ocr page 1

/

/

r

■v, hshyt

_ %■*

t-v fy-'ék

■j \

1

Het Heelal

naar 's mensehen Yoorstellingen.

Naar 't Russisch van A. WEDENSKY, door J. BRANDT.

AMSTERDAM. — J. F. SIKKEN.

NATUUR- EN STERRENKUNDE RU UTRECHT

4A20

162

ocr page 2

TT—

?

ocr page 3

Iet Heelal naar 's lensolien rarstellinp.

I.

DE ASTRONOMIE DER VOLKEN IN HET OOSTEN.

In een helderen, door geen maanlicht gestoorden nacht en te midden eener open vlakte, waar niets ons verhindert naar wijd en zijd het oog te wenden, vertoont zich het hemelgewelf voor 's menschen blik als met schitterende lichtpunten overdekt — in zoo overstelpende menigte, dat het ons eene onmogelijke, ondenkbare zaak toeschijnt die te tellen. In werkelijkheid is dit eene dwaling, alleen getuigende van onvolkomenheid in 's menschen begripsvermogen, die onmachtig blijkt om zich een groot aantal voorwerpen duidelijk voor te stellen, of met zijn verbeelding te omvatten, en slechts een flauw begrip heeft van zijn beteekenis.

De met het bloote, ongewapend oog zichtbare

ocr page 4

4

sterren zijn sedert lang- geteld ; aan liet gansclie Ire-melgewelf, dat de aarde aan alle zijden omringt, zijn er slechts GOGO; maar op een gegeven oogenblik zal een gewoon oog, hoe zuiver en doorschijnend de lucht ook zij, er niet veel meer of minder dan 3000 ontdekken. De geleerden mogen ons dit verzekeren,

zooveel hun goeddunkt - hij een hlik op den sterrenhemel zullen wij altijd den indruk krijgen een ontelbare menigte van die schitterende lichten te aanschouwen. Dichter, romanschrijver en de alle-daagsche mensch spreken tot nu toe eeuwig1 en onveranderlijk van ,,myriaden sterrenquot;, welke hun oog treffen. Vruchteloos zullen kennis en weten- ^

schap u zeggen, dat uw oog zich vergist en schro-melijk faalt — deindruk van den sterrenhemel blijft machtig, aangrijpend, overweldigend —- —• —

Maakt reeds deze eigenschap het hemelgewelf tot iets van majestueuse, betooverende schoonheid —

de meest oppervlakkige waarneming, zonder eenige hulpmiddelen der kunst zal die bekoring nog oneindig' verhoogen. Wendt gij het gelaat naar het ? oostelijk deel des hemels, dan ontwaart ge, hoe uit den diepen nevel, die den horizon omsluit, als t ware plotseling verschillende schitterende punten opduiken. In plechtige stilte, maar rusteloos stra-

ocr page 5

5

leud en spelend in alle kleuren van den regenboog', rijzen zij langzaam al hooger en liooger, waarbij hunne helderheid gestadig toeneemt, om eindelijk in vollen glans, maar nu rustig flikkerend hun plaats in de sterrenkoren in te nemen.

Ginds, aau tegenovergestelde zijde, ziet men echter de sterren al dalende haar licht verzwakken, uitdooven, om onder te gaan en weg te zinken in een onbekenden, verren oceaan van duisternis en vernieti'nniï - een wereldzee zonder arenzen.

o o o

Richt nu den blik omhoog : ver boven u, aan dat grootsche gewelf spreidt zich een donkere, als met sterren bezaaide sluier uit, waarop een gordel van tintelend, zilverachtig licht — de Melkweg — zich als een bewegelijk, onregelmatig lint van het eene einde van den horizon naar het andere slingert. Soms ziet men, oplichtend in het duister, flonkerende en quot;•luisterende schaduwen met quot;-rootesnelheid aan dit

o ~

gewelf verschijnen en verdwijnen... Wat geschiedt daar ginds toch in dien oceaan van sterren? Wie heeft die flikkerende lichten ontstoken?

Maar zie: de eene zijde van den horizon verbleekt, en uit die zee van duisternis rijst statig, eerst bloed • rood-, dan goudgeel getint, de reusachtige maanschijf omhoog; al hooger en hooger zien wij haar

ocr page 6

6

klinunen — lt;gt;11 het nachtelijk tafereel verandert. Een donkerblauwe lichtschijn verspreidt zich over het gansche gewelf, de duisternis voor zich uitdrijvend ; de zwakkere sterren verschuilen zich, en slechts de groote blijven in bijna denzelfden glans en helderheid zich scherp op den omringenden achtergrond des hemels afteekenen.

TV ij, bewoners van groote steden, met onze stoffelijke belangen zoo ver verwijderd van alle natuur-aanschouwing, en met onze door gas of electriciteit verlichte nachten hebben in werkelijkheid geenerlei voorstelling van den machtigen invloed, dien het verheven schouwspel van den sterrenhemel op onze ziel uitoefent. Het klimaat en de levensomstandigheden van Noordelijke landen werken zoodanige onverschilligheid in de hand. Onze heldere zomernachten, in lente en herfst vervangen door nachten van storm en regen, des winters weer — door koude, mist of jachtsneeuw, welke de men-schelijke gedachten van alle aanschouwing afleiden, om eene veilige schuilplaats op te zoeken - dat alles laat mogelijk niet toe, langer dan een minuut den blik te laten rusten op het grootsche tafereel, dat de nacht voor ons ontsluiert; men zal zich verbazen... en dat is alles ! Onze hemel is laag, en niet

ocr page 7

7

zelden woiden de stenen verduisterd achter den nevelsluier, welke den gelieelen horizon omvat eu, hoe licht ook, in hooge mate de doorschijnendheid der lucht vermindert.

Hoe geheel anders, hoe veel zuiverder en machtiger zijn de indrukken, die de hemel van het gezegende Zuiden ons achterlaat ; waar het geheele jaar door, de bijna gelijke dagen en nachten eikender afwisselen: liet hemelgewelf zich als een reusachtige, azure koepel boven de aarde verheft, den indruk makend van een onmetelijk wijd verschiet— en waar de sterren fonkelen in helderen, betoove-renden glans I

Voorheen leefde de menseh dichter bij do natuur, te midden harer grootsche verschijningen. De nomadenvolken in de eertijds zoo vruchtbare vlakten van Azië — nu het tafereel van dood en verlatenheid voor den reiziger in die gewesten — zagen altijd dien hemel met zijn „myriaden sterrenquot; boven zich schitteren; en de eenzame herder op de Himalaya-hoogten volgde met nieuwsgierigen blik liet opgaan en verdwijnen der hemellichten. Voor de naieve verbeelding van den primitieven mensch bleef het schitterend sterrenkoor verborgen als een onverklaarbaar geheim: als een raadsel, dat niet

ocr page 8

8

was op te lossen, maar niettemin tot waarneming en weetgierigheid opwekte.

Met dit meer of minder ideale streven om de ge-lieimen van liet Heelal te ontraadselen paarden zich ook zuiver praktische doeleinden. Reeds vroegtijdig had de mensch het verband moeten opmerken tus-schen liet aanbreken van den dag en den stand der nachtelijke gesternten in den een of anderen tijd des jaars; uit de sterren kon hij zich vergewissen van de richting, die hij te volgen had, als hij bij nacht moest reizen — zij toch wezen hem de hemelstreken aan. Wellicht ook werd de mensch vooral door hemel verschijningen er toe geleid zijn eerste schreden te doen in het strijdperk der gedachten en van de kennis der Natuur.

De studie van het uiterlijk voorkomen des hemels dagteekent al van onheugelijke, zelfs vóórhistorische tijden. Reeds in de grijze oudheid kende de mensch het onderscheid tusschen vaste sterren en dwaalsterren of planeten, waarvan hij er, buiten de Zon en Maan, vijf telde - juist zooveel, als men met het bloote oog kan onderscheiden, te weter..: Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus. Hierin lag alleszins niets bijzonder merkwaardigs. Al die hemellichten laten zich door hunne helder-

ocr page 9

9

lieid scherp te midden der sterren onderkennen, ^ erschijnen in verschillende streken des hemels - -mi eens aan de eene, dan aan de andere zijde der Zen, en trokken dus onwillekeurig' de aandacht tot zich. Venus, bij voorbeeld, zich nu als Avondster — dan weer als Morgenster vertoonende, kon bovenal eene voorstelling geven, dat de hemel zulke bewegelijke of dwaalsterren bevat.

Doch er zijn historische getuigenissen, dat lang vcór het begin der authentieke Geschiedenis, do menschheid al een begrip had van de bewelt;rinquot;h-wetten dier sterren, en daarmede de hemelverschij-ningen kon voorspellen. Een en dertig eeuwen vóór de geboorte van J. 0. konden de Hindoes reeds eene conjunctie van alle planeten in één punt des Hemels aankondigen. Ofschoon het nauwelijks valt te betwijfelen, dat zij deze conjunctie niet voorspelden op grond van theoretische beschouwingen, maar Aan Moegere, voor hun tijd nauwkeurige waarne-mingen volg'ens welke zulke samenkomsten van planeten zich moeten herhalen —getuigt echter dit feit op welsprekende wijze, dat talrijke geslachten van dit of eenig ander volk zich al met het waarnemen van hemellichten hebben beziggehouden, en ook de verkregen resultaten beschreven.

ocr page 10

10

Geen verscliijiisel, zooals men weet, levert meer wisselvalligheden op, dan eene zonsverduistering. Al laten zich ook met betrekkelijk geringe moeite de tijden berekenen, waarop de maan haren stand tusschen Zon en Aarde inneemt, en de eerste voor onzen blik verbergt — stnit men echter bij het bepalen der plaatsen op aarde, waarlangs de smalle schadnwkegel der maan, eene breedte van hoogstens 265 kilometer bereikende, voorttrekt, op vrij wat grooter bezwaren. Niettemin worden in de Chinee-sche kronieken onwederlegbare bewijzen gevonden, dat de beweging der Zon en de wetten der eclipsen sinds onheugelijke tijden in dat land werden bestudeerd.

Men verhaalt, bij voorbeeld, de volgende tragische geschiedenis, die plaats vond in het eerste re-geeringsjaar van Tschong-kang. op een tijdstip tusschen de jaren 2159 en 2128 vóór Christus gelegen. Destijds waren de astronomen Ili en Ho aan het Paleis des Keizers verbonden, en tot hunne onveranderlijke plichten behoorde ook het vroegtijdig aankondigen van het oogenblik, waarop de naaste Zonsverduistering moest plaats hebben; eene gebeurtenis, die van plechtige godsdienstige ceremonieën vergezeld moest gaan. Het noodlot wilde eoh-

ocr page 11

11

ter, dat de verduistering onverwachts intrad, zonder dat men gelijktijdig- met de ceremonieën gereed was •— China werd nu met den toorn der goden bedreigd. Een onderzoek werd gelast, hetgeen aan het lichc bracht, dat Hi en Ho nalatig in hunne plicli-ten waren geweest door zich aan dronkenschap over te geven ; op last van den godenverzoener werden daarop de onwaardige sterreknndigen ter dood veroordeeld. —

Minder vertrouwbare overleveringen melden, dat meer dan 100(1 jaren vóór dit feit, onder de re^ee-ring van Schün-Hoang, het waarnemen der sterreknndigen in het Hemelsche Kijk in geregelde orde plaats had, en verschillende berichten schrijven aan dit weleer zoo ontwikkelde volk eene reeks van waarnemingen aan den Hemel toe, die daarvan het gevolg waren. De thans in China gebezigde halen-der werd, volgens de traditie, in de 2Gste eeuw vóór Christus ingesteld onder Keizer Hoang-ti, aan wien, onder meer, de ontdekking der 10-iarige maans-periode wordt toegeschreven, welke 2000 jaar latei-in T\ estersche landen opnieuw door Meton werd gevonden, en den grondslag vormt voor onze bewegelijke feesten.

A iet minder draagt het astronomisch onderzoek

ocr page 12

13

van het aloude Egypte den stempel van een grijs verleden. De grondslag van den Egyptisclien Kalender verwijst naar de 28ste eeuw vóór Christus. Diodorus van Sicilië verhaalt, dat de Egyptische koning Osmidias, die vóór Sesostris (Ramses II) leefde op den top der door hem opgerichte pyramide een observatorium stichtte en hierin een gouden cirkel van gt;365 voet omtrek plaatste, waarop de open ondergangen der sterren voor iederen dag van liet jaar aaugeteekend stonden.

In Babyion zijn sterrekundige tafelen gevonden, die gewijd waren aan waarnemingen van de bewe-oinaren van Venus en de Zon. In al deze landstreken

O O

was de Hemel in sterrenbeelden verdeeld en droeg het meerendeel der heldere sterren namen.

Zoodanige feiten bewijzen ons, dat de aloude volken reeds met goed succes de opeenvolging en causale gelijkvormigheid van enkele hemelverschijnselen hadden bestudeerd. Maar hoe zij zich de ruimte daarbuiten voorstelden, welk begrip zij hadden van den bouw des Hemels — ziedaar vragen, die voor ons onopgeloste raadsels zijn gebleven !

Niettemin weten wij, dat bij voorbeeld de Egrp-tenaren de aarde kenden als een bol, aan alle zijden door den Hemel omringd; en het bewijs daarvan

ocr page 13

13

legden zij neder in hunne voorstellingen. Ook keti-den zij den zonsweg te midden der sterren, en verklaarden de eclipsen zeer juist door den schaduw der Maan, wanneer deze tusschen aarde en zon staat, of door den schaduw der aarde, als deze lno zonlicht voor de maan onderschept. Wij mogen aannemen, dat de ouden veel meer wisten dan wij ons voorstellen, en waarschijnlijk laat zich door hun invloed alleen de scherpzinnige studie verklaren, die Pythagoras en zijn volgelingen van het wereldsysteem hebben gemaakt, en waarvan straks nader zal worden gesproken. Wat hiervan zij : het staat vast, dat alle astronomische arbeid der oude volken en hunne kennis verloren zijn gegaan in den woes-ten, barbaarschen strijd, die het tijdperk van verval der Oostersche beschaving heeft gekenmerkt, en daardoor een zeer onbeduidenden invloed hebben gehad op de ontwikkeling der sterrekunde in Europa.

Al zijn hier en daar in het Oosten van Azië enkele sporen der oude astronomie nog lang bewaard gebleven, toch ontmoeten wij bij de Grieken in het belt; gt;'in hunner geschiedkundige loopbaan, voorstel-lin gen en begrippen omtrent het wereldstelsel, die nog volkomen primitief, op den laagsten trap van

ocr page 14

14

ruwe en oppervlakkige waarneming berusten. Bij liet overzicht van de denkwijzen der Grieken over het Heelal betreden wij andermaal de paden, waar-lands de menschelijke geest hij zijne allereerste pogingen tot de kennis van het Wereldruim moest geraken.

II.

DE ONTWIKKELING DEK KOSMOGENIE HI.T DE GRIEKEN.

Bij oppervlakkige waarneming vertoont de aarde zich aan ons als een reusachtige, onmetelijke vlakte, hier en ginds doortrokken van meer of mindere hooge bergreeksen, groenende heuvels, bloeiende dalen of diepe ravijnen, waar rivieren hare wateren voortspoeden, zeeën en meren de grenzen schijnen te vormen. Deze vlakte komt ons onbewegelijk voor, als rustte zij op eeuwige, onvergankelijke pijlers in het Heelal; en vruchteloos poogde het mensche-lijk vernuft in de oudheid, vele eeuwen lang, die samenstelling en bouw te verklaren en zich daarvan een begrip te maken. In onveranderlijke orde wisselen dagen en nachten af; rijzen zon, maan en sterren boven den zoom dier vlakte omhoog — on-

ocr page 15

15

bekend van waar zij komen, noch waar zij gaan, nadat zij haren loop boven het oppervlak der aarde bebben volbracht.

Naar deze ruwe en oppervlakkige indrukken waren ook de eerste, ons bekende, begrippen gevormd, welke de Grieken omtrent den bouw van bet Wereldruim hadden, In fabeldichten, beschreven door Hesiodus — een tijdgenoot van Homerus — die in de tiende eeuw vóór Christus leefde, dus in een betrekkelijk niet ver verleden — wordt de aarde voorgesteld als een schijf, die op gelijke afstanden tusschen liet Hemelgewelf en het rijk der Hel bevestigd was. Waarop dan die schijf gelegen was?-— Ziedaar een zonderling en onverklaarbaar probleem. Te vergeefs trachttte de mensch daarin door te dringen. Eenigen stelden onze aardsche verblijfplaats voor als bevestigd op twaalf kolommen, in ruil voor de drie beroemde walvisscben uit bet brein van noa1 oudere geslachten; anderen dachten zich de aarde als rustende op vier geweldige koperen olifanten enz. Dit alles nam intusschen de bezwaren van vroeger niet weg; want kolommen, olifanten, bergen en wat meer zij, hadden op hunne beurt een steunpunt noodig. — Wat de sterren betrof: deze vormden een nog geheimzinniger verschijnsel, en

ocr page 16

16

nolt;gt;' lang1 daarna waren in Griekenland astronomen, die liaar aanzagen voor vuren, ontstoken door „dampen, welke nit de aarde opstegen.quot;

Op dezen achtergrond van eeuwigdurende dwalingen verschenen theorieën, die voor zich wel eeni-gen grond van waarheid hadden. Door de bloote ervaring geleid, is het niet moeielijk tot de gedachte te komen, dat de wereld eene bolvormisre eredaante

O D

hezit. Elk vloeistofdeeltje, aan zich zelf overgelaten — bij voorbeeld uit een vat vallende — neemt onmiddellijk den drup- of bolvorm aan; en dergelijke feiten — bij al hare afwisseling, toch welsprekend getuigende van de duurzame werking eener kracht, die in de Europeesche Wetenschap den naam van „Algeineene Aantrekkingskrachtquot; ontving — leidden onfeilbaar tot het besluit, dat de aarde eene spherische gedaante heeft.

Reeds ten tijde van Homerus dacht men, dat de Aarde — van boven afgeplat, en door den „Oceaan-stroom omgeven — voor zich de benedenhelft van den TVerehlspheer vulde, terwijl de andere helft zich daarboven uitstrekte; en dat de zon eiken avond haar licht doofde, om echter — na een bad in de diepe kolken van dien Oceaan, des morgens op nieuw te ontgloeien. Maar deze zienswijze was.

ocr page 17

17

evenals die van Hesiodus, niet bestand tegen de gevolgtrekkingen, die uit de waarnemingen waren afgeleid, en reeds in liet Oosten (voor een deel ook in Egypte) ingang hadden gevonden.

Ook was liet niet moeielijk te gelooven, dat de sterren zoo bij dag als bij nacht liet hemelgewelf bedekken, en alleen des daags in het schitterend zonlicht verbleeken. — In den vroeeen morden im-

O O

mers, wanneer het schemerend licht der noquot;' ver-

O

wijderde zon zich aan den hemel verspreidt, kon men duidelijk waarnemen, hoe alleen de sterren verbleeken, welke haar nachtboog boven de aarde nog niet halverwege hadden afgelegd, en het zonlicht vertoonde zich reeds, als het daggesternte zelf nog niet boven den horizon van den waarnemer was opgegaan, hetgeen te kennen gaf, dat zij niet in den „Oceaanquot; was weggezonken, zoomin haar vuur had gedoofd.

