ocr page 1
ocr page 2

207 C

24

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

E N E I S.

ocr page 6
ocr page 7

Yergilius' Aeneis.

Metrisch vertaald

Dr. J. L. CHAILLET,

Conrector van het Gi/innasimn fc Sneel4.

, %

fofï■ 1 y

, ƒ

SXEEK,

J. VV. M LI L L E R,

Firma H. Pyttersen Tzu. 1894.

ocr page 8
ocr page 9

EERSTE BOEK,

S------, ■

'k Zing van den strijd en den man, diequot; het eerst van de kusten

van Troje,

Landd' aan Laviniums strand in Italië, balling' door 't noodlot, Die, zóó dikwijls te land en ter zee door de macht van de goden. Wegens d'ontembaren wrok van de toornige Juno geslingerd, 5 Veel in den oorlog leed, tot hij stichtte de stad, en de goden. Voerde naar Latiums kust; waaruit het geslacht der Latijnen, Alba's vad'ren ontsproten, en 't machtige Rome ontstaan is. Waardoor voelde zich juno gekwetst, zeg Muze mij d'oorzaak, Waardoor was de vorstin van de goden vertoornd, zóó dat^zij 10 Hem, die door godsvrucht uitblonk, zulk een ellende verschafte? Kan het gemoed van d'onsterflijken zóó van de wrake vervuld zijn? Ver van de monding des Tibers en recht tegenover Itaalje Lag Karthago, de stad, die door Tyrische mannen bewoond werd. Machtig door rijkdom, schatten, ten zeerste gehard in den oorlog. 15 Juno eerde, gelijk men vermeldt, haar alleen, boven alle Landen, en Samos stelde zij achter, alwaar zij haar wagen, Tevens haar wapenen had; dit zou de beheerschende stad zijn. Volgens den wil der godin, reeds toen; zoo 't noodlot't wilde. Doch een geslacht zou komen, uit 't bloed der Trojanen gesproten, 20 't Welk eens zoude verwoesten de Tyrische burcht en ook hieruit Zoude ontstaan een gebiedende natie, machtig in 't strijden, 't Libysche land tot verderf. Dit had zij vernomen, de Parcen Stelden het aldus vast. Dit vreezend, gedacht zij den oorlog. Dien zij bij Troje, d'Argiven ten bate, het eerste gevoerd had. 25 Want nog waren de toorn en de vlijmende smart uit haar boezem Nimmer geweken; in 't diepst van haar ziel rustt' altijd 'toordeel, 't Welk eens Paris geveld had, smad'lijk verachtend haar

schoonheid;

tllat'lijk geslacht, Ganymedes' ontvoering, zij blijft er aan denken

ocr page 10

6

Door dit alles verbitterd, verstrooit z' over zee de Troj neb. 30 Welke den Grieken en tevens den woesten Achilles ontkwanuMi, Weerde hen verre van Latiums kust en gedreven door 't noodlot Doolden zij talrijke jaren op allerlei zeeën in 't ronde.

Zóó groot waren de moeiten, verbonden aan 't stichten van Rome. Nauwelijks uit het gezicht van Sicilie's bodem gekomen, 35 Staken zij vroolijk in zee en doorkliefden het schuim met de kielen. Toen de Saturnische dus overlegde, der wonde gedachtig. Die in haar borst voortdurend nog wroet; „Zou ik moeten wijken, Niet van d'Italischen grond afweren den Teucrischen koning .' 't Spreekt; mij verhindert het noodlot; doch kon Pallas de Grieksehe 40 Schepen verbranden, in quot;t diepste der zee doen zinken d' Argiven. Wegens de schuld en tie woede van Ajax, Oeleus' zone .' Zij toch slingerde schielijk het vuur uit de wolken des h( nu is, Strooide de schepen uiteen en beroerde de zee door de wim • n i lem, die doorschoten, een vurigen gloed uit zijn borst uitbraaku . 45 Greep z'in een dwarreling aan, en zij nagelde dien aan een rotsspits Maar, koningin van de goden en juppiters zuster en gad Voer ik gedurende zóóveel jaren den strijd met slechts één volk-Is er wel één, die nog verder tot Juno's macht zal smeel en, Die met gebeden nog eer zal brengen op hare altaren ?quot; 50 Vlammend van toorn en vervuld met zulke gedachten bereikt zij 't Land van de buien, beheerseht door de gierende, woedende

winden.

Aeolus temt in zijn grot, van reusachtige ruimte, de vlagt n, Worst'lend, weerstrevend zijn macht, door bevelen; de loeiende quot;

stormen

Worden met boeien en kerker gebreideld; in heftige woede 55 Brullen zij razend rondom de spelonken met dreunend gemurmel. Hoog op zijn burg zit hij, die de winden beheerseht met zijn scepter Aeolus, die hunne woede tot rust brengt, stillend hun dril-en. Deed hij 't niet, zij sleurden de zee en de aard' en den hemel In een orkaan met zich voort, zij sleepten he|i mede do »r t

luchtruim.

ocr page 11

60 Maar d'Almachtige Vader verborg hen in zwarte spelonken, Hiervoor bevreesd, en hij plaatste er boven ontzaglijke rotsen, Steld' over hen eenen koning, die, volgens een vaste bepaling. Zoude bedwingen den loop en, bevolen, de teugelen vieren. Juno naderde smeekend tot dezen, en aldus sprak zij: 65 „Aeolus 't voorrecht schonk u de Vader van goden en menschen Wat'ren te stillen en ook door den wind die weer ie verheffen; Een, mij vijandelijk, volk vaart over 't Tyrrhenische zeevlak, 't Voert naar Italië Ilium met d'overwonnen penaten.

Geesel de winden met kracht, doe zinken de schepen of werp ze 70 Sling'rend uiteen, en verstrooi over zee alomme de lijken, 'k Ben de bezitser van veertien nymphen van zeldzame schoonheid; 1 laar, die van deze het schoonst van gestalt' is, Deio'pea Zal ik u geven tot vrouw, tot een wettige gade haar makend. Opdat zij als belooning voor u met u moog leven,

75 Kens u make tut vader van bloeiend en zegenrijk nakroost. Aeolus antwoordde haar: „Koningin, gij moet onderzoeken. Dat, wat gij wenscht; mijn plicht is uwe bevelen te volgen. Gij toch gaaft dit rijk, dez' macht mij door juppiter's goedheid, Gij schonkt ook mij den gunst aan de tafel der goden te spijzen, 80 Steldet mij aan tot gebieder cn meester van stormen en buien.quot; Nauwelijks was het gezegd, of hij stak in de zij van den bergwand Met zijner, scepter en, als tot den strijd, in geregelde orde Stormden de winden naar buiten en dwarrelden draaiend door

't aardrijk.

Stortten zich toen in de zee, welk' Eurus en Notus te zamen 85 1 ut in de diepte beroeren met Africus, zwanger van buien. Voort naar het zeestrand rollen z'ontzaglijke, zwellende golven. Plotseling klinkt het geschreeuw van de mannen en kraken de

touwen;

Wolken onttrekken aan d'oogen der Teucriers hemel en daglicht; Over het water verspreidt zich, omhullend, het nachtelijk duister, yo Donder weergalmt aan de polen, van bliksem weerspiegelt de

aether,

ocr page 12

8

Alles verkondigt den mannen, dat d'ure des doods hen bereikt heeft.

Ijzige angst doet dad'lijk Aeneas sidd'ren en beven.

Onder het slaken van zuchten verheft hij zijn handen ten hemel, Zeggende: „Driewerf, vierwerf zalig, gezegend degenen, 95 Wien ten aanschomve der vaders en onder de muren van Troje 't Sterven ten deel viel! Gij, die de dapperste waart van de Grieken, Tudeus' zoon, dat ik niet kon sneven in d'Ilische velden Noch, door uw handen gevallen, aldaar mijnen geest kon laten, Waar, door de pijl van Achilles, de vurige Hector zijn graf vond, 100 Met hem de groote Sarpedon, waar in haar wat'ren de schilden. Helmen en lijken der mannen de Simois snel met zich meevoert. Onder het uiten der klacht, beukt knarsend de winduithetNoorden Tegen de zeilen, terwijl hij de baren ten hemel omhoog voert. Roeiriemen breken, de steven ter voorzij wankelt en zijwaarts 105 Raakt hij het water, gevolgd door een steil, hoog golvengevaarte. Hoog op den vloed zweeft deze, de gapende zee toont genen Tusschen de golven den bodem; in 't zand woedt woelig de branding. Drie van de schepen verplettert de Notus tegen de klippen, (Rotsen te midden des vloeds, door d'Italiers outers geheeten, 110 Vormende onder het water een rug) drie slingert de Eurus Weg naar de banken en Syrten; een dieptreurenswaardige aanblik, Stort ze tot diep in den afgrond, dekt ze met wallen van zeezand. Een, dat de Lyciers droeg en met hen den getrouwen Orontes, Wordt aan den steven van achteren, vlak voor zijn oogen getroffen 115 Door een reusachtige golf en de stuurman slingert en buitelt Hals over hoofd uit het schip, doch driemaal grijpt het de vloed aan, Slingert het mede in 't rond en een draaikolk sleurt en verslindt het. Drijvend vertoonen zich hier, dan daar, in den woelenden maalstroom Scheepstuig, luiken en schatten, afkomstig uit 't vroegere 1 roje. 120 Reeds heerscht over het schip van Ilioneus en van Achates, 't Schip, dat Abas meevoerde, en dat van den ouden Aletes, Krachtig de storm; door de voegen der planken, die splijten

en bersten.

ocr page 13

9

Baant met een woedend geweld zich een weg het vijand'lijke water. Hoe ondertusschen de zee luid brult en de golven zich roereni 125 Tevens de storm zijne kluisters verbrak, hoe diep op den bodem 't Water zich heftig beweegt, merkt hevig verbolgen Neptunus. Over de zee ziend' heft hij zijn kalm hoofd op uit het water. Rondom ziet hij verstrooid in de golven de vloot van Aeneas, Nevens de Troersgebeukt door den vloed en de hemelverwoesting. 130 Juno's listen en wraak zijn niet voor haar broeder verborgen; Zephyrus riep hij met Eurus en daarop begon hij te spreken : „Stelt g' in uw afkomst zulk een vertrouwen vermetele winden ? Brengt gij de aard' en den hemel in opstand zonder mijn opdracht ? Hebt gij de driestheid zulk een gewichtige zaak t' ondernemen ? 135 'k Zal u . . . . ! Doch 't is beter d'onstuimige baren te stillen. Gij zult later uw misdrijf boeten met hardere straffen.

Maakt u gereed om te vluchten, en deelt dit mee aan uw heerscher; Niet hij kreeg door het lot de beheersching der zee en den drietand, Doch mij zijn zij gegeven. De groote spelonken beheerscht hij, 140 Die gij, Eurus, bewoont ! Laat Aeolus trotsch daar pralen In zijn paleis en den kerker der winden, gesloten, beheerschen.quot; Alzoo spreekt hij en stild' in een oogwenk 't zwellende water. Drijft de verzamelde wolken uiteen, brengt weder het zonlicht. Cymothoe tracht samen met Triton uit al haar vermogen 145 l os van de klippen de schepen te stooten. Neptunus beurt zelf z Op met dendrietand, banend den weg, en de golven bedwingend. Glijdt hij met luchtigen gang in zijn voertuig snel over't water. Als, wanneer bij een massa menschen een oproer losbarst. Onaanzienlijk gepeupel in vreeslijke woede ontstoken, 150 lingertmetfakkelsensteenen, de wapens gereikt door den waanzin; laar, als dan soms een man van verdiensten en aanzien optreedt, wijgen zij stil en zij plaatsen zich bij hem en spitsen hun ooren; ! )oor zijne woorden beheerscht hij hun drift en beteugelt hun woede. Zoo ook viel de onstuimige zee, toen over het zeevlak 15o Weidend Neptunus 'toog liet gaan, en zijn paarden bestuurde, ^oor t ontfloersde gewelf en met vliegenden wagen zich repte.

ocr page 14

10

Moede beproeven Aeneas' vrienden de kust te bereiken, 't Dichtst in de buurt, en zij richten hun schip naar de Libysche kusten. Daar ligt diep in een inham een plaats, wier haven een eiland 160 Vormt door de ligging der kust, waartegen de baren zich breken, 't Water zich splitst en in altijd verdere kringen terugwijkt. Dreigend verheffen de rotsen zich, twee in getale, ter weerszij Richtend de toppen ten hemel, terwijl ver, onder de hoogten. Rustig de zee zwijgt. Boven verheft zich een ruimte met boomen, 165 Wieg'lend en ook nog een woud met zijn donkeren,ijzigen schaduw. Vlak aan de voorzij ziet g'een spelonk met haar hangende rotsen. Met zoet water gevuld, en natuurlijke banken van rotssteen, quot;t 1 luis door de nymphen bewoond; geen kielligt, moede, door touwen Vast, noch bindt haar het anker met grijpende haken aan d'oever, 170 Hier loopt, met slechts zeven der schepen, Aeneas binnen. Zeven van 'tgansche getal; door begeert' om te landen gedreven. Stijgen de Troers aan wal en bereiken de kust, die begeerd is. Leggen hun leden, die druipen van 't zeenat, neer op het zeestrand. Toen ontlokt' aan zijn vuursteen vurige vonken Achates, 175 Ving die op in de bladeren, stapeld' er voedsel, dat droog was, Rondom heen, en verwekte dtx vlam zoo, fluks in het rijshout, 't Koren door 't water bedorven, 't gereedschap, noodig voor

't voedsel.

Brengen zij moed' uit de schepen en trachten het graan, dat gered is, Tusschen de steenen te malen en dan in de vlammen te roosten. *180 Klimmend bestijgt nu Aeneas 't steile gevaart' eener rotsklip. Laat zijnen weidenden blik over zee gaan, of hij soms Antheus Ziet, door de golven geslingerd, of Phrygische schepen of Capys, Ook d' aan Caicus' steven van achteren hangende schilden. Geen schip wordt hij gewaar, doch ziet slechts dolende herten, 185 Drie in getal, op het strand; hen volgt nog een talrijke schare, Welke door't dal zich verspreiden om weidend het voedsel te zoeken. Aldaar stelt hij zich op, grijpt boog en gevleugelde pijlen. Welke Achates, zijn trouwe gezel, als zijn wapenen meedroeg. Treft dan d' eerste der leiders, die, met hun getakte geweien,

ocr page 15

11

19(' Hoog hunne koppen verheffen, en daarna treft hij de massa. Dan met zijn pijlen vervolgend verstrooit hij de schaar in de

wouden.

Niet eer staakt hij den arbeid, vóór hij ter aarde geveld heeft Zeven reusachtige dieren, en 'ttal aan de schepen gelijk maakt. Dan in den haven geloopen, verdeelt hij de buit met zijn vrienden. 195 Daarna deelt hij den wijn uit, welken de goede Acestes

Eens op 't Trinacrische strand, in de vaten geladen, ten afscheid Schonk bij het heengaan, dus de bekommerde harten vertroostend: „Makkers wij waren te voren met rampspoed niet onkundig. Zwaardere rampen verdroegt gij, een eind maakt God ook hieraan. 21' gt; Gij toch naderdet reeds tot de woedende Scylla, wier rotsen Luid inwendig weergalmen, gij kent bij ervaring het moordhol, 't Huis des Cycloops; vat wederom moeti,bant sombere vreeze. Wellicht zal de herinnering hieraan eens u verheugen.

Door veelvuldige ^ rampen en door zóóvele gevaren Gaan wij naar Latium heen, waar 't noodlot rustige woonplaats Aanbiedt. Daar mag Troje opnieuw weer bloeiend verrijzen. Slechts volhard! en u zelve bewaard voor een betere toekomst.quot; Aldus spreekt hij, en schoon hij door vreeslijke zorgen gekweld

wordt,

loont hij een vroolijkgelaat en verbergt in zijn ziele de droefheid. LM'/ Gene bereiden de buit van de jacht tot toekomstigen maaltijd. Sommigen trekken de huid van de ribben en openen 't lichaam, Eenigen snijden het vleesch, 't welk, lillend, zij steken aan

't braadspit.

Anderen plaatsen de ketels op 't strand en verzorgen de vuren. 1 hans, door het voedsel, herstellen de krachten, en, liggend op

't grasveld,

i Vullen zij zich met den geurigen wijn en het vleezige wildbraad. Toen men den honger door 't eten gestild en de tafel geruimd had, Spraken zij lang en betreurden de vrienden ontrukt uit hun midden. Dobberend tusschen de hoop en de vrees, of zij leven of dood zijn. Dus niet langer 't geluid van de roepende stemmen vernemen.

ocr page 16

220 Nu eens hevig den dapp'ren Orontes beweenend en dan weer Amycus, treurde de vrome Aeneas wegens het noodlot,

'tWelk wreed Lycas ontroofde, Gygas en den dapp'ren Cleanthus. Keeds was 't klagen gedaan, toen Juppiter, hoog in den aether. Zag naar de zee, door de schepen bevaren, de aard' in de diepte, 225 Kusten en volken in 'trond; aldus op den top van den hemel Stond hij en vestigde strak zijnen blik op de Libysche landen. Toen hij de zorgen gedurig herdacht, die zijn harte vervulden, Naderde Venus bedroefd, vol tranen de schitt'rende oogen. Aldus sprak z': „O, gij, die regeert over menschen en goden 230 Krachtens uw eeuwige macht en hun schrik aanjaagt door uw

bliksem,

Wat toch kon mijn Acneas, zóó tegen U misdrijven?

Voorts, wat deden de Troers, die zóóveel dooden betreuren, Nu toch dezen de aarde ontzegd wordt wegens Itaalje?

1 lieruit zouden gewis in den loop van den tijd de Romeinen, 235 't Heerschende volk ontstaan, het geslacht hernieuwend der

Teucrers,

't Welk volledig de zee en de aarde te zamen beheerschte. Aldus hebt gij beloofd. Wat heeft uwe plannen veranderd? Hieruit putte ik troost bij de smart over Trojes verwoesting, Stelde 't geluk in de toekomst tegen de rampen van heden. 240 Nog steeds volgt de ellende de mannen, getroffen door onheil. Wanneer maakt gij, machtige koning, een eind aan hun rampen? Ja, wel kon Antenor veilig, den Griekend ontkomend.

Binnen d'lllyrische bochten en diep in het land der Liburners Dringen en stevenen boven Timavus' bronnen en oorsprong, 245 Waar zich het water met negen ontzaglijke gaten een weg baant Door 't luid dond'rend gebergte en voort bruist, d 'akkers bedekkend: Maar, toch stichtte hij hier Patavium, zetel der Teucrers, Gaf aan het volk zijnen naam, aan de posten der tempels de wap'nen Hangend der Troers; hij leeft thans rustig in vrede en eendracht. 250 Ons, uw kroost, aan 't welk gij den burg van den hemel beloofd hebt.

ocr page 17

13

Geeft gij van schepen beroofd (afschuwelijk !) prijs aan de woede, Die slechts eene bezielt; ver weert g'ons af van Itaalje.

Loont gij de vroomheid zoo? Dus stelt g'ons weder in aanzien?quot; L.'55 Vriendelijk lachte de vader van goden en menschen haar tegen Met zijnen blik, waarmede hij hemel en weder verheldert; Kuste zijn dochter en sprak daarna op de volgende wijze; „Heb geen vrees, Cytherea, wat eens voor de uwen bepaald is. Staat onwrikbaar vast en gij zult de Lavinische veste,

200 Die ik beloofd heb, zien en verheffen den ed'len Aeneas

Hoog tot het hemelgewelf; niets is mijn gevoelen veranderd. Hij ('k maak 't u openbaar, daar dit de u kwellende zorg is, 'k Zal de geheimen van 't noodlot verder en breeder ontvouwen) Zal in Italië voeren ontzaglijken strijd, en de woeste 265 Volken verplett'ren, en wetten en steden den mannen verschaffen. 1 ot drie zomers den koning in Latium zagen regeeren. Ook drie winters het volk der Ruteliers is onderworpen. Echter Ascanius, thans lulus geheeten met name,

•Toen nog Troje bestond en in bloei was, heette hij llus) l-'/O Zal bij het rollen der maanden, gedurende dertig jaren,

/er zijn gebied uitbreiden, en 't rijk, van Lavinium voerend Brengen naar Alba Longa, 't welk hij met pracht zal bouwen. Dan zal Hector's stam drie eeuwen den zetel beheerschen Totdat Ilia zelf, priesteresse van koninklijk' afkomst, 275 Zwanger van Mars zal schenken een tweetal kind'ren het leven. Romulus zal daarna, met de huid eener rosse wolvinne, :,-ens zijne voedster, zich tooiend, ontvangen de macht, en de veste Stichten van Mars en naar zijn naam noemen het volk, de Romeinen.

k Stel dat volk geen palen of perken van macht en van tijden, 2S0 'k Gaf hun een eind'loos rijk. Ja, zelfs de verbitterde Juno, )ie thans vrees aanjaagt aan de zee en de aard' en den hemel, •al zich ten goede verand'ren en met mij het volk der Romeinen kweeken tot heerschers der wereld, het volk dat zich kleedt

met de toga.

ocr page 18

14

Zóó heb ik het bepaald. Eens zal in den loop van de tijden 't Huis van Assaracus, Phtia en tevens 't beroemde Mycenae 285 Slaafsch onderdrukken en trotseh over Argos zwaaien den scepter. Dan ziet Caesar 't licht, van het roemrijk geslacht der Trojanen, Door d'Oceaan zijn gebied, zijnen roem door de sterren begrenzend. Julius, die zijnen naam aan den grooten lulus ontleend heeft. Stel u gerust, want dezen, beladen met buit van het Oosten, 290 Neemt g' eens op in den hemel en hem ook brengt men geloften. Eindigt de strijd, dan zullen verzachten de tijden van ruwheid; d'Eerlijke Fides en Vesta, en Remus, verzoend met Quirinus, Zullen de vierschaar spannen. De heillooze poorten des oorlogs Sluit men met ijzer en knellende boeien. De razende woede 295 Zit op de wapenen binnen, door talrijke kluisters gebonden Op haren rug, en zij brult met haar bloedigen mond luid knarsend.quot; Aldus spreekt hij, en zendt uit den hemel Mercurius neder. Dat zich het land en de burcht van het nieuwe Carthago gastvrij Openen voor de Trojanen, en niet, onkundig met 't noodlot, 300 Dido hen were uit 't land. Hij doorklieft op zijn vleugels het

luchtruim;

Deze gebruikt hij tot roer en bereikt snel 'tLibysche kustland; Ras volvoert hij 't bevel, en de woestheid leggen de Poeners Af op den wil van den god en het eerst waart, gij koninginne Gunstig den Troers gestemd en betoondet uw goede gezindheid. 305 Veel overwoog in het nachtelijk duister de vrome Aeneas; Doch, toen Jt heerlijke licht weer aanbrak, ging hij naar buiten, 't Nieuwe gebied onderzoeken, en waar hem de storm deed landen. Wie het bewonen, (het schijnt een woestijn) 't zij mensch, 't zij

roofdier,

Wenscht hij te vorschen en dan zijn bevinding den makkers te

zeggen.

