ocr page 1

V. quot; • \

DE HOOFDZAKEN

DEU

NEDERLANDSChE SPRAAKKUNST

tan behoeve van

GYMNASIA en HOOGEEE BURGERSCHOLEN

D.\ F. A. STOETT.

• o (f)'. ^Z {i*pc) .

li) ' d

ocr page 2

U33J.13AO llflZ Xz

ocr page 3

DE HOOFDZAKEN

DER

NEDERLANDSCHE SPRAAKKUNST

Z U T F !•: N ,

W. ,1. TfllEME amp; Cie.

(C. SCIIILIvEMANS.)

1892.

ten behoeve van

GYMNASIA en HOOGEEE BURGERSCHOLEN

DOOR

Dr. F. A. STOETT

ocr page 4
ocr page 5

VOORBERICHT.

Over het algemeen vinden leerlingen de lessen in de spraakkunst vervelend en, worden ze meer dan noodig is geplaagd niet gram-inatieale wetenswaardigheden , dan krijgen zij weldra een zekeren weerzin in de studie hunner moedertaal, waarvoor juist liefde b hen moet worden opgewekt.

Er wordt dikwijls op de sehool te veel tijd besteed aan allerlei wel nuttige doch minder n o o d i g e zaken, met het gevolg, dat er weinig tijd overschiet voor de behandeling der levende taal. Voor toekomstige onderwijzers moge eene uitvoerige behandeling der spraakkunst zeer nuttig zijn, voor onze leerlingen is dat minder het geval. Met goed lezen, goed spreken, en goede stijloefeningen zullen zij het verder brengen dan met vele grammatische studiën. Hun taalgevoel wordt beter ontwikkeld door het lezen van goede schrijvers, het behandelen van de woordenkeus gt; tegenstellingen, synoniemen enz., en het mondeling en schriftelijk weergeven van het gelezene, dan door tal van spraakkunstige oefeningen.

Do leerlingen zijn niet op de school om taalgeleerden te worden, doch in de eerste plaats, om zich voor de praktijk te bekwamen. Wie lust heeft en er zich toe geroepen gevoelt, kan zich later nog genoeg in allerlei taalkwesties verdiepen.

ocr page 6

Ik heb daarom getracht een boekje samen te stellen, waarin niets meer voorkomt, dan wat voor de praktijk noodigis; wellicht staat er nog te veel in. Alles wat ieder beschaafd leerling van een Gymnasium of eene Hoogere Burgerschool van zelf weet, is weggelaten , bijv. ile gewone verbuiging van het lidwoord en het bijvoeglijk naamwoord , de gevallen waarin een bijvoeglijk naamwoord onverbogen blijft, de regelmatige vervoeging van het werkwoord enz. De verbuiging van de voornaamwoorden is volledig opgegeven, daar de ondervinding mij heeft geleerd, dat de leerlingen zich daarin meermalen vergissen.

De leer van den volzin is zeer beknopt behandeld; niets meer dan hoofdzaken zijn aangestipt en met eenige voorbeelden toe gelicht. Naar volledigheid heb ik dan ook met opzet niet gestreefd.

Al moge ook de studie van de leer van den volzin eene uitnemende oefening zijn in het logisch denken , dit middel is voor de leerlingen minder aangenaam. Behandeling van synoniemen, het zoeken van gepaste bijv. naamwoorden bij gegeven zelfstandige naamwoorden, tegenstellingen, enz. zijn even zoovele middelen om het denkvermogen te scherpen en zijn minder vervelend bevonden dan zinsontledingen.

Het geheele boekje kan gemakkelijk in twee jaar grondig doorgewerkt worden, zoodat er in dien tijd zelfs nog uren genoeg overblijven voor lezen en schrijven. De overige jaren kunnen dan besteed worden aan stijl- en spreekoefeningen, aan het lezen van stukken onzer beste schrijvers, ook uit vroeger tijd , en , indien dit noodig blijkt, aan herhaling van het geleerde.

F. A. S.

Amsterdam, 15 Maart '92.

ocr page 7

HOOFDSTUK 1.

De Spelling.

1. Een woord bestaat uit een zeker aantal letterteekens, die men in klinkers {vocalen) en medeklinkers {consonanten) verdeelt. De klinkers zijn: a {act), e (ee), i {ie), o {oo), u {au), oe, eu. Men onderscheidt ze in vólkomen en onvolkomen klinkers.

2. Komen de volkomen klinkers in eene gefiloten lettergreep voor, d. i. eene lettergreep, die op een medeldinlcev eindigt, dan worden ze door een clubbei letterteeken voorgesteld en ook wel gerelde klinkers genoemd: baak, leer, kiel, boor, muur, boerf keur.

Voor de u.) wordt de n echter niet verdubbeld: ruw, scha-duw, schuw, xeriuw.

3. De volkomen klinkers staan verder altijd in open lettergrepen, d. z. lettergrepen, die op een klinker eindigen. In dit geval worden de volkomen e en o dikwijls door een dubbel letterteeken {ee, oo) voorgesteld: daken, beken, deden, dieven, logen, hooren, muren, boeken, geuren.

Alleen voor den verkleiningsuitgang tje wordt ook de a verdubbeld; papaatje, laatje (verklw. van lade).

1

ocr page 8

2

4. De onvolkomen klinkers staan altijd in gesloten lettergrepen en worden door een enkel letterteeken voorgesteld: hak,

xet, rit, pot, put.

5. De volkomen e wordt in open lettergrepen door een enkel letterteeken voorgesteld:

a. in alle open lettergrepen der sterke werkwoorden (uitgezonderd heeten, genoemd worden): breken, steken, stelen, cje-(jrepen, gesmeten, zij leden, ivij prezen. Ook in de open lettergrepen van die werkwoorden, welke vroeger sterk waren, doch thans geheel of gedeeltelijk zwak zijn geworden, schrijft men eene enkele e: (ver)helen {verholen)-, ontberen (van beren, waarvan nog geboren)-, weven (geweven), enz.

b. in alle woorden, welke met sterke werkwoorden samenhangen ; leger (naast liggen); bede (naast bidden); hevig (naast heffen); kreten (meerv. van kreet, naast krijten).

c. in alle woorden, waarin zij met de onvolkomen e afwisselt: deken (naast dekken)-, klepel (naast kleppen); lepel (naast leppen)-, mede (naast met)-, schepel (naast scheppen).

d. in alle woorden, waarin zy in de schrijftaal of in de spreektaal met eu afwisselt: sneven (naast sneuvelen)-, stenen (naast steunen)-, spelen (naast speulen).

e. in alle woorden, waarin zij afwisselt met eene a of eene i in een verwant woord: beter (naast baten); vegen (naast vagen, uitvaagsel)-, veren (naast varen); bede (naast bidden)-, gene (naast ginds); snede (naast snit).

f. in alle woorden, die in het Fransch eene e of i vertoonen: neger (fr. negrc); profeten (fr. prophete)-, leveren (fr. livrer); ledekant (fr. lit de camp), enz.

g. in alle woorden, die in het Hoogduitach eene a, e, of ï vertoonen:

beek, beken (hd. bach); menig (hd. manah); nering (hd. nahrung); geel, gele (hd. gdb); hemel (hd. lummel); schemeren (hd. schimmern).

ocr page 9

3

6. De volkomen e wordt in open lettergrepen door een dubbel letterteeken voorgesteld:

a. in alle woorden, waarin zij met ei afwisselt: breeds (naast verbreiden)-, heelen (naast heil, Heiland)-, rjereede (naast bereiden).

Uitgezonderd op dezen regel is het meervond van het achtervoegsel heid, nl. heden : waarAe/rf, \\'aa.rheden.

b. in alle woorden, waarin zij ontstaan is door samentrekking: l iveelen (uit kivedelen); leege {mi ledige); preeken (\\\t prediken).

c. in alle open éénlettergrepige woorden: thee, twee, xee.

d. in de achtervoegsels eel, ees, eesch en eeren: kasteel, hasteelen; iooneel, tooneelen, tooneelist; Chinees, Chineexen, Chineesche; dineercn, trotseeren.

e. iu alle woorden, die in het Hoogduitsch eene ei vertoonen: Jdeed{en) (hd. kleid); gemccn(c) (hd. gemeiri); sehecdc (JaA. scheide): smeeken (lid. schmeicheln); xeep(en) (hd. scife); xiceeHeri) (hd. schiceisx).

7. Men lette op het verschil in schrijfwijze der volgende woorden:

beren {verscheurende dieren en schulden) — beeren (varkens). delen [planken, dorsehvloeren) — deeleu {gedeelten).

jjene (aanw. voornw.) — geeiie {niet eene).

helen {verbergen) — heelen {genezen).

rede {verstand, redevoering) — reede {ligplaats voor schepen).

slepen (onoverg. wkw.) — sleepen (overg. wkw.).

veren (meerv. van veer, plaats, waar men over eene rivier

wordt gezet) — veeren (— vederen).

vegen (werkw.) — veege {stervende).

weken (meerv. v. iveek) — weeken {week maken).

wezen (werkw.) — weezen [ouderlooxe kinderen).

ocr page 10

4

8. De volkomeu o wordt in open lettergrepen door een enkeï letterteeken voorgesteld:

n. in alle open lettergrepen der .sterke werkwoorden, uitgezonderd hopen en stooten: wij boden, kropen, roken, vloden.

b. in alle woorden, welke met sterke werkwoorden samenhangen: hoog, meer/, hogen (van hnigen); logen (van liegen); sproke (van spreken).

Sommige woorden hebben, niettegenstaande hunnen samenhang met een sterk werkwoord, toch eene dubbele o, zooals: kloot en (naast klieven); loochenen (naast liegen); xoogen (naast xuicgen).

c. in alle woorden, waarin zij met do onvolkomen o afwisselt: broxe naast bros; grove naast grof; schoten naast schot;'sloten naast slot.

Uitgezonderd zijn o. a.: doove (naast dof); knoop en (naast knop); looxe (naast los); loover (naast lof).

d. in alle woorden, waarin zij in de schrijftaal of in de spreektaal met eu afwisselt; goten (naast geuten); joken (naast jeuken); opsporen (naast bespeuren, naspeuren); toog, togen (naast teug). Uitgezonderd is bloode naast bleu.

e. in alle woorden, waarin zij in het Fransch niet aan au beantwoordt: abrikoos, abrikozen (fr. abricot); kantoor, kantoren {h. comptoir); mode (fr. mode); toon, tonen (fr. ton); troon, tronen (fr. tröne).

f. in alle woorden, waarin zij in het Hoogduitsch aan eene u of ft beantwoordt: boter (lid. butler); klove (lid. kluft); kogel {hamp;. kugel); molen (hd. mühlé).

9. De volkomen o wordt in ojien lettergrepen door een dubbel letterteeken voorgesteld:

a. in alle woorden, waar zij is ontstaau door samentrekking: door, dooren (uit doder en); oolijk (uit odelijk), zoo (uit xode, zoowel gras xode als eene xode (gewoonlijk xoo of xooi) visch).

b. in alle open éénlettergrepige woorden; stroo, rloo, zoo.

ocr page 11

c. in de verbogen vormen der achtervoegsels loos en genoot: mulerlooxe, tochtgenooten.

cl. in de woorden, waarin zij in het Fransch aan au beantwoordt: Moor, Mooren (fr. Maure); verpooxen (fr. pause); poo oer (fr. pauvre).

e. in de woorden, waarin zij in het Hoogduitsch aan au of au beantwoordt: hoorn, hoornen (hd. haum); hoop, ophoopen (hd. haufen); loochenen (hd. liiuchneri); rooken (hd. rauchen); zoom, zoomen (hd. saum, sciumen).