10e schaduw verder, welke de maan bij hare verduisteringen bedekte - hetzij die te middernacht plaats hadden, als onze satelliet in het zuiden stond of wel des avonds en 's morgens, als bij het op- en ondergaan der maan onze aarde om zoo te zeggen naast haren wachter stond, en dezen rechtstreeks aan het zonlicht onttrok — was altijd rond. Niet

ocr page 18

18

lang duurde liet, of de vooruitstrevende mannen, van Griekenland, in aanraking gekomen met liet Oosten in liet algemeen, en Egypte in liet bijzonder, moesten de juistheid der inzichten hij de Egypte-naren erkennen.

Reeds in de zesde eeuw vóór Christus leerde Pythagoras — die eene reis naar Egypte had volbracht — dat de aarde een holvormig lichaam was, aan alle zijden door den sterrenhemel omgeven. Om de onafhankelijke beweging der planeten te verklaren, nam hij aan, dat de hemel in een bepaald aantal kristallijnen, volkomen doorschijnende sferen was verdeeld, waarvan elk de drager eener overeenkomstige bekende planeet was. De Maan bevond zich in de eerste, het dichtst bij do aarde gelegen sfeer; Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Satur-nus ~ in de volgende kristallen sferen; en eindelijk verhief zich, boven die allen, de sfeer der dui-zende vaste sterren, waarachter hot rijk der onsterfelijke goden een aanvang nam. — Dit geheele stelsel sferen was aan eene ala-eineene as bevestiihl,

~ O '

wentelde volgens deze in den tijd van 24 uur rondom de aarde en vormde eene soort „Harmoniequot; — de zoogenaamde „Muziek der Hemelsferen,quot; welke echter voor de ooren van een storveling' onverstaan-

ocr page 19

19

baar was. — Aan Pythagoras wordt ook ile leer toegeschreven, dat de Zon het middelpunt van liet Heelal vormde, waarom tegelijk met de overige planeten ook de aarde hare wenteling volbracht. Mocht hij al inderdaad dergelijke geniale leer — zoo nabij de hedendaagsche — omtrent het Zonnestelsel hebben uitgedacht: dan toch voorzeker in onbepaalde en onbewezen vormen, en die slechts het kenmerk een er hypothese droeg.

Het laatste woord in de sterrenkundige wetenschap der oude volken was het zoogenaamde „Stelsel van Ptolemaeus, die in de tweede eeuw na Christus leefde, doch waarvan Hipparchns, en mogelijk ook diens voorgangers, als de eigenlijke grondlegger moet worden beschouwd. Dit stelsel verkreeg eene machtige, ja overweldigende beteekenis in de geschiedenis van het menschel ijk weten: was vijftien eeuwen lang onaantastbaar, of gelijk een Evangelie in de wetenschap. Ofschoon dus aan Hipparchns, die in de tweede eeuw vóór onze tijdrekening leefde, de eer van ontdekker toekomt, heeft Ptolemaeus de vedienste gehad, al de verspreide denkbeelden en waarnemingen zijner voorgangers tol éen geheel te vereenigen en aan het stelsel ceno groote uitbreiding te geven.

ocr page 20

20

In rlit stelsel wordt aangenomen, dat de aardbol onbewegelijk in het midden der wereldruimte staat, en dat bet gebeele zichtbare heelal cirkelvormige banen rondom de aarde beschrijft. De eigenlijke sterrenhemel vormde de vaste sfeer, bet onwrikbare gewelf, waarop duizende lichtpunten hunne onveranderlijke plaatsen hadden. — Deze voorstelling was alleszins eenvoudig en natuurlijk. Immers, overal waar de mensch zijn blikken wendt, schijnt de hemel onze aarde op gelijken afstand te omringen, en eene lange reeks van geslachten hebben geleefd, zonder de minste verandering aan dien hemel te bespeuren. Door zijne wenteling in 24 uren om de aarde, deed hij in het menschelijk brein onwillekeurig de overtuiging ontstaan, dat de duizende daarop zichtbare sterren onderling in een vast verband werden bijeen gebonden. Indien zij niet stonden op eene vaste sfeer, die alle sterren ondersteunde, dan ware het volkomen onverklaarbaar, hoe zij zich allen tegelijk om éene en dezelfde as konden bewegen - want het menschelijk vernuft bad het bestaan dezer as vermoed, welke met bare uiteinden aan den hemel zou zijn bevestigd.

De planeten met hare zichtbare verplaatsingen te midden der sterren konden stellig niet tot de

ocr page 21

21

klasse van verschijningen worden gerekend, waartoe. deze laatste behoorden; het was niet mogelijk ze onbewegelijk op de sterrensfeer te bevestigen, en in het voorstellingsvermogen van den mensch moesten zij onvermijdelijk lager dan de sterren worden geplaatst — dus in die ledige ruimte, welke zich tusschen de aarde en de kristallijnen sfeer der sterren uitstrekt. De oude sterrenkundigen kenden noch de vormen, noch de grootten der planeten; maar afgaande op de snelheid harer bewegingen onder de sterren, plaatsten zij haar, naar gissing en van de aarde uit gerekend, in die volgorde, waarin zij zich inderdaad, van uit de zon gezien, door het wereldruim bewegen. De maan ■— evenzeer als planeet beschouwd, werd het eerste hemellicht, dat het dichtst bij de aarde stond; dan volgden Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus, die als de grenspost der planeten werd beschouwd — en eindelijk welfde zich ver daarboven het gebied der vaste sterren. Wat eigenlijk de sterren waren: daarvan wordt in het stelsel van Ptolemaeus geen duidelijke verklaring gegeven.

Het meest kenmerkende in de aloude voorstellingen aangaande het Heelal, was dat de mensch dier dagen geheel onduidelijke en valsche begrippen had

ocr page 22

22

van zijne afmetingen. Ofschoon een onbestemd voorgevoel liem zeide, dat de uitgestrektheid der hemelruimte zeer groot moest «ijn, kwam hij echter op verre na niet nabij de waarheid. Ten tijde van Hesiodas had het aanbeeld van God Vulkaan, bij zijn val uit het verblijf der goden naar de onderwereld, negen dagen en nachten noodig- om naar de aarde te vliegen, en even zooveel tijd om van hieruit de hel te bereiken.

Achttien etmalen — een geruime tijd voorzeker! Gelet op de snelheid, waarmede zich een steen voortbeweegt, die van eene hoogte valt, zal het u begrijpelijk worden, dat het aanbeeld van Vulkaan een verbazenden weg aflegde, waarvan men zich de grootte moeielijk kan voorstellen.

Met dit zinnebeeldig hulpmiddel heeft Hesiodas zijne gedachten omti'ent de uitgestrektheid van het heelal scherp en duidelijk uitgedrukt. Bedenken wij echter, dat de sterren, ofschoon zich met kosmische snelheid door de ruimte bewegende, in den loop van achttien dagen geen, door onze tegenwoordige instrumenten waarneembare, verplaatsing ondergaan - dan valt de voorstelling der Ouden aangaande den afstand des hemels geheel in het niet. Blijkbaar beschouwde Hesiodas do narde als het

ocr page 23

23

tmiverseele zwaartepunt der ruim to; als liet symbool, om zoo te zeggen, van onmeetbare grootheid ; zij kwam hem en zijne tijdgenooten voor als het meest belangrijke gedeelte der schepping, en de hemelruimte daar rondom was van ondergeschikte beteekenis, en iets dat voor ons alleen bestond.

In deze zienswijze ligt duidelijk eene tegenstrijdigheid opgesloten ; de aarde toch, werd beschouwd als een platte schijf, waarboven zich de hemel als een glazen stolp welfde; de bewering nu, dat de hemel slechts een deel van de aarde was, stond gelijk met de stelling, dat liet oppervlak van een bol-vormic setnnent minder inhoud heeft dan de basis

o o

van dat segment; hetgeen wiskunstige onzin is. Maar de Grieken dier oude tijden schenen daarvan niets te begrijpen, en liet geheele vraagstuk is vreemd gebleven aan hun naief verstand. De voorstellingen van Hesiodas' tijdgenooten blijkens dus nog zeer ruw te zijn geweest, toen de invloed der Oostersche wijsheid en kennis zich op het Griek-sche volk deed gevoelen.

Je de derde eeuw voor Christus poogde Aristar-chus, die eene vrij groote wiskunstige kennis bezat, met behulp daarvan de afmetingen van het Heelal samen te vatten en den afstand der Zon tot de aarde

ocr page 24

24

te bepalen. Den afstand der maan tot onze planeet als eenheid aannemende, berekende hij naar de voorschriften der driehoeksmeting, dat de zon bijna 19 maal verder stond dan de maan— een resultaat, dat ondanks zijne onnauwkeurigheid, de grenzen van het Heelal uitlegde, ver buiten de perken, welke men daaraan tot nog toe had gesteld. Wij zullen later zien, dat de zonafstand in werkelijkheid veel grooter is.

Ook hieruit blijkt wederom, dat de Ouden het zichtbare heelal beschouwden als eene ruimte met beperkte afmetingen. In hun oogen was dit eene uitgestrekte, door het gebied der sterren begrensde sfeer, waarachter eene voor menschenoogen quot;'eheel

O o

ontoegankelijke ruimte — het godenrijk een aanvang nam. Wat achter dit laatste volgde: of het evenzoo begrensd was — ziedaar vragen, die zelfs geen onderwerp van gedachten, geen punt van quaestie uitmaakten. In de tijden, toen het stelsel van Ptolemaeus zijn gezag- handhaafde, werd nog in zekere mate vastgehouden aan de meeniug van Pythagoras omtrent het bestaan van enkele sferen, gerekend naar het aantal hemellichten, die hunne wentelingen om de aarde volbrengen. Men sprak van liet „aantal hemelenquot;: van den „vijfden,quot; „zes-

ocr page 25

25

den,quot; „zevenden hemel,quot; enz.; nop- in de legendarische verhalen der Clmstenvolken wordt liet kenmerk aangetroffen, bij voorbeeld in de uitdrukking; „verrukt zijn tot in den zevenden hemel.quot;

Jiij uitzondering trof men geesten aan, vien de bestaande begrippen aangaande het heelal niet voldeden. De in de vijfde eeuw voor Christus levende wijsgeer Demoeritus, dien de geschiedenis ons voorstelt als altijd den spot drijvende met de domheid der menschen, beschouwde het heelal als eene onbegrensde wereld van atomen, welke door de ruimte vielen. Isiet zonder grond heette ook zijne leer onder den invloed der (histerlingen te hebben gestaan ; men weet ten minste, dat hij een groot deel der Aziatische landen bereisde, en de overlevering zegt beslist, dat ('haldeeuwsche priesters hem in de geheimen hunner wijsbegeerte hadden ingewijd. In ieder geval zijn zijne begrippen duister en onbepaald ; op de meeningen der volgende astronomen hadden zij geen merkbaren invloed, eu zij werden zelfs rechtstreeks door Aristoteles eu Ptolemaeus verworpen.

De begrippen, die de Ouden van het quot;Wereldruim koesterden, hebben duidelijk hun zegel gedrukt op het geheele geestesleven dier volken, op hun geloof,

ocr page 26

2G

ceremoniën, overleveringen en zelfs op de voorwaarden van hun dagelijkseli leven. Nog gezwegen van de zon, die zulk een heilzamen en machtigen in-vloed op het aardsche leven openbaart; of van de maan, waaraan evenzeer verschillende invloeden werden toegeschreven, zijn de voorstellingen van alle overige planeten ten nauwste met die hunner godheden verbonden. Do namen der planeten zelden — Mercurius, Venus, enz. zijn namen van Grieksch-Eomeinsclie godheden. De ook in de fran-sche taal overgenomen oude benamingen der weekdagen, zijn zuiver aan goden en planeten ontleend. Lundi wil zeggen: dies Lunae; Mardi — dies Martin, wat vertaald respectievelijk luidt: dag der Maan — dag van Mars, enz. Aan sterren en planeten weiden zekere invloeden toegeschreven op de aarde en de menschen, die haar bewoonden.

Het bleef door de Oostersche volken niet onopgemerkt, dat er nu en dan zoogenaamde „nieuwequot; of „tijdelijkequot; sterren aan het hemelgewelf verschenen, en vooral werd hun aandacht getrokken door zoodanigen, welke zich kenmerkten door een sterken glans, en onverwachts in een deel des hemels schitterden, waar te voren niets gezien werd. Ook konden zij bij herhaling het verschijnsel der zoo-

ocr page 27

27

genaamde „vallende sterrenquot; waarnemen, en die beide feiten vereenig-d moesten tot de gedaclite leiden, hoe vergankelijk het bestaan - hoe gering de beteekenis dier hemellichten was in verhouding tot de planeten en dergelijke groote lichamen als Zon en Maan.

Zoolaiiir de mensch onze aarde voor het middel-punt der wereldruimte aanzag, moest hij natuurlijk ook verband gaan zien tusschen zich en de sterren. Met zekerheid kan men zeggen, dat niet alleen het minder ontwikkelde, deel der Oostersche volken, maar ook schrandere mannen onder hen geneigd waren in vele sterren, om zoo te zeggen, getuigen te zien van het niensclielijk leven. Waarschijnlijk is hieruit ook liet geloof ontstaan, dat iedere vallende ster den dood van een mensch aankondigt. In het Oosten moet de meening geboren zijn, dat bij de geboorte van den mensch ook zijn ster aan den hemel opgaat, (gt;11 dat het ter wereld komen van personen, die een groote rol in de samenleving zouden vervullen, ook gepaard ging met het verschijnen van schitterende sterren.

Hebben wij niet een duidelijk bewijs van zoodanig mystiek geloof in de aanbidding der wijzen kort vóór de geboorte van Christus, toen zij zeiden, dat

ocr page 28

28

hun de groote gebeurtenis reeds bekend was gemaakt door eene schitterende ster, die in het Oosten verschenen was ?

III.

DE DAGERAAD DER NIEUWERE STERREKtTNDE.

In de middeleeuwen — dat tijdperk van kindsheid der Europeesche volken -— konden de zienswijzen omtrent den houw van het heelal wel geen verandering ondergaan. Het stelsel van Ptolemaeus regeerde onvoorwaardelijk op zijne voornaamste grondslagen ; maar gelijktijdig ontstond en vestigde zich de Astrologie, welke zicli ten doel stelde aan bijgeloovige voorstellingen van den invloed der hemellichten op liet menschelijk leven eene breedvoerige ontwikkeling te geven.

Geboren zijn onder bepaalde sterrenbeelden en toevallig daarin voorkomende planeten: m. a. w. op het oogenhlik dat deze, hoog boven den horizon staande, den meridiaan der plaats van geboorte pas-seeren — wees op een bepaald lot, waartoe de jonggeborene bestemd was. Zij, die niet den sterrenhemel en de planetarische bewegingen bekend waren.

ocr page 29

29

konden dan voor ieder meuscli — indien zij het oogenblik zijner geboorte kenden — een zooge-naamden boroscoop daarstellen; d. w. z. berekenen, onder welke bemel-invloeden bij geboren was; en liet menscbdoni — altijd begeerig de toekomst te kennen, Meld zieb bijgeloovig aan deze voorspellingen vast.

Gelukkig nocbtans, dat tegelijk met de Astrologie — die waanzinnige zuster der Astronomie -ook de studie der hemelverscbijningen, de plaatsbepaling der verselullende gesternten, met langzame sebreden voorwaarts gingen. Het waren de Arabieren, die nu ten tooneele verschenen, en mogelijk reeds in hun vaderland — het vruchtbare Arabic — den loop der gesternten hadden gevolgd. Hunne aanraking met vele oude, beschaafde volken had ten gevolge, dat de wetenschappen — vooral de wiskunde en mathematische sterrekunde, ijverige beoefenaars in hen vonden. Het is bekend, dat Europa hun de algebra verschuldigd is, maar vooral op het gebied van astronomische kennis is hun invloed groot geweest. Voortreffelijke observatoria, van uitstekende instrumenten voorzien, waren vrij gewone verschijnselen in den bloeitijd der Arabische beschaving. Zelfs nog lang daarna, toen de

ocr page 30

30

Tartaarsclie Tolksstammen — die barbaren uit liet Oosten — de welvarende gewesten van Arabië overstroomden, bad de studie en zucht voor die weten-sebap bij bet energieke Arabiscbe volk nog geenszins opgebonden.

Tamerlan (eigenlijk Timoer-Cban) die in Rus-land's bistorie zulk eene bloedige bladzijde beeft acbtergelaten, deed zicb aan ons, Europeanen, kennen als een geduchte geesel van wreedheid en bar-baarscbheid, maar zijn kleinzoon, Ulughbegb, stichtte in Samarkand, dat nu aan de Hussiscbe heerschappij is onderworpen, een voor dien tijd prachtig observatorium, dat een der eersten ter wereld was. Spanje, waar de Europeesche wereld met de Arabieren in aanraking kwam, beeftquot; onder meer ook de kennis der astronomie aan hen ontleend en over Europa verspreid, alwaar baar in de toekomst eene ontwikkeling wachtte zoo reusachtig, als het menschdom nooit bad durven voorspellen.

AVel hield nog bet stelsel van l'tolomaeus onwrik baar stand, maar gaandeweg brachten de waarnemingen door de Arabieren aangevangen en in Europa voortgezet, een aantal feiten bijeen, welke door dat stelsel geen verklaring vonden en onvermijdelijk tot zijn val moesten leiden.

ocr page 31

31

Tot iuist begiip van den aard der feiten en verschijnselen, die strekten tot omverwerping van eene zoo vastg'ewortelde meening, gehandhaafd bovendien door eene katholieke geestelijkheid, welke haar plichten verkeerd opvatte — is het noodig de schijnbare bewegingen der planeten meer van nabij te beschouwen. -- - Zon en maan zich tusschen de sterren door bewegende, volbrengen inderdaad — de eerste in een jaar tijds, de tweede binnen een maand — regelmatig haren loop rondom de aarde; maar de planetarische bewegingen dragen een daarvan geheel verschillend kenmerk.

Aanvangende met Mercurius en Vernis — zien wij ook deze in een bepaalden tijdkring haren loop om de aarde volbrengen, maar niet als zon en maan regelmatig in dezelfde richting, terwijl zij zich — nu eens rechts, dan links van de zou staande, nooit verder dan op betrekkelijk geriugeu afstand van deze verwijderen. Beide planeten in haren oostelijken stand met betrekking tot de zon vertoouen zich als avondster; in haren westelijken stand echter — als morgenster; maar nooit zal men haar, om de zoo even genoemde reden, kort vóór of na middernacht hoog boven den horizon kunnen zien.

De overige drie planeten — in tegenstelling van

ocr page 32

32

Mercurius en Venus, bnitenplaneten genoemd —-vervolgen daarentegen liaar weg tussclieu de sterren, ^ olbrengen onafliankelijk A an de zon haar omloop lond de aarde, en staan op verschillende tijden in allo hemelteekens, zoodat men haar zoowel 's avonds, 's morgens, als te middernacht kan zien. Maar evenals de beide eersten, loopen zij niet bestendig in dezelfde richting van rechts naar links — of van liet westen naar liet oosten. Soms blijven zij eeni-geu tijd stilstaan; gaan daarop langzaam naar rechts, leggen iu deze richting een kleinen weg aan den hemel af, staan andermaal stil en bewegen /jfb daarop snel naar het oosten, in welke richting zij een vrij aanzienlijke ruimte doorloopen. Merkwaardig hierbij is, dat gedurende hare bewegingen van links naar rechts - dus naar eene zijde tegengesteld aan den weg, dien de aarde gedacht wordt te doorloopen — alle planeten in steeds toenemende helderheid beginnen te schitteren, die echter gestadig weder afneemt, zoodra zij hare gewone bewegingen van west naar oost hervatten.

