FOUMTJLIEEEIT
VOOR
KANTONGERECHTEN.
TWEEDE DRUK
HERZIEN EN B IJ GEWERKT
DOOR
J. H. F. C. KIPPENBROEK,
Deurwaarder hij de Arrondissements-Rechtbank te Groningen, vroeger waarnemend Griffier bij het Kantongerecht te Groningen.
P. NOORDHOFF. â 1896. â GRONINGEN.
f 1,25.
Kast 1 / () PL H N0.21
FORMULIEREN YOOR KANTONGERECHTEN.
ï / ~
FORMULIEREN
P. NOORDHOFF. â 1896. â GRONINGEN.
VOOR
KANTONGERECHTEN,
TWEEDE DRUK
HERZIEN EN B IJ G E W E R K T
DOOR
J. H. F. C. KIPPENBROEK,
Deurwaarder bij de Arrondissements-Rechtbank te Groningen, vroeger waarnemend Griffier bij het Kantongerecht te Groningen.
VOORBERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Bij de uitgave van den tweeden druk der âFormulieren voor de Kantongerechten ' heb ik met genoegen de taak op mij genomen, om dit werkje, waarvan het groote nut mij gedurende een 12-jarige werkzaamheid ter griffie van het Kantongerecht te Groningen ruimschoots zvas gebleken, te herzien en in overeenstemming te brengen met de latere wetten en besluiten.
Moge ook deze tweede druk een vraagbaak zijn voor velen , gelijk de eerste dat geweest is.
Groningen, Januari 1896.
J. H. F. C. KIPPENBROEK.
FORMULIEREN.
No. 1.
Aanvrage om zegels voor ambtshalve verrichtingen.
Bij dezen heb ik de eer U beleefd te verzoeken mij twee zegels van vijftig cents te doen toekomen, ten einde te dienen voor de acten, benoodigd om in de voogdij van de minderjarige kinderen van A. van beroep . , wonende te . . . ., bij wijlen B. in echte verwekt, te voorzien, welke voorziening door mij ambtshalve zal plaats hebben.
De Kantonrechter van het Kanton:_ .... den .... 18 . . N. N.
De aanvrage geschiedt op ongezegeld papier; gelijke aanvragen kannen gedaan worden bij verzegelingen en andere verrichtingen, welke door den Kantonrechter ambtshalve geschieden.
No. 2.
Bevel tot oproeping van naaste bloedverwanten of aangehuwden.
Wij Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie ....
Gelasten den deurwaarder, wien dezen zal worden ter hand gesteld, op te roepen:
KIPPENBROEK, Formulieren. Tweede druk. I
2
1°. A......van beroep . . . ., wonende te ... .
2°. B...... van beroep . . . ., wonende te ... . enz.,
om op dag den .... des voormiddags ten .... ter
plaatse onzer gewone terechtzittingen te .... te verschijnen , ten einde:
als naaste bloedverwanten of aangehuwden der minderjarige kinderen van C., van beroep . , wonende te . . . ., bij wijlen D. in echte verwekt, door ons te worden geraadpleegd over de benoeming van voogden.
Gedaan te ... . den . . . . 18 . .
De Kantonrechter voornoegt;nd:
N. N.
Vrij van de formaliteit van registratie.
1. Zie artt. 414, 388 van het Burg. Wetb.
2. De oproeping bij deurwaardersexploit, moet ter besparing van kosten, slechts bij onwilligen te baat genomen worden. Meestal is eene onderhandsche oproeping, door den Kantonrechter of griffier gedaan, voldoende. Het is wenschelijk in het exploit op te nemen en tevens aan te zeggen de straf, die bij niet verschijning kan worden opgelegd. Indien de voogdij krachtens certificaat van onvermogen gratis zal geschieden, moet ook de deurwaarder zijne diensten gratis verrichten.
No. 3.
Benoeming van eenen toezienden voogd.
Op heden den .... compareerde voor ons, Mr.....
Kantonrechter van het Kanton.....Arrondissement . . . .,
Provincie . . . ., bijgestaan door den Griffier Mr.....
3
.als vader-voogd over zijne minderjarige kinderen,
genaamd:..............door hem bij nu wijlen
zijne echtgenoote . . . ., gewoond hebbende en overleden te ... . den.....in huwelijk verwekt;
ons verzoekende, dat door ons mocht worden overgegaan tot de benoeming van eenen toezienden voogd over genoemde minderjarigen;
En mede verschenen voor ons
1°. A., van beroep . . . ., wonende te . . ., volle oom aan vaderszijde;
2°. B., van beroep . , wonende te . . . ., behuwd-oom aan vaderszijde ;
3°. C., van beroep.....wonende te . . . ,, grootvader
aan moederszijde;
4°. D., van beroep . . . ., wonende te ...., behuwd-neef aan moederszijde,
van genoemde minderjarige kinderen ten einde (ambtshalve daartoe door ons opgeroepen), te worden geraadpleegd over de benoeming van eenen toezienden voogd voor bovengenoemde minderjarige kinderen.
Na Comparanten te hebben geraadpleegd over den persoon, wiens benoeming het meeste met de belangen der minderjarigen zoude strooken, hebben wij, ons vereeni-gende met het gevoelen der meerderheid, tot toezienden voogd over zoo even vermelde minderjarige kinderen benoemd den derden Comparant G., van beroep . . . ., wonende te ... .
De benoemde heeft daarop terstond in onze handen den eed (of de belofte) afgelegd, âdat hij zijnen plicht deugdelijk en getrouwelijk zal waarnemen.quot;
Van al het bovenstaande hebben wij dit procesverbaal doen opmaken , dat door ons en den Griffier is geteekend.
i. Zie art. 422 vgg. van het Burg. Wetb.
1*
4
2. Voor de benoeming van eenen Voogd, ten verzoeke van den toezienden voogd, bezige men hetzelfde formulier, de wijzigingen toonen zich van zelve aan; de eed luide en worde vermeld, âdat hij de aan hem toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemenquot;. Zie art. 413 vgg. van het Burg. Wetb.
3. In geval van onvermogen stelle men achter het woord âprocesverbaalquot; âgratisquot; en achter het woord âopmakenquot; âkrachtens certificaat van onvermogen, afgegeven ten behoeve van de minderjarigen door den Burgemeester der gemeente .... den . . . .quot;
Wanneer er ten behoeve van de minderjarigen een dusdanig certificaat is afgegeven, kunnen de volmachten, afgegeven door de bloedverwanten of aangehuwden, krachtens datzelfde certificaat op ongezegeld papier geschreven en gratis geregistreerd worden.
Zie art. 27 A. n0. 10 der Zegelwet, in verband met de decisie van den Minister van Financiën d.d. 2 Mei 1849 circulaire n0. 812 Registratie,
4. Wanneer de benoemde voogd of toeziende voogd niet tegenwoordig is, stelle men voor de zinsnede âDe benoemde heeft daarop enz.quot;: âAan den benoemde zal van deze âbenoeming kennis worden gegeven, met uitnoodiging om den âbij de wet gevorderden eed of de belofte, in handen van den âbevoegden rechter af te leggen.quot;
De wet bepaalt niet door wie en hoe de kennisgeving gedaan moet worden; het komt ons voor, dat zulks door belanghebbenden moet geschieden.
5. Wanneer de Kantonrechter tegen het gevoelen der meerderheid benoemt, stelle men voor de zinsnede âNa Comparanten te hebben geraadpleegd: âNa raadpleging âmet de Comparanten bleek het ons, dat de drie eerstgenoemden âde benoeming van C., van beroep . . . ., wonende te . . . ., âwenschelijk achtten: De vierde Comparant echter kon zich âmet die keuze niet vereenigen, hoewel overigens de geschikt-âheid van C. niet willende betwisten, meent hij, dat deze veelal
s
âtegenstrijdige belangen met de minderjarigen heeft, weshalve âhij liever D., van beroep . . ., wonende te . . . , benoemd âzag. De overige Comparanten konden zich met dit gevoelen âniet vereenigen enz.
âDaar ons de redenen, door den vierden Comparant aange-âvoerd, alleszins gegrond voorkwamen, hebben wij, afwijkende âvan het gevoelen der meerderheid, tot toezienden voogd (of âvoogd) benoemd D., van beroep . . . ., wonende te . . .
En vóór de woorden van al het bovenstaande enz. stelle men: âTen verzoeke van de drie eerstgenoemde Comparanten zullen âwij onmiddellijk een afschrift van dit procesverbaal aan de âArrondissements-Rechtbank te ... . doen toezenden.quot; Zie art. 415 van het Burg. Wetb.
6. Wanneer één of meer van de op geroepene bloedverwanten niet verschijnen, stelle men vóór de zinsnede Na Comparanten te hebben enz.: âD., van beroep . . . ., wo. ânende te.....mede door ons opgeroepen bij bevel tot dagvaarding van den . . . ., den afwezig geblevene beteekend bij âexploit van den deurwaarder H. te . . . ., behoorlijk geregi-âstreerd, is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.quot; Zie art. 388, 389 en 416 van het Burg. Wetb.
No. 4.
Bevel tot insinuatie eener benoeming als voogd 01 toeziende voogd.
Wij, Kantonrechter van het Kanton enz.....bevelen
den deurwaarder, wien deze zal worden ter hand gesteld, het hierbij gevoegde afschrift van ons procesverbaal van
6
den . . . ., waarbij A., van beroep . . . ., wonende te ,
is benoemd tot voogd over de minderjarige kinderen van C . . . . en D . . . ., in leven echtelieden, aan genoem den A te beteekenen, en hem te sommeeren, om binnen den tijd van veertien dagen na de dagteekening der insinuatie in persoon voor ons te verschijnen, ten einde den bij de wet gevorderden eed (of de belofte) af te leggen.
Gelasten den deurwaarder met de uitvoering dezer acte belast, om dit bevelschrift, voorzien van het relaas der gedane beteekening, onmiddellijk aan ons terug te zenden.
Gedaan te ... . den ....
De Kantonrechter voornoemd : N. N.
No. 5. Beëediging als voogd.
Op heden den .... compareerde voor ons Mr.....
Kantonrechter te . . . ., bijgestaan door den Griffier Mr.....
A., van beroep . . . ., wonende te ...., benoemd als voogd over de minderjarige kinderen van B. en C., in leven echtelieden, gewoond hebbende en overleden te ...., blijkens daarvan opgemaakt procesverbaal van den . . . . Comparant verklaarde de hem opgedragen voogdij te willen aanvaarden en verzocht ons hem als voogd te willen beëedigen.
Voldoende aan des Comparants verlangen, hebben wij van hem den eed afgenomen, âdat hij de aan hem toe-
7
vertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen.quot;
Van welke eeds-aflegging wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons, Kantonrechter en den Griffier is geteekend
1. Zie art. 419 van het Burg. Wetb.
2. Voor de beëediging van eenen toezienden voogd luide de eed: âdat hij zijnen plicht deugdelijk en getrouwelijk zal waarnemen.quot; Zie art. 426 van het Burg. Wetb.
No. 6.
Bevestiging in de voogdij in geval van hertrouwen.
Op heden den .... compareerde voor ons enz.
Mevrouw . . . ., wonende te . . . ., in hoedanigheid van moeder-voogdes over de minderj .... genaamd, . . . . bij haar door nu wijlen haren echtgenoot . , gewoond
hebbende en overl .... te.....in echte verwekt;
ons te kennen gevende, dat zij voornemens is een volgend huwelijk aan te gaan met . ..., wonende te.....
en verzocht ons wel te willen beslissen, of zij de voogdij over hare kinderen , na het aangaan van haar voorgenomen huwelijk zal kunnen blijven behouden, tot welk einde zij na te noemen Comparanten had verzocht, als naaste bloedverwanten of aangehuwden, voor ons te verschijnen om dienaangaande te worden geraadpleegd, te weten;
1°. enz.
20. â
3°- ..
4° ⢠..
8
Na raadpleging met die Comparanten , eenparig verklarende , dat het hun wenschelijk voorkwam , dat de Compa-rante moeder in de voogdij bevestigd werd, hebben wij, hun gevoelen volgende, beslist, dat de moeder-voogdes na het voltrekken van haar huwelijk met . . . van beroep . . . ., wonende te . . . ., de voogdij zal blijven behouden.
Van welke handeling wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons, Kantonrechter en den Griffier is geteekend.
Zie art. 405 van het Burg. Wetb.
No. 7.
Benoeming tot voogdes, wanneer de moeder de voogdij heeft verloren ingevolge het bepaalde bij art. 405 B. W.
Op heden den .... compareerde voor ons enz.
Mevrouw.....wonende te ...., eerst weduwe van
. . . ., thans echtgenoote van . . . ., als moeder over de
minderjarigen.....geboren uit haar huwelijk met nu
wijlen . . . ., gewoond hebbende en overleden te ...., ons verzoekende te worden herbenoemd tot voogdes over hare genoemde kinderen, daar zij ingevolge het bepaalde bij art. 405 B. W. de voogdij heeft verloren.
En mede verschenen voor ons, ten einde op dat verzoek te worden gehoord, de toeziende voogd en vier uit de naaste bloed- en aanverwanten van de minderjarigen, te weten:
9
enz.: toeziend voogd ;
1quot;
2°
3°
4°
5°
Comparanten, door ons geraadpleegd, waren eenparig van gevoelen, dat de belangen der minderjarigen door niemand beter dan door hunne moeder kunnen worden waargenomen; gelijk hun zulks gebleken is uit haar, gedurende haren weduwestaat gehouden beheer, terwijl de bekende kunde en rechtschapenheid van haren tegenwoor-digen echtgenoot nog meerdere waarborgen voor een ri.chtig en nauwgezet beheer geven, zoodat het hun alleszins wenschelijk voorkwam, dat zij tot voogdes benoemd werd.
Wij hebben daarop het eenparig gevoelen der Comparanten volgende, Mevrouw . , zonder beroep , wonende te ...., tot voogdes benoemd over hare kinderen , door wijlen genoemden haren echtgenoot bij haar in echt verwekt.
De benoemde heeft daarop in onze handen den eed afgelegd, âdat zij de aan haar toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen.quot;
Van welke handeling wij dit procesverbaal enz.
1. Zie artt. 406, 405 van het Burg. Wetb.
2. De beëediging komt ons noodzakelijk voor, doordien alle voogden, door den Kantonrechter benoemd, dien eed moeten afleggen, terwijl de wet geene uitzondering omtrent de tot voogdes benoemde moeder maakt.
IO
No. 8.
Benoeming van eenen voogd voor natuurlijke niet erkende kinderen.
Wij Mr...... Kantonrechter van het Kanton . . . .,
Arrondissement . . . ., Provincie . . . ., bijgestaan door den Griffier Mr.....
Gezien een extract uit het geboorteregister der gemeente . . . ., inhoudende, dat binnen die gemeente op den . . . . is geboren (naam enz. van den minderjarige), terwijl ons niet is gebleken, dat er te (zijnen of haren) aanzien erkenning heeft plaats gehad;
Gezien artikel 420 van het Burgerlijk Wetboek.
Benoemen tot voogd over genoemde minderjarige . . . .,
van beroep . , wonende te.....en tot toezienden
voogd . . . ,, van beroep . . . ., wonende te . . . , die, inmiddels voor ons verschenen, zich bereid verklaarden de hun opgedragen betrekking aan te nemen, en hebben dadelijk daarna in onze handen afgelegd den bij de wet van hen gevorderden eed.
Waarvan wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons en den Griffier is geteekend.
Zie art. 420 van het Burg. Wetb.
No. {).
Benoeming van eenen toezienden voogd over natuurlijke erkende kinderen.
Op heden den .... verscheen voor ons Mr.....,
Kantonrechter te ...., bijgestaan door den Griffier Mr. . . .
11
(naam der moeder b. en w.) als moeder-voogdes over haar natuurlijk erkend kind, genaamd . , blijkens overgelegde acte geboren den . . . . te . . , ., ter zijde waarvan staat: âDit kind enz.quot;; ons verzoekende over genoemde minderjarige een toezienden voogd te benoemen ;
Wij Kantonrechter, gelet op artt. 335 en 408 B. W. , benoemen over genoemden minderjarige tot toezienden
voogd......., die, inmiddels voor ons verschenen,
zich bereid heeft verklaard die benoeming te aanvaarden en onmiddellijk daarop in onze handen heeft afgelegd den bij de wet van hem gevorderden eed.
Waarvan wij dit procesverbaal enz.
No. 10.
Bekrachtiging eener benoeming als voogd door de moeder-voogdes, bij testament gedaan.
Op heden den .... compareerde voor ons .... enz.:
A, van beroep.....wonende te ...., verklarende , dat
bij uiterste wilsbeschikking, verleden voor den te ... . resideerenden Notaris Mr. B. den . . . thans behoorlijk geregistreerd, door C., in leven winkeliersche, gewoond hebbende te .... en aldaar overleden den . . . ., vroeger weduwe van D., later hertrouwd met E., van beroep . . . ., wonende te . . . , is benoemd tot voogd over hare minderjarige kinderen genaamd . . . ., uit haren echt met D. gesproten;
dat C., alvorens in den echt te treden met E., in de
12
voogdij over genoemde kinderen is bevestigd door den heer
Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement.....
Provincie . . . ., blijkens daarvan opgemaakt procesverbaal van den . . . .;
Comparant verzocht ons de door C. gedane benoeming te willen bekrachtigen.
En mede verschenen voor ons de toeziende voogd en vier uit de naaste bloed- en aanverwanten van genoemde minderjarigen ten einde op dat verzoek te worden gehoord , te weten;
1°. enz.
Na raadpleging met de Comparanten, eenparig oordee-lende, dat de gedane benoeming in allen deele met de belangen der minderjarigen strookt, hebben wij de door C gedane benoeming van A. tot voogd over hare minderjarige kinderen, bij D in eersten echt verwekt, bekrachtigd.
Waarvan wij dit procesverbaal enz.
Zie art. 412 van het Burg. Wetb.
No. 11.
Benoeming van eenen deelvoogd.
Wij Mr....., Kantonrechter van het Kanton . . . .,
Arrondissement . . . ., Provincie . , bijgestaan door
den Griffier Mr.....
Gezien een ons ter examinatie en goedkeuring aangeboden Concept-acte van scheiding en deeling der nalaten-
13
schap van A., in leven van beroep . . . ., gewoond hebbende en overleden te ... .
Overwegende, dat tot die nalatenschap gelijktijdig gerechtigd zijn :
1°. B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., voor zich zelve en in qualiteit als voogd over de minderjarige kinderen van D. en E , beiden overleden.
2°. C., van beroep . . . ., wonende te ...., voor zich zelve , terwijl hij in de scheiding tevens als toeziende voogd over genoemde minderjarigen moet handelen;
Oordeelende, dat genoemde B. en C. beiden een tegenstrijdig belang hebben met de minderjarigen zoo even genoemd , zoodat er in dezen termen bestaan om eenen deel-voogd te benoemen.
Gezien art. 1118 al. 2 van het Burg. Wetboek. Benoemen tot deelvoogd F., van beroep . . . . , wonende te
.....om bij de scheiding en deeling van bovengenoemde
nalatenschap de belangen der minderjarigen waar te nemen.
De benoemde, daarop voor ons verschenen, heeft in onze handen den eed afgelegd, dat hij zijne verplichting als deelvoogd naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen.
Waarvan wij dit procesverbaal enz :
1. Zie art. 1118 van het Burg. Wetb.
2. Naar ons oordeel behoeft bij deze benoeming den raad van naastbestaanden niet gehoord te worden. Zie Mr. J. G. de Witt Hamer Jr., Handb. voor de Kantongeregten, bl. 558.
3. De beëediging, hoewel niet uitdrukkelijk voorgeschreven, komt ons, als waarborg voor de minderjarigen, nuttig voor.
14 No. 12.
Benoeming van eenen Curator over een ongeboren
vrucht.
Op heden den .... compareerde voor ons enz. A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., weduwe van wijlen B., in leven . . . ., wonende te ... .
Comparante verklaarde ons, dat zij zich in zwangeren toestand bevond, en verzocht ons over die ongeboren vrucht eenen curator te willen benoemen, waartoe zij de navolgende personen had verzocht voor ons te compareeren, ten einde over de benoeming van eenen curator te worden gehoord.
Hierop zijn voor ons verschenen:
1°. B., van beroep . . . wonende te ... . enz.
(Zie verder n0. 3). (Indien er minderjarigen uit hetzelfde huwelijk zijn, kan deze benoeming gelijktijdig met de benoeming van eenen toezienden voogd geschieden.)
Zie art. 403 van het Burg. Wetb.
No. 13.
Benoeming van eenen bizonderen Curator ingevolge art.
365 B. W.
Op heden den .... verscheen voor ons Mr......
Kantonrechter te ...., bijgestaan door den Griffier Mr.....
de Heer N. N. in hoedanigheid van vader en voogd over zijne minderjarige kinderen, genaamd . . . ., geboren
i5
uit zijn huwelijk met . . . ., die ons verzocht eenen bizonderen curator te benoemen, om zijne minderjarige kinderen te vertegenwoordigen op grond, dat hij een tegenstrijdig belang heeft met dat zijner meergenoemde kinderen.
En mede verschenen voor ons vier uit de naaste bloeden aanverwanten van genoemde minderjarigen, te weten:
iu. enz.
Zie verder voogdbenoeming.
Gezien Artikel 365 van het Burgerlijk Wetboek en Art. 1 der wet van 18 April 1874 (Stbl. no 68).
Benoemen over de minderjarigen bovengenoemd tot bizonderen curator om hen te vertegenwoordigen den Heer . . . .
De benoemde, daarop voor ons verschenen , heeft daarop in onze handen afgelegd den eed; âdat hij zijne verplichting als bizonderen curator naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen.quot;
Waarvan wij dit procesverbaal hebben doen opmaken enz.
No. 14.
Benoeming van eenen curator en eenen toezienden curator, over eenen onder curateele gestelde.
Op heden den .... compareerden voor ons enz. 1°. A , van beroep . . . ., wonende te . . . . grootvader. 2°. B., van beroep . . . ., wonende te . , volle oom enz.
Comparanten verklaarden ons, dat C., zonder beroep , wonende te . . . ., bij vonnis van de Arrondissements-
i6
Rechtbank te , contradictoir gewezen den . . ., be
hoorlijk geregistreerd, onder curateele gesteld is;
dat genoemd vonnis, bij exploit van den deurwaarder
.... d.d.....behoorlijk geregistreerd, aan den onder
curateele gestelden is beteekend;
dat de termijn van hooger beroep op den .... is verstreken, weshalve zij ons verzochten te willen overgaan tot de benoeming van eenen curator en toezienden curator over genoemden onder curateele gestelde.
Daarop hebben wij de Comparanten, zijnde de twee eersten bloedverwanten van vaderszijde en de twee laatsten van moederszijde, geraadpleegd over de personen, wier benoeming tot curator en toezienden curator het meest met de belangen van den onder curateele gestelde zoude strooken. Het gevoelen der meerderheid volgende, hebben wij tot
curator benoemd D., van beroep . . . ., wonende te.....en
tot toezienden curator B., van beroep . . . wonende te ... .
De benoemden hebben daarop terstond in onze handen afgelegd den eed:
de curator: âdat hij de hem toevertrouwde curateele ânaar behooren en getrouwelijk zal waarnemen;quot;
de toeziende curator: âdat hij zijnen plicht deugdelijk âen getrouw zal waarnemen.quot;
Waarvan wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, enz.
1. Zie art. 503 vgg. van het Burg. Wetb., art. 80 vg. art. 332 vgg. en art. 339 vgg. van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.
2. Wanneer kan de Kantonrechter tot de benoeming overgaan? Indien het vonnis contradictoir is gewezen, bestaat hierover geen verschil: art. 339 vgg. en 398 vgg. van het Wetb. v. Burg. Rechtsv. in verband met art. 506 van het Bur-gerl. Wetb. bepalen zulks.
Maar hoe, indien het vonnis bij verstek is gewezen? Het verzet kan gedaan worden, zoolang het vonnis niet ten uitvoer
17
gelegd is. Art. 82 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord. leert, wanneer een vonnis wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd, doch moeielijk is het een vonnis van onder curateele stelling tegen eenen onder curateele gestelde ten uitvoer te leggen.
Wij voor ons houden het er voor, dat het vonnis kan geacht worden aanvankelijk ten uitvoer gelegd te zijn, wanneer hetzelve aan den onder curateele gestelde is beteekend, de plaatsing der onder curateele stelling in de dagbladen, bedoeld in art. 498 van het Burgerl. Wetb., heeft plaats gehad, en die plaatsing in de dagbladen den onder curateele gestelde bij deurwaarders exploit is beteekend; daardoor toch wordt aan het vereischte van art. 82 van het Wetb. van Burg. Rechtsv. voldaan.
Zie art. 35 der Wet van 27 April 1884 (Stbl. no. 96).
No. 15.
Beëediging van eenen deskundige.
Op heden den .... compareerde voor ons enz., A,, van beroep . . . ., wonende te . . . ., verklarende: dat hij, door belanghebbenden tot deskundige is benoemd, om de roerende goederen, behoorende tot (den gemeenschappelij-ken boedel van . . . .) (de nalatenschap van . . . .) te waardeeren, met verzoek hem als zoodanig te willen beëedigen.
Voldoende aan het verzoek van den comparant hebben wij van hem den eed afgenomen, dat hij de roerende goederen, die hem ter waardeering zullen worden aangeboden, naar zijn beste weten, op derzelver oprechte waarde zal schatten, zeggende hij onder het opsteken der beide
KirpENBROEK, Formtdieren. Tweede druk. 2
18
voorste vingers van de rechterhand ons na de woorden: âZoo waarlijk helpe mij God Almachtig.quot;
Van welke beëediging wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons en den Griffier is geteekend.
Zie artt. 448 en 1124 van het Burg. Wetb.
Onroerende goederen 3 deskundigen.
No. 16.
Beëediging en depót van eene onderhands opgemaakte boedel-beschrijving.
Op heden den .... compareerde voor ons enz., A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in zijne hoedanigheid van voogd over zijne minderjarige kinderen, bij wijlen B. in echt verwekt, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd geweest. Comparant stelde ons ter hand eene door hem onderhands, in bijzijn van den toezienden voogd, onder dagteekening van den .... opgemaakte boedelbeschrijving, waaronder staat: Geregisteerd te ... . den . . . ., vier bladen, zonder renvooijen . , enz,, en verzocht ons de deugdelijkheid derzelve te mogen beëedigen en dezelve daarna ter griffie van dit Kantongerecht te deponeeren.
Voldoende aan het verzoek van den comparant, hebben wij van hem den eed afgenomen, dat genoemde boedelbeschrijving deugdelijk en naar waarheid is opgemaakt, waarna wij dezelve ter griffie van dit Kantongerecht hebben doen deponeeren, tot welk einde dezelve aan onzen Griffier is ter hand gesteld, ten einde aan de minute van dit procesverbaal te worden gehecht.
l9
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons enz.
i. Zie art. 444 v. h. Burg. Wetb.
