HEIDELBERGSCHE CATECHISMUS,
Uitgegeven v; n wege de âMaatschappij tot uitgave van Gereformeerde geschriften.quot;
»
X.
6 A'C'/t
VRAGEN EN ANTWOORDEN
TOT
OPHELDERING EN BEVESTIGING
VAN DEN
Heidelbergschen Catecliismns,
DOOK
JP. KOXiXjBI^XjO-G-E,
Doctor iu do Godgeleerdheid,
Predikant der Nederlandsch-Gereformeerde Gemeente te Eiber leid.
NAAR HET HOOGDÃITSCH.
VIERDE DRUK.
AMSTERDAM. SCHEFFER amp; C°.
's Heeren goedheid kent geen palen;
God is recht, dus zal Hij door Onderwijzing hen, die dwalen. Brengen in het rechte spoor: Hij zal leiden 't zacht gemoed
In liet effen recht des Heeren: quot;Wie Hem nedrig valt te voet. Zal van Hem Zijn wegen leeren.
VRAGEN EN ANTWOORDEN
TOT OPHELDERING EN BEVESTIGING
VAN DEN
HEIDELBERGSCHBN CATECHISMUS.
Vraag. Waarop berust de leer van den Heidelhergschen Catechismus ?
Antwoord. Op de Heilige Schrift.
Vr. JVat is de Heilige Schrift?
Antw. Gods Woord, van het eerste vers van Genesis tot het laatste vers van de Openbaring van Johannes.
Vr. Bewijs mij, dat Mozes en de Profeten door den Geest Gods zijn gedreven?
Antw. II Petr. 1, vs. 20, 21: âDit eerst wetende, dat geene profetie der Schrift is van eigene uitlegging; want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.quot;
Vr. Bewijs mij, dat de Evangelisten en Apostelen ook door Gods Geest zijn gedreven geworden, en dat zij dus door den Ileere gepredikt en geschreven hebben ?
Antw. Job. 16, vs. 13; âMaar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u
6
in al de waarheid leiden: want Hij zal van Zich zelven niet spreken, maar zoo wat Hij zal gehoord hsbben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.quot;
Jac. 1, vs. 21; âOntvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken.quot;
I Thess. 2, vs. 13: âDaarom danken wij ook God zonder opbonden, dat, als gij hot woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der menscben woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.quot;
Gal. 1, vs. 8: âDoch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.quot;
Vr. Waartoe dient ons de Heilige Schrift ?
Antw. Dat leert ons de Apostel Panlus:
II Tim. 3, vs. 15â17: âEn dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid , door het geloof, hetwelk in Christus Jesus is. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.quot;
Vr. Wat lezen roij in de Psalmen van het Woord Gods-
Antw. Ps. 19, vs. 8 â 12 : âDe Wet des Heeren is volmaakt , bekeerende de ziel; de getuigenis des Heeren is gewis, den slechten wijsheid gevende. De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de oogen. De vreeze des Heeren is rein, bestaande tot in eeuwigheid; de rechten des Heeren zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
Zij zijn begeerlijker dan goud, ja dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is groote loon.quot;
Ps. 119, vs. 9: âWaarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden ? Als hij dat houdt naar Uw Woord.quot;
Vs. 92: âIndien Uwe Wet niet ware geweest al mijne Ter making, ik ware in mijnen druk al lang vergaan.quot;
Heidelbergsche Catecliismus. rte Vraag.
Vraag. Welke is uw eenige troost, beide in leven en sterven?
Antwoord. Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jesu Christi, eigen ben: die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomenlijk betaald, en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft; en alzoo bewaart, dat, zonder den wil mijns hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet. Waarom Hij mij ook door Zijnen Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem. voortaan te leven van harte willig en bereid maakt-
Teksten der Heilige Schrift
OP VRAAG EN ANTWOORD 1.
Kom. 14, vs. 8: âWant het zi^ dat wij leven, wij leven den Heere, het zij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Het zij dan dat wij leven, het zij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.quot;
I Petr. 1, vs. 18, 19: âWetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleveid is; maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam.quot;
Joh. 6, vs. 39: âEn dit is de wil des Yaders, die Mij ge-
9
zonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.quot;
Matth. 10, vs. 30: âEn ook uwe haren des hoofds zijn allen geteld.quot;
II Cor. 1, vs. 21, 22: âMaar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God; die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.quot;
Hom. 8, vs. 16: âDezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.quot;
Joh. 10, vs. 27 â 29: âMijne schapen hooren Mijne stem: en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; cn niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Yaders.quot;
Ophelderende Vragen en Antwoorden.
Vr. Waarom spreekt de Catechismus allereerst van troost?'
Antw. Hij Tooronderstelt: droefheid; niet der wereld, maar droefheid naar God. II Cor. 7, vs. 10: âWant de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.quot;
Vr. Wat maakt u bedroefd, als gij God vreest?
Antw. De jonde maakt mij bedroefd; ik word bedroefd omdat ik zoo verkeerd van hart en verdraaid van zin ben. Ik wil de straf, die ik verdiend heb, wel dragen, als God maar mijn God, en mij genadig is, en ik verlang naar dezen troost, niet om de zonde te dienen.
10
maar opdat ik van harte, van mijne banden bevrijd, mijnen God en Heiland diene.
Vr. TFat zdde Hiskia daarvan, toen hij deze droefheid naar God had ondervonden?
Antw. Jes. 38, vs. 17: âZie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame: want Gij hebt al mijne zonden achter Uwen rug geworpen.quot;
Vr. Waaruit weet gij, dat de Heere zoodanige treurigen aanneemt ?
Antw. Uit Zijne beloften. Jer. 31, vs. 25 : ,,Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.quot; Jes. 40, vs. 1: âTroost, troost Mijn volk, zal nlieder God zeggen.quot; Jes. 61, vs. 3: âOm den treurigen Zions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor eenen benauwden geest.quot;
Vr. Hos heet derhalve onze Heere ?
Antw. De Wensch aller Heidenen. â Haggaï 2, vs. 8: âJa Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wensch aller heidenen.quot; De Vertroosting Israöls. Luc. 2, vs. 25: ,,En ziet, er was een mensch te Jeruzalem , wiens naam was Simeon ; en deze mensch was rechtvaardig en godvreezende, verwachtende de \ ertroosting Israöls; en de Heilige Geest was op hem.quot;
Vr. Wiens zijt gij niet eigen?
Antw. Mijns zei ven niet.
Vr. TFïens zijt gij dan eigen, ah gij op deze vertroosting ziet 7
Antw. Mijns getrouwen Zaligmakers Jesu Christi.