Die feiten zijn op zich zeiven reeds voldoende om de onhoudbaarheid van het stelsel van Ptolomaeus aan te toonen. Zooals boven is gezegd, hadden Aris-toteles en Ptolomaeus — de vertegenwoordigers

ocr page 33

33

van liet naar kunst en wetenschap zoo hoog begaafde Grieksche volk, aan een waterdruppel het beginsel ontleend, waarop hunne meaning omtrent de bolvormige structuur van het heelal was gegrond ; aan dit eerste beginsel voegden zij nog een tweede toe, en wel: dat de cirkel de meest volkomen geometrische lijn was, en dat de goddelijke en onvergankelijke hemellichten zich niet anders dan langs cirkels konden bewegen rondom de aarde, als middelpunt van het wereldruim. Maar de zichtbare bewegingen der planeten waren reeds met die bewering in tegenspraak. Om nu hare teruggangen en wisselende helderheid te verklaren, nam men zijne toevlucht tot verschillende hypothesen en beweerde, dat de planeet bij hare beweging langs een zuiveren cirkel - epicykel geheeten — tegelijk den loop van het middelpunt van den epicykel volgde, dat een tweeden cirkel -— deferens genoemd — beschreef, welks middelpunt door de aarde werd ingenomen.

Aanschouwelijk voorgesteld, kunnen zoodanige planetarische of samengestelde cirkelbewegingen worden vergeleken bij die van een vast punt op den omtrek van een wiel gelegen, dat ondersteld wordt met regelmatige snelheid over den weg te

ocr page 34

34

rollen. Denkon wij ons liet oog' op eenigen afstand boven den omtrek van dit wiel — ongeveer in het vlak hiervan geplaatst, dan zal men het punt zien voortbewegen, maar tegelijk zal het — als een gevolg van zijne omwenteling om de as van het wiel—■ mi eens tot den waarnemer naderen, dan eens zich van hem verwijderen; nu eens rechts, dan weer links loopen.

De Arabieren en daarop de Europeanen — tegelijk met het stelsel van Ptolomaeus ook zijne beroemde epicykeltheorie overnemende, moesten echter door hunne metingen op den langen duur resultaten verkrijgen, welke niet mot de theorie overeenstemden ; niot alleen ten opzichte van de bewegingen, maar ook van de helderheidsverandering der planeten. Zonderling onder anderen was het volgend feit. Jupiter en Saturnus doorliepen hunne epicykels respect, in 399 en 378 dagen; eerstgenoemde beschreef hem 11 maal, terwijl de geheele omloopstijd aan den hemel 11,8 jaar bedroeg; Saturnus doorliep den zijnen 28 maal, in een tijdruimte van 29,5 jaar, welke hij noodig had om tot eene zelfde ster terug te keeron. li i j do andere planeten werd deze bijzonderheid niet opgemerkt.

Om alle afwijkingen der planeten bewegingen to

ocr page 35

35

verklaren, moesten de Arabieren steeds nieuwe supplementaire bewegingen uitdenken; en de bouw van het zichtbaar heelal werd volgens dit stelsel van Ptolomaeus zoo ingewikkeld, dat Koninar Al-

O ' O

fonsus X van Kastilië — die in de dertiende eeuw leefde en zelf een goed sterrekundige was — in eene vergadering van bisschoppen niet kon nalaten spottend op te merken, dat zoo God bij de schepping der wereld hem om raad had gevraagd — hij eene minder omslachtige inrichting van het Wereldstelsel zoxi hebben voorgeslagen. — Het spreekt van zelf dat geesten, die een ruimere studie van de astronomie hadden gemaakt, neigden tot een nieuwe, meer waarschijnlijke theorie, waardoor vele hemelverschijnselen zouden worden verklaard, die than:-; onopgehelderd bleven, ondanks alle kunstgrepen van nieuw uitgedachte hulpcirkels.

In deze periode trad Copernicus met zijne beroemde theorie op het tooneel der geschiedenis. Pool van afkomst, werd Xicolaas Copernicus in 1473 te Thorn in Oost-Pruissen geboren, dat toenmaals onder Poolsche heerschappij stond, en waar zijn vader koopman was. Ofschoon hij zich op verlangen van zijn oom met theologische en later met medische studiën heeft bezig gehouden, in welk laatste

ocr page 36

36

vak lirj in 149!) den doctorstitel behaalde, had Co-perniciis steeds ijverig de sterrelainde beoefend. Tot voortzetting- zijner studie naar Bologna in Italië gegaan, waar hij de leer van Pythagoras betreffende den centralen stand der zon in het planetenstelsel nader leerde kennen, kwam hij mogelijk hier door spoedig tot de overtuiging van de juistheid der inzichten van dezen wijsgeer.

Het was aanvankelijk maar een bloot vermoeden, daar Copernicus nog geen overtuigende bewijzen bezat in de waarnemingen zijner talrijke voorgangers. Toen ving echter het onderzoek aan, waaraan liij een groot gedeelte van zijn leven heeft gewijd. Van 1507 tot 1.530 zijnde 23 achtereenvolgende jaren, werkte bij aan de voltooiing van zijn stelsel; meer dan tien jaren daarna lag het manuscript der waarheid op zijne schrijftafel, en eerst op zijn sterfbed werden hem de eerste vellen druks van zijn onsterfelijke werk: ,,l)e revolutioiiibusquot; vertoond.

De juiste bewijzen voor de waarheid zijner leer kon Copernicus in zijn tijd nog wel niet leveren; maar voor dit stelsel pleitten : de groote waarschijnlijkheid, de eenvoudige en natuurlijke wijze, waarop de hemelverschijnselen werden verklaard, zoomede d(i overeenstemming van de daaruit afgeleide

ocr page 37

37

gevolgen met de waarnemingen. In dit werk — een leer verkondigende, die lijnreclit in tegenspraak was met de algenieene overtuiging en door de katholieke Kerk niet werd erkend — heeft hij aangetoond, hoe gemakkelijk zich de verschijnselen in de planetenhewegingen lieten verklaren, wanneer niet de aarde, maar de zon liet middelpunt der wereldruimte vormde, en eerstgenoemde, tegelijk met de overige planeten, haren jaarlijkschen loop om dit centraal] ichaam volbracht - — behalve eene tweede beweging in 24 uur tijds om haar eigen as.— Werkelijk worden alle samengestelde bewegingen, de planeten betreffende, terstond in het Co-pernicaansche stelsel eenvoudig en verstaanbaar. De maan verwisselde van rol en werd een wachter der aarde, waarom zij haar wenteling volbracht. Wat Mercurius en Venus betrof: deze planeten volgden kleinere banen om de zon, en dichter dan de aarde bij deze gelegen. Het was nu duidelijk, waarom zij zich voor een waarnemer op onze planeet nooit ver van het centraal-lichaam verwijderden ; verklaarbaar evenzoo hare recbtloopende en teruggaande bewegingen, en de ongewone toename in glans bij eerstgenoemde richting. In dit geval toch moesten zij zich aan deze zijde van de zon, dus

ocr page 38

38

betrekkelijk dicht bij de aarde bevinden.

Niet minder gemakkelijk lieten ziek ook de bewegingen der overige planeten verklaren, welke verder dan de aarde van de zon verwijderd staan. Stel u voor, dat gij in een spoortrein gezeten, van verre een boseb ziet, en dichter bij een wagen, die over den weg rijdt. Indien gij dezelfde richting als die wagen, maar veel sneller dan deze volgt, zal hij toch ondanks die gelijke richting, op het bosch als achtergrond achteruit schijnen te gaan. De verwijderde boomen zullen schijnbaar met u den wagen vooruitsnellen. Beweegt gij u echter in tegengestelde richting van den wagen, dan zal oogen-schijnlijk het voertuig met nog grootere snelheid dan uw trein de boomen van het bosch achter zich laten.

Juist hetzelfde verschijnsel doet zich bij de waarneming der „bovenquot;- of buitenplaneten voor; zich langzamer dan de aarde bewegende, zullen zij zich evenals in het genoemde voorbeeld op den verwijderden achtergrond der sterren projecteeren. Als de aarde bij haar loop rondom de zon tot eene bui-tenplaneet nadert, zal zij zich met deze in gelijke richting, doelt sneller bewegen, en het gevolg zal zijn, dat die planeet schijnbaar achteruitgaat. Be-

ocr page 39

39

weegt zieli echter de aarde, liaar weg vervolgende, naar eene zijde tegengesteld aan de bewegingsricli-ting der planeet, dan zal de laatste snel ouder de sterren vooruitgaan; immers bij hare eigen snelheid voegt zich die der aarde, welke zich thans van haar verwijdert. Ook is liet duidelijk, dat, als beide planeten zich aan dezelfde zijde der zon bewegen, de buitenplaneet wegens bare grootere nabijheid ook veel helderder zal schijnen. Alle epicykels en samengestelde bewegingen worden in deze theorie onnoodig en alle verschijnselen vinden eene volkomen natuurlijke verklaring.

De dagelijkscbe aswenteling onzer aarde maakte het evenzeer onnoodig zijne toevlucht te nemen tot de onwaarschijnlijke hypothese, dat een menigte sterren op verre en ongelijke afstanden in de ruimte verspreid, juist in 24 uur haren cirkelloop om de aarde zouden volbrengen. De Copernicaansche theorie was eene groote schrede voorwaarts; tot beter begrip van den bouw der wereldruimte: de grootste overwinning van den menschelijken geest. Zij vormde ook den eersten en belangrijksten schakel in eene lange reeks ontdekkingen, welke in 's men-schen voorstelling van het heelal eene volkomen verandering teweegbrachten.

ocr page 40

40

Wij moeten hier opmerken en bedenken, dat de groote daad van Copeniicus slechts liet begin was eener nieuwe richting in de astronomie; eigenlijk maar het bewijs van een feit of waarheid in de structnur van het zichtbare heelal. In de verbeelding van nakomelingen, die in het wezen der zaak niet zijn doorgedrongen, vertoont zich Copernicus als de volstrekte, zoo niet de eenige grondlegger der wereldbegrippen, welke thans gemeengoed zijn geworden. Maar in werkelijkheid heeft bij slechts de eerste voren getrokken in het onontgonnen terrein der nieuwere astronomische wetenschap, en een reusachtig veld voor verdere onderzoekingen aan zijne opvolgers gelaten. Copernicus heeft alleen de zon, in plaats van de aarde, in het middelpunt der ruimte gesteld en de aarde de plaats der zon doen innemen ; maar al het overige bleef naar zijne zienswijze onveranderd. Xog steeds bewogen zich de planeten langs cirkelbanen; achter Saturuus lag dezelfde begrenzing tusschen het zichtbare heelal en de sfeer der sterren, en de schepping bleef besloten binnen dezelfde enge grenzen als in het stelsel van Ptolomaeus.

In het algemeen wordt de verloochening van het Copernicaansche stelsel aan onwetendheid en fana-

ocr page 41

41

tisme toegeschreven, welke den tijd zijner verschijning- hebben gekenmerkt; maar dit is een grove dwaling, voortgesproten uit sentimenteele neigingen, waarvan de ontwikkeling van 's menschen geest vergezeld gaat. Het is waar, dat zijn stelsel op de meest eenvoudige en verstaanbare wijs de samenstelling der planetarische wereld verklaarde; maar ook niet meer. Daarentegen heeft het eene hechte overtuiging, die veel goeds bevat en haar wortels door vele eeuwen heen slingerde, omvergeworpen en vernietigd.

Volgens die meening steunende op voorstellingen, waaraan de Heilige Schrift — ofschoon verkeerd begrepen haar zegel van waarheid had gehecht, was het gansche heelal voor den mensch geschapen ; en nit de bewering, dat het stelsel van Copernicus eene betere en duidelijker verklaring der verschijnselen gaf, volgde op verre na nog niet de noodzakelijkheid om die oude meeningen en begrippen vaarwel te zeggen. Immers, waartoe was het noodig een meer eenvoudig wereldstelsel beter te achten dan een verkeerd stelsel ? Had de Scheppende Oorzaak van alle dingen het niet in haar macht aan het wereldruim deze of gene samenstelling te geven, afwijkende van alle menschelijke hy-

ocr page 42

42

pothesen en voorstellingen ?

Met deze of dergelijke bespiegelingen moesten de tijdgenooten van den grooten Slavisclien denker en navorscher op zijne leer nederzien; en onder hen ontmoeten wij aanstonds mannen, die, ofschoon den stempel van liet genie dragende, toch niet konden besluiten om het nieuwe stelsel te erkennen.

Noo' moeten wij opmerken, dat vooral in de verloochening van Coperniens' leer de bron school voor hare verdere, krachtige ontwikkeling en bevestiging, zooals hieronder blijken zal. Zonder die verzaking en bestrijding, welke krachtig tot onderzoek en waarneming aanspoorden, zon zijne leer op verre na niet zulke nuttige en wijdsche gevolgen hebben gehad.

IV.

ONTDEKKINGEN, DIK DE JUISTHEID DER LEER VAN COPERNICUS AANTOONDEN.

Drie jaren na den dood van den grondlegger dei-nieuwe astronomie, in 1546 — werd een man geboren, aan wien de menschheid te danken heeft, dat

ocr page 43

43

een reusachtig materiaal werd bijeengebracht, waar-dooi' de juistheid der inzichten van onzen grooten Poolschen sterrekundige zou worden bewezen. Wij bedoelen ïycho Brahe.

Deen van geboorte en op verlangen zijns vaders en bloedverwanten tot rechtsgeleerde opgeleid, had hij echter eene wezenlijke roeping voor de astronomie. In zijne jeugd bracht hij eenigen tijd in Duitsch-land door, reisde naar Zweden en maakte kennis met de voornaamste sterreknndigen van zijn tijd. Zijn hartstccht om den hemel te bestudeeren, wel verre van te bekoelen, nam toe — nog geprikkeld door een zousverduisteriny in Ausnistus van het jaar 1560, welke door hem met aandacht was gadegeslagen.

liij den dood zijns vaders in 1570 naar Denemarken teruggekeerd en geen verdere hinderpalen voor zijn streven ontmoetende, gaf hij zich geheel aan zijne langgewenschte bezigheden over. Een nieuwe ster, welke in het jaar 1572 verscheen, zeer merkwaardig was om haar verbazenden glans, maar kort daarop verdween alsmede het boek, dat naar aanleiding daarvan door Tycho werd geschreven, saven hem weldra meer of mindere vermaardheid.

Gelukkig vond hij nu ook kort daarna een door-

ocr page 44

44

luchtigen beschermer in de persoon van Frederik II van Denemarken, die een klein eiland in De Sont — Hueen geheeten — te zijner beschikking- stelde.

Daar bouwde Tycho Brahe zijn beroemd astronomisch observatorium „De Uranienburgquot; (afgeleid van „ouranosquot;, dat „hemelquot; beteekent); voorzag het van groote en voor dien tijd bijzonder nauwkeurige instrumenten, en leverde aan de sterrekunde zijner dagen eene onschatbare en uitgebreide reeks van metingen en waarnemingen. De dood van zijn beschermer verstoorde op eenmaal zijne rust, wijl hij hiermede van zijne onmisbare hulpmiddelen werd beroofd; en op uitnoodiging van Rudolf II, vertrok hij in 1007 naar Praag met den titel van „astronoom en mathematicus des Keizers.quot; — Kiet lang genoot hij de voorrechten van zijn verblijf alhier, daar de dood reeds in 1001 een einde maakte aan zijn werkzaam leven.

De meening van Tycho Brahe ten opzichte van Copernicus getuigde zoowel van eerbied als van bewondering; maar zijn stelsel heeft hij niet aangenomen en zijn eigen hypothese daarvoor in de plaats gesteld. Dit laatste bestond hierin, dat hij Mercu-rius en \ onus satellieten der zon noemde, welke hun loop om dit daggesternte volbrachten; doch hij

ocr page 45

45

kon er niet toe besluiten de aarde eene planeet te noemen, die evenals de eersten rondom de zon wentelde. In de wijze, waarop hij aldns liet stelsel van Copernicus loochende of verwierp, lifgt;t intussclien al de kracht van zijn grooten geest uitgedrukt. Hij beweerde dat, wanneer de aarde in een jaar tijds om de zon ging, wij hare plaatsverandering zouden moeten bespeuren in den vorm eener poolsverande-ring met betrekking tot de sterren. Onze aardas zou van dag tot dag naar andere sterren zijn gericht; m. a. w. de pool des hemels zou bewegelijk zijn en in een jaar tijds een kringloop volbrengen, om daarop tot dezelfde ster terug te keeren.

Bespeui'de men geenerlei beweging — dus vervolgde Tycho zijne redeneering — dan moest: óf de leer van Copernicus valsch zijn; of men moest aannemen, dat de sfeer der sterren op zoo reusach-tigen afstand was gelegen, dat de jaarlijksche loopbaan der aarde om de zon, ondanks haar enorme afmetingen, uiterst nietig en onbeteekenend was in vergelijking met dien afstand. Men zou dus genoodzaakt zijn, den laatsten als oneindig groot te beschouwen.

In die dagen durfde niemand zoo iets vermoeden, ofschoon het later bleek waarheid te bevatten. Al-

ocr page 46

46

dus openbaarde Tyelio Bralie in den vorm van een bewijs tegen het Copernicnansclie stelsel, een nieuw feit, dat tot grondslag moest dienen A-oor de ster-rekunde dier dagen en een nieuwen weg voor onderzoek opende. Later werden onder liet reusachtig materieel zijner waarnemingen niet minder belang-rijke gegevens gevonden voor het afleiden der resultaten, waardoor Keppler — Tycho's groote tijdgenoot — zijn naam onsterfelijk heeft gemaakt.

Als de zoon van arme Protestantsclie ouders te eil der Stadt in Würtemberg geboren, kon Kep])ler een vrijer standpunt innemen tegenover de leer van .Copernicus, welke reeds lang door de Katholieke Kerk verboden en vervolgd werd. Hoe gebrekkig ook, had Keppler toch het geluk eene opvoeding te krijgen, en toonde hij zich een aanhanger van het nieuwe stelsel. De vervolging waaraan de Protestanten in het zuiden van Oostenrijk blootstonden, noodzaakte hem zich naar elders te heffe-

o

ven, als wanneer in den herfst van het jaar 1598 hem eene plaats als adsistent van Tycho Brahe in Praag werd aangeboden.

