ocr page 1

MET SUN WYNGAERT,

DESEtVE OVERTUYGENM. VAN

MlMhrnj'k Mijner wi'IcUuIimi. OiivmclitUaprlicydt In W0Ê3 1 t KOfcle. Kn. «I te ileHcle Weetdolgilieyrit. in ) Sfluxlflijck-.' ii U-u wish «'If ii vau Opinion, Kii ^.iia.uitr. ijcke «iitliej» vl»u lt;|ua»le reeden. Me»

heiire.vg'iiec van hIJh uiterste ongeuade:

■- ^ ,1'i

Hi VAN DÉR MEULEN. - CHARLOIS.

L4

so»- tot JJytrecht.

It

^ • n- ■

n

! i i

\ iZ. 1 • . .

fr-m

■ C

'quot; quot; .'•.4, /- '•

ocr page 2

436 H

44

ocr page 3

ili ik ï

--

■

f ' I

VZ

ocr page 4

- Wlt; gt; * ^ ; -4 :_sv,

, ^quot; '■:, • . ■ .' A' 'Vv

wm.

|f

M#.;:

m

Ü7j i

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

illiillliillillllllllllllllll 1620 9482

;

:.mgt;:

ocr page 5

[

':4V S

TWIST DES HEEREN

11

MET SUN WYNGAERT,

DESELVE OVERTUYGENDE VAN

:

Misbrnyk sijner weldaden, Ovruchtbaerheydt in 't goede, En al te dertele Weeldriglieydt, in Schadelijcke nieuwigheden van Opiuien, En schandelijcke Outheyt van qnade zeeden, Met bedreyginge van sijn nyterste ongenade;

i

HARMANNÜS WITZ,

Professor tot Uytrecht. ij \

f

Mi

BEPLEVT DOOR

Bibliotheek |jK | EG I

ll

Tla

H. VAN DER METJLEN. — OHARLOIS.

1892.

I ■

ocr page 6
ocr page 7

OPDRACHT,

AENDE GOEDE EN BLOEIJENDE

GEMEENTE

VAN LEEUWARDEN.

Mijne Geliefde en zeer ghewenschte Broeders, mijne Blijdtschap en Kroone in den Heere,

11 Tien kan ick nader, en wien soud ick liever dit TT mijn gheschrifte opdragen, als u lieden, aen welckers dienst ick myselve en al het mijne, na de schickinge des Alder-hoogsten, gliewilliglijck heb toegewijdt ? Godt de Almachtige, die het geslachte der Menschende bepa-jlinge haerder woninge bescheyden heeft, heeft my buyten en boven alle mijn verwagtinge henen gesonden, om UL. het Euangelium te verkondigen. Nooyt had ik my die eer ingebeelt, veel min heb ik door verbode kunsten de selve gesocht; maer de Heere, wiens ik ben, dien ik ook diene, en uwe Godvruchtige gebeden, hebben my die opgedrongen, 'k En hebbe (mag ick met Augusti-nus seggen) in het gastmael des Heeren het hooger einde niej; verkoren, raaer het lager, en het heeft hem gelieft tot my te seggen, schik wat hogerop. Met Rust Ipn lust nam ik het werk des Heeren waer in de ploeyende Gemeente van GOES, die my, na veel stormen elders doorgestaen, tot een lieflijke Haven ver-

ocr page 8

♦

4 OPDRACHT.

strekte. Ick sag daer onder Gods zegen, en door den dienst van mijn trouwe Medehulp eren, allerley devote | oeffeninge in bloey, de kracht der Godtsaligheydt in ! in groey, de gemoederen in eendracht, eji de Uytver-koorne Gods, hant aen hand met yver op de Hemelreis. Ondankbaer soud ick zijn, soo ick het vergat, en trouwloos tegen het geslagte van Gods Kinderen, soo ick het verheelde, met wat een liefde en toegenegent-heyt ick daer ontfanghen, bejegent en tot den einde overlade wierde. De geheugenisse van die dierbare liefdetranen heeft nog macht genoeg om mijn harte te doen smelten, en het papier te doen doorvloeyen daer ick dit op schrijf. Mijn Mede-broederen, Mannen die getuigenisse hebben van alle en van de waerheyt selfs, vond ik in soo heylige een-hartigheyt te samen verknogt, dat ik t wij ff el offer een Kercke in NEDER-LANDT is die van dat gheluck met soo veel reden roemen kan. Geen strijt kenden wy als van liefde onder l malkanderen, van yver voor het goede, en van haet tegen de sonde. Nijdigheydt jalousie, krackelen en kibbelingen, ware by ons onbekende en verfoeyde namen. De soete erfarentheydt leerde ons, wat kracht' er was om het werck des Dienstes sijn rechte klem te, geeven, niet in een drievoudigh, maer in een viervou-digh snoer, niet licht te breecken. Daerom quamen wy; by malkanderen in soetigheydt heymelijck raedtpleghen,; wy wandelden in geselschap ten Huyse Godes. Wy! woonden malkanders Predicatien niet alleen maer oock Catechisatien en andere openbare osffeninge by: en 't geen de eene gisteren geleert hadde, dat gingh de;

and

No( dig Gei vli( gel sijr ver hai wa en

gri.

de

rijl de en tro wii on bei no gt; ha als en M(

W( mi AV lui be

ocr page 9

OPDRACHT.

B

andere heden bevestigen en de Gremeente aenprijsen. Nooyt vermerkte men de minste schijn vantegenstrij-digheyt in de leere, gelijckse oock niet en was in de Gemoederen, 't quot;Was my een vermaeck haer als Hoogh-vliegende Arendts soo dicht ick koude na te houden, gelijck Gregorius Nazianzenus eertijdts seyde doe hy sijn Vader tot een noothulp was toegevoeght. En Godt verblijdde daer mijn jeught, dewijl sy niet verachte harer ouderdom. Ik hadde door Godts genade geleert wat eerbiedigheyt ick de grijse hayren schuldig ben, en voor al een ouderdom die niet met het Wit van grijsheydt maer van Deugden pronkt. En sy beminde de volveerdigheyd mijner jonkheydt, die sich door haere rijpe ervarentheydt willig stuyren liet. Dus gingen we de Gemeente voor, die ons op dat selve spoor na tradt en wandelende in de vreese des Heeren, en de ver-troostinghe des Heyligen Geestes, vermenighvuldight wierd. In dit gewricht van saecken quam my als een onverwachte Donderslagh de eerste tijdingh mijner beroepinge tot LEEUWARDEN toe, waer van ick noch gerucht noch geritsel te vooren heen gehoort |N hadde. En houdt het my ten goede, MYNE BROEDERS, als ick segge dat het niet sonder een ige ontsteltenisse ; en moeyelijckheyb mijnes harten was. Had ick selve Meester van mijn schickingen moghen zijn, 'k soud ghe-1 wenscht hebben, dat ick my in die stille Haven, ten minsten noch voor eenige tijdt, had mogen uytrusten. i Want ick sag de Ruste dat goet, en het landt dattet lustigh was. Maer doe het Godt de Alderhoogste anders i beliefde, en wilde noch moghte ick sijnen monde niet

ocr page 10

6 OPDRACHT.

wederspannigh weesen. Ick hoopte dat sijn ghenadighe goetheyt, het gevanghen leyden van de driften mijner eygener genegentheit onder sijnen wille, voor een preuve mijner suyverer gehoorsaemheyt sonde aennemen. En ick vertrouwde het die selve goetheyt toe, dat hy my swaerder lasten op leggende oock meerder krachten soud toevoeghen. Soo volgde ick dan de Heere waar henen hy my riep, en 't is nu ontrent een jaer dat ik in sijnen name tot u ghekoomen ben: steunende op dat groote woordt, heb ick het u niet bevoolen? Weest sterek, en hebt goode moet, en verschrickt niet, ende en ontset u niet: Want de Heere uwe Grodt is met u, alomme daer ghy henen gaat. Van die tijdt af hebbe ick my oock daer na gestelt, om alles wat in het ver-moghen mijner handt is tot uwe stichtinge, en op-bouwinge in het algemeene geloove, beneffens mijn quot;Waarde en Eerwaarde Mede-broeders, toe te brengen. En tot u l. seer geneegen zijnde hebben wy u geerne wille mededeelen niet alleen het Euangelium Godts, maer oock onse eygene zielen, daarom dat ghy ons lief geworden waart. Ons gebedt tot Grodt is 't uwer saligheydt, en Godtsaligheyb. Hier op micken 'onse ghedachten, bekommeringhe, pogingen. Hier by getroosten wy ons op te setten al wat ons liefst op aerden is, en schromen niet door goet en quaat gerugte heen te wandelen, en tegen de misduydinghen van euvelne-mende gemoederen aen te gaen, om by God en de goede ons gewisse en handelingen te billiken. Ick ben blijde, MYNE BROEDERS, dat ick nu gelegentheyt gevonden hebbe, om u het innigste van onse gepeynsen te ont-

ocr page 11

OPDKACHT,

vouwen, die wy weeten Gode te behagen, en die voor niemandts na spraeck beducht zijn, wanneer ghy, die het eerst ende naest betreft, de selve veraengenaemt % suit hebben. quot;Wy steure ons niet aen de agterklap van laster-sieke quot;Wereltlingen, onbedachtelijk oordeelende van het geene sy niet en verstaen: als wy tot u maer * seggen mogen, ghy zijt ghetuyghen en Godt, hoe Heylighlijck, en Rechtveerdelijck, en onberispelijck wy u, die geloovet, gheweest zijn. Geen beter verdedigh-schriffc begeeren we teghon alle die onsen Roem in CHRISTO soeken ydel te maken, als u lieden selve: quot;Want ghy zijt onsen brief, geschreven in onse harten, bekent en geleeson van alle Menschen die u kennen, en uwen geestelijken wasdom sien. Gy suit ook onse eere eens sijn in den dagh CHRISTI, en daerom en schroomen wy niet alle onse voornemens voor u ende al de werelt te verklaren.

quot;Wy hebben niets in 't Hoofd noch onder de Leden dat we niet bloot durven leggen voor de Sonne; 't geene wy denken in onse binnen-kameren dat prediken wy op de daecken, 't geene wy beraetslagen en voornemen daer van willen wy het Israël Gods tot Getuygen, en de Oudsten Israels tot Richters maken. Daer zijn wy op uyt, dat JESUS Koninckrijcke tot ons kome, by ons blijve, onder ons ja liever over ons toeneme: dat de duysternisse der 'onwetenheyt voor de stralen van die Morghensterre opklare: Dat het nagtwerk der sonde met het opkomen van die Sonne onderga: Dat de kracht ■der Godtsaligheydt in toprijse, ende haer uytnemendtheyt betoone boven de zedelijke geschiktheyt der Heidenen,

7

ocr page 12

OPDRACHT.

8

boven de uyfcerlijke Godsdienstigheyt der Fariseen, boven al de toonscliijnige toestel der vroom-gelijkende Huichelaren: Dat de swier des Ouden en eenvoudigen Christendoms, in nedrigheyt, in zelfs-verloocheninge, in devotie, in yver, in liefde, in quot;vreedsaemheyt, in sachtmoedigheyt, kortom in de vertooninghe van alle de volmaecktheden CHRIST] , onse Toehoorders als ter ogen uit zie. Daerom wenschen, daer voor biddende, daer toe prediken on leeren wy, beyde in het openbaer en by de Huysen. En overmits onse handt dit gevonden heeft om te doen, so bevlijtigen wy ons ook om het te doen met alle onse magt. Dat sijn wy onsen HEERE schuldig, dien wy alles schuldig zijn: Voor wien wy Discipelen soecken te maken en niet voor ons. Nieuws en hebben wy niet in 't Hooft, maer zijn be-reydt te staen, te strijden, lijden, en (des noots sijnde) door Gods genade te sterven, voor 't oude en ware geloove, dat eenuiael den Heyligen is over gel evert. Dat belijde en prediken wy, niet uyt de sleur nog om wel-staens wille maer om dat wy 't weten waerachtig en Goddelijk te zijn, alsoo seeker als of wy 't met onse oogen ghesien, en aenschouwt, ende met onse handen ghetast hadden. En daerom magh het ons niet van 't harte om het te krenken of te buigen na de Wisselvallige verandering van menschelijcke saecken. Want wy en draghen niet ghelijck veele, het woordt Godts te koop, maer als uyt oprechtigheydt, maer als uyt Gode, in de tegenwoordigheyt Godts, spreecken wy het in CHRISTO. Al 't nieuwe daer we op staen en stampen, is de vernieuwinge des leevens in de Uytver-

ocr page 13

OPDRACHT.

9

koorne Godts, waer door het oude voor bygaande, sy nieuwe Schepselen in CHRISTO worden. Dit dringe wy aan op de oude gronden van CHRISTO en sijn Apostelen gheleyt, en ons overgelevert van die geene die voor ons Godts woordt ghesproocken hebben. Nieuwe regels maecken, kennen, noch erkennen wy. Eygenwillige Godsdienst, menschen-vonden, geconter-feyte vijsigheyt, een raugghe uytsiftende daer sy een Kameel doorswelgt, is ^by ons, ghelijck by onse Heere, een grouwel. Het oprechten van eygen gerech-tigheydt, achten wy soo wel een omverrestootinge des Euangeliums en een verlogeninge van het Kruice CHEISTI te sijn, als wy het oordeelen voort te komen uyt onkunde van de nette en geestelij cke eische des quot;Wets. Buyten Gods woort yets als Deught aan te preecken, of als ondeught tegen te maecken, het toege-latene voor verboden, en het middelmatige voor quaedt te verklaren dat heeten wy zielen te verstricken, en de' conscientie in haar regt te verkorten, die wy van de wijde uitstreckingh harer geestelijker vriheit neer-stig onderrighten, doch met voorbodingh dat de vry-heyt niet misbruyckt en worde tot een oorsaek voor het vleesch. In uitterlijkheden sijn voornaemste vroom-heidt te stellen, dat noemen wy geveinstheidt: Alhoewel wy de bedriegerie van die geene ontdecken, die onder een gans wererdts gedragh wanen een gheeste-lijck harte te houden. Het binnenste moet het buitenste noch het uitterlijcke het inwendige niet leugenstrafFen. Belacchelijck schijnt het ons van kleynigheydtjes groot boha te maecken, daerwe dat maghtige werck moeten.

ocr page 14

OPDRACHT.

10

inscherpen, om weerdiglijk den Euangelio OHRISTI te wandelen, die ons roept tot sijn Koninckrijcke ende Heerlijkheid. Maer voegen 'er nyt de Mont onses Hee-ren by, dat men de groote dingen van de Wet moet doen en de kleine niet nalaten, en dat de Ontbinder van het minste gebod ook de minste in het Koninckrijcke der Hemelen sal zijn. De gemoederen der Vroomen te ontrusten, en zielen te bedroeven die de Heere geen smerte heeft aengedaen, daer zijnwe met groote sorgh-vuldigheyt schuw van : Maer de verslagene van Greeste te troosten, de treurige Sions na het harte te spreeken de bekommernissen der swaermoedigen op te losse, dat is (sonder roem gesproocken) ons. daghelijckx werck, immers een voornaem gedeelte onser studie, te leren hoe wy ons verstandelijck dragen sullen tegen de ellendigen. Laet de tranen der schreyende diewe afge-droogt, laet de klachten der droefgeestigen die wy gestelpt, laet de badsteden der kranken, die wy getroost, laet de hutjes der gekommerde Arme die wy besogt hebben, getuigenis daer van dragen. De Wet, 't is waer, die Prediken wy, en dat in haer kragt, na de eysch van volmaekte gehoorsaemheyt, en met al die schric-kelijke bedreygingen die daer aengehegt sijn tegen da Overtreders, op dat me alle waen van werkheiligheit omstooten, den mensche sijn sonde en doemweerdig-heit leeren, iait hem selven drijven, na CHRISTUM locken, en een net Richtsnoer van heyligheyt ter hand stellen souden. Maer van Hebals Kruinen stappen wy seer gewillig op Grerizim, en sijn dan voornam entlij k in onse schick als wy de arme het Euangelium mogen

ocr page 15

v.?

f»'

OPDRACHT.

11

vei kondigen, en tot Zion roepen, uwe God is Koningh, 't Is onse lust ende liefde CHRISTI liefde te Prediken, en trachten dat soo lieffelijck te doen, dat we (waer het mogelijk) alle harten in sijne wederliefde mogen doen ontbranden. Sonden te bestraffen achten wy een noot-sakelijke liefde plicht te weesen, ons so strengelijk van onse groote Meester gelast, datwe voor sijn eeuwige ongènade duchten, soo wy uyt ontsag van mensen sijn bevel niet gehoorsaemden. Wy zijn soo sot niet, BROEDERS, dat we moetwillighlijck de haet des we-relts tegen ons selve souden aenblasen, indien we met voegen en stilswijgen, onse eygene Conscientie, de zielen die ons so dier aenbevolen sijn, en de gunste van onse Opper-heer te gelijk met de gunst der Mensche behouden konden. Maer als die twee tegen malkander stae, liever hebben wy dat al de hoop der Wereltge-sinden met al de swarte Heyrkrachten der Helle te samen tegen ons woeden, als dat ons gemoet ons verburgen nepe van trouwloosheyt geven, en God daer het al aen hanght en wiens gunst ons beter dan het leven is, sijn harte van ons aftrecken soude. Wat konnen wij doen? De noot is ons opgelegt, en we ons sowe ontrouw bevonden worden. Staet-saken en Burger-Regeeringe, als soodanige, zijn buyten ons. Noyt hebben wy ons daer me gemoeyt, dan voor soo veel wy Godt om sijn seeghen over de selve baden, ende de Heeren die wy by golegentheyt spraken, het belang van JESUS en sijn Koninckrijcke aenpresen. Onse Hoofden en handen zijn te vol van binnenwerk des Kerkendienstes, dan dat ons lust en tijdt soud overschieten om ons

ocr page 16

OPDRACHT.

12

in dat buitenwerk in te wickelen. Den Volcke trouwhartige gehoorsaemheit aen haer Overheden iu te scherpen, rekenen wij soo nootsakelijk een stuk onses ampts te sijn, dat wy voor geen Dienstknechten CHRISTI souden konnen gaen, so wy sulx achterlieten; gelijk wy ook tot geen Disgenooten aen de tafel onzes Here wille toelaten al wie secte en muijterien in de Kerke en in wereltlijke Regimenten soeken aan te rechten. En 'tis niet anders als opregte liefde tot aller saligheit, wanneer wy een ieder, groot en kleyn, uyt de woorde Gods, sijn besondere en algemeene plichten voorstellen of wy uyt alle eenige behoude mogten. Innerlijke sugt hebben wy tot de vrede der Kercke, en soo veel moge-lijck is, soo veel in ons is tragten wy die te houden met alle, aldermeest met onseMededienstknegten: want wy weeten hoe hy voer die sig de vertraging van de komste sijnes Heren belovende sijn Mededienstknegten begon te slaen. Indien ymant schijnt twistgierig te zijn, wy en hebben sulck een gewoonte niet, nog de Gemeynten God?. De oneenigheden die sich hier en daer vertoonen, doen ons in de ziele seer, en 't is een scheure in ons harte, wanneer de Rok onses Heere door onnodige kibbeling gereten wordt. AVy spreecnen de waerheydt in CHRISTO (onse conscientie ons mede getuigenisse gevende door den Heilige Geest) dat het ons een grote droefheit en ons harte een geduirige smerte is, alswe ergens een wortel van verbitteringe tussen Paulus en Barnabas sien oprijsen. Maar soo lief is ons de vrede noyt, dat we die met schennis der Heiliger waerheit, met verlies van een goed gemoet,

ocr page 17

OPDRACHT.

en met verwislinge voor de onvrede Gods koopen, of houden willen. Als die dingen gevaer loopen, hebben wy liever dat alles daer van wage, als dat wy met stilswijgen en toesien en de sake onses Heeren verraden sotiden. Dan sullen wy de wapens onses krijgs aentas-ten, en 't mag ons niet van 't harte dat wy in sulk een toestant van saken met de rustsieke Eubeniten souden sitten blijven tusschen de stallingen, te hooren de bleetingen der kudden. Wy schricken voor die vloeck des Engels over de Inwoonders van Merotz uitgesproken, om datse niet gekomen en sijn tot de hulpe des Heren, tot de hulpe des Heren. Met de Helden. Andere vrede kermen nog agten wy als de vrede Christi, die een Vyandinne van valsheyt en Groddeloosheit is. De vrede die wy soeken is de vrede Jerusalems, die in sig behelst de oorlog tegen de Duyvel, de quot;Werelt, de sonde. Nooit gehenge God dat wy met haar of hare Vrienden vrede maken souden. Dit is, Broeders, ons ongeveinst oogmerk: Dit onse eenvoudige poginge: In groote onvolmaaktheyt, maar in oprechtigheit, en quot;^oor den Heere. Hier toe arbeyden wy. Hierom warden wy gesmadigt. Dog onse roem is dese, namelijk het getuigenisse van onse conscientie, dat wij in eenvoudigheid en opregtigheit Gods, niet in vleeselijke Wijsheit, maar in de genade Gods in de werelt verkeert hebben, en sulks nu doen onder u lieden. Daar hopen wy by te blijven, te leven, te sterven. Een klein proefje van dit ons oogmerk koom ik u, Mijn lieve Gemeente in dit geschrift opofferen. En wien soud ik 't anders doen, als hen dien ik my selve schuldig ben: en in

ocr page 18

i

welkers dienst ik my geerne wil afslooven ? Soo mijn magt sig even wijt als mijn wensch uitstrekte, ik soude U L. niet alleen eenige doode letteren, maer de levende en levendigmakende Geest, mijnes Heeren CHRTSTI medelen. Maer dat is liet werk een es Dienaers niet. Ick bnige dan mijne knyen voor Grodt de BESTE, de GROOTSTE, en bidde Hem uit 's harten gront, dat hy u vermeerdere en make overvloedig in de liefde tegen malkanderen, en tegen alle, gelijk wy ook zijn tegen u; op dat hy uwe harten versteroke om onberispelijck te sijn in Heyligmakinge voor onse God en Vader, in de toekomste onses Heeren JESU CHEISTI met alle sijne Heylige.

11

i f.

|

1' ■ 1

f

I

m

I

i

tv

ff.

1-ï'

Dit is de zuyvere Hartewensch van

Uw Oprechte en Toegenegene Dienaar en Medestrijder in den Heere

HERM. WITZ.

Leeuwarden, 10 Ap. 1609,

ocr page 19

:Aan den Godvrugtigen en Bescheidcnen Leser.

Een woordtje of twee,en woordtje of twee, Godvrugiige Leser, wilde ik u gaern segghen, aleer gy u tot het lesen van de navolgende bladeren begaeft. Daer is yets 'tgeen ick tot mijn ontlastinge, ende u onderrigtinge, met u te verspreeken bebbe. Voor alle dingen bid u, dit schrift ( niet aen te merken als een Twistschrift, alhoewel het ; de Titel van Twist op sijn voorhooft draagt, 'tls uyt ( geen bitter, geen knibbelsieck gemoet voortgekomen;

daer is geen galle in den inkt geweest daar ik me ge-j schreven hebbe. Maar een suivre sugt tot welstant van i het lieve Vaderlant, en Christi diergekogte Kerke, heeft mij het selve afgeperst. Dat kenne Godt die harten en nieren kent. De begeerte van de Sagfcmoedi-! ge en .van de Vreedtsame in Israël heeft my hier toe aengemoedigt, en het soude gantschelijk tegen haer oogemerk aanlopen, indien ik my in onnoodige warre-rije had in gewickelt. Ook en isser geen ding in de werelt daer ick uit eiger aart meer afkeer van hebbe. Maer de Twist die ik bepleyte is de Twist des Heeren, daer van hy tot de Propheet seide, „Twistet tegen u lieder Moeder, Twistetquot;, Hose II: 1. Een twist tegen de sonde, daar niemant vrede me maken of houden

ocr page 20

-—-ff 111

IB TOT DEN LESER.

kan, als die sig de haat en vyantschap G-ods getroost is. En daar gronwt mijn ziele voor. „Het verderf Gods „is bij mij een schriel:, en ick en vermag niet van wogen „sijne Hoogheyt.quot; Job XXXI; 23. Yan dat oordeel be-lijde ik my te wesen, dat hoe yemant hartelijker liefhebber van een Heilige ende Goddelijke Vrede is, hoe hy yveriger twister tegen de Goddeloosheyt moet sijn; in gevolge van Nehemias voorbeelt, die sijn vredelie-ventheit niet te kort deed, wanneer hy „Twistede met de Edelen van Judaquot;, Neheip. XIII: 17, over hare quot;Wet-brake. Zacharias heeft van het geestelijke Juda voor-seyt, dat God „haer stellen soude gelijk het peerd sijner Majesteyt in den strijt,quot; Zach. X: 3, soo moedig en rustig ter heiliger krijge. Want dus beschrijft het God selve: „Het treckt uyt den geharnaschten te gemoete: „Het belacht de Vreese, ende wordt niet ontstelt, ende „het en keert niet wederom van weghen het sweert. Te-„gen hem rootelt de pijlkoker, het vlammig yser der „spiesse en der lance. In 't volle geklank der Basuyne „seit het, Heah! ende rieckt den krijg van verre, den „donder der Vorsten ende het gejuig.quot; Job XXXIX: 24, 25, 26, 27, 28. De helden van onse groote Vreede-Koning Salomo zijn ook „geleert ter oorloge, elck hebbende sijn sweert aen zyn henpe van wegen den schrick „des nachtsquot;, Hoogel III: 8. En hy is niet beter als een Verrader sijnes Heeren te rekenen, die onraat vernemende de wapens niet aen en tast, en andere ter wapen roept. Maer trouwelijk en omsigtelijk moet hier gehandelt worden: en wee hun die haer eygen snoode driften, onder schijn van voor God ende sijn sake te

ocr page 21

■quot; ■-

TOT DEN LESEH.

yveren, tracliten te voldoen. Die sig gemeenlijk hier aen openbaren, datse het niet soo seer tegens saken als tegen personen liebbon, welke sy seli's hatend gaerne aan al de werelt hatelijk maken souden. Hier hebbe ik my sorgvuldiglijk voor gewagt, en die Heylsame regel in ach tinge genomen. „Parsere personis Dicere de „Vitiis. De persoonen moet men sparen, maar van de „fauten spreecken.quot; In die algemeene overtuygingen heb ik het op niemant in 'tbysonder gemunt. Maer ge-klaagt over sonden die elk een bekenne moet dat in swange gaan. Trekt sig yemandt dit egter in 't by-sonder aen als of hy daer me gemeent en gesteecken wierde, die wijtte het, na deese mijne verklaringe, niet mijn penne, die ik onnocel ken, maer sijn eygen belg-siek gemoet. Somwijlen, ('t is waar) heb ik sommige schrijvers, wiens gevoelen en uytdruckingen ick geloofde dat alle vrome mishage mosten, op de kant met namen aangeteekent, ter preuve van mijn opregtigheid ende trouwe, op dat ik niet en scheene mannekens aan de want te schilderen, die ik om kortswijl bevegten soud. En ik en kan niet denken, dat yemant reden van beklag heeft, soo hy van een ander op sijn reekeninge siet stellen, 't geen hy zelfs onder sijn eigen naem in de werelt gebragt, en soo met eiger hand-schrift voor het sijne erkent heeft. Alhoewel ik ook hier in nog met meerder agterhouden te werk gegaan heb, als sommige groote mannen raetsaam oordeelden.

Eenige Nieuwigheden, mijnes eragtens van schadelijken gevolge, suit gy hier doorgestreecken vinden. Andere geleerde, sig vast houdende aan de regtsinnige

17

i

ocr page 22

TOT DEN LESEB.

18

waerheit, hebben dat voor ende met mij gedaan, en van my gedaan sijnde voor goed gekeurt. „Uw werckquot;, schreef my eener; „heeft my in allen deelen uyttermaten seer „behaeght, en bysondorlijck oock in het XXI Capittel, „daer die tien bysondere staeltjes van Wonderlijck ende „Vreemt luydende Nieuwigheden niet alleen klaer ver-„toont, maer oock sedigh en krachtigh wederleyt wor-„den. Voorwaar sy zyn met stercke vooroordeelen, of „misschien met noch wat erger ingenoomen, die dit „ge mei te Capittel lesende de ongerijmtheden van die „aengewesene nieuwigheden niet beseffen kunnen.quot; Ende een ander: „Wy beleeven de tijdt dat vast elck „schrijft ende doet na dat hem goed dunkt: en soud „het niet gesegt, niet beklaegt, niet overtuygt worden? „Wat Schrijver dien de sake Godts, dat is de waarheyt „na de Grodsaligheyt ter herten gaet, en doet niet? „Wat Leeraar, die sich van sijn ampt quyten wil, en „moet het niet doen?quot; En een derde, die niet alleen in dese Provincie, maer alomme, door het geene hy voor de waerheyt gedaan heeft, bekent is. „Quispius „ferat indignos illos Deo, verboujus, Ecclesia Christiana „loquendie modos, ad quos, ut aliquid orthodoxias sa-„piant, tam sinuosa flexione amp; nescio qui bus non am-„bagibus opus est? Miror ego Homines de Scripture „Interprete sine scriptura loqui veile, amp; ranas etiam e „Paludibus Cartesium Mozaizasse coaxare. Recte sactum „quod talia perstrinxeris: forte evigliabunt ad vernacu-„lum sermonem qui ad Latinnm dormitant.quot; Dat is; „Wat Godtvruchtige kan sulcke spreeckwijsen verdra-„ghen, die Grode, zyn Woord, en de Christen Kercke

ocr page 23

TOT DEN LESEil.

„soo onbetamelijck zijn, en die om eenighe geur van „ Rechtsiruwgheyt te krijglien, in soo veel bochten ge-„draeyfc en door soo veel swaeyen geleyt moeten wor-„den? Ick verwonder my datter mensclien zijn die „van de Uytlegger der Schriftnyre sonder de Schrift-„uyre spreecken willen, en datter. Kickvorssen uyt de „Poelen komon die queecken dat Gartesius uit Moses of „als Moses spreeckt. Gby bebt welgedaen met sulcke „dingen door te strijeken: Misschien sullen sy op een „Duytse aenspraek eens ontwaken, die op de Latynse „in slaep gebleven zijn.quot;

Laet ick hier nog een Vierde by doen, die gelijk hy met de voorgaende een plaefcse en bedieninge, alsoo ook van mijn werek een gevoelen heeft. Desa heeft my aldus geschreven. „Accepi munus Tuum egregium amp; „gratum. (Sum in are Tao, sujus exsolvendi memor „ero.) Librum sive Tractatum tuum eruditem amp; tersum. „Probo (nam de ó^Oudo^i'a nihilopus est dicere) facundi-„am, motbodura, circumspehtam exprimendi amp; propo-„nendi prudentiam. Eecte taxas magistratuum, Ministro-„rum Verbi Divini amp; populi vitia, bux provocant amp; „prasagiunt imminentes plagas ab irato Deo. Magistra-„tuum vitia modum excedunt, fateor, sed Ministrorum „Euangelii invidia amp; odium mutuurn, linguse in multis „petulantia, luxus in sedibus, Suppellectilibus, conviviis, „amp; alia baud minora, nomen Dpi amp; Doctrinam Eccle-„siae Resormatx infamix exponunt. Utinam boni con-„junctis operis, animo intrepido, forti zelo disciplinx „vim stringerent ad emendationem! Probo opus Tuum „onmi modo amp;c.quot; Dat is. Ik hebbe Uw Treffelijk en

19

ocr page 24

I w_ -

™ ■

20

TOT DEN IjESER.

aengenaem geschenk ontfangen (om welkers wille ik in Uw schuit beu, die ik gedagfcig sal sijn af te doen) namelijk Uw geleert en besiepen boek of Tractaat. Ik prijse daar in (want ounoodigh is het van de Eecht-sinnigheit yets te gewagen) de Welspreekentheit, de ordre, en de omsigtige voorsigtigheid van ivyidrucken en voorstellen. Met regt bestraft gy der Magistraten, der Bedienaren des Goddelijcken woorts, des Volks ge-breeken; die den Vergramden God terghen en voorboden zijn van nakende plagen. De gebreken der Overheden gaen (ik beken het) de mate te boven. Maer de nijdigheit en onderlinge haet van de Bedienaers des Euangeliums, de dertelheit van tonge in veele, de overdaat in huisen, huisraet, kleedinge, maeltijden, en andere dingen die niet minder sijn, strecken tot schand-vlecken van de name Gods, en van de Leere der Gereformeerde Kerke. Og of de Goede, de handen samen ' sloegen, en met een onverschrocken couragie, met een moedige yver de kracht der Discipline tot verbeteringe aanleiden? Ik keur Uw werk in alle maniere voor goet enz.

Meer diergelijcke getuigenissen van de Aenzienlijkste Mannen in onse Nederlandse kerken, en Academien en zal ik nu niet by brengen, om de sedigheit niet na te komen, en dat ik niet en schijne met opgesogte loftuy-terie vermaekt te zijn. Maer geen ding verbiedt my dit te zeggen, dat dit werk niet in de Euyme AVereldt komt, dan na dat het het geluk gehad heeft om van veel Godt-vruchtige Geleerde voor goedt gekeurt te zijn. Welker gunstigh oordeel, benevens het getuygenisse mij-

ocr page 25

TOT DEN LESER.

ner gewisse, my tot een bolwerk verstrecke zal tegen de misduidingen van alle die het lusten inogte mijn onnosele opzetten te beknibbelen. Ik ken deze tijden wel, en heb' er dat bekende Versje wel op horê paste, Omnia cum liceadt, non licet esse Plum:

Dat alle dingou geoorlooft zijn behalven godzalig te wezen. Maar de hoon, die yernant daarom uitstaat, is zijn Kroon voor den Heere: En geen kleyn gedeelte van eens Christens roem, als hy weerdiggeagt wordt om de name Christi gesmadigt te worden.

Een of twee dingen sijn' er evenwel waar van ik den Leser nader boricht schuldig ben. In het een en twintigste kapittel heb ik aldus geschreven. „En hier op „dringt men m it grooten ernst, vermanende de Huis-„lieden van de Predikstoel, dat zij eerst ter preecke ge-„weest zijnde, onbeschroomt zouden wederkeeren tothaer dagelijks werek, zoo het zonder aenstoot geschieden kon-de.quot; Dit heeft sommige vreemt in de ooreu geklonkê, die nauwlijx geloven konden, dat een leeraar van de Gereformeerde kerke zoo uitspoorling en aanstootelijk een tale zond durven uitslaan: quot;Waren derhalven benieuwt van waer ik zulx had en vergden my de gront van dit verhael aen te wijzen. Dezen heb ik dat bascheit gegeven, 'tgeen ik nu de Christen-wereldt mededele.'t Eu is by my niet uit den duim gezogen, nog boosaerde-lijk verdicht. (God behoede my voor zulk eene trouw-looshyt tegen het geslagte zijner kinderen) 'ten is niet van my aangenomen op een los straat gerugt van eenige praatzieke tnenschen: (dat ware oen beris-pensweerdige onvoorzigtigheit) Maar ik hebbe tot bor-

21

ocr page 26

TOT DEN LESER.

22

ge van mijn zeggen de Wijt-beroemde, Hoogh-gheleer-de en Q-odzalige Heer Johannis Hoornbeeck, in zijn leven Professor der H. Theologie en Predikant tot Leyden. Een man wiens openhartige Trouwe van de Nijdigheyt zelve mijns wetens noyt beknibbelt is. En 't is de pijneweert at ik de statelijke redeneringe van die beproefde Godsge-leerde over dit stuk ten dienste van mijn Leser hier uit te-kene. Hij schrijft dan, Theol: Pracl. T. 3. p: 354. amp; 355. aldus. „At nuper inter Christianos, inter Reformatos, accepi-„mus quendam, pro concione paganos suos forti Spiritus „amp; latere sedulo monuisse, ut, se videlicet primum au-„dito, Dominica die omnes secure irent rursus ad soli-„tas operas, modo nimirum id fieret abspue scandalo: „quod Auditorum aliquis meliori mente excipiens, ve-„nuste post modum rogavit istum suum Pastorem, „numquid, si facere nil liceret die illo cum aliorum „offensione, at quidem docere qua egregie ofïendant, amp; „quo sibi scandalum datum haut leve testabatur, fas „esset: Adeo, quod ille olim dixit, sape castiores amp; fanc-„tiores sunt aures Auditorum, quam labia Sacerdotum. „Habeant illi istam sibi gloriam, quod plures a Dei „cultu abduxerint, atque hominum amp; mundi vulgum „sibi habuerint opsequenten, longe plus solatij gaudij-„que nobis erit, juxta cum paucioribus, quales semper „erunt optimi, vere in Domino (raftparfecv. Ut etiam illinc „appareat, tales homines non disputate adversus quar-„tum praceptum alio fine, quam ut homines secum do-„ceant iuZopaTéusftac. In quo dubito an non pejores se „praebeant Socinianis, quamvis ijfoum in boe conveni-„ant, quod quartum prsecepturn utrique velint esse abro-

ocr page 27

TOT DEN LEZER. 23

J

„gatum. Dat is. Maer onlanghs hebben wy verstaan, „dat yemant onder de Christenen, onder de Grerefor-„meerde, in een Predicatie zynne Huislieden met kracht „en ernst neerstelijck vermaent heeft, datse, hem te we-„ten eerst gheboort hebbende ; op den dagh des Heeren „onbeschroomt souden wederkeeren tot haer dagelijx „werck, als het sleghs sonder ergenisse geschieden „konde: 't welk yemant van de toehoorders met een „beter verstant opvattende, vraeghdo daer na dien zyn „Predikant op een aerdige manier; indien men nieten „moohte doen op dien dagh 't geen aanstootelijck was „voor andere, of het dan wel gheoorloft was te leeren „'t geen geweldigh stiedt, en waer door ghetuygde hem „gheen kleyne ergernisse ghegeeven te zijn. Soo waer-„achtigh is het, 't geen eener eertijds geseyt heeft, dat „de ooren der Toehoorderen dickwijls kuysser ende Hey-„liger zijn, dan de lippen der Priesteren. Laat haerlieden „deze eere vry voor haer selve houden, datse veele van „de dienst Gods hebben afgetrocken, en dat het gemeene „volck der menschen en des weerelts sich na haer voegt, „'t sal ons veel meer troost en vreugde wesen, met een „minder getal, hoedanighe altoos de beste sullen zijn, „waerlijck in den H-eere Sabbath te houden. Sulx dat „oock daar uyt blijkt, dat soodanige menschen tot geen „ander ende tegen het vierde gebodt disputeren, als op „datse de. menschen loeren souden met haer de ruime „weg in te slaen. Waer in ik Twijffele of se sich niet „slimmer aenstellen als de Socinianen self, hoewel se „daar in met haar overeenkomen, dat se beyde het „vierde gebodt willen afgeschaft hebben.

ocr page 28

TOT DEN LEZER.

24

Dus vorre Jie Salige Heer. Nu durf ick het aen hefc oordeel vau een yeder geven, of niet die groote man net het selve schrijft 't geen ick geschreven hebbe, uitgenomen dat sijn uitdruckingen scherper en ernstiger syn dan de mijne, en hy vry wat meer bedenkingen en aanmerckingen daar by doet. AVat soud men meer van my konnen vorderen, om mijn opregtigheid en Trouwe in desen te doen blijken! Of most ick dien quot;Welgemelten Heere niet gelooft hebben! Maar ik heb sijn E. altoos voor so wijs en voorsigtig gekent, dat hy sig niet ligt iets soud laten in de hant stoppen: en voor soo opregt en waaragtig, dat hij om geen waarom sijn conscientie met leugen en laster soud willen beswaren. En waarom heefn men hern, so hy der waer-heyt te buyten gegaan was daar over niet gemoeyt doe hy nog leefde, en doe die gene daar hy sijn ooge op hadde (wiens name ik altoos soo veel mogelijk was gespaart hebbe, en nog sparen sal) mede leefde en niet veel mijlen van hem woonde! Boven dien is my dat selve van verscheydene gheloofweerdige personen op ver-scheydene plaetsen mondeling goseyt, en door brieven aengeschreve: en om mijn opregtigheit voortaen buiten alle opspraek in desen te stellen, so kan ik de Le-ser versekeren, dat bij my een notariale acte van drie gelijckluidende getuigen berustet, die de aenstootelijke Predicatie en Catechisatie hebben bygewoont, en bondige reden van wetenschap geven. Door weiokers ver-tooninge ik nog onlangs een aansienlijke vergaderinge, die sulx van my vorderde, volkomen Satisfactie gegeven hebbe.

ocr page 29

TOT DEN LEZEB.

25

Oock hier heb ik de Leser van te waerschouwen, waar ik in capittel twee en twintig (sprekendevan de gruwzame Atheisterie eenes Godlasterlijcken mensches, die met God ende sijn instellingen, met Mozes en de Propheten, met Christus, de Christenen en het Christendom de spot gedreven, en snlke grouwelijke dingen daer van niet alleene gediscoureert maer ook geschreven heeft, en in ODse Moedertale laten drucken, die van de Turken zelfs met geen minder straffe als met de doot gestraft souden worden) miin oogen hebbe op dat Afgrijsselijke Woordeboek, welkers Autheur de handen van de Justitie niet heeft konnen ontgaen, en dat ik niet goet gevonden hebbe die te noemen, om het niet bekender te maken. Maer nu vinde ick my daer toe genootsaakt, vernemende dat tegen mijn ooghemerk en tegen het ligt der sake dit van sommige op yemant anders gepast wort. Waar over ik den Leser dit berigt schuldig was. En als ik seyde dat de Turken sulke Godts lasteringen met geen minder straffe als met de doot straffen souden, dagt ik op het geene Gerlachius, een Hoog Duyts Theologant, verhaalt gebeurt te wesen, doe hy sig te Conslantinopolen onthield als Prediker van de Ambassadeur des Keysers Maximiliaan de Tweede. Seeker Jode met een Griek kijvende hadde Christum gelastert, als een onwettelijck geboorne. De saak tot de Kadi of onder-Rechter gebragt zijnde, wiert de Jode veroordeelt om tagtig stok-slagen daar voor te ontfan-gen. Maar de ChristeDen, schattende dese straffe te licht te sijn, maken het de Sultan selye bekent. Die pleegt raet met de Mufti, de Opper-priester en Opperste Uitj-

ocr page 30

TOT DEN LESER.

26

legger van den Alcoran. Dese stelde dit tot straffe voor. „Dat de Jode tot de borst toe in de aerde begraven „zijnde gesteenigt of verbrant: of ter eeuwiger gevanc-„kenisse verwezen, de eerste veertig dagen dagelijx met „tagtig slagen geslagen wordt. Welk ketste ontrent dien Grodslasteraer in 't werk gestelt is. Vaerwel God-vrugtige Leser, en lees met oordeel tot uw Voordeel.

ocr page 31

OP HET GODTVKUCHT1G WERCK

VAN DEN

- 'erivecrdif/eH, Godtsaligen, Jlooyhgeleerden, Vol-yverifjen Man,

li ERMANNUS W I T ZI U S,

GENAAMT

T W I S T I) E S H B E E E N niet sijn W Y N G A E R T.

Y\/ 'lt gaot sich dese Man benioeijen ' ' En lieeft liy niet genoeg te snoeijen In eygen Jlof, of soeckt liy werk ?

Soo riep wel licht seer luyd en sterck De laster, die op 't licht verbeten Dit sal een haetlijck Twlst-Schrift heten, Indien dees Heldt dien Twist ontsag, Hy bracht het Schrift niet aan den dag: ^*11 troost hy sicli des Hccrcu Strijden,

Gelijck vereyschen dese tijden;

En werdt hy dan een .Va» van Twist, Hy weet waerom; Uw Hooft-saeck ist O Heer, getuygt het goed geweeten, Soo hebben sich wel eer geque. ten Godts Mannen, vol van Geest en kracht En dapperheyt, in hun geslacht:

Schoon 't menschen hen geen danck en wisten Die Godt getrouwheyt hete 't twisten, En slack de werelt op de borst,

Soo bleeck de yver van de Vorst,

Vfaert om'sijn dapperheyt te melden. Tot twisiens toe, en slaen, en schclden, In dienst van sijnen Godt getrouw: Soo wasser oock een kloeke Vrome,

In Israels ontbloote tijden Wanneer men ging het igt;adl bescheyden, En sloeg verkeerde wegen in.

En ste'de God als uyt de sin.

Der rouwe Moeder opgereesen.

ocr page 32

28

(En daer in toonde liet te Wesen)

Sloeg die verkeerde gangen acht

Eu twiste met het boos geslacht,

En als de Moeders, na 't bedrijven

Van 't quaed het stoute Kint bekijven,

En dreygent oock wel met een slag,

Soo toondt die Moeder haer gesag,

En dringt haer Kinder?, (kroon der Vrouwen)

Godts wetten beter t'onderhouwen:

Heet dat noch twisten? met wat schijn?

Sy noemdet Moeder rechc te zijn.

Soo als ick uw geschrift doorblader,

'k Erken u voor een rechte Vader,

En schoon gy somtijds grauwt of kijft,

Tck zeg gy efter Vader blijft.

Soo 'tyemant lust met u te strijden

Voor my, ick wil het Tucht-woordt lijden,

Ick weet liet is uyt gunst geschiedt;

En Tucht en schaedt de Einders niet,

Noch 'tSnoeymes aen de Wijngaert rancken

Ga voort, de vrome zal u dancken.

En smaelt de Werclt, bint dien Hoorn

U op het hooft, gelijok een Kroon.

S. SIM O NI DES.

Ecclesiie Hagiensis Pastor.

ocr page 33

ÖP HÉT IIER-DRUCKEN

VAN HET

seer stichtelik en in deesen tijt aldernoodigliste werck GENAAEMT

DE TWIST DES HEER EN

MET SUN

WYNGAERT;

GEMAECKT

Door den Eerw. Hoogh-geleerden, vredelievende en twistvliedende yveraer Godts

HERMANNUS WITZIUS.

TTer-leeft dan NASO nu met al sijn dweeperijen?

Wert 't eene Wesen we'er in 'tander om-gekeert?

Wert Herman Ismaëlf Heeft die nu lust in 'tstrijen,

Die noyt een twist-woort sprak, noys twisten lieeft geleert? Wiensj lippen dat wel eer van enckel honig vloten,

Wiens mont een Nectar bron in soetheyt niet en weeck? Is nu dat vreedsaem liert met twist-lucht overgoten?

Is Witz soo Nicker-sjtiari, soo bitt'ren galle beeck?

Witzf Die nog onlangs was de lust van onse oogen,

Wijs, vreedsaem, ongeveynst, vol trouwe liefd' in 't hert, Zachtmoedigh, nedrigh, vroom, godvruchtigh, teer-bewogen,

Lief-talligh, soet van Aert, die noyt verbittert wert;

Die aen sijn kudde was een Herder aller-wegen,

In leer en leven soo een voorbeelt van de deught, !

Dat sijn gedachtenis by haer is in den zegen

En altoos blijven sal, soo langh men sijns geheugt.

Witzf die in't Herder-tal der Qoessclte Leeraers streefde,

Dien noyt een hevigh door knibbelsucht ontviel:

De Broeders vieren kon, soo min en vreedsaem leefde, 1

Dat hy van haer bemint wierd', als haer eygen ziel.

Hoe dus? Mijn Vriendt, Hoe dus? Hoe kan dat soo verand'ren?

Blaest Witz de twist-basuyn ? Twist die nu twist op twist? Den eenen twist is uyt: Wat drijft u tot den and'ren? Is 't twist-lust? laster-sucht? Of, seght my eens, Wat is 't

ocr page 34

30

lek weet; 'tis d'yver geest van 'themelsch vyer ontsteeken:

Ghy twist geen eygen twist, maer yvert voor Gods eer,

Want siet, Gods Israël is van den wegh geweken,

'tBevloekt sijn Heyligdom, en twist met sijnen Heer.

Dies lieeft oock Godt een twist, (want t' heeft hem langh verdroten

En dagli vaert voor 't gericht al wat in Salem leeft.

Heel Zions Burgery, en Jacobs liuys-genoten;

Die hy den soeten naem van sijnen Wyngaerd geeft.

Een Vetten lieuvel was 't, Daer Godt dien Wijnstok plante,

En heeft hem met een muur omcingelt dagli en nacht.

Hy wierp de steenen uyt: Nu suyvert hy de Kanten.

Hy bouwt, hy hackt, hy snoeyt, terwijl hy vruchten wacht. Op datter niets ontbrack, deed hy in 't midden bouwen.

Een tooren hoogh en sterek, tot wacht en tot Cieract;

Daer toe een wijn-pers-baok in rotsen uyt-gehouwen,

Wat had hy meer van doen tot een volmaekte staat?

Nu wacht den eygenaar met recht op schoone vruchten.

Het soete druyven-bloedt van recht en billickheit;

Maer siet, die Bastaertstam doet sijnen Planter suchten;

Dies hy in toornigheyt, dus tot sijn wijnstock seyt;

Vervloeckt, ondanckbaer hout, suit gy my soo vergelden;

Hebb' ick u niet geplant een trouw, een edel zaet,

Op Zions Heuvel, op de keur der schoonste velden;

Soo schoon, dat sijns gclijck in geene landen staet?

Oordeelt nu selve, O Jerusalcms geslachte,

Betuygt of eenig dinck aen u geluck ontbreeckt.

Wat was' er meer te doen, dat ick u niet volbrachte?

(En met een eenig mensch, die yet daer tegen spreekt.)

Waerom voedt ghy my dan soo snoode bastaerd-rancken.

Als Sodoms wrange hout, van Gomorra 's wijn?

Uw sap is enckel gif, vol doodelijke stancken:

Uw wijn is draken-bloedt, en adderen fenijn.

Ghy zijt geheel vervult van wrevel-moet en boosheyt.

Vol pracht en hoovaerdy, met ontucht op gehoopt;

Geheel van my vervreemt, Eplta van godloosheyl,

Soo scliendigh opgepropt dat 's alles over-loopt.

Dies dreyght de Heer in toorn tot sijn tuyn en muur te scheuren,

Op dat het wilde swijn die gansch vertreden mocht;

En doorn een distel-struyck haer tot een erfdeel beuren,

Daer op noyt weder drupp' otf dauw, off regens vocht.

ocr page 35

Maer Godts lanokmoedigheyt laet voor liet slaan eerst dreygen,

En sendt sijn arbeyds-volck niet 't noey-mes in de vuyst. Of't^vederspannig volck sich noch tot hem wou neygen,

Eer hy haer gansch verlaat, en 'teenemaal verhuyst.

Dies roepens' overluidt' yhij heuvels en ghy Bergen,

Hooi t naar uw 's Gods plcydoy, weest niet soo bars en bitz. Wat voordeel sond 'tu zijn sijn Majesteyt te tergen?

En onder dit getal is oock dees trouwe Witz,

Die twist sijns Heeren twist al sijn gansch vermogen.

En schoon het twistigh rot dies met hem twisten wil, Hy staet gelijck een rots, vrymoedigh onbewogen

En wijckt met eenen voet in 's Heeren twist- geschil. Hy twist geen eygen twist, maer twist den twist des HEEREN,

Die Leeuw die heeft gebrult, wie is hy die niet schrickt? De Heere HEERE spreekt, wie sal Propheteeren?

Dies heeft sijn edel hert sich tot dien strijt geschickt.

Vloeck Mem, die niet komt tot hulpe hares Heeren;

Haer volck, dat niet en komt den helden tol een stut.

Dien vloeck vreest onse Witz, dat doet hem veerdigh keeren

Naer 't wederspannig heyr Gods donderend' geschut. Die soetste boesem-vriendt, dien Jezus meest beminde.

Wiens hert en mont was vol van liefd en soetigheyt; Die wierd een Donders-zoon, wanneer hy maer besinde

Dat sijnes Heeren twist door hem moest sijn bepleyt.

Selfs Christi soete Bruydt, bevalligh in manieren

'Schoon, suyver, vreedsaem, zacht, en teer gelijck een Maegt, Is schrick'lick in den slagh met vliegende Banieren,

Sou Witz, dan haren Soon niet wesen onvertsaegt? Twist.7ci-i(6-i?aö/ twis,t God helpt sijn twist-saek twisten:

Al twist men tegen u, dat twisten heeft geen klem.

Uw twist houde over-handt. Vreest geen geweldt noch listen.

Godt breeckt den schedel van die twisten tegen hem.

Maer nu, ghy Wijnberg Gods, en wilt u niet verstocken.

Ey! swicht voor dese twist, se komt van hoogh gebiedt. Die twist sal heylsaem zijn, soogh' u tot Godt laet locken.

Hoort ghy dien twist, ey doch! verhart u herte niet. Het eynde van dien twist is ootmoedt uyt te wercken.

En vreed' en rust by Godt door onsen Vrede-vorst, Met herte-beteringb: Dan sal Godt, met sijn vlercken U decken in sijn gunst, en lesschen uwen dorst.

ocr page 36

S2

Dan suit ghy 'tZion Godts met vrede sien bekroonen,

Jeruzalem» geluck bevestight door Godts Macht.

Dan suit ghy bidden, dat Godt onsen? Witz wil loonen,

Omdat u door sijn Twist Godts Vred' is too-gebracht.

N. BARENZONIS Ecclesia Qocsane Pastor,

ocr page 37

Twist des Heeren met sijn Wijngaert.

Jes. V; 4. Wat isser meer te doen aan mijnen wijngaart, 't welk ik aan hem niet ghedaan hebbe? waarom heb ick verwagt dat hy goede druy-ven voorbrengen sonde, ende hy heeft stinkende druyven voort-gebracht?

GAP. i. ;

Inleiding tot den volgenden handel, verklarende in 't gemeen wat de Propheet in deze gelijkenisse voor heeft.

aer is nauwelijcks klaarder ende beweeglljcker

maniere van leeren, dan door gelijckenissen. Want dan segfc men niet enckelijck het geene dat men meent; maar stelt het ook als in een voorbeeldt voor oogen, en men doet de saecke tweemaal aanschouwen, eerst in haar selfs, daer na in de gelijckenisse, die als een Spiegel daer van is. Konde Jotham de Sichemiten wel aardiger en leevendigher hun dwaesheydt erinneren diese begaen hadden in Abimelech lot hunnen Koningh te verkiesen, als in die overgeestige gelijckenisse die hy haer voor-stelt? Richter. IX: 8. amp;c. Wierd niet

3

ocr page 38

TWIST DES HEEREN

34

David gansch krachtig overredet, en zelfs onweetende tot schult-bekentenisse gebracht, door de gelijckenisse van Nathan? en was dit niet een overaerdig middel om den Koninck soo stilletjes te ondergaan, en daer na uyt sijn eygen mondt te overtuygen ? 2 Sam. XII: 2. amp;c. Dit was ook de wijsheydt van die Thecoïtische vrouwe, waar door se Absalom herstelde in de gunste van sijn Heer Vader, 2 Sam. XIV; 5. Ja deese maniere van leeren heeft de alderbeste, liefielijckste, krachtigh-ste Leermeester der Godtsaligheyt, onse Heere Jesus Christus, soo gevoeghlijck geoordeelt, dat hij se meest in alle sijne predicatien heeft willen gebruycken. Dit deede sijn reden klem hebben, sijn vyanden overtuyght en verstomt staen, niet wetende wat daer tegen te seg-gen: en het maeckte sijn leerlingen met een innige be-roeringh gansch krachtigh opgetrocken. Soo quam het onder andere, „dat hy sprack als magt hebbende, en niet als de Schrift-geleerden en de Phariseenquot; Matt. VII; 29. Soo quam het al me, datse „alle haar verwonderden over de aanghenaeme woorden, die uyt sijnen monde voort quamenquot; Luc. IV: 22. En hoe seer oock de Joden op onse Heere Jesus gebeten zijn gheweest, sij mosten echter in die maniere van leeren wat be-sonders erkennen: waeromse eenige sijner gelijckenissen in haer Talmud, vervattende de Twistredeneringhen hnnner Leeraren over haer onbeschreeven Wet, een groot en wonderlijck boeck, dat sij van G-oddelijke authoriteyt houden, ghestelt hebben, welcke als noch daer gheleesen kunnen werden. Ja het soud mij lioht zijn om te toonen dat t' allen tijden, alle verstandige

ocr page 39

MET SUN WIJNGAERT.

35

leeraers, onder de Joden niet alleen, wiens boecken daer vol van zijn; maar oock onder de Griecken, die dé wijsheydt in erfpacht meenden te hebben, en onder de Romeynen, die haer op het laetste niet wijeken en wilden, steedts deese maniere van door gelijckenisse te leeren gebruyekt hebben. Maer het sal niet nodig zijn dat ik my daar in verder uytbreyde. Ghy siet ge-noegh, Leser, tot wat eynde het voor-geseide by gebracht is: namelijck om reden te toonen, waerom onse Propheet hier liever door een soete gelijckenisse het volck Israels Grodts weldaden en hun misdaden daer tegen vertegenwoordigen wil, als dat hy maer enkelijk het selve soude voorstellen, 't Was op dat hy haer de gan-sche saecke beter soud inprenten, en hun met meerder kracht van haer Godtvergeten ondanckbaerheyt over-tuyghen, en met eene te levendiger voor oogen stellen de welverdiende straffen, die sij van Godts wreeckende rechtvaerdigheyt te verwachten hadden. Hy versint te dien eynde een gelijckenisse van een Wijngaerdenier, die sich eenen edelen quot;Wijnstock op eenen vetten heuvel geplant hadde, en alles ontrent de selve gedaen wat een goeden Wijngaardenier aen een vruchtbaren Wijnstock behoordt te doen, en die in plaatse van goede druyven, gelijk hy op soodanigen vlijt billijk verwaght hadde, niet dan wrange en stinckende druyven ont-fingh: Die daer op eyndelijck, na dat sijn lanckmoe-digheyt .lang ghenoegh geterght was, besloot die on-deughenden Wijngaert uyt te roeyen. op dat hy de plaatse niet langer onnuttelijk beslaen en soude. 't Is baerblijckelijck genoegh dat do Propheet hier door den

ocr page 40

TWIST DES HEEREN

36

Wijngaordenier, Godt de Heere verstaat: door den Wijngaert, het volck Israels; door het besorgen der selve, de middelen der genade en saligheyt die hy haar hadde ter handt gestelt: door de goede druyven, vruchten van danckbaerheydt, door de stinckende, sonden en Godloosheden, die in sijn volck de over-handt ge-noomen hadden: waer op hy nu geresolveert was haar te straffen en te verdelghen, en tot een voorheeltvan sijn rechtveerdige grimmigheydt andere voor te stellen. Maar op dat noch des te klaerder sijn Goddelijke waer-heyt, heyde in het verhalen van sijn weldaden, en het bestraffen van haer misdaden, mitsgaders sijne recht-veerdigheyt in het bedreyghen van sijn oordeelen blijc-ken soud; soo roept hy haer selfs tot getuygen en richters in haer eyghe saecke: en vraeght haer eygen conscientie, ofse niet (soo se slechts niet t' eenemael was afgeschroeit) hem getuigenisse geeven most, dat hy aan sijn sijde dit alles gedaen hadde, en sy in tegendeel hem niet anders beloont dan met ondanckbaarheyt; en dat dien volghens haer verderf rechtvaerdig was. „Wat isser meer te doen aan mijnen Wijngaert,'t welk ick aan hem niet ghedaan en hebbe ? waerom heb ick verwacht dat hy goede druyven voort-brengen soude, ende hy heeft stinkende druyven voortgebragt?quot; 'tls mijn voornemen nu, Beminde Leeser, om deese woorden eens wat naeder te ontvouwen, en mijn Landtgenooten, die haer niet verontwaerdigen en sullen dese letters in te zien, haar schuldige plight om het verderf, dat ons over 't hoofd hangt, voor te komen, soo krachtig als my mogelijck is op het harte te drucken. Een hey-

ocr page 41

MET SUN WIJN GAEBT.

37

lige reformatie is ons van noden, een erkentenisse en droevigh beschreyen van onse voorgaende schulden, en een verbeteringe van de selve; en elck voor hem sefls en in het sijne moet de handen aen de ploeg slaen, om den waggelenden staat onses landts die ten verderve helt, met Heylighe handen na sijn vermogen te onderschragen. Gave G-odt dat ick, die my de minste van sijn Dienst-knechten geerne erkenne, oock een weynigh daer toe kondo by brengen! Dit is mij nes herten wensch en mijn innigh gebedt tot Grodt, dat de inwoon-ders van ons lieve Vaderlandt, tot inkeer gekoomon sijnde van haer voorighe vergrijpingho, met een hey-lige tranen-vloodt des berouws, de hitte brandt van sijn grimmigheydt sochten te blussen. Dit is mijn oogh-merck in dit geschrifte, waar 113't ick sommiger vooroordeel, ander haer ongunst. wel weet te voorren te spellen. Maer de oprechtigheyt mijner gewisse in desen deele, is mij een genoegsaeme vertroostiuge tegen dit alles: on ick sal my altoos verbonden reeckenen om Godt te dancken, soo maer eeno ziele mijnen Heero Jesu Christ,o hier door gewonnen rnochte worden. Lees het dan tog, Beminde Vrienden, met snlck een sncht tot uwe saligheyt, en vermeerderinge der Godtsaligheyt, en die daer aen vast is de welstandt des Vaderlandts, als ick het voor my selven en voor u lieden geschree-ven hebbe.

*

ocr page 42

TWIST DES HEEBEN

CAP. II.

Nader aenwijsinghe van de inhout des Texts, en een vertoogh van de voornaemste reedenen, waerom het Volck ende de Kercke Godts bij een Wijngaert vergeleecken wordt.

e inhoudt van deze woorden, over weclke wy onse

gedachten en aencnerkingen wat sullen laeten speelen, is een overtuygende bedreyginghe des Heeren, waer in hy Israël sijn overgroote goedertierentheydt en lanckmoedigheyt nevens haer, en haer versmachte ondanckbaerheydt teghens hem, krachtelijck op de conscientie druckt; met eenen te kennen geevende, dat hy het oock geensins onghestraft sonde laten door-gaen. Twee voornaeme saecken zijn dan hier in begree-pen. 1. Een nadruckelijcke voorstellinge van die weldaden die Grodt aan haer gedaen hadde. 2. Een errin-neringe ofte indachtighmaeckinge van hare schandelijke ondankbaerheyt.

Het eerste is begrepen in deese woorden: „Wat isser meer te doen aan mijnen Wijngaert, het welcko ick aan hem niet ghedaan en hebbe?quot; Daer zijn roorname Grodsgeleerden, die meenen dat dit soo vee] geseght sou-de zijn, als of de Heere zeyde , Dewijle ick mijn volck soo veel weldaden bewesen hebbe, en het so ondank-baer geweest en gebleven is, soo oordeelt selve eens watter in het toekomende anders te doen zy, als dat ick mijnen ondeugenden wijngaert verwoeste. En daar me vergelijckense dan de woorden van onse Saligma-ker, in diergelijcke gelegentheydt uytgesproocken, Matt. XXI: 40, 41. Daer de Heere Jesus een ghelijckenisse voorstellende van een wijngaert, die een Heere des Hui-

38

ocr page 43

MKT SUN WIJNGAKKT.

3'J

ses van alles wel voorsien hebbende aen Trouwloose Landt-lieden verhuurde: die in plaetse van de vruchten op te brengen ter bequamer tijdt, sijnDienst-knech-ten vermoorden, en éyndelijk sich niet en ontsagen hunne gierige en bloedt-gierighe handen te slaen aen de Soone selfs, soo vraegt hy daer op: „quot;Wanneer de Heere des Wijngaerts komen sal, wat sal hy die Landt-lieden doen?quot; En de Fhariseen antwoorden, „hy sal de quade eenen quaden doodt aandoen.quot; In die sin soude de Heere hier oock vraghen. quot;Wat isser noch aen mijnen quot;Wijngaert te doen! En voorwaer deese uytleggin-ge en is oock so onbillijk niet: want behalven dat se veele verdraeydo en verdraeyende geesten de gelegen-heyt af snijt, om de alles overwinnende kracht van Gods genade te lasteren, soo schijntse oock met de omstandigheden des Textes niet qualijk over een te komen. En onse Godt die soad hem selven op die voorgestelde vrage dan antwoorden in het volgende vers. Als of hy seyde, ick vraeghde terstondt, wat datter aen mijn Wijngaert meer te doen was! En de inwoonders van Jeruzalem, ende de mannen van Juda, die ick versocht heb-be om tusschen my en mijne quot;Wijngaert te rechten, die swijgen stil en geeven mij gheen antwoordt; haer ey-gen conscientie overtuyght haer dat se niet als alle ramp verdient hebben; en daerom blijven sy my antwoord schuldig, kom aan dan. ick sal het selve zegghen ; dit is'er noch meer te doen, dat men na soo langh geduld gehadt te hebben, eens beginne te toornen, en dien al willens ondeugenden quot;Wijngaert uyt te roeyen. Edoch daer zijn noch andere gheleerde uyt-leggeren, die deese

ocr page 44

TWIST DES HEEBEN

40

woorden wat anders opvatten; soo dat se in sich niet begrijpen en souden een dreyghement van het quade, dat Godt hun sonde doen in het toekomende; rnaereen verhael van het goede, dat hy; hun gedaan hadde in het voorledene. Soo dat de sin sonde wesen immers hebb' ick soo veel sorge en omsichtigheyt gebruyckt neffens mijnen Wijngaert, als oen goedt en neerstigh Ackerman soud kunnen doen; ja ick durf haer zelfs wel af-vragen, wat sy meer van my hebben te eyschen. Soo hebben het meest alle Joodsche Leeraars uyt-ge-leyt die ick over deese plaetse heb na-gesien. Haren Chaldeeuschen Oversetter Jehonathan, die van eenseer groote en bykans van Goddelijcke authoriteyt by haer lieden is, die oock ontrent de tijden van onse Salighmaec-ker geleeft en geschreven heeft, heeft deose woorden dus omschreven; Wat goedt heb ick gezeght meer te sullen doen aan myn volck dat ik aan haer nietghe-daen en hebbe ? Maar als ick over de sin deeser woorden peynse, schiet my wel te passé een stock-regel in, die een voortreffelijck Gods-geleerde seyt in het uyt-leggen van de Heilige schriften altoos waergenomen te moeten worden, dat het de veyligste wegh is de Schrif-tuur-plaetsen uyt te leggen in soo ruymen sin als de woorden en samenhanginghe der selve eenighsins lijden kunnen. En daerom dunckt het iny niet ongerijmt te zijn dat men deese twee voorgemelde meeningen by malkanderen voege, en deeze sin uyt de woorden maecke. Heeft oenen Wijngaerdenier meer goedts te doen aan sijnen quot;Wijngaert, als ick ghedaan heb aen u! en daerom dewijle ghij onaenghesien dit alles

ocr page 45

MET SUN WIJNGAEET.

noch onvruchtbaer ghebleven zijt, isser nu wel wat meer overigh dan u te verderven? Dit en is mijn vondt niet, Leeser: soo u de saecke niet quadelijk getroffen schijnt te weesen, soo weetse seeoker Joodsche Leeraer dank, die sy seggen dat uyt de stamme Davids overig is, en uyt wiens nakomelingen sy de Messias schier ver-waghten; en van den welcken ik met recht soud mo-ghen zegghen 't geen de Oude van Origenis; daer hy wel is, heeft het niemant beter, en daer hy quadelijk is, heeft het niemant slimmer dan hy. 'tSal te pijne waert zijn dat ick sijn eygen woorden, uyt het Hebreeusch vertaalt zijnde, hier by sette: want se stellen do saecke soo klaer voor, „als het my inoghelijk is om te doen; „Hij wil zegghen, zeght, hy, ben ik eenighsins, in ge-„breecke gebleeven van eytwes dat tot volmaekinghe des „Wijngaerts behoorde, het welke ik aen den selven niet „en heb ghedaen ? Ook is in deeso vrage noch ingeslo-„ten een saake die op het toekomende siet. Als of hy „seyde wat straffe behoorde nu vorder aan mijnen Wijn-„gaert gedaen, de welcke hem tot noch toe niet aen „gedaen is!quot; Dus verre den gedachten Schrijver.

Doch tot beter begrijp van desa aenmerckelijcke plaetse, sal het oorbaer zijn datvve deese drie dinghen eens wat nader uyt-leghen.

1. quot;Wat hier verstaen moet worden door den „Wiin-gaert ?quot;

2. Hoe overvloedighe weldaden Godt aen haer be-wesen had !

3. Wat Godt van haer verwacht, en wat sy betracht hadden!

41

ocr page 46

TWI8T DES HEEREN

Zoo veel het eerste aengaet. Door den Wijngaert moet ghy hier verstaan het volck Israels ; dat Godt uyt alle volckeren tot sijn volck had uytverkoren, en dat doe by kans alleen sijn Kercke uyt maekte. Want soo leyt het de Propheet selve uyt, v. 7. „Des Heeren der heyrscharen Wijngaert is het huys Israels, ende de mannen van Juda zijn een plantei sijner verlustingequot; Dat is meermaels de stijl van het woordt des Heeren, om sijn volck en Kercke by eenen Wijngaert te vergelijc-ken. „Te dien daghe sal daer een Wijngaert van roo-den wijne zijn.quot; dat is, sal de Kercke in allerley voor-treffelijcke vruchten des geestes over vlo ediglijck bloeyen propheteert onsen Jesaia Cap. XXVII: 2. En diergelijke plaetsen soudmen meer kannen op soecken. Maer het sal alsoo soet en oorbaer zijn, datwe eens de redenen navorschen, waerom de Heere sijn volck by eenen Wijnstock soo dickwijls in de Heylige schriften verge-leecken heeft. Alle gelijckheydt soud het overtolligh zijn hier aen te wijsen. We sullen dat maer op neemen dat Godts onfeylbaer Woordt ons ter hand stelt; en het geen ons in het vervolgh van deesen handel sal te passé komen.

1. De Wijnstock is onder die gewassen die niet van selfs groeyen, maer van menschen handen gheplantet worden. Als Mose het overgroote gheluck van het oude Israël wilde uytdrucken, dat de Heere bragte in een vrugtbaer land, 't welk haer vyanden, die verdreven wierden, voor haer gebouwt hadden, soo seyt hy onder andere, dat Godt haer gegeven hadde Wijngaerden en Qlijf-gaerden die sy niet geplantet hadden. DeutVI. 11.

42

ocr page 47

MET SUN WIJNÖAEKT.

43

En als Jesaias de salighe voorspoet van het nieuwe Israël nu herstelt zijnde door Godts goedheyt ten breed-sten uytmeet, so propheteert hy oock ditte: „sy sullen Wijngaerden planten, en der selver vrucht eten. Jes. XV: 11. De vruchtbaerheyt van de aldergeluckighste tijden en landen nam niet wegh de sorghe die de men-sohen dragen mosten in 't planten der Wijngaerden, indien sy wat goedts daer van hebben souden. Alsoo is het oock met het volck des Heeren geleegen. Dat is niet een struycke die in 't wilde en van selve opwast: maer 't is „een spruyte van (xodts plantingen, een werck sijner handen op dat hy verheerlijkt worde.quot; Jes. IX: 21. Daerom songh de Koningh, „Grhy hebt eenen Wijnstock uit zEgypten overgebragt, de Heydenen verdreven ende den selve geplant,quot; Ps. LXXX: 9. Soo sprak oock de Heere: „Ik hadde u doch geplant een edelen Wijngaert een geheel getrouw saet.quot; Jer. II: 21. En derhalven soo paste het oock wel dat sy overvloedigh souden wesen in allerley vruchten der gherechtigheyt; op dat de Heere geen schande soud behalen aen sijn eygen plantinge. Immers is dat de aert van een goede „boom die geplant is aan waterbeecken, dat hy sijn vrucht geeve in sijnen tijdt.quot; Ps. 1: 3. En die waerlijk in Godts Huys geplantet zijn, van die is geseyt, „in den gr ij sen Ouderdom sullen sy noch vruchten dragen; sy sullen vet en groene zijn, om te verkondighen dat de Heere goet is.quot; Ps. XCII: 15, 16. Dewijle sy selve dan oock op de plantinge des Heeren roemden, soo was het niet te verantwoorden dat sy de Heere door soo eerloos een onvruchtbaerheyt onteerden.

ocr page 48

TWIST DES HEEtlEN

44

2. De wijnstock, voor en al eer hy met aangename vruchten pronckt, en heeft niets dat hem recomman-deere. Sijn hout is van het sleghste en veraghste, dat noch sterckte, noch schoone kleur, noch wel rieckende reucke heeft, waer mede het des menschen ooghen of neusgaten vermaecken soud, of hem tot eenigh ander ghebruyck bysonderlijck te passé komen. Dat heeft Godt selve aengetekent, Ezech. XV: 2. „Menschen kint wat is het hout des Wijnstocks, meer dan alle hout, ofte de Wijngaert meer, dan het ander hout eenes woudts is ?quot; Even alsoo is het oock met het volck des Heeren. Doe het van Godt wierde aengenomen, jaedoe het al van hem aangenomen was, en had het geeno voortreffelijckheyt boven de andere volckeren des aerdt-bodems, niets het welcke hem aangenaem konde maken by Gode, uytgenomen die lieffelijcke vruchten der gehoorsaamheit die Godts Geest selver daar in wercken most. Gelijk Moses tot hunner vernederinge haer sulks te binnen brachte, Deut. VIT: 7. „De Heere heeft gee-nen lust tot u ghehadt, noch u verkooren, om uwe veelheydt boven alle andere volcken, want ghy waar het weynighste van alle volcken; maer om dat de Heere u lieden liefhadde.quot; Dewijle dan Godt haar, die1 niet beter en waren dan de rest, en als het hout eenes quot;Wijnstocks, het slechtste onder der boomen des veldts, boven alle andere volckeren tot het sijne had op-genomen; soo was het immers te schandelijck, dat sy soo grooten weldaet, die enckelijck uyt geuade hen geschiede, niet beter beantwoordt hadden met danckbaer-heydt.

ocr page 49

MET SUN WIJNÖAERT.

45

3. Noch een ander ghelijckenisse wijst ons de Heere in die terstont aengetoogene plaetse van Ezechiel. Het hout des quot;Wijngaerfcs wanneer het onvruchtbaer is, deught nienwers toe, als om met den viere verbrant te worden, daer zijn andere boomen, die, sohoonse onvruchtbaer zijn, nochtans door haar houdt veel nuts het menschelijke gheslachte aen-brengen. De stercke eycken, de schoone cederen, de geurige cijpressen, pronc-ken met geene uytsteeckende vruchten; maer echter der Princen en Koninghen Paleysen worden onder-schraeght en verciert door Pijlaren die daer van ge-maeckt zijn. Maer wg.t maeckt ghy van het houdt eenes Wijngaerts? Niemendal. „Wort daar van hout uytge-noomen, om een stuck wercks te maecken ? neemt meu daar van eene pinne om eenigh vat daar aan te hangen? siet het wordt den viere overgegeven, op dat het verteert worde: het vier verteert beyde sijn eynden: en sijn middelste wordt verbrandt: sonde het deughen tot een stuck wercks ?quot; amp;c. Soo gaet het oock met het volck des Heeren: brengt het geen goede vruchten voort, 't heeft niet anders te verwaghten dan een ver-slindinge hier, en een eeuwigh vier hier namaals. „Daerom alsoo seydt de Heere Heere, ghelijk als het hout des quot;Wijnstocks is onder 't houdt des woudts, het welcke ick ten viere overgeeve, op dat het verteert worde: alsoo sal ick de inwoonderen Jerusalems over-geeven: want ick sal mijn aangesichte tegens haar setten; als sy van het eene vieruytgaen, sal het ander vier haar verteeren.quot; Ezech. XV : 3, 4, 5, 6, 7. Siet oock Matth. III: 10. Dewijle sy dan salcks konden te ge-

ocr page 50

TWIST DES HEEREN

moete sien, en evenwel in haere onbekeerlijckheyt voortgingheD, wat was liet anders dan moetwillens na haer verderf toe te loopen?

4. Een wijnstock is van natuuren seer vruchtbaar, inzonderheyt in die warme landen, daerse van goeder aert zijnde selden sal mis-dragen. In het Hoogel. Cap. VIII: 11 leesenwe dat „Salomon eenen quot;Wijngaeit hadde te Baal Hamon, en dat elck een van de hoeders des selfs hem duysent Silverlingen daer voor op brochte.quot; Een teeoken datse gansch vruchtbaar gheweest moet zijn, voor welckers huur elck een der hoederen soo veel betalen wilde. Soo most he^oock met Godts volck gaan, indien het sijnen naeme wel wilde beantwoorden. Het most als overladen weesen van schoone druy vTe-trossen, en uytroepen met de Bruydt, „O dat mijn Liefste tot sijnen Hof quame, en ate sijn edele vruchten!quot; Hoogel. IV : 16. Zelfs mosten de alderteerste onder G-odts volck, de alderjonghste scheutkens, was het niet vruchten, immers vruchtjes voortbrengen, en „reuck geven met hare jonge druyfkens,quot; Hoogel. II: 13. Andersins men verbastert de natuure, en maackt sich de naeme van een quot;Wijngaert, dat is van Gods volck, onwaerdigh.

5. De vruchten van een Wijngaert, zijn op een by-sondere wijse, en in uytmuntenheyt boven andere, aanghenaeme vruchten. „De wijn die het herte des menschen verheught,quot; singh David, Psal. CIV: 15. „Soud ick mijnen most verlaten, die Godt ende de menschen vrolijck maeckt?quot; seyde de quot;Wijnstock in de Parahei van Jotham, Richt. IX: 13. Even soo is het

46

ocr page 51

MET SUN WIJNGAERT.

47

oock met de vruchten der warer Grodtsaligheydt in Godts volck, die schoonse noch gansch teer en veelsins gebreckelijck zijn, Gode nochtans op een besondere maniere „aengenaem sijn door Jesum Christum onsen Heere,quot; 1 Petr. II; 5. Hy kan den Heyligen wandel van sijn volck niet sien, of sijn harte (met eerbiedig-heit: zy het ghesproocken) springht op van vreughde; en hy moet uytbarsten in een vrolijcke uytroep: „Hoe schoon zijn uwe gangen in de schoenen, O ghy Princen dochter! de omdraeyingen uwer heupen zyn alskoste-lijcke ketens, zijnde het werck van de handen eenes Konstenaars,quot; Iloogel. VII: 1. quot;Wie sou het seggen durven 't geene den Heyligen Geest selver seyt? „Godts harte wordt daar me genomen,quot; Hoogel. IV: 9. Ja al weet een geloovighe siele niet anders by te brengen dan ootmoedige tranen, om dat se Godt niet beter ghe-dient heeit, en noch niet beter kan dienen, 'ten is niet licht te seggen, hoe aangenaem even dat onsen Godt is. Hy siet daer dat suyvere hartenat met vry wat meerder lust, als een wereldtlingh op de kaken van zijn afgodinne aanschouwt alle het geene, een verbranden Moor aen de Indiaensche onver gevischt heeft. Ick bid u lees eens Luc. VIT: 44. En siet eens hoe ver de Heere Jesus de tranen van eene Sondaresse stelt boven al het onthael van een Pharisseus. Deese wil hy aenneemen als leckere „specerien-wijn,quot; en „sap van granaet-appelen,quot; hem van sijn lieve Bruydt inge-schoncken, Hoogel. VIII: 2. Dit wiste de Bruydt wel. En op dat haer Liefste sich daer in vermaeuken soude soo noodighde sy hem soo vriendelijck uyt om een

ocr page 52

TWIST DES HEEREN

geestelijok landt-luchje met haer te scheppen. „Komt, mijn Liefste, laet ons uytgaen in 't veldt, laet ons vernachten op de Dorpen. Laet ons vroegh ons opmaecken na de Wynberghen, laet ons sien of de Wijnstock bloeyt, de jonghe druyfkens haer open doen, de Gra-naetappelboomen nytbotten; daer sal ick u mijne uyt-neemende liefde geeven. Aen onse deuren zijn allerleye edele vruchten, nieuwe eüde oude. O mijn liefste, die heb ick voor u weggeleyt.quot; Hoog. VII: 11, 12, 13. Geen soeter vermaeck kan de Heere Jesus aengedaen worden, als dat men hem op de vruchten des geloofs en der bekeringhe onthaele die in den Hof onser siele gewassen sijn. Hoe gebreckelijck sy oock weesen mochten, als nochtans de grond der saecke oprechtigheyt is, so neemt hy het voor Eedle Vruchten aen. Het doet hem in de siele goedt, als sijn Bruyd in staet is om te roepen, „O dat mijn liefste tot sijnen Hof quame ende ate sijn Eedele Vruchten!quot; Hoogel. IV: 16. Hy komt'er dadelijck oock op afstappen, ende antwoordt, „Ick ben in mijn Hof gekomen, mijn Suster ö Bruydt, ik hebbe mijnen wijn gedroncken.quot; Hoogel. V: 1. De wijle het Gode dan soo aengenaem geweest soude zijn, dat sijn volck na sijnen wille gheleeft hadde: soo is het immers des te schrickelijcker dat het noch in sulcke uytspoorigheyt uytgeslagen is, en hem, op dat ick soo spreecke, dat vermaeck misgunt heeft.

6. Een Wijngaert heeft onder alle plantagien een besonder en neerstigh opsicht van den Bouwer van noo-den. Nulla possessio Majorem operam rcquirit, seide Cato: Geen besittinghe valt moeyelijcker dan die van

48

ocr page 53

MET SUN WIJNOAEET.

tie Wijngaerden. Dit hadde oock die voorgemelden Joodschen Leeraer bij deze geleegentheyt aen getee-ckent. Dit schijnt oock Godt selfs to kennen te geeven, met dat sorglivnldigh optellen van al sijn moeyte, die by tot bet weldyen van sijn quot;VVijngaert gbenoomen badde. En seecker bet isser oock soo met ^eleegen. Hat Koorn als bet gezaeyt is komt op, en wast alleen bet wordt rijp en bereyckt jnetter tijdt sijn volmaeckt-beyt; „de Lantman slapende en waeckende en west niet boequot; segbt Christus. Maer de wijnstocken aen-gaencle, den Ackerman diende daer scbier gedurigben S dagelijcks met bet ooge l^y te zijn; om te sien wafer al aen schortende was. En immers gaet bet soo met bet volck des Heeren. Is dat sijn Wijnstock, by is dien sorgbvuldigen „Lantman,quot; Job. XV: 1, die dagelijcks siet boe bet in sijn Kercke al toegaet; die, gelijck als eener wel gepast op deese gbeleegentbeyt seyde, in deesen sijnen Hof alle dagen wandelt, en besiet boe veele rouwe, onrijpe, en ongekoockte Godts-dienst-plegingen aen dese of die ranke bangben: wat voor gomme van bovaerdy, wat voor bladeren en weeldrige spruitj es daer aen zijn; welcke verrotte en welcke ge-sonde scheuten zijn. Aldus gaet by op en neer, met sijn snoeymes in de handt, en snijt af het gene by overtolligh siet. Hy licht alle de bladeren op en siet wat vrucht daer onder is, en daer nae handelt by met den mensche. Dewijle dan Godt sulcke een nauwe sorge voor haer droeg, en sy alles als onder sijn oogen en opsight deden, soo was het immers een bewijs van een verstookte stoutigheyt in de zonde, die in het aen-

4

49

ocr page 54

TWIST DES HEEBEN

gesiclite Fan Godt de Heere (sonder schaemroot te worden) te bedrijven.

Ziet dit sijn so de gronden van gelijckenisse tusschen Gods volck en tusschen eenen Wijngaert. Meer soud men kunnen bybrengen, maer behalven dat deese van de voornaemste zijn, soo dienden sij oock besonderlijck ten provooste. Want wij hebben daer in aangewesen dat selfs deese benaminge van quot;Wijngaert, die Godt aen sijn volck geeft, betoonde Godts weldaden nevens haer, haar schuldige plicht nevens Godt, en Gods proceduren teghens haer soud rechtvaerdigen.

CAP. III.

Vertoogh van liet geene Godt aen het volck Israels gedaen hadde, streckende om haar vruchtbaar te maecken, in allerley goede werken der gereclitigheyt.

Het tweede, datwe hier seyden waar te nemen te zijn; en waer toe ons oock dese laetste aen-merekinghe als overghebracht heeft, was die sorghe die Godt over sijn quot;Wijngaert gedraghen, en die weldaden die hy hem ghedaen hadde. En dese waeren soo groot en overvloedigh, dat men niets meer van hem ver-eyschen kende. Als oock een Wijngaerdenier neffens een goeden en vruchtbaren Wijngaert soo veel wereks deede, hy en hadd' niet anders dan een goede ooghst van overvloedige vruchten te verwachten. Doch op dat men sich hier in niet en vergrijpe, moet ick dit eens en vooral vast stellen; dat Godt de Heere, hier alleen spreekt van uytwendige genade, en het gene dat hemet tweede, datwe hier seyden waar te nemen te zijn; en waer toe ons oock dese laetste aen-merekinghe als overghebracht heeft, was die sorghe die Godt over sijn quot;Wijngaert gedraghen, en die weldaden die hy hem ghedaen hadde. En dese waeren soo groot en overvloedigh, dat men niets meer van hem ver-eyschen kende. Als oock een Wijngaerdenier neffens een goeden en vruchtbaren Wijngaert soo veel wereks deede, hy en hadd' niet anders dan een goede ooghst van overvloedige vruchten te verwachten. Doch op dat men sich hier in niet en vergrijpe, moet ick dit eens en vooral vast stellen; dat Godt de Heere, hier alleen spreekt van uytwendige genade, en het gene dat hem

50

ocr page 55

MET SUN WIJNGAEBT,

51

toestond te doen als een Wijngaerdenier. Dese gantsche plaetse met alle hare omstandigheden toont dat als middaghtlaer; en al het gene G-odt in de vorige verssen opgetelt hadde, strekt daer henen. Ja de Joodsche Uytleggers, hoe blind sy oock anders mogten zijn, hebben dat wel konnen sien. Dat Godt hier by maer verstonde al- d' opsicht ende al het werck dat een mensche aen sijn quot;Wijngaert doen konde. 't Kan ook niet anders wesen. Want soo Godt sijn inwendige en almachtige genaede hier mee insloot, die soud al andere werckin-gen ghedaen, die soud' het herte verandert, die soud' dien onvruchtbaeren Wijnstock vruchtbaer, die soud' dat Boosaerdige volck Godsalig gemaeckt, en die soud' eyndelijck beyde „het willen en het volbrengen van het goede in haer gewerckt hebben.quot; Phil. II: 13. Want „hy het herte des menschen in sijn handt hebbende, neyght het als waterbeecken tot al dat hy wil.quot; Spreuck. XXI: 1. En wie soud' sijn bekeerende genaede kunnen weder-staen ? soo weder-staen dat hyse overwon? wanneer Godt daer toe bybrenght „de uyt-nemende grootheydt sijner kracht, na de werckinge der sterckte sijner macht, die hy gewrocht heeft in Christo, als hy hem uyt den dooden heeft op-geweckt,quot; gelijck den Apostel met sulcken nadruk daer van schrijft, Eph. ï: 19, 20. 't Zijn dan alleen uytwendighe ghena-den en behulpmiddelen ter saligheyt en godtsaligheydt daer Godt hier van spreeckt. Hy hadde, aenghemerckt zijnde als een Wijngaerdenier (wiens werck het niet en is een onvruchtbaren Boom vruchtbaer te maecken, en den wasdom selver te geven) als een Wijngaerdenier,

ocr page 56

TWIST DES HEEREN

seg ick, hadde liy alles gedaen watmen van hem konde Yerwachten.

Wilt giiy dat eens wat nader ghetoont hebben? Soo besonder my eens de plichten van een neerstig Wijn-gaerdenier, ick ben overbodigh om te bewijsen, dat God se alle neffens sijn volck volbracht hadde. Een goeden Wijngaerdenier, wil hy vruchten hebben van zijn quot;Wijngaert, moet de selve planten, in een vruchtbare en vette aerde. Dat hadde Godt gedaen, hy hadde sijn volk Israël uyt iEgypten ende dorre quot;Wbestijne overgebracht in het vette Canaan, een landt dat sijns ghe-lijcke nauwlijcks hadde onder de Sonne, een landt vloeyende van melck en van honigh, een landt wiens druyvetrossen weergaloos, en wiens andere vruchten onverghelijckelijck waeren. Jer. II: 6, 7. En daerojn mocht onsen Propheet wel seggen, „mijn Beminde heeft eenen wijngaert op eenen vetten heuvel,quot; vs. 1. ' Is kennelijck hoe een landt vetter is, hoe der meer hoope is van heerlijcke vruchten; En de naetuyrkun-dighe uyt de Joden hebben aenghemerckt dat om ver-scheydene redenen de wijn aen de berghen ghewassen die van de valeyen overtreft ende te boven gaet. De Israëliten dan in soo schoon een landt woonende, dat in voortreffelijckheyt soo verre boven ander landen uytsteeckt als een Heuvel boven de dalen, en noch daer in op soo wonderbaerlijk een wijse gebracht zijnde mosten oock boven andere volcken alsoo uytmuntenin heyligheydt. DftT hadde Mose haer al ingescherpt. Deut. VIII: 7, 8, 9, 10. „Want de Heere uwe Godtbrenght u in een goedt landt, een landt van waterbeeken, fon-

52

ocr page 57

MET SUN WIJNOAEBT. 53

teynen, ende diepten, die in dalen ende in bergen uyfcvlieten: Een landt van tarwe ende gerste, ende wijnstocken, ende vijgeboomen, en granaetappelen: een landt van olyrijcke Olijfboomen ende van ]Ioningh. Een landt daer in gby broodt sender schaersbeydt eeten suit, daer in u niets ontbreeoken sal: Een landt welckers steenen yser zijn, en uyt welckers berghen ghy kóper uythouwen suit. Als ghy dan suit gegeten hebben ende versaedight zijn, soo suit ghy den Heere-uwen Godt loven over dat goede landt dat hy u sal hebben gegeven.quot; amp;c. En te meer mosten sy dit ter harten nemen, om dat het landt van Canaan, den volcke een voorbeelt van den Hemel was, daer niet anders dan „gerechtigheydt in woont.quot; 2 Petr. III; 13. Soo mosten sy dan oock geen „onrecht drijven in gantsch richtigen lande.quot; Jes. XXVI: 10.

Wederom. Een goeden Wijngaardenier moet sijn wijn-gaert altemet besnoeyeu, en die al de dertele looten daer af snyen, opdat de overighe en des te meerder en des te grooter Trossen souden voort brengen. Ook dat hadde Godt gedaen, de goddeloose en al te weeldri-ghe onder haer op dnysenderley manieren uytroeyende al soud' hy selfs het vier gebieden omse te verslinden, of de aerde om haer mondt op te spalcken en haer levendigh ter Helle te doen nederdalen; en meermaels hun al te dertel geworden zijnde met het snoeymes vau sijne kastijdinghe t' onderhoudende: op dat de overighe hot sien souden en ghereuhtigheidt loeren, Jes. XXVI: 9. En geen lust hebben aeu het quade, gelijckerwijs als sy lust gehadt hebben. I Cor. X: 6.

ocr page 58

54 , TWIST DES HEBBEN

Noch als eens. Een goeden Wijngaerdenier moet steets op sijn wijngaert acht geven, waeckend' ooge daer over houden, en toesien watter al aen ontbreekt! Oock dat hadde Godt gedaen. Hier toe streckte onder andere die troon die hy in het midden van sijn wijngaert gebonwt hadde, vers. 2. Op datse hem als tot een wacht-troon soud' zijn van waer hy op alle de hoe-eken van sijn wijngaert konde nedersien Psal. XXXIII: 13,14,15. Soo paste het haer dan oock sioh altijt te dragen als onder de ooghen en het opsicht van Godt de Heere zijnde: En, ghelijck haer Vader Abraham belast was, te wandelen voor Godts aangesichte Gen. XVII: I. quot;Wilt ghij dese gelijkenisse noch vorder achtervolghen? Een goet quot;Wijngaerdenier moet sijn wijngaert desnoots zijnde omtuynen, en soo voor de inbreuck der wilder beesten, zelfs der kleyne vossen die de wijngaerden verderven. Hoog. II: 15. bevrijden. Oock daer in en was Godt niet te korte ghebleeven. Hij hadde sijn volck soo menigmael beschut met sijne bescherminge tegens het gewelt van hunne vyanden, zijnde als een vierige muur romtom haer. En dat hier voornamelijck aen-gemerkt moet worden, hy en haddese niet alleen ver-kooren maer oock door de roepinghe afghescheyden van alle volckeren des aertbodems: daer hy alle de Heyde-nen liet wandelen in haere wegen, Hand. XIV: 16. Soo dat sy waren als een besloten hof, eene beslotene welle eene versegelde fonteyne. Hoog. IV: 12. Hij had haer omtuynt met wet, die als een middelmuur des afscheydsels was tusschen haer en tusschen andere, Eph. II: 14. Jacob alleen sijne woorden bekent maeckende, Israel sijne

ocr page 59

MET SUN WIJNGAERT.

inzettinghen en sijne redbten, Ps. CXLVII: 19. En derhal-ven 800 mosten sy haer oock weerdighlijk dier heyliger insettinghen aengesteld hebben, om die te behouden en te doen, want dat zoude haar wijsheyt en haer verstand! geweest zijn voor de oogen aller volkeren, die alle dese inzettingen hoorende seggen souden : Dit selve groots volck alleen is eenwijsenverstandigh volck. Deut. IV: 7. Het stonde haer toe daer op te passen dat geen stoute sonden door die tuyn quamen heen breeken. Want die zijn als soo veel wilde swijnen uyt den woude, die de Wijnbergh des Hoeren verwoeien en verwoesten.

Is het noch niet genoeg ? Moet een Wijngaerdenier sijn wijngaert van steenen sayveren, dat is, alles weghne-men wat des selfs wasdom beletten konde ? Oock te dien opsigte was Godt niet in de gebreecke gebleeven. Hij hadde de Cananeen voor haer aenghesioht© verdreven, een volck dat haer andersins door hun boosheyt mochte verruckt hebben. Hy hadde de~ Afgoden uyt het midden van hun wegh-ghedaen, en quamense ywers weer inbreecken, hy maeckte steets eenighe van sijn ghetrouwe dienstknechten op, die teghens den Baal twisten dorsten, en de selve of dadelijck en met kracht weghnemen, of immers met een goddelijcke yver en ernst berispen. Hij hadde haer oock gezuy vert van val-sche leeringen en ketteryen, sijn Propheeten gesta-digh verlenende, die de selve soo ras sy opquamen den hals braken, en die de mondt des Heeren raedt-vra-ghende hun van allesgetrouwelyck onderrechten konde. Kort om, gij en kunt niet bedencken 't geen een goede Wijngaerdenier aan sijn wijngaert doen moet, of

55

ocr page 60

MET SUN WIJNGAEBT.

Q-odt had het oock aan sijn volck gedaan. En daar haperde in deesen opsichte niet aan de sijde Godts, waer op sy de schuldt van haar onvruchtbaerheyt schuyven konden.

En daerom vraegt hy het haer selfs oook af, wat datter meer te doen zy. quot;Want ghelijck als we sulx al te kennen gaven, dit heeft sijn bijsondere kracht en na-druck. quot;Wiltge eens weten, welcke? 1. Een reden soo vraegsghewijse voor-gestelt sal by alle verstandighe tael-kundighe des te stercker bevestighen het geene dat geseyt wordt. Py voorbeelt, als Petrus vraeght 1 Sendtb. Cap. IV: 17. „Welck sal het eynde zyn der geener die den Evangelio Godts ongehoorsaem zyn?quot; 'tis even veel als of hy seyde, 't sal gantsch schricklijck zijn, en soo vervaerlijk, dat ick het n soo slim niet seggen en kan. En wederom op het 18. vers, als hy daer vraegt, „waar sal de Godloose en do sondaer verschijnen.

't Is of hy seyde, immers weet mijn penne het soo yslyck niet te schrijven, als het noch met de Godloose eens af-loopen sal. Even soo hier oock „wat isser meer te doen?quot; amp;c. 'tls als offer stont, 'tis immers seeker en gewis, en niemandt kan het loochenen, daer valt niet meer te verrichten. 2. Toont Godt door dese vragede billijckheidt van sijne procednren niet zyn volck. Hij is sich selfs daer van soo wel bewust, dat hy het aan het oordeel van de besclmldiginghe solve stellen durft. En hy meent, sijn wederparty selfs kan soo onbe-schaemt, soo stout niet zijn, of ze zal hem moeten gelijk geven. Wil hy soo vraghende sijn volck selfs tot getuigen neemen van haer onverantwoordelijcke ondanckbaerheyt'; en voor de gheheele wereldt uyt haer eygen mont betoo-

56

ocr page 61

MET SUN WIJNGAEBT.

nen, datse niet te verontschuldigen en zijn: op dat hy tot haar seggen mocht gelijck in den Evangelic staet, uyt uwen mondt sal ik u oordeelen. Luc. XIX. vers 22.

CAP. IV.

Een voorstel van liet gheene Goclt verwacht luidde van deese sijn ' Wijngaert, en wat hy daar en teghen voort ghebracht hadde.

iet soo hebt gby nu verstaen, het geene Godt ge-daen hadde neffens sijn volk. Laet ons nu eens voortgaen, en besien, het geene 't volck gedaen hadde tegen Godt. En dat stelt de lleere soo voor, dat hy, 1. Verhaelt wat hy verwacht, en 2. AVat sij betracht hadden. Waerom hebb' ik verwacht (seyde de Heere) dat hy goede druyven soud' voortbrengen ? Door goede druyven moet men hier verstaen goede worcken, vruchten van waere danckbaerheyt, of, op dat ik des Doo-pers woordt ghebruycke, „vruchten die der bekeeringhe waerdig zijn.quot; Matth. Ill: 8. Dit is klaer, en heeft gheen voorder uytbreydinghe van noode. quot;Waerom heb ick die verwacht? seyt de Heere. Gliy siet wel dat dit* oneygentlijck verstaen moet worden. Want Godt en doet geen dingh op het onseeker. „Allo sijne wercken zijn hem van eeuwigheydt aeu bekent.quot; Hand. XV: 18. Nimmermeer wordt hy bedroghen in sijn oog'merck. „Zoudmen met hem spotten, ghelyk men met een mensche spot ? Job XTII: 9. Het is wijs ghenoegh om te voorsien, wat uytkomste een saecke hebben sal. „Hy siet self's onse ghedachten van verre al,quot; Psal. CXXXIX. vers 2. Hij is oock machtig ghenoegh out

57

s

ocr page 62

TWIST DES HEBBEN

te beletten, dat een saecke niet anders uitvalle, als hy het heeft voorgenoomen. Hy is het „die daer seght, mijn raedt sal bestaen, en ick sal al mijn welbehaghen doen.quot; Jes. XLVI: 10. _ En dit is soo klaor dat Armi-nius selve, over dese plaets tegen Perkinsius schrijvende, erkent dat Gode gheen verwachtinge toegepast kan worden als oneygentlijk, door een spreekwijse die van den mensche ontleent zy. Het welcke hy oock daer nyt besluyt, „om dat Godt niet kan bedrogen worden, en al wie yets verwacht sonder dat de verwachtinge door de uitkomste voldaen werde, die wordt waerlijck bedrogen.

Als dan Godt geseyt wordt yetwes verwacht te hebben, het gheene niet geschiedt, wordt hem dat toegeschreven na den mensche, by ghelijckenisse. En daer me wordt dan te kennen gegeven, dat Godt alles doet dat die geene die yetwes hoopen en verwagten plegen te doen; doch dat alles op Gode gepast zijnde met nytsluytinge van alle onvolmaecktheyt. By voorbeeldt, een mensche die verwagte dat sijnen wijngaert vruchten sond' voortbrengen, doch het te vergeefs verwachte, dien sal het

1. Aenghenaem weesen soo hy daer goede druyven sien mocht.

2. Hy sal sijnen wijngaert te dien eynde neerste-lijck bebouwen.

3. Hy sal eenighe tijde gedult hebben, soo het noch soo ras niet gheluckt, en des te meerder cier daer aen doen.

4. Hy sal ten laetsten, soo der noch eyndelijck geen

68

ocr page 63

MET SUN WIJNGAERT.

vruchten komea, resolveren om hem om te kappen, en de plaetse met beter en vruchtbaerder te beplanten. Siet alle dese dingen als met voorbedachten raedt van den Heere Christo by een gebracht, Luc. XIII: 6. Even op die wijse hadde Godt gehandelt, en soudt noch voorder handelen met sijn volck, en ten dien opsichte wordt hy geseyt te vergeefs na vruchten gewacht te hebben.

Hy soud' het hem ongemeen seer hebben laten bevallen, indien sijn volk sijne segeninghen met dank-baerheydt erkent en beantwoord hadde: daerom hadde hy soo dickwijls daer na ghewenscht. Deut. XXXII: 29. Psal. LXXXI: 14. Jes. XLVIII: 18. Want soo-danig een wensch eygentlijck niet behoort tot de be-sluytende: maer tot de beveelenie wille Gods, die de Heere na sijn gewoonlijke vriendelijckheydt op soo een aenminnighe maniere voorstelt, om te betuygen hoe aengenaem hem de verrichtinge van sulck een plicht wesen soude. Hy hadde haer ook te dien eynde van alle behulpmiddelen der genaede overvloedighlijck versien; Van tijdt tot tijdt hun soo veel Profheeten toesendende, die niet op en hielden van haer te onderrichten, te vermaenen, te bedreygen, en niet alleen de rechte wegh der Godtsaligheydt aenweesen, maar ook de spore gaven om daer op te loopen. Hy hadde soo lange tijdt met haer gedult gehadt, en daer hyse soo menigmaal in haere sonden gevonden hebbende, al overlang had mogen uytroepen, had hy haer noch dus lange ghespaert en op nieuw vermaent, bestraft, en tijdt van beteringe gegeeven. Maer doe hy nu sach.

B9

ocr page 64

TWIST DES HEEBEN

dat op dit alles niet en volghde, en sija oudanckbaer volck noch even onvruchtbaer bleef, soo wild' hy eyn-delijk die ondanckbaerheydt straffen, en het selve too-nen, hoe quaat en bitter dat het was den Heere te veriaeten. En dit alles wordt te kenne gegeven alsse staet, dat Godt te vergeefs nae goede druyven gewacht hadde.

Waerora heb ick ghewacht? spreeckt de Heere, Ja doch mogte yemaudt seggen. Waerotn heeft Godt daer na gewacht? Do Heere wiste immers wel, dat op soo-danige uytterlijcke middelen alleen, geen inwendige bekeeringe en verbeteringe des herten volgen konde. Maer behalven dat de Joden door die middelen wel hadden behoren minder godloos te zijn, gelijck als vele Heydenen een burgerlijcker leeven leyden; soo waren se altoos genoegh om haer te overtuygen, en te mae-cken dat sijlieden niet te verontschuldighen en waren, gelijck den Apostel in diergelijke gelegentheydt spreeckt, Kom. I: 20. Want seker sy hadden haer immers wel konnen wachten voor die groote en groove sonden, die de Propheet in het vervolgh van dit Capittel doorstrijckt, die onrechtveerdighe onderdruckinge der armen, die dronckenschap, die sorgeloosheydt, en open-baere Libertinisterie, die bespottinge der prcphetische bedreigingen, en wat dier gruwelen meer is Sij hadden oock wel van de propheeten bestraft zijnde tot een uytcrlijcke vernederinge en schuldtbekentenisse konnen koomen, als Achab eertijdts op de aenspraecke van Elia. 1 Kon. XXI: 27. Op hoedanige vernederinge de Heere wel pleeg de gedreygde landt-oordeelen op te

60

ocr page 65

MET SUN WUNGAEBT.

schorten. Sij hadden eyndelijck een geschickte Burger-lijcke en eerbare Godsdienstelijcke treyn des leevens konnen leyden. En 't was al te eerloos dat de onder-wijsinge der Philosophon, ende insettingen van Politique quot;Wetgevers meer vermochten om andere volckeren in toom te houden en tot een geregelt leeven te brengen; als soo veel Goddelijke wetten en ïïemelsche lessen aan haer konden te weege brengen, die sich roemden het eeuighe volck des Heeren te zijn. Op dat ik ma niet en segghe, 't gheen echter het voornaamste is, dat Godt hier niet en siet op het geene dat sy konden, maer op het geen dat sy mosten doen; niet op haer vermogen, maer op haer schuldige plicht. Diesegeen-sins voldaen en hadden: want, in plaets van goede, hadden sy hem stinckende druyven toegebracht. Dat is beloont met een schandelijcke ondanckbaerheydt die de Heere toch niet en kan verdragen, 't Stinckt in de neusgaten van onse reyne Godt, en hy en kan het niet lijden, dat men niet meer acht geeft op sijn weldaden. En iasonderheyt is hem gheen dingh meer tegens de borst, dan een kleynachtinghe van sijn genade, en een moetwilligh versuym van die middelen, die hy den armen mensche tot bevorderinghe van sijn saligheyt ter handt stelt. Dan niet godsaligh te worden als men de middelen daer toe heeft, dan noch in sijn onbe-dachtheyt voort te gaen, is stinckende druyven voort te brenghen. En soo hebben wy mx het ooghmerck van onse text eeuvoudighlijck aengeweesen. Ick sie wei dat ick hier nu gelegentheyt soud' hebben om in

't breede dese plaetse teghens de huydendaegsche Pe-«

61

ocr page 66

TWIST DES HEEREN

lagianen of halve Pelagianen, als Jesuyten, Remonstranten, en liaers-gelijcke te verdedighen. Maer ick segh het te voren heen, hy sal sich bedrogen vinden, die sich sulckx tegenwoordig belooft. Het geene wy airede geseyt hebben, sal, soo ik vertrouwe, genoeg zijn om de rechtsinnige daer tegen te wapenen. Lust yemant .meer ^daer van te lesea, hy sie de verschil-schriften van die helden des Heeren na, die sich tegen de Bestrijders van Gods Almachtighe genaede in de bresse gestelt, en den Afgod der vrye wille van den Throon gestooten hebben. En ickquot; ben verseeckert hy sal daer van alles genoegsaem beright krijgen, 'tls oock ons voornemen nu onsen leser niet disputeren maer leeven te leeren.

/

CAP. V.

De Aenmerckinge voorgestelt en door Schrijftuyr-texten beweesen.

Wy sullen slegts uyt den voorverhandelden text waerneemen desey sullen slegts uyt den voorverhandelden text waerneemen dese AENMERCKIJSl GE. dan is de hoosheydt van een volck op den hoog listen top geklommen, ende het verderf des selfs naby, wanneer het al-lertey middelen ter saligheidt van Godt ontfangen hebbende, zich noch niet bekeeren en wil.

Ghy siet wel, Leser, dat deese aenmerckinge klaer in den text leyt. 't Was immers het ooghmerck van Godt de Heere, om die nu langer onverdraegelijcke boos-heyt der kinderen Israels hun voor te stellen, en hy haer en al de wereldt te rechtvaerdigen het oordeel dat hy over haer brengen zoud', met haeren staet t' eene-

62

ocr page 67

MET SUN WIJNÖAERT.

63

mael te verderven en uyt te roeyen. Maer hoe betoont hy dat? Hy stelt. baer sijn weldaden voor, en haere misdaeden daer teghen. Maer lust u dat een weynigh naerder bevestight te sien ? We sullen het u met krachtige plaetsen van Godts onfeylba«sr woordt, en met de ervarentheydt van alle eeuwen onweerspreeckelijok be-waerheden. Lees doch eens het tweede cap. van Jeremia. Gij suit ligt bemercken dat Godt do Heere daer voor heeft op een gansch beweegelijcke wijse sijn volcke haere grouwelijcke en onredelijcke sonde te verwijten. Maer hoe handelt hy daer me ? hy overtuyght haer eerst van sijne weldaden, vers B, 6, 7. „Soo seyt de Heere: wat voor onrecht hebben uwe Vaders aen my ghevon-den datse verre ran my gheweecken zijn? Daer na telt hy vorder op, hoe hy haer opgevoert hadde uyt Egyptenland, geleydt „door de woestijne, een landt der duysterheydt en der schaduwe des doots, en daer gheen mensche in en woonde,quot; en hoe hy haer eyndelijck ghe-bracht hadde „in een vruchtbaer landt om de vrucht van dien, en het goede van dien te eeten. Daer op komt hy nu een register te maeken van hare sonden. „Doe ghy daer in quamet, verontreynighdet ghy mijn landt, en stelder mijn erffenisse tot een grouwel vers. 8. De Priesters en seyden niet, waer is de Heere? die de wet handelden en kenden my niet, en de Herders overtraden teghen my; en de Propheeten pro-pheteerden door Baal, en wandelden na dinghen die gheen nut en doen.quot; Maer waren hare sonden groot geworden tegen soo groote weldaden aen; wat soud van haer eynde zijn? Dat kunt ghy leesen, vers 9.

ocr page 68

TWIST DES HEEHEN

64

Daerom sal ick oock mei u lieden twisten, spreeckt de Heere, jae met uwe kindts kinderen salick twisten. Even de selve maniere van procederen ghebruyckt ook G-odt de Heere Jerem. VII: 13, 14. Daer hy eerst sijn weldaden voorstelt, daer nae des volcks sonden daer-me vergroot, en eyndelijck het verderf daer op dreyght. „Ende nu, om dat ghy lieden alle deese dinghen ghe-daen hebt spreeckt de Heere: En ick tot u ghesprooc-ken hebben vroegh op zijnde en spreeckende; maer ghy niet gheantwoordt en hebt: Soo sal ick aen dit huys, dat na mijnen name ghenoemt is, daer op ghy vertronwet, en aen deese plaetse die ick u en uwen Vaderen gegeeven hebbe, doen ghelijck ick aen Silo ghedaen hebbe. By Micha aen 't selfde Gap. is ean seer beweeghlijcke plaetse en die seer wel met onse text over een komt. vers. 3,4. Roept Godt(ghelijk hyoock hier doet) sijn volck selfs tot ghetuygen over haer sie-le. „O mijn volck! wat heb ick u ghedaen?quot; „Waer me heb ick u uyt iEgyptelande opghevoert. En u uyt den diensthuyse verlost: en ick hebbe voor u aenge-sichte heen.en gezonden Mose, Aaron en Mirjam.quot; Siet met soo veel weldaden had haer Godt tot sijnen dienst verbonden, en daerom was het niet te verdragen datse uytgeslagen waren in sulcke boosheden als Godt optelt vers 10, 11, 12. Maer hoesoud het af-loopen V Dat seyt Godt, vers 13. „Soo sal ick u oock krencken, u slaen-de en verwoestende om uwe sonden. Voeght daer nu eens by, het geene de Heere seyt, Jes. I: 2, 3,4. Daer by Hemel en Aerde wil verbaest doen staen over de onverbeterlijcke boosheyt van sijn volck. En waer in

ocr page 69

MET STJN WIJNGAERT.

bestonde die ? In haer onbekeerlijckheyt niet tegenstaen-de sijne weldaden. „Hooret gliy Hemelen, en neemt ter ooren ghy aerde, want de Heere spreeckt: lek hebbe kinderen groot ghemaekt, maer sy hebben tegen my overtreden. Een Osse kent sijn besitter, en een Ezel de kribbe sijnes Heeren: maer Israel en heeft geen kennisse myn volck en verstaet niet.quot; Dat was nu haer sonde, wat soud do straffe wesen? „Wee den sondigen volcke amp;c.

Lust het u eans met my tot den Nieuwen Testamente over te gaen? Ghy suit daer deese waerheydt niet min klaer vinden, 't Was het ooghmerek van onse Saligh-maecker om de Joden van sijnen tijdt haer verschric-kelijcke boosheydt te verwijten. Matth. XI: 16, 17. „Waer by sal ick dit gheslachte verghelijcken ?quot; siet soo snood warense, dat Christus die soo rijck was in gelijckenissen te versinnen, soecken most (om soo te spreecken) eer hy eene vond die haer boosheydt lee-vendigh genoegh vertoonde. Eyndelijck had hy daer een ghevonden. „Het is ghelijk de kinderkens die op de merekten sitten en haere ghesellen toeroepen, ende segghen: Wy hebben u op de Fluyte ghespeelt en ghy en hebt niet gedanst. Wy hebben u klaeghliederen ghesonghen en ghy en hebt niet gheweent.quot; Waer mede de Heere Jesus niet anders wil te kennen geeven, als dat beyde hy en Johannes haer seer krachtigh tot ghe-loove en boete genodight hadden; en om dat sy die weergaloose middelen ter saligheydt verworpen hadden, daerom was oock haer boosheydt onvergelijckelijck. Ja maer daerom soud' oock hare straffe soodanig wee-sen. „'t Soud Tyrus en Sidon, ja Sodoma en Gomorra

G5

ocr page 70

--—-■

■ r -» • -• ,

66

TWIST DES HEEUEN

verdraegelijcker zyn in den dagh des oordeels dan haer lieden.quot; Luc. X: 14. Matth. X: 15. Op de selfde maniere verswaert Christus hare sonden en bedreyght haer. Matth. XXTII: 37, 38. lerusalem, lerusaletn, ghy die de Propheeten doodet, en steenight die tot u ghe-sonden zijn; Hoe menighmael hebb' ick uwe kinderen wiilen by een vergaderen, ghelijckerwijs een Hinne hare Kiecken en by een vergadert onder de vleugelen, ende ghy lieden en hebt niet ghewilt, siet uw huys wordt u woest ghelaten.quot; Te dien selven eynde streckte oock Christi gelijckenisse, Luc. XIII: 6, 7, 8, 9. Ick bid u, Leeser, soecktse eens na: wantse in allen deele met onsen text seer over een komt. Uyt hondert dierge-lijeke plaetsen die sich in het leesen van het Oude ende Nieuwe Testament alomme opdoen, en die het te langh soude zijn hier aen te halen, moet ick'er noch eene byvoeghen uyt Hebr. VI: 7, 8. En dan meen ick sal de waerheydt van ons voorghestelde leerstuck mid-dagh-klaer zijn. Hoor dien Goddelijcken Schrijver daer eens donderen. „De aerde die den regen menighmael op haer komende indrinckt, en bequaem kruydt voort-brenght voor de geene door welcken sy oock ghebouwt wordt, die ontfanght segen van Grodt; Maer die doornen en distelen draeght, is verworpelijck en na by der vervloeckinge.quot; Uyt welcken alle dan onweerspreecke-lijck blijekt, dat de boosheydt van een volck dan op het hooghste is, en haer verderf niet en slaept; wan-neerse tegen so veel middelen van bekeeringe aen, noch even onbekeerlijck blijven. En dit was het geene wy voorgenomen hadden om te bewijsen.

ocr page 71

MET SUN WIJAGAERT,

CAP. VI.

De selve waarheydt bevestight door de ondervindinglie van alle eeuwen, en dit Capittel achtervolght tot aan de verniellnge van de Politie der tien stammen Israels.

I'ck beloofde boven dat ick deselve Goddelijcke waerheyt met de ervarentheydt van alle eeuwen nader bevestighen soud', ick sal oock woordt houden. Bemerck het my van de eerste weereldt al af, Godt sondt dat boose geslachte sijnen knecht Noach toe, „dien Prediker dor gerechtigheyt,quot; die haer buyten twijffel vermaende, bestrafte, waerschoude, jadeHeere „Jesus Christus predikte selve door hem de geesten die nu al in de ghevanckenisse zijn.quot; 1 Petr. III: 19. Doch doese nae dit alles niet hooren wilden; maer Noachs vermaninge verachten, en het bouwen van de Arcke in de dwint sloegen; Qwam doe niet de Zunt-vloet en verdelghdese alle ? Gen. VII. 't Zelve lot hadden Sodoma en Gomorra, behalven dat se door vyer vergingen in plaetse van water. Godt hadde Lot daer heenen geschickt, „die dag op dagh sijne rechtveerdige ziele quelde, door het sien en hooren van hare on-rechtveerdige wercken. 2 Pet. 2. 8. En niet alleen met een beter exempel voorgingh ; maer ontwijsselijck oock die grouwelen wel dapper hekelde: 'twelk even daer aen blijckt om dat sy in haer verwoede boosheydt tot malkanderen seyden, „dese eene is ghekomen om als een Vremdeling hier te' woonen, en soude hy allesins Richter zijn?quot; Gen. XIX: 9. Maer doe hy geen gehoor en konde krijgen, quam niet God met vyer en swevel uyt den Hemel en verbrandese? Gen. XIX.'ck beloofde boven dat ick deselve Goddelijcke waerheyt met de ervarentheydt van alle eeuwen nader bevestighen soud', ick sal oock woordt houden. Bemerck het my van de eerste weereldt al af, Godt sondt dat boose geslachte sijnen knecht Noach toe, „dien Prediker dor gerechtigheyt,quot; die haer buyten twijffel vermaende, bestrafte, waerschoude, jadeHeere „Jesus Christus predikte selve door hem de geesten die nu al in de ghevanckenisse zijn.quot; 1 Petr. III: 19. Doch doese nae dit alles niet hooren wilden; maer Noachs vermaninge verachten, en het bouwen van de Arcke in de dwint sloegen; Qwam doe niet de Zunt-vloet en verdelghdese alle ? Gen. VII. 't Zelve lot hadden Sodoma en Gomorra, behalven dat se door vyer vergingen in plaetse van water. Godt hadde Lot daer heenen geschickt, „die dag op dagh sijne rechtveerdige ziele quelde, door het sien en hooren van hare on-rechtveerdige wercken. 2 Pet. 2. 8. En niet alleen met een beter exempel voorgingh ; maer ontwijsselijck oock die grouwelen wel dapper hekelde: 'twelk even daer aen blijckt om dat sy in haer verwoede boosheydt tot malkanderen seyden, „dese eene is ghekomen om als een Vremdeling hier te' woonen, en soude hy allesins Richter zijn?quot; Gen. XIX: 9. Maer doe hy geen gehoor en konde krijgen, quam niet God met vyer en swevel uyt den Hemel en verbrandese? Gen. XIX.

67

ocr page 72

TWIST DES HEEKEN

68

Sien wy dat niet voornam entlijck aen den volcke Israels, daer over de Heere bysonderlijck het ooge van sijn voorsienigheyt heeft laten gaen? achtervolgens het geene hy seyde. Amos III: 2. „Uyt alle geslachten des aerdbodems hebbe ick u lieden alleen gekent, daerom sal ick alle uwe ongherechtigheden over u lieden be-soeken. Doe het nu even uyt ïEgyptelandt verlost, van Pharaos vervolginge bevrijd, door het roode Meer drooghs-voets met Vrouw ende kinderen soo wonder-baerlijck heen geleydt zijnde, en die Alderheylighste wet uyt het midden der blixemen en donderen op den bergh Sinai pas ontfanghen hebbende, sich soo eerloos vergat in het toestellen en Afgodis eeren van het guide Kalf, soo het schijnt tot navolginghe van Apis, die de iEgyptenaren onder de ghedaente van een Os vierden; wat een schrickelijcke ontsteeckeninghe des toorns ontbrande teghen haer! Godt stelde sich aen alsofhy sig niet meer bedwinghen konde, en dat hy wilde uvtvaren om haer te verteeren, ten zy hy van Mose was verbeden gheweest. En hy en ruste oock niet tot dat een yegelijck sijn sweerdt op sijn heupe gedaen, en een yegelijck sijnen Broeder, en elck sijnen Vriendt ende elck sijnen naesten gedoodt hadde, soo datter op dien dagh van den volcke vielen ontrent drie duysent Man. Exod. XXXIL Ja dat begrijp hebben de hedens-daegsche Joden van dese saacke. datse meenen, gheen straffe komt oyt de Israeliten over, of Godt heeft noch sijn ooge al op het maecken van dit gulden Kalf. Na het segghen van een vermaert Leeraer onder haer, „o Israel gheen wraacke wordt over u geoeffent, of

ocr page 73

MET SUN WIJNGAERT.

daer is noch oen onco in van de ongerechtigheydfc des Kalfs.quot; En sy brang m heb altemael wel by als een oorsaeck van haer tegenwoordige bedroefde fcoestant.

Doe dat salve volok wanachtende do goedtheydt des Heeren, die haer in de woeste en huylende wildernisse daerse anders van gebreok en kommer noodtsaeckelijck vergaen mosten, met water uyt de steenrotse; en met dat kostelijcke Manna, dat broodt der machtigen, uyt den Hemel onderhield', met soo sot een lust bevangen wierd, datse die ongesonde comcornmeren, en pompoenen, die stinkende look en ajuinen, en knoplook van iEgypten boven dat Hemel-broodt preesen, 't welck immers een stinckende druyf van snoode ondanckbaar-heyt was) soo ontstaok oock de toorn des Heeren tegen het volck en de Heere sloegh het volk met een seer groote plage. Num. XI : 5, 6, 33.

'tis waer, sy sworven veertigh jaer in de quot;Woestijne om. Maer die Woestijne Avas haer als een Eden ten aensien van die geduyrighe blijken der Goddelijcker tegenwoordigheyt, die sich gestadig openbaerde in nieuwe Lessen en onderwijsinghen, in teeckenen en wonderen, in weldaden en plaghen, sulcx dat sy daer behoorden ghegroeyt te hebben als een „boom, die het niet en ghevoelt wanneer der hitte komt, maer sijn loof blijft groen, en die in een jaer van droogte niet op en hout van vrucht te dragen.quot; Doch overmidts haer wijndruyven vergiftighe wijndruyven ende bittere besien waren, soo toonde Grodt oock dat hy in het meerderdeel van haer geen welgevallen hadde, en heeft haer in de woestijne ter neder geslagen. En billijck

69

ocr page 74

70 TWIST DES HEBBEN

is het dafc wy dit ter herten neemen: Want „dese dingen alle zijn haer overgekomen tot voorbeelden, ende zijn beschreeven tot waerscbouwinghe van ons, op welcke de eynden der aerde gbekomen zijn.quot;

Zijn oock niet alle die veelvoudige dreygementen des Heeren die wy flus ghehoord hebben, aen Israël ende Juda waer ghemaeckt? Doe Israel, sich afge-scheurt hebbende van de stammen Jude ende Benjamin, de kalveren te Dan ende te Bethel offerde, en Jerobeam haer Coningh de Soonen Levi verstootende sich Priesters maeckte van de geringhsten des volcks, teghen alle de waerschouwingen der Propheten aen; moste doe niet de Koninginne uyt de mondt van Ahia deese schrickelijcke woorden hooren? „De Heere sal oock Israel slaen, ghelijck een riet in het water om-ghedreeven wordt, en sal Israel uytrucken uyt dit goede landt dat hy haren Vaderen ghegeeven heeft, en salse verstrooyen op geene zijde der Riviere. Seer wel hadde dit Abia de Koningh van Juda aenghemerkt.quot; 2 Chr. XIII; 8, 9, seggende tot de Israeliten. „ghy zijt wel een groote menichte, maer ghy hebt gouden kalveren by u, die u Jerobeam tot Goden ghemaeckt heeft. Hebt ghy niet de Priesteren des Heere, de Soonen Aarons ende de Levijten uytgedreven, en hebt uw Priesteren ghemaeckt ghelijck de volckeren der landen?quot; amp;c. En daer uyt besloot hy oock datse geen voorspoet souden hebben, jae daer vielen op die tijdt uyt Israel ver-slaghen vijf honderdt duysent uytghelesene Mannen.quot; Het soud te langh vallen indien ick al de bysondere rampen wilde ophalen, waer door de fondamenten van

ocr page 75

MET SUN WIJN Gr AERT.