11
Vr. Geheel of ten deele ?
Antw. Geheel, met lichaam en ziel.
Vr. Bewijs mij dit eens, dat dengenen, die bij God* Woord hi jven, letterlijk geen haar van het hoofd vallen kan.
Antw. Aan de drie mannen, die in den brandenden oven geworpen werden, werd zelfs geen reuk des vuurs gevonden. Dan. 3, vs. 27. âToen vergaderden de stadhouders , de overheden, en de landvoogden, en de raads-heeren des konings, deze mannen beziende , omdat het vuur over hunne liehameu niet geheerscht had , en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hunne mantels niet verbrand waren, ja dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.quot;
Vr. Hoe lang hebt gij over de eerste vraag en het eerste antwoord van den Catechismus te leeren?
Antw. Mijn geheele leven lang.
Heidelbergscke Oatecliismus. 2''e Vraag.
Vr. Hoe veel stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zalig leven en sterven moogt?
Antw. Drie stukken: ten eerste, hoe groot mijne zonde en ellende zy; ten andere, hoe ik van al mijne zonde en ellende verlost worde; ten derde, hoe ik Gode voor zulk eene verlossing zal dankbaar zjjn.
OP VRAAG EN ANTWOORD 3.
Rom. 7, vs. 14: âWant wij weten, dat de Wet geestelijk is; maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde.quot;
12
Vs. 24: âIk ellendig mensoli! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?quot;
Hand. 4, vs. 12: âEn de zaligheid is in geenen anderen : want er is ook onder den hemel geen andere Naam , die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.quot;
Matth. 11, vs. 28â30 : âKomt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.''
Col. 3, vs. 17: âEn al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jesus dankende God en den Vader door Hem.quot;
Vr. Kunt gij mij deze drie stukken wel in éénen tekst uit Gods Woord ivedergeven?
Antw. Ja, uit Hosea 14, vs. 3 : â1. Bekeer n tot den Heere; 2. zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, 3. zoo zullen wij betalen de varren onzer lippen.quot;
Vr. fVaarom is u, om in dezen goddelijken troost zalig te leven en te sterven, noodig te loeten, hoe groot uwe zonde en ellende is?
Antw. Indien ik niet weet, dat mijne zonde en ellende daarin bestaat, dat ik Gods gebod overtreden en Zijne heilige Wet door mijne ongehoorzaamheid miskend heb , en dat God mij daarom van Zijn heilig aangezicht voor eeuwig moet verstoeten, zoo zal ik wel groote verlegenheid en berouw toonen, maar alleen opdat ik niet in de hel kome. Dan zal ik mij ook spoedig met eenen valschen troost gerust stellen. Wanneer ik echter weet, dat ik zoodanig een zondaar ben, dat God
13
Zich in het geheel niet met mij kan inlaten , zoo zal ik God iu het recht stellen en mij zeiven veroor-deelen , en dan zal God , uit loutere barmhartigheid, tot mij komen met den waarachtigen troost; Hij zal mij namelijk Zijnen Christus toonen als het Lam, dat aan Zijne gerechtigheid voldaan heeft. En hoe meer ik het weet, dat het van mijne zijde eene verlorene zaak is, des te zekerder zal ik leven en sterven op Zijne belofte: ,,Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.quot; (Ps. 81 , vs. 11.)
Vr. Wat verstaat gij onder uwe zonde?
Antw. Niet alleen mijne zondige hartstochten, maar ook al het bedenken en streven mijns harten en alle overleggingen van mijn verstand , volgens welke ik altijd anders wil dan God wil; terwijl ik alles wat Hij betuigt, verkeerd uitleg; alles wat Hij recht en goed gemaakt heeft, bederf; en alles wat Hij goed geordend en geschikt heeft, verschuif en verwring. Ook versta ik Hem nooit in Zijne gerechtigheid en in Zijne goedertierenheid , zoo als ik moest, maar koester kwade gedachten van Hem, blijf in het zichtbare hangen, verzet mij tegen Zijne eeuwige wijsheid , ja , ik heb mij geheel en al onbekwaam gemaakt, en maak mij nog gestadig onbekwaam voor Zijne goede Wet en Zijn heilig gebod; zoodat ik, in één woord, niets kan en niets wil, hoewel het willen bij mij is.
Vr. En wat is tiwe ellende?
Antw. Dat ik naar mijne gewaarwording zoo dikwijls ben, alsof er voor mij geen God was; dat ik Zijne vertroosting niet altijd ondervind; en dat ik den Heiligen Geest bedroef door mijne verkeerdheid, mijn onverstand en ongeloof. In eén woord, dat ik in deze booze wereld,
14
in het zondige vleesch, en niet in den hemel bij mijnen God en Heiland inwoon.
Vr. Wat zeyt de Jposiél Paulus van deze onze ellende?
Antw. II Cor. 5, vs. 4: âWant ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde.quot;
Vr. Wat zegt Johannes de Dooper van onze onmacht?
Antw. Job. 8, vs. 27: âEen mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij.quot;
Vr. Wat zegt ome Heer van den onwil, waarover gij u aanklaagt?
Antw. Matth. 21 , vs. 28, 29 : ,,Een mensch had twee zonen , en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijnen wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: âik wil niet,quot; en daarna berouw hebbende , ging hij heen.quot;
Vr. Waarom is u , om. in dezen goddelijken troost zalig te leven en te sterven , noodig te toeten, hoe gij van al iivie zonde en ellende verlost zijt?