No. 17.
Begrooting der som, waarvoor de voogd hypotheek behoort te verleenen â der kosten, welke hij zal mogen
aanwenden ter opvoeding der minderjarigen â en der kosten van administratie.
Op heden den .... compareerden voor ons enz.
1. A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in hoedanigheid van voogd over de minderjarige kinderen van Z., bij B. in echt verwekt.
2°. C., van beroep . , wonende te.....in hoedanigheid van toezienden voogd.
30. D., van beroep . . . ., wonende te . . . ..volle oom.
40. E., van beroep . . . ., wonende te . . . ., behuwd-neef.
50. F., van beroep . . . ., wonende te . . . ,, behuwd-oom.
6°. G., van beroep . . . ,, wonende te . . . ., achter-neef. de derde en vierde als bloedverwanten of aangehuwden van vaders zijde en de vijfde en zesde van moeders zijde van de bovengenoemde minderjarigen, ten einde door ons te worden gehoord en geraadpleegd :
1°. Over de hoegrootheid der som, waarvoor de voogd, tot zekerheid van het door hem te voeren beheer, hypotheek zal dienen te verleenen.
Om het belang van dat beheer te kunnen beoordeelen, hebben wij ons de boedelbeschrijving der goederen, waar-
20
toe de minderjarigen gerechtigd zijn, doen ter hand stellen.
Uit de boedelbeschrijvingen, verleden voor Mr......
Notaris te . . . ., den . , behoorlijk geregistreerd, bleek het ons, dat het vermogen der minderjarigen eene waarde heeft van ongeveer .... gulden.
Oordeelende, dat het belang van het door den voogd te voeren beheer gelijk staat aan eene som van . . . . gulden, hebben wij ons gevoelen en de gronden, waarop het steunt, aan de Comparanten medegedeeld, hun vragende, of zij zich met die begrooting kunnen vereenigen.
Daar Comparanten eenparig verklaarden, zich geheel met onze begrooting en de daarvoor opgegevene gronden te kunnen vereenigen, hebben wij bepaald, dat de voogd voor eene som van .... gulden hypotheek op zijne vaste goederen, ten behoeve van de minderjarigen, zal moeten verleenen, blijvende het aan de zorg van den toe-zienden voogd aanbevolen, tot dat bedrag inschrijving op de goederen van den voogd te bewerkstelligen.
2U. Over de hoegrootheid der som, welke de voogd zal mogen besteden voor de opvoeding der minderjarigen.
Comparanten waren eenparig van oordeel, dat de inkomsten der goederen van de minderjarigen, gedurende de eerste jaren, wel voldoende zouden zijn, om hun eene opvoeding geëvenredigd aan hun vermogen en hunnen stand te kunnen verschaffen.
Ons met dat gevoelen vereenigende, hebben wij bepaald, dat de voogd de inkomsten der goederen van de minderjarigen tot hunne opvoeding zal mogen besteden, behoudens nader te bepalen inkorting, bijaldien het vermogen der minderjarigen later, door aanerving of anderszins, aanmerkelijk mocht vermeerderen.
3°. Over de kosten , welke op het door den voogd te houden beheer zullen mogen in rekening gebracht worden.
21
De voogd verzocht ons hem daartoe jaarlijks eene som van .... te willen beschikbaar stellen, daar hij zelve door vele bezigheden, uit zijne betrekking voortspruitende, belet wordt de goederen der minderjarigen in alles persoonlijk te beheeren, en dientengevolge loontrekkende bewindvoerders zal moeten gebruiken.
De overige Comparanten verklaarden het verzoek van den voogd wel te willen ondersteunen, doch dat hun het gevraagde bedrag te hoog voorkomt, daar zij van meening zijn, dat men voor .... gulden twee werkzame en goede bewindvoerders zou kunnen bekomen, weshalve zij voorstelden die som te bepalen op ... . gulden.
De voogd maakte de opmerking, dat hij eene som van .... gulden had aangevraagd, niet alleen om daaruit de bezoldiging der bewindvoerders te vinden , maar ook alle andere kosten van beheer, als daar zijn: onderhoud van gebouwen, verbetering van landerijen enz., waarop de overige Comparanten verklaarden zich, in dien zin opgevat, met de gevraagde som te kunnen vereenigen.
Wij hebben daarop verstaan, dat de voogd voor administratiekosten jaarlijks in rekening zal mogen brengen .... gulden, uit welke som alle kosten van beheer, zoo de bezoldiging van één of meer loontrekkende bewindvoerders, als de kosten van onderhoud voor gebouwen en dergelijke, zullen moeten gevonden worden.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons enz.
1. Zie artt. 390 en 446 van het Burg. Wetb.
2. Voor het geval, dat de voogd effecten aan toonder in de consignatiekas wil storten, leze men achter de zinsnede onder i0. eindigende met de woorden, met die begrooting konden vereenigen, het navolgende;
âDe voogd verklaarde op die som geene bedenkingen te
22
hebben, doch verzocht ons wel te willen bevelen, dat de navolgende effecten aan toonder in de consignatiekas zullen worden gestort, als:
i0. Een certificaat van nationale schuld, groot . . . rentende 2I/2 0/o, ingeschreven bij het administratiekantoor van
⢠⢠⢠â¢, n0.....
2°. Een dito enz.
en het bedrag dier som bij de begrooting der hypotheeksom, niet in aanmerking te willen nemen. De overige Comparanten, dienaangaande geraadpleegd , opperden tegen dat verzoek geene bezwaren, weshalve wij hebben bevolen, dat bovengenoemde som in de consignatiekas zal worden in bewaring gegeven.
Wij hebben de door ons voorgestelde som van .... gulden , diensvolgens met het bedrag der waarden van de te consigneeren effecten, berekend naar den koers des tijds, tot ... . verminderd.quot;
Daar Comparanten eenparig verklaarden enz. Zie art. 391 van het Burg. Wetb.
3. De wet vordert e.tx\z onverwijlde A.\. zoo spoedig mogelijke begrooting der hypotheek In den regel is het niet wel mogelijk die som reeds bij de benoeming van den voogd of toezienden voogd te begrooten, omdat de stand des boedels eerst uit de boedelbeschrijving kan blijken. Wij zijn daarom van oordeel , dat de begrooting van de hoegrootheid der te stellen hypotheek, enkele gevallen uitgezonderd, na het opmaken der boedelbeschrijving behoort plaats te hebben.
4. De wet van den 26 Mei 1S41 Stbl. n0. 14, in verband met art 27 A. n0. 71 h. bepaalt in art. 16, dat alle stukken tot de consignatie van effecten aan toonder vrij zijn van zegel en griffierechten, terwijl dezelve, wanneer zulks gevorderd wordt, gratis worden geregistreerd. Wanneer dus een bevel tot consignatie bij afzonderlijke acte plaats heeft, kan de daarvan op te maken acte op ongezegeld papier gesteld worden.
23 No. 18.
Bevel tot consignatie.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien bovenstaand verzoekschrift; Gehoord den toez. voogd en de naaste bloed- en aanverwanten van de ten requeste genoemde minderjarigen, ten vereischten getale, adviseerende tot inwilliging van het verzoek.
Gezien art. 391 B. W. j0. art. 6 der Wet van 26 Mei 1841 nquot;. 14.
Bevelen, dat de navolgende effecten, te weten . . . ., toebehoorende aan de ten requeste genoemde minderjarigen , in de consignatiekas zullen worden gedeponeerd.
Aldus gedaan en gegeven enz.
Gratis (zie art. 16 der aangehaalde Wet van 1841).
No. 19.
Bevel tot teruggave van effecten uit de consignatiekas.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien bovenstaand verzoekschrift;
Gezien art. 6 der Wet van 26 Mei 1841 (Stbl. nquot;. 14).
Bevelen, dat aan den verzoeker zullen worden teruggegeven de navolgende effecten: â. . . , toebehoorende aan de ten requeste genoemde minderjarigen.
Aldus gedaan en gegeven enz.
Gratis (zie artt. 7 , 8 en 16 der aangehaalde Wet van 1841).
24
No. 20.
Vermindering der begroote hypotheeksom ten behoeve van de minderjarigen bepaald.
Op heden den .... compareerden voor ons enz.
1°. A., van beroep . . . ., wonende te . . . volle oom.
2°. B., van beroep , enz.
de eerste Comparant als voogd, de tweede als toeziende voogd, de derde en vierde als bloedverwanten of aange-huwden van vaderszijde en de vijfde en zesde van moederszijde der minderjarige kinderen, gesproten uit den echt tusschen wijlen C. en D.
De eerste Comparant verklaarde ons, dat de toeziende voogd, naar aanleiding eener door ons opgemaakte acte, waarbij bepaald is, dat hij als voogd tot zekerheid van het door hem te voeren beheer hypotheek zal dienen te verleenen tot eene som van .... gulden, voor dat bedrag hypothecaire inschrijving op zijne goederen heeft genomen;
dat de begrooting dier som steunde op de resultaten eener voor den te ... . resideerenden Notaris . . . ., onder dagteekening van den ... . opgemaakte boedelbeschrijving;
dat de roerende goederen voorkomende op die boedelbeschrijving eenigen tijd daarna publiek zijn verkocht, ten overstaan van genoemden Notaris, en blijkens daarvan opgemaakt procesverbaal hebben opgebracht .... gulden en alzoo veel minder dan de getaxeerde waarde derzelve bedroeg, hetgeen toe te schrijven is aan het ten deele verongelukken der te veld staande granen en andere vruchten;
dat er mitsdien naar zijn oordeel termen bestaan, om
i.
25
de hypotheek op zijne goederen ingeschreven te verminderen , weshalve hij ons verzocht daaromtrent de overige Comparanten te willen raadplegen en daarna over die vermindering te beslissen.
Na raadpleging met de Comparanten, die eenparig van oordeel waren, dat het door den voogd gedaan verzoek alleszins billijk is, doordien de gegoedheid van de minderjarigen, door oorzaken geheel buiten de schuld van den voogd, aanmerkelijk verminderd is, hebben wij , na inzage van de boedelbeschrijving en het procesverbaal van publieke veiling, het gevoelen der Comparanten volgende, bepaald, dat de hypotheek, verleend op de goederen van A., van beroep . , wonende te . . . ., bij acte van den te ... . resideerenden Notaris .... en ingeschreven ten kantore der hypotheeken te . . . ., in deel . . . ., n0.....enz., zal worden verminderd met eene som van ....
Van welke handeling wij dit procesverbaal enz.
Zie art. 394 van het Burg. VVetb.
No. 21.
Bewilliging tot bewaring in natura van aan minderjarigen toebehoorende roerende goederen.
Op heden den .... compareerden voor ons enz. 1°. A., van beroep . . . ., wonende te . . . in zijne hoedanigheid van voogd.
20
2°. B., van beroep . . . wonende te . . , in zijne hoedanigheid van toezienden voogd.
3°. C., van beroep . . . wonende te.....volle oom.
4°. D., van beroep . . . ., wonende te , behuwd-oom.
5°. E., van beroep . . . ., wonende te . . . ., grootvader.
6°. F., van beroep . . . ., wonende te . . . ., volle oom. de derde en vierde Comparanten bloedverwanten of aan-gehuwden van vaderszijde, de vijfde en zesde van moederszijde der minderjarige kinderen van wijlen G bij wijlen H. in echte verwekt.
De eerste Comparant verzocht onze bewilliging om de navolgende goederen aan genoemde minderjarigen toebe-hoorende in natura te mogen bewaren als:
1°. Een kistje met chirurgische instrumenten.
2°. Eene Apotheek met toebehooren.
3°. De medische boeken behoorende tot de nalatenschap van.....alle welke voorwerpen, den oudste dei-
minderjarige kinderen, die weldra zijne studiën in de geneeskunde aan de Hoogeschool te ... . zal hebben volbracht, zeer te stade zullen komen; waartoe hij de overige Comparanten had verzocht voor ons te verschijnen, ten einde dienaangaande te worden gehoord.
Alle Comparanten waren eenparig van oordeel, dat het door den voogd gedaan verzoek in het belang van de minderjarigen moet worden geacht, daar genoemde voorwerpen bij publieke veiling zeer weinig zouden opbrengen, terwijl de oudste minderjarige na volbrachte studiën soortgelijke voorwerpen voor belangrijke sommen zoude moeten aankoopen.
Het gevoelen van de Comparanten ten volle beamende, hebben wij den voogd de gevraagde bewilliging verleend en hem mitsdien gemachtigd de hierboven genoemde en om-
27
schreven goederen in natura voor de minderjarigen te bewaren.
Van welke handeling wij dit procesverbaal enz.
Zie art. 447 van het Burg. Wetb.
No. 22.
Goedkeuring der voorwaarden, waarop een voogd onroerende goederen, aan minderjarigen, onder zijne voogdij staande, toebehoorende, in pacht wenscht te nemen.
Op heden den .... compareerden voor ons enz. A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in zijne hoedanigheid van voogd over de minderjarige kinderen van wijlen B. en C., in leven echtelieden.
Comparant gaf ons te kennen, dat hij de boerenplaats aan genoemde minderjarigen toebehoorende, genaamd . . . ., gelegen te . . . ., en aldaar kadastraal bekend onder Sectie ...., n0....., te zamen groot . , voor zich
in pacht wenscht te nemen en zulks onder de navolgende voorwaarden:
Art. 1 enz. (hier over te nemen de huurconditiën). Wij hebben na onderzoek dier voorwaarden voor ons doen verschijnen :
1°. B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., als toeziende voogd.
2°. C., van beroep . . . ., wonende te . . . ., groot-
28
vader enz., de comparanten onder n0. 2 en 3 bloedverwanten of aangehuwden van vaderszijde, en die onder n(). 4 en 5 van moederszijde der bovengenoemde minderjarigen.
Wij hebben hun het voornemen van den voogd en de door hem ontworpene voorwaarden medegedeeld, hen verzoekende met alle onpartijdigheid en vrijmoedigheid hun gevoelen daaromtrent mede te deelen.
Allen verklaarden, met genoegen het voornemen van den voogd vernomen te hebben, daar hij bekend staat als een kundig en goed landbouwer, doch meenen, dat de door hem aangeboden huursom met minstens f200,00 'sjaars behoort te worden verhoogd.
Ambtshalve hebben wij in de bepaling, vervat in art.....
van het concept-contract, als strijdende tegen het plaatselijk gebruik, en naar ons oordeel bezwarend voor de minderjarigen, de navolgende wijziging voorgesteld: om namelijk de woorden .... daarin voorkomende te doen wegvallen en daarvoor te lezen: . . . .; met welke wijziging de comparanten geheel instemden.
Wij hebben den voogd dienaangaande gehoord en hem voorgesteld de voorwaarden in dier voege te wijzigen, dat hij eenen huurprijs van .... gulden zal betalen, terwijl art.....zal luiden als volgt;.....waarin hij verklaarde toe te stemmen.
Wij hebben daarop de voorwaarden, waarop de voogd bovengenoemde boerenplaats in huur zal mogen nemen, zoodanig als dezelve hierboven gewijzigd zijn , goedgekeurd en den toezienden voogd gemachtigd, op die voorwaarden de huurovereenkomst met den voogd aan te gaan.
Van welke handelingen wij dit procesverbaal enz.
1. Zie art. 458 van het Burg. Wetb.
2. Ingeval de voogd het verzoek bij requeste indient, stelle de Kantonrechter op hetzelve het bevel tot oproeping van den
29
raad van naastbestaanden. De voorwaarden, zoodanig als ze door den Kantonrechter worden goedgekeurd, behooren in allen gevalle in het procesverbaal te worden opgenomen.
No. 23.
Machtiging tot het instellen eener Rechtsvordering.
Op heden den .... compareerden voor ons .... enz. A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in zijne hoedanigheid van voogd over de minderjarige kinderen van ....
Comparant verklaarde, dat hij in voornoemde qualiteit eene som van .... gulden te vorderen heeft van B., koopman te . . . ., blijkens eene obligatie door dezen afgegeven den . . . ., waarop staat: âGeregistreerd te
. . . . den.....enz.quot;
dat genoemde B., na behoorlijk in mora te zijn gesteld, bij exploit van den deurwaarder .... te . . . . van den . . . . behoorlijk geregistreerd, in gebreke blijft dat geld te betalen, zoodat hij zich genoodzaakt vindt eene rechtsvordering tegen gemelden B. in te stellen, en verzocht dientengevolge onze machtiging tot het instellen dier vordering. Wij hebben daarop voor ons doen verschijnen: 1°. C., van beroep enz. (den toezienden voogd en 4 der naaste bloedverwanten of aangehuwden).
Hen bekend gemaakt hebbende met het door den voogd gedane verzoek, verklaarden zij eenparig van gevoelen te
3°
zijn, dat de belangen der minderjarigen het instellen dier vordering wenschelijk maken.
Het gevoelen der Comparanten deelende, hebben wij den voogd gemachtigd om eene vordering ter zake der hierboven genoemde schuldbekentenis tegen B., van beroep . . . wonende te . . . ., in te stellen.
Van welke handeling wij dit procesverbaal enz.
Zie artt. 461 en volg. van het Burg Wetb.
No. 24.
Machtiging om zich op eene tegen minderjarigen ingestelde vordering te verdedigen.
Op heden den .... compareerden voor ons enz. Zie form. no. 23.
Comparant verklaarde, dat hij in zijne zoo even genoemde qualiteit door B., van beroep . . . ., wonende te . , bij behoorlijk geregistreerd exploit van den deurwaarder . . . . van den .... is gedagvaard ter zake eener door hem, eischer, gepretendeerde vordering, ten laste dei-minderjarigen, groot .... in genoemde dagvaarding breeder omschreven ;
dat hij Comparant van oordeel is, dat de minderjarigen die som niet schuldig zijn, zoodat genoemde vordering ten onrechte door den eischer tegen hem q. q. wordt ingesteld, en zich mitsdien op dezelve wenscht te verdedigen, waartoe hij onze machtiging verzocht.
3i
Wij hebben daarop voor ons doen verschijnen enz. (Zie form. n0. 23.)
Artt. 461 en volg. van het Burg. Wetb.
No. 25.
Machtiging tot het berusten in eene rechtsvordering tegen minderjarigen ingesteld.
Op heden den .... compareerden enz. (Zie form. n0. 23.)
Comparant verklaarde, dat hij in zijne voornoemde qua-liteit door B., van beroep . . . ., wonende te .... (Zie form. n0. 24.)
dat hij van oordeel is, dat genoemde rechtsvordering wel en terecht tegen de minderjarigen is ingesteld, weshalve hij vermeent daarin te moeten berusten, waartoe hij onze machtiging verzocht.
Wij hebben daarop voor ons doen verschijnen enz. (Zie form. n0. 23.)
Art. 462 van het Burg. Wetb.
No. 26.
Machtiging tot het instellen eener vordering tot scheiding en deeling.
Op heden den .... compareerden voor ons enz. 1° A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in hoedanigheid van voogd over enz.
32
2° B. (Toeziende voogd en de vier naaste bloedverwanten of aangehuwden.)
De eerste Comparant verzocht ons, hem te willen machtigen tot het instellen eener rechtsvordering tot scheiding en deeling der nalatenschap van N., in leven van beroep . . . ., gewoond hebbende en overleden te , tot
welke nalatenschap de aan zijne zorg toevertrouwde minderjarigen voor Va gerechtigd zijn.
Hij verklaarde wijders, dat hem het voortduren dier gemeenschap nadeelig voor de minderjarigen voorkomt op grond, dat ... . enz.
De overige Comparanten, dienaangaande geraadpleegd, hebben zich eenparig met het gevoelen van den voogd ver-eenigd, en er ten sterkste op aangedrongen, dat wij hem de verlangde machtiging mochten verleenen.
Het eenparig gevoelen der Comparanten volgende, en de gronden, waarom hun eene scheiding van meergenoemde nalatenschap wenschelijk voorkomt, geheel deelende, hebben wij den voogd gemachtigd om eene vordering tot scheiding en deeling der nalatenschap van N. in te stellen.
Van welke handeling wij dit procesverbaal enz.
Zie artt. 463 en volg. van het Burg. Wetb.
No. 27.
Machtiging tot het aangaan van eene dading.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien bovenstaand verzoekschrift, alsmede de daarbij overgelegde akte van dading;
33
Gehoord den toezienden voogd en de naaste bloed- en aanverwanten van de ten requeste genoemde minderjarigen, allen adviseerende tot inwilliging van het gedaan verzoek;
Gezien artt. 451 en 465 13. W. en art. 1 der Wet van 18 April 1874 (Stbl. n0. 68).
Machtigen requestrante tot het aangaan van de bij de overgelegde akte omschreven dading.
Aldus gedaan door ons, Kantonrechter voornoemd, op heden den ....
Op de expeditie registreeren.
No. 28.
Beschikking op een request tot het verwerpen van eene erfenis aan minderjarigen opgekomen.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien bovenstaand verzoekschrift;
Gezien de boedelbeschrijving der nalatenschap van.....
tot welke nalatenschap de ten requeste genoemde minderjarigen gerechtigd zijn voor ....
Gehoord den toez. voogd, alsmede de naaste bloed- en aanverwanten van die minderjarigen ten vereischten getale, adviseerende tot inwilliging van het verzoek.
Gezien artt. 451 en 459 B. W. en art. 1 der Wet van 18 April 1874 (Stbl. n0. 68).
Machtigen requestrant om voor die minderjarigen te verwerpen de nalatenschap van ....
Aldus gedaan en gegeven door ons. Kantonrechter voornoemd , op heden den ....
Op de expeditie registreeren.
3
KIPPENBROEK, Formulieren. Tweede druk.
34
No. 29.
Machtiging aan eene gehuwde vrouw om zonder bijstand van haren man in rechten op te treden.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien vorenstaand verzoekschrift; Gezien art. 169 B VV. en art. 1 der Wet van 18 April 1874 (Stbl. n0. 68) â of artt. 798 en 800 W. v. B. Rv.;
Machtigen requestrante om zonder bijstand van haren man (omschrijven de te verleenen machtiging).
Aldus gedaan en verleend door ons, Kantonrechter voornoemd , op heden den ....
Op de expeditie registreeren.
No. 30.
Benoeming en beëediging van deskundigen ter waardeering van onroerende goederen bij onderhandschen verkoop.
Wij, Mr . . . ., Kantonrechter te ... .
Gezien bovenstaand verzoekschrift;
Gezien artt. 454 en 1124 B. W. en art. 1 der Wet van 18 April 1874 (SB. n0. 68).
Benoemen tot deskundigen ter waardeering der ten re-queste omschreven onroerende goederen i0. enz. 20. enz. en 30. enz. De benoemden voor ons verschenen, verklaarden de benoeming aan te nemen en hebben daarop in onze handen afgelegd den eed, dat zij de ten requeste omschreven onroerende goederen naar hunne beste kennis
35
en wetenschap op de juiste waarde zullen schatten en waardeeren , zeggende zij, ieder afzonderlijk , onder het opsteken van de beide voorste vingers van de rechterhand ons de woorden na; âZoo waarlijk helpe mij God Almachtig.quot;
De deskundigen gaven ons, desgevraagd, te kennen, dat zij met de waardeering een aanvang zullen maken op ... .
Aldus gedaan op heden den .... en door ons Kantonrechter en den Griffier geteekend.
Vrij van de registratie op de minuut ook, wanneer een en ander bij afzonderlijke akte wordt geconstateerd. P. VV. 8356.
No. 31.
Akte van Bekendheid.
Op heden den .... compareerden voor ons enz. 1°. A., van beroep . . . ., wonende te ...., oud .... jaren, 2°. B., van beroep . . . ., wonende te ...., oud .... jaren,
30. C., van beroep.....wonende te ...., oud .... jaren,
40. D., van beroep . . . ., wonende te ...., oud .... jaren, allen daartoe verzochte en bevoegde getuigen.
Comparanten verklaarden allen, zeer wel te weten, dat E., van beroep . . . ., wonende te ...., zoon van wijlen F., in leven.....gewoond hebbende te . . . .,
bij wijlen G. in echte verwekt, op den .... des jaars .....te.....gemeente .... is geboren uit opgemeld huwelijk; gevende de eerste getuige als reden van wetenschap; âdat . . . ., de tweede enz., en dat hij
geene acte van geboorte kan produceeren, doordien (hier
3*
36
de reden te vermelden, waarom de geboorteacte niet kan worden verkregen).
Op welke verklaringen wij deze acte van bekendheid hebben afgegeven, om het gebrek eener vereischte geboorteacte aan te vullen of dezelve te vervangen.
Van welke handeling wij enz.
1. Zie artt 127, 128 van het Burg. Wetb.
2. Hetzelfde formulier met de noodige wijziging te bezigen voor het aanvullen of vervangen eener dood-acte.
3. Zoowel mannelijke als vrouwelijke getuigen kunnen worden gehoord.
No. 32.
Bevel tot oproeping in geval van tusschenkomst of verlof tot het aangaan van een huwelijk.
Wij, Mr...... Kantonrechter van het kanton enz.
Gezien, bovenstaand Request, bij ons ingekomen den . . . ., (of: Gehoord het mondeling tot ons gericht verzoek.)
Gezien het extract uit de registers van geborenen der gemeente . . . ., daarbij overgelegd.
Gezien art. 100 van het Burg. Wetboek.
Bepalen, dat
1° A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., (vader of moeder),
2° B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., (verzoeker),
voor ons zullen verschijnen op ... . den . . . ., des voormiddags ten .... ure, ten einde als dan alle dus-
37
danige vertoogen, welke wij in hun wederzijdsch belang noodig of oorbaar zullen achten, door ons te hooren doen, omtrent het voorgenomen huwelijk van . . . . , hiervoren genoemd, met (naam, beroep en woonplaats), tot welks voltrekking eerstgenoemde weigert toestemming te geven. Bevelen, dat eerstgenoemde bij deurwaardersexploit zal worden opgeroepen, om op tijd en plaats bovengemeld voor ons te verschijnen.
Gedaan te . . . ., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
1. Zie artt. 99 en 100 Burg. Wetb.
2. In geval de vader is overleden wordt overlegging van het doods-extract noodig.
3. In geval meerdere personen, in art. 94 van het Burg. Wetb. bedoeld, overleden zijn, dienen even zoovele extracten uit de registers van overledenen overgelegd te worden
4. Requestrant kan mondeling met dag, uur en plaats van verschijning in kennis gesteld worden, zulks ter vermijding van kosten.
No. 33.
Procesverbaal van verschijning van den vader of de moeder en het kind.
Op heden den . , compareerden voor ons enz.
1° A , van beroep.....wonende te ...., meerderjarige zoon van B., van beroep . . . ., wonende te ...., en wijlen E.
20 B., van beroep.....wonende te . . . ., weduwe
van wijlen E., moeder van zoo evengenoemde A.
38
De tweede comparant opgeroepen, krachtens bevelschrift van den . . . ., beteekend bij exploit van den deurwaarder . ... te , behoorlijk geregistreerd.