310 Onder de grot, die gewelfd en van allerlei zijden begroeid is, Bergt hij de vloot, door't geboomte bedekt met zijn ijzigen schaduw. Hierna gaat hij naar buiten, alleen vergezeld door Achates, Zwaaiend in iedere hand twee speren, met ijzer beslagen.

ocr page 19

15

Midden in 'tbosch kwam Venus, zijn moeder, hem tegen; in trekken, 315 ! Touding gelijk aan een maagd, met de wapenen eenerSpartaansche Maagd of gelijk Harpalyee, de Thracische paardenbedwingster, ! )ie in den loop overtreft zelfs Hebrus' gevleugelde wat'ren. Want, als ging zij ter jacht, zóó droeg z' op haar schouders een

handboog.

Licht hanteerbaar, en gaf hare haren den wind ter verstrooiing; 320 ' gt;ond met een knoop 't loshangend gewaad, niet dekkend de.knieën. Heidaar! riep zij het eerst, zegt jeugdige mannen, of gij hier xn mijner zusteren soms bij geval zaagt dwalen, behangen let eenen koker met pijlen en 't vel eener los, die gevlekt is; Vellicht volgde zij schreeuwend het spoor van een schuimenden

ever.quot;

325 y,oo sprak Venus; de zoong'at toen aan zijn moeder ten antwoord: „Geen uwer zusteren heb ik gehoord, noch mocht ik aanschouwen; O, gij maagd! hoe moet ik u noemen, de trekken eens sterv'Hngs Mist gij; uw stem is niet van een mensch. O zeker godinne! Wellicht zuster van Phoebus? Of misschien ééne der nymphen? 330 Wees mij genadig en wie g' ook zijn moogt, lenig mijn smarte. Zeg mij de streek van den hemel en noem mij de kusten der wereld Welke wij zwervend bereikten; met menschen en streek onkundig, Dwalen wij rond, hierheen door den wind en de golven gedreven. Dikwijls zal mijne hand op uw altaar vellen het offer.quot; .335 Poen sprak Venus: „Ik acht niet zulk eene eere mij waardig; 't Is bij de T3^rische maagden gewoonte den koker te dragen. Tevens met purperen jachtlaars hoog zich de kuit te omgeven, lyriërs ziet gij en 't Punische rijk en de stad van Agenor; Doch het gebied is Libysch, een volk door den krijg onbuigbaar. 340 Dido heeft het bestuur, die uit Tyrus, haar broeder ontvluchtend. Hierheen vlood; het verteilen van al hare tochten en onrecht Duurt mij te lang; dus zal ik u alles vertellen in hoofdzaak. Haar had eens Sychaeus getrouwd, die van al de Phoeniciërs t Rijkst was, teeder bemind door de ras ongelukkige vrouwe. ■ gt;-l-5 lij was t, die als een maagd'lijke bruid haar ontving van haar vader.

ocr page 20

16

Doch Pygmalion had over Tyrus de macht, die, haar voile Broeder, de anderen ver overtrof in geweldenarijen.

Gouddorst plaatste zich tnsschen hen beiden en vlak bij het altaar Velt hij, verblind door begeerte naar goud, wreedaardig Sychaeus 350 Argloos, heimelijk neer met zijn zwaard, om de liefde der zuster Niet zich bekreunend; verborg voor een tijd zijne daad, en de

snoodaard

Huichelde veel en bedroog door een ijdele hoop de bedroefde. Doch haar verscheen in den droom, van den reeds in de aarde

begraven

Echtvriend, 't beeld, en het bleeke gelaat, afschuw'lijk, verheffend, 355 Toonde hij 't altaar, waar zijne borst wreedaardig doorboord werd. Tevens onthullend de heim'iijke misdaad, welke zijn huis trof. Daarna raadt hij haar snel te ontvluchten en 't land te verlaten; Toont haar de vroegere schatten, verborgen in d'aarde, een massa Zilver en goud, om tot steun op haar tocht en tot hulpe te dienen. 360 Dido, hierdoor ontsteld, tracht makkers ter vlucht te verzam'len gt; Allen, die haatten den vvreeden tyran of hem doodelijk vreesden, Komen bijeen, en de schepen, die daar toevallig gereed zijn, Grijpen zij aan, hen beladend met goud. Pygmalions schatten Dragen zij weg over zee, en een vrouw is 't, welke hun aandrijft. 365 Daarna kwamen zij aan, waar thans gij ontzaglijke muren

Saam met den rijzenden burg van het nieuwe Carthago zien zult; Kochten den grond, naar de daad, thans Etyrsa met name geheeten, Zóóveel als met de huid van een stier kan worden omspannen. Maar wie zijt dan gij en uit wat voor gewesten afkomstig? 370 Waarheen richt gij uw koers?quot; Toen gaf hij der vraagster ten

antwoord.

Onder gezucht en hij haalde uit 't diepst zijner borst zijne stemme: „O, wanneer ik u van den beginne verhaalde, godinne.

Zoo gij om onze ellende geheel te vernemen den tijd hadt, Legd' eer d' avond den dag na 't sluiten des hemels ter ruste. 375 Ons, uit het vroegere Troje door talrijke zeëen gevaren, (Wellicht hebt gij den naam toevallig vernomen van Troje)

r

ocr page 21

17

Wierp aan de Libysche kusten de storm met zijn grillige vlagen, 'k Ben de godvruchtig' Aeneas, 'k voer met mij mee de penaten, Eens aan den vijand ontrukt; mijn naam steeg reeds tot den hemel. 380 k Zoek om Italië, 't land mijner vad'ren, en Juppiters nakroost. Twintig schepen besteeg ik en voer door het Phrygische zeevlak; k Volgde den weg, die mijn godd'lijke moeder mij wees, van

't noodlot.

Zeven door golven en winden gebeukt, zijn nauwelijks over. 'k Zelf doorreis de woestijnen van Libye, vreemden behoeftig. 385 k Ben uit Europa verdreven en Azie.quot; Venus verdroeg niet Weer, dat hij klaagde en sprak, hem te midden der smart onderbrekend :

„Wie gij ook zijt, ik geloof, dat gij leeft niet tegen der goden Wil, omdat gij, gered, bij de stad van de Tyriers aankwaamt. Ga slechts voort en begeef u van hier naar het huis der vorstinne. 390 Want ik voorspel, dat de vloot met uw makkers behouden terugkeert,

Welke door t draaien der winden in veiligen haven geland is; Als mijne ouders ten minste mij niet valsch leerden voorspellen. Zie naar het twaalftal zwanen, zich vroolijk in 't vliegen vermeiend. Welke, bij helderen hemel, de vogel van Juppiter, schietend 395 Hoog uit den aether, verjoeg; thans schijnen z'in driften de aarde Deels te bezetten en deels naar de aarde te zien, die bezet is. Zooals deze, ontkomend, op ruischende vleugelen vroolijk Vliegen, de pool in een zwerm omringen, 't gezang doen hooren. Zoo ligt ook uwe vloot en de jongelingsschaar die u volgde, 400 Reeds in den haven of valt daar binnen met zwellende zeilen. Ga slechts voort en gericht uwen tred, waarlangs u de weg voert.quot; Aldus sprak zij en glansde met rozigen nek bij haar heengaan ; Van haren schedel verspreidden een godd'Iijken geur hare lokken Louter van ambrozijn. Haar gewaad hing neer op de voeten. 405 Dat zij waarachtig godin was, bleek uit haar gang; hij vervolgde, 1 oen hij zijn moeder herkende, de vluchtende dus metzijn woorden: „Wat toch bedriegt ook gij, o moeder, uw zoon zóó dikwijls

ocr page 22

18

Onder een valsche gestalte, en waarom mag- ik uw hand niet Drukken en onder uw ware gedaante met u m'onderhouden?quot; 410 Aldus doet hij zijn moeder verwijten en gaat naar de muren. Venus echter bedekte de gaanden met donkere wolken,

Want de godin goot over hen henen een mantel van nevel. Opdat niemand hen zou zien noch konde betasten,

Noch weerhouden of wegens hun aankomst vragen de oorzaak. 415 Hoog door de wolken begeeft zij naar Paphos zich; blijde bereikt zij Weer haar verblijf; zij bezat er een tempel; op honderd altaren Brandde de Sabische wierook, geurden- de frissche festoenert. Snel ondertusschen begaan zij den weg, waar't voetpad heem gt; rt, Opwaarts gaan zij den heuvel, die boven de stad hoog uitsteekt, 420 Ook uit de hoogte den burg aanschouwt, vlak over hem liggend, 't Reuzengevaarte bewondert Aeneas (vroegere hutten);

Vol van verbazing beschouwt hij de poorten, 't gedruisch in de

straten.

Ijverig werken de Tyriers; sommigen trekken den muur op, Bouwen den burgtrans, went'len de steenen omhoogmet hun handen 425 Anderen eff'nen het erf voor hun huis, het met grond omgevend, [Kiezen de rechters, den heiligen raad en de overheidsambten']. Sommigen graven den haven en anderen leggen den grondslag Diep in den grond voor den schouwburg; zuilen geweldig van omvang

Houwen z'uit rotsen, ten einde 't toekomstig tooneel te versieren. 430 't Is zóó als, bij 't hernieuwen des zomers, de bijen de arbeid Voortdrijft over de bloemrijke velden bij dag, en zij voeren

't Jonge geslacht met zich mede naar buiten, ofstuwenden vloeih ren

Honig en vullen de vaten met zoeten en heerlijken nectar Of zij ontvangen den last van de komenden, óf in een schare 435 Weren zij af van de korven het luie geslacht van de hommels. Rust'loos zijn zij aan 't werk en van thijm riekt geurend de honig. „O! gelukzaligen, gij, voor wie reeds zich de muren verheffen. Zeide Aeneas en zag naar omhoog, naar de tinnen der daken; Binnen een nevel gehuld, ('t is wonderlijk dit te verhalen).

ocr page 23

19

Gaat en begeeft hij zich midden in 't volk; geen sterveling ziet hem. Lieflijk aan schaduw stond in het midden der stad een geheiligd Woud, waar, snel uit den grond, de door golven en stormen gebeukte

Puniers groeven het teeken, voorspeld door de vorst'lijke Juno. 't Hoofd van een vurigen klepper; het volk zou ^us in den oorlog Dapper zich toonen en steeds overvloedig het voedsel verkrijgen. Hier sticht Dido, uit Sidon, juno ter eere, een tempel Groot, met geschenken voorzien en beschermd door de macht der

godinne.

Koperen drempels en posten verhieven zich hoog op de trappen, Daaraan vast, luid knarste de pen van de koperen deuren. Hier in het woud wordt eerst zijne vreeze verzacht door een

zeldzaam

Schouwspel, 't welk zich hem voordeed; hier eerst durfde Aeneas Hopen op redding, en moed in zijn treurigen toestand vatten. Als hij nu alles beschouwt, aan den voet van denprachtigen tempel, Wachtend de komst der vorstin, en verbaasd naar den bloei

van de stad ziet, Slaat hij het moeilijke werk van de ijv'rende kunstenaars gade, Ziet er de Ilische slagen, gerangschikt volgens de orde.

Dien krijg, welken de faam reeds over de wereld verbreid had. Priamus, Atreus' zoons en Achilles op beiden gebeten. Schreiende stond hij en zeide: „Achates, is er een plaats nog Is er een streek op de aarde, die niet van ons lijden vervuld is? Zie hier Priamus. Hier wordt loon aan verdienste gegeven. Hier zijn tranen voor 't leed en men is door d' ellende getroffen; Vrees niet meer; onze naam zal mogelijk redding verschaffen! Aldus sprak hij en laafd' aan het ijdele beeld zijne ziele. Dikwijls zucht hij, zijn wangen met vlietende tranen besproeiend. Immers hij zag hoe de Grieken, die rondom Pergama streden. Hierlangs vluchtten, gedrukt door de jongelingsschare van Troje; Ginder de Phrygiers, welke Achilles, met wuivenden helmbos, Rijdend vervolgd'; onder tranen herkent hij aan 't blinkende zeildoek

ocr page 24

470 Resus' tent, die geheeld in den slaap, onder bloedige slacht Wreed overrompeld' en plunderde Tydeus' zoon Diomedes; Daarna dreef hij naar 't kamp diens vurige paarden, nog eer 't Voeder van Troje geproefd en den Xanthus hadden gedronk Troilus vlucht aan den anderen kant voort, zonder zijn wapei 475 Die met Achilles zich mat, de rampzalige, niet hem gewass Ijlings slepen de paarden hem, achter den ledigen wagen Hangende, voort; toch houdt hij de teugels; zijn nek en zijn ha Schuren den grond, en in 't zand trekt lijnen zijn lans, die gekeerd^ Troische vrouwen intusschen begaven, met hangende haren 480 Zich met een kleed naar den tempel der haar vijandige Pall Smeeken haar, droevig te moed', en slaan zich de borst met

handenis

Afwaarts wendt de godin zich en slaat hare oogen ter aar Driemaal sleepte Achilles het lijk met zich mede van Hecto Rondom lliums veste en loste voor geld den ontzielde. 485 Maar toen slaakte Aeneas een zucht, uit het diepst van z

boezem,.

Toen hij de wapens, den wagen en zelfs, ook t lijk van z

vriend zag,1,

Tevens nog Priamus waarnam, weerloos strekkend de bande; Ook zich zei ven herkende hij tusschen d'Achivische vorsten-Tevens d'Eoische schaar en de wapens van Memnon den Zwart 490 Dol leidt Penthesilea de schaar Amazonen, die dragen

't Halfrond schild, en te midden der duizenden brandt zij v

krijgsdrift;*

Onder de borst, die ontbloot is, draagt zij van goud eenen gord Durft krijgshaftig als maagd met de mannen den strijd t ondernem Toen nu Aeneas, vol van bewondering, alles aanschouwde, 495 Toen hij verbaasd, staroogend op één punt richtte zijn blikk Ging de vorstin, die in schoone gestalt uitblinkt, naar den temp Dido, welke een talrijke jongelingsschare omstuwde.

't Is, zoo als op Eurotas' overs of 't Cynthisch gebergte Gaat Diana ten reidans. Duizende nymphen der bergen

ocr page 25

21

00 Volgen en dringen zich om haar, zij draagt op den schouder den

koker,

Door haren gang steekt z' uit boven alle godinnen; (Latona Voelt dat een zalige vreugd haren boezem in stilte doortintelt) Zóó was Dido; aldus ging zij met vroolijke trekken Dwars door de schaar, die zij dreef tot het werk en het rijk

in de toekomst.

505 Daarna neemt z' aan de deur der godin, in het midden des tempels Plaats op den hoogen, haar steunenden, troon door trawanten

omgeven.

Recht deelt z' uit, ook wetten den mannen, verdeelt gelijkmatig, 't Moeilijke werk of zij wijst aan ieder zijn deel bij het werk toe. Toen ziet plots'ling Aeneas naderen onder een toeloop 10 Antheus, met hem Sergestus, en tevens den dapp'ren Cloanthus Nevens de and're Trojanen, die over de zee uit elkander Strooide de zwarte orkaan, die hen bracht naar verwijderde kusten. Dad'lijk ontstelde hij zelf, ook dad'lijk Achates, getroffen Deels door de vreugde en deels door de vrees; vol brandend verlangen

15 Weder elkander te reiken de hand; de onzekere toestand Brengt in verwarring en houdt hen terug, en omhuld in den nevel Trachten zij 't lot te bespieden der makkers, en waar hunne vloot is. Wat hun verlangen; uit ieder der schepen toch komen gezanten Smeeken, en gaan naar den tempel omringd door een schreeuwende schare.

20 Toen zij, naar binnengetreden, verlof om te spreken ontvingen, Voerd' op bezadigden toon 't woord Ilioneus, als de oudste. „O koningin, aan wie Juppiter gunde een stad te herbouwen. Ook d' ontembare volken met recht en met wetten te breid'len. Wij rampzalige Troers, door stormen verspreid op de wat'ren, 25 Smeeken u^ wil het afschuw'lijk verbranden der schepen beletten. Spaar 't godvruchtig geslacht, zie meer van nabij onzen toestand; B Niet ter verwoesting der Libysche huisgoón zijn wij gekomen. Noch om de buit, die wij u ontroofden, te slepen naar 't zeestrand.

ocr page 26

22

Niet past zulk een geweld ons gemoed, zóó'n trots den venvonn'ling 530 Westwaarts ligt er een streek, die de Grieken Hesperie noemen Oud is 'tland, door den vruchtbaren bodem en wapenen machtige Eens door Oenotrische mannen bewoond ; thans zegt men, dat 't

nakroost I

'tLand naar den koning genoemd heeft, 't volk het Italische heetend.j Miereen zetten wij koers.

535 Toen op de baren de buig' Orion, zich plots'ling verheffend, | (his naar onzichtbare platen van zand bracht, tijdens het woedend Spel van de winden en 'twassende water, en tusschen de klippe Strooide; alleen wij zijn uw kusten al zwemmend genaderd. Wat voor een menschengeslacht is dit? Waar vindt men gei

bruiken, ï

540 Zóó barbaarsch gelijk hier? Men verbiedt ons der strande

gastvrijheid. 'S

Stormende rukt men ten krijg, men ontzegt ons de kust te betreden. Zoo gij het mensch'lijk geslacht en de mensch'lijke wapenen minach ' Vrees dan ten minste de goden, gedachtig aan recht en aan onrecht t Koning Aeneas was 't, die gHtood over ons; geen ander 545 Blinkt meer uit door het recht of door godsvrucht, roem in de^

oorlog. |

Zoo slechts dezen het noodlot spaart en hij steeds op de aard^ Leeft en nog niet naar het gruw'lijke rijk van de schaduwen daaldq Vrees dan niet. 't Moog nimmer u rouwen, dat gij in het weldoei d'Eerste van allen geweest zijt. Ook op Sicilië vindt men 550 Steden, landouwen, en d'ed'len Acestes van afkomst een Troei? Gun ons de vloot, door de winden gebeukt, op de oever te trekker Boomen der wouden te houwen tot balken en riemen te schave Opdat, zoo het ons vrij staat koers naar Itaalje te zetten Weder vereenigd met makkers en koning, w' Itaalje bereike* 555 Is ons de redding ontnomen en kwaamt gij, Vader dei- 1 roer Om in de Libysche golven, verdween onze hoop op lulus, ^ Laat ons ten minste Sicanie's kust en 't gebied, dat ons opwachl Werwaarts w'hierheen kwamen, bereiken en koning Acestes.j

ocr page 27

23

Zoo sprak Ilioneus, en de schaar der Dardaniers toonde 560 Mompelend bijval.

Toen sprak Dido kort en zij richtte haar blikken ter aarde: ,,Bant uit uw harten de vrees, sluit buiten de zorgen, Trojanen! Drukkende tijden en 't korte bestaan van mijn rijk zijn d' oorzaak, Die mij tot zoo iets nopen, om ver mijn gebied te bewaken. 565 Wie kent niet het geslacht van Aeneas, wie niet Troje's

Vest' en den moed en de mannen, den brand en den vreeslijken oorlog?

