezwollenheid der kaasstof, de slijmerigheid der melk, nog verschillend is. Voegt men bij melk van de gewone of iets verhoogde temperatuur een paar druppels zuur, b.v. zoutzuur of azijnzuur, zoo wordt de verbinding van kaasstof niet kalk of met het phosphaat ontleed en slaat de kaasstof neer, en daar deze de vetbolletjes insluit, wordt, door een gewoon filter filtreerende, de kaastsof mot het vet teruggehouden. Verhit men de daarbij doorloopende heldere vloeistof tot 75 a 80° C., zoo slaat het gewone eiwit of albumine dor melk neer of zet zich aan den wand van het vat af, en na nogmaals gefiltreerd tc hebben kunnen in de nu verkregen vloeistof, met behulp van looizuur, alcohol of met Millon's reagens, nog eenige eiwitstoffen (globuline, lactoproteïne) worden aangetoond. O]) grond van deze verschijnselen heeft men de eiwitstoffen der molk in drie groepen verdeeld: kaasstof, albumine en de rest, welke gewoonlijk met den naam van lactoproteïne wordt aangeduid. De gemiddelde hoeveelheden zijn:

kaasstof......2.90 proc.

albumine......0.40 »

lactoproteïne .... 0.30 »

samen . . . 3.60 proc.

De slijmige kaasstof houdt de vetbolletjes in de melk zwevende en verhindert dat zij ineenvloeien. Pas gemolken is het botervet dezer bolletjes natuurlijk vloeibaar, daar de temperatuur der melk, zoo pas gemolken (37.5° C.), hooger is dan het smeltpunt der boter (35—37° C.); maar volgens onderzoek van Soxhlet blijft het ook vloeibaar, wanneer de melk op de gewone luchttemperatuur, ja zelfs tot 0° C. wordt afgekoeld. Wordt de melk echter beneden 0° C. afgekoeld of geslagen (als bij het karnen geschiedt), zoo worden do bolletjes vast en vertoonen zij zich onder den microscoop niet meer als druppels, maar in veelvuldig vertakte onregelmatige vormen.

De hoofdbestanddeelen der melk zijn dus: water, kaasstof en enkele andere eiwitstoffen, boter of vet, melksuiker en asch.

Ook de melk van andere dieren heeft eene dergelijke samenstelling; slechts in de betrekkelijke hoeveelheden van de bestanddeelen bestaat verschil. De eerstgemolken melk, heest of biest, bevat meer eiwitstoffen en vooral meer albumine, de latere melk slechts weinig van laatstgenoemde stof. De biest is verder gekenmerkt door grootere druifvormige lichaampjes, biestbolletjes; zij is verder armer aan melksuiker en rijker aan aschbestanddeelen; haar specifiek gewicht is l.UIG—1.079. Een en ander, moge Wijken uit onderstaande tabel der gemiddelde samenstelling ten 100 van eenige melksoorten.

Water.

Kaasstof.

Albumine enz.

Vet.

Melksuiker.

Asch.

Koemelk

87.75

2.9

O.G

3.4

4.6

0.75

Biest eener koe

78.7

7.3

7.5

4.0

1.5

1.0

Schaapmelk

83.0

4.G

1.7

5.3

4.0

0.8

Geitenmelk

85.7

3.2

1.1

4.8

4.5

0.76

-ocr page 313-

267

Water. Kaasstof. Albiimine enz. Vet. Melksuiker. Asch.

Zeugmelk 83.5 6.5 4.5 3.5 1.1

Ezelin melk 90.0 2.0 1.4 6.3 0.3

Merriemelk 90.7 4.6 1.2 5.7 0.8

Buffelmelk 82.9 4.6 7.5 4.2 0.8

Vrouwemnolk 88.9 3.5 2.6 4.8 0.2

Bovenstaande analyses geven slechts ile gemiddelde samenstelling tuin. Die der koemelk hebben betrekking op groote Uuitsche veekudden, gedurende eene reeks van jaren, volgons Fleischmann. De afwijkingen, die daarbij werden waargenomen, zijn:

■water..... 86.5—89.5 proc.

vet......2.7— 4.3 »

eiwitstoffen . . . 3.0— 4.0 »

melksuiker. . . . 3.6— 5.5 »

aseh......0.6— 0.9 »

Neemt men meer rassen in beschouwing, zoo zijn do afwijkingen grooter. Zoo is het vetgehalte, en ook de goheele hoeveelheid droge stof der melk van vele bergrassen hooger. Bij de Jersey-koeien stijgt het soms tot 8 proc., ja nog hooger. Hot gemiddeld vetgehalte tier melk' van het Nederlandsche rund is iets lager, gemiddeld ruim 3 proc. Do gemiddelde samenstelling van Friesch-Noordhollandsch vee kan men als volgt stellen;

vet.......3.0 proc.

eiwitstoffen .... 3.5 »

melksuiker.....4.3 »

asch.......0.7 »

dus droge stof . . 11.5 proc.

Uit een groot aantal analyses van do melk, gedurende 10 jaar geleverd aan de melkinrichting te Arnhem, werd door ons berekend 11.86 proc. vaste stof en 3.025 proc. vet. Van het laaglandsch vee in Noord-Duitschland geeft Fleischmann als gemiddeld op 12 proc. droge stof met 3.15 proc. vet.

Onder droge stof der melk verstaat men de som van allo melkbestanddeelen zonder water. Zij bedraagt bij de laaglandsrassen 10.5—12.5 of gemiddeld 12.25 proc., bij de bergrassen 12—14 of gemiddeld 13 proc. Trekt men van de droge stof het vetgehalte af, zoo bekomt men do vetvrije droge stof. 't Bedrag daarvan is gemiddeld 8.85 proc.

Kaasstof en albumine zijn, als roods gezegd, eiwitstoffen, in samenstelling met do vroeger, I, bl. 178, vermelde overeenkomende. Albumine stolt bij verwarming op ongeveer 75° C.; vandaar dat de biestmelk, die hieraan zoo veel rijker is, en in 't algemeen de melk in de eerste dagen na het afkalven, geen koken kan lijden, zonder dik te worden. Zoodra dit wel het geval is, ongeveer drie week na het afkalven, komt niet voel albumine, maar hoofdzakelijk alleen kaasstof in de molk voor. Dan kan de molk koken lijden, en bij koking zet zich alleen aan den wand van 't vat een weinig albumine af, die bij sterkere verhitting do molk doet aanbranden. De kaasstof stolt door verwarming niet, maar wel door verdunde zuren (azijnzuur, melkzuur) en dooi' leb (zie hieronder).

m

u

i ÜJ

j j|| | H

vm ; H Ji'

|B: 1

•iH'II ■

iit

il

-ocr page 314-

2G8

Het vet of do lioter der melk komt in samenstelling met de vroeger, I, LI. 17(5, vermelde vetsoorten overeen. Behalve stearine, palmitine en oleïne, met sporen van myristine en butine of arachine, bevat zij nog kleine hoeveel-heden, ongeveer 8.5 0/o, butyrine, eapronine enz., dat zijn samengestelde aethers van vluchtige vetzuren. Daardoor verschilt juist de boter van margarine of kunstboter. Bij het ranzig worden der boter komen hieruit boterzuur, capronzuur enz. vrij, welke vooral den eigenaardigon reuk van bedorven boter veroorzaken. Duclaux geeft de volgende samenstelling van het melkvet: palmitine, stearine, oleïne en sporen van myristine en butine . . . 91.5 0/0

butyrine.....................4.2 »

eapronine.....................2.5 »

capryline, caprinine en sporen van laurine.......... 1.8 »

100.0 0/0

Melksuiker behoort, evenals de andere suikersoorten, I, bl. 173, tot de koolhydraten on hoeft dezelfde samenstelling als rietsuiker. Zij is echter minder gemakkelijk oplosbaar en minder zoet; aan haar is do molk nochtans den zoeten smaak verschuldigd. Bij het zuur worden dor melk wordt zij in melkzuur omgezet, welk zuur dan do kaasstof doet stollen, zoodat de molk dik wordt.

Do ruim 0.7 0!0 asch, die bij verbranding der koemelk overblijft, vormt, volgens een onderzoek van Söldnor, in de melk een groot aantal zouten. Zij

worden door hem als volgt opgegeven:

Chloornatrium....................1U.62 0/0

Chloorkalium......................9.16 »

Monokaliumphosphaat........12.77 gt;-

Bikaliumphosphaat..................9.22 »

Kaliumcitraat......................5.47 »

Bimagnosiumphosphaat..............3.71 »

Magnosiumcitraat..................4.05 »

Bicalciumphospliaat..................7.42 »

Tricalciumphosphaat................8.90 »

Calciumcitraat....................23.55 »

Calciumoxyd aan Caseïne gebonden . . . 5.13 »

100.00 0/0

Do melk hooft eeno ampliotere reactie, dat is kleurt een rood lakmoespapiertje blauw on oen blauw papiertje rood. De eerstgenoemde reactie wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de in de melk voorkomende citraten of door het bikaliumphosphaat, de laatste door hot monokaliumphosphaat.

Wordt melk boven de 50° C. verwarmd, zoo vormt zich aan do oppervlakte eeno melkhuid, in hoofdzaak uit gestolde eiwitstoffen met ingesloten vet bestaande. Telkens wanneer men haar wegneemt vormt zij zich opnieuw, doordien water aan de oppervlakte verdampt en het eiwit niet door de vloeistof diffundeert. Bij langer verhitten hebben nog andere veranderingen plaats, waarop wij straks terugkomen.

De koemelk hooft oen specifiek gewicht van 1.020—1.037. De hierboven genoemde gemiddelde samenstelling der melk van het laaglandsch vee in

-ocr page 315-

209

Duitschland beantwoordt aan een soovtolijk gewicht van 1.03165, die van de Arnhemsche melkinrichting aan 1.03229, beide bij 15° C. De droge stof der melk heeft een soortelijk gewicht van 1.334, do vetvrije droge stof van 1.6 en het vet 0.93. De melk is dus iets zwaarder dan water. Wordt derhalve bij zuivere melk water gevoegd, dan daalt daardoor haar specifiek gewicht. Om deze reden heeft men in de bepaling van het specifiek gewicht, door middel van een zoogenaamden melkweger of laetodensimeter. Fig. 103, een middel om te onderzoeken of de nvlk ook met water verdund is. Deze bepaling is echter op zich zelve niet altijd voldoende. Want vooreerst is het specifiek gewicht ook lager, wanneer de melk veel vet bevat; door afroomen en gelijktijdig toevoegen van water kan de melk dus een normaal specifiek gewicht behouden. Bovendien kan dit door toevoegen van verschillende andere stoffen, b.v. gom, weder verhoogd worden. Doeltreffender is het, wanneer men niet alleen van de volle melk, maar ook van de afgeroomde het soortelijk gewicht en tevens de hoeveelheid room, die zekere quantiteit melk levert, bepaalt.

Onder room verstaat men de dikkere cn eenigszins sterker gekleurde laag, die zich aan de oppervlakte der melk, welke aan zich zelve wordt overgelaten, vormt.

De bepaling van dit roomgehalte der melk is zoor eenvoudig; zij geschiedt veelal met behulp van een cilindervormig, in gelijke doelen verdeeld, glas, een zoogenaamden roommeter. Bij het onderzoek van een zeker aantal monsters melk is hot 't eenvoudigst voor het aflezen van de dikte der room-laag een zeker aantal dezer glazen in een standaard te plaatsen, opdat zij op dezelfde hoogte staan. Fig.

104. De vetbolletjes, lichter zijnde dan do waterige vloeistof, stijgen naar boven ; zij vormen grootendeels den room, terwijl de waterige vloeistof, behalveeenig vet, grootendeels de kaasstof, de melksuiker en do zouten bevat. Aangezien nu deze laatstgenoemde stoffen de melk zwaarder maken, het vet daarentegen haar lichter maakt, volgt daaruit dat do afgeroomde melk zwaarder moet zijn dan de niet afgeroomde, versche melk. Vindt men derhalve dat de melk een normaal specifiek gewicht heeft, maar dat zij weinig room levert en do afgeroomde weinig zwaarder is dan de niet afgeroomde (hot specifiek gewicht der afgeroomde molk b.v. minder dan 1.032 bedraagt), zoo mag men aannemen, dat or afgeroomd en water toegevoegd is. Andere melkvervalschingen kunnen veelal slechts op don scheikundigen weg ontdekt worden.

Evenals andere vloeistoffen verandert hot specifiek gewicht dor molk met de temperatuur in dien zin, dat hoe lager hare temperatuur, hoe hooger het

Fig. 103. Melk-weger of hictoden-si meter.

-ocr page 316-

270

spec. gew. is, en omgekeerd. De bepaling van 't spec. gew. client dus steeds bij dezelfde temperatuur, liet best bij 15° C., te geschieden. Heeft de bepaling bij eene andere temperatuur plaats, dan moet van eeno herleidingstabel gebrnik worden gemaakt. Zie deze tabellen, die van 10 —20' C. gaan, voor volle en voor afgeroomde melk aan het einde van dit Deel; bij eene bepaling onder 10 en boven 20° is de herleiding niet meer nauwkeurig. Bij 0° C. heeft de melk hare grootste dichtheid, 'tgeen, gelijk bekend, met water reeds bij 4° C. het geval is.

Ook wanneer men door het meten van de roomlaag in den roommeter het meerder of minder vetgehalte der melk beoordeelen wil, dient men zulks zoo veel mogelijk steeds bij dezelfde temperatuur te doen. Bij eene hoogere temperatuur toch is de roomlaag kleiner, schoon zij evenveel boter kan bevatten dan de dikkere laag, die men bij eene lagere temperatuur verkrijgt en waarbij meer vloeistof (serum) aan de vetbolletjes kleeft.

Men kan zulks verklaren door den eigenaardigen toestand, waarin de molk bij de lagere temperatuur beneden 10° C. overgaat; zij wordt slijmig en dos te sterker, hoe langer zij aan deze lage temperatuur blootgesteld wordt. Volgens Petersen kan de room, die zich onder deze omstandigheden na GO uur heeft afgezet, dikwijls in lange draden uitgetrokken worden en heeft hij een bitteren smaak aangenomen.

Aangezien de dikte van de roomlaag, die zich alzoo aan de oppervlakte afscheidt, zeer verschillend kan zijn en niet alleen afhankelijk is van de temperatuur, maar ook van verschillende andere omstandigheden, hecht men tegenwoordig minder waarde aan de bepaling van het roomgehalte der melk. Daarbij komt dat men in den loop des tijds verschillende andere middelen heeft leeren kennen om het vetgehalte der melk, waarvan hare waarde vooral afhankelijk is en wat toch ook de bedoeling van het roommeten is, te bepalen.

Vroeger waren er, ter bepaling of beoordeeling van dit vetgehalte, zoogenoemde optische werktuigen in gebrnik. De melk toch is, door het groot aantal vetbolletjes in eene laag van eenige dikte, ondoorschijnend, dat is laat het licht, b.v. dat eener kaars, niet door. Hoe vetter de melk is, hoe dunner deze laag behoeft te zijn of des te minder melk bij eene zekere hoeveelheid water gevoegd moet worden om een bepaald licht, b.v. dat eener stearinekaars, niet meer door te laten. Weet men nu, welke quantiteit boter daaraan beantwoordt — en dit wijzen de bij deze werktuigen behoorende tabellen aan —, dan kan men door het meten van de dikte der laag melk of der hoeveelheid,

die bij hot water gevoegd moet worden om het licht niet meer door te laten, tot de meerdere of mindere vetheid besluiten. Het eenvoudigste werktuig daarvoor is wel de pioscoop van Heeren. Deze bestaat uit eene schijf van zwart ebonit. Fig. 105, a, op welks midden een cirkelvormige rand of verhooging 1'ig. 10.). Pioscoop \an Heeren. ;s aangebracht en die bedekt wordt met

een glasplaatje, h, dat in het midden, overeenkomende met de ronde verhooging der schijf, doorzichtig en ongekleurd, maar aan don rand, door stralen

-ocr page 317-

É71

in 6 sectoren verdeeld, verschillend gekleurd is, welke kleuren van lichtgrijs tot donker opklimmen en die door de namen room, zeer vet, normaal, minder vet, mager en zeer mager zijn aangeduid. In de cirkelvormige ruimte dor zwarte plaat wordt nu een druppel melk gebracht, met het glazen plaatje plat gedrukt en nagegaan, met welk deel der schijf do kleur der melk overeenstemt. De kleur wijst dan de hoedanigheid der melk aan.

Maar ook deze werktuigen zijn grootendeels in onbruik geraakt, althans aan zuivelfabrieken en daar, waar men het vetgehalte der molk eenigszins nauwkeurig wil bepalen. Behalve de methoden der gewone scheikundige analyse, waaromtrent wij in geene bijzonderheden treden, zijn daarvoor thans het meest in gebruik:

a. De methode van Soxhlet, hierin bestaande, dat men van eene bepaalde

hoeveelheid melk (200 cM3) het vet met behulp van kaliloog (10 cM3 met een soortelijk gewicht van 1.2G—1.27) in aether (ongeveer 60 cM3 waterhoudende aether) in eene flesch, D, Fig. 106, oplost. Van deze oplossing, met behulp van het ventil oe in de buis B geperst, wordt het soortelijk gewicht met behulp van een areometer, verdeeld in graden van 66 tot 43 (beantwoordende aan een soortelijk gewicht van 0.766—0.743) bepaald, bij eene temperatuur van 17,/;i0 C., en uit dit soortelijk gewicht, met behulp van de bij het toestel behoorende tabellen, het vetgehalte opgemaakt. Om de methode ook geschikt te maken voor het bepalen van 't vetgehalte van afgeroomde melk, wordt eene zeepoplossing aan de melk toegevoegd. De uitkomsten , met deze methode verkregen, zijn zeer nauwkeurig, maar het toestel en het

waarin de gebruik van aether maken haar 1102 al

O llesch met quot; 0

E caoutclioucstop; oe buis met ventil; n KOStuaai.

buis met klemkraan. h. De lactobuiurometer van Marchand,

later gewijzigd door Tollens en Schmidt en het laatst door Gerber. Gerber gebruikt eene buis van den vorm ongeveer als in Fig. 107 is afgebeeld. In de buis wordt eerst met behulp van daarvoor dienende pipetten gebracht: 10 cM3 alcohol van 91 a 92° Tralies, 10 cM3 zuivere aether van 0.725 specifiek gewicht en 3 druppels verdunde kaliloog, daarna 10 cM3 melk. Do buis wordt nu met een caoutchoucstop gesloten en geschud, waarbij de eiwitstoffen der melk in oplossing komen, terwijl liet vet in den aether oplost. 5Ien stelt dan de buis rechtop, met de caoutchoucstop naar heneden, in water van 40° C.; de vetoplossing komt nu boven drijven. De gevormde laag kan in de verdeelde buis worden afgelezen en uit hot aantal cM3, mot behulp van eene tabel, bij liet toestel afgeleverd, hot vetgehalte worden opgemaakt.

-ocr page 318-

272

De bezwaren, die rnen bij deze vetbepaling ontmoet, zijn, dat do kaasstof zich, ook bij hot hevigste schudden, niet altijd goed laat verdeden en niet voldoende in do kaliloog en den alcohol wordt opgelost of verdeeld, waardoor aetherdruppels met daarin opgelost vet worden teruggehouden en niet allo boven in do buis komen.

Om aan dit bezwaar te gemoet te komen kan men het toestel op oone machine snel doen ronddraaien, maar zijn ook langzamerhand verschillende andere vetbepalingstoestellon bedacht, waarbij insgelijks van de centrifugaal-kracht gebruik wordt gemaakt. Wij vermelden daarvan;

c. Het contrCde-ioestel van Fjord, in gebruik vooral in Denemarken en Sleeswijk-Holstein bij de centrifuges van Burmeister en quot;Wain, en de Laclos-mop van dn Flensburger machinefabriek. Het toestel van Fjord bestaat uit oen raam, dat op de as der centrifuge geplaatst kan worden en waarop een zeker aantal buisjes voor de verschillende monsters melk, die men wil onderzoeken,

bevestigd zijn. Nadat de buisjes met molk gevuld en gesloten zijn wordt hot toestel in de trommel op de as der centrifuge gehangen, de trommel voor de helft met water van 55° C. gevuld en nu op gelijke wijze als bij liet contrifngooron van molk in beweging gebracht; bij eene snelheid van 130(1—1400 oinwontelingon heeft zich in don tijd van 3/4 uur de room voldoende afgescheiden; deze roomlaag wordt gemeten on daaruit hot vetgehalte berekend. Ofschoon niet in die mate als bij andere room bepalingen, omdat bij een bepaalde temporatuur en met dezelfde kracht gewerkt wordt, blijft bij deze methode toch het bezwaar bestaan, dat melksoorton wegens do verschillende slijmerigheid der kaasstof niet alle oven gemakkelijk ont-roomd worden.

Op een dergelijk beginsel berust do inrichting van do ,,lae-toscoopquot; dor Flensburger machinefabriek. Do buisjes worden echter in oen doos of schotel geplaatst, evenals bij hot hieronder to beschrijven toestel van Gorber, en aan deze mot behulp van hot statief oencr centrifuge de noodigo snelheid gegeven. Do Flensburger fabriek levert lactoscopen van verschillende grootte met 24— 400 proefbuisjes.

d. Dp laclokrit van Dr Laval. Ook hierbij wordt voor de afscheiding van het vet van den separator van den fabrikant van dien naam of van oen afzonderlijk toestel, handlactokrit, gebruik gemaakt. Een verschil met de voorgaande methode is echter, dat in do daarbij behoorende buisjes, behalve 10 cM3 molk, oen weinig melkzuur en zoutzuur gedaan wordt, waardoor do eiwitstoffen worden opgelost, terwijl het vet niet wordt aangetast. Na in oen waterbad op 40° C. verwarmd te zijn, plaatst men de buisjes in de contrifiige-trommel of op de schijf van don hand-lactokrit en maakt gedurende 4 minuten fiOOO—7000 omwentelingen in de minuut. Het vet heeft zich nu afgescheiden; hot volume daarvan kan worden afgelezen en daaruit hot gehalte worden berekend. Deze methode, die ook bruikbaar is voor afgeroomde molk, heeft den weg gebaand voor do nu volgende

e. Methoden van Babcock, Lindslröm, Thörner, Ttnlnv, Kanis^ en (ierher.

-ocr page 319-

273

waarbij eveneens gebruik wordt gemaakt van een alkalische of zure vloeistof om de eiwitstoffen op te lossen. Van deze is die van den laatstgenoemden, met zijn acid-butyrometer, het meest in gebruik. Do vorm, dien Gorber thans

aan de butyrometerbuis geeft en die veroorlooft nog op '/i graad of xj4 van één tiende procent nauwkeurig af te lozen, is in Fig. 107 en do daarbij behoorende meest gebruikte toestellen in Fig. 108 aangewezen.

RElNDERS, 111. Vierde druk. 18

-ocr page 320-

274

In do buis brengt men nit c eerst 10 cM3 zwavelzuur, daarna 1 cM3 amyl-alcohol en vervolgens met behulp van h 11 cM3 melk, sluit de buis met een caoutchoucstop en schudt tot alle vlokjes opgelost zijn en de vloeistof, die nu een licht groene kleur heeft aangenomen, volkomen helder is geworden. De buizen met de verschillende alzoo behandelde monsters melk worden in het waterbad d geplaatst, waarvan de temperatuur GO—70° C. is, en men laat ze daarin minstens 5 minuten, met den stop naar beneden. Daarna komen zo op den schotel der centrifuge, e of /quot;, die gedurende eeuige minuten in snelle beweging wordt gebracht. De centrifuge wordt gewoonlijk aan een tafel bevestigd en ontvangt hare beweging met de hand, door een riem of door een kruk, of ook door een turbine, door stoom of water bewogen, of door een electrischen stroom. De nieuwste verbetering, door Gerber aangebracht, bestaat in eene buis onder den schotel, die met lucht gevuld is, welke door een gas- of spiritusvlam verwarmd wordt. Daardoor behouden dc butyrometers ook op do centrifuge de gewenschte temperatuur van 00—70° en voorkomt men het lastige schuimen, waardoor het aflezen bemoeilijkt wordt en de butyrometers anders na het centrifugoeren vaak voor het aflezen weder in het waterbad teruggebracht moeten worden, Fig. 108, f.

Het toestel kan, behalve voor melk, room, afgeroomde melk, wei en karnemelk, ook dienen voor 't bepalen van 't vetgehalte van gecondenseerde molk, kaas en boter. Voor nadere bijzonderheden verwijzen wij naar den catalogus met gebruiksaanwijzing, bij de agenten verkrijgbaar ').

2. Invloeden en omstandigheden, die de hoeveelheid en hoedanigheid der melk wijzigen. Vorming der melk in de molkklieren.

Van eene melkkoe verlangt men, dat zij zooveel mogelijk melk van oenc goede hoedanigheid geeft. Gelijk reeds bl. 221 gezegd is, hangt zulks in de eerste plaats af van dc hoedanigheid des uiers en in 't algemeen van den individucelen toestand der koe. Er zijn intusschen nog eenige andere omstandigheden , die daarop van invloed zijn en waarop wij hier de aandacht moeten vestigen.

•) Kent men het soortelijk gewicht der melk en haar vetgehalte, tlan kan men met behulp van eene formule, door Fleischmann daarvoor gevonden, de hoeveelheid droge stof berekenen. Is namelijk d de hoeveelheid droge stof, v het vetgehalte en s het soortelijk gewicht der molk, dan wordt

-100 s — tOO d — ■I.'i v 2.(i05 ----.

s

Trekt men van d het gehalte v af, zoo verkrijgt men de waarde r, de vetvrije droge stof, dus )■ = rf — v, terwijl het soortelijk gewicht m van de droge stof berekend kan worden door de formule

d

m ~ , 100 . s — -100'

d--

s

De eerste formule toepassende op de melk der Arnhemsche melkinrichting, met een gemiddeld soortelijk gewicht van .03'2'20 en een vetgehalte van 3.025 proc., vindt men voor droge stof H.OfiG, terwijl door directe bepaling II.SG proc. werd gevonden. Voor onze melk schijnt de factor 2.665 dus iets te hoog en 2.03 juister te zijn.

-ocr page 321-

275

Over den invloed van 't voedsel op het melkgeven is bi. 23G reeds een en ander gezegd. Ras- of individneele eigenschappen en voeding moeten hier echter wel worden onderscheiden. Er zijn koeien, die ook bij eeno schrale voeding veel melk geven, maar dan ton koste van hun lichaam, en anderen, die ook bij eene rijke voeding weinig melk geven, maar door de rijke voeding vet worden. Tnsschen beiden staan er echter, wier melkopbrengst met de vermeerdering van liet voedsel min of meer gelijken tred houdt, en deze verdienen de meeste aandacht; zij zijn veelal de beste melkkoeien.

Wat nu de hoedanigheid der melk betreft, wordt, gelijk reeds vroeger gezegd is, het meest de verhouding tnsschen het water en de vaste bestand-deelen der melk door het voedsel gewijzigd. Maar, terwijl men vroeger meende dat de droge stof nagenoeg altijd dezelfde samenstelling heeft, blijkt zulks toch niet geheel juist te zijn. Wel stijgt met het vetgehalte der melk het gehalte aan droge stof, maar die droge stof is dan niet slechts absoluut maar ook relatief rijker aan vet. 3ten merkt dit b.v. bij koeien die, in eene goede weide gaande, niet slechts meer, maar ook vettere melk geven. Het vetgehalte stijgt dan steeds meer dan het gehalte aan droge stof '). Veerassen of slagen, wier melk absoluut rijker aan vet is, geven in overeenstemming hiermede dan ook eene relatief vettere melk. Als bewijs van dit laatste geeft Fleischmanu de volgende cijfers. Wij voegen daarbij het resultaat van A. Bos.

Procentgehalte Procent vet der melk aan in de

vet. droge stof. droge stof. 143 Nederlandsche koeien (Kleinhof-Tapian) 3.226 11.913 27.08

100 Mecklenburger koeien (Raden).... 3.242 11.953 27.13

24 Shorthornkoeien (ür. Yieth) .... 4.518 13.948 32.39

24 Jerseykoeien (Dr. Vieth)...... 4.908 14.59G 33.G2

233 koeien in Zuid-Holland van 19 boerderijen 3.12 11.79 20.5

Bij waterig slap voer en in 't algemeen bij eene schrale voeding bekomt men dus eene dunnere melk dan bij eene rijkere voeding. Van invloed daarbij is ook de voedingstoestand. Van twee koeien, die beiden evenveel melk kunnen geven, maar waarvan de eene in een goeden , de andere in een slechten voedingstoestand is, geeft bij dezelfde voeding de eerste meer melk dan de tweede.

Een bepaalden invloed heeft het voedsel op de hoedanigheid van het vet der melk. Groenvoer geeft boter, die rijker aan oleïne en derhalve weeker is dan die van droog voer. Wordt veel stroo gevoederd, zoo is de boter vaster, minder vetachtig op het gevoel, dan wanneer goed grashooi het hoofdvoer vormt. Raapkoek, tarwezemels en haver geven eene weekere, roggezemels, boonen, erwten, wikken, lijn-, katoen- en palmkoek eene vastere boter. Volgens Ad. Mayer is het smeltpunt en daardoor ook de vastheid der boter van het voedsel in zoover afhankelijk, als licht verteerbare koolhydraten het smeltpunt verlagen en voedermiddelen, arm aan koolhydraten, het verhoogen, dus een vastere boter leveren. Raapkoek (vochtig gegeven), knollen, spoeling enz. en andere voedingsmiddelen, die eene riekende of bittere stof bevatten,

') Zie ook A. ttos, Wal nauwkeurig bijgehouden melh lijsten den veehoudor leer en, bl. 13.

18»

-ocr page 322-

276

deeleu die, althans in aanzienlijke hoeveelheid en bij weinig ander krachtvoer gegeven, aan de boter mede. Ook de kleur der uit do melk bereide boter is grootendeels van het voeder afhankelijk. Het zekerst verkrijgt men, volgens Fleischmann, voortreffelijke en houdbare boter, wanneer men zich bij de wintervoedering der koeien tot goed hooi, haverstroo, eeiie matige hoeveelheid mangelwortels of gele wortels, havermeel, tarwezemels en raapkoek, deze natuurlijk droog gegeven, bejiaalt. Zie ook bl. 280.

Ook het gehalte van het botervet aan vluchtige vetzuren is tot zekere grens van de soort voedsel en de hoeveelheid, die gegeven wordt, afhankelijk, maar ook van de temperatuur en vooral van den tijd, die er sedert het afkalven verloopen is. Het verband tusschen een en ander is nog niet voldoende aangetoond. Gebleken is, dat suikerhoudend voedsel, b.v. melasse en bietenkoppen, het gehalte verhoogt. In het algemeen daalt het gehalte aan vluchtige vetzuren ook naardat er meer tijd sedert hot afkalven verloopen is, wanneer de voeding schraler en de koeien aan koud, guur weer zijn blootgesteld, b.v. in den nazomer, als de weiden schraler worden, en vooral in het najaar, tegen den staltijd, terwijl na het opstallen do hoeveelheid weer toeneemt. Mogelijk wordt in zoo'n geval, voor de vetvorming der melk, vet aan het lichaam onttrokken; maar dit alles eischt nog een nader onderzoek.

De melkklieren, de eigenlijk werkzame deelen van den uier, hebben eene dergelijke samenstelling als de smeerklieren der huid; vergelijk bl. 13 en 27.

In elk der beide helften van den uier, dc rechter en de linker, is zulk eene melkklier aanwezig, die door eene bind-weetseJlaag, van voren naar achteren midden door den uier gaande, zijn gescheiden. Voorts is elke klier door eene bindweefsellaag, waarin zich vet afzet, en het geheel door een gemeenscha] gt;-pelijken huid omgeven. Elke melkklier is van twee tepels, soms is nog een derde (bijtepel) aanwezig, voorzien, die voor uitmonding dienen. Bij een microscopisch onderzoek blijkt elke klier uit talrijke blaasjes met een afvoerkanaaltje te bestaan. Die afvoerkanaaltjes vereenigen zich en zoo krijgt men eerst klierlapjes met een gemeenschappelijk afvoerkanaaltje. Eenige klierlapjes, waarvan de afvoerkanaaltjes zich tot een grooter kanaaltje of meikadertje vereenigen, vormen samen een klierlap, enz. Die meikadertjes vereenigen zich weder tot grootere kanalen of melkgangen, die naar de tepels verloopen en hier in de melkboezems in en boven de tepels uitmonden, Fig. 109. Men mag nu aannemen, dat de eigenlijke melkvorming plaats heeft in de klierblaasjes, welker binnenvlakte met plaatvormige épitheel-cellen bezet is en die uitwendig met bloed- en lymphvaten omgeven zijn, zooals Figg. 110 en 111 doen zien. Maar hoe de molk hier eigenlijk wordt gevormd is nog niet voldoende opgehelderd. Volgens een onderzoek van

-ocr page 323-

Heidenhain zijn do Idiercelleii tijdens de melkafscheiding, Fig. !1U, sterk gezwollen. Elko cel bevat dan 2 a 3 kernen en aan haar vrij uiteinde vet-dmppols. De inhoud der cellen vervloeit nu; hij komt mot het daarin aanwezige vet, in fijne druppels verdeeld, buiten den wand der cellen in het blaasje, terwijl van de cellen zelve slechts een kleine rest overblijft. Do cellen zien er dan als Fig. Ill uit. Volgens Rauber is de melk een product van de lymph-cellen in de bloedvaten, welke de blaasjes omgeven. Hoe dit ook zij, de in de blaasjes gevormde melk verzamelt zich door kanaaltjes van de blaasjes in hot gemeenschappelijk afvoerkanaal van een klierlapje; deze vereenigen zich weder tot de grootere kanaaltjes of melkgangen, welke in de molkboezeras, waarvan er voor eiken tepel een bestaat, uitmonden, Fig. 109. De melk verkuil door het tepelkanaal, dat onder gewone omstandigheden door de sluitspier van de buitenlucht is afgesloten, maar tijdens het molken geopend wordt, den uier.

Nu is do kiiorwerkzaamheid in den uier geenszins altijd dezelfde gedurende 't geheele loven van een dier; zij hangt nauw samen met het geslachtsleven en is daardoor in tijdperken, lactalicperioden of melktijden geheeten, door tijdperken van rust (het droogstaan) afgescheiden, verdeeld, of met andere

woorden: de hoeveelheid en hoedanigheid der melk oener koe hangen af van haren ouderdom en van den tijd, die er verloopon is sedert zij gekalfd heeft. Zij geeft in den regel de meeste melk na het vierde tot zevende kalf voortgebracht te hebben en in de eerste 2 a 3 maanden na hot afkalven. Vaarzen schijnen over 't geheel iets vettere melk te geven, maar ook daarop zijn uitzonderingen, en 't is de vraag of een koe, die veel melk geeft, wel altijd eono voldoende hoeveelheid voedsel ontvangt '). Na de biest, bl. 26G, is de melk eerst minder rijk aan boter, en als, na de 2de of 3de maand, de hoeveelheid melk al geringer en geringer wordt, neemt haar gehalte aan droge stof veelal toe. Men moot dus onderscheiden do molk van nieuwmelk- en van oudmclk-Vocwn. Uit een groot aantal analyses van melk, aan de Arnhemsche melkinrichting geleverd, ons door den directeur, don heer G. 11. Boer, welwillend verschaft en waarvan wij de belangrijkste uitkomsten in eene tabel aan het eind van dit Deel zullen bijeenvoegen, blijkt, dat de molk gemiddeld

') Zie A. Hos, l. a. pl., bl. 8—'J.

-ocr page 324-

278

in cle niaanden October en November het rijkst aan vet, reap. 3.19 en 3.15, en in Juni en Juli hot armst daaraan is, resp. 2.87 en 2.94 proc. Aan droge stof was de molk hot rijkst in Mei en October, rosp. 12 en 12.06, en in Juli en Augustus het armst daaraan, resp. 11.75 en 11.77 proc.

Niet zonder invloed op de melkopbrengst in een jaar is ook hot jaargetijde, waarin liet afkalven plaats heeft. quot;Wel wordt de grootste melkopbrengst voor het oogenblik verkregen, wanneer men de koeien kort vóór den weidotijd laat kalven, maar volgens Petersen is bij eene krachtige voedering in den winter de jaarlijksche gemiddelde opbrengst grooter als zulks in de niaanden Decom-bor. Januari en Februari geschiedt. Eene waarnoming van den heer v. d. B(reggen) hier te lande komt daarmede vrij wel overeen. Althans zijne koeien, in Februari gekalfd, gaven gemiddeld in 1877 meer melk dan de in Maart, deze weder meer dan de in April en nog meer dan de in Mei gekalfde ')• Uit een onderzoek van Dr. P. Schuppli !) omtrent den invloed van den kalftijd der koeien op de melkopbrengst en het opfokken van kalver is mede gebleken, dat bij eene doeltreffende wintervoedering een kalftijd in November tot en mot Januari, ten deele ook nog in Februari, het voordeeligst is met het oog op de melkopbrengst en het aanfokken; December, November en Januari zijn de gunstigste tijdstippen voor het afkalven met het oog op de melkopbrengst en November voor het aanfokken van kalver; het laatste, omdat de melk in den winter van meer gelijkmatige samenstelling is en de voorjaarskalver meer aan diarrhee sterven. In Denemarken, en hier te lande in de provinciën Noord-Brabant en Limburg, laat men de koeien niet enkel in hot voorjaar, maar ook in het najaar kalven om in den winter meer boter aan do markt of meer melk aan de fabrieken te kunnen leveren.

In de wijze, waarop de melk uit den nier verkregen wordt, in het melken, vindt de landbouwer almede een van de practische middelen, waardoor hij het melkgeven zijner koeien bevorderen of bonadeelen kan. Gelijk wij zoo even gezien hebben, wordt de melk in de klieren van den uier gevormd; zij verzamelt zich uit de klierblaasjes in de verschillende afvoeikanaaltjes en van hier in de zoogenaamde melkkamers of boezems, waarvan er zich boven eiken tepel één bevindt; daardoor zwelt de nier meer en meer. quot;Wordt nu, door het omvatten met de hand of met den rechthoekig gebogen duim en de eerste vingers, op het bovenste deel des topols, dat inwendig het benedenste deel der kamer vormt, zie Fig. 109, een eenigszins van boven naar beneden gaanden druk uitgeoefend, zoo wordt het tepelkanaal geopend en eene zekere quantiteit melk uitgedreven. Bij het openen der hand vult zich deze ruimte dadelijk weder met melk uit het bovenste deel der kamer en de verschillende melkkanalen.

De vraag, of de op éénmaal gemolken melk dan reeds in den uier aanwezig is, dan of zij zich ook tijdens het melken uit het bloed vormt, is nog niet voldoende beantwoord. quot;Waarnemingen hebben echter geleerd, dat, hoe beter de uier telkens wordt uitgemolken, des te meer melk wordt verkregen en des te langer hot melkgeven aanhoudt. Vooral is het van belang daarop te letten

') Landbouw-courant, 1878. 2) Molkerei-zeiluny, Deilin, 1804.

-ocr page 325-

279

bij jonge koeion (vaarzen), die het eerst aan de melk gekomen zijn. In zekeren zin kan gezegd worden , dat juist door oefening van het orgaan de goede melkgeefsters gevormd worden. Daarbij komt, dat de laatst uitgemolken melk vetrijker is, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat de vetbolletjes uit de nauwe afvoerkanaaltjes niet zoo gemakkelijk in de boezems overgaan dan de andere melkbestanddeelen. Van melk met een gemiddeld vetgehalte van 3 proc. bevatten de eerst gemolken stralen gewoonlijk niet meer dan 0.5 en de laatste meer dan 10 proc. vet. In het gehalte aan vetvrije droge stof is er echter weinig verschil. Hoe beter het uitmelken derhalve geschiedt, des te vettere melk men bekomt. De vetbolletjes van de laatst gemolkene melk zijn ook grooter. Fig. 112; kleiner dan 0.004 mM. komen hierin weinig of niet voor.

Om dezelfde reden wordt het melken driemaal daags beter geoordeeld dan tweemaal. Men bekomt iets meer melk, en hoe korter tnsschenruimten, hoe vetter de melk is. In den eersten tijd na het afkalven is driemaal melken veelal ook noodig om verzweringen van den uier te voorkomen. Later wordt het meerdere werk, aan het melken verbonden, door de meerdere opbrengst

tzij men tweemaal, 'tzij men driemaal melkt, aan den eenmaal vastgestelden tijd van melken moet men zich stipt houden en niet den eenen dag tweemaal, den anderen driemaal molken; 't best is, dien zoo te kiezen, dat gelijke tijdruimten tnsschenbeide vallen. Zijn deze ongelijk, zoo wordt, na den kortsten tusschentijd, minder, maar iets vettere melk, na de langste tijdruimte meer, maar wat dunnere melk verkregen. Daardoor laat zich ook het verschil tusschen avond- en morgen-melk verklaren, dat echter vervalt, wanneer de tijd tusschen beide tijdstippen van melken gelijk wordt genomen. Voorts moeten dezelfde koeien zooveel mogelijk door denzelfden per-ook bij de dieren is de gewoonte van grooten

soon gemolken worden; want invloed.

Waarnemingen hebben voorts geleerd, dat de koeien het rustigst zijn bij het over 't kruis melken, onder gedurige afwisseling, omdat do beide melk-klieren dan hot gelijkmatigst worden uitgemolken, wat dus do meeste aanbeveling verdient.

Voor de zuiverheid der molk is het wenschelijk uier en tepels schoon te houden en, zoo noodig, af te wasschen. De eerste stralen melk uit eiken tepel vangt men om dezelfde reden niet op.

') In den laatsten tijd is het vaker melken, tot acht keer toe, van jonge, pas gekalfde koeien aanbevolen door den Deen Hegelund. Een nader onderzoek omtrent zijne methode wordt in Noord-Holland ingesteld. Gunstige resultaten van do inethode-Hegelund, en ook van 't gewone melken (eerst de vóór-, daarna de achterspenen) tegenover het overkluis melken, verkregen door II. Middelstadt te Oldenburg, worden medegedeeld in het Weekblad voor Zuivelbereidinj, 9 September 1902.

-ocr page 326-

'280

Voor liet melken zijn ook machines uitgevonden en aanbevolen, o. a. die van Thistle, voor groote melkerijen oh in streken, waar geen goede melkers of melksters zijn. Over do doelmatigheid daarvan wordt nog verschillend geoordeeld; liet gebruik er van is in allen gevalle nog zeer beperkt. Bij ontstoking van de tepels kan een tijdelijk gebruik van melkbuisjes. Fig. 113, wenschelijk zijn. Deze zijn van been, van verzilverd metaal of van nikkel vervaardigd, boven van oenige zijdelingsche openingen en beneden van een schildvormig aanhangsel voorzien. Zij worden in het tepelkanaal gestoken tot aan den melkboezem, Fig. 114, waardoor de melk uitvloeit zonder dat gemolken behoeft te worden. Een langdurig gebruik is echter nadeelig voor de tepels en de melkopbrengst.

Niet bij alle koeien even sterk, maar toch altijd min of meer is de bronstijd van invloed op de hoeveelheid en hoedanigheid der melk. Veelal is de hoeveelheid melk dan aanzienlijk minder, daalt ook het vetgehalte, soms tot 1 proc., en in 't algemeen de hoeveelheid droge stof van de melk en heeft zij vaak eene ongewone samenstelling, zoodat zij geen koken kan lijden en door lob niet Fig. 113. stremt.

Melkpijpje. ijet verrichten van matigen arbeid door melkkoeien doet wel is waai' de melkopbrengst iets verminderen, maar schaadt niet aan de qualiteit der melk; integendeel hebben de onafhankelijk van elkander genomen proeven van Stillich, Morgen en Backhaus geleerd, dat de onder die omstandigheden geproduceerde melk iets vetter is; de absolute hoeveelheid water en de absolute hoeveelheid droge stof in de melk zijn iets minder, maar de absolute hoeveelheid vet blijft nagenoeg dezelfde. Wel is de arbeid schadelijk wanneer de koeien zich bovenmate moeten inspannen of op het heetst van den dag moeten werken.

In sommige gevallen wijkt de melk van hare normale / hoedanigheid af; zij is daardoor in het gebruik tot voedsel / of voor de boter- en kaasbereiding van geringer waarde, / en daarom worden deze afwijkingen gewoonlijk met den / naam gebreken der melk bestempeld. De nadere oorzaak ligt \ I \ ■ deels in eene slechte behandeling der melk (onzindelijkheid), ^ i i ^ deels in hot voedsel, deels in den individiieelen toestand

Tder dieren, maar het is vaak moeilijk, ja in vele gevallen onmogelijk, die bepaald aan te wijzen. Zoo laat de melk van enkele, vooral oudmelkte koeien zich soms, ook met Fig. 114. Melkpijpje de meeste zorg, niet karnen. Fleischmann raadt in dit in den tepel gestoken. gder dieren, maar het is vaak moeilijk, ja in vele gevallen onmogelijk, die bepaald aan te wijzen. Zoo laat de melk van enkele, vooral oudmelkte koeien zich soms, ook met Fig. 114. Melkpijpje de meeste zorg, niet karnen. Fleischmann raadt in dit in den tepel gestoken. gevaj )let ]lt;amen iijj eene hoogere temperatuur, tot

25° C., of do melk met verdunde natronloog eerst zwak alkalisch en dan met verdund zoutzuur zwak zuur te maken. Soms kan het gebrek ook worden toegeschreven aan het gebruik van zuur voedsel, b.v. zure appels in boom-gaarden, zuring en klaverzuring in sommige weiden.

In andere gevallen, vooral bij verandering van voedsel en van 't weer, wil do melk niot uitroomen. Dit gebrek treedt niet slechts op bij oudmelkte koeien in den herfst — en men kan het dan, althans voor een deel, evenals het moeielijke karnen, toeschrijven aan het grooter aantal van de kleinste vetbol-

-ocr page 327-

281

lotjes —, maar ook in het voorjaar en vooral als men do molk liij oone lagere temporatuur kuit uitroomen (ijsmethode). Dikwijls merkt men dan op een meer slijmig worden der kaasstof en wil hebben waargenomen, dat dergelijke melk minder calciumphosphaat bevat. Ook bij do kaasbereiding komen dikwijls verschijnselen voor, waarvan de oorzaak in oone afwijking van de hoedanigheid dor molk gezocht moet worden, maar waarvan men nog niet altijd eene verklaring kan geven. Naar het schijnt is elke ziekelijke toestand of bijzondere levens-(ziels-)toestand van hot dier van invloed op de hoedanigheid der melk.

Vele van deze molkgebrekon meent men echter thans aan lagere organismen te moeten toeschrijven. Hot spoedig zuur worden moet veelal aan onzindelijkheid van het melkgereedschap enz. worden toegeschreven, aangezien de hiervoor noodige organismen aan dergelijk gereedschap in groote hoeveelheid aanwezig zijn. Blauwe melk, waarbij aan de oppervlakte lazuurblauwe plekken optreden, moot mede aan een plantje, een bacillus wqrden toegeschreven; het gebrek kan daardoor ooi; aan andere melk medegedeeld worden on, bij niet genoegzame zindelijkheid van het melkgereedschap enz., geruimen tijd in

oone melkerij aanhouden; oone gele of roode kleur der melk, vroeger enkel toegeschreven aan bloed, dat bij ontsteking van den uier er mede vermengd wordt, kan echter, evenals do hierboven genoemde blauwe kleur, door lagere organismen veroorzaakt worden. Zie verder hieronder.

Zindelijkheid, maar ook acht geven op den gezondheidstoestand der koeien en hare melk en , zoo mogelijk, oen

bijzonder onderzoek naar de hoedanigheid zijn de eerste maatre-

dezer

gebreken kan

i tl li

■li!

Illi'

Fig. 'Hn. Toestel voor (ie gistingsproef.

gelen, die de landbouwer tor voorkoming of opsporing nomen. Melk van zieke koeien of dezulken, die hot oen of ander gebrek ver-toonen, worde niet met de andere vermengd.

Om te onderzoekon of de eene of andere koe of bij levering aan fabrieken de een of andere leverancier gebrekkige melk levert, verwarmt men kleine proefjes melk in bedekte buisjes ongeveer 12 uur lang op eene temporatuur van 37—40° C. Dan komt de schadelijke werking van een lager organisme of van eenig ferment sneller tot werking dan bij de gewone temporatuur. Zuivere en normale melk moet dan na 12 uur, behalve dat zich room hoeft afgescheiden, nog niet veranderd zijn en hoogstens een zuiver zuurachtigen reuk bezitten. Is do molk in onregelmatige vlokken gestremd, of vormt zij eene slijmigo massa met gasbellen daartusschen, of bespeurt men er een vreemden, onaangenamon reuk aan, zoo mag men dit als eene afwijking beschouwen en is het mogelijk, dat zulke melk b.v. voor liet bereiden van kaas niet deugt. Voor dit onderzoek zijn bepaalde toestelletjes, b.v. Walter's melkgistapparaat, in gebruik. Fig. 115. .Meer bepaald in kaasmakerijen wordt ook wel de stremproef genomen; zie hieronder bij kaasbereiding.

li P

SB.]

Hit

■ IE ii

ill II

I

■'III

I

ii i

Ir

-ocr page 328-

282

Overigens laten zich verschillende afwijkingen in ile hoedanigheid der melk ook door den reuk en den smaak beoordeelen; een geringe graad van zuurheid, zonder dat do melk dik is geworden, kan met behulp van een lakmoespapiertje aangetoond en door titreering bepaald worden.

3. Veranderingen, die de melk na het melken ondergaat, en de middelen om haar tegen bederf te bewaren.

De melk is eene van die stoffen, welke zeer licht veranderen of bederven. Ofschoon men de oorzaak dezer veranderingen, van dit bederf, niet kende, wist men toch al lang, dat zij met de zindelijkheid in een nauw verband staat; dat door b.v. het melkgereedschap en de lucht in den melkkelder zuiver te houden do melk niet zoo licht zuur werd of hoe ook veranderde. Thans is hot bekend dat die veranderingen, althans voor het meerendeel, aan lagere organismen, gewoonlijk met den algemeenen naam van bacteriën aangeduid, moeten worden toegeschreven en dat de melk een zeer geschikte vloeistof is voor het leven, de vermeerdering en daardoor ook voor de verspreiding dier lagere organismen, niet alleen van dezulken, die de melk zelve veranderen, b.v. de melkzuurbacteriën, maar ook van eene menigte meer, b.v. ook van die, welke ziekten bij mensch en dier veroorzaken, als die van 't mond- en klauwzeer, van de tering, het roodvonk, de typhus en de cholera. De verspreiding dier lagere organismen of hare kiemen is overigens zeer algemeen: in de lucht, den bodem, het water enz. Yandaar dat het niet gelukt, ook bij de grootste zindelijkheid, de molk steeds onveranderd te houden. Om daartoe te geraken moeten nog andere maatregelen worden genomen. Zie hieronder.

Toch is de hoeveelheid van do in de melk voorkomende organismen in de eerste plaats afhankelijk van hot zindelijk zijn der koeien, van den stal en do daarin aanwezige lucht, van het melkgereedschap enz., zooals door Dean in Kanada proefondervindelijk is aangetoond en uit de volgende, daarbij verkre-

gen resultaten blijkt:

Aantal prooven.

Aantal bacteriën

per cM3 melk.

Zuivere droge koeien

4

8 295 tot 9 420

Vuile koeien

7

9 845 » 17 155

Vochtige koeien

9

640 » 2 350

Vuile melkemmers

10

215 400 » 806 320

Beter gezuiverde melkemmers

11

18 080 » 93 420

Met stoom behandelde melkemmers

6

355 gt; 1720

Ofschoon nu soms nog andere schimmels of zwammen in de melk kunnen voorkomen, die haar doen veranderen, b.v. de bekende groene, ponceelvormigo schimmel op reeds bedorven melk en do gewone gistcellen, behooron toch die, waarmede de zuivelbereider het meest te maken heeft, tot de groep Splijtzwammen of Bacteriën in ruimen zin. De kennis daarvan, gewoonlijk Bacteriologie geheeten, is ook daarom van gewicht, omdat men heeft gevonden dat, terwijl sommigen zeer schadelijke werkingen in de melk of de daaruit bereide kaas veroorzaken, er anderen zijn die juist eene gewenschte verandering daarin te weeg brengen. Vandaar dat men er toe gekomen is deze laatsten afzonderlijk te kweeken en ze met uitsluiting van anderen alleen te doen werken.

-ocr page 329-

283

Uo bacteriën of splijtzwammen zijn céncelligo plantjes. Do cellen hebben een verschillenden vorm on daarnaar onderscheidt men: Coccen, Mierococcen, Macrococcen on Diplococcen, uit ronde collon bestaande; Bacillen met rechte, steo/Vonuige cellen; Spirillen, Spirochaeien enz. met schroefvonnige gekromde cellen, en draadvormige bacteriën, uit min of moor lange, soms vertakte draden bestaande. Do cellen leven of afzonderlijk óf zijn tot ketenvormigo rijon, tot bundels, hoopjes of geleiachtige massa's mot elkander vereenigd. Zij vermenigvuldigen zich door splijting, dat is door dwarsdeeling ontstaan uit óéne cel tweo cellen. Velen, vooral die, welke tot de staaf- en schroefvormigen bohooren, planten zich bovendien door kiemen of sporen voort. In dit geval vormen zich in oene cel glinsterende, meest peervormige lichaampjes, die zich tot sporen ontwikkelen en de cel verlaten. De sporen zijn door een dunne, maar vaste huid omgeven, die ze togen uitwendige ongunstige invloeden schijnt te beschermen. Vandaar dat zij meer weerstand bieden, b.v. aan eone verhooging van temperatuur, dan de bacteriën zelve. Terwijl deze toch in eenc vloeistof, b.v. molk, meest te gronde gaan bij eene temperatuur van 50 a 100° C., kunnen hare sporen meestal een temperatuur van 100° C. verdragen en velen weerstaan een droge hitte van 130—150° C. Onder gunstige omstandigheden, het best bij eene temperatuur van 30 a 40° C. (broedtemperatuur), ontkiemen zij tot bacteriën van hare soort, die zich weder op de gewone wijze door splijting vermenigvuldigen.

Het leven der bacteriën is zeer afhankelijk van de temperatuur. Hierboven zijn reeds de hoogere temperaturen genoemd, waarbij zij gedood worden. Ook door herhaald bevriezen en weder ontdooien gaan velen te gronde, terwijl hare ontwikkeling en vermenigvuldiging bij eene lage temperatuur, b.v. beneden 12° C., gering en bij eene hoogere, b.v. 30 ü 40 C°., het grootst is, zooals uit de volgende waarneming van Knopf en Escherich blijkt. Melk , waarin oorspronkelijk ongeveer 10 000 bacteriën in de cM3 aanwezig waren, bevatte bewaard bij 12.0° C. 34° C.

na een uur geen vermeerdering 75 000

» twee uren 40 000 230 000

» drie » GO 000 040 000

» vier » 80 000 2 150 000

» vijf » 200 000 18 300 000

» zes » 435 000 38 000 000

Een en ander hangt echter ook af van de soort bacterie, en zoo zijn er enkelen, o. a. eene door Eichholz ontdekt, welke aan do boter een zeepacli-tigen smaak geeft, welke zich bij eene temperatuur beneden 12 graden snel ontwikkelen.

Heeft men dus in do warmte een middel om de bacteriën te dooden, hare ontwikkeling tegen te houden of te bevorderen, en wordt daarvan, zooals wij zullen zien, in de zuivelbereiding veel gebruik gemaakt, de andere middelen om ze te dooden, als carbolzuur, sublimaat, zwaveligzuur, formalin enz., kunnen hier weinig of niet toegepast worden. Ook de middelen boorzuur en salicylzmir, aanbevolen als bacteriëndoodend om de melk zoet te houden, verdienen die aanbeveling niet. Alleen bij liet grondig schoonmaken van het melkgereedschap en het ontsmetten van de localen voor zuivelbereiding wordt

-ocr page 330-

284

van dergeJijke middelon gebruik gemaakt, b.v. voor liet melkgereedscliap eene sterke wanne sodaoplossing in vereeniging met stoom of lieet water, voor hot reinigen der localen het overstrijken der wanden enz. mot versch gebluschte of zwaveligzure kalk. Om ook de lucht in de localen te zuiveren werd vroeger van zwaveligzuur, verkregen door verbranding van zwavel, thans meer van formalindamp gebruik gemaakt. Om de handen te zuiveren worden zo met groene zeep of eene oplossing van creolin afgeborsteld. Zeer vergiftige ontsmettingsmiddelen, als sublimaat, gebruike men in de zuivelbereiding niet. Voor het conserveeren van melkmonsters voor onderzoek op vetgehalte enz. kunnen dienen dubbel chroomzure kali en formalin.

Evenals in de geheele Natuur wordt er ook tnsschen de bacteriën vaak een strijd gevoerd en geldt ook dan liet recht van den sterkste.

Verder is het leven der bacteriën afhankelijk van de reactie van de vloeistof of den voedingsbodem. De meesten ontwikkelen zich het best wanneer do vloeistof zwak alcalisch is, terwijl zij in eene eenigszins zure of veel suiker houdende vloeistof te gronde gaan of zich weinig of niet ontwikkelen. Licht en electriciteit zijn veelal schadelijk voor hare ontwikkeling, terwijl toetreding der lucht voor sommigen voor-, voor anderen nadeelig is.

Welke veranderingen de bacteriën al in de melk veroorzaken is geenszins in alle doelen bekend, en nog minder hoe die veranderingen eigenlijk tot stand komen. Men brengt die verschijnselen in het algemeen tot de gistingsverschijnselen, en in sommige gevallen schijnen de bacteriën een stof, een ferment of enzym af te scheiden, dat de verandering veroorzaakt.

Onder de gewone omstandigheden, waaronder de melk verkregen wordt, zijn daarin drieërlei soort bacteriën aanwezig, namelijk: a. Melkzuurbacteriën, die de melksuiker in melkzuur veranderen en waarvan de meest gewone soort met den naam Bacterium lactis acidi wordt aangeduid; h. Hooibacteriën, alzoo geheeten omdat zij regelmatig op hooi en in het stof, van hooi afkomstig, aanwezig zijn. -Men noemt ze ook peptoniseerende bacteriën, omdat zij de eigenschap bezitten de eiwitstoffen der melk in peptonen om te zotten en daardoor op te lossen. Door haar wordt de melk eerst dik als door stremming met leb en daarna dun vloeibaar als bouillon. De meest bekende dezer bacteriën is Bacillus subtilis. c. Rottingsbacteriën, alzoo geheeten omdat zij in rottende stoffen aanwezig zijn. Zij komen dan ook met mest en andere rottende stoffen in de melk en doen hier de melksuiker (en ook het daaruit gevormde melkzuur) in boterzuur, koolzuur en waterstof (Deel II, bl. 85) omzetten, waardoor eene sterke gasontwikkeling optreedt en de melk den onaangenamen smaak en reuk van boterzuur bekomt. De meest bekende bacterie van deze soort is Bacillus butyricus.

In den regel wordt van de werkingen der onder b en c vermelde bacteriën in de melk niets bespeurd, omdat de melkzuurbacteriën meestal de overhand hebben en de ontwikkeling der anderen tegenhouden. Anders wordt het geval wanneer veel stof van hooi of mest of andere rottende stoffen in de melk zijn gekomen; dan kunnen de onder i of c vermelde bacteriën de overhand krijgen. En aangezien deze zich ook door sporen voortplanten komen zij meer tot ontwikkeling wanneer de melkzuurbacteriën vooraf gedood zijn, b.v. de hooi-bacillen in gekookte melk, die men dan ook, nadat zij een paar dagen oud is

-ocr page 331-

geworden, niet zelden dik en daarna dun vloeibaar ziet worden, en de boter-zuurbacillen, die bij afsluiting der lucht leven, in gesteriliseerde flesschenmelk, welke van een onzuiveren stal afkomstig is.

In het algemeen vloeit hieruit voort hot belang eener voldoende zindelijkheid bij en liet niet voederen van hooi aan de koeien tijdens liet melken, alsmede de wenschelijkheid om do melk spoedig uit den stal te verwijderen.

Door uierontsteking, b.v. door tuberculose, of andere ziekten, b.v. het monden 't klauwzeer, door onzuiver water en andere, meer bijzondere omstandigheden kunnen echter nog andere bacteriën in de molk geraken, die haar besmettelijk maken of bijzondere eigenschappen geven.

Wij zullen thans de veranderingen der melk, door bacteriën veroorzaakt, nog iets nader bespreken.

a. Hel zuur worden der melk. Deze verandering, die gewoonlijk vrijwillig optreedt als de molk een paar dagen oud is en op de gewone wijze bewaard wordt, wordt veroorzaakt door de staafvormige melkzuurbacteriën, waarvan or ecnige soorten of rassen bestaan, die echter allen de eigenschap hebben, do melksuiker in melkzuur om te zotten, liet gevormde melkzuur onttrekt kalk aan do colloïdale kaasstof, waardoor deze onoplosbaar wordt of stolt, dat is de melk dik wordt. Ook het zuurworden van don room wordt daardoor veroorzaakt, en aangezien sommige dezer bacteriën nog enkele andere veranderingen in de melk of den room veroorzaken, die op de qualiteit van de daaruit bereide boter van gunstigen of van ongunstigen invloed zijn, heeft men de gewenschte bacteriën afzonderlijk gekweekt om enkel door deze liet zuurworden van den room te veroorzaken. Zie hieronder: het zuren van don room.

h. Het dik,worden van melk of room zonder voorafgaand zuurworden. Soms worden de melk of de room dik, kaasachtig, zonder dat zij eene zure reactie vertoonen en er derhalve geen melkzuur gevormd is. Volgens Duclaux moet deze verandering worden toegeschreven aan eene reeks van bacteriën, die hij onder den naam Tyrothrix samenvat. Deze zouden, volgens hem, ecu dergelijk ferment als in de leb voorkomt afscheiden, dat dc kaasstof doet stollen. Het verschijnsel doet zich ook voor bij gekookte melk. In dit geval zijn de melkzuurbacteriën door hot koken gedood, maar van Tyrothrix bleven Idemkrachtige sporen aanwezig, die, zich tot bacteriën ontwikkelend, hot gemelde verschijnsel veroorzaken. Een tijdelijk dikworden kan echter ook door hooibacteriën veroorzaakt zijn; zie hierboven.

c. Lange, slijrnige, draderige melk heeft eveneens zijn ontstaan aan bacteriën te danken, hetzij door de slijmigheid van de bacteriën zelve veroorzaakt, hetzij door omzetting van de melksuiker of van de eiwitstoffen in eene slijmige massa. Zie ook bij de kaasbereiding over de lange wei.

d. Gekleurde melk. Vertoonen er zich op de oppervlakte der melk blauwe, of soms gele, roode of bruine plekken, zoo mag men het ontstaan daarvan mede aan bacteriën toeschrijven. Sommigen dezer kleurvormende bacteriën veroorzaken overigens geene belangrijke veranderingen in de melk, anderen daarentegen wel. Zoo doet de Micrococcus of Bacillus prodigiosus, welke bloedroode plekken vormt, de kaasstof stollen en ontleden, waarbij trimethyl-amin ontstaat, dat aan de melk den onaangenamen reuk van haringpekel geeft. Tengevolge van do betere behandeling komt dergelijke gekleurde melk thans

-ocr page 332-

286

echter zelden meer voor. Vroeger zag men daarin iets bovennatuurlijks en gaf zij zelfs aanleiding tot processen, een zoogenaamd heksenproces. Wol kan de werking dier kleurstofvormende bacteriën zich openbaren in do uit melk bereide kaas; zie kaasbereiding. Overigens kan de melk wel eens geel- of roodachtig gekleurd zijn door bloed, tengevolge van uierontsteking; maar dit kan terstond bij hot melken worden waargenomen.

fi. Bittere, ransige en zeepachtige melk. Dit verschijnsel treedt meer op bij oude molk en wordt in hoofdzaak veroorzaakt door boterzuur, oen product van de boterzure gisting, welke veelal in de melk optreedt wanneer de melkzure gisting, tengevolge van te groote hoeveelheid melkzuur, ophoudt. Het kan zich echter ook openbaren bij gekookte of gesteriliseerde melk, waarin do melkzuurbacteriën gedood en de sporen van andere, b.v. hooibacteriën, tot ontwikkeling zijn gekomen. Sommigen dezer bacteriën scheiden een enzym af, dat de eiwitstoffen in peptonen omzet (zie hierboven), maar waarbij ook bittere, ja soms vergiftige stoffen gevormd kunnen zijn. Een dergelijke smaak kunnen om dezelfde redenen do niet-gepastouriseerde room en de daaruit bereide boter aannemen , wanneer b.v. door bedorven voeder dergelijke bacteriën in de melk zijn gekomen.

Over de bacteriën die o. a. bij het rijpen der kaas eene rol spelen doelen wij bij de kaasbereiding het een en ander mede.

Wat is er tegen de bacteriën in de molk enz. te doen?

Uit hetgeen hierboven omtrent het leven dor bacteriën gezegd is, volgt wat gedaan kan worden om hare vermenigvuldiging en verspreiding tegen te gaan of ook ze te dooden en daardoor hare werking geheel te doen ophouden.

Vooreerst eene lage temperatuur, dus het afkoelen der melk, zoo spoedig mogelijk nadat zij uit den uier verkregen is, een reeds lang in toepassing gebracht middel om de melk langer zoet te houden. In de tweede plaats hot verwarmen. Is het alleen te doen om de in de melk aanwezige bacteriën te dooden, zoo is het voldoende de melk gedurende 5—10 minuten aan eene temperatuur van 85° C. bloot te stellen. Men noemt deze bewerking, naaiden beroemden natuurkundige Pasteur, pasteuriseeren. Er kunnen nu echter nog sporen van bacteriën aanwezig zijn, die, niet gedood, zich na eenigen tijd tot bacteriën ontwikkelen. Om ook deze te dooden en dus de melk, zooals men 't noemt, volledig te steriliseeren, zou eene verhitting gedurende eenigen tijd op 120 a 130° C. noodig zijn. Hiertegen bestaat echter dit bezwaar, dat tengevolge van die hooge temperatuur de melksuiker gedeeltelijk in caramel overgaat, de molk min of moer geel wordt en zijn aangenaam zoeten smaak min of meer verliest, terwijl ook de eiwitstoffen onoplosbaar kunnen worden en de melk dus dik wordt. Hetzelfde doel, dat is de melk vrij van bacteriën en vrij van hare sporen te krijgen en tevens meer normaal van samenstelling te houden, kan men ook bereiken door de zoogenaamde gefractioneerde sterilisatie, hierin bestaande dat men de melk eerst eenigen tijd op eene temperatuur van 70 a 85° C. houdt om de aanwezige bacteriën te dooden, dan eenige uren, b.v. een halven dag, op eene temperatuur van ongeveer 40° C. om de sporen te doen ontkiemen, die nu gedood worden door de melk weder te verhitten op ongeveer 85° C. Om zeker te zijn dat alle sporen ontkiemd en de bacteriën vervolgens gedood worden, dus do melk volkomen gesteriliseerd

-ocr page 333-

287

is, rekent men dat deze bewerking vijfkeer herhaald en de melk ten slotte op 100° C. verhit moet worden. Natuurlijk moet dergelijke melk om haar goed te houden direct van de lucht worden afgesloten; het verhitten geschiedt daarom b.v. in flesschen met de bekende beugelslniting.

Deze bewerking is intusschen zeer tijdroovend en kostbaar; bovendien neemt ook in dit geval de melk door het herhaald verhitten een minder aangenamon smaak aan, waaruit blijkt dat zij niet geheel onveranderd is gebleven. In de practijk heeft deze methode dan ook weinig of geen toepassing gevonden. De thans het meest gevolgde methode om de melk gedurende geruimen tijd te kunnen bewaren is het steriliseeren door middel van stoom op 100 a 103°, in flesschen die onmiddellijk na het verhitten gesloten en op eene koele plaats bewaard worden. Maar vooral in dit geval is het van belang dat geen sporen-voortbrengende bacteriën, als die van de hooibacillen, in de melk geraken.

Niettegenstaande er dus verschillende middelen in toepassing kunnen worden gebracht om do bacteriën in de melk te dooden of hare ontwikkeling tegen te gaan, het voornaamste middel om melk goed te houden, 'tzij ongekookt, 'tzij 'gekookt, 'tzij gepasteuriseerd of gesteriliseerd, blijft toch altijd te zorgen dat zoo weinig mogelijk bacteriën of hare sporen in do molk geraken. Daarom is hot wenscholijk de molk na het melken direct uit den stal te verwijderen, de uiers en tepels der koeion goed schoon te houden, enz. Want overal, waar bedorven of licht aan bederf onderhevige stoffen aanwezig zijn , vindon do bacteriën een gunstige gelegenheid om zich te ontwikkelen en van dergelijke plaatsen kunnen zij in de melk geraken.

Vandaar het nut eener goed in practijk gebrachte zindelijkheid in de zuivelbereiding. Daarom is het noodig dat in een gewoon zuivelbedrijf alle zure melk enz. van den vloer en uit don omtrek van den melkkelder verwijderd en het melkgereedschap zelfs van sporen zure molk bevrijd worde, enz., wanneer men de melk niet spoedig zuur wil hebben. Daarom mogen de keldervloer en het melkgereedschap geen scheuren enz. vertoonen, waarin melk verborgen kan blijven.

Voorts is het wenschelijk dat de lucht in den kelder frisch zij, niet door andere, daar aanwezige voorworpen bedorven worde; kortom do melkkelder moot frisch en koel zijn en goed geventileerd kunnen worden, hot melkgereedschap na het wasschen (met heet water of stoom) zoo mogelijk aan do frissche lucht blootgesteld worden, enz.

4. Behandeling en gebruik van melk in het algemeen.

De behandeling der melk is overigens afhankelijk van het gebruik, dat er van gemaakt zal worden. Ook is er in dit opzicht verschil, door wie de melk wordt verwerkt. Veel melk gaat thans namelijk naar fabrieken, en hier is do behandeling in vele opzichten anders, dan wanneer zij in do boerderij zelve verwerkt wordt.

Het dool dier zuivelfabrieken is, door samenwerking (coöperatie) arbeid te sparen en door de bewerking der melk in hot groot gelijkmatiger producten daaruit te vorkrijgen, die meer handelswaarde hebben dan verkregen worden wanneer elke veehouder do melk zelf verwerkt. Zuiver coöperatief zijn deze

-ocr page 334-

288

fabrieken wanneer eenige veehouders gezamenlijk hot kapitaal voor de oprichting bijeenbrengen, liet noodige personeel benoemen, dat ook de melk ophaalt, tenzij de veehouders ze zelf aan de fabriek moeten brengen, en do behaalde winst naar een daarvoor vastgestelden maatstaf verdoelen. Andere fabrieken werken echter meer bij wijze van aandeelen, waarbij do geleverde melk per liter wordt betaald en de aandeelhouders, meest leveranciers van melk, naar een gostelden maatstaf, de jaarlijksche winst of het verlies verdoelen. Nog andere zijn ondernemingen van bijzondere personen, die met do omwonende landbouwers een contract sluiten voor de levering der melk, maar overigens de zaak voor eigen rekening drijven (speculatieve fabrieken). Slechts enkele veehouderijen zijn van dien omvang, dat de hoeveelheid melk voldoende is om die op zich zelve fabriekmatig te bewerken.

Ook do grootte der fabrieken loopt zeer uiteen. In enkele doelen van :t land met oone zeer verspreide bevolking, b.v. Drente, zijn vele kleine coöperatieve fabrieken opgericht, waar de melk meest door handkracht wordt geroomd, de room tot boter gekarnd en de afgeroomde melk en de karnemelk naar de

deelnemende veehouders teruggaan. Soms wordt door de landbouwers zelf geroomd en alleen de room voor do boterbereiding naar de fabriek gebracht. Doeltreffender zijn in den regel de groo-tere boterfabrieken, die met stoom werken, daardoor scherper kunnen roomen en room en ondermelk gemakkelijker kunnen pasteuriseeren. Deze houden ook de ondermelk, althans voor een deel, voor haar rekening, die dan, veelal gepasteuriseerd, aan de omringende bevol-F|fr 11- king verkocht wordt, om door deze

ver van den meet- geconsumeerd te worden , of zij emmer. wordt aan de fabriek voor de be

reiding van magere of, in vereeniging mot gewone melk, voor halfvette kaas gebruikt, terwijl de bijproducten, wei en karnemelk, voor het mesten van varkens dienen. Nog andere fabrieken zijn opgericht voor het bereiden van vette of halfvette kaas; dit zijn dan meer bepaald kaasfabrieken.

Ook bij den verkoop van melk en enkele melkproducten voor direct gebruik in de steden en groote plaatsen wordt soms coöperatief te werk gegaan of belasten zich daarmede bepaalde ondernemer^,, zoogenaamde melkinrichtingen.

Wij hebben dus deze hoofdonderscheidin^ bij het gebruik of de verwerking der melk. Zij wordt of door de landbouwers zelf in haar geheel aan de consumenten verkocht, öf in de boerderij in haar geheel verbruikt of tot boter, kaas enz. verwerkt, öf door de landbouwers aan zuivelfabrieken of melkinrichtingen geleverd.

Omtrent het gebruik van melk of enkele harer producten voor hot mesten en aanfokken van kalver is vroeger, bl. 231 en 251, het noodige gezegd. Wij hebben hier nog het een en ander mede te doelen omtrent de behandeling en hot gebruik dor molk in haar geheel, alsmede omtrent molkvorvoer en molkverkoop of -levering.

-ocr page 335-

280

Hot molken goschioilt in opene emmors; de melllt; wordt, wanneer de afstand niet groot is, ook liet best in openo emmers vervoerd, wat hot voordeel hooft dat zo sneller afkoelt; ook enkele g-assen (do dierlijke lucht) kunnen dan ontwijken, wat velen oen voordeel achten, maar voor een dool slechts schijn is, omdat bij afkoeling do gassen niet moer ontwijken, de lucht niot meer wordt

waargenomen on dus schijnbaar verdwenen is. Wenschelijk is hot tevens, b.v. eens por week, gebruik te maken van oen meot-emmer, het eenvoudigst is een met drijver. Fig. 11G, niot alleen om de geheelo hoeveelheid melk, maar ook dio van do kooien olk afzonderlijk te loeren kennen. Wil men voorts hot roomgohalte daarvan op de boerderij bepalen of de molk op bostanddeolon laten onderzoeken , dan wordt ook dadelijk een monster genomen. Gelijk reeds vroeger is gezegd, wordt hot bepalen van de hoeveelheid en hot gehalte der melk moer en moor een eisch des tijds om op die wijze de beste melkkoeien te loeren kennen. In plaats van de molk te meten kan men haar ook wegen — wat nauwkeuriger is. Men maakt dan gebruik van eene bascule; eenvoudig is ook de melkweger van Mahler, Fig. 118.

De eerste bewerking, die men de molk in de boerderij of dadelijk na het melken doet ondergaan, is het kiemen of fillreeren, om haar van vliegen, stof en haar te bevrijden. De daarvoor gebruikte teemsen zijn cilindervormig en van hout, met haar- of metaaldoek, of ook wol ovaal of trechtervormig en van

vertind plaatijzer. Verder zijn dubbele teemsen in gebruik. Door deze laatste wordt de melk tweemaal geklensd: eerst door oen teems met dichten bodem, maar doorboorde zijwanden, zoodat zich hot vuil op don bodem verzamelen nEiNDERS, III. Vierde druk. 1!'

-ocr page 336-

290

kelderramen voor eene goede luchtverversching wordt gezorgd. In dit geval laat men do melk derhalve te gelijk roomen en afkoelen.

-ocr page 337-

291

Doelmatiger dan liet Hollandsclie koelvat werken, omdat zij sneller afkoelen, de melk beter uitlucht en, omdat dc melk daarbij voortdurend in beweging blijft, er geen begin van rooming plaats kan hebben, de in dc latere jaren in gebruik gekomene melkkoelers. Deze koelers dienen echter niet in don stal, maar in oene ruimte, waar de lucht zuiver is, geplaatst te worden. Wij vermolden daarvan in do eerste plaats die naar hot stolsel van Lawrence vervaardigd, Fig. 121 en 122. De warme melk wordt daarbij in het vat A gedaan; men laat haai' vervolgens, inot behulp eener kraan, daaruit loopen. Zij stroomt dan over de oppervlakte van platen, die heen en weer gebogen zijn langs oene buis, waardoor eon stroom kond water gaat, dat men bij D in- on, door de molk min of moer warm geworden, bij E weder weg laat vlooien.

De afgekoelde melk vangt mon op in het vat C, dat men op eene bascule kan plaatsen en zoo te gelijk mot hot afkoelen de melk kan wogen. Na een- of meermalen over doze buizen gestroomd te zijn is de melk op de temperatuur van hot water afgekoeld.

De meeste andere melkkoelers berusten op hetzelfde beginsel. Wij vormeidon nog die van het stelsel Schmidt, Fig. 123. Hierbij sijpelt de molk uit de bovenste kom door spleten in den wand en stroomt nu langzaam langs de oppervlakte van oene buis, die in oene spiraal om oen cilindervormig vat gesoldeerd is en waardoor men koud water laat stroomen, dat door de zijdelingscho buis wordt ingelaten en, aangezien hot boveneinde binnen in den cilinder naar benedon is gebogen , hier weder wegstroomt. Do molk vlooit vervolgens

Fig. 124. Melkkoelei- en -uitliicliter vol- j,, cj0 onderste kom en kan hieruit gens liöggild. , , . t c .

door een buis worden afgetapt.

Meer bepaald als uitluchter, omdat do lucht door do in 't midden aango-brachte buis beter kan ontwijken, dient het toestel van Böggild, Fig. 124.

Eone nieuwe wijze van afkoelen, waarbij de molk tegelijk ook ter nitroo-ming gozet wordt, is door Swartz te Hofgarden bij Wadstona in Zweden ingevoerd. Swartz plaatst de molk in vrij grooto vaten, 50 cM. hoog, van 36—50 liter inhoud on mot ovale of ronde kanten. Eenigo dezer vaten worden in een gometselden bak, waarin zich door ijs koud gemaakt water bevindt, op een rooster van latwerk geplaatst; de daarin ter hoogte van ongeveer 40 cM. gebrachte melk wordt daardoor snol op oene temporatuur van 4— 10° C. afgekoeld. Zie hieronder.

Moot hot vervoer dor molk over grooteron afstand plaats bobben, bij levering aan

19*

-ocr page 338-

fabrieken, melkinrichtingen enz., zon is hot gebruik van opene vaten of emmers zeer ondoelmatig, omdat de melk dan te veel aan de lucht wordt blootgesteld en do gelegenheid tot het opnemen van allerlei bacteriën of hare kiemen te groot is. In dit geval is het beter van goed sluitbare vaten gebruik te maken. Fig. 125 stelt eene dergelijke transportkan voor, waarvan er overigens van verschillende vormen en afmetingen verkrijgbaar zijn. Het best is ze geheel te vullen of van houten drijvers te voorzien om schuddingen, waardoor een begin van karnen zon kunnen intreden en het latere roomen benadeelen, zooveel mogelijk te voorkomen. Om dezelfde reden is het gewenscht de kannen vrij op te hangen, als in Fig. 126. Ook is het gewenscht de melk vooraf tot op ongeveer 12quot;' C. af te koelen en, zoo nondig, door gebruik van ijs op die temperatuur te houden, omdat zij boven die temperatuur zoo licht bederft. Melk, voor direct gebruik bestemd en op grooten afstand vervoerd, wordt, om haar houdbaarder te maken en haar van de voor de gezondheid schadelijke organismen, b.v.' tnber-culose-bacillen, te bevrijden, ook wel vooraf gepasteuriseerd, dat is eenigen tijd op een temperatuur van ongeveer 85° C. verhit. Vóór het vervoer moet zij dan echter tot bovengenoemde temperatuur van minstens 12° C. weder worden afgekoeld.

Bij de levering van melk op grooter afstanden aan groote steden en sterk bevolkte industrieplaatsen schijnt echter meer opgang te maken het gebruik van inellcijs, volgens de methode van Kasse. Daarbij laat men met behulp van eene ijsmachine melk bevriezen on voegt dan eene zekere hoeveelheid van dit melkijs bij vooraf gekoelde melk, zoodat het geheel een temperatuur van ongeveer 0° C. krijgt en, aangezien bij het smelten warmte gebonden wordt, die temperatuur behoudt zoolang nog ijs daarin aanwezig is. Op deze wijze is het mogelijk met eene betrekkelijk kleine

hoeveelheid melkijs de melk koel te houden en zelfs eenige weken zonder bederf te bewaren. Deze methode wordt thans veel in toepassing gebracht bij de levering van melk te Kopenhagen en vooral op aanbeveling van den ingenieur Helm ook in enkele Duitsche steden.

Voor het pasteuriseeren der melk bestaan verschillende toestellen. Men kan daartoe gebruik maken van eene inrichting als bij het afkoelen in gebruik, Fig. 123, waarbij, in plaats van koud water, stoom door de buis wordt gevoerd. Deze inrichtingen hebben echter het nadeel dat de temperatuur moeilijk te regelen is, niet alle melkdeelen aan de gewenschte temperatuur worden blootgesteld en er door verdamping van water zich licht vaste melkdeelen op de buizen afzetten. Beter voldoen daarom die inrichtingen, waarbij do molk in een vat van vertind koper verwarmd

-ocr page 339-

293

wordt door stoom, die in een mantel om hot vat wordt geleid. Een roertoestel alsmede de regelmatige toe- en afvoer der melk moeten clan het aanzetten der melk, de gestolde albumine, bl. 2G7, aan den wand verhinderen. Zie hierachter do inrichting van een centrifuge-bedrijf. Bij het toestel van Dierks en Möllmann zijn daartoe aan den roerder borstels verbonden, maar deze zijn moeilijk schoon te houden.

Het gebruik van andere middelen, als dubbelkoolzure soda en gewone soda of boorzuur, salicylzuur enz., om de melk houdbaarder te maken verdient in het algemeen , geen aanbeveling. De beide eerstgenoemde stoffen toch nemen slechts hot gevormde melkzuur weg en lossen een mogelijk neerslag van kaasstof weer op, maar bevorderen eerder de melkzure gisting dan dat zij die tegengaan, en een langdurig gebruik van laatstgonoonido stoffen is nadeelig voor de gezondheid of zij werken nadeelig bij de latere bewerking der melk.

De melk, aan melkinrichtingen of fabrieken geleverd, staat in den regel onder controle, dat wil zeggen, zij wordt op haar soortelijk gewicht en vetgehalte onderzocht of zij mogelijk ook vervalscht is. Een dergelijk onderzoek geschiedt bovendien avoI door rijks-, stedelijke of particuliere inrichtingen (proefstations). Daarbij wordt van een der boven, bl. 270, genoemde methoden van onderzoek gebruik gemaakt en kunnen voor zoogenaamde marktmolk, dat wil zeggen een mengsel van verschillende koeien — bij éóne koe komen vaak grootere afwijkingen voor —, volgons Fleischmann de volgende grenzen gesteld worden. Afwisselen kunnen

het soortelijk gewicht bij 15° C. van 1.029— 1.033 0/0 » vetgehalte 2.50 — 4.50 »

» gehalte aan droge stof 10.50 —14.20 »

» » » vetvrije droge stof 8.00 —10.00 »• ,

terwijl het soortelijk gewicht der droge stof niet boven 1.40 mag zijn.

Van de melk, door de verschillende leveranciers aan de Arnhemsche melkinrichting geleverd, bedroeg het gehalte aan

vaste stof vet soort. gew.

laagste 11.40 0/0 2.50 0/0 1.0311

hoogste 13.22 » 4.31 » 1.0332.

Bij melk, door 10 leveranciers aan eene coöperatieve zuivelfabriek, midden in Friesland gelegen, geleverd, door den heer Mesdag van Juni 1893 tot Juli 1894 ondorzocht, kwamen do volgende afwijkingen voor:

vaste stof. vet. soort. gew.

laagste 10.432 % 2.49 0/0 1.0282

hoogste 13.710 » 4.63 » 1.0331.

De gemiddelde samenstelling dezer melk was van Augustus 1893 tot en mot Juli 1894: vaste stof 11.72 0I,), vot 3.07 0/n en het gemiddeld soortelijk gewicht 1.03105. Zie de tabel achter dit Deel.

Ook kan controle op eene zindelijke behandeling dor melk, de gezondheid der koeien enz. hier gewenscht zijn, wat bij levering van molk aan groote inrichtingen ook wol geschiedt en vooral bij levering van melk aan hospitalen enz. zeer gewenscht is.

Bij de levering van molk aan fabrieken komt het bovendien moer on meer in zwang de melk naar haar vetgehalte te betalen, wat ook de billijkheid

-ocr page 340-

294

eischt, omdat do waarde dor molk hoofdzakelijk van haar vetgehalte afhangt on dit gehalte bij de verschillende veestapels en hunne behandeling nog al uiteenloopt. Zulks is tevens eene aanmoediging voor de productie van vettere melk, die om verschillende redenen aanbeveling verdient.

Eenige verschillen in opbrengst aan melk, boter en vaste stoffen van koeion worden aan het einde van dit Deel medegedeeld.

5. Het roomen der molk.

Ten deele voor huiselijk gebruik, maar grootendeels voor do boter- en kaasbereiding wordt de melk geroomd, dat is in room, die de grootste hoeveelheid vet bevat, en in de onder-, magere, vloote of afgeroomde melk, die arm aan vet is, gescheiden.

Voor het verkrijgen van den room was het tot op omstreeks het jaar 1877 slechts gebruikelijk de melk in vaten uit te gieten en 'j2—2 dagen rustig te laten staan. Onder de working dor zwaartekracht stijgen de lichtere vetbolletjes, door min of meer melkvloeistof omgeven, dan naarboven en vormen eene laag, den room, die op de zwaardere ondermelk drijft en hiervan kan worden afgenomen. Sedert 1877 is echter mode in gebruik gekomen de ontrooming door centrifuges, waarbij de melk, aan de werking der middelpuntvliedende of centrifugaalkracht onderworpen, eveneens in room en vloote melk wordt gescheiden. Deze wijze van roomen, die men als de nieuwe methode daarvoor kan beschouwen, neemt van jaar tot jaar meer opgang en heeft op vole plaatsen de oudere methoden van roomen geheel verdrongen.

Wij zullen eerst de oudere roommethoden, daarna die door middel van centrifuges bespreken.

A. De oudere roommelhoden. Inrichtingen en toestellen daarvoor. Hierbij wordt van de overal bijna gelijk werkende zwaartekracht gebruik gemaakt. Gelijk de lichtere olie, die men in eene flesch met water schudt, spoedig komt bovendrijven, als men de flesch een oogenblik stil laat staan, zoo stijgen ook de lichtere vetbolletjes in het zwaardere deel der melkvloeistof naar boven. Zij doon dit echter langzaam, omdat de melkvloeistof eene min of meer kleverige massa vormt, die aan do vetbolletjes in hun opstijgen een aan-merkelijken weerstand biedt. Schudt men olie met eene dikkere vloeistof, b.v. gomwater, zoo wordt ook zij in druppels verdeeld, wordt er eene emulsie gevormd en duurt het gernimen tijd voordat zij weder aan do oppervlakte is gestegen.

Hieruit volgt, dat hoe dikker, hoe slijmeriger de melkvloeistof, of juister, hoe gezwollener de daarin aanwezige kaasstof is, des te meer de boterbolletjes in het opstijgen zullen worden verhinderd. De gezwollenheid der kaasstof loopt nog al uiteen en neemt in het algemeen toe, wanneer de melk ouder en naarmate haar temperatuur lager is. Dientengevolge geschiedt het nitroomen het best bij eene niet te lage temperatuur en des te sneller naarmate de melk versch is. Aan het uitroomen bij oeno eenigszins verhoogde temperatuur is echter dit bezwaar verbonden, dat de molk dan spoediger zuur wordt, waardoor de gezwollenheid der kaasstof eveneens toeneemt en waaraan ook overigens veel nadeelcn zijn verbonden, zoodat men het uitroomen veelal bij eene temperatuur niet hooger dan 12—15° C. doet plaats hebben.

-ocr page 341-

295

Verder is de opstijgende kracht der vetbolletjes afhankelijk van hare grootte, aangezien de grootere oen betrekkelijk geringeron weerstand ondervinden dan de kleinere; do kleinste vetbolletjes blijven daarom steeds in de ondermelk achter, Fig. 127 ').

In het algemeen verlangt men dat het uitroomen snel en goed plaats heeft, vóór dat de melk znur geworden is, en dat, als de melk afgeroomd zal worden, de room gemakkelijk kan worden afgenomen. Verschillende inrichtingen, tevens veelal dienende om de melk af te koelen, zijn daarvoor in gebruik. In

___3 vele streken van Nederland wordt de melk in

0 0 o 00 quot;„v_____J vlakke, uit houten duigen samengestelde melkvaten {-vleuteii of -vloten) te roomen gezet; in Groningen dienen daartoe vlakke, uit zink of een stuk hout vervaardigde vaten, melkmollen of -mouten geheeten, in Zuid-Holland eveneens; in Friesland zijn deze veelal van koper vervaardigd en worden melkmouwen of -aden geheeten, Fig. 128. De Destinonschc afroom vaten, in Ilol-stein in gebruik, zijn van gietijzer, de door Gussander uitgedachte van sterk ijzerblik vervaardigd. Bij de eerste wordt do room op eene eigenaardige wijze door een latje afgestreken, bij de Gussandersche eerst de ondermelk door eene opening in den bodem afgetapt en daarna de room verzameld. Gussander laat ook bij eene temperatuur van 16—24° C. roomen, maar stelt daarbij hooge eischen aan den melkkelder, zoodat de lucht goed ververscht wordt, daardoor frisch en alzoo ook do melk langer zoet blijft.

Nog anders is de methode, in Devonshire in gebruik. Het roomen geschiedt hierbij ook in vlakke vaten, maar deze worden, na 12 uur mot melk gestaan te hebben, in een waterbad tot bijna aan het kookpunt verhit. Daarna laat

men bekoelen en neemt den room, die zeer dik geworden is, na 12 a 24 uur af.

In Frankrijk, België enz. volgt men veel de methode

... u,q i- ■ , . r . , i van Girard, waarbij vlakke,

l'ig. lüö. l'nesche melkmout of -iiau van vertind koper. ^

ronde vaten van vertind ijzer

met platten bodem op eene tafel geplaatst worden, die aan één der zijden

van een goot is voorzien. Nadat de room is afgenomen laat men de ondermelk

door een buis, bij don bodem in den zijwand der vaten aangebracht en door

een kurk gesloten, in de goot loopen en vangt ze in een emmer op. Deze

') Volgens eene formule, door Fleischmann opgesteld, is de opstijgende kracht y der vetbolletjes, wanneer n een factor, afbankelijk van den weerstand, lt;1. de versnelling door de zwaartekracht, lt;5 en de dichtheden van bet serum en bet melkvet voorstellen, als volgt;

y = ni'( ,y. - O'

-ocr page 342-

296

vaten kunnen gemakkelijk schoon gemaakt worden. Zoo zijn er nog verscheidene methoden meer.

Ook gebruikt men wel vlakke aarden potten en glazen schalen voor het uitroomen, en deze zijn ook in zoover doelmatig, aangezien zij gemakkelijk zijn schoon te maken, maar hunne breekbaarheid is een bezwaar bij toepassing in het groot. In de laatste jaren zijn zij meest door vlakke vaten van vertind plaatijzer vervangen. In 't algemeen verdienen metalen vaten de voorkeur boven houten, vooral boven die uit duigen samengesteld, aangezien de laatste niet zoo gemakkelijk schoon te maken zijn. Wel kunnen de naden enz. door zo te verven dicht gemaakt worden, maar allicht ontstaan hierin weder barsten, waarin melk achterblijft, bl. 287. De houten zijn echter veelal goedkooper. De metalen vaten worden door het melkzuur aangetast en mogen niet lang met zure melk in aanraking komen.

De boven vermelde zijn alle min of meer vlakke vaten. Deze vorm wordt verkozen vooreerst om de melk sneller op de temperatuur van het afroom-locaal af te kooien, zie hierboven, en ten tweede om de melk sneller te doen uitroomen. Hoo minder diep toch de vaten zijn, des te korter is do weg, dien de vetbolletjes hebben af te leggen om aan de oppervlakte to komen. Zoolang echter de melk nog eeno hoogere temporatuur bezit dan do lucht in het lokaal, ontstaan op- en neergaande stroomingen in de vloeistof (daar de afkoeling hoofdzakelijk aan de oppervlakte der melk geschiedt), die, gelijk licht te begrijpen is, het naarboven gaan der vetbolletjes tegenwerken. 12— 15° C. wordt als de doelmatigste temperatuur van hot afroomlocaal beschouwd. Zij moot met behulp van een thermometer gecontroleerd en, zoo noodig, des winters mot behulp van een kachel verhoogd worden. Bovendien is het nuttig, dat do lucht in het lokaal behoorlijk droog zij. Bij goede voorzorg (zindelijkheid) en zonder bnitengewone invloeden (b.v. onweer of eene zwoele, vochtige lucht) blijft do molk onder deze omstandigheden ongeveer 36 uur zoet en is

dan_vrij goed nitgeroomd. In zoover beantwoordt deze methode dan ook aan

het dool. Zij vereischt echter, wegens do grooto oppervlakte der vaten, een ruim afroomlokaal. Doeltreffend blijft het daarbij, dat de melk, vóór het te roomen zetten, snel op de temperatuur van het lokaal, door koud water en, zoo noodig, met behulp van eenig ijs, afgekoeld wordt om bovengenoemde stroomingen en hot zunrworden der melk zooveel mogelijk tegen te gaan. Want zoodra de melk zuur begint te worden en dus de kaasstof stremt, wordt daardoor het opstijgen der boterbolletjes en dus het uitroomen verhinderd. Bovendien wil men om verschillende redenen, zie hieronder, den room en de ondermelk liefst zoet houden.

Den room en de afgeroomde melk langer zoet te kunnen houden en bovendien vereenvoudiging in het afroomlokaal en het daarvoor gebruikte melkge-reedschap, minder werk met het schoonmaken daarvan, alle factoren die zich vooral bij grootere melkerijen doen golden, zijn dan ook de voordeelen, aan de Swartx'sche afkoelings- en roommelhode verbonden, die in do laatste jaren in vele streken veel opgang gemaakt hoeft en nog veel wordt toegepast. De inrichting is in Fig. 129 aanschouwelijk voorgesteld. Do roomvaten van vertind plaatijzer, daarbij in gebruik, zijn vrij hoog en ovaal of vierhoekig met afgeronde hoeken in doorsnede; zij zijn van een voetstuk voorzien, zoodat het

-ocr page 343-

297

ijs water, waarin zij in bassins geplaatst worden en dat dooi' eene buis wordt aan- en afgevoerd, ook den bodem omspoelt. Aangezien de molk nu van ter zijde en van onderen wordt afgekoeld komen hierbij de bovengenoemde open neergaande stroomingen niet voor en verzamelen zich, vooral in don eersten tijd, als de melk nog niet sterk is afgekoeld, veel meer vetbolletjes in den room dan bij een van de vroeger vermelde methoden. Dmilt echter de temperatuur beneden 10° C., zoo nemen, door de meerdere gezwollenheid der kaas-stof, de weerstanden snel toe. Terwijl dus bij de Swartz'sche methode b.v. na 12 uur meer vet in den room aanwezig is dan bij een der andere wijzen van roomen, is dit na 24 uur en vooral na 3(i uur, als de melk steeds onder 10° C. is gehouden, niet meer het geval. Wel is de hoeveelheid room schijnbaar grooter, maar deze is minder vet, omdat er bij do lagere temperatuur meer serum aan de vetbolletjes kleeft. Het sterk afkoelen, b.v. lager dan 3° C., geeft derhalve geen voordeel en kan men over koud water van 8 a 9° C.

beschikken, b.v. in sommige bergstreken, of behoorlijk koud Norton-pompwater, zooals hier te lande, dan worden ook zonder ijs goede resultaten verkregen. Is de molk uitgeroomd, zoo is zij, ook bij ongunstig weer, na 12 uur nog volkomen zoet. Deels moet dit aan do lage temperatuur, deels hieraan toegeschreven worden, dat de melk minder aan de lucht, die allicht do kiemen tot bederf bevat, blootgesteld wordt. Daar do room zich in eene dikkere hiag over oone kleinere oppervlakte verdoolt kan hij gemakkelijker worden afgenomen. Deze methode is dus wol geschikt om, naast goodo boter uit den room, magere of halfvette kaas uit de ondermolk te bereiden; en in dit geval ook Mor te lande wel gepast, in plaats van een der oudere methoden in vlakke vaten. In groote melkinrichtingen in Amerika, waar men over oone waterleiding kan beschikken, wordt do molk ook wel in groote vaten van 90—500 liter ter rooming gezet en door stroomend water afgekoeld.

Het afnemen van don room (het afroomen) geschiedt bij bovengenoemde

-ocr page 344-

298

methoden soms in eens, maar meestal in twee of driemalen, bijv. na 12, 24 en 36 uur. Zie hierachter b.v. de Leidsche kaasmakerij. Bij de methode Swartz gebruikt men daartoe een bepaald daarvoor Ingerichten lepel, Fig. 129 B, en doet het, om den afdruipenden room op te vangen, boven eene goot. Fig. 129 A. Ook bij de vlakke vaten, behalve bij die van Destinon en Gussander, bl. 295, zijn voor het afroomen vlakke lepels. Fig. 130, in gebruik, soms, om de aanhangende melkvloeistof door te laten, van kleine gaatjes voorzien.

Of de molk goed uitgeroomd is, bespeurt men hieraan, dat de room eene zekere vastheid verkregen heeft en niet meer aan de ingedoopte vinger kleeft.

Niet onder alle omstandigheden geschiedt het uitroomen even snel, gelijk hierboven reeds is aangewezen, maar ook niet altijd roomt de melk even goed uit. Dat zulks soms aan de bijzondere geaardheid der melk ligt, zonder dat men eene oorzaak daarvoor met juistheid kan aanwijzen, is bl. 280 reeds vermeld. Er zijn echter nog verschillende andere omstandigheden, die op het meer of minder goed uitroomen van invloed zijn en waarbij wij nog eenige oogenblikken dienen stil te staan.

Nooit verzamelen zich alle vetbolletjes in den room; steeds blijven er, en wel de kleinste (daar deze betrekkelijk den grootsten weerstand ontmoeten), in de afgeroomde of ondermelk achter, zoodat deze in den regel nog een vetgehalte van minstens 0.5 proc. bezit. Vergelijk Fig. 112 en 127. Of anders: van de 100 deelen vet, in de melk aanwezig, gaan, ook bij het zorgvuldigste

roomen, niet meer dan 92 deelen in den room over; bij eene snelle afkoeling hebben 80 deelen zich in den regel reeds na 12 uur afgescheiden Fig. 130. Roomlepels. eti jle^geen ^ nadat de melk 36 uur

te roomen heeft gestaan, nog afscheidt, is veelal slechts van zeer geringe beteekenis.

Dat de quantiteit room, volgens de Swartz'sche methode, bij eene lagere temperatuur verkregen, iets grootor is, werd hierboven reeds opgemerkt, maar deze bevat meer aanhangende melkdeelen; hot uitroomen geschiedt daarbij in den eersten tijd sneller en beter en de room blijft langer zoet. Daarin, alsmede in de eenvoudiger inrichting van den melkkelder, bl. 297, is vooral het voordeel der Swartz'sche methode gelegen. Zij heeft echter het nadeel dat de vetbolletjes een langeren weg hebben af te leggen, waardoor, in verband met de grootere slijmigheid der melk bij eene lage temperatuur, het minder goed uitroomen na de sterke afkoeling zich laat verklaren.

Nadeelig voor het snel en ook voor het goed uitroomen zijn de bovenvermelde stroomingen in de melk. Is de melk in rust dan nemen de grootere melkbolletjes, die het eerst en hot snelst opstijgen, ook de kleinere mee naar boven; deze vloeien wellicht ook tot grootere ineen. Maar zijn er stroomingen in de melk, dan blijven de kleinere, die hierdoor het meest meegevoerd of verhinderd worden ineen te vloeien, meer achter; deze zullen alleen, zonder de grootere, niet zoo licht opstijgen en gaan dus in mindere hoeveelheid in den room over. Wil men do melk dus goed doen uitroomen zoo is het van belang dat de melk snel, b.v. met een melkkoeler, afgekoeld worde en daarbij in beweging blijft. Ook een langdurig schudden der melk, b.v. door het ver-

-ocr page 345-

299

voer op grooten afstand, wanneer de groote vetbolletjes natuurlijk reeds naar-boven stijgen, is, om bovenvermelde reden, nadeelig voor het goed uitroomen. Van zeer algemeene bekendheid is het verder dat melk, die begint te roemen, niet mag gestoord worden. Langzaam afkoelen, zoodat ondertijds het afroomen reeds begint, en dan weder in andere vaten overslaan, gelijk bij de Zuidhol-landsche afkoelingsmethode, moet daarvoor this nadeelig zijn. Ook te dezen opzichte verdient de Swartz'sche methode de voorkeur, daar de melk na en onder het afkoelen met rust gelaten wordt.

Op eene eenvoudige wijze kan het uitroomen bevorderd worden, door eene kleine hoeveelheid water bij de melk te voegen.

B. De nieuwe ro ornmethode door middel van centrifuges of separators. Voorwarmers, pasteurs en koelers, regeneratief-voorwarmers of warmtewisselaars in een zuivelbedrijf. Hierbij wordt van de centrifufaalkracht gebruik gemaakt, dat is de kracht die in eeu lichaam als het ware wordt opgehoopt, wanneer het gedwongen wordt met zekere snelheid zich in een cirkel te bewegen, gelijk dit b.v. het geval is mot een steen, die, aan een koord bevestigd, wordt rondgeslingerd of met een vloeistof, die zich in een vat bevindt dat om eene as snel wordt rondgedraaid.

Giet men eene vloeistof in een vat, dan neemt zij door de zwaartekracht het benedenste deel van het vat in. Het vat wordt van beneden naar boven gevuld. Wordt het vat echter rondgedraaid, b.v. als het den vorm van een cilinder heeft, rondom de as daarvan, dan plaatst de vloeistof zich onder de werking der centrifugaalkracht, die bij eenige snelheid veel grooter is dan de zwaartekracht, in een schijf langs den gebogen wand van den cilinder. Het vat vult zich van den wand naar het midden. Zijn twee vloeistoffen van verschillend soortelijk gewicht en die zich niet mengen bijeengevoegd in een stilstaand vat, dan drijft onder de werking der zwaartekracht de lichtste vloeistof boven. Wordt hetzelfde mengsel in den zooeven genoemden cilinder aan de centrifugaalkracht onderworpen, dan worden de beide vloeistoffen eveneens in twee lagen geplaatst, de zwaarste langs den wand van den cilinder, de lichtste in eene daaraan sluitende laag dichter bij de omdraaiingsas.

Evenals de zwaartekracht is namelijk de centrifugaalkracht evenredig met de massa of, wil men, met het gewicht van eene stof. Zij is bovendien evenredig met den afstand van het middelpunt of van de omdraaiingsas en het vierkant van de omwentelingssnelheid; zoodat, wanneer k de kracht, m de massa, r de afstand van de omdraaiingsas en v de snelheid voorstelt, k = mrv* is.

Op gelijke wijze nu als de vetbolletjes der melk onder den invloed der zwaartekracht in don vorm van room langzamerhand komen bovendrijven, zoo scheidt zich ook de room uit de melk af, wanneer deze in een daarvoor geschikt toestel onder den invloed van de middelpuntvliedende kracht wordt gebracht. In ons voorbeeld van den cilinder wordt de melk dus in twee lagen gescheiden: een buitenste laag, de ondertnelk, onmiddellijk aan den wand van den cilinder, en eene binnenste, daaraan grenzende laag, den room.

Er is echter dit verschil. De zwaartekracht is altijd gelijk; men kan, om het zoo uit te drukken, haar niet grooter of kleiner maken. Daardoor is men bij 't gewone uitroomen der melk aan een zekeren tijd gebonden. De middel-

-ocr page 346-

300

puntvlieclende kracht daarentegen kan men, vooral door de snelheid te vermeerderen , omdat de kracht met hot vierkant daarvan toeneemt, grooter maken en daardoor het nitroomen in een zeer korten tijd doen plaats hebben. Daarbij komt dat men hier de melk zonder groot bezwaar op een hoogere temperatuur kan brengen om de gezwollenheid der kaasstof of de slijraigheid, de viscositeit der melk, die, zie bl. 294, op het uitroomen een nadeeligen invloed heeft, te verminderen, wat bij het gewone uitroomen niet gaat, aangezien hier de warmte te lang zou inwerken en de melk spoedig zuur zou worden ').

Reeds in 1859 waren door Fuchs, omstreeks 1860 door Fesca en in 18G4 door Prandtl, pogingen aangewend om de melk door de centrifugaalkracht te ontroemen, maar hunne daarvoor bedachte toestellen waren voor de practijk niet bruikbaar, omdat, als de ontrooming had plaats gehad, het toestel (Prandtl

gebruikte daarvoor emmertjes, aan een schijf opgehangen, die rondgedraaid kon worden) moest worden stil gezet en room en ondermelk dan moeilijk van elkander afgenomen konden worden. Eerst Lefeldt gelukte het in 1877 eene bruikbare centrifuge samen te stellen, Fig. 131. Deze maakte echter nog weinig opgang. Zij bestond uit een ijzeren trom-

mei, die ongeveer 100 liter melk kon bevatten en op een as bevestigd was, waarmede zij snol, 800—1000 maal in de minuut, kon rondgedraaid worden. Boven de trommel en den mantel, die haar omgaf, werd verder een platte

-ocr page 347-

301

•loos geplaatst. Zooals de figuur aanwijst werd do melk in room en ondermelk gescheiden, en zoodra vermoed werd dat dit voldoende luid plaats gehad, word, terwijl do trommel bleef draaien, eone zekere hoeveelheid vloote melk ingelaten, waardoor de room verder naar binnen en over den bovenrand van de trommel in de doos werd gedreven, waaruit ze langs een buis kon afvloeien. Dan moest de trommel stil gezet worden en kon zij, nadat de afgeroomde molk verwijderd was, opnieuw met versche melk gevuld worden. Dit laatste was een groot bezwaar. Beter voldeed daarom en meer opgang maakte dan ook de kort daarna, in 1879, vervaardigde separator van Do Laval, waarbij de room en do afgeroomde melk tijdens het werken regelmatig afzonderlijk uit de trommel konden loopon en waarmede dus onophoudelijk kon doorgewerkt worden. Sedert zijn verschillende stelsels, in de eone streek meer dit, in eene andere meer dat, in toepassing gebracht. Verbeteringen of wijzigingen zijn daarin bijna elk jaar aangebracht en komen nog steeds voor. Tot 1886 waren het meer groote machines, door stoom of door een rosmolen gedreven, maar sedert zijn ook machines voor handkracht, zoogenaamde handcentrifuges of -separators, in gebruik gekomen.

De inrichting der tegenwoordig in gebruik zijnde centrifuges loopt dien ten gevolge wel zeer uiteen, maar het hoofddeel bij alle is een stalen trommel, nu eens meer cilindervormig, dan meer ui- of peervormig, die met groote snelheid om eene daaraan bevestigde verticale of horizontaio as kan draaien. In deze trommel laat men de vooraf verwarmde melk regelmatig vloeien, terwijl de room en afgeroomde melk regelmatig afvloeien. De daarvoor bestaande inrichtingen zijn echter bij de verschillende centrifuges nogal uiteenloopend. Zie hieronder.