71

haren staet gescliuddet zii'n, en die haer altemale door het misbruyck van Grodts goetheydt overquamen. Maer soo reede het verderf allenxkens toe om haer ten laet-sten plotselijck te overvallen. Als de mate van haer boosheyt vol gheworden was, en sy onder alle ghenade-middelen hoe langhs hoe onvruchtbaerder wierden, soo ontboot hij den Assyrier, „de roede sijnes toorns', en hy sond hem teghens een Huychels volck. ende hy gaf hem bevel teghen het volck sijner verborgentheydt, en hy liet haer landt verwoesten, en haer wechvoeren tot aen d' eynden des aerdtbodems. Lees doch de Historie 2 Konin. XVII van het 13 vers af. Daer ghyniet alleen haer droovighe vernielinge, maer oock des selfs oorsaecken in het breede vindt afghemaelt. En noch ende weet men heden ten daghe nauwelijnx offer eeni-ghe oyerblijfselen van dat machtighe volck zijn, immers niet waer sich de selve onthouden souden. Daer zijn onder de Heden-daeghsche Joden die ons willen wijs maken dat vele daer van in Persien aen de Riviere Gozan souden woonen. Andere spreecken van een won-derlijcke Riviere Sabbation, haer oorsprongh nemende seer hoogh in Indien boven Kalicouth, van dien aert zijnde datse uyt steenen en sant bestaende alle ses werkedagen met een vervaarlijcke snel te afloopt, maer op den Sabbath stilstaet ende rust: doch soo, dat als dan een schrickelijck vier aan alle kanten van den Oever brandt, invoegen daise daer als beslooten blijven souden, sonder dat yemant vremts by haer, als sy by andere komen konnen, totter tijdt too dat vervult soude worden het geene daer gheschreven is, Jes. XLIX: 8.

ocr page 76

TWIST DES HEEBEN

„Om te segghen tot de gebondene, gaet uyt: tot die die in duysternisse zijn, komt te voorschijn.quot; Maer wie en siet niet dat dit Joodsohe droomen zijn? Mannasse Ben Israel, onlangs Voornaem Leeraer der Joden tot Amsterdam, heeft een Tractaetje naegelaten, 't welck hy noemt „de hoop van Israel,quot; waer in hy tracht te toonen, dat de tien stammen uyt haer eyghen landt verstooten zijnde in verscheydene Landtschappen ver-spreydet zijn, ende namentlijck in America, Tartaria, China, Meden, de Eeviere Sabbation, en iEthiopien; datse oock na de Babylonische ghevanckenisse niet weder gekeert zijn, en noch de Wet Mosis behouden en volgen: ten welcken eynde hy verscheydene won-derlijck vertellingen uyt allerhande slag van Schrijvers heeft te saemen ghehaelt: Maer waer uyt hy swaerlijck kan opmaken het geene hy beooght. Onder de geleerde der Christenen zijn 'er die drijven, dat de Heden-daegsche Tartaren een groot ende machtigh volck, van dese Israeliten afkomstigh souden zijn,

De Jesuiten die in China gereyst hebben, verhalen dat sy daer Hebreen hebben gevonden, die sich geen Joden maer Israeliten noemen, ende het wetboeck Mosis beneffens andere Heylige boecken in eere houden. Andere houden het waerschijnelijckst te weesen, dat een goet gedeelte van haer na de Babylonische ghevanckenisse is weder gekeert in haer oude landt, en daer de stammen van Juda ende Benjamin ingelijft, ander sich vervoeght hebben by de Synagogen der Joden, „die in de verstroyinge warenquot; Jac. I: 1. Andere oock onder de Heydenen wegh-gesmolten zijn.

72

ocr page 77

MET SUN WIJNGAERT.

Josephus verseecberfc ons dat to sijnen tijde noch de tliien stammen aen gheene zijde van den Euphrates waren, met oneyndighe duysenden die om haer menighte niet en konden getelt worden. En onlanghs is'er een groot ghernchte geweest van d' aentocht eenes geweldigen Heyrlegers, uyt verren lande opkomende om haer oude erf-landt weder in te nemen. Doch alles is in roock ende windt verdweonen. Wat van deese gantsche saecke zy sal te dien daghe alder-klaerst blijcken, als Grodt de, verstrooyde sijnes volcks sal wederbrengen, ende nae luydt van soo veel duydelijcke beloften beyde in den Ouden ende Nieuwen Testamente, na dat „de volheydt der Heydenen ingegaen sal zijn, gheheel Israel saligh maeckenquot; Rom. XI: 25, 26. quot;Welcke ge-wenschte dagh, gelijck se seockerlijck koomensal, dat se oock alsoo haestigh moge aenlichten, Godt Almach-tigb vierigh te bidden staet. Immers dit isser van, dat dat arme volck het misbruyck van Godts weldadigheden ende genade middelen, met do vernielinge van hare Politie, ende de ballinghsohap van meer als twee duysent jaren heeft geboet.

CAP. VII.

Vcrvolgh van dese waerlieydt in de stammen van Juda en Benjamin. J'Xoa Juda Israëls gangh gingh, en haer Suster IJ Samaria rechtveerdigde door alle do gruwelen diese ghedaen haddo, ginghse oock niet de selve gangh in hot draoghen der straffe? Wierd'niet haren Koningh gevangen, geblindt, en na Babel wegh gesleept? Dïq

73

ocr page 78

TWIST DES HEEREN

74

schoone stadfc Jerusalem, die „groot was onder de Hey-denen, een Vorstinne onder de Landtschappen, die stadt die volmaeckt was in schoonbeyt,quot; met die kostelycken Tempel, die sijn weerga nauwlijcks hadde onder de Sonne, verbrandt, en bare muyren om ver geworpen? En alle voornaemste van Juda gevanckelijok wegb gbevoert nae een landt datse niet en kenden; uytgbe-noomen alleen eenigb scbuym van volck, dat de Babylonische Koningb daer gbelaten badd' om bet landt voor woestbeydt te bewaren ? 2 Con. XXXV. Beleefden die dartelingben niet die dagben, „dat het kindeken ende de zuygbelingb op de straten der stadt in onmacht soncken ? Als sy tot hare moeders seiden, waer is koorn ende wijn; als sy op de straten der atadt in onmacht soncken als de verslagene: Als hare ziele sich uyt-stortede in de schoot haerer Moederen.quot; Klaegl, II: 11, 12. Sy die den quaden dagb soo verre stelden, wierdense niet soo van de selve overrompelt, dat „haer volck suchte, broodt soeckende, datse alle haerr ghe-wenschte dingen moston geeven om de siele te ver-quiken?quot; Jae datse uitschreeuwen mosten, „en gaet het u lieden niet aen, ghy alle die over wech gaet; schout bet aen en siet of'er een smerte zy, gbelyck myne smerte, die my aengbedaen is, daer mede de Heere my bedroeft heeft ten dagbe der hittigheydt sijnes toorns. Cap. I: 11, 12. En daer nae, doese nae een tachtigb-jarighe gevanckenisse weder in haer landt ghekomen zijnde, den selven booscu wegb insloegben, verbasterde de Gods-dienst, de Liviten haer deel onthoudende soo dat die vloden een yegelijck na sijn

ocr page 79

MET SUN WIJNGAERT.

7B

acker, ontheyligende de Sabbath door koopen en ver-koopen en verboden arbeyt te doen, ends haer selfs in huwolijck vermengende met vreemde volckeren, dreyghde haer doe de Vorst Nehemia terstondt nietal met nieuwe plagen in gelijckformigheydt van de oude die Godt over hare Vaderen ghebracht hadde ? „Deden riet uwe Vaders alsoo,quot; roept hy, „en Godt bracht al dit quaedt over ons en over dese stadt ? En ghy maeckt des hittighen-gramschaps noch meer over Israël.quot; Als sy, onaengesien de waersc houwinge der Propheeten die Godt haer nae de Babylonische ghevanckenisse genadelijck vergunt hadde, weer uytspatteden in ver-achtinghe van Gods name ende tafel, in trouwloos-heyJt en onderdruckinghe van malkanderen, jae in openbaere Libertinisterye- ende Atheisterye, seide doe niet de Heere in sijn gramschap, „seeckerlijck ick en sal niet meer d'Inwoonderen deses landts verschoonen: maer siet ick sal de menschen overleveren elck een in de handt sijnes naosten, en in de handt sijnes Koninghs, en sy sullen dit landt te morsel slaen, en ick salse uyt hare handt niet verlossen.quot; Als de Priesters uyt enckel eersucht aenghedreeven krackeelden en kibbelden om het Hooghe Priesterdom, in soo verre, dat do eenen Broeder den anderen in de tempel vermoorde, quam doe niet oenen Persiaense Bagoses in weerwil van de Joden den Tempel ontheyligen, ende haer seven jaer langg van weghen haer Godtloosheydt verootmoedi-ghen? Quam niet daer nae Ptolamseus lagie Soon, Koningh van iEgypten de Stadt Jerusalem op een Sabbath overweldighen, die de Inwoonders hardelijck

ocr page 80

TWIST DES HEEREN

76

handelde, eu een goet gliedeelte van die boose met sioh nae /Egypten sleepte? En wanneer sy noch door desen alleu niet gebeterfc wierden, maer voortginghen in haere gruwelen, stond doe niet Antioohus Epiphanes op. die op nieuw de Stadt overrompelde, het Heyligh-dom met groote hovaerdigheydt ontwijdde, des selfs kostelijkheden uytplonderde, eon groot aental Burgers vermoorde, vremde wetten die der Ouderen seden ende Godts insettinghen tegen waren invoerde, en met soo helsch een wreetheydt dwongh ie onderhouden, rlatse niet alleen de kleyne kinderkens die besneeden wier-den het lievo loeven benamen, maer oock met een Duyvelsche woede aen de halsen van haer arme Moeders ophinghen, die sich tot een galge moston laoteu misbruyken voor do vrucht hares liohaems. Doch het beliefde de Heero noch de uyttérste proeve te noemen van haer bootvoerdighoydt eer hy haer t'enomaol ver-delghdo. jjGrodt dio voortijds veohnaol en op voolderley wijse tot haer Vaderen ghesprooken haddo door do Propheeton, heeft in de laetsto daghon tot haer ghe-sprooken door do Soone,quot; en hun de langh beloofde Messias toegesonden, daor haer Vaderen soo langh na ghow-acht, ghosucht, ghoroyckhalst hadden: die oock de Goddolijckheydt van sijn nature, ampten, leero, mot soo doorluchtige mirakelen bovestighdo, datse elck een in verbaestheydt weghruckten. „Do blinden wierden siendo, do kreupelen wandelden, do maiaotse wierden gereyuight, de doovo hoorden, de dooden wiorden opghewockt,quot; de Duivelen nytgeworpon, ende don p,i-men hot Evangelium vorkondight. Noyt was dor-

ocr page 81

MET sr.m WIJNGAERT

77

gelijcx gesien noch vernomen in den lande. Jose-phus selfs schoon hy ougeloovigh bleef, sprack'er wonder van, gefcuygendc, dat hij een wijs Man was, soo men hem anc'ers een Man noemen mochte, een Bedrijver van wonder-wercken en een Leeraer van de gene die de waerheydt met vermaeck aen namen. In somma de Christus selve, van welcke de Goddelijcke Prophe-ten duysent wonderlijcke dingen voorseyt hadden. Maer als dese evenwel met al sijn mirakelen en wel-daeden baldadighlijck versmaedt, verlastert, en verworpen, en ten langhen laesten uyt Helsche nijdigheyfc en duyvelsche bitterheydt aen den kruyce ghekloncken wierde; Als sijne Krnys-gesanten sijn doodt niet alleen maer oock sijn doorlnchtighe opstandinghe, en zegepralende Hemelvaert met groote vrymoediglieyt verkondigden, haer noodigende om hem door den geloove ter saligheyt aen te nemen, dien sy door de handen der Godlose aen een vervloeckt hout genagelt hadden; en dat sy echter alle deese raedt Grodts tegen haer eyghen siele verwierpen, quam doe niet de Eoomsclie Velt-heer Titus, en belegerde de stadt soo nauwe datse tot de grooste schande en ellende ter wereldt vervielen? soo dat Jerusalem eer een Kerok-hof geleeck dan een stadt; eer een leeuwen-kuyl, dan een menschen-woo-ningh. Most doe niet de Son so verwoed een schelm-stuck aenschouwen, dat een Moeder door hongers-noot overweldight, 't vleesch van haer eygen kint at, 't welcke so van haer Borst ruckte, om het te koocken en door soo wreet een maeltijdt haer leeven te verlangen? quot;VVierd' niet Titus door haer verwoetheydt teghen sijn

ocr page 82

TWIST DES HEEREN

78

danck ghedwongen, om de stadt sijn rasende Soldaten ten roof over te leveren, die al watse inaer vonden, sonder ondersclieyt van ouderdom, of geslacht, of staet, de snee van het swaerdt beproeven deden; en die eyn-delijck den rijckxsten buyt, die der noyt in de onder-gangh van eenige stadt gehaelt wierde, bekomen hebbende, over al de brandt instaken. Loopt vrij alle Historiën van alle tijden door ende nergens suit ghy so grouwsaem een verwoestingo ontmoeten. Het getal van die geene die in deesebelegeringe gesneuvelt zijn, begroot do meergemelde Josephus, op elfmael hondert duysent: de ghevangene op seven en tnegentigh duy-sent. Maer voor al staet aeu te merken hoe duydelijck de Goddelijcke voorsienigheyt beloont heeft, datse in deese verwoestingo van de Joodsche Politie wel byson-derlijk haer ooge hadde op het verstooten van Jesus en sijn Euangelium: want alle de omstandigheden haer-der rampen roepen dat luydts-keels uyt. 't quot;Was aen den afgangh van den Olijf-bergh dat de Heere Jesus de stadt, die soo [vlack voor sijn ooghen openleyde, aenschouwende, daer over weende, en beklagende haer onbekeerlijckheydt het verderf voorseyde. 't quot;Was juist op de selve plaetse daer de Romeynen voor de stadt komende haer leger ter nedersloeghen. Want soo seydt de Joodsche Historie. „Dese hadden bevel haer leger ontrent ses stadiën verre van Jerusalem te slaen ter plaetse daer de olijf-bergh aen 't oosten der stadt ghe-leghen is, daer een diepe Valeye Cedron ghenaemt tus-schen beyden leyt.quot; 't Was op het Paessen-feest dat de Joden Christus aen den kruyce sloeghen, in tegen-

ocr page 83

MET SUN WUNGAERT.

woordigheydt van soo veel duysent vremdelinghen, die om de plichtelijckheydt van die viertijdt uyt alle hoec-ken des Aertbodems daer te samen quamen. 't quot;Was ook op het Paessen-feest, dat de gansche menighte te Jerusalem vergadert zijnde, schielijck met den oorlogh overvallen wierd, „Alsoo is het gantsche Joodsclie volck, nae- de voorsienigheydt Godts als in een gevanckenisse geslooten gheweest, en de stadt Jerusalem als sy met een onghelioorde groote menighte vervult was, van de Romeynen belegert gheworden.

De overpriesters maeckten de Schare oproerigh (want die kracht heeft het Grieksche woort Marc. XV: 11.) om teghen het oogemerck van Pilatus den Oproermaker Barabbas boven Jesus vry te keuren. En terwijl sy de alleronnoselste Vrede-vorst van oproer beschuldigen, stelden sy haer selfs oproerigh aen onder de oogen van de Richter. Matth. XXVII: 24. Soo isser oock door het bestel der Goddelijcke rechtveerdigheydt niet langhe daar na, oock op een Paessen-feest, een geweldigh oproer te Jerusalem ontstaen, dat aen de deuren van den Tempel wel dertigh duysent Joden verslagen, en de geheele stadt met rouw vervult wierde.

Het rasende graeuw van de Overpriesteren opgehitst zijnde ende Christum met een dulle woede ten kruyse vorderende, riep eens uyt, „sijn bloet kome over ons, en over onse Kinderen.quot; Maer hoe heeft haer de Heere op dat woordt beslaeghen, ende het bloet van haer ende hare kinderen met sulcke stroomen uytghegoten, „dat op veel plaetsen het vier van de brandende stadt daer door wierd uytgheblust.quot; En ghemerckt sy Christum

79

ocr page 84

TWIST DES HEEBEN

ïuyst aen 't kruyce hebben wilden, heeft Godt haer oock de selve smertelijcke, smadelijcke ende vervloeckte doodt laten aendoen. Want wanneer de onsinnighe honger veel van haer uyt de stadt in het leger der Eomeynen deede vallen, liet Titus haer, somwijlen wel vijf hondert daegs en meer, eerst vinnigh gegeasselt zijnde, aen den kruyce slaeu, „soo datter eyndelijck noch houdt voor de kruycen noch plaetse voor de kruy-celingen ghenoeg was.quot; quot;Was dat niet als of Godt hun uyt den Hemel toeriep, dit is nu dat onnoosel bloet, dat ghy met soo onbesonnen drift over u ende uwe kinderen gewenscht hebt?

't Was een goddeloose lasteringbe die sy den Heyli-ghen Stephanus op den halse wierpen, om hem van kant te helpen, dat „hy niet op en hield lasterlijcke woorden te spreken teghen de Heylighe plaetsen des Tempels.quot; Even soo vielen sy Paulum op het lijf, hem valschelijck beschuldigende dat hy „Griecken in den Tempel gebracht, en die heylige plaetse ontheilighd hadde.

Jae onder die eerloose beschuldingen die sy als oor-saecken van Christi doot aenmerckten was oock dit, dat hy den Tempel te na ghesproocken soude hebben. En soo „maeckten sy het Huys des ghebedts tot een Moordenaers kuyl.quot; Maer dat is het oock wel te deegh voor haer self gheworden. Want Jerusalem door Burgertwist in drie deelen, die drie hoofden ende drie heyren hadden, verdeelt zijnde, had Eliazar de voor-naemste der Belhameren sich van den Tempel verseec-kert: doch Johannes eon ander dwingelandt sond eenighe

80

ocr page 85

MET SUN WIJNGAEBT.

van de sijne derwaerts heenen, onder schijn van daer te willen offeren, die van Eleazar inghelaten stracx de wapenen toonden die sij onder haer kleederen verbor-glien hadden, en aldaer een onmenschelijcke moort aen-rechteden, waer op de Romeynen quamen, en in weerwil van Titus dat Hooghberoemde gebouw aen kooien leyden. Doe gaven sy een schrickelijcke kreet, als bespeurende, hoe wel ten spade, „dat Godts gramschap tegens hen het leste vonnis van hun ondergangh velde, dewijl sy dulde dat de plaets van sijn wooningh dus door de Vremde verbrant wierdt.quot;

Was dat niet duydelijck genoegh geseydt, dit komt' er van dat ghy „den Heere tot sijnen Tempel komende, namentlijck den Engel des Verbondts,quot; quansuys uyt eerbiedt tot den Tempel, als een Tempel-schender beneffens andere sijne trouwe Dienst-knechten, ver-stooten en vermoordt hebt? En op dat de gansche wijde wereldt kenbaer soude worden, hoe seer Godts toorne teghen dit verstookte volck over het verwaer-loosen der ghenademiddelen ontsteecken was, heeft hij nimmer toegelaten dat dit gebouw weer opgemaeckt soud worden. Altemet is 't eens onderleydt, maer altijd qualijck uytgevallen. Julianus de Afvallighe, uyt haet tot het Christendom, had de Joden eens vryheyt daer toe gegeven, en een groote som me geldts mits-gaders andere behoeften ter handt ghestelt: maer eerst een gheweldighe aertbevinge, en daer na schrickelijcke klooten viers telkens by de fondamenten uytbarstende, beletten aen de werklieden den voortgangh. Niemandt wane dat dit verdichtselen van eenighe Christenen

6

81

ocr page 86

TWIST DES HEKREN

zijn. Loofweerdighe Historie-schrijvers onder de Hey-denen en Joden zelfs verseeckert ons van dese waer-heydt.

Maer nog haddense na Gods oordeel het verwerpen van den waren Messias niet dier genoegh geboet. De Heere gaf haer over in een verkeerden sin, soodat sy sijn gheliefde Soone verstootende sich vergaepten aen een deel Bedriegers, die de oorsaecke waren van haer uyterste verderf en ondergangh. In gevolghe van de Prophetie des Salighmaeckers, Joh. V: 43. „Ick ben gekome in de name mijnes Vaders ende ghy en neemt my niet aen: soo een ander komt in sijnen eyghenen name, dien suit ghy aennemen.quot; In welke plaetse som-mighe geleerden meenen dat de Heere Jesus bysonder-lijck sijn ooghe ghehadt soude hebben, op die vermaer-de Leugendichter Bar-cosba, die niet heel lange na de dood Christi opgestaen, en een ongelooflijoke menichte van Joden ellendighlijok bedrooghen heeft. Bitter by uytnementheydt is haer de bitterheydt gheweest, die in haer in de stadt Bitter niet verre van Jerusalem in de stamme Benjamin geleeghen zijnde, uit dien hoofde overgekomen is. Dewijl sy door de sohoone beloften van dien Opper-bedrieger verleydt zijnde van de Romeinen afgevallen waren, soo heeft de Keys er Adrianus overschepende haer in de voornoemde stad Bitter met een seer nauwe belegeringe omringht, ende na derdehalf jaer belegh haer overweldighende, soo grouwsaem een verwoestinghe daer aengericht, datse voor die van Jerusalem niet veel en behoeft te wijken: indien men immers gelooven mach het geene de Joden

82

ocr page 87

MET SUN WIJNGAERT.

83

selve daer van sclirijven. Daer zijnder die liet getal der gedode begrooten op veert,ighmael duysent duysent. Andere klimmen noch veel hooger. Invoeghen dat het bloet der verslagheno tot aen de neusgaten der paerden quam, en groote steenen in sijn loop voortstroomende wel veertig mijl in Zee vloeyde. Dat komt ons sonder-lingh te passé, 't welck haer eyghen Schrijvers hier by verhalen, op dat niemant sonde twijffelen of sy waren die onvruchtbare wijngaort, die de rechtveerdighe Heere ter vernielinge overgegeven hadde. Adrianus de Keyser, seggense, „had een wijngaert achtien mijlen in de lengte en in de breedte groot. Die wijngaort heeft hy bemuurt met een wal van doode lichaemen der verslagene te Bitter, soo hoogh als een Man ten uytersten bereycken kond. En hy en heeft niet toegelaten dat sy begraven souden worden tot dat een ander Koningh in sijn plaetse opstondt.quot; Dewijle sy selve soo veel stinckende druyven hadden voortgebracht, soo maeckte haer Godt tot een stinckende wal of hey-ning rontom de wijngaert van Adrianus; en liet daer hare doode lichamen leggen als slijck der straten. Met soodanige Veiieyders en Bedriegers hebben sy meer-maels opgescheept, al met ellendighe en droevighe uytslagen, waer van wy, indien de vreese van de Leser te verveelen ons niet stutte, geheele Registers souden konnen maken. Maer 't is tijdt dat wy ons selver inkorten, als genoegsaem bespiegelt hebbende de recht-veerdigheydt Grods ontrent dit ellendige volck, die sedert dat verachten van Godts genade al gestadelijk verjaeght, verdreeven, en als een balie van den eenen

ocr page 88

TWIST DES IIEEREN

Koningh den anderen toegekaetst zijn: omswervende sonder Hooft, sonder Godt, sonder Koningh, Cceli soli-quc suiextorres, ballinghen van haer landt en van den Hemel. Erbarm el ij ck zijn de klachten die ick meer-maels uyt haer boecken heb opgeteeckent, waer in sy altemet soo jammeren beyde over haer lichamelijcke en gheestelijcke ongestalte, dat een steenen harte sich daer over erbarmen soude. Te meer als hy eens be-denckt dat dit alles dien volcke wedervaren is, „wel-cker is de aanneminghe tot Kinderen, ende de heer-lijckheydt, ende de verbonden, ends de wetgevinghe, ende de dienst Grodts, ende de beloftenissen, welcker zijn de Vaderen, en uyt de welcke Christus is soo veel het vlees aengaet.quot; Voorwaer dit is een vreeslij ok voorbeeldt, 't welck alle andere volcken, dien Godt daer na sijn genaede heeft aengeboden, ter stichtigher waerschouwinge dienen moet. „Want indien Godt de natuyrlijcke rancken niet gespaert en heeft,quot; schreef de Apostel der Heyneneu, „siet toe dat hy oock mo-gelijck u niet en spare.

CAP. VIII.

Vervolgh van de selve waerheydt in de Christen-Kercken.

Laet ons nu van het Oude Israel tot het Nieuwe, van het Jodendom tot het Christendom over gaen: om te besien of Godt de volckeren onder het Nieuwe Testament meer verschoont heeft, wanneer „sy sijn ghenade veranderden in ontuchtigheydt,quot; als hy in de daghen des Ouden Testamentes heeft ghe-aet ons nu van het Oude Israel tot het Nieuwe, van het Jodendom tot het Christendom over gaen: om te besien of Godt de volckeren onder het Nieuwe Testament meer verschoont heeft, wanneer „sy sijn ghenade veranderden in ontuchtigheydt,quot; als hy in de daghen des Ouden Testamentes heeft ghe-

84

ocr page 89

MET SUN WIJN'GAERT.

85

daen. En laet my eerst het ooghe eons gaen over die Kercken die het geluck gheliadt hebben, om van de Onfeylbare Apostelen onses Zalighmaeckers geplant, en van Apostolische Mannen verder bebouwt te zijn: doch die overgroote genaede daer nae wanweerdiglijck verschoppende, cock van. Godt verschopt zijn ghewor-den, en door haer val gheleert hebben, dat geen volck geen Kercke soo vast staet, of het verwaerloosen van Gods ghonado-middelen kan hun fondamenten doen beven, ja de selvo begraven onder haer eygen puyn. Maer is nu dat vermaerde Antiochien, eertijdts de mach-tighste stadt van gheheel Asien. gelijck Alexandryen, van Africa, en Somen van Europa? die stadt daer de „Discipelen eerst Christenen ghenaernt wierden.quot; Doe sy nu begon te verdertelen en de gesonde le^re onheylig-lijck beleefde, wierd sy, niet boven hondert jaar na Christi geboorte, van soo geweldigh een aertbevinghe gheplaegt, terwijl de Keyser Trajanus daer was om te overwinteren, dat sy'er by nae geheel af verwoest wierd. Men hoorde eerst ouder do acrde een schrickolijck ghe-rucht, en als een ysselijck gebrul, daer een gheweldige wieging opvolghde, die oen deel der Huysen op de rijsen, den andoren waggelen, de daken omwierp, en de grontvesten der gebouwen omruckte. Do dwarrel deser storm op verscheydone plaetsen een doel houdt, steenon en tichelen ontmoetende, daer men me bouwen soude, droeg al deeso bouw-stoffen wech, mot soo ver-vaerlijck een getier en gedruys dat ydor daer af de hayren van scbrick opreesen. Daer ontstont ondertus-schon soo dick oen stof, dat men inalkandereu niet en

ocr page 90

TWIST DES HEEBEN

86

kön sien noch samen spreecken. De storm sommige op het veldt vindende ruckte hen in de lucht, ende hen langh omgeslingert en geselt hebbende, wierp hen met sulck een kracht teghen de aerde, dat sy borsten als of sy van eenighe hoogte vielen. Veel bleven op de plaets doot, en men sach haer leden door 't onweer hier en daer verstrooyt. Andere wierden door de ver-morselinghe der ghebouwen die op hen vielen verplet. De sommighe verloeren een been, andere wierd het hoofd geschonden, andere de borst ghekneust, en andere sponden bloet nyt oorsaek van de felle stoot, die sy door de storm ontfangen hebben; de Keyser selfs ontquam het ter nauwer noot. In somma, die groote ende Heerlijoke stadt, het oogelijn van gansch Oosten, wier door dit onweer, eenige dagen achtereen duyrende, van meest al haer Kercken, Paleysen, Huysen, en In-woonders te gelijck berooft. En alsse door de goet-heydt van Trajanus weder opgehbouwt ende van nieuwe Inwoonders versien zijnde, noch niet gebetert wierd, selfs na het openbare invoeren van het Christendom, 't welck de Roomsche Keysers selve hadden aengenoo-men, soo heeft haer oock de Heere noch harder ge-schuddet, en 't eenemael om verre geworpen. Die guide mondt Chrysostomus, die daer met sulk een ernst ende yver de kragt der warer Godtsaligheydt ghepredickt heeft, sal ons ghetuygenis konnen geven van haer verdurven zeden, door dien hy in seekere Predicatie het volck van Antiochien aldus aenspreeckt. „Hoe veel meen ghy dat in dese stadt wel sullen saligh worden ? 't is hard 't geen ick segghen sal, en nochtans wil' er

ocr page 91

MET SUN WIJNGAEBT.

de waerheydt uyt. Uyfc soo veel duysenden kan men nauw honderfc uytmaecken die salig sullen worden, en ick twijffele noch aen deese. Want wat al boosheyt isser in de Jongelieden? Wat al traegheydt in de Oude? niemandt draeght behoorlijcke sorghe voor sijn Soone, niemandt heeft soo veel yver dat hy siende op een ouden Man hem navolghe. Gheen voorbeelden zijn 'er, en daer komt het oock van daen dat de Jonghe-lieden haer niet loffelijck en dragen.quot; Maer daer quam het oock van daen, dat de Groddelijcke wraecke tegen die ouheyligheyt en onhwlighe ontsteecken zijnde, de fondamenten van haor stadt door een gheweldige aertbe-vinge deede wieghen ende waggelen , waer by veele vlammen viers uytbarstende, alles wat de aerdbevinge overgelaten hadde vernielden, wel ses dagen achter een in het uytvoeren van ftodts gerichte besich zijnde. Van aller menschen gheheugenisse heeft de ■ Goddelijcke gramschap in geen stadt soo gegrafleert. Justinus de Keyset deese verwoestinge ghehoord hebbende, wierdt daer over uyttermaten seer bedroeft, en • sijn Kroon en purper afgeleydt hebbende, bekleede met een sack, en besprenghde sich met assche, rouw dragende veele dagen.

Laet ons van Antiochien eens na iEgypten overtreden: van het welcke Jesaias geproheteert heeft, datter „vijf steden in weesen souden spreeckende de taaie Canaans en sweerende den Heere der Heyrscharen.quot; Dit is beginnen vervult te worden (op dat ick dit met de woorde van een voortreffelijck Man verhale) ontrent het vijf-en-veertigste jaer onses Heeren, als haer het

87

ocr page 92

TWIST DES HEEBEN

Euangelium verkondight is door Marcus de Evangelist, een Discipel, Medegesel, en Susters Soon van den Apostel Petrus. Zedert zijn 'er in ^Egypten seer ver-maerde Kercken geweest, onder welcke die van Alex-andrien heeft uytgemuntet, versien zijnde daer-en-boven met een schoole die in alle soort van wetenschappen boven maten bloejende was, verciert met veele voortreffelijke Bischoppen en Leeraers. tot aen de tijdt van het Niceese Concili, dat is ontrent het jaer desHeeren 328 of noch wat later; wanneer de yEgyptenaers uyt lichtveerdigheidt, nieuws- en eergierigheydt, verlatende de leere der Apostelen begonnen te spreeken de taele der Arianen, die te Alexandrien gebooren is, tot aen het jaer Christi 703, op welke tijdt sy van de Griek-sche Keysers afvallende, het juck van de Saracen en te gelijck met de Religie van Mahomet sich op den halse gehaelt hebben, en gedwongen zijn geworden om onder de Saracenen, Mammalukken, en Turcken, de tale der Saracenen, dat is de Turclfsche Godtslasterin-'gen, te spreeken tot op desen hedigen dagh toe.

quot;Waer is nu oock die eertijds soo roemruchtige Kercke van Ephesen, van Thessalonica, van Colossen, en die seven gemeynten van kleyn Asia, daer Johannes in sijn openbaringe van propheteerde ? Sy zijnder geweest en daer en is niet overgebleeven als een vervaerdelijcke woestheydt en Barbaries, die de gedachte van haer eerste bloeyentheydt des te ysselijker maekt. Et cinis est ubi Troja fuit.

Van Colossen wordt verhaelt datse de Heylige waef-heydt haer van Paulo overgeleverfc verlatende, en aen

88

ocr page 93

MET SUN WIJNGAERT.

leelijcke Verleyders het oor leenende, terstondt na Pauli doodt, onder de Regeeringe van Keyser Nero te gelijck met Laodicsea en Hierapolis is omgestooten door een aordtbevinge, Godt die onder de aerde recht-veerdiglijk verdelgende, die de Heyrbane ten Hemel, hen soo getrouwelijck aengeweesen, weygerden of te houden of in te slaen. Soo hebben oock onse Neder-lantsche Uytleggers uyt Plinio aengeteeckent dat som-mighe van de Asiatische steden, aen welcke Johannes in sijn Openbaringhe schreef, daer na door aerdtbevinge insghslijckx vergaen zijn.

Hoe is het met de Kercken van Arabien gegaen? Dit kan ick niet beter als met de woorden van den Hoog-geleerden Bibliander voorstellen. Wat heeft Arabien eertijts Bisschoppen ghehadt verciert met gheleert-heydt en met G-odtsaligheydt ? hoe bloeyende ende welgestelde Kercken zijn in het selve geweest? Hoe overvloedigh hadde sich het licht des Euangeliums in dat volk verspreydet? Van het welcke in 'tbysonder de Heylige (leest in de Propheten gewaegh, als ge-sproocken wordt van roepinge der Heydenen tot het Koninckrijcke Christi, als Psalm LXXII: 10. „De Koninghen van Arabien en Seba sullen vereeringhen toevoeren.quot; En wederom, „hy sal leeven, ende men sal hem gheeven van het gout van Arabien, ende men sal gheduyrighlijck voor hem bidden, den gantschen dag sal men bem seghenen.quot; En Jes. LX: 6. Doch den Bisschoppen haer eyghen profijt besorgende en haer ampt versuypaende; De Princen oock besiger zijnde met het beroven van het volk, dan met het besoher-

89

ocr page 94

TWIST DES HEEBEN

men en bewaren van de ware Religie in dat volck, dat hen van den Heere was toevertrouwt, daerenboven ver-volghende de Betrachters der oprechte Godsaligheyt: Soo is het arme volck ghelijk een kudde Schapen son-der Herder in verscheyden ghesintheden verstropt, en is ghevolght sijn beestelijcke hars-tochten. Hier van daen is het ghekoomen dat de Christelijcke Religie by de Arabiers heeft beginnen te hellen nae den onder-gangh. De Kerckelijcke discipline ende Christi ken-nisse heeft allencxkens beginnen te slabacken, en de name der G-oddelijcke Schrifture ende een kleyne scha-duwe zijn maer overgebleeven. Hierom heeft dat groote instrument des Satans. Mahomet, met hulpe van twee vluchtighe Ketters, en twee Joodsche Afvalligen eerst de Arabiers en daer na andere volckeren alsoo in de stricken des Satans verwert, datse voor haer superstitie en ydele beuselinghen niets weygeren te doen of te lijden, ja oock niet de doodt te sterven. Dus verre die Vroome en gheleerde Man, die dat voorbeelt dan krach-tigh aendringht tot waerschouwinge van een yegelijck om Gode meer danckbaerheyt t» betoonen voor het onwaerdeerlijcke goet van sijne gheopenbaerde waer-heydt.

En dat vermagerde Grieckenlandt, de Moeder en sit-plaets wel eer niet alleen van menschelijcke wijsheyt, maer oock in der Apostolen eeuwe als een schoole der Godtgeleertheyt, nadat het achtervolgens de lichtveer-dige dertelheyt harer verstanden een entery was geworden van allerley ketterije en dwalinghen, die de waerheyt uytroepende met eene die Godtsaligheyt ver-

90

ocr page 95

met sun wijnöaebt.

stickten, lieve Godt? wat isser van geworden ? Yetwes dat ick u niet beter weet uyt te druoken als met de naem van „enckele woestheydt.quot; Is het du niet gedwongen dien dertelen hals, als- een onedel Draeg-esel te bncken en te bnygén onder het juck der Saracen en, en den Alder-wreetsten Tyran te dienen, die het Oosten ooyt beheerscht heeft? Wat isser van de Religie, van het Christendom schier overgebleoven als een ydele naem ende schaduwe ? Ach waer toe zijtghj- vervallen ghy bloeme der Landt-schappen, ghy Son en sout der volckeren ? Riep die groote Lipsins over Grieckenlandt met groote reden uyt.

Ick en kan my niet bedwingen of ick moet hier de woorden van een ander geleert Man byvoeghen: soo nadruckelijck zijn sy, en soo wel dienenso tot ons oog-merek. De Griecksche Kercke, seyt hy, heeft de rijek-dommen tot overdaet misbruyekt; nu zijn sy den Sol-daet ten deel gevallen. Alsoo bestelt het Godt dat hy na lang verwachten ocser boetveerdigheydt ons onwillig trekt; en die dingen, die wy tot dartelheyt, overdaet'en hovaerdigheyt misbruyeken elders overvoert, alsoo dat wy daer van wel verdruckinge maer geen vermaeck ont-fangen. Die grouwelijcke Tyran, Muhammed; die Con-stantinopolen heeft inghenomen, als hy de opgehoopte schatten met dewelcke het Patriarchdom in pracht en pvael wegh bloeyde, ende reecken boecken sach; wordt verhaelt geseydt te hebben: „O goddeloose Menschen, dit suit ghy besuuren moeten. Ghy lieden hebt, dese overvloe-dighe rijekdommen, teghen het voorschrift van uwe wet, misbruyekende, over u het verderf gehaelt: Ick sal maec-

91

ocr page 96

TWIST DES HEEBEN

ken dat de Nakomelinghen de straffe van u lieder son-den draeghen. Dit geldt sal weesen voor de Soldaten, om de Christenen te onderdrucken.quot; O aenbiddelijcke rechtveerdigheydt Grodts, die haer lof weet te halen nyt de mondt van een onrechtveerdighe en Groddeloose on-derdruckker!

De Griecken selve hebben gewilliglijck erkent dat de grouwelen van die en de voorgaende eeuwen sulck een exemplare straffe verdienden. Dus roept haer eygen History-schrijver uyt. Niet alleen zijn de heylige ont-broocken en de waerheyt is gemindert, maer oock om het vermenigvuldighen der ongerechtigheyt is de liefde van veelen verkout, soo dat geheele steeden van Grrie-ckenlandt haer Vaderlaadt gretighlijck verlatende onder de Barbaren zijn gaen woonen. quot;Want de veolvuldighe Tyrannyen hebben de Onderdanen haer eerste sober-heydt ontwronghen, en de meeste Keysers aen 't rooven slaende hebben alle wreetheyt tegheu de hare in 't werek ghestelt. En op een ander plaetse, klagende over het verval van Constantinopolen, noemt hy het een tweede Sibaris over al vermaert door sijn wellustigheydt.

Eer ick hier afscheyde moet ick'er noch by doen een gedeelte van de klachte Ifidori, mede een Griex Schrijver, die ons het inneemen van Constantinopolen in 't breede verhaelt; verhoopende dat dit mijnen Leeser een beweeghlijcke boet predicatie verstrecken sal.

„Hoort dit alle ghy volkeren, en neemt ter ooren „ghy Inwoonders der aerde. Hoort dit, ghy die het „geloovige deel des aerdtbodems bewoont, Dienaers, „Predicanten en Opsienders van alle de Keroken Christi,

92

ocr page 97

MET SUN WIJNGAERT.

93

„oock alle ghy Christi-geloovige Koningen en Princen, „en al het volck des Heeren, met alle Godsdienstige. „Hoort het ende laet het u lieden bekent zijn, dat de „Voorlooper van den waren Anti-Christ, de Prince en „Heere der Turcken, maer de slave van soo veel Duy-„vels als sonden, wiens name is Mahomet, de Vyandt „van het kruyce Christi, erfghenaem van de naem ende „daed dies eersten valschen Propheets en vuylen quot;Wetgevers de Agarenen, de alder schelmachtighste soone „des Satans, die door rasernye en dulligheyt aenge-„dreven zijnde, sonder onderlaten na het bloedt der „Christenen dorst, en sijn dorst en kan na soo veel „moorderyen noch niet gelescht worden. Dit soo verkloekte en grouwelijcke gedrochte dan, om het quade „ghedragh der Christenen, door het regtveerdig oordeel „Gods ter woede losgelaten, heeft de Keyserlijke stadt, „het Nieuwe Romen, eertijdts ten hooghsten geluckigh, „nu ten hooghsten ellendigh, en met alle bedenkelijcke „rampen ghedruckt, Constantinopolen meen ick, inge-„nomen, overmeestert, uyt geplondert en by nauytge-„roeyt. Maer wie sal (op dat ick de woorden des „Propheeten gebruycke) mijn hooft water geven, ende „mijne oogen eene fonteyne van tranen, op dat ick „nacht en dagh de verslagene van dat volck, ende die „aldereerlooste schennissen, die in des selfs overwel-„dinghe begaen zijn, betreuren moge? quot;Wie soude aen „die verwate stucken gedenckende niet verbasen, ver-„stommen, en van schrick als van een doodtslaep over-„vallen worden? En nochtans en sal ick het niet alles „ophalen, op dat Godtvruchtige ooren geen weersin in

ocr page 98

94

. V ;.'quot; ■ ■ • .J ...gt;•..gt;.! «»W|P|RI4

TWIST DES HEEBEN

„'tghehoor ende krijgen: maer op dat uyt deese wey-„nige staeltjes het overige afgenomen werde. Deese „schendige, vol van namen der Godtslasteringe, de „stad ingenoomen hebbende, na dat hy de Keyser met „al sijn afkomst en Adel onthooft hadde, heeft seer „veel Menschen van allerhande slagh, edel, onedel, „Mannen, Vrouwen, met yseren boeyen aen banden „ende beenen, met touwen om de hals, buyten de stadt „ghesleept, en met de vuylste smaetheden des werelts „overladen: invoegen dat de Turken de Persoonen die „tot die schennis beqnamen waren, als Hoeren en bordeel-broeken daer geen verbeuren aen en was, voort slin-„gerden, sulckx daer mede omsprongen dat het sonder „schaemte niet te vertellen is. De jeugt, soo Jongh „mans als Dochters, ruckten sy van de Ouders af, en „verkochten elck bysonder. De kinderkens slachten sy „als lammere in'taensien van de troosteloose Moeders.

„O wat bittere tranen, wat gesucht, wat gejammer „onder Vrienden en Magen, wat deerlijck geklagh „wiert alomme gehoort, onder soo veel moorderyen, „slavernyen, uytstootinghen ende smaetheden ? Princen, „Baronnen, en Heeren, zijn lijfeygens gemaeckt van „Koedooders, Verkendrijvers, en 't slechtste schuym „des graeuws. Kinderen beneden de tien jaer dwongen „se de Kerck-zeden van haer verwaten secteop? Ach „hoe is het blinckend goud der wijsheyt verdonckert,

„door de alderdickste duysternisse der onwetenheydt? „Het edele gout, door de onedelheyt der slavernye ? j

„Hoe is die schoone kleur der Griexsche welsprekent- (

„heydt verandert in een Turxsche Barbaries. O Grodt! ,

ocr page 99

MET SI.IN WIJNÖAEBT.

95

„de Heydenen, de volkeren die ter Helle verordineert „zijn, zijn in uwe erfenisse gekomen. Zy hebben uw „Tempel, uw Heyligdom, die kostelijke Kercke van „Sancta Sophia, beneffens andere, ontheyligt. De Hejd-„ heylige Evangelien, gebede-boecken en andere boecken „der Kercke, schendende, verscheurende, en verbran-„dende. Sy hebben daer na het vleesch uwer Heyligen, „de doode lichamen uwer knechten de vogelen ten „aese voorgestelt, en de van een gescheurde leden der „vermoorden de beesten des velts voorgeworpen, om „datter niemandt en was die na haer begraeffenisse „ommesach. Het heylighe gaven sy de honden, en de „peerlen der Sacramenten wierpen sy voor de swijnen. „Als ik de andere grouwelstucken overdenke, amp;oo zidder „ick geheel van schrick, en ick en kan met geen „penne langer de schelmstucken ende de onteeringe „van 't Christen-gheloof beschrijven. Of schoon de „History-schrijvers der Heydenen veel van vele en groote „vernielingen van steden verhalen: soo en kan dogh „geen verwoestinge by dese vergeleken worden. Sy „hebben 'er niet een Inwoonder ingelaten, geen Grieck, „geen Latijn, geen Armenier, geen Jood; sij hebben „de stadt van haer Burgeren ontledight en ontbloot. „Met eyghen ooghen heb ick haer bedrijf aenschouwt, „ende veel qualen en gevaren uyt gestaen hebbende, „ben ick met eenige andere Burgers de rest door Grodts „genade ontkomen.quot; Dus sprack die Man, die een aen-sienlijcke plaetse in de Kercke bekleet heeft, en gave Godt dat het van andere die hy aenspreeckt ter harten genomen wierde ? Dit was het eynde van het Griecx-

ocr page 100

TWIST DES HKERKN

sche ryck, in den jare 1452, en een voltooyinghe van de Turcksche heerschappye in het selve. Soo suur brack haer die soete of liever sotte weelde op, soo heet wierd haer dat verbijsteren ende verbasteren, dat kleynachten ende qualijk beleeven der Heyligher Leere, door de Goddelijcke Rechtveerdigheydt, ingepepert. Dus is het met het Nieuwe Romen gegaen, ghelijck men Constantinopolen pleegh te noemen.

Laet ons nu het Oude Romen eens besien; „Wiens gheloove eertijdts verkondight wierde door de gansche werelt,quot; aen het welcke de Apostel die veelvuldighe weldaden, hen van Grodt beweesen, erinnerde, maer aen het welke hy ook, soo het hoogmoedig begon te worden, ende teghen de andere tacken te roemen, den ondergang dreygde. Hoe is haer alles juyst nae de Prophetie des Apostels wedervaren ? De overvloet van lichamelijcke en geestelijcke weelde heeft haer wel haest de moet zulcx doen zwellen, dat elck vroom Mensch daer de walge van stack. Dit dede Basilius seggen, ick hate de hooghmoet van die Kercke. Men kibbelde om de grootsheyt met sulck een gewelt, als eertijts de Joden om het Hooge Priesterdom, soo dat men sich niet en ontsagh de Kerck te Romen te ont-heylighen met meer als hondert dooden, die elkander vermoorden over het verschil, 't welck Damases en Ursicinus hadden rakende het Bisdom. Ja de pracht der Geestelijcken was soo aanstootelijck in aller oogen, dat oock de Heydenen daer van niet konden swijghen. „Sy reden,quot; seydt een Heydensch Schrijver, „op paer-den en wagbens, prachtigh in den dos, overdadigh in

96

ocr page 101

MKT SUN WIJNÖAKRT. 97

haer maeltijden, die de Konincklijcke tafelen te boven ginglien.quot; En gelijck het met de Priesters was, soo was het oock met het volck, dat verflaeuwde, verlaeuwde, verweerelste, en met al die voorspoet, die sy onder de Regeeringe van Constantinus ghenooten, wierd het Fenijn over de Kercke uytgestort. Maer hoe bangh is haer dat oock bekomen? Want op dat ick zwijge van die Ariaense rasernye, in welcke de Navolgers van Constantinus de Groote, de beste alomme verdreven en weghjoegen, is niet sedert de stadt van Romen selfs meermaels ingenoomen en deerlijck gehandelt? Dan eens van de Gotten, Ao 410, dan eens van de Vandalen of quot;Wenden Ao 455, dan eens van Totila, die het Capitolium aen brandt stack, de Paleysen en voornaemste ghebouwen om verre wierp, beneffens het derdedeel van de stadts wallen; en het meerendeel van de In-woonders weg-voerde en verstroyde: Ao 546. Dan hebben een ghedeelte van de Roomsche Raedts-Heeren selfs den Paus den oorlog aenghedaen, en veel moor-deryen in het midden der stad aenrechtende, hebben het meerendeel der Priesteren, en veel andere geeste-lijcken, behalven een groote menichte van aensienlijcke Burgers gedoot. quot;Waer is doe die glans en heerlijckheyt der Kercke, daer het Pausdom soo van opswezt, waer is die altoos blinckende luyster, onder al die oorloogen, ballingschappen, uytplonderinge, bloetstortinge, die het hef der Barbaren daer aengerecht heeft, gebleeven ? ja als of dat alles niet ghenoeg en was, soo heeft God uyt het Oosten de Seracenen op ontboden, die al te mot eens een inval in het landt der Romeynen gedaen

7

ocr page 102

TWIST DES HEEREN

98

en een geweldighe roof daer uyt me gesleept hebben. Onder andere beeft eenen Omar in den jaere 860 bet gem el te landt bevochten, en wel seven tigb duysent Menscben daer uyt wecb gevoert. Hoe kan ick dit beter besluiten als met de naedruckelijcke woorden van den welspreeckenden Lipsius, die over dit selve Romen aldus uytroept. Ilia ipsa verum gentiumque Domina, amp; Falso /Eterna urhs, ubi est? Obruta, diruia, incensa, inundala, periit non uno leto, amp; arnbitiose bodie in folo suo queritur, nee inventlur. „Die Meestersse der saec-ken en der Volckeren, die stadt die men ten onrechte de eernaem van eeuwigb gbegeven beeft, waer is die nu? sy is overvallen, omgbekeert, verbrandt,verdronc-ken, en door meer als een soorte van doodt omgbe-komen. En wordt beden met groote neerstigbeydt op baer gront gbesoebt, ende niet gevonden.quot; Docb dat is noch bet minste. Dit is bet voornaemste ende droevigste tot Romen, dat die beerlijcke staet der Christen Kercke daer soo verdonckert geworden is, dat dat Jerusalem des nieuwen Testaments, op dat ick het soo noeme, in een Babel, en de Tempel Godts aldaer in een speloncke der Moordenaren verandert is. De Alge-meenbeydt des Cbristelijcken volcks, klaeghde Bernar-dus te sijnen tijde, „schijnt een verbintenisse gemaeckt te hebben tegben u, van de minste tot de meeste: van de voetsole af tot aen den hooftschedel toe ende isser niet ghebeels; de ongerechtigheydt is uyt gbegaen van de oudtste Richters, uwe Plaetsbewaerders, dewelcke schijnen uw' volck te regeeren. Men mach nu niet seg-ghen gelijck het volck, soo oock de Priester: want bet

ocr page 103

MET SUN WIJNGAERT.

99

volok en is nocli soo slim niet als de Priester. Sy hebben de burcht Zion inghenomen, sy hebben de vastigheden overweldight, en daer na geeven sy de gansche stadt met wil en macht over aen den brandt.quot; Die So-doma en Gomorra nu eens soecken wilde in de wereldt, soud het nieuwers beter dan te Romen vinden. Die het rijcke, 'k en sal nu niet seggen des Antichristes, maer des Satans eens begeerig was te sien; die behoefde sijn hooft in den Helschen afgrondt niet in te steecken : hy ga maer na Romen, en daer sal hy onder die gheene die met de name van heyligheydt proncken, de Helle en de Politie der Duyvelen, hoe sal ick segghen, in haer volkomen luyster of duysternis ? bespeuren, 'k En begeer niet, Lezer, dat ghy my op mijn bloote woordt ghelooven suit. Haer eyghen Poeëot Petrarcha heeft 'et soo beschreven. „Schuola cl' err or i, e lernpio tl' hercsia, Gia Roma, or Babylonia falsa eria.quot; „E»ne schoole der dwalingen, een Tempel der Ketteryen; eertijdts Romen maer nu hot snoode en valsche Babel.quot; Ja dit is soo klaer dat een gheruyme tijdt te vooren, haer ghenaemde Santinnen dit ghemerckt, en Godts recht-veerdigheydt daer in erkent hebben. Sy hebben self's de openbaringen van haer heylighe Brigitta in druck ghegeven, welcke ten tijde van den Paus Urbanus de vijfde gheleeft heeft. In dese openbaringhe echter noemt se den Paus, een Moordenaer der zielen, een Verstrooyer en Verscheurder van de Schaeps-koye Christi; Ver-vloeckter dan de Joden, Godtlooser dan Judas, onrecht-veerdiger dan Pilatus en op datter niet ontbreecken soud aen de volmaecktheydt der Godtloosheydt, slimmer dan

ocr page 104

TWIST DES HEEREN

Lucifer selver: dat sijn stoel, gelijck een meulensteen, in de Helle behoorde neder gheploft te worden, en syne Bysitters verbrandt in een swevel-vier dat noyt wordt uytgheblust. Overtuyght de Bisschoppen en d'andere geestelijkheyt datse melaetsche en stomme waren, die de thien geboden Godts verandert hadden in een, namelijck, Dapecuniam, „geeft maer geit,quot; verhaelt datse eens deH. Maget Maria tot Christum had hooren seggen: Immers is Romen een vruchtbaer landt. quot;Waer op Christus soude geantwoort hebben, „ja, maer van oukruyt.quot; Siet soo sprack hare Santinnen selfs daer van. Wie en schrickt nirit, wanneer hy soo vervaerlijcke oordeelen Godts over een eertijdts soo bloeyende ghemeente siet en hoort? 'tls waer den Politijcken stant blijft en floreert daer; maer die maer eenigh beseffen heeft van de welstandt der zielen, sal sodanigh verderf van de staet der Kercke verre voor de swaerste straffe rekenen.

Duyts-landt heeft dit me bevestigt; 't welke soo veel licht van Godt ontfangen hebbende in de herstellinge des Evangeliums, en het selve met soo veel ondanck-baerheydt, dronckenschap, hovaerdye yverloosheyt be-dempende, door den Keyser en Sweed als in sijn bloedt geswommen heeft, en soo schriokelijcke verwoestinghe in de Pals en die quartieren uytgestaen, dat men son-der ontsteltenisse daer aen niet gedencken en kan. Hoe kan ick van Engelandt swijgen? misschien en heeft geen rijck in Christen-rijck soo veel licht van ge-heylighde kennisse, soo veel behulpmiddelen tot devote Godtsaligheyt, so veel verschiet van recht geheylighde en geestelijcke Leeraeren, soo veel overvloedt van ge-

100

ocr page 105

MET SUN WIJNGAERT.

101

moefc-ondertastende en oonscientie-onderriohtende Pre-dioatien gehadt. quot;Waer uyt het oock gekomen is dat de Kercken van Engelandt in deese soorte van Leere en ghe-leertheyt boven andere hebben uytghemunt, en dat weynighe meer hebben konnen doen als haer exempel neerstighlijck navolghen. quot;Want wy moeten ons niet schamen te erkennen het gene de mildadigheyt G-odts aen andere heeft medegedeelt, voornamentlijck sulcke dingen dit ons niet minder als haer te stade komen. Maer 't is te bedroeft om'er aen te dencken, hoe men dat opgaende licht van Heyligheyt, dat ons een kleyne vertoninghe gaf van die eerste devote tijden des een-voudigen Christendoms, met ghewelt heeft soecken te dempen. Men heeft de aldervroomste lieden van dese laatste eeuwen, onder de schimpnaem van Puriteynen aen de haet en de bespottinge des wereldts opgeoffert. Daer het doch Persoonen waren die een straffe en Godt-vruchtighe manier ven leeven leyden, vol van onnosele en onbedrevene eenvoudigheyt: welckers leeven was een gedurige berispinge en verloocheninge van sijn selve, die dagelij cks van haer gedachten, woorden en wercken rekenschap hielden: die steedts besich waren met bidden, leesen, hooren van sodanige dingen die een Mensche wijs konnen maecken ter saligheyt: by haer nemende, doorgaens in weerwil van de Bisschoppen, sodanighe Predicanten die met haer van 't selve gevoelen waren, en door welcke sy in het voorneemen van haer leeven sulcx te richten ghesterckt mochten worden. Die daer over altemet veel hebben moeten uytstaen; dickwils van haer inkomsten, somwylen van

ocr page 106

TWIST DES HEEBEN

102

liaer bedieninglie ontset, altemet in ballingschap ver-dreeven, ten minsten met stilswijgen ghestraft zijn. Invoeghen dat sy niet mogende in de openbare Kercke voor den volcke prediken, om nochtans haer gemoet ende plicht soo veel mogelijck was te voldoen, hier en daer in de Steden ende Dorpen by de Huysen in 't heymelijck onderweesen die gene die met haer eens ghesint waeren. 't Is te schandelijck om te verhalen wat al streeken de vleeschelijcke Bisschoppen met haer werelts ghesinde aenhangh in het werk ghestelt hebben, om die aendringers der nauwer Godsaligheit de voet setten. Konde iemant van sijn gemoet niet verwerven om juyst onder 't prediken een linnen kleet aen te doen, die liet men eenige dagen honger lijden. Nam hy de Ceremonien niet net genoegh waer, men smeet hem in een gat. Boogh hy sich niet eerbiedigh genoegh voor den Altaer, men socht het hem met sweepen ende roeden af te leeren. Deese wierde van sijn goedt berooft. Die verstonck in de vuyligheydt. Geene teerde uyt van gebreck. Sommige bliesen haere suyvere ziele, welker de wereldt niet langer weerdig was, in een luysige gevanckenisse uyt, ende ga^ense soo weer over aan Godt. Gheheele selfs Adelijcke Huys-gesinnen wierden of ghedoodt, of toe de uyterste armoede gebracht. Men stelde meenigte van valstricken voor de getrouwe Leeraers, die het haer onmooghelijck was te ontkomen, indiense niet haer eygen conscientie ghewelt wilden aendoen. De beste, vroomste, yverighste van allen, die de Apostolen sochten na te wandelen, ende die na de sin van de luye buycken wat te neer-

ocr page 107

MET SUN WIJNGAERT.

103

sfcigh in het prediken waren, d:6 sefcte men af en dreefse wegh, Want dat schaemden de Bisschoppen sich niet onder malkanderen ende de hare te segghen, „dat het volck door de veelheydt van predicatien al te dartel wierd, en dat sulcx derhalven behoorde be-snoeyt te worden.quot; Andere dinghen ga ick voor by. Maar een dingh moet ick noch segghen met de woorden van eener, die een medegenoot in de verdrnckinge der Heylighen geweest is. Vocat me Liber Ulo LE-GIERA G US, l£XP UGISlA TORQUA R TT PR E CEP Tl, impunitate nos pelliciens in crimen, d quo nullis satis posnis nos Dans, 'htirruit, Prob dolor! Qaanli slelit Ecdesicv tot fddissimis Pastorihus orbatw, ob ha nc solarn culpam, quod COMMODARE VOCEM PROPAL AN DO FLAGITIO vererentur. Dat gruwel-boek, die quot;Wetverbreeker, en Overmeesteraer van het vierde gebodt, ons met belofte van vrydom locken-do tot een sonde, / waer van ons Godt met alle straffen heeft willen afschricken, roept my nu tot sich. Ilelaes! hoe dier heeft dit de Kercke ghestaen, die soo veel van haer trouwste Leeraers heeft moeten missen, om gheen ander misdrijf, als om datse swarigheydt maeckten haer stemme tot voortsettinghe van sulck een schelmstuck te leenen. Die goede Man heeft sijn ooghe op seecker [ergerlijck en G-odloos boeck door ordre der Bisschoppen yeder parochie-kerck toegeson-den, om opentlijck voor het volck te worden atgelee-sen: waer in het volck geleert wierde, datse, om meerder vermaek te hebben, alle feestdagen ende kermissen houden souden, „en dat sy oock op des Heeren dagh.

ocr page 108

TWIST DES HEEREN

na dat sy eens ter Keroke hadden gheweest, van nie-mant mochten verhindert noch ghesteurt worden in haer gheselschappen en vermaeckingen.quot; Dit wildemen dat de Predicatien van den Predick-stoel den volcke souden voorlesen. En die sulcx consienties halven weygerden, niet durvende haer Toehoorders voorhouden 't geen soo regel-recht tegen het ghebodt van den aenbiddelijcken Hemel-Koningh strijt, wierden sommige maenden langh in de gevanckenisse geworpen, andere gebannen, ettelijcke aen den lijve ghestraft, door het ontsagh ende gewelt der bisschoppen, de name des Koninghs boosaerdiglijck misbruyckende. Dit leert ons de ghemelte Autheur in deese volgende woorden, die vol van pit en kracht zijn. Godts ghebodt is het, dat wy den sevenden dagh van onse besigheden rustende, die ten dienst en tot verheer]yckinge Godes Heyligen sullen. Maer door 't bevel der bisschoppen is die dagh tusschen de menschen gedeelt, en wordt ten groeten deele met onheylige spelen, singen, springen, en worstelen doorgebracht. Alsoo wilden sy, Godts gebodt met voeten ghetreden hebbende, haer beveelen op scherpe straffen gehoorsaemt hebben, verjagende de Predicanten, die de éerbiedigheydt van Godt, van haer conscientie, en van de Kerke die hier in anders ghe-voelt, van 't voorlesen deeses boeks te rugge hield. Jae sommige zijn even daerom de ooren afghesneeden datse de tooneelspeelen teghenspraecken. Veel duysent zijn in ballingschap na andere weerelden weghge-sonden.

Extra anni solisque vlam.

104

ocr page 109

MET SUN WIJNGAERT.

In somma alle sonden waren onder de Bisschoppen gheoorloft, voornamelijck de ontheyliginge van den Sabbath: maer ongeoorloft was het sich vroom ende onbesmet to hou4-en. Hier en bleef het noch niet by. Dien yvergeest der devote gebeden, waer in die heylige Mannen nytmunteden, trachtemen uyt te blussen, of ten minsten binnen de enghte van eenige maer passe-lijck ingestelde formulieren te bepercken. Men ontsagh sich niet te schrijven: „datmen voor het aenvanghen van de predicatie de hulpe des heylighen Geestes in het openbaer niet behoorde te versoecken: noch de predicatie gheeyndight zijnde, sijn bystant begeeren om het gehoorde tot de practijcke over te brenghen.quot; Jae men drongh oock tot de binnenkameren der Heyligen in, en men wilde daer selfs de vlammen des Godde-lijcken yvers in het bidden de maet stellen. Men riep, „dat het voor de Predikanten oock, selfs de Alderge-leertste, niet raetsaem was, dat sy in 't bysonder in haer binnen kameren andere gebeden als die in 't Ce-remoni-boeck stonden gebruycken souden: andersins mochten sy weeten, datse met sulcx lichtveerdigh 't onderwinden Gods Majesteyt smaetheyt aendeden.''^

Oock wierde het voor een groote faute gehouden de gehoorde Predicatien 't huys te herhalen. En die om Menschen te behagen sulcke en diergelijcke heylighe oeffeninghen niet konden achterlaten, daer tegen woed-demen niet minder als eertijdts de Spaensche Inquisitie gedaen hadde. Met sulck geweldt was men 'er op uyt om de kracht der warer Godtsaligheyt te dempen: de goede Engelen wechjagende, en Engelandt in een

105

ocr page 110

TWIST DES HEBBEN

106

Duyvel-landt veranderende. Maer wat wraecke de God-delijoke rechtveerdigheyfc daer over geoeffeut heeft, hoe dat armo landt door Burgertwisten verslonden is, hoe het in sijn bloedt ges worn men heeft, 't welcke ten deele in den oorlog, ten deele door Beuls handen, van groot en kleyn, edel en onedel, tot den Koningh selfs ingeslooten, vergoten is, is al te vers en ruchtbaar als dat het hier een breet verhael van nooden hebbe. Dit sal ick alleen met de vinger aenwijsen hoe droevigh het die Kercken in dat elendige Rijck gegaen is, daer inen, onder schijn van de waerheyt noch te willen behouden, de Godtsaligheyt uytbande. In duysent secten zijn sy gereten, elck helscher als ander, en de rock onser Salighmaeckers is in oneyndighe snipperinckjes verscheurt gheworden. Dermate datter gheen ketterey, Grodtslasteringen, Verwerringhe zy, die in Engelandt niet gevonden of versonnen wort. Met recht hebben dit haer eygon Godtsgheleerden beklaegt, die in haer aenteeckenin ^en op Gen. X: 25 aldus daer van spreec-ken. „Hoe groote overeenkomsten heeft de naeme van PELEG met onse ongeluckighe tijden ? Hoe voel reden hebben wy om de kinderen die ons ghebooren worden oock PELEG te noemen? hoe zijn wy ghedeylt, niet in tale alleen als eertijds te Babel, maer oock in hoofden, harten, handen ? En och of wy alleen gedeelt waren. Maer nu zijn wy onderdeelt in veel factiën der Republijcke, veel schenringhen der Kercke.quot; Kort-om men kan sich gheen woester Chaos, gheen verwerder klomp inbeelden, als de Kercken van dat voormaels soo gheluckigh Eylandt. Lust yemant hier breeder be-

ocr page 111

MET SUN WIJNGAERT.

107

richt van te sien, die leese Honorium Reggium, dc statu, Ecclesiarum in Anglia, 'fc welck ten raoerondeel te vinden is in Hornii Ilisloria Ecclesiastica: gelijk oock de „Historie der beroerten in Engeland,quot; en de Historie der Kercke in Schotlandt,quot; in onse Nederduit-sche tale.

Dit sal genoegh wesen om een yder middaghklaer te doen blijckon, dat Gods recktveerdigheydt de on-vruchtbaerheydt onder de ghenade-rniddelen, ende veel meer noch het moetwilligh verwaerloosen, teghenloo-pen, verstoeten van de selve, in alle eeuwen ghestren-gelijck gestraft heeft.

at isser noch overigh, Leser, dan te toonen dat

CAP. IX.

Nader toepassinghe van dit alles op ons Vaderland, toonende In 't gemeen, dat gelijck het selve overladen is met Gods weldaadcn alsoo oock niet onse misdaden.

het helaas! even soo ghestekl is met ons lieve Vaderlandt? Dat oock het selve soo wel als oyt den Joden, indien niet meerder en overvloedigher ghenaede middelen zijn ter handt ghesteldt; dat echter de selve van ons zijn in de windt gheslaghen; en wy misschien met meerder ondanckbaerheyt dan oyt de Israëliten de selve beantwoort hebben; en dat diesvolgens soowe niet in tijdts op onse hoede zijn, 't welck Godt verhoede, het verderf ons wel oavoorsiens mocht overkomen. Ick verseecker n. Vrienden, 'k soud nu liever schreyen als spreecken willen; soo sie ick ons aen alle

ocr page 112

TWIST DES HKEBEN

kanten bespronghen van Grodts gunste, die we verwaer-loost, van onse sonden, die we ghelief koost en trouw-looslijck aen de handt gehouden hebben; en die daer-om Godts gheterghde lanckmoedigheydt, ick late staen sijn wreeckende grimmigheydt, teghen ons in de wapenen brengen. G-odt heeft ons soo veel goets ghedaen, aen Politie en aen Kercke, als moogelijck eenigh ander volck dat den aertbodem nu bewoont. Hy heeft ons het licht van sijn H. Evangelium nu soo langhe verleent. Hy heeft ons landt gestelt als een ander Jerusalem, van het welcke des Heereu woordt tot andere is uytgegaen, alhoewelwe noch onghelijck meer tot be-keeringhe der Heydenen hadden kunnen bybrenghen ; en isser eenig volck onder den Hemel dat van den Hemel begenadigt is geweest, soo zijn wy het. Maer wat hebben wy den Heere daer voor vergolden? hoe hebben we die sorghe beantwoordt die hy voor onsen welstant gedraghen heeft? Ick betuyghe een yeghelijck die oogen en conscientie heeft, hij sie eens rontom hem, jae hy sie eens in sijn eyghen herte, of we het al een hayr beter hebben ghemaeckt dan de Israeliten. Och hoewel soud God die oude klachte nu verniewen moghen : „Wat isser meer te doen aen mijnen Wijngaert?quot; amp;c.

't Zal de pijne-waert zijn, dat we hier in eens wat verder treden; op dat we onse ongerechtigheydt kennende beschaemt mogen worden? en met Ephraïm op de heupe kloppen. quot;Wy sullen te dien eynde eerst eens toonen, wat al genademiddelen Godt ons verleent heeft: en daer na, dat we geensins daer op vruchten voortgebracht hebben, die der bekeeringhe waerdigh

108

ocr page 113

MET SUN WIJNGAERT.

109

zijn, maer in teghondeel Godt en sijnen Geest bedroeft met stinckende druyven. Die order sullen we houden: want Godt gaet ons soo voor. En teghen-strijdighe dinghen by malkanderen gestelt zijnde toonen des te meer af. Ja dit is bet dat onse sonden seer verswaert, dat wijse tegens de stroom van sijne vaderlijcke goe-■dertierenbeden aen bedroeven hebben: het welcke met „een yseren griffie, met het punt eenes Diamants in de Tafel van ons harte behoorde gegraveertquot; te zijn, op datwe ons te dieper mochten verdemoedighen voor onsen Godt. Hoe godloos we oock geworden zijn, nimmermeer moetenwe echter vergeten het goet, jae die wonderen, die de Heere aen ons landt ghedaen heeft. quot;Willen het andere doen; immers ick en sal niet nalaten en my selve en de mijne die by alle gelegentheydt in te scherpen, 't Zijn dinghen „die we gehoort hebben en weetense, en onse Vaders ons vertelt hebben. quot;Wy sullen het niet verberghen voor hare kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loflijckheyt des Heeren, ende sijne sterckheydt en wonderen die hy gedaen heeft.': Soo moetenwe de belijdenisse „van Godts goetheydt en onse snootheyt,quot; steeds samen laten gaen. Een wijdt en breedt velt wort my hier op-gedaen, en ick soud een groot boek moeten schrijven wild ick alles, al was het slechts met de vinger, aen-wijsen wat hier toe geseyt kan worden. quot;We sullen onse loopende penne wat inteugelen, en ons selver houden binnen de gelijckenisse van een Wijngaerdenier en Wijngaert daer toe ons Godt hier aenleydinge geeft.

ocr page 114

110 TWIST DES HE EREN

CAP. X.

Bewijs dat Godt ons soo wel als de Israéliten uyt JEgypten uytghe-voert heeft.

Immers past Let ons niet minder als op Israël, 't geen de Psalmist songh, „ghy hebt eenen wijnstok uyt iEgypten overghebracht.quot; Het diensthuys daer onse salighe Voorvaders, de vroome Christenen deeser landen, ingeseeten hebben, onder de Tyrannye des Pausdoms ende de woede der Spanjaerden, ils een yseren oven geweest, waer by de slavernye van Godts volck onder Pharao nauwlijcx is te gelijcken. Laet ons dit wat hooger op halen, van die tijdt af dat eenighe in merckelijcken aantale, met de eenvoudigheyt des Evan-geliums te vreede zijnde, alle bylapselou der Menschen verwierpen, en na het suyvre voorschrift Christi en sijner Apostelen gevoelen, spreeken, leeven wilden; sonder haer ghewisse dienstbaer te maecken aen enighe menschen-vonden. Het eerste dat wy daer van in onse Nederlanden vernemen konnen is ontrent den jare twaelf-hondert gheweest, of weynigh te vooren: als wanneer de Waldensen, of Vaudoisen, schrickelijck in Vranckrijck vervolght wordende de vlucht koosen, en sich in groote menigte op de grensen en in het gebiedt van Nederlant neersloeghen. Dan met haer en met haer leere braken oock bloedighe vervolginghen in: De helderheyt des Evangeliums den Vorst der duisternisse en sijn suppoosten met soo fel een kracht in d' oogen glinsterende, dat het hen onmogelijck was die te verdragen.mmers past Let ons niet minder als op Israël, 't geen de Psalmist songh, „ghy hebt eenen wijnstok uyt iEgypten overghebracht.quot; Het diensthuys daer onse salighe Voorvaders, de vroome Christenen deeser landen, ingeseeten hebben, onder de Tyrannye des Pausdoms ende de woede der Spanjaerden, ils een yseren oven geweest, waer by de slavernye van Godts volck onder Pharao nauwlijcx is te gelijcken. Laet ons dit wat hooger op halen, van die tijdt af dat eenighe in merckelijcken aantale, met de eenvoudigheyt des Evan-geliums te vreede zijnde, alle bylapselou der Menschen verwierpen, en na het suyvre voorschrift Christi en sijner Apostelen gevoelen, spreeken, leeven wilden; sonder haer ghewisse dienstbaer te maecken aen enighe menschen-vonden. Het eerste dat wy daer van in onse Nederlanden vernemen konnen is ontrent den jare twaelf-hondert gheweest, of weynigh te vooren: als wanneer de Waldensen, of Vaudoisen, schrickelijck in Vranckrijck vervolght wordende de vlucht koosen, en sich in groote menigte op de grensen en in het gebiedt van Nederlant neersloeghen. Dan met haer en met haer leere braken oock bloedighe vervolginghen in: De helderheyt des Evangeliums den Vorst der duisternisse en sijn suppoosten met soo fel een kracht in d' oogen glinsterende, dat het hen onmogelijck was die te verdragen.

't Was hen niet ghenoegh de Voorstanders daer van,

ocr page 115

MET SUN WIJNGAERT.

Ill

met helsche lasteringhen van ongelooflijcke onreynig-heydt, Tooverye, Duivels-dienst, te bekladden; en de bekentenisse daer uan eerst door klem van ongehoorde pijningen, en daer na door schoone beloften den on-nooselen ter monde uyt te wringen. Maer men begon aen haer in deese Nederlanden die gronwelijcke inquisitie. Welke naem met sijn klanck alleen, ghelijck het Hooft der Nederlantsche History-schrijvers seyt, tot een gheessel der oorcn gheworden, ende tot de kracht van een inscherpende beteeckeningh ghekomen is. Een wreetheydt die door Ferdinant van Arrogon, en Isabelle van Castillien, eerst teghen de Mooren en de Joden in Spanjen begonnen zijnde, daer na teghen en alderbeste Christenen is in 't werck gestelt, met soo onmenschelijck een woede, £dat noyt een ghevleeschte Duyvel yet helscher in de sin kan komen. Hipr mede is men doe al de rechtsinnige in Nederlandt te keer ghegaen. En als of dit aldernauwste ondersoek niet genoeg en ware om haer te ontdecken, wierden sommige op proeven gestelt, die uyt het Heidendom ontleent, en onrechtveerdigh zijnde, oock onbequaem waren, om de waerheydt uyt te vinden, De verdachte most een gloeyend yser, daer eenige besweeringhe over geschiede, in sijn bloote handt neghen voetstappen voort-dragen : daer na wierdt de handt bewonden, versegelt, en na drie dagen beschouwt. Versengt of beseert zijnde, hield men dat voor een be wijs-teecken van schuit, en velde daer op het vonnis des doodts. Somwijle liet men de beschuldigde de naeckte arm tot de elleboog toe in een ketel van siedend heet water steeken, welcke

ocr page 116

TWIST DES HEEREN'

maniere van doen in de oude Nederlantsche, insonder-heydt Friesche, wetten, wordt aengewesen door het woord Ketel-Vangh. Men wierp oock eenige, ter proeve van schuit of onschult, moedernaeckt, in een koud diep water, 't welck beswooren wierd de schuldige niet te ontfangen maer te laeten drijven. Het zin eken was hun dan een teecken van suyverheydt. Als men nu na die bedriegelijcke proeven yemant aen die gewaende kettery schuldigh uytgevonden had: wat denckt ghy was de straffe van soodadige ? 't Hooft wierde hun ge-deckt met een papiere mijter, daer de gedaente van een Duyvel opgeschildert was, in sulcker voegen als sy beleden hadden hem te eeren, gelijck men haerop-leyde, somwijlen was'er oock een menselicboelt opge-maelt in 't midden der vlammen ende ronttom vliegende Duyvel, en dus wierd de verwesene ten viere geleyt. Met so bitter een dartelheyt der schemp lust het der wreetheyt te tonen hoe leet het haer is, dat haer macht soo verre niet gaet als haer boose wil. Maer noch wierd een ander straffe versonnen, die door haer lanck-duyrigheyt veel smertelijker was, ende de Waldensen in Vlaenderen wierd aengedaen. Hunne kleederen tot den navel toe uytgeschut, en den huyt soo ver afgevilt zijnde, bondt men hen aen palen: daer bracht men dan gheheele korven ende swermen van horselen of bijen ontrent, die de gevilde in de versche wonden van dat rauwe vleesch staken, en aen alle kanten sender ophouden dach en nacht pijnignen, tot dat sy ten laetsten aen 't eynd gemartelt den geest gaven.

Dus gingh de geestelijkheydt aen tegen die onnoosele

4

112

ocr page 117

MKT ÖIJN WUNGAERT. 11.'3

Menschen, die men voorgaf met ketterye besmet te zijn; als of de moorderye der vroome Christenen, die niet alleen na het beelt Godts geschapen, maer oock na het beelt Christi herschapen zijn, niet de onsinnigh-sto van alle ketteryen was. Maer noch en had de wreetheyt hier mede haer sat niet. Al wie sicb maer in 't minste, tegen baer of het hare, na hun sin, misgreep, van wat staet by oock wesen mochte, was het voorwerp \ an bun woede. Kond men bom niet bekomen om aen den lijve te straffee, men donderde en blixemde tegen hem dan dese ysselijke vloeck uyt: die van wegen bare helscbe gruwelijkheyt, weerdig is om immers ten deele hier ingelijft te worden: op dat de Nakomelingen, die dit lesen sullen, sien mochten op hoe ruw een maniere men baer Voor ouders gbehan-delt beeft. Dese vloeck dan luydde aldus. „Uyt last van de Vader Soon en beylige Geest, en de Heyligo Maria, amp;c. Wy vervloecken ende scbeyden af van do Heyligbe Moeder de Kercke, die (dit óf dat) gbedaen, of daer van gbeweeten, of daer tóe gheraden hebben. Dat de vloeck baer scbende in baer buysen, schuren, bedden, velt, acker, hofstede, in allo steden ende burgen. Dat sy vervloeckt zijn in bos, vervloeckt in rivieren, vervlceckt in Kercken, ende hare Hoven, vervloeckt jVoor den Richter, vervloeckt in het vechten ende strijden; vervloeckt in bet bidden, in hetspreec-ken, in het swijgben, eeten, drincken, ende slapen; vervloeckt in het waken, vasten, wandelen, sitten, staen ende loopen, en rusten en rijden. Dat sy vervloeckt zijn in het hooren, sien ende smaken; vervloeckt in

8

ocr page 118

TWIST DES HEEHEN

114

alle hare wercken. Dat de vloeck schende hare hoofden, ooghen, en al het lichaem van de kruyne des Hoofts af tot de sole toe van haer voeten. Ick besweer u Duyvel, ende allo uwe Trawanten, door den Vader en den Soone ende den heyligen Geest, dat ghy geene rust neemt dach ofte nacht, tot dat ghy haer gebracht sullen hebben tot eeuwighe ende tijdelijcke schande; 't zy met haer te doen verdrencken, of hanghen, of verslinden van de wilde Dieren, of verscheuren van het wilt en grijpende ghevogelte, of verbranden met den vier, ofte doen omkomen van hare vyanden, ofte doen ghedoodt worden van alle levende. Laet haer kinderen wesen worden ende hare Vrouwen weduwen: niemant zy haer voortaen tot een helper, en niemandt ontferme sich over haer weesen. En even gelijck als Lucifer gesmeten wierd uyt den Hemel, en Adam ghe-bannen uyt het Paradijs, laet haer oock alsoo uytge-smeten en verbannen worden uyt dese werelt, uyt al haer goet ende have, en laet haer begraven worden bij de Eselen. Laet haer deel hebben aen de straffe van Datan en Abiram, en Judas en Pontius Pilatus, en met alle die welcke tegen God haeren Heere ge-seght hebban; wijekt van ons, wy willen geen kennisse hebben van uwe wegen.quot; Deese dus uytghesprooken zijnde by de geestelijcke, namen sy in handen twee brandende keersen, en blusten die flucx uyt, de reden daer van bediedende met deese schrickelijcke woorden: „Ik besweere u Duyvel, ende alle uwe Trawanten, dat even gelijck dese keersen uytgeblust worden in onse handen: ghy oock uytdoet en weghneemt het licht

ocr page 119

MET SUN WI.INGAKRT.

van haero oogen, tenzy dafc sy haer bekeeren en vol-doeniBghe geven. Het geschiede soo, liet geschiede soo. Amen.

O schrick! O gruwel! dat die gheene die geroepen zijn om ^het erfdeel des Heeren te segenen, het selve met soo helsche vervloeckingen op den lijve vallen. Zöuden alle de iEyptische Toovenaers op een getast of samengesmolten zijnde, wel yet teghen Israël hebben konnen versinneu, dat daer na gheleecke? Maer ghe-lijck dit een hetooninghe was van haer uyterste boos-heyt, en een bewijs van haer Godtvergeeten trotz, wanende dat alle macht der Helle op hun besweeringe haer ten dienste most staen ende als beulen gebruyc-ken laeten; alsoo was het oock een bekentenisso van haer machteloosheyt, die sich andersins met sulcke ydele vloecken, welcke heel licht den Vloecker selve t'huys komen, niet soud hebben laeten paeyen. Daer macht ontbreeckt versaet sich 't hert met wenschen.

Maer noch was dit alles slechs een beginsel der smer-ten, in vergelijckinghe van het geene de latere tijden aen het volgende geslachte hebben uytgelevert. (lelijck de rampen van Godts volck in iEgypten verswaerdt wierden doe Mose en Aaron van G-odt tot bevorderinge harer verlossinge wierdon ghesonden: Alsoo oock als die „twee ghetuyghen macht ghegeven wierde om te propheteren,quot; en dat het licht herder prophetie, de Menschen tot geesteiijcke vryheyt roepende, tot ons Vaderlandt doordrongh; doe scheen dat wreede Beest der Tyrannye op nieuw oock macht gekregen te hebben om krijgh den Heylighen aen te doen. Doe ver-

115

ocr page 120

TWIST DES HERREN

116

bitterde de boosheydt der mate, dat gheen soorte van woede wreet genoegh scheen teghen hen die Godt met een goede conscientie, na het voorschrift van sijn hey-ligh woordt, wilden dienen. Men maeckte daer plac-eaten tegen, die, ghelijck men eertijdts van Dracoos wetten seyde, niet soo seer met inckt als mot bloet' scheenen geschreven te zijn. Die van de Goddelijcke letteren ghesproocken, die bysondore vergaderinghe ten insiqhte van G-odts-dienst by ghewoont hadden, sonden, indien het Mans-persoonen waren, met den swaerde ghestraft, indien Vrouws-persoonen, levendigh onder de aerde bedolven worden; wel verstaende, soo sy eerst schuldt bekenden; maer soo sy hartneckigh bleven, wierden sy met den viere verbrandt. Oock die gene die sich maer een verkeert ghevoelen hadden laten dietzmaken, schoon voor de rest xmschuldigh en betuy-gingh van haer leetwesen doende, wierden nyt alle eerampten nytgeslooten. Die een Predicant geherberght en niet aengebracht had, kond het niet minder als met de doodt boeten. En even gelijck Pharao tot dempin-ghe der Israel iten van haer nieuwgeboren Kinderen sijnen aenvangh maeckte, en daer ontrent wreede bevelen aen de Vroetvrouwen gaf, soo vatte men de sake hier mede tot nytroeyinge van de Belijders der warer Godtsdienst. Geen Vrouwen mochten in Hollandt Vroetvrouwen worden, ten zy sy met eede beloofden, dat sy ontfangen Kinderen, binnen vier-en-twintigh uuren aen de Priester van haer Karspel souden aengeven, op dat men wiste of sy op de Eoomsche wijse gedoopt waren. De Vrouwen ten uytersten swaer gaende ende buyten

ocr page 121

MET SUN WIJNGAERT.

117

woonstede barende, mosten't buys komende behoorlijck bewijs brengen, van de plaetse daer sy in de kraem geleegen hadden, daL hare kinderen na de ghewoonte van de Roomsche Kercke ghedoopt waren, en dat op peene van verdacht ghehouden te worden. Soo socht men deese kieckens der Paradijs-vogelen in de dop te smooren. En met het uytvoeren deeser Placcaten wierde soo fel voortgesweept, dat het voor een onvergeeflijke sonde gerekent wierde soo hier ende daer de Overheyt wat door de vingeren sach. Dat waren de beste Yve-raers in des Spaenschen Koninghs oogen, die besich met het rechten van galghen, staken, schavotten, met het toestellen van koorden, ketens, kerckers, in die averechtse Inst van Christen-bloedt te vergieten een heyloose leckernye vonden, 't Gingh dan aen elcken kant Op een vanghen en spannen, van allerley staedt allerley sexe, allerley ouderdom. De galgen hinghen gherift; de raden, de staken, de boomen aen de wegen stonden verladen met lijeken, gewurgt, onthalst, ghe-brant, soo dat de lucht, tot ademscheppinge geschapen, den menschen nu als in ghemeen graf, ende wooningh der overledene, verkeerde. Elck dagh had sijn deerlijck-heydt, en 't baffen der bloet-klock, dat den eenen met de doodt van namaegh, den anderen met die van swa-ger of vriendt, in 't herte klonck. Gheheele Landtschap-pen en Provinciën wierden op het alderonwaerdighste uyt den schoot der weelde geschopt, en aen beuls ende bloethonden te verscheuren gegeven. De voortreffelijck-ste Edel-lieden en pylaren van den staet, tot Princen en Graven toe, wierd haer vertrouwen met wantrouw.

ocr page 122

TWIST DES HEEKEN

118

haer trouw met trouwloosheyt schandelijck vergolden, en mosten haer Eedele necken aen het sweert van een snoode Beul ten besten geven. Om geen ander misdrijf, dan dat sy het stroopen en moorden van arme eenvoudighe menschen afgheslaghen, een afkeer van de wreetheydt beweesen, ende 't quaedt datse den lande baren soude, na Leen- en Raetsmans plicht gewaer-schouwt hadden. Ja sulcx was de Koningh op deese heylooze leckernye versot, dat als eene van fijn staet-kundige hem 't gevaer, van door die strengigheydt licht al de Nederlanden, of immers een groot gedeelte der selver te verliesen, voor ooghen stelde; en dat het raetsaemst ware den eysoh van tijdt en saecken wat toe te geven: soo antwoorde hij: „dat hy liever alle sijne Koninckrijken verliesen wilde, als die besitten met kettery.quot; Noch verder gaet het 't geen den Jesuit Strada verhaelt, uyt den mondt van eenen te hebben die den volgenden handel heeft by gewoont. De Koning had verscheyden Godts-geleerden by een geroepen, en haer hun oordeel over de vryheydt des Godtsdienstes die sommige Nederlandsche steden soo aenhoudelijck ver-sochten, afgevordert. Het meerendeel, de staet van die Provinciën insiende, waren van verstande, „dat sijn Majesteyt, om grooter quaden voor te koomen, sonder Grodt te vertoornen, die volckeren in de vryigheydt van Godts-dienst wel wat mochte te wille zijn.quot; Maer hy seyde, haer niet ontboden te hebben, om te weeten of hy mochte, maer of hy nootsaeckelijck moste de schoot in desen wat verder vieren. En als sy antwoorden, soodanigh een nootsaeckelijckheydt juyst niet te

ocr page 123

MET SUN WIJNGAERT.

sien; soo viel hy in hun tegenwoordigheydt op sijn knyen voor een Krucifix neer, ende slaeckte deese woorden, die de wreede Jesuijfc voor een bewijs van onglie-meene Godtsaligheydt opneemt. „Maer ick bidde uwe goddelijcke Majesteyt. O Koningh aller Koninglien, ghy wildet my altijdfc deese sinnen behouden laten, dat ick noyt als myn onderdanen dulde, die u voor haeren Heere niet erkennen willen.quot; Dat is na sijn meeninge, die aen alle beuselmaren ende onger ij rotheden van den Pauselijken Godtsdienst juyst haer segel niet steecken. Recht als Pharao, die liever sijn lant bedurven, dan de Israeliten in vrylieyfc sach, om hun Godt nae sijn voorschrift te dienen. Als sijn Heer Vader de Keyser Karei selfs, in tegenwoordigheyt van den Prince van Oranje van den Grave van Bossa, en andere Grooten, hen waerschouwde; Hy sach, soo die Spaensche hoogmoedt en opgeblasentheydt niet inghetoomt wierde, deesen staet haest te gronde gaen; zijnde de Nederlanders ghe-schaepen niet langh dat vermetel heerschen te dulden: Soo konde noch Vaderlijcke achtbaerheydt, noch eyghen oorbaer, noch recht, noch eed, die lust tot tyranigh gebiedt lessen.

Dus wilde men het gewisse ende de Godtsdienst verkrachten. Met de Privligien van 't landt, met het goet ende bloet der onderdanen, gingt niet een hayr beter toe.

Men gaf die barsse raet van Alva gehoor, die voor den Koning dorste uytstaen. Hy soude die segels, die mercken van onmondigheydt sijner voorsaten verpletten; die hantvesten, die knibbel-brieven, die smadelijcke

119

ocr page 124

TWIST DES HEEREN

vorsten-boeyen, queeckruyten van morren en muyten, (dus noemde dit ghedrocht 's lands dier-beswooren vrijheden) aen flarsen scheuren; dat francijn, dat was, als poppen geleyt om brandt van oproer te stichten, eens voor al in 't vuur werpen. Dan nieuwe wetten, nieuwe ordre gestelt, en den veroverden gheweste een scherpe breydel in de beek gewrongen. Soo waer 't eens uytge-pleyt tusschen Lant-Heer en gemeente.

Daer op volgde het Spaensche Vonnis, waer by ver-klaerd wierde, dat in 't gemeen alle Previlegien ende vryheden van 't landt verbeurt waren, en dat het te houden was als een lant van nieuws geconquesteerd met wapenen, om alsoo vryelijck te mogen handelen met der onderdanen lijf ende goet na haer lust en goet-duncken. Alva ende Vargas waren recht de Mannen om dit uyt te voeren. En 't was niet sonder verbaest-heydt aen te mereken, dat een volck soo bloeyende in konsten en welvaert, een edeldom soo trotz ter wapen, gemeente soo moedigh voor desen op haer vryheyt, sich nu van de snootste en eerlooste der aerde de buyk liet intrappen; dat een stuck rabauws met landt ende Luyden na sijn baldadige dertelheyt omsprongh; met hun goet, lijf en leven, min noch meer dan met lorren spelende. Want wie in alle gewesten waggelde het hooft op den halse niet, daer twee of drie schudden, alle siende na de mondt van eenen Vargas, reuckelooslijck het vonnis streecken? En noch dorste dien booswicht seggen, dat Nederlandt door een malle barmhertigheydt verlooren gingh. Min noch meer dan Pharaö Mose ende Aaron, klagende over de lasten der kinderen Is-

120

ocr page 125

MET SUN WIJNGAEUT.

raëls, toegraüwde: Siet het volck des landts is al roede te veel: En soudt ghy haer doen rusten van hare lasten ?

Uyt dusdanig een ^Egypten heeft Godt onse Neder-landtscho wijnstock overgebracht.

Hoe de Hoerj ons gheplantet lip.eft als een Ecdelc wijnstock.

ese Nederlantsche wynstock lieeft do Heere tot

CAP. XI,

___ eene uytmuntende en Eedele wijnstock ghe-

maeckt, beide in voor troffel ij ckheyd t^en nytstreckinghe. Hy heeft de selve door do verkondinge van liet snyvre woordt der waerheydt ingeëntet in de ware wijnstock Jesns, en sulcx ghesegent dat so niet alleen vecle voor-treffelijcke vruchten van gheloovo en heyligheydt heeft voortghebracht, maer oock hare tackeii wijt en zijt nytgespreydt. In vooghon dat men op ha^r sond kon-nen passen :t geen Jacob eens van Joseph-seide : Hy is een vrnchtbaer tack, een vruchbaer tack aan een fon-teyne, elck een der tackon loopt over de muur.

Doe de gantsche wereldt by na in oen dicke duis-ternisse der onwetenhoyt bedolven leggende sich verwonderde datse Paeps gheworden was, heeft de Heere de voncken van sijn Hemels-licht hier in ons Vader-landt noch al te glooron en te glinsteren geleydt.

In liet voorgaendo Capittol is gotoont dat die oprechte en Grodt-yverige quot;Waldensen door de felheydt der vervolgingo uyt Vranckrijck ghejaeght zijnde, sich ten deole in de Nederlanden hebben ter neer gheset.

121

ocr page 126

TWIST DES HEEBEX

Maer daer en zijn sy niet gekonicn, ofse hebben een licht van Evangelische kennisse; en een vlanime van Goddelijcke liefde en Hemelsche yver met sich glie-bracht, waerdoor sy onse Landtsaten bestraelt en ont-fonckt hebben. Sy vertolckten in de gerneyne tale de heylige Schriften, die het goede volek misschien noyt so had moghen leesen. Doch dit deeden sy in Rijm volgens de gewoonte van die tijden, herkomstig van de Oude Duitschen, die alles wat gedenckwaerdigh was op soodanig een maniere plachten te verkondighen. En dat dese vertalinge des Bibels in het Nederduyts al seer ont moet wesen, blijckfc nvt haer woorden en spreeckwijsen, die reeds soo veroudert en versleten zijn, dat onse tijdtgenooten die ter nauwer noot ver-staen konnen. Een staeltje daer van sal ick, uyt de Historie aen de kant getekeut, te berde brengen. Tot-reden van de vertolkinge des Goddelijcken boecks brengen sy dit by; „dat daer in groote nutschap was: no boerte, no fabulen, no truse, no faloerde, met weere woorden. Dat hier en daer wel was een herde coerste, mer dat het pit ende die soetheyt van goed endo selig-heydt der in wel was te bekinnen.quot; Hier hadden nu onse Landtsaten door de hulpe der Waldensen, een previlegien die meest alle andere landen des Christen-doms in Europa missen mosten. namentlijck de heylige Schriftuyre in haer eygen tale. Diese buyten twijffel met onverdroten neerstigheyt gheleesen hebben, de woorden des Heeren gretighlijck opetende, doe sy de selve gevonden hadden.

Dit verdient oock sijn bysondere oprnerckinge, dat

122

ocr page 127

MET SUN WIJNGAEET.

do suyvre leere der regtveerdigmakinge, dewelke, ge-lijck de Bohemiten wel seyden, „de somma van het gantsche Christendom, ende de Godsaligheyt is,quot; schoon se soo verdraeyt wierdt in de schooien, soo verbastert op de Predickstoelen, nochtans soo eenvoudigh en soo troostelijck onse Vaderen is vooi'gehouden op haer kranok en doodt-bedden; al lange voor de tijdt van de doorbrekende groote Reformatie, 't Sal, hoop ick, de nakomelingen niet onsoet vallen hier eens te lesen, hoe men haer Voor-onderen heeft leeren sterven, haer al endo aelijck na de Heere Jesus toewijsende, om hun vertrouwen alleen op sijn verdiensten te stellen. Te dien eynde sal het my niet verdrieten, uyt seecker boeck van den Hoogh-geleerden Heere Johannes Hoorn-beeck, (onsen waerden en Hoogh geachten Meester, wiens naem (spijt der nijdigheyt) by alle Liefhebbers der Godtsalighe geleertheydt in segeninge weesen sal) uyt te tekenen de aensprake dienen in deese landen hy oudts tot den stervenden gebruyckte, soo als hy ons de selve uyt een heel oud Duyts boeckje heeft mede gedeelt: alleenlijck tot beter verstandt van mijn leser, die oude spellinge der woorden na het gebruyk van deese tijden wat schikkende. Dese aenspraecke dan luyde aldus.

„Hier begint de Commendacie (of aensprake) die men „leest voor de siecke Menschen als sy leggen op haer „uytterste. Men vindt beschreven in Sinte Anselmus „boecken datmen een Christen mensche die op sijn „verscheyden leyt, eer hy sterft en dewijle hy hem „verweert, deese vragen voor sal legghen. Verblijdt

123

ocr page 128

TWIST DES HEKKEN

124

„ghy u dat ghy oen Christen rnensche zijt, en in het „Christen gheloove sterven wilt, als het de wille G-odt „is? Ende soo sal de siecke seggen, Ja ick. En soo „vraeght men voort. Berouwt het u dat ghy soo wel „niet geleeft en hebt, als ghy met eere gedaen soudet „hebben? Ja het. Berouwen n uwe sonden, ende hebt „ghy de wil u leeven te beteren, of Godt u sparen „wilde? Ja ick. Gelooft ghy dat onse Heere Jesus „Christus voor u ghestorven is ? Ja ick. Danckt ghy „en looft ghy hem daer voor? Ja ick. Gelooft ghy dat „ghy niet behouden en moehtet worden, „ten ware „overmits den doodt ons es Heeren?quot; Ja ick. Soo looft „dan en danket Godt soo langh ghy leeft, en de siele „in u is, „en set al uw gheloove en hoope, en uw „liefde in hem , en in anders gheen dinyhen, en be-„veel u selve aen het lijden ende de doodt onses Hee-„ren Jesu CJlHsti, en bewint u selven daer in met ghe-„peynsen, en met een bitter overdenken, enbeschuddet „u daer meede.quot; Ende wil u die overste Rechter ver-„oordeelen, soo segghet aldus. „Heere, den doodt Jesu j! Chris li die set Ick tusschen my en uw oordeel, en „anders en vermeete ick my yeen werek. En seyt do „Heere dan: Ghy hebt de verdoemenisse verdient. Soo, „segghet: Heere uwe ontfermhertigheit en uwen bitte-„ren doodt die voeghe ick tusschen u ende my. En „segget: Heere Jesu Christe, Soone des Leevendighen „Godts, ontfermt u mijner door uw bitteren doodt. En „denckt dat een druppel bloedts, 't welck uyt den ge-„seegenden lichame onses Behouders ende Heeren Jesu ^Christi quam ghenoeg hadde gheweest om de wereldt

ocr page 129

MET SUN WIJNGAEBT.

„daer rueede te verlossen. En als de mensclie sterft, „salmen hem voorseggen sijn Endel-vers; (of laeste „reden) ende dat Inydt aldus. „In uwe handen beveele „ick mijnen Geest; Gliy hebt tny verlost 6 Heere ghy „Godt der waerheyt. Verlicht mijne oogen op dat ick „niet ontslape in den doodt, en dat mijn Vyandt niet „en segghe, lek heb macht gehadt tegens hem. Heere „Davids Soon ontferm u mijner. Christe Soone des „Leevendigen Godts ontferm u mijner.quot; Soo wie dit „leest of voorgeseit word in sijn uyterste, of eer hy „sterft, op dat hy kennisse ende rouwe van alle sijne ^sonden hebben, en soo hy onrecht goet heeft weder-„gekeert, en sijn leeven wil beteren, is't dat Godt hem „wil sparen en dat hy te lijve blijft, „sor aiach waer-„achtelijck die mensche vrijelijck ende seeckerlijck „sterven.quot;

Ghy siet daer hoe de ziele des menschen op sijn uyterste, 't eenemael uyt haer selve gedreven wrordt, en geleert sich niet te vermeeten van eenighe haerder eygene wercken of in geheelde verdiensten. Ghy vindt hier het minste gewag niet van Santen of Santinnen, noch van haer voorbede, of van gewaende overtollige werken. Ghy hebt 'er maer een eenvoudige aenmaninge ter boetveerdigheydt: En een voorstel des Heeren Jesu Christi met sijne verdiensten als des eenigen en vol-maeckten Salighmaeckers; op wien alleen de siele sich ton vollen verlaten kan en moet; sonder eenigh ander dingh beneffens hem tot de grondt van haer vertrouwen te stellen. Ghy hoort hier de boetveerdige en ge-loovige siele niet verschricken met de vlammen van

125

ocr page 130

126 TWIST DES HEERKN

een veerdicht Vage vier. Men verwart haer niet in die dubbingen en duttingen van een troosteloose twijfel-moedigheyt. Maer men leert haer op dese onwrickbare grondt met een seeckere verwachtinghe der saligheyt van hier scheyden. Voorwaer dit heeft my altoos ge-scheenen een bysondere liefde te weesen, die Grodt de Uy t ver ko oren e in ons Vaderlant beweesen heeft, dat hy in de tijden van die algemeene verdorventheyt, haer „deese vaste Troost-Leere van de Rechtveerdigh-maeckinghe des armen Sondaers voor Grodt,quot; op haer doodt hebbe, daer de siele het seeckerste bericht van nooden heeft, suyver heeft laten voorstellen. Dat is de sorge die hy voor sijn Wijngaert hier gedragen heeft, om haer wel hecht te planten in die ware quot;Wijnstock Jesus, op dat sy uyt hem alleen het sap der sielver-quickende vertroostinghe, en des eeuwigen Salighen leevens suyghen mochte. 't Is niet qualick geseydt, „dat Grodt op aerde een Kercke sal hebben soo langh als deese leere staet.quot; Dewijle hy dan de selve door sijne bysondere voorsienigheydt tot dus verre in ons Vaderlant ongekreuckt bewaert heeft: soo is 't immers een proeve dat hy sich daer een Wijngaert geplant, en een gemeente ghestichtet heeft. Evenwel en kan men niet loochenen, of veele en sware misverstanden in het stuck van den Grodtsdienst waren doorgaens ingebrooc-ken, eu schier in staet om het overige van den Grodtsdienst te verkrachten. Maer de Heere die verweckte telckens de soodanige die de dwalinge ontdeckende der waerheyt getuygenisse gaven, oock uyt dien hoeck daer men het minst van verwachten soude. Wie soud

ocr page 131

MET SIJX WIJNGAERT.

dencken dat van Kamerspeelders en Retorikers yets heylighs sonde voortkoomen; En nochtans die selve Godt die eertijds de mondt van een Esel geleent heeft ora Bileam van sijn boosheyt te overtuyghen, heeft oock die kluchtige gesellen doen dienen aen sijn goedertie-rentheyt. Deese dan in plaetse van de omstanders voor te. houden wat grillighs en dertels, brachten op het tooneel niet als statelijcke personagien, van 't Schrifts ondersoeck verkeerden sin, stervende Mensche, 's Men-schen bystant, Redenen, de Wet, Eyghen Betrouwen, en dierghelijcke meer: door de welcke niet anders voorgestelt en verhandelt wierde als sekere vragen, raekende het stuck van den Godtsdienst, het geloove, versterckinge en vertroostinge van het ghewisse, eude wat van die üieer mochte weesen. De antwoorden daer op gegeeven bonden sich niet aen 't oordeel van de Paus of Roomsche Kercke, maer aen de Schriftuyre en redenen. Jae de Heylighe Schriftuyre selve, die men 't huys niet mochte op slaen of ondersoecken, om dat men vreesde dat door het lesen der selve de insettingen en leeringen van de Roomsche kercke lichtelijck in dwalingen by de gemeyne Man betrapt souden worden, wierde op het Toneel gebracht als een personagie, en geduyrig gebruyckt om te geeven rechtmatige en bon-dighe antwoort op de voorgestelde vragen.

Hoe wonderlijck weet Godt de saken om te keeren ten besten van de sijne ! 't geen de stoel der waerheydt behoorde te weesen, wierdt in een^ banck der spotters verandert. quot;Want wat waren der Monicken Predicatien anders als spottelijcke smaetredenen tegen Godt en de

127

ocr page 132

TWIST DES HEERE.V

Menschen? Die het lust kan een staeltjo daer van lee-sen in de Historie van die rechte Patriot Emanuel van Meteren, in het achtste boeck ontrent het midden. Maer nu verandert Godt de banck der spotteren in een predickstoel van sijn heylige waerheydt. En op dat sijn volck niet tenemael ontbloot souden zyn van het ware Evaugelium, soo laet hy het he.er, immers ten deele, door de Rhetor ij okers verkondigen.

Maer 't was de Heere ernst, en hy en wilde het by Toneel-speelen niet laten blijven.

Het luste sijn Almachtige Majesteyt te toonen hoe hy de bitterste vyanden van de waerheydt tot voort-settinghe der selve weet te ghebruycken.

Noch wel een gansche eeuwe voor hot doorbreecken der grooter Reformatie, scheen het licht der Goddelijcke waerheyt soo helder by de Bohemers, doch de Geest§-lijcken oock in Nederlandt, schoon soo verre van haer afgelegen ^zijnde, soo bijster in het oogh, datse met groote kracht de trommel roerden, de basuyue staken, ende alarm bliesen, om het volck des landts tegen die vroome Christenen op te maecken, als teghen verwaten Ketters, die by Godt ende de Menschen verdoemt waren, en weerdig om tot een toe uytgedelght te worden. Overgroote beloften van een salig toekomende leven deedmen aen die geene die sig tot dese Heylige Kruys-reyse, soo men het noemde, beweghen lieten. Nederlandt daverde doe overal van deese preecke, en leverde uyt de voornaemste steden heele benden van Burgeren; die, uyt eenen bysonderen yver, hof, have, Vrouw en Kinderen, netfens het Vaderlandt, verlatende, haer tot

128

ocr page 133

MET SUN WI.IN6AEBT.

desen krijghs tocLt in grooten aentale begaven, Maer dese Kruysreyse viel heel anders uyt als de Pauselijcke Priesters wel vermeynt hadden. Want onse Nederlanders weder 't huys gekoomen zijnde, en hebbende verkregen een volkomen kennisse van den handel, wandel, en leere der Hussiten, brachten meede stercke redenen om de leere en het gepleegde gewelt der Roomsche Kercke hooghlijck te verfoeyen. Dus sach men ghe-benren, dat een middel, bequaem, soo men trotselijck oordeelde, om te dempen ende te vernielen de waer-heydt, door Godts bysondere voorsienigheyt, meest diende om de selve wijtlopiger te doen verspreyden. De tongen van de valsche Priesters gebruyckte Godt om de Nederlanders, alhoewel tegen haer oogemerck, heel na Bohemen te doen gaen op datse daer de waer-heyt, die men 't huys voor haer verborgen hield, hoo-ren en leer en souden.

Mach ick hier oock wel voor by gaen, dat Godt ons Nederlandt, en in het selve de stadt Haarlem, verkoo-ren heeft, om die onwaerdeerlijcke kunst van Boeck-druckerye uut te vinden ? een middel soo bequaem tot voortsettinge der waerheyt. quot;Want hier door geschiede het datmen een Bibel, die men so wat heen geschreven zijnde, voor vijf of vierhondert kroonen kocht, kort daer na voor vijf of vier kroonen, en minder krijgen konde. Te vooren en was het de gemeene Man nietquot; mogelijck soo dier een boeck te bekomen; maer nu konde een yeder die'er sich iets aengelegen liet, gemackelijck daer aen raecken.

Nae dat nu de Heere soo veel toestel tot het groe-

9

129

ocr page 134

TWIST DES HEEREN

130

yen van sijn wijnstock gemaeckt hadde, beliefde het sijn oneyndighe goetheyt de selve getrouwe ackerlieden te beschicken diese voort na de kunst bebouwen souden. Soodanigh een was Wesselus Gansfortius in den jaere veertbien honderd en ettelijcke tot Groeninghen gebooren, een Man van een verheven Geest, en selsame geleertheyt, die in sijn leeven hot ampt van een Evangelisch Leeraer, eensdeels met de leevendige stemme voor het volck, eensdeels met sijn schriften die noch heden ten dage leeven, soo dapperlijck bedient heeft, dat hy een groote liefde en toejuichinge van de Vromen, maer oock te ghelijck een groote haet der Ongodsali-gen en Duysterlingen, op sijn hals gehaelt heeft. Seer aenmerckelijck is het getuygemsse, 't welk Lutherus hem geeft. „Daer is uytghekoomen,quot; seydt hy, „een Wesselus, welcken sy Basilium noemen, een Vries van Groeninghen een Man van wonderlijck verstandt, van een seldsamen en grooten Geest, dewelcke oock blijckt van Godt gheleert te weesen, soodanighe Jesaias te vooren ghepropheteert heeft dat de Christenen souden sijn. Want men kan niet oordeelen noch segghen dat hy het van de menschen ontfangen heeft, ghelijck oock niet ick. Soo ick deesen te vooren gheleesen hadde, mijne Vyanden mochten dencken, Lutherus heeft het altemael uyt Wesselo ghenoomen; soo seer slaet beyder Geest op een. Hier door wast mijn blijdschap ende kracht: ende nu en twijffel ick geensins of ick heb recht gheleert, nadien dat hy met soo een stantvastighe eendrachtigheyt, by na met de selve woorden, op soo verscheyden tijden, soo verre van malkanderen ghe-

ocr page 135

MET SUN WI.rxUAERT.

leeghen in lucht on landt, en op soo verscheyden ge-legentheyt, met my in alles overeen-komt.quot;

En daer na, als liet licht der grooter Reformatie op den kandelaer begon ghestelt te worden, terwijl andere landen noch saten in de duysternisse ende schaduwe des doodts, riep de Heere hier by duysenden van Men-schen tot sijn opgerechte baniere. Den selven Lutherus' heeft dat bekent in seeckere brief geschreeven aen de Broederen die in Hollandt en Brabant en Vlaenderen waren. Daer deese woorden in bloeyden. „Die soete en allesins aengenaeme tijdt is nu weer gekomen, in de-welcke de stemme des Tortel-duyfs wederom begonnen is gehoort te worden, en de bloomen gesien zijn in ons landt te bloeyen. Aon welcke vreughde, gheliefde Broeders, ghy niet alle en deel-ghenooten zijt, maer ook boven alle andere de eerste en voornaemsto, in welcke wy soodanighe vreughde en blijdschap hebben sien opborrelen. Aenghesien u niet alleen boven alle andere ghelegentheydt ghegeven is om het Enangelium te hooren en Christus te kennen, maer Godt u oock de eerste heeft willen stellen, die om sijns naems en Evan-geliums willen ongelijck, smaet, ben au they dt, verdruc-kinghe, gevanckenisse, ghevaren, ja de doodt solver souden uyt-staen.quot; Dus verre Lutherus. En seecker hoe Eedelen wijnstock onse Voorvaderen gheweest zijn, kan daer uyt ghenoeghsaern blijckon, dat hy door alle die stormen en onweeren die haoi' daeghlijcx over 't hooft heen wooyen, soo veel loten goschooton, soo veel vruchten ghedragen heeft. Men socht om hom af te kappen de bijl van de Spaensche Inquisitie in den lande in te voeren.

131

ocr page 136

TWIST DES HEERKN

132

Maer tegen alle die wreetheden aen brachte deese quot;VVijngaeit niet alleene Grode aengename Druyven van ghedult, geloove, liefde, yver, Godtsaligheydt in sulcke overvloedt voort; dat indien ooyt de deughden ons Landt doorgereyst hebben, sy daer doe scheenen te woonen; Maer vermeerderde oook soo wonderbaerlijck, dat onse Landt ghenooten aen de Spaenschen Koninck schrijven dorsten, dat doe in sijn Landen meer als hondert duysent mannen waeren die de selve Religie met haer voorstonden: onaengesien daer mooghelijck wel vijftigh duysent door ongehoorde wreetheden ten Hemel waren binnen ghebracht. Die grootspreeckende Jesuyt Strada was daer nijdigh op, en seyt schier schuymbeckende van spijt, „dat de Rijn niet meer wateren uyt DuyIsland, noch de Maas uyt Vranckrijck in Neder landt brochten, als langhs de selve Rivieren en van de Luterschen en van de Calviniaensche be-smettinge (soo noemt hy op sijn Jesnyts de Goddelijcke waerheyt) in die Provinciën quam af sackenquot; quot;Was dat dan niet een wei-edele Wijnstock die ons God doe ghe-planthadde ? En recht gelijckende den brandende braem-bosse van Moses, die door de vlammen niet verteert, maer eerder verlicht, geheldert en ghesuyvert wierde. Was het niet een bewijs van een onbesweecken Helden moet, dat de geloovigen ter Godtsdienst en ter preke byeen quamen op deselve uyre dat men op de merkt besich was, om andere ter saecke van de Gereformeerde Leere om te brengen: en dat staende ter plaetse, daerse door de glasen vensteren, de vuyren, waer in men haer Geloofs-genooten verbrande, sagen

ocr page 137

MET SUN WIJNGAERT.

flickeren? Hoe kunnen we het voor Grodt, koe voor onse conscientie verantwoorden, datwe soo „verbasterde ranken van so edelen wijnstockquot; geworden zijn! He-roum filiinoxcv. Ag raogten onse Vaderen eens opsien, die soo door vuyr en swaert, door galg en rat, door verdruckinghe en tegenspoet na Christus en de Religie liepen, die niet eerder uit haer Godsdienst als uyt haer leven scheyden wilden, die om Christi wille al het hare gaerne verlieten, en blijde waren dat se den Hemel daer voor wisselen mochten, die met verheuginge te gemoete sagen dat haer bloedt het saet der Kercke wesen sonde; Mochten, segh ick, die yverige Vaderen het hooft nu eens opbeuren, en besien die dartelheyt, die traegheyt van haer kinderen, die walghe van het Hemel-Broodt, die laeuwheyt, de liefdeloosbeyt, en allo die grouwelen die in 't midden van ons in swanghe gaen, soudense hun, meent ghy, over ons niet schamen, en acht ghy datse ons wol voor hare kinderen souden erkennen willen ? Foey ons onaerdige nasaten van soo voortreffelijcke Voorouders! „Verbasterde rancken van soo edelen Wijnstock!quot;

CAP. XII.

Hoe de Heere ons gheplantet heeft op eciutn vetten heuvel.

Immers heeft mijn Beminde ons niet alleen eenen Edelen Wijnstock gheplant, maer oock op eenen vetten heuvel: dat is een Landt met allerley seege-ningen niet alleen bedouwt, maer soo beregent, dat het een tweede Canaan met recht genoemt soud mogenmmers heeft mijn Beminde ons niet alleen eenen Edelen Wijnstock gheplant, maer oock op eenen vetten heuvel: dat is een Landt met allerley seege-ningen niet alleen bedouwt, maer soo beregent, dat het een tweede Canaan met recht genoemt soud mogen

133

ocr page 138

TWIST DES HEEREN

134

worden, 'tis maer een handt je vol Landts dat we be-woonen, by andere Landtschappon en Koninckrijcken vergeleecken, als een druppel waters by eenen emmer, of als een stofje in de weegschael; en evenwel vertrouw ick, dat ghy van der Son non opganck tot sijn onderganck toe, naeuwelijcks een plecke vinden suit van allerley ghemack soo voorsien, als deese, daer wij, Godt sy gelooft, onder onsen Wijnstock en Vijgeboom tot noch toe inwoonen. Al wat ons niet alleen tot leeven, maer oock tot wel en gemackelijck leeven, van noode is, ja watwe tot weelde en overdaet bedencken konnen, van dat alles is hier de Hoorn des overvloedts: 't zy dat het Godt de Heere hier in ons landt doet wassen, 't sy dat het ons van alle gewesten des wereldts, door middel van de Scheepvaert, word toegevoert. Het vergeleegen Oosten en quot;Westen, het versenghde Zuyden, het norsche Noorden, senden ons het beste van hare schatten over, en men mag onse kielen, met de kostelheden dier Landen beladen zijnde, 'dagelijox tot onse Havens sien inbruysen. Vremde Volckeren moeten daer over verbaest staen: en de verwonderinge heeft dit spreekwoort by haer gebaert. Bclgcv Ccelum peterentl si Caelum navibus peli posset. „De Nederlanders,quot; seggense, „souden op den Hemel selver handelen, soose maer te scheepe konden. En seecker, verder als ooyt Bacchus, verder als ooyt Alexander haer wapenen in Indiën gebracht hebben, hebben onse Vloten de schrick van de Hollantschen naem overgescheept, en met de beste inkomsten van die landen, die als van een andere Son, andere Sterren beschenen worden, het

ocr page 139

MET SUN WIJNGAERT. 135

onse verrijckt. Ja het is als of Grodt om ons iinmers van alle kostelijckheden op le proppen, noch een heel andere wereldt heoft willen openbaren: en de suycker-rieden van West-Indiën hebben onse tanden swart ghe-maeckt. Hoe wel soud ick dan by gelijckenisse tot u Mijne Nederlanders, 't geene Moses eertijdts tot Israël, seggen mooghen ! Immers heeft u de Heere in gebracht „in groote en goede steeden die ghy niet gebouwt hebt, en huysen alles goedts vol die gy niet gevnlt en hebt, en uytghehouwene born-putten, die ghy niet nytge-houwen en hebt, Wijngaerden en Olijfgaerden die ghy niet gheplant en hebt, en ghy hebt gegeeten en zijt versadigt gheworden. De vettigheden der aerde zijn uwe woninghe, en van den dauw des Hemels van boven af zijt ghy gheseeghent gheweest. Godt heeft u doen rijden op de hooghte der aerde, dat ghy atet de in-komste des velts, en by deed u honingh suyghen uyt de Steenrotse, en olye uyt de keye der rotse: Boter van Koeyen, en melck van kleyn vee, met het vette der lammeren, en der rammen die in Basan weyden, en der Boeken met het vette der nieren van tarwe: en het druy ven bloedt, reyneu wijn hebt ghy gedronken. Ghy zijt vet, ghy zijt dick, ja met vet overdeckt gheworden. Ghy hebt uwe ganghen in boter mooghen wasschen, en der rotse goot by u olybeecken uyt. Uw wortel was uytghebreyt aen het water: en dauw ver-nachtede op uwen tack.quot; Kort om ghy mochtet als Juda „uwen jongen esel aen den wijnstock binden, ende 't veulen sijner Eselinne aen don edelen wijnstock :quot; ghy mochtet „uwe kleederen in wijn wasschen, en uwen

ocr page 140

TWIST DES 1IKEREN

136

mantel in wijndruyven bloedt.quot; Q-hy behoeft-Tyrus niet te wijeken. „Uwe landtpalen zijn in het harte der zeen uwe bouwers hebben uwe schoonheydt volkomen ghe-maeckt.quot; Allerhande volckeren van de Oude en van de Nieuwe werelt komen om koophandel met u te drijven; het kostelijckste van hare waren u toeschickende; of den overvloedt van de uwe voor groote sommen gelts verwisselende. Doe het Koninckrijcke van Juda, onder Hiskias regeeringe in middelmatighe bloey gheraeckt was, ende konde die goede Koningh sich nietbedwin-ghen of hy moste de pracht sijner heerlijckheydt aen de gesanten van Babel sien laeten. „Hy toonde haer sijn gantsche schathuys het silver, en het goudt ende de speceryen, ende de beste olie, en sijn waepenhuys, ende alles wat ghevonden wierdt in sijne schatten.quot; Maer 't is noch heel wat anders te segghen, 't geen ons Nederlandt heeft konnen toonen, en in der daedt ge-toont heeft, niet aen ghesanten van uytheemsche Koninghen, maer aen de grootste Princessen ende Koninginnen van Europa, welcke met verruckinge aenschouwt hebben, die overmaet van weelde die alle de hoecken des bekenden aertbodems ons ter bant stellen. En het en scheelde niet veel of het gingh haer als de Koning-inne van Scheba, die wanneer sy de heerlij ckheydt Salomons te Jerusalem ghesien hadde: soo besweeck, ende besmeem sy daer van, en daer en was geen Geest meer in haer. Alle Vremdelinghen sien dit met verwon-deringhe aen, of wanneerse het andere hooren vertellen, schijnt het hun alle gheloove te boven te gaen. 'tls een soet gedicht dat den Hoog-geleerden Josephus Scaliger

ocr page 141

MET SUN WIJNGAERT.

by deese gheleegentheydfc gtemaeckt heeft: en 'fc komt hier al te wel te passé, als dat ick na soud laten dit blaetje daer nieede te vercie.ren. Dus songh dan die Prince der Geleerden onser eeuwe.

Ignorata tim rcferam miracula Terra',

Douca, peregrlnis non huhitura sidem.

Omnia lanitium lassat textrina Minervas,

Lanigeros tarnen hinc scimus abesse grey es. Non capiunt operas fahriles oppida vestra,

Nul la fabris tarnen hccc ligna ministrat humus! Horrea triticeoe rumpunt hicfrugis acervi:

Pascuus Mc tamenest, non Cerealis ager.

11 ie numerosa meri stipantur dolia cellis,

Quae Vinet a colat nulla Putator Imbct.

Hie nulla, ante certe seges est rarissima, Hui-

Liniftsi tarnen est copia, major ubi?

Hie mediis habitamus aquis, quis credere possit ? Et tarnen hie nullae, Doum, bibunter aquae.

'tWelck yemandt in onse Dnytsche tale aldus heeft overgheset; maer of hy de aerdigheydt van 't Latijn gheevennaert heeft, laet ick den verstaudigen Leser oordeelen.

De wonderen onbekent, ó Noortwijck, van dijn landt

Verhael ick, alhoewel dat menigh uytlands quant.

Als hv te lesen komt dit dicht van my gheschreeven,

My nauwlijcx en sal gheloove willen geeven.

Jlinervaes neerstigh volck werekt hem hier moe en mat,

Op 't wollen weefghetouw in yder dorp of Stadt:

En nochtans weten wy dat hier seer weynigh kudden.

Van 'twolledragend' Vee haer rijeke vliesen schudden.

Do steden in dit landt en aijn niet groot ghenoegh,

Om al het Timmerwerck te vatten met ghovoegh.

Daer 't aerderjjck nochtans gheen hout en draeght om bouwedj

137

ocr page 142

ai

TWIST DES HEEREN

Teel min om soo veel volcks altJjdt in 't werck te houwen. De schnuren bersten schier van 'tkooren dick ghetast; Dat in dit grasrijck landt nochtans heel weynigh wast. De kelders over al ghestouwet zijn vol wijnen:

Daer doch de Snoeyer hier geen werck en iveet te vijnen. Geen, of seer luttel vlas brenght deesen acker voort: En wie heeft immermeer gheleesen of ghehoort,

Dat in soo kleynen landt soo yverigh ghesponnen, Soo fijnen lijnwket, en soo veelo wordt gewonnen? quot;VVy woonen, (is 'tniet vremt!) pla; in het water schier: En niemandt set de Mondt aen enckel water hier.

138

't Opmerckelijcker sal al deese overvloedfc weesen, wanneer wy eens overdencken uyt wat kleyne beginselen ons de Heere ten top van soo hoogh een vermogen heeft opgevijselt. De Schrijvers van de Nederlant-sche Historiën stellen het als een wonderdaet voor, hoe dat aen de oever van Batavia, een nieuwe Repu-blijek uyt eenige Visschers-schuytjos gheresen, het hoofd soo schielijck heeft opgebeurt, die van dagh tot dagh stercker wordende, „haer overheer te lande niet wil en ter Zee niet kan verdragen,quot; die met groote vlooten den Oceaan bevarende haef volck tot de verst afgelegene contreyen heeft overgescheept, die met statelijcke gesantschappen aen Princen, en onderlinghe verbonden, „sich niet minder als Koninghen aenstellende, een nieuw Prinsdom in Europa heeft opgherecht. Hoe dat oock de Nederlandsche acker haer oude vruchtbaerheydt soo behouden heeft tusschen de gestadige stormen en buyen van oorloghen, die veel minder en veel korter zijnde andere landen* verwoest 'en onvruohtbaer ghemaeckt hebben

■WWB—i ^ÉMH

ocr page 143

MET SUN WIJIS'GAEB-T.