10. Men lette op het verschil in schrijfwijze van de volgende woorden:

hopen [verwachten) — hoopen {opstapelen en meerv. van

hoop, stapel).

horen (znw.) — liooreh (werkw.).

kloven (meerv. van kloof, klove) — klooven (werkw.).

kolen {brandstof) — kooien {groente).

kozen (van kiexeiï) — liefkoozen.

poten (werkw. planten) — pooten (meerv. van poot).

schoten (meerv, van schot) — schooten (meerv. van schoot,

van een zeil of een kleed).

sloten (van sluiten en meerv. van slot) -- slooten (meerv. van sloot).

sloven (meerv. van .s/oo/'(sukkel) en werkw. in xich afclovoi) —

sloovcn (meerv. van sloof, voorschoot).

tonen (in de muziek) — toonen (werkw. en meerv. van toon, teen), tronen (meerv. van troon) — troonen (werkw. in meetroonen). zogen (van zuigen) — zoogen (laten zuigen).

11. De volkomen i wordt in open zoowel als in gesloten lettergrepen gewoonlijk voorgesteld door ie.

De schrijfwijze 1 treft men slechts aan in de maandnamen Januari, Februari, Juni en Juli; in den uitgang isch: dramatisch, komisch, laconisch, benevens in kievit, meerv. kieviten.

ocr page 12

6

12. De ie wordt geschreven:

a. op het einde der woorden: galanterie, melodie, tralie. Uitgezonderd zijn de in § 11 genoemde maandnamen.

In het meervoud van die woorden, waar de klemtoon niet op de ie rust, wordt de volkomen i voorgesteld door het enkel letterteeken i: ólie, meerv. oliën; provincie, meerv. provinciën tralie, meerv. traliën; doch reliqme, meerv. reliquiêën ; melodie, melodieën, enz., omdat hier de klemtoon op de ie valt.

b. in de uitgangen ief, iek, ier, iet: massief, republiekr grenadier, tuinier, Jezuïet, Israëliet.

Deze uitgangen hebben alle den klemtoon; verliezen zij dien, dan wordt de volkomen i wederom voorgesteld door eeu enkel letterteeken: republikéin; Jezuïtisme; muxiéh naast muxikëmt; fabriek naast fabrikant..

De Tweeklanken.

13. Onder tweeklanken of diphtongen verstaat men eene verbinding van twee klinkers. In het Nederlandsch bestaan de volgende tweeklanken; ai, ei, ij, ui, au en ou; benevens de lange tweeklanken aai, ooi, oei, aau (alleen in miaamc),, een, ieu.

14. De ei schrijft men:

a. in die woorden, waarin zij met ee afwisselt: verbreiden (naast verbreeden); bereiden (naast gereed); klein (naast Meen).

b. in die woorden, waarin zij is ontstaan uit ag of eg (gevolgd door eene e): gexeid (uit gexeged, gezegd); xeü (uit xegel); teil (bord, uit tegel); heining (uit hagening).

ocr page 13

7

c. in die woorden, waarin zij in 't Fransch aan ai, «ofeebeantwoordt: feit (fr. fait)-, paleis (fr. palais); marsepein (fr. masscpain); pleixier (fr. plaisir); trein (fr. train)-, pastei (fr. paté voor pasté); cichorei (fr. chieorée); karwei (fr. corvée); livrei (fr. Iivrée]; vallei (fr, vallee).

15. De ij wordt geschreven:

a. in alle vormen der sterke werkwoorden, uitgezonderd scheiden, zooals: blijven, kijven, rijgen, snijden, ivrijven.

b. in alle woorden, verwant met sterke werkwoorden; hierop zijn uitgezonderd: beitel naast bijten (dat oorspronkelijk splijten, hakken beteekent, vgl. eene bijt in het ijs); leiden naast lijden (gaan, zooals nog in overlijden, jongstleden, het bjdt niet lang); neigen naast nijgen; reizen naast rijzen; steiger, steigeren naast, stijgen.

c. in die woorden, waarin zij in het Fransch san eene i beantwoordt; fijn (fr. fm); jasmijn (fr. jasmin)-, partij (fr. parti)-, prijs (fr. prix); sij/elen (fr. siffler); termijn (fr. ter min).

d. in het achtervoegsel ij, beantwoordende aan 't fr. ie, zooals galerij, fr. galerie; en verder in alle woorden met ditzelfde achtervoegsel, zonder van Franschen oorsprong te zijn: bakkerij, fopperij, schilderij, enz.

16. Men lette op het verschil in schrijfwijze van de volgende woorden:

bij [insect) — bei (aardbei).

fijt (ziveer) — feit (fr. fait).

ijken (van maten en gewichten) — eiken (meerv. van eik). lijden (ondergaan) — leiden {voeren).

mijn (fr. mine en voornw.) — meineed (valsche eed).

mijt (hoop, bijv. houtmijt) — meid.

nijgen (eene buiging maken) — neigen (in alle andere gevallen), pijl (wapen) — peil (hongternerk van den ivaterstand). rij (reeks) — vei (dans, xang, koor).

rijzen (omhoog gaan) — reizen (eene reis doen).

ocr page 14

stijl (fr. siijle) — steil {rechtstandig).

vijl (ivcrktuifj) — veil {te hoop).

vijlen (van vijl, werktuig) — veilen (rerkoopcii).

vlijen {xacht neerleggen, roegen) — vleien (flikflooien, naar den mond praten).

De Medeklinkers.

17. De medeklinkers {consonanten) worden verdeeld in :

a. scherpe medeklinkers /, k, f1 s, ch, p.

b. zachte » d, (n)g, v, x, g b.

c. vloeiende » l, m, n, r.

d. sisletters s, %.

De h en ch worden dikwijls niet uitgesproken en dan stomme medeklinkers genoemd: thuis, thans, althans, theater, thee; ruischen, visschen, wasschen, vleesch (meerv. vleexen). ■

Vreemde letters zijn de c, q, X, y; zij komen, behalve de c in de verbinding ch, alleen in vreemde woorden en eigennamen voor: cirkel, circus; quadraat, quintet; excellentie, expeditie, X.agt;itippe; cgcloop, gymnasium, Pythagoras, Deliuyter.

18. Sommige medeklinkers ondergaan veranderingen; zoo wordt de v van vonkelen {vonken, schieten) verscherpt tot ƒ (dus fonkelen), wanneer dit werkwoord in overdrachtelijken zin gebruikt wordt, dus: de sterren fonkelen; het oog van den tijger fonkelt; een glas fonkelende wijn, enz.

In samen is de s nit tz {Is, s) ontstaan. Aan het begin van een woord schrijft men altijd samen, alsook wanneer het alleen staat, doch in alle andere gevallen zamen, dus: Samen hebben wij dat werk voltooid. Die samenkomst heeft geene gevolgen gehad. Die zaken hangen met elkander samen. — Wij gingen

ocr page 15

te xamen uit. Hij bezat eene groote -verxarneliiuj postzegels.

19. De medeklinker wordt als tussehenletter verdubbeld, wanneer hij onmiddellijk wordt voorafgegaan door een onvolkomen klinker: bakken, petten, knippen, enz. Van de letterverbinding sch verdubbelt men in dit geval alleen de s: was-schen, lesschen, blusschen, frissche; doch versche, kikvorschen, met eene enkele s, daar de onvolkomen e en o niet onmiddellijk voorafgaan.

De medeklinker wordt niet verdubbeld, wanneer hij onmiddellijk wordt voorafgegaan door een volkomen klinker, een tweeklank of een toonlooxen klinker; gaten, lepel, (jolen, hoeden, pausen, IJsel, Pruisen; hemelen, botteriken, monniken, Gorkumer, enz. Uitgezonderd op dezen regel zijn de woorden, die op is uitgaan: notarissen, dromedarissen.

20. Verscherping van den medeklinker midden in een woord heeft in de volgende gevallen plaats:

a. De tl en v worden voor het achtervoegsel nis verscherpt tot t en f; verbintenis (van verbinden), beeltenis (van beeld)', begrafenis, erfenis, lafenis.

b. De v, Z en lig worden voor het achtervoegsel lijk verscherpt tot f, s en uk; erfelijk, onbeschrijflijk-, vreeselijk, ongeneeslijk; koninklijk, oorspronkelijk, aanvankelijk, aanhankelijk.

c. De ng' wordt dikwijls ook verscherpt voor den uitgang je en in enkele andere gevallen, waar de uitspraak het eischt: kettinkje, rottinkje-, jonkheer, jonkvrouw, jonkheid, lankmoedig, koninkrijk.

d. De g wordt overal, waar zij voor eene t komt te staan verscherpt tot ch: mocht, bracht, plecht, plicht, macht; uitgezonderd in de regehnatige vormen der werkwoorden, wier stam op eene g eindigt: gij moogt, brengt, pleegt; en in de zelt-standige naamwoorden, die eindigen op to: hoogte, gebergte, laagte.

ocr page 16

10

21. De slotmedeklinker der verbuigbare woorden richt zich in den regel naar de verbuiging. Men schrijft dus hoed met eene d, omdat het meervoud hoeden luidt; zoo ook rand, bint, rit, snit, verivant wegens de meervouden randen, binten, ritten, snitten, verwanten.

Men lette op de schrijfwijze van den uitgang aard, toonloos uitgesproken erd: Spanjaard, grijsaard, veinzaard, stumperd, lomperd.

22. De slotmedeklinker der onverbuighoire woorden is altijd scherp, dus: met, och, ach, voort, kruit in buskruit (doch kruid (plant) wegens het meervoud kruiden en de afleidingen kruidenier, kruidig, kruiderij, enz.)

Uitgezonderd op dezen algemeenen regel is het bijwoord nog,ter onderscheiding van het voegwoord noch, dus: Wij bezitten nog drie peren. Hij heeft geld noch goed. Doch in nochtans (eig. nog dan) wordt het bijwoord met eene ch geschreven.

23. De byvoeglijke naamwoorden, die als bijwoorden op eene s uitgaan, worden met sch geschreven: zijdelings (bijw.), zijde-lingsch (bijv. naamw.); achterwaarts (bijw.), achterwaartsch (bijv. naatnw.); wekelijks (bijw.), wekelijksch (bijv. naamw.); vergeefs (bijw.), vergeefsch (bijv. naamw.); ras (bijw.), rasch (bijv. naamw.); schaars (bijw.), schaar sch (bijv. naamw.); slaafs (bijw.), slaaf sch (bijv. naamw.).

Sommige woorden worden èn als bijwoord èn als bijvoeglijk naamwoord altijd met eene s geschreven: dras, kras, dtears, wars, paars, bits, spits, flets, los, ros, (ge) wis, benevens alle bijv. naamwoorden, wier s in de verbuiging in eene « overgaat: dwaas, dwaze; boos, booze.

Ook zijn er woorden, die èn als bijwoord èn als bijvoeglijk naamwoord altyd op eene sch uitgaan: bar sch, frisch, heusch, kiesch, kuisch, malsch, valsch, enz.

ocr page 17

11

Men lette verder op de schrijfwijze -lt;ler werkwoorden bruisen,, torsen, ivassen (groeien) en verrassen.

24. In enkele bijvoeglijke naamwoorden kan eene e ingelascht worden, waardoor zij eene andere beteekenis krijgen: zinloos (zinledig), zinneloos {gek); naainloos (zonder naam), nameloos (niet te noemen, onnoemelijk)-, werkloos (zonder iverk)gt; werkeloos (zonder te tverken); smaakloos (letterlijk zonder smaak), smakeloos (overdrachtelijk, zonder goeden smaak, zooals in; eene smakelooze kleeding).