Antw. Als ik dat niet wist, dan zou ik mijnen troost zoeken in mijne ooete en in mijn berouw; in mijnen zedelijken en verbeterden levenswandel of in mijne vrome werken ; in mijne bekeering en in den weg welken God met mij houdt: in mijne aanvechtingen en tegenspoeden; in mijn roepen om genade en om vergeving ; en in beloften, die ik zelf voor mij heb uitgedacht; in mijnen strijd tegen de zonde en in eene schijnbare overwinning; in het kerkgaau, in het avond-maalhouden, in het geven van aalmoezen en in al de werken mijner liefde: â zoodanige troostgronden zijn echter niet bestand tegen de herinnering van slechts ééne eenige zonde. Zoo zou ik dan in valsche gerustheid vervallen bij een regelmatig leven; in vermetelheid
15
om te doen en to drijven wat de begeerte ingeeft, en dan toch mijn geloof daarbij roemen; of ik zon in vertwijfeling geraken bij het bewustzijn, dat ik door mijne verdorvenheid alles, wat God in mij heeft opgebouwd, moedwillig weder heb afgebroken. Thans echter heb ik eene daad en een woord van mijnen God. De daad is deze : Op Golgotha heeft Gods eigen Zoon , mijn Borg en Plaatsbekleeder, voor mij gebloed, Hij is voor mij gestorven, Hij heeft voor al mijne zonden, ook voor mijne zonden van dezen dag, volkomen betaald, â Hij heeft Gode eeue eenwig geldende voldoening gebracht, eene volkomene gehoorzaamheid; mijne schuld heeft Hij uitgedelgd, do straf gedragen; met God ben ik door den dood Zijns Zoons verzoend, daardoor heeft Hij mij Zijnen vrede gegeven, eene eeuwige genade, en eene zekere hoop van eeuwige zaligheid in het leven Christi, mijns Heeren. Zoo heeft God mij zalig gemaakt zonder mij , ja tegen mij zeiven, naar het raadsbesluit Zijns welbe-hagens in Christus Jesus, in hetwelk Hij mij van eeuwigheid heeft uitverkoren. Bij mij heeft Hij niets gevonden dan zonde, bij Hem vind ik niets dan barmhartigheid in het geloof des Zoons Gods. Dat is mijn troost in leven en in sterven. En in dezen troost, in dit licht, is dit het woord, dat ik van God heb: âHet bloed van Jesus Christus Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde.quot;
Vr. Wat getuigt de Apostel Faulus van deze daad en van dit ivoord?
Antw. I Tim. 1 , vs. 15, 16: âDit is een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Christus Jesus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jesus Christus in mij,
16
die de voornaamste ben, al Zijne lankmoedigheid zou betoonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem ge-looven zullen ten eeuwigen leven.quot;
Vr. Waarom is u, om in dezen goddelijken troost zalig te leven en te sterven, noodig te weten, hoe (jij God voor zulk eene verlossing zult dankbaar zijn?
Antw. Dat kan mij toch geen waren troost in leven en in sterven geven, dat ik veel van mijne verdorvenheid spreek, en daarbij in mijne zonden blijf berusten, of dat ik den Naam van den Heere Jesus in den mond heb, en toch in mijnen wereldschen gang en aardsch bestaan en pogen blijf voortgaan; ook dat niet, dat ik God iets vergelden wil met werken, welke Hij niet heeft bevolen. Christus is opgestaan uit de dooden en heeft den Heiligen Geest verworven. In Zijne opstanding ligt eene macht van genade tot allen Gode welbehagelijken wandel, en Zijn Geest houdt ons staande in de vrijheid, waarmede Christus ons van duivel, zonde en wereld heeft vrijgemaakt. God werkt met deze macht en met dezen Geest in de geloovigen. Zoo moet ik dan door God geleerd zijn, om van mijn kunnen, moeten en willen afstand gedaan te hebben. Want dan alleen zal ik den Heere vergelden al Zijne weldaden, die Hij mij bewijst , wanneer ik Zijne gerechtigheid alléén verkondig. Zijnen Naam predik, en do toevlucht neem tot den troon Zijner genade, opdat ik aan genade vast houde , ten einde door genade Gode te behagen in den mij door Hem aangewezenen kring, en in al mijn doen slechts Zijn doen te roemen. In dezen troost leef en sterf ik zalig, ziende niet op mij zei ven noch op het willen des vleesches , maar op Zijn Woord, waarin Hij hemel en aarde gemaakt heeft, en daarbij blijvende: God zal zorgen.
17
Vr. TF'at zeyt de Heere van de ondankhaarheid, dat men de gerechtigheid des geloofs laat varen, en zich weder tot de valsche godsdienst en tot de zelfgekozene merken keert ?
Antw. Jerem. 2, vs. 13: âWant Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zich zeiven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden.quot;
Deuter. 32, vs, 6. âZult gij dit don Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, die u verkregen, die u gemaakt en u bevestigd heeft ?quot;
Vr. Wat zegt onze Heer van het blijven in Hem en in Zijn Woord?
Antw. Joh. 15, vs. 4, 5: âBlijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geene vrucht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft; alzoo ook gij niet, zoo gij in Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht: want zonder Mij kunt gij niets doen.quot;
Job. 8, vs. 31, 32: âIndien gijlieden in Mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk Mijne discipelen, en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.quot;
Vr. Wat zegt de Evangelist Johannes daarvan, dat, als wij, in hel Woord, d. i. in Christus Mijven, wij Hem alle-1! gerust kunnen toevertrouwen?
Antw. Joh. 1, vs. 3: âZonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.quot; En Mozes zegt: âIn den beginne schiep God den hemel en de aarde.quot;
Vr. Geef mij een paar waarschuwende voorheelden van ondankbaarheid jegens God voor Zijne verlossing ?
Antw. Luc. 17, vs. 17: âEn Jesus, antwoordende,
2
18
zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? en waar
zijn de negen?quot;
Matth. 18, vs. 32â34: âToen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij booze dienstknecht! al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt; behoordet gij ook met n over uwen mede-dienstknecht te ontfermen , gelijk ik ook mij over u ontfermd heb? En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijners over.quot;
HET EERSTE DEEL.
quot;VAN DES MENSOHEN ELLENDE.
Heidelbergsohe Catechismus. 3ae Vraag.
Vraag. Waaruit kent gij uwe ellende? Antwoord. Uit de Wet Gods.
Ol' VRAAG EN ANTWOORD 3.
Hom. 3, vs. 20: âDaarom zal uit de werken der wet geen vleescli gereclitvaardigd worden voor Hera; want door de quot;Wet is de kennis der zonde.quot;
Hom. 7 , vs. 7 : âAVat zullen wij dan zeggen ? is de Wet zonde ? Dat zij verre. Ja ik kende de zonde niet dan dooide 'Wet: want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zjjn, indien de Wet niet zeide: Gij zult niet begeeren.quot;
Vr. Hoe erkent gij gmmlt lijzonder mee ellende uit de Wet Gods?
Antw. De Wet zegt: Doe dat, zoo zult gij leven. Ik kan het echter niet doen; het volbrengen vind ik niet, ofschoon ik ook wil; de zonde, die in rnij woont, neemt mij gevangen en sleept mij mede naar haren wil. Ja, of ik ook al het goede en heilzame van het gebod erken; â hoe meer ik het leer inzien dat bet er met
2*
20
de Wet nauw op aankomt, des te meer ondervind ik , dat mijue begeerte zich daartegen kant. Ik kan met de Wet en met al mijne pogingen do zonde en hare beschuldiging niet te niet maken, niet dooden in mijn vleesch. Hoe vaak ik de Wet ook bij de hand neem, telkens schend ik haar, in plaats van met dezelve ook maar eéne eenige booze gedachte des harten te kunnen bedwingen.