De eerste Comparant verklaarde, dat hij voornemens is een wettig huwelijk aan te gaan met H., zonder beroep wonende te ... .
Dat hij meerderjarig is, blijkens extract uit de Registers van geborenen der gemeente . . . ., doch den vollen ouderdom van 30 jaren nog niet heeft bereikt;
dat zijn vader E. te .... is overleden, blijkens extract uit de Registers van overledenen der gemeente ....
dat hij alzoo tot het aangaan van genoemd huwelijk, de toestemming zijner moeder, de tweede Comparante, noo-dig heeft, die, om naar zijn oordeel ongegronde redenen , weigert die toestemming te geven, weshalve hij tot het aangaan van dat huwelijk onze tusschenkomst verzoekt.
De tweede Comparante deelde ons daarop de redenen harer weigering mede en verklaarde, nimmer hare toestemming tot het huwelijk te zullen geven.
Wij hebben Comparanten daarop in hunne wederzijdsche belangen alle dusdanige vertoogen gedaan, welke wij dienstig en oorbaar oordeelden.
De eerste Comparant verklaarde daarop, bij zijn voornemen te blijven, terwijl de tweede bleef weigeren, hare toestemming te geven.
Van welke tusschenkomst wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, enz.
1. Zie art. 100 van het Burg. Wetb.
2. In geval de vader of moeder toestemt, leze men de voorlaatste zinsnede als volgt: De eerste Comparant verklaarde, daarop bij zijn voornemen te blijven, terwijl de tweede, gehoor gevende aan onze vertoogen, verklaarde, niet langer hare toestemming tot het voorgenomen huwelijk te zullen onthouden.
39
De toestemming moet echter volgens sommige Ambtenaren van den Burgerlijken stand bij authentieke akte of bij de huwelijksvoltrekking worden herhaald.
No. 34.
Procesverbaal van nietverschijning van den vader of de moeder.
Op heden den . . . compareerde voor ons .... enz.
A., van beroep . , wonende te , meerderjarige zoon van B,, van beroep . . . ., wonende te .... en wijlen C.
Comparant verklaarde, dat zijne moeder
B., van beroep . â ., wonende te ...., weduwe van wijlen C., ingevolge ons bevelschrift en daarop gedane be-teekening, op heden voor ons is geroepen naar aanleiding van het voorgenomen huwelijk van hem, comparant en de weigering van zijne moeder om de vereischte toestemming te geven tot de voltrekking van dat huwelijk. Genoemde moeder, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen, van welke niet-verschijning wij akte hebben verleend.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal enz.
i. Zie art. 101 van het Burg. Wetb.
No. 35.
Verlof tot het aangaan van een huwelijk bij weigering van toestemming door den voogd of toezienden voogd.
Wij, Mr....., Kantonrechter van het Kanton . ,
Arrondissement . ..., Provincie ....
Overwegende, dat A., van beroep.....wonende te ....,
4°
minderjarige zoon van wijlen B., bij wijlen C. in echte verwekt, zich tot ons heeft gewend om:
aangezien D., van beroep . , wonende te . . . in hoedanigheid van voogd en E., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in hoedanigheid van toeziend voogd, hem weigeren hunne toestemming te geven, tot het aangaan van zijn voorgenomen huwelijk met F., dochter van . ... , zulks op voorwaarden hierbij in concept overgelegd;
aangezien hij vermeent, dat die weigering onbillijk en van allen grond ontbloot is ;
van ons verlof te bekomen tot het aangaan van voornoemd huwelijk met F , hierboven genoemd.
Gezien ons bevelschrift van den . . . . , gesteld op het daartoe ingediende Request, houdende bevel tot verschijning van na te noemen personen. (Onwilligen worden ingevolge dit bevel bij deurwaardersexploit opgeroepen)
Gezien een extract uit de registers van geborenen der gemeente . . . . , waaruit blijkt, dat A. den vollen ouderdom van 18 jaren heeft bereikt, alsmede zes verschillende extracten uit de registers van overledenen der gemeenten . . . . , waaruit blijkt, dat zoowel de ouders, als de grootouders, zoo van vaders- als van moederszijde, allen overleden zijn.
Gehoord de navolgende voor ons verschenen bloedverwanten van A., als:
1° G., van beroep . . . wonende te . . . ., volle oom, 2° H., van beroep . . . ., wonende te . . . ., volle oom, 3° I., van beroep . . , wonende te . . . ., oudoom, 4° K., van beroep . . . ., wonende te . . . volle broeder, alsmede :
5° D., van beroep , . . wonende te . . . ., als voogd, 6° E., van beroep . . . ., wonende te . . . ., als toeziend voogd.
41
Overwegende, dat het ons uit de verschillende meeningen , geuit door den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten, is gebleken; dat de weigering van den voogd en den toezienden voogd , onbillijk en van genoegzaam allen grond is ontbloot, terwijl ons daarentegen het voltrekken van het huwelijk tusschen A. en F. in het belang van beiden wenschelijk voorkomt.
Gezien artt. 95 en 206 van het Burgerl. Wetb.
Verleenen aan A., oud . . . . , minderjarige zoon van . . . ., verlof tot het aangaan van een wettig huwelijk met F., oud . , dochter van . . . . , zulks op voorwaar
den , voorkomende in het door ons gewaarmerkte concept.
Van welke handeling wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons en door den Griffier is geteekend.
1. Zie artt. 86â95 van het Burg. Wetb.
2. Dit verzoek kan ook mondeling aan den rechter worden gedaan met medebrenging van de te hooren personen, alsdan vervalt de zinsnede; âGezien ons bevelschrift van den enz.quot; geheel.
No 3(5.
Procesverbaal van verhoor bij verzoek om Venia Aetatis.
Op heden den . . . . , compareerde voor ons, enz.
A., van beroep . . . . , wonende te . . . . , daartoe door ons opgeroepen.
Krachtens op ons verstrekten last van den Hoogen raad der Nederlanden, bij dispositie van den . . . ., behoorlijk op de expeditie geregistreerd , hebben wij den Comparant bekend gemaakt met het verzoek, door zijnen minderjarigen zoon B. bij Requeste aan den Hoogen Raad gedaan, om
42
brieven van meerderjarigverklaring, en verzochten hem ons zijn gevoelen omtrent dat verzoek te willen mededeelen; en wel speciaal, of hij het bekomen dier verlangde brieven van meerderjarigverklaring in het belang van zijnen zoon oordeelt, en mitsdien zijne goedkeuring daaraan hecht, dan wel, of hij zulks als strijdig met de belangen van zijnen zoon beschouwt, een of ander met opgave van de redenen waarom.
Comparant verklaarde daarop, dat hij kennis droeg van het door zijnen zoon gedane verzoek, dat het met zijne volkomene goedkeuring is ingediend en dat zijn zoon daartoe op zijn aanraden was overgegaan ;
dat hij tot het bekomen dier brieven volgaarne alles wil bijdragen, daar hem zulks in allen deele wenschelijk voorkomt, voor den handel, welken zijn zoon drijft en waarin hij de doorslaandste bewijzen van ervarenheid en kunde heeft aan den dag gelegd.
Van welk verhoor wij dit procesverbaal hebben doen opmaken, dat door ons en den Griffier is geteekend,
1. Zie artt. 476 en 477 van het Burg. Wetb.
2. Met de noodige wijzigingen dezelfde formule te bezigen bij verhoor van den voogd, toezienden voogd, naaste bloedverwanten of aangehuwden.
No. 37.
Advies van den Kantonrechter bij het procesverbaal no. 36 over te zenden.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie ....
43
Gezien ons procesverbaal van Verhoor van den . , behoorlijk geregistreerd;
Gevolg gevende aan den op ons verstrekten last door den Hoogen raad der Nederlanden, bij beschikking van den . ..., behoorlijk geregistreerd;
Verklaren geene aanmerkingen of bedenkingen te hebben tegen het verzoek om venia aetatis, bij requeste gevraagd door . . . ., minderjarige zoon van . . . ., met opzicht, hetzij tot de bekwaamheid van den Requestrant, hetzij tot de beweegredenen, die hem daartoe hebben geleid; terwijl ook ambtshalve bij ons geene redenen tegen het verzoek van den Requestrant in zijn belang bekend of opgekomen zijn.
Gedaan te , den ....
De Kantonrechter van het Kanton: N. N.
Dit advies behoeft niet afzonderlijk te worden opgemaakt, doch kan ook opgenomen worden in het procesverbaal van verhoor, b.v. door voor het slot van het verhoor, te lezen:
âTer voldoening aan het tweede gedeelte van de beschikking boven aangehaald, verklaren wij, Kantonrechter ons geheel te kunnen vereenigen met het gevoelen des vaders, terwijl ook ambtshalve bij ons geene redenen tegen het verzoek van requestrant in zijn belang bekend of opgekomen zijnquot;.
No. 38.
Procesverbaal van handlichting ten verzoeke van eenen minderjarige.
Op heden den . . . ., compareerde voor ons enz. A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., geboren
44
onder de gemeente . . . ., op den . . . ., blijkens aan ons vertoond extract uit de registers van geborenen dier gemeente , minderjarige zoon van . , beiden overleden , blijkens aan ons vertoonde extracten uit de registers van overledenen, der gemeente ....
Comparant verzocht ons, hem te verleenen handlichting en mitsdien rechten van meerderjarigheid tot (omschrijving van het beroep).
Wij hebben daarop voor ons doen verschijnen:
1°. A., van beroep . . . ., wonende te . . . enz. (den voogd, toezienden voogd en de vier naaste bloedverwanten of aangehuwden).
Na verhoor van de Comparanten, die verklaarden geene bedenkingen tegen het door den minderjarige gedane verzoek te hebben, hebben wij aan bovengemelden minderjarige, de door hem gevraagde handlichting verleend, en hem mitsdien de rechten van meerderjarigheid toegekend tot de uitoefening van .... âde geheele ontvangst enz.quot;
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken enz.
Zie artt. 480 en volg. van het Burg. Wetb. en art. 1 der Wet van 4 Juli 1874 (Stbl. no. 91).
No. 39.
Procesverbaal van aanbieding eener onderhandsche beschikking.
Op heden den .... compareerde voor ons, enz. A., van beroep . . . . , wonende te . . . . , enz. Comparant verklaarde ons , dat hij onder de nagelatene goederen en papieren van B., in leven van beroep . . . .,
45
wonende te . . . ., heeft gevonden, een verzegeld couvert, vermoedelijk inhoudende eene onderhandsche beschikking door den overledene gemaakt, welk couvert hij ons aanbood, om daarmede overeenkomstig de bepalingen der wet te handelen.
Comparant akte verleenende van deze aanbieding, hebben wij na onderzoek bevonden: dat genoemd couvert was gaaf en ongeschonden en gesloten niet twee zegels van rood lak, dragende het afdruksel van het familiewapen van B. Bij opening van hetzelve vonden wij in den omslag een vel papier in folio, waarvan de drie zijden beschreven waren, luidende het geschrevene woordelijk:
Alle regels van dit geschrift beginnen terzelfder hoogte en breedte, bevatten geene doorhalingen, overschrijvingen of tusschenvoegingen, terwijl het geheele geschrift blijkbaar door eene en dezelfde hand is geschreven, gedagteekend en onderteekend.
Wij hebben vervolgens het ons aangeboden stuk ter hand gesteld aan den Heer . . . ., Notaris te . . . . , ten einde het onder zijne minuten te bewaren.
Van al het bovenstaande hebben wij dit procesverbaal doen opmaken enz.
Zie art. 983 van het Burg. VVetb.
No. 40.
Procesverbaal van aanbieding van een olographisch testament.
Op heden den . . . ., compareerde voor ons enz. De Heer A., Notaris, resideerende te ... . Comparant bood ons ter opening aan: een olographisch
46
testament door B., in leven van beroep . . . ., gewoond hebbende te .... en aldaar overleden den . . . ., bij hem Notaris gedeponeerd, blijkens daarvan opgemaakte akte van den . . . behoorlijk geregistreerd.
Comparant akte verleenende van deze aanbieding, hebben wij het overhandigde stuk onderzocht en bevonden: dat het bestaat uit een langwerpig vierkant geel couvert, gesloten met twee zegels van rood lak, dragende het afdruksel van het familiewapen van B., welke zegels gaaf en ongeschonden waren ;
dat op de bovenzijde daarvan geschreven staan de woorden; âDit is mijn uiterste wil.quot; . . . ., den . . . ., (get) B Het couvert, zonder de zegels te schenden geopend hebbende, bevonden wij in den omslag een formaatzegel van 50 cents, op drie zijden beschreven, bevattende de eerste bladzijde 33 beschreven regels, beginnende met de woorden: . . .quot; en eindigende met de woorden: â. . . .quot;; de tweede bladzijde eveneens 33 beschreven regels, beginnende met de woorden; ......quot; en eindigende met de
woorden: â. . . en de derde of laatste bladzijde 13 beschreven regels, beginnende met de woorden: . . .quot; en eindigende met de woorden: . . .quot;, waaronder staat den . . . .quot; (get.) â. . . dit stuk bevat in het geheel zonder dag- en onderteekening .... regels, allen beginnende op dezelfde breedte, en in regelmatige orde van elkander verwijderd, zonder doorhalingen, tusschen-of overschrijvingen, en is blijkbaar door dezelfde hand geschreven , die het onderteekende.
Daarop hebben wij het stuk met den omslag aan den Notaris, die de aanbieding deed, teruggegeven, ten einde hetzelve onder zijne minuten te bewaren.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken enz.
47
1. Zie artt. 978 en volg. van het Burg. Wetb.
2. Wanneer een besloten uiterste wil wordt aangeboden, wijzige men de zinsnede: Comparant bood ons ter opening aan enz.; als volgt: inplaats van olograph isch testament enz., leze men: âbesloten testament van B., in leven . . . ., âgewoond hebbende te .... en aldaar overleden, welk testa-âment zich onder zijne minuten bevindt, en waarop door hem âNotaris overeenkomstig de bepalingen der wet, eene acte van âsuperscripte is gesteld.quot;
en verder: voor de woorden âdat op de bovenzijdequot; enz., te lezen; âdat op de bovenzijde geschreven staat eene acte van âsuperscripte, door den Notaris, die de aanbieding deed, in âbijzijn van vier getuigen opgemaakt.quot;
No. 41.
Verzoek tot en procesverbaal van verzegeling.
Op heden den . , compareerde voor ons enz. A., van beroep . ..., wonende te ...., ten dezen domicilie kiezende ten huize van . . . ., te . . . .
Comparant verklaarde ons, dat op den.....te.....
is overleden B., in leven . ..., wonende te ... .
dat de overledene een broeder was van zijne vrouw C., met welke hij in het jaar . . . ., zonder huwelijksvoorwaarden is gehuwd ;
dat hij alzoo als belanghebbende en medegerechtigde tot de nalatenschap van genoemden B., het recht heeft de verzegeling van diens boedel te vorderen, hetgeen hij bij dezen doet.
Daarop hebben wij ons terstond, des nademiddags ten
48
. . . vergezeld van onzen Griffier, begeven naar.....
ten einde, ter voldoening aan bovenvermelde vordering, de nalatenschap van B., in leven.....gewoond hebbende te .... en aldaar overleden den.....te verzegelen.
Ten sterfhuize aldaar zijn voor ons verschenen:
1° C., van beroep.....wonende te . . . .,
2° D., van beroep . . . wonende te . . . .,
beiden met des verzoekers vrouw eenige erfgenamen naar de wet van meergenoemden B.
Wij hebben hun het doei onzer komst medegedeeld, waarop zij verklaarden geen verzet tegen de verzegeling te willen doen.
Overgegaan zijnde tot de werkzaamheden der verzegeling, hebben wij verzegeld;
I. In de voorkamer, uitziende met 2 ramen op de straat;
a. Een mahoniehouten kabinet, door er kruiselings een wit lint over te spannen, derwijze, dat de deuren en laden niet kunnen geopend worden; de uiteinden van het lint hebben wij op een strook wit papier met rood lak bevestigd, en het lint zelve nog op drie plaatsen op het kabinet zelve gehecht met rood lak, allen dragende het afdruksel van ons daartoe bestemd zegel.
b. Een mahoniehouten secretaire op dezelfde wijze enz.
Vervolgens hebben wij de navolgende goederen, als
voor geene gevoegelijke verzegeling vatbaar, of moetende dienen tot het dagelijksche huishouden, op verzoek der Comparanten on verzegeld gelaten en summierlijk beschreven , als;
Een tafel en zes stoelen, een spiegel, 12 schilderijen, enz.
II. In eene achterkamer, uitziende met 2 ramen op eene binnenplaats;
a. Een eikenhouten kast, door er kruiselings enz.
Zullende overgaan tot de verzegeling van eene mahonie-
49
houten secretaire, verzochten partijen ons te willen onderzoeken, of de overledene eenige beschikkingen heeft gemaakt, gelijk zij vermoedden, waarop wij genoemde secretaire hebben geopend , en in eene lade derzelve gevonden:
1° Het afschrift van eenen ten overstaan van den te . . . . resideerenden Notaris G., onder dagteekening van den .... door den overledene beledenen uitersten wil.
2quot; Een ongesloten onderhandsch stuk, waarbij de overledene, tot uitvoerder van zijnen uitersten wil benoemt . . . . enz.
3° Een couvert, gesloten met eene ouwel, 't welk gaaf en ongeschonden door ons bevonden werd; op hetzelve staan de woorden; âDit couvert te openen na mijnen doodquot; (get.) B.
40 Een couvert, gesloten met rood lak, waarin het naamcijfer B. is afgedrukt; bij onderzoek bevonden wij dit stuk en de twee zegels gaaf en ongeschonden; op hetzelve staat als opschrift âdit couvert behoort aan H.quot;
Deze stukken hebben wij op den omslag in tegenwoordigheid van partijen gewaarmerkt, met hen geteekend en bepaald, dat het couvert, onder nquot; 3 genoemd, door ons op . . . ., den . . . ., des voormiddags ten .... ure, ter plaatse onzer gewone terechtzittingen te ..... zal worden geopend: op welken dag H. mede door ons zal worden opgeroepen, om het couvert onder nquot; 4 in ontvangst te nemen, ten ware daartegen verzet mocht worden gedaan; tot welk einde wij de couverten onzen Griffier hebben overhandigd, om dezelve tot den bepaalden dag ter griffie van dit Kantongerecht te deponeeren.
De tegenwoordige Comparanten verzochten ons wijders , met het stuk, genoemd onder nquot; 2, te willen handelen volgens de voorschriften der wet, waartoe wij terstond zijn overgegaan.
KIPPENBROEK, ForimUierm. Tweede druk. 4
So
Vervolgens hebben wij in hetzelfde vertrek nog verzegeld : b. De evengenoemde secretaire, door er een wit lint enz. Als voor geene verzegeling vatbaar, hebben wij sum-mierlijk beschreven: Eene groote leuningstoel, eene tafel enz^ Daar alle werkzaamheden der verzegeling op heden niet ten einde kunnen gebracht worden, hebben wij dezelve gestaakt, na tot bewaarder der door ons gelegde zegels en onverzegeld geblevene goederen benoemd te hebben M. , van beroep . . . ., wonende te , die zich daarmede
heeft belast, en bepaald, dat wij de verdere verzegeling
zullen hervatten op.....den .... des voormiddags
te ... . ure.
Na met een en ander te hebben gevaceerd tot des avonds . . . . is daarvan opgemaakt dit procesverbaal dat door ons en den Griffier is geteekend.
Vervolg.
Op heden den . , des voormiddags ten . . . . ure, hebben wij, Kantonrechter van het Kanton . ..., Arrondissement . ..., Provincie . ..., geadsisteerd door onzen Griffier, de werkzaamheden van de verzegeling der nalatenschap van B., in bijzijn van de Comparanten, in het hoofd van ons procesverbaal van gisteren genoemd, hervat en verzegeld;
III. In eene binnenkamer enz. enz. enz.
Nadat alsnu alle goederen, tot deze nalatenschap be-hoorende , alle verzegeld of summierlijk beschreven waren , hebben wij voor ons doen verschijnen:
1° C , van beroep . . . ., wonende te . . . ., 2° D., van beroep . . . ., wonende te . . . ., 3° O., van beroep dienstmaagd,
4° Q., van beroep dienstknecht,
allen, eenige bewoners der behuizing, waarin B. is overleden en waarin deze verzegeling heeft plaats gehad, en van
5i
hen den eed afgenomen: âdat zij niets verduisterd hebben, ânoch gezien hebben, noch weten, dat er iets verduisterd âis, hetzij middellijk of onmiddellijk, dat tot deze nalaten-âschap behoort.quot;
De bewaarder M., door ons aangesteld bij ons procesverbaal van gisteren, hebben wij de verdere bewaring van alle door ons gelegde zegels en summierlijk beschrevene goederen opgedragen, die zich daarmede onder verband als naar rechten heeft belast.
En hebben wij dit procesverbaal des avonds te ... . ure gesloten en met onzen Griffier geteekend.
1. Zie artt. 658 en volgende van het Wetb. van Burg. Rechtsvordering.
2. Wanneer de verzegeling ambtshalve plaats heeft, leze men het hoofd der acte als volgt:
âOp heden den . . . ., hebben wij, Kantonrechter van het Kanton.....Arrondissement . . . ., Provincie ....
kennis bekomen hebbende, dat B., van beroep . , gewoond hebbende te ...., op heden aldaar is overleden , achterlatende onder meerdere erfgenamen, een afwezig en een minderjarig kind, in wiens voogdij niet is voorzien;
gezien artt. 660 en volg. van het Wetboek van Burgerl. Rechtsvordering;
ons vergezeld van onzen Griffier, des . .. middags te . . . ure begeven naar de behuizing , staande te ...., alwaar genoemde B. is overleden, teneinde diens nalatenschap ambtshalve te verzegelen-
Ten sterfhuize zijn voor ons verschenen , enz.
3. Wanneer de verzegeling geschiedt vóór eene faillietverklaring en ambtshalve, stelle men het hoofd der acte als volgt: âOp heden den . . . ., hebben wij, Kantonrechter enz.: kennis bekomen hebbende, dat A., koopman, wonende te . . . ., na zijne betalingen te hebben gestaakt, voortvluchtig is, zonder orde op zijne zaken te hebben gesteld (of bezig is met zijne goederen te verduisteren);
4*
52
gezien art. 768 van het Wetboek van Koophandel, en oordee-lende, dat in dezen tot het behoud van den boedel onmiddellijke voorziening noodig is, ons, vergezeld van onzen Griffier, begeven naar de bewoning van A., te . . . . Aldaar om .... ure aangekomen, hebben wij voor ons doen verschijnen enz.quot;
4. Wanneer de verzegeling na failliet-verklaring geschiedt: stelle men het,hoofd als volgt:
Op heden den . . . ., des namiddags te ....,
hebben wij, Kantonrechter enz.
gezien (of kennis genomen hebbende van) een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te ...., waarbij A., koopman , wonende te . . . ., in staat van faillissement is gesteld, met bevel, dat diens boedel zal worden verzegeld;
ons, vergezeld door onzen Griffier, begeven naar het huis door genoemden A. bewoond.
Wij hebben aldaar voor ons doen compareeren: iü meergenoemden A, aan wien wij het doel onzer komst mededeelden en aan wien wij verklaarden, dat wij onmiddellijk tot de verzegeling zijner goederen zullen overgaan;
20 de Heer Mr. B., advocaat te . . . ., in zijn hoedanigheid van Curator voor genoemden failliet-verklaarde.
De eerste Comparant verklaarde, geen verzet tegen de verzegeling te zullen doen.
Alvorens tot de verzegeling over te gaan, hebben wij op vordering van den Curator aan dezen ter hand gesteld de navolgende zich in den boedel bevindende papieren, die op korte termijn loopen, of binnen korten tijd ter acceptatie moeten worden aangeboden, als;
i0 Een wisselbrief, afgegeven te . . . ., den . . . aan
.... of order, groot .... gulden, welke wissel op den.....
ten kantore van , . . ., ter betaling moet worden aangeboden; onder andere endossementen was de laatste op den gefailleerde. 20 Eene acceptatie, groot enz.
Verder hebben wij op de vordering mede van den Curator de navolgende voorwerpen, benoodigd tot het uitoefenen van het bedrijf van . . . ., hetwelk op bevel van de Arrondissements-
53
Rechtbank van den . , onder toezicht van den Curator zal worden voortgezet, buiten verzegeling gelaten als: Een schaal met 20 stuks gewichten enz. Zie artt. 795, 796 en 797 van het Wetboek van Kooph.
Wanneer er verzet wordt gedaan tegen eene verzegeling stelle men ter gelegener plaatse: âWij hebben den Comparanten het doel onzer komst medegedeeld;
De eerste Comparant verklaarde zich tegen de verzegeling te verzetten op grond daarvan, dat de overledene bij uiterste wilsbeschikking verleden voor den te ... . resideerenden notaris van den . . . waarvan hij ons een behoorlijk afschrift vertoonde, hem tot eenigen en universeelen erfgenaam heeft ingesteld, door welke beschikking het belang van den afwezige of van de minderjarigen vervalt.
De tweede Comparant verklaarde daarop, dat hij de verzegeling desniettegenstaande vordert, doordien het testament, zooeven genoemd, wegens verzuim van formaliteiten nietig is, en daarenboven dat testament bij een later is herroepen, zooals hem zulks dezen morgen door den te . . . . resideerenden notaris is te kennen gegeven, die verklaarde eene uiterste wilsbeschikking van den overledene, voor hem beleden op den . . . ., onder zijne minuten berustende te hebben, waarvan hij echter nog geen afschrift in gereedheid had.
Daar de eerste Comparant bij zijn gedaan verzet bleef volharden, hebben wij partijen verwezen naar den president der Arrondissements-Rechtbank te . . . ., met last zich voor Z. E A. te sisteeren op den . , des voormiddags ten . . . ., ten einde diens beslissing over het gerezen geschil in te roepen.
De werkzaamheden der verzegeling stakende, hebben wij inmiddels tot bewaarders aangesteld, i0 M., van beroep . . . ., wonende te . . . ., en 20 N., van beroep . . . ., wonende te ... met last om buitenshuis post te vatten en toe te zien , dat er geene goederen uit bovengenoemde behuizing worden vervoerd of verduisterd, die zich daarmede hebben belast onder verband als naar rechte.
54
Wij hebben daarop dit procesverbaal te . . . ure gesloten en met onzen Griffier geteekend.quot;
Bij de voortzetting der werkzaamheden moet melding gemaakt worden van des presidents beslissing.
Het afschrift der verzegeling in geval van faillissement onmiddellijk zenden aan het O. M.
Zie artt. 665 en 666 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.
No. 42.
Procesverbaal van verzoek tot ontzegeling.
Op heden den . , compareerde voor ons enz.
A., van beroep . . . ., wonende te ...., ten dezen domicilie kiezende ten huize van .... te ... .