Neen, zóó is niet 't hart, dat de Punier draagt, ongevoelig Noch zóó ver spant Sol van de Tyrische stad zijne paarden, 't Zij g' u het groote Hesperie, 't zij de Saturnische velden, 570 'tZij het gebied u van Eryx kiest en den koning Acestes,

'k Zal met mijn hulp en mijn macht u een veilig geleide verschaffen. Wenscht gij met mij tegelijk u in dit rijk neder te zetten. Uw stad is 't, die ik sticht. Op het land uwe schepen getrokken! Want ik zal den Trojaan en den Tyrier stellen op één lijn. 575 Ware uw koning Aeneas hier, tegelijk door den Notus Henen gedreven, aanwezig! Ik zelf zal zekere boden Zenden naar 'tstrand en het uiterste Lybie laten doorzoeken, Zoo hij geworpen aan wal in de wouden of steden soms ronddoolt.quot; Deze gezegden ontvlammen 't gemoed en de dapp're Achates 580 Brandt reeds lang van begeert' en met hem ook vader Aeneas 'tNev'lig omhulsel tc breken; Achates zegt tot den laatste; „Zoon der godin! Hoe is het besluit, 't welk thans in uw ziel rijst? Al, wat gij ziet, is veilig, gered zijn vloot en gezellen. Eén slechts mist er, wij zagen hem zinken te midden der golven. 585 Al, wat er verder geschied is, strookt met uw moeders gezegden. Nauwelijks had hij gesproken, of plotseling splijt het omhulsel, 't Welk hem omgaf, en het lost in de zuivere aether geheel op. Zie, daar stond nu Aeneas, stralend in schitt'renden lichtglans. Sprekend gelijk aan een god van gelaat en van schouders; zijn

moeder

590 Mad zeil' 't sierlijke hoofdhaar, 't purperen licht van de jonkheid.

ocr page 28

24

Vroolijken glans in de oogen geademd van hem, die haar zoon was. Zoools kunst'naars handen versieren 't ivoor, ot het zilver Schittert of 't Parische marmer, gevat in een gouden omzooming. Daarop richt hij tot Dido 't woord, en hen allen verrassend 595 Klonk zijne stem: „Ziet hier, ben ik, die door allen gezocht word. 'kBen de Trojaan Aeneas, ontrukt aan de Libysche wat ren. Gij, die alleen u erbarmt over 't vreeslijke lijden van Troje, Gij, die hetgeen aan de Grieken ontkwam, en op landen en zeëen Alle ellende ten einde verdroeg en aan alles gebrek heeft, 600 Naamt ons op in uw stad en uw huis. Wij hebben de macht niet Dido, u onzen waardigen dank te vergelden, en ook niet quot;tGansche Trojaansche geslacht, dat verspreid is over het zeevlak. Mogen, indien er nog goden bestaan, die op vroomheid letten. Zoo er gevoel voor het recht nog bestaat en een eerlijk geweten, 605 Deze u geven een loon uwer waard. Welk heugelijk tijdstip Bracht u voort? Wie zijn liet, die u, zóó edel, verwekten ? Zoolang stroomen in zeëen nog loopen, en schaduwen trekken Over de dalen der bergen, en sterren den hemel beweiden, Zal steeds blijven bestaan uw eer, uw naam, uw lofspraak, 610 Waar mij het noodlot roept, Zóó sprekende stak hij zijn rechter Hand aan ilioneus toe en hij gaf aan Serestus zijn linker. Dan aan de and'ren, den dapperen Gyges cn dapp'ren Cloanthus Sprak'Ioos bleef op het eerste gezicht de Sidonische Dido; Daarna wegens het wonderlijk lot van den man. 1 oen sprak zij: 615 „Welk lot drijft u, zoon der godin, door zulke gevaren?

WTat voor een macht dreef u naar de onherbergzame kusten? Zijt gij waarlijk Aeneas, Anchises gebaard, den Dardanier Door de lieftallige Venus, en dicht bij des Simois' wat'ren? Levendig staat het mij bij, hoe Teucer in Sidon aankwam, 620 Uit het gebied van zijn vader gebannen, en zocht naar een nieuw rijk. Steunend op hulpe van Belus, en deze, mijn vader, verwoestte. Cyprus' gezegende velden en zwaaide als heerscher der scepter. Reeds sin^s dien tijd ken ik van Troje 't rampzalige noodlot, Is uw naam mij bekend, ook die der Pelasgische vorsten.

ocr page 29

25

/Teucer, ofschoon den Trojanen vijandig, verkondde hun lofspraak, Wenschte zijn afkomst gaarne den ouden Trojanen t' ontleenen. iOp dus! jeugdige mannen, betreedt thans veilig mijn woning; Ste/Ook mij sleurde een lot, aan 't uwe gelijk, met zich mede ïDwars door vele ellende, en eindelijk liet het mij hier neer. l'k Leerde, door zelve te lijden, van anderen 't leed te verzachten.quot; !\ Aldus spreekt zij en voert in haar vorstelijke woning Aeneas. JPlTevens beveelt zij een offer van dank voor de tempels der goden.

Ook niet minder intusschen verzorgt zij zijn makkers door twintig ; , Stieren en honderd borst'lige zwijnen te zenden naar 't zeestrand. Ook, met hun moeders, het zelfde getal, van de vleezige lamm'ren Als een geschenk van de vreugde op dien dag.

't Binnenste deel van het huis, dat zij koninklijk, weelderig uitrust. Schittert van pracht en een gastmaal richt zij in 't midden van

't huis aan.

Kunstig bewerkte tapijten van 't oogenverblindende purper. Zilveren vaten versieren den disch, en der vaderen daden Prijken gedreven in 'tgoud en zij vormen een schakel van feiten. Die, van het vroegste bestaan, door zóóveel mannen zich voortzet. Nu (niet gunde de liefde des vaders hem rust in het harte) Zendt Aeneas Achates snel naar de schepen als bode,

Dat hij Ascanius 't meld' en hem zelf heen leide ter veste.

Want op Ascanius rust steeds teeder de liefde des Vaders. Tevens beveelt hij geschenken te brengen, ontrukt aan het zinkend Troje, een mantel, bezaaid met van goud geborduurde figuren, Nevens een sluier, omzoomd door een rand vaaden gelen acanthus, 't Sieraad eens van d'Argivische Helena, 't welk z'uit Mycenae, Toen zij naar Pergama ging om een wetloozen echt te voltrekken. Medegebracht had, quot;t prachtig geschenk van baarmoeder, van Leda, Ook nog den scepter, dien vroeger llione droeg als vorstinne, d'Oudste van Priamus' docht'ren, en daarbij van paarlen een

halssnoer.

Nevens een dubbele kroon, die uit goud en gesteenten gemaakt was.

de vloot zich Achates.

begaf

naai

Snel de bevelen volvoerend

ocr page 30

26

-

Echter op nieuw peinst Venus op listige lagen en plannenySfcd Dat in de plaats van den lieven Ascanias kome Cupido,

Maar van gelaat en van trekken veranderd, en prikk'le door gil 660 't Razend gemoed der vorstin en haar gansch met de liefdé ?

vervuW

Doch 't ontrouwbare huis en de huich'lende T3'riers vreest Juno's wreedheid kwelt haar en 's nachts keert telkens de zorg Mfeer»/i Daarom spreekt z' aldus tot haar zoon, den gevleugeklen Atnoir: „Zoon, die mijn eenige kracht en mijn eenige machtige steun;zijtji 665 Zoon, die den bliksem veracht, waardoor Juppiter dooddBi

Typhoeuijiii

'k Wend mij tot u en ik vraag als smcekeling dringend uw' bijstand, v Hoe door de haat der vijandige Juno uw broeder Aeneas jj|| Over de zee, langs alle de stranden geslingerd, gezweept w ordt,; Is u bekend; vaak was mijn smart van de uwe de oorzaaki^a 670 Dezen weerhoudt met haar vleiende stem de Phoenisische 'k Voel mij beangst, waarhenen zich Juno's gastvrije ontvanï Wendt. Niet zal zij verflauwen op 't allergewichtigste tijdsH Daarom ben ik van plan de vorstin met mijn listen te vangen;:! 'k Wil haar met liefde omsing'len alvorens een god haar verandl 675 Dat haar een krachtige liefde met mij, aan Aeneas verbinde^H Hoe dit is te verrichten door u, hoor thans mijne plannen. Volgens bevel van zijn vader bereidt zich de vorstlijke zoon vop Hij, mijne teederste zorg, de Sidonische veste te nad'ren, Dragend geschenken, gespaard door de zee en de vlammen va

Troje. j

680 Hem, door den slaap overmand, wil ik over het hooge Cythejl Of het Idalisch gebergte op heilige oorden verbergen.

Zonder dat hij mijne listige plannen bemerkt of verhindert.

Boots op bedrieg'lijke wijze zijn uiterlijk na voor slechts één nacl] Maak gij de trekken van 't kind, die gij kent, als een kind tot de uwi 685 Blaas, als d' overgelukkige Dido u op haar schoot neemt,

Tijdens het vorstelijk maal en het plengen der gave van Bacchufl Als z' u omhelzen en teeder met kussen u zal overladen.

ocr page 31

27

Heimelijk liefde haar in en vergiftig haar buiten haar weten.quot; Amor luistert naar 't woord zijner moeder; hij legt zijne vleugels Af, en hij bootst vol vreugd van den kleinen lulus den gang na. Venus intusschen bedauwt Ascanius' leen met een sluim'ring, Rustig en kalm, en zij koestert het kind in haar schoot en zij voert het .Heen naar het hooge klalische woud, waar geurend van bloesem omaèmt en hem dekt met verkwikkende schaduw. ifeaAmor blijde, en 't woord zijner moeder gehoorzaam, Ighgihij^geleid door Achates, de vorst'lijke gaven den Tyriers. | liaprthij .VBlSpheen, zat reeds de vorstin op de prachtige spreien, derizetel bedekten van goud, die in 't midden geplaatst was. komt met de jongelingsschare der Troers «£n\\iaen vleit zich alom op de purperen spreien ter neder. MiBülfSiven het water tot wassching der handen en halen korfjes en dragen ter drooging den glimmenden sg i^b -isfmari handdoek.

tTBiflB^naife pafejs zijn vijftig slavinnen, op welke de zorg rust

rechten op rijen, de huisgoon t' eeren met wierook, ncn en slaven, gelijk in getal en in leeftijd • tafels met kost'lijke spijzen en plaatsen de bekers.

TgjRtjbkeföcbÉtpen van Tyriers komen bijeen in de feestzaal; Di^qrjjfex^tgl hen uit zich te vleien op 't kleurige rustbed. Ir Aji^Ci-feftWOP^'ren Aeneas' geschenken, bewond'ren lulus,

i't-Sbhitt'rende vuur in de oogen des gods, de gehuichelde woorden, f t 't Kleed en den sluier, omzoomd met een rand van den gelen acanthus. BDoch d' ongelukkige 't meest, de Phoenicische, olTer van 't nad'rend lOnheil, kan zich het hart niet laven en gloeit bij 't aanschouwen, fDaar door den knaap en de gaven 't gemoed haar gelijk'lijk

geroerd wordt.

|Als hij, Aeneas omarmend, diens hals in omstreng'ling omvat had, j|n't Liefderijk hart des gehuichelden vaders met liefde verzadigd, jlt hij naar Dido. Hem hangt deze met oogen en borst aan, -oestert hem soms op haar schoot, niet wetende wat voor een

machtig

ocr page 32

28

God haar bezielt, haar ellendige. Niet ongedachtig aan d'

dracht,'

720 Welke zijn moeder hem gat', d' Acidalische, neemt hij allengskel Weg de gedacht' aan Sj^chaeus en tracht door een levende 't Hart, sints lang aan de liefd' ontwend en verkoeld, te verra Toen men voor 't eerst van den maaltijd rustt' en dej;afeisor Plaatsen z' ontzaglijke vaten en kransen de belwÉi 725 quot;t Gansche paleis galmt luid, door d' onmet'lijkéïeüsja Golvende stemmen; de hangende luchters Fonk'lend van goud, en den nacht overvvinrt^lSfdte1

rn r : fl

Toen eischt Dido de drinkschaal, zwaar doo^j

'SfdePS

Vult haar met wijn; ook Belus en allen, aaiW^j^H»! 730 Waren 't gewoon. Thans heerscht in 't paleis

„Juppiter, want naar men zegt, zijt gij de bescHërmer'-'

Geef, dat voor 't Tyrische volk en voor

Deze een feestdag zij. Dat ons nakroost dél Bacchus, schenker der vreugde en Juno, wi|M^

735 Viert gij, Tyrische schaar, den maaltijd vr Aldus sprak zij en plengende goot z' op dë:5i Toen zij geplengd had, raakte zij 't eerst

Daarna gaf zij haar Bitias noodend. Met krachtige teugea

Dronk hij de schuimende schaal, die van goud was, ledi§

bode|

740 Na hem dquot; andere grooten. lopas, met golvende lokken, Speeld' op zijn cither van goud, wat de roemrijke Atlas|

leerj

Deze bezong de verduist'ring der zon en den loop va

maanscl

Van waar 't mensch'lijk geslacht en het vee en de regd

't vuur sta

ocr page 33

29

Arcturus ook en de natte Hyaden en beide Trionen,

Waarom 's winters de zonnen zich zóó snel neigen ter kimme, Of weshalve de nachten hun loop zóó sleepend voleinden. Dikwijls klinkt van de Tyriers 't klappen der handen, de Troers Volgen hen. Dido tracht, de rampzalige, 't nachtelijk saamzijn Steeds door verschillenden kout te verlengen en zwijmelt van

liefde.

Nu over Priamus veel, dan veel over Hector vragend.

Dan, in hoedanige rusting Aurora's zoon zich vertoond had. Hoe Diomedes' span, hoe groot wel Achilles geweest was. Echter, welaan, zeg gast, van het eerste begin, mij de lagen Welke de Grieken u legden en tevens het lot van de uwen, Ook uw zwervingen, 't Is reeds 't zevende jaar, dat u voortdrijft. Dolend in alle gewesten der aard' en den golven ten speelbal.

ocr page 34

TWEEDE

Toen zweeg elk, en men richtte gespannen 't gelaat naar

sprekerf

Hoog van zijn rustbank sprak toen aldus vader Aeneas: | „O koningin, gij beveelt mij een naamlooze smart te hernieuw Als ik verhaal, hoe 't machtig' en diep treurenswaardige Tr| 5 Viel, door de Grieken verwoest; wat ik zelf voor ellende beleé. Waar 'k zóó zeer in gedeeld heb. Wie zou, zonder te ween Zóó iets kunnen vertellen, het zij IVtyrmidoon of Doloper,

't Zij een soldaat van den wreeden Ulysses? De vochtige na

spoedt

Reeds van den hemel; tot slaap overreden de zinkende sterr^ 10 Doch als zulk een begeerte u drijft om mijn lot te verneme Zoo gij in 't kort wilt hooren de jongste ellende van Troje Schoon bij herinnering 't harte mij gruwt en van rouwe terugdein'^ Zal ik beginnen. Gebroken door strijd en verstoeten door 'tnood Bouwen de leiders der Grieken, terwijl reeds zóóveel jaren ■ 15 Vloden, een paard aan 't gebergte gelijk, door de hulp, die h

Pallas?

Schonk; zij bekleeden de ribben met planken, gezaagd uit d

pijnboom.

Wenden het voor als offer van veilige thuiskomst; aldus Loopt het gerucht. Hier bergen zij mannen, gekozen bij lotin Binnen de donkere wanden, terwijl z' inwendig de groote 20 Holten van 't lichaam vullen met mannen, ten strijde gewapen Tenedos ligt in 't verschiet, 't Was eens door de faam een geprezei Eiland, machtig door rijkdom, zoolang Priamus heerschte. Thans slechts is het een bocht, een onveilige reê voor de schepe Hierheen zetten zij koers en verbergden op 't eenzame strand zie 25 Doch wij denken, dat zij naar Mycenae wendden den steven. Dies legt, na langdurige smart, heel Troje den rouw af.

BOEK.

ocr page 35

31

't Opent de poorten; het lust ons het Dorische kamp te bezoeken, Tevens de ledige plaatsen te zien en het strand, dat ontruimd is. Hier lag 't kamp der Dolopers, de tent was daar van Achilles. Ginder de plaats voor de vloot; daar placht men te velde te strijden. Sommigen staren 't verderf'lijk geschenk van de kuische Minerva Aan en bewond'ren de grootte van 't paard; 'teerst raadt ons

Th3-moetes

t Binnen de muren te trekken en hoog op den burcht het te plaatsen t Zij arglistig, het zij dus 't lot over Troje beschikte.

35 Capys echter en zij, die beter hun zinnen gebruiken.

Willen 't verdachte geschenk van de Grieken, dat schijnt te belagen. Slingeren èf in de zee en verbranden met vlammen van ond'ren, Of van de buik onderzoeken de ruimte en deze doorboren. Weifelend splitst zich de massa in meeningen, onderling strijdig. Daar ijlt allen vooruit en, omstuwd door een talrijke schare. Af van de hoogte des burchts Laocoon gloeiend van ijver. Roepend van ven': „Hoe groot, rampzaligen, is uw waanzin! Waant gij den vijand weg, of vermeent gij, dat Grieksche geschenken

Zonder bedrog ooit waren? Gij kent zoodanig Ulysses? 45 Ot hier zijn in het houten geraamte Achiven verborgen]

3t dit toestel werd ter bestoking der muren vervaardigd Ot eenig ander bedrog herbergt het. Trojanen vertrouwt niet t Paard; wat 't zij, 'k ben bang voor den Griek, al brengt hij

geschenken.quot;

Vldus sprak hij en slingerde krachtig d'ontzaglijke werpspies. 50 Vlak in de zijde van 't dier, waar balken, te zamen verbonden, Vor men den buik. Daar stond, daar trilde de speer, en getroffen, klonk luid 't holle gevaarte en slaakt' inwendige zuchten.

Vaie de wil van de goón ons genegen geweest, onze geest niet ' 'ündi hij hadd ons gedreven, met 't zwaard te doorboren den

. schuilhoek.

)5 I roje bestond thans nog en met haar, gij, Priamus' veste! ie, daar slepen de herders van Troje, met vreeslijke kreten,

ocr page 36

32

Achter den rug zijne handen gebonden, een knaap naar den koning, Die zich uit eigen beweging als vreemde den komenden voordeed Met juist deze bedoeling om Troje den Grieken te op'nen. 60 Vol van vertrouwen en tevens bereid tot volvoering van beiden, 't Zij zijne list te volbrengen, hetzij zeer zeker te sterven. Alom komt nieuwsgierig de jongelingsschare uit Troje Aan, en omstroomt hemen tracht om strijd den gevang'ne te honen. Hoor nu de listen der Grieken en leert het karakter van allen 65 Kennen uit één misdaad.

Toen hij voor d' oogen van allen in 't midden, ontroerd en

ontwapend.

Stond en de Phrygische scharen met weidende blikken aanschouwde,

„Wee! welk land (zoo sprak hij) of water verleent mij een

toevlucht ?

Of wat blijft er ten slotte voor mij, ongelukkige, over? 70 Die geen plaats meer heb bij de Grieken, van wie de Trojanen Bloedige straf bovendien, door de wrake gedreven, nog eischen?quot; Aller gezindheid wordt door het klagen veranderd, en elke Aanval zwijgt. Men gebiedt hem zijn afkomst mede te deelen, Of wat hij wil, waarom hij vermetel zich zeiven ons prijs gaf. 75 [Na het verbannen der vrees laat gene zich aldus hooren :] „'k Zal, o koning, u alles bekennen naar waarheid, zegt hij. Wat er van kom': ik beken het, ik ben van Argolischen bloe' Dit vooreerst; want, maakte het noodlot Sinon ellendig,

Niet zal 't, snood, tot bedrieger en ijdelen lieger hem maken 80 Wellicht kwam Palamedes' naam bij gerucht u ter oore, ■.amp; Belus' zoon, en zijn roem door de faam alomme verkondig Dien, onschuldig, de Grieken, dewijl hij hen scheen te verra Snood, op een schand'lijk bewijs (want hij ontried hun den oork Doemden ter dood. Thans treuren z' om hem, die van 't leve

beroofd is.

85 Hem, tot een makker des krijgs en aan dezen verwant in den bloede. Zond mijn behoeftige vader m' op jeugdigen leeftijd herwaarts

ocr page 37

33

Zóólang- deze voorspoedig regeerd' en bij vorsten van invloed Was in den raad, zóólang was mijn naam mede in aanzien. 90 Doch toen deze door nijd van den sluwen Ulysses van d' aarde Heenging ('k zeg voorwaar geen zaken in 't duister verborgen) Sleept' ik ellendig mijn leven in duisternis voort en in droefheid, Was over 't lot van den schuld'loozen vriend bij mij zelf verontwaardigd !

Dwaas, die ik was, 'k zweeg niet; zoo eenmaal 't lot het mij gunde, 95 Zoo 'k in mijn vaderlijk Argos ooit overwinnend terugkwam, Zwoer ik zijn wreker te zijn, en een heftigen haat, door mijn

woorden.

Wekte ik op. Dit was het begin van mijn val; sints dien tijd Joeg mij Utysses door nieuwe beschuldiging schrik aan, strooide Onder 't gemeen dubbelzinnige taal, en bewust van zijn misdaad 100 Zocht hij bestendig den weg tot mijn dood; tot Calchas hem

bijstond —

Doch waartoe te vergeefs u het onwelkome herinnerd? Waartoe talm ik, indien gij de Grieken op één lijn allen Stelt, en hun naam te vernemen genoeg is? Straft mij onmidd'lijk 't Is van Ulysses de wensch; rijk zullen d'Atriden 't u loonen.quot; 105 Brandend verlangen wij toen naar de oorzaak vorschend te vragen. Niet met de grootte bekend van de listen en lagen der Grieken. Bevend vervolgt hij en spreekt aldus in geveinsde ontvoering: „Dikwijls wenschten de Grieken de vlucht te beproeven uit Troje, Door 't langdurige strijden vermoeid aan den krijg zich t' onttrekken.

(Och of zij 't hadden gedaan!) doch vaak weerhield hen het ruwe Weder op zee, en verschrikte, op 't punt van 't vertrek, hen de 'is Auster.