Vr. Maar komt dat dan werkelijk wat de lfret dreigt, als men haar niet in allen deele gehoorzaamt?
Antw. Indien God in de woorden der ouders zulk. eeno macht heeft gelegd, dat de vloek van Noach werkelijk over Cham en Kanaiin gekomen is, zoude dan in de woorden der Wet niet veel meer macht liggen, zoodat haar vloek werkelijk over al de overtreders komt?
Vr. Geef er mij een voorbeeld van uit uw dayelijksch leven, dal gij de Wet verkeerd uitlegt?
Antw. Hot is Zondag, het weder is heerlijk, mijn speelkameraad vraagt mij om met hem eene groote wandeling te doen. Ik vraag aan moeder of ik mag. Moeder vraagt mij: of ik mijnen psalm voor morgen voor de catechisatie reeds geleerd heb; dit heb ik nog niet gedaan, en nu moet ik daarom te huis blijven. Nu word ik zeer boos. â Hier is do wil van moeder, Gods wil, en wet; en ik erken mijne ellende, omdat ik liever zou willen wandelen, dan willen leeren, wat mij voor mijn geheele leven nuttig is.
Vr. Geef mij nog een voorbeeld?
Antw. Vader zegt: Laat dat staan, dat kunt gij niet, ik zal het voor u doen. Nu denk ik, dat ik het wel kan, en bederf het; ik wil zulks niet weten, en wil het weder goed maken, en nu bederf ik het nog meer.
21
Heidelbergsche Catechismus. 4'le Vraag.
Vr. Wat eischt de Wet Grods van ons?
Axtw. Dat leert ons Christus in eene hoofdsom: (Matth. 22, vs. 37â40.) âGij zult liefhebben den Heere , uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het groote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten.quot;
01' VRAAG EN ANTWOORD 4.
Vr. (V!aarom begint de Catechismus hier met de liefde Gods en des naasten ?
Antw. Liefde is de vervulling der Wet. Liefde komt voort uit achting en gehoorzaamheid. Er is echter bij ons, als uit ons, geene achting en gehoorzaamheid Gods aanwezig, bij gevolg ook geene liefde. Do Catechismus wil ons echter door de overtuiging, hoe ellendig wij zijn, opleiden tot de doende en lijdende gehoorzaamheid van dun tweeden Adam, Christus, Alleen in deze gehoorzaamheid worden wij als rechtvaardigen gesteld, als wij in Zijnen Naam gelooven. De Catechismus legt in eens den grond onzer verdorvenheid bloot, welke niets anders is, dan haat tegen God en onzen naaste.
Heidelbergsche Catechismus. 5'le Vraag.
Vr. Kunt gij dit alles volkomenhjk houden?
Antw. Neen ik: want ik ben van nature geneigd, God en mijnen naaste te haten.
22
OP VRA.VG EN ANTWOORD 5.
Vr. Er is toch slechts de geneigdheid?
Antw. Gelijk do geneigdheid er is, zoo ook de werkelijkheid. Vleeschelijk gezind zijn is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, betuigt de Apostel Paulus. (Eom. 8, vs. 7.) Er leeft echter niemand, in wien hot vleeschelijk-gezind-zijn heeft opgehouden. Ook schrijft Paulus aan de Galaten: Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? â en wie kan er zich van vrijspreken, dat hij niet menigmaal Achabs gewaarwordingen heeft gehad, die vau den Profeet Micha zeide: Ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad. Of wie voelt geen haat tegen God, omdat God hem en zijn doen veroordeelt; wie zou menigmaal niet willen, dat God het zoo nauw met de zonde niet nam, en niet zoo geweldig daartegen toornde. De mensch is zoozeer Gods vijand, dat hij zich volstrekt niet bekeeren wil, en liever mot de gansche wereld verloren gaat en zijnen boozen wil en begeerte doorzet, indien God hem niet met almachtige liefde voorkomt, en hem te sterk wordt. En hoe diep de haat tegen den naaste in 's menschen hart zit, bewijst de schroomelijke eigenliefde, de nijd en afgunst in beroep en nering, en bovenal de godsdiensthaat, en de bedekte en openbare vervolgingen tegen de rechtvaardigen. Geen kind zoekt uit zich zeiven God, neemt uit eigen beweging Gods Woord in de hand, om Zijne liefelijke woorden te lezen; geen kind laat bet uit zich zeiven toe, dat aan zijn broertje iets meer wordt gegeven dan aan hem.
Vr. Hoe moet de liefde Gods zijn ?
Antw. Niet uit een verdeeld hart, maar uit het
23
g e h e e 1 e hart, uit de geheele ziel, uit geheel het verstand, uit geheel de kracht.
Vr. Wat is dat, den naaste lief te hellen als zich zeiven ?
Antw. Zoo als de Hcere bevolen hoeft: alle dingen die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; de gezindheid: wat God mij geeft, moet gij ook hebben, mijn broeder, ja heb hot alles, er zal voor mij wel iets overblijven, want God is mijn deel; dat gevoelen, hetwelk in Christus was, die, hoewel Hij in de gestaltenis Gods was, Zich vernietigde om onzent-wille. (Philipp. 2 : 5 en verv.)
Vr. Wie is onze naaste ?
Antw. Degene, op wien wij van onze gewaande hoogte nederzien.
Vr. Waarom vraagt de Catechismus: âKunt gij dit alles volkomenlijk houden?quot;
Antw. Omdat wij meenou, dat, als wij ons best hebben gedaan, God het toch zoo nauw niet nemen zal, en dat, als wij negen geboden hebben gehouden, God ons het tiende wel door de vingers mag zien.
Vr. Wat zegt de Apostel Jacobus echter hieromtrent?
Antw. Wie de geheele Wet zal houden, en in één (gebod) zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen.
Vr. Moet de Wet dan volkomen gehouden worden?
Antw. Zekerlijk, en dat niet alleen naar de letter, maar ook naar de geestelijke beteekenis der Wet, niet gedwongen, maar vrijwillig, uit genegenheid en liefde. Het is den mensch echter onmogelijk, om één eenig gebod te houden, zonder dat hij dit of een ander gebou ter zelfder tijd overtreedt.
24
Heidelbergsche Catechismus. 6dc Vraag.
Vk. Heeft dan God den raensch alzoo boos en verkeerd geschapen ?