Daar do grootte van de centrifngaalkracht toeneemt met het vierkant van do omdraaiingssnelheid on slechts in de eenvoudige reden van de straal of do middellijn der trommel, zoodat zij bij gelijke doorsnede 4 maal grooter is als do snelheid verdubbeld en bij gelijke snelheid slechts 2 maal grooter als de doorsnede verdubbeld wordt, zoo geoft men aan de trommel der nieuwere centrifuges geen grooten omvang en geen groot gewicht, maar eene groote snelheid, want hoe zwaarder des te meer arbeid is er ook noodig om ze te drijven. Vele trommels, door stoom gedreven, wegen niet meer dan 50 KG., hebben geen grooteren inhoud dan 4 a ö litor, maar eene snolheid van G a 7000 en meer omwentelingen in de minuut; do trommels der handcontrifuges zijn nog kleiner. De melk wordt dan ook snel ontroomd; zij blijft niot langer dan 1 of hoogstens 3 minuten in de trommel, zoodat het ontroomen in hoogstens dien tijd plaats moet hebben ').

') Tengevolge van de groote snellieid, waarmede de trommel wordt rondgedraaid, en de daardoor ontwikkelde centrifngaalkracht wordt een groote druk op of spanning in den trommelwand uitgeoefend, vooreerst door de zwaarte van den wand zelf en ten andere door de melk. Fleischmann berekent voor een geval, waarin de trommel cilindervormig is en een snelheid heeft van 4000 omwentelingen in de minuut, terwijl do buitenste straal 10.('18, de binnenste 10.08 cM., dus de trommelwand 0.G0 cM. dik is, en de melklaag 5.08 cM. bedraagt, de spanning in eiken vierkanten centimeter van den wand als te zijn 1102 KG. Loopt de trommel leeg dan is de spanning quot;liH KCi.; zoodra zij met melk wordt gevuld oefent deze op eiken vierkanten centimeter oenen

-ocr page 348-

:'502

Teneinde ilo snellieid te controleeren wordt gebruik gemaakt van een zon-genaaniden slagcntellcr. De eenvoudigste inrichting daarvoor is die van Braun, uit eene glazen buis bestaande, die gedeeltelijk met glycerine gevuld en van

eene schaal voorzien is. Op de as der centrifuge geplaatst noemt de glycerine bij het ronddraaien een hollen stand aan en moet de onderzijde der holstaande vloeistof met het getal omwentelingen, op do schaal aangegeven, overeenkomen.

Hoe meer molk er in de trommel wordt gelaten , dos te moor room en afgeroomde melk er in donzelfden tijd uitloopen; maar aangezien do uitroo-mingsgraad, dat is hot procent van 't vet der molk dat in don room overgaat , vooral afhankelijk is van den tijd dat de melk in de centrifuge blijft, is er, om de ontrooming gelijkmatig te doen plaats hebben, eene inrichting noodig om den aanvoer der melk te regelen. Daartoe is gewoonlijk met de aanvoerkraan een drijver verbonden, die, wanneer hij daalt, de aanvoerkraan meer doet openen en, als hij rijst, meer sluit. Zie Fig. 138. De verhouding tusschen room en afgeroomde melk verandert met dien aanvoer. Om echter de hoeveelheid room, onafhankelijk van dion aanvoer, te

F'L'. iriï. Pasteur volgens liet Deenselie wijzigen zijn de meeste centrifuges nog

proefstation , kan tevens als voorwartner o a o 0

dienen. Agenten Boeke en Huidekoper. van eene inrichting voorzien, die de

a melktoevoerpijp: h melkvat; c roer- hoeveelheid te nemen room regelt. In

toestel met horizontale verdeelplaten ; /' , . ...

deksel; k as van het roertoestel; / uit- meeste machines verkrijgt men dit

looppijp voor verdicht schuim; m stoom- (]001- een schroef, waardoor de ope-

toevoerpijp; n stoomruimte; o druppel- . , .,, ,

ringen op het melkvat; p waterzak; r lllng VOOI den uitloop \an den loom

hichtkraantje: I viltisoleering. of van de afgeroomde melk wijder

druk uit van 17.72 KG., waardoor de inwendige spanning met 578 KG. vermeerderd wordt en derhalve nu 1102 KG. bedraagt. De trommel moet derhalve van uitstekend materiaal, gewoonlijk staal, vervaardigd worden. Toch zal zij bersten, wanneer de snelheid te groot of de trommelwand te dun of te zwaar is. Fleischmann berekent, dat dit in het gegeven voorbeeld het geval zou worden, wanneer de snelheid 7621 omwentelingen in de minuut bedroeg of de wanddikte minder dan O.OSI of meer dan :«.4(i cM. was, terwijl het gevaar voor bersten het geringst zou zijn. wanneer de wand een dikte had van 2.57 cM.

Om ongelukken tengevolge van een mogelijk bersten der trommel te voorkomen is zij van een mantel omgeven.

-ocr page 349-

303

of nauwer gemaakt kan worden. Alleen in do Deensche machine, Fig. 142, wordt dit verkregen door de buis voor den afvoer der afgeroomde melk iets verder van den wand te plaatsen. Die verplaatsing kan ook tijdens liet werken geschieden, terwijl bij do andere machines die verhouding tijdens het werken alleen geregeld kan worden door den grooteren of kleineren toevoer van melk.

De temperatuur, waarop de melk gewoonlijk voor het centrifngeeren verhit wordt, bedraagt 25—-35 of gemiddeld 30° C. Bij die temperatuur is de melk vloeibaarder, niet zoo slijmig, en geschiedt de roomafscheiding gemakkelijker. Voor eene gelijkmatige ontrooming is hot gewenscht zich aan do eenmaal vastgestelde temperatuur te houden. Men noemt dit voorwannen en een daarvoor dienend toestel oen voorwarmer.

Fig. 133. Schmidt's koeler voor gopastcn- loopt zoowel biiiton als binnen de rin-riseerde melk, met mantel. Agenten Boeke gen, waardoor liet koelvermogen wordt en Huidekoper te Groningen. verhoogd.

stoom geleid wordt. Om de melk minder aan de lucht bloot te stellen is het echter beter haar te verhitten in een gesloten vat en in allen gevalle gewenscht ze snel te verwarmen en, op de verlangde temperatuur gebracht, direct in de centrifuge te laten stroomen. Het eenvoudigst is dan te gebruiken oen vat, waarin de melk onder ingeleid en van boven wordt afgevoerd, omgeven door een mantel, waarbinnen voor de verwarming stoom wordt geleid of zich door stoom verwarmd water bevindt. In het vat is dan een roertoestel noodig om de melk in beweging te houden.

Fig. 132 stelt een dergelijke inrichting voor, die tevens als pasteur, dat wil zeggen tot verhitting op eene hoogere temperatuur gebruikt kan worden. Veelal past men dit pasteuriseeren toe bij den verkregen room om hem op do vereisehte wijze te kunnen zuur maken (zie hieronder het zuren van den

-ocr page 350-

304

room) eh hij do afgeroomde melk om deze houdbiuudov te maken; maar in de laatste jaren is men ook begonnen do volle melk, vóór zij in dc centrifuge gaat, to pasteuriseeren op ongeveer 85° of hooger. Een afzonderlijk pasteuri-seeren van den room en der afgeroomde melk is dan natuurlijk niet noodig, maar beide moeten worden gekooid, waartoe een koeler als lig. 123 kan worden gebruikt. Om ze meer van de lucht af te sluiten is hot echter beter hier een koeler met wand, als in Fig. 133 en 134 afgebeeld, te gebruiken.

Bij dit afkoelen gaat dan nutteloos warmte verloren. Daarom is men op het denkbeeld gekomen om te trachten deze warmte op de een of andere wijze

Tig. 135. Regeneratief-voor warmer van Paasch en Larssen Petersen. Agent F. F. Pytteiscn te Sneek.

terug te krijgen (te regencreeren) en wel om ze te gebruiken tot het voor-warmen eener nieuwe hoeveelheid melk.

Van deze zoogenoemde regeneratief-voorwarmer.s bestaan er reeds verschillende inrichtingen. Fig. 135 stelt die van Paasch en Larssen Petersen voor. Daarin ziet men rechts een pasteur voor volle of afgeroomde melk met melk-bak en melk pom ji , links een gewonen koeler, in hot midden den regeneraticf-voorwarmer en op den voorgrond een paar centrifuges. Wordt de volle melk

-ocr page 351-

30.')

gepasteuriseerd, dat is tot 90° verwarmd, dan laat men deze daarna over den buitenwand van den regeneratief stroomen, terwijl binnen langs dien wand koude melk stroomt, of omgekeerd. Eerstgenoemde koelt nu af van 00 tot 40 a 50° en gaat naar de centrifuges om ontroomd te worden; de binnenstroo-mende koude melk wordt door de heete melk verwarmd tot 40 a 50° en gaat naar den pasteur om verder tot 90° verwarmd te worden. Wil men de afgeroomde melk pastenriseeren, dan wordt als volgt gehandeld. De uit den pasteur komende afgeroomde melk van 90° gaat van onderen naar boven binnen in den regeneratief en staat warmte af aan de langs don buitenwand stroomende koude volle melk, die nu, tot 40 a 50° verwarmd, naar de centrifuges gaat. Na het centrifugeeren gaat de afgeroomde melk naar den pasteur en wordt verder verwarmd. De in den regeneratief tot 40 a 50° weder afgekoelde, geroomde melk wordt door het hierin aanwezige roertocstel in de buis links omhoog gevoerd en nu door den koeier links verder gekoeld.

Zooals men ziet, krijgt men in beide gevallen de molk op 40 a 50° om niet verwarmd, terwijl de gepasteuriseerde daarbij tot die

temperatuur gekoeld wordt, waardoor minder koelwater en een kleinere koeler noodig is.

Moer samengesteld zijn de nieuwste inrichtingen op dit gebied van Ahl-born. Pasteur

en voorwarmer zijn daarbij in één toestel veroonigd. Het bestaat, zie Fig. 136, uit drie doelen, als hot ware drie klokken, die over elkander passen. In de binnenste wordt stoom geleid; deze dient alzoo voor de verwarming. De daarom sluitende, do roerklok, wordt in snelle ronddraaiing gebracht; zij dient om de melk in beweging te houden en tevens als isoleerende laag tus-schen de hoogst verwarmde, gepasteuriseerde melk en die van lagere temperatuur. De buitenste klok met gegolfde oppervlakte, in do figuur zichtbaar, dient voor uitwisseling der warmte; zij is tevens van eene buis voorzien om de uit de verhitte melk ontwijkende gassen te doen ontsnappen.

Ahlborn levert zijn toestel nog van twee verschillende constructies. In beide gevallen wordt de melk tot op 100° verwarmd, maar bij de eerste constructie stroomt de koude volle melk langs de buitenste gegolfde oppervlakte en wordt REINDERS, III. Vierde druk. 20

-ocr page 352-

') Zie o. a. Molkerei- en Milchzeit. van IDO'i en Ahlborn's brochure Milcher-hitzer mil Berieselnngs- Warme-A ustausch.

-ocr page 353-

307

I

|i| ;l

rust, omgeven.

In de laatste jaren zijn in de Alfa's nog verschillende verbeteringen aangebracht, onder anderen om de ontroomingscapaciteit te verhoogen zonder do

£r jwMlJ

1___- '

I P

II

ï.

i

; ÏB

20*

-ocr page 354-

308

afroomingsgraad to vorniindoron enz. ïig. 1 ' doet lt;1g inrichting zien zooals zij vóór 1900 was, Fig. 138 zooals zij sedert dien tijd is, terwijl in de Fig. 139—141 een drietal vormen in opstand zijn afgebeeld. De as, waardoor de bewegende kracht op de trommel wordt aangebracht, bestaat uit tquot;\\ee gedeelten, een langer deel aan de trommel bevestigd en dat bij V, 1 ig. 138, met een pin aan de kleine as verbonden is. Aan deze kleine as R, in bussen W en Y opgesloten, is de schijf bevestigd voor den riem, waarmede de beweging van den motor wordt overgebracht. Met behulp Aan de schioet Z kan deze as hooger geplaatst worden, naarmate zij aan de onderzijde afslijt.

Bij de hand-separators wordt de beweging van de kruk met behulp Aan tandraderen en een schroef zonder eind op do as overgebracht; zie lig- 140.

Het meest kenmerkende van de Alfa-separators zijn de ringvormige schijven of schotels, die ten getale van 37—55, onder een' hoek van 56' en op een ouderlingen afstand van 1 ü 2 mM. in de trommel geplaatst zijn. Daardoor wordt de melk in even zooveel schijven van die dikte verdeeld, welke elk voor zich ontroomd worden, en worden de zijdelingsche stroomingen in de melk, die ontstaan als zij ééne kolom vormt en nadeelig voor het ontroemen zijn, nagenoeg onmogelijk maakt.

De melk komt door den koker i, Fig. 137 (waaraan 4 kruiswijs staande

-ocr page 355-

309

vleugels bevestigd zijn om de schijven steun en den vereischten onderllngen afstand te geven), eerst in den zoogenaamden slibvanger, een kegelvormig vat, op den bodem der trommel geplaatst; zij loopt dan over den rand en door do eerste tussclienruimte der schijven naar den omtrek der trommel, en naarmate er melk wordt aangevoerd, worden de tusschenruimten meer en meer, maar steeds van buiten naar binnen gevuld, totdat bij f room en door de buis e de afgeroomde melk afvloeit. De vulling gaat zoo steeds voort, van buiten naar binnen, terwijl er aan de binnenzijde en door de opening in den trommelwand bij /' room en aan de buitenzijde en door pijpjes (in de oudere vier, in de nieuwere zes) bij c afgeroomde melk afvloeit in platte doozen, C en B, die van een uitloop voorzien zijn; zie de figuren.

Na vele proefnemingen, gedurende een drietal jaren , in de zuivelfabriek te Hamra, bij Stockholm, is het de Separatormaat-schappij in 1899 gelukt in dezen melk-toevoer en in de plaatsing der borden eene belangrijke verbetering aan te brengen , hierin bestaande, dat de borden beter bevestigd zijn en de bovenste niet zoo licht uitscheuren, de afstand tusschen den trommelwand en de borden grooter is gemaakt, zoodat zich hier meer slib kan afzetten en vooral door het aanbrengen van spleetvormige ribben (bij de kleinere machines drie, bij de grootere vier) aan den midden in do trommel geplaatsten koker. De melk valt nu eerst dooi dien koker in den slibvanger en wordt dan door do centrifugaalkracht naar boven gedreven en komt achter de roomlaag in oen streek waar het soortelijk gewicht nagenoeg gelijk is aan die der melk, en van hier regelmatig in alle tusschenruimten der ringen. Het uitroo-mingsproces is daardoor bij de grootere machines met 10 a 20 proc. en bij die, welke minder dan 400 liter in 't uur uitroomen. met GO a 100 proc. verhoogd. Voorts zijn de doozen voor het opvangen van den room en der afgeroomde molk van een zoogenaamd pantserdeksel voorzien, waardoor alle gevaar voor het naarboven stijgen van do trommel wordt voorkomen en mocht deze uit haren juisten stand zijn gekomen, tevens als vang kan dienen. Ook zijn in het model 1900 de oliepotten gewijzigd en nog enkele andere verbeteringen aangebracht. Do hoeveelheid te nemen room kan door de schroef a geregeld worden.

De volgende separators worden thans door de gemelde vennootschap te Stockholm geleverd;

-ocr page 356-

310

No. of merk van den separator.

Gewicht der trommel met as. KG.

Hoeveelheid melk in de trommel tijdens het ontroemen.

KG.

Aantal omwentelingen in de minuut.

Hoeveelheid melk in het uur ontroomd. KG.

De machine wordt bewogen door een

Alfa Pony

28.5

2.50

5600

700

rosmolen

» Ai

50.0

5.00

5600

1400

stoommachine

» Au

02.0

7.00

5600

2000

»

» SE

0.5

0.75

7500

300

stoomturbine

gt; BE

12.4

1.50

7000

500

»

» PE

23.5

2.50

5600

700

»

» AEi

50.0

5.00

5600

1400

»

» AEn

62.0

7.00

5600

2000

»

» Liliput

1.0

0.15

7900

40

handkracht

•gt; Colibri

2.7

0.25

5600

125

»

» U

3.5

0.40

0600

200

»

» Baby

ü.5

0.75

6400

250

handkracht mot laag gestel

» »

0.5

0.75

6400

300

gt;; » hoog »

» B

12.5

1.50

5600

450

handkracht

In dit lijstje zijn, behalve eenige bijzonderheden omtrent het gewicht der trommels enz., ook opgenoiren een paar centrifuges, welke mot den door De Laval uitgevonden stoomturbine verbonden zijn. Fig. 141.

b. Dc centrifuges van Burmeister en Wain. Deze worden zoo geheeten naar de tegenwoordige fabrikanten, die ze naar het oorspronkelijke octrooi van ^Nielsen en Petersen vervaardigen. Men kan ze, aangezien ze vooral in Denemarken gebruikt wórden, ook Deemche centrifuges noemen.

De trominei, Fig. 142, heeft den vorm van een cilinder, is van boven open en draait om de naar beneden gerichte as. Inwendig zijn een drietal niet doorboorde verticale vleugels en quot;2.5 cM. beneden het deksel een horizontale plaat C aangebracht. Deze plaat scheidt van de inwendige trommelholte een klein gedeelte af, dat slechts aan den omtrek, derhalve daar, waar de afgeroomde melk zich bevindt, met het andere deel in verbinding staat. In de nieuwere, sedert 1SS9 verbeterde machines is voorts op den bodem des cilinders een stalen, gebogen ring aangebracht, die de door de buis V instroo-mende melk, onder de roomlaag door, binnen in den meikring voert, waardoor vermenging van de aangevoerde melk met den reeds afgescheiden room wordt voorkomen. De afvoer van don room en van de afgeroomde melk geschiedt door stalen buizen, die schuins zijn afgesneden en waarvan de eene, B, de plaat C doorboort en in de roomlaag reikt, terwijl de andere, A, do afgeroomde molk wegvoert. Deze laatste is verplaatsbaar (verder naar voren of naar achteren), ook als de centrifuge aan den gang is, waardoor de verhouding tusschen room en afgeroomde melk, ook onder hot werk, geregeld kan worden. Voorts kunnen aan deze afvoerbuizen stijgbuizen worden bevestigd, waardoor de room en de afgeroomde melk tot ongeveer 2.5 a 3 motor kunnen worden opgevoerd, oen belangrijk voordeel, aangezien hiervoor anders oen afzonderlijke pomp noodig is. Room en afgeroomde molk schuimen, als zij uit de machine treden, sterker dan wol bij andore centrifuges en worden daarom

-ocr page 357-

311

eerst in platte vaten (scluiimvangers) opgevangen. In het toestel voor ue tusschenbeweging k is eene inrichting voor het regelen der snelheid aangebracht, in beginsel op gelijke wijze werkende als de regulateur eener stoommachine.

(f1

Kig. '142. Doorsnede der centrifuge van Burmeister en Wain. Agent F. II. 1 'ij t ter SIM 1 te Sneek. A buis voor afvoer van afgeroomde melk; 1! idem voor den room; C plaat, die aan den wand de afgeroomde melk doorlaat in de ruimte E; 1) trommelwand; III mantel; .1 buis voor olie om de as te smeren; S as; R liemschijf: Wlv asbussen; L ondereind der as; MN spoor, waarop de as draait; O stelschroef; U schroef; P oliepot; T melkbak; V buis voor aanvoer der volle melk onder de ring beneden in de trommel; X fundamenten.

a en i riemen; bed riemspanner; f en ij riemschijven; ehk veiligheidstoestel om te groote snelheid te vermijden.

Burmeister en Wain vervaardigden sedert 1889 ook handcentrifuges naar het octrooi van Sven Jönssons. In het eerst werden die voorzien van do inrichting tot regeling van de hoeveelheid room als de machine in gang is, maar later zijn deze weggelaten om de machine niet te samengesteld te maken. Thans vervaardigen zij handmachines, onder den naam van Perfect, met verschillende inzetsels. De volgende machines worden door B. en W. geleverd:

Naam of merk der centrifuge.

Gewicht der trommel

zonder as 1 met as KG. 1 KG.

Hoeveelheid melk in de trommel tijdens het ontroomen. KG.

Aantal omwentelingen in de minuut.

trommel kruk

Hoeveelheid melk in het uur ontroomd. KG.

De machine wordt bewogen door

A

125

05.0

2700

-

1400

stoommachine

AA

125

05.0

2700

-

1400

»

B

52

17.0

4000

-

700

»

Perfect 0

2.05

0.45

11500

55

75

handkracht

1

3.95

1.10

8500

50

150

»

» 2

7.05

2.20

8500

45

300

»

De machine A

wordt geleverd met

één, AA met twee fundamenten.

-ocr page 358-

312

e. Balans-centrifuges. Deze werden het eerst in Duitschlancl vervaardigd door de maatschappij „Holler'sche Carlshüttequot; te Eendsburg en heeten daarom ook wel Duitsche centrifuges. De uitvinder was echter een Deen, die. het octrooi aan een zekeren Nilsen en deze weer aan genoemde maatschappij overdroeg. Het eigenaardige van deze centrifuges, Fig. 143 en 144, is, dat de uivormige, van boven opene trommel is opgehangen in een diepe indeuking van haren bodem op den kogelvormig verdikten kop der as en hierop vrij kan schommelen (balanceeren). Bij het ronddraaien der as wordt de trommel door

de wrijving meegenomen. Daarbij is de as van een holte voorzien, waarin een stalen stift met nok past, welke nok in eene opening in den bodem der trommel kan grijpen. Door de centrifugaalkracht schiet deze stift naar boven, en daar nu de nok in de holte der trommel grijpt wordt deze raeegenomen. Blijft de as plotseling stilstaan, zoo valt de stift in de holte der as terug, wordt de verbinding met do trommel alzoo verbroken en kan deze ongehinderd

-ocr page 359-

313

blijven romWraaien. In de eerste machines werd de trommel inwendig van een niet doorboorden vleugel voorzien; later heeft men, om de ronddraaiende beweging der melk in de trommel te matigen, zoogenaamde quot;Wellglatter, Fig. 145 B, aangebracht, dat zijn onder een scherpen hoek gebogen stukken aluminium, die alzoo den vorm van een spitsen, gelijkbeenigen driehoek hebben en achter elkaar op den bodem van de trommel geplaatst worden, zoodat zij langs den wand eene ruimte overlaten en midden in den meikring liggen. Met den spitsen kant tegengesteld aan de omdraaiingsrichting der trommel geplaatst, liggen zij met hunne spits in de richting van den melkstroom, die natuurlijk tegengesteld aan die der trommel is. Deze Wellglatter worden thans

in de trommels der grootere machines, door stoom- of handkracht gedreven. aangebracht ; die der kleinere, voor handkracht, zijn van twee vaststaande vleugels voorzien, Fig. 145 A. Ook levert de Holler'sche Carlshütte thans centrifuges met inzetsels, zoogenaamde celkransen, die een gelijk doel hebben als de schotels van de Alfaseparatoren. De vorm der trommel is echter nagenoeg-dezelfde gebleven.

Evenals bij De Lavai's centrifuges zijn boven de trommel een paar doozen met uitloop geplaatst om de afgeroomde melk en den room op te vangen en af te voeren. (Jelijk Fig. 143 doet zien, wordt de melk uit het vat met drijver door een trechter in de trommel geleid; zij vloeit nu eerst in het bekervormig vat, midden op den ingedeukten trommelbodem geplaatst, en van hier door eene buis, kort vóór den vleugel, onder de roomlaag door, midden in den melkkring. De afgeroomde melk wordt door eene buis, die tot in het wijdste gedeelte dei-trommel reikt, tot aan den bovenrand daarvan gevoerd en hierover, in de bovenste doos geslingerd, door eene buis weggeleid. De room vindt liier geen uitweg, maar door eene zijdelingsche opening in don trommelwand in de onderste doos. Door eene schroef, in het bovenste doel van de buis, die de afgeroomde melk uit do trommel voort, aangebracht en welke, als de machine stilstaat, versteld kan worden, wordt de afvoer en dus de verhouding tusschen room en afgeroomde melk geregeld.

-ocr page 360-

314

Do Carlsliiitto levert balans-centrifuges van vierderlei grootte, welke door stoom gedreven worden en 500—600, 700—900, 1200—1400 en 1400—1G00 liter melk per uur ontroomcn bij een trommelsnelheid van 7000 omwentelingen per minuut, alsmede een vijftal hand-centrifuges met een trommelsnelheid van 7500—10000 en welke 70—300 liter per uur ontroemen.

Balans-centrifuges worden voorts vervaardigd door de Flensburger Eisenwerk-Aktiöngesellschaft, eerst onder den naam van Flensburger halans-centrifuyes, toen onder die van Flensburger patent-centrifuges en thans onder dien van Flensburger Germania-centrifuges. Deze verschillen in eenige bijzonderheden van de bovengenoemde door de Carlshütte vervaardigde, o. a. in de wijze, waarop de trommel op de as rust. Ook wordt de verhouding tusschen room en afgeroomde melk hier,, evenals bij de Alfa's, geregeld door een schroef, waardoor meer of minder room genomen kan worden en niet, zooals bij de balans van de Carlsliütte, door de hoeveelheid afgeroomde melk te veranderen.

Een zestal modellen worden door deze fabriek geleverd, waarvan A en B,

B

door stoom, en D en E, door handkracht gedreven, een uivormige trommel hebben, evenals de gewone balans, terwijl C' voor stoom en C voor handkracht van een cilindervormige trommel mot inzetsels zijn voorzien, overoenkomendo met die van de Alfa-separatoren. Zij ontroemen 100—1200 KG. per uur.

d. Centrifuge van Mélotte. Het eigenaardige van deze centrifuge, vervaardigd door Yvo Mélotte te Remicourt (België) en die men daarom de Belgische zou kunnen noemen, is, dat zij aan een spil met een oog is opgehangen. Fig. 14C—149. Deze spil bestaat niet uit één stuk, maar is uit drie deelen samengesteld, van welke het middelste uit een spiraal veer (75 in Fig. 149) bestaat, die ten doel hoeft om de kracht voerend over te brengen en daardoor het in beweging brengen gemakkelijk te maken en schadelijke invloeden door stooton te vermijden. Door middel van een koord, dat over rolletjes loopt en door een schroef gespannon wordt (33, 35 en 30), wordt de spil in haar juisten stand gehouden.

-ocr page 361-

315

Eene verdere bijzonderheid is, dat de room en de afgeroomde melk \iit hot benedenste deel van de trommel worden weggenomen en het centrifugeeren bovenin begint. In de meeste andere centrifuges heeft juist het omgekeerde plaats, dat is wordt de melk onderin gelaten en de room en afgeroomde melk vlooien uit het bovenste deel der trommel af. Ook wordt de melktoevoer niet geregeld door een drijver, maar door een hefboom met gewicht, waardoor aan het verdeelvat een min of meer sehuinschen stand wordt gegeven.

De stalen centrifuge-trommel bestaat uit twee helften (95 en 96, Fig. 147), die met een draadring (97), welke als schroefmoer werkt, aan elkander bevestigd zijn, en is door een mantel (IC) van geémailleerd ijzer omgeven. Boven in de trommel bevindt zich een bakje mot twee vleugeltjes (102), waaruit de molk geslingerd en gedwongen wordt dadelijk aan de omdraaiing doel te nemen. In het benedendeel der trommel is een buis geplaatst en hieraan een bord bevestigd, dat als het ware don bodem van de trommel vormt; in het midden van dit bord (107) is eene opening, waardoor de room iu de buis en van hieruit in een ringvormig deel van don mantel met uitloop vlooit. De roomlaag bereikt echter niet den rand dier middenopening, maar kan slechts op ééne plaats, door eene opening in den rand, in genoemde bids vloeien, Fig. 149. Deze opening kan door een schroef (115) iets ,20 wijder of nauwer gemaakt en

lig.-148. Inzetsels daardoor de hoeveelheid te nemen in ue trommel van

Mélotte's centrifuge, room geregeld worden. Do alge-

-ocr page 362-

316

roomde molk (laarontogen vlooit over den rand van het bord on, tussohen dit bord en den mantel, door eene vierkante opening, buiten do ovengenoemde

buis in de trommel aangebracht, in don mantel, en vloeit van hier uit met een uitloop (de bovenste) weg.

-ocr page 363-

317

In de trommel zijn voorts, concentrisch, zigzagsgewijs gebogen ringen van aluminium, Fig. 148, met openingen in de hoeken, op korten afstand van elkander aangebracht, die, evenals de ringen in de Alfa-separators, het afscheiden van den room sterk bevorderen , waarschijnlijk ook hier door het weder vermengen van den eens afgescheiden room en de afgeroomde melk te voorkomen. Het aantal dezer buizen verschilt naar de grootte der trommels.

Vve Mélotte levert thans centrifuges in drie modellen. Die van model 0, welke op een tafel geschroefd of op een drievoet geplaatst worden, zijn van drieërlei grootte verkrijgbaar, welke 125, 150 en 200 liter per nnr ontroemen; die van model I en II worden op een steenen voetstuk geschroefd en zijn in twee grootten, die 150 en 200 liter, respectievelijk in drie grootten, welke 200, 300 en 400 liter per uur ontroemen, verkrijgbaar. Het gewicht der trommel van do kleinste bedraagt 4.25 KG., en deze bevat tijdens het ontroemen 2 liter melk; de trommel der grootste centrifuge weegt 7 KG., en deze bevat tijdens het ont-roomen slechts 1.62 liter melk. Beide worden met de hand bewegen, maar de grootste kunnen ook voor eene machine worden ingericht. De normale snelheid voor model I is 00 omdraaiingen van de kruk in de minuut (voor model II 40); de trommel maakt dan in denzelfden tijd over de C500 omwentelingen. De graad van ontrooming is bijzonder sterk, zoodat bij enkele proeven 98 proe. van het vet der melk in room overging. Do machines zijn ook zeer geschikt voor het ontroomen van wei; zie kaasbereiding.

5. De overige centrifuges. Behalve de genoemde zijn er nog verschillende centrifuges meer in gebruik of in gebruik geweest. Wij noemden reeds die van Lefeldt en Lentsch te Schöningen als de eerst bruikbare centrifuge, die in 1877 werd ingevoerd. Die van 1877 hebben intussehen verschillende wijzigingen ondergaan. Thans worden door de fabriek te Schöningen 8 ■Verschillende centrifuges vervaardigd: 2 door stoom, 1 door een rosmolen of stoom gedreven en 5 handcentrifuges.

Verder noemen wij nog de Victoria of Schotsche centrifuge, vervaardigd door Watson, Laidlow en O. te Glasgow, die er G verschillende, waarvan drie voor bandgebruik , leveren. Een nieuwe vorm van deze firma is nog do empress-separator. Hierbij heeft de trommel de gedaante van een cilinder en is van een afneembaren bodem en wavelvormig doorboorde inzetsels voorzien.

Een dergelijken vorm bezit ook de /croow-separator van de Swenske Cen-trifug Aktie Bolaget te Stockholm; terwijl naar het stelsel van Dr. Braun te Berlijn vervaardigde zoogenaamde ,,geruischloozequot; centrifuges met snaarbeweging nog verschillende zijn vervaardigd, als die van Lübke te Breslau, de Linden-höfer te Martinswaldau in Silezië, de Frarn van Ohlhaver te Hamburg, enz.

Het aantal verschillende centrifuges is alzoo thans vrij groot. Men kan rekenen dat er tegenwoordig meer dan 50 verschillende vervaardigd worden, waarvan ongeveer de helft door een machine, do andere helft door de hand gedreven wordt, en, gelijk uit het bovenstaande overzicht blijkt, gaat men er-meer en meer toe over om, vooral aan de trommel van de laatstgenoemde, een cilindervormige gedaante te geven en van inzetsels te voorzien.

Ofschoon het nu vrij zeker is dat het eene stelsel veel meer in gebruik is dan het andere, valt het toch moeilijk te zeggen welke centrifuge de meeste aanbeveling verdient. Zulks hangt ook van de omstandigheden, waaronder zij

-ocr page 364-

318

geliniikt zal worden, on van Wij verwijzen daarvoor naar Ook op do vraag of het machinaal dan wel

't gewone roomon in hooge of

vlakke vaten de voorkeur verdient, kan in algemeonon zin geon bepaald antwoord worden gegeven.

Waar de zuivelbereiding fabriekmatig geschiedt, het hoofdgewicht op het botermakon wordt gelegd, en vooral wanneer de verkregen boter in den groothandel, waar men oen gelijkmatig product vraagt, zal worden gebracht,

daar is gewis het gebruik van centrifuges geheel op zijne plaats. Maar wan neer uit de melk naast boter kaas gemaakt zal worden of do boter als consumptieboter in hot klein verkocht wordt, is het voordeel van 't centrifugeeren en in 't algemeen van de fabriekmatige bereiding minder groot. Uit afgeroomde melk niet slechts 0.25 proc. vet, zooals de centrifuges meestal leveren, kan toch geen goede kaas gemaakt worden ; men moet dus minder sterk roo-men, en bij den

m het klein is een gelijkmatig den groothandel. Dat echter de room en melk onder gewone omstandigheden bij het centrifugeeren nog volkomen zoet vorkregen worden, is oen voordeel, dat èn voor de boterberei-ding uit den room èn voor 't gebruik der afgeroomde molk als voedsel of voor de kaasbereiding van veel belang is, in zoover men het daardoor in zijne macht hoeft deze producten meer gelijksoortig te leveren.

Dit staat ook in nauw verband mot het belangrijke voordeel van hot machi-

den prijs, waarvoor zij geleverd kan worden, af. do verschillende prijscouranten.

/

J

^ i K

J

ataatigfe

14' n

P -®

fi ci i • O fl *£* C

II s 2.,

O) ~

23

s Sb c

o o — -

S ^ -O S ^

~ QJ —

c3 bo ^ Q C

^ = 2.= o -i=^

r r ®

a-Si

— — o CD _

s S M Sc

^ V, c S ^

^ ~ V

: .i; c5 ^.

= ? ' :3-2 c g

aj « — fac.S '

a = S)-c 3 cr ■ lt;igt; -5 =s -S

Soa

QJ

ü O E

stf ^ - CS

gt; O gt;

^ 2 £

- O

' ° 5^

: o -

^ Q ~ o»

OJ quot;O

ci

--

C o

O) O

lt;v .ïï lt;

ci

lt;D

eS '

C/5

^ --

S S-E s c =

o ï, ^ O) 1.

Q) lt;1gt; - ^ t£ ü

-w o

^ c _ _ _

■ I 1 aïquot;! S - -ë M S) verkoop van botor

-ocr page 365-

319

naai roomen, dat wij ten slotto noemen, n.1. de meerdere zuiverheid der producten. Do vaste verontreinigingen der melk, als haren, liuidsclmbben, mest- en vooderdeeltjes, stof, vele v;in do aanwezige bacteriën enz., welke niet bij het teemsen zijn achtergebleven, zetten zicli namelijk in do centrifuges, vooral aan den wand der trommel, als slib af en gaan alzoo niet in den room of de afgeroomde melk over. Deze centrifugeslib, die van 0.05 tot 0.13 proc. van 't gewicht der melk bedraagt, bestaat overigens, en wel voor 't grootste deel, voor ongeveer quot;/, 0, uit melkbestanddeelen, voornamelijk uit kaasstof. Soms wordt zij als voedsel voor varkens gebruikt, maar aangezien zij schadelijke bacteriën (tuberculose bacillen) kan bevatten, dient men met het gebruik daarvan zeer voorzichtig te zijn en haar in geen geval ongekookt te vervoederen. In aanmerking genomen de geringe waarde, die de slib heeft, en het groote gevaar voor ziekteverspreiding, aan het gebruik verbonden, doet men in den regel beter ze, b.v. door verbranding, onschadelijk te maken.

Fig. 150 geeft een overzicht van een modern centrifuge-bedrijf, waarbij wij intusschen dienen op te merken, dat do hierbij gebruikte centrifuge, van Burmeister en Wain, het mogelijk maakt den room en de afgeroomde melk op te voeren. Waar dit door een centrifuge niet mogelijk is, wordt voor dit doel van een melkpomp of een roomelevator gebruik gemaakt.

Door het roomen der melk bekomt men dus twee producten: room en afgeroomde melk. Welke methode men daarbij ook volgt, altijd hoeft er door verdamping en morsing eenig verlies plaats, zoodat do hoeveelheden room en afgeroomde melk nooit gelijk zijn aan de gebruikte hoeveelheid volle melk. Bij de centrifuge-methode kan dit verlies op 0.50 a 0.75 proc. gesteld worden; van de oudere methoden is het zeker niet minder, maar niet met juistheid op te geven. Bij do oudore methoden verschilt natuurlijk de hoeveelheid room en zijn gehalte aan vet vooral naar den uitroomingstijd; bedraagt deze 3G uur, zoo bekomt men, bij 't gewone uitroomen in vlakke vaten, 10 a 15 proc. van de melk als room, in den winter iets meer, in den zomer iets minder, terwijl het procent van de hoeveelheid vet der melk, dat in den room overgaat, of de uitroomingsgraad, 74—80 proc. bedraagt. Bevat de melk dus 3 proc. vet, dan gaat daarvan 2.25—2.40 in den room en blijft er 0.60 —0.75 in de ondermelk. Wordt de melk bij het stelsel Swartz een even langen tijd te roomen gezet, zoo bekomt men eene grootere hoeveelheid room, tot 20 proc., eensdeels omdat hierbij minder water verdampt dan in de vlakke vaten, anderdeels omdat de room daarbij slijmiger is en er alzoo meer melkdeelen aan de vetbolletjes kleven. De uitroomingsgraad is echter veelal iets geringer, althans niet grooter dan bij het gewone uitroomen in vlakke vaten. Waar het Swartzsche stelsel in gebruik is wordt echter gewoonlijk niet zoo sterk geroomd en de room reeds na 12 uur afgenomen, teneinde de ondermelk, ten behoeve van de kaasmakerij, iets vetter en volkomen zoet te houden. Bedraagt dan de uitroomingsgraad b.v. 70 proc., zoo gaan er van de 3 proc. vet 2.10 in don room en blijven er 0.90 in do ondermelk.

Bij do centrifuge-methode hangt do uitroomingsgraad af van do trommel-

-ocr page 366-

320

snelheid, van den tijd dat de melk in do trommel is en van de temperatuur. Hij wordt gewoonlijk aangegeven door liet vetgehalte van de afgeroomde melk. Dit bedraagt meestal niet meer dan 0.2 a 0.3 of gemiddeld 0.25 proc., soms nog minder tot 0.1 proc. Het vetgehalte van den room loopt daarbij zeer uiteen, daar men het in zijne macht heeft meer of minder room met hooger, tot GO proe., of lager vetgehalte te nemen; aanbevolen wordt niet minder dan 10 en niet meer dan 20 proc. Gesteld nu dat in de afgeroomde melk 0.25 proc. vet blijft, dan gaan van de 3 proc. vet der melk 2.75 proc. in den room over, zoodat deze, wanneer 15 proc. room genomen wordt, ruim 18 proe. vet bevat.

Wat de overige bestanddcelen van den room betreft, heeft het onderzoek geleerd dat de room, volgens de oudere methoden verkregen, iets meer kaas-stof en iets minder melksuiker bevat dan in de melk voorkomt, wat zich uit de bekende eigenschappen van deze stoffen ook laat verklaren. Van de afgeroomde melk is dan het gehalte aan melksuiker iets hooger dan van het serum van den room. In den room en de afgeroomde melk, door middel van centrifuges verkregen, laat zich een dergelijk verschil niet aantoonen.

De afgeroomde melk is bij haar gering vetgehalte, met de kleinste vetbolletjes der melk, rijker aan water dan de volle melk; ook de kleur is anders en min of meer blauwachtig; haar soortelijk gewicht wisselt bij 15° C. af van 1.032—1.03G5 en bedraagt gemiddeld 1.0345.

De room dient voor een klein deel tot huiselijk gebruik en wordt tot dit doel ook wel in den handel gebracht als koffieroom met 8—15 proc. vet en de dikkere slagroom met meer dan 15 proc. vet. Yoor het grootste deel dient hij echter voor het bereiden van boter.

Van de afgeroomde molk wordt een zeer verschillend gebruik gemaakt; voor het bereiden van magere kaas, voor het mesten en opfokken van kal ver en varkens, ook wordt zij wol aan veulens gegeven. Bovendien vormt zij door hare samenstelling een uitstekend volksvoedsel en daartoe wordt zij, vooral waar met centrifuges geroomd wordt, ook veelvuldig verkocht. Voor het bereiden van kunstkaas wordt zij met margarine en om haar voor het voederen van kalver een hooger vetgehalte te geven wel met olie vermengd en daartoe in eene centrifuge gebracht, die van het mengsel eene emulsie maakt. De centrifuges van Burmeister en Wain kunnen daartoe worden ingericht. De fabrikanten van De Laval's separators leveren daartoe een afzonderlijke inrichting, émulsor geheeten, welke in hot stel van den separator kan worden gedreven. In de laatste jaren is men in Duitschland ook begonnen haar met melasse te vermengen en als veevoeder in het algemeen te gebruiken; zie ook kalfroom, bl. 252.

De samenstelling van room en afgeroomde melk is gemiddeld als volgt;

Centrifuge-room Afgeroomde melk, verkregen

met 15.2 quot;Z,, vot.

met 20 0i0 vet.

door centrifuges.

op de gewone wijze.

Water 76.0 0/o

71-1 0

90.60 0/0

90.08 %

Vet 15.2 »

20.0 »

0.25 »

0.7 5 »

Eiwitstoffen 3.1 »

3.1 »

3.50 »

3.40 »

Melksuiker 4.5 »

4.G »

4.90 »

5.00 »

Asch 0.0 »

0.6 »

0.75 •■gt;

0.77 »

-ocr page 367-

321

(i. B o t e v b o r e i d i n g.

Deze heeft ten doel het verkrijgen van het melkvet in den meest gewensch-ten toestand, dat wil zeggen in een product dat bekend is onder den naam van boter en dat ongezouten en goed bereid gemiddeld 83 a 84 proc. melkvet, 14 a 15 proc. water en 1.2 a 2.2 van de overige melkbestanddeelen bevat.

De voornaamste bewerking, die men de melk daartoe laat ondergaan, heet karnen. Maar hoe men ook karnt, het is niet mogelijk uit de melk al het vet in den vorm van boter te bekomen, zoodat steeds een gedeelte in de daarbij verkregen karnemelk blijft.

Voor het karnen kan men de melk in haar geheel, de volle melk, of den room gebruiken. quot;Wil men uit dezelfde melk èn boter èn kaas maken, zoo wordt zij geroomd, uit den room boter bereid en uit do afgeroomde melk kaas. Wordt geen kaas gemaakt, zoo karnt men in kleine bedrijven de volle melk. Waar echter do hoeveelheid te verwerken melk eenigszins aanzienlijk is, is het doelmatiger en voor het verkrijgen eener goede qualiteit boter, ook als geen kaas uit de ondermelk gemaakt wordt, beter, eerst de grootste hoeveelheid vet in den vorm van room te verzamelen en dezen te karnen; in fabrieken, waar het roomen met eene centrifuge geschiedt, is hot roomkarnen natuurlijk regel.

Men onderscheidt dus roomkarnen en melkkarnen. In beide gevallen bestaat deze verrichting in een aanhoudend slaan en stooten van den room of de melk hij eene bepaalde temperatuur.

Het karnen wordt echter nog op zeer verschillende wijze uitgevoerd en de daarvoor dienende werktuigen, de karnen, zijn nog op zeer verschillende wijze

ingericht. Hoofdzakelijk kan men drie stolsels onderscheiden : 1° karnen met op- en neergaanden poli of slootkarnen; 2° karnen met (vertikaal of horizontaal) ronddraaiendm pols, en 3° karnen zonder pols, die zelve rondgedraaid of hoen en weer geschommeld worden. Voorts heeft men nog karnen, die meer bepaald voor room, en andere, die meer voor 't bewTerken der volle melk dienen, enz. Zij zijn meestal van hout vervaardigd en worden of met de hand, öf door een rosmolen, of door stoom in beweging gebracht. Wij kunnen omtrent al deze verschillende inrichtingen in geene bijzonderheden treden. Do stootkarn is waarschijnlijk de oudste en in vele streken ook nog de meest gebruikelijke. Zij bestaat. Fig. 151, uit den karnton, a, die (en dit is meestal het geval) de gedaante van een afgeknotten kegel heeft en welke bij b gesloten wordt door een uit twee deelen bestaand deksel (lid). In eene opening daarvan kan eene staaf, de pols, d, op en neer worden bewogen; om het opspatten der melk tegen te gaan is die opening omgeven door den zoogenaamden hipper, c, die op het „lidquot; rust. Aan den pols is van onderen eene dunne schijf, de druif, e, bevestigd, die, van gaten voorzien, bij het op- en neergaan met de melk

reinders, III. Vierde druk. 21

-ocr page 368-

322

verschillende aanrakingspunten lieeft en waardoor hot slaan of stooten moot verricht worden. Fig. 152 stelt een van hot tweede stelsel, de HoMeinsche

of IJcenncJie karn, voor, welke tegenwoordig vrij algemeen in Denemarken en Zweden (hier vooral voor het roomkarnen) in gebruik is en in de laatste jaren ook hier te lande veel in gebruik is gekomen, in fabrieken reeds vrij algemeen. Hij wordt met tappen aan een stevig raam opgehangen en kan, om de boter enz. er uit te nemen, op zij gedraaid worden. De pols Fig. 152. Holsteinsche karn. een verticaal rond

draaiende as, waaraan een houten raam bevestigd is, terwijl aan den omtrek der karn vier slaglijsten bevestigd zijn, waartegen de melk bij het ronddraaien

van den pols aangeslagen wordt, zie Fig. 153. De overbrenging der beweging, do verbinding van den pols met een kruk of met een drijfas, de manier waarop men de karn kan doen stilstaan en in het werk zetten zijn zeer eenvoudig, zoodat deze inrichting vele voordeelen boven andere aanbiedt. Bovendien is (bij hot werken met stoom) nog eene bijzondere inrichting daaraan verbondon, waardoor men de snelheid van den pols (die90—120

pols. Eene zoodanige is in Fig. 154 voorgesteld, meer bepaald voor kleine

-ocr page 369-

323

worden gedraaid en meestal inwendig van slaglijston is voorzien om het contact met de melk of den room

anderingen is een zekere tijd

noodig,

bedrijven en voor het karnen van room ingericht. In don daaronder geplaatsten bak wordt water gedaan om do temperatuur te regelen. Fig. 155 stelt oene karn van het derde stelsel, eene zoogenaamde schommel- of wieykarn, voor,

mede geschikt voor kleine bedrijven met beperkte localitoit.

Zij is met behulp van koordon aan een eenvoudig raam opgehangen. Fig. 15C doet zien, welke beweging do melk bij het karnen daarin aanneemt. Ook zijn karns in gebruik in den vorm van een vat, Fig. 1.57, dat om eene as kan

-ocr page 370-

324

de boterbolletjes grooter en dichter bij elkander zijn, botert daarom ook gemakkelijker dan de volle melk, waarin de bolletjes meer gelegenheid hebben om uit te wijken. Om dezelfde reden blijven juist ook de kleine bolletjes in de karnemelk terug en laat zich room of melk van koeien in het laatst der lacta-ticperiode, waarin de vetbolletjes kleiner zijn , bl. 280, moeilijk karnen.

Om volle melk te karnen, moet zij noodzakelijk zuur geworden zijn. Het is ten minste nog niet gelukt, uit de volle, nog zoete melk eene genoegzame quantiteit boter te bereiden. Men laat haar daartoe nu

eens, b.v. 24 uur, in vlakke vaten afkoelen en uitroomen en brengt ze daarna in een grooter vat, in Groningen tyn of tien geheeten, over. Hierin wordt alzoo de melk van één, twee of moer melktijden vergaard, totdat de gewone quantiteit, die

-ocr page 371-

325

men wil karnen, verkregen is. Dan eens wordt do melk van één of meer melktijden, zonder in afzonderlijke mouten afgekoeld en geroomd te zijn, direct in vaten verzameld, en blijft zij hierin staan, tot zij gescliikt, dat is behoorlijk zuur en dik geworden is om gekarnd te worden, Laatstgenoemde wijze is o. a. in de provincie Groningen des winters, eerstgenoemde methode aldaar in den zomer gebruikelijk. De reden van deze verschillende handelwijze moot hierin gezocht worden, dat de melk, om er do meeste boter uitte verkrijgen, noch te spoedig, noch to langzaam zuur (dik) mag worden. Hot te spoedig zuur worden benadeelt vooral de quantiteit, het to langzaam zuur worden de qnaliteit der boter; zij krijgt dan een eigenaardig bittoren smaak, bl. 286. Nu wordt door het afkoelen en laten mtroomen in don zomer het zuur worden vertraagd; door het direct bijeenvoegen heeft hot afkoelen slechts langzaam plaats en wordt het zuur worden derhalve bij de lagere temperatuur in don winter bevorderd. Om de melk zuur te krijgen is in don winter zelfs vaak een kunstmatige verwarming noodig, b.v. door er kruiken met heet water in te plaatsen, of haar in het vat op eene warmere plaats te brengen. Minstens 24 a 28 uren moet de melk veelal staan, alvorens zij gekarnd kan worden. Hoe eerder zulks kan geschieden, zonder aan do quantiteit boter te kort te doen, des te beter. Meestal laat men do melk tot aan hot karnen onaangoroenl in den ton; wordt langer gegaard, zoo wordt zij, om alles meer gelijkmatig te houden en het zuur worden te bevorderen, met eone houten staaf omgeroerd.

Of de melk geschikt (rijp) geworden is voor liet karnen, herkent men hieraan, dat zich op de oppervlakte eene huid gevormd heeft, die min of meer droog is en dus een opgelegden vinger niet vochtig maakt. Hoeft men de melk geroerd, zoo moet een druppel, op de warme hand gelegd, zich j scheiden, dat is de waterige vloeistof moet van het vet en dè kaasdeelen j afloopen. Is de melk te oud of te zuur geworden, zoo bezinkt de kaasstof in het melkvat, terwijl zich aan de oppervlakte eene heldere vloeistof bevindt.

Met betrekking tot het karnen der alzoo voorbereide molk valt niet veel op te merken. Bij het gebruik van de Holsteinsche karn beveelt Fleischmann eone polsbeweging van 100 omwentelingen in de minuut aan; volgens anderen is eone snellere polsbeweging beter. Do meest aanbevolen temperatuur bij hot begin van 't karnen is 15—18.75° C., terwijl de bewerking in 45 of hoogstens 60 minuten moot zijn afgeloopen.

Het karnen van de volle melk is ongetwijfeld een der eenvoudigste wijzen van boterbereiding. Er is weinig localitoit voor noodig en aan de technische kennis van het personeel behoeven weinig hooge eischen gestold te worden; zindelijkheid is een hoofdvereischte. En ofschoon op deze wijze zeer goede boter kan worden verkregen, laat de qualiteit toch dikwijls zeer veel te wenschen over, vooral daar waar de zindelijkheid in het gehoele bedrijf niet voldoende in acht wordt genomen. In kleine bedrijven moet in den winter ook te lang worden gegaard, om eone behoorlijke hoeveelheid voor het karnen te verkrijgen; dan is de molk te oud geworden, om nog goede boter te kunnen leveren. Bovendien is men daarbij in 't gebruik dor molk zeer beperkt, aangezien de overige melkbestanddeelen slechts in den vorm van karnemelk verkregen worden, die, behalve voor huiselijk gebruik, slechts voor het voederen van varkens en kalver en voor 't bereiden quot;cener weinig deugdelijke

-ocr page 372-

326

soort van kaas kan dienen. l)eze wijze van boterbereiding treedt dan ook meer en meer op den achtergrond en wordt vervangen door het roomkarnen.

Herhaalde pogingen zijn ook gedaan om liet ontroomen en karnen in ééne machine te vereenigen {boterextractor van Johanszon, bolerseparator van De Laval, boteraccumulator van Wahlin); liet gebruik dat van deze machines gemaakt wordt is echter zeer gering.

De room kan zoet, maar ook nadat hij zuur geworden of zuur gemaakt is, gekarnd worden. Deze laatste wijze is de meest gebruikelijke. Het karnen van zoeten room levert eene geringere hoeveelheid boter dan wanneer men hem zuur karnt (ongeveer 2 a 3 proc.) maar boter van de fijnste qualiteit, zonder bijsmaak. Ook duurt zij het langst. Deze boterbereiding is een tijdlang in Denemarken en in zuidelijk Zweden in zwang geweest onder leiding van den heer Bask, de chef eener firma te Kopenhagen, die zich vooral toelegt op het bereiden van houdbare boter en het verzenden daarvan in tinnen bussen naar overzcesche gewesten. Bij voorkeur werd daarvoor room genomen die zich bij het roomen in de eerste 12 uur heeft afgezet. Het karnen had daarbij snel, in 25 a 30 minuten, en bij eene temp. van 11—12.5° C. plaats, terwijl de pols van de Holsteinsche karn 150 omwentelingen in de minuut maakte. Ook zij, die het eerst het stelsel Swartz toepasten, karnden den room bij voorkeur zoet om duurzame boter te leveren. Thans is het karnen van zoeten room weinig meer in gebruik, eensdeels voorzeker omdat do consumenten in het algemeen aan de meer geurige boter, uit zuren room verkregen, de voorkeur geven, anderdeels omdat de boter van zoeten room bij langer bewaren niet zelden een bitteren smaak aanneemt, een smaak die ook aan de karnemelk, daarbij verkregen, eigen is en aan eene bijzondere soort bacteriën, welke in eene neutrale niet in eene zure vloeistof leven, wordt toegeschreven, bl. 285.

Wanneer men den room zuur wil karnen, laat men hem in den roomton ongeveer 24 uur bij eene temperatuur van 12.5° O. of iets hooger staan, zoodat hij zonder verder toedoen zuur wordt. Hij mag slechts een begin van zuur-wording vertoonen; hij is dan dikkorrelig en de kaasstof slechts voor een klein gedeelte gestold, zoodat van een ingestoken en weder uitgetrokken lepel geene stukken afloopen en aan een houten staafje slechts eene gelijkmatig witte laag hangen blijft. Aan dit vrijwillig zuurworden van den room zijn echter bezwaren verbonden, omdat de tijd, daarvoor noodig, niet altijd gelijk is en verschillende bacteriën — en daaronder die een nadeeligen invloed op de boter hebben — in den room kunnen geraken of tijdens het zuren uit sporen tot ontwikkeling kunnen zijn gekomen. Daarom is het beter min of meer gekweekte bacteriën, als melkzuur-ferment of zuurwekker, in passende hoeveelheid aan den room toe te voegen, dezen van tijd tot tijd om te roeren en gedurende 18—24 uur op eene gelijkmatige temperatuur van 15—20° C. te houden, opdat de bacteriën, door de geheele vloeistof gelijkmatig verspreid, hem overal even zuur en van gelijke consistentie maken.

Veelal wordt hiervoor karnemelk van hot laatste karnen genomen en, zoolang hierin hoofdzakelijk melkzuurbacteriën voorkomen, gaat dit ook goed. Niet zelden, vooral in don zomer, gebeurt het echter dat zich in de karnemelk ook andere bacteriën nestelen en, van hot eene karnsel tot het andere overgaande en daarin meer en meer opgehoopt wordende, langzamerhand de hoe-

-ocr page 373-

danigheid van den room veranderen, b.v. dezen kaasachtig'maken, dat is in vlokken doen stollen, of de daaruit bereide boter wijzigen, b.v. een olie- of visehachti-gen of een bitleren smaak geven. Hot gebrek, eenmaal daar zijnde, zal het, op gelijke wijze voortgaande, steeds voortwoekeren. Men kan daarin echter voorzien door, na eene goede reiniging van den roomton, van een buurman karnemelk als zuunvekker te gebruiken. Beter is het echter — en in goed bestuurde melke-rijen of fabrieken geschiedt dit thans ook — in dit geval zelf de zuurwekkende vloeistof te bereiden, waarvoor verschillende voorschriften bestaan. Een der eenvoudigste is dat van Lund. Versche, met behulp van eene centrifuge geroomde melk wordt 15 minuten lang op 75° C. verhit, dan op 10° C. afgekoeld en ' vervolgens op eene temperatuur van 20—25° gebracht en met 3—5 proc. zure karnemelk vermengd. Daarna kan men weder, evenals vroeger, karnemelk van het vorige karnsel nemen. Door eenige inrichtingen (in Duitsch-land de proefstations te Kiel en te Tapian) worden ook gekweekte bacteriën, eene zoogenaamde Heincultur van bacteriën, die alleen in room of molk aanwezig zijn en daaraan een frisch-zuren en daarbij, zoo mogelijk, ecu geurigen smaak en reuk geven, geleverd, zoowel in kleine fleschjes mot vloeistof als in poedervorm. Wil men daarvan gebruik maken, zoo wordt eene zekere hoeveelheid gepasteuriseerde, afgeroomde melk genomen en, na afgekoeld te zijn, de aangewezen hoeveelheid Reincultur hierbij gevoegd. Is deze melk zuur geworden, zoo gebruikt men ze om den room aan te zuren, terwijl een klein gedeelte wordt gehouden om weder eene andere hoeveelheid gepasteuriseerde, afgeroomde melk zuur te maken en daarmede den volgenden dag den room aan te zuren. Zoo kan men eenige dagen voortgaan, maar moet dan weder Reincultur nemen, omdat tusschentijds weder schadelijke bacteriën in het zuursel geraakt of tot ontwikkeling kunnen zijn gekomen.

De hoeveelheid, die van de zuurwekkende vloeistof bij den room gevoegd wordt, bedraagt 5 a 6 proc., bij gepasteuriseerden room (zie hieronder) iets meer, 7 a 8 proc. Fleischmann raadt aan, iets minder te nemen en het zuur-worden bij eene eenigszins hoogere temperatuur te doen plaats hebben. Hooger dan 16—20° C. kan men echter niet gaan; aan deze temperatuurgrenzen moot men zich streng houden, omdat anders het botervet te week wordt. Gewenscht is, alvorens het zuursel bij den room te voegen, het bovenste laagje, waarin verkeerde bacteriën kunnen zijn, te verwijderen en het overige goed dooi' te roeren. Ook de room moet doorgeroerd worden en, na de toevoeging van het zuursel, het mengsel, om eene zooveel mogelijk gelijkmatige werking te krijgen.

In de laatste jaren is men begonnen den room, alvorens hem aan te zuren, te pasteuriseeren op ongeveer 85° C., tenzij men, wat ook wel geschiedt, de melk, vóór ze ontroomd wordt, tot op ongeveer die temperatuur verhit. Men is langzamerhand daartoe gekomen om houdbaarder boter te krijgen, maar vooral om sommige botergebreken in smaak en reuk weg te nemen en ze tevens te bevrijden van de pathogene bacteriën, als die der tering.

Om te zorgen dat de boter niet den onaangenamen smaak van sommige voedermiddelen krijgt, werd vroeger aanbevolen den room zoet te karnen. quot;Want volgens Petersen neemt de boter, bij het voederen van veel knollen enz., don bitteren smaak dezer voedingsmiddelen slechts aan, wanneer de room zuur en niet wanneer hij zoet gekarnd wordt. In het laatste geval zouden de bittere stoffen in

-ocr page 374-

328

de karnemelk blijven, terwijl zij in het eerste geval meer in de boter overgaan.

Ook de zoogenaamde Parijzer boter, die, wat den smaak betreft, volgens Petersen, onder de botersoorten een eerste rang bekleedt en in de omstreken van Parijs en in Finland bereid wordt, wordt, of werd althans vroeger, uit zoeten room verkregen, die echter vooraf voorzichtig, onder voortdurend omroeren, tot eene temperatuur van 60—80° C. verwarmd en daarna allengs op de geschiktste temperatuur voor 't karnen afgekoeld wordt.

Aan het karnen van zoeten room zijn evenwel, zooals wij gezien hebben, bezwaren verbonden, men dient daarbij althans do uiterste zindelijkheid ook bij het melken te betrachten.

Bovendien bleek uit een nauwkeurig onderzoek in Denemarken, dat boter ook een knollengeur, althans een dergelijken bitteren smaak kan krijgen, zonder dat do koeien dit voeder hebben gebruikt. Daaruit viel af te leiden, dat bij een dergelijk botergebrek bacteriën in het spel zijn en niet altijd in de knollen als zoodanig, maar in de in deze of andere voedermiddelen aanwezige rottende stoffen de nadere oorzaak van den onaangenamen smaak gezocht moet worden. Meer zekerheid kreeg men daaromtrent toen het gelukte boter zonder knollen-smaak te krijgen van koeien, die dit voeder in vrij groote hoeveelheid gebruikten , wanneer de room slechts vooraf gepasteuriseerd wordt.

Men meent dan ook dat de onaangenaam bittere of ranzige smaak, dien do boter na eenigen tijd soms aanneemt, aan rottings- of peptoniseerende bacteriën, Vil. 284, die op de eene of andere wijze in de melk, den room en ten slotte in de boter gekomen zijn en hier de eiwitstoffen of de melksuiker, die altijd in kleine hoeveelheid in de boter blijven, veranderen, te' moeten toeschrijven. Door het pasteuriseeren worden de bacteriën in het algemeen gedood, en wanneer nu slechts gezorgd wordt, dat door een reincultuur do room op de gewenschte wijze zuur wordt gemaakt, heeft 'men vrij groote zekerheid dat geen verkeerde bacteriën in de boter noch in de karnemelk aanwezig zijn. De boterboreiding wordt daardoor iets duurder, maar men is ook zekerder van oen goed product, waarvoor een hoogere prijs bedongen kan worden. Dientengevolge is in Denemarken het pasteuriseeren van don room vrij algemeen in zwang gekomen , en ook hier te lande wordt het meer en meer in toepassing gebracht. In Denemarken heeft daartoe ook medegewerkt de wet, die eischt, dat, met het dool besmettelijke veeziekten, met name de tuberculose , te bestrijden, alle van de zuivelfabrieken naar do boerderijen teruggaande bijproducten, dus afgeroomde melk, wei en karnemelk, op minstens 85° C. verhit moeten zijn geworden.

Voor het pasteuriseeren van den room kan men van één der bl. 808 vermelde toestellen gebruik maken. Fig. 132 stelt voor de inrichting, zooals men die in Denemarken veel heeft, maar die men, om aan verwarmingskosten te sparen, waarschijnlijk door die met regeneratiefvoorwarmor, bl. 808, zal vervangen. Daarbij doet men, door er lucht door te blazen, den room ook wel uitluchten om hem van de dierlijke lucht te bevrijden, wat bij die hooge temperatuur zeker van beteekenis is. fiebr. Van der Ploegh te Grouw leveren daarvoor een toestel. Fig. 1G2 ').

') Weekblad voor Xuivelbereiding. t l Febr. 1902.

-ocr page 375-

329

Op één pnni moeten wij nog de aandacht vestigen, namelijk op hot wen-scholijke om den room na het pastenriseeren sterk af te koelen. Klein en anderen raden aan eene afkoeling van den room op 5° C. en hem ongeveer 3 uur lang op die lage temperatuur te houden, om de vetbolletjes gelegenheid te geven voldoende vast te worden. Tegen dit voorschrift, zegt Klein, wordt in de practijk nog veel gezondigd, en hoofdzakelijk hierdoor laat het zich verklaren dat de centrifuge-boter vaak nog zooveel te wenschen overlaat. Eerst na het aan zuren en omroeren wordt de room op eene hoogere temperatuur van 15 a 20° gebracht.

Voor het regelen van die temperatuur en om meer zeker te zijn van zuivere lucht worden de roomtonnen, vroeger meest van hout, thans moer

vanvertindplaat-ijzer, het best in

I eeen afzonderlijk

' vertrekgeplaatst,

dat verwarmd kan worden, en in oen waterbassin, waarvan men de temperatuur door koud water onder toevoeging van ijs of door warm water kan regelen. In het klein kan men ook gebruik maken van kruiken met ijs — of warm water, maar nimmer mag ijs — of warm water aan den room zeiven

Fig. 162. Roomuitluchter met pasteur en koeler van Gebr. van -worden toece-iler Ploeg te Grouw. Aan iie ijzeren kolom in liet midden is bene- 0

den het roomvat een vierkante flens, waaraan een ventilator is voegd. Naar den. geschroefd (wordt op zij gezien), waarmede door de wijde pijp ]jarntn(J b.v. na lucht van buiten het fabrieksgebouw gezogen wordt. Deze lucht ' J ) ■ • 1 wordt gedreven in het roomvat, waarin de room uit den pasteur 24 uur, en naar of met behulp van een elevator op een doorboorde plaat valt, jle^ verloop van maar verhinderd wordt in de luchtpijp te treilen. De room wordt ;

alzoo in fijne straaltjes verdeeld, waardoor heen de lucht blaast, t zuurwomen , en verzamelt zich op den bodem van het vat en loopt van hieruit cloor herhaald door een gootje in den koeler.

D proeven na te

gaan, kan de temperatuur tijdens het zuren iets hooger of lager genomen worden.

Met betrekking tot do temperatuur, do polssnelheid en hetgeen verder bij het karnen in acht genomen moet worden, hebben wij thans nog eenige aJge-meene opmerkingen te maken.

Ofschoon dikwijls gezegd wordt, dat men bij het karnen een thermometer

-ocr page 376-

330

moot gobniiken, aangezien zulks liij eeue bepaalde temporatuur hot bost gelukt en otschoon het gebruik van een thermometer daarbij zeer doeltreffend moge zijn, is hot toch onjuist, eene bepaalde temperatuur daarvoor te willen voorschrijven. Er zijn namelijk verschillende omstandigheden daarop van invloed, zoodat het karnen wel bij eene zekere temperatuur het bost gelukt, maar deze moet nu eens hooger dan lager wezen; zij wisselt ongeveer af van 10—19° C. Do volle melk en de zuur gewordene room worden bij eene oenigszins hoogere temperatuur gekarnd en met eene eenigszins langzamere polsbeweging (bij den Holsteinschen karn 110—120 omwentelingen per minuut) dan do zoete room. Dos zomers (bij warm weer) wordt kouder gekarnd dan 's winters (bij koud weer). Is in het eerstgenoemde jaargetijde eene temperatuur van 12° C. wellicht het doelmatigst, zoo moet deze in den winter 14 a 15° C. zijn.

Dan moet in aanmerking worden genomen de hoedanigheid der te verkrijgen boter; is deze harder, (b.v. bij het voeren van stroo), zoo dient de temperatuur iets hooger te zijn dan wanneer de boter weeker is. De reden daarvan moet gezocht worden in de minder gemakkelijke smeltbaarheid dier harde boter, in verband met de leer, dat het vet dor boterbolletjes noch te vast noch te weck mag zijn, om goed ineen te vloeien.

Ook wil men, dat de individualiteit der koeien niet geheel zonder invloed daarop is, aangezien de melk, die zij leveren, nu eens een weeker dan een harder vet bevat. In allen gevalle zijn het voeder dat ze ontvangen en de lactatietijd daarop van invloed.

Onder hot karnen stijgt de temperatuur gewoonlijk 1 a 2° C. Deze tempe-ratuursverhooging kan haar oorzaak hebben voor een deel in het omzetten van mechanischon arbeid (beweging) in warmte, bl. 64, deels in de verandering van het vet van den vloeibaren in den vasten toestand, waarbij warmte vrij wordt, I, bl. 64 (wat echter bij eerst verhitten en daarna sterk afgekoelden room mag betwijfeld worden). Door uitstraling kan echter ook warmte verloren gaan. Is nu het karnlokaal koud, of is de hoeveelheid, die gekarnd wordt, gering, of bestaat de karn uit metaal, dat als goede warmtegeleider de warmte eerder doet verloren gaan, zoo kan het warmteverlies wel eens grooter zijn dan de winst tijdens het karnen en is het beter de temperatuur bij het begin iets hooger te nemen.

Uit een en ander volgt, dat goene bepaalde temperatuur kan worden voorgeschreven. Hij of zij, met hot karnen belast, moet die zelf naar de verschillende gegevens beoordeelen en niet op hot gevoel af maar met den thermometer waarnemen. De volgende temperaturen worden aanbevolen dooi';

Gezuurde melk . .

Gezuurde room . .

Zoete room . . .

Zoete melk. . . .

Stohmann 17—18° 14—16° 10—12° 7— 8°

Fleischmann 15 —21 Gem. 18° 12.5-20 » .16° 11 —15 » 13°


Van belang is het, daarbij aanteekening te houden van de verkregen resultaten. Of te koud of te warm gekarnd is, laat zich dikwijls aan den vorm en de hoedanigheid der verschijnende boterklompjes opmaken. Zijn deze klein, hoekig en hard en loopen zij niet verder ineen, zoo is te koud gekarnd; zijn ze rond, hoekig en smerig, zoo was de temperatuur te hoog. Bij den ver-

-ocr page 377-

331

eisehten warmtegraad zijn zij niet geheel rond, maar eenigszins hoekig, niet te week, maar toch weck genoeg, om bij liet verder karnen ineen te vloeien. Als algemeene regel mag men stellen, dat eeno zoo laag mogelijke temperatuur hot best is. Maar zijn de melk of de room te koud, zoo wil het niet boteren, de melk schuimt slechts. Is de temperatuur te hoog, zoo is het karnen wel eerder gedaan, maar men bekomt eeno geringere quantiteit en boter vau slechtere hoedanigheid; zij is te brokkelig of te week, laat zich niet goed omwerken, wordt smerig, miskleurig en minder duurzaam; zij is „verbrandquot;. Snel karnen is dus niet altijd gewenscht; 30 a 45 minuten zijn in den regel noodig. De kunst, om uit goede rijpe melk of uit goeden rijpen room goede boter te bereiden, bestaat, volgens Fleischtnann, alleen daarin, de warmte der te karnen vloeistof zoo te regelen, dat de boter in den aangegeven tijd, 30 a 45 minuten, verkregen wordt. De boter krijgt haar samenhang en hare consistentie in de karn; eene fout bij het karnen begaan, kan later door geen middel hersteld worden.

Zelden is de te karnen room of melk warm genoeg. Om haar op den ver-eischten warmtegraad te brengen, wordt dan veelal warm water toegevoegd.

De ondervinding heeft geleerd dat zulks nadeelig is voor de qualiteit der boter om reden dat zij daardoor hare goede klem-verliest en brokkelig wordt. Beter is het de temperatuur te ver-hoogen, door de melk te plaatsen in een lokaal, dat den ver-eiscliten warmtegraad heeft, door haar te stellen in een bak met warm water, of door in de melk kruiken met warm water te plaatsen. Fig. 103. Begint de boter zich te vormen, zoo is het gebruikelijk, de aan het deksel enz. hechtende stukjes naar beneden te spoelen; volgens Petersen is het voor dit liaar beneden Fiquot; -163 spoelen beter afgeroomde zoete melk te gebruiken dan water. Warmwater- Zoo noodig kan men daarmede de temperatuur nog eenigszins krufk^voor wijziffeni wanneer zulks voor het ten einde brengen van 't karnen het verwar- wenschelijk mocht zijn.

'quot;verkoeltt'u1 tl®1' polsbeweging moet, als gezegd, bij het karnen

van melk of van de volle melk en van zoeten room iets grooter zijn dan bij room. karnen van zllreii room. Ook daarbij dient met de omstandig

heden eenigszins rekening gehouden te worden. Als algemeene regel kan men stellen bij de groote Holstoinscho karnen door stoomkracht gedreven en bij het karnen van zuren room eene snelheid van 120 omwentelingen in do minuut; bij de kleinere karns door handkracht bewogen tot 180 en hoe kleiner karn, des te grooter snelheid; bij het karnen van volkomen zoeten room 180—220 omwentelingen. Tegen liet einde van 't karnen, na ,,het schiffenquot;, wordt de snelheid iets verminderd, om de boterklompjes meer gelegenheid te geven zich te vereenigen. Zoodra deze de grootte eener erwt of bij het karnen van zeer dikken room eene eenigszins meerdere grootte bezitten, houdt men op. Verder doorkarnen, liet overkarmn, is hoogst nadeelig, omdat dan mechanisch karnemelk, waarin de kaasstof tijdens het karnen vlokkig is geworden, met do boter wordt gemengd en die vlokjes kaasstof moeilijk weder uit do boter verwijderd kunnen worden.

Do boter moet nu uit de karn genomen worden, en om de aanhangende

-ocr page 378-

332

karneraolk moor or van af to doen loopen, is hot botor dat zij zich niet in te grooto klompen gevormd heeft. Voor dit afnemen gebruikt men wel eene fijne teems, maar het kan ook zeer goed met de hand geschieden. Hoofdzaak is, dat zij los, niet gekneed, in de botermol of het ^plateeV' overgebracht wordt en de aanhangende karnemelk zooveel mogelijk afdruipt en uitloopt. Zij moet nu doorgewerkt en gezouten worden. Het doorwerken heeft ten doel, de melkdeelen verder te verwijderen en de boter vaster en droger te maken, opdat zij minder spoedig bederft; met het zouten beoogt men dit eveneens en tevens om de boter smakelijker te maken.

De boter wordt echter niet overal gezouten. In geheel Zuid-Duitschland, Zwitserland, Oostenrijk en meer zuidelijke landen wordt de boter ongezouten in den handel gebracht en gebruikt. In noordelijk Europa is echter het zouten vrij algemeen in gebruik. Het boterzout moet zooveel mogelijk zuiver (droog) en mag noch te fijn noch te grof zijn, van 0.5 tot ruim 2 mM. korrel. Groote stukken lossen te moeilijk op, blijven in de boter achter en geven haar een gevlekt of gemarmerd aanzien; kleine stukken vormen te kleine druppels pekel, die zich moeilijk laten uitkneden. Het zout bewerkt namelijk, dat de kleine melkdruppeltjes, in de boterkorrels aanwezig of aan hare oppervlakte klevende, daardoor worden aangetrokken; de zoutkorrels gaan daardoor in grootere of kleinere pekeldruppels over, die door het kneden verwijderd moeten worden. Zoodra geen pekeldruppels meer zichtbaar zijn, kan en moet met het kneden worden opgehouden. Met de pekel wordt dan ook een groot gedeelte van het zout weer uit de botor verwijderd. Wordt aan de ruwé boter 4 proc. zout toegevoegd , zoo kan men rekenen dat ongeveer 2 proc. in de bewerkte achterblijft. Do hoeveelheid zout, die gebruikt voor boter tor directe consumptie bestemd 1—8 proc., voor duurzame boter 4 a 5 proc. of meer. In plaats van het zout af te wegen kan men voor het bepalen van de gewenschte hoeveelheid ook gebruik maken van een maatglas. Fig. 104.

Behalve zout wordt soms nog suiker aan de boter toegevoegd om haar houdbaarder te maken of den smaak te verbeteren. Nog andoren gebruiken een mengsel van zout, suiker en salpeter, maar het laatste geeft voor het conser-veeren geenerlei voordeel.

Om de boter te kneden en te zouten handelt men nog verschillend. In vele streken wordt zij in de trog, de mout of het plateel, waarin zij uit de karn is overgebracht, uitgestreken en met koud water overgoten, om, gelijk het heet, de melkdeelen uit te spoelen. Hoofdbedoeling daarbij moet echter zijn de boter vooreerst behoorlijk vast te maken, omdat zij zich anders niet goed laat kneden en de melkdeelen zich niet goed laten verwijderen. Daarna wordt zij gezouten, door, nog uitgestreken, het zout er over te strooien en haar dan zacht door te werken. Men verricht een en ander liefst in den kortst mogelijken tijd, en werkt er niet meer in dan hoogst noodig is. Zij blijft nu uitgestreken, de mout in een schuinschen stand, om de melkdeelen, deels in den pekel opgelost, te doen af loopen, eenige uren staan. Daarna wordt zij nogmaals omgewerkt, maar nu bij voorkeur niet weder met de hand maar

wnvrlt liPrlrnno-f*

-ocr page 379-

333

mot de boterspaan en men laat haar nogmaals uitgestreken en, mot do boterspaan in stulvken verdeeld, staan, om do pekel to doen afloopen. Bij al deze verrichtingen moot gezorgd worden, dat de boter noch aan de handen, noch aan de houten voorworpen, die voor 't bewerken gebruikt worden, kleeft. Beide moeten daartoe volkomen zuiver, en eerst mot warm, daarna met koud

water, afgespoeld en zoo noodig bovendien mot pekel bevochtigd worden.

In Denemarken ^weden enz. wordt de boter minder of niet gewas-selion; men vormt haar, uit de karn genomen, tot een klomp, waarbij men de molkdeolon, door zacht drukken, reeds zooveel mogelijk verwijdert, en zout haar nu (op 100 KG. boter ongeveer 1 a 2 KG. zout). Alzoo blijft zij 4 a G uur in den houten trog. Fig. 165, koel staan, zoodanig dat de melk kan afloo25on, en daarna wordt zij verder doorgewerkt. Geschiedde dit doorwerken vroeger veelal met de handen, thans gebruikt men daartoe, om de boter minder „smerigquot; te krijgen, de boierkneedmachine, Fig. 1GG, of voor kleinere bedrijven

het hoierkneed-hord, Fig. 1GS. Van beide werktuigen moeten , omredenalshicr-boven gezegd, do doelen, die mot do boter in aanraking komen , eerst mot heet en daarna met koud water afgespoeld worden.

Bij eerstgenoemde machines, Fig. 1GG en 1G7, wordt de boter op een rond

bord geplaatst, dat door middel van een kruk met de hand of door een diijfas en eenigo overbrengende raderen wordt rondgedraaid en onder oen geribde rol doorgevoerd, welke rol alzoo de boter kneedt. Eenvoudiger is de boterkneder volgens het patent van Bradford vervaardigd. Fig. 1G7. Daarbij wordt over de gebogen tafel de kneedrol, van spiraalvormige groeven voorzien, bewogen en de boter onder het kneden tot eeno massa bijeen gevoegd, die geschikt is om terstond weer gekneed te worden.

-ocr page 380-

334

wenscht te bewaren of te verzenden , moet behoorlijk

Fift. 107. Bradford's boterkneder. Agenten Boeke gekneed worden, om haaien Huidekoper te CTromnlt;ren. '

dichter en steviger te maken en de melkdeeleu er uit te werken. De laatste toch bevatten kaasstof en melksuiker, die licht bederven en aanleiding kunnen geven, dat ook het botervet ontleed wordt en de eigenaardige ranzige smaak van bedorven boter

ontstaat. Boter, die weldra verbruikt zal worden , heeft dit sterke uitkneden en omwerken minder noodig. Integendeel, daar de eigenaardige botergeur door het kneden, wasschen enz. er niet beter op wordt, is het wenschelijk haar niet meer dan noodig is door te werken. Voor het kneden moet de boter noch te vast (hard), noch te los (week) zijn; het geschiedt daarom het best bij eene temperatuur van 10—15° C. en in een vertrek, dat die temperatuur heeft en zoo noodig in den zomer

vormlgerol. Kneedbord met kef!:el- des quot;00^ door ijs koel gehouden en in den

winter verwarmd wordt.

Soms wordt de boter gekleurd, om haar, wanneer zij dit niet heeft of niet zou krijgen, het voorkomen van grasboter te geven, aangezien deze boter het meest gezocht is. Het is eigenlijk dc groothandel die, wenschende het geheele

-ocr page 381-

335

jaar door Iiotcr van hetzelfde uitzicht te leveren, daartoe aanleiding geeft. Engeland verlangt de boter haverstroogeel gekleurd, Spanje, Portugal en een doel van Zuid-Amerika verlangen meer oranje gekleurde boter. Vroeger waren daarvoor allerlei kleunniddelen in gebruik, als gele wortels, goudsbloemen enz., thans gebruikt men meestal Orleans, een Menrstof van Bixa Orleans, een boom die in Oost-Indië en in Zuid-Amerika groeit en curcuma, do gedroogde en gemalen wortelstokken van Curcuma longa, eene in Zuid-Azië inheemsche plant. Oplossingen dezer kleurstoffen in hennep- of sesamolie komen onder den naam boterkleursel in den handel voor. Gebruiksaanwijzingen worden daarbij gegeven. In 't algemeen wordt liet kleursel in een glaasje. Fig. 1G9 afgemeten, bij don te karnen room of de melk gevoegd en daarmede gekarnd.

Door het karnen bekomt men dus boter en karnemelk. Gemiddeld verkrijgt men uit 28—30 liter melk, 4 a 5 liter room en 1 KG. boter, maar bij zeer vette melk heeft men dikwijls niet meer dan 20 liter, bij zeer magere soms 30 a 35 liter noodig om 1 KG. boter te karnen. Fleischmann geeft op dat men 97 proc. van de vetmassa der melk verkrijgt als men zuren room van 15 a 25 proc. vetgehalte, 89 proc. als men zure melk en 80.5 proc. als men zoeten room met een vetgehalte van 15 a 25 proc. karnt. Aan de Arnhemsche melkinrichting werden blijkens eene bepaling gedurende moer dan 10 jaren uit 100 liter melk gemiddeld 3.20 KG. boter verkregen, in November en December hot meest, resp. 3.G7 en 3.62 KG., in Juni en Augustus hot minst, resp. 2.77 en 2.80 KG. Eekent men dat zij 15 proc. water bevat, dan werd 90 proc. van het vet der melk, die gemiddeld 3 proc. vet bevat, in den vorm van boter verkregen ').

') 100 KG. melk met 3 proc. vet bevatten 3 KG. vet. Wordt dus melk ontroomd en bekomt men 15 KG. room en 85 KG. afgeroomde melk, dan kan men rekenen, als met stoom gecentrifugeerd is, dat de afgeroomde melk 0.20 proc. vet bevat.

85

85 K.G. afgeroomde melk bevat dan 0.20 X = 0.17 KG. vet. In den room is dns 3—0.17 KG. vet.

Bij het karnen van gezuurden room kan men rekenen dat de uitkarningsgraad 07 proc. is, d. w. z. van de 100 deelen in den room aanwezige vet bekomt men gemiddeld 07 deelen in de boter, of van de 3 KG. in de 100 KG. melk aanwezige vet

2,83 x Toö kCT-

lloter bevat nu gemiddeld 84 proc. vet en 16 proc. andere bestanddoelen (water,

100 97

zout enz.). Een deel melkvet levert dns deelen boter of 2.83 x KG. melkvet

84 100

quot;ir x97r0()=2-83 x u ^2-83 x 1155 kg- boter-

Is nu f bet proc. vet in de melk, dan laat zich door de formule a: = (ƒ —0.17) 1.155 de boteropbrengst bij elk vetgehalte der melk berekenen. Naar deze dooi- Helm opgestelde formule zijn ook verschillende tabellen gemaakt, die direct de boteropbrengst bij een zeker vetgehalte aanwijzen en o. a. bij Van der Yelde te Leeuwarden verkrijgbaar zijn.

Bij het gebruik van handcentrifuges, die minder sterk ontroomen, wordt de formule ,'/■ = (f —0.20) 1.15 en bij karnen van volle melk, als de uitkarningsgraad 85 proc. is

-ocr page 382-

330

Do botev wordt, al naar omstancligheden, in stukken, in potten of in beuken of eiken vaten, van 10—80 KG. inhoud, afgeleverd, per postpakket ook in kistjes verzonden. Om boter van gelijke hoedanigheid te leveren is 't van belang, dat do vaten in eens gevuld worden. Bekomt men in éénmaal karnen niet genoog daarvoor, zoo wordt die van twee of meermalen wel samen doorgewerkt en tegelijk in het vat gedaan. Dit moot vooraf met water doortrokken en met pekel omgespoeld worden. In het midden hoogt men de boter iets op en bedekt haar met eene laag zout. Zakt zij dan later, zoo blijft het geheel met pekel bedekt en verzamelt zich niet in een kuil. Vooral ook in den groothandel wenscht men boter van gelijke hoedanigheid en daarom wordt die van verschillende fabrieken in een centrale inrichting wel doorgekneed en voor gemeenschappelijke of particuliere rekening in den handel gebracht.

Naar Indië enz. wordt de boter in dicht gesoldeerde blikken bussen verzonden, die men, in kisten gepakt, door zout of ook wel door kaf, rijstschalen en andere slechte geleiders voor warmte omgeeft, om haar voor verandering van temperatuur (waarom ook voor verzending op kortere afstanden hout beter is dan metaal) zooveel mogelijk te vrijwaren.

Men onderscheidt in den handel: versche of consumptie boter, duurzame boter en weiboter. Verder winter- of stal- en zomer- of grasboter. De stalboter kan zijn: oud-melk- of nieuw-melkboter, de grasboter; mei-, voorzomer-, nazomer- en stoppelboter. De laatste geldt voor het duurzaamst.

Van boter verlangt men, dat zij een goeden smaak en reuk bezit, daarbij behoorlijk vast en dicht en van do gewenschte kleur, b.v. niet gemarmerd of gevlekt, is. Een en ander kan afhankelijk zijn van het voeder der koeien waarvan de melk afkomstig is, waaruit de boter verkregen werd, maar ook van de behandeling der melk, room en boter, bl. 331. Eene bepaalde kleur en consistentie zijn voor een goeden smaak der boter niet bepaald noodig, maar deze geven toch in vele gevallen aanwijzing omtrent hare hoedanigheid, van welke melk zij afkomstig is, of zij goed gezouten is, bl. 332, en of zij zich goed of minder goed laat bewaren. Hoofdzaak is dat de andere melk-bestanddeelen, de kaasstof en de melksuiker, goed uit de boter verwijderd zijn, want anders bederft zij licht. Dit is vaak niet het geval, als de melk te zuur geworden en de kaasstof in dikke klonters gestold was, omdat genoemde stoffen zich dan niet goed uit de boter laten verwijderen. Maar ook als de boter te week of overkarnd is, onder 't bewerken smerig geworden, niet goed doorgewerkt is enz., blijft gewoonlijk meer kaasstof daarin achter, waarop dan aanwezige of daarin geraakte bacteriën gaan inwerken. Inzonderheid bij eene eenigszins hooge temperatuur gaat deze alzoo gisten of rotten; er ontstaan stoffen (boterzuur enz.) van een zeer onaangenamen reuk en smaak, deels uit de kaasstof, deels uit de boter zelve {ranzige boter). Dergelijke boter laat zich nu door wasschen met water, waarbij een weinig koolzure potasch gevoegd is, wel veel verbeteren, door het toevoegen eener oplossing van Orleans enz.

85 x 100

en Je boter 83 proc. vet bevat, x = f ^ ^ 100' ('a* 'S Pl'ocen^sc'ie boterop-

brengst is nagenoeg gelijk aan liet procentiseh vetgehalte der melk.

Voor quot;100 liter melk kan men 103 KG. melk rekenen of 100 KG. is ruim 97 liter melk.

-ocr page 383-

337

kan haar zelfs oone goede kleur teruggegeven worden, maar den eigenaardigon botersmaak bekomt zij niet terug. Om dezelfde reden is do smaak van boter, uit oude, min of moor bitter gewordene melk of van melk, kort na 't afkalven verkregen, minder goed.

Bepaalde gebreken in de boter zijn verder den talkachtigen, visch-, olie-en traanaehtigen smaak. Het eerste gebrek kan o. a. ontstaan, als aan de koeien in den zomer veel jonge klaver of in den winter bedorven, talkaclitige oliekoeken vervoederd worden, zoomede ■wanneer de boter lang aan 't licht wordt blootgesteld. Meer bepaald den visch-, olie- of traan- en zeepachtigen smaak wil men aan bepaalde bacteriën in den zuren room toeschrijven, bl. 280.

Goede versche boter bevat ongeveer 84 proc. vet, 15 proc. water, 0.5 a 0.0 proc. eiwitstoffen, 0.6 a 0.8 proc. overige organische stoffen en ruim 0.1 proc. asch; in boter van slechter qualiteit komen meer water, meer eiwitstoffen, meer asch en niet meer dan 82 a 83 proc. vet voor. Gezouten boter bevat iets minder water, ongeveer 12 proc., en 3—6 proc. zout ').

Uitgesmolten boter heet smout; zij bevat 98 a 90 proc. botervet en vormt in zuidelijk Europa een belangrijk handelsartikel.

Kunstboter is een product, dat verkregen wordt door margarine of oleomargarine, dat is vet waarvan een gedeelte van het meest vaste bestanddeel, de stearine, is afgescheiden, met melk, plantaardige olie en gewone boter te karnen. De officieele naam is thans margarine. Zij verschilt van boter o. a. door een geringer gehalte aan vluchtige vetzuren.

De karnemelk, die nog eenig vet en het grootste deel der eiwitstoffen en der zouten van de melk bevat (zie voor hare samenstelling de tabel achter dit Deel), wordt tot veevoeder en, gekookt tot pap of brij, tot voedsel voor don mensch gebruikt. Soms dient zij ook voor de kaasbereiding. Zie hieronder.

7. Kaasbereiding.

Deze heeft ten doel de kaasstof uit de melk af te scheiden en in een geschikten vorm en in oen gewenschten toestand in don handel te brengen. Men gebruikt daartoe of de volle, niet afgeroomde melk, öf afgeroomde, of een mengsel van afgeroomde en niet afgeroomde melk. Daarnaar onderscheidt men vette en min of meer magere kaas. Wordt de kaasstof gestremd door hot melkzuur der melk, zoo heet de verkregen kaas zure-melkkaas; wordt zij gestremd door leb, zoo heet zij lebkaas.

Laatstgenoemde wijze van kaasbereiding is de meest gebruikelijke. Zij geschiedt in 't algemeen als volgt.

De melk, 't zij geroomd, 't zij niet of maar voor een gedeelte geroomd, wordt op eene temperatuur van ongeveer 30° C. verwarmd, daarna lebvloeistof (stremsel), dat is een aftreksel in pekel van de vierde maag (lebmaag) van kalveren, die nog geen vast voedsel genoten hebben, toegevoegd. Volgens een onderzoek van Hammarsten en anderen splitst zich daarbij de caseïne der molk

') In Engeland beschouwt men boter die meer dan 16 proc. water bevat als ver-valscht; in Duitscliland raaf; ongezouten boter niet meer dan 16 proc. en gezouten niet meer dan 18 proc. water bevatten.

nKiNnr.RS, Til. Vierde druh. '22

-ocr page 384-

388

in paracascine, die do grootste massa vormt en stolt of neerslaat en in eene kleine hoeveelheid weiprotéine, die opgelost blijft. De door de lob dus „stremmendequot; paraeaseïne, dat is dus de eigenlijke kaasslof, die nagenoeg al de vetdeelen der melk in zich sluit en een groot deel van het ealciumphosphaat der melk bevat1), wordt met een zoogenaamd mes in kleinere stukjes verdeeld. Zij zet zich nu langzamerhand op den bodem van het vat af en men kan de nagenoeg klaar gewordene vloeistof, wei of hui geheeten, afgieten of afhevelen. De gestolde kaasstof, nu veelal wrongel genoemd, wordt door drukken en wringen van de aanhangende wei zooveel mogelijk bevrijd, verkruimeld , gezouten en in een vat van zeer verschillende gedaante tot eene kaas gevormd. Deze wordt door persing dichter en vaster gemaakt en soms ook met zout doortrokken door haar in pekel te leggen of met zout te bedekken, en vervolgens een tijdlang neergezet om te rijpen.

De melk, die voor de kaasbereiding gebruikt is, de temperatuur, waarbij de kaasstof gestold en verder behandeld is, de wijze, waarop zij voorts tot kaas gevormd wordt en verschillende omstandigheden meer, hebben een grooten invloed op het verkregen product.

Wat vooreerst de melk betreft, hangt de hoedanigheid der verkregen kaas niet alleen af van de meerdere of mindere vetdeelen die zij bevat, maar ook alles wat van invloed is op de hoedanigheid van het botervet, bl. 276, heeft, daar dit mede in de kaas overgaat, invloed daarop. Boven alles zijn het echter kleinere of grootere wijzigingen in de kaasstof, b.v. door het koken, centrifugeeren of het zuurworden der melk veroorzaakt, welke van invloed zijn op do te bereiden kaas. Melk, die gekookt is, stremt in fijne vlokken, welke geene geslotene massa vormen gelijk men in kaas verlangt. Toevoeging van een weinig alkali heeft eene dergelijke werking, die volgens Söldner aan het neerslaan van het ealciumphosphaat der melk moet worden toegeschreven en door toevoeging van een weinig calciumchlorid of door het inleiden van koolzuur om de phosphaten weer op te lossen, hersteld kan worden. Melk die eene zure reactie vertoont, stremt gemakkelijker, ofschoon de kaas, die uit afgeroomde melk bereid wordt, des te beter is, naarmate de melk onder het roomen zoeter is gebleven 2).

Verder moeten wij hier weder wijzen op het belang eener zindelijke behandeling der melk. Alles wat deze licht doet bederven, zuur doet worden, bl. 281, geeft veelal kaas van mindere of van de niet gewenschte cpialiteit. Ook wil men dat de individualiteit der koeien en het voedsel dat deze gebruiken , alsmede sommige planten, door de koeien genuttigd, van invloed zijn op de hoedanigheid der melk, maar vooral op de daaruit bereide kaas, wat zich door de groote veranderlijkheid der kaasstof ook laat verklaren. Een feit

1

') Omtrent de aschbestanddeelen van kaas en de wei is weinig bekend. Volgens een onderzoek van Eugling en v. Klenze {Milchzeilung 1878 en -1880) gaat ongeveer 00 proc. van de asch der melk in de kaas over en blijft 40 proc. in de wei. Volgens een onderzoek van Mariani en ïasselli is in de meeste kaassoorten op 1 mol. CaO 1 mol. PoOr, aanwezig, in Edammer en in kaas uit centrifuge-melk op l'/j mol. CaO 1 mol. l'iO^.

2

) In het algemeen zijn deze stremmingsverschijnselen nog niet voldoende onder-zoclit in verband met dissociatieverschijnselen enz. volgens de nieuwere begrippen der physische scheikunde.

-ocr page 385-

330

is het dat melk, die ook maar zwak alkalisch reageert, wat soms bij zieke eu bij oudmelksche koeien voorkomt, in het geheel niet wil stremmen en dat dit verschijnsel zich soms ook bij andere koeien openbaart of dat de melk zeer langzaam stremt en daarbij oene vlokkige, voor de kaasbereiding onbruikbare wrongel geeft.

Gelijk reeds bij de behandeling der melk in het algemeen en bij de boter-bereiding werd opgemerkt, kunnen thans vele van die veranderingen en wijzigingen aan de bacteriën worden toegeschreven.

Evenals voor het karnen geene bepaalde temperatuur kan worden voorgeschreven , evenmin is zulks mogelijk bi] de kaasbereiding. Men dient daarbij met verschillende invloeden rekening te houden. Tusschen die temperatuur-opgaven bestaat dan ook een vrij groot verschil. Nochtans is de warmtegraad, waarbij de kaasstof gestremd en verder behandeld wordt, van grooten invloed op de hoedanigheid der te verkrijgen kaas. In 't algemeen bekomt men, als de kaasstof bij eeno hoogere temperatuur, 28—35°, en snel gestremd is, hardere,, en is zij bij eene lagere temperatuur, 20—28°, gestremd en heeft hot stremmen lang geduurd, weekere kaas. De lob werkt bij 41° het sterkst.

Van veel invloed op het verkregen product is voorts de lebbevloeistof zelf en de hoeveelheid daarvan, voor het stremmen gebruikt. Toevoeging van te veel leb maakt de kaas taai en hard, omdat het stremmen te snel plaats heeft; wordt te weinig gebruikt, zoo blijft zij licht te week en de afscheiding der kaasstof is niet volkomen.

Vroeger werd de leb vloeistof, het stremsel, door de zuivelbereiders zelf bereid, en waarschijnlijk geschiedt dit nog op sommige plaatsen. De lebmagen van kalveren, die niet gemest zijn en nog geen vast voer hebben ontvangen, worden door berooking gedroogd en bewaard en vervolgens aan stukjes van 4 a 5 cM. gesneden; een 25-tal aldus in stuk gesneden lebben doet men in een pot of kan met 7 KG. pekel van 15° Baumó en laat ze daarin 20 a 30 dagen op eene eenigszins warme plaats, terwijl men tusschenbeide een paar malen goed omroert, staan. De stremmende stoffen, in de lebbe voorkomende, het lebferment, zijn dan in de pekel opgelost; men filtreert of klenst deze nu door eene fijne zeef of een doek, om de zwevende dierlijke stoffen er zooveel mogelijk uit weg te nemen, en bewaart dit vocht voor het gebruik, als stremsel, in goed geslotene flesschen, op een koele plaats. Soms voegt men een paar citroenappels bij de lebben in den pekel. In Holstein wordt wei eu zout ter bereiding van stremsel gebruikt. Thans bestaan er fabrieken voor het bereiden van lebvloeistof en van leb in poedervorm, zoodat lebvloeistof en poedervormig stremsel thans gewone handelsartikelen zijn en gewoonlijk worden gekocht. Wil men zelf stremsel bereiden, dan verdient daartoe het volgende recept van Soxhlet aanbeveling. Do gezuiverde kalvermagen worden opgeblazen en aan de lucht bij de gewone temperatuur gedroogd. Daarvoor zijn ongeveer 3 maanden noodig. Zij worden nu in stukjes gesneden van ongeveer 1 cM1 en met eene boorzuurhoudende keukenzoutoplossing uitgetrokken. Deze vloeistof bereidt men door in 1 liter water 50 gram keukenzout en 40 gram boorzuur op te lossen en gebruikt op 100 gram stukjes kalver-maag 1 liter van deze vloeistof, die men samen in een flesch doet en 5 dagen, bij de gewone kamertemperatuur, terwijl men van tijd tot tijd omschudt, Iaat

22*

-ocr page 386-

340

staan. Daarop wordt nog 50 gram keukenzout toegevoegd en, als deze opgelost is, gefiltreerd door een fijn doek. Men krijgt nu ongeveer 800 cM3 filtraat en voegt hierbij 200 cM3 eener 10 proc. keuken zoutoplossing, waarin zooveel mogelijk boorzuur opgelost is, en verkrijgt dus nu weer ongeveer 1 liter. Een op deze wijze bereid stremsel heeft, na twee maanden oud te zijn, een

strem vermogen van 1 op 10000.

Lebvloeistof moet helder zijn en noch een onaangenamen, noch een sterk kruidachtigen reuk bezitten. In het donker bewaard moet zij weinig van haar sterkte verliezen, in een jaar niet meer dan 25 proc., en minstens eene sterkte houden van 1 op G000. Behalve het eigenlijke lebferment bevat de lebvloeistof nog een weinig pepsin en verschillende andere, niet nader bekende organische stoffen. Daarbij bevat de vloeistof keukenzout of alcohol en dikwijls nog andere conserveeringsmiddelen, als boorzuur en aetherische oliën, die haar wel houdbaarder maken, maar dikwijls ten koste van haar sterkte.

Leb poeder moet kleurloos en nagenoeg reukeloos zijn en in water of zoete wei bijna geheel oplossen. Het is gewoonlijk zuiverder en zijn werking grooter dan die van lebvloeistof; er zijn lebpoeders van eene sterkte van 1 op 300000.

kan gebruikt worden.

De benoodigde hoeveelheid stremsel hangt dus af van den graad der concentratie van de vloeistof, van de temperatuur en verder van de hoedanigheid der melk. Hoe vetter en hoe verscher de molk is, des te meer leb moet gebruikt worden; des zomers, of bij eene hoogere temperatuur, heeft men minder noodig dan des winters, of bij eene lagere temperatuur. Een lange stremmingstijd heeft tot nadeel, dat het dan moeilijk valt de melk op de vereischte temperatuur te houden: ook verzamelt zich dan moor vet m het bovenste deel van de wrongel. Wordt de stremmingstijd te kort genomen, zoo wordt de wrongel te vast en is het niet mogelijk haar later voldoende to verdeden. In 't algemeen, hoe meer leb men gebruikt, des te sneller stremt de kaasstof, en omgekeerd; zoodat men de sterkte eener lebvloeistof oemger-mato kan beoordeelen naar den lijd, die er voor het stremmen noodig is.

-ocr page 387-

341

Aangaande do werking gelden alzoo do volgoiide regels, evenwol slechts bij temperaturen tusschen 30 en 40° C. en in geval niet meer lob genomen wordt dat do stremming minstens 5 a 10 minuten duurt.

a. De stremmingstijd is bij dezelfde temperatuur on dezelfde sterkte of hoeveelheid der leb recht evenredig met de hoeveelheid melk, die gestremd wordt.

h. Do stremmingstijd is bij dezelfde tomporatuur on gelijke hoovoolheden melk omgekeerd evenredig met de sterkte of hoeveelheid stremsel.

c. De sterkte is bij dezelfde temperatuur en gelijken stremmingstijd recht evenredig mot do hoeveelheid melk ').

Do meest gebruikelijke stremmingstijd is 40—50 minuten on do temperatuur, waarbij men doet stremmen, wisselt meestal af van 27—32° C.

Om aan gepasteuriseerde of gekookte molk haar stremmend vermogen terug te geven voegt men oen oplosbaar kalkzout, meestal chloorcalchim, toe. Men gebruikt daarvoor eene oplossing die 40 proc. van dit zout bevat en oen soortelijk gewicht heeft van 1.30. Op 100 liter melk neemt men 100—125 cM.3 en verdunt deze, om haar beter mot de melk te kunnen mengen, met eene gelijke hoeveelheid water. Tot gelijk doel wordt in dit geval ook de gebruikelijke hoeveelheid lebvloeistof met haar vijfvoudige hoeveelheid water verdund. Do daarbij verkregen wrongel is echter van eene eenigszins andere hoedanigheid , en tot nog toe is het slechts gelukt uit deze melk eenigszins bruikbare weeke kaassoorten en zure melkkaas te bereiden.

Ook van andere melk, die niet goed stremt (zie hierboven) kan men soms de strembaarheid door toevoeging van eene chlooreaieiumoplossing verhoogen.

Hot lebfermont komt niet enkel in de maag der kalvers, maar ook in do maagklieren van vele andere dieren, ook van den mensch, voor, maar steeds

') IIe sterkte van het stremsel wordt gewoonlijk aangegeven in ile hoeveelheid cM3 melk van een bepaalden graad van zuurheid, h.v. 7, welke door één cM3 leboplossing of één gram lebpoeder bij 35' C. in 40 minuten stremt. Om deze sterkte te bepalen handelt men als volgt: 5 cM:i der te onderzoeken lebvloeistof of de waterige oplossing van 5 gram van het te onderzoeken lebpoeder worden met gedestilleerd water op lOü cM3 gebracht. Na zorgvuldige menging neemt men met eene pipet 10 cM3 van deze vloeistof, beantwoordende aan 0.5 cM;l of 0.5 gram van het preparaat, en voegt ze bij 500 cM3 melk met den zuurbeidsgraad 7 en precies op eene temperatuur van 35° C. gebracht. De lebvloeistof wordt uit de pipet met eenige kracht in de melk geblazen en daarna snel daarmede geschud. Het tijdstip, waarop die menging geschiedt, wordt nauwkeurig, op seconden na, opgeteekend en de melk met den thermometer zacht geroerd, zorg dragende dat de temperatuur dezelfde blijft. Zoodra zich in de melk vlokken vertoonen, het best waar te nemen achter den bewogen thermometer, wordt de tijd weder waargenomen. Gesteld nu dat deze stremmingstijd is 5 minuten 15 seconden of 5'/., minuten, zoo zou de hoeveelheid melk j;, bij dezelfde temperatuur door dezelfde hoeveelheid leb in 40 minuten gestremd, zijn; 51/', : 40 = 1000 : x of x — 7G14, de sterkte alzoo 1 ; 7614 of in een rond getal i : 7C00.

Om den graad van zuurheid der melk te bepalen worden 50 cM3 melk onder toevoeging van 2 cM3 eener 2 proc. phenolphtaleïnoplossing met Vi normaal natronloog getitreerd, waarbij als eindreactie geldt een zwak rood worden der vloeistof. Het aantal cM3 natronloog dubbel genomen, dus overeenkomende met tOO cM3 melk, dient als maat voor den graad der zuurheid, die gewoonlijk 7 bedraagt. Melk, die door pbenol-phtalein rood gekleurd wordt en dus duidelijk alkalisch reageert, stremt door leb niet.

-ocr page 388-

342

meer bij jonge dieren, die zich niet melk voeden. Ook zijn er eene menigte plantensappen, die in de melk eene dergelijke werking als leb veroorzaken; zoo b.v. liet sap van den Vijgeboom [Ficus carica), van den Meloenboom (Carica Papaya), het Vetkmid {Pinguicula vulgaris), de Artischok {Cynara scolimus) en eenige Distels (Garlina corymbosa en acaulus). Voor stremsel wordt daarvan echter weinig of geen gebruik gemaakt. Ter bereiding van kaas voor Israëlieten wordt stremsel uit magen van kauschere kal ver bereid.

Het stremmen der melk door leb heeft niet in eens plaats. De melk wordt eerst dik vloeibaar, dan geleiachtig en eindelijk zoo vast dat zij door don ingestoken en voorzichtig naar boven gebrachten vinger breekt. Dan zegt men dat de melk gestremd is en de tijd nu verloopen heet stremmingstijd. Daarmede is de werking der leb echter nog niet afgeloopen; de gestolde kaasstof dikt nog na; zij wordt tot zekere grens vaster en droger en daarbij loopt er des te meer groenachtig geel gekleurde wei uit naarmate zij zich meer samentrekt.

Bij de bereiding der onderscheidene kaassoorten wordt een verschillenden graad van vastheid vereischt; wij merken hier daarom nogmaals op, dat de vastheid der gestolde kaasstof afhangt van de hoeveelheid of de sterkte der gebruikte leb, van den stremmingstijd en de stremmingstemperatuur en dat hoe vaster, des te droger zij is, dat is des te minder water zij bevat. Hoofdzaak bij het stremmen is echter dat de gestremde kaasstof een in al hare deelen gelijksoortige massa vorme. Om dit te bereiken moet ook de melk, als zij vóór het ter stremming zetten verwarmd wordt, geroerd worden, opdat de lichtere vetdeelen niet naar boven stijgen maar gelijkmatig in de vloeistof verdeeld blijven en de gestolde kaasmassa dus overal even vet zij.

Het afscheiden der kaasstof zonder stremsel heeft eveneens op zeer verschillende wijze plaats en het verkregen product, zure kaas of ook wel Jumd-kaas geheeten, is van zeer ongelijke qualiteit. Men vervaardigt deze toch nu eens uit karnemelk, dan eens uit afgeroomde en zuur gewordene melk, soms ook door zure wei bij afgeroomde melk te voegen. Door verwarming op 40 a 45° C. scheidt zich uit deze zure vloeistoffen de caseïne in zijn geheel, dus zonder zich te splitsen in paracaseïne en weiproteïne, af. Door het zuur wordt de caseïne van de kalk of het phosphaat gescheiden, die nu in de vloeistof opgelost blijven en niet in de kaas overgaan. De neergeslagen kaasstof wordt, om er kaas van te maken, in een linnen zak gedaan om de wei te laten afloopen en behalve met zont, veelal met komijn of andere kruiden vermengd, gevormd en geperst tot kaasjes van 100 a 200 gram.