25. Men gebruikt iu het Nederlandsch een koppelteeken (-):

a. in aardrijkskundige eigennamen, die uit een eigennaam en een bijvoeglijk naamw. of een bijwoord bestaan: Noord-Holland, West-Friesland, Voor-Indië, Zuid-Afrika. De hiervan afgeleide bijvoeglijke naamwoorden verliezen dit koppelteeken; Xoordhollandsch, Westindisch, Oostindisch, Zuidafrikaansch.

b. in zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden, met aardrijkskundige eigennamen samengesteld: de Fransch-Engelsche vloot; Java-hoffie; Cagenne-peper.

c. wanneer een bijvoeglijk naamw. of een lidwoord alleen betrekking heeft op het eerste lid eener volgende samenstelling, en niet op het geheele woord; Beierseh-bierbrouwerij, Oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, oudekleerkoop, St.- Elisahcths vloed; 's- Gravenlmge, 's-Hertogenbosch, 's-Heerenberg.

d. in titels, die uit twee bastaardwoorden bestaan; adjunct-commies; gouverneur-generaal-, politic-commissaris; sergeantmajoor; of uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord: luitenant-kwartiermeester, Staten-Generaal.

26. Met eene hoofdletter schrijft men;

a. de eigennamen; bestaan deze uit meer dan één woord, dan wordt ook het eerste met eene hoofdletter geschreven; Tromp, De liugter, Ben Helder, Joh,an de Witt, Ja-

ocr page 18

12

cob van hennep, het Vondelpark, de Dam, de Pleegxoon.

b. de titels, als: Mevrouw, Mynheer, Weledele Heer, Zeergeleerde Heer, Weledelgeboren Heer, Hooggeboren Heer, Hooggeleerde Heer, Edelachtbare Heer.

c. de bijvoeglijke naamwoorden van eigennamen afgeleid, benevens de namen der dagen, maanden en feestdagen: Friesch, Atnerikaansch, Woensdag, Juli, Nieuwjaar.

ocr page 19

HOOFDSTUK II.

Het Zelfstandig Naamwoord.

27, De zelfstandige naamwoorden worden verdeeld in:

a. eigeniiaineu: Jan, Tromp, Haarlem, de Maas.

b. soortnamen, namen, die men aan ieder voorwerp van dezelfde soort geeft: tafel, stoel, mensch, dier, huis.

c. stofnamen: lucht, vuur, hout, turf, goud, klei.

d. verzamelnamen: hosch, volk, vee, (jchercjte, hoedel.

Deze vier soorten worden ook concrete zelfstandige naamwoorden genoemd.

De woorden, die een toestand, eene eigenschap of eene werking aanduiden, noemt men abstracte zelfstandige naamwoorden : gezondheid, ziekte; vlijt, luiheid; sprong, stoot, slag.

28. De zelfstandige naamwoorden kunnen van het mannelijk, vrouwelijk of onzijdig geslacht zijn.

Mannelijk zijn naar de beteekenis:

«. de namen van mannelijke personen en mannelijke dieren; vader, jongen, stier, hengst, ram.

Dikwijls zijn de namen, van groote en sterke dieren mannelijk, die van zwakke dieren vrouwelijk. Zoo zijn : arend, olifant, beer, haai, valk, vos, hond mannelijk; doch er zijn ook namen van groote en sterke diereu vrouwelijk: slang, gans, raaf, giraffe, terwijl omgekeerd namen van

ocr page 20

14

kleine dieren mannelijk kunnen zijn: baars, kikvorsch, mol, nachtegaal, ■spreeuw, vink, worm.

b. de namen van bergen: Vesuvius, Rigi, Drachenfels.

c. de namen van l)00meii, uitgezonderd linde en tamarinde, die vrouwelijk zijn.

d. de namen van inaanden en jaargetijden, uitgezonderd lente, dat vrouwelijk is.

c. de namen van steenen, als voorwerpen gebruikt: diamant, agaat, robijn. Als stofnamen zijn ze onzijdig.

f. de namen van munten: rijksdaalder, gulden, stuiver.

29. Mannelijk zijn naar den vorm:

a. de woorden, die uitgaan op aard, erd, aar, lm, nu, ein,

■en sein: standaard, mosterd, kandelaar, ratelaar, lessenaar, helm, arm, storm, vorm, adem, bliksem, bloesem.

Uitgezonderd zijn helm (als plant) Vr.; palm (als lengtemaat, vlakte van de hand en kruid) vr.; uniform, vr. en enkele onzijdige woorden.

b. de namen van werktuigen, die uitgaan op er of el, en van werkwoorden zijn afgeleid: gieter, stoffer, veger, beugel, lepel, sleutel. Uitgezonderd zijn griffel en schoffel, die vrouwelijk zijn.

c. de stammen van werkwoorden, als zij geen voorwerpen aanduiden ; bloei, brand, sprong, slag, stoot, val, enz. Als voorwerpsnamen zijn ze meestal vrouwelijk, zooals val (muizeval); gang (in een huis), doch de samenstellingen met een bijwoord zijn mannelijk, als: toegang, ingang, doorgang, uitgang•, verder: rol (van een tooneelspeler); schop (spade, schommel); (/reep (mestvork, handvat, handvol) enz.

d. de woorden op dom, die een toestand aanduiden: ouderdom, wasdom, adeldom, rijkdom-, de beide laatste woorden zijn ook mannelijk als verzamelnaam. Ia alle andere gevallen

ocr page 21

zijn woorden met dezen uitgang onzijdig, doch eigendom als recht van bezit is mannelijk : Hij meende mij den eigendom van dat huis te kunnen betwisten.

30. Vrouwelijk zijn naar de heteekenis;

a. de namen van vrouwelijke personen en vrouwelijke dieren: Anna, meid, kamenier, leeuwin, merrie, ooi.

h. de meeste namen van bloemen en vruchten: lelie, roos, peer, pruim-, maar de namen eindigende op oen zijn mannelijk: citroen, meloen, pompoen. Ook zijn mannelijk appel en aker (vrucht van den eikeboom).

Woorden, die eigenlijk eene andere beteekenis hebben, doch als bloemnaam worden gebruikt, behouden hun geslacht; dus zijn aronskelk, goudenregen en leeuwenbek mannelijk.

c. de namen van schepen: bark, boot, schuit, sloep; maar die op er zijn mannelijk: driemaster, lichter, terwijl fregat, galjoen en enkele andere onzijdig zijn.

Opmerking verdient, dat ook de eigennamen van schepen vrouwelijk zijn: Wij zagen de Van Galen binnenkomen.

cl. de namen van letters, cijfers, noten en intervallen: eene l, eene zes, eene as, eene quint.

e. de namen van muziekinstruinenten: gitaar, clarinet, piano, viool. Uitgezonderd zijn doedelzak, horen en triangel, die mannelijk zijn; enkele zijn onzijdig.

31. Vrouwelijk zijn naar den vorm:

a. de woorden, die eindigen op e, (le ofte: koude, waarde, liefde, genade, breedte, laagte. Hiertoe moeten ook die woorden gerekend worden, welke vroeger op eene e eindigden: eer, hoop, reis, spraak, taal, trouic, vrees, enz. Uitgezonderd is vrede, dat mannelijk is. Ook lette men er op, dat gaarde, trede, schrede, stonde vrouwelijk zijn, doch gaard, tred, schred, stond mannelijk.

b. de woorden, die uitgaan op ing en st, en van werk-

ocr page 22

16

woorden zijn afgeleid: gunst, komst, ivinst, kleeding, handeling, verslapping, doch dienst en last zijn mannelijk. Bijna alle zaaknamen op ing of ling zijn verder mannelijk, zooals ketting, krakeling, penning, enz.

c. de woorden, die eindigen op heid, nis, uw, age, ij, ei, ie, ick, teit: fierheid, droefenis,schadmv, -xenmv,pakkage, galerij, pastei, berrie, fabriek, soeieteit. Uitgezonderd zijn de onzijdige woorden; vonnis, bosschage, personage, schilderij (soms ook vrouwelijk), concilie, evangelie, genie (als vernuft of vernuftig persoon, doch als tcapen is het vrouwelijk).

d. de woorden, die eindigen op schap, indien zij geen waardigheid of een gebied aanduiden: blijdschap, vriendschap, vijandschap, burger schap, priester schap, vroedschap. Doch vaderschap (waardigheid van vader), priesterschap (waardigheid van priester), landschap, graafschap en enkele andere woorden zijn onzijdig. Men spreekt echter nog van de Graafschap (Zutfen).

32. Sommige namen van personen kunnen, naarmate zij een mannelijk of een vrouwelijk wezen aanduiden, zoowel mannelijk als vrouwelijk zijn. Men noemt zulke woorden gemeenslachtig. Wil men bepaald het vrouwelijk geslacht hierbij aanduiden, dan kan men er eene e achtervoegen; echtgcnoot[e), leerling(e), tvees(ze), lidmaat, gids, gast, verwant, enz.

33. De meeste stofnamen zijn vrouwelijk of onzijdig, slechts enkele zijn mannelijk, zooals: azijn, honing,Jitcfs, inkt, mosterd, room en wijn.

Ook de mannelijke diernamen, indien deze als stofnamen worden gebruikt, zijn vrouwelijk: Wij aten eenen heerlijken snoek; doch : de vischboer ging met de snoek (een zootje) naar de stad. — Hij haalde eenen visch uit de sloot; doch: de-hengelaars gingen met cd de gevangen visch naar huis.

34. De samengestelde woorden hebben het geslacht van het

ocr page 23

17

laatste lid, indien het geheele woord eene soort aanduidt van het laatste: huissleutel (m.), eetkamer (vr.), hondehok (onz.). Schijnbaar uitgezonderd is o. a. het onxijdige roodvonk.

35. Men lette verder op de volgende woorden, die bij verschil in beteekenis van geslacht veranderen:

dam, m. waterkeering; vr. in het damspel.

das, m. dier; vr. kleedingstuk.

els, m. boom; vr. priem.

fortuin, vr. geluksgodin; onz. vermogen.

hof, m. tuin; onz. vorstelijk verblijf.

hoop, m. stapel; vr. verwachting.

kant, m. rand; vr. stofnaam.

kiel, m. kleedingstuk; vr. onderste gedeelte van een schip. maat, m. makker; vr. de grootte van iets en middel om te meten.

muil, m. bek; vr. schoeisel.

patroon, m. als persoon; vr. van een geweer; onz. model. pink, m. lichaamsdeel; vr. schip; m. of vr. jong rund.

pit, vr. kern; onz. merg (ook overdrachtelijk).

post, m. brievenbesteller, ambt, standplaats, deurstijl; vr. postkantoor; posterij.

sabel, m. diernaam; vr. wapen; onz stofnaam.

slag, m. werkingsnaam; onz. soort en knip.

streek, m. list; vr. landschap en pennestreek.

teen, m. lichaamsdeel; vr. takje.

traan, m. uit de oogen vloeiend vocht; vr. vet of olie van walvisschen.

trap, m. schop met den voet en graad; vr. middel om te klimmen. vorst, m. persoon; vr. koude en bovenrand van het dak. ivacht, m. één persoon; vr. de gezamenlijke manschappen of het wacht houden.

2

ocr page 24

18

want, vr. handschoen; onz. touwwerk op een schip.

xegen, m. zegening; vr. vischnet.

zucht, m. het zuchten; vr. ziekte (geelzucht, waterzucht, drank-zucht) en begeeren, verlangen [geldzucht, eerzucht).

ocr page 25

HOOFDSTUK III.

De Buiging der Zelfstandige Naamwoorden.

3G. Men heeft in het Nederlandsch vier naamvallen: eerste naamval [nominatief)-, tweede naamval [gerdtief)-, derde naamval {datief)-, vierde naamval {accusatief).