Antw. Neen Hij; maar Grod heeft den raenscli goed en naar Zijn evenbeeld geschapen; dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijnen Schepper, recht kennen, Hem van harte liefhebben , en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen.
OP VRAAG EN ANTWOORD 6.
Ps. 51, vs. 6: âTegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uwe oogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.quot;
Vr. Waarom vraagt de CatecMsmus: âof God dan den-liiensch alzoo hoon en verkeerd geschapen heeft?'1
Antw. Omdat wij zoo hoogmoedig zijn, dat wij de schuld nooit bij ons zeiven willen zoeken, maar die altijd op God en in het algemeen op iets anders werpen.
Vr. JVat zeide daarom Adam tot God?
Antw. âDe vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven.quot;
Vr. En wat denkt gij, als gij verkeerd geweest zijt of verkeerd zijt?
Antw. Ik zou zóó en zóó niet wezen, als die of die, als dit of dat, maar anders was.
Vr. Wat zegt de Heilige Schrift hiervan?
Antw. Prod. 7, vs. 29: âDit heb ik gevonden , dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.quot;
25
Heidelbergsche Catechismus. 7Je Vraag.
Vr. Van waar komt dan zulk een â verdorven aard des mensclien?
Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzoo is verdorven geworden , dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
op vbaag en antwoord 7.
Bom. 5, vs. 12: âDaarom, gelijk door éenen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzoo de dood tot alle mensclien doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.quot;
Vr. Waarom vraagt de Catechismus tiaar de oorzaak uwer etlendel
Antw. Opdat ik niet in. den waan verkeeve, dat ik goed ben, maar dat het mijn hartstocht of zonde is, welke mij zoo verkeerd maakt; noch mij inheelde , dat ik weder goed ben, als ik mijne zoude of hartstocht overwonnen heb; maar dat ik geloove, dat de schuld mijner verdorvenheid bij mij ligt, dat ik in den grond verdorven ben en tot niets deug, naardien ik reeds in het paradijs, in Adam, God geheel er aangegeven heb , om op eigen beenen te staan. Uit een bedorven aard komt nooit goede vrucht. De geaardheid laat zich door geene kunst veranderen of uitdrijven.
Ps. 51, vs. 7; âZie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen.quot;
26
Heidelbergsche Catechismus. 8ste Vraag,
Vr. Maar zijn wij alzoo verdorven, dat wij gan-schelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?
Antw. Ja wij: ten zij wij door den Geest Grods wedergeboren worden.
op vraag en antwoord 8.
Kom. 3, vs. 9â19: âWat dan? Zijn wij uitnemende!'? Ganschelijk niet: want wij hebben te voren beaobuldigd beide Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn. Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden, er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe. Hunne keel is een geopend graf; met hunne tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hunne lippen; welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in hunne wegen; en den weg des vredes hebben zij niet gekend. Er is geene vreeze Gods voor hunne oogen. quot;Wij weten nu, dat al wat de Wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de Wet zijn; opdat alle mond gestopt worde, en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij.quot;
Vr. Waarom vraagt de Catechismus: âZijn wij alzoo verdorven , dat wij ganschelijk onhekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?quot;
Antw. Ten eerste: omdat wij niet ophouden, van
27
ons zeiven een goede meening en goeden dunk te koesteren. Ten tweede: om ons tot de overtuiging te brengen, dat wij waarlijk verloren zijn, hoe braaf, hoe deugdzaam, hoe rechtschapen wij ook mogen zijn, zoo wij niet uit God geboren zijn. Zoo moet ons dun de kennis van onze ellende daartoe drijven, dat wij het leven uit God zoeken, dat wij zoeken in Christus gerechtvaardigd te worden. De Catechismus leidt ons op tot de nieuwe schepping der genade. (Zie II Cor. 5 , vs. 14 en verv.)
Vr. IVal zegt onze Beer daarvan'?
Antw. Joh. 3, vs. 3: âTenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan hot Koninkrijk Gods niet zien.quot;
Vr. Wat hebt gij dan te doen, als gij wel veel goeds doet, veel hidt, veel overgeeft, veel nalaat, maar evenwel voelt, dat er eene Hove is tusschen u en God?
Antw. Ik heb niet te rusten, vóór dat ik voor mij zeiven door den Heiligen Geest Gods daarvan verzekerd ben, dat ik uit God geboren ben, en alzoo tot de rust gerake, die overblijft voor het volk Gods. Zoo deed de hoofdman Cornelius. (Hand. 10 , vs. 4 en verv.)
Vr. Eu wat is de reeg daartoe?
Antw. Dat ik Christus ontvangen hebbe, die dengenen, welke in Zijnen Naam gelooven, macht geeft, kinderen Gods geworden te zijn.
Vr. Maar als gij uit God gehoren zij t, zijt gij dan tot het goede bekwaam?
Antw. Geenszins; onze bekwaamheid is uit God; maar God de Heer maakt scheiding tusschen licht en duisternis, tusschen zonde en gerechtigheid. De Catechismus houdt ons de rechtvaardige eischen der
28
Wot voor, opdat wij hot zoekeu daar, waai' het, niet-tegenstaando onze volslagene onmacht, te vinden is.
Joh. 1, vs. 16 : âEn uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook gonade voor genade.quot;
Phil. 4, vs. 13: âIk vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. (Rom. 7, vs. 14, 18 , 24. Matth. 25 , vs. 3â5.)
Heidelbergsche Catechismus. 9de Vraag.
Vr. Doet dan God den mensch geen onrecht, dat Hij in Zijne Wet van hem eisclit wat hij niet doen kan?
Antw. Neen Hij: want God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mensch heeft zich zeiven en al zijne nakomelingen door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van die gaven beroofd.
OP VRAAG EN ANTWOORD 9.
Job 34, vs. 10 â 12: âDaarom, gij lieden van verstand! hoort naar mij: verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht! Want naar het werk des mensehen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden. Ook waarlijk Ood handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.quot;
29
Vr. Waarom vraagt de Catechismus: âDoet dan God aan den mensch geen onrecht, dat Hij in Zijne Wet van hem eischt, wat hij niet doen kan?quot;
Antw. Omdat ik mij gaarne met mijne onmacht zou verontsehnldigen ; ook van Gods gerechtigheid zoo gaarne toegevendheid met mij wenschte; deze toegevendheid zou mij intusschen ten verderve verstrekken.
Vr. Geef mij een voorbeeld uit het dagelijksch leven , waaruit blijkt, dat God den mensch geen onrecht doet?