Toen vooral, toen reeds dit paard, uit ahornen gebinten Samengeweven, gereed was, dreunden de buien in quot;t luchtruim. Aarzelend zenden w' Eurypylus uit om te vragen Apollo's 115 Wil, en hij brengt dit wreede bevel uit het binnenst des tempels: «pens door het bloed eener maagd, hebt gij, o Grieken! de winden

ocr page 38

34

Kunnen verzoenen, en zijt naar de Ilische kusten gekomen ; Thans moet weer door het bloed de terugtocht worden verkregen, Weer dient 'toffer te zijn een Argivische maagd.quot; Nauw hoorde 120 't Volk dit woord of't verstomde, en schrik deed allen verstijven, Wien zij ter dood wel bestemden, en wie door Apollo geeischt werd. Onder het luide getier sleurt voort naar het midden Ulysses Calchas den ziener, en vraagt op gebiedenden toon de bedoeling Dezer bevelen der goden, en velen voorspelden mij toen reeds 125 quot;t Wreed misdrijf van den veinzerd of zagen in stilte mijn toekomst. Gene bewaart 't diepst zwijgen, een tiental dagen en zorgzaam. Weigert hij iemands naam te verraden of geeft hem den dood prijs. Eind'lijk, door 't luide geschreeuw van Ulysses gedreven, verbreekt' hij

quot;t Zwijgen, gelijk men bepaalde en wijst mij aan voor het altaar.' -£130 Toen stemd' elk er in toe en wat elk als gevaar voor zich duchtte. Wendde hij af van zich zelf ten verderve van éénen rampzal'gc. Reeds naakt d'onheilsdag; men bereidde zich voor tot mijrf,io'Ter, Mengde de gerst met het zout, en men bond om mijn Slapen

den haarband.

'k I leb mij ('k beken het) den dood onttrokken, verbrak mijne boeien, 135 Schuild' in den nacht, mij verbergend in 't riet van een slijkerig

meertje.

Zóólang tot zij de zeilen ontplooiden; indien zij het deden, 'k Heb geen hoop thans meer om mijn vroegeren grond te aanschouwen.

Noch mijne dierbare zoons en mijn vader, dien 'k vurig terugwensch. Wellicht zullen z' om mijn vlucht, boete van hen gaan eischen, 140 Ja! door den dood der ellendigen mijn schuld wrekend veréfFnen, 'k Smeek dus u bij de goon, de bewuste getuigen der waarheid, 'k Roep bij d' onkreukbare trouw, zoo deze nog ergens ter-gereld Is bij de menschen, betuig onder zóóveel lijden uw deerTiis, Toon uw erbarmen met hem, die onschuldig het leed moet dragen.' 145 Hem, die in tranen zich baadt, wordt 't leven geschonken uit deernis. Priamus zelf aeeft 't eerst het bevel om den man van de haiSdboei,

ocr page 39

35

Nevens den knellenden keten t'ontslaan en hij zegt hem welwillend: „Wie g'ook z\]t, niet langer de Grieken herdacht; gij verloort hen. Thans zijt g'één van de onzen; beantwoord dit mij naar waarheid. KI50 Waartoe plaatsten zij dit reusachtige paard en op wiens raad? Wat is 'tdoel? Is 't goden gewijd óf is het een krijgstuig?quot; Aldus sprak hij, en gene, doorkneed in de listen der Grieken, I lief tot den hemel zijn handen, bevrijd van de boeien, en spreekt dus: „IJ, o eeuwige sterren en uw onschendbare machten, 155 U, roep 'k aan tot getuigen, afschuwelijk outer en slachtmes Die ik ontvlood, en den haarband, welke mij tooide als offer, 'k Mag met het recht thans breken, dat eens mij verbond aan

de Grieken,

'k Mag thans haten de mannen en ieder geheim openbaren Wat zij verborgden; mij bindt geen wet van het land mijner vad'ren. 160 Houd gij slechts uw belofte, bewaar uwe trouw bij uw redding, Troj' als 'k waarheid spreek en u loon met een groote vergelding. Alle verwachting der Grieken, en hoop op den zege des oorlogs Rustt' op de hulpe van Pallas steeds. Doch sedert de snoodaard Tydeus' zoon en Ulysses, de smeder van iedere misdaad, 165 't Waagden om Pallas' beeld, waar Troje's behoud op rustte. Uit den geheiligden tempel te sleuren en, doodend de slotwacht, Grepen het heilige beeld en met schennende, bloedige handen Durfden den maagd'lijken band om het hoofd der godinne be-

zoed'len,

Sints dien tijd ontvlood en vervloeide de hoop van de Grieken, 170 Waren de krachten gebroken en was de godin hun vijandig. Duidelijk gaf de Tritonische dit door de teekens te kennen. Nauw stond 't beeld in het kamp, daar flikkerden tint'lende

vlammen

Op in haar oog, dat gesperd was. 't Ziltige zweet van haar leden Druipt, en zij zelf springt driemaal op van den grond, (o wonder!) 175 Dragend een klein rond schild en een trillende lans in haar handen. Dadelijk raadt nu Calchas de vlucht over zee te beproeven; Want, datPergama niet door d'Argolische wapens verwoest wordt.

41

-ÉSB

ocr page 40

36

Vóór men te Argos de teekens hernieuw', en verzoene de godheid [Die z'over zee in hun schepen, gebogen van kielen, ontvoerden]:-180 Dat zij den koers thans richtten en zeilden naar 't oude JV^'cenae/, 't Is om de goden tot makkers ten strijd te verwerven, en ijlings Keeren zij weer over zee; zóó luidt de voorspelling van Calchas. Voor het Palladium, ook tot een zoen voor den hoon dergodinne. Stelden z'op zijn raad thans dit beeld tot verzoening der schending. 185 Maar dit reuzengevaarte, van eiken gebinten vervaardigd,

Hoog te verheffen ten hemel, gebood het bevel ons van Calchas, Opdat 't niet door de poorten of binnen de muren gevoerd werd'. Noch door de vroeg're vereering het volk zou kunnen beschermen. Want sloegt gij uwe schennende hand aan 't geschenk van

Minerva,

190 Dan zou 't Phrygische rijk, ook Priamus, treffen een vrees'lijk Onheil (mogen de goden op zijn hoofd wenden de uitspraak!) Doch zoo 't opwaarts klom in uw stad, door uw handen getrokken. Dan zou Azië zelf tot de muren van Pelops komen.

Krachtig ten strijde gerust; dit lot zou wachten ons nakroost.quot; 195 Dergelijke listen en streken van Sinon, sluw en meineedig,

Schenkt men geloof en voor list en gehuichelde tranen bezwijken Zij, die noch Diomedes, noch de Larisser Achilles,

Noch tien jaren bedwongen en ook niet talrijke schepen. Grooter en erger te vreezen vertoont er zich plots'ling een ander 200 Teeken, en brengt nog meer in ontroering het hart der rampzal'gen. 't Lot wees aan tot Neptunus' priester Laocoon; deze Slachtt' een ontzaglijken stier op het outer, gewijd door de offers. Zie (o! 'k ijs bij 't verhalen) daar schuifelt een tweetal slangen Voort, in ontzaglijke kringen, van Tenedos over de kalme 205 Zee en beproeft gelijktijdig al zwemmend de kust te bereiken. Tusschen de golven verheft zich haar borst, en haar bloedige

manen

Steken er ver boven uit, en het achterste deel van haar lichaam Strijkt langs 't zeevlak; kronkelend buigen z'in bochten de ruggen, 't Schuimende zeenat bruist. Aan het strand reeds zijn zij genaderd

ocr page 41

37

210 't Flikkerend oog- met een vurigen gloed en met bloed overtogen, Likken zij steeds met haar trillende tongen haar sissende bekken. Ijlings, bestorven door d'aanblik, vluchten wij. Doch met een

zekeren

Gang gaan zij op Laocoon al; eerst strengelen beiden Zich om het tengere lichaam heen van een tweetal kind'ren, 215 Klemmen het vast en zij vreten al bijtend d'ellendige leèn af. Daarna grijpen zij hem, die te hulpe hun snelt met zijn wapens, Aan; met reusachtige krommingen sling'ren zij zich om hem henen. Tweemaal reeds zijnen middel omvat, en het schubbige lichaam Tweemaal slaand' om zijn hals, steekt boven hem 't hoofd en

de nek uit.

220 Gene beproeft met zijn handen onmidd'lijk de knoopen te ontwarren,

-Schoon reeds 't zwadder en 't zwarte venijn van zijn haarband

afdruipt.

Ijlings verheft hij zijn brullend geschreeuw naar omhoog, tot

de sterren,

Zooals luide de stier, die gewond aan het outer ontkomen. Brult, en den bijl, die hem onvast trof, uit zijn nek weer afschudt. 225 Doch naar omhoog, naar den tempel ontvlieden de schuif'lende

slangen

Beide,, en richtend haar loop naar den burg der verbolgen Minerva, Schuilen zij onder den rand van het schild en de godd'lijke voeten. Doch, toen sluipt in het angstig gemoed van ons allen een nieuwe Vrees, en men mompelt: „Laocoon boette verdiend voor zijn

misdaad,

230 Daar hij het heilige houten gevaart' met zijn werpspies wondde, Door met misdadige lans in den rug het geweldig te treffen.quot; „'t Beeld naar den tempel gevoerd, de godinne gesmeekt om

genadequot;,

Roepen zij uit.

Wij nu vernielen den muur en verschaffen ter veste den toegang; 235 Elk slaat ijv'rig de handen aan 't werk, en de glijdende rad'ren

ocr page 42

38

Leggen wij onder de pooten en binden de strikken van hennep Vast om den hals. 't Noodlottig gevaarte beklimt onze muren Vol met gewapenden. Jongens en jeugdige meisjes in 't ronde Zingen er heilige lied'ren en scheppen behagen in 't trekken. 240 quot;t Nadert, en dreigende glijdt het naar voren, naar'tmiddender veste. Ilium, stad mijner vaderen, woning der goon, door den oorlog Roemrijke stad der Dardanen! quot;t Ge vaart' bleef, juist op den drempel. Viermaal staan; in de buik klonk viermaal 't wapengekletter. Maar toch varen wij voort, onoplettend, en, blind door de dolheid, 245 Stellen wij quot;t onheilspellend gedrocht in den heiligen burg op. Ook toen opent Cassandra den mond ter voorspelling der toekomst. Zij, die op godd'lijk bevel bij de Teucriers nimmer geloofd werd. Wij ongelukkigen, wien die dag zou zijn als de laatste, Kransen de tempels der goón in de stad met festoenen van lover. 250 Onder het went'len des hemels verrijst uit de wat'ren het nachtelijk Duister, dat binnen zijn schaduw d' aarde, den hemel, de listen Muit van de Myrmidonen; de Teucriers zwegen en lagen Neder, verspreid door de stad; slaap hield de vermoeiden bevangen. Toen ging reeds de Argivische schaar met de vaardige schepen 255 Henen van Tenedos; onder het zwijgende, vriend'lijke maanlicht Richt zij den koers naar het strand, haar bekend, toen 't koninklijk vaartuig Plotseling g'eeft het signaal, en, beschermd door degoón ons vijandig, Sinon de Grieken bevrijdt in de holte besloten, en heim'lijk Opent het ruim, dat hen bergt. Het geopende paard geeft deze 260 Weder terug aan de lucht, en verheugd, uit het eiken gevaarte Komen Thessandrus en Sthenelus, ook de wreedaardig'Ulysses, Glijdend aan 't hangende touw, naarbeneên; Acamas, ook Thoas Peleus' zoon Neoptolemus, dan de gevierde Machaon, Ook Menelaus en hij, die 't paard voltooide, Epüus.

265 Toen overvalt men de stad, die door slaap en wijn overmand was. Schildwachts werden geveld, en door wijd ontslotene poorten Neemt men de makkers, hereenigd, bewust van het plan in de

stad op.

ocr page 43

39

't Was voor de sterflijke menschen het uur, datcle lieflijke nachtrust 't Eerst hen bevangt en als heerlijk geschenk van de goón tot hen

voortsluipt.

270 Zie,daarwas,naarhetscheen,inmijnslaapvoormijnoogenaanwezig Hector, jammerlijk droevig, vergietende stroomen van tranen. Als weleer hem 't tweespan sleurd' en hij vuil door de stofwolk. Bloedig, zijn voet doorboord door de knellende riemen, gesleept

werd.

Wee mij ! Welk een gezicht! Hoe was hij verschillend van Hector, 275 Die met de rusting getooid van Achilles, roemrijk terug kwam, Of, die het Phrygische vuur in de schepen der Grieken verstrooide; Morsig van baard en met haren, gekleefd door het bloed tot

een massa,

'tLijf overdekt met de wonden, bij 't vaderlijk Troje ontvangen, Groot in 't getal! Ja, 'k droomd', onder tranen, uit eigen beweging 280 Richtend 't woord tot den man, dez' droevige woorden te uiten: „Gij, o licht van Dardanie, zekere hoop van de Teucrers, Wat weerhield zóó lang u? Uit welk oord zijt gij gekomen Hector, dierbaar verlangd? Hoe zien wij vermoeid u weder. Nu zóó velen der uwen bezweken, en menschen en veste 285 Veel leeds trof! Wat heeft onwaardig uw heldere trekken Dus misvormd? Waarom zie 'k deze ellendige wonden?quot;

Doch hij bekommert zich niet om het geen ik vergeefs hem

gevraagd heb;

Maar uit het diepst zijner ziel, bij het slaken der zwaarste verzuchting.

Spreekt hij: „ontruk u, ontvlucht, o godd'lijke telg aan de vlammen! 290 Reeds is Troje, gestort van zijn voetstuk, prijs voor den vijand. Doch wij streden genoeg voor de stad en voor Priamus; want war' Troje te redden geweest, mijn hand zou 't hebben verdedigd, 't Draagt u met al het geheiligde ook op zijne penaten;

Neem die mee als geleid' in uw lot, zoek muren voor deze, | 295 Welke gij, na uwe zwerving op zee, eerst zult gaan bouwen.quot; Aldus sprak hij en droeg met zijn handen uit 't binnenst des tempels

ocr page 44

40

't Beeld en de banden en Jt eeuwige vuur van de machtige Vesta. 't Jammeren klinkt ondertusschen in stad, op verschillende plaatsen; Luider en luider, ofschoon van den weg stond 't huis van mijn

vader,

300 't Huis van Anchises, 't welk zich verschool in het loof van de

boomen.

Galmt liet gedruisch en vermeerdert het vreeselijk wapengekletter, 'k Vlieg uit mijn slaap overeind, en al klimmende ben ik gekomen Tot aan den nok van het huis, en ik sta en ik spits mijne ooren. 't Is, als 't vuur, bij de woedende winden, gevallen in 't graanveld, 305 Of de, den bergen ontsproten, geweldige, woedende schietstroom d'Akkers vernielt en de welige vrucht en het werk van de ossen. Tevens de boomen ontwortelt van 't woud; met verbazing de

herder

't Bruisend geluid waarneemt op den top van het hooge gebergte. Toen eerst blijken ten volle de trouw en de lagen der Grieken 310 Reeds was 't groote gebouw van üeiophobus nedergeworpen Onder de wakk'rende vlammen, en reeds Ucalegon's woning, 't Naast, brandt; wijd weerspiegelt Sigeums zee quot;door den

vuurgloed.

't Schreeuwen der mannen verheft zich gelijk met de klank dei-

trompetten.

Zinn'loos grijp ik de wapens, ik weet niet of zij mij baten, 315 Doch mijn gemoed wenscht vurig een krijgsschaar samen te

brengen.

Tevens den burg te bezetten; mij drijven de toorn en de woede; Heerlijk en schoon schijnt't toe mijnen dood bij het strijden te vinden. Doch zie, Panthus, 't zwaard van de Grieken met moeite ontkomen, Panthus, Othrys' zoon, van den burg en van Phoebus de priester, 320 Draagt in zijn hand de verwonnene goden en 't offergereedschap. Trekt zijnen kleinzoon voort, richt ijlings zijn schreên naar den

tempel.

„Panthus, hoe staat thans ons behoud? Hoe treft men den

burg aan?quot;

ocr page 45

41

Nauwelijks had ik gesproken, of hij geeft zuchtend ten antwoord; „Dez* dag brak als de laatste, en niet te ontkomen, voor Troje 325 Aan. Wij Troers bestonden, en Ilium ook en der Teucrers Heerlijke roem; doch Juppiter heelt, in zijn woede, naar Argos Alles gebracht, en de Grieken beheerschen de brandende veste. Hoog op den burg staat 't paard en het giet de gewapende mannen, Stroomend naar buiten, en Sinon sticht, als een honend verwinnaar, 330 Brand. Bij de wijd ontslotene poorten bevinden zich and'ren. Zóóveel duizenden ooit uit het machtig Mycenae kwamen. And'ren bezetten de engten der straten en weren den vijand Af met hun wapenen, 't Vlijmende staal van het flikkerend slagzwaard

I's tot het moorden gereed; de bewakers, die vóór aan de poort

staan,

335 Voeren met moeite den strijd, en me^ wanhoop bieden zij weerstand.quot;

Door die woorden van Othrys' zoon en den wil van de goden, Snel ik den brand te gemoet en den strijd, waar d'oorlogsfurie. Waar het geraas en geschreeuw, 't welk stijgt tot den hemel,

mij heenroept.

Ripheus voegt zich bij mij als gezel, en die schitterd' in 't strijden 340 Epytus, onder het schijnsel der maan; ook Hypanis, Dymas Sluiten zich vast bij mij aan tot een drom, en de jonge Coroebus, Mygdon's zoon, die toevallig in dien tijd Troje bereikt had. Deze, in 't harte ontvlamd in krankzinnigen min voor Cassandra, Trachtte als schoonzoon hulp te verleenen aan Priamus, tevens 345 'tPhrygische volk; ongelukkige, die, wat zijn bruid hem voorspelde. Nimmer geteld had.

Toen ik hem samengepakt, en met moed om te strijden bezield zag, Voegd' ik nog dit aan hem toe: „O, makkers, vergeefsch is

uw strijdlust;

Hebt gij het zekere plan mij, 't uiterste wagend, te volgen, 350 (Immers gij ziet, hoe treurig het thans met de zaken gesteld is» Al de onsterflijke goden verlieten hun tempels en outers.

ocr page 46

42

Op wie dit rijk steunde: gij helpt uwe stad, die aireede Brandt;) komt, laten wij sterven, in't midden ons storten des vijands! Dit slechts is ons behoud, niet langer op redding te hopen!quot; 355 't Dappere hart van de jeugd wordt toen door de woede geprikkeld. Toen, als roovende wolven, door razenden honger gedreven. Woedend hun leger ontvliên, en de achtergelatene welpen. Wachten met dorstige keel, gaan wij, door vijand en wap'nen, Zeker den dood te gemoet, en wij nemen den weg, die door

't midden

360 Loopt van de stad; met omhullende schaduw omgeeft ons het

duister.

Wie kan 't moorden verhalen van dien nacht, wie mij de dooden Tellen, of wie de ellende met tranen voldoende beweenen? d' Oude, gedurende talrijke jaren, beheerschende veste Stort in elkaar, en op straat en verspreid in de huizen en tempels 365 Ziet men ter nedergeveld een ontzaglijke massa van lijken.

't Zijn niet slechts de Trojanen, die boetend hun leven verliezen; Somtijds keert zelfs weder de moed in de borst des verwonn'lings; Dan valt ook d' overwinnende Griek; alomme vertoont zich Bloedige rouwe en angst en de dood in veelvuldige vormen. 370 't Eerst van de Grieken ontmoet ons Androgeos, dien eene groote Schaar begeleidt; in de meening, dat wij tot zijn makkers behooren. Spreekt hij uit eigen beweging ons vriendelijk toe met de woorden: „Mannen bespoedigt den tred. Wat doet zóó lang u verwijlen? 't Brandende Pergama rooven en plunderen d' andere makkers; 375 Doch kwaamt gij eerst nu van de hoog zich verheffende schepen?''' Aldus sprak hij en dad'üjk (men gaf hem een niet te vertrouwen Antwoord) zag hij zich zeiven gevallen te midden des vijands; Stom van verbazing weerhoudt hij zijn tred en met dezen zijn

woorden.

Zooals, wie in de stek'lige doornen met kracht op een slang trapt 380 Onvoorziens, en met ijlende schreden voor 'tdier op de vlucht gaat, 't Welk, staalkleurig van hals, zijnen toorn doet rijzen, en opzwelt, Zoo wild' ook zich verwijd'ren Androgeos, angstig bij d' aanblik;

ocr page 47

43

Doch nu stormen wij aan met gewapende, dichte geled'ren. Alom vellen wij hen, die de plaats niet kennen en vreezend 385 Sidderen, neer. In den aanvang- steunt het geluk onzen arbeid. Moedig van aard, maakt 't slagen Coroebus geheel overmoedig; „Waar de fortuin ons het eerst, o makkers, den weg onzer redding Wijst en zich gunstigbetoont, dus sprak hij, vervolgen wij daarlangs; Laat ons van schilden verand'ren en passen de rusting der Grieken. 390 Want, wie vraagt er naar moed ofnaar list, zoo'tgeldt zijnen vijand? Zeiven verschaffen zij wapenen.quot; Aldus sprekende legt hij 't Schitt'rende, sierlijke schild en Androgeos' helm met den pluim-

bosch

Aan, als zijn rusting en gespt het Argivische zwaard aan zijn zijde. Dit doet Eipheus, dit Dymas, tegelijk met de gansche 395 Jongelingsschare, verheugd; elk tooit de zoo even verkregen Buit, en wij gaan, door- een god (nietd' onze) geleid, tot de Grieken. Zeer vaak komt het tot treffen, en strijden w' in 't nachtelijk duister; Diep naar des Hades' afgrond zenden wij velen der Grieken. Sommigen vluchten uiteen, naar de schepen, en trachten het veilig 400 Strand te bereiken, en anderen klimmen door schand'lijke vreeze Weer in het paard; in de buik, hun bekend, zich een schuilplaats zoekend.