In 't algemeen zijn deze kaassoorten minder duurzaam dan de lebkazen. Zij komen ook weinig of niet in den handel voor, maar worden in de streken waar men ze vervaardigt als volksvoedsel gebruikt.

De kaasbereiding geschiedt dus op zeer ongelijke wijze; er worden niet alleen kazen van verschillende hoedanigheid, maar ook van zeer ongelijke grootte en vorm in den handel gebracht. Opmerkelijk is het, dat onderscheidene streken eene bijzondere kaasfabricatie er op na houden. Zoo onderscheidt men hier te lande: de Noordhollandsche of Edammer, de Goudsche of Siolksche, de Leidsche en do Priesche kaas: in Engeland de Stilton, de Chester, de Cheddar en de Derby kaas; in Italië de Permasan kaas; in Zwitserland do Emmenthaler, de Gruyère, de Ncufchdteler- en de Zw/er-kaas; in Frankrijk

-ocr page 389-

343

de kaas van Brie, Camcnhert, enz.; in Duitschland tie Limburger, ile IIol-steinsche kaas enz. De bereidingsmethoden dezer kaassoorten verschillen min of meer en, schoon ook op verschillende andere plaatsen bereid, geschiedt dit toch hoofdzakelijk in die streken, waarnaar zij genoemd worden.

Voor de bereiding van harde kaas kan men een drietal centra onderscheiden: Zwitserland, Nederland en Engeland. De Zwitsersche bereidingswijze vindt men, behalve in Zwitserland, toegepast in de Zuidduitsche bergstreken, Oostenrijk-Hongarije en in Opper-Italië; de Nederlandsche, behalve hier te lande, in Sleeswijk-Holstein, de Rijnlanden cn in geheel Noord-Duitschland, en de Engelsche methode heeft in de Vereenigde Staten van Noord-Amcrika hare grootste uitbreiding gekregen. Frankrijk is vooral liet land voor het bereiden van weeke kaas; zure-melksche kaas wordt het meest in Duitschland gemaakt.

Wordt kaas uit versche, zoo pas gemolken melk bereid, gelijk dit met Edammer en Goudsche geschiedt, zoo laat men haar tot op de stremmings-temperatuur afkoelen en is dus een voorafgaand verwarmen niet altijd noodig.

Bij het kazen van min of meer geroomde molk is dit wel het geval. Daartoe gebruikt men in vele streken koperen kaasketels, die boven het vrije vuur verwarmd worden. In grootere bedrijven en in kaasfabrieken wordt meer van stoom gebruik' gemaakt, wat het groote voordeel heeft, dat hot verwarmen meer geregeld kan plaats hebben. De eenvoudigste inrichting is dan dat men den koperen kaasketel in een houten kuip plaatst en ruimte tusschen beide laat voor hot inleiden van den stoom, terwijl het geheel van boven door een passend deksel gesloten wordt. De stoom leidt men door een buis even boven den bodem der kuip in, terwijl het condensatiewater door een andere buis, eveneens kort boven den bodem der kuip aangebracht, afgevoerd wordt. Fig. 171. In Amerika verwarmt men de melk veel in kuipen of bakken van vertind ijzer, in een houten bak van binnen met blik beslagen geplaatst. Eene ruimte tusschen beide dient voor het opnemen van warm water, welks temperatuur geregeld wordt, door öf koud water uit een reservoir, aan het eene

-ocr page 390-

344

einile van den bak, of stooin too te laten. Het meest bekend on in Amerika-in gebruik zijn de Oneida-kaaskuipen. Wenscholijk is hot voor liot gelijkmatig verwarmen der melk dergelijke kuipen niet te groot te nemen, niet grooter dan b.v. 1500 liter inhoud.

Na hot stremmen volgt het breken, snijden of doorhalen dor kaas om deze

to verdoelen en de wei er zoo goed mogelijk uit te kunnen verwijderen. Alleen bij het maken van sommige weeke kaassoorten wordt dit nagelaten en de wrongel, na in het kaasvat eenigen tijd nagedikt te zijn, direct in vormen geschopt. Overigens geschiedt dit snijden zeer verschillend en zijn daarvoor verschillende werktuigen in gebruik. In de Hollandsche kaasmakerijen gebruikt men veelal het toerhek of de harp. Fig. 172; anderen gebruiken meer het Amerikaansche kaasmes met verticale, Fig. 173, of horizontale van vertind staal, of harp en kaasmes beide, de eerste om te snijden, het tweede meer om te roeren. In Friesland — en hetzelfde geschiedt op meer plaatsen — wordt de wrongel niet gesneden, maar met een houten nap. Fig. 175, soms ook met een schop, verdeeld. Elders gebruikt men daarvoor een mes als in Fig. 17G is afgebeeld, een wrongel roerder, Fig. 177,

of wrongelbrekers, Fig. 178. Een en ander heeft ten doel de wei te doen uitloopen en de wrongel droger en vaster te maken. Soms is het noodig voor het bereiden van harde gedeelte der wei afzonderlijk te verwarmen en bij het overige te voegen, nawarmen, bij de Zwitsersche harde kaassoorten zelfs op 40—60° C.

Fig. quot;173. Fig. 174. Ame-Amerikaansch rikaansch k;i;is-kaasmes met mes met hori-verticale mesjes, zontale mesjes.

mesjes, Fig. 174,

Fig. 175. Kaasnap.

Is de wrongel naar eisch verdeeld en vast geworden, zoo wordt de wei afgeschept of afgetapt. De wrongel-doeltjes houden nu nog wei ingesloten, die door verkruimelen, persen enz. verwijderd wordt. Een en ander loopt bij hot bereiden der versclül-lende kaassoorten zeer uiteen. Het verkruimelen geschiedt in vele kaas

Fig. 178. Wrongelbrekers.

makerijen met de handen, in Zuid-Holland vroeger mot de voeten, zindolijker is het echter — en dit geschiedt ook veelal, althans in grootere kaasmakerijen, met

-ocr page 391-

merkende deel liiervan is eon as, die met en waarop in verschillende richtingen, maar altijd loodrecht, mesjes bevestigd zijn, waarlangsheen de wrongel gevoerd wordt en die deze verdoelen.

Om aan oen kaas hare gowonschte gedaante te geven, wordt meestal van kaasvormen gebruik gemaakt, slechts enkele kleine kaasjes vormt men soms uit de hand. Deze kaasvormen zijn veelal van

hout (wügen- of teakhout) maar worden ook wel van blik of tin gemaakt. Fig. 180 stelt den vorm voor bij do Goudscho, Fig. 181 die bij de Edammer

kaasmakerij in gebruik. Fig. 182. van blik, is do moest gebruikelijke vorm in

Holstein, Denemarken enz., terwijl de volgende figuren vormen voorstellen

-ocr page 392-

346

voor zachte kaas, Fig. 183 voor die van Camenbert, Fig. ]84 voor Limburger kaas en Fig. 185 voor handkaas. Een meer daarvan afwijkende vorm is in Fig. 18G en 187 voorgesteld; het is een vorm van onderen en van boven open, dus meer een reep, die, van hout of blik vervaardigd, door een koord meer of minder aangehaald kan worden. Dergelijke vormen zijn in Zwitserland en in Engeland bij het bereiden van eenige kaassoorten in gebruik.

De wrongel wordt meestal, in een doek,

kaasdoek, uit sterk hennep- of katoenen

bewogen. Fig. 188 stelt een dubbelwerkende Engelsche kaaspers voor, die weinig ruimte inneemt en thans het meest in de fabrieken in gebruik is. Daarbij kan de persing door verandering der aanhangende gewichten gemakkelijk geregeld worden, eene regeling des te meer van gewicht, omdat de

-ocr page 393-

347

persing wel onafgebroken moet plaats hebben maar langzamerhand, naarmate de kaas dichter wordt, in sterkte moet toenemen. Vette kaas wordt minder sterk geperst dan magere en bij gelijk vetgehalte de grootere sterker dan kleinere. Het best is de druk aan te geven in KG. op 1 KG. kaas. Ook is het wenschelijk dat het persen noch bij eene te hooge noch te lage temperatuur geschiedt. 10—20° C. schijnt het meest gewenscht te zijn. In den zomer wordt in den regel iets sterker geperst dan in den winter.

Dikwijls wordt de kaas gekleurd, dat wil zeggen niet alleen uitwendig — zie hieronder — maar ook inwendig en wel geel, geelachtig rood of oranje. Dit kaaskleursel komt in den handel voor en bestaat uit Orleans in eene alko-holische natronoplossing voor roodgeel of eene alkoholische saffraanoplossiug voor goudgeel. Het wordt vóór het stremmen bij de melk gevoegd.

Voor het zouten van kaas, dat vrij algemeen geschiedt en slechts bij enkele Fransche soorten zachte kaas wordt nagelaten, zijn drie verschillende maniepen in gebruik. Men vermengt öf zout met de wrongel vóór het vormen, of legt de gevormde kaas in pekel öf men bestrijkt deze met zout. De laatste manier wordt steeds bij zachte kaas toegepast en ook bij de beste soorten van harde kaas, de eerste twee manieren alleen bij harde kaas. De hoeveelheid zout bij eerstgenoemde manier gebruikt bedraagt 1 tot 5 proc. van 't gewicht van de wrongel; de hoeveelheid bij laatstgenoemde manieren is moeilijk aan te geven, maar veelal iets grooter.

Het zouten heeft in het algemeen ten doel de kaas smakelijker, gemakkelijker verteerbaar en houdbaarder te maken. Terwijl er zout in de kaas trekt, treden weibestanddeelen, waarin melksuiker, kalk en phosphorzuur opgelost zijn, uit de kaas. Vooral is dit het geval als men het zout met de wrongel mengt. De kaas wordt door het zouten in het algemeen droger en hare korst vaster. Het zouten heeft verder een gewenschten invloed op het hierna te vermelden rijpen der kaas, daar het haar graad van vochtigheid regelt en deze van veel gewicht bij het rijpen is. Wordt direct zout bij do wrongel gedaan, dan is dit schijnbaar de beste wijze om aan de kaas de juiste hoeveelheid zout toe te voegen en in al hare deelen er mee te mengen; maar de kaas wordt dan allicht te droog om het rijpen naar eisch te doen plaats hebben, en daarin kan dan niets gewijzigd worden. Bij het pekelen en vooral bij het uitwendig zouten heeft men een en ander meer in zijn macht. De kaas blijft daarbij vooral inwendig weeker en vochtiger, wat op het rijpen gunstig werkt; vandaar dat aan laatstgemelde manieren veelal do voorkeur wordt gegeven. Het uitwendig zouten van kaas geschiedt het best in een afzonderlijk droog vertrek. Worden kruiderijen bij de kaas gevoegd (komijnde en kruidkaas), zoo vermengt men die vóór het vormen met de wrongel.

Van grooten invloed op de hoedanigheid der te bereiden kaas is voorts het rijpen en narijpen in een daarvoor passend vertrek, don kaaskelder. Versch bereide kaas is krijtachtig wit en kruimelig; zij heeft weinig smaak en geur en deze zijn voor alle kaassoorten nagenoeg gelijk; eerst tijdens het rijpen wordt de kleur min of moer geel, de consistentie meer samenhangend en neemt zij een smaak en reuk aan die voor haar min of meer kenmerkend is.

Welke veranderingen de kaasstof, dat is dus de bij het stremmen gevormde paracaseïne, daarbij ondergaat is geenszins in alle bijzonderheden bekend. Er

-ocr page 394-

348

ontstaan daaruit voor ocu deel oplosbare eiwitstoffen , peptenen , die, de geheele massa doortrekkende, aan de kaas eene meer homogene consistentie geven; voor een ander deel wordt zij ontleed in andere, deels stikstofhoudende verbindingen, als amiden, amidozuren, en ammonia, deels stikstofvrije stoffen als boterzuur, valeriaanzuur, enz., die samen den eigenaardigen smaak en reuk van de kaas veroorzaken.

Het in de kaas aanwezige vet schijnt weinig verandering te ondergaan. Het kan door de altijd in kleine hoeveelheid aanwezige ammoniak verzeept worden, maar dit is toch van geringe betcekenis. Daarentegen wordt de melksuiker der melk, die in het water dat de wrongel insluit opgelost en naar de hoeveelheid van dit water in dc gevormde kaas aanwezig is, spoedig ontleed, zoodat zij na eenige dagen uit de kaas verdwenen is. Voor een deel gaat zij over in melkzuur, dat verder, onder gelijktijdige ontwikkeling van waterstof en koolzuur, in boterzuur kan overgaan. Van den anderen kant kan alkoholische gisting optreden, waarbij uit de melksuiker alkohol en koolzuur ontstaan en dus mede eene gasontwikkeling plaats heeft. Te sterk mag die gasontwikkeling niet zijn, dan gist de kaas; er vormen zich dan te veel blazen die later als zoo vele holten overblijven; zie hieronder gebreken der kaas.

In het algemeen schrijft men thans- die veranderingen bij het rijpen der kaas aan de werking van bacteriën en andere lagere organismen toe, waarvoor de kaasstof een zeer geschikte voedingsbodem is; en de groote kunst van het laten rijpen zou dus ten slotte hierop neerkomen, dat de ontwikkeling van de gewenschte bacteriën en hare werking bevorderd wordt en de organismen, welke een nadeeligen invloed uitoefenen, worden buitengesloten of hare ontwikkeling tegengegaan.

Een ruim veld voor onderzoek blijft hier nog over. Want de gevoelens loopen uiteen en nog slechts in enkele gevallen is het bekend, hoe door het kweeken en bijvoegen eener bepaalde soort van bacteriën eene gewenschte verandering in hot rijpen teweeggebracht kan worden. Zie hieronder lange wei.

Zoo staat tegenover de meening van Babcock en Russell, dat kaas zou kunnen rijpen, althans peptoniseeren, zonder lagere organismen, door een in de melk voorkomend ferment, de galadase, het resultaat der onderzoekingen van vele anderen, dat zonder lagere organismen geen rijping mogelijk is en do wrongel dan onveranderd blijft.

Ook omtrent de verrichtingen en de beteekenis dor verschillende lagere organismen bij de rijping van de verschillende kaassoorten is betrekkelijk nog weinig met zekerheid bekend; zoo ook welke bacteriën daarvoor meer bepaald noodig en welke meer toevallig aanwezig zijn. Volgens Duclaux, Adametz en anderen zijn het vooral aërobe bacteriën, vooral Tyrothrix-soortcn, welke bij hot eigenlijke rijpen der kaas eene groote rol spelen. Aan dit eigenlijke rijpingsproces gaat echter eene gisting vooraf, waarbij de melksuiker door anërobe bacteriën en alkoholische gistcellon geheel ontleed wordt. De omzetting-van het paracaseïne in oplosbare peptenen gaat daarop volgens hen door een ferment, casease, dat door enkele eiwitontledende bacteriën gevormd wordt en in de kaasmassa verspreid is. Naast aërobe bacteriën zijn echter ook anërobe bacteriën werkzaam en eerst door 'samenwerking van beide soorten wordt eene normale rijping verkregen.

-ocr page 395-

ri40

Tegenover deze meening staat die van Freudenroich, welke hot rijpingsproces vooral aan anërobe melkzuurbacteriën wil toeschrijven; volgens hem zijn daaronder ook die het vermogen bezitten om do eiwitstoffen der molk in peptenen om te zotten.

Vrij zeker is er ook verschil in het rijpen van harde en van weeke kaassoorten. Bij de eerete geschiedt het rijpen meer dooi- de geheele massa heen. bij de tweede van de oppervlakte uit. Daarom geeft men aan deze laatste meer een platten vorm on werken volgens Freudenreich sommige schimmels als de Oidium lactis, waarmede de kaas tijdens hot rijpen bedekt is, wezenlijk tot het rijpen mede. Bovendien is ook hot rijpen afhankelijk van de omstandigheden waaronder en don toestand waarin de kaas zich bevindt. Want daarmede gaan de gowenschte ontwikkeling on working dor rijpingsbaeteriën hand aan hand.

Van den moesten invloed hierbij zullen zijn; in de eerete plaats de kaas zelf, haar graad van zoutheid, vochtigheid, vastheid enz. en in do tweede plaats de ruimte waarin het rijpen geschiedt, haar temperatnnr, vochtigheid, zuiverheid enz. Aangenomen dat hier de gowenschte bacteriën aanwezig zijn, moeten andere zooveel mogelijk worden buitengesloten. Vandaar dat op alles gelet dient to worden wat tot oene verontreiniging aanleiding kan geven. Er is echter meer. Fleischmann zegt: „wanneer men waarneemt, dat de melk van enkele kooien of die van geheele stallen onbruikbaar voor de kaasmakerij is, wijl, zelfs bij zorgvuldig en verstandig werken, enkele verschijnselen bij het rijpen te vroegtijdig of te stormachtig verloopen, of de smaak der kaas onaangenaam wordt, of eenig ander gebrek zich vertoont, zoo komt dit naar ik geloof meestal niet, omdat de melk met bijzondere, gewoonlijk in de melk niet voorhandene, bacteriën verontreinigd is. Uit verschijnsel mag in de meeste gevallen veeleer zijn oorzaak hierin hebben, dat in de melk enkele dor gewone bacteriën reeds flink tot ontwikkeling zijn gekomen en de eigenschappen dor melk zoodanig veranderd hebben, dat de ontwikkeling der andere gewone soorten daardoor benadeeld wordt en aan hot rijpen een ander dan het gowenschte gevolg geven. Daarmede is nog niet gezegd, dat soms ook niet andere bij hot rijpen ongewone bacteriën, die met het rijpen in goenerlei betrokking staan, in de melk geraken en storend op de kaasmakerij inwerken. De melk mag in het algemeen als men ze stremt, nog goene eenzijdig over-heerschende bacteriënvegetatie bevatten; en dit zal slechts het geval zijn, wanneer zij van gezonde koeien afkomstig is en, bij hot melken en daarna, zindelijk en doelmatig behandeld wordt. Wanneer in oene kaasmakerij, waarin molk van verschillende veehouders verwerkt wordt, storingen voorvallen, en men wenscht te ontdekken welke veehouder voor hot kaasmaken onbruikbare melk geleverd heoft, zoo gelukt dit menigmaal door de op bl. 281 en 340 vermelde melkgist- of lebproef.quot;

De ruimte, waarin het rijpen plaats vindt, de kaaskoldor — hier te lande wordt daarvoor veelal de koestal gebruikt en voorts het pakhuis van den handelaar — wordt veelal donker gehouden, eensdeels omdat vele bacteriën zich beter in het donker ontwikkelen, anderdeels om vliegen af te honden. Do bekende kaasvlieg {Piophila caseï) legt hare eieren in de kaas, waaruit do kaasmaden voortkomen.

-ocr page 396-

Vorder is het wenscholijk dat de kaaskolder vochtig- zij, vochtgehalte van 80—95 proc. Voor jonge kaas die nog droger moet worden en voor weeke kaas kan de vochtigheidsgraad het laagst, voor oudere en harde kaas het hoogst zijn. Voor kaas die een langen tijd voor het rijpen noodig heeft is het daarom wenscholijk twee vertrekken te hebben; het eene vertrek, waarin de kaas het eerst komt, met een vochtgehalte van 80—90 proc. en iets hoogere temperatimr; hot andere, voor de oudere kaas om na te rijpen, met een iots lagere temperatuur en een vochtigheid van 90—95 proc. Evenals men in de zuivelbereiding steeds do temperatuur waarneemt met een thermometer, zoo is hier wenschelijk ook de vochtigheid der lucht waar te nemen met een psychrometer of hygrometer, I, bl. 90. De temperatuur in den kaaskelder kan afwisselen van 10—20°. Voor kaas die snel rijpt en voor vette kaas neemt men de temperatuur iets hoogor dan voor magere kaas van dezelfde soort en voor kaas die langzaam rijpt.

Bij temperaturen boven de 20° heeft het rijpen sneller plaats, maar men bekomt dan licht meer kaas met gebreken. Overigens is het niet wel mogelijk de verschillende verrichtingen bij de kaasbereiding zoo uit te voeren, dat eiken dag kaas van dezelfde hoedanigheid verkregen wordt, omdat kleine wijzigingen, vooral bij het rijpen, dikwijls van grooten invloed op het product zijn. De temperatuur speelt ook hier weder een groote rol en vooral komen bi] eene hoogere temperatuur tijdens het rijpen de grootste afwijkingen voor. Daarom is hot wenschelijk het rijpen bij eene niet al te hooge temperatuur te doen plaats hebben. Te laag mag die temperatuur echter ook niet zijn, aangezien dan in het geheel geene werking plaats heeft of de kaas verzuurt.

Na het rijpen ondergaat do kaas gewoonlijk nog de eene of andere behandeling, die haar meer geschikt maakt als handelsartikel, b.v. verwen of oliën. Deze loopt echter bij de verschillende kaassoorten zeer uiteen en doet tot hare innerlijke waarde minder af.

Bij de beschrijving van eenige bereidingswijzen in het bijzonder moeten wij ons hoofdzakelijk tot de Nederlandsche bepalen. Do Noordhollandsche en Goudsche kaas worden beide uit zoete, weinig of niet geroomde melk vervaardigd en daarbij zoodanig behandeld, dat zij eene vrij vaste, tamelijk harde massa vormt; 't is dus zoetemelksche, vette en harde kaas. De Leidsche en Friesche kaas wordt uit afgeroomde melk verkregen; 't is dus harde, magere kaas, en wijl daarbij de kaasstof veelal niet komijn en kruidnagelen vermengd wordt, heet zij ook komijnde of kruidlcaas. Zachte kaas uit koemelk wordt hier te lande niet gemaakt, wel uit schapenmelk.

Ter bereiding van Goudsche of Stolksche kaas, van een platten vorm met afgeronde kanten, in de omstreken van Gouda en in de provincie Utrecht, handelt men als volgt: De pas gemolkene, nog warme melk wordt zooveel mogelijk tegen afkoeling beschermd, onder zoo weinig mogelijke schudding naar huis gebracht en in de zoogenaamde wring tobbe geklensd, om haar van haren enz. te zuiveren. Door een gedeelte van de melk te verwarmen en dit bij het overige te voegen, wordt zij op do vereischte stremmingstemperatuur gebracht. Gemiddeld bedraagt deze 32 a 33° O., maar wisselt af van 31—34°. Do lage temperatuur wordt genomen voor niet vetrijke melk en voor melk

-ocr page 397-

351

met nog al hoogcn zuurgraad, om minder last van „heftquot; — zie hieronder — te hebben. Vettere of moeilijk strembare melk (mot veelal lageren zuurgraad) stremt men bij 34, soms 35°; anders krijgt men wrongel met te hoog vochtgehalte.

Is dio temperatuur bereikt, zoo wordt stremsel bijgevoegd. Gelijk dit hier bereid wordt (zie bl. 339) rekent men daarvan 33 gram op 100 liter melk, die 10 KG. kaas levert, noodig te hebben; tegenwoordig wordt veelal minder, nl. 20 of op zijn hoogst 25 gram genomen. Het wordt, door de melk met een houten nap zacht te roeren, gelijkelijk er mede gemengd. Men bedekt de tobbe daarop met een deksel, om de melk warm te houden, en laat haar '/-2 a 3j\ uur onaangeroerd staan. De kaasstof is dan gestold en min of meer bezonken. Met het kaasmes of de harp. Fig. 172, waarvan de buitenzijden van hout en de tralliën van koper of ijzer zijn, wordt zij nu gebroken of gesneden. Dit breken vereischt eenige kunstvaardigheid; men trekt het kaasmes snel, maar zoo zacht mogelijk, in verschillende richtingen door de vloeistof, gaat hiermede eenige minuten voort en dekt daarop de wringtobbe ongeveer 15 minuten. Do kaasmassa moet zich nu goed hebben afgezet. Ontdekt men dat nog eenige stukjes op de wei drijven, zoo geldt dit voor een bewijs dat de melk niet zuiver was of dat die van eene of meer koeien niet deugde (bl. 281), en dan wordt dienaangaande een onderzoek ingesteld. Met een houten nap wordt de wei vervolgens afgeschept en de kaasstof, die nu wrongel heet, met de hand verkruimeld en verdeeld, om haar van de weideelen zooveel mogelijk te ontdoen. Is de kaasstof intusschen veel afgekoeld -— zij mag niet kouder zijn dan 22 a 23° C. — zoo overgiet men haar met eenig heet water of heete wei tot de temperatuur 33 a 34° G. wordt, maar past op niet te sterk na te warmen, aangezien de wrongel in dit geval bij het sterke kruimelen te veel vet verliest, taai wordt on eene droge, taaie en slecht sluitende kaas zou leveren.

Het kruimelen van de wrongel geschiedt bij gedeelten; telkens als een stuk wrongel droog en fijn genoeg gekruimeld is drukt men het in het kaas-vat, van den vorm als Fig. 180, en gaat daarmede voort tot het vat geheel gevuld is. Met beide handen wordt nogmaals flink nagedrukt om de wei zooveel mogelijk uit te drijven en daarop de massa, die nu reeds den vorm eener kaas heeft aangenomen, in het vat omgekeerd. De kant die dan boven komt wordt met de toppen der vingers 3 a 4 cM. diep opgebroken of losgemaakt, zooveel nieuwe wrongel bijgevoegd als noodig is om het vat te vullen en het geheel nogmaals stevig ineengedrukt. Om de zoogenaamde „sprongetjes op den bodemquot; te voorkomen wordt het bovenste laagje soms nogmaals gekruimeld en weder ineengeperst. Daarna wordt de kaas uit den vorm genomen om haar in een katoenen doek te wikkelen en nu in den vorm, met een houten schijf, den „volgerquot;, bedekt, onder de pers gebracht om do weideelen verder uit te drijven en haar vaster te maken. Het persen duurt gewoonlijk één dag. De eerste twee uren wordt de kaas met eene drukking van haar dubbel gewicht geperst. Zij wordt daarna van een verschen doek voorzien, omgekeerd in den vorm gedaan en nu de volgende uren met het dubbele gewicht geperst, terwijl men haar in dien tijd nog drie- a viermaal omkeert en van een verschen doek voorziet. Bij dit omkeeren wordt er op gelet of de gaatjes in het

-ocr page 398-

352

vat .n'oed open zijn, opdat de wei af kan loopen. Is do kaas 8 a 10 uren geperst, zoo wordt de dook afgenomen on, aangezien do bovenkant door liet deksel eenigszins plat is gebleven, plaatst men haar nog een paar uren, maar nu zonder drukking en omgekeerd, in den vorm, om ook dezon kant de gewenschte ronde gedaante te geven.

Do alzoo bereide kaas heet wring kaas. Het bovengenoemde vele kruimelen wordt echter weinig meer gedaan. Tegenwoordig wordt de wrongel veel minder met de hand bewerkt (gekruimeld), maar langduriger en fijner geroerd en dan sterker nagowarmd, tot ± 38° C. Die temperatuur wisselt echter af van 35—423 en soms nog hoogor; het hoogst verwarmt men na als do afgeroomde en oven bezonken wrongel zóó, zonder meer, in 't vat wordt gedaan. Men noemt dit dan raapkaas en laat dio, onder warmliouden met doeken, 1 a 3 uur staan en perst haar sterk. Hoofddoel daarbij is het verkrijgen van oen uitwendig harde kaas, van binnen goed vet en vooral niet „kortquot; (dikwijls een gevolg van lage bereidingsteraperatnur). Overigons wordt ook tot oone hoogere temperatuur nagowarmd, als langzamer gestremd, de molk rijker aan vet is of „als het land eene slappe kaas levertquot;.

Na het vormen en persen komt de kaas in de pekel en wel olke kaas in een afzonderlijk vaatje of vloot, waarin zich pekel bevindt van 15° Baumé (15 gew. d. zout en 85 gew. d. water); hot bovendrijvende deel der kaas wordt mot grof zout bedekt. Zij blijft hierin 24 uur en wordt in dien tijd tweemaal omgekoord. Vervolgens gaat zij in den pekolbak, waarin zich verscheidene kazen tegelijk bevinden en dio pekel bevat, welke 3 a 5 graden zwaarder is dan die in hot vlootje. Do tijd, dien de kaas hier verblijft, hangt af van het gewicht. Do Goudsche kaas heeft een gewicht van 5—10 KG. Men rekent nu dat voor ieder kilogram één dag pekelen noodig is, zoodat oen kaas van 5 KG. 5 dagen in de pekel moet staan om voldoende zout te trokken. Do zwaardere van 10 KG. laat men echter iets korter, 7 a 8 dagen, in de pekel. Zij wordt alle 12 uur omgekeerd, terwijl men de bovenzijde steeds met zout bedekt houdt.

Heeft do kaas zout genoeg getrokken, zoo wordt zij uit do pekel genomen, met koud of lauw water afgewasschen en, met een doek afgowischt, op een gladgeschaafde plank in do kaaskamer gelogd. Hier moet zij dagelijks gekeerd en mot een vochtige linnen doek afgewreven worden. Er „zweetquot; nu een slibberig vocht uit, dat langzamerhand opdroogt, terwijl de kaas eene gele, botorachtige kleur aanneemt. Na drie a vier weken hier gestaan te hebben kan zij afgeleverd worden.

Niet altijd wordt volle melk voor het maken van Goudsche kaas gebruikt. Als regel kan men echter aannemen dat op de boerderijen, tweemaal daags, uit onontroomde melk vette kaas bereid wordt. Alleen in den herfst of bij sommigen, die nogal mot „rijzersquot; tobben, werkt men eens por dag, brengt do avondmelk in den kelder, roomt die den volgenden morgen en voegt de ondermelk bij do versche morgenmelk, die nu samen verkaasd worden. De kaas, hiervan gemaakt, heet dagkaas. Anderen roomen de avond- en morgen-melk beide en maken van de ondermelk, die dan 12 en 24 uur oud is, kaas, bekend onder den naam „Schottenquot; of ook wel „eens getiktequot;. Nog andoren laten de molk 24 on 3G uur ontroomon. Goudsche kaas, van zulke melk

-ocr page 399-

353

gemaakt, lioet achepkaas. Ook enkele fabrieken maken meer of minder magere kaas.

Er is dus zeker verschil in liet vetgehalte der Goudsche kaas, en niet allo onder dien naam in den handel gebrachte kaas zal dien mogen dragen. In de laatste jaren is het echter vrij algemeen gebruikelijk dat de kaasboer van 1 November—1 April zijn weinige molk verkoopt, terwijl de Gouda-kaasbereiding overigens is toegenomen ten koste van de boter- en komijnkaas-fabricage.

Do bereiding van Noordhollandsche of Edammer kaas komt in hoofdzaak met die der Goudsche overeen, maar zij verschilt er van in enkele bijzondorheden. Gewoonlijk wordt ook hier tweemaal per dag kaas gemaakt en de nog warme, versche melk bij ongeveer dezelfde temperatuur gestremd. Behalve stremsel wordt bij de melk nog kleursel, bl. 847, gevoegd, vooral bij zoogenaamde hooikaas, die anders te licht van kleur zou worden. Wordt eenmaal gekaasd, zoo wordt de avondmelk, des zomers in koud water, ter rooming gezet, den volgenden morgen afgeroomd en de room gekarnd of er weder doorgeroerd on de ondermelk, dus zonder of met den room, op de juiste temperatuur verwarmd, met de versche morgenmelk vermengd en verkaasd.

Na het snijden, hier ook doorhalen en kleenen geheeten, wordt de wrongel, met behulp van een houten nap, tot een klomp vereenigd en, dezen met dien nap tegenhoudende, laat men de wei afloopen op een teems, waarop do meêgaande fijne kaasdeelen achterblijven. De kaastobbe plaatst men nu weder rechtop en drukt de wrongel met den nap, dien men hierbij met een gewicht bezwaart, uit; daarna wordt de wrongel met de handen en met behulp van den kaasnap fijn gemaakt (kleinzen of klienen). Intusschen verwarmt men een gedeelte der wei, voegt deze er bij, roert goed om en laat de kaastobbe nu eenigen tijd gedekt staan. De temperatuur, waarop men het mengsel alzoo brengt, is 37 a 40° C. Wil men kaas die langer kan duren, zoo wordt iets meer verwarmd; de kaas is dan harder en heeft een langoren tijd voor het rijpworden noodig. Wordt de wrongel, door wei van eeno lagere temperatuur toe te voegen, niet zoo sterk verwarmd, zoo bekomt men weekere kaas, die spoedig rijpt, maar eerder bederft.

De wei wordt nu weder afgegoten en met behulp van den nap zooveel mogelijk uit de wrongel verwijderd. Teneinde echter die wrongel beter „uit de wei te duweri\ wordt zij in de kaaskoppen „gestokenquot;, dat is men neemt zooveel kaasvormen. Fig. 181 rechts, als er kazen gemaakt zullen worden, verdeelt haar daarover en duwt haar stevig met de hand erin. Daarop gaat zij uit de vormen in den kaasnap terug en men verkruimelt haar, om daarna nogmaals stevig in de vormen gedrukt te worden, en nu „met een kop er opquot;. Kleintjes drukt men met de hand, maar grootere met den volger of duiver stevig tegen de borst. De bewerking herhaalt men nog eens en kruimelt de wrongel steeds fijner in de vormen. Bij deze laatste bewerkingen wordt uit de wrongel een melkachtig vocht verkregen, waaraan men den naam portel geeft.

Na het duwen, worden de kazen, die nu don vorm van een cilinder mot bolronde einden hebben, in hare vormen staande, in de kaastobbe niet heete wei of water van 40° C. overgoten om ze beter te doen sluiten en, evenals hare vormen, schoon gewasschen (haden). D.oarop volgt het doeken, dat is

reindiïus, III. Vierde druk. 23

-ocr page 400-

354

men neemt de ka;ts weder uit den vorm en wikkelt ze in een kaasdoek, zoodat de slippen daarvan aan de einden samenkomen en hier op de kaas eene soort van ster vormen. In den vorm teruggebracht en met den volger bedekt, worden twee of drie te zamen in de kaasvloot, onder de pers geplaatst.

Het persen duurt 2—4 uur met een gewicht van ongeveer 40 KG.; de kazen worden dan uit de vormen en uit den doek genomen, met een scherp mos wordt de oppervlakte cenigszins glad gemaakt of de gevormde randen grootendeels verwijderd en nu brengt men ze in nieuwe koppen, die in pekel gelegen hebben, zoogenaamde kaaszetters, Fig. 181 links, over. Men bedekt ze met eenig nat zout en laat ze zoo een paar uren staan; daarna keert men ze om en wrijft ze met nat zout in. Dit omkeeren en zouten wordt minstens eenmaal daags herhaald en telkens het zout met pekel nat gemaakt. Anderen leggen de kaas, nadat zij in de zetters een of twee dagen zout getrokken en door omkeering een nagenoeg ronden vorm aangenomen heeft, in pekel van 24 graden Baumé en houden ze, met behulp van latten, steeds hieronder bedolven. Er gaat dan geen zout verloren en de kazen hebben eerder de noo-dige hoeveelheid zout opgenomen.

De tijd, dien de kaas gewoonlijk „in het zout staatquot;, verschilt naar de weersgesteldheid en de grootte der kazen. Kleintjes, van 2 KG., zout men gewoonlijk 5 a C dagen, in warm weer wat korter, in koud weer wat langer; commissie, van 4 KG., middelbare, van 5 a G KG., en groote, van 10 a 12 KG., blijven eenige dagen langer in den zoutbak.

Is de kaas behoorlijk gezouten, zoo neemt men ze uit de zetters of uit de pekelkist, wascht en droogt ze af en brengt ze op de rlcaashordenquot; in den koestal, alwaar ze dagelijks worden omgekeerd. In de kaasborden zijn ronde gaten geboord, waarin de kazen sluiten, opdat zij haar ronden vorm behouden. Na 3 a 4 weken kunnen zij nu in den regel afgeleverd worden. Intusschen worden zij 2 a 3 maal afgewasschen en voor de laatste maal, kort voor de aflevering, met heete wei. Den volgenden dag wrijft men ze dan stevig met een wollen lap, iu kokende lijnolie gedoopt, af, om hare korst kleur en glans te geven. Zoo wordt zij op de markt gebracht. Door de kaashandelaars opgekocht en een korteren of langeren tijd in de pakhuizen bewaard om hier na te rijpen, worden ze, naar de eischen van het invoerende land, mot tournesol, ammoniakale karmijn enz. roodgekleurd, soms ook met bladtin of varkensblazen overtrokken, veel naar het buitenland verzonden.

Behalve vette kaas wordt thans ook veel halfvette of magere kaas, dus van min of meer geroomde melk, met 2 a 3 proc. of nog minder vet, in Edammer vorm gemaakt. De bewerking is dezelfde als voor vette; alleen wordt bij het stremmen de temperatuur een paar graden lager genomen. Magere Edammer, in Zuid-Holland vervaardigd, heet hohhekaas.

De zetel voor de bereiding van Leidsche kaas is Eijnland, dat is het gedeelte van Zuid-Holland, dat zich ongeveer 3 uren rondom de stad Leiden uitstrekt. Gelijk reeds gezegd, wordt deze kaas van afgeroomde melk vervaardigd. Men handelt daarbij als volgt: De melk, die b.v. maandagavond te ij a 6 uur gemolken is, wordt in de emmers afgekoeld en gaat des avonds omstreeks 8 uur in den kelder om in de mouten te roomen. Zij wordt den volgenden morgen om 4 uur voor de eerste maal, des namiddags 4 uur voor

-ocr page 401-

350

(le tweede maal en den daaropvolgenden, dus woensdagmorgen, voor de derde maal afgeroomd. Op gelijke wijze handelt men met do melk die dinsdagmorgen gemolken is; deze wordt dinsdagmiddag om 4 uur voor de eerste maal en woensdagmorgen voor de tweede maal geroomd. Men heeft dus woensdagmorgen driemaal geroomde melk van maandagavond en tweemaal geroomde van dinsdagmorgen. Deze gebruikt men nu woensdagmorgen ter bereiding van kaas, en zoo eiken morgen een mengsel van driemaal en tweemaal geroomde melk. Daartoe verwarmt men de tweemaal geroomde, die dus 24 uur oud is, in een koperen ketel, „weiketelquot;, dicht aan 't kookpunt, en voegt ze daarna bij de driemaal geroomde of 36 uur oude melk in een houten kuip, de „vrringkuipquot;. Bij dit mengsel wordt daarop eene zekere hoeveelheid karnemelk gevoegd. Gewoonlijk rekent men op 150 liter afgeroomde molk 7' , a 10 liter karnemelk, waaruit dan ongeveer 10 KG. kaas verkregen wordt. Door het toevoegen van karnemelk wordt de kaas minder taai; voegt men er echter te veel bij, zoo wordt zij te brokkelig.

Dit mengsel wordt nu op nagenoeg gelijke wijze gestremd, de kaasstof gebroken en de wei afgeschept, als bij het bereiden van Goudsche kaas, hl. 350. De wrongel, van de grootste hoeveelheid wei ontdaan, schopt men vervolgens op een groven kaasdoek, die over eene platte houten tobbe uitgespreid is, neemt de vier slippen van den dook bij elkander en draait doze zooveel mogelijk ineen, waardoor weder wei uitgedreven wordt. Om deze geheel uit te drijven brengt men de kaas in den doek onder eene pers, de weipers, die uit een eenvoudigeu hefboom, een in den muur bevestigde plank, bestaat en op welks andere uiteinde, door er op te gaan zitten, gedrukt wordt, perst eerst niet te sterk, verdeelt dan de dikke stukken wrongel met de hand, perst op nieuw en gaat zoo voort, totdat de wrongel genoegzaam droog en gesclükt is om in de wringkuip fijn verkruimeld te kunnen worden. Dit verkruimelen moet met veel zorg geschieden en wordt beter met de handen dan met de voeten en wellicht het best met den wrongolmolen, Fig. 179, uitgevoerd; er mag geen hard kluitje in blijven. Als dit gedaan is, zoo legt men eene laag van 5 cM. in den vorm of het kaasvat en vermengt de rest, met uitzondering van eene kleine hoeveelheid, die later bovenop komt, met komijn, p.m. '/a KG. op 100 KG. kaas, en soms ook met wat zout, b.v. 1 proc. Intusschen heeft men kruidnagelen, voor 100 KG. kaas ongeveer 600, in drie stukken geknipt of met een hakmes fijn gehakt. Men vult nu den vorm met het innig mengsel van komijn en wrongel met of zonder zout tot op ongeveer '/j, strooit daarop eenige fijngemaakte kruidnagelen, dan weder '/j van het mengsel, hierop weder kruidnagelen enz. totdat de vorm vol is. Bovenop komt dan een laagje niet met komijn vermengde of witte wrongel. Ofschoon de kruidnagelen zoo in laagjes wel tusschen de wrongel worden verspreid, is het beter ze na het uitspreiden zoo veel mogelijk met de vingers tusschen de wrongel te verdoelen, omdat er anders kans bestaat dat de kaas later juist bij die laagjes gaat scheuren. Zoo blijft do gevulde vorm een paar uur staan; de wrongel zakt dan en pakt zich door haar eigen gewicht samen. Vervolgens wordt de kaas uit het vat genomen, omgekeerd op een groven vierkanten doek geplaatst en mot den doek in het vat terug gebracht, waarna men de slippen van den doek zoo voel mogelijk gelijk op do oppervlakte der kaas

23*

-ocr page 402-

35G

samenvouwt. Zij komt nu mot den volger bedekt in eene vloot onder de gewone hefboompers.

De kaas die des morgens gemaakt is blijft zoo tot 's avonds ongeveer 8 uur onder de pers; soms wordt in den loop van den dag nog oen nieuwen doek gegeven. Zij wordt nu uit het vat genomen, omgekeerd op een anderen maar fijneren dook geplaatst en, de slippen daarvan weder samenvouwende, daarmede in het vat en onder de pers teruggebracht tot den volgenden morgen. Om haar den bekenden platten vorm met buikigen zijkant te geven en de afdruksels der vormen van den doek te doen verdwijnen, wordt zij nu nog tussehen twee planken geperst. Veelal gebruikt men daartoe de zoogenaamde „zakpersquot;, uit een tafel met opstaande randen bestaande, waarop de kaas gelegd wordt en waarop men een met steenen bezwaarden bak plaatst, die door middel van een windas op en neer kan worden bewogen. Do kaas zet dan zijwaarts uit en krijgt een buikigen zijkant. Op do vier hoeken der tafel worden dan houten klosjes gelegd van eene dikte als do kaas hoog moet zijn. Deze pers dient tevens om in een der vlakke zijden het bekende merk, dat is een dubbele sleutel, 't wapen der stad Leiden, te drukken. De kaas blijft ongeveer 24 uur onder deze pers en wordt intusschen eens gekeerd. Zij gaat daarna in een houten bak met pekel van 15 graden en blijft hier 48 uur, terwijl men zorg draagt, dat de bovendrijvende oppervlakte met grof zout bedekt wordt. Vervolgens legt men haar 10 a 12 dagen of, als er zout bij de wrongel gevoegd is, 7 a 8 dagen, in den zoutbak, waar hare oppervlakte met zout bedekt en zij dagelijks gekeerd wordt. Jlen rekent dat eene kaas van 10 a 12 KG. op deze wijze genoeg zoutdeelen ontvangt. Zij wordt nu met water afgeboend en op eene koele plaats op ongeverfde planken gelogd. Veertien dagen of drie week daarna acht men haar genoegzaam rijp; het uitslag, „erfquot;, dat er uitzweet, wordt dan met het „schrabmesquot; afgenomen, en hare oppervlakte alzoo zuiver glad gemaakt. Om haar uitwendig de bekende bruin-roode kleur te geven, verft of smeert men haar gedurende eenigen tijd dagelijks in met Orleans, die, in potasch gekookt, aangelengd is met biest. Hare korst scheurt daardoor minder licht, terwijl zij door de kleur en den glans een aangenamer uitzicht bekomt.

De bereiding van Friesche kaas geschiedt op nagenoeg dezelfde wijze als de Leidsche. Zij wordt echter niet in pekel gelegd om zout te trekken, maar dit vóór het vormen en persen met de wrongel vermengd. Ook wordt de melk in Friesland sterker geroomd; in plaats van 24 en 36 uur is zij gewoonlijk 3C en 48 uren oud en de room er dus een keer vaker afgenomen. Daardoor is de te kazen melk armer aan vet en zuurder. De geheele hoeveelheid melk van één dag wordt samen verhit in den roodkoperen kaasketel, die in een fornuis staat en welks inhoud afhangt van de grootte der boerderij. Verder hoeft het doorhalen en roeren van de gestremde melk niet met die zorg plaats als in de Leidsche kaasmakerij. De wrongel wordt eenvoudig met een nap of houten schop verdeeld, de wei afgeschept en verder in een hollen doek, hrouwdock geheeten, uitgeperst, enz. Uit een en ander laat zich gemakkelijk verklaren dat de Friesche kaas over 't geheel minder deugdelijk en ook lager in prijs is dan de Leidsche. Voor het vormen wordt evenals bij de Leidsche van oen uit duigen samengesteld vat inet volger gebruik gemaakt. In den

-ocr page 403-

bodem van liet vat, dat moii naar de aanwezige hoeveelheid wrongel van verschillende grootte neemt, zijn eenige gaatjes aangebracht om de wei, nog aanwezig, of de vloeistof die er door hot bijgevoegde zout uitsijpolt, door te laten.

Voor hot persen is een gewone hefboompers in gebruik. De wrongel komt eerst ongedoekt in liet vat en wordt 6 a 7 uur geperst. Zij heeft nu don vorm van hot vat aangenomen maar zich nog niet volkomen veroenigd en vertoont aan de kanten nog vele openingen. Daarom wordt zij nu gedookt en „gebroeidquot;. De kaasmaker neemt daartoe een langworpigen linnen dook, spreidt dien over een tafol uit en plaatst de kaas op haar kant hierop. De lange einden van den doek worden nu over den zijkant dor kaas gevouwen en met een paar spelden bevestigd. Daarna wordt do kaas rechtop gezet, de doek aan den bovenkant in den vorm eener stor samengevouwen en hior eveneons met eon paar spelden bevestigd. Vervolgens koert hij do kaas om, beurt haar aan het nog loshangende gedeelte van den dook op en dompelt haar in oen vaatje met heet water. Door deze behandeling, broeien geheeten, smelt de buitenkant der kaas min of meer ineen; er vormt zich een korst van eene eigenaardig taaie hoedanigheid. Zoodra dit hot geval is, wordt de kaas uit het water getrokken en in het vat geduwd. De doek wordt over de nu bovenliggende kant eveneens gevouwen, het deksel er op gelegd en het vat op nieuw onder de pers gebracht.

Dit broeien geschiedt gewoonlijk des avonds en de kaas blijft dan .tot den volgenden morgen onder de pers. Zij wordt dan uit het vat genomen, van den doek ontdaan en met een scherp mes de korst gelijk gemaakt. Zij ligt gewoonlijk een 14 dagen te rijpen op plankon in den donker gehouden koestal. Voor ze naar de markt wordt gebracht, schraapt men de oppervlakte glad. Sommigen wrijven ze daarbij met een in wei of olie gedoopt doekje af.

De Friesche kaas is in den regel iets hooger van vorm dan de Leidsche; soms geeft men haai- echter den vorm van laatstgenoemde, verft ze rood en drukt er mede de bekende sleutels in.

Men onderscheidt verder kruidkaas, nagelkaas en kanter of gele kaas. De kruid- en kantorkaas zijn gewoonlijk iets hooger dan de nagelkaas. De eerste wordt zelden zwaarder gemaakt dan 10 KGr., do kanterkaas van 10—15 en de nagolkaas van 10—25 KG. De kruidkaas wordt gewoonlijk iets kouder gestremd en behalve mot zout, 3 a 3'/a proc., wordt de fijngemaakte, droge wrongel mot komijn, karwij- of anyszaad vermengd. Bij nagelkaas voegt men behalve komijn nog kruidnagelen, op 100 KG. kaas gewoonlijk tj.i KG. komijn en 1I3 KG. kruidnagelen, die in de Friesche kaas niet stuk gemaakt worden. Do gele kleur aan de kanterkaas eigen wordt er aan medegedeeld door bij do molk met het stremsel kaaskleursel (orleans-oplossing) te voegen. Zij wordt veel naar Engeland gezonden, waar ze als 2de soort Chester-kaas, eene vette kaassoort, verkocht wordt.

In hot bovenstaande hebben wij zooveel mogelijk eene beschrijving trachten te geven van de voornaamste kaasbereidingsmethoden, gelijk zij hier te lande op de boerderijen in practijk gebracht worden.

Ongetwijfeld zijn daarin verbeteringen aan te brengen. Zou hebben wij, om maar iets te noemen, herhaaldelijk gewezen op hot nuttige gebruik van den

-ocr page 404-

358

thermometer, oin daarmede en niet op het gevoel, gelijk nog te vaak geschiedt, den juisten warmtegraad voor het stremmen enz. noodig, waar te nemen. Meer en meer wordt thans kaas in fabrieken gemaakt, en het spreekt van zelf dat hier de bereiding meer naar de eisehen des tijds kan en zal geschieden dan in de boerderijen. Zoo kan men hier van stoom gebruik maken en daardoor de melk doelmatiger verwarmen dan in den kaasketel boven het vuur, of in een warmwaterbad (oneida-kaaskctel), bl. 344, en in dat geval is het gebruik van den wrongelmolen, bl. 345, ook meer gepast. In de meeste dezer fabrieken wordt kaas naar Goudsch, Edammer of Leidsch model gemaakt. Enkelen vervaardigen ook Derby-kaas.

In de bereidingswijze der Edammer kaas heeft W. Sluis eenige jaren geleden enkele veranderingen voorgeslagen en in practijk gebracht. Een dier veranderingen bestaat hierin, dat elke kaas afzonderlijk geperst wordt om haar eene meer gelijkmatige drukking te geven en niet zooals gewoonlijk 2 a 3 samen. De pers, door hem gebezigd, is zeer eenvoudig en bestaat, bl. 346, uit ijzeren gewichten, in den vorm eener zuil, welke rechtstandig met eene drukking van 30 a 35 KG. persen. Do andere veranderingen, door hem voorgeslagen, bestaan (behalve zorg voor afkoeling der melk, als zij niet dadelijk verkaasd wordt en het inachtnemen eener bepaalde temperatuur bij het stremmen enz.), hierin, dat hij, na het eerste doorhalen of snijden, gedurende ongeveer 7 minuten, eene zekere hoeveelheid wei terstond verwarmt en bij het overige voegt, .om het geheel weder op eene temperatuur van ongeveer 32° C. te brengen. Na deze verwarming wordt nog eenigen tijd met het snijden voortgegaan, totdat de kaasdeeltjes, als men ze tussehen duim en vinger neemt, vast op het gevoel en dof van kleur zijn geworden. De wei wordt voorts, evenals in vele Engelsche kaasmakerijen, door middel van een hevel afgetapt en de wrongel niet met den nap uitgeperst, niet verkruimeld enz., maar door drukking en omkeering in den kaaskop van wei bevrijd. Alvorens te doeken, wordt de wrongel, noodig voor elke kaas (2.7 a 2.8 KG.) afgewogen. Voorts is door hem het Amerikaansche mes van vertind plaatijzer ingevoerd; echter meer om de wrongel na het verwarmen te roeren dan wel haar te snijden.

Later zijn door den heer Boekei eenige verbeteringen in de Edammer kaasmakerij ingevoerd '). Zijne methode komt in hoofdzaak hierop neer.

De melk wordt in den zomer op 26.7°, in den winter op 27.2°, bij kleine hoeveelheid op 27.8° verwarmd en zoo weinig mogelijk met kleursel vermengd, 3'i', cW kaaskleursel van Kerbert op 100 liter melk. Dan wordt leb en 1— 2 proc. lange wei toegevoegd. Deze lange wei is gewoonlijk 12—36 uur oud en wordt verkregen onder den invloed van bepaalde bacteriën. De hoeveelheid leb bedraagt 45 cM3 Kerbert's lebextract op 100 liter melk. De melk is dan in ongeveer een half uur dik. De dik geworden melk laat zich met de ingestoken en gekromde vinger eenigszins opheffen en bijna glad splijten. Zij wordt verdeeld met de Hollandsche lier of het „klienhekquot; van Boekei, een messing-raam, 60 cM. lang, 50 cM. breed, aan de kanten afgerond, met 17 dwars-staven op 2—3 mM. afstand. Bij de rondo kaasketels wordt van het midden naar den wand, bij de Amerikaansche in drie op elkander volgende loodrechte

') P. I! o e k e I Kz., Handleiding voor kaasbereidiny.

-ocr page 405-

359

richtingen gesneden, zeer langzaam en voorzichtig on later langzaam geroerd, zoodat de wrongel uit stukjes ter grootte van een wal- of hazelnoot bestaat. Dit duurt bij kleine hoeveelheid melk 15—20, bij grootere hoeveelheid 80 minuten. Nu wordt ongeveer '/s van de wei met den hevel afgezogen en de wrongel verder op die wijze bewerkt, dat men hem met het klienhek van het midden naar den wand onderschept en zij dus op het horizontaal gehouden instrument komt en langzaam er doorheen geschud wordt. Dit doorschudden wordt voorzichtig eenigen tijd voortgezet, maar intusschen de wei op do helft of op een derde in twee gedeelten of tijdstippen van 15 a 20 minuten afge-heveld. Daardoor wordt de wrongel droger; zij wordt in de overgebleven wei droog gewerkt. De wrongelkorrels zijn ten slotte 3 a 4 mM. dik, mat van uitzicht, veerkrachtig en kleven bij zwak samendrukken niet meer aaneen.

Nu volgt het na warmen van do wrongel. Dit gescMedt in kleine kaasmakerijen door bijvoeging van wei, die op 48.8° C. verwarmd is en door een zeef gelijkmatig verspreid wordt. Gedurende het verwarmen wordt flink geroerd en mag de temperatuur natuurlijk slechts langzaam stijgen, opdat de wrongelkorrels geen vaste korst krijgen. In kleine kuipen duurt dit nawarmen 3—4, in grootere 15 minuten. Jlen laat nu de wrongel bezinken, schuift haar op een hoop aan den kant, hevelt de wei volkomen af en bevordert den afloop daarvan door een gootje in de kaasmassa te maken. Door middel van blikken reepen, die in doorsnede iets kleiner zijn dan de ronde kaasvormen, worden uit de wrongel stukken gestoken en twee zulke stukken op elkaar in de kaasvormen gedrukt, dadelijk gekeerd en op de kaastafel geplaatst. Door de wrongelmassa in geheele stukken in de vormen te brengen vermijdt men hot afkoelen en liet insluiten van lucht. 5—10 minuten daarna worden de kazen nogmaals gekeerd, na 10 minuten weer en daarbij door afnemen of toevoegen van kaasmassa op de gewenschte grootte gebracht. Daarna wordt gedoekt en geperst als vroeger is aangegeven. Ook het zouten geschiedt door hem met zorg in een afzonderlijke kamer, waar men de temperatuur op ongeveer 15.5° C. kan houden. Hij vermijdt bij zijne kaasbereiding elke plotselinge verandering in de bewerking en in de temperatuur. Ook de gereede kaas wordt voorzichtig en teêr behandeld. Bovendien wordt door hem nauwkeurig acht gegeven op de hoedanigheid der melk en de molk met gebreken, b.v. die van sommige weiden, afzonderlijk verkaast.

Van de buitenlandsche kaassoorten wordt de Derby-kaas hier te lande ook in kleine hoeveelheid vervaardigd. Do bereiding komt in hoofdzaak met die der Goudsche en Edammer overeen, maar evenals in Engeland en in Amerika heeft zij meer in fabrieken plaats, waardoor men een meer gelijkmatig product tracht te leveren. De Derby-kazen hebben een platten vorm en worden niet in pekel gezouten, maar de noodige quantiteit zout wordt bij de wrongel gevoegd; na het persen wordt de oppervlakte met een strijkijzer glad gestreken.

Deze kaassoort behoort, evenals de Engelsche Cheddar en Chester, die veel in Amerika vervaardigd worden, de Emmonthaler en de halfvette Gruyère in Zwitserland, alsmede de halfvette Parmesau-kaas in Italië, tot de harde zoete-melksche kaassoorten. Tot de weeke kaassoorten behooren de Gervais-kaas en de kaas van Brie, de Noufchatellcr, de Stilton-, de Allgauer en de Limburger (baksteen en Remoudou) kaas, die, meestal van versche zoete melk, soms ook

-ocr page 406-

360

onder toevoeging van room, vervaardigd, minder zorgvuldig van wei bevrijd en minder sterk gezouten worden; zij laten zich over 't gehool minder goed bewaren en worden tamelijk versch gegeten, maar dikwijls ook eerst in rot-tenden toestand. Zoo eten b.v. de Engelschen hun Stilton-kaas zelfs als zij van maden wemelt.

Van de kaassoorten, meer bepaald uit afgeroomde melk gemaakt, vermelden wij nog de Holstcinsehe, in Holstein, Mecklenburg enz. In de laatste jaren hoeft men zich hier vooral toegelegd om, door de melk bij eene lagere temperatuur of door centrifuges te ontroemen, de afgeroomde molk langer zoet te houden en daardoor deugdelijker kaas te verkrijgen,

Nog vestigen wij hier de aandacht op liet bereiden van kaas uit gepasteuriseerde, meest afgeroomde melk. Hoe men deze melk doet stremmen is bl. 341 gezegd. Maar oin ze te doen rijpen is nog een toevoegsel noodig. Volgens Klein, die daaromtrent verschillende proeven nam, kan daarvoor dienen; versche afgeroomde melk of gepasteuriseerde afgeroomde melk, wanneer een zuursel, als bij het zuren van room gebruikt wordt, is toegevoegd; verder versche volle melk of ook eene kleine hoeveelheid 1—3 woken oude en fijngewreven baksteenkaas. Van de eerste drie is eene hoeveelheid van 2'/2— 5 proc. op de hoeveelheid te kazen melk noodig, van de laatste 250 gram op 100 liter melk. Volgens Klein laat zich op deze wijze uit gepasteuriseerde melk een goede Limburger (baksteen-) kaas, van den vorm als Fig. 184, vervaardigen. Do wrongel is echter fijner verdeeld en de openingen in den vorm moeten fijner als gewoonlijk zijn. Daarom scheidt zij zich ook langzamer van de wei af en is verwarmen op 40—42° noodig. Ook moet het rijpen in een droge kelder geschieden om de kaas behoorlijk vast te krijgen. Do opbrengst is 10—30 proc. grooter als bij de bereiding uit niet verhitte melk.

Omtrent het bereiden van kaas, zonder leb, uit afgeroomde, zuur gewordene melk of ook uit karnemelk enz. is bl. 342 reeds het een en ander gezegd.

De zoogenaamde potkaas wordt bereid door de op gelijke wijs verkregene kaasstof met zout en komijn te doorkneden en in een dicht toegebonden pot eenige dagen, of soms 4 a 6 weken, te laten gisten. Daarna kneedt men de kaas met wat boter (ongeveer '/2 KG. op 15 KGr. kaasstof) door, brengt ze in een pot boven het vuur en laat ze, onder voortdurend omroeren, een half uur koken, totdat zij zich in lange draden laat uittrekken en eene gelijkmatig gesmolten massa vormt. Zij wordt daarop in potten gegoten, waarin zij tot eene doorschijnende, geleiachtige massa afkoelt en nu geschikt is voor het gebruik.

Volgens Klein is ook het bereiden van zuremelksche kaas uit gepasteuriseerde of verhitte melk niet moeilijk. Bij de op 30° afgekoelde melk wordt dan 10 proc. aangezuurde, reeds dik gewordene, afgeroomde melk gevoegd en een weinig leb. Na ongeveer 16 uur brengt men ze in een linnen zak om de wei te laten afloopen, bl. 342.

De groene Zwitsersche kaasjes of zoogenaamde „Zigerquot; worden in Zwitserland uit afgeroomde melk bereid, die evenwel niet zuur wezen mag. Men verhit deze tot kokcns toe en mengt de wellicht voorhandene karnemelk koud en allengs er mode. Nadat de ketel van 't vuur genomen is wordt wat zure wei er aan toegevoegd om de ziger, dat is de kaasstof, vermengd met de

-ocr page 407-

361

andere eiwitstoffen der molk, af te scheiden. Dezo neemt men uit de vloeistof en doet ze in vaten, waarin men haar bij eene temperatuur van ongeveer 15° laat gisten. Zij wordt dan met de gedroogde en tot poeder gestampte bladen van de blauwe Honigklaver (Melilotus coerulius) gemalen en in vormen gebracht.

Het moet duidelijk zijn dat de kaas, op zoo verschillende wijze en van melk van zoo verschillende qnaliteit bereid, ook van zeer verschillende hoedanigheid moet wezen. Bovendien, niet allo kaas, schoon op eene gelijksoortige wijze gemaakt, is even deugdelijk. De kaasbereiding moet met veel nauwkeurigheid geschieden; kleine afwijkingen in de hoedanigheid der melk enz. kunnen — wij hebben er reeds op gewezen, bl. 338 — niet zelden een grooten invloed op de qnaliteit van de daaruit verkregen kaas uitoefenen. Afwijkingen van deze gewone hoedanigheid, waardoor zij minder deugdelijk is, pleegt men gebreken der kaas te noemen. Hiertoe behooren:

a. Het blauw worden. Dit gebrek kan op verschillende wijze veroorzaakt worden door bacteriën, in de kaaskamer aanwezig, of door melk van elders aangevoerd enz.

h. Knijpers noemt men zulke kazen, die inwendig hol zijn en hol klinken, als men er met de hand op tikt. Zulke kaas zakt gewoonlijk na eenigen tijd ineen of scheurt open en schimmelt of rot licht bij of in die holte. Blijft de korst der kaas gesloten, zoo heet zij een blinde knijper. Sommigen willen de oorzaak van dit gebrek gezocht hebben in bedorven stremsel; anderen in uierontstekingen, veroorzaakt b.v. door Equisetums, die het vee in het voedsel ontvangt. Ook door het toevoegen van oude melk, zoogenaamde lestjes,'bij de versche kan het gebrek ontstaan.

c. Het kwaadaardig breken of kruindraaien en de rijzers, heft of bollekaas (drijvers of mutsenbollen). Bij het eerstgenoemde gebrek neemt de kaas weinig-zout aan en bekomt zij een lebbigen smaak; bij het laatste begint zij onder 't bewerken te rijzen; in water gedompeld drijft zij. De oorzaak van het eerste gebrek wil men zoeken in de slechte hoedanigheid der melk van een of meer kooien; die van het laatste, dat meer algemeen voorkomt, o. a. aan te warme bewerking, waardoor de melksuiker in alcoholische gisting of het eerst gevormde melkzuur in boterzuur enz. overgaat, welke gistingsprocessen, eens aan den gang zijnde, niet weder ophouden. Dr. Hollman wilde het gebrek voorkomen door de melk tot 75° C. te verwarmen en dan weder af te koelen op de stremmingstemperatuur. Tegenwoordig wordt daartegen het gebruik van lange wei aanbevolen of althans waar lange wei gebruikt wordt komt het gebrek minder voor. Ook de scheuren in de kaas en de zoogenaamde droge sprongetjes mag men aan te hooge verwarming der kaas tijdens hot bewerken toeschrijven.

d. Rimpelkorst noemt men kaas met een gerimpelden korst; zij wordt verkregen wanneer bedorven of gore melk gebruikt is.

e. Kleurselvlekken bekomt de k;ias wanneer de melk bij het stremmen niet volkomen zoet meer is, daar het melkzuur de kleurstof neerslaat en deze zich dus niet gelijkmatig door de kaasstof verdeelt.

f. Zoogenaamde xoutbarstjes verkrijgt de kaas wanneer zij niet genoeg van haar vocht bevrijd is. De vochtdeelen, naar beneden zakkende, geven daar aan

-ocr page 408-

362

de kaas een bleeke kleur met een vochtigen uitslag en barstjes, zoodat de korstvorming hier niet goed plaats heeft.

g. Behalve bovengenoemde kau de kaas nog vojschillende andere gebreken bezitten tengevolge van slechte bewerking, onzindelijkheid enz. In enkele gevallen noemt zij een bitteren smaak aan en door het optreden van ptomaïnen kan wceko, bedorven kaas zelfs vergiftig zijn. Ook bij :t bewaren in het pakhuis, 'tzij bij den boer, 'tzij bij den kaaskooper, kunnen or zich gebroken openbaren die de kaas in waarde doen verminderen. Daartoe behooren de kanker, vooral op de magere kaas, waarbij deze scheurt, holten en gangen bekomt en miskleurig wordt, en de pokken, een witte uitslag, vooral op vette kaas. Beide gebreken worden door schimmels veroorzaakt, inzonderheid in een al te warm, vochtig vertrek; zij kunnen door afwasschen met eeno oplossing van borax of chloorzure potasch vernietigd worden.

Uit een en ander volgt, dat er omtrent de oorzaken van deze verschillende gebreken der kaas nog veel onzekers bestaat. Eensdeels zullen deze gezocht moeten worden in de bereiding zelve, wat betreft het stremmen, het vormen, het persen, kortom de geheele behandeling der kaas; anderdeels in de grondstof, do melk, en de veranderingen die hare bostanddoelen ondergaan, vooral onder den invloed van bacteriën en andere lagere organismen. Sommige daarvan zijn van gunstigen invloed op de hoedanigheid der kaas, ja bepaald noodig om doze of gene kaassoort te verkrijgen; hare ontwikkeling dient dus bevorderd te worden. Andere daarentegen zijn schadelijk, en deze dienen dus te worden buitengesloten, maar aangezien dit zelden geheel mogelijk is moet er naar worden gestreefd hare ontwikkeling tegen te gaan. Daarop moet eeno doeltreffende kaasbereiding dus worden gericht ').

De dieren die do kaas soms benadeelen zijn: de kaasmyt (Tyroghjphus Siro L.); do kaasmade (springers), afkomstig van eene kleine vlieg [Piophila casei L.), en de made der gewone kamervlieg (Musea domestiea L.). Zindelijkheid en een luchtig vertrek worden ook hiertegen het moest aanbevolen. Voorts moet goed zijn het dagelijks bestrijken van de 14 dagen oude kaas met bier en azijn of met oen aftreksel van saffraan in azijn, waardoor de kaas tevens eene gewenschte kleur krijgt, of met pekel en alcohol, waarin peper is opgelost, om de vliegen, die in de kaas eieren leggen, waaruit de maden te voorschijn komen, daarvan af te honden.

De hoeveelheid kaas, die uit eene zekere quantiteit molk verkregen wordt, verschilt naar de qnaliteit van deze en inzonderheid of men daartoe de volle melk, dan wel afgeroomde genomen heeft. Bij het maken van gewone, vette zoctemolksche kaas rekent men 10 a 12 KG. versche melk op 1 KG. versche kaas, welke bij het rijpworden 10—15 proc. aan gewicht verliest. Van afgeroomde melk zijn ongeveer 16 —18 KG. op 1 KG. versche kaas noodig. Voor do Limburger weoke kaas rekent men 8 KG. niet-geroomde melk op 1 KG. versche kaas en 12 a 14 KG. afgeroomde melk op 1 KG. kaas.

Aan de kaasfabriek te Hoogcarspel werd volgens eene waarneming van den directeur, den heor Brander, uit 100 KG. melk, waarvan do avondmolk eens

') Zie ook Ur. L. Adametz; Ueber die IJrsachen und Err eg er der abnormalen Reifungsvorgdnge beim Kiise, en A. Bos, Iets over gebreken in Goudsche kaas.

-ocr page 409-

363

en de morgenmelk niet geroomd was en oen gemiddeld vetgehalte van 2.65 proc. had, gemiddeld 9.25 KG. kaas verkregen, of voor 1 KG. kaas was gemiddeld 10.8 KG. melk noodig. In November en December werd de grootste . hoeveelheid, uit 100 KG. melk respectievelijk 11.94 en 11.46 KG., en in April en Juli de geringste hoeveelheid, respectievelijk 8.04 en 8.03 KG. verkregen, of anders: voor 2 KG. marktkaas, dus 3 a 4 weken oud, was over de jaren 1892—'94 noodig: in Januari 21.51 KG., Februari 22.42, Maart 28.35, April 25.95, Mei 24.98, Juni 25.11, Juli 25.06, Augustus 24.52, September 22.40, October 20.54, November 19.98 en December 20.82 KG. melk. Zie verdere opgaaf in eene tabel hierachter.

De wei of hui, die bij het kaasmaken als bijproduct verkregen wordt, dient hoofdzakelijk tot voeder voor varkens en kalveren. Daar het niet mogelijk is, vooral bij het maken van vette kaas, al het vet en alle kaasstof uit de melk te verkrijgen, is de wei, om haar gehalte aan deze stoffen, zoomede om de melksuiker en de zouten, die zij nog bevat, daartoe wel geschikt.

Intusschen kan uit wei ook nog boter verkregen worden, en in Zwitserland bereidt men er uit eene soort van kaas, bekend onder den naam vau ivüic ziger, alsmede de melksuiker. In Noorwegen verkrijgt men uit de wei, door indamping enz., zoogenaamde Mysost-kaa.s.

Om uit zoete wei boter te maken, laat men haar uitroomen op de gewone wijze of machinaal, b.v. met een hand-centrifuge vau Mélotte, en karnt den room. Of men verhit de wei tot ongeveer 80° C. en voegt daarna op 100 liter. 1 a 2 liter zure wei toe. Een gedeelte der kaasstof en hot vet verzamelen zich dan aan de oppervlakte. Men schuimt deze massa, in Zwitserland Vor-bruch geheeten, af en karnt haar ongeveer 24 uur later op de gewone wijze, na vermenging met water. Na het wegnemen der Vorbruch,' wordt uit de overblijvende vloeistof (Schotten) door koking met 3 proc. zure wei do ziger afgescheiden en deze tot kaas gevormd. Uit de overblijvende vloeistof verkrijgt men, door indamping enz., melksuiker.

Soms worden uit de wei de eiwitstoffen onder den naam van albumine afgescheiden en tot industrieele doeleinden gebruikt. Ook heeft men beproefd uit wei eene alkoholische vloeistof te bereiden. Kunstkaas of margarinekaas wordt bereid uit afgeroomde melk, waarmede, door middel van een emulseur, margarine, op 100 KG. melk ongeveer 3 KG. margarine, vermengd is.

Wij hebben hiermede het voornaamste gebruik, dat van de melk gemaakt wordt, nagegaan.

Dat de' melk ook tot verschillende doeleinden in de huishouding gebruikt wordt en dat ook daarbij dezelfde voorwaarden, om het zuur worden enz. te voorkomen, moeten in acht genomen worden, is haast onnoodig te zeggen.

Enkele melkinrichtingen leveren ook gesteriliseerde of gepasteuriseerde melk in luchtdicht gesloten flesschen, bl. 287. Nog andere dergelijke melk van bepaalde samenstelling, zoogenaamde kindermelk. Vorder zijn er fabrieken, die de melk vooral ten behoeve van zeevarenden en van melkarme streken in gecondenseerden of verdikten toestand leveren. Daartoe wordt zij in zooge-

-ocr page 410-

364

naamde vacuiiin-pannen ingedampt of verdikt, veelal met suiker vermengden, nog warm, in tinnen kruiken gedaan, die vervolgens diclit gesoldeerd worden. Aangezien deze melk lang kan duren, kan men ze ook geconserveerde (verduurzaamde) melk noemen.

Kumys of melk wijn is eene alkoliolische vloeistof die men door toevoeging van gewone gist uit melk bereidt, oorspronkelijk in Tartarije uit paardenmelk, thans echter ook in andere streken en uit koemelk; zij wordt voor genees-kundige doeleinden gebruikt.

Tot een dergelijk doeleinde dient de kefir, dat is melk welke men heeft doen gisten door toevoeging van eene eigenaardige soort gist, de kefirkorrels.

Laktarin of kaaxcjom, kaaslijm of kaankit en Laklile of melkivoor, nutrose, eukasin, somatogen, caseon of plasman, enz. zijn nog enkele producten uit do kaasstof der geroomde melk bereid. Voor nadere bijzonderheden daaromtrent verwijzen wij naar een Technologisch Handboek of een Handboek voor zuivelbereiding.

B. GEBRUIK VAX MESTVEE.

Welke runderen al ter vetmesting bestemd worden, is bl. 248 en vlgg; gezegd. Daarnaar, alsmede naar den graad van mosting, bl. 255, bekomt men

vleesch en vet van zeer verschillende qualiteit en van verschillende waarde. Volgens een onderzoek van L. Adametz heeft het vleesch der laaglandsrassen het hoogste vetgehalte, 1.32 proc. gemest en 0.99 proc. ongemest: het geringste vetgehalte dat van liet steppenvee, 0.72 proc. gemest en 0.57 proc. ongemest.

Ook zijn, gelijk bekend is, liet vleesch en vet van de verschillende deelen niet evenveel waard en dus niet even hoog in prijs; zij dienen althans van ongelijken prijs to zijn.

Op do Engelscho markt brengt men het vleesch tot 4 klassen en 18 ondor-afdeelingen. In Fig. 189 zijn deze aangeduid. Por 1000 KG. vertegenwoordigen

-ocr page 411-

365

zij aan hot Rnnrl een gewiekt en hebben zij naav ile tegenwoordige prijzen eene waanlo als in het volgende lijstje is opgegeven.

Gewicht Prijs por KG.

Klasse I. 1. Staartstuk 70 KG. f 1.08

140 » » 1.18

108 » » 0.9 G

31 » » 0.94

108 » » 0.94

1. Staartstuk

2. Lendenstuk

3. Voorste ribstuk

4. Kamerstuk

5. Bilstuk

11. Flankstuk

12. Dikko-ribstuk

13. Naborst

14. Voorborst

15. Hals

1G en 17. Poot en 18. Kop niet gerekend

Santen

457 KG. Gom. j 1.03

Klasse II.

0. Bovenbuikstuk

27

KG.

f 0.89

7. Onderbuikstuk

27

»

» 0.89

8. Achter-schenkel

23

»

» 0.70

9. Midden-ribstuk

HG

»

» 0.70

10. Voor-schenkel

47

»

» 0.70

Samen

240

Klasse UT.

Klasse IV.

70 KG.

42 » G2 »

Samen 174 39 KG. 37 »

43 »

Gem. /0.72 f O.GO » 0.G0 .-gt; 0.52 Gom. /0.57 f 0.41 » 0.41 » 0.29


Samen 129 » Gem. /quot;0.3G Derhalve kosten 1000 KG. in het geheel /quot;792 of het KG. gemiddeld 79.2 cent-Het vleesch van de IV klasse kost dus bijna slechts '/s 611 der III klasse slechts de helft van dat dor I klasse. Hot beste en duurst betaalde vleesch vindt men aan do lendenen, achter de schouderbladen, rondom den staart en verder aan het bovendeel dor achterste ledematen, zie in Fig. 38 de driehoek hbk\ minder duur betaald wordt dat aan hot benedendeel der achterste ledematen tot aan den hak, dat onmiddellijk vóór de lendenen en der middenborst en voorste ledematen, nog minder dat aan de schouders, de achterborst en de benedenbuik, en het goedkoopst zijn: de voorborst (kossem), de hals, de kop en de pooten, beneden voorknie en hak. 't Is dus van belang dat het mestvee breed van achteren, breed en vol in de lendenen, breed van borst en achter de schouderbladen zij, omdat hier het meest waardige vleesch zich bevindt. Dat voorts do waarde van het vleesch verschilt, naardat men met oen mager, halfvet of een vet dier te doen hooft, omdat het eerste meer water bevat en in zijn sap minder voedende stoffen opgelost houdt, is bl. 4 reeds opgemerkt, maar ook hot vleesch der slappe mesting, dat wel uitwendig met vet bezet, maar minder met vet doorregeld is, heeft minder waarde dan dat der kernmesting, waarbij het laatste wel het geval is. Voortreffelijk vleesch geven de weidemest en het mesten met graan en hooi, stroo en wortelgewassen; minder deugdzaam is veelal het vleesch der spoolingmesterij; het vet, daarbij verkregen, is weekor. Zoo ook wordt een. weeker vet vorkregen, wanneer men veel oliekoeken als toevoor geeft, terwijl graan en zemels, vooral als deze in

-ocr page 412-

366

den laatsten tijd der mestperiodo gegeven worden, oen vast, kernachtig vet leveren.

Hoe vetter eenig dier of hoe meer het door en door gemest is, des te gunstiger is ook de verhouding tusschen het levend- en het zoogenaamde slaehtgewieht of het gewicht van 't vleesch, enz. schoon aan den haak.

Volgens Grevers '), bedraagt het slaehtgewieht van pinken of hokke-lingen, tot den ouderdom van twee jaren, zoomede van afgemolken Friesche en Noordhollandsche melkkoeien, in het voor- of najaar 56—60 proc. van het levendgewicht; van Mnnstersche trekossen op het eind eener enkele weiding 58 —60 proc. Ossen, koeien, kweenen en vaarzen van middelbaren ouderdom, aan het einde van het weisaizoen 62—65 proc. Geweid en gemest vee van allerlei soort en geslacht, van middelbare jaren, met uitzondering van stieren, 66—-72 proc.

Ter bepaling van het levcndgewicht en het hieruit af te leiden slaehtgewieht, dient de vee-bascule, of bij gebrek hiervan geschiedt zulks bij taxatie op het oog' of op den tast; door het laatste beoordeelt men in het algemeen de qualiteit. Door het betasten der ribben, de heupen, den staartwortel enz. tracht men te ontdekken, of zich onder de huid, uit de hoedanigheid der greep aan de huidplooi onder de dijen, de flanken (den vangst) en den balzak besluit men, of zich inwendig meer of minder vet heeft afgezet. In vele gevallen doeltreffend, om tot het levend- en het slaehtgewieht te besluiten, is het meten van 't vee. In het boekje van Grevers zijn daarvoor eene menigte tabellen gegeven. Wij moeten hier daarheen of naar Starings Almanak, waarin ook eenige opgaven daaruit voorkomen, verwijzen2).

Niet alleen bij in- en verkoop, maar ook ter beoordeeling van het resultaat der mesting, is eene meting van tijd tot tijd, b.v. alle maand, zeer dienstig. Men zij daarbij er op bedacht, dat gedurende den eersten tijd van 't mesten gewoonlijk de sterkste gewichtstoeneming plaats heeft.

C. GEBRUIK VAN WERKVEE.

Blijkens het Verslag over den Landbouw bedroeg het getal der onderstaande runderen in Nederland:

in 1866

1871

1881

1891

t/m 1870

t/m 1880

t/m 1890

t/m 1899

in 1899

Springstieren

14.085

16.334

17.730

19.017

18.179

Melkkoeien

895.974

911.001

893.862

914.199

958.443

Kalveren en

pinken

361.019

436.183

496.301

561.057

600.341

Mestossen en

-koeien

57.210

63.476

69.584

65.609

64.983

Trekossen

10.486

10.040

8.107

5.675

4.524

Runderen samen

1.358.309

1.438.060

1.485.725

1.565.557

1.646.470

') Hk. Grevers, Handleiding om het gewicht van het rundvee te bepalen.

-) Zie ook : K l ü v e r—S t r a u c h, Tabelle zur Bestimmung des lirullo- und Netto-gewiekts des Bindviehes; ook vertaald en bij Vroemen-liormans te Sittanl uitgegeven, en Dr. Frohwein, Die Bestimmung des Lehend- und Schlachtgewichts des Bindes dnrch die Patent-Binderwage in der Westentasche.

-ocr page 413-

367

Hot aantal trekossen is dus, in vorhoufling tot 't getal overige rundoren, niet groot en in de laatste 30 jaren voor meer dan de helft verminderd. Het zijn hoofdzakelijk do provinciën Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijsel waar zij gevonden worden.

Voor het verrichten van langzamen, zwaren arbeid wil men, dat ossen geschikter zijn dan paarden, inzonderheid als de wegen slecht zijn. Op harde wegen moeten Imnne hoeven met ijzers beslagen worden , evenals die van paarden.

Zij worden met behulp van een juk, öf aan de horens, of aan de schoft en boegen aangespannen en langzamerhand aan het trekken gewend. Eerst op vijfjarigen leeftijd volwassen zijnde, mogen zij alsdan tot volledige arbeids-verrichting gebruikt worden. In den regel gebruikt men ze in het buitenland 2 a 3 jaren, soms ook langer als zoodanig en mest ze dan. Hier te lande worden meer jongere ossen en deze veelal slechts één seizoen gebruikt. Ontvangen zij weinig krachtvoer, maar krijgen ze hoofdzakelijk weide tot voeder, zoo is men gewoon ze bij beurten om te wisselen, teneinde hun tijd tot eten te geven en den arbeid niet te lang stil te doen staan. Melkkoeien, niet drachtig zijnde, worden voor lichteren arbeid of bij nood in de plaats van ossen gebruikt. Worden zij iets beter gevoederd, ontvangen zij b.v. 1 a 2 KG. krachtvoer per dag meer, dan lijdt ook de melkopbrengst daaronder weinig, bl. 280.

D. ra.TPRODUCTEN VAN HET RUND.

In de eerste plaats moet hier de mest genoemd worden, waaromtrent intusschen I, hl. 375 en volg., reeds het noodige gezegd is. Wegens het toedienen van meer krachtvoer, heeft de mest van mestvee in den regel de meeste waarde. Vetmesten en mestmaken zijn dan ook niet zelden de hoofdbedoelingen, die men met het houden van dit vee heeft.

De huid, die in verschen toestand een gewicht bezit van 25—35 KG., wordt tot Ieder bereid. Zij kan als bijproduct van het mestvee beschouwd worden.

Zoo ook de horens en hoeven, waarvan verschillende snuisterijen worden gemaakt, maar die ook, evenals het haar, het bloed en de ingewanden, wegens hun stikstofgehalte, waarde als mest hebben en, tenzij tot enkele andere doeleinden, daartoe hoofdzakelijk gebruikt worden.

HOOFDSTU K IT.

PAARDENTEELT ').

1. AFSTAMMING EX EIGENSCHAPPEN VAN MET PAARD.

Het getemde Paard staat bekend als het edelste huisdier. Cuvier noemde het de belangrijkste verovering die de mensch ooit gedaan heeft. En inderdaad: door zijne snelheid van bewegingen, zijne leerzaamheid en gehoorzaamheid,

') G. Sc li wa r/, neck er, Die Pferdezucht. W. C. Schimmel, Handleiding lol de paardenkennis. C. I). van der Weg, Handleiding voor paardenfokkerij.

-ocr page 414-

368

zijne kracht en volharding is liet meer dan eenig ander dier voor hot trekken en dragen van lasten, inzonderheid wanneer het daarbij op eene zekere snelheid aankomt, geschikt. Maar hot bezit die eigenschappen in eene groote mate van volkomenheid slechts bij en onder den onmiddellijken invloed van den mensch; zoodra liet zich daarvan verwijdert, nemen zijne goede hoedanigheden af, en er is eene aanhoudende zorg noodig om het de verkregene eigenschappen te doen behouden.

Als stamouders van het over bijna de geheele wereld verspreide Paard kunnen worden aangenomen de paarden, die in lang vervlogen eeuwen in verschillende werelddeelen, met uitzondering van Australië, maar vooral in Znid-Amerika geleefd hebben en waarvan de versteende overblijfselen in de tertiaire aai diagen worden aangetroffen. Allengs of, wat ook mogelijk is, sprongsgewijze heeft zich daaruit het tegenwoordige paard ontwikkeld, dat evenals de andere huisdieren eens in het wild voorkwam. Of er thans nog oorspronkelijk wilde paarden voorkomen is niet met zekerheid bekend. Volgens sommige natuuronderzoekers kunnen als zoodanig beschouwd worden: de paarden, die tusschen het meer Aral en het Hindukuh-gebergte, in de woestijn van Gobi en aan den Boven-Hoangho in troepen leven en onder den naam van Tarpans bekend zijn. Volgens anderen zijn dit geen oorspronkelijk wilde maar verwilderde paarden. Voorbeelden van het verwilderen van paarden zijn trouwens verre van zeldzaam. Niet alleen geschiedt zulks zeer dikwijls in deze streken van Azië, waar de tarpans voorkomen, maar ook is het met zekerheid bekend, dat de in Zuid-Amerika in het wild levende paarden slechts verwilderde zijn. Vóór de ontdekking van Amerika toch kenden de Indianen het Paard niet; en de geschiedenis vermeldt, hoe hier, na dien tijd, paarden losgelaten zijn, die nu in troepen de uitgestrekte grasvlakten, de Llanos in het noorden en de Pampas aan de rivier la Plata, bewonen en deels geheel in 't wild (Gimmarones], deels (de Mustangs) nog eenigennate onder de hoede van den mensch leven.

De dierkundigen brengen het Paard tot de orde der Eénhoevigen, waartoe slechts één geslacht, het gesl. Equus behoort. Eénhoevig noemt men de diersoorten , tot dit geslacht behoorende, omdat zij aan eiken poot maar één teen of vinger bezitten en deze met een breeden hoef omkleed is. Of er meer dan eene soort van eigenlijke paarden aangenomen moeten worden, daaromtrent zijn de dierkundigen het niet eens. Wel beschouwen zij tot nog toe als soorten, behalve het tamme Paard {Equus caballus), den lammen Ezel (E. asinus), den Onager of wilden Ezel {E. onager), den Dschiggctai, Kulan of half-Ezel (E. taeniopus), den steppen- of Afrikaanschen wilden Ezel {E. liemionus), den Quagga {E. quagga), den Zebra {E. zebra) en den Dauw of het Tijger-paard {E. Burchellii). Sommige soorten daarvan hebben, evenals het tamme Paard, den geheelen staart met lange haren bezet, terwijl de Zebra en de tamme Ezel en zijne naamgenooten slechts aan het eind een haarbos dragen. De ezels zijn bovendien gekenmerkt door hunne betrekkelijk lange ooren en hunne meer gelijke kleur, die bij den tammen Ezel grauw is met eene zwarte streep over den rug en dikwijls eene zwarte dwarsstrecp over het kruis, terwijl de Zebra, de Quagga en de Dauw eene gele of geelbruine grondkleur met regelmatige donkere strepen bezitten.

-ocr page 415-

309

Het kruisen van paavdon met ezels is reeds lang bekend en geschiedt in

sommige streken vrij algemeen; /.ie hieronder. Men noemt de daaruit voortkomende bastaard s m wildier en,

als de vader een ezel,

en muilezels, als de vader een paard is.

In lichaamsvorm komen beiden het meest mot ilo moeder overeen. liet Muildier lijkt dus meer op een paard, maar de langere ooren, de haarbos aan don staart en de stem (het balkt) heeft hot van zijn' vader,

den ezel. De Muilezel heeft de gestalte

zijner moeder, maar de dikke kop, de geheel met lange haren bezette staart en hot gehinnik komen meer met het paard overeen. Ook kruisingen van het Paard met zebra's en tijgerpaarden zijn mogelijk').

Het mannelijk paard wordt hengst (dekhengst)

en gecastreerd ruin geheeten, het vrouwelijk paard

heet merrie. Tot op ongeveer

éénjarigen leeftijd noemt men

het veulen (hengstveulen, moêr-

vetden), van één- tot tweejarigen

leeftijd enter, van twee tot drie

. , , Fig. 193. VerscliiUende vor-

jaar twinter en vervolgens wordt rnen jei kroonvlakte van een

liet als driejarig, vierjarig paard der middelste paardensnijtan-, ' ' den na liet afslijten: a dwars-

enz. aangeduid. ovaal tot '12 jaar; b rond van

Ter herkenning van den ouder- 12 tot 18 jaar; c driehoekig van dom dient vooral het gebit. Het Paard bezit in elke kaak G snijtanden , 2 hoektanden en 12 kiezen. De hoektanden zijn klein en bij de merrie veelal in 't geheel niet aanwezig. Do kiezen, Fig. 190, bezitten jilatte, met

') Deze kruisingen zijn o. a. uitgevoerd en de verkregen bastaards waren tentoongesteld door Piof. Cossar Ewart te Edinburgh op de York Meeting van de R. A. S. in 1900. Journ. of the B. A. S., 1900, p. 414.

reinuers, III. Vierde druk. 24

-ocr page 416-

366

den laatsten tijil der mestperiode gegeven worden, een vast, kernachtig vet leveren.

Hoe vetter eenig dier of hoe meer liet door en door gemest is, des te gunstiger is ook do verhouding tusscheu het levend- en het zoogenaamde slaehtgewicht of het gewicht van 't vleesch, enz. schoon aan den haak.

Volgens Grevers '), bedraagt het slaehtgewicht van pinken of hokke-lingen, tot den ouderdom van twee jaren, zoomede van afgemolken Friesche en Noordhollandsche melkkoeien, in het voor- of najaar 56—60 proc. van liet levendgewicht; van Munstersche trekossen op het eind eener enkele weiding 58—60 proc. Ossen, koeien, kweenen en vaarzen van middelbaren ouderdom, aan het einde van het weisaizoen 62—65 proc. Geweid en gemest vee van allerlei soort en geslacht, van middelbare jaren, met uitzondering van stieren, 66—72 proc.

Tor bepaling van hot levendgewicht en het hieruit af te leiden slaehtgewicht , dient de vee-bascule, of bij gebrek hiervan geschiedt zulks bij taxatie op hot oog' of op den tast; door het laatste beoordeelt men in het algemeen de qualiteit. Door het betasten der ribben, de heupen, den staartwortel enz. tracht men te ontdekken, of zich onder de huid, uit de hoedanigheid dei-greep aan de huidplooi onder de dijen, de flanken (den vangst) en den balzak besluit men, of zich inwendig meer of minder vet heeft afgezet. In vele gevallen doeltreffend, om tot het levend- en het slaehtgewicht te besluiten, is hot meten van 't vee. In het boekje van Grevers zijn daarvoor eene menigte tabellen gegeven. quot;Wij moeten hier daarheen of naar Starings Almanak, waarin ook eenige opgaven daaruit voorkomen, verwijzen 2).

Niet alleen bij in- en verkoop, maar ook ter beoordeeling van het resultaat der mesting, is eene meting van tijd tot tijd, b.v. alle maand, zeer dienstig. Men zij daarbij er op bedacht, dat gedurende den eersten tijd van 't mesten gewoonlijk de sterkste gewichtstoeneming plaats heeft.

C. GEBRUIK VAN WERKVEE.

Blijkens het Verslag over den Landbouw bedroeg het getal der onderstaande runderen in Nederland:

in 1866

1871

1881

1891

t/m 1870

t/m 1880

t/m 1890

t/m 1899

in 1899

Springstieren

14.085

16.334

17.730

19.017

18.179

Melkkoeien

895.974

911.001

893.862

914.199

958.443

Kalveren en pinken

361.019

436.183

496.301

561.057

600.341

Mestossen en -koeien

57.210

63.476

69.584

65.609

64.983

Trekossen

10.486

10.040

8.107

5.675

4.524

Eunderen samen

1.358.309

1.438.060

1.485.725

1.565.557

1.646.470

') Hk. Grevers, Handleiding om het gewicht van het rundvee te bepalen.

-) Zie ook: KIüver—Stranch, Tabelle zur Bestimmung des Tlrntlo- und Netto-gewichts des Rindviehes; ook vertaald en bij Vroemen-Bormans te Sittard uitgegeven, en Dr. Frohwein, Die Bestimmung des Lebend- und Schlachtgewichts des Eindes durch die Palent-Rinderwage in der Westentasche.

-ocr page 417-

367

Hot aantal trokosson is dus, in vorhonrling tot 't getal overige nimloren, niet groot en in de laatste 30 jaren voor meer dan de helft verminderd. Het zijn hoofdzakelijk de provinciën Noord-Brabant, Limburg, (ielderland en Overijsel waar zij gevonden worden.

Voor het verrichten van langzamen, zwaren arbeid wil men, dat ossen geschikter zijn dan paarden, inzonderheid als de wegen slecht zijn. Op harde wegen moeten hunne hoeven met ijzers beslagen worden, evenals die van paarden.

Zij worden met behulp van een juk, of aan de horens, öf aan de schoft en boegen aangespannen en langzamerhand aan het trekken gewend. Eerst op vijfjarigen leeftijd volwassen zijnde, mogen zij alsdan tot volledige arbeids-verrichting gebruikt worden. In den regel gebruikt men ze in het buitonland 2 a 3 jaren, soms ook langer als zoodanig en mest ze dan. Hier te lande worden meer jongere ossen en deze veelal slechts één seizoen gebruikt. Ontvangen zij weinig krachtvoer, maar krijgen ze hoofdzakelijk weide tot voeder, zoo is men gewoon ze bij beurten om te wisselen, teneinde hun tijd tot eten te geven en den arbeid niet te lang stil te doen staan. Melkkoeien, niet drachtig zijnde, worden voor lichteren arbeid of bij nood in de plaats van ossen gebruikt. Worden zij iets beter gevoederd, ontvangen zij b.v. 1 a2KG.krachtvoer per dag meer, dan lijdt ook de melkopbrengst daaronder weinig, bl. 280.

D. ni.TPRODUCTEJI VAN HET RTTJND.

Tn de eerste plaats moet hier de mest genoemd worden, waaromtrent intnsschen I, hl. 375 en volg., reeds het noodige gezegd is. Wegens het toedienen van meer krachtvoer, heeft de mest van mestvee in den regel de meeste waarde. Vetmesten en mestmaken zijn dan ook niet zelden de hoofdbedoelingen, die men met het houden van dit vee heeft.

Do huid, die in verschen toestand een gewicht bezit van 25—35 KG., wordt tot leder bereid. Zij kan aJs bijproduct van het mestvee beschouwd worden.

Zoo ook de horens en hoeven, waarvan verschillende snuisterijen worden gemaakt, maar die ook, evenals het haar, het bloed en de ingewanden, wegens hun stikstofgehalte, waarde als most hebben en, tenzij tot enkele andere doeleinden, daartoe hoofdzakelijk gebruikt worden.

HOOFDSTUK IT.

PAARDENTEELT ').

1. AFSTAMMING EN EIGENSCHAPPEN VAN HET PAARD.

Het getemde Paard staat bekend als het edelste huisdier. Cuvier noemde het de belangrijkste verovering die de mensch ooit gedaan heeft. En inderdaad: door zijne snelheid van bewegingen, zijne leerzaamheid en gehoorzaamheid.

') G. Scliwarznecker, Die Pfërdezucht. W. C. Schimmel, Handleiding lot de paardenkennis. C. I). van iler Weg, Handleiding voor paardenfokkerij.

-ocr page 418-

368

zijne kracht on volharding is hot meer clan eonig ander dior voor hot trokken en dragen van lasten, inzonderheid wanneer hot daarbij op oone zekere snelheid aankomt, geschikt. Maar hot bozit dio eigenschappen in eeno grooto mate van volkomenheid slechts hij on onder den onmiddellijkon invloed van den niensch; zoodra hot zich daarvan verwijdert, nemen zijne goedo hoedanigheden af, en er is oeno aanhondendo zorg noodig om het de verkregeno eigenschappen to doen bohonden.

Als stamouders van het over bijna de geheelo wereld verspreide Paard kunnen worden aangenomen de paarden, die in lang vervlogen eeuwen in verschillende werolddeolen, mot uitzondering van Australië, maar vooral in Zuid-Amerika geloofd hebben en waarvan do versteende overblijfselen in do tertiaire aaidlagen worden aangetroffen. Allengs of, wat ook mogelijk is, sprongsgewijze heeft zich daaruit het tegenwoordige paard ontwikkeld, dat evenals de andere huisdieren eens in hot wild voorkwam. Of er thans nog oorspronkelijk wilde paarden voorkomen is niet met zekerheid bekend. Volgens sommige natuuronderzoekers kunnen als zoodanig beschouwd worden: de paarden, die tusschen het meer Aral en het Hindukuh-gebergte, in do woestijn van Gobi en aan den Boven-Hoangho in troepen leven en onder den naam van Tarpons bekend zijn. Volgens andoren zijn dit geen oorspronkelijk wilde maar verwilderde paarden. Voorbeelden van het verwilderen van paarden zijn trouwens verre van zeldzaam. Niet alleen geschiedt zulks zoor dikwijls in deze stroken van Azië, waar de tarpans voorkomen, maar ook is hot met zekerheid bekend, dat de in Zuid-Amorika in liet wild levende paaiden slechts verwilderde zijn. Vóór de ontdekking van Amerika toch kenden de Indianen hot Paard niet; en de geschiedenis vermeldt, hoe hier, na dien tijd, paarden losgelaten zijn, die nu in troepen de uitgestrekte grasvlakten, de Llanos in het noorden en do Pampas aan de rivier la Plata, bewonen en deels geheel in 't wild (Gimiiinrones), deels (de Mustangs) nog eenigennate onder de hoede van den mensch leven.

De dierkundigen brengen hot Paard tot de orde der Emhoevigen, waartoe slechts één geslacht, het gosl. Equus behoort. Eenhoevig noemt men de diersoorten , tot dit geslacht behoorende, omdat zij aan eiken poot maar één teen of vinger bezitten en deze met een breedon hoef omkleed is. Of er meer dan oone soort van eigenlijke paarden aangenomen moeten worden, daaromtrent zijn de dierkundigen hot niet eens. Wel beschouwen zij tot nog toe als soorten, behalve hot tamme Paard (Equus cabalhis), den tammen Ezel [E. asinus), den Onager of ivilden Ezel {E. onager), den Dschiggetai, Kul an of half-Ezel (E. taeniopus), den steppen- of Afrikaanschen wilden Ezel {E. hemionus), don Quagga {E. quagga), don Zebra {E. zebra) en don Dauw of het Tijger-paard [E. Burchellii). Sommige soorten daarvan hebben, evenals het tamme Paard, den geheelen staart met lange haren bezet, terwijl de Zebra en de tamme Ezel en zijne naamgonooton slechts aan het eind oen haarbos dragen. Do ezels zijn bovendien gekenmerkt door hunne betrekkelijk lange ooron en hunne moer gelijke kleur, die bij den tammen Ezel grauw is met eene zwarte streep over den rug en dikwijls eene zwarte dwarsstroop over hot kruis, terwijl de Zebra, de Quagga en de Dauw eene gele of geelbruine grondklour met regelmatige donkore strepen bezitten.

-ocr page 419-

B69

dom dient vooral het gebit. Het Paard bezit in elke kaak G snijtanden , '2 hoektanden en 12 kiezen. De hoektanden zijn klein en bij de merrie veelal in 't geheel niet aanwezig. De kiezen. Fig. 190, bezitten platte, met

met zebra's cn tijgerpaarden zijn mogelijk'). paard wordt hengst {dekimngst) het vrouwelijk paard heet merrie. Tot op ongeveer éénjarigen leeftijd noemt men het veulen (hengstveulen, moêr-teulen), van één- tot tweejarigen leeftijd enter, van twee tot drie jaar twinter eu vervolgens wordt het als driejarig, vierjarig paard enz. aangeduid.

Ter herkenning van den ouder-

') Deze kruisingen zijn o. a. uitgevoerd en de verkregen bastaards waren tentoongesteld door Prof. Cossar Evvart te Edinburgh op de York Meeting van de R. A. S. in 1900. Journ. of the R. A. S., 1900, p. 414.

REINDERS, III. Vierde druk. 24

paarden met ezels is reeds lang bekend en geschiedt in sommige streken vrij algemeen; /.ie hieronder. Men noemt do daaruit voortkomende bastaard s m ui klier ai,

als de vader een ezel,

en muilezels, als de vader een paard is.

In lichaamsvorm komen beiden het incest mot de moeder overeen. liet Muildier lijkt dus meer op een paard, maar do langere ooren, de haarbos aan den staart en de stem (het balkt) hoeft het van zijn' vader,

den ezel. De Muilezel heeft do gestalte

zijner moeder, maar de dikke kop, de geheel met lange haren bezette staart en het gehinnik komen meer met het paard overeen. Ook kruisingen van het Paard

Het mannelijk

en gecastreerd ruin geheeten

-ocr page 420-

370

sterk kronkelende émailplooien voorziene kroonvlakten en zijn dus voor liet raaien van plantaardig voedsel goed ingericht. Eigenaardig is ook de houw dei-snijtanden. Men kan zich voorstellen, dat deze, zie Fig. 191, als hot ware van boven ingestnlpt zijn en daardoor eene holte ïn de tand ontstaan is.

Daardoor zijn de drie lagen, waaruit eene tand of kies bestaat, het cement, émail en tandbeen dubbel geworden. Van boven gezien. Fig. 192, ontdekt men licht de twee kringvormige kragen van émail, die, harder zijnde, minder afslijten. Fig. 202. Tanden van een De binnenste omsluit de inwendige holte of het paard met kunstmatige holte. ^ behalve (lat zij inWendig met cement

bekleed is, met eene kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelcn is opgevuld en daardoor eene geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige émail. Tusschen de beide émailkringen treft men het weekere tandbeen aan. Genoemde

-ocr page 421-

371

tandholte of in stulping is in de snijtanden der bovenkaak 1.3 a 1.7 eM. diep, in die der onderkaak ongeveer O.G cM., en wordt naar beneden toe steeds kleiner.

Aangezien nu de tanden door het gebruik voortdurend afslijten, spreekt het vanzelf dat het merk steeds kleiner wordt en eindelijk geheel verdwijnt, maar eerder aan de tanden der onderkaak dan aan die der bovenkaak. wijl de holte daarvan dieper is. Fig. 193. Gewoonlijk verdwijnt de holte van de middelste snijtanden der onderkaak in het zesde, in de daaraan grenzende in het zevende en in de beide buitenste in het achtste jaar. In de snijtanden der bovenkaak verdwijnt het merk 1—3 jaar later, dus in het negende tot elfde jaar. Maar behalve dat het merk langzamerhand kleiner wordt en eindelijk verdwijnt, verandert ook de vorm der geheele kroonvlakte, naarmate de tand afslijt. Fig. 193 en volg., en kan ook die vorm ter bepaling van den ouderdom dienen boven den leeftijd van 11 a 12 jaar. Eerst is de kroonvlakte dwarsovaal en dit duurt voor de middelste der onderkaak tot ongeveer 12 jaar, voor de andere iets langer. Langzamerhand wordt zij meer rond; die der middelste van de onderkaak behouden dezen vorm tot ongeveer 18, die der andere langer; vervolgens wordt de kroonvlakte driehoekig en ten slotte omgekeerd eirond. Zie Fig, 194—201. Hierbij dient dus opgemerkt te worden, dat de middelste snijtanden der onderkaak het meest afslijten en dus het eerst van vorm veranderen; zoo beginnen deze gewoonlijk met 12-jarigen leeftijd een ovalen vorm aan te nemen, de daaropvolgende met 13-jarigen en de buitenste met 14-jarigen leeftijd. Die der bovenkaak veranderen ongeveer drie jaren later van kroon-vlakte-vorm. Verder moet opgemerkt worden, dat onder sommige omstandigheden, b.v. bij kribbijters, de tanden eerder, bij andere individuen later van vorm veranderen, zoodat het niet mogelijk is den ouderdom daarnaar altijd met zekerheid te bepalen.

Met meerdere zekerheid geschiedt zulks in de eerste levensjaren naar het doorbreken en wisselen der tanden en kiezen.

Evenals voor het Rundvee, bl. 172, is zulks in de volgende tabel aangegeven. De melktanden zijn ook daarin door gewone, de blijvende door vette cijfers aangeduid , terwijl de cijfers 1, 2, 3 enz. de opvolgende tanden en kiezen aanduiden.

A

0 U D E R I) 0 M.

SNIJTANDEN.

HOEKTANDEN BI.T DEN HENGST.

IC

1 E

/, E N.

b3

r^.

1

2

3

1

2

3 4 ! 5

G

lt;

UJ

I.

Tijdperk van het doorbroken der melktanden.

bij de geboorte.....

4

4

4

4

1G

4—-6 week oud.....

4

4

-

; 4

4

4

-

20

6—19 maanden.....

4

4

4

4

4

4

4

28

11.

Tijdperk van het wisselen dor tanden.

quot;

2'2—3 jaar, Fig. 19:')

4

4

4

4

4

4

4

4

32

3^-4 ......

4

4

4

1 4

4

4

4

4

32

4 » ......

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

40

4,/2—5 » Fig. 19G

4

4

4

4

1

4

4

4

4

4

40

-ocr page 422-

Op ongeveer 4'^-jarigen leeftijd zijn dus alle tanden doorgebroken of hebben de melktanden tegen de blijvende gewisseld. Eerst op 5-jarigen leeftijd hebben deze hare volle grootte bereikt, en van nu af let men ter bepaling van den ouderdom meer bepaald op het bovenvermelde afslijten der tanden, ofschoon het afslijten der middelste snijtanden reeds op 3-jarigen en dat der volgende op 4-jarigen leeftijil begint.

Op eene bedriegelijke wijze boort men soms een kunstmatig merk in de tanden om een paard jonger te doen schijnen dan 11 a 12 jaar, Fig. 202, of worden enkele melktanden opzettelijk uitgetrokken om het gebit 't uitzicht van een jaar ouder te geven. In het eerste geval heeft men op den vorm der snijvlakte te letten en kan het bedrog ontdekt worden doordat het merk dan niet van émail is omgeven, en in het tweede geval of de tanden regelmatig afgesleten zijn.

Met het wisselen der tanden is het Paard nog niet geheel volwassen; zijn romp neemt nog in hoogte en breedte toe tot op den leeftijd van 7 jaren, bij edele rassen 8 jaren. Het groeit het meest in de eerste twee jaren. Gemiddeld weegt een veulen bij de geboorte 50 KG., 3 maand oud 130 a 140 KG., 2 jaar oud 310 a 385 en 3 jaar oud 400 a 500 KG.

De geslachtsdrift openbaart zich op ongeveer 3-jarigen leeftijd en gewoonlijk des voorjaars. De draagtijd is ongeveer 11 maand, bl. 80, en bij een hengstveulen gemeenlijk iets langer dan bij een moèrveulen. Zelden brengt eene merrie tweelingen ter wereld. Een paard kan 30—40 jaar oud w-orden, maar op ongeveer 15-jarigen leeftijd nemen zijne krachten reeds af.

Bij geen dier wordt meer gelet op den lichaamsvorm of het extérieur dan juist bij het Paard, omdat met dien lichaamsvorm zoo nauw samenhangen de diensten, die men er van verlangt en er van verlangen kan. Bovendien moet die lichaamsvorm grootendeels bepalen het begrip van schoonheid, en bij geen landbouwdier wordt dit zoo zeer in aanmerking genomen als bij het Paard. Wij bepalen ons hier tot eene korte beschrijving van den uitwendigen vorm der lichaamsdeelen om straks bij de keuze der fokpaarden het een en ander omtrent het verband tusschen hot extérieur en de diensten van het Paard mede te deelen.

Beschouwen wij daartoe eerst het Paard in zijn geheel. Zelden zal het voorkomen, dat allo eigenschappen zoo volkomen mogelijk in één enkel paard vereenigd zijn. Tot maatstaf van vergelijking wordt daarom een ideaal- of normaal-paard genomen en nagegaan, in welke verhouding de afmetingen der verschillende lichaamsdeelen tot elkander moeten staan, wanneer het geheel de gewenschte eigenschappen zal bezitten, 't Spreekt van zelf dat deze proportion voor paarden, met verschillende bedoeling gehouden, niet dezelfde kunnen zijn.

Settegast ') neemt, in navolging van Dupaty en Stephens, daarvoor den paralellogramvorm aan. Trekt men namelijk eene rechte horizontale lijn van het midden der schoft naar den staartwortel en eene andere, hiermede evenwijdig loopende van den elleboog naar de achterdeelen en verbindt deze door twee loodlijnen, waarvan de voorste de spits dor boeg en do achterste de

') II. Settegast, Die Thierziichl.