37. De eerste naamval der zelfstandige naamwoorden neemt in het enkelvoud geen uitgang aan.

38. De tweede naamval eindigt bij de mannelijke en onzijdige woorden in den regel op eene s {sterke tweede naamval). De vrouwelijke woorden hebben geen uitgang; slechts enkele nemen eene s aan, wanneer zij als bepaling voor een ander zelfst. naamwoord staan :

Zij is moeders lieveling. Hebt gij nichtjes brief ontvangend Tantes schoothondje is weggeloopen. Haar dochters vriendin.

39. Somtijds treft men in den tweeden naamval den uitgang n of en aan; men noemt dit den zwakken tweeden naamval. Dit is het geval:

a. bij de woorden graaf, heer, hertog, mensch, paus, prins, profeet, vorst en hart.

b. bij alle mannelijke persoonsnamen, die op eene e eindigen: bode, bediende, enz.

ocr page 26

20

■ c. bij de als persoonsnamen gebruikte bijvoeglijke naamwoorden; de blinde, des blinden; de arme, des armen.

40. Men omschrijft den tweeden naamval, wanneer het woord op een sisklank of op st eindigt; alleen in deftigen stijl wordt hierop in enkele gevallen eene uitzondering gemaakt: van den hals; van den post; het teeken des kruises; de heer des huizes; de gaven des geestes.

41. Den tweeden naamval der eigennamen vormt men door achtervoeging van eene s: Willems boek; Vondels gedichten; Hollands roem. Eindigt de eigennaam op een' klinker dan gebruikt men 's, eindigt hij op eene s of eene x, dan gebruikt men alleen eene apostrophe; in de twee laatste gevallen is eene omschrijving echter verkieselijk: Annci's moeder; Sumatra''s westkust; de broeder van Cornelis of Cornelis' broeder; de geschriften van Marnix of Marnix geschriften. Bij aardrijkskundige namen, die op een sisklank uitgaan, wordt de tweede naamval altijd omschreven: de hoogeschool van Parijs; de golf van Napels.

42. De derde naamval der mannelijke en onzijdige woorden ging vroeger in het enkelvoud op eene e uit. Hiervan vindt men thans nog enkele voorbeelden: Gade welgevallig; den lande bewezen diensten; de haren rezen hem te berge; ten huize; ten getale; bij monde; onder eede; advocaat van den lande, enz.

43. Het meervoud der zelfstandige naamwoorden eindigt op s, en, n, eren. Vroeger ging het meervoud dikwijls uit op e, vandaar nog: onder de voet (voor voete) geraken; een pak slaag (voor slage) krijgen; op de been (voor beene) komen.

44. Eene 's nemen aan de vreemde woorden, die eindigen op een' volkomen klinker: massa's, motto''s, paraplu's; doch de Nederlandsche woorden ega, ra en vla hebben tot meervoud

^JLegaas, raas en vlaas.

ocr page 27

21

De' eigennamen volgen in het meervond denzelfden regel als bij de vorming van den tweeden naamval (§ 41). Somtijds vormen zij hnn meervoud door en: de Trompen; de De Witten.

45. Sommige woorden kunnen hun meervoud vormen door s of door en; de vorm op en is in dat geval dikwijls deftiger: Hij heeft vele vogels in de kooi. De vogelen zongen een loflied aan God. Men verkoopt hier bexems. Het huis werd met bezemen gekeerd (= geveegd, van het werkw. keren). Vele teekens duidden den iveg aan. De teekenen des tijds waren ongunstig.

46. De zelfst. naamw., eindigende op ee, vormen hun meervond door achtervoeging van en; die, welke eindigen op or, kunnen eene s of en aannemen: thee — theeën; zee — xeeën; senator, senators of senatoren; professors of professoren.

Deze laatste regel geldt «ok voor de woorden op ie, indien de klemtoon niet op de ie valt: tralie, tralies of traliën; provincie, provincies of provinciën; doch melodie, melodieën; genie, genieën.

De woorden, die eindigen op ier en eur, vormen meestal, als zij personen aanduiden, hun meervoud op s: portiers, viziers, mineurs, directeurs (ook directeuren); als zaaknamen hebben zij in den regel en: portieren, vizieren (van een helm), humeuren.

Eindigt een zelfst. naamw. op eene toonlooze e, dan vormt men bij de Nederlandsche woorden het meervoud door achtervoeging van eene n, bij de vreemde woorden en bij lente door achtervoeging van eene s.- groenten (ook groentes), gedaanten, horloges, modes, stores (gordijn), tantes, lentes.

47. Bij sommige woorden is verschil van beteekenis, naarmate men het meervoud vormt door s of en. De voornaamste zijn:

hemels, bovengedeelten van ledekanten; hemelen, uitspansel.

letters, teekens; letteren, brief of letterkunde.

ocr page 28

22

middels, middellijven; middelen, om tot een doel te geraken.

redens, deelen van eene vergelijking; redenen, oorzaken.

studies, schetsen van een' schilder; studiën, oefeningen.

wapens, van een vorstelijk of adellijk geslacht; wapenen (ook ivapens), middel om zich te verdedigen.

48. Eenige onzijdige woorden hebben zoowel een meervoud op en als op eren-, men is echter gewoon hier dan verschil van beteekenis aan te nemen:

beenen (ledematen en dierknoken) — heenderen (menschelijk gebeente).

bladen (kelkbladen, bladen van eene schroef, van eene tafel of een boek) — bladeren (van boomen).

Ideeden (vloerkleeden, dekkleeden) — kleederen, kleeren (kleedingstukken).

Naast het meervoud van het verkleinwoord kleedje, nl. kleedjes, heeft men ook kleertjes. Het eerste beteekent dekkleedjes of japonnetjes, het laatste kleine kleedingstukken. Vergelijk ook blaadjes naast bladertjes-, eitjes naast eiertjes-, lammetjes naast lammertjes-, raadjes naast radertjes, alle evenwel zonder verschil in beteekenis.

49. Sommige woorden veranderen in het meervoud hun stamklinker: schip —schepen-, gelid—gelederen; spit — speten-, men lette vooral op rif (klip of geraamte), dat in het meervoud riffen heeft. In de beteekenis van plooi in het zeil luidt het meervoud reven (ook meerv. van ree/quot;, in dezelfde beteekenis). Lidmaat heeft in het meerv. lidmaten (lid van een kerkgenootschap); onder ledematen (meerv. van lid) verstaat men de armen en heenen.

50. Men lette ook op het meervoud van lende, nl. lendenen-, rede, redenen (alleen in samenstellingen als: leerredenen, lijkredenen; is het niet samengesteld, dan gebruikt men voor het

ocr page 29

23

meervoud redevoeringen)] kleinood, kCeinooden of kleinoodiën; sieraad, sieraden of sieradiën.

51. De woorden, die samengesteld zijn met man en een beroep of een ambt aanduiden, hebben lieden of lui in het meervoud: timmerlieden, timmerlui; staatslieden, werklieden. Ook leidsman, scheidsman en zegsman vormen hun meervoud op lieden.

Naamvallen.

52. In den eersten naamval staat:

a. het onderwerp [subject); De jongen loopt. De hond wordt geslagen.

b. de aangesproken persoon {vocatief): Beste vriend!

c. het naamwoordelijk deel van het gezegde (praedicaats nomen): Deze man is een flinke arbeider. Hij wordt spoedig tweede klerk. Die vrouw dunkt mij eene geschikte verpleegster, enz

Van een naamwoordelijk deel van het gezegde is alleen sprake bij de koppebverlovoordeii^ dus bij: zijn, worden, blijven (voortdurend zijn), schijnen (het uiterlijk hebben van), (ge)lijken, heeten, blijken, dunken, voorkomen.

Het naamw. deel van het gezegde is dat woord (met of zonder bepalingen), hetwelk door een dezer werkwoorden wordt gekoppeld aan het onderwerp en hieraan eene hoedanigheid, een toestand of eene betrekking toekent. Den vorm van het werkwoord noemt men dan werkwoordelijk deel van het gezegde. Het naamwoordelijk- en het werkwoordelijk deel maken dus samen het gezegde uit.

d. de bijstelling {appositie) bij een zelfst. naamw. in den eersten naamval.

Onder eene bijstelling verstaat men een anderen naam voor een reeds genoemden persoon of zaak; die tweede naam wordt hieraan dan als bepaling toegevoegd.

ocr page 30

24

In het algemeen kan men zeggen, dat de bijstelling in den zelfden naam» val staat als het bepaalde woord, uitgezonderd, wanneer dit in den tweeden naamval staat. In dit geval plaatst men ia den regel de bijstelling in den vierden naamval: Jan, de kruidenier, is een flinke vent. Wij lazen de psalmen Davids, den dichter der oudheid. Maurits gaf bevel, Oldenbarneveld, den grijzen staatsman, gevangen te nemen.

Onder de bijstelling rekent men ook de zelfstandige naamwoorden, die achter een ander zelfst. naamw. staan, en eene stof aanduiden, waaruit eene zelfstandigheid bestaat, of eene soort, waartoe eene zelfstandigheid behoort. Zoo schrijft men: Dit is een glas s^oede roode wijn. Wij dronken eene flesch goeden roodeu wijn. Ik heb eene kruik zwarten inkt gekocht.

53. Bij den tweeden naamval verdient, behalve hetgeen reeds over de bijstelling is gezegd, ook nog opmerking, dat sommige werkwoorden in den hoogeren stijl den genitief van een persoonlijk voornaamwoord kunnen regeeren. Die werkwoorden zijn : zich erbarmen, zich ontfermen, zich herinneren, gedenken, benevens enkele andere. Erbarm u onzer. Ontferm u zijner. Herinner u mijner. Gedenk hunner.

54. Ook enkele bijvoeglyke naamwoorden kunnen heden nog in hoogeren stijl den genitief regeeren, als: kundig, onkundig,genadig, gedachtig, indachtig, waard, waardig, vol en schuldig (in de uitdrukking: des doods schuldig). — Hij is der zake kundig. Wees onzer genadig. Bat is moer niet waardig. Het is der moeite niet waard.

In den gewonen stijl staat het zelfstandig naamwoord bij deze adjectieven in den vierden naamval; zie § 56 cl.

55. In den derden naamval staat het belanghebbeiid voorwerp: Wij kochten dien kinderen tv at speelgoed. Hij schonk zijnen redders eene groote belooning. Den overwinnaars werd een lauwerkrans aangeboden.

Verder lette men op den zoogenaamden datief van bezit, dien men kan vervangen door een tweeden naamval of een bezit-

ocr page 31

h /CU LorC^' Ütr

i 'T'Vtc,, C r A éivisn-nr P*' 'ï-t- '

^.a/ L re f ft -

I 25

(x { /. f f ft j cr'

jc l(c£s


telijk voornaamwoord: Hvj schoot den liaas (datief) den staart af, waarvoor men ook kan zeggen: Hij schoot den staart van den haas af. trof den vijand in de borst, waarvoor men ook zon kunnen zeggen-: Hij—trof den vijand in zijne borst.

56. Een woord staat in den vierden naamval:

a. als lijdend voorwerp bij een overgankelijk {transitief) werkwoord (zie § 101 en 102): Hij eet brood. Jan timmert een hok.

b. na een voorzetsel: Hij klom in den boom. Wij (jaan naar den schouwburg.

c. als bepaling van plaats, tijd of hoeveelheid:

Hij liep de brug over. Hij is den berg afgedaald. Zij was dien dag ongesteld. Den quot;Sisten Augustus verjaart onxc Koningin. Die hoed kost eenen rijksdaalder. Die stok is eenen meter lang.

d. wanneer het geregeerd wordt door een der bijvoeglijke naamwoorden bewust, bijster, deelachtig, gedachtig, getroost, gewaar, gewoon, indachtig, kwijt, machtig, meester, moe, schuldig, vol, waard, waardig, zat. — Wij raakten het spoor bijster. De moordenaar was den dood getroost. Ik ben dat gejammer moe. De vijand ivas den bergpas meester.