Comparant verzocht ons, als mede-erfgenaam ah intes-tuto van B., in leven . . . ., gewoond hebbende te ... . en aldaar overleden den . . . ., wiens nalatenschap door ons is verzegeld op den . . . ., blijkens daarvan opgemaakt procesverbaal van dien datum, behoorlijk geregistreerd, te willen overgaan tot de ontzegeling van genoemde nalatenschap en daartoe den dag en het uur te willen bepalen.
Aan het verzoek van den Comparant voldoende, hebben wij bepaald, dat door ons tot de ontzegeling van voornoemde nalatenschap zal worden overgegaan op . . . . den . . . ., des voormiddags te ... .
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken enz.
Zie art. 672 n0 1 en 2 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.
55
No. 43.
Procesverbaal van ontzegeling.
Op heden den . . . ., des voormiddags te ... . ure, hebben wij, Kantonrechter van het Kanton . , Arrondissement . . . ., vergezeld van onzen Griffier, ons begeven naar de behuizing, staande te.....alwaar B., in
leven van beroep . ..., gewoond hebbende te ...., op den .... is overleden, ten einde op verzoek van A., van beroep . ..., wonende te . . . ., tot de ontzegeling der nalatenschap van B. over te gaan.
Ten sterfhuize aangekomen, hebben wij aldaar aangetroffen :
1° A., hierboven genoemd, die de ontzegeling heeft verzocht,
2° B., van beroep . . . ., wonende te ....,
3° C., van beroep . . . ., wonende te . . . ., allen, met na te noemen D., eenige erfgenamen ab intestuto van B., meermalen genoemd.
Comparanten verklaarden ons, dat de begrafenis van den overledene op den .... heeft plaats gehad.
Wijders, dat zij D., van beroep . . . ., wonende te ...., als buiten het Arrondissement .... woonachtig, niet hebben opgeroepen, om bij de ontzegeling tegenwoordig te zijn.
Alvorens tot de ontzegeling over te gaan, hebben wij den Heer Mr. E., van beroep . . . ., wonende te
.....aangesteld om D., van beroep . . . ., wonende
te . . . ., op diens kosten , bij de opheffing der zegels en de boedelbeschrijving te vertegenwoordigen, en heeft deze, voor ons gecompareerd, die benoeming aangenomen.
56
Geen der Comparanten verklaarde verzet tegen de ontzegeling te willen doen.
Comparanten verklaarden wijders, dat zij overeengekomen waren de boedelbeschrijving, naarmate, dat de zegels door ons zullen worden gelicht, te doen plaats hebben ten overstaan van den heer F., notaris, resideerende te , terwijl zij met onderling goedvinden tot deskundige ter waardeering der losse goederen hadden benoemd G., van beroep . . . ., wonende te ... .
De benoemde deskundige is daarop voor ons gecompareerd en heeft in onze handen den eed afgelegd, dat hij de goederen, die hem ter waardeering zullen worden aangeboden , naar zijn beste weten op derzelver oprechte waarde zal schatten.
Hierop hebben wij de door ons gelegde zegels nagezien, dezelve herkend, gaaf en ongeschonden bevonden, waarna de heer Notaris eenen aanvang heeft gemaakt met de boedelbeschrijving, beginnende met de door ons onver-zegeld gelatene en summierlijk beschrevene goederen.
Nadat die goederen alle op de boedelbeschrijving waren gebracht, hebben wij de zegels, door ons gelegd bij ons procesverbaal van verzegeling van den .... afgelicht.
Wegens den vergevorderden tijd konden alle voorwerpen , zich in genoemde secretaire bevindende, niet op de boedelbeschrijving gebracht worden. Wij hebben dientengevolge genoemde secretaire opnieuw verzegeld door er het lint weder zoo over te spannen en te bevestigen als vroeger omschreven is.
Wij hebben daarop onze werkzaamheden des avonds te . . . . ure gestaakt en de verdere voortzetting derzelve bepaald op ... . den . , des voormiddags ten ....
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben
57
doen opmaken en hetzelve met onzen Griffier getee-kend.
Vervolg.
Op heden den.....des voormiddags te ... . ure,
hebben wij, Kantonrechter enz.....ons wederom begeven naar de behuizing, staande te . . . waar B. is overleden, ten einde de werkzaamheden der ontzegeling te hervatten.
In bijzijn der zelfde Comparanten, in het hoofd van ons
procesverbaal van ontzegeling d. d.....vermeld, heeft
de Notaris de boedelbeschrijving vervolgd, nadat wij de zegels, dezelve gaaf en ongeschonden bevonden hebbende, wederom van de secretaire omschreven onder I. n0 2 hadden gelicht enz. enz.
Nadat alle door ons gelegde zegels achtereenvolgens waren gelicht, en alle goederen, tot dezen boedel behoo-rende, op de Inventaris waren gebracht, compareerden voor ons:
1° enz., die het huis bewonen, waar deze verzegeling heeft plaats gehad.
Wij hebben van hen den eed afgenomen, dat zij niets verduisterd hebben, noch gezien hebben, noch weten , dat er iets, tot dezen boedel behoorende, is verduisterd, hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk.
Den door ons benoemden bewaarder hebben wij daarop ontslagen.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken en hetzelve des avonds te ... . ure gesloten, waarna het door ons en onzen Griffier is geteekend.
1. Zie artt. 669 en volgende van het Wetb. van Burg. Rechtsvordering.
2. In geval van verzet tegen de ontzegeling leze men, in plaats der woorden âGeene der Comparantenquot; enz.:
58
De tweede Comparant verklaarde uitdrukkelijk verzet te doen tegen het lichten der zegels, als gronden daarvoor opgevende ....
De eerste Comparant meende, dat ... en bleef bij zijne vordering tot ontzegeling volharden. Wij hebben partijen daarop, ten gevolge van het tusschen hen gerezen verschil, ter beslissing van hetzelve, naar den President der Arrond. Rechtbank te . . . verwezen, met last, zich bij Z. E. Achtb. te vervoegen op ... . den . . . . , des voormiddags te ... . ure.
De werkzaamheden intusschen stakende, hebben wij dit procesverbaal te ... . ure gesloten en hetzelve met onzen Griffier geteekend.
(De beslissing van den President wordt op het procesverbaal overgeschreven of gesteld en bij de heropening der werkzaamheden, daarvan in het hoofd melding gemaakt.)
3. Wanneer de zegels in eens worden gelicht, leze men, na de vermelding van het verschijnen der partijen:
âComparanten verklaarden, dat door de voorziening in de voogdij over de kinderen van .... de reden , waarom de zegels door ons gelegd zijn, vervallen is, weshalve zij ons verzochten onze zegels in eens te lichten.
Na de door ons gelegde zegels herkend, gaaf en ongeschonden bevonden te hebben, hebben wij ze van alle voorwerpen, waarop ze door ons gesteld waren, gelicht.
Waarna wij dit procesverbaal te ... . ure enz.
4. Wanneer de Kantonrechter gesc h o n d en zege 1 s vindt, leze men de zinsnede; Hierop hebben wij de door ons enz. als volgt: Hierop hebben wij de door ons gelegde zegels nagezien, herkend en alle gaaf en ongeschonden bevonden, met uitzondering der zegels door ons gelegd op eene secretaire in de voorkamer; twee derzelve waren blijkbaar met geweld en voorbedachten rade, met het doel om de secretaire te openen verbroken, daar het lak goed vast op het hout zat, en het strookje papier, waarop het andere zegel gesteld was, er afgerukt is, zoodat in dezen aan geen toeval te denken valt, terwijl juist die zegels verbroken zijn, die de opening der secretaire mogelijk maakten.
59
Wij hebben terstond een onderzoek daaromtrent geopend, den bewaarder alsmede alle huisgenooten gehoord en daarvan processen verbaal, ter verzending aan den Officier van Justitie, opgemaakt.
Vervolgens hebben wij onze zegels opnieuw op de secretaire gesteld, en , tot betere bewaking der door ons gelegde zegels, buiten en behalve de reeds gestelde bewaarders, nog twee anderen aangesteld, met name . . . die voor ons verschenen, zich met de bewaring hebben belast.
Hierna heeft de Notaris eenen aanvang gemaakt enz.
Het verzoek tot ontzegeling en de ontzegeling kunnen op hetzelfde zegel worden geschreven.
No. U.
Machtiging tot den onderhandschen verkoop van roerende goederen, toebehoorende aan meerderen minderjarigen.
Op heden den . . . ., compareerden voor ons, Kantonrechter enz.
1° A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., in hoedanigheid van voogd, over de minderjarige kinderen van . . . gt;
2° B., van beroep . . . ., wonende te ... ,
3° C., van beroep . . . ., wonende te ... .
De eerste Comparant verklaarde, dat de minderjarige kinderen, hierboven genoemd, gemeenschappelijk met de beide overige Comparanten bezitten de navolgende roerende goederen, als: Eene apotheek met toebehooren enz.
Dat zich voor die roerende goederen een kooper heeft opgedaan, die daarvoor eenen betrekkelijk zeer hoogen prijs heeft geboden
6o
Dat hij in zijne hoedanigheid en de overige Comparanten eenstemmig van oordeel zijn, dat de verkoop van die voorwerpen aan .... in allen deele voordeelig moet geacht worden, weshalve zij onze machtiging vragen tot den onderhandschen verkoop derzeive.
Lettende op de daarvoor door de Comparanten bijgebrachte redenen, hebben wij , daar ons die koop en verkoop voordeelig voorkomt, Comparanten gemachtigd de even genoemde roerende goederen onderhands te verkoo-pen aan . , doch vóór of boven den prijs, waarop
dezelve door drie beëedigde deskundigen, door partijen te benoemen, zullen zijn gewaardeerd.
Van welke handeling, wij dit procesverbaal hebben doen opmaken enz.
Zie art. 685 van het Wetb. van Burg. Rechtsv. v. Coll. art. 447 van het Burg. Wetb.
No. 45.
Depót rapport deskundigen.
Op heden den . , verscheen ter Griffie van het Kantongerecht te ... .
N. N., van beroep.....wonende te . . . ., met de
Heeren.....door den Kantonrechter bij vonnis d.d.....,
gewezen in zake . . . ., benoemd tot deskundigen ter beantwoording van de bij dat vonnis omschreven vragen; welke Comparant ter Griffie deponeert het door hen opgemaakt rapport, waarop staat: Geregistreerd .... enz.
Waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt, dat na voorlezing door den Comparant en den Griffier is geteekend.
Zie artt. 231 en 232 W. v. B. Rv.
6i No. 46.
Bevel tot den verkoop van roerende goederen.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . , Arrondis
sement . . . ., Provincie ....
Gezien het bovenstaande door A., van beroep . . . ., wonende te ...., ingediende Request.
Gezien art. 686 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Overwegende, dat het uit genoemd request blijkt, dat partijen het zoowel omtrent den verkoop zelve, omtrent den tijd wanneer, en de plaats waar, als omtrent den ambtenaar , ten wiens overstaan dezelve zal plaats hebben, niet eens kunnen worden, zoodat onze tusschenkomst in dezen wordt ingeroepen.
Bevelen, op dat request beschikkende:
Dat de roerende goederen, behoorende tot de nalatenschap van . . . . , op den .... te ...., ten overstaan van .... (notaris of deurwaarder), te . . . . , in het openbaar zullen worden verkocht;
Dat de requestrant dit een en ander aan de overige belanghebbenden zal kenbaar maken, door het plaatsen eener daartoe strekkende advertentie in de ... . Courant van den ....
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N,
62
No. 47.
Bevel tot oproeping van eenen geëxecuteerde om te
worden gehoord over het benoemen van een persoon ter inzameling van vruchten enz.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie . . .
Gezien het vorenstaande request;
Gezien art. 451 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.;
Bevelen, alvorens op dat request te beschikken, dat de geëxecuteerde A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., zal worden opgeroepen, om op den . . . ., des voormiddags te . . i . ure, ter plaatse onzer gewone terechtzittingen voor ons te verschijnen, ten einde op dat request te worden gehoord.
Gelasten den executant alsdan mede voor ons te verschijnen, ten einde in zijne belangen te worden gehoord.
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. 48.
Procesverbaal van de benoeming van eenen persoon,
ter inzameling van in beslag genomene goederen.
Op heden den .... compareerden voor ons enz.
1° A., van beroep . . . , wonende te . . . ., executant bij exploit van den deurwaarder . . . ., te . . . ., van den ....
63
2° B., van beroep . , wonende te . . . . , geëxecuteerde bij hetzelfde exploit.
De eerste Comparant herhaalde ons zijn verzoek ter benoeming van een geschikten persoon, ter inzameling van eenige te velde staande vruchten, te zijnen verzoeke in beslag genomen.
De tweede Comparant daarop gehoord , verklaarde zich tegen zoodanige benoeming niet te willen verzetten.
Hierop hebben wij, in overweging nemende, dat de belangen , zoowel van den executant, als die van den geëxecuteerde, dringend vorderen, dat er voor de inzameling der te velde staande vruchten, bij boven genoemd exploit in beslag genomen, zorg gedragen worde;
Gezien art. 451 van het Wetb. van Burg. Rechtsvordering ;
C., van beroep . . . ., wonende te , . . ., benoemd, om zorg te dragen voor de inzameling der in beslag ge-nomene veldvruchten, bestaande in drie H.A. haver, gelegen te ...., kadastraal bekend onder sectie . ..., nquot;....., enz. enz. en daarvan later rekening en verantwoording te doen, aan wien zulks zal blijken te behooren.
De benoemde voor ons verschenen, heeft verklaard den op hem verstrekten last aan te nemen.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal enz.
No. 4«.
Beslissing van den Kantonrechter, in het geval van art. 724 B.Rv.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . ..., Arrondissement . . . ., Provincie . . . ., bijgestaan door onzen Griffier.
64
Gezien een bevelschrift van de Arr.-Rechtb. te . . . ., van den.....behoorlijk geregistreerd;
Gehoord den deurwaarder, belast met de in beslagneming der in genoemd bevelschrift omschrevene goederen;
Verklarende, dat A., tegen wien het bevelschrift is afgegeven, verzet heeft gedaan tegen de inbeslagneming der goederen, hiervoren bedoeld ;
Gehoord genoemden A., in de door hem aangevoerde redenen van verzet;
Overwegende, dat de door A. aangevoerde redenen enz.;
Gezien art. 724 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord,;
Verklaren den opposant niet ontvankelijk in zijn verzet: bevelen hem mitsdien den deurwaarder, met de inbeslagneming belast, onverwijld den toegang tot zijne woning te verleenen, en hem in staat te stellen het bovenbedoeld bevelschrift ten uitvoer te leggen;
Verstaan, dat de deurwaarder, bij gebreke van voldoening aan deze beslissing, zal handelen naar de voorschriften der wet.
Gedaan te . , den . . . ., en door ons en den Griffier geteekend.
No. 50.
Vergunning tot inbeslagneming van goederen, toebehoo-rende aan eenen schuldenaar, die geene bekende woonplaats binnen dit rijk heeft.
Op heden den . . . ., compareerde voor ons enz. A., van beroep . . . ., wonende te ... .
Comparant vertoonde ons eene schuldbekentenis, ten
65
zijnen behoeve afgegeven door B., vroeger koopman, wonende te . . . ., geregistreerd te enz. (overname der registratie) en verklaarde, dat hij, na daartoe strekkend onderzoek, vernomen heeft, dat genoemde B. dit koninkrijk verlaten heeft, zonder orde op zijne zaken gesteld of ergens domicilie gekozen te hebben, en dat hij te ,
in de behuizing n0....., heeft achtergelaten onderscheidene goederen.
Comparant verzocht ons, hem vergunning te willen ver-leenen tot het in beslag nemen dier goederen.
Wij hebben daarop:
Gelet op bovengenoemde schuldbekentenis;
Gelet op het verzoek van den Comparant;
Gezien art. 764 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.;
Den Comparant vergunning gegeven, om de goederen van B., zich bevindende in de behuizing, geteekend n0 . . . ., staande te . . . ., met inachtneming der voorschriften van de Wet in beslag te nemen.
Van welk een en ander dit procesverbaal is opgemaakt en met onzen Griffier door ons geteekend.
Zie artt. 764 en volg. van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.
No. 51.
Procesverbaal van overhandiging van een verzoekschrift tot het doen van eenen eisch tot echtscheiding.
Op heden den .... hebben wij, Kantonrechter enz., ons krachtens op ons verstrekten last door den Heer President der Arrondissements-Rechtbank te ...., van den
KIPPENBROEK, Formulieren. Tweede druk. 5
66
. . . ., behoorlijk geregistreerd, begeven naar de woning van A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., ten einde van haar in ontvangst te nemen een verzoekschrift tot het doen van eenen eisch tot echtscheiding.
Aldaar aangekomen, is voor ons verschenen genoemde A., welke ons heeft overhandigd:
1° Een verzoekschrift, bevattende de opgave der daadzaken en der te nemen conclusiën, van eenen eisch tot echtscheiding, welken zij tegen haren echtgenoot B. wil doen.
2° (Omschrijving der tot bewijs strekkende stukken.)
Na inzage dier stukken hebben wij de Comparante zoodanige bedenkingen geopperd, als wij noodig en oorbaar oordeelden.
Zij verklaarde daarop bij haar voornemen te volharden, waarop wij de bovengenoemde stukken in ontvangst hebben genomen, ten einde dezelve zonder verwijl aan den President der Arrondissements-Rechtbank toe te zenden.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben opgemaakt en, na voorlezing, met de Comparante en onzen Griffier geteekend.
Zie art. 816 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.
No. 52.
Voorziening bij weigering om koopmanschappen of goederen aan te nemen.
Op het daartoe ingediende request stelle de Kanton-â rechter de navolgende beschikking.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . , Provincie ....
67
Gezien het bovenstaande Request;
Bevelen, alvorens daarop te beschikken, dat de wederpartij A., koopman te . . . ., door den deurwaarder .... terstond, immers binnen twee uren, nadat hem dit bevelschrift zal zijn geïnsinueerd, zal worden opgeroepen, om voor ons te verschijnen, ten einde op dat request te worden gehoord.
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
(Dit komt alleen te pas, wanneer de wederpartij ter plaatse tegenwoordig is) en vervolgens :
Wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement .... Provincie ....
Gezien het aan ons door B. ingediend request, strekkende daartoe, dat wij de noodige voorziening zullen doen , door opname en opslag van de ten requeste genoemde goederen, welke A. weigert in ontvangst te nemen;
Gehoord de wederpartij, verklarende, dat hij die goederen niet in ontvangst wil nemen, doordien dezelve beschadigd zijn en daarenboven geheel verschillen van de bij hem gedeponeerde monsters ;
Gezien art. 94 van het Wetb. van Koophandel;
Verstaan, dat die goederen zullen worden opgenomen door drie deskundigen, vooraf door ons te beëedigen, waartoe wij benoemen i0 . . . . enz.;
Bevelen, dat voormelde goederen zullen worden opgeslagen in het pakhuis van . , wonende in de ... . straat, te ... .
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
68
t. Zie art. 94 van het Wetb. van Koophandel.
2. Deze dispositie zal op een afzonderlijk zegel behooren gesteld te worden, bijaldien onder het verzoekschrift het bevel tot oproeping is gesteld.
No 53.
Benoeming van deskundigen, ter beoordeeling of een schip van het noodige voorzien en in staat is, eene voorgenomen reis te ondernemen.
Op het daartoe strekkend request stelle de Kantonrechter :
Wij, Kantonrechter van het Kanton . , Arrondissement . . . ., Provincie ....
Gezien het bovenstaande request;
Gezien art. 347 van het Wetboek van Koophandel;
Beschikkende op dat request:
Benoemen tot deskundigen; 1° A., van beroep . . . ., wonende te . . . .; 2° B., van beroep . . . ., wonende te . . . .; 3° C., van beroep . . . ., wonende te ... .
Om, na vooraf in onze handen den gevorderden eed te hebben afgelegd, te beoordeelen, of het kofschip , genaamd . , liggende te . . . ., van het noodige is voorzien, en in staat is, om eene reis naar .... te ondernemen.
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
69
No. 54.
Procesverbaal van beëediging van het geschrift bedoeld in art. 368 Wetb. v. Kooph.
Op heden den . . . . , compareerde enz.
A., Kapitein en gezagvoerder van het schip de Drie Gebroeders, verklarende, dat hij in den jongstverloopen nacht de haven van .... is binnengeloopen en zich terstond op reis heeft begeven, om een door hem, naar aanleiding van art. 368 van het Wetboek van Koophandel, in geschrifte gebrachte beraadslaging, in een hem op de reis naar .... overkomen ongeval, te beëedigen.
Comparant overhandigde ons dat geschrift, met over-legging van zijn scheepsjournaal, waarin hetzelve op folio . . . . woordelijk is overgenomen, met verzoek tot de be-eediging der waarheid van het gebeurde, in het genoemde geschrift vervat, te worden toegelaten.
Aan het verzoek van den Comparant voldoende, hebben wij van hem den eed afgenomen, dat het door hem opgemaakte geschrift een getrouw en deugdelijk verhaal van het gebeurde inhoudt, en niets dan de volkomene waarheid bevat.
Zie artt. 368, 369 en 380 Wetb. v. Kooph,
No. 55.
Procesverbaal van vertooning van een scheepsjournaal en van verklaring van eene reis.
Op heden den . . . ., compareerde enz.
A., gezagvoerder van het schip, genaamd . . . ., me-
7°
tende .... tonnen, liggende in de haven te . . . ., geladen met ....
Comparant vertoonde ons het door hem gehouden scheepsjournaal, hetwelk wij, na het voor exhibitum geteekend te hebben, aan hem hebben terug gegeven.
Vervolgens heeft hij de navolgende verklaring afgelegd:
âIk heb mijne reis aangevangen op den . . . ., des âmorgens te . . . ., zeilende uit de haven van .... âen koers zettende naar . , alwaar ik na eene reis
âvan .... dagen het anker geworpen heb.
âOp de hoogte van .... is de bliksem bij stil weder âin mijn schip geslagen, waardoor een brand is ontstaan, âdien ik door groote krachtsinspanning ben meester ge-âworden, echter niet, dan nadat hij veel schade aan de âdoor mij ingenomene lading had veroorzaakt.quot;
Comparant verzocht ons bovenstaande verklaring met eede te mogen bevestigen.
Hij heeft daarop in onze handen den eed afgelegd, dat die verklaring volkomen naar waarheid is.
Wij hebben vervolgens voor ons doen verschijnen : i0 B.,
iste stuurman, 2° C., bootsman, 30 D., koopman te.....
en passagier aan boord van gemeld schip, die ieder, afzonderlijk door ons ondervraagd, na vooraf beëedigd te zijn, hebben verklaard: de eerste Comparant: âdat het schip met âstilte en broeiend weder stil lag; dat de lucht plotseling âbetrokken werd, terwijl er onverwacht een onweder in de âverte losbrak; dat de gezagvoerder terstond last had ge-âgeven de bliksemafleiders te plaatsen, waartoe onmiddellijk werd overgegaan; dat echter het onweder zoo spoedig ânaderde, dat, niettegenstaande de ijverige pogingen der âmanschappen, die afleiders niet tijdig konden geplaatst âworden enz. enz. enz.quot;
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben
71
opgemaakt en hetzelve, na voorlezing, met onzen Griffier en de Comparanten geteekend.
Zie artt. 379, 380, 381 en 384 Wetb. van Kooph.
No. 56.
Procesverbaal van eene verklaring, door gezagvoerder, officieren enz., in geval van schipbreuk afgelegd.
Op heden den . . . ., des morgens te .... ure, compareerden voor ons ....
10 A., gezagvoerder van het schip genaamd.....
liggende in de haven van . . . .,
2° B., eerste stuurman, 30 C., tweede stuurman, 40 D., bootsman, 50 E., matroos (enz.), allen aan boord van even genoemd schip.
Comparanten verklaarden ons, dat zij gisteren avond te ... . ure de haven van .... met verlies van masten, roer en ankers zijn binnengeloopen, daar het hun onmogelijk was de reis verder naar .... voort te zetten ;
Dat dit onheil veroorzaakt is door een hevigen orkaan uit het noordwesten enz. (een nauwkeurig verhaal van de oorzaken en gevolgen der ramp).
Daar deze verklaring strekken kan en moet tot bewijs van geleden verliezen, rampen, schaden of van vorderingen , door degenen, die het schip bevracht hebben, verzochten de Comparanten ons toegelaten te mogen worden tot de bevestiging met eede van hunne verklaringen.
Wij hebben daarop van ieder hunner, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte af-
72
genomen, dat genoemde verklaring door hem geheel naar waarheid is afgelegd.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal enz.
Zie art. 384 Wetb. van Kooph.
No. 57.
Benoeming van eenen Griffier, bij belet of ontstentenis van den Griffier.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie ....
Overwegende, dat onze Griffier, de Heer . . . ., belet wordt de werkzaamheden van Griffier waar te nemen bij de verzegeling der nalatenschap van A., van beroep . , gewoond hebbende te .... en aldaar overleden den . . . ., welke verzegeling wij onmiddellijk zullen bewerkstelligen.
Overwegende, dat zijne functiën mitsdien door eenen daartoe door ons te benoemen persoon zullen moeten worden waargenomen;
Gezien art. 33 der Wet op de Rechterlijke Organisatie;
Benoemen bij deze, speciaal voor de werkzaamheden der verzegeling van genoemde nalatenschap, ter waarneming van de functiën van den Griffier , den Heer C., van beroep . , wonende te ... .
De benoemde is daarop voor ons verschenen en heeft in onze handen den eed, voorgeschreven bij art. 29 der Wet op de Rechterl. Organisatie, afgelegd.
Gedaan te ...., den ....
Dc Kantonrechter voornoemd: N. N.
73
No. 58.
Procesverbaal van verhoor der bloedverwanten bij verzoek om wettiging van een natuurlijk kind.
Op heden den .... compareerden voor ons .... enz.
1° A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., enz.
Allen daartoe door ons opgeroepen, krachtens op ons verstrekten last door den Hoogen Raad der Nederlanden, bij beschikking van den . . . ., behoorlijk geregistreerd.
Wij hebben Comparanten bekend gemaakt met een verzoek door A., van beroep . . . ., wonende te .... en B., zonder beroep, wonende te . . . ., aan Hare Majesteit de Koningin ingediend, strekkende daartoe: dat het Hare Majesteit moge behagen, den requestranten brieven van
wettiging te verleenen voor hunne dochter C.....,
uit hen buiten echt geboren, te . . . . , den . . . ., hun vragende, of zij als bloedverwanten bezwaren hebben in te brengen tegen het verleenen der gevraagde brieven van wettiging.
Comparanten hebben daarop eenparig verklaard geene bezwaren tegen het gedaan verzoek te hebben, des noodig dat verzoek te ondersteunen , daar hun het bekomen dier brieven van wettiging alleszins wenschelijk voor het uit A. en B. geboren kind voorkomt.
Van welk verhoor wij dit procesverbaal door onzen Griffier hebben doen opmaken enz.
Zie art. 331 van het Burg. Wetb.