Pij den dood van dezen grooten meester nam Keppler diens plaats als „mathematicus des Keizersquot; in, en kwam zoodoende in het bezit van dien

ocr page 47

47

schat van waarnemingen, die zijn voorganger had verricht. ()ndanks treurige levensomstandigheden, tegenspoed en gebrek, wijdde hij zich geheel aan de becijferingen, welke op gegevens berustten door Tyclio bijeen gebracht; en de resultaten van dezen moeite vollen arbeid waren de beroemde „beweoina's

77 O O

wetten van Keppler.quot; Hij toonde aan, dat de planeten niet loopen in cirkels, maar in ellipsen (dat zijn min of meer afgeplatte cirkelbolvormige lijnen, van gelijke orde als die der cirkels); waarbij zij nu eens de zon naderen, dan weer zich van deze verwijderen, terwijl hare snelheid van beweging des te groo-ter is, naarmate zij dichter bij de zon staan. Keppler wees die feiten aan, doch waarom dit alles zoo geschiedde, bleef onopgelost en onverklaard. Het was der. beroemden Isaac Newton voorbehouden, die groote oorzaak aan te wijzen.

Gelijktijdig met Keppler, gedurende de jaren 15G4 tot 1642, leefde in Italië een ander groot man; dit was de niet minder vermaarde (jalilec Galilei. Algemeen bekend is het verhaal, dat hij door de Inquisitie werd gedwongen afstand te doen van de leer aangaande de beweging der aarde. Andere verhalen voegen hieraan toe, dat hij, na de vereischte afzwerino' te hebben gedaan, zich niet lancer kon

n o ' O

ocr page 48

48

weerhouden, maar met bevende hand uitriep: „E pure si muovequot; — (En toch beweegt zij zich). Dit op zicli zelf onwaarschijnlijk verhaal wijst echter o]) een geloofwaardig feit, en wel: dat Galilei meer dan eens in botsing is gekomen met de katholieke geestelijkheid, die liet stelsel van Ptolemaeus als haar kerkelijk dogma had aangenomen. Evenals Keppler was Galilei een aanhanger der leer van Copernicus en heeft, schoon langs andere wegen, diens triomf in de toekomst krachtig voorbereid. Een zijner voornaamste verdiensten was, dat hij — in het algemeen de natuurkundige stellingen van Aristoteles bestrijdende •— vole physische verschijnselen heeft bestudeerd, onder andere de wet van den vrijen val der lichamen, welke Newton tot grondslag zijner ontdekkingen diende.

Juist in liet tijdperk der ontwikkeling van Galilei's intellectuëele krachten, had eene uitvinding plaats, die voor de sterrekunde van het hoogste belang, tevens een der merkwaardigste uit alle eeuwen is geweest; - wij bedoelen die der verrekijkers ir 1008. De naam van den man, aan wien die eer toekomt, is niet volkomen bekend: men noemt Jakob ifetius te Alkmaar, Zacharias Jansen en Johannes

ocr page 49

49

Laprey of Lippersliey *) te Middellnirg. Zelfs wordt verhaald, dat de eigenlijke uitvinders kinderen waren, die met brillenglazen spelende, toevallig opmerkten dat twee glazen van bepaalde soort, op zekeren afstand van elkaar geplaatst, een verwijderd voorwerp dichterbij brachten; welk feit hen verbaasde en in verrukking bracht. Een feit is zeker; dat de uitvinding der verrekijkers in Holland plaats vond.

Zooals te begrijpen is, waren de eerste kijkers uiterst gebrekkig; maar Galilei, die toevallig van de uitvinding had kennis gekregen, slaagde er in liem eenigermate te verbeteren, en voor astronomische doeleinden geschikt te maken. Hetzij dat hij alleen van zoodanig instrument had gehoord, of «el tevens de inrichting kende — genoeg te zeggen, dat hij zelf in liet jaar l(i09 een kleinen kijker vervaardigde, die een driemalige vergrooting toeliet; daarna voerde hij de vergrooting op tot 30 maal.

Met deze instrumenten werden hemelverschijn-

too/oniHmr Staat VaSt' tla5 lippersliey den 2den October 1608, na

van ln®r,.nnquot; rV^ k,lst:lllequot; k'quot;zequot; voorziener, verrekijker, gt;an de Generale Staten van Holland een patent voor de ver-

Prn i i ' van, • ,en ven'ckijker verkreeg. De zoogenaamde Hol-

1608 ui toe vond p' WaS dUS in ieilCr gCyal in llen heifst V!ln iouö uitgevonaen en samengesteld.

ocr page 50

48

weerhouden, maar met bevende hand uitriep: ,,E pure si nmovequot; — (En tocli beweegt zij zich). Dit op zich zelf onwaarschijnlijk verhaal wijst echter op een geloofwaardig feit, en wel: dat Galilei meer dan eens in botsing is gekomen met de katholieke geestelijkheid, die liet stelsel van Ptolemaeus als haar kerkelijk dogma had aangenomen. Evenals Keppler was Galilei een aanhanger der leer van Copernicus en heeft, schoon langs andere wegen, diens triomf in de toekomst krachtig voorbereid. Een zijner voornaamste verdiensten wa-s, dat hij — in het algemeen de natuurkundige stellingen van Aristoteles bestrijdende — vele physische verschijnselen heeft bestudeerd, onder andere de wet van den vrijen val der lichamen, welke Newton tot grondslag zijner ontdekkingen diende.

Juist in het tijdperk der ontwikkeling van Galilei's intellectuëele krachten, had eene uitvinding plaats, die voor de sterrekunde van het hoogste belang, tevens een der merkwaardigste uit alle eeuwen is geweest; — wij bedoelen die der verrekijkers in 1008. De naam van den man, aan wien die eer toekomt, is niet volkomen bekend; men noemt Jakob Metius te Alkmaar, Zacharias Jansen en Johannes

ocr page 51

49

Lapt ev of Lippershey *) te Middellmrg. Zelfs wordt verhaald, dat de eigenlijke uitvinders kinderen waren, die met brillenglazen spelende, toevallig opmerkten dat twee glazen van bepaalde soort, op zekeren afstand van elkaar geplaatst, een verwijderd voorwerp dicbterbij brachten; welk feit hen verbaasde en in verrukking bracht. Een feit is zeker: dat de uitvinding der verrekijkers in Holland plaats vond.

Zooals te begrijpen is, waren de eerste kijkers uiterst gebrekkig: maar Galilei, die toevallig van de uitvinding liad kennis gekregen, slaagde er in hem eenigermate te verbeteren, en voor astronomische doeleinden geschikt te maken. Hetzij dat hij alleen van zoodanig instrument had gehoord, of M(1 te\ens de inrichting kende -— genoeg te zeggen, dat hij zelf in het jaar KiOO een kleinen kijker vervaardigde, die een driemalige vergrooting toeliet ; daarna voerde hij de vergrooting op tot 30 maal.

Met deze instrumenten werden hemelverschijn-

}let staat vast. (,at lippershey den 2den October 1608 na

van dl r.-nnquot; rnamct kristllllen voorziene,, verrekijker,

v nv.Hain r ? Staten . Vari IIol,quot;nd een patent voor de ver-

1'indsche verrek I0quot; VCITck,Jker .vevkrocg. De zoogenaamde Hol-

inns^f, „ 1 J ' WaS dquot;s ln letler gcval in tien herfst van luüo uitgevonden cn samengesteld.

ocr page 52

50

selen van verrassende schoonheid en groote betee-kenis ontdekt. Men zegt, dat hij geheele nachten door met waarnemingen van Jupiter bezig was. Daar — voor hem in het veld van den kijker lag een volledig stelsel gelijkvormig met het Zonne-systeem, waarin Copernicus zijne planeten had samengevat — een reusachtige bol, waarom vier *) wachters zich met snelheid heen bewogen. Reeds na enkele nachten kon hij duidelijk bespeuren, hoe de kleine satellieten nu eens tot den centralen bol naderden, dan weer zich van dezen verwijderden: soms achter de hoofdplaneet verdwenen, om daarna weer te voorschijn te treden.

^ en us vertoonde zich aan hem in verschillende schijngestalten — phasen geheeten, evenals de maan: nu eens een smalle sikkel, dan als een halve maan van kleineren omtrek, of eindelijk als een vol verlicht schijfje op zeer verren afstand. In dit feit lag eene volledige bevestiging van het Co-pernicaansche stelsel. Venus toch wentelde blijkbaar om de zon, achter deze dagster rondloopencle, a ei toonde zij de aarde hare verlichte zijde; maar kwam zij al meer en meer naderende eindelijk tus-

*) Door Barnard aan de Lick Sterrewaclit in Californië, werd 9 September 1S92 een vijfde wachter ontdekt. J. 13.

ocr page 53

51

sclien zon en aarde te staan, dan was natiuuiijk hare donkere zijde naar den waarnemer gekeerd, of vertoonde zij slechts een deel harer verlichte oppervlakte. Daarentegen gaven de Luiten planeten — welke verder dan onze planeet van de zon st;:an, zulke schijngestalten niet te zien, daar zij bij haren omloop steeds de door de zon verlichte zijde naar de aarde hielden.

Het liet zich gemakkelijk voorstellen, dat als Venus op kleineren afstand van de Zon om de aarde liep, zij haar grootsten glans zou moeten vertoonen ten tijde harer totale verlichting—gelijk eenelmi-tenplaneet; nochtans was die helderheid juist het grootst omstreeks 36 dagen voor en na liet tijdstip van haren doorgang tusschen zon en aarde, als wanneer de verlichte planetenschijf meer dan halverwege van ons afgekeerd, maar de schijnbare middellijn van den helder verlichten sikkel vrij aanzienlijk is. Keert de planeet ons hare. geheel verlichte oppervlakte toe, dan is hare middellijn zeer klein en daardoor het oppervlak van het schijfje zevenmaal kleiner dan de zoo even genoemde sikkel ; in dat geval bevijndt Venus zich blijkbaar aau gene zijde der zon, en is haar afstand tot de aarde het grootst. Door dergelijke niet te loochenen fei-

ocr page 54

ten kreeg liet stelsel van Ptolemaeus een onvermij-delijken slag.

Op ile zon ontdekte Galilei vlekken 1), die nu eens ontstonden, dan weer verdwenen, terwijl de maan hem grillig gevormde bergen te zien gaf. Ondanks de groote onvolkomenheid der kijkers, bespeurde Galilei ter zijde van Saturnns zekere aanhangsels, die later nit een drievondigen ring bleken te bestaan, welke de planeet omgaf. De kijk n1 openbaarde hem ook nieuwe groepen sterren, wier aantal — gelijk thans bekend is — inderdaad moeilijk te schatten is. Het zichtbare heelal verruimde en bevolkte zich op wonderbare wijs. — Toen eenmaal het stelsel van Copernicus zich had gerechtvaardigd, moest ook het vermoeden worden bevestigd aangaande den enormen afstand, welke de

1

De zonnevlekken zijn het eerst door den Oost-Fries Johannes Fabricins Rezien. Toen hij, op een Decembermorgen van het Jaar 1G10, den kort te voren uitgevonden verrekijker wilde bezigen, om naar oneffenheden op den Zonsrand te zoeken, ontdekte hij tot zijne groote verbazing een zwarte vlek, die eehter klein in vergelijking niet de zonneschijf was.

Terwijl Fabricius reeds met het samenstellen van een werkje over deze ontdekking bezig was, namelijk in Maart 1611, zag ook Frof. Christoffel Scheiner te Ingolstadt, in het bijzijn van zijn leerling Cysat, vlekken op de zon. Eerst later moet Galilei die vlekken hebben opgemerkt; waarbij het zoo goed als zeker is, dat hij de ontdekking van Fabricius kende, ofschoon hij het in eenige strijdschriften tusschen hem en Scheiner wil doen voorkomen, dat hij de zonnevlekken heeft ontdekt.

ocr page 55

53

sterren van ons planetenstelsel scheidde; dat de zon als overwegende massa geheel beheerscht. Zoo niet, dan zon de plaatsverandering' onzer aarde zich moeten afspiegelen in eene standverandering van de polen des hemels met betrekking tot de sterren. Met het volste recht had Galilei thans in alle omstandigheden mogen uitroepen: „En toch beweegt zif Ziicli !quot;

De uitvinding der verrekijkers leidde de astronomie tot de mogelijkheid, met grootere juistheid de plaats der hemellichten te meten. Het is duidelijk, dat als dezelfde hemelmimte dertig-, honderd-, t'u eehonderdmaal (111 onze hedendaagse lie instrumenten meer dan duizendmaal) wei d vergroot, zeer kleine plaatsveranderingen der hemellichten, welke voorheen onmerkbaar waren, thans waarneembaar konden worden, alsmede gevolgtrekkingen en berekeningen werden afgeleid zoo streng en nauwkeurig als te voren onbereikbaar was.

Men moest natuurlijk de verbeteringen van dit instrument afwachten, welke echter niet lang uitbleven. Reeds had Keppler het oculair uitgevonden (een glaslens, die naar het oog van den waarnemer is gekeerd, als deze in den kijker ziet), dat veel sterker vergrootingen toelaat, dan de Gali-

ocr page 56

54

lei'sche kijkers, welke in constructie gelieel overeenkwamen niet onze hedendaagsclie tooneelkijkers. Het is liier de plaats niet om over de verbeteringen en verdere ontwikkelingsgescliiedenis der kijkers te spreken; liet zij voldoende te zeggen, dat die verbetering gestadig toenam, en dit instrument een liOogen trap van volkomenlieid beeft bereikt.

\V cl waren nu de bewegingsvormen der bemel-licliten bekend en bestudeerd: ook was men in staat dat onderzoek met grooter nauwkeurigheid te vervolgen — maar de oorzaken dier bewegingen waren onbekend. Waarom bewogen zich de lichamen van ons zonnestelsel langs elliptische banen? Welk oorzakelijk beginsel, welke kracht dreef hen voort? Zoolang geen theorie daar was, welke die bewegingen waar maakte, hare wetten aantoonde, kon het wereldruim zijn geheime raadselen niet ontsluieren. Was men bezig het eene hemellichaam in zijn loop te volgen, dan lag de mogelijkheid na, dat tezeltder tijd een ander lichaam werd gevonden, welks beweging niet iu het minst met die van het eerste overeenstemde, en geheel bijzondere wetten vo.'gdc. Ieder verschijnsel eischte aldus noodzakelijk een afzonderlijk onderzoek. Er moest een man van groote beteekenis opstaan, een kolossus in de we-

ocr page 57

55

tenscliap, iu staat zicL een rechten weg te banen door dit doolliof van problemen — en zulk een genie rees voor liet oog der niensehheid op in den En-gelsclumm Isaac Newton.

Het jaar 1(142 stond bij zijn aanvang aan het sterfbed van een zwaar beproefden, levensmoeden, blinden grijsaard, die in zijn strijd voor de ware wetenschap de folteringen der inquisitie niet had gevreesd, en objecten des hemels had ontsloten, welke liet menschelijk oog nooit te voren had aanschouwd — het sterfbed van Gralilei.

Bij zijn scheiden stond datzelfde jaar aan de wieg van een te vroea'seboren kind, welks moeder zwakke

O o '

hoop koesterde het in 't leven te houden, maar dat bestemd was het hoogste doel te bereiken, waarnaar de man der wetenschap kan streven — dat kind was Isaac Newton! —

Heeds bij zijne geboorte een wees want zijn vader was bijna een half jaar vroeger gestorven — zag Xewtou op Kerstdag van dit jaar te Wools-thorpe - een dorpje in het Graafschap Lincoln in het noorden van Engeland het levenslicht. Hel landgoedje, dat zijne moeder had geërfd, was nauw voldoende om beiden te onderhouden, en weinig scheelde het, of de eerst vrij achterlijke en zwakke

ocr page 58

56

knaap had zijn lt;gt;-elipele leven met landbouwarbeid moeten slieten.

Gelukkig had zijn oom ecliter opgemerkt, dat de jongen veel weetgierigheid en zucht tot nadenken aan den dag legde, en dat hij voor praktische bezigheden totaal ongeschikt was; waarom hij besloot hem eene wetenschappelijke opvoeding te geven.

Zoo zien wij Newton als jongeling van 17 jaren en bijna zonder voorafgaande kennis naar Cambridge gaan. Deels zelfstandig en deels met hulp van leermeesters (waaronder vooral Barrow) maakte hij weldra reusachtige vorderingen in de wetenschappen, en reeds negen jaar later - in 1669, zien wij hem als professor in de wiskunde te Cambridge de plaats van zijn leermeester Barrow innemen.

Hier werd hij spoedig door zijn diepzinnige mathematische studiën bekend. Maar nog kort te voren, in het jaar 1666, toen Newton nog student was, kwam de ernstige jongeman — naar men verhaalt - ~ op eene gedachte, welke zijn naam door alle eeuwen heen onvergetelijk heeft gemaakt. Eens zat hij in den tuin der ouderlijke woning in zijn beschouwingen verdiept, toen plotseling een appel vóór hem van den boom viel. Dit zeer alledaagsehe

ocr page 59

57

verscliiinseJ, waaraan een gewoon sterveling geen verdere waarde zou hechten, trok evenwel de aandacht van den genial en denker. Die gedachte, waarvan Newton alle eer toekomt, was de wet der alge-ineene aantrekkingskracht —- eene der schranderste ontdekkingen van den menschelijken geest.

In het algemeen zijn personen, weinig met den aard van het vraagstuk en de methode bekend, die Newton diende voor het ontdekken van zijne wet dienden eensdeels geneigd dia daad te overdrijven, anderdeels voelden zij zich —niet ten onrechte— een weinig teleurgesteld, zoodra zij hegrijpen waarin die bestond. Gezien van het verwijderd standpunt, dat ons thans van Newton en zijn tijd scheidt, is alleen zijn naam met nlle voorstellingen en begrippen over aantrekkingskracht verbonden, als ware liij alléén de man, die deze kracht had ontdekt en bewezen. In werkelijkheid was die daad eenvoudiger en de ontdekking eenigszins voorbereid.

Reeds van de oudste tijden af kende men op grond van dagelijksche ervaring, de eigenschap der aarde om alle voorwerpen, welke van hun steunpunt werden beroofd, aan te trekken; gewichten, vallende steenen en dergelijke verschijnselen hadden elk van die waarheid overtuigd.

ocr page 60

58

De mule wijsgeeren Democritus en Epicurus reeds namen de onderstelling aan, dat alle lichamen naar een centrum of middelpunt streven, zoo op de aarde zelf, als op de andere liemellicliten. Keppler, wiens onderzoekende geest in zooveel problemen is doorgedrongen, geloofde aan eene onderlinge aantrekking tussclien zon, aarde en de overige planeten. — Gelijk boven is gezegd, had Gralilei de juiste wet gevonden van den vrijen val der lichamen op de aarde; ook hij, benevens Bacon en de sterrekundige Hooke (1G35—170-3) hadden hot bestaan eener kracht erkend, die alle hemellichamen tot elkander trekt. (Zie Appendix).