57. Bij sommige werkwoorden komt naast het lijdend voorwerp nog een zelfstandig naamwoord in den 4den naamval te staan, dat de betrekking of de hoedanigheid van dat voorwerp aanduidt. Die werkwoorden zijn o. a. achten, prijzen, rekenen, noemen, schelden, vinden, maken, aanstellen, verklaren, beschouwen. Dikwijls wordt voor dien tweeden vierden naamval als geplaatst: Zij achten dit eenen slechten maatregel. Men noemt Willem van Oranje den Vader des Vaderlands. Die koopman stelde dien armen man als eersten bediende aan. De Nederlanders beschouwden het Engelsche volk als hunnen natuurijken vijand.

ocr page 32

26

Bij eene omzetting in den lijdenden vorm worden de twee vierde naamvallen natuurlijk twee eerste naamvallen: Doordien koopman tverd die arme man als eerste bediende aangesteld.

58. Er zijn eenige overgankelijke werkwoorden, die, hetzij een persoonsnaam, hetzij een zaaknaam in den vierden naamval bij zich kunnen hebben. Gebeurt het, dat zoowel de persoonsnaam als de zaaknaam in denzelfden zin voorkomen, dan staat de eerste in den derden naamval, de tweede in den vierden öf de eerste staat in den vierden naamval en de tweede krijgt een voorzetsel voor zich: Hij vraagt iemand (4). Hij vraagt iets (4). Hij vraagt iemand (8) iets (4). Hij vraagt iemand (4) om iets (4).

Zoo ook: Iemand (3) de rekening (4) betalen en iemand (4) met guldens betalen. Iemand (3) een boek verzoeken oi'iemand (4) om een boek verzoeken, vragen, bidden, smeeken. Iemand (3) de Nederlandsche taal (4) onderwijzen of iemand (4) in de Nederlandsche taal onderwijzen. Iemand (4) leeren. Eene les (4) leeren. Iemand (3) schaatsenrijden (4) leeren.

59. Men lette ook op zinnen als: Het is den Moriaan geivasschen. Het is beter hard geblazen dan den mond gebrand, waarin de woorden Moriaan en mond in den vierden naamval staan.

Ook schrijve men: Nu den vijand aangevallen! Den kond in het ivater geworpen! Thans den lofzang aangeheven! enz., waarin eveneens de woorden vijand, hond en lofzang in den vierden naamval staan, zooals blijkt uit Hem koning gekroond! Het verleden deelwoord heeft hier de kracht van de gebiedende wijs.

ocr page 33

HOOFDSTUK IV.

Het bijvoeglijk naamwoord.

60. De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord (adjectief) wordt als bekend verondersteld. Alleen zij hier herinnerd aan de verbuiging der bijv. naamwoorden en deelwoorden, die als persoonsnamen worden gebruikt. Hunne verbuiging is dan gelijk aan die der persoonsnamen op e: de arme, des armen of der arme, den arme of de(r) arme, den arme of de arme; meervoud: de armen, der armen, den armen, de armen. — Armen zoon;el als rijken iverden door den vorst vriendelijk bejegend.

61. Dikwijls gebeurt het, dat achter een bijvoeglijk naamwoord een reeds genoemd zelfstandig naamwoord is verzwegen. In dit geval volgt het adjectief de gewone verbuiging: Arme men-sehen zoowel als rijke iv er den door den vorst vriendelijk bejegend. De dappere soldaten werden beloond, de lafhartige gestraft.

62. Het bijvoeglijk naamwoord, dat voor een zelfstandig naamwoord is geplaatst, komt hiermede in geslacht, getal en naamval overeen.

In dit geval zegt men, dat het altributief (aXs bepaling) is gebruikt ; wordt het door middel van een werkwoord met het

ocr page 34

28

zelfstandig naamwoord verbonden, dan blijft het onverbogen en is alsdan praedicatief (als gezegde) gebruikt; De goede man. De man is goed.

63. Gaat een der woorden een, geen, eenig, menig, ieder, elk, zeker, welk aan het bijv. naamw. vooraf, dan blijft dit in het mannelijk enkelvoud voor persoonsnamen, Isten en 4den naamval, onverbogen, wanneer het eene hoedanigheid van den persoon aanduidt in zijne betrekking of waardigheid: Thorbecke was een bekwaam staatsman. Frederik Hendrik was een groot veldheer. Men hield hem voor een goed jager. Men stelde een oud zeekapitein aan als commissaris van politie.

64. Uit het gebruik is genoegzaam bekend, wanneer een bijv. naamw. niet wordt verbogen. Alleen zij hier opgemerkt, dat men de adjectieven, eindigende op en, benevens de verleden deelwoorden der sterke werkwoorden en de vergrootende trappen ter wille van de welluidendheid eveneens liefst onverbogen laat: Hij werd door zijne eigen makkers verlaten. Zijne verheven denkbeelden vonden weinig ingang. Wij maakten gisteren eene veel groot er ivandeling dan gij.

65. De trappen van vergelijking worden in het Nederlandsch gevormd door achtervoeging van er voor den vergrootenden trap {comparatief) en van st voor den overtreffenden trap (superlatief): groot, grooter, grootst. Gaat het adjectief op eene e uit, dan valt deze bij de vorming van den comparatief en den superlatief weg: blijde, blij der, blijdst. Eindigt het adjectief op eene s of sch, dan valt in den superlatief de s van den uitgang st weg: loos, looste; wijs, wijste; frisch, frischte. Ter wille van de welluidendheid omschrijft men door middel van meest den superlatief der adjectieven, welke uitgaan op st: het meest juiste antwoord.

ocr page 35

29

Meestal geschiedt dit ook bij de adjectieven, die eindigen

op sch: de meest valsche aantijgingen.

66. Omschrijving van den comparatief door middel van meer heeft plaats, wanneer men van eene zelfstandigheid twee hoedanigheden met elkaar vergelijkt, waarvan de eene in grooter mate aanwezig is dan de andere: Die kamer is meer lang dan hreed. TJive meubels zijn meer fraai dan degelijk. Deze jongen is meer slim dan verstandig. Die stof is meer sterk dan fraai.

67. Men lette er op, hoe men in de schrijftaal na den comparatief het voegwoord dan behoort te gebruiken en niet, zooals dikwijls in de spreektaal geschiedt, als. Ook na ander, anders, geen, niets, nergens en elders moet het voegw. dan gebruikt worden: Hij kent geen ander genot, dan zijne medemenschen te helpen. Lade wijk de Vrome teas een geheel ander vorst, dan xijn vader Karei de Groote. Die jongen las niets, dan roover-verhalen. Hij komt nergens, dan hij zijne beste vrienden. Hij is steeds elders, dan waar hij behoort te zijn.

ocr page 36

HOOFDSTUK V.

Het Voornaamwoord,

68. De voornaamwoorden [pronomina) onderscheidt men in de volgende soorten: persoonlijke (personalia), bezittelijke {possess iva), aanwijzende (demonstrativa), vragende {interrofjatira), betrekkelijke {relativa), onbepaalde {inclefinita).

Duidt een voornaamwoord eene zelfstandigheid aan, dan zegt men, dat het zelfstandig gebruikt is: Hij wandelt. Die hoed is de mijne. Sommigen zeggen, dat hij ongelijk heeft. Dient het om eene zelfstandigheid nader te bepalen, dan is het bijvoeglijk gebruikt: Mijn huis is verhoekt. Wij lezen dezelfde courant. Deze knaap is een deugniet.

Persoonlijke voornaamwoorden.

69. De verbuiging van het persoonlijk voornaamwoord luidt aldus:

l5le pers. enkelv. meerv. S'1quot; pers. enkelv. en meerv.

gy M-

Nom.

ik.

toy, ive.

ons.

onzer.

■mijns, mijner, mij. mij.

uws.

Gen. |

Dat. Acc.

uwer.

ons.

ons.

ocr page 37

31

In het enkelv. wordt in den gemeen zamen stijl ook jij, je,jov, en in het meervoud jelui, jullie gebruikt.

3''e persoon enkelvoud.

mannelijk.

vrouwelijk.

onzijdig.

Xom.

hij (i).

z ij (ze).

het (V).

Gen. |

zijns. ■zijner.

haars. har er.

Dat.

hem few).

haar (e;-).

het (7).

Ace.

hem (em).

haar {er, zè). 3lllt;' persoon meervoud.

het ('£).

mannelijk

vrouwelijk.

onzijdig.

Nom.

zij {ze).

zij {ze).

zy {ze).

Gen. J

huns. gt;

haars.

huns.

hunner.

har er.

hunner.

Dat.

hun.

haar {er).

hun.

Ace.

hen [ze).

haar {er, ze).

hen (.ve).

70. In plaats van (jij zegt men dikwijls U (eene afkorting van Uwe Kdrlhcid), waarachter men naar verkiezing den tweeden of den derden persoon van het werkwoord kan gebruiken: U kan gaan of U kunt c/aaji.

In de uitdrukkingen ?t aller, n beider is u eene afkorting van den tweeden naamval meerv. mver. Zoo ook zegt men ons aller, hun aller, ons beider, hun Leider, waarin ons en hun staan voor het oorspronkelijke onxer en hunner.

71. De vormen mijns, mes, zijns, huns en haars komen alleen voor in verbinding met zelfs en gelijke, dus: mijns gelijke, om mijns zelfs wil, enz. De tweede naamval op er komt somtijds ook voor bij de in § 53, 54 genoemde werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.

72. Een ouden tweeden naamval meervoud er [van hen, van haar) ontmoet men o.a, in zinnen als: //■ l;en er, die dit

ocr page 38

32

nooit (je.weicit hebben. Hoeveel appelen hebt gij daar? II; heb er xes-

Bezittelijke voornaamwoorden.

73. De bezittelijke voornaamwoorden worden alle op dezelfde wijze verbogen, uitgezonderd ons, dat in deo eersten naamval mannelijk enkelvoud onze luidt.

Enkelvoud.

Meervoud

mann.

vrouw.

onz. van

alle geslachten.

Nom.

mijn.

mijne.

mijn.

mijne.

Gen.

mijns.

mijner.

mijns.

mijner.

Dat.

mijnen.

mijneer).

mijn{en).

mijnen.

Acc.

mijnen.

mijne.

mijn.

mijne.

74. Staan de bezittelijke vnw. in de plaats van zelfstandige naamwoorden, en worden zij voorafgegaan door het bepalend lidwoord {de of het), dan worden zij verbogen als een mannelijk zelfst. naamw., dat eindigt op e, dus als bode, getuige, enz.

Ik blijf geheel (le uwe. Ik noem mij geheel den uwe. Die vader heeft de zijnen hartelijk lief.

Is echter het zelfst. naamw. reeds genoemd, dan wordt het voornaamwoord verbogen als een gewoon bijvoeglijk naamwoord.

Mijn broeder en de uwe gingen wandelen. De dagen mijns broeders en die des uwen x jn geteld. Ik heb het mijnen broeder en den uwen gezegd. Ik zag niijnen broeder en den uwen wandelen.

In het meervoud eindigt het voornaamwoord in dit geval overal op eene e, behalve in den derden naamval, waar de uitgang en luidt: Daar gaan mijne broeders en de uwe. Ik heb het mijnen broeders en den uwen gexegd.

75. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat men voor een bezit-

ocr page 39

33

telijk voornaamw., dat bijvoeglijk gebruikt is, nooit het lidwoord plaatst. Men schrijve dus niet ter (= te dei) xijner eer, ten (= te den) viijnen huize, ten mijnen kantore, ten, mijnent, doch te xijner eer, te mijnen huixe, te mijnen kantore, te mijnent.

Aan w ij zen de voornaamwoorden.