Wee! dat men tegen den wil van de goden op niets mag rek'nen! Zie! daar sleept men met hangenden haardos weg, uit Minerva's Heiligen tempel, de maagd Cassandra, Priamus' dochter. 405 Die hare vlammende bogen vergeefs opsloeg naar den hemel, d' Oogen alleen, want boeien weerhielden de teedere handen. Doch dit schouwspel duldde Coroebus niet in zijn woede. Blindelings wierp hij zich neer in het midden der schaar om testerven; w' Allen, wij volgen hem na en in dichte gelederen stormen 410 w' Aan. Hier worden wij 't eerst van de tinne des tempels door

d'onzen

Nedergeveld, en een vreeslijke slachting ontstaat door der wap'nen Aanblik, ook door de dwaling verwekt door den Graischen

helmkam.

ocr page 48

44

Toen, onder kreten van woed'en in toorn om de maagd, die ontrukt is, Stormen de Grieken gezamentlijk aan; d'ontembare Ajax, 415 Beide d' Atriden en ook der Dolopers vereenigde schare.

't Is, als soms, bij het plotseling breken des dwarrels, de winden Strijdig elkander bekampen, de Zephyrus, Notus en Eurus, Trotsch op zijn oostersche paarden; 't woud kraakt, diep uit den

afgrond

Nereus schuimend de wateren stuwt met zijn woedenden drietand. 420 Zelfs zij allen verschijnen, die wij in het nachtelijk duister

Hebben verstrooid door bedrog en, door alle de wijken der veste jagend, verdreven; z' erkennen het eerste de schilden en valsche Wap'nen en wijzen 't verschil, dat bestaat in hun taal, aan elkander. Dadelijk zijn w'overmand door 't getal; door Peneleus' handen 425 Sneuvelt als d' eerste Coroebus bij 't outer der strijdbare godinne. Ook valt Ripheus, hij, die van al de -Trojanen het meeste 't Recht lief had en de waarheid 't trouwste van allen betrachtte. (Anders besloten de goon); ook Hypanis sneuvelt en Dymas, J)oor hunne makkers geveld; noch gij vondt baat in uw vroomheid, 430 Panthus! tegen uw val, noch hielp u Apollo's haarband.

Gij, o Ilische asch, gij, vlam, die de mijnen verteerdeftt,

Weest mijn getuigen, dat ik, bij uw val, geen pijl of gevaren Meed in den strijd met de Grieken en, zoo in het boek van 't noodlot Mijn val ware bepaald, ik dien door mijn strijden verdiend had. 435 Iphitas samen met Pelias rukken zich los met mij; (genen

Drukten de jaren, en dezen vertraagde een wond van Ulysses) Snel door het jamm'ren te hulpe geroepen naar Priamus' woning. Maar hier zien w' een ontzaglijk gevecht, als ware er nergens Eenige strijd, als liet geen mensch in de veste het leven, 440 Zóó fel woedt d' ontoombare krijg, zóó snellen de Grieken

Voort naar 't paleis en versperren den drempel met 't schilddak.

Ladders

Zijn aan de muren gehangen, en vlak bij de deurpost klimt men Op bij de sporten en houdt met de linker de schilden, zich dekkend Tegen de pijlen, en klampt met de rechter zich vast aan den gevel.

ocr page 49

45

Maar de Dardaniers rukken de torens en 't dak van de woning Ganschelijk los^ en zij willen met dit soort wapens zich weren, Daar zij, den dood voor de oogen, in 't uiterste uur des gevaars zijn. Balken met goud overtogen, een sieraad eens hunner vad'ren. Storten zij neer: doch anderen trekken hun zwaard en bezetten d' Ingang; dezen bewaken zij nauw met gedrongene scharen. Weder herleeft onze moed om het vorst'lijk verblijf te ontzetten. Hulp aan de mannen te bieden, de kracht des verwonn'lings

te sterken.

Tusschen de woning van Priamus was een, van buiten onzichtb're. Deur en een gang, die de deelen verbond van het huis, en van

acht'ren

Vond men een poort, waardoor d'ongelukkig' Andromache dikwijls. Zoolang 't rijk nog in stand was, zonder gevolg naar haar ouders Ging, en haar kleinen onwilligen zoon Astyanax meetrok. Daarlangs vind ik den weg naar de opperste spits van den gevel. Waar d'ongelukkige Troers vergeefs hunne wapenen sling'ren. Daar hief, juist op den rand van het dak, zijne spitse een toren Hoog tot de sterren, vanwaar men de Troische veste geheel zag. Ook de Dardanische schepen en tevens het kamp der Achaeers. Dezen nu vatten wij aan in het rond met den moker, ter plaatse. Waar men de balken van 't dak slechts los aan den toren gehecht vindt.

Rukken hem los van zijn zetel en duwen hem; plotseling valt hij Krakend ineen onder puin en bedekt de Danaische benden Ver in het rond, doch anderen treèn in hun plaats en intusschen Houdt noch 't werpen met steenen of wapenen op.

Vlak bij het voorhof zelf zwaait Pyrrhus zijn wapenen juichend Vóór op den drempel, en schittert, door 't glanzende licht van

zijn pantser,

Als eene slang, die, verzadigd van giftige kruiden, aan quot;t licht treedt. Welke gezwollen, door koude des winters bedekt in de aarde. Thans, van 't omhulsel bevrijd, zich, vernieuwd en in schitt'rende ■ya» jonkheid.

itquot;

WÊW Plpv

fm

Itlamp;i

ocr page 50

46

Kronkelt met giibb'rigen rug en met hoog zich verheffenden boezeidfej 475 't Zonlicht zoekt; en d'in drieën gespletene tong in den bek sisti' Periphas' groote gestalt' en de drijver van 't span van Achilles,! Automedon, en met dezen vereenigd de Scyrische krijgsjeugd Dringt reeds binnen de woning en slingert de vlam naar den gevel. Zelfbij de eersten, den bijl met de handen omklemmend, vernielt Bij, 4.S0 't Krachtige hout van den drempel en rukt uit de pennen de kop'ren Deur; reeds hieuw hij een balk uit den drempel en kloofde de eiken Planken der deur en bewerkt' aldus eene gapende op'ning. ■ 't Binnenst van 't huis ligt bloot en de rij van de lange vertrekken 5

gt;riamus woond' en te voren de oude gebieders;

W

aar eens

Thans staan vóór bij den ingang tal van gewapende mannen.: Doch het inwendige huis weerklinkt van geween en ellcnd jamm'ren, en luid weergalmen de binnenste zalen van 't vrouw 'lijk Rouwmisbaar, het geroep dringt door tot de gouden gesternten. Zie, daar dwalen de moeders beangst door de holle vertrekken, 490 Houden de zuilen omvat, ze bedekkend met kussen ten afscheid. Pyrrhus dringt met zijns vaders geweld; noch sloten of wachtiü® Kunnen zijn kracht weerstaan; daar waggelt de deur door den

stormram i

Dikwijls gebeukt, en de posten, ontwringd aan de hengsels,

bezwijkegliyj

Wapengeweld baant't pad ; de naar binnen zich dringende Grieken 495 Breken zich toegang, vellen de wachters en vullen den omt^èk Wijd met hun schaar. Niet zóó stort, na het verbreken der dijken, Schuimend zich buiten de oevers de stroom, en verzwelgt injzijn

kolketf

't Geen hem weerstaat; in zijn woede met golvengevaartert lt;je

akkeÖ\gt;

I

Dekkend, en sleurt met de stallen het vee. Neoptolemus zag'ik Zelf bij den moord in zijn woed', op den drempel de beide Atrid^n, Hecuba saam met haar honderd dochters, en Priamus bloecfe^d . 't Vuur, door hem zeiven gewijd, op het heilige outer ontwijdra.'* Zie, die vijftig vertrekken, de bloeiende hoop op het nakroost,

485

500

ocr page 51

fWiwÉWgetooid met het goud, den barbaren ontrukt, en trofeën SRjtWeifeineen; waar 't vuur niet woedt, daar woeden de Grieken. Iftamp;t wenscht gij te weten het einde van Priamus. Toen hij en 't vallen der veste aanschouwd' en den drempel

der woning

rukken, en ook, dat de vijand midden in quot;t huis was, oude zijne rusting vergeefs op zijne bevende schoud'ren, n-atin het dragen 'ontwend, en hij gespte het nutteloos |: - slagzwaard

MW, hij wierp zich, den dood te gemuet, in het dichtste

des vijands.

. »Meri (fin 't vorstelijk huis, door het zonlicht vrij'lijk beschenen ■m* ëèn ontzachelijk outer; een eeuwen bestaande laurierboom er naast, die de huisgoön dekkend omhulde met schaduw, 'i.-. 'Wêi ■aat Hecuba neer met haar dochters, het outer omklemmend, . Sfe'stóil schietende duiven ontvloön aan den donkeren stormwind, t' elkaar, en z' omvatten vergeefs van de goden de beelden;

■ ■■' pOfeb^oodra zij in jeugdige wapenen Priamus zelf zag,

hem toe: „Wat waanzin, dreef u rampzalige gade quot;quot;'O ifeöV öm met 't zwaard u te gorden? Of waarheen ijlen uw ■ schreden?

Koèb^feene hulpe of zulke verdedigers eischen de tijden Neen Hector zelf zou hier geen hulpe verleenen, ■IV'R-örfintoch hier aan mijn zij; dit outer beschermt of allen,

gij sterft met ons saam!quot; Zóó spreekt zij en naast hare zijde zij den grijsaard op en zij plaatst hem op heiligen zetel, zie, een van de zonen van Priamus, 't moorden ontkomen, te ontvluchten, Polites, dwars door de pijlen des vijands, S jfeaflgs den oneindigen gang, en doorloopt de verlatene zalen '■Örttipend van bloed. Hem vervolgt vol woede met dreigende

wonde

iSm-t '«^rhus; bijkans grijpt hij hem vast en doorboort met zijn f' speer hem.

pöën hij ten slotte ontkwam voor het oog en den blik zijner ouders.

ocr page 52

48

Stortte hij neer en in bloedige stroomen ontvlood Toen kon Priamus, schoon hem den dood reeds dreigefl Niet zich bedwingen om langer zijn stem en zijn toorn] 535 Mogen de goön, dus roept hij, voor zulk een misdafl Zoo er ten minst' in den hemel een macht woont,

lerL

U eenen waardigen dank en het loon, u verschok U, die mij dwongt om den dood van mijn zoon vooft

t' aanscf

m'*

58

158

U, die den blik van den vader met 't bloed van

Jekl

540 Waarlijk, Achilles, uit wien gij uw afkomst valschelijfc^ Was nooit zoo tegen mij, zijnen vijand; doch hij edp 't Recht van bescherming des smeek'lings, en gaf, tefc

vast1

't Zielloos lichaam weder, en liet naar mijn rijk mijffl Aldus sprekende zond nu de oude het macht'loos 545 Krachtloos af, dat terstond van het heesch weerklinkt! Stuitte, en zonder gevolg aan den knop van het schild bfi^ Toen sprak Pyrrhus: „Thans zult gij, als bode, mijölt;J Peleus' zoon, dit melden; gedenk hem mijn schand Mede te deelen, en hoe Neoptolemus' ziele ontaard 550 Sterf thans.quot; Aldus sprekende sleurt hij den bevende vó )uist naar het outer, en hem, die in 't bloed van zijn dierbarql(!| Grijpt hij in 't haar met zijn linker en heft met zijn rechter he||iii Zwaard en hij stoot hem het staal tot aan het gevest lipr Dit was Priamus' eind'; zóó nam, door beschikking, 555 Hem, die van Troje den brand en van Pergama't vallen aanf Weg, en die eens over Azie's volk'ren en landen de Krachtig gezwaaid had. 't Hoofd van de schouders g

het 1

't Welk geen naam meer draagt en een romp is, ligt op het; Toen eerst maakt' een afschuw'lijke angst van mijn hl

1T

1.

ocr page 53

49

560 Roerloos stond ik; het beeld van mijn dierbaren vader verrees mij, Toen ik den koning, in jaren gelijk, door de vreeslijke wonde Zag uitblazen den adem; Creiisa, de arme verlat'ne,

Rees voor mijn geest, het geplunderde huis en het lot van lulus. 'k Zie om mij heen, en ik monster de macht, mij nog overgebleven. 565 Allen onttrokken zich moed' aan den strijd; deels sprongen z'in

wanhoop

Neer van de muren ter aard', deels wierpen zij zich in de vlammen. Zoo was ik alleen dus overig, toen ik gewaar werd Tyndarus' dochter, die Vesta's drempel bewaakte en heim'lijk Schuilplaats zocht in den tempel; de heldere vlammen verschaften 570 Licht bij mijn dolen, terwijl mijne blikken zich rust'loos wendden. Zij, die om Pergama's val voor den haat derTrojanen bevreesd was, Tevens de straf van de Grieken, den toorn des veriatenen gades Duchtte, voor Troje en 't land, dat haar baard', een gelijke

verderfgeest.

Had zich verborgen, en zat bij het altaar neer, de gehate! 575 Ras ontbrandt mijne woede: de toorn doet 't plan bij rijzen IVoje's verwoesting te wreken door 't straffen van haar, die

misdaan heeft. Zal zij, gered, Mycenae, stad harer vad'ren, en Sparta Weerzien, zal zij gaan als vorstin bij 't verwerven des zeges, (Zal zij zien haren man en haar huis, hare ouders en kind'ren)? jt 580 Dicht door de Troische maagden omstuwd en de Phrygische i dienaars?

Priamus zou dus sneven door 't zwaard? Zou Troje verbrand zijn? Zou het Dardanische strand door het bloed zóó dikwijls gedrenkt zijn?

Niet aldus. Want geve de straf, aan een vrouwe voltrokken. Geen gedenkwaardigen naam, zij zonder den roem ook de zege, M585 Nochthans zal men mij prijzen, dewijl ik verdelgde de schandvlek. Haar, die 't verdiende, bestrafte, en mijn hart zal zich verheugen. Wijl ik mijn wraak aan haar koeld' en de asch van de mijnen

verzoende.quot;

ocr page 54

50

'tStormd' aldus in mijn ziel, en ik werd door de woede geslingerd, Toen mijne moeder, nog- nooit voorheen zóó duidelijk zichtbaar, 590 Mij zich vertoonde en straald', in den nacht, in den heldersten

lichtglans,

Lieflijk en schoon als godinne, gelijk zij zich pleegt te vertoonen Tusschen de hemelbewoners, in hooge gestalte; zij greep mij Vast bij de rechter, en sprak bovendien met haar rozige lippen: „Zoon, wat hevige smart wekt dus uwe toomlooze driften'; 595 Waartoe woedt gij? of waarheen week de gedacht' aan mij van u? Zult gij u niet veeleer om uw vader Anchises bekomm'ren, Waar gij den grijsaard liet, of u gade Creüsa gespaard is?-Ook of Ascanius leeft? Men allen omgeven de Grieksche Dwalende benden en, zoo niet mijne bescherming hen hoedde, 600 Rukten de vlammen hen weg en verslond hen het staal van den

vijand.

Niet de gehate gestalte van Helena, Tyndarus' dochter.

Noch de beschuldigde Paris, doch de hardvochtige goden, Goden verwoesten het rijk, zij slingerden Troje van 't voetstuk. Zie slechts toe; (want 'k zal van uw oogen den nevel ontrukken, 605 Welke uw sterflijke blikken verstompt, en met vochtige dampen U in het duistere hult; vrees niet; alwat u uw moeder Opdraagt, weiger het niet; doch luister naar hare bevele Waar gij de wallen geslecht, en gerukt ziet steenen van steenen, Waar gij de golvende rook met het stof ziet kronk'len te zamen, 610 Schudt Neptunus de muren, en rukt met zijn machtigen drietand z' Op van den wagg'lenden grondlaag, sleurt van haar zetel de

ganschi.

Stad. Daar staat bij de Scaeische poorten de woedende ju no Vóór aan de spits, en zij roept van de vloot de verbondene scharen, Razend, omgord met het zwaard.

615 Zie, op de tinnen des burgs de Tritonische Pallas troonen.

Glanzend bestraald door een wolk en den gloed van de grimmige^

Gorggt; i.

Juppiter zelve verschaft aan de Grieken den moed en de krachten.

ocr page 55

51

Hij wekt zelve de goden ten krijg met de Troische wapens. Zoon! vlucht ijlings van hier, maakt thans aan uw zwoegen een

einde:

620 Nergens u ver, voer 'k veilig u heen tot den drempel uws vaders.quot; Aldus sprak /ij en hulde zich dicht in een nachtelijk duister. Woeste gestalten vertoonen zich toen aan mijn blik der aan Troje Groote vijandige goden.

Toen eerst zag 'k, hoe Ilium gansch in de vlammen ter neer zonk. 625 Hoe het Neptunische Troje geheel tot den bodem verwoest werd. Zooals boeren om strijd op het hooge gebergte den ouden Esch rondom met hun bijlen behouwen, en dezen herhaald'lijk Trachten t' ontwort'len, en hij voortdurend met schuddenden

loofkruin

Waggelt, en siddert en beeft in zijn takken, en dreigend ten val neigt, 630 Totdat, langzamerhand hij, door wonden venneesterd, ten afscheid Slaakt eene zucht, en den bergen ontrukt, in den afgrond tuimelt. Onder 't geleide eens gods daal ik af en ik vind mij een uitweg, Dwars door het vuur en den vijand; pijlen en vlammen toch wijken. Maar toen 'k reeds van de woning mijns vaders den drempel

bereikt had,

635 'tOucle verblijf, toen weigert mijn vader, dien 'k hoog naar't

gebergte

Wenschte te voeren, tot wien ik het eerst mijn schreden gericht had,

Wijl thans Troje verwoest is, 't leven nog verder te rekken, 't Lot van den balling te dragen: „Gij, die nog jeugdig van bloed zijt. Gij, wier lichaam-steeds zijne vroegere sterkte bewaard heeft, 640 Denkt aan de vlucht.

Wilden de hemelsche goön mijn leven nog rekken, zij hadden Dit mijn verblijf mij gespaard, 't Was meer dan genoeg, dat

ik eenmaal

Troje's verwoesting aanschouwde en 't nemen der stad overleefde; Legt mij ter neer op het praalbed, roept mij het laatste vaarwel toe, 645 'kVind mijnen dood in den strijd, of de vijand zal zich erbarmen,

ocr page 56

52

Wijl hij mijn rusting begeert. Licht valt het gemis der begraving; 'k Ben reeds lang bij de goden gehaat en ik slijt mijne jaren Nutt'loos, sedert de vader der goón en de koning der menschen Mij met het stormende vuur van den bliksem beroerde en aanblies.quot; 650 Aldus sprak hij beslist, en hij bleef in zijn meening volharden. Wij daarentegen, die smolten in tranen, mijn gade Creüsa, Ook Ascanius, 't gansche gezin, wij smeeken mijn vader Toch niet alles te gronde te richten, te pressen het noodlot. Weig'rend volhardt hij bij'tplan en hij wil van zijn plaats niet wijken. 655 'k Spoed mij opnieuw naar denstiijd, en ik wenseh, rampzal'ge,

te sterven.

Want welk' andere redding of welk plan bleef mij nog over? „Dacht g' o vader, dat ik, u ooit zou kunnen verlaten, Kon zóó'n gruwelijk woord aan den mond van den vader ontvallen? Zal, naar den goden besluit, niets meer van de machtige stad zijn, 660 Zijt g' onwrikbaar besloten bij 't zinkende Troje te voegen U en de uwen, tot dien dood staat voor u open de toegang. Ras komt Pyrrhus nabij, die nog druipend van Priamus' bloedbad, Slachtte den zoon voor de oogen des vaders, en dezen bij 't altaar. Dat was 't, lieflijke moeder, waarom door het vuur en de wap'nen 665 Gij mij ontruktet, opdat ik in 't midden der woning den vijand Zag', en Ascanius, ook mijnen vader, met deze Creüsa,

d'Een in het bloed van den ander vermoord, met mijn oogen

aanschouwde ?

Brengt mij mijn wapenen,mannen,mijn wapenen ! 'tis onze sterfdag. Geeft mij terug aan den Griek ; staat toe, dat ik 'tstrijdenhernieuwe, 670 Geenszins sterven wij, zonder de wraak,, thans allen te samen.'J 'k Gord mij met 't zwaard toen aan, en ik hechtte mijn linker

aan 't handvat

Vast van hetschild, en ik rep mij in vliegende vaart uit mijn woning. Doch bij den ingang, zie ! daar sloeg om mijn knieën mijn gade Knellend haar armen en hield mijnen kleinen Lflus mij tegen. 675 „Zoekt gij den dood, neem ons met u mede in alle gevaren ; Doch zoo g'eenige hoop op behoud hebt, na uw ervaring.

ocr page 57

53

Wees dit huis vóór alles ten steun. Wien laat gij lulus,

Wien uwen vader en mij, die gij eens uwe gade genoemd hebt?quot; Aldus jammerend, vulde zij 't gansche gebouw met haar klachten, 680 Toen zich een plotseling nauw te vertellen verschijning vertoonde. Want, zie! tusschen ons beiden en vóór het gelaat der bedroefde Ouders vertoont zich voor't hoofd van lulus een flikk'rende vlamspits, Welke een glans uitgiet, en wij zien een onschad'üjke vuurtong Lekken de glanzende baren, en spelend de slapen beweiden. 685 Wij, door de vreeze beangst, wij rukken het brandende hoofdhaar Uit en wij blusschen het heilige vuur met het water der bronnen. Doch toen hief tot de sterren mijn vader Anchises de oogen, Blijde en strekte zijn handen al smeekende uit naar den hemel : „Juppiter, alles vermogende God, zoo g' eenig gebed hoort, 690 Zie ons in dezen toch aan, en indien wij 't verdienen door vroomheid, Schenk dan verder uw hulp, o vader, bevestig het teeken.quot; Nauwelijks uitte de grijsaard 't woord, of met plotseling kraken. Donderde 't links, en een ster schoot neer door den nacht uit

den hemel,

Achter zich voerend een fakkel met wijd zich verspreidenden

lichtglans.