-ocr page 423-

573

meest uitstekende pimt van liet zitbeen nuikt, zoo moet deze figuur den romp nagenoeg omsluiten. Verdeelt men voorts dit paralellogram door twee loodlijnen, waarvan de eene achter de schouders, de andere langs vóór de heupen gaat, in drie deelen, zoo moeten deze deelen in een normaal paard gelijk zijn. Bij meting vindt men in den regel het middelstuk het grootst, maar hoe „gedrongenerquot; het paard, des te kleiner dit stuk is. Neemt men de langste zijde van het paralellogram. dus de afstand van de spits der boeg tot de punt van 't zitbeen, horizontaal genieten, als lengte van het paard aan en verdeelt men deze in 24 gelijke deelen, dan is volgens Settegast:

bij hot iij-, jacht- en

soldatenpaard..... 22—25 10 12—15

bij het landbouwpaard 20—22 10 10—12

Roloff ') neemt de hoogte der schoft bij haar begin tot maatstaf van verdeeling aan en stelt deze gelijk aan de lengte van de boegspits tot de uiterste punt van 't zitbeen. zoodat, wanneer nu langs de hoeven en de schoft horizontale en langs de boeg- en zitbeenspitsen verticale lijnen getrokken worden, een rechthoek ontstaat. De hoogte of lengte verdeelt hij voorts in de uiterste en middelste reden 2) en vindt dan de overige proporüën door den major en den minor, daarbij gevonden. Bedraagt de hoogte van een paard b.v. 157 cM., dan is de major daarvan vrij nauwkeurig 97 en de minor (gt;0 cM. Van een normaal paard bedraagt dan volgens Roloff de lengte van den benedenhalsrand 60 cM., de hoogte tot de spits van het sprongbeen 60 cM., de lengte van den kop iets minder dan 60 cM., de hoogte tot de knieschijf 97 cM., de hoogte tot het elleboogsuitsteeksel 90—92 cM., de hoogte tot de voorknie (gehaaktbeen) 45—46 cM., die van het midden des opperarmbeens 97 cM. enz.

Vooral van een schoon paard verlangt men dat het geproportioneerd, liar-monisch gebouwd is; maar is een paard goed geproportioneerd in zijne afmetingen, zoo is het nog niet altijd schoon. Daartoe moet alles goed afgerond en tevens slank zijn, zoodat alle hoogten en laagten niet snel, maar onmerkbaar in elkander overgaan.

Ook is het gewaagd te willen beweren, dat een paard des te volkomener en bruikbaarder is voor eenigen dienst, naarmate het deze ideale vormen nadert. „Integendeel,quot; zegt Schwarznecker, „zal men voor het eene doel eene lijn langer, voor het andere dezelfde lijn korter willen hebben, want harmonie in bouw en bruikbaarheid zijn niet altijd gelijkwaardige, soms zelfs zeer uiteen-loopende begrippen; maar men kan toch naai' de gevondene ideale vormen de voordeden en gebreken der enkele deelen beoordeelen, en hij, die begint met de beoordeelingsleor, heeft daardoor een leiddraad, waarmede hij den aanvan-

do hoogte van de schoft tot den grond

') R o 1 o f f, Die Bearlheilnnyslehre.

-) Eene lijn is in uiterste en middelste reden verdeeld als het kleinste stuk, de minor, staat tot het grootste, de major, als deze laatste staat tot de gelieele lijn.

de breedte van het dier in de borst en 't bekken

8 8

de afstand van de schoft tot den elleboog

10 10

de afstand van den elleboog tot den grond

-ocr page 424-

374

kelijk moeilijken weg kan vinden. Is hij eerst op den doolweg der beoordeeling genoeg georiënteerd, zoo zal hij ook zonder dien leiddraad terechtkomen.quot;

Tot het begrip van schoonheid behoort ook de kleur der huid en van het haar, en te dezen opzichte komt bij de paarden eene groote verscheidenheid voor. Men onderscheidt vooreerst éénkleurig haar en ten tweede haar van gemengde kleur. Het éénkleurige haar kan zijn: bruin, rood of voskleurig, vaal, waartoe ook de gele en zoogenaamd isabelkieur behoort, zwart en wil. Van deze hoofdkleuren komen nog eene menigte verscheidenheden voor. Bij bruine en vale paarden zijn do manen, de staart en de benedenste deelen der beenen gemeenlijk zwart; bij de zwarten en witten van dezelfde kleur en bij de roode paarden nu eens van dezelfde, dan eens van eene lichtere of donkerder kleur. Vele paarden hebben dikwijls eene zoogenaamde zwarte aalstreep over den rug en zwarte strepen over rug en beenen.

Tot de paarden van gemengde haarkleur behooren: de stekelharigen met weinig en de schimmels met meer witte haren, de tijgerharigen met witte haren als grondkleur en daartusschen kleine, ronde, donkerder vlekken, die van verschillende kleur kunnen zijn, en de bonten. Bij schimmels is de kleur bij de geboorte anders (donkerdei') dan op lateren leeftijd; bruinen worden vaal of grauwbruin, vossen geel of grauwbruin en zwarten muisvaal geboren. Tot de bonte paarden rekent men niet die, welke enkele witte vlekken of strepen aan don kop (bles, kol, snuf of snep), aan de voeten of het benedendeel daarvan bezitten {sok of witvoet), maar over hun geheele lichaam wit gevlekt zijn. Vele paarden van bijna elke kleur bekomen, in het bijzonder als zij goed gevoed zijn, over het geheelo lichaam, maar meestal op enkele deelen, als de schouders en het kruis, ronde vlekken, uit donker gekleurde randharen en een lichteren kern bestaande; men noemt ze dan geapj)elcl.

Wat nu den vorm der verschillende lichaamsdeelen betreft, komen bij het beoordeelen van paarden de volgende deelen in aanmerking. Zie hierbij Figuren 203, 8 en 37.

1. De kop, en hieraan vooral de neus, de ooren en de oogen. Vorm en uitdrukking van den kop en zijne deelen wijzen het geheele karakter van 't paard aan. Sterk en massief gebouwd bij den hengst, geeft hij hier moed, vuur en kracht te kennen; fijner van vorm bij de merrie, drukt hij zachtmoedigheid en tevredenheid uit. Mannelijk uitziende meniën zijn zelden goede moeders, een vrouwelijk gezicht past niet voor een hengst; zijne geslachtsorganen werken dan zelden regelmatig.

Naar den aard der bekleeding met spieren en huid kan de kop zijn: droog, vleezig, mager-, naai' den vorm der beenderen, vooral van hot voorhoofd en den neus, onderscheidt men: den rechten kop, schaapskop, ramskop, halve rarnskop, snoekekop, kielvormige kop, bol-, oudewijf- en ezelskop.

Oogen en ooren komen vooral in aanmerking bij 't beoordeelen van :t karakter van het paard, bi. 77.

De eerste moeten groot, normaal gekleurd en helder, vrij en open eu, zonder bijzondere opwekking, opmerkzaam zijn op de omgeving. Afwijkingen in kleur onderscheidt men als kakkerlakken of albinos, glasoogen en korhoender-oogen. Afwijkingen van den normalen stand en de normale grootte dor ooren worden als exelsooren, muizeooren, haxeooren en zwgnsooren onderscheiden.

-ocr page 425-

375

2. De hals. Hieraan onderscheidt men; den nel:, den boren- of achterhals (kam), de zijden en den beneden- of voorhals of de keel. Onder nek verstaat men de verbinding' van den kop met den hals. Naardat het achterhoofdsbeen iets hooger of lager gelegen is dan do nek, zegt men dat de kop hoog of laag aangezet is. De hals moet langzamerhand aan de eene zijde in den kop en van den anderen kant in de schoft overgaan. Loopt de hals nagenoeg in de richting der wervelkolom voort, zoo is iiij lancj, buigt hij zich dadelijk ver naar boven, zoo is hij hoocj aangezet.

De hals is niet enkel de drager van den kop, maar zijne spieren dienen o. a. ook tot het vooruitbrengen der schouders. Eene goede spierontwikkeling aan den hals is dus niet onbelangrijk. Het Viest werken de spieren, wanneer zij loodrecht staan op de beenderen, waarop zij ingeplant zijn. Paarden, die snel draven of zwaar trekken, houden daarom don hals nagenoeg horizontaal, om deze spieren beter te kunnen doen werken.

-ocr page 426-

370

Naar zijnen vorm oiulerscheklt men: den zwanenhals, den herten- of verkeerden haU, den langen en dunnen, tien korten en dikken hals en den spek hals.

3. De schoft wordt gevormd door de lange doornsgewijze uitsteeksels dei-eerste borstwervels, waarvan dat der vijfde 't langst is.

Eene hooge lange schoft is vooral van belang voor rijpaarden, minder voor trekpaarden. Behalve hoog en lang kan zij hoog en kort of laag en rond zijn. Een hoog aangezette hals met lage schoft wijst op kleine doornsgewijze uitsteeksels en dus op eene zwakke schoft; een laag aangezette hals kan niet eene lage maar desniettemin goede schoft gepaard gaan.

4. De rug vormt het deel van den romp, dat tnsschen schoft en heupen is gelegen. Is de schoft lang, zoo is de rug gewoonlijk kort, en met eene korte schoft gaat gemeenlijk een lange rug gepaard. Een korte rug is veelal sterker dan een lange, doch waar het op eenige snelheid van beweging aankomt, raag hij niet te kort zijn. Een rechte rug of juister een rug, die volgens eene zacht naar beneden gebogene lijn in schoft en kruis langzaam overgaat, is het meest doeltreffend. Is doze inbuiging te groot, zoo ontstaat een ingezakte rug.

Lendenen noemt men dat deel van den rug, waarvan de lendenwervels den beenigen grondslag vormen. Bij het Arabische paard en ook bij den ezel is dit deel gewoonlijk korter dan bij het paard van westelijk Europa. Maar ook bij dit is het nu eens kort, dan lang en verder gewelfd, recht of ingezakt, smal of breed. Zijn do doornsgewijze uitsteeksels hier kort, zoo noemt men de lendenen gespleten. Tengevolge van bovenmatige krachtsinspanning kan in dit gedeelte van den rug licht ontwrichting der beenderen plaats hebben en dan bekomt het paard een karper- of kameels- (opgedrevene) rug.

5. Het kruis. Do beenige grondslag van dit belangrijk gedeelte van het paardenlichaam bestaat uit het kruisbeen met een gedeelte van de staartwervels en de bekkenbeenderen. Het kruis is de zetel der kracht, die het overige deel van 't lichaam moet voortbewegen. Zijne afmetingen hangen af van de lengte en den betrekkelijkeu stand der beenderen en de hieraan bevestigde spieren. In het algemeen is een matig schuinsche stand der bekkenbeenderen, zoodanig dat liet kruis eenigszins hellend is, voor het verrichten van arbeid het doelmatigst. De breedte van het kruis is bij do meniën grooter dan bij de hengsten, en zoo ook breeder en schuinscher bij het westersche dan bij het Arabische paard. Van het kruis verlangt men voorts dat het goed bevleesd zij, en inzonderheid de paarden, voor het verrichten van zwaren en aanhoudenden arbeid bestemd, moeten hier dikke spieren bezitten.

De volgende vormen worden onderscheiden: het horizontale, het rechte, het ovale en meloenvorinige, het afhangende, het gespleten en het spitse kruis.

6. De staart kan ten opzichte van het kruis nog een verschillenden stand hebben; men noemt hem goed- of hoog aangezet, als zijne eerste wervels de richting van het kruis volgen en hij vrij uit het lichaam tredende, min of raeer hoog, van het lichaam afstaande, gedragen wordt. Deze wijze van aanzetting gaat gewoonlijk gepaard met een horizontaal, recht en ovaal kruis. Laag aangezet heet de staart, wanneer zijne eerste wervels lager staan dan het verlengde van de lijn over het kruis getrokken. Hij ligt dan met de zit-boenderen nagenoeg in ééne lijn, wordt veelal weinig gedragen en gaat gepaard

-ocr page 427-

.i v i

met een afhangeiwl kruip. Diep inliggend heet hij. wanneer liij door eene dikke spiermassa omgeven, iets lager dan liet krnisbeen ligt.

7. De horst vormt de ruimte voor de centrale organen voor de ademhalingen den bloedsomloop; in engeren zin verstaat men er door de voorzijde der borstkas. Hare breedte, waardoor men veelal den omvang dezer ruimte beoordeelt, wordt het best achter de schouders gemeten, hare lengte naar den vorm en de lengte van het borstbeen en van den rug beoordeeld, hare diepte gemeten van de punt der schoft tot den ondersten borstrand. Bedraagt de breedte als bovengenoemd jgemeten, minder dan 1.. der hoogte van 't dier, zoo heet het paard vlak geribd] komt achter de schouders en de ellebogen eene aanzienlijke uitholling voor, zoo is het eng om hei li,nrl. De afstand van liet elleboogsuitsteeksel tot de punt der schoft met een band gemeten, moet gelijk zijn aan eerstgenoemd punt tot den grond. Is de laatste afstand aanzienlijk grooter, zoo is het paard hoog en in 't omgekeerde geval laag oji de beenen. Vooral bij rijpaarden is een lang borstbeen van belang, ook omdat de zadelriem dan niet do valsche ribben en buik-ingewanden drukt, maar tegen het borstbeen rust. Rij hot Arabische paard reikt liet borstbeen tot aan den of ]3den, bij andere paarden slechts tot den 6den en 7llei1 rugwervel. Do omvang der borst bedraagt 1.60 M. tot 1.92 M.; hij is bij zware paarden betrekkelijk quot;t kleinst.

Men onderscheidt: de leeuwenhorst (zeer breed), enge of smalle borst, haviks- en lianeuhorsl (met vooruitstekende punt), geitenhorst (uitgehold) enz.

8. De buik en de llanken. De buik moet ongeveer denzelfden omvang hebben als de borst; hij heet dan slank-, afwijkingen daarvan onderscheidt men als hang- en opgeschorte buik. Onder de flanken verstaat men het bovenste achterste deel van den buik, tusschen de lendenwervels, de laatste rib en de heupen gelegen. Is deze ruimte kort en vol, zoo lieot het paard, goed geslote)/, en in het omgekeerde geval hol in de Jianken. 't Laatste is een bepaald gebrek.

9. De ledematen. Van deze zijn de achterste 't meest van belang. Zij toch moeten bij de beweging 't lichaam vooruit brengen; de werking der voorste ledematen is meer lijdelijk; zij dienen om het opgehevene en door de zwaarte vallende lichaam weder op te vangen, bl. 72.

In 't algemeen dient de stand der ledematen rechthoekig te zijn. Eene loodlijn van de zitbeenderen neergelaten moet den hiel raken en achter de hoeven den bodem bereiken, terwijl eene andere loodlijn van 't midden, het draaipunt des schouderblads gaande, langs het midden van den voorpoot den grond dicht achter de ballen moot raken; zie Fig. 37. Staan do pooten te ver onder het lichaam, zoo heeten zij onderstandig; staan de achterpooten te ver naar achteren of de voorpooten te ver naar voren, zoo noemt men ze achter-of voorstandig of gestrekt.

Koehakkig heet men de achterpooten, als de hielen te ver naar elkander toe en tonvormig, als zij verder van elkaar staan als de hoeven. Gebreken in den stand der voorpooten heeten bodemeng (van onder te dicht bijeen), hodem-wijd (te ver uiteen), hokheenig (de knieën te ver naar voren), holle knieën (te ver naar achteren gebogen), den toonlredrrstand (als de hoeven naar binnen) en den franschen stand (als de hoeven naar buiten gericht zijn).

Aan de achterste ledematen onderscheidt men: de hovrndij, de henedendij

ruimikrs, lil. Vierde druk. '25

-ocr page 428-

370

Naav zijnen vorm onderscheidt men; den zwanenhals, den herten- of ve.r-keerden, hals, den langen en dunnen, den korten en dikken hals en den spekhals.

3. De schoft wordt gevormd door de lange doornsgewijzo uitsteeksels der eerste borst wervels, waarvan dat der vijfde 't langst is.

Eene hooge lange schoft is vooral van belang voor rijpaarden, minder voor trekpaarden. Behalve hoog en lang kan zij hoog en kort of laag en rond zijn. Een hoog aangezette hals met lage schoft wijst op kleine doornsgewijze uitsteeksels en dus op eene zwakke schoft; een laag aangezette hals kan met eene lage maar desniettemin goede schoft gepaard gaan.

4. De rug vormt het deel van den romp, dat tusschen schoft en heupen is gelegen. Is de schoft lang, zoo is de rug gewoonlijk kort, en met eene korte schoft gaat gemeenlijk een lange rug gepaard. Een korte rug is veelal sterker dan een lange, doch waar het op eenige snelheid van beweging aankomt, raag hij niet te kort zijn. Een rechte rug of juister een rug, die volgons eene zacht naar beneden gebogene lijn in schoft en kruis langzaam overgaat, is het meest doeltreffend. Is deze inbuiging te groot, zoo ontstaat een ingezakte rug.

Lendenen noemt men dat deel van den rug, waarvan de lendenwervels den beenigen grondslag vormen. Bij het Arabische paard en ook bij den ezel is dit deel gewoonlijk korter dan bij het paard van westelijk Europa. Maar ook bij dit is het nu eens kort, dan lang en verder gewelfd, recht of ingezakt, smal of breed. Zijn de doornsgewijze uitsteeksels hier kort, zoo noemt men de lendenen gespleten. Tengevolge van bovenmatige krachtsinspanning kan in dit gedeelte van den rug licht ontwrichting der beenderen plaats hebben en dan bekomt het paard een karper- of kameels- [opgedrevene) rug.

5. Het kruis. De beenige grondslag- van dit belangrijk gedeelte van het paardenlichaam bestaat uit het kruisbeen met een gedeelte van de staartwervels en de bekkenbeenderen. Het kruis is de zetel der kracht, die het overige deel van 't lichaam moet voortbewegen. Zijne afmetingen hangen af van de lengte en den betrekkelijken stand der beenderen en de hieraan bevestigde spieren. In het algemeen is een matig schuinsche stand der bekkenbeenderen, zoodanig dat het kruis eenigszins hellend is, voor het verrichten van arbeid het doelmatigst. De breedte van het kruis is bij de merriën grooter dan bij de hengsten, en zoo ook breeder en schuinscher bij het westersche dan bij het Arabische paard. Van het kruis verlangt men voorts dat het goed bevleesd zij, en inzonderheid de paarden, voor het verrichten van zwaren en aanhoudenden arbeid bestemd, moeten hier dikke spieren bezitten.

De volgende vormen worden onderscheiden: het horizontale, het rechte, het ovale en meloenvorrnige, het afhangende, het gespleten en het spitse kruis.

6. De staart kan ten opzichte van het kruis nog een verschillenden stand hebben; raen noemt hem goed- of hoog aangezet, als zijne eerste wervels de richting van het kruis volgen en hij vrij uit het lichaam tredende, rain of meer hoog, van het lichaam afstaande, gedragen wordt. Deze wijze van aanzetting gaat gewoonlijk gepaard met een horizontaal, recht en ovaal kruis. Laag aangezet heet de staart, wanneer zijne eerste wervels lager staan dan het verlengde van de lijn over het kruis getrokken. Hij ligt dan raet de zit-beenderen nagenoeg in eéne lijn. wordt veelal weinig gedragen en gaat gepaard

-ocr page 429-

377

met een afhangend kruis. Diep inliggend lieet lüj, wanneer hij door eene dikke spiermassa omgeven, iets lager dan het kruisbeen ligt,

7. De horst vormt de ruimte voor de centrale organen voor de ademhaling en den bloedsomloop; in engeren zin verstaat men er door de voorzijde dei-borstkas. Hare breedte, waardoor men veelal den omvang dezer ruimte beoordeelt , wordt het best achter de schouders gemeten, hare lengte naar den vorm en de lengte van het borstbeen en van den rug beoordeeld, hare diepte gemeten van de punt der schoft fot den ondersten borstrand. Bedraagt de breedte als bovengenoemd jgemeten, minder dan '/j der hoogte van 't dier, zoo heet hot paard vink geribd; komt achter de schouders en de ellebogen eene aanzienlijke uitholling voor, zoo is het eng om het hart. Ue afstand van liet elleboogsuitsteeksel tot de punt der schoft met een band genieten, moet gelijk zijn aan eerstgenoemd punt tot den grond. Is do laatste afstand aanzienlijk grooter, zoo is het paard hoog en in 't omgekeerde geval laag op de heenen. Vooral bij rijpaarden is een lang borstbeen van belang, ook omdat de zadelriem dan niet de valsche ribben en buik-ingewanden drukt, maar tegen het borstbeen rust. Bij het Arabische paard reikt het borstbeen tot aan den 12del1 of ]3den, bij andere paarden slechts tot den 6den en 7lt;lel, rugwervel. Do omvang der borst bedraagt 1.60 31. tot 1.92 M.; hij is bij zware paarden betrekkelijk 't kleinst.

Men onderscheidt; do leeuwenhorst (zeer breed), enge of smalle borst, haviks- en hanenborst (met vooruitstekende punt), geitenhorst (uitgehold) enz.

8. De buik en de flanken. Do buik moet ongeveer denzelfden omvang hebben als de borst; hij heet dan slank-, afwijkingen daarvan onderscheidt men als hang- en opgeschorte buik. Onder de flanken verstaat men hot bovenste achterste deel van den buik, tusschen de lendenwervels, de laatste rib en de heupen gelegen. Is deze ruimte kort en vol, zoo lieot het paard, goed gesloten en in het omgekeerde geval hol in de flanken, 't Laatste is een bepaald gebrek.

9. De ledematen. Van deze zijn de achterste 't meest van belang. Zij toch moeten bij de beweging 't lichaam vooruit brengen; de werking der voorste ledematen is meer lijdelijk; zij dienen om het opgehevene en door de zwaarte vallende lichaam weder op te vangen, bl. 72.

In 't algemeen dient de stand der ledematen rechthoekig te zijn. Eene loodlijn van de zitbeenderen neergelaten moot den hiel raken en achter de hoeven den bodem bereiken, terwijl eene andere loodlijn van 't midden, het draaipunt des schouderblads gaande, langs het midden van den voorpoot den grond dicht achter de ballen moet raken; zie Fig. 37. Staan de pooten te ver onder het lichaam, zoo heeten zij onderstandig; staan de achterpooten te ver naar achteren of de voorpooten te ver naar voren, zoo noemt men ze achter-of voorstandig of gestrekt.

Koehakkig heet men de achterpooten, als de hielen te ver naar elkander toe en tonvormig, als zij verder van elkaar staan als de hoeven. Gebreken in den stand der voorpooten heeten bodemeng (van onder te dicht bijeen), bodew-wijd (te ver uiteen), bokbeenig (de knieën te ver naar voren), holle knieën (te ver naar achteren gebogen), den toontredcrstand (als de hoeven naar binnen) en den fransehen stand (als de hoeven naar buiten gericht zijn).

Aan de achterste ledematen onderscheidt men: de hovrndij, do benedendij

reinders. III. Vierde, dnil;. 25

-ocr page 430-

378

of de broek, liet npronggewricht, de pijp of liet scheenbeen, liet kootgewricht en de teen en hieraan do koot met vetlok, do kroon en de hoef.

Daar met de lengte der spieren haar vermogen om zich samen te trekken toeneemt, en hiervan weder het bewegend vermogen afhangt, zijn voor paarden , die zich snel moeten bewegen, lange dijen van veel belang en aangezien de kracht door eene spier uitgeoefend en het vermogen den arbeid vol te honden, veel afhangen van do dikte der spieren, komen bij paarden, die aanhoudend en zwaar moeten werken, zwaar bevleesde, dikke dijen vooral in aanmerking.

In 't algemeen moeten de dijen, van alle kanten bezien, breed en vol zijn, zoodat zij zich door hunne , spierontwikkeling van de benedendijen duidelijk laten onderscheiden en de spleet, die zij van achteren vormen, laag gelegen is. De stand van het dijbeen ten opzichte van het heup(darm)been moet zoo zijn, dat het daarmede een rechten hoek vormt, en zoo ook moet de hoek, dien het dijbeen niet het kruisbeen maakt, recht zijn, Fig. 204. In dit geval werken de beenderen, als hef hoornen het gunstigst.

Welke de meest gunstige stand der verschillende beenderen ten opzichte van elkander is, wordt in Fig. 205 schematisch voorgesteld.

Ook van de benedendij verlangt men dat zij goed met spieren bezet, ge-broekt zij, en althans voor paarden, waarbij eene zekere snelheid in aanmerking koir.t, mag zij niet te kort zijn; vergelijk b.v. Fig. 212 en 218.

Het spronggewricht is zeer samengesteld en bestaat uit verschillende beenderen , door banden met elkander verbonden. Het kan vooreerst of droog of fijn, öf vet, vol of grof zijn, en ten anderen groot of klein, vlak, scherp of uitgesneden. Een groot spronggewricht is meestal ook breed; is het klein, dan is het veelal ook smal. — De hoek, dien 't kuit- en pijpbeen in het spronggewricht met elkander vormen, is meestal 140—150°. Is deze hoek meer stomp en grooter dan b.v. 100°, zoo noemt men het spronggewricht recht of steil. terwijl men van een sabelbeenig spronggewricht spreekt, wanneer gemelde hoek scherper en b.v. minder dan 135° bedraagt. Een eenigszins steil spronggewricht wordt voor zware trekpaarden wei, voor rijpaarden niet gewenscht geacht.

Bepaalde gebreken van het spronggewricht zijn; gallen (veerkrachtige op-zwellingon, veroorzaakt door eene te overvloedige ophooping van peesscheode-

-ocr page 431-

vuulit aan de Imitensto on voorste gewnchtsvlakte, alsinode boven en ontler den hak enz.), spat (aandoening, met ontsteking, vorming van nieuw been en verdikking gepaard gaande, aan do binnenvlakte, inzonderheid aan liet binnenste, wigvormige been), hazenhak of piephak (verhooging op de achtervlakte) en reehèen (verhooging aan het benedendeel der buitenvlakte).

Van de overige deelen der achterste ledematen vermelden wij nog, dat het pijpbeen, hot kootgewricht enz. goed breed dienen te zijn, daar bij het voortbewegen de geheele zwaarte van 't lichaam hierop komt te rusten. Ue normale grootte van den gewrichtshoek der koot mag op 135° gesteld worden. Is deze aanzienlijk grooter, zoo is de stand der koot steil, en is hij belangrijk kleiner dan 135°, zoo heet de koot week, of als zulks in hooge mate het geval is wordt het paard beervoetig geheeten.

Aan de voorste ledematen kunnen worden onderscheiden; do schouders, do

elleboog, de bovenarm, de bencdenann, de voorknie, de pijp, het kootgewricht en de vinger, en hieraan de koot, de kroon en de hoef.

Den beenigen grondslag der schouders vormen de schouderbladen, die, met het opperarmbeen geleed, de boeg- of het schoudergewricht vormen. De schouderbladen zijn niet met het geraamte onmiddellijk verbonden, maar dooi' spieren daaraan als het ware opgehangen. Van de schouders verlangt men, dat zij lang en zóó schuins geplaatst zijn, dat zij met het oppeiarmbeen een hoek van 90° vormen, Fig. 204; de schouders zijn kort en steil, als die hook stomp is. Ter beoordeeling van den min of meer sehuinscheu stand der schouders kan de lijn cc'. Fig. 37, dienen. Deze loopt in de richting der lengteas van don voorpoot, snijdt do kamknobbel van het schouderblad on loopt bij oen

-ocr page 432-

380

schninschen stand der schouders vóór liet punt x, waar het schouderblad met den hals oen hoek vormt of de hals aan den romp is gezet. Verder verlengd raakt gemelde lijn de laagte vóór de schoft (slechts waar te nemen bij magere dieren). Bij een steilen stand der schouders snijdt de lijn cc het punt x of den halshoek. Van de schouders verlangt men voorts dat zij droog en niet te los of week, maar stevig aanvoelende, de noodige vrijheid van beweging toelaten. De schouders en het opperarmbeen moeten bovendien goed gespierd zijn, daar zij de voorpooten en daarmede het voorste deel van het lichaam moeten opbeuren.

Do ellebogen mogen noch te veel aan het lichaam gedrukt, noch te veel afstaan en de hoek hier gevormd, tusschen het opperarmbeen en den bene-denarm, moet ongeveer 135° bedragen.

De spieren van den voorarm dienen vooral tot het buigen en strekken van den voet, dat is het deel van den poot beneden de voorknie. Van hunne lengte en ontwikkeling hangt dus het vermogen om dit te doen vooral af. Intusschen is dit zoogenaamde „hoogdravenquot; ook afhankelijk van de lengte des poots beneden de knie. Bij het Friesche of Groningsche paard b.v. is dit laatste deel langer, bij het Engelsche renpaard korter dan de benedenarm.

Even onder het midden van de inwendige vlakte van den voorarm, en zoo ook aan de binnenzijde der pijp van de achterbeenen (onder het sprongge-wricht), komt in de huid een hoornachtig uitsteeksel voor, xwilwral geheeten. Men beschouwt dit als een niet tot ontwikkeling gekomen teen of vingerlid (duim).

Do voorknie vormt een samengesteld gewricht, dat, van alle zijden bezien, zooveel mogelijk breed moet zijn.

Het pijpbeen heeft reeds bij de geboorte van het veulen nagenoeg zijne normale lengte; uit de lengte van dit been kan men dus ten naastenbij do toekomstige grootte van het paard opmaken; zie Fig. 215. Aan de pijp der voorpooten komen, evenals aan die der achterpooten, niet zelden gebreken voor, bekend als overheenen, pee*klap en gallen, als de peesgal enz.

Overbeenen zijn kleine uitwassen of beenwoekeringen, gewoonlijk aan de binnenvlakte des pijpbeens, dicht onder de knie, voorkomende. Do peesklap bestaat uit kleine verdikkingen of verhardingen van de aan de achterzijde des pijpbeens liggende buigpezen, terwijl men onder peesgallen eene sterke uitzetting van de poesscheeden verstaat.

Deze gebroken ontstaan dikwijls door een verkeerd gebruik (veel en snel draven, sterke krachtsinspanning bij hot loopen en springen en het trekken van zware lasten). Overbeenen, bij jonge paarden voorkomende, verdwijnen veelal van zelf weder.

De beenen van het kootgewricht maken met elkander een hoek van 130— 140°, de koot zelve met den grond een hoek van 45°. Is laatstgenoemde kleiner, zoo is het paard -week, en is hij grooter, zoo heet hot steil in de kooien.

De hoeven aan de voorpooten van 't Paard zijn iets grooter dan die der achterste ledematen en over 't geheol meer aan gebreken onderhevig. Van deze gebreken vermelden wij slechts hot brokkelig zijn, bij weinig samenhang van de hoornstof, de gallen en do overhoef Het laatstgenoemde gebrek wordt.

-ocr page 433-

381

veroorzaakt door eene nitgroeiing van been- of lioornstof over of soms rondom de kroon.

Do bewegingen van hot Paard onderscheidt men als stap, draf. galoj) en sprong.

Do meest belangrijke ziekten van het paard zijn, behalve die van meer algemeenen aard: do goedaardige en do kwade droes, do wormziekte, kolder, kolijk, cornage enz.; bepaalde gebreken aan de oogen zijn: de grauwe staar, de groene staar en de maanblindheid; gebreken aan de boenen enz. zie hierboven.

Als schadelijke dieren voor het Paard vermelden wij: spoelwormen {Ascaris merjalocephala), de kromme prioinstaartworm (Oxyuris curvula), draadwormen {Filar ia papulosa) en palissaden wormen (Strongylus ietracanthus en 5. micrurus) in het darmkanaal en andere inwendige organen; de paardenlnis (Ilaenialopiniis macrocephalus) en de paardenhaarhiis (Trichodictus pilosus) oji de huid; de paardenmaaghorsel (Gaslrus equi), Fig. 206), de veehorsol (G. pecaruin), de endeldarmhorsel {G. haernoirhoïdalis) en de dundarmhorsel (G. nasalis) in liet

darmkanaal; de paardenluisvlieg {Hippobosca equina) en schurftmyten (Sarcoples scabiei, Dcrrnalocoptes communis en Dcrinalophagus equi) op de huid ').

2. PAARDKNRASSEN.

Paarden worden in bijna alle door den mensch bewoonde streken der aarde aangetroffen, maar van zeer verschillend slag, ras of soort. Stammen deze van dezelfde stamouders af en is het verschil ontstaan door liet verschil in klimaat, voedsel enz., of hebben zij verschillende stamouders gehad'?

Te oordeelen naar de fossile overblijfselen in het diluvium gevonden en door Nehring onderzocht, wordt het laatste voor 't meest waarschijnlijk gehouden, schoon ook het voedsel en 't klimaat ongetwijfeld van invloed geweest zijn om de verschillen te doen ontstaan, zie bl. 102 en 103.

') Zie verder Dr. .1. Rit ze ma Jios, De dierlijke parasieten van den mensch en de huisdieren.

-ocr page 434-

382

Naar den vorm dos schedels verdeelt Sanson ') de paarden in twee hoofdgroepen: brachyceplialen en dolichocepkalen; vergelijk lil. 177. Hij onderscheidt in elk dezer groepen een viertal rassen. Tot de brachyccphale rassen rekent hij; 1. het Arabische, E. C. asiaticus- 2. het Afrikaansche of Berber, E. C. africaniis; 3. het lersche, E. C. hihertiieus en 4. het zware paard aan beide zijden van het Kanaal of liet Britsche ras, E. C. brilanicus; tot de dolicho-cephale rassen behooren; ó. het Duitsche ras, E. C. gennanicus, uit Dene-markeu en Noord-Dnitschland afkomstig en door de volksverhuizing over geheel Europa verspreid; G. het Friesche ras, E. C. frisicus; 7. het Belgische ras, E. G. belgicus en 8. het Seine- of Percheronras, E. C. sequanus.

Let men oji het gebruik, in verband met vorm en afmetingen, dan kunnen

paard, dat in het oosten (Arabië enz.) hot meest oorspronkelijk zijnde, ook onder den naam van het Arabische of Oostersche paard bekend is; daartoe kan ook gerekend worden het Engelsche volbloed])aaxA; 2. het zware of koudbloedige paard, dat meer in westelijk Europa thuis behoort en daarom met den naam van het Westersche paard wordt bestempeld, of omdat het, naar men wil, 't meest oorspronkelijk in de Norische Alpen (Pinzgau) gevonden wordt, ook wel als de Norische type bekend is; 8. tialfbloedpaardm, ontstaan door kruising van de verschillende Europeesche stammen met het edele paard, en 4. de ponies of hitten.

') Sanson, Diclionnaire d'agriculture.

-ocr page 435-

De rassen, tot eerstgenoemde groep behoorende, Fig. 2(17, hebben een breed voorhoofd, terwijl het aangezicht meer op den achtergrond treedt en de plaats voor de kiezen daardoor betrekkelijk klein is. De voorhoofds- en de neuslijn zijn recht of hol, en de kiezen zijn meer breed dan hoog en bezitten betrekkelijk weinig émail-plooien. Het lendengedeelte is kort en de doorns-gewijze uitsteeksels der lendenwervels zijn meer naar voren gericht dan bij de rassen van het westersche type.

De rassen van het zware type. Fig. 208, bezitten een smaller voorhoofd, breeder kaken en in overeenstemming daarmede een breeder aangezicht, de luchtholten in schedel en aangezicht zijn grooter, waardoor de gezichtslijn niet zelden naar buiten gekromd is; ramskoppen zijn hierbij derhalve niet zeldzaam; het voorste deel dor kaken is langer, zoomede de daarin geplaatste kiezen en deze hebben meer kronkelende émailplooicn. De doornsgewijze uit-

steeksels der kruisbeenwervels zijn vooral in hunne jeugd gespleten, waardoor het zoogenaamd gespleten kruis ontstaat, 't geen bij paarden van het oostersche type nooit het geval is. Bovendien is de stand der bekkenbeenderen eenigszins anders, waardoor de vorm van het geheele achterstel eenigszins verschilt.

De halfbloed paarden loopen uit den aard der zaak zeer uiteen, naarmate er meer of minder edel bloed in voorkomt. Men kan hierbij onderscheiden: rijpaarden, waaronder ook het moderne cavaleriepaard, en de lichte en zware moderne koetspaarden, waartoe mede het artilleriepaard gebracht kan worden.

Ponies of hitten zijn paarden niet hooger dan 132 cM. De afmetingen kunnen verschillend zijn, maar meestal zijn de ledematen der ponies kort in verhouding tot den romp, zoodat zij langer dan hoog zijn.

Bij het beschrijven der paardenrassen bepalen wij ons vooreerst tot:

-ocr page 436-

384

A. DE NEÜERLANDSC11K PAARDEN EN DE PAAllDENFOKKERIJ I1IEK TE LANDE.

Tengevolge van liet vele kruisen met buitenlandsche rassen valt het dikwijls moeilijk nog de drie typen van paarden, die hier vroeger, als het Friesche, Geldersche en Zeeuwsehe ras werden onderscheiden, zuiver aan te wijzen. Volgens sommigen hadden Utrecht en Holland vroeger ook hun eigen paarden-type, maar nog meer dan in andere provinciën heeft hier verbastering door invoer van en kruising met andere rassen plaats gehad.

Hrt Friesche paard, in de provinciën Groningen, Friesland, Drente enOverijsel, maar door uitvoer ook in andere provinciën niet zeldzaam, werd voorheen onder

Fig. '209. Friesch-Groninger paard , eig. iie heer D. I„ Broekema te Pieterburen.

dezen naam naar alle streken van Europa uitgevoerd, vooral naar Eome en Madrid, waar het als staatsiepaard een grooten naam had. Ook in latere jaren was het als koetspaard in het buiten- en binnenland gezocht. Thans gaat jaarlijks nog een zeker getal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen, waartoe zij door hun verheven gang gezocht zijn. Evenals in de meeste andere provinciën heeft echter de paardenfokkerij in het noorden des lands in de laatste jaren eene andere richting genomen, en nog slechts in enkele deelen van Friesland wordt het Friesche paard min of meer zuiver aangefokt.

-ocr page 437-

385

Van de oorspronkelijk Netlerlandsclie paarden is het Friesdie jjaard liet grootst, schoon niet zoo groot meer als voorheen. Het slag dat vroeger in Groningen meer algemeen voorkwam, Fig. 209, bezat iets meer volharding, het was iets korter van rug en meer werkpaard dan dat in Friesland en was gezocht als artilleriepaard. In sierlijkheid van vorm moest het echter bij het slag in Friesland achterstaan. Ook Drente heeft in zake paardenfokkerij een goeden naam en is door zijne droge ligging daarvoor zeer geschikt, maar ook hier treedt hot Friesche paard thans geheel op den achtergrond.

Het Friesche paard, vooral het slag in Friesland zelf, heeft ook naam als

harddraver, maar bezit deze eigenschap meer door aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk bij het Engelsche renpaard het geval is. Ook als harddraver werd hot vroeger veel uitgevoerd en met andere rassen gekruist. Zoo is het beroemde Orlov-ras, Fig. 210, in Rusland, ontstaan door kruising van Friesche merries met Arabische hengsten, en zijn ook de Kbr-folksche dravers aan de oostkust van Engeland waarschijnlijk door kruising met Friesche hengsten verkregen.

De kenmerken van het Friesche paard zijn: een vierkante bouw, lange hals (niet zelden een zwanenhals), lange maar fijne kop met eenigszins gebogen

-ocr page 438-

386

neus en kleine ooren, een rond en gespleten kruis niet diep en soms laag ingeplanten staart; het kruisbeen is kort en min of meer afhangend; de heupen komen weinig uit, de spieren zijn hier echter dik en bedekken de beenderen als een gewelf. Het is vrij hoog op de pooten, maar de korte koeten zakken soms in de kroonen door; de hoeven zijn breed. De top- en maanharen zijn lang en ook de beharing aan de pooten (hot bellang) is sterk. De grootte bedraagt 1.55—1.60 31.

Het Geldcrsche paard, Fig. 211, is eveneens nagenoeg verdwenen, ofschoon mogelijk in de Betuwe nog in enkele exemplaren aanwezig. Het is kleiner

dan liet Friesche; hot bezit eveneens een afgerond kruis met ronde heupen en dijen, maar hooger ingeplanten staart. Hot is minder hoog op de pooten, de pijpbeendeien zijn fijner, de vetlokken korter en de hoeven minder breed maar harder dan bij het Friesche paard. Het is meer rijpaard dan liet Friesche en was vroeger om zijne verhevene bewegingen gezocht als eavaleriepaard. De goede eigenschappen van liet oude Geldersche paard worden toegeschreven aan eeno kruising van het oorspronkelijk inlandsche met het Andalusische paard in den Spaanschen tijd.

Hel Zeeuwsche paard, Fig. 212, is zwaar en min of meer jjlomp van vorm. Het is sterk maar niet zeer schoon en wel geschikt als ploeg- of werkpaard,

-ocr page 439-

SST

maar wegens zijne moeilijke beweging weinig gezocht als koetspaard. De kop is vleezig en zwaar met kleine oogen en ver uiteen- en weinig opstaande ooren, de hals kort, maar breed en dik; de schouders zijn vleezig en omsluiten eene breede borst met lage schoft; de rug is min of meer ingebogen, het kruis rond en gespleten, de staart diep ingeplant. De zware ledematen bezitten veel behang, dat is, zij dragen evenals de staart, de manen en de topmanen, dikke en lange haren. Grootte 1.50—1.60 M.

Do oorspronkelijk Utrechtsehe paarden, zoo nog aanwezig, zijn over 't algemeen klein (plat), laag van voren en bezitten eene minder goede schoft, beenen en hoeven dan de Geldersche paarden.

Volgens Staring bestond er vroeger ook een Hollandsch ras van paarden, middelmatig groot, breed en zwart van kleur, met ingevallen rug, laag inge-planten staart, zwaren kop en eenigszins ingevallen neus; het meest waarschijnlijk is echter dat deze van Frieschen of Gelderschen en deels van Zeemvschen oorsprong zijn Hetzelfde geldt van de paarden in Noord-Brabant en Limburg, waarbij in eerstgenoemde provincie nog Vlaamsche en Zeeuwsclie, in sommige deelen ook reeds lang Oldenburgsche en Hannoversche, en in laatstgemelde provincie nog de zware roodschimmel paarden van het Ardenner en Condroz-ras komen.

-ocr page 440-

388

quot;Waardoor zijn dezo verschillende typen zoo gewijzigd dat liet soms moeilijk valt een exemplaar van het oorspronkelijke ras te vinden, en wat wordt thans gedaan tot verbetering van de paardenfokkerij hier te lande?

In de eerste plaats hoeft tot dien achternitgang bijgedragen eene weinig zorgvuldige keuze bij het aanfokken in verband met eene onvoldoende voeding-in de jeugd, vooral in do noordelijke provinciën. Werden ook al goede hengsten aangehouden, soms door premiën of door eene verplichte keuring gesteund, voor meniën werden niet zelden paarden gekozen, voor andere doeleinden niet meer geschikt maar ook als fokdier gebrekkig of althans niet uitmuntend. In de tweede plaats werden vreemde rassen ingevoerd en daarmede niet

oordeelkundig gekruist. Zoo in Groningen met bovenlandsche (Oldenburgsche) paarden en tevens met Engelsche of Fransche rassen van een zwaar type.

In Gelderland moet de voormalige stoeterij te Borculo (van 1823—1850) een ongunstigen invloed op de paardenfokkerij hebben uitgeoefend. De Engelsche volbloedpaarden, hier als dekhengsten geplaatst, verschilden te veel van de inlandsche paarden om van eene kruising daarmede een goed resultaat te kunnen verwachten. Bovendien liet de voeding der veredelde veulens, bij de landbouwers, te wenschen over en werd met de plaatsing der hengsten op

-ocr page 441-

de verschillende dekstations niot oordeelkundig te werk gegaan, doordien hier nu eens deze, dan gene hengst geplaatst werd.

In de laatste jaren is de Nederlandsche paardenfokkerij aanmerkelijk vooruitgegaan en heeft ook do Staat zich de verbetering van het paardenras aangetrokken , eerst door het uitloven van aanhoudingspremiën voor uitstekende hengsten en het bekroonen van geschikte meniën, later ook door het uitvaardigen eener wet op de paardenfokkerij, waarbij o. a. eene verjilichte keuring op erfelijke gebreken en op bouw. stand en gang is bevolen; alleen de daarop goedgekeurde hengsten mogen ter dekking worden gestold.

Ook zijn in de verschillende provinciën stamboek- en andere voreenigingen ter bevordering der paardenfokkerij werkzaam.

Een gevolg is dat er thans meer eenheid in de paardenfokkerij is gekomen, zooals op verschillende tentoonstellingen en bij verschillende keuringen valt waar te nemen.

Twee bedoelingen treden daarbij op den voorgrond. Bij de eerste wenscht men, naast een goed landbouwpaard, een koetspaard te fokken, dat ook iu hot buitenland gezocht wordt, en een artillerie-trekpaard voor de remonte, of zooals de Groningscho Vereoniging het in haar reglement uitdrukt: „zooveel mogelijk het type van een elegant, solied gebouwd koetspaard, met vierkante.

-ocr page 442-

39(1

hooge, krachtige, vooruitgrijijeudo gangea.quot; Deze lichting heeft de overhand, niet alleen in de noordelijke maar ook in de meeste andere provinciën.

Om dit doel te bereiken worden do bestaande slagen of in zich zelf veredeld óf gekruist met Oldenbnrgsche en Oostfriesche, soms ook met Hannoversche, Anglo-Normandische of Engelsche halfbloed hengsten, b.v. Hackneys, Fig. 227. Ook menige Oldenbnrgsche merrie wordt voor dit dool ingevoerd en alzoo in het volbloed Oldenbnrgsche ras aangefokt.

Ofschoon dus daarbij het fokken van warmbloedige (juister halfbloed-) paarden op den voorgrond treedt (in het Groningsche stamboek worden geen kondbloed-paarden opgenomen), blijkt nit het bovenstaande, dat het doel nog niet overal hetzelfde is, en dat op sommige plaatsen aan een zwaar, op andere aan een

lichter koetspaard de voorkeur wordt gegeven. Bovendien geeft de toenemende belangstelling in paardensport een zeker getal fokkers aanleiding om, zoo niet in „volbloedquot; dan toch paarden „met veel bloedquot;, dat is meer naar de warmbloedige kant aan te fokken, b.v. Orlov-dravers, Fig. 21U of Amerikaansche renners, en treedt hot „ploegpaardquot; meer op den achtergrond. In allen gevalle geven de talrijke concours hippiqnes en wedrennen, die gehouden worden, gelegenheid om volbloed- of halfbloed paarden op de baan te beproeven, en waar in een koets- en artilleriepaard bij de noodige kracht ook snelheid en volharding gewaardeerd en daarop beproefd moeten worden, kunnen dergelijke concours, mits goed geleid, niet anders dan bevorderlijk zijn voor de paarden-

-ocr page 443-

391

fokkerij. Door den kiulbomv moet tkuirbij iiatuurlijU bruikbaarhoid in liet bedrijf niet uit hot oog worden verloren.

Fig. 213—217 wijzen eenige hoofdtypen voor deze fokrichting aan.

Tegenover deze richting staat die welke in de zuidelijke doelen van 't land on met name in het Westen van Noordbrabant, Zeeland en in Limburg meer en meer op den voorgrond treedt en zich ook naar het noorden, op de zware rivierkleigronden uitbreidt. Zij heeft de tweede der door ons genoemde hoofdbedoelingen op het oog, namelijk het fokken van een zwaar trekpaard. Daartoe wordt in Zeeland met het zware Brabantsche paard. Fig. 226, op hot eiland Schouwen ook met Clydesdaler, Fig. 225, in Limburg meer met hengsten van het iets lichtere Belgische Condroz-ras gekruist.

Aanleiding daartoe geeft vooreerst de meerdere overeenkomst met het bestaande ras (het Zeeuwsche en Belgische paard zijn beide koudbloedig), wat voor het verkrijgen van een goed resultaat altijd gewenscht is. Maar daardoor wordt in de tweede plaats niet alleen een voor de zware kleigronden uitstekend gebruikspaard verkregen, maar ook een paard dat in den handel een vrij groote waarde heeft. Het Belgische paard is namelijk in het buitenland, met name in Duitschland en Amerika, zeer gezocht en vooral jonge paarden worden voor vrij hooge prijzen verkocht.

Uit oen en ander volgt, dat niet slechts het gebruik en de handel in het binnenland. maar ook do vraag van het buitenland do richting onzor paarden-

-ocr page 444-

392

fokkerij bepalen. Omgekeerd voorziet de inlandsche paardenfokkerij niet geheel in eigen behoefte. Wel voorziet de eerstgenoemde fokriehting in een goed landbouw- en luxepaard en meer en meer ook in de remonteering van de veld- en rijdende artillerie, waarvoor een paard verlangd wordt dat naast kenmerken, waaruit in het algemeen de geschiktheid voor dien dienst blijkt, eene schofthoogte heeft van 1.52—1.56 M.; maar voor do cavalerie wordt een paard verlangd dat bij eene schofthoogte van 1.54—1.56 M. meer bloed heeft en waarvoor bij voorkeur lersche paarden worden aangekocht, Fig. 218.

Paarden van kleiner slag, waaronder ook hitten en dubbele hitten, worden hier te lande niet gefokt, maar van elders aangevoerd (Noorwegen, Shetland-

sche eilanden, Rusland). Vroeger werd op Ameland een lichter soort paarden aangefokt en waarschijnlijk zijn hier nog exemplaren daarvan aanwezig. Yeel gebruik wordt hier thans gemaakt, door warmoeziers, melkboeren, boodschap-rijders enz., van een lichter paardje, onder don naam van Littauers uit oostelijk Europa (Rusland, de Karpathen enz.) aangevoerd, dat aan het lichte werk wat er van geëischt wordt eene behoorlijke snelheid on volharding paart en daarbij zich met allerlei voedsel tevreden stelt. Fig. 219.

-ocr page 445-

H93

R. OVERZKJUT VAN KR PAARDENRASSEN EN DE l'AAliDENI'OKKERI.I lïf HET BUITENLAND.

Als dn helangrijkste vertegenwoordiger van het Oostersche i'as geldt het

Arabische paard, Fig. 207. De kenmerken van dit ras zijn: een fijn besneden kop met rechte voorhoofdslijn of den neusrug eenigszins uitgehold, breed voorhoofd, groote oogen en neusgaten , die zich wijd openen, fijne en gladde lippen, kleine en bewegelijke ooren. Do hals is lang en treedt eenigszins uitgesneden uit de schoft te voorschijn. De schoft ligt ver naar achteren, is droog en hoog; de schouders zijn schuins geplaatst; de borst is Fig. iHH. Jerscli remontepaard, in dienst bij de Ned. vniin. De flanken en de cavalerie. •• , . i, , i „•

rug zijn kort, hot kruis

is lang en recht met hoog aangezetten, boogvormig gedragen staart. De boenen zijn droog met harde beenderen , breede gewrichten,

zonder behang en eindigen in kleine vaste hoeven.

De beharing is dun en fijn, zoowel aan de manen en den staart als op het overige lichaam. Daarmede in overeenstemming is de dunne huid, die hot aderen-net laat doorschemeren.

De grootte bedraagt 1.48—

1.00 M.

De edelste paarden van dit ras treft men in Nedsjed (Midden-Arabië) aan; ook de meeste paarden in Aziatisch Turkije, Egypte en de Mjllanden rekent men daartoe. Zoo mede het Barbarijsche en het Perzische paard.

reindf.rs, 111. Vierde dnd;.

-ocr page 446-

»

Uok de paarden in liet groote liussisclie rijk bevatten voel Arabisch bloed. AVij noemen daarvan de Orlov-dravers, Fig. 210, nit eene kruising van Arabische hengsten on Hollandsche merriën ontstaan, en later door het inbrengen van Perzisch en Engelsch volbloed gewijzigd. Verder onderscheidt men het gewone kleine Tartaarsche paard in Oost-Siberië, dat door zijne snelheid en volharding nitmnnt, en het Tscherkessen paard van gemiddelde grootte in de Kaukasns-landen. Het Tartaarsche paard is verwant mot het waarschijnlijk van de tarpans afstammende Mongoolsche paard, dat beschouwd kan worden als het stamras van de vole kleine paarden, die men in de andere deelen van Azië on iji Australië aantreft.

Onder Engelsche volbloedpaarden worden verstaan paarden die afkomstig zijn van eeuige Arabische, Turksche en Barbarijsche hengsten en merriën, ondor

Karei TI en andere vorsten in de llAe eenw in Engeland ingevoerd en die zijn ingeschreven in een stamboek, het general stud-book. Van elk daarin opgenomen paard kan men derhalve de afkomst tot op do stamhengsten nagaan, en geen paard wordt als volbloed erkend, tenzij het in dit stamboek is ingeschreven. Als stamhengsten gelden Beyerleys Turk (Turksch-), Darleys Arnbian (Arabisch-) en Godolphin of Sham (Barbarijsch ras). Tegenwoordig wordt de stamboom niet meer tot op deze hengsten vervolgd, maar golden als stamhengsten; voor don Beyerley-Turkstam de in ITfiS geborene hengst llerod; voor den Darley-Arabianstam de hengst Eclipse, in 17S4 geboren, on voor den Godolphinstam de in 1784; geborene hengst Malchem. De Engelschen noemen deze afstammelingen thorough bred, dat wil zeggen paarden van zuiver bloed of volbloed, om ze te onderscheiden van die, waarin min of meer inlandsch bloed voorkomt, on die half-bred (halfbloed) geheeten worden.

-ocr page 447-

395

Evenals het Arabische heeft het Engelsche volbloedpaard, Fig. quot;220, een breed voorhoofd en eeno dnnne, fijnbehaardo huid, waar de aderen doorheen schemeren. Do hals is hoog aangezet, recht, lang en dun, do schoft hoog, rug en lenden zijn kort, dikwijls iets opgebogen en gaan in een lang kruis met hoog aangezetten staart over. Do borst is diep, de buik vaak iets opgeschort. In het oogvallend zijn voorts de lange, sterk gespierde, maar droge ledematen. Zij zijn iets grooter dan de Arabische paarden, gemiddeld 1.58 M.

Behalve de organen voor den bloedsomloop en het spierstelsel is ook hot ■ zenuwstelsel zeer ontwikkeld. Daardoor bezit het veel volharding en oono groote snelheid. Om beide te beproeven dient de renbaan. Vandaar de naam rr.npaarden, waardoor zij soms worden aangeduid.

Voor den landbouw zijn de volbloedpaarden slechts in zoover van beteekenis als zij dienen voor het aanfokken van halfbloedpaarden of om in gebruiks-paarden die eigenschappen over te brengen, welke in hot volbloedpaard geroemd worden, namelijk volharding en snelheid. Meer dan van het Arabische wordt tot dit doel van het Engelsche volbloedpaard gebruik gemaakt, vooral in de verschillende stoeterijen, dat zijn plaatsen waar hengsten on merriën gehouden en paarden voor den aanfok geteeld worden, in Frankrijk, Duitsch-land, Oostenrijk on andere landen.

Het Engelsche volbloed is alzoo in vele andere landen verspreid. Maar in geen land wordt daarvan wellicht meer gebruik gemaakt dan in Hongarije, dat door zijne uitgestrekte grasvlakten, pussta's, uitstekend voor do paardenfokkerij geschikt is. Hongarije bezit 4 st;iats- (Kisbér, Babolna, Mezöhegyes en Fogaras) en bovendien ruim 150 private stoeterijen. Terwijl in de laatste meest halfbloed-paarden (rij- en koetspaarden) worden gefokt, fokt men in do staatsstoetorijen ook volbloed of Arabische. Alleen de staatsliengsten dekken jaarlijks over de 135000 merriën. Zoo in Kisbér, waar Engelsch volbloed en halfbloed gefokt wordt; gemiddelde grootte 165—175 cM. In Babolna worden enkel paarden van Arabisch ras (volbloed of halfbloed) gehouden; grootte der merriën 158—10G cM, Te Mezöhegyes worden 4 stammen gehouden: 1. Engelsch halfbloed van don „Furiösaquot;-stam, grootte 104—174 cM. ;■ 2. do kleine „Noniusquot;-, 102—108 cM. groot;- 3. de groote „Noniusquot;-, van 104— 170 cM., en 4. de „Gidranquot;-stam, van 104—172 cM. grootte. De stoeterij Fogaras eindelijk dient om paarden voor do bergstreken te fokken, waarvoor het Engelsche of Arabische paard niet geschikt is. Hier worden paarden gefokt van het Lippizzaner ras, uit het Karstgebergte, aan de Oostenrijksche kust, afkomstig en ontstaan uit eene kruising van Arabische en Napelsche paarden; grootte 158—104 cM.

Fig. 221 en 222 wijzen een paar stamhengsten van deze stoeterijen aan, waarvan de eerste uit de stoeterij Kisbér afkomstig is, de tweede tot den grooten „Noniusquot;-stam behoort ').

Do paarden van het Zware of Westerse,he ras onderscheiden zich van do Oostersche door een plomperen lichaamsbouw. Do kop, met sterker ontwikkeld aangezicht, is zwaarder, de hals korter en dikker, de romp moer tonvormig

') (iiaf C. G. Wrangel, Ungarn's Pferdezuchl in 1 Vort und Bikt: ICdwanl von Kg an, Dn* Unqarische l'feril.

-ocr page 448-

39(3

on liet kruis meer afhangend. De beenen zijn zwaarder en korter, de manen en staart dichter en langer. Zij bezitten 6 lendenwervels, do Oostersehe paarden meestal 5. Hnnne verstandelijke ontwikkeling is minder groot dan die van liet Oostersehe paard.

C £ fc.

.=

£

11

fl

De oorspronkelijke vorm hoeft echter door kruisingen onderling en met de Oostersehe rassen veelvuldige veranderingen ondergaan. Als het meest oor-spronkelijke mogen beschouwd worden: het oude Friesche, het Vlaamsche (Zeenwsche), het Pinzfjauer of Narische paard en enkele Fransche en Engel-seho rassen. Van de beide eersten maakten wij reeds molding. Het Norische paard, in Salzburg, Stiermarken en Tirol, beschouwt men als de nakomeling

-ocr page 449-

3^7

van hot wilde Alponpaanl. Keumerkend hiervan is, evenals hij do overige oiiverhastercle paarden van Westolijk-Europa, hot gespleten kruis. Do kop is groot en vleezig, de oogen klein, de Iials kort, de romp breed en soms wat lang, de zware beenen bezitten breede hoeven. Do gewone grootte bedraagt 1.65—1.73 il. Het Pinzganer paard behoort dus tot de grootc en zware rassen. Een dergelijk zwaar paard bezit Frankrijk in het Bonlogneser ras, dat zich.

behalve door eene groffe beharing, door een kleinen, maar breeden kop, vooral over de kaken, oen korten, dikken hals met dubbele manen en korte, van goede gewrichten voorziene beenen. onderscheidt.

De J'ercherons, de voor don omnibusdienst te Parijs zoo geschatte sterke dieren. Fig. 223, nit het landschap Perche, ton zuiden van den mond der Seine, vormen met eenige andere slagen aan de oevers der Seine, volgens

-ocr page 450-

398

Sanson, eon zelfstandig- ras en niet, /.ooals wel beweerd is, een kniisings-prodnct van liet Bonlogneesche en liet Arabische paard. Voor deze laatste bewering is volgens hem geen enkele grond voorhanden, terwijl er overblijfselen van het Seine-paard gevonden zijn in den dilnvialen bodem, die aan-toonen, dat dit paard aldaar reeds eeuwen geleden geleefd moet hebben. Bovendien is hot dolichooephaal, terwijl het Arabische paard brachycephaal is. Overigens is het Percheron-paard een product van den bodem, het voedsel, 't klimaat en de opvoeding, en niet alle paarden, die als zoodanig verkocht worden, zijn Percherons. Immers uit Bretagne, PicardiS, Vlaanderen enz.

-ocr page 451-

309

oen stamboek wonlt aangehouden, in aansluiting met dat in Frankrijk. Fig. 224 stolt den Amerikaanschen stanihengst van dit ras uit do stoeterij van den hoer Mark Durham in Illinois voor ').

Verder treft men in Frankrijk veelvuldig aan het Vlaatnsche paard, dat met het Zeemvsche veel overeenkomst heeft en ook in Westelijk België algemeen verspreid is.

De lichtere paarden in Frankrijk zijn meest van Arabische afkomst.

Onder de gekruiste rassen is het Anijlo-Normandische paard. Fig. 217, ontstaan uit eene kruising van het oorspronkelijk Normandische en het Engel-

sche volbloed-paard, het meest beroemd en als koetspaard ook elders, vooral in Amerika, zeer gezocht.

België bezit, behalve het Vlaamsche en het zware Brabantsche, Fig. 22(j, het lichtere Ardenner paard, waarvan thans het zoogenaamde Condroz-slag, aan de oevers der Maas en Sambre, in de provinciën Luik en Namen, liet meest gezocht is 2).

') Zie over de paardenfokkerij in Amerika een belangrijk opstel van den lieer 1. U. .1. van den Bosch in liet Maandblad voor ond-leertlngen der Rijkslandbonwschool, IS'.li.

Als gemiddelde afmetingen van het Urabantsche paard worden door l.eijder opgegeven;

-ocr page 452-

400

In geen land worden de paardenrassen zoo goed onderscheiden en treft men zooveel fokrassen aan als in Engeland. Door uitvoer naar andere streken zijn zij tevens van veel invloed geweest oj) de elders voorkomende paarden, gelijk hierboven uit het medegedeelde omtrent het volbloedpaard reeds gebleken is.

Te oordeelen naar de beschrijving, daarvan gegeven, had liet oorsjironkelijk zware paard in Engeland veel overeenkomst met dat van Westelijk Europa; hot had eene zwarte kleur en volgens overlevering werd het uit Nederland

Hoogte

Afstand

Lengte

Breedte

Omtrek

op de

op den

v. h. borst

v. d. romp

van

der

van

borst

voorpij |j

schoft

rug

been t. d. grond

voren

borst

't kruis

cM.

cM.

cM.

cM.

cM.

cM.

cM.

cM.

cM.

Hengst 107

153

77

171

57

m

60

220

26

Merrie 163

152

79

171

52

63

66

208

23

De breedte van borst en kruis is ongeveer 40 % van de schofthoogte en 92—04 quot;/„ van de boistdiepte. De borstomvang overtreft minstens 30% de lengte van den rorn|i.

Van de menie zijn, behalve de gestelhoogte en de breedte van 't kruis, de afmetingen iets kleiner.

Van de Ardenner hengsten is de hoogte 150 ii 158 cM., de borstomvang 205 ii 210 en de pijpomvang ongeveer 25 cM.

-ocr page 453-

401

ingevoerd, althans dekhengsten, om er mee te kruisen. Wat vorm en grootte betreft kwam het echter meer met het Vlaamsche paard overeen.

Dit oude Engelsche karrepaard is de grondslag geworden van de thans meest gezochte trekpaarden in Engeland, namelijk het Shire-horse, Fig. 208. ïer verbetering voerde Bakewell in 't laatst der achttiende eeuw vele zwarte Belgische en Friesche hengsten in. Thans in de midden-graafschappen Cambridge, Huntingdon enz. gefokt, gaan de Shires veel naar de groote steden om als sleeperspaard (dfay-horse) te dienen, merriën ook naar Schotland om met de Clydesdales als fokdier gebruikt te worden. Bij een goed gebouwd

zwaar lichaam hebben zij een goeden gang, vooral een gevolg van de goed geplaatste schouders. Zij mogen niet te klein zijn. Do jury van de in 1893 te Chester gehoudene tentoonstelling zegt: ..Een 5-jarig goed Shire-paard van 17 hands') is 90—100 pond st. waard, terwijl een goed 1G hands slechts 50—65 pd. st. waard isquot;. De kleur is zwart, bruin of donkerbruin.

Do Clydesdales, Fig. 225, (vooral aan de oevers der Clyde, in Schotland, maar ook in verschillende doelen van Engeland verspreid) vormen mede een zwaar landbonwpaard; het bezit eene gemiddelde hoogte van 1.7ö M., met zware schouders en dijen en dikke pooten met veel behang. De kleur is bruin

') Hand is een Engelsche paanlemaat = 10.46'2 cM.

-ocr page 454-

402

of zwartbruin met dikwijls witte voeten en bles. Ook deze paarden danken linnno zwaarte waarschijnlijk aan eene kruising mot het Vlaainsehe paard ').

Voorts kunnen nog vermeld worden de Suffblks in de oostelijke graaf-schappen Suffolk, Essex en Norfolk, meestal voskleurig en met eene gemiddelde grootte van 1.70 M. Schoon niet zoo zwaar als do Clydesdales hebben zij als landbouwpaard en, wegens hunne groote kracht, als trekpaard (brou-werspaard) in de steden oen zeer goeden naam.

Van de Engelsche paarden, waarin Arabisch of Oostersch bloed voorkomt, is het volbloedpaard hierboven reeds genoemd. Eene eeuw geledon, toen er

nog weinig voertuigen [in gebruik waren en ook de landbouwproducten meer gedragen dan getrokken vervoerd werden, was voor dit doel een betrekkelijk licht paard, niet grooter dan lö hands, in gebruik, pakpaard geheeten. Meer bepaald diende dit bij het veelvuldige smokkelen dat toen aan de kusten plaats had. Dit oude pakpaard is thans niet meer aanwezig maar in andere rassen opgegaan.

') Volgens Sanson vormen de Nederlandsche en Vlaainsehe paarden met die van Clydesdale, Pinzgaii en Poitevin, slechts variëteiten van één ras, dat hij het Friesche ras noemt.

-ocr page 455-

403

Thans wordt in Engeland van volbloed goLruik gemaakt bij het aanfokken van jacht-, rij- en koets- of wagenpaarden.

liet Engelsehe jachtpaard (hunter) komt het meest niet volbloed overeen; het is echter iets zwaarder, wat minder hoog op de beenen en wordt veelal verkregen door kruising van volbloedhengsten met Yorkshire of lersche mer-riën. Men onderscheidt nog een zwaarder en een lichter slag.

Het rijpaard (hack of hackney) is een sierlijk paard, iig. --7, dat thans in Engeland zeer gezocht wordt, met meer afgeronde vormen dan de hunter of het volbloed. Men onderscheidt grootere, boven de 15 hands, en kleinere van 14—15 hands.

Een nog kleiner rijpaard, tevens gezocht als cavaleriepaard, is de Cob, van ongeveer 14 hands. Minder Arabisch bloed dan do bovengenoemden bevatten de koels-, tuig- of wagenvaarden, waarin evenals elders eene groote verscheidenheid bestaat. Het meest bekend daaronder zijn de Clevelandsche bruine)!, en de Norfolksche dravers; de laatste schijnen van Friesche afkomst of door kruising met Friesche hengsten verkregen te zijn. Thans kruist men Clevelandsche merriön met volbloedhengsten om een licht koetspaard te fokken; terwijl een eenigszins zwaarder slag veel naar de steden gaat voor het rondbrengen van koopmansgoederen in lichte rijtuigen. Onder den naam van lersche paarden, Fig. 220, verstaat men hier te lande paarden die verkregen zijn door kruising van het lersche landpaard met volbloed.

-ocr page 456-

404

De kleinere paarden worden in Engeland ponies gelieeten. Op de tentoonstelling vraagt men deze van 14 hands en daar boneden; sedert 1897 wordt ook nog, onder den naam Poloponies, een iets grooter soort van 14 hands 2 inches gevraagd. 3Ien onderscheidt daarvan nog verschillende rassen of slagen; zij worden vooral in Schotland en Ierland aangefokt. Do ook bij ons wel bekende hitten zijn meest van de Shetlandsche eilanden afkomstig; ze zijn zelden grooter dan 1.20 M.; grootere noemt men dubbele hitten. Noorwegen en IJsland leveren dergelijke paardjes. De ponies nit Wales en Exmoor, in do Schotsche hooglanden, verschillen in enkele opzichten hiervan; op de Engelsche tentoonstellingen mogen deze niet hooger dan 12 hands 2 inches zijn en de Shetlandsche niet hooger dan 10 hands 2 inches. Dergelijke kleine paarden komen ook voor in Zweden en Noorwegen en in noordelijk Rusland.

In de meeste landen van het Duitsche rijk en in Oostenrijk staat de paardenfokkerij grootendeels onder den invloed der regeering, en het verkrijgen van een goed militair paard treedt daarbij op den voorgrond. In de stoeterijen is fok materiaal nit verschillende streken bijeengebracht; Arabische hengsten en Engelsche volbloedpaarden spelen daarbij de hoofdrol; gewoonlijk worden deze met den naam raspaarden betiteld. De aangefokte hengsten — meerendeels halfbloed — worden in zoogenaamde hengsten-depöts voor de landbouwers ter dekking gesteld.

De belangrijkste stoeterijen zijn: Trakehnen in Oost-Pruissen, Friedrich-Wilhelm te Beberbeck in Brandenburg, Oraditz in Saksen, Weil bij Stuttgart in Wurtemburg enz. Op deze wijze worden wel goede en deugdzame paarden verkregen, inzonderheid rijpaarden of in het algemeen paarden voor militair gebruik, maar voor het gebruik in don landbouw zijn zij minder geschikt; zoodat daar waar in Duitschland een zwaar landbouwpaard noodig is, dit dikwijls van elders moet worden ingevoerd. Clydesdales, Percherons en Belgische paarden zijn zoo in dit land niet zeldzaam en worden er in privaat-stoeterijen ook wel aangefokt. In de laatste jaren worden in enkele rijksstations als dat te Keulen, ook koudbloedige paarden (Belgen) gehouden.

Als uitstekend voor militaire doeleinden geschikt en als het beste cavalerie-paard wordt het Oost-Pruisische paard beschouwd, waarvoor Trakehnen de hengsten levert, Fig. 229. De meeste paarden, voor de Duitsche remonte benoodigd, worden in Oost-Pruisen aangekocht.

Een zeer goeden naam wegens zijne paardenfokkerij heeft voorts het hertogdom Oldenburg, dat door zijne rijke weiden aan de oevers van de AVezer en do Jahde daartoe ook uitnemend geschikt is.

Het Oldenburgsche paard, Fig. 228, dat thans hier te lande veel wordt ingevoerd om daarmede Geldorsche en Friesche paarden te kruisen, bl. 389, en onder den naam van bovenlandsch paard het meest bekend is, vormt geen oorspronkelijk ras. Vroeger werden in Oldenburg veel paarden met Arabisch bloed ingevoerd tot verbetering van het bestaande ras, en van het jaar 1820 af heeft men met Engelsche hengsten uit Cleveland en Yorkshire gekruist en de kruislingen vorder door aanfokken onder elkander verbeterd.

De paardenfokkerij is hier in handen van de landbouwers; de regeering houdt echter eene strenge keuring en looft premiën, 3 voor hengsten en 25 voor fokmerriën uit. Door eene gepaste keuze bij het aanfokken heeft men

-ocr page 457-

405

het alzoo in korte javen tot een zeer gezocht ras gevormd, dat wel niet overal even groot on zwaar maar zeer conform is, bi. 87.

Schwarznocker beschrijft dit paard als volgt: „Bij één klei rag bruin haar en eeno grootte, die gewoonlijk tnsschen 1.75 en 1.lt;S5 M. ligt, is de kop, die vroeger iets in don neus gebogen was (halve ramskop), thans rechter geworden ; de hals, soms wat breed en slechts matig lang, is hoog opgericht; de borst is diep en breed en de schouders hebben een goeden stand; het kruis is rond, meloenvorraig, met genoegzaam hoog aangezotten staart en wijst evenals de geheele achterhand eene goede gespierdheid aan, on liet onderstel is beenig en soliede; de weinig uitkomende schoft en do weeke rug zijn naast de breede, vlakke en brokkelige hoeven (een gevolg van de minder vaste weiden) dikwijls de zwakke punten. Vroegrijpheid, oen goed ten nutte maken van het voeder en goedaardisheid vallen bovendien nog op do balans dor gewenschte eigenschappenquot;. Do genoegzame omvang, de gelijkmatige kleur, de afgeronde omtrok , een goed temperament en eon betrekkelijk krachtig gangwerk doen, volgons genoemden schrijver, het Oldenburgsche paard in velo opzichten beantwoorden aan do tegenwoordige eischen van een koetspaard. Ook Hannover levert uitstekende koets- en rijpaarden, waartoe het hengstendepot te Celle heeft bijgedragen.

Dit is mode het geval in Mecklenburg en in Sleoswijk-Holstein. De vroegere Holsteinsche paarden waren bekend wegens hunne aanzienlijke grootte en duidelijke ramskoppen; maar door kruising niet Engelscho paarden, vooral uit Cleveland, heeft men ze gewijzigd en tot meer moderne koetspaarden met minder omvang en grootere snelheid vervormd. De op de Deensche eilanden en op Jutland voorkomende zoogenaamde waterdenen zijn vlugge duurzame dieren, maar wat week in den rug en met meestal weeke hoeven; ook dezo worden naar Duitschland als landbouwpaard uitgevoerd.

Vele van de bovengenoemde Europeesche paardenrassen, maar in het bijzonder de Engelscho zijn ook naar Noord-Amorika overgebracht. Hei Amori-kaansche renpaard bezit thans het hoogste record, dat is de grootste snelheid o]) de baan.

-ocr page 458-

406

8. 11 KT AANLOKKEN VAN PAARDKN.

Het doel, waartoe het paard hoofdzakelijk gehouden wordt, is: tot het trekken, soms dragen van min of meer zware lasten en als rijpaard.

Van een goed rijpaard verlangt men, dat het niet te zwaar en slank gebouwd is, en dat het buigzame rug- en halsspieren bezit; de kop moet klein, de hals lang en slank, de rug sterk en kort, de schoft hoog, de schouders lang en schuins geplaatst, de borst breed en het kruis recht zijn met hoog aangezetten staart. Van de beenen eischt men, dat zij niet te zwaar, echter normaal gebouwd en droog zijn. Bij zijne min of meer vlugge bewegingen moeten de voorpooten zooveel mogelijk vóór het lichaam, de achterpooten zoover mogelijk onder het lichaam gezet worden. Bij renpaarden en harddravers, waar het vooral op snelheid en volharding aankomt, zijn lange ledematen en eene daarmede gepaard gaande lange en krachtige spierontwikkeling aan die bewegende deelen, vooral aan de achterbeenen, eene juiste hoek vorming van hunne beendoren, bl. 378, en een goede ademhaling van belang. Bij paarden met een snellen gang, b.v. het Arabische en het Engelsche volbloedpaard, zijn de ledematen langer dan de hoogte van den voorromp, gemeten van het elleboogsuitsteeksol tot de schoft. Zie Fig. 207. Het militaire cavalerie-panrd moet leerzaam, onverschrokken en gewillig zijn en een sterk gedrongen lichaam met sterke beenen en vaste hoeven bezitten. Bij rijpaarden voor weelde komt het ook op schoonheid van vorm, dat is geëvenredigden lichaamsbouw aan.

Trekpaarden dienen óf voor het trekken van zware lasten, waarbij eene groote snelheid van minder belang is, óf voor het trekken van lichtere lasten met eene behoorlijke snelheid. Daar het gewicht van 't lichaam hun daarbij in de eerste plaats van dienst is, is voor het trekken van zware lasten eene zekere liehaamsmassa een noodzakelijk vereischte. Verder komen in aanmerking: eene breede borst, niet te hooge schoft, sterke schouders en bovendijen, goed gewelfde ribben, sterken rug, een goed gevuld kruis, zware en niet te lange beenen met breede gewrichten. De beenhoogte is veelal geringer dan de hoogte van den voorromp, Fig. 208. De gang dient vast en gelijkmatig te zijn. Paarden voor het trekken van minder zware lasten, maar met eene zekere snelheid, behoeven natuurlijk niet zoo zwaar te zijn. Alleen voor omnibussen en dergelijke zware en zwaar beladen rijtuigen komt het naast eene goede snelheid op kracht en dus op zekere zwaarte van het paard aan. De hefboomsarmen dienen voor deze dieren dus niet te kort te zijn en het lichaam moet kort en gedrongen wezen, wat met eene ontwikkeling der spieren in de breedte, waardoor meer kracht kan worden uitgeoefend, gepaard gaat. Voorts is ge-wenscht eene zekere zwaarte van de voorhand, waardoor het gewicht, dat in het tuig wordt vooruitgeschoven. Fig. 33, vermeerderd wordt. Evenals bij andere trekpaarden moeten ook hier de beenderen der ledematen sterk en van breede knie- en spronggewrichten voorzien zijn.

Bij koetspaarden, die wegens de betere wegen en de lichtere rijtuigen in den regel thans minder zwaar behoeven te zijn dan vroeger, komen sierlijkheid van bouw, een goed opgerichte hals en een behoorlijke omvang met sterke achterpooten om gemakkelijk te kunnen pareeren en te wenden, en eene goede

-ocr page 459-

407

kniebewegiug in aanmerking. Voorts zijn gewenscht: lange hel'boomsarmen en oene krachtige ontwikkeling der biiigspieren, die eene voldoende samentrekking en daardoor eene snelle beweging mogelijk maken. Evenals bij de trekpaarden kan men zware en lichte koetspaarden onderscheiden. Do eersten zijn grooter dan 1.C0, de laatsten 1.150 M. of daar beneden; de mode vraagt de eersten voor groote rijtuigen, b.v. groote Berliners, de laatsten worden gevraagd voor kleinere rijtuigen, b.v. landauers.

Nathnsius vindt in het quotient van de derde macht der schofthoogte in hot gewicht der paarden een maat voor do gebruikswaarde als trekpaard. De gemiddelde uitkomsten zijner metingen zijn in het volgende lijstje bijeengevoegd.

Gew. KG.

Hoogte in M.

(Quotient

4 volbloedhengsten f , ,

Irakehnen

12 halfbloed „ (

539

1.705

121

57 G

1.740

122

12 Hannoveranen, hengsten

569

1.700

129

7 Mecklenburgers »

596

1.720

180

3 Oldenburgers »

626

1.750

131

12 Oost-Friezen

605

1.720

133

12 Belgen

694

1.695

171

1 Clydesdaler (hengst)

710

1.600

173

4 » (meniën)

620

1.600

151

Zware trekpaarden worden dus door het hoogste, de lichte rij- en koetspaarden door het kleinste quotient aangewezen.

Wilckens neemt als maatstaf van vergelijking de horizontale lengte (van boeg tot zitbeen) en de schoft-, romp- en beenhoogte. Zie Fig. 207 en 208. Hij vond gemiddeld, de lengte gelijk 100 gesteld, bij

Schofthoogte Romphoogte ' Beenhoogte G Arabische paarden 98.8G 44.30 54.56

28 Engelsch volbloed 98.46 45.15 53.31

9 Engelsch halfbloed (Hackney,

Trakehner en Norfolk) 96.42 44.43 51.99

7 Zware paarden (Pinzgauer,

Suffolk en Clydesdale) 88.95 42.7U 46.25

De betrekkelijk grootste schofthoogte hebben dus de Arabische (rijpaarden), de kleinste de zware trekpaarden. Voor een Brabantsch paard, bl. 399, zijn deze afmetingen resp. 96.5, 52.7 en 43.8.

Voor 't gebruik in den landbouw moet het werkpaard dikwijls ook koetspaard zijn, het ploegpaard ook geschikt wezen om lasten behoorlijk snel te vervoeren. Elke streek heeft daarvoor dikwijls zijne eigenaardige behoeften en een paard noodig, geschikt om deze bijzondere behoeften te bevredigen; alge-meene voorschriften kunnen daarvoor niet gegeven worden.

Bij de keuze der te paren dieren moet men intusschen het doel, dat men met het aanfokken beoogt, steeds voor oogen houden. Minder moeilijk is die keus wanneer de te paren dieren van één ras, b.v. beide volbloed zijn, of beide tot de koudbloedige slagen behooren, omdat de eigenschappen dan meer overeenkomen; moeilijker is het fokken van halfbloeddieren, omdat de eigenschappen van den hengst en de merrie dan meer uiteenloopen, en een zekerder resultaat zal mon ook dan verkrijgen, wanneer het verschil niet te groot is.

-ocr page 460-

404

De kleinere paarden worden in Engeland ponies geheeten. Op do tentoonstelling vraagt men deze van 14 hands en daar beneden; sedert 1897 wordt ook nog, onder den naam Poloponies, een iets grooter soort van 14 hands 2 inches gevraagd. Men onderscheidt daarvan nog verschillende rassen of slagen; zij worden vooral in Schotland en Ierland aangefokt. De ook bij ons wel bekende hitten zijn meest van de Shetlandsche eilanden afkomstig; ze zijn zelden grooter dan 1.20 M.; grootere noemt men dubbele hitten. Noorwegen en IJsland leveren dergelijke paardjes. De ponies nit Wales en Exmoor, in do Schotsehe hooglanden, verschillen in enkele opzichten hiervan; op de Engelscho tentoonstellingen mogen deze niet hooger dan 12 hands 2 inches zijn en de Shetlandsche niet hooger dan 10 hands 2 inches. Dergelijke kleine paarden komen ook voor in Zweden en Noorwegen en in noordelijk Rusland.

In de moeste landen van het Dnitscho rijk en in Oostenrijk staat de paardenfokkerij grootendoels onder don invloed der rogeering, on hot vorkrijgen van een goed militair paard treedt daarbij op den voorgrond. In de stoeterijen is fokmatoriaal nit verschillende streken bijeengebracht; Arabische hengsten en Engelsche volbloedpaarden spelen daarbij de hoofdrol; gewoonlijk worden deze met den naam raspaarden betiteld. De aangefokte hengsten — meerondeols halfbloed — worden in zoogenaamde hongsten-depöts voor de landbouwers ter dekking gestold.

De belangrijkste stoeterijen zijn: Trakehnen in Oost-Pruisson, Friedrich-1 Vilhelm te Beberbock in Brandenburg, Oraditz in Saksen, Weil bij Stuttgart in Wurtembnrg enz. Op dezo wijze worden wel goede en deugdzame paarden verkregen, inzonderheid rijpaarden of in het algemeen paarden voor militair gebruik, maar voor het gebruik in den landbouw zijn zij minder geschikt; zoodat daar waar in Duitschland een zwaar landbouwpaard noodig is, dit dikwijls van elders moet worden ingevoerd. Clydesdales, Porchorons en Belgische paarden zijn zoo in dit land niet zeldzaam en worden er in privaat-stoeterijen ook wol aangefokt. In do laatste jaren worden in enkele rijksstations als dat te Keulen, ook koudbloedige paarden (Belgen) gehouden.

Als uitstekend voor militaire doeleinden geschikt en als het beste cavalerie-paard wordt hot Oost-Pruisische paard beschouwd, waarvoor Trakehnen de hengsten levert, Fig. 229. Do moeste paarden, voor de Dnitscho remonte benoodigd, worden in Oost-Pruisen aangekocht.

Een zeer goeden naam wegens zijne paardenfokkerij hooft voorts het hertogdom Oldenburg, dat door zijno rijke weiden aan de oevers van de AVezer en de Jahde daartoe ook uitnemend geschikt is.

Het Oldenburcjsche paard, Fig. 228, dat thans hier to lande veel wordt ingevoerd om daarmede Goldersche en Friesche paarden te kruisen, bl. 389, en onder den naam van bovenlandsch paard het meest bekend is, vormt geen oorspronkelijk ras. Vroeger werden in Oldenburg veel paarden met Arabisch bloed ingevoerd tot verbetering van het bestaande ras, en van het jaar 1820 af heeft men mot Engelsche hengsten uit Cleveland on Yorkshire gekruist en de kruislingen verder door aanfokken onder elkander verbeterd.

De paardenfokkerij is hier in handen van de landbouwers; de regeoring houdt echter eene strenge keuring on looft premiën, 3 voor hengsten en 25 voor fokmerriën uit. Door eene gepaste keuzo bij het aanfokken heeft men

-ocr page 461-

405

liet alzoo in korte jave» tot een zeer gezocht ras gevormd, dat wel niet overal even groot en zwaar maar zeer conform is, bi. 87.

Schwarznecker beschrijft dit paard als volgt: „Bij éénklenrig bruin haar en eenn grootte, die gewoonlijk tusschen 1.75 en 1.85 M. ligt, is de koj), die vroeger iets in den neus gebogen was (halve ramskop), thans rechter geworden; de hals, soms wat breed en slechts matig lang, is hoog opgericht; de borst is diep en breed en de schouders hebben een goeden stand; het krnisisrond, meloenvormig, met genoegzaam hoog aangezetten staart en wijst evenals de geheele achterhand eene goede gespierdheid aan, en het onderstel is beenig en soliede; de weinig uitkomende schoft en de weeke rng zijn naast de breede, vlakke en brokkelige hoeven (een gevolg van de minder vaste weiden) dikwijls de zwakke punten. Vroegrijpheid, oen goed ten nutte maken van het voeder on goedaardigheid vallen bovendien nog op de balans der gewenschte eigen-

schappenquot;. De genoegzame omvang, de gelijkmatige kleur, de afgeronde omtrek , een goed temperament en een betrekkelijk krachtig gangwerk doen, volgons genoemden schrijver, het Oldenburgsche paard in vele opzichten beantwoorden aan de tegenwoordige eischen van een koetspaard.

Ook Hannover levert uitste-

kende koets- en rijpaarden, waartoe het hengstendepot te Celle heeft bijgedragen.

Dit is mode het geval in Mecklenburg en in Sleeswijk-Holstein. De vroegere Holsteinsche paarden waren bekend wegens hunne aanzienlijke grootte en duidelijke ramskoppen; maar door kruising met Engelsche paarden, vooral uit Cleveland, heeft men ze gewijzigd en tot meer moderne koetspaarden mot minder omvang en grootere snelheid vervormd. De op de Deemche eilanden en op Jutland voorkomende zoogenaamde waterdenen zijn vlugge duurzame dieren, maar wat week in den rug en met meestal weeke hoeven; ook deze worden naar Duitschland als landbouwpaard uitgevoerd.

Vele van de bovengenoemde Enropeesche paardenrassen, maar in het bijzonder de Engelsche zijn ook naar Noord-Amerika overgebracht. Hel Ameri-kaansche renpaard bezit thans het hoogste record, dat is de grootste snolhoid op de baan.

-ocr page 462-

406

:h. het aankokkkn van i'aardkn.

Het doel, waartoe het paard hoofdzakelijk gehouden wordt, is; tot het trekken, soms dragen van min of meer zware lasten en als rijpaard.

Van een goed rijpaard verlangt men, dat het niet te zwaar en slank go-bomvd is, en dat het buigzame rug- en halsspieren bezit; de kop moet klein, de hals lang en slank, de rug sterk en kort, de schoft hoog, de schouders lang en schuins geplaatst, de borst breed en het kruis recht zijn met hoog aangezetten staart. Van do beenen eischt men, dat zij niot te zwaar, echter normaal gebouwd en droog zijn. Bij zijne min of meer vlugge bewegingen moeten de voorpooten zooveel mogelijk vóór het lichaam, de achterpooten zoover mogelijk onder het lichaam gezet worden. Bij renpaarden en harddravers, waar hot vooral op snelheid en volharding aankomt, zijn lange ledematen en eene daarmede gepaard gaande lange en krachtige spierontwikkeling aan die bewegende deelen, vooral aan de achterbeenen, eene juiste hoekvonning van hunne beenderen, bl. 378, en een goede ademhaling van belang. Bij paarden met een snellen gang, b.v. het Arabische en het Engelsche volbloedpaard, zijn de ledematen langer dan de hoogte van den voorromp, gemeten van het elleboogsuitsteeksel tot de schoft. Zie Tig. 207. Het militaire cavalerie-paard moet leerzaam, onverschrokken en gewillig zijn en een sterk gedrongen lichaam met sterke beenen en vaste hoeven bezitten. Bij rijpaarden voor weelde komt het ook op schoonheid van vorm, dat is geëvenredigden lichaamsbouw aan.

Trekpaarden dienen of voor het trekken van zware lasten, waarbij eene groote snelheid van minder belang is, of voor het trekken van lichtere lasten met eene behoorlijke snelheid. Daar het gewicht van 't lichaam hun daarbij in de eerste plaats van dienst is, is voor het trekken van zware lasten eene zekere lichaamsmassa een noodzakelijk vereischte. Verder komen in aanmerking: eene breede borst, niet te hooge schoft, sterke schouders en bovendijen, goed gewelfde ribben, sterken rug, een goed gevuld kruis, zware en niet te lange beenen met breede gewrichten. De beenhoogte is veelal geringer dan de hoogte van den voorromp. Fig. 208. De gang dient vast en gelijkmatig te zijn. Paarden voor het trekken van minder zware lasten, maar met eene zekere snelheid, behoeven natuurlijk niet zoo zwaar te zijn. Alleen voor omnibussen en dergelijke zware en zwaar beladen rijtuigen komt het naast eene goede snelheid op kracht en dus op zekere zwaarte van het paard aan. De hcfboomsarmen dienen voor deze dieren dus niet te kort te zijn en het lichaam moet kort en gedrongen wezen, wat met eene ontwikkeling der spieren in de breedte, waardoor meer kracht kan worden uitgeoefend, gepaard gaat. Voorts is ge-wenscht eene zekere zwaarte van de voorhand, waardoor hot gewicht, dat in het tuig wordt vooruitgeschoven, Fig. 33, vermeerderd wordt. Evenals bij andere trekpaarden moeten ook hier de beenderen der ledematen sterk en van breede knie- en spronggewrichten voorzien zijn.

Bij koetspaarden, die wegens de betere wegen en de lichtere rijtuigen in den regel thans minder zwaar behoeven te zijn dan vroeger, komen sierlijkheid van bouw, oen goed opgerichte hals en een behoorlijke omvang met sterke achterpooten om gemakkelijk te kunnen pareeren en te wenden, on eene goede

-ocr page 463-

407

kniebeweging' in aanmerking. Voorts zijn gewenscht: lange hofboomsarmen en oene krachtige ontwikkeling der buigspiereii, die eene voldoende samentrekking en daardoor eene snelle beweging mogelijk maken. Evenals bij de trekpaarden kan men zware en lichte koetspaarden onderscheiden. De eersten zijn grooter dan 1.60, de laatsten 1.(30 M. of daar beneden; de mode vraagt de eersten voor groote rijtuigen, b.v. groote Berliners, do laatsten worden gevraagd voor kleinere rijtuigen, b.v. landauers.

Nathnsins vindt in het quotient van de derde macht der schofthoogte in hot gewicht der paarden een maat voor de gebruikswaarde als trekpaard. De gemiddelde uitkomsten zijner metingen zijn in het volgende lijstje bijeengevoegd.

Gcw. KG.

Hoogte in M.

(Quotient

4 volbloedhengsten (

1 o i ixii i Irakehnen 12 halfbloed „ (

539

1.705

121

57 6

1.740

122

12 Hannoveranen, hengsten

569

1.700

129

7 Mecklenburgers »

59G

1.720

130

3 Oldenburgers »

626

1.750

131

12 Oost-Friezen

605

1.720

133

12 Belgen

694

1.695

171

1 Clydesdaler (hengst)

710

1.600

173

4 » (merriën)

620

1.600

151

Zware trekpaarden worden dus door het hoogste, de lichte rij- en koetspaarden door het, kleinste quotient aangewezen.

Wilckens neemt als maatstaf van vergelijking de horizontale lengte (van boeg tot zitbeen) en de schoft-, romp- en beenhoogte. Zie Fig. 207 en 208. Hij vond gemiddeld, de lengte gelijk 100 gesteld, bij

Schofthoogte Romphoogte ' Beenhoogte

6 Arabische paarden

98.86

44.30

54.56

13 Engelsch volbloed

98.46

45.15

53.31

9 Engelsch halfbloed (Hackney,

Trakehuer en Norfolk)

96.42

44.43

51.99

7 Zware paarden (Pinzgauer,

Suffolk en Clydesdale)

88.95

42.70

46.25

De betrekkelijk grootste schofthoogte hebben dus de Arabische (rijpaarden), de kleinste de zware trekpaarden. Voor een Brabantsch paard, bl. 399, zijn deze afmetingen resp. 90.5, 52.7 en 43.8.

Voor 't gebruik in den landbouw moet het werkpaard dikwijls ook koetspaard zijn, het ploegpaard ook geschikt wezen om lasten behoorlijk snel te vervoeren. Elke streek heeft daarvoor dikwijls zijne eigenaardige behoeften en een paard noodig, geschikt om deze bijzondere behoeften te bevredigen; alge-meene voorschriften kunnen daarvoor niet gegeven worden.

Bij de keuze der te paren dieren moet men intusschen het doel, dat men met hot aanfokken beoogt, steeds voor oogen houden. Minder moeilijk is die keus wanneer de te paren dieren van één ras, b.v. beide volbloed zijn, of beide tot de koudbloedige slagen behooren, omdat de eigenschappen dan meer overeenkomen; moeilijker is het fokken van halfbloeddieren, omdat de eigenschappen van den hengst en de merrie dan meer uiteenloopen, en een zekerder resultaat zal men ook dan verkrijgen, wanneer het verschil niet te groot is.

-ocr page 464-

408

Zoowel de hengst als de merrie moeten echter in het algemeen vrij van erfelijke gebreken, hl. 101, overigens gezond zijn en de eigenschappen bezitten, welke in do aan te fokken paarden gewenscht worden. Daarbij komen nog bijzondere kenmerken voor den hengst en voor de merrie. Beide moeten hnn eigenaardig karakter zoo goed mogelijk vertoonen en, wat vorm en temperament betreft, een hengst niet op eene merrie noch eene merrie op een hengst gelijken. In alle rassen onderscheidt zich de hengst van do merrie door een zwaarderen kop en hals en in het algemeen door een eenigszins grover uitzicht en een vuriger temperament. Hengsten met een merrieachtig uitzicht erven slecht over, terwijl merriën met een hengstachtig uitzicht — dezulke zijn ook vaak van hoektanden voorzien —■ weinig vruchtbaar en in den regel slechte moeders blijken te zijn.

Overigens heeft men te Jetton op eene goede ontwikkeling der geslachtsorganen en vooral op den goeden vorm en stand van die doelen, welke blijkens ondervinding het best overerven, als het kruis, de schouders, de ledematen on andere deelen die met liet geraamte nauw samenhangen, alsmede op den daarvan mede afhankelijken gang van hot dier. quot;Vooral bij hengsten die voor het eerst gedekt hebben of merriën die voor de eerste keer moeder zijn geworden, geeft men nauwkeurig acht, of de veulens op do ouders gelijken, ten einde het overervend vermogen van dezen te beoordeelen. Fokdieren, die daarin veel te kort schieten, worden liever van de fokkerij uitgesloten.

Het aanfokken van paarden geschiedt öf op de gewone boerderijen öf in bepaalde inrichtingen, stoeterijen. Op de boerderijen is het regel de merriën in 't voorjaar te laten dekken; zij kunnen dan, daar de draagtijd ongeveer 11 maanden duurt, althans voor het veldwerk in 't najaar gebruikt worden. Hengsten houdt men veelal enkel om te dekken; zij verrichten geen werk en worden in en tegen den dektijd, die ongeveer drie maanden duurt, met veel krachtvoer, haver en eieren, gevoed. Beter is het ze buiten den dektijd gepast werk te laten verrichten; hunne spierontwikkeling blijft dan beter en ook de voeding kan meer in overeenstemming blijven met die in den dektijd.

Om zich van het willig (hengstig) zijn eener merrie te overtuigen, wordt in stoeterijen een probeerhengst gehouden, die, bij de hengstige merrie gebracht, door deze niet wordt afgeslagen, wel wanneer zij niet willig is. Heeft men zich alzoo van de hengstigheid der merrie overtuigd, zoo laat men den voor het dekken aangewezenen hengst toe, nadat de merrie zoo geplaatst en bevestigd is, dat zij den hengst niet kan slaan. Acht a elf dagen daarna brengt men de merrie nogmaals bij den hengst; is zij drachtig geworden, dan laat zij nu den hengst niet toe ').

't Getal merriën, dat men door een hengst laat dekken, is soms vrij aanzienlijk en bedraagt 100 en meer in den dektijd; ongetwijfeld is dit getal, niettegenstaande de krachtige voeding, wel eens te groot, vooral als er weinig tijd tusschen twee opvolgende dekkingen verloopt. In de Dnitsche stoeterijen wil men, dat een hengst slechts ééne merrie per dag en niet meer dan 30 a 40 of. in aanmerking nemende dat eene merrie meer dan eens gedekt moot

') Zie omtrent meer bijzonderheden dienaangaande in Handleiding vonr paarden-fnhkerij, samengesteld door C. 1). v. d. Weg.

-ocr page 465-

409

worden, 50 a 70 merriën in den dektijd van 2 a 3 maanden mag deldcen; bij edele paarden niet meer dan 14 a 16. Ook jonge hengsten mogen in het eerst niet te veel dekken. In Engeland geldt ongeveer de volgende regel: hengst 2 jaar oud ongeveer 1U a 15 merriën » 3 » » » 25 » 30 » » 4 » » » 45 » 60 »

» 5 » » en verder 70 » 100 »

Ue drachtige merrie moet inzonderheid in den laatsten tijd der draehtigheid met verschooning behandeld worden. Het laten verrichten van zwaar werk, het snel doen wenden bij het rijden of het te sterk „gordenquot;, alsmede ongepast voedsel, bl. 105, kunnen aanleiding geven tot liet verwerpen van het veulen, 'twelk in de 2de, 8de, 9de en 10de maand der drachtigheid het meest voorkomt. Zal het veulen levensvatbaar zijn, zoo moet het foetus minstens 322 dagen oud zijn. 1 a 2 weken voor dat de 11 maanden na het dekken verstreken zijn, plaatst men de merrie alleen in een ruim hok en neemt haar, als zij beslagen is, de ijzers af.

De bevalling gaat in den regel gemakkelijk, zonder hulp; zie echter bl. 106.

Het ter wereld gekomen veulen is weldra in staat op te staan en de tepels der moeder te zoeken; men laat het ongeveer 5 a 6 maand zoogen, in stoeterijen 4 a 5 maand; zie hieronder bij de voeding van 't paard. Zijn lot en bestemming hangen nauw samen met zijne eigenschappen. Als het een hengstveulen is en slechts voor den arbeid bestemd, wordt het op 1 a l'/2jarigen leeftijd, in het vóór- of najaar, gecastreerd en evenals zijne makkers van het vrouwelijk geslacht, de merrieveulens, op 2 a 3jarigen leeftijd langzamerhand aan toom en arbeid gewend. Eerst op 4 a öjarigen leeftijd mogen de jonge paarden zwaarderen arbeid verrichten en in de stoeterijen richt men ze eerst op dezen leeftijd tot rijden en trekken af. Merriën voor den aanfok bestemd, worden het best niet eerder dan op den volwassen leeftijd, in hun 5de of 6de jaar, gedekt. Anderen zien er geen bezwaar in om goed ontwikkelde merriën reeds vroeger, bv. op driejarigen leeftijd bij den hengst te brengen. Hengsten, die men wegens voortreffelijke eigenschappen en goede afkomst voor het dekken aanhoudt, worden insgelijks min of meer „beleerdquot; en liefst niet vóór den leeftijd van 5 jaren, hier te lande echter dikwijls reeds met 3 jaar, als dekhengst gebruikt. Men doet dit ook om het overervend vermogen van den hengst reeds vroeg te leeren kennen. In het eerste jaar laat men dan echter slechts eenige merriën door hen dekken.

4. VOEDING EN VERPLEGING VAN HET PAARD.

De voeding van het Paard is in 't algemeen eenvoudiger en 't getal zijner voedingsmiddelen minder groot dan die van 't Rund. Moedermelk in zijne jeugd en later versch gras is ook zijn natuurlijk voedsel. In den getemden staat wordt het als veulen ook vrij algemeen door de merrie gezoogd, maar op lateren leeftijd moet het zich of met ander voeder dan gras tevreden stellen, of heeft het tot het voortbrengen van den arbeid, dien men van hem eischt, meer geconcentreerd voeder noodig. Het volumineuse gras alleen is dan zelden voldoende.

REINDERS, III. Vierde druk. 27

-ocr page 466-

408

Zoowel de hengst als de menie moeten echter in het algemeen vrij van erfelijke gebreken, bl. 101, overigens gezond zijn en de eigenschappon bezitten, welke in de aan te fokken paarden gewenseht worden. Daarbij komen nog bijzondere kenmerken voor den hengst on voor de merrie. Beide moeten hun eigenaardig karakter zoo goed mogelijk vertoonen en, wat vorm en temperament betreft, een hengst niet op eene merrie noch eene merrie op een hengst gelijken. In alle rassen onderscheidt zicli de hengst van do merrie door een zwaarderen kop en hals en in het algemeen door een eenigszins grover uitzicht en een vuriger temperament. Hengsten met een merrieachtig uitzicht erven slecht over, terwijl merriën met een hengstachtig uitzicht — dezulke zijn ooi; vaak van hoektanden voorzien — weinig vruchtbaar en in den regel slechte moeders blijken te zijn.

Overigens heeft men te letten op eene goede ontwikkeling der geslachtsorganen en vooral op den goeden vorm en stand van die deelen, welke blijkens ondervinding het best overerven, als liet kruis, de schouders, de ledematen en andere deelen die met hot geraamte nauw samenhangen, alsmede op den daarvan mede afhankelijken gang van het dier. quot;Vooral bij hengsten die voor het eerst gedekt hebben of merriën die voor de eerste keer moeder zijn geworden, geeft men nauwkeurig acht, of de veulens op de ouders gelijken, ten einde het overervend vermogen van dezen te beoordeelen. Fokdieren, die daarin veel te kort schieten, worden liever van de fokkerij uitgesloten.

Het aanfokken van paarden goscliiedt óf op de gewone boerderijen öf in bepaalde inrichtingen, stoeterijen. Op de boerderijen is het regel de merriën in 't voorjaar te laten dekken; zij kunnen dan, daar de draagtijd ongeveer 11 maanden duurt, althans voor het veldwerk in 't najaar gebruikt worden. Hengsten houdt men veelal enkel om te dekken; zij verrichten geen werk en worden in en tegen den dektijd, die ongeveer drie maanden duurt, met veel krachtvoer, haver en eieren, gevoed. Beter is het ze buiten den dektijd gepast werk te laten verrichten; hunne spierontwikkeling blijft dan beter en ook de voeding kan meer in overeenstemming blijven met die in den dektijd.

Om zich van het willig (hengstig) zijn eener merrie te overtuigen, wordt in stoeterijen een probeerhengst gehouden, die, bij de hengstige merrie gebracht, door deze niet wordt afgeslagen, wel wanneer zij niet willig is. Heeft men zich alzoo van de hengstigheid der merrie overtuigd, zoo laat men den voor het dekken aangewezenen hengst toe, nadat de merrie zoo geplaatst en bevestigd is, dat zij den hengst niet kan slaan. Acht a elf dagen daarna brengt men de merrie nogmaals bij den hengst; is zij drachtig geworden, dan laat zij nu den hengst niet toe ').

't Getal merriën, dat men door een hengst laat dekken, is soms vrij aanzienlijk en bedraagt 100 en meer in den dektijd; ongetwijfeld is dit getal, niettegenstaande de krachtige voeding, wel eens te groot, vooral als er weinig-tijd tusschen twee opvolgende dekkingen verloopt. In de Duitsche stoeterijen wil men, dat een hengst slechts ééne merrie per dag en niet meer dan 30 a 40 of, in aanmerking nemende dat eene menie meer dan eens gedekt inont

') Zie omtrent meer bijzonderheden dienaangaande in Hanclleiding vonr paarden-fnkkerij, samengesteld door O. D. v. d. Weg.

-ocr page 467-

4nf)

worden, 50 a 70 merriën in den dektijd van 2 a 8 maanden mag dekken; bij edele paarden niet meer dan 14 a 16. Ook jonge hengsten mogen in het eerst niet te veel dekken. In Engeland geldt ongeveer de volgende regel: hengst 2 jaar oud ongeveer 10 a 15 merriën » 3 » » » 25 » 30 » » 4 » » » 45 » 60 »

» 5 » » en verder 70 » 100 »

De drachtige merrie moet inzonderheid in den laatsten tijd der drachtigheid met verschooning behandeld worden. Het laten verrichten van zwaar werk, het snel doen wenden bij het rijden of het te sterk „gordenquot;, alsmede ongepast voedsel, bl. 105, kunnen aanleiding geven tot het verwerpen van het veulen, 'twelk in de 2de, 3de, 9de en 10de maand der drachtigheid het meest voorkomt. Zal het veulen levensvatbaar zijn, zoo moet het foetus minstens 322 dagen oud zijn. 1 a 2 weken voor dat de 11 maanden na liet dekken verstreken zijn, plaatst men de merrie alleen in een ruim hok en neemt haar, als zij beslagen is, de ijzers af.

De bevalling gaat in den regel gemakkelijk, zonder hulp; zie echter bl. 106.

Het ter wereld gekomen veulen is weldra in staat op te staan en de tepels der moedor te zoeken; men laat het ongeveer 5 a 6 maand zoogen, in stoeterijen 4 a 5 maand; zie hieronder bij de voeding van 't paard. Zijn lot en bestemming hangen nauw samen met zijne eigenschappen. Als het een hengstveulen is en slechts voor den arbeid bestemd, wordt het op 1 a 1'/2jarigen leeftijd, in het vóór- of najaar, gecastreerd en evenals zijne makkers van het vrouwelijk geslacht, de merrieveulens, op 2 a 3jarigen leeftijd langzamerhand aan toom en arbeid gewend. Eerst op 4 a ójarigen leeftijd mogen de jonge paarden zwaarderen arbeid verrichten en in de stoeterijen richt men ze eerst op dezen leeftijd tot rijden en trekken af. Merriën voor den aanfok bestemd, worden het best 'niet eerder dan op den volwassen leeftijd, in hun 5de of 6de jaar, gedekt. Anderen zien er geen bezwaar in om goed ontwikkelde merriën reeds vroeger, bv. op driejarigen leeftijd bij den hengst te brengen. Hengsten, die men wegens voortreffelijke eigenschappen en goede afkomst voor het dekken aanhoudt, worden insgelijks min of meer „beleerdquot; en liefst niet vóór den leeftijd van 5 jaren, hier te lande echter dikwijls reeds met 3 jaar, als dekhengst gebruikt. Men doet dit ook om het overervend vermogen van den hengst reeds vroeg te leeren kennen. In het eerste jaar laat men dan echter slechts eenige merriën door hen dekken.

4. VOEDING EN VERPLEGING VAN HET PAARD.

De voeding van het Paard is in 't algemeen eenvoudiger en 't getal zijner voedingsmiddelen minder groot dan die van 't Rund. Moedermelk in zijne jeugd en later versch gras is ook zijn natuurlijk voedsel. In den getemden staat wordt het als veulen ook vrij algemeen door de merrie gezoogd, maar op lateren leeftijd moet het zich öf met ander voeder dan gras tevreden stellen, öf heeft het tot het voortbrengen van den arbeid, dien men van hem eischt, meer geconcentreerd voeder noodig. Het vohimineuse gras alleen is dan zelden voldoende.