76. De aanwijzende voornaamwoorden zijn: dexe, die, yenc, der/ene, dexelfde, zulk, xoodaniei, \elf.

De verbuiging van dexe en die luidt als volgt:

Enkelvoud. Meervoud

raann. vrouw. ouz. van alle geslachten. Nom. dexe. dexe. dit. dexe.

Gen. dexes. dexer. {dexes). dexer.

Dat. dezen. dexe(r). [dezen). dexen.

Acc. dexen. dexe. dit. dexe.

Nom.

Gen.

Dat.

Acc.

die. diens, dien. dien.

die. dier. die{r). die.

dat.

dien-dat.

die. dier. dien. die.

77. Zelfstandig en voor 2^ersonen gebruikt, luidt het meerv. in den eersten en vierden naamval dexen. Maurits dnnlde in lölt'/p Utrecht de waardgelders af; dexen leaden na eenigen tegenstand de tra pens neder.

Geheel op dezelfde wijze als dexe wordt gene verbogen, doch voor het onzijdig enkelv. wordt gindse// gebruikt.

De 3'le naamv. enkelv. vrouw, dezer en dier komt alleen in enkele uitdrukkingen voor, als te dexer (dier) plaatse; vi dier voege, enz.

3

ocr page 40

u

Den 2'len naamv. enkelv. onz. dexes treft mea o. a. aan in de uitdrukkingen: schrijver dexes, sleller dezes, brenger dexes; den derden naamv. dexen en dien in: by dezen (dien), door dexen {dien), indien, bovendien, buitendien, uit dien hoofde, met dien verstande, dientengevoUje, enz.

78. Het aanw. voornaamw. degene wordt op de volgende wijze verbogen:

Enkelvoud. Meerv.

raann. vrouw. onz. van alle geslachten.

Nom. degene. degene. datgene {hetgeen). degenen Gen. desgenen, dergene. — dergenen.

Dat. deug ene. degene. — dengenen.

Acc. dengene. degene. datgene [hetgeen), degenen.

Het eerste deel wordt dus als het lidwoord verbogen, het tweede gedeelte als een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord.

79. Op dezelfde wijze verbuigt men ook dezelfde, wanneer het zelfstandig is gebezigd en dus in de plaats staat van een zelfstandig naamwoord. Wordt het gevolgd door een zelfst. naamw., en is het derhalve bijvoeglijk gebruikt, dan luidt de verbuiging als volgt:

EnkelvouJ. Meerv.

mami. vrouw. onz. van alle geslachten.

Nom. dezelfde. dezelfde, hetzelfde (7 zelfde) dezelfde. Gen. deszelfden, derzelfde. —- derzelfde.

Dat, denzelfden, dezelfde. — denzelfden.

Acc. denzelfden, dezelfde, hetzelfde {'t zelfde), dezelfde.

80. De voornaamwoorden zoodanig en zulk worden in het enkelvoud altijd gevolgd door een en dan niet verbogen. In het meervoud is hunne verbuiging gelijk aan die der bezittelijke voornaamwoorden; zelfstandig gebruikt en voorafgegaan door het lidwoord, nemen zij in het meervoud in alle naamvalleu

ocr page 41

35

den uitgang en aan: Zulk een mem is niet te veriromven. Zoodanige menschen verdienen geholpen te worden. Die jongens hebben slecht opgepast; de x alken, krijgen geene belooning.

81. Het voornaamwoord x.etf kan geheel onverbogen blijven. Wil men het verbuigen, dan neemt het in den derden en vierden naamval mannelijk enkelv. en in den derden naamv. meervoud den uitgang en aan, en in alle andere voorkomende naamvallen (uitgezonderd in den 2lt;l011 naamv. mann. enkelv.) eene e.

Meervoud onz. van alle geslachten. :.eh:e. zelve,

— zelve.

— zet ven.

zelre. zelve.

De tweede naamval enkelv. -.elfs komt alleen voor in de uitdrukkingen om mijns, uws, /mars, enz. zelfs wit.

Vragende voornaamwoorden.

82. De vragende voornaamwoorden zijn: wie, welke en hoedanig. De verbuiging van wie luidt als volgt;

Enkelvoud. Meervoud. (onz. ont-

Enkelvoud.

mann.

vrouw.

Nom.

zelve.

rel re.

Gen.

zelfs.

—

Dat.

zelve)!:.

zelve.

Ace.

■.elven.

zelve.

mann. vrouw. onz. van het mann. en vrouw. breekt).

Nom.

wie.

wie.

wat.

wie.

Gen.

wiens.

wier.

—

wier.

Dat.

wien.

wie.

wed.

wien

.Acc.

wien.

wie.

wat.

wie.

in de plaats van den 2'Ien naamv. enkelv. onz. bezigt men waarvan, en voor den derden naamval in den regel tuanraan. Ook zegt men nooit van wat, ia wat, met wat enz., doch

ocr page 42

36

waarvan, waarin, waarmede', dus men gebruikt niet wat met een voorzetsel, doch bezigt hiervoor het bijwoord ivaar met een ander bijwoord.

83. Hoedanig wordt in het enkelvoud in den regel gevolgd door een en blijft dan onverbogen. In het meervoud volgt het de verbuiging van een bijvoeglijk naamwoord: Hoedanig eett jongen is hij ? Hoedanige mensehen wonen in Amerika ?

Betrekkelijke voornaamwoorden.

84. De betrekkelijke voornaamwoorden zijn : die en welke. De verbuiging van het eerste luidt als volgt:

Enkelvoud.

Meervoud.

mann.

vrouw.

onz. van alle geslachten.

Nom.

die.

die.

dat, wat.

die

Gen.

wiens.

ivier.

waarvan.

wier.

Dat.

wien.

wie.

dat, waaraan.

'wien.

Acc.

dien {ivien). die {wié), dat, wat.

die [wie).

85.

Na voorzetsels worden de vierde naamvallen wien en

ivie gebruikt; de

eerste en

vierde naamval

onz. ivat bezigt

men na dat, al, alles, datgene (V gene).

De tweede naamvallen wiens en wier gebruikt men liefst voor personen; van zaken sprekende, bezigt men dikwijls waar-ran, den tweeden naamval enkelv. van het onzijdig geslacht, doch de vormen wiens en wier zijn volstrekt niet uitgesloten.

Nooit gebruikt men een voorzetsel met wat, doch altijd ivaar verbonden met een ander bijwoord: Het paard, waarover (niet over waf) ik spreek, behoort mijnen oom. Het huis, waaraan veel vertimmerd is, ivOrdt morgen verkoeld. Dikwijls geschiedt dit ook, wanneer men van personen spreekt: De jongen, waarover

ocr page 43

37

(voor over icien) gij mij gesproken hebt, is heden hij mij geweest.

86. De verbuiging van het betrekk. voornaamwoord welke luidt als volgt:

onz.

hehvelk.

welks.

waaraan.

hetwelk.

Van personen sprekende, gebruikt men meestal in den 2den naamval mann. enkelv. niet welks, doch wiens.

87. De betrekkelijke voornaamwoorden verbinden een bijzin met een of ander zelfstandig naamwoord of voornaamwoord uit den hoofdzin en maken tevens een deel uit van dien bijzin. Dat zelfst. uaamw. of voornaamw. wordt het einteeeclent genoemd, waarmede het betrekkelijk voornw. in geted en geslacht overeenkomt. De naamval hangt af van de betrekking, die het voornaamwoord in den hijzin bekleedt: De man, dien gij (jewond held, is aan zijne kwetsuur overleden.

88. Ook wie eu wat kunnen als betrekkelijke voornaamwoorden beschouwd worden in de beteekenis van alwie en fdwat: Wie mijne meening is toegedaan, zegge het. Wien niets gevraagd wordt, ;; wij ge. Wed goed is, moet geprezen worden.

Onbepaalde voornaamwoorden.

89. De onbepaalde voornaamwoorden zijn; men, iemand, niemand, iets, niets, ieder, een ieder, iedereen, een iegelijk, elk, ■elkeen, eikeinder, mallcander, zeker.

Van deze voornaamwoorden worden slechts enkele verbogen. Zoo nemen ienwind en niemand in den tweeden naamval eene s

Meervoud, van alle geslachten.

welke, welker, welken, welke.

Enkelvoud, vrouw.

welke, welker, welke, welke.

mann.

irelke. welks, welken, welken.

Nom. Gen. Dat. Acc.

ocr page 44

88

aan, terwijl zeker verbogen wordt als een bijvoeglijk naamwoord.

90. In de plaats van iets, niets, alles, voorafgegaan door een voorzetsel, gebruikt men somtijds ook ergens, nergens, overal, gevolgd door een by woord. Hij peinsde over iets of ergens over. Hij weet van niets of nergens van. Hij weet van alles tvat of overal nat van.

Het Telwoord.

91. Aangaande de verbuiging der bepaalde hoofdtelwoorden zij alleen opgemerkt, dat men niet moet schrijven duixende doch duizenden menschen juichten de Koningin toe ; zoo ook I/onderden hrooden werden dien winter uitgedeeld. Het telwoord is hier als zelfstandig naamwoord gebruikt en beteekent daixcud-tal, honderdtal.

Ook lette men er op, de samenstellingen met honderd in een woord te schrijven: De vloot bestond nit driehonderd schepen en was bemand met dertig duizend (in twee woorden) matrozen en soldaten.

92. Het telwoord heide komt natuurlijk alleen in het meervoud voor en wordt aldus verbogen; heide, beider, beiden, beide. Wordt het zelfstandig gebruikt en van personen gezegd, dan luidt de 1ste en 4de naamval beiden; Lode wijk en Hendrik van Nassau zijn heiden op de Mookerheide gesneuveld.

93. Geheel op dezelfde wijze worden ook verbogen de onbepaalde telwoorden ; alle, eenige, enkele, ettelijke, sommige, verscheidene en iveinige. Die soldaten waren allen vermoeid. De boeken zullen alle worden ingebonden.

Het onbep. telw. menig komt alleen in het enkelvoud voor, en dan nog niet in den tweeden naamval. De verbuiging is gelijk aan die van de bezittelijke voornaamwoorden.

ocr page 45

39

94. Worden de ranggetallen zelfstandig en voor personen gebruikt, dan nemen ook zij in den eersten en vierden naamval meervoud eene « aan. Vele eersten xnllen de hiaistell .'. jn. lit de ceinc icerd in IlnUand een strijd (jeroenl tnssehen de IToelsehen en de Kaheljanivschen; tot de eersten behoorden 'meestal de edelen, tot de taeitstell de steden. — In die kamer stemden enkele stoelen en eene te/fel; de eerste varen meest alle (jehroken.

95. De soortgetallen eindigen op hemde en lei: drieërhande, achterhemde, elfderhande, tirintilt;ierhanele; eenerlei, rierdertei.

Dit Itande of lei wordt achter den ouden tweeden naamval meervoud op er der hoofdtelwoorden gevoegd, doch, behalve bij een, tare, drie, aeht, honderd, daixend. en de tientallen, wordt overal voor er nog eene d ingelascht.

Daar beide uitgangen hand en lei de beteekenis hebben van soort, schrijve men niet: drieërlei soort laken, tireeërliande soort krijt, daar het begrip soort dan tweemaal zou zijn uitgedrukt.

96. Daar voor alle nooit het lidwoord kan staan, is eene uitdrukking als ten {te den) eillen tijde af te keuren; men schrijve dus to allen tijde. Zoo schrijve men ook niet: de sehoinvhnrg hecjint ten acht uur of aren, doch wel: té aeht nar of uren (nooit ure).

Het Bijwoord.