139

En seecker ons verstandt dose hooghte onser saken nu gewent zijnde, hoeft inoeyte om sich de gliering-heydt en schaerslieydt der eerste beginselen in te beelden. quot;Wie kan scliier ghelooven datter soo een tijdt in ons landt geweest is op welcke men om soo een stadt als Middelbnrgli te winnen, gheen veerthien duisent gulden by een konde krijgen, als van verscheyden particuliere Persoonen, met groote moeyte, en onder bedingh van het selve dubbel weer te geven, soo ras de stadt verovert sonde zijn? Wie kan ghelooven dat de Prins een aenbodt om heo: de stadt Haerlem ter handt te stellen, voor een somma van veertigh dnysont gulden, met een danckbaer ghelact moste afstaen, in soo gewichtig een voorval geen raet wetende om soo weynig penningen by een te krijghen, die nu van sorn-miglie somwijlen wel 'in een enckele galanterye verspilt, of op eenen nacht verspeelt worden? Wie soud konnen geloven dat men om vijftien hondert gulden uyt te vinden de kloeke eens uyt d en Hage heeft laten halen, welcke somme men daer nae de Staet heeft moeten quijdt schelden. Wie kan dencken dat een landt, des tij ts soo dor en mager, tot sulck een vettigheyt komen soude, dat het daer nae in een jaer, sonder sijn Inwoondei's te verarmen, neghen milioenen, vijf hondert neghen duysent, ses hondert ses-en-tsestigh Carol, guldens, tot verval van de onkosten des oorloghs heeft opghebracht. En na die tijdt noch rnerckelijck meer. Zeker indien men rijekdom voor vettigheyt reekenen wil, soo en is het niet waerschijnlijck datter eenigh landt van de Sonne bescheenen wordt, 't welck in soo

ocr page 144

TWIST DKS HEKREN

kleyn een ommetreck soo veel uytleverfc: en dat den seysem den oorloghs soo langh. gedragen hebbende, noch niet uytgheput en uytgemergelt is gheworden. quot;Want in spijt van allen overlast soo sionwe noch „dat onse winckelen vol sip de den eenen voorraet nae den anderen uytgheven: dat onse kudden by duysenden werpen, ja by thien duysenden op onse hoeven ver-menighvuldighen: dat onse Ossen wel gheladen zijn: dat geen inbreucke, noch gheen uytval, noch gheen gekrijsch en is op onse straten.quot; Sulcx dat men over ons moghe uytroepen ghelijck de Psalmist vervolght. „Welgelucksaligh |is het volck dient alsoo gaet: quot;Wel-gelucksaligh is het volck wiens Godt de Heere is.quot;

Behoorde dan nie^ alle die vriendelijckheyt des Hee-ren, niet alleen by dauwdruppen op ons neerkomende, maer soo plasselingh over ons uytghegooten, ons oock vruchtbaer te maken in allerley goede wercken der gherechtigheydt ? behoorden wy niet de Gever in de overmaet sijner gaven erkennende, oock als de fonteyne van alle deese goetheyt boven al te beminnen? Behoorden wy niet alle deese segeninghen op een te sta-pelen op dat sy ons als trappen en ladders dienen souden om by de selve ten Hemel op te klimmen, ende ons soo in Godt de Algenoeghsame te verlustigen ? Behoorden wy niet, ons landt nu als een tweede Canaan gheworden zijnde, oock als een Canaan Gode te Hey-lighen, en het aenmerckende als een kleyne af beeldinge van het bovenaersche Vaderlandt, nae het besit des selven meest te verlangen, to suchten, te arbeyden; Onse siele gheen ruste ghevende voor en aleer wy op

140

ocr page 145

MET SUN W1JNGAERT.

141

goede gronden van die alderbeste erffennisse verseec-cert mochten zijn? Behoorden wy niet al dat silver, al dat goudt, al die rijckdom voor Godts voeten neer te leggen, om de selve niet anders, als nae sijn wille te gebruyken; sonder ons selven daer op te hoveerdi-gen, of daer door te verdertelen? Behoorden wy jae niet de overtolligheden onser statie selfs ter eere van onse Grodt aen te leggen, soo dat op alles, tot de Bellen onser Paerden toe, gelijck de Propheet seydt, ghe-graveert stonde, DE HEYLIGHEYDT DES HEEEEN? (rhowisselijck, Me-Vrienden, dus behoorde het te wee-sen, of wy geeven den Heere oorsaeck om over ons te klaeghen, als eertijdts over die van Tyrus, „ghy waert in Eden, Godes Hof, alle kostelijck ghesteente was uw decksel, Sardis steenen, Topazen, en Diamanten, Turkoysen, Sardonix steenen, en Japis steenen, Sapphyren, Robynen, en Smaragden, ende Goudt. Ghy waert een ghesalfde overdeckende Cherub, ende ick hadde u alsoe geset; ghy waert op Godes Heyligen bergh. Maer door de veelheydt uwes koophandels hebben sy het midden van u met ghewelt vervult, en ghy hebt gesondight. Uwe harte verheft sich over uwe schoonheyt, ghy hebt uwe wijsheyt bedurven, van wegen uwen glans.quot; Daer de Heere dan verscheyden vervaerlijke bedreygingen tusschen menght, voor welckers gelijcke dat hy ons Vaderlandt ghelieve te bewaren, sijn Godlijcke Majesteyt op het vierighste te bidden staet. Maer laet ons onse gelijckenisse vervolgen.

ocr page 146

TWIST DES HE EREN'

cap. xrii.

Hoe de Heere ons orntuint heeft met sijn genadighe voorsorghe.

ii soudo het vervolg deeser gbelijckenisse ver-eyschen dat ick eens giugh toonen, hoe neerstig en omsichtigh de Heere ons omtuint heeft met sijn ghenadighe en Vaderlijcke voorsorge, ons beschuttende voor soo veel duysent gevreesde qualen, die geschapen waren den staet en den Gods-dienst beyde te ver-delghen; en ons besorgende soo veel wonderbaerlijcke verlossinghen, die alle schijnbaerheydt van hoope te boven ginghen ; en dat door snlcke middelen, die een yder, beyde Vrienden en Yyanden, overtnyght deeden staen, datse enckelijck door de handt van Godt Almach-tigh, de welstandt der Nederlanden behartigde, bestierd wierden. En seeker hier soud ick wonderen weten te verhalen, die voor die oude welcke Godt aen de Israeli ten eertij dts bewesen heelt, niet veel behoeven te wijeken. Heeft de Heere de wateren beyde van de Roode Zee en van de Jordane gheboden, datse van een souden scheyden en sijn volck een onverhinderde doortocht droogs-voets verleenen ter plaetse daerse wesen mosten; Hy heeft de wateren insgelijcx gedwongen datse ons ten dienste souden staeu, en dat soo gepas-telijck als ofse geen ander last en hadden, dan op ons te passen. Heeft men daer van niet een baerblijkclijcke preuve gesien, in den jare 1572 als eenige Noort-Hol-landtsche schepen, gheschickt om Amsterdam, doe noch de zijde des vyandts houdende, te benauwen, schielijck sich in 't ijs belemmert, en ghenoeghsaem ten proye van den Vyandt overghegeven, vonden?

142

ocr page 147

MET SUN WUNGAERT.

Maer siet in dat selve gewricht van tijden en saken, een felle windt opstaende uyt den Noorden quam de schors des Waters scheuren, en een wijtgapende reete, ghenoegh na eyghen wensch, voor 't bootsvolck ma-ken. Voorts volghder soo hoogh een vloed op, dat de schepen schier tweemaels soo veel ellen diep gaende, als -men ghewoon is voeten nats in het Suydergat voor Enckhuysen te hebben, echter daer deur, en in behouden haven, geraeckten. Oock waren sij soo haest niet over, of het ys sloot terstondt, en vlyde sich in sijn eerste leeger.

Al het welcke van onse Godt-vruchtighe Voor-Vaderen met recht voor een Grootachtbare wonderdaedt en klaer bewijs der Goddelijcker gunste omhelst wierdt, die hare wapenen van windt en water, tot handthavin-ge der rechtveerdige sake, soo bescheydelijck te wercke stelde.

Sienwe niet even het selve in het ontset van Leyden, met welcke stadt het omgekoomen scheen te weesen, en alle toeverlaet soo wijdt ontweken, dat de Beleggers swetsten, „Eerder soude men de sterren met de handt bereyeken, dan de stadt uyt de hunne breecken.quot; Als de Almachtighe Godt (willende hunnen hooghmoedt over rugge werpen, en den benauwden toonen, dat geen uytkomst, soo ongesien is of hy weet ter raedt toe, aeven met de springh-vloet, eerst eenen storm uyt den Noord-westen deed op-staen, die de baeren ten lande injoegh; thans de windt acht volle streken zuydwaerts swaeyen, juyst na wensch om 't water heen te mennen ter plaetse daer men het van nooden hadden, tot ver-

143

ocr page 148

TWIST DES HEEHEN

lossinge der bekommerde ende uytgehongerde stadt. Als nu de winden en wateren liun werck verricht hadden, verweckt de Heere eenen windt uyt den Zuyt-oosten, die de golven het landt deede ruymen, en daer na wat Noordelijcker omse met een heftigh onweer 't zeewaert in te stouwen. Dus „solderde de Heere sijn oppersalen in de wateren en maeckte van de wolken sijnen waegen, en wandelde op de vleugelen des windtsquot; om voor ons te strijden. Nergens, seydt mijn History-schrijver, hinkte hier de Goddelijke voorsienigheyt; „en bleef soo wel d'eene als d'ander party overtuyght, in den Geest, dat de Heere de Heyrscharen sijn won-derbaerlijckheydt, met dit werck, ter weereltschen too-neele had doen verschijnen.quot;

Heeft de Heere altemet door nietige dingen de Vy-anden der Irsaëliten een schrick aenghejaeght, op de vlucht gebracht, en verslagen, de Midianieten door het gheklanck van Gideons basuynen ende het verbreecken der aerdene Kruycken; de Syriers door het ingebeelde geluyt van wagen en en peerden, en van een seer groote Heyrkracht? Sijn Goddelijcke voorsienigheydt heeft het meermaels oock soo gheklaert met de Vyanden van ons Nederlandt. quot;Wat heeft hun gedwongen van Leyden af te trecken, jae de vlucht te neemen, min noch meer dan of sy gheslagen waren gheweest ? 't Was niet alleen dat water daerwe terstond van gewaeght hebben; maer een ongegronde schrick die haer over quam, door't neder-ploffen van een deel der stadtsmuur in de vesten; 't welck hun eerder de wegh ter overwinninge scheen te banen, en de moeyte af te neemen, van de gracht

144

ocr page 149

MET SUN WIJNGAERT.

Wat perste den Oversten Taxis ons Frieslandt te verlaten, daer liy in den jare 1586 schielijck ingevallen was, en tot groot ongeluck onser landtsaten niet dan al te ge-luckigh vocht, verbemende Lekknm, diclit by Leeu-waerden. en plegende over al bystere moetwil ? 'tWas een geweldige slagregen welcke begon te vallen, ter-wijl de neerlage van de onze noch duyrde. Desejoegh hem sulck een vreese aen, dat hy als selfs gheslaghen zijnde en vluchtig ten lande uyt ylde, laetende al sijn dopden leggen, de veroverde veltstucken staen, en het vetste des landts daer den meesten rijckdom geseten was, ongeroert.

Veele dnsdanighe aenmerkelijke preuven der Godde-lijcker voorsienigheydt, (die onse Nederlanders moeten doen singhen, „wy hebben eene stercke stadt. God stelt heyl tot muuren ende voorschansenquot;) sonde ick hier konnen voortbrengen: maer ick sie dat die Godt-yverige ziele, en trouwe Patriot. D. Abrahamus van de velde, in sijn voortreffelijck boeck van „de wonderen des Allerhooghstenquot; pag. 82, ende vervolghens, my voor-ghekomen is, ende dit in 't breede gheleerdelijck verhandelt heeft. Waer heenen ik dan mijnen goedtwilli-gen Leeser wijse.

Dit alleen sal ick daer byvoeghen, dat soo ooghen-schijnlijck dit beleydt de Goddelijcker voorsienigheydt ontrent de staet van ons lieve Vaderlandt, en de Kercke Christi in het selve sich heeft opgedaen, dat by na geen Historischrijver van wat gesintheydt, Godts-dienst, landt en tale hy oock zy, heeft konnen nalaten Gode al te met de eere te geven. En seecker hy most blin-

10

145

ocr page 150

TWIST DES HEEREN

der als de iEgyptenaren, en verstockter als Pharao, en quaedt-aerdiger dan sijne Toovenaers wesen, die niet Godts vingher en handt, hier meermaels in sach, aen-merckte en erkende. En soo sulck een verkeerde werelt-wijse, die dit alles met de onder oorsaecken alleen meende goet te maken, onder de Christenen bevonden wierde, een Turck sonde ten laetsten daghe tegen hem opstaen, om hem te overtnygen, te beschamen, te ver-oordeelen.

De wijde werelt gewaegt van Amurathes de III. Soone van Selim, Turcksen Keyser, dat hy eens op een nacht niet konnende slapen, sich besich hield met overdencken van gewichtige staetssaken; onder anderen leyde hem in het hooft te malen hoe het moghelijck ware, dat soo kleyn een streecke landts als de Veree-nigde Nederlanden zijn, teghen het groote ghewelt van den machtighen Spaenschen Koningh konde uythouden : en niet alleen uythouden, maer't eenejaer voor't ander jaer na, soo veel Casteelen, sterckten. Steden afwinnen. En sich selven in het naspeuren van de rechte ende hechte oorsaeck van dit wonderbaerlijck werck niet konnende voldoen, ontbood hy des morghens vroegh sijn Bassas, of Eaets- en Eijx-Heeren. Hy toonde haer in de Kaerte, hoo kleyn ende verachtelijck, ja bykans niet, de omtreck der Vereenighde Nederlanden was, en integendeel hoe wijdt de uytstreckinghe van soo veel Graefschappen, Hertoghdommen, Prinsdommen en Ko-ninckrijcken, die de Spaensche Koningh besat, beyde in deese en de andere werelt, waerom hy sich oock dit hoveerdjgh Sinnebeeldt heeft laten oprechten, nament-

146

ocr page 151

MET SUN WIJNGAEBT.

147

lijck een geconterfeyte werelt-kloot in Zee, met en Paert daer uyt springende, en deese woorden daer boven, Unus non sufficit orbis, Een werelt is my niet genoegh. Boven dien verhaelde hy hun de Rijkdommen en krijgsmachten van de gemelte Koning, en vraeghde haer tot slot van allies, wat huns bedunckens de oorsaeck was, die soo kleyn een landtstreecke teghen al die macht deed bestaen. quot;Waer sy sich niet minder als hun Heere in dit overlegh bedremmelt vindende, beriepen sich op de Afghesandt van Venetien, als die de nauwste ken-nisse van der Christenen saken hebbende, sijn Majes-teyt het bondigste bericht soude kunnen geven. Deese verscheenen zijnde begint nae de stijl der werelt-wijse Politiquen stracx een deel bedrijf van onderoorsaecken by 't hoofd nemen, en den grooten Heer onder de oogen te brengen. Hy gewaeght in de eerste plaetse van de groote onderstant, die hy voorgaf dat de Engelsche Koninginne Elisabet dese staet bysette. Maer de Turck seyd'er neen toe. Die Vrouwe, liet hy sich duncken, had t'huys de handen soo vol werckx dat het haer noch luste noch ledigstondt yets van soo groot een belangh met uytheemsche aen te slaen. En inderdaet hoe scrupuleus die Koninginne gheweest zy, om yets van nadruck voor ons te doen, dat melden over al de Historiën. Soo viel dan de Venetiaensche Ambassadeur op de hulpe die deesen staet uyt Vranckrijck kreegh. Maer oock dit voldeed den Keijser niet. Dat landt, zeide hy, blaeckt in buyr- en Burger-twist, en heeft te veel met sijn selfs te doen om veel voor andere over te hebben. Dies nam het de Venetianen, op de grootte ende veelheydt van

ocr page 152

TWIST DES HEEBEN

onse Rivieren, de sterckte van onse steden en vestingen, als of die ons ghenoeg tegen den Vyand bestan-digh maeckten. Dit kan rt oock niet wesen, seyde de Keyser: want de koningh is soo machtigh, dat liy die Rivieren wel met mensclievleescli soud konnen over-damraen, en sick soo een brugge maecken om veylig in de steden te loopen. Alsser dan gheen redenen van ghenoegsaem gewiekte te berde quamen: seide tenlaesten den Keyser, wil ick u eens, mijn Heeren, mijn oordeel hier over uyten! 'tls Godt riep by nyt, wijsende met sijne handt ten hemel, „'t Is Godt die voor de Nederlanden vecht, anders waer 't onmoghelijck.quot; Voorwaer een tref-felijcke aenmerckinghe nyt de mondt van soo een hey-loos Menscke. Die^ ons immers leeren moet Gode de eere te gheven, en met de Keroke te singen, „ket en ware de Heere die by ons gheweest is, soo ] segge nu Israël, het en ware de Heere die by ons gheweest is, als de Menschen tegen ons opstonden, doe souden sy ons levendigh verslonden hebben als haren toorn teghens ons ontstack. En soo voort.quot; Ps. CXXIV. Soeckt het, Leser, en leert het vry van buiten, en danckter alle dagen uwen God me.

Maer niet min klaer keeft sich opghedaen dit beleyt der Goddelijcker voorzorge, tot bescherminge van de Kercke, en Gods-dienst in ons lieve Vaderlandt. Wat heeft de Satan en sijne instrumenten niet al aenslaghen ghemaeckt, om die te verdelgen ? Hoe dickwijls kebben de Kinderen Edoms en de Dochteren Babels geroepen, Ontblootse, ontblootse tot hafer fondamenten toe? Hoe menigmael hebben de Heydenen ghewoedet, en de

148

ocr page 153

MET SUN W1JNGAERT.

volcken ydelheydt bedocht? De Koninghen der aerde hebben sich opghestelt, en de Vorsten te samen beraet-slaeght teghen don Heere en sijn Gesalfden. Maer die in den Hemel woont heeft haer belacht: de Heere heeft haer bespot. Hy heeft Sion ghestelt tot een vastig-heydt, en Jerusalem tot een onver win nelijcke stadt. Wat raet en aen-slaghen oock in de Helle gesmeedet mochten zijn, soo is Jerusalem noch in haer plaetse ghebleven te Jerusalem : Dat is Gods Kercke in Neder-landt heeft haer standt behouden in spijt van alle we-derstandt.

Wat een gruwelijk stuck werckx wierde op het aen-drijven van den Paus te Bajonna ghebrouwen, tus-schen de Koningh van Spanjen, die daer sijn Vrouwe Isabella met den Hertogh van Alva hadde, en de Koningh van Vranckrijck met de Koninginne Moeder Catharina de Medicis; 't welck Koninck Hendrick de Tweede in Vranckrijck aen den Prince van Oranjen, onverhoeds en peynsende dat hij van 'tgheheym wel wist, bekent maeckte, namelijck datmen alle de ver-dechtigheden van Onroomsheydt in Vranckrijck, hier te lande en geheel Christendom door soud trachten te verdelgen. Daer de afgrijselijcke Moort der Gereformeerde te Parijs, en voorts door gheheel Vranckrijck opgevolght is, seven jaren na dat schrickelijk besluit. Een werck 't welk de Jesuyt Strada sig niet en schaemt, een groote daet te noemen, en een wel verdiende straffe voor die factie die tegen den Koninck te samen ghe-swooren hadde: waer voor de Roomsche Paus, daer van door den Cardinael van Lottheringen verwittight

149

ocr page 154

TWIST DES HEEREN

zijn, Godt den Wreeker in de kercken van Sant Louijs statelijckè danckseggingen heeft toegebracht.

Maer veel beter heeft daer van geoordeeldt de Heer Hardovin de Perefixe. Aerts Bisschop van Parijs, en voor deesen Leermeester van de tegenwoordighe Fran-sche Koninck, welcke dat selve stuk werks verhalende, daerover uitroept: Action Execrable! quin' avoit jamais eu, amp; qui n' aura s' il plait a Dieu, jamais pareille. „Vervloeckte daet! die haer 's ghelijcke noit ghehadt heeft, ende soo 't Godt belieft, noit hebben sal.quot;

Maer 't selfde spel dachtmen in Nederlandt oock te speelen. En Alva meende dat hy der sake al 't eene-mael meester gheworden was. Weshalven hy in dat trotse grouwel-beelt tot Antwerpen opgericht sich ver-waendelijck beroemde, dat hj d' oproer (soo noemde hy de voorstant van het Evangelium) ghedempt, de Rebellen (dat waren de belijders der Heyliger waer-heydt) verjaegt, ende de Godtsdienst (daer door ver-stonde hy de Pauselijcke superstitiën) nu wel besorght hadde. Min noch meer dan eertijdts de Eoomsche Key-sers noch Heydenen zijnde sich altemet ghedenckteec-kens oprichteden, daar sy onder andere deese vermee-tele Roem-woorden lieten insnijden, NOMINE. CHRISTIAN ORUM. DELETO. QUI. REMPUBLICAM. EVERTEBANT. „De naeme der Christenen die 'tge-meene beste verwoesten uytgedelght hebbende.quot; Hoe danigh een Pilaer met dit opschrift van den Keyser Diocletianus en sijn macker gestelt te Clunia in Spanjen gevonden is, na het ghetuygenisse van den Cardinael Baronius. Doch Godt heeft ghetoont, dat al dien woel

150

ocr page 155

MET SUN WIJNGAERT.

161

'tallen tijden ydel, al die roem leugenachtigh geweest is. Het bloedt der Heyliger Martelaren is het saed der Kercke gheweest. Uyt de verstrooyde asse der verbranden, zijn nieuwe en overvloediger Paradijsvogels voort-ghekomen. Die vervolginghen zijn maer blaesbalcken geweest, om het vier der Heyliger yver en Goddelijcker liefde te felder te doen ontbranden. Sy dienden slechts ia Godts handt als een wanne om het kaf uyt te suy-veren, op dat het kooin te reyner in sijn Schuyre versamelt soude worden. Moght die vermetele Groot-spreecker eens opsien, ende aio mme in ons Nederlandt de Paepsche Afgoderije uytgebonst, en der Protestanten Godtsdienst op den throon ghestelt, hoe klaer soud hy vermercken dafc hy van de Hooghte sijnes opgevens laghe vervallen was! En wat soude onse Kercke niet al reden hebben om hem guychelende na te juichen. Hoe zijt uyt den hemel uwer Hooverdiger hope gevallen, O Morgensterre, ghy Soone des Dageraedts! Want het kan hier misschien sijn soete opmerckinge en toepassinge al hebben, dat Alva in de Spaensche tale den Daghe-raet beteeckent: waerom hy oock in het geraelte beeldt vertoonen liet, een aenbreeckende Morgenstont; daer uylen, en vledermuysen en diergelijck gespuys voor weg stoof: met dit by schrift in het Griecks, spelende op sijnen naem. A' AEzl'IiAKOI iï'SlI, „De Quaedt Verdrijvende Dageraet.quot; Maer die Soone des Dageraedts, recht het werck van Lucifer en sijn Engelen verrichtende, is waerlijck uyt de hooghte sijner verwaentheydt in die diepte van vermiste aenslaghen ter neder ghe-ploft, en Michael voor de Uytverkoorne vechtende.

ocr page 156

152 TWIST DES HEEHEN

heeft de Kercke reden gegeven om sege-tekens met dit opschrift op te rechten, DE HEERE IS MIJN BA-NIEKE.

Wat een schrickelijke 'aenslag hebben daer nae de Paepse Greestelijcke ondernomen te Thonon, in Savoijen, seven naijlen van Geneve, daer sy nyt kracht van sekere Bulle, by Paus Clemens de VII tot Romen verleent in den jare 1699 een broederschap hebben opgerecht, tot bekeeringe of dempinge der Ketters door de geheele werelt. Tot welken einde men niet alleene gebruycken sonde meenighte van Priesters, alomme de Pauselijke beuselmaren op het aldersoeste voorstellende, met groote beloften van lichamelijcke en geestelijke vooruytdelen aen al wat sig daer na vlijen wilde: maer men soude oock beneffens veel Politijcke kunstwoelingen, en een deel salige bedriegerijen, ghelijck sy 't noemen, open-baer ghewelt ter handt neemen, om door pars van 't selve d' onwillige te dwingen. Hier toe streckte t' oprechten van een Heyligh verbondt tusschen alle Rooms-gesinde Koningen, Princen en Potentaten, ('t welcke men seyde van veele al geteeckent te zijn, onder andere oock van den Hartoogh van Seffa uyt naeme van sijn Heer de Spaensche Koninck) die sich verbinden souden al hun vermoogen tot dempinghe van de gewaende Ketterije aen te leggen, als of men wederom tegen de Saracenen en Turcken ter kruysvaert soud gaen. En seecker de uytkomst heeft deese toeleg getuygenisse ghegeven datse van een seer groote uytstreckinge ghe-weest is. Want hier op is ghevolght het Buspoeder-verraet in Engelandt, 1605. De moort van Hendrick

ocr page 157

MET SUN WJJN'GAERT.

de Grroote in Vranckrijck, 1610. Die droevige vervol-ginge en ten laetsten vernielinge van die kostelijcke Kerken der vereenighde Broederschap in Bohemen, te-ghen de welcke in den jare 1602 een ghebodt van den Keyser Rudolphus nytquam, de reproducendo in Pic-car dos Uladislai mandalo, „van het Placcaet des Ko-nincks Uladislai tegen de Piccarden weer op te halenquot;: alhoewel het doe door Godts genade noch geen voort-ganck ende hadde. En voorts de ontrastinge en ver-stooringhe van soo veel Kercken door de gheheele Onroomsche werelt.

Maer gelooft sy de name des Heeren dat se op de Heylighe waerheydt ende Belijders der selve in ons Vaderlandt niet vermoght en hebben. Godt omtuinde de Nederlandtsche Ghemeenten met sijn gunstighe be-scherminghe, soo dat sy in weerwil van alle hare Vy-anden, „Vrede hadden, en wierden gestichtet, en wandelende in de Vreese des Heeren, ende de vertroostinghe des Heyligen Geestes, wierden vermeenigvuldight.quot;

Noch luste het den Satan een ander sprong daer op te wagen, en de arghlistigheyt der Geestelijcke daer tegen te spitsen, misbruyckende Philippus Rovenius, ghepretendeerde Aerts Bisschop van Uytrecht, en Bisschop van Middelburgh en Deventer, mitsgaders sijn Vicaris Wachtelaer die doe te Uytrecht woonde, de welcke samen wonderlijcke dingen in de sin hadden.. Maer Godt heeft het in tijdts aen den dagh gebracht en al haer toelegh verydelt.

Doch de Helsche vyandt was noch soo licht niet moede geoorloght. Hy heeft uyt onse eygen ingewanden

153

ocr page 158

9

154 TWIST DES HEEHEN'

doen opstaen die de verssenen teghen ons verhieven; en eenighe leyders onser Kercke tot verleyders ghe-maeckt, op dat het volck door haer misleydet van hem opghestockt soud mooghen worden. Sulcke wargeesten zijn gheweest, hier een Kasper Koolhaas, ginder een Hermannus Harbarts, daer een Cornelis Wiggers, elders een Taco Sybrandi, welcke de Kercke met haer onor-dentelijckheden, scheurmackerijen, Pelagiaensche, en Valsche Leeringen, als rechte voorbooden van de Armi-niaensche Factie, ontroerden. Maer 't is de Heere geweest die die Kancker ghestuttet heeft voor het ineeten en voortloopen: onaenghesien sommighe der selve den arm der Grooten aen hun sijde hadden.

Doch een beginsel was dit slechts van die gevaren die de Kerck daer na al anders ende bet bedreygt hebben: als die Violator Focderius Arminius (op dat ick deese woorden van Tacitus de mijne maecke) die Ver-bondt-breecker Arminus, het saet sijner dwalingen niet alleen behendiglijck in die Aensienlijcke Kerke van Amsterdam begon te saeyen; maer daer na tot de Theologische Professie te Leyden gekomen zijnde, het landt en de Kercke met schadelijcke nieuwigheden vervulde; niet tegenstaende hy al voorens met aenroepinge van G-odts name, hooge betuygingen, slaen op sijn borst, en andersins belooft hadde, dat hy sijne besondere mey-t ninghen, noch op de Predickstoel, noch in de Academie soude voorstellen. Maer 't is wel anders eebleecken,

O /

en men heeft wel haest een ghebroet.sel van nieuwigheden ghesien, daer het landt ende de Kercke van daverde. Te stercker wierde dit voortgheset, om dat de

ocr page 159

Met sun wijngaert. «. 155

ydele School-sclierpsinnigheden van Arminius het be-leydfc en gesach van die Afgerechten Hoofschen Eusebius, en Groote opswetser Uyttenbogaert, te hulpe hadden. Welcke al het opsicht op de Kerke met open handen aen de Politique Overheyt opdragende, Barnevelt met synen aenhangh gemackelijck verplichte tot voor- en onder-stant van die dryvingen, die, als met het vernuft des vleeschelijken menschens niet qualijk overeenkomende, andersins van selfs genoegh aen de man wilden. In voegen dat by die voortgangh Nederlandt wel haest versucht, en sich verwondert sonde hebben, niet dat het Arriaens, ghelijk een onder de Oude eertijds seide, maer dat het Arminiaens geworden was. Maer 't is Grodt geweest die de harten van de Hooge Overheden eynde-lijck gheneyght heeft, om de voornaemste Gods-geleerde, uyt de meeste Gereformeerde Christen-wereldt in een Nationale Synode by een te roepen, datindejare 1618 en 1619 tot Dordrecht ghehouden is, daer, onder Godts genadige segen, de Heylige waerheydt op den Throon en de hardtneckige dry vers der tegenstrijdige dwalingen van de Stoel, geset zijn. Wonderlijok is het 'tgene de Heere Antonius Thysius in sijn lijck-reden over de doodt van den vermaerden Heynsius verhaelt; hoe dat Paulus Servita, het mirakel sijner eeuwe, die in allerley soorte van wetenschap nauwlijcks iemant sijns gelijck hadde, en die ons dat onwaerdeerlijcke Boeck: De Historie van het Concili van Trente, heeft na gelaten, een Venetiaon die uyterlijck in de Gemeynschap der Roomscher Kerke geleeft heeft en gestorven is; hoe dat die sijn oordeel over de Synode van Dordrecht

ocr page 160

TWIST DES HEEBEN

''aen Heynsius heeft „overgheschreeven, verklarende dat „het selve met de leere der Apostelen over een quam, „dat de Hollanders van gheluck te spreecken hadden, „aan welcke de verborgentheden der Goddelijker ge-„nade uyt den Hemel ontdeckt waaren: dat die verborgen waaren voor de wijse deeses wereldts: en voor „de menschelijcke reden, diese by het licht van haer „verstant niet bevatten konden: Dat gelijck deNacht-„nylen voor het natuyrlijcke, alsoo oock deese voor „het Goddelijcke licht schemerdenquot; Siet dus hebben sig vremde verwondert over de Goddelijcke goetheyt aen onse Nederlansche Kercke in 't beschermen van de Hey-lighe waerheyt betoont.

Doch heeft het J de Duyrel hier by niet laten blijven, maer is met de Storm-ram de Sociniaensche Godts-lasteringe komen aenstoten, om een preuve te nemen of hy soo in de nmyr der Goddelijcker leere een bresse konde maken. Te dien eynde zijn al in den jare 1578 eenige Discipelen van Socinns uyt Polen herwaert overgekomen, om sijn boecken, en door de selve sijn Pesti-lentiale ketterijen hier te sajen: gelijck sy tot Amsterdam dagelijcks seer ghemeensamelijck met Arrninius ommegingen ; die haer dat ghetuygenisse gaf, dat hy noyt mannen die in den woorden Gods soo uytneernen-de ervaren waren ghesien hadde. Maer de Heeren Staten Generael, hebben haer als grouwelijcke Ketters, en schrijckelijcke Godtslasterlijcke menschen uyt de Vereenighde Nederlanden doen vertrecken. Beter kans scheen dat halve Turckdom teghen onse Kerckon te hebben, doe Oonradus Vorsitus tot Professie der Theo-

156

ocr page 161

'• ■■

MET SUN WIJNGAERT. 167

logie in de Academie van Leyden geroepen was. jEen man de Socinianirije so dapper toegedaen, dat elck een de mont daer Jvan vol hadde, en de Socinianen selfs hem met aldervriendelijkste brieven, en de grootste betuygingen van liefde die men versinnen kan, uyt-nooden. Doe lachte die bosen hoop, en beloofde hun wonderlijcke overwinningen. Maer 't was Triumph ghe-songhen voor de Victory. Al scheenen de Heeren Curateuren van de Academie, en de Heeren Staten van den Lande op dat pas dien ongaven alhoewel niet onbegaefden mensche toegedaen, van den Hemel nochtans wierd die toelegh omver geworpen. Insonderheyt hielp hier machtigh toe de yver ^ van de Engelsche Koninck Jacobus, die soo door brieven, als door sijn Ambassadeur quot;Winwout, de Heeren Staten G enerael seer ernstigh vermaende, „Vorstium te laeten vaeren als een schandelijck Ketter.quot; Onder andere daer toe ghebruyc-kende de klem van sulcke redenen, die wel waerdigh zijn hier uytgheteeckent, en altijdt van de Hooge mag-ten des landts in achtinge genomen te werden. „De Ko-„ningh seyde, dat de voornaemste bandt van het verhoudt, 't welk hy met de Staten hadde, was, „de een-„parigheyt van Religie, het Principaelste Fondament en „Palladium van de Nederlandsche Republijcke, de Grere-„formeerde Godsdienst,quot; welke vervallende noodtsaec-„kelijck mee te gronde soude trecken den geheelen „Staet, die niet staende kan ghehouden worden dan door „eenigheyt: dat eenigheyt niet kan bewaert worden „daer tweespalt was in de Religie: datmen sich sorg-„vuldighlijck had te wachten, dat geen andere Religie

ocr page 162

TWIST DES HKEÏIKNquot;

„inghevoert wierde, als de geene die de Gereformeerde „Kercken van Groot Britanjen, Vranckrijck en Duyts-„land met eendrachtighe overeenstemminghe hadden „omhelst. Ook dreygde de Koninck, so de Staten alle „goede vermaningen ongeacht sulcke Kettersche Men-„schen langer onder haer dulden, en de Ketterijen lieten „toeneemen, dat hy dan sond gedwonghen zijn opent-„lijck te protesteren tegen deese grouwelen, en sich „af te sonderen, van de eenigheyt met een soodanige „Valsche en Kettersche t Kercke, en andere Gerefor-„meerde Kercken te vermanen, om een algemeyne raed „te schaffen tot uytblussinge van deese Afgrijselijcke „ende van nieuws ontstaane Kettereijn, en al de Wereldt 1 „bekent te maacken der Heeren Staten Afval van den „geloove, en van de ware Kercke Christi.quot;

Scherpe woorden in der daet, die Godt nooyt toe en late, dat aen de Hooge Machten onses Landts bewaer-heyé moogen worden. Maer Godt Almachtigh, die sijn handt in alles heeft, heeft na sijn oneyndige wijsheyt gesien, dat soodanige spooren en teugelen doe van noode waren; en heeft na sijn Vriendelijcke goetheyt over ons, uythegmsche Koningen in 't harte gegeeven, om met soo groot een drift voor de suyverheyt der Nederlantsche Kercken te waken.

quot;Wel is waer dat het vergif van die schandelijke Ketterije niet dan al te seer is verspreydet in ons Landt, sich verschuilende in de zameningen der Mennoniten, van welcker eene de Socinianen uytdruckelijck Broeders ghenoemt worden, en in de vergaderingen der Remonstranten, welckers Leeraers ten grooten deele daer meede

158

ocr page 163

MET SUN WIJNGAKRT.

behebt zijn: Maer 't blijft noch door Godts genade buyten de Gereformeerde Kercke,quot; die, teer ghevoeligh in dat stuck zijnde, dadelijck met ontsteltenisse ghe-waer wordt, soo wanneer slechts yemandt van haer -Kinderen eenighe spreeckwijsen onvoorstichtelijck ontvallen mochten, die aen die grouwelijcke Leer grensen.

Gemerckt dan de Heere de Staet van ons lieve Vader-lant en van sijn dier gekochte Kerke beyde soo gena-diglijck met sijn Goddelijcke voorsienigheyt omtnynt heeft, behoorden wy dan niet, met alle bedenckelijcke danckbaerheyt sulcks erkennende, die muyr geheel te bewaren, en sorghe te dragen dat geen stoute sonden daer quamen door breken, door welcke wy selve doch worden, „als een open gebroocken Stadt sonder muyr ?quot; Sonde een volck soo wonderlijck van sijn Gods be-waert, hem selven moelwilligh gaen bederven? Zoude een Kerke tegen den aenval van so veel valsche Leeringen kloeckelijk beschermt, sich door de stroom des Sondighen leevens laten wegh spoelen? En van haer heylige Leere niet anders trecken als datse te meer tot ontdeckinge, overtuyginge, en veroordeelinge van haer onheyligh leeven strecken soude? Is ons daerom dat kostelijcke pandt der gesonde woorden toevertrouwt, op datwe hetselve door de ongaefheyt van onse onge-sonde handelingen schantvlecken, en by andere verdacht, en veracht souden maken ? Zijnwe te dien eynde de aen-slagen der looser en booser vyanden ontkoomen, op datwe ons van losheyt ende sorgeloosheydt souden laten overwinnen! of meenen wy dat hy den Helschen Tegenpartij der scheelt, of hy ons door ketterije, dan of

159

ocr page 164

TWIST DES HEEREN

hij ons door gebondentlieydt ten verderve sleept? Ja 't laetste heeft hy liefst. Want het is ontwijffelijck dat Godt aldermeest onteert wort door een wereltsche wandel van die die een heylighe belijdenisse doen. Soud eyndelijck de Heere Godt sijn hemel en sijn Aerde, sijn windt ende sijn wateren voor ons soo duy-delijck doen strijden dat de Turckon selve het konnen sien, en ons als het ware toesingen:

O fortunati nimium quis militat JEther,

Et conjurati veniunt ad classiea venti.

O Hoogli gheluckigh volck voor wien de Heem'len vechton!

Wiens twistsaeck dat de windt ende wateren beslechten.

En souden wy tot weder vergeldinghe den Hemel selfs, en de Heere die daer in woont, gaen bevechten met trotsheden en stoute wederspannigheyt! Dat was sich niet alleen de vordere voorsorge onweerdigh, maar oock de aldergrootste onghenade duysentmael over weier-dig maken.

CAP. XIV.

Hoe de Heere ons door de dienst van trouwe Leeraars bebouwt heeft.

Boven dit alles heeft Godt de Heere, op dat we doch niet souden na laten goede druyven voort te brengen, ons noch soo omsichtigh, soo neerstigh bebouwt; ons Leeraers geevende na sijn harte, en sijn Euangelium soo krachtigh, soo klaer, soo overvloedigh, en op soo overtuygende wijse. latende prediken als er-gene, indien ergens. We beleven, Godt lof, die dagen nu niet datter „een hongher in het landt zy, om te hooren de woorden des Heeren; soo datmen behoeyeoven dit alles heeft Godt de Heere, op dat we doch niet souden na laten goede druyven voort te brengen, ons noch soo omsichtigh, soo neerstigh bebouwt; ons Leeraers geevende na sijn harte, en sijn Euangelium soo krachtigh, soo klaer, soo overvloedigh, en op soo overtuygende wijse. latende prediken als er-gene, indien ergens. We beleven, Godt lof, die dagen nu niet datter „een hongher in het landt zy, om te hooren de woorden des Heeren; soo datmen behoeye

160

ocr page 165

MET SUN WIJNGAERT. 101

om te swerveu van zeo tot zee, en van het Noorden tot het Oosten. Het en is niet in den Hemel; om te sehghen, wie sal voor ons ten Hemel varen, dat hy het voor ons hale, en ons het selve hooren late dat wy het doen; Het en is oock niet op geene sijde der zee, om te segghen wie sal voor ons over-varen aen gheene zijden der zee, dat hy 't voor ons hale, en ons 't selve hoore late, dat wy het doen: Want dit woordt is seer na jby u, in uwen mondt, en in uw' harte om dat te doen.quot; Ron to m schettert het Heylig Kerckgewulf van conscientia-onderrichtende, siel-roerende, hart-brekende, traen-trappende Predicatien. En is ooyt of ergens krachtigh gheroepen, Landt, Landt, Landt hoort des Heeren Woordt, soo geschiedt het hier en nu. Hoeveel Helden Davids verweckt ons hier de Heere, waer van de laetste de eerste in geenen deele beswijcken ? Want hoe veel eerbiedt we onse Vaderen schuldig zijn, nimmer moetenwe soo ondanckbaer worden tegen Grode, dat wy sijn uytsteeckende genaden-gaven in sijn getrouwe knechten deser daghen niet nae behooren erkennen souden. Jae heeft ooyt het firmament der Kercke met uytsteeckende sterren geglinstert, in spijt van de nij-digheydt, soo doet het nu oock. Hoe veele Boanerges zijnder nu, soonen des Donders, die Godt als dijcken leyt tegens de inbreeckende stroomen der boosheyt, die vol Geest, vol kracht, vol vier, Israels hare sonden bekent maken en den huyse Jacobs hare overtreedingen? die wetende datse wachters gestelt zijn op de muren van Jerusalem, daer kome dan af watter wil of kan, getrouwlijck aenseggen watter van de nacht

11

ocr page 166

TWIST DES HEEEEN

162

zy, die haer niet ontsien om met Ezechiel de boosdoen-deren tot bestraffende mannen te worden, schoon go-noomen datse dicke touwen aen haer leggen, en haer daer me binden souden; wiens heylighen en welghe-gronden yver verscheydene voorvallen wel schijnen te teugelen, inaer wat geit het? 't gaet haer als Jeremias, het woord des Heeren wordt in haer herte als een brandende vier besloeten in haer beendereai, se be-moeyen haer wel om te verdraghen, maer sy kunnen niet. Ja, Vrienden, we moeten het erkennen, dat we nu, nu noch veele Apolossen in ons landt hebben, „welspreeckende mannen, machtigh in de Schriften, die vierigh van geeste zijnde neerstelijck de saken des Heeren spreecken en leeren,quot; die haer siele om den name des Heeren Jesu overgegeven hebben, en die na uwe saligheyt dorstende, haer geen moeyte ontsien om u en uw' land te behouden. Luyden wiens eenigste bekommeringe dat is, si quid 'pereos firipossü, auxili-anie Christo, quod cegre fit Diabolo, gelijck Luther eertijdts eens seyde, „datse door Christi hulpe wat verrichten mochten 't gene de Duy vel tegens de zin was.quot; Luyden die beneftens de verkondinge der Heyliger waer-heyt, so geluckig by de Voorvaderen aen 't licht gebracht, soo manhaftig tegen alle wederspreeckers ver-dedicht, soo helder verklaert, soo net beschaeft en be-vijlt, nu daer voornamelijck haer werek van maken, om dat inwendige, nauwe nette, Greestelijcke Christendom haer toehoorders in te scherpen, en der selver harten met een recht hartrakende Predickdienst soo te bewereken, dat de Heere „Jesus daer in een gestalte

r

ocr page 167

MKT SUN WUNG AERT. j G3

krijgen moghte.quot; Altijdt geeft Godt de Gemeente sijner uytverkorea alles wat haer tot het onderhoudt des Greestelijcken leevens van nooden is. Zijn goetheyt en de volheyt Christi en lijden niet dat sy van noodtsaek-heden gebreck sonde hebben. Maer de verscheydene mate der Hemelsche gaven deylt hy na de wijsheyt sijner goedtheydt verscheydentlijck nyt. En somwijlen geeft hy in 't eerie landt ende de eene eeuwe groote overvloet. van het geene hy een ander plaetse en tijdt tot sobere noodrnft spaersamelijck heeft toeghemeeten. Of het nu niet een Heerlijcke Privilegie van onse dagen is, dat de bysonderheden van de kracht der Godtsalig-heyt, en de innigheeden van het verborgen Christendom, duydelijcker ontvouwt worden, als te vooren heen ge-daen is; daer over magh ick lijden dat de Rechtghe-heylighde Christenen, die de eenvoudigheydt der Vaderen hoogh-achten, en de Genade Godts in deese laetste dagen niet darven kleyn-achten, het vonnis vellen. Immers ick soude vreesen tegen den Heere te misdoen, indien ik de bedeylinge sijner genade, die ick in som-mighe van sijn Geestelijcke dienstknechten meene te sien, te sijnner eere niet erkende en roemde. Ja, Broeders, ick houde het daer voor, dat de Heere in dit stuck wat uytmuntende voor deese eeuwe bewaert en ghespaert heeft. Si et soo heeft de Heere tot u geson-den alle sijnne knechten de Propheten vroegh op zijnde en sendende, Seggende bekeert u doch een yegelijck van sijnen boosen wegh, ende van de boosheydt uwer handelingen, en wonet in 't landt, dat de Heere u en uwen Vaderen gegeven heeft, van eeuwe tot eeuwe.

ocr page 168

TWIST DES HEEREN

164

en laetsten heeft ons de Heere met het snoeymes

O Heere, geeve maer. dat niet gelijck veele van uwe vrome dienst-knechten billijcken duchten, deese over-vloedighe ghenaderaiddelen ons slechts ghegeeven worden om ons voor het laeste noch te overtuyghen; en datse niet en zijn de laetste prouven van uw' gedult nevens ons, 't welcke daer na in des te vreeslijcker toorn ontbrande.

CAP. XV.

Hoe de Heere ons voorsiclitighlijok floor sijne kastijdinghen besnoeyt

heeft.

van sijne kastijdinge nu soo lange tijdt soo sorg-vuldelijck besnoeyt. 't Ging met ons als het met Je-schurun deede, „als we vet wierden, soo sloegen we achter uyt; doe het ons ghebeuren mocht soo neder te sitten om te eeten en te driucken, stonden we oock op om te speelen: doe ons landt soo vervult wierde met Silver en Goudt soo dat onser schatten geen eynde en was, doe het vervult wierde met peerden en onser wa-genen geen eynde en was, doe wierd het oock vervult | met Afgoden en daarom we dwongen Godt de Heere om het eens op een ander wijse met ons te ondersoec-ken. Koom, zeide hij, kan mijn rechterhandt haer niet tot my locken, wanneerse seegen uytdeylt; laet dan mijn slinckerhandt haer voortrukken, wanneerse met ' de roede komt. Hy handelde dan met ons, als eertijds met Ephraim, Hij heeft oris getuchtight, en we zijn ghetuchtight gheworden als een onghewennet Kalf.

ocr page 169

MET SUN WIJNÖAERT.

165

quot;Wandelt my met uw ghedachten een weynigh te rugge-waert, sedert de tijden van onse Vreedehandelingen met Spanjen maer af, en besiet eens offer niet jaer op jaer, ja maent op maent, breucke op breucke wordt uytgeroepen. Men wacht al vast nae vreede, maer daer en is niets goedts, na. tijdt van gheneesinge, maer siet daer is p-erschrickinghe. Soo baerblijckelijke teeckenen van misnoegen ende verstoortheyt heeft de Heere ghe-geven, dat hij meer als blindt most wesen, die'niet en vermerckte, dat Grodt met het sondige volck onses Landts in tegenheyt wandelde. En niet minder als voeleloos en doodt most hy zijn, die dit niet beseffen, of met reuckeloose bewimpelinghen anders draeyen wilde. Ick soud wel een ander Jeremias dienen te worden, en een nieuw klaegh liet, alsoo erbarmelijck als het sijne, op te heffen; indien ick de breucke der Dochter mijnes volcks, soo alsse wel verdiende, betreuren soud. Andere hebben het voor my en soo net en cierlijck gedaen, (alhoewel sy ons Klaegh-liederen toe-gesongen hebben, ende wy en hebben niet gheweent) dat ick daer niet weete by te doen. Die lust heeft breeder hier van te leesen, (en wat recht Christen-Patriot en soud'er geen lust toe hebben om het beleit Gods in dese laeste jaren, met dat van de voorgaende te ver-ghelijcken?) die sie eens na het geene de treffelijcke Mannen Grodts, met groote opmerekinghe en beweeg-lijcke wel-spreeckentheyt in haere boecken hebben nagelaten.

Dat sal ick maer segghen. 't Heeft my altoos aen-merckelijck ghescheenen, dat Godt even die selve ma-

/

ocr page 170

TWIST DES HEEREN

166

niere van handelen nevens ons ghebruyckt heeft, die hy eertijdts neevens de Israëlieten in 't werck stelde, wanneer hy haer bekeeringe, door allerley middelen, doch te vergeefs, sochte, en daerom toereedde tot haer verderf. Kan Godt niet sonder eenighe veranderinghe, seifs na de letter, tot ons segghen; als voor desen tot sijn Israël? Amos IV: 6—12. „Daerom heb'ikulieden oock reynigheydt der tanden ghegeeven in alle uwe steden, en ghebreck van broodt in alle uweplaetsen: Nochtans en hebt ghy u niet bekeert tot my, spreeckt de Heere. Daer toe heb ick oock den reghen van u lieden gheweert, alsser noch drie maenden waeren tot den ooghst, ende hebben doen reghenen over de eene Stadt, maer over de ander Stadt niet doen reghenen: het een stuck landts wierdt bereeghent, maer het ander stuck landts, daer het niet op en regende, verdorde. Ende twee drie steden toghen om tot eener stadt, op dat sy water mochten drincken, maer en wierden niet versadight: nochtans en hebbet ghy u niet bekeert tot my, spreeckt de Heere. Ick heb u lieden gheslaghen met brant-koorn en met honighdauw; de veelheydt uwer hoven, en uwer wijngaerden, en uwer vijgheboo-men, en uwer olijf boomen at de rupse op: Nochtans en hebbet ghy u niet bekeert tot my, spreeckt de Heere. Ick hebbe de pestilentie onder u-lieden ghesonden, na de wijse van iEgypten: Ick heb uwe jonghelinggen door het sweert gedoodt, en uwe Peerden gevanckelijck laten wegh voeren: ende ick hebbe stanck uwer Heyr-legeren selfs in uwe neuse doen opgaen; nochtans en hebbet ghy u niet bekeert tot my, spreeckt de Heere.

ocr page 171

MET SUN WIJNGAEKT.

167

lek hebbe sommige onder u lieden om gekeerfc, gelijck Grodt Sodom en Gomorra omkeerde, die gby waert als een vier-brandt dat uyfc den brandt gbereddet is: nochtans en hebt ghy u niet bekeert tot my, spreeckt de Heere. Daerom sal ick u alsoo doen o Israël. Om dat ick u dan dit doen sal, soo schickt u, 6 Israël, om uwen Godt te ontmoeten.quot; O Heere och of deese woorden te gelijck met uwe slagen diep tot onse harten ingegaen waren! dat we de roede hoorden en diese bestelt heeft. Is het aen ons niet bewaerheydt datter reynigheydt van tanden in onse steeden, en ghebreck van broodt in alle onse plaetsen ghekoomen is? Dat is, alomme groote armoede en kommer onder veelen door sulk een verslappinge in de Koophandel, die als de siele en het leeven van de staet is, door het verlies van die groote, onwaerdeerlijcke, ja Konincklijcke Conquesten in Brasilien: door het te gronde gaenvan de Westindische Compagnie, 't welck soo veel bedroefde Huysgesinnen die daer haer middelmatigh hooftsom-matie, met bloediger arbeydt gewonnen, en met spaer-same suynigheyt by een ghehouden, aen ghewaeght hebben, aen den dijck ghestelt heeft: En eyndelijck door die schadelijoke en schandelijoke oorloogen, die soo veel ellendige weduwen van haor mannen, weesen van haer vaders, en beyde van haer Broodtwinners berooft hebben. De besorgers der Armen souden ge-tuigenisse konnen geeven, hoe seer in die tijdt haer Kalanten vermenighvuldigt zijn.

Zijn 'er oock niet wel Somers gheweest in welcke de Regen van ons geweerd wierde. Invoeghen dat in

\

ocr page 172

168 TWIST DES HEEREN

de vruchfcbaerste tijdt des jaers de velden soo dor stonden als in de winter, en den Huysman niet en wiste, waer hy water van daen soude halen om sijn Beesten te drencken. Doe paste op ons de jammerklachte des Propheten. „O hoe sucht het Vee, de Runderkudden zijn bedwelmt, want sy hebben geene weyde: oock zijn de Schaepskudden verwoestet. Een vier heeft de Wey-den der AVoestijne verteert, en een vlamme heeft alle hoornen des veldts aengesteecken. Ook schreeuwt elck Beest des veldts tot u: want de waterstroomen zijn uytgedrooght, en een vier heeft de weyden der quot;Woestijne verteert.quot;

Maer veel dickwijler is het nog in die tijdt gebeurt dat al te overvloedige en langhduyrige regenen de vruchtbaerheyt des velts hebben weghgespoelt, ende het voedsel van menschen en beesten bedurven; Waer door het oock meermael geschiet is, dat verscheyden andersints middelmatig wel hebbende Huislieden, door het versterf van Koeyen en Peerden ganschelijck verarmt geworden zijn; en dat „de stanck der selve in onse neusgaten is opgegaen.quot; quot;Wat sal ick segghen van het Brandtkoorn ende de Honingh-dauw die het Landt-gewas, en van de Rupsen, die het Boom-gewas verteert hebben? Godt heeft die niet alleen jaer op jaer ge-bruyckt om de ciraet onser hooven wegh te neemen: Maer heeft oock sijn lieyrleegers de Muysen en een vermenginge van ander ongedierte op ontboden, waer mede hy sijn oordeel en op soo wonderbaer een wijse heeft uytgevoert, dat elck verstandige sijn vinger met verbaestheydt daer in ghesien|i heeft: Insonderheydt in den jaere 1653.

ocr page 173

MET SUN W1JNGAERT.

169

Ons zijn noch niet vergeeten, hoop ick, de Pestilen-quot; tiale en andere vierige en venijniga Koortsen die al te met op een ongemeene maniere in den lande gegraffeert hebben, der mate datter by na geen Huysen en waren of ghy vondet daer Krancken in. Immers ons Fries-landt heught het noch wel, en het heught haer mooge-lijck niet van meer als een enckele reyse, dat van weeghen de veelvuldigheydt der Krancken, de beesten niet gemolcken, het hooy niet vergadert, ende de overighe ooghst niet in gesamelt konde worden, maer dat men uyt andere Provinciën volck daer toe huyren ende be-koopen moste. Boven dien is die slaende Engel met het sweert der Pestilentie op verscheydene tijden, onse Steden en ons Landt doorgetrocken: en heeft sijnver-slagene machtigh veele ghemaeckt. Hier vondt men oen bedroefde quot;Weduwe, beschreyende de ontijdige doodt van de lust barer oogen. Elders, een deel Ouderloose Weesen, hickende en snickende om de kist van haer trouwe Broodtwmners. Ginder, een Moedeloose „Rachel, weenende over hare Kinderen, endo weygherende sich te laten troosten om datse niet meer en zijn.quot; Op een ander plaetse hoorde men het gejammer der doodtbraec-keude krancken, van het bedde harer benauwtheydt haer onbarmbartige nabestaende toeroepende: „Ontfermt u mijner, Ontfermt u mijner, O mijne Vrienden: want de handt Godts heeft mij aengheraeckt.quot; In eene Stadt van Leyden alleen, zijn in een maant ghestorven „drie duysent twee hondort ende sesenvijftigh menschen. quot;Waaruytmen kan afneemen wat die plage, meermaels hervattende, het geheele Landt door ai menschen heeft weghgenoomen,

ocr page 174

170 TWIST DES HEEHEN

't Is al to bekent als dat het een bi-eed verhael van noden soud hebben, hoe geweldig het ons steets in de oorlogen van onse laetste jaren is tegengeloopen; Hoe Gods weer in winden die te vo.oren onse Soldaten pleegen te zijn, tegen ons gevochten hebben; Hoe de handen onser Helden slap geworden zijn', ende hare gemoederen onder een verwerret, ten bewijse, dat onse Rotssteen ons verkocht, en de Heere ons overgeleevert hadde ; Hoe „onse Mannen ghevallen zijn door het sweert, en onse Helden in den strijt,quot; soo dat de eene nieuwe mare na den anderen ons telkens tijdinge bracht van versse nederlagen. 'tEn pleegh soo niet te weesen, doe de Heere by ons voor aen do spitse was, „met sijn rechterhandt ende sijn arm, en het licht sijnes aenge-sichts, doe wy onse quot;VVederpartijders met hoornen stieten, ende in sijncn name vertraden die teghen ons opstonden Maer nu „had hy ons verstooten en te schande ghemaeckt. de wijle hy met onse Krijghs-heyreh niet uyt en trock. Hy had ons achterwaerts gekeert voor den Wederpartij der. en onse Haters beroofden ons voor sich.quot;

Wie en weet oock niet hoe Godt verscheyden plaet-sen onder ons met vier verbrandet, en ten dien aensien als een tweede Sodoma en Gomorra ghesteldt heeft? Dat cierlijcke ende sindelijcke Rijm, tot tweemael toe, eens in den jare 1654. daer nae wederom 1657. dat rijcke ende Weeldrighe Jisp, soo bloeyende door sijn Groenlandtsche vaert, in 'tjaer 1664. beyde voortreffo-lijcke Dorpen in Noort-Hollandt, dicht by een geleegen, ten meerendeele aen kooien geleyt, hebben de vruchten

ocr page 175

MET SUN WUNOAERT.

van Godts brandende toorn besuyrfc. lok swijgenuvan minder Branden, die hier Kercken, elders een deel Koorn-schuyren, ginder een straet Huysen, onder haer pnyn en asse begraven, en ons de selve tot een af beel-dinghe van Sodoraa ghestelt hebben. En dat weet mijn Leeser sonder mijn segghen wel, dat Godt boven dit alles noch andere roeden 't onser tuchtinge gebruyckt heeft, en de Pylaren van den staet doen dreunen; soo dat de Liefhebbers van Gods Kerc.ke ghenootsaeckt zijn geweest, al suchtenden tot Godt te seggen: Ghy hebt het landt geschuddet, ghy hebt het gespleeten; geneest sijne breucken, want het wankelt.''

Immers uit desen allen sien wy hier dat de Heere net die selve weg, die hy eertijts met de Israëliten gegaen hadde, oock met ons is ingheslagen, om ons ter bekeeringen te leyden. En billijcke is het dat wy de werkinghen van dit Snoeymes der Goddelijcker Kastijdinghen aensien, als een gedeelte van die sorghe die Godt voor onse Neder-landtsche wijngaert ghedragen heeft, op dat hy te beter en overvloediger vruchten soude voortbrengen. Dit stelt hy selve voor als een blijck van sijn sonderlinge voorsienigheyrlt over sijn volck: „Uyt alle geslaghten des aertbodems heb ick u lieden alleen gekent; Daerom sal ick alle uwe ongerechtigheden over u lieden besoecken.quot; En voorwaer zijn niet Godts oordeelen rontom ons hooft heen swee-vonde, de alder kraghtighste teugels om yemandt van 't qnaedt te rngge te houden, en do alderscherpste spooren om hem ten goede aen te setten? Immers de Vroome in de Oude Gemeente verstonden 't soo, alsse

171

ocr page 176

TWIST DES HEEBEN

seyden: „Wanneer uwe gerichten op der aerde zijn, leeren de Iliwoonders der wereldt gerechtigheydt.quot;

Is het niet een groote goetheydt dat Godt ons soo Vaderlijck getnohtigt hebbende noch niet heeft uytghe-roeyt, en door de Armoede, de schade, de sieckte, de doodt, het verderf van soo veel andere onse bekenden, ons ter deughde heeft willen leyden? Moet onse ziele niet al dierbaer gheweest zijn in sijne oogen, dat hy om de selve üeylige wijsheydt te leeren en soo te behouden een groote menighte van andere i.nenschen in soo veel ongemacken heeft ingebrockt?]

Als hy die weelde en overdaet, die wy toch tot der-telheyt en pracht inisbruyckten, wat besnoeyt heeft, was dat niet al het bequaemste middel, om die bulten wat neer te kloppen, die Hooge moet wat te doen sac-ken, ons tot inkeer te brengen, van de werelt af, en na die Godt in wiens handt onsen adem is, heen te trecken ? Seer soet heeft een geleert man dit uytgedruckt.

„Wy hebben, seyde hy, wel een sweep en roede van „nooden. Want wy Nederlanders zijn over langh al „gevallen, en door leckernijen en rijckdommen verdur-„ven zijnde, zijn de steyl-afieydende wegh der sonden „ingeslagen. Maer Godt vermaent ons, en roept ons „goedertierentlijck te rugge, ons eenige plagen toesen-„dende op dat wy daer door getuchtigt zijnde tot ons „selven souden wederkeeren, ja tot hem. Hy ontneemt „ons onse goederen, om dat we die tot overdaet mis-„bruyckt hebben. En met deese sachte plack der rampen, „suyvert ende boedt hy onse sonden. Met waerheyt ;jsegge ick, sachte plack. Want hoe veel meer hadden

172

ocr page 177

MET SUN WIJNGAERT.

„wy verdient? Van de Persianen verhaeldt men dat sy „een man van aensien sullende straffen hem sijn kleet „ende tullebant afneemen, en die ophanghende slaen „als of het de mensche selfs was. Dit doet oock deese „onse Vader, die in deese castijdinge, niet ons treft, „maer het lichaem, de ackers, de rijckommen, alle din-„geu buyten ons. Maer deese tuchtinghe is oock een „toom die hy ons tijdigh in de mondt werpt, als hy „siet dat wy ter sonde hellen. Ghelijck de Medecijn-„meesters al te met voorsichtighlijck een ader steecken, „niet om dat ghy sieck zijt, maer op dat ghy niet sieck „soudet worden; alsoo ontneemt ons Godt door deese „Nederlagen eenige dingen, die ons andersins een stoffe „en queecksel van onse sonden souden zijn.quot;

Wat dunckt u nu, Beminde Leeser, (op dat ik hier eens een eynde van make,) heeft niet Godt de Heer allesins sich als een ghetrouwe Wijngaerdenier aen ons ghequeten ? „Isser meer te doen een eenen quot;Wijngaert 't welck hy aen ons niet ghedaen heeft ?quot; spreecket recht uyt. Betuygt tegens den Heere. Pleyt, soo ghy kondt, uw sake gaet voor Hem. Ick weet het. „Hy sal altoos rechtveerdigh zijn in sijn rechten: en reyn in sijn spreecken.quot;

Was hy u wel half soo veel schuldig, als hy u ge-daen heeft'? Was hy u wel yet schuldigh? Kondetghy, oock op sijn genade siende, wel meer van hem eyschen? Had hy dan geen reden, om ook wat groots van u te verwachten? Kondet ghy hem wel minder toebrenghen? Minder goet ? Meerder quaedt ? Dit staet ons in 't ver-volgh nu breeder te ondersoecken.

173

ocr page 178

TWIST DES HEEREN

CAP. XVI.

Aenwijzinge van het glieene de Ileere, op soo veel seegeninghen, bil-lijck van ons liadde te verwachten.

Overmidts nu de Heere sich met soo veel vlijt en getrouwigheydt ontrent onsen Nederlandtse Wijnstock gequeten heeft, en dat wy aen sijn zijde niet meer van hem eyschen noch begeeren konnen, soo heeft hy oock billijcke reden gehadt, om wat groots en voor-trefïelijcks van deese quot;Wijnstock te verwachten. Op alle deese sorge van dien grooten Ackerman behoorde ons landt, en de Kercke in het selve, gheweest te zijn als een tweede Eden, Godes Hof, een Paradijs van Gra-naetappelen niet eedle vruchten. Hot behoorde te bloeyen als een Roose, ja lustigh te bloeyon, en te proncken met de heerlijckheydt van Libanon, de cieraet van Carmel en van Saron. De Boomen der gerechtigheydt op een ry geplantet, en over al uytspruytend als wilgen aen de waterbeecken, mosten overladen hangen met lieffelijcke vruchten, en daer in na den boom des lee-vens aerden, datse alle maenden weer nieuwe voortbrachten. Soo soud danvermidts nu de Heere sich met soo veel vlijt en getrouwigheydt ontrent onsen Nederlandtse Wijnstock gequeten heeft, en dat wy aen sijn zijde niet meer van hem eyschen noch begeeren konnen, soo heeft hy oock billijcke reden gehadt, om wat groots en voor-trefïelijcks van deese quot;Wijnstock te verwachten. Op alle deese sorge van dien grooten Ackerman behoorde ons landt, en de Kercke in het selve, gheweest te zijn als een tweede Eden, Godes Hof, een Paradijs van Gra-naetappelen niet eedle vruchten. Hot behoorde te bloeyen als een Roose, ja lustigh te bloeyon, en te proncken met de heerlijckheydt van Libanon, de cieraet van Carmel en van Saron. De Boomen der gerechtigheydt op een ry geplantet, en over al uytspruytend als wilgen aen de waterbeecken, mosten overladen hangen met lieffelijcke vruchten, en daer in na den boom des lee-vens aerden, datse alle maenden weer nieuwe voortbrachten. Soo soud dan Jezus ons Nederland t tot het Hof sijner verlustinge houden, en sijn seegen en vreede gebieden datse daer woonden in der eeuwigheydt. Maer laet ons wat besonderder gaen, en wat nauwer ondersoecken, wat de Heere van deese sijne Wijnstock al te verwachten hadde.

En vooreerst verwagte hy dit ten minsten, datter geen wrange druyven van uyterlij cke, grove, en stoute sonden aen souden wassen. Want wat bescheyt is daer ter wereldt in, dat aen soo edelen Wijnstock vergiftige

174

ocr page 179

MET SUN WIJNGAERT.

Sodonis quot;Wijndruyven, en bittere Gomorraes besien groeyen souden ? Is liet niet van een baerblijckelijcke billijckheydt, dat een Landt soo neerstiglijck bebouwt, niet en behoorde besot te zijn met een meniglite van vervloeckte Distelen ende Doornen der ongereclitig-heyt, noch doorvlochten met het Duyvels naeygaren van het onkruyt der sonde? Dit mocht Godt met reden verwachten dat wy vry souden zijn van wrevel en van boosheydt, van Godtverloocheninge en beeldendienst, van vloecken, vals en reukeloos eet-sweeren, en aller-ley namen der Godtslasteringe, van Sabbatschennerye in leere en in leeven, van ongehoorsaemheydt aen Ouders en Overheden, van doodtslagen en't geene daer toe aenleydinge geeft, van onkuisheydt en dartelheyt met der selve oorsaken en gevolgen ; van onrechtveer-digheyt en dieverije, van leugens en bedriegerije, en wat yemant van sulcke grouwelen meer soud moogen optellen. Want hoe soude op dien vetten Heuvel, en op dat Landt 't welck God soo geseogent heeft, planten groeyen, daer niet als vervloeckte vruchten van den Helschen poel aen hangen?

Ten anderen. Dit was oock van het minste 't welck de Heere verwachte, dat deese sijne Wijnstock niet 't eenemael leedigh soude zijn van lieÖelijcke vruchten der gerechtigheydt. Want niet dat alleen zijn quade boomen, die wrangh en onsmaeckelijcke vruchten, maer ook die, die gantsch geene vruchten voortbrengen. En het verdriet de Heere des Hofs uyttermaten seer, wanneer hy het eene jaer voor en het ander na in sijnen Hof komt, soeckende vruchten en hy en vindtse niet.

175

ocr page 180

TWIST DES HERREN

176

Wat Landtbouwer en Ackerman soud sioh ghenooglit houden, indien hy met groote moeyte en vlijt dat alleen gewonnen hadde, dat sijn Landt slegts van doornen gereynight en van onkruyt gliesuy vert was, sonder datfcer een voetsaem klavergras voor sijn Vee, en een aengenaem ghegroey van aerd- of boom-ghewas ten dienste des menschen sich opdeed! Soud hy dan sijn kost ende sweet na behooren betaelt reekenen? Neen, seyd den Apostel, die ploepht moet op hoope ploe-glien ; en die op hoope dorscht moet sijner hoope deel-achtigh worden. Alsoo en is oock onse Godt geen-sins te vreden, als wy nu van het bedrijf der grooter sonden vry zijn, doch voor de rest oock leedigh staen van het betragten der Heyliger deughden. Dewijle hy selve altijd besich is in het oeffenen sijner Heylig-heydt, als louter dadelijkheydt zijnde, goedt niet alleen maer oock goedtdoende, sooacht hy niet te doen, en quaedt te doen, vast al de selve sake, Jesus onse Heere, die,gelijck als sijn Vader, altijdt werck, en magh gheen niet doen-ders onder sijn Volck verdraghen. „Wat staet ghy hielden gantschen dagh ledigh,quot; grauwde hy vuydighe Tra-gaerts toe, daer hy soo langh een tijdt geen dienst van ontfangen had. Judas den Apostel heeft desooda-nige aerdigh vergeleecken by „boomen in het afgaen van de Herfst, onvruchfcbaer, tweemael versturven zijnde ende ontworrelt.quot; En het is bekent wat vonnisse de Saligmaker uytsprack over dien vygeboom aen welcken hy niet anders als de pronck en het gewaey van bladeren, sonder vruchten sond, en hoe de selve op sijn vloeck verdorrede. Wanneer oock Johannes de Dooper

ocr page 181

MET SUN WIJNGAERT.

van de Bijle predickte, „die aen de Wortel der Boom gheleyt was,quot; soo dreyghde hy de omkappinghe en het vier aen alle Boom die gheen goede vrucht voort en brenght. Niet alleen is de Bijle voor de boose Boo-men die met smakeloose vruchten verveelen: maer oock voor die onvruchtbare, die met haer goede vruchten niet vermaecken. En dat had Godt immers van die eedelen quot;Wijnstock niet verwacht, die hy in soo vet een grondt, als die van Neerlandt is, geplantet heeft; dat hy die steets als een uytgeledighde Wijnstock vinden soude. Maer indien sijn Aerwachtinghe eenigsins vol-daen soud worden/ soo moesten

Ten derden, aen de selve sich op doen de zeedelijcke goede Vruchten van een Burgerlycke, Eerlij cke, Ma-tighe, en statige maniere van leeven. Want indien het enckele Schemerlicht der Natuyre, [indien de ken-nisse van een kreupele Philosophic, indien de geboden van een seer gebreckelijcke Zeede-Kunst, indien de onwisse gissingen van de Staet der Zielen na dit leeven, indien de Lessen en exempelen van Menschen die geen ander Leermeesteresse als de Nature gehad hebben, indien de aenmerckinge van Gods Algemeene voorsienig-heydt over alle volckeren des Aerdtbodems, sonder het genot, ja sonder het gesichte van die bysondere voor-sorge over het snoer sijnder erffenisse; indien alle dese mindere dingen soo veel kracht- en indruk op veele Heydensche harte gehadt hebben, datse daer door tot een seer geschikte en voor de werelt onberispelijcke maniere des levens gebracht wierden: Wat stater dan niet al te verwachten van een volck, dat boven het

12

177

ocr page 182

TWIST DES HEEREN

Keerse licht der Natuyre het Sounelicht der Schrift-uyre, boven een kreupele Philosophie een Hetuelsche Theologie ontvangen heeft, en daer in geboden van volmaeckte heyligheydt, beloften en verseeckeringen van salige Heerlijckheydt, Lessen en Exempelen die beyde natuyrlijcke uytdrucksels van een boven natuyr-lijcke deugt zijn; en dat onder het beschut van Grodts bysondere voorsienigheydt zijnde, sich oock op de name en het voorrecht van G-odts eygen volck beroemt? 't zoud vreemt zijn, indien men in de soodanige niet al vry wat meer als burgerlijcke geschiktheyt bespeurde. 'tZoudt monstreus wesen, soomen eeven die noch daer niet en vond. Nauwer op sich t, meereer vlijt, kostelijcker bouw, geven oock verwachtinge van meerder en beter vruchten. Wie setter sich niet na om in het gheseghen-de Canaan vry wat uytmuntenders te vinden, als in de huylende wildernissen van het woeste Arabia? Wie soud dan oock van Godts volck niet wat beters wachten, als van de blinde Heydenen? wie ten minsten dat niet 'tgeen die blinde gesien, en die Heydenen betracht hebben? Altoos Grodt heeft wat voortreffelijckers van ons verwacht, als het geene hy met veel minder kost en moeyte van vremde Volckeren bekomen heeft.

Hy heeft in de vierde plaetse te ghemoete gesien een treyn des gesetten en statelijcken Godtsdienstes, in 't openbaer en in 't bysonder, in Sijn Huys, en in de Onse. Van alle die onderrichtinghen in de Religie, van alle die Predicatien, waer in het gantsche landt door de plichten dos Godtsdienstes soo klaer worden voorghestelt, soo krachtigh aen en opghedronghen,

178

ocr page 183

MKT SUN WIJNÜAERT.

stondt oock billijck te verwachten een yver in het waerneemen van de selve. Indien de menscben-vonden van een deel verwaende herssens, reuckelooslijck intredende in het geene sy niet gesien en hebben, en te vergeefs opgeblasen zijnde door bet verstandt hares vleesches, menigh soo konnen betooveren, dat sy van yver in die versierde, ende daerom valscbe Godsdienst branden, ja haer eyghen lichaem daervoor souden laten branden: wat behoorden dan de lessen van de ware Godtsdienst, die de Heere selfs ontwijffelijck heeft inghestelt, van welkers quot;Waerheydt, Heyligbeydt, God-delyckheydt, hy de conscientien overtuygbt, niet al te vermooghen by de Belijders der selve? Wat een drift moster zijn tot de onderhoudinghe daer van? Wat een Hoogbachtinghe van die Hemelsche instellinghen? Wat een lust om daer van te spreecken? Wat een vertoo-ninghe van devotie m de oeffeninghe der Heylighe plichten? Wat een neerstigheydt ten minsten om de selve niet licht te versuymen ? Invoegen dat geen secte soo yverde in haer eygen opgeworpen Religie, of wy wierden bevonden soo veel ende meer te doen in die, die wy kennen en bekennen ontwijffelijck van Godde-lijcke oorsprongh, en derhalven oock van de grootste Hoog-achtbaerheyfc te wesen.

Maer dit en is het noch niet al. Boven dit voorghe-noemde verwachte de Heere noch ten laetsten Edele vruchten van Geestelijcke Heyligbeydt. Die volmaeckti wet, die hy ons heeft laten voordraghen, moste niet alleen het uytterlijcke geswier van onse handelingen, niet alleen de redenen onses mondts, wat gheschickt

17!)

ocr page 184

TWIST DES HEEREN

180

macken: Sy was niet alleen om het bedrijf des leeveus wat te beschaven, voor de menschen, noch om die uyt-spoorighe hol van de driften onses vleesches wat in te teugelen: Maer sy is ons ghegeven om door te drin-ghen tot in de binnenkameren des herten, tot aen de innerlijckste '.roermghen van den verburghen Mensohe des gemoedts, om daer alles op te Schick en, en een indrucksel en nytdrucksel te wesen van Godts vol-maeckte Heyligheydt. Dit is de eere des wets, datse eenvoudelijck gehoorsaemt worde, ende 't is de eere des geenen die de wet ontfangen heeft, dat hy die tot een nette regel van al sijn betrachtinghen stelle. Dit verwacht de Heere oock van sijn volck, die in sijn ver-bondt tredende gheseydt hebben: „ Alles wat de Heere ghesproocken heeft sullen wy doen quot; En daer op seydt hy selve dan, „behoudtse en doetse: want dat sal uwe wijsheydt en uw verstandt zijn voor de ooghen der volckeren.quot; Oock leyter in dat dierbaer Euangelium, 't welck de Heere ons heeft laten verkondighen, een verplichtinghe om „weerdighlijck der Euangelio Christi te wandelen, weerdighlijck der roepinghe met de welcke wy gheroepen zijn, en eindelijck, weerdighlijck Gode, die ons roept tot sijn Koninckrijcke ende Heerlijck-heydt. Eu dit is een sake die uyttermaten veel in heeft. Dit is wat meer als de „Burgerlijcke gheschickheydt der Heydenen,quot; 't is wat „overvloedigher als de uytter-lijcke rechtveerdigheydt der Phariseen en Schriftghe-leerden.quot; 't Is ietwes waer toe een Mensche, die het Euangelium des Koninckrijcks noyt ontfanghen heeft, met zijne gedachten, ick late staen met sijn betrachtin-

ocr page 185

MET SUN WIJNGAERT.

181

ghen, niet reyken kan. Dat suyverlijcke ende allesins vol-maeckte voorbeelt des Heeren Jesu voor sijn ooghen te hebben, die alle gerechtigheyt voor ons vervult heeft, en uyt die Goddelijoke mondt te hooren die Hemelsche leere met soo veel mirakelen bevestight, die kostelijcke lessen van een boven-aerdsche wandel, die klemmende dringhredenen, on( leent van het bitter lijden en sterven des Soons Gods, „die hem selven overgegeven heeft, opdat hy ons verlossen sonde van alle ongerechtigheydt, en hem selven een eyghen volck soudereynigen, yverigh in goede wercken,quot; dit te sien, en dat te hooren, moste den Christen mensche oock optrecken tot een naetrachtinge van Heyligheyt, in welckers glans een afschijnsel was van de suyverheydt des Heeren Jesu, en een levendige vertooninghe van de kracht sijnes Woorts, sijnes Bloedts, sijnes Geestes. quot;Want immers behoorde de Ziei-overtu jagende voorstellinghe des Heyligen Euangeliums, ten minsten na proportie, die selve in druck op het harte te hebben, dewelcke de lessen der zedelijcker Philosophie hadden op het ghemoet van sommige Heydenen. Indien dan dese laetste, niet meer als een , zedelijcke geschicktheydtquot; leerende, veele daer toe gebracht hebben: billijck oock dat de vermaninghen van een veel Hoogh- gaender Heyligheyt die in den Euangelio zijn, en met veel krachtiger beweeghredenen worden aengedrongen, de Belijders des Euangeliums tot een Geestelijcke Godtsaligheydt aenset-ten. Daer toe hebben sy haer selven verplicht: „Die seght dat hy in Christo blijft, die moet oock selve alsoo wandelen, ghelijck hy gewandelt heeft.quot; En dit fnosten sy oock volbrengen, soude de verwachtinghe Godts voldaen zijn.

t

ocr page 186

TWIST DES HEEBEN

Soo hebben wy dan nu ghesien wat de Heere tfa de spreeck-wijse der Heyliger Schriften, en na de verkla-ringe die wy in het vierde Capittel daer over ghedaen hebben, van ons verwachtet.

CAP. XVII.

Betooninghe dat wy geen vruchten van Geestelijckc Godtsalighcyt na behooren hebben voortgebracht.

aet ons nu dit alles stuk voor stuck eens weder

opnemen, en daer onderzoecken, „hoe wy deese verwachtinghe des Alderhooghsten beantwoord hebben.quot; En te dien eynde van het laetste als het Hooghste beginnen, op dat wy allenxkens tot hel laegste nederdalende, te klaerder overtuyght moghten worden, het minste noch niet voldaen te hebben.

Waar is die kracht der geestelij cker Grodtsaligheydt, daermen van seggen soude, dat sy den Euangelio Christi weerdigh was? Sy schuylt mogelijck hier of daer in een verschoven hoeckje: Maer se is soo seldsaern in den lande, datse de meeste menighte, oock onder die geene, die Christenen willen heeten, 't enemael ontmun-tet is, en dat men wel van nooden hebbe een nieuwe beschrijvinge en prente daer van te maecken. Dat sal hier oock niet quaelijck passen, op dat we ons selven dan verghelijckende met het voorschrift, onse afdwalingen te duydelijcker verneemen mochten.

'tls ontwijffelijck dat de kracht der Geestelijcker

182

ocr page 187

MET SUN WIJNOAERT. ' 183

Godtsaligheydt, haer voornaemste sitplaetse in den ver-borghen mensche des harten heeft. Dit ciraet en deese „ Heerlijckheydt van des Koninghs Dochterquot; sit inwen-digh. Magr verspreydt van daer sijn glansen over al het bedrij: des Menschen. Sulcx dat dat licht alomme schijne tot overtuyginghe en beschaminghe van de rontom leggende duysternisse.

Een recht Grodtsalighe dan heeft vooreerst van God een verstandt ghekreeghea, dat „bestraelt is met de verlichtinghe des Euangeliums der Heerlijckheydt Christi.quot; Waer doorsy indringende in de binnenkame-ren van de ghoheymenissen Godts en Jesu, soodanigh een kennisse der selve bekomt, die waerlijck een beginsel zy van, en. een trap tot die volmaeckte kennisse waer in de salighsydt bestaet. 't Geen hy weet van Godt en Christus, dat yeet hy niet alleen door studie, uyt leesen, en als van hooren segghen. Maer hy weet het door de „salvingho van den Heylighen, die hem van alle dinghen loort, en sy is warachtigh en gheen leu-ghen.quot; Hy weet het, omdat hy het niet alleen met het ghehoor der oore ghthoort heeft, maer sijn ooghe heeft het oock ghesien, ay heeft het aenschouwt, hy heeft het met sijn haaden getast van het woord des leevens, en Godt heeft hem, immers van sommighe dinghen, niet het gesichte alleen, maer oock proeve, en ondervindende kennisse ghegeeven. 't Geene hy siet dat siet hy niet alleen Dy het duystere schemerlicht der nature, als de blinde Heydenen; niet alleen by het sterrelicht der Schrifture, ils de Joden en uyterlijcke Christenen, maer by het Sonnelicht des Heyligen Geestes,

ocr page 188

TWIST DES HKEREN

184

van binnen sijne ziele bestralende, en makende dat hy de Goddelijcke waerbeden op een gansch andere maniere en veel dieper en grondiger siet, als alle andere, die soo niet, gelijck als liy, „van binnen vol oogenquot; zijn, en die die Hemelscbe bestralinghe des Geestes missen. Hy siet de waerheydt onder haer eygen ghedaente, gelijck sy in Jesn is: (Want hy heeft de SinChristi;) en niet onder die verkeerde gestalte die het verstant des vleessches haer verwaendelijck opdicht, en onver-standelijck toepast. En daerom heeft snlck een kennisse der waerheydt oock veel meerder kracht in hem. Hy „verstaet de waerheydt soo, dat de waerheydt hem vry maecktquot; van de slavernye der sonde, en hem encke-lijck Gode onderwerpt. Soo is dan die Heylige kennisse eens Christens oock niet ledigh, sy sweeft niet alleen in sijn verstandt, sy stommelt die froddelijcke waerbeden niet weg in een verschoven loekje van de Memorie, daerse de natuyrlijcke Mensche verschimmelen en verroesten laet: maer sy is leêvendigh en werek-saem, en de ziele bezig houdende in de bespiegelinge Gods, soo verandert sy de selve hoe langhs hoe meer na sijn gelijckenisse. 't Geen de Philosophen van verre siende als ghedroomt hebben, „dit het verstandt eeniger ' mate alles wordt wat het verstaet,quot; dat heeft hier sijn volle waerheydt. Het verlichte verstandt eens Godtsa-ligen, Godt ende Christus beschouwende, wordt daer door als vergodet en verchristent, voor soo veel dat in een mensche kan plaetse hebben. De Philosooph Hierocles, sagh een schaduwe van soodanigh een wetenschap, als hy schreef in sijn uytleggingen over de

ocr page 189

MET SUN WIJKGAERT.

gulden gedichten van Pythagoras, dat „door de selve de mensche eenighsins vergodet wordt, voor soo veel het mogelijck is, dat een mensche der Goddelijcker nature kan deelachtigh worden.quot; Maer overmidts hy geen ondervindinghe van sulck een kennisse hadde, soo was het al te ruael slegs gheraeskalt het gheene hy daer van seyde. Paulus gheeft ons het alderbondighste bericht. „En wy alle met ongedeckten aengesichte de heerlijckheydt des Heeren als in een klaere spiegel aen-schouwende, worden nae het selve beelt in gedaente verandert, van Heerlijckheydt tot Heerlijckheydt als door des Heeren (ieest.quot; Een geestelijcke ziele, Godt, by, door, en in sijn eygen licht aenschouwende, wordt door dat ghesichte soo opghetrocken in verwonderinge over sijn nytnemende deughden, soo verheft en ver-leckert op de glans van die Heerlijcke Heyligheydt, soo nauw met de wille daer mede vereenight, datse geen ruste noch genoegen heeft, voor en al eer sy die Heerlijckheydt na haer mate en in haer ordre oock besit.

En soo verspreydt dan dat Hemelsche licht in het verstandt oock een Heylige warmte in de Wille en alle de andere onderhoorige krachten van de ziele, om die tot lof en heerlijckheydt Godts te doen ontbranden. Dat Geestelijcke harte verwondert over de uytnement-heden Godts heeft daer een Heyligh genoegen, mede-blijdtschap, en verheuginghe in. En 'tis wonderlijk in sijn Schick dat het sulck een onoyndigheyt van vol-maecktheden in sijn Godt siet; quot;twil ook nergens ruston als in dif middelpunt. Sulck een ziele sonde wel

185

ocr page 190

TWIST DES HEEREN

186

wenschen dat alle hare beenderen in tongen verandert wierde, en alle creatuyren soo Hemelsche als aerdtsche in stemmen van liefden, om niet alleen de Heer te dancken voor 'de weldaden aen haer beweesen, maer oock om te segenen ende te roemen syn Groddelijcke Volmaecktbeden, en gelijckelijck als in een Algemeene Verruckinge te singen, 6 Heere wie is u gelijck ? Alle tijd is haer te kort tot het verbreyden van Gods lof, en daerom is sy blijde dat de Heere voor haer een Eeuwigheydt bereydt heeft, op dat soo door de duur-eaemheyt vergoedet mogtet worden, het geene de schepselen aen de inspanninge van haer onvolmaeckte krachten ontbreeckt. Want daerom heeft een Heylige ziele sulk een lust tot de salige Heerlijckheyt, niet alleen, noch voornamentlijck op dat sy daer by sonde welvaren; maer boven al op datse dien Alleen salige God daer de behoorlijcke eere sijnnes naems, onder het lief-felijcke accoordt van al die Hallelujas, eeuw in eeuw uyt, soude toebrengen. quot;Want sy heeft God onverge-lijckelijck meer lief als haer eygen selven, en sijn eere verre boven hare saligheydt. Sy houdt dat voor een vaste stockregel dat het goede het voorwerp van de liefde is. En by ghevolghe dat het Hooghste goedt oock weerdigh is met de Hooghste liefde bemint te worden. Nu dat seecker stellende, datter oneyndigh-mael meer goedt is in Godt als in haer selve, soo acht se haer selfs oock oneyndigmael meer verplicht om Godt, dan om haer selve te beminnen. Het dunckt haer een handt-tastelijcke reeden te hebben, dat de mensche Godt beminnen moet met geheel sijn harte,

ocr page 191

MET SUN WIJNGAERT.

187

met geheel sijn ziele, en met geheel sijn verstandt. Jae al hadse noch duysentmael meer krachten in haer, en al konde elcke kracht noch tien duysentmael meer uytwerckingeu hebben, sy sonde gaerne die alle ten uyterste van hun vermogen tot de liefde des Heeren uy treek en. Deese liefde van een Grodtsalighe ziele dus op Godt geset zijnde, maeckt alles wat in haer is ten dienste des Heeren vaerdigh. En geen dingh dunckt haer te lastigh in welckers bedrijf sy Gode behagen kan. Dit is het ooghemerek 't welck sy haer voorstelt. Al most sy dan tot betooninge van haer liefde hare oogen uytgraven, en haer harte, soo het moghelijck ware, uyt haer boesem rucken, omse Gode in de handt te gheven, sy ende soude haer dat niet ontsien. Al haer lust is Godts welbehagen te doen. Sijn liefde is haer lust: sijn haet, haer afkeer; en yets gedaen te hebben dat Hem mishaeght, dat is haer helle. Sy vindt niets vreemts in het oordeel van Chrisostomus, seg-ghende: soo versta ick het, ende soo sal ick oock altijdt prediken, dat het veel bitterder is Christum te vertoornen, dan met de qualen der Helle geplaeght te worden. Uyt die liefde volght dan verder, dat de liefhebbende ziele haer ghewilligh, sonder eenigh achterhouden, Gode overgeeft, en opdraeght, om van hem voortaen in alles bestiert te worden, en met sijnne, soo ghebiedende, als besluytende Wille, altijdt even wel vergenoeght te sijn; denckende dat Godt Absolute Meester over haer is, die in alles met haer magh ende moet doen, soo als het goet is in sijnne oogen. En niet is in Godts oogen goedt, of 't is oock inder-

ocr page 192

TWIST DES HEERKK

daet goedf, en daerom moet liet meede goedt weesen in de oogen der Grodtsalige. Ja een Grodtsalige sonde wel wenschen sioh soo op te dragen aen Godt, dat hy sich selve teenemael mochte qnijdt weesen, om voort-aen nerghens anders te bestaen als in Godt. O! seydt se tot God: Wanneer sal die tijdt eens komen, dat iok my ten vollen in u bevinde, op dat ick van wegen uwe liefde my selfs niet meer gevoele, maer u alleen, boven alle gevoel ende mate, op een wijse dio alle niet bekent ende is?

En alles wel overwogen zijnde is de Godsaliglie ziele te geringh in haer eyglien oogen, als datse weer-digh sonde weeson om Hem opghedraghen te worden: Oock isse Gode in haer sin te veel sclmldigh, als datse met het overgeven van een enckele ziele, ghelijck sy is, Gode ende haer plicht sonde kormen voldoen. Soo een Godsalige ziele recht betarnelijck was het overlegh van Bernardns. Indien ick my selve Gode schnldigh ben om dat hy my (jheschapen heeft, wat sal ick 'er dan toedoen, om dat hy my op dusdanigh een maniere herschapen heeft? Want ick en ben soo licht niet herschapen, als geschapen. Want Hy die my eens, en met een enckel woordt (jheschapen heeft, heeft om my te herscheppen veel moeten spreecken, ende hittere dingen moeten lijden; en geen bittere dingen alleen, maer oock onbetaemlijcke. In het eerste werck heeft hy My mijn selve gegeven. In het tweede heeft hy hem selve aen my gheschonken. En als Hy sich aen my gaf, soo heeft hy My aen Mijn selve wedergegeven. Dewijle ick dan aen mijn selfs ghegeven, en weerge-

188

ocr page 193

MET SI.JN WI.TNGAERT.

geven ben; soo ben iok my selve voor mijn selve schul-digh, en dubbel schuldigh. quot;Wat sal ick Gode nu vergelden voor Hem? quot;Want of ick my selue duysentmael vergoeden konde, wat ben ick by Godt.

Soo verre is het dan van daer dat een Godsalige ziele in de opdragt hares selfs aen Gode yets trouw-looslijck sonde achterhouden dat sy in tegendeel niet groot noch goet genoeg is na haer sin, oock alsse haer geheel overgeeft. Eu in dese geheele overgevinge on-ses selfs aeu Godt bestaet buyten twijfel de rechte kracht der Godtsaligheydt.

Dusdanigh zijn de innigheden van een Godtsalige ziele ontrent haer Godt. quot;Waer uyt dan oock met een nootsakelyck gevolgh voortvloeyeu Heylige en Geeste-lijcke beweegingen ontrent haer selven.

En voor eerst soo sietse met die opgehelderde oogen des Verstants, by het licht der Goddelijcker Heer lijck-heijdt, op een gansch overtuygende maniere, haar allen-halvige nietigheydfc. En dat veroorsaeckt dan in haer diepe beweeginghen van een ootmoedighe nedrigheydt, weghsmeltende voor Godt, en sich geringh achtende by de menschen. Daer op volght dan een geheel wantrouwen van sijn selve, uytkomende op een vast betrouwen op Godt. En dit gaet vergeselschapt met een verwonderinge over Gods oneyndige goetheyt, die soo veel wercks maeckt ontrent soo slecht een nietje ghe-lijck sy is. quot;VVant indien het na Salomons oordeel beneden de deftighheyt is van een wijs man, dat hy sijn ooge laet vliegen over bet geene dat niet en is: Voor wat een afgrondt der Goddelijcker liefde is het dan

189

ocr page 194

TWIST DES HE EREN

op te neemen, dat hy niet alleen sijn ooghe ter loop eens laet vliegen: maer van eeuwigheyt af gevestet heeft op sulck een niet als wy zijn ? Godt self bestrafte de menschen, dat sy btyde waren om een nie-tigh dingh. Door wat een overmaet van verbaestma-kende goedtheydt moet de Grodsalighe ziele het dan opneemen, dat hy selve (met eerbiedigheydt zy het ghe-sproocken) die bestraffensweordige sake ontrent haer begaet ? quot;Want soo heeft hy in sijn onverbreeckelijck genade-verbondt belooft, ick sal my over hen verblijden dat ick hen wel doe. Zoo verliest sich een Heylighe ziele in de aenmerckiughe van haer niet, ende van Godts beleydt ontrent dat niet.

Ja wanneer een Grodtsalighe siele haer selven ten nauwsten, by het licht van Godts heerlijcke Heylig-heydt, besiet, soo bevindt sy datse noch minder en slimmer als niet is. Sy is ja yet, maer een sondigh yet, en sulck yet, is erger als niet. Al het niet is tot yet te maecken, door een enckel woordt Godts. quot;Want „hy spreeckt en het isser: hy gebiedt en het stater.quot; Maer haer quaedt ende sondigh yet is niet wegh te neemen, door hondert woorden. Het heeft dat selfstan-dige quot;Woordt des Vaders soo veel Predicatien, soo veel arbeydt, soo veel sweet niet allen, maer sijn dierbaer bloedt, en het lieve leven ghekost, eer dat dat boose yet te niete ghedaen konde worden. En dat vermerckt de Godtvruchtighe ziele met de alderverlegenste be-schaemtheydt voor de reyne ooghen hares Godts: invoegen datse wenschen sonde uyt haer selve wegh te loopen, en ganschelijck te verschuylen voor Godt, im-

190

ocr page 195

MET SUN WIJNGAEHT.

mers achter de Heere Jesns, om niet van Godt ghesien te werden als door Christus heen. Dit doet haerHey-lighlijck van haer selve, ende al het hare wantrouwen. Die doet haer haer inkleevende sondelijckheyt, ende dadelijoke sonden, daer uyt voortkomende, hartelijck betreuren ende ootmoedelijck belijden. Soo neemtse dan oöck vastelijck voor, om voortaen op alle bewegingen van haer harte te letten, en die helsohe sondelijckheydt soo veel doenlijck is daer uyt te houden. Se heeft geen sin meer aen haer selve, ende daerom soecktse haer selve af te sterven, op dat dat eyghen ick in haer doodt zijnde, sy Grode alleen leven mochte, ende met Paulo in waerheydt seggen: „Ick leeve, nu niet meer ick, maer Christus leeft in my.quot; En sy verfoeyt alles wat na een onordentlijcke en verkeerde eygenliefde smaeckt, die doch alle onse goede betrachtinghen smaeckeloos maeckt voor Godt. Maer daer isse voor alle dinghen op uyt, om haer harte soo bewerckt te krijghen, dat de Heere Jesus een ghestalte daer in hebbe; en dat sy soo ter eere van haer Godt mochte zijn.

Overmidts nu die liefde die een Heylighe ziele haer selve toedraeght, voortvloeyende uyt de liefde Godts een regel is van die liefde die wy onsen naeste schul-digh zijn, soo en kan het oock niet anders wesen, of een ziele die selfs soo gaerne tot Godts eere was, moet oock hartelijck begeeren dat die selve goede hoedanigheden in andere, die haer naesten zijn, gevonden mochten worden. De aldergrootste liefde die de ziele Gode toedraeght brengt daer meede, datse sich verheught hoe der meerder zijn in welcke Godt verheerlijckt

191

ocr page 196

TWIST DES HEEREN

worde door het betoonen van sijn goetheydt, en dat sy derhalven alle het hare oock aenlegge, om haer naesten in die staet te brengen, dat Grodt in hem en door hem hoe langhs hoe meer verheerlijckt worde. En daerom soude sy wel „wenschen, dat alle weesen moghten gelijck sy is,quot; doch uytghenomen hare onvol-maecktheden. En dat soo veel te meer, hoese meerder overtuygt is van haer gebreckelijkheydt in het verheer-lijcken Godts. Daerom is hot haer soo veel te liever, hoeder meerder zijn die haer in dat groote en noodighe werck te hulpe komen. Vindt sy oock ergens de soo-danige, in welcke sy yets van Christus vermerckt, ö haer harte springht op van vreughde, „en al haer lust is tot de Heylighe en Heerlijke die op der aerden zijn.quot; Sy heeft lief al die Godt liefhebben, en haer liefde tot de selve is sterker, hoe sy der meerder van Gods liefde en beeltenisse insiet.

Vorders nyt deese gantsche goede gestalte van een Heylighe ziele, ontrent Godt, haer selve, en haer naesten, volght oock een „uytnemende voortrefïelijcke treyn des Godtsalighen levens,quot; waer in dat Heerlijcke, dat He-melsche, dat Goddelijcke der Nieuwe nature welcke „sy deelachtigh geworden zijn,quot; uytglinstere: waer in sich soo een afschijnsel van de Heyligheydt ende Heerlijck-heydt Gods vertoone, ten naesten by als op het aen-ghesichte van Mose was, doe hy met Godt op den bergh ghesprooken hadde, daer al het ander volck gheen oogh op konde houden; Waer in sich eyndelijck soo yets opdoet, dat onnadoenlijck is voor alle Menschen, die des Heylighmakenden Geestes Christi niet deelach-

192

ocr page 197

MKT SUN ■WJJXOAERT.

tigh zijn. Met een woordt, een rechtschapen Christen stelt sich aen als een Ideyne Christus op dor aerden en ghelijck in hem het selve gevoelen is het welcke oock in Christo Jesu was, soo soeckt hy oock de selve slagh van Heylighe redenen te spreecken, de selve slagh van Heylighe betrachtinghen te verrichten. En dus wordt dan „het leeyen Christi in sijn sterffelijck l:chaem gheopenbaert.quot; Dit is soo de beschrijvinge en prente van een Goestelijck Godtsalighe ziele, dieve nu in het ruw ende ter loops afgeschetzt ende gedoodtverwt hebben. Maer als we hier by ons selve, en doorgaens de Inwoonders van ons Vaderlandt, eens verghelijcken, sullenwe niet met verbaestheydt aenmerckende datter soo sobere vruchten van deese Geestelijcke Godtsalig-heydt aen onsen Wijnstock wassen, genootsaeckt worden uyt te roepen? „Behout, 6 Heere, want de goedertie-rene ontbreeckt: want de getrouwe zijn weynigh geworden onder de Menschen Kinderen.quot;

Waer is die recht gheheylighde kennisse te vinden die niet als in de Academie des Geestes gheleert wordt? 'tls waer wy beleeven een schrandere en scherpsinnighe eeuwe, in welcke allerley kunsten ende wetenschappen als ten toppe schier van haer volkomenheydt schijnnen ghebracht te zijn. Ja daer zijn' er die sich niet te vreeden houdende met de gronden van de oude en eenvoudighe Godtsgheleertheydt, als scherpsiende Arendts hooger vlucht wilden ueeraen, en in de winckel van haer afghericht verstandt nieuwe Hijpolheses err onderstellingen smeeden, waer op moghelijck metter tijdt wel een nieuwe Theologie getimmert mochte wor-

13

193

ocr page 198

194 twist des heeren

den, die onse Vaders niet ghekent hebben. Maer evenwel in al die zucht ende roem van nieuwe weetenschap doet sich soo weynigh Geestelijke kennisse Gods op. En ick en twyffele niet, of soo Paulus eens weder-quam, hy soude gheen swarigheydt maecken om tot veele gheleerde onser dagen oock te seggen, als eer-tijdts tot de waenwijse Corinthiers: „Sommighe en hebben de kennisse Godts niet. Ick segge het u tot schaemte.quot; Menigh praet ende disputeert neerstelijck van de dinghen Godts, die' er doch niet van weet als van hooren seggen alleen: die de waerheydt nooyt ghesien en heeft, gelijck sy in Jesu is, die niet eens verstaet wat het te segghen zy door de waerheydt en des selfs kennisse vry ghemaeckt te worden. En hoe weynighe zijnse die de Goddelijcke waerheden by het licht des Geestes soo sien, dat sy in de forme der selve gegooten, en daer na gefatsoeneert worden? Ja gave Godt dat niet sommighe, die het alderminst be-taemt, sulck een licht ende sulck een kennisse daer uyt voortkomende, 't welck alle opschranderinge van de Reden, schoon gheholpen door het uyterlijcke licht van de Schrifture, verre te boven gaet, voor een droom van Geestdrijvers ende Quaeckers uytmaeckten. Daer die dog het beginsel is van het ware Christendom, de Verburgentheden Godts met sulck een soorte van kennisse te verstaen, als geen Schriftgeleerden, gheen on-dersoecker deeser eeuwe, met al sijn neerstigheydt, ende al het ghebruyck van uyterlijcke middelen, bekomen kan, soo niet „de Geest hem oock van binnen leert.quot;

ocr page 199

MET SUN WUNGAERT.

Waer is de wercksame bespiegelinge van de oneyn-dige volmaecktheden onses Godts, die de ziele wel weghrucke in verbaestheydt, maer die ook haer soe-telijck doe rusten in een Heyligh genoegen, mede-blijdschap en verheuginge in de selve? quot;Waer is die los-breeckings ende uytlatinge, ja uytgelatentheydt van de ziele tot Godts lof? Waer blaken die vlammen der suy verlijcke liefde, in welcke de ziele haer selve ende al haer eyghen interesten als een Brandt-offer ter eeren Godts wel soud willen verteeren laten ? Waer bespenrt-men die volle overgevinge ende opdraght sij nes selfs aen Gode, sonder dat de Mensche eenigh meesterschap over sijn sells soud willen behouden, maer bereit is sich enckelijk aen de leydinge des Geestes over te gheeven, om gelijck als Ezechiëls dieren, sonder om-sien, „sonder omkeeren, recht uyt voor sijn aengesichte te gaen, waer heenen de Geest was om te gaen.quot;

Waer is die Ghevoelighe en Nedrighe erkentenisse van sijn eygen niet, die alle grooste en vermetele inbeeldinghen door deese eene overdenkinghe om verre werpt, waer op wil ik doch trotseeren, waer over my beroemen, wat te seggen hebben, daer ick doch maer een Nietje ben ? Men seght het licht met de mondt, men kent die spreukjes van de Heydensche Schrijvers van buyten, dat de Mensche maer een stem, een ge-luydt, een bias, een waterbulle, een droom van een schaduwe, een enckel niet is. Maer wie gelooft, wie beleeft die waerheyt na behooren ? Wilde niet elck Mensche wel dat al watter was sich nae sijn belangh voeghde, selfs tot wind en weder, tot Hemel en aerde,

195

ocr page 200

196 TWIST DES HEEBEN

ja tot de Godt van die beyde toe? Komter niet een verburglien , ende somwijlen niet dan al te duydelijck onbenoegen de ziele bekrnypen, als de lucht en 't water mogelijk onse voorgenoomen vermaeckingen niet dienstbaer en dienstig genoegli zijn ? Zijnwe niet ter-stondt qualijck te vreeden, als yemandt dat gewaende poinct van onse aensienlijckheyt een weynigh te na komt? En geloovende dan noch datwe niet zijn? Of mach soo schraelen Nietje soo seer de Grootmeester te speel en ? Waer is oock dat Heyligh Afhangen van den invloet der Goddelijcke Macht, beyde in de werc-ken der Nature ende der Genade, in verloocheninge van ons eygen vermogen? quot;Waer is dieverwonderinge over al dat bestel der Goddelijcker goetheyt ontrent soo een Niet, invoegen dat hy die de warp wesentlijck-heyt ende het Al is, hem selve vernietight heett, op dat hy ons uyt de diepste afgrondt der alderellendigste Nietigheyt treckende, sijner wesentlijekheyt en sijnes Als deelachtigh sonde maken? Waer doen sich sulcke bewegingen van de ziele op, die eenighsins ghepropor-tioneert zijn na soodanighe wonderheden ? Een bewijs dat die grondt van ons eygen niet noch niet te deegh in het harte leydt.

Waer is dat Heylighe gesichte van onse ETelsche sondelijckheydt? Een yder is dit in de mondt geslagen, dat wy al te male arme ellendige Sondaren zijn: maer elck spreeckt'er oock schier van als van een tijdinghe uyt verren lande, die hem in het bysondere weynigh ter harte gaet. Geloofden we in oprechtig-heydt dat wy alle vol grouwelijcke sonden staken,

ocr page 201

MKT SUN WIJNGAEBT.

van de Hooftsohedel af tot aen de voeten toe; gheloof-den we dat elck sonde in sich hadde het leelijcke uytdrucksel van den baerlijcken Day vel ter Helle; geloofden wy dat de minste van alle ons schuldigh maeckt aen do doodt en de eeuwighe verdoemenisse; gheloofden we dat in der daedt gkelijck het de waer-heydt is, on seyden wy het niet alleen na om dat wy het andere soo hooren voorseggen, maer sagen we dat te deegen in ons, ende voor onse oogen, soo als 't is; hoe soudenwe, voor Grodts reyne oogen beschaemt, met onse selve verleegen, voor ons selve vervaert en beangst zijn? Wat soud'er niet een kreet in onse ziele opgaen? Hoe soudenwe ons wringen en wrymelen voor de voeten Grodls, hoe souden wy klagen en smeecken om vergevinghe? Wa.t souden wy nauwe wacht over ons harte houden, om die boose sonde, ja waer het mogelijck de eerste bewegingen tot de selve, daer uyt te houden? Maer nu de menschen met dat lastigh pack der sonde, soo gemacklijck gaen heene stappen, dat is een bewijs, dat de rechte konnisse der sonden noch niet by den volcke is.

Waer is die salighe doodinge en afstervinge van sijn eygen selfs? Waer, die bewerckinge sijnes herten na het fatsoen en de gedaente Jcsit (jhrislr? waer Heylige liefde tot de Broederen, die de Heere Jesas tot de lievreye van sijn Dicipelen, en d' Apostelen tot een kenteecken der geloovigen ghestelt hebben? Ware die sucht om andere oock tot gemeynschap Christi te brengen, of daeri 11 te verstercken ?

En om hot al by een te seggen, waer is dat voor-

197

ocr page 202

TWIST DES HEEREN

198

treffelijcke, uytneemende, Hemelsche, Goddelijcke, 't welck het ware Christendom uytmaeckt ? Waer blijckt en blinckt dat overtrefielijcke dat de rechtveerdighe meer is als sijnen naesten ? Helaes! Hoe is het goudt soo verdonckert! het goede fijnne goudt verandert! Hoe zijn sy, die reynder behoorden te weesen dan de sneeuw, witter dan melck, rooder van lichaem dan de Bobijnen, en gladder dan een Sapphyr, nu soo besmeurt, dat hare gedaente verduystert is van swartigheydt en dat men haer niet meer en kent op de straten ? Daer is een wereldts wesen in de Kercke Jesu Christi geslopen, en dat heeft de glans des eersten en eenvou-digen Christendoms soo ontluystert, datwe niet veel meer als een flauwe schaduwe, en een droevige gedach-tenisse des selven hebben overgehouden. Voor waer wanneer ik my eens te binnen brenghe wat al Heer-lijcke dingen de Heylige Schriftuyre van de kracht der Geestelijcke Godsaligheyt seydt, en hoe ons de Hey-lighe daer in beschreeven worden, als een volck dat wat onghemeens is, en boven andere uytmuntet als een edele parel onder slechte steentjes; en wanneer ick dan daer by eens vergelijke den sleur des leevens van die geene die sich voor Christenen uytgheven, die oock van andere doorgaens voor goede en vrooms Christenen gehouden worden; dan denck en segh ick altemet tot opweckinge van die gheene die my hooren, soude het dan dit sleghts zijn, het geen de Heere van sijn volck vereyscht en verwacht? en niet meer als dit! Soude dan de Heylige Geest, na de maniere van de opswet-sers en grootspreeckers deeser eeuwe, soo veel rare din-

ocr page 203

MET SUN WIJNGAERT.

199

gen op een hooghdravende toon in de Schriftuyre van de Godtsaligen seggen, ende soude hy niet meer als sulcke gemeene endo slechte middelmatigheden daer me meeneu ? Is het dit dan een uytverkooren geslachte, een Konincklyck Priesterdom, een Heyligh volck, een vej-kreegen volck te wesen ? Een volck, dat daer sijn werck van maeckt, om te verkondigen de deugden des geenen die het geroepen heeft uyt de duysternisse tot sijn wonderbaer licht? Is dit nu een volck dat de EERE CHRISTI is ? Soude het dit al wesen dat de Heere voor heeft met sijn nieuw maecksel geschapen in Christo tot goede wercken, om daer in te wandelen? Soude oock de Soone Gods mensche ^hhworden zijn, en hem selve ten vervloeckten doodt des kruyces over-gegheeven hebben, om hem selven een eygen volck te reyuigen, y verigh in goede wercken, en soude daer niet meer van voortkomen? en souden de Christenen niet meer uytmunten boven de Heydenen, Turcken, en Jooden, en wie het oock anders weesen mochte ? Soude de Heere Christus sijn liefde als een kragtige liefde dranck instorten in de harten der uytverkoorenen, die liefde daer den Apostel van seyde, de liefde Christi dringht ons, en maeckt ons Gode uytsinnigh, en soude daer geen andere werckingen uyt voortkomen ? Is dan al dat Heerlijcke, dat Hemelsche, dat Goddelijcke daer de Schriftuyre van gewaeght, in die gemeene treyn en sleur des Christendoms te vinden? Voorwaer dit maeckt my somtijdts seer bedwelmt, en gelijck een Trefifelijck Godsgheleerde geleesen hebbende de Predi-catie Christi op den Bergh daer over uytriep, Of dit

ocr page 204

TWIST DKS HEEREN

ende is het Euangely niet, of wy en zijn geen Euan-gelische: alsoo soude ick oock schier segghen, Of dit is de beschrijvinge van het Christendom en de God-saligheydt niet die wy in de Schriften vinden, of wy en zijn geen Christenen noch Godtsalighe.

Alles wel overwoghen zijnde, Aandachtighe Leeser, moeten wij niet bekennen dat onse AVijngaert door-gaens leedigh is van die eedele vruchten der warer Geestelijcker Godsaligheydt? en dat men slechts hier en daer een enckel trosje van de Druyven Canaans vindon kan, 't welck men wol in eere mach houden, seg-ghende' en verderft het niet, want daer steeckt een seeghen in. Weet yemandt niy anders een gheselschap van soodanighe Godtsalighe te wijsen, gbelijck ick nu beschreeven hebbe, by welcke die innigheden des Gees-telijcken Christendoms bekent ende in practijcke zijn, ick i sal dat overblijfsel van het Heylige saedt, voor het licht der aerden, voor het sout hares volcks, voor het steunsel des landts, voor de Pylaren des wereldts erkennen, en soude gaerne, soo mijne en hare beroep-pinge sulcks toeüet, in de Woestijne wel een Herberge des Wandelaers willen opslaen, en in het waernemen van een stille devotie mijn leven by ende onder haer te verslijten.

CAP. XVIII.

Bewijs dat oock de wjtcrUjcke statelijcke Gods-dienst, soo in Godi Huys als in de Onse, gansch niet na behooren wasrgenooraen wordt.

Maer wat magh ick my selven moede maeken om te bewijsen, dat die aldereedelste vruchten van in-aer wat magh ick my selven moede maeken om te bewijsen, dat die aldereedelste vruchten van in-

200

ocr page 205

MET SUN WIJXGAERT.

wendigbe Geesfcelijcke Godtsaligbeyt, soo weynigh aen onse Nederlantsohe Wijngaert wassen? De treyn des uyterlijcken Godsdienstes selve wordt soo qualijok waerghenoomen. Waer soud de kracht der Godtsalig-heydt blijven? Veele hebben noch de uytterlijckeghe-daente daer van niet. Wat soudense het swaersten van dè Wet verrichten? Het alderlichtste laetense staen, en willen het met haer kleynste vingher nauwolijcks aenroeren. Ick make my stercke om middaghklaer, selfs voor de alderhartneckigste, te bewijsen, dat het Christen volck deeser landen in 't stuck van den uyterlijcken Godsdienst het slechter inaeckt als Jooden, Turckeu, Heydenen in den hare doen. 't welck immers een al te snoodt ende onverantwoordelijck misdragen van desen Edelen Wijnstock is. Niemandt wane dat ick hier te grooten ophef make, 't Sal uyt de navolgende stucken blij eken.

Voer eerst soo merek ick aen dat verscheydene voor-treffelijck een noodige Godsdienst-oeffeningen by veele in ongebruyekgeraecktzijn,often minsteninsoo spaersamen ghebruyck dat het schier door ongebruyek te rekenen zy. Siet my daer eenige aenmerekensweerdige staeltjes van.

1. David beschrijft het als de Character en eyghen-schap van een saligh en Godsaligh man, dat hy sijn lust heeft in de Wet des Heeren, ende de selve over-denckt, dagh ende nacht; Daer in daghelijcks leefende, studerende, mediterende. Soo hebben de Jooden het oock verstaen, segghende in de spreucken van haer oude Vaderen, „Al wie sijn werek niet maeckt om de Wet, dat is de Schriftuyre, te leefen, die wordt eerj

201

ocr page 206

TWIST DES HEEHEN

202

verworpeling gbenoemt.quot; Sy achten het geensins ghe-noegh te weesen dat yemandt in de openbare verga-ringe die weekelijke afdeylinghe des wets hebbe hoo-ren leesen (ghelijck Moses van oude tijden af, in elcke Stadt, ende op elcke Sabbath pleegh gheleesen te worden.) Maer se ghelasten dat elck voor hem selve ende by hem selve die oock leesen sal. Ja sy houden het daer voor dat alle en een yeder Israëlijt verplichtet is door een ghebodt Gods sich alle vijf boecken Mosis roet eyghen handt tot sijn gebruyck uyt te schrijven. Elders heb ick oock verhaalt van eenighe Jooden, die de name van een Heylighe vergaderinge droeghen, om datse haer leeven in dryen verdeylden, en een derden-deel in 't leesen en overdencken van de quot;Wet, een der-dendeel in den ghebeede, en het laeste derdendeel in haer lichamelijck werck doorbrachten. Soo pleeghen sy oock hare kinderen soo ras sy leesen leeren aen Godts woordt te setten: waer van dit spreeckwoordt bij haer ghekoomen is: Een Soon van vijf jaren na de Schrift toe. Dus vlijtigh zijn de Jooden gheweest in het leesen van Mosis boecken. Maer mie t min vlijtigh de Turcken in het ondersoecken van haer sottelijeke en bespottelijcke Alcoran, die dat arme blinde en be-tooverde volck voor Godts woordt aennemen. En daer-om noemen sy het oock in hare tale Alcoran, 't welck in 't Arabisch soo veel te segghen is als een leesinghe, om dat het te weeten een boeck is, waerdigh om van alle liefhebbers der ware wijsheydt gheleesen te worden. Want soo schrijven sy daer van, Godts woordt is een Medicijne des harten. En, die maer een letter leest

ocr page 207

MET SUN WIJNGAEBT.

uyt Gods boeck verdient vergeldinge. Ja schoon het selve al middelmatigh groot is, soo leeren sy het echter van buyten en maken dat sy het fix kennen, als van jonghs op daer toe gehouden wordende. Moeten wy niet bekennen, Leeser, dat dit grootelijcks tot be-schaminge van ons Christenen dient, by welcke dat kostelijcke boek der Heyliger Schriften t' eenemael achter de banck leydt? Hoe veele zijnder die geldt ge-noegh tot koopen van onnoodigh lijf en Huyscieraet over hebbende, nalaten haer selven van dit aldernood-saeckelijckste Huys-boeck teversien? Hoe veel duysen-den van menschen meent ghy dat in ons lant zijn, die, ick swijge nu van dagen, geheele weecken, ende maenden laten voor by gaen sonder een Capittel te leesen? Hoe weynigh Huysghesinnen soudt ghy vinden daer dat Heylige boeck wat gesleeten wordt? In goeden gemoede wie doet hier wat dat by de neerstig-heydt der Jooden en Turcken in het hare gheleecken kan worden? En waar is hier de schijn en gedaente van Godsdienstigheyt gebleven? Mach ick by deese geleegent-heyt op ons niet passen, het geen een geleert man tot de sijnne seide? Nadien het de Mahometanen die leesen kon-nen niet en verdriet, alle dagen eenigen tijdt te besteeden in het leesen van den Alcoran, warom valt het ons die Christum belijden dan lastigh om na sijnne leere te luys-teren? Dit is een staeltje van't versuymen des uyterlij-cken Godsdienstes. quot;Wilt ghy noch een tweede hebben ?

2. Let dan eens op de gebeeden van ons volck. Lieve Godt! Hoe slecht en slordigh gaen die haer werck? De Heydenen selve wisten, dat het onbetame-

203

ocr page 208

TWIST DES HEEBEN

lijck ware yets van belang ter handt te neemen sonder voorgaende ghebedt: de wijle, seyde een van haer, de menschen geen ding te deegli noch voorsichtelijck sonder de hulpe, raet, eere van de Onsterflijcke Goden (laet ons segghen, van den onsterfelijoken Godt) kon-nen aenvangen. By de Turcken leydt het even eens niet in gevoelen alleen, maer in practijcke oock, ge-lijck ick daer van op een ander plaetse een seer merck-weerdig exempel hebbe by ghebracht. Maer hoe menigh Christen valter by ons aen sijn wsrck, en slaet de ge-wichtighste dinghen des levens ter handt, sonder ^God daer in eens te kennen, of om de noodtsaeckelijckheydt des GoddeJijcken seeghens te dencken ? hoe menigh sonde de tijdt verlooren achten, die hy met bidden doorbrenght? Ziet men eens op de gesette ghebeeden, hier doet het sich noch duysentmael slechter op onder de Christenen onses Landts.

De Jooden hebben driemael des daeghs ghesette bedestonden, na het exempel van David, Psal. LV 17. en van Daniël, Dan. VI: 11, namelijck des morgens, des middaeghs, en des avondts. En deese insettinge segghen sy soo oudt te weesen, datse die tot de tijden der Patrearchen brengen, invoeghen dat Abraham het mor-gengebedt sonde hebben inghesteldt, Isack het middagh-gebedt, en Jacob het avondtgebedt. En alle Israëliten de geheele wereldt door neemen dese stonden, waer; oock de avondtstondt, tot de welcke sy andersins ghe-looven de minste verbintenisse te hebben. Insonderheydt waren de Hessseen seer y verigh in haer ghebeeden, en 4es morgens al voor de Son op, niet onheyligs spreec-

204

ocr page 209

MET SUN WIJNGAERT.

kende voor en al eer sy Godt met haer morgengroete geëert hadden, en dan begaf sich elck tot sijn werck. Deese goede gewoonte hebben de oude Christenen bil-lijck van de Israëlitische Kercke overghenoomen. quot;Want soo spreeckt hier de oude Leeraer Hieronymus van, schrijvende over die plaetse van Daniël, die wy ter-stondt hebben aenghetrocken. „Drie tijden zijnder op den dagh, datmen sijn knyen voor God buygen moet: de derde, de seste, en de negende uure. Op de derde uure is de Heylige Geest nederghekoomen over de Apostelen. Ter sester uure klam Petrus op het dack om te bidden. En ter neegender uure gingen Petrus en Johannes op na den Tempel.quot; Dit hebben de God-vruchtighe Bohemiten oock naghevolght, van welckers uytmuntende Godsaligheydt, als een afschijnsel sijnde van de tijden des eersten Christendoms, wy noch meer-maels tot onser opweckinghe sullen moeten spreecken. Van deese getuyght de Historie hares hedrijfs aldus. „In de Morgenstont, en drie uuren na de Middagh, (dat die negenden uure is op welcke Christus aen het Kruys gehanghen heeft) en tegen de nacht, vallen sy alle dagen Gode te voet, na het exempel van David en van Daniël.quot;

De Turcken hebben insgelijcks hare gesette stonden des gebedts, sommighe vijfmael, andere die wat devoter zijn sevenmael des daeghs. Het laetste van dese bedestonden komt ontrent de Middernacht, op welcke tijdt sy in plaetse van haer te verslappen, en te verslapen, haer yver verdubbelen, en meerder en langher gebee-den doen als te vooren heen: voor reeden daer van

205

ocr page 210

TWIST DES HEEREN

by brengende, „dat de devotie altijdt moet aenwassen, en dat het eynde van de goede wercken liet beste moet zijn.quot; Aen deese uux-en achten sy haer soo prseci-selijck gebonden te weesen, dat niemandt die sonder sonde soude mogen achterlaten. Ja haren Ben Sijdi Aali seydt, „Indien yemandt in de zee geworpen was, en hy wiste dat de tijden des gebedts op handen waren, indien het eenighsins weesen kan, moet hy de wet des ghebedts volbrengen: Dat meer is, een barende Vrouwe selfs in haer smerte is daer niet vry van.quot; En op dat dit alles te beter onderhouden soude worden, soo hebben sy oppassers, welcke de nalatighe veel smaetheden aendoen, haer by de Straten ommeleyden, een bartje met vosse staerten aen den hals hanghen, en niet sonder geldtboete vrylaten.

Om van de Turcken tot de Hpydenen over te gaen. de Afgodische Sabseërs, een Oud, volck in welckers Godsdienst en seeden men wil dat de Patriarch Abraham voor sijn bekeeringe opghetrocken soude zijn, seg-ghen oock alle dagen driemael hare ghesette ghebeeden op. De eerste reyse een half uur voor der Sonneu op-gangh. De tweede reyse teghen der Sonnen opgang. De derde reyse kort daer nae.

Lieve Leeser, waer sullen wy met ons selven heen, als wy dusdanige dingen leesen, en hooren? Wieisser onder de Christenen onses landts, die selfs sulcken schijn van yver in den ghebeede toont, als alle deese arme verblinde en verdoolde menschen? Ick weet wel dat men den Geest des gebedts soo preciselijck aen eeniglie gesetten uuren niet en behoeft te binden; datmen oock

206

ocr page 211

MET SUN WIJNGAEBT.