REINDERS, III. Vierde druk. 27

-ocr page 468-

4(18

Zoowel do hong'st als do menie moeten echter in het algeméén vrij van erfelijke gebreken, bl. 101, overigens gezond zijn en de eigenschappen bozitton, welke in do aan to fokken paarden gewenscht worden. Daarbij komen nog bijzondere kenmerken voor den hengst en voor do morrie. Beide moeten hnn eigenaardig karakter zoo goed mogelijk vertoonen en, wat vorm en temperament betreft, oen hengst niet op eene merrie noch eone merrie op een hengst gelijken. In alle rassen onderscheidt zich de hengst van do merrie door eon zwaarderen kop en hals en in het algemeen door een eenigszins grover uitzicht on een vuriger temperament. Hengsten met een merrieachtig uitzicht erven slecht ovor, terwijl merriën mot een hengstachtig uitzicht — dezulke zijn ook vaak van hoektanden voorzien — weinig vruchtbaar en in don regel slechte moeders blijken te zijn.

Overigens hoeft men te letton op eene goede ontwikkeling der geslachtsorganen on vooral op den goeden vorm en stand van die doelen, welke blijkens ondervinding het best overerven, ais liet krnis, de schouders, do ledematen on andore deelon die met hot geraamte nauw samenhangen, alsmede op den daarvan mede afhankelijkon gang van hot dier. Vooral bij hengsten dio voor hot eerst gedekt hebben of merriën die voor de eerste keer moedor zijn geworden, geeft men nauwkeurig acht, of de veulens op do ouders gelijken, ton einde liet overervend vermogen van dezen te beoordeelen. Fokdieren, dio daarin voel to kort schieten, worden liever van de fokkerij uitgesloten.

Het aanfokken van paarden geschiedt öf op de gewone boerderijen óf in bepaalde inrichtingen, stoeterijen. Op do boerderijen is het regel de merriën in 't voorjaar te laten dekken; zij kunnen dan, daar de draagtijd ongeveer 11 maanden duurt, althans voor liet veldwerk in 't najaar gebruikt worden. Hengsten houdt men veelal enkel om te dokkon; zij verrichten geen werk en worden in en tegen don dektijd, die ongeveer drie maanden duurt, met veel krachtvoor, haver en eieren, gevoed. Beter is het ze buiten den dektijd gepast work te laten verrichten; hunne spiorontwikkeling blijft dan beter en ook do voeding kan moer in overeen stemming blijven met dio in don dektijd.

Om zich van het willig (hengstig) zijn eenor merrie te overtuigen, wordt in stoeterijen een probeerhengst gehouden, die, bij do hongstige merrie gebracht, door deze niet wordt afgeslagen, wel wanneer zij niet willig is. Heeft men zich alzoo van de hengstigheid der merrie overtuigd, zoo laat men den voor het dekken aangewezenen hengst toe, nadat de merrie zoo geplaatst on bevestigd is, dat zij den hengst niet kan slaan. Acht a elf dagen daarna brengt men de morrie nogmaals bij don hengst; is zij drachtig geworden, dan laat zij nu den hengst niet toe ').

't Getal merriën, dat men door een hengst laat dekken, is soms vrij aanzienlijk en bedraagt 100 en meer in den dektijd: ongetwijfeld is dit getal, niettegenstaande de krachtige voeding, wol oons to groot, vooral als er weinig tijd tnsschen twee opvolgende dekkingen verloopt. In de Duitsche stoeterijen wil men, dat een hengst slechts óóno morrie per dag on niet meer dan 30 a 40 of, in aanmerking nemende dat eone merrie meer dan eens gedekt moot

') Zie omtrent meer bijzonderheden dienaangaande in Handleiding voor pruirdcn-fohkp.rij, samengesteld door C. ft. v. d. Weg.

-ocr page 469-

worden, 50 a 70 merriën in lt;lon dekfijd van 2 a 3 maanden mag dekken; bij edele paarden niet meer dan l-i a 16. Ook jonge hengsten mogen in liet eerst niet te veel dekken. In Engeland geldt ongeveer de volgende regel: hengst 2 jaar oud ongeveer 10 a 15 merriën » 3 » » » 25 » 30 » » 4 » » » 45 » (gt;0 »

» 5 » » en verder 70 » 100 »

De drachtige merrie moet inzonderheid in den laatsten tijd der draehtigheid met verschooning behandeld worden. Het laten verrichten van zwaar werk, het snel doen wenden bij het rijden of het te sterk „gordenquot;, alsmede ongepast voedsel, bl. 105, kunnen aanleiding geven tot het verwerpen van het veulen, 'twelk in de 2de, 3de, 9de en 10de maand der drachtigheid het meest voorkomt. Zal het veulen levensvatbaar zijn, zoo moet het foetus minstens 322 dagen oud zijn. 1 a 2 weken voor dat de 11 maanden na hot dekken verstreken zijn, plaatst men de merrie alleen in een ruim hok en neemt haar, als zij beslagen is, de ijzers af.

De bevalling gaat in den regel gemakkelijk, zonder hulp; zie echter bl. 10G.

Het ter wereld gekomen veulen is weldra in staat op te staan en de tepels der moeder te zoeken; men laat het ongeveer 5 a 6 maand zoogen, in stoeterijen 4 a 5 maand; zie hieronder bij de voeding van 't paard. Zijn lot en bestemming hangen nauw samen met zijne eigenschappen. Als het een hengst-veulen is en slechts voor den arbeid bestemd, wordt het op 1 a l1^jarigen leeftijd, in het vóór- of najaar, gecastreerd en evenals zijne makkers van het vrouwelijk geslacht, de merrieveulens, op 2 a 3jarigen leeftijd langzamerhand aan toom en arbeid gewend. Eerst op 4 a öjarigen leeftijd mogen de jonge paarden zwaarderen arbeid verrichten en in de stoeterijen richt men ze eerst op dezen leeftijd tot rijden en trekken af. Merriën voor den aanfok bestemd, worden het best niet eerder dan op den volwassen leeftijd, in hun 5de of 6de jaar, gedekt. Anderen zien er geen bezwaar in om goed ontwikkelde merriën reeds vroeger, bv. ojj driejarigen leeftijd bij den hengst te brengen. Hengsten, die men wegens voortreffelijke eigenschappen en goede afkomst voor het dekken aanhoudt, worden insgelijks min of meer „beleerdquot; en liefst niet vóór den leeftijd van 5 jaren, hier te lande echter dikwijls reeds niet 3 jaar, als dekhengst gebruikt. Men doet dit ook om het overervend vermogen van den hengst reeds vroeg te leeren kennen. In het eerste jaar laat men dan echter slechts eenige merriën door hen dekken.

4. VOEDING EN VERPLEGING VAN HET l'AARl».

De voeding van het Paard is in 't algemeen eenvoudiger en 't getal zijner voedingsmiddelen minder groot dan die van 't Eund. Moedermelk in zijne jeugd en later versch gras is ook zijn natuurlijk voedsel. In den getemden .staat wordt het als veulen ook vrij algemeen door do merrie gezoogd, maar op lateren leeftijd moet het zich of met ander voeder dan gras tevreden stellen, of heeft het tot het voortbrengen van den arbeid, dien men van hem eischt, meer geconcentreerd voeder noodig. Het volumineuse gras alleen is dan zelden voldoende.

reindeus , III. Vierde druk. quot;27

-ocr page 470-

410

Zoodra mogelijk gaat hot in 't voorjaar geboren veulen niet zijne inoecler in de weide en blijft hier tot aan don tijd van het afwennen. Dan wordt het op stal gezet of in een hok geplaatst en met droog voer, veelal stroo en haver, gevoed. Veelal wordt daarvoor ongedorschte haver genomen en soms ook wat karnemelk of afgeroomde melk toegediend. Anderen bevelen aan liet allengs af te wennen; van de moeder verwijderd, laat men het dan eerst nog driemaal, daarna tweemaal, vervolgens eenmaal daags zuigen, om ten slotte, als de merrie nagenoeg droog geworden is, het steeds afgezonderd te houden en met enkel droog voer, of met eenig gras daarbij, te voeden. Maar geeft de moeder nog veel melk, zoo ontvangt het veulen daarbij licht te veel in eens. Anderen bevelen aan, wanneer het veulen met de merrie op stal staat, een afzonderlijk voederbakje met droog voer, waaronder haver, voor het veulen in te richten, om het langzamerhand aan ander voeder dan de melk te gewennen.

Na het afwennen gaat het 't liefst in de weide terug; in allen gevalle is 'tvoor eene normale ontwikkeling zijner ledematen van belang, dat het zich vrij bewegen kan. Op stal staande gaat de voeding in dezelfde richting voort en ontvangt het, naast goed hooi, bv. 112 KG. haver of meer en wat boonen of bij hardlijvigheid wat lijnzaad of wat lijnkoek. Het bijvoeren van afgeroomde melk wordt mede aanbevolen. Zoo wordt voortgegaan totdat het in den daarop-volgenden winter met hooi, stroo en ongeveer 3 KGr. haver of gerst wordt gevoed.

Een veulen ontwikkelt zich in het lste jaar het meest, ongeveer voor 3/5, en de ontwikkeling in dit levenstijdperk is beslissend voor zijn geheele loven. Vandaar dat de voeding in het eerste jaar vooral goed moet zijn. Na het l ste jaar is eene goede weide het meest gepast en geen of weinig toevoer noodig, terwijl het in den volgenden winter op stal staande, naast hooi, 2'/2 a 3 KG. haver of bij stroovoeding iets meer haver ontvangt. Zoo wordt voortgegaan tot op den leeftijd van ongeveer 3 jaar. waarna 'het meestal aan den arbeid gewend wordt en meer voeder dient te ontvangen.

Waterig voedsel, als wortelen en aardappelen, past niet voor jonge paarden, moeten althans slechts in geringe hoeveelheid gegeven worden. Het bost zijn gewone wortels. Zijn de weiden slecht, zoo wordt aan de jonge paarden ook in den zomer toevoer gegeven. In plaats van enkel haver bevelen anderen een mengsel van haver en boonen aan. Bij stroo, in den vorm van haksel gegeven, vervoedert Natlmsius aan jonge paarden een gelijk volume van een mengsel van gelijke deelen zemels, haver en aardnootkoek. Reynolds beveelt voor veulens van do zware Engelsche paarden aan: in den eersten winter, na het afwennen, een mengsel van 1 deel haver, 2 deelen zemels en 3 deelen boonen, en verder 7 deelen best hooi en eene gelijke hoeveelheid wortels. Als éénjarigen ontvangen zij in de weide een weinig haver en boonen toe, in den volgenden winter, naast, hooi .en wortels, boonen, haver, mais en zemels, in den volgenden zomer weder weide en in den 3den winter, naast hooi, haver, mais en zemels.

De hoeveelheid voedsel, die het min of meer volwassen paard moet ontvangen , regelt zich naar zijn gewicht, naar den arbeid, dien het verricht, enz. Paarden, die voel werken, ontvangen veel krachtvoer en meestal haver

-ocr page 471-

411

met linoi en strno als toevoer; als ze niet werken, vormen de laatste liet hoofdvoer en wordt hot rantsoen haver verminderd. Behalve haver dienen voor krachtvoer ook gerst on mais: gerst meer in zuidelijke gewesten, mais vooral door do omnibnsmaatschappijcn om aan de duurdere haver te sparen, waarbij dan 5 KG. haver door 4 KG. mais vervangen wordt. Lehmann merkt dienaangaande het volgende op: „Mais heeft, wegens haar grooter gehalte aan lichtverteerbare koolhydraten, de eigenschap op vetvorming te werken, de paarden licht te doen zweeten, ze een goed uitzicht te geven, maar maakt ze iets minder krachtig; door gewenning kunnen de nadeelen der maisvoeding echter zeer verminderd worden. In Berlijn wordt aan de trarapaarden een vrij groote hoeveelheid mais vervoederd, waarbij een éénspan daags 24 en een dubbel span 26 KM. weg aflegt. Wanneer men nu eiken dag van een dier hetzelfde werk verlangt, dan kan men ook een voedermiddel, dat anders vet-aanzettend werkt, zonder schade gebruiken, want dan wordt juist geen vet afgezet. Wanneer een dier echter eenige dagen lang weinig werk doet en er daarna weder groote inspanning van wordt verlangd, dan wordt hot door het afgezette vet licht vermoeid; een dergelijk paard moet met een eiwitrijk voeder gevoed wordenquot;. Hij beveelt aan: 5 KG. haver en 3 KG. mais en, om het eiwitgehalte iets te verhoogen en ter bevordering der verteering, 1 KG. aardnootkoek (of l1/, KG. boonen) — hot geheel ter vervanging van 11 KG. haver.

Ook tarwe en rogge worden aan paarden gevoederd maar mogen niet in te groote hoeveelheid gegeven worden, daar zij licht congesties en gevaarlijke ontstekingen kunnen veroorzaken. Met het voeren van boekweit moet men om dezelfde reden voorzichtig zijn, bovendien doet zij de paarden licht zweeten. Verder kan de haver ten deele vervangen worden door koek, boonen en in bijzondere omstandigheden ook door vleesch en vleeschmeol. Ook melasse-preparaten zijn in den laatsten tijd aanbevolen, als een licht verteerbaar voedsel bij veel krachtsinspanning.

De voedernormen volgens Em. Wolff (Lehmann) zijn, per dag en per 1000 KG. levendgewicht, in kilogr.:

Gelieele Verteerbare stollen Voeilereenheden Voedings-

lioeveellieiii

eiwit kool-

celstof

ver-

droge stof

en amid hydraten

vet

= 1

t

houding.

bij matigen arbeid

20.0

1.5 9.5

0.4

12.0

10.0

1 : 7

„ gemiddelden „

24.0

2.0 11.0

0.6

14.5

12.8

1 : 6.2

„ z waren „

26.0

2.5 13.3

0.8

17.7

15.5

1 : 6

De ruwe celstof is voor de voeding van 't paard van weinig of geen direct nut, omdat voor het kauwen en in 'talgemeen voor de vertering daarvan zooveel arbeid vereischt wordt, dat er van het nuttig effect weinig of niets overblijft. Men kan dus zonder bezwaar de verteerbare celstof van de geheele hoeveelheid verteerbare organische stof aftrekken en de rest van het ruwvoer en het krachtvoer als gelijkwaardig beschouwen. Alleen bij slap voer mag men de prikkelende middellijke werking van de celstof op de spijsvertering niet geheel uit het oog verliezen.

Settegast geeft als voedernormen:

•27*

-ocr page 472-

412

dagelijks

3 a

4.5

KG. haver,

8 a

4

11

hooi,

1 a

1.5

11

stroo.

4.5

a 6

V

haver.

3 a

4

11

hooi,

1 a

1.5

11

stroo.

3 a

4.5

11

haver,

3 a

4

11

hooi,

1.5

■ 11

stroo.

4.5

11

haver.

4 a

5

11

hooi,

1.5

a 2

11

stroo.

6

11

haver,

5 a

G

11

hooi,

1.5

a 2

11

stroo.

7.5

a 9

:i

haver,

6 a

7.5

11

hooi,

2

11

stroo.

7.5

a 10

V

hooi,

4 a

G

1'

stroo.

Bij strengen dienst wordt het rantsoen haver vergroot.

voor

lichte wagenpaarden, rij-, jacht- en soldaten paarden

Zware wagenpaarden........

lichtere

Landhomvpaarden gemiddelde .

i

zware

Lastpaarden

......... 0

I 2

Oudere merrien en die van meer waarde ontvangen bovendien 0.8 a 1.5 KG. haver.

Fokmerrie van gemiddelde zwaartej en niet werkende (

De rantsoenen, bij het leger hier te lande gegeven, zijn;

Cavaleriepaarden en officierspaarden bij de artillerie

Rijkspaarden bij de veld- en rijdende artillerie

Het stroo dient grootendeels voor strooisel en wordt thans voor een deel door turf strooisel vervangen.

Aan de Hongaarsche stoeterij Mezöhegyes ') gelden de volgende voeder-nonnen :

zomerrantsoen

winterrantsoen

KG.

4

KG.

3

r

3

11

O 1

D 2

11

4'/2

11

5

11

4

11

3gt;/2

11

3'/,

11

4

11

4'/,

11

( haver ' hooi .

I stroo j haver

gt; hooi . 1 stroo

Veulen van de 3(ie tot de Gde week.....

„ „ „ 7de week tot aan het afwennen

0/2 jaar)..............

Veulen van het afwennen tot 1 jaar.....

Hengsten en merriën éénjarig bij weidegang . .

haver

KG. 0.3

1

2.25 o

hooi stroo van zomergraan

KG. KG.


') Eflward von Eg an. Dos Ungarische Pferd. Zie ook Graf C. G. W ran gel. Das Bnch vom Pferde. waarin, behalve over ile voeding, vele bijzonderheden voorkomen omtrent de behandeling en verpleging, vooral van weeldepaarden.

-ocr page 473-

413

heiver

hooi

stroo v; zomergr

KG.

KG.

KG.

Hengsten en merriën éénjarig stalvoeding . .

3

4

2

„ „ „ tweejarig bij weidegang.

1.5

1

2

„ „ „ „ „ stalvoeding

2.5 a 3

5

4

„ ,, „ driejarig bij weidegang .

2

1

2

Hengsten bij het begin van den dektijd. . .

4.5

6

„ gedurende den dektijd.....

5

6

„ buiten den dektijd.......

4.5

5

2

Merriën drie- a vierjarig bij stalvoeding. . .

3

5

4

„ in de stoeterij opgenomen, tegen het 5

,de

jaar..............

5

Fokmerriën zonder veulen bij weidegang . .

3

3

„ drachtig bij weidegang ....

2

3

4

„ met veulen bij weidegang . . .

2.5

3

3

„ zonder veulen bij stalvoeding . .

2

6

8

„ drachtig bij stalvoeding ....

2.5

8

5

„ met veulen bij stalvoeding . . .

3

8

6

Bij vervanging van haver door ander voer

geldt 1 KG.

haver

= 2 1

hooi = 0.75 KG. gerst = 0.75 KG. zemels = 0.6 KG. inais = 8 KG. groenvoer.

liet rantsoen der landbouwpaarden regelt zich veel naar het werk, dat zij moeten verrichten, en de weide ot hot groenvoer, die of dat gegeven kan worden. In den nazomer en herfst, wanneer het meeste werk verricht moet worden, is weide veelal niet voldoende en wordt 2 a 4 KG. 'brood (van gerst en boonen veelal) of 5 a 10 liter haver en boonen por dag toevoer gegeven.

Des winters ontvangen zij stroo en daaronder ook booustroo in matige hoeveelheid met b.v. 7.5 liter haver, als zij niet al te mager op stal komen, of mocht zulks wel het geval zijn — 'tgeen in tien regel ook financieel minder voordeelig is — meer; ook als zij, op stal staande, nog veel werk moeten verrichten, ontvangen zij meer. In den voorwinter wordt bij dit voeder b.v. wel 5 liter gele wortels gevoegd en in het voorjaar, als de werkzaamheden te velde weer beginnen, veelal eene grootere qnantiteit boonen gegeven. Geeft men het stroo ten deele in den vorm van haksel en met haver vermengd, zoo moet dit lang gesneden zijn, bl. 130.

Wij laten hier nog eenige rantsoenen volgen.

Nathusius voedert zijn trekpaarden, die over de GOO KG. zwaar zijn, 9 KG. ha vei-, ongeveer 4 a 5 KG. hooi en 2.5 KG. haksel. Een gedeelte der haver, tot 1 KG., wordt ook wel door een gelijk gewicht aardnootkoek vervangen en tot versterking soms mais, zemels, meel en boonen bijgegeven.

De 700—800 KG. zware paarden, bij de suikerfabrieken in den omtrek van Maagdenburg in gebruik, ontvangen tot 14 KG. haver met wat haksel en een weinig hooi. De paarden der Parijsche omnibus-maatschappij, 545 KG. zwaar, krijgen, naast hooi en stroo, 5 KG. haver en 3 KG. mais; die te Berlijn 7.5 KG. koren, moest haver en mais, en 1.5 KG. haksel; sleepers-paarden te Liverpool 4.5 KG. mais, 2.25 KG. boonen of Canadasche erwten

-ocr page 474-

414

mot liaksel van stroo en hooi gemengd, in de verhouding van 6U proc. kort-voer en 40 proc. hooi en stroo.

Van al de land bon wdieren heeft het Paard de meeste verpleging noodig. Het is niet alleen 't meest vatbaar voor verschillende ziekten, maar het is ook in den regel 't duurst; zorg voor gezondheid of gebruik der middelen tot herstel worden derhalve bij 't paard het best beloond.

Die verpleging bestaat vooreerst in het beschutten tegen koude, zoowel in het ongunstige jaargetijde als in den zomer, na den arbeid. (Gebruik van dekken en niet te koude, tochtvrije stallen.)

De stallen worden het bost zoodanig ingericht, dat de paarden met den kop tegen een blinden muur staan, waar tevens de kribben en ruiven aangebracht zijn. De standplaats voor elk paard, met inbegrip voor de kribbe, eischt ongeveer 3 M. lengte of iets meer en 1.25 M. breedte. Daarachter is een gang van ongeveer 1.5 M. of, als ze in dubbele rijen staan, van 2.5 M. noodig. De standplaatsen worden meestal door zoogenaamde laticrboomeu afgedeeld, die in kettingen gehangen zijn, maar uitgehaakt worden, wanneer een paard daar onder mocht geraken; daarvoor zijn verschillende inrichtingen in gebruik. In plaats van door loshangende boomen deelt men de standplaatsen ook wel door de duurdere houten of gedeeltelijk ijzeren schotten af. De hoogte van een paardenstal moet 4 a 4.5 M. zijn; do hoogte der kribben 1.1 a 1.4 M. en de houten of ijzeren ruiven 0.32 a 0.48 M. daarboven. De kribben zijn meestal van houten posten vervaardigd en aan de voorzijde van boven met plaatijzer beslagen. De meestal uit klinkers bestaande vloer helt iets, ongeveer 0.15 M., naar achteren om de urine in eeno goot, achter de paarden aangebracht, te doen afloopen. De vensters worden zoo hoog mogelijk aangebracht, opdat het licht de paarden niet te hel in de oogen valle.

In de tweede plaats is eene zorgvuldige verpleging van de huid en de hoeven der paarden van gewicht. De huid wordt door middel van kammen en borstels (rossen) en zoo noodig door wasschen of baden schoon gehouden. Voor lang behaarde paarden, die zwaar werken en daarbij veel zweeten, is 't doelmatig ze van tijd tot tijd te scheren, inzonderheid dan, wanneer verwisseling van haar in het voor- of najaar met het weer niet gelijken tred houdt. Soms is 't voldoende de lange haren aan den buik, die door het afloopende zweet licht doornat worden, weg te nemen, 't Is dan tevens noodig, voor eene warme stalling te zorgen. Verschillende scharen zijn daarvoor in gebruik.

De hoeven van paarden, welke veelvuldig op harde wegen gebruikt worden, voorziet men van ijzers om hunne te groote afslijting tegen te gaan. Wij dienen dienaangaande nog in enkele bijzonderheden te treden.

Gelijk reeds bl. IS en 3C8 gezegd is, bezit het paard aan eiken poot één teen, respectievelijk vinger, waarop het loopt. Den beenigen grondslag daarvan vormen een drietal beentjes, waaraan eenige spieren enz. bevestigd zijn en deze met een huid bedekt, Fig. 231. Deze huid nu is aan zijn benedendeel, in plaats van met haar, met eeno hoornachtige massa bekleed, welke evenals het haar uit of op deze huid, daar waar zij er mee vereenigd is, groeit en min of meer den vorm eener schoen bezittende, het benedendeel der pooten bekleedt. Die hoornachtige massa vormt den hoef. Men onderscheidt daaraan, zie Fig. 230, o. a.:

-ocr page 475-

415

De hoefijzers, gewoonlijk van smeedijzer, maar ook wel van staal en aluminium vervaardigd, dienen om den draagrand van den hoef voor afslijting te bewaren. Zij vormen als 't ware een kunstmatigen draagrand en moeten daarom denzelfden vorm als dezen hebben. Zij mogen de natuurlijke veerkracht van den hoef niet benadeelen. Hunne breedte bedraagt ongeveer het dubbel van den hoorn wand rand, zoodat het 5—9-tal nagels, waarmode zij bevestigd worden, juist in de witte lijn worden ingeslagen en slechts een gedeelte van den zoolrand, 2—5 mM., er door bedekt wordt. Hunne lengte moet die van den hoef niet overtreffen; de meestal

-ocr page 476-

41G

omgebogene einden (kalkoenen) mogen den straal raken, maar dezen niet drukken. De buitenrand dient ongeveer 1/12 dikker te zijn dan de binnenrand, zoodat het ijzer eenigszins naar binnen afholt. Vóór liet bevestigen van 't ijzer wordt do hoef zooveel mogelijk vlak gesneden en verder met het bruinrood gloeiende ijzer vlak gemaakt. Voor het scherp beslag in den winter worden nog afzonderlijke kalkoenen ingeschroefd of de ijzers op eene andere wijze van scherpe punten voorzien, terwijl ook bij verkeerden stand der beenen, als franschen en toontredersstand, wel een bijzonder beslag in toepassing wordt gebracht.

5. GEBRUIK VAN HET PAARD.

quot;Waartoe het paard dient is bij het aanfokken, bi. 406, reods gezegd, en 't zal voldoende zijn nog slechts enkele opmerkingen daaraan toe te voegen.

Vooraf laten wij volgen eene kleine statistiek, die aanwijst het aantal paarden en het gebruik dat daarvan in ons land gemaakt wordt. Daaruit blijkt tevens dat de paardenfokkerij vooruitgaat.

van

van

van

1871—1880

1881—1890

1891—1899

In 1899

Dekhengsten

813

957

854

860

Veulen meniën

31.375

33.132

34.575

40.346

Paarden beneden 3

jaar en veulens

48.267

53.412

57.561

G5.19G

Werkpaarden

184.013

184.528

178.721

178.555

Samen

264.468

272.029

271.711

284.955

Veulens aangefokt

25.665

31.332

De arbeid door een paard verricht kan men onderscheiden in inwendigen en uitwendigen arbeid, hl. G4. Eerstgenoemde is bij koudbloedige paarden met een rustig temperament gewoonlijk geringer dan bij warmbloedige paarden of met andere woorden; warmbloedige paarden hebben bij gelijk gewicht meer onderhoudsvoeder noodig. Het paard verricht uitwendigen arbeid: lu. als het zijn eigen lichaam, 2°. als het een daarmede verbonden last verplaatst. Den laatsten alleen kan men nuttigen arbeid noemen. Die last kan gedragen (bij rij- en pakpaarden), getrokken of geduwd (b.v. bij wagen paarden) of deels gedragen deels getrokken worden (b.v. karrepaarden). Door Ruoff wordt het draagvermogen in rust op l/5 van het levendgewicht gesteld en de trekkracht op 4/5 van de draagkracht. Beweegt zich tevens het paard — en dit is onafscheidelijk van het verrichten van nuttigen arbeid —, zoo vermindert het draagvermogen voor elke voet snelheid met '/s en trekkracht in dit geval met ongeveer '/s-

De theoretische arbeidsmaat, bij de stoommachines in gebruik en dooi Watt paardekracht geheoten — het opheffen van oen last van 75 KG. 1 M. hoog in 1 seconde — loopt, in werkelijkheid bij oen paard toegepast, zeer uiteen en kan GO—90 KgM. en meer bedragen. Van meer belang is de kennis van de kracht en den arbeid, die aangewend of verricht worden, wanneer het paard zijn eigen lichaam verplaatst. Door Sanson is deze bepaald in den stap op l/20 en in draf en galop op '/10 van het levendgewicht. Beweegt zich dus een

-ocr page 477-

417

paard van 500 KG. in stap over een horizontalen weg van 10 KM., zoo heeft het een arbeid verricht van 500 X Vio X 10.000 = 250.000 Kg.M. Beweegt liet zich met eene snelheid van 4 M. in de seconde en legt hot denzelfden weg af, zoo is de arbeid 500 X Vro X ^ X 2500 = 500.000 Kg.M., dus dubbel zoo groot. Er moet dus wel onderscheid gemaakt worden of de arbeid bij eene matige beweging, in stap, dan wel met grootere snelheid, in draf, verricht wordt; en in het algemeen mag men aannemen dat ook hier de alge-meene wet der mechanica geldt; Wat men in snelheid wint, verliest men in kracht en omgekeerd.

Nu hangt de kracht die een paard kan uitoefenen ongetwijfeld af van zijne afmetingen, maar terwijl men de kracht evenredig kan stellen met het vierkant der lineaire afmeting, b.v. den borstomvang, is de zwaarte van het dier evenredig met de derde macht daarvan, en aangezien de nuttelooze arbeid door het verplaatsen van het dier zelf evenredig is met zijne zwaarte en deze in den draf dubbel zoo groot is als in den stap, volgt hieruit dat zware paarden niet voordeelig werken, als de last met zekere snelheid moet bewogen worden. Door Müntz te Parijs is dit proefondervindelijk bewezen. Immers als mailt voor die kracht kan het voedsel dienen, en nu bleven paarden van 500 a 550 KG. zwaarte in denzelfden staat van gevoedheid, terwijl paarden van 700 KG. gewicht met hetzelfde voedsel en bij het verplaatsen van denzelfden last met gelijke snelheid in draf, in gewicht afnamen.

Waar het dus op zekere snelheid aankomt, werken zware paarden niet voordeelig. Laat ons, om dit door een voorbeeld duidelijk te maken, aannemen een cavaleriepaard van 300 KG. dat, behalve zijn eigen gewicht, een ruiter en zijn gepak, samen 80 KG. wegende, in draf moet verplaatsen. Het totale te verplaatsen gewicht bedraagt dan 380 KG. en de kracht daarvoor noodig 380 X 0.1 = 38 KG. of als de at te leggen weg 20 KM. bedraagt 38 X 20.000 = 760.000 Kg.M. Weegt het paard 500 KG. zoo wordt de kracht 58 KG. en de arbeid 1.100.000 Kg.M., dus 40.000 KG. meer, welke, aangezien het resultaat hetzelfde is, nutteloos verloren gaat en slechts door meer voedsel verkregen kan worden.

Anders wordt het geval bij het verplaatsen van een zwaarderen last bij geringe snelheid. Gesteld de gemiddelde trekkracht van een paard van 30U KG. bedraagt 70 en die van 500 KG. gewicht 85 KG. Voor het verplaatsen van het eigen gewicht is nu 300 X 0.05 = 15 KG. en 500 X 0.05 = 25 KG. noodig, dus een verschil van 10 KG., terwijl de winst in kracht is 15 KG. In draf zou voor het verplaatsen van het eigen gewicht 300 X 0.1 =30 KG. en 500 X 0.1 = 50 KG. noodig zijn, dus een verschil van 2U KG. en zou het lichte paard weer voordeelig uitkomen.

In het algemeen zijn dus lichte paarden bij een snellen en zware paarden bij een langzamen gang voordeeliger in het gebruik ').

') Voor het berekenen van rlen iloor een paard verrichten arbeid kan men gebruik maken van de formule: A = L X '7 X S X W, waarin de last, q een coëfficiënt, afhankelijk van de wrijving enz , S de snelheid en W den doorloopen weg voorstelt. De coëfficiënt q loopt niteen van 0.01 tot 0.20, cn kan bij het trekken vooreen wagen op een harden weg gelijk 0.03 gesteld worden. Het product T. X '/ stelt ook de door een krachtmeter gevonden trekkracht voor.

-ocr page 478-

418

Ook heeft men eeno betrekking gezocht tusschen den verrichten arbeid en het daarvoor noodige voedsel.

Op bl. 71 is reeds gezegd, dat uit genomen proeven gebleken is, dat een paard van 500 KG. 3.3 KG. voedereenheden, de celstof niet gerekend, voor zijn onderhond noodig heeft en dat het voor elke KG. voedingsstof die het daarboven ontvangt, 550.000 Kg.M. arbeid kan verrichten. Door vermenigvuldiging van de in één KG. van een voedingsmiddel aanwezige hoeveelheid verteerbare voedingsstof in grammen (voedereenheden) met den factor 550, kan dus het arbeidsaequivalent van elk Kg. van een voedermiddel berekend worden.

Door directe bepaling van de verteerde voedingsstof werden door Wolff te Uohenhoim de volgende cijfers verkregen, waaruit, na aftrek van de ruwe celstof, bl. 411, en vermenigvuldiging met 550, de volgende arbeidswaarden van 1 KG. der onderstaande voedermiddelen zijn berekend.

Organische stof verteerd

in het

ruwe

zonder

Gelijk arbeids-

geheel

celstof

celstof

eenheden

gr.

gr.

gr.

Weidehooi

406

— 114

=

292

160.60(1

Klaverhooi

411

— 120

=

291

160.050

Luzernehooi

4C2

— 110

=

352

193.600

Haver

602

— 20

=

582

320.100

Gerst

707

— 41

=

666

366.300

Maïs

800

- 15

=

785

431.750

Boonen

724

— 45

=

679

373.450

Erwten

607

— 5

=

662

364.100

Lupinen

643

— 87

=

547

300.850

Lijnkoek

634

— —

=

634

407.000

Voedingsproeven, vooral ter vergelijking van een zwaar (koudbloedig) en een minder zwaar (warmbloedig) paard voor den arbeid in den landbouw zijn te dezen opzichte nog zeer gewenscht.

Bij hot verrichten van den arbeid door 't paard hangt veel van een doelmatige aanspanning, van het gewend zijn aan arbeid en eene goede dressuur af, bl. 73. Men maakt bij het aanspannen gebruik van hamen of het zceltuig (halsbouw). Het eerste heeft dit voor, dat de last over een grooter deel van 't lichaam verdeeld wordt; het moet overeenkomstig den bouw van 't lichaam des paards zijn, en is het meest gepast bij het trekken van zware lasten en bij het rijden op een hellend terrein. Het zoeltuig is gepast voor lichteren arbeid. Daarbij moet do aanspanning in de richting der trekkracht zijn, bl. 72.

Bij goede behandeling kan een landbouwpaard 20 en meer jaren bruikbaar zijn, terwijl het door 't misbruiken, ondoelmatige of onvoldoende voeding en slechte verpleging reeds mot 10 jaar daarvoor dikwijls weinig waarde meer heeft.

Het paard moet langzamerhand aan den arbeid, aan toom en teugel gewend worden.

Het aanfokken en opfokken van veulens is dikwijls mede eene der bedoelingen waarom men een paard of paarden houdt, of waardoor men voordooien behaalt. Is het de bedoeling de alzoo verkregen jonge paarden te verkoopen, zoo is het zaak zulken te fokken, waarvan eene goede gelegenheid tot afzet bestaat, bl. 391.

-ocr page 479-

419

In de Duitsche stoeterijen rekent men van de gedekte morriën 6G proc. in liet gunstigste geval en CO proc. gemiddeld aan veulens, maar bij paarden, die tevens moeten werken, mag dit getal niet hooger dan 50 proc. gesteld worden.

Als hijproducten van het paard vermelden wij; het vleesch, een in vele opzichten niet te versmaden voedsel. de huid voor leder, haren voor matrassen enz., de hoeven en de mest. Uit paardenmelk wordt in enkele streken van Azië eene soort van drank (kümys), bl. 304, bereid.

üe teelt van ezels, de in vele opzichten miskende dieren, die van muilexels en van de minder algemeene muildieren, komt veel met die van paarden overeen.

Ezels worden vooral gehouden in Perzië, Syrië, Egypte en Spanje; muilezels, waarvan de uitwendige organen meer met die van een ezel, de inwendige meer met die van een paard overeenkomen, in Spanje en Abessynië en in vele landen van Zuid-Europa, Azië en Amerika; muildieren, die kleiner zijn, maar uiterlijk meer op een paard gelijken, naar het schijnt slechts in zuidelijk Italië en op Cicilië — Gayot trekt zelfs het geheele bestaan van muildieren in twijfel. Do namen muildieren en muilezels worden ook niet zelden met elkander verward.

Muilezels worden vooral gefokt in zuidelijk Frankrijk, inPoitouen Gascogne; hier worden bepaalde ezels, zoogenaamde baudets, gehouden voor het aanfokken van muilezels, die men daartoe kruist met merriën, mulassières, uit Poitou. 't Schijnt dat deze kruising de beste muilezels oplevert. De oude provincie Poitou produceert jaarlijks ongeveer 17000 van deze dieren. Een mannelijke muilezel heet hier nmlet, eene vrouwelijke mule, een jonge muilezel muleton en een jonge ezel, voor baudet bestemd , ftdon, terwijl een muildier hardot heet.

De draagtijd van eene ezelin is ongeveer een jaar; die van eene merrie, door een ezel gedekt, is iets korter. Het dekken van eene merrie door een ezel of omgekeerd van eene ezelin door een hengst heeft dikwijls niet vrijwillig plaats, schoon de daarvoor in Frankrijk gebruikte baudets zeer vruchtbaar zijn. Een volwassen baudet dekt met succes een tiental merriën per dag. De geboorte van een muilezel (mvleton) gaat veel moeilijker dan die van een jongen ezel of veulen. Ook sterven er vele van de jong geboren dieren, waarschijnlijk omdat zij veelal te gulzig zuigen. Om hun dit te beletten omwindt men hun muil wel met een doek, waardoorheen zij moeten zuigen en hun het gulzige zuigen eenigszins belet wordt.

De voeding en verpleging van ezels en muilezels is overigens zeer eenvoudig. Beide stellen zich met schraler voedsel tevreden en hebben niet de zorgvuldige verpleging van het paard noodig.

Voor het bestijgen van steile bergen zijn ezels en muilezels de meest geschikte dieren; zij worden bovendien vooral gebruikt tot hot vervoer van lasten in en nabij de steden; de daarbij door hen verrichte arbeid is betrekkelijk grooter dan die van een paard. Een ezel van kleine gestalte draagt niet zelden meer dan 100 KG. in eens 2 a 3 KM. ver, terwijl een paard, beladen met een gewicht van 100 a 150 KG., hoogstens 50 KM. per dag kan afleggen. Voor een rosmolen gespannen kan een kleine ezel een dagelijkschen arbeid verrichten van 300000 a 400000 KgM. Voor een ander klimaat zijn de mules meer bestand dan de muiets; zij gelden in Poitou in den regel ook een hoogeren prijs.

-ocr page 480-

420

Het aantal ezels en muilezels in Nederland is sterk afnemende. Terwijl er van 1871—80 nog gemiddeld jaarlijks 3204 werden geteld, was dit getal in 1899 nog slechts 1547. De meesten, bijna de helft, vindt men in de provinciën Noord-Brabant en Gelderland; in de drie noordelijke provinciën slechts 32.

H OOFDSTUK III.

SCHAPENTEELT •).

1. AFSTAMMING EN EIGENSCHAPPEN VAN HET SCHAAP.

Het Schaap behoort tot dezelfde orde van de klasse der Zoogdieren als het Rund, namelijk tot de Herkauwers of Tweehoevigen, bl. 159. Evenals het

Rund bezit het ook holle horens, die echter van voren naar achteren samengedrukt, van vele ringen voorzien en meestal kurketrekkervormig gewonden zijn. In den regel bezit alleen het mannelijk dier. Fig. 232, horens en bij vele veredelde rassen ontbreken zij ook hierbij.

Bij haast geen onzer huisdieren bestaan zoo groote verscheidenheden als bij het Schaap. Of deze van één of van meer wilde soorten afstammen, is niet met zekerheid bekend. Nehring houdt hot voor waarschijnlijk dat het Enro-peesche getemde schaap afstamt van den Moufflon (Oei* Musman), volgens Plinius vroeger in Spanje inheemsch, thans nog op Corsica en Sardinië in het wild voorkomende, of van het Steppenschaap (Ovis arkar), dat thans nog in westelijk Azië in tamelijk groote hoeveelheid in het wild gevonden wordt. Hier zoowel als in andere gedeelten van Azië komen intusschen nog meer soorten schapen in het wild voor, b.v. den Argali {O vis-An ton) in midden-en noordelijk Azië, en het is mogelijk dat ook daarvan enkele getemde schapenrassen afstammen. Blijkens do historie is het Schaap reeds vroeg

') J. liohrn. Die Schaf zucht; M e n t /, e 1 s Schn fzuch t; Dr. A. Nurnan, Handleiding lol de inlandsche schaapsleell.

-ocr page 481-

421

getemd on in rlen getemrlen staat hooft, hot gewis ondor don invloed van hot klimaat, den grond on ovoroenkomstig do bodoeling van don fokker velerlei veranderingen ondergaan on zijn er alzoo ook door do teelt zelve eono menigte rassen of. volgens anderen, soorten verkregen. In Noorwegen en op IJsland komen verwilderde schapen voor.

Het mannelijk schaap heet ram of ontmand weer of hamel, het vrouwelijk schaap ooi. Tot op den leeftijd van ongeveer 0 a !) maanden noemt men het lam, later jong schaap of mier- en twinter- en vervolgens driejarig en meerjarig schaap. Eene ooi, die niet drachtig geworden is, heet gust of gel.

Niet alleen door het bezit van de met hoeven bekleede 2 teonen aan eiken poot en de met het herkauwen in verband staande samengestelde maag, maar ook in 't getal en in den vorm der tanden en kiezen komt het Schaap veel met het Rund overeen, en dergelijke benamingen, bl. 171, zijn daarvoor in gebruik. Het doorbreken en wisselen van de tanden en kiezen kan ook bij het Schaap tot herkenning van den ouderdom dienen, waarbij men echter in aanmerking moet nemen, dat bij goede voeding het wisselen eerder, bij slechte

Fig. 233. Snijtanden van Fig. 234. Snijtanden van Fig. 235. Snijtanden van liet Schaap, 1 jaar oud. liet Schaap, 2l/o jaar oud. het Schaap. 4,/.i jaar oud.

voeding later geschiedt. De volgende tabel, op gelijke wijze ingericht als die

voor het Rund op bl. 172. wijst den toestand van het gebit in eenige levenstijdperken van 't Schaap aan.

Bij gehoornde schapen kan ook 't getal hoornringen ten naastenbij ter bepaling van den ouderdom dienen.

OUDERDOM.

SNIJTANDEN.

KIEZEN.

SAMEN.

1

2 I 3

4

1 1 2

3 I 4

5

6

I. Tijdperk van de melktanden

i

|

1

bij de geboorte........

2

4; 4

4 —

14

1 a 2 weken oud......

2

2 i___

4 | 4

4 —

10

2 a 3 „ „ ......

2

2 2

4 4

4 —

18

3 a 4 „ „ ......

2

2 t 2

2

4 1 4

4 ! —

20

11. Tijdperk van het wisselen

der tanden.

'Ii—3lk ja-quot;quot;'.........

2

2 1 2

2

4 . 4

4 4

24

1-1 gt;/2 „ , Fig. 233 . . .

2

2 2

2

4 4

4 4

4

28

2—2 '/j „ , Fig. 234 . , .

2

2 • 2

2

4! 4

4 4

4

4

32

3-3'/, „ .........

2

2 2

2

4 4

4 4

4

4

32

CC Cl

cb

1

2

2 2

2

4 4

4 4

4

4

32

-ocr page 482-

422

Hot Schaap ontwikkelt zich snol; het neemt tot zijn tweede jaar 't meest in gewicht too en is veelal reeds vóór zijn eerste jaar geslachtsrijp. Vroegrijpe Engelsche schapen zijn reeds op 2 a 2,/2jarigen leeftijd volwassen; andere rassen eerst niet 4jarigen leeftijd. De teelschheid openbaart zich het duidelijkst in den herfst; zij duurt 24—36 uur en herhaalt zich alle 3 week; de draagtijd is ongeveer 21 weken. Sommige rassen, bv. de merino's, brengen in den regel slechts één jong ter wereld, andere twee, drie of meer. Pas geboren lammeren wegen 2.5—4 KG. of van 't levendgewicht der ooi. Ram

men zijn gewoonlijk 'j3maal, hamels '/s—'U maal zwaarder dan ooien. Het gewicht van het kleine Duitsche heideschaap bedraagt 14—28 KG., dat der merino's 25—5G KG. en de zware vleeschschapen wegen GO—70 KG.

De belangrijkste ziekten van het Schaap zijn: de draaiziekte, trommelzucht, het ongans, klauwzeer enz. Voor het Schaap schadelijke dieren zijn; Blaas-wormen {Coenurus cerebralis veroorzaakt draaiziekte) in de hersenen; lintwormen {Taenia expansa), de groote en de kleine leverbot (Distoma hepaticum en Z). lanceolatum, veroorzaken de botziekte of hot ongans) in de galgangen van de lever; palissaden-wormen {Strongylns cernuus en S. fdicollis) in de darmen, S. contartus in de maag, S. filaria in de luchtpijp van lamineren; de echte schapenhaarluis {Thrichodedes sphaerocephalus), de gewoonlijk zoogenoemde schapenluis [Melophagus ovinus) en de schapenteek {Ixodes reduvius) op de huid; de schapenhorsel (Oestris avis) in de neusholte, de voorhoofd-boesems en de bovenkaakholte; de schapenvliog {Lucilia sericata, veroorzaakt de madenziekte) op de huid en in 't vleesch; de schurftmyten {Dermatocoptes communis, Sarcoptes scabiëi en Dermatoplmgus bovis) veroorzaken de schurft.

'2. SCHAPENRASSEN.

Gelijk reeds gezegd, icomen van het getemde schaap eene menigte rassen of volgens anderen soorten voor. Wij geven, om de betrekking der rassen van ons land tot andere des te beter aan te duiden, daarvan hot volgende overzicht, volgens Bohm. Deze brengt ze vooreerst tot twee hoofdgroepen: A) kortstaartigen en B) langstaartigen.

Tot A, de kortstaartigen (Ovis Brachyura) behooren:

a. de gehoornde heideschapen in meer hoog gelegen streken en h. de ongehoornde Marschschapen in lager gelegen landen.

Tot de gehoornde heideschapen rekent hij vooreerst de schapen in noordelijk Europa voorkomende (Scandinavië, IJsland, de ïaroer en andere eilanden, de heidevelden in Denemarken en Noord-Duitschland). Over 't geheel zijn het kleine onoogelijke dieren, die zich mot een karig voedsel tevreden stollen, 't Meest bekend daaronder zijn de Heidschnucken op de Lüneburger en Bremer heidevelden enz. Het LJslandsche schaap bezit behalve do twee gewone horens nog een derde midden op den kop.

Grooter dan die in Noordelijk-Europa zijn de tot deze groep behoorende schapen in Azië en aan de zuidoostelijke grens van Europa. Aan het achterdeel of de stuit dezer dieren zet zich eene grooto hoeveelheid vet af, bij oen schaap van 100 KG. soms meer dan 20 KG., t welk aanleiding gegeven heeft

-ocr page 483-

423

zo met den naam van vetstuitschapen {0. hr. steatopya) to bostompolen. Het is hot sclrnap van tie Tartaren, Kirghiozon en ICalmukken.

Van meer belang zijn die der groepde ongehoornde korlstaarUge schapen: waartoe vooreerst de slagen bohooron aan de knsten der Noordzee, van Denemarken tot noordelijk Frankrijk: hot Budjadingrr, Eiderstedter, het IJiitmarsche en hot Friesche en voorts Gi'oningsche, Tesselsche, het Vlaamsche en hot Bru/gasschaap, aan de oevers der Weiehsel. En in de tweede jjlaats rekent Bolnn hieronder hot Chineesche en hot stompstaartschaap in Arabië en Perzië, bij hetwelk zich, evenals bij liet bovengenoemde votstmtschaap, veel vet aan de achtordeelen afzet.

B. De langstaartige schapen (Ovin dolwhurd), met 13—22 wervels in den staart, verdeelt Bohm vooreerst in breedstaartigen of vetstaartschapen {O. platyura) en smalstaartigen (O. leptura). Do eersten, wier met vet bezette staart nog- van ongelijke zwaarte is maar soms eeno aanzienlijke grootte bereikt, komen in West-Azië, Turkije Frankrijk, Noordelijk Afrika en aan Kaap de Goede Hoop voor. Het meest mnnt, in zwaarte en lengte der staart, daaronder nit hot Syrische schaap. Om het dier zijn' staart — in die streken niet ten onrechte in eere gehouden — niet te doen beschadigen, wordt liet uiteinde soms op een van kleine raderen voorzien plankje gelegd.

De schapen met een langen maar niet mei vet begroeiden en daardoor smnl-lercn staart worden door Bohm verdoold in dezulken, wier staart niet met wol maar mot gewoon haar bezet is en die niet oenen met wol begroeiden staart. Tot de eerste rekent hij verschillende slagen in Afrika 'thuis behoorende, als het Dinka- of manenschaap in Soedan enz., het langbeenige schaap aan de kust van Guinea enz.

Van meer gewicht voor ons zijn de schapen, wier lange'niet vette staart met wol bezet is, aangezien hiertoe de meeste fokrassen gebracht moeten worden. Zij zijn de trouwe begeleiders van don Indo-germaanschen volksstam. Bohm onderscheidt hiervan:

1. rassen met gemengde wol, dat zijn dezulke, waarbij zuiver merglooze wolharen vermengd zijn inet merghoudende, minder gekronkelde, zoogenaamd naaldvonnige haren. Hiertoe behooren:

a. liet Zackelschaap met lange horens, meestal kurketrekkervormig naar boven gericht, in Macedonië, Moldavië, Walachije, Hongarije en op den Griekschen Archipel;

b. liet hangoorschaap, waartoe gerekend worden het Bergamasker schaap in Lombardije enz. en enkele andere slagen in Italië, Stiermarken, Karinthië en do Salzburger Alpen;

c. het bergschaap, waaronder een menigte slagen en rassen in verschillende landen van Europa worden samengevat, die, als bergbewoners klein maar sterk gebouwd en niet zeer vroegrijp zijn en weinig aanleg voor vet-vorming bezitten. In de Alpen kent men als zoodanig het Zwitsersche schaap, op Corsica en Sardinië het Sardinische, in Frankrijk het schaap der Pyreneën en der Cevennen, in Engeland het bergschaap van Wales en van Cornwales, liet TïerrfwicA-soliaap in Cumberland en hot zwartkoppige schaap op liet Peak-gebergte, in Ierland het Kerry- en Wicklow-schaap enz.;

d. het landschaap. Deze benaming staat tegenover hot berg- en het laag-

-ocr page 484-

424

/

lands schaap. TVrwijl hot laatste in de lage vochtige kuststreken en het berg-schaap op de hoogvlakten voorkomt, is hot landschaap de bewoner der droge en vlakke gronden in verschillende landen van Europa. Van de Noderlandsche moeten, naar onze meening, daartoe gebracht worden: het Drentsdie, het Veluwsche en het Keinpensche schaap.

Verder rekent men daartoe het zoogenaamde Zaupelschaap in Beieren enz., het Poolsche en 't Hannoversche landschaap; het schaap van Berry en Sologne, dat van Poitou en van La Manche en Limousin in Frankrijk, het Lacha schaap in Spanje.

De Engelsche rassen dezer groep onderscheidt men in die met lange wol, waartoe het Lincoln-, het Devonshire, het Cotswold- en het Romney marsch of Kentschaap bohooren en die met korte wol, namelijk het Shropshire, het oude Norfolk schaap, dat van Cornwales en dat der woudrassen.

2. rassen met meer slichte, naaldvormige meryhotcdende wolharen. De wol dezer schapen is minder kroes, langer en bezit meer glans.

Daartoe bohooren het I any staar tig e Bedouinen, het Tscherkessen schaap en onder de Engelschen het door Bakewoll zoo beroemd gewordene Leicester-ms.

3. rassen, met enkel zuivere of eigenlijke wolharen, zonder m ery. Deze wol kan nog zijn:

a. min of meer slicht, dus weinig kroes. Rassen met zulke wol zijn in

Duitschland: het Rhön-, het Rijn- en het Hessische schaap; in Engeland: het Southdown of Sussex-, het Ryeland of Hereford-en het Gheviotschaap, alle drie ongehoornd en de gehoornde Dorset- en de Wilishireschapen.

b. kroes. Elk haartje, zoodra het uit de huid te voorschijn treedt, kronkelt zich; de haren eener, door huidnaden begrensde, vlakte voreenigen zich tot strengetjes, waarin de haren niet slechts dicht

aan elkander leunen, maar volgens hunne gelijkvormige windingen zich naar elkander voegen en door het votzweet innig met elkander verbonden zijn.

Reeds in de grijze oudheid schijnt deze wol bij de Pheniciers, Grieken en Romeinen bekend geweest te zijn. Thans treft men nog in de landen. eens door deze volken bewoond, rassen aan, die zoodanige wol voortbrengen. Zoo in de provincie Mingrolië (Aziatisch-Rusland) het Colchis-schaap en een dergelijk ras in Benedon-Italië. Van uit deze landen is' dit schaap met echte kroese wol, onder den naam merinos overgevoerd naar Spanje en van hier uit naar verschillende andere Europeesche landen, naar Amerika en naar

-ocr page 485-

12.0

Australië. Behalve deze merinos onilerscheidt men in Spanje nog liet Burdos-of ('hurra-srhaap. dat langere maar grovere wol levert.

Na dit overzicht van de bestaande schapen lassen zullen wij omtrent enkele nog in eenige bijzonderheden treden.

Do Merinos of wandelende schapen (omdat zij in Spanje in troepen van de eene plaats naar do andere gedreven worden), zijn over't geheel kleine dieren, die hoofdzakelijk om de wol gehouden worden. Van uit Spanje in verschillende andere landen ingevoerd (van omstreeks het midden der lSde tot het midden der vorige eeuw, het eerst in Zweden in 1723), hebben zij, al naar de richting daarbij gevolgd, verschillende fokrasscn geleverd. Ook hier te lande heeft men den invoer beproefd, maar allicht wegens hot vochtige klimaat, zonder gunstig gevolg. In Frankrijk heeft men zich toegelegd om veel en tamelijk

lange, schoon minder fijne, zoogenaamde kaïmvol er mede voort te brengen. Do dooi' Tnrgot in ITTO ingevoerde en naar zijn domein te Versailles genoemde liambouülets en het door Granx aangefokte hoornlooze Manchamp-ramp;s met zijdeachtige wol, zijn van alle merinos hot grootst (zwaarte ruim 50 KG.), vooral die in Soissons gehouden worden. Zij vormen, naast enkele kleinere rassen die eene fijnere wol leveren, de hoofdvertegenwoordigers der Fransche merinos. In Duitschland en meer bepaald in Saksen was geruimen tijd het hoofddoel om zeer fijne wol voor lakens te produceeren met het kleine, 25—30 K(r. wegende Electoraal of Excuriaal-rsis. In Oostenrijk heeft men vooral het 30—KJ KG. wegende Negrctli- of Ihfnnianilo-vivs,, Fig. 235. gefokt, dat meer maar minder fijne wol levert.

Deze rassen komen intnsschen in Duitschland weinig zuiver meer voor. Door groote aanvoeren uit Australië en door het heffen van inkomende rechten heixuers, lil. Vierde druk. 'iH

-ocr page 486-

424

/

landsftchaap. Terwijl liet laatste in de lage vochtige kuststreken en het berg-schaap op de hoogvlakten voorkomt, is liet landschaap de bewoner der droge en vlakke gronden in verschillende landen van Europa. Van de Nederlandsche moeten, naar onze meening, daartoe gebracht worden: het IJrentsche, het Veluwsche en het Kenipensche, schaap.

Verder rekent men daartoe het zoogenaamde Zaupelsciiaap in Beieren enz., het Poolsche en 't Hannoversche landschaap; het schaap van Berry en Sologne, dat van Poitou en van La Manche en Limousin in Frankrijk, het Lachn schaap in Spanje.

De Engelsche rassen dezer groep onderscheidt men in die met lange wol, waartoe het Lincoln-, het Devonshire, het Cotswold- en het Rornney marsch of Kentschaap behooren en die met korte wol, namelijk het Shropshire, het oude Norfolk schaap, dat van Gornwales en dat der woudrassen.

2. rassen met meer slichte, naaldvormige merghoudende wolharen. De wol dezer schapen is minder kroes, langer en bezit meer glans.

Daartoe behooren het langstaartige Bedouinen, het Tscherkessen schaap en onder de Engelschen het door Bakewell zoo beroemd gewordene Leieester-va.?,.

3. rassen, met enkel zuivere of eigenlijke wolharen, zonder merg. Deze wol kan nog zijn:

a. min of meer slicht, dus weinig kroes. Rassen met zulke wol zijn in

Duitschland: het Rhön-, het Rijn- en het Hessische schaap; in Engeland: het Southdown of Sussex-, het Ryeland of Hereford-en het Cheviotschaap, alle drie ongehoornd en de gehoornde Dorset- en de Wiltshireschapen.

b. kroes. Elk haartje, zoodra het uit de huid te voorschijn treedt, kronkelt zich; de haren eener, door huidnaden begrensde, vlakte vereenigen zich tot strengetjes, waarin de haren niet slechts dicht

aan elkander leunen, maar volgens hunne gelijkvormige windingen zich naar elkander voegen en door het vetzweet innig met elkander verbonden zijn.

Reeds in de grijze oudheid schijnt deze wol bij de Pheniciers, Grieken en Romeinen bekend geweest te zijn. Thans treft men nog in de landen, eens door deze volken bewoond, rassen aan, die zoodanige wol voortbrengen. Zoo in de provincie Mingrelië (Aziatisch-Rusland) het Colchis-schaap en een dergelijk ïas in Beneden-Italië. Van uit deze landen isquot; dit schaap met echte kroese wol, onder den naam merinos overgevoerd naar Spanje en van hier uit naar verschillende andere Enropeesche landen, naar Amerika en naar

-ocr page 487-

42ó

Australië. Behalve deze merinos onderscheidt men in Spanje nog het Burdos-of Ghurra-schaap, dat langere maar grovere wol levert.

Xa dit overzicht van do bestaande schapenrassen zullen wij omtrent enkele nog in eenige bijzonderheden treden.

Dr Merinos of wandelende schapen (omdat zij in Spanje in troepen van de eene plaats naar de andere gedreven worden), zijn over 't geheel kleine dieren, die hoofdzakelijk om de wol gehouden worden. Van uit Spanje in verschillende andere landen ingevoerd (van omstreeks het midden der 18de tot het midden der vorige eeuw, hot eerst in Zweden in 1723), hebben zij, al naai' de richting daarbij gevolgd, verschillende fokrassen geleverd. Ook hier te lande heeft men den invoer beproefd, maar allicht wegens het vochtige klimaat, zonder gunstig gevolg. In Frankrijk heeft men zich toegelegd om veel en tamelijk

lange, schoon minder fijne, zoogenaamde kamwol er mede voort te brengen. De door Turgot in 1776 ingevoerde en naar zijn domein te Versailles genoemde Ramhouilletf! en het door Graux aangefokte hoornlooze Mauchamp-ras, met zijdeachtige wol, zijn van alle merinos het grootst (zwaarte ruim 50 KG.), vooral die in Soissons gehouden worden. Zij vormen, naast enkele kleinere rassen die eene fijnere wol leveren, de hoofdvertegenwoordigers der Fransche merinos. In Duitschland en meer bepaald in Saksen was geruimen tijd het hoofddoel om zeer fijne wol voor lakens te prodneeeren met het kleine, 2ó—30 KG. wegende Electoraal of Escuriaal-ra,s. In Oostenrijk heeft men vooral het 30—40 KG. wegende Negrctti- of Infantando-vas, Fig. 235, gefokt, dat meer maar minder fijne wol levert.

Deze rassen komen intusschen in Duitschland weinig zuiver meer voor. Door groote aanvoeren uit Australië en door het heffen van inkomende rechten REINDERS, 1IL Vierde druk. 28

-ocr page 488-

4'2Ö

i)|) wol in Amerika is de wolproductie thans in de Enropeesche landen minder bloeiend. Eerst heeft men daarom door kruising- met Rambouillets en Negretti's de wolproductie trachten te vergrooten, later door kruising met de Engelsche Southdowns de merinos vervormd in dieren, die naast fijne wol ook vleesch voortbrengen. Dientengevolge bestaan de meeste merinos-schaapkudden in Duitschland thans uit kruisingen van het Electoral niet het Negretti-schaap of met schapen van andere fokrichtingen. Speciaal als Electoral-Negretti-schaap wordt het zachtwollige Escuriaal-ras of het Silezische „edelequot; schaap aangeduid.

Verder onderscheidt men nog- de kamwol-merinos, ontstaan uit eeno kruising van de Fransche Rambouillets met Negretti's, maar thans zelfstandig aangefokt. De wol dezer schapen is 60—130 mil. lang, terwijl die van de Electoral en Negretti-schapen slechts eene lengte lieeft van 25—50 mil. Hun vlies weegt: bij ooien 1'/o—KG., bij rammen 2—4 KG. en bij Electoral resp. 1 en 1'/,—2 KG. en bij Negrettis resp. 1—1'/, en 2—3 KG.

Behalve de merinos zijn het meest verspreid verschillende Engelsche schapenrassen.

In Engeland is echter het hoofddoel der schapenteelt hot voortbrengen van

vleesch en juist deze in

die richting gefokte schapenrassen zijn ook in vele andere landen, als Nederland, Duitschland, Frankrijk, Australië en

Noord-Amerika ingevoerd of heeft men de daar inheemsche rassen er mede gekruist.

De Engelsche schapenrassen kunnen, als reeds gezegd, tot drie groepen worden gebracht: lang-I' !S- 237. Cotswold-ram. wolligen , kortwolligen

en bergschapen.

Tot de lang wolligen, met in den regel witten koj), behooren: de Lei-costers, de Cotswolds, de Lincolns en de Suffolks. Daarvan vormen de Lei-cesters het oudste fokras, meer dan 100 jaren geleden door Bakewell door Inzucht (doorfokken in het ras) verbeterd. Door te veel vet in het vleesch zijn zij echter thans, nu de markt meer vleezig vleesch verlangt, minder gezocht. Zij zijn en worden echter veelvuldig gebruikt voor kruising mot andere rassen. Zoo zijn ontstaan. het New-Leicester- en het grootere Border-Lei-eester-vas, die in de laatste jaren meer in trek zijn, maar ook de Wensley-dales uit het oude Teeswaterschaap, gekenmerkt door een blauwen kop en huid; en verder zijn daardoor verbeterd de Devon longwools en de schapen van de kalksteengronden in Derbyshire, het Kent- of Romney-marsch schaap, enz. Ook het Cheviot-schaap, in de heuvel- en bergachtige streken van Schotland en Noord-Engeland, kruist men veel met Leicesters, ter bekoming van lammeren, die gemakkelijk vet worden; en niet onwaarschijnlijk is het, dat

-ocr page 489-

427

het Leicester-ras mode gediend heeft om de hieronder vermelde Cotswolds en Lincolns door kruising daarmede te verbeteren, Fig. 236. Zoo ook Shropshires. De zuivere Leieesters zijn nu wat klein en fijn, waarschijnlijk door liet aanlokken in te nauwe verwantschap; de kop is klein en vaak naakt met horizontaal afstaande ooren, wit aangezicht en zeer smalle neus.

De Cotswolds. Fig. 237, waarvan de hoofdzetel is het heuvelachtige Cotswold en verder liet graafschap Norfolk, is van al do Engelsche rassen liet breedst: de met een groote woltuif bedekte kop is meest wit evenals de pooten, bij enkelen zijn deze deelen gevlekt. Vergeleken met die der Lincolns en Leieesters is de wol iets korter. Ook dit ras wordt veelvuldig gebruikt voor het kruisen, vooral van de Downs (duinschapen), om deze meer lichaam te geven en schapen te verkrijgen, die zich gemakkelijk laten mesten, alsmede met de laatrijpere rassen als do Cheviots en andere bergrassen.

Het Lincoln-schaap, Fig. 238 en 240, bezit een meer glanzige wol dan do bovengenoemde rassen. Het heeft zijn zetel in het graafschap van dien naam en aangrenzende districten en kan beschouwd worden als een aldaar inheeinsch ras, dat door kruising met Leieesters veel verbeterd is, doordat er meer evenredigheid in den vorm is gebracht, het vroeg-rijper is geworden en de hoeveelheid en de qualiteit der wol zijn toegenomen. Daarbij zijn de Lincolns sterke dieren, tegen een («enigszins ruw klimaat bestand.

De wol is lang gestapeld, vaak gekronkeld en vormt een scheiding op den rug. De meest glanzige is zeer gezocht ter vermenging bij de fabricatie van lustre of Alpaca-stoffen. Niet zelden weegt een vlies 30 eng. pd. en dat van een tweejarigen ram gewoonweg 14 a 15 eng. pd (fi a 7 KG.).

Minder bekend is het Suffblkschaap ■, het wordt echter als zoodanig onderscheiden en op de jaarlijksche groote Engelsche tentoonstelling gevraagd, evenals het gehoornde Dorset- of Somersdsckaap, dat eveneens een witten kop, maar een weinig lange wol bezit.

De kort wollige schapen hebben in den regel een zwarten, bruinen of

28*

-ocr page 490-

428

grijzen kop; een iiitzonclering vormen echter de zwartkoppige Shropshires en Oxford-downs, die, vooral de laatsten, wol van een tamelijk langen stapel bezitten. Van de Downs (duinschapen) mot korte wol worden onderscheiden: de kleine Southdowns, Fig. quot;239, met bruinen of grijzen kop, in het zuiden en zuidwesten van Engeland en de grootere Hampshire Downs, met een zwarten, krommen kop en een langen romp, in het westen van Engeland. In de laatste 20 a 30 jaren is dit laatste ras zeer gezocht. De lammeren zijn groot: jonge weeren wegen, geslacht op een leeftijd van 8 a 14 maand, 80 a 100 Eng. pd., dus 36 a 45 KGr.

De duinschapen worden niet zelden met de langwollige rassen gekruist. Zoo zijn een 50 jaar geleden de Oxford-Downs, Fig. 245, verkregen doorkruising van Cotswolds met Hampshire-Downs. In lichaamsvorm gelijkt dit ras, dat vooral in Oxford, Bedford en aangrenzende graafschappen verspreid is, op do

Cotswolds en heeft het zwarte of grijze aangezicht, de meer geslotene vacht en het vastere vleesch van de Hampshires.

Ken dergelijk ras, mede door kruising verkregen en dat nog meer algemeen verspreid is, vormen de Shropshires.

Tot de bergrassen behooren, behalve de bovengenoemde Cheviots, de Herdwicks. hot Dark- en Exmoor-ras, hot kleine Wales-schaap enz. De hiertoe behoorende schapen zijn meest kleine dieren, die in groote kudden op de schrale heidevelden enz. hun voedsel vinden.

De meeste dezer Engelsche rassen treft men ook in Amerika aan. Leicestors zijn vooral in Frankrijk ingevoerd om daarmede de bestaande landschapen te kruisen en uit eene kruising van het Kentschaap met het landschaap van Berry en Sologne is het beroemde, ras van Gharmoise ontstaan. In Duitschland zijn vooral Southdowns ingevoerd om daarmede de merinos te kruisen.

-ocr page 491-

429

Over den invoer der Engélsche schapen in ISTeflerland zie men hieronder.

jNa dit overzicht dienen wij not;' .net betrekking tot de schapen, in ons vaderland voorkomende, in enkele bijzonderheden te treden.

De oorspronkelijk in Nederland voorkomende schapen kunnen tot twee hoofdgroepen worden gebracht: A. ongehoornde, kortstaartige knstschapen en B. langstaartige landschapen. Tot de eerste groep rekenen wij: het Groningsche, het Friesche, het Tesselsche en het Zeeuwsche of Vlaamsche schaap; tot de tweede groep: het Drent.sche, liet Veluwsche en het Kempensche schaap.

De kortstaartigen hebben over 'tgeheel meer glanzige, fijnere en betere wol dan de langstaartigen; hunne vacht is ook zwaarder evenals hun geiieele lichaam; zij zijn vruchtbaarder en geven meer melk, maar eischen ook een beteren bodem en krachtiger voedsel dan de langstaartigen.

A, kortstaartigen. 1. Het Groningsche schaap, Fig. 241, bezit een korten kop met breeden mond en platten neus; de staart is kegelvormig maar eenigszins afgeplat (plat-breed).

Het is niet zeer hoog op de beenen, die evenals de kop niet zelden bruinzwart gevlekt zijn. Een vijftig jaar geleden nog in een vrij groot gedeelte van de provincie en als lammeren uitgevoerd ook in Zuid-Holland vrij algemeen voorkomende, treft men liet Groningsche schaap thans nog in zeer beperkt getal aan. De Groninger landbouwers leggen zich thans meer op vleescli- dan wel op melkproductie toe en hebben daarom met Engelsche vleeschschapen, Leicesters, Oxford-Downs, Cotswolds en Lincolns veelvuldig gekruist.

2. Het Friesche schaap, Fig. 240, is over 'tgeheel grooter en hooger op de beenen dan het Groningsche en het hieronder te vermelden Tesselsche schaap. Men kan hier onderscheiden: n. het rjrooie, Friesche schaap in het

-ocr page 492-

430

nooi'ilelijke gedeelte van Friesland, vooral in 't Biklt. Kop, poefen en de tamelijk lange staart zijn van wol ontbloot; de ooren zijn groot en lang, de lange rug en de heupen zijn scherp, de neus is min of meer krom. De rammen hebben korte, stompe, onvolkomene horens; ter weerszijden van den luils komen soms tepelvormige aanhangselen voor; h. de hokjes of dubbele hokken. Deze treft men meer in het westelijk deel van Friesland (Bolsward) aan; zij zijn kleiner (gedrongener), hebben een fijner beendergestel en zijn meer met wol ook aan de buik, staart en pooten begroeid; de voorkop draagt eene kuif: e. een of meer tusschensoorten, die kleiner zijn dan het eigenlijke Friesche schaap, maar grooter en zwaarder dan de bokjes. Ook in den wolgroei staau deze iusschenbeide in; zij zijn vroeger rijp dan het grove schaap en wegen zwaarder dan de bokjes. Om deze en gene reden zijn zij het meest gezocht ').

Het Friesche schaap is zeer vruchtbaar en geeft meer melk dan de andere

inheemsche rassen. Men kan 't het melkschaap bij uitnemendheid noemen, dat ook in Oost-Friesland en verder in Noord-Duitschland vooral om de melk door den kleinen landbouwer en arbeider gehouden wordt. Daar intusschen ook bij tien Frieschen landbouwer de vleesch- en vetvorming meer en meer de hoofdbedoeling worden — er worden veel schapen naar Engeland uitgevoerd — wordt ook het Friesche schaap veel met Engelsche rammen gekruist.

Op de heidevelden en in de woudstreken van Friesland is het Drentsche schaap niet zeldzaam. Hior worden ook niet zelden zwarte Friesche schapen, overigens minder gezocht, gehouden, om de wol voor eigen gebruik te verwerken.

3. Het Tesselsche schaap, Fig. 242, vooral op het eiland Tessel en in Noord-Holland gehouden, verdwijnt mede langzamerhand, omdat men het ook

') D. Kupenis, Maijazijn van landbouw en kruidkunde quot;1802.

-ocr page 493-

431

daar voordeelig acht niet in liet zuivere ras aan te fokken. maar inot Engelscho rassen, vooral met Lineolns to kruisen. Het oorspronkelijk Tesselsche scliaap lio/.it oen korten, zwaar bowolden hals; do kop is kort, hot voorhoofd breed, de neus plat on dik; veelal dragen zij eon korten woltop. Het tonvonnig lichaam bezit een rechten rug, een hoog en niet afhangend kruis en loopt van achteren bijna loodrecht naar beneden. Ooren en staart zijn kort. De wol was vroeger zoor gezocht.

Do schapen van 'teiland Wieringen zijn iets kleiner, korter en godrongener; zij hebben ruiger wol, op het voorhoofd een zware kuif on sterk bewolde wangen.

Tesselsche schapen komen ook in ftuid-Holland voor; zij worden hier als lammoron aangevoerd, ovenals er uit Groningen en Friesland veel lammeron naar deze provincie gaan.

4. Hot Zeeuwsche en Vlaamsche schaap. Ook in Zeeland hoeft men sterk

mot Engelscho rassen, vooral Lineolns, gekruist, zoodat van de oude rassen weinig moor aanwezig is. Volgens Nu man had hot oudo Zeeuwscho schaap, door zijn krommen neus, zijne hooge boenen en zijne geheele gestalte veel overeenkomst mot hot Frioscho. Andere schapen in Zeeland voorkomende kwamen moer overeen met het Tesselsche en waren uit eone kruising van Tesselsche en Friesche verkregen. Ook zijn veel Vlaamsche schapen met langen, bewoldon staart, die tot even over het spronggewricht reikte, in Zeeland ingevoerd. Volgens Nu man is dit Vlaamsche schaap weder een kruisingsproduct van het oudo Vlaamsche en oen Fransch ras. Trouwens onder den naam van race flammand komen dergelijke schapen ook in het noorden van Frankrijk voor, min of meer gewijzigd naar de streken waar zij gehouden worden (Artois, Picardië enz.). Er wordt beweerd dat dit Vlaamsche schaap, ovenals het Frioscho, waarmede hot zeker zeer verwant is, afkomstig is van hot lang-

-ocr page 494-

432

beenige schaap aan de kust van Guinea en dat vroeger met den naam van Ovis aries longipes werd aangeduid.

H. langstaartigen. 1. Het Drentschc of kleine langstaartiye schaap, Fig. 243, onderscheidt zich door eene kleinere, minder kloeke gestalte en door de lange, grove, harde en harige wol, van de andere rassen. Veelal is de wol tweesoortig: grove en langharige bovenwol en fijnere pluimwol, door de eerste bedekt, üe rammen zijn altijd van lange, zware en 2 a Bmaal omge-bogene horens voorzien, en ook de ooien dragen veelal horens, maar deze zijn recht of eenvoudig naar achteren gericht en korter (stikken). Deze worden niot zelden afgedraaid en groeien dan wel weder uit, maar blijven korter. De kleur der schapen is meestal wit, maar behalve deze worden ook vossekoppen, met min of meer bruinen kop en bruine boenen, zwarten en zoogenaamde sniodc/e-

Fig. *214. Vel n we-schaap.

kop])en, de kaatsten verkregen door paring van een wit ooischaap en een donker-vossekop-ram, gehouden.

Het Drentsche schaap komt, behalve op do heidevelden in Drente, op de gelijksoortige streken in Friesland en Groningen, alsmede in enkele deelen van Overijsel en Gelderland voor. Het wordt als drijfschaap veelal in min of meer groote kudden gehouden. Dc vruchtbaarheid is niet zeer groot; in den regel werpt het jaarlijks slechts één lam. Het stelt zich met schraal voedsel tevreden en wordt, als het op iets betere weiden gebracht wordt of toevoer, b.v. aardappels, krijgt, gemakkelijk vet ').

') Het Drentschc heidescliaap is ongetwijfeld verwant met de Heidschnucken der T.üneburgei' en Bremer heiden. Bohm en anderen brengen deze echter tot de kort-staartigen, terwijl liet Drentsche schaap zeker, in vergelijking van b.v. het (rroning-sche, langstaartig genoemd kan worden.

-ocr page 495-

433

2. Het Veluwe,-schaap, Fig. 244, is een groot, langstaartig dier, zonder horens. De kop is kaal tot achter de ooren, liet voorhoofd hoog, de neus smal en min of meer verheven of gebogen. Beginsels van horens zijn bij do rammen vrij algemeen aanwezig, maar zij groeien zelden uit. Lang en gestrekt van lijf, is het meer plat dan rond van ribben en vrij hoog op de beenen. De lange staart is ruig behaard; de wol behoort tot de grovere, lange soorten met minder krimpkraeht dan die der kortstaartigen. Het Veluwe-schaap wordt in kudden overal ojd de heidevelden der Velmve gehoed en op tie betere gronden, b.v. in de Betuwe, vet geweid; men treft het ook op do gelijksoortige gronden in Utrecht en enkele streken van Overijsel aan; liet komt liet meest met het Duitsche land- of Zaupelschaap overeen en kan wellicht ais liet schaap der onde Germanen beschouwd worden.

3. Het Kempensche schaap, in Noord-Brabant en Limburg, is kleiner en draagt eene kortere, fijnere wol mot meer krimpkraeht. Door zijn langen, behaarden staart en zijne leefwijze enz. met het Veluwe-schaap overeenkomende, is het van den anderen kant verwant met de schapen in noordelijk Frankrijk 2j.

Ten slotte voegen wij nog een enkel woord hier aan toe omtrent de hier te lande ingevoerde Engelsche schapen rassen. De in Groningen ingevoerde

rassen zijn hierboven reeds vermeld. Do eerst ingevoerde waren meest Lei-cesters, later meer Oxford downs, Cots-wolds en Lincolns, in do laatste jaren zijn in Noord-Holland ook Hampshire-downs en Weusley-dales ingevoerd. Met het Lincolnras is echter steeds meer in de provinciën

l'ig. -i'f.). Zevenjarige ooi. eig. I'. li. Doornbosch Cz. te Friesland Noord-611 Winsum, prov. Groningen. Qxforddownras, afstammende van , ' ' de beroemde fokkerij van .lolin Tread well, Upper Winchendon, Zuid-Holland, Zee-Aylesburv. Buckinghamshire, welks rammen bijna elk jaar op land Utrecht Noord-de Roval Show worden bekroond. ' ' '

Brabant en Gelderland gekruist: in Holland het, Texelsche, in Gelderland liet Veluwsche en in Zeeland het Vlaamsche schaap. Daartoe werden meest rammen van het vreemde

') Sanson onderscheidt een 10-tal schapenrassen. Daarvan zijn volgens hem bra-chycephaal, bl. '177, het (iermaansche schaap (Ouis Aries Germanica), het Neder-landsche schaap (O. A. batavica), het lersche schaap (O. A. hibernicd) en het schaap van 't centrale plateau van Frankrijk (O. A. avernensis) ■, dolichocephaal zijn: het Deensche schaap (.0. A. ingevovenensis), het Loire-schaap (O. A. ligeriensis), het Pyreneesche schaap (O. A. ïherica). het Merinos-schaap (O. 1. itfricana), het Syrische schaap met langen staart (O. A. asiatica) en het Sondan-schaap (O. A. sodanica).

-ocr page 496-

434

ras ing'ovocrd. Enkele fokkers, vooral in Groningen, hebben zich echter van meetaf op het aanlokken van oen zuiver ras toegelegd en daartoe ook ooien aangekocht. Zij zijn zoo de leveranciers geworden van fokmateriaal in hunne omgeving en houden jaarlijks één of meer verkoopingen van f'okramraen.

-ocr page 497-

435

vruchtbaarder is on meer molk geeft voor do lammeren: omdat het een groot overorvingsvermogen bezit en gemakkelijk vet wordt; maar vooral omdat hot een sterkeren lichaamsbouw hoeft met sterke ingewanden, waardoor het minder vatbaar is voor diarrhee, vooral op klaverweiden. Daarbij is het, dank zij do afhangende wol, goed bestand tegen onze winterkoude, oen verschil b.v. met Southdowns, waarvan de hoer Rispens ook eenige exemplaren gehouden heeft, maar die, wegens de korte, opene wol, tegen ons klimaat niet bestand bleken te zijn.

Op ongeveer driejarigen leeftijd is het geheel volwassen; liet gemiddeld levend gewicht der rammen bedraagt dan 150, dat der ooien 120 KG.

Het in Fig. 240 afgebeelde ooischaap zijner fokkerij werd in September 1897 met 3 andere schapen op de tentoonstelling te 's Hage, vanwege de Holland-sche Maatschappij van Landbouw, met den lequot; prijs bekroond.

Ook de schapen der bekende rasfokkerij van den lieer II. A. Pauwen te West-Pannerden komen, naar het ons voorkomt, het meest met Lincolns overeen. In uitzicht, vorm en wolgroei gelijken zijne ooischapen vrijwel op het hiernaast. Fig. 240, afgebeelde; ook hij legt zicli toe op het fokken van een sterk schaaf).

Fig. 247 stelt een van zijn bekende fokrammen voor.

3. HET AANl'OKKEN VAN SCHAPEN.

't Doel, waartoe liet Schaap gehouden wordt, is het voortbrengen van vleesch, wol en melk. In vele streken is de mest een belangrijk bijproduct, terwijl voor hen, die zicli meer bepaald op het aanfokken toeleggen, ook tie jaarlijksche opbrengst dor lammeren een niet te versmaden voordeel geeft.

Schapen voor de vleescliproductie moeten een grooten romp bezitten, waaraan de vleeschdeelen sterk ontwikkeld zijn, terwijl de minder waardige deelen, als de pooten, minder op den voorgrond treden. Schoft, rug en kruis moeten breed, de beide laatste tevens lang zijn, de ribben onderrechte hoeken uit de wervels ontspringen, de nierenstreek lang en breed, het bekken lang en breed met een hellend, niet horizontaal kruis. Van de borst verlangt men dat zij breed en diep zij, maar inwendig kleine longen herberge; de schouderbladen moeten steil en nagenoeg evenwijdig aan elkander loopen; het borstbeen moet ver naarvoren geplaatst zijn. Verder komen in aanmerking een hals, die aan de borst breed aangezet is, van boven met rug en schoft eene rechte lijn vormt en naar den kop toe regelmatig in omvang afneemt; een kop, die van achteren goed gewelfd is en breede kaken bezit; ver uit elkander staande en evenwijdig geplaatste voor- en achterpooten, waarvan de laatste, van achteren gezien, geen wijde spleet openlaten; eene niet te dun aanvoelende, licht verschuifbare huid, totaal gemis van horens en vroegrijpheid.

Is wolproductie het hoofddoel, gelijk tot voor eenige jaren (en thans tot zekere hoogte nog) in vele streken van Duitschland, Frankrijk enz. het geval was, zoo is vroegrijpheid minder gewenscht; de betrekkelijk dikke huid dient dan vele plooien te bezitten en deze van wolharen van goede qnaliteit (zie hieronder) voorzien te zijn. Ook de pooten en de kop zijn ten deele met wolharen bezet. Fig. 235. De schouderbladen zijn meer schuins, het borstbeen

-ocr page 498-

436

is meer naar achteren geplaatst, het krnis is rechter en de rug korter clan liij hot vleeschschaap.

Voor een goeil melkschaap gelden overeenkomstige kenteekenen als voor melkvee, hl. 221. In de eerste plaats let men daarbij ook op een goed ontwikkelden nier.

Wat voor het rundvee opgemerkt is, bi. 227, is ook bij de schapenteelt van toepassing; niet enkel het voortbrengen van vleesch, maar ook van wol en niet zelden van melk is het doel. Toch mag men zeggen, dat men thans in de meeste Nederlandsche gewesten aan vleeschproductie de voorkeur geeft. Vandaar het veelvuldig kruisen met Engelsche rassen, die daarvoor meer geschiktheid bezitten. Maar daarom behoeft en mag het voortbrengen van wol en melk niet geheel verwaarloosd te worden. Eene te eenzijdige teelt heeft niet zelden nadeelige gevolgen. Ook bij een fokschaap, besterad om nakomelingen te leveren die snel en veel vet en vleesch kunnen voortbrengen, dient op eene behoorlijke ontwikkeling van den nier en op de hoedanigheid en hoeveelheid der wol gelet te worden. Wat het laatste betreft heeft men vooral acht te geven op het begroeid zijn met wol van den buik, het bovendeel der pooten en het voorhoofd. Zie ook hieronder; gebruik van het schaap en zijne producten.

Van veel belang is het ook voor de schapenfokkerij een stamboek te houden.

De meest gebruikelijke tijd van paring is de herfst, October en November. Daar de draagtijd ongeveer 21 weken duurt, worden dan de lammeren des voorjaars, met het verschijnen van 't jonge groen, geboren. Nog andere omstandigheden maken dezen tijd tot den meest gepasten; te vroeg in 't voorjaar is, wegens de koude enz., minder verkieslijk.

Een of meer rammen worden mot de schapen vrij rondloopende toegelaten. Het paren geschiedt, zooals men 't noemt, in 't wild; een ram dekt veelal een groot aantal ooien, meestal van dezelfde familie. Vandaar de vrij groote overeenkomst, die men dikwijls in eene schaapskudde ontdekt. Een zorgvuldiger uitkiezen van de bij elkander passende dieren, bij het paren, zou wellicht wenschelijk zijn. Niet aan te bevelen is het ter dekking toelaten op jeugdigen, soms reeds op '/^-jarigen leeftijd. De regel moet zijn voor ooien; niet eerder dan met 1'/j-jarigen ouderdom.

Daar, waar men schapen ook om de melk houdt, worden de lammeren op een leeftijd van G a S weken afgewend, gemerkt en, waar men een stamboek er op na houdt, genummerd of verkocht. Worden de schapen niet gemolken, zoo laat men ze langer zoogen. Raralammeren, die niet voor het aanfokken worden aangehouden, castreert men reeds kort na de geboorte of, eerst voor 't dekken gebruikt, kort na den dektijd in den herfst.

4. VOED1NU KN VKRPLEGING VAN HET SCHAAP.

Met betrekking tot de voeding van 't Schaap kunnen wij kort zijn. Van nature een bewoner der met allerlei planten begroeide en meer droge dan wel vochtige vlakten, is het nog veelal genoodzaakt, zijn voedsel winter en zomer in het open veld te zoeken.

-ocr page 499-

437

Voedereenheden celstof

= 1 =v2

KG. 16.5 16.9

Eiwit en Kool-anüd liydraton Vet

Voedings-verhonding

KG.

30 28

KG.

KG. 15.0 14.5

KG.

0.5

0.6

KG. 19.2 19.4

1 : 5.4 1 :4.5

3.5

Voor de sauienstelling' van normaal voeder voor mestschapen geeft Emil Wolff (Lehniann) voor 1000 KG. levendgewicht op:

Verteerbare stoffen

Droge stof

1ste tijdperlc 2de ' „

Rij proeven door Mareker en Morgen genomen niet het mesten van schapen werden dergelijke resultaten verkregen als bij rundvee, zie bl. 254.

Voor wolschapen beveelt Wolff (Lehmann) de volgende normen aan:

grofwolligen

20

1.2

10.5

0.21

1

9.0

1 :

; 9.1

fijnwolligen

23

1.5

12.0

0.35

14.2

10.5

1:

: 8.5

Voor ooischapen

in den tijd van 't lamineren

en zoogen:

25

2.!)

15

0.5

19.1

16.3

1 :

: 5.6

Voor jonge schapen (wolrassen)

KG.

Oud 4 —6 maand Gew. 2S 25

3.4

15.4

0.7

20.5

18.4

1 :

: 5.0

:gt; 0-8 :gt;

» 34 25

2.8

13.8

0.6

18.0

15.8

1 ;

; 5.4

» 8—11 »

» 38 28

2.1

11.5

0.5

14.8

12.8

1;

; 6.0

» 11—15 »

» 41 22

1.8

11.2

0.4

14.0

12.0

1

; 7.0

gt; 15—20 »

» 45 22

1.5

10.8

0.3

13.0

11.0

1 ;

: 7.7

Voor jonge schapen [mestschapen):

Oud 4—6 maand Gew. 30 26

4.4

15.5

0.9

22.1

20.9

1

; 4.0

» 6—8 »

» 38 26

3.5

15.0

0.7

20.2

17.8

1

: 4.8

» 8—11 »

gt; 46 24

3.0

14.3

0.5

18.5

16.3

1

: 5.2

» 11—15 »

» 55 23

2.2

12.6

0.5

16.0

13.8

1 :

; 6.8

» 15—20 'gt;

» 70 22

2.0

12.0

0.4

15.0

12.8

1 :

: 6.5

Eenige rantsoenen voor sfalvoedering worden aan hot einde van dit Deel vermeld.

Opzettelijke stal voedering, zooals in Duitschland, komt hier te lande echter zelden voor. Maar wanneer de velden des winters met sneeuw bedekt zijn. of wat regel is, niet genoeg voedsel opleveren, zoo moet kortvoer: haver, boonen, koek en hooi, kaf en stroo (vooral van boonen), koolzaadhauwen enz. daaraan worden toegevoegd. En de weiden, die men voor het Schaap bestemt, zijn al zeer verschillend. Nu eens zijn het goede klaver- en grasweiden, dan eens heidevelden, wallen, dijken, stoppelvelden, ja soms koolzaad-, boonen-, erwten- en roode klaver-velden, om de onkruiden daartusschen opgeschoten. De laatste, benevens de stoppelvelden, vooral ha verstoppels, ook om de achtergebleven aren of pluimen, worden inzonderheid voor lammeren bestemd.

Schapen, die vetgeweid worden, en melkschapen ontvangen eene betere weide. In 't algemeen zijn met kort, welig gras begroeide, niet te vochtige weiden het best. Losse weiden worden door liet betreden enz. met schapen verbeterd. Vandaar het gezegde; „het schaap heeft een gulden voetquot;. Het toevoeren op het land van turnips, koek enz. of het laten afweiden der tur-nipsvelden door schapen gelijk in Engeland, is hier te lande niet in gebruik.

-ocr page 500-

43S

Wel des winters bij schapen, die, tenzij er sneeuw ligt, niet gehokt worden (jonge on niet drachtige schapen en hamels). Deze ontvangen dan eenig hooi als toevoer op het land. Schapen, die des nachts in het hok komen, ontvangen hier wat hooi, boon- of erwtenstroo, koolzaadhauwen, man gel wortels enz. Als verder toevoer wordt des winters gegeven: '/j lit61' haver en boonen of '/4 raapkoek enz. Schapen, die de lammeren geworpen hebben, ontvangen eene grootere hoeveelheid haver, maar minder boonen. Waterig toevoer als spoeling, pnlpe enz. is voor schapen minder gepast. Ook bij mestschapen komt bepaalde stalvoedering hier te lande weinig voor; zij worden veelal in den nazomer en herfst vet geweid. Bij schralere weiden of om op hetzelfde veld meer schapen te kunnen mesten, verdient hot wellicht aanbeveling daarbij toevoer (koek en wortelgewassen) te geven.

Het toevoeren of op stal voeren des winters geschiedt 1, 2 of 3 maal daags.

Ook met betrekking tot de verpleging van 't Schaap kunnen wij kort zijn. Het heeft inderdaad weinig verpleging noodig. Een schaapherder met een hond kan de zorg voor een groot getal schapen op zich nemen; een jongon voor de voeding enz. van velen zorgen. In Dnitschland en andere landen, waar men zich meer op de wolproductie toelegt en de schapen een groot gedeelte van 'tjaar in den stal zijn, draagt men bijzonder zorg voor eene goede stalinrichting. Wordt hier te lande minder zorg daaraan besteed, toch is men ook hier overtuigd, dat een schaapstal eene droge ligging hebben, ruim, niet te warm en frisch zijn moet. Voor een schaap mag op 0.6—1 M'. stalruimte gerekend worden. Voor een schaap met lammeren is 1.5 a 2 MJ. ruimte noodig. Van belang is 't, goed voor strooisel te zorgen, ook om de wol zooveel mogelijk schoon te houden. Het voederen geschiedt in ruiven met daaronder geplaatsten voederbak (de laatste ongeveer 0.5 M. boven den grond), welke in zeer verschillenden vorm voorkomen. Zeer doelmatig zijn de aan weerszijden bereikbare, dubbele en de, schoon veel plaats eischende, rondloopende ruiven.

5. GERRUIK VAN MKT SCHAAI'.

De schapenteelt hier te lande is achteruitgaande. Terwijl toch van 1861—70 gemiddeld jaarlijks 942.498 schapen gehouden werden, was dit getal van 1871—80 895.858, van 1881—90 773.169 en van 1891—99 724.554. In de laatste jaren is het echter weder iets stijgende, zoodat er in 1899 755.410 schapen werden geteld. Daarvan waren 221.136 heideschapen (oude en lammeren), waarvan in Drente alleen 97.486 en venier in Overijsel 23.928, in Gelderland 21.104, in Noord-Brabant 34.993, in Limburg 25.302 en in de overige provinciën samen ongeveer 20.000. Overigens worden de meeste schapen gehouden in Friesland niet ruim 120.000 en waarvan het aantal jaarlijks toeneemt en in Noord-Holland met bijna 180.000, waarvan het getal echter jaarlijks afneemt, ofschoon in de laatste jaren weder toenemende.

De hoofdproducten, die het Schaap levert, zijn: wol, vleesch en molk. Heideschapen worden ook vooral om de mest gehouden, maar het gebruik van kunstmest heeft de teelt daarvan achteruit doen gaan.

a. Wol. In scheikundige samenstelling en groeiwijze komt de wol dor

-ocr page 501-

439

schapen met de gewone haren overeen, bi. 26. De wolharen groeien evenals deze in putjes van de huid op do haarpapil, Fig. 22. Twee a drie cellagen laten zich daaraan onderscheiden. De cellen der buitenste laag, de opperhuid, zijn dakpansgewijze of bij de merinos trechtervormig over elkaar gelegen, Fig. 248; zij omsluiten de schorslaag, die uit langwerpige cellen bestaat, welke bij gekleurde haren met kleurstof gevuld zijn. Inwendig treft men bij vele wolharen, evenals in do gewone haren, ruitvormige of kubische cellen aan v het zoogenaamde merg. Bij de merinos en enkele andere rassen ontbreekt dit. Men onderscheidt dus merghoudende on mergvrije haren. Hoe grover de haren zijn, des te grooter is het tnergkanaal, en merghoudende wolharen zijn grover dan die zonder merg. Merghoudend zijn alzoo de korte stekelharen en het weinig kroeze en lange bovenhaar; inergvrij is het hieronder liggende kortere pluimhaar. Schapen met korte kroeze wol, als de Southdowns en do merinos, bezitten alleen de laatste; schapen niet lange wol de eerste. Mergvrij zijn ook de wolharen van het Leicesterschaap: bij 't Lincoln schaap is hot mergkanaal afgebroken. Do grovere merghoudende haren staan meer afzonderlijk, do mergvrije meer in bundels op de huid, tot strengetjes vereenigd. Deze strengetjes zijn door afzonderlijk staande bindbaren tot „stajjelsquot;. Fig. 253 vereenigd, welke samen „het vliesquot; vormen.

Ter beoordeeling van wol dient men vooreerst te letten op de eigenschappen der afzonderlijke haren, en wel:

1) op hot min of meer gekronkeld zijn, Fig. 249—251;

2) op de fijnheid, dat is de grootte der doorsnede. Volgens onderzoekingen van Dr. G. Wilhelm bedraagt de doorsnede van het bovenhaar van 't Dnit-sche heideschaap 83.3 m.niM., van een Leicesterschaap

36.2, van een Lincolnschaap 35.50, van een kannvohnerinos 26.25, van een fijn merinosschaap 17.78, do draad van een zijdeworm 14.6 m.mil. Men heeft gevonden dat hoe fijner des te kroezer de wol is, en dat men naar het aantal

\r.

Fig. 249.

Xonnaal gebogen wolhaar.

Fig. 250. Vlaksebogen wolhaar.

Fig. 251. Hooggebogen wolhaai'.


kronkelingen in een strengetje de fijnheid kan beoordeelen. In de allerfijnste merinoswol (super-super-electa), met eene doorsnede van 12.5—16.5 m.mM., telt men op 1 cM. lengte moer dan 12 kronkelingen, terwijl er op 1 cM. van grovere soort met eene doorsnede van 33—10 m.mM., slechts 4 a 5 geteld

-ocr page 502-

uo

kunnen worden. Om liet aantal kronkelingen, resp. fijnheid van een wolhaar te meten dient de wolmeter. Fig. 252.

3) op de gelijkheid. De doorsnede van een wolhaar moet overal even groot wezen; wol van ongelijke dikte komt niet zelden voor bij schapen, die ziek geweest zijn: de wol zet zich dan op de zwakkere plaatsen licht af. Bij de fijne wol der merinos dienen ook de kron-

^ kelingen gelijk te zijn.

4) op de hoogte en do lengte. Door hoogte van een wolhaar verstaat men de lengte in gekronkelden toestand; door lengte die in ge-strekten , maar niet iiitgerekten toestand. Do hoogte der wolharen is op alle lichaarnsdeelen niet even groot en aan den buik het kleinst.

Volgens Wilhelm is bij oen do hoogte de lengte

23 cM. 31 cM.

5.5 » 12 »

4 » 6.5 »

2.8 » 5 »

Van de hoogte on lengte van een wolhaar hangt de geschiktheid der wol tot verschillende doeleinden af. Wollen met eene hoogte van boven de 0 a 8 eM. leveren goede kamwol, die van 4 a 4.5 cM. goede wol voor laken, terwijl die van 4.5 a 6.9 cM. voor beide doeleinden worden gebruikt.

5) Vastheid en rekbaarheid. Deze bepalen de sterkte on de veerkracht dei-wol en de daaruit vervaardigde stoffen. Volgens Wilhelm kan

worden belast met

en rekt het zich daarbij uit zonder te breken

oen haar van een heidescliaap

n. bovenhaar

34.3 gram

22.5 quot;l,

h. pluimhaar

14.8 »

24.4 »

Van een merinos

a. middelmatig

5.9 »

20.2 »

b. zeer fijn

3.6 »

22.5 »

Engelsche schapen

a. lange wol

15.5 »

20.3 »

b. Southdown

10.7 »

15.4 »

0) Veerkracht. Deze belangrijke eigenschap openbaart zich in het vermogen van een haar om na uitgerekt te zijn, in zijn vorigen toestand terug te keeren. De lenigheid der stoffen hangt hoofdzakelijk daarvan af. Daarmede gepaard gaat ook de krimpkracht, volbaarheid of het vermogen om vilt te vormen. Laatstgenoemdo eigenschap, die slechts bij mergvrije haren voorkomt en des te grooter is, naarmate de wolharen fijner zijn, kan worden opgemaakt uit het meer of minder samendraaien der uiteinden van een doorgeknipt haar.

7)- De kleur. Alleen zuivere witte wol ken men verwen gelijk men wil en is daarom het meest gezocht; grauwe, bruine on zwarto wol kan slechts

verhouding 100: 135 100 : 141 100 : 162 100 : 178

Leicesterschaap Merinos kamwolschaap

» laken- »

of sterk gebogen, Fig. 251

-ocr page 503-

441

tot weefsels van dezelfde kleur verwerkt worden. Wol, door urine geel gekleurd, heeft minder waarde, omdat deze kleur door wassching niet verwijderd kan worden.

8) De glans. Van den glans der wolharen is ook die der weefsels, daaruit gemaakt, afhankelijk. Zoo maakt de zijdeachtige glans der wol van do Lincoln-en Leicesterschapen deze geschikt voor zoogenaamde lustre. De glans mag niet glasachtig wezen, daar zoodanige haren steeds hard en broos zijn.

9) Het vetxweet. De zweetklieren der huid. Fig. 22, scheiden zweet, de vetklieren vet af; beide stoffen vormen te zamen eene zeepachtige massa, welke de haren uitwendig bedekt en de wolharen min of meer tegen den invloed van het weer beschermt. Bij weinig vetzweet voelt de wol mager, bij veel zweet vettig aan. Het vetzweet moet helder geel gekleurd en gemakkelijk in water oplosbaar zijn, niet donker en pikachtig of wit en wasachtig; in de laatste gevallen lost het gewoonlijk minder gemakkelijk op en is de wol stijf en hard. Worden schapen, met veel vetzweet in de wol, in donkere, vochtige stallen gehouden, zoo neemt het vetzweet soms eene groenachtige kleur aan. Bij rijke voeding en warmen stal wordt in het algemeen de hoeveelheid vetzweet grooter, weideschapen hebben minder dan de in den stal gehoudene.

Van de hoeveelheid vetzweet hangt het waschverlies en de hygroscopische vochtigheid der wol af. Volgens Hartmann bevat de wol ten honderd:

BIJ NOBMAAL VETZWEET.

BIJ TE VEEL VETZWEET.

BIJ

HARSACHTIG

BIJ GROEN VETZWEET.

kaïn-wol.

laken-wol.

gemakkelijk oplosbaar.

moeilijk oplosbaar.

VETZWEET.

Vochtigheid . . .

18.89

14.17

16.00

10.96

10.60

9.32

11.50

Waschverlies . . .

27.58

24.70

40.70

35.04

30.26

17.25

6.24

Onoplosbaar vet .

12.87

26.01

22.49

31.70

46.04

50.43

61.13

Eigenlijke wolstof

40.66

35.12

20.81

22.30

13.10

22.50

21.13

De afzonderlijke wolharen vereenigen zich tot strengetjes en deze tot stapeltjes en stapels, Fig. 253, welke laatste te zamen het vlies of 't geheele baarkleed van 't Schaap vormen. Het best waar te nemen is deze vorming van strengetjes en stapels bij de merinos.

Ook bij een stapel onderscheidt men hoogte en lengte, bl. 440, 't verscliil tusschen beide bepaalt de rek der wol] deze moet bij kamwol niet zeer groot, bij wol voor laken groot zijn. Sterk gespannen en opgetrokken als een vioolsnaar, geeft een strengetje van edele wol een helderen toon {metaalklank), minder edele een doffen toon.

Hoe fijner do wol, hoe kleiner de doorsnede

Van belang is het, het aantal haren in een stapel of op eene bepaalde oppervlakte der huid te kennen, daar van den min of meer dichten stand der wolharen op de huid REINDERS, III. Vierde druk. 29

-ocr page 504-

140

kunnen worden. Om het aantal kronkelingen, resp. fijnheid van een wolhaar h1 meten dient de wol motor. Fig. 252.

3) op do gelijkheid. De doorsnede van een wolhaar moet overal even groot wezen; wol van ongelijke dikte komt niet zelden voor bij schapen, die ziek geweest zijn: do wol zet zich dan op de zwakkere plaatsen licht ai', iiij de fijne wol der merinos dienen ook de kronkelingen gelijk te zijn.

4) op do hoogte en de lengte. Door hoogte van een wolhaar verstaat men do lengte in gekronkelden toestand: door lengte die in ge-strekten, maar niet uitgerekten toestand. De hoogte der wolharen is op alle lichaamsdeelen

verhouding 100 : 135 100 : 141 100 : 102 100 : ITS

Leicesterschaa^i Merinos kamwolschaap

» laken- »

of sterk gebogen, Fig. 251

niet even groot on aan den bi Volgens Wilhelm is bij een do hoogte do lengte

23 cM. 31 cM.

;gt;.;)» 12 4 fi.5 »

2.8 5

Van do hoogte en lengte van een wolhaar hangt de geschiktheid der wol tot verschillende doeleinden at. Wollen met eene hoogte van boven do (1 a S eM. leveren goede kamwol, die van I a 4.5 cM. goede wol voor laken, terwijl die van 4.5 a G.0 cM. voor beide doeleinden worden gebruikt.

5) Vastheid en rekbaarheid. Deze bepalen do sterkte en do veorkracht dor wol en de daaruit vervaardigde stoffen. Volgens Wilhelm kan

worden belast en rekt het zich daarbij uit

hot kleinst.

zonder te breken

met

oen haar van een heideschaap

n. bovenhaar

34.3 gram

22.5

h. pluimhaar

14.8 »

24.4

Van een merinos

a. middelmatig

5.9 »

20.2

h. zeer fijn

3.6 »

22.5

Engelsche schapen

a. lange wol

15.5 »

20.3

h. Southdown

10.7 »

15.4

0/o

G) Veerkracht. Deze belangrijke eigenschap openbaart zich in het vermogen van oen haar om na uitgerekt to zijn, in zijn vorigen toestand terug te koeren. De lenigheid der stoffen hangt hoofdzakelijk daarvan af. Daarmede gepaard gaat ook de kriwpkracht, volbaarheid of het vermogen om vilt te vormen. Laatstgenoemde eigenschap, die slechts bij mergvrije baron voorkomt en dos te grooter is, naarmate de wolharen fijner zijn, kan worden opgemaakt uit het meer of minder samendraaien der uiteinden van een doorgeknipt haar.

7) De kleur. Alloon zuivere witte wol ken men verwen gelijk men wil en is daarom hot meest gezocht; grauwe, bruine en zwarte wol kan slechts

-ocr page 505-

441

tot weefsels van dezelfde kleur verwerkt worden. Wol, door urine geel gekleurd, heeft minder waarde, omdat deze kleui door wassehing niet verwijderd kan worden.

8) De glans. Van don glans tier wolharen is ook die dor weefsels, daaruit gemaakt, afhankelijk. Zoo maakt do zijdeachtige glans der wol van de Lineoln-en Leicestersehapen deze geschikt voor zoogenaamde lustre. De glans mag niet glasachtig wezen, daar zoodanige haren steeds hard en broos zijn.

9) Het vrtzweet. Do zweetklieren der huid, Fig. 22, scheiden zweet, do vetklieren vet af; beide stoffen vormen te zamen eene zeepachtige massa, welke de haren uitwendig bedekt en de wolharen rain of meer tegen den invloed van het weer beschermt. Bij weinig vetzweet voelt de wol mager, bij veel zweet vettig aan. Het vetzweet moet helder geel gekleurd en gemakkelijk in water oplosbaar zijn, niet donker en pikachtig of wit en wasachtig; in de laatste gevallen lost het gewoonlijk minder gemakkelijk op en is de wol stijf en hard. Worden schapen, met veel vetzweet in de wol, in donkere, vochtige stallen gehouden, zoo neemt het vetzweet soms eene groenachtige kleur aan. Bij rijke voeding en wannen stal wordt in het algemeen do hoeveelheid vetzweet grooter, weideschapen hebben minder dan de in den stal gehondene.

Van de hoeveelheid vetzweet hangt het waschverlies eu de hygroscopische vochtigheid der wol af. Volgens Hartmann bevat de wol ten honderd;

BI.I NORMAAL VETZWEET.

BIJ TE VEEL VETZWEET.

BIJ

HARSACHTIG

BIJ GROEN VETZWEET.

kam-wol.

laken-wol.

gemakkelijk oplosbsiar.

moeilijk oplosbaar.

VETZWEET.

Vochtigheid . . .

18.89

14.17

16.00

10.96

10.60

9.32

11.50

Waschverlies . . .

27.58

24.70

40.70

35.04

30.26

17.25

6.24

Onoplosbaar vet .

12.S7

26.01

22.49

31.70

46.04

50.43

61.13

Eigenlijke wolstof

40.06

85.12

20.81

22.30

13.10

22.50

21.13

De afzonderlijke wolharen vereenigen zich tot strengetjes en deze tot stapeltjes en stapels. Fig. 253, welke laatste te zamen het vlies of 't geheele baarkleed van 't Schaap vormen. Het best waar te nemen is deze vorming van strengetjes en stapels bij de merinos.

Ook bij een stapel onderscheidt men hoogte en lengte, bl. 440, 't verschil tusschen beide bepaalt de rek der ivol] deze moet bij kamwol niet zeer groot, bij wol voor laken groot zijn. Sterk gespannen en opgetrokken als een vioolsnaar, geeft een strengetje van edele wol een helderen toon {metaalklank), minder edele een doffen toon.

Hoe fijner de wol, hoe kleiner de doorsnede

T T; van een stapel is. male kroesneia, njnneid, adel t ^ 1

ongeschonden stapeltop.

Van belang is het, het aantal haren in een stapel of op eene bepaalde oppervlakte der huid te kennen, daar van den min of meer dichten stand der wolharen op do huid reixders, III. Vierde druk. 29

-ocr page 506-

442

het scheergewiclit dor wol afhankelijk is. Om dien to bepalen bestaan bepaalde werktuigen, de ■woldiehtheidsmeters. Volgens Nathusius telt men op een vier

kanten millimeter het volgende aantal haren:

bij een gemeen Dnitsch landschaap..............7.3

» » Merinos..............30—88

» » » , gekruist met Tjeicester.....35

» » » , » » Southdown.....40

bij een haas...............175

» » mol...............400

Üe bouw en de vorm der stapels zijn naar de wijze van kronkeling der wolharen en de wijze waarop zij met elkander vereenigd zijn, zeer verschillend. Normaal gebouwd is de wol, als de haren gelijkmatig fijn en regelmatig kroes zijn en er weinig tussehenharen of zoogenaamde overloopers, die den eenen stapel met den anderen verbinden, voorkomen. Zijn deze talrijker en wordt daardoor de regelmatige indeeling in stapels gestoord, zoo is de bouw verward.