97. Bijwoorden [adrerhia) dienen tot nadere bepaling van een begrip, dat door een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord wordt uitgedrukt. Hij spande \ieh vergeefs in;

xijn doel ;.ou hij toch niet bereiken, /jij ondenrierpen \ irh slaafs aan de be reien run den tiran. Hendrik VIII, koning van EiKjeland, tras een zeer heerseh \ nehtiij vorst. Ofsehoon hij buitengewoon liard ge/revkt heeft, is hij niet in ; ja. examen (/eslaaejd.

ocr page 46

40

Het Voegwoord.

98. Voegwoorden {conjuncties) dienen om zinnen of deelen van zinnen met elkander te verbinden en wijzen tevens de onderlinge betrekking dier zinnen of deelen van zinnen aan.

Men verwarre dus de voegwoorden niet met de betrekkelijke voornaamwoorden, die een zin verbinden met een woord van een anderen zin, en tevens de daardoor genoemde zelfstandig-beid aanwijzen. Zoo is in ik hoor, dat hij komt het woordje dat een voegwoord, daar het den zin ik hoor verbindt met hij komt. Doch in het paard, dat den prijs icon, is thans verkocht, heeft dat betrekking op het woord paard en wijst tevens de zelfstandigheid aan.

Het Voorzetsel.

99 Aangaande de voorzetsels zij opgemerkt, dat zij bij samenstelling met een werkwoord weder bij woord worden. Enkele voorzetsels nemen dan een anderen vorm aan, nl. van, tot eu met worden in dat geval af, toe, mede: afplukken, toeijaan, mede-(jaan. In hij liep door de kamer is door dus een voorzetsel, doch hij liep de kamer door is het een bijwoord, daar we in dezen zin te doen hebben met het werkw. dóorloopen.

100. Behalve de gewone, algemeen bekende voorzetsels zijn er sommige zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamw. en deelwoorden in een bepaalden vorm, die den dienst doen van een voorzetsel en dus door den -naamval moeten worden

gevolgd: krachtens, trots, wegens, tijdens, ondanks, nevens, langs, ingevolge, gedurende, aangaande, niettegenstaande, nopens, rol-géns, blijkens, enz. Trots allen tegenstand hlcef hij volharden. Gedurende dril oorlog werd er veel gebrek geleden. Volgens den minister van finantiën moeten de belastingen verhoogd worden. Ingevolge den last des konings is de misdadiger op vrije voeten gesteld.

ocr page 47

HOOFDSTUK VI.

Het Werkwoord.

101. Naar hunne beteekenis worden de werkwoorden (verba) verdeeld in overgankelijke en onovergankelijke werkwoorden.

Kan een werkwoord zoowel in den bedrijvenden {actief) als in den lijdenden vorm (passief) voorkomen, dan is het overgankelijk {transitief)', komt het alleen in den bedrijvenden vorm voor, dan is het onovergankelijk {intransitief). In den bedrijvenden vorm geeft het werkwoord te kennen, dat iemand of iets eene handeling verricht', in den lijdenden vorm, dat eenè werking icordt ondergaan. De jongen schrijft eenen brief (actief). De brief wordt door den jongen geschreven (passief). Wij wandelden gisteren naar Haarlem.

Het kan gebeuren, dat een intransitief werkw., zooals wandelen, toch in den lijdenden vorm voorkomt, zooals in: er werd in het park druk gewandeld. Doch dit is slechts schijnbaar lijdend, daar er geene zelfstandigheid in den zin voorkomt, die de handeling ondergaat.

Men lette ook op de werkwoorden baten, schaden, gehoorzamen, geluk-wenschen, verzoeken, inschenken, enz. wier derde naamval, dien zij in den bedrijvenden vorm regeeren, in den lijdenden vorm niet derde naamval blijft, doch eerste naamval wordt: Dat baat u (3) niets. Wij wenschenhem (3)

ocr page 48

42

geluk. Ik heb hem (3) reeds üceemaal ingeschonken. — Gij wordt daardoor mets gebaat. Hij icordt door ons gelulcgeicenscht. Uy is reeds kvee-maal door mij ingeschonken.

102. De zelfstandigheid, die de handeling van het onderwerp ondergaat of er door ontstaat, noemt men het lijdend voorwerp: De koopman verkoopt al zijne waren. De timmerman timmert eene schutting.

Zulk een lijdend voorwerp komt dus alleen bij transitieve werkwoorden voor; dat het in den vierden, naamval staat, is bekend.

103. Wederkeerige {rellexieve) werkwoorden zijn werkwoorden, waarbij onderwerp en voorwerp dezelfde persoon of zaak zijn. Die hond verslikt zich. Het kind wascht zich.

104. Onpersooulijke werkwoorden (impersonalia) zijn werkwoorden, waarbij het eigenlijke onderwerp verzwegen en vervangen is door het voornaamw. het, b.v. het mist, het regent, het waait.

Het kan ook gebeuren, dat het eigenlijke onderwerp achteraan komt te staan, zooals in zinnen als: Het spijt me, dat uiv broeder verhinderd is. Het verblijdt mij, dat gij gekomen zijt, waarin dat gij gekomen zijt het eigenlijke onderwerp is, terwijl het voorloopig dat onderwerp aanduidt. Plaatst men het eigenlijke onderwerp voorop, dan verdwijnt het voornaamw. het', b.v. dat gij gekomen zijt, verheugt mij.

105. Koppelwerkwoorden zijn werkwoorden, die dienen om eene hoedanigheid, een toestand of eene betrekking (uitgedrukt door een bijvoeglijk naamwoord, een deelwoord of een zelfstandig naamwoord) aan het onderwerp toe te kennen. Hij is arbeidzaam. Zij is gezond. Die man is loods. Zie verder § 52.

106. De werkwoorden worden naar hunne vervoeging {^conjugatie) verdeeld in twee soorten: sterke en zwakke. Die der eerste soort vormen hun onvolmaakt verl. tijd {imperfectum)

ocr page 49

43

door verandering van den stamklinker, die der tweede soort door achter den stam da of te te plaatsen. Den uitgang te voegt men achter een stam, die eindigt op een scherpen medeklinker, doch achter de /quot;en s, die ontstaan zijn uit v en z, plaatst men de: stapte, hlafte, vreesde, erfde, rolde, schilderde, meende, enz.

Het verleden deelw. der sterke werkw. gaat uit op en, dat der zwakke op d. of t, naarmate het imperfectum op de of te uitgaat: 'oopen—(jeloopen; stappen—gestapt; draven—(je-draafd; grazen — gegraasd.

107. Het verl. deelw. neemt iu den regel het voorvoegsel {praefix) ge aan; somtijds wordt dit weggelaten, o. a. bij de werkwoorden, die onscheidbaar met een bijwoord verbonden zijn, in welk geval de klemtoon altijd op het werkwoord valt: doorlóopen, overléggen, misdoen, onderhóuden, verl. deelw.: doorlóopen, overlégd, misdaan, onderhóuden, wel te onderscheiden van dóorgeloopen. Overgelegd, 'misgedaan, émdergehou-den; verder omringd, weerstreefd, tveerldónken, enz.

Bij werkwoorden, die met een ander woord zijn samengesteld, kan ge tusschen beide deelen in of voorop staan: ademgehaald, vrijgesproken-, gedoodverfd, gegekscheerd, gevrijwaard.

108. Opmerking verdient, dat in de plaats van een verleden deelwoord de onbepaalde wijs {infinitief) moet gebruikt worden, indien onmiddellijk op dat deelwoord een infinitief (ook voorafgegaan door té) volgt. Ik heb het liooren zeggen. Zij heeft dat durven doen. Wij hebben dat pogen te verkrijgen, doch wij hebben gepoogd dat te verkrijgen. De Spanjaarden hebben Engeland trachten te veroveren, doch De Spanjaarden hebben getracht Engeland te veroveren.

109. Zooals bekend is, worden de voltooide tijden gevormd door het verleden deelwoord, voorafgegaan door een der vormen van het werkwoord hebben of zijn.

ocr page 50

44

Aangaande het gebruik van deze hulpwerkwoorden valt o.a. op te merken, dat men bij de werkwoorden, die eene beiveging aanduiden, het werkw. hebben bezigt, wanneer men alleen denkt aan de verrichte werking : ik heb geicandelcl, gex-tvom-men, gereisd. Geeft men echter tevens te kennen, dat men tengevolge van de handeling in een anderen toestand is geraakt, dan gebruikt men xijn, dus: Ik ben naar Haarlem gewandeld. Hij is de rivier overgezwommen (en staat nu aan den anderen kant). Wij waren naar Utrecht gereisd.

Dat hierop zijn uitgezonderd de werkwoorden komen en gaan, die altijd met zijn worden vervoegd, is bekend.

110, Opmerking verdient, dat het werkwoord volgen vervoegd wordt met hebben, wanneer het beteekent navolgen, dus: wij hebben xijn goeden raad. gevolgd; beteekent het echter na-loopen, dan gebruikt men het hulpwerkw. zijn, dus: de politie is den dief tot zijne schuilplaats gevolgd. Ook opvolgen wordt in den zin van nakomen met hebben vervoegd: wij hebben uw bevel opgevolgd. In de beteekenis van volgen op kan het met hebben of met zijn worden vervoegd: Hij is (of heeft) zijn vader in de zaak opgevolgd. Yergeten wordt vervoegd met hebben in de beteekenis van niet aan iets denken, dus: Ik heb vergeten mijn boek mede te nemen; in die van uit zijn geheugen verliezen wordt het vervoegd met zijn: Toen de jongen zijne les zou opzeggen, was hij haar geheel vergeten. Beginnen wordt, intransitief gebruikt, altijd met zijn vervoegd, doch transitief kan het met hebben of met zijn vervoegd worden: Ik ben aan dat boek begonnen. Wij hebben een nieuw hoofdstuk begonnen. Om 9 uur is hij begonnen te werken.

111. Sommige werkwoorden hebben een zivakken onv. verl. tijd en een sterk verl. deelw. De voornaamste zijn:

ocr page 51

45

bakken — bakte — gebakken.

bannen — bande — gebannen.

braden — braadde — gebraden.

brouwen — brouwde — gebrouwen (overdr. (jebrouivd). malen — maalde — gemalen.

scheiden — scheidde — gescheiden.

spouwen {splijten) — spouwde — gespouwen.

vouwen — vouwde — gevouwen (overdr. ontromed). weven — weefde — geweven.

zieden — ziedde — gezoden.

Omgekeerd heeft het werkw. weamp;en thans een zwak verleden deelw. geweest; in den zin van voormalig komt het sterke verl. deelw. gewezen nog voor in: een gewezen burgeuieester; een gewezen zeeofficier, enz.

112. Enkele werkwoorden hebben een zwak en een sterk imperfectum ; het laatste is in den regel deftiger: randde, ried; stootte, stiet; tvaschte, wiesch; pleegde (bedreef), placht (was gewoon). Weer andere werkwoorden worden geheel zoowel zwak als sterk vervoegd, zooals; schuilen, schuilde, geschuild of school, (jescholen; schrikken, schrikte, geschrikt of schrok, geschrokken.

113. Ook zijn er eenige werkwoorden, die in de onbep. wijs denzelfden vorm vertoonen, doch overigens eene verschillende vervoeging en eene verschillende beteekenis hebben:

krijgen (ontvangen), kreeg, gekregen.

krijgen (krijg voeren, oorlogen), krijgde, gekrijgd.

malen (fijn maken), maalde, gemalen.

malen (schilderen, zich bekommeren, zeuren), maalde, gemaald, pluizen (pluizen uittrekken), jtloos, geplozen.

pluizen (pluizen afgeven), pluisde, gepluisd.

prijzen (loven), prees, geprezen.

prijzen (van prijzen voorzien,bv. winkuXgoeAerGn),prijsde,geprijsd.

ocr page 52

46

scheppen (vormen, maken), schiep, geschapen.

scheppen (putten), schepte, geschept (bv. vermaak, vreugde

scheppen, een luchtje scheppen, enz).

scheren (snijden), schoor, geschoren-

scheren (bewegen), scheerde, gescheerd (vgl. zich wegscheren), stijven (stijf maken), steef, gesteren.

stijven (versterken), stijfde, gestijfd (bv. iemand in zijn roor-

neuten stijven, de kas stijven).

tijgen (trekken), toog, getogen.

tijgen (in het werkw. aantijgen, beschuldigen), tijgde, getijgd. rerschrikken (een schrik krijgen), verschrok, verschrokken; somtijds wordt dit werkw. ook zwak vervoegd. rerschrikken (een schrik aanjagen), verschrikte, verschrikt.

ocr page 53

HOOFDSTUK VIL

De leer van den zin,

11-4. Men verdeelt de volzinnen in enkelvoudige en sameie-gestelde ziunen; de laatste bestaan uit meer dan een zin.