695 Deze, die over de tinnen van 't huis gleed, zagen wij schitt'rend Teek'nen den weg en zich bergen in 't woud op het Idagebergte ; Daarna liet zij een vore, met lichtenden streek, van zich achter. Rookende dampten de plaatsen van zwavel alom in het ronde. Toen is eind'lijk mijn vader verwonnen en richt zich ten hemel, 700 Spreekt tot de goden en roept in gebeên tot het heilig gesternte; „Neen, thans draal 'k niet langer, ik volg, waarheen gij mquot; ook

leidet,

Goön mijner vad'ren, bewaart mijn geslacht en behoudt mijnen

kleinzoon.

Want dit is uw teeken, en gij laat Troje herrijzen;

'k Geef mij gewonnen en, zoon, niet weiger ik u te verzeilen.quot; 705 Aldus sprak hij en luider verneemt men het knett'ren der vlammen Door de gebouwen; de golvende gloed van den brand komt nader.

ocr page 58

54

Kom dus, dierbare vader, en zet u op mijn nek neder;

'k Neem op mijn schouderen zelf die last: niet zal hij mij drukken, Hoe ook valle het lot, slechts één en hetzelfde gevaar is, 710 Eén heil, beiden beschoren. Geleide de kleine lulus,

Waar quot;k ook ga mijne schreden, en volge mijn gade van verre. Gij, mijne dienaars, richt uwen geest op hetgeen ik u aanwijs. Buiten de stad ligt hoog op een heuvel een tempel, aan Ceres Vroeger gewijd, en een oude cypres daarnaast, dien de vad'ren 715 Talrijke jaren ontzagen en spaarden uit heiligen eerbied. Daarheen komen wij samen bijeen uit verschillende richting. Draag gij, vader, het heiligste mee en de oude penaten,

Ik, die uit zulk eencn oorlog keer en nog druip van het bloedbad. Mag niet deze betasten, aleer mij het stroomende water 720 Hebbe bespeeld.

Aldus sprak ik en boog mijnen hals en mijn krachtige schouders; 'k Legde een kleed en de huid van een rossigen leeuw daarover, 'k Vleide mij onder mijn last. Rechts klemde mijn kleine lulus Stevig mijn hand en beg'leidde met korteren schreden zijn vader. 725 Achter mij volgde mijn gade; wij vlièn langs duistere paden. Schoon slechts lang geen enk'le geslingerde pijl mij ontrustte, Noch de verzamelde benden der Grieken, die over mij stonden. Maakt thans 't minste geritsel mij bang, en het suizende koeltje, Mij, die gelijkelijk sidder en beef voor mijn last en geleide. 730 'k Naderde reeds tot de poorten, en meende te hebben ontvloden Alle gevaar, toen plots'ling 't geluid van een talrijk getrappel Drong tot mijn oor, naar ikdacht,en mijn vaderin'tnachteüjkduister Uitziend', riep: „O zoon, vlucht, vlucht, reeds nadert del* vijand! quot;kZie reeds 't stralende schild en den flikk'renden glans van het

koper.quot;

735 'k Weet niet welk een vijandige macht, m'in mijn schrik overmannend. Snel mij ontrukte 't verwarde verstand, want toen ik een zijweg Volgde en week van de richting van 'tpad, dat ons allen bekend was, Ach! bleef toen mijne gade Creüsa, ontrukt door het noodlot, Achter, verdwaalde z' op weg, of zette zij moede zich neder?

ocr page 59

55

740 't Is m' een geheim; want nimmer verscheen zij mij weer voor mijn

oogen.

'k Zag niet eer het gemis en ik richtt' op haar niet mijne aandacht, Voor wij den heuvel en tempel van d'oudeerwaardige Ceres Hadden bereikt; hier eerst, toen allen zich hadden verzameld, Miste z' alleen; voor haar makkers, haar kind, haren gade ontbrak zij.

745 Wien heb 'kniet van de menschen of goden waanzinnig beschuldigd !

Wat kon wreeder mijn oog bij 't verwoesten der veste aanschouwen ?

'k Draag aan mijn makkers Ascanius op en mijn vader Anchises, Ook de Trojaansche penaten en berg z'in het dal, dat zich kronkelt. Zelf keer 'k weer naar de stad en omgord mij met glinst'rende

wapens.

750 't Staat bij mij vast het gevaar te hernieuwen en weder te keeren, Door gansch Troje opnieuw den gevaren mijn hoofd tquot; onderwerpen. Eerst kom ik weer bij den muur en den donkeren drempel der

poorten,

Waarlangs 'k uitging; 'k volg nauwlettend mijn sporen, terwijl ik Rugwaarts loop, in het nachtelijk duister en vorsch met mijn

oogen.

755 Rondom siddert mijn geest, ja zelfs mij beangstigt de stilte. Daarna ga ik naar huis, of zij wellicht daar hare schreden Richtte. De Grieken bezetten geheel mijne woning en waren Binnen gestormd; het verslindende vuur, dat de wind naar het

dak drijft.

Golft; hoog steken de vlammen er uit en verheft zich de

vuurgloed.

760 Voorwaarts ga ik en kom tot den burg en tot Priamus' woning Reeds; in de ledige hallen van Juno's tempel bewaakte Phoenix de buit, met den woesten Ulysses tot wakers gekozen. Hierheen waren, den brandenden tempels ontrukt, de Trojaansche Schatten gevoerd; hier hoopt men de tafels der goden te samen

ocr page 60

56

765 Op met het vaatwerk, louter van goud, en d' ontroofde gewaden. Kind'ren en moeders, voor het !ot, dat hun wacht, door de

vreeze beangstigd.

Staan in een kring er omheen.

Ja zelfs, waagde ik 't luide mijn stem in den nacht te verheffen ; 'k Vulde met kreten de straten en riep om Creüsa herhaald'lijk, 770 Droevig vergeefs, en ik noemde haar telkens en telkens met name. Toen ik haar eindloos zocht in de huizen der stad in mijn wanhoop. Scheen mij het droevige beeld en de schim van Creüsa voor de

oogen

Zelve te staan, in een grooter gestalte dan vroeger bekend was. 'k Stond stom, 't haar overeind, in de keel bleef steken mijn stemme. 775 Toen sprak zquot; aldus m' aan, en ontnam door mij mijn zorg-

door de woorden : „Wat toch lust het u zóó om waanzinnig, uw smarte te voeden. Lieflijke ga ? Niet zonder den wil van de goden geschiedt dit, Niet staat 't noodlot toe, dat gij herwaarts voeret Creüsa Als gezellin, noch hij, die gebiedend beheerscht den Olympus. 780 Lang duurt 'tzwerven voor u, ver moet gij beploegen het zeevlak. Voor g' in Hesperie komt, in het land, waar tusschen de vette Velden der mannen, de Lydische Tiber met kabb'lenden loop vloeit. Daar is weelde uw deel, en een rijk en een vorst'lijke gade Zijn u beschoren ; vergiet niet meer om Creüsa uw tranen. 785 Ik zal 't trotsche verblijf der Dolopiers en Myrmidonen

Niet zien, noch als slavinne bedienen de Graische vrouwen, Ik een Dardanische vrouw en de dochter der godd'lijke Venus, Daar d' eerwaardige moeder der goden mij hier metterwoon houdt. Thans vaarwel, en behoud voor den zoon van ons beiden uw

liefde.quot;

790 Toen zij nu deze gezegden geuit had, liet zij mij weenend

Achter, bij 't pogen om veel haar te zeggen, en week naar het

luchtruim.

Driemaal trachtte ik toen haren hals met mijn armen t' omsluiten. Driemaal vluchtte de schim de vergeefs haar omvattende handen.

ocr page 61

57

Als licht waaiende winden en 't beeld des gevleugelden sluimers. 795 Na het verlies van den nacht keer'k eindelijk weer tot mijn makkers. Doch hier vind ik een talrijke menigte nieuwe gezellen, Tot mijn verbazing tezamen gevloeid ; 't zijn vrouwen en mannen, Kind'ren, een treurige schare gereed om als balling te wijken. Moedig, voorzien van hun midd'len, kwamen zij allen te zamen, 800 Naar wat land ik hen voerde ter zee, mij genegen te volgen. Reeds steeg Lucifer boven de toppen van 't Idagebergte, Voerend den dag met zich mee en de Danaers hielden de poorten Allen bezet; geen enkele hoop bleef over op redding, 'k Week, en ik droeg naar de bergen mijn vader, gebeurd op

mijn schouders.

ocr page 62

DERDE BOEK,

1 Naclat de goden besloten om Azie's rijk te verwoesten, Priamus' schuldloos volk te verdelgen, en Ilium neerviel, Gansch het Neptunische Troje omver en in smookenden walm lag, Drijft ons de wil van den goden in verre verbanning en noopt ons 5 Eenzame landen te zoeken, en bouwen wij schepen met moeite, Vlak bij Antandrus, dat ligt aan den voet van den Phrygischen Ida, Twijfelend, waarheen 'tnoodlot voert, waar rust ons gegund wordt; 'k Zamel de mannen bijeen. Nauw was 't in 't begin van de lente. Toen Anchises beval te ontvouwen de zeilen voor 't noodlot. 10 'k Liet toen weenende achter de kust van mijn land en den haven, 'tVeld, waar Troje gestaan had; 'k zwierf alseen balling op zee rond, Saam met mijn makkers, mijn zoon, de penaten en machtige goden. Ver ligt 'tland, dat de Thracier ploegt en bebouwt, en aan Mavors 1 leilig, dat eens door denheftigen koningLycurgus beheerschtwerd, Troje's bevolking van ouds gastvrij en verwant aan het vorst'lijk Muis, toen Troje bestond. Hier land ik en bouw aan .het bochtig Strand het begin eener stad, doch tegen den wil van de goden; 'k Geef aan het volk mijn naam, en ik noem het de Aeneaden. 'k Bracht mijn Dionische moeder een offer en slachtte den goden, 20 Met wier leiding ik d'arbeid aanving, en ook aan der goden Machtigen koning, op 'tstrand eenen stier, die door witheid uitblonk. Naast mij verhief zich een heuvel, begroeid met de struik der

kornoelje.

Waar hare twijgen, gevormd als lansen, de myrte omhoog stak. 'k Treed er op toe en beproef uit de aarde de struiken te rukken 25 Samen bijeen, om het outer met 't groenende loof te behangen, Toenm'een afschuwelijk wonder verscheen, dat ik huiverte melden. Want van den struik, die het eerst, uit den grond, van zijn wortels gerukt werd. Stroomde met donkere druppels het bloed, dat met etter de aarde

ocr page 63

59

Vlekkend bezoedeld'; een angstige rilling bevangt mijne leden, 30 Schudt z', en mijn bloed wordt koud en het stolt mij van angst

in mijn ad'ren.

Doch 'k ga voort met een anderen struik te ontrukken zijn taaie Twijgen, en tracht volledig van 't wonder t' ontdekken de oorzaak; Doch ook stroomt van de schors van den ander het donkere zwadder. Veel in mijn geest overleggende smeek ik de land'lijke nj'mphen, 35 'k Bid tot Gradivus den vader, beschermer der Getische velden, 't Onheilspellend verschijnsel en teeken ten beste te keeren. Doch, toen 'k onder een grootere krachtsinspanning, ten derde Male een struik aanvat en mijn knieën met kracht in het zand druk, (Moet ik het zeggen ofzwijgen?) verneem ik van 'tbinnenst des heuvels 40 Jammerend klagen, en dringt tot mijn ooren een stem, die mij aanspreekt :

„Waarom scheurt gij, Aeneas, mij den rampzalige? Spaar thans Mij in mijn graf, wil niet uwe handen ontheiligen. Troje Baarde mij niet als een vreemdeling, noch vloeit 't bloed van den

stam af.

Vlucht het onmensch'lijkeiand, ach vlucht dez' kusten van hebzucht; 45 Want ik ben Polydorus. Een veld van de ijzeren speren. Die mij doorboorden, bedekte m' en groeide tot puntige schichten.quot; Toen, door de weif'lende vrees overmand en ternedergeslagen, Sta ik verstomd, met het haar overeind en met stokkende stemme. Priamus had Polydorus voorheen, met ontzaglijken goudlast, 50 Heim'iijk den Thracischen koning tot kweeking gezonden, de arme Toen hij, den kans van den krijgniet langer voor Troje vertrouwend. Zag, dat de stad door beleg steeds nauwer en nauwer omringd werd. Toen nu de macht en 't geluk der rrojanen bezweek, volgt deze 't Winnende leger der Grieken en kiest Agamemnon's zijde, 55 Breekt de geheiligdste banden, vermoordt Polydorus, en maakt zich Meester van quot;t goud met geweld; ellendige gouddorst, waartoe Drijft gij het hart niet aan van den mensch! Toen d' angst uit

mijn leden

Week, toen meldde ik d' eersten des volks, doch'teerst mijnen vader,

ocr page 64

60

T

d' Onheilspellende teeker GO Een xijn zquot; allen van geest: het misdadige land te verlaten 'tOord, dat het gastrecht schond, en den wind aan de zeilen teg-even. Zóó dan wordt Polydorus met plechtige eere begraven, ,

Hoog wordt d' aarde gehoopt tot een heuvel, en d' outers der

schim men

Staan met hun donkere linten en 't rouwende loof der cypressen. 65 d'llischc vrouwen met hangende haren, gelijk zij gewoon zijn.

Staan er om heen; wij plengen in schuimende nappen de lauwe Melk, en in schalen het bloed van de, offers, en schenken der ziele Rust in het graf, en een laatst vaarwel wordt luide geroepen.

Toen zich de zee nu betrouwbaar vertoonde en de winden haar

kalmte i

70 Boden, en 't suizende koeltje met lustigen adem ter vaart riep, m Trokken mijn makkers bedrijvig hun schepen omlaag van de oever.

Na het verlaten der reè, wijkt dijzig het land met zijn steden.

Midden in quot;t nat der Aegeische baren verheft zich een heilig-Eiland, teeder bemind door Nëptunus en Nereus' gade,

75 't Welk, toen 't eertijds zwierf langs kusten en stranden, Apollo Dankbaar hechtte aan Myconusquot; boord en aan Gyarus' oevers, Zóó dat het niet van plaats zich bewoog en de stormen verachtte. Hierheen kom ik, en 't neemt welwillend ons op in den veil'gen Ha ven. Wij brengen, ontscheept, onze huid' aan de stad van Apollo. , 80 Anius, tevens de koning van 't volk en de priester van Phoebus, , gt; Treedt, met den heiligen tak des lauriers en 't lint om zijn slapen,

Ons te gemoet en herkent in Anchises zijn vroegeren makker. Gastvrij reiken w' elkander de hand en betreden de huizen, 'k Smeekte den god in zijn tempel, gebouwd met de steenen r

der oudheid; '

85 ..Geef Tymbracische god mij een eigen verblijf, den vermoeiden A Muren, een stam en een blijvende stad: laat Troje herrijzen;

Spaar ons, 't geen aan de Grieken ontkwam en den woesten Achilles. ( . Wie is gids? Waarhenen beveelt g' ons te gaan om te rusten? ^ Geef, o Vader, een teeken en stort uwen geest in ons harte quot;

w

j

ocr page 65

61

90 Nauwelijks had ik gesproken, of't scheen mij, dat plotseling alles Beefde, de tempel des gods, de laurier en het gansehe gebergte Rondom schudd', en de drievoet loeide bij 't op'nen des tempels. Knielende vallen wij neer, en een stem dringt door tot onz'ooren: „Darcianusquot; kroost, rampzaligen, 't land, dat den stam uwer vad'ren 95 't Eerst in het aanzijn riep, dit neemt op zijn vruchtbaren bodem Weder u op bij uw thuiskomst; zoekt uw oorspronk'iijke moeder. Hier za! 'thuis van Aneas gebiên over alle gewesten,

Zoowel zonen der zonen als zij, die uit deze ontsproten.quot; Dus sprak Phoebus, en onder getier klonk luide de vreugde. 100 Elk vraagt, welke de muren wel zijn, die 't orakel bedoeld heeft. Waarheen Phoebus de dolenden roept en bcveelt,datw'ons wenden. Toen overpeinsde mijn vader desagen der vroeg're geslachten: „Hoort m', o hoofden des volks, en verneemt de u restende hope. Midden in zee ligt Creta, des machtigen Juppiters eiland, 105 Waar't Idaeisch gebergt' en de wieg zich bevindt onzer vad'ren. Honderd aanzienlijke steden bewonen zij, vruchtbare landen. Waaruit, zoo ik mij goed het gehoorde herinner, zich Teucer d'Oudste der vaderen 't eerst ontscheept' aan het strand van

Rhoeteum,

'tWTelk hij tot zetel verkoos voor zijn rijk. Noch Ilium was er, 110 Noch de Pergamische burg; men bewoonde het diepste der dalen. Cybele, moeder der goön, ?t Corybantisch metaal en quot;t Idaeisch Woud, 'tverborgen geheim van haar heiligen dienst, endeleeuwen, quot;Onder het juk hunner leidster, ontleenen van hier hunnen oorsprong. Volgen wij dus de bevelen der goön, waarheen zij ons leiden; 115.Laat ons de winden verzoenen en zoeken de Gnosische rijken. Niet ver zijn zij van hier; is Juppiter slechts u genegen, 't Derde genakende licht brengtquot; u op de oevers van Creta..-' Aldus sprak hij en bracht op de outers 't verschuldigde offer, U Neptunus een stier en ook u, o schoone Apollo; 12© 'tZvvart'lam bracht hij den storm, aan den lief'lij ken Zephyr het witte. Koning Idomeneus was uit zijn erfrijk vliedend geweken, (Aldus meldt ons de faam,) en ontruimd was 'tCretische Kustland;

ocr page 66

62

Woningen stonden verlaten en nergens bevond zich de vijand. Ijlings verlaten w' Ortygie's haven en klieven het zeediep. 125 Langs de Bacchantische bergen van Naxos, 't groene üonysa, Olearos en 't sneewwit Paros, langs de Cycladen,

Heinde en verre verspreid over zee en d' onstuimige branding, Wegens de talrijke klippen. De zeelièn schreeuwen en ijv'ren, „Creta gezocht, naar het land on/er vad'ren!quot; vermanen demakkers 130 Achter den steven geleidt oils de zwellende wind, en wij landen Eindelijk aan op de kust, die de oude Creteten bewoonden, 'k Bouw dus, vol van begeerte, de muren der dierbaar verlangde Stad,die ik Pergamumnoem,enhet volk, in den naam zich verheugend. Maan ik te lieven den haard, enden burgtotbeschermingtebouwen. 135 Bijkans waren de schepen getrokken op 't droog' en het zeestrand. Druk was bezig de jeugd met den echt en de nieuwe landouwen; Woningen gaf ik en recht, toen snel, bij 't bederf van de luchtstreek, 't Pestvuur kwam in een dood'lijk getijde, en jammerlijk 't lichaam Sloopte en tevens de boomen en 't geen op de velden gezaaid was, 140 Sommigen vlood reeds 't lieflijke leven en anderen sleepten 't Ziekelijk lichaam voort; d' onvruchtbare velden verschroeide Sirius; 't grasveld kwijnde, en geen vrucht leverde't graan op. „Ga weer heen over zee naar 't orakel van Phoebus op Delos, (Aldus luidt de vermaning mijns vaders) en smeek om genade, 145 Vraag welk einde hij geeft in den nood, en vanwaar hij u opdraagt. Hulp in d' ellende te zoeken, en waarheen thans g' uwen koers

wendt.J'

Nacht was 't; slaap hield alles, wat ademd' op aarde, bevangen, 't Was, als schenen de beelden der Phrygische goön en penaten, Welke ik eens aan de vlammen van 't brandendeTroje ontrukkend, 150 Medegevoerd had, vóór mijne oogen te staan, toen 'k slap'loos Neerlag, duid'lijk te zien bij een helderen glans, waar 't volle Maanlicht drong met zijn schietende stralen door d' op'ning dei-

wanden.

Aldus spraken zij m' aan en ontnamen mijn zorg door de woorden : „Wat bij uw komst op Ortygie, Phoebus u zoude voorspellen,

ocr page 67

63

155 Meldt hij u hier; zie 't is zijn wil, die ons voert naar uw drempel; Wij, die uit 't brandende Troje ontvloden en volgden uw wap'nen. Wij, die d'onstuimige zee met de vloot, bij uw leiding, doorkliefden. Zullen het komende nakroost ook tot den hemel verheffen, 't Schenken een rijk cn een stad ; bouw machtigen machtige muren; 160 Laat niet af van de lange vermoeienis tijdens uw zwerftocht. Want uwe woonplaats moet gij veranderen ; Phoebus Appollo Raadde u niet dez' kusten of Cretischen grond te bezetten. Westwaarts ligt er een rijk, dat de Grieken Hesperie noemen ; Oud is quot;t land, door den vruchtbaren bodem en wapenen machtig, 165 Eens door Oenotrische mannen bewoond; thans zegt men dat

quot;t nakroost

't Land naar den koning genoemd heeft: 't volk hetltalischeheetend. Daar zal zijn ons eigen verblijf. Want Dardanus zag hier. Nevens lasius 't licht, wien wij onze afkomst danken.