207

niet wel een algliemeene regel in deesen soud konnen voorschrijven overmidts de verscheydentheydt van de beroeppinghen en beesigheden der menschen soo groot is. lek soude oock niet raden om de Horas Canonicas, of de getijden des Pausdom by de Gereformeerden weer in te voeren, waer door het licht ghebeuren soude dat de gebeden als een taeks, met yver of sonder yver, Gode wierden toeghetelt. Maor buyten twijffel is het veyligh ende Heyligh dat elck Christen mensche het exempel van de meerghemelte Godtvruchtighe Mannen Godts navolghende, sich selven eenige ordinaire tijden des gebedts stelle, na dat het best met sijn gelegent-heydt en beroeppinghe over een komt, en dat hy die niet lichtelijck, niet als door noodt, versuyme. En het gaet te grof en te groot, dat soo deerlijck een verval in dit stuck onder ons ghekomen is. O Heere hoe sullen wy het eens verschoonen konnen voor uw doorluchtige vierschaer, dat onse knyen ntet dickmaelder voor u geboogen worden? Sullen wy de onbeschaemt-heydt hebben om onse veelvoudige beesigheden voor te wenden, die ons gheen tijdt voor het gebedt hebben laten overschieten? Maer boose dienstknechten als we zijn, uyt onsen eyghen mondt souden wy dan geoor-deelt worden. Want wie heeft ons toeghelaten soo veel druckte op der aerde te maken, datwe noch tijdt noch lust souden hebben, om de Godt des Hemels het sijne te geven? Jesus onse Heere van de aertsche dingen spreeckende, seyde: „Alle deese dingen soecken de Heydenen.quot; Hoe konnen wy het dan verantwoorden, soo wy noch aerts-gesinder dan de Heydenen zelfs bevonden

ocr page 212

■■■■

TWIST DES UEEftEX

208

worden? Schaemt het sich niet voor Godt en voorde menschen, dat aen soo Edelen quot;Wijnstock als wy willen weesen, die Vruchten van statelijcke Gebeden niet souden wassen, die daer wassen aen de uytleedighde en Afgekapte Wijnrancken van de verworpen Joodsche Natiën, die daer wassen by de Turcken in de wildernissen van het woeste Arabien, die daer eyndelijck wassen aen de onbesnoeyde en in 't wilde groeyende quot;Wijngaert van het Heydendom ? En dit zy een tweede staeltje van het versuym des uytterlijcken Godtsdienstes. Lust het u noch een derde te sien, soo laet

3. Uw oogen gaen over de Huysgesinnen van het volck onses Landts, en besiet eens of en wat voor Huys-oeffening hen daer gheschieden. De Patriarche Abraham hadde de onderweesene sijnes Huyses Gen. XIV: 14. die by en van hem in Huys gecatechizeert waren: quot;Want daer voor kende hem Godt, als een die sijne kinderen en sijne Huyse na hem soude beveelen, om den wegh des Heeren te houden, om te doen gerechtig-heyt en gerichte. Gen. XVIII 19. En Josua deede een solemneele betuyginge, dat hy met sijn Huys den Heere wilde dienen. De eerste Christenen maecken van haer Huysen als kleyne Kercken, en hadden een Heylige ghemeente binnen hare deuren. Na dit model hebben oock de Bohemiten, daer ick terstond van ghewaeghde, hare Huysgesinnen gheschickt. Haer Predikers hielden „daer in dese ordre. Des morgens vroegh op het schel-„len van een Klockje te samen opstaende, kleden en „wasschen sy haer, en dan de knien buygende loo-„ven en dancken sy Godt. Daer op begeeft sich elck

ÜBBBbëH

ocr page 213

MKT SUN WIJNGAERT. 209

„tot het leesen en mediteren van yets Heylighs. Na „verloop van een uyr ontrent wordter weer een teeken „gegeeven, en dan koomen iUle do Huysgenooten by „een, en daer wordt een Psalm of ander Geestelijck „liedt gesongeu, dan een Capittel geleesen, verklaert „en door nuttige vermaningen toegepast, quot;t zy door de „Predikant selfs, 't zy door yemandt anders wiens beurt „het is (want alle die tot den Heyligen dienst opgbe-„voedt worden, tot aen de Kinderen toe, gebruyckt „men in deese oeffeningen.) En dit met den gebeede „beslooten zijnde keert yder tot sijn werck. Namiddags „ten twee uyren komen sy weder by een om te bid-„den, na het exempel der Apostelen, Handel. Ill: I. „Eyndelijck wordt alles met het Avondtgebedt geeyn-„dight, en elck begeeft sich ter ruste; en niemant „wordt toegelaten by nacht op te sitten. veel min buy-„ten 's Huys te lopen. De tijt van 't Middag- en Avondt-„mael wordt noch met stilswijgen, noch met beusel-„dingen . doorgebracht, maer de Kinderen seggen uyt „de Catechismus, of Psalmen, of andere stichtelijcke „lessen yets op, het geene haer gegeeven is' om van „buyten te leeren, die wat ouder zijn, seggen een gedeelte van de Schriftuyre op na vervolgh. Schiet 'er „noch wat tijt over, soo wordt 'er een Theologische „Vraghe voorgestelt, op welcke elck yets seggen moet, „van de minste af beginnende, en de Predikant be-„sluyt het eyndelijck. Somwijlen wordt 'er oock in „plaetse van sulk een Vrage yets voorgheleesen. Dus hielden de Predikanten in Bobemen Huys. En dit volghden de gemeene Lidmaten na haer vermoogen

14

ocr page 214

TWIST DES HEEREN

210

na. Selfs de Baronnen en Edellieden doen sulcks't Huys „in hare Familien. En op dat hier te beter opgepast „sonde worden, so doen de Predikanten alle drie maen-„den Huisbesoekingc, vragende niet alleen hoe sich „elck aenstelt so binnen als buytens Huys, hoe hy leeft „en sijn Huysgesin regeert, door wat kunst hy de kost „windt, met wat conscientie hy sijn dinghen verrich-„tet, ruaer wel bysonderlijck oock, of hy sijn dagelijck-„sche gebeden des morghens en des Avonts met sijn „Huysghenooten waerneemt, of oock de Vaders en „Moeders voor ende na den eeten met de hare Godt al loven ende Psalrasingen. Dat is recht sijn Huysen tot kleine Tempelen maken, waer op men soud mogen passen 't geen David seyde Ps. CXVIII, 15. In de Tente der Eechtveerdigen is een stemme des ghejuyghs ende des Heyls. Onder de oude Wet waren sy gewoon hare Huysen, eer sy daer in gingen woonen, op een state-lijcke wijse in te wijen en Gode te Heyligen, als af te neemen is uyt Deut. XX: 6, en uyt den Titel van den XXX Psalm, welcke is een. Psalm, een Liedt ter in-wijinghe, van Davids Huys. Welcke inwijinghe na allen schijn dit heeft ingehadt, dat sy Godt voor die genade ende vryhsydt van ha,re inwooninge openbaer-lijk met Gebeden en Lofsangen gedanckt, en een Feest van vreughde onder malkanderen ghehouden hebben, 't Geene hier Ceremonieel was, voor en by het oude Volck gelaten zijnde, blijft dit zeedelijcke en altoos verbindende noch over, dat de Huysen van Godts volck in Godtsdienstige oefFeningen Gode geheylight moeten zijn. Maar het geene wy seyden voor ons over te blij-

ocr page 215

MET SUN WIJNGAERT.

ven, blijft helaes! by ons achter. Onder soo veel mil-lioenen Huysgesinnen als in ons Landt zijn, meent ghy dat van duysent wel een is in welcke statelijcke Huys-oefFeningen gepleegt worden, die eenigsins na de Stijl der Welgemelte Bohemiten gelijcken souden? Och hoe schamel sonde het menigh Huys-Vader en Huys-Moe-der ter handt staen, wanneer se soo een soorte van offeninge mosten aenvangen? Iloe vremd souden het haer in de ooren klincken, indien men een yder in 't bysonder betuyghde, dat hy, elck na sijn gaven en verder geleegentheyt, daer toe verpligt was! Souden de Predikanten Huysbesoeckinghe doende, daer oock navragen, of men dagelijcks| al met malkanderen bad, las in Gods woordt, en den een don anderen tot een Christelijcke wandel vermaende, hoe veel hondert neen gist gy souden sy in plaatse van een Ja ten antwoordt krijghen, indien 'er maer opreohtelijck ghebiecht wierd? Hoe onmogelijck schijnt dit sommige om, sulcks in hare Familien in te voeren, daer doch de saecke met ernst onderleyt zijnde, onder Godts genadighe seghen, licht boven hoope en verwagtinge souden voortgaen. 'k Bek enne dat het overal niet even bequamelijck noch even wel gheschieden kan, maer elk moest in sijn kleyntje ghetrouw weesen, en soecken door onderlinge oeffeningen sijn gaven op te wecken, 't Is maer traeg-heydt en ongehoorsaemheydt dat het niet meer begonnen word: en 't is een bewijs van onse groote onvrucht-baerbeydt, dat die Tros van Huys-oeffeningen soo spaer-saem aen onse Wijnstock wast.

4. Tot een Vierde staeltje van ons versuirn in den

211

ocr page 216

212 TWIST DKS HEEREN

uyterlijcken Godsdienst, mach ick'r wel byvoegen, het ghebreck van Heylige en Gteestelijcke saraenspraecken. Een oeffeninghe ons menighinael soo dier in den woorde des Heeren aenbevoolen. Uw woort zy alle tijdt in aenghenaemheydt, seyt den Apostel, met sout besprenght. Col. IV: 6. Een goede reden tot' nuttighe stichtinghe op dat fy genade geeve dien diese hooren. Eph. IV: 29. En elders, vermaent malkanderen alle dagen, soo langh als het heden genoemt wordt: op dat niemandt van u verhardt en worde door de verleydin-ge der sonde. Hebr. III : 13. O wat soude het een vermaeck voor Godt en voor de salige Engelen zijn, dat de Uytverkorene des Heeren altemet by een koo-m#nde. in een Heylige gemeensaemheyt malkanderen vertelden wat goedt de Heere aen elcks ziele gedaen hadde, of andersins' wat wonderlijcke wegen Godt in-slaet om haer ter saligheyt te geleyden? wat soude het de Kinderen Gods niet al onderlinghe deught doen, indien haer mondt als een springader des levens was, of als de penne eens veerdigen schrijvers, steeds een goede reden opgeevende, en een prickel ter deugh-de slaende in het harte der gener by welcke sy geweest zijn? Behoorde oyt een Christen in eenigh gezelschap te komen, sonder dat hy ten minsten aen 't een of 't ander Hemels provoost een teecken toonde van sijn Christendom ? Maer och armen! Hoe vleesse-lijck, hoe ydel, hoe wereldts zijn doorgaens de redenen der Christenen, en hoe selden komter Godt, de Hemel, de Deught ende het Christendom in te pas? Wat hoort ghy door gaens in allerley by een komsten, oock van

ocr page 217

MET SUN WIJNGtAERT.

sulcke dickwils wiens ampt en professie het meede brengt van Heylige dingen te spreken, als ten schoon-sten ghenoomeii redenen van indifferente en gemeene quot;Wereltlijcke en Burgerlijke stoffe? Hoe selden is het dat een Heylige ziele sich bedanckt in geselschap geweest te zijn, als was het oock een geselschap daerse misschien langh na verlanght en wat groots van verwacht had? hoe dickwils aoude sy sich veel beter gesticht bevonden hebben, soo sy in haer hoeckje met haer boeckje ghebleeven waer? In somma, deeser Hey-liger samenspvaecken zijn wy soo ontwent, dat de Vrome ende Godt-yverighe selve dickwils bedeest staen, en die, iusonderheyt in een groot geselschap, niet weten aen de gangh te krijgen noch te houden. Uyt welken alles dan genoegsaem blijckt, dat verschey-den treffelijcke Grodsdieust-oeffeningen by ons in groot ongebruyck gekomen zijn. Ende dit is het eerste 't welck ick aengemerckt hebbe als een bewijs datter geen behoorlijcke Vruchten van uyterlijcke Grodsdienstig-heydt aen onse Nederlandtsche Wijnstock wassen.

Ten anderen staet dit noch wel waer te neemen, dat die Godsdieust-oefïeningen selve die by ons noch in de beste bloey schijnen te weesen, met soo weynigh yver ghepractiseert worden. En wat baet een Eeligi-euse betragtinghe soo daer geen yver by en komt ? Wy weten hoe raisnoeght de Heere Jesus over de trage Laodicensen was, die hy dreyghde ais lauw water uyt sijnen monde wegh te spouwen, verklarende dat het hun beter ware gheweest niet van Christus en het gelove oyt gehoort te hebben, als het selve soo lauwe-

213

ocr page 218

TWIST DES HEEREN

214

lijk ende flauwelijck te behartigen. En voorwaar 'tis al te grooten oneer voor onse Grodt, alswe sijn dingen quansuys willende doen, de selve met soo weynigh ernst doen. Daer hy doch weerdigh is, om met de in-spanninge van alle onse krachten gedient te werden, en sijn dingen weerdigh zijn, om met de aldergrootste vlijt boven alle andere dingen gesogt ende betracht te worden. En voor wie sullenwe doch de kragten on-ser siele inspannen, indien wy die voor onse Heere Jesus loslaten ? Isser yemant die daer meerder regt toe haeft als hy? In wat saecken sullen wy ons opscherpen, indien wy in het stuck van den Godsdienst, het aldergewichtightigste datter in de weroUt wesen kan, ons slap vertoonen? Of menen wy dat we vryelijk de Alder-hoogste die schande mogen aendoen, datwe hem en sijnen dienst doen dienen aen onse eygen interesten en sinlijckheden ? En nochtans soo gaet het doorgaens in den Lande. De Christelijcke. Gereformeerde Religie sal quansuys de Heerschende Godsdienst by ons zijn, maer sy is in der daet de Dienaresse en Slavinne van de bysondere beoogingen der geener die daer van be-lijdenisse doen. En daer komt het dan oock van daen, dat sy niet gheviert en wordt met die eerbiedigheyt en yver die sy billijck van haer belijders verwachten soud, maer dat elck daer mede omme springht na sijn welgevallen, en na hy oordeelt dat met de toestandt der saecken in sulck een tijt best over een draeght. En als men het seghen mogte, wy handelen ten naes-ten by met onse groote Godt, gelijck sommige Indianen met haer afgodtjes doen, die sy wel of qualijck

ocr page 219

MET SUN WIJNGAERT.

215

ll

H

onthalen, na dat sy hare inbeelden wel of qualijck by haer dien te varen. Soo neemt men oock by ons de Godsdienst waer, In quantum pro, Voor soo veel ons de selve kan vordelijok zijn, en doet'er niet met al van uyt liefde en ware yver tot G-od, maer nyt enckele eygen liefde, waer door wy ons selven stoutelijck Meester maken over de geboden en instellingen van den oppersten meester. Meermaels word ick verset, wanneer ick leese de uytspoorigheden en ont-sinnige driften die sommige elendige blindelingen in haer sotto supers Uiten vertoonen, haer selve verpijnende, afmattende, en haer lighaem moetwilliglijck martelende alleenlijck uyfc dio waen dat sy de Godtheyt daer mee-de behagen, de saligheydt in den Hemel, en een eeuwige naem op aerde verdienen sullen. Die het lust wonder-baerlijck dingen van sommige superstitieusche Papisten te verstaen, die sie eens na het gene de Voortreffelijcke man Gods Mr. Willem Teeling daer van heeft nytge-teeckent, aen 't eynde van het twede deel van sijn Sleutel dei- devotie, en hy sal verbaest staen dat een loutere inbeeldinge van Godsdienst den mensche bewegen kan om sulk een strengheyt over sijn liohaem te oefiene. Maer de wilde Heydenen in Indien willen het hun in deesen niet gewonnen geven, en betoonen ongelooflijcken yver in de dienst van haer Afgoden. „Daer zijnder op de Kust van Ohormandel,quot; seydt eener die die plaetsen bewandelt heeft, „welcke uyt yver en „enckele devotie haer selven stucken uyt het lijf snij-„den en werpen het voor de Pagode: andere zijnder „die haer onder de raderen van de wagen, (daer de

r

ocr page 220

TWIST DES HEEREN

216

„Pagode op gevoert word) of Karre werpen, en laten „de Karre alsoo over haer passeeren, soo dat sy in stuc-„ken ghemortelt ende doodt gheparst worden, ende die „aldus sterven houden sy voor grote Heyligen en Mar-„telaers. Een ander Oogh-getuyge verhaelt deese wonderen gesien te hebben. Seecker Afgoden-dienaar ont-„hiel hem van alle ordinaire spijse, en nutte alleenlijk' „wat soete melck, ende eeniglie Vruchten, doch seer „weynigh. Hy sat den gantschen dagh sonder sijn plaets „te veranderen. Hy leyde sich noyt ter neder om te „slapen, maer sliep altijt sittende: waerom hy oock „t' elkens ontvvaeckte, nadien hy, soo wanneer hem de „slaep ganschelijck overviel, niet over eynde konde „blijven. Somwijlen richte hy sich op, en gingh op „sijn hooft staen, soo recht en onbeweeghelijck als een „pael, het welcke soo langhe duyrde, dat het scheen „onmogelijck te sijn dat een mensch soo langh op sijn „hooft sonde konnen staen, en bysonderlyck hem soo „weynigh bewegende. En in dier voeghen staende deede „hy sijn gebedt. Oock hadde hy ergens twee rechte „houten, hebbende de lenghto van onse sparren, op-„gerigt, en een dwars hout daer over, in de manier „van een galg, daer aen hingen twee touwen met strop-„pen, onder welcke hy een vierkante kuyl gegraven „hadde en een vier gemaeckt; als nu dit vier wel door-„branden, klam hy, na eenighe andere belagchelijcke „Ceremoniën, langhs de touwe, ende stack sijn voeten „door de stroppen der selve, en liet sijn hooft na om „leegh over het vier hangen, en hingh daer over, en „slingerde met sijn aengesichte door de vlamme, ende

ocr page 221

MET SUN WIJNGAERT.

217

„al slingerende stoockte hy het vier met het hout dat „hy daer nevens hadde geleydt. Dit duyrde ontrent „een half uur. En doe keerde hy weder tot sijn ghe-„woonlijek Godsdiensten. Dus brachte hy den gantschen „dagh door. Dit alles deede hy,quot; seyde een ander Priester, „niet om den Hemel te verwerven, nadien hy hem .„daer van genoegh verseeckert hield: maer om inden „Hemel een meerder ende Heerlijcker staet te bekomen.quot; 't Verdriet my meer diergelijcke dingheu uyt te schrijven, uyt weleke mijn Leeser sao wel als uyt dese proefjes sien soude, hoe seer die arme blinde menschen sich verpijnen om immers haer Duyvelsdienst met allen yver waer te neemen. Waer zijn onse delicate Christentjes hier te lande nu, dien de gansche Godsdienst het minste onghemack niet weerdt ende is! Ghedanckt zy de Heere dat hy sulcke dinghen van onse hande niet en eysoht, maer ons een Religie ghegeven heeft, die re-delijck en geestelijck zijnde in het onnoodig afmatten des lighaems gheen deught en stelt: Die ons oock nu die gheluckighe tijden beleven laet, dat wy op ons gemack onse schoone Godsdiensten oeffenon konnen, daer onse Voorvaders door vier en swaert, over galgh en radt na toe liepen. Hoe sullen wy h^t dan noch eens verantwoorden voor het gerichte Gods, dat wy desen dag der saligheyt soo yverlooslijck laten voorby gaen? Sullen niet deese blinde Heydenen ten jonghsten daghe opstaen in het oordeel, eude ons veroordeelen ? Snllen sy niet konnen segghon, Heere, Hebben wy u niet beter ghedient; 't is om dat wy „u niet beter ghe-„kent hebben: quot;Wy hebben immers met alle onse moeytQ

ocr page 222

TWIST DES HEEREN'

„en arbeyd gefcoont hoe veel ons uw Hemel ende de „saligheydt weerdtwas: \vy hebben ons eyghen lighaem „niet ghespaert om dat wy soo hoopten ouse ziele te „behouden. Suit gh^ ons evenwel dan noch veroordee-„len Heere ? veroordeelt veel liever die luye, trage, en „delicate naem Christenen, die ghy soo klaer uwen „wille hebt bekent ghemaeckt, dien gy soo wissen wegh „ter saligheydt geweesen hebt, dien gy so redelijcken „en soeten Godsdienst hebt ghelast, die ghy in soo „fluwelen tijden hebt laten leven om hare Godsdienst „op het alderghemackelijckste te oeffenen, en die even-„wel de solve of soo wanweerdiglijck aen een sijde „ghesteldt, of soo koeltjes betracht hebben. Veroordeel „die veel liever, o Heere.quot; En in goeden gemoede, wat hebben wy te seggen? wat konnen wy daer op antwoorden ?

Ten derden, ghelijck 'er doorgaens gheen betooninghe van yver en is in de Godsdieustoeffeninghen van het volck onses Lands, alsoo en isser de minste uytdruo-kinghe niet van de Heylighe eerbiedigheydt, die men Gode en sijnnen dienst schuldig is. 't Is bekent dat de Heei'e gheseydt heeft. „In de geene die tot my naderen sal ick gheheylight worden, en voor 't aengesichte van al het volck sal ick verheerlijkt worden.quot; Indien men de Heere niet en Heylight in sijn dienst door devote beweeginghen des harten, en verheerlijckt voor het volck in uytdruckselen van eerbiedigheyt: soo sal hy selve sich Heyligen aen dat quot;onheyligh volck met haer te straffen, en hy sal sich verheerlijcken door 't betoonen van sijn wreeckende gherechtigheydt. Godt wil doch

218

ocr page 223

MET SUN WIJNGAERT.

sijne eere van ons hebben; brengen wy se hem niet ghewilligh toe in ootmoedigheydt: Hy haeltse dan van ons teghen onse danck in wraecke. De natuyre heeft het de Heydenen selve gheleerdt, dat Heylige dingen oock Heyliglijok mosten ghedaen worden. Is het dan niet een preuve van de uytterste ongodsdienstigheydt in ons, dat die ontsagchelijcke verburgentheden van onse Alderheylighste Eeligie dus met de alderonbeta-melijckste oneerbiedigheydt ghehandelt worden, ghelijck een veder bekennen moet dat gheschiedt? Daer plach eens een tijd te weesen in het Christendom, dat de versamelingen der Geloovigen met sulk een aensien-lijcke statelijkheyt gehouden wierden, die elck aenschou-wer tot aandachtige Reverentie beweeghde, invoeghen dat een ongheleerden ongheloovige selve daer inkomende ghenoodtsaeckt wierde „op sijn aengesichte vallende God te aenbidden, en te verkondigen dat God waer-lijck onder haer was.quot;

Dus statelijk ging het ook toe in de vergaderingen van de Boheemsohe Broederen: en een Heilige schrik bevong de gemoederen van die geene die daer in qua-men. Dit heeft Jacobus de Grave van Ostrorogh bevonden, wiens wonderbaerlijcke bekeeringe weerdig is om hier verhaelt worden. Hy hadde een ghemalinne en een Suster die de Religie de Bohemiten seer waren toeghedaen, waeromse op sijn slot al te met by een quamen: Maer van een onsinnighe en onghesinde Paeps gesinde opgerockent zijnde, welcke voorgaf dat sulk een Vrouw verdiende louter afgerost te worden, nam hy een stock in de hand, ruckte na de vergade-

219

ocr page 224

TWIST DES HEEBEN

220

ringe toe, met dat rasende voorneemen in het harte, en dese dulle woorden in de mondt, „lek sal 'er de mijnne met slagen van daen en na deese Kamer toe drijven. Maer inkomende vernam hy daer soo een aensienlijcke eerweerdigheydt dat hem datelijck al die bruske moet ontsonck. Een van de Leeraers was in 't Prediken, aen sijn sijde sat een ander, die voor den verbaesden Grave plaetse makende seyde: Mijn Heere gelieve hier te gaen sitten. Dit deede de Grave met ontsteltenisse, en ver-klaerde namaels, dat hy met sulok een eerbiedigheydt tot die Heylige vergaderinge was bevanghen gheweest, dat indien men teghen hem gheseydt hadde: Kruypt onder die tafel, of gaet onder die banck Ier/gen, hy het niet soudt hebben durven woygeren, min noch meer dan of hy voor de Richterstoel Godts ghestaen hadde. De Predicatie gheëyndigt zijnde was hy een geheel ander man, en een uytnemende voorstander van de Rechtsinnighe Broederen. Maer sulcke dinghen hebben nu niet meer plaetse in het Christendom van deese daghen in ons landt, 't, Is waer ouse Kerken worden doorgaens hoe langhs hoe voller gepropt van die geeno die ter Godsdienst samenvloeyen, maer men sietter gheen dingh minder als vertooningen van die Reverentie welcke de eerweerdigheydt van den Heylighen dienst des Heeren vordert. Alles isser vol ghewoel en geraes, den eenen praet van allerley ydelhedon en haolt sijn Evennaesten by de Rugge op, de andere kijft en roest somwijlen tot slaen en vechtens toe om de sit-plaetse, de derde wandelt met sijn metghesellen onder het voorlesen van Gods woordt. En onder het ghebedt

ocr page 225

MET SUN WIJNGAERT.

221

selfs hoe vadsigh ende lusteloos sit menigh te gapen en recken ? onder het aenhooren van de Predicatie hoe stof en slaperig, en onaendachtigh vertoont sich de grootste hoop? Hoe wel is uyt de aengesichten der menschen te leesen, datse geen begrijp, gevoel, noch beweginge en hebben van die aenbiddelijcke verbur-gentheden die haer verbondight worden ? Sy doen noch soo veel niet als die Hnygelachtige Joden, die voor het aenghesichte des Propheten saten gelijck Godts volck, die met smaeck scheenen te hooren na sijnne woorden, gelijck men pleegh te doen na een liedt der minne, na eene die schoon van stemme is ofte die wel speelt: die een lust vertoonden aen de kennisse van Godts wegen, een lust om tot God te naderen. Sy doen noch soo veel niet als Eglon der Moabiten Koningh ontrent Elmd, welcke wanneer hy tot hem seyde, lek hebbe Gods woord aen u, soo stond hy op van sijnnen stoel, om met eerbiedigheyt toe te luysteren. Ja gave Godt dat de versamelingen ter sake van de Godts-dienst, door al die pronck ende prael, en al dat ghe-swier der ydelheyt, soo in de Leeraers als Leerlingen, in sommighe plaetsen niet beeter na Comedien en Toneel-spelen, als na Religieuse by een komsten ge-leecken! Och wie soud'er nu op het gesichte van het gedrag der geener die onse Kercken zijn met ontsagh in het harte getroffen, en beweegt worden om te seg-gen: „Hoe Vreesselijck is dese plaetse! Dit is niet dan een Huys Gods, en dit is de Poorte des Hemels.quot; Wy moeten het bekennen dat niet alleen de Oude Christenen, ende de goede Bohemiten, maer de Turcken selfs

ocr page 226

TWIST DES HEEREN

ons iü deesen veelsins beschamen konnen. „'t Soud te „langh vallen, seydt een die haer bedrijf ghesien heeft, „alles in 't bysonder te verhalen van de order, eer-„baerheyt en stilligheydt die men in haer Kercken „bespeurt. Dat sal ick alleen kortelijck seggen, dat „wanneer ick de stilligheydt der Turcken in haer „Kercke, en het gewoel der Christenen in de hare ten „tijde des gebedts aenmercke, soo sta ick grootelijcks „verbaest over sulck een omkeeringe van de orde: en „ick weet niet waer het van daen magh koomen, dat „in de Turcken soo groot een devotie, en in de Chris-„tenen soo groot een gebreck van devotie, en discre-„tie gevonden wordt; daer nogtans de saecke endede „reden selfs het tegendeel vereyschen.quot;

Gaet het nu soo slecht met ons in de gemeene by eenkomsten, daermen dencken mochte, dat de eenen noch wat schroom soud hebben voor den anderen: Denckt dat hoet'er toegaet in de besondere Godsdienst-oeffeninghen die binnens huys geschieden. Hoe moeten de selve uyt puure sleur en ghewoonte gedaen werden ? Grodt weet het, en siet het. En elck die dit leest die vraeght het sijn selfs eens.

Ten vierden en ten laetsten, sal ick 'er dit noch by-voeghen; Soo verre is het van daer, dat de statelijcke Godts-dienst by ons na behooren waergenomen soud worden, dat in teghendeel de Vertooninghe der Godt-saligheydt, gehaet, beschimpt, en bespot wordt. Even gelijck voor desen in Engelandt de Puriteynen de offerhanden van de Alghemeene haet waerom, daerom datse gaerne alles na het voorschrift Jesu Christi in

m

ocr page 227

MET SUN WIJNGAERT.

923

haer selfs ende andere gliesuyvert saghen; alsoo worden oock by ons de Godtsalighe, die niet konnen nalaten haer van buyten te vertoonen, ghelijck zy van binnen zijn, nytgbelacht, bespot, teghen gheloopen, oock wel van die gheene die bet alderminst betaemde. Het ghebeurt noch wel dat de Bruydt met bekommer-nisse na haer Lieve Jesus vragende, in plaetse van goedt bescheydt, slagen en wonden van de Wachters krijght. De Vroome sien, ondervinden, ende besuchten het, dat voor de Godtsaligheydt te staen, te spreeken, en die in sijn handelinghen te doen uitblincken, het alderbelagchelijckste, verachtste, en ghehaetste is, selfs wel by die geene die men voor Voorstanders der Godt-saligheydt behoorde te honden. Dit is hedendaeghs de vervolginghe die de Godtsalighe in Nederlandt moeten uytstaen : de andere waer door men haer aen goedt en bloedt soud komen, door Godts genade al langh voor by zijnde. Maer ick wil dit liever voorstellen met de woorden van een vermaert Godsgbeleerde, die ge-lijck hy onlangs een aensienlijcke plaetse bekleedet heeft in de Strijdende Kercke, alsoo nu' op een Heer-lijcke Maniese rustet in de Trinmpherende. Deese dan „spreeckt hier van aldus. Seecker die sijn Broeder rib-„besackt, om dat hy Godtsaligh en misschien Godtsa-„liger is dan hy selfs, en vlijtiger in de oeffeninghe „der Godtsaligheyt en alle des selfs plichten, die ver-„dient de name eenes vervolghers. Andere zijn meer „geslagene vyanden van de Waerheydt, andere van de „Godtsaligheyt, veele van beyde. Maer al wie sijn Broe-„der belacht, om het geene dat goet is, alhoewel in

ocr page 228

TWIST DKS HEEREN

„sijn oordeel maer passelijck, nochtans met een oprechte meeninge van den anderen ghedaen, en in „Godts o^tgen seer goet, die sie toe wat loon hy by „onser aller Heere te sijner tijd sal wegdragen. En noch-„tans is dat nn seer ghemeen, en het wordt voor een „ganwigheyt en aerdigheyt gehouden, de aldergodtsa-„lighste geestigh te konnen doorstrijcken, niet een be-„lagcheiijck schimpwoordt ten toon stellen, en over do „Hekel te halen; om datse na de sin van sommige „jnyst niet gevoelen noch leeven. 'tWelk gehouden „moet worden voor een soorte van vervolgirghe, die „heden de gemeenste en de slimste is: waer door ge-„lijck de Duyvel veele soetjes aen sijn zijde krijght, „om de kracht ende de voortgangh van het Eijcke „Godts gemaklijck te beletten, alsoo komen daer alle „dagen veele toe, die, sommige door onvoorsichtig-„heydt, andere uyt boosheydt, het getal der Vervolgers „vermeerderen. En overmidts andere vervolgingen nu „ophouden zijn de quot;Weereltsgesinder, op dese wijse, die „wel soo bloedigh niet en is, maer nochtans niet min „vinnigh, moeyelijck ende hinderlijck aen betere. Wel-Y „cke sy schuwen, weeren, beschuldigen, te kort doen, ;,soo veel sy konnen. En, ick bid u, wat is dat anders „als vervolghen? Alhoewel dese dingen de Kercke we-„dervaren in de Kercke, van haer eyghen volck, en quot;■„altemet wel van de soodanige die in schijn en voor-„gheeven boven andere uytmunten. Dus verre die Gebeerde ende Heylige ziele.

Ja Vrienden, sulcke dingen gaender om. En het is niet sender groote reden gheweest, dat de meergemelte

/

224

ocr page 229

MET SUN WIJNCAKItT.

Mr. Willem Teelinyh. ten sijnnen tijde daer over aldus geklaegt heeft.

„Dat noch de diepte van onse Verva.llinge alle tijdt „als een schrickelijcke afgrondt doet voor ons staen, „claer nyt nanwlijckx eenige hoope is dat wy ooyt sul-„len kounen gheholpen worden, is dat het daer waer-„■lijck onder ons ghenaemde Gereformeerde Christenen „alsoo begint te gaen, dat niet alleen de eerste liefde „Christi, en den rechten y^er over de dinghen Christi by ons jammerlijck vervallen is (by dat het was in „onse eerste Reformatie) en datter nanwlijcx eenighe „zijn die daer aen heffen om die wederom op te rechtten, datter ja daer en tegen veele zijn, (ick en segge „niet onder de Turcken en Heydenen, en Joden, ofte „Greprofesside dwaelgeesten, maer selve onder de ge-„naemde Gereformeerde Christenen) die oock selve sich „daer tegen stellen, en waer daer slechts een spranc-„keltje yvers sich Ipegint te vertoonen, in d' eene of „in d' andere, daer zijn haest thien by de wercken, „om dat (als een qnaet en schandelijck vier) strax te „smooren en nyt te blusschen. Maer ('t gene noch alder-„erghst is, ende geheel en al ongelooffelijck sonde wee-„sen onder het Christen volck, soo de ervarentheyt het „ons niet baerblijckelijck en dede ondervinden) „de Goddelijcke saecken zijn soo jammerlijck by ons ver-loopen, en allen Christelijcken yver soo gansch seer vervallen, dat men nu sich kan in onse eeuwe stellen teghen den waren yver over de dinghen Christi met Reputatie, en daer over noch eere in legghen. Men kan ja den rechten yver nu stijf en stout teghen gaen, en

15

225

ocr page 230

TWIST DES IIEEREN

uyt laghen: en noch daer door Reputatie behalen van een Kloeck verstandt en wijs hooft, die best weet hoe men Kercken regeeren en Volcken beleyden moetquot;. „Ziet so gaet het daer waerlijck in veele plaetsen onder „ons. Och wee ons, wee ons, datwe soo seer vervallen „zijn! En voor waer als wy op dit alles beginnen te „letten, soo dencken wy dikwijls by ons selven: onder „wat volck zijn wy hier? quot;Waer leven wy ? zijn wy „in de uyt erste Indien, ouder de Heydenen, onder Turc-„ken, Joden, ofte onder andere geslagene Vyauden des „Krnyces Christi? of sijn wy onder het Christenvolck ? „Hoe komt het dan noch dat de dingen Christi niet „beter gehanthaeft en worden ? dat ja de dinghen „Christi soo seer worden tegengeloopen, en dat die geene „die sulcx doen noch eere konnen inleggen, noch aeu-„ghetrocken en veel geacht worden, en dat noch van „die geene die oock noch al de Reputatie willen heb-„ben van goede Christenen te weesen. Och waer op wil „dit uyt komen?quot;

Uyt welcke dingen alle wy dan besluyten; Over-midts soo veel statelijcke Godts-dienst-oeffeningen by ons doorgaeus versuymt, andere met soo weynig yver en eerbiedigheyt betrachtet worden, ja de vertooningho van Godtsdienstigheyt by ons veracht, belacht, gehaet, vervolght wordt, dat dan onse Nedeiiandtsche Wijnstock geensins de Verwachtinge Godts voldoet, in 't Voortbreughen van de Vruchten der uytterlijcke Godts-dienstigheydt.

226

ocr page 231

MET SUN WJJA'CiAERT.

CAP. XIX.

Datter selfs glieen behoorlijclce vrucliten van Burgerlijcke Eerlijckheydt aen onse Nederlantsche Wijnstock glievonden worden.

Maer 't is te verglicefs dat ick Edele vruchten van Godtsdienstigheydt, 't zy Inwendiglie, 'taer 't is te verglicefs dat ick Edele vruchten van Godtsdienstigheydt, 't zy Inwendiglie, 't zj Uyt-wendigh aen onse quot;Wijnstock soecke. Souden der wel B'eh oorlij eke Druyven van Burgherlijeke, en Zedelijcke Eerlij ckheydt aen wassen? Alles heeft sich tot noch toe soo slecht opghedaen, dat ons geen groote hoope overgebleeven is pm veel te vinden. Het lust ons dan een weynigh buyten 's Landts te reysen, en eenige Vreemde, Heydensche, AVijnstocken te besien, om daer na weer 't huys gekomen zijnde de onse daer by te vergelijcken, en een proeve te neemen of Sy in Vrucht-baerheyt tegen de Uytlandtsche aenmach.

En vooreerst soo komt my onder de eerste opslagh van het oogh te voeren dat by veele Heydenen een staetelijcke oeffeninge van allerley Burgerlijcke, Zeede-lijcke, Reedelijcke denghden geweest is, waer in sy veele ghenaerode Christenéb, t' onsen tijden verre overtreffen en te boven gaen.

Als ick de beschrijvinge van de zeeden der Oude Persianen en Xenophen leesde, beelde ick mij in een volck te sien, dat veel geschickter, matiger, suiniger, eerbaerder leeft, als doorgaens het volck hier te lande doet.

Als ick my de Vermaninghen en deftighe Lessen van Isocrates aen sijn Demonicus te binnen brenge, dunckt my dat ick de beschrijvinghe van een Vroom Man hoore, daer niet veel meer aen ontbreeckt als de ken-

227

ocr page 232

■

228 TWIST DES HEEREN \

nisse des waerachtiglien Godts en liet geloovo in Christum. Als ick de schriften van Seneca, en wel byson-derlijck sijne brieven aen Lucilius doorblader, bevinde ick waerachtigh te weesen, 't geene yemandt seer aer-digh gheseydt heeft, dat hy te veel heeft om een Hey-den, alhoewel te weinigh, om een Christen te zijn. Als ick de wercken van Epictelus, ghelijck Arrianus sijn Discipel en toehoorder die in 't licht gegeeven heeft, be-meditere, vermerk ick daer in noch een Hoogher Geest, en stae verbaest, dat de nature sonder hulp van Godts bysondere ghenade soo verre heeft konnen komen. Maer doe ick een deeser daeghen de Boecken van de Keyser Marcus Antoninus die hy tot hem selven geschreeven heeft in handen kreeg en met de grootste smaeck van de weereldt doorlas, wierd ick verruckt in verwonde-ringhe over de Hooghgaende Deught, die ick sagh dat die Heydeusche Prince hem selven had voorghestelt. En my dunckt dat alle sulcke schalen schier te net, alle sulcke toetsteenen schier te fijn zijn, om de Christenen deeser daghen daef op te wegen, daer aen te toetzen. En in goeden ghemoede hoe weynighe zijn daer onder ons, die in rechtveerdigheyt by Aristidfes,in verdraeghsaemheydt en t vergeeten van ongelijcken by Phocion, in deughtsaemheydt by Socrates, in kuysheydt en eerbaerheydt by Scipio, in stantvastighe Vromig-heydt by Cato, en oneyndige andere van dat slagh (welckers namen en daden men by Valerius Maximus leesen kan) halen moghen ? Ick kan my niet bedwin-ghen, of ick moet wederom by de Heydenen een Turck voeghen, wiens wonderlijcke goetheydt teghen sijn re-

ocr page 233

MET SUN WIJNGAERT.

229

hellerende Broeder weynigh Christenen onder ons tot Navolgers heeft. Seekere Koningh. der Saracenen, met name Gjeleduddaulas, die gheregeert heeft in den jare Christi 1092 laadde eenen Broeder Nisus ghenaemt, die uyt enckele moetwil ende heersucht de wapenen teghen hem aennam. Het gebeurde nu dat deese Koningh met een sijner Raetsheeren gegaen zijnde aen het graf van seecker Heylighe om te bidden, den Eaets-heer vraegh-de wat hy ghebeden hadden. Deese antwoorde: lek heb van Godt versocht dat het sijn geliefte mochte weesen u de overwinninghe over uwen Broeder Nisus te gee-ven. Maer ick seyde de Koningh en hebbe so niet ghebeden. Dus-danigh is mijnne smeeckinghe geweest: „ Alm acht igh Godt, indien mijn Broeder bequamer is om door sijn Regeeringe uw volck goot te doen als ick, soo geeft hem de overwinninge over my: Maer indien ick meer tot haer voordeel ben, soo verleen my de overhandt! O wonderlijcke en bykans ongelooflijcke goetheyt, die sich op doet in het gebedt van deesen Barbarischen mensche. Ghy siet daer niet alleen een harte soo wel geneegen tot sijn Broeder, ende rebellerende Broeder, soo vry van wraecksucht in een stuck soo teeder als de Majesteyt van het oppergebiedt is : maer ghy siedt daer oock een harte soo vry van eer-gierigheydt, soo over ghegeeven tot het oordeel van sijn Onderdanen, en soo wel te vreeden met Godts schickinge, dat hy soo gewilligh op sijn bevel van den Throon soud afgaen als hy daer op gheklommen was. Hoe weynigh Christen Vorsten, en Overheden van veel minder soorte zijnder die soo suyver een deughtsaem-

ocr page 234

TWIST DES HEEBEN

heyt in sulcke geleegeiitheyt practiseren? Nu steltmen integendeel dit als een regel van staet, men doet het niet alleen, maer men drijft ende schrijft het oock als wel gedaen, dat men quot;Wijd beroemde, Doorluchtige, Yverighe Politijcque Regeerders, of Victorieuse Krijgsoversten, en Heyligh-Vermaerde Leeraers, die van we-ghen haer groot gesagh by andere wat in 't oogh loopen, schielijck o\ ïrvallen en verkrachten moet. quot;Wat ghe-lijckt nu beter na het Christendom, sulck een Discours van een Neder-landtsche Politijcq; of sulck een ghe-bedt van een Saracenische Barbaer.

Ten anderen, ick bevinde dat de Heydenen selfs be-merckt hebben dat de Uytterlijcke oeffeninge van de deugden niet genoegh en is, om yemandt tot een vroom man te maken: dat soude noch al uyt loutere geveynst-heydt, die de Aldergheslaghenste vyandinne van de „ware deught is voortkoomen. Waer uyt weten wy, „seyt de Keyser Marcus Antoninus, dat Socrates van „een voortreffelijcke en boven andere uytmuntende aert „geweest is? quot;Want het en is niet genoegh dat hy soo „Heerlijck is gestorven: of dat hy met de Sophiten soo „scherpsinnigh ghediscoureert heeft: of dat hy in een „bittere koude met grootgedult onder den blauwen He-„mel vernachte: .... „Maer men moet aenmercken „hoedanigh de ziele van Socrates is ghestelt gheweest: „Of hy daer in yerghenoeght ware, dat hy ontrent de „menschen rechtveerdigh, ontrent Grodt Godtsdienstig „was,quot; niemandts boosheydt t' onrecht qualijck neemende „niemants onwetenheytpluymstrijckende, nochte 'tgeene „hem van Godt wierdt toegeschickt of als yet vremts

230

ocr page 235

MET SUN WIJNGAEET.

„ontfangonde, of als yets ondragelijcks lijdende, „noch „toelatende dat de ziele door de beweeginghen des „vleesches verruckt sonde worden.quot; Een ziele soo ghe-stelt die konde na de scliattinge van deese Heydenschen Keyser eerst voor denglitsaem erkent worden. Maer nu is 't soo verre by ons ghekoomen, dat het al voor Vroome Inyden gaen, die maecken dat niemant yets op haet te seggen heeft, sonder dat op de gestalte der ziele eens ghelet wordt, 't Is warachtigh het geene een wijs man deeser eeuwe seyde. „De vromigheyt die nu „in 'tgebruyck en achtinge is, daer al de werelt sich „mee genoeght, en die alleen bekent, gesocht, ende „beseten wordt, (eenige weynige wijse uytgenomen) „is maer bastert, kunstigh, vals ende nagebootst. Der-kalven oDi te ontdecken, ende te weten weleke do „ware vrornigheydt is, soo moetmen niet op de uytter-„lijcke daden staende blijven, dat is niet meer als het „marck ende allergroffste, en dikwils maer een mom-„aenghesicht ende masker. Men moet doordringhen tot „het binnenste, ende do beweeghreden weten die de „snaren speelen doet, die de ziele en het leven is, ende „alle dinghen bevveeginge geeft.

Ten derden de Heydenen dit siende hebben daerom oock op de beweeginghen van haer gemoet gelet, en getracht haer denghdelijcke oeffeningen te practiseren.

Sonder geveynstheydt,

Sonder roem,

Sonder verkeerde eygen-liefde.

Ick beken, dat dit verre schijnt te gaen, maer sal het alles uyt haer eigen woorden toonen. Dus sprack

281

ocr page 236

TWIST DES HEEREN

232

de welgemelte Keyser daer van. „Die op de bewee-ginghen van haer eyghen harte geen acht en geeven, 't kan niet weesen dat die wel ghedijen souden.quot; En wederom op een ander plaetse seyde hy tot sijn selven: „Ghy moet u gewennen om die dingen alleen te denc-ken, van welcke indien yemaudt u op het onverwachste vraeghde wat denckt ghy nu? ghy met vrymoedigheydt sonder yets te verswijghen, soudet konnen antwoorden, Dit of Dat.quot; En hier in vermaende hy sijn selve met soo groote sorghvuldigheydt te werck te gaen, als of hy in 't bedrijf van elcke daet ende ghedachte sterven soude. „Soo moet ghy alle dinghen doen en dencken als die dadelijok uyt het leeven soudet konnen sohey-den.quot; En wederom op een ander plaatse. „Elke daet moet ghy doen, als ofse de laetste uwes leevens weesen soude, vry van alle reuckeloosheydt, sonder afwijkinghe door de drift der Harts-tochten van het ghebiedt des redens, sonder gheveynstheydt endc sonder eygen liefde.quot; Ghelijck hy hier gheveynstheydt en eygen-liefde uyt de betrachtinghe der deughden wegh weert: alsoo wil hy elders de roem gansch uytgeslooten hebben, niet alleen die sotte opswetsinge van sijn goede daden, die by elk een belagchelijck is, maer oock die ongeregelde kittelinge van sijn eygen harte daer over. Hy geeft ons een aerdighe beschrijvinghe van een recht vroom man, die sonderlingh wel tot ons oogemerck dient. Een vroom man, seydt hy als hy yets goedts ghedaen heeft, 't is of hy het self niet en weet: maer „hy is een quot;Wijnstock gelijck die wanneer hy syn druy-„vefcros heeft voortgebracht, en de vrucht die hem eyghen

ocr page 237

MET SUN WIJNfiAERT.

233

„was gegeeven, na geen ander dinglaen meer en staet.quot; „G-elijck een Peert, wanneer het geloopen heeft een „Jacht-Hondt wanneer hy gejaeght heeft, een Bije wan-„neerse Honing gemaeckt heeft, alsoo oock een vroom „man wanneer hy yets welgedaen heeft, hy maeckter „gheen geroep over, maer hy begeeft sich tot een ander „dèrgelijck goedt werck, „gelijck een Wijnstock om „weer op sijn tijdt nieuwe trossen voort te hrenghen.quot; „En wederom sijn selven aenspreeckende: „Wanneer ghy yets goedts ghedaen hebt, en een ander yets goedts van u ontfanghen heeft, wat soeckt ghy ghelijck als de sotten noch yets boven dat? Te weeten de naem van een Weldadige, of de vergeldinge van uw wel-daet?quot; Hy wilde de deught betrachten, suyverlijck om des deughts wille: en daer me sijn ghemoet te vreden houden. Soo seyde Epicfetus oock, „weet ghy niet dat een goedt man niets en doet, om dc schijn, maer om het goedt doen self's? Wat voordeel heeft hy dan van sijn weldoen? kont ghy wel beter loon voor een deught-saem man bedencken als sijn goede en eerlijcke daden selfs?quot; Deese bedenckinghen, dus op de ziele aenge-drongen, zijn by na te schoonen vrucht omse aen een Heydensche Wijnstock te vermoeden: Maer't is te erbar-melijck datmen soo weynigh hares gelijcke aen onsen Edelen AVijnstock vindt. Verweckt niet het leeseu deeser dingen een seekere soorte van ontsteltenisse en wroe-ginghe in ons ghemoed, ons stilletjes verwijtende dat we so suyver een dengl|fcsaemheydt noch niet bereyckt en hebben, en datwe niet ghewoon en zijn ons sooda-nighe ghedachten daer van gemeensaem te maecken?

ocr page 238

TWIST DES HEEREN

234

Ten vierden, nocli heb ick meer ghevonden aen dee-sen uytlanschen Wijnstock, te welen een vastvoornee-men om sich quot; aen deese suyvre deught te honden in spijt van alle swarigheyt. daer kome dan af wat wil of kan, de uytkomste van het werck gelucke wel of qualijck, en een yeder segghe daer van wat hem gelieft. „Wordt niet moeielijck, seydt hy, nochte ende „geeft de moedt niet verlooren, noch en neemt het „qualijck indien het n niet altijdt evenwel gheluckt, „wanneer ghy na uw goet oogemerck handelt: Maer „eens buyten spoor ghedreveii zijnde hervat het werck. „En wederom. Laet het u evenwel wesen, als ghy maer „uw plicht doet, of ghy van koude beeft, of in warmte „ghekoestert wordt, „of men wel dan of men qualijck „van u spreeckt.quot; En noch eens. „Wat een ander of doen of praten mochte, Ick moet vroom zijn. Min noch meer dan of het goudt, en purper, en eedel gesteente gheduyrighlijck seyde: Een ander magh doen en praten wat hem gelieft, maer ick moet een edel gesteente blijven en mijn glans behouden.quot; Ick weet niet hoe ick het hebbe als ick sulcke redenen leese niet alleen in de lucht gepraet, maer, met toepassinge, tot sijn eygen ziele geseydt. En 'tis by na als of ick een Apostel hoorde sijn Christen leerende, door goed geruchte en quaet geruchte met gelijcke tredt op het padt des Deughts voort te gaen, en midden in al de duysternisse des boosen wereldts met eeven gelijcke glans te schijnen als een licht in het midden van een verkeert ende verdrayt gheslachte. Maer hoe dun is sulck een standt-vastighe Deughtsaemheydt by ons ghesayet? Die al

ocr page 239

MET SUN WIJNGAEBT.

235

wat schijnt te weesen, wanneer het soo te passé komt, hoe ras treedt hy te rugge, en drijft achterwaerts, wanneer de windt uyt den ander hoeck begint te waeyen ? Dat heet nu Politique wijsheyt dat men sich niet al te nauw aen de regels des deughts en binde, maer de toom dan eens viere, dan eens intrecke, na dat de saec-ken mede brengen. Men schrijft nu openbaerlijck, datter gelegentheden konnen voorvallen, in welcke „het klaer is dat een mensch onwaerheden spreecken, bedrieghen en een ander eenigh goedt, ja selfs het leeven ontnee-men magh,quot; quansuijs om grooter quaedt voort te komen. En die daer tegen, en voor de omgekreuckte deught spreeckt, daer blijft men schamperlijck de spot me, als sy uyt haer Studeer-kamer, Celletie of Predickstoel de menschen sleghts yets loffelijck, of veel tijds daer en boven loofelijck tot grootmaeckinge van haer eygen schijnheyligheyt, eere of profijt, wijs maeckten. Te weeten, sulcke Leermeesters der deughtsaemheydt ont-braecken ons noch. En die souden een beter vromig-heyt leeren als tot noch toe van de Predickstoel geschiet was. Maer ick gheloove dat de goede Keyser Antoninus de soodanige als Pesten uyt sijn Hof gebannen soude hebben, en alle Philosopheu doen swijgen, die hy sulck een tale had hooren spreecken. Was'tnijt genoegh dat die Italiaensche Hovelingh Michiavel, e en man van groot verstant, maer dat hy misbruyekte om de deught te verkeeren, sijn Prince sulcke grouwelen ter ooren in luysterde? Most men oock Nederduytsche boecken maken omse onse Nederlanders in te scherpen? Neen, Vrienden, elck spreecke, schrijve, doe soo als

ocr page 240

TWIST DES HEEREN

het hem belieft, dat is eerst ware deughtsaemheyt die altijdt een trandt ga, de wegh recht uyt, niet laverende op de sijdstreecken der ondeugt, rontom het goede hee-nen, maer altijdt mickende na die Noordsterre, het ghe-lucke wel of qualijck 'tgeen sy onderneemt, een ander laecke of prijse het na dat het hem aenstaet. Want het getuygenisse onser conscientie, dat wy ons na Re-ghels des Deughts op 't aldernetste gheschickthebben, brenght de ziele veel bestendiger genoegen toe, als alle verkrijginghen van de beooghde uytslagh, ende alle kittelingen van ongegronde lof. lek sal dit met de woorden van Seneca besluyten, die in sijn vier-en-dertighste Brief aen Lucilius aldus schrijft. „Weet ghy wie ick een goedt man noeme? Die, dien geen ghe-welt, geen noot, quaet kan maecken. Soodanigh een sie ick in u te ghemoete, soo ghy volhardet soo ghy der u op uytleght, soo ghy daer na staet dat alle uwe daden en woorden overeenkomen en op malkanderen passen, ende op een munte gheslaghen zijn. Sulck een ghemoet, en is niet recht welckers handelinghen onghe-lijck zijn.quot; En wederom in den ses-en-seventighste Brief, „'t Geen een goedt man oordeelt, dat hy met eeren moet doen, dat sal hy doen, al soudt het hem lastigh zijn: dat sal hy doen, al soud het hem schadelijck zijn: dat sal hy doen, al soud het ghevaerlijck zijn. Wederom 't geene schandelijck is, dat sal hy niet doen, al kond hy daer geldt, vermaeck en aensien me ghewin-nen. Van het eerlijcke zal hem geen saecke afschricken tot het schandelijeke sal hem geen hoope aenlocken.quot;

Hoeveele onder ons moet desa spreuke overtuygen?

236

ocr page 241

MET SUN WT.JNGAERT.

237

Ten vijfden, Daer hebben haer oock sommige onder de deughtsame Heydenen na glieset, om niet alleen standtvastelijck te blijven by het goede dat sy eens ondernoomen hadden, maer oock om ghestadigh voort te ga en, tot datse de volmaecktheydt soo na by qua-men als doenlijck voor haer was. 't En was haer niet genoegh de exempelen der Vrome Vaderen te volghen, maer sy sochten een wegh die noch uytneemender was, ghehjck onse Apostel by een ander geleegentheydt eens seyde. Wat dan! schreef die Romeynsche Wij se aen sijnnen vriendt, „Sal ick dan niet gaen op de voetstappen der voorgangeren? Ja ick sal immers de oude wegh ghebruycken: Maer soo ick een nadere ende betere vinden kan, die sal ick banen. Die voor ons van deese dingen gesproocken hebben, zijn onse Heeren niet, maer onse Leyds-Lieden.quot; Ja sy ende hielden haer niet te vreden, dat se verder quamen als die voor haer geweest waren; sy wilden oock haer selven overtreffen, en te boven gaen. „Indien yemandt my leeren en over-„tuygen kan, dat ick in eenige sake of niet wel gevoele, „of niet wel en doe, soo sal ick met een volveerdig „ende bly ghemoet veranderen: Want ick soecke de „waerheydt, van de welcke niemandt oyt Request en „is, maer al wie in sijn dwalinghe en onwetenheydt „volhardt die quest hem selven.quot; Dus sprack al wederom die Meergemelte Keyser. Ja noch scheen hy yets voortreffelijckers in het oogh te hebben, als al het gheene hy van de deughden die ghemeenlijck ghe-oeffent worden, gesien, gehoort of gedacht hadden, en was'er noch yets beters te vinden als die deugden, daer

ocr page 242

TWIST DES IIEEREN

238

wilde hy dat sijne ziele na staen sonde. „Want soo „seyde hy tot hem seU'e, Indien ghy in het leven der „menschen yets vinden kont dat beter is als de Eecht-„veerdigheyt, Waerheydt, Matigheydt, Kloeckmoedig-„heyt, en om het alles met een woord te seggen, als „een gemoedt dat met sijn selfs te vreden zy, in die „dingen die het selve doen moet, na het bericht van „de Reden; en dat met Godts[schickinge verghenoeght „zy, in snleke dingen die bnyten eygen raedt toeko-„men, indien ghy, segge ick, yets vinden kont dat „noch beter is als ditte, soo wend n selve daer heenen, „en leght u van ganscher harten daer op nyt, om dat „te genieten als het aldervoortreffelijckste goedt, 't „welcke kan gevonden worden.quot; Het schijnt dat deese man van de onvolmaecktheyt der zedelijcker deugh-den, hoe hoogh sy oock opghetrocken mochten worden, overtuyght zijnde, geen vol ghenoegen van sijn ziele daer in heeft konnen vinden: maer van verre noch yets anders ghesien heeft, sonder te weten wat het was, waer in alle de begeerten des menschen als in hooghste goet souden konnen rusten. Doch wy weeten wat het is, namelijck de gemeynschap met de Heere Christo, en die Hemelsche ende Goddelijcke Heylig-heydt daer uyt voortvloeyende; welcke dingen voor de ooghen deses Keysers verborghen waren. Maer dat is hier klaer, dat hy een seeckere begeerte en uytstrec-kinge sijner ziele hadde tot het aldervoortreffelijckste goedt, al wist hy niet wat het was, noch waer te vinden. Nu leydt het integhendeel by de meeste meenig-te van onse ghenaemde Christenen heel anders, die

ocr page 243

MET SUN WUNGAERT.

239

daer op enckelijck schijnen te practiseren, niet hoe sy wandelen moeten en Gode beliaghen, dat sy daer in meer overvloedigh worden, na de vermaninge des Apostels 1 Thes. IV: 1. Maer hoe sy het alderminste van de deught souden doen, en evenwel noch voor deugt-same geschattet worden. Daer komen al die vragen van daen, waer meede de menschen haer Leeraers en malkanderen moede maken: Soude ick dit en dat niet wel mogen doen? Hier en daer in de wereldt of mijn eygen sinli] ckheydt te ghevalle zijn? Sonde daer juist de vroomigheydt in bestaen, en niemandt voor deugt-saem gehouden konnen worden, als die sich aen die kleynigheytjes bindt? Soud ick niet konnen salig worden als ick noch dit of dat aen de handt hield? En niemandt vraegt by na: wat moet ick doen om in hey-ligheydt en denghtsaemheyt toe te nemen? Daer loo-pen de gedachten over, om so weynigh van de deught te hebben als doenlijck is, en evenwel noch voor deught-saem te gaen. En voor al en wil men daer niet aen, om een stappe verder te treden als de voorvaderen. Dat, roeptmen, zijn sulcke vroome lieden geweest, die immers alsoo wel en beter geweeten hebben, watter te doen stonde als de nakomelingen. Indien yemandt yets goedts aendringht, het welcke misschien te voo-ren soo niet aengemerckt of op sulck een maniere niet voorgestelt en is, van hoe baerblijckelijck een billijck-heyt de sacke oock andersins wesen mochte: daer gaet stracks een kreet teghen op als teghen een invoerder van vreemde nieuwigheden. Alle nieuwe moden van de wereldt, alle nieuwigheden van ghevoelen, hebben by

ocr page 244

TWIST DES HEEREN

ons eeu groote opgang; maer alle oude waerheden tot vernieuwinghe des sondigen levens streckende worden alomme met stijve kaken teghensproocken, met stoute voeten tegliengegaen. Men scliijnt de Leere van de onvolmaecktheyt der Heyligen in 't bysonder, en der keroke hier op aerden in 't gemeen, vergeeten te hebben, immers men spreeckt 'er altemet soo van als of wy gheen Reformatie van zeeden meer van nooden hadden. In alle dinghen wil men plus outre, ende men soeckt allesins meer in te palmen: behalven in de ver-beteringe des leevens; daer wil men geen palen verset hebben. Maer 't is een groote misslag. Wy moeten al soo gaern Re for mantes en Verbeteraers zijn, als wy Gereformeerde en verbeeterde heten. quot;Want het eene kan niet wesen sonder het ander. Soo is het dan oock uyttermaten qualijck, dat men sich selve soo een ge-sette treyn des levens heeft voorgestelt, overeenkomende met sijn bysonder humeur, daer men dan by blijft als een Esel by sijn tredt, sonder datmen daer van te krijgen zij : neen, niet door alle de prickelen en nagelen der Heyliger vermaningen, schoonse oock diep ingeslagen worden van de Meesters der versamelingen. En hier uyt is immers klaer, dat wy nog seer verre zijn van die poginge tot hooger, die wy in de voor-ghenoemde Heydenen gesien hebben.

Ten sesten, Noch verder gaet het dat deese selve Hey-danen gheleert hebben in alle hare deugtsame betrachtingen op Godt te sieu. 't En was niet alleen om de menschen wille, om by haer een naem te krijgen, maer 't was met een bysonder op sigt op Godt dat sy de

240

ocr page 245

MET SUN WUNGAERT.

vromiglaeyt, wilden geoeffent hebben. Sij merckten Godt aen als een Opper-oorsaeck, als een Voorbeelt en Be-weegende oorsaeck, en eyndelijck als het Eynde van alle deughtsame handelingen.

Die eere gaven sy hem dat se hem als de Opper-oorsaeck van alle deught erkenden. Dus schreef Seneca aön sijn Vriendt. „Godt is dichte by u, hy is met u hy is in u. Soo segh ick, Lucili, daer sit een Heyluje Geest in ons, die op onse goede en quade daden acht geeft, deese handelt ons soo gelijck hy van ons ghe-handelt wordt. Niemant is een goet man sonder God. Kan yemandt sich boven het geval verheffen ten zy hy van hem geholpen wordt ?quot; Daerom wilden oock de verstandigste onder haer datmen God om do deught ende versterckinge in de selve bidden sonden. Die selve Seneca, alhoewel hy elders leutert, ende door sijn Sto-ysche hoverdije opgeblasen zijnde, meent dat men geen wijsheyt noch vromigheyt van de Goden te begeeren heeft, die men sijn selven geven kan, soo schroef hy nochtans door prangh van sijn conscientie. „Ghymoogt de Goden alle uwe Oude gebeden wel quiytschelden; Begin op nieuw heel andere. Bid om een goede sin, om goede gesondtheyt, eerst der ziele, en daer na des lichaems. quot;Waerom soudt ghy die gebeden niet dick-wils doen? Bid God vrymoedighlijck, ghy suit hem niet bidden als om het geene hy uyt het sijne geeven sal.quot; Ja doch onse Heere Jesus de Vorst vanhetvolck Godts en neemt niets van een ander: van sijne erfe-nisse laet hy sijne soonen het erf des deughts na. Ezech. XVI: 18. De heylige Geest neemt het oock uyt

16

241

ocr page 246

TWIST DES HEEEEN

het sijne, al wat hy aen de sijne verkondight. Joh. XVI: 14. En billiok dan dat alle knieen voor Godt de Grootste, de Goedtste, geboogen worden, om een afset-sel en uytdrucksel van sijn goedtheyt voor onse siele te versoecken.

Maer boven dien soo hebben de verstandige Heyde-nen oock gewilt, dat men in al sijn handelingen Godt steeds voor ooghen sonde houden, om ons te ghelijcke als een Voorbeeldt en als een Beweegende oorsaeck ten goede te zijn. „Leeft soo met de Menschen, als of Godt het sagh;quot; seydt alweer de solve Seneca. EndedeKey-ser Antoninus. „Vermaeckt u alleenlijck daer in, en weest daer me te vreden, dat ghy van de eene daet die het gemeen dienstig is, tot de ander, overgaet, Godt altijdt in gedachten hebhende.quot; Die u altijdt, wil hy seggen, .dus voorgaet, noyt moede zijnde van wel te doen: die oock alle uwe handelinghen gade slaende u daer van eens reeckenschap afeyschen sal. En op een ander plaetse. „Leeft met de Goden.quot; 'tWeleke de Sohriftuyre noemt, met Godt te wandelen, dat is in een Heylige gemeensaemheyt met hem op en neer te gaen, en alle dingen als onder sijn oogen en opsicht te verrichten. En elders noch eens. „O mijn ziel, wanneer suit ghy soo gestelt wesen, dat ghy met de Goden ende de menschen soo ommegaet, dat ghy haer in geen dingh beschuldight, en van haer niet veroordeelt en wordt ?quot; De Apostel seyde van de Christenen hier op aerde leevende, dat haer wandel in den Hemelen was, Phil. Ill: 20. Daer was haer verkeeringh ende haer ommegangh, met genegentheden en pogingen, ge-

ocr page 247

MET ST.TN WIJNGAERT.

lijck sy oock daer haer burgerrecht hadden. Alsoo wilde oock deese Roomschen Keyser dat siju ziele ge-meensaemlijck met Godt soud ommegaec, als een Medeburger Godts geworden zijnde.

Eyndelijck hebben sy oock Godt leeren aenmercken als het Uyteynde vaa alle deugtsame betrachtingen, tof welckers Eere sy selfs ende al het geene dat sy deden, gerichtet moste worden, 't En was niet alleen een Jode die daer seyde, Laet alle uwe wercken om de name des Hemels gheschieden, dat is ter eere van Godt die een Ileere des Hemels is. Maer 't was oock de trefielijcke lesse van de Meergemelte Keyser, „Ge-„lijck als de quot;VVondheelers haer instrumenten en yser-„tjes by der hand hebbe offer iets schielijcks mochte „voorkomen: hebt ghy alsoo eenighe Lessen veerdigh „by u selve, door welckers hulpe ghy bekennen mooght „wat Godt en wat de menschen toebehoort. En verricht „alle dingen, tot het alderminste toe, met soodauigh „een harte als die wetet dat beyde deese dinghen al-„tijdt samen gaen. Want ghy suit niet menschelijcks wel konnen doen, sonder opsicht op het Goddelijcke.quot; Is het sonder reden, dat een gheleert man, dit een ver-maninge noemt tegen welcke geen goudt geschattet kan worden, en daer by voeght: dit selve alhoewel met andere woorden heeft de Apostel geseyt. 1 Cor. X: 31. Het zy dat ghy eet, het zy dat ghy drinckt, het zy dat ghy yets anders doet, doet het al ter eere Gods. Soo schreef oock een ander Heydens Philosooj^h. Siende in alles op Godt, in 't kleyne soo wel als in 't groote. En op dat men niet en soude dencken dat dit

243

ocr page 248

244 TWIST DES HEEREN

slechts lessen waren die hy een ander gaf, sonder se selfs te oeffenen, soo hoort eens wat hy van syn eyghen betrachtinghen ghetuyght en ghy suit een tale hooren, welckers gheluyt van de tale Canaans niet veel en schijnt te verschillen. Ick verlieser my selve by na in, en het en soud my niet verdrieten een gheruyme tijdt in 'tleeren van de Griecksche tale toeghebracht te hebben, al was het maer op dat ick deese kostelijcke woorden leesen en verstaen mochte. „Dus spreeckt dan „die wonderlijcke Epicteius. Indion wy VCTStant hadden, „behoorden wy yets anders te doen, in 't openbaer en „in 't bysonder, als Godt te loven, en te prijsen, en „danck toe te brenghen, behoorden wy niet al spitten-„de, en ploegende, en etende, Gode een lofsangh te „singen? Groot is God die de instrumenten gegeeven „heeft, waer mede wy de aerde bewereken. Groot is „Godt dat hy ons handen ghegeeven heeft, en een kracht „om door te swelgen, en een buyck, en datwe sonder „ons weten groeyen, en al slapende adem halen. Dit „behoorden wy hem in 't bysonder toe te singen, en „dan noch den Allergrootsten en Goddelijcksten Lof-„sangh daer by te doen, dat hy ons een kracht om „deese dingen te verstaen, en rechtwel te ghebruye-„ken ghegeeven heeft. Want dan? Dewijle ghy te mee-„rendeele verblindt zijt, behoorde daer niet een te we-„sen die dese plaetse vervulle, en voor allen'Gode den „lofsangh toebrenge? quot;Want wat kan ick kreupel oudt „man anders doen als Godt te looven ? Indien ick een Nachtegael was, ick soud het werek van een Nachte-gael doen. Indien ick een Swaen was, soo soud ick

ocr page 249

MET SUN WIJNGAEBT. 245

„het werck van een Swaen doen. Maer nu ben ick een „redelijcke mensche. Soo past het my dan Godt te „looven. Dat doe ick oock. En van die ordre en sal ick „niet afwijcken soo langh het my beuren mach. En „tot dit selve ghesangh nodigh ick oock u lieden. Ick schijnne by na vergeten te hebben in wat Boeck ick leese, als ick sulcke woorden ontmoete. En sonde my schier inbeelden dat ick in de 34 of 103, 104, 145 Psalm soetelijck verbystert was. Ick weet niet hoe het uyt de mondt en penne van een Heydens mensche komen kan, 't geene die selve Eqictetus toegheschre-ven wordt. Denckt gliy dickwijlder om Godt als ghy adem haelt. De natuyre is al te seer verblindt en verdurven, als dat sy alleen zijnde soo Heylige en Heer-lijcke dingen leeren sonde. Daer moet een werckinghe van een hoogher Geest by komen, die de Heydenen onderwijst, „en die den mensche wetenschap leert.quot; Ps. XCIV: 11.

Hier moeten wy alle. Me Vrienden, soo menigh als wy dit leesen, veelsins overtuyght en beschaemt staen, dat deese arme blinde Heydenen veel verder in hare beooginghen en betrachtingen gekomen zijn als wy. Haddet ghy wel ghedacht, dat hare burgerlijcke eer-baerheydt, en zeedelijcke deughtsaemheydt soo hoogh was opghesteygert ? Is dat niet onse gemeene inbeel-dinge geweest, datse alle hare daden maer in oogen-dienst deeden, als menschen behaghers, buyten God om? En hebben wy ons niet met die ydele gedachten ghepaeyt, dat hier in ons Gereformeerde Christendom boven het Heydendom uytmunte, datwe stijf ende

ocr page 250

TWIST DES HEEREN

246

sfcerck wisten te disputeren voor dese waerheydt, dat Gods genade in ons de werck meester van de deught is, en derhalven sijn eere oock het uyteynde van alle onse betrachtingen wesen moet ? Maer wy sien hier die die solve waerheeden, die soo menigh ghenaemde Christenen, sommige met woorden, andere met wercken verloochenen, erkent, beleden, en gepreesen van de Heydenen. Wy vinden hier zielen, die sich verplichten om in al haer doen, van het meeste tot het minste, een oogh op God te hebben: en al de tijdt hares levens te besteden in het singen, ende verkondigen van sijn lof. O hoe geluckigh soud ick my rekenen, indien ick in het besoecken der Christenen, wat veele vond by welcke dit Heyligh voornemen des harten soo leyde! Uyt welckers monden ick sulcke redenen en op-weckingen hoeren mochte; in welkers ooren soodanige vermaningen met aenghenaemheydt en beweeginghen inginghen. De Oude Leeraer Hieronymus seeckere Eedele Juffer van sijn kennisse uytnodigende om hem in de Landsdouwe van Bethlehem te komen besoecken gebruyekt onder andere dese beweegredenen. „Waer ghy u heenen went, daer hoort ghy de ploeger met de ploegkouter in de hant een Halleluja singen, de sweetende maeyer vermaeckt sich met Psalmen, ende de Wijngaerdenier met sijn kromme snoeymes de ran-cken bescheerende neuryt yets uyt David. Dit is het gesangh van deese Provincie, dit zijn gelijck men spreeckt de liederen der Minne.'' Maer nu en wassen der sulcke Vruchten aen onse wijnstock niet veel. Men kander niemandt seer op uytnooden.

ocr page 251

MET SUN WIJNGAEUT.

247

Ten seevenden. Vergeeft het my, Leser, indien ick Lier soo ras niet uyt kan scheyden. Het is my sulck een vermaeck de Vruohtbaerheydt van deese uytlandse Wynstocken te bespiegelen, dat ick my selven, ende u oock, soo 't u belieft, hier in noch een weyuigh sal op houden. Boven al het voorverhaelde heb ick in deese Heydensche menschen noch vermerckt een wonderbare gelatenheydt in alles wat haer overqnam: In-voeghen dat sy alles, als haer van Godts handt toe-gesonden, met lijdtsaemheydt niet alleen, maer oock met genoegen, blijdschap, danckbaerheydt ontfingen. Wat is het voornaemste ? roept Seneca uyt. „De tegenspoeden met, een blijdt gemoedt te verdraghen: al het geene dat u wodervaert soo op te neemen als of ghy wildet dat het u wedervaren sonde. Want ghy soudt het hebben moeten willen, indien ghy gheweeten had dat alles na Godts besluyt gheschiedt.quot; Maer alle ver-wonderinghe gaet het te boven 't geene hy op een ander plaetse schrijft. Het heught my dit moedigh woord van Demetrius gehoort te hebben: „Onsterfe-„lijcke Goden, seydt hy, hier in alleen kan ick my „over u beklaghen, dat ghy my uw wille niet eerder „hebt bekent gliemaeckt. Want dan soud ick eerder en „van selve daer toe ghekomen hebben, waer toe ick „nu kome op uw roepinghe. Wilt ghy mijn kinderen „hebben. Voor u heb ickse opghebracht. Wilt ghy „een ghedeelte van mijn lichaem? Neemt het. 't Is „niet bysonders dat u hier mede toesta. Ick sal mijn „heele lichaem haest moeten verlaten. Wilt ghy mijn „Geest hebben? Waerom niet? Ick sal u geerne laten

ocr page 252

TWIST DES HEEBEN

248

„weder nemen, 't geen ghy eerst gegeven hebt. Al wat „ghy begeert is t' uwen besten. quot;Waerom klagbe ick „dan noch? Ick had het u liever eerst willen aenbie-„den, als op u versoeck overlee^eren. . . Nerghens in „word ick gedwonghen. Niets lijd ick teghen mijn „danck. En ick diene Grod niet als onwilligh, tnaer ick „stemme hem ghewilligh toe. Te meer om dat ick „weet dat alles loopt na een seeckere wet, die van „eeuwigheydt is vast ghestelt.quot; Had die man niet op sijn Heydens van Goden ghesproocken, wat konder Christelijcker ghedacht, geseydt, ghedaen worden ? Epictetus verbeterde dit, en sprack een Christen woordt, met een Heydensche mondt. „Ick ben vry, seydt hy, „en een Vriendt Grodts, op dat ick hem vrywilligh „ghehoorsame. Voor de rest ende moet ick van gheen „dingh werck maken, noch van lighaem, 'noch van „goet, noch van hoogheydt, noch van goede of groots „naem, met een woordt nergens van. Maer van sijnne „geboden en mach ick niet een overtreeden.quot; En op een ander plaetse. „Altijd heb ick het soo liefst als 't my toekomt. Want ick oordeele beter te wesen het geene Godt wil, als het gheene ick wil.quot; En noch eens. „Want wat wilt ghy, als het geene best is, en isser wel yets anders beter als het geene Godt voor best houdt?quot; Waer meede over een komt het geene seekere Thymaridas, een oudt Philosooph, sijn Vriendt ten antwoordt gaf. Als die hem op sijn afscheydt alles goedts willende toewenschen, seyde, „de Goden geeven u al waer ghy sin in hebt.quot; „Neen, antwoorde hy, 't is beter dat ick sin hebbe in al het geene dat de Goden

ocr page 253

MET SUN WIJNGAEBT.

249

my gheven.quot; 't Zijn gouden woorden waer meede Epic-tetus Godt aensprack welcke hy seyde van Socrates geleert te hebben, en ik en kan niet nalaten mijn Lee-ser de solve mede te deylen. „Wat stantplaetse, seydt hy, en wat bestellinghe ghy tuy oock geeven mocht, ick soud liever thien duysent dooden sterven, dan dat ick mijn post niet bewaren soud.quot; Dus'sprack en schreef een man, die Godt wilde dat een arme slave was. En En sulck een sin had hy in sijn slaefsche staet, nu het Gods wille soo was, dat hy niet beter soud hebben konnen te vrede weesen, al had hy Keyser van Eomen gheweest. Die Roomsche Keyser, die wy nu meermaals gepresen hebben, seydt insghelijcks tot sijn selve. „Geeft uw vry willigh aen Godts beslnyt over. En laet Godt met al uw saken bewerden na sijn welgevallen.quot; En diergelijcke plaetsen sijnder soo veel in sijn boec-ken, dat het veel te langh soud zijn die uyt te schrijven. Maer dit kan ick niet voor by gaen, dat sy Godts handt vermerckten, oock in dingen die haer door de boosheydt der menschen wedervoeren. Dus redenka-velde de Keyser. „Sondight yemandt teghens my? Hy magh selve toesien. Hy heeft sijn eyghen schickinghe, sijn eyghen werckinghe. En my wedervaert slechts het geen de Algemeene natuyre ghewilt heeft dat my wedervaren soude.quot; Verstaet door de Alghemeene Natuyre die order die Godt over alle dingen beraamt heeft. Dat Keyserlijcke woordt quam niet qnalijck over een met het Konincklijcke woordt van Daaid, doe hy soo schendigh van Simei gevloeckt wierd. „Ja, sej'da hy, laet hem vloecken: want de Heere heeft tot hem ge-

ocr page 254

TWIST DES HEEBEN

seydt, vloeckt David; wie soude dan segghen waerom liebt gliy alsoo gedaen ?quot; 2 Sam. XVI: 10. 'k Sal deese Keyserlijcke, ende Konincklijcke spreucke niet te korte doen, wanneer ick daer onder schrijve de spreucke van die quot;Wijse slave. '„Seg nimmermeer dat ghy yets ver-„looren hebt, maer dat ghy het wedergegeeven hebt. „Is u uw landt ontnomen ? Oock dat is weergegeeven. „Maer 'tis een Deughniet die 'tgenomen heeft. Wat „isser u aen gelegen, door wien hy die het u eerst „gegeeven heeft het selve wil weder eisschen?quot;

Waer blijven wy nu met onse krijgelheit en korsel-heydt, met al dat morren en knorren, met al dat qua-lijck neemen en onbenoeghen, dat sich noch van G-odt, noch van menschen voldoen laet? Hoe is elck soo qualijck te vreden met sijn staet, altijdt de dinghen soo liefst hebbende alsse niet en zijn? Met eerbiedig-heydt zy het ghesproocken, Godt schijnt den dwasen mensche langer niet wijs genoegh te wesen, om de wereldt te bestuyren, en stond het aen menigh hy sond hem de toom des bewindts wel uyt de handen willen wringhen. Dit schijnt een hard woordt te wesen: maer 't is waerachtigh. Die sich niet ghenoegen laet met het lot dat hem in de schoot gevallen is, die gelooft niet dat Godts voorsienigheyt over alle dinghen gaet, of hy vertrouwt het Gode niet toe, dat hy het schicken kan soo als het best is. En beyde is het lasterlijck, ja in de gront gevat zijnde is't een soorte van Godver-loocheninghe. Flera, qucri, ingemere, desciscere est. Teghen Godt te schreijen, te klaghen, te versuchten, dat is van hem afvallen. Daerom heeft het Godt oock

250

ocr page 255

MET SUN WIJNGtAERT.

251

t' allen tijde soo qualijck opghenoomen. „Ende het ghe-schiede, als het volck sich was beklagende dat het quaet was in de oogen des Heeren; want de Heere hoorde het, soo dat sijn toorn ontstack, en het vier des Heeren onder haer ontbrande, en verteerde. Num. XI: 1. Hoe verre sijn wy dickwils van dat salige geloove der Christenen, 't welck Paulus voorstelt Rom. VIII: 28. „Wy weten dat den geenen die Godt lief hebben, alle dingen moeten meedewercken ten goede.quot; Wy schijnen noch niet te deege vast te hebben het geloove der Heydenen, dat al het geene 't welcke ons geschiedt, Rechtveerdelijck gheschiedt: te weten ten aensien van Grodt. En niet alleen Rechtveerdighlijck, maer oock goedighlijck, en ten goede. Want soo betuyghde eener, dat hij „alle de wercken der Goden in 't goede als ghe-schencken op nam: overmidts die al te male goedt waren, en ten goede geschieden.quot; Sulck een gheloove, en vertrouwen hadden de Heydenen van hare valsche Goden. Eoey dan onser dat wy ons selver niet meer verlaten, noch gelaten stellen, in de schickinge van onsen, waerlijck Alwijsen en Algoeden, Godt. Wij moeten onse malle eygen sinlijckheyt beter leeren versaken, en Godts besluytende wille sonder teghen segghen onderwerpen, of dit blinde volck sal ons beschamen, „o Tot deese wet moet onse ziele bequaem gemaeckt „worden; dese moetse volghen: dese gehoorsamen. Al „wat gheschiedt, moetse oordeelen, dat behoorde te „geschieden: sy en bekijve de nature niet. 't Is best, „te verdraghen, het geene ghy niet verbeteren en kondt; „en Godt, die het alles beschickt, sonder murmureeren

ocr page 256

■111 11

252 TWIST DES HEEREN

„geseldschap te houden, 't Is een quaet Soldaet, die „sijn Capiteyn al suchtende navolght. . . . Laet ons „soo leeven, en soo spreecken. Dat Grodts besluyt ons „altijdt bereydt ende volveerdigh vinde. Dit is eerst „een groot ghemoedt, 't welck sich selven Gode heeft „overghegeeven. Maer dat is een kleyn ende slap harte, „dat tegenworstelt, ende van de order des werelts een „quaedt gevoelen heeft, ende liever Godt soud willen „verbeteren als sijn selve.quot; Dus moet het by ons leg-ghen in ghevoelen en Praotijcke, of we moeten bekennen, dat veel beter vruchten van glielatenheydt by de Heydenen, als by ons te vinden zijn.

En soo hebben wy nu dit reysje met het bosien van Buytenlandsche quot;Wljnstocken volbracht. Indien het ons een weynigh verlet en opgehouden heeft, ick wil hoo-pen, dat het niet sonder vermaek noch profijt ghamp;weest is. Doch 't en is geen verlet 't gheen ons in de deught vordert. En 't vordert in de deught, het geene ons tot een Heylige overtuyginge en beschaemtheyt brengt: en wat is daer bequamer toe, als het besien van soo-danighe, boven welcke wy na ons oordeel veelsins nyt-munten, en in der daet behoorden uyt te munten, en die ons echter soo Hooge, Hooge, te boven gaen ? In wat diepte van vernederinge en schultbekentenisse behoorde ons dat ter neder te slaen? Hoe hoogen gevoelen hebben wy doorgaens van ons selfs ? Wy dancken Godt dat wy gheen Turcken, noch Heydenen, maer dat wy goede Gereformeerde Christenen zijn. En onderwijlen, wy maecken het noch op verre na soo goet niet, als veele Turcken en Heydenen gedaon hebben. Wy

ocr page 257

MET SUN WIJNGAERT.

beelden ons in dat al die geene die Heydenen gte-heeten hebben schier min als menschen zijn; en dat wy die met de naern van Christenen proncken niet veel min, als Engelen zijn. Maer haddet ghy wel gedacht, Leeser, dat ick, in 't beginsel deses Capittels, van Burgerlijcke en zeedelijcke eerlijckheyt gewagende, in tegenstellinge van ware geestelij cke Grodtsaligheydt, sulcke diepe en verregaende dingen van de Heydenen, daer onder soud hebben konnen brenghen? En moeten wy niet bekennen, dat in onse Wijnstock verschey-den rancken zijn, die voor sulck een Wijnstock zwichten moeten?

Deese eene uytvlucht sie ick alleen overigh. 't Zijn meest woorden, mocht yemandt seggen, die ghy tot noch toe hebt by ghebracht, maer waer zijn de daden ende uytwerckingen gebleven?

Doch deesen wil ick dit ten antwoordt geeven. 1. Dat dit de gemeene tael is van alle die de deught noch niet seer geneeghen zijn. Sy vraghen de Verkondigers, Belijders, Aenprijsers van de selve, of sij selfs de sake al soo betrachten ghelijck sy die aen andere voorstellen: en sy zijn blijde wanneer sy vernemen moghen, datter wat aen hapert. Soo soeckt elck dan hem selven schoon te maecken, met het naspeuren van een vlecke op eens anders aengesicht. De Heydenen hebben by outs den Christenen verweeten, datter gheen Volck en was dat hooger op sprack, en slechter leefde. Maer dus doende sou het omkeeren, en luste-loose Christenen souden dat verwijt aen Deughtsame Heydenen doen: op datse niet en scheenen slechter,

253

ocr page 258

254 TWIST DES HEEREN

en slimmer te zijn als sy. Soet is het 't geene Kamp-huysen in dergelijok een gelegentheydt eens song.

Meest is hy die soo praet van waerheydt overtuyght,

Maer tot gehoorsaemheydt in 'thart noch niet gebuyglit, Moetwillens blindt,

Soeckt hy 't voorbeeldt van Menschen,

Maor sal in 't harte wenschen,

Dat hy der geen en vindt.

2. Doet daer by dat het immers een groote sake in deese Heydenen geweest is, te sien en te belijden dat dit alfcemael plichten van de ware Deught zijn, haer selven in deese stichtelijoke bedenckinghen beesigh te houden, daer op te speculeeren, daer van te spreec-ken, daer van te schrijven aen haer Vrienden, en dat op te dringhen aen haer eyghen harte, 't Is al vry wat die Lesse des Apostels so na by te komen. Fhil. IV: 8. „Al wat waerachtigh is, al wat eerlijck is, al wat rechtveerdigh is, al wat reyn is, al wat lieflijck is, al wat wel luydt, soo daer eenighe Deught is, en soo daer eenighe lof is, dat selve bedenckt.quot; En dan meen ick soude de sake al verre gebracht weesen in ons Christendom, als sulcke bedenckinghen, overlegginghen, bekommernissen onder ons wat gem eener waren; als de brieven, die Vrienden onder malkanderen verwisselen, uyt het ondersoeck van sulok een stoffe bestonden: als men op de slaepkamers koomende, papieren vondt, die men, tot sijn eygen opweckinge, met soodanige meditatien beschreeven hadde. Mijn harte soud my opgaen daer ick het soo vonde, en ick soud na de aerdt der liefde oordeelen, datter niet alleen krachtige beweginghen tot

ocr page 259

MET SUN WUNGAERT.

de Deught in soo een harte waren, maer oock groote ghemeensaemheydt met de Deught, ontrent wiens in-nighste geheymenissen men met sijn dencken, spreec-ken, schrijven, tot ea voor sijn selven, soo besigh was.

3. Het dunckt my oock buyten alle waerschijnne-lijckheydt te weesen, ja het schijnt my by na als on-mbgelijck toe, dat yemandt sich soodanige deughtsame bedenckingen soo gemeensaem soud konnen maecken, en dat hy sich oock niet van harten bevlijtigen soud, om het voorschrift, dat hy syn selve voorstelt, soo na als doenlijck is, te gelijcken. Daer is al te groote aen-treckelijckheydt in de Deught, als datmen de selve soo wel kennen, en niet beminnen soude. 't Is wat anders in 't ghemeen tot lof des Deughts wat heen te rabbelen: wat anders van de rechte en hechte gronden der selve tot sijn eyghen ziele te spreecken, en uyt die volheydt des harten, soo krachtige en overtuygende redenen by andere voort te brenghen, datse daer door oock ter deughde worden gaende gemaeckt. Het eerste kan wel plaetse hebben in een ydelen Opswetser; het ander is een teecken van vroomer inborst. En sooda-nigh, getuyght Arrianus, dat de deughdelijcke redenen van Epictetus gheweest zijn. „Als hij dese redenen voerde, 't bleeck klaer dat hy niet anders voor had, dan de ghemoederen van sijn Toehoorders te beweghen tot het beste. En dat moghen de lesers weten, dat die hem hoorden het niet en konden ontstaen, ofse mosten gaende worden, waer henen hy haer dreef.quot; Ick houd het daer voor, dat die selve God die haer door een vrye bedeylinge van sijn Geest (schoon de Geest der

256

ocr page 260

TWIST DES HËERËN

genade niet zijnde) soo veel licht in het verstandt ghegeven heeft, om dese dinghen te sien, haer oock bewegingen in de wille ghegeven heeft, en uytwerc-kinghen in de treyn hares levens, die eenighsins na dat licht ghepropotioneerl waren. Want ghelijck de wille van den natuyrlijcken mensohe enckele vyandt-schap is teghen Godt, alsoo is sijn verstandt oock enckel duysternisse. En ghelijck'er niet ongherijmts in en is, dat Godt door een hooghgaende daedt van sijn algemeene voorsienigheydt, dat duystere verstandt won-derlijck opheldere in 't bespiegelen van deese zeede-lijcke dinghen: Alsoo en sie ick daer oock niet onge-rijmts in, dat hy op de selve manier de wille aendoe, en de andere krachten van de ziele gaende maken tot het betrachten van die selve zeedelijcke dinghen. Het lust hem soo te toonen hoe ver de mensohe sonder het behulp van sijn ziel-bekeerende en heylighmaeckende genade komen kan: Alhoewel niet sonder eenigh byson-der behulp van sijn algemeene voorsienigheyt. En dit wil hy dat tot overtuyginge en beschaminge van de sulcke strecken sal, die sich des Heylighmakenden Geestes beroemende, soo weynigh uytneementheyt be-toonen.

4. Dat isser immers van, dat dese luyden selve be-tuyght hebben van harten te meenen en te betrachten 'tgeen sy seyden en schreeven. Dus seyde Seneca. „Dit zy de somma van ons spreecken 't geene wy gevoelen, en laet ons ghevoelen 't geene wy spreecken. Laet onse reeden met ons leven over een komen. Die voldoet eerst sijn belofte, die de selve is als ghy hem siet, en

ocr page 261

MET SUN WIJNGAERT. 257

als ghy hern hoort.quot; Wanneer sijn Vriendt hem ver-socht, dat hy hem eens openhartighlijck verhalen sonde, hoe hy sijn leeven doorbracht: soo gaf hy dit tot antwoordt. „Grhy wilt dat ick u alle mijnne dagen, en die „wel gheheel bekent sal maecken. Ghy hebt een goet „gevoelen van my, indien ghy gelooft datter niets in „is, 'twelck ick soud willen verbergen. En seecker soo „moetmen leven, als of men in 't ghesichte van een „ander leefde. Soo moet men dencken, als of yemandt „in het binnenste van onse borst konde insien: en daer „is een die dat doen kan. quot;Want wat baet het dat men „yets voor de menschen verborgen houdt ? Niets isser „voor God geslooten. Hy is binnen onse gemoederen. „En hy komt midden tnsschen onse gedachten in. Soo? „hy komter tnsschen in, segh ick! Als of hy al te met „wegh was. Ick sal dan doen het gheene ghy gebiedt, „en u gaerne overschrijven, wat ick doe, en in wat „ordre. Ick sal dadelijck op my selve letten: en't welck „uyttermaten oyrbaer is, ick sal mijn eygen dagh over-„peynsen.quot; Daer op gaet hy dan voort verhalen, hoe hy de voorgaende dagh had toeghebracht. Waer nyt wy sien, dat het immers die luyden niet alleen in de mondt geslaghen is gheweest, maer dat sij haer werck gemaeckt hebben v^an deughtsame betrachtingen. Ick sal hier byvoeghen en wonderlijcke betuyginghe van Epictetus, en laten het oordeel aen Mijn leeser of snlcke aenspraecke tot Godt, kan voortkomen nyt een harte dat ledigh van de denght is. „Een goet en een wijs „man, gedenckende wie hy is, van waer hy gekomen „is, en van wien hy ghemaeckt is, is daer alleen op

17

ocr page 262

ft

258

TWIST DES HEEEEN

„uyt, om sijn post wel te bewaren, en Godt wel te „gehoorsamen. Wilt ghy dat ick hier noch wat blijven „sal ? ick sal blijven, als eenen die vry, die edelmoedig „is, en soodanigh gelijck ghy gewilt hebt, dat ick „weesen soude. Maer hebt ghy my niet meer van doen? „Seer wel, om uwent wille ben ick tot noch toe ghe-„bleven, en om niemandt anders: en nu verscheydeick „om u te ghehoorsamen. Hoe verscheyde ghy ? quot;Wederkom, gelijck als ghy gewilt hebt, als een die vry is, „als uw Dienaer, als een die ]uwe geboden en verboden „verstaet. Maer soo langh als ick in uwe dingen besich „ben, wie wilt ghy dat ick wesen sal ? Een Prince, of „een gemeen Burger ? Een Raedts-Heer, of een knecht ? „Een Soldaet, Overste, Schoolmeester of Huysvader? „Wat plaetse en geleegentheyt ghy my oock geeft, „gelijck Socrates 'seyde, ick wil liever thien duysent „dooden sterven, als dat ick mijn Post verlaten sonde. „Waer wilt ghy dat ick leeven sal? Te Romen of te „Athenea'? Te Thehen, of te Gij aren 9 'tis my al even „veel: wees mijner slechts daer ghedachtig. Ick sal u „nimmer verlaten. Dat zy verre van my. Deesebeden-„ckinghen moet ghy by nacht en daghe veerdigh heb-„ben. Dit moet ghy schrijven. Dit moet ghy leesen. „Hier van moet ghy spreecken, elck tot hem selve, en „tot andere.quot; Dus verre Epictetus. Is het wel moegelijk dat yemandt sulck een tael tot God en voor de menschen voeren soude, en dat hy sich oock niet op-rechtelijck schicken soude om soo te doen ? En wat reden ter werelt isser, waerom men sulcke betuyginghen, als dese mensche van haer selven doen, niet gelooven soude ?

ocr page 263

MET SI.TX WUNÖAERT.

5. Dit sal ick'er ten laetsten noch by doen, dat dese persoonen, uit welcke wy sulcke heerlijcke spreucken van de deught hebben voortgebracht, oock in hare eeuw, van die geene die haer ommegangh ghekent hebben, voor uytneemende voorbeelden des Deughts erkent zijn. Soo veel Seneca aengaet, die heeft dat ge-tuygenisse, dat hy „een seer straf berisper, en verbe-teraer van sijn eyghen zeeden en leeven was.'Om deese uytmuntende deughden hadden sijn tijdt-genooten een hoogh gevoelen van hem. En daer waren die hem Keyser wilden maecken.quot; 't Is waer dat hy sijn laste-raers gehadt heeft. Maer waer is soo suyver een deught die daer vry van is?

Dan Epictetus schrijft Simplicius, die uytleggingen over sijn Handt boecksken ghemackt heeft, aldus. Die „arme en kreupele slave Epictetus boven hoe veel konin-„gen, Rijcke, en Machtighe is hy geacht geweest, soo „van Grod die elck sijn rol hier op aerden te speelen „geeft, als van die aenschouwers sijnes leevens geweest „zijn, van welcke beyde hy dat getuygenisse gekregen „heeft, dat hy het werck hem aenbevolen, wel en na „sijn Meesters sin verrichtet, en soo veel in hem was, „ghetrouwelijck waer genoomen heeft. „De beschrijver van sijn leeven, noemt hem, Een man van een seer Heyligh en oprecht leeven. vreemdt van alle hovaerdije en verwaentheyt; met welcke fauten meest alle Philoso-phen behebt warenquot;.

Van de Keyzer Marcus Antoninus, heeft elck om strijdt veel goedt gheseydt. Suidas heoft in weynigh woorden veel begreepen, als hy seyde, dat hy alle

259

ocr page 264

260 TWIST DES HEEEEM

dengliden hadde, en van alle sonden sieh ontliield. 't Welck andere Historisclirijvers ook bevestigden. Een gheleerdt man deeser eeuwe spreeckter dus van. Anto-„nimus is ten aensien van Rijkdommen en wereldtsche „grootheyt soo veel meerder als Salomon gheweest, „dat hy Heere was van meer groote koninkrijcken (ik „durf het seggen, als Salomon in sijn gansche Rijcke „groote sfceeden had. Maer vanwegen sijn goedtheydt „ende wijsheydt, is hy by allen doe hy leefde in sulck „een eere en achtinge gheweest, als niemandt, onses „weetens, voor of na hem. En dat magh ick tot sijn „eeuwige lof seggen, dat hy gheleeft heeft, ghelijck „hy sprack en schreef. Sijn Meditatien waren betrachtin-„gen. Sijn spreucken eude sijn daden quamen over een. „En dat is net de antwoordt op die uytvlucht die ick voorghenomen hadde te wederleggen.

Om dan tot ons oogenmerck weder te keeren, ick besluyte uyt al het voorgaende, dat on se Wijnstock seer gebreckelijck is in vruchten van Burgerlijcke en Zeedelijcke eerlijckheyt, en dat verscheyden wilde Hey-densche Wijnranken, die noch de naem noch de daet hadden van Christo ingeëntet te zijn, ten deesen aensien het veel beter gemaeckt hebben.

CAP. XX.

Klaclite dat in plaetse van goede Vruchten allerhande mil

gcvaerlicke en schadclicke opinien aen onse Wijnstock beginnentegroeyen. 't Welck eerst in 'fcghemeen met de Woorden van vermaerde Gods-gheleerden wordt voorghestelt.

Boven hebben wy ghetoont dat aen onse Nederland-sche Wijnstock, gheen Vruchten van inwendigheoven hebben wy ghetoont dat aen onse Nederland-sche Wijnstock, gheen Vruchten van inwendighe

ocr page 265

MET SUN WIJNGAERT.

Geestelijcke G-odtsaliglieydt, geen vruchten van uyt-wendighe eerbiedighe en yveriglie Godtsdienstigheydt, ja gheen Vrachten van Burgerlijcke en z xle'.ijcke Eerlij ckheydt, na behooren glievonden worden. Soo zijn wy dan recht een uytgheledighde Wijnstock, ghelijck de Heere het oude Israël noemde, Hos. X: 1. Doch deese uytgeledighde wijnstock, die soo onvruchtbaer is in 't goede, schiet soo wild en weeldrigh op, en is soo bovenmaten vruchtbaer in het quade, brenght soo veel ondeugende druyven niet alleen maer ook soo veel stinkende trossen en bossen voort, ja soo veel weelderige rancken, die met sulck slagh van drnyve-trossen verladen zijn, dat ick moeyte hebbe omse in ordre te schicken, indien ick van elck op sijn rechte plaetse yets segghen soude. Ick kan nauwlijx dencken, dat het Oude Israël in Canaan met meer gi nwelen vervult is geweest, als het Nieuwe Israël in Nederlandt, ten aensien van allerley slach, mate, en verswaringe van sonden, en ten aensien van allerley soorten van Menscben onder welke die in swange gaen. Het vervol gh van desen handel sal dit klaer maecken.

Doch overmidts het oordeel des verstants en heb gevoelen van de mensche de oorsprongh en te gelijcke oock het Richtsnoer van sijn handelingen is, soo dunckt my dat de saecke selfs vereyscht, dat ick de eerste plaetse ondersoecke, of de Opinien, de gevoelens, de Drijvinghen van onse Landt-saten tegenwoordighlijck, al overeenkomen met de eenvoudigheidt van het eerste Christendom, met de Prccijsheydt van onse Oude Reformateurs ende Reformatie, en met de suyverheydt

261

ocr page 266

TWIST DES HEEREN

van de Kruis-Theologie onser saliger Voorraderen. Wat segli ick, dat ick hot ondersoecken sal? Het heeft by na geen ondersoeck van nooden, soo klaer doen sich de veelvuldigh Nieuwigheden op, soo helder en Luydts-keels wordense uytgeroepen. Nauwelijx isser yemandt van eenigh bedrijf in Kerckelijcke saken, of elck klaegt om seerst van inbreokende Nieuwigheden. Wie daer reden toe heeft, en geeft, wie in der daedt Nieuwigheden in 't harte en in de mondt heeft, en voor wien de Oude voortreffelijckheden van Godts Wet wat nieuws en wat vreemdts gheworden zijn, daer van mach de Geestelijcke menschen die alles ondersoheydt oordeelen; Immers God sal 't eens oordeelen.

't Geen die goede, suyvere en Hemelsche ziele, Phi-lippus Melanchton, met Bucerus aen den Eijn gaende wandelen, en sijn ooghen ende handen na Nederlandt wendende eens seyde: Wee Nederlandt van weeghen die dartelheydt en broodt-droiickenheydt haerder verstanden, dat zien wy heeden ten dage overvloediglijck vervult. Nu de eenvoudige waerheydt by veele hatelijck en verachtelijck is, en niets in haer sin geur noch smaek heeft, als het geene met de sop van Paradoxe en vreemdluydende nieuwigheydt overgoten is.

Daer vermaeckense haer selve me, dat settense andere voor, en dringen het al te met de Wereld niet alleen, maer oock de Kercke op, of het haer smakelijck of onsmakelijck is. Maar ick hebbe voorgenomen in deese sake (daer van ick na het oordeel van verstan-dighe Godtsalighen niet t' eenemael swijghen kan noch mag) doorgaens liever de woorden van vermaerde

262

ocr page 267

MET SUN WIJNGAERT.

Mannen die veel by de Kercke verdient hebben, als mijn eigen te gebruyken. Soo sal immers blijcken, dat ik niet uieuws en doe, wanneer iok over schadelijcke en ghevaerlijcke nieuwigheden klage.

Voor my heeft die groote Hoornheeck dat gedaen, in de toeeygeninge voor het derde deel, van dat weer-g'adeloose werk tegen de Socinianen. Daer hy gesprooc-ken hebbende van het invoeren der Remonstrantsche „nieuwigheden, aldus vervolght. Niet ongelijck is het „verstandt van die gheene in de Kercke, welcke nieuwe „en rauwe leerstucken, daerom alleen omdatse nieuwe-„lingh opgekomen zijn, en misschien yemandt tot een „Autheur hebbeu, die anders niet te versmaden zy, „terstondt by den volcke ghemeen maecken, niet om „datse gelooven, dat daer aen eenige noodtsaeckelijcke „stichtinge hanght, maer om datse wat ongeméens „voor het ghemeene volck spreecken willen: Als offer „in die dinghen die een seeckere waerheyt en nuttigh „gebruyek hebben geen gelegenheyt genoegh was om „haer geleertheyt te vertoonen, en ofse boven de sa-„ligheydt haer toehoorders noch veel souden toebrenghen. „Soo staense ellendighlijck na de name van een groot „verstandt, niet na de eere des Euangeliums, die encke-„lijck bestaet in de eenvoudigheydt des geloofs, en in „een Grodtsaligh leven de geen er die het hooren. Van „welcke dingen deese menschen een walghe hebben, „meer sin hebbende in de nieuwigheydt van de Leere, „dan in de waerheydfc. Alle dinghen zijn voor de Jeught i „in de Schooien, noch voor het volck in de Kercke „niet bequacm. Maer elck past het sijnne, en beyde

263

ocr page 268

TWIST DES HEKKEN

264

„moet men niets voorstellen als het geene seecker is, „immers t' huys soo niet in verschil komt. Die de „sake anders aenlegghen, daer segh iok vrymoedigh „van datse factiën maken, en door een onsinnige eer-„gierigheydt een naem soecken, die voor haer selfs niet „seer eerlijck ende voor de Kercke niet profijtelijck is. „Maer ick sie dat vele wondere sin hebben in die korte „weg tot vermaertheydt, tot welcke sy door enckele „nieuwigheydt trachten te komen, seer gretighlijck „alle Paradoxe of vremtluydende gevoelens aennee-„mende, op dat haer naem daermede door de we-„relt wandelen sonde: waer toese anders geen kans en „sien, soo se haer slechts by het bevestigen van de „gemeene waerheydt, en stichtinghe houden, 't Welke „een seer schadelijcke, hoe sal ick seggen, broodt-„dronckenheyt of trotsheydt, der verstanden, immers „een overmatighe ydelheidt is. Dus verre die salige Heer. En ick weet dat de Hooghgeleerde en seer ver-maerde Heer Marefius, deese toeëygeninge geleesen hebbende, sijn toestemminge en groot genoegen over de selve heeft te kennen gegeven. Grelijck hy oock noch seer onlanghs over het opkomen van sulcke schadelijcke nieuwigheeden, met soo veel aerdigheydt als „ernst gheklaeght heeft, Daer zijn wel, seydt hy, ver-„scheydene draeyboomen gestelt teghen de nieuwig-„heyts-dry vers tot bewaringe der waerheydt in de Kerke. „Maer die worden evenwel licht om verre gheloopen, „van die geene die gequelt worden met een hoveer-„dige treek om wat byzonders te weezen, of met een „lust tot tegenspreecken, of met een averechtsche hon-

ocr page 269

MET SUN WIJNGAEET.

„ger tot een groote naera en met spoor van ydele eere „welcke sy onder het gedrang en op de ordinaire wegh „niet bekomen en koenen. AVant het is haer wat groots, „dat men haer met de vingher wijse, en segghe, dit „is de man. En datse met de Jesuyt Maldonatus seg-„gen konnen, alle de Authenren die my ooyt heught „gheleesen te hebben, verklaren het wel soo, maer ick „versta het anders.

En het is wijslijck van dien welghemelten Heere „aengemerekt, dat de Theologische waerheeden soo aen „malkanderen verknocht zijn, dat de geene die eenige „nieuwe Theologische vondt of selfs bedencken, of van „een ander bedacht zijnde aennemen wil, nootsakelijck „die waerheden losmaken, en het voorbeeldt der ge-„sonde woorden, gelijck het den Apostel noemt, 2 Tim. „I: 13, stontelijck schudden moet. Waerom oock met „haer geheele borst sich daer tegen moeten versetten, „alle die uyt kracht van het ampt haer toevertrouwt „om de waerheydt te beschermen en voor te staen, „schuldigh zijn sorge te draghen, dat'er geen onkruyt „op den Atker des Heeren gesaeyt en werde, en dat de „sake der Kercke geen schade en lijde. quot;Want sulcke „dinghen en blijven niet, daerse eerst.begonnen hebben; „maer pleghen in meerder Godloosheyt toe te neemen, „en haer woord eet voort gelijk de Kankerquot;; na de lesse des Apostels 2 Tim. II: 16, 17. 't Is dan met groote reeden, dat die Geleerde Heer hier over bekommert is, dat slechts de Heylige en ware Leere haer Gasteel moge inhouden. By deese twee voorname Helden, sal ick nog de derde voegen, tegenwoordig de eer-

265

ocr page 270

TWIST DES HEEREN

266

ste Professor der G-odgeleertlieydt in onse Friesche Academie, een man die voor de Rechtsimiigheydt, in-sonderheydt tegen de Socinianen, kloeckelijck en ge-luckelijck is te velde geweest: ick meen de Heer Necolaus Arnoldi. Deese klagende over de Nieuwigheden, die uyt een Hoveerdige Philosopkie in de Theologie worden over ghebracht, 'vaert daer over aldus uyt. „Ick sie niet met allen, indien ick niet wel en sie, dat-„ter sohandelijcker scheuringe in de Hemel der Kercke „ontstaen sal, tusschen de Discipelen der Cartesianen, „en van die Cartesium niet aen en nemen, als de Ar-„miniaensche scheuringe geweest is. En 't staet te duch-„ten, dat binnen weynigh jaeren, als de Cartesianen „in de Classen Meester worden, het gantsche ghestel „der Grereformeerde Theologie, ten aensien van de stoffa, „de ordere, en de spreeckwijsen, soo sal bedurven „worden, dat de Professoren van de gemeene en voor „deesen aengenoomene Theologie meenen sullen in een „andere wereldt overgebracht te zijn. Geen Autheuren „noch Schrijvers, uyt de Eerste, Middelste, Laetste, „tegenwoord:ge Gereformeerden, zijn in eenige achtinge „by hen die deese Nieuwe quot;Wijsheydt zijn toeghehey-„light. Een Theologant die na Cartesius niet en rieckt, „die stinckt. Hier voor hebben al vreese ghehadt de „Synoden der Kercken, van Duisburg, van Zuiydt „Hollandt, van Dordrecht, die De Bois in sijn Duytsche „Tractaten tegen Velthuysen heeft aengetrocken. Dit „is 't dat de Academien van Ley den, van Uytrecht, „van Harderwijk, en eyndelijck oock van de onse van „ Franeker, (die noyt deese Pest heeft ingelaten om open-

ocr page 271

MET SUN WIJNGAERT.

„lijck gel eert te werden) al voor heen hebben afgesien.quot;

En daer na verhaelt hebbende bet besluyt der Hee-ren Staten van Hollant en West-Frieslandt, tegen dese Nieuwigheden genoomen in den jaere 1656, den 6 October, 't welck de Heer Hornius ter eeuwiger gedach-tenisse in sijn Kerckelijcke Historie heeft ingevoeght p! 361, soo roept hy daer over aldus uyt. „O Heyligh besluyt, dat goudt en Ceder waerdigh is! Want die Schrandere Heeren hebben gemerckt, dat de Carte-siaens-gesinde voor Cartesij eere staen, oock tot ver-kortinge van de eere Grodts; invoegen dat de Heere Israels van haer achter de Heere Cartesius gestelt wordt,quot; en soo voort.

Eyndelijck doet by daer met verontwaerdinge by. „Ick schame my over de Kercke^ ick schame my over het Gereformeerde Neder landt, dat soodanige dingen hier gesmeedet worden, en dat van PJdlosophen, die quansuys de Gereformeerde Kercke sullen toegedaen zijn. Nederland sal door Godts genade eens wacker worden, ja Godt selve als de Nederlansche Leeuw, sal eens ontwaecken voor Nederlandt.

Mijn ziele seydt daer Amen op. En ick wensche dat die geene die sulks aengaet, dit ter harten neemen, om te gedencken en andere te doen gedencken, waer van wy allenskens uytvallen.

Dat heeft de Eerwaerde Classis van Leeuwarden ge-daen, welcke tredende in de loffelijcke voetstappen van haer yverighe voorsaten, die geheel Nederlandt tot getuygen van haer neerstigheyt ghehadt hebben in het ontdecken en teghengaen van de Vorstiaensche en Re-

267

ocr page 272

— 1

268 TWIST DES HEEREN

monsfcrantschie Nieuwigheden, nu onlangs, met allen ernst en volkoomene eenparigheyt, in de Synode van Frieslandt over de inbrekende soliadelijcke Nieuwigheden geklaeght, en tot stuytinge en weeringe van dit quaet, verscheydene, seer merckweerdige, soo Politijcke als Kerokelijcke Middelen heeft voorgheslaghen. Schrijvende oock een Circulaire Brief aen alle de overige Classen deser Provincie, die aen de nakomelingen tot een bewijs van haer yver voor de Rechtsinnigheyt, en 't welck daer aen vast is, de Heylige Vrede der Kercke, dienen kan. Het lust my een weyningh daer uyt aen te teeckenen, ende de Christen wereldt mede te deelen. Die brief dan, begint aldus.

„De E. Classis van Leeuwarden met groote droefheyt „doch seeckerlijck en wel bericht zijnde, van veele „wonderlijcke Nieuwigheden, die in sommige plaetsen „van ons Nederlandt sich op doen, waer door de Recht-„sinnige leer en vrede der kercken niet weynig ge-„dreyght worden: heeft deese saecke ter harten ghe-„nomen, als in des zelfs Gravaminibus te sien is. Waer „overmits seer aenmerckelijcke Resolution voor deesen, „en van Politie en van Kercke hier over genomen zijn/ „heeft de selve ons belast den E. E. Classen van Fries-„lant 't geene daer was gebleeken te communiceren, „latende het overighe aen de goede Directie en Heyl-„same advijsen der Broederen: met hoope en harte-„lijcke wensch, dat in deesen door eenparige Resolutie „voor de kercken deeser Provinsie mochte werden ghe-„zorght. En na een wijtloopigh verhael van het geene verscheydene Academien, Classen, en Synoden hier ont-

Iquot;

ocr page 273

MET SIJ\ WIJNGAERT.

rent gedaeu hebben, vervolgen sy aldus. Zo gedacht „wordt aen de voorige factie en oproer der Remonstran-„ten, men sal bevinden dat het aen de kant van de „Teologie misluckt zijnde, nu door de Philosophie ge-„socht wordt berichten, het geene daer op de Remon-„strantsche Factie was aengeleyt: te weten om de Li-rbertinisterye en allerley ketterije den toom te geven, „en den dienst en ordre en Leere der Gereformeerde „kercke en Leeraren met voeten te treden: en dat het „derhalven tijdt is hier in Frieslant bedacht te zijn, „om gelijck doe tot een Exempel door andere geschiedt „is, deese Provincie suyver te behouden, en door heyl-„same Resolutien deser kercken andere voor te gaen „en op te wecken, om te letten wat met deesen Zuur-„deessem te doen zy.

Zoo hebben dese Nieuwigheden de E. Classis van „Leeuwarden, ter harten gegaen: en sy oordeelde dat de kercke Godt in het gemeen behoorde gevoeligh te wesen van de smerte die sy daer door lijdt. Billijck dan dat ick oock, die teghenwoordigh de eere hebbe om een Lidt van die Eerwaardige vergaderinge te wesen, nu het soo te passé komt, aen ghehcel Nederlandt ver-toonen met hoe groote Reden dat sy daer over geklaeght, en daer tegen na vermoghen gewaeckt heeft. Ick magh hier de woorden van D. Bogermannus S. G. de mijne maecken, die in de toeeygeninghe van sijn aenmerc-kingen op seecker Tractaet van Grootius, ghenaemt, de Godtvruchtigheyt der Staten van Hollandt, aldus spreeckt: „Ick hebbe een tijd langh in twijffel ghestaen wat ick „doen moste, om dat ick my eensdeels de Kercke niet

269

ocr page 274

TWIST DES HEEREN

„ontrecken wilde, aen welcke ick my en al het mijne „heb overgegeeven, en om dat ick aen de andere zijde „wel bevroede dat ick sulcks niet doen en konde-son-„der my de nijdigheyt en het ongenoegen op de hals „te halen van de geene die of vermaek scheppen in „een trage ledigheyt, of die alles spreecken en schrij-„ven durven wat haer voorkoomt, maer niet verdragen „konnen dat het geene billijck is daer op geantwoordt

„worde..... Maer Cyrillus van Alexandrijen, als

„sijn Vrienden en de Keyzer selfs oordeelden dat hy „sonder noodtsaecke krackeel in de Kercke aenhief, „gaf ten antwoordt; Dat men eygen ongelijcken stil-„swijgende most voor by gaen: maer op het geene „tegen het ware gheloove streed, geensins konde stilzwijgen : dat men van sijn ontijdigh stilswijgen Gode „soud moeten rekenschap geeven: dat men niet manc-„qneren most om voor de waerheyt te staen; Dat stil-„swijgen, daer het de eere Godts betrof, een seer sware „sonde is.

Ick sal dan na deese gemeene klachte wat byson-derder komen: en nyt veele eenige weynige staeltjes van wonderlijke en vremt luydende Nieuwigheden; be-veelende aen het oordeel van den verstandigen en Regt-sinnigen Leeser van wat gevolge de selve in het stuch van de Zuyverheyt der Leere en Heyligheyt des leevens zijn. Ick betuyge onderwijlen voor den Heere, die leevendige en doode oordeelen sal, dat ick in deesen met alle oprechtigheyt en trouwe sal te wercke gaen, niet seggende, als het geene ick seeckerlijck weet hier of■ daer geschreven of geleert te zijn; Bereydt wesende,

270

ocr page 275

MET SUN WIJNGAERT.

wanneer de noot sulcks vereyscht, met aenwijsinge van Boeck, bladt, Regelen andere blijcken alles middagklaer te betonen.

/ CAP. XXI.

Benige bysondere staeltjes van wonderiijcke Vremdt-luydende Nieu-/ wigheden.

Is bet niet een Hard woord en uytermaten aenstoo-telijck voor Godvrucbtigbe ooren, dat al wie met ernst en goede ordre na de waere wijsbeydt staet, in twijfel moet trecken offer oock een Grodt zy. En dat leyd men evenwel tot een grondt van de Nieuwes bet niet een Hard woord en uytermaten aenstoo-telijck voor Godvrucbtigbe ooren, dat al wie met ernst en goede ordre na de waere wijsbeydt staet, in twijfel moet trecken offer oock een Grodt zy. En dat leyd men evenwel tot een grondt van de Nieuwe Phi-losophie, die sicb het ghebiedt over de Theologie en Grodts woordt selve wel soud willen aenmatigen. Dat heeft men in die eygen termen doen drucken, 'en soud het gaerne openbaerlijck in eea vermaerde Academie onses Landts soo betwistredent hebben. De verstandi-ghe lette eens waer dit heenen wil, wanneer de grondt-wetten van die secte met malkander vergeleecken worden. Twijffelen is by haer niet alleen sijn oordeel op te schorten, totdat de saecke ten aldernauwsten onder-socht zy, maer oock die twijffelachtige saecke soo langh voor vals te houden, tot dat men van de waerheyt ten alderklaersten overtuyght zij. quot;Want soo seggen sy. „Het is oorbaer die dingen waer aen men twijfïelt voor vals te achten, op datmen soo veel te klaerder vinden mooge, wat het alderseeckerste en lighste om te kennen zy.quot; Soo moet men dan by provisie soo lange tot sijn selve seggen, Daer is geen Grodt, en voor vals, ja open-

271

ocr page 276

TWIST DEÖ HEEREN

baer vals achten, al liet glieene men te vooren daer van ghelooft heeft: Tot dat de waerheydt van Godts wesentlijckheydt haer klaerder blijcke. En dat en is niet ongherjjmt na deese menschen haer oordeel. Want dus seggen sy selfs, soo lange sy haer voorstellen in deese twijffelinghe te zijn. „Misschien souden er wesen, die liever hadden te ontkennen datter sulck een mach-tighe Godt was; . . . Maer laet ons ons selven daer niet teghen stellen, en haer toestaen dat al dat werck van Godt maer een enckel versiersel is.

En hoe langh sal dat duyren ? Tot dat de geheele sake ten aldernauwsten ondersocht zy. Maer wat is daer niet al toe van noden ? Dat men vooreerst alle de vooroordele, die men van kints-beenen af heeft in gedroncken ten vollen af legge: en dat men de swack-heydt van alle de redenen waer op men sich te voren vertrouwt heeft soo langh en soo dikwils by sijn selve overlegge, tot dat men ten laetsten een ghewoonte bekome om haer voortaen niet te veel te vertrouwen; want dat oordeelen sy nootsaekelijck te weesen om de seeckerheydt van de saken der overnatuyr %$et' te bevatten. En dit is een werck, bekennen sy dat veel moeyten in heeft: want de mensche van selfs tot sijn oude meeningen weer pleegh te vallen: sy komen hem gestadighlijck weer in de sin, en overmeesteren schier teghen wil en danck sijn lichtgheloovigheydt, met welcke sy van overlangh ghemeensame kennisse ghe-maeckt hebben. Soo isser dan veel moeyte en tijdt toe van nooden om sijn selve van al sijn vooroordee-len te ontslaen.

272

ocr page 277

MKT SUN W1JNGAERT.

En als dat groove werck nu al verrichtet is, soo moet men sich ghewennen om niet voor waeraohtigli aen te nemen, als datmen seekerlijck en duydelijok weet waer-achtigh te zijn. En dat kan men niet weten, ofmon moet eerst alle swarigheden ondersoecken, die daer tegen glieoppeert konnen worden, en die in soo veel dèelen verdeylen als van nooden is om liier best te beantwoorden. Ja men moet alles soo volmaecktelijck optellen, en op alles soo nauwe aclit geven, datmen versekert zy, niets overgeslagen te hebben. Wat isser nu niet al aen vast, eer al die swarigheden opgesocht, doorloopen, opgelost zijn!

Laet ons alle dese gronden eens bij een brengen, en dan sullen we zien, hoe lang een Discipel van die Secte al het gheene men van Godt gelooft voor vals en voor een versiersel houden moet.

Men moet, segghen sy, vooral twyffelen offer een Godt is.

Die dinghen daer aen men twijffelt salmen soo langh voor openbaer vals houden.

Soo langh tot dat men de waerheyt ten alderklaer-sten sie.

't Is onmogelijk de waerheyt klaer te sien, of men moet eerst alle vooroordeelen afleggen.

Dat kan men niet doen als met groote moeyte en door dickwijls herhailde aendachtighe MkUtatien.

Dan moet men noch alle swarigheden doorloopen, sod datmen seeker zy niets overgheslaghen te hebben. En dat heeft weer veel werck ende tijdt van nooden.

Ja is een werck daer misschien geen doorkomen aen is.

18

273

ocr page 278

TWIST DES HEEREN

Soo moet men dan nyt kracht van deese grondtre-gels, het gheloove van datter een Godt is, soo lange tijdt achter een voor openbaer vals houden.

Dit ghevolgh sie ick soo klaer en distinct, dat ick niet en sie watter teghen gheseyt kan worden.

Voorwaer beyde de Leeraers ende Leerlingen van de Gereformeerde Kercke zijn een geheel ander tael ghewent. Uyt veele ghetuygenissen sal ick maer twee by brengen, die reghelrecht teghen deese reuckeloose stellinghe overstaen, als ofse met voorbedachten rade daer teghen geschreeven waren. Dus sprack den Groo-ten Calvijn daer van, in het eerste boeck van sijn In-stitutien, aen het derde Capitel, op de derde Sectie. „Wy besluyten dat het ghevoelen der Godtheydt gheen leere en is, die men in Schooien eerst leeren moet: maer in welcke elck van 's Moeder lichaem af sijn eyghen Meester is: en die de naluyre niet toe en laet, dat eenigh mensche vergeten sonde, of schoon veele haer nyterste best daer toe doen.quot; Is het een leere die men in de Schooien niet leeren moet, soo behoeft men jsich voor al in die gevaerlijcke twijffelinge niet in te laten, om daer uyt, na soo langh een toestel, door vergesochte betooginghen, weder gheredt te worden. En laet de natuyre niet toe dat yemandt dit vergeten zoude; wegh dan met die Philosophie die gebiedt dat men dat soo langh voor openbaar vals sal houden, tot dat het naeckter beweesen zy. Niet min aenmerckelijck zijn de woorden van Zacharias Ursinus, die bekende Mede-Autheur van onse Catechismus: die dese Vraege, offer oock een Godt is, sullende verhandelen, aldus be-

274

ocr page 279

MET SUN WUNGAERT.

ginfc. „De ellende van de natuyre des Menschen en kan niet genoegh bedacht worden, dat daer sy tot de Heerlijcke kennisse ende na het beelt Godts ghescha-pen is, daer toe is vervallen, dat sy niet alleen niet weete, wie en hoedanigh Grodt is, maar oock dispu-teere offer eenighe Godt in den Hemel is. En in de Kercke wel, in dien soodanighe Vraghe om der twij-felincje iville wierde voorgestelt, so soude sy nauwelijcks verdraegelijck schijnen. Wij soeken getuygenissen van Godt op, niet als of wy hem niet en kenden, maer op dat wy ons in een seekcre saalce te meer bevestigen. Hoe meent ghij soude die man uytvaren, als hy in een Gereformeerde Academie hoorde disputeeren, dat men om ordentlijck te Philoso'plieren voor al aen de wesent-heydt Godts twijffelen moste? Daer hy die vrage sose om der twijfelinge wille wierde voorgesteld, in de Gemeente Gods ondraeglijck oordeelde, en ghetuyge-nissen tot bevestinge van die waerhejt dienende op-gesocht wilde hebben, niet om ons als in een twijt-felbare sake na veel omslagh eyndelijyk uyt de twijf-felinge te helpen, maer alleenlijk om ons in de ver-seeckerde kennisse, van een waerheyt die uyt sich s '

klaer is, te verstereken.

Dit zy het eerste staeltje.

2. Maer wat dnnckt de Godtvruchtighe Leeser van dus een tael? Dat Godt wel soude konnen bedrieghen wanneer hy wilde, maer dat hy niet en wil. Is dat Gode, die Amen, die waerachtige, DIE NIET LIEGEN EN KAN, gelijck Paw hts leerde. Tit. I: 2. en die hem selve niet en kan verloochenen 2 Tim. XI: 13. beta-

275

ocr page 280

TWIST DES HEERRN

melijck gesprocken? En dat moet Godt nu, dat moeten de Godtgesinde heden ten dage, met droefheydt hooren. Laet een ander Geleert man dit in mijn plaatse seggen, Cartefius segt hij, merckende dat, de wijle de macht van te konnen hedrieghen by de menschen eenigh bewijs van gauwigheyt schijnt te weesen, men daer uyt besluyten mochte, dat men sulck een macht in Godt oock moste toestaen, neemt deese swarigheidt soo wegh, dat niet hy duysterlijck de macht van te konnen hedrieghen Gode toeschrijft, alhoewel hy verklaert dat Willen bedriegen in hem geen plaetse kan hebben.