In hooge mate is zulks het geval bij de zoogenaamde boomwolachtige en viltige wol; vlak gebogeno, ongelijke en aan vetzweet arme wol noemt men heedig of werkig.

Van den vorm en de dichtheid der stapels hangt ook grootendeels hun stand ten opzichte van elkander en hunne oppervlakte af. Bij een dichten wolstand wordt het vlies gesloten en staan de stapels nagenoeg evenwijdig aan elkander. Is de haarstand dun, zoo is 't geheele vlies los, de stapels zijn niet cilinder-, maar kegelvormig; zij liggen over elkander en laten van afstand tot afstand min of meer groote tusschenruimten zien. Is het vetzweet van slechte hoedanigheid, ten gevolge van te warme of langdurige stalling enz., zoo zijn de uiteinden der wolstapels dikwijls pikkig, gedraaid enz.

Wordt de wol van de schapen geschoren, zoo vormen alle stapels een samenhangend geheel , een vlies, doordien zij door tussehenharen, hinder.t, met elkander vereenigd zijn.

Naar de wijze waarop de stapels zich ten opzichte van elkander verhouden, is een vlies meer of minder goed gestapeld. De samenhang dier stapels, ten gevolge van een groot getal overloopers, die niet zelden afsterven en dan valsehe binders geheeten worden, mag met te groot zijn. Loopen de stapels aan hun voet geheel door elkander en laten zij zich ten gevolge van een groot getal binders niet scheiden, zoo noemt men de wol viltig.

Naarmate het wolkleed over de verschillende deelen des lichaams gelijk is,

-ocr page 507-

443

is ook liet vlies van gelijke hoedanigheid. De fijnste en beste wol treft men gewoonlijk op de schouders, de zijden en den rug :uin. Het slechtst is de wol gewoonlijk aan den buik, de benedenarmen en benedendijen, den kop en den nek. Is op laatstgenoemde deeleu veel wol van goede hoedanigheid, zoo mag men daaruit besluiten, dat het geheele vlies goed en deugdzaam is.

Het scheren der schapen, ter verkrijging van de wol, geschiedt gewoonlijk in 't laatst van Mei of begin Juni. Vooraf worden de achterdeelen gewasschen, om de wol van het aanhangende vuil te ontdoen. Elders wascht men de schapen ook wel in hun geheel om de wol schoon te maken, en scheert men ze wel tweemaal 's jaars (April en September).

Do opbrengst aan wol, het scheergewicht van een schaap, verschilt naaiden ouderdom en het ras der dieren. De merinos leveren 0.0—1.8 KG., de grootere rassen, waartoe de Nederlandsche schapen behooren, 2—7 KG. De meeste wol geven 2 a 3jarige rammen.

Het groot aantal wollen stoffen kan tot twee hoofdgroepen gebracht worden: de gevolde of lakenachtige en de ongevolde of gladde. Ter vervaardiging van van de eerste worden de kroeze wollen, inzonderheid die der merinos gebruikt. Door hunne kroesheid komen de afzonderlijke haren, bij het spinnen en de verdere bewerkingen, niet evenwijdig maar dikwijls dwars te liggen; na geweven te zijn worden de einden der haren door het vollen en kaarden uitgetrokken , en deze einden vormen door hunne eigenaardige veerkracht van omdraaiing, bl. 440, op de oppervlakte van het weefsel een vilt, waaronder de afzonderlijke draden niet meer te onderscheiden zijn. De gladde stoffen, als thibet, Orleans, lustre enz. worden meestal van de lange, weinig gekroesde wol vervaardigd. Om van deze wol een meer gelijksoortig product te verkrijgen, is men gewoon ze vóór het spinnen te kammen, .vandaar de naam kamwol aan deze soort dikwijls gegeven. De bekende merinos wordt van de kamwol-merinos, bl. 425, vervaardigd. Voor garen of sayet voor kousen enz. gebruikt men eveneens de lange wollen, terwijl ook de vroeger hier te lande veelvuldig vervaardigde saaien van onze inlandsche lange wol gemaakt worden.

b. Vleesch. Wat bl. 364 van het rundvleesch werd gezegd, geldt in hoofdzaak ook voor schaapvleesch.

Bij Engelsche mestschapen kan men op een slachtgewicht rekenen van 70 a 75 proc. of 100 KG. levendgewicht geeft 51—05 KG. vleesch, 9—5—11 KG. vet en 6 KG. huid en wol.

Van den geslachten romp worden de volgende deelen onderscheiden, Fig. 254, die volgens Curtiss ') per 100 KG. wegen en eene betrekkelijke waarde hebben van

I. Dijen 30 KG......a 55 ct...../'1G.50

H. Lendenstuk 23.5 „.....„ 50 „ . . . . „ 11.65

III. Ribstuk 19.5 „.....„ 50 „ . „ 9.75

IV. Borst

V. Voorpooten

97 10 9 70

VI. Schouders quot;.....» 1 ^ . . . . „ -.tu

VII. Nek

100 KG. gemiddeld ,, 40 „ . ... f 40.60 ') Raising Sheep for Mutton (N. A. Farmers Bulletin no. 9(j).

-ocr page 508-

444

Wij merken hierbij op — zie ook bl. 42G — dat men zich meer en meer begint toe te leggen om niet zoozeer vet, maar vet vleesch voort te brengen, wegens den lageren prijs van het vet, evenals dit van het runclvleeseh, bl. 197 en 215, is opgemerkt.

c. Melk. Gelijk uit de analysen der verschillende melksoorten, bl. 26(3, blijkt, is de melk der schapen rijker aan vet en eiwitstoffen.

Zij dient behalve voor dagelijksch gebruik, vooral in koffie, voor 't bereiden van boter en kaas, die op gelijke wijze daaruit verkregen worden, als bij do boter- en kaasbereiding uit koemelk vermeld is.

De schapenboter is weeker, witter van kleur en voor velen minder aangenaam van smaak. Daar zij bij den landbouwer meest voor eigen gebruik in de huishouding dient, komt zij weinig of niet in den handel voor; zij is gewoonlijk lager in prijs.

Van de kaas uit schapenmelk bereid zijn 't meest bekend de Tesselsche en de Roquefort-kaas.

De vroeger zeer beroemde Tesselsche kaas werd eertijds uit de niet geroomde melk bereid. Zij heette dan „ongelubdquot; en werd voorzien van het Tesselsche wapen, een anker. Later is men begonnen de melk vooraf te roomen, en thans is de kaasbereiding van weinig of geen beteekenis meer. De wijze waarop deze echte vette kaas bereid wordt, komt in het kort hierop neer. Op een emmer melk, zoo pas gemolken en dus nog warm, neemt men een handvol versche schaapmest, welke denzelfden nacht op het land geworpen is, en een eetlepel vol stremsel. De mest wordt in een linnen zakje gedaan, in wrat water gehouden om het groene sap uit te persen en dit niet de melk vermengd. Vervolgens voegt men het stremsel er aan toe en roert om. Zoodra het stremmen begint, wordt met een houten nap sterk doorgehaald, en nadat men de kaasstof heeft laten bezinken, giet men de wei af, doet de wrongel in een zakje, perst deze sterk uit en doet ze daarop in den kaasvorm.

De bereiding van andere schapenkaas, op enkele plaatsen in kleine hoeveelheid, geschiedt hier te lande op dezelfde wijze maar zonder de bijvoeging van het sap der uitwerpselen.

De meest beroemde schaapkaas is die van Roquefort, op het plateau van Larzac in 't zuiden van Frankrijk. Deze kaas wordt bereid uit avondmelk, die op 80 a 90° verhit wordt en na afkoeling den volgenden morgen afgeroomd te zijn, met de versche morgenmelk vermengd wordt. Na het stremmen wordt de wrongel verdeeld, van wei bevrijd en nu met beschimmeld brood in vormen van geglazuurd aardewerk, met gaten in de wanden, gebracht. Tusschen drie lagen wrongel brengt men twee lagen tot poeder gemalen brood. Dit brood wordt daartoe opzettelijk uit een mengsel van rogge- en gerstemeel met behulp van zuurdeeg bereid. Na het persen in de vormen, komen de kazen, in doeken gewikkeld in een droogkamer en blijven hier, terwijl zij herhaaldelijk gekeerd en de doeken vernieuwd worden, 10 a 12 dagen. Daarna worden zij gezouten door ze aan de eene zijde met zout to bestrooien en dan bij drieën op elkaar te plaatsen; na 24 uur worden zij gekeerd, de andere zijde met zout bestrooid en weder op elkaar geplaatst. Zoo blijven zij 2 dagen staan, daarna wrijft men het aanhangende zout met een doek in en laat ze weder 2 dagen staan. Vervolgens worden zij met een mes sterk afgekrabd en gaan nu om te rijpen

-ocr page 509-

445

in de kelders, dat wil zeggen in grotten die in een bergrug der Jurafonuatio te Larzac aanwezig zijn.

In die grotten heersclit een temperatuur van 4—8° en een droge lucht met een vochtigheidstoestand van GO proc.; zij wordt uit spleten in den wand der grotten voortdurend vernieuwd. Onder het rijpen, dat ongeveer 30 a 40 dagen duurt, bedekken de kazen zich met eene dikke laag schimmel, die van tijd tot tijd verwijderd wordt.

100 KG. melk leveren 18 KG. versche en slechts 12—14.5 KG. rijpe kaas. De vorm waarin zij in den handel komt is die van een platten cilinder ter zwaarte van ongeveer 2 KG. Zij heeft een eigenaardigen piquanten smaak, wordt als delicatesse naar de meeste Europeesche landen en verder naar Amerika, de fransche koloniën en China uitgevoerd en voor een hoogen prijs verkocht.

De bereiding is al zeer oud; reeds in 1070 word in de Roquefortgrotten kaas bereid. Vroeger werd daarvoor een mengsel van geiten- en schaapmelk gebruikt, thans gebruikt men daarvoor in de omstreken van Roquefort ook wel koemelk.

Sedert de laatste 30 jaren geschiedt de bereiding meer coöperatief en is met name het rijpen in handen van de „Société des caves reünies de Roquefortquot;. Het verwijderen der korst geschiedt thans met eene borstelmachine en met eene prikmachine worden de kaasjes met dunne naalden doorboord om de schimmels ook in het inwendige te doen werken.

Verder zijn bekend als plaatsen, waar schapenkaas gemaakt wordt, Mecklenburg, de Hongaarsche Karpathen (Brinsen-kaas) en de Apennijnen {Icaas van Scanno enz.).

d. Als hijproduct der schapenteelt komt vooral de mest in aanmerking; voor vele landbouwers op de zandgronden zijn juist schapen, die op de heidevelden hun voedsel vinden, het hoofdmiddel om aan stalmest te geraken; en waar nog tabak verbouwd wordt, geeft het verkrijgen van schapenmest in de nabijheid een belangrijken steun aan die teelt. Zie II, bl. 284.

De huiden der schapen worden tot leder bereid (zeemleer); de daarvan geplukte wol, van mindere qualiteit, heet hlootwol.

De geitenteelt had vroeger eene grootore beteekenis dan thans. Naarmate de landbouw in eene streek vooruitging, is de Geit door meer winstgevende dieren en inzonderheid door hot Schaap vervangen. Thans is zij nog hot landbouwdier van den kleinen burger en arbeider, en dat hare teelt hier te lande verre van onbeduidend, ja toenemende is, moge hieruit blijken, dat van 18G1—1870 gemiddeld 127.304 en in 1899 niet minder dan 170.409 geiten en bokken geteld werden, waarvan de grootste helft in de provinciën Gelderland met bijna 50.000 en Noord-Brabant, ruim 40.000, voorkwam.

In leefwijze, lichaamsbouw enz. komt do Geit hot meest overeen met het Schaap. Zij onderscheidt zich daarvan onder anderen in den vorm van den schedel en de horens. Fig. 255.

Hot mannetje heet hok, het wijfje (jett, en daar de laatsten in zeer overwegend aantal voorkomen, wijl do bok bijna tot niets anders dient dan tot voortplanting zijner soort, wordt de geheele diersoort gewoonlijk naar de laatste genoemd.

-ocr page 510-

446

Ook van lt;le Geit kent men verschillende soorten of rassen. Zij kunnen tot drie hoofdgroepen gebracht worden: de Aziatische, de Afrikaansche en de Europeesche geit.

Als edele vormen van de Aziatische geit, die in de gebergten van Perzië in liet wild voorkomt, kunnen genoemd worden: de kaschmirgeit in Kaschmir en Thibet, die de zeer fijne wol voor de kostbare Kaschmirshawls levert, en de Angorageit, in Klein-Azië, en van daar ook in enkele andere landen verspreid en geteeld. Zuivere, droge lucht is voor de Angorageit noodzakelijk, maar in landen met zoo'n klimaat schijnt zij voordeeliger te zijn dan het Schaap en dit dan ook langzamerhand te verdringen. De fijne wol dezer dieren, de angorawol, het kemelshaar of de mohair, is weinig kroes maar glinsterend; zij dient voor het vervaardigen van lustre, mohair en dergelijke stoffen.

Van de Afrikaansche geit, die kleiner is en meer overeenkomst met het Schaap vertoont, zijn de variëteiten in Nubië of Egypte en die op Malta voorkomende het meest bekend.

Als bakermat van de Europeesche geiten kunnen de Alpen beschouwd worden. Zij zijn vandaar naar verschillende andere streken verspreid, maai'

ook thans nog vormen de zuidelijk gelegen hooglanden: dc Alpen, Corsica en de Pyreneen de middelpunten van hare teelt en worden jaarlijks nog vele Zwitsersche geiten naar Duitschland en andere landen uitgevoerd. Alleen op Corsica worden 90.000 geiten gehouden.

De Geit stelt zich met schraler voedsel tevreden en is minder gevoelig voor de invloeden van 't weer dan het Schaap; toch eischt zij om productief te zijn eene goede verzorging en eene goede qnantiteit voedsel, al is zij daarin minder kieskeurig. Nadeelig is zij dikwijls voor boomgewas door het afschillen van den stam en het afvreten der knoppen en bladeren.

De draagtijd is als die van het Schaap ongeveer 5 maand. De melkopbrengst kan men gemiddeld op 2 liter per dag en, een melktijd van ongeveer 9 maand aannemende, op 450 liter per jaar stellen.

't Doel waartoe de Geit gehouden wordt, is hoofdzakelijk om de melk voor huiselijk gebruik, maar waarvan soms ook boter en in enkele streken, b.v. Zwitserland, kaas gemaakt wordt. Ook wordt de geitenmelk wel aanbevolen als voedsel voor zwakke gestellen, omdat de tuberculeusheid bij dit dier niet aanwezig is. Hare huid levert zeer gezocht leder voor maroquin, handschoenen enz., en in streken waar de geitenteelt meer in het groot wordt uitgeoefend, worden de jonge geiten veel met melk vetgemest en de huid tot bovengenoemd doel bewerkt.

-ocr page 511-

447

H U (_) EDS T U K IV.

VARKENSTEELT ').

I. AFSTAMMING EN EIGENSCHAPPEN VAN HET VARKEN.

Het Varken verschilt in vele opzichten van de boven behandelde dieren. Wel zijn, evenals bij het Paard en liet Rund, de teenen met hoeven bekleed, maar 't getal teenen aan eiken poot is bij het Varken vier, twee langere en

twee kortere. Verder is de maag enkelvoudig, en het herkauwt zijn voedsel niet. Dergelijke dieren met meer dan twee met hoeven bekleede teenen aan eiken poot en liet voedsel niet herkauwende, brengen de dierkundigen tot de Veelhoevigen.

Oorspronkelijk wilde varkens komen er nog in allo werelddoelen, met uitzondering van Amerika, voor. Daartusschen bestaat vrij wat verschil, 't welk aanleiding heeft gegeven, ze tot verschillende soorten, sommigen zelfs tot

') Rohde, Schweinezuchl.; H. Schmidt, Wie int e.t möglich Schrveinezunht und -Hnltu.nr/ erlragreich zu machen?

-ocr page 512-

448

verschillende geslachten te brengen. Twee daarvan komen voor de afstamming der tamme varkens vooral in aanmerking: liet Europeesche wilde varken {Sus nero fa ferm), Fig. 256, en het Indische wilde varken {Sus indicus). Het laatste verschilt van het Europeesche door een kortoren en broederen kop, door de traanbeenen, die meer hoog dan lang zijn en door de rijen kiezen die niet, zooals bij hot Europeesche, van voren parallel loepen maar divergeeren.

Van het Indische Varken worden nog twee soorten onderscheiden : het kortoorige Chinee-schc varken (Sus chinensis) en het grootoorige Japansche masker-zwijn (Sus pliciceps), dat van het eerste verschilt behalve door de langere ooren o. a. door dikke gezichtsplooien. Beide vormen komen ook in getemden staat in China, Japan enz. voor.

Van het Europeesche wilde Varken, dat vroeger ook hier te lande als zoodanig voorkwam ~ I / 611 thans nog in Midden-Europa

in het wild levende wordt aangetroffen , stammen volgens Nathu-sius, Rhode en anderen de weinig veredelde tamme varkens af, die in verschillende streken de zoogenaamde landrassen vormen. Deze afstamming wordt echter door Sanson betwijfeld, hoofdzakelijk op grond dat het wilde varken slechts 5 en het tamme varkeu G lenden wervels bezit.

Het mannelijk varken heet heer of ever en gecastreerd bargr, het vrouwelijk dier zeug of mot en hot jong big.

Het gebit van een varken, Fig. 257, is dat van een alles-etend dier. De kiezen, aan elke zijde in elke kaak 7 in getal, zijn van kleine met émail bedekte knobbels voorzien; de snijtanden, waarvan er in elke kaak G voorkomen, zijn sterk vooruitstekende, moor tot hot aftrekkon van gras enz. en het uitgraven van wortels enz. ingericht, dan wel tot het afbijten van plantaardig voedsel. De hoektanden, vooral die dor onderkaak, zijn bij hot wilde varken sterk ontwikkeld en kunnen ook bij de boeren der tamme rassen, die men oenigo jaren oud laat worden, oene vrij aanzienlijke lengte verkrijgen,

/

\

li

/

-■£

Fifr. 257. Gebit van het tamme Varken: S snij tanden; H hoektanden: M kiezen.

-ocr page 513-

un

Fig. 208; maai' liij de veroiltMe dieren en de bargen blijven zij in ontwikkeling terug. Hot wisselen der tanden heeft minder regelmatig plaats dan bij

de overige hnisdieren , maar kan toch. ook hier tot zekere hoogte eeno maatstaf zijn ter beoordeeling van den onderdom, waarbij men de onderstaande tabel, op gelijke wijze als die op bl. 172 ingericht, kan raadplegen.

Vroegrijpe dieren wisselen Imu tanden iets eerder.

Wegens de snelle ontwikkeling van het Yarken is het reeds op den leeftijd van % a 1 jaar geschikt ter voortteling. Hot wilde zwijn werpt slechts eenmaal in :t jaar; in getom-den staat kan het 3 maal in twee jaar of soms tweemaal in één jaar werpen. 't Getal jongen bedraagt 4—20 en soms nog meer. ]S'a het werpen wordt het 8 a i) week weer „ruixigquot;, bij goed gevoede dieren eerder, en bij niet bevruchting keert deze toestand 4 week later terug.

OUDERDOM.

SNIJTANDEN. HOEK-----j- TANDEN.

112! 3;

1

2

KIKZEIf.

3 4 5 G

| SA.MEX.

7

I. Tijdperk van de

melktanden.

bij de geboorte .

4 4

8

4 weken oud . .

4

4 4

4

4

— —

20

G—S weken ond.

4

— 4

-—

4

4

1

4 24

3 maanden „ .

4

4

4 i 4

4

4

— 1 —

4 28

11. Tijdperk van hot

wisselen dor tan

don.

(i maanden oud.

4

4

4 4

4

4

4

4

4 —

— 3G

n

11 51 *

4

4

4 4

4

4

4

4

4 4

— 40

12 „

4

4

4 4

4

4

4

4

4 4

40

18 „

4

4

4 4

4

4

4

4

4 4

1

4 44

Bij do geboorte bedraagt liet gewicht der jongen 0.8 a 2 KG. De toeneming in gewicht verschilt zeer naar het ras. Terwijl de gewone landvarkons in het eerste viordcljaars maandelijks slechts 5 a G KG. zwaarder worden, bedraagt de gewichtstoeneming in dien tijd bij de veredelde Engelsche rassen !) a 10 KG.

Op wolken leeftijd het Varken geheel volwassen is, is niet met zekerheid beinders, lil. Vierde druk. riO

-ocr page 514-

448

verschillende geslachten te brengen. Twee daarvan komen voor dc afstamming dor tamme varkens vooral in aanmerking: hot Enropeescho wilde varken (Sus strofa ferm), Fig. 'ióO, on het Indische wilde varken {Sus indicus). Hot laatste verschilt van het Europeesche dooi' een kortoren en broederen kop, door de traanbeenen, die meer hoog dan lang zijn en door de rijen kiezen die niet, zooals bij hot Europeesche, van voren parallel loopen maar divergeeren.

Van het Indische Varken worden nog twee soorten onderscheiden : het kortoorige Chinee-sche varken (Sus chinensis) en hot grootoorige Japansche masker-zwijn (Sus pliciceps), dat van hot eerste verschilt behalve dooide langere ooren o. a. door dikke gezichtsplooien. Beide vormen komen ook in getemden staat in China, Japan enz. voor.

Van het Europeesche wilde Varken, dat vroeger ook hier te lande als zoodanig voorkwam en thans nog in Midden-Europa in het wild levende wordt aangetroffen, stammen volgens Nathn-sins, Rhode en anderen de weinig veredelde tam me varkens af, die in verschillende streken de zoogenaamde landrassen vormen. Deze afstamming wordt echter door Sanson betwijfeld, hoofdzakelijk op grond dat het wilde varken slechts 5 en het tamme varken 0 lendenwervels bezit.

Het mannelijk varken heet heer of ever en gecastreerd barg, het vrouwelijk dier zeug of mot en het jong big.

Het gebit van een varken, Fig. 257, is dat van een alles-etend dier. De kiezen, aan elke zijde in elke kaak 7 in getal, zijn van kleine met émail bedekte knobbels voorzien; de snijtanden, waarvan er in elke kaak G voorkomen, zijn sterk vooruitstekende, meer tot het aftrekken van gras enz. en het uitgraven van wortels enz. ingericht, dan wel tot het afbijten van plantaardig voedsel. De hoektanden, vooral die der onderkaak, zijn bij het wilde varken sterk ontwikkeld en kunnen ook bij de beeren der tamme rassen, die men eenige jaren oud laat worden, eene vrij aanzienlijke lengte verkrijgen,

ü

V

Fifr. 257. Gebit van het tamme Varken: S snijtanden; II hoektanden; M kiezen.

-ocr page 515-

Uil

Fig. 258; maar bij do veredelde dieren en de bargen blijven zij in ontwikkeling terug. Het wisselen der tanden heeft minder regelmatig plaats dan bij — de overige huisdieren , maar kan tocli

ook hier tot zekere hoogte eeno maatstaf zijn ter beoordeeling van den ouderdom, waarbij men de onderstaande tabel, op gelijke wijze als die op bl. 172 ingericht, kan raadplegen.

Vroegrijpe dieren wisselen hun tanden iets eerder.

Wegens do snelle ontwikkeling van het Varken is hot reeds op don loof-tijd van 3a 1 jaar geschikt ter voortteling. Hot wilde zwijn werpt slechts eenmaal in 't jaar; in getom-don staat kan het .'5 maal in twee jaar of soms tweemaal in één jaar werpen. 't Getal jongen bedraagt 4—20 en soms nog meer. Na het werpen wordt het 8 a !) week weer „ruizigquot;, bij goed gevoede dieren eerder, en bij niet bevruchting koert deze toestand 4 week later terug.

ouder hom.

snijtanden.

12 3

hoektanden.

1

kiezen.

2 | 3 | 4 1 5 1 6

7

same;

I. Tijdperk van de

melktanden.

bij de geboorte .

4

4

8

4 weken oud . .

4

4

4

_

4 4

— —! —

20

G—8 weken oud.

4

4

4 4

— — —

4

24

3 maanden „ .

4

4

4

4

4 4

--—

4

28

II. Tijdperk van hot

wisselen dor tan

den.

(i maanden oud.

4

4

4

4

4

4 4

4 4 —

3C

9 „

4

4

4

4

4

4 j 4

4 4 4

40

12 „

4

4

4

4

4

4 t 4

4 4 4

40

18 „

4

4

4

4

4

4 4

4 | 4 1 4

4

i 44

Bij do geboorte bedraagt het gewicht der jongen 0.8 a 2 KG.

Do toeneming in gewicht verschilt zeer naar het ras. Terwijl de gewone landvarkens in het eerste vierdeljaars maandelijks slechts 5 a G KG. zwaarder worden, bedraagt do gewichtstoeneming in dion tijd bij de veredelde Engelscho rassen '.) a 10 KG.

Op wolkon leeftijd het Varken geheel volwassen is, is niet mot zekerheid

reinders, lil. Vierde, druk. 30

-ocr page 516-

448

verschillende geslachten te brengen. Twee daarvan komen voor de afstamming der tamme varkens vooral in aanmerking: het Europeesehe wilde varken {Sus scrofa ferus), Fig. 256, en het Indische wilde varken (Sus indicus). Het laatste verschilt van het Europeesehe door een korteren en breederen kop, door de traanbeenen, die meer hoog dan lang zijn en door de rijen kiezen die niet, zooals bij het Europeesehe, van voren parallel loopen maar divergeeren.

/ Van het Indische Varken wor

den nog twee soorten onderscheiden ; het kortoorige Chinee-sche varken (Sus chinensis) en het grootoorige Japansche masker-zwijn (Sus pliciceps), dat van het eerste verschilt behalve dooide langere ooren o. a. door dikke gezichtsplooien. Beide vormen komen ook in getemden staat in China, Japan enz. voor.

Van het Europeesehe wilde Varken, dat vroeger ook hier te lande als zoodanig voorkwam en thans nog in Midden-Europa in het wild levende wordt aangetroffen , stammen volgens Nathu-sius, Ehode en anderen de weinig veredelde tamme varkens af, die in verschillende streken de zoogenaamde landrassen vormen. Deze afstamming wordt echter door Sanson betwijfeld, hoofdzakelijk op grond dat het wilde varken slechts 5 en het tamme varken 6 lendenwervels bezit.

Het mannelijk varken heet beer of ever en gecastreerd barg, het vrouwelijk dier zeug of mot en het jong big.

Het gebit van een varken, Fig. 257, is dat van een alles-etend dier. De kiezen, aan elke zijde in elke kaak 7 in getal, zijn van kleine met émail bedekte knobbels voorzien; de snijtanden, waarvan er in elke kaak 6 voorkomen, zijn sterk vooruitstekende, meer tot het aftrekken van gras enz. en het uitgraven van wortels enz. ingericht, dan wel tot het afbijten van plantaardig voedsel. De hoektanden, vooral die der onderkaak, zijn bij het wilde varken sterk ontwikkeld en kunnen ook bij de beeren der tamme rassen, die men eenige jaren oud laat worden, eene vrij aanzienlijke lengte verkrijgen,

!

\

I

Fig. 257. Gebit van het tamme Varken: S snijtanden; H hoektanden; M kiezen.

-ocr page 517-

440

Fig. 258; maar bij de veredelde dieren en de bargen blijven zij in ontwikkeling terug. Het wisselen der tanden heeft minder regelmatig plaats dan bij —. de overige huisdieren , maar kan toch

ook hier tot zekere hoogte eene maatstaf zijn ter beoordeeling van den ouderdom, waarbij men de onderstaande tabel, op gelijke wijze als die op bl. 172 ingericht, kan raadplegen.

Vroegrijpe dieren wisselen hun tanden iets eerder.

Wegens de snelle ontwikkeling van het Varken is het reeds op den leeftijd van 3'4 a 1 jaar geschikt ter voortteling. Het wilde zwijn werpt slechts eenmaal in 't jaar; in getem-den staat kan het 3 maal in twee jaar of soms tweemaal in één jaar werpen. 't Getal jongen bedraagt 4—2(1 en soms nog meer. Na het werpen wordt het 8 a 9 week weer „ruixigquot;, bij goed gevoede dieren eerder, en bij niet bevruchting keert deze toestand 4 week later terug.

OUDERDOM.

SNIJTANDEN.

HOEKTANDEN.

KIEZEN.

SAMEN.

1

2

3

1

2

3

4

r'

6

7

I. Tijdperk van de

melktanden.

bij de geboorte .

4

4

8

4 weken oud . .

4

4

4

4

4

20

G—8 weken oud.

4

4

4

4

4

24

3 maanden „ .

4

4

4

4

4

4

4

28

II. Tijdperk van hot

wisselen der tan

den.

G maanden oud.

4

4

4

4

1

4

4

4

4

3G

!)

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

40

12 „

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

40

18 „ „ .

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

4

44

Bij de geboorte bedraagt het gewicht der jongen 0.8 a 2 KG.

De toeneming in gewicht verschilt zeer naar het ras. Terwijl de gewone landvarkens in het eerste vierdeljaars maandelijks slechts 5 a 6 KG. zwaarder worden, bedraagt de gewichtstoeneming in dien tijd bij de veredelde Engelsche rassen 9 a 10 KG.

Op welken leeftijd het Varken geheel volwassen is, is niet met zekerheid

REINDERS, III. Vierde druk. 30

-ocr page 518-

45(1

bekend; in den vogel wordt het reeds op jeugdigen leeftijd voor de slacht-

trichinenziekte bij den mensch veroor

bank bestemd. Gemeste varkens wegen 100—400 KG. en daarboven.

De voornaamste ziekten van het Varken zijn; de zoogenaamde „varkensziektequot;, miltvuur, schurft en ziekten door ingewandswormen {gortigheid of vinnigheid) veroorzaakt. Uit Cysticercus cellulosae, Fig. 259, in gortig spek voorkomende, ontstaat de lintworm Taenia solium, Fig. 260, bij den mensch, uit de Cysticercus tenuicollis van het Varken de Taenia serrata van den Hond.

De varkens schurft wordt veroorzaakt door een Sarcoptes-soort. In de darmen van het Varken komt soms voor Strongylus dentatus en in de luchtpijp S. paradoxus , terwijl Trichina spiralis, Fig.

261, in het vleesch van 't Varken, de zaakt.

2. VARKENSRASSEN.

Volgens Rhode kunnen naar hunne vermoedelijke afstamming van de tamme Varkens de volgende rassen of slagen worden onderscheiden;

-ocr page 519-

451

A. Het Euro pee sche land zwijn, het meest met liet Eiivo-peesclie wilde Varken overeenkomende.

Men vindt dit in geheel noordelijk en midden-Europa, maar van zeer verschillende ontwikkeling en grootte, en bovendien door kruising met Engelsche varkens niet overal meer zuiver.

Twee hoofdvormen kunnen worden onderscheiden:

a. kleine kortoonge slagen. Het meest oorspronkelijk komt het kleine kortoorige varken nog in Polen voor, en van hier uit schijnt het ook in Zuid-Duitschland, in Beieren en langs den Rijn verspreid te zijn.

De kleine ooren dezer dieren zijn loodrecht of naar voren gericht. De kop is smal en spits, de beenen zijn matig lang en de rug is soms naar boven gericht {karperrug). De kleur verschilt van geelachtig wit tot roodbruin en zwart. Als voorbeeld noemen wij het Glan-zwijn in den Rijn-Paltz, Fig. 262. Waarschijnlijk behooren hiertoe ook de vroeger hier te lande voorkomende steilooren; zie hieronder.

b. Groole grootoorige slagen. Deze over 't geheel grootere dieren komen meer in het noordelijk en westelijk deel van Europa voor. De lange en breede ooren hangen naar voren tot over de oogen. Aan de onderkaak treft men vaak twee vleeschlelletjes aan. De hals is tamelijk lang, de rug meest naar boven gekromd. Ook de pooten zijn lang en de ribben vlak. De lange grove borstels vormen op den rug een kam. Zij zijn geelachtig wit van kleur maar er komen ook zwartbonten en zwarten voor, niet zeer vroegrijp. Volwassen kunnen zij eene hoogte van nagenoeg 1 M., eene lengte van 2 M. en een gewicht van 400 a 450 KG. bereiken. Hunne vruchtbaarheid is groot. Kruisingen van deze varkens met de Engelsche fokrassen, om hun eene snellere ontwikkeling en meer vroegrijpheid te geven, komen veelvuldig voor. Daaruit is o. a. in Saksen het in de laatste jaren veel gezochte Meiszener varken ontstaan.

Behalve de oud-Nederlandsche varkens, Fig. 269, behooren hiertoe: het Poolsche zwijn; nog het meest oorspronkelijk, de meeste Fransche, het oud-Engelsche en de Noord-Duitsche, zoogenaamde Marschvarkens, waaronder het Westphaalsche 't meest bekend is.

-ocr page 520-

452

B. Het I n d i s c h-C hineesche tam m e varken, alsmede het zoogenaamde Japansche maskerz wij n.

Het wilde stamras van deze varkens komt waarschijnlijk nog het meest zuiver op de Zuidzee-eilanden voor.

Van de hiervan afstammende tamme varkens kunnen twee vormen worden onderscheiden: a. het grootoorige Indische zwijn, meer bekend onder den naam van het Japansche Maskerzwijn, met lange breede ooren, eene dikke huid, zwarte kleur en gemiddelde grootte. Hun gewicht bedraagt, gemest, tot 150 KG. Zij zijn vroegrijp en tamelijk vruchtbaar; zij werpen 15—20biggen. Kruisingen van dit ras met het Europeesche tamme varken hebben wel plaats gehad maar over 't geheel weinig resultaat gegeven.

Van meer belang is b, het kortoorigc Indische zwijn, het voornaamste huisdier van de Chineezen, Fig. 263. Dit varken heeft een korten breeden kop, met rechtopstaand voorhoofd en ingedrukten of concaaf gevormden neus, kleine opstaande ooren en sterke, vleezige kaken. De hals is kort en dik, de nek zeer vleezig en in gemesten toestand zoo vet, dat hij boven den kop reikt.

De romp is lang, bijna cilindervormig en in gemesten toestand zeer breed; de rug vormt met het breede kruis eene rechte lijn, en is eerder iets in- dan naarboven gebogen. De borst is breed en diep en de buik reikt bij gemeste dieren tot aan den bodem. De pooten zijn kort met breede goed bevleesde schenkels. De korte staart is weinig gekruld en hangt bij oudere dieren nagenoeg slap. De betrekkelijk dunne huid draagt weinig borstels, alleen op den kop en hot voorste deel van den rug komen eenige voor, die grof en slicht, zelden kroes zijn. De kleur is van wit of geelachtig wit tot bont, en zwart. De volwassen dieren zijn 0.9—1.1 M. lang, 0.45—0.60 M. hoog met een levendgewicht van 100—125 KG. Met deze voor een mestvarken gewenschte eigenschappen gaan gepaard een rustig temperament en eene groote traagheid, een gevolg van de weinige beweging die men het dier veroorlooft. Van zijne jeugd af wordt het in een nauw hok opgesloten en rijkelijk gevoed om het spoedig vet te krijgen. Op deze wijze worden zij op den leeftijd van 6—8 maand voor de slachtbank geschikt. De vruchtbaarheid van het Chineesche varken is echter niet groot, en 't spek en vleesch dat het levert niet zeer

-ocr page 521-

453

dunrzaam en niet aangenaam van smaak. Deze eigenschappen van liet Clii-neesche tamme Varken zijn geheel tegenovergesteld aan die van hot Euro-peesche; het laatste, althans het grootoorige is groot, bezit moestal oen gek ruiden staart, lange pooten en een karpermg, is laat rijp, vruchtbaar en bezit een groot weerstandsvermogen tegen een ruw klimaat, met oen voor een mestdier quot;weinig gewenschten lichaamsvorm, maar levert goed houdbaar spek en vleosch van een aangenamen smaak; liet eerste daarentegen is klein, vroegrijp, weinig vruchtbaar en bezit weinig weerstandsvermogen mot eigenschappen die juist in een mestdier gezocht worden, maar levert vleesch en spek dat minder aangenaam van smaak en weinig houdbaar is.

Uit deze opnoeming der eigenschappen van het Chineosche varken volgt, dat het op zich zelf niet geschikt is voor het doel waartoe men in Europa varkens houdt, daaientegen zeer geschikt om in het Enropeosche landzwijn die eigenschappon over te brengen, waarin dit te kort schiet, met andere woorden, om daarmede liet Enropeosche varken te kruisen. Aan do Engelsche fokkers komt de oor toe die kruising met zeer goed resultaat uitgevoerd te hebben, on thans kan men zeggen dat er in Engeland en vandaar uit ook in vele andere Europeesche landen geen varkens voorkomen of er zit bloed van liet Cliineesche varken in.

C. De tusschen beide hoofdvormen in staande middenvormen.

1. Kroesharige varkens. Deze, in zuidoostelijk Europa, Hongarije, Slavonië, de Donauvorstendommon, Turkije, Zuid-Rusland en het westelijk

deel van Midden-Azië voorkomende varkens loopen nog zeer uiteen. Het meest bekend is zijne teelt in Hongarije; vandaar de naam Hongaarsche varkens, waarmede zij ook wel worden aangeduid. Hier worden verschillende slagen onderscheiden, waarvan het bergzwijn, hot Bakonyer, het SzaJontaor en liet Mongolicza-zwijn als de belangrijkste genoemd kunnen worden. Daarvan is hot bergzwijn 't minst veredeld; liet komt het meest met hot Europeesche tamme varken overeen on levert vleezig spek en uitstekende hammen, die ook in hot buitenland gezocht zijn. Ook hot Bakonyer, Fig. 2G4, en het Szalontaer-varken leveren vleezig spek; daarentegen produceert hot Mongolicza-varken, dat meer

-ocr page 522-

454

verwant is met liet Chineesulie varken, en waarmede men ook do bovengenoemde slagen gekruist heeft, veel spek en vet.

Al deze varkens onderscheiden zich door een sraallen langen koji en een hoogen romp, die met kroes haar bedekt is. Bij enkele slagen zijn de borstels op hals en rug zelfs tot een maanvormigen kam verlengd, en in den herfst vormt zich onder de borstels een wollig dons, dat als een vilt het dier tegen het ruwe weer beschermt. De kleur van het haar is meest blond, roodbruin of zwart.

2. Romaans che var kans. Onder dezen naam kan men samenvatten de in zuidelijk Europa, langs de kusten der Middellandsche Zee, in Italië,

Spanje, Portugal en zuidelijk Frankrijk voorkomende varkens en die mede als een middenvorm van het Euro-peesche en 't Chineesche varken zijn te beschouwen. Het zijn meest kleine dieren, niet veel zwaarder wordende dan 100 KGr.; de lichaamsvorm is rond, de rug breed en recht, het kruis afhangend ; kop en beenen zijn rond. De huid is met weinig haar bezet en gewoonlijk zwart of grauw of vuurrood van kleur. Zij zijn over 't geheel vroegrijp en de fijne vleeschwaren daarvan, o. a. te Bologna, in Italië, onder de namen Salami en Mortadelli vervaardigd, zijn beroemd.

3. De Enge Ische varkensrassen. In de tweede helft der 18de eeuw zijn de Engelsche fokkers begonnen het grootoorig zwijn, dat daar voorkwam,

te verbeteren. Ter veredeling werden meer vroegrijpe en zich sneller ontwikkelende varkens gebruikt, en wel het donker gekleurde Portugeesche, het grauw-zwarte Napelsche, later meer het Indische. In 't algemeen bezitten de daardoor verkregen fokrasscn de volgende kenmerken : een kleine, gedrongen kop met zware kaken van sterke kauwspieren voorzien, en korte, opstaande ooren. De lengte des kops van de oogen tot den spits der snuit bedraagt slechts

-ocr page 523-

455

i/j! der lengte van 't geheele lichaam, terwijl bij de gewone landzwijnen de kop eene lengte bezit van der lichaamslengte. De hals is kort, de romp breed en tonvormig, de rng recht, de beenderen fijn en de spieren aan de korte pootjes kort en dik. De huid is dun en met weinig haar bezet. Het temperament is, in tegenstelling van dat der grootoorigen, goedaardig; zij groeien snel en worden spoedig vet.

Men kan deze veredelde Engelsche varkens tot drie hoofdgroepen brengen; a. Kleine rassen (small breed), h. groole rassen [large breed) en c. rassen van gemiddelde grootte (middle breed).

De kleine rassen kunnen worden onderscheiden in witte en zwarte. Tot de eei-sten behooren het kleine Yorkshire-zwijn, Fig. 265, met zoogenaamden mopskop en het Windsor-zwijn, tot de laatsten, verkregen door eöne kruising van liet oorspronkelijke varken met liet Napelscho en Chineesche varken, o. a. het Nieuw-Essex-ras.

Het groote Engelsche varken is veelal wit van kleur. Door kruising met de bovenvermelde vreemde rassen eveneens veredeld, bevat het echter meer bloed van het oorspronkelijke groote langoorige zwijn. Kop on ooren zijn dan ook langer, evenals 't geheele dier. Hiertoe behooren het groote Yorkshire, het Nieuw-Leicester, het groote Suffolkzwijn enz.

-ocr page 524-

456

Tot de varkens van middelbare grootte liehooren de Berkshires, Pig. 266, Hampshires en enkele slagen in Suffolk en Yorkshire, Fig. 267. Zij zijn vruchtbaarder en minder gevoelig dan de meeste andere Engelsche rassen. De vorm

van het lichaam bezit goed geëvenredigde afmetingen: de borst is breed, de romp lang, het kruis en de dijen zijn goed met vleesch bezet. De Berkshires

van gemiddelde grootte zijn zwart met gele of roodachtig gele strepen en vlekken, terwijl de kleine Berkshires eenkleurig zwart zijn.

Tot de varkens van middelbare grootte kan mon ook rekenen het Tamworih-

-ocr page 525-

457

varken, een fok ras eerst in het Jaalste 30-tal jaren meer bekend geworden, dat een meer rechten kop en een helder roodgele kleur bezit. Dit varken, Fig. 268, onderscheidt zich verder van de Engelsche rassen doordat liet minder gevoelig voor het weer en vruchtbaarder is, en een meer kernachtig spek levert. Het is in zekeren zin een concurrent van het eenige jaren vroeger bekend gewordene Poland-CVtiwa-varkon. dat in Amerika waarschijnlijk door kruising van het kleine Poolsche varken met Berkshires en Ciüneesche varkens is aangefokt en dat zich mede door genoemde eigenschappen onderscheidt. Het Poland-China-varken is uit Amerika in Europa en ook in ons land ingevoerd en heeft een tijdlang veel opgang gemaakt; het schijnt echter de concurrentie met de Yorkshires en Tamworths niet te kunnen doorstaan.

Sanson onderscheidt bij de tamme varkens drie verschillende rassen, waarvan twee brachycephaal zijn, nl. het Chineesche of Japansche (Aziatische ras) Sus asiaticus en liet Celtische ras ( Suh cellicus), en een dolichocephaal, nl. het Iberische ras (Sus ibericus). Tot het Celtische ras rékent hij de varkens met lange overhangende ooren in noordelijk en westelijk Europa, ook het Yorkshire varken, tot het Iberische.ras de varkens met steile ooren in zuidelijk en oostelijk Europa en welke aldaar als Spaansche, Napelsche, Romaansche en Hongaarsche varkens enz. worden onderscheiden.

De in Nederland voorkomende varkens zijn meestal kruisingsproducten van de oorspronkelijke rassen en de Engelsche Berkshires van middelbare grootte, de groote Yorkshires enz. Vroeger werden hier onderscheiden: de lobooren of Drentenaren, de varkens met lellen aan den hals, de steilooren of scherpruggen en de platruggen. Terwijl de eersten meer op de zandgronden thuis behoorden, kwamen de laatsten meer op de klei en in Holland voor. Onvermengd laten zich daarvan echter bezwaarlijk meer exemplaren aanwijzen.

Van de lobooren werd ons het in Fig. 269 afgebeelde, als oud-Nederlandsch nog hier en daar in Overijsel voorkomende varken, opgegeven.

Van de platruggen was dat in Noord-Holland gekenmerkt door een langen rug met daarop voorkomende dubbele haarwervel. Waarschijnlijk zijn in die provincie nog exemplaren daarvan aanwezig.

Van de vooral in Gelderland met goede zorg gefokte varkens kan Fig. 270 der rasfokkerij van den heer Pauwen ons een beeld geven.

3. HET AANFOKIvEN VAN VARKENS.

't Doel, waartoe het Varken hoofdzakelijk gehouden wordt, is het voortbrengen van vleesch (spek) en vet. Dat men bij het aanfokken dezer dieren zich moet toeleggen dezulken te verkrijgen, die hiervan de grootste hoeveelheid met het minste voeder in den kortst mogelijken tijd voortbrengen, ligt voor de hand. Intusschen kan het gevraagde spek en vleesch nog van zeer verschillende qualiteit zijn. In sommige streken vraagt men zoogenaamd vleezig spek en dit leveren varkens, reeds op jeugdigen leeftijd geslacht. Is men nu zelf fokker, zoo is het zaak fokdieren te hebben, die een goed getal jongen voortbrengen, vroeg rijp zijn en fijn, met vet doorwassen maar niet te spekkig vleesch leveren. Op andere plaatsen is meer vraag naar spek en vet, en dit leveren de grootere rassen in goed gemesten staat.

REINDKRS, III. Vierde druk.

-ocr page 526-

456

Tot de varkens van middelbare (jroolte hehooren ile Berksliires, Fig. 266, Hampshires en enkele slagen in Suffolk en Yorkshire, Fig. 267. Zij zijn vruchtbaarder en minder gevoelig dan de meeste andere Engelsche rassen. De vorm

van het lichaam bezit goed geëvcnredigde afmetingen: de borst is breed, de romp lang, het kruis en de dijen zijn goed met vleesch bezet. De Berkshires

van gemiddelde grootte zijn zwart met gele of roodachtig gele strepen en vlekken, terwijl de kleine Berkshires eenkleurig zwart zijn.

Tot de varkens van middelbare grootte kan men ook rekenen het Tamworih-

-ocr page 527-

457

varken, eon fokras eerst in liet laatste 30-tal jaren meer hekend geworden, dat een meer rechten kop en een heldor roodgele kleur bezit. Dit varken, Fig. 268, onderscheidt zich verder van de Engelsche rassen doordat het minder gevoelig voor het weer en vruchtbaarder is, en een moor kernachtig spek levert. Het is in zekeren zin een concurrent van het cenige jaren vroeger bekend gewordene Poland-China-\i\vken, dat in Amerika waarschijnlijk door kruising van het kleine Poolsche varken niet Berkshires en Chineesche varkens is aangefokt en dat zich mede door genoemde eigenschappen onderscheidt. Het Poland-China-varken is uit Amerika in Europa en ook in ons land ingevoerd en heeft een tijdlang veel opgang gemaakt; het schijnt echter de concurrentie mot de Yorkshires en Tamworths niet te kunnen doorstaan.

Sanson onderscheidt bij de tamme varkens drie verschillende rassen, waarvan twee brachycephaal zijn, nl. het Chineesche of Japansche (Aziatische ras) Sus asiaticus en het Celtische ras (Sus cellicus), en oen dolichocephaal, nl. het Iberische ras {Sus ibericus). Tot het Celtische ras rékent hij de varkens met lange overhangende ooren in noordelijk en westelijk Europa, ook het Yorkshire varken, tot het Iberische.ras de varkens met steile ooren in zuidelijk en oostelijk Europa en welke aldaar als Spaansche, Napelsche, Romaansche en Hongaarsche varkens enz. worden onderscheiden.

De in Nederland voorkomende varkens zijn meestal kruisingsproducten van de oorspronkelijke rassen en de Engelsche Berkshires van middelbare grootte, de groote Yorkshires enz. Vroeger werden hier onderscheiden: de loboor en of Drentenaren, de varkens mei lellen aan denhals, de steilooren of scherprugyen en dc platruggen. Terwijl de eersten meer op de zandgronden thuis behoorden, kwamen de laatsten meer op de klei en in Holland voor. Onvermengd laten zich daarvan echter bezwaarlijk meer exemplaren aanwijzen.

Van de lobooren werd ons het in Fig. 269 afgebeelde, als oud-Nederlandsch nog hier en daar in Overijsel voorkomende varken, opgegeven.

Van de platruggen was dat in Noord-Holland gekenmerkt door oen langen rug met daarop voorkomende dubbele haarwervel. Waarschijnlijk zijn in die provincie nog exemplaren daarvan aanwezig.

Van de vooral in Gelderland met goede zorg gefokte varkens kan Fig. 270 der rasfokkerij van den heer Pauwen ons een beeld geven.

3. HET AANFOKKEN VAN VARKENS.

't Doel, waartoe het Varken hoofdzakelijk gebonden wordt, is het voortbrengen van vleesch (spek) en vet. Dat inen bij het aanfokken dezer dieren zich moet toeleggen dezulken te verkrijgen, die hiervan de grootste hoeveelheid met het minste voeder in den kortst mogelijken tijd voortbrengen, ligt voor de hand. Intusschen kan het gevraagde spek en vleesch nog van zeer verschillende qualiteit zijn. In sommige streken vraagt men zoogenaamd vleezig spek en dit leveren varkens, reeds op jeugdigen leeftijd geslacht. Is men nu zelf fokker, zoo is het zaak fokdieren te hebben, die een goed getal jongen voortbrengen, vroeg rijp zijn en fijn, met vet doorwassen maar niet te spekkig vleesch leveren. Op andere plaatsen is meer vraag naar spek en vet, en dit leveren de grootere rassen in goed gemesten staat.

REINDERS, III. Vierde druk. :il

-ocr page 528-

45S

Varkens, lt;lio geilnrende een gedeelte van 't jaar hun voedsel in weiden of bossclien moeten zoeken, dienen behoorlijk tor been en mogen niet te gevoelig voor de invloeden van 't weer zijn. Voor varkens die steeds op H hok gehouden worden, zijn deze eischen van minder gewicht.

Bij de keuzo der voor het aanfokken bestemde dieren moet, behalve op do eigenschappen, aan oen goed fokdier in het algemeen, als gezondheid, doeltreffende lichaamsbouw enz., te stellen, on in aanmerking nemende het ras, gelet worden wat den beor aangaat op het volgende: kop klein met levendige, heldere oogen, een good gebit en een goed ontwikkelden snuit; hals kort en dik; het lijf lang, diep en afgerond met een breed kruis, breede schouders en rechten rug (geen karperrug), korte maar niet te dunne pooten, aan de dijen goed met vleesch begroeid, en eeno weeke huid mot fijno borstels bezet. Kwaadaardige boeren mogen ook daarom niet voor het aanfokken worden toegelaten, omdat zij deze slechte eigenschap op limine nakomelingen doen overerven.

Ook bij het moederzwijn heeft men te letton op eeno goedaardige natuur, die zich bij het opbrengen der jongen niet verloochent. Voorts komen in aanmerking; een niet te zware kop met een snuit, kleiner dan die van den beer; een matig lange hals, een lang lichaam met normaal en krachtig ontwikkeld bekken (achterhand), en een goed ontwikkeld en gezond uier met minstens 12 tepels. Zeugen, die hunne jongen na de geboorte opvreten, zijn voor de voortteling onbruikbaar. Bij voorkeur worden de fokdieren van den tweeden of dorden worp en van die des voorjaars geboren, uitgezocht.

De neiging tot gemakkelijk vet worden benadeelt ook bij 't Varken het drachtig worden. Dieren, bij wie deze eigenschap sterk ontwikkeld is en tot het aanfokken bestemd zijn, mogen daarom niet te rijk gevoederd worden, vooral niet de zeugen en niet op te rijpen leeftijd tot de paring worden toegelaten; evenwel ook niet to vroeg: zeugen niet vóór den leeftijd van 8 en boeren niet vóór dien van f) maanden. In Engeland is het regel ze niet vóór den leeftijd van ongeveer 10 maand voor het eerst toe te laten. De beeren zijn liet vruchtbaarst op een leeftijd van 2 a 3 jaar; veel ouder laat men ze veelal niet worden, tenzij van uitstekende hoedanigheid. Volwassen beeren moeten niet te sterk gevoederd worden, om vetaanzetting te vermijden.

Het dekken geeft het zekerste resultaat 12 a 14 uur na het begin van 't ruizig worden, dat zich in eene zekere onrust en in gebrek aan eetlust openbaart. Deze toestand keert alle 3 a 4 week terug en is aan geen bepaald jaargetijde gebonden. Men kan eene zeug dus in alle tijden van 't jaar laten dekken. Tegen den tijd van het werpen der jongen, dat 16 a IS week na de paring geschiedt, zijn eenige voorzorgsmaatregelen te nemen, bestaande in het verschaffen van doelmatig, dat is niot te lang strooisel. Wegens de kleinheid der jongen heeft de geboorte, ook bij verkeerde ligging, zonder veel moeite plaats, maar zij duurt, wegens het groot getal, nog al geruimen tijd en de herhaalde weeën putten hot varken min of meer uit. V» a '/, uur na de geboorte van 't laatste varken komt de nageboorte, die verwijderd worden moet. Breekt de navelstreng niet af, zoo moet zij worden doorgeknipt. Elk jong zoekt weldra zijn tepel, dien het ook later weder tracht te zoeken. Zijn er meer jongen dan tepels, zoo doet men de overtolligen zoo mogelijk aan eene andere zeug, met te weinig jongen over. Om deze daaraan te gewennen,

-ocr page 529-

450

bevochtigt men hare eigono on do bijgevoegde biggen mot een weinig brandewijn.

Eene zeng met biggen eiselit een behoorlijk warm hok en ook in de eerste dagen toezicht op bot zuigen, opdat do zwakkere jongen door de sterkeren niet van de tepels verdrongen worden; het moederdier eiseht eene krachtige en gelijkmatige voeding om steeds melk van gelijke hoedanigheid te leveren.

Do zoogtijd duurt (j a 8 week en in dien tijd gewent men ze langzamerhand aan 't gebruik van andere melk, karnemelk enz.

De mannelijke biggen, niet voor het aanfokken bestemd, worden op den leeftijd van 4 a 5 weken gecastreerd.

'i. VOEDING EN VERPLEGING VAN HET VARKEN.

Het wilde Varken is een allesetend dier; het voedt zich mot wortels, vruchten en ook met kleine dieren, als: insectenlarven, wormen, slakken, muizen enz. Zijn darmkanaal is intnsschen slechts van middelmatige lengte en niet bij machte om hooi, stroo en dergelijke moeilijk verteerbare stoffen te verwerken.

Ook in getemden staat kan het Varken zeer verschillend voedsel gebruiken. Naast allerlei groenvoer, als: gras, klaver en vruchten, ontvangt het verschillende wortel- en knolgewassen, graan en zaad en inzonderheid de bijproducten der zuivelbereiding, karnemelk, zure melk en wei en die van fabrieken, vooral brouwerijen en branderijen, ja den afval van de keuken en soms dien van de slagerijen.

De volgende normen, berekend naar 1000 KG. levendgewicht, volgens Emil Wolff (Lehmann), kunnen daarbij gevolgd worden.

Voor groeiende fokvarkens:

Droge stof. 44 KG.

35 » 32 » 28 » 25 »

Eiwit en amid.

7.6 KG.

5.0 »

3.7 »

2.8 »

2.1 »

Vet. 1.0 KG.

0.8 » 0.4 » 0.3 » 0.2 »

Ouderdom in maanden.

2— 3

3— 5 5— 6 G— 8 8—12

Levend gewicht. 20 KG. 45 » 55 » 80 » 120 »

Koolhydraten en vet.

28.0 KG.

23.1 » 21.3 » 18.7 » 15.3 »

Voedereenheden 38 KG. 30 » 26 » 22.2 » 17.0 »

Voedingsverhouding. 1 ; 4 1: 5 1: 6 1 : 7 1 ; 7.5

Voor groeiende mestvarkens:

2_

3

20 KG.

44 KG.

7.6 KG.

1.0 KG.

28.0 KG.

38 KG.

1 :

; 4

3—

5

50 »

35 »

5.0 »

0.8

»

23.1 »

30 »

1 :

; 5

5—

6

65 »

33 »

4.3

0.6

»

22.3 »

28 »

1 ;

; 5.9

6—

8

90 »

30 »

3.6 »

0.4

20.5 »

25 »

1:

; 6.3

8—

12

130 »

26 »

3.0 »

0.3

»

18.3 »

22 »

1 :

: 7.0

foor

mest-[spek-)varkens van b.v. 1

a 1'

, jaar oud:

le

periode

36 KG.

4.5 KG.

0.7

KG.

25.0 KG.

31 KG.

1

: 5.9

2e

»

32 »

4.0 »

0.5

»

24.0 »

29 »

1

: 6.3

»

25 »

2.7 »

0.4

»

18.0 »

22 »

1

: 7.0

Voor zoogende varkens:

22 KG.

2.5 KG. 0.4 KG. 15.5 KG. 19 KG. 1 : 6.6

Rhode acht de bovenstaande voeding voor vleeschvarkens te arm aan eiwit-

maand 31*

aehtigo stoffen en vindt het beter tot op den leeftijd van 3

-ocr page 530-

460

voedingsverlioiuling van 1 ; 8 en van 8—6 maand eene van I : 4 to nemen.

In het tijdjierk van ontwikkeling of voor zoogenaamde loopvarkens van b.v. 25 KG. Jevendgewicht wordt dus oen bekoorlijk eiwitrijk voeder met eene voedingsverhouding van 1 :4 aanbevolen. Later kan dozo ruimer tot 1 : 5 a 6 en 7 zijn. Ook de fokdieren worden eerst in deze richting gevoed, totdat zij ter voortteling geschikt zijn; in dit tijdperk wordt, zoowel voor dragende zeugen als voor boeren, eene voedingsverhouding van 1 : 5 aanbevolen. Voor zoogendo kan zij iets ruimer zijn.

Maerckor zegt, ook op grond van de prooven te Lauchstadt, dat bij jonge mestvarkens do voedingsverhouding niet zelden te ruim wordt genomen. Er moet niet uit het oog worden verloren, dat deze uit hun voedsel niet alleen vet maar ook vleesch moeten vormen. Voor jonge dieren moet dezo niet minder zijn dan 1:5; en in het verloop der mosting kan deze worden 1:7 en op het eind zelfs 1 : S.

Hij bevoelt de volgende verteerbare hoevoolheden voedingsstoffen per 1000 KG. 1. g. in KG. aan :

Ouderdom.

Levendgew.

Stikstofh.

Vet

Stikstofv

2—4 maand

tot 40 KG.

5.6

1

28

4—0 »

van 40—65 »

3.75

0.0

22.5

6—8 »

» 05—90 »

8.0

0.4

24

9—12 »

tot 180 »

2.8

0.8

18.5

Na het afwennen van do moedermelk moet dus in de eerste dagen nog voor eene krachtige voeding on min of meer gemakkelijk verteerbaar voedsel gezorgd worden; daarna wordt de voeding minder intensief genomen en bestaat zij in weide met eenig toevoor, gekookte aardappelen met karnemelk enz. enz. en ton slotte wordt zij moor naar de eigenlijke bedoeling waartoe het varken gehouden wordt, ingericht.

Wanneer dit doel is vleeschmest, zoo wordt aanbevolen van mootaf goed to voeren, maar tevens voor vrije beweging te zorgen, vergelijk bl. 458. Het eigenlijke mesten begint dan b.v. op een leeftijd van 5 maand en van dien tijd af wordt het de vrije beweging zooveel mogelijk onthouden.

Voor de productie van spek (spekvarkens) is het beter oudere dieren te kiezen, deze worden minder sterk gevoed maar voldoende om eene ruime ontwikkeling van het lichaam mogelijk te maken. Rhode beveelt aan tot dit doel volwassen dieren van ongeveer 1'/j-jarigen leeftijd te kiezen.

In boschachtigc streken vinden vele varkens in het tijdperk van ontwikkeling hun voedsel in de bosschen , in onkruiden, boomvruchten (eikels en bouke-pitten), insectenlarven enz. In Engeland laat men zo de stoppelvelden, ook om de uitgevallen graankorrels en de afgevallen aren, afweiden; in Duitschland wordt voor loopvarkens eene roode-klaverweide aanbevolen: 80 a 40 dieren kunnen hier veelal gedurende 120 dagen voldoende voedsel vinden. Hier te lande dient daarvoor niet zelden het gras van boomgaarden of in vereeniging van kalver en ander jong vee oen afzonderlijke weidekamp '). Ter voorkoming van bovenmatig wrooton worden zij in de weide zijnde „geringdquot;, dat is een

') Die Fütteruny der Zuchtschweine, Ausgabe der Lamlwirtschaftskammer f. ilie Piov. Sachsen.

-ocr page 531-

461

draad door het neusmiddolschot gestoken en deze tot oen ring omgedraaid. Worden zij in dit tijdperk met veel aardappelen gevoed, zoo is hot toevoeren van rogge- en tarwezemelen, wegens haar gehalte aan phosphorzure zouten, en eenig krijt gepast, om het noodige materiaal voor de beenvorming te leveren. Andere gebruikelijke rantsoenen voor loopvarkens van ongeveer 25 KG. zijn; 3 KG. afgeroomde melk en 3 KG. aardappels of '/s KG. gerst, 2 KG. afgeroomde melk en 2 KG. aardappels, of '/j KG. erwten, 1 KG. afgeroomde melk en 3 KG. aardappels. In de laatste jaren worden ook wel vleeschmeel en melasse aan varkens gevoederd.

Varkens, die gemest worden, ontvangen b.v. 5 a 10 KG. meel (van gerst of '/3 gerst- en '/s boonmeel of ook van rogge, boekweit en mais) met karnemelk tot een pap aangelengd. Men bedenke daarbij, dat het Varken wel veel voeder verteren kan maar alleen in een gemakkelijk verteerbaren vorm. Voor een jong varken moge ongemalen graan, in kleine hoeveelheid gegeven, gepast zijn, wanneer het gemest wordt moet hot dit althans in gemalen en nog beter in gebroeiden toestand ontvangen.

Ook de drachtige motton eisehen oene goede voeding; moeilijk verteerbaar en opblazend voeder kan aanleiding geven tot verwerping der jongen en moet dus vermeden worden; een eenigszins eiwitrijk voeder met eone voedingsverhouding van 1: 5 is voor haar evenals voor de dekking staande beeren 't meest gepast.

Behalve te Lauchstadt zijn in Duitschland ook aan het proefstation Pommritz proeven aangaande het mesten van varkens genomen. Daaruit blijkt , dat voor de groote Yorkshires op een leeftijd van 7—11 maand, het onverschillig is of men bij aardappelen en zure melk, gerst, erwten of mais voert, en dat het hoofdzakelijk de marktprijs is die daaromtrent moet beslissen. Is de prijs der gerst niet buitengewoon hoog, dan wordt het best daarmede begonnen; in de eerste 14 dagen wordt zij hooi gegeven, daarna gemalen tot aan de vijfde maand, liet de zesde maand begint men gemalen mais te voeren met ongeveer 5 liter zure melk daags en van af de 8ste maand worden bij zure melk en mais vooral aardappelen gevoerd. Is de gerst hoog in prijs, zoo wordt hot best dadelijk mot mais begonnen. Wordt bij aardappelen en zure melk gerst gevoerd, dan moet de voedingsverhouding zijn: 1 : G a 8; bij toevoeging van erwten: 1:2.4 a 3.5, en bij toevoeging van mais: 1 ; n.C a 7.5. Van eene bepaalde, voor alle gevallen doorgaande voedingsverhouding zou er, volgens deze onderzoekingen, bij mestvarkens dus geen sprake kunnen zijn.

Het voederen goschiedt in den regel driemaal per dag, en ook het Varken groeit het best, als het zijn maal geregeld en op tijd krijgt.

Voor stalruimte rekent men noodig te hebben: voor eene zeng met biggen 3 a 3.6 M-., voor groote rassen iets meer, voor jonge varkens 0.6 a 1.2 M'.; mestvarkens en beeren 2 a 2.5 M2. Voor jonge varkens, niet in de weide gaande, is bovendien aan te bevelen eene opene ruimte, waar zij kunnen rondloopen; en ook voor mestvarkens is eene voldoende hoeveelheid frisscho lucht eene eerste voorwaarde voor het gezond blijven.

De voedertroggen, van hout, steen of ijzer en van verschillenden vorm, worden buiten het hok geplaatst en dit hier uitgebouwd met eene deur, die gelegenheid geeft don trog buiten te sluiten, teneinde deze schoon to maken ('twelk niet te veel verwaarloosd mag worden) en van voeder te voorzien.

-ocr page 532-

Ook bij het Varken is zindelijkheid van hot hok enz. oone voorwaarde voor het goed gedijen. Het Varken houdt slechts in zoover van vuil, als het daarin een middel vindt zijne huid af te koelen.

Daarom verdient eene inrichting, die het dier gelegenheid geeft zich in den zomer te baden, of het dagelijks atwasschen der huid, gelijk men in Engeland doet, wol aanbeveling.

5. GEBRUIK VAN HET VARKEN.

Volgens hot Landbouwverslag was het aantal varkens in Nederland;

Van 1871—1880 gemiddeld In 1899 Levende varkens aanwezig 346.193 737.597

Beneden 1 jaar geslacht — 610.942

In de laatste jaren is het aantal varkens dus meer clan verdubbeld.

Voor een deel worden deze varkens geslacht in zoogenaamde exportslachte-rijen, die de slachtwaren veelal naar het buitenland zenden, in 1899 474.652 stuks.

Ook in het binnenland is de handel in levende jonge en gemeste en in geslachte varkens niet onbelangrijk. De roden daarvan is, dat men zich in sommige streken veel met het aanfokken of het mesten van deze dieren bezig houdt, terwijl men in andere streken weinig of niet aanfokt en slechts voor eigen gebruik mest of ook door aankoop van gemeste varkens in de behoefte voorziet.

Bij het aanfokken is 't van belang te zorgen voor fokdieren, die niet alleen een goed getal biggen opbrengen, maar ook van een ras, dat veel gevraagd wordt. Het vereischt veel toezicht en past het best voor kleine bedrijven en daar waar veel voedsel voor jonge varkens voorhanden is (bij aardappelbouw, veehouderijen en zuivelfabrieken).

Het mesten van zelf aangefokte dieren hoeft dit voor, dat de belangen van fokker en mester in denzelfden persoon vereenigd zijn en de laatste beter weet, welk mest vee hij heeft.

Evenals bij het Rundvee, bl. 252, kunnen bij het mesten van varkens drie tijdperken worden onderscheiden. In het eerste neemt het lichaamsgewicht 't meest toe, in het tweede worden de cellen van het vetweefsel met vet gevuld, en in het derde wordt het spek kernig en vast en heeft een omzetting van sommige lichaamsdeelen in vet plaats. In dit tijdperk wordt de eetlust langzamerhand minder. Ten slotte is het varken uitgemest, tot slachting rijp; als het nog langer leefde, zon het weer lichter worden.

Bij het mesten doet zich nu dikwijls de vraag voor, wat het voordeeligst is: de varkens reeds op jeugdigen leeftijd te niesten en te slachten, als zij b.v. 100 a 150 KG. wegen, of oudere en zwaardere varkens. Het antwoord op deze vraag is intusschen ten deele afhankelijk of meer vleezig spek dan wel vet spek en veel vet, dat zich inwendig afgezet heeft, verlangd of gevraagd wordt. De bovengenoemde proeven te Pommritz hebben to dezen opzichte geleerd , dat het financieel nadeelig is zeer lang te mesten met het doel het varken tot een bepaald gewicht te brengen. Bij het mosten van exemplaren van het groote Yorkshire ras bleek het, dat het financieel do beste uitkomsten gaf de dieren op een leeftijd van 10 a 11 maand te slachten; Rhode beveelt echter voor spekvarkens — zie hierboven — een leeftijd van l1i/2 jaar aan.

-ocr page 533-

-io:?

Eone andere vraag is: welk voeder de beste qualiteit vleesch en spek geeft; enkele voedermiddelen, als mais en rijstmeel, hebben te dezen opzichte geen besten naam, andere, als gerstemeel, oen goeden naam. Op verzoek van de Ned. Slagershond zijn aan de Rijkslandbouwschool eenige proeven in deze richting genomen door den heer Broekcma. Naast aardappelen en afgeroomde melk kregen 4 groepen, elk van drie varkens, verschillend voeder en wel: groep I maismeel; groep II een mengsel van rogge-, boekweit en gerstemeel; groep III eerst maismeel, daarna het mengsel van groep 11 en groep IV omgekeerd, dns eerst een mengsel van rogge-, boekweit- en gerstemeel, daarna maismeel. Volgens het oordeel van bevoegde personen was do qualiteit van groep II het best (het hardst), daarna die van groep III, vervolgens I en het slechtst die van IV. Ook voor rookworst voldeden de groepen in de gemelde volgorde het best; in het spek was er tusschen I en II weinig verschil, maar die van groep III was iets minder en stonden de varkens van groep IV hot laagst, terwijl er in de hammen weinig verschil was. De voeding met rogge-, boekweit- en gerstemeel kwam echter duurder dan die met mais. In een half jaar (van 17 Juli —15 Jan.) kwam die van groep lop /'104.95; die van groep II op /161.46 en die van groep III op /139.03. De verhouding is dus ongeveer als 100:154:132. In de toeneming van levend gewicht was niet veel verschil. De groepen die bij het begin van de proef een gewicht hadden van ongeveer 100 KG., wogen aan 't eind ongeveer 270 KG., dus een gewichtstoeneming van 170 KG. Deze werd verkregen door een totale hoeveelheid voedingsstof van 2580 KG. en een voedingsverhouding van 1: 0.7 bij de maisvoedering en van 2496 KG. resp. 1 : 5.4 bij 't gemengde krachtvoer. In 't eerste geval werd dus met 15.2 en 't tweede met 14.7 KG. voedingsstof 1 KG. gewichtstoeneming verkregen.

Het slachtgewicht is bij een varken hooger dan bij 't Rund en 't Schaap, daar het Varken meer bruikbare deelen bezit en huid en pooten hier niet afgetrokken worden. Bij slecht gemeste mag het op 70—75 proc. en bij goed gemeste dieren op 70—85 proc., ja in enkele gevallen op 90 proc. gesteld worden. Bij proeven te Liebwerd met verschillende varkensrassen en gelijke voeding werden de volgende slachtgewichten waargenomen.

Slachtgew. in proc. Slachtgew. in proc.

laag- gem. hoog- laag- gem. hoog

ste ste ste ste

Boheemsch landzwijn 70 72 74 Essex X Yorkshire 74 81 88 Landzwijn X Essexbeer 72 80 88 Essex 72 81 90

Landzwijn X Yorkshirebeer 73 80 87 Yorkshire 70 83 90

Als bijproducten van het Varken mogen nog, behalve de mest, de borstels vermeld worden. Men onderscheidt deze in rijpe en onrijpe. De eerste vallen vanzelve uit en bezitten de grootste lengte en de meeste veerkracht. Zij worden op sommige plaatsen door uittrekken verkregen en in kam- en zijborstels gesorteerd. De onrijpe borstels worden door uitbroeien, na het slachten, verkregen en hebben eene geringere veerkracht. De minder veredelde landrassen leveren, daar deze over 't geheel meer behaard zijn, ook do beste borstels.

-ocr page 534-

LANDHUISHOUDKUNDE ').

inleiding. De Algemeene en Bijzondere Planten- en de Veeteelt hebben ons het technische van liet landbouwbedrijf en zijne wetenschappelijke grondslagen leeren kennen, in zoover het daarbij aankwam om van do krachten en stoffen der natuur, die ons daarvoor ten dienste staan, zoo veel en zoo doelmatig mogelijk gebruik te maken tot voortbrenging.

Do Landhuishoudkunde beziet het bedrijf uit een ander oogpunt; zij heeft ten doel de studie der oeconoimsche grondslagen van het landbouwbedrijf.

Immers om iets voort te brengen is er nog meer noodig dan de stoffen en krachten der natuur. Deze toch ziju in beperkt aantal aanwezig; men kan die veelal niet om niet verkrijgen: er is kapitaal noodig om zich die te verschaffen of althans moet voor het gebruik eene zekere vergoeding gegeven worden.

Vooreerst behoort de bouwgrond onder de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen aan een betrekkelijk klein aantal personen, gewoonlijk eigenaars geheeten. Om in het bezit van een deel daarvan te geraken, d. i. eigenaar te worden, is kapitaal, of althans om als pachter zich van het gebruik tot voortbrenging te verzekeren, krediet noodig. In de tweede plaats is er kapitaal noodig voor gebouwen, werktuigen, vee, zaaizaad enz., en in de derde plaats wordt voor de uitoefening van het landbouwbedrijf geestelijke en lichamelijke arbeid vereischt, niet onkel van den landbouwer zeiven maar ook van anderen (arbeiders). Die arbeid moet vergoed worden: door ondernemerswinst aan den landbouwer, door loon aan de arbeiders, waarvoor mede kapitaal noodig is.

Wordt er alzoo van den oenen kant voor de uitoefening van het landbouwbedrijf, behalve technische kennis, het bezit van kapitaal of althans kredietwaardigheid vereischt, van den anderen kant moet aan de inrichting van het bedrijf de eisch gesteld worden, dat de landbouwer daarin niet alleen een bestaan kan vinden maar ook dat het aangewende kapitaal een behoorlijke rente oplevert of, verbruikt wordende, uit de opbrengst met de rente teruggevonden kan worden.

') Volkswirtschaftliclie Grundlagen und Oekonomik der Landwirtschaft in Van dei-Goltz, Handbuch der Landwirtschaft; Giiido Kraft, Jielriebslehre; Hu mess. Morton and Murray, The equipment of the Farm; Barral, Dictionnaire d'Agriculture. Uitkomsten van liet onderzoek naar den toestand van den Landbouw in Nederland door de Landbouwcommissie. Eenige landhuishoudkundige beschrijvingen van Nedei landsche gewe.^ten, zijnde bekroonde antwoorden op eene prijsvraag, uitgeschreven door de Nederlandsdie Maatschappij van Nijverheid.

-ocr page 535-

■165

Dio opbrengst moet verkregen worden door verkoop van de producten, waarvoor dus gelegenheid moet bestaan of gezocht worden.

Bij de inrichting van het bedrijf moet alzoo met een en ander rekening worden gehouden, want anders zou een bedrijf technisch wel uitstekend ingericht, maar door een ongunstige verhouding tusschen het kapitaal, den arbeid en de opbrengst, desniettemin oeconomisch ondoeltreffend kunnen zijn.

De landbouwbedrijven toch maken een deel uit der groote maatschappij. Hunne inrichting dient daarom in overeenstemming te zijn met de maatschappelijke verhoudingen, om het doel, de grootst mogelijke zuivere opbrengst, te bereiken.

Daarvan hangt des landbouwers welvaart af.

Het opsporen van de voorwaarden waarvan die welvaart afhankelijk is en do studie van de oeconomische wetten der voortbrenging maken hot onderwerp uit van dat deel der landbouwwetenschap, dat wij Landhuishoudkunde noemen ').

Wij kunnen daarvan slechts een kort en geenszins volledig overzicht geven; wij behandelen slechts;

I. Wat voor het uitoefenen van het landbouw-bedrijf noodig is.

II. De inrichting en 't bestuur van het bedrijf (landbouwstelsels).

III. De uitkomsten van het bedrijf.

H O O F I) S T U K 1.

WAT VOOK HET UITOEFENEN VAN HET LANDBOUW-BEDRIJF NOODIG IS.

1. De productiemiddelen. Daartoe rekent men a. kapitaal, b. arbeid.

a. Hel kapitaal. Door kapitaal verstaat men in het algemeen goederen. bezittingen of voortbrengselen, die gebruikt worden of bruikbaar zijn om daarmede winst te behalen.

Men onderscheidt het kapitaal, tot landbouwkundige doeleinden gebruikt, in: aa. vast kapitaal (grond, gebouwen, wegen enz.) en bh. bedrijfskapitaal (werktuigen, vee, voorraad enz.).

ua. Het vast kapitaal. Daartoe behooren in de eerste en voornaamste plaats de grondstukken of het land der boerderij. Dit kapitaal vertegenwoordigt alzoo het bezit van eene zekere uitgestrektheid van de aardoppervlakte, dienstbaar tot het voortbrengen van landbouw-producten (planten). Een grondstuk, waarop woningen staan, heet behuisd land of bebouwd eigendom; een grondstuk, waarop geene woning gebouwd is, heet onbehuisd of onbebouwd eigendom.

') De Duitschors noemen dit deel der landbouwwetenschap gewoonlijk Belriebslehre, sorntnigen hier te lande Bedrijfsleer; wij meenen dat de naam Landhuishoudkunde, in overeenstemming met liet Fransche Oeconomie rurale, liet begrip daarvan beter uitdrukt.

-ocr page 536-

De meerdere of mindere bruikbaarheid voor de plantenteelt en de daarvan afhankelijke waarde van een grondstuk hangen af; van de uitgebreidheid, de samenstelling en hoedanigheid en de ligging. Van de uitgebreidheid hangt dikwijls de wijze van bewerking en het te volgen cultuurstelsel af. Kleine grondstukken kunnen b.v. slechts met de spade enz., grootere met ploeg en egge en nog grootere door middel van stoom bewerkt worden, maar veel hangt te dezen opzichte ook af van het getal grondstukken of van de geheole grootte van het land eener boerderij, waarover nader. De begrenzing der afzonderlijke stukken loopt zeer uiteen; in de polders veelal door slooten, elders door greppels, wallen, heggen of schuttingen. Een en ander hangt nauw samen met de wijze van waterlossing. quot;Worden op deze of gene wijze de grenzen niet voldoende aangewezen, zoo maakt men gebruik van grenspalen of grenssteenen. In het algemeen is eene rechtlijnige begrenzing, zoodanig dat nagenoeg vierkante stukken verkregen worden, het meest gewenscht; de omtrek in verhouding tot den inhoud is in dit geval geringer, dan wanneer de lengte grooter is dan de breedte. Overigens is gewenscht eene begrenzing zoodanig dat bij bouwland de bewerking noord-zuid kan geschieden.

Wat de samenstelling en hoedanigheid van den grond betreft, dient niet enkel op den bovengrond maar ook op den ondergrond te worden gelet, de dikte der lagen, enz. (Zie Deel I, bl. 22 en 321). In enkele gevallen kan de plantengroei te dezen opzichte eenige aanwijzingen geven; de bijzondere cultuurtoestand moet daarbij ook in aanmerking worden genomen.

Van niet minder invloed op zijne bruikbaarheid is de ligging, van tien grond. Vooreerst met betrekking tot het omringende water (droge en vochtige ligging, peil en gelegenheid tot waterlossing). Vervolgens komt de ligging ton opzichte van den horizon in aanmerking (vlak of hellend enz.) en meer algemeen de geographische met het oog op het klimaat, de verkeerswegen, ligging van de grondstukken ten opzichte van elkander en van de gebouwen. Zie ook hieronder.

De samenstelling en eigenschappen van den grond, het klimaat en de ligging bepalen in het algemeen het voortbrengend vermogen, de deugd van een stuk land. Naar dit voortbrengend vermogen kan men de gronden in verschillende klassen rangschikken. Bij die classificatie dient dus gelet te worden op de grondsoort, de dikte der bouwlaag, de soort van ondergrond, de meerdere of mindere gemakkelijkheid in 't bewerken, den toestand van cultuur en bemesting en de gewassen, die er gewoonlijk verbouwd kunnen worden, alsmede op de gelegenheid tot afzet daarvan en de onkruiden, die er regelmatig voorkomen.

Het voortbrengend vermogen van den grond kan door aanwending van kapitaal en arbeid blijvend verhoogd worden. Zie algemeene verbeteringen van gronden, Deel I, blz. 292 en aanleg van graslanden. Deel II, bl. 387. Daardoor wordt kapitaal in den bodem vastgelegd. De daardoor te verwachten meerdere opbrengst moet do interest van dit kapitaal vergoeden en bovendien ondernemerswinst geven. Sommige dezer kapitalen worden ook langzamerhand verbruikt en in dit geval moet jaarlijks eene som voor aflossing (amortisatie) gerekend worden. Vooral van belang zijn die verbeteringen, welke niet alleen het voortbrengend vermogen van den grond verhoogen, maar ook de bewerking gemakkelijker en het aanwenden van meer bedrijfskapitaal loonend maken.

-ocr page 537-

467

Zij zijn vooral clan rentegevend, wanneer tegen een lage interest kapitaal te bekomen is en de arbeidsloonen on de prijzen der landbouwproducten stijgen. De Staat kan deze verbeteringen min of meer aanmoedigen (vrijdom van verhooging der grondbelasting bij ontginningen enz.) en bevorderen of beschermen (wetgeving op de waterschappen, wet op de verdeeling van marken of in het algemeen van gronden in gemeenschappelijk bezit, enz.). Wenschelijk blijft hier eene wet op de onteigening, die eene betere afronding dor boerderijen, dat is eene andere indeeling der grondstukken ten opzichte van de gebouwen mogelijk maakt. Men denke b.v. aan de hoogst ondoelmatige indeeling te Staphorst en Rouveen, waar bij elke boerderij zeer smalle strooken gronds van verscheidene meters lengte behooren en veel grond en veel arbeid nutteloos verloren gaan. Ondoelmatig is ook de verdeeling van vele markegrondon in Drente uitgevoerd.

Een ander gedeelte van het vast kapitaal, voor de uitoefening van het landbouwbedrijf noodig, steekt in de gebouwen. Deze zijn meer een noodzakelijk kwaad, daar zij niet, evenals de grondstukken, productief zijn. Zij zijn slechts hulpmiddelen voor het bedrijf en moeten daarom niet meer kosten dan volstrekt noodig is.

Voor het kapitaal daartoe benoodigd moet niet alleen interest, maar ook eene zekere som voor reparatie, assurantie en aflossing gerekend worden. Bij meer solieden bouw worden de kosten van aanleg grooter, maar die voor onderhoud en aflossing geringer. De laatste zijn echter zelden zoo veel geringer, dat zij vergoeding geven voor den meerderen interest van de solicdere bouwwijze. Daarbij komt, dat een gebouw van lichtere constructie met geringer kosten veranderd kan worden, in geval men met betrekking tot eenig cultuurstelsel enz. tot andere inzichten komt. Volgens Block kan men, boven den interest van het bouwkapitaal, in percenten van dit kapitaal, rekenen voor;

Amortisatie Reparatie Brandassurantie Samen

a. Sterke gebouwen pannendak rietendak

woningen.....0.33 0.25—0.37 0.25—0.37 — 0.81—1.07

stallen..............0.60 0.50—0.66 0.25—0.37 — 1.41—1.69

schuren............0.33 0.16—0.33 0.19—0.31 — 0.61—0.97

fabrieksgebouwen. 0.66 0.50 — 0.66 0.37—0.44 — 1.53—1.76

b. Minder sterke

woningen ..... 1.20 1.00—1.33 0.31—0.44. 0.37—0.50 2.50—3.03

stallen..............1.60 1.16—1.50 0.31—0.44 0.37—0.50 3.07—3.60

schuren............1.70 0.75—1.00 0.25—0.37 0.31—0.44 2.70—3.07

fabrieksgebouwen. 1.60 1.16—1.50 0.44—0.50 0.50—0.56 3.20—3.66

De grootte van het kapitaal voor de gebouwen is zeer verschillend en hangt af van de bouworde, de gewoonte, de grondsoort, het klimaat en het landbouwstelsel. Bij een vruchtbaren bodem, een ruw klimaat en intensieve cultuur is het in het algemeen hooger dan in de tegenovergestelde gevallen. Waar b.v. voel graan verbouwd wordt en dit onder dak gebracht moet worden, is meer schuurruimte noodig dan waar men zich op de teelt van suikerbieten toelegt. Bedraagt het bouwkapitaal 20 proc. van het geheelo vaste kapitaal, zoo kan men het gering, van 25—40 proc. gemiddeld on van 40—50 proc. hoog noemen.

-ocr page 538-

468

Voor bijzonderheden omtrent de inrichting der gebouwen verwijzen wij naar andere werken ').

De verschillende grondstukken met de daarbij behoorende gebouwen, wegen enz. maken samen eene boerderij uit, gelijk zij gewoonlijk verkocht of verpacht wordt. De waarde daarvan hangt dus af van die der stukken lands, die der gebouwen en van de betrekkelijke ligging van een en ander, wijl deze de uitoefening van het bedrijf meer of minder gemakkelijk maakt. Voorts is oj) die waarde van invloed de gelegenheid tot af- en aanvoer van producten, alsmede van de grond- en waterschapslasten, soms ook van de tienden of andere servituten die er op drukken.

Men onderscheidt groote en kleine boerderijen en boerderijen van gemiddelde grootte. Daarbij dient echter niet enkel gelet te worden op de uitgestrektheid van liet bedrijf, maar ook op de intensiteit, waarmede dit wordt uitgeoefend. Bovendien is te dezen opzichte het begrip van groot en klein in verschillende streken en landen zeer uiteenloopend. In liet algemeen kan men echter zulke boerderijen klein noemen, waar de landbouwer zelf mede moet arbeiden, van gemiddelde grootte die, waar hij zicii slechts met het bestuur kan belasten en groote, wanneer onder zijn beheer nog opzichters noodig zijn. Kleine bedrijven hebben niet zelden meer waarde, daar het bouwstelsel meer intensief en dientengevolge de cultuurstaat van den grond beter is. Maar ook het omgekeerde doet zich voor, daar op een klein bedrijf dikwijls minder doeltreffende werktuigen in gebruik zijn, de bestuurder op een lageren trap van ontwikkeling staat en verbeteringen in den cultuurstaat van den grond niet zoo spoedig worden aangebracht als op eene grootere boerderij. Voor den bloei van den landbouw eener streek is het wenschelijk, dat zoowel kleine als groote en boerderijen van gemiddelde grootte aanwezig zijn. Nadeelig voor den bloei van den landbouw moet daarom eene te groote versnippering der boerderijen zijn, gelijk zulks in enkele gewesten, b.v. Noord-Brabant en Limburg geschiedt, waar reeds veel klein grondbezit voorkomtquot;).

bh. Het bedrijfskapitaal. Het bovenstaande vaste kapitaal wordt door den eigenaar geleverd. Maar de ledige gebouwen en het bloote land die liet vertegenwoordigt zijn op zich zelf niet voldoende voor de uitoefening van liet bedrijf. Hij die dit doet, 't zij de eigenaar zelf of de pachter heeft nog kapitaal noodig om de boerderij aan den gang te brengen en aan den gang te houden. Deels is dit kapitaal meer vast en wordt het niet in eens verbruikt, maar dikwijls verscheidene jaren voor liet bedrijf aangewend. Als zoodanig vertegenwoordigt het den inventaris of het „beslagquot; der boerderij, waartoe dan behooren de levende have en de werktuigen en gereedschappen (het los goed). Deels is het meer omloopend en wordt het in een betrekkelijk

') C. H. Peters, Overzicht over de boerenplaatsenhonw in Nederland; F. Engel, IJ and bach des landw. Bauwesens en Behandlung von Entwurfen und Bau-ausfuh-rungen fiir die Krjl. Preuss. Domane. Hand. Gron. M. v. L. en N. 1901/02.

:) Om die versnippering tegen te gaan bestaat in sommige gewesten van Duitsch-land het Anerbenrecht, waarbij de boerderij, volgens de wet op dit recht, aan een der kinderen wordt toegewezen, op voorwaarde dat aan de andere kinderen eene nit-keering wordt gedaan. Ook het beklemrecht in Groningen voorkomt eene te groote versnippering van gronden.

-ocr page 539-

409

korten tijd vevbniikt om in oon anderen vorm met -rente terng te keeren: zaaizaad, veevoeder enz.

Op vele boerderijen vormt liet vee oen lieiangrijk deel van liet bedrijfskapitaal, vooral wanneer het dient om producten der boerderij gTootendeels of ook aangekochte te verbruiken en daarvoor andere in do plaats te geven.

De hoeveelheid en de soort van het vee dat men daarvoor houdt hangt veel af van den aard der gronden. waarover men beschikken kan, alsmede naar den tijdelijken prijs der veeproducten. Hier zijn schapen, ginds jong vee en nog op andere plaatsen melk- of mestvee meer gepast. Geeft het houden van vee op zich zelf goede rente, zoodat de daarbij verkregen stalmest niet zeer hoog behoeft aangeslagen tc worden, zoo kan men het aantal en de soort afhankelijk stellen van do hoeveelheid ruw voer, (stroo, hooi, kaf en wortelgewassen) die men heeft, en in het krachtvoer zoo noodig door aankoop voorzien. Neemt men daarbij ééne melkkoe of één os als eenheid aan, zoo kan men deze rekenen voor twee stuks jong vee of tien schapen.

De hoeveelheid vee, voor het verrichten van arbeid noodig, hangt af van de grootte der boerderij, het bomvstelsel, de grondsoort, de ligging der grondstukken met betrekking tot de gebouwen enz. Zware kleigronden, die zich moeielijk laten bewerken en voor de teelt van granen en hakvruchten gebruikt worden, vëreischen meer en dikwijls zwaardere trekdieren dan de lichtere gronden en daar waar eene uitgebreide klaverteelt en grasbouw voorkomen. Is de boerderij góed afgerond, dat is liggen de grondstukken rondom en in de onmiddellijke nabijheid der gebouwen, dan behoeft het aantal trekdieren niet zoo groot te zijn als wanneer de grondstukken verspreid en verder van de gebouwen verwijderd liggen. Ook kan door eene juiste keuze van de te telen gewassen dikwijls in het kapitaal dat men in het te houden werkvee moet steken, bespaard worden. In het algemeen echter moet het-vermeerderd worden, naarmate men een bedrijf van gemiddelde grootte meer intensief gaat inrichten, aangezien voor de betere bewerking van den grond enz. in dit geval handenarbeid door dien mot werktuigen wordt vervangen. Aan den IJsel-kant rekent men voor dezelfde uitgestrektheid gronds H paarden op de klei en 2 op het zand. Volgens Kramer is gemiddeld één paard noodig op het volgend aantal hectaren bouw- en weiland;

Zware bodem. 1 lodeni van mid- Lichte bodem.

Zwaar slag del matige zwaarte. Liclit slag paarden. Middelmatig zwaar paarden, slag paarden.

Klimaat: droog vochtig droog vochtig droog vochtig

1. Intensief bedrijf;'/j—'/, grasland 14 11 16 14 20 IC

2. Matig intensief bedrijf; graanbouw en vruchtwisseling maar

weinig hakvruchten 10.5 8.5 12 10.5 15 12

3. Intensief bedrijf met veel hakvruchten 7.5 5.5 9 7.5 12 9 In kleine bedrijven kunnen de paarden soms voordeelig door trekossen en

in groote bedrijven, vooral als de grond diep bewerkt moet worden, door stoom vervangen worden. Wordt aan paardenfokkerij gedaan zoo gebruikt men de jonge paarden voordeelig voor licht werk.

-ocr page 540-

470

Het kapitaal mor werktuigen en (jermhehapprn benoodig'd, is eveneens zeer uiteenloopend. Kleinere boerderijen knnnen deze niet. in zulk een verscheidenheid hebben als grootere en moeten zich met minder doeltreffende behelpen, tenzij zo knnnon huren. In boerderijen, waar akkerbouw hoofdzaak is, is dit gedeelte van het bedrijfskapitaal aanzienlijk grooter dan waar men meer grasland houdt. Behalve interest moet nog jaarlijks eene som voor aflossing gerekend worden. Bovendien komen hierbij jaarlijks kosten van onderhoud. Beide zijn weder zeer afhankelijk van de soliditeit der werktuigen (of zij b.v. van hout of van ijzer zijn), maar ook van den grond waarop en de wijze hoe zij gebruikt worden. Volgens Krafft kan men de som voor reparatie en aflossing ongeveer gelijk stellen en mag haar gezamenlijk bedrag geschat worden, in procenten van den aankoopprijs:

Voor vervoermiddelen . op 15—30°/,

» houten ploegen. . » 80—35 »

» ijzeren » . . » 10—15 »

» houten eggen. . . » KJ—30 »

» ijzeren » . . » 10—15 »

Voor paardehakken. ... op 10—18 0/0 » zaaimachines .... » 10—20 » » maai » . . . . » 10—10 » » dorsch » ....■gt; 10—20 » » handgereedschappen » 25—40 »


» rollen.......» 10—15 » | » tuigen........» 30—45 »

In 't algemeen kan men het onderhoud en de aflossing gering noemen als deze 10—12 0/0, gemiddeld als zij 14-170/0 en iioog als zij 18—25 u/0 bedragen.

Tot het omloopende bedrijfskapitaal belmoren: 1. de betaalmiddelen voor arbeidsloonen, aankoop van zaaigraan, mest, veevoeder, benoodigdheden voor de huishouding enz.; 2. voorraden in naturaliën (niet verkochte producten, zaaigraan, veevoeder, mest enz.); 3. de gedane bestellingskosten van den grond, het gezaaide graan enz.

De grootte van hot kapitaal voor een en ander noodig, richt zich naar de loopende inkomsten. Bij verbouw van Koolzaad of Karwij kan men reeds in 't begin van Augustus inkomsten hebben, zoo ook bij het afdorschen van 't graan met eene stoomdorschmachine dadelijk bij den oogst; eon veehouder, die melk en boter verkoopt, heeft dagelijks inkomsten, een kaasmaker moet daarop reeds langer wachten, nog langer een moster en zeer lang soms een verbouwer van handolsgewassen, b.v. Vlas. Ook kan men in de onmiddellijke nabijheid eener marktplaats en bij goede middelen van vervoor de producten dikwijls eerder verkoopen dan omgekeerd, en is er dus ook in deze gevallen minder omloopend kapitaal noodig. Voorts moet hij, die land zoogenaamd op stoppel koopt of pacht, op een grooter omloopend kapitaal rekenen, dan bij bezaaid land; terwijl in het laatste geval de verkooper of verhuurder eene zekere hoeveelheid bedrijfskapitaal mede verkoopt of verpacht. Zijn de arbeidsloonen en het kapitaal duur en de grond en zijne producten laag in prijs, zoo tracht men zoo weinig mogelijk omloopend kapitaal te besteden (stilstand of zelfs achteruitgang van hot bedrijf), in de omgekeerde gevallen wordt er moer kapitaal besteed en getracht het bedrijf vooruit te brengen (sterker mosten, beter schoonhouden van 't land, enz.).

De verhouding tusschen deze verschillende kapitalen evenals de kapitalen zelve, loopen, gelijk wel van zelve spreekt, aanmerkelijk uiteen. Volgons Krafft mag men rekenen voor 1 hectare bouwland aan kapitaal;

-ocr page 541-

471

hoog- laag g'emidd.

Voor levende have.......... 120 gulden ;?(gt; gulden 78 gulden

» werktuigen........... Git » IS » 39 »

» oraloopend kapitaal...... 45—90 » 13—27 2S—58 »

Bedrijfskapitaal samen gem....... 250 guldon 75 guldon 160 gulden.

Bij de verpachtingen in Engeland rekent uien minstens hot zes-, gemiddeld het acht- en soms hot negenvoudige van do jaarlijksche huur aan bedrijfskapitaal noodig te hebben. In Oostenrijk bedraagt hot bedrijfskapitaal het 4—6'2-vond van de pachtsom.

In het algemeen is het wenschelijk dat hot bedrijfskapitaal niet te klein zij in verhouding tot liet vaste kapitaal, of met andere woorden: eene groote boerderij te koopon of te pachten en niet genoeg bedrijfskapitaal te bezitten om die naar den eisch dos tijds to kunnen inrichten, geeft in den regel geen goede uitkomst.

Behalve door den eigenaar of den pachter zeiven, kan een deel van het vaste of van het bedrijfskapitaal ook door vorschillendo instellingen (kredietbanken) of door bijzondere personen geleverd worden. Do meest gewone vorm waarin op het vaste goed kapitaal geloond wordt is die van hypotheek, waarbij dan het vaste goed zelf tot onderpand strekt. Meer verschil is er in de wijze waarop voor het bedrijf kapitaal (dus bedrijfskapitaal) geleend wordt. Doelmatig daarvoor zijn locale coöperatieve krediet- of voorschot- en spaarbanken. Immers in sommige tijden van het jaar heeft de landbouwer te veel, in andere te weinig kasgeld; eene coöperatieve vereoniging in bovenbedoelden zin, dat is een boerenspaar- en leenbank, zooals er in de laatste jaren verscheidene zijn opgericht, kan hier wederzijdsche hulp bieden

h. De arbeid. Behalve de geestes-inspanning, noodig voor het beheer eener boerderij, kan men onderscheiden; handenarbeid, arbeid door trekdieren verricht en door machines, gedreven door paarden of door stoom, electriciteit enz.

De handenarbeid wordt verricht dooi' vaste knechts en meiden (dienstboden), vaste en losse (tijdelijke) daglooners en accoord (stuk-)workers of aannemers. Do verdeeling van het werk daar tusschen is niet altijd dezelfde en wijzigt zich naar verschillende omstandigheden. Aan de vaste knechts en meiden zijn in den regel, behalve huiselijke bezigheden, de verzorging van het vee en bij melkerij het melken, enz. opgedragen. Aan de knechts wordt bovendien en verder aan de vaste arbeiders, het drijfwerk (ploegen, eggen enz.) in 'talgemeen de leiding van het paarden werk toevertrouwd, terwijl de losse arbeiders meer tijdelijk werk (slootgraven, zichten, maaien enz.) verrichten. In sommige streken en tijden van 't jaar moot door vreemde (wandelende) arbeiders in do behoefte nog worden voorzien. — Het loon der arbeiders bestaat in gold met of zonder kost of kost en inwoning en soms (bij vaste arbeiders) in enkele voordeelen (vrije woning, recht van arenlezen, schaapsweiden enz.). Vooral het verschaffen van vrije woning mot eenigen grond, nog beter het behulpzaam zijn om eigenaar van eene geschikte woning te worden, kan een middel zijn om de arbeiders moer aan de boerderij te verbinden.

') Zie L. F. A. M. van Ogtrop, Belegfliny mn spaarbankgelden.

-ocr page 542-

472

Wanneer de aard van liet te verichten werk zich eenigszins daartoe leent, verdient liet uitbesteden van den arbeid meer aanbeveling dan liet laten werken in daghuur. Voor den landbouwer is dan slechts toezicht noodig, dat het werk goed wordt uitgevoerd en voor den arbeider levert het dit voordeel op, dat hij op elk uur van den dag kan beginnen en eindigen, zijne belooning meer naar vlijt en bekwaamheid zich regelt en zijne verdiensten in den regel groo-ter zijn. In sommige streken tracht men daarbij door het uitloven van premiën of het uitkeeren van een tantième der winst, de arbeiders zelf belang te doen stellen in do opbrengst.

Do prijzen der dagloonen loopen naar de verschillende tijden en streken to zeer uiteen om daarvoor algemeene opgaven te kunnen geven. Bij aangenomen werk kan volgens Krafft en anderen een arbeider, die 12 uur daags werkt, ongeveer doen;

mestladen............(J—12 voer

mestspreiden...........17—25 are

mest in de voren trekken...... 40—50 are

spitten................0.5—2 are

watervoren glad maken....... 475—570 meter

wintergraan zaaien.........3.5—4.4 hectare

zomergraan zaaien.........3.8—5 hectare

zaaien met het zaaihoorn.......0.6—1 hectare

klaver- en graszaad zaaien......1.7—3 hectare

mangelwortelzaad poten.......7—20 are

aardappels poten, oen man en twee vrouwen of jongens . . •...... 20—25 are

hakken of aanaarden van aardappels . . . 4—12 are uitdunnen en bijpoten van mangelwortels . 4—.') are

wintergraan zichten 1 _

i....... 20—25 are

zomergraan » '

met den sikkel..........iets minder

met de zeis......... ■ • 30—70 are

koolzaad zichten.......... 30—50 are

» » met de zeis.....15—30 are

graan binden........... 100—175 hok van 12 schooven

» hokken........... 300—400 hok van 12 schooven

» met vlegel dorschen......8—12 hok van 12 schooven

gras maaien........... 28—50 are

klaver » . . . •....... 40—60 are

mangelwortels uittrekken en schoonmaken . 5—7 are aardappels delven, een man, 2 vrouwen of

jongens............10—15 are

Aan den eenen kant vereischt het voorzien in de behoefte aan arbeiders en van den anderen kant het verschaffen van werk aan de beschikbare arbeiders, in alle tijden van 't jaar, veel overleg. Zooveel mogelijk moet het bouwstelsel ook met het oog danrop worden ingericht. Aangezien de landbouwarbeider dientengevolge dikwijls verschillend, zoowel licht als zwaar werk moet verrichten, het werk in de open lucht door de wisselingen van 't weer vaak

-ocr page 543-

478

wordt afgebroken en door andere bezigheden moet worden vervangen, bovendien aan een zekeren tijd gebonden is, die niet zelden eene verhoogde inspanning — zij het ook slechts voor een korten tijd — noodig maakt, kan de verdeeling van den arbeid in den landbouw minder goed doorgevoerd worden dan wel in andere bedrijven. Toch wordt deze staathuishoudkundige regel ook hier zooveel mogelijk in toepassing gebracht of is het althans wenschelijk dat zulks geschiedt, bv. bij het verplegen van 't vee, het melken, het dorschen enz.

Krafft geeft voor den arbeid, door paarden en andere trekdieren verricht, de volgende opgaven, voor 2 paarden 10 uur daags werkende:

Stoppelploegen, 9—10 cM. diep . . . 0.30—0.70 hectare Gewoon » 20—30 » » ... 0.30—0.50 »

Bewerking met den cultivator . . . .1.5 —0.50 gt;

Lichte eg, twee maal, 1 paard ... 1 —2.8 »

Zware eg, twee maal, 2 paarden . . .1.7 —2.3 -gt;

Rollen............3 —5 »

Kluitenbreker (4 paarden).....4 —5

Strooien van kunstmest met de machine 4.5 —0 Zaaimachine S rijen |

12-1(5 » I.....3 0 -0

Ontferploegen van zaad......0.4 —0.G

Ondereggen » » ......2.3 —2.8

Paardenbak, 1 paard.......1 —1.2

Aanaardploeg..........1 —1.25 gt;

Schoovenmakende graanmaaimachine . . 2.7 —5.6

Grasmaaimachine........3.5 —4.G »

Hooischndder..........7.5 —0 »

Hooihark...........3 —5 »

De arbeid van een os wordt op GG—75 proc. van die van een paard gesteld. Volgens Perels is bij een

getrokken en bediend door de arbeid per dag

Tweepaards dorschmachine ... 2 paarden 6 arbeiders 25— 33 HL.

Drie » » ... 3 » 7 a 8 » 35— 44 »

Vier » » . . . 4 » 10 » 45— 55 » Dorschmachine met strooschndder

en schoontoestel........G » 12—15 » 58— 70 »

Stoomdorschinachine,

breedte van dorschtrommel 1.33 M. G pd. loc. 12—15 gt; 80— 110 gt;

» » » 1.48 » 8 » » 15—20 » 110— 140 »

» » » 1.5G » 10 » » 20—30 » 150— 200 »

Wanmolen............2 » 120— 2G0 »

Trieur.............3 » 150— 275 »

Hakselmachine..........2—3 gt; 500—1000 KG.

door stoom of rosmolen gedreven'/j—1 pd.kr. 1 » 2000—3750 »

gebroken gemalen

Meelmolen, diameter der steenen 95 eM. 4 pd.kr. 30—45 1IL. 15 IID.

» » » » G3 » 3 » rosm. 24

REINDKRS , III. Vierde, rlrul;. :i'2

-ocr page 544-

474

Handmolen met 2 geribde rollen van 00 cM. diam.

en 18 cM. lengte...........2 arbeiders 6 HL.

Haverkneuzer met gladde rollen.......2 » 1U—20 »

Wortelsnijder..............2 » 60—80 »

Kookbreker..............2 » 2500—3750 KG.

Berekeningen hebben geleerd, dat het nuttig effect, I, bl. 290, dor werktuigen, door menschelijke kracht bewogen, liet grootst is; dan volgen die door dieren, vervolgens die door wind of water en ten slotte die door stoom (electriciteit) bewogen en de petroleum-, gas- en gasgenerator- en spriritus-motoren. De kracht wordt in den regel het goedkoopst verkregen door wind en water, duurder is de stoomkracht enz., nog duurder de dierlijke en het duurst de menschelijke kracht.

Jlaar alleen op grootere boerderijen is voor vele machines, door stoom enz., wind of dieren in beweging gebracht, genoeg werk om genoeg vergoeding te geven voor het kapitaal, dat daarin steekt.

Middelen, waardoor ook kleinere boerderijen de voordeden van 't gebruik dezer werktuigen deelachtig kunnen worden, zijn: het aanschaffen voor gemeenschappelijke rekening en het huren. Eene zoodanige vereeniging in het hertogdom Brunswijk heeft daarvoor het volgende tarief.

Naam der

koopprijs

huur in guldons per dag

machine

in guldens

voor de leden

voor niet-ledon

Zaaimachine

3 GO

3. GO

4.80

Ringrol

185

1.20

1.80

Hooischudder

1G5

1.80

2.70

Hooihark

135

1.20

1.80

Extirpator v.

Colenian 144

1.20

1.80

Paardenbak

225

1.80

2.70

IJzeren hak-

en aanaardploeg 3G

0.G0

0.90

Maai machine

540

0

9

Veebascule

135

por stuk vee 0.15

0.30

2. Gelegenheid tot verkoop der producten, aanvoer van grondstoffen enz.

De prijs der producten wordt geregeld naar vraag en aanbod. Hij kan dus in de verschillende streken aanmerkelijk verschillen. De landbouwer zal bij het taxeeren der opbrengst en om te weten of eenig product met voordeel zal kunnen worden verbouwd, in den regel rekening moeten houden met den gemiddelden prijs op de markt, waar hij gewoonlijk zijne producten verkoopt. Hoe naderbij die marktplaats is en hoe beter de middelen van vervoer zijn, des te geringer worden de transportkosten, 't geen weder ten voordeele komt van de zuivere opbrengst. Maar hij dient ook het oog te houden op de vraag in andere streken; gelegenheid tot vervoer daarheen doet de prijzen allicht stijgen. Verbetering in de middelen van en meerdere gelegenheid tot vervoer (spoorwegen, kanalen enz.) heeft ten gevolge, dat in het algemeen het debiet grooter wordt en rijzingen en dalingen in de prijzen der producten minder sterk worden. Sommige producten zijn evenwel van te grooteu omvang of

-ocr page 545-

475

hebben te weinig waarde om met voordeel ver vervoerd te kunnen worden.

Neemt men met Settegast aan, dat het vervoer van 100 KG. per mijl (7'/2 KM.) op den gewonen landweg 18 cent, op een kunstweg 12 et. en per spoor 3 cent bedraagt en worden de kosten van 't drijven van vee langs wogen en liet vervoer in spoorwegen even hoog, namelijk op G cent gesteld, zoo blijkt het verschil duidelijk uit de volgende tabel.

Aanduiding der goederen.

Prijs per lüb KG. in guldens.

Kosten van het vervoer per 100 KG. en 1 mijl (7i/« KM.) in proc. der waarde van het vrachtgoed.