Kom, sta op, en bericht vol vreugd uwen vader 't onfeilbaar 170 Woord. Hij richte den steven naar Corythus en het Ausonisch Land; want Juppiter weigert aan u de Dictaeische velden. Dood'lijk door zulk een verschijning beangsten destem van degoden, (Want dit was geen droom, maar 'k dacht van nabij hunne trekken, 't Haar met den heiligen band en hun duid'lijk gelaat te herkennen, 175 Toen vloeid', onder een rillendehuivering/t zweet van mijn lichaam) Vlieg 'k van mijn ligplaats op, en ik strek mijne handen ten hemel Rugwaarts uit met gebeden en pleng op de outers mijn reine Gaven der göon. Toen 't offer gebracht was, breng ik Anchises Blijde bericht en ontvouw hem de zaak in behoorlijke orde. ;S0 Deze herkent 't tweevoudig geslacht en zijn dubbele afkomst. Ziet zich misleid door een nieuwe verwiss'ling met vroegere namen. Daarna spreekt hij; „mijn zoon, dien het Ilische noodlot voortdreef, '■ Zóó was 't lot, 't welk slechts Cassandra mij vroeger verkondde.

Thans weer staat het mij voor, dat zij dit onzen stam profeteerde, gt;5 Vaak Hesperie noemde en vaak de Italische rijken.

Doch, wie kon het gelooven, dat ooit Hesperie's kusten Teucriers zouden bereiken? Of wie gaf acht op Cassandra?

ocr page 68

64

Laten wij wijken voor Phoebus en volgen wat hij ons ten beste Ried.quot; Dus sprak hij, en elk was, juichend, den woorden

gehoorzaam.

190 Ueze gewesten ontruimen wij ook, en bij 't blijven van enk'len Zeilen wij uit en doorklieven de zee met gebogene kielen. 1 oen nu de schepen op d' opene zee reeds voeren, en niet meei 't Land zich vertoonde en niets dan de lucht en de zee om ons henen Toen hing boven mijn hoofd eene donkere wolk, die den storm bracht 195 Saam met den nacht, en de zee stond hoi in het schrikkelijk donker. Dadelijk zweepen de winden de zee, en reusachtige golven Rijzen omhoog, en wij dobb'ren verstrooid in den woelenden

maalstroom.

Buien omhullen den dag, en het vochtige duister ontnam ons 'tl lemelgewelf; uit de scheurende wolken verspreidt zich de bliksem: 200 Wij, uit den koers nu geslagen, verdwalen op 't duistere water Zelfs Palinurus verklaart, dat hij dag noch nacht aan den heme Kan onderscheiden, en niet zich den weg door de golven herinnei Drie onzekere dagen, omringd door het nachtelijk duister. Dwalen wij rond over zee, ook zóóveel starlooze nachten 205 Eindelijk doemd'op den vierden der dagen het land voor onz'oogei. Op, en het toonde de bergen van verr' en een kronk'lenderookzuil. 'tZeil valt neer, en wij grijpende riemen; met krachtige slagen Went'ien de roeiers het schuimende nat en zij vegen het zeeblauw. Toen ik uk 't water gered was, nam mij de kust der Strophaden 210 't Eerst op; welke Strophaden, met Grieksche benaming betiteld, Liggen in quot;t ruime Ionische nat, die de woeste Celaeno Samen met and're Harpyen bewoont, na 't sluiten van Phineus' Woning, en toen zij uit angst hare vroegere tafels verlieten. Onheilspellender monster dan deze bestaan niet; nimmer 215 Hief uit den St3'x zich een woedender pest door de wraak van

de goden.

Vogels metmaagd'lijk gelaat, met afschuwelijk stinkenden buikloop. Hebben zij klauwen tot handen, en altijd is door den honger Bleek haar gelaat.

ocr page 69

65

Toen wij, den golven ten speelbal, eind'lijk den haven bereikten 220 Zie, toen zag ik verspreid op de velden de welige rund'ren Tusschen de grazende kudden van geiten, en zonder bewaking. Deze nu vallen wij aan met het staal, en wij roepen de goden, Juppiter zeiven tot deel van de buit; toen richten w'op 't bochtig Strand onze bedden van zoden en smullen van't heerlijke feestmaal. 225 Doch, thans zijn de Harpyen met ijzige vaart van 't gebergte Plotseling daar, en zij slaan klapwiekend haar vleugels, enplund'ren 't Kost'lijke maal, en bezoedelen alles met vuile besmetting. Toen klonk luide haar ijss'lijkgeschreeuw bij een vreeslijke pestlucht: Verre van daar, in een bocht door de hangende rotsen verborgen, 230 Dicht door 't geboomte omsloten met ij/ing verwekkende schaduw, Richten wij 't maal weer aan en vernieuwen het vuur op de outers. Weer, van den anderen kant van den hemel, uit donkere holen Fladdert cle ruischende schare, met klemmenden klauw, om de buit

heen,

i'. Schendt met den bek ons het maal. Toen gaf ik bevel aan mijn

makkers

35 Wapens te grijpen om 't woeste gespuis in den krijg te bekampen, r Zóó doen z als ik beveel, en zij vlijen bedekt hunne zwaarden Alom neer in het gras en verbergen hunne schilden voor d'aanblik. Toen zij derhalve op 't bochtige strand luid schreeuwende schoten. Gaf op het holle metaal Misenus het sein uit zijn hooge 240 Wachtplaats. Stormend beproeven mijn makkers hun kracht in

den vreemden

Strijd, om d afschuw lijkc vogels der zee met hun zwaard te

verwonden.

Noch deert kracht hunne veêren, of nemen z'een wond in hun lichaam Op, en terwijl zij in vliegende vaart naar de sterren ontkomen, Laten zij 'tmaal, slechts ten halve verteerd, en hun walg'lijke sporen j 245 Achter. Celaeno, d'eenige, zit op de hoogste der klippen

Neer, die de rampen voorspelt, en haar stem aldus doet hooren: „Zijt gij van plan, o kroost van Laomedon, zelfs om den oorlog. Wegens de slachting der ossen en 't vellen der rund'ren, te voeren,

ocr page 70

66

Drijft gij 't onschuldig geslacht der Harpyen uit 'trijk harervad'ren? 250 Neemt dus op in uw geest mijne woorden en grift z'in uw ziele, Welke d'Almachtige Vader aan Phoebus, en Phoebus Apollo Mij eens zeid', en die ik als de oudste der Furiën meedeel. Richt gij uw koers naar Italië, roept gij de winden ter hulpe. Eindelijk zult gij er komen en vallen in veiligen haven. 255 Doch, niet eerder omgeeft gij de stad, u geschonken, met muren Voor u een schrikk'lijke honger, tot straf voor den moord, dien

g'ons aandeedt,

Dwingt met uw kaken uw tafel, ten halve verteerd, te verslinden.quot; Aldus sprak zij en week naar het woud, op haar vleug'len gedragen; Doch een verstijvende angst deed quot;t bloed mijner makkers

in d'ad'ren

260 Stollen, hun moed zonk; niet met de wapenen streden zij langer. Doch met gebeCn en geloften genade te vragen gebièn zij,

't Zij ze als goden verschenen, het zij als afschuw'lijke vogels. Toen hief vader Anchises van 't strand zijne smeekende handen Op tot de machtige goön en beloofde hen passende oflers: 265 „Weert, o goön, de bedreigingen af en behoedt ons voor zulk een Lot, en bescherm in genade de vromen.'quot; Den kabel beveelt hij Los van den oever te maken en 't touwwerk weer te ontrollen, 't Zeil zwelt op door de winden; wij vlieden door t schuimende

zeenat,

Waar ons de kracht van den wind en de kunst van den stuurman heendreef.

270 Midden op zee toont reeds aan onz' oogen zich 't boschrijk

Zacynthus,

Ook Dulichium, Same en Neritus' rotsige steilten.

Ithaka's .klippen vermijden wij, 'trijk van den koning Laertes, Onder vervloeking van 't land, dat Ulysses, den wreedaard, baarde. Weldra rijzen de buiige toppen van Leucate's bergen, quot;275 Toont in 't verschiet zich Apollo's tempel, gevreesd bij de zeelièn-Hierheen sturen wij moed' en bereiken het nietige stadje, 't Voorschip ligt aan het anker, op t strand staat d'achte-rste steven

ocr page 71

Zóó dan, eindelijk 't land, gansch buiten verwachting, betredend, Brengen w'aan juppiter 't offer tot zoen en ontsteken de outers, 280 Onder geloften, en vieren op Actium's strand de Trojaansche Spelen; mijn makkers, die druipen van olie, treden in 't strijdperk, Oef'nen zich naakt en verheugen zich, daar zij aan zóóveel Steden der Grieken ontkwamen en dwars door het midden des

vijands.

Middelerwijl voltooit de zich went'lende zon haren jaarkring. 285 d'IJzige winter beroert door de hevige stormen het water.

'k Vlecht aan de voorpoort 't schild van geboden metaal, 'twelk

eertijds

Abas droeg en bezegel mijn daad door het volgende opschrift: „Dit schild unjddc Acncas, 't welk op dc Grieken behaald is.quot; Dat men den haven verlat' en zich zett' op de banken, gebied ik. 200 IJverig treffen mijn makkers de zee en zij went'len de baren; Weldra zijn uit ons oog de Phaeacische burchten verdwenen, 't Strand van Epirus varen wij langs, den Chaonischen haven Loopen wij binnen en naderen 't hoog zich verheffend Buthrotum. Hier treft 't niet te gelooven gerucht van 't gebeurde onz' ooren: 295 „Helenus, Priamus' zoon, heerscht hier in de Graische steden. Daar hij de gade en 't rijk zich verwierf van d'Aeacischen Pyrrhus, Ook Andromache bond zich opnieuw aan een Troischen echtvriend.quot; Stom van verbazing, begeer ik, door vurig verlangen ontstoken. Zelf tot den man mij te wenden en 't wonderlijk lot te vernemen. 300 'k Ga tot den haven vooruit en ik laat op het strand mijne schepen. Toen, in het woud bij de stad, bij de Simois ('twas niet d'echte) Juist Andromache 't jaarlijksche maal, als een offer der smarte, Plengd' aan de asch der gestorv'nen, en tevens de lijkgoón opriep Naar het Hectorische graf, dat zij ledig, van groenende zoden, 305 Wijdde, benevens een tweetal outers, de bron barer tranen. Toen zij mij naderen zag en de Troische wapenen rondom. Buiten zich zelve, aanschouwde, verstijfde zij onder den aanblik, Hevig ontsteld door het wonder, en vlood uit haarleden de warmte. Machteloos zinkt zij en eindelijk uit zij met moeite de woorden:

ocr page 72

68

310 „Komt g'in uw ware gestalte tot mij, in uw werkelijk aanzijn? Zoon der godin? O leeft gij? Otquot; liet gij het liefelijk leven? Waar is Hector?quot; Aldus sprak zij, en smeltend in tranen, Vult zij de plaats met haar klacht, 'k Voeg nauwelijks eenige woorden Toe aan de zinlooze vrouw en ik stamel verward en gebroken: 315 „Waarlijk ik leef, en ik sleep door de uiterste rampen mijn leven; Voed geen twijfel, de waarheid ziet gij.

Ach! welk lot is u, van uw dierbaren gade gereten.

Thans overkomen, of keerde 't geluk, uwer waard, tot u weder. Hectors vrouwe Andromache? Zijt gij de gade van Pyrrhus?quot; 320 zAntwoordt, d'oogen ter aarde, bedeesd en met zinkende stemme: „O gelukzalige dochter van Priamus boven de and'ren. Wie men beval hij de muren van Troje op 't graf van den vijand 't Leven te laten, die niet de verloting behoefdet te dulden. Niet als gevangene 'tbed des verwinnenden meesters betreen hebt! 325 Wij, na Iliums brand, op verwijderde zeeën gezworven.

Droegen den trots van Achilles' geslacht, den hoovaardigen

jong'ling.

Brachten hem kinderen voort als slavin. Doch, toen hij vervolgens Leda's dochter Hermione volgd' en in Sparta gehuwd had. Liet hij aan Helenus over, zijn dienaar, mij, zijn slavinne. 330 Doch door een hevige liefde ontbrand tot de bruid, hem ontnomen. Steeds door de straffende goón, die zijn misdaad wreken, gedreven. Wacht hem Orestes op en vermoordt hem bij 't vaderlijk altaar. Na Neoptolemus' dood viel Helenus 't rijk voor een deel toe. Die den Chaonischen velden den bijnaam gaf van zijn broeder 335 Chaon, en 't gansche gebied met den naam Chaonie noemde. Hier toen Pergama bouwde en d'Ilischen burg op de hoogten. Doch, hoe waren de winden en quot;t noodlot, dat u den weg wees? Of, wat god dreef u, den onkundige, voort naar ons kustland? Hoe toch gaat het Ascanius? Is hij gered en in leven?

340 Dien reeds Troje u.........................

Voelt hij, een knaap, het gemis zijner moeder, gedenkt hij nog harer? Wekt hem zijn vader Aeneas en hij, die zijn oom eens heette

ocr page 73

69

i'i Hector, op tot den moed zijner vad'renen 'tmann'lijk vertrouwen?quot;

Aldus sprak zij bij 't storten der tranen en weende langdurig 345 Vrucht'loos, toen uit de verte, omstuwd door een talrijk geleide, I Helenus, Priamus' dappere zoon, naar ons richtte zijn schreden;

Dad'lijk herkent hij de zijnen en voert hen verheugd naar zijn j woning,

Onder het rijkelijk storten van tranen bij elk zijner woorden. vVand'lend herken ik het kleinere Troj' en den burg, die het groote 350 Pergama nabootst; 't beekje, dat droog is, Xanthus geheeten. Kussend omvat ik den drempel derScaeïsche poort, en mijn makkers Zijn niet minder vervuld van 't genieten der stad hunner landslièn. Gene ontving in zijn heerlijke hallen de gastvrije koning. I ivlidden in 't voorhof plengden zij feest'lijk den wijn en zij brachten

355 Spijzen op goud tot een offer der goón, met de schaal in hun handen. Reeds ging één dag heen, door een tweeden gevolgd, en de winden Riepen de zeilen, en 't doek blies op door het zwellende koeltje, k Treed tot den ziener en smeek, met de volgende woorden, hem

dringend:

Tolk van de goden uit Troje's geslacht, die de wenken van Phoebus, 360 Clarius' drievoet kent, zijn laurier, en der sterren voorspelling \Veet, en de taal van de vogels verstaat en van 't vliegen de teekens, ) Zeg mij, welaan! (want elke voorspelling verklaarde, dat gunstig

'kZou volbrengen mijn tocht, en mij rieden de wenken der goden, 'k Moest naar Italië gaan en verwijderde streken bezoeken. 365 Slechts de Harpije Celaeno spelt ons een vreeselijk teeken. Nimmer gehoord, en verkondigt den toorn der verbitterde goden. Nevens verschrikk'lijk gebrek). O, welke gevaren vermijd ik Eerst, wat wijst mij den weg om aan zulk een ellende t' ontkomen?quot; I ! oen slacht Helenus eerst naar gewoonte de rund'ren ten offer,

oV1 gt;idt om genade der goón en ontknoopt van zijn heilige slapen ; 1 laarlint; mij, die in spanning verkeer door den machtigen invloed,

! 1 .'oert hij in eigen persoon bij de hand naar den drempel van Phoebus.

l oen klinkt't woord van de heilige lippen des priesters voorspellend:

ocr page 74

70

375 Machtigen wil over zee; dus kiest van uw lot de verwiss'Iing Juppiter, koning der goden, bestuurt het en leidt het met orde. 'k Zal van het vele u weinig vermelden, waardoor gij in staat zijt. Veilig de zee in den vreemde te klieven, d' Ausonischen haven Binnen te vallen; de Farcen verhind'ren, dat Helenus 't verd're 380 Weet, en het mede te deelen verbiedt de Saturnische Juno. Eerstens Italië, 't land, dat gij reeds zóó dicht in de buurt waant, Waar g', onkundige, meent in naburigen haven te vallen, Scheidt een ontzaglijk moeilijke weg op onmet'lijken afstand. Eerst moet taai zich de riem in 't Trinacrische zeenat buigen, 385 Daarna moet uwe vloot de Ausonische vlakte bezoeken, Dan het Avernische meer en het land der Acaeische Circe, Voor gij op veiligen bodem een ord'lijke stad kunt stichten ; Teekenen zal ik u geven; bewaar die vast in 't geheugen. Waar gij, bekommerd van harte, bij d'eenzaam vlietenden landstroom,

390 Onder de eiken des oevers een zeug van ontzaglijke grootte Vindt, die haar jongen, en wel ten getale van dertig, gebaard heeft. Wit, op den bodem gestrekt, met haar blank kroost om hare spenen. Daar is 't oord voor een stad, daar vindt gij een zekere rustplaats. Wees niet al te bevreesd, dat gij eens zult eten uw tafels, 395 't Noodlot baant zich een weg, en gesmeekt, zal helpen Apollo. Doch, dit land, die kust van Italië moet gij vermijden.

Welke, het meest nabij, onze golven met branding omspoelen. Al die steden bewonen de u vijandige Grieken.

Want hier hebben hun muren geplaatst de Narycische Locrers, 400 Ook de Cretenser Idomeneus nam de Sallentische velden In, met gewapende macht, en het kleine Petelia ligt hier, quot;t Welk de Thessalische vorst Philoctetes met muren omringde, ja, zelfs ligt uwe vloot, na 't klieven der baren, geankerd.

Zult g' op de outers, geplaatst aan het strand, uw geloften betalen; 405 Sluier uw hoofd en omhul het geheel met een purperen huive. Opdat tusschen de heilige vlammen ter eere der goden,

Geen u vijandig gelaat u ontmoete of store de teekens.

ocr page 75

71

Houd met uw makkers getrouw steeds deze gewoonte bij 't off ren, Laat dit vrome gebruik 't godvruchtige nakroost eeren. 410 Doch, zoo, na uwe scheiding, de wind u Siciiie's kusten

Naderen doet, en de poorten zich op'nen van 't enge Pelorum, Houd dan linksnaar het land, richt links uwen koers naar het zeevlak Langs een ontzaglijken omweg, mijd rechts't strand en dewat'ren. Dit land barstt' eertijds met geweld en geduchte verwoesting 415 (Zóó groot is de verand'ring verwekt door de lengte der tijden) Naar men vertelt uiteen; daar vroeger de beide gewesten Een land vormden; de zee, die haar krachtige golven in 't midden Stuurde, ontrukt' aan Hesperie's zijde Sicili', en stroomt thans Tusschen de landen en steden gescheiden door brandende engten. 420 Rechts houdt Scylla het strand, en de niet te verzoenen Charybdis Links, en naar't diepst van den afgrond zuigt zij dquot; ontzaglijke golven Driemaal daags in een maalstroom, dan weer heft zij ze beurt'lings Op in de lucht, en zij geeselt met 'tschuim vandezeedegesternten. Doch een spelonk houdt Scjdla terug in haar donkeren schuilhoek 425 Waar zij het hoofd uitstrekt en 't schip voortsleurt naar de rotsen, 't Bovenste deel is dat van een mensch met een maagd'lijken boezem Tot aan het lijf, en het onderst' een monster van vreeslijken omvang 't Welk aan de buik van de wolven de staart den dolfijnen gegroeid

heeft.

'tls voor u beter de grens van 'tTrinacrisch Pachynum t' omzeilen, 430 Moogt g' ook talmen en ver langs 'n omweg wenden den steven. Dan in 't ommetelijk hol slechts ééns te aanschouwen de Scylla, 't Vreeslijk gedrocht, en de klippen, die galmen van 't blaften der

honden.

Verder, indien ooit Helenus eenig' ervaring ten deel viel. Wordt hij als ziener geloofd en bezielt hem Apollo met waarheid, 435 Laat m', o zoon der godin, bovenal dit één' u voorspellen 'k Zal 't steeds weder u zeggen en altijd dringend vermanen: Juno's heilige macht moet biddend gij 'teerste vereeren.

Wijd haar gewillig geloften, vermurf de verheven gebiedster Smeekend door gaven; ten slott' aldus overwinnende zult gij

«

ocr page 76

72

440 Eind'lijk 't Italisch gebied, na 'tgaan uit Trinacrie, vinden. Zoo gij, geland aldaar, de Cumaeische vesten bereikt hebt, 't Heilige meer van Avernus, omgeven door ruisehende wouden, Zult g' in het diepst van haar hol de bezielde profetische zienster Zien, al waar zij haar teekensen woorden vertrouwt aan de blad'ren; 445 Wat ook de maagd aan voorspellingen eens in de bladeren opschreef,

Ordent zij alles naar 't nummer en laat zij gesloten in 't berghol ; Daar blijft alles ter plaatse en niets wijkt daar van zijn rang af. Doch, zoo 'tvluchtige koeltje, bij't wendenderhengsels,ze aandrijft,• 't Teedere loof door de draaiende deur in verwarring gebracht is, 450 Wil zij de spreuken, die fladd'ren in 't hol, nooit weder vergaren, Noch tot haar orde herroepen of weder te zamen verbinden. Zonder een antwoord gaat men en vloekt het verblijf der Sibylla. Niet zóó dere de scha, die gij lijdt door te talmen, u dat gij (Hoe uwe vrienden u schelden, en krachtig de v-aart uwe zeilen 455 Roept naar de zee, en de gunstige winden het doek doen zwellen,) Niet tot de zienster genaakt of met beden haar vraagt orn haar

godspraak.

Spreke zij zelve en op'ne uit vrije genade haar lippen.