Antw. Ik heb als burger van den staat morgen honderd gulden belasting te betalen; deze honderd gulden heb ik, maar ik kom heden aan een speelbank, en verspeel de'.elve. Nu ga ik naar den ontvanger, klaag hem mijn ongeval , en verzoek hem geduld met mij te hebben, of mij zonder betaling te kwiteeren.
Vr. Z(d de ontvanger u deze kwitantie geven, zal hij toegevendheid met u kunnen hebben ?
Antw. Neen; â aan de wet van den koning, wiens plaatsvervanger hij is, moet voldaan worden; hij moet betaling hebben, en kan er geen acht op slaan, of ik de honderd gulden heb of niet. Ik heb ze gehad.
Heidelbergsclie Catechismus. 10'lc Vraag.
Vk. Wil God zulk oene ongehoorzaamheid eu afval ongestraft laten?
Antw. Neen Hij geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk, beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die, door een rechtvaardig oordeel, tijdelijk en eeuwig straffen, gelijk Hij gesproken heeft: âVervloekt is een iegelijk, die niet
32
leidt?quot; â Waarom ook de Apostel Petrus schrijft: (II Petr. 3, vs. 9, 10.) âDe Heere is lankmoedig over ons , niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeeriug komen. Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht.quot;
Heidelbergsche Catecliismus. lllt;]e Vraag.
Vr. Is dan Grod ook niet barmhartig?
Antw. God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig: daarom eischt Zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf, aan lichaam en ziel gestraft worde.
op vraag en antwoord 11.
Vs. 5, vs. 5 â 6: âWant Grij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid; de booze zal bij U niet verkeeren. De onzinnige zullen voor Uwe oogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.quot;
Kom. 1, vs. 18: âWant de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid te onder houden.quot;
Tit. 2, vs. 11, 12: âWant de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle menschen, en onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden verzakende, matig, en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.quot;
33
II. Thess. 1, vs. 7, 8: âEn u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere Jesus van den hemel met de engelen Zijner kracht: met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jesus Christus niet gehoorzaam zijn.quot;
Vr. Waarom legt de Catechismus u de vraag voor: â/s dan God ook niet barmhartig?quot;
Antw. Opdat ik leere, dat Hij jegens mijne zonden en overtredingen der Wet, zonder eene voldoening overeenkomstig Zijne gerechtigheid, niet barmhartig is; ook opdat ik mij van Gods barmhartigheid geene verkeerde voorstellingen make,- maar mij zeiven veroordeele, en God gelijk geve. Indien God mij barmhartig was, zonder dat ik overeenkomstig Zijne Wet ware, zoo zoude Hij onbarmhartig zijn jegens al Zijne heiligen , die zich zeiven en de wereld verloochend hebben, en van de wereld niets hadden, omdat zij gebleven zijn in Gods gebod; â zoo zoude Hij ook onbarmhartig zijn jegens Zijn eigen heilig Kind Jesus, dewelke naar het vleesch gedood werd, toen Hij, de Rechtvaardige, voor ons on-rechtvaardigen leed, terwijl allen uitriepen: âkruis Hem, kruis Hem !quot; en die Zich om onzentwille door de wereld liet uitwerpen, smaden en dooden.
3
HET TWEEDE DEEL.
VAN DES MENSOHEN VERLOSSING.
Heidelbergsche Catechismus. 12lle Vraag.
Yraag. Aangeziea wij dan, naar het rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben: is er eeuig middel, waardoor wij deze straf ontgaan mogen, en wederom tot genade komen?
Antwoord. God wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede: daarom moeten wij aan dezelve, óf door ons zeiven, óf door eenen anderen volko-menlijk betalen.
OP VKAAG EN ANTWOORD 12.
Rom. 8, vs. 3: âWant hetgeen der Wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was , heeft God, Zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesohes, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch.quot;
Vr. Hoe verstaat gij dit: âGod wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede?quot;
Antw. Ten eerste: God moet Zijne eer weder hebben. Dit kan alleen geschieden door geloof.
35
Ten tweede: De Wet moet wederom opgericht, wederom vervuld zijn. Dit kan alleen geschieden door vol-komene gehoorzaamheid.
Ten derde: Zonde, schuld en straf moeten weggenomen, verzoend, uitgedelgd, gedragen zijn. Zulks kan alleen geschieden door iemand, die in het vleesch komt, dat is, die in onzen van God afgekomen toestand is, en nochtans van zich zelf van geene zonde weet, geen schuld gemaakt en geen straf verdiend heeft.
Ten vierde: De mensch, zoo als hij in Adam is, moet gedood zijn, en dezelfde mensch wederom in hot eeuwige leven tot God gebracht worden als oen nieuw jnensch. Zulks kon alleen geschieden door den Heere uit den hemel, in Wien wij, bijaldien wij gelooven, datgene zijn, wat Adam voor zijnen val was; ja er veel beter aan toe zijn, omdat Adam niet kon blijven staan; maar onze lieve Heere Christus blijft staan, ten einde den verzinkende op te helpen uit de diepte zijner verlorenheid en hem de genade der volharding te schenken.
Vr. Wat zegt de Heilige Schrift ten opzichte van het geloof, door hetwelk aan Gods gerechtigheid genoeg geschiedt?
Antw. Jesus is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Hebr. 12 , vs. 2 : âZiende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jesus, dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft ge. dragen en schande veracht, en is gezeten aan de Eech-terhand des troons Gods.quot;
Vr. Wat zegt de Heilige Schrift ten opzichte van de gehoorzaamheid, door welke de Wet vervuld is?
Antw. Phil. 2, vs. 8 : âHij heeft Zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, jaden dood des kruises.quot; Eom. 5, vs. 19 : âDoor de gehoor-
3*
36
zaamheld van éénen zullen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.quot; Gal. 4, vs. 4, 5; âMaar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de Wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.quot;
Vr. Weit zegt de Heilige Schrift daarvan, dat uto lieve Heer uwe zonde, schuld en straf weggenomen, gedragen, verzoend en uitgedelgd heeft ?
Ant.w. Jes. 53 , vs. 4â6 : âWaarlijk Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is flij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen.quot; Vs. 10 en 11: âDoch het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt: als Zijne ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal Hij zaad zien. Hij zal de dagen verlengen, en het welbehagen des Heeren zal door Zijne hand gelukkiglijk voortgaan. Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijne kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen.quot;
Vr. Weihen persoon droeg derhalve onze Heer in Zich in de dagen Zijns vleesches?
Antw. Onzen persoon, den persoon des zondaars.