Maer wat wasser veel aengeleeghen indien dien Paepschen Pilosooph sulcks onversichtiglijck ontvallen waere? Dit is te droevigh dat Gereformeerde Theologanten volmondigh uytsegghen 't gheene hy maer tus-schen de tanden mompelde, 't Heeft yemendt ghelust, sonder noodtsaeke, en daer het in sijn reden niet te passé quam, aldus te segghen, enckelijck op dat hy het seggen soude, en op dat dat schoone loopje niet achter soud blijven. Als God yet gheseyt heeft dat is ghenoegh om te weeten dat hy niet en wil bedriegen. Ick segge dat Hy niet en tuil bedriegen, op dat ghy niet en meent, dat HY NIET SOUDE KONNEN soo hy wilde. Te weeten dat bericht hadden wy immers van nooden, om te gelooven dat Godt wel* bedriegen kan. En dit bewijst de man noch verder op dat nie-mandt aen de waerheydt van dit gewichtigh stuk twijffelen soudt. Want, seydt hy, dewyle al wie sich onderwint een ander te bedriegen, geoordeelt wordt in dit stuck eenigsins sijn Meester te zijn, en hem of in

276

ocr page 281

MET SUN WIJNGAEBT.

gauwigheyt van verstand, of in macht, of in eenigh ander vermoogen te boven te gaen, en de wijle Gods quot;Wijsheyt, Macht, en alle andere eygenschappen oneyn-digh zijn. Wie en siet niet, dat de Schepselen, oockde Aldervolmaekste, om dat sy altijdt eyndig zyn, even daerom om daise Schepselen zijn, van den oneyndigen 'Schepper in dwalinge gheleyt konnen worden? Soo is dan de maglit om te konnen bedriegen, datmen het wel versta, ghegrondet op Godts oneyndige volmaeckt-heden boven de aldervolmaekste Schepselen.

Schappelijcker voorwaer maekte het seker Philosooph en Arts, welcke van deese selve stoffe spreeckende, die aldus verklaart. Dat Godt na sijn hooghste en vrijste oppermacht welcke hy over alle dinghen heeft, eenige bedriegerie gebruycken kan. Voor eerst eenighe onnoosele en wijsc bedriegerye. Hoedanighe, byvoorbeeldt, de Medicijnmeesters en voorsigtige Huysvaders al te met gebruiken; Ten anderen een Bedriegerie die ter straffe gerichtet zy, hoedanighe Godt gebruykt in het straffen van de Godtloosen, 't welck de Schrifture ghe-tuyght alsse seydt, dat Godt haer heeft overgegeeven in een verkeerden sin. Alhoewel mooghelijck in deese manier van spreecken al wat te berispen soude sijn: soo isse egter noch min aenstootelijck als de voor-gaonde. Over welcke een aerdigh en bondig oordeel gevelt heeft, de Heer Vogelsangh, tegenwoordigh Predikant ende Professor der Godtgheleertheydt tot 's Hartogenbos, doch voor eenige jaren onse voorsact in de Kercke van Goes (soo houden wy ons aen in de voetstappen der Voorgangeren) lek ken, seyde hy, meer

277

ocr page 282

TWIST DES HEEBEN

dergelijcke gans slechte uytleggers van Cartesius, en en die geboren schijnen te weesen tot schande van haer meester. Alsoo heeft onlangs yemand uytgeslagen,

als na de sin van Cartesius. Dat God wel bedriegen konde so by wilde, maer dat hy niet en wilde, 't quot;Welke 'tonbedachtsaemste is, op dat ick heel sacht spreecke, dat (jeseyt kan worden. Want hier komt de onsinnige Philosopheringe op uyt, dat (lodt wel [kan van de waerheyt afwijeken soo hy wil, maer dat hy niet en wil: Dat God wel kan geen Godt worden soo by wil, maer dat hy niet en wil.

't Is bekent wat een schril en schrick dej Rechtsin-nige Theologanten over 't lijf geloopen is, wanneer de Remonstranten somtijds ronder, somtijds niet meer bewimpelingen. seyden, dat Christus na sijn mensche-lijcke natnyre eenige Macht geliadt heeft om te son-digen, ghelijck Armenius die vraghe in deese termen voorstelde, en beantwoorde met Ja. Alhoewel sy so veel de daet van sondigen aengaet, bekenden dat het daer noyt toekomen konde. De Heer Triglandius haer ghevoelen desen aengaende verhaalt hebbende, uyt haer Apologie, daerse echter niet volrnondigh uyt-spreecken, seydt'er dit toe: dat het gans ongerijmten vals is, ende niet veel verschillende van Godslasteringe : ja roept uit, Exborresecre oportet adh d-c Animum qu-emvis pium, elck G-odtvruchtigh ziele moet hier voor schricken. Klonck het soo aenstootelijck in die goede man sijn ooren, dat Christus na sijne menschelijcke na-luyre wel soudt hebben konnen sondighen, alhoewel het seecker was dat hy noyt willen sonde, hoe veel

278

ocr page 283

MET SUN WIJNGAEBT.

aenstootelijcker meent ghy dat het hem geweest soud zijn, te moeten hooren dat de Grodtheydt selfs bedrie-ghen kan, alhoewel het gewis is dat sy nooyt sal willen.

3. Ts het niet een stuck 't welck tot noch toe by alle regtsinnige voor ontwijfelbaer gehouden is, dat de Oneyndigheydt ten aensien van de Alom-tegenwoordig-heydt des wesens een ontnededeylbaer eygenschap Grodts is? Maer daer begint nu tweesins tegen aen gedispii-teert te worden. Aen de eene sijde spreeoken sommige veel te schrael van de oneyndige Alomtegenwoordig-heyt Grodts: ja als men het wel insiet spreecken die ghenoeghsaem tegen. Aen de andere zijde zijn' er die de geschapene werelt een oneyndigheydt toeschrijven. Tot bewijs van 'teerste dient 'tgheene ick onlanghs met verwonderinge in een Theolocjisch Dispuyt ghele-sen hebbe: daer de Alomtegenwoordigheydt Godts be-schreeven wordt. De overaltegenwoordigheyd Gods is Godts aider krachtigste wille, alle dinghen onderhoudende cndc bestierende. Want op geen andere rnanicre wordt gheseydt dat Godt niet ver en is van een iegelijk van ons, als om dat wi/ in hem leven, beweegt worden en zyn Act: XVII: 27, 28. En niet anders wordt hy gheseydt Hemel ende aerde te vullen, als om dat alle dinghen door hem geschapen zijn, ende zijn. Apoc. IV: 11. Ja als Jesaias verhaelt (hy versinde sig en meent Salomon 1' Kon VIII: 27.) dat de Hemelen hem niet en onvatten, soo is dat alleenlijck te verstaen, dat Godt selfs die Hemelen door het woordt sijner krackt onderhoudt, en soo by wilde,

279

ocr page 284

TWIST DES HEEREN

sich noch by andere (die ons onbekenfc zijn) tegen-woordigh soud kennen stellen.

De verstandige leeser gelieve hier op aen te merc-ken. 1. Dat dit niet alleen een discours is over de al-omtegenwoordigheyt Gods, maer dat het een Beschrij-vinge van deselve wesen wil. Een beschrijvinge nu moet na de wetten van de redenkunst sich even wijdt uytstrecken, als het gheene dat beschreven wordt, en soo veel doenlijck is alles in sich vervatten wat tot het beschreevene behoort. 2. Dat hier geen ghewagh met het minste woordtje ghemaeckt wordt van de al-om tegen woordigheydt des Goddelijcke wees ens, die immers in deese beschrijvinge te pas moste komen in diense gelooft wierde. 3. Ja dat die alomteghenwoor-digheydt des Goddelijcken wesens ghenoeghsaem ontkent wordt. Want men seydt dat de 'overaltegenwoordigheydt Gods in sijn alderkrachtigste wille, amp;c. Wat rechtsinnigh Theoloyant heeft oyt soo ghesprooken? Dat men my een eenighe aenwijse. Ja men durft seg-gen dat God op geen ander maniere, niet anders, alles vervult als Alleenlijck met sijne kracht de werekinge. 't Welck net het selve is daer over en Eechtsinnige met Vorstius, de Socinianen, en Remonstranten, soo emstigh ghedisputeert hebben. Mochte de Heer Trig-landius, die yveraer voor waerheyt, eens opsien, hoe soude. h^y teghen soodanigh een beschry vinge van de over al teghen woordigheydt Godts donderen? 't Sal te pijne weert vveesen, dat ick hier zijn Woorden by sette, en dan sal men sien hoe verre men van de tale der Ouden afwijekt. Met recht, seyt hy, heeft Salomon

280

ocr page 285

MET SIJN WIJNQAERT.

Godt alsoo aen gesproocken 1 Kon. VIII: 27. Ziet de Hemelen selfs, en de Hemelen der Hemelen vatten u niet. 't Welcke net even veel is offer geseydt wierde, dat Godt, na sijn weesen, niet alleen over al is, maer ooek buyten den Hemel en de aerde, in alle spatien oock die men sich verheelden kan. Dat is een heel ander verklaringe, als die wy terstondt over die selve plaetse koorden.

En op dat men weten mockte van hoe swaer een gewiekte ky dit stuck reekende, soo doet ky er kort daer na by. Dat Grodt met sijn wesen over al tegen-woordigk is, moet men seggken en Leeren, om niet tot Atheisterije of Godt verloockeniugke te vervallen.

Niet min aenmerckelijck is ket 't geen een ander Voortreffelijck Man, uyt last en met goetvinden van de Hollantscke Synoden over deese saecke sckreef. De over al tegkenwoordigkeyt der Goddelijcken wesen belijden wy met de gekeele wereldt. Grotius selfs telt deese aartijckel onder de nootsaecklijcke, en maeokt geen swarigkeyt, met ket gekeele Collegie van s de Heeren Staten van Hollandt, een vloeck uyt tespreec-ken over alle die dien ontkennen.

Soo swaer kebben die Brave mannen dit 'gewoogen. Geen wonder dan dat ick oock, die noode de Oude Palen der Heyliger waerkeyt verset sagk, dit als een staeltje van sckadelijke Nieuwigkeden keb aengeteec-kent. Ik verseek ere iny dat de Oude Professoren van Ley den, die de geloofs belijdenisse der Remonstranten met namen kier over gecensureert kebben, datse dub-belsinnigk en twijffelacktig sprack van de Alom tegen-

281

ocr page 286

TWIST DES HEEBEN

woordigheyt Godts, en niet bepaelde of die oock ten aensien van sijn wesen, dan ofse alleenlijck ten aensien van sijn macht en werckinge te verstaen was, ick ver-seeckere my, segh ick, datse sulck een stellinge, als de boven ghemelte, niet sonder ernstige cencure souden hebben laten passeren.

Maer ghelijck als Gods oneyndigheydt te korte ghe-daen wordt als men de Alomtegenwoordigheyt sijnes wesens tegen spreeckt, alsoo wert oock het Schepsel te Hooge verheven wanneer het selve oneyndigheyt toegeschreven wordt. Tck bekenne dat de menschen niet en kan al te hooge gedachten hebben van Godts macht, wijsheyt, goetheyt en alle sijne andere eygen-schappen, die hy in de minste soo wel als in de meeste van sijne wsrcken getoont heeft. Maer dat we niet en souden konnen de wercken, dat is de schepselen Gods ons al te groot voorstellen, dat leert ons noch de reden noch de Schrifture. Want de reden seyt ons dat al wat geschapen is, seekere palen beyde van sijn volraaecktheyt en uytstreckinge hebben moet en het bevat in sich een baerblijcke-lijcke tegenstrijdigheyt een lichaem te begrijpen, dat in der daedt oneyndigh zy, gelijk uyt de regelen van de wiskunst klaer betooght kan worden. En de Schrif-tuyre heeft daer vermaeck in, om te toonen dat het gansche schepsel soo verre van oneyndigheyt af is, dat in tegendeel de wateren met een vuyst gemeeten, en van de Hemelen met een spanne de mate genomen is. Jes. XL: 12. Als Godt dan soo duydelijck seydt dat de Hemelem self haer ghemeeten uytstreckinge heb-

282

ocr page 287

MET SUN WIJNGUERT.

ben, sond ick vreesen Gode in't aengesichte spreecken wanneer ick daer tegen aen seyde, ghelijck men heden te daghe doet: Wy weeten dat dese Wereld, ofte het gansche begrijp van de lichatnelijcke selfstandigheyt, geen palen van haar uytstreckinge heeft, 't Is heel wat anders, indien yemant seyde, ick weet de eynt-palen des werelds niet aen te wijsen waerse zijn.'Dat was wel ende seedig gesproocken. Heel wat anders is het te seggen, Ick weet dat de werelt geen eyndtpalen en heeft. Dit is de wereldt tot Grodt gemackt. En daer komt het op uyt. Hoe men 't oock verschoont en bewimpelt,, en de spreeckwijse alte met soeckt te versachten, de aengetoghene stellinge die is klaer. En andere seggen der volmondigh by, dat al die byghebracht konnen worden teghen een lichaem 't welcke in der daedt oneyndigh zy, maer bedrieghelijcke schijn redenen zijn. (Hoe gaerne moeten de Lutherse Ubiquitisten dat hooren!) dat ter niets in de wegh is, waerom een geschapen lichaem niet oneyndig soud zijn. Dat is ront gesproocken ; tegen alle Godsgeleerde aen ; die tot noch toe eenstemmelijck de oneyndigheyt voor een onmededeylbare eygenschap Godts gehouden hebben. En 't is in der daedt evenveel als of de man seyde, daer is niet in de wegh, waerom een geschapen lichaem gheen Godt soud konnen zijn. Want gelijck de Heeren Professoren van Leyden eertijdts leerden, de absolute eenvoudigheyt, onveranderlijckheyt, en oncyndicjheyt, zyn onfeylbare teeckens van Godheyt.

4. Wat oordeelt de Christen leeser van het navolgende stuckje, 't welck ick in een openbaer Academie

283

ocr page 288

284 TWIST DES HEEREN

dispuyt heb be hooren staende houden: Dat de zielen van de beesten alsoo beqwaem tot de onsterfelijckheyt zijn als de zielen van de menschen. Zoude niet yemandt klaerlijck vermerkende, dat de zielen der beesten gansch onbequaem zijn tot de onsterffelijckheydt) als die na de spreekwijse de Schriftuyre der Beesten bloet zijn, en na de verklaringe van deese nieuwe Philotiophie in een kunstige schikkinge van de lichamelijke dee-len bestaen,) daer uyt dan een gereet besluyt maecken, dat de zielen der menschen oock onbequam waeren tot de onsterfelijckheyt: Welcke Socinianerye heel nae aen Atheisterye grenst. Ick wil geensins seggen, dat dit de meeninge van die Philosooph geweest zy, die buy ten t wijffel sulck een gevolgh ontkent soude hebben, ick wil alleen maer toonen wat uyt dus-danighe losse onbedachte, aenstootelijcke stellingen met goede reden getrocken soudt konnen worden. Immers dit heeft my in den sin doen komen, 't geen Chrysostomus klaegde. Dat de Duyvel door de Philosophen altijdt daer over uyt geweest is om te toonen, dat ons geslachte niet van de domme beesten en verschilde. Alhoewel ick vermereke, dat andere, om dit onderscheydt te grooter te maeken, de beesten in kunst-gebouwen veranderen, die selve by Kunstighe Fontynen vergelijkende die hier en daar in hoven der grooten zijn, en haer van ziele, leven en gheroel beroovende. Want soo schrijft 'er een. Ick laet niet toe dat de macht van te groeyen en te gevoelen in de Beesten de benamingh van ziel verdient; ghe-lijck de geest die in de mensch verdient, maer het

ocr page 289

MET SUN WIJNGAERT.

gemeene Volck heeft het dus gewilt. Niet hel ghemeen volck alleen, goede man, maer Godt selve in sijn woordt heeft dit meenighmael een ziel genoemt. En suit ghy Gods tael komen verbeteren ? Maer een ander seydt het noch wat platter. De Beesten leven, noch gevoelen niet.

Men verklare en verschoone dat daer na soo men wil waer toe doch sulcke manieren van spreecken ge-bruykt, die soo teghen de spreeckwijsen der Heylige Schrifture aenloopen, en daer soo veel verklaren en verschoonen aen vast is; Waerom niet ten eersten regt duydelijck gesproocken, soo het leydt? Geeft dit ten minsten niet een sucht tot nieuwigheydt te kennen, als men in spreeckwijse niet ghemeens wil hebben, noch met Godts Woordt, noch met de gewoonlijcke tale ?

6. Maer hier schuylt wat achter, 't welck ick met recht als een ander staeltje van ghevaerlijcke nieuwigheeden mach voorstellen. Daer zijnder die wel ghelooven, ghelijk als alle Christenen betaemt, dat de Salighmaeckende ken-nisse van Godt, en vanGoddelijcke dinghen wel ghenoegh-saetn in de Ileylighe Schriften vervaet is: Maer voor de rest, segghen sy, zijn sy ten vollen verseeckert, dat de Schrifture heel dickwijls van natuyrlijcke dingen spreeckt, gelijk als sy schijnen, niet gelijk als zij zijn, soo ghy op de Philosophischc nettigheyt siet: En dat derhalven uyt de selve de kennisse van de natuyrlijke Philosophie niet en kan ghehaalt worden. Ja sy neemen voor desa spreuke: De Schrifture spreekt van natuyrlijke dingen nae de dwaelende meeninge van het slechtte volk,

28B

ocr page 290

TWIST DES HEEKEN

tegen alle tegenwerpingen met voordaght te verdeedi-gen. Sy houden staende dat verscheydene Schriftuur-plaetsen verstaen moeten worden, na de meeninge van het slechte volok, niet na de waerheydt van de saecke.

Ja datter Schriftuyrplaetsen zijn, in welke geheele redenen die vals zijn, na de meeninghe des slechten volcks worden voorgestelt. Komt dit nu over een met de diepe eerbiedigheydt die wy de woorden des leven-digen Gods schuldigh zijn? Gelooven wy dat een Turck sulck een tale ontrent sijn Alcoran sonder ver-ontweerdinge hooren soude ? Zijn ten minsten sulke manieren van spreeken voor een tedere conscientie niet een steen des aenstoots, en een stoffe van ergernisse? Dat bekende die gemelte Autheur selve in een later schrift, waerom hy de selve om vredes wille in andere sachter manieren van seggen veranderen wilde. Waer toe ten eersten dan soo hart ghesproocken ? waer toe de Kercke ontrust? Waer toe de teedere ghemoederen een steen des aenstoots in de wegh geleydt? is het niet veel veyligher en Heyligher soo van Godts Woordt te spreecken, als den grooten Junius deede, het gemee-ne gevoelen van de Gere/brmeerrfm voorstellende :quot;Wy erkennen een onweederstreevelijcken Authoriteyt, en een Alderheyligste, jae gansch Groddelijcke uytmunten-heydt van de Bibelsche Boecken, der mate dat alles wat die Boecken getuygen en seggen, AL WAT, OP WAT MANIERE EN VAN WAT SAECKE het oock wesen mochte (NB. derhalven niet alleen van boven natuyrlijcke maer oock van natuyrlijcke dingen) dat alles volgen en omhelsen wy voor het alderseeckerste

286

ocr page 291

MET SUN WIJNGAEBT.

287

woordfc Godts en een onfeylbaere waerheydt, sonder eenigh vermoeden van dwalinge. 't Is wel waer dat het voorname oogemerck der Heylige Schriften niet en is ons de toestant der natuyrlijcke saken te leeren, enc-kelijck voor soo veelse natuyrlijck zijn. Nochtans spreeckt de Schriftuyre meermaels van Natuyrlijcke saken, en verklaert ons de selve, niet enckelijck voor soo veele zijn, maer voor soo veel sy haer opsicht op Godt hebben door een natuyrlijcke nootsaeckelijkheyt, en Godt op haer na de vryigheyt van sijn wille, na dé distinctis van den selven Junius. En al wat de Heere van natuyrlijcke dingen seyt, dat leert hy ons dan waerachtigh te weesen, daer de geloovige ziele vaster en seeckerder bij gaen magh, als op alle de demonstration van Euclides, ghelijck de vroome Heer van Plessis eens seyde. Uyttermalen seer hebben my de woorden van de Hooghgeleerde Heer Valckenier aengestaen in sijn gespreek van huldinge in de Academie van Leyden. Ick moetse de Leser tot besluyt van deese sake mededeylen. „'tls wel geen Wijse lieden „werk een algemeen Begrijp der kunsten uyt de Schrif-„ten te haelen .... Maer het is echter seecker na het „oordeel van alle Rechtsinnige dat de vlecken der „menschelijcke wijsheydt uyt de heldere spiegel der „Schriftuyre ghekent en verbetert worden. Die nu gelijck „Job, David, ende de Propheten, welcke ons de Hemel-„sche dingen onder het omwindtsel van de aerdtsche „leeren, verklaert, het fackeltje van de Sinnen, Ervarent-„heyt ende Kunst daer by brengende, dit verdient de „naem en Eere krans van een Christen Philosooph, als

ocr page 292

1 quot; 11

• • '' • ' ' I? - •• - :

288 TWIST DES HEEREN

„hy Mosis Leere van de Sclioppinge des werelts uyfc „niet, van de onderscheydinge en opcieringe harer „deelen, en van des menschen wonderbaerlijck ghe-„bouw uyt een aerden klomp en een onsterflijcke bias, „tot eere van den Schepper, sonder gedruys in een „Leersaem en nederig harte laet inglijden. Die niet en „luystert na deese sweep van de ^Egyptische Wijsen „en Tooveraers, of Davids en andere Heyliger Pro-„pheten klare Grodtspraken niet om raet vraeght, in „de twijffelachtighe en onbepaelde twist der Philoso-„p/tcn, ontrent de eerste beginselen der dinghen, de „Uytstreokinge der Hemelen, de beweginge der Sterren, „de werckingen van het menschelijck verstant en het „leeven der Beesten, die moet voor EEN VYANDT „VAN SUN KUNST gehouden worden.

6. En geen wonder is het sommige sich onderwinden de Schriftuyre soo te verklaren, na de gronden van haer Philosophie, daer sy soo hoogh een gevoelen van hebben; Men vint' er onder de Hnydendaeghsche Gereformeerde die alle de Oude gereformeerde Leeraers beschuldighende, dat se de vrage van de Uytlegger der Schriften, diese seggen dat de geheele Christelijcke Religie in sich vervat, geensins klaer ghenoech hebben uytgeleyt, ons wat netter, klaerder, en distincter beloo-ven. En loeren dat de lieden van de mensche niet alleen als een instrument in 't verklaren der Schritfen gebruykt moet worden ('t welk alle gereformeerde Theologanten seggen) maer datse oock een Leydtsman is van de uytlegginge der Schriften. Dereden, schrijvense, is niet alleen een Dienaresse, Maar oock een Leydtsman

■

ocr page 293

MET SUN WUNGAERT.

soo dat sy ALLES, want ick en neme niets ter wereldi uyt, ALLES VAN WAT SLAGH HET OOCK ZY, ter proeve roepe, en besie of yets van die dingen die wy gelooven in de Schriften te zijn, tegen de baer-blijckelijcke Reden strijde, hoedanig yets indien wy vernemen soo moogen wy met verseeckeringe seggen dat dit de sin van de Schriftuyre niet en is. En op andere plaetse. Men moet r/eensins gelooven dat de meeninge der Schriften is, 't welck tegen de rechte Reden strijdt. En noch eens. Indien iets uyt de Schrift by ge bracht worde, 't welck tegen de Reden schijnt te strijden, soo moet de Schriftuyre bequamelijck verklaert worden en voor al na die Reden.

Ick bekenne dat dit al de Oude G-ereformeerde voor by gepraet is die soo veel in de Reden niet hebben konnen sien. Die goede lieden, als sy even sulk een tael inde Sociniaense boecken vonden, hebben na hare eenvoudigheyt, dit voor een groote dwalinge opgenomen en haer beste ghedaen om die te wederlegghen Altingius stelt deese navolghende spreukjes als Sociniaense on gerij mtheden daer hy tegen aengaet. Indien de Regligie tegen de Reden streedt, soo soud het even daerom geen Religie weesen: Want de Reden oock de Hooghste religie is. En wederom. De Reden oordeelt over de moogelijckheydt of onmoogelijckheyt van de Geloofs Artijckelen. En noch eens. De mensche is niet schuldigh te gelooven 't geene de Reden seyt vals te zijn. Maer sonderlingh wel komt hier te passé 't Geen de Wijtberoemde Heer Heydanus van deSocinianen getnyght. Alhoewel sy somwijlen schijnen willen de

19

289

ocr page 294

_ ___ i •; ' - ; - ■ ^,; • ' l- ' - ■'-

290 TWIST DES HEEBEN

Reden des mensclie niet al te veel toe te schrijven, omdat yemandt de waerheyt somwijlen tegen sijn danck uyt de borst wil; Evenwel als sy de saecke selfs sonder omwegen nytspreecken, en haer rechte meenin-ge uyten, geeven sy aldus op. Dat dat fjeensins waer kan wesen daer de Reden en de Gemene sin tegen aenloopt: invoegen dat wanneer de Schriftuyre sulcks seyt, sy evenwel niet gelooft moet werden om dat de Redamp;ji daer tegen strijdt.

Ick bidde de leser de spreucken die wy terstont hebben opgeteeckent eens te verghelijcken met de andere, die de Bovenghenoemde vermaerde mannen als Sociniaens hebben tegengesproocken, en hy oordeele daer uyt, of men sulck een tael in de Gereformeerde Kercke ghewoon is. 't En is niet dat waerlijck in de Schriftuyr eenige dinghen vervattet souden zijn die teghen de gesonde reeden aenloopen: quot;Want de waerheyt op de Heylighe blaederen gheschreeven, en de Waerheydt van Grodt de reden inglieschreeven, zijn malkanderen gelijk, en 't is onmoghelijck dat waerheyt teghen waerheydt strijden soude. Maer overmidts de reeden nu gheheel verblindt en bedurven is ontrent Geestelijcke dinghen, en de G-esonde Reeden na den val nergens ghevonden word, soo laten de rechtsinni-ghe niet toe, dat de reeden eerst de dingen Godts ter preuve roeppe, en oordeele of suloke dinghen in de Schriftuyre konnen staen: maer sy willen dat de Heylighe ziele eerst ootmoedighlijck luystere, wat dat God in sijn woort seydt, en de reden swijgen doe soo sy het minste daer tegen morren durft, 't Is bondig 't geen

ocr page 295

MET SUN WUNGAERT.

de Heer Triglandius in dit selve geschil tegen de Remonstranten seydfc. „De reden der menschen te stellen tot een „rechtsnoer, aenwyser, en rechter van de eygen sin der „H. Schriftuyre, is onbetaemelijck voor den Heylighen „Geest, door wiens ingheven de selve overgelevert en „beschreevon is. En het en baet hier niet te spreec-„ken van de rechte reeden: Want de reden, die als „verdurven, gans blint, krom en verdraeyt is ten aen-„sien van de verburghentheyt des Geloofs, en kan niet „recht gheseydt worden; Maer hoeft van nooden datse „van de G-oddelijcke wijsheyt, in de H. letteren ge-„openbaert, verbetert werde.quot;

En niet min deftigh zyn de bedenckingen van die groote Canceller van Enghelandt. „Het Vooruytdeel „Q-odts streckt sich over den gansche mensche uyt: „soo wel tot sijn reeden als tot sijn wille: opdatname-„lijck de Mensche hem selven in 't geheel verloochene, en „Gode toekome. Derhalven, gelijck wy Godts Wet schul-„dig zijn te gehoorsamen, alhoewel onse wille daer teghen „worstelt: Alsoo zijn wy oock schuldigh Godts woordt „te ghelooven, alhoewel onse reden daer teghen wor-„ stelt. Want indien wy dat alleen ghelooven 't gheen „met onse reeden overeenkomt, soo stemmen wy de „saecke toe, en niet den seggher. 't Welck wy oock „plegen te doen ontrent ghetuygen die men voor verdacht houdtquot;.

Soo ontgaet men dan de swarigheydt niet, gelijk die Theologant meent wiens woorden wy hebben aen-getrocken, met te seggen dat de Sociniaensche dwa-linge hier in bestaen soude, datse gheen onderscheyt

291

ocr page 296

TWIST DES HEKKEN

292

en maecken tusschen die dinghen die boven de reden en tusschen die dinghen die tegen de reden zijn; als of sy al het geene dat sy met haer reden niet bevatten en konden, datelij ck seyden tegen de reeden te strijden. Want dat is een openbare onwaerheydt. De Socinianen maecken duydelijck dat onderscheyt. Hoor eens hoe Smalcius hier van spreeckt. „Maer wy herkennen geerne datter veele dinghen in de Christelijcke „Religie zijn die de reden te boven gaen, en nochtans „noodtsaeckelijck van ons geloof moeten worden, even „daerom om dat, hee ver sy onse reden te boven gaen, „sy nochtans in de Heylige Schriftuyre geleert worden, „en om datse met onse reeden, diese te' boven gaen, „seer wel over een komen. Want het kan wel wesen „dat yets de Eeden te boven gaet, ende nochtans de „selve toejuycht. Hoedanigh meest alle dinghen zijn, die in de Religie, voornaementlijck de Christelijcke, ver-vattet worden. Maer hier in is het verschil tusschen de Socinianen ende de Rechtsinnige, of de reden des menschen de stucken der Religie, over welcke dispuit valt of sy in de Schriftuyre vervattet zijn of niet, ter preuve sal roepen om eerst over de mogelijckheyt der selve te oordeelen: dan of de Christen mensche maer eenvoudelijk verneemen sal wat de woorden derHey-liger Schriftuyre in haer omstandigheeden medebrengen, en dan door den geloove, om de Authoriteyt des sprekende Grodts, die waerheyt de reeden opdringhen, schoon de reeden die niet vatten kan, ja schoon de reeden die noch blindt is in de dingen Gods, oordeelde datse eenige ongerijmtheyt, tegenstrijdigheyt, en

ocr page 297

MKT SUN WIJNGAERT.

onmoghelijckheyt daer in sagh. Dat is alle ghedachten gevangen te leyden tot de ghelioorsaemheyd Chrisli. 2 Cor. X; 5. Dit laetste seggen de rechtsinnige, het eerste seggen de Socinianen. Of nu en hoe verre de woorden van die Godtsgeleerde, die ick boven als een nieuwe tale onder de Gereformeerden heb by gliebraclit, van der Socinianen woorden en meeninge verschillen, dat laet ick die Heere selve verklaren, en alle ver-standighe oordeelen. Ondertusschen wensche ick dat allesins aen die soete spreucke ghedacht wierde: Geen verstandig mensche spreekt tegen de Reden; geen Christen teghen de Schrift; geen vreedsame tegen de Kercke.

7. Tot noch toe hebben de Gereformeerde Godtsgeleerde van de Uytlegger der Schriftuyre spreeckende, de saecke aldus verklaert; dat Godt selfs, uyterlijck spreeckende door de Schriftuyre, en op sommighe plaetsen ten klaersten voorstellende, 't gheen op andere wat duysterder wordt voorgesteldt, en inwendigh de geloovige onderrechtende door die salvinghe die haer alle dingen leert, 1 Joh. II; 27. de Hoogste en on-feylbare uylegger der Schriftuyre is. En dat de Schriftuyre selfs de eenige en volmaeckste Kegel is waer aen alle uytleggingen beproeft moeten worden. Weshalve sy oock een Uytleghster voor haer selve ghe-noemt mach werden; voor soo veel, sy 't gheen plaatse wat meer inghewickelt schijnt te weesen op een an-ÜTere plaetse naeckter ontvouwt, en alsoo door haer eygen licht haar duisternisse doet opklaren. Dit is in soo verre ick de Theologie verstae, het algemeen en

293

ocr page 298

TWIST DES HEEBEN

eenparig gevoelen der Gereformeerde uytgedruckt in haer gheloofs Belijdenissen. Zoo spreekt de Zwitsers in haer laatste Confessie: Cap. 11. Wy en nemen geen ander Eechter in de saecke des Geloofs, als God selve, door de Heylighe Schriften uytspreeokende, wat waer, wat vals; wat te volgen, wat te vlieden sy. En in haer eerste Confessie. Art. II. De verklaringe der schrift-tuyre alleen gehaelt worden, soo dat sy selfs haer eygen Uytleyhster zij, na de Regel der waerheyt en des geloofs.

Maer nu vint men die dit beyde loochenen, niet willende toestaen dat of Godt een Uitleggher der Schrif-tuyre, of de Schriftuyre een Uytleggher van haer selfs genoemt magh worden. Wy ontkennen dat, seydt'er een dat Grodt eygentlijck een Uytleggher van de Schriften genaemt mach werden. En voor te geeven dat Godt een Uytlegger van sijn Schrift moet zijn, om datter niemant beter wesen kan, dewijl elck de beste Uytlegger van sijn eygen woorden is, dat sie ick niet op wat fondament het steunt. Soo is dan Godt de üyt-legginge der Schriftuyre quijt. Oock magh de Schriftuyre selfs die eere niet behouden, datse haer eygen Uytleghster zy. Indien'er yets in de werelt verkeert is, soo is dit verkeert, dat men de Schriftuyr voor den dag wil brengen als van de Uytlegger der Schriftuyre gehandeld wordt.

Dit sal misschien de Heden wesen, waerom in dit gantsche boeckje, waer uyt ick dit teeckene, niet een Schriftuyrplaats, soo veel ick vermerckt hebbe, tot be-wijs by ghebracht wordt. Dat is Theologizeren op de

294

ocr page 299

MET SUN WIJNGAERT.

nieuwe mode, en soo moest men doen om niet ver-keerdelijck te doen. Maer dat is resoluytelijck met een slagh allo Ge: 6fo,'meerde Godtsgheleerden, tot een toe, ja selfs de openbare gheloofs belijdenisen van dd grootste verkeertheyt des wereldts te beschuldiglien. Verkeer-„delijck dede den Mulineus, doe liy sclireef: quot;Wanneer „yets voorvalt dat duyster is. soo moet des selfs uyt-„legginglie ghehaelt worden uyt andere Schriftuyr-„plaetsen die klaerder zijn, welcke handelen van de „selve sake, en de schriftayre moet door de Scliriftnyre „verklaert worden. Soo glieschiet het dat wy geenUyt-„leggers der Scliriftnyre zijn: maer dat de Schriffuyre „haer selven uy lieg ge. Dat raet Chrisoslomus oock als „hy seydt, dat de Heylige schrifture haer selve uyt-„leyt.

Verkeerdelijck schreef van Maresius (en nogtans noemt onse Man dese twee Heeren het Puyck der Godts-„gheleerden, Theologorum Apices) De Scliriftnyre en „kan niet seekerder als uyt de Schriftuyr verstaen „worden ghelijck als de Sonne niet seeckerder gekent „wordt als door de Sonne. Watgrooter onbeschoftheydtis „dit, dat men het oordeel van de Schriftuyre ontwijc-„ken soud, om dat van de Schriftnyre gehandelt wordt? „Dat is ook resoluyt ghesproocken; en niet sonder reden hun onbeschoftheyt te laste geleyt, die dit voor verkeertheydt uytmaken.

Verkeerdelijck sprack dan de Switserse Confessie: als sy oock seyde, dat de Schriftuyre haer eyghen uytleghster zij. Of indien deese wel gesproocken hebben, ghelijck sy hebben, soo doet deese man verkeer-

295

ocr page 300

296 TWIST DES HEEBJ5N

delijck, wanneer hy liaer verkeertheyt verwijt. Ensoo wy oock eens op onse beurte spreecken mogen, sullen wy seggen dat hy selfs verkeerdelijck spreekt, als hy beweert dat die geene die de Schriftuyre maken tot een Uytlegger van de Schriftuyre, Godt niet en hoo-ren als Uytlegger, indien men de waerheyt seggen en de bevattingen der saecken net onderscheyden sal. Soo ick verseeckert ware dat die man sijn werck ghemaeckt hadde van onse Theologanlcn te leesen, ick soud ge-nootsaeckt worden te oordeelen dat hy met dat opset tot het 'schrijven ghekomen was om haer tegen te spreecken: soo lijnrecht gaet dit aen tegen de woorden van een Voornaem Theologant die wel geleerfc heeft de waerheyt te segghen, en de bevattingen der saken net te onderscheyden. Deese schreef aldus. Soo mee-nighmael als ghy de Schriftuyre hoort, soo menighmael hoort ghy de opperste Rechter. Als ghy haar weygert te hooren, soo weygert ghy Godt te hooren. Meer sal ick hier niet toe seggen: op dat ick niet en schijne het oordeel van den Leser te mistrouwen, die van selfs ghenoegh siet, hoe verre deese dingen van de Ge-meene Leere der Gereformeerden afloopen.

8. Is het niet een Nieuwe en onghehoorde tale onder de Gereformeerde, dat de thien woorde, (Decalogus) of de quot;Wet der thien geboden niet anders in sich behelsen als het verbond der genaden, of het geloove der Be-loftenisse, 't welck werckende is door de liefde, 't quot;Was wat anders te seggen, dat de wet de Israëliten niet en is gegeeven om daer door gerechtveerdight te werden, dat oock in de Thien woorden beweeghredenen tot ge-

ocr page 301

MET SUN WIJNGAERT.

297

hoorsaemheyt zijn, genoomen van de beloften des ge-nadenverbondts, gelijck'er oock andere zijn genoomen uyt de bedreygingen van bet verbondt der wercken: dat eyndelijck die gbeboorsaemheyt daer geleert wordt, die Christus de Middelaer des Nieuwen Testaments voor ons volbracht beeft, en die door de Geest der Heyligmaeckinge gbewrocbt wordt in bet berte der Uytverkoorene, na den inboudt van bet gbenaden verbondt: 'tWelck de Algemeene leere van de Gereformeerde is. Wat anders is bet te seggben, dat de Tbien gbeboden een kort begrijp van bet verbondt der genade zijn, ja niet anders in sicb vervatten als het verbondt der Genade, 't quot;Welck ick niet gheloove, dat oyt als sedert weynige jaren in de Gereformeerde Kercke gbehoort is. quot;Welckers Leeraers heel anders ghewoon zijn te spreecken. De tbien geboden, seyt Polanus, zijn niet anders als een kort begrijp van de quot;Wet der na-tuyre, die Godt na den val herhaelt heeft. Molinceus insgelijcks. De Wet der tbien geboden is niet anders als een Reghel der natuyrlijckegherechtigheydt, of een 'natuyrlijcke plicht die de mensche Gode schuldigh is van de Scheppinge af, welke wet God daer na in stee-nen Tafelen heeft willen schrijven. In deese sin noemt Paulus de Wet de Bedieninghe der verdoemenisse. 2 Cor. III; 9. Soo groot een onderscheyt alsser dan is, tusschen de Wet der Natuyre en het genaden verbondt, ja tusschen de Bedieninge der Verdoemenisse, en het genaden Verbondt, soo groot een onderscheydt isser tusschen het genaden verbondt en de tbien geboden, welcke na het seggen van die treffelijke Mannen niet

ocr page 302

TWIST DES HEEEEN

298

anders als de Wet der Natuyre in sicli vervatten, uyt-genomen, doet Motinceus daer by, een gedeelte van 't Vierde Ghebodt. En 't is immers klaer dat in die Thien woorden vervattet sijn die geboden, welcke soo wie doet, die sal door de selve leeven; en die zijnde stoffe van het verbondL der wercken. Niet min klaer is het, dat G-odt die wet op den bergh met so versohrickelijcke teeckenen geevende, dat oude verbondt tot overtuy-ginghe en vernederinghö van den Sondaer heeft willen verhalen. Daer om seyde Gomarus, dat door den Mid-delaer Mose het Verbondt der Nature met de Israëli ten vernieuwt is, en in de twee Tafelen de Thien ghebo-den beschreven, welcke EEN EXPRES FORMULIER VAN HET VERBONDT DER NATUYRE behelsen. En op een ander plaetse verklarende de spreucke van Johannes, „De Wet is door Mosem gegeeven, de genade en de waerheyt is door Christum gewordenquot;: schrijft hij aldus. De rjcnade Christi wordt op hare maniere gestelt leghen de Wet der Thien gbeboden: En de waerheydt tegen de Wet'der Cerimonien. Soo behoorde men de Wet en het Evangelium van malkanderen te ondersoheyden: en niet het geene Grodt als een Wet heeft voorgestelt, met sulcke wonderteeckenen welckers vreeselijckheydt op het verbondt der wercken ziet, door een ongerijmde ghedaente-veranderinge in een Formulier des genaden verbondts te hervormen. Of meent men het selve dat wy tot noch toe ghehoort hebben, van die geene die voor ons het woordt Ciodts hebben ghe-sproocken, warom en spreeckt men dan oock niet de selve tale? Augustinus nam de raet sijner Vrienden

ocr page 303

MET SUN WIJNGAERT.

denckelijck aen, die hem seer goedtwillighlijck ver-maenden, dat hy de gemeene maniere van spreecken niet verlaten soude: En dat was in hem een stuck van quot;Wijsheydt: want behalven dat die Nieuwe ende vremt-luydende spreeck-wijsen selden de sake geluckiger yoorstellen als die andere, die een lanckduyrigh ghe-bruick nu by een yeder kennelijck en verstaenlij ck ghemaeckt heeft; soo schijnt het een teecken van Hooghmoedigheyt te zijn, datmen soo alleen en op sijn selven wil staen, de gewoone tale verachtende, immers verlatende.

9. Hoe soud het u, Leeser, in de ooren klincken indien ghy hoordet leeren, dat een Christen mensche de Deughden uyt dien hoofde niet betrachten moet om dat Godt die geboden heeft, maer om dat de Reden door de Heylige Geest verlichtet zijnde oordeelt dat de selve met de billijckheydt over een komen: en indien ghy, Fdie die anders leeren, en haer toehoorders tot Heylighe plichten verbinden, seggende, soo spreeckt de Heere, of sulcke eenvoudighe die het goede doen om dat Godt het haer geboden heeft, onder de won-derlijcken naem van GEBODT-EZELS hoordet uyt-maecken? Bestaet niet het gansche leven van een Christen in Geloove, en gehoorsaeroheydt? En waer op rust doch eygentlijck de gehoorsaemheydt ? Is het niet op de Authoriteyt des Ghebieders ? al konde men schoon niet sien de hülijckheyt des gebodts? Heeft een Heylige ziele meer te doen als te verneemen welke Godts wille zy, sich verseeckerende dat die altijdt goed, Hey-ligh, en billijck is, of sy der die goedtheyt insiet of

299

ocr page 304

TWIST DES HEEBEN

niet, en daer op dan blindelingh toe te gaen haer oogen sluytende voor alle bedenckinge daer tegen? Is dat niet recht Christelijck Grode toe te roepen, Heere wat wilt ghy dat ick doen sal, spreeok Heere en uw knecht die hoort. Is dat de Alderhoogste Majesteyt betame-lijck, dat een van zijn geringhste onderdanen sijn ghe-boden ter proeve roepen sal, en sich het oordeel over der selver billijckheyt aenmatigen? Sal een Heere tot sijn knecht, sal een Vader tot sijn Zoone segghen, doe mijn wille en doe qualijck, sich verbelgende dat sy de Reden van 't bevel ondersoecken willen ? en sal een Christen gheleert worden, dat hy de Authoriteyt des Gebieders aen een sijde stellende, sich alleen door de Redelijckheyt des Gebodts sal laten inwinnen? Is het niet het aldereerbiedighste ontsagh voor Grodts Opper Majesteyt, de Aldersuyverste overgeeving van sijn selve, en de doordringenste selfs verloocheninghe, als de Heylige ziele sich ter ghehoorsaemheydt schickt, enc-kelijck om dat de mondt des Alderhooghsten het ghe-sproocken heeft, al dacht haer verblindt verstandt dat het onredelijck scheen, en al was haer verdurven wille afkeerig daer van? Immers mij dunckt het klaer te weesen' dat dit de Alderprijselijckste ghehoorsaemheydt is, en soude het voor eere reeckenen de Smaetnaem van een Gebod-Esel daerom te moeten draghen. 't Is al oudt dat de Vyanden der Godtsaligheyt de Vrome Christenen Asininos, dat is Eselachtige genoemt hebben.

10. Wat sal ick segghen van het geene men over het Vierde Gebodt en onderhoudige van den dagh des

300

ocr page 305

MET SUN WIJNGAERT.

301

Heeren predickt, schrijft en drijft, met sulck een kracht en ernst of de Christelijcke Religie most te gronde gaen, indien het volck dese navolgende staeltjes niet wierden inghestampt: „Dat het ghebodt van den Sab-„bath, soo als des selfs woorden luyden, niet Moreel „maer Cerimonieel is, ja onmoogelijck dat het Moreel „soud zijn, warom het alleen voor de Israëliten was, „en niet voor alle menschen: soo dat het ons nu niet „meer en verbindt, en tot een Christen in den eygen „sin des Ghebodts nu niet langer geseyt kan worden, „gedenckt des Sabbathdaeghs dat ghy dien Heyliget. „En of schoon het ghebodt, op sijn breedtste ghenoo-„men zijnde te ghelijcke met het fondament des ghe-„bodts, iets Moreels by sich hebbe ) 'twelcke Tan de „Alder-Cerimonieelste ghebooden oock waer is, en „slechts om 't welstaenshalven daer by ghevoeght wordt, om niet al te hlaer de Post acta van de Synode tot Dordrecht tegen te spreecken) dat evenwel geen van dese navolgende dingen het Moreele van het vierde gebod is: „Dit niet, dat een van seeven dagen steedts „wederkeerende ten Godtsdienst besteet moet worden: „noch dit niet als men net spreecken sal, dat in 't ge-„meen een gesette dagh geviert moet worden: noch „dit niet, dat men den Openbaren Godtsdienst moet „waer nemen, dat wordt niet gheboden, seggende, in „het vierde gebodt; Het gebodt van den Sabbath begrijpt niet een letter noch stip van vergaderinghen „of Godtsdienst dan te houden. Dit seggen wy dat „sulcks eyghentlijck niet en was het oogemerck van „het vierde gebodt. Besluytende eyndelijk, dat uyt

ocr page 306

TWIST DES HEEBEN

„kracht van 't Vierde gebodt noch des Heeren dagh, „noch oock eenighen anderen kan onderhouden „worden.

Wat isser niet al aen vast, eer men deese dingen over eenbrenght met de Post-acta van de Dortse Synode, met de Catechismus, met de gewoonlijcke klachten der Synoden, en met de Placcaten selfs van de Hooge en Subalterne Overigheyt ? De Post-acta segghen, dat in het vierde gebodt der G-oddelijder Wet yets Ceri-monieels en yets Moreels is. Deese drijven dat het vierde gebodt, soo het daer segt, niet Moreel en is, maer Ceremonieel, ja 'tis onmogelijck seggen sy dat yets te gelyck Moreel en Cerimonieel weesen soude: ghelijck het onmoogelijck is, dat yets te ghelijcke houdt en yser soud zijn.

De Post-acta seggen, dat het Moreele van het vierde gebodt hier in bestaet, dat een seeckere en gesette dagh tot den Godtsdienst bestedet werde, en soo veel ruste als tot de dienst Godts, en tot des selfs Heylige overdenkinge van noode is. Maer deese drijven, dat als men het spreecken sal, het Moreele van het vierde gebodt niet en is, dat er een ghesette dagh ten Godtsdienst besteedt moet worden, en dat de Ruste een loutere Cerimonie was die niet zeedelijck kan zijn.

De Catechismus segt, Godt gebiedt dat ick, een Christen zijnde, insonderheyt op den Sabbath, dat is de Rustdagh, daer door verstaende de dagh des Heeren, Godts woordt neerstelijck hoore, enz. Nu schrijft men dat Godt te dienen in de vergader] nge der Broederen in dit gebodt eygentlijck niet geboden

302

ocr page 307

MET SUN WIJNGAERT.

en wordt; dat het gebodt van de Sabbath, niet een letter noch stip daer van begrijpt: en dat sulcks eygent-lijck het oogemerck van 't vierde ghebodt niet en was.

De Heeren van den Gerechte der Stadt Leyden, in de Amplialie van hare keuren in 'tjaar 1626. Spreec-ken aldus. Alsoo die van den ghereohte deeser Stede, hoe langer hoe meer ghewaer worden, en in ervarent-heydt bevinden, dat de Sondagh, weesende de Sabbath des Heeren, — gheprofaneert en ontheylight wordt, leghen het expres ghebodt van Godts Almachtigh, die den selven Sabbath by sijn Heyligh woordt geordon-neert heeft te Heyligen en te vieren amp;c. Soo spraec-ken doe de Heeren Politicquen tot Leyden, nu seggen de Theologanten. De Sabbath van het vierde gebodt en verbindt ons niet. TJyt kracht van't vierde ghebodt, kan noch des Heeren dagh noch eenighen anderen on-derhoucen worden. Dieshalven de sonden daer op ghe-telt zijn by ons Christenen, geen ontheyliginge van de Sabbath, noch strijdigh tegen het expresse gebodt Godts daer van spreekende, 't welck de Jooden alleen gegeven was.

En hier op dringht men met grooter ernst, vermanende de Huyslieden van de Predikstoel, dat sy eerst ter preeke geweest zijnde, onbesohroomt souden wederkeren tot haer dagelijcks werck, soo het sonder aen-stoot gheschieden konde. Ja men ontsiet sich niet het gevoelen van soo veel treffelijcke Godtsgeleerden en van geheele Gereformeerde Kercken, dat de dagh des Heeren in plaetse van den Ouden Sabbath gekomen

303

ocr page 308

TWIST I)ES HEEREN

zijnde, als een gedeelte van de Wet der zeeden, uyt kracht van het vierde gebodt by de Christenen geviert moet worden, onder de Pharifeeusche nieuwigheden deeser dagen te tellen, die gheschapen zijn scheuringe in de Kerke te verwecken, en tegen welcke (NB.) de Christelijke Magistraat waeken moet. Zoo moste sy dan waken om haer eygen placcaten aan stucken te scheuren, in welcke sy die selve tale gevoerd hebben. Help God! waer toe vervallen wy?

Eer ick hier afscheyde, sal ick hier byvoegen het geloove en de Practycque van de Boheemse]ie Kerckon omtrent den dagh des Heeren Die daer van aldus spre-„ken. Onder de Heylige daghen geven wy de eerste „weerdigheyt aan den se yenden dagh, den dagh des „Heeren quot;Welcke wy ghelooven dat gheen mensche, „onder wat schijn van Christelijcke Vryheydt het oock „wesen mochte, tot eenighe uyterlijcke ende slaefsche „wereken gebruyken mach. En dat daeroru, om dat „we des selfs instellinge niet voor een Cerimonie, maer „voor een gedeelte der zedelijcke wet, die eeuwigh on-„verbrekelijck is, erkennen, 't Welk sy daer na met seven reedenen bewijsen, te langh hier uyt te schrijven. „De maniere nu, hoe sy den dagh des Heeren Heiligen, „verhalen sy aldus. 1. Met te rusten van uytterlijcke „wereken: te weeten van slepen, van dragen, en van „het handelen dier dinghen die tot het kostwinnen, en „uyterlijcke hantwerken, of koophandel behooren: op „dat oock de dienstboden en het vee ter stiller vera-„deminge rusten mogen. Maer voor al met onthouden „van de wereken des Vleesches, dronkenschappen, dan-

304

ocr page 309

MET STJN WIJNGAEIIT. 305

„serijen, dobbelen, ydele omwandeliuge, eude beuselin-„gen: ook van Bruyloften, jaermerkten, en andere „merckten. Dat was oock de maniere (voornamelijck „onder een Overheyfc die de Kercke voorstont) dat se „Saterdaghs vroegh voor Sonnen ondergangh, alle haer „uyterlijcke arbeyd staeckten, en met het komen van „den Avondt aanvinghen de Heyliginge des daegbs die „Grode is toegewijt 2. Met het handelen van Geeste-„lijcke en Goddelijcke dingen: namentlijck met het „singhen van lofsangben en met het lesen der Schrif-„tuyre nu Saterdagh Avond al: maer 's morgens en den „ganschen dagh des Heeren door, met het bywoonen der „Vergaderingen, met bet overdencken en betrachten van „den Godsdienst, niet een of tweemael alleen, maer „vier of vijfmael. quot;Want om dat Godt desen ganschen „dagb nyt de rangb van andere dagen uytghenomen „heeft, en die voor sich alleen als sijnen Heyligen dagh „gehouden (Exod. XX. 2, 10. Jes. LVITI; 13) soo heb-„ben onse Voorouders het seer betamelijck geoordeelt, „dat het meeste gedeelte daer van in de gemene ver-„samelinge der Geloovigen toegebracht worde, en dat „daer door geleegentbeydt zy om voor te komen over-„tollighe wandelingen, Ledigheyt en andere ydelheden, „die Godt wil dan van'sijn Heylige dag verre gheweert sullen zijn. Jes. LVTII: 13. „Daerom manen wy de lieden ook af van het ovcrsien barer renten, en van „het opnemen barer reeckeningen: op dat sy alle, de „tijddelijcke dinghen eerder vergeetende, de eeuwigbe leeren bepeynsen. Heb. IV 9. Dus verre die Godtvruch-tighe zielen.

20

ocr page 310

TWIST DES HEEREN

306

Over welcke woorden aen te m er eken staet. 1. Dat die Kercke van welcke sy gheschreven zijn by de Oude Gereformeerde Theologanten voor een voorbeelt van ware Godtsaliglieyt gehouden is. Een voortreffelijck man die van haer sprack het geene hy wiste, en ge-tuyghde 'tgeeu hy gesien hadde, verklaerde dat haer zeeden en alle hare handelingen een levendige uytleg-ginghe van 't Nieuwe Testament waren. Die groote Bucerus de ordere van haer Kerke en Godsdienst verstaan hebbende, .en konde sijn tranen niet bedwingen; maer seyde tot de Theologanten die by hem saten, Dat is voorwaer eerder een Hemelsche als een Kerkelijke ordre op aerden. En schreef aen die Boheemsche Broederen: lek geloove dat ghy te deser tijdt de eenigste op aerden zijt, by welcke met de Oprechte Leere, de suyvere, Profijtelijcke, en Heylsame ordre bloeye. Der-gelijcke lof hebben haer Lutherus, Calvi-nus, Capito, en andere van de Beformateurs, ghege-ven. En een bekent predikant in Duytsland, haerHey-lige wandel gesien hebbende schreef van haer: „Soo der nu eenige Kercken zijn in welcke men de statig-heyt der Apostolische mannen vinden magh, en in welcke alles gheschickt is na het exempel van de Heylighste Martelaren, soo zijn het voorwaer deese kleyne kercken der Broederen. Seecker 't en is geen kleyne troost, te gelooven, te leeren en te doen, ghelijck die geene die van alle en van de waerheyt selfs getuygenisse eener uytmuntender Godsaligheyt hebben. En 't geeft aen de andere zijde geen kleyn vooroordeel, als men sich met vinnigheyt tegen de

ocr page 311

MET ZIJN WIJNOAERT.

Leere en Practijcque van sulcke Heylige opmaeckt.

2. Is merckweerdigh, dat het gheene wy nu voor het gevoelen en Practijcke deser Broederen ontrent den dagh des Heeren verhaelt hebben, niet het geschrifte is van een Particulier Theologant: maer van haer gansche Kercke: dat in den Jare 1609 aen den Keyser Rudolpjius uyt aller naem is overgeleevert: en daer na in den Jaer 1616 in een Alghemeen Synode weer over-gesien en voor goed gekeurt is, en eyndelijck uyt last van een andere Synode der Verstrooyde Broederschap, te Lesna in Polen gehouden 1632 overghegeven om gedruckt te worden.

3. Oock dit verdient eyndelijck sijn opmerckinge, dat dese dinghen geschreeven sijn van onpartijdige, die in soo verre landen, en soo langh te vooren niet weten konden, wat Dispuyten over dat selve stuck in Nederlant ontstaen souden. En soo mach al de wereldt oordeelen, wiese zijn die tegen het gemeenste gevoelen der Kercke nieuwigheoden invoeren ontrent het vierde gebodt.

't En lust niet, om my in deese zee der Nieuwigheden verder van landt te geven.

't Is tijt dat ick de Zeylen intrecke, en in 't vervolgh vertoone dat by die Nieuwigheeden van ghevoelens, veel Outheden van sonden sich in ons Vaderlandt opdoen, die oock door Nieuwe vergrootingen beswaert worden.

307

ocr page 312

TWIST DES HEEBEN

CAP. XXII.

Bewijs dat allerley grootc en grove sonden ons Landt enonzeKercke overstroomen.

'tTFln is onsen Wijngaert niet genoegh Leedigh te Xj weesen van allerley goede vruchten der gherech-tigheydt. 't En is hem niet genoegh al te quot;Weeldrigh en dartel te zijn in het voortbrengen van verscheiden nieuwe en gevaerlijcke opinion, die insonderheyt in het stuck van Religie verfoeyelijk en onduldelijck zijn. Maer hy toont sijn onvruchtbaerheydt, of liever quade vrucht-baerheydt, in de overvloet van allerhande boose nucken en tucken, die de Heere onse Godt met reden stinkende druyven noemde. En ick en ghelove niet dat die van den Buyse Israels het erger maeckten als wy, doe van haer gheseydt wierde, Gelijck een kouwe vol is van ghevogelte, alsoo zijn hare Huysen vol boosheden. Siet my eens de Steden, siet my de Dorpen door, doorwandelt het landt rontomme, besiet my selfs de tempel en het Heylighdom, en siet ghy niet wat datse doen, de groote grouwelen die het Huys Israels hier doen, op dat God van sijn Heylighdom verre wegh gae. Doch ghy suit noch weederom groote grouwelen sien! Isser niet een gehele zee en als een Suntvloet van sonden ende lasterstucken ten lande ingebroocken, die alle Grodsaligheyt, alle vreese Gods, overstroomt, en by na wegh ghespoelt heeft? Soo nu Abraham of eene der Patriarchen door dit land henen toogh, en sijn ooren mosten tuyten van al dat vloecken; en sijn hooft most ommeloopen van al die pracht en ydelheyt, en sijn oogh most walgen van al die wulpsheyt en onkuysheyt.

308

i

ocr page 313

MET SUN WIJNGAERT.

309

van al die dronckenschap en dartelheyt, en sijn liayren mosten te berge staen van al dat spotten en lasteren, van al dat solielJen en verwijtten teghen malkanderen: meent ghy dat sijn tale anders soade weesen als dit ? lok sie dat gheen vreese Godts in deesen lande is. Indien de Vroome Loth, of yemant sijns gelijcke in het midden van ons woonde, sonde hy niet sijnne Eechtveerdighe ziele quellen, door het sien en hooren van onse ongerechtighe wercken ? Sonde niet de Heere Grod selve sijn oude twist met de inwoonderen des landts vervangen mogen, om datter geen trouwe, noch geene weldadicheydt, noch geen kennisse Gods in den lande is. Maer vloeckea, en liegen, en doodslaen, en overspel doen, sy breecken door en bloetschulden raecken aen bloedtschulden. En meent ghy dat hy sijnne dienstknechten niet al overlanghe desen last gegheven heeft ? Twistet teghen u lieder Moeder, twistet, om dat sy mijn Wijf niet en is immers sich soo niet en draeght, ge-lijck als mijn Vriendinne en Bondgenoot toestaet. Laet het my dan oock vry staen dese Twist des Heeren, uyt een suyvere sucht tot sijn eere, en uyt een innige begeerte tot een Heylighe ende Heylsame Vrede, tegen het Vaderlandt en de Keroke, mijn Moeder te twisten. Ick en sal geen ondanckbare noch spotachtige Soone zijn, gelijck de Vervloeckte Cham, in het ontdecken van hare naecktheyt: Want het en is niet om die te beschimpen, maer omse te beklagen, te betreuren, en een behulpsame ende medoogende handt ter Saliger verbeteringhe te leenen. Oock sal ick niet verburgens aen ^en dagh brengen, maer 't geen voor het ooghe

ocr page 314

TWIST DES HEEBEN

van de Sonne geschiet, oock voor het ooge van Mijn Leeser stellen, op dat hy sijn selve daer bij vergelijc-kende besien mochte of hy niet sijne fouten me, die by hem te verbeeteren staen, daer aengeteeckent vindet.

Maer vanwaer sal ick beginnen, wat in 't eerst, wat in midden, wat op 't eynde van mijn vertoogh stellen, soo ick een lijste van onse Sonden maecken moet? 1 Sal ick in de eerste plaetse de Aiheistenje Godtver-'loocheninge noemen? een name selfs soo schrickelijok, / dat mijn handt trilt, en mijn penne schijnt te krassen, I terwijl ick de selve schrijve. En is evenwel dat Hels j gedrogt niet uyt sijn Schuyl-Hol losgebroocken, om sich hier en daer te vertoonen, en verscheyden droeve verwoestingen aen te rechten ? Is het gheen Alheisterije, als men met God en sijne instellingen, met Moses en de Propheeten, met Christus, de Christenen en het Christendom spot, en sulcke grouwelijcke dingen daer van niet alleene discoureert, maer oock schrijft, en in onse Moedertale drucken laet, die van de Turcken selfs met geen minder straffe als met de doodt gestraft souden worden? Is het geen Atheisferije als yemandt, quansuis belijdenisse doende van het Christendom, sich onderwindt aldus te schrijven? „De wereldt en de tijdt blijft sich selfs ghelijck. Oock daer in, dat yeder wil pro-pheteeren en toekomende dingen weten: daer mensiet soo grootc onseeckerheydt in het ghepasseerde. Wy sey-gen dat de Messias is ghekomen. De Joden verwachten hem. Ende de 'Turcken gccken met alle beyde. In deese onsekerheijdt behoort sich een yeder geluckigh te ach-

310

ocr page 315

MET SUN WIJNGAERT.

ten in het niet ondersoecken van wat hem Grodt niet ■ openbaert, in d' eenvoudigheydt, en in't ghelooven van •

wat hem sijn Voorouders hebben nafielaien. Hoe? Blijft de wereldt en de tijdt sich selfs gelijck ?quot; Is dat niet \ de eyghen tale van de Spotters, die Petrus seyt dat ! in de laetsLe daghen soudon opstaen? 2 Pet. Ill: 3, 4. Is het onseecker of de Messias gekoomen is, om dat de Joden hem noch verwachten, en de Turcken met ; de Joden en Christenen alle beyde gecken ? Heeft Godt de komste des Messias niet geopenbaert? En steunt het geloove der Christenen in dat stuck alleen op de overleveringe der Voorouderen ? En is hy geluckigh te achten, die op sulck een onseecker menschenwoordt het gansch uytneement groot gewichte van sijn Salig-heyfc wagen durft? Even gelijck die bekende l^hilosooph, I die na sijn Reli'jie gevraegt zijnde, antwoorde, JVty la relvjion de ma nourrice. Ick heb de Reliyie van mijn Minne-Moeder. Wat is alle Godsdienst los te maecken, om verre te stooten, en uyt der menschen harten wegh te neemen, indien hot dit niet is?

Indien alle disputen over 't stuck van Religie niet en zijn als deuren ende vensters gheopent tot A lheiste-rije en Libertinagie, of wel dat yeder sijn eygen geest gelooft: Sua cuique Deus fit dira Libido. Gelijck die selve Historisch ij ver wil, wat een wijtgapende deure tot Atheisterije en Libertinagie wordt'er dan niet ge-opent wannneer men sijn selven en andere met die zielverdervende waen vleyt dat alle menschen, immers Christenen, sullen salig worden. Want, seyt die dwase Werelt-wijsheyt, Godt wil sulcks, en wat Godt wil

311

ocr page 316

TWIST DES HEKREN

312

dat geschiedt. Is Godt onse Vader soo zijn wy alle sijne kinderen. Het tegendeel sonde stryden, niet alleen met Godts Barmhertiyheydt, die oneyndigh is; maer oock met sijn Rechtveerdigheydt, die niet toe en laet dat sonden, die eyndelijck zijn, oneyndelijk souden gestraft worden. Hoe wel is het hier aen te sien dat de gauwe en schrandere Hoofden deser werelt dickwijls de alderdomste ende onsinnighste zijn in de saken Godts, die de Heere na het Rechtveerdig beleyt sijner Goddelijcker voorsienigheyt, menighmael voor de Wijse en verstandighe verberght, en openbaertse de Kinder-kens. Matth. XI: 25. Hoe ? sullen alle menschen Saligh worden? .ten minsten alle Christenen? die uyterlijk die name dragen, en in't gemeen die belijdenisse doen? quot;Wat quam de Salighmaker selve dan in de sin^ 'als hy predickte dat de poorte engh en de wegh nauw is die tot het leven leydt, en datter weynige zijn die deselve vinden. Matth. VII: 14. Vergiste hy sich dan als hy leerde, datter veele geroepen maer weynigh uytver-kooren zijn? Matth. XX: 16. Of sullender oock andere als de uytverkoorene Saligh worden ? Oock sy die te vooren opgescheeven zijn tot het oordeel ? Jud. vs 3. Wil Godt met de wille sijns besluyts, die altijdt volbracht wordt, dat alle menschen, hooft voor hooft, sullen saligh worden? AVaerom sal hy dan metvlammen-den viere eens wrake doen over die geene die hem niet en kennen ? 2 Thes. II: 8. Of isser nu geen helle meer? als misschien voor de Duyvelen ? En acht men dat voor kinderklap, en bullebacken? Lijdt het Godts Rechtveerdigheyt niet dat eyndelijcke sonde met een

ocr page 317

MET SUN WIJNGAERT.

313

oneyndelijcke straffe worde ghesfcraft? Vergeet dan de Rochter der ganscher aerde Recht te doen, als hy de Godtloose verwijst ten eeuwigen viere? Matth. XXV; 41, daer de roock liarer pijnninge opgaet in alle eeu-wigheydt. Open. XIV: 11. quot;Weet deese man niet dat de eyndige sonde tegen den Oneyndige Godt begaen wordt, en daer door op haer maniere een oneyndige boosheyt krijght? Weet hy niet dat die ras voor by-gaende daet van de sonde de siele een vlecke aenwrijft die haer eeuwig by blijft ten sy se door het bloedt Christi worde afghespoelt ? En dat die vlecke de ziele te afschouwelijck maeokt voor Grodts reyne oogen, dan dat hy de selve in sijn suyvere Hemel soud konnen sien, daer niet onreyns in en komt? quot;Wat is eyndelijk een onbeschofte stoutigheyt indien het dit niet en is, dat de doodtschuldige mensche, sijn aenbiddelijcke ende hooghgedachte Rechter de Regels van het recht te vooren sal schrijven? quot;Wat is de geheele Schriftuyre ende de grond des Evangeliums om verre te stoten, indien het dit niet en is, als men den Hemel voor alle menschen open zet? En wat is ten laesten de toom en teugel tot alle Goddeloosheydt los te laten, en de ijver tot alle Godtsaligheydt te verslappen, indien het dit niet en is, als men elck een hoe hy het oock maeckt, gerustelijck de saligheyt belooft? Soo hebben de Godtloose het dan gewonnen, die daer seggen. Het is te vergeefs Godt te dienen: want wat nuttigheydt is het dat wy sijne wacht waernemen? Ende nu wy achten de Hooghmoedige gelucksaligh; oock die God-deloosheyt doen worden gebouwt, oock versoecken sy

ocr page 318

TWIST DKS HEEBEN

314

den Heere en ontkoomen. Mal. III: 14, 15. Foey die ysselijcke laster stuckeii! Mij grouwelt meer dergelijcke monstertjes uit te tekenen. Maer het is te duchten dat dat saet van Atheisterije al diepe wortelen in seer veler harten gheschoten heeft. De minste menschen schrijven hoecken, en weynighe zijnder die de onbesohaemtheydt hebben om haer ghevoelen op dusdanigh een maniere te uytten. Maer de Eeden en Zeden van veele wijsen het ghenoegh uyt, wat gevoelen sy van de Godtheyt hebben. De overtreedinge des Godtloosen spreeckt in 't binnenste van zijn harte, daer en is geen vreese Grodts voor sijne oogen Psal; XXXVT: !2. Seeker ghe-leert man heeft mijns bednnckens de grondt van deesen sake aerdigh ontdeckt, en uyt het leeven van de menschen beweesen dat de meeste meenighte „Atheïst in „haer gevoelen is. Wat proportie, seyt hij, en over „een komste isser, tusschen het geloove van de onsterf-„felijckheydt der ziele en van oene toekomende vergel-„dings, of so heerlijck en geluckigh, of so benauwt en „elendigh; en tusschen het leeven dat men leyt! De „enckele beseffinge van de dingen die men seyt soo „vastelijck te gelooven, soude ons buyten den oort on-„ser sinnen brengen. De enckele beseffinge en vreese „van te sterven door de Justitie en in het openbaer, „of van eenig ander schaemachtigh en moeyelijck voor-„val, heeft veelen haer sinnen doen verheffen, en in een „gansch vreemde staet gebracht. En wat is dat doch „te beduyden in vergelijckinge van het geene de Religie „leert van het toekomende? Maer soud het mogelijck „weesen deese waerheyt te gelooven, en te hoopen op

ocr page 319

MET SUN WIJNGAEBT.

315

„deese Salige onsterffelijckheydfc, en dan noch de doodt „te vreesen die een nootsaeckelijcke toegangli tot de „selve is! Te vreesen en te beseffen dese Helsche straf-„fe, en clan noch te leeven gelijck Dien doen? Dat zijn „maer praetjes, dingen die minder te samen bestaen „konnen als vier en water. Sy seggen dat sy het ge-nlooven : sy maken het haer selven wijs dat sy het ge-nlooven, en daer na willen sy het oock andere wijsmae-„ken: maer daer en is niet aen: sy weten niet wat ngelooven te seggen is: 'tzijn maer spotters en opsnij-„ders, seit een onder de Ouden, en een ander, dat de „Christenen aen de een sijde de fierste en moedigste, „en aen de ander sijde de lafhartighste en snoodste „van de wereldt waren: sy waren meer als menschen „in de artijckelen van haer geloof, en slimmer als Ver-„okens in haer leeven. Seecker soo wy ons aen Godt „ende aen de Religie hielden, ick en sal nu niet seg-„ghen door een Goddelijcke genadeudwangh gelijk het „betaamt, maer alleen door een gemeen en simpel ge-nlooven, en gelijck wy een Historie gelooven, en gelijck „wij ons hoixden aen onse Vrienden en met-gessellen; nWy souden haer verre boven alle andere dinghen stel-„len om de oneyndige goetheyt die daer in glinstert, „ten minsten souden sy by ons in de selve rangh zijn „als de eere, de Rijckdommen, de Vrienden. Nu zijnder „weynigh, of se maken minder svvarigheyt tegen Godt „en eenig stuck van den Godsdienst te misdoen, als „tegen haer Vrienden, haer Meester, haer middelen. Of ick bedriegh my seer, of dit is de rechte ont-deckinge van de A the is ter ie die in veeier harten schuylt.

ocr page 320

TWIST DES HEEREN

Maer soud ick in 't optellen van 's landts sonden soo veel van elok seggen, wanneer soud ick dan gedaen werck hebben? Doch dese Moeder Sonde van Godver-loocheninge gelijkse de eerste plaetse verdiende, also verdiendese oock een breeder ontdeckinge.

Laet ick nu haer Suster de Afgoderye haer tot gbe-zelschap gheeven. Hoe wijt heeft die haer palen by ons uytghestreckt ? Hoe graffeert de Afgoderye des Paasdoms, in verscheyden opzichten de Afgoderye der Heydenen te boven gaende, in alle onse Steden en dorpen ? wat zijn daer niet al altaren en gesneedene grou-welbeelden opgericht? Hoe moedigh steecktse het Hooft ende de Borst op, met een onverdraegelijcke fierheyt somwijlen den dienst van den eenigen en waren Godt braveerende ?_ wy belijden voor waerheyt te houden, 't gheen kinderen zijnde uyt de Catechismus ge-leert hebben, dat de Misse in de grond een verlooche-ninge is van de eenige offerhande Jesu Chris li en een Vervloekte Afgoderye. En nochtans isser nauwelijcks een Stadt in ons Vaderland daer die grouwclijcke Misse niet dagelijks of ten minsten weeckelijks gedaen wert. Wy hebben, 't is waer, wel strenge placcaten tegen de Afgoderye met des selfs Priesteren, gelijck daer in by-sonderlijk uytmuntet de goede y ver van de Edele Moo-gende Staten deser Provincie. Maer waer blijft de I executie der selve ? quot;Waer vint men een Gideon, een Jeruhbaal, die het ernst is om tegen den Baal te twis-i ten, en sijn bos en Hage om te hacken ? Waer soud men eenen Jehu ontmoeten, die een van de trouwe Dienaers Gods by de hant nemen ende by hem op de

316

ocr page 321

MET SUN WIJNÖAERT.

wagen nooden soude, om te sien sijnen yver voor •, de Heere in het verdelgen der Agoderye ? 2 Kon. i X : 16.

Het schijnt in tegendeel als of die Placcaten maer ) gegeven waren om de gierigheyt van de Officiers te | versadigen, onder Contributie van de welcke, gelijk de Historischrijver Aitzema spreekt, de Roomsgesinde haren i dienst doen.

Is het oock niet met een botte Afgoderye luydkeels tot den goudtklomp geseydt, Ghy sijt mijn Godt, wan- , neer men om winste te doen allerley oeffeningen van Godsdienstigheydt achterlaet, ja wanneer Christenen om geen schade te lijden aen der Kooplieden Rijke goederen, malkanderen verbieden, geen Sondagen of andere Feestdagen te vieren, maer begeeren dat men dan soo wel als op ordinaire werckdagen alle voorvallende ar-beyd sal moeten doen en waerneemen, datmen oock geen uyterlijcke bij een komsten, gebeeden so voor als na den maeltijdt,noch eenigc andere Christelijke oefeningen, soo lang men by de Heydenen is om koophandel te drijven sal mogen betrachten? Men bekent wel, dat dit alles voor een Christelijck gemoet seer hard en swaer valt na te komen; Echter om alle swaerigheden, over der Kooplieden Rijcke Capitalen, Schepen en goederen, ten besten doenlijck, voor te komen, soo belasten Christenen aen Christenen, sich na sulks te moeten voegen, behoudens een goeden conscientie: Betrachtende een yder ondertusschen sijnen Grod te dienen, met inner-lijcke Heylighe gedachten, en den selven af te bidden de sonden die sy met het nalaten deser oeffeningen

317

ocr page 322

TWIST DES IIEEBEN

komen te doen. Is dat niet baerblijckelijck God achter de banck geschupt, en den Af God van Winste op sijn throon geset ?

Wat sal ick oock segghen van dat openbaer toelaten van allerley secten ende sectarissen in ons Vaderlandt, tot de Aldergrouwelijukste en Godslasterlijckste toe, die herwaerts aen als tot een Vrye Herberge komen afsacken.

Hoe word ook het landt verontreynigt door yloec-■ken en sweeren, dat vele kinderen als in haer pap ten eten word gegeven, so datse Gods name ydelijck of des Duyvels al vloeckende in de mont neemen, eerse te dege weten wat of Godc of Duyvel te seg-gen is.

Eeden daer speelt men tegenwoordigh me, en schijntse voortshants met dat oogemerk te doen omse niet te houden. De geleerde en geslepen. Schrijver der Historie van het Concilij van Trenten, verhaelt, dat als de Pausselijcke stoel ledigh staet, de Cardinalen eenighe artijckelen tot reformatie van de selve op papier brengen, welcke een yegelijck van haer sweert nauwkeurigh-lijck te sullen onderhouden; soo hem het Pausdom te beurte valt. Alhoewel, zeyt de ghemelte Schrijver, de ervarenheyt van alle eeuwen geleert heeft, dat niemandt van sins was om het selve na te komen : Omdatse nu Paus geworden zijnde wanen aen den eedt niet meer gebonden te wesen. Soo spot men met Godt, met consciëntie, met eedt, met alles. Maer gaet het onder ons Veel beeter? Siet men niet dat sommige met datse op. het kussen, of in de handelinge van gemeene midde-

318

ocr page 323

MET SUN W1JNGAERT.

len gekomen zijn, meenen alle hare beloften ende eeden ontwassen te wesen? Maer hoe? Gods ooge, Gods hant, die ghij tot getuyge en wreeker van leugenen hebt aengeroepen, al me? De Verstandigste onder de Heydenen achten het eed breecken soo schendigh een stuck te weesen, dat niet de meynedige alleen maer oock sijn gansche geslachte en nakomelingen de Goddelijke straffe daer over soud moeten besuyren. En 'tis een aerdigh gedicht van Pythias 't welk Herodotus by dese geleegentheyt verhaelt, en dat Gr otitis in 't Latijn aldus vertaelt heeft.

At juramento quxdam est sine nomine proles Triinca manus, amp; trunca pedes: tamen inpete magno, Advinit, at que onmem vus tat stirpemque domamque.

Gewis een valsche eedt heeft seecker naemlooskindt: wel hand- en voeteloos, maer dat met snellen vaerde, Van d' hoge top des lucks ploft neder op der aerde. De Stam en 't Huys van hem die Godt meynedlgh vindt.

Is 't dan niet schrickelijck dat Christenmenschen daer mee speelen als niet poppegoet, sonder schroom van haer handen ja zielen daer aen te branden?

Sabbath-schenden is nu geen sonde meer, maer een ghewoonte. Roept daer vry tegen soo veel ghy wilt, en schreeuwt uwe keele vry hees, meest alle vroome predicanten verseeckeren het ons uyt ondervindinge, 't is teghen een oven gegaept. Dan sijn eyghen en niet Gods werck te doen, dan ja niet den Heere maer den Duyvel te dienen, dan uyt speelen te rijen, in alle sat-heyt ende ruymigheyt vrienden te besoeken, te gasten

319

ocr page 324

320 TWIST DES HEEREN

en brassen, daer vint de werelt nu geen been in. En so wordt

.... Gods Soon-dagh., Soendagh, Sondagh Ondanck-baerlijck verspilt, verspeelt, verspelt in Sond-dagh.

Soeckt my eens die nae gedane openbare Gods-dienst, haer besondere soo het behoorde waerneemen, die in het herhalen van het gepredikte, in het leesen van Gods woordt, in gebeeden, in Psalm-singen, in heylige meditatien, haer selve en haer hnys-genooten oeffenen; hoe veel suit ghy van dat slagh vinden? Ja een jonge soudse opschrijven. De oneerbiedigheyt, weersoordig-heyt, ongehoorsaemheyt der onderdanen neffens haer Overheeden, der gemeente neffens haer Predicanten, der kinderen neffens haer Ouders, stinckt voor God, en voor de menschen. Qualijck te spreecken van die geene die onse Goden op der aerde zijn, te bespotten de afgesanten van den Godt des Hemels, stoutelijck te bejegenen de soodanige die we ons leeven schuldig zijn, rekenen sommige een yver voor het Vaderlant, een geestigheyt tegens de geestelijckheyt, en een vry-moedige koenheyt die de roede ontwassen sy. Haet, nijt, twist, en wraekgierigheyt tusschen Burgers, Broeders, Buyren schijnnen hier hunne Tempelen en Altaren te hebben, op weleke haer geroockt wordt. .... Non hospes ab hospite tunus, éc.

Onkuysheyt, [dertelheyt, wulpsheyt, in gebaer, in woorden, in kleedinge, en gave Godt dat oook niet in der daet, schijnt nu geen sonde meer te weesen. En het is of we schier in de selve meeninge zijn met dien Terentiaeusche beuselaer, dat het noch sonde, noch

ocr page 325

MET SUN WI.TNGAEBT. 321

schande is droncken te drincken, en te hoereeren, als men het maer met mate doet. Hoe, noch sonde, noch schande! Ja het is de sonde van Sodotn. quot;Want „siet dit was de ongerechtigheydt uwer Suster Sodom : Hoogh-moet, zatheydt van broodt, ende stille gerustheydt hadde sy, en hare dochteren. maer sy en sterckte de handt der ar uien en der noodtdruftigen niet.quot; En maec-ken sich sommighe aen dit laetste oock niet schul-digh? Konden sy de armen verkopen om een paer schoenen: 'tsoud veele geen conscientie werck zijn. Ilaer uyt te suypen met bijtende woecker, daerse eerder om niet geholpen mosten worden, sonder hoope van yetwes weder te krijgen, wordt nu by sommige eenquot; billijcke saecke ghereeckent; en zulcke handen souden haer nu wel niet ontsien. O grouwel! het broodt en den wijn des Heeren aen sijn heylige tafel stout-moediglijck aen te veerden. „Heere wie sal verkeeren in uwe tente? Wie zal woonen op den bergh uwer Heyligheydt? Die zijn geldt niet en geeft op woeker.quot; Van andere botte dieverije swijgh ick stille. Wonder moet de conscientie onser Landsaten afgeschroeyt zijn, soose haer die niet en verwijt. Lieghen lasteren, ach-ter-klappen, ja selfs den onnoselsten, selfs den getrouwen in den lande, is veelen haer dagelijcks werck: en het is of die boosen geest, die by de Griecken van lasteringe sijnen name draegt, veeie beyde in het hart en op de tongh zit. Kort om, al wat boosheydt heet, sit hier op den troon: Al wat deughdelijck, goet, eer-lijck is, schijnt in ballinghschap verdreven te zijn. „Hoe is de getrouwe stadt tot een Hoere geworden.

21

ocr page 326

11

322 TWIST DES HEEREN

sy was vol rechts, gerechtigheydfc horberghde daer in, maer nu doodtslagers. Uwe' silver is geworden tot schuym: Uwen wijn is vermenght met water.

CAP. XXIII.

Bewijs dat allerUy Staten en Soorten van menschen by ons bedurven zijn.

Wilt gy de gronwelen van ons landt noch naek-ter sien; maer met ogen diese in u selfs voor so veel ghy daer mee aen reed, en in andere, beklagen? Soo bedenkt eens met my dat niet alleen alle zoorten van grouwelen ons landt overstroomt hebben, maer oock allerley slagh van menschen sich daer aen heeft schuldig gemaeckt. Ick wil niemandt in het byson-der raken, weynigh oorsaeck hebbende om een eenigh mensche te haten, en schoon ickse hadde liefst die onder de voet tredende, immers noyt mijneilt gy de gronwelen van ons landt noch naek-ter sien; maer met ogen diese in u selfs voor so veel ghy daer mee aen reed, en in andere, beklagen? Soo bedenkt eens met my dat niet alleen alle zoorten van grouwelen ons landt overstroomt hebben, maer oock allerley slagh van menschen sich daer aen heeft schuldig gemaeckt. Ick wil niemandt in het byson-der raken, weynigh oorsaeck hebbende om een eenigh mensche te haten, en schoon ickse hadde liefst die onder de voet tredende, immers noyt mijne passien soo veel toe-gheevende dat ick tot mijn eygen smaet en schande en tot verbitteringe eerder dan tot verbeteringe van anderen 't papier daer mee bekladden soud. Maer dat wenscht ick van harten, dat elk die dit leest eens stilletjes in sijn kamer, ja ziele gingh, en overleyde wat hy hier al te reformeeren hadde. 't Is ja soo met ons. Het gan-sche hooft is kranck, en het gansche harte is mat. Van de voetsoole af tot aen het hooft toe, isser niet gheheels aen ons. Waer sal ick beginnen? waer sal ick eyndi-gen, om elck behoorlijck in dese rolle te plaetsen?

Sal ick de Groden op der aerden, de Christen Overheden, ende hare Amptenaren de voortocht gunnen?

Het schijnt Wijsheit te wesen dat men daer van

ocr page 327

MET sr.fx WIJNGAKRT.

323

swijghe; en die grooto Wereldt-kumlige Lipsius schijnt geen onreden gehadt te hebben, wanneer hy, de gele-gentheyt mede-brengende om op dese selve stoffe te vallen, voorsiohtiglijk seyde, lek vaer niet dichter by deese klip, aen welke my geen winden van eergierig-heyt, trecken of drijven sullen: want de prijs van stil-swijghentheydt is sonder ghevaer. En seker dewijle de Hoogheyt van de Overheeden, hoe wel sy het oock maecken, nydigheydt, en vervolgens, het onbenoegen en qualijkspreken van de onderdanen, (die haer altijdt inbeelden dat sy selfs aen 't roer staende het schip veel beter stieren souden) uyt eyghen aerdt onderworpen is, so en is het niet seer raetsaem om de misslaghen der selve reuklooslijk voor den volcke ten toon te stellen, en de Achtbaerheyt, die Grodt ontsien wil hebben, ver-achtelijck te maecken. Immers my aengaende ick be-tuyghe voor den Heere, dat sulck doen my ten Hoogh-sten mishaeght. Mijn ziele en kome nooyt in sooda-nigh een raet. Ick heb door G-ods genade gheleert, en achte het mijnes plichts te weesen om het andere te leeren, God te vreesen en den Konigh te eeren. En voor al is het mijns bedunckens seer onbedacht op losse straetpraetjes en onseeckere geruchten, de fauten, al te met maer ghewaent, van de Regenten niet alleen, maer van de Regeringe selfs, op het hatelijckste te hekelen, en 't gepeupel in die inbeelding te stijven als of de saken van 't gemeen soo qualijk gehandelt wierden. Ick boude het daer voor dat de Regeeringe haer geheimenissen heeft, Arcana Republice, die nog konnen nog mogen van andre die buiten het bedrijf vmi die

ocr page 328

TWIST DES HEEREN

324

saken sijn, geweten worden: en welker onkunde lichtelijk maken kan dat sommiglie raet en aen slagen voor gausch onbillijck gehouden worden, daerse doch met groote wijsheyt en redelijckheydt beleyt zijn. 't Is in alleen gevalle buyten hot. bereyck van een Leraers ampt sijn vinger al te diep in stofife van staet te steecken.' Gelijck ick het voor een onbeschaemde lasteringhe reeckene, de Trouwe dienaers Christi in ons Vaderlandt ■na te geven, datse haer door haer eygen Reformatie onvoorsichtiglijk van alle gesagh in de Politie ontbloot hebbende niet hebben overgehouden als Jus seditiose concionandi, alsoo achte ick het oock tegen waerheyt te weesen, dat de Gereformeerde Geestelijkheyt dierge-lijck een gesach in de Staet soude toekomen, als de Engelsche Bisschoppen hebben, die het eerste Lidt noch maken in het Parlement en eerste Raden des Konings zijn. Non equidem tali me dig nor horore. Ick stemme de aerdige Woorden van een Beter Staetgeleerden toe. De Burgerorder heeft oock een Arcke, die niet mach bekeeken zijn als van die geene, welke de Hemel tot Wereld Priesters daer over gestelt heeft. Sy steecken met Nadab en Ahihu vreemde vieren aen, die het stael-kussen met de Kerch rock bekleeden willen. Ick heb liever dat men in een Historie van Staet en Oor-logh, als in een van mijn geschriften, dese navolgende woorden leese, die men echter voor merkweerdigh houden mach. Lo State non ha Reliyione: De Souveraine, en machtige Potentaten en hebben gans geene Religie. Immers niet wanneerse in haer kraem niet en past. Als de Koningh Caret van Sweeden in Polen toogh

ocr page 329

MET SUN WIJNGAERT.

'325

met apparentie om dat gehoele rijck Evangelis te maecken, wat deed Denemerclcen, Drandenburgh en cleesc Staet? Sagliou sy de Religie aen? Neen; sy hielpen den Meyser en de Polen dat Evangelis licht uyt-blazen, ende de Sweden wegh jagen. Doe Munster van de Bisschop in 'tjaer Sestigh belegert was, gingen de Gedeputeerde der Stad hier by een yder, selfs by de Predicanten, segghen: Ghy ziji hywijllen seven jaer predikende eer ghy een Papist bekeert: Siet nu een Occasie om een gehcele stadt te bekeer en: Maer het paste (!oe niet in de Kraem. Dus verre de Historischy-ver. Eu voorwaer het is schrickelijck wanneer het stuk van den Godsdienst soo wej^nigh bij de Overheden geit. En indien men de waerheyt seggen mach (want men moet soo sot niet wesen dat hy voor quaetwillig geoordeelt werde die maer slapjes pluymstryckt, of dat men een goede vermaninge voor een verbelginge op-neme)/'t is droevigh dat de Grod der Goden soo veel reeden van klagte gegeeven wordt, dat sijn saecke, die altijdt de voornaemste behoorde te wesen, van sijn eygen Stad-Houders op der Aerde, 't alderminste ge-hanthaeft, dickwijls teghen ghegaen, al te met bespot, en dooi'gaens versuymt en verwasrloost wordt, 't Is droevigh dat sy die Voester-Heeren van Kercke, en Voorstanders van beyde de tafelen der Goddelijcker wet heeten, soo groot en Verachtinge menighmael be-toonen van de Gemeente Gods, en haer handt de eerste hebben in allerley overtredinge. 't Is droevigh als de dienstknechten Gods met Jcremia soggen moeten: „lek sal gaen tot de Groote, en met hen spreecken: want

ocr page 330

TWIST DES HEEBEN

die weten den wegh des Heeren, het reoht hares Gods : maer sy hadden te samen het jock verbroocken, ende de banden verscheurt.quot; Is droevigh als Godt so scherpe beschuldinghen teghen sijn Stederhouders heeft in te brengen, als Kamphuysen in sijn nytbreydinge over de twee en tachtighste Psalm; in woorden die vol van pit en kracht zijn, hem spreeckende invoert.

Neen. Niet alsoo verdurven zielen.

De wraeck is u al op de hielen.

Al swelt, door Hovaerdij. Uw geest:

Al hebt g' hier niemandt dien gy vreest:

Al meent g' uw' selfs verkooren Wesen De maet en leest van Eecht te wesen:

Al is de quot;Werelt, na uw geloof,

Voor u en uwes gelijck een roof:

Al laet u dertelheyt sijn lusten De maet zijn van des Landes rusten:

Al waent uw sotheydt 't Algemeen Om uwent wil te zyn alleen:

Al gaet gy Reedelijckheydt, bedelven:

AI rnaeckt g'Afgoden van uw selven:

Al trost ghy op uw Heerschappy:

Hoe groot, noch zijt ghy onder my.

'tis waer; ghy draeght de naem van Goden,

'tHeel landt duyukt onder uw geboden:

lek vest u in de mensch-vooghdy;

Uw stam (ick kent) daelt af van my:

Het zijn, het zyn verheven trappen Die ick uw voeten laet bestappen.

De stralen uwes glans zyn klaer:

Uw Hoyl waer groot, neemt ghy 'twel waer.

326

ocr page 331

MKT SUN WIJNGAERT.

Maor nu uw doon (van deught verbastert) Uw pronck ontpronckt, uw kroone lastert, Uw staet misstaat, Mijn aert versaeckt, En u ten slaef der lusten maeckt:

Nu ghy van Harders en Beminders Veraert tot Stroopers en verslinders:

Nu ghy geen dingli soo weynigh lyokt, Als daer ghy met de naem van prijckt.

Nu ghy, uws selfs en mijns vergeeton Dun doodsteeck geeft aen uw geweeten: Nu ghy slechts op uw lusten luymt, En stout verdeltelt in uw ruymt:

Nu ghy gerechtigheydt laet varen,

Soo sal sy u voor al niet sparen. Die nicmant ooyt, hoe Hoogh van waerdt, Die niemandt op der aerden spaert.

Do doodt, die niemandt kan ontspringen, Do doodt, het eynd van alle dingen. Een slechte doodt is u te goedt: Een andere doodt is 't daer g' aen moet: D' Heyloóse doodt die u t' ontijden Do draet des levens af sal snijden: D' Heyloose doodt, der Schelmen straf. Want ais Tyraimen moet g' er af.

Hiar, wachten u de wreede koorden,

Daer, 'tyser gierigh om te moorden:

Hier, wordt u doodlyck gif gekoockt,

Daer, Heymelijck verniet gestoockt:

Elck loeit op 't Monster dor Natuyre, En hongert na bequame uyre:

In 'tend, de Ramp met vol gegolf Valt op den Algemeenen Wolf.

327

ocr page 332

TWIST DES HEEBEN

328

quot;Was het niet te pijnewaert, Leser, om sulcke woorden uyt te schrijven? Die ons een niet min aerdige beschrijvinghe, als schrickelijcke Bedreyginge van een quaed Regent uyfcleeveren. quot;Was het niet wenschelijck dat alle die tot het bewint van Staet verheven zijn dit in haer herte hadden in geprent ? En is het niet te duchten, dat Godt, wanneer hy komen sal met sijn veel duysent Heyligen, om gerichte te houden over groote ende kleyne, menigh ontdecken en te schande maecken sal, die hier op het kussen der eere gheseten hebben, als sclmldigh aen sulcke en dergelijcke grou-welen als die wy terstondt hebben opgehaelt? Leert het niet de ervareutheydt, dat sommige (de goede, 't welck ick hier eens voor al segh, niet te na ghesprooc-ken) met datse door vriendengunst, of snoode Kuype-rijen, tot de Hooghte van Eer-ampten zijn opgevijselt, straks alle vreese Godts met voeten treden: de Godts-dienst en de Bedienaers van de selve verachten, of immers onder haer oppermacht slaeflijck dienstbaer willen maecken: niet een woorrlt der Vermaninge, hoe voorsichtig en eerbiedig oock beleyt, verdraghen kon-nen, of 't is de Kroon van haer verwaentheydt te na gekomen: Haer Mede-burgers en Buuren, boven welcke sy nu na haer sin merckelijck verheven zijn, met de necke aenzien, en over-dwars en over-dwaels toespreec-k ;n: Het Algemeen tot een slavinne maken van haer bysondere beoogingen, en tot een voetbanck van haer steedts aen wassende grootheydt en grootsheydt; 'sLandts Middelen, die sy met soo neerstigh een suynigheyt behoorden te besorgen als haer eygen, en haer selve

ocr page 333

MET SUN WIJNGAERT. I 329

roet soo getrouw een gerechtigheydt te onthouden als vremde, op een heel ander maniere gebruycken, soo dat de steen uyt de muyr roepe, en de balck uyt het houdt dion antwoorde: En eyndelijck door Middel der Regeeringe tot dertelheyt, Hoo vaerdije, dronckenschap, en andere derghelijeke boose stucken uytslaen: Als offer een verburgen vloeck van Godt de Heere op de Hoogheyt des wereldts leyde, waer door andersins Vroome en deegelijcke Lieden, soo het scheen, gansch verandert en verbastert worden. Gave Godt dat het dus noyt toe en gingh, en dat ons lieve Vaderlandt daer niet van wist, als door Vertellinge van uytheemsche gheschiedenissen! En moet het den Almaohtigen niet schrickelijck teghen de Borst stooten, als sy die Voorgangers ten goede behoorden te weesen, de eerste zijn om Israël te doen sondighen'? „Nu dan ghy Koningen handelt verstandelij ck, en laet u tuchtighen ghy Richters der aerden. Dient den Heere met vreese, en verheugt u met bevinge. Kusset den Soone op dat hy niet en toorne, en ghy op den wegh vergaet, wanneer sijn toorn maer een weynig soud ontbranden. ~

Hoe inaeckt het het gemecne volck nu? Niet eenJL haer beter. Die haer eygen werck is het doen der Ma-ff gistraten in allen deelen te beknibbelen; en even eens als of sy haerder Magistraten en Recuteren Rechters waren, gedurighlijck en meest al ten quaesten over haer aenslagen te vonnissen. Dit is me een groote on-ordentlijckheydt in onsen staet, die van het gemeene volck gobeetert moet worden: soo qualijck, soo laster-lijck, soo stout te spreecken, van die geene, die God

ocr page 334

TWIST DES HEEREN

als sijn Stadhouders hier op aerden gestelt heeft: en dat door een heeten, dog blinden yver, meest al in dingen diese niet en verstaen. 'k En spreeck alle raet-slaghen, alle het doen aller overheden niet voor. Godt is een Richter boven alle. 'k Veroordeelse oock niet alle. Want ik en weet ende en verstase alle niet. Maer dat weet ick het uytghedruckte bevel van den Alder-grootsten en Almogenden Heere te weesen. „De goden en suit ghy niet vloecken, en de overste in uwen volcke en suit ghy niet lasteren.quot; En dat wenscht ick dat van de Onderdanen wat consoientieuslijcker betrachtet wierd, wiens eere in gehoorsaemheydt bestaet, soo langh Grodts wet en onse conscientie daer door niet ghekrenckt en wert.

ƒ Sal ick nu de Voorganghers in de Kercke op de | Stierlieden van den Staet doen volghen ? Ick derf'er f schier niet van spreecken, „op dat het niet verkondight en worde te Gath, op dat het niet gheboodtschapt en I worde op de Straten van Askelon; op dat de Dochters der Phlistijnen haer niet en verblijden, op dat de Dochters der onbesneden niet op en springhen van vreugh-de.quot; Ick weet hoe noode men doorgaens aen die feeren gepeutert wil hebben, door een Averechtse yver om de eere van de Heylige ordre op te houden, door het ver-s wijgen, bewimpelen, en voorspreeken van haer fouten. I Maer 't is my onmogelijck dat ick nu hier van swij-j gen soude, soo ick niet by al de werelt voor een Par-I tijdigh oordeeler van de zeden onser eeuwe gaen wilde. 1 Ik verseekere my dat sulke openhartigheyt de Vroome aengenaem, is: en ofse de quade mishaeght daerlaot

330

ocr page 335

MET SUN WIJNGAEET.

ick my weynigh aengelegen, dewijl ick doch best sal i doen, soo ik haer minst behaghe. Immers 't is oyrbaer | dat de nakomelingen getuygen zijn van het hartseer f der welmeenende te deser tijt over de Algemeene ver- l durventheyt, die het Heyligdom cock niet verschoont heeft, 't Is soet, 't geen Bernardus sej^de, wanneer hy sich, tegen 't onbenoegen van sommige over sulck een werck als ick nu aenvangh verantwoorde: lek moet gahouden worden niet tegen de Ordre maer voor de Ordre te spreecken, soo ick niet de Ordre in de men-schen, maer de gebreecken der menschen berispe En ick en hebbe geen vrease dat ick hiermee de Liefhebbers van de Ordre verveelen sal: Maer sy sullen 't buyten twijffel voor aengenaem opneemen, soo wy dat vervolgen 't geen sy oock haten. Doch indien het sommige mishaeght, soo maecken sy haer selve bekent, dat sy de order niet lief en hebben, welckers verderf, dat is sonden, sy niet lijden mogen dat tegengesproocken worde.

En als 't al om komt (ick spreecke al weer met de woorden van een Voortreffelijck man). Wy roepen tegen „de zeeden van het volck, de fauten der Grooten wor-„den oock bestraft; maer waerom gaen wy toch al te „ligt de fauten van onse Ordre voor by? die soo veel „te swaerder zijn, hoe datse van Heiliger persoenen „begaen worden, van sulcke te weeten, die gelooven „dat se de zeden van andere berispen en verbeeteren „moeten: maer waerom oock niet haer eygen ? Daer „is (ick beken het) aengelegen, dat de dienst en de „Dienaers des quot;Woorts haer Authoriteit by het volk

331

ocr page 336

TWIST DES HEEREN

„niet verliesen, 'twelck nergens lichter door geschiedt, „als wanneer haer fauten, op dat ick niet ende segge, „grove sonden, getoekent worden : maer ick weet oock „niet, of die Authoviteyt veylighlijck genoegh bewaert „kan werden, door het openbaer verheelen van die ge-„breeken, of dat noch schandelijker is, voor haer ver-„schoninge, op dat ick niet en segge. voorspraeck. Of „indien de berispinge daer van, om de eere des orders „te bewaren, nagelaten wort, wat gelooven wy dat de „Politijcquen segghen sullen, welckers Author is ley t „seecker, de wijle de Gemeene Ruste daer aen hanght, „voor al ongokrenckt gehouden moeten worden, voorna-„raelijk van die gene die allen de eerbiedigheydt, welc-„ke men aen haer schuldigli is, raden en instampen, „en welckers sonden evenwel ook berispt worden; Maer „met wat recht wy souden swijgen, en die soo veel niet „doorgestreecken worden als die van andere, ick bekenne „dat ick dat niet weet: Doch ick geloove niet dat het „dode soo aengenaem zy, gemerckt wy sien dat de „ Propheien de sonden des volcks ophalende, de heylige „order oock niet sparen, maer de gemeene oorsaecken „en Autheuren van de Ghemeene Rampen aanwijsen. „ En wij behoeven de Schuit van alle qualen niet meer „op des Volcks of andere haer sonden te werpen, als „op onse eyghen, welcke of se meerder zijn dan andere,

„segh ick nu niet, seecker sy zijn swaerder.....

„Wy beschnldighen doorgaens het volck, daer nochtens „by het gemeen misschien meerder lust ende hitte der „Godsaligheydt gebonden wort, als by de Geestelijck-„hoyt, gelijk men spreekt. Ik soud oordeelen dat men

332

ocr page 337

MET SUN WUNGAERT.

„sacliter handelen moste, indien niet de gebreecken van „de order iny tot de keel aenstaken. Ick segh nu niet „van ghemeene swackheyt, en die elck beklaeght, maer „van onvrcomlieden, welcke door een schandelijk aen-„neminge van persoonen verswegen wordende, niet ge-„neesen maer gekoestert worden, en dickwijls al lebe-„kent en opeubaer zijn, e3rndelijck oock tot een top „der Groddeloosheydt veel voorspraecken van de selve „calibre vinden, die met een onvroome arbeyd tot sweetens toe daer over uyt zijn, datse de sonde van sonde, „soo met de stemme als met schriften, verschoonen en „vryspreecken.

Daer is oock gheen verheelen aen; Beyde Propheeten en Priesters zijn Huychelaers, selfs in mijnnen Huyse vinde ick hare boosheyt, spreeckt de Heere. En hy mach vervolgens tot haer segggen, Grhy zijt van den wegh afgeweecken, ghy hebt'er veele doen struyckelen in de wet, ghy hebt het verhoudt 'Levi verdurven: Daerom heb ick u verachtelijck eu onweert ghemaeckt voor den ganschen volcke, de wijle ghy mijnne wegen niet en houdt.

't Lust my wederom bernardi woorden te ghebruyken : Wij beschuldigense alle niet, maer wy konnense oock

alle niet onschuldighen.....Men loopt slechts heen

tot de Heylighe ordre, en de menschen tasten sonder eerbiedigheydt, sonder opmerekinghe, die diensten aen die voor de Enghelen selfs ontsachelijck zijn: Want de sulcke ontsier haer niet het teecken des Hemelse hen Koninckrijcks aen te neemen en de Kroone van dit gebiedt te dragen, in welcke de gierigheyt rogheert,

333

ocr page 338

TWIST DES HEEREN

de eersuchfc heerscht, de Hovaerdye de Meester speelt, de ongherechtigheyt op de throon sit, in welcke het slimste verfoeysel sich moghelijck binnens muurs soude opdoen, indien wy na de Phrophetie van Ezechiel de wand door groeven, om de grouwel te sien in het huys Godts.

Hoe weynigh bequaemheyt sommighe tot den Heyli-gen dienst hebben, door hoe onbehoorlijcke wegen sy daer toe komen, hoe slordrig sy sich daer in dragen, hoe yverloos, hoe geesteloos in 't prediken, hoe suymach-tigh in 't Cartechiseeren, hoe nalatigh in 't bezoecken der gemeente, en in 't setten van haer harte op de kudde, hoe traegh in !t waernemen van haer studiën hoe selden in de gebecle eu devoid oeffeiungen, hoe on-voorsichtigh, op dat ick niet en segge, los en werelds in haer samenspraecken, wat vleoken in haer liefde maeltijden, wat beenopspringers var de groote hoe slaefsche menschen behagers, hoe verweende oprichters van ydele eere, hoe nijdigh en knibbelsieck tegen de Mede-Broederen, hoe gelijckende na Diolrephes, hoe ontlijckende de Apostelen, dat siet de wereld, dat voelt de Kercke, dat besuchten de Vroomen, dat sal Godt oordeelen. En och of de Leere selfs van allen soo ware dat men die als een nette richtsnoer des Christelijcken en des Geestelijcken leevens de Gemeente konde aan-prijsen, maer nu houdt men sig somwijlen maer op met een deel kantpraetjes, die buiten het inwendige en verburgene Christendom slegts ommeloopen, die te met nog met groot onverstant worden voorgestelt, te met met een uytheemsche parade van Heydense, Grieck-

334

ocr page 339

MET SUN WIJNGAERT.

335

scho ot Latijnsche spreuckjes, loopjes, Historitjes vermast, die misscliien de ooren van wereltsche Toehoorders wat kittelen, maer de Hongeringhe Begeerte van Geestelijke zielen niet voldoen; weloke quamen om de conscientie ondericht te krijghen, de kracht van de salvinghe der Heyligen daer uyt te riecken: welcke niet en pleegt te ademen uyt de mondt van een vlees-selijck mensche. En hoe bedroeft het zy voor de gemeente, wanneer een Leeraer de innighste geheymenisse van het Koninckrijcke der hemelen (die men niet anders als door de Practijcke leeren kan) noch selve van Godt gehoort heeft, noch de zielen die hem toevertrouwt zijn hooren doet, kan elck een licht bevroeden die weet dat de ziele by deese dinghen leeft, en dat in allen deesen het leeven hares Geestes is. Barnardus heeft na sijn gewoonte hier seer soet van gesproocken: „Wat perijckel daar in geleeghen zy, als een Harder „de weyde niet vindt, als een Leydtsman de wegh niet „kent, alt een Stede-Houder de wille sijnes Heeren „niet en weet, dat wordt de Kercke dagelijcks veel-„sins en jammerlijck gewaer. Want Godts wille is een „seer Heylige saecke, en sijn raedt is seer verburghen „daer de Apostel oock van roemde, segghende, ick meene „dat ick oock de raedt Godts hebbe. Waerom de „Waerheydt selve seyde. Niemandt weet het geene „des menschen is, als de Geest des menschen die in „hem is. Alsoo weet oock niemandt 't geen Godes is, „als de Geest Godts die in hem is. Het leesen is dan „profijtelijck, de gheleertheydt is profijtelijck, maer „voor al is de salvinge nootsaeckelijk: Wantdie alleen

ocr page 340

336 TWIST PES HEKKEN

„leert alles. Maer waer uyt sal liy schijnen te weeten „welck zij de goede, welbehaeghgelycke en volmaeckte „wille Godts, die niet ghowoon is te kloppen, noch te „begeeren ? Die tot dat hy de sorge van andere liaer „zielen op sicli genomen heefL geen sorge heeft gedragen voor sijn eygen, magj^chijnt do selve teverr j^eefs ontfangen te hebben ? '^n och of hy dan noch „de sijne besorgde, op dat ick hoope mochte scheppen „dat hy daer na de mijne besorghen sonde: en dat hy „eerst de splinter uyt syn eygen ooge weg deede, op „dat hij dan sien mochte de balck uyt het mijne wegh „te doen! quot;Want die geene die misschien de wille „hares Heeren verstaen. en nochtans verachten, ja voor „ soo veel sy de boven handt hebben die tegen gaon, „die met de doodt een Verbondt en met de Helle een „voorsichtigh verdragh gemaeckt hebben, datse het „goede hatende, het quade aenhangende, bereyt zijn de sonde om niet toe te stemmen, de boosheyt tekoes-„teren, de ongerechtigheyt te begunstigen: de wijle sy „Gode hatelijck, en de wereldt vervloeckelijck zijn, soo „is 't beter van haer te swijgen als te spreecken. En 't is ook niemandt geraden aen die puyst meer te peuteren als die ghotroost zy om de liefde Christi en der Godtsaligheydt een Theologische haet uyt te staen. Minst konnen sy doorgaens de berispinge verdragen, die menen dat het aen haer staet, alle andere te berispen. Elk heeft een Pausdom in sijn harte opgericht en schijnt schier te wanen, dat, hoe slecht en slordigh hy het oock maeckte, niemandt bevoegt is ora tot hem te segghen, Sancle Pater cur gasis ita? Heylige Va-

ocr page 341

\ MET SUN WIJNÖAERT. 337

Sj

der waerom doet gy soo ? Dit is het Pausdom dat Lu-iherus segde den rneiische Natuyrlijck te weesen, en welc-kers kracgt hy niet dan al te veel in sijn selve gewaer wierd. Gy soo niet, Eerwaerde Mannen, die de Heere het opsigt van sijn Schaeps-kooye toevertrouwt heeft: raaer hoort tog en verdraegt dit woordt der vermaninge van eenen die gaerue eens by u, ja oock onder u, als een Sterre aan het firnmuient des Hemels blincken soud; laat dog die slaphartigheit tegens of het dreygen of het pluymstrijcken en gastnooden der groote, laet doch die traegheyt in het Catechiseren, in het besoecken der leden, ja der buyten lieden selfs, in het waernemen van alle de plichten des Heyligen diens-tes, daer veele aen schuldigh zijn (en mogelijck suit ghy dencken, oock hy die dit schrijft) laet die dogh eenmael verbetert worden; en voorige yverloosheyt met des te meerder yver vergoedt. Laet doch de Poli-tijcken soo veel op uwe heylighe ordre niet teseggen hebben, dat se u met waerheydt van nalatigheydt beschuldigen moogen, wanneer ghy de weeringhe eeniger grouwelen met recht van haer versoeckt: Doer toe sy al so wel het uytterlijk sweert ghebruyken moeten, als ghy het sweert des geestes: ja daer toe sy des te meer mosten yveren, hoe dat ghy ('t welcke nochtans Godt verhoede) te minder daer toe deedet. Komt dat met behoorlijcke neerstigheyt voor, en de Heere sal seec-kerlijck met u zijn. En schoon het u wat meer moeite, schoon het u suyr-sien verwecken mochte by de we-reltsche, het sal u echter liefde verwerven by den Heere, een goeden opganck by de vroome, een schrick

22

ocr page 342

\

338 TWIST DES HEEREN

selve by de Godtloose: en die u niet bemmnen willen, sullen n nochtans moeten vreesen. Herodes vreesde Jo-hannem, wetende dat hy een rechtveerdigh, en beyligh man was. Denckt dat gay voor de zielen waeckt, als die reeckensthap geven suit, dat de H iere gekeylight wil wesen iu da geene die tot hem naderen, en voor het aengesichte van alle het volck verheerlijckfc worden. Vergeeft mijn y ver in deese aenspraecke. De Reformatie most van u eerst beginnen. Broeders en Heeren, ick en sagh niet liever dan u ordre buy ten opspraeck, en 't geen daer aen ten grooten deele hanght, de Kercke in wel-stant. Och wel-stant! die we eerder wenschen, als vinden kunnen. Wat hapert'er over al niet al aen? En hoe seer zijnse bedroegen, die wanen dat het werck der reformatie airede soo verre gebracht is in de Practijcke, als het wel kan, en als het behoorde? Niet alleen dat, door der Leeraren versuimenisse; maer voornamelijk door de verstocktheyt, en ongehoor-saemheyt der Toehoorderen. Hoe veele vroome Predikanten die haer regtveerdige ziele quellen, om de grou-welen diese niet weeren en konnen, souden nu mogen klagen, datse ghesonden waren tot rebelleerende volcke-ren die teghen Godt rebelleeren, die hart van aengesichte en stijf van herte zijn ? Ja soo gaet het dickwils; 't is somwijlen of het volck geswoeren hadde, Aengaende het woordt, dat ghy ons tot ons in Heeren name ge-sproocken hebt; wy eu sullen na u niet hooren. 't Ont-sagh, de liefde, de eerbiedigheyt die men sijn Harderen schuldigh is, schijnt al in 't 7ergetolboek geraeckt te zijn. Ja daer zijnder die haer niet en schamen onder

ocr page 343

MKT SUN WIJNOAERT.

339

haer tulle broeders rondt uit segghen : Wy de Predikanten yetwes na de zin doen? Neen, wis niet. quot;Wat maeckt ghy met sulcke menschen ? Is iat niet Godt selfs, en sijn Heyligen dienst met voeten te treden; wat sal het eynde dan zijn? En dit sullen noch Gere-formeerde, noch Christenen weesen! Wat Koninck soud het verdragen moogen. dat sijn knechten soo schande-lijck en sniadelijck van sijn eygen onderdanen bejegent wierden? En meent ghy dat Godt sijn yver, sijnjaloers-heyt soo afgeleyt heeft, dat hy sulck een smaet hem selver in sijn af-gesanten aenghedaen niet wreecken en soud ? Alsoo houde ons een yder mensche als dienaers Christi en Uytdeelders der verborgentheden Godts, seyde Paulus van hem en sijn meede Leeraren: maer waer geschied dit schier? Soud men niet op veele plaetsen de woorden Godts tot Ezechiël aen de Predikanten ge-bruycken moogen? Ghy zijt haer als een liedt der minne, als eener die schoon van stemme is en wel speelt: Daerora hooren sy uwe woorden maer sy en doense niet. Ick en spreecke nu niet van die eere en liefde die men de persoonen van sijn Leeraren schuldigh is. Alhoewel oock te dien opsichte Godt so scherpelijck bevoolen heeft: Tastet mijne gesalfde niet aen en doet mijne Propheten geen quaet. En het is gewisselijck een soet bewijs van Godtvreesentheydt om Godts wille oock sijne Dienaers liefde en eerbiedigheydt toe te dragen. Ick nu u knecht, seyde Obadja tot Ellas, vreese den Heere van mijner jonckheyt op. En hoe bewees hy dat? Is mijnen Heere niet aengeseyt, vervolght hij, wat ick ghedaen hebbe, als Jesabel de Propheeten des Beeren

ocr page 344

TWIST DES HEKKEN

340

doodede, dat ick van de Propheten des Heeren hondert man hebbe verborghen, telcken vijftigh man in een speloncke, en die met Broodt en Water onderbouden hebbe? 1 Kon. XVIII: 12, 13. Dit hebben oock die gene erkent, die andersins de Politijcque Overheydt het oppergesach oock over Kerckelijcke saecken toeschrijven, en hebben de Hooghweerdigheydt van de Bedienaers des Heylighdoms hooger opgetrocken, als de knechten van den nedrigen Jezus misschien selve souden willen doen. Dus spreeckt er Ludovicus Molinceus „van. Hoe groot de Authoriteyt ende voortreffelijckheydt „van de Bedienaers des Euangeliums on van de mannen „die dat Heyligh amt waerneemen, zy, en met wat eere „sy bejegent moeten worden, dat leert de natuyre selfs „bij na, dat leeren de volkeren, bij welcke de Bedienaers „des Heylighdoms, na die mate in eere geweest zijn, na „dat de dienst Gods selve haer is te harten gegaen. „(Die de Goden ter goeder trouwe eert, bemint oock „sijne Priesteren, seydt Statius Papinianus,) dat leert „de Schriftuyre oock, alsse haer Engelen, Gesanten, „Medewerckers Gods, Uytdeylers van de verburgenthe-„den des Hemelschen Koninckrijcks, het licht der we-„reldt, en het soudt der aerde noemt: By welcke eernamen de Titels van de Hooghste Machten, van Keysers „en Koningen niet te passé komen: ghelijck oock niet „de Majesteyt, en macht der Princen, by de eere ende „macht van de Euangelische Harders. En daer na. „Seecker indien de Princen billijcke Oordeelers van „de saecken ende menschen waren, sy souden haer sel-„ven in weerdigheydt, plaetse, eere, en Order lager

ocr page 345

MET SUN WIJNGAERT.

„achten als do Dienaers des Goddelijcken Woordts.

Ick bebenne dat dit hoogh gaet: maer geen lager register treokt do wijitberoemtde de Prince

der Geleerden onser eeuwe, wanneer liy van de Bedie-ninge des Woordts aldus spreeckt. Sy gaet alle Burger-„lijcke Bedieninghen, en Machten soo verre te boven, „als een Kernels rijcke, een Weereldts rijcke overtreft, „als geestelijcke dingen boven tijdelijcke staen; Godde-„lijcke boven menschelijcke; eeuwige boven vergancke-„lijcke; het leven boven de dood; de Hemel boven de „Aerde; en eyndelijck soo veel Christus is boven Belial „Haer Overheydt is in dienst; haer weerdigheydt in „nedrigheydt, haer eere in last, haer Authoriteyt in „Heyligheydt des levens, haer Rechts-ploegingh in het „bestraffen der sonden, haer gebiedt in de Leere des „Goddelijcken woordts. Soo de Dienaers (Jhristi dit „hebben, soo sy dat ainpt weerdigh zijn, en haer plicht „doen, soo moeten sy hoocjer yeacht worden als de „Koningen der Aerde self's. Niet in eere noch macht: „maer in slagh van Bedieninge en de sorge der „sielen.

Ick verhale dit alleen om te betoonen wat eere ende agtinge die geleerde mannen gewilt hebben, dat de ordre der Predicanten toequam, alhoewel de gantsche weereldt wel weet, dat sy andersins de selve niet seer toegedaen geweest zijn. Maer 't ligt de trouwe Dienaers Christi daer niet, sy soecken niet de luyster van de werelt, veel min dat sy haer selve met een onverdraeg-gelijcke trots boven de Politijcke Overheeden in uytter-lijcke eere ende achtbaerheyt stellen souden. Mijnnent-

341

ocr page 346

TWIST DES HEEREN

halven betuyge ick oprechtelijk daer van vreemt te weesen, en ick vertrouw het alle andere getrouwe dienstknechten van den gekruysten Christus wel toe, dat het ten opsichte van haer selfs, hun niet veel scheelt hoe men het met haer maeckt, al moestense als uyt-vaeghsels der wereld t en aller af-schraepsel worden; wantse weten genoagh dat men also vervolght heeft de Propheeten, die voor haer gheweest zijn. Maer dat is al hare en mijnen bekommeringe, dat doch de eere van den Heyligen dienst ongheschent mochte blijven; en hare woorden op de Heylighe Schriften steunende aengenoomen worden, niet als der menscben woordt; maer ghelijck het waerlijck is, als Grodts woordt.

'tWas dettigh en statelijk van Calvinus geseyt, in de toeeygeninhge van dat kostelijcke boeck sijner In-stitutien aen de Fransche Koning. „Ons aengaende, „hoe arme en verachte rnenschjes dat we zijn, des zijn „wy ons selven seer wel bewust; voor God, namelijk, „arme Sondaers; in de oogen der menscben ten hoogh-„sten veracht: Afschrapsels ende uytvaegsels der we-„relt (so het u belieft) of soo der noch yet slechters „genoemt kan worden: In voegben datter niets overigh „is waer op wy by Godt roemen souden, als sijne Barm-„hertigheydt alleen, waer door wy, sonder eenighe onse „verdienste, tot de hoope der saligheyt aengenoomen „zijn: En by de menscben niet veel als onse swack-„heydt, welcke met een wenck sleghs belijden by haer „de grootste schande is. Maer onse leere moet boven „alle eere des Werelds, hoog; boven alle macht, onwin-„baer staen: om datse de onse niet en is, maer die

342

ocr page 347

MET SUN WIJNGAERT.

„van den levendiglien Godt, en van Christus, welcken „de Vader tot Koninck gestelt heeft, op dat by heersche „van Zee tot 7^, pti van de E'vieren tot aen de eyn-„den des aertbodoms. En wel soo heersche, dat by de „aerde met baer koperen en yseren sterckte, met baer „gouden ende silveren glans, door de roede sijnes „rnondts alleen aen stucken sla, min noch meer dan „of het pottebackera vaten waren; ghelijck de Pro-„pheeten van de Heerlijckheyt sijnes rijoks voorseyt „hebben.quot;

Voor de eere van die Leere spreek ik alleen, en ick beklaghe dat die soo weynigh gesagh, gehoor, gehoor-saemheyt bij den voicke vindt. Soo lang als de luyden yets toe ghepredickt wordt, dat met haer humeur wel over een komt, soo gaet het wol. Maer tast men haer-». beminde, haer troetelsonde eens aen, sprecukt men tot Herodes eens van Herodias: neen, daer handen af. Dats een kruitje raeckt. me niet. Zond ick nu eens voort-gaen in 't besonder, en de dertelheydt van de rijcke; de wrevel van de arme, de ondanckbaerheydt neffens haer weldoenders; de ongerechtigheydt van de Kooplieden ; de leugheaachtigheyt der Ambachtslieden en winkeliers; de over gegeven aerdsheyt der Huyslieden; de gebreeken, ja stoute sonden van alle op papier setten; wanneer soud ick ghedaen hebben ? Ick wil geen vroo-me bekladden die Godt onder alle heeft. Maer spreecke van de gemeene gangh, en segge te dien op-sichte dat alle vlees sijnen weg bedurven heeft. So wassender stinckende druyvon, aen allerley tacken van onse Ne-derlantsche Wijngaert

343

ocr page 348

\

344 TWIST DES HEERKN

CAP. XXIV.

Bewijs dat de sonden onder ons, jae over ons heerschen, door dien men de hcslraffinge niet verdragen kan, by weleke geleegentheyt eenige grouwelijke Maximes van sommige 1'nlitijrke Flattems worden over-gehaelt, niet een beweoglijcke aenspraeck aen de Overheyt, om de Dienaers Gods, oock in dit stuck van haer ampt, tc maintineren.

Men bedrijft nn niet alleen de sonden in ons land: maer dat een ba wijs is van een al te geslagen godloosheydt, men mag niet lijden dat men daer om bestraft wordt; men woet, men tiert daer tegen aen; men soud ik en weete niet wat bergen al verzetten willen, wanneer Godts Dienaers haer ampt betrachtende, de grouwel van haer ongerechtigheden de Son-daren eens voorstellen. Dat is een bysondere trap van boosheyt, met ongedeckten hoofde het quaet te doen, en dan noch niet te mooghen lijden, dat het ons ge-seydt worde: wanneer als de sonden krijten, en schreeuwen in den Hemel om wraken, en Godt selfs van boven toorn en verbolgentheyt roept, dan noch te willen hebben, dat onse wachters stomme honden souden zijn, die niet blaöen en kunnen. Maer soo sy sweeghen, souden niet de steenen uyt de straet roepen? Zoo de honden, die tot bewaringe van heten bedrijft nn niet alleen de sonden in ons land: maer dat een ba wijs is van een al te geslagen godloosheydt, men mag niet lijden dat men daer om bestraft wordt; men woet, men tiert daer tegen aen; men soud ik en weete niet wat bergen al verzetten willen, wanneer Godts Dienaers haer ampt betrachtende, de grouwel van haer ongerechtigheden de Son-daren eens voorstellen. Dat is een bysondere trap van boosheyt, met ongedeckten hoofde het quaet te doen, en dan noch niet te mooghen lijden, dat het ons ge-seydt worde: wanneer als de sonden krijten, en schreeuwen in den Hemel om wraken, en Godt selfs van boven toorn en verbolgentheyt roept, dan noch te willen hebben, dat onse wachters stomme honden souden zijn, die niet blaöen en kunnen. Maer soo sy sweeghen, souden niet de steenen uyt de straet roepen? Zoo de honden, die tot bewaringe van het Capitolium waken moeten, in slaep vielen; souden niet de gansen door haer queecken, het selve trachten te behouden'? Bedroefde eeuwe! daer soo verre de Satan op den Throon sit, dat het volck niet lijden en mach, dat men hem wedersta. Soo heeft die Bedriegelijke kromme slomme Slanghe de meeste menichte betoovert, dat se om een valsche vreede en gherustheyt te behouden, de ont-rustinge van de sonde en de Sondaers vyand zijn. Daer

ocr page 349

MET SUN WIJNGAERT.