De geheele waarde gaat verloren door de vervoerkosten op eenen weg in mijlen (7i/2 KM.).

gew. landweg

kunstweg

spoorweg

landweg

kunstweg

spoorweg

Stalmest.........

0.48

37.5

25

G.25

2.GG

4

1G

Groenvoer........

0.G0

30

20

5

3.34

5

20

Suikerbieten.......

1.20

15

10

2.5

6.7G

10

40

Stroo...........

1.20

15

10

2.5

6.7G

10

40

Aardappels.......

1.80

10

G.G0

1.GG

10.00

15

GO

Hooi...........

2.40

7.50

5

1.25

13.34

20

80

Melk en versch ooft. .

4.80

3.75

2.50

0.G2

27.34

40

160

Rogge, gerst en haver

9.00

2

1.30

0.33

50.00

75

300

Tarwe en peulvruchten

12.00

1.50

1

0.31

GG.G7

100

400

Oliezaad.........

14.40

1.25

0.80

0.21

80.00

120

480

Levende dieren.....

24.00

0.25

0.25

0.25

400.00

400

400

Stijfsel..........

3G.00

0.50

0.33

0.08

200.00

300

1200

Suiker, tabak......

42.00

0.43

0.28

0.07

233.83

350

1400

Olie...........

43.20

0.42

0.28

0.07

210.00

360

1440

Vlas...........

59 00

0.33

0.22

0.05

300.00

450

1800

Kaas en klaverzaad. . .

72.00

0.25

0.1G

0.04

400.00

600

2400

Hop...........

108.00

0.17

0.11

0.03

600.00

900

3600

Boter en huiden ....

120.00

0.15

0.10

0.02

GGG.GG

1000

4000

Wol...........

?59 00

0.07

0.05

0.001

1400.00

2100

8400

Vleeschextract.....

720.00

0.03

0.02

0.0004 4000.00

6000 24000

De producten, bovenaan in deze lijst geplaatst, als groenvoer, stroo enz., moeten dus, wegens de hooge transportkosten, in de nabijheid der plaatsen van verbruik gewonnen worden. Daarentegen worden vleeschextract, wol enz. inzonderheid gewonnen op plaatsen waar de landerijen goedkoop zijn, dat is in den regel daar, waar de bevolking dun is. Is ter verkrijging van stoffen veel technische kennis en arbeid noodig, zooals voor het bereiden van fijne boter en kaas, hop en vlas, het telen van zaaigranen en het aanfokken van veredeld vee, zoo kan men dikwijls, niettegenstaande de hooge transportkosten, wegens de grootore waarde, zeer goed concurreeren tegen verwijderde plaatsen. Stoffen, die zooals granen zich gemakkelijk laten vervoeren en bewaren, zijn aan mindere rijzing en daling van den prijs onderhevig dan andere, h.v. hop.

Het openen van nieuwe handelswegen enz. geeft gelegenheid tot eene verdere verspreiding van een product, dat weder van invloed is op zijn prijs en op het minder of meer voordeelige van de productie.

Aanvoer van grondstoffen is voor vele bedrijven niet of in mindere mate

:!-2*

-ocr page 546-

476

noodig, maar tocli kunnen zich ook te dezen opzichte gevallen voordoen — men denke slechts aan de meerdere of ininclero gelegenheid tot aankoop en aanvoer van stalmest, stratendrek of kunstmest, lijn- en raapkoek enz. —, waardoor de productie bevorderd of benadeeld kan worden.

Coöperatieve aankoop- en verkoop-veroenigingen kunnen daarbij van dienst zijn, vooral ook om verschillende bedriegerijen beter te voorkomen.

Bovendien zijn er nog vele andere omstandigheden, als de wetgeving (b.v. beschermende rechten), de veiligheid enz. die veroorzaken of de voortbrenging van een landbouwproduct meer of minder voordeelig is. Deze vormen onderwerpen van de zoogenaamde landbouw-politiek.

HOOFDSTUK TT.

HOE DE BOERDERIJEN ZIJN INGERICHT. LANDBOUW STELSELS.

„De kennis van den landbouw eener streek heeft tot grondslag de kennis van het heerschende landbomvstelsel, van do wijze waarop de boer het meeste voordeel uit zijne boerderij meent te trokken. Een ieder heeft opgemerkt, dat er in elke streek een zeker gebruik, een bepaalde gewoonte heerscht waarnaar de boederijen zijn ingericht, liet land bebouwd en het vee aangehouden wordt. Dat gebruik nu noemt men het heerschende landbomvstelsel. Do kennis van de heerschende stelsels is alzoo de kennis van de wijze waarop de landbouw gedreven wordt, de kennis waarnaar allen streven, die in den landbouw belang stellen; want zonder die kennis is de toestand van den landbouw niet te beoordeelen, zijn de deugden en gebreken niet te erkennen, en geene middelen tot verbetering, zoo die noodig zijn, aan te wijzen.quot; Wij maken deze woorden van wijlen Dr. Staring ') gaarne tot do onze. Van die inrichting der boerderijen en van de landbouwstelsels, volgt hier daarom een kort overzicht.

Behalve do grond en het klimaat zijn nog verschillende andere omstandigheden van invloed op de inrichting der boerderijen.

V. Thünen denkt zich in een merkwaardig werk') eene bepaalde marktplaats of plaats van coinsumptie en stelt zich nu voor hoe de landbouw kringsgewijze om deze overigens geïsoleerde plaats heen, zich zal ontwikkelen. In den eersten kleinen kring zijn het melk en groenten, iets verder volgen zoogenaamde handelsgewassen, die tot suiker, spiritus, zetmeel, bier,, olie, spinbare vezels enz. verwerkt worden (industrie-landbouw). Als vee wordt vooral mest- en melkvee gehouden, dat, ook ter bereiding van meer mest, veelal op stal gevoed wordt. Bovendien is het gebruik van kunstmest aanzienlijk. In den derden kring, nog verder verwijderd, kan in den regel over

') Overzicht van den landbouw in Nederland.

'■') .1. H. v. Thünen, Der isolirte Slaat in Bezielinnr/ nuf Landwirtschaft und Nationaloeconomie.

-ocr page 547-

minder kapitaal en arbeid beschikt worden. Graanbouw en schapenteelt treden hier vooral op den voorgrond. Nog verder van de stad verwijderd, houdt de teeit van granen meer op, maar komen uitgestrektere graslanden voor, die inzonderheid voor het aanfokken van jong vee dienen, dat aan de mesterijen en melkerijen van de dichter bij de stad gelegene plaatsen verkocht wordt. Buiten dezen kring houdt de landbouw op en komen slechts jagers, visschers enz. voor. Door verschillende omstandigheden zullen die kringen hier grooter, ginds kleiner zijn, in andere streken, wegens de nabijheid van twee marktplaatsen minder scherp zijn aan te wijzen of enkele geheel ontbreken of door de eigenaardige grondsgesteldheid onmogelijk zijn geworden, maar in hoofdzaak treft men deze opvolging aan. En de landbouwer dient zijn bedrijf naar den kring, waarin het ligt, in te richten. „Wie in de buitenste kringen zou willen landbouwen op eene wijze als slechts voor den binnensten gepast is of omgekeerd , zal spoedig door schade wijs wordenquot;, merkt Roscher op '). Niet de technisch het best ingerichte boerderij met het mooiste vee en de kostbaarste gereedschappen verdient den prijs, maar die, welke doeltreffend ingericht is naar hare landhuishoudkundige ligging.

Naar de verhouding tnsschen de grootte der boerderijen en het kapitaal en den arbeid, daaraan besteed, onderscheidt men ze in extensieve en intensieve. Extensief zal men den landbouw uitoefenen daar, waar het land goedkoop is en de producten laag in prijs zijn; maar rijst de prijs van den grond of van de producten of van beide, zoo zal de bezitter trachten door aanwending van meer kapitaal en arbeid van dezelfde oppervlakte gronds meer voort te brengen, dat is meer intensief landbouwen; zie bl. 479.

De landbouwer heeft zich dus rekenschap te geven van den volkshuishoudkundigen toestand der streek, waarin hij zijn bedrijf uitoefent. Is het stelsel, 't welk hij denkt te volgen, extensief of meer intensief, daarnaar bepaald, zoo doet zich de vraag voor, welke wijze van cultuur naar den aard van den grond, enz. nu 't meest gepast is. Men onderscheidt te dien opzichte: akkerbouw (in vruchtbare vlakten, wier bodem niet te zwaar is noch eene vochtige ligging heeft en gemakkelijk en ter behoorlijke diepte bewerkt kan worden, en waar het vervoer der prodneten gemakkelijk is); weidebouiv (op gronden die eene vochtige ligging hebben, voor akkerbouw minder geschikt zijn of ook daar waar de veeproducten veel gevraagd worden, b.v. in de nabijheid van sterk bevolkte plaatsen); houtteclt (op schrale gronden in nog weinig bewoonde streken); warmoezerij, wijnbouw enz. Verder rijst de vraag, welke gewassen de meeste aanbeveling verdienen, welke veesoort en welk ras met het oog op de producten, die zij zullen leveren en het voedsel dat voorhanden is, gehouden zal worden en of het ook voordeelig kan zijn met de boerderij eene fabriek te verbinden (branderij, stijfselfabriek, meelfabriek, beetwortelsuikerfabriek, fabriek voor het bereiden van boter en kaas enz.). — Dergelijke overwegingen heeft men voorzeker altijd gedaan en alzoo onderscheidene wijzen van inrichting der boerderijen, verschillende landbouwstelsels verkregen , schoon voor het bestaan van sommige stelsels in enkele streken ook geene andere oorzaak kan worden opgegeven, dan dat het stelsel aldaar nu eenmaal

') Wilhelm Roscher, Nalionalockonomie des Ackerliaues.

-ocr page 548-

478

gevestigd is. Men denko slechts aan do tabaksteelt in Gelderland, do teelt van tuinzaden in Noord-Holland enz.

De belangrijkste der alzoo bestaande landbouwstelsels zijn de volgende:

1. Weide- of grashouw op blijvende graslanden: Russische en Hongaarsche steppen, laag gelegen klei- en veengronden en in de onmiddellijke nabijheid van steden en dorpen.

2. Wisselbouw, waarbij het land eenige jaren tot bouwland gebruikt, dan weer eenige jaren groen gelaten wordt of ook woest liggen blijft; bemesting heeft niet plaats: drieslanden in Gelderland, de veenbrandciütuur, de Egarten-bouwerij in de Oostenrijksche en Zuid-Dnitsche Alpen, de koppelbouwerij in Noord-Duitschland.

3. Graanbouw. Het hoofdproduct is graan, dat, waar gebraakt wordt, veelal na braak wordt verbouwd. Afzonderlijke graslanden of weiden zijn hierbij veelal een vereischto, om het noodige vee ter bekoming van den noodigen most te kunnen houden, tenzij, zooals in Amerika, sterke roofbouw wordt gedreven of gebruik wordt gemaakt van kunstmest. Naar de geteelde graansoorten is het land in slagen verdeeld, en daarnaar onderscheidt men:

a. het éénslagstelsel, voortdurend hetzelfde graan op 't zelfde veld, b.v. Wintergerst in Griekenland, Mais in Egypte, Tarwe in Amerika, Rogge in verband met plaggenbemesting op de Drcntsche en Overijselsche esschen.

b. het tweeslagstelsel en wel: 1ü. braak, 2quot;. zomer- of wintergraan of 1°. Ma is en 2°. een ander graangewas. Meer algemeen is

c. het drieslagstelsel: 1quot;. braak, 2°. wintergraan en 3°. zomergraan, terwijl men

d. het vier-, vijf slag stelsel enz. heeft, wanneer men na braak b.v. tweemaal wintergraan en eenmaal zomergraan, of, gelijk in Silezië, na braak quot;Wintertarwe, Winterrogge, Gerst en Haver laat volgen. Meer en meer begint men voor braak groenvoer of hakvrnchten in de plaats te stellen; men bekomt dan het verbeterd twee- of drieslagstelsel enz. en gaat zoo over tot

4. het vruchtwisselingstelsel. Dit stelsel kan men als eene belangrijke verbetering beschouwen. Waar het ingevoerd is, staat de landbouw veelal op een hoogeren tiap. Het vereischt echter meer bedrijfskapitaal; zie hieronder.

Bij dit stelsel volgen halmvruchten en bladplanten elkander naar vaste regels, die de ervaring heeft leeren kennen, op, teneinde de gewassen het best te doen slagen, den arbeid te verdeden enz., I bl. 440. Graslanden komen weinig of niet meer voor, daar het vee zijn voedsel vindt van de klavervelden, in de wortelgewassen enz. De braak is afgeschaft. Aan den grond worden grootere eischen gesteld, en dikwijls moet door aankoop van mest of voedermiddelen voor 't vee tegen het plegen van roofbouw gewaakt worden. Als een der oudste en meest bekende dezer stelsels met vierjarigen vruchtomloop is het Norfolker, dat in Engeland veelvuldig gevolgd wordt, waarbij men teelt: 1°. een hakvrucht (Turnips) bemest, 2°. een zomergraan (meest Gerst), 3°. roode Klaver en 4''. een wintergraan (meest Tarwe). Is de grond door den verbouw van het wintergraan meer vervuild geworden, de daarop volgende teelt van de hakvrucht en van het zomergraan geven gelegenheid het onkruid weer meester te worden en de roode Klaver komt in een meer zuiveren bodem. Op vele plaatsen kan de roode Klaver echter niet zoo spoedig terug keeren; daarom wordt een vijf-, ja tien- en meerjarige vruchtomloop genomen.

-ocr page 549-

479

Als voorbeeld geven wij hier nog de volgende vruchtwisseling van hot landgoed Bri'mnsdorf in Saksen: 1quot;. Koolzaad, bemest met stalmest en mot beenderen meel, 20. Tarwe, 3°. Aardappels, bemest met guano en superphos-phaat, 4°. Gerst, bemest met kalk, 5°. roode Klaver, G0. Rogge, bemest met stalmest en superphosphaat, 7°. Aardappels, 8°. Haver, 9°. Grassen.

Het mislukken van eenig gewas door ongedierte of vorst alsmede de weersgesteldheid hebben intusschen niet zelden ten gevolge, dat men zich aan den eenmaal gestelden regel niet kan houden. Maar ook om zooveel mogelijk elk jaar een hooge geldelijke opbrengst te verkrijgen is in sommige streken en wordt meer en meer het gewone vruchtwisselingstelsel vervangen door andere die men in het algemeen kan noemen:

5. de meest intensieve landbouw stelsels. Ook daarbij wordt, wanneer akkerbouw het hoofddoel is, wel gewisseld, maar men tracht, öf vooral die handelsgewassen te telen, welke overeenkomstig den marktprijs de hoogste opbrengst beloven (Kanarie, Karwij, Mosterd, Uien enz.), of producten, die in eene fabriek verwerkt worden, 't zij deze met de boerderij zelve verbonden of in hare nabijheid aanwezig is, b.v. suikerbieten en fabrieksaardappelen.

Bij het eerstgenoemde stelsel, ook wel vrije of speculatie-boerderij geheeten, kunnen soms aanzienlijke voordeden behaald maar kan ook groote schade geleden worden, daar de omstandigheden, die den prijs van eenig product deden stijgen, wel eens voel sneller veranderen dan er tijd verloopt tusschen het uitzaaien en oogsten van eenig gewas. Voorts kan hiertoe gebracht worden de teelt van tuin- en landbouwzaden, van artsenijgewassen enz.

Is met de boerderij, 't zij op zich zelf, 't zij coöperatief met andere boerderijen, eene fabriek verbonden en worden met het oog daarop gewassen verbouwd of in het algemeen producten voortgebracht, zoo kan men het industrie-landbouw noemen. Minder voprdeelig werkt dit stelsel bij verbouw van suikerbieten, wanneer de fabriek aan derden behoort en de landbouwer van den fabrikant afhankelijk wordt, doordat deze het zaaizaad levert en verschillende beperkende voorwaarden stelt, waartegen het toekennen van een voorschot veelal niet opweegt.

De doelmatigste vorm is dan het participatiestelsel, waarbij op gehalte geleverd en de geleverde suiker naar marktprijs wordt betaald. Zoo ook bij verbouw vau fabrieksaardappels. Ook eene intensieve veehouderij kan mot een stelsel van intensieven akkerbouw gepaard gaan of op zich zelf worden gevolgd door geheele of meer stalvoedering , door verbouw van veel voedergewassen, aankoop van voedermiddelen, sterke bemesting en zoo mogelijk door bevloeiing der graslanden.

In het algemeen vereischt dit stelsel meer bedrijfskapitaal voor aankoop van kunstmest, compost, voederraiddelen enz., voor meer arbeid, meer veredeld vee enz. Door eene rationeele behandeling wordt de stalmest goed bewaard, I, bl. 387, en door verbouw van tusschengewassen voor groenbemesting, I, bl. 415 en II, bl. 349, de bodem aan stikstof rijker gemaakt.

Volgens Settegast mag men voor arbeid en kapitaal rekenen, per HA.: ( Weidebonw in zijn eenvou-bij een extensief bedrijf ' digsten vorm 2.40— 7.20 gulden

l Ongeregelde wisselbouw 14.20—28.89 »

-ocr page 550-

48(1

. , ( Graanbouwstelsel j ,

lui oen overffanffsbednit ; , , ,, ■ } oO—66.40 truklen

J l Geregelde wisselbouw )

. I Vruchtwisseling-stelsel 108—216 »

» intensie •gt; ) Industrie-lanclbouw 240—432 » ')

Niet altijd wordt op al het land eener boerderij dezelfde vruchtwisseling ot hetzelfde stolsel gevolgd. De bijzondere ligging van een gedeelte (dicht bij de boerderij of verder daarvan verwijderd) of de geaardheid van den grond kunnen het verbouwen van andere gewassen en dientengevolge het volgen van eene andere vrucht wisseling daarop wenschelijk maken.

Do landbouwstelsels, welke volgens Dr. Staring hier te lande voorkomen en in do Verslagen over den Landbouw worden vermeld, zijn:

lu. Stelsels waar veehouding hoofdzaak is.

2°. » waarbij akkerbouw op den voorgrond treedt.

1°. Stelsels, waarbij veehouderij hoofdzaak is en men dus uitsluitend weien hooiland aantreft, vindt men in Friesland, in de omstreken der stad Groningen, in de omstreken van Meppel, langs de boorden der Zuiderzee, in Noord- en Zuid-Holland en op de uiterwaarden der groote rivieren. Des zomers is het vee in de weiden, die, zoo ze niet aan rivieroverstroomingen hare vruchtbaarheid ontleenen, meer of minder sterk worden bemest; voor de wintervoedering wordt veel hooi gewonnen van de meestal verder van de boerderijen verwijderde hooilanden, die weinig of geen mest ontvangen, of de wei- en hooilanden wisselen jaarlijks af. Boter- en kaasmaken, met vetweiderij van rundvee en schapen en in enkele streken (Friesland en Noord-Holland) verkoop van jongvee zijn het, waarop de veehouder zich bijna uitsluitend toelegt. In de nabijheid der steden zoekt hij inzonderheid voordeel te behalen in verkoop van melk; waar hooilanden de overhand hebben in verkoop van hooi. Boter en kaas voor den groothandel worden aldaar thans veel in fabrieken bereid. Het rundvee, hier gehouden, behoort tot do Groningsche, Friesche, Noordhollandsehe en Geldersche rassen; de schapen zijn de Groningers, Friezen en Tesselaars, gekruist meest met Lincoln-, Cotswold-, Oxforddown-of Leicester-rammen. De grootte der boerderijen is van 15 tot 25 hectares, sommige nog kleiner, enkele grooter. Vroeger rekende men op elke 85 are eene koe te kunnen onderhonden en dus op elke hoeve 20 tot 30 melkkoeien, maar thans is, tengevolge betere bemesting en behandeling der weiden, derhalve door den overgang tot een meer intensief stelsel, dit getal grooter.

') Aanzienlijk hooger zijn nog ile bedrijfskosten van den meer intensieven tninbonw. De pachtsom voor tuingrond in de nabijlieid der groote steden in lielgië bedraagt 175—'240 gulden, de kosten voor installatie zijn ri40—750 gulden, de uitgaven alleen voor mest '240—480 gulden in het ic jaar en 150—240 gulden in de volgende per HA.

Nog hooger zijn de pachten in de nabijheid van Parijs, maar ook hooger de bruto-ïnkomsten; deze laatste kunnen geschat worden voor de grootere tuinen op 7500 gulden en voor de teelt van vroege groenten onder glas in kleinere tuinen op 15000 gulden per HA.

-ocr page 551-

4S1

2°. De stelsels, waarbij akkerbouw op den voorgrond treedt, kunnen worden onderscheiden in; A. akkerbouw op het zand en B. akkerbouw op de klei.

A. De akkerbouw op het zand behoort deels tot de vroeger vermelde korenbouwerij, deels tot den wisselbouw, of men volgt daarbij het stelsel van vruchtwisseling; in enkele streken heeft men het tot industrie-landbouw gebracht. Tot a. de korenbouwerij kan gerekend worden te behooren:

aa. het drieslagstelsel in Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht enz. Twee derde van het bouwland is met Rogge beteeld en één derde met Boekweit, die volgens Staring, vijf eeuwen geleden, de plaats heeft ingenomen van het braakjaar. Enkele akkers, die wat zwaarder bemest worden, dienen voor Aardappelen, die wat lager gelegen zijn en meer leem bevatten, voor wat Haver en Zomergerst, Oliezaad, Vlas en Klaver.

De helft der roggestoppels bezaait men met herfstknollen of met Spurrie. De wei- en hooilanden op de naburige moerasvenen en beekbezinkingen wórden weinig of niet bemest; eerst in de laatste jaren is men begonnen hier kunstmest, kaïnit en Thomasphosphaat, te gebruiken; de naburige woeste gronden leveren strooisel en dienen voorts tot voedsel voor de schapen, welke evenals het rundvee den mest voor het bouwland leveren.

Op sommige plaatsen is men begonnen Serradella of Lupinen als tusschen-gewas voor groenberaesting of voor veevoeder te telen; voor laatstgemeld doel wordt ook wel een gemengd gewas of rogge verbouwd en door inkuilen of persen bewaard.

De boerderijen zijn over 't geheel klein. Zoo komen in de kadastrale gemeenten Barneveld, Voorthuizen en Garderen, samen groot ruim 5000 HA., slechts 9 vierpaards boerderijen voor met 25—33 HA., 39 driepaards-, met gemiddeld 22, 127 tweepaards-, met gemiddeld 17, 155 éénpaards-, met gemiddeld 9, 229 boerderijen zonder paard of met een hit of os van gemiddeld 2l/2 HA., heide en houtgewas daaronder niet begrepen.

bh. de Twentsche roggebouw op de meer zavelachtige gronden, die met schollen of graszoden van de beekbezinkingen of lage heiden bemest worden. Daar is het mogelijk meer Rogge en minder Boekweit (slechts '/c van 'iet land is daarmede bezet) te bebouwen. Bij

cc. de Gooische Boekweitteelt daarentegen noopt gebrek aan mest om tweemaal Boekweit tegen eenmaal Winterrogge te telen.

h. Het stelsel van den wisselbouw komt voor bij de Vlaanische bouwerij op sommige boerderijen in de Baronnie van Breda, in de Meierij en in Zeeuwsch Vlaanderen. Hot weiland wordt hier veelvuldig met haardasch of compost, in de laatste jaren ook wel met kunstmest bemest, van tijd tot tijd gescheurd en tol bouwland gemaakt, om daarna op nieuw met klaver bezaaid en een tijdlang tot weiland aangelegd te worden. Schapen worden niet gehouden. Om veel most te maken staat het vee meestal op stal; mest uit de naburige steden en veevoeder worden aangekocht. De helft van het bouwland is beteeld met Rogge, die zuiver schoon gewied wordt en waarin men dikwijls wortelen zaait, H, bl 293; de andere helft is bezaaid met Boekweit, Haver, Aardappelen en veevoeder.

c. Het stelsel van vruchtwisseling wordt op do zandgronden toegepast in de Koloniën van Weldadigheid nabij Steenwijk en de Rijks-bedelaarsgestichten

-ocr page 552-

482

te Veenhuizon in Drente en aan de Ominerschans in Overijsel. De vrucht-omloop is zeven- of achtjarig. Een vijfde van het land is bezet met Aardappelen , twee vijfde met Granen, voornamelijk Rogge, een vijfde met Klaver on een vijfde met Klavergras ter beweiding.

De rijenteelt der Veenkoloniën op de dalgronden in Groningen heeft meer het karakter van den industrie-landbouw. Een derde van het land is bezet mot fabrieksaardappelen, een ander derde met Rogge en de rest met Boekweit, Haver, Zomergerst, Boonen en Klaver of met gras. Voor het ontginnen wordt een ruim gebruik gemaakt van straatvuilnis, thans ook van kunstmest, vooral van kaïnit, die hier vooral voor de gewone jaarlijkschc bemesting een ruim debiet heeft gevonden. Vroeger werd meer koemest, van elders aangekocht en Dollardslijk gebruikt. De veestapel, die gehouden wordt, is niet van groote beteekenis.

d. Geestbouwerij op de alluviale zandgronden (afgegraven duin en geestgronden) in Noord- en Zuid-Holland en Zeeland (?), meest aardappels, kool, bloembollen en verder tuinbouw.

B. De akkerbouw op de klei wordt onderscheiden in;

a. Korenbouwerij op de rivier klei aandenIJsel, den Boven-Rijn, de Boven-Maas en de Limburgsche klei. De vruchtomloop is zesjarig, bv. als volgt; Rogge, Boonen, Tarwe, Haver, Klaver en weder Tarwe of negenjarig, bv. braak met bemesting, Koolzaad (Tarwe of Wintergerst), Rogge, roode Klaver, Tarwe, Erwten of Paardeboonen, Tarwe, Haver, Haver en Wikken of Suikerbieten. In plaats van Koolzaad verbouwt men in de laatste jaren als handels-gewas meer Suikerbieten. Twee derde van het bouwland is gewoonlijk met granen en de helft daarvan met wintergraan, Tarwe en Rogge, bezet.

Rundvee wordt niet veel gehouden; in den zomer weidt men dit langs de rivieren, uitgezonderd in Limburg, waar het veelal op stal blijft. Aan den IJsel hebben de boerderijen eene gemiddelde grootte van veertig tot vijftig hectares, in Limburg zijn enkele iets grooter maar meestal kleiner, van ongeveer zes hectares, en dan kunnen ze met één paard bebouwd worden.

h. Korenbonwerj op de zeeklei. Deze is nog zeer verschillend. De vroeger zeer gebruikelijke vruchtwisseling in het noorden van Groningen: roode Klaver, Koolzaad, Wintergerst, Rogge of Tarwe en dan weer Klaver komt zelden meer voor, wijl de roode Klaver op deze wijze te spoedig terugkeert en het land te veel vervuilt.

Er wordt thans meer Haver verbouwd, alsmede Vlas en witte Klaver, welke twee jaar geweid of in het 2de jaar gehooid wordt. Men teelt bv. achtereenvolgens: Koolzaad, Wintergerst, Tarwe, Vlas, witte Klaver of in het 3de jaar na Gerst, Haver, Boonen of Erwten, Tarwe, Haver en hierin Klaver of Koolzaad, Tarwe, Boonen, Gerst, Haver en Klaver. De vruchtwisseling, op de boerderij Groot-Zeewijk gevolgd, is: witte Klaver met eenig raygras, twee jaar geweid, voor een gedeelte soms gehooid en bij schralen grond bemest, dan Haver, Tarwe, Boonen, Gerst, Koolzaad, Tarwe of in plaats van Koolzaad een ander zomerzaad en dan Tarwe, Haver, Vlas en hierin Klaver.

De rijenteelt is vrij algemeen in zwang, terwijl de grond grootendeels gedraineerd is.

Op de oudere kleigronden in het Oldambt kwam vroeger de volgende vrucht-

-ocr page 553-

483

wisseling voor: Boenen in rijen om de zesde voor of braak, Koolzaad, Sinter-gerst, roode Klaver, Haver of Wintergerst, Tarwe met witte Klaver en graszaden om te hooien of te weiden van één tot drie of meer jaren en daarna Haver, Koolzaad enz. Thans is de volle of halve broek afgeschaft en treden bij eene behoorlijke wisseling meer en meer die gewassen op den voorgrond, welke voor het oogenblik het uitzicht aanbieden op de grootste winsten, waaronder ook Karwij, Kanarie en Suikerbieten.

Door het telen van witte Klaver gaat de korenbouwerij op de zeeklei dus meer in wisselbouw over. Iets dergelijks geschiedt in Friesland on in de Zuidhollandsche droogmakerijen, waar men een jaar beweiding van klaverland in den omloop schuift.

Door een ruim gebruik van phosphaten (superphosphaat en Thomasphos-phaat) tracht men in de laatste jaren den groei der klavers te bevorderen en door een tusschengewas (peulvruchten of witte Mosterd) voor groenbemesting aan stikstofhoudenden mest te sparen. Het houden van vee, vroeger niet onbelangrijk voor het bekomen van mest, is meer bijzaak geworden, ofschoon het houden van melkvee iets toeneemt. Schapen, meest Engelsch ras, worden voor vetweiderij gehouden. Veel stroo wordt aan papierfabrieken verkocht.

Vele boerderijen, die dit stelsel volgen, hebben in Groningen eene grootte van 50—100 ; in Friesland en Zuid-Holland zijn zij zelden grooter dan 40—CO hectares; naast deze grootere komen echter ook vele kleinere voor.

c. Tarweteelt op de rivierklei van den Beneden-Rijn, de Waal en de Beneden-Maas. Bij een vruchtomloop van zeven of acht jaren is de helft van het land voor Tarwe en een weinig Rogge bestemd; in die jaren wordt meestal eenmaal gebraakt; vroeger werd veel Koolzaad verbouwd, in de laatste jaren meer Suikerbieten. Ook verbouwt men Haver, Booneu, Erwten en Aardappelen, alsmede Tabak in de Betuwe en in Maas en Waal. De grootte der boerderijen is tusscheu de 25 en 50 hectares, vele kleinere komen ook voor, maar vaak wordt dan los land bij gehuurd. Bij vele boerderijen behooren uiterwaarden, waar runderen en schapen vetgeweid worden en hooi voor de winterstalvoedering gewonnen wordt. Vele binnendijksche graslanden zijn tot boomgaarden aangelegd, 't Getal paarden , dat men moet houden, is betrekkelijk groot, wegens den zwaren bodem, die hier en daar veel aan de kwel lijdt.

cl. De Zeeuwnclie tarweteelt op de zeeklei der Zuidhollandsche eilanden, die van Zeeland en op de Noordbrabantsche polders verschilt van de voorgaande door het telen van meer handolsgowassen. In den zeven- of achtjarigen omloop wordt gebraakt en vroeger Koolzaad, thans meer Tarwe verbouwd, bovendien teelt men Vlas, Suikerbieten, Erwten, Boonen, Haver, in de laatste jaren ook Karwij en tot voor eenige jaren ook Meekrap, zoodat slechts een vierde of soms slechts een achtste van het land met Tarwe bezaaid is. üc belangrijkste boerderij is hier do Wilhelminapolder, waar een stelsel mot veel grootere afwisseling van vruchten cn met één- of meerjarige kunstweiden daartusschen gevolgd wordt.

e. Polderhouw. Op polders, die pas ingedijkt of drooggemalen zijn, stoort men zich minder aan eene regelmatige afwisseling van vruchten; men tracht in de eerste jaren zooveel van den grond te halen als er van te halen is, om de aanzienlijke kosten van bedijking of bemaling vergoed te krijgen. Men teelt

-ocr page 554-

484

dus zulke vruchten, die eene hooge opbrengst geven: Koolzaad, Wintergerst, VJas, Karwij enz. zonder bemesting, 't Spreekt vanzelf dat zulks uitputtend op den grond werkt, dat men dus roofbouw drijft en niet lange jaren dit stelsel kan volhouden, maar tot een van de bovenvermelde stelsels moet overgaan, tenzij men zwaar mest.

Wij merken hierbij nog op dat bovenstaande laudbouwstelsels, volgens Staring, en sedert in de landbomvverslagen gevolgd, min of meer verouderd zijn, gelijk uit de omschrijving ook Is gebleken. Een desbetreffend onderzoek komt ons gewenscht voor; en daaruit zal wellicht blijken' dat, terwijl de geologische gesteldheid van den bodem daarvoor de voornaamste grondslag moet blijven, eene eenigzins andere rangschikking der gronden en eene andere benaming der stelsels juister is.

Door het gebruik van kunstmest is de landbouwer thans meer vrij in do te verbouwen gewassen en in het te volgen stelsel, zoodat niet onbelangrijke afwijkingen daarvan dikwijls voorkomen. Was het houden van vee vroeger bepaald noodig voor het verkrijgen van den stalmest, thans is men daarvan minder afhankelijk en komt men op sommige plaatsen tot een stelsel van nagenoeg of geheel veeloozen akkerbouw '). Waar vroeger meer een vast stelsel van vruchtopvolging gevolgd werd, gaat men ook moer tot de speculatiebouwerij (zie hierboven) over; terwijl de toenemende verdeeling van het grondbezit, de grootere hoeveelheid beschikbare stalmest, de toenemende bevolking der groote steden, de verbetering in de middelen van vervoer en de betere methoden van conserveering van groenten en vruchten aanleiding hebben gegeven tot uitbreiding van den tuinbouw.

Gelijk vroeger reeds op enkele plaatsen komen er alzoo te midden van de meer algenieene stelsels meer en meer bijzondere teelten in verschillende deelen van 't land voor, als warmoezerijen (waaronder behalve de teelt van groenten ook die van augurken, komkommers, aardbeien, frambozen en aalbessen) in de nabijheid der steden of streeksgewijze als aan den Langendijk, in de Beemster en in de Streek, tusschen Enkhuizen en Hoorn, in Noord-Holland, te Roelf-Arends-veen, onder Rijnsbnrg, Aalsmeer en in het Westland en te Zwijndrecht in Zuid-Holland, in de omstreken van Breda (Princenhage) en Vlijmen in Noord-Brabant, Venlo in Limburg, Lent in Gelderland en in Friesland en Groningen op verschillende plaatsen; boomgaarden vooral in Gelderland (Betuwe), Utrecht en Limburg; hoornkiceekerijen (Boskoop, Naarden, Opheusden enz.); lahaksleeli te Nijkerk, Rhenen en Wageningen, Eist, Valburg en in Maas en Waal; Hennep in de Alblasser-, Krimpener- en Lopikerwaarden; Hop in de Bommeler-waard en in 'tland van Heusden; Kaarden vroeger in Limburg; bloembollenteelt in de omstreken van Haarlem en thans op meer plaatsen langs de duinen; artsenijgewassen te Noordwijk. Voorts worden verbouwd: vrij regelmatig Karwij., Mosterd en Papaver in Noord-Holland; Kanariezaad in Friesland en Noord-Holland; Cichorei vooral in Friesland en Groningen, Uien op enkele van de

') Over veeloo/.e boer.ierijen zie men: Journal of Hie R. A. Society, Vol. XI, p. 38 (die viin Pront te Sawbridgeworth en van Middleditcli te lilunsdon), ook in liet Duitscli vertaald door Küster onder den titel Lolmender Ackerhau ohne Vieh, en verder G. Dehlinger, Lolmender Ackerbau ohne Vieh.

-ocr page 555-

485

Znidhollanclsche en Zeeuwsche eilanden. In de andere provinciën worden deze gewassen meestal slechts verbouwd als do prijzen hoog zijn.

De boerderijen worden bestuurd of door de eigenaars zelf of worden althans voor hunne rekening gedreven, óf zij worden verpacht.

De eigenaar heeft natuurlijk 't meeste belang bij zijne bezitting, ook in dc toekomst. Indien hij zijne boerderij voor eigen rekening drijft en .over genoegzaam kapitaal kan beschikken, vindt hij daarin aanleiding, de uoodige verbeteringen aan te brengen. Bezit hij evenwel zelf geene kennis van het vak, zoo moet hij het bestuur aan een ander overlaten en gaat een gedeelte van het voordeel, dat eigenbelang geeft, verloren. Is zijne bezitting van groote uitgestrektheid of vormt zij geen goed samenhangend geheel, ook dan moet hij allicht eeu gedeelte van het beheer aan een ander toevertrouwen. En kan hij niet over genoegzaam kapitaal beschikken, zoo moeten de wellicht uoodige verbeteringen achterwege blijven. In ai deze gevallen doet hij meestal beter de bezitting geheel of ten deele te verpachten.

Do verhouding tusschen eigenaar en pachter loopt zeer uiteen. In sommige streken is die nog van min of meer patriarchalen aard, vooral waar de eigenaar, groot-grondbezitter zijnde, verscheidene pachthoeven in eene streek bezit. Do eigenaar wordt door zijne pachters als „heerquot; beschouwd; de hoeven blijven jaar op jaar aan dezelfde personen, dikwijls aan dezelfde familie; de verpachting geschiedt niet zeidon bij mondelinge overeenkomst, volgens plaatselijke gebruiken.

De heer woonde vroeger ook veelal te midden van zijne pachters, legde zich op den landbouw toe en kon hun met raad en daad bijstaan. Thans evenwel woont de eigenaar meestal elders; hij is uitwonend geworden, komt daardoor veel minder met zijn pachters in aanraking en gebruikt dikwijls een notaris of rentmeester als tusschen persoon. Kapitalisten in de steden, die land of hoeven aankoopen en verpachten, handelen veelal op gelijke wijze.

Een en ander heeft ten gevolge gehad dat de patriarchale verhouding tusschen eigenaar en pachter meer en meer wordt opgeheven. Een min of meer streng pachtcontract, dat den pachter aan banden legt, wordt noodig geacht; de verpachtingen geschieden minder onderhands, maar bij inschrijving of publiek, wat bij verpachting van afzonderlijke perceelen in de nabijheid van steden en dorpen en van landerijen aan stichtingen enz. behoorende, reeds langer regel was. In de laatste jaren zijn daarom in enkele provinciën pachtcommissiën ingesteld om tusschen huurders en verhuurders bemiddelend op te treden.

Aangezien de pachter alzoo veelal slechts voor een beperkt aantal jaren kan huren en — mocht dit ook al langer zijn — het toch volstrekt niet zeldzaam is dat de pachtsom wordt opgeslagen, wanneer de boerderij dooiden pachter vooruit wordt gebracht, besteedt deze veelal niet meer kapitaal ter verbetering van het goed, dan hij meent dat in de meerdere opbrengst met winst terug ontvangen zal worden; in den regel vermeerdert de waarde der bezitting door het verpachten dan ook niet; want, slechts enkele gevallen uitgezonderd (zie hieronder bij pachtovereenkomsten), ook de verhuurder kan slechts bedingen, dat het goed na afloop van den pachttijd in denzelfden

-ocr page 556-

4SG

toestand teruggegeven zal worden als het ontvangen is. In streken ot' landen, waar verpachting der landerijen regel is, bespeurt men daarom in den regel minder vooruitgang in het landbouwbedrijf dan daar, waar de eigenaar voor eigen rekening het bedrijf heeft, zelfs daar waar de verhouding tusschen eigenaar en pachter nog van patriarchalen aard is, omdat de noodige prikkel tot vooruitgang ontbreekt.

Do verpachting kan zijn: tijdelijk of erfelijk. Erfpacht, Burg. Wetboek art. 7 67 en volg., komt weinig voor; 't is een overblijfsel van vroeger eeuwen, toen de gronden nog weinig waarde bezaten, gelijk thans nog in onze koloniën waar vaak gronden b.v. voor 100 jaar in erfpacht worden gegeven. Hen mag aannemen, dat uit zoodanige erfpachten voortgekomen zijn: de tienden in Gelderland, Utrecht en Zeeland en het beklemrecht in de provincie Groningen

Bij de tienden moet de tegenwoordige bezitter '/io gedeelte van de te veld staande vruchten aan den tiendheffer, den voormaligen eigenaar, afstaan. De tienden oefenen een nadeeligen invloed op de ontwikkeling van den landbouw uit, omdat alle verbeteringen door den bezitter aangebracht, ook ten bate van den tiendheffer komen, die niets daartoe bijdraagt. De regeering heeft daarom zeer terecht eene wet uitgevaardigd, waarbij de tienden afkoopbaar gesteld zijn. Jaarlijks wordt dan ook een zeker getal afgekocht en 't is te verwachten dat zij met eenige jaren geheel verdwenen zullen zijn. Voor het afkoopen der zoogenaamde bloktienden schijnt intusschen nog een wetswijziging noodig te zijn.

Het recht van beklemming, B. W. art. 1654, is bijzonder eigen aan de provincie Groningen en heeft een zeer gunstigen invloed op den bloei van den landbouw in dit gewest uitgeoefend. De beklemde meier, dat is hij, die dit recht bezit, is thans feitelijk bezitter van den grond met de woningen en schuren, door hem zelf daarop gebouwd en onderhouden, of de beklemming; hij mag die verhuren, verkoopen en bewerken gelijk hij wil. Slechts mag hij geene gedeelten verkoopen, de stukken land niet splitsen, geen grond naar andere akkers, niet tot de beklemming behoorende, vervoeren en, tenzij in het contract bedongen, er geene huizen op bouwen. Grond- en alle andere lasten komen voor rekening van den meier, die ook op de kadastrale leggers te boek staat.

De eigenaar bekreunt zich weinig om zijne bezitting of den eigendom; hij ontvangt jaarlijks eene vaste som als huur (7 a 8 tot 25 gulden per hectare) en, wanneer de beklemming in andere handen overgaat, van den afgaanden en aankomenden meier een jaar huur als geschenk.

De eerste wordt dan in een register, dat de eigenaar houdt, doorgehaald (uilgeboekt), de laatste ingeschreven (ingeboekt). De aankomende meier is tot dit laten inboeken verplicht; anders vervalt de beklemming aan den eigenaar. De rechten en' verplichtingen van den beklemden meier zijn omschreven in het beklemcontract {beklembrief). Sommige dezer huur- of beklembrieven of het pachtcontract waren vroeger zeer eenvoudig. Vorschillende processen kwamen daarover voor. Zoogenaamde losse beklemmingen werden, althans in de zijlinie, niet erfelijk verklaard en daarom zijn deze in latere jaren meest alle verbeterd, naar een concept-beklembrief van Mr. Feith, waarvan art. 1 luidt: „Het recht van beklemming dezer landerijen zal zijn vast, altoosdurend en onopzegbaar en zal, in geval van :t overlijden dei moierlieden, op hunne

-ocr page 557-

487

naaste, door do wet tot hunne nalatenschap geroepen wordende bloedverwanten, zoowel in de opgaande en zijlinie, als in de neergaande lijn vererven.quot; Niettegenstaande ook in latere jaren weder een paar processen zijn voorgekomen , die ten nadeele van den beklemden meier afliepen, wordt het beklemrecht toch door velen nog als een secnnr bezit en als eene nuttige instelling beschouwd, wanneer de meier slechts zijne verplichtingen, die niet moeilijk te vervullen zijn, nakomt. De vermeerdering van de waarde van den grond is enkel den beklemden meier te goede gekomen. Terwijl toch de vaste, lage huurprijzen van vroegere ongunstige tijden steeds dezelfde zijn gebleven, is de waarde dor beklemmingen 3 a 4 maal gestegen. En schoon er thans minder verschil moge zijn tusschen de waarde van eigen en van beklemd land of anders: de waarde van don eigendom in verhouding tot de beklemming gering kan genoemd worden, geeft het beklemrecht den meier toch nog steeds gelegenheid, om met minder kapitaal eene boerderij te kunnen exploiteeren met nagenoeg dezelfde vrijheid als de bezitter eener eigene boerderij ').

Meer algemeen zijn de verpachtingen voor één of een zeker aantal jaren, waarbij dus op zekere voorwaarden en togen eene zekere som, in het pacht-of huurcontract nader omschreven, het gebruik der boerderij wordt afgestaan. De belangrijkste punten, die bij het verpachten in aanmerking moeten worden genomen, zijn:

1°. Dc tijd van aanvaarding. De doelmatigste tijd daarvoor is de herfst, na den oogst en vóór den zaaitijd. De pachter heeft dan wel meer kapitaal noodig, maar kan het land dadelijk zoo bewerken en bezaaien, als hem 't meest gepast dunkt. Aanvaarding in het voorjaar eischt wel minder kapitaal, maar de pachter moet dan het land nemen gelijk het is, en zelfs is hij in de voorjaarsbewerkingen en bezaaiingen niet volkomen vrij.

2°. De duur van de pacht. De verpachting geschiedt voor één of meer jaren. Bij eene verpachting van slechts één of twee jaar, heeft de pachter te weinig belang bij eene goede bewerking van den grond enz. Hoe langer de pachttijd duurt, des te meer arbeid en kapitaal zal hij aanwenden om dezen in een goeden staat van vruchtbaarheid te brengen en te houden, waardoor dus zijne eigene belangen en die van den eigenaar beide bevorderd worden. Schoon de risico van pachter en verpachter wegens verandering dei-prijzen daardoor grooter wordt, verdient een langere pachtduur om bovengenoemde reden veelal de voorkeur. Wordt in eenige streek een bepaalde

') Onder den naam van emphyléose bestaat in Frankrijk een dergelijk recht bij verpachting van gemeentegronden en die van openbare stichtingen, zoodat door den pachter op dergelijke gronden hypotheek genomen mag worden en hij soms het recht van koop heeft. Een beklemrecht, overeenkomende met het Groningsche, komt op 't eiland Jersey en in Lombardije, hier onder don naam van contralto di l i rel In. voor. In Portugal eindelijk bestaat een oud recht onder den naam van oforamcnlo, waarbij de pachter de vrije beschikking heeft over den grond en aan den eigenaar slechts een jaarlijksche huur behoeft te betalen. Ook daar beschouwt men dit recht, evenals dit bij het beklemrecht in Groningen het geval is, als eene instelling die de te groote splitsing van gronden, gelijk in enkele streken van Noord-Brabant en Limburg heeft plaats gehad, heeft tegengegaan, de ontginning der woeste gronden bevorderd en do vermeerdering der bevolking heeft begunstigd.

-ocr page 558-

488

vruchtomloop gevolgd, zoo is hot wenschelijk den duur der pacht naar liet aantal jaren van dien vruchtomloop te regelen. Het pachtcontract bevat voorts gewoonlijk eene bepaling, hoe, bij onvoorziene omstandigheden, de pacht binnen den bepaalden termijn kan ophouden (kwijtschelding van een jaar of een half jaar huur als de verhuurder de belanghebbende of het betalen van dezelfde hoeveelheid extra huur als de pachter de belanghebbende is).

3°. De jaarlijks te betalen huur. Deze bestaat gewoonlijk in eene zekere som gelds. Het betalen der huur door een gedeelte der opbrengst in natura, zoogenaamde halfbouw, verdient zeiden aanbeveling, wel wanneer kleine pcr-ceelen, b.v. aan arbeiders voor de aardappelcultuur, verhuurd worden1).

Door toepassing van art. 1631 B. W. in liet huurcontract, onttrekt de verhuurder zicli veelal van de verplichting tot het kwijtschelden der huur bij onvoorziene rampen (hagelslag, brand, overstrooming), B. W. art. 1628—1630. De pachter is in dit opzicht alzoo afhankelijk van de genade van den eigenaar.

4°. Borgstelling. Om zeker te zijn, dat de huurder zijne verplichtingen, in de eerste plaats aangaande het betalen der huur, zal nakomen, kan de verhuurder, al naar omstandigheden, verschillende maatregelen nomen. Het minst bindend voor den eersten en in den regel voldoende zeker voor den laatsten is het, wanneer als waarborg voor de huur de inventaris gesteld wordt.

5°. Onderhoud der gehouwen. De bepaling, dat kleine reparaties voor den huurder en grootere voor den verhuurder komen, geeft dikwijls aanleiding tot onaangenaamheden. Doelmatiger is het daarvoor jaarlijks eenige percenten van den huurprijs te stellen. Wat dan in hot eene jaar on verbruikt blijft, wordt op oen volgend jaar overgeschreven. Belangrijke vertimmeringen betaalt de verhuurder, terwijl de huurder interest betaalt van het daarvoor besteede kapitaal. Dergelijke bepalingen kunnen gemaakt worden voor bruggen, sluizen, wegen enz. In vele huurcontracten komt echter de bepaling voor, dat de huurder de materialen moet aanvoeren, aan de timmerlieden enz. den kost moet geven, enz., die ons weder minder gewenscht toeschijnt.

6°. Algemeene verbeteringen van den grond als draineeren enz. Het doelmatigst is dat het kapitaal daarvoor noodig door den verhuurder wordt geleverd,

') Eene soort halfbouw bestaat nog in enkele deelen van Frankrijk (liet meest in ile departementen van het zuiden en zuidwesten) onder den naam van métayage. In de middeleeuwen was dit daar — en wellicht ook in andere landen — de meest gebruikelijke wijze van verpachting. Op het einde der t8de eeuw geschiedde dit nog zoo met van den grond en thans telt men in Frankrijk op de quot;100 landbouwers 09 eigenaars, '21 pachters en slechts 10 metayers. Het stelsel van métayage wordt vooral dan ingevoerd wanneer de pachter geen kapitaal bezit of niet genoeg krediet heeft om de huur en het voorschot aan den eigenaar te waarborgen. Wij kunnen in het algemeen er van zeggen, dat de eigenaar liet geheele kapitaal en de landbouwer den arbeid levert en beide de opbrengst deelen, een groot verschil dus met de tienden, waarbij de tiendheller slechts een klein deel van het vaste kapitaal levert. Goed geregeld, gelijk dit thans in sommige gedeelten van Frankrijk het geval is, blijkt de métayage eene instelling te zijn die èn voor den gebruiker van den grond èn voor den eigenaar goede uitkomsten oplevert en waarbij de productie toeneemt; maar in vroegeren tijd moesten de gebruikers ook allerlei belastingen betalen en kwamen vele misbruiken ten hunnen nadeele voor, wat tot den overgang tot eene gewone verpachting heeft aanleiding gegeven.

-ocr page 559-

terwijl do pachter intrest geeft. Veelal ochtor worden dergelijke verbeteringen aan den pachter overgelaten en blijven zij daardoor achterwege.

7°. Het gebruik, van den grond. Te dezen opzichte worden in een huurcontract veelal verschillende bepalingen gemaakt. Don pachter moet zooveel mogelijk vrijheid in het bewerken en 't bezaaien enz. van den grond gelaten worden, maar de verhuurder dient te zorgen, dat de grond gedurende de huurjaren niet uitgeput wordt en in een goeden staat van vruchtbaarheid blijft. Daarom worden veelal bepalingen gemaakt, dat geen grasland gescheurd, geen hooi, stroo, gras en mest verkocht mogen worden, een zeker aantal hectares met veevoeder moet worden beteeld, enz. Ook omtrent het verbouwen van suikerbieten, vlas enz. worden vaak beperkende bepalingen gemaakt. Wenschelijk is het den verhuurder in dit opzicht meer vrijheid te geven, maar bij het telen van dergelijke handelsgewassen of verkoop van stroo, aankoop van eene zekere hoeveelheid phosphorzmir- en kalihoudenden kunstmest voor te schrijven.

8°. De teruggave. De verpachter eischt in den regel, dat het bedrijf in denzelfden toestand aan den opvolgenden huurder wordt overgedragen, als het aanvaard is. Valt dit tijdstip evenals dat der aanvaarding in het voorjaar, zoo dienon dus de stukken land met dezelfde gewassen bebouwd te zijn. In sommige huurcontracten, b.v. op de Veluwe, is dan de bepaling opgenomen dat bij vertrek door den afgaanden pachter de helft der bouwlanden met winterkoren bezaaid moet worden en van den oogst daarvan 2/3 mag weghalen.

Valt de tijd van teruggave in den herfst, zoo bepaalt het contract veelal, dat een zeker aantal hectares met klaver of andere voedergewassen bezaaid moet zijn. Worden behalve de gebouwen en het land ook de inventaris en de levende have geheel of gedeeltelijk mede verhuurd, zoo is eehe taxatie bij de aanvaarding en de teruggave noodig en wordt het verschil in waarde in geld vereffend. In Engeland heeft veelal bij de overgave ook eene taxatie van den mest, die meer dan volgens het contract noodig was, is aangewend. plaats, en moet hot deel, dat daarvan nog ongebruikt kan worden geacht, door den nieuwen aan den afgaanden huurder worden vergoed.

Aangezien vele pachtcontracten belemmerend werken voor het invoeren van de verbeteringen, noodig om, overeenkomstig hetgeen de landbouwwetenschap leert, de opbrengsten te verhoogen, is in de laatste jaren van verschillende kanten de wensch te kennen gegeven daarin wijziging te brengen, bepaaldelijk ook om aan den afgaanden pachter vergoeding te geven voor de verbeteringen door hem aangebracht. Bepaalde voorstellen om hier toe te geraken zijn echter nog niet gedaan '). Daar de ondervinding

') Volgens eene lingelsche wet, deu Agricultural holdings act, uitgevaardigd liet. eerst in *1875 en gewijzigd in quot;1883, wordt aan den Engelschen pucliter volkomen vrijheid gegeven verbeteringen in te voeren en daarvoor langs wettigen weg vergoeding te eischen, tenzij opzettelijk anders is bedongen. Voor de nitvoering dezer wet zijn de verbeteringen tot drie categoriën gebracht:

-l0. Verbeteringen waarvoor de toestemming van den verhuurder noodig is: oprichting en vergrooting der gebouwen; het maken van silos; het aanleggen van vaste weiden; aanleg en beplanting van grienden (teenhout); aanleg van vloeiweiden of andere vloeiwerken; aanleg van tuinen; het aanleggen of verbeteren van bruggen en reinders, III. Vierde druk. 33

-ocr page 560-

490

.

voorts geleerd lieeft, dat daar, waar do landbouwer een eigen erf heeft, in het algemeen de bebouwing van don bodem beter is, de opbrengsten hooger zijn en de landbouwer zelf een gelukkiger bestaan heeft, werd van verschillende zijden aangedrongen op uitbreiding van den eigenerfden boerenstand of oin althans pogingen aan te wenden te voorkomen dat hot aantal eigenerfde landbouwers vermindert, gelijk in de laatste jaren het geval is. Verder werd beproefd of niet op eene andere wijze, dan die van eigenaar en pachter, de verhouding tnsschen den grondbezittenden kapitalist en den landbouwer zou kunnen worden geregeld, namelijk de vaste huur te vervangen door grondrente '). Pogingen werden voorts aangewend, ook als middel om aan een dei-sociale nooden, de werkeloosheid, te gemoet te komen, de woeste gronden bij kleine perceelen te ontginnen en daarop kleine boerderijen te vestigen. Ons dunkt, dat het meer aanbeveling verdient den landbouwer-arbeider aan een klein grondbezit te helpen en hem daardoor het leven te lande aangenamer en financieel voordcel iger te maken dan in de meer bewoonde plaatsen I). Van den anderen kant werd voorgeslagen, al de gronden aan de gemeenschap (den Staat of de gemeenten) te brengen en aan do landbouwers te verpachten (Landnationalisatie) 3).

Behalve eene geheele boerderij worden ook wel gedeelten daarvan of afzonderlijke stukken lands, niet tot de boerderij behoorende, verhuurd. Dergelijke stukken, bijzonder gunstig daarvoor en minder gunstig ten opzichte van de boerderij gelegen, worden door bepaalde ondernemers vaak intensiever bebouwd (met Vlas, Aardappelen enz.) en leveren tevens den bezitter aan huur veelal meer op dan door eigen exploitatie. Tegen uitputting en vervuiling door onkruiden kunnen dan dergelijke maatregelen, als hierboven vermeld, bij contract bedongen worden.

wegen; liet maken of verbeteren van waterloopen, vijvers of' poelen, van putten of regenbakken of van werken voor de toepassing der kracht van stroomend water of voor het gebruik van water in de boerderij of in de huislionding (waterleiding); het maken van omheiningen; aanleg van hoptuinen , boomgaarden of het planten van vrncht-dragende heesters; het ontginnen van woeste gronden; het verbeteren van den waterstand, en het maken van bedijkingen en sluizen om overstroomingen te keeren.

2°. Verbeteringen, waarvan men moet kennis geven aan den verhuurder: draineeren.

3°. Verbeteringen, waarvoor de toestemming van den verhuurder niet noodig is: gebruik van niet opgeloste phosphaten: gebruik van gips of koolzure kalk; het branden, woelen, mergelen en bekalken van den grond; het gebruik van kunstmest of anderen mest, door den huurder aangekocht; het gebruik op de boerderij, door runderen, schapen of varkens, van koeken en andere voedermiddelen, die op de boerderij niet geoogst zijn.

De wet heeft tevens geregeld op welke wijze de vergoeding moet worden opgemaakt om in elk bijzonder geval aan elk der beide partijen het deel dat haar toekomt aan te wijzen.

') Mr. .1. P. Moltzer, Landbouw en kapitaal.

2) In Pruissen, met name in Oost-Pruissen, tracht men liet veelvuldige verhuizen van arbeiders te voorkomen door de wet op de Rentengüter, waardoor zij in staat worden gesteld op eene gemakkelijke wijze een klein grondbezit te verkrijgen.

•O .1. Stoffel, De. oplossing der sociale kwestie door opheffinr/ van het privaat grondbezit.

-ocr page 561-

491

Minder of ongeschikt voor verhuring zijn gronden met bosch bezet en in 't algemeen dezulke, welke eerst na verloop van verscheidene jaren eene opbrengst geven.

HOOFDSTUK [II.

DE UITKOMSTEN VAN 1IF.T BEDRIJF.

Heeft de landbouwer zijn bedrijf ingericht volgons hot stelsel, dat onder gegeveno omstandigheden hem het meest wenschelijk voorkomt, heeft hij zich daarbij van vee enz. voorzien, dat hem het meest gepast dunkt, zoo doet zich de vraag voor: welke zullen de uitkomsten daarvan zijn?

Deze vraag laat zich nog verschillend beantwoorden. Vooreerst uit een financieel oogpunt en ten anderen met het oog op het evenwicht tier vruchtbaarheid van den grond.

Wat aangaat de financieele uitkomsten is het van minder belang de resultaten van het geheel te leeren kennen — deze volgen als vanzelf uit de inkomsten en uitgaven —. maar meer om de zuivere opbrengt der afzonderlijke takken van hot bedrijf gewaar te worden. Eene nauwkeurige boekhouding is daartoe een volstrekt vereischte. quot;Vragen als deze: welke is de zuivere opbrengst dor veehouderij? welke die dor vlasteelt? welke die van een bepaald stuk land? wat kost hot paardewerk? enz. kunnen alleen door eene nauwkeurige boekhouding beantwoord worden.

Omtrent de inrichting der boekhouding zelve kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden. Slechts merken wij op, dat, waar hierboven sprake is van eene nauwkeurige boekhouding, daarmede minder bedoeld wordt eene uitgebreide boekhouding volgens do dubbele methode van den koophandel, maar moor eene die het maken van nauwkeurige aanteekeningen tot grondslag heeft. Daarbij is het gewenscht niet met de gebruikelijke grazen, jukken, morgens, gemetten enz. te rekenen, maar met do ware grootte der stukken land in hectaren. Ook zou het overweging verdienen de opbrengst niet in maat, maar zooveel aiogelijk in gewicht op te geven ').

Ter berekening van de zuivere opbrengst en van de ondernemerswinst van het geheel dient men te kennen:

A. de onzuivere opbrengst, verkregen door verkoop van de verschillende producten;

B. de verschillende uitgaven aan;

a. arbeidsloon;

h. loon voor opzichters, zoo die noodig zijn;

') Voor dagelijksche aanteekeningen bevelen wij aan: Zakboekje volgens 0. Reinders, en verder I. G. .1. van den liosch. Handleiding lol hel doelmaliq boekhouden van een landelijk bedrijf-, Treurniet's Aanteekenboek \ II. 1). Ebbens, Beknopt aanleekenboek, hoofdzakelijk ten dienste van den landbouwer in het Oldambt. Voorts: .1. Heidema, Proeve eener landbonwboekhouding,

:«*

-ocr page 562-

402

c. algemeene onkosten (belastingen en andere lasten, onderhoud en amortisatie van gebouwen, assurantiën);

d. interest van liet omloopende en liet vaste bedrijfskapitaal;

e. interest van liet vaste kapitaal.

De zuivere opbrengst wordt dan verkregen door van A of de onzuivere opbrengst de som van a, 6 en c af te trekken; terwijl men do ondernemerswinst bekomt, als van de zuivere opbrengst nog de interest van het gebruikte kapitaal, dus de som van d en e, afgetrokken wordt.

Bij verhuring ontvangt do eigenaar, in plaats van de zuivere opbrengst der boerderij, de huur. Deze moet in den regel ook verschillende lasten bevatten, wanneer althans deze overeenkomstig liet contract door den verhuurder betaald moeten worden.

De huurder moet de huur vinden in het meerdere, dat hij door verkoop van de verschillende producten ontvangt en de uitgaven, die hij aan arbeidsloon, algemeene onkosten enz. moet doen.

Om zijn ondernemerswinst te vinden, moet van de zuivere opbrengst de huur en de interest van het kapitaal, door hem in het bedrijf gestoken, afgetrokken worden.

Om den staat der bezitting dat is van het vaste en 't bedrijfskapitaal op een gegeven tijdstip, b.v. op het eind of 't begin van een boekjaar te leeren kennen, is het noodig eene balans op te maken. Aangezien daartoe vele schattingen moeten worden gedaan, is het opmaken van eene balans bij de boekhouding eener boerderij niet gemakkelijk. Voor bedrijven die een geregelden loop hebben is eene dergelijke taxatie ook minder noodig en zal men zich, bij het opmaken der balans, tot de cijfers, aan de boekhouding zelve ontleend, kunnen bepalen, ofschoon, om den voor- of achteruitgang meer nauwkeurig te kennen, het opmaken eener volledige balans gewenscht moge zijn. Daaraan laten zich dan nog andere vragen vastknoopen, b.v. hoeveel kosten de aangebrachte verbeteringen hebben bedragen, hoe het staat met het productievermogen van den grond, enz.

Reeds meermalen is in dit werk er op gewezen, dat de wijze van land-bouwen, 't zij bij eigen exploitatie, 't zij bij verhuring, zoodanig kan zijn, dat het productievermogen of de vruchtbaarheid van den grond toe- of afneemt of op nagenoeg gelijke hoogte blijft. Deze zoogenaamde leer van het evenwicht, waarop eerst in deze eeuw en vooral in de laatste 50 jaren in 't bijzonder de aandacht is gevestigd, verdient in vele gevallen de opmerkzaamheid, vooral van den eigenaar, 't zij hij het bedrijf zelf exploiteert, 't zij hij het verhuurt.

Eene nauwkeurige aanteekening van de opbrengsten geeft natuurlijk aanwijzing of deze toe- dan wel afnemen en daardoor ook hoe het met de vruchtbaarheid van den grond gesteld is; maar in vele gevallen wenscht de landbouwer reeds vooraf te kennen, welke do uitkomsten met betrekking tot de vruchtbaarheid van den grond bij een aangenomen landbouwstelsel zullen zijn. Vroeger, ten tijde van Thaer, 1808—1842, gold daarbij de humustheorie en werd nagegaan door welke gewassen en onder welke omstandigheden de humus, die het planten voedsel volgens deze theorie moest leveren, vermeer-

-ocr page 563-

493

denl of verminderd werd. De meerdere kennis, die men vooral sedert het jaar 1842 verkregen heeft van 't geen voor den groei der planten noodig is, van hetgeen deze uit den grond opnemen, van hare samenstelling en hare bewor-teling en van de samenstelling der meststoffen, stelt ons thans in staat met meerdere juistheid de daarvoor noodige berekeningen te maken en dienaangaande een oordeel te vormen. Zij b.v. gegeven een stuk land, waar in een zekeren omloop eenige gewassen geteeld zullen worden. De gemiddelde opbrengst als bekend veronderstellende, wordt vooreerst gevraagd; hoeveel KGr. phos-phorzuur, kali enz. zal door de oogsten in dien omloop van het land verwijderd en vervolgens, hoeveel van deze stoffen in dien tijd als mest aan den grond teruggegeven zal worden. Welke van de te telen gewassen zijn diep-wortelend en zullen veel stoffen in wortels en stengels in den bovengrond achterlaten; welke zijn meer vlakwortelend en laten derhalve maar weinig organische stoffen en aschbestanddeelen in de stoppels en wortels in den grond achter? Welke gewassen zijn stikstofverzamelaars en vermeerderen de hoeveelheid gebonden stikstof in den bodem, welke gewassen zijn dit niet en verbruiken het stikstofhoudend plantenvoedsel in den grond? Welke gewassen oefenen een zeer gunstigen, welke een minder gunstigen invloed uit op den natuurkundigen toestand van den grond enz.?

Door deze en dergelijke vragen te stellen en de noodige berekeningen te maken, waarvoor de gegevens in dit Handboek te vinden zijn, en een en ander in verband te beschouwen niet hetgeen de ervaring daaromtrent geleerd heeft, kan de landbouwer zich een oordeel vormen over hetgeen het gevolg zijn zal van een of ander aangenomen bouwstelsel, of de grond verrijkt dan wel verarmd zal worden. Moge er aan de nauwkeurigheid van de daarop betrekking hebbende opgaven nog veel ontbreken, dit mag voor hem geen reden zijn, zulke berekeningen geheel achterwege te laten. Want, en hier eindigen wij met een woord van Heiden: „Eene volledige statische berekening alleen maakt het mogelijk, de boerderij en de afzonderlijke velden volkomen te leeren kennen.quot; ')

') Zie Van der Goltz, Handbuch; G. D ree li sier, Slat ik ties Landbaiis en E. Heiden, Statik des Landbau's.

-ocr page 564-

494

ÏABEIj I. CxEMIDDELD PROCENTISCH GEHALTE DER VOEDERMIDDELEN AAN ONZUIVERE EN AAN VERTEERBARE VOEDINGSSTOFPEN, EN/,., VOLGENS C. IjEHMANN EN ANDEREN1).

Voedermiildclcn.

1. Groenvoeder.

a. Grassen.

Vetweide.......

Weide gemiddeld .... Eaaigras, Fransch. . . » , Engelseh » , Italiaanseh . .

Timotheegras.....

Ware grassen, gemiddeld .

b. Klavers cn peulvruchten

Roode klaver, voor den bloei

» » , volle bloei . Witte klaver, in bloei Luzerne, zeer jong

» , begin bloei . .

Basterdklaver.....

Espareette......

Hopklaver......

Incarnaatklaver.....

Zandluzerne......

Serradella.......

Wondklaver......

Paardeboonen .....

Erwten.......

Voederwikken.....

Lupinen, gele begin peulzetting (jaspeldoorn {Ulcx) ....

c. Orcrigc voeder planten.

Spurrie .......

Boekweit.......

Koolzaad.......

Witte mosterd.....

Mais, Araerikaansche .

Sorgho........

Rogge ........

Haver, doorschietende .

Kanarie.......

Akkerdistel, jong ....

Heide........

Kauk. Waalwoitel .... Boornrijs2), in den winter . » , in 't voorjaar .

Onzuivere voedingsstoffen.

Verteerbare voedingsstoffen.

Droge stc

ü quot; •X O

'E^s

Ü

CC

S .

.sL

voe-ffen.

Daarin.

S c

x CJ 02 g

Vet.

II

1 2

cc g

o a

Kitwit amid

■g K-

Stikstofv

Som der dingsstol

.

ó cc

quot;3

O

22

4.5

1.2

10.1

4.0

3.4

0.7

11 0

14.6

1.1

2.9

20

3.5

0.8

9.5

4.2

2.5

0.4

9.9

13.1

0.9

2.6

28.5

2.9

0.0

11.5

11.3

2.1

0.4

15.0

15.3

0.6

7.0

26.5

3.0

0.8

12.0

8.2

1.0

0.3

12.0

12.0

0.5

4.7

20.0

3.4

1.0

12.0

0.8

2.1

0.4

12.5

13.7

0.5

3.7

80 0

3.3

0.8

12.4

10.0

1.2

0.3

15.0

14.4

0.4

5.1

28.0

2.5

0.7

14.8

9.4

1.9

0.4

13.2

13.7

0.5

4.8

18.0

3.4

0.7

7.9

4.5

2.4

0.4

7.8

9.9

0.9

2.5

20.0

3.1

0.0

9.1

5.8

1.7

0.4

9.0

11.2

0.0

2.9

105

4.0

0.8

7.5

5.2

2.6

0.5

7.8

10.1

0.8

2.5

19.0

5.5

0.7

0.5

4.4

4.3

0.3

0.7

10.8

1.6

1.9

24.0

4.3

0.8

8.7

8.2,

3.4

0.3

9.0

10.2

1.2

3.2

17.5

3.4

0.7

0.2

5.0

2.2

0.3

6.6

8.4

0.7

2.3

19.0

3.7

0.7

7.6

5.8

2.7

0.5

8.3

11.0

0.9

2.3

20.0

3.5

0.8

8.2

0.0

2.2

0.5

8.7

10.5

0.8

3.0

18.5

2.9

0.0

7.2

0.0

1.6

0.3

7.5

8.0

0.6

2.5

22.0

3.8

0.7

7.8

7.9

3.0

0.3

7.9

10.1

0.9

3.0

19.0

3.7

0.8

7.0

5.7

2.5

0.5

0.4

8.9

0.7

2.5

18.0

2.5

0.5

8.2

5.5

1.5

0.2

8.2

8.8

0.6

2.7

15.0

3.4

0.0

6.3

3.2

2.5

0.4

5.7

8.4

0.8

1.5

18.5

3.5

0.0

7.4

5.5

2.4

0.3

7.2

9.0

0.7

2.7

18.0

3.7

0.0

6.6

5.5

2.6

0.3

0.7

9.7

0.7

2.7

15.0

3.2

0.4

6.1

4.5

2.2

0.2

7.0

7.9

1.3

3.5

50 0

5 2

1.2

17.1

24.0

2.2

0.5

19.9

18.5

0.5

9.6

90 0

2.3

0.7

9.7

5.9

1.5

0.3

9.8

10.3

0.4

3.3

15.0

2.4

0.0

0.5

4.1

1.5

0.4

6.0

7.8

0.4

2.5

14.1

2.8

0.8

5.7

3.5

2.0

0.5

5.8

8.0

0.6

1.9

17.0

2.5

0.5

7.2

5.4

1.7

0.3

7.4

8.4

0.5

2.7

18.5

1.4

0.4

8.9

5.0

0.7

0.2

8.2

8.0

0,3

2.7

21.5

2.3

0.0

10.8

0.0

1.4

0.3

10.8

11.1

0.4

3.7

24.0

3.0

0.8

12.0

0.7

1.8

0.4

12.4

13.0

0.7

4.4

19.0

2.4

0.5

8.0

6.0

1.4

0.2

8.5

8.0

0.2

3.6

21.5

1.7

0.7

9.4

9.7

•'1 :J,

2 9

1.4

0.9

6.1

2.2

0.6

0.0

9.1

1.0

45.2

3.7

3.0

15.1

19.7

1.9

1.0

15.6

10.7

6.5

21.3

3.0

0.4

5.0

1.7

1.8

0.3

4.0

0.9

0.7

0.3

75.0

4.0

1.9

40.3

26.7

0.7

0.3

20.1

19.5

0.1

4.0

70.0

2.0

1.4

30.2

28.2

0.3

0.2

13.7

13.1

0.1

2.8

i) Zie bl. 115. \Vij merken hierbij op, dat in kolom R dezer tabel onder stik stofvrije stollen verstaan wordt de som der verteerbare stikstofvrije extractiefstolfen en de fceheele hoeveelheid verteerbare cellulose, en bij de som der voedingsstoffen of voedingseenheden, in kolom l), de helft der verteerbare cellulose is geteld en deze in kolom 11 afzonderlijk is opgegeven. De droge stof van 100 aftrekkende, bekomt men het watergehalte en de som der onzuivere voedingsstolïen van de droge stof aftrekkende, ongeveer het aschgehalte. -) Halfdroog, tot 2 cM. in middellijn.

-ocr page 565-

495

Verteerbare voedingsstoffen.

Onzuivere voedingsstoffen.

O

gt;

c

O

cc

a

. —

X

zgt;

o c Daarin.

gt; ^2 I

S'C £.'■

Voedenniddelen.

-f- O

^ S

0.7 0.4

0.5 0.6

0.5

0.6

1.6

1.7 2.0 1.5 2.2 1.4

1.8 1.8 1.0 2.1 2.0 4.8 4.2

-! 9

4.4 4.6 7.6

5.1 7.0 4.9

8.2 7.4 8.3 5.2

15.4 20.0 18.7 17.1

6.0 6.2 11.2 6.8 9.6 6.0 10.1 9.3 9.6 8.1 17.7

11.0 12.0 15.0 U.ü 18.0 10.0 15.3

14.3 19.0

13.4

32.3

43.4 39.9 41.0

40.5

2.4 2.6 2.8 2.1 3.3 1.9

2.5

9

0.4 0.4 0.8 0.5 0.9 0.2 0.7 0.7 1.0 0.7 1.0 3.9 0.9 | 1.5 5.8 4.0 2.5 3.7

4.0 4.4 8.2 5.2 7.2 4.9

8.1

7.1 9.7

6.2 17.5 24.7 21.7 21.3

1.6 2.2 1.4 1.6 3.0 1.8 2.4 2.4 6.0 3.0 5.4 6.9 9.8 9.3

0.2 0.2 0.4 0.3 0.5 0.1 0.4 0.4 0.3 0.2 0.6

2.5 0.8

3.6

1.2 0.9 1.0 1.7 1.0 1.7

1.7

2.8 6.4 2.2 3.7 4.4 3.1

•l.o

2.3 3.6

3.4 7.9

0.3

22.5 [14.8

c/. Loof, bladeren, enz.

Mangelwortelbladeren . . . Suikerbieten » ... Kohlrabi » ...

Knollen » ...

Wortelloof......

Witte kool......

Mergkool.......

Boerenkool......

Aardappelloof, October .

» , Juli—Aug . Topinamboerloof .... Bladeren van berken, Augustus » » beuken, A ug. gt;Sept » » populieren, Oct Dennennaalden.....

4.5 18.2 2.0 13.9 1.0 15.2

38.0 39.5 39.0

41.2 42.0 38.0

38.0 40.0 38.0

42.3

36.8

32.5

40.6 46.0 38.5

36.4

45.9 43.8 44.3

50.7

40.9 40.0 39.3

42.7

40.8

36.9

41.5 38.0

34.6

42.3

35.4

33.5 41.5 45.2 41.0

40.8

34.9 27.0 33.0 34.0

3.5 2.3 2.0 2.8 2.0 1.7

2.5 2.0 1 5

3.1 2.5 2.3

3.2 2.2 2.2 1.2 2.1

1.7

1.8 1.9

7.5 1

4.4 8.2 |

5.5 3.4

6.9

5.0

2.6

7.4

5.1 5.6 7.1

3.6 6.1 3.3

4.5 8.9 6.0

4.7

1.3 1.0 1.6 1.0

0.7

1.3 0.9 0.5

1.4 0.8 0.7 1.4 1.1 0.9 0.6 0.9 0.9 0.7 0.8

18.9 14.8

17.1

15.8 14.0 15.6

13.2 15.4 16.0

14.9 15. 17.6 10.0 12.0

6.0 11.0 10.0

3.0 1.6 0.7

2.2

1.4 0.5

2.1 2.0 2.2 2.2 1.0 2.0 0.7 0.9

1.5 1.2 1.0

9.5 7.0

11.0 9.2 6.0 11.7 10.2

Zure grassen.

11.2 ! 8.1 4.!) 8.1 12.3 10.0 8.6 9.3 9.2 6.2

22.0 25.0

30.5

25.6

11.6 11.

12.2 12.2 11.3 12.5 12.3 10.3 18.1 11.9

3.0 2.5 2.0

1.9 1.4 1.0 2.0 1.2

47.6 43.9

38.5

42.7 43.0

39.6

2.6 1.0

2.5 3.9

3.6

2.7 2.0 2.0 2.6

2.5 3.3 3.0

II. Hooi.

a. Grashooi en hooi ran grassen.

lequal. beste grassen en legum. z. jong » » » » » » rijp » » quot;•gt; » » » oud 2equal. grassen en veel onkr. zeer jong » » » » » » rijn . » » » » ^ » oud . 8e qual. veel rietgrassen (blauwgras)

zeer jong......

Be qual. veel rietgrassen rijp » lt;» » » oud

Etgoen........

Raaigras, Eugelsch . . . » , Fransch.... » , Italiaansch .

Timotheegras.....

(üerst (Mohar).....

Kanariegras......

Carex soorten.

Equisetum.

J uncus.

Scirpus.

b. Klavers en peulrruchten

Koode klaver, voor den bloei » » , in bloei . » » , einde bloei .

Wittte klaver, gem. . . . Luzerne, begin bloeien . » , in bloei ....

Basterdklaver.....

Esparcetle, in bloei .

Hopklaver......

Incarnaatklaver.....

84.0 85.0 86.0 85.7 85.7 86.0 11.21

85.7 11.2 87.0 1 7.0 86.0 10.8 87.5 ' 5.5 86.0 | 9.1 : 86.0 14.9 j 86.0 111.8 | 86.0 j 9.2

84.0 15.5 84.0 112.5 85.0 9.0 83.5 14.5 83.5 jl6.0 84.3 14.4 84.0 15.0

84.8 ll 3.3 83.3 14.6

184.0 15.0 [85.0 12.0 180.0 l 8.5 I 84.0 ! 12 0

|83.3 112.2

85.0 86.0

36.0 38.0 38.0 38.9

31.6 26.6 31.3 129.0

32.7 27.0

34.5 28.5 33.2 126.2

34.6 26.0

20.0

24.0 30.3 21.0 26.0

34.3

25.5 28.0 35.5 22.0 30.2

30.1 22.9 27.8

29.4

38.0

25.2 14.7

23.1 22.0

37.6 38.3 37.3 35.9 33.5 1.0 33.5 1.8 34.8 141.5 1.6 35.7 43.6 2.0 '86.9 48.7 1.4 |.84.3 188.5

51.1 43.7 38.5

47.7

41.3

33.4

43.8

38.2

30.0

46.5

34.7

32.8 44.5 43.5

40.5 34.4

35.6

35.1

35.2 35.6

-ocr page 566-

490

Onznivpro

2

cc

CJ fcC O

voeding

sstoffon.

\ erteerbare voedingsstoffen.

tc tc

CJ ^

V oedeniiiddelen.

l o

quot;co

ü

;pj

0

CC

5 •

O

Q

ó .

? s

S -2

Daarin.

quot;quot;TsT

quot;cc i X

0

.5 ^

cn

CT

_o

c 2

'J2 J

0

X

X! ^

quot;ü

0

Zandluzerne, begin bloeien .

83.3 15.2

3.0

28.9

30.1

11.7

1.2

33.1

41.2

3.5

12.9

3.0

Serradella, in bloei.....

84.0

15.2

3.1

3.1

25.6

10.5

2.5

31.5

42.2

2.2

11.5

3.1

Wondklaver, in bloei.....

84.0

10.0

2.2

38.0

8.2

6.0

1.1

CO 1 -

ro

39.9

L2

13.0

4.8

Erwten, begin bloeien ....

8-1.0

20.0

■J.S

30.6

23.3

14.9

1.7

34.2

46.8

3.8

12.8

2.1

» , in bloei......

83.3

14.3

2.6

34.2

25.2

9.4

1.6

33.1

40.0

8.5

12.6

3.9

Voederwikken, begin bloeien .

83.8

19.5

2.6

28.9

23.5

15.0

1.6

31.3

43.8

4.5

12.6

2.4

» , in bloei .... Lupinen, begin bloeien ....

83.3

17.0

2.4

29.5

26.1

11.0

1.4

30.6

38.5

4.0

12.9

3.1

84.0

18.5

2.3

31.6

26.5

13.7

1.2

39.0

45.!)

5.2

19.3

3.0

» , in bloei......

84.0

15.3

2.1

31.1

29.0

10.2

1.0

38.6

41.8

4.5

18.8

4.0

Zandwikken ........

86.0

23.0

2.5

25.5

27.5

18.3

1.5

29.8

45.1

5.5

13.2

1.8

Vogel wikken........

83.5

17.3

2.0

34.6

25.3

12.1

1.3

38.4

47.0

4.0

13.2

2.4

Wikhaver.........

83.3

12.6

2.3

33.2

28.0

7.2

1.1

35.0

37.1

2.0

15.4

5.3

Wi kiens.........

84.0

20.3

2.4

35.0

17.5

14.2

1.5

36.8

50.2

3.8

8.8

2.8

Heggewikken.......

84.0

19.2

2.4

28.9

27.5

14.6

1.5

34 4

45.5

4.6

14.1

2.4

Brem, uiteinden......

91.7

15.9

5.3

29.4

33.1

10.3

2.7

31.3

41.3

15.6

3.7

c. Overige voederplanten.

Spurrie.........

83.3

12.0

3.0

36.8

22.0

7.6

1.8

36.9

42.2

1.6

13.1

5.5

Witte mosterd, volle bloei . .

84.0

11.2

2.5

36.6

26.2

6.9

1.4

36.8

40.3

2.3

13.5

5.9

Boekweit.........

87.0

10.5

1.7

38.1

30.1

6.5

0.9

38.1

38.3

2.0

17.0

6.0

Brandnetelbladeren......

88. (i

18.3

7.7

38.(1

10.6

12.8

4.9

36.8

58.3

6.0

3.4

Bru in hooi van goede grassen .

85.0

10.1

2.2

38.0

28.7

6.9

1.3

41.0

42.4

1.7

16.9

6.4

» » luzerne ....

80.0

12.9

3.1

33.8

21.4

9.0

1.6

28.2

36.2

2.8

9.5

3.6

» maïs.....

70.O

5.7

1.6

34.8

21.8

2.7

1.0

34.8

33.4

1.6

12.9

14.0

» » roode klaver, licht gekl.

84 0

13.5

2.4

35.0

26.6

8.2

1.4

32.0

37.3

2.9

12.5

4.3

roode klaver, zwart.

85.0

17.0

2.6

30.0

27.6

3.8

1.8

22.7

34.3

3.5

12.9

7.2

111. Ingekuild en persvoeder.

a. Ingekuild.

Roode klaver, zuur, helder gekleurd

20.8

4.2

2.2

6.4

5.9

2.8

1.5

7.1

12.0

1.3

2.9

3.8

» » zoet, donkerder .

19.0

3.8

2:5

5.0

6.1

2.4

1.4

6.0

10.3

0.8

3.0

4.0

Maïs, zuur........

17.7

1.4

0.8

8.6

5.5

0.8

0.6

9.1

9.7

0.4

3.3

13.0

Goede grassen, zuur.....

22.5

2.6

1.1

9.2

7.1

1.7

0.7

9.6

10.9

0.8

4.2

6.6

Rogge, zuur........

13.1

1.6

0.5

5.7

4.4

0.9

0.3

6.0

6.3

0.4

2.6

7.4

Haver, in 't doorschieten, zuur .

23.7

1.9

0.8

10.7

8.5

1.1

0.4

11.0

10.5

0.5

5.1

10.9

Lupinen, zuur.......

16.0

3.1

2.1

4.4

5.3

2.2

1.1

6.1

9.2

1.2

3.4

4.0

Luzerne, ».......

17 1

3.8

1.5

4.7

5.0

~2.8

0.9

5.3

9.3

1.3

2.0

2.7

Basterdklaver, zuur.....

24.6

3.3

1.8

10.6

6.7

2.0

1.2

9.4

12.6

1.1

3.3

6.0

Serradella, zuur......

21.7

3.9

0.9

9.2

5.8

2.0

0.5

9.4

11.7

1.2

2.9

4.1

Mangel wortel bladeren , zuur

21.2

3.0

1.1

9.6

3.0

2.0

0.7

6.8

9.6

1.3

1.7

4.5

Aardappelloof, zuur.....

'-gt;3 0

2.9

2.6

7.5

4.7

1.2

1.2

6.2

9.4

0.9

1.8

7.7

6. Persvoeder.

Boekweit, licht gekl., zuurachtig

29.7

2.4

0.8

16.5

7.8

1.5

0.5

14.6

16.3

0.9

3.9

10.0

Gras, » » » Lupinen, » » »

32.0

3.8

2.7

12.9

9.9

1.9

1.6

13.4

16.1

1.1

5.9

8.6

19.7

2.9

1.0

4.9

9.5

1.8

0.6

8.1

8.7

1.1

5.2

5.0

Luzerne, » » »

24.8

5.4

2.2

6.1

7.4

4.0

1.4

7.2

13.1

2.0

3.0

4 5

Serradella, » » »

34.7

7.0

1.5

13.5

10.4

4.5

0.9

15.6

19.2

2.5

6.2

3.4

Mais, » » »

19.6

2.0

1.5

7.5

7.0

1.1

1.0

8.8

10.3

0.7

4.0

8.3

Roode klaver » » »

30.0

5.6

2.0

11.6

8.5

3.9

1.3

11.6

16.7

1.9

3.8

3.7

» » » » zoet .

30.0

5.5

2.0

11.1

9.1

3.2

1.3

11.5

15.7

0.7

4.1

4.6

» » bruin.....

33.0

6.0

2.2

10.5

11.9

3.0

1.5

11.8

15.9

0.6

5.0

5.0

» » zeer donker .

35.C

6.4

2.3

11 2

12 (i

2,0

1.5

12.0

14.9

1.2

5.3

7.8

-ocr page 567-

497

Voederniiddelen.

Droge stof.

I

Onzuivere voedingsstoffen.

Verteerbare voedingsstoffen.

Voedingsver-houding 1 :

S 2

co

55 2

O

Stikstofvrije extraetstoffen. j

Cellulose, j

c

O .

O

Stikstofvrije. '

Som der voedingsstoffen.

Daarin, -c ' ^ i U

IV. Stroo.

a. Ualmvruchtcn.

Tarwe..........

85.7

3.0

1.2

36.9

40.0

0.8

0.4

35.6

26.4

22.0

45.8

Win tergerst........

8.quot;). 7

3.3

1.4

32.5

43.0

0.8

0.4

31.4

22.4

21.5

40.5

Winterrogge........

8.quot;). 7

3.0

1.3

33.3

44.0

0.8

0.4

36.5

26.2

24.2

46.9

Wintergraan, gemiddeld ....

85.7

3.0

1.3

34.6

42.0

0.8

0.4

36.0

26.2

23.1

46.2

» , zeer goed ....

85.7

4.5

1.4

36.7

37.8

3.2

0.4

34.4

26.1

0.1

20.9

29.5

Haver..........

85.0

3.5

1.8

37.3

38.1

1.2

0.6

38.5

30.2

0.1

21.7

29.9

Zomergerst........

85.7

3.5

1.4

36.7

40.0

1.3

0.5

40.6

32.1

0.1

22.0

32.2

» met klaver ....

85.7

6.5

2.0

32.5

38.0

3.2

1.0

37.1

32.2

0.7

20.9

12.4

Zomergraan, gemiddeld ....

85.7

3.8

1.7

36.4

39.7

1.4

0.6

40.4

31.8

0.1

22.7

22.8

» , zeer goed ....

85. i

6.9

2.5

32.9

36.7

2.5

0.8

36.9

31.2

0.2

20.2

15.6

Gierst (Panicum)......

85.0

4.ti

2.5

35.5

35.0

1.4

0.9

33.1

27.0

0.2

19.3

25 0

Mals..........

85.0

3.0

1.0

36.7

40.0

1.1

0.3

40.5

30.3

0.1

24.0

38.0

Winterspel t........

85.7

2.5

1.4

31.8

45.0

0.7

0.4

32.1

22.5

22.5

47.0

Rijst..........

84.4

5.7

1.8

24.0

37.6

2.6

0.9

30.8

24.9

10.7

38.0

b. Peul c nichten.

Boonen .........

82.0

9.2

1.0

32.2

35.0

4.7

0.5

34.4

33.0

0.8

14.6

7.1

Erwten.........

8(5.2

8.8

1.5

33.8

35.7

4.3

0.8

32.5

31.6

0.8

14.1

11.6

Voederwikken.......

84.0

7.5

1.3

28.9

41.0

3.4

0.6

31.5

28.1

0.8

16.4

9.8

T uinboonen........

85.0

8.0

1.3

39.0

29.2

3.8

0.7

30.1

30.1

0.7

11.7

12 0

Peulvruchten, gemiddeld . .

84.0

8.1

1.0

32.4

38.0

4.2

0.5

33.5

30.8

0.5

15.4

9.1

» , zeer goed ....

84.0

10.2

1.3

33.2

34.2

5.0

0.6

34.6

33.5

1.0

15.0

72

Linzen ..........

84.0

14.0

2.0

27.9

33.6

6.9

1.2

30.8

33.6

2.2

14.0

4.7

Lupinen.........

84.0

5.9

1.1

31.1

41.8

2.2

0.3

41.6

33.0

0.6

21.0

19.2

Z anderwten........

84.5

7.0

1.4

31.2

41.0

3.2

0.7

33.3

30.0

0.8

16.4

10.9

Zandwikken........

88.0

6.8

1.2

33.2

40.1

3.0

0.6

34.0

30.3

0.7

16.1

13.0

Sojaboon en........

85.0

6.7

2.5

38.6

27.0

3.4

1.5

35.6

37.4

5.2

11.9

c. Oocriyc planten.

Boekweit.........

82.0

4.5

1.2

34.3

38.0

2.2

0.5

33.6

28.6

0.5

16.8

19.8

Koolzaad.........

84.0

3.5

1.3

39.0

36.1

1.4

0.6

35.4

30.9

0.2

14.5

26.0

Klaverzaadsiroo.......

84.0

9.4

2.0

23.5

43.5

4.2

1.0

28.6

26.9

0.8

16.6

7.4

Papaver .........

85.2

6.7

1.5

36.1

31.5

3.0

0.7

35.0

32.6

7.1

12.2

V. Kaf, peulen en hauwen.

ft. Hclmvruchten.

T arwe-kaf.........

85.7

4.5

1.6

37.0

32.6

1.4

0.7

22.8

19.8

0.4

12.1

24.0

Kogge- ».........

85.7

4.0

1.4

30.5

41.8

] 3

0.4

24.5

19.0

0.4

15.5

33.5

Gerst- ».........

85.7

3.0

1.5

38.2

30.0

1.2

0.6

35.0

28.8

0.3

16.5

30.4

4.5

2.1

38.8

30.3

1.7

1.0

32.6

29.9

0.5

13.6

23.8

1.3

32.6

40.0

1.1

0.4

33.9

26.0

0.3

20.0

31.7

Rijstdoppen........

90.3

3.4

1.4

27.0

42.8

1.2

0.5

31.4

25.0

0.3

1 7.5

27.2

Maïskolven, ontkorreld ....

86.0

3.5

1.0

41.2

38.9

1.6

0.4

41.7

34.5

0.4

19.5

26.7

b. Peulvruchten.

Boonen peulen.......

85.0

10.5

2.0

33.5

33.0

5.1

1.2

35.5

36.3

1.0

14.3

7.5

Erwten » .......

86.0

9.7

1.5

33.9

35.1

4.8

0.9

35.1

34.5

1.0

15.1

10.1

Linzen » .......

86 0

21.2

2.1

35.3

18.9

11.7

1.3

30.7

40.2

1.9

9.5

3.8

Lupinen » .......

85.3

(i.Ö

1.0

40.2

32.5

2.2

0.4

41.4

36.6

0.7

16.0

26.8

Wikken » .......

85.0

9.5

2.0

33.5

31.5

47

1.2

43.6

44.5

1.0

13.5

8.9

-ocr page 568-

498

Voeclermiddclun.

Droge stof.

Onzuivere voedingsstoffen.

Verteerbare voedin gsstof fen.

Voedingsverhouding 1 :

Stikstof-houdende.

Stikstofvrije extractstoffen.

Cellulose.

Eiwit en amid.

quot;O gt;gt;

Stikstofvrije.

Som der voedingsstoffen.

Daa _.

3 lt;

Cellulose. 5*

c. Orcriyc planten.

4.6

1.1

35.3

43.5

2.1

0.6 27.9

34.8

0.5

13.1

15.8

Aardnootdoppen. ...

89.4

7.1

3.2

15.3

60.8

2.5

1.4

24.3

21.1

0.6

18.2

11.1

Vlasdoppen........

88.4

3.5

3.4

35.0

40.7

1.7

1.7

33.8

31.4

0.3

16 3

22.3

Dederzaadhanwen......

88.8

2.7

1.1

32.6

45.2

1.3

0.5

35.2

28.6

0.2

18.1

28.0

Koolzaad » ......

87,1

4.0

1.6

35.5

38.4

2.0

0.7

34.9

30.0

0.3

17.2

18.2

VI. Wortels en knollen.

Mangelwortels, kleine.....

13 0

1.1

0.1

10.1

0.8

0.9

0.06

10.2

11.0

0.7

0.5

11.3

» , groote.....

11.0

1.4

0.1

6.6

1.0

1.0

0.06

6.9

7.8

0.8

0.6

7.0

Suikerbieten........

18.5

1.0

0.1

15.4

1.3

0.8

0.05

15.8

16.3

0.6

0.7

16.9

Turnips.........

8.0

1.1

0.1

5.3

0.8

0.7

0.08

5.2

5.8

0.5

0.5

5.6

Stoppelknollen.......

85

0.9

0.1

6.0

0.8

0.6

0.08

5.8

6.3

0.4

0.5

8.0

Raapknollen........

13 0

1.3

0.1

9.5

1.1

0.9

0.09

9.5

10.3

0.6

0.6

8.3

Koolrapen boven den grond

11.8

2.3

0.1

6.9

1.5

2.3

0.1

8.4

10.2

0.7

3.7

Gele wortels........

15.0

1.4

0.2

10.8

1.7

1.0

0.13

11.4

12.2

0.5

1.0

9.3

Pastinaken........

15.3

1.4

0.2

11.6

1.2

1.2

0.11

11.7

12.9

0.5

0.6

7.3

Aardappels, gem.......

25.0

2.1

0.1

21.0

0.7

1.6

0.08

21.0

22.6

1.0

0.4

13.2

» , zeer rijk aan water .

18.0

1.7

0.1 14.7

0.6

1.3

0.06

15.1

16.4

0.8

0.3

11.6

» , » arm » »

32.0

2.5

0.2

27.2

1.0

1.9

0.12

27.6

29.5

1.2

0.5

14.4

» , ingekuild.....

44.7

2.1

0.1

40.5

1.1

1.4

0.07

38.2

39.5

1.2

0.6

27.0

» , bevroren en ingekuild

31.4

1.6

28.0

1.0

1.1

27.0

27.8

0.8

0.6

24.5

ïopinamboers.......

20.0

1.8

tM Ö

16.0

1.0

1.4

0.12

16.4

17.8

0.8

0.6

9.7

VII. /aden, granen en

andere vruchten.

«. Granen.

Tarwe, gemiddeld......

85.(5

12.5

2.0

67.1

2.3

11.3

1.6

64.9

79.4

1.1

1.1

6.1

» , zomer-.......

8().0

13.2

2.0

66.0

3.0

12.0

1.6

64.3

79.5

1.2

1.4

5.6

» , smalkorrelig.....

85.6

14.0

2.0

63.2

4.5

12.7

1.6

62.6

78.2

1.3

2.0

5.2

» , volkorrelig......

85.(i

11.0

2.0

69.0

1.9

10.0

1.6

66.7

80.1

1.0

0.9

7.0

Gerst, gem.........

85.7

9.5

2.1

67.7

3.9

7.0

1.9

63.5

74.5

-

1.2

9.7

» , smalkorrelig.....

85.7

10.5

2.6

63.8

6.0

7.4

2.3

60.7

72.6

2.0

8.9

» , volkorrelig......

85.7

8.9

1.7

70.4

2.5

6.5

1.6

64.6

74.5

0.8

10.5

» , voer-, kleinkorrelig . .

86.0

12.5

2.5

64.2

4.5

9.0

2.3

60.4

74.2

1.4

7.3

Rogge, gem.. .......

80.0

11.0

2.0

68.7

2.5

9.9

1.6

65.8

78.8! 0.5

1.3

7.0

» , smalkorrelig.....

86.0

14.0

2.5

63.6

4.0

12.2

2.0

61.5

77.5

0.6

1.9

5.4

» , volkorrelig......

86.0

9.0

1.6

71.9

1.8

8.0

1.2

68.8

79.3

0.4

0.8

8.9

Haver, gem........

86.7

10.5

4.8

58.0

10.3

8.3

4.0

47.3

63.9

0.5

2.6

6.9

» , smalkorrelig.....

86.7

12.5

5.5

50.7

14.5

9.5

4.5

42.0

60.6

0.6

3.3

5.5

» , zeer volkorrelig ....

86.7

8.5

4.0

62.8

8.5

7.0

3.5

50.6

64.9

0.4

2.1

8.4

Kanarie.........

S4.il

10.3

4.5

38.5

5.0

Mais..........

87.3

10.1

4.7

68.6

2.3

8.0

4.0

68.6

85.6

0.5

1.1

9.8

» , geheele kolven.....

88.5

8.0

3.9

68.4

6.7

6.0

3.1

62.1

73.5

0.3

4.0

11.6

Kijst, gepeld........

86.0

7.7

0.4

75.2

2.2

6.9

0.3

72.7

79.7

1.1

10.7

Spelt, ongepeld.......

85.2

10.0

1.5

53.5

16.5

7.5

1.1

42.7

49.5

6.6

6.1

Vogelgierst (Mohar).....

87.6

10.0

4.1

58.6

11.6

7.6

2.7

49.7

60.9

0.4

5.8

7.4

Pluimgierst il'anicnni) ....

86.0

11.8

4.0

57.4

9.5

8.9

3.2

45.0

60.2

0.5

4.8

6.0

Negerkoren (Sorghum) ....

84.8

9.8

3.3

6( .5

2.5

7.8

2.7

57.1

70.7

0.5

0.6

8.2

-ocr page 569-

499

Verteerbare voedingsstoffen.

Onzuivere voedingsstoffen.

Voedenuiddelen.

Daarin.

O

2 -Z

cc ^ ^ g

X

0)

2 o o ^ t»

stoffen

85.6

25.0

1.6

4S.9

6.9

22.0

1.4

50.0

72.9

1.9

5.0

2.3

85.6

22.6

1.9

53.0

5.4

20.1

1.4

53.0

74.7

2.5

3.5

2.9

8quot;). 7

24.6

2.2

50.7

5.2

22.2

1.9

51.1

86.2

1.8

3.4

2.6

80.G

26.4

1.8

48.6

6.6

23.3

1.6

50.0

74.6

2.9

5.0

2.3

86.0

29.5

6.2

36.2

11.2

26.3

5.2

41.3

75.0

3.0

10.1

2.0

86.0

29.4

7.2

34.2

12.2

26.1

6.1

40.5

75.6

2.9

11.1

2.1

86.0

36.6

4.7

27.2

14.2

32.9

4.2

38.9

74.8

3.8

14.2

1.2

86.0

42.3

5.5

18.4

18.0

38.1

5.0

32.7

75.8

18.0

1.2

83.6

36.4

4.7

25.5

13.3

32.8

4.0

36.3

72.0

3.5

13.3

2.5

84.0

23.1

1.5

49.3

7.1

20.4

1.4

50.5

71.8

2.5

4.7

2.5

91.:5 22.0

7.3

37.5

21.0

16.5

6.2

28.8

57.0

2.7

6.3

2.7

90.0

33.4

17.6

29.2

4.8

30.1

15.8

25.1

89.6

-

3.5

2.1

87.7

20.5

37.0

19.6

7.2

20.1

35.2

18.9

120.2

1.0

6.5

5.0

90.4

19.5

43.7

15.0

8.2

16.1

42.3

15.3

131.0

1.0

3.3

7.4

91.6

21.5

30.0

21.8

11.5

17.2

27.0

21.0

100.2

1.1

2.8

5.1

84.4

17.3

33.0

21.4

13.5

13.0

29.8

22.7

100.5

0.9

6.7

7.5

88.6

18.5

40.9

17.1

5.9

15.7

38.5

16.9

123.4

0.8

3.2

7.9

88.6

19.9

25.3

20.2

1.9

14.5

22.8

13.7

80.7

0.8

4.4

4.8

93.3

29.0

45.2

6.2

9.9

24.5

42.2

7.7

131.5

1.5

4.0

4.6

89.0

13.4

27.4

25.5

18.5

10.7

24.1

24.2

89.0

0.6

7.4

7.9

91.6

20.6

38.8

7,0

20.5

15.4

36.9

12.2

121.2

4.0

6.7

94.9

19.6

41.4

17.1

9.2

17.0

38.1

16.1

117.6

1.0

4.1

6.4:

92.2

8.4

49.0

26.8

6.2

8.0

48.2

30.3

151.5

0.4

4.9

18.8

86.8

10.1

1.5

58.4

15.0

7.5

1.1

51.8

57.9

_

8.0

7.2

44.7

2.5

1.9

34.8

4.4

2.0

1.5

34.0

38.3

1.3

18.8

62.3

3.5

2.8

4(5.8

7.8

2.8

2.2

46.7

52.4

2.4

18.6

83.0

5.1

4.0

67.4

4.5

4.1

£2

63.5

73.9

1.4

17.4

,-gt;0.8

4.3

1.6

41.3

2.0

3.4

1.3

38.1

44.0

1.2

12.1

ól.O

3.1

2.1

43.2

0.8

2.5

1.7

41.5

47.8

0.5

18.3

85.4

7.0

4.3

68.6

3.4

5.0

3.5

65.2

78.9

2.1

12.4

87.0

4.0

2.0

73.3

5.9

2.7

1.1

74.2

77.2

4.6

28.0

8 6

1 2

5.2

1.5

0.9

5.6

6.0

1.0

1.5

9.1

1.3

0.4

5.2

1.7

1.0

0.3

5.8

7.7

1.1

6.5

15.2

0.4

0.3

12.5

1.5

0.3

0.2

11.2

11.7

0.6

39.0

16.2

0.3

0.2

12.0

3.4

0.2

0.1

13.2

12.7

1.7

67.0

87.9

1

14.1

4.2

58.2

7.3

11.0

1

2.9

47.2

64.0

1.4

2.4

4.9

68.4

13.6

3.4

54.9

8.9

10.6

2.4

44.4

59.7

1.3

2.1

4.8

87.5

14.5

3.4

59.0

6.0

11.4

2.2

47.6

63.7

1.5

1.1

4.6

88.0

13.6

2.9

63.2

4.2

10.6

2.3

53.3

68.3

1.1

2.1

5.6

88.2

10.2

3.8 61.8

9.0

7.9

3.4

56.6

71.6

0.9

3.0

8.1

90.6

2.7

1.3

52.2

27.9

1.3

0.6

30.1

25.8

: 0.1

14.0

32.0

89.0

8-4

3.4

47.3

21.6

4.0

1.6

34.4

36.81 0.4

10.8

9.5

87.5

12.2

3.3

60.2

7.2

9.5

2.6

50.0

64.5

1 1-2

2.4

5.9

6. Peulvruchten.

Boenen

Erwten. . . . Linzen....

Wikken . . .

Lupinen, blauwe » , witte .

* , giile ■

» , » , van bittere bevrijd, luohtdroog. Lupinen, zwarte Zandwikken .

Serradella Sojaboonen .

c. Oliczadai.

Lijnzaad .

Koolzaad .

Dederzaad Hennepzaad .

Maanzaad.

Katoenzaad .

Aardnoten.

Beukepitten .

Madia ■» . .

Sesam »

Palmpitten, gepeld

(l. Overige zaden cn vrucht

Boekweit......

Eikels, versch .... » , halfdroog . » , gepeld en gedroogd Paardekastanje, versch .

-gt; , gepeld, verscl » , droog. . .

Johannisbrood .

Vee-meloen .

Vee-komkommer Appels....

Peren ....

VIII. Afval van fabrieket

a. Meelfabrieken en jwUtcrijen. Tarwezemels, fijne. .

Roggezemels . Boggegriesmeel Maiszemels . Haverdoppen Haverzemels. Gerstgriesmeel

-ocr page 570-

500

Voederiuiddelen.

tt-I

O

cc

O bO O

Q

Onzuivere voedingsstoffen.

Verteerbare voedingsstoffen.

O ^

CO . ,

.a -S

O) 3

c S

Stikstof-houdende.

o »gt;•

Stikstofvrije extractstoffen.

Cellulose.

Eiwit en arnid.

«5

Stikstofvrije.

Som der voedingsstoffen.

Daarin.

Amid. 1

. 1

Cellulose.

Peldersdust........

89.1

13.4

3.9

52.2

13.2

10.7

2.7

48.4

62.3

1.8

6.6

6.0

Rijstiueel.........

88. (i

12.0

12.0

47.4

8.0

7.6

10.2

42.9

73.9

0.7

2.1

10.0

Erwteschillen.......

87.7

8.0

2.5

30.5

43.7

5.6

2.0

46.3

45.7

0.7

21.9

9.1

Erwtemeel........

88.6

23.6

3.5

53.5

4.5

20.9

2.8

55.4

81.5

2.5

2.9

3.0

Aardnootdoppen......

92.0

8.2

4.1

16.3

53.2

4.9

2.4

24.2

26.7

16.1

6.1

b. Branderijen en brouwerijen.

Aardappelspoeling-......

ó.ü

1.4

0.2

2.7

0.6

0.9

0.2

2.6

3.8

0.4

0.4

2.6

» , gedroogd .

87.4

21.8

3.9

41.3

9.4

15.9

3.7

38.7

58.4

5.4

5.7

2.8

Maisspoeling........

9.0

2.3

1.0

4.4

0.8

1.8

0.9

4.4

8.2

0.1

0.4

4.6

» , gedroogd ...

89.9

22.9

10.0

44.2

7.9

18.3

9.0

43.8

81.7

1.0

4.0

4.6

Koggcspoeling.......

9.0

2.3

0.5

4.8

0.9

1.8

0.4

5.1

7.6

0.4

0.5

3.4

» , gedroogd....

90.5

23.0

5.1

48.2

9.2

18.4

4.6

51.0

77.9

4.0

4.9

3.4

» , in gistfabrieken

5.2

1.0

0.3

3.1

0.4

0.8

0.2

3.0

4.2

0.2

0.2

4.4

ïarwespoeling.......

9.5

2.7

0.5

5.0

0.8

2.2

0.4

4.9

7.9

0.4

0.4

2.7

» , gedroogd....

88.0

25.0

4.7

46.1

7.4

20'Ö

4.2

45.2

73.5

3.0

3.7

2.3

Rijstspoeling, gedroogd ....

85.1

14.2

0.5

68.8

1.0

12.8

0.5

65.9

79.6

0.5

0.5

5.2

Melassespoeling.......

10.0

2.8

4.1

2.8

44.1

6.9

2.3

4.6

Bierdraf, verseh......

23.8

5.1

1.7

10.7

5.1

3.7

1.4

8.8

14.9

0.1

2.0

3.4

» , gedroogd......

90.5

20.6

7.0

42.2

16.0

14.4

5.7

32.8

57.8

0.9

6.2

3.4

Mout met kiemen......

52.5

6.5

1.5

38.5

4.3

5.2

1.2

36.9

43.9

1.3

2.2

7.7

» , gedroogd zonder kiemen .

92.5

9.4

2.3

69.8

8.7

7.5

1.8

67.2

76.8

2.0

4.4

9.6

Moutkiemen........

88.2

23.3

2.1

42.8

12.4

19.1

1.0

49.5

65.8

7.0

11.8

2.6

Maiskiemen........