Onder de mannen, die Newton's groote ontdekking hebben voorbereid, dient vooral de Nederlander Christiaan Huijgens te worden genoemd: een dier zeldzame mannen, welke destijds als het ware elkander opvolgden, of als tijdgenooten wedijverden, om de wetenschap met rassche schreden vooruit te doen gaan. Den 14den April 1()29 te 's Gravenhage geboren, ontving Christiaan Huijgens van zijn vader Constantijn, die Heer van Zuijlichem en een zeer ontwikkeld man was, het eerste onderricht in wis- en werktuigkunde; studeerde van af 1645 te. Leiden en Breda in de rechten, en deed vervolgens

ocr page 61

59

groote reizen naar Frankrijk, Engeland en Duitscli-land. - Tu den Haag teruggekeerd, deed 'rij spoedig zijne eerste gescliriften over de qnadratunr van cirkels, ellipsen en liyperbolen liet licht zien en verrijkte destijds di' wiskunde met een nieuwen tak — de AVaarschijnlijklieidsrekening — die later zulke uitgebreide toepassingen heeft gevonden. Zijne werken volgen die van Keppler en Galilei op den voet; maar nog meer dan deze mannen, heeft Huijgens de wetenschap gediend door de groote beteekenis zijner onderzoekingen. De toepassing van den slinger op de uurwerken is een der fraaiste geschenken, waarmede de Astronomie en Geographic werden verrijkt, die hare snelle vorderingen danken aan die vinding, alsmede aan die der verrekijkers, welke Huijgens langs praktischen en theoretischen weg aanmerkelijk verbeterde. Met behulp van uitstekende, door hemzelven vervaardigde objectieven ontdekte hij, dat de zonderlinge vormveranderingen van Satur-ntis werden voortgebracht door een zeer dunnen ring waardoor die planeet omgeven is. Ijverig met deze waarnemingen bezig, ontdekte hij ook een der wachters van genoemde planeet, en heeft daarop een en ander in een werk : Systema Saturniumquot; bekend gemaakt. — Wis- en Werktuigkunde, alsmede de

ocr page 62

60

Leer van het Licht zijn aan Huijgens een jjroot aantal ontdekkingen A^erschnldigd, en zoo deze zeldzame man op de gedachte ware gekomen, om zijne stellingen over de middelpuntvliedende kracht oordeelkundig1 te verbinden met de wetten van Kepp-ler en zijne eigen schoone onderzoekingen over de ontwondenen (kromme lijnen, in zijn beroemd en klassiek werk „Horologmm oscillatormmquot; nader beschreven) — dan zon hij Newton, die aan Hnij-gens werken veel verplicht was, vóór zijn geweest, en hem de theorie der Algemeene Aantrekkingskracht en die der kromlijnige bewegingen hebben ontwrongen. — Newton zelf, ofschoon op het gebied der leer van het licht een geheel ander standpunt innemende, dan Hnijgens, gaf dezen den bijnaam van : de groote en voortreffelijkste navolger der oude wiskundigen, zoowel wat den vorm, als de juistheid en logische kracht zijner vertoogen betrof; en Leibnitz - - de groote denker en wijsgeer — die in zijne werken bij herhaling zijn gevoelen over Hnijgens uitspreekt, noemde hem: ,,de tweede wiskundige zijner eeuw.quot;

f)us had men zich al vóór Newton die vraag gesteld, en ook theoretisch eene voorstelling van de gezochte kracht gemaakt. Zijn groote verdienste be-

ocr page 63

61

stond hierin, dat hij aantoonde, hoe zich de hemellichamen juist ingevolge van die kracht bewegen, en dat hij haar strenge wetten heeft gevonden. Du methode door hem gebezigd, bestond in het volgende.

Hij stelde zich de vraag, of niet dezelfde kracht, welke den steen naar de aarde doet vallen, ook de maan in hare baan rond de aarde houdt, zonder welke zij zich rechtlijnig van deze in de ruimte zou moeten verwijderen — volgens een wet, welke thans algemeen is bekend, doch waarvan destijds niemand geheel onkundig was ?

Tot het oplossen van deze vraag was het noodig te weten, welke kracht er vereischt werd om de maan in haar loopbaan te houden, en daartoe moest Newton in de eerste plaats haar afstand tot het mid delpunt der aarde kennen. Reeds lang wist men, dat die afstand onmstreks 60 aardstralen bedroeo-

O

(metingen van Hipparchus, Ptolemans, maar vooral van Tycho Brahe), doch de grootte dezer eenheid, die uit de lengte van meridiaanbogen dei-aarde op verschillende breedten moest worden afgeleid, was niet nauwkeurig bekend. Op grond van vroegere metingen, volgens welke éen graad van den aardequator eene lengte bezat van 297,250 Pa-

ocr page 64

62

ri]sclie voeten, voerde Newton zijne berekeningen uit en vond dat de vallende beweging- der maan naar de aarde — dat is: hare afwijking van de rechtlijnige baanbeweging, niet overeenstemde met de waarde, welke zij hebben moest volgens de wet der vallende lichamen, als deze door de aarde worden aangetrokken.

— De afwijking was een gevolg van de omstandigheid, dat zoowel de maansafstand als de lengte van den eqnatorgraad niet Juist bekend waren.

Teleurgesteld door dit eerste resultaat, legde Newton het werk ter zijde en hield zich met andere onderzoekingen bezig. Twintig jaar bleef die arbeid onaangeroerd liggen, en wachtte Newton op betere gegevens. Plotseling hoort hij van een nieuwe eraadnietinsr door den Franschman Picard ver-

O ~

richt; hij neemt de verbeterde waarde voor den aardstraal over, en zet zich andermaal aan den arbeid. Het nu verkregen resultaat beantwoordde geheel aan zijne verwachtingen, en de maan bleek elke seconde evenveel naar de aarde te „vallenquot;, als een steen zou doen, welke op een maansafstand van de aarde werd geplaatst.

Hieruit volgde dus dat do kracht, welke onzen satelliet in zijne loopbaan houdt, dezelfde is als die

ocr page 65

63

een steen naar de aarde doet vallen. Maai waarom Yalt dan de maan ten laatste niet op de aarde neder ? Het antwoord op deze vraag is duidelijk. Hoe grooter de kracht is, waarmee wij een projectiel uit den mond van het geschut slingeren, des te verder zal dit voort\ liegen en te minder aan de kracht onderworpen zijn, waarmee de aarde het aantrekt. Door die snelheid steeds te vergrooten zou men het zoo ver kunnen brengen, dat de kracht, welke het projectiel belet te vallen, gelijk werd aan de aantrekkingskracht der aarde, of wel deze overtrof. Dan zou de kogel voortdurend in een cirkelvormige baan om de aarde heen loopen, die hem wèl bleef aantrekken, maar nooit kon doen vallen: of wel eene onbepaalde beweging in de oneindige ruimte volgen, waarop niet meer de aarde, maar de zon haren invloed zou doen gelden. - In zoodanig- geval ver-

r? O O

keert ook de maan, welke eene altijddurende eigen beweging bezit: eene neiging om zich van de aarde te verwijderen, en die geheel in evenwicht is met de aantrekkende werking' van laatstgenoemde.

o o

Het resultaat van zijn onderzoek met betrekking tot de maan ook op de planetenwereld toepassende, vond Kewton, dat overal diezelfde kracht werkt; dat alle lichamen van ons stelsel elkander aantrek-

ocr page 66

64

ken met ecne kraclil des te grooter, naar gelang hunne massa grooter is, en des te kleiner, naarmate Imn onderlinge afstand toeneemt; Juister geformuleerd luidt die wet: ,,Alle lichamen trekken elkander aan met eene kracht, die reehtstreeJis evenredig is aan hunne massa's, en oincfekeerd evenreduj aan de vierkanten hunner onderlvncjö af standen. Daaruit blijkt, dat de liemellichamen zich niet volgens cirkels, maar in het algemeen volgens ellipsen moeten bewegen en werd tevens de juistheid bevestigd der bewegingswetten, die door Keppler waren berekend.

Het verdient intusschen opmerking, dat deze geheimzinnige aantrekkingskracht evenmin verklaard als begrepen wordt; ook zi] moet eene oorzaak hebben, die echter tot op heden, niettegenstaande de beschouwingen der scherpzinnigste denkers en wiskundigen (waaronder vooral Laplace) volkomen onbekend is. Na Newton beschouwde men haar als eene „eigenschap der materie,quot; maar deze woorden zeffffen of verklaren niets.

O O

Deze geniale wiskundige kon er zelf niet toe besluiten dergelijke kracht onvoorwaardelijk te erkennen, en heeft alleen gezegd, dat de beweging der planeten juist zóó geschiedt, alsof „de lichamen el-

ocr page 67

65

kander volgens de omsclireven wetten aantrekken.quot; Of die kracht stoffelijk dan wel onstoffelijk is — deze vraag heeft hij aan latere geleerden ter beantwoording gelaten.

V.

HET ZONNESTELSEL IN' DE NIEUWERE STEEREKUNDE.

Xa Copernicus, Keppler, Galilei en Newton volgde eene geheele reeks merkwaardige mannen, die limine krachten hehben gewijd aan de oplossing van het groote probleem der samenstelling van het wereldruim.

De dankbare nakomelingschap zal, onder andere mannen, met veel bewondering en sympathie ook de namen der volgende sterrekundigen gedenken:

l it de 17e eeuw: (iassendi, Ilené Descartes (even groot wijsgeer als wiskundige), Domenico ('assini, t'hi istiaan Huijgens, Gregory, Flamsteed, Halley.

Uit de 18de eeuw: Bradley, Dollond, Raiusden, Clairaut, Leonhard Euler (een man die, ofschoon blind, in alle vakken der wis- en sterrekundige wetenschappen buitengewone diensten beeft bewezen).

ocr page 68

66

]) Alembert, Imiiianiiel Kant (de g-roote wijsgeer), Bode, Messier, Lalaude, Lacaille, William Her-cliel, Delambre, Lagrange, Laplace —

I it de 19de eenw; Gauss (de groote wiskundige, die nieuwe, betere methoden gaf voor het berekenen van planetenbanen) ; Fraunliofer, Littrow, Bessel, Olbers, Arago, Jobn Herschel, lord Rosse, Bond, Encke, Hansen, Struve (vader en zoon) ; Miidler, Ar-gelander, Heis, Peters, Kaiser, Leverrier, Airy, De-launay. De Pontécoulant, l'lana, Secohi, Sclüapa-relli, Foucault en vele andere meer.

Door hunne vereende krachten ging onze kennis van het heelal met reuzenschreden vooruit. Anderdeels hadden de bestendige verbeteringen, welke de instrumenten voor het waarnemen der hemelverschijnselen ondergingen, de mogelijkheid voorbereid tot deze snelle ontwikkeling der astronomische wetenschap.

Voor alles dienen wij te zeggen, dat de afstanden van zon, maan en planeten tot de aarde vroeger twijfelachtig en gebrekkig bepaald thans met g-roote nauwkeurigheid werden gevonden. Voor ou-ingewijden in de geheimen der wiskunde schijnt het onbegrijpelijk, hoe men in staat is de afstanden dier onbereikbare en zoo onmetelijk ver verwijderde he-

ocr page 69

67

mellicliamen te berekenen. Intussclien is dit vraagstuk vrij eenvoudig'. De eerste de Leste landmeter zal n op aarde den afstand uitmeten van een bepaald punt tot een ongenaakbaar voorwerp, dat zich bi] voorbeeld aan gene zijde van een uitgestrekt meer of breede rivier bevindt, welke naar wij veronderstellen op bet gegeven oogenblik niet kan worden bevaren. Drie lijnen van gelijke lengte, zóó geplaatst, dat elk met bare uiteinden een der uiteinden van de beide andere raakt, vormen eene gesloten figuur — een zoogenaamdeii gelijkzijdigen drie-boek, en bet zal geen verdere verklaring behoeven, dat in zulk een figuur ook de boeken gelijk zijn, waaronder men de belling verstaat van elke zijde op de beide anderen. Het verdient opmerking, dat zoo wij een hoek samenstellen, gelijk aan de som dezer drie hoeken, de zijden van dezen laatsten een volkomen rechte lijn zullen vormen. Zulk een hoek, zegt men, is gelijk aan twee rechte hoeken, en elk van de drie, waaruit bij werd gevormd, bevat aldus het | deel van een rechten hoek.

Wilt ge nu den afstand tot het ontoegaukelijk voorwerp meten, dan is het niet noodig er heen te gaan. Yan liet punt, waar gij u bevindt, neemt gij eenvoudig de richting tot het bedoelde voorwerp.

ocr page 70

68

meet op deze rieliting met een graadboog liet twee derde gedeelte van een rechten hoek (een zooge-naamden hoek van (10 graden), en volgt die tweede richting — de tweede zijde dus van den door u ge-vormden hoek — tot gij een punt bereikt, van waar de richting tot het voorwerp andermaal een hoek van GO graden met den door u gevolgdetn weg maakt. Meet thans dezen laatsten, en gij hebt den gezoch-ten afstand tot het voorwerp.

Intusschen behoeft gij zoover niet te gaan. In eiken driehoek is de som der boeken gelijk aan twee rechte. Als gij nu eene rechte lijn van bepaalde lengte als basis aanneemt en de hoeken meet, welke deze lijn vormt met de richtingen van af haar uiteinden naar het voorwerp getrokken, dan geeft een eenvoudige berekening u de lengten der beide andere zijden (of richtingen) van den zoo gevormden driehoek — derhalve de gezochte afstanden. l)c ongenaakbaarheid van een punt levert dus in quot;t minst geen bezwaar voor de afstandsbepaling. Deze eigenschappen van den driehoek, ons door de wiskunde verklaard, liggen ook ten grondslag aan allo wiskunstige berekeningen. Altijd kiest men eene bepaalde lijn als basis, meet in de eindpunten de hoeken, welke zij vormt met de richtingen naar het

ocr page 71

69

voorwerp, en — hetzij die hoeken groot of klein zijn — het zal niet moeilijk vallen alle lijnen en grootheden van den zoo gevormden driehoek te bepalen.

Laat ons opmerken, dat metingen naar deze methode uitgevoerd meer vertrouwbaar zijn dan die, welke door de eene of andere praktische methode van directe meting op het terrein worden verricht, (iesteld, gij moet met behulp van een ketting langs den weg den afstand van Petersburg tot eene andere stad bepalen. Hoe juist ook, kan die ketting toch in enkele millimeters onnauwkeurig zijn, wat over kleine afstanden niet schaadt; doch over groote afstanden zullen ziek die kleine grootheden tot fouten van tien- en honderdtallen van meters oplioo-pen. Maar de lijn rechtstreeks bepaald, zal u groo-ter zekerheid verschaffen en derhalve, hoe vreemd het ook schijne, leiden de sterrekundige metingen tot veel nauwkeuriger cijfers dan de gewone metingen op den aardbol. Bijzondere storende invloeden buiten rekening gelaten, is bij voorbeeld de afstand der zon tot de aarde met grooter juistheid bekend, dan de wegafstand van Moskou tot Petersburg.

Eenmaal den afstand van het voorwerp kennende, is het niet moeielijk daaruit tot zijn grootte te be-

ocr page 72

70

sluiten; men behoeft slechts den lioek te meten dien een zijner middellijnen onderspant, of zooals men zegt zijn „angulaire groottequot; te bepalen; an-dermaal vormt zicli dan ecu driehoek met de ver-eisehte gegevens voor zijne oplossing. Het is wel duidelijk, dat de door ons aangehaalde voorbeelden tot het gebied der grove metingsmethoden behoo-ren; bij de verbetering barer instrumenten vond de astronomie meer doeltreffende, bijzonder nauwkeurige hulpmiddelen voor het verrichten van hare metingen, waarover wij hier natuurlijk niet verder kunnen spreken.

De onderzoekingen, welke op die wijs gedurende de laatste twee eeuwen zijn verricht, hebben aan ons zonnestelsel enorme afmetingen gegeven, waarvan de oude volken, en daarna de Europeanen tot 111 de 17de eeuw geenerlei voorstelling hadden. Ziehier in het kort eene schets van het gebied, waarin onze aarde zulk een bescheiden plaats inneemt.

De zon, welke het middelpunt van het steku-l inneemt, vertoont zich als een kolossale vuurbol, op een afstand van omstreeks 14S| millioen kilometers. Haar afmetingen zijn zóó groot, dat ongeveer 1,280,000 aardgloben noodig zouden zijn, om een bol gelijk de zon te vormen. De lijn, uit haar mid-

ocr page 73

delpnnt naar de oppervlakte getrokken -— of halve diameter — heeft een lengte van 108i aardstraal, of wel 092,000 kilometers. Ofschoon de zon, gelijk gezegd, onze aarde bijna 1,300,000 maal in grootte overtreft, heeft zij — een gevolg harer mindere dichtheid — slechts het gewicht van 310,000 aard-globen.

Aan haar oppervlakte worden menigvuldige en geweldige storingen, of atmospherische stormen waargenomen, en vormen zich zoogenaamde vlekken en fakkels, waarvan de beteekenis, zoomin als het ontstaan tot heden niet voldoende is opgehelderd. Alle stoffen op de zon blijken in een gloeien-den, of liever, gloeiend-vloeibaren staat te verkee-ren; het ijzer, bij voorbeeld, is daar, onder hooge temperatuur, even vloeibaar als water. Bij zonsverduisteringen, als de donkere maanschijf de zou bijna e-eheel bedekt, worden aan den zonsrand ereweldiee,

O O

vlammende uitbarstingen waargenomen (protube-ranzen genaamd), die voornamelijk uit waterstofgas bestaan, met groote snelheid verschijnen, van vorm veranderen en soms een hoogte van 300,000 kilometer of meer bereiken, zoodat onze geheele aarde als een kleine bol in zulk een vlammende gasmassa zou verdwijnen.

ocr page 74

72

Deze ontzagwekkende vuurbol — welks temperatuur ongetwijfeld /eer lioog moet zijn, maar thans nog verre van Lekend is (men heeft die geschat op 250Ü0—10,000° Celsius) — wentelt, evenals de aarde om zijii as en volbrengt die asomwenteling in den tijd van 25 tot 27 dagen. Tijdens eene verduistering wordt rondom het oppervlak der zon een krans van zilverachtig licht waargenomen, welks zacht stralingen, eerst helder, dan zwakker, zich ten laatste onmerkbaar in de ruimte verliezen. Deze grillig gevormde lichtkrans - corona gelieeten — treft door zijne buitengewone schoonheid, maar is tot nu toe volstrekt onverklaard gebleven.

Men heeft reden om te onderstellen, dat de aarde niet geheel vrij is van de verschijnselen, welke op de zon plaats hebben, maar zekere invloeden daarvan ondervindt. Zoo is onder anderen opgemerkt, dat het voorkomen van vlekken en protuberansen op de zon, samengaat met bet meer of minder herhaald voorkomen van ons Pool- of Noorderlicht. De zonnevlekken zijn aan eene zekere periode onderworpen; in den loop van circa 11 jaar verschijnen zij gaandeweg menigvuldiger, terwijl ook haar aantal grooter wordt; daarop beginnen zij in omgekeerde orde te verminderen en worden steeds zeld-

ocr page 75

73

zamer, om echter bij liet intreden eener nieuwe elfjarige periode andermaal toe te nemen. Eene dergelijke toe- en afname, samenvallende met het groo-ter of kleiner getal zonnevlekken, is ook ten opzichte van ons Noorderlicht geconstateerd.

Moeielijk kan men zich eene duidelijke voorstelling maken van de beteekenis der reusachtige getallen, waarvan boven melding was. Doch een enkel voorbeeld van het toepassen der afstanden en snelheden, ons op aarde bekend, op den afstand der zon, kan eenigszins een denkbeeld van de zaak geven. Stellen wij ons een weg voor, die de aarde met de zon verbindt, en daarbij een spoortrein, welke met eene snelheid van 60 kilometer in het uur de aarde verlaat, en zóó onafgebroken blijft doorl ijden; dan zou die trein eerst na 284 jaren de zon kunnen bereiken. Hoe onbeduidend steekt hierbij de voorstelling der oude volken af, als zou de val-ruimte, welke het aanbeeld van Tulkaan in 18 daken doorliep, de uitgestrektheid van het heelal uitdrukken.