74 No. 59.
Procesverbaal van beëediging voor verschillende ambtenaren.
Op heden den .... compareerde enz.
A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., benoemd als . . . ., bij acte van aanstelling van den . , hem uitgereikt door ....
Comparant verzocht ons, hem als zoodanig te willen beëedigen.
Aan het verzoek van den Comparant voldoende, hebben wij van hem den eed afgenomen, voorgeschreven bij art....., nadat wij hem dien eed duidelijk hadden voorgelezen.
Waarvan acte.
Het formulier voor den eed;
1. Als Rijksschatters, Tegenschatters en Derde Schatters, voorgeschreven bij art. 40 der Resolutie van Z E. den Minister van Financiën van den 23 Maart 1833 n0 39, luidt :
âIk zweer (beloof), dat ik het werk als Rijksschatter voor de âbelastingen op het personeel aan mij opgedragen, zal doen ânaar de wetten en verordeningen, volgens mijn geweten, mijne âbeste kennis en wetenschap en in alle onpartijdigheid, zonder âom lief of leed, gunst of ongunst daarvan af te wijken.quot;
De beëediging van Rijks-, Tegen- en Derde Schatters kan op de acte van aanstelling worden vermeld en behoeft dus niet bij afzonderlijke acte te worden geconstateerd.
Gratis, vrij van zegel en Registratie.
Zie art. 47 der Wet van den 29 Maart 1833 Stbl. n0 4.
2. Als deurwaarder bij de directe en andere belastingen, voorgeschreven bij art. 1 der Resolutie van Z. E.
75
den Minister van Financiën van den 18 Aug. 1845 n0 61, luidt;
âIk zweer (beloof), dat ik mij in alles zal gedragen naar de âwetten en reglementen, op mijne bediening vastgesteld ; dat ik âalle exploiten, die van mij zullen worden gevorderd, getrouwe-âlijk en met naarstigheid zal uitvoeren, en in het algemeen âmijne functiën met nauwgezetheid en eerlijkheid zal waarnemen.quot;
Zuiveringseed.
âIk zweer (verklaar), dat ik, om dezen mijnen post als deur-âwaarder der directe belastingen te verkrijgen, aan niemand âhoegenaamd en onder welk voorwendsel ook, middellijk of âonmiddellijk, eenige gift of belofte heb gedaan of zal doen.quot;
(Zoo het ambt onbezoldigd is, vrij van zegel en Registratie. Zie art. 70 § 3 n0 2, Collato art. it n0 1 der Wet van 16 Juni 1832.)
3. Als ambtenaar der Rijkspolitie en Veldwachter, voorgeschreven bij Kon. Besluit d d. 17 Dec. 1851 , Stbl. nquot; 166 en 25 Febr. 1817, Stbl. n0 13, luidt:
âIk zweer (beloof) getrouwheid aan de Koningin; dat ik de âwetten van den staat zal nakomen en onderhouden; dat ik mij âin den dienst nauwgezet zal toeleggen op de vervulling mijner âplichten, zoo als een braaf politie-ambtenaar betaamt.quot;
Zuiveringseed.
âIk zweer (verklaar), dat ik, om als . . . . te worden be-ânoemd, directelijk of indirectelijk aan geene personen, hetzij âin of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel âook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb, noch âbeloven of geven zal.quot;
4. Als Opzieners der Jacht en Visscherij, voorgeschreven bij art 21 der Instructie van den 15 Mei 1852, luidt:
âIk zweer (beloof), dat ik met al mijn vermogen zal waken âtegen overtreding der Wet van den 6 Maart 1852 (Stbl. ân0 47) en de Provinciale Verordeningen betrekkelijk de uitoefening der Jacht en Visscherij, en dat ik de plichten, bij âmijne instructie voorgeschreven, getrouw zal vervullen.quot;
/6
5- Als Rijksschatter voor het afkoopen van Doma-niaal Tiendrecht:
âIk zweer (beloof), dat ik elke mij van wege den Staat op âgedragen schatting van de afkoopwaarde van 's Rijks tiend-ârecht, na opneming der gronden, zal doen naar mijn beste âweten, met de meest mogelijke onpartijdigheid.quot;
(Zie art. 403 Instr. Manutentie en Dom: Vrij van zegel en wordt gratis geregistreerd; art. 22 Wet van 12 April 1872
n0 25)-
6. Als Rijksschatter van Domaniale Tiend vruchten :
âIk zweer (beloof), dat ik elke, vanwege den Staat aan mij âopgedragen schatting van Tiendvruchten zal doen naar mijn âbeste weten, met inachtneming van de rechten van den Staat âen dat ik de geschatte waarde geheim zal houden.quot;
(Zie art. 324 I. M. D. Op zegel en registreeren.)
7 Beëediging van beambte bij 's Rijkskanalen:
âIk zweer (beloof), dat ik met al mijn vermogen zal waken âtegen overtreding van de politiereglementen voor het .... âkanaal en dat ik alle plichten mij bij mijn instructiën voor-âgeschreven, getrouw zal vervullen zonder mij daarvan door âeenige belofte, gift of geschenk te laten afbrengen.quot;
(Zie art. 12 Alg. Instr 23 Nov. 1880.)
8. Beëediging van spoorwegambtenaren:
âIk zweer (beloof), dat ik al de plichten, welke de wetten âtot regeling van den dienst en het gebruik der spoorwegen âen de krachtens die wetten uitgevaardigde algemeene maatre-âgelen van bestuur en daaruit voortgevloeide reglementen en âverordeningen mij opleggen, eerlijk en vlijtig zal vervullen.quot;
âZoo waarlijk helpe mij God Almachtigquot;. âDat beloof ik.quot;
Aanteekening hiervan te plaatsen op het audiëntieblad.
Vrij van de formaliteit van registratie
Zie de Wet van 29 Dec. 1893 (Stbl. n0 245).
9. Op alle acten van aanstelling wordt door den Kantonrechter van den afgelegden eed aanteekening gedaan in voege als volgt;
77
âDe Rijksschatter A., wonende te . . . ., heeft op heden den . .. . in onze handen den gevorderden eed (of belofte) afgelegd.quot;
De Kantonrechter van het Kanton .... N. N.
No. 60.
Benoeming van eenen Derden Schatter voor de Personeele belasting.
Wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement .... enz.
Gezien de uitnoodiging, ons gedaan door den Heer Controleur der Directe Belastingen in de divisie . . . ., bij missive van den . . . ., n0 . . . ., bij ons ingekomen den . . . .;
Gezien art. 29 §§ 3 en 4 der Wet van den 29 Maart 1833 (Stbl. n0 4) art. 3 van het Koninklijk Besluit van den 9 Mei 1833 (Stbl. n0 16);
Benoemen tot Derden Schatter voor de personeele belasting gedurende het dienstjaar . . . ., voor de gemeente . . . ., A., van beroep . . . ., wonende te ... .
Gelasten den benoemde, na vooraf den eed afgelegd te
hebben, als zoodanig werkzaam te zijn op den.....des
namiddags te ... . ure in de behuizing nquot; . . . ., staande te ...., bewoond door . . . ., en verder voor alle soortgelijke gevallen, die zich binnen de gemeente . . . . voordoen.
Gedaan te ... .
De Kantonrechter voornoemd : N. N.
78 No. 61.
Machtiging tot inlegering.
Wij, Kantonrechter van het Kanton .... enz.
Gezien het daartoe door den Ontvanger van 's Rijks Belastingen te ... . gedaan verzoek, bij missive van den . . . . n0 . . . .;
Gezien art. 17 der Wet van den 27 Mei 1845 (Stbl. n0 22);
Machtigen den ontvanger voornoemd, om bij A. van beroep . . . ., wonende te ...., inlegering van . . . . krijgslieden te bewerkstelligen.
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. 62.
Beëediging eener memorie van Successie.
Op heden den .... compareerden voor ons enz.
1° A., van beroep . . . ., wonende te ... .
2° B., van beroep . . . ., wonende te ... .
Corjaparanten verklaarden , dat zij ten kantore van den Ontvanger der Successierechten te . . . . eene aangifte hebben ingediend van de nalatenschap van ...., in leven . . . ., gewoond hebbe.ide te , en overleden
te.....en verzochten ons toegelaten te mogen worden
tot de beëediging der deugdelijkheid dier aangifte.
Comparanten hebben daarop ieder afzonderlijk, op de
79
wijze hunner godsdienstige gezindheid, den eed (of de verklaring) afgelegd, voorgeschreven bij art. 28 der Wet van 13 Mei 1859 (Stbl. nu 36), nadat wij hen dien eed (of verklaring en belofte) duidelijk hadden voorgelezen.
Waarvan acte.
En is hiervan opgemaakt dit procesverbaal in duplo, dat door ons Kantonrechter en den Griffier, is geteekend.
Vrij van zegel en registratierechten.
Zie voor de verschillende eedsformulieren artt. 28 en volg. der Wet van 13 Mei 1859 (Stbl. n0 36) met de daarin aangebrachte wijzigingen.
No. 63.
Bevel of machtiging aan den Ontvanger der Successie , om afschrift te geven van eene memorie van aangifte.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien vorenstaand verzoekschrift;
Gezien art. 64 al. 2 der Wet van 13 Mei 1859 (Stbl. nquot; 36), gew. 28 Mei 1869 (Stbl. nl) 95), 9 Juni 1878 Stbl. nü 95) en 31 December 1885 (Stbl. n0 263);
Bevelen den Ontvanger van het Recht v. Succ. te ... . aan den verzoeker te zijnen koste afschrift te geven van de ten requeste bedoelde memorie van aangifte. .... den .... 18 .
De Kantonrechter voornoemd. N. N.
N B. Het request kan op klein zegel worden geschreven; de beschikking wordt op het request geplaatst, op de minuut geregistreerd en in origineel afgegeven.
8o
No. 64.
Beëediging van deskundigen bij gerechtelijke plaatsopneming.
Op heden den .... compareerden voor ons, Kantonrechter enz.
1° A., van beroep . . . ., wonende te . . . .,
2° B., van beroep . . . ., wonende te . . . .,
3° C., van beroep . . . ., wonende te . . . ., benoemd als deskundigen bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te.....van den . . . ., behoorlijk geregistreerd, ter opneming en waardeering der vaste goederen, gelegen te . , kadastraal in de gemeente .... bekend onder sectie . . . ., n0....., met bepaling, dat
zij gehouden zullen zijn, op heden des voormiddags te . . . . ure in onze handen den eed af te leggen.
Comparanten verzochten ons, hen tot het afleggen van den vereischten eed toe te laten.
Voldoende aan het verzoek van de Comparanten, hebben wij van hen den eed afgenomen, dat zij de hun opgelegde opname naar hun beste weten, en de waardeering naar de oprechte waarde zullen doen.
Comparanten verklaarden vervolgens, dat zij zich op den . . . ., des voormiddags te ... . ure, op het perceel hiervoren genoemd, bekend onder sectie . ..., n0. . . . ., zullen doen vinden, om daar terstond tot de opname en waardeering over te gaan.
E., van beroep . . . ., wonende te . . . ., en F., van beroep . ..., wonende te . . . ., partijen in dezen, waren bij deze handelingen tegenwoordig.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal enz.
Zie art 224 Coll. art. 228 van het Wetb. van Burg. Rechtsvordering.
81
No. 65.
Verklaring van erfrecht.
Wij, Mr....., Kantonrechter van het Kanton . ,
enz. verklaren op het getuigenis van:
1° A., van beroep.....wonende te . . . ., en
2° B., van beroep . . . ., wonende te . . . .,
ons ten volle overtuigd te hebben, dat E., in leven . . . ., van beroep . . . ., gewoond hebbende te . . . .en aldaar overleden op den . . . ., geene meerdere of andere erfgenamen heeft nagelaten dan F., van beroep . ..., wonende te ... ., en G., van beroep . . . ., wonende te . . . ., welke personen, met uitsluiting van alle anderen, eenig en alleen bevoegd en gerechtigd zijn tot de ontvangst der goederen, gelden en pretentiën, ten laste van . . . door bovengenoemden E. nagelaten.
Afgegeven te ...., den ....
De getuigen : De Kantonrechter voornoemd:
N. N.
1. Wanneer de som, die ontvangen moet worden, /25,00 niet te boven gaat, is de acte vrij van zegel (art. 27 A. n0 36 der Zegelwet van 3 Oct. 1843, Stbl. n0 47).
2. Zie art. 34 van het Koninklijk Besluit dd. 22 December 1819, Stbl. n0 56, in het bijvoegsel tot het Staatsblad VI, 1586.
3. Kan met overlegging van een certificaat van onvermogen altijd gratis worden opgemaakt; het certificaat wordt alsdan aan de acte gehecht.
KIPPEN BROEK, Formulieren.
Tweede druk.
6
82
No. 66.
Verhoor van een' persoon omtrent zijn onderstands-domicilie.
Op heden den .... compareerde voor ons, Mr.....,
Kantonrechter enz.
A., van beroep.....thans wonende te ...., gemeente .....ten einde door ons, overeenkomstig op
ons verstrekten last door den Heer Commissaris der Koningin in de Provincie . . . ., bij missive van den . . . ., n0 . . . ., onder eede te worden gehoord omtrent zijn wettig domicilie van onderstand.
Nadat Comparant in onze handen den eed had afgelegd , dat hij de geheele waarheid en niets dan de waarheid zoude zeggen, hebben wij hem gevraagd:
1° Waar hij geboren was en waar hij in de laatste jaren zijn verblijf of woonplaats gehad heeft; waarop hij antwoordde enz.
Van welk verhoor wij dit procesverbaal hebben opgemaakt en hetzelve, na voorlezing, met den Comparant ge-teekend.
1. Zie art. 70 der Armwet.
2. Het procesverbaal is vrij van zegel en registratie-rechten; ter registratie aangeboden wordende, wordt het gratis geregistreerd. (Zie art. 77 der Armwet.)
83
No. 67.
Appointement op een Request om kosteloos te mogen procedeeren.
Wij, Mr....., Kantonrechter van het Kanton . . . ., enz.
Gezien het hierbovenstaande Request om toelating tot kostelooze procedure;
Gezien het daarbij overgelegde certificaat van onvermogen , ten behoeve van den Requestrant afgegeven door den Burgemeester der gemeente . , den ....
Gezien artt. 855 en volgende juncto art. 871 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
Bevelen , alvorens op dat request te beschikken, dat .... ten verzoeke van den Requestrant zal worden opgeroepen , om op eene der eerstvolgende terechtzittingen, des voormiddags te ... , ter plaatse onzer gewone terechtzittingen, voor ons te verschijnen, ten einde op dat request te worden gehoord.
Gedaan te.....den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
N.B. Te plaatsen op het request en registreeren.
No. (gt;8.
Beschikking van toelating tot kosteloos procedeeren.
Wij, Mr....., Kantonrechter te . . . .; Gezien een
door . . . ., wonende te ...., ingediend request;
84
Gezien de stukken, voorzoover noodig, behoorlijk geregistreerd ;
Overwegende, dat de opgeroepene het onvermogen van den requestrant niet heeft tegengesproken en ook overigens niets heeft aangevoerd, waaruit ons is gebleken, dat het beweren van den verzoeker aanvankelijk als volkomen ongegrond moet worden beschouwd;
Gelet op artt. 855 en volg. en 871 W. v. B. Rv.
Verkenen aan den verzoeker voornoemd de verlangde toelating om, ter zake in bovenbedoeld request omschreven , kosteloos te procedeeren tegen . . . ., wonende te ... .
Gedaan en gegeven door ons. Kantonrechter voornoemd, op heden den . . . ., in tegenwoordigheid van den Griffier.
Te plaatsen op het request en afschrift van deze eindbeschikking doen registreeren en afgeven.
Bij niet-verschijning der wederpartij te lezen;
âOverwegende, dat de opgeroepene, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen en het ons niet is gebleken, dat het beweren van verzoeker aanvankelijk als volkomen ongegrond moet worden beschouwd''; Gelet op enz.
No. 69.
Aanwijzing van eenen bepaalden persoon bij ontstentenis van eenen deurwaarder.
Wij, Mr...... Kantonrechter van het Kanton . . . ., enz.
Gehoord het daartoe gedaan verzoek door A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., verklarende, dat hij B., van beroep.....wonende te.....voor dit Kantongerecht wenscht te doen dagvaarden;
85
dat onze deurwaarder, de eenige bij dit Kantongerecht, genoemden B. in den verboden graad van bloedverwantschap bestaat;
Gezien art. 16 van het Wetboek van Burgerl. Rechtsv.;
Wijzen C., van beroep.....wonende te . . . .aan,
om in dezen de verlangde dagvaarding aan B., hier boven genoemd, te bewerkstellingen.
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No 70.
Benoeming van deskundigen, om te onderzoeken den staat van gezondheid en geschiktheid voor den dienst van een te pensioneeren persoon.
Wij, Mr...... Kantonrechter te ... .
Gezien eene missive van Z. E. den Minister van . . . .
.... alsmede eene missive van . . . .......aan
ons gericht, inhoudende het verzoek over te gaan tot de benoeming van twee deskundigen voor het opmaken der bij art. 5 van de Wet van 9 Mei 1846 (Stbl. n0 24), laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 21 Mei 1873 (Stbl. n0 64), bedoelde beëedigde verklaring betreffende de oorzaak der lichamelijke ongeschiktheid voor den dienst van . . . ., van beroep . , wonende te . . . ., in welke betrekking hij eene jaarwedde geniet van minder dan duizend gulden;
Gezien voormelde wetsartikelen;
86
Benoemen, ten einde bovenomschreven onderzoek te doen, de Heeren ....
Waarvan is opgemaakt dit procesverbaal, op heden den . . . ., dat door ons. Kantonrechter en den Griffier is geteekend.
Vrij van zegel en registratierechten
No. 71.
Beëediging van het rapport van deskundigen, opgemaakt
naar aanleiding van het bepaalde bij art. 5 van de Wet van 9 Mei 1846 (Stbl. no 24), laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 21 Mei 1873 (Stbl. no 64).
Op heden den . . . ., verschenen voor ons, Mr.....,
Kantonrechter te . . . ., geadsisteerd door den Griffier,
Mr....., de Heeren .... en ... . artsen, wonende
te . . . ., in hoedanigheid als door ons bij behoorlijk geregistreerd procesverbaal van den .... benoemde deskundigen ;
Welke Comparanten ons te kennen geven, dat zij volgens hunne beste wetenschap hebben ingesteld een onderzoek naar de oorzaak der lichamelijke ongeschiktheid voor den dienst van den Heer . , van beroep . . . ., wonende te . . . ., in welke betrekking hij eene jaarwedde geniet van minder dan duizend gulden; dat zij van dat onderzoek eene verklaring hebben opgemaakt, waarop staat: âGeregistreerd enz.quot;, en dat zij de deugdelijkheid dier verklaring met eede wenschen te bevestigen.
Aan het verzoek voldoende, hebben wij de Comparanten
87
doen afleggen den eed: âdat zij als deskundigen volgens hunne beste wetenschap geheel onpartijdig en geheel overeenkomstig de waarheid deze verklaring hebben opgemaaktquot;, zeggende zij, ieder afzonderlijk, onder het opsteken der beide voorste vingers van de rechterhand, ons na de woorden; âZoo waarlijk helpe mij God Almachtig.quot;
Waarvan dit procesverbaal is opgemaakt enz.
Vrij van zegel en registratierechten.
No. 72.
Benoeming van een lid en een plaatsvervangend lid van de commissie van aanslag voor de bedrijfs- en andere inkomsten.
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gelet op litt. b van § i van art. 19 der Wet van 2 October 1893 (Stbl. n0 149), tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, inhoudende, dat in de Commissie van aanslag één lid en één plaatsvervangend lid worden benoemd door den Kantonrechter, in wiens rechtsgebied de Commissie volgens aanwijzing van de Ko-ningin-weduwe Regentes van het Koninkrijk is gevestigd.
Gezien het K. B. van 28 October 1893 (Stbl n0 157), waarbij zijn vastgesteld de kringen, waarvoor krachtens artikel 19 § 2 van voormelde Wet Commissiën van aanslag voor de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten zijn vastgesteld en van hare standplaatsen.
Hebben goedgevonden te benoemen, met ingang van . . . ., tot lid van bovenbedoelde Commissie, ter standplaats . . . ., van beroep . . . ., wonende te . . . ., en
88
tot zijn plaatsvervanger . . . ., van beroep . . . ., wonende te ... .
Aldus gedaan door ons Kantonrechter voornoemd op heden den ....
No. 73.
Verzoek tot voorloopige opname van een Krankzinnige.
Aan
den Edel Achtbaren Heer Kantonrechter
te ,
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen: . . . ., dat . . . ., oud .... jaren, wonende te . . . ., in zoo-danigen toestand van krankzinnigheid verkeert, dat .... opneming in een gesticht voor krankzinnigen noodzakelijk is, hetwelk blijkt uit eene geneeskundige verklaring, afgegeven door . . . ., te . . . ., d.d....., behoorlijk geregistreerd ;
Redenen, waarom .... TJEd. Achtb. beleefd verzoekt, machtiging te verleenen, om .... bovengenoemd te doen opnemen in het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen te ... .
. ..., den ....
't Welk doende : (Handteekening van den verzoeker).
89 No. 74.
Machtiging tot voorloopige opname van een Krankzinnige.
Wij , Mr....., Kantonrechter te ;
Gezien bovenstaand verzoekschrift, alsmede de daarbij overgelegde geneeskundige verklaring van den . . . ., te . . . ., d d....., behoorlijk geregistreerd ;
Overwegende, dat uit genoemde geneeskundige verklaring aanvankelijk voldoende blijkt, dat . . . ., wonende te . . . ., in zoodanigen toestand van krankzinnigheid verkeert, dat .... voorloopige opneming in een krankzinnigengesticht noodzakelijk is;
Gezien artt. 12 en volg. der Wet 27 April 1884 (Stbl. n0 96);
Verleenen aan de .... verzoek . . . ., machtiging om .... bovengenoemd voorloopig te doen plaatsen in het gesticht voor krankzinnigen te ... .
Aldus gedaan en gewezen door ons. Kantonrechter voornoemd op heden den ....
De geneeskundige verklaring mag niet ouder zijn dan zeven dagen. Op de expeditie registreeren.
No. 75.
Kennisgeving.
Aan
den Heer Burgemeester der Gemeente .... Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 19 der Wet van 27 April 1884 (Stbl. n0 96), heb ik de eer UEAcht-
9°
bare te melden, dat door mij bij beschikking van . . .
machtiging is verleend, om ..... Y5rb^fhoudende te
wonende
. . . ., voorloopig in het krankzinnigengesticht te ... . te doen plaatsen.
. . . den .... 189 . .
De Kantonrechter te .. .
No. 76.
Procesverbaal eener Regatoire Commissie.
Op heden den . , des middags te , hebben wij, Mr....., Kantonrechter te . . . ., bijgestaan dooiden Griffier, Mr....., naar aanleiding der rogatoire
commissie ons, door tusschenkomst van . . . opgedragen tot het hooren van na te noemen getuigen; nadat de zaak van N. N. te . . ., als eischer, contra N. N. te . . . . , als gedaagde, door den deurwaarder was uitgeroepen, â voor ons doen verschijnen den Heer . . . ., oud .... jaren, van beroep . . . ., wonende te . . . ., die â na in onze handen den eed te hebben afgelegd van de ge-heele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, zeggenc:'e onder het opsteken der beide voorste vingers van de rechterhand; âZoo waarlijk helpe mij God Almachtig !quot; â op de door ons aan hem gedane vraag heeft geantwoord: â. . . .
Na voorlezing heeft getuige hierbij volhardt en is hem op zijn verlangen als schadeloosstelling voor tijdverzuim toegeschat de som van . , waarna deze zijne verklaring heeft onderteekend.
(handt, getuige)
9i
Waarvan is opgemaakt dit procesverbaal, dat door ons Kantonrechter, en den Griffier is onderteekend.
No. 77.
Acte van depót eener Rekening en Verantwoording eener Coöperatieve Vereeniging.
Op heden den . . . ., verscheen ter Griffie van het Kantongerecht te ... .
. , in kwaliteit van bestuurslid der Coöperatieve . . . . gevestigd te . . . ; te kennen gevende, dat hij ter Griffie deponeerde de rekening en verantwoording van genoemde vereeniging over het afgeloopen boekjaar, waarop staat: âGratis geregistreerdquot; enz.
Genoemde rekening en verantwoording door mij, Griffier overgenomen zijnde, is daarvan opgemaakt dit procesverbaal, hetwelk door den Comparant met mij, Griffier is ge-teekend.
Op zegel en registreeren.
Zie de Wet van Nov. 1876 (Stbl. n0 227).
No. 78.
Inschrijving van Vennootschappen,
Dit Register houdende .... bladen, bestemd ter Inschrijving van de Acten van Vennootschap, gehouden ter
92
Griffie van het Kantongerecht te , gefolieerd en ge
parafeerd door ons, Kantonrechter te . . . ., op heden den
De KantonrecJite7' voornoemd:
HOOFD DER INSCHRIJVING.
Op heden den . . . ., is ter Griffie van het Kantongerecht te .... ter inschrijving aangeboden (de Acte of Uittreksel der Acte) eener Vennootschap onder de firma . . . ., luidende als volgt: (geheel over te nemen).
Ingeschreven den ....
De Griffier b\h Kantongerecht te ... .
Zie artt. 23, 24, 25, 26, 27 en 38 W. v. K.
Ongezegeld papier, op het repertoir brengen en laten regis-treeren en de gedane inschrijving op de acte vermelden.
No. 79.
Inschrijving van Coöperatieve Vereenigingen.
Dit Register houdende .... bladen, bestemd ter inschrijving der Coöperatieve Vereenigingen, gehouden ter Griffie van het Kantongerecht te . . . ., gefoliëerd en geparafeerd door ons, Kantonrechter te ...., op heden den ....
De Kantonrechter voornoemd:
93
HOOFD DER INSCHRIJVING.
Op heden den enz. (Zie inschrijving vennootschappen nquot; 78.)
Zie de Wet van 17 Maart 1876 (Stbl. n0 227).
No. 80.
Bevel tot dagvaarding op korten termijn.
Wij, Kantonrechter enz.
Gehoord de mondelinge aanvraag van A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., om B., van beroep . . . ., wonende te.....op verkorten termijn te mogen dagvaarden ;
Overwegende, dat de verzoeker als daadzaken stelt: dat genoemde B. weigert de woning, door hem van den verzoeker gehuurd, te ontruimen;
dat die huur op den .... geëindigd is, en de woning ten gevolge eener nieuwe verhuring op den .... ter beschikking van den huurder dient gesteld te worden;
dat de gewone termijn van dagvaardingen mitsdien niet meer in acht kan worden genomen;
Overwegende, dat de Kantonrechter, bij ontruiming van gebouwen, in spoed eischende zaken, op mondelinge aanvrage van den eischer, de daarvaarding op korteren termijn, zelfs van uur tot uur, den Zondag ingesloten, kan bevelen;
Gezien artt. 7, 14, 15 en 122 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.;
94
Bevelen, dat B., hierboven reeds genoemd , op korteren termijn zal worden gedagvaard, en wel om op morgen den .....des voormiddags te ... . ure, voor ons te verschijnen ter plaatse onzer gewone terechtzittingen te ... .