345

zijn'er misschien die het voor Liefde-loosheydt opnee-men, de wereldt in deese laetste dagen haer liefde-loosheyt te verwijten: en die het voor gebreck van goedaerdigheyt achten, te seggen dat de werelt in het boose licht.. Daer zijn'er eyndelijck die soo goedt, soo soet, soo vreedsaem van inborst wesen willen, datse geen ernst noch hardigheyt tegen het qnade ende de quaden verdragen konnen, noch het rijcke des Duyvels gestoort willen hebben, dat soo veel steurnisse aen brenght aen het Rijcke Gods. In der daet seeckere verkeerde Grondt-Regels van een Vleeschelijcke ende Valsche vreede hebben by kans alom me de overhandt genomen, en de vreese van eenigh gherncht te maken is oorsaeck dat men den üuyvel selfs in vrede laet. En in der waerheyt men doet weynigh om hom af-breuck te doen. Men laet hem vryelijk heerschen, son-, der hem sijn Throon te bedisputeren, en men is soo vleesselijk goedertieren, dat men de sonde ende het verdurven vlees alles te goeden houd, en, hoe bont en bout sy het maken, alles van haer sonder tegen-segh verdraeght. De Satan richt vast alom oneyndige verwoelingen en verwoestinghen aen; doch om vrede te behouden ruymt men hem het velt in, en wijckt uyt de plaetse. Zijn'er sommige die dat niet konnende verdragen, ontwaken als een helt Ephraims, en den yver aentrecken als een Pantsier, en selfs tegen de alder-veruielende vyant te velde komende, andere oock ter wapenen roepen, en de Basuyne blasende de slapende Stadt aen 't waecken wille helpen ; haer danck is enckel ondanck. Het sorgheloose Lais soude haer wel voor

ocr page 350

TWIST DES HEEREN

346

Verstoorders van de Algemeyne Ruste uytbrijten, en de Satan snorckt haer, uyt de mondt van sijn inslaep ghetooverde Slaven toe: „Wat hebben wy met u te doen, zijt gy hier ghekomen om ons te pijnighenvoor da tijdt?quot; Matt. VTII: 29. Soo „haten sy nu in de poorte den geenen die bestraft, en hebben een grouwel van dien die oprechtelijck spreeckt.quot; Dat heet nu by wetteloose, maer veel meer Euangeliloose mensche. Wet preecken; 't welck sy meenen dat in de daghen van het Euangelium onbehoorlijok is. Ellendighe Theologie l nieuwers beter toestreckende, als om de menschen van de kennisse van haer ellendigheyt, en alsoo van Christus, en haer eeuwige vertroostinge af te houden. Sal dan den armen Patient niet sijn genesen worden, als men maer besig is met lappen en pappen ? daer die al-wijse Heelmeester van Sion roept Ura, seca: brandt, kerft, en set het besmette lidt af, op dat die kancker niet voort en eete. Is dan niet het verderf van een mensche seecker, wanneer hy in een grondeloose vloet, of in een onlesbaren gloet legghendt, niet verdragen en kan, dat men hem by het hair, of by de beenen rucke, maer juyst wil dat men hem wel sagjes en propertjes by de kleeren daer uyt trecken sal ? Men seylt al vast ruymschoots na de Helle toe: en, armen mensch! moet men het u noch niet seggen ? Neen, men moet het niet segghen. Wat de luyden hooren willen, dat mooghense altoos niet hooren, datse Sondaers zijn. Met belofteu, met dreygementen, allesins soeckt men haer de mont toe te houden. „Ghy lieden hebt do Nazireën wijn te drincken gegeven; ende ghy hebt de Prophe-

ocr page 351

MET SUN WIJNOAERT.

347

ten geboden, seggende, gy en zult niet propheteeren.quot; quot;Willen somTnighe haer conbcientie quijtten, en 't zy dat haer volck heit hooren, 't zy datse het laten stillen, evenwel het hare doen ; men eoud de soodanighe schier een proces aen den halse hangen, en haer slepen voor de wereltscho Vierschare. Belagchelijcke dwaesheyt! Als of ghy een Ambassadeur van een Koningh, om het geen hy in sijns Koninghs naem geseyt hadde, voor de Scheepens van uw' dorp te rechte riept. Soder nu eens yemant opstont, die in 't midden van de raet eens sprack, gelijck Calvinis, van Straetsburg wederom tot Geneve geroepen zijnde/ den Raedt aldaer aensprack, „Wilt ghy my in uw' stad hebben sluyt'er de sonden „uyt. Hebt ghy my ter goeder trouwe uyt mijn bal-„linghschap herroepen, soo ban de grouwelstucken. lok „en kan doch niet binnen uwe Vesten te ghelijck met „de selven woonen; Met een ongetemde stoutigheydt, „met een vervallene disijiplijn, met een vyrigheydt en „onghestraftheydt van quaet doen, 't welk daer door te „meerder kragt krijgt, en kan ick niet te samen huys „houden. De suyvere G-odtsdienst, die ick predike, „wordt met schelmstucken al te seer besmet. Het le-„ven der Christenen met grouwelen bevleckt, is Christo „te schandelijck. Deese reecken ik de doodt vyanden „des Evangeliums te zijn; niet de paus, niet de Ketters, „niet de Bedriegers, niet de Tyrannen; want deese alle „woeden buyten de Kercke, maer wellustigheydt, maer „dronckenschap, maer sotte overdaet, en-meyn-eedig-„heydt, en Godtslasteringhen, en soodanighe dinghen, „die van binnen de Kercke haer eere verduysteren; en

ocr page 352

TWIST DES HEEREN

„mijn Leere door haer leelijcklieyt (voorwaer een seer „moeyelijcke bewijs reden) wederleggen. lok vrees soo „veel niet voor Romen noch voor de Heyrleghers der „Munnicken, noch voor de poorten der Helle, noch voor „de machten in de lucht, teghen de welcke ick gheduy-„righ te strijden hebbe; als ick wel vrees, voor de aerd-„sche wellusten, voor de Kroeghen, voor de Hoer-huysen „voor het dobbelen, voor de over-blijfselen van de oude „superstitie, rechte oneere voor uwe Stadt, ende schant-„vlecken van de Gereformeerde name; quot;Want wat baet „het de wolven te weeren, soo de kudde door een be-„smettelijcke seerigheyt vast opgegeeten wordt? Wat „helpt een deel gheloove sonder goede werken? Wat „beet de Waerheyt selfs, soose door het quaet leeven, „en onreyne seeden, als door een gheduyrighe leugen, „wederleyt wordt ? Of jaegh my uit uw' Stadt, en sent „my weer in ballingschap? of maeck strenge wetten „omtrent de Kercke, recht een Heiliger disciplijn op, „en van die pesten der sonde, en stootse uyt, ver buy-„ten uwe wallen, buyten uwe Jurisdictie.

Indiender, seg ick, eens weer soo een Calvinus verrees, die de Magisstraten der Steden, die het volck soo aenspraeck, hoe bly souden sommige wesen, dat se hem so op sijn eigen segghen mochten quyt raec-ken ? Quam er eens weer een Chrysostomus voor den dagh, die de Keyserin Eudexia, om haer toneel-speelen dicht by de Predickplaes gehouden, soo vrymoedelijk bestrafte, haer daerom vergelijckende bij Herodias, en predikende, nu begint Herodias weer te rasen; 't soud hem licht nu gaen, als het doe deed, dat het hem sijn

348

ocr page 353

MET SUN WIJNGAKRT.

ampfc en Vaderlaudt koste. Soo seecker is dat oude spreekwoord: Ob 'sequium amicos, Veritas odium parit. Believen maeckt vriendschap: maer de waerheyt baert haefc.

En insonderheyt heeft dit plaets omtrent de rijcke, groote, machtige en die in aerdsche boosheyt gestelt zijn, die niet gewoon zijnde de naeckte waerheyt te hooren, oock al te kleinseerigh gheworden zijn om de selve te verdragen, 't Is, meenense, strijdigh teghen haer wijsheyt, de waen van deughtsaemheyt, waer mede men haer doorgaens pluymstrijkt, dat yemandt van minder aensien in de werelt bestaen sonde haer doen te ondersoecken, van do Letaemlijckheyt des selven te oordeelen, en de onbetaemlijkheyt daar van aen te wijsen, 't quot;VVort opgenomen als een schandelijcke moeial-Hgheyt van de Dienaers Gods, haer insteeckende in het gheene waer toe sy niet gheroepen zijn. Hetstaet, wa-nense, aen de vryheidt der grooten, niet alleen alles te doen wat sy willen, maer oock andere, oock de Dienaers Gods, voor te schrijven wat sy daer van oordeelen en seggen sullen. Als een Propheet ujt Gods name den Koningh Amazia bestrafte, dreef men hem wel spijtighlijck toe: Heeft men n tot des Koninghs Raedt-gever ghestelt? En als Amos insgelijks sijn plichten Gods bevel naquam omtrent Jeróbeam de Koning Israels; voer een ander Amazia Priester te Bet-El in arren moede dus teghen hem uyt: Ghy siender, gaet wegh vliedt in 't Landt van Juda, en eet aldaer Broodt, en Propheteert aldaer; Maer te Bet-El en suit ghy voortaen niet meer Propheteren. Want dat is des Koninghs

349

ocr page 354

TWIST DES HEEREN

Heylighdom, en dat is het huys des Köninckrijcks. Het dacht die Hoofsche Been-opspringher onverdraeghlijck te weesen, dab een, dio vau achter de kudden en van het afleesen der wilde vyghen ghenoomen was, den Koningh soo dorst aantasten, en daerom wilde hy sulk een man wegh, uyt het landt en uyt de Stadt hebben, en bedroegh hem by de Koringh als een Mutyn, en oproermaker: Ja het scheelde niet veel of hy soude het voor een Crimen van ghequetste Majesteyt uytghe-maeckt hebben, dat yemandt sich verstoute in en van des Koninghs Heylighdom, en het Huys des Konincks yets quaets te seggen.

Soo deerlijck een verval is van overlanghe in de Kerken van Duytslandt al ingesloopen, daer de Politijquen. sich in plaetse van de Paus stellende, gheen behoorlijcke vermaninghen, noch bestraffinghen van de Dienaers Godts wilden plaetse geven. Hier hebben de voortreffelijkste Grods-geleerden erbarmelijk over geklaeght. Die goede Olevianus, welcke beneffens Ursinus de Au-theur van onse Heidelbergsche Catechismus is, daer van schrijvende aan seecker opsiender van de Doheemsche Broederen, seyde: Seecker als ick de droevighe toestandt van de Gereformeerde Kercken in Duytslandt aensie, soo wordt ick gheheel verschrickt. Ick sie dat de Politien Herberghen gheweest zijn voor de Kereke, maer nu worden op veel plaetse de Herbergen verandert in Heerschappyen, soo datse vryelijck over de Kercken, en selfs over de Hemelsche leere, heerschen. Wigandus, een ander Duyts Theologant, in een expres boeck dat hy geschreeven heeft, dc Bonis amp; rnalis Oer-

360

ocr page 355

MET SUN WIJNGAERT.

manis, van Duitslandfc goedt, ende quaet kom noch wat nader, en stelt onder die quaden, het dertiende in orde CiESAREOPAPATüM, dat is een Politijcq Pausdom, „waer door hy seydt, dat de Wijngaert Cltrisli vernielt, „en de Kerkelijcke ANTICHRIST in een Politijqiie verandert wordt. Hy klaeght daer dat sommige van de Po-„litijcque Heeren haer eene voet hoveerdighlick in de „kerck setten, die na haar wel ghevallen regeeren, de Be-„dienaers des Woords niet alleen tot kussens, maer oock „tot enckele voetbancken van haer voeten maecken „willen: gheboden maecken en uytgheven, in weloke „voorgheschreven word; Hoe en hoe verre de Dienaers „des Woords de dwalinghen en de sonde berispen moe-„ten: Dat sy de sonden der menschen, hoe schande-„lijck sy op dit eynde des Wereldts oock zijn, alleen-„lijck in 't ghemeen sullen aenroeren, op dat niemant „mercken kan dat hy geraeckt wordt, en dat hy in het „by sonder sich te verbeeteren hebbe.

Niet alleen is dat van outs soo gheweest, maer oock heden ten dage klagen daer niet de Gereformeerde alleen, maer oock de Lutherse Theologanten over, die anders bis by de politij cquen vry meerder gesach hebben. Daer is seecker Johan- Valeniinus Andreoi voor-naem Luthers Theologant te Tubingen, die in den jaere 1642 in sijn gespreeck van inhuldingh, treffelijck dit Politijcque beschreven heeft, verhalende hoe dat „Lutherus door een Goddelijcke Greest en kracht het „Kerckelijck Pausdom over de Keysers en Koningen „en alle macht der overheyt om verre ghestooten; de rechten, weerdigheden en de Kroonen met haer Scep-

351

ocr page 356

• quot; ■ M -IIL - in linn mi I

352 TWIST DES HEERKN

„ters in vryheyfc gestelt, en met de macht des Godde-„lijken Woordts ondersteunt heeft. Maer datde Duyvel „siende, hoe door de vryheyt der Magistraten de fondamenten van sijn rijck aen 't waggelen geraekt waren, „van ghewelt tot kunsten en streecken ghekomen is, „en onderleggende 't geen niemant vreesde (voorwaer „een slechte vergeldinge voor soo groot een weldaed) „in plaetse van een Kerckelijck Pausdom een Politije „Pausdom heeft inghevoert. en de Kercke Christi „(nieuwelinghs en nauwlijks uyt den Roomschen Ker-„cker gekomen zijnde) opgedronghen. En vraeght ghy wat dat Politijcque pausdom is ? Hy beschrijft het met de woorden van een Conradus Schlisselherg, een ander voornaem Theologant, 't Is, seydt die, „een verwerringe van de Kerckelijcke en Politijcque macht, waer door de Heeren Politijcquen in de Hoven en de Steden, onder voorwendtsel van beyde de tafelen te bewaren, het gheestelijcke sweert aen haer 'trecken, en sich tot Heeren stellen over de Kercke en Bedieninge des quot;Woordts: voorschrijvende nieuwe, ghevaerlijcke, dub-belsinnighe, en teghen Godts Woordt strijdende, formulieren van verbintenisse, of voorschriftjes van leeren, bidden; de Predicatien te schicken, de Magistraet te eeren, de sonden en dwatinghen te bestraffen, do Sacramenten ep de sleutels te bedienen en soo voort. Alles te dien eynde, op dat sy niet van de Geest Godts door Ghetrouwe Predicanten berispt, en dat de Potitijcque Vreede (na haer meeninghe) bewaert soude worden.

En dit selve souden eenighe snoode en laffe Plat-

:; V

ocr page 357

MET SUN WIJNGAERT.

tears de Achtbare Overheden van ons lieve Vaderlandt oock wel willen diet^ maken, datse om haer opper-hoofdigheyt te beschermen niet mosten toestaen van enig mensche bestraft te worden, wat sy oock deeden; dat het aen haer staet voor te schrijven, wat elck segghen en prediken sal: dat haer wille de regel is van alle billijckheyt. In somma men verheft de selve hooger als de Paepsche Pluymstrijckers ooyt haer Paus ghedaen hebben, welckers fauten geen mensche onderneemt te bestraffen, al was het dat hy heele troepen oneyndighe volckeren na de eerste slave der Helle toesleepte: want hy alleen oordeelt alle, en moet van niemant geoordeelt worden. Soo spreeckt het Roomsche recht daer van. Nauwelijcks geloofde ick mijn eyghen oogen als ick die onsinnige flatteryen, en grouwelijcke Staetregels eerst las, die ick mijnnen leeser nu ga mededeylen. Daer is een die sich niet en schaemt te schrijven, dat de plichten van de liefde die een onder-daen aen sijn naesten schuldigh is, uyt kracht nament-lijck van Gods gebodt en van de Wet der natuyre (want waer komt anders die verplichtinge van daen?) niet mogen werden geoefent, dan daer sy volgens het oordeel, ofte de weA des Souverains, voordeel en geen schade doen. Door die onderdanen verstaet hy de Pu-blijcke Leeraers mede, oock ten aensien van haer ampt, 't welk hy wil dat sy niet anders als uyt namen van de Politijcque overheyt bedienen. En door die plichten van liefde meent hy het bestraffen, onderrichten, en tot beter sinnen brengen. Want soo vervolght sijn Discours. En voor waer in soo een gheval sijn naesten

23

3B3

ocr page 358

TWIST DES HEEBEN

354

tot een beter oordeel (N.B.) en meerder deught te wil-lec brenghen, is buyten alle twijfel een onghehoorsaem-heydt .... En in allen geval is waerachtigh dat dit ghevoelen, van sijn naesten te willen onderrighten, in maniere aan Godtsdienst, teghen het verbodt van sijn Overheyt, een Oproerig he opinie is: die door de Over-heydt met recht en reede macli en behoorde ghestraft te worden. Soo waren dan de eerste Christenen, en de Apostelen onses Salighmaeckers selve, in het Joodsche landt, of onder de regeringe van de Heydensche Key-sers, en daer na de trouwe Leeraers onder de Arri-aensche en Kettersche Keysers, en alle de Reformateurs die dat werck begonnen onder een Paepsche Overheit, kort om alle de Martelaren en bloetgetuygen Jesu, die in spijt der Tyrannen de heylighe waerheydt _ belijden en daer voor spreecken wilden, die alle waren maer een deel Mutins en oproermaeckers, die de Over-heydt met recht en met reden mochte ja behoorde te straffen: en haer religie, die dat meede bracht, datse de Goddelijke waerheyt prediken mosten op de daec-ken, in weerwil van alle macht des Werelts en der Helle, was maer muiterye en oproer, weerdigh om tegen ghegaen en gedempt te worden. Soo hebben dan de Heydensche Keysers gelijck gehadt als sy de namen der Christenen sochten uyt te roeyen als verstoorders van het gemeene beste. Ziet waer toe wy vervallen! Maer hoort noch verder. Nadetnael het publijck Oordeel wat goedt en quaed zy alleen de Overheyt toekomt , . . . soo komt haer oock toe te oordeelen of haer wetten tegen Godts gebodt strijden ot niet (geen Ker-

ocr page 359

MET SUN WIJNÖAEamp;T.

366

ckelijck persoon of vergaderinglie onderwinde sig dan uyt Gods woordt yet daer van te seggen hoe klaer de saecke oock weesen mochte) en over snicks en kan een onderdaen van sijne schuldighe gehoorsaemlieyt niet ontlast worden, als door een ■particuliere revelatie van Godt. Hoedanige nu geen plaetse hebbende, soo magh niemand na die stellinge, nu oyt tot de Over-heydt seggen hoe bont sy het oock maecke, qualijck doet ghy. Maer ingevalle nu iemant sulk een particuliere Revelatie en klaer gebod des Almachtig en Godts hadde, om teghen het ghebodt der Overheydt sijn naesten te onderrichten: hoe moet sig dan soodanigh een persoon, hoe moet sich de Overheyt in sulk gewricht van saken dragen? Dat leeren u de volgende woorden. Het is waerachtigh dat yemandt, die gelooft de eeuwige saligheyt te sullen missen, ten zy hy sijn naesten onderrechte, het selve doen moet: MAER HET IS ALSO O WAERACHTIGH, dat de Overheydt gelooende sodanige Leeraers als oproerige te moeten straffen om van God ongestraft te blijven, die straffen ook moet oefenen. Laet ons een exempel stellen 't welck de saecke sal klaer maecken. De Joodsche raet hadden Petro en Johanni scherpelijck ghedreyght en aengeseyt, datse ganschelijck niet en souden spreec-ken noch leeren in den name Jesu. Dat ghebod in sich selfs aengemerckt zijnde was na deese Schrijvers me-ninge niet quaet, en niemant van de Onderdanen mocht daer tegen doen: Want, seyt hy, dewijle aen de Overheyt alle publijck Recht, en macht om haer Onderdanen te gebieden, te raden, te onderwijsen, ende te doen

ocr page 360

356 TWIST DES HEEREN

raden ofte te leeren toekomt, soo en is hun (te weten de onderdanen) geen macht noch recht overgebleeven. Juist wasser dit teghen dat de Apostelen een immediate en Particuliere Revelatie van Godt hadden, om onaen-gesien alle wederstant het Euangelium opentlijck te verkondighen. Was het een Timotheus of Titus of ander Euangelist gheweest, die misschien sulk een immediate Revelatie niet en hadden, die soude dit ver-bodt hebben moeten ghehoorsamen, en stille swijgen van de name Jesu, of hy soude sich aen wederspan-nigheyt en oproer schuldigh ghemaeckt hebben. En schoon hy meende uyt den Woord e Godts klaerlijck te konnen bewijsen, dat het geloove in Jesus als in de Messias de eenigste wegh der Saligheyt is, die der-halven alomme geleert moest worden; dat en soude hem in 't minst niet baten; Want het staet niet aen hem, maer aen de Overheydt te oordeelen, of haer wet teghen Godts ghebodt strijdt of niet. Sijn Opinie is een oproerige opinie, en hy moet als een Oproer-inaecker gestraft worden. Maer de Apostelen, een by-sonder uytgedruckt ghebodt van Godt ontfangen hebbende, deeden wel, datse antwoorden: wy en konnen niet nalaten te spreecken 't geene wy ghesien en ghe-hoort hebben. Want het is kennelijck dat men Godt boven alle gehoorsamen moet. Doch de Joodsche Reet oordeelende, dat sulck een antwoordt en sulck doen, tot ontrustinge van haer staet in 't Politijcque ende Kerckelijcke streckte, deeden alsoo wel als de Apostelen, dat sy haer, als oproermaeckers, louter afgeeselden, en het was ruym slap genoegh van Gamaniel, als hy de

ocr page 361

MET SUN WIJNOAEBT. 3B7

gt;

Raet -om sette, die anders geneegen was om haer te dooden. Dus verstaet het deese man: dat is sijn mee-ninghe in een Exempel verklaert. En dit sal noch een Christen heten! Foey dier grouwelijcke Maximes! Dus getuygen dese lieden teghen haer selven dat se kinderen zijn der geener die de Propheten ghedoodet hebben, ende vervullen de mate harer Vaderen. Maer wilt ghy, Leeser, noch een stuckje hebben, dat alsoo verfoeyelijck is? Ick sal het u toonen. Daer is seecker vermomt Schrijver, sich billijk sijnes naems schamende, die in den jare 1665 een Dullemans Boeck in 't Latijn heeft uytgegeeven do Jure Ecdesiasticorum. Deseseyt tot besluyt van dat Schoone werek, dat de Burgers (waer onder hy oock de Kerckelijcke persoenen en vergaderinghen begrijpt p. 75.) daer uyt leoren sullen, dat de Vice-Goden (soo noemt hy met een nieuwe term de Overheden) ALLES GEOOELOFT IS, maer dat haer, namentlijck de Burgers, recht-weegen NIETS geoorloft is. En soo sullen sy Godt Almachtigh, selfs in sijn Vice-Goden, (in welcke het beeldt sijner God-delijcker Majesteyt op het alderklaerste ghesien en ghetoont word) in alles en door alles gehoorsamen, ge-loovende dat sy God Almachtigh dan eerst recht dienen, en dat sy hem niet , beter in een Burgerlijcke staet, of in een Stadt, dienen konnen. Dat is voorwaar yets singuliers, en 't geene het Christendom tot noch toe niet gheweeten heeft, dat dit de beste Godsdienst is, met een blinde Gehoorsaemheyt, in alles, de Overheden, aen welcke alles cjeoorloft is, sijn selve te onderwerpen. Dat is de Overheden niet tot Pro Deos, maer

ocr page 362

3B8 TWIST DES HEEREN

•

tot Anti Deos (op dat iok so spreeke) te maken, die haer selven een onbepaelde macht souden aanmatigen welcke niemant als den Opper God toekomt. En sulck een onbepaelde macht geeft deese Man sijn Vice-G-oden, zeggende, p. 104. Jus amp; Potestas, quidvis pro arhilrio voluntatis faciendi, Prodeorum tantum est. Niet alleen de Macht, maer oock het recht om alles na sijn welgevallen te doen komt alleen de Vice Goden toe. (Alhoewel de laetste Koningh van Engelandt in een gespreek tot het Parlement Anno 1628 seer wel seyde, dat de oppermacht van een Koningh gelegen was in 't beschermen van de Privilegien sijner onderdanen.) En daer op bouwt hy het Recht dat de Magistraet heeft, om de Bedieninge des Woords, Eum modum ponere, amp; eos fines dare, puam, quos que vilint: Die mate en die eyndtpalen te stellen die het haer goedt dunckt. quot;Waer door dan do Bedienaers des Woordts al het oordeel, en vervolgens oock al het aenwijsen der fauten in eenigh doen van de Overheyt, ontnomen wort. Sy hebben maer te ghehoorsamen, en nimmermeer te ondersoecken, hoe verre men gehoorsamen moet. Ja het komt met de Reden meer over een, te geloo-ven dat elck Burger, als dat de Kerckelijcke meer als andere Burgers, bevoeght souden zijn tot dit onder-soeck hoe verre men gehoorsamen moet. Hier komt al deese toestel op uyt, om de Overheden, in al haer doen, boven alle aenspraeck, vermaninge, en bestraf-finge te stellen; en de Dienaers G-odts, als Creaturen van de Overheyt soo te Muyl-banden datse niet een quot;Woordtje als na het voorschrift van de menschen spre-

ocr page 363

MET SUN WIJNGAERT.

359

ken mogen, of se maecken haer schuldigh aen weder-spannigheyfc en oproer. Ja al hadde yemant eenighe bysondere openbaringen uyt den Hemel, gelijck de Propheten eertijds gehadt hebben, so soude hy evenwel de selve aen andere niet mogen leeren, al was 'er anders noch soo veel aengeleegen, sonder consent van de Overheyt. Quorum permissu solo, nee aliter, Civïbus quicquam Juris acquiritur, aut acquiripotest, Divinas Patsfactiones aliis Civibus anuntiandi. Door welckers toelatinghe allen, en anders niet, de Burgers eenigh reebt krijghen, om de openbaringhen Godts aen andere Burghers te verkondigen. Maer of nu yemandt by die Goddelijcke openbaringen ook van' Grodt een expres bevel gekregen hat om de selve immers te verkondigen? Hij moet dat bevel klaerlijck doen blijeken, Ut de eo prodüs liquida cons tare possit. Op dab de Vice-Goden klaerlijck dat kennen moogen. 't Welck de Pro-pheten doorgaens onmogelijck is geweest om te doen, die geen ander blijck konden bybrengen als dit waer-achtigh seggen : Het quot;Woordt des Heeren is tot my geschiet. Weet ymant nu geen ander blijck te brenghen waer door de Vice-Goden verseeckert worden, Quamvis cliam quis forte anuntiare jussus sit, Raioni Naturali sive Deo per earn imperanti nihil ad ver si commitereni, sed etiam pie reeteque anunciationes prohiberent. Al hadde moogelijck ymandt een Goddelijck bevel om yets te verkondigen, soo soude evenwel de Overheydt niet teghen de Natuyrlijcke Reden doen, of teghen Godt die door de Natuyrlijcke Reden regeert, ja maer sy soude Godtvruchtigh en weldoen, als sy sulcke ver-

ocr page 364

TWIST DES HEKREN

360

kondinghe verbood. Doch moet ick verder aanhouden. Neemt dat ymant een bevel van Godt hadde om yets te verkondigen: Neemt oock dat de Overheyt van zulk Goddelijck bevel aen die man gedaen overtuygt en verseeckert ware, soude hy dan vryicbeydt hebben, om die last hem van Godt gegeven alomme en sonderbe-palinge uyt te voeren? Neen hy doch niet. Podiis Jus jussum Divinum interpretavdi competis. Het staetaen de Vice-Goden om Godts bevel, aen deese man gedaen, uyt te leggen, en te bepalen hoe verre het sich uyt-streckt, en op wat maniere dat het uytghevoert moet worden. Vergeef my, Leeser, dat ick u het hoofd breeck met soo veel Latijn. Ick vreesde geen geloof te sullen vinden, als ick seyde dat yemant in ons Vaderland sulke ongerijmde dingen konde uytstaen, ten zy ick tel ekens sijn eygen woorden daer by sette. En ick bidde den taelkundighen Leeser om dit boeckje eens na te sien, soo het hem niet al te verdrietigh soude vallen, om soo veel bladeren, daer noch stijl noch sin in is, door te leesen. Maer wat dunckt de Christen-quot;Wereldt uyt het voor-verhaelde ? Indien deese menschen ten tijde der Propheten en Apostelen geleeft hadden, die niet van de Vice-Goden op der Aerden, maer van den Opper-Godt des Hemels haer commisse quaemen halen, en de selve met alle vrymoedigheyt, sonder eeni-ge interpretatie der Vice-Goden te versoecken en te verwachten, oock tegen haer danck, in het werek stelden; souden sy niet, meent ghy, de Propheeten en Apostelen als Rebellen, en Oproermaeckers op het lijf gevallen, en, soo het in haer vermooghen gheweest

ocr page 365

MET SUN WIJNGAERT.

ware, ten lande uytgliejaeght, of misschien wel met een wreede doodt ghestraft hebben? En wat souden de trouwe Dienaers Godts niet te verwachten hebben, indien Steden en landen na sulcke grouwelijcke maximes geregeert wierden?

Op deese selve trant gaet noch een ander deuntje, dat yemant in een Blauw Boekje geflanst heeft. Het is waer dat geen Predicant of eenige ander ingeseeten, een Magisstraet als Magisstraat, immermeer by eenige geleegentheydt, over consenten, en de Resolution, 'tzy billijcke of onbillicke, vermag te taxeren, berispen, of teghenspreecken, NIET MEERDER ALS EEN SCHEPSEL HEM VERMAGH TE STELLEN TEGEN SYN SCHEPPER.

Schrickelijcke Godslasteringhe! Indien een Magisstraet consent droegh, dat eenighe Indianen in ons Va-derlandt een Tempel voor den Duyvel quamen bouwen: Indien een Magisstraet resolveerde haer onderdanen te ghelasten, datse eenige tijdt gheen gebeeden tot Godt souden doen, gelijck Darius eens deede ten tijde van Daniel, en gelijck van seecker Christen-Koniugh ver-haelt wordt dat hy eenigh onghemack door Godts bestel gheleeden hebbende, swoer sich daer van te sullen wreeken, en gelaste de sijne, datse in tien jaer God niet aenbidden noch van hem spreecken souden. Indien de Magisstraat gheboodt dat de Kercken weer met beelden voorsien souden worden, en dat de Predikanten, in plaetse van te Prediken, een fomulier uyt een boeck, 't welck een Secretaris na sijn begrijp toe-gestelt hadde, slechts leesen souden, gelijck die vleesse-

361

ocr page 366

TWIST DES HEEBEN

lijke en Wereltsche Bisschoppen in Engelandt hetsoo hebben wilden; soude in sulck een geval geen Predikant, noch in 't bysonder, noch in 't openbaer, moogen seggen dat dat qualijck was? Neen, seydt deese .FZai-teur. Geen consent, geen resolutie van de Magisstraet: al wasse noch soo onbillijck, raagh immermeer of by eenige gelegentheyt berispt en tegengesproocken worden : van niemant niet, 't zy gemeen Burger, 't zy Predikant. Haer is niet meer als de eere en glorie van gehoorsaemheydt overghelaten. En daer op past hy Godtslasterlijk de spreuke 1 Sam. XV : 22, 23. Gehoor-saemheyt is meer als offerhande, wederspannigheyt is eene sonde van Toverye, ende wederstreeven afgoderije en Beeldendienst. Maer hij schijnt vergheten te hebben dat een Ingeseeten, deeso woorden sprack teghen sijn Souverain, den selven taxerende, berispende, en tegenspreeckende, over een Resolutie die de Souverain seyde met goeder insichte ghenoomen te hebben.

Sulcke grouwelijcke en lasterlijcke Gront-Regels daer alle vroome Regenten selve een afkeer van hebben, soecken eenighe vuyle Pluymstrijckers de Hooghe en subalterne Overheyt onses Vaderlandts in te boesemen ; alsof de Voorvaderen haer eygen macht noch gekent noch gebruykt hadden, wanneer sy de Bedienaars des Woordts aennamen als Dienaers Godts, en ghesanten van Christi weeghen, en het woordt van haer Eerbie-dighe, doch niet te min vrymoedighe, vermaninghe en bestraffinge, met gehoorsaemheyt des geloofs ontfinghen, niet als eenes menschen quot;Woordt, maer als het woordt

362

ocr page 367

MET SUN WIJN QAEKT.

des leevendighen Gods. Dit is de weg niet om de Heylige oppermacht der Overheden, die sig gewilligh onder God en sijn Woordt buyght, ongekreukt te bewaren. Maer 't is gelijck eener seer wel seyde, een arglistige streek des Duyvels, uyt Dienaers des Euan-geliums Dienaers van de Staet te maecken, en de Dienstknechten Christi te veranderen in dienstknechten van menschen, ende aen de Propheten stercke touwen leggen, om haer of stom of vreesachtigh te maecken, op dat se niet en zijn tot bestraffende mannen. Ezech. III: 25, 26. quot;Want wel heeft Chrysostonius gheseydt, dat is de oorsaeck van alle qualen ende quaeden, indien de opsienders der Kercke haer Authoriteyt quijt zijn, en haer geen ontsag, geen eere, gheen vreese toe-gedraghen wordt. Als de Magistraet, niet wil bestraft worden sal oock het volck na die toomeloose onge-bondenheydt staen. quot;Want soo Koningh, soo Onderdaen. En dan sal de Kercke wesen, ghelijck sij geweest is ten tijde der Propheeten, toomeloos, ongeseggelijck, hartneckig, en ongheduldigh van alle berispinge. Nie-mant twiste of bestraffe yemandt: want uw volck is als die met den Priester twisten. Hos. IV: 4.

EDELE, MOGENDE, EN HOOG-ACHTBAERE HEE-REN, indien een deel bedrieghelijcke Pluymstrijkers, van wat slag of ordre sy ook wesen mogten, de vry-heyt hebben om in uw staet alles te dryven en te schrijven wat haer boos-aerdigh harte, maer op eygen baet-sucht uyt zijnde, droomt, soo laet oock en van uwe ghetrouwste Onderdanen toe sijn harte in uwen schoot eens uyt te storten. Boven heb ick betuyght

363

ocr page 368

TWIST DES HEEREN

364

en verhael het wederom, dat ick uwe Gedugte Hoog-heeden alle bedenckelijcke ontsagh en Onderdanige dienst-veerdigheydt bewijsen'wil, enj't doet my aen mijn siele seer, wanueer een losse tonge, nvt wat mondt het oock zy, uwe Heerlij ckheden te na spreeckt. Maer dat bid ick u, dat ghy uw Scepters voor de voeten des Heeren Jesu neder legt, en uwe kroonen op der aerde werpt voor hem die op den Throon sit. Verhin-' dert sijne Dienaers niet de Commissie die sy van hoger hant en van den Hemel-Koningh ontfangen hebben, aen u en alle uwe onderdanen ghetrouwelijck uyt te voeren. Laet uw niet diets maecken, dat het uw oppermacht te kort ghedaen is, soo ghy se onder Jesus en sijn quot;Wbordt buyght. Hebtse en houtse over al uw Onderdanen, van de minste tot de meeste, maer ge-denckt dat ghyse niet anders als na Gods Wet bestieren mooght. 't Is Godloos u toe te roepen, dat alle dingen u geoorlooft zijn, dat uwe wille de regel van het recht is, dat ghy recht en macht hebt om alles na uw welgevallen te doen. Soo sprack men tot Tibe-riussen, tot Caliagus, tot Neroos, en haers-gelijcke. 'Tirannen, welckers gunste men niet anders winnen noch houden konden. Maer tot Vaderen des Vaderlandts durft men de waerheyt segghen, dat de Koningh soo wel die op de Throon sit, als de slave die in de meu-len gaen, al sijn handelinge na het voorschrift van Gods wet moet rigten. Wanneer als dan een van de Goddelijke wetgeleerde hem sijnes pligtes quam vermanen, en met behoorlijcke eerbiedigheyt, niet na sijn Herssen-dromeryen, maer uyt den Onfeylbaren Woorde

ocr page 369

MET ZIJN WIJNÖAEET.

Gods quam tooneu dat hy daer van afgheweecken was, 't moest een Pharao zijn, die dan hartneckighlijck seyde, wie is de Heere dat ick sijnna stemme hooren soude ? 't Most een Achab wesen, die de Propheet soud toesnauwen, hebt ghy my ghevonden, ö Mijn Vyandt! 't Most een lerobeam weesen, die al briesschende soud uytroepen, grijpt hem. Maer ghy, MYN HEEREN, weest ghy veel liever Davids, die sijn Koninclijcke achtbaerheydt niet verwaerloosdo, als hy songh, De rechtveerdige die slae my ende 't sal weldadigheydt zijn, ende hy bestraffe my, 't sal olie des hoofts zijn, het en sal mijn hooft niet breecken. quot;Weest ghy Asaes die het niet beneden sijn wijsheyt noch vjomigheyt achte, de bestraffinge van Azaria plaetse te geven, en het gantsche Koninkrijcke na des selfs raet te reformeeren, oock tot afsettinge van sijn Moeder Maacha toe, om dat sy een afgrijselijkeen Afgod in een bosch gemaeckt hadde.

Laet my toe dat ick u de bekende Historie van den Keyser Theodosius weder in de sin breughe, welcke, wanneer hy in een groote haestigheit te Thessalonica sevenduisent menschen, als tot een schouwspel te samen gheroepen zijnde, schandelijck hadde doen vermoorden (een feyt seyrtt Lipsius, soo Grodloos, dat de gansche oude G-odloosheyt niet slimmer ghehadt heeft) daer op te Milanen in do Kerck wilde treden tot het gehoor van G-ods Woordts, en het genot des Heyligen Avont-maels, soo quam hem den Ouden Leeraer Ambrosius te gemoete, die hem met groote vrymoedigheyt over die euveldaet bestrafte, en onder andere deese woorden

365

ocr page 370

TWIST DES HEEREN

366

tot hem sprack: Ghy Heerscht, 6 Keyser, over de menschen die met u van de selve natuur, ja die uwe mede-dienstknechten zijn, want alle hebben sy een Heere en Koningh, de Schepper van allen. Met wat oogen suit ghy nu de Tempel van den ghemeenen Heere aenschouwen? Met wat voeten suit gy die Hey-lige vloer betreden ? En hoe suit ghy die handen uyt-steecken, die noch druypen van het bloedt dies onrecht-veerdigen moordts? Hoe suit ghy mot sulcke handen het alder-Heylighste Lighaem des Heeren ontfangen? En hoe suit ghy dat kostelijcke bloedt aen uw mondt brengen, daer ghy in onbesonnen haestigheyt soo veel bloedt onwettelijcke vergooien hebt? Gaet dan wech; en onderwindt u niet de eerste misslagh met volghende te vergrooten, en ontfanght die bandt, die God de Heere van alles uyt den Hemel bondigh houdt. Die nu streckt tot ghenesinghe, en bevorderinge der ge-sondtheydt. De Keyser (vervolght hier op de Historie) door deese woorden getroffen zijnde, want de wijle hy in de Goddelijcke Schriften opgevoedet was, soo wist hy wel wat de Priesters; en wat de Keysers toequam, ging steenende ende schreyende na het Paleys toe. En als hy na verloop van acht maenden noch volharde in sijn klachten en geween, en Ruffinus, een sijnner Hoovelinghen hem na de oorsaeck daer van vraeghde; soo gaf hy hem onder bittere suchten en overvloedige traenen dese Godvrugtige antwoord: O Ruffme; ghy zijt vrolijck: want ghy en voelt mijn qualen niet. Maer ick suchte ende kerme; bedenckende mijn ongeval, dat daer voor dienstknechten en andere

ocr page 371

MET SUN WIJNQAERT. 367

slechte lieden de Tempel Godts openstaet, en sy sonder vreese daer mogen inkomen, en haer eyghen Heere aen-bidden, die selve Tempel voor my ontoeganckelijck en boven dien de Hemel oock voor my geslooten is: Want ick gedencke aen de stemme des Heeren, die duydelijck seydt, wat yhy ghebonden suit hebben op der aerde, sal ook gebonden sijn in de Hemel. En wier-de eyndelijck na genoeghsame en openbare betoonin-ghe van boetveerdigheydt, achtorvolgens de Kerck-zeeden van die tijden, weder tot de gemeenschap der Heyligen toegelaten. Daer de Geloovighe Keyser, seydt de Historie, nu vryicheydt hebbende om in den God-delijcken tempel te koomen, niet staende den Heere badt, noch op gheboogen kneyen legghende, maer met sijn aenghesichte op de vloer nedervallende, Davids spreucke gebruyekte: Mijn ziele kleeft aen het stof, maeckt my levendigh na uw woordt, en sijn haer uyt-pluckende, en op sijn voorhooft slaende, en met sijn tranen de vloer nat maeckende, smeeckte om vergiffe-nisse. Niemandt van u en dencke, ;MYN HEEREN, dat hy met sulck een verneederinge sijn Keyserlijcke Majesteyt te korte deed: Maer integendeel alle de Historiën die hier van melden verhalen het tot sijn lof, en prij-sen met verwonderinge de uytneemende deughden beyde van de Keyser en van de Leeraer die in deese daedt hebben uytgeblonken, deses vrymoedigheydt, en genes ge-seggelijckheyd, deeses brandenden yver, en geenes sui-vere geloove. En het is ontwijfielijck, dat dies Godt-vruchtige Keysers naem even hierom by de Kerke Christi in een altoos duyrende segeninge wesen sal.

ocr page 372

368 TWIST DES HEEREN

Vergunt my noch een weynigh ghehoor, MYN HEEREN, en met een de vryicheydt om u te verhalen, wat tusschen den Vroomen Keyser Vatentinianus en den selven Ambrosius voorgevallen is. Waaneer die G-od-yverige Opsiender kort na sijn bevestinge in den Hey-ligen dienst, met groote vrymoedigheydt den Keyser verscheydene boose stucken sijnner Hovelingen en bevel-hebbers bekent maeckte; soo antwoorde hem de Keyser: lek kende dese uwe vrymoedigheyt van outs af al, en daer van seer wel bewust zijnde, heb ick niet alleen uwe verkiesinghe niet teghengesproocken, maer oock geerne mijne stem daer toe ghegeven; Geneest dan na eys des Groddelijoken Wets de leemten onser zielen. Welck exempel Uyt den Bogaert selve, die al de 'werelt weet hoe hy sich na het humeur van de Overheyt pleegh te sohicken, in allen deelen loflijck noemt en roemt. De selve Keyser, als over de Kercke van Milanen een Opsiender te kiësen was, seyde tot de Leeraers te dien eynde vergadert zijn. Set dan nu oock sulck een in den priesterlijcken stoel, onder welc-ken wy oock, die het Keyserrijck bestieren, oprechte-lijck onse hoofden huygen mogen, en welckers beslraf-finghen (want dewijle wy menschen zijn soo is 't nootsaeckelijck dat wy oock feylen) wy als een Heijl-same Medecijnne danckelijk aannemen. Dus hebben alle ware Koningen en Princen Christi stemme door de mondt sijner Dienaren eerbiediglijck ghehoort, en de Majesteyt van Godts Soone in haer ontsien.

Maer indien dese exempelen, als al te out, te minder ingangh hebben (alhoewel de outheyt, hier vergesel-

ocr page 373

MET SUN Wr.TNGAERT.

schapt zijnde met de suyverheyt der Kercbe, en met de yver des eersten Christendoms, te eerweerdiger behoorde te zijn) so weet ik nog andre by te brengen van de Grootste Monarchen onser eeuwen die onse Vaderen ghesien en ghekent hebben. Wy zijn het de eere van Hendrik de Vierde, dies tijts Koninc van Navarre, daer na die gheduchte Monarch van Vranck-rijck, schuldigh, datwe de roem van sijn merckweerdige geseggelijckheyt en verneederinge, in de geheugenisse onser Kercken levendigh houden, 't Zal my niet te veel weesen die Historie uyt het leven van den Doorluchti-gen Heere van P less is uyt te schrijven, en het sal u, hoop ik, MYN HEEREN, niet verdrieten dien Wijsen Schrijver in sijn eygen tale te hooren. Le rui do Navarre avoit deboché a la Rochelle la Fille d'un hornme de Rohbe longue, de laquelle il avoit u unFils. El l'Eglise lui avoit souvent remonelrè sa faute, qu' il confessoit asses ingenuement, mais n' avoit pil est re persuade, ■pour reparer le scandale Public, a la reconnoistre puhliquement. Eslant done logé d S. Leger pres de Pontz, parlant d M, Du Plessis de cetfe prochaine bataille. {De Coutras) il prend V oecafion de lui en remonstrer la consequence pour sonétat, épour fEglise. Cornbien done il cstoit besoin d'avoir Dieti prop see, qui balance les batailles, distribue les Vistoires d son plaisir: é tout doucement le meine drns cc propos: S' ü ne densoit d estre de sa Consciencie, de donner glorie d Dieu sur une telle occasion. Et quel remords il lui seroit, qu' d faute de cela, d la ruine de tant de gens de Men, Dieu ni audit ses ar iocs. Ce que lui touch d

24

369

ocr page 374

■ ----------------------• ----- -.......

370

TWIST DES HEEREN

tellement le Coeur, qu' il lui commando, d' adviser aver, M. de Chaudieu, ce qu' il avoit a faire: Prest de suhir ce qui Ini seroit ordonné. Et le lendemain de fait, fit publique rcconnoissance de sa faute, en l'Eylise de Pontz, en la face de toule la Noblesse de son arm,ée, en un presche du dit Sr. de Chaudien, Vun des Pas-ieurs ordonné pres de sapersonne. Aucuns voulurent dire; qu' on lui avoit donné Irop de rigueur: auxquels il rispondit tout hout: ON NE PEUT TEOP S' HU-MILIER DEVANT DIEU, NI TEOP BRAVER LES HOMMES. Mesmes comme il ut esté receu d la Paine de VEfjlise a condition, d'en faire autant d la premiere d la Rochelle, ou le Scandale avoit este comwis, ily setiffit en son premier voyage, en un preche fait por M. de \a Touche, excellent Ministre du S. Euangeli. Dat is: De Koning van Navarre hadde te Rochelle een Raets-Heers Dogtei' onteert, en by de selve een Zoon geteelt. En de Kerke hadde hem meermaels sijn faute aengewesen, welke hy openhartiglijk genoeg bekende, maer hadde niet konnen overredet worden dat hy tot vergoedinghe van de Openbare ergernisse die oock in het openbaer belijden soude. Als hy nu gheleegert was te S. Leger dicht bij Po nis, spreeckende met de Heer van Plessis van de aenstaende slagh ('t was de beroemde slagh van Contras tegen den Hartogh van Joveuse) soo nam die aenleydinghe om aen hem te vertonen hoe veel aen den uytslagh van die slagh en voor sijn Staet en voor de Kerke geleegen was: Hoe noot saeckelijck derhalven het oock ware Godt met sich versoent te hebben, die de Veldtslagen weeght, en de overwinningen

ocr page 375

MET SIJN WIJNGAERT.

uyt deylt na sijn welgevallen: ende leide hem soo al soetjes op dit propoost; of liy liet niet oordeelde Conscientie-werk te weeseii op sulck een geleegent-heyt Gode de eere te geeven; en wat wroeginge hot sijn ghemoet sonde baren, indien by onstentenisse deses, Godt, tot verderf van soo veel eerlijeke lieden, sijne wapenen vervloeckte. 'tWelcke hem soo aen het harte troi, dat hy hem gelaste met de Heer van Chaudieu over te leggen wat hem te doen stonde; bereyt om alles te ondergaen wat hem geordonneert sonden worden. Ende in der, daedt des volghenden daeghs deede hy openbare bekentenisse van sijn faute, in de Ivercke van Pontz, in 't ghesichte van de gansche Adel sijnes Legers, in een Predicatie van de Hr. Chaudieu voornoemt, een van de Predicanten die geordonneert wamp;vew by sijn Persoon. Sommige wilden hem seggen, datter al te veel gestrengheyt tegen hem ghebruykt was. Maer hy gaf haer dit rechtschapen antwoordt. MEN KAN SICH VOOR GODT NIET TE SEEE VERNEDEREN, NOCH VOOR DE MENSGHEN NIET TE MOEDIGH HOUDEN. Boven dien ghelijck hy tot de Vrede der Kercke was aengenomen, op voorwaerde van te Rochelle, daer de ergenisse begaen was, insgelijcks te doen, soo voldeed hy sulcks oock op sijn eerste reyse in een predicatie aldaer gedaen door de Hr. de la Touche, een uytnemend Predikant.

quot;Wat dnnckt u, MYN HEEREN, was 't niet loffe-lijck van den Koninck? Misschien sonden der weesen, die bekommeringe hadden dat snik doen do Majesteyt verachtelijck soude maken. Maer dat is een vreeso

371

ocr page 376

TWIST DES HEEREN

sonder grondt. Immers het viel hier heel anders uyt. Dit kan ons, de Aerts-Bisschop van Parijs, een seer gauw en verstandigh Politijcq, in sijn Historie leeren, die, na een kort verliael van 't bovenstaende, Christe-lijcker daer van spreeckt als men van een Paeps Bisschop te verwachten hadde. Une sonmission si Chres-tienne tirales kirmes pes yciix de foute l'assistance, é ü riyen avoit pas nu quiri eust donné mille vies pour un Prince, qui se portoit si cordialemeni a faire rai-son a ses inserieurs. s' Estant \ainsi vaincu luimemesme Dieu Ie rendit Vainqueur de ses Ennemis, amp; quescait on s'il ne Vexalta pas pour s'eslre humilió si Chrestien-nement? Dat is, „Eene soo Clirislelijcke Verneederiuge perste de tranen uyt de oogen van alle de Omstanders, en daer en was niet een van allen die niet gaern duysent leevens soude ten besten gegeeven hebben voor een Prince, die soo hartelijck bescheyt deed aen sijn minder. (Hij verstaet daer door de Dochter en familie die onteert was.) Na dat hy hem selve dus overwonnen hadde, soo maeckte hem Godt overwinner van sijn Vyanden. En wat weet men of Godt hem niet ver-hooghde om dat hy hem selve soo Chrisielijck vernedert hadde?

Hy deed dan wel, en 't was te onrecht dat sommige Flalteurs, die in de Hooven der Grooten nooyt ont-brecken, hem wilden wijsmaecken dat men den Ko-ninck met al te groote gestrengigheyt gehandelt hadde. Selfs na het oordeel van Grotius, in dat Boeck 't welck hy expres gheschreeven heeft, om de Oppermacht der Overheden boven de Kercke te beweeren, heeft het

372

ocr page 377

MET SUN WIJXGAERT.

naeckte ghebruyck der sleutelen, met die dingen die na het Groddelijcke Recht daer aen Vast zijn, soo wel plaetse ontrent den Koning, als ontrent de minste onder den volcke. Ja is onfcrent hem soo veel te nootsakelijcker, hoe dat van hem met meerder gevaer van besmettimje ghesondight wordt, 'tls een Out en waerachtigh spreek-woordt, Dat het een EUendigh Keyser is, voor'welcke

Ide waerheyt versiueegen wordt.de waerheyt versiueegen wordt.

Dit wil hy slegts hebben dat men sich van oproe-■ rige Predikatien wac'ute, waer door het doen der Hoogh-ste machten, 't welck oock ten goeden uytgeleyt kan worden of, immers andere weynigh bekent is, met de grootste bitterheyfc overgehaelt wort, en dat by den Volcke. 't welck noch bequaem noch bevoeght is tot het heelen van sulcke quaelen. En voorwaer daer heeft hy, mijns erachtens, geen ongelijck in. Want deese saecke die is teder, en moet met groote omsichtigheyt gehandelt worden.

Doch dit slaet nu op de Levens-fauten van de Groo-ten. Zijn oock hare resolutien, van den Woorde des ïïeeren afwijckende, de bestraffinge van Grods Dienaren onderworpen? Of is haer oordeel een Regel van billijckheyt, en staet het niemandt toe, een enckel woordt daer tegen te kicken ? Dit hebben eenige verkeerde Politijcquen getrachtet, oock U MYN HEEREN, met Godtslasterlijcke Redenen m te boesemen, even op die selve trandt, die eenige Hoofsche en Wereltsche theologanten den ongeluckigen Koningh Karei van Groodt-BrHannien toesonghen: Welken sy door haer Godloose flatteryen misbruyckende, ter rampsaliger val

373

ocr page 378

TWIST DES HEKREN

374

gebracht liebben. Sy schreeven hem toe, dat al wie bepaelen dorste wat de Koninrjh vermocht, of niet vermocht, sich alsoo wel schuldigh maeckte aen ge-queste Majesteyt als hy schuldigh was aen God verloocheningen die voor of teghen disputeerde wat Godt verrnach of niet vermach. Maar des Koninghs Advo-caet selve heeft eens eenige Engelsche Edellieden proces aenghedaen, om dat se diergelijck een schrift uyt-gestrooyt hadden, in 't welcke de Koningh geraden wierd, ut omnia ad sui ipsius arbitrium revocaret, dat hy alles na sijn welghevallen verrichten soude. AVelek schrift, seydt de Advocaet, indien het onder den volcke bekent was gheworden, soo soud het een oor-saeck tot groote beroerten gegeven, en de Koningh so wel als het gansche Eijcke eene by kans onvermijdelijke schade toegebracht hebben. Gelooft my, MYN HEEREN, God is Ja io ars van sijn eere, en hy en lijdt niet, dat het gheene hem allen toekomt, door een Kerckroovische Pluymstrijckerye, sijn Stede-houders aengematight soude worden, 'tls bekent wat Ilerodi wedervaren is, wanneer hij de alteverre gaende de toe-juicheninge des volks sig so gereet liet aenleu-' nen. En die niet alle vreese Gods eenmael heeft uytge-schuddet, weet wel dat de Overheden soo wel ten aensien van hare regeeringe, als ten aensien van hare persoonen onder God en sijn Wet staen, overmits sy in Gods naem jhaer ampt bedienen; en vervolgens dat bedienen moeten, na de Wet die haer van boven gegeeven is. Nooyt staet haer toe, seydt Grot lus, 'tgeen God verboden heeft te ghebieden:

ocr page 379

MET SUN WIJNGAERT.

Gemerckt im de Bedienaers des Heyligdoms gelast zijn den inhout der Goddelijcker wet aen een yegelijok te verklaren, en op elcks gelegentheydt toe te passen, soo volglit van selfs datse oock bevoeght zijn, om de Overlieden het hare toe te dienen, indien sy in hare Resolutien of consenten, de Goddelijcke Wet te na quamen. Maer laet de Koningh van Groot Britannien, Jacobus, die de tijtel van het Hooft der Keroke in sijn Koninckrijcke draegt, dit liever in mijn plaetse seggen. Dese dan in sijn laetste schrift tegen den Oardinael Perron, van hem uytgegeven tot bescher-minghe van het recht der Koninghen; spreeckt aldus. Ick bekenne, dat als een Prince yets gebiedt 't welck regel-recht teghen Grods woord is, ende streckt tot verderf van de Kercke, de Geestelijcke in sulck een ghe-val het volck niet alleen moeten dispenseeren van hem te gehoorsamen, maer hen oock het selve uytdrucke-lijk moeten verbieden; want het is altijt beter Godt te gehoorsamen dan den menschen.

Dus, MYN HEEREN, leyd het die groote Koningh om het harte, Laet Gods trouwe Dienaers dan van uwe bescheydentheyt verwerven, dat sy niet allen haer plicht met alle vrymoedigheit ontrent u en uwe Onderdanen moghen voltrecken; maer dat oock sulcke tegensnateraers, de Pesten van uwe Republijcke, de mont gesnoert worde, en al de wereldt zie, dat de Hey-lighe Waerheyt u veel aengenamer is te hooren, als die Godvergeeten flatteryen. Hatet die Hoofschen Schoon-spreeckende Euscbios, die daer seggen Vreede, daer geen Vrede en is, en die de eenen een leemen

375

ocr page 380

TWIST DES HEKREN

want bouwt, en de andere die plaesteren met loose kalcke. Want soo seydt de Heere, tot die geene die met loosen kalcke pleisteren, dat hy omvallen sal; daer sal een overstelpende plas regen zijn, en ghy, o groote liagel-steenen sullet vallen, en eeaen grooten storm-windt sal hem splijtten. Sy soecken niet u, maer het uwe, ja het hare, tot uw nadeel, die met alles toe te stemmen u soecken te behagen. Sy meenen het niet wel, MYN HEEREN, maer uwe Conscientie misleydende, hanghen sy haer eyghen op de tuinstaeck. Laet dan uw ooren altoos gestopt wesen voor haer Meerminne Sangh, waer doorse u geerne souden aenhitsen, om, als de Tyrannen, daer de Propheet van spreeokt, een mensche schuldig te maecken om een woort, en stricken te leghen dien die haer straft in de poorte, en den rechtveerdigen te verdrijven in het woeste.

En ghy, O VOLCK DES LANDTS, verdraeght het woordt der bestraffinghe uyt de mondt van uwe Leeraren, Buckt, en buyght, en swicht daer onder. Wacht u voor de Goddeloosheydt van die Wederspannighe en leugenachtige kinderen, die de Wet des Heeren niet hooren en willen; Die daer seggen tot de Sienders eu siet niet, en tot de schouwers en schouwt ons niet wat recht is, spreeokt tot ons sachte dinghen, schouwt ons bedriegeryen. Niemandt van u, dewijle hy de woorden van Gods vloeck hoort, segene sich selven in sijn harte, segghende, ick sal vrede hebben wanneer ick schoon na mijnnes harten goedduncken wandelde: om de dron-ckene te doen tot de dorstige. Want de Heere en sal het eenen soodanigen niet willen vergeven. Gedenckt

376

ocr page 381

MET SUN WIJNGAKBT.

377

A wat magh ick soo klagen, dat men het bestraffe

aen Elis Sonen van welcke de Schrift seydt, Doch sy en hoorden na de stemme hares Vaders niet: want de Heere wilde se dooden. Let op het geene de Propheet, die qualijck bejegent wierde, tot den Koningh Arnazia seyde, lek mereke dat Grdd besloten heeft u te verderven, dewijle ghy dit gedaen, ende na mijnnen raet niet ghehoort en hebt Vergeet het exempel van Uzzia niet, welcke als hy toornigh wierdt tegen de Priesteren, soo rees de Melaetsheyt op aun sijn voorhooft. En laet u dit alles dienen tot bevestinge van Salomons gulden spreuke. Die bestraffinge haet sal sterven. Ziet dit, wy hebben 't doorsocht, het is alsoo: hoort het en bemerekt ghy het voor u.

CAP. XXV.

Bewijs van het uytterste verval, dat men de Dcuyht Icycn, dc sonde voor

spreeckt.

der grouwelen niet verdraghen wil; die eeuwe beleevenwe, dat men de selve voorspreeckt, datmen de sonde de naem van deught geeft, en het betrachten van veele plichten der Godt saligheyt, uyt-krijt voor het doen van geslagen Hypocrijten. En ghy Heere hoe lange? men durft, o schande! in publijcke gheschriften, beweeren dat het nu niet ongheooiiooft en is op den dagh des Heeren te dammen, te schaecken, met de spiesse te speelen, uyt plaisier te visschen, te kaetsen, te kolven, te klootschieten, uyt vogelen-schieten te gaen, en als dat ghedaen is, dan in de kroegh om een

ocr page 382

TWIST DES HEEREN

378

pintjen. Men lacht met die gene, die de Barbiers niet willen toelaten op dien dag met hayr en baert schee-ren haer tijdt te verslijten. Des rustdaghs altoos in de kerck te koomen, als men preeckt, is by sommighe Hypocrijten werck. Maer wat groote Hypocrijten waren dan Panlus en sijn Toehoorders, die haer Heylige oef-feningen uytreckten tot de middernacht? Hand: XX. 7. Wat grooter Hypocrijten zijn dan de Godvruchtige Bohernen, die, ghelijck wy boven aengewesen hebben, die ganschen dagh van den vroeghen Morghen tot den laten Avondt met publijcke devoti-plichten Heyligen? Wie zijt gy ö Mensche die eens anders Huysknecht oordeelt, Rom. XIV. 4. Ick betuyge alle vroorne harten ja alle die maer een korrel conscientie hebben, of niet sulck een tale in de Christen-Kercken tot noch toe onghehoort is. De Remonstranten, de halve Ooccinianen of Arrainen spreecken dan Religieuser van de Sabbath der Christen. Och, waer komt het ons langer niet toe, dat de loste onder de naem-Christenen, ons G-erefor-meerde nu prsecijsheydt leeren sullen? Prsecijsheydt die men voor een Monster en ghedrocht uyt maeckt, waer teghen men te velde komt, ghelijck de Christen-wee-reldt in den jare 1658. een boecksken opgedrongen is, dat die Monstreuse tijtel voert. Het monster der Prsecijsheydt overwonnen. Alhoewel men wel weet dat die vroome Leeraers, waer tegens men het meent, daer door niet anders verstaen, als een beooginge en poginge der Godtsalighen. na een ingetooghene en volmaeckte Hey-ligheydt in ghelijckformigheydt van het voorschrift der Goddelijcker wet. Welckers eygenschappen onder andere

ocr page 383

MKT SUN WIJNGAERT. 379

deese zijn, datse enckelijck sie op de Wet Godts, als de eenige Regel van volmaeckte Heyliglieyt, en datse niet gegrondet sy op menschen insettingen, of eygen inbeeldingen, of Greest-drijvige droomerijen buyten den woorde Gods: datse niet anders als Gods eere beooghe, en voortkome uyt een ooghemerck om Gode te behagen en te gehoorsamen: datse vergeselschapt gae met een geestelij cke vryheyt, geen dwangh noch drangb erkennende, als die van de Liefde Christi: datse eerst en meest op baer selveu siende, seer toegeevende, goedertieren, en licht vergeevende zy ontrent andere die dat punt der nettigheyt niet na genoegh by-blijven, datse minder lette op eenige uyterlijke formaliteyten van de handelingen, en aldermeest op het harte, en op des selfs innerlijcke beweeginghen, en oprechte beoogingen : datse onderscheyt van saken maecke, om te yveren na proportie, sich wel niet toegevende in het alderminste qnaet, ja niet in eenighe schyn des qnaets, maer evenwel het meeste werck maeckende van de swaerste dingen der Wet: datse soo veel te needriger worde, hoese meer in Heyligheyt toeneemt en soo veel te meer van Godts genade afhange, en soo veel te minder haer selve toonen, daer de eere Godts sulcks niet nootsaeckelijk vordert. Ziet dat is het dat onder de name van Prsecijsheyt de wereldt wordt teghen ghemaeckt: Dit meenen Gods Dienaers daer me: Dus beschrijven sy het. En is dit nu een Monster geworden, waer tegen men strijden sal? Lijkt dit nu na de uyterlijckheyt, geveynstheyt, en eygenwillighe Godts-dienst van de Phariseen, die het buytenste van den

ocr page 384

TWIST DES HEEREN

380

drinckbeecker slegts reynigden en het binnenste vol van roof en ongerechtigheyt lieten? Lijkt dit na de droomeryen van Montanus ende andere oude Ketters die van den Helschen Geest beseten zijnde, eerst een deel vremde woorden rabbelden, en daer na wonder-lijcke ontboudinghen van eten en drincken, van bet Houwelijck en dergelijcke dingen den raenscbe voorschreven? Heeft dit eenighe ghemeenschap met malkanderen? of hoe wil men na een Christen hebben? Mach en moet hy sich niet, in 't kleyne so wel als in 't groote, inwendigh en uytwendigh, Gode en sijn wet gelijckvormigh houden? Moet hy niet sijn harte en des selfs innighste bewegingen, roeringen, en ritselingen, sorghvuldigh gade slaen? Moet hy niet op sijn woorden en wercken neerstigh letten, ten eynde daer niet wereldts, vleesschelijcks, ydel, sondighs, ja waer het mogelijck geen schijn van quaet selfs ingevonden worde? Moet dan een Christen, niet wat bysonders, wat uytstekende weesen, om als een licht te schijnen in het midden van een krom en verdraeit geslagte? Ick vrage noch eens, hoe wil men dan een Christen hebben? Als deese dingen Monsters zijn die men bestrijden en bevechten moet, waer in bestaet dan het Christendom, waer in de Christelijcke Godtsaligheyt ? Hoort het doch eens, quot;Werelt en wreovelighe Wereldt-lingh, hoort het goede en oprechte doch misschien met vooroordeel ingenoomene harten, dit is het dat onder de naem van Prsecijsheyt in kroeghen, in winckels, in schuyten, op wagens, over taeffel, in geselschappen, en op dat het over al soud zijn, op de Preeckstoel oock

ocr page 385

MET SUN WUNOAF.RT.

381

wel en in Theologische Schriften, soo hatelijck wordt overgehaelt. Wat is aen de naem gelegen? Maerwie die Vroom is en Godt vreest, kan tegen de sake hebben? Of willen wy do boosheydt van de oude; Ephcsiers navolgen, die, na het oordeel van sterekeren lieracli-tus weerdigh waren om tot het jongste kint toe ghe-hanghen te worden, om datse den Deugtsamen Hermo-dorus uyt de Stadt drijvende seyden. Datter niemandt onder ons zy, die nytmunte: of wil ymandt wat uyt-mnntende weesen, die zy het by andere en op een ander plaetse. Soo veel de name van prsecise aengaet, sal ik dit alleen seggen, dat de Rem onstrans-ges inde van oudts al de Rechtsinnige Predicanten, vast houdende aen Godts woordt en de suyvere waerheyt, onder de naem van Prsecise, in tegenstellinge van andere Mo-derate, by de Magistraten hatelijck gemaeckt hebben. Waer van de Leeser sien kan in] Uytenboogaerts Kero-kelijcke Historie p: 593. Maer het is te pijne weert de aonmerkinge van de Heer Triglandius daer op te hooren. p: 714. De Oude Gereformeerde, seyt hy, in die aenghenoomene leere standt-vastigh blijvende, wilden alles ghericht hebben na Godts woordt, het welcke /' eenemael prcecys is, en geen andere oprechte aennee-mers en getrouwe belijders der waerheydt en kent als die prcecijs zijn, alsoo Godt de Heere wel expresselijck in sijn woordt belast heeft, dat men daer van niet wijeken en sal, noch ter rechterhandt, noch ter slincker-handt: daerom sy liaer oock niet en schaemden met die naem van Prcesise ghenaemt te worden. En noch en schamen sich des de Trouwe Dienaers Godts niet,

ocr page 386

TWIST DES HEEKEN

382

maer zijn bereyt om de selve, met al de hartelijck-lieydt die daer aen vast is, gewilligd te dragen, om Christi en der G-odtsaligheyt wille, voor welcke sy spreecken ende lijden. En wille gaerne deel-genooten wesen van het lot haerder Broederen, die van oudts met de infame naem van Cathari belasstert zijn: gelijk de Godtvrugtigste in Engelandt onder de naem van Puriteynen de spot des werelts zijn geworden. Maer dat doet haer seer, dat sommige die voor Moderate wi1len gaen, de eenvoudighe wonderlijcke dinghen wijsmaecken, als of sy in eenige kleynigheytjes, nyter-lijekheden, middelmatigheden, eygensinnigheytjes, en dierghelijcke beuseldinghetjes meer, de Voor- en achter-steven der Godtsaligheyt stelden. En misschien en hebben die goede lieden noyt ghedroomt van die dingen die met haer na geeft. Andere nochtans gaen daer dan op af met sulcke drift en vinnigheyd, sonder eenig bescheyt en moderatie, als of al te Christelijcken yver te koste geleyt moste worden, om te maecken dat de mensche niet al te G-odtsalig wierd. En waer toe streckt het anders, dat men nn durft disputeeren voor de Kermissen, Comedieu, Santeen, of ougesonde ge-sontheyts droncken, dausserijen, der Vrouwen naeckte borsten en dergelijcke ydelheden des wereldts meer? So spreeckt men, soo schrijft men nu: en foey! dat die haer pennen daer toe leenen, die de jeught (haer toe vertrouwt) alle statigheyt, deught, Godtsaligheyt leeren mosten. Andere sonden laet ick staen, die men nu durft voor spreecken: want ik schouw hen, om my in eenige warrery van Godts-geleerden te steecken.

ocr page 387

MET STJN WIJNÖAERT.

383

Maer het geene ick nu geseyt hebbe, gaet te grof: en de natuyrelijcke conscientie selfs van een onwedergbe-booren mensobe, beefter een scbrick van. Wil dit soo voort, boe ras sal onse Kercke een vuyle dreckwagen worden, en zoo aerdig een verckenskot als oyt in 'tland geweest is? Dit is bet top-punt van boos-beyt, bet goede soo batelijok, bet quade soo prijsseiijck voor te stellen. En ick en weet niet, of men noch veel booger klimmen kan. Dit is recbt bet geen de Heere seyt, bet goede quaet beeten, en bet quade goedt, de duysternisse tot li ebt stellen, en bet liebt tot duys-ternisse: bet bittere tot soet stellen, en bet soet tot bitterbeydt: Daer onse gestrenge en waeracbtigbe Godt, bet wee over nytdondert. Ick bidde die gene die sulks gedaen hebben of doen, en ick betuyge haer in de name onses Heeren Jesu Christi, indien hem deese letteren ooyt in banden komen, sy gelieven eens met een basadight gemoet, alle war- en knibbellust aen een zijde ghestelt hebbende, voor bet aengesiebte van God de Heere te bedencken, wat goedt daer uyt voort komen kan; wat stiebtingh de Kercke daer van ont-vanght, wat voordeel dat bet doet tot de Godtsalig-heyt, of kennisse der waerheydt, die na de Godlsalig-heydt is? Wordt wel eenigh mensche daer door gesticht, wel eene ziele daer door verbetert, Christo gewonnen, in sijn Koninkrijke overgeset ? Konnen de ghe-leerden geen andere stofïe vinden, om haer vernuft te toonen, als eene soo hatelijck voor alle vroomen, soo schandelijk voor de rust van de Kercke, soo doodelijck voor de Godtsaligbeydt ? Met wat gemoedt kan men

ocr page 388

TWIST DES HEEREN

384

Lleen kent uwe ongherechtigheydt, spreeckt de

soo de handen der Godloosen stereken? En hoe swaer sal dat in geenen daghe voor God te verantwoorden zijn, niet alleen sijn tonge eens uj^t onbedagtheydt, maer ook met voorbedachten raedt, sijn penne tot stij-vingh van die losheytgeleent te hebben ? Dit heb ick'er nu moeten by doen, Leeser, want het is een besondere, ende hooge trap van boosheyt in ons landt, voor de. boosheydt soo te pleyten, en te schrijven. Dat staet dan Godt beter! al te vast, onsen wijngaert heeft stin-ckende druiven voortgebracht.

CAP. XXVI.

Vergrootinghe van onse sonden door cenighe verswarende omstandig-

Heere, Jer. III. 13. Dit is yetwes, 't welek den sondigen mensche op het hooghste noodigh is, en son-der het welcke ick geen raet en weet om hem in goeden doene te stellen. Daerom eyst het de Heere also, als of dit het eenighste was, dat hy van den mensche vorderde. Niet om dat het daer me genoeg zy, alsoo weynigh als een mensche daer door genesen wort, dat hy nu sijn sieckte begint te mereken. Maer om dat die grondige, omstandighlijcke, en gevoelige kennisse sijnner ongerechtigheden daer gestelt zijnde, het eerste beginsel der bekeeringe aireede daer is, waer op de rest door Gods genade wel volgen sal. quot;We hebben, gelijck als de Heere Ezechiel belaste, ons Vaderlant haer gruwelen bekent gemaekt, en den Leeser kennisse gegeven van het quade, dat daer omme gaet. Edogh het moste een gevoelige kennisse zijn, die ons diepe verdemoe-

ocr page 389

MET SUN WI.INGAERT.

dighde voor onsen God, en tot hem deede komen, ghe-lijck de knechten van Benhadad verschenen voor den Koningh Israels, met sacken om hare lendenen, en koorden om hare hoofden; haer daer mede des doodts, en des verderfswaerdig erkennende. Hervat dan noch eens met my, O Vereenight Nederland, ja hervat eens te dege de overdenckinge uwer overtreedingen. Siet uwen wegh in het dal, kent wat ghy gedaen hebt, ghy lichte snelle kemelinne, die uwe wegen verdraeyt. Merck uwe sonden eens aen met die omstandigheden, diese soo beswaren: al wat tot vergrootinge van sonden dienen kan, wordt gevonden in de uwe.

1. Ghy zijt Gods Wijngaert. Wat ongerijmtheyt, wat monstreusheyt is dat dan, dat in plaetse van goede druiven, God stinckend' gewas, ja distelen en doornen aen u vint? Of wilt gy dat ick het u eens klaerder segge? Gy zijt Gods volck, daer de Heere soo na by gekomen is, die hy uyt soo veel andere volcken op een bysondere wijse hem tot een eigendom verkoo-ren heeft, en daer hy dan oock billijck wat meerder van verwacht, als van de rest; Ghy het dan soo slecht, ghy het schandelijck tegen hem te maecken! met wat verw kan dat geblanket worden? Gy weet wel hoe Godt by Jeremiam, hemel en aerde, en al watter is, wil verbaest doen staen, over de overtredinge van sijn volck, en dat daerom, om dat het sijn volck was. Ont-settet u hier over ghy Hemelen, zijt verschrickt, wor-det zeer woeste, spreeckt de Heere: Want MYN VOLCK heeft twee boosheden ghedaen. Was het, wil de Heere seggen, gheschiedt in de Eylanden der Chittiten, of

25

385

ocr page 390

386 TWIST DES HEEREN

had bet Kedar gedaen; dat was verdraghelijeker. Maer nu, MYN VOLCK, dat my bende voor den rechten Godt; MYN VOLCK, dat icb soo plechtelijcb mijn wille heb bebent ghemaecbt, selve tot haer spreecbende op den bergh uyt het midden des viers; MYN VOLCK, dat wiste hoe ghetrouw icb was, in het genadighe beloonen van het onderhouden mijner gebooden; MYN VOLGK, eyndelijcb, dat niet onbebent ban zijn, hoe swaer den last mijnes toorns valt, wanneerse eenmael aenghestoocken, en hoese brandt tot aen het onderste der Helle toe; dit MYN VOLCK, die grouwelen noch te begaen! Hoe ban icb dat vèrdragen ? hoe sal icb 't selve vergeven ? Wie schricbter niet van als hy het hoort? Hemel! Aerde! Zee! Al wat wesen heeft, zijt daer over verbaest, ontset, verschricbt: Want MYN VOLCK, heeft twee boosheden ghedaen. Icb verbeelde my, onsen grooten Godt (van en tot ons NEDEELANDT) op diergelijcbe wijse spreecbende. Dat de landen die onder de Tyranije des Antichristes versuchten, en sich verwonderen datse Paeps gheworden zijn, my terghen met haer afgoden? dat de onkuysheydt van Italian mijn zuyvre ooghen ghewelt aen doet: dat de trotse hoovaerdije des Spanjaerts, my schijnt na de broon te steeken: dat der Fransen dertele en veranderlijbe ydel-heyt in woorden, in gebaer, in bleedinghe, mijn onver-anderlijcb ghebodt van Christelijcbe statigheyt uyt-schrabt: dat andere die my niet te deegh en bennen, my oocb niet na mijn wil en dienen; alhoewel het schricblijcb is, soo heb icb doch niet veel anders van hen te verwachten ghehadt. Maer dat alle die sonden

ocr page 391

MET SUN WIJNQAERT.

387

gelijcker-hant in MYN NEDERLANDT ingevallen zijn, en datse dat selve volck, 't welck ick uyt den jammerpoel des verderfs, uyt de tanden van die Roomschen Luypaert, uyt de pooten van die Spaenschen Leeuw, verlost heb, dienstbaer gemaeckt hebben aan de boos-heyt; hoe sal ick dat verschoonen, hoe over 't hooft sien? MYN NEDERLANDT so verdurven! MYN NEDERLANDT, dat so boven allen in Heyligheyt het hooft moeste uytsteecken, Mijn ander Sion, dat daer moste uytsien als de dageraet, schoone ghelijck de Mane, suyver als de sonne, dat nu toebereydt behoorde te zijn, om als een reyne maeght eenen manne, namelijck Christo voorghestelt te worden. MYN NEDERLANDT, wiens scheuten een Paradijs behoorden te zijn van Granaetappelen met edele vruchten, Cyprus met Nardus. Nardus, en Saffraen, Calmus en Caneel, met allerley Boomen van quot;Wieroock, Myrre en Aloë: MYN NEDERLANDT eyndelijck, dat my als een vruchtbare quot;VVijn-gaert wesen moest, daer ick alle jaren behoorde toe te komen. om sijne smaeckelijke Druyven te eten: dit MYN NEDERLANDT, soo geschonden, soo vervult, soo vervuylt met Sodoms grouwelen selfs. Hoe sal ick my daer over troosten laten? Heught het u dan niet, NEDERLANDT, hoe ick u, een uytschot eertijds van de Gatten, dat op het onseecker dwalen liep, en niet wiste, waer een woonplaetse te vinden, hier soo saght heb neergeset? Hoe ick u een woest volck, dat op sijn swaert leefde, tot redelijckheyt, tot seedigheydt, ja tot kennisse van mijn Goddelijcke waerheyt al over lange gebracht heb? hoe ick die schrickelijcke duysterheydt

ocr page 392

TWIST DES HEEREN

des Heydendoms, door het licht des Euangeliuins by u heb doeu opklaren? Of is u dat, om dat het wat langh gheleeden is, vergeten, heugd u dan niet, hoe ick mijn Euangelium ,herstelt hebbe, doe de dwalingen van Romen de leere van Jerusalem hadden op de vlucht gedreven? Is u nu al vergeeten, hoe ick u noch behouden, beschermt, bewaert hebbe, doe de kloekmoedighste van uwe Princen, die meest in alle andere swarighe-den een gat sagh, u riedt alles te sacken en te packen, en wat gy kondet me te scheep te neemen, om soo op de genade van zee, van weer, van winden, een ander landt te soecken, 't welck u den Hemel wijsen soud ? hebb' ick niet in deesen allen getoont, dat ick u voor mijn volck aen naem ? meer noch min dan Israël, doe ick haer uytleyde uyt iEgypten? Seght dan, Mijn volck, ja mijn volck nu niet langer, hoe komt ghy daer toe om het so te bederven? Soo schandelijck het te maecken! En ghy dat te doen MYN NEDER-LANDT!

Zoo veel scheelt het noch, wie dat een saecke doet. Dat speet David in sijn harte, ja oock onsen Salig-maecker, daer David hier een voorbeeldt van was, dat selfs de man sijnes Vreede, op welcken hy vertrouwde, die sijn broot at, de versenen grootelijcks tegens hem verheven hadde. En het is waer, dat men van Julius Cseser verhaelt, doe hy vermoort wierde, bracht de tegenwoordigheyt van sijne Vrindt Brutus hem niet min pijnlijcke steeck in het harte, als de dolk van Cassius in sijn lichaem; en deed hem vol verontwaer-dinge en verwonderinge seggen. Zijt ghy ook een

388

ocr page 393

MET SUN WIJNGAERT.

389

van die, oock ghy mijn Soone? Hoe dat de onderlinge verbintenisse nauwer; hoe dat oock het verbreecken van die, des te schandelijcker is. Geen sonde leelijcker, als die van Gods volck begaen wordt. Want dat heeft, doe hy een verbondt met haer aengingh, gheswooren hem honw en getrouw te zijn: Hem te houden voor haren Godt, om van achter hem niet af te wijeken. Sy zijn het tot de welcke men seggen mach, ghy zyt getuygen over u selven, dat ghy u den Heere uwen Godt verkooren heb*quot;, om hem te dienen. Sy zijn het, die, soo ras sy ghebooren wierden, uyt de schoot hares Moeders door de werelt heen in de armen Jesu Christi zijn over ghebracht, en die, wanneer se gedoopt wierden, oock voor God, ende de gantsche gemeente ge-tuygden, datse de Duyvel, en de werelt, mot al haer mommerijen souden afsweren; leerende onderhouden, al wat Christus haer gebooden hadde. Sy zijn het die het broodt en den wijn des Heeren, soo menighmael daer op te pande genoomen hebben (indien se slegts niet als wederhorige onderdanen hebben geweygert aen Christi tafel te verschijnen) en soo dickwijls sy het Avondmael des Heeren geproeft hebben, hebben sy sich, als by Sacramente verbonden, om te onderhouden de rechten sijner gherechtigheyt. Als dat volck Godts sich soo verloopt tegen Godt, soo is het onverdraegh-lijk: want by haer andere sonden komt dan trouloos-heyt, ja eed en verbondtbreeckerije, dat immers geen kleyn gewichte daer aen hangt. Doet daer nu eens by dat Godts volck hem niet alleen meer schuldigh is; maer dat oock elk een meer daer 7an verwacht, en

ocr page 394

TWIST DES HEEREN

300

dat diensvolgens de misdaden van de soodanighe, die sich voor Gods volck uytgeeven, oock meest strecken tot lasteringhe van sijnen verschrickelijcken en aen-biddelijcken name, en een quaet geruchte brengen over de goede dingen onses Godts. Foey dan ons Nederlanders, ja hoe kunnen we ons selven genoegh verfoeyen ? Ontrouw te weesen tegen menschen niet alleen, maer noch ontrouw te weesen tegen Godt? soo te verbree-cken het verbondt onser jeught, ende de trouwe, waer me wy ons verbonden hebben aen den Heere? wat schande is dat voor ons Euangelium ? wat hoon voor de leere der waerheyt? wat vlecke in onse heylige Reformatie? dat wy Gereformeerde, noch soo Gere-formeert blijven in leven, en het altoos niet een hayr beter maecken als de Afgodendienaers ? gave Godt dat in sommighe deelen en opsichten oock niet slimmer! quot;Wat meent ghy dat de Papisten, die in het midden van ons woonen, dencken? Wat acht ghy datse dick-wils onder malkanderen mompelen? Is dat nu dat fijne volck, dat daer seydt, ick ben des Heeren, en dat sich noemt met de name Jacobs ? Zijn se dit, die den suyrdeessen der verdurventheyt hebben uytgesuivert ? Ja, als haet, als nijdt, als twist, als hoovaerdije, als Heersch-sucht, als lasteringh, als lauwheyt in den Godsdienst, van den ouden zuyrdeesem niet en zijn; soo hebbense dien redelijck uytgeboent. Maer zijn dit me vlecken, die uyt gesuyvert worden ; laetse gaen roemen van haer witheyt, die oogen in het hooft heeft, sal pas soo veel daer van by haer sien, als by een tandeloosen Moorman. En och armen! hoe breeckt men onse weer-

ocr page 395

——

MET SUN' WIJNGAERT.

partye de inont op, om soo van ons te spreecken? Mooghen we dan niet wel henen gaen, en roemen dat we Gods volck zijn, Wat souden we wesen ? Hy heeft het tegens hem verdurven, het en zijn sijne kinderen niet. De schant-vlecke is hare. 't Is een verkeert en verdraeyt gbeslachte. Zult gy dit den Heere vergelden, gy dwaes en onwijs volck?

2. Met recht mach ick tot u soo spreecken: suit gy dit den Heere vergelden, die u t' allen tijde soo veel goet gedaen, soo veel weldadigheyt bewezen heeft? Al waert gy schoon sijn volk niet op soo een byzon-dere wijse; immers al settet ghy de verbintenisse, die uyt dien hoofde voort komt aen een sijde; soo waert ghy hem noch alle gehoorsaemheyt schuldigh geweest, by weege van danckbaerheyt voor die goedertierent-heit waer mede hy u geduyrighlijck omringht heeft. Soo zijn dan uwe boosheden, O Nederlandt, niet alleen een ongehoorsaemheydt tegen God als uwe Opper-Heer, niet alleen een trouwloosheydt tegen hem, als eenen sulcken, met dewelcke ghy een verbondt had opghe-recht; maer 't gene noch een nieuw ghewichte aen uwe grouwelen hanght, een schandelijcke ondankbaer-heydt, tegens hem als uwe weldoender. Gy zijt sijn wijngaert niet alleen, maer oock een wijngaert, aen welcke hy gheen moeyte, gheen kosten ghespaert heeft; op eenen vetten Heuvel geplant, en met den dauw des Hemels soo rijckelijk genattet. quot;Wreveligh en trouwloos gheslachte ! Rustedet ghy dan noch niet, voor en al eer ghy de tijtel van ondanckbaer, daer by kreeght ? Homine ingrato pejus nil terra creat, se ydt het Latijn-

3^1

ocr page 396

TWIST DKS HEEREN

sche spréeck-woordt. Geen slimmer wangedrocht brengt selfs het monsterrijcke Africa voort, dan een ondanck-baer mensch.

En wilt ghy, Adamskindt, met korte woorden weten. Hoe dat ondanckbaerlieydt met reeden is verdoemt?

En seclit geen vloecken meer, en geeft gheen ander beten, 't Is al geseyt wanneer ghy een ondankbaer noemt.

De natuyre heeft de beesten selfs saden van dank-baerheyt ingeplant: en niet een dier soo fel, soo wreet, of het laet sich door weldaden temmen. Leeuwen selfs gedenken de trouwe aen haer bewesen, en men heeft se gesien, die met het beste van haren roof, de soo-danighe voeden, aen wiens weldadigheidt sy sich verbonden reeokenden, ja die liever de rasenden honger in haer inghewant besuyren wilden; dan haer anders-sins soo scheur-siecke pooten slaen in het lichaem van haren weldoender. Een osse kent sijn besitter, en een ezel de kribbe sijnnes Heeren. Foey dat de mensche, soo ondanckbaar soud blijven tegen God, en inson-derheydt wy, wy, tegen soo weldadigen God! Dat is verbeesterd te worden, ja beneeden de beesten sich selver weghwerpen. Wat men verdragen kan, altoos ondanckbaerheyt en kan men niet dulden. Voor goet, quaedt te ontfangen! voor danck, stanck, voor weldaden, misdaden? De verdraeghsaemheydt selfs kan het qualijk verdragen sonder gram worden. Ja wat segh ick qualijck verdragen? sonder qualijck. Se kan het niet verdragen. Was niet onse Heere Jesus de lanckmoe-digheydt selver? quot;Want ick soud te weinigh segghen, indien ick hem een volmaekt voorbeelt van lanckmoe-

392

ocr page 397

MET SUN WIJNGAERT.

393

digheydt noemde. Evenwel doe hy de thien van hare Melaetsheyt gereynight hadde, en maer 'een weder quam, om hem daer voor te dancken ; hoe qualijck nam hy het op, en hoe ernstigh bestraft hy de helsche on-danckbaerheyt van de andere negen, die niet eens en quamen, om diengrootengheneesrneester met een enckel woort te erkennen? En zijn niet, seyt hy, de tien gereynight geworden? en waer zijn de neghen? En zijnder geene ghevonden die wederkeeren om Grodt de eere te geeven, dan deese vremdelingh ? Overlegh de sake eens by u selven. Zoo ghy eens een arm mensche in uw Huys ghenoomen, aen uw' Tafel ghevoet, met uw' laecken bekleet, en weghgaende met uw' geit beschon-cken hadd'; en ghy bevondet hem daerna uw goede voornemens teghen gaen, uw' billicke versoecken af-seggen; ja u allerley hoon en smaet aendoen; soudet u niet uyterruaten seer kroppen? en soud ghy niet wel wenschen, dat gelijck de Macedonische Koninck Phi-lippus in soodanigh een gelehentheyt eens vonniste, hem als een brantmerck op het door ghewreven voorhooft gheschroeyt mochte worden? DIT IS EEN ON-DANCKBAER Q-AST. Breng dit nu eens over tot Grodt. Hy is het immers, die u gespijst heeft met het vette der tarwe, en u versadigt met Honingh uyt de steenrotsen. Hy is het, die uwen tafel heeft toegericht voor uw' aenghesichte, teghen over uwe wederpartij der s; die uw' hooft heeft vet gemaeckt met olie, en uwen beker overvloeyende: Die so veele armen lieden onder u heeft rijk gemaeckt, ende de Kooplieden als Vorsten in den lande, die u kleede met Scharlaken en met weel-

ocr page 398

TWIST DES -HEEREN'

d'e; die u cieraet van gout deed dragen over uwe kle-dinge. 'tls immers de Heere, die uwe schuyren met overvloet vervuldet heeft, en uwe perskuypen van moste doen overlopen: Die u eyndelijk alles verleent heeft, wat uw' harte des daegs begeerde, of des nachts konde droomen. En sulk een weldoender raekt by u in 't ver-getelboeck! Ghy gaet heen, ghy gaet heen, ondanck-baer Nederlandt, en laet Godt varen, die u ghemerckt heeft, en versmadet den Rotz-steen uwes Heyls. By wat rechten kan dat goedt gekeurt, of met wat wel-spreeckentheyt kan het verschoont worden ? Is dat' de danck voor Godts onwaerdeerlijcke genade? Is dat de loon van sijn onverdiende, en soo langh misbruyckte goedertierentheydt ? Waer mee heeft de lanckmoedighe en zeegenrijcke Godt sulcks aen u verdient? Veracht ghy soo den rijkdom sijner goedertierentheyt, en ver-draegsaemheyt, en lanckmoedigheyt; niet wetende dat de goedertierentheyt Godts u tot bekeeringe leydet ? Wat naem sal men sulk een boosheyt geeven? Wist ick een slimmer te bedencken, ick brachtse te berde; maer nu heet ick het een verstockte ondanckbaerheyt.

3. Ick doeder met opmerckinghe verstockte by, wantse niet alleen teghen soo veel weldaden; maer oock teghen soo veel waerschouwinghen aengaet. Ick meende schier datter niet slimmer dan ondanckbaerheyt bedacht kond worden. Maer als ick de saecke wel ver-sinne, soo doet er die verstocktheyd tegen soo veel vermaningen, dreygementen, smeeckinge, bestraffinghen noch een derde trap van boosheydt by: en maeckt dat de sonde van ons Vaderlant niet alleen trouweloos-

394

ocr page 399

MET SUN WIJNGAKBT.

395

\

heydt is, niet alleen ondanckbaerlieydt, maer oock een onversettelijcke hartneckigheydt: en hefc is sohier, of wy andere Achabs, zijn, die ons verkocht hebben om quaedt te doen. Hoe lange heeft ons de Heere door sijn knechten, die hy ons ghesonden heeft, hoe krachtelijck, hoe ernstigh gewaerschouwt, dat ons verderf aenstaende was, in dien we so voortgingen; dat den wegh niet goet en was, diewe zijn in geslagen, datwe op het eynde van dien verwoestinge souden vinden? En echter hoe onbeteutert gaenwe tegen dat alles daar heenen? een harte betoonende dat tegen alle vermaninghen ver-hart is, en als met yser of stael beklonken, dat geen waerschouwinge daer op vatten kan. Hoe menigmael hoeft God de Heere als staen wenschen over ons: O datse wijs waren! sij souden dit verneemen, sy souden op haer eynde mercken. En die daer opghelet hadden, hoe dickwijls heeft de Heere Jesus, met betraende oogen, en nat bekreeten wangen, over ons gekermt, als eertijdts over Jerusalem. (Want dan moeten we ons in-beelden, Christum te hoor en klagen, als sijn dienstknechten in sijn name een jammer gheschrey op-heffen, vermits sy het dan niet en zijn die spreecken; maer de Geest des Vaders, die in haer spreeck) Hoe dickwils, segh ick, heeft de Heere Jezus ons toegeroepen? Och of ghy ook bekendet, ook noch in desen uwen dach, het geene tot uwe vreede dient! Maer lieve Heere Jesu, och of ghy daer niet mostet by doen, Maer nu is het verborgen voor uwe ooghen. Ja wel het is verborgen voor onse oogen. Wy zijn recht een dwaes, en een harteloos volck, die oogen hebben, maer en sien niet;

ocr page 400

TWIST DES HEEREN

die ooren hebben, maer en hooren niet. En boe seer ons God de Heere leeren en onderrichten wil, 't is of we ons herte teghen dat alles aen verharden. Soo menig-mael als God de kinderen Israels, by Ezechiel, een wederspannigh buys noemde, so dickwils mach ik het oock wel doen. quot;Want daer zijn weder willige en doornen by ons, en wy woonen by Schorpioenen. God heeft ons nu soo lange achter aengeloopen, en als het ware, na gheschreeuwt, och dat mijn volck na my hoorden; dat Israël in mijne wegen wandelen wilde! In korten sonde ick bare vyanden dempen, en mijn band wenden tegen bare wederpartijders. Maer wie onder n lieden neemt sulcks ter ooren? wie merckt op, en hoort wat hier na zijn sal!

4. Maer och of het alleen een verhartheyt was, tegen Godts waerschouwinge met woorden; 't Is oock een verhartheyt tegen Gods oordeelen. Is dit niet een vreemde, en in alle manieren verwonderens waerdige sake ? Wy bevinden dat onse boosheyt ons kastijd, en onse afkeeringen ons straffen: Wy weeten en sien, dat het quaet en bitter is den Heere te verlaten. En evenwel so keeren wy noch af met een altoos duyrende af kee-ringhe: wy houden ons, o dwaesheyt! o schande! aen het geene daer wy ons qualijck by bevinden. Wij scheppen ons vermaeck in allorley slagh van sonden. 't Soud wat schijnen te weesen, liep het wel af. Maer het breeckt ons soo suyr, soo bitter op. En echter het ga soo het magh, men is soo 't schijnt geresolveert, om liever alles te laten varen, dan de sonde. Wat is het geconfijt te zijn in boosheyt, soo het dit niet en is ? Dit en is niet

396

ocr page 401

MET SUN' WIJNGAKRT.

ghelijk ik terstont seyde, verkoght (want dansietmen daer profijt in) maer overgegeven te weesen om quaet te doen, om niet, ja tot sijn eygen merckelijcke sckade. Tck kebb' eens met schriok geleesen van seecker Theo-timus, die geen dingh minder en was, als het geen hy heete, en niet van de eere Gods en hield dan alleen de bloots naem: welcke seecker accident aen sijn lichaem hebbende, waer door de Medecijns hem ver-seeckerden, dat hy sijn oogen veriiesen soud, so hy voort ging in sijn brasserye en dronckenschap, noch tans hoe waerden pand de oogen zijn, liever verkoor die te missen, dan sijn gulsich leven te verbeteren. Doe hy verstond dat het niet anders wesen konde, borst hy nyt in dese woorden. Vale at ergo lumen amioum. Vaert wel dan waerd gesichte. Wie verfoeyt, niet sulck een uytsporighen dwaesheyt, of liever sinneloose rase-rije? Maer beyd wat Nederlandt.

---Mulato nomine, de te

Fabula narratur.

Soodanige Theotimi zijnder niet dan al te veel in ons Vaderlandt. De geestelijcke Medicijns van Sions krancke dochter seggen het ons voorheen, soo we dus voort willen, het sal ons niet alleen het gesicht;maer oock het leven kosten. We hebben aireede accidenten aen den Staet en Kercke, die voorbereydingen daer toe zijn: we bevinden ja alle dagen, dat we hoe langhs hoe minder sien, voornamelijck van Gods segeningen, die van dagh tot dagh afneemen, en leyder! eerder dan we die pest der sonde, die ons geheele lichaem op 't laest noch verkanckeren sal, dien kreekel die onsen

397

ocr page 402

TWIST DES HEEBEN

398

gantschen ooghst bederft, souden willen uytsuyveren, en van de handt wijsen; souden we liever uyt-roepen. Valeat Lumen amicurn, valeat Salus Palrix, lt;£■ Ecctesix. Vaert wel lieve licht, vaert wel welstant des Vader-landts, en der Kercke. Is 't niet waer dat ick segge? Ja is 't niet al te waer? De onlieylen van de sonde worden niet alleen gliedreyglit. We voelense aireede. En wie later sijn beminde sonde om ? wie senter, sijn Herodias om wegh? wie verstoot sijn Delila, om de aenslagb die hy vermerckt, datse op sijn leven doet, of dreygt? By na niemant. Wat derteling laet nae, om op sijn elpenbeenen bedsteden te leggen, ende de lammeren van de kudde en kalveren uyt bet midden van de mest stal te eten, en den wijn uytscbalen te drincken, en hem selver instrumenten der Musijcke te bedenken, om daer op te quinkeleeren, niet tegenstaende dat God met sijn menighvuld ige oordeelen tot geween en ghe-jammer roept. Wat trotsaerd laet een weynigh af van sijn ghewoonlijcke pracht in kleedinge, in huysraet, in huysinge; onaengesien dat de neeringe als wegh geboent wordende uyt den lande, de wel vaert der varende, de rijckdom met haer vleugelen weghvliegende, de stoffe selfs van hovaerdye de mensche beneemen. Men soud iwmers seggen, indien Gods Woord niet en konde, dat de noot selfs van den mensche matigheyt, en nedrigh-heydt leeren soud. Maer neen, Heere: Ghy hebtse geslagen, maer sy hebben geen pijnne gevoelt: Ghy hebtse verteert, maer sy hebben geweygert de tucht aen te nemen, sy hebben haer aengesichte harder ge-maeckt als een steenrotse, sy hebben gheweygert sich

ocr page 403

MET SUN WIJNGAERT.

399

te bekeeren. De Kercke seyd eertydts in den ghebede tot God: wanneer uwe gerigten op der aerde zijn, soo leeren de inwoonders des wereldt gerochtigheyt. Maer nu, o tijden! o manieren! schijnt die spreuke haer waerheyt verlooren te hebben. Gods gherichten zijn op der aerde, zijn op ons Vaderlandt, on noch en leeren de inwoonders geen gerechtigheyt. quot;Wat konnen we hier anders uyt besluyten, als datter by ons een onverset-telijcke boosheyt heerscht?

CAP. XXVII.

De oorsaecken van dit groote verval worden naghegpeurt, en wordt in dit Capittel aengeweesen, dat Godt selve hier ontrent sijn handt heeft, in het Rechtveerdig onthouden en onttrecken van sijn Hey-llge Geest.

ot noch' toe hebben wy de eerloose onvruchtbaer-

heyt in 't goede, en die al te dertele vruchtbaer-heydt in 't quade, van onse Nederlantsche Wijngaert aengeweesen. Wy hebben oock getoont dat dese onse misdragingen allerley verswaringen by sich hebben die tot vergrootinghe van eenighe sonden dienen konden. En billick is het dat wy alle in dit gesichteniet alleen overtuyght, maer oock verwondert en verbaest staen, en met bekommernisse overdencken, waer het doch van daen moghte komen, dat soo Edelen Wijnstock soo jammerlijck verbastert is: dat een volck, niet alleen soo veel verplichtinghen, maer oock soo veel dringh- en dwingh redenen, te ghelijck met soo veel behulp-middelen ter Heyligheyt hebbende, noch-

ocr page 404

TWIST DES HEEBEN

tans onder al de seiv-o ouheyligh is en blijft, ja tegen die alle aen hoe langhs hoe heylooser wordt. Hebben wy geen grote reden om met ontsteltepisse des ge-moedts ons selven af te vragen. Van waer komt ons dit? Van natuyren zijn wy alle nieuwsgierig om van wonderlijcke gewrochten de oorsaecken na te speuren; En is dit niet wonderlijck dat een Edele Wijnstock geplant op een vette heuvel, daer de Neerstigheydt des Bouw-Heers geen moeyte noch kosten aen spaert, nochtans gantsch onvruchtbaer blijft; min noch meer dan of hy betoovert ware, en offer een verburgen vloeck op leyde. Laet ons dan eens ondersoecken wat de reden en oorsaeck van deese soo onverwachte, ree-denloose, en geheel onbetamelijcke ouvrachtbaerheydt weesen mochte: op dat wy de oorspronck der siekte uitgevonden hebbende, daer na tot de genesinghe des selven gheluckiger mochten voortgaen.

Wanneer ik nu mijn gedachten hier op heb laten speelen, beeld ick my in verscheydene dinghen ont-deckt te hebben, die van gansch verschillige aert zijn, en nochtans alle hier in aenmerckinge behoorden te komen; sommige indirectelyck, en by toeval, gansch tegen haer natuyre; andere directelyck, door haer selve, en uyt eygene aert, het hare daer toe doende: gelijck als in het vervolgh onderscheydentlijk te verklaren staet.

En in de eerste plaetse komt ons hier voor het Wijse en altoos Rechtveerdige en Heylige beleyt der Godde-lijcke Voorsienigheydt, welcke ontwijffelijk oock hier in haer Albestierende handt heeft, 't En is geensins als of ik de schuit ven onse eyge boosheit op den Al-

400

ocr page 405

MET SUN WIJNGAERT. 401

tijt- en Alleen- Goeden Godt wilde schuyven. dat ick hier van zijne Rechtveordige Voorsienigheyt gewage. Dat soude een al te schrickelijke vergrootinge van onse sonde zijn, gelijck het was in de sonde van onse Vader Adam, doe hy dit Helsche kunsje voor de eerste mael in 't werck en sijn overtredinge niet duysterlijck op' Godts reeckeninghe stelde, 't En is oock niet om de Lasteraers van onse Heylige Leere op nieuw de mondt open te doen, als of wy Godt tot een Auth eur van het quade maeckten. In tegendeel wy roepen Hemel en aerde tot getuygen, dat ons hier in ongelijck gheschiet. God de Alwetende weet hoe verre wy zijn van die Godtslasteringhe. En hy selve sal hier over ten jongsten dage eens Richter zijn, tusschen ons en onse wederpartijen, oock over dit stuk. Wij verfoeyen, wy vervloecken die monstreuse stellinge, en het tegendeel daer van zijne wy bereydt, des noots zijnde, met ons eygen bloet te ontderteeckenen. Neen: neen. Godt en is geen oorsaek van onse boosheydt Verre zy Godt van Goddeloosheyt ende de Almachtighe van onrecht. Maer dat ick Gods Voorsienigheidt hier te passé brenghe, is om dat de Heylighe Schriftuyre ons selve so voor-gaet, die van de boosheyt des Israelitischen volks spree-ckende, Gods handt daarin en daer ontrent erkent: 'tls om dat Gods volck in hare verstoktheydt en afwijckinghe door de mondt sijner Heyliger Propheten tot hem ghe-klaegt heeft als het Rechtveerdig bestier daer van hebbende. 't Is om dat Godt selve uitdrackelijck ghe-tuyht, dat hy somwijlen in ongenade sijn volck overgeeft in het goedtduncken hares harten, om te wan-

26

ocr page 406

TWIST DES HEEREN

delen in haer eyghen raetslaghen, 't Is eyndelijck op dat wy sien souden, hoe seer de Heere op ons ver-gramt moet zijn, dat lay sijnen goeden Geest ons ont-reckt, en een quade Geest der verhardinge en des Diepen slaeps ons in des selfs plaetse toesent. quot;Want dat zijn blijcken van sijn uytterste onghenade.

Laet ons dan ter saecke komen, en besien hoe verre Godt in deese sondige toestandt van het volck onses t Landts sijn handt heeffc.

En T. Is het baerblijckelijck dat gheene, oock de alderovervloedighste en krachtighste Genade-middelen, een volck in 't gemeen of eenigh mensche in 't byson-der, tot rechte Heyligheyt brengen konnen, sonder de inwendige ziel veranderende ghenade des Heylighen Geestes. quot;Wat baettc het of de Israëlieten alle die wonderteekenen in /Egypten en in de woestijne, aen Pharao, sijn Landt, sijn Volck, en aen haer selven, in de wegh die sy wandelden, in de spijse die sy aten, in de dranck die sy droncken, in de kleederen die sy aen hadden, kortom in alles wat om en aen haer was met haer ooghen ghesien, en met haer ooren ghehoort hadden? quot;Wat baette hetofsy het geleyde van soo een Propheet als Mose, en soo een Priester als Aaron, ge-stadelijck genoten? Wat baette het of sy Godt selve uyt het middnn der blixemen en der donderen, met een over-Hemelsche staetsie en Majesteyt, sijn heerlijcke quot;Wet hoorden verkondigen? quot;Wat baette het eindelijk of sy door so veel weldaden ter hooghschuldiger deugh-de gelockt, door soo veel vervaerlijcke plaghenvande heyloose onvroomheyt afgeschrickt wierden? Sy blee-

402

ocr page 407

MKT SUN WTJN (tAERT.

403

ven het geene sy te vooren geweest waren, een onge-seggelijck en hartneckig volck, weerdigh om dit verwijt Mosis te liooren: Wederspannigh zijt ghy teghen den Heeren uwen Godt, van den dagli aen dat ick n ghekent heb. En waer quam hen dat van daen? 't Was om dat Godt haer door sijn inwendige genade niet genas van haer geestelijcke blintheyt en boos-hej'dt. Die reden geeft ons Mose self. Grhy hebt ghe-sien, seydt hy, al wat de Heere in iEgyptenlandt voor uwe oogen gedaen heeft, aen Pharao, en aen alle sijn knechten, en aen sijn landt; Die groote versoeckingen die uwe oogen ghesien hebben, die selve groote teec-kenen en wonderen. En nochtans, wil hy seggen, en zyt ghy daer door niet een hayr te beter gheworden. En waerom? Want de Heere en heeft u niet gegee-von een harte om te verstaen, noch ooghen om te sien, noch opren om te hooren, tot op desen dagh. Dit schijnt wel een raedsel te wesen, weerdig om ontknoopt te worden. Hoe hadden sy alle Godts wonder met haer oogen gesien, en nochtans geen oogen ghekregen om te sien tot op dien dagh, op welck Mose haer dat seyde? Sy hadden het ghesien met haer natuyrlijcke oogen, en daerom niet wel gesien; sy hadden maer het uyterlij cke en de schorse ghesien, en daerom waren sy daer door niet na behooren geraeckt geworden. Maer sy en hadden geen geestelijck gesichte gekregen, geen opmerckinge des geloofs gehadt, en daerom en was het haer niet ter Heyliger verbeteringe in het harte ghesonken. Overmidts sy den Heyligen Geest, uyt-wendigh spx-eeckende door sijn woordt, en inwendigh dickwils haer conscientien overtuyghende, niet ghe-

ocr page 408

TWIST DES HEEREN

hoorsaem waren gheweest, soo wierd God daer ver-drietigh over, en ontrook haer die Geest, sonder welcke al die andere wonderteeckenen vrucht- en krachteloos waren. En ghelijck het dus met een gansch volck gaet, soo oock met een mensche alleen. Al was het schoon dat yemandt den ganschen dag door, den Heere Jesum Christum uyterlijk in syn geselschap hadde: al was het dat hy om de bitterheyt der sonde te beproeven eenige tijd in de Helle gelegen hadde: al was het dat hy om een smaeck te krijgen van de overheerlijcke belooninge des deugts een wijle in den Hemel was op-getrocken geweest: indien der dan geen hart-omkee-rende kragt des Geestes by en quam, soo soude hy door dat alles niet een eenige sonde konnen over winnen.

Wanneer wy nu de saecke te deeghe willen insien, soo sullen wy licht verneemen konnen, dat de Heere, de Heylighe en Rechtveerdige Godt, de Inwoonders van ons Nederlandt doorgaens sijn Geest te byster heeft ontrocken. 't Heeft sijn Majesteyt verdroten, dat wy de stemme van sijn woordt, sijn seegeningen, sijn roede niet meer gehoor en gaven, om ten minsten de uyterlijcke sonden afbreeckende ons ter seedige eer-lijckheyt te schicken. Billijck heeft hy euvel opge-noomen, dat men tegen de overredingen van de Schrift, en van de Conscientie soo stout heeft aenghedriescht, en voor de sonde beginne te pleyten, wanneer de selve op het alderkrachtighste ontdeckt wierde. En daerom heeft hy in rechtveerdige gramschap over ons ghe-seydt: Mijn Geest en sal niet in eeuwigheydt twisten

404

ocr page 409

MET SUN WIJNGAEET.

met dit volck dewijle sy vleescli zijn. Dewijle sy mijn -Heylsame raet soo hartneckiglijck versmadende, mijn Heilige Geest verbitteren, so sal ick des selfs krachtige genade-werckingen oock inhouden en daer mede niet vergheselschappen de boetpredikinghe van mijn knechten ende gheduyrige waerschouwinge die ick t' haerder overtuyginge haer steedts laet doen. Sy zijn toch wederspannigh, en doen mijn Geest alle smerte aen, en waerom soud ick dan de selve hen behouden laten, dewijle sy hem hoe langs hoe meerder smadi-ghen? Mijn volck heeft mijne stemme niet ghehoort, en NederlancU heeft mijner niet gewilt. Dies heb ick het overgegeeven in het goedtduncken hares harten, datse wandelen in hare raetslagen Psalm XXXI. 12,13.

Daer komt het van daen dat alle die genade-midde-len soo weynigh klem op het harte des volcks hebben, dat in 't midden van soo veel onderwijs so weynig geestelijcke kennisse ghevonden wordt, en dat alle ghe-sichte haer wordt als de woorden eens verzeeghelden Boecks. Daer komt het van daen dat de alderkrach-tigste predicatien soo weynigh ingang in de siele hebben, min noch meer dan of die Hamer geen slagh meer konde maken, en of dat sweert sijn stael en sne quijt ware. Daer komt het van daen, dat noch de beloften Godts de zielen trecken, noch sijn liefdezee-len tot danckbaerheyt verbinden, noch sijn roede de sonde tegenmaeckt: Want sijn Geest en speelt in allen desen niet, ende die most hun de kracht en het leven geven.

2. Dit is het noch niet al. 't Is of de Heere niet

405

ocr page 410

TWIST DES HEEBEN

406

alleen de Ziel-veranderende genade-werken sijnnes Heyligen Qeestes inhout,] soo datse sijn woordtby ons seer spaersaem vergeselschappen: maer hy schijnt oock die bedwingende kracht sijnes Geestes, die hy de onwedergeboorene en de Heydenen wel plagh meede te deylen, onder ons soo werksaeiti niet te maken, 't Is als hy de ongeregelde driften des Werelts en des vleesses de toom los laet. om ter syden nyt te spatten, waer heen het hacr uytspoorigheit lust. De wijle het veele niet goedt ghedacht en heeft G-odt in erkente-nisse te houden, soo heeft se Grodt overgegeeven in een verkeerden sin, om te doen dinghcn die niet en betamen. Sy wilded haer het bedwangh der Goddelijo-ker geboden ontweldigen, en seyde in haer harte, Laet ons sijne banden verscheuren, en sijne touwen van ons werpen. En daerom laet haer Godt oock als wilde Woudt-Esels in do woestijne heenen loopen, en na den lust haerder siele den windt scheppen. Het dachte haer te moeyelijk hare ghedachten gevangen te leyden onder de ghehoorsaemheydt Godts, en haer begeerten te reguleeren na het voorschrift van sijn wet: en daerom verkoopt hy haer .in de hant van haer dwase inbeeldingen, en hy laet haer vallen in versoeckinge en in den strick, en in veele dwase en schandelijcke begeer-lijckheden, welke de menschen doen versinken in het verderf ende ondergangh. Hy geeft haer over in de begeerlijckheden barer harten, die haer niet een oogen-blik ruste laten, maar als een deel gierige Harpyen ende een deel Helsche Furiën aen alle kanten verscheuren, en met de Dochters van de Bloetsuyger ge-

ocr page 411

MET SUN WIJNÖAEKT.

stadighlijck tieren en gieren, Geeft, Geeft. Dan quelt haer de dranoksucht, dan de leckernije, dan de Gierigheyt, dan de Hovaerdije, dan wat anders. In somma nimmermeer ghedaen werck. Al die monsters zijn los gelaten om haer elck op haer beurte, en dickwijls alle te gelijcke, te folteren en te pijnighen. En dat volghter op, als de mensohe sich onder Godt niet willende buigen aen hem selven overgelaten wordt, soo stort hy dan van boosheyt tot boosheyt.

3. Hier by komt noch dat de Heere niet alleen de werokinghe sijnes goeden Geestes over veele in houdt, en haer aen haer selve als aen quade Meesters, en aen haer ongeregelde passien als aen soo veel Tyrannen overgeeft; maer dat hy een Geest der blindtheyt en des diepen slarps, ja een Geest der verstooktheyt en der verhardinge den Onrechtveerdigen toesent, soo datse niet vermercken het Heyligh beleyt van sijn Wijse handelingen, noch daer door gobetert worden. Ts het met ons beter ghestelt als het Oude Israël, van 't welcke Jesaias seyde: De Heere heeft over u lieden uytgegooten een Geest des Diepen slaeps, ende hy heeft uwe oogen toegheslooten: de Phropheten, en uwe hoofden, en uwe Slenders heeft hy verblindt. Ja is het niet als of de Heere selve gesproocken hadde: Gaet heenen ende seght tot desen voloke hoorende hoort, maer en verstaet niet; ende siende siet, maer en merckt niet. Maeckt het harte deeses volcks vet, en maeckt hare ooren swaer, ende sluyt hare oogen, op dat het niet en sie met sijne oogen, noch met sijn ooren en hoore noch met sijn harte en versta, noch sich bekeere, ende hy -het gheneese. Indien dit oordeel niet op ons leyde, hoe

407

ocr page 412

TWIST DES HEBBEN

was het anders moogelijck, dat wy onder soo veel glie-nade middelen, niet alleen niet ghebetert souden worden; maer daer tegen aen hoe langlis hoe meer verharden? Hoe soud het mooghelijck zijn dat de mee-nighte des volks haer ooren soo soud afweeren van de gesonde woorden der Heyliger waerheydt, en van de krachtighe lessen der Geestelijker Godtsaligheydt, die indruckselen harer Goddelijckheyt van selfs aen de Conscientie openbaren, ja dat men alomme verneemt sulck een ghedruys en_ gedries daer tegen aen van allerley Staets en Stants persoonen, indien niet de Godt deeser eeuwen hen de sinnen verblindt hadde, op dat haer niet en bestrale de verlichtinge des Evangeliums der heerlijkheydt Christi; en indien haer Godt niet toegesonden hadde een kracht der dwalinge om de leugen, en de bedrieghlijcke schijnredenen des AVer el ts voor de sonde pleytende, te gelooven, dewijle sy een wel behagen gehad hebben in de ongerechtigheydt ? En wat is dat een droevigh en vervaerlijk oordeel onder de Geest van sulk een verhardinge te leggen? Hoe jammerlijck klaegde de Kercke daer over: Heere waerom doet ghy ons van uwe weghen dwaelen ? waer-om verstookt ghy ons harte dat wy u niet en vreesen? Indien voor een tijt langh onder een verstockinghe, die maer ten deele is, te legghen Godts Kinderen soo bange valt, datse daer over uytroepen:

Daer is noyt swaerder last

Een mensclie toegepast Als 't ongevoeligli quynen:

Ach onbeweeght te zijn

408

ocr page 413

MET SUN WIJNGAEBT.

Is my de swaerste pijn En doet de Geest verdwijneu.

En datse om die gheneesen te krijghen tot God seggen:

Verbrijselt, Heer. do grendels van mijn harte, En breeck het slot: 'ken vreese voor gen smerte. Druckt my vrij met uw handt,

Ontroert mijn ingewandt

En doet my anghstigh woeien.

Bedwelmtheyt sonder anglist,

Die valt my alderbanghst.

Och doet het my gevoelen.

Geeft my maer slagh op slagh,

Soo dat ick 't voelen mach; '

Verbrijselt vry mijn beenen:

Laet vry een Helsche gloet Verteeren vleesch en bloedt,

En bitterlyck doen weenen.

En dat een ervaren heelmeester van Sions Dochters wonde sulcken toestant de droevigste staet eenes Christens noemt; hoe schrickelijck moet het dan zijn onder een gheheele verhardinge te leggen, die van Godt komt, niet als van een Goede en wijse Vader, maer als van een Rechtveerdige en Vergramde Rechter? Sulck een verhardinghe brenght den wereltschen mensche alder-naest aen de Helsche Duyvelen. Daerom was de man Gods Lutherns hier soo bangh voor, dat hy God bad liever allerley Quaden als ditte Duytsland toe te senden. Heere Godt, Hemelsche Vader, seyde hy, Wy bidden u na uwe onuytputtelijcke goedertierentheydt, laet ons veel liever in het slijck van allerley sonden vallen, soo wy doch sondighen moeten; Alleenlijck bewaert

409

ocr page 414

TWIST DES HEEBEN

ons voor blindheydfc ende dwaesheydt, en de geest der verstocktheyt.

4. 'tis ten laetsten seer aenmerckelijok dat de Heere selfs sijn Lieve Kinderen, de Vroome deser dagen, die de stutten en Pylaren des Landts noch wesen sullen, soo spaersamen mate sijnes Greestes mededeylt. Wanneer men eens over denokt de Heerlijke beloften en Prophetien die over de geloovige des Nieuwen Testa-mentes zijn uytgkegaen, hoe dat niemant van de in-woonderen des Nieuwen Jernsalems soud seggen ick ben sieck: hoe dat hy die onder haer struyckelen soude, soude zijn als David, en het hoys Davids als Goden, als de Engel des Heeren voor haer lieder aengesicht, en wat diergelijcke hoogh-gaende voorseggingen meer zijn; soo heeft men reeden om verbaest te staen, soo sobere vervullinghe daer van in de Vroome onsos Lands en onser eeuwe bespeurende.

'tls als of Gods kinderen doorgaens pas soo veel geest hebben als van noden is om het geestelijcke leven te konnen gaende houden, voor de rest een dorheydt en magerheydt over haer uytgesonden zijnde; Iwaerom se oock pas soo veel vruchten voortbrengen, als van noden is om voor geen onvruchtbare boomen gehouden en afgehouwen te worden. Voor soo veel ik selfs in verscheydene Kercken en Provinciën de Godsalighe behandelt, en met andere Hemels-Onderwesene Schriftgeleerde over de staet der Heyligen die sy kenden ghesproocken hebben; hoor ick niet ghemeener als der Vroomen klachten van Geesteloosheyl, Lusteloosheyt, Truosteloosheyt, verhardinge des gemoets, onmacht

410

ocr page 415

MET SUN WIJNGAEBT.

tegen de sonde, 'ongelooviglieyt, en een storm van al-lerley Tentatien, tegen welcke sy ter nauwer noodt het hooft durven opbeuren, en konnen ophouden. Is het niet een bysonder oordeel Godts, dat hy aen de ziele, sijnner Kinderen sulck een magerheyt sent ? Geschiedt dit aen den groenen houte, hoe moet het^met het dorre toegaen ?

Soo sien wy dan dat de Heere God, door een Recht-vaerdigh oordeel ons sijnen Gheest onthoudende en ontreckende, ontrent die onvruchtbaerheyt onses quot;Wijnstocks sijn handt heeft. Maer och! datwe dit eens met geestelijcke oogen saghen; om na bohooren te beseffen, hoe seer wy de Geest Gods eerst beproeft, bedroeft, ghoterght, en verbittert moeten hebben, eer dat hy soo uyt sijn Heylighdom gheweecken is; hoe ellendigh het oock met de Staet van ons Landt en onse Kercke ghestelfc is, nu dat schrickelijck oordeel van blintheyt en van verhardinge'' soo algemeen, en in sulck een mate op ons leydt; en wat ten laesten het eynde van deesen allen weesen sal. „Doe seyde ick, hoe lange Heere; Ende hy seyde: tot dat de Steden verwoest worden, soo datter geen Inwoonder zy, ende de Huysen datter geen mensche en zy, ende dat het landt met verwoes-tinghe vervult worde. Want de Hcere sal die menschen verre wegh doen, en de verlatinge sal groot wesen in 't binnenste des Landts.

411

ocr page 416

TWIST DES HEEBEN

CAP. XXVIII.

Dat onse Lanckduyrige Voortpoet en Weelde ook een oorsaeck van dit verval is.

Daer is ook niet aen te twijffelen of die langhduyrighe voorspoet waer in wy geseten hebben teeft aen-leydinge tot dit groote verval gegevenaer is ook niet aen te twijffelen of die langhduyrighe voorspoet waer in wy geseten hebben teeft aen-leydinge tot dit groote verval gegeven Patimur long amp; pacis mala. Onse benen zijn te swack geweest om dat lastigh pack van soo overmatige weelde tö dragen. Billijck behoorden die liefde-zeelen, waer meede ons de Heer getrocken heeft, ons tot sijnnen Heylighen dienst te sterker verbonden te hebben. Indien wy daer een recht gebruyck van hadden gemaeckt, soo souden ■wy de goetheyt Gods, van wiens milde hand sy ons de quamen, daer in dancbaerlijck erkent, en daer uyt-gheleert hebben, dat het gheene ons van God was toegekomen ook niet anders als na sijn wille, in sijn dienst, en tot sijn eere besteed behoorde te worden. Wy moesten in 't ghenot van die seegeningen Hey-lighlijk bedacht hebben, dat het niet soo seerdieuyt-terlijcke dinghen waren, als wel Godt selve die ons in en door de selve vermaeckt. En vonden wy daer ooyt eenighe soetigheydt in, Waerom wy die gaven lief kregen, soo mosten wy opklimmen om te overdencken wat soetigheyt in den Gever wel wesen moet, en hoe weerdig die dan is om boven sijn gaven en boven alles met de inspannighe van alle onse krachten te beminnen. Is de uytvloet en een kleyn beeckje soo ver-maeckelijck en aenghenaem; wat moet'er dan van de fonteyne zijn, die hondert duysent sulcke stroomjes uytgeeft, en noch altijdt oneyndighmael meer en beter

412

ocr page 417

MET SUN WIJNGAEHT.

413

by sich houdt ? En wat dommer dwaesheyt ware het, by het beeksken te blijven staen als men de fonteyne selve krijgen kan? Dus behoorden onse zielen door 'tghenot van die voorspoet tot den Heere, die ons voorspoedigh maekt, op te stijghen, en in sijn God-delijcke liefde ghesterckt te worden. Te meer wanneer wy daer by eens ghedachten, dat wy het alder-minste kruympje droogh broodt, en het aldergeringste drupje koudt wakers in Godts gunste niet en konden ghenieten, of de Heere Jesus Christus moste na al dat bange en bittere lijden den vervloeckten doot des Kruys-ses daer voor sterven. Op dat' wy in de liefde Gods sulcke welgestoffeerde Huysen, sulcke welgediste tafels, sulcke cierlijcke kleederen, en sulck een over-vloedt van alle wenschelijke dingen hebben souden; daerom heeft onse Groote Heere Jezus sonder hof, sonder have moeten omswerven, daer hy doch deErf-genaem van alles was; daerom heeft hy honger en dorst geleden, ja die bittere Kruiskelk met hef van's Vaders wraek met al op onse gesontheyt uytgedronken; daerom heeft hy sijn leven in zulke armoede doorgebracht, dat hy klagen moste, de Vossen hebben hare hooien, en de Vogelen des Hemels hare nesten, maer de Soone des menschen heeft niet daer hy het hooft op nederlegge; Soo duyr en suyr heeft Jesus al die overvloedt voor sijn uitverkoorne ghewonnen, anders was het onmogelijck dat sy het minste in de gunste Gods ghenieten souden. En hoe moste deese overden-ckinghe de Heiylighe ziele in de liefde Godts doen ontbranden? Dan souden de goederen deser aerde ons

ocr page 418

TWIST DES HEEREN

een trap geweest zijn tot den Hemel en tot Hemelsheyt.