Ons van de zon verwijderende, ontmoeten wij eerst de kleinere der groote planeten, welke aan de machtige aantrekking van het centraal lichaam zijn onderworpen. De naastbijzijnde — van de zon ge-

ocr page 76

74

rekencl, heet Mercurius, die zijn omloop in 88 van onze dagen volbrengt. ij n afstand tot de zon meet omsreeks 57,500.000 kilometers, of deel van den afstand onzer aarde tot de zon. Deze planeet, de kleinste der aolit groote planeten, heeft eene middellijn van 4750 kilometer, terwij 1 hare massa _i_van de zonsmassa, of van die der aarde

5,310,000 '100

bedraagt. Omtrent Mercurius weet de sterrekunde weinig met zekerheid mee te deelen. Men heeft vermoed, dat hij zich in 24 uur om eene as wentelt, zooals de aarde, maar dit is nog twijfelachtig. Het is ook zeer moeielijk zijne massa te bepalen, daar hij geen satelliet heeft, en de waarden, door verschillende geleerden ( Laplace, Encke, Leverrier en anderen) verkregen, wisselen af van -i— tot—jf- deel der aardmassa. Eene der laatste bepalingen (en mogelijk de beste, ofschoon zij de grootste waarde aangeeft), is die van Backlund, door middel van de stortingen der komeet van Encke. Deze stelt de massa van Mercurius = 'g deel der aardmassa.

!Na Mercurius. op een zonafstand van circa 107.000.000 kilometers, beweegt zich Venus — onze schoone morgen- en avondster. In hare afmetingen komt zij onze aarde zeer nabij, maar is minder dicht en daarom lichter dan deze laatste. Die massa be-

ocr page 77

draagt , uitgedrukt in doelen der aardmassa. Ook kier keeft men langen tijd genieend eene aswenteling in 24 uur te mogen constateeren, wat nog nadere bevestiging vereisekt.

Onze aardbol, zooals boven is gezegd, bevindt ziek op een gemiddelden afstand, gelijk 148.500.000 kilometers van de zon, en is de vijfde in rang onder de acht groote planeten. Haar middellijn heeft eene lengte van 12.700 kilometer. Van onze planeet alleen kunen wij met zekerkeid zeggen, dat zij in 23 uur, 50 minuten om eene as wentelt. De gewone dag telt 24 uur — dus circa 4 minuten langer. Dit versckil verklaart ziek aldus:

In liet dagelijksch leven zijn wij genoodzaakt onzen tijd of dag te regelen naar den stand dei-zon. Under „dag van 24 uurquot; verstaan wij den tijd, dien de zon gemiddeld noodig keeft, om tot den meridiaan onzer woonplaats terug te keeren; of juister gezegd — den tijd, dien deze meridiaan, de aswenteling onzer aarde volgende, bekoeft, om weer door ket middelpunt der zonneschijf te gaan. Zulk een „gewone of middelbarequot; dag zou juist gelijk zijn aan den duur eener aswenteling onzer aardei — ook stei redag gekeeten — als onze zou onbewegelijk aan den kemel stond. Immers, dan zou zij tegelijk met

ocr page 78

7G

de ster, waarmede zij heden op onzen meridiaan staat, na de aswenteling der aarde tot dien meridiaan terngkeeren. Wij weten, ecliter, dat de zon zich gedurende die aswenteling schijnbaar (als een gevolg van de beweging der aarde in hare baan) verplaatst : en wel omstreeks een graad ten oosten van het punt staat, waar zij 28 uur, 5(5 min. vroeger stond; de aai de moet dan nog circa 4 minuten doorwentelen, alvorens de meridiaan dit hoekverschil van éen graad heeft dooiioopen en de zon bereikt.

Die geweldige baan rondom de zon doorloopt onze planeet in een jaar tijds of 3(jó dagen, (i uren, !) minuten, 1 l seconden — met eene snelheid van circa kilometer per seconde, 1T70 per minuut, en ruim 100.000 kilometers in het uur. Ziedaar de onbewegelijkiieid der aarde, zooals de oude volken wilden beweren. 13e kleinere planeten ilercuvius en Venus echter, doorloopen hare banen met nog grootere snelheden.

De eerste „buit en planeetquot; — dus eene, die verder dan de aarde van de zon staat — heet Mars. Wellicht rijst bij u het vermoeden, dat deze onze aarde in grootte overtreft; maar volgens een zonderling spel van het toeval, is zij aanmerk el ijk kleiner dan de aarde. Har middelliin is H/]00van die der aarde.

ocr page 79

77

of circa 67.200 kilometers. Onder alle planeten, is deze ons het best bekend. Haar afstand tot de zou bedraagt 1.52 maal den afstand onzer eigen planeet, overeenkomende met circa 225.500.000 kilometers, en als zij met de aarde aan dezelfde zijde der zon staat, kan zij ons zeer nabij komen — op afstanden, die wisselen tussclien 50.8 en 97.G| millioen kilometer. A oor ons begrip zijn deze laatsten nog enorm groot; docli met behulp onzer krachtige astronomische kijkers, zijn wij er in geslaagd donkere en lichte plekken, die min of meer bestendig zijn, op de planeet waar te nemen, alsmede aan de polen, heldere lichte kringen, welke nu eens toe-, dan weer afnemen, naar gelang zij aan de werking dei-zonnestralen zijn blootgesteld: met andere woorden, naar gelang de zomer of winter voor die poolstreken van Mars is aangebroken.

Er zijn onwederlegbare bewijzen, dat de planeet door een dampkring of luchthulsel is omgeven, ofschoon het moeielijk is uit te maken, dat deze aan den onzen gelijk is. Al die omstandigheden hebben tot de onderstelling geleid, dat Mars in zijne ontwikkelingsgeschiedenis als planeet, met de aarde overeenstemt. De opvolgend kleinere of grooter wordende heldere, witte vlekken aan de Marspolen,

ocr page 80

78

vinden haar onmiddellijke verklaring in liet bestaan van ijs- en sneeuwvelden, welke 's winters aangroeien, en 's zomers gedeeltelijk wegsmelten. Is dit liet geval, dan moet zicli op Mars water, of een dergelijke vloeistof in bevroren toestand bevinden. Ook lag liet vermoeden voor de band, dat de donkere vlekken, welke deze planeet vertoont, zeeën waren; de lichte daarentegen •— vastland, waarschijnlijk zandsteppen, en op grond van dergelijke voorstellingen heeft men zelfs zeer bruikbare Marskaarten daargesteld. Doch men deed meer. De wijdsche verbeelding van enkele sterrenkundigen heeft deze planeet ook met denkende wezens bevolkt, veel lioog-er ontwikkeld, dan de schuldige kinderen onzer moederaarde, die oorlog voeren of het bloed huns naasten storten, en alléén het stoffelijk eigenbelang tot levensdoel kiezen.

Eenmaal op dien weg, zijn zelfs plannen beraamd om zich door lichtseinen met de Marsbewoners in betrekking te stellen, en te nauwernood had iemand den moed om te zeggen, dat dit alles maar ijdele droombeelden waren. In ieder geval, als onze naaste verwante in het uitgestrekte zonnestelsel, boezemt deze planeet den sterrenkundigen veel belang- in, en wanneer haar bloedroode schijf aan

ocr page 81

79

onzen oostelijken hemel versclüjnt, is meu op vele steiTenwacliten ijverig bezig zoowel hare oppervlakte als haar stand ten opzichte van de naburige sterren waar te nemen. Die gunstige standen van Mars ten opgt; ichtei van onze aarde — opposities ge-heeten — herhalen zich ongeveer om de 780 dagen, omdat de planeet in deze periode — de Synodische genoemd — tot een zelfden stand met betrekking'

o

tot de zon wederkeert.

Zeer nauwkeurige metingen van onzen landgenoot Prof. F. Kaiser, alsmede van den verdienstelijken astronoom II. A. Proctor hebben den omloopstijd dezer planeet om haar eigen as in circa 24 uur 37 min. vastgesteld.

Nog niet lang geleden (Aug. 1877), heeft Prof. Hall twee zeer kleine satellieten van Mars ontdekt, welke de namen Phobos (Vrees), en Deimos (Schrik) voeren, en zich met groote snelheid om de hoofd-planeet bewegen. Eerstgenoemde volbrengt dien omloop in 7 uur 39 min., en daar deze beweging aanzienlijk sneller is dan de aswenteling van Mars, schijnt deze satelliet voor den Marsbewoner in het westen op-, en in het oosten onder te gaan. De tweede satelliet heeft iets langer voor zijn omloop noodig — ongeveer 1 dag en G uren.

ocr page 82

80

Wij z ij 11 mot opzet den wacliter onzer aarde — de maan niet haar pkantastiscli licht, voorbijgegaan, om dezen eerst na de planeet Mars te bespreken. Terwijl deze laatste velerlei teekens van leven geeft, en het denkbeeld doet ontstaan van eene ,,men-schenwereld op Marsquot;, biedt ons de maan een tafereel van dood en onbezieldheid. Hare nabijheid tot onze aarde is zót)1 groot, dat de oppervlakten dei-beide lichamen elkander soms tot een afstand van 345.000 kilometer naderen: de maan zou ons dus haar geheimen niet kunnen verbergen, indien wij de geheele oppervlakte te zien kregen; doch door een merkwaardig verband tusschen haar omloopstijd rond de aarde en dien van haar aswenteling, zien wij weinig meer dan de helft barer oppervlakte.

Hare bergen zijn niet alleen beschreven, maar ook reeds lang gemeten; nochtans zoeken wij op onzen satelliet vruchteloos naar eenig bewijs van leven, zooals wij dit op onze aarde kennen. Geen spoor van lucht, noch van! water biedt hij ons aan.; overal naakte en dorre gesteenten of vormingen, welke daarmede overeenkomen. Wegens bet gemis aan een dampkring, die de warmte afweert, wordt de maan, gedurende haar langen dag — die circa twee weken duurt —• zeer sterk aan bare opper-

ocr page 83

81

vlakte door de zon verwarmd; en in den daarop-volgenden veertiendaagsclien naclit door de uitstraling buitengewoon afgekoeld. De aldaar lieerscliende naclitelijke koude wordt op weinig minder dan 200° geschat.

Die wereld, zoo nabij de onzri en door liet lot aan deze verbonden biedt liet oog niets, dan troostelooze stilte en verlatenheid aan. De afmetingen der maan, welke ons door hare nabijheid even groot als de zon toeschijnt, zijn in werkelijkheid niet groot. Er zijn 49 manen noodig, om één aardbol samen te stellen ; haar middellijn heeft eene lengte van 3450 kilometer, terwijl bare massa 1/m der aardmassa bedraagt.

De afstanden der planeten tot de zon wijzen op eene meer of min regelmatige volgorde; zelfs hebben de sterrenkundigen daarin eene wet meenen te ontdekken, (de T\ et van Bode of ïitius genoemd). ^ olgens die wet lag, circa 100 jaar geleden, tus-schen de banen van Mars en Jupiter een reusachtige, ledige ruimte, waarin zich eigenlijk eene planeet moest bevinden. Hoe groot was nu de alge-meene verbazing, toen op 1 Januari 1801, de Ita-liaansche sterrenkundige Piazzi daar ter plaatse eene, ofschoon betrekkelijk kleine planeet ontdekte.

ocr page 84

82

TTct volgend jaar ontdekte Dr. (Jlbers een tweede, welke zicli in dezelfde ruimte bewoog; de derde werd gevonden in liet jaar 1804 door Harding m Lilientlial, terwijl eindelijk in 1807 dezelfde; Olbers de vierde dezer kleine planeten opspoorde. Zij kre-o-en naar volgorde de namen van Ceres, i alias, Juno en Vesta.

Olbers uitte daarop de zoo vermaarde meening, dat binnen deze ruimte eene groote planeet bad bestaan, die ingevolge de eene of andere botsing of lievige werking van inwendige vulkaniseke krachten, was vergaan en tot kleine stukken uiteengeslagen, en daarom waarschijnlijk meerdere van die kleine lichamen zouden gevonden worden.

De eerste hypothese — hoe aannemelijk ook — werd niet bewaarheid, en is thans geheel verlaten; maar het bestaan van eene menigte andere kleine planeten — of gelijk zij ook genoemd worden „asteroïdenquot; werd later ten volle bevestigd. In het jaar

1845_dus na eene tusschenruimte van 38 jaren

ontdekte Hencke, die de astronomie uit liefhebberij beoefende —- Astraea; en sinds dien tijd werden bijna jaarlijks (soms twintig) van die lichamen ontdekt. Nu telt men reeds 4:33 telescopische planeten, welke allen verspreid zijn over! de enorme ruinite

ocr page 85

83

tussclicn Mars eu Jupiter, en daar met wisselende snelheden hare hanen doorloopen.

l^ene inei'kwaardige hijzonderheid levert hare grootte op. Xaar alle waarschijnlijkheid, zijn vele haver zóó nietig, dat de geheele oppervlakte van zulk een asteroïde nog niet de ruimte evenaart, welke op aarde door een onzer groote steden — als Londen of Parijs, wordt ingenomen. Hoe klein moeten de levende wezens — als die er wonen — wel zijn ! Maar ijdel zou het overigens wezen, als de mensch zich op zijn grootte verhoovaardigde; physiek en lichamelijk een onbeduidende verschijning op onze eigen planeet, vormen wij met deze, ja zelfs het geheele zonnestelsel een groep, die in de wereld van sterren om ons heen, als verloren is !

Op de kleine planeten volgt Jupiter — de reus onder alle trawanten der zon, waarom hij op een afstand van circa 772.000.000 kilometers, in 11 jaar en 10 maanden zijne loophaan beschrijft. Deze pla-hezat tot voor korten tijd vier wachters : lo. Europa, neet, met eene massa gelijk -gL deel der zonsmassa, Ganymedes en Callisto geheeten. Deze satellieten hehben eene snelle beweging om de hoofdplaneet.

Jupiter overtreft de aarde 1279 maal in grootte, en 309 maal in gewicht. Zelfs zijne satellieten zijn

ocr page 86

84

zóó groot, dat de kleinste — Europa genaamd — onze maan evenaart, terwijl de grootste — Gany-medes — de planeet MercnriusJ in grootte overtreft.

De waarnemingen op deze planeet verricht, lieli-ben niet veel aanwijzing verseliaft omtrent liet bestaan van levensvonnen aldaar. Eenige donkere banden of gordels, welke het equatoriale gedeelte ran Jupiter bedekken, benevens eenige vlekken, waarin kleursveranderingen zijn waargenomen, i.i al wat het uitwendig voorkomen der planeet ons biedt. Bij sterke vergrooting vertoont haar schijf veelkleurige tinten. Er is eenige grond voor het vermoeden, dat Tupiter in zijn tegenwoordig bestaan een toestand doorloopt, welke eene verre overeenkomst heeft met dien der zon; dat hij nog

geenszins is afgekoeld en eene halfvloeibare massa vormt.

Op 9 September 1892, ontdekte de sterrenkundige Barnard met den reuzenkijker aan de Lick-sterrenwacht, welke o]) den berg Hamilton in Califoniië is opgericht — nabij Jupiter een vijfden wachter, die zeer klein is en zich op vrij korten afstand van de planeet met snelheid voortbeweegt. Deze schielijke beweging is een gevolg der groote aantrekkingskracht van Jupiter; zelfs da grootere satellie-

ocr page 87

85

ten dnorloopen Imiine banen met verbazende snel-lieden. Van dezen nieuw ontdekten waoliter bedraagt de omloopstijd 11 uur, 57 min.; van lo 42 uur, 27 min., terwijl de laatste wachter Callisto, op een afstand van 1.870.000 kilom., daartoe 1G dagen en l(j uren noodig heeft. Jupiter zelf wentelt om zijn eigen as in den korten tijd van 10 uren.

Satumus — de grenspost van ons zonnestelsel niet alleen naar de begrippen der ouden, maar zelfs nog tot op het einde der vorige eeuw — doorloopt zijn baan op den geweldigen afstand van circa 1417.500.000 kilometers. Indien een trein van de aarde naar de zon — gelijk boven is gezegd — in 284 jaar die reis volbrengt, zou hij omtrent 27(H) jaar noodig hebben, om van Saturnus uit de zou te bereiken.

Rondom deze» planeet strekt zich een merkwaardige, breede en vlakke ring uit, welke in groote in-strumenten gezien, uit diie anderen ringen blijkt te bestaan; maar behalve dezen wordt de planeet op hare betrekkelijk langzame reis rond de zon in circa 2!)v jaar, nog door acht manen of wachters vergezeld. Saturnus is niet zoo groot als -Tupiter, maar ook zonder den ring, overtreft zijn middellijn nog 9 maal die der aarde ; gelijkstaande met circa

ocr page 88

86

117.0000 kilometers; terwijl zijn gewiekt of massa gelijk is aan 0.quot;) maal de massa onzer eigen plaiteet. Omstreeks Tl 8 aardgloken zijn noodig om éen kol gelijk Satnnms daar te stellen.

Maar behalve deze overstelpende getallen weet de sterrenkunde bijna niets omtrent Saturuns en bet planeetle/Ven zijner oppeiwlakte. Zelfs is bet onbekend, wat eigenlijk die ring is; alleen weet men, dat zoo deze een vast lichaam vormde, bij reeds lang onder den invloed der aantrekkende en storende kraebten van Saturuns en de aebt satellieten zou zijn verbroken en op de planeet neergestort. In de oud-beid en gedurende de middeleeuwen, beschouwde men Saturnus als een boosaardige planeet, welke bet mensebdom met rampen en onbeilen bedreigde ; zij is eebter ver genoeg van ons verwijderd, om zelfs in den zin eener storende werking niet dan een zeer onbeteekenenden invloed op de planeet onzer inwoning uit te oefenen.

Saturnus kon zicb aan de grenzen van ons stelsel niet bandbaven. ï)en loden Maart 1781 ontdekte Will iam Herschel — aanvankelijk liobist bij de-kapel van een Hannoverscb regiment, maar die zicb na zijn vestiging in Engeland als organist en muziekonderwijzer, later gebeel aan de sterrenkunde

ocr page 89

87

wijdde en als zoodanig een wereldheroeniden naam heeft verworven — liij liet waarnemen van den liemel eene kleine ster in het sterrenheehl „De Tweelingenquot;, welke daar te voren niet stond. Kog denzelfden avond kon hij zich overtuigen, dat haar schijnbare middellijn hij sterker vergrootlng toenam en tevens haar plaats met betrekking tot de aangrenzende sterren veranderde. Het was dus geen vaste ster, maar een dwaalster of vermoedelijk eene komeet.

Aanvankelijk hield men het ontdekte hemellicht voor eene komeet, omdat het menschdom zich niet kon voorstellen, dat ons zonnestelsel méér planeten dan de vijf oude bekende, bevatte. Maar spoedig werd men overtuigd, dat Herschel inderdaad een nieuwe planeet had ontdekt. Zij beweegt zich op enormen afstand van de zon en wel omstreeks 2860.000.000 kilometers. In grootte staat Uranus aanzienlijk bij-I upiter en Satumus ten achter, daar zijn middellijn 51.000 kilometers bedraagt en zijne massa met slechts l-l-i maal diq der aarde overtreft. ITranus bezit vier satellieten en volbrengt met deze in 84 jaar zijn omloop rond de zon.