Machtigen den deurwaarder het exploit te doen, zelfs vóór of na de uren in art. 15 van het Wetb. van Burg. Rechtsv. genoemd.
Gedaan te . . . ., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. 81.
Verklaring van den Kantonrechter, dat hij zich aan de kennisneming eener zaak onttrekt.
Wij, Kantonrechter enz.
Gezien de acte van dagvaarding, waarbij A., van beroep . . . ., wonende te ...., voor dit Kantongerecht oproept B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., ten einde te worden veroordeeld tot ... . enz. en in de kosten van het geding;
Overwegende, dat wij den gedaagde in den .... graad van bloedverwantschap bestaan, en daarenboven een onmiddellijk belang bij de tegen dezen ingestelde vordering hebben, zoodat wij in dezen niet met alle onpartijdigheid zullen kunnen oordeelen;
Gezien art. 30 juncto, artt. 40 en 41 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.:
95
Verklaren, dat wij ons, om bovengenoemde redenen, van de kennismaking dezer zaak zullen onthouden.
Gedaan te . . . ., den ....
De Kantonrechter voornoemd:
N. N.
No. 82.
Antwoord van den Kantonrechter, in geval hij in eene wraking berust.
Wij, Kantonrechter enz.
Gezien de bovenstaande acte van Wraking;
Gezien art. 34 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.;
Verklaren te berusten in de voorgestelde wraking, en ons mitsdien van de kennisneming der voor ons aanhangig gemaakte procedure tusschen A., van beroep . , . ., wonende te . . . te zullen onthouden.
Gedaan te . . . ., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. 83.
Antwoord van den Kantonrechter, wanneer hij zich niet vereenigt met eene voorgestelde wraking.
Wij, Kantonrechter enz.
Gezien de bovenstaande'acte van wraking;
96
Gezien art. 34 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.;
Overwegende, dat als reden der gedane wraking wordt opgegeven, dat wij een onmiddellijk en persoonlijk belang zouden hebben bij de procedure, welke tusschen A., van beroep.....wonende te . . . ., en B.......van beroep . , wonende te ...., voor ons is aanhangig gemaakt;
Overwegende, dat de grond, waarop de reden van wraking steunt, sedert lang is vervallen, daar toch het gemeenschappelijk bezit van de goederen, welke tot deze procedure hebben aanleiding gegeven, reeds in het jaar .... heeft opgehouden, blijkens eene onderhandsche acte van scheiding en finale liquidatie tusschen ons en den gedaagde, van den . , waaronder staat: âGeregistreerd enz.;
Overwegende alzoo, dat er geene reden bestaan, welke ons kunnen nopen ons te onttrekken aan de kennisneming der voor ons tusschen partijen aanhangig gemaakte procedure ;
Verklaren ons niet te zullen onthouden van de kennisneming der procedure tusschen A., van beroep . , wonende te . . . ., en B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., voor ons aanhangig gemaakt bij acte van dagvaarding van den deurwaarder . . . ., te...... d.d.....
Gedaan te.....den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
97
No. 84.
Vonnis, waarbij verstek tegen den eischer verleend wordt.
Vonnis in zake A., van beroep . . . wonende te . . . ., niet compareerende
tegen
B., van beroep . . . ., wonende te , compareerende in persoon, bijgestaan door Mr. C....., advocaat
te ... .
Wij, Mr....., Kantonrechter van het Kanton .... enz.
Gezien het afschrift eener behoorlijk geregistreerde acte van dagvaarding, gedaan door den deurwaarder .... te . . . ., den . . . ., ten verzoeke van den eischer;
Gehoord den gedaagde concludeerende: dat de Rechter verstek tegen den eischer zal verleenen, en hem gedaagde van de instantie zal ontslaan;
Overwegende, dat de eischer den gedaagde bij evengenoemd exploit heeft doen dagvaarden, om op heden voor ons te verschijnen, doch ten dienende dage, behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen;
Overwegende, dat, bijaldien de eischer ten beteekenden dage niet verschijnt, er verstek tegen hem verleend en de gedaagde van de instantie ontslagen moet worden;
Gezien art. 75 van het Wetb. van Burgerl. Rechtsv.;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Verleenen verstek tegen den eischer;
Ontslaan den gedaagde van de instantie;
Veroordeelen den eischer in de kosten van dit geding, tot heden begroot op Æ ... .
Aldus gewezen en openlijk uitgesproken, ter plaatse onzer gewone terechtzittingen te . . . ., den ....
KIPPENBROEK, Formulieren.
Tweede druk.
7
98 No. 85.
Vonnis bij verstek tegen den gedaagde.
Wij, Mr....., Kantonrechter enz.
Gezien de acte van dagvaarding van den .... Gehoord den eischer in zijne conclusie, strekkende daartoe: dat de gedaagde bij verstek zal worden veroordeeld , om hem, eischer te betalen eene som van f ... . en in de kosten van dit geding.
Overwegende met betrekking tot de daadzaken:
dat de gedaagde bij evengenoemd exploit is gedagvaard om op onze terechtzitting van den .... te verschijnen;
dat de gedaagde ten dienende dage, behoorlijk opgeroepen, noch in persoon noch bij gevolmachtigde is verschenen ;
dat bij meergemelde dagvaarding de bij de Wet gevorderde termijnen en formaliteiten behoorlijk zijn in acht genomen, zoodat wij bij het oproepen der zaak tegen den gedaagde verstek hebben verleend, met bepaling, dat wij in dezen op heden zouden vonnissen ;
dat de eischer beweert in de jaren . . . ., enz.....,
ter zake, waarom hij van den gedaagde te vorderen heeft eene som van ....
Overwegende in rechten:
dat bijaldien de gedaagde ten dienende dage niet verschijnt, en de bij de Wet gevorderde formaliteiten en termijnen bij de dagvaarding behoorlijk zijn in acht genomen, er tegen hem verstek verleend en den eischer zijne conclusiën toegewezen moeten worden, ten ware dezelve den rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen;
Overwegende, dat ons des eischers vordering noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt;
99
Gezien artt. 56, 76 en 586 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.;
Gezien art.....
Rechtsprekende in Naam der Koningin !
Verleenen verstek tegen den gedaagde;
Wijzen den eischer zijne conclusie toe ;
Veroordeelen den gedaagde mitsdien, om aan den eischer te betalen eene som van . . . ., ter zake hierboven omschreven , in de interessen dier som als naar de Wet en in de kosten des gedings tot heden begroot op Æ ... .
Aldus gewezen enz.
No. 86.
Vonnis, waarbij verstek geweigerd wordt wegens nietigheid in de dagvaarding.
Wij, Mr. enz.
Gezien de acte van dagvaarding van den . , behoorlijk geregistreerd;
Gehoord den eischer, verstek vragende tegen den ge-gedaagde, met toewijzing zijner conclusie zoodanig, als die in de dagvaarding is genomen;
Overwegende met betrekking tot de daadzaken;
dat bij de overgelegde acte van dagvaarding, hierboven genoemd, door den eischer geen domicilie is gekozen binnen de gemeente, waar de rechter zijne zittingen houdt;
Overwegende ten opzichte van het Recht:
dat, bij niet-verschijning van den gedaagde, er tegen hem geen verstek mag worden verleend, wanneer de dagvaarding nietig is, in welk geval de rechter de nietigheid
7'
IOO
der dagvaarding uitspreken en den eischer in de kosten van het geding veroordeelen moet;
dat de Wet in art. 5 n0 i van het Wetb. van Burg. Rechtsv. onder andere formaliteiten beveelt, dat eene dagvaarding moet bevatten opgave van de door den eischer gekozene woonplaats, in de gemeente, waar de rechter zijne zittingen houdt, terwijl die formaliteit bij art. 92 van hetzelfde Wetboek op straffe van nietigheid moet worden in acht genomen;
Gezien art. 5 juncto 92 van het Wetb. van Burgerl. Rechtsvordering;
Rechtsprekende in Naam der Koningin !
Verklaren de acte van dagvaarding, gedaan door den deurwaarder . . . ., te . . . ., den . , behoorlijk geregistreerd , nietig;
Verklaren, dat er mitsdien geen verstek tegen den gedaagde kan worden verleend;
Veroordeelen den eischer in de kosten van dit geding, behoudens zijn verhaal op den deurwaarder, die de dagvaarding heeft uitgebracht, zoo daartoe termen zijn, welke
kosten tot heden worden begroot op.....
Aldus gewezen enz.
No. S7.
Vonnis van verwijzing naar den daartoe bevoegden rechter, ingeval een stuk voor valsch of ver-valscht verklaard wordt.
Wij, Mr....., enz.
Gezien de acte van dagvaarding van den . . . ., behoorlijk geregistreerd;
IOI
Gehoord de partijen in hunne conclusiën;
Strekkende die des eischers, dat .... enz.;
die van den gedaagde, dat . . . ., enz.
Overwegende met betrekking tot de daadzaken:
dat de eischer, ten bewijze van de deugdelijkheid zijner vordering, heeft overgelegd eene onderhandsche obligatie van den . . . ., waaronder staat: Geregistreerd te . . . ., den . . . ., enz.
dat de gedaagde, na inzage van dat stuk, heeft verklaard , hetzelve als vervalscht te beschouwen;
Overwegende in rechten:
dat bijaldien eene der partijen verklaart, een stuk als valsch of vervalscht te beschouwen, het geschrift of de handteekening ontkent, of verklaart niet te erkennen, de rechter van die verklaring acte moet verleenen, en de zaak verwijzen naar den daartoe bevoegden rechter, terwijl zoodanig stuk door hem moet worden gewaarmerkt;
Gezien artt. 100 en 56 van het Wetb. van Burgerl. Rechtsvord.;
Rechtsprekende in naam der Koningin!
Verleenen acte van de door den gedaagde gedane verklaring, dat hij de onderhandsche obligatie hiervoren genoemd , als vervalscht beschouwt, en zulks, nadat wij dat stuk hebben gewaarmerkt;
Verwijzen partijen naar den Rechter, die daarvan naar aanleiding van de 5de afdeeling van den derden Titel van het Wetb van Burgerl. Rechtsvord. kennis moet nemen;
Reserveeren de kosten.
Aldus gewezen en openlijk uitgesproken enz.
102
No. 88.
Vonnis, waarbij de Kantonrechter verstaat, dat hij zich naar eene bepaalde plaats zal begeven, ter bezichtiging derzelve en tot het hooren van deskundigen.
Wij, Mr....., Kantonrechter enz.
Gezien de acte van dagvaarding d.d.....
Gehoord de partijen in hunne conclusiën, strekkende: die des eischers, dat .... enz.
die van den gedaagde, dat .... enz.
Overwegende, dat de eischer beweert: dat .... enz. dat de gedaagde beweert, dat de eischer door eene verkeerde voorstelling der daadzaken den rechter op een dwaalspoor tracht te brengen;
dat de ware toedracht der feiten deze is, dat .... enz. Overwegende, dat eene bezichtiging der plaats zelve, onder voorlichting van deskundigen, ons, ter verkrijging eener nauwkeurige kennis der daadzaken, waarover partijen verschil hebben, alleszins noodwendig voorkomt;
Gezien art. 101 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.; Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Verstaan, dat wij ons op Maandag den . . . ., des voormiddags te .... ure, zullen doen vinden op het stuk land, gelegen te . . . ., in de gemeente ... ., en
aldaar kadastraal bekend onder Sectie B, n0....., ten
einde die plaats, onder voorlichting van deskundigen, te bezichtigen;
Benoemen als deskundigen: i0 A....., 20 B.....,
3° C.....
Gelasten de deskundigen, om op dien tijd ter plaatse voorschreven voor ons te compareeren;
los
Gelasten den Griffier zich alsdan mede daar ter plaatse te doen vinden en de minute dezes mede te nemen; Reserveeren de kosten.
Aldus gewezen en openlijk uitgesproken enz.
No. 89.
Procesverbaal van gerechtelijke plaatsopneming, onder voorlichting van deskundigen.
Op heden den . . . ., hebben wij, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie . . . ., vergezeld door onzen Griffier, ons, ten gevolge van het door ons gewezen praeparatoir vonnis van den . . . ., in minute door onzen Griffier medegebracht, doen vinden op het stuk land, gelegen te . , gemeente . . . ., en
aldaar kadastraal bekend onder Sectie B, n0.....
Aldaar zijn voor ons verschenen: 1° A . . . ., 2° B . . . ., 3° C . . . .
bij evengenoemd vonnis te onzer voorlichting als deskundigen benoemd.
Alsvorens tot de bevolene verrichting over te gaan, hebben wij van de deskundigen, naar de wijze hunner godsdienstige gezindheid , den eed of de belofte afgenomen, dat zij omtrent de hun opgedragene verrichtingen, naar hun beste weten en in alle onzijdigheid bericht zullen geven.
Daarop hebben wij met de deskundigen de plaats opgenomen ; na welke opneming de deskundigen hebben uitgebracht de navolgende berichten;
de deskundige A. verklaarde . . . .;
de deskundige B. verklaarde . . . .;
de deskundige C. verklaarde .... enz.
I04
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben doen opmaken en hetzelve, na voorlezing, met de deskundigen en onzen Griffier op tijd en plaats voorschreven ge-teekend.
In zaken niet aan hooger beroep onderworpen wordt geen procesverbaal opgemaakt.
Zie art. 102 Wetb. v. Burgerl. Rechtsv.
No. 90.
Vonnis, waarbij een getuigen-verhoor wordt bevolen.
Wij , Mr....., Kantonrechter enz.
Gezien de acte van dagvaarding .... enz.
Gehoord de partijen in hunne conclusiën, strekkende die des eischers . . . .;
die van den gedaagde .... enz.
Overwegende met betrekking tot de daadzaken: dat door den eischer wordt beweerd .... enz.; dat de gedaagde de door den eischer gestelde daadzaken ten eenenmale ontkent;
dat de eischer daarop, bij zijne conclusie persisteerende, heeft gevorderd te mogen worden toegelaten tot het bewijs der door hem gestelde daadzaken, speciaal door getuigen;
dat de gedaagde zich te dien opzichte aan het oordeel des rechters onderwerpt.
Overwegende met betrekking tot het Rechtspunt: dat, indien partijen het omtrent de daadzaken niet eens zijn, het bewijs bij getuigen door de Wet is toegelaten en zoo de daadzaken tot de beslissing der zaak kunnen leiden, de rechter op verzoek van eene der partijen een getuigenverhoor zal bevelen;
Overwegende, dat het bewijs door getuigen in dezen door
IDS
de Wet niet is verboden, terwijl de daadzaken, bijaldien ze bewezen worden, tot de beslissing der zaak kunnen leiden;
Overwegende alzoo, dat de eischer tot het door hem aangeboden bewijs behoort te worden toegelaten ;
Gezien art. 103 van het Wetb. van Burg. Rechtsv.;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Bevelen, dat de eischer door alle middelen rechtens, en speciaal door getuigen zal bewijzen de navolgende daadzaken :
1° dat hij : . . . enz.
Bevelen, dat het te leveren bewijs zal plaats hebben ter plaatse onzer gewone terechtzittingen te . . . ., den ..... des voordemiddags te ... . ure;
Reserveeren de kosten.
Aldus gewezen en openlijk uitgesproken enz.
No. 91.
Procesverbaal van getuigen-verhoor.
Op heden den . . . ., compareerden voor ons .... enz. bijgestaan door onzen Griffier, om als getuigen te worden gehoord in de zaak van A., van beroep . , wonende
te , eischer bij exploit van.....geadsisteerd door
Mr....., advocaat te . . . ., tegen B., van beroep.....
wonende te ...., gedaagde bij hetzelfde exploit:
1° C., van beroep . . . ., wonende te ... .
2° D., van beroep . . . ., wonende te ... .
Welk getuigen-verhoor is bevolen bij ons interlocutoir vonnis van den . ..., aan den gedaagde beteekend bij exploit van den deurwaarder . . . te . . . ., enz.
io6
De namen der getuigen zijn den gedaagde beteekend bij exploit van den . , enz.
De gedaagde heeft voor ons doen verschijnen, om tot levering van het tegenbewijs te worden gehoord :
1° E., van beroep . . . wonende te . . .
2° F., van beroep . . . wonende te . . .
De daadzaken door den eischer te bewijzen en vermeld in meergenoemd interlocutoir vonnis zijn:
1° dat G.....enz.
Wij hebben daarop gelast, dat de eerste getuige voor ons zou verschijnen en de overigen zich verwijderen, hetgeen terstond geschiedde.
De Eerste getuige heeft, na vooraf in onze handen den eed te hebben afgelegd, dat hij de geheele waarheid en niets dan de waarheid zoude mededeelen, verklaard, genaamd te zijn C....., oud . . . van beroep . . .
wonende te ...., dat hij geene der partijen in den bloede of door aanhuwelijking bestaat, en ook geen loon-of huisbediende van een hunner is.
Op de tot hem door ons gerichte vragen heeft hij geantwoord : dat hij op den . . . ., zich bevindende .... enz.
Nadat wij den getuige het procesverbaal, voorzooverre hem betreft, hadden voorgelezen, verklaarde hij, daarin geene veranderingen of bijvoegingen te willen maken.
Schadeloosstelling vorderende, hebben wij dezelve op het afschrift der dagvaarding begroot op ... .
De Tweede getuige heeft, na vooraf .... enz.
De Eerste getuige ter ontlasting heeft, na vooraf. . . . enz.
Van welk getuigen-verhoor wij dit procesverbaal hebben doen opmaken en hetzelve, na voorlezing, met onzen Griffier op tijd en plaats voorschreven geteekend.
Zie artt. 103 en volgende 111 van het Wetb. van Burgerl. Rechtsvord.
ie/
No. 92.
Procesverbaal van verhoor op Vraagpunten.
Op heden den . . . ., compareerde voor ons, Kantonrechter van het Kanton . . . ., enz.
A., van beroep . . . ., wonende te , gedaagde
in de voor de Arrondissements-Rechtbank te , ge
voerd wordende procedure tusschen hem en R. , van beroep . . . ., wonende te . . . , als eischer, ten einde:
krachtens beschikking van genoemde Arrondissements-Rechtbank , gegeven op het daartoe strekkend verzoekschrift van den . . . ., behoorlijk geregistreerd, en waarbij wij worden gemachtigd, tot het houden van het daarbij bevolen verhoor, op de vraagpunten in voornoemde beschikking vermeld, te worden gehoord.
Comparant heeft persoonlijk, zonder bijstand van eenen practizijn en zonder eenig schriftelijk opstel voor te lezen, buiten tegenwoordigheid van de wederpartij of haren practizijn , geantwoord op de hieronder staande vragen, zoo als onder ieder derzelve zal worden opgeteekend;
Vraag i. enz.
Na voorlezing van het vorenstaande heeft comparant verklaard geene wijzigingen of veranderingen in zijne antwoorden noodig te oordeelen.
Van al het bovenstaande hebben wij dit procesverbaal door onzen Griffier doen opmaken, en hetzelve, na voorlezing, met hem en den comparant geteekend.
Zie artt. 237 en vgg. van het Wetb van Burg. Rechtsvord.
io8 No. 93.
Vonnis, waarin de eischer eenen dicisoiren eed oplegt.
Wij, Mr....., enz.
Gezien ons interlocutoir vonnis van den . . . ., waarbij aan den eischer het bewijs der navolgende daadzaken is opgelegd, als: i0 dat ... . enz.
Gezien de stukken ten processe overgelegd, allen, voorzoover noodig, behoorlijk geregistreerd;
Gehoord de conclusiën van de partijen, strekkende: die des eischers, dat de rechter zal bevelen, dat de gedaagde den navolgenden beslissenden eed zal afleggen: {Overname van den opgelegden eed.)
die van den gedaagde, dat hij zich'ten dezen aan het oordeel des rechters onderwerpt.
Overwegende met betrekking tot de daadzaken:
dat de eischer ten dienende dage, van het door hem gevraagde getuigen-verhoor afziende, aan den gedaagde heeft opgelegd den hierboven omschreven litis-dicisoiren eed.
Overwegende in rechten, dat de litis-dicisoire eed, in eiken stand van het geding door eene der partijen kan worden opgedragen, omtrent alle geschillen van welken aard ook, behalve de zoodanige, waarover partijen geene dading zouden mogen treffen, of waarin hare bekentenis niet zoude kunnen in aanmerking genomen worden;
dat de daadzaken, zoodanig als dezelve door den eischer zijn gesteld, door dading mogen worden getermineerd, terwijl de bekentenis van den gedaagde alleszins in aanmerking zoude kunnen komen.
Overwegende, dat de eischer mitsdien wèl en terecht den hierboven genoemden eed aan den gedaagde heeft opgelegd;
log
Gezien artt. 1967 en 1968 van het Burg. Wetb.;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Bevelen, dat de gedaagde, in bijzijn van den eischer, of na behoorlijke oproeping van dezen, om daarbij tegenwoordig te zijn, den navolgenden eed zal afleggen.
âIk zweer .... enz. {overname van den opgelegden eed);
Schorsen ons oordeel ten principale op, tot na het doen of weigeren van bovengenoemden eed;
Reserveeren de kosten.
Aldus gewezen enz.
Van de aflegging of weigering der eed wordt door den Griffier aanteekening gedaan op het audiëntieblad.
No. 91.
Vonnis, waarin de Rechter ambtshalve aan eene der partijen eenen eed oplegt.
Wij, Mr....., enz.
Gezien ons interlocutoir vonnis van den . , waarbij wij hebben bevolen, dat de eischer door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen, zal bewijzen; dat enz. (opname der te bewijzen daadzaken);
dat dit bewijs op heden heeft plaats gehad, blijkens ons daarvan opgemaakt procesverbaal.
Overwegende, dat uit de verklaring der vier getuigen, door den eischer bijgebracht, slechts is bewezen, dat . . . ., zoodat de door hem te bewijzen vordering, hoewel niet van allen grond ontbloot, echter niet volledig is bewezen ;
I IO
Overwegende, dat de rechter ambtshalve aan eene der partijen den eed kan opleggen, hetzij om daarvan de beslissing der zaak te doen afhangen, hetzij om daardoor een toe te wijzen bedrag te bepalen, wanneer namelijk de vordering niet volledig bewezen, doch ook niet van alle bewijs is ontbloot;
Overwegende, dat alleen het bedrag der vordering niet is bewezen, terwijl het, doordien de geleverde waren, waarover het geschil loopt, reeds verbruikt zijn, onmogelijk is geworden derzelver waarde op eene andere wijze, dan door den suppletoiren eed aan eene der partijen op te leggen, te bepalen.
Gezien artt. 1977, 1978 en 1979 van het Burg. Wetb. en art. 56 van het Wetb. van Burg. Rechtsvord.
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Bevelen, dat de eischer den navolgenden eed zal afleggen :
âIk zweer .... enz. {overname van den opgelegden eed);
Reserveeren de kosten.
Aldus gewezen enz.
No. 95.
Gerechtelijke invordering van Griffierechten.
Nota van kosten van den Heer Mr......Griffier bij het Kantongerecht te ...., voor . , van beroep . ..., wonende.....
In de zaak van . . . ., van beroep . . . ., wonende te . . . ., eischer bij behoorlijk geregistreerd exploit van
111
den . . . ., tegen . . . ., van beroep . . . ., wonende te , gedaagde bij gemeld exploit, is verschuldigd:
|
Omschrijving: Bedrag. Begrooting van den rechter. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De ondergeteekende verklaart deze nota van kosten deugdelijk en onvergolden tot een bedrag van (in letters). .... den ....
De Griffier voornoemd:
(Op zegel van 75 cent; Registreeren en daarna aanbieden ter goedkeuring en ter verkrijging van het bevelschrift van ten uitvoerlegging).
Goedgekeurd ter somma van . . . ., voor welk bedrag bovenstaande Nota In naam der Koningin! op de minuut uitvoerbaar wordt verklaard.
.... den ....
De President van de Arr. Rechtbank te ... .
STRAFZAKEN.
No. 96.
Procesverbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht te ...... van den ......
Rol no.
Tegenwoordig zijn de H.H. Mrs...... Kantonrechter; . . . Ambtenaar van het O. M. en . . . ., Griffier.
De terechtzitting wordt door den Kantonrechter geopend.
Ter rolle wordt geroepen de zaak van den Ambtenaar van het O. M., ambtshalve eischer, tegen:
(De Kantonrechter vermaant de , . gedaagde . . . oplettend te zijn op hetgeen......hooren.)
De Ambtenaar van het O. M. draagt de zaak voor.
De Griffier leest op requisitoir van den Ambtenaar van het 0. M. voor i0 enz.
De Ambtenaar van het O. M. verzoekt het verhoor van de door hem gedagvaarde en verschenen getuige . . .
De getuige ... he . . . vervolgens op last van den Kantonrechter de Gerechtszaal verlaten, zijn een voor een, elk nadat zijn voorganger getuigenis had afgelegd , daarin
113
teruggekeerd, en hebben toen, deswege door den Rechter ondervraagd, opgegeven te zijn genaamd :
de iste;.....oud . . . van beroep . . . wonende te ... .
de 2de: enz.
en voorts, dat ... ij in geen dienst- of familiebetrekking tot de . . . gedaagde . . . staa . . ., de . . . gedaagde . . . (wel of niet) vóór het plegen van het feit, in de dagvaarding vermeld, gekend he . . ., waarna . . ij (ieder) op de wijze (zijner of harer) Godsdienstige gezindheid , in handen van den Kantonrechter den eed of de belofte he . . . afgelegd van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen; (deskundigen, dat zij hun verslag, naar hun geweten zullen geven; getuigen, tevens deskundigen, leggen beide eeden af).
Voornoemde getuige . . . he . . . daarop in hoofdzaak verklaard: âde iste .... enz.
Na den afloop van het getuige .... verhoor is de Rechter overgegaan tot het ondervragen van gedaagde . . , die enz.
Hierna heeft de Ambtenaar van het O. M. het woord gevoerd, zijn requisitoir gedaan en overgelegd, waarop door de . . . gedaagde ... is geantwoord en het laatst gesproken.
Vervolgens heeft de Rechter het onderzoek gesloten verklaard en de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis bepaald op......des . . . middags te . . . ure.
Van het bovenstaande is dit procesverbaal opgemaakt en door den Kantonrechter en den Griffier geteekend.
8
KIPPENBROEK, Formtilieren* Tweede druk.
114
No. 97.
Procesverbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht te.....
van den .....
Rol No.
Tegenwoordig zijn de H.H. Mrs...... Kantonrechter, .....Ambtenaar van het O. M., en.....Griffier.
De terechtzitting wordt door den Kantonrechter geopend.
Ter rolle word . . . geroepen de za . . . van den Ambtenaar van het O. M., ambtshalve eischer, tegen:
i? enz.....(niet) verschenen gedaagde.