85.7

24.9

12.2

37.2

5.3

20.8

11.2

35.3

82.4

7.3

3.2

4.4

c. Aardappelmeel- en siijfsel-

jabriehen.

Aardappelvezels.......

14.0

0.8

0.1

11.7

1.0

0.7

0.1

11.8

12.4

0.1

0.6

17 0

» , gedroogd . . .

89.9

3.5

0.4

68.1

11.9

3.2

0.3

73.2

73.1

0.4

7.9

23.0

» , ingekuild .

16.0

1.2

0.2

12.5

1.4

1.0

0.1

12.4

13.2

0.3

0.8

12.6

Maisslib, droog.......

87.4

18.1

6.3

60.7

1.3

14.5

5.4

56.0

83.2

3.0

0.8

4.3

Maissehillen........

92.2

11.9

3.5

59.5

10.1

9.0

8.5

58.6

85.5

2.0

5.0

8.9

Kijstslib, geperst......

44.8

12.3

1.3

29.5

0.5

9.8

1.1

27.2

39.4

2.8

0.3

3.0

» , gedroogd ......

86.1

18.1

2.9

61.8

2.1

14.5

2.5

57.6

77.3

3.4

1.3

4.4

Droge kleefstof, glutin ....

88.4

68.6

5.0

12.9

0.3

66.8

4.2

12.8

89.6

6.5

0.1

0.36

d. Suikerfabrieken.

Diffusiepulpe, versch.....

7.0

0.6

0.1

4.1

1.4

0.4

_

4.6

4.5

1.1

15.0

» , geperst ....

10.3

0.9

0.1

6.3

2.4

0.6

7.4

7.1

2.0

13.0

» , ingekuild ....

11.5

1.1

0.1

6.4

2.8

0.7

7.8

7.5

0.2

2.4

17.0

» , m. kalk geperst, verseh

35.0

3.2

0.5

17.8

9.6

1.9

0.3

23.0

21.6

8.0

12.5

» , » » » droog

89.5

7.8

1.2

55.0

18.9

4.9

1.0

62.4

62.0

15.3

15.0

Bietenmelasse.......

80.7

9.0

61.3

9.0

61.3

70.3

4.6

5.0

Turfmelasse........

75.1

8.3

0.9

52.6

5.8

6.0

39.3

45.3

3.0

6.9

Pal m pit meel melasse.....

80.0

10.4

0.8

55.6

4.4

9.9

0.8

60.5

68.9

4.8

3.4

6.3

c. OUedaycrijen.

Lijnkoeken........

88.2

31.5

10.5

30.8

8.1

26.4

9.4

28.6

75.8

3.0

3.6

2.0

Lijnmeel.........

89.0

35.3

3.6

34.3

9.6

29.6

3.3

32.3

57.0

2.0

4.8

1.4

Raapkoeken ........

89.6

32.7

9.8

29.1

10.3

26.5

7.6

23.0

67.3

4.7

0.8

1.7

Raapmeel.........

91.5

33.1

5.0

32.1

13.4

26.5

2.4

27.2

58.8

4.5

1.3

1.3

Sesamkoeken........

88-9

37.2

12.8

20.5

7.5

33.5

11.5

15.5

75.4

0.4

2.3

1.8

Sesammeel........

94.0

46.4

2.4

20.7

7.7

41.8

2.1

19.2

64.8

0.6

2.4

0.58

-ocr page 571-

501

Onzuivere voedingsstoffen.

Ve

•leerbare voeding

sstoffen.

O

O co

aj

L •

O c

Daarin.

cc

Voedermiddelen.

O

tc p

Q

• .S

. O

O

s

gt; ^

.S ~

Stiksto houdeni

■4-j

O

quot;o ^

quot;co ^

T: *

O

J

quot;o

O

Eiwit i amid

5

cc £

S 2

— CC

quot; cc -

C» ^

Amid. |

c5

cc

O

5 5 ►P o

Palinkoeken, gepeld ....

80,6

17.3

0.0

35.0

24.0

16.5

8.5

52.6

79.7

0.4

19.7

5.0

Palmmeel........

S9,l

17.4

4.5

36.9

25.9

16.6

4.2

56.0

71.1

1.5

21.2

4.3

Katoenkoeken , gepeld.

90.0

43.0

12.0

20.3

5.5

36.0

12.0

16.8

82.0

2.G

1.0

1.4

Katoenzaadmeel......

01 2

48.8

10.5

10.1

4.6

41.8

9.8

15.5

80.3

1.4

1.0

0.93

Aardnootkoeken......

88.5

47.0

8.3

23.1

5.2

40.4

7.2

22.5

70.6

1.2

1.3

1.1

Aardnootmeel......

00.0

46.5

0.0

24.5

5.0

40.0

7.8

23.0

81.0

1.2

1.4

1.0

Beukennootkoeken.....

83.0

18.2

8.3

28.3

23.0

13.5

6.6

22.2

48.0

0.3

5.2

2.9

» , gepeld .

88.5

36.7

0.2

28.6

6.6

31.6

8.4

24.2

75.0

0.8

2.0

1.4

Hennepkoeken......

88.1

30.7

10.0

18.5

21.1

21.5

8.5

16.4

55.6

0.0

5.3

1.6

Kakaokoeken.......

00.0

18.8

11.2

36.4

15.5

12.4

10.3

28.0

63.8

1.5

2.5

4.3

Kandlenootkoeken.....

01.6

40.0

11.2

18.7

4.1

43.7

10.1

18.5

85.6

1.3

1.6

0.8

Kapokkoeken.......

86.7

26.3

5.8

10.9

28.2

10.5

5.2

15.6

44.8

0.6

5.6

1.4

Kokosnootkoeken.....

80.7

20.7

10.0

38.7

14.4

15.8

10.0

40.3

75.6

0.4

8.9

4.1

Kokosnootiueel......

8i .-1

22.1

6.8

38.8

13.4

17.7

6.8

41.7

71.1

0.5

9.1

3.3

Dederzaadkoeken.....

88.2

33.1

0.2

27.4

11.6

26.5

8.3

26.6

70.6

0.8

4.7

1.8

Madiakoeken......

80.3

31.8

0.0

21.7

19.2

22.3

7.2

16.8

44.5

1.8

3.8

1.5

Malskiemkoeken......

80.0

20.5

0.0

43.1

9.8

15.9

7.6

42.6

73.6

4.2

6.2

6.8

Amandelkoeken......

00.3

41.3

15.2

20.6

8.0

37.2

13.7

22.0

01.2

2.5

1.8

1.6

Maanzaadkoeken.....

80.3

35.5

10.0

20.1

11.0

28.0

0.7

10.6

67.6

0.4

6.7

1.4

Kigerkoeken .......

88.5

33.1

4.4

23.4

19.6

26.5

3.3

24.0

55.7

2.0

5.3

1.2

Sojaboonkoeken......

86.6

40.3

7.5

28.1

5.5

36.3

6.8

29.4

78.1

4.1

7.7

1.3

Zonnebloemkoeken.....

00.7

34.7

12.5

23.7

13.0

31.2

11.0

22.5

77.0

3.3

4.3

1.6

Olijf koeken.......

88.3

7.2

13.8

28.1

33.7

4.3

11.1

30.8

56.1

0.3

11.1

17.0

Bibbykoek.......

88.0

20.0

10.0

39.0

12.0

17.0

0.0

9

78.6

3.3

9

IX. Voedermiddelen van

dierlijken oorsprong.

Koemelk........

12.5

3.4

3.4

5.0

3.4

3.4

5.0

16.6

4.5

» , afgeroomd ....

10.0

3.5

0.7

5.0

3.5

0.7

5.0

10.2

1.0

» » centrifugaal

0.4

3.5

0.3

4.0

3.5

0.3

4.9

9.1

1.4

Karnemelk.......

0.0

4.0

1.1

4.1

4.0

1.1

4.1

10.7

1.7

Wei.........

6.4

0.8

0.1

4.0

0.8

0.1

4.0

5.9

—'

6.4

Boom.........

24.4

3.7

17.6

2.8

3.7

17.6

2.8

48.7

12.0

Kalfroom........

85.0

4.5

45.0

35.0

4.0

45.0

35.0

147.0

35.7

Schapenmelk.......

18.7

6.3

6.8

4.7

6.3

6.8

4.7

26.5

3.4

Varkensmelk......

16.0

7.2

4.6

3.1

7.2

4.6

3.1

21.3

2.0

Paardemelk.......

0.0

2.1

1.2

5.3

2.1

1.2

5.3

10.3

4.0

Geitenmelk.......

13.1

3.7

4.1

4.4

3.7

4.1

4.4

17.0

4.0

Ezelinnenmelk......

11.0

2.2

1.6

6.0

2.2

1.6

6.0

11.0

4.5

Vette kaas.......

63.0

28.0

29.5

3.3

28.0

20.5

3.3

102.1

2.7

Magere kaas.......

42.7

33.0

3.5

2.0

33.0

3.5

2.0

44.3

0.25

Kipeieren........

26.3

12.6

12.1

0.6

12.6

12.1

0.6

41.6

2.4

Bloed, gedroogd.....

80.8

82.6

1.5

1.3

59.5

1.5

1.3

64.4

9.0

0.07

Vleeschmeel.......

01 0

77.7

11.0

0.3

71.5

10.8

0.3

07.7

3.5

0.5

Kad a vermeel.......

04.4

56.1

16.7

3.4

48.0

16.0

3.4

80.8

0.0

Vetkanen........

00.5

58.6

25.5

55.7

23.5

112.1

3.0

1.0

Vischguano.......

87.4

40.0

1.8

44.1

1.6

47.0

0.0!

Meikevers, versch.....

20.6

18.8

3.7

4.81

13.0

3.1

20.4

0.6

» , gedroogd ....

86.5

55.3

10.0

13.91)

38.0

0.1

59.8

0.6

Dierlijk albumine.....

88.2

63.3

13.4

60.5

12.4

00.3

3.5

0.5

1) Onverteerbaar Chitin.

-ocr page 572-

502

Tabel II, aanwijzende het gehalte der stekstofhoudende stoppen (onzuiver eiwit)

aan zuiver eiwit en niet-ei witachtige stoppen (amiden enz.) van eenige voeder-middelen, uitgedrukt in procenten van het stikstofgehalte, 1)1. 109.

Van de

Vran de

stikstof

stikstof.

VOEDEKMIDDELEN.

/—-s

quot;gt; N

VOEDERMIDDELEN.

quot;*quot;* 'T

*gt; N

•r o

• Ïh

c

'S

CC

§

'o

cc

.2 ^ 'S 7S

quot;rt

1

cc ~ rt

3

cc £

« -5

: 0/o

%

%

%

1. Groenvoer en hooi.

Basterdklaver, versch.....

» , ingekuild ....

73.4 68.3

20.6 31.7

(Irashooi .........

87,2

12.8

Gele lupinen, einde bloei . . .

59.7

40.3

» , quot;24 April.....

78.2

21.8

» » , bijna rijp ....

81.6

18.4

,13 Mei......

81.0

19.0

Lupinen, versch......

50.3

49.7

» ,10 Juni......

85 2

14.8

» , ingekuild.....

Voederwikke, vóór 't bloeien .

28.0

72.0

» , 2(5 Juni......

92.5

7.5

62.0

38.0

Hooi van eon vloeiweide

77.7

22.3

» , in bloei ....

73,7

20.3

Weidegras........

84.0

16.0

» , bijna rijp ....

86.7

13.3

» , persvoeder ....

61.4

38.6

Zandwikke, 8 Juli, begin bloei .

76.9

23.1

» , ingekuild.....

51.0

49.0

» , 16 » , volle » .

75.8

24.2

» , versch......

77.5

22.5

» , 29 » , einde »

88.0

12.0

» , als persvoeder . . .

57,9

42 J

Sojaboonen, einde bloei ....

79 4

20.6

Bruinhooi.........

87,9

12.1

Esparcélte, 23 Maart, 4 cM. .

73.3

26.7

» , zeer donker ....

81.9

18.1

» , 27 April, 8 » . .

73.6

26.4

Fransch raaigras, 4 April 17 cM.

68.7

31.3

Spurrie, versch.......

77.0

23.0

» » , 23 Mei 45 »

73.7

26.3

Witte mosterd, SJuni ....

72.8

27.2

Engelsch » in Mei. . . .

77

23

» » , 22 » , volle bloei

85.1

14.9

» » » bloei

80.9

19.1

» » , 29 » , einde »

95.7

4.3

Timotheegras, bemest, 6 Juni .

01.0

39.0

Moes, toppen.......

68.2

31.8

» , » , 23 » » , onbemest, 6 Juni

68.7

31.3

» , stengel.......

Bietenbladeren, versch ....

24.7

71.3

28.7

75.2

24.8

» , i» , 23 »

77.1

22.9

» , ingekuild

56.0

44.0

Kropaar, in bloei......

68.9

31.1

» , 18 Juli ....

64.2

35.8

» , rijp.......

79.5

20 5

, 13 Augustus .

74.0

26.0

Vossestaart........

74

26

» ,10 September. .

77.8

22.2

Voerrogge, 28 Maart, 8 cM.

61.5

38.5

Sluitkool.........

51,3

48.7

» , 20 April, 35 »

74.8

25.2

Voerhaver, einde Mei ....

85 2

14.8

2. Knollen en worlds.

» , in Juni.....

Mais, Bad., 18 Juni, 17 cM. . » , ^ , 9 Juli, 67 » » , » , 23 » , 103 » » , » , 6 Aug., 147 » . » , » , 3 Sept., 157 » .

» , versch.......

» , ingek., 28 Nov. onderzocht » , » , 7 Dec. » » , » , 11 Jan. » » , » , 3 Febr. » Roode klaver, 27 Maart, 4 cM. . igt; » , in bloei .... » » , bijna rijp....

88.7

68.4 62.6 65.0

61.5

61.4

81.5 72.9 67.5 58.9

43.8 62.3 70.0 84.0

11.3 31.6

37.4

35.0

38.5

38.6 18.5

27.1 32.5

41.1

56.2

37.7 30.0 16.0

Aardappels, 9 Juli.....

» , 7 Augustus .... » , 10 September . » , onbemest .... » , bemest met 200 KG.

Chili per HA. . . . » , bemest met 400 KG.

Chili per HA. . . . » , bemest met 600 HA. Chili per HA. . . .

Mangehvortels.......

Raapknollen, sterk bemest . . .

Stoppelknollen.......

Gele wortels........

63.8

64.3

71.4 83.4

86.8

74.0

59.7 36 0 60.3

59 7

36.2 35.7 28.6 16.6

13.2 26.0

40.3 64.0 39.7 44.6 40.3

Luzerne, zeer jong.....

» , begin bloei.....

67.0

71.1

33.0 28.9

Toninamboers.......

57,6

42.4

» , in bloei......

» . 23 April, 12 cM. . .

74.5 64.5

25.5 35.5

3. Slroo en kaf.

» , in bloei......

25.5

Deze bevatten geen anuden en der

» , bruin hooi.....

81.8

18.2

gelijke stoffen.

-ocr page 573-

503

Van de

Van

de

stikstof

stikstof

VOEDERMIDDELEN.

quot;gt; s;

'O iJ

VOEDERMIDDELEN.

*gt; 6*5 *o O

*S

Uj

.2 J

cc

II

X —

rt s

ci

co c;

3,

%

%

5. Afval van fabrieken.

%

%

4. Zeiden en vruchten.

Bietenmelasse.......

Mout..........

65.6 79.2

34.4 20.8

Tarwe..........

88 8

11.2

Moutkiemen........

72.0

27.4

Rogge ..........

90.6

9.4

97.1

2.6

Aardappelspoeling.....

68.7

31.3

gt; , ontkiemd......

Chevalliergerst.......

75.6

24.1

Mais-roggespoeling......

69.3

30.7

97.S

2.2

Roggezemels........

88.3

11.7

7.5

T arwezemels........

99.2

0.6

Mais, 24 Augustus, onrijp. .

49.1

50.9

Rijst meel.........

93.6

0.4

» , 6 September, » . . .

77.4

22.6

Pulpe, gedroogd......

95.4

4.6

' . ........

95.1

4.9

96 8

3 0

Rijst, gepeld.......

91.7

8.3

Raapkoeken........

85.9

14.1

Erwten.........

88.6

n.4

Lijnkoeken........

96.3

3.7

Boonen .........

88.6

11.4

Dederzaadkoeken......

91 5

8.5

Sojaboonen........

89.9

10.1

Maanzaadkoeken......

94.1

5.9

Gele lupinen, rijp.....

92.5

7.5

•gt; 2

, onrijp ....

78.0

22.0

Aardnootkoeken.......

93.0

7.0

» » , ontbitterd . . .

98.5

1.5

Sesamkoeken.......

98.5

1.5

Blauwe » , rijp.....

92.3

7.7

Katoenkoek, ongepeld ....

92 8

7.2

Zandwikke........

84.5

15.5

» , gepeld.....

95.6

4.4

Lijnzaad.........

94.5

5.5

Kokosnootkoek.......

96.2

3.8

Tabel III, aanwijzende de afmetingen van stieren en koeien der dititsche

runi»veestja(ten , in procenten van de schoftiigofjte , volgens werner.

Stieren.

Koeien.

Aanduiding der lichaamsdeelen.

quot;33

-= .

CC

1

3 ^

O

'Z

■3 amp;

O —

O

IJ3

O

5

5

Hals-romplengte.........

156.92

139.12

145

159.49

141.01

140

Rompl., van boeg tot zitb. schuins gemeten

127.30

112.10

121

124.01

118.32

120

Zijdelingsche bekkenl. van heup tot zitbeen

43.97

36.45

41

43.01

38.00

40

Borstbreedte over de ribben.....

45.83

31.24

39

41.01

29.04

34

Bekkenb., tussehen de heupgewr.-knobbels

46.95

32.03

38

39.77

31.61

38

Borstdiepte, achter de schouders . .

58.57

49.79

50

50.03

50.00

52

Borstomvang..........

158.37

139.04

155

158.44

132.52

145

Gestclhooyten:

Hoogte van den elleboog......

59.55

45.48

54

58.73

53.75

56

» » het heupgewricht ....

90.25

82.19

87

91.84

83.14

87

» » » haakbeen .....

31 01

25.08

28

30.95

26.39

28

» » » hielpunt......

49.79

34.38

38

41.20

37.02

39

op de borst (voorhand) 21 deelen 26 » 24 »

op het bekken (achterhand) 31 deelen 30 »

34 »

Nederlandsche runderen hiermede

in het ongunstigste geval » » gunstigste »

hij de meeste runderen

Voor eene vergelijking van de afmetingen raadplege men de rundveestamboeken.

Wordt de romplengte (zonder hals) ~ 100 gesteld, zoo komen

op de buik (uiiddelhand) •48 deelen

38 »

42

der

-ocr page 574-

504

Tabel IV. Gemiddelde afmetingen van een kik rundveerassek

primigenius-r assen.

aanduiding der lichaamsdeelen.

F riesch 28 koeien.

1

! Xed. zandgronden i 17 koeien.

Roodbont langs den Neder-Rijn | 7 k. (4-8 jaar).

Angler 36 koeien (5—8 jaar).

Shorthorns 10 koeien (5—7 jaar).

Sch 24 V

cM.

%

' cM.

l

%

eM.

i %

cM.

1 %

cM.

%

cM.

Hoogte schoft......

133

100

120.5

100

133.5

100

121.5

100

| 139.5

100

136

» rug......

132.5

99.0

125

98.8

131.5

98.5

120.5

99.2

I 136

97.5

35.6

» kruis......

130

102

128.5

101.6

136

101.8

123.5

101.6

139

99.6

» staartwortel ....

136.5

102.2

126

103.7

141.5

101.4

37.7

Borstdiepte.......

74.5

55.8

64

52.6

79

56.6

70

Hoogte haakbeen.....

36

27

34

26.9

39

29.2

34.5

28.4

38.5

27.6

34.5

» hielpunt.....

53

39.8

52

41.1

51.5

38.6

47

38.7

53.5

38.3

51

» elleboog.....

72

54.1

70.8

56.1

73

54.7

70

56.6

78.5

50.3

73

» heupgewricht

114.5

85.8

107

88.5

116

83.2

Lengte hals-romp.....

201

150.0

173

142.4

202.5

145.2

» romp......

170

127

158

124

163

122

143.5

118

175.5

125.8

65

» voorhand .....

41.4

31.2

38.8

30.8

» schouder .....

—-

56.5

42.3

48

39.5

57.5

41.2

» bekken......

54.0

41

51.9

41

55

41.2

t bekken (zijdelings) . .

47

38.7

60

43

55

» hongergroef ....

26

19.5

27

22.2

30.5

21.9

Breedte voorborst.....

46.0

35

41.4

32.8

48

35.9

38

31.3

53

38

53.5

» borst over de ribben.

45.5

34

88.5

31.7

57

40.8

Borstomvang......

192

144.4

180

142.3

201

150.6

171

140.7

226.5

162.4

91

Breedte bekken.....

— ■

52

38.9

39.5

32.5

55

39.4

» over de heupen .

55.7

41.7

52

41.1

56.5

42.3

46

37.9

07

48

55.6

» bij de zitbeenderen .

22.5

16.8

19

15.0

33

23.6

Omvang der voorscheenen.

19.5

14.6

17.5

14.4

19.5

14

Lengte kop.......

52

39

48.5

38.3

52.5

39.3

47.5

39

53.5

38.3

52

» voorhoofd.....

23.0

17.7

22.5

17.8

2^.5

16.8

20.5

10.9

23

16.5

24

Breedte tusschen de horens .

15

11.3

14

11

18.5

13.8

14

11.5

18

12.9

15.4

» voorhoofd ....

23

17.3

22.5

17.8

20.5

15.3

19.5

10

21.5

15.4

23

-gt; voorhoofd op zijn smalst

18.3

13.6

19

15

18.5

13.8

17

14

18.5

13.3

18

» tusschen de kaken

20.5

15.4

20

15.8

Lengte horens......

23.5

17.6

22

17.4

29

21.7

21

17.3

34

24.4

24.3

Levendgewicht in KG. . .

585

487

623

383

-

Tot toelichting voegen wij, onder verwijzing naar bl. 06 en 97, nog hieraan toe, dat onder hoogte mg de afstand van het doornuitsteeksel der laatste rugwervel tot den grond; hoogte kruis id. boven de staartgleuf. De borstdiepte Wordt genieten vlak achter de schouders loodrecht van den het haakbeen, het hielpunt, den elleboog en het heupgewricht zijn de afstanden van de betreffende wezen ongeveer door het punt r. Fig. 38. Bij dit punt wordt ook de breedte van het bekken gemeten, achterhoofdsvlakte tot de rugvlakte van den staartwortel boven de zitbeenuitsteeksels; onder lengte niet den maatstok gemeten. Lengte voorhand gelijk afstand boegpunt tot achter den schouder hori-rand. Lengte hongergroef is de afstand der hoeken die de hongergroef bij de ribben en de henpen zie men Fig. 39 bl. 97. De omvang der voorbeenscJieencn wordt genieten in het midden hunner hoogte, spiegel. Als breedte voorhoofd is hier genomen de afstand tusschen de buitenooghoeken; de breedte maatband aan de buitenste boog gemeten.

-ocr page 575-

iSEK. BSOLUUT EN IX PROCENTEN VAN DE SCHOFTIIOOGTE, NAAR WERNER.

BRAC'HYCEPHALUS-RASSEN.

I'RONTOSUS-RASSEN.

LONlt;!IFRONS-RASSEN.

Bretagne 1 koe (263 KG.).

Allgauer (Beiersche) 35 koeien.

Charolais 1 koe

i (817 KG.).

rns ■ien lar).

%

cM.

%

cM.

%

cM.

o/o

cM.

%

cM.

%

cM.

%

cM.

%

00

136

100

132.5

100

120

100

140

100

133

100

108

100

127.5

100

97.5

135.6

99.7

132

99.6

117.5

97.9

139.3

99.4

99.6

134.5

101.5

122

101.7

143.5

102.5

01.4

37.7

101.3

136.5

103

121

100.8

146.2

104.4

—-

quot;gt;6.(1

70

51.5

70

52.8

64.7

54

76.6

54.7

77.5

58.3

54

50

27.6

34.5

25.4

39.5

29.8

35.4

29.5

40.7

29.1

38.3

51

3(.5

53.5

40.4

46.8

39

54

38.6

56.3

73

53.7

73

55

67

55.8

73.5

52.5

65

51

83.2

117

88.3

45.2

201.5

152

_

25.8

65

121.3

159

120

140

116.7

170.7

121.9

169.5

127.4

127.5

118

175

152.

41.2

_

_

52.5

39.6

_

_

_

_

__

_

_

53.6

38.3

60.5

45.5

43.5

40.3

43

55

40.4

53.5

40.4

47

39.2

58..-)

45.

21.9

32

24

iS

53.5

39.3

50.5

38

39

35.5

56

40

73

54.9

35

32.4

58.5

45.

40.8

50

37.7

_

32.4

91

140.4

202

152.4

165

137 5

206.6

147.6

228

171.4

154

142.6

39.4

50

37.7

-

48

55.6

40.9

54.5

41

47.7

39.8

57.7

41 2

63.5

47.7

40

37

78..quot;)

61.

gt;3.6

31.5

23.8

14

—-

22

16.6

20.5

15.4

14

18

58.3

52

38.4

54.5

41

45

37.5 1 54.8

39.2

50

30.

16.5

24

17.6

27

20.4

20

16.7

24.6

18.3

12.9

15.4

11.3

20.5

15.4

14.5

12.1

18.5

13.2

5.4

23

17.2

22.5

16.9

21

17.5

25.3

18

3.3

18

13.2

19

14.3

15

12.5

20

14.3

_

23

16.4

-

gt;4.4

24.3

17.8

28.5

21.5

22

18.3

28

20

_

-

i

oogte schoft wordt verstaan het hoogste punt der sehoft tot den grond, loodrecht gemeten; onder an het raidden tusschen de heupen; hoogte utaarlwortel is van de bovenvlakte der staart, loodrecht oven- tot den onderkant van den romp; ook de borstomvang wordt hier gemeten. De hoogten van nmten tot den grond. Die van den elleboog heet ook gestelhoogte. Het heupgewricht wordt aangc-)nder lengte hals-romp wordt verstaan de afstand van het midden van den ondersten rand der omp de afstand van het boegpunt tot het zitbeen. De eerste wordt met den maatband, de tweede ontaal gemeten; lengte schouder gelijk afstand boegpunt tot het midden van den bovensten schouder-orrnt. Lengte bekken van heup tot zitbeen horizontaal of zijdelings gemeten. Voor breedte-afmetingen ils lengte van den kop geldt de afstand van het midden der kruin tot het midden van den neus-lorhonjd op zijn smalst (Stirnenge) is die tusschen de slapen. De lengte der horens is met den

REINDERS, III. Vierde druk.

Schwyzer 24 koeien.

| Simmenthaler 22 koeien

Hereford 2 koeien.

Jersey 4 koeien.

ider i id. den ;nde gt;ten. ngtc lori-ipen )gte. ■cdtc

34

-ocr page 576-

óOH

Tabel V, bevattende eenige voederrantsoenen, volgens Emit, Wolff, Lehmann , Maercker en anderen !).

1. Jong rundvee.

A. Aanycfokt in dc melkrichtiny.

a. 2—3 maand oud. Gemiddeld levcndgcwicht 70 K(i.

Dagelijksch rantsoen per hoofd met een gehalte in KG. ongeveer van l.(i0 D. s., 0.28 Nli., 0.14 V., 0.91 Nvr., 1.47 S. v.

1.

4 KG. afgeroomde melk 1 » jg. grashooi 2e qual. 0.5 » haver 0.08 » aardnootolie 0.5 KG. erwtemeel 1.25 » jg. grashooi 2e qual. 0.25 » rijstmeel 0.25 » lijnzaad

3.

0.75 KG. gerstemeel 1 » jg. grashooi 2e qual. 0.5 » moutklemen 0.33 » lijnzaad


0.14 V., 1.79 Nvr. en 2.55 S. v. 1.

2 KG. jg. grashooi 2e qual

1 » haver 0.5 » roggezemels 0.83 » lijnkoek

2 KG. jg. grashooi 2e qual.

I » haver

0.5 moutkiemen

0.5 » lijnkoek

3.

KG. jg. grashooi 2e qual. » wortelen » rijstmeel » palrakoek

b. 3ü maand oud. Gemiddeld levendgaeichl 140 KG.

Dag. rantsoen per hoofd met een gehalte in KG. ongeveer van 3.4 D. s., 0.42 Nh.,


1.

4 KG. wortelen

3 2 1

0.5 0.25

grashooi 2e qual. stroo v. zomergraan haverkaf moutkiemen aardnootkoek

3 KG. aardappelen

4 » grashooi 2e qual.

2 » stroo v. zomergraan 0.75 » raapkoek

c. (j—12 maand oud. Gemiddeld levendgcwicht 230 KG.

Dag. rantsoen per hoofd met oen gehalte in KG. ongeveer van 0.2 D. s., 0.40 Nh., 0.115 V., 2.9 Nvr. en 3.2 S. v.

2

5 KG. karnemelk 0 » grashooi le qual. 3 » roode klaver


d. 12—18 maand oud. Gemiddeld levendgewichl 320 KG.

Dag. rantsoen per hoofd met een gehalte in KG. ongeveer van 8.8 D. s., 0,0 Nh., 0.15 V., 4 Nvr. en 4.1 S. v.

9

3.

20 KG. aardappelspoeling 4 » grashooi 2e qual. 4 » stroo v. wintergraan 0.25 ■gt; moutkiemen

5 KG. wortelen 4 » grashooi 2e qual. 4 » stroo v. zomergraan 1 » raapkoek

9 KG. aardappelen 4 » grashooi 2e qual. 4 » haverstroo I » raapkoek

0.5 ■» havermeel B. Aangefokt in de mcstrichling.

a. 2—3 maand oud. Gemiddeld levendgcwicht 75 KG.

Dag. rantsoen per hoofd met een gehalte in KG. ongeveer van 1.73 D. s., 0.31 Nh., 0.15 V., 0.97 Nvr. en 1.57 S. v.

1.

3 KG. volle melk 1 » jg. grashooi 2e qual. 0.5 » haver 0.33 » lijnkoek 4 KG. volle melk 1 » jg. grashooi 2e qual. 0.25 » aardnootkoek 0.33 » roggevoedermeel

3.

3 KG. volle melk 1 8 jg- grashooi 2e qual. 0.75 » erwtenmeel


1) D. s. =r droge stof; Nh. ~ stikstofhoudende stof; V — vet; Nvr. — stikstofvrije stof; S. v. ~som der voedingsstoffen of voedereenheden; zie bl. 115.

-ocr page 577-

h. ;gt;—(i maand oud. Gemiddeld levendgewiehl löO K(i.

Dag. rantsoen per hoofd met een gehalte in KG. ongeveer van li.li D. s., 0.45 Nh.. 0.14 V., 1.9 Nvr. en 2.55 S. v.

1.

2 KG. jg. grashooi 2e qual. 1 » haver 1 » roggezeniels 0.5 » lijnkoek 3 KG. gew. wortelen

2.5 » jg. grashooi 2e qual.

1 » pahnkoek

0.5 » lijnkoek

3.

3 KG. mangelwortels 3 » jg. grashooi 2o qual. 0.5 » moutkieraen 0.5 » haver 0.25 » lijnkoek


c. Ij—12 maand oud. Gemiddeld Icvendgewicht 250 KG.

Dag. rantsoen per hoofd met een gehalte in KG. ongeveer van 6.5 D. s., 0.05 Xh., 0.2 V., 3.4 Nvr. en 3.95 S. v.

1.

4 KG. mangelwortels 4 » grashooi 2e qual. 2 » stroo v. zomergraan 1 » lijnkoek 0.5 » palmkoek 3 KG. aardappels i 10 KG. pulpe, ing.

3 » grashooi 2e qual. 4 » grashooi 2e qual.

2 » stroo v. peulvruchten 2 » stroo v. zomergraan

0.5 » haver 1 » haver

1 » lijnkoek 0.75 » rijstmeel

0.5 » sesamkoek 0.15 : lijnzaad


II. Melkkoeien.

a. Dagelijksehe melkgift 7.5 KG.

Dag. rantsoen per 1000 KG. levendgewicht. Gehalte in KG. ongeveer 27 D. s., 2 Nh., 0.4 V., 11 Nvr. en 12.2 S. v. Voedingsverh. 1 : (!.

40

KG. mangelwortels

50

KG. aardappelspoeling

0

» grashooi 2e qual.

10

» grashooi 2e qual.

3

» stroo v. wintergraan

10

stroo v. zomergraan

8

» gerststroo

•j

» roggevoedenneel

» tarwekaf

i

» sesamkoek

2

» katoen koek

1.5

» moutkieraen

15 KG. aardappels

10 » klaverhooi

5 - grashooi le qual.

3 stroo v. zomergraan

20 ï bierdraf, versch

4.

40

KG. pulpe, ingek.

30

KG.

groene mais, ingek.

5

» luzernehooi

8

klaverhooi

3

» klaverhooi

5

»

gerststroo

4

» grashooi le qual.

3

fill

tarwekaf

8

» stroo v. wintergraan

2

»

roggezeniels

1

-gt; roggezeniels

2

lijnmeel

2

» tarwezemels, grove

2

»

palmpitmeel

Ö.

5 » katoenkoek

b. Dagelijksehe melkgift 10 KG.

Dag. rantsoen p. 1000 KG. levendgew. Gehalte in KG. ongeveer: 2!)D. s., 2.5 Nh., 0.5 V'., 13 Nvr. en 14.4 S. v. Voedingsverh. 1 :5.7.

1.

40 KG. mangelwortels (i » grashooi, 2e qual. 8 » stroo v. peulvruchten 11 » koolzaadhauwen 3 '» rijstmeel 3.5 » aardnootkoek

2.

45 KG. raapknollen

6 » grashooi, 2e qual. 5 » luzernehooi

7 » stroo v. wintergraan 3 » palmpitkoeken

1.5 » aardnootkoek

25 KG. aardappelen 6 » grashooi, 2e qual. 5 » stroo v. wintergraan 8 » stroo v. peulvruchten

2 » boon meel

3 » sesamkoeken


34*

-ocr page 578-

508

')() K(i. roggespoeling

() »

grashooi, 2e qual.

5 »

stroo v. zomergraan

O »

stroo v. wintergraan

2 »

palmpitmeel

2 »

kokoskoek

2 »

raapkoek

1 »

maismeel

o.

45 K(x. pulpe, ingek. ii » klaverhooi (i » stroo v. zomergraan 3 » tarwekaf '2 » stroo v. wintergraan 2.5 » aardnootkoek 3 » palmpitkoek


c. Gemiddeld rantsoen volgens Maercker, per 1000 KG. Gehalte: 2.5 Kg. Nli. en 12.5 KG. Nvr.

1.

30 KG. 5 » 12 »

ö 12

o

12 2 2

0

1

9

l3/..' I'A

man gel wort els hooi

stroo en kaf

tarwezemels

palmpitmeel

katoenzaadmeel

aardnootmeel

rijst meel

hooi stroo

tarwezemels katoenzaadmeel

l3/4

l3/4 » aardnootmeel

20 KG. aardappels

stroo ' tarwezemels palmpitmeel katoenzaadmeel aardnootmeel melasse

30 KG. pulpe 5 » hooi

d. Mclkmestvcc, volgens Maercker, per 1000 KG.

Gehalte: ;gt; KG. Nh. en 15 KG. Nvr.

3.

1.

50

12 » 2 » 2 » 2i/o » 2 quot; » 31/4 quot;

50 KG.

5 » 12 » 2 »

9 »

20 KG. aardappels

o 12

2 2

IV2 » l3/4 »

mangeiwortels

hooi

stroo

tarwezemels

palmpitmeel

katoenzaadmeel

aardnootmeel

rijstmeel

hooi stroo

tarwezemels

palmpitmeel

katoenzaadmeel

aardnootmeel

rijstmeel

KG. spoeling » hooi » stroo » tarwezemels palmpitmeel katoenzaadmeel rijstmeel melasse

III. Mest vee.

a. 2de periode, per 1000 KG. levendgewicht.

rantsoen met een gehalte in KG. ongeveer: 30 D. s., 3 Nh., 0.7 V., 14.5 Nvr. S. v. Voedingsverh. 1 : 5.4.

Dag. en 17

1.

mangeiwortels grashooi, 2e qual. stroo v. wintergraan tarwezemels, grove aardnootkoek rijstmeel

ÖO KG. 10 »

5 » 4 »

30 KG. aardappels 10 » grashooi, 2e qual. 4 a klaverhooi 4 sgt; stroo v. wintergraan

2 » bierdraf

3 » aardnootkoek

6

6 ü

20 3

1

3.

klaverhooi

luzernehooi

gerststroo

bierdraf, verseh

maismeel

aardnootkoek

50 KG. pulpe


b. Volgens Maercker, nog groeiende dieren. Dag. rantsoen met 3 Nh. en 15 Nvr. stoffen, per 1000 KG. levendgewieht.

1.

2' KG. mangeiwortels 5 » hooi 12 » stroo

3 » zemels

4 » katoenzaadmeel 4.0 » maismeel 20 KG. aardappels 5 » hooi 12 » stroo

3 » zemelen

4 » katoenzaadmeel 2.1 » rijstmeel

3.

40 KG. pulpe 5 i' hooi 12 » stroo

3 » zemelen 2 » rijstmeel

4 » katoenzaadmeel 2.5 » melasse


-ocr page 579-

509

Dug. rantsoen met '2 Xh. 1.

TT) KG. uiangelwortels 5 » hooi 12 » stroo 2.0 » katoenzaadiueel 1.8 » melasse

Volgens ill., ro/wanscn diere

1 1Ü N vr. stoffen pur 1000

2.

20 KG. aardappels 5 » hooi 12 » stroo 3 » zemelen

2 » rijstmeel

1.8 » katoenzaadiueel

3 » melasse

KG. levendgew.

3.

40 KG. spoeling

40 »

mangelwortels

5 »

hooi

12 »

stroo

•-J

O »

zemels

0.5 gt;gt;

katoen zaadmeel

2 »

maismeel

3 »

melasse


IV. Paarden.

a. Bij middclmatiyen arbeid.

Dag. rantsoen p. JOOO KG. levendgew. met een gehalte in KG. ongeveer: 24 D. s., 2 Nh., 0.15 V., 11 Nvr. en 12.8 8. v.

1.

12 KG. haver 8 » grashooi, 2e qual. 3 » klaverhooi 3 » stroo v. wintergraan ■ (j 2.5

2. 1 3.

5 KG. haver i 10KG. mais

5 » mais lt;) » grashooi, 2e qnal.

4 » grashooi, 2e qual. (i » klaverhooi

klaverhooi 3 gt; stroo v. wintergraan

stroo v. wintergraan : 1 » aardnootkoek

I 0.75 » aardnootkoek

b. Bij zwaren arbeid.

Dag. rantsoen p. 10U0 KG. levendgew. met een gehalte in KG. ongeveer: 2U D. s., 2.5 Nh., 0.7 V., 13.3 Nvr. en 15.5 8. v.

18 KG. haver (i » grashooi, 2e qual. 3 » stroo v. wintergraan

boonen

2.

5 KG. haver 8 » mais

8 » grashooi, 2e qual. 4 » klaverhooi 3 » stroo v. wintergraan 2 » aardnootkoek

V. Trekossen.

10 Klt; 1. haver

grashooi,

;gt; » luzernehöoi

2 gt; stroo v. wintergraan

2 » palmkoek

1 » roggezemels

qual.

10


a. Bij middelmatig en arbeid.

Dag. rantsoen p. 1000 KG. levendgew. met een gehalte in KG. ongeveer: 25 D. s.

2( I KG. aardappels 5 » klaverhooi 5 » grashooi, 2e qual. 5 » stroo v. wintergraan » stroo v. peulvruchten 3 » raapkoek

2 Nh., 0.5 V., 11.5 Nvr. en 12 S. v. Voedingsverhouding 1 : 0.5.

1. _ 2.

50 KG. spoeling v. aardapp. ! 40 KG. mangelwortels

!) » grashooi, 3e qual. 4 » klaverhooi

(j » stroo v. zomergraan 3.5 » grashooi, 2o qual.

8 » stroo v. wintergraan 12 » stroo v. wintergraan

3 » raapkoek ' 2 » moutkiemen

i 3.5

[•: 22 D. s.

katoenkoek

lgt;. Bij geringen arbeid.

Dag. rantsoen p. 1000 KG. levendgew. met een gehalte in KG. ongeveer: .4 Nh., 0.3 V., 10 Nvr. en 9.7 S. v. Voedingsverhouding 1 : 7.7.

1.4

1.

5 KG. grashooi, 2e qual. 0 » klaverhooi (3 » stroo v. wintergraan 7 » stroo v. zomergraan 2 » raapkoek 10 KG. aardappelen 5 » klaverhooi 10 » stroo v. wintergraan 8 » haverstroo 1.5 » aardnootkoek

3.

5 KG. droge pulpe 9 » stroo v. wintergraan (J » tarwekaf 3 » stroo v. peulvruchten G » versche bierdraf 2 » lupinen, ontbitterd


-ocr page 580-

510

VI. Schapen.

a. Wohchapeu.

rantsoen i)er lüüü KG. levendgewicht met een gehalte in KG. ongeveer: 22 I). s., , 0.3 V., 12 Kvr. en 12 S. v. Voedingsverhouding 1:8.

10

KG.

stroo v. peulvruchten

20

KG. mangel wortels

15

KG. aardappels

5

»

klaverhooi

10

» grashooi, 2e qual.

10

» grashooi 2e qual.

5

»

grashooi, 2e qual.

12

» stroo om door te

5

» klaverhooi

8

»

stroo 0111 door te

snuffelen

12

» stroo om door te

snuffelen

5

» koolzaadhauwen

snuffelen

1

lupinen

2.5

» roggezemels

0.5

» katoenkoek

2

»

maismeel

0.5

» raapkoek

X.B. Drachtige en zoogende ooischapen dienen hierbij nog eene toegift van krachtvoer te ontvangen.

b. Mestschapen, 2c periode.

Dag. rantsoen per KHKI K(t. levendgewicht met een gehalte in KG. ongeveer 28 D. s., Nh., 0.6 V., 14..quot;) Nvr. en 1G.9 S. v. Voedingsverhouding 1 :4.5.

Dag. 1.5 Nh.

1. 2. |

10 KG. grashooi, 2e lt;jual. 40 KG. inangelwortels | 50 KG. geperste pulpe

6

» klaverhooi

10

» grashooi, 2e qual. » lupinenhooi

12

» luzernehooi

6

» stroo 0111 door te

10

8

» stroo om door te

snuffelen

4

» stroo om doer te

snuffelen

9

» boonen

snuffelen

5.5

» roggevoedermeel

3

» mais

4

3

» roggezemels » sesamkoek

4

» raapkoek

Nü'j groeiende meslxchapen : 3 KG. Nh., 0.5 KG. V. en 15 KG. Nvr., dus 3 Nh. op l(i.5 Nvr.

1.

20 KG. kaf en stroo 40 » inangelwortels 42/3 » aardnootkoek

3 » tarwezemels

4 » melasse c. VoUjens M a e r c k e r.

Volwassen bij het begin van H mesten: 2 a 2.5 KG. Nh., 0.5 KG. V. en 15 KG. Nvr., dus 2.3 Nh. op 16 1117.5 Nvr.

2.

20 KG. kaf en stroo 40 » inangelwortels 3.5 » aardnootkoek 3 » rijstmeel 5 » melasse

Volwassen, legen hel einde

ran

'l mesten: 1.8 Nh.

17.7

Nvr.

3.

20

KG.

kaf en stroo

40

»

inangelwortels

1.5

»

aardnootkoek

5

»

rijstmeel

2

»

tarwezemels

5.J

»

melasse


Vil. Groeiende mestvarkens.

Dagelijksch rantsoen voor 10 stuks.

a. 2—3 maand oud. Gemiddeld levendgewiehl 20 KG.

Rantsoen bevattende in KG. ongeveer: 8.SD.S., 1.5 Nh., 0.2 V., 5.6 Nvr. en 7.6 S. v.

1.

KG. afgeroomde melk » gerstmeel » mais » erwten

20 4

2 •gt;

2.

15 KG. volle melk

» gerstmeel » erwten » roggezemels


-ocr page 581-

511

b. 3—.) maand oud. Gemiddeld levendgcwicht ÓO KG.

Rantsoen bevattende in KG. ongeveer: 17 D. s., '2.5 Xh., ü.4 V., 12 Nvr.,en 15 S. v

1.

30 KG. afgeroomde melk 30 » aardappelen '2.5 » roggezemels

2.5 » maïs

3.6 » gerstemeel erwtenmeel gerstvoedermeel vleesehmeel

40 KG. aardappelen

(5

5

0.5


c. 5—G maand oud. Gemiddeld Icvcndgewicht 05 KG.

Kantsoen bevattende in KG. ongeveer: 27 D. s., 2.8 Nh., 0.4 V., 14..) Nvi

9

ISS.v

40 KG. afgeroomde melk 50 » aardappelen 4 » roggezemels 2 », rijstmeel

30

4

5

0

1

aardappelen erwtenmeel roggezemel8 gerstvoedermeel » aardnootkoek

30 KG. mangelwortels


d. ü8 maand oud. Gemiddeld leng leg ewicht 90 KG.

Kantsoen bevattende in KG. ongeveer: 27 D. s., 3.2 Nh., 0.4 V., 18.5 Nvr. en 28 S. v

1.

40 KG. afgeroomde melk 75 » aardappelen 5 » roggezemels 50 KG. mangelwortels

4() » aardappelen

5 » erwtenmeel

5 » gerstvoedermeel

2 » roggevoedermeel

1 » aardnootkoek


-ocr page 582-

512

Tabel Vin, voor hkrleiuinc; van het soortelijk «iewicht van volle melk hm verschillende temperatuur : ot dat bij LV C.

Temperatuur der molk in graden Celsius.

10

11

12

13

14

15

16

17

18 |

19

i

20

20

19.3

19.4

19.5

19.6

19.8

20

20.1

203

20.5

20.7

20.9

21

20.3

20.4

20.5

20.6

20.8

21

21.2

21.4

21 6

21.8

22 0

22

21.3

21.4

21.5

21.6

21.8

22

22.2

22.4

22.6

22.8

23 0

23

22.3

22.4

22.5

22.6

22.8

23

23.2

23.4

23 6

23.8

24 0

«O

24

23.3

23.4

23 5

23.6

23.8

24

24.2

24.4

24.6

24.8

25.0

V

25

24.2

24 3

24.5

24.6

24.8

25

25.2

25.4

25.6

25.8

26.0

O

20

25.2

25.3

25.5

25 6

25.8

26

26.2

26.1

26.6

26.9

27.1

—~

27

20.2

26.3

20 5

26.6

26.8

27

27.2

27.4

27.6

27.9

28.2

28

27.1

27.2

27.4

27.6

27.8

28

28.2

28.4

28.6

28.9

29.2

e

29

28.1

2S.2

28.4

28.6

28.8

29

29.2

29.4

29.6

29.9

30 2

30

29.0

29.2

29.4

29.6

29.8

30

30.2

30.4

30.6

30.9

31.2

31

30.0

30.2

30.4

30.6

30.8

31

31.2

31.4

31.7

32.0

32.3

C

QD

32

31.0

31.2

31.4

31.6

31.8

32

32.2

32.4

32.7

33.0

33.3

33

32.0

32 2

32.4

32,6

32.8

33

33.2

33.4

33.7

34.0

34.3

34

32.9

33.1

33.4

33.5

33 8

34

44.2

.31.4

34.7

35.0

35.3

35

33 8

34.0

34.2

34.4

34.7

35

35.2

45.4

35.7

36.0

35.3

Tabel V16, idem

voor

afgeroomde

melk.

T

emperatuur der

melk

iu gr

a d e n

C e 1 s 1 u s.

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

20

19.5

19.6

19.7

19.8

19.9

20

20.1

20.2

20.4

20.6

20.8

21

20.5

20.6

20.7

20.8

20.9

21

21.1

21.2

21.4

21.6

21.8

22

21.5

21.6

21.7

21.8

21.9

22

22.1

22.2

22.4

22.6

22.8

23

22.5

22.6

99.7

22.8

22.9

23

23.1

23.2

23.4

23.6

23.8

24

23.4

23.5

23.6

23.7

23.9

24

24.1

24.2

24.4

24.6

24.8

c

25

24.3

24.4

24.5

24.6

24.8

25

25.1

25.2

25.4

25.6

25.8

26

25.3

25.4

25.5

25.6

25.8

26

26.1

26.3

26.5

26.7

26.9

£

27

26.3

26.4

26.5

26.6

26.8

27

27.1

27.3

27.5

27.7

27.9

O

28

27.3

27.4

27.5

27.6

27.8

28

28.1

28.3

28.5

28.7

28.9

29

28.3

28.4

28.5

28.6

28.8

29

29.1

29.3

29.5

29.7

29.9

30

29.3

29.4

29.5

29.6

29.8

30

30.1

30.3

30.5

30.7

30.9

31

30.3

30.4

30.5

30.6

30.8

31

31.2

31.4

31.6

31.8

32.0

32

31.3

31.4

31.5

31.6

31.8

32

32.2

32.4

32.6

32.8

33.0

~

33

82.3

32.4

32.5

32.6

32.8

33

33.2

33.4

33.6

33.8

34.0

c

34

33.3

33.4

33.5

33.6

33 8

31

34.2

34.4

34.6

34.8

35.0

cS

35

34.2

34.3

34.4

34.6

34.8

35

35.2

35.4

35.6

35.8

36.0

36

35.2

35.3

35.4

35.6

35.8

36

36.2

36.4

36.6

36.9

37.1

37

36.2

36.3

36.4

36.6

36.8

37

37.2

37.4

37.6

37.9

38.2

38

37.2

37.3

37.4

37.6

37.8

38

38.2

38.4

38.6

38.9

39.2

39

38.2

38.3

38.4

38.6

38.8

39

39.2

39.4

39.6

39.9

40.2

40

39.1

39.2

39.4

39.6

39.8

40

40.2

40.4

40.6

40.9

41.2

-ocr page 583-

513

Tabel VII. gemiddelde samenstelling van gemengde melk1).

1. Geleverd aan de Arnhemsche : ^ -o ^

melkinrichting gedurende 10 jaar i)

in de verschillende maanden van o = 5 ,t . i^, ~ o ,

tjaar. o

I—

'P ® I W

I c S ' ^ o 2. Geleverd aan ? gt; 1 0ó

ca ! ^ gt;

de kaasfabriek te lp jx Hoogkarspel, in de ^ verschillende maan- ® g 2 jx :::2 den van 'tjaar 3). Lti o

!o£

3. Geleverd aan eene roomboterfabriek in Friesland in 1893-94'').


Maanden.

Dlquot;0*fe Vet S. G. bij

stnt •'

stof Pet.

proc.

15° C.

KG.

Droge ye^ Vetvrije:

stof I , i droge KG. Pet. ; ' stof Pet.

KG

Vet I s-«- Dr°se bij | stol proc. j J50 ( ■_ : proc.

Januari ....

11.SO

3.02

1.03229

3/19

11.61

2.75

8.80

10.49

21.51

3.28

1.0311

11.989

Februari....

11.80

2.99

1.03232 : 3.44

11.1'i

2.41

8.73

9.82

22.42

3.04

1.0312

11.710

Maart.....

11.85

3.02

1.03230'

3.40

11.18

2.36

8.82

-

23 35

2.83

i 1.0311

11.431

April......

11.83

3.03

1.0322't

3.3(1 •

10.73

2.17

8.50

8.0'i

25.95

2.84

1.0310

11.341

Mei.......

12.00

3.0'*

1.03251

2 30

10.97

2.31

8.50

8.23

24.9S

2.92

1.0308

11.472

Juni.......

11.82

2.87

1.0324C)

2.77

11.00

2.41

8.59

8.41

1 25.11

2.88

1.0308

11.4(54

Juli.......

11.75

2.94

1.03231

2.82

10.70

2.35

8.41

8.03

j 25.015

2.81

1.0310

11.370

Augustus . . .

11.77

3.00

1.03229

2.80

10.85

2.38

8.47

8.3(5

' 24.52

2.8(5

1.0312

11.490

September . .

11.88

3.01

1.33229

2.90

11.20

2.63

8.07

8.9)

22.'IO

-

-

-

October ....

12.06

3.19

1.03228

3.31

11.67

2.93

8.74

10.15

20.54

3.31

1.C310

11.999

November. . .

11.90

3.15

1.03200

3.07

12.06

3.33

«.73

11.9'i

19.98

3.62

1.0311

12.388

Deeember . . .

11.83

3.00

1.03214

3.02

12.10

3.34

8.70

11.46

I 20.82

|

3 45

' 1.0312

12.255

Gemiddeld . .

11.86

____

3.025

1.03229

3.20

11.27

2.62

8.(55

9.45

23.05

3.07

1.03105 11.720

1

Voor de samenstelling der melk van enkele koeien zie men de volgende taliel, 1)1. 514, en voor hare afstamming de rundveestamboeken. De koe, Emmie III, Fig. 81, bl. J82, No. 11973 N. K. S., gaf, niettegenstaande haar weinig ontwikkeld uier, in li)ül in 300 melkdagen 370!) KG. melk met een vetgehalte van 3.1!) proc. en alzoo een boteropbrengst van 125 KG.

!) Van Mei 1884 tot April 18!)4. De melk was afkomstig van 13-18 leveranciers.

2) Van Mei 1879 tot April 1890. Jaarlijks werd van ruim 29000 tot bijna 104000 liter volle melk tot boter gekarnd, liet gemiddeld procent verkregen boter wisselde in de verschillende jaren af van 2.92 tot 3.85. Mededeeling van den directeur der inrichting, den heer G. H. Beer.

3) Deze melk was afkomstig van pl. m. 155 koeien. De avondmelk wordt bij de leveranciers te roomen gezet en 's morgens, na afgeroomd te zijn, tegelijk met de niet geroomde morgenmelk naar de fabriek gebracht en verkaasd. De gemengde melk werd onderzocht van 8 Febr. 1893 tot 25 Jan. 1894. De volle melk werd van 14 Oct. 1892 tot 10 Jan. 1893 onderzocht en had toen een gemiddeld vetgehalte van 3.23 procent en een gemiddeld soortelijk gewicht van 1.0331, waaruit werd berekend een gemiddeld gehalte aan droge stof van 12.03 proc. Mededeeling van den directeur der fabriek, den heer D. Brander.

■') De kazen werden gewogen na het zouten, dus 5 a 0 dagen oud.

5) Deze kaas werd gewogen 3 a 4 week na het zouten, toen zij op de markt verkocht werd.

6) Mededeeling van den heer .1. Mesdag, zuivelconsulent in Friesland.

-ocr page 584-

514

VERSCHILLENDE OPliRENGSTEN AAN MELK, BOTER EN DROGE STOF VAN ENKELE KOEIEN UIT EENZELFDE VEEBESLAG.

Tabel VIII.

!. Eigenaar J. L. T. veeslag, in l!)01/]902 1).

Groneman , Wicringerwaard. Kleigrond. Noordholiandsch

NAAM DEK KOE.

OUD.

KG. MELK.

KG. VET.

KG. DROGE STOF.

AANTAL M ELK-DAG EN.

DROOG GESTAAN.

4899

Christina 28.....

2 jaar.

3240

108.5

301

205

70

Dora 22......

id.

3127

112.0

31)9

292

01

Cornelia 20.....

id.

2959

87.7

341

251

92

id. 30.....

id.

3703

113.7

444

298

58

Wilhelmina 0 . . . .

id.

3545

409.2

427

264

40S

Cornelia 27.....

3 mar.

4235

116.0

409

301

64

id. 20.....

id.

4102

128.1

488

312

59

Christina 22.....

id.

4402

424.0

488

310

58

id. 25 .....

id.

4455

116.0

466

284

60

Dora 49......

4 jaar.

4935

137.4

543

333

08

Trijntje 9......

id.

4307

418.0

473

277

71

Christina 20.....

id.

5359

154.0

602

330

09

Eigenaar P. R. Keestra, Jekuni, Friesland. Zware klei. Kriesch veeslag in 1900 2).

NAAM DEK KOE.

OUDERDOM.

GEKALFD IN 1900.

1

HOEVEELHEID MEL K. KG.

r.EMIDDELD 0/0 V ET.

BOTER-OPURENCST

Ko.

z.

Leeuwarder Nl\ . .

2 jaar.

i 28 .lanuari.

3590

3.51

137

319

Stedman VI . . . .

2 »

20 »

3083

3.0U

100

300

Leeuwarder XIIl . .

4 gt;gt;

11 Maart.

4489

3.31

150

282

Zwartkop Keilde VII

4 »

| 18 »

3273

3.07

108

285

Neger IV.....

5 »

1 22 Februari.

4919

3.31)

479

304

Zwarte Kedde l\. .

6 »

1 25 »

4925

3.18

168

291

Bontje ......

7 »

7 Maart.

5220

2.77

154

260

Zwarte Kedde VI. .

9 »

1 Februari.

3572

2.67

101

230

3. Eigenaar J.

VAN DER WOUDE, GroUW,

Friesland.

Moergrond. Friesch veeslag,

in 1900 2).

Douwtje III . . . .

2 jaar.

] 2 Februari.

1970

3.14

07

314

Klaasje III . . . .

2 »

27 Januari.

2435

2.52

05

370

Libra III.....

3 »

j 11 Maart.

aquot;)9o

3.22

125

308

.lelies II.....

4 »

22 Februari.

2884

3.57

142

270

Tietje II.....

5 »

' 0 Maart.

3381

2.64

95

289

Castelein III. . . .

5 »

! 24

3932

3.31

140

324

Siemke 1.....

6 »

18 gt;.

3030

3.10

103

298

Witte Eal I. . . .

8 »

8 Februari.

4284

3.80

177

315

4. Eigenaar J.

V KRWEY , _

ilkcmarle, Zuid-Holland. Veengrond. Groningseh

veeslag,

in 1901/1902 3).

NAAM DER KOE.

OUD.

GEKALFD IN

•1901.

MELK-OI'BR ENGST KG.

- ^

— O

0

Ir.

9 = ~

iT

r. - ^

1 i ^ c

o 5

? 55

o.

SS

lt; 5

5 i

lt; s

•1899.

.laantje.....

2 jaar.

17 April.

1748.5

3.07

57.7

11.00

204.1

269

Neeltje.....

10 Maart.

2740.9

3.59

100.8

12.20

330.0

287

Grietje.....

3 jaar.

29 April.

1829.5

2.84

55.5

10.85

198.5

242

Pietje.....

))

28 Maart.

2920.0

2.90

90.7

11.15

325.6

280

Jannetje ....

4 jaar.

20 Maart.

2570.4

2.87

79.2

44.25

289.8

200

Wilhelmina . . .

»

25 Maart.

3282.9

3.23

114.4

11.92

391.3

262

Gerritje ....

5 jaar.

24 Maart.

3329.2

2.91

103.8

11.53

383 9

290

Maartje.....

»

22 Maart.

5017.2

3.39

184.0

11.87

595.5

299

Willernpje . . .

0 jaar.

20 Maart.

3400.7

2.98

109.7

11.27

383.3

297

Berardina. . . .

20 Februari.

5712.2

3.10

194.5

11.51

657.5

304

1) Mededeeling van Dr. L. T. C. Schey

2) ,, ,, J- Mesdag,

3) „ „ A. Bos,

znivelconsulent in Noord-Holland. „ „ Friesland.

„ ,, Zuid-Holland.


-ocr page 585-

ALPHABETISCH REGISTER.

A.

Aanfokken S(i.

» in een zuiver ras SO. » van rundvee 220. » » paarden 400.

» » schapen 43.r).

» » varkens 457.

Aanloopen 78.

Aanpassen aan het klimaat 10;3.

Aantal rundoren in Nederland 3Gü. » paarden » » 41(i. » muildieren » » 419. » schapen » » 438. » geiten » » 44r). » varkens » » 4()2.

Aardappels 102.

Aberdeen—Angus-vee 209, 218.

Accoordwerkers 472.

Acid-butyrometer 273.

Ademhaling 36, 50.

Aden 290, 295.

Aderhuid 81.

Aders 33.

Afgeroomde melk 127, 320.

Afkeer van voedsel 150.

Afkoelen van melk 290.

Afmetingen 95.

» van rundvee 224, 225, 227. » » paarden 372, 407.

» » schedels 170.

Afronding der boerderijen 407.

Afscheiding door nieren 55.

Afstamming van het Rund 100. » » » Paard 308.

» » » Schaap 420.

» » de Geit 440.

» » het Varkeu 448.

Afwennen 107.

Agcnais-vee 200.

Agricultural holdings act 489.

Akkerbouw 481.

» op zand 481. » » de klei 482.

Albumine 5, 205.

Alderney-vee 197, 209, 217.

Alfa-separator 300.

Allgiiuer-vee 201.

» -kaas 359.

Allantoïs, zie 1'iszak.

Alpenvee 201.

Alvleeschklier 30.

» sap 30.

Amiden en amideachtige lichamen 48,55,109. Amnion, zie vruchthuid.

Amortisatie 407.

Anerbenrecht 468.

Angler-vee 199, 224.

Anglo-Normandische paard 391, 399. Angora-geit 446.

» wol 440.

Ansbach—Triesdorfer-vee 203.

Aorta 33.

Aquitanië-vee 200.

Arabische paard 382, 393.

Arbeid 471.

» der arbeiders 472. » » trekdieren 473.

» inwendige 04.

» uitwendige 04.

Arbeidsvermogen 63, 71.

Ardenner-paard 399.

» vee 205.

Arnhemsche melkinrichting 277, 293, 335. Ariège-vee 206.

Artsenijgewassenteelt 484.

Assimilafie 52.

Asch 4.

Aschbestanddeelen (i, 41, 53.

» van melk 265, 268.

Atavismus 89, 99.

Aubrac-vee 206.

Auer-ochs 100.

Auge-vee 205.

Auvergne-vee 200.

Ayrshires 218, 220.

B.

Baarmoeder 40.

Babolna o95.

Bacteriën 282.

Bacteriologie 282.

Baden van kaas 353.

Baggas-schaap 423.

Bakonyer-varken 453.

Balans-centrifuge 312.

Ballen 40.


-ocr page 586-

516

Kanilt'ii l'J.

Bandniaat il5.

Banting 104.

Bantingkuur (il.

Bardot 4U).

liarg 448.

Bastaards 8ü.

Bastaardvorm quot;üi!.

Bates 214.

Baudets 419.

Basac-vee 200.

Bayreuthur-vee 203.

Béarn-vee 200.

Bechtelsheim-centrifuge, Van 300. Bedouinen-sehaap 424.

Bedrijfskapitaal 4(i8.

Bedrijfsleer 405.

Beenineelbeseliuit 134.

Beenweefsel 11.

Beenvlies 12.

Beer 448.

Beklembrief 480.

Beklemde meier 480.

Beklemrecht 480.

Beleeren van paarden 400.

Belgische centrifuge 314. Belgisch—Limburger vee 205. Beoordeelingsleer 92.

Beoordeeling naar de verrichtingen 92, 220,

227, 390, 395, 417.

Bergrassen 174.

Bergschaap 423.

Berkshire-varken 455.

Berry-schaap 424.

Bersten der maag 151.

Beslag der boerderijen 408.

Bespringen 78.

Besmettelijke ziekten 157.

Beschimmeld hooi 121.

» voeder 157.

Bestuur der boerderijen 484.

Bevordering der nielkrijkheid 229, 278. Bevalling 83.

Bevruchten 80.

Beweging van het Paard 381.

Beyerleys Turk 394.

Beyreuther-vee 203.

Biest 84, 200.

Biestbolletjes 200.

Big 448.

Bindweefsel 10.

Bisons 159.

Bison aniericanus 159.

» europaeus 159 Bijproducten van fabrieken 125. » » het Rund 307.

» » » Paard 419.

» » Schaap 445. » » » Varken 403.

Bijzondere teelten 484.

Blaas 83.

Bias 151.

Bladeren van mangelwortels 117. gt;gt; » boomen 121.

Blauwgras 118.

» -hoo 118.

Blauwe kaas 301.

liles 374.

Blik, verschillende 77.

Blinde darm 29.

Blizzards 101.

Bloed 31.

Bloedbolletjes 31.

Bloedmenging 89.

Bloedsoudoop 33.

Bloevaten 33, 221.

Bloedverversching 91.

Bloedverwantschap. Paren in 91.

Bloedserum of bloedwel 32, 40.

Blootwol 445.

Boeggewricht 19.

Boekhouding 491.

Boekpens 29, 44.

Boekel's kaasbereiding 358.

Bok 445.

Bokjes 430.

Boerderijen 408.

Bolingbroke 212.

Bolle kaas 301.

Bolligheid 228.

Bol-ossen 171.

Bonten 374.

Boomgaarden 484.

Boomkweekerijen 484.

Booth 214.

Borgstelling 488.

Borstels 403.

Borstholte 29.

Borstomvang 148.

Borstvlies 29, 37.

Bos frontalis 103.

B. gaurus 104.

B. 'grunniens 103.

B. tan rus 100, 170.

B. t. al pin us 177.

B. t. aquitanicus 177.

B. t. asiaticus 177.

B. t. batavicus 177.

B. t. brachycephal us 109, 170, 201.

B. t. brachyeeros 109, 175, 201.

B. t. longifrons 109, 175, 201.

B. t. brittanicus 177.

B. t. calcedonicus 177.

B. t. frontosus 109, 170, 202.

B. t. genu aniens 177.

B. t. hi b er n ie us 177.

B. t. ibericus 177.

B. t. jurassicus 177.

B. t. ligeriensis 177, 75.

B. t. priraigenius 100, 109, 175, 19iS.

B. zebu indicus 105.

B. z. africanns 105.

Boter 321.

» -bereiding 321.

» , eigenschappen 337.

» -kleursel 335.

» -kneedbord 334.

» » machine 333.


-ocr page 587-

Botermol 332.

» -opbrengst 335.

-samenstelling 337.

» -verzending 330.

Boulogneser-paard 397.

Bourgondische vlekvee 2lt;)'2. Boven-Paltz-vee 203.

Brandassurantie 407.

Brachycephalen 169, 177, 382, -133, 4:)0. Breading in and in 89.

Breedstaartige schapen 423.

Breekmachines 141.

Breken van wrongel 344.

» » zaden 131.

Bretagner vee 204, 200.

Breitenburger-vee 198.

Brie-kaas 343, 359.

Brinscnkaas 445.

Broeien van veevoeder 131.

Brood en Broodbereiding 133.

Bronstijd 79.

Bruikbaarheid van gronden 400.

Bruinhooi 496.

Buffels 159.

Buikholte 29.

Buikspeekselklier 30.

Buikvlies 29.

Budjadinger-schaap 423.

Burdos-schaap 425.

Burmeister en Wain-centrifuge 310.

c.

Caledonische runderen 200.

Caloriën, zie verbrandingswarmto. Camargue-vee 200.

Camembert-kaas 343.

Caseïne 205.

Gascon 304.

Castrecren van kalver 229. » » veulens 409. » » rammen 430. » » varkens 459. Cavaleriepaarden 392, 400.

Celstof. Vertering der 47, 411.

Celtische of Keltische varkensras 450. Cement 370.

Centra van kaasbereiding 342. Centrifugaalkracht 294, 299. Ccntrifugcbedrijf 319.

Centrifuges 306.

Centrifuge-methode 306.

» -room 320. » -uitroomingsgraad 319. » -voordeden 318. Cevennen-schaap 423.

Charmoise-schaap 428.

Charolais-vee 207, 220.

Choddar-kaas 342, 359.

Chester-kaas 342, 359.

Cheviot-sehaap 428.

Chineesche schaap 423.

» varken 452, 454, 456. Chylvaten 33, 30.

Chondrine 5.

Chorion 81.

Churra-schaap 423.

Cichoreiteelt 484.

Ciliën 9.

Cimmarones 308.

Circulatie-Bloed 33.

Citroenzuur 205.

('levelandsche bruin(gt;n 403.

Clydesdales 401.

CÓb 403.

Colchis-schaap 424.

Colostrum 84.

Comet 212.

Common-breed 215.

Condimenten 108.

Condroz-ras 391, 399.

Conformiteit en Constantheid 87. Consumptie-boter 336.

Contratto di livello 48i.

Coöi)eratieve vereenigingen 470. Cornwales-schaap 423.

Cotentin-vee 205.

Cotolydones 81.

Cotswold-schaap 427, 433.

Cnl dc cheval 181.

D.

Daglooners 471.

Dairy-cattle 215.

» -shorthorns 210.

Darley's Arabian 394.

Darmen en Darmkanaal 29.

Darmpek 84.

Darmsap 30.

Darmscheil 29.

Dauw 308.

Deelen van 't geraamte 14.

Deensche centrifuge 310.

» karn 322.

paarden 405.

Dekhengst 369, 408.

Dekken 78, 408.

Depressie 112.

Derby-kaas 342, 359.

Destinonsche roomm. 295.

Devon-vee 210, 220.

Devonshire-roomm. 295.

» -schaap 420.

Dexter-Kerry-vee 218.

Dienstboden 471.

Dinka-schaap 423.

Dithmarsche schaap 423.

» vee 198.

Dolichocephalen 169, 177, 382, 433, 1.)0. Dolores 83.

Donnersberger-vee 203.

Doorfokken 89.

Doorwassen vleeseh 10.

Doppellendigkeit 181.

Dorset schaap 427.

Dorst 53.

Draagrand 415.


-ocr page 588-

518

Draagtijd 83.

Drachtigheid 81.

Draf 381.

Dray-horse 401.

Drentsche paarden 385.

» schapen 432.

» vee 188.

Drieslagstelsel 478, 481.

Drijvers 4t)l.

Droge stof 147, 207, 274, 404.

Druif 321.

Druivensuiker 6.

Dschungelrund 164.

Dsiggetai 368.

Dnbbelbillen. Zie paardebillen.

Dubbele liokken 430.

» hitten 403.

Duitsche centrifuge 312.

Durham-vee, zie korthoorns en sliorthoorn-vee.

Duwen van kaas 353.

Duxer-vee 204.

E.

Eclipse 394.

Edammer kaas 342, 353.

Edele paarden 382.

» schapen 426.

Eénhoevigen 18.

Eénslagstelsel 478.

Egerliinder vee 204.

Ei 8, 40.

Eiderstadter schaap 423.

Eigenaar 484.

Eigenerfde boerenstand 490.

Eierstokken en Eileiders 40.

Eigenlijke huid 26.

Eigenschappen van het Rund 170.

» » Paard 368. » den Ezel 368, 419. » » het Schaap 420.

» » de Geit 445.

» » het varken 447.

Eiwitstoffen 4, 43, 108, 265.

Eiwit. Omloopend 52.

igt; orgaan- 52.

» ruw of onzuiver 108. » voorraads- 52.

» zuiver 108.

Elastine 5.

Electoraal schaap 425.

Elleboogsgewricht 19.

Ellcboogsnitsteeksel 96.

Email 370.

Emboucher 208.

Embrro 81.

Emmenthaler kaas 342, 359. Emphytéose 487.

Empress-centrifuge 317.

Emulser 320.

Endeldarm 29.

Energv 63.

Engelsche paarden 400. Engelsche schapen 426.

» varkensrassen 454. » veerassen 209.

Enter 171.

Epidemische ziekten 157. Epithelium 9.

Eq u u s asin us 368. » Bunchellii 368. » s C a b a 11 u s 368. » C. africanus 382. » C. asiaticus 382. » C. b e 1 g i c u s 382.

('. britannicus 382. C. f r i s i c u s 382. » C. germanicus 382. » C. hibernicus 382. » C. s e q u a n u s 382. E. hemonius 368.

» onager 368.

» taen iopus 368. » quagga 368.

» zebra 368.

Erf 356.

Erfelijkheid 98.

Escuriaal-schaap 425. Essex-varken 454.

Eucasin 364.

Evenwicht in het bedrijf 492. Ever 448.

Excretiën 13.

Exportslachterijen 462.

Extensief bedrijf 477.

Extensieve mesting 251. 1 Exterieur 94.

» van het paard 372. Ezels tamme 368, 419.

» half 368.

■a wilde 368.

Eringer vee 204.

F.

Familiën 87, 88.

Favorite 212.

Fédon 419.

Fémelin-vee 205, 207.

Fermenten 5.

Fluorcalcium 7.

Foetus 40, 81.

Fogaras 395.

Fokmethoden 88.

Fokrassen 87.

Fram-centrifuge 317.

Frankenras 202.

Fransche rundvee 205. Freibnrger vee 202. Friedrich-Wilhelm stoeterij 403. Friesche kaas 342, 356. » paard 384. » rundvee 185. » schaap 429.


-ocr page 589-

519

G.

Gay al 163.

Galop 381.

(xallen 378, 38'l.

Gal 30.

Galblaas 30.

Galloway-rundvee 208. Galloway-koe 212.

Galzuren (i.

Garonne vee 200.

Gascogne vee 200.

Gaspeldoorn 131, 200.

Gauer 104.

Geappeld 374.

Gebit van liet Paard 369. » » » Rund 171. » » » Schaap 421. » » » Varken 448. Geboorte 83.

» ontijdige 83. » rechttijdige 83. Gebreken der boter 337. » » kaas 361. gt;. » melk 280. » wol 442.

Gebroeid hooi 121.

Gebruik der fokdieren 104. » van het melkvee 264. » -•gt; » mestvee 364. » » Paard 416. » » Rund 264. » » » Schaap 438. » » Varken 462. » gt;» werkvee 366. » » » wol 443. Geconcentreerd voedsel 225. Gecondenseerde melk 363. Geconserveerde » 364. Gefractioneerde sterilisatie 286. Geïsoleerde plaats 476.

Geit 445.

Geitachtigen 159.

Geitenteelt 445.

Geklersche paard 386

rundvee 194. » schaap 443. Geledingen 19.

Gele kaas 357.

» wortels 122.

General stud-book 394. Gemengde wol 423.

Geraamte 14.

» Deelen van 't 14. Germania-centrifuge 314.

Gerst 123.

Geslachten 86.

Getikte kaas 352.

Gevoelloosheid 78. Gevoelsindrukken 78. Gevoelstepeltjes 27.

Gevolde wollen stoKen 443. Gewicht van het Paard 372.

» » Rundvee 173.

[ Gewicht van het Schaap 422. » » » Varken 450. Gewrichten 19.

» kogel- 19.

onvolkomen 19. » scharnier- 19.

Gezondheid van dieren 156.

Girard's roommethode 295.

Glan-vee 203.

Globnlines 5.

j Glutenmeel 126.

Glycogeen 6, 55, 65, 70.

Godolphin 3it4.

Gooische boekweitteelt 481.

Gotische veeras 202.

Goudsche kaas 350.

Graad van zuurheid 341.

' Graanbouw 478.

Graan pletter 141.

i Graditz stoeterij 403.

: Granen 122.

I Gras 115.

Grasboter 336.

Grasbouw 478.

| Grashooi, zie hooi.

j Grimdarm 47.

Groen voeder 115.

i Groen mengvoer 117.

Groninger Paard 384.

Schaap 429. » Rundvee 181.

Grondrente 490.

Grootoorige varkens 491.

Gruyère-kaas 342, 359.

Guernsey-vee 217, 220.

Gussandersche roommethode 294. Guste koe 171.

H.

Haarpapil 26.

Haar winter- 27.

» zomer- 27.

Haarvaten 33.

» -net 34.

Hack of Hackney 390, 403. Haemaglobine 5.

Haematine 5.

Haksel 130.

» -snijders 134.

Halfbloed 89.

-paard 382, 390, 394, 402. Half-bred 394.

Halligdal-vee 201.

Halsbouw 418.

Halve mesting 251.

Hamel 421.

Hampshiredown-schaap 428. Hampshire-varken 455.

Hamen 418.

Hand 401.

Handcentrifuge 301, 317.

Handkaas 342.

Hannoversche paardert 405. » schaap 424.


-ocr page 590-

520

i.

Harde kaas 339, 359. Harmonische bouw 373.

Harp 344.

Hart 33.

» -boezems 33.

» kamers 33.

» slag 35.

Harz-vee 204.

Hauwen 122.

Haver 123.

Hazen hak 379.

Heedige wol 442.

Heft 351, 361.

Heideschapen 422, 432. Heidschnucken 422.

Heisnikken 188.

Hengstig 408.

Hengstveulen 309. Herdwick-sehaap 423, 428. Hereford-vee 209, 210, 220, 22(i. Hereford-sohaap 424. Herjendals-vee 201.

Herkauwen 45.

Herkauwende dieren 159.

Herod 394.

Herregards-vee 199.

Hessische schaap 424.

Heukel 171.

Heupgewricht 19.

Hipper 321.

Hitten 403.

Hobbekaas 354.

Hoefdieren 3.

Hoefijzers 415.

Hoektanden 14.

Hoeven 380.

Hokkeling 171.

Holaders 35.

Hollandsche koeien 193. Holsteinsche kaas 343. » karn 322. » paarden 405. Hongaarsche paarden 395. » stoeterijen 395. » varkens 453.

Honger 59, 150.

Honigklaver 301.

Hooi 117.

Hoornpit 170.

Hoornschede 170.

Hoornstof 5.

Hoornstraal 415.

Hoornvee 159.

Hoornwand 415.

Hopteelt 484.

Horens 20. 170, 420, 445. Houtteelt 477.

Hubback 212.

Hui 338, 303.

Huid 26, 150.

Huidparasieten 150.

Huisdieren 1.

Hunter 403.

Hygrometer 350.

Iberische runderen 204.

varkens 450.

IJslandsch schaap 422. l.Jswaterkruik 331.

Ijzer en ijzerzouten 8, 53. Improved shorthorns 215. Inademing 37.

Incestzucht 91.

Indische varken 452.

Individu 42.

Individualpotenz 101.

Individueele kenmerken 93. Industrie-landbouw 479, 482. Infantando-schapenras 425. Ingewanden 29.

Inheemsche ziekten 157.

Inkuilen van veevoeder 132. Inmaken van veevoeder 132. Intensief bedrijf 477.

Intensieve landbouwstelsels 479. Intensieve mesting 251.

Invloed van klimaat en grond 102. » » licht 70. » » warmte 74.

Inzucht 89.

Isodynamie der voedingsstoffen 08.

J.

Jacht-paarden 373, 403.

Jersey-vee 217, 220.

Jura-vee 207.

K.

Kaardenteelt 484.

Kaas 337.

Kaasbereiding 337.

Kaasborden 354.

Kaasdoek 340.

Kaasfabriekcn 358, 302.

Kaasgom 364.

Kaaskelder 349.

Kaasketels 343.

Kaaskit 304.

Kaaskleursel 347.

Kaaskop 353.

Kaaslijm 304.

Kaasmade 362.

Kaasmes 344.

Kaasmyt 362.

Kaasopbrengst 302.

Kaaspersen 340.

Kaasschop 344.

Kaasstof 3:57.

Kaasvlieg 349, 302.

Kaasvloot 352.

Kaasvormen 345.

Kaf 122.

Kalf 171.

Kalfroom 128, 230, 252.


-ocr page 591-

gt;21

Kalk 7, 53.

Kalkoenen 410.

Kalverziekte 245.

Kamervlieg 362.

Karupereilandsch hooi 11!).

» vee 180.

Kamwol 443.

Kamwol-merinos 425.

Kanariezaadteelt 484.

Kanker 302.

Kanter kaas 357.

Kapitaal 465.

Karnemelk 127, 332, 337.

Karnen van volle melk 321, 324, 326. » zoeten room 320. » » zuren » 326. Karperrug 376, 451.

Karteldarm 29.

Karwijteelt 484.

Kaschmirgeit 446.

Kefir 364.

Kelheimervee 204.

Keltische of Celtische veerassen 204. Kemelshaar 440.

Kempensche schaap 433.

Kenmerken van cavaleriepaarden 406. » » een hengst 408.

gt; koetspaarden 400. » :gt; melkvee 221.

» » een merrie 408.

» » mestvee 225. » » mestschapen 435.

» » rijpaarden 400.

» » trekpaarden 406.

» werkvee 226.

» » wolschapen 435.

Kentschaap 424.

Kernmesting 255.

Kerry-schaap 423.

» -vee 218.

Keukenzout 8, 54, 133.

Kisbér 395.

Klapvliezen 33.

Klassen 86.

Klaverhooi. Zie Hooi.

Klaversoorten 110.

Kleenen 353.

Kleintjes 354.

Kleinzen 353.

Kleur van haar en huid 374.

Klienen 353.

Klienhek 358.

Klieren 13.

Kloppen van 't hart 35.

Kleuren van boter 334.

» » kaas 347. Kleurselvlekken 361.

Knijpers 361.

Knikbanden 180.

Knoros 163.

Knollen 122.

Koehakkig 180, 371.

Koekalf 171.

Koekbrekers 145.

Koeken 127.

Koetspaarden 389, 403, 406.

Koffieroom 320.

Koken van veevoeder 131.

Kol 374.

Komynde kaas 347, 350.

Kookpot 145.

Kooktoestel 140.

Kool 117.

Koolhydraten (5.

Koolrapen 122.

Koolzuur 57, 65.

Koolzure kalk 7.

» magnesia 7.

Korenbouwerij 482.

» op rivierklei 482.

» » zeeklei 482.

Kort 352.

Korthoornigen 209.

Korthorens en korthoornvee 200, 220, 228. Kortoorige varkens 451.

Kortstaartschapen 422.

Kossem 170.

Koudbloedige paarden 382, 301, 306.

Kraakbeen weefsel 10.

Krachtvoeder 122, 147.

Kreatine 0, 55.

Kreatinine 6, 55.

Kroon-separator ill7.

Kroesharige varkens 453.

Kruisen 89.

Kruidkaas 350, 357.

Kruin draaien 361.

Kuikalf 171.

Kuiskalf 171.

Kümys 364, 410.

Kunstboter 337.

Kunstkaas 363.

Kuhlander vee 204.

Kwee of kween lil.

L.

Laaglandsrassen 171. Laaglandsschaap 423. Laaglandsvee 108.

Laatrijp 172. Lacha-schaap -124. Lactatie-periode 246, 2i7. Lactobutyrometer 271. Lactodensimeter 260. Lactokrit 272. Lactoproteïne 262. Lakenveldsch vee 103. Laktarin 364.

Laktite 304.

La Manche schaap 424. Landbouwstelsels 476. Landhuishoudkunde 404. Landnationalisatie 408. Landschaap 423.

Landvee 205. Langbeenige schaap 423. Lange melk 285.


heinde us. III. Vierde dmti.

-ocr page 592-

522

Langstaai'tlge schapen 423. Langhoornigen 209, 21(1, 217. Langstraatsch hooi 110.

Latierboomen 414.

Large breed 4.j4.

Lavanthaler vee 204.

Lavoisy's karn .122.

Lob en lebbereiding 337, 330. Lebferment 341.

Lebkazen 337.

Lebmaag 20, 40.

Lebpoeder 330, 340.

Lebvloeistof 330, 340.

Lecithine 8.

Lederhuid 20, 78.

Lefeldt en Lentsch-centrifage 300, 317. Leieester-schaap 424, 420, 433. Leidsche kaas 342, 354.

Loven 42.

Levendgewieht 148, 300.

Levensduur 85.

Levensverschijnselen 42.

Lever 30.

Leverslagader 35.

Lichaamsdeolen van het paard 372.

Lichaamsholte 20.

Lichaamstemperatuur 73.

Lichaamswarmte 73.

Lid 321.

Licht paard 382.

Lijm 5.

Lijmgevende stoffen 4, 5.

Lijmgevend weefsel 0.

Lijmphe 32.

Lijmphvaten 33, 52.

Limburger kaas 343.

» vee 107.

Limousin-vee 200.

» -schaap 424.

Limpurgor vee 203.

Lincoln-schaap 427, 135. Lindehhöfor-contrifngo 317.

Lobooron 457.

Longadors 35.

Longen 20, 30.

Lötsche vooslag 203.

Luchtpijp 30.

Lustre 441, 443.

Lupinose 121.

M.

Maag 20, 44.

Maagkolder 151.

Maagsap 30, 48.

Maalkalf 171.

Maal pink 171.

Maatglas voor kleursel 335.

» » znu( 337.

Maatstok 05.

Magere kaas 337.

Mais 123.

Malen van zaden 131.

Manonschaap 423.

Mangolwortels 122.

Margarine 337.

Margarinekaas 303.

Mariahofervee 204.

Marschvarken 451.

„ vee 100.

Mason 204.

Mastenbroeksch vee 180.

Matchem 304.

Mauchamp schaapras 425.

Meel van oliezaden 127.

Meelmolens 111.

Meiboter 330.

Meikevers 127.

Melasse 120.

Melk-samenstelling 205.

» vorming der 238, 270.

Meikaderen 221.

Melkbolletjes 205, 279.

» opstijgende kracht der 295, 298. Melk-contróle 293.

Melken 278.

Melkgistapparaat 281.

Melkivoor 304.

Melkklieren 270.

Melkkoelers 290, 303.

Melkmeetemmers en -wegers 289. Melkmouten 290, 295.

Melkonderzoek 2(18.

Melkopbrengst 277.

Melkpijpje 220.

Melkspiegel 221.

klassen 221.

» orden 222.

Melksuiker 0, 205.

Melkteemsen 289.

Melktransportkanncn 292.

kar 292.

Melkvee-kenmerken 221.

» rassen 220.

» voeding 238.

Melkvervalsching 209.

Melkvleuten 205.

Melkvloten 205.

Melkweger 200.

Melkzuur 0, 00.

Melkzure gisting 133.

Mélotte's centrifuge 314.

Mergkool 117.

Merghoudende wol 430.

Mergloozc » 430.

Merinos 424, 425.

Merk 300.

Meszkircher vee 202.

Mesten van kal ver enz. 251. Mestvee-kenmerken 225.

» rassen 220.

» voeding 248.

Métayage 488.

Métayer 488.

Methode v. beoordeeling 101.

Métis 288.

Mezöhegyes 305.

Middclhoornigen 209.


-ocr page 593-

Middenrif 21).

Middle-breed 454.

Miesbacher-vee 2( tl'.

Mysost-kaas 3()0.

Milt 3(5.

Moederkoek 81.

Moedermelk 84, 2;!1. Moerasgas-gisting 47.

Moêrveulen I5G9.

Moes 117, 130.

Moesmakers 138quot;

Mohair 44(i.

Möllthaler-vee 2( 14. Mongolicza-varken 4.)3. Montafunerdal-vee 2()J.

Mosterdteelt 484.

Mot 448.

Mout 132.

Mouten van graan 132.

Moutkiemen 12().

Midlassières 419.

Muildieren 3(19, 419.

Muilezels 3G9, 419.

Mule, mulet en muletou 419. Mustangs 3(,gt;8.

Muts. /ie Netmaag.

Mutsenbolion 301.

N.

Nageboorte 84.

Nagelkaas 357.

Nahooi 120.

Natuurrassen 87.

Naweeën 84.

Nazomerboter 330.

Xeekervee 203.

Nederlandseh rundvee KS, 198. Nederlandsehe paarden 384. » schapen 429.

» varkens 457. Negretti sehaapras 425. Net, groote 29.

- , kleine 29.

Netmaag 29, 44.

Neufehateler kaas 342, 359. Neurende koe 171.

Neusspiegel liO.

Nieren 39.

Nieuwmelk-boter 33lgt;. Nivernais-vee 208. Xoordbrabantsch vee 190. Noordhollandsche kaas 342, 35.!. Xoordhollandsch varken 4.)7.

» vee I91.

Norfolksehe dravers 403. Norfolk-schaap 424.

Norfolker stelsel 4i8.

Norisch paard 382, 390.

Noriseh veeras 202, 204.

Normale hoekstand der beenderen Normandiseh vee 20.).

Nueleïn 8.

Nntrose 304.

O.

Oefening der organen 72, 103. Oforamento 487.

()ldenburgsch paard 404.

» vee 198.

Omloopend kapitaal 470.

Onager 308.

Onderhoudsvoedsel 58, 71, 147, 200. lt; )ndernemers\vinst 492. ()neida-kaasketel 344.

Ongehoornd vee 197, 200, 218, 200, Ontbitteren van lupinen 131. Ontwikkeling. Tijdperken van 84. Ontwikkelingsgeschiedenis 81. Ouverbrandbare stoffen 4, 0. Onwillekeurige beweging 03.

Oog 77.

Oor 77.

Oostersche paarden 382.

Oostfriesch vee 198.

Oostprnisisch paard 404.

Opblazend voeder 1.)1.

Opbrengst 491.

» boter 335.

:gt; kaas 302.

Opfokken van kalver 230, 231. Opperhuid 20.

()pperhuidsweefsel 9.

()pzuiging. Zie Kesorptie.

Orde S().

bij het voederen 151. Organische stof 148.

Orlov-paard 390, 394.

Osseïne 5.

Ouderdom 85.

van het paard 372. » » i rund 171.

» » » schaai) 422. » gt; varken 450.

lt; )udmelk-boter 330.

Overbeenen 380.

Overerving 98, 101.

Overgang van voeder 149.

Overhoef 380.

Overijselsch vee 189.

Overloopen 229.

Oververzadiging en Overvrelen 1)1 Ovis Amon en O. arkar 420. Aries africana 433. ;gt; » asiatica 433.

a vemen sis 133. bataviea 433. germ an ie a 433. hi be rui a 433. » i be mie a 433.

i n g e v o v e n e n s i s ligeriensis 433. sod a n i e a 433. ■gt; brachyura 422.

steotopya -

;gt; doliehura 423.

leptura en O. platyura Mnsmon 120.


-ocr page 594-

524

P.

l'aai'ilenl)illen 18J.

Paardenfokkerij in 'I buitenland HUii.

■» » Nederland .■jS4.

Paai-dekraeht 410.

Paardenkrib -414.

Paardenpiszuur (i.

Paardenrassen 1181.

Paardenstal 414.

Paardenteelt 3ü7.

Paardevleeseh -1 ]!).

Pachtcontracten 487.

Pachter 485.

Pakpaard 402.

Pancreatine 5.

Papaverteelt 484.

Paracaseïne 338.

Parallelogramvorm iiT'i.

Parasieten van het paard 381. » » » rund 173. » » » schaap 423. •gt; » » varken 450.

Par ijzer boter 328.

Pasteurise ■eren van melk 2811, 303, 318.

» » room 328.

Pastinaken 122.

Pedegree 215.

Peesgal en Peesklaj) 380. Peeszelfstandigheid 73.

Pezen 21.

Peldersdust 240.

Pens 29, 44.

Pepsi ne 4().

Peptonen 40.

Peptonvoeder 128.

Percherons 397.

Perfect-centrifuge 311.

Permasan-kaas 342.

Permsch vee 200.

Pers voeder 133.

Peulen 122.

Phosphorzure kalk 7, 53, 134, 234. » magnesia 7.

» kali 8.

» soda 8.

Piemonteesch veeras 202.

Piephak 379.

Pijn 78.

Pink 171.

Pinzgauer paard 390.

Vee 204.

Pioscoop 270.

Pis 39.

Pishuid. Zie Piszak.

Pisstof. Zie Ureum.

Piszak 81.

Piszuur 0.

Plasmon 304.

Plateel 332.

Platruggen 457.

Pietmachines 141.

Pletten van zaden 131.

Podolisch vee 202.

Poepen 188.

Poland-chinavarken 450. Polderbouw 483.

Polopouies 403.

Pols 321.

Polssnelheid 330, 331.

Ponies 382, 403.

Poolsch varken 424.

Poortader 35.

Portel 353.

Potstal 150.

Primitiefbundels 13.

Prijs der voedermiddelen 128. Pn iductiemiddelen 405. Productievoer 147.

Protoplasma 8.

Psychrometer 350.

Ptyalin 5, 44.

Pulpe 120.

| Pyreneënschaap 423

Q.

Quagga 308.

R.

Kaapkaas 352.

Rachitis 53, 119. Kambouillet-schaap 425. Rantsoenen voor jongvee 230. » » kalver 232.

» » melkvee 238.

» mestkalver 251.

» » mestvee 252.

» » paarden 411.

» ■ schapen 437.

» :gt; varkens 459.

a » werk vee 200.

Raskenmerken 92.

Raspaarden 403.

Reebeen 47!).

Regelmaat bij het voederen 151.

Regeneratief-voorwarmer 304.

Reinculturen 327.

Remontepaarden 389, 393, 404.

Renpaarden 395.

Reparatie 407.

Reparatiemateriaal 07.

Resorptie 50.

Reuk 77.

Reukstoffen 108.

Rhön-schaap 424.

Rier 171.

Rijenteelt 482.

Rijn-schaap 424.

Rijpaarden 403, 400.

Rijpen van kaas 347.

Rijzers en Kimpelkorst 301.

Roede 79.

Roerhek 344.

Rogge 123.

» als groenvoer 117. Roggedraf 120.

i Ronjaansch vee 202.


-ocr page 595-

525

Komaansche varkens 454.

Koude hoornloozen 218.

Kooiu 20!).

Roomboterfabriek Ül i).

Roomen en Rooniniellinilen 2114.

Rooinlepels 297.

Rooinraeters 269.

Koomvaten 294.

Roquefort-kaas 444.

Rosensteiner vee 203.

Ruizig 449.

Runderen en Runderachtigen 159. Rundveerassen 174.

Rundveeteelt 159.

Rundvleeseh 384.

Russische paarden 394.

Ruwvoer 147.

Ryland-schaap 424.

s.

Sabelbeenig 189, 378.

Salers-vee 207.

Salzburger vee 204.

Samenstelling van bloed 40.

» s landbouwdieren 3, 40.

» » melk 265, 293.

» » melkvet 268.

» » vleeseh 41.

» der voedermiddelen 494. Sampi 164.

Sapi 164.

Sardinisehe schaap 423.

Sarlabot-vee 206.

Sarmatisch vee 200.

Scandinavische runderen 200.

Scanno-kaas 445.

Schaapkaas 444.

Schaapmelk 266.

Schaapvleesch 443.

Schadelijke dieren van 't Paard 381. » » » 't Rund 173.

» » gt; 't Schaap 422.

» » » 't Varken 450.

Schaaphuid, zie vruchthuid.

Schapenrassen 422.

Schapenteelt 420.

Scharige ossen 171.

Scheede 40.

Scheergewicht 443.

Scheinfelder-vee 203.

Schep-kaas 353.

Scheren van paarden 414. » » schapen 443. » » vee 156.

Scherpruggen 457.

Schimmels 374.

Schnitzel 126.

Schommelkarn 323.

Schotsche centrifuge 317.

Schotten 171, 852.

Schouderblad en Schoudergewricht 15, 19. Schrab-mes 356.

Secretion 5, 13.

! Separators 299.

» van Dr. De Laval 306. i Sham 394.

Shire-horse 401.

Shorthorns, zie korthoorns. Shropshire-schaap 428.

Silezische schaap 426.

Simmenthaler-vee 202.

Sylhetaansche koe 163.

Syrische schaap 423.

Siachtgewicht 366, 443, 463.

Slagaders 33.

Slagen 86.

Slagentellers 302.

; Slagroom 320.

Slappe mesting 255. Sleeswijk-Holsteinsch vee 198.

Slijm en Slijmklieren 30.

Slijmigheid der melk 285.

Smaakztn 77.

Smaalenenevee 199.

Small-breed 454.

Smalstaartschaap 428.

Smeerkliertjes 27.

Smerige boter 831.

Smoddekoppen 432.

Snelmesten 258.

Snijden van knollen enz. 130. Snijtanden 14.

Snuf 374.

Sotnatose 864.

Soortelijk gewicht van afger. melk 32( » » » melk 268.

» ;gt; » melkvet 269.

» » » vetvr. dr. st. 2

Soorten 86.

Sologne-schaap 424.

Som tier voedingsstoffen ul- eenheden Sopketel en Sopkoken 132. Southdown-sehaap 428.

Spat 379.

Speculatieve bouwerij 479.

Speeksel 30, 44.

» -klieren 30.

Speenen. Zie afwennen.

Spek 462.

Spekvarkens 457, 459.

Sperma 39, 79.

Spermatozoïden 40, 80.

Spessart-vee 208.

Spieren 20.

Spierkracht 63.

Spiervezels 13.

Spierweefsel 12, 66.

Sus asiaticus 456.

S. c e 11 i c u s 456.

S. chinensis 448.

S. ibericus 456.

S. indieus 448.

S. pliciceps 44S.

S. s c r o f a f e r u s 448.

Spijsvertering 29, 43.

Splitsing van stoffen 54.

Spoeling 127.


-ocr page 596-

526

Spoiling gedroogde 1quot;J7. » koeken ]l?7.

» mesterij 266.

Spontane verandering 11)1.

Sprong 381.

Spronggewricht 17, ;17S.

Stalboter 33(1.

Stalinrichting 154.

Stallucht 134.

Staltemperatuur ] 55.

Stamboek 99.

Stap 381.

Stapel en stapeltjes 441. Steenbillen. Zie paardebillen. Steilooren 457.

Stekelharigen 374.

Steppenvee 2(X gt;.

Steriliseeren 28G.

Steunsels 415.

Stier 171.

gt; kenmerken 227.

Stikken 432.

Stikstofbepaling 1118.

Stikstofh. verb. 4, 108.

Stikstofvr. » 0.

Stilton-kaas 342, 359.

Stoeterijen 395, 398, 103, 4118. Stoeterij te Borculo 388. Stofwisseling 5().

Stolksehe kaas 35lt;). Stompstaart-sehaap 423.

Stoomen van veevoeder 131. Stoppelboter 336.

Stoppelknollen 122.

Stoomturbine 310.

Stootkarn 321.

Stremmen 338, 312,

Streinmingstijd 341.

Strengetjes wol 441.

Strömholms 199.

Stroo 121.

Strooisel 156.

Stroop of melasse 126. Snffolk-paai'd 402.

Surrogaten van moedermelk 235. Suffolk-schaap 126.

gt; -varkens 454.

Siissex-vee 21(i.

Swartz-stelsel 296, 298. Szalontaer-varken 453.

T.

Tabaksteelt 484.

T am wort h-varken 4 55.

Tandbeen 370.

Tanden van het paard 369. » » » rund 171. » » » schaap 421. » » varken 449. Tandwisseling 172, 371, 421, 449. Tarpans 368.

Tarwe 123.

Tarwedraf 126.

Tarwe tooit op rivicrkloi 481.

I Tarweteelt /eeuwsche 483.

j Tastgevoel 78.

Taunis-vee 204.

1 Taurus 166.

Temperatuur bij het kaasmaken 341.

» » » karnen 329. Temperatuurgevoel 78.

Tesselsche kaas 444.

» schaap 430.

Terugslag. Zie Atavismus. Thelemarken-vee 201.

Thorough-bred 394.

Thrypsine 5.

Tijd van voederen 151.

Tijdkoe 171.

Tijn of tien 324.

Tijdperken van mesting 242.

Tijgerharigen 374.

Tijgerpaard 368.

Tiroler-vee 204.

Tochtigheid 79.

Toebereiding van veevoeder 130. Toeneming in levéndgewicht 233, 251,

257, 258, 259.

Toestellen voor melkonder/.oek 269. Tondernsche vee 198.

Topinamboers 122.

Tourache-vee 208.

Trakehnen 403.

Trakehners 404.

Trekkend paard 72.

Trekpaarden 40().

Trommelzucht 151.

Troponafval 128.

Troquar 45, 263.

Tscherkessen-paard 3!) 1.

» -schaap 424.

Tusschencelstof 8.

Twaalfvingerige darm 29.

Tweehoevigen 18.

Tweeslagstelsel 178.

Twentsche roggebouw 481.

Twinter 171.

u.

l'ienteèlt 484.

Uier 221.

Uitademing 37.

L'iterwaardseh hooi 1 19.

Uitgeademde lucht 38.

Uitluchten van melk 291.

» » room 305, 329.

Uitkomsten van het bedrijf 491. Uitroomingsgraad 298, 302, 319. Uitwerpselen 153.

Ureum (i, 55.

Urine, Urineblaas en Urinoleiders 39. Urochs en Urus 166.

1 quot;trechtsche paard 387.

;gt; rundvee 195.

Vaarskalf 171.

Vaathnid 81.


V.

-ocr page 597-

527

Vare koe 171.

Varkensteelt -147.

Varkensvleeseh 462.

Vast kapitaal 405.

Veebascule 30(5.

Vee der boerderijen 46!l.

Veehouderij 480.

Vee voor twee of meer doeloimlcn lt;.

— kenmerken 227.

— rassen 220. Veelhoevig 18.

Veerkrachtig weefsel 10.

Veevoeder 107.

Veluwe-schaap 433.

Vendée-vee 200.

Venhooi. Zie hooi.

Verbeteringen in do kaasbereiding RfiT. Verbrandbare stoffen 3.

Verbrande boter 331.

Verbranding van lichaamsdeelen 54. Verduurzaamde melk 304. Verbrandingswarmte (58.

Vergiftige planten 158.

Vergiftiging 158.

Vergoeding voor algem. verbeteringen 481'. Verhouding der lichaamsdeelen 98, 224,

225, 227, 407.

Verhuren van werktuigen 474. Verpachting 487.

Verpleging van vee 153.

Versche boter 330.

Verteerbaarheid 48, 100.

» van eiwit enz. 10!).

» » zetmeel 153.

Vervanging der voedingsstoffen 03, (58. Vervetten 00, 73.

Vervoer van producten 475.

Verwerpen der vrucht 83.

Verwilderde paarden 3(58.

» schapen 421.

Verzadiging 150.

Verzien 101.

Vet 0.

Vetgehalte van boter 337.

» vee 304. » voedermiddelen 100.

Vetgrepen 3(5(5.

Vetmesting 250.

Vette kaas 350.

Vetweefsel 10.

Vetweiderij 257.

Vetzuren 208.

Vetzweet 441.

Victoria-centrifage 317.

Vierskalf 171.

Vierslagstelsel 478.

Vijfslagstelsel 478.

Viltige wol 442.

Viscositeit der melk 300.

Visch 230.

Vischige boter 337.

Vlaamsche bouwerij IS!.

» schaap 431.

» paard 399.

Vlaamsche vee 195, 199, 205.

Vleeschmeel 127, 197, 440.

Vleeschmesting 25( gt;.

Vleeschstukken 3(55.

Vleeschvarkens 4(52.

Vleesehwaarde 3(55.

Vlies 441.

Vluchtige vel/.iircn 2(i8.

Voeder 107.

Voederbepaling 1 17.

Voedereenheid 70, 115.

Voederen in den winter 244.

zomer 242.

- Saksen 245, 254.

van jongvee 230.

» kal ver 231.

» melkvee 238.

mestvee 248. ■ paarden 409.

» rundvee 230.

» schapen 430.

varkens 459. » » werkvee 2(50.

Voeding in het moederdier 105. Voedermiddelen 43, 107, 494. Voedingsstoffen 43, 107. Voedingsverhouding 01, 113, 494. Voedingsverrichtingen 42.

Voedernormen voor kalver 232.

melkvee 240.

mestvee 253. rgt; paarden 411. gt; schapen 437. » varkens 459. » » werkvee 201.

Voederregeling 150, 201.

Voederwijze 201.

Voederwisseling 148.

Voeling 211.

Vogelsberger vee 204.

Voigtliinder vee 204.

Volbloed 89.

Volbloedpaard 382, 391.

Vol lie mesting 251.

Voorhuid 80.

Voorwanners 303.

Vorming van 't geslacht 99.

» » lichaamsdeelen 00. » » melk (53, 270. » » vet 02, 249. » » vleesch 02, 250. Vossekoppeu 432.

Voortplantingsorganen 3i •.

Vrije bouwerij 479.

Vroegrijp en vroegi-ijph. 92, 103, 213. 135. Vrucht 40, 80.

Vruchthuid SI.

Vruchtwater en Vruchtvliezen SI. Vruehtwisselingstelsel 479, 481.

w.

Waarnemingen liij het voederen 152. Wagen paarden 403.


m

-ocr page 598-

528

Wales-schaap 423.

» -vee 218.

Wandelende arbeiders 471.

Warmbloedige paarden 3lt;S2. Warmoezerijen 484.

Warmwaterkrnik 331.

Water. Bestanddeel der dieren 3. Waterdenen 4(1;quot;).

Watervaten 30.

Weeën 83.

Weefsels 8.

Weefsolsap 51.

Wei 338, 363.

Weiboter 33C, 30.3.

Weidebouw 478.

Weidegang 152.

Weil 4(13.

Weiproteïne 338.

Weiketel 355.

Welser bonten 1!)8.

Wensleydale-schaap 420.

Werkige wol 442.

Werktuigen 470.

ter bereid, v. veevoeder 134. Werkvee-kenmerken 22(i.

» -rassen 220.

Westersche paarden 382, .395. Westphaalsehe varkens 451. Wicklow-schaap 423.

Wiegkarn 323.

Wijnbouw 477.

Wilde paarden 308.

• » runderen 100.

» varkens 447.

Willekeurige bewegingen 03. Wiltshire-sehaap 424.

Winterboter 330.

Wisent. Zie Bison.

Wisselbouw 478, 481.

Witkoppen 183.

Witte lijn 415.

Wol 438.

Woldjer ras 184.

Wolhaar 424, 430.

Wollen stoffen 443.

Wortels 122.

Wortelsnijders 130.

Wondrassen 424.

Wringkaas .352.

Wringkuip 355.

Wringtobbe 350.

Wrongel 338.

-brekers 344.

» -molens 345.

» -roerders .344.

» -snijders 344.

Yak 103.

Yorksbiro-vai'kcn 455, 157.

z.

Zaad 39, 79.

Zaadklieren 40.

Zaadlichaampjes 80.

Zaadspiegel 221.

Zackel-sehaap 423.

Zaden 122.

Zakpers 356.

Zaupel-schaap 424.

Zebra 308.

Zeeituig 418.

Zemels 127.

Zeeuwseh paard 380.

» vee 195.

Zenuwen. Bewegings- 27. » Gemengde 27. » Gevoels- 27. Zenuwstelsel 27.

Zenuwweefsel 1.3.

Zeug 448.

Ziekten van het paard 381. » » rund 173. » » schaap 422. » » varken 450. » » vee 157.

Ziger-kaas 300, .303.

Zillerthaler vee 204.

Zindelijkheid 282.

Zintuigen 27, 77.

Zoetemelksche kaas 350.

Zoete wei 235, 303.

Zomerboter 330.

Z o merst al voedering 152.

Zool 415.

Zout. Hoedanigheid van 332. Zoutbarstjes 301.

Zouten van boter 332.

» » kaas 347. Zoutmaatglas 332.

Zuidhollandsch vee 193. Zuivelbereiding 204. Zuivelfabrieken 287.

Zuiver ras 89.

Zuivering der huid 150.

» lucht in den slal 1 Zure-melkkaas 337, 342, 300. Zuren van melk 324.

» igt; room 320.

Zure wei 235.

Zuurstof 54.

Zuurwekker 320.

Zuurworden der melk 282. Zwaben-Beierseh vlekvee 203. Zware paarden 382, 391, 390. Zwartblaard vee 183.

Zwartkoppig schaap 423. Zweedsche centrifuge 300. Zweetkliertjes 27.

Zwitsersche geiten 440.

Zwitsersch schaap 423.

voe 201, 202.


-ocr page 599-
-ocr page 600-
-ocr page 601-

-ocr page 602-

a

ïwwmmmmmfimMmwmmmM i ' 1

mmmËmmmimmymm^mm

llllillil® s 11

■ S'sisrl

fr^-;

• a

gt;n

^ a