Doch hiermede' ontbreken nadere gegevens omtrent deze planeet. Wel kan men onder gunstige

ocr page 90

88

omstandigheden, als Uranus ons tot op 2560.000.000 kilometers is genaderd, een blauwgroene tint alsmede een reeks zeer zwakke strepen op zijn schijf ontdekken : toch zal liet zeer moeielijk vallen daaruit zijn pliysieke gesteldheid te leeren kennen en zoodoende over de levensvoorwaarden op deze planeet te oordeelen.

Euim een halve eeuw wa.s voorbijgegaan, toen Uranus op zijn beurt had opgehouden de laatste dwaalster van ons zonnestelsel te vormen, want de beroemde fransche wiskundige Leverrier wees de plaats aan, waar zich nog buiten Uranus, andermaal eene planeet moest bevinden. Merkwaardig mag het hee-ten, dat Leverrier de plaats van dit hemellicht niet vond door waarneming met zijn instrumenten, maar uitsluitend met behulp vau strenge mathematische onderzoekingen en uitvoerige berekeningen. Hoe; groot de invloed der zon op het geheele stelsel ook zij, trekken nochtans ook de planeten elkander aan, zoodat wederkeerig af wij -kingen van de regelmatige loopbanen of planeta-rische storingen ontstaan — gelijk men zich in de sterrenkunde uitdrukt.

Van zoodanige storingen heeft ook Leverrier zich bediend. In de bewegingen van Uranus waren on-

ocr page 91

8!)

regelmatigliecleu ontdekt, welke met de l)e,rekeniu-gen iu strijd waren; anders gezegd: de plaatsen, die Uranus werkelijk aan den, liemel innam, weken af van die, welke zij volgens de berekende planeet-tafels moest innemen. Levemer vermoedde, dat die ongelijkheden liet gevolg waren van invloeden eener nog onbekende, verwijderde planeet, en bij stelde zich de vraag, waar zicb do laatste moest bevinden, om zulke storingen te weeg te brengen. Dit zeer moeielijke vraagstuk, waartoe groote wiskundige kennis wordt vcreiselit, beeft hij opgjelost. De plaats gevonden bebbende, deed hij zelf aan den hemel geen onderzoek naar het onbekende hemellieht, maar schreef aan den sterrekundige Galle te lier-lijn, hem uitnoodigende met zijn kijker dat gedeelte van den hemel te onderzoeken, waar de planeet zich volgens de theorie moest bevinden.

Op '-2-! September 1840 ontving Galle dit schrijven, vergeleek nog denzelfden avond zijn sterrekaar-ten niet bet door Leverrier aangeduide deel des hemels— en vond inderdaad de bewuste planeet in de nabijheid eener ster, welke den naam: „van den Steenbok draagt, en door deze gebeurtenis f-fu zekere beteekenis verwierf.

Ofschoon aan Leverrier alle eer toekomt van dezquot;

ocr page 92

90

ontdekking, welk een treffend bewijs leverde van del macht der hoogere wiskunde, moeten wij opmerken, dat diezelfde berekening — zelfs eenigen tijd te voren en gebeel onafbankelijk van de eerstgenoemde — door den Engelscbman Jolm Adams Avas verricbt. Deze stelde reeds in September 1845 bet resultaat zijner berekeningen aan Cballis in Cambridge ter band, die zooals later bleek, de planeet reeds op 4 en 12 Augustus 184G moet liebben waargenomen, maar bij gebrek aan goede sterrenkaarten van dit gedeelte des kernels niet terstond als dwaalster beeft berkend.

Neptunus bevindt zicb op circa 4450.000.000 kilometers van de zon —■ een afstand, welke bet bijna onmogelijk maakt andere waarnemingen op de planeet te doen, dan die onmiddellijk op plaats en beweging betrekking bebben. Hij volbrengt zijn omloop in ruim 1G4 jaar. 13ij eene middellijn van circa 55000 kilometers overtreft bij de aarde 85—90 maal in grootte, en ongeveer 18 maal in massa. Men beeft ook een waobter bij Neptunus gezien; of er neg meerdere, maar dan kleinere bestaan, kon tot lieden wegens den grooten afstand niet worden bevestigd. Met bet bloote oog is liet volstrekt onmogelijk de

ocr page 93

91

planeet te zien, en vertoont zij zicli in den kijker als eeue ster van de; 9de grootte.

Na deze korte schets1 over de planeten, willen wij niet een enkel woord vermelden, dat ons zonnestelsel nog- een aantal staartsterren of kometen bevat — eigenaardige lichamen, die lüj Imnue nadering tot de zon soms zeer lange, waaiervormige staarten ontwikkelen, maar op verre afstanden van dit cen-traallicliaam liet voorkomen hebben van zwak lichtende wolkjes, wier helderheid naar het middelpunt toeneemt. Haar gewicht moet uiterst gering zijn en ook in dichtheid staan zij bij de ons op aarde bekende dampen ten achter.

Wat zij eigenlijk zijn is nog niet voldoende bekend : waarschijnlijk verdichtingen van die fijne, bijna onweegbare zelfstandigheid, welke onder den naam van „wereldetherquot; het gansche heelal vervult en als middenstof dient voor het overbrena-en van zulke trillingen, welke wij „lichtquot; noemen. Wellicht moeten alle kometen als tijdelijke bewoners van ons stelsel worden aangezien en vormen zij die kosmische wolken, welke van elders uit het heelal gekomen, binnen liet aantrekkingsgebied onzer zon geraken — om, na eenige malen haasloop om deze

ocr page 94

92

laatste te hebben volbracht, onder den invloed van onvermijdelijke planetarisclie aantrekkingen of storingen hare banen te veranderen en in de oneindige ruimte terug te keeren.

De waarnemingen hebben geleerd dat zij op haren weg eene gedeeltelijke oplossing ondergaan, stofdeeltjes achterlatend, welke, als de aarde hunne banen kruist, in onzen dampkring vallen. De weerstand, dien zulke overigens donkere lichamen bij hun snelle beweging door onze luchtlagen ontmoeten, is zoo groot, dat zij beginnen te gloeien — en aldus zichtbaar geworden het verschijnsel der zoogenaamde „vallende sterrenquot; teweegbrengen. Deze laatsten hebben dus blijkbaar niets gemeens met de eigenlijke vaste sterren, waarvan wij thans het een en ander zullen meedeelen.

VI.

HET ONBEGRENSDE GEBIED DER STERREN.

Toen eenmaal de menschel ijke geest de afmetingen van het zonnestelsel had leeren kennen, overschreed hij alras deze grenzen en wendde ook zijn krachten aan op het nieten van de afstanden der

ocr page 95

93

vaste sterren. Tot een 'Ier zijden van den driehoek, welke nok hier onmisbaar was, koos hij de lange lijn, die de aarde met de zon verbindt en waarvan de grootte als vrij goed bekend kon geacht worden. Voor enkele sterren is die poging; gvlnkt; voor andere bleek de genoemde zijde — ondanks de enorme lengte van circa 148.500.0ÜÜ kilometers — veel te nietig om een driehoek te vormen, waarvan de andere zijden (de gezochte afstanden) zelfs bij benadering konden bepaald worden.

In het zuidelijk halfrond des hemels bespeurt men in het sterrenbeeld „Centaurusquot; een heldere ster, die tot de eersten behoort, waarop zulke metingen zijn verricht. De ondervinding heeft geleerd, dat deze ster — Centauri geheeten — zich dichter dan anderen bij ons zonnestelsel bevindt; maar ook deze afstand wordt in eene lange rij van cijfers uitgedrukt, die alsi nietszeggend ver buiten het bereik van ons voorstellingsvermogen liggen. Andere sterren bleken nog veel verder van ons te staan. Indien onze zon op den gemiddelden astand der heldere sterren —i bij voorbeeld op dien van „Vegaquot; in het sterrenbeeld „De Lier — zich bic vond, zou zij zich aan ons voordoen als een zwakke en onaanzienlijke ster, die nog wel met het bloote oog zou kunnen

ocr page 96

94

worden waargenonien, maar / icli overigens door niets van de andere sterren zou onderscheiden.

Om sdcli eenigszins een begrip te vormen van de betrekkelijke afmetingen der licliamen van ons zonnestelsel, van hun afstanden onderling en tot de naaste vaste sterren, zullen wij trachten daarvan op zeer kleine schaal eene schets te geven. Deuken wij ons een uitgestrekt veld, waarop een zeer kleine bol van 5 millim. middellijn (dus ter grootte van een erwt) is geplaatst; laat deze erwt onze aarde voorstellen. Naar dien maatstaf wordt liet schema voor het zonnestelsel aldus:

(Schaal: Middellijn der Aarde. = 5 millim.)

Middel.

Middellijn

Bol

d. Loopbanen

m.m

meters. ImM.

Zon als een hol van 543 ram. micldellijn. ■

543 00

Mercurius, als een zaadkorrel.............

1.86

45

06

4.99

84

16

5.00

116

40

2 64

177

33

lt; lt;

247 458

90 60

55 :i0

605

80

Saturnus, als een dito (kleine)............

46.50

1110

40

21.17

2232

60

Neptunns, als een groote kers.............

18.99

3498

00

Kaar denzelfden maatstaf vinden wij voor de navolgende sterren, wier afstanden vrij nauwkeurig

ocr page 97

95

bekend zijn, tie nevenstaande getallen in kilonieters uitgedrukt:

aj

o

A.

B.

0.

CD

1

1

quot;tS

a

16875

43

4.5

o

Z3

27355

70

7.41

a

Groote Hond (Sirius).........

1

33754

83

8.8

0.2

a

Kleine Hond (Procyon).....

, 1 1

44232

113 12.1

0 'X ^ a

a

57037

146

15.5

a

.... 1

59947

153

16 3

a

Stier, (Aldebaran)..........

.... 1

80317

I 204

21.7

c3

(V ^

a

.. . 1

80317

204

21.7

cS

| H

a

Berenlioeder (Arctuvus).....

..... 1

91955

230

24.5

a

Tweelingen (Castor)........

61120

156

16.5

of

a

171690

438

1

46.5

i 2

Kolom A. geeft de betrekkelijke afstanden der

sterren, naar den maatstaf: middellijn Aarde = 5 mm., in kilometers.

Kolom I i. geeft de werkelijke afstanden dezer sterren in bïllioenen kilometers, en

Kolom C. denzelfden afstand in lichtjaren, waarop wij straks terugkomen.

Behalve deze lieeft men nog van eenige anderen den afstand trachten te bepalen; allen sterren, die tot de meest nabij ons zonnestelsel gelegene moeten gerekend worden. Op verre na de groote meerderheid bevindt zieh op afstanden zóo groot, dat hier-

ocr page 98

96

mee vergeleken de zooeven genoemde als klein aan te merken zijn. Alle metingen liebben tot lieden bewezen, dat de sterrenwereld is als eene onmetelijke ruimte, w aarin elk begrip van maat, getal of tijd volkomen oninaclitig blijkt om ons voorstellingsvermogen te liulp komen.

Werpen wij een blik op bovenstaand schema van ons zonnestelsel; hoe nietig zijn deze bollen, vergeleken met de afstanden der uiterste planeten Uranus en Xeptunus tot de zon — met haar middellijn van 54-3 mm.; en wat zijn deze laatsten op haar beurt, als wij daarmee de getallen uit de tweede tabel, welke de betrekkelijke afstanden van eenige vaste sterren bevat, vergelijken. Terwijl volgens ons schema de aarde op circa 58 meter van de zon staat, vindt men Xeptunus eerst op 1T50 m,eter; Cen-tauri op 10875, Vega op ruim 80-j0() kilometers ! ^ ij moeten echter niet vergeten, dat al deze maten ruim milliarden malen moeten vergroot worden, om de werkelijke grootten der lichamen en hunne onderlinge afstanden te verkrijgen. Zoo vinden wij dan uit onze tabel voor de werkelijke afstanden der beide genoemde sterren respet. 4-£gt; en 204 billioe-nen kilometers!

Blijkbaar zijn do sterren, die met haar eigen licht

ocr page 99

97

schitteren, ook zonnen gelijk de onze en van enkele kan op vrij zekere grondslagen1) worden gezegd, dat zij onze dagster zoowel in helderheid als grootte overtreffen. Dit is onder anderen het geval met Sirius, Tega, de Poolster en Centauri. Alle metingen, zoover het mogelijk was die uittevoeren, hebben bewezen, dat de „sterrensfeerquot; der ouden een ruimte is zonder grenzen, welke zich in alle richtingen onbepaald ver uitstrekt, in sommige gedeelten — bijvoorbeeld in het vlak van den Melkweg— buitengewoon rijk is aan sterren, en waarin ons geheele zonnestelsel niet al zijn planeten een zeer onbeduidend plaatsje inneemt, welks verdwijnen in dien oceaan van werelden evenmin zou worden opgemerkt,, als het onttrekken van een druppel aan de zee.

Het licht —- de snelste bode in die ruimten, dat den enormen weg —- 148.500.000 kilometers — van de zon tot de aarde in circa S?,- minuut doorloopt, heeft jaren noodig om van de sterren uit ons te bereiken, zooals blijkt uit de vorige tabel, waarin de cijfers der laatste kolom het aantal jaren en tiende

1

Bestaande in het onderzoek omtrent de lichtsterkte eener ster in verband met den min of meer nauwkeurig bepaalden afstand.

ocr page 100

98

deelen van jaren aangeeft, die de lichtstraal noodig heeft om van gindsclie sterren tot ons te komen. J3o snelheid van het licht, dat geheel uit ethertrillingen bestaat, is door verschillende geleerden met zeer groots nauwkeurigheid gemeten en bedraaagt circa 300.000 kilometers in de seconde; de weg nu, dien het met deze snelheid in een jaar tijds aflegt, wordt eenvoudigheidshalve „Lichtjaarquot; genoemd. Zoo zien wij dan dat Centauri 4.5; Sirius 8.8; A ega 21.T ; en eindelijk de Poolster 4G.5 van zulke lichtjaren van ons verwijderd zijn. Voor sommige sterren zijn deze getallen nog zeer onzeker, en met onze tegenwoordige werktuigen bestaat er weinig kans met voldoende juistheid den afstand eener ster te meten, zoodra die meer dan 30 lichtjaren verwijderd is.

Omtrent de overgroote menigte van zwakkere sterren, kan men geen andere wegen dan die van hypothesen inslaan, op welk gebied vooral William Herschel, W. Struve en Argelander zich een goeden naam hebben verworven. Op vrij goeden grond kan men zeggen, dat in het algemeen de zwakkere sterren ook tevens de meer verwijderde zijn. Dientengevolge staan de sterren 2de grootte Idasse verder dan die der eerste; de sterren van de derde

ocr page 101

99

grootte Meer verder dan die der tweede, enz. Alle onderzoek leidt tot liet vermoeden, dat er sterren, zijn, die lionderde en duizende lichtjaren van ons afstaan, en het zichtbare heelal vertoont zich derhalve aan ons in een toestand — niet zooals die thans is, maar gelijk die vele jaren of eeuwen geleden is geweest.

Zooals wij boven hebben gezegd, ziet het gewone, ongewapend oog aan den hemel weinig meer dan liOOO sterren. De teleskoop echter openbaart ons talloos vele. !)(gt; reusachtige instrumenten in den loop dezer eeuw ver vaardigd, bezitten het vermogen om aan te toonen, dat het zichtbare deel van het Melkwegstelsel uit meer dan 150 millioen sterren bestaat. Toch is hiermede volstrekt geen grens voor de werkelijkheid aangegeven. Wie verzekert ons, dat als nieuwe en nog machtiger waamemingsinstrunien-ten worden uitgedacht, niet andere millioenen hemellichten zullen zichtbaar worden, wier licht te zwak is om met de moderne kijkers een indruk op het menschelijk oog te maken?

Dacht men zich in vroeger eeuwen de sterren als onbewegelijk aan den hemel geplaatst; de onderzoekingen van de laatste honderd jaar hebben ruimschoots het tegendeel bewezen. Al die werelden zijn

ocr page 102

100

in snelle bewegingquot;, welke! eeliter wegens de enorme afstanden niet dan na lang tijdsverloop zichtbaar wordt. De niensch is er in geslaagd die bewegingen voor enkele sterren Avel is waar, na te gaan en te berekenen, waarbij gebleken is dat vele dier liemel-licliten zieli met snelheden van 40, 50 en meer kilometers in de seconde voortbewegen. Bij eene ster der grootte in liet sterrenbeeld ,,De Groote lieerquot;, onder den naam van ,,Xo, 1830 Grooiiibi'idgequot; bekend en wier afstand vrij zeker op 2.000.000 halve middellijnen der aardbaan kan geschat worden, bedraagt die snelheid zelfs 320 kilometers in de seconde !

Vermoedelijk hebben die bewegingen naar alle richtingen plaats; maar of die sterrebanen rechtlijnig zijn, dan wel zich in veelvoudige bochten door het vlak van den Melkweg slingeren, is tot heden — den korten duur van het onderzoek in aanmerking nemende — niet opgehelderd. Ook onze zon met haar langen stoet van planeten, kometen en asteroïden, beweegt zich met groote snelheid —- 27 tot 30 kilometer in de seconde — in de richting van een punt, dat in het sterrenbeeld „Herculesquot; is gelegen. Yoortdurend in snelle beweging, zoowel om haar eigen as als in hare baan rond de zon, moet

ocr page 103

101

onze aarde ook deze reis van onze dagster naar de lioogere streken des hemels volgen; zoodat wij geen oogenblik hetzelfde punt der ruimte innemen, steeds verder en verder gaan naar het onbekende doel, om nimmer tot een vorige plaats van het heelal terug te keeren! De eclips, welke wij rond de zon beschrijven, verandert bij deze beweging in eene spiraalvormig1 gebogen lijn, wier windingen elk jaar vermeerderen en zich slingeren naar het punt des hemels, waarheen onze zon zich richt.

Het was wederom William Herschel, die een eeuw geleden het bestaan en de richting dezer zons-beweging afleidde uit het feit, dat in een bepaald gedeelte des hemels (de aangrenzende streken van het sterrenbeeld Hercules) de sterren als het ware schenen uiteen te wijken — andere daarentegen, in het tegenoverliggend gebied der sterren, tot een zelfde punt schenen te naderen. Dit aan vele sterren eigen deel barer samengestelde bewegingen, kon wel niet anders dan een afspiegeling aan den hemel van de eigen beweging- onzer zon zijn —- eene bewering, welke later ook door andere methoden van onderzoek volkomen werd gestaafd.

Ons zonnestelsel bestaat slechts uit ééne zon en de planeten; maar in het wereldruim worden zon-

ocr page 104

102

geuaamde dubbelsterren, zelfs drie-, vier-, eu meervoudige sterren waargenomen; dat zijn groepen uit twee, drie en meer zonnen bestaande, welke hare banen rond elkander, of liever rond liet geuieen-schappelijk zwaartepunt van liet stelsel Lesehrijven. Elke ster van zulk een igroep eene zon zijnde, ligt liet vermoeden voor de hand, dat ook ieder, gelijk onze zon, door planeten is omgeven. Voor die planeten doet zich dan het merkwaardig feit voor, dat zij, niet als de aarde door ééne zon, maar door eenige soms verschillend gekleurde1) zonnen worden verlicht, welke in wonderbare afwisseling — veel fraaier dan bij ons het afwisselen van zon, en maan -— nu eens gelijktijdig aan den hemel verschijnen, dan weer om beurten hare dagbogen boven den horizon dier planeetbewoners volbrengen. Yerruk-kelijke tafereelen van licht- en kleurenspel, waarvan onze geest zich onmogelijk eene voorstelling kan maken, moeten zich ontsluiten voor de ooigen van hen, die het voorrecht hebben een planeet te bewonen, die door zulk een veelkleurige zomien-groep wordt beschenen.