2° enz.
In deze za . . . spreekt de Kantonrechter het vonnis uit.
Van het bovenstaande is dit procesverbaal opgemaakt en door den Kantonrechter en den Griffier geteekend.
No. 98.
Vonnis van veroordeeling, waarin getuigenverklaringen enz. moeten worden opgenomen.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te . . . ., eischer bij exploit van den . . . ., tegen:
Wij, Mr.....
Kantonrechter te . .
quot;5
Gezien de dagvaarding in dezen uitgebracht;
(Gehoord de. . . gedaagde. . . in . . . . antwoorden;) (Gelet op het tegen de. . . gedaagde. . . verleende verstek;)
Gehoord .... getuige in ... . verklaring . . . onder .... ter terechtzitting afgelegd;
Gehoord en gezien 1° . . . . procesverbaal door
op den eed bij den aanvang .... bediening gedaan, opgemaakt.
2° enz.
Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn voorgelezen en ter tafel nedergelegd requisitoir, concludeerende ten einde de. . . gedaagde. . . ter zake daarbij omschreven, worde . . . veroordeeld .... tot betaling van .... geldboete . . . van .... met bepaling, dat, indien daaraan niet is voldaan binnen twee maanden, na den dag, waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, de geldboete . . . door hechtenis van .... dag . . . word . . . vervangen , en in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van het Rijk;
(Gehoord de . . . gedaagde in ... . verdediging;)
Overwegende, dat aan de . . . gedaagde . . . bij acte van dagvaarding is ten laste gelegd: dat enz. (volgt de dagvaarding)
Overwegende, dat de navolgende getuigen ter terechtzitting onder eede hebben verklaard:
1° N. N., oud .... jaren, van beroep . . . ., geboren te .... en wonende te ... .
âdat hij enz.
Verklaren te zijn bewezen .... feit . . . ter dagvaarding omschreven;
Qualificeeren .... als bewezen aangenomen feit . . .:
8*
116
Verklaren de . . . gedaagde . . . daaraan schuldig;
Verklaren daarop van toepassing artikelen:
Gezien artt. 214, 215, . . . .253 en 264 van het Wetboek van Strafvordering;
Rechtsprekende in naam der Koningin! (bij verstek).
Veroordeelen de ... . schuldigverklaarde . . . tot betaling van .... geldboete . . . van ....
Bepalen, dat, indien aan de veroordeeling tot geldboete niet is voldaan binnen twee maanden na den dag, waarop deze uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, die geldboete ......worden vervangen door eene hechtenis
van .... dag . . .
Veroordeelen de . . . schuldigverklaarde .... in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van den staat.
Verklaren de veroordeeling in de kosten uitvoerbaar bij lijfsdwang, gedurende hoogstens .... dagen.
(Verklaren verbeurd enz.) (Bevelen de vernietiging enz.) (Bevelen de teruggave van .... aan den eigenaar of daarop rechthebbende na verloop van acht dagen, nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.)
Gedaan en gewezen door ons, Kantonrechter voornoemd, in bijzijn van . . . ., te onzer openbare terechtzitting van den . . . ., en is dit vonnis door ons, Kantonrechter en den Griffier geteekend.
(Op tegenspraak art. 264 doorhalen.)
ii7
No. 99.
Vonnis voor eenvoudige overtredingen.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te . . . ., eischer bij exploit . . . van den .... tegen;
Wij, Mr.....
Kantonrechter te ... .
Gezien de dagvaarding in dezen uitgebracht;
(Gelet op het tegen de ... . gedaagde .... verleende verstek;)
(Gehoord de. . . . gedaagde, . . in . . . . antwoorden;) (Gehoord . . . getuige... in ... . verklaring . . . onder . . . . ter terechtzitting afgelegd;)
Gehoord en gezien .... proces . . . -verbaal door . . . .
op den eed bij den aanvang .... bediening gedaan, opgemaakt ....
Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn voorgelezen en ter tafel nedergelegd requisitoir, concludeerende ten einde de gedaagde . . . ter zake daarbij omschreven, worde .. . veroordeeld .... tot betaling van .... geldboete. . . . van .... met bepaling, dat, indien daaraan niet is voldaan binnen twee maanden, na den dag, waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, die geldboete. . . door hechtenis van .... dag. . . worden vervangen, en in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van het Rijk;
(Gehoord de. . . . gedaagde. . . in . . . . verdediging;)
Overwegende , dat door bovenaangehaald en ter terechtzitting voorgelezen ambtseedig proces . . . -verbaal, in-
118
houdende, dat de verbalisant ... de gedaagde ... na te melden feit .... he ... . zien plegen, (door den verbalisant als getuige ter terechtzitting nader onder eede bevestigd en toegelicht) naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend is bewezen, dat: enz.
Verklaren te zijn bewezen .... feit. ... ter dagvaarding omschreven;
Qualificeeren .... als bewezen aangenomen feit . . . .:
Verklaren de . . . gedaagde . . . daaraan schuldig;
Verklaren daarop van toepassing artikelen:
van de verordening, door den Raad der gemeente . . . . vastgesteld, den
Artt. 23 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;
Gezien artt. 214, 215, . . . . 253 en 264 van het Wetboek van Strafvordering.
Rechtsprekende in naam der Koningin 1 (bij verstek.)
Veroordeelen de ... . schuldigverklaarde .... tot betaling van .... geldboete van ....
Bepalen, dat, indien aan de veroordeeling tot geldboete . . . niet is voldaan binnen twee maanden na den dag, waarop deze uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, die geldboete . . . worden vervangen door eene hechtenis van .... dag ....
Veroordeelen de . . . schuldigverklaarde .... in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van den Staat.
Verklaren de veroordeeling in de kosten uitvoerbaar bij lijfsdwang, gedurende hoogstens .... dagen.
Gedaan en gewezen door ons Kantonrechter voornoemd, in bijzijn van . . . ., te onzer openbare terechtzitting van den . . . ., en is dit vonnis door ons, Kantonrechter en den Griffier geteekend.
(Op tegenspraak art. 264 doorhalen).
119
No. 100.
V onnis-dronkenschap.
Rol No.
Vonnis in zake het openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te . , eischer bij exploit . . van den . . . , tegen:
Wij, Mr.....
Kantonrechter te ... .
Gezien de dagvaarding in dezen uitgebracht;
(Gelet op het tegen de . . . gedaagde verleende verstek;)
(Gehoord de . . . gedaagde in ... . antwoorden;)
(Gehoord . . . getuige... in . . . . verklaring . . . onder ⢠... ter terechtzitting afgelegd;)
Gehoord en gezien .... proces . . . -verbaal door . . . .
op den eed bij den aanvang .... bediening gedaan, . . . . opgemaakt ....
Gehoord het openbaar Ministerie in zijn voorgelezen en ter tafel nedergelegd requisitoir, concludeerende ten einde de gedaagde . . ., ter zake daarbij omschreven, worde . . . veroordeeld . . . tot betaling van .... geldboete . . . . van .... met bepaling, dat, indien daaraan niet is voldaan binnen twee maanden na den dag, waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, die geldboete . . . door hechtenis van .... dag . . . word . . . vervangen, en in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van het Rijk ;
(Gehoord de . . . gedaagde ... in ... . verdediging;)
Overwegende, dat door bovenaangehaald en ter terechtzitting voorgelezen ambtseedig proces . . . -verbaal, inhou-
120
dende, dat de verbalisant ... de . . . gedaagde na te melden feit he . . . zien plegen, naar aanleiding der dagvaarding, wettig en overtuigend is bewezen, dat ... ij zich op den .... in kennelijk beschonken toestand heeft bevonden op den openbaren weg te ...., kenbaar aan ....
Verklaren te zijn bewezen . . . feit ... ter dagvaarding omschreven;
Qualificeeren ... als bewezen aangenomen feit. . .: Zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden op den openbaren weg . . . .;
Verklaren de . . . gedaagde daaraan schuldig;
Verklaren daarop van toepassing artikelen 23 en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
Gezien artikelen 214, 215, 253 en 264 van het Wetboek van Strafvordering.
Rechtsprekende in naam der Koningin! (bij verstek).
Veroordeelen de . . . schuldigverklaarde .... voornoemd tot betaling van .... geldboete .... van ....
Bepalen, dat, indien aan de veroordeeling tot geldboete . . . niet is voldaan binnen twee maanden na den dag, waarop deze uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, die geldboete .... word .... vervangen door eene hechtenis van .... dag ....
Veroordeelen de . . . schuldigverklaarde ... in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van den Staat.
Verklaren de veroordeeling in de kosten uitvoerbaar bij lijfsdwang, gedurende hoogstens .... dagen.
Gedaan en gewezen door ons, Kantonrechter voornoemd, in bijzijn van . . . ., te onzer openbare terechtzitting van den . . . ., en is dit vonnis, door ons, Kantonrechter en den Griffier geteekend.
(Op tegenspraak vervalt art. 264).
121
No. 101.
Vonnis-dronkenschap bij herhaling.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te ...., eischer bij exploit van den .... tegen:
Wij, Mr.....
Kantonrechter te ... .
Gezien de dagvaarding in dezen uitgebracht;
(Gelet op het tegen de . . . gedaagde . . . verleende verstek ;)
(Gehoord de . . . gedaagde in ... . antwoorden;)
(Gehoord . . . getuige ... in verklaring . . . onder .... ter terechtzitting afgelegd ;)
Gehoord en gezien i0. . . . . proces . . . -verbaal door .....op den eed bij den aanvang .... bediening gedaan , . . . . opgemaakt den ....
2° een extractvonnis van het Kantongerecht te . . . ., d.d....., inhoudende enz.
30 een ambtseedige verklaring van den (Ambtenaar O-M. â Griffier Kantongerecht â Ontvanger Registratie â Directeur van het Huis van Bewaring â of Directeur der Rijkswerkinrichting), inhoudende, dat opgemeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan door ....
Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn voorgelezen en ter tafel nedergelegd requisitoir, concludeerende, ten einde de gedaagde, ter zake daarbij omschreven, worde veroordeeld tot (betaling van .... geldboete van .... met bepaling, dat, indien daaraan niet is voldaan binnen 2 maanden na den dag, waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, de boete . . . worden ver-
I 22
vangen door . . .) hechtenis van . . dag . . . (en plaatsing in eene Rijkswerkinrichting voor den tijd van . . . .) en in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van het Rijk.
(Gehoord de . . . gedaagde in ... . verdediging.)
Overwegende, dat door bovenaangehaald ... en ter terechtzitting voorgelezen ambtseedig . . proces. . -verbaal, inhoudende, dat de verbalisant ... de . . . gedaagde na te melden feit . . . he . . . zien plegen, en bovenaangehaald extract-vonnis en ambtseedige verklaring, naar aanleiding der dagvaarding wettig en overtuigend is bewezen, dat ... ij zich op den . . . , in kennelijk beschonken toestand heeft bevonden op den openbaren weg te ... .
kenbaar aan .... (slingerenden gang, belemmerde spraak en dranklucht), nadat het vonnis van het Kantongerecht
te.....ter zake van een gelijk feit gepleegd bij ....
herhaling tegen .... gewezen (binnen één jaar te voren) onherroepelijk was geworden.
Verklaren te zijn bewezen . . . feit ... ter dagvaarding omschreven.
Qualificeeren .... als bewezen aangenomen feit .... zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden op den openbaren weg, bij ... . herhaling van overtreding gepleegd;
Verklaren de . . . gedaagde daaraan schuldig;
Verklaren daarop van toepassing art. 453 Wetboek van Strafrecht, gewijzigd bij de wet van 15 Januari 1886 (Staatsblad no. 6).
Gezien artikelen 214, 215, 253 en 264 van het Wetboek van Strafvordering;
Rechtsprekende in naam der Koningin! (bij verstek).
Veroordeelen de . . . schuldigverklaarde . . . voornoemd tot (betaling van .... geldboete .... van ....
123
Bepalen, dat, indien aan de veroordeeling tot geldboete niet is voldaan binnen twee maanden na den dag, waarop deze uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, die geldboete . . . worden vervangen door een) hechtenis van . . . . dag.
(met last, dat hij na het uiteinde der hechtenis zal worden geplaatst in eene Rijkswerkinrichting voor den tijd van . . . .)
Veroordeelen de. . . schuldigverklaarde. . . in de kosten van het rechtsgeding ten behoeve van den Staat.
Verklaren de veroordeeling in de kosten uitvoerbaar bij lijfsdwang gedurende hoogstens .... dagen.
Gedaan en gewezen door ons, Kantonrechter voornoemd , in bijzijn van . . . ., te onzer openbare terechtzitting van den . , en is dit vonnis door ons, Kantonrechter en den Griffier geteekend.
(Op tegenspraak art. 264 door te halen.)
No. 102.
Vonnis eenvoudige vrijspraak. (Te wijzigen bij ontslag van rechtsvervolging.)
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te . . . ., eischer bij exploit van den . . . .
tegen ....
Wij, Mr....., Kantonrechter te ... .
Gezien de dagvaarding in dezen uitgebracht;
(Gelet op het tegen de. . . . gedaagde. . . . verleende verstek;)
124
(Gehoord de . . . gedaagde . . . in . . . antwoorden;)
(Gehoord .... getuige ... in ... . verklaring. . . . onder .... ter terechtzitting afgelegd;)
Gehoord en gezien 1° . . . . proces . . . -verbaal door
Gehoord het O. M. in zijn voorgelezen en ter tafel nedergelegd requisitoir, concludeerende, ten einde de gedaagde. . ., ter zake daarbij omschreven, worde. . . (bij conclusie tot veroordeeling zie vorige vonnissen) vrijgesproken van het h. . . . ten laste gelegde, de kosten te dragen door den Staat;
(Gehoord de . . . gedaagde ... in ... . verdediging;)
Overwegende, dat door de door het O. M. ter terechtzitting bijgebrachte bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend is bewezen, dat de gedaagde. . . (volgt het ten laste gelegde), zooals h. . . . bij dagvaarding is ten laste gelegd, weshalve .... daarvan behoort te worden vrijgesproken , de kosten te dragen door den Staat.
Verklaren niet te zijn bewezen het feit ter dagvaarding omschreven.
Gezien art. 216 (en 264) van het Wetboek van Strafvordering ;
Rechtsprekende in naam der Koningin! (bij verstek.)
Spreken de. . . gedaagde .... voornoemd vrij van het .... ten laste gelegde, de kosten te dragen door den Staat.
Gedaan en gewezen door ons, Kantonrechter voornoemd, in bijzijn van . . . ., te onzer openbare terechtzitting van den .... en is dit vonnis door ons kantonrechter en den Griffier geteekend.
Indien door gedaagde kosten zijn aangewend, die hij terugvordert komt vóór het slot:
âBevelen, dat de kosten door den gedaagde in dezen ge-
125
maakt door den Staat zullen worden vergoed tot een bedrag van . . .
Art. 217 \V. v. Strv. wordt alsdan aangehaald.
No. 103.
Vonnis, waarbij een niet verschenen getuige wordt veroordeeld tot betaling der dientengevolge noodeloos gemaakte gerechtskosten.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te enz.....
tegen
A....., van beroep . . . ., wonende te ...., beschuldigd van, na behoorlijk te zijn gedagvaard, om getuigenis af te leggen in de zaak tegen B., van beroep . . . ., wonende . . . ., niet te zijn verschenen.
Wij , Mr.....enz.
Gezien de acte van dagvaarding van den ....
Gehoord den ambtenaar van het Openbaar Ministerie, schriftelijk requireerende, dat de behandeling der zaak zal worden uitgesteld tot op heden over vier weken; wijders, dat de getuige A. zal worden veroordeeld tot betaling der schadeloosstellingen aan de verschenen getuigen, en alle andere kosten, welke door zijn niet verschijnen en het dien ten gevolge uitstellen van de behandeling dezer zaak veroorzaakt zijn;
Overwegende, dat A....., hierboven genoemd, bij
acte van den . . . ., te . . . ., van den .... is gedagvaard , om op heden voor ons te verschijnen, ten einde getuigenis af te leggen in de zaak tegen B., van beroep . , wonende te ....;
126
dat bij genoemde dagvaarding de bij de wet voorge-schrevene termijnen en formaliteiten behoorlijk zijn in acht genomen;
dat A., ter terechtzitting behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen, en geene redenen van verontschuldiging heeft doen bijbrengen;
Overwegende, dat het niet verschijnen zonder aanvoering van verontschuldigende redenen, van een behoorlijk gedagvaarde getuige, om getuigenis af te leggen, strafbaar is gesteld bij art. 158 van het Wetb. van Strafvordering;
Gezien artt. 157 en 158, collato art. 253 van het Wetboek van Strafvordering;
Rechtsprekende in Naam der Koningin !
Stellen de behandeling dezer zaak uit tot op heden over vier weken;
Veroordeelen den getuige A. van beroep .... wonende te ... . tot de betaling der schadeloosstellingen en alle andere kosten, door zijne niet-verschijning en het dien ten gevolge uitstellen dezer zaak veroorzaakt.
Verklaren de veroordeeling in de kosten uitvoerbaar bij lijfsdwang gedurende hoogstens .... dagen.
Aldus gewezen enz.
No. 104.
Vonnis, waarbij een niet verschenen getuige wordt ontheven van de kosten.
Rol No.
Vonnis in zake A., van beroep . . . ., wonende te ,
bij vonnis van dit Kantongerecht d. d....., veroordeeld
tot, enz.
127
Wij, Mr.....Kantonrechter enz.
Gehoord den veroordeelde in de door hem aangevoerde redenen van verschooning;
Gehoord den ambtenaar van het Openbaar Ministerie, requireerende, dat de veroordeelde zal worden ontheven van de betaling der kosten, waartoe hij veroordeeld is.
Gezien een certificaat van den Med. doctor G. ... te . . . ., behoorlijk geregistreerd.
Overwegende, dat A. voornoemd, wegens niet-verschij-ning als getuige is veroordeeld tot ....
dat de getuige voldoende heeft aangetoond, door ziekte belet te zijn geweest om op den .... als getuige voor ons te verschijnen;
Overwegende, dat een wegens niet-verschijning veroordeeld getuige van de betaling der kosten kan worden ontheven, wanneer hij bewijst wettiglijk verhinderd te zijn geweest;
Gezien art. 159 van het Wetb. van Strafvordering;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Ontheffen den getuige A. van de betaling der kosten, waartoe hij is veroordeeld bij ons vonnis van den . . . .
Verstaan, dat de kosten zullen komen ten laste van het Rijk.
Aldus gewezen enz.
No. 105.
Vonnis, waarbij een getuige wordt gewraakt.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie enz.
tegen
A., van beroep . , wonende te ... .
128
Wij, Mr.....Kantonrechter enz.
Gezien de acte van dagvaarding,
Gehoord den door den ambtenaar van het Openbaar Ministerie bijgebrachten getuige, verklarende genaamd te zijn B., oud .... jaren, van beroep . . . ., wonende te . . . ., den gedaagde te bestaan in den bloede als kind
van diens . . . . G., gehuwd met H....., doch niet in
dienstbetrekking tot hem te staan;
Overwegende, dat de gedaagde dezen getuige heeft gewraakt op grond van art. 162 no. 2 van het Wetb. van Strafvordering;
Overwegende, dat de kinderen van broeders of zusters van den gedaagde niet als getuigen in strafzaken kunnen worden gehoord;
Gezien art. 162 nü 2 van het Wetboek van Strafvordering ;
Rechtsprekende in Naam der Koningin !
Verklaren de door den gedaagde voorgestelde wraking geldig;
Verstaan mitsdien, dat B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., niet als getuige in deze zaak zal worden gehoord.
Aldus gewezen enz.
No. 106.
Vonnis, waarin een beleedigde partij zich voegt. Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie enz.
tegen
A , van beroep . . . ., wonende te ... .
129
Wij, Mr....., Kantonrechter enz.
Gezien de acte van dagvaarding, in dezen uitgebracht;
(Gelet op het tegen den gedaagde verleende verstek;)
(Gehoord den gedaagde in zijne antwoorden;)
Gehoord B., van beroep.....wonende te . . .
verklarende, dat hij zich als beleedigde partij, ter bekoming eener schadeloosstelling van vijfentwintig gulden, in deze strafzaak voegt; te dezen domicilie kiezende ten huize van . . . ., te . . . .
Gehoord en gezien een procesverbaal door ....
Onder eede gehoord de getuigen, door den ambtenaar van het Openbaar Ministerie bijgebracht;
Gehoord den gedaagde in zijne antwoorden;
Gehoord den ambtenaar van het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk genomen .... enz.
Gehoord de beleedigde en zich voegende partij in haar pleidooi en genomen conclusie, strekkende daartoe, dat . . . . enz.
Gehoord den gedaagde in zijne verdediging, zoo op de strafzaak, als op de tegen hem ingestelde vordering tot schadeloosstelling, en in zijne genomen conclusiën, strekkende
1° Wat betreft de daadzaak: dat .... enz.
2quot; Wat betreft de vordering der beleedigde partij: dat . . . . enz.
Overwegende, in de eerste plaats ter beoordeeling der strafzaak tegen den gedaagde ingesteld, met betrekking tot de daadzaken:
dat enz.....enz. (Zie no. 98 omtrent de overwegingen met betrekking tot de daadzaken, qualificatie, schuld van den gedaagde en toepassing der Wet, de aanhaling der toe te passen Wet enz.)
Overwegende, in de tweede plaats ter beoordeeling der
KIPPENBROEK, Formulieren. Tweede druk. 9
13°
vordering, door de beleedigde partij tegen den gedaagde ingesteld, met betrekking tot de daadzaken: dat deze beweert door de onrechtmatige daad van den gedaagde eene schade geleden te hebben van .... enz.
dat de gedaagde, die daadzaken erkennende, beweert tot geene schadeloosstelling hoe ook genaamd verplicht te zijn, daar .... enz.
Overwegende in rechten: dat een ieder verantwoordelijk is, niet alleen voor de schade, welke hij door zijne daad veroorzaakt, maar ook enz.
Gezien artt. 202 en volg., collato art. 253 no. 4 van het Wetboek van Strafvordering en art. 1402 van het Burgerlijk Wetboek;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
1° Op de strafvordering tegen den gedaagde ingesteld: Verklaren den gedaagde schuldig enz.
Veroordeelen hem mitsdien enz. (zie no. 98).
2° Op de vordering der beleedigde en zich voegende partij: Veroordeelen den gedaagde, om aan haar te betalen eene som van vijfentwintig gulden, wegens schadeloosstelling ter zake hierboven vermeld;
Veroordeelen den gedaagde wijders in de kosten dezer voeging.
Aldus gewezen enz.
No. 107.
Vonnis, waarin de Kantonrechter zich ambtshalve onbevoegd verklaart.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie enz.
tegen
I3i
A., van beroep . . . ., wonende te .... enz. (zie no. 98.)
Overwegende met betrekking tot het ten laste gelegde, dat .... enz.
Overwegende, dat die feiten, bijaldien ze bewezen worden, zullen opleveren het misdrijf van . . . . , voorzien en strafbaar gesteld bij art.....
Overwegende, dat de kennisneming over misdrijven, niet behoort tot de bevoegdheid van den Kantonrechter;
Gezien art. 21S van het Wetb. van Strafvordering en art. 44 R. O.
Gezien art....., van het Wetb. van Strafrecht;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Verklaren ons ambtshalve onbevoegd, om van deze zaak kennis te nemen;
Verwijst de zaak naar de Arrondissements-Rechtbank. Verstaan, dat de kosten van dit geding zullen worden gedragen door den Staat.
Aldus gewezen enz.
No. 108.
Vonnis, waarbij verstek geweigerd wordt, wegens nietigheid der dagvaarding.
Rol No.
Vonnis in zake het Openbaar Ministerie enz.
tegen
A., van beroep . , wonende te ...., enz. niet verschenen gedaagde;
Wij, Mr....., Kantonrechter enz.
9'
132
Gezien een geschrift, ons door den ambtenaar van het Openbaar Ministerie overhandigd;
Overwegende, dat door den ambtenaar van het Openbaar Ministerie verstek tegen den gedaagde is gevraagd;
Overwegende, dat het ons ter hand gestelde geschrift, in den vorm eener dagvaarding, door geen deurwaarder of dienaar van de openbare macht is onderteekend;
dat genoemd geschrift geene dagvaarding daarstelt, waarop tegen den gedaagde verstek kan worden verleend; dat de dagvaarding dien ten gevolge, als niet naar de voorschriften der Wet opgemaakt, nietig behoort te worden verklaard.
Gezien artt. 144 en 264 van het Wetboek van Strafvordering ;
Rechtsprekende in Naam der Koningin!
Verklaren boven omschrevene dagvaarding nietig, en dat, mitsdien tegen den gedaagde geen verstek kan worden verleend;
Verstaan, dat de kosten zullen komen ten laste van het Rijk, behoudens verhaal op den ambtenaar met het uitbrengen der dagvaarding belast, zoo daartoe termen bestaan.
Aldus gewezen enz.
No. 109.
Procesverbaal van aangifte.
Op heden den . . . ., compareerde voor ons, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie ....
A., van beroep . . . ., wonende te ... .
133
Comparant verklaarde, dat hij dezen morgen omstreeks vijf ure door het dorp .... gaande, bemerkte, dat er ingebroken werd of was in de behuizing van . . . .; dat hij met zijne medegezellen B., van beroep . . . ., wonende te . . . ., en C. van beroep . . . ., wonende te . . . ., voorzichtig en langzaam naderende, met het doel om den dader te vatten, door dezen werd opgemerkt, waardoor hun voornemen, door het in aller ijl de vlucht nemen van den dader, verijdeld werd;
dat zij hem eenigen tijd vervolgd hadden, doch het moesten opgeven, doordien . . . .; dat zij hem echter nabij genoeg geweest zijn, om hem duidelijk te herkennen voor den arbeider . . . ., genaamd . . . ., wonende te .... Eindelijk verklaarden Comparanten, dat zij mede genomen hadden een wambuis, hetwelk de dader, om beter te kunnen loopen, van zich afwierp.
Wij hebben daarop in bijzijn der aangevers dat wambuis gewaarmerkt en het daaraan door ons gehechte strookje papier met hen geteekend.
Van deze aangifte hebben wij terstond dit procesverbaal opgemaakt op den eed, door ons bij den aanvang onzer bediening afgelegd, en hetzelve na voorlezing met de aangevers op voorschreven datum geteekend.
No. 110.
Procesverbaal van plaatsopneming.
Op heden den . . . ., hebben wij, Kantonrechter enz., ons, vergezeld door A., van beroep . . . ., wonende te
134
. . . ., B. van beroep . . . ., wonende te.....begeven naar de woning van.....waar, volgens de aangifte
van A., B. en C., zooeven genoemd, dezen morgen omstreeks vijf ure is ingebroken geworden.
Ter plaatse aangekomen, hebben wij voor ons doen verschijnen den bewoner van genoemd huis, die verklaarde
genaamd te zijn E....., oud . . . ., van beroep . ,
wonende te ... .
Op de hem gedane vragen heeft hij verklaard: dat hij dezen morgen omstreeks acht ure zich naar zijnen winkel had begeven, om dezelve te ontsluiten, en terstond had bemerkt, dat een raam van dien winkel (dat hij 's avonds te voren omstreeks elf ure persoonlijk had gesloten , door het opschuivende raam met eene pin te sluiten, vervolgens er het blind voor te doen en dit met eene plaatschuif te bevestigen), blijkbaar met geweld was opgeschoven, terwijl de plaatschuif van het blind was gerukt;
dat het hem vervolgens bij onderzoek was gebleken, dat uit een der winkelkasten was ontvreemd een gouden cylinder-horloge met drijfwerk, hem ter reparatie gegeven door F., van beroep . . . ., wonende te . ..., aan de binnenzijde het No.....dragende.
Bij onderzoek der plaats, waar de braak en diefstal is gepleegd, zijnde een winkelkamer in het huis door E. bewoond, onmiddellijk grenzende aan zijne slaapkamer, bleek het ons, dat eene der ruiten, welke er nog voor kort ingezet was, er uit was gelicht, door welke opening, oogenschijnlijk door op het blind te drukken, het blind is geopend, en wel, doordien er de plaatschuif van afgedrukt werd; dat de dader vervolgens het raam door een hefboom van harde substantie heeft opgeschoven, hetgeen blijkbaar was uit een indruksel in den onderregel van het raam en van het kozijn, ter breedte van ongeveer drie
135
centimeter; eindelijk, dat de winkelkast blijkbaar door hetzelfde breekwerktuig is geopend, zooals een indruksel van dezelfde grootte in het huis aantoont.
In de nog versch gevallen sneeuw ontdekten wij de afdruksels van schoenen of laarzen van eenen bijzonderen vorm, aan de hak voorzien waarschijnlijk van spijkers, gelijk uit de vijf afdruksels blijken kan.
Van al het bovenstaande hebben wij dit procesverbaal opgemaakt op den eed . door ons bij den aanvang onzer bediening afgelegd.
No. 111.
Bevel, om een vermoedelijk schuldige in bewaring te nemen en voor den Rechter te brengen.
Wij, Kantonrechter enz.
Gezien een onmiddellijk door ons in geschrifte gebrachte aangifte, gedaan door A., van beroep . . . ., wonende te ...., enz;
Gehoord de getuigen te dezen door A. opgegeven;
Gezien ons procesverbaal van plaatsopneming van heden;
Overwegende, dat er dezen morgen om omstreeks . . . . ure diefstal met braak is gepleegd ten huize van . . . ., door de aangevers op heeterdaad ontdekt;
Overwegende, dat het ons uit meergenoemde aangifte en de verklaringen der getuigen is gebleken, dat . . . ., van beroep . , wonende te . . . ., de vermoedelijke
dader van dit misdrijf is ;
Gezien artt. 45 en 86 van het Wetb. van Strafvordering;
136
Gelasten den veldwachter .... of den dienaar der openbare macht, wien deze zal worden ter hand gesteld, genoemden .... in verzekerde bewaring te nemen en terstond voor ons te brengen.
Gedaan te ...., den , . . .
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. 113.
Procesverbaal van verhoor van een vermoedelijk schuldige.
Op heden den .... compareerde ....
A., door den veldwachter der gemeente .... in verzekerde bewaring genomen en voor ons gebracht, krachtens daartoe door ons gegeven last bij bevelschrift op heden uitgevaardigd.
Op onze tot hem gerichte vraag heeft hij gezegd genaamd te zijn A., oud .... jaren, geboren te ...., van beroep . , wonende te ... .
Op onze verdere vragen heeft hij geantwoord als volgt . . . . enz.
Wij hebben daarop den verdachte gelast zijne schoenen uit te trekken; bij onderzoek bleek het ons, dat de schoenen volkomen in de door ons waargenomene sporen op de sneeuw passen, zoodat te dezen geen twijfel daaromtrent bestaat. De beklaagde verzocht zijnde zich omtrent deze omstandigheid te verklaren, heeft, blijkbaar bedremmeld en onthutst, geweigerd daarop te antwoorden.
Van welk verhoor wij dit procesverbaal hebben opge-
137
maakt op den eed, door ons bij den aanvang onzer bediening afgelegd, en hetzelve na voorlezing geteekend, hebbende de verdachte geweigerd zijnen naam te teekenen.
Zie art. 41 W. v. Sv.
No. 113.
Bevel van voorloopige aanhouding.
r
Wij, Kantonrechter enz.
Overwegende, dat A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., wordt beschuldigd van diefstal bij nacht, door middel van buitenbraak, blijkens daarvan gedane aangifte, â gt; zooeven door ons in geschrifte gebracht;
Overwegende, dat uit het door ons ingestelde onderzoek gegronde vermoedens tegen den beklaagde zijn ontstaan;
Overwegende, dat de beklaagde op heeterdaad is betrapt, zoodat er termen bestaan, om hem voorloopig aan te houden ;
Gezien artt. 45 , 5 5 , 79 en 109 van het Wetb. van Straf-â vordering;
Bevelen, dat A., van beroep . . . ., wonende te . . . ., voorloopig zal worden aangehouden en overgebracht in het huis van Bewaring te ...., alwaar de verdachte in bewaring zal worden genomen;
Belasten den veldwachter der gemeente .... met de uitvoering van dit bevelschrift;
Bevelen, wijders dat dit bevel en de daarbij, volgens inventaris, gaande stukken door hem, onmiddellijk, nadat de verdachte in het huis van Bewaring zal zijn opgenomen , ter griffie van de Arrondissements-Rechtbank te . . . .,
13»
zullen worden overgebracht, terwijl het daarvan te nemen bewijs en de schriftelijke verklaring van het hoofd van genoemd huis binnen vierentwintig uren door hem aan den heer Officier van Justitie bij de Rechtbank ter viseering zullen worden aangeboden.
Gedaan te , den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. 114.
Procesverbaal van verhoor van eenen getuige.
Op heden den .... compareerde voor ons .... enz., daartoe door ons opgeroepen :
A., volgens zijne verklaring oud .... jaren, van beroep . , wonende te ...., gehuwd, geen bloedverwant of aangehuwde, noch ook in dienstbetrekking staande tot B., van beroep . ..., wonende te ... .
Na vooraf beloofd te hebben de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, heeft hij op de hem gedane vragen geantwoord:
dat hij in den vroegen morgen enz.
Na voorlezing heeft de getuige verklaard bij zijne verklaringen te blijven volharden.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben opgemaakt op den eed, door ons bij den aanvang onzer bediening afgelegd, en hetzelve met den getuige geteekend.
Zie art. 43 W. v. Sv.
139
No. 115.
Bevel tot dagvaarding, om als getuige te worden gehoord, ten verzoeke van den Rechter-Commissaris.
Wij, Kantonrechter van het Kanton enz.
Gezien eene missive van den Rechter-Commissaris bij
de Arrondissements-Rechtbank te.....van den . . . .
n0....., waarbij ons het verhoor der in die missive
genoemde personen wordt opgedragen ;
Gezien art. 25 der Wet op de Rechterlijke Organisatie , mitsgaders artt. 61 laatste lid en 72 van het Wetboek van Strafvordering;
Gevolg gevende aan bovenvermelde opdracht;
Bevelen den deurwaarder, wien deze zal worden ter hand gesteld , om te dagvaarden :
1° A., van beroep ..... wonende te ... . 2° B., van beroep . . . ., wonende te ... .
om op .... den . . . ., des voordemiddags te ... . ter plaatse onzer gewone terechtzittingen te ... . voor ons te verschijnen, ten einde als getuigen te worden gehoord in de zaak van ....
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
No. llö.
Procesverbaal van verhoor van een getuige, ten verzoeke van den Rechter-Commissaris.
Op heden den . , compareerde voor ons . . . .
140
Kantonrechter van het Kanton.....Arrondissement . . . .,
Provincie.....bijgestaan door onzen Griffier, daartoe
door ons opgeroepen, krachtens op ons verstrekten last dooiden heer Rechter-Commissaris bij de Rechtbank te ... . bij missive van den . . . . n0.....
A., die, na vooraf te hebben beloofd de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, heeft verklaard genaamd te zijn A....., oud.....gehuwd,
van beroep . , wonende . . . ., noch bloedverwant, noch aangehuwd, noch in dienstbetrekking, staande van B., van beroep . . . ., wonende te ... .
Op de hem gedane vragen heeft hij vervolgens verklaard .... enz.
Na gedane voorlezing hebben wij den getuige gevraagd, of hij bij zijne verklaring bleef volharden, waarop hij bevestigend antwoordde.
Op deszelfs vordering hebben wij den getuige als schadeloosstelling toegelegd de som van ....
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben opgemaakt en hetzelve met den griffier en den getuige geteekend.
Zie de artt. 62 en volg. W. v. Strv.
No. 117.
Procesverbaal van verhoor van een verdachte, op last van den Rechter-Commissaris.
Op heden den . . . ., compareerde voor ons .... enz.
(zie formulier no. 116), A., oud . ..., geboren te.....
van beroep . ..., wonende te . , ten einde te worden
141
gehoord op eenen diefstal ten huize van . . . ., omtrent welken diefstal tegen hem bezwaren zijn gerezen.
Op onze vragen heeft hij geantwoord: dat het hem onbekend .... enz.
Na voorlezing van het bovenstaande verklaarde comparant bij zijne antwoorden te blijven volharden.
Van welk een en ander wij dit procesverbaal hebben opgemaakt en hetzelve met onzen griffier geteekend; verklarende de comparant niet te kunnen schrijven.
Zie art. 72 W. v. Sv.
No. 118.
Requisitoir tot assistentie van gewapende macht.
Wij, Kantonrechter van het Kanton ....
Overwegende, dat wij tot de uitoefening onzer ambtsverrichtingen den bijstand der gewapende macht behoeven ;
Gezien art. 27 van het Wetboek van Strafvordering.
Requireeren, dat de Commandant van de wacht te.....
ons onmiddellijk bijstand verleene der gewapende macht, onder zijne bevelen staande, door onverwijld een detachement infanterie, sterk minstens .... manschappen, naar . ... te doen oprukken.
Gedaan te ...., den ....
De Kantonrechter voornoemd: N. N.
142
No 119.
Procesverbaal van huiszoeking op verzoek van den Rechter-Commissaris.
Op heden den . . . ., hebben wij, Kantonrechter van het Kanton . , Arrondissement . . . ., Provincie . . . ., geassisteerd door onzen Griffier en vergezeld door den heer Burgemeester der Gemeente . . . . , ons begeven naar de woning van . . . ., ten einde aldaar huiszoeking te doen, krachtens op ons verstrekten last door den heer Rechter-Commissaris bij de Arrondissements-Rechtbank te . . . ., bij missive van den . . . no.....
Gezien het daartoe verleende verlof van de Arrondissements-Rechtbank te . . . ., van den ....
Aldaar aangekomen, hebben wij den verdachte onzen last medegedeeld en zijn daarop in zijne tegenwoordigheid overgegaan tot het doen eener nauwkeurige huiszoeking, waartoe wij alle vertrekken, zolders, kasten, bedsteden en andere tot berging van eenige voorwerpen bestemde plaatsen hebben doen openen.
In eene verborgen kast, onder eene bedstede hebben wij gevonden:
1° Een breekijzer, knijptang en cylinderboor;
2° Een gouden horloge, met gedreven kast, enz. enz. enz.
Wij hebben den verdachte aangemaand, zich omtrent die voorwerpen te verklaren, en hem de navolgende vragen gedaan:
a. Hoe zijn die voorwerpen in uw bezit gekomen?
Antwoord. Het horloge heb ik van een mij onbekenden persoon gekocht; de overige voorwerpen zijn mij in bewaring gegeven.
143
b. Waar en wanneer hebt gij dat horloge gekocht, en wie heeft u die andere voorwerpen in bewaring gegeven ?
Antwoord. Te .... enz.
Daarop hebben wij die voorwerpen in beslag genomen, in een kistje gedaan , en dit in bijzijn van den verdachte voorzien van een omslag van wit papier; waarna wij den omslag behoorlijk met rood lak, dragende het afdruksel van ons daartoe bestemd zegel, verzegeld , en de dagtce-kening der inbeslagneming daarop hebben gesteld, na het vooraf aan den verdachte te hebben vertoond en door hem doen erkennen.
Van al het bovenstaande hebben wij dit procesverbaal door onzen Griffier doen opmaken en hetzelve met dezen en den Burgemeester geteekend, terwijl de verdachte, daartoe verzocht, heeft geweigerd te teekenen; alles op voorschreven datum en in de behuizing, waar de huiszoeking heeft plaats gehad.
Zie artt. 110, 47, 48, 49 en 50 van het Wetboek van Strafvordering.
No. 120.
Aanteekening, te stellen op in beslag genomen goederen.
De goederen zich in dit pakje bevindende zijn door ons, Kantonrechter van het Kanton . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie . . . ., op heden den . . . ., ten woonhuize van . . . ., in beslaggenomen, blijkens ons procesverbaal van huiszoeking van dien zelfden dag.
De Kantonrechter voornoemd; N. N.
144 No. 121. Transport Order,
Wij, Kantonrechter van het Kanton .... enz.
Gezien het bevel van gevangenhouding, afgegeven door de Arrondissements-Rechtbank te ...., van den . - ., hetwelk aan dezen order is gehecht;
Gelasten de gerechtsdienaars . . . ., den beklaagde met de meeste zorg en behoedzaamheid over te brengen in het huis van Bewaring te . . . ., en hem aan het hoofd van dat huis over te geven.
Bovengenoemde gerechtsdienaars zijn belast met dit transport, op den .... te bewerkstelligen.
Gedaan te ...., den ....
Dc Kantonrechter voornoemd; N. N.
No. 122.
Advies van den Kantonrechter op een request om gratie.
No. . . . den . . . 18 . . .
Aan H.M. de Koningin ....
Mevrouw !
Van wege Uwe Majesteit is in mijne handen gesteld
een request om gratie, ingediend door A.....
Ik heb de eer Uwe Majesteit daarop te berichten: dat A. . . ., oud . . . jaren, geboren te ...., van beroep
145
. . . ., wonende te , bij vonnis van het Kantonge
recht te . . . ., Arrondissement . . . ., Provincie . . . .,
van den . , . ., wegens overtreding van art....., is
veroordeeld tot eene geldboete van .... subsidiair tot
eene hechtenis van.....benevens in de kosten van het
geding,
dat het verzoek van den Requestrant strekt, om van Uwe Majesteit algeheele kwijtschelding, zoo van de boete en subsidiaire hechtenis, als van de betaling der kosten te erlangen, zonder dat in het verzoek punten voorkomen, die eene bijzondere aanmerking verdienen;
dat het mij bij de behandeling dezer zaak is voorgekomen , dat de Requestrant, hoewel schuldig en strafbaar naar de Wet, echter redenen van verschooning heeft bijgebracht, als daar zijn . . . ., welke, hoewel ze bij den Rechter niet in aanmerking konden komen, dezen evenwel zeer in zijn voordeel hebben gestemd;
dat het mij echter voorkomt, dat die redenen niet van dien aard zijn, om den Requestrant ook kwijtschelding van de betaling der kosten, ten nadeele van 's Rijks schatkist, te verleenen.
Op bovenstaande gronden heb ik de eer Uwe Majesteit met den meesten eerbied te adviseeren ;
Dat het Uwe Majesteit moge behagen, den Requestrant kwijtschelding der boete en
te verleenen, onder verplichting nochtans tot betaling der kosten van het geding.
De Kantom-echter van het Kanton ....
Adviezen en bijlagen toezenden aan den Minister van Justitie.
Zie K. B. van 13 Deo. 1887 tot uitvoering van art. 68 al. 2 der Grondwet.
10
KIPPENBROEK, Formulieren, Tweede druk.
146
Voor de verdere formulieren in Strafzaken bezige men âModellen, behoorende bij de tarieven van gerechtskosten in Strafzakenquot;, vastgesteld door Z. E. den Minister van Justitie den 15 September 1875, 5de Afd., no. 101 , gemerkt van no. 1 tot en met 48, ingevolge art. 53 van het K. B. van 18 December 1874 (Stbl. no. 212), welke modellen destijds aan alle kantongerechten in den lande zijn toegezonden.
N.B. Van bovenbedoelde modellen is bij Besluit van Z. E. den Minister van Justitie d.d. 13 Oct. 1886, 5de Afd., no 167, no. 26 gewijzigd, en andermaal gewijzigd toegezonden.
WW
li n
quot; I N fl 0 U D.
n e
FORMULIEREN. e Biz-
I, Aanvrage om zegels voor ambtshalve vemohtingeu .... 1 '2. Bevel tot oproeping van naaste bloedverwanten of aangehuwden 1
3. Benoeming van eenen toezienden voogd........ '2
l. Bevel tot insinuatie eener benoeming als voogd of toeziende
voogd.................... fgt;
5. Beëediging als voogd............... 6
6. Bevestiging in de voogdij in geval van hertrouwen .... 7
7. Benoeming tot voogdes, wanneer de moeder de voogdij heeft verloren ingevolge het bepaalde bij art. 405 B. W..... 8
8. Benoeming van eenen voogd voor natuurlijke niet erkende kinderen.................... '0
9. Benoeming van eenen toezienden voogd over natuurlijke erkende kinderen.................
'10. Bekrachtiging eener benoeming als voogd door de moeder-
voogdes, bij testament gedaan............'H
11. Benoeming van eenen deelvoogd........... 12
12 Benoeming van eenen Curator over een ongeboren vrucht . 14 â¢13. Benoeming van eenen bizonderen Curator ingevolge art. 365B.VV. 14
14. Benoeming van eenen curator en eenen toezienden curator,
over eenen onder curateele gestelde..........15
15. Beëediging van eenen deskundige..........17
â¢16. Beëediging en depot van eene onderhands opgemaakte boedelbeschrijving ..................'18
17. Begrooting der som. waarvoor de voogd hypotheek behoort te verleenen â der kosten, welke hij zal mogen aanwenden ter opvoeding der minderjarigen â en dor kosten van administratie ....................19
18. Bevel tot consignatie...............23
â¢19. Bevel tot teruggave van effecten uit de consignatiekas . . 23
20. Vermindering der begroote bypotheeksom ten behoeve van de minderjarigen bepaald.......... .... 24
21. Bewilliging tot bewaring in natura van aan minderjarigen toebehoorende roerende goederen...........25
22. Goedkeuring der voorwaarden, waarop oen voogd onroerende goederen, aan minderjarigen, onder zijne voogdij staande, toebehoorende, in pacht wenscht te nemen.......27
23. Machtiging tot het instellen eener Rechtsvordering .... 29
24. Machtiging om zich op eene tegen minderjarigen ingestelde vordering te verdedigen..............30
25. Machtiging tot het berusten in eene rechtsvordering tegen minderjarigen ingesteld..............31
26. Machtiging tot het instellen eener vordering tot scheiding en deeling....................31
148
Biz.
'27. Machtiging; tot het aangaan van cene dading......32
28. Beschikking op een request tot het verwerpen van eene erfenis
aan minderjarigen opgekomen............33
29. Machtiging aan eene gehuwde vrouw om zonder bijstand van haren man in rechten op te treden..........34
30. Benoeming en beëediging van deskundigen ter waardeering
van onroerende goederen bij onderhandschen verkoop ... 34
31. Akte van Bekendheid...............35
32. Bevel tot oproeping in geval van tusschenkonist of verlof tot
het aangaan van een huwelijk............36
33. Procesverbaal van verschijning van den vader of de moeder
en het kind..................37
34. Procesverbaal van nietverschijning van den vader of de moeder 39
35. Verlof tot liet aangaan van een huwelijk bij weigering' van toestemming door den voogd of toezienden voogd.....39
36. Procesverbaal van verhoor bij verzoek om Ven ia Aetatis . . 41
37. Advies van den Kantonrechter bij het procesverbaal no. 36 over te zenden.................42
38. Procesverbaal van handlichting ten verzoeke van eenen minderjarige ...................43
39. Procesverbaal van aanbieding eener onderhandsclie beschikking 44
40. Procesverbaal van aanbieding van een olographisch testament 45
41. Verzoek tot en procesverbaal van verzegeling......47
42. Procesverbaal van verzoek tot ontzegeling.......5i
43. Procesverbaal van ontzegeling........... 55
44 Machtiging tot den onderhandschen verkoop van roerende
goederen, toebehoorende aan meerder- en minderjarigen , . 59
45. Depót rapport deskundigen.............60
46. Bevel tot den verkoop van roerende goederen......61
47. Bevel tot oproeping van eenen geëxecuteerde om te worden gehoord over het benoemen van eenen persoon ter inzameling
van vruchten enz.................62
48. Procesverbaal van de benoeming van eenen persoon, ter inzameling van in beslag genomene goederen.......62
49. Beslissing van den Kantonrechter, in het geval van art. 724 B.Rv. 63
50. Vergunning tot inbeslagneming van goederen, toebehoorende aan eenen schuldenaar, die geene bekende woonplaats binnen
dit rijk heeft . . ...............64
51. Procesverbaal van overhandiging van een verzoekschrift tot
het doen van eenen eisch tot echtscheiding.......65
52. Voorziening bij weigering om koopmanschappen of goederen
aan te nemen..................66
53. Benoeming van deskundigen, ter beoordeeling of een schip van het noodigé voorzien en in staat is, eene voorgenomen
reis te ondernemen................68
54. Procesverbaal van beëediging van het geschrift bedoeld in art.
368 Wetb, v. Kooph................69
55. Procesverbaal van vertooning van een scheepsjournaal en van verklaring van eene reis. . â ...........69
56. Procesverbaal van eene verklaring, door gezagvoerder, officieren enz., in geval van schipbreuk afgelegd......71
57. Benoeming van eenen Griffier, bij belet of ontstentenis van
den Griffier. ... ..............72
149
Biz.
58. Procesverbaal van verhoor der bloedverwanten bij verzoek om wettiging van een natuurlijk kind.........
59. Procesverbaal van beëediging voor verschillende ambtenaren. 74
60. Benoeming van eenen Derden Schatter voor de Personeele belasting....................77
01. Machtiging tot inlegering..............78
02. Beëediging eener memorie van Successie........78
03. Hevel of machtiging aan den Ontvanger der Successie , om afschrift te geven van eene memorie van aangifte .... 79
Oi, Beëediging van deskundigen bij gerechtelijke plaatsopneming. 80
65. Verklaring van erfrecht..............81
06, Verhoor van een' persoon omtrent zijn onderstands-domicilie. 82 67 Appointement op een Itequest om kosteloos te mogen proce-
deeren....................83
68. Beschikking van toelating tot kosteloos procedeeren . . .83 09. Aanwijzing van eenen bepaalden persoon bij ontstentenis van
eenen deurwaarder................84
70. Benoeming van deskundigen, om te onderzoeken den staat van gezondheid en geschiktheid voor den dienst van een te pensioneeren persoon...............85
71. Beëediging van het rapport van deskundigen, opgemaakt naar aanleiding van het bepaalde bij art. 5 van do Wet van 9 Mei 1846 fStbl. no. 24), laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 21
Mei 1873 (Stbl. no. 04)..............86
72. Benoeming van een lid en een plaatsvervangend lid van de commissie van aanslag voor de bedrijfs- en andere inkomsten. 87
73. Verzoek tot voorloopige opname van een Krankzinnige. . . 88 7'k Machtiging tot voorloopige opname van een Krankzinnige. . 89
75. Kennisgeving..................89
70. Procesverbaal eener Regatoire Commissie........90
77. Acte van depót eener Rekening en Verantwoording eener Coöperatieve Vereeniging.............91
78. Inschrijving van Vennootschappen..........91
79. Inschrijving van Coöperatieve Vereenigingen . . - . . 92 80 Revel tot dagvaarding op korten termijn........93
81. Verklaring van den Kantonrechter, dat hij zich aan de kennisneming eener zaak onttrekt.............94
82. Antwoord van den Kantonrechter, in geval hij in eene wraking berust...................95
83. Antwoord van den Kantonrechter, wanneer hij zich niet ver-eenigt met eene voorgestelde wraking.........95
84. Vonnis, waarbij verstek tegen den eischer verleend wordt . 97
85. Vonnis bij verstek tegen den gedaagde..... . . 98
80. Vonnis, waarbij verstek geweigerd wordt wegens nietigheid
in do dagvaarding................99
87. Vonnis van verwijzing naar den daartoe bevoegden rechter, ingeval een stuk voor valsch of vervalseht verklaard wordt . 100
88. Vonnis, waarbjj de Kantonrechter verstaat, dat hjj zich naar eene bepaalde plaats zal begeven, ter bezichtiging derzelve
en tot het hooren van deskundigen..........102
89. Procesverbaal van gerechtelijke plaatsopneming, onder voorlichting van deskundigen..............103
90. Vonnis, waarbij een getuigen-verhoor wordt bevolen. . . , '104
ISO
91. Procesverbaal van getuigen-verhoor. .
no' 'rrocesvei'baal van verhoor op Vraagpunten oV de eisclier eenen dioisoiren eed oplefft ' ' ml
ssramp;sf r1!**s''
95. Gerechtelijke invordering van Griffierechten.' .' ' STRAFZAKEN.
96' va'nTerSn^.e'ht TerhandeIde ter quot;P-^are terechtzitting 97. Idem (uitspraak vonnissen) .........â â '!!!
w quot;pen ;ZleT^eSn.Waarin enz!
Ol- Vonnis-dronkenschap bij herhaling ..........1o?
; .IcCoS^f wijzigen bij ontslag ran ,J
m inamp;iJTi* riet veLquot;90llellen getuige wordt Veroordeeld 153 kosten dientengevolge noodeloos gemaakte gerechts-
^ yTdekoSZMje6D nie^OTSchenen getuige wordt ontheien
â 106 v!!'!'quot;3' Waa,'b'J een Setnige wordt gewraakt ! ' ' ' ' 10b. \ onnis, waarin een beleedigde partij zich voegt.....oq
verklaart^ Kant0m'ecllte'' ambtshalve onbevoegd
,08' wegens nietigheid j09. Procesverbaal van aangifte .........'ol
â lil 'â 'ocesverbaal van plaatsopneming . .......no
in te ⢠3
jjf- â ig
15 ?:00fTerbaal van JeAoor v«quot; eenen getuige !.....oo
tB®vel dagvaarding. om als getuige te worden gehoord' ten verzoeke van den Rechter-Commissaris . . amp; ' .on
â srsastear ~ â- â quot; â¢Â»
â jrssstóar.r.r rfr*?
H9 prft01^ ^ assist_en.tie van gewapende macht .' .' .' ' u\ CoZTssariT. Van.hU,S20eklr'= 0P âk van den Rechter:
if' Transport1 Order6 8te,,!n 0p.in b®s1^ gnomen goederen ! !«
'22. Advies van den kantonrechter op een request om gratie .' 144
Biz.
-105