Maer helaes het is door onse verdurventlieyt heel anders uytgevallen. Die voorspoet is ons een versuy-ckert fenijn geweest; een bedriegelijcke Delila, een betooverende Circe, soo veel te schandelijcker hoe sy sich vriendelijker op deed.

quot;Want 1. Door middel van die overvloedt hebben wy begonnen met een ongeregelde liefde op de dingen deses wereldt versot te worde, en met de selve een sekere soorte van hoererije en geestelijk overspel te begaen, ten spijte van de Schepper die al de liefde onses harten alleen toekomt. Sedert dat de sonde in de werelt is ingebroken en alles onder hare Tyrannije dienstbaer ghemaekt heeft, isser ick en weete niet wat voor een verborgene Tooverkragt in de dingen deser wereldt gekomen, waer door der menschen harten soo worden ingenomen, datse daer op vernibbeld en verduit zijn. Invoeghden dat in plaetse sy den mensche als een ladder souden dienen, om daer by tot Godt op te klimmen, soo zijn sy eerder een strick om hem van Godt af te houden. Hy krijgt een averechtse sin in die Schepselen, hy laet sich kittelen door een verboden vermaeck der selve, sijn harte went sich daer henen, en word ten laetsten daer in vast gemaeckt en verstijft, ja als besturven en begraven. En dat is dan na de spreeckwijse des Heyligen Geeste.s van Godt af hoereren. En overspel met de werelt te doen. Het welcke immers een schrickolijke sonde wesen moet die uyt Voorspoedt voortkomt; en niet een sonde alleen maer oen gansch verval in de Staet der ziele.

414

ocr page 419

MET SUN WIJNQAERT.

415

2. Doet daer by dat na die mate dat wy sin krijgen in de dingen deeses werelts, na die mate verslappen wy oock in de liefde Godts. Niet alleen wordt Gode Kerckroovelijck die liefde ontstoolen die tot wee-reldsche dingen wordt overgebracht. Maer de quot;Werelt-lijcke liefde staet oock regelrecht teghen de liefde Gods over,quot; is een vyandinne van de selve, en heeft een Helsche kracht om die te verdooven en nyt te blussen. Even gelijck in 't natuyrlijcke de Overspcelige minne een Vyandinne is van de echte en rechte Houwelijcks liefde. En wat een schrickelijk verval is dat, door de liefde des quot;Werelts te verlauwen en te verflauwen in de liefde Gods ? Dan leit 'er al het werck des Godts-dienstes en der Heyligheydt toe, 't welck geen geest noch keest, geen geur noch fleur, geen val noc h stal en heeft, indien het door de drift der liefde Godts niet aen de gangh gheholpen wordt. Ja, ghelijck men door-gaens in overspeelders en overspeelderessen siet gebeuren, daer komt een geheele verwijderinge en ver-wilderinge van de ziele uyt, waer door sy geheel van Godt afwijkende op 't wildt slaet, en God hoe langer hoe hatelijcker wordende hem oock begint te haten. Dit is het dat Johannis leert: Soo yemandt de werelt lief heeft, de liefde des Vaders en is niet in hem. En Jacobus noch ruym soo scherp. Overspeelders en Overspeelderessen, en weet ghy niet dat de Vrientschap des wereldts een vyandtschap is tegen Godt. En is het niet soo met ons gegaen? De wereldt in haer weelde ons so Vrindelijck toelagchende heeft ons tot haer overspeelige liefde verwe ckt; en de Heylige Liefde

ocr page 420

416 TWIST DES HEEREN

Godts verdooft en uytgebluscht; daar door zijn alle goede oeffeningen yerwildert geworden en hebben een weersin gekreegen in Godt en in sijn Heylige dingen, en dus zyn wy te met in dit rampsalige verval ge-raeckt.

3. Hier is het niet by gebleeven, maer wy zijn door onse voorspoet nog soetvoerig en sorgeloos gbe-worden. 'tls als of het een slaepdranck gheweest is, ons van den Vyandt kunstigh gemenght en in geschonc-ken om ons in een sluimer niet alleen, maer in een doodslaep te brengen. Even gelijck het sachte ruys-schen van een beecke, en het aengename ghequeel van een welklinkende Musijk instrument, de geesten des menschen so soetjes ophouden, dat de Hersen-vliesen toevallende hy in slaep gheraeckt: also heeft ook de Voorspoet die kracht op onse verdurvene natuyre om ons gerust en onbekommert, en vervolgens ook sorgeloos te maecken. Wy zijn die van Lais ghelijck ghe-worden, die door haer langhduyrighe vrede seecker, en door haer seeckerheyt sorgheloos waren. En wie en weet niet dat de sorgheloosheyt een wijtgapende deure is, door welcke allerley sonden met heele troepen in komen ?

4. Eyndelijk heeft ons de weelde het harte en den boesem doen swellen. Na dat onse weyde was zijn wy sat gheworden: als wy sat gheworden zijn heeft ons ons harte verheven, daerom hebben wy Godt vergeeten. Onse grootheyt heeft ons groots gemaeckt, epde de verwaentheyt en verweentheyt van Babel doen, navolgen, die Weeldige die soo seeker woonde, die in haer

ocr page 421

MET SUN WIJNOAERT.

harte seyde, lek bent en niemandt meer dan ick. Ick sal Koninginne zijn tot in eeuwigheydt. Onse rijckdom waer door we voor het Oude Tyrus niet en hoefden te wijeken, heeft ons Tyrus oock in trots ghelijck ge-maeckt, en het en scheelt niet veel of onse Vorsten souden haer oock wel vervoeren laten om te segghen, Ick ben Godt, ick sitte in Godes stoel, in het harte der Zeen; daer sy menscüen en geen Godt en zijn, stellen sy haer harte als Godtó harte. En doorgaens hebben de groote en machtige in den lande, de seege-ningen Godts, non hos concessum munus in usus, tot wulpsheyt, brood-dronkentheyt, en hovaerdije, als ten spijte van de Zegenaer misbruyekt. Siet dus hebben wy ons de goedtdadigheden van Godt Almachtig tot eeu valstrick gemaeck^, en sijn genade verandert in ontuchtigheyt.

Doch wy zijn de eerste noch de eenigste die de voorspoet tot verwilderinge gedient heeft, 'tls al gemeenlijk soo gegaen, dat de bekrompen tijden vroome gemoederen hebben uytgelevert: die door weelde ontmant en ontmergelt zijn geworden. Soo langh de Re-publij k van Romen in haer armoede stack, wasser geeue grooter Heyliger, noch rijker van goede exempelen, seyt de Histori-Schrijver Livius, in welcke de gierig-heyt en dertelheyt so laet een ingangh hadden, en daer de armoede en spaersaemheyt soo lang in eere gehouden wierden: Hoeder minder goet, hoeder minder begeerte was. Maer daer hebben de Rijkdommen de gierigheyt, en de overvloedige wellusten een begeerte om door overdaet en dertelheyt ten verderve te yle,

27

417

ocr page 422

TWIST DES HEEEEN

en alles met sig ten verderve te sleepen, ingevoert. Doe bloeyde het gemeen best, doe men Burgemeesters, en Veltheeren, en Opperghesagh-hebbers, die eelt in de handen hadden, uyt het landt-hutje en van de ploegh haelde. Doe waren de deughden in haer kracht, als elck sig met de handen de kost won, als men de aerde tot sijn bedde hadde, als de Huysen van geen gout en bloncken, als 'er noch geen edele gesteenten in de tempels glinsterden; als de eenvoudigheyt van geen uytheemsche toestel wetende, sich met een ruyge pije om de lendenen vergenoeghde. Doe woonde de vroo-migheit in een licht opgeslagen hutje, 't welk daer door schoonder wierde en Heerlijcker voorsien als daer na de prachtige tempelen. Maer doe sedert de Voorspoet met de weelde in quam, en het gout en silver niet alleen in de beursen, maer oock aen de Huysen, op de tafels, on op de vloeren raeckte, doe quam daer meede alle dertelheydt, overdaet, onrechtveerdigheyt, meyne-digheyt en alle soorten van grouwelstucken inbreecken. De overvloet verdurf de gemoederen, die de soberheyt deughtsaem gehouden hadde.

Dit selve heeft men alderklaerst in de Kerke onses Salighmaeckers konnen bespeuren. In heete tijden van vervolginge heeft ook de meeste hitte des Goddelijken y vers gebrandt. En als 'er dagen van verkoelinghe qua-men van voor het aengesigte des Heeren, dan verkoelden oock wel haest die vlammen der Hemelscher liefde. Wanneer de werelt en de Hel, met de menschen en Duyvelen die daer inne zijn, sich gelijkelijk kanten en kampten tegen den Heere en sijn Gesalfden, teghen

418

ocr page 423

MKT SUN WUNGAEKT.

geloof, waerheyt en kerke; wanneer over al kruys en Radt, vier en sweert, (en wie kan alle de soorten der wreder dooden tellen, waer mede men de kinderen van de Vorst des Leevens socht nyt te roeyen?) ge-bruyckt wierde teghen de Xercke en tegen de Waerheyt, die niet anders gewapent is, als met onnoosel-heyt, tranen, en ghebeden; doe sag men de Kerke in haer meeste euyverheyt, ende 't gheloof in sijn grootste kragt: doe blonk de Kerk, gelijck door ontsteeken vier der vervolginge, als schoon gout: doe openbaerde sich een Hoger, kloeker en suyverder Geest, strijdende tegen alle verhinderingen, en dringende en dragende met een heerlijcke triumph haer leeven oock door de doodt. Maer met dat de Roomsche Keyzers het Christen-geloof aennemende, haer uytterlijcke glans en heer-lijkheydt in de nedrighe ghemeente Christi brachten, doe wierd die stemme gehoort: Heden is het fenijn in de Kercke uytgegoten. Doe verslapten de gemoederen en begonnen na de werelt te hangen: de yver en de Heylige eenvoudigheyd des eersten Christendoms nam af: en de Kerke die te vooren als een suyvre Maget met haer natuyrlijke en inwendige schoonheyt gepronckt hadde, begon allengskens, met uitterlijck of smuicksel haer ziele schoon bedervende, de geblanckette Hoere des quot;Wereldts ghelijck te worden.

In ons landt en Kerke heeft men 't even so ghesien. Doe meenighte van menschen door Beuls handen om-quarnen ter sake van 't geloof, doe eenen yegelijeken de eygenschap van hals en have in twijfel getrocken, thans uitdruckelijk afgewezen wierde; doe af komsten

419

ocr page 424

TWIST DES HEEREN

420

middelen voor misdaet gerekent wierden, en geen ge-vaerlijker ding dan de deugt; was doe burger tegens burgers, maeg tegen maeg opgehitst, ende die het aen vyandt ontbrak van sijne Vrienden verraden wierdt; doe allds geoorlooft was, behalven het goede; en men van Christus noch van syn dienst niet reppen en mogte als onder een gewis oordeel des doots; even doe was het Lant en Kerke aldervrugtbaerst van deugden en stichtelijke Exempelen. Doe sagh men goedt en bloedt van den eenen Broeder voor den anderen opgeset; ernstigste trouhartigheyt aen allerley staets personen be-weesen; samelpenningen uit het diepst (Jer Beurse ge-williglijk voortgebracht, ter liefde van vryheyd en Godsdienst en verarmde Broederschap; brandt van yver tot Godsvrucht en goede werken; Verlaten van Huys en Hof om belijdenisse der waerheyt; de doodt en wat in aller pijnen macht was stantvastelijck daer voor geleden, voordeel overgegeven uyt enckele goedt-hartigheyt; en vyand selfs verschoont op geen soo goedt weerom ; belofte gehouden oock met nadeel, eenvoudige soberheyt verre boven uitheemsche pragt ge-waerdeert; en eyndelijk meerder spoet na den Hemel, hoe men minder genot van werelts nut op aerden had. Maer doe de vervolginge op de toevloet van luck en segen aenhieldt, verdweenen temet die Oude deughden: en verkeerde werelt-gesintheyt; verslappinge van de Liefde Gods; verflauwinge in sijn dienst, vermetele trotsheydt; overdaet in Huysen, Huysraet, tafel, klee-dinge; snoode eergierigheyt; geldt-winste voor het hoogste goedt gereekent; en daer by een soetvoerige

ocr page 425

MET SUN WIJNGAERT.

sorgeloosheyfc, al te mael dertele weelde-kiaderen, na-meu geweldigh hunne plaetse in.

CAP. XXIX.

Dat oock in tie ijcnadc-middelen selve, qimlijck aenyhelcyi en gebruyckt zijnde, versclieyJe dingen oorsaek tot dit verval gegeven hebben.

Men soude oock noch een ander oorsaeck van dit verval konnen vinden selfs iu de Genade-middelen, dit uyt haer eygen natuyre tot Heylighmakinge streckende, ons soo overvloedighlijk van God verleent, dog van ons soer qualijck aengeleyt en ghebrnyckt zijn. Ick hebbo gemerkt dat in 't eerste aenbreeken van de Reformatie het woordt des Euangeliums won-derlyck sijn luop en kracht hadde. Doorgaens wierde doe de Kercke onderwesen van eenvoudighe en onghe-letterde Leeraers, die (eenige enckelen uytgenoomen by welke het voornaemste bestel van saecken beruste) van haer ambacht en uyt haer winckel gevordert wierden tot den Predikstoel, na dat elk genegentheyt en yver, en, na gelegentheyt van die minkundige tijden, kennisse der Goddelijker waerheydt hadde. Soo kan men dan oock wel denken dat de Predicatien te dier tijd secr eenvoudige onderrichtingen der waerheyt, en vermaningen ter deughtsaemheydt waren. En nogtans sach men niet alleen in spijt van alle vervolginge sulk een samenvloeye tot die onbestudeerde Predicatien, dat het getal van de toehoorders in een sermoen selfs na het getuygenisse der vyauden, somwijlen op acht, somwijlen op twaelf, ja op sestien-duysent ende daer boven geschat wierd: maer men sagh oock sulck eenen soude oock noch een ander oorsaeck van dit verval konnen vinden selfs iu de Genade-middelen, dit uyt haer eygen natuyre tot Heylighmakinge streckende, ons soo overvloedighlijk van God verleent, dog van ons soer qualijck aengeleyt en ghebrnyckt zijn. Ick hebbo gemerkt dat in 't eerste aenbreeken van de Reformatie het woordt des Euangeliums won-derlyck sijn luop en kracht hadde. Doorgaens wierde doe de Kercke onderwesen van eenvoudighe en onghe-letterde Leeraers, die (eenige enckelen uytgenoomen by welke het voornaemste bestel van saecken beruste) van haer ambacht en uyt haer winckel gevordert wierden tot den Predikstoel, na dat elk genegentheyt en yver, en, na gelegentheyt van die minkundige tijden, kennisse der Goddelijker waerheydt hadde. Soo kan men dan oock wel denken dat de Predicatien te dier tijd secr eenvoudige onderrichtingen der waerheyt, en vermaningen ter deughtsaemheydt waren. En nogtans sach men niet alleen in spijt van alle vervolginge sulk een samenvloeye tot die onbestudeerde Predicatien, dat het getal van de toehoorders in een sermoen selfs na het getuygenisse der vyauden, somwijlen op acht, somwijlen op twaelf, ja op sestien-duysent ende daer boven geschat wierd: maer men sagh oock sulck een

421

ocr page 426

TWIST DES HEEBEN

kracht van de selve dat menigte van zielen te gelijke tot de kennisse des Heeren Jesu gebracht wierden. Het licht des Euangeliums was als een blixem die van het eene eynde onder den Hemel-blixemt, en tot het ander onder den Hemel schijnt. Luc. XVII: 24. De woorden der Leeraers waren als donderslagen, de overlegginge ter nederwerpende, en alle hooghte die haer verheft tegen de kennisse Grodts, en alle gedachten gevangen leydende tot de gehoorsaemheydt Christi. 2 Cor. X; B. De bitterste teghenpartijders spreecken hier met ver-wonderinghe van, en de Cardinael Bellarminus, die groote Qoliat, die sich opmaekte om de slaghordens van de God Israels te hoonen, klaeghde niet sonder nijdigheydt, dat de leere van Luther onlanghs in Saxen opgereesen, wel haest gansch Duytsland ingenomen hadde; van daer na het Noordenen Oostengetrocken, in Denemercken, Noorwegen, Sweeden, Gottenland, Ponnonien, Ongaryen gekomen was, voort na het westen en Zuyden, met gelijcke snelheyt in Franckrijck, Engelandt en Schotlandt ghebracht was; ten laetsten de Alpes over klimmende tot in Italien was doorgedrongen.

Maer nu helaes! konnen so vele Predication nauwe-lijcks een bekeeren. Nu Predickt men jaren langh en 't volk blijft even dom en koel. Ja 't schijnt als of men sijn neck daer tegens aen hoe langhs hoe meer verhardet. Meermaels heeft het my gelust by my sel-ven te overdenken waar het vandaen mogte komen, dat Gods woord doe zo veel, en nu so weynig kracht betoonde. En voor vast stellende dat God nu so veel

422

ocr page 427

MET SUN WIJNGAERT.

invloet van sijn Geest niet ver leende by de bedle-ninge van sijn woordt, dacht ick verder oöer oock niet wel wat aende aianiere van verkondinghe somwijlen schorten mochte, en aen de ongestalte van de Toehoorders daer ontrent.

I. Ick hield het voorseker datter doorgaens veel meer geleertheyt, aerdigheyt en pronk by de Predication nu is als by outs. Maer seyd ick, soude misschien in de onopgesmuckte eenvoudigheyt sig wat meer van de Apostolische Geest hebben opgedaen, en ick liet my overreden om te geloven, dat de blixem-stralen van y ver en viervlammen van Goddelijcke liefde den welmeenende Leeraer ter monde uytblaecken, en dat sulcks die onbeschaefde doch hartelijcke woorden als Canon-schoten maeckte die de harten der Toehoorders in brand, en alle wederstant in splinters schoten. En soude nu wel de kragt van Gods Woort in dit toestel van uytheemsche geleertheyt als vermast sijnde te minder konnen doorbreken? Immers ick wiste dat de Apostel beweeghelijcke Woorden der menschelijcke wijsheyt, en betooninghe des Geestes en der kracht tegen malkanderen stelt. 1 Cor. 11: 4. En hadde gelesen de aen-merkinge van een der alderwelspreeckenste geesten on-ser eeuwe: dat die geene die het Enangelium verkondigen met de meeste toeroep, het juist niet verkondigen met de meeste vrucht. Van alle de Leeraars, seyde hy, die God aen sijn Kercke gegeven heeft, en sie ik niet een welkers welspreekentheyt hy gesegent heeft als die van den Heiligen Chrysostomus alleen. Alle de andere hebben haer kragt getrocken uit de Nedrig-

423

ocr page 428

TWIST DES HEEREN

heydt des Kruisses. De eenvoudigste sijn de profite-lijckste geweest. Die de meeste bekeeringen te weege gebracht hebben, hebben dickwijls meer Grodtvruchtig-heyt als Geleertheyt gehadt, en meerder yver als wel-sprekcntheyt. En overruidts dat de Apostelen de Meesters van de Kerke, en haer exempelen onse onderwijsingen zijn, soo raedt hy de Predikers datse staen na haer laegheydt, datse van de welspreeckentheydt geen werk maecken, maer de hulpe van die Geest aensoeken, die sonder die toestel van woorden de harten windt, en sonder het cieraedt van de tale de willen overmeesterd.

2. Verder leerde my de ervarentheit dat die Predi-catien doorgaens de profitelijckste waren, in welcke de dinghen by stuckj es van deelen, elck op haer ordre, ten naeksten en klaarsten ontvout wierden, sonder dat alles op het kunstigste in een gerolt en t' samen getwee-rent wierde. En 't was een aerdigh segghen in mijn oogen van een Voortreffelijck Godsgeleerde, die ge-vraeght zijnde waerom hy soo klaer en eenvoudelijck predickte en de saken in sijn predicatie soo wijt uyt-breyde, dewijle hy aen een man was van sulke uyt-neemende bequaemheden; ten antwoordt gaf, dat hy een Visser was. Nu de Visschers, seyde hy, indien sy hare netten opgewonden en alsoo in Zee wierpen en souden niet met allen vangen; maer wanneer sy de netten uytspreyden dan vangen sy de Vis, soo spreyde ick dan mijn net uyt, om dat ik geern vis vangen soude. Maer nu sie ick in tegendeel dat sommighe daer enckelijck op uyt zijn om in hare predication

424

ocr page 429

MET SUN W1JNGAEKT.

425

alles so op een kunstige methode door malkanderen te vlechten, dat de eenvoudige Toehoorder niet wetende de saken die so onder een geslingert zijn te onder-scheyden, voor die tijd tot eenige verwonderinghe ende misschien ook beweeginge vervoert wordt; maer die niet gegrondet zijnde op een klare bevattinge der wel ingeprente waerheyt metter haest wederom verdwijnt. En my quam in de sin 't geen een Oudt Schrijver van „de Predikers ten sijnen tijde seyde: Gelijk eene die „aendachtigh let op een soete Harmonie, en een over-„stemmende gelijckluydentheydt van lieflijck klincken-„de Musijck-instrumenten, daer door grootelijcks ver-„maeckt wordt; maer na dat het geluyt ophoudt, so „wanckelt sijn ghehoor, en het kan het minste teeken „van die gelijk-4uidentheit niet wedei op vatten: maer „gelijck als de Suyde wint de Noorde wint doet op-„-staon die voor by gaet en niet wederkeert, alsoo „wordt sulk een geluyt van een scherpsinnigh sermoen „metter haest geheel vernietigt. Want het is dikwijls „door ervarentheydt vernoomen, dat een gansch Huys-„gesin sulck een scherpsinnigh gesprek gehoort hebbende, en dat als verwonderens waerdigh ten hoogh-sten prijsende, wanneer „de Vader des Huysgesins den „alderverstandighsten vroeg; Segt ons, bid ick u, eens een „kleyn stuckje van dat Sermoen; soo antwoorde hy, ick „weet 'er voorwaer niets af, doe ick het hoorde had ick 'er „vermaeck in. En soo heeft hy maer in 't wilde yets aengehoort. Niet sonder reede vreese ick dat het nu dick-wijls even soo in sijn werck gaet; en dat geeft 'er dan al toe dat de Predicatien minder kracht hebben.

ocr page 430

♦

426 TWIST DES HEEBEN

3. Oock dat had ick vemoomen uyt den woorde Gods en uyt de ondervindinge, dat de predickdienst de krachtighste was die aldermeest bysonder de in het ontdecken der sonden, in het onderrichten van de Conscienfcie. in het aenwijsen van elks plichten, in alle voorvallende gelegentheden, van het grootste tot het kleyuste toe. Soo hebben de Propheten en Apostelen gedaen; soo Jesus, aller Heer en Meesteh Soo wordt ons een trouwe Huys-besorger beschreeven, dat hy een yegelijck sijn voedtsel geeft ter rechter tijdt. Dus hebben het oock de eerste Reformateurs verstaen en gedaen. Daer en is geen dingh in de wereldt tot het welcke Grodts woordt sich niet uyt en streckt, seyde Petrus Martijr, de getrouwe ghetuyghe Jesu Christi. Sy hebben derhalven een groote mislag die daer ple-ghen te roepen, wat heeft een Predikant met het Ghe-meene beste, wat met de wapenen, wat met de Apo-teecquers, wat met de Koocks te doen? Maer laet haer selfs eens segghen, wanneer een Bedienaer des Woordts vermerckt dat in die dinghen Godts Wet geschonden wordt, waerom en soud hy het dan niet uit den woorde Godts berispen? waerom soud hy het niet vermaenen ? waerom en soud hy haer niet opwecken datse van die sonde afstaen ? Dus wilden de Oude Leeraars dat men Gods woord verkondighen soude, elck sijn plichten ten bysondersten aenwijsende, niet alleen ten aensien van sijn ghemeene beroepinghe voor soo veel hy een Christen is, maer oock ten aensien van sijn bysondere beroepinge die hy in de werelt heeft, om sig in de selve Christelijcke te draghen. En

ocr page 431

MET SUN W1JNGAEKT.

427

. de consoientien boo ten nauwsten onderricht wordende wierden gheleert Godts woordt op alle voorvallende gheleegentheden te passen, en dat gaf onder andere die predikatien klem. Maer nu zijn' er die het heel anders verstaen, en 't geen sy selve niet en willen doen, van andere niet en (moghen lijden, dat de Hey-lige leere uyt gebreydet worde tot de bysondere voorvallen des leevens, raaer spreecken in 't ghemeen daer soo wat heen als ofse de lucht sloegen. Doch het sal veyliger zijn dat iok eens anders woorden dan de mijne ghebruycke, en niet qualijck sal my hier te passé komen de aenteeckaninge die seker Jesuijt over de Predick-fauten in sommige van sijn ordre ghemaeckt heeft, latende den Leeser oordeelen of en hoe verre „ sulks ook onder ons plaets heeft. Hy maekt sich „aen een groote sonde schuldigh, seyt hy die in 't „eerste deel van de Predicatie eenighe hooge dingen „scherpsinnighlijck verhandelt hebbende, in 'tlaetste „eenige weynige tot onderrigtinghe van de zeeden daer „by doet, en dat flauwtjes en sobertjes. Die toont „dat sijn borst sober versien, en leedigh van Hemels „sap is. Oock sal sijn Toehoorder hongerigh na Huys „gaen. Sommige handelen al te vreesachtigh en verkondigen de waerheydt soo vrymoedigh niet als het „betaemt, en staen op swaerwichtige saecken van de „zielen niet emstigh aen, noch bedienen het Aposto-„lische ampt met die Authoriteit in het seggen, die de „Stoel Christi vereyscht. quot;Wee ons ende de Weereldt „indien wy sulcke vreesagtige Apostelen gehadt had-„den. Andere blijven als by een gemeene stellinge, en

ocr page 432

TWIST DES HKEREN

„leerende de bysondere handeling hen noch haer mannieren en practijcke niet, hoch onderwijsen elk na „sijn staet; waer door het gebeurt dat de Toehoorder van sijn vrucht versteken v/ordt. Bedenk doch dat ghy niet in een Schoole zijt redeneerende van de Ghenees-kunst, maer in een Sieckhuys remedien voorschrijvende.

4. Dat gheloofde ick oock ten laesten dat de eerste Leeraers der Kerken, dikwils meer onmiddelijck uyt Godts woort ende door sijn Goest geleert zijnde, meer door mediteeren en bidden 'als door menschelijcke Studie, en daerom meerder van de waerheyt overtuygt en aen de harte bewroght, oock meerder van die kragt des geestes in haer predication vertoont hebben, als sommige die 'tgeene sy in de Academien gheleert en uyt andere boecken geschreeven hebben, par maniere d' acquit, en om gedaen werck te hebben, voor haer Toehoorders opsegghen. Het heeft een heel ander val of een mensch door sijn eygen geest, dan of Gods Geest door een mensche spreeckt. Daer steeckt een heel ander kracht in als yemandt Heylighlijck aan de ziele bewrocht zijnde uyt beweeginge van sijn eyghen gemoet spreeckt, dan of een ander 't gheen hy droogli-jes van buy ten gheleert hadde oock drooghjes op seyde, of misschien selfs wel bravade van beweeginghen in sijn woorden ende gebeerden vertoonde die niet gevoelde in sijn ziele. Dit hadde die voornoemde Jesuijt oock aengemerckt. Sy besondigen haer, seyt hy. die sich soo ter predikinghe beleedighen, dat de selve niet voort en koome uyt eygen bespiegelinge en meditatie

428

ocr page 433

MET SUN WIJNGAERT.

raaer alleen uyt menschelijcke studie en neerstigheyt. Gelijck de Heydensche Redenaers pleghen te doen. Maer de Hemelscbe en Goddelijcke Leere moet niet uyt de aerde ghegraveu, maer uyt den Hemel gehaelt worden. En op een ander plaetse. Die de togten van andere wensclat gaende ie maecken, doet vergeefsche arbeydt, soo hy niet eerst sijn eygen soekt te bewee-ghen. Vertoont een gbejammer, en tranen te ghelijk, bootst den droeven na; 't is 'er maer me gegekt. Ghy komt met gescbildert vier voor den dagh, daer geen koude steen by beet sal worden. Al waer dan minder beseffinge en gevoel van Goddelijcke dingen by den Leeraer is, daer sal ook minder kracht by sijn Leere sijn, en minder bekeeringe op sijn Predickinge volgen.

Maer hier schort het niet alleen. Daer hapert noch wat anders aen. Al hadt men een Predikdienst soo krachtig als die van de Propheten en Apostelen was; 't Is te bedencken dat die in 't eerste wel een grooten opgang hebben en groote roere onder den volcke ver-oorsaken soude; waer na daer als men het gewoon wierde, de selve werckingen so niet en soude doen. Dit is door de verdurvenheit des menschen het lot van meest alle goede dingen; dat de selve so lang als sy nieuw sijn, opmerkinge en verwonderinge baeren: maer wanneer het nieuw daer af is, al blijven sy de selve, so verliesen sy veel van haer luister en aenge-naemheyt, insonderheit wanneer de ziele geen Geestelijke oogen gekregen heeft, om t'elckens een nieuwe en versse soetighsit te ondecken, die sy te voren soo niet aengemerkt heeft. Al was het soo smaeckelijk

429

ocr page 434

TWIST PKS HEERKN

als het broodt der Engelen, het Hemelsche Manna selve, indien het nochtans veel jaren achter een ge-geeten wierde, Israël sonde daer van walgen. Doe het Eeuwige Euangelinm nyt den Hemel nederdaelde, of soo lang in dnystemisse gheleeghen hebbende weer in 't licht gebracht wierd, wierd het als een onwaerdeer-lijk geschenk met open armen ontfangen en meenigh-te waerender die heenen gingen en alles verkochten om dien dierbaren peerel te koopen. Maer sedert men gewoon was de glans der selve te sien, verloor hy van sijn achtinge, en het gingh daer me, gelijck als met waren die overvloediger wordende in afslagh van prijs komen. Men verhaelt van die volkeren die aen de quot;Water vallingen van de Nijl woonon, daer die groote Riviere van het Gebergte met een sterck ge-druys nederstort, dat de selve daer door verdooft worden, en dat ruysschen immers niet meer en hooren. Even dus is het gheleegen met die geene die gewoon zijn de alderkraghtighste bedieninghe des woordts te hebben, 't Is als of sy'er ten laetste doof by worden, en het hooren sonder hooren, sonder opmerken.

Ja maer hier by komt dan noch een vervaerlijk oordeel Gods, dat de alderkragtigste Predick-dienst gheen voordeel doende groote hinder doet: niet hatende tot vermurwinghe van het harte, schaet veel tot verharding van het selve: niet doorwerckende tot bekee-ringe des Menschen, dient tot stijvinge van sijnonbe-keerlijckheyt: gelijck de Heylsame geneesdrank sijn werckinge niet doende de kragten verswackt en de sieckte versterckt. Wonderlijck is het dat Godt tot

430

ocr page 435

MET SUN WIJNÖAERT.

431

den Propheet Jesaias seyde: Maeckt het harte deeses volcks vet, en maekt hare ooren swaor, en sluyt hare ooghen, daer doch de predikinge des Propheten strecken moste om haer siende, en opmerckende, en buyghsaem van harten te maecken, en de Propheet oock in der daet sijn uiterste vermogen daer op soaden aenleggen. Maer dat wil de Heere segghen, dat de alderbeweeg-lijkste predickinge des Propheten, niet vermurwende, verharden soud. Zacharias Ursinus, een deftig uytlegr ger der Schriften, heeft mijns bedunkens de sin des Geestes sonderlingh wel opgevat, en in deese pittighe „en leersame woorden voorghesteldt. Na dat Godt ge-„seyt hadde wat het volck, wat hy soude doen, voeght „hy 'er oock by wat hy wilde dat Jesaias in die blint-„heydt en verstocktheyt van het volck doen soude, „namelijck: Dat hy niet en soude onderlaten te leeren, „of daer in verflauwen, en yets verslappen of veran-„deren: maer hoe dat sy hartneckiger wierden, hoe „dat hy sterker en te scherper moste aenhouden met „prediken, met de sonden door te strijken, en de straf-„fen te dreygen. Maer dewijl hy de Propheet gebiedt „standtvastigh in het leeren voort te gaen, soo ver-„maent hy hem oock te vooren heen van de uytkomste „of van de vrugt sijner predikatiën, namentlijck dat „het volk door de selve meer en meer verblindt en „verhart soude worden: dat is, Hoe de waerheydt „meerder en klaerder aen haer sal verkondigt worden, „hoe sy meerder uytvlugten en verdervingen daer te-„gen sullen opsoecken, en meerder haet tegen de waer-„heyt opneemen, en vinniger sig daer tegen kanten,

ocr page 436

TWIST DKS HEEBEN

„ De sin is dau, verkondight standtvastigh en

„geduyrighlijck mijn woordt: door het gehoor van „welke sy nochtans blinder eu hartneckiger in haer „dwalingen en sonden worden sullen.

Soo sien wy dan dat de Alderhoogst begaefde Pro-pheten de onboetveerdighe Sondaers aldermeest verharden: en gemerckt die krachtige bedieninge des Woordts, die God ons Vaderlant op sommige plaetse verleent, soo weynigh nut doet, soo kan 't niet anders wesen ofse moet schade doen, en de sonde (alhoewel by toeval) boven mate sondigende maken. En dus konnen wy in de genademiddelen selve verscheyden oorsae-cken van ons verval vinden.

CAP. XXX.

Nog worden drie andere oorsaeken van ons verval aengewesen.

Het is ook klaer dat onder de oorsaken onses vervals getelt en gestelt behoorde te worden het verslapeen en versloffen van de Kerkelijckeet is ook klaer dat onder de oorsaken onses vervals getelt en gestelt behoorde te worden het verslapeen en versloffen van de Kerkelijcke Discipline. Van welkers groote nuttigheydt en hooge nootsaeke-lijckheydt ick niets soo heerlijck segghen kan, of de Voorvaderen die voor my geweest zijn, soo in de Ouder als in Jonger Kercke, hebben het noch al breder „uitgemeten. Cyprianus schreef datter in vreede niet „bequamer, noch in de Krijgh der vervolginge niet „uootsakelijker en was, als de schuldige gestrengheit „der Goddelijker tucht te houden; dat die geene diese „verslappen lieten nootwendigh door alderhande stor-„men van onseeckere veranderingen omgeslingert wer-

432

ocr page 437

MET SUN WIJXGAERT. 433

„dende in 't wilde liepen: ja dat se de Heylsameraet-„slagen het roer uyfc de hand gewrongen hebbende, „de Hulck van het welvaren der Kercke aen de klip-„pen te pletter stieten, dat derhalven voor de welstandt „der Kercke geen beter sorgh gedragen konde wor-„den, als dat de Discipline wel onderhouden en daer „op als op een Heylsaem voer in de storm geparst wierde. Een gheleert man deeser eeuwe sich dit oordeel en de practijcke van die tijden in de sin brengende, schreef daer over aen een sijnner Vrienden al-„dus. lek ben van dat verstandt, dat ter nu niet beters „gedaen kan werden, dat de Voorgangers en Harders „der Kercken op geen dingh ernstiger moeten staen, „als dat de Oude tucht van boete te doen weer in't „ghebruyck ghebraclit werde. En dickwijls my de tij-„den van Cyprianus, en die kort op sijn eeuwe ghe-„volght zijn, veor ooghen. De alderwreetste rasernijen „der Tyrannen woedden doe teghen de Christenen, de „vlammen blaeckten, de Belijders en Martelaars laghen „doe in banden en eyseren; en nochtans liet de stand-„vastigheydt van de Bischoppen dier tijden niets verklappen in de strengheyt der Discipline. Maer wy „lijden, dat onkuysche, woeckeraerts, dronckaerts, en „andere die met openbare ergernisse beset zijn, sich „onverhindert onder de vergaderingen der geloovigen „mengen: 't welcke met een baerblijckelijk misbruik „der ghenade Gods, met aenhitsinge dier losser geselden tot meerder en grooter sonden, en eyndelijk met „een ontheyliginghe van de gansche Kerke, vergesel-„schapt gaet. quot;Wat wonder is het dan dat de rechtveer-

28

ocr page 438

TWIST DES HKEREN

„dighe God de ontheyliginge sijnnes naems, met soo „lanckduyrige straffen nu wreeckt?

Die goede en vreedsame Bucerus pleegh te seggen, Disciplina Ecelesiastica Thronus est renanlis in Ecclesia Christi. De Discipline der Kerke is de Throon van Christus, in sijn Kerke heerschende. Ja hy yverde hier soo seer in, dat hij schreef, dat die geene die niet met al hun vermoogen de Discipline in alles na de gheboden Christi sochten te herstellen, niet met waer-heydt segghen konnen datse het rijcke Christi be-gheeren. Alle die dan den Heere Jesurn beminnen, en begheeren sijn Saligh Koninkrijke by haer te hebben, die moeten, seydt hy, 'tgheene wy van de Heylsame Discipline der Boetveerdigheydt hebben byghebracht, uyt de woorden des Heeren selve grondigh leeren ver-staen, en na hun uyterste vermooghen in 't ghebruyck brengen.

Laet ick by deese Godsgeleerden een Politijcque Schrijver voegen, vermaert door sijn overvliegende ge-leertheyt en groote Wereltkunde, ick meen Johannes Bodinus, die de Discipline van de Kercke te Geneve dit lof getuygenisse gaf. Maer dat is, seyd hy, te Geneve prijsselijck, indien ter wereldt yet prijsselijck is, en 't geene het gemeene beste, is het niet in rijckdom-men en grootheyt van gebiedt, ten minsten in deugh-den en Grodtsaligheyt bloeyende maeckt: te weten die Centure der Priesteren, het grootste en het Goddelijckste dat bedacht kan worden, om de begeerlijckheden der menschen en die sonden in de toornen, die door men-echelijke wetten en gerichts-plegingen geensins ge-

434

ocr page 439

MET SUN WIJNGAERT.

beeterfc konnen worden.....Alsoo geschiet het,

dat het geene nergens door wetten gestraft wordt, daer sonder gewelt of beroerte bedwonghen wordt, door die Tuchtmeesters die sich een groote meeninghe van deughdtsaemheyt verwekt hebben. En daerom wordt 'er gheen Hoere-gespuys, geen Dronkenschap, geen Danseryen, geen Bedelaers, in de Stadt gevonden.

Indien dan het onderhouden van dese noyt ghenoegh gepresene Discipline soo veel goedt doet om de Staat en Kerke in deugden te doen bloeyen: soo volgt dan van selfs dat het vervallen daer van een wijt gapende deur open set tot het inbreecken van aïlerley boosheden. Steden en Provinciën gaen verlooren om dat de Discipline verlooren gaet, seyde een van de Oude Lee-raers. En een van laeter eeuwe. klaegende over de bedroefde toestant van de Kercke in Silesien, schreef die niet duysterlijck het gebreck van Discipline toe, in seeckere sijne brief aen een Predikant van de Boheem-„sche Broederschap in Polen. Ick wenschte, seydt hy, „in onse Kercke die selve Heylige gestrengheyt de Dis-„cipline, die ghy door Gi-ods oneindige goedertieren-„heyt bewaert. Onse schaepskooye, onse stallen, zijn „sonder deuren, grendels, en slotten. Wy spreeckenin „de windt en in de lucht, voor houdt en steen, voor „stommen en dooven, voor dooden en naeuw levenden : „uytghenoomen dat God miraculeuslijck somwijlen door „de kracht van sijn Gheest en woordt, door het ver-„dragen van het kruis, en door de swaerheyt der straf-„fen, de vaten der barmhartigheyt voor hem toebereydt,

435

ocr page 440

TWIST DES HEEREN

„ende Sauls door de kracht sijner rechterhandt ver-„andert: anders souden wy, ghelijk als Sodoma en „Gomorra, verlooren geweest zijn.

Onse Calvinus ernstigh, gelijck hy ghewoon was, spreeckende ontsagh sich niet te seggen: Al wie de Discipline weg willen hebben, of selfs herstellinghe beletten, 'tzy datse sulcks met opset, 'tzy door onbe-dachtsaemheyt doen, die soecken seecker de uytterste verwoestinghe van de Kercke. Isser sedert de tijden der Apostelen wel een Heyliger Kercke op aerdeghe-weest als die van de Boheemsche Broederschap, die een doorluchtigh man aerdig het Koorn van de Christenen noemde: en van de welcke die groote Camera-rius in 't stamboeck van een Boheemsch Edelman schreef, indien Christus nu erghens een waere Kercke heeft, soo isse seecker by de Boheemsche Broederen. Maer dese kerke heeft haer Heyligheyt, onder God, haer strenge Discipline danck geweeten; en het verval van Heyligheyt, ja de ondergang van haer gansche Kerke, het verval der selver Discipline toegeschreven. Laet ons dit uyt haer eygen mondt hooren. Dus spreekt 'er Commenius van, de laeste die van hare Leeraers is „overgebleven. Met waerheydt heeft eertijds Francis-„cus Lucas, onse seer Godtvruchtige opsiender geseydt: „Dat het verderf van de eenigheydt der Broederschap „niet te duchten nog te wagten stondt van de ver-„volginge der Vyanden, maer van het versuym der „Discipline. De vyanden hebben ons dan niet verstrooyt, „maer wy ons selve. En sy en hebben de overblijf-„selen niet konnen verderven (dewijle God het sijne

436

ocr page 441

MET SUN WIJNQAEET.

„tegen alle rasernije des Duyvels en de Helle bewaert) „maer wy sullen ons selven seekerlijck verderven, indien „wy ons niet bekoren. quot;Want het gene ons te vooren „van andere afsonderde was de Discipline der Zeeden. „de Leere des Evangelium hebben wy met vele gemeen „ghehadt. De Discipline dan, DE ZIELE ONSER KERC-)rKE, is ghestorven, wy zijn een lijck, dat veeleer begra-„ven als gekoesters moet worden, op dathet niet en stincke.

Dewijle dan over al daer men versuymt heeft de dijk der Heiliger Discipline te leggen, of de selve onvoor-sichtiglijck heeft laten doordelven, een sunt-vloet van allerley sondon ingsbroocken is, die de deugden ver-droncken en do Heyligheit weg gespoelt heeft; so is het ligt af te neme waer het ons schort. Want elk een siet wel hoe jammerlijk by ons die ernst en dap-perheyt der Heylige Discipline vervallen is. Men heeft maer de Oude Kerke Boeken in te sien, en die sullen ons duysent verwijtingen van de tegenwoordige slap-pigheyt doen. 't Is met ons gegaen gelijck de Histoiy-schrijver Titus Livius van het oude Romen gheschree-ven heeft, dat Discipline allenskens vervallende de „goede zeeden oock nedergesakt, daer na meer en meer „aen 't vallen geraeckt, eyndelijck plotseling neerge-„stort zijn, tot dat men tot deese onse tijden ghekoomen „is in welcke wy noch onse gebreken, noch de reme-dien verdragen konnen.

Maer laet veel liever onse Nederlandtsche Kercke selve spreeken, die door de mout van een uytnemend Trouw Patriot; al in de jare 1617. Sedert welketijdt de verslappinge veel grooter geworden is, aldus jam-

437

ocr page 442

TWIST DES HEEREN

„merde: De Discipline en Christelijke tucht sonder „welcke geene Huyshoudinge langhe en kan bestaen, „is al overlange met de goede Concientie van haer „plaetse gestelt, ende verschooven. Ende nu deselve op „het sterckste behoorde te wesen in dese blinckende „dagen, light sy gans krachteloos en buyten gebruyck „daer heenen. Ja men oordeelt doorgaens soo verkeer-„delijok daer van, als of het een Middel ware van de „Meester der Grhemeynten ingestelt, niet om te behou-„den, maer om te verderven, „mits dat men de prac-„tijke daer van niet en kent, noch de kracht daer van „ooyt heeft versocht. Van die tijd aen, indien ghy „de oogen des gheloofs haddet, soudet ghy hebben „komen sien, de Heerlijckheyt des Heeren sich ver-„heffen van een Cherub daer sy was, tot aen de Dor-„pel van het Huys des Heeren, ende alsoo gereetschap „maken om te vertrecken. Ezech. IX: 3.

Doch niemandt en neeme dit Discours soo op (ghe-lijck deese verdurven eeuwe vol van misduydinghen en lasteringen is) als of wy onder den naam van stricter Discipline ik weete niet wat voor een eyghenmach-tighe opperhoofdigheyt, en geestelij cke zielen-tyranne, riekende na de Paepsche Inquisitie, souden willen invoeren. Ick betuyghe dat ick door Discipline hier niet anders versta, als die ordre van Stede-tugt die de Heere Jesus in sijn Kercke heeft ingestelt, die ick belijde dat wel met ernst en dapperheyt, maer niet min met Chris-telijcke voorsichtigheydt, bescheydentheyt, lanckinoe-digheydt, noyt na drift van eygen passien (quot;Wee hem die Gods instellinge een Slavinne van sijn verkeerde harts-

438

ocr page 443

MET SUN WIJNGAERT.

439

togten maeckt) maer na den onghekreuckten Regel des Goddelijken Wooris bedient moet worden, 'k En weet selfs geen beier woorden te vinden om mijn eygen gevoelen uyt te drucken, als die van den Ouden en meergenoemde Kruys-Theologant Commenins. Op twee-„derley wijse wordt, ghelijck als elders, alsoo oock „hier, ghesondight, met te veel en met te weynigh te „doen. Daer gansch geen discipline is wordt alles los „en uyt het lidt gemaeckt, en de deure geopent tot „een ongebonden quaet leven; want daer alles geoor-„looft wat gelust is, daer word doorgaens ghelust 't geen „ongheoorlooft is. Meer een al te strenge Discipline, „een ghedwongen gehoorsaemheyt afwringende, is een „Vyandinne van vrywillige Godtsaligheyt, en maeckt „of Hypocrijten die het quade laten enckelijck uyt „vreese van straffe, of obstinate, die de straffe verdachten, en op datse niet genootsaeckt souden weesen „de selve te ontsien, de Kercke daer die Discipline in „swangh is verlaten. Al waer dan geen Discipline en „is daer vervalt de Kerke allenghskens; daer al te „stercke en strenghe Discipline is, daer wert de Kercke „geweldighlijck verstrooyt, en soo gaet sy op beyde „wijsen verlooren. Gy dan. Geliefde, hebt soudt in u „selven, maer houdt oock vreede onder malkanderen, „dewijle Christus het beyde ghebiedt Matt. IX: 50. „Dat is, hebt Discipline onder u, maer een, soodanige „die de Conscientien Vrede aenbrenge, geen onrusten, „geen geweldenarye, geen haet, geen verfoeyinge, en „die dan aen een ygelijck geloovige mach zijn, 'tgeen de Heyligen Oyprianus van haer geschreeven, heeft,

ocr page 444

TWIST DES HEEREN

datse is, Een bewaerster der Hoope, een Behouster des Gheloofs, Een Heylsame Weghleyster, een Queeckster en Voedster van de goede aert, een Meesteresse van de Denght; die ons altijdt in Christo blijven, en Grode ghestadiglilijck leeven, en tot de Hemelsche beloften en Groddelijcke belooningenkomen doe. Welke te volgen heylsame en welke af keerignlijk te versuymendoodelijk zy.

Dit is de Discipline die wij meenen, en geen ander soecken noch beminnen wy. By het verslappen van deese Discipline mach ick noch als een andere oorsaeck on-ses vervals voegen, die Droevige Misverstanden en on-eenigheden tusschen de Leeraers onser Kerken opge-reesen, uitbreeckende tot openbare Twist- en Laster-Reden niet alleen, maer oock Twist- en Laster-Schrif-ten, voorbooden en Queecksters van scheuringen en grooter quaden. Van welcke ick hartelijck wenschte te moogen stils wijgen, indien het quaet met s wijgen te heelen, en de vlam me niet ter daecke uytgeslagen ware. Dit is als de Liefhebbers van Jerusalems Vrede een doodtsteeck in hare beenderen. Dit is de Vorst van het Rijcke der verwarringen, die ontwijffelijk daer onder speelt, na de grondtregel, Davide é Impera, een groot vermaeck en harte lust. Dit is een steen des aenstoots en een rotse der ergernisse, voor de tedere gemoederen die binnen, en voor de quaetspreeckende tongen die buyten zijn. quot;Wat voeghter slimmer als dat de Boden des vreedes, en de Dienstknechten van de Vrede-Vorst, tegen malkanderen over hoop leggen?

Heeft Duytslandt met sijn droevig exempel ons niet genoeg geleert wat al nadeel en vernieiinghe de Kercke

440

ocr page 445

MET SUN WIJNGAERT. 441

overgekomen is door de rasende twisten van eenige qualijck gheleerde Godsgeleerde, die de hooghste God-saligheit in die woorden stelden, welcke den Heyliglie Paulus soo seer verfoeyt: Ick ben Pauli, en ick ben Appollos, en onderwijlen de Broederen en levendige Leden Christi vilden: welke een Theologant Jvan beter Geest, de onverdraegelijckste slagh van Menschen noemde die de quot;Wereldt heeft. quot;Weetenwe niet hoe de openbare Vyanden der Kercke daer onder^ stoockten, en uyt die Fatale tweedracht besloten, dat het Rijke der Protostanten, soo tegens sijn selven verdeelt zijnde, niet langhe staen konde? weeten wy niet dat uyt die ongeluckige knibbelarijen, als uyt een Doose van Pandora, allerley rampen te voorschijn gekoomen zijn, die die ellendige Kercken ten meerendeel in de grondt bedurven hebben ?

Of indien dit, als wat langer geleden zijnde, ons meerder uyt de sin gegaen is, heeft niet het nabuyrig Engelandt in dese laest verloopene jaren ons met droeve stemme toegeroepen wat de Broeder-twist der Godts-geleerden al afbreuck aen het rijcke Christi gedaen heeft ?

Of zijnwe selfs soo blindt, datwe niet en konnen sien, hoe de Satan daer door groeyt en sijn Rijcke onder ons bevestight wordt? Sienwe niet dat de gan-sche Heylighe Dienst met de Bedienaers des selven daer door in groote kleynachtinge geraeckt, en dat de quot;Wereltsche menschen de Leeraers des Euangeliums maer voor een deel knibbelsiecke hoofden aensien, die so weynigh te samen accordeeren konnen als de Uyr-

ocr page 446

TWIST DES HEEREN

442

wijsers van een groote Stadt, en ghelijckde Broederen van Gradmus gestadig op malkanderen aenvallen? En zijnwe te dom om te bevroeden, dat uyt sulck een kleynachtinge van 'den dienst, bock nootwendigk een verflauwinge in de Godsaligheyt, en verwackeringe in de boosheyt volgen moet ? Sien wy niet dat veele uyt die oneenigkeyt een voorwendsel van kare Goddeloos-keyt soecken, als of sy in sulck een versckeydentheyt, en keevige voorstant van strijdige gevoelens, niet vinden konnen wat men volgen moet? Dat sommige van de ganscke Religie, als op losse gronden steunende, weynigk werck maecken ? Dat andere kaer selve vryig-keydt geeven, dickwils tegen ket getuygenisse van kaer eigen conscientie aen, om allerley dingken te doen? quapsuis onder dat voorwendsel om dat de Tkeologan-ten selve nock niet over een komen of ket gkeoorloft of ongeoorloft is? Als of men dadelijok vryigkeyt in sijn gemoet kreegk, en een saecke voor onversckilligk kouden tnockte, alsser ergens maer een losse gesel of twee, die sick de name van Tkeologanten geven, op-staen en kaer tonge of penne lot voorstant van de ydelkeyt leenen. De Jesuiten kebben een wonderlvjck Monster gesmeedet door kaer Leere van Waersckijnelijcke gkevoelens: voorgevende dat ket geene een verstandig Schrijver in het stuck der seeden leerde, dadelijck door een Waerschijnlijck gevoelen mockte doorgaen; want ket te dencken is, dat ky niet sonder gewichtighe reden sulk gevoelen omkelst keeft. En dan doense daer by dat het iemant in conscientie vry staet, te doen na sulck een waersckijnelijcke gevoelen, alhoewel het

ocr page 447

MET SUN WIJNSAEBT.

tegendeel veyliger zy. Nu, seggense, de meeningevan een aensienlijk Leeraer is daer toe genoegh. Niemant, hoop ick, onder de Gereformeert genoemde soud sulck een Lasterlijk en gansch onwaerschijnelijk gevoelen willen staende houden: Maer menighte evenwel leven soo, als of sy het dus verstonden. Soo seydt een Kaert-speeler, een Verkeerder, een Sabbath-schender, een Comedi-looper, een Baaihouder, een Danser, en haers gelijcke, daer zijn wel Theologanten die dit niet voor ongheoorloft achten: en dadelijck Actie genoegh, 't is maer een Problematijcque questie, elck machter van kiesen wat hem best gevalt, sonder vrese van te misdoen. Wie en siet dan niet dat door sulcke krackelen de Lossigheydt de ruyme teugel gegeeven wordt?

Het lust my deese aenmerckinge te besluyten met de woorden van onse yverige voorsaeten, de Kerken-dienaeren van Leeuwaerden, uyt haer verklaringhe over Vorsty antwoort amp;c. Daer sy in de voorreeden ge-klaegt hebbende over het verstoren van de ruste der Kercke, aldus vervolgen. Niet te min is 't waer, dat de Apostel sydt. Gal. V: 10. „Die u beroert sal sijn „oordeel dragen, wie hy oock zy. quot;Wantter gewisselyk „geen kleyne sonde is begaen. De Religie komt in „kleynachtinge. De H. Kerekendienst wordt ten spot. „De swacke worden geergert. Sommige, die wel liepen, „blijven staen of gaen te rugge. Sommige, die gerust „waeren, worden ontrust en twijffelachtigh: niet weelende of sy den rechten wegh gaen ofte niet, en ofter „wat nieuws sal opdaghen, dat het rechte mocht zijn. „Sommighe laeten alle sorghe van Religie varen, ge-

443

ocr page 448

TWIST DES HEEREN

„denckende dat het in so veel krackelen verre te soe-„cken is. „De bandt des Vredes en der liefde wordt „verbroocken: de harten van sommige Overheeden „worden door instortinge van quads suspicion afgewent „van vroome Dienaera, die in 't binnenste haeres harten „de Magistraten eeren en beminnen, ja met lijf en goet „haer sullen ghetrouw zijn. Wy liepen wel, wie heeft „ons dan verhindert? G-al. V: 7.

Ten laetsten mach ick dat wel segghen dat een dwase Werelt-wijsheydt ons verdurven heeft. Daer is niet dat soo teghen de waere Heiligheit en nauwe Godsaligheyt strijdt als de Wijsheyt des Vleesehes. Daerom siet men oock dat het doorgaens niet en sijn veele wijse die de Heere uytverkooren heeft om haer sijnnes Heyligmaeckenden Geestes deelachtigh te maec-ken. Maer de slechte eenvoudige harten die staen op, en neemen het Konickrijcke der Hemelen met gewelt in.

De Wijsheyt des Vleesches maeckt dat de mensche van de dingen deses Werels, als tegenwoordigh zijnde, en soodanige om welckers wille hy by elck een aen ghehaelt en gheacht wordt, oock verre het aldermeeste werck maeckt, en alle andere goede dingen doet of on-gedaen laet na de betreckinge die sy op de dingen deses Werelds hebbe. En dat is de Deugt met een lijdige kleynachtinge tot een Slavinne van de goederen der Fortuyn te maecken.

De wijsheyt des Vleesches oordeelt dat het best is selfs een weynig Vooght te blijven in het stuck van den Godsdienst, soetjes daer in te handelen, en na dat te passé komt, s onder sich met sulk een volle onder-

444

ocr page 449

MET SUN WIJNGAERT.

werpinge onder die Pracisien eysch des Qoddelijcken yvers te buygen. En dat is met een Lucifers hovaerde sig Meester te maecken van de geboden Gods.

De Wijsheyt des Vleesches leert dat men wel yverig mag wesen in het vervolgens van sijn bysondere interessen, rnaer dat men in de saecken des deughts koel en laeuw moet zijn, sicb voegende en schikkende na de stroom loop, moderaet en buyghsaem zijnde, en recommandeert niet meer als een Esprit Souple die sich in alle vormen gieten laet. En dat is een rabraeckerye van de kracht der Godtsaligheydt.

De quot;Wijsheydt des Vleesches onderwijst, dat men sig voor al wagten moet van de ongunst sijner vrienden, en voornamentlijck so het groote en aensienlijcke personagien zijn, die men dickwijls van doen heeft, of krijghen kan, op den hals te halen, en daarom soo sy verbelgt souden worden indien men sich al te nauw aen de gestrenge deugtoeffeninge houden wilde, dat men daer in immers dan te gevalle wesen moet: En sy lagt om die onnosele harten, die, om niet tege haer conscientie aen te gaen, sig de ongunste, na spraek, en walge van al de Wereldt onderhevig maken. Dat is een Helle vier van Gods toorne te ontsteeken, om een kleyn vonxken van mensche-gramschap uyt te blussen of voor te komen.

445

De Wijsheyt des vleesches houdt eyndelijck de Men-sche voor oogen, dat niemand, insonderheyt in deese tijden, meer ghehaet noch tegen geloopen wordt, als de naeuwgesette Godsaligen; dat selfs vrome en dee-gelijke lieden daer qualijk van spreeken dat ja geleerde

\

ocr page 450

446 TWIST DES HKEREN

en beroemde mannen daer me spotten, en het voor een ALTEE uyt maken: In somma dat dit een secte is die over al teghen gesproocken wordt: Hand: XXVITI: 22. dat het derhalven dwaesheydt is die nauwgeset-heyt na te volgen: dat het ongeraden is met die lieden, die voor sulckc Vijshoofden uytgemaekt worden, gemeensaemlijk te verkeren, haer maximen staende te houden, en haer tegen de lasteringe van quaetwillige of het naspreecken van qualijk onderrichte te verde-dighen, veel min sich voor hare saecken in de bresse te stellen. Datter in tegendeel geen gereder weg is tot vorderingh elck na sijn staet en ordre, als van die onsinnige lieden (die eertijtel krijgen sy van de Wee-relt, gelijck de Propheet vaa Jehus Soldaten 2 Rom, IX: 12.) me een deel quacktjes en kluchtjes hoe aer-diger gestoffeert hoe beter, te vertellen. En te dien eynde dient sich de Vleeschelijcke Wijsheyt van de spreuke des Alder-wijsten Koninghs, doch te schen-digh tot haer eyghen verderf verdraayt zijnde, En zijt niet al te rechtveerdigh. Pred. VII: 16.

En soo is deese Wijsheyt, of gelyk het den Apostel noemde, het bedencken des Vleesches, dat thegenwoor-digh in soo hoog een achtinge is, Vyandschap tegen God. Rom: VIII: 7. En, die Wijsheydt, hoe schoon oock opgepronckt, is in der daet maer aertsch, natuyr-lijk, Duyvelsch Jac. III: 15.

En dit zijn soo, onser erachtens, de voornaeraste Al-gemeene oorsaecken (want wie soud al de bysondere konnen ophalen?) van ons sondigh verval.

ocr page 451

MET SUN W1JNGAERT.

CAP. XXXI.

Vijf bedenkingen waer uyt men ramen moclite dat ons Landt en Kercke niet goedts over 't hooft hanght.

MAer wat hebben wy uyt dit sondig verval te besluyten, als een groot verval in de nyterste ellende voor onse Staet en Kerke?Aer wat hebben wy uyt dit sondig verval te besluyten, als een groot verval in de nyterste ellende voor onse Staet en Kerke? Atque utinam Patrio, sim falsus laruspex! Dog ik vreese, ick vreese, Vrienden, dat veele verre siende maimen, die op de ghewoonlijcke prooeduren van Gods oordeelen ghelet hebben, en die als de kinderen van Isaschar ervaren zijn in het verstant der tijden 1 Chron. XII. 32. dit niet te vergeefs soo langhen tijdt ghevreest hebben. Godts woordt en kan niet lieghen, en sijn dreyghe-m enten teghen het verachten van sijn weldaden, van sijn woordt, van sijn oordeelen, leggen daer soo klaer als de Sonne wanneer het helder is op den middagh. 't Is oock altoos sijn stijl geweest, hartneckige Son-daren, die na hem niet luysteren en wilden, te verdelgen: soo dat wanneer sy al vast riepen, Het is vrede en sender ghevaer, haer een haestigh verderf over quam, gelijck de Barensnoot eene bevruchte vrouwe, soo dat sy het geensins konnen overvlieden. Al het geene wy te vooren ten desen eynde hebben by-ge-bracht, is dat andere niet over gekomen tot voorbeelden, en beschreven tot waerschouwinge van ons, op welcke de eynden der eeuwen gekoomen zijn ? Of hebben wy reden om ons in te beelden, dat wy meer vry sullen gaen als andere? ende dat Godt om ons schoon aengesicht, gelijck men spreeckt, de order van sijn oordeelen veranderen, en de waerheyt van sijn

447

ocr page 452

TWIST DES HEEREN

448

dreygementen verachteren en verachten soud ? 'fc Is een ydele bedriegerije waermee wy ons selven verleiden, indien wy ons met soo een onsinnighe waen opblasen. Is niet Ephraim my een dierbare Soone, is hy niet een Troetelkindt ? Sprak de Heere van Israel. En evenwel doe die dierbare soone, doe dat troetelkint bet verdurf, gingb by doe wel meer vry, als yemandt van de rest? Neen Soud ick, seyd de Heeren, op sijne boosheden siende, haer om deese dingen niet bezoeken, En soude mijne ziele haer niet wreecken aen sulck een volck als dit is? Dit staet ons mee te verwachten. Boe Heter wy Godt te vooren geweest zijn, hoe swaer-der sijn haet sal wesen, na dat wy onse eerste liefde verlaten, en sijn liefde veracht hebben. Hoe hoo-ger wy zijn opgeklommen, insonderheyt nu wy daer op ghetrotst hebben, hoe yslijcker ook die plof sal zijn, waerme wy sullen neder komen. Ja heeft niet aireede de Heere de Heerlijckheydt onses Israels van den Hemel op de aerde nedergeworpen ? Ons verderf reedt al toe, nu gave Godt dat het ons niet waerschou-de met den slag; Wy willen gheen Prorheten zijn van toekomstige ghebeurlijcke dingen, om net te bepaelen, hoe, wanneer, en van waer het ons sal overkomen. Veel min wille wy noch de harten des volcks, slap maecken, om met te minder moet, de handen te slaen aen de middelen, die tot behoudenisse van het Lant dienen mochten. Wy hebben geen bysondere openbae-ringe van Godts Geest. Wy soekense oock niet. Maer wy hebben het Prophetische woordt, dat seer vast is. Wy hebben de treyn van Gods oordeelen, en die niet

ocr page 453

MET SUN WIJNGAERT.

onweetende is van het eene, noch ongevoelig van het ander, kan wel haest een besluyt maken. Die wijs is velt van ghelijcke dinghen een gelijck oordeel. En ons ooghmerk en is in dit gansch geschrifte niet anders, dan de trage handen, en slappe knien weder op te richten; op dat het geene kreupel is niet verdraeyt werde; maer dat het veel meer geneesen werde. Godt geeft ons selfs voorboden van onsen ondergangh: en ons en feylt niet anders, dan daer op te letten, indien wy een rechtschapen oordeel willen vellen. Wil ick u ook dat nu eens vertoonen?

1. Als G-odt de Heere rontom ons onse nabuyren soo gestraft heeft, en soo sijn oordeelen door gansch Chris-tenrijok heeft laten huyshouden, als nauwelijcks in eonighe eeuwe voor desen, soo dat wy als een vierbrandt zijn, die uyt den brandt ghereddet is, wat is dat anders als een stille, ja wel een roepende waerschouwinge, dat die selve plage ons ook wacht ?

Tunctuares agiter, paries cum proximus ardet.

Soo wilde Godt dat sijn volck redenkavelen sonde, doe hy rontom aen de Heydenen gerichte gepleeght hadde. Ick hebbe de Heydenen. uytgheroeyt, haere hoeken zijn verwoestet: ik hebbe haere straten eensaem gemaekt, dat niemandt daer door gaet, hare steeden zijn verstoort, soo datter niemandt en is, datter gheen inwoonder en is. Ick seyde immers suit ghy my vree-sen, ghy suit de tucht aen neemen, öp dat haere woo-ninghe niet uytgeroeyt en worde. Maer doese haer soo sacht niet wilden spieghelen aen een ander, voortgaen-de in haer hartneckige onbekeerlijckheydt, wat seyt

29

44ft

ocr page 454

TWIST DES HEERKN

de Heere, datse te verwachten hadden? Daerom verwacht my, spreeckt de Heere, ten daghe als ick my opmaekte tot den roof, want dit gansche Landt sal door het vier mijnes yvers verteert worden. quot;Wat meyntge dat de Heere spreeckt, nu hy soo aen alle kanten sijn toornevier laet branden ? Nu hy Duytslandt, Yrlandt, Savoyen, Engelandt, Polen, Deenemercken, Vlaenderen met sijn slaende geesel, soo is doorgetrocken. Nu rontom ons alles soo in rep en roere is: immers, seydt hy, sal Nederlandt my nu leeren vreesen: of soo niet, ick laet haar aen andere sien, 't geen ick aen haer insge-lijk doen sal. Zoo placht Godt te doen, door exempelen van andere de sijne te waerschouwen. Helpt dat niet; hy brenghtse in het selve oordeel. Eerst liet hy Israël wegh voeren door de Assyriers; nam Juda het niet ter harte, de Babyloniers deden het selve aen haer. Wat hebben wy oock anders te verwachten? tam proximus ar del Ucalegon. De brandt is nu in onse buyrmans huys. Wat isser lichter als datse eens oversla, en het onse oock in luchter laye vlamme sette? Te meer, dewijle wy in plaetse van water, dat is, Heylige tranen van berouw, tot lessingh van de selve aen te brenghen, den brantstapel met onse sonden te meerder maecken, en het aensteecken, als met een swevelstroom.

2. Ts dit ons niet genoegh, en zijn wy soo seer ver-dwaest geworde; dat het gevaer, ja de noodt van andere ons geen voorsichtigheyt heeft kunnen leeren? Godt heeft ons noch andere blijcken van sijn groote ongenade gegeeven, en heeft het sijn wonderteeckenen op Hemel, en op aerden ons laeten toeroepen.

450

ocr page 455

MKT SUN WI.TNGAERT.

/

451

De wondeiiijcken Godt geeft in den Hemel wond'ren,

En teeckenen op aard', bloet, vier en damp van roock: Schiet blixemstralen uyt met schrickelycke Dond'ren: Verkeert de Main in bloet de Son in donckre smoock.

Die oyfc de Historiën geleesen heeft, weet wel, hoe gemeenlijck wonderteeckenen, in en -ontrent een land gezien, veranderinge of omkeeringhe van die staet, te voren gespelt hebben. Hij spreeckt het licht der saec-ken, en de ervarentheyt van alle eeuwen, soo langh de werelt ghestaen heeft, teghen, die sulcks in twijffel treckt.

En konnen wy u wanen, dat de Heere, ten opsichte van ons, voor de eerste male, een veranderinghe van dien algemeenen loop sal maecken ? souden die meenigh-vuldige afbrandingen, van Kerken, van Eaetlmisen, van Steden, van Dorpen, die binnen weynige jaren geschiedt zijn, niet beduyden dat Godt eenmael een vier in onse poorten sal aensteecken, 't welck de Paleyzen van Jeruzalem sal verteren, en niet worden uytgeblust? Meenenwe dat dat om niet is, dat Godt den loop der natuire somwijlen verandert heeft, en den Somer om-gekeert in den Winter, soo dat de Son al aen 't daelen was, eermen recht Somerwarmte kreegh? Of soud het wel soo veel te segghen weesen, als dat onse Sonne sal ondergaen op den middagh? Verdient dat niet sijn opmerckinge, dat God sijn Heyrlegers de Muysen heeft toegerust, die geheele landen en ackers hebben kael gegeeten? Maer de Histori-schrijvers hebben aenghe-merckt, dat eer Praeg wierdt ingenomen, de Pais van soodanige ongedierten afgheloopen wierd. Immers de

ocr page 456

TWIST DKS HEEREN

452

Goddelijcke schriften leeren ons, dat eer den verstock-ten Pharao van het roode meyr overstelpt wierd, sijn landt door een verraenginghe van diergelijck ongedierte vervult was. Die stormen en onweeren, die soo veel wonderheden ghedaen hebben, die twee van onse Oor-loghscheepen over alle sanden «en bancken henen wierpen, teghen de duynen van den Hage aen, Anno 1653. Die daer na op den 9 September des jaers 1658 niet allene so veel boom en hebben ter nedergheworpen in ons landt, en binnen onse steden, waer van veele soo lange en langer ghestaen hebben, als onse Republijcke, maer oock by het Huys te Nootdorp, ontrent een groot quartier uyrs buyten den Hage, met een gheheele reeke bomen de aerde daerse opstonden omghekeert (waer door als een wal is opgeworpen, hebbende de hooghte van ontrent ander-half Mans lenghte, en zijnde ontrent hondert voeten langh) bednyden die altemael niemendal? Of sonde dit wel gheseydt weesen, Honwet boo-men af, en werpet eenen wal op teghen Jerusalem : Sy is de Stadt die bezorght sal worden. Dat droevig onweer op den 21 May des jaers 1651 t' Enchuysen op een Sondagh kort na de' namiddag-predicatie voorgevallen, en de wonderen daer op geschiedt, invoeghen dat niet alleen Huysen om ver gheworpen ende overdwars gheset, boomen spierwit gheschelt, schuyten uyt het water op het landt ghesmeten wierden, en alles daer de storm quam met daveren en kraecken een yselijc-ken val dreyghde: maer dat oock eenige ongelooflijcke bysonderheden van oogh-ghetuyghen verhaelt worden. Deuren soo verwronghen in haer slooten datse naeuw

ocr page 457

MET SUN W1JNGAERT.

453

geopent konden worden; kostelijck porceleyn-werck op sommige plaetsen in welgheslooten Kamers aen diggelen geworpen, elders sonder beseeren van de want ghenoomen en propertjes op een ghestapelt; een boompje met wortel, tack, en bladen op een vlieringb ghe-worpen, sonder dat men eenige openingen vernemen konde, vertrekken welkers deuren men toegelaten ende toegevonden had met wier en ander tnygh bestrooyt; ja kisten van liaer plaets geset en met wier, glas, kalk, steen, riedt, ende diergelijke vnyligheydt ghevnlt, die wonderen segh ick, sal mijn Vaderstad niet licht vergeten, ende soo mijn Mede-Burgers, gelijck ick hoope, eenig begrijp hebben van Godts oordeelen, sullen het de Vaders hare Kinderen vertellen, en het levendigh houden van gheslachte tot geslachte. Maer hoven alle dingen, wat droevige vertooninghe van aenstaende rampen zijn de ieeckenen, welcke Godt heeft laten sien, in de lucht en aen den Hemel? Is niet in den jare 1651 van Vissers op de Maes een schricklijk ge-sichte (van strijdende Vloten in de lugt) gemerkt? Is niet in het volgende jaer even op die tijdt, maent en dagh des jaers, soo geseght wort, een bloedige Comeet verscheenen, en daer na soo meenige andere, twee, drie ghelijck in een jaer, daer Claudianus van seyd, dat men se noyt onghestraft vernomen hadt? Heeft men niet in hot jaer daer aen. boven Arnhem, doe het Synodus ghehouden vvierdt, op een ongemeen helder weer, als een wolck-calomme aen den Hemel ghesien, in de gedaente van een Cartouwe, dat een groote roock of damp van zich uytblies; dat ook, schoon het te

ocr page 458

TWIST DES HJSEEEN

454

dier tijd gausch stil weder was, met een besondere snelheyt hier en daer vloogh? Hebben niet duisenden van menschen in den jare 1664 op den 19 of 29 April, savonds ontrent acht uyren, een groot vier gesien als van den Hemel nedervallende, en sich in verscheyden deelen verspreydende, opkomende soo het scheen uyt het Suyd-Oosten, en sijn kours na het Noort-Westen settende, en op sommige plaetsen als een ronde bol met een staert daer aen op de aerde nedervallende, elders sich in andere een gedaente vertoonende; en niet alleen door ons gantsche lant, maer oock in de aengrensende plaetsen sich sien latende? Hoedanig licht 's avonds te 9 uyren, ontrent een half uyr duy-rende, rontom den Altaer ende den Tempel te Jerusalem gesien is, niet lang voor haer verwoestinghe. Want we moeten ons wel wachten van alle dese dingen uit te lacchen, die van so veel voortreffelijke lieden aen-getekent zijn, Die se te gelijck, met ons, in een Hey-lighe verbaestheyt aenmercken. Ick en wil niet dat onse Nederlanders met een superstieuse schrick voor de teeckenen des Hemels inghenomen zijn. Maer ick wil oock niet, datse andere Due d' Albas sullen worden, welcke eens gevraegt zijnde van den Koning van Vranckrijck, wat of hem doch van die vreesschelijke Comete, die in die dagen verscheen, tot antwoordt gaf, Sire, ick hebbe soo veel te doen ghehadt op Aerden, dat ick het niet eens hebb' konnen waghten, om op te sien na den Hemel. Ghelijck ik geen vertrouwen wil stellen op de verwaende gissinge van sommighe ondersoek-sieke vernuften (so se van den Heere Hooft

ocr page 459

MET SUN WIJNGAERT.

genoemfc worden, waenende in sulke openbaringen Gods geheymenissen te bespiegelen, en met menschelijke ooghen die eyndeloose voorsienigheyt te achterhalen: soo geloof ick evenwel de lankduyrige en met hon-dert exempelen bekrachtighde ondervindiughe, die de waernemers van de swaey der opperwercldtsche kreit-sen, als uyt eene mondt getuygen doet, dat sulke he-melteekenen Voorboden van eenige naeckende Wisse-linghe der Aerdsche saeken zijn. En ik stemme toe 't geene Tertullianus daer van schreef. Alle deese dingen zijn teekenen van Gods naeckende gramschap, die wy ten besten dat wy konuen, aenkondigen, prediken, en afbidden moeten.

Op dat op ons niet en passé 't gheen Josephus van de verstookte Jooden te sijnnen tijde klaeghde: Dat Godt wel voor de menschen sorghe draeght, ende in alle maniere voor heen aenwijst wat haer oorbaer zy, maer dat sy selfs door haer syghen dwaesheydt, in qualen, hun moetwilligh op de hals ghehaelt, verloo-ren gaen. 't quot;Was een gulden woordt van Ludovikus do eerste, soone van Carel de Groote, wanneer hy een gmote Comeete sagh, en de Sterrekijcker Egmundes hem te vooren hieldt die woorden Godts, En ontsettet u niet voor de teeckenen des Hemels, dewijle sich de Heydenen daer voor ontsetten. Tot antwoord gaf, laet ons de Schepper van deese Comeet vresen, niet de Comeet, en laet de Gods-goetheyt prijsen, die sich verwaerdigt om onse sondige traegheyt met sodanige oordeelen op te wecken. Godvruchtigh, endeftigh! soo woud ick het mee hebben: dat men deese wonder-

455

ocr page 460

TWIST DES HEEREN

teeckenen des Heeren, als opweckinghen van onse traeg-heydt aenmerckte: op datwe niet met de selve spottende, van het verderf datse voorgespelt hebben, schie-lijck overvallen worden. Och datwe het ter herten namen!

3. Maer och armen! het heeft ons tot noch toe niet kunnen raecken. God is dan noch al nader gekomen, ons met minder plagen (al-hoe wel soo swaer, dat se veeier jaren segen gierighlijck hebben ingeslokt) te huys soeckende, vo^r teeckenen van meerder, tot datter op het laetste eens een voleyndinge kome. Placht niet Grodt de Heere van outs af so met plagen te waer-schonwen, daer na met de slagh, die de kop, en de steert, de tack, en de biese af-houwe op eene dagh? Gringh het ©iet met Sodom so, dat hy eerst met blint-heit sloeg, daer na met het vyer uit den Hemel ? Sloeg God die selve weg niet in met Egygten, dat hy eerst met minder rampen strafte, eyndelijck Pharao en sijn quot;Wagens, en siin Peerden, en sijn Euiteren ver drenkende in het Meyr, soo dat noch Man, noch Muys het ont-quam? Was dat oock sijn Methode niet met de Joden, die hy eerst sloegh, daer na verteerde? Quam Jeruzalem na de tijden onses Salighmakers, oock op den selven voet niet ten val? daer eerst jammerlijcke twist en oneenigheyt in was, waer door wonderlijk veel bloet vergooten wierdt, daer na rasende honger met pest vergeselschapt en eyndelijck de Roomsche Soldaten, die als Leeuwen en Beeren het alles verscheurden. Lees eens die vloeck-rolle die Godt voorstelt Livi. XXVI: van het 14 vers at, en siet hoe de Heere daer

456

ocr page 461

MET SUN WIJNGAERT.

dreyght, dat, so de eerste plagen niet helpen en konden, hy de selve steets sevenvoudigh verdubbelen soud. En eyndelijck stater dan. Ja ik sal uw' landt verwoesten ; dat uwe vijanden, die daer iu sullen woonen hen dacr over ontsetten sullen. Gingh het met dien allen soo, hoe sal het met ons gaen ? Ja Leeser, soo most gy die so dikwijls verhaelde plagen des Heeren aenmercken, als of hy met elcken slag seydc, bekeert ghy uniet; morghen sla ick noch sevenmael harder, 't Zal dat oude seer njet weder op-krabben. De straffen die ghy nu soo veel jaren achter een hebt moeten dragen, smerten u al te seer als dat ghyse aireede soudt vergheeten hebben. Maer wat wil die neeringhloosheyt, wat willen die Pestilentien, en andere sieckten, wat willen die onstuymighe, en dan soo drooge, en dan soo natte jaren, wat die schadelijcke Oorloogen, die onse staet eenige jaren herwaerts gevoert heeft? wat dat verlies van onse Schepen? wat die oneenigheeden tusschen de Steden, wat die disreputatie die ons Landt heeft moeten uytstaen, wat willen alle dese dingen en duy-sent diergelijcke meer, wat willense seggen, als het geene die hand eertijdts aen de want schreef: Mene, Mene, Thekel Upharsin? Dit zijn de trapjes, O Neder-lant, by de welcke gy tot in de laeghste laegte te met zult komen nederdalen. Letter op, Leeser: Och of ick eon valsch Propheet wierd!

4. Is hot niet te duchten dat Godt wat wonderlijcks met een Volck en Kercke in de sin heeft, wanneer hy sijn Geest haer ontrekt, ende met de Heerlijkheydt van des selfs werkinge verhuysen gaet? soo dat de

457

ocr page 462

TWIST DES HEEREX

458

vlammen der Goddelijker liefde des Hemelschen yvers als door een stnire Noorde-wint nyfcgeblasen; en in plaetse van die de vlammen van Broeder-twist aen alle kanten ontsteeken worden: dat het Hoylighe woordt Godts zijn klem, het sweert des Geestes sijn snee, die hamer sijn klop schijnt quijt te zijn: dat deVroomen selfs geduirig als tegen stroom moeten oplaveeren, en meest haer selven als met taijen halse dwingen tot het waerneemen van haer devotie-plichten; diese dan dickwijls noch op een gansch Geest en Lusteloose ma-niere verrigten; Is het dan niet te duchten segh ick dat God ghereetschap maekt om met de Kandelaer des Evangeliums te vertrecken; en het lant tot een landt der duysternisse en der schaduwe des doods te maken ? Doe God den eersten Tempel den Caldeen ten viere wilde overgeven, doe hief sich de Heerlijckheyt des Gods Israels van den Cherub, daer op sy was, tot den dorpel van het huys. Ezech. IX: 3. Daerna stont sy boven de deuren van de Oost-poorte. Cap. X: 19. En eyndelijk verliet sy de Stat. Cap. XI: 23. En daer op kreegh de Propheet last om sich gereedtschap der vertreckinge te maken. Cap. XII: 3. Doe ook de ver-woestinghe des tweeden Tempels door de Romeynen aenstaende was, hoorden de Priesters, die op 't Pingh-sterfeest des nachts in het biunen des Tempels gegaen waren, eerst een gedruys, daer na een duidelijcke stemme, Laet ons van hier gaen: dat sommige wilden duiden op de goede Engelen malkanderen vermanende om de Tempel te verlaten; maer waerom souden wy sulcks niet ruym soo gevoegelijk konnon verstaen van

ocr page 463

MKT SUN WIJNGAERT.

de Groddelijcke Drie-eenigheyt zelfs, met haer gunste ende ghenadighe meedewerckinghe t' eenemael verhuy-sende? En overmits wy die ontreckinge des geestes van onder ons soo duidelijk vermercken, gelijck ick te vooren breeder getoont hebbe, is bet dan niet overtijdt om te ontwaecken, en den Heere Jesum als met ge-welt van gebeden ende vernieuwde Boetveerdigheyt vast te houden, en te dwingen dat by by ens blijvo ? Luc. XXIV :■ 29.

5. Dat moet ik'er noch by doen. Wie twijfelt, of dan is een volck op sijn hooghste, wanneer de Heere seyd tot Godtsalige, die daer noch in zijn; Ghy dan, en bidt niet voor dit volck, ende en heft gheen geschrey, noch gebedt voor hen op, en loopt my niet aen: want ick en sal u niet hooren. De gebeden van de vroome, 't is ontwijfelijk ofse zijn de steunselen van de staet, en de Joden en hebben geen ongelijck, wanneer se te dien opsichte de regtveerdige Pilaeren des Werelts noemen. Die kruck ons dan ontrecken, die suyl wegh genomen zijnde, Lieve Godt! waer sullen wy belanden ? 't Is wel waer, de Heere en verbiet het uytterlijk nu nie-mandt van sijne knegten, om voor ons Vaderlant te bidden en gesegent sy de naem van onse Overheden, die ons sulcks somwijlen belasten. Maer dat is echter van veele vrome en recht geestelijcke herten aenge-merekt, dat die yver, die vrymoedigheyt, dat vertrouwen, die beweegtheyt, diese gewendt zijn in den gehoede voor Gods troon te brengen, haer dan soo ont-breeckt, wanneer se voor den welstant van 't Vaderlandt en Vaderlandtsche Kercke bidden sullen, dat hot schijnt

459

ocr page 464

TWIST DES HEEREN

of het harte vlaok ter aerden neder leyt, daer 't anders soo op bobbelt, en soo beroert is, wanneer het die lieflijcke samenspraeck houdt met sijnen Hemelsche Vader, door de soete antwoorde sijnes vriendelijcken Geestes verquikt wordende. quot;Wat is dit anders, als of de Heere seyde, ghy dan en bidt niet voor dit volok? Och Nederlandt! Nederlandt waer wil dit met u heen? Wat sal u helpen, indien de vroome voor u niet bidden en kunnen? O Heere onse Godt die in den Hemel woont, ghy kont ons alleen helpen, met ons kraoht-dadelijck tot u te bekeeren. Doet het, doet het dan ook om uwes naems wil, en wees ons genadigh.

CAP. XXXII.

«

Vermaninge aen allerley Staets- en Stants-Persoonen, om in rechte vernieuwinge des Leevens, elk het sijne tot behout van Staet en • Keroke toe te brengen.

Want wy en moeten noyt soo verre kome, om met de vertwijffelde Joden te seggen: Het is buyten hoope, en daoroo: sullen wy na onse gedachten wandelen, en wy sullen doen, een yegelijck hetgoedt-duncken sijns boosen harten. Ja dat was de rechte wegh, om landt, en Kerck, en ziel, en al watter is, in de grondt te bederven. Maer wy mosten in teghendeel een besluyt maecken met Johannes. De bijl is aireede aen de wortel der boom geleght, alle boom die geen goede vrucht voort en brenght, wordt uytgehouwen, en in 't vier gheworpen. En wederom : brengt dan vruchten voort der bekeeringe waerdigh. Als Godt ons seyt, gelijckant wy en moeten noyt soo verre kome, om met de vertwijffelde Joden te seggen: Het is buyten hoope, en daoroo: sullen wy na onse gedachten wandelen, en wy sullen doen, een yegelijck hetgoedt-duncken sijns boosen harten. Ja dat was de rechte wegh, om landt, en Kerck, en ziel, en al watter is, in de grondt te bederven. Maer wy mosten in teghendeel een besluyt maecken met Johannes. De bijl is aireede aen de wortel der boom geleght, alle boom die geen goede vrucht voort en brenght, wordt uytgehouwen, en in 't vier gheworpen. En wederom : brengt dan vruchten voort der bekeeringe waerdigh. Als Godt ons seyt, gelijck

460

ocr page 465

MET SUN WIJ.N'GAF.RT.

461

hy genoeglisaem doet, Ick, ick sal verscheuren en hee-nen gaen, ick sal wegh voeren, en daer en sal geen redder zijn: moeten wy ons beraden als Israël deede, Komt en laet ons woderkeeren tot den Heere; want hy heeft ons verscheurt, en hy sal ons gheneesen; Hy heeft ons gheslagen, en hy sal ons verbinden. Want doch een Heylige Reformatie en algemeene door-gaende verbeteringe is de eenighste stut, die een waggelende Staefc onderschragen, en voor den val bewaren kan. Dit was de raet die de wijse Daniël aen Nebu-cadnezar gaf. O Koning, laet mijnen raet u behagen, en breeckt uwe sonden af door gherechtigheyt, en uwe ongherechtigheden door genade te bewijsen aen de ellendighe, of'er verlenginghe van uwe vrede mochte weesen. Ick bidde u dan, Leesers, soo meenigh als ghy uw' ooge hier op slaen snit, ja ick bidde u om de ontfermingen Godts, en het vergooten bloedt Jesu Christi; ick bidde u mijn Vaderlant, om uwe lighame-lijcke en geestelijke welstandt; ick bidde u mijne Landtsaten om de liefde van uwe vrouwen, en kinderen, en vrienden; ja ick bidde u by alles wat u weert is: Bekeert u doch eens oprechtelijck tot den Heere, valt sijn wreeckende grimmigheyt in de roede. Kusset den Soone op dat hy niet en toorne; en ghy vergaet op den wegh, wanneer sijn toorn maer een weynigh soude ontbranden. Begint die Heylige Reformatie van uw onheyligh leeven, soo lange u aengheraden, soo krachtigh inghescherpt; maer so hartneckigh tot noch toe uitghestelt. Begintse heden, en van deese uyre af. Heden soo ghy de stemme des Heeren hoort, en ver-

ocr page 466

TWIST DES HEERKLV

462

hardet uwe harten niet. quot;Waer toe altijdt morgen, morgen, waerom niet nu? waerom niet heden ? waerom niet dese ooghenblick eynde van uw vuyligheyt? Eer het besluit bare (ghelijck het kaf gaet den dagh voor-by) terwijle de hittigheydt van des Heeren toorn over u lieden noch niet en komt: terwijle de dagh des toorn des Heeren over u lieden noch niet en komt. Dat alle staten en orders van menschen de handen aen dit heylige werck slaen. Datse vervloeckt zijn. alle die als Meros niet komen en willen tot de hulpe des Heeren, met de helden. Ja vervloeckt zy een yegelijck die des Heeren werck bedriegelijck doet. Grhy onse overheden die Godt op den throon des gherichtes gestel t, en het stuyr van 's lands saecken in do handen ghe-geeven heeft, mostet de eerste in deese optocht des Heeren zijn, om een krijgh te heyligen tegens de sonden, en tegens de ongherechtigheyt. Nu dan, gy Koninghen, handelt verstandelijck, laet u tUgtighen ghy rigters der aerden. Denckt dat die hoogheyt van Staet waer toe ghy verheven zijt, ook een uytmuntenthe yt van deugden vordert. En neemt ter harten dat Koninck-lijcke woordt van Cyrus dat niemandt weerdigh is te regeeren, ten zy hy beter zy dan die geene die hy regeert. Weet dat alle oogen op u gheslaghen zijn, en dat ghy al soo weynig als de Sonne selfs in het verburgen wandelen kondt. In dien ghy het gemeene besten wel besorgen wilt, soo moet ghy, na Platos lesse, uw uwe onderdanen de deugt mededeylen. Soo de Overheeden zijn, soo plegen ook de Burgers te weesen, en de geheele weereldt schickt sich na des Ko-

ocr page 467

MET SUN WUNGAERT. 463

nings voorbeeldt. Dit is de staet der Staets-persoonen, datse schijnen te gebieden al het geene sy doen, en niet beter konnen se andere het goede leeren als met haer eyghen voorgangh. Rex vilet bonesla, nemo non eadem volet. Als de Coning wil 't geen eerlijck is, elk een sal het selve willen. Verfoeyt dan als schelms en eerloos, dat Oude maer Boose woordt, dat Heyligheydt, Grodtsaligheydt, Ghetrouwigheydt, slegte lieden betamen, dat de groote gaen mooghen waer 'thaer lust. Dit segghen is uyt de Hel ghekomen, eu 't mickt op 't verderf der Machtighen. Stopt de ooren voor die Pluim-strijckers, die sich niet schamen uyt te staen, dat de Overheden Rechts-halven alle dingen geoorlooft zijn; en laet u beter behaghen 't gheene der Gotten Koningh by Cassiodorus seyde: Daer wy alles konnen doen, ghelooven wy niets te mogen doen als 't geene prijsselijck is: En de Grroote Keyser Justinianus. DIG NA VOX EST MA JESTA TE IMPERANTIS SUBDJTUM SE LEGIBUS PROFITERL. 't Is een woordt de Majesteyt eens Heerschers betamelijck dat hy sich een Onderdaen van de wetten belijde. En voor al van de Goddelijcke, daer elck toch onder buygen moet, ten zy hy met een Reusentrots vermetelijck pocchen wilde, ick sal ten Hemel opklimmen, ick sal mijnen Throon boven de Sterren Gods verhoogen.

Boven alle dingen past uw Hooghachtbaerheydt dan Godtsaligheydt, niet gheveynst en geconterfeyt, of gebogen na de Interesten van staet, maer hartelijck, en voor de Heere. Leght uw Kroonen en Scepters voor de voeten des Heeren Jesu neder, en agt het, met dio

ocr page 468

TWIST DES HEKREN'

Godvrugtige Theodosius, geen minder eere Soonen van de Kercke te zijn, als Heeren over de B urge rij e.

Laet de Kercke dikwils verciert wesen met uwe tegenwoordigheyt, op dat niet uw Hoge gestoelten daer ledigli staende, met een onwederleggelijke reden de Onderdanen luydskeels toeroeppen, dat Godt ende sijn dienst u weynigh of niet ter harten gaen.

Graet haer voor in het vernieuwen van het verbondt met den Almachtighen, en neemt ter bestemder tijd het Heylige bontbroot voor haer oogen aen, en haer hart sal wonderlijk ingenoomen worden om 'geerne trouwe te bewijsen aen hen, die sy sien dat sulcx doen aen Godt.

Toont u Beminders, Voorstanders, en Hanthavers, van den suyveren en onbevleckten Godsdienst, acht die het Palladium van den staet te wesen, met welkers stant ghy staen, en met welckers val ghy vallen suit. Straft de Godts-lasteringen. Weert de Afgoderye, Dempt de Kettery. Keert gevaerlijoke Nieuwigheden. En gunt se geen Ruste by u, die de Kercke soecken te ontrusten.

Bemindt de geene die God beminnen. Laet de ver-wurpene in uwe ooghen veracht zijn. Slaet de selve op de ghetrouwe in den Lande, dat die by u sitten. Maer die bedrog pleegben, en leugenen spreeken, laet se voor uwe oogheu niet bevestigt worden. Roeijt uyt de stadt des Heeren, de Werckers der ongerechtigheydt.

Hout in weerde de Opregte Dienaers Gods. Acht die de Getrouwste te wesen, die u en uwe Onderdanen alderernstigst ter Godtsaligheydt aenmanen. Ghelooft

464

ocr page 469

MET SUN WUNGAERT. 465

geen lastertongen nochspotachtigho Tafel-Broeders, die u de sulcke als Teghenstanders van uw Hoogheyt trachten hatelijck te maken.

Laet gherechtigheyt en gerichte de vastigheydt uwes Throons zijn. Doet een yegelijk spoedigh recht van de minste tot de meeste.

Laet in uwe Hnysen niet voor geit noch voor aen-biedingh grooter Eerampten te koop zijn. quot;Wacht u voor het geschreeuw van onderdruckte armen, voor het ghesucht van verongelijckte Weduwen ofWeesen, voor het gheklagh van qualijck bejegende Burgerye. Dat roept in den Hemel om wraecke. En Godt sal het hooren. Want hy is genadigh. Gy zijt Vaderen des Va-derlants. De Onderdanen zijn uw Kinderen. Gy sulfer God reekenschap van geeven, hoe ghy hare en het hare gestiert hebt.

Hout vry uw authoriteyt. Maer met mate: Op datse in gheen trots noch stuursheyt verandere. Ghelooft dat gheen dingh meer harten inneemt als beleefde Vrien-delijckheydt, en ghelijck een onser Prinsen seyde, dat men een Burger goet koop heeft die men met sijn hoet windt. Of ghelijck het een Groot Koningh uyt-drukte, dat men meer vlieghen vangt met een lepeltje Honigh, als met twintigh tonnen azijn.

Laet de onderdruckte een vrye toevlucht hebben tot uwe bescherminge.

Weest de Blinde tot ooghen, de kreupele tot voeten, de nootdruftigen een Vader, en doet haer troost vinden by uw altoos gereed e behulpsaemheydt. Laet niet toe dat ghewelt-drijvende Godloosen de onnoosele uwer

do

ocr page 470

TWIST DÊS HÉBBEN

Burgerye overmeesteren. Verbreekt de Baktanden des Verkeerden en werp den roof uit sijne tanden, 't Heeft sijn opmerckelijcke nadruck dat liet Joodsche Volk den Koninck Zedekia noemde, den adem barer neusen, van welke sy seyden wy sullen onder sijne scbaduwe leeven onder de Heydenen. Want hier in komen de Overheden Gode aldernaest, dat de Onderdanen onder haer bescber-minge Heyligb en veyligb leeven mogen, en door baer als bun adem balen, gelijck wy alle in God leeven, ons beweegen, en zijn, en aller adem in sijn bandt is. Acbt bet dan de soetste toejuicbinge uwer Burgerye te wesen, die Augustus eens ontfingb van de Bootsge-sellen bem toeroepende: door uw leven, en varen wy, en genieten onse vrybeydt en goederen.

Houdt altijdt woordt en trouwe tegen yeder een. En soose uyt de Wereldt verlooren ware, laetse in uwen monde weer gevonden worden. Hy bedriegbt sicb schendig die waent. dat oyt enig profijt de schantvlek van trouwloosbeydt kan opweegen. 't Is een Koninklijok woordt, Heeft by gbeswooren tot sijn schade, evenwel en verandert hy niet. Maer 't is een scbrickelijcke blaem, die de Historiën een groot Personagie na geeven, dat men om niet bedroegen te worden altijdt het tegendeel gelooven most van het gene hy seyde. Belooft gby dan noyt, bet geen ghy niet denckt na te komen: aider minst in 't maecken en in't aen veerden van eenige ampten. En maeckt dat ghy met waerbeyt seggen moogt, als eertijts de groote Hendrik, Tok ben alleen verseeckeringb genoegh aen mijn Onderdanen: noyt ben ik yemandt ontrouw bevonden.

466

ocr page 471

MET SUN WUNGAERT.

Stelt het algemeen boven bysondere Insigten. Een Tyran oogbt en tracht na eyghen Profijt: een wettige Overheyt, na 't Voordeel van de Burgerije. 't Gemeen is niet voor u, maer ghy voor 'tgemeen: Gy sit op het Staetkussen, niet tot eygen gemack: Maer tot ruste van uw Onderdanen. En die sit 'er eerst vast op, en in aller harten gunste, die van alle erkent word, soo wel voor haer als boven haer te sitten.

AVeest dus de eerste in het verbeteren van uw Hoogh-achtbare Ordre, die hoese aensienlijker is, en meer in het ooge van de gansche wereldt, hoe hare Deughden, soo wel als hare fauten, te meerder afsteecken. Gevet dan den Heere ghy kinderen der machtigen, geevet den Heere eere ende sterckte. Gevet den Heere de eere sijnes naems. De Heere sit, Koningh in eeuwigheydt. Dat sal u staet op Aerde, uw stoel in den Hemel vesten. Dat sal uw aenghenaem maecken by Godt, ontsien by uw Burgerije, gelieft van de Vroome, gevreest van de Bose, ontsagchelijck by allen. Dit is de rechte weg om deugt te queeken, segen te vermeerderen, Onderdanen te krijgen na Godts sin, en na de uwe.

En ghy, o Onderdanen, onderwerpt u gewilliglijck uwe Overheden, bedwinght uwe tonghe van lasteringhe, uw' harte vanvloecken, en ongegronde suspicion. Vioeckt den Koninck niet; selfs in uwe ghedachten, noch en vioeckt den Rij eken niet, in het binnenste uwer slaep-kamer: want het ghevogelte des Hemels soude de stemme wegvoeren, ende het gevleugelde soude het woord te kennen geeven. Wilt ghy vreede en welstant hebben, soo zijt den Machten over u gestelt onderwor-

467

ocr page 472

TWIST DES HKEREN

pen. Want daer en is gheen maght dan van Godt, en de machten die daer zijn, zijn van Godt geordineert. Alsoo dat die hem tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaet: ende diese wederstaen, sullen over haer selven een oordeel halen. Soo geeft dan een yege-lijk dat ghy schuldig zijt: schattinge, dien gy schat-tinge.; tol, dien ghy tol: vreese, dien ghy vreese: eere, dien ghy eere schuldigh zijt.

Biddet daghelijcks in uwe slaepkameren voor alle die in Hoogheydt over u gestelt zijn, op dat wy een gerust en stil leeven leyden moghen in alle Godtsalig-heydt en eerbaerheydt. Denckt eyndelijck dat Godt te vreesen en den Koningh te eeren, onafscheydelijcke eyghenschappen in een Christen-Burger zijn. £n hy is geen goet Onderdaen van den Hemel-Koningh Jesus, die het niet en is van sijn wettelijcke Overheyt op aerden.

En ghy, O Harders der Kudde, gaet andere voor met uw Exempel, met uw stemme, en met het voorsichtig gebruyck van een Heylige Discipline. Indien het beginsel van slaperigheyt, en vervolgens van verdervinge, van uw ordre gekomen is, laet oock van daer komen het beginsel van wackerheydt en wederkeeringe. Van het hooft pleeghen de quade humeuren te vallen op de overighe leeden. Op dat dan het lighaem der Ker-cke die uwe sorghe toevertrouwt is niet langher siek blijve, soo wordet ghij selve eerst ghesondt: Dat is, eer ghy het volck reformeert soo reformeert eerst elk u selve, uw conscientie, uw ommegang, uw gheselschap, uw Huys: op dat alles na Gods welbehagen gheschickt

468

ocr page 473

MET SUN WIJNOAERT.

469

zy, en ghy een onergerlycke conscientie hebben, en uwe kudde u in alles als een leevendigh voorbeeldt van haer handeliuglien aenschouwen mag. Alle andere pogingen sullen te vergeefs zijn indien ghy dit niet en doet. Daerom begon Christus de beste Leeraer, eerst te doen, en daerna te leeren. Hand. 1:1. Daer na sullende seggen, lek hebbe u een exempel gegeven, op dat gbelijck als ick gedaen hebbe, ghy lieden ook alsoo doet. Joh. XIII; 15. En op dat sy diehyinsiin plaetse by de Kercke gelaten heeft het selve souden konnen seggen, soo heeft hy haer geboodon het soudt der aerde te zijn. Mat. V: 12 dat is onbedurven in haer selven, en andare voor het bederf bewarende. Oock heeft hy haer belast, het licht des Werelts te zijn: en soo te lichten, dat de menschen hare goede wereken siende, God die in de Hemelen is (met navolgen) ver-heerlijoken mogen, vers 6. Indien dan een Dienaer Christi niet op de selve maniere als Christus (name-lijck uyt de innigste beweginingen sijns gemoedts, met sijn leven en wereken) dat leere, 't geen Christus ghe-leert heeft, hoe kan hy geseyt worden Christi werek te doen? En wat is dat? Dat een Christen mensche niet moet staen na de dingen deses werelts, niet na wellusten, niet na eere: als verganckelijcke dingen zijnde, waer aon men sich niet magh vast hechten: en besmet met het fenijn van ydelheyt, die men sonder gevaer niet gebruyeken kan: Maer dat men sijn begeerte moet uytstrecken tot de toekomende goederen, als die alleen hecht, gewis, en eeuwigduyrende zijn. En dat een Christen-mensche niet steunen moet op

ocr page 474

TWIST DES HEERKN

eenige wereldtsche vastigheden, maer geheel aen den Hemel hangen: en leven, niet na des werelts, maer na Christi Eegelen, alle Menschen lief hebbende, en goed wenschende, ook de quade, ook de Vyanden, weldoende aen sijn Quaedtdoenders, en biddende voor sijn Vloe-ckers, en soo voort. Die dit met sijn daden leert, dat is een Eecht Christen Leeraer, bequaem om de Men--schen na het ware beelt Christi te veranderen.

Men moet evenwel by de quot;Werken Woorden doenr als regelen by de Exempelen. Laet dan, gheliefde, het gheheele Predikwerck daer heen gericht wesen, dat gy arbeyd Q-ode Kinderen te baren tot dat Christus een gestalte in haer krijghe. Gral. IV: 19. Indien yemandt op wat anders mickt, die mist het wit, en bestaet een saecke, die de proeve van 't vier niet kan uytstaen. Onse Vaders, geluckige navolgers der Apostelen, hebben ons op een goet fondament gestelt, op de onwriokbare rotssteen CHRISTUS, en sy en hebben ons niet ge-leert, op dat fondament stroo en stoppelen van Opini-tjes en Cerimonitjes te bouwen, maer Gout van suyver Greloove, Silver van blinckende Liefde, en Eedele gesteenten van Hoope die niet beschaemt. Indien dan de menschelijcke onvoorsichtigheyt, eenige stoppelen daer onder gemengt moohte hebben, laet ons nu wederkee-ren, om'er niet als goudt, silver, eedele gesteenten op te bouwen. Of anders sullen wy selfs door het vier van Gods reohtveerdige gramschap verbrandt worden. Doch Christus en sal by ons, dus door eygen schuit verloo-ren gaende, niet van't sijne verliesen. Want soo pleegh hy, spijt der werelt, het Rijck sijner Kercke, altoos

470

ocr page 475

MET SUN WIJNOAERT.

uyt te breyden, sonder dat wy weten door wat kracht sulcks geschiedt.

Doch in dat selve Predickwerck gedenckt, Broeders, aen de woorden Godts tot Jeremiam: laet hen tot u wederkeeren, maer gy en suit tot haer niet wederkee-ren. Cap. XV: 19. Dat is, indien ghy niet de snuyste-ringhen van menschelijcke Wijsheydt, maer ware kostelijkheden uyt mijnne schatten suit voortbrengen, soo sal ick mijn woorden gewichte gheeven, datse nieten sullen konnen wederstaen de Geest die door u spreeckt, maer datse genootsaeckt sullen zijn baor te bekeeren. O Geliefde! Hoe groot een sake beloolt hierde Heere? Wie en soude niet wenschen de mondt Godts te zijn? En dat kan elck een van u wesen, soö sy slechts in Godts name geen andere woorden voortbrenght, als die uyt de mont Godts zijn voortgekomen (Ezcch. III: 17, XXXIII: 7). Maer waer spreekt Godt nu anders als in de schriften? Maeckt dan de Goddelijcke schriften tot uw Pandecten, en tot de schatten soo van uw wijs-heyt als welspreeckentheyt. Laet andere, soo het haer lust, spreecken als een Cicero, of als een Demosthenes: Spreeckt ghy ghestadelijck met Moses, David, Jesaias, Petrus, Paulus, Christus, na de regel, indien iemant spreeckt die spreke als de woorden Gods. 1 Pet. IV: 11. Hy brenge niet dan Goddelijke woorden voort, met een Goddelijck oogemerk, met een Goddelijcke liefdebrandt; en dan sal hy bevinden een Goddelijcke kracht in 't menschen-bekeeren. Want Godts woordt recht aen geleyt, is als eon vier verbrandende de stoppelen van menschelijcke ydelheden, en als een Hamer

471

ocr page 476

TWIST DES HEEREN

die de Rofczsteen van het harde menschenhart verplettert en te morssel slaet. Jer. XXIII: 29. Welcke din-ghen alle daer heenen strecken, Geliefde, op dat ghy de Goddelijcke schriften bemindt boven alle mensche-lijcke, daer alle uwe leeringhen, spreucken, spreeck-wijsen, woorden, tot het minste stipje toe, nythalende. En dan suit ghy de kracht van Gods Geest tot u voelen wederkomen, en die sal alles wat ghy wilt door uw wercke. Jes. LV: 10, 11.

Oock daerom moet ghy gebeeden sijn, dat ghy u in uwe Predicatien voornamentlijk, en voort allesins, van ydele twistingen onthoudt. Die maniere van doen is elders door een deel jeukerige verstanden inghevoert, datse met meer neerstigheyt ontleeren, als leeren; met meer moeyte ontimmeren als bouwen; en liever haet als liefde inprenten; tegen Christi en der Apostelen voorbeelt, en met een baerblijckelijcke hinder der God-saligheyt, en met een verydelinge van de Christelijcke liefde in het Christenvolck. Veel beter is het een eenvoudige Harder van macke schapen te wesen, als Jacob; dan een gheweldige Jager van wilde Dieren, als Esau. Veel beter met Salomon sich ter Tempel-bouw te schic-ken, als met David te oorloogen; Al zijn'er die sich bedunken laten dat het de oorlooghen des Heeren zijn, die sy son der eynde tegens andere voeren. Veel beter is het een drievuldigh snoer van broederlij cke eendracht, dat niet licht gebroocken wordt, sterk toe te draeyen; als met andere een koorde te trecken van rampspoedige twist, die Christus de sijne verbooden heeft. Beter is het de sijne ontrent de Boom des leevens.

372

ocr page 477

MET SUN WUNOAEET.

in het heylig vermaeck eener goeder conscientie, op te houden; als haer by de Boom der Kennisse des goedts en quaedts te doen omswieren en met de verhooden Leckernijen van scherpsinnige twistvragen te voeden. Hout het daer voor dat een geloovigh harte Grode meer behaegt, als een Nieuwsgierigh Hooft; en leert daer om de menschen niet soo seer eens anders dwalingen, als haer eygen sonden bestrijden.

Noch is het niet genoegh dat gy het Evangelium leert, en na het Euangelium leeft, maer gy moet de uwe oock dringen om weerdelijck den Enangelio te wandelen. Phil. 1: 29. Dewijle ghy macht van Christo ontvanghen hebt, om alles onder sijn ghehoorsaemheyt te brengen. 2 Cor. X: 4. Ghy zijt sommige hier in al te slap gheweest, U3't vreese van menschen alles door de Vingeren siende: quot;NV eckt u selven op. Misschien hebt gy sommighe, niet te deegh weetende wat Discipline was, met een stuyrse strengheyt alles willen verrichten: Verbetert u; En schickt het voortaen alles na het voorbeeldt ende Voorschrift van de Apostolische soo Sachtmoedigheydt als ghestrengheydt. Maer hoe-danigh is die geweest? Dat staet ons uyt Pauli brieven voornamentlijck te leeren. Daer sal men mercken dat hy (oordeelende geen minder kunst te zijn het verkreegene te bewaren als yets nieuws te verkrijgen) alle die hy door het Euangelium Christo gheteelt had-de, met gelijcke vlijt gestadigh na Christus toetroo-nende, nu met een Apostolische Autoriteyt sich strengh aenstelt, bekijft, bedreygt en vervaert, nu met een Vaderlijcke liefde smeeckende vermaondt enbetuyght;

473

ocr page 478

474 TWIST DES HEEREN

versachtende de scherpigheyt van nootsakelijke beris-pinge met een mengsel van Heusche lof, en na het Exempel van verstandighe Medecijn-Meesters, de bittere Alssem-brock met een Bestrijcksel van Honingh ver-soetende, en tot elck quaet bysondere en tijdige Heelmiddelen gebruyckende. Soo verricht hy altoos en al-omrne de sake Christo over al op het profijt sijner kudde uyt zijnde, en als een getrouwe Arts allerley slagh van Medecijnen ter hand nemende, om de sijnne tot voller en vaster gesondtheyt te brengen. Op dat hy met waerheyt in geenen dage roemen moghte, dat hy in alle de deelen sijnes Dienstes, noch| hem selven, noch het sijne gesocht hadde, maer de Saligheydt van de geene, welckers Tuchtmeester niet, maer Vader hy was.

Gedenckt gy dan oock, Geliefde, dat ghy de macht u van Godt gegeeven insgelijks gebruyken moet, tot opbouwinge en niet tot nederwerpinge. 2 Cor. XIII: 10. 't quot;Welke niet weesen kan indien gy de selve niet gebruyckt 1. Suyverlijck, sonder eygendrift, die sommige dus, andere anders genegen is. 2. Voorsichtiglijck en omsichtelijck, na de nootsaeckelijckheyt van saken, persoonen, tijden, omstandigheden: dan sachter, dan strenger, dan slapper. 3. Eyndelijck Stantvastiglijck niet sloffende in het werck van opmerkinge; maer toe-siende dat men liever alle bederf en aenleydinghen daer toe met wijsheyt voorkome, als met gewelt ver-betere.

Dus vermaende en betuyghde een Eerweerdighe God- en Kruysgeleerde de sijne. En daer en is niet aen

ocr page 479

MET SUN WIJNGAERT.

te twijffelen, of, indien de Dienstknechten Christi soo voorgingen, de HeyHgheydt sonde van haer tot de Overighe Kudde rijckelijck nederdalen, bet welbehagen des Heeren sonde door haer handt gelnckelijck voort gaen, en de Kercke die als tusschen twee rijgen van steenen in de asse gbeleegen heeft, sonde worden als vleughelen eener Duyve, over deckt met silver ende welcker veederen zijn met nytgegraeven gelnwen gonde. Psal. LXIII; 14.

Groot Harder Israels, laet dijn verkooren kudden De vruchten des verbondts van sulcke takken schudden. Send knechten in den Oogst, van dees' en beter stof: Ons welzijn hangt'er aen, en daer aen uwe lof.

Ghy Leedematen der Gemeente, onderwerpt u de woorden uwer Leeraren, en achtse veel om hares wercks wille. Zijt uwe Voorgangeren gehoorsaemr en zijtse onderdanigh. quot;Want sy waken voor uwe zielen, als die raekenschap geeven sullen: op dat sy dat doen mogen met vreughde, en niet al suchtende. Want dat en is u niet nuttigb.

Ghy Rijcke van deze wereldt, stoot die verweende pracht en hoogmoet eens weg; Boent die dertelheydt, en weeldrigheyt, en wulpsheyt eens uyt, traght arm te worden van Geeste, en rijck in geloove en goede wercken. Ja soodanigh als de tijden nu zijn, weent en huylt over de ellendigheden die over u komen. Uwen rijckdom is verrot; en uwe kleederen zijn van de Motte gegeeten geworden, üw' goudt en uw'silver is verroest, en haer roest sal u zijn tot een getuyge-

475

ocr page 480

TWIST DES HEEREN'

nisse, en sal uw' vleesch als een vier verfceeren, ghy hebt schatten vergadert in de laetste dagen.

Och dat nu alle dertele Juffrouwen, in plaetse van een Spaensche Bedelaer, of een Fransche Roman, of een Duytsche Vaeckverdrijver, eens een Testament, en Psalmboeck, in de handt nameh, om daer in haren geest te verlusten, daer uyt lieffelijcke ghesangen den Heere toe te singen: en so het Exempel van die doorluchtige Blesilla na volghden, daer Hieronymus van schrijft, dat selfs doe haer gangh al wanckelde door de sieckte, en nauwlijcks de teedere hals het bleeke en beevende aengesichte konde ophouden, sy evenwel altijt een Propheet of Euangely in de handen had. Och datse eens in plaetse van met Pendanten en stricken, en peerlesnoeren, en mouches, en hoe weet ick het wat vodderije al, raet ootmoedigheyt, en seedigheyt, en tranen op de wangen proncken gingen, na het voorbeelt van seekere Hooge-edele Roomsche Juffroi\ Paula, daer den selven Hieronymus van ghetuygt datse schier ge-duyrigh nacht en dagh hare sonden beweenende, en van hem aengesproocken zijnde, sy soude toch hare oogen wat sparen voor het lesen van de Heylige schriften, tot antwoort gaf. Dat aengesicht, 't welck ick tegen Gods bevel soo dickmael geblancket heb, moet nu vervuilt zijn. Het lichaem dat soo delicaet gehouden is, moet ghekastijt worden. Dat steets lagchen met weenen vergolden, en dat zachte lynwaet, en die kostelijcke zyden, moeten in een hard kleed verandert worden. Ick die te vooren mijnen Man en de Werelt behaeghde, begeere nu Christus te behagen. Komt nu kostelijcke

476

ocr page 481

MÊT SUN WlJNöAERT.

Dochteren Zions, tredet in die selve voetstappen, en dewijle liet wapen van de maeghde-reyn alleen in onno-selheydt en schreyen bestaet, houdt ghy oock het landt daer mee staende, en soeckt voor uw' deel Gods toor-nevier daer me uyt te blusschen.

Laet Burgers, laet landtluyden, laet elck een sijn beminde sonden een scheyd-brief geeven, op dat die geluckige tijden eens weder moogen komen, inwelcke gerechtigheyt en waerheyt malkanderen kussen. Laet niemandt op een ander sien, maer yder van hem selfs beginnen.

Laet elck Huys-Vader, elcke Huys-Moeder Huyssoe-ckinghe doen, en op haer selfs, op haer kinderen, op haer dienst-boden letten, om te sien wat datter al ontstelt zy, en reformatie van noode hebbe. Laet haer de Heylige huys-oeffeningen of op nieuw beginnen, of de vervallene weder oprechten, en met een eenparigen schouwder den Heere dienen, sy selfs met alle de hare tot hare kleyne kinderen ingeslooten, gewelt doende op den Hemel, om se God den blixem uyt de handen te wringhen. Ja laet een ygelijck in het besonder, laet ons alle te samen onse wegen ondersoecken, en door-soecken, en wederkeeren tot den Heere. Komt Vrienden, Komt mede burgers, komt landt-genooten, yder ga eens in sijn eygen siele, hy soecke sijn sonden op, hy belij-dese voor den Heere, verfoeye sich selver, dat hy mee soo veel swevel in 't vier van Gods toorn heeft geworden : hy beloove het Gode Heylighlijck, hy sweere het hem, dat hy voortaen al wat hy verneemt quaet te zijn, door sijn genade wil haten, al wat hy verstaet goet te

477

ocr page 482

TWIST DES HERREN*

wesen, door sijn kracht betrachten, Gods woort te houden tot een richt-snoer van alle sijne daden: Godts Wet tot regel rnaet van sijn gansche leven. Laet ons daer toe malkander opwecken, daer in malkander ver-stercken, en gheduyrighlijck malkander aenmercken, tot opscherpinge der liefde, en der goeder wercken. Dan gesamentlijk aen het bidden en smeecken, in de Kerck, in onse slaepkameren, over al. Dan sal het bidden sijn kracht hebben, en niet een van onse Requesten, of het sal een ghenadighe en ghewenschte Apostille bekomen. Andersins kan een blint gebooren selfs wel sien dat Godt de Zondaers niet en hoort.

Dit staet ons alle te doen. Dit moeten wy ghelijcker-handt, en met den eersten aenvanghen, kloockelijck vervolghen, en volstandighlijck ten eynde brengen. Hier toe moet elk hem selven, hier toe moet hy sijnen Broeder opwecken. Dat het Huys van Mose en Aaron, en het geslachte des Huys Nathans met hare quot;Wijven voorgaen: en dat alle de andere gheslachten haer trou-welijck op dat Heylig spoor navolghen. Dat doch de Inwoonders der eener Stadt tot de Inwoonders der ander Stadt komen segghen, laet ons vlijtighlijck heenen gaen om de Heere der Heyerscharen te soecken; lek sal oock heenen gaen. Dit is de verhevene bane, ende die wegh welcke Heyligh genaemt wordt; de onreyne en sal der niet doorgaen, maer hy sal voor deese zijn: die desen wegh wandelt selfs de dwasen en sullen niet dwalen. Dat is ja de eenighste wegh om de ghedreyghde en welverdiende oordeelen Godts van ons landt en Kercke af te weeren. Dit is de wegh om sijn Algoede Majesteyt

478

ocr page 483

MET SUN WUNOAERt. 479

te b#weeghen dat hy den zeegen ende de vreede een eeuwigh verblijf by ons gebiede. Soud het niet een rnoeyelijcke saecke wesen, dat dit schoone landt 't welck wy noch bewoonen, wierdt afgheloopen van de Vyauden ? Dat onse huysen verbrandt, of andere ten roove wierden ? Dat het geene wy geploeght, gezaeyt, gepland, gemaeyd hebben, van onse Wederpartijders wierde verteert, dat onse schatten en rijkdommen vremde ten buyt vielen, en dat onse rnoeyelijcke arbeyt Uyt-lantdische Soldaten versadighde?

Impius bac tarn culta novalia miles habebit 9

Barbarus bas segetes ?

Zoud -het niet een Rampsalige omkeeringe wesen, dat dit schoone Eden een schuyl-plaetse van wilde onghedierten wierde, dat de roerdomp ende de Nachtuil het erffelijck besaten, ende de schuifuyt ende de rave daer in woonden ? dat in onse Palleysen doornen opgingen, netelen en distelen in onse vestingen? dat het eene zale voor de jonge struyssen wierde? dat de wilde dieren der Woestijnne de Wilde dieren der Eylan-den daer ontmoeten, ende de Dnyvel sijnnen metghe-selle toeriep? dat het nacht-gedierte sich nedersette, en een Rustplaets voor sich vonde ? Zoude het niet een deerlijck gesichte zijn, dat die kostelijcke goude kan-delaer 't ouderste boven gekeert, en die lichtende koersen die daer opstaen teghen de vloer aen gheworpen wierden? of beyde ghelijckelijck in een ander landt overghebracht, daer men meer vermaeck soud hebben om in dat licht te wandelen? Wie schrickt het herte in den lijve niet als hy sich voorbeeldt, dat de Afgo-

ocr page 484

...............

480

TWIST DES HEKKEN

dische Beuselwaren des Pausdoms de plaetse van den suyveren Godsdienst inneemen, en Babels toover-kroes de Heylighs Bontbeecker des Heeren van de God-gewijde tafel stoeten soud? Dat de opgesmuickte ende met reden-schijn bekleede, dogb in der daedt gruwsame en Helsche Godtslasteringe der Socinianen, die hoe langhs hoe meer op- en ingangh krijghen, ons Christendom in een Turckdom door een schendighe gedaente-veranderinge hervormde? dat de losse libertinisterye van die geene, die uyt ons uytgegaen zijnde, lant en Kercke in roere stelden, eens wederom alle banden verbrack, met het Hoogh optrecken van het groot gheveirt haerder vrye wille het ligt der Goddelijcker genade betimmerde! In somma dat allerley dwalingen de stoel der Hemelscher waerheit overweldigden, Laet ons dat voorkomen, trouwe Patriotten Jerusalems, en met gemoet-betering, met bidden, met tranen, God dwingen dat hy by ons blijve. De Godloose verlate sijnnen weg, en de ongerechtige man sijnne ghedach-ten, en by bekeere sich tot den Heere, soo sal hy hem sijnner ontfermen, en tot onsen Godt: want hy vergeeft menigvuldelijck. Dan soude de Heere een lust hebben om by ons te woonen: Dan souden onse soonen sijn als planten, welche groot gheworden zijn in haerjeught; onse Dochters als Hoeckstenen uytgehouwen na de gelijckenisse van een Paleys: Dan souden onse wincke-len vol zijnde den eenen voorraet na den anderen uyt-geven, en onse kudden by duysenden werpen, ja by tien duysenden op onse Hoeven vermeen ighvuldigen ? Dan souden onse ossen weigeladen, en geen inbreucke.

ocr page 485

MET SUN WIJNüAERT.

noch geen uytval, noch geen gekrijsch op onse straten zijn. Dan souden sich buygende tot ons komen de kinderen der geener die ons onderdruckt hebben, en alle die ons gelastert hebben souden sich nederbuy-gen aen de planten onser Voeten, en sy souden ons noemen, de Stadt des Heeren, het Zion des Beyligen Israels. De melck der Heydenen, ende de borsten der Koningen, souden wy suygen, en wy souden weten, dat onse Godt de Heere is, onse Heylant, en onse Verlosser de machtige Jacobs. Dan en souder geen gewelt meer gehoort worden in onsen lande, verstooringe noch verbreekinge in onse landtpalen: maer onse mueren souden wy Heyl heten, en onse Poorten lof. Wij souden een cierlijcke Kroone zijn in de Handt des Heeren, en een Konincklijcke hoet in de handt onses Godts. Wy souden genoemt worden, mijn lust is aen haer, en ons Landt, het getrouwde: Want de Heere soude een lust aen ons hebben, en ons landt soude getrouwt worden. Welgelucksalig is het volck die het alsoo gaet; Welghe-lucksaligh is het volck, wiens Godt de Heere is.

Heere word en zijt en blijf de Onse van nu aen tot in eeuwigheyt.

481

Amen, ja Amen.

EYNDE.

31

ocr page 486

gt;:

______

ocr page 487

HARMANNUS W1TZ.

AFSCÏÏEIT-PEEDICATIE

Gedaan tot Leeuwarden Op den 7 Murtii 1075.

XJit 1 Cor. XV: 58.

Als hy de Predik-dienst en Professie der H. Theologie soud aanvangen in de Kerke en Academie tot Franekeb.

ocr page 488
ocr page 489

H. WITZ

A-FSCHJElTS-l^EDIK A TIE

Tot Leeuwarden.

TEXT.

1 Cor. XV; 58. Soo dan, mijne geliefde Broeders, zijt stantvastig, onbeweeglick, altijt overvloedig zijnde in liet wenk des Heeren, als die wetet dat uwen arbeydt niet ydel en is in den Heere.

Hartz-Lieve Broeders en Susters in onsen Heere Jcsu Christo.

Ltoos sal een trouw dienaer Gods sich verkloec-

ken, om, het geene sijn hand gevonden heeft te doen, te doen met al zijn macht. Predik. IX: 10. Isser eenige geestelij cke wijsheyt, eenige wackere wercksaemheyt, eenige beweeglijcke welsprekentheydt by hem, dat is hy gereedt t' allen tijde op te wecken, op dat sijn woorden mochten zijn gelijck prickelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen van de meesters der versamelingen, die gegeven zijn van den oppersten Herder. Predik. XII: 11. Niet heeft hy, of hy heeft het van den Heere ontfangen; niet heeft hy, of het is tot sijnes Heeren dienste; en dan is hy eerst in sijn schick, wanneer het met woecker tot sijn Heere wederkeert. De Groote Meester die hy dient, het werk dat hem belast is, de zaligheit die hy verkondigen moet, de zielen die hem aenbevolen zijn, roepen elk om seerst.

ocr page 490

H. WiTZ Afscheydt

dat hy geen vlijdt, geen tijdt, geen kracht voor haer mach sparen.