Xog andere objectieven van verrassende schoou-

1

Dit kleurenverschil kunnen wij gemakkelijk door onze kijkers waarnemen.

ocr page 105

103

lieid openbaart de teleskoop aan onze verbaasde blikken: koopen van dicht aaneengesloten sterren, welke in onderling pliysisob verband staan ; onderworpen aan een zekere kraclit, die kaar allen gemeen is. Met ket bloote oog zijn zulke sterrenlioopen niet te zien, en de enkele groepen, van sterren, zoo-als die in Perseus, De Kreeft ffli liet zoogenaamde Zevengesternte — welke laatste voor het ongewapend oog uit ü a T sterren1) schijnt te bestaan en steeds aan onzen herfst- en winterhemel zichtbaar is — «even slechts een flauw denkbeeld van die be-

'O

langwekkende hemelverschijnselen.

De Melkweg bestaat geheel viit sterren, schijn-1 • ■■ -pveid, doch waarschijnlijk in

groepen van een meer of minder groot aantal sterren vereenigd, welke te zamen die enorme lensvormige sterrenlaag vormen, waaraan de ' )uden om haar wit licht den naam van „Melkweg' hebben gegeven. De teleskoop lost hem op in tallooze sterren, waarachter telkens niet het toenemend vermogen der kijkers, andere lagen — of nieuwe ringen van den grooten Melkweg zichtbaar worden. De er-

1

Door een gewonen kijker gezien telt men in liet Zevengesternte ± 1Ü0; door krachtige instrumenten echter — circa 400 sterren.

ocr page 106

10-i

varingquot; lieeft dit ruimscliaots bewezen; bezig' een sterker kijker — en gij zult nieuwe sterren zien, en achter deze telkens weer hetzelfde matte scliemer-liclit, wijzende op de aanwezigheid van nog meer verwijderde sterrenlagen. (Terloops zij opgemerkt, dat dit verschijnsel zich alleen in het eigenlijke vlak van den Melkweg openbaart; verwijdert men zich van daar, zoo neemt het getal sterren voortdurend af, totdat in de poolgordels van den Melkweg, die Xoordelijk door ,,Het Hoofdhaar van Berenicequot;, fn Zuidelijk door ,,l)e Beeldhouwerswerkplaataquot; worden ingenomen, bijna quot;-een sterren meer worden gevonden). Waar het einde, of waar het begin is: wat daar ligt achter die nieuwe ruimten, welke met sterren als bezaaid schijnen, ziedaar vragen, waarvoor de menschel ij ke geest als voor de grenzen van alle wetenschap blijft stilstaan.

Te midden van sterren en sterrehoopeu ontsluiten zich hier en daar voor het gewapend oog zonderling gevormde objecten, gelijkende op lichtende wolken of nevelmassa's. In de sterrenkunde zijn zij dan ook onder den naam van „Xevelrlekkenquot; bekend. Sommige daarvan lossen bij zeer sterke vergrooting op, en blijken eenvoudig sterrehoopeu te wezen, waarin de samenstellende werelden bij dui-

ocr page 107

105

zenden worden geteld, en zoo dicht opeengedrongen, dat het zonder machtige kijkers niet mogelijk is de onderlinge afstanden te onderscheiden.

In onze eeuw heeft men intusschen eene methode van onderzoek gevonden (de Spektroskopie), welke toelaat geheel of ten deele de stoffen te bepalen, waaruit de hemellichamen bestaan, en dit onderzoek heeft bewezen, dat talrijke nevelvlekken onoplosbaar zijn, en niet bestaan uit sterren, maar uit een min of meer 'Verdichte gasvormige stof — waarschijnlijk dezelfde middenstof, welke ondersteld wordt het heelal te vullen, en waaruit zich door voortgezette verdichting ook alle sterren- en pla-netenwerelden zouden gevormd hebben. Er bestaat alle grond voor het vermoeden, dat in het vervolg — over vele millioenen jaren —• uit die nevelvlekken sterren zullen voortkomen, nieuwe, zonnen zullen ontgloeien, om niet haar verwijderd licht aan toekomstige geslachten op onze of andere planeten, te getuigen van nieuwe scheppingen eener onbe-kende, maar alom werkende natuurkracht.

De nevelvlekken kenmerken zich door vreemde en wonderlijke vormen. Enkele harer wijzen duidelijk op draaiende bewegingen en hebben spiraalvormige gedaanten, met toenemenden glans en

ocr page 108

104

variug hoeft dit ruimschoots bewezen; bezig een sterker kijker — en gij zult nieuwe sterren zien, en achter deze telkens weer hetzelfde matte scbemer-licht, wijzende op de aanwezigheid van nog meer verwijderde sterrenlagen. (Terloops zij opgemerkt, dat dit verschijnsel zich alleen in het eigenlijke vlak van den Melkweg openbaart: verwijdert men zich van daar, zoo neemt het getal sterren voortdurend af, totdat in de poolgordels van den Melkweg, die Xoordelijk door „Het Hoofdhaar van Berenicequot;, en Zuidelijk door ,,l)e Beeldhouwerswerkplaatsquot; worden ingenomen, bijna geen sterren meer worden gevonden). Waar het einde, of waar het begin is: wat daar ligt achter die nieuwe ruimten, welke met sterren als bezaaid schijnen, ziedaar vragen, waarvoor de menschelijke geest als voor de grenzen van alle wetenschap blijft stilstaan.

Te midden van sterren en sterrehoopen ontsluiten zich hier en daar voor het gewapend oog zonderling gevormde objecten, gelijkende op lichtende wolken of nevelmassa's. In de sterrenkunde zijn zij dan ook onder den naam van ,,Xevelvlekken'' bekend. Sommige daarvan lossen bij zeer sterke vergrooting op, en blijken eenvoudig sterrehoopen te wezen, waarin de samenstellende werelden bij dui-

ocr page 109

105

zenden worden geteld, en zoo dicht opeengedrongen, dat het zonder machtige kijkers niet mogelijk is de onderlinge afstanden te onderscheiden.

In onze eeuw heeft men intusschen eene methode van onderzoek gevonden (de Spektroskopie), welke toelaat geheel of ten deele de stoffen te bepalen, waaruit de hemellichamen bestaan, en dit onderzoek heeft bewezen, dat talrijke nevelvlekken onoplosbaar zijn, en niet bestaan uit sterren, maar uit een min of meer verdichte gasvormige stof — waarschijnlijjv dezelfde middenstof, welke ondersteld wordt het heelal te vullen, en waaruit zich door voortgezette verdichting ook alle sten-en- en pla-netenwerelden zouden gevormd hebben. Er bestaat alle grond voor het vermoeden, dat in het vervolg —■ over vele millioenen jaren — uit die nevelvlekken sterren zullen voortkomen, nieuwe, zonnen zullen ontgloeien, om met haar verwijderd licht aan toekomstige geslachten op onze of andere planeten, te getuigen van nieuwe scheppingen eener onbekende, maar alom werkende natuurkracht.

De nevelvlekken kenmerken zich door vreemde en wonderlijke vormen. Enkele harer wijzen duidelijk op draaiende bewegingen en hebben spiraalvormige gedaanten, met toenemenden glans en

ocr page 110

IOC

dichtheid naar het midden; andere teekenen zich als vrij zuivere eclipsen op den achtergrond des hemels af. Een derde soort vertoont zeer onresjel-matige vormingen (waartoe bij voorbeeld de prachtige ()riou-nevel behoort), met talrijke nitloopers of vertakkingen, die zich in de ruimte uitstrekken. Het volume, dat vele dezer nevelvlekken in het heelal innemen, moet inderdaad ontzettend arroot

' O

zijn. In aanmerking genomen dat, onder meer, de zooeven genoemde Orion-nevel verscheidene vierkante graden aan den hemel bedekt, en deze, gelijk alle andere nevelvlekken, ongetwijfeld verder dan

Centauri van ons verwijderd is, moet zijn volume, in doorsnede, (luizende malen de loopbaan van Nep-tunus overtreffen.

En die geheele wereld van grootsche en treffende verschijnselen strekt zich om en boven ons, tot aan de grenzen zelve van het zichtbare heelal uit — grenzen, die bij iedere verbetering in het optisch vermogen onzer kijkers al verder en verder teruggaan, om steeds dat oneindig gebied van het verre onbekende achter zich te laten.

Bij al haar beknoptheid, toont onze schets voldoende aan, hoe snel — eigenlijk in de laatste drie

ocr page 111

10T

eeuwen — de begrippen en voorstellingen van het nienscliclom aangaande liet wereld ruim veranderd zijn. De Ouden dacliten zich eene wereld, als bestaande alleen uit de aarde met haar bewoners, voor welke de zon nondig was om des daags licht te geven, het land te verwarmen, en liet veld geschikt te maken voor de zaden, granen en planten, waarmede zich de mensch moet voeden. Toen een flauw bewustzijn ontwaakte van de verre afstanden, welke hemel en aarde scheiden, drukte men zijne voorstellingen daarvan op volkomen kinderlijke manier uit, niettegenstaande die meeniugen kwamen uit het brein van overigens zeer schrandere en denkende wijsgeeren; doch de aarde waarop wij leven, hield men daarbij steeds voor een onbewegelijke massa, welk eene eerste plaats in het werelxlruiiii be-kleedde.

^ an de sterren had hij niet de minste begrippen, en die geweldige, majestueuse zonnen stelde hij op een lijn met de vallende sterren; dat wil zeggen, met nietige, onbeduidende stofdeelen, welke toevallig in gloeiing geraken. Voor hem draaiden alle sterren tegelijk in 24 uur om een as rond de aaide. Het heelal lag als in een schaal, binnen zeer enge grenzen besloten, en zoo de Ouden spraken van

ocr page 112

108

ruimte en oneindiglieid, clan waren liet denkbeelden, welke met de liedendaagsclie voorstellingen daarover niets gemeens liadden.

Aldus ging liet, in hoofdtrekken, voort tot in de Kide eeuw, toen Copernicus versclieen, en met liem eene nieuwe beweging in de astronomie aanving, welke kort daarop, in liet begin der daaraanvolgende eeuw, in de uitvinding der verrekijkers een maclitigen steun verwierf.

Drie eeuwen zijn sinds voorbijgegaan, en de sterrenhemel — naar oude begrippen een vaste sfeer, waarop de sterren waren bevestigd — was verdwenen en verdreven naar het gebied der kinderlijke voorstellingen van het menschdom; het zichtbare blauwe gewelf bleek eenvoudig een zintuigelijke indruk op ons netvlies, door het licht van onzen dampkring teweeggebracht, welke zich als een dikke laag ver boven ons uitstrekt. In plaats van den vorigen, bestaat thans voor ons een geheel andere „sterrenhemelquot; —een wezenlijke ruimte tus-schen de sterren, die afschrikte dooi' haar onbegrijpelijke uitgestrektheid en de reusachtige afstanden welke de hemellichten scheidden. In dien onbegrens-den oceaan van werelden zonder tal, is onze geheele aarde met de enorme zon, welke haar omtrent dei'-

ocr page 113

109

tienlionderdduizemlmaal in volume overtreft, als in een onmerkbaar klein hoekje teruggezonken — een ruimtestip, die zich met ontzaggelijke snellieid, en langs eene onmetel ijke baan naar een onbekend doel voortbeweegt.

Onze aardbol zelf — wij hebben dit reeds aan-schouwelijk gemaakt — is slechts een uiiniatuurbol in dat groote zonnestelsel. Maar de mensch eindelijk: — wat is hij, kleiner dan het onmeetbare atoom op dit miniatuurlichaam, in vergelijking met de werkelijke aarde, voor ons zoo reusachtig groot, en wier middellijn alleen reeds meer dan 12^ mil-lioen meters telt? Door een enkel voorbeeld zullen wij die lichamelijke nietigheid van den mensch aanschouwelijk maken. Wij weten, dat bet aantal menschen op aarde ongeveer 1480 millioen bedraagt. Een zeer eerbiedwaardig cijfer; maar hoe zal men verbaasd staan, als de berekening aanwijst. dat het heele menschdoni vereenigd geplaatst zou kunnen worden op de bevroren oppervlakte van het „Meer van Constanzquot;, en daarbij volstrekt niet opeengedrongen zou staan, daar elk individu over eeue ruimte van o □ voeten te beschikken had? Een treffende uiting van onzinnigen hoogmoed, toen nog de mensch zich inbeeldde, dat bij bet stoffelijke

ocr page 114

110

boven alles verheven middelpunt der wereldruimte vormde; dat de scheppende krachten dier groot-sche natuur alléén voor hem werkzaam waren, en als op een schouwtooneel, voor hem haar voorstellingen ten beste gaven.

In de sterrenkunde en haar resultaten ligt nochtans iets anders — en wel een groote les voor den mensch. Hoe ruimer en grootscher onze begrippen van het heelal worden, des te vrijer en ruimer vormen zullen ook onze denkbeelden aannemen omtrent de enkel- of meervoudige oorzaken, welke aan den opbouw van het heelal hebben gewerkt. En daarenboven speelt ook de mensch als burger van het groote wereldruim, inderdaad een niet onbelangrijke rol op de plaats, hem door de natuur aangewezen. In physischen, lichamelijken zin zijn wij nietig; ja, meer dan dat — de sterrekunde heeft die geringe beteekenis van den mensch al ruimschoots in het licht gesteld; maar in diezelfde nietige vormen weerkaatst niettemin onze geest vele verschijnselen van het Heelal — aanschouwen, be-studeeren en begrijpen wij het; werpen een blik in die voor ons physiek onbereikbare oneindigheid en dringen in gedachten al verder en verder daarin door.

ocr page 115

lil

Zulk denken, aanschouwen en onderzoeken veredelt den menscli, verheft liem ver boven liet alle-daag'sclie: dat plat-alledaagselie, waarin van niets anders clan eigenbelang- en stoffelijk welzijn wordt gesproken,, en het menschdom zijn dooden cirkelgang om het „geldquot;blijft bewandelen; een toestand, die van weinig verlichting en beschaving getuigt, als wij daarmede den hoogen trap van volkomenheid vergelijken, waarop thans onze physische wetenschappen staan.1)

De astronomie, om de zuiverheid harer methoden van onderzoek, zoowel als om het gebied, dat zij bestudeert — met het volste recht ,,de koning-in der wetenschappenquot; genoemd, verdient dien naam te meer, omdat zij ons beter de verhouding leert kennen, waarin de mensch tot natuur en heelal staat — leert, dat alle stoffelijk bezit oven dwaas,- als be, krompen van zin is; in het kort, omdat zij de menschenwaarde van het individu verhoogt.

Zij leert ons — geheel verzonken in den arbeid en strijd om het dagelijksch brood — dat alléén ons intellectuëele bestaan, de geest, ons gevoel van ze-

1

Men denke aan de bekende woorden, waarin de groote Engelsche natuurvorscher Alfred Russell Wallace — bijna de evenknie van Dmvin — de bestaande maatschappelijke toestanden afkeurt.

ocr page 116

112

(ielijldieid en sclioonlieid, het leven der natuur kunnen begrijpen en waardeeren, die zich in den menscli afspiegelt en in hem vele harer wonderen ontsluit.

EINDE

ocr page 117

ERRATA.

Bladz. '22, r. 5 v. b. stmt: Hesiodas, lees: Hesiodus. „ 22, r. 10 v. o. staat: Hesiodas, lees: Hesiodus. „ 23, r. 6 v. b. staat: en, lees: doorhalen.

23. r. 8 v. o. staat: Hesiodas, lees: Hesiodus. I 23. r. 8 v. o. staat: blijkens, lees: blijken. ,. 47, r, 9 v. b. staat: cirkelbolvormige, lees: cirkelvormige

„ 57, r 11 v. b. staaf : voelden, lees: gevoelden, „ 58, r. 13 v. b. (zie Appendix), Zees:doorhalen.

71, r. 3 v. b. staat: 310.000, lees: 300.000. „ 72, r. 8 v. b. staat: zacht, lees: zachte. „ 74, r. 7 v. o. staaf: stortingen, lees: storingen. „ 70. r. 1 v. o. staat: Har, lees: Hare. „ 77, r. 1 v. 1) staat: 67.200, lees: 6720. ,, 77, r. 2 v. b. staat: kleinere, lees: kleiner.

83. r. t v. o. ] Deze regels moeten van plaats 83 r. 6 v. o. ^ verwisselen.

quot; 86, r. 1 v. b. staat: 117.0000, lees: 117.000. „ 87. r. 6 v. o. staat: 51.000, lees: 53.300. „ 87, r. 10 v. o. staat: op, lees: op den.

89^ r. 4 v. o. staat: „van den Steenbokquot;, lees:

„S Aran den Steenbokquot;. ,, 90, r. 6 v. o staat: 55,000, lees: 48.200. ., 90, r. 6 v. o, staat: 85—90 maal, lees: 55 maal. „ 93, r. 11 v. o. staat: — Centauri, lees:

— d Centauri. „ 95, r. 6 v. b. staaf: /3 Zwaan, lees: 61 Zwaan. „ 96, r. 10 v. o. staat: Centauri, lees: d Centauri. „ 97, r. 5 v. b. staat: en Centauri, lees: en

d Centauri.

„ 101, r. 6 v. b. staat: eclips, lees: ellips. „ 102, r. 1 v. o. staat: Objectieven, lees: Objecten. „ 103, r. 14 v. b. staat: lees: baar wille

keurig ver.

106. r. 13 v. b. staat: Centauri, lees: wij leven. ,. 106j r. 2 v. b. staat: eclipsen, lees: ellipsen.

ocr page 118

OW Id o {

ocr page 119
ocr page 120

Uitgaven van J. F. SIKKEN, Singel 293, Amsterdam.

Dn.. Carl Steghann en De. G. Huao. Handboek v. b.

Socialisme, '2c druk. compleet, ingenaaid (890 blz.) / 3.

Ook verkrijgbaar in 3S wekel afleveringen a ƒ 1.125.

Vos Wn-HENBRrcu, Das edle Blut.........„ —

,, Vergnügen auf den Lande. . . . —

De. C. E. Posee, Gedichte zum ausw. lernen. . . . —

„ Handelscorrespondenz I.....,, —■

gt;, /wei Vortr;ige ü, neue Literatur . „ —

,, An der Grenzscbeide......,,—

De Balbian Veestee, Met de tram door Waterland

(geïllustr.).......... —

Ed. H. Sikken. Leerboek Stenografie met 2 cabiers . „ 1

Tubelkaïn. Een Socialist v. edel Bloed......„ — 0

„ Kieswet..............,, —

Adler. Middelen tegen werkeloosheid.......„ —

Socius. Leekegedacbten..............,, —

Jeatheca. Vertinnen, verzinken etc....... . . „ 1

Portefeuille met 10 pr. lichtdrukken,.......„1