Is de eene zin een deel van den anderen, dan zegt men dat ze onderschikkend verbonden zijn. Is dit niet het geval, dan zijn ze nevenschikkend verbonden. J/,- hoop, dat /rij spoediff terug Milieu zijn. Toen hij hij mij kwam, had ik juist bezoek ontvaugen. — Jan gaat uit en zijn hroeder blijft thuis.

De twee eerste zinnen zijn voorbeelden van onderschikkend zinsverband. Het tweede deel toch van den eersten zin is het lijdend voorwerp van het werkwoord hopen; terwijl het eerste deel van den tweeden zin eene tijdsbepaling is van het volgende deel. In den derden zin staan beide deelen in gelijke waarde naast elkander, de eene zin is geen deel van den anderen.

Hebben de beide nevengeschikte zinnen een of meer deelen gemeen, die slechts eenmaal worden uitgedrukt, dan noemt men den geheelen zin samengetrokken. Dezen zomer gaan wij naar Zwitserland, doch onze vrienden naar Schotland. Mijn broeder is eerst naar Brussel gereisd: en daarna naar Parijs. In dei» eersten zin is het gemeenschappelijke wxfclgaan, in den tweeden mijn hroeder is gereisd.

ocr page 54

48

115. De nevenschikkende zinsverbinding kan zijn; aaneen-schakeleml, tegenstellend en redengevend. — le Be knecht had zijnen patroon bedrogen, en hem eenc (jroote geldsom ontstolen. Prins Willem van Oranje was niet alleen een bekwaam staatsman, maar ook een goed veldheer. Noch, geld, noch goed honden hem tot die lage daad verleiden. - 2e AUc mogelijke moeite hebben wij aangewend, maar onze pogingen waren vergeefsch. liet regende dien dag volstrekt niet; integendeel het iras zeer fraai weder. Oldcnbarncveld trilde gaarne het twaalfjarig bestand sluiten; Maurits echter verzette zich in den beginne hier krachtig tegen. Gij kunt hedenmiddag gaan wandelen, of thuis blijren. Of hij tras inderdaaft vroom, öf hij huichelde.— 3e Het heeft rannacht tien graden gevroren; hierdoor ligt er ijs in de sloot. Mijn oom komt vanmiddag bij ons eten; daarom ga ik hedenarond niet uit. De kantoorbediende was zeventig jaar, en dus niet meer geschikt voor zijn werk. De veldheer werd zwaar gewond, en kon al:, oo het opperbevel niet langer voeren. Ik leende eeii hoek, want het mijne werd ingebonden.

Men lette bij het redengevend zinsverband op het verschil tusschen oormak en reden. Eene oorxaak heeft altijd een noodxakelijk gevolg, eene reden niet. Wanneer het tien graden vriest, dan moet er noodxakelijk ijs in de slooten liggen, doch wanneer een oom komt eten, is het thuis blijven volstrekt niet noodzakelijk. Bij eene oorxaak gebruikt men o.a. de bijwoorden /«'erdoor, daardoor, bij eene reden hierom, daarom.

116. Bij de onderschikkende zinsverbinding kunnen de bijzinnen somtijds dienst doen als onderwerp van den geiieelen zin {onderwerpszin)'. Of hij heden thuis komt, is nog niet bekend. Wanneer wij zullen r er trekken, is nog niet bepaald. Het ■spijt ons, dat gij dit niet doen wilt.

Of als gezegde {gezegde-:, in): Hij is niet, wat hij schijnt. Hij ivordt, ivat zijn vader geweest is. Die jongen lijkt, wat hij geenszins is.

ocr page 55

49

Of als voorwerp {voorwerpszin)-' Ik weef zeker, dat hij in xijn examen geslaagd is. Wij hoorden, dat er een fjroot sjjoor-wegongeluk had plaats gehad. Niemand tivijfelde er aan, of hij r. ou in zijne onderneming slagen. Wij icaren zeer nieuwsgierig, hoe die zaak zou afloopen.

117. Ook als bepaling kan een geheele zin dienen: Be man, die in 1582 een aanslag pleegde op het leven van Prins Willem van Oranje, heette Jean Jaureguy. Hef schip, waarop mijn broeder als matroos dient, is gehdhig den storm ontkomen. Eindelijk vonden wij eene herberg, waar wij konden vertoeven^

In deze drie zinnen worden de zelfstandigheden man,, schip en herberg door den volgenden zin nader bepaald. Dergelijke zinnen, die eene zelfstandigheid nader bepalen, worden bijvoeglijke bijzinnen genoemd; de rest van den zin heet hoofdzin.

118. De hier genoemde soorten van zinnen kunnen ook in beknopten vorm voorkomen: liet is mij niet mogelijk, dit te doen (= dat ik dit doe). De groote moeilijkheid teas, hoe de zaak aan te pakken (= hoe men de zaak moest aanpakken). Hij belooft telkens het te zullen doen (= dat hij het zal doen). In mijne kamer staat eene antieke kast, van zeer groote waarde (= die van zeer groote waarde «•). Op den hoek der straat stond eene vrome, in lompen gehuld (= die in lompen was gehuld).

Men wacbte er zich voor, het voorzetsel om te gebruiken in een beknopten onderwerpszin of in een beknopten voorwerpszin, en schrijve dus niet: Eel is verboden, om hier te rook en, doch wel: Het is verboden, hier te roolcen; evenmin schrijve men: Ik verbied u, om hier te rook en,. doch wel: Ik verbied u, hier te rooken.

119. Bijzinnen, die dienen als bijwoordelijke bepaling en dus geen zelfstandigheid, nader bepalen, heeten bijwoordelijke bijzin-

ocr page 56

50

aien; ze worden altijd ingeleid door voegwoorden. De voor-snaamste soorten zijn:

a. de tijdbepalende bijzin, ingeleid door de voegwoorden loen, zvanneer, als, nu, eer [tlcd), voor {dat), nadat, tot{dat), tencijl, sinds, sedert, enz.

Toen ik hem op ijne fouten opmerkzaam maalde, werd hij yeiceldiy hoos. Eer (jij vertrekt, moet (je nog even hij mij aan-■komen. Nadat prins Man rits het stadje Ilnlst had genomen, ■was Nijmegen, aan, de henrt. Sedert hij vertrokken is, hehhen gt;rij niets nicer van Item vernomen.

b. de plaatsbepalende bijzin, ingeleid door waar, van/raar, waarheen, werwaarts, b.v. II: volg u, ivaar gij ook gaat. Ga, tanwaar gij gekomen xijt.

c. de redengevende bijzin, ingeleid door omdat, deivijl, vermits, ■daar, naardien, nu, doordat, doordien, enz.

Omdat de lacht dreigde, nam ik eene pa rap la ie mede. Nu (jij telkens te laat komt, dien ik u te straffen. Doordien hij zijnen voet verstuikt had, kon hij niet hopen. Nademaal Jacoha ran Beieren het verdrag van Delft schond, iverd zij van de regeering vervallen verklaard.

Men gebruike in een bijzin, welke de oorzaak aanduidt van de gedachte, die in den hoofdzin staat uitgedrukt, het voegwoord doorrfvew, door-dat\ is er sprake van eene reden, dan bezige men omdat, dewijl, wijl, zennits, enz.

d. de doelaan wijzende bijzin, ingeleid door ten einde, opdat, dat.

Mijn hroeder is naar Amsterdam, gegaan, ten einde zich aldaar

in den handel te bekwamen. Ik heb hem voor dien bedrieger gewaarschuwd, opdat hij door hem niet zou worden beetgenomen-

e. de gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door de voegwoorden xoodat, dat, vandaar dat, enz.

Ik heb mij gisteren in den vinger gesneden, zoodat ik nu

ocr page 57

51

niet kan schrijven. Het regende, dat het goot. Johan de Witt verwaarloosde het landleger, vandaar dat wy in 1672 Lodeicijlc XIV geen genoegxamen tegenstand honden bieden.

f. de toegevende bijzin, ingeleid door de voegwoorden ofschoon, hoewel, alhoewel, hoezeer, al, enz.

Ofschoon de troepen zeer afgemat ivaren, werd toch bevel gegeven tot den aanval. Hoewel hij alle krachten inspande, kon hij niet in zijne pogingen slagen. Al hadt ge hem nog zulk een voor deel ig aanbod gedaan, hij zon het toch hebben afgeslagen.

g. de voorwaardelijke bijzin, ingeleid door de voegwoorden indien, als, wanneer, ingeval, zoo, tenzij, tenware, euz.

Indien (jij mij de onkosten vergoedt, zal ik dat onderzoek voor u instellen. Als gij n haast, kunt ge het werk heden'ivel afkrijgen. Wanneer gij niet iverkt, zult gij niet vooruitkomen. Zoo hij ons nog eens verraadt, zal het hem den hals kosten. Gij kunt hedenmiddag gaan schaatsenrijden, tenzij (indien niet) uwe ouders het verbieden.

120. Ook de bijwoordelijke zin kan in beknoplen vorm voorkomen: Na afscheid, genomen te hebben (= nadat hij afscheid genomen had), ging hij heen. Doodarm zijnde (= daar hij doodarm was), )noest hij bedelen. Wij eten, om televen (= opdat tcij leven). Wij vonden dat aanbod te mooi, om het af te slaan (= dat wij het konden afslaan).

ocr page 58

i ]si houd.

- De Spelling.........

Klinkers...........

Tweeklanken.........

Medeklinkers.........

Het Zelfstandig Naamwoord.

Geslachtsregels........

Buiging der Zelfst. Naamw. . . Naamvallen.........

Het Bijvoeglp Naamwoord . Het Voornaamwoord.....

Persoonlijke Voornaamwoorden. Bezittelijke »

Aanwijzende »

Vragende »

Betrekkelijke »

Onbepaalde »

Het Telwoord.

Het Bgwoord. Het Voegwoord Het Voorzetsel Het Werkwoord. . . Jc' Soorten van werkwoorden

Vervoeging der »

De leer van den zin. .

§ 1-27

» 1—13

» 13-17

» 17-27

gt;gt; 27-60

» 28—3()

» 36-60

» 52-60

» 60—6cgt;

» 68-91

» 68-73

» 73-76

» 76-82

» 82—84

» 84-80

. 89-91

» 91—97

» 97—98

» 98-99

» 99-101

» 101—114 » 101-106 » 106—114 » 114-120

r. rt

te da te.

in

ÏO(

. S-'I T

ocr page 59

VERBETERINGEN.

Iu g 33 schrappe men hars.

In § 44 leze men r.egaas in plaats van egaas.

In § 48 leze men en in plaats van er.

In S 55 schrappe men het laatste voorbeeld en leze: De kogels vlogen hem over het hoofd, waarvoor men ook zou kunnen zelt;rgen, de kogels vlogen over z ij n huofd.

In § 77 leze men: 1618 in plaats van 1(517.

ocr page 60

■

; ■ .

■ ■

, i.

1

ocr page 61
ocr page 62