Evenwel leert het de ervarentheyt, en de reden isser niet vremt van, dat de uytmuntenste Knechten Godts sich op een sonderlinge wijse hebben uytgeleyt, wanneer sy stonden om afscheydt van hare toevertrouwde kudde te nemen, hetzy sy door de doodt, hetzij door andere nootsakelijckheyt van haer wierden afgerukt. Altoos was Mose getrouw geweest in den Huyse Grods. Num. XII: 7. Maer doe hy nu hondert en twintigh jaren oudt geworden was, en wel sagh dat hy niet meer soud konnen in noch uytgaen, ende wel wiste dat sijn eynde na by was gekomen, soo riep hy alle sijnne krachten noch eens by een, hy versamelde de oudsten Israels ende hare Amptlieden, hy betuygde den Hemel ende de aerde tegen haer, hy gaf haer die Heylsaemste lessen die ooyt mensche hoorde, hy dichte ende sprack voor hare ooren dat Goddelijcke liedt, waer in hy met soo overhemelsche wijsheyt, endesin-rijcke beknoptheydt, de staet der Joodscher ende Chris-ten-Kercke tot aen de voleyndinge der eeuwe heeft afgemaelt, ende dat nog op den hedigen dag ten ge-tuyge is tegen de kinderen Israëls. Deut. XXXI en XXXII. Hoe onverwijtelijk had sich Jozua gequeten, sint hy het bestier van Israëls saken in handt gekregen hadde? Maer wat bovengewoone vlijdt vertoonde hy kort voor sijn doodt, om Israel standtvastigh te doen blijven in den dienst des waren Godts ? Hoe pittigh, hoe beweeglijck, hoe krachtig, was dat laetste gespreek, en die ziel-verpligtende verbond-oprechting, die wij in

486

ocr page 491

van Leeuwarden.

het laetste Capittel sijnnes boecks verhaelt vinden? Kan men wel hart roerender woorden bedenken, als die David, voor siju scheyden tot de Vorsten Israels ende sijn Soone Salomo sprack, rakende den Godsdienst, ende den Tempelbouw ? 1 Chr. XXVIII. Ick swijge nu van den ouden Jacob, die op sijn sterf bedde sijn Soonen verkondigde 't geene hen in de volgende dagen wedervaren soude, ende sijn harte ontlastede, ontrent elck haerder, in bestraffingen, of prijs, ende zegeningen. Gen. XLIX. Ick swijge van Petrus, die uit de openba-ringe des Heeren Jesu wetende, dat de aflegginge sijnnes tabernakels haest wesen soude, noch eerst alle neer-stigheyt wilde doen, op dat de geloovige na sijnnen uitgangh van uie dingen die hy haer gel eert hadde, gedagtenisse hebben mochten. 2 Petr. I. 14, 15. Ick swijge van Paulus, die voor eeuwig afscheyd te Mileten nemende van de Ouderlingen der Ephesische Kercke, sulck een Predikatie dede, ende sulck een gebedt daer toe, dat sy in haer schreyen niet te matigen, en van sijn hals niet af te scheuren waren. Handel. XX. 36, 37. Onse groote Heere Jesus sells, gelijck hy oneyn-diglijck alle andere Propheten overtroffen heeft, schijnt hy oock hem selve niet te boven te gaen, in die leer-same scheyd-reden, ende dat devote gebedt, tot, ende voor de sijnne, geuittet, in die nacht die de laetste sijnnes levens was ? welcke Johannes ons daerom oock omstandiger verhaelt als eenige Predikatie, of eenig gebed des Heeren Jesu.

Is het oock vreint dat al de magt des verstants sich te gelijck opschrandert, al de beweginge der liefde teffens

4S7

ocr page 492

H. WiTZ Af'scheydt

gaende wort, ende de tonge der beweeglijckste reden gaende maeckt, wanneer men denckt, dat men nu voor de laetste reyse, tot sijn liefste vrienden, van die din-gen die haer eeuwighe saligheyt betreffen, en die wy wenschten dat nooyt uit de sin • der gedachten hares harten quamen, in den name des Allerhoogsten Gods, te spreken heeft ? Kon men van alle de voortreffelijck-heden des Euangeliums in een uure seggen, ende met sijn woorden sijn ziele, ende met sijn ziele de Geest des Heeren Jesu mededeilen, en het harte sijnner ge-wenschter toehoorderen ten Hemelwaert verrucken, of den Hemel in het harte doen nederdalen, en allerley geestelijke gaven t'effens Gode afvraghen, wie en souder sich selver niet willigh aen te koste hangen!

Dusdanigh een beweginge bevinde ick my selve, nu ick door het bestier van Gods aenbiddelijcke voorsie-nigheyt, voor de laetste mael, als Uw Leeraer, tot U E. aendacht spreke. So der oyt eenige bequaemheyt om te onderwijsen, enige kracht om te bewegen, eenige ernsthaftigheydt om stoute sondaers Gode te doen swich-ten, eenige lieflijckheyt om harten in te winnen, ende te troosten, sig in eenige mijner Predikatien geopen-baert heeft, die wensch ik dat nu alle te samen komen, ja verdubbelt worden, om een woort te spreken, dat -door Uw harten heenen ga, ende na mijn vertreck Uw zielen nog deucht doe. Heere Jesu, sta gy Uw knecht met een bovengewone genade des Geestes nu eens by, roer sijn harte, stier sijn tonge, werek door Uw Geest met u woordt, soodanigh, dat Uw uitverkorene sich daer van altoos bedancken, de Hemel ver-

488

ocr page 493

van Leeuwarden. 489

rijckt wordende sich daer in verheuge, de helJe berooft wordende op hare tanden knersse, ende barste van spijt. Soo zy dese Avont-uure de geluckigste die Uw knegt ooyt in uwen dienst besteedt heeft. Amen.

Na veel vnldigen overlegh wat ick, voor bet laeste U, Mijn lieve Toehoorders, soude voordragen, zijn my voorgekomen de woorden des Apostels, 1 Cor. XV. 58. Soo dan, mijnne geliefde Broeders, zijt standtvastigh, onbeweeglijck, altijdt overvloedigh zijnde in het werck des Heeren, als die wetet dat uwen arbeydt niet ydel en is in den Heere. In welke de somma des ganscben Christendoms, de waerheyt ende wercksaemheydt des Geloofs, beneffens de kragt der Geestelijcker Godtsalig-heyt, kortelijck, maer niet te min beweeglijck, wort aengedrongen.

De inhout van de Text, is een beweeglijke betuyginge ter standtvastiger Christelijkheyt.

Drie Hooftstucken staen ons wat nader te overwegen.

I. De Vriendelijcke aenspraeck.

II. De deftige Vermaninge.

III. De bewegelijcke aendrangh.

Minsaem begint de Apostel dit gespreek, ende hy noemt de Corinthiers sijne geliefde Broeders. Niemant hoop ick is soo onkundig, of hy weet wel, dat Paulas uit het geslachte Israels was, uit de stamme Benjamins, een Hebreer uit de Hebreen. Phil. IX. 5. en dat de Corinthiers, aen welcke hy dit schreef, Griecken waren. Heydenen van afkomst; tusschen welcke der-halven en tusschen hem geen natuurlijcke bloedt-ver-

ocr page 494

H. quot;WiTZ Afschevdt

wantpchap was, uit welkers hoofde hy haer Broeders noemen konde. De reden deses naems was Geestelijck, en rnstede op die nauwe gemeenschap die sy te samen in Christo hadden. En voorwaer alle de geloovige, van wat tale ende natie sy oock zijn, hebben te samen een Vader die in de Hemelen woondt, een oudste Broeder Jezus, uit welcken al het geslacht in de Hemelen ende op de aerde genaemt wort, Eph. II. vs. 15. een Moeder, 't Jerusalem dat boven is. Gal. IV. 26. In welckers schoot sy alle geboren zijn, niet uit vergan-kelijcken, maer uit onverganckelijcken zade, door het levendige, ende eeuwig blijvende woort Gods. 1 Pet. I. 23.

En hoe kan het anders wesen, of sy, die soo-^te samen Broeders zijn, moeten oock geliefde Broeders wesen? God haer Vader is de Liefde self. 1 Joh. IV. 8. Jesus haer Oudste Broeder heeft haer een weergaloos voorbeelt van liefde in sijn self gegeven, en een besprek van onderlinge liefde als by Testamente nagelaten. Hot woort, uit welke sy geboren zijn, komt al op liefde uit. Het beelt Gods, dat sy in malkander beschouwen, is alle liefde weerdigh. En de liefde tot de Broeders is soo nootsakelijck een pligt, dat hy voor geen Broeder te houden en is, in welcke dit merckte-ken niet gespeurt en wort. 1 Joh. II. 14.

quot;Wat heeft het Christendom der werelt niet al deugt gedaen? Het maeckt tot vrinden die het vyanden gevonden heeft, en knoopt de harten te samen met een onverbreeckelijcke bandt van Broederlijcke liefde. Siet hoe lief hebben sy malkanderen, plegen de Heydenen

490

\

1

0

ocr page 495

van Leeuwarden.

van de Oude Christenen te segghen, ende hoe zijn sy bereidt de een voor de ander te sterven? Doe riep men malkander in de versamelinge der Heyligen toe, De Broeders in Christo een harte, De Broeders in Christo een ziele. O dat wy me soo geluckigli waren geweest, om die gulden eeuwe, doe het Christendom in kragt was, te beleven, en dat wy niet gespaert en waren voor dese heffe des werelts, in welcke, met de bloey van 't Christendom, de soetigheyt van die Heyl-Heylige Broederschap seer verflenst is. 't Herdencken van die eerste dagen doet ons al watertandende singen; Siet hoe goedt ende hoe lieffelijck is het, dat Broeders oock samen woonen. amp;c. Psalm CXXXIII. I-.

vjfloe groot is oock het vooruitdeel van de Korcke des Nieuwen Testamentes boven die van den Ouden Testamente? Eertijts wasser soo wijd een kloove tussen de Joden en de Heydenen, dat het een Joodschen man ongeoorloft gerekent wierde hem te voegen of te gaan tot eenen vremden, Hand. X. 28. Nu sijn sy te samen Broeders geworden, en Israël is de derde met de Assyriers, een segen in den lande, Jes. XIX. 24. Sy die te voren sonder Christo waren, vervremt van het Burgerschap Israels, vremdelingen van de verbonden der belofte, geen hope hebbende, ende sonder God in de werelt, zijn nu in Christo Jesu na by geworden door het bloet Christi, Eph. II. 12,13. en hebben soo in Gods huis en binnen sijnne muuren een plaetse en eenen name gekregen beter dan der sonen ende dan der dochteren, Jes. LVI. 5. Salige bedieninge der Euangelischer genade, die de middelmuur des af'scheyt-

491

ocr page 496

tl. quot;Witz Afscheydt

seis aen stucken gebroocken, en de vyantschap te niete gedaan, ende beyde Joden ende Grieoken tot Broederen in Christo gemaeckt heeft!

Hoe krachtigh is ook de doorbreeckende Bekeeringe! hoe set sy alle de bewegingen des harten om, en verandert haet in liefde! Daer is een tijdt geweest dat Paulns die van sijn eigen geslachte, welcke in de name des Heeren Jesu geloof den doodelijck hatede, gelijck hy met vermaeck aenschouwde de doodt van den eersten Martelaer des Nieuwen Testamentes, Stephanas, ende elders de Heyligen vervolgde tot de doodt, bindende en in de gevanckenisse overleverende beyde Mannen ende Vrouwen. Hand XXII. 4. Maer sint het Q-od belieft heeft sijn siele te bestralen met helderder licht, en sijn harte om te keeren met een Almachtige Genade, brande hy in liefde tot de liefhebbers Jesu, en noemde, in volle meninge, de geloovige, uit de Heydenen selfs, soo menighmael sijnne Broeders, ja sijnne geliefde ende seer gewenschte Broeders, sijnne blijdschap ende kroone, Philipp. IV. I. 1 Thes. II. 19. en betuigde sonder gemaecktheyt eenen armen dienstknecht Onesimus soo lief te hebben als sijn eygen ingewanden, Philem. V. 12. Och voelden wy in ons selven ook soo een gansche omkeeringe van de driften onses harten ten goede, op dat ons dat ten onwederspreke-lijcken bewijse ware, van onse ongeveynsde bekeeringe tot Godt!

Hoe wijs wist Paulus het oock over te leggen om de gemoederen der Corinthiers in te winnen? Geen ge-wolt is stercker als dat van vrindelijckheyt, geen

492

ocr page 497

van Leeuwabdf.n'.

dwangh machtiger als die van Liefde, En dese twe woorden van geliefde Broeders vervatten alle liefde in sig. Zy konden Pauli Broeders niet wesen, of God de Vader most haer uit liefde tot sijn kinderen aengeno-men, God de Soone uit liefde met sijn Geest beschon-cken, en de Geest des Soons uyt liefde die Kindertaal van Abba Vader geleert hebben. En waer toe sal de erineringe van sulck een liefde een gedweege ziele niet aensetten? quot;Waren sy Pauli geliefde Broeders ook, soo mochten sy versekert wesen, dat hy haer niet anders als trouwe lessen voor stelde, haer selfs ten goede; ende soud het niet hardt eijn, soo Broederlijck een Liefde-raet wanweerdigh te verschoppen?

De gemoederen dus bereit hebbende, komt de Apostel tot sijn Vermaninge. In welcke hy eerst sekere plicht voor uitstelt als reedts van haer betracht wer-dende, en dan eenige verdere pligten aendringt, op die eerste berustende.

Hy stelt voor uyt dat sy nu al besich waren in het werck des Heeren.

De Heere, daer hy van spreeckt, is onse Groote God; de Koningh der Heydenen, Jer. X. 7. Dewijle God alle eyndeloose volmaecktheden op een Over-hemelsche wijse in sijn selve besit, soo is hy, louterlijck om sijn-ner voortreffelijckheyts wille, Souverain en Opper-Heer van al wat hy gemaeckt heeft. Al wat verstandt ende reden heeft ontfangen, om de volmaecktheden Gods te kennen, 't zy Engel, 't zy mensche, moet God erkennen als sijn Heer, van welcke hy alle-sins afhangt, buiten welcke hy niet kan, tegen welcke hy niet mag doen:

493

ocr page 498

it. WiTZ Afscheydt

in wiens dienstwerk te wesen, sijn plicht, sijn uiteinden, sijn geluck is.

Maer op een bysondere wijse is Jesus de Heere der geloovigen. Hem zijn sy geschoncken, in het eeuwig raetslot van des Vaders vrye en onveranderlijke Ver-kiesinge. Joh. XVII. 6. Hy heeftse gekocht met de dierbare prijs van sijn harie-bloet. 1 Cor. VI. 20. Hy heeft sijnnen Heyligen arm ontbloot voor de oogen aller Heydenen. Jes. LTI. 10. en de handen op haer geleydt, en in hunne krachtdadige bekeeringe beset-tinge van haer als van sijn eygendom genomen. Ook is hy, verheer lij ckt zijnde van den Vader, tot een Heere en Christus gemaeckt. Hand. II. 36. en gelijk hy te voren een knecht was der geener die heerschen, Jes. XLIX. v. 7. alsoo draegt hy nu op sijn kleedt ende op sijn dye desen naem geschreven, Koning der Koningen, ende Heere der Heeren, Openb. XIX. vs. 16. En al de werelt, sy wil of niet, moet hem daer voor erkennen.

Ongetwijfifelt heeft sulck een Heere sijn werk al, dat van sijn knechten moet verrichtet werden. En dat is eerst het werck des geloofs. 2 Thes. I: 11. Dus ver-klaert het de Heere Jesus selve. Joh. VI: 29. Dit is het werck Gods, dat gy geloovet in hem dien hy ge-sonden heeft. Wanneer het geestelijcke leven, door de wedergeboorte, de uitverkoorne siele is ingestort, soo openbaert het sich aldereerst in de wercksaemheyt des geloofs. De oogen, bestraelt zijnde met een Hemels licht, beschouwen in den Greeste der gront-waerheden des Euangeliuins. Het verstant, vermerkende dat sy van

494

r

it ■.

ocr page 499

Van Leeuwarden.

den 'onfeylbaren God geopenbaert zijn, en allesin8 blijken toonen van haer Goddelijkheit, neemtse voor vast ende seker aen, versegelende alsoo dat God waer-agtig is. Joh. III: 33. De wille bemint se als een on-waerdeerlijke schat, verheugt'er sig in, ende geeft Gode de eere, Rom. IV: 20. Het gansche harte verlangt'er na, dat het geene in Christo waeragtig is, ook in haer waeragtig zy, en dat sy in de gemeynschap Ohristi geheylight ende gesalicht moge worden: hongerende ende dorstende na sijnne gerechtigheyt. Matth, V: 6. Daer op neemt de begeerige ziele Jezum aen, soo als hy haer in den Euangelio wort aengeboden, sy tast toe, sy grijpt hem vast, Jes. XXVII: 5, sy valt op hem neder, sy werpt sich in sijn armen en in sijn schoot, sy geeft sich aen hem over, om voortaen als de sijnne na sijn sin geleydet te worden; en sijn vriendelijckheyt hoe langs hoe meer gewaer worden, en versekert sy sich van sijnne gunste t' haerwaerts, leunt sich lieffelijck op haer Liefste, Hoogel. VIII: 5 en verblijdt sich met een onuitsprekelijke ende heer-lijcke vreugde. 1 Pet. 1: 8, terwijl sy soetelijck singt: ick ben mijnnes liefsten, ende sijne toegenegentheyt is tot my. Hoogel. VII; 10. En dus is de gansche ziele in het geloove werksaem.

Uyt dit werk des geloofs vloeyt, met een onver-mijdelijcke nootsakelijkheyt, de arbeydt der Liefde. 1 Thes. I; 3. Want het levendige geloove is door de Liefde werckende, Gal. V: 6. quot;Wanneer de geloovige ziele, bij het ligt des Geestes, God in sijn aldersuiver-ste volmaecktheden aenschouwt, bysonderlijck soo als

496

ocr page 500

H. Wits Afscheydt

die blincken in het aengesichte Jesu Christi, 2 Cor. IV: 6, soo en kan het niet anders wesen, of sy moet ontbranden in een blakende liefde tot deselve. Sy wort verrukt in een diepe verwonderinge over die gadeloose schoonheyt, en sy soud wel wenschen dat alle hare beenderen tongen waren, om gelijkelijk uit te roepen, O Heere, wie is als gy ouder de Goden? wie is als gy, verheerlijckt in Heyligüeyt, vreesselijk in Lofsan-gen, doende wonder? Exod. XV: 11. Sy verlangt ende sucht ende janckt na inniger gemeenschap met die liefwaerdig© God, op dat sy, sijnne volmaecktheden, door ondervindinge, te voller kennende, te overvloediger beminnen mochte: sy denckt'er by dage en by nachte aen: wakende spreeckt, en slapende droomt sy daer van. Haer liefste is haer een bundelken myrre, dat tusschen haar borsten vernagt. Hoogel. I: 13. Sy rust ook niet ten zy sy, op haer wijse, en in haer mate, na dat selve beeldt der Goddelijcker schoonheden in gedaente verandert werde, van heerlijokheyt tot heerlijokheyt als van des lleeren Geest. 2 Cor. Ill: 18. En als sy daer by die onbedenckelijcke en onverdiende liefde Gods in Christo overdenkt, en de selve proeven en voelen mag, uitgestortet zijnde in haer harte, door den Heyligen (ieest die haer gegeven is, Rom, V: 5, dan is sy haer selfs niet meerder meester, maer soud wel wenschen dat de vatbaerheyt van haer harte duisentmael grooter was, om het altemale met de liefde Gods ende Christi vol te proppen.

Die Liefde nu tot God geeft een stercke weerslagh op de naesten, bysonderlijck op de Vrome, in welcken

496

ocr page 501

van Leeuwarden.

men de trecken van Gods beeldt, en de gelijckenisse Jesu siet, en geen kleyn afschijnsel van beyder Heer-lijckheyt.

En gemerkt de Liefde de Koninginne van de ziele is, soo maeckt sy oock dat'er de kragten der selve, te gelijk met alle de leden des lighaems, elck na sijn vermogen, sicL. opmaken ten diensten van de geliefde, om te doen het gene hem na de sin is. De liefde verneemt slegs welcke de goede, en Heylige, en welbe-hagelijcke wille Gods zy, ende strax is sy veerdigh om die te verrichten. Dan leeft de liefhebbende ziele ernst, wanneer sy doen mach daer haer Lieve Jesus genoegen in neemt: ende mist haer dat somwijlen, door quade toeversigt, 't is haer so bitter als de doot; en sy rust niet voor ende al eer sy dat misdrijf, voor de voeten haeres Heeren, betreurt, beschreyt, geboetet hebbe.

Ook is sy niet genoegt met sulx te doen in de dienst Gods, 't geen andere doen, die, zo niet gelieft zijnde, ook niet liefhebben. Sy hout sig niet te vrede met een burgerlijcke eerbaerheyt, met een zedige goetheyt, met een uitterlijke Godsdienstigheyt. Sy geeft sich, met afsweeringe des werelts en der sonde verloocheninge van eygen sinnelijckheyt, ganschelijck aen de Heere Jesus over: op dat sy selfs niet soo seer leven soude, als hy in haer. Gal. II: 20. Sulx dat haer natuyrlijck, redelijk, zedelijck leven, als verslonden worde in die Hooger soorte van het overnatuurlijck, Heyligh, Hemels leven Christi.

En dus is het geloove de Moeder van de Liefde, de

32

497

ocr page 502

H. Wits Afscheydt

Liefde van een üeyligh leven: en alle zijn sy soo vol werksaemheyt, dat sy met recht van Paulo een werck genaemt mogen werden; alle soo onafscheydelijck aeu malkanderen verknocht, dat sy niet soo seer veele wer-cken als een werck te samen zijn: eene besigheit, ontrent verscheydene voorwerpen sich verscheydentlijck i;yttende.

Het heeft sijn nadruck, dat de Apostel dit werck, het werck des Heeren noemde. Dat is het ook. Want

De Heere heeft geboden. Dit is de somma van de last die Jesus gepredickt heeft, en daer het alles in vervattet is, bekeert u ende gelooft den Euangelio. Mar. 1: 15. Soo is het dan een werck, dat hy, sijn knechten gebiedende, hen geeft om te doen.

De Heere is het voorwerp daer van. Want beyde het geloove ende de liefde, ja het gansehe Christelijke leven, sien op God: selfs in de liefde ende dienst des naesten lieft ende dient een devote ziele haere Heere. Daerom spreken de Heyligen somwijlen soo als of sy nergens mede op, nergens me te doen hadden, als met God alleen. Ps. LXXIII. 25.

De Heere is 'er het uyt-eynde van. Want alles moet tot sijn eere gerichtet wesen. 1 Cor. X. 31.

De Heere isser de -eerste oorsaeck van. En hy selve werkt het in het herte der uitverkoorne. Die zijn van haer selve onbequaem om yets te dencken. 2 Cor. III. 5. Sonder den Heere en komen sy niets doen. Joh. XV. 5. Hy werckt in haer het willen ende het wer-cken na sijn welbehagen. Phil. II. 13. Hy vervult in haer al het welbehagen sijnner goedigheyt ende

498

ocr page 503

van Leeuwarden. 499

***

het werck des geloofs met kracht. 2 Thes. I. 11.

De Heere Jesus, geworden zijnde uit een Yroawe ende geworden onder de Wet. Gal. IV. 4. heeft selve ook dit werck verrichtet. Ick hebbe voleyndigt, seyt hy tot sijn Vader, het werck dat gy my gegeven hebt om te doen. Joh. XVII. 4. En so heeft hy ons een exempel na gelaten op dat wy sijnne voetstappen souden navolgen. 1 Pet. II. 21.

En dewijle dit werck soo van den Heere ende tot den Heere, ende in deni Heere, en na den Heere is, soo en kan het oock niet anders, als Heerlijck wesen. En gelukkigh zijn sy die daer in besich zijn.

Soo waren de geloovigc Corinthiers. De Apostel stelt dat voor uit. Maer hy eyscht nog meer van haer, en hy wil dat sy in dat werk

1. Standvastig.

2. Onbe weeglij ck.

3. Altijt overvloedigh sullen zijn.

Het volgende vervattet altoos het voorgaende in sich, ende doet 'er noch meer toe.

Die een goede keure van een goede sake gedaen heeft, en, in die sijnne keure wel gegrondet zijnde, ten eynde toe daer by blijft, dat is een standvastigh man. Aen het quaede vast te houden is hartneckig-heyt, en grenst aen de boosheyt der Duyvelen. Men moet een goedt onderwerp hebben aengetroffen, daer men by blijven magh, om de roem van standvastigh te verdienen. Laet ons goedt doem le niet vertragen, Gal. VI. 9. En dat goede moet men, niet gelijck by toeval, maer met een geset oordeel, omhelsen: na dat

ocr page 504

H. WiTz Afscheydt

men vlijtigh ondersocht en wel bsproeft hebbe, welcke de goede en welbehagende en volmaeckte wille Gods zy. Rom. XTI. 2. en dat men selve in sijn geraoet daer van ten vollen zy versekert. Eom. XIV. 5, Dan moet men eerst een vast op set des harten neemen om daer by te blijven, Hand. XIII. 49. En in gevolge van dat voornemen sijn handelingen aenstellen, seg-gende, gelijck David, lek hebbe het gesworen, ende ick sal het bevestigen, dat ick onderhouden sal de rechten Uwer gerechtigheyt. Ps. CXIX; 106. Dit is standvastigh te zijn.

Maar onmogelijck is het dat het soo effen gaen soud in de loopbaen des geloofs en der Godsaligheyt, of daer ontmoetet veelvuldige wederstandt. Die loopbaen is een strijdt en worstel-perck. Duisent dingen spannen te samen om de geloovige af te trecken van hare vastigheyt. De bedriegeryen van de satan, de dreigementen ot vleyeryen van de weerelt, de arglistigheden van ons eygen harte, dat soo licht ter zijden afleyt. Jes. XLIV. 20. maken sich gelijckelfjck op de been, om oock de best beradene te doen deysen. Bysonder-lijck waren die van Corinthen dat onder worpen, die hebbende de Heydensche werelt van buy ten, verley-dende Leeraers van binnen, ende de Satan in beyde woelende, niet sonder groot gevaer waren, om afge-trocken te worden van het gelove, ende vervoert van de Godsaligheyt. Daerom vermaent haer Paulus, dat sy onbeweeglijck souden zijn, man moedig alle tegenweer verduurende, en noch door schoon spreken, noch door dreygen, noch door vervolginge, noch door ver-

500

ocr page 505

van Leeuwarden.

verkeerde voorgaugh van andere, sich een stroobreedt te rugge latende drijvende, onversettelijk volhardende by het eenmaol aengenome goet, als een rotse in het midden van de golven, of als de bergh Ziens, die niet en wannkelt, maer blijft in eeuwigheyt. Ps. CXXV. 1.

Om sulx te konnen doen moet men altijt in 't gonde wereksaem zijn. Want gelijck een die tegen een geweldige stroom moet aensvvemmon strax verachtert, so ras hy sijn armen oen weynigh slap laet werden : alsoo ook die in het goet doen vertraegt, wort sekerlijk van sijn vyanden achterwaerds geset. Nimmer heeft de Satan meerder voordeel op ons, dan wanneer wy le-digh zijn. Nimmer zijn wy hem ontsaggelijker dan in een Heylige besigheyt. Daerom wilde de Apostel dat de Gorinthiers altijt in het werk des Heeren souden zijn: sonder onderlaten van de eene Godtsdienstighe oeffeninghe tot do ander overgaende: in gevolge van Salomons lesse, zyt gy t' allen dage in de vreeso dos Hoeren, Spreuck. XXIII. 17.

En niet alleen altijt in het werek, maer altijt overvloedig in het wTerck. 't En is niet genoeg een goede sake ondernomen te hebben: men moet ook met een voornemen des harten daer by blijven. En dan niet alleen, wanneer men 't sonder slag of stoot doen kan maer onversettelijck, trotz alle tegenweer. En dat is 'tnoch niet al. Maer spijt do vyanden van 't goede, soo moet men 't soo veel meer doen. Soet is 't voorbeeldt van Koning David, die wanneer hy van sijn preutschege-malinne Michal schamperlijck bejegent wierde, om dat hy voor het aengesichte des Heeren met al sijn macht

501

ocr page 506

H. Wits Afscheydt.

gehuppelt hadde, haer ten antwoort gaf, voor het aen-gesichte des Heeren, die my verkooren heeft voor Uwen Vader, ja ick sal speelon voor het aengesichte des Heeren. Oock sal ick my noch geringer houden dan alsoo, ende sal nedrig zijn in mijnne oogen, ende met,de dienst-maegden, daer van gy geseydt hebt, met de selve sal ick verheerliickt worden, 2 Sam, VI. vs. 21/22. Soo wil de Apostel van de Corinthiers ook: dat sy niet alleen standt houden in het goede, maer oock overvloediger worden in het selve: staende na bescheyde-ner kennisse van de saken des geloofs,vaster versekeringe voller vertroostinge: allerley deugt-oefïeninge vlijtiger waernemende: en die noch op een geestelijker, suiverder, en meer Heemelsche wijse verrichtende, met minder in-menginge van het hare, met louterer opsicht op God.

Behoorde niet het enkel voorstel van so billijke pligten genoeg te wesen om een opmerkende ziele daer toe gaende te maecken ? Maer sie hier de goetheyt van Gods Geest, sy gebruyckt beweegh-redenen. En schickte soo door de penne van Paulus, dat de beweegredenen voor ende achter staen, de Vermaninge selve tusschen beyden. Eerst redenkavelt de Apostel uit sijn voorgaende Léere: Soo dan. En daqr na versekert hy haer yets van het toekomende: Gy wetet dat uw ar-beydt niet ydel is in den Heere.

In 't voorgaende had de Apostel uitvoeriglijck verhandelt het Hooftstuck van de salige opstandinge der üitverkoornen in Christo Jesu. Daer uit treckt hy nu bewijs- en beweegh redenen ter standtvastiger Heylig-heyt. Soo dan.

502

ocr page 507

van Leeuwarükn.

Waerlijk in onse Godsgeleertheit mogen ends moeten wy redenkavelfn, en het een nit het ander halen, 'tis een wijsheyt by uitnementheyt, ons geleert van de Opperste en seltstandige Wijsheyt. In alle wijsheitnu is een zamenschakeliuge van voortrefielijcko waerheden, die altemale een grontslagh hebben daar sy op rusten, maer onder malkanderen in een geschickt zijn, en do eene uit de andere natuurlijck vloeyon, en betoogt kon-nen werden. Ons verstandt nu en kan geen Edelder voorwerp, noch lofïelijoker besigheyt hebben, dan die wijsheyt Gods van alle kanten te besien, en die net-gepaste samen-schickingh barer waerheden na te speuren. Dus is ons Paul us hier, en doorgaens voorge-gaen.

Doch bysonderlijck vermercken wy dat in de leere van de vrye genade Gods, en van de welgegronde versekeringe der saligheyt, die de Apostel even te voren gelijk als in triumf had uitgekraeit, een groote kracht steeckt ter bevorderingh van een standtvastige Godt-saligheyt. Wy sijn, seydt hy, der overwinninge seker, en hebbense al rede als in de handt: Soo dan amp;c. En voorwaer, wat sterckt het geloove meer, wat steeckt de liefde het aen brandt, wat moedight kragtiger ter standtvastigheyt, als de versekeringe van Gods onbe-swijckelijcke gunste, het genot van sijn tegenwoordige, en de onhedrieglijcke voorsmaeck van sijn eeuwigdurende liefde? S'en kennen die dingen niet te recht, ende 't is te duchten, dat syse nooyt gesmaeckt en hebben, die soo sotr.elijck dese leere lasteren als ofsy een open deure soude setten 'tot sorgeloos heyt.

603

ocr page 508

H. WiTZ Afscheydt

Maer de Apostel doet 'er noch een ander beweegreden by, en versekert haer, dat die haer arbeydt self niet ydel is in den Heere.

't Is waer daer is wel degelijck arbeydt in de be-trachtinge van 't ware Christendom. Gy hebt om mijn-nes naems wille gearbeydt, ende zijt niet moede geworden: schreef Jesus aen de Engel te Ephesen, Openb. I. 3. Altijt moet men in de weer zijn, en dat tegen de drift van onse eygen sinlijckheden, tegen de stroom des werelts, tegen de tegenwoel des Satans aen. Isser geen arbeydt aan vast, als men sijn vlees te bedwingen, sijn lieve lusten te dooden, sijn selve te versaken, sijn logge ziele na boven te verheffen, sijn onrein harte schoon te maken ende te houden heeft? Isser geen arbeydt aen vast, als men al sijn plichten ontrent God, sijn self, zijn naesten wel sal waernemen: in eensaemheyt ende geselschap: in stilte ende gewoel: in voor- en tegenspoet? Isser geen arbeijdt aen vast, als men een gansche werelt te verwinnen, een Vorst deser eeuwe onder voeten te trappen, en een Hemel te bestormen heeft, die niet anders als gewapender handt is in te krijgen? Gewis dit gaet sonder sweet noch moeyte toe, ende 't mach wel een arbeydt heten.

Aenmerckelijck is dat Paulus het nu haer arbeydt noemt, daer hy het te vooren het werk des Heeren geheten hadde. God werckt wel in de sijnne het goede: maer sy, van God bewrocht zijnde, wercken door ende onder de Goddelijcke genade: en eygentlijck te spreec-ken, en is het God niet die in haer gelooft, en Heft,

504

:|

rjg ■ f

ocr page 509

van Leeuwarden.

en Godsalig leeft, maar sy geloven, sy lieven, sy leven Grodsaligh, door de Almachtige, en werckdadige Genade Gods. Oorspronckelijck is het Gods werck, maer door de naeste toepassinge, ende na de laetste benaminge des menschen Arbeydt.

Dese arbeid der geloovigen en is niet ydel: nemaer wel ter dege voordeeligh. Min seydt de Apostel, meer meent hy. De Heylige mannen Gods en zijn niet, gelijck de grootsprekende opswetsers deser eeuwe, die met een deel hoogdravende woorden weinig saken geven. Al wat de Propheten ende Apostelen van het geluck der gunstelingen Gods seggen, is noch verre beneden de waerheyt ende waerdigheyt der sake. Men magh 'er staet op maken, 't Sal soo zijn als sy gesproken hebben. Ja 't sal meer zijn, als wy ooyt uyt hare woorden hebben afgenomen.

Die arbeidt dan en is niet ydel. Maer haer voordeel heeftse hier, ende hier naemaels. Hier verandert sy den mensche hoe langs hoe meer na het beeldt Gods. quot;Want door dickwijls herhaelde daden worden de heb-lijckheden gesterckt. En hoe de ziele meer gehecht is in goede heblijokheden, hoe sy meer gelijckt na God, die goet is door sijn wesen solfs. Gode gelijck te zijn, is 't hooghste Heyl des menschen. Hier brengt oock die arbeydt den mensche tot een nader, en nauwer, en inniger gemeensaemheyt met God. Hoe men hem dickwijlder aenschouwt, hoe men dieper in hem siet. Hoe men hem vyeriger bemindt, hoe hy sich naeckter openbaert, en de ziele dichter komt, en vrien-delijcker toelacht, en lioffelijcker koestert. Hier geeft

505

ocr page 510

H. WiTZ Afsclieyt

sy de ziele onloochenbare bewijsen van haer tegenwoordige genade ende aen staende heerlijckheyfc, en hoe die wercksaemheyt meerder doorbreeckt, hoo dat de baerblijckelijckheit van die bewijsredenen te onwe-derleggelijcker is. Hier veroorsaeckt sy in 't harte een wonderlijke gerustheit, ende vrede, en blijdschap door den Heyligen Geest: en brengt soo den Hemel al in de ziele, eer de ziele in den Hemel gebragt wert. Dogh dit aller is noch maer een beginsel.

Grooter loon heeft die arbeyd hier namaels. Sy wort opgevolgt van een salige ruste, in het volmaeckte genot Gods, alle ongemakelijke kommer uit, alle mensche-lijcke saligheyt insluytende. Soo nochtans dat die ruste een voltrecking van dese soete arbeydt wesen sal, maer sonder sondige onvolmaektheyt, sonder tegenwoel des Satans, sonder verhinderinge des vleesses, sonder weder-stant des werels: de ziele nu siende, en dadelijk besit-tende het geene sy te voren gelooft ende ghehoopt heeft: en God dien sy nu volmaektelijck kent, vol-maektelijk beminnende, volmaektelijk verheerlijkende, volmaektelijk dienende, maer in so een vryheit als de kindren Gods in Heerlijkheit betamelijk is. Sou het ook geen jammer, soud het wel een saligheyt zijn, in welcke men van soo lieffelijck een werck rusten moste.

Maer hoe! verdient ons werck sulck een loon? Neen, seydt de Apostel, Uw arbeydt is niet ydel in den Heere. 't Komt niet van de verdienstelijcke weerdigheyt onses wercks: 't Komt van den Heere ende sijnne volmaekt-heden af, dat de arbeydt der geloovigen niet ydel en is. Het vloeyt af uyt de volmaeckte gehoorsaemheyt

506

ocr page 511

van Leeuwarden. 507

ende genoeghdoeninge Jesu, dat de persoenen der geloovigen, en vervolgens haer wereken, uit dat goede beginsel van de Geest Jesu voortkomende, schoon noch met veele onvolraaecktheden besmet, Gode aengenaem zijn. Het rustet op de waerheyt Gods, die het eeuwige leven heeft toegeseydt den geenen die met volhardinge in het goet doen heerlijckheyt ende eere ende onver-derfelijkheyt soeken. Rom. II. 7. Het steunt op de goetheyt Gods die niet toe en laet, dat yemant sig op op hem verlaten sout ende besohaemt worden, dat yemant hem beminnen soud, sonder genot van wederliefde: dat yemant hem ernstelijk ende volstandelijk soecken soud, sonder vinden: dat yemand na hem hongeren ende dorsten soud, sonder versadiging: dat yemant om sijnnent wille schade, ende hoon, ende smerte soud lijden, sonder duisentvoudigo vergel-dinge.

Op alle dese gronden mochten de Corinthiers ver-sekert wesen dat haer arbeydt niet ydel was in den Heere. Sy wisten het ook selve wel. Paulus had haer soo menigmael, ende soo kragtig geleert. Haer eygen conscientie getuigde haer, dat God een belooner is der geener die hem soecken. De Heylige Geest had die waerheyt versegelt aen haer harte. En sy selve hadden reeds ondervindinge daer van, nu al genietende de aenwesende vruchten des geloofs ende der Heylig-heyt, en in de selve een voorproef van de toekomende eeuwe.

Dese wetenschap nu, soo sy niet ydel soude zijn, moeite haer bewerken ter onversettelijcker Christen-

ocr page 512

H. WiTZ Afscheyt

heydt. Hard mcclit het schijnne» soo veel moeyte op sich te nemen, soo de uitkomst hachgelijck ware. Maer wat noot is 't voor een korte tijdt te wercken, met versekeringe van soo overwenschelijck een loon? En hier heenen is het gansche gespreek des Apostels, het welcke wy nu ontfouwt hebben, gerichtet.

't Is tijdt dat wy het eens weder opnemen: en by malkander brengen 't geen wy, ter stichtinge, onse gemoederen hebben toe te passen. Al te rijck is deso stoffe, als dat wy die in een Hooftstuck souden konnen vervangen. Wy willen 't wat delen, ende in een ongedwongen order die sijn selve wijst, by eenige stellingen, als by trappen, allenxkens Hooger opklimmen.

I. Een Christen mensche moet in het werk sijnnes Heeren besich zijn. Dit stelt de Apostel van de Oorin-thiers voor uit; ende elk moet in desen haer navolger sijn. God heeft den mensche niet in de werelt gebracht, noch Jesus hem verlost, op dat hy ledig soude.gaen, maer op dat hy wercken soude. Werkt om de spijse die daer blijft in 't eeuwige leven, seyt de Saligmaker Joh. VI. 27. en dat is Grodt werk te werken, gelijck uit het volgende vs. blijekt. Wercket Uwes selfs saligheyt, schreef Paulus Phil. II. 12. ende dat is des Heere werek te doen in betrachlinge van geloove ende Heyligheyt.

Daer toe heeft Grod den mensche die bequaemheyt ende wereksame kracht gegeven, niet op dat sy vatsig soud leggen verschimmelen, maer op dat hy de selve ter bestiger oeffeninge soud opschrandcren. Heeft hy

508

ocr page 513

van Leeuwarden.

509

een verstand, dat door de bestralinge des Heyligen Geestes verlichtet is, 't is op dat hy het soude opscherpen ter beschouwinge van God ende sijn vol-maecktheden, soo als hy die ontdeckt in de Scheppinge, Onderhoudinge, Bestieringe van dit Heel-al; soo als hy se openbaert in die ongrondeerlijck wijse Schriften, beyde des Ouden ende des Nieuwen Testamentes; soo als hy se sien laet in de persoon ende 't bedrijf des Heeren Jesu, die ons den Vader heeft verklaert Joh. I. 18. als zijnde het afschijnsel sijnner Heerlijckheyt, ende het üitgedruckte beeldt van sijn selfstandigheyt. Heb. I. 3. Heeft hy een wille om yets te konnen lieven, 'tis op dat hy God daer me beminnen soude, en sijn genade, en sijn Heyligheyt, en de deugt die een Schilderye daer van is, ende sijn naesten die me Godes is, ende die hy wenschen en helpen moet dat beneffens hem tot Gods eere zy, in somma al wat goet is, en een sweemsel heeft van Gods boven al beminlijcke goetheyt; met haet ende verfoeyinge van al dat daer tegen over staet. Is in de liefde een wackere werck-saemheyt, die moet sich ook ten dienste des Heeren opwecken, om te staen na sijn allerinnigste gemeen-saemheyt, in devote Meditatien, in brandende gebeden, in alle mogelijcke pogingen des geloofs waer me de ziele sich om ende om de Heere Jesus slingert: om sijn deuchden te verkondigen, ende sijn lof te verbrey-den, met tong, met pen, met handt, na 't uiterste harer bequaemheyt: om alles te verrichten, wat sy maer dencken kan haer liefste Hoere aengenaem te wesen: om daer selve na zie! ende lichaem gans 'en gaer aen

ocr page 514

H. WiTz Afscheyt

hem op te offeren, blijde zijnde dat sy verteert mach werden door de vlammen sijnner Hemelscher liefde. Dit, dit is het in den wercke des Heeren te zijn.

En wie kan sich dat ontrecken ? Is God onse Heere niet, in Majesteyt oneyndighmael verheven boven alle Monarchen, die ooyt kronen op haer Hooft gedragen hebben? Want hy snyd den Geest der Vorsten gelijck druyven af, ende den Koningen der aerde is hy vrees-lijck. Ps. LXXVI: 13. Is Jesus onse Heere niet, dien alle macht gegeven is, in Hemel ende op aerde. Mat. XXVIII: 18. Dien de Vader ten eerst gebooren Soone gestelt heeft, ten hoogsten over de Koningen der aerde ? Ps. LXXXIX: 28. Komen wy Gode ende Christo niet toe met alle recht, als onse Meerder, onse Schepper, Onderhouder, Weldoener, Verlosser zijnde? Komen wy haer toe, soo moeten wy haer ook dienen. God, wiens ick ben, welcken ick oock diene, seyd Paulus, Hand. XXV: 23. Sullen wy haer dienen, soo moeten wy ook haer werck doen. Want noemt gy my, Heere, Heere, ende en doet niet het geene dat ick segge? predickte Jesus. Luc. VI: 46. Niet alleen onse persoonen, maer oock onse krachten, ende alle onse wercksaemheyt zijn Godes ende Ohristi; en wy mogen haer het eene soo weynig onthouden als het ander.

Maer na dat nu een Christen sich by den Heere te werk bestelt heeft, soo moet hy

II. In dat werck des Heeren standtvastigh zijn. Niet alleen komen tot, maer oock staen in den Heere. Staet alsoo in den Heere geliefde. Phil. IV: 1. In Salomons Tempel waren twe seer kunstige Kopere pilaren waêr

510

ocr page 515

van Leeuwardkx.

van de eerie Jachin heete, dat is, hy sal het bevestigen; en de andere Boaz, 't welck beduit, in desen is sterckte. 1 Kon. VII; 21. Soo is ook de Geestelijcke Kercke Jesu Christ!, en by gevolge, als ware Leden van de selve. Een Pilaer ende vastigheyt der Waerheyt. 1 Tim. Ill: 15, gegrontvest op de waerheyt, en sig vast houdende aen de selve. Gy zyt gesterckt in de tegenwoordige Waerheyt. 2 Petr. T: 12. Daer moeten sy by blijven, 't Greene gy hebt houd dat, tot dat ick sal komen, deed de Heere Jesus schrijven. Openb. II: 25. quot;Waeckt, staet in het geloove, houdt u manlijck, zijt sterck, vermaende onse Paulus. 1 Cor. XVI: 13.

Isser ook wel reden om te rugge deysen, en, na dat men handt aen de ploeg geslagen heeft, weer om te sien? Bevinden wy ons qualijck by het geloove ? Isser onwaerhoit in het Euangelium? Leydt ons God enigh werck te voren, dat onbetaemlijck, dat hardt, dat ons ten quade is? Kan ons iemant een ander, een beter Euangelium wijsen? quot;Weet ons iemant aen een eerlijker, betaemlijcker, profijtlijcker, dienst te helpen ? Soo mogt het sjjn bescheit hebben dat wy daer na luisterden. Maer is dit Euangelium dat wy aengenomen hebben klincklare waerheyt, gelijck het is; is de dienst Gods suivre Heiligheit, gelijck se is: is het leugen en boos-heyt, al wat daer van afwijckt, gelijck het is: wat soud ons dan bewegen met een snoode trouwloosheyt van Jesus, ende uit sijn werck te Joopen? Hoe veel beter is met Petro hem toe te roepen; Heere, tot wien souden wy heenen gaen ? Gy hobt de woorden des eeuwigen levens. Joh. VI: 68.

511

ocr page 516

H. Wits Afscheydt

Grooto reden is'er om standtvasfcigh voort te gaen. Want dewijl men op een goede wegh is, soo sal men volduurende ten geluckigen eyndo komen. Het eerste van de wegh is 't moeyelijkste, en naeuste: daer na wort het mackolijcker en ruimer. In de ingangh zijn distelen, en doornen: In de voortgangh groeyen lelien en roosen. Het swaerste is sich van de weerelt af te scheyden, uit hem selve te gaen, sijn sinlijkheyt te verloochenen, sijn liefste sonden te dooden. Als men dat door ende over is, of als men in dat werck bedreven wort: dan sal het strax veel lichter, sachter, geneugh-lijker vallen. Daerom soud men dan niet duisentmael liever voort gaen, als dat men in die eerste beginselen smoren soude ? Gedenckende aen die lesse des Apostels Gal, III: 3, 4. Zijt gy soo uitsinnigh, daer gy met den Geest begonnen hebt, voleyndigt gy nu met het vlees ? Hebt ghy soo veel te vergeefs geleden ? Indien ook maer te vergeefs.

Vordert dit oock niet die Edelmoedige ende Vaste Geest, om welckers vemieuwinge David bad Ps. LI: 12 en waer door de ware geloovige van de tijdt-geloo-vige onderscheyden werden? Soet was de sin-spreuck van de Engelsche Koningine Elisabet, SEMPER EA-DEM. ALTYT DE SELVE. Van soo Koninklijken inborst behoort yder Christen te wesen: dat hy altoos hem selve in het goede, ende daer in oock sijn God gelijck zy: die heden ende gisteren de selve is en in der eeuwigheyt. Hebr. VIII: 1: 't Was een treffelijcke lof die Caleb de Soone van Jephunne uit de mont des Heeren ontvingh Num. XIV: 24. Daer andere beswe-

512

ocr page 517

r

van Leeuwarden. 513

ken ende het volck moedeloos maekten, in Caleb, mijn Knecht, spreeckt de Heere, is een ander Geest geweest, ende hy heeft volhardt my na te volgen. Soo menig als wy dan dier Vaster Geest Christi zijn deelachtigh geworden, soo menig moeten wy ook in 't goede standt-vastigh zijn.

Edogh op dat die standtvastigheit een volkomen werk hebbe, so dient'er. »

III. Een onversettelijckheyt by te komen, die sich door geen raedt, geen praet, geen daet, in 't geloove en de Heyligheyt verrucken late. Het gebeurde eens dat iemant van Tobia en Sanneballat: de Vyanden der Joden gehuurt zijnde, den Vorst Nehemia wilde afschric-ken van de Verbeteringe Jerusalems, hem radende dat hy sich besluiten soude in den Tempel, op dat sy niet en quamen om hem te dooden. Maer hy toonde sich onversettelijck in dat goede werck, en antwoorde kloeck-moedigh: Soude een man, als ick, vlieden? Ende wie isser, zijnde als ick, die in den Tempel soude gaen, dat hy levendigh bleve? Ick ende sal'er niet ingaen. Nehem. VI: 11. Soo onbeweeglijck most yder Christen zijn. Een doorluchtigh voorbeelt hebben wy aen Daniel. Daer was een bevel uitgegaen van de koning Darius, dat alle die in dertig dagen eenigh versoeck soude doen van eenigen God ofte mensche behalven van de Koning alleen, geworpen soude worden in de Kuil der Leeuwen. Wat raet nu voor Daniel ? Sal hy sijn gewoone Bede stonden achter laten? Of sal hy sich des Leeuwens kuils getroosten? Hy behoeft niet veel overlegh. Sijn keure valt op ;t laeste. Doe nu Daniël verstond, dat dit geschrift getekent was,

83

ocr page 518

H. WiTz Afschevdt

514

gingh hy in sijn huis (hy nu hadde in sijnne opper-zale openo Vensters tegen Jerusalem aen) en hy knielde drie tijden daegs op sijnne knien, ende hy badi, en dede belijdenisse voor sijnnen God, ga.nsehelijck gelijk hy voor desen gedaen hadde. Dan. VI. 11. Niet min roeni-waerdigh is dat van sijnne metgesellen, Sadrach, Mesach, en Abednego. Nebucadaezar de Koningh had ^een bevel gegeven, dat alle volck op het geluidt der Musijck-instrumenten soud nedervallen, ende aenbidden het gouden beeldt dat hy had opgerecht. Wie het niet en deed, die soa ter selver uure in den brandenden oven des viers geworpen worden. Alle volckeren pasten op haer tijdt, gehoorsaemden den Koning, spaerden haer leven. Alleen Sadrah, Mesach, ende Abednego bleven weygeren. Sy hadden een ander gebodt, van Hooger Handt, ende Grooter Koning, luidende, gy en suit U voor die niet nederbuigen noch haer dienen, opdat gy niet in 't eeuwigh vier der helle en komt. Dat woort alleen had soo veel indruck, dat wat de Koningh drieschte ende dreygde, al bracht hy haer voor den brandenden oven, al liet hy die sevenmael heter stoken dan te voren, al lasterde hy, wie is die God die u 1. uit mijnne handen verlossen soude, haer slotreden was: hebben wy en niet van nooden U op dese sake te antwoorden: Sal 't soo zijn, onse God dien wy eeren is machtigh, ons te verlossen uit den oven des brandenden viers, ende hy sal ons uit Uwe handt, O Koning verlossen. Maer soo niet, TJ zy bekent, O Koningh, dat wy Uwe Goden niet en sullen eeren, nochte het gouden beeldt dat gy hebt opgericht en sullen aenbidden. Dan. Ill: 16, 17, 18. En wat hebben

ocr page 519

van Leeuwarden.

wy meer bysondere exempelen van noode ? De gansche Kercke levert'er ons een uit Ps. XLIV: 18,19, 20. Dit alles is ons overgekomen, nochtans en hebben wy Uwer niet vergeten, nochte valsselijk gehandelt tegen Uw verbondt. Ons harte en is niet achterwaerts gekeert; noch onse gangh geweken van Uw pad. Hoewel gy ons verplettert hebt in eene plaetse der draken; ende ons met eene doot-sohaduwe bedekt hebt.

Die soo onbeweeglijck aendringt tegen swarigheden, soud die sich licht versetten laten door vleyereyen van de werelt, ende aengeboden schijn-goet of schijnsoet der sonde? Het eene soo wel als het andere had Moses leeren verachten. Want doe hy nu groot geworden was, weygerde hy door den geloove een Soone van Pharaos dochter genaemt te worden: verkiesende liever met het volck Gods qualijck gehandelt te worden, dan voor eenen tijdt de genietinge der sonde te hebben. Achtende de versmaetheyt Christi meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten van Egypten. Hebr. XI: 24, 25, 26.

Heeft het oock geen reden? quot;Waerom soud sich een Christen laten aftrecken van sijnne vaamp;tigheyt? Kan iemant bondiger bewijsredenen bybrengen als die met welcke de Leere des Euangeliums onderschraegt is, onder welcke hy sijn verstandt soud moeten gevangen geven? Neen, dese woorden zijn waerachtigh ende ghetrouw. Openbaringe XXI. 5. Isser eenige toorn vervaerlijcker dan de G-oddelijcke, om welcke te ontgaen, men van Gods geboden soude afwijcken? Neen. Wie kent de sterckte Uwes toorns, ende uwe verbolgent-heyt na dat gy te vreesen zijt: Roept Mose uit Ps. XO: 11. Isser eenige gunste van menschen soo wensche-

515

ocr page 520

H. WiTZ Afscheydt

lijck, dat men om des selfs verkrijginge de gunste Gods soud verwaerloosen? Neen Gods goedertierentheyt is beter dan het leven. Ps. LXIF: 4. Issersoo veel soetin eenigli schandt-bedrijf der sonde, dat het te vergelijcken zy by het genoegen eener conscientie sich vaat houdende aen hare vromigheyt? Neen soo vrolijck een harte is een geduurige maeltijdt. Spr. XV; 15. Wat isser dan dat een Christen bewegen soude sijn standt-plaetse te verlaten.

Dese onbeweeglijckheytnu moet niet alleen in 't voornemen, maer oock in de uitwerckinge wesen, sulx dat

IV. Een Christen altijt overvloedigh zy in het werck des Heeren, Al onse tijden zijn Godes. De dagh is uwe, oock is de nacht uwe: somer ende winter die hebt gy geformeert. Ps. LXXIV: 16, 17. Niet een oogenblick komt de weerelt, de sonde, ons selve toe, om het na onse eygen sinlijckheyt, buyten de dienst, ende tegen de sin van onse God, te mógen besteden. Niet een minuit is'er in ons gansche leven, in welcke by ons mach gevonden worden een boos ende ongeloovigh harte om af te wijeken van den levendigen God. Heb. II: 12. Nimmer, nimmer mogen wy yets quaets: altijt, altijt moeten wy wat goets doen. Ja in 't goet doen overvloediger worden. Dus beschreef ons Salomo het pateenes Rechtveerdigen als een schijnnende licht; voort gaende ende lichtende tot den vollen dagh toe. Spr. IV: 18. Dat had hy van sijn Vader David geleert, die Ps. LXXXIV: 8. songh, sy gaen vankrachttotkracht. Soo vermaende Paulus de Thessalonicensen mede, dat gelijck sy van hem ontfan genhadden, hoe men most wandelen ende Gode behagen, dat zy daer in meer overvloedigh souden worden. Thes. IV; 1. En die vermaninge had ingang by haer

516

ocr page 521

van Leeuwarden.

geliadt: Want daer na danckte hy God daer voor, dat haer geloove seer wies, en dat de liefde eenes yege-lijken van haer alle tegen malkanderen overvloedigh wierd. 2 Thes. 1: 3.

Soo past het oock. Is niet onse Heere altijt werck-saein? Mijn Vader werckt tot nu toe, ende ick wercke oock, seyd Jesus Joh. V: 7. Is hy niet overvloedigh wercksaem ontrent ons? Isser wel een ogenblick in welke hy ons niet onderhoudt, bewaert, weldoet ? Dagh op dagh overlaedt hy ons. Ps. LXVIII; 20. quot;Wat isser dan billijcker als dat wy om hem gelijckformigh, ende aen sijn overvloedige weldadigheden danckbaer te zijn, ook altijt overvloedig in zijn werck bevonden worden ?

Maer helaes hoe veel wandelen anders ? En de beste van ons allen, hoe verre is hy nog van dit overheerlijk voorschrift af? Doch wy hebben nu n och tijt noch lust om ons in straffe bestraffingen uit te laten. quot;Waer-om soud ick niet liever, voor het laetste, al het ge-seyde ter trouwer waerschouwinge, ter ernstiger ver-maninge, ter troostelijcker moet gevinge aenleggen?

Laet ick u eerst eens aen spreken, verdoolde werelt-wichten, die in alle andere werck ten noestigsten besich zijt, behalven in het werck des Heeren. Wat slooft, wat slooft gy dus om 't lichaem te besorgen, van nooddruft niet alleen, maer overtolligheyt, met een onversadelijcke lust tot meerder rijckdom, en meerder grootsheyt bevangen zijnde ? Weet gy niet dat het een vloek is die God in sijn gramschap over den sondigen mensche heeft uytgesproken, dat hy in 't sweet sijns aenschijns sijn broodt eten sal. Gen. III; 19. Jesus nu

517

ocr page 522

r

H. Wits Afscheydt

is gekomen ende heeft ons van die vloeck ontheft, en roept de sijnne toe, werckt niet om de spijse die ver-gaet, maer die daer blijft in het eeuwige leven. Joh. VI; 22. quot;Wat jaegt ge na een hand vol geit, wat kuipt gy om een smal officitie; sta na des Hemels Koninckrijck, gy suit het krijgen ende de rest noch tot een toewerp. Mat. YI: 33. En lust het u noch, lust het u noch, te volduuren in die aerdsche, slaefsche, ydele arbeydt? quot;Wat weegt gy soo uw geldt uit voor het geene dat geen broodt en is, en uwen arbeyd voor het geene dat niet versadigen en kan? Jes. LV: 2.

Engy ellendig verdoolde menschen, dieü in de wercken des vleesches, des weerelts, ja des Satans ophoudt, laet dit woort mijnner waerschouwinge nu noch eens in uwe ooren in gaen. Singt ende springt, drinck ende klinckt, gast ende brast, speelt en dobbelt, pronckt ende praelt soo niet meer. quot;Weest niet meer soo dartel, soo spijtigh, soo verweent, soo toomigh, soo wraeck suchtigh. Dit zijn de werken des Heeren niet. Dit zijn wercken des vleesches, ende des Duy veis. 't Mach sig nu voor Uw bedurven sinnen soo soet opdoen als het kan, het sal daer na soo bitter opbreken. Dien de weerelt niet. 't Is een tooveresse. Sy mach daer sitten bekleet met Purper ende scharlaken, ende verciert met goudt ende kostelijcke gesteente ende peerlen, met een goude beker in haer handt. Openb. XVII: 4. Vergaept er U niet aen, 't is een Delila, sy soeckt U te vermoorden, haer wijn is vierigh draken fenijn ende een wreedt adderen vergif. Deut. XXXTI: 33. Dien de Satan niet. 't Is een Tyran, na dat hy U in de Rosmeulen van duisent onversadelijcke lusten sal hebben ^omgejaegt, sal hy U ter eeuwiger

518

.\f (.

kr :

(

r

I

ocr page 523

lü

van Leeuwarden.

gevanckenisse wegh voeren. Dien het Vlees niet om

het te besorgen tot sijn begeerlijckheden, 't sal't den G-eest soo moede het harte soo bange maken, ten dage der doodelijoke kranckheyt: wanneer het woort sal beginnen vervult te worden 't geen er staet Openb. XVIII: 7. Soo veel als sy haer se'ven verheerlijckt ende weelde gehadt heeft, soo grote pijnninge ende smerte doet haer aen. Hebt gy eenige voorsorge voor het toekomende, eenige vreese voor de Helle, eenige liefde tot uwe behoudenisse; zijt gy noch soo betoovert niet of gy wilt heylsame raet plaetse geven; soo bid ick ü om Gods ende uwes selfs wille, en 't is misschien de laetste bede die ick U doen sal, en snijdt dat weereldts weesen af, smijdt die noodeloose pragt van U, bedwing Uw lichaem ende brenght het tot dienstbaerheit, seght het de Satan ende de sonde in haer troonio, dat gy van dese uure af met haer werken niet meer te doen wilt hebben.

Zijt gy om werck verlegen, ick weet beter voor u, ende ick noodige U tot het werck van mijn rijcke ende goede Heere; ja hy nodight u selve, ende roept U toe, neemt mijn iock op u, want mijn jock is sacht ende mijn last is ligt. Mat. XI: 29 30. Kom slegs aen, ende besteet U by hem te werck: segt tot hem, als Amasai eertijts tot David 1 Chr. XII: 18. Uwe sullen wy voortaan zijn Heere Jesu, ende met u sullen wy zijn, o Soone Gods. Gy behoeft niet bekommert te wesen, dat u wat hards, wat ongeriemts sal werden opgeleydt. Neen; sijne geboden en zijn niet swaer. 1 Joh. V: 3. Zij zijn alternale goedt, ende diese doen ten goede. Deut. VI: 21. Hy wil maer dat gy uit de

519

J:

l ^11

ocr page 524

H. Wits Afscheydt

520

werelt gaende, die in het boose licht 1 Joh. V: 19, uit uw selve, daer niet als ramp ende verderf en is, hem door een oprechte geloove suit aennemen als de waer-achtige ende eenige behouder. En sal het U verdrieten na die Heilfonteine toe te loopen, daer uwe zieledorst soo soetelijck te lessen is? Hy wil dat gy hem ende sijnnen Vader beminnen suit, in welcke al wat liefd verwecken kan op de volmaeckste wijse gevonden wort, en op dat gy geen reden van klachte soud hebben, hy wil U selfs met eeuwige liefde voorkomen, en is het hardt in uwe oogen hem toe te singen, lek sal u hartelijck liefhebben, o Heere mijne sterekte. Ps. XVIII: 2. Niet eischt hy meer als 't geen die liefde medebrengt, ende kan dat anders als lieflick wesen, :t geen uyt liefde voortvloeyt; Vul uw harte met die liefde eens, en val dan voor de voeten Jesu neer, ende laet die liefde u gaende maken om met een vloet van boete tranen uwe soüden te beschreyen, sijn genade te versoecken, sijn liefde te prijsen, sijn goetheyt te dan-cken, sijn volmaecktheden te verheerlijcken; of begeef u in liefde tot de oeffeninge van alle Christen deugden, van lankmoedigheyt, sachtmoedigheit, nedrigheit, en van al wat waeragtig is, al wat eerlijk is, al wat regt-veerdig is, al wat rein is, al wat lieffelijk is, al wat wel luid, so daer enige deugt, ende so der eenige lof is, bedenckt dat in liefde, en segh my dan of in eenigh bedrijf des weerelts ende des vleessches wel het dui-senste deel van die betaemlijckheyt ende soetigheyt is. Dit is het werek des Heeren Jesu. Anders en leydt hy de sijnne niet voor. Of roept hy haer somwijlle tot lijden om sijns naems wille; de liefde maeckt het

ocr page 525

van Leeuwarden.

bitterste lijden soet, en doet de ziele in 't midden van het selve juichen ende vrolijck singen, als de Apostelen na hare geesselinge, ende Paulus en Silas in de gevancknisse, ende soo veel Martelaren in de blakende vlammen gedaen hebben. Wie, wie isser van u allen, die van soo goedt een Heere geen werck soud willen aennemen ?

Doch waent niet dat het daer nae wel soud zijn, als gy nu in schielijckheyt eens tot hem quaemt, ende seydet met die Schriftgeleerde. Mat. VIII. vs 19. Meester, ick sal u volghen waer gy heenen gaet, dogh bleeft wel haest achter. Neen, gy most volstandigh, ende onbeweeglijck, ende altijdt overvloedigh in sijn werck wesen. Mijn Heere en heeft geen sin aen die geene, welckers weldadigheyt is als een morgenwolcke, en als een vroegkomende dauw die heenen gaet. Hos. VI: 4. Soo yemant hem ontreckt, mijne ziele heeft aen hem geen behagen, Hebr. X: 28. Keer niet weder na de weerelt toe, gy die se eens hebt afgeswooren. quot;Want het ware u beter de weg der gerechtigheyt nimmermeer gekent te hebben, dan dat gy, die gekent hebbende, weder soudet af keeren van het Heylige gebodt dat uw gegeven is. 2 Pet. II; 21. Heeft uw harte ooyt gebrand in liefde tot de Heere Jesus, ende zijt gij in de eerste beginselen uwer bekeeringe met overvloet van Heylige driften aen sijn werck gevallen: geef hem geen reden om over u te klagen, Ick hebbe tegen U, dat gy U eerste liefde hebt verlaten. Openb. II. Wat jammer is ditte, dat wy meest alle te samen soo deerlijk vervallen zijn? Ick verbeelde my dat Jesus ons nu uit den Hoogen Hemel toe roept Mijn uitverkoren

621

ocr page 526

H. Wits Afscheydt

522

lievelingen, hoe zijt gy dus verkoelt in mijnne liefde, dus veraclitert in mijn dienst ? Daer plag eens een tijdt te zijn, dat ik soo schoon en wonderlijck in uw oogen was, en dat gy 't buiten mijn geselschap niet een oogen-blick wist te harden: en nu denckt gy heele uuren langh nauw eens om my, en als ick u al eens te binnen kome, 'tgaet soo koel ende lauw als 'tmagh: Daer plagh een tijdt te zijn, dat lesen, dat bidden, dat dan-cken: dat Heyligh samenspreken al uw lust was; de dagh was'er somwijlen te kort toe, een goed gedeelte van de nacht wierd'er aengeknoopt: nu hebt gy moeyte om uw harte tot dit werck te dwingen, en het gaet soo sleurigh ende slenderigh heen. quot;VVaer me heb iok dat verdient? Ben ick min schoon, min rijck, min lieffelijck als ick te vooren was, doe gy my eerst hebt liefgekregen ? Wat voor onrecht hebt gy aen my gevonden dat gy van my afgeweken zijt? Jer. II: 5. O mijn' volck, wat heb ick u gedaen ? Waer me heb ik u vermoeyt, betuygt tegen mij. Micha VI: 3. Moet het ons niet door de ziele heenen gaen, als wy dit ernst-vriendelijcke verwijt düs uit de mond des Heeren Jesu hooren? Lustigh, lustigh dan, mijn waerde Broederen ende Susteren, van nieuws een wederaen. Met nieuwe moedt het werck hervat. Soo gelijck te vooren, ende beter noch ende geestelijcker. Dan een vaste tredt ge-set, daer wy om lief noch leet niet weder af en wijeken. Laet de weerelt lagchen, lasteren, dreygen, tegenwoelen. Niemendal, wy moedig voort. Niet een uure voor haer wijeken. Niet een strobreed om harent wille van de Heyrbaen des dengts aftreden. Niet een klauw agter-laten: niet een stipje van de nauwkeurigste Godsalig-

ocr page 527

van Leeuwarden.

heyt kreuken. Wat is ons aen menschen gunst of on-gunst gelegen, als wy de gunst van onse God hebben ? Hooret na my gy lieden die de gerecbtigheyt kent, gy volck in welkers harte mijne wet is: ende vreest niet de smaetheyt van den mensche, ende van hare smaet-redenen ende ontsette u niet. Want de motte salse opeten als een kleet, ende het schietwormken salse opeten als wolle, maer mijne gerechtigheyfc sal in eeuwig-heyt zijn, ende mijn heyl van geslachte tot geslachte Jes. LI: 7, 8.

Niemant dan vertrage in het wel doen. Elk ver-kloeke sig dat sijn laetste werken meerder ende beter mogen zijn als de eerste : En hier toe alle neerstigheyt toebrengende, voegt by u geloove deugt, ende by de deugt kennisse, ende by de kennisse matigheyt, ende by de matigheyt lijdsaemheyt, ende by de lijdsaemheyt Godsaligheyt, en by de Godsaligheyt Broederlijke Liefde, en by de Broederlijke Liefde Liefde tegen allen. Want soo dese dingen by u zijn, en in u overvloedigh zijn, sy en sullen u niet ledigh noch onvruchtbaer laten in de kennisse onses Heeren Jesu Christi, 2 Pet. 1: 5, 6, 7,8.

En wie soude, de sake wel overwogen zijnde, zich tot het werck des Heeren niet begeven, en daer in ten eynde tot volduren willen ? Waer heenen wy onse oogen wenden, 't zy wy op den Heere sien, wiens werk het is, 't zy op 't werk selve dat hy ons te doen geeft, 'tzy op de genade-loon daer van, aen alle kanten doen sich zeer krachtige en dringende beweegredenen op.

De Heere Jesus tot wiens werck wy u nodigen, ia hy niet die doorluchtige Hemel-Koningh, die, buiten alle tegensegh, macht heeft om ons te gebieden na

523

ocr page 528

H. quot;Wits Af'scheydt

zijn welgevallen? Komen wy hem niet toe, in alles wat wy zijn wat wy hebben, wat wy vermogen? Moeten wy hem niet antwoorden op alles wat hy ons te voren leyt, gelijk als Achap den Benhadad dede, na Uw woort, mijn Heere de Koning; ick ben Uwe, en al wat ick hebbe. 1 Konin: XX: 4. Dencken wy niet dat hy het sich ter bitterder wrake soud aentrecken, soo wy weygerden ons onder sijn geboden te vlijen ? 'Weten wy niet hoe het met die boose menschenging die daer seyden, Wy en willen niet dat dese over ons Koningh zy: Luc: XIX: 14. hoe hy se her voor liet brengen, ende dootslaen? vs: 27. En kan het hun beter vergaen, die sich eenmael tot sijn dienst vervoeght hebbende troulooslijck weder wegh-loopen uit sijn werck? Soud hy die niet als vluchtige slaven achterhalen, en doen gelijck 'er toe staet ?

Heeft hy oock niet, daer hy de Heere van alles was, sig om onsent wille tot een slaafsche toestandt vernedert, een werck tot bevorderinge onser saligheytop sich genomen, daer duisent mael meer moeyte ende arbeydt aen vast was, als al het gene dat hy ons te voren leydt? een werck dat hem geen sweet alleen maer bloet gekost heeft, bloet uitgeperst door 't lijden van ongelooflijcke helle angsten, bloet afgetapt door de gaten, die de roeden in sijn rugge, de nagels in sijn handen en voeten, de spere in sijn sijde gemaekt hebben: een werk echter daer hy niet is uytgescheyden voor ende al eer het ten einde toe voltrocken was, en hy met waerheyt seggen konde, het is volbracht. Joh. XIX: 20, een werck dat wy schuldigh waren te doen: Want onse plicht was alle gehoorsaemheyt te volbren-

524

ocr page 529

van Leeuwarden.

gen, ende na dat wy gesondigt hadden voor de sonde te voldoen. Zal de Heere om onsent wille sulck een werck aengaen, en ten eynde toe daer in volduuren; sal hy ons afnemen dat werck, waer toe wy anders verwgyen waren, om Gods ondraeglijcke vloeck in eeu-wigheyt te torssen, ende sullen wy, lijf-eygen slaven, ons het werck van soo goedt een Heere ontrecken? Wat bescheydt of redelijckheyt is daar in?

Hebben wy ons oock niet van oeerlange daer toe verbonden om dien onsen Heere getrouw te zijn ? Wanneer wy in onse jonckheyt zijn gedoopt geworden, wanneer wy ons de name van Christenen hebben aenge-matight, wanneer wy het Heyligh Broot des Avontmaels gegeten, die Heylige Wijn gedroncken hebben, hebben wy doe niet als met onse hant geschreven, lek ben des Heeren? Jes. XLIV: 5, is dat niet als een Godspenning geweest, die wy van onse Heere op de handt kregen, als wy dienst onder hem namen? Hoe konnen wy dan daer weder uitscheyden, sender ons schuldigh te maken aen de snoodste ende onverantwoordelijkste trouloosheyt ? Behoorde niet elck een van ons te seggen, gelijk Jephta eertijts : lek hebbe mijnnen mondt opge-daen tot den Heere, ende ick en sal niet konnen te rugge gaen. Richter. XI: 31. Hadden wy anders geen reden om te duchten, dat de name die wy dragen tegen ons soud opstaen in 't gerichte, ten verwijtte van onse meyn-edige verbondt-brekerye, dat het water van den doop soo deerlijck misbruyekt zijnde, ons als tot ziedende olie op het harte soud worden: Dat de wijn des Heyligen Avontmaels, soo wan-weerdighlijk ontheyligt, ons ruym soo qualijck soud bekomen, als dat bittere

526

ocr page 530

H. Wits Afscheydt

water der yveringe van die Vrouwe die sich, veront-reynigt hadde, welcke haer buick swellen, ende haer lieupe vervallen dede, dat haer tot eenen vloeck maeckte in het midden hares volx, Num. V: 27.

Is'er ook wat onbetaemlijk in het werck dat de Heere Jesus ons te vooren leydt ? Neen, broeders, 't is al te male soo, dat in het selve een uitnemende betooninge van Heerlijckheyt sich opdoet. Hy en roept ons niet wederom tot die kinder-oeffeninge der uitgediende Ce-remonien, tot de dienst van de eerste beginselen des werelts, en van het aerdsche Heyligdom, in welke dienst gelijker geen geestelijcke Heyligheyt was, alsoo en was oock geen kragt in om de consciontie to Heyligen, Heb. IX: 9. Maer met al die moeyte schreven de Heiligen selfs een handtachrift dat eenigsins tegen haer was, Col. 1: 14. Doch ons ontheft hebbende van dat jock het welcke noch onse Vaders noch wy hebben konnen dragen, Hand. XV. vs. 10. noodigt hy ons tot een ander ende voortreffelijcker werck, het welck t' eene-mael geestelijck is, en de ziele vergeestelijckt, ende in sich heeft een uitdruckinge van de volmaecktheden Gods, en daerom seer betaemlijk is voor Gods Kinderen, gestelt zijnde in de staet van vryheyt.

Beschouwt my al die wetten eens die hy ons voorschrijft, en uw eige harte sal u dwingen om 'er met Paulo van te seggen: De wet is Heyligh, en het gebodt is Heyligh, en Regtveerdigh ende Goet, Rom. VII: 12. En met David, de wet des Heeren is volmaeckt, bekerende de ziele: De bevelen des Heeren zijn recht,verblijdende het harte: Het gebodt des Heeren is suyver, verlichtende de oogen : De Rechten des Heeren zijn

526

ocr page 531

van Leeuwardex.

waerheyt, t' samen zijn sy rechtveerdigh, Ps. XIX: 8 : 9, 10. Al wasser de Autoriteyt des Grooten Wet-gevera niet eens by, die andersins alleen genoegh most zijn, om ons te verplichten Ler gehoorsaemkeyt, soude niet de billijoldieyt der sake selfs, ende ket eygen schijnsel des deugdts, macktigh genoegk zijn om ons doorkaer aen treckelijokkeyt te locken'? Wat isser billijcker, dan onfeylbare waerkeden met een vaste toestemminge aen te nemen, en voor al, sulke waerkeden in welcke wy de Heyligmakinge ende saligkeit onser ziele vinden? Wat isser billijcker dan het koogste goedt met de Hoogste Liefde te beminnen, en voorts alles na proportie, na dat het meer of min na het hoogste goedt gelijckt? En dat is al het werck 't welck Jesus ons opleydt; Geloof maer in hem, ende geef u over in liefde om door sijn Geest geleydet te werden, ende hy sal verklaren dat gy getrouw in sijnen dienst zijt.

En kan het anders als goedt, ende Heylich, ende Heerlijck, wesen, het geen des Heeren werck is, oock in dien sin, voor soo veel het oorspronckelijck van hem afkomt? Hy is een rotsteen wiens werck volkomenis, Deut. XXXII: 4. Van eeuwigheyt hebben sijn gedachten daer op gespeelt, hoe hy best heerlijck ende won-derbaer soud worden in de persoenen en daden sijnner uitverkoorne. Hy beschouwde sijn eygen volmaeckt-heden, en onder de selve sijnne Heyligheyt die het cieraet van allen is, en verliefder soo op, dat hy die Heyligheyt niet alleen in hem selven wilde sien, maer oock in eenige schepselen buyten hem, in welke hy sijn beeltenisse eerst werken, daer na, gansch geschonden zijnde, weder op-helderen wilde, allenxkens dat

627

ocr page 532

H. WiTZ Aischeydt,

heerlijcker makende dat het ooyt geweest was; Soo besloot hy dan sijn eenige en geliefde Soone te sen-den, di e niet alleen een volmaeckt afschijnsel der God-delijcker Heyligheyt in sijn nature ende daden vertoonen soude, niet alleen met de alderbeweeglijxte woorden de menschen kinderen aenmanen om soo te wandelen gelijck hy haer was voorgegaen; maer die ook als Middelaer alles doen soude watter te doen was, om haer tot des Heeren werck te trecken. En soo heeft hy ons uitverkooren in Christo, voor de grontlegginge der werelt, op dat wy souden Heylich en onberispe-lijck zijn voor hem in der liefde, Eph. 1: 4. En kan dat anders als een seer heerlijck worck wesen, op welcke Godt, op dat het in ons gewrocht soud' worden, met een raetslagh van soo veel toestel heeft toe-geleydt ? Of souden wy ook wel, die de andere vruchten sijnner verkiesinge te salicheyt soo gaeme wilden deel-achtigh zijn, dit stuck sijnner raetslachs trachten te vernietigen ?

Maer hoort noch meerder. Wy waren niet alleen gewent aen de onvruchtbare wercken der duisternisse, en aen dienst des satans ende der sonde; maer wy waren ook door een rechtveerdigh vonnisse Gods onder hare macht ende heerschappye gestelt. Het bestaet in alle billijckheyt, van wie iemandt overwonnen is, dien is hy oock tot een dienstknecht gemaeckt, 2 Pet. 1: 13. Wy nu hebben ons laten overwinnen van de Satan ende Sonde. Ingevolge van dat recht heeft God ons tot haer dienst verwesen. Hoewel de Satan in sich selven een Tyran is, zijn nochtans te desen aensien sijnner gevangene, de gevangene eens Rechtveerdigen,

B28

ocr page 533

van Leeuwarden.

529

Jes. XLTX; 24, 25. Die, terwijlen sy haer selven vry-heyt beloofden, dienstknechten der verdurventheyt geworden zijn, 2 Pet. TI: 19. En onmogelijck was het eenigh mensche sich uit 'dese harde en meer dan Egyptische dienstbaerheyt te redden. Daer op quam onse grote Heere Jesus, die stercker zijnde dan de sterck gewapende Satan, hem sijnner vaten heeft ontrooft, Luc. XI: 22. Hier toe is de Soone Gods geopenbaert op dat hy de werken des Duivels verbreken sonde, 1 Joh. Hl: 8. En, volbrengende het recht der wet, heeft hij de sonde veroordeelt in het vlees, dat is, te wege gebracht, dat de sonde verklaert is niet langer ontfan-ckelijcke zijn in haren eysch van heerschappye over den mensche. En soo heeft de wet des Qeestes des levens in Christo Jesu, dat is, de quot;Wet Gods nu vol-daen zijnde door Christum, en daerom den genen die Christo toebehooren, den Geest en het leven toewij-sende, ons vry gemaekt van de wet der sonde ende des doots, dat is, van die ordonnantie Gods, door welcke wy regtveerdelijck tot slaven der sonde en des doots verwesen waren, Eotn. VIII: 2, 3, 4. Dus veel toestel was'er van nooden: de Heere Jesus selve most soo aen het werck, eer wy van de onvruchtbaer wercken der duysternisse verlost konden werden, en in stant gebracht om het werck des Heeren te konnen doen. Sal het Jesus soo veel moeyte kosten, ende wy'er dan niet aenwillen? quot;Waer toe heeft hy ons verlost uit de handt onser vyanden? 't Was, op dat wy hem dienen souden sonder vreese, in Heyligheyt ende oprech-tigheyt voor hem alle de dagen onses levens. Luc. I: 74, 75.

34

ocr page 534

H. WiTz Afscheydt.

Nog doet God 'er meerder toe om dit werk in de sijnne te wercken; Hy geeft haer sijnnen Heyligen Geest, die de ziele ganschelijk veranderende, ende der Goddelijcker nature deelaclitigli makende, 2 Pet. I; 4. Haer met ene byblijft om een beginsel van allerlei levendige wercksaemheyt te zijn. En wie kan twijffelen of het moet een gansch uitnemend werck wesen, 't welck die selve Geest, die, over de quot;Wateren swevende, de eerste wei'elt soo cierlijck heeft opgeschikt, ende met allerley levendigh gewemel vervult, met soo veel sinlijckheyt in de ziele der uitverkoorenen opmaeckt: Salomo noemt het, het werck van de handen eenes Konstenaers. Hoog. VII: 1. En soud iemant van ons allen, die genadige roere des Geestes in sijn harte gevoelende, sich daer tegens willen aen kanten? die goede Geest bedroeven ? Sijn Heyligh werk verbreken ? En liever de boose Geest der Helle dan de Heylige Geest des Hemels in sijn ziele wercken laten? Godt behoede ons voor soo grouwsaem een dwaesheyt!

Maer behalven dat alles, soo mogen wy versekert wesen dat onse arbeydt niet ydel sal wesen in den Heere. Ydel is de arbeydder aerdsgesinde wereltlingen, sy geeft dat genoegen niet 't welk sy daer uit verwacht hadden. Als sy nu al met veel loopens en dravens een deel geit ende goed by een geschraapt hebben, of op het kussen van eere geraektsijn? smaekt haer dan hare spijse wel een hair soeter dan te voren ? is haer slaep dan dieper ende geruster? is haer ziele dan beter vol-daen, sonder te tragten ende te jancken na meer? is dat al te male wel bequaem om de pijnne van een tandt in de mondt te verdrijven ? De senutjes vaneen

530

ocr page 535

van Leeuwarden.

eenige kiese, wat ongemackelijok getrocken wordende, zijn die niet machtigh genoegh om al de vreugde ende het genoegen, het welke sy in haer rijkdommen of eer-ampten vinden, te verdooven ? lok beroepe mij in desen op de conscientie en ondervindinge van alle weerelt-lingen. Arme wichten, wie heeft u so betovert dat gy verlatende de sprink-ader des levendigen waters, u met soo veel moeyte backen uithouwt, gebrokene backen die geen water en houden? Jer. II: 13.

Ydel is noch meer de arbeydt der sonde, en gans gelijck de besigheydt der geener die een put graven in welcke sy selve vallen ende vergaen sullen, Ps. VII: 16. Noojt brengt sy genoegen aen als voor een oogen-blick, ende 't welcke daer na met deerlijck wroegen achtervolght wort. Wee den Godloosen, het sal hem qualijck gaen: want de vergeldinge sijnner handen sal hem geschieden, Jes. III: 18.

Heel anders is het met des Heeren werck gelegen. In 't onderhouden van sijn geboden is grooten loon. Ps. XIX: 12. Niet een deure sluit yemant in sijn huis om niet toe. Mal. 1: 10. Geen mensche dencke dat God profijt uit onsen arbeydt soeken soud. Hy is de Alge-noegsame in sich selve, te vollen te vreden in het be-sitten, beschouwen, beminnen, genieten, van sijn eygen volmaecktheden, in welcke hy een eyndeloose ende Gode weerdige saligheyt vindt, die van geen schepselen vermeerdert of verrijckt kan werden. Onse goetheyt en raeckt niet tot hem. Ps. XVI: 2. Hy en wordt ook van menschen handen niet gedient als iets behoevende, alsoo hy selven allen het leven ende den adem ende alle dingen geeft. Hand. XVII: 25. Al het profijt onses

531

ocr page 536

532 H. WiTZ Afscheydt

arbeyds dan, en is niet voor God, maer voor ons selve. Sal ook een man Gode profijttelijck zijn. Maer voor hem selven sal de verstandige profijttelijck zijn. Is het voor den Almachtigen nuttigheyt dat gy rechtveerdigh zijt? of gewin, dat gy Uwe wegen volmaeckt? Job. XXII: 2, 3. Indien gy rechtveerdigh zijt, wat geeft gy hem ? of wat ontfangt hy van uwe handt? Job. XXXV: 7.

Maer wie soud konnen ophalen al dat goet dat uyt desen arbeydt in het werck des Heeren voortkomt?

De ziele wordt'er door geheylicht, ende vergoddelijckt. Legh uw verstandt vlijtigh te werck om de Heerlijke deugden en volrnaecktheden Gods in den Geeste te aenschouwen: gewent U tot devote Meditatien, gaet in stilte nedersitten ende laet uw gedachten weyden in die eyndeloose ommetreck van alle de eygenschappen Gods; en gy suit gewaer werden hoe gy door die over-denckinge vervoert, verruckt, ende buiten ende boven H selven verheven, en met God vereenigt, ende allenx-kens meer en meer na sijnne gelijckenisse verandert wort. 2 Cor. Ill: 18. Weck de oeffeninge Uwes geloofs op, waer door de ziele uytgaet na de Heere Jesus toe, hem omhelst, op hem leunt, kracht ende leven uyt hem treckt: ende gy suit u door dien allen wonderlijck verfrist, ende gemoedicht, ende gehartigt tegen alle swa-righeden, ende gesterckt in het gansche geestelijcke leven vinden. Maeckt de liefde eens ter dege gaende, en hoe sal sy uwe ziele gelijck als met arents vleugelen doen sweven, al het sienlijcke voor by, om te steylen in de schoot Gods, en daer siende sijn aentrec-kelijckheden, ende lesende uit sijn aengesichte sijnne onverdiende liefde t' haerwaerts, in dat alles om te dolen,

ocr page 537

van Leeuwarden.

in die vlammen van onderlinge minne wegh te smelten, ende niet soo seer voortaan in 't lichaem te wesen daer sy leeft, als in God daer sy lieft, ja door die vlammen soo aen brandt gesteken te werden, dat sy te met geheel ende al in liefde yerandere gelijck Grod liefde is ? Uoh. IV: 8. 0 heerlij cke vrugt van dese Heylige ende Hey-ligmakende arbeydt?

Wat baert sy ook een vrede ende gerustheyt in de oonscientie ? Het werck der gereohtigheyt sal vrede zijn; en de werckinge der gereohtigheyt sal sijn gerustig-heyt ende seeckerheyt tot in eeuwigheyt, Jes. XXXII: 12. Neem eens een ziele die van den morgen tot den Avondt toe sich trouwelijck in dos Heeren werck ge-queten heeft, hebliende sijn vreese voor ogen, sijn liefde in het harte gehadt, en alle hare dingen met een tedere conscientie als voor des Heeren aengesicht^ vorrichtet, lustigh ende rastigh, ende levendigh zijnde geweest: wanneer die nu des Avondts, eer sy ter slape gaet, by den Heere komt, om rekenschap van hare handelingen te geven; hoe vrymoedigh ende blymoedich gaet dan dit in sijn werck, wat isser een genoegen van binnen, wat een ruste, wat een vrede, wat een vrolijck-heyt, wat volgt'er een lieffelijcke slaep op soo heylig een arbeydt?

Jesus heef ter geduurigh by gestaen, en gesien hoe de ziele het gemaeckt heeft. En het is aengenaem geweest in sijnne óogen. Meent gy dat hy sig dan ook aen haer onbetuigt soud laten? Neen: Hy neemt haer by de handt, hy leydt haer in sijn binnenkamer, hy spreeckt na haer harte, hy troost haer door de ver-sekeringe sijnner gunste, hy voert haer in het Wijn-

533

ocr page 538

H. WiTZ Afscheydt

huis, hy kust haer met de kusse sijnnes mondts, hy doet haer proeven sijn uytnemende liefde die beter is dan wijn. Mijnne vriendinne, seydt hy haer, gy hebt my soo trouwelijck opgepast: Mijn harte was by U, doe het uwe by my was: ick sagh het doe gy flus van soo veel liefde schreydet, ick hoorde het doe gy soo yVerig in den gebede en danckseg^inge, en verheer-lijckkinge mijnnes naems waert, ick aenschouwde het doe gij soo vlijtig waert in uw Huisgenooten, uw bekende, ter Grodsaligheyt aen te leyden en voor te gaen, ick stond 'er by, doe gy soo moedigh tegens de aftrec-kinge uwer booser vyanden ten strijde ginght: en het was my soo gevalligh, ick noodd'er mijn Engelen op om het mede aen te sien, en het was haer tot vreugde; Kom laet ick U dan ten blijcke van onbeswijckelijcke liefde vriendelijck omhelsen, ende siet ende proeft nu ook hoe goet ende genadigh, ende weldadigh dat ick ben. Denckt eens Christenen hoe soo een ziele te moede moet zijn, die dus van haer Liefste Jesus gecareffeert wort. Dit verstaet de blinde werelt niet. Dit is haer een raetsel en dwaesheyt. 't Is een proefje van het verburgen Manna, wies soetigheyt niemant kent dan die het eet. Maer die het beproeft heeft, soud 'er by na dul om worden, soo soet ende lecker smaeckt het hem. En dusdanigh een Avontmael dist de Heere Jesus de uitverkorene siele op, wanneer sy sich des daegs met sonderlinge vlijt verkloeckt heeft in sijn werk.

En hier blijft het nog niet by: in de gansche trein hares levens sal sy gesegent zijn. Segget den Recht-veerdigen dat het hem wel gaen sal: dat sy de vrucht haerder wercken sullen eten. Jes. III: 10. Hy sal sijn-

534

ocr page 539

van Leeuwarden.

nen lampe doen schijnen over haer hooft, ende by sijn licht sullen sy de duisternisse doorwandelen. Sijnne ver-burgentheyt sal over hare tente zijn, ende sy sullen hare gangen in boter mogen wassen, ende de rotsteen sal by haer olibeecken uitgieten: Is het niet van seer overvloedige, immers van genoegsame lichamelijcke, ende van rijcke Geestelijcke segeningen. Daer en is geen sake die soo groote beloften heeft als de Godsa-ligheyt; quot;Want de Godsaligheyt is tot alle dingen nut; hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomende levens, i Tim. IV: 8. Wildet gy gaerne in de gunste Gods voorspoedich zijn na den uitwendige,n mensche; Woest in des Heeren werck maer standtvas-telijck ende gy suit 'er u op 't eynde wel by bevinden. Gewennet U dog aen hem, en hebt vrede: ende daer door sal u het goede overkomen; Ontfhrg doch de wet uit sijnen mout, ende leght sijnne redenen in uw harte; soo gy U bekeert tot den Almagtigen gy suit gebouwt worden; doet het onrecht verre van uwe tenten. Dan suit gy het gout op het stof leggen; ende het gout van Ophir by den rotsteen der beken; de Almachtige sal Uw overvloedigh gout endeüwkrach-tigh silver zijn; Want dan suit gy U over den Almach-tigen verlustigen; ende gy snit tot God Uw aenge-sichte opheffen. Job XXTT: 21-26. Of krijgt gy het soo rijckelijck niet, gy suit U bescheyden deel krijgen. En als gy daer dan den Algenoegsa men God by hebt, en gy sijn siel-vernoegende liefde uit dat kleyntje proeven moogt, is dan uw weynige niet beter als de overvloet veler Godloosen? Ps. XXXVII. vs. 18. Of zijt gy nu al soo Edelmoedigh geworden dat gy U aen dat uit-

ocr page 540

536 H. WiTz Afscheydt

wendige soo veel niet laei gelegen zijn: staet gy na Hooger vertreffelijcker goedt: Na 't Geestelijcke, dat de ziele rijok maeckt? Waer is dat sekerder, ja waer is dat anders te vinden als in ende op het werck des Heeren ? Daor is gemeensaemheyt met God, ende troost, ende gerustheyt, ende vrede, ende vreugde door den Heyligen Geest, ende een Hemel op der aerde.

Niemant dencke dat dit ydele beloften zijn. Al wie het maer ondervinden wil, ick durv'e het versekeren in den name des Waeragtigen Gods; sijn arbeyt sal niet ydel wesen in den Heere. 't Is waer de yverigste dienstknechten ende dienst-maegden onses Gods schijn-nen somwijlen het aider armst te hebben na den ligchame,alderbedroefst na den Geest, alderkommerlijxkt ten opsigte van haer gantsche staet: ende sy seggen selfs wel in haer harte: Immers heb ick te vergeefs mijn harte gesuivert, ende mijn handen in onschult gewasschen: dewijlle ick den ganschen dagh geplaegt ben, ende mijnne straffinge is 'er alle morgen. Ps. LXXIII. 13. 14. Maer dit doet evenwel de Waerheyt van dese belofte niet te korte. Want I. De Alleryve-rigste arbeydere in het werck des Heeren hebben noch hare slappigheden, nalatigheden, misslagen, die op dns-danigh een maniere gecastijdet ende gebetert moeten worden. Eu het komt haer doorgaens daer van daen, om dat sy soo gebreckelijck in het werk des Heeren zijn. Hadden sy de gaven -Gods wat beter gebruickt, hy soudse haer rijckelijcker geven. Sterckten sy sich meer in haer allerheyligste geloove, gaven sy sich resoluter over aen het beleydt der Goddelijcker Voor-

ocr page 541

van Leeuwarden'. 637

sienigheyfc, liadden sy wat meerder liefde voor God om sijn handelingen omtrent haer ten goeden uit te leggen; sy souden soo veel ongerustheyt, en kommer, ende droeffenisse in haer harte niet hebben, II. Het gelieft Gode het Geloove, de Hope, de Liefde, de Lijd-saemheyt, de Moedigheyt, de Standtvastigheyt, de self verloocheninge van de sijnne, door so veel kommerlij-cke ontmoetingen te beproeven ende te oeffenen. Die sterren blincken alder-helderst in de nacht van tegen-spoet. En valt die proef wat hart, de oeffeningen wat bangh; wat noot is het? De loon sal daer na tegroo-ter zijn. III. Die alderkommerlijxte staet van de dienst-knegten Gods, heeft noch altoos soo veel genade in sich, dat sy die niet souden willen verwisselen voor de schijngeluckigste staet van Koningen ende Koninginnen deser aerde; die sy weten dienstknechten des Weerelts te zijn. Daer blijft altoos noch sulck een ondersteuninge van die trouwe handt des Heeren Jesu, dat sy niet tot wanhopelijcke moedeloosheyt vervallen. Daer flickert noch soo een kleyn bliekje van hope, dat sy dat aendeel het welcke sy mogelijck aen de genade hebben, ende misschien aen de Heerlijckheyt krijgen mochten, niet souden willen verkoopen voor al des weerelts schatten. quot;VVaerom reekent men dan sulk een staet soo ongeluckig ? IV. Is 't ook wonder dat de Vrome hier somwijllen hijgen, ende sweten ende moede zijn ? 't is noch in 't midden van haer arbeydt. En 't voornaemste van de loon, geeft God niet in 't midden, veel min in 't begin, maer op 't einde van haer werek. Sy krijgen altemet een penning op de handt, God

schenckt haer somwijllen een teugh uit sijn verfris-

*

ocr page 542

H. WiTZ Afscheydt

sende beker, om te moediger voort te gaen, maer 't eygentlijcke ende voornaemste loon spaert hy op het laeste. Men moet niet slegs beginnen, maer standtvas-tigb. ende onbeweeglijck, ende tot den eynde toe overvloedig zijn in des Heerenwerck; ende dan verwachten wat de Heere doen sal.

En dat sal wat greots zijn. O hoe groot is U goet, dat gy wegh gelegt hebt voor de gene die U vreesen: dat gy gewrocht heb voor de geene die op u betrouwen ! Ps. XXXI: 20. Hier wort alle welsprekenheyt stom in 't vertonen, hier schiet alle vernuft te kort in 't verbeelden; 'tverstandt des menschen, soo het nu is, is te eng om het te begrijpen; sijn wille te nauwe om het te bevatten, en alle sijnne machten machteloos om het ten vollen te genieten. Ja van oudts af en heeft men 't niet gehoort, noch met ooren vernoomen, noch geen ooge en heeft het gesien, behalven gy, o God, wat hy doen sal dien die op hem wacht. Jes. LXIV. 4. 't Sal niet minder wesen als een volmaeckte saligheyt. Saligh zijn sy, die, in den Heere geleeft hebben, in den Heere sterven, soo seght de Geest, op dat sy rusten mogen van haren arbeydt; en hare wercken volgen met haer, Openb. XIV: 13. Och kond ick U nu eens opvoeren na den Hemel, kond ick de gordijnnen van dat binnen hof eens open schuiven, kond ick u in den Geeste die ruime salen doen doorwandelen, daer de Patriarchen, ende Propheten, en de Apostelen des lams, en de salige Martelaren, ende soo veel duisent uitverkorene zielen, die haer tijdt in het werck des Heeren hebben uitgedient, nu leven ende sweven rontom de Throon Gods en des Lams, in alle bedenckelijcke vreugde

538

ocr page 543

van Leeuwarden*.

en blijdschap en do genoegen, aenschouwende God in het licht sijuner Heerlijckhoyt, sich verblijdende in aijnne vol rnaecktheden, verheerlijckende sijnne deugh-den, genietende sijnne Algenoegsaeinheyt, sonder ver-mengeling van ongenoegen, sonder vreese van veran-deringh eeuw in eeuw uit, in een vaste ende sich selfs altoos gelijokvonnigh zijnde gerustheyt; Kond ick u dese dingen van verre slags, ende gelijck als door een rete ende splete doen zien, soo soudet gy bekennen dat de moeyelijxte arbeydt van veele hondert jaren tien dubbel over door soo voortreffelijuk een loon versoetet was. En wie soude dan, voor soo kort een tijdt, in soo goat ende soet een werck, sijn Heere niet ten eynde toe willen getrouw zijn?

En gy behofciter geen twijfel aen te slaen of 't sal soo wesen. De ondankbare were1t mach de deugt haer loon onthouden: De quot;Weldadige ende trouwe God doet het nimmermeer. Klaegt aen wercksame ziele, wanneer sy op de werelt siet, Ik hebbe te vergeefs gearbeydt, ick hebbe mijnne kracht omiuttelijk ende ydelijk toe-gebragt: sy sal 'er evenwel mogen by doen, gewisse-lijk mijn regt is by den Heere; ende mijn werckloon is by mijnen God Jes. XLIX; 4. Het ware gelove, al so vast als het stelt dat God is, al so vast stelt het oock, dat hy een belooner is der gener die hem soe-cken. Heb. XI: 6. En wie heeft sich ooyt ten dienste Gods begeven, die niet al dadelijck de voorproeven van het loon gesmaekt heeft, tot een onderpant ende versekeringe van het volkomene?

Al wie dan tot dese dingen lust heeft, die breke ten spoedigsten de ydele arbeydt des weerelts ende der

539

ocr page 544

H. WiTZ Afscheydt

sonde af, die begeef sich van deser ure af tot het werck Gods ende Christi, in geloove, liefde, Heyligheyt, die voldure daer in tot den eynde toe, dien en late sich, noch door vervloekingen, noch door bedreygingen', aftrecken, verachtende soo wel des weerls gunste als rasernye, die verkloecke zich, om het soo te maec--ken, dat sijnne laeste wercken ende meerder ende beter ende geestelij cker wesen mogen als sijnne eerste; en dan verseker ick hem, sijn arbeydt sal niet ydel wesen in den Heere. So bidde ick u dan, Mijne Hartz-lieve Broeders ende Susters, ende alle die hier nu te samen gekomen zijt, om my voor het laeste noch eens als uw leeraer te horen spreken, en ick bidde het u om de liefde Gods, om de ingewanden van Ohristi barrnhartigheyt, om de liefde van tiw eygen behoude-nisse, en eeuwige zielen-welstandt, laet dit woort mijner vermaning tot uwe ooren, ende door de selve in het diepste van uw harte in gaen, Bouwet U selven op uw alderheiligste gelove, biddende in den Heyligen Geest: Bewaert U selven in de liefde Gods, verwag-tende de Barmhartigheyt onses Heer en Jesu Christi ten eeuwigen leven. Jud: 20, 21.

quot;Want siet, dus staet het met de sake. Indien gy niet wilt af breeken den woel des werels en der sonde, om u te begeven tot het werk Gods ende Christi: indien gy het selve aengevangen hebbende daer trouwloos-lijck weder uitscheit, en de bant aen de ploeg geslagen hebbende te rugge siet: indien gy u door de aentrec-kelijcheden des weerits, de verleydingen der sonde, de bedriegerijen des Satans wederom vervoeren laet tot een quade treyn des levens: indien gy ten laetsten u

540

ocr page 545

van Leeuwabden.

niet verpijnnen en wilt om hoe langer hoe overvloediger in het goede te zijn: Soo waerachtigh als de Heere leeft, gy suit sterven, en elendigh ommekomen: 't soude u beter wesen dat ghy nooyt van Grodt ende Christus, ende haer Heyligh ende Heerlijk werck ge-hoort haddet: ja 't soude die van Sodoma en Gomorra, die 'er nooyt soo toe genodight zijn, ten dage des laesten oordeels verdragelijker wesen dan u lieden. Mat. XI: 24. doch indien gy gewilligh zijt ende hoort, indien gy van nu voortaen het werck des Heeren vlijtigh ter handt neemt, ende afleggende alle last, en de sonde die lichtelijok omringt, met lijtsaemheyt loopt de loop-bane die U voorgcstelt is, en liever sterven soudet dan dat yemandt Uwen roem in Christo soude ydel mae-cken; soo waerachtigh als de Heere leeft, soo suit ghy eeuwigh leven. En dus neeme ick heden tegens u lieden tot getuigen den Hemel ende de aerde. Het leven ende de doodt heb ick u voorgestelt, den segen ende den vloeck: Kiest dan het leven, op dat gy levet, gy ende uw saet, Liefhebbende den Heere uwen God, sijnne stemme gehoorsaem zijnde, ende hem aenhangende: want hy is uw leven, en de lengte uwer dagen. Deut. XXX: 19, 20.

Hier mede maeckt ick nu een eynde van mijn openbaren dienst onder u lieden, en van al dien moeyelij-cken arbeydt die ick by'u bearbeydt hebbe onder de sonne, geduurende de tijdt van seven jaren, min eene maent. Met groote onvolmaektheyt en ghebreckelijck-heyt. Dat bekenne ick voor God, voor welcke niet te ontveynsen en is; en bidde die Hooghe Majesteyt, sy en rekenne het haren armen knecht niet toe. Dat belijde ick

B41

ocr page 546

H. Witz Afsclieydt

542

voor ul. en versoeoke dat tiwe toegeventheydt my sulckx ten goede houde. Maer met wat oprechtigheyt evenwel, met wat suivre sucht tot Gods eere, met wat har-telijcke liefde tot Uwe dierbare persoonen, met wat bekommeringe voor Uwe Geestelijcke w cis tandt, met wat yver om u toetebereyden, dat gy, als een reyne. Maegt, eenen manne mochtet voorgestelt worden, na-melijck Christo, met wat gebeden t'uwer saligheyt, ick liet werck mijnnes dienstes verrichtet hebbe, getuicbt my mijnne gewisse, en dat weet Hij die alle dingen weet. Gy lieden weet, van den eersten dag af dat ick in Frieslandt gekomen ben, hoe ick by U den ganschen tijdt geweest ben; Hoe ick niets achtergehouden hebbe het geene uuttich was, dat ick U niet en sonde verkondigt ende U geleert hebben in 't openbaer ende by de Huysen, betuigende beyde groote ende kleyne de be-keeriuge tot God ende het geloove in onsen Heere Jesum Christum. Hand. XX: 18, 20, 21. Want onse vermaninge en is niet geweest uit verleydinge, noch uyt onreynigheyt, noch met bedroch: Maer gelijck wy van God beproeft zijn geweest, dat ons het Euangelium soude, toebetrouwt worden; alsoo hebben wy gesproken, niet als menschen behagende, maer Gode die onse herten beproeft. Want wy hebben nooyt met pluimstrijc-kende Woorden omgegaen, gelijck gy weet, noch met enich bedecksel van gierigheyt. 1 Thes. II: 3, 4, 5. Ick wiste wat nauwe last ick van mijn Groote Meester ont-fangen hadde, om noch ter rechter, noch ter slincker handt af te wijeken van het voorschrift dat my voorgestelt was, en daer noch toe noch af te doen. Deut. XII; 32. Ick wiste met hoeswaer een dreygement God

ocr page 547

van Leeuwarden.

543

sjjn Schriften besloten, ende als versegelt hadde. Indien yemandt hier toedoet, God sal over hem toedoen die plagen, die in dit boeck geschreven zijn. En indien yeraant afdoet vau de woorden deses boex, God sal sijn deel afdoen uit dat boeck des levens, en uit de Heylige Stadt ende nit het geene in dit boeck geschreven is. Open. XX: 18, 19. Nu soo was het verderf Gods by my een schrick en ick vermocht niet van wegen sijnne Hoogheyt. Job XXX: 23. 'k En durve voorwaer niet loghenen, of de verdurventheyt der tijden, endeboos-heyt van sommige menschen, die de gesonde woorden Gods niet verdragen konden, souden my somwijlen by na kleynmoedigh hebben gemaeckt, en het scheelde te met niet veel of ik seyde in mijn selve, met die ver-haeste woorden Jeremie: Ick en sal sijnner niet meer gedencken. ende ick en sal niet meer soo in sijnen name spreecken: Maer wat had het te beduiden? 't Wierd in mijn harte als een brandende vier, besloten in mijnne beenderen ; ick bemoeyde my wel te verdragen, maer ick en konde niet. Jer. XX : 9. Als my dan de Majesteyt van mijnne aenbiddelijcke Heere, de eysch des dienstes die ick aengedaen aengenomen hadde om te vervullen, de kostelijckheyt der zielen die my mede aenbevolen waren, en voor welcke ick na mijn deel oock moste instaen, het voorbeeldt van de 4?ro-pheten ende Apostelen, en ja ook van mijn tegenwoordige Trouwe Mede-dienstknechten, te binnen quam, soo schepte ick weder moed ende ick seyde in mijn harte; Daer kome af wat wil of kan: Neen, Mijn ziele, Gode niet ontrouw te zijn om menschen te behagen. Sal een Bileam, een huurlingh die den loon der on-

ocr page 548

H. Wits Afscheydt

544

gerechtighej't heeft lief gehadt, 2 Pet. II: ] 5 tot een Koninck seggen: Wanneer my Balack sijn huis vol silvers ende goudts gave, soo en kan ick het bevel des Heeren niet overtreden, doende goet ofte quaet uit mijn eygen harte; dat de Heere spreken sal dat sal ick sproken. Num. XXIV: 13. En soud ick, die mijn--nen God uit liefde dienen wil, sijn woort vervalschen, en te koop dragen, en na de ketelaghtigheyt van jeuc-kerige ooren wanschicken ? Dat late de Heere verre van sijnne knecht zijn. Waeren er dan stoute sondaers te bestraffen, reuckeloose dronckaerts wacker te maken, waenwijse schijnheylige te overtuigen, onbondige loshoofden in te toomem, dartele wereltwichten vervaert te maken, gaerne heb ick den Heere mijn tonge daer toe geleent; en wat ick versinnen konde daer toe dien-stigh,.te wesen, in 't openbaer en in 't besonder, vry-moedigh bygebracht. Maer ick bekenne het, dan was ick best in mijn schick wanneer ick bekommerde harten te rechte brengen, verlegene zielen troosten, of de ge-heylichde verder aenspooren, en de vertrooste des Geestes, en de vervrolijckte Ghristi, tot juichen in den Heere opwecken mochte. Als ick de verruckens machtige volraaekt-heden mijnnes Gods, ende onuitputtelijcke rijckdom der genade Jesu Ghristi, en de lieffelijckheden van de vertroostingen des Heyligen Geestes, en de aenlocke-lijke schoonheden der Hemelscher Heyligheyt, en de innigheden des Verburgenen Christendoms, en de soe-tigheden van de gemeensaemheyt eener devoter ziele met God, en de leckernijen van des Heeren Geestelijcke Eetzael ende Wijnkelder, en watter meer tot dat ge-heyme behoort, dat tusschen de Heere Jesus, en een

ocr page 549

van Leeuwaeden.

Godvrugtig harte oramegaet, te vertonen hadde, dan scheen ick eerst te leven, en niets was my aéngenamer, als my selve, ende die my hoorden, soo op te trecken in de liefde Gods ende Jesu. Waren my dan vleugelen eener duive of eener arend bygeset geweest, ende had ick'er U alle konnen opneemen om met my ten Hemel-waert to steygeren, niet een eenige van TJ had ick hier beneden op der aerde laten staen.

In dese lieffelijcke besigheyt ontrent U L. had ick al mijn leefdagen wel willen toebrengen, indien het des Keeren wille soo geweest ware. Na geen veranderinge heb ik gestaen, noch getrachtet: 'k en hadder oock, bysonderlijck soo als de saken sich tegenwoordigh opdoen, geen reden toe. De Oude stormen zijn uitge-ruist; en een gewenschte Kalmte is in plaetse gekomen. De gansche gemeente is in ruste, de Leeraers onder malkanderen soo eens gesint ten goede als ergens, de Opsienders der Kercke in aengename eendracht verbonden , het onderling verstandt van de Achtbare Magistraet ende Eerwaerde Kerokenraet soo heüche-lijck dat wy slechts om de duursaemheyt des selven te bidden hebben, en, soo ick my selve niet te veel toe-schrijve; ik en hebbe geen verwenschelijcke deel in de toegenegentheyt van kleene en van groote. Was het dan geen dartelheyt geweest soo ick na een ander standt plaetse gehaeckt, ende gehunckert hadde? Ook derf ick hier vrijmoedigh spreken, en ick beroeppe my op de conscientie aller der geener, die in d'een of d'ander, van beyde de bedieningen die my opgedragen zijn, te seggen hebben gehadt, of ick yemant haerder met het alderminste woort daer toe versocht hebbe.

545

ocr page 550

H. WiTZ Afischeydt

B46

Maer doe het den Heere Prince, onsen Doorluchtigen Erf Stadthouder, en de Hoog machten van den Lande geliefde, my met eenparige stemmen te verkiesen tot do Professie der Heyliger Theologie in hare Academie, en de Kerckenraet van Franeker, my, met gelijcke eenparigheyt, beriep tot den Kerckendienst aldaer, heb ick de sake met God, en niet Wijse, Godvruchtige, en der Kercken welstandt behartigende mannen, overge-leydt; en niet een eenige onder die alle zijnde, welcke my ried en moedigde de aengebodene bedieninge aen te nemen, heb ick geoordeelt dat ick de stemme Gods, in dit wonderlijcke beleydt sijnner voorsienigheyt, moste erkennen, en hebbe my bewogen gevonden, om Gode, en de Hooge Machten, en de Kercke, op sooda-nigh een wijse als het my voor quarn te dienen. Deed ick dit om dat ick U niet lief en hebbe'? De Heere weet het. Neen, LEEUWARDEN, eerder sal mijn rechterhandt hares selfs vergeten, eerder sal mijn tonge aen mijn gehemelte kleven, eer ick nalaten sal Uwer in der minne te gedencken, en, daer het te passé komt Uwen Lof te melden. Mijn gebedt sal noch dagelijx tot God t' Uwer saligheyt zijn. En schoon ick niet langer binnen Uwe wallen woonen sal, soo hoop ick echter u noch meerder dienst te doen, dan voorheen : en sulcke spruyten op te queeken, onder welckers schaduwe gy U nog verlustigen suit, en welckers vrucht U gehemelte sal soete zijn. Sendt my Uwe Soonen, die gy Gode hebt toegewijt, ick sal haer des Heeren vreese leeren, en een Gods-geleertheyt soecken in te scherpen, die enckelijck op Gods onfeylbaer quot;Woort gegrondet, ende daer uit gehaelt zijnde, een vyandinne

ocr page 551

van Leeuwarden.

van alle scheurmakende kibbelsucht, en verwaende lust tot Nieuwigheyt, een Moeder ende Voestersse van Vreed-same ende stille Godsaligheyt zy. Alle mijnne Leerlingen sullen my weert zijn, en geen vlijt, geen moeyte wil ick voor de selve sparen. Maer 't geene my van U ende de Uwe sal toekomen, belove ick met een son-derlinge teerhartigheyt te bosorgen, om op dusdanigh een maniere die liefde te vergelden, waer mede gy my omhelst hebt in Ohristo Jesu.

Maer het wort, wat seg ik, wort? 'tis al over tijdt dat ick besluite, ende ick hebbe U reedts veel langer als na gewoonte opgehouden. Vergeef my dit ongelijck. 'k En kan soo ras niet afbreecken. En dat nare Vaer wel wil'er soo noode uit. Het harte breeckt my als ick daer aen denck. De moedt beswijckt my. De stemme die wort weeck; en ick en weet niet hoe ick het daer noch ten laesten sal uit krijgen. 'tMoet echter zijn, ende daerom noch eens Couragie, mijnne ziele.

Vaer quot;Wel dan, Edele ende Mogende Heeren, die de sorge van de Welstandt der Staet, en de Bedieninge van Recht en Geregtigheyt is aenbevolen; ick dancke U voor die gunstige Bescherminge, onder welcke wy het werck des Heeren, niet ongeluckiglijck, hebben mogen verrichten. Laet my toe dat ick U voor het laeste die vermaninge te binnen brenge, die Koningh Josaphat aen de Bichteren gaf: 2 Chron. XIX: 6, 7. Siet wat gy doet; want gy en houdet het gerigte niet met den mensche, maer den Heere, en hy is by U in de saken van 't gerichte. Nu dan de verschrickinge des Heeren zy op u lieden, neemet waer ende doet het; want by den Heere onsen God en is geen onrecht,

547

ocr page 552

H. WiTz Afscheydt

nochte aenneminge van persoenen, nochte ontfanginge van geschencken.

Vaer wel, Achtbare Regenten van dese Loffelijcke Stadt, het Puick pronck deser Provincie, ick dancke U voor die toegenegentheyt, en achting?, en datgoet onthael, uit die beyde gesproten, waer mede gy mijn persoon ende dienst bejegent hebt. De Heere make Uwe Soonen als planten, welcke groot geworden zijn in hare jeucht: Uwe dochters als hoeksteenen uitgehouwen na de gelijkenisse van een Paleys: Dat Uwe winckels, vol zijnde, den eenen voorraet na den anderen uitgeven: dat geen inbreueke, noch geen uitval, noch geen gekrijsch op uwe straten en zy: dat men een liedt van TJ make ende singe, Wel gelucksalig is het volck dien het alsoo gaet: wel gelucksalich is het volck diens God de Heere is. Ps. CXLIV: 12, 13, 14, 15. Besorgt al voorts dat het Koninckrijcke Christi binnen Uwe muuren bloeye, en geeft sijn Knechten nooyt reden om over U te klagen by onser aller ge-meener Heere: maer veel meer stoffe om te dancken, dat sy soo welmenende, soo Vrome, soo der Kercke toegenegene Overheden ontfangen hebben. En dan sullen die van de Stadt bloeyen als het kruidt der aerde. Ps. LXXII: 6.

Vaer wel. Mijn Overdierbare Mede-Broeders ende Trouwe Ampt-genoten, Waer sal ick woorden van daen halen, om U na behooren, ende na de wensch mijnnes harten te bedancken, voor al die geleerde, deftige, Beweeglijcke Predikatien, die ick soo dickwils uit Uwen monde gehoort heb; voor al die welberadene, wijse, en tot ruste ende stichtinge streckende advisen, daer mijn

548

ocr page 553

van Leeuwarden. 549

onbedrevene onervaren tlieyt soo vtel uit geleert heeft; voor die opweckende Exempelen van allerley Chris-telijcke Denohtsaemlieyt, die my soo menichmael tot overtuiginge ende opschranderinge gestreckt hebben; voor die voorsichtige yver, en yverige voorsichtigheyt in het waememen des gansch'en dienstes, waer in gy my zijt voorgegaen; voor die soete, vreedtsame, en recht Broederlijck ommegangh, en gemeensame vrient-schap, waer mede gy my vereert hebt; met een woort voor al dat eerlijcke, genuchlijcke ende profiittelijoke goet, dat ick van U ontfangen hebben ? Allesins schiet ick hier te korte, Mijne Broeders; Mijn bewegingen zijn beneden uwe verdiensten, en mijn Woorden verre beneden mijnne bewegingen, 't En is niet sonder eene geweldige scheure, dat ick van u werd afgeruckt, en ick en kan niet van u scheyden, sonder elck uwer eerst toe te schreyen, Ick ben benaut dat ik u missen moet, Mijn Broeder Jonathan; gy waert my seer lief-felijck, uwe liefde was my wonderlijcker dan de liefde der wijven. 2 Sam. I: 26. De Heere vergelde u al het goede dat gy sijnnen Huise in het gemeen, ende my in het bysonder gedaen hebt: en geve U dat ghy barmhartigheyt vindet by den Heere in dien dag. 2 Tim. I: 18. Ga soo in der Liefde voort, mijnne Broeders, quot;Weydet de kudde Gods die onder U is, hebbende opsicht daer over, niet uit bedwangh, maer gewillich-lijck; noch om vuil gewin, maer met een volveerdigh gemoet: noch als heerschappye voerende over het erfdeel des Heeren; maer als voorbeelden der kudde geworden zijnde. Ende als de Overste Herder ver-scheenen sal zijn, soo suit ghy de onverwelckelijcke

ocr page 554

H. quot;Wits Afscheydt

kroone der Heerlijklieyt behalen. 1 Petr. V: 2, 3,4, 6.

Vaer wel, Eerwaerde Ouderlingen, die met ons des Heeren jock gedragen, ende de saken der Kercke soo wel ende wijslijck hebt helpen stieren, en Gy Besorgde Besorgers der Armen, ick dancke oock UL. voor het vreedsame en stichtelijcke uwer bywoninge, en bidde God dat hy u den arbeydt uwer liefde genadelijck en rijckelijck vergelde. De Heere doe U komen en op de Hoogte van Zion juichen, en toevloeyen tot sijn goet, en make Uwe ziele als een gewaterde hof. Jerem. XXXI: 12. Hy segene rijckelijck Uwen kost, en ver-sadige Uwe noodtdruftige met broodt. Ps. CXXXII: 15. Ga soo voort, en verkloeck u meer en meer om den dienst die gy aengenomen hebt in den Heere te vervullen. Col. IV: 17. Zijt den blinden tot oogen, en den kreupelen tot voeten, zijt den nootdruftigen tot Vaders, en het geschil dat gy niet wetet ondersoeckt dat. Job XXIX: 15, 16.

Vaer eyndelijck wel, Gy mijnne beminde Broeders ende Snsters alle te samen, Groote ende kleyne, Rijcke ende arme. Oude ende jonge, Ick dancke u voor die overvloedige Liefde waer mede gy my steeds verquickt hebt, en waer van ick bysonderlijck dese dagen, soo veel ende krachtige blije,ken gesien hebbe, en noch te deser uur sie en hoore, aen die tranen ende dat ge-sucht waer mede gy dese mijnne laetste redenen vereert. Ick bevele U nu Gode ende den quot;Woorde sijnner genade, die machtigh is U op te bouwen, ende U een erfdeel te geven onder alle de geheyligde. Hand. XX: 32. De God aller genade, die ons geroepen heeft tot sijnne eeuwige Heerlijckheyt in Christo Jesu, na dat

550

ocr page 555

van Leeuwarden.

551

wy een weynich tijt sullen geleden hebben, de selve volmake, bevestige, verstercke, en fondere n lieden. 1 Pet. V: 10. Hy heylige U geheel ende al, en U gehele oprechte Geest, en ziele, en liohaem worde onbe-rispelijck bewaert in de toekomste onses Heeren Jesu Christi. 1 Thes. V: 23. Hy vervulle die plaetse die nu ledigh wort, door mijn vertreck, en de andere die noch ledigh staet, door de onverwachte doot van die waerde man, D. JOHANNES TEELINCK, welcke maer als een blixem onder u gescheenen heeft, met mannen na sijn herte, toegerustet ten geestelijcken krijge, gelijck het paerdt sijnner Majesteyt in den strijdt. Zach. X: 3, die vry zijnde van mijnne swackheden, en met veel rijcker mate des Geestes vervult, u bondiger leeren, krachtiger roeren, wijser bestieren, Heyliger voorgaen, als ick helaes! in soo groot een onvolmaecktheyt hebbe konnen doen. En wie u oock souden mogen toegeson-den werden, ende van waer, so sy maer trouw zijn, ende God vresen ontfangtse in den Heere met alle blijdschap; en houd se in waerde Phil. II: ?9. Ick be-spreke mijnnen nasaet al dat gedeelte van toegenegent-heyt, 't zij dan so kleyn ende soo groot als het is dat ick by [J lieden gehadt hebbe. Maer die Kostelijcke Mannen, die Beproefde in den Heere, die Godureedts gegeven heeft, en waer door hy dese Gemeente, boven soo veel andere, ik had by na geseydt, boven alle andere die ick ken, geluckigh gemaeckt heeft, weest die gehoorsaem en onderdanigh : want sy waken voor Uwe zielen, als die rekenschap geven sullen. Heb. XIII: 17. Ontvangt uit haren monde met sachtmoedigheyt, het woordt dat in u geplant wort, 't welck Uwe zielen

ocr page 556

BB2 H. WiTZ Afscheydt van Leeuwarden.

kan saligh maken. Jac. I; 21. Voorts Broeders, al wat waerachtig is, al wat eerlijck is, al wat r echt veer digh is, al wat reyn is, al wat lieffeUjek is, al wat wel luit, soo daer eenige deugt is, ende soo daer eenige lof is, dat selve bedenckt. 't Gene gy oock gel eert, en ontfan-gen, en gehoort, ende in my gesien hebt, dat doet: en de God des vredes sal met U zijn. Phil. IV: 8,- 9. Al-; leenlijck wandelt waerdiglijck den Euangelio Christi, op dat, het zy ick kome ende u sie, het zy ick af-wesich ben, ick van uwe saken mach hooren, dat gy staet in eenen Geest, met een gemoedt gesamentlijok strijdende door het geloove des Euangeliums. Phil. I: 23. Siet toe voor u selven dat wy niet verliesen het geene wy gearbeydt hebben, maer eenen vollen loon. mogen ontfangen. 2 Joh. vs. 8. En om ten laetsten te besluiten. (Maer hoe beswaerlijck kan ick tot besluyten komen?) Ick eyndige met de Salige wensch des Hey-ligen Apostels, Heb. XIII: 20. De God nu des vredes, die den Grooten Herder der Schapen door het bloedt des Eeuwigen Testamentes uit den dooden heeft weder-gebracht, namelijk onsen Heere Jesum Christum ; die volmake u in allen goede wercke, op dat gy sijnnen wille meugt doen, werckende in u het geene voor hom welbehagelijck is door Jesum Christum: den welcken zy de Heerlijckheyt in alle eeuwigheyt. Amen.

E Y N D E.

ocr page 557
ocr page 558
ocr page 559
ocr page 560