37
Vr. Wat zegt de Heilige Schrift daarvan, dat gij in Christus als oude mensch gedood en als een nieuwe menscli opgewekt en wederom tot God gebracht zijt?
Antw. Eom. 6, vs. 6â11; âDit wetende, dat onze oude mensch met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven: wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de dooden, niet moer sterft ; de dood heerscht niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde éénmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel dor zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jesus, onzen Heere.quot;
Heidelbergsche Catechismus. 13de Vraag.
Yr. Maar kuniien wij door ons zeiven betalen? Antw. In geenerlei wijze; maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
OP VRAAG EN ANTWOORD 13.
Vr. Wat zegt de Schrift ten dezen opzichte ?
Antw. Job 9, vs. 2, 3: âWaarlijk ik weet, dat het zoo is : want hoe zou de mensch rechtvaardig zijn bij
38
God ? Zoo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden.quot;
Job 4, vs. 18, 19: âZie, op Zijne knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijne engelen klaarheid gesteld heeft. Hoeveel te min op degenen, die leemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is ? zij worden verbrijzeld voor de motten.quot; Matth. 16, vs. 26: ,,Wat zal een mensch geven, tot lossing van zijne ziel?quot; Ps. 130, vs. 3: âZoo Gij, Heere! do ongerechtigheid gadeslaat; Heere 1 wie zal bestaan?quot;
Heidelbergsche Catechismus. 14Je Vraag.
Vb, Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betaalt ?
Antvv. Neen: want, ten eerste, wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, welke de mensch gemaakt heeft; ten andere, kan ook geen bloot schepsel den last van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde dragen, en andere schepselen daarvan verlossen.
OP VRAAG EN ANTWOORD 14.
Vr. Bewijs mij, dat âGod aan geen ander schepsel de schuld wil straffen, welke de mensch gemaakt heeftV
Antw. Zoo spreekt de Heere : (Ezech. 18, vs. 4.) âDe ziel, die zondigt, die zal sterven.quot;
i
39
Vr. Hoe moet degene zijn, die den last van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde dragen lean ?
Ahtw. Die moet Gode gelijk zijn.
Heidelbergsche Catechismus. 15lt;le Vraag.
Ye. Wat moeten wij dan voor eenen Middelaar en Verlosser zoeken?
Antw. Zulk eenen, die een waarachtig en rechtvaardig mensch is, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook waarachtig God is.
Heidelbergsche Catechismus. 16'Ie Vraag.
Vr. Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mensch zijn?
Antw. Omdat de rechtvaardigheid van God vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde, en dat een mensch, zelf een zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.
Heidelbergsche Catechismus. 17de Vraag.
Vr. Waarom moet Hij samen ook waarachtig God zijn?
Antw. Opdat Hij, uit kracht Zijner Godheid, den last des toorns Gods aan Zijne menschheid dragen, en ons de gerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven mocht.
40
Heidelbergsche Catechismus. 18dc Vraag.
Vr. Maar wie is die Middelaar, die samen waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mensch is?
Antw. Oaze Heere Jesns Christus, die ons van Grod tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot eene volkomene verlossing geschonken is.
01' VRAAG EN ANTWOORD 15â18.
Vr. IVaar is van de io aarachtige menscJiheid van Christus voorzegd?
Antw. Ps. 8, vs. 5,6: âWat is de menscli, dat Gij zijner gedenkt? en de Zoon des menschen, dat Gij Hein bezoekt ? En hebt Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen , en hebt Hem met eer en heerlijkheid gekroond ?quot;
Vr. Geef mij eenige bewijzen voor de rechtvaardige menschheid van Christus?
Antw. Jerem, 33 , vs. 15 ; ,,Ia die dagen, en te dier tijd zal Ik David eene Spruit der gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.quot; Job. 8, 46 : âWie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?quot; Hebr. 4, vs. 15: âWant wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben mot onze zwakheden, maar die in alle dingen , gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.quot; Hebr. 7, vs. 26: âWant zoodanig een Hoogepriester betaamde ons, heilig,
41
oiinoozel, onbesmet, afgesclieiden vau de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden.quot;
Vr. TFaar staat geschreven, dat âeen mensch, zelf een zondaar zijnde, niet voor anderen hetalen kanquot;?
Antw. Ps. 49, vs. 8, 9: âNiemand van hen zal zijnen broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven: want de verlossing hnnner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden.quot;
Vr. Geef mij eenige bewijzen uil het Oude Testament voor de Godheid van Christus?
Antw. Jes. 52, vs. 7 : âüw God is Koning.quot;
Jes. 40, vs. 3 : âEene stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God !quot;
Jes. 35, vs. 4: âZegt den onbedachtzamen van harte : Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods, Hij zal komen en nlieden verlossen.quot;
Jes. 9 , vs. 5 : âWant een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder; en men noemt Zijnen Naam Wonderlyk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.quot;
Maleachi 3, vs. 1: »Ziet, Ik zende Mijnen engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijnen tempel komen die Heer, dien gijlieden zoekt, te weten, de Engel des Verbonds, aan denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.quot;
Maleachi 4, vs. 5 : âZiet, Ik zende ulieden den Profeet Elia , eer dat die groote en die vreeselijke dag des Heeren komen zal.quot;
Verder lezen wij in de boeken van Mozes, en in het
42
boek van Josua en dat der Eichteren, van den Engel des Heeren, d. i. Christus, die op zulke plaatsen weldra daarop Jehova genoemd wordt.
Vr. In welk hoofdstuk van het Nieuwe Testament vinden toij de bewijzen voor de Godheid van, Christus hij één 1
Antw. Hebr. 1: âGod, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; welken Hij gesteld heeft tot een' Erfgenaam van alles, door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. Dewelke, alzoo Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht, nadat Hi] de reinigmaking onzer zonden door Zich zeiven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de Eechter-hand der Majesteit in de hoogste hemelen ; zooveel voortreffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemen-der Naam boven hen geërfd heeft. Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd : Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd ? en wederom : Ik zal Hem tot een' Vader zijn, en Hij zal Mij tot een' Zoon zijn? En ala Hij wederom den Eerstgeboorne inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden. En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijne engelen maakt geesten, en Zijne dienaars eene vlam des vuurs. Maar tot den Zoon zegt Hij; Uw troon, o God! is in alle eeuwigheid: de scepter Uws Koninkrijks is een rechte scepter. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat: daarom heeft TJ, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uwe mede-genooten. En: Gij, Heere! hebt in den beginne de
43
aarde gegrond , en de hemelen zijn werken Uwer handen; dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen allen als een kleed verouden, en als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt dezelfde, en Uwe jaren zullen niet ophouden. Eu tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijne rechterhand, tot dat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten ? Zijn zij niet alle gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, dio de zaligheid beërven zullen?quot;
Joh. 1, vs. 1: âIn den beginne was het Woord, en het quot;Woord was bij God, en liet Woord was God.quot;
Rora. 9, vs. 5: âWelker zijn de vaders, en uit welken Christus is, zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, Amen.quot;
I. Tim. 3, vs. 16: âEn buiten allen twijfel do verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vleesch , is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.quot;
Joh. 8, vs. 58: âJesus zeide tot hen: Yoorwaar, voorwaar zeg Ik u: eer Abraham was, ben Ik.quot;
Titus 2, vs. 13: âVerwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid des grooten Gods en onzes Zaligmakers , Jesus Christus.quot;
Joh. 10 , vs. 30 : âIk en de Vader zijn één.quot;
Joh. 20, vs. 28: âThomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!quot;
44
Heidelbergsche Catechismus, IQ116 Vraag,
Vr. Waaruit weet gij dat?
Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk Grod zelf eerst in het Paradijs geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten heeft laten verkondigen, en door de offeranden en andere plechtigheden der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld.
OP VRAAG EN ANTWOORD 19.
Vr. In welke woorden heeft God het Evangelie in het Paradijs geopenbaard?
Antw. Gon. 3, vs. 15: âEn Ik zal vijandscliap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad: datzelve zal u den kop vermorzelen, en gii zult het de versenen vermorzelen.quot;
Vr. Hoe ligt in deze belofte, welke God in hel Paradijs gaf, de gansche leer der zaligheid?
Antw. Daar wordt gesproken van het Zaad der vrouw, bijgevolg moest dit Zaad een waarachtig mensch zijn, en wel van de maagd geboren, want er staat niet: mans zaad. De slang zoude Hem de versenen vermorzelen; derhalve moest dit zaad sterven. Daarentegen zou dit Zaad den kop der slang vermorzelen; zulks echter met vermorzelde versenen te doen, is den mensch onmogelijk; zoo moest dan dit Zaad te gelijk God uit God zijn. Ook zou Hij zulks niet voor Zich zelf doen, zoo
45
zou Hij dan komen als Borg, Middelaar en Plaatsbe-kleeder van een verloren menschdoin.
Vr. Wat is het zaad der slang?
Antw. Dat zijn wij in onze eigengerechtigbeid.
Vr. Wat is de vijan'dschap, welke God gezet heeft?
Antw. De scheiding tusschen datgene , wat het werk des duivels en des vleesches is, en datgene, wat Gods werk is.
Vr. Hoe heeft God bij Adam de levende prediking der helofte onderhouden ?
Antw. Daardoor, dat Hij hem het offeren leerde, hetwelk Adam wederom aan zijne kinderen geleerd heeft.
Vr. Hoe heeft God het aan Adam geleerd, dat Hij hem zonder werken, door hel geloof, de gerechtigheid Christi toerekende?
Antw. Daardoor, dat God hem rokken van vellen maakte.
Vr. Hoe heeft God het Adam geleerd, dat de mensch niets aannemen kan, tenzij het hem van loven gegeven zij ?
Antw. Daardoor, dat God hem deze rokken van vellen ook aantrok.
Vr. Hehben de Profeten daaruit ook voor de gemeente troost geschept?
Antw. Ja. Jes. 61, vs. 10: âIk ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils , den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan ; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als eene bruid zich versiert met haar gereedschap.quot;
Zach. 3 , vs. 4: âToen antwoordde Hij , en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende:
46
Doet deze vuile kleederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen; en Ik zal u wisselkleederen aandoen.quot;
Vr. Waardoor heeft Adam bewezen, dat hij dit alles zóó verdaan en geloofd heeft?
Antw. Daardoor , dat hij zijne vrouw ,,eene moeder aller levendigenquot; noemde; want daarmede wilde hij zeggen: Uit u zal de Messias voortkomen, eu ook allen, die door het geloof in Hem het eeuwige leven beërven zullen.
Vr. En tcaardoor heeft Eva bewezen, dat zij Christus verwachtte ?
Antw. Toen zij haren eersten zoon ontving, zeide zij: Ik heb den man, den Heere verkregen!
Vr. In welke woorden heeft God aan de Aartsvaderen het Evangelie bekend gemaakt 2
Antw. God sprak tot Noach: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer slaan om des menschen wil,â dat is, om Christus wil; en tot Abraham sprak Hij: In uw zaad, â dat is, in Christus, â zullen gezegend worden alle volken der aarde.
Vr. Wat zeide Jakob tot zijne kinderen, toen hij hen zegende ?
Antw. Gen. 49, vs. 10: ,,De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tusschen zijne voeten tot dat Silo komt, en denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.quot;
Vr. Geef mij een bewijs daarvan, dat God Zijn Evangelie door de offeranden geopenbaard heeft?
Antw. Wij lezen in het lste Hoofdst. van Leviticus het volgende: Als een mensch Gode iets wilde brengen voor de zonde; zoo moest hij Hem een lam brengen of een
47
rund, een rein dier, dat zonder gebrek was. Op difc lam of rund moest de zondaar zich steunen en op hetzelve zijne zonde leggen, dan werd dat reine dier zijne zonde. Alsdan moest hij het slachten, waarna het lam of rund op het altaar verbrand werd. De zonde was daardoor van den offeraar weggenomen, en hij ging naar huis gerechtvaardigd in het onschuldige bloed van het lam of rund.
Vr. De Catechismus spreekt nog van andere ceremoniën of plechtigheden der Wet, noem er mij eenige?
Antw. Onder anderen het binnenste heiligdom, waarin de Ark des verbonds en het Verzoendeksel zich bevonden. In de Ark des verbonds waren de tafelen des verbonds. Dat beteekende Christus, in Wien de Wet was, om die te vervullen, en dat daarom op Hem de genade zoude rusten. Vóór het heiligdom was het voorhangsel. Dat beteekende het vleesch van Christus. In het binnenste heiligdom ging de hoogepriester eenmaal des jaars met bloed ; dat beteekende Christus, die éénmaal als onze getrouwe Hoogepriester door de hemelen doorgegaan is, met Zijn eigen bloed. â Er zijn vele schaduwen van Christus, bijv. het manna; de rots, waaruit water voortkwam ; de bloeiende staf van Aiiron; de koperen slang; de twee bokken, die op den grooten verzoendag werden gebracht; de wetten tegen de melaatschheid ; de