Al de Italische volken en d' eens losbarstende krijgen. Ook, hoe g' iedere ramp zult kunnen vermijden of dragen 470 Zal zij u melden en gunstige vaart op verzoek u verleenen. Dit is, 'tgeen aan mij vrijstaat u door mijn mond te vermanen; Ga thans, voer door uw daden het machtige Troje ten hemel.quot; Toen de profeet met zijn vriend'lijke stem die woorden geuit had. Geeft hij bevel om geschenken, beladen met goud en ivoren 465 Snijwerk, snel naar de schepen te dragen, en stuwt in de kielen Kostbare massa's zilver en ketels, gesmeed te Dodone, *t Pantser met haken verbonden van goud, driedubbel gevlochten, Nevens den kam van den schitt'renden helm en den golvenden

haarbosch,

Eens Neptolemus' rusting. Hij geeft ook passende gaven 470 Mee voor mijn vader, [hij voegt nog paarden er bij en geleiders

ocr page 77

73

Vult ook 't bootsvolk aan en voorziet mijne makkers van wapens.] „Zeilree make men 't schip, (zóó luidt het bevel van Anchises,) Middelerwijl, opdat geen dralen den gunstigen wind keer'.quot; Eervol spreekt hem de tolk van Apollo toe met de woorden; 475 Gij, Anchises, het schitterend huwelijk waardig van Venus, Gunst'ling der goön, tweemalen gered uit het zinkende Troje, Zie, daar ligt het Ausonische land; tracht 't zeilend te vatten. Doch, zeil ook dit land voorbij, want 'tis voor u noodig; , Ver ligt 't deel van Ausonie, 't welk voor u opent Apollo, 4JlO Ga, o gij, door de liefde uws zoons, gelukzalige vader!

Doch, wat spreek ik nog meer en onthoud ude wakk'rende winden?quot; Ook Andromache biedt, niet minder bedroefd door de scheiding. Prachtige kleederen aan, die met gouddraad rijk geborduurd zijn; Ook voor Ascanius 't Phrygisch gewaad; niet blijft zij ten achter, 485 Doch overlaadt met 't kostlijkst borduurwerk 'tkind, met de

woorden:

„Neem, kind, dit van mij aan; 't zij u van mijn hand een gedacht'nis, Laat het u zijn een bewijs van Andromache's durende liefde. Hectors vrouw. Neem dit als een laatste geschenk van de uwen; O! gij zijt mij alleen als het beeld van Astyanax over. 490 Aldus waren zijn oogen, zijn handen en ook zijne trekken. Thans ook zou bij zijn leven, hij u evenaren in leeftijd.quot; 'k Sprak hen ten afscheid toe, bij 't wellen der tranen in d'oogen: „Gij, die airede de wiss'ling van 't lot, u beschoren, doorstaan hebt, Thans vaart wei, ons roept steeds quot;t eene gevaar na 't and're. 495 Rust is reeds uw deel; geen zee hebt gij te doorploegen.

Noch het Ausonische land, 't welk altijd verder terugwijkt, Hebt gij te zoeken; gij ziet hier 't beeld van uw Xanthus en Troje, Eens door uw handen gebouwd, naar ik hoop onder gunstiger

teekens.

Moge de schennende hand van de Grieken het nimmer verwoesten. 500 Zoo ik den Tiber bereik en des Tibers naburige akkers.

Zoo ik het volk en de stad zal zien, die het noodlot mquot; aanwees, Steden van oudsaan elkander verwant en in bloede vermaagschapt,

ocr page 78

74

quot;t Zij in Epirus, het zij in I lespcrie, Dardanusquot; nakroost, Eén lot dragende, zal ik tot een vriendschappelijk Troje 505 Beiden verbinden; het nakroost zorg-e voor deze vervulling.quot; Langs het naburig Ceraunisch gebergte, doorklieven wij 't zeediep. Waar zich de weg door de golven het kortst naar Italic aanbiedt, 't Zonlicht zinkt onderwijl, en de bergen omsluiert een schaduw, 't Lot wijst d'orde bij 't roeien; wij leggen ons neer op de aarde, 510 Dierbaar gewenscht, bij den vloed, en verspreid op den zandigen

oever.

Dragen wij zorg voor ons lichaam; slaap doorstroomt onze leden. Nog niet voerden de I loren den nacht tot de helft van zijn kringloop, Toen Palinurus volijverig rees van zijn leger, en alle Winden bespiedt en de suizende koelt' opneemt in zijn ooren; 515 Gansch het gesternte, dat glijdt aan den zwijgenden hemel,

beloert hij.

Arcturus, 't vochtig Ilyaden gesterntquot; en de dubb'le Trionen Volgt hij nauwkeurig benevens Orion's schitt'rende wap'nen, Toen hij nu ziet, hoe alles bij helderen hemel in rust is.

Geeft hij van boord 't helklinkende sein; wij breken het kamp op^ 520 Spoeden ons voort op den wegen ontplooien de vleugels der zeilen. Na het verdwijnen der sterren verscheen ons de rozig'Aurora; Toen w'uit de verte het lage Italië zien en de donk're Heuvels; „Italiëquot; roept vóór allen Achates, en juichend Roepen 't mijn makkers, met jub'lende klanken Italië groetend. 525 Toen vlocht vader Anchises een krans om den grooteren beker, Vult hem met zuiveren wijn, en hij smeekt met gebeden de goden Staand' op den rijzigen steven:

„Goden der zee en der aarde, gebieders der winden, verleent ons Spoedige reis door den wind en verschaft ons uwgunstigenadem.quot; 530 Reeds neemt 't koeltje, 't welk hij gewenscht had, toe en de haven Opent zich, meer van nabij, en Minerva's tempel vertoont zich. 'tBootsvolk bergt nu de zeilen en wendt naar de kusten den steven. Oostwaarts heeft zich een haven gevormd met een bochtige

kromming,

ocr page 79

75

(Klippen gelegen bij d' ingang schuimen van 't ziltige zeenat) 535 Zelf aan de oogen onttrokken omsluit hem een dubbele rotsmuur, Hoog als torens; van 't strandt wijkt verder en verder de tempel, 'k Zag vier paarden, het eerste mij komende teeken, die, sneeuwwit, Dwaalden op quot;tgras, en het groen, wijd grazende, schoren. Anchises Riep toen uit; „O, land in den vreemde, verkondt gij ons oorlog? 540 d' Oorlog wapent het paard, 't is krijg, wat de paarden voorspellen. Maar ook somtijds leert men het paard voor den wagen te loopen; 't Juk te verdragen en, zonder verzet, den beteug'lenden breidel. Ook op den vred' is hoop;quot; dus zegt hij. De strijdbare Pallas Roepen wij smeekende aan, die quot;t eerst ons juichenden opnam. 545 Vóór d' altaren bedekken wij 't hoofd met een Phrygische huive Volgens het dringend bevel, dat ons Helenus gaf, en ontsteken 't Geurige offer op 't outer tot eer der Argivische Jnno. Dadelijk na de geloften te hebben vervuld op den rij af, Draaien wij zeewaarts 't einde der ra's, die met zeilen getooid zijn, 550 Vlieden de huizen der Grieken en 't land, dat wij allen verdenken. Daarna zien wij de bocht van Tarente, gesticht door Phalanthus, Zoo het gerucht ons de waarheid meldt; daar ligt tegenover Caulons burg en 't heilig Lacinie, 't schipbreukrijke.

Scylacêum; van verre verrijst uit de golven de Aetna; 555 Tevens vernemen wij ver het ontzagelijk geraas van de golven, 't Beuken der rotsen, en klanken, die tegen de zeekust breken. Hoog wordt 't water gezweept, met de branding vermengt

zich het zeezand. Toen sprak vader Anchises; „Voorwaar, dit is de Charybdis, 't Zijn die klippen en vreeslijke rotsen, die Helenus meldde; .560 Rukt u er uit, o makkers, en werpt u gelijk op de riemen.quot; Zóó doen z' als hij beveelt; Palinurus, de eerste van allen. Wendt naar de golven ter linkere zijde den krakenden steven. Linksom draait met de riemen en winden de gansche bcmaliing. Hoog tot den hemel verheft nu eens de zich welvende zee ons, 565 Dan weer zinken de golven en zitten wij diep in den afgrond. Driemaal brulden de klippen te midden der rotsige holen,

ocr page 80

76

Driemaal zagen wij 't spattende schuim de gesternten besprenk'len. Toen nu intusschen de zon en de wind ons, moeden, verlieten Landden wij, gansch onbekend met den weg, bij de kust der

Cyclopen.

570 Rustig en ruim ligt daar, voor de winden beveiligd, de haven; Doch daarnaast met verschrikkende stortingen dondert de Aetna. Nu eens drijft hij met kracht naar den hemel een donkere rookwolk. Welke, zich kronk'lend te midden van pik en van gloeiende sintels, Klompen van vuur opzweept en de sterren met vurige tong liktr 575 Dan weer werpt hij de steenen omhoog uit het binnenst der rotsen. Braakt hij de stukken en dringt de ten hemel geslingerde lava Onder gekraak in elkander en kookt in het diepst van den afgrond. Die last drukt (aldus het gerucht) op Enceladus' lichaam,

1 lalf door den bliksem verschroeid, en de daarop liggende Aetna, 580 Blaast door zijn opene haarden ontzaglijke vlammen naar buiten. Keert hij, vermoeid, op zijn zijde zich om, dan davert Sicielje Telkens geheel, en de rook dekt dan met een sluier den hemel. Dien nacht dulden wij 't schrikkelijk wonder gedekt door gt; k

bosscheri:

Doch, wat d'oorzaak is van 't geraas, is niet te aanschouwen. 585 Want niet schenen de vurige sterren of straalde de hemel' Wegens zijn glans; doch wolken bedekten het donkere luchtruim; 't Nachtelijk duister omhulde de maan met éen sluier van wolken, Reeds daagt d'anderedag bij het schijnen van 't ochtendgesternte, Had van den hemel Aurora verwijderd de vochtige schaduw, 590 Toen uit de bosschen een man van een vreemde gestalte zich

plots'ling

Voordeed, vreeselijk mager, in diep armzalige klceding. Die deemoedig naar 't strand zijne smeekende handen gericht hield. Wij zien om en aanschouwen een vreeselijk vuil; en verwilderd Draagt hij zijn baard, en de doornen verbinden zijn kleed: doch

verder

595 Is hij een Griek, [weleer met zijn wapens naar Troje gezonden. | Toen hij van verre 't Dardanisch gewaad en de Troische wapens

ocr page 81

77

Zag, weerhield hij zijn schreden en bleef, overweldigd door

d' aanblik,

Roerloos staan voor een poos; doch toen met geween en gebeden Snelde hij ras naar een oever en sprak: „Bij de sterren des hemels 600 Bid ik bij d' opperste goön, bij het licht en de lucht, die ik adem, Neemt mij van hier, o Teucren, en voert mij naar 't land, dat

gij goedvindt;

Dit reeds is mij genoeg. O, 'k weet, ik behoor tot de Grieksche Vloot, ik beken't, ik bevocht in den krijg de Trojaansche penaten. Als zóó groot het vergrijp mijner misdaad is, die ik pleegde, Ö05 Scheurt mij van een en verstrooit nv in de golven en dompelt

m' in 't zeediep.

Sterf ik, het is mij een troost door de handen van menschen te

sterven.quot;

Aldus sprekend' omvat hij mijn knieën en blijft er aan hangen, Als hij zich wentelt; wij sporen hem aan om ons mede te deelen, Wie hij wel is, zijn geslacht, ook welk lot 't is, dat hem voortdrijft. 630 Zelf reikt zonder te talmen mijn vader Anchises den jong'ling Vriend'lijk de hand en versterkt hem den moed door 't bewijs

zijner vriendschap. Eindelijk, na het verbannen der vrees, laat gene zich hooren : „Ithaca schonk mij het leven; Ulysses verzelde 'k in rampspoed Door Adamastus verwekt, en, genaamd Achaemenides, trok ik 615 Arm van geboort' (ach ware mijn lot mij gebleven !) naar Troje. Toen zij in sidd'rende angst uit de gruwzame woning ontvluchtten, Lieten mijn makkers mij acht'loos hier in het hol der Cyclopen Achter; 't onmet'lijk verblijf vol bloed'rige klompen en spijzen Is stikdonker van binnen ; hij zelf in zijn reuzengestalte 620 Reikt tot 't gesternt'. (O goón neemt weg die pest van de aarde!) Geen blik kan hem verdragen, voor niemand is hij toegank'lijk, 't Vleesch en het donkere bloed der ellendigen strekt hem tot

voedsel.

'k Zag toch zelf, dat hij twee mijner makkers met krachtigen

handgreep

ocr page 82

78

Vattquot; en hen, midden in 't hol achterover gebogen, te pletter 625 Tegen den rotswand sloeg; dat de grond , overspat, in een

bloedstroom

Zwom, ja 'k zag, dat hij leden, die dropen van bloed, met zijn kaken ivauwd', en de lillende leden nog sidderden onder zijn tanden. Doch niet straff'loos; want d'Itacenser Ulvsses verdroea- dit

rrn

Niet, en gedacht zijne listen te midden van zulke gevaren. 530 Want toen gene met spijze vervuld en bezwaard door den wijn was. Boog hij het zinkende hoofd, en hij lag in ontzaglijke lengte Dwars in het hol, en terwijl hij het bloed uitbraakt en de brokken Saam met den wijn in zijn slaap, toen riepen wij smeekend de goden Aan, en verdeelden bij loting de rollen, en stortten ons allen 635 Saam om hem heen en doorboren met puntige speer zijn ontzaglijk Oog; slechts 't eenige lag het verscholen in 't grimmige voorhoofd, 't Was uitwendig gelijk aan 't Argolische schild of de maanschijf. Eindelijk wreekten wij blijde de schimmen der dierbare makkers. Doch, ongelukkigen, vlucht! o vlucht, kapt, maakt snel van het 640 Los uwe touwen! zeestrand

Want zóó leelijk en groot als die Polyphemus, die 't wollig Vee in het donkere hol sluit, waar hij de uiers zich uitmelkt. Wonen er honderden and'ren verspreid aan de bochtige kusten, 't Vreeselijk volk der Cyclopen, dat dwaalt op het steile gebergte. 645 Driemaal vulden de horens van Lima zich weder met lichtglans, . Sints ik, te midden der eenzame holen van 't wilde gedierte, Rek mijn bestaan in het woud en bespied, van de rots, der Cyclopen Reuzengestalte en ril bij den klank hunner voeten of stemmen. Takken verschaffen, wat bessen en harde kornoeljes, een treurig 650 Voedsel, benevens de kruiden met wortels gerukt uit den bodem. Alles beschouwende zag ik voor 't eerst uw vloot tot de kusten Naderend komen; 'k besloot mij haar, wie zij ook was, te

vertrouwen ;

Slechts het vervloekte geslacht te ontvliên is reeds mij voldoende. Moget gij liever het leven door iederen dood mij ontnemen.quot; 655 Nauwelijks was het gezegd, of wij zien op den top van 't gebergte

675

680

685

ocr page 83

79

L[cr Zelf Polyhemus den herder te midden van 't vee zich bewegen,

i een Plomp van gestalt', en zich wenden naar 't strand hem bekend ;

een afschuw'lijk

aken Monster, wanstaltig en groot, en beroofd van zijn oog. Een geknotte

iden 'n z*'n 'ian^ thans zijne schreden, en steunt hem in

dit ' 't voortgaan,

660 Wollige schapen geleiden hem ; dit is d'eenige vreugde,

was d'Eenige troost in zijn ramp.

^ ' Toen hij de diepere golven bereikte en kwam tot het zeevlak

kken Wiesch hij uit 't oog, hem ontrukt, den nog altijd vlietenden

oc]en bloedstroom,

]|en Knarst'op zijn tandenen steunde, en ging reeds midden in't zeediep,

iglijk l^och nog steeds werd niet zijne zijde bevochtigd door 't water.

ü0j-t] Sidderend vluchten wij verre vandaar, en wij nemen den smeek'ling

chijf ®P' c^e ^ ver(^'encle' en kappen de touwen te midden der stilte;

kers Ijverig grijpen w' om strijd onze riemen en went'len de baren.

i het Maar hij bemerkt het en richt naar den klank van 't geluid zijne

ncj schreden.

; 670 Doch wijl 't geenszins mogelijk is met zijn hand ons te vatten,

,[!.(. Noch hij d' Ionische golven in snelheid kon evenaren,

sten Slaakt hij een vreeslijk gebrul, dat de diepte met al zijne baren

rgte Sidderen doet, en inwendig in 't bevende land van Itaalje

lans Dringt en in Aetna's holle gewelven zich loeiend een weg baant;

.j.e 675 Doch het Cyclopisch geslacht stormt thans, uit de wouden en hooge

open Bergen gewekt door 't gebrul, naar den haven en vult er de zeekust,

men Vrucht'loos staan d'Aetnaeïsche broeders met grimmige blikken

■urig Daar, en wij zien hen, terwijl zij het hoofd hoog richten ten hemel.

't Is een verschrikk'lijke zwerm, 't Is als met verhevene kruinen

isten d'Eiken het luchtruim klieven, of kegelgetopte cypressen

, (.g Wort'len in Juppiters bosch of het heilige woud van Diana.

n . Hevige angst drijft ijlings ons aan om de touwen t'ontrollen,

■nde ^aar w'j maar kunnen, en 't zeil voor de gunstige winden te spannen.

n quot; Helenus' raad daarentegen vermaant om den weg te vermijden.

rcrt;e 685 Tusschen Charybdis enScylla, 't pad waar de dood.ons van weerszij

ocr page 84

80

Dreigt van nabij met verderf; wij besluiten den steven te keeren. Doch zie ! Boreas komt van de engte, gevormd door Pelorus, Snel naar ons toe, en Pantagie's mond van natuurlijke rotsen Vaar ik voorbij, de Megarische bocht, quot;t laag liggende Thapsus' 690 [Daar Achaemenides, eens de gezel van Ulysses, terugkeert Wijst hij mij gansch die streek, waarlangs hij te voren gegaan was.] Vóór de Sicanische golf, tegenover Plenryrimjis branding. Strekt zich een eiland uit, dat de ouden Ortygië noemden; Naar het gerucht loopt baande de Eiische stroom Alpheus 695 Onder de zee zich herwaarts heim'lijk een weg, en vermengt zich Thans met Sicilie's wateren door uw mond Arethusa.

Aldaar smeeken wij, volgens bevel, de beschermende goden ; Daarna vaar ik voorbij aan den vruchtbaren grond door Helorus' Water besproeid; dan schuren wij langs de Pactynische hooge 700 Klippen en rotsen, en zien Camarina van verre, (dat 't noodlot Nooit toestand te verand'ren van plaats) en Geloische velden. Welk', als Gela hun naam, aan den bruisenden Gelas ontleenen. Dan toont Acragas, 't steile, van ver zijn reusachtige muren Acragas, eens de verwekster van vurige, moedige paarden. 705 U, palmdragend Selinus, verlaat ik met gunstige winden;

Ook vaar'k langs Lilybaeums, in 't ondiep schuilende, klippen; Drepanums haven en onheilspellende kust neemt daarna m' Op. Hier, toen reeds over de zee mij ontelbare stormen Dreven, verlies 'k, o wee! mijnen vader Anchises, die altijd 710 Troostte in zorgen en smart. Mier, dierbare vader, verlaat gij Mij, den vermoeide; g' ontkwaamt te vergeefs aan de grootste

gevaren!

Niet heeft Ilelenus, schoon hij mij vele verschrikkingen meldde. Zulk eene rouw mij voorspeld, noch deed het de woeste Celaeno; Dit was 'teind der ellend'; hier stond van mijn zwerftocht d'eindpaal. 715 Vandaar dreef mij de macht van de godheid heen naar uw kusten.quot; Zóó meldt vader Aeneas aan allen, gespannen van aandacht, 'tLot door de goden beschikten vertelt van zijn zwervende tochten. Eindelijk zweeg hij en rustte^if aan 't eind der vertelling gekomen.

ocr page 85

ERRATA.

ag. 6, vs.

59

staat: hem, lees

hen

.. 7, „

71

„ bezitser

bezitster

13, „

267

„ Ruteliers „

Rutiliers.

■I ^ ^ J fj

273

„ Hector's „

Hectors

v 14, „

284

„ Phtia „

Phthia

„ 20, „

470

„ geheeld „

gehuld

99

w ^ ~ ;• w

535

„ ' buig'

buiïg'

„ 231 „

577

Lybie

Libj'e

„ 24, „

595

„ ziet hier, „

ziet, hier

„ 24, „

610

roept,

roept.

^5

W - — gt; »;

631

„ vorstelijke „

vorst'lijke

„ 26, „

670

„ Phoenisische ' „

Phoenicische

„ 28, „

/ 35

„ schaar „

schare

„ 32, „

70

wie , ..

wien

ft 34, „

119

maagd

ziel

n 40, „

311

„ Ucalegon's „

Ucalegons

„ 41, „

347

„ hem

hen

„ 41, „

348

hem . „

hen

,i 48, ,,

539

„ zoon „

zone

„ 49, „

575

bij

bij mij

„ 56, „

766

„ voor het lot, dat hun „

voor 'tlot, dat hen

}f 60. „

85

„ Tymbraeische, „

Thymbraeische

„ 68, „

314

„ zmlooze „

zinn'looze

^ 2, „

466

„ Dodone „

Dodona

igt; ' • i,

553

„ schipbreukrijke „

schipbreukryke

„ 75,

554

„ ontzagelyk „

ontzagl yk

i) 77, „

599

„ een oever „

den oever

„ 78i „

629

„ Itacenser „

Ithacenser

„ 78. „

649

„ verschaffen, wat „

verschaffen wat

„ 80. „

719

„ rustte hij „

rustte.

ocr page 86
ocr page 87

I

---

I

f

' I

■

_

_

I

■

I

I

1

1

1

—• 1

1

■

lt;

1

\

___

ocr page 88
ocr page 89
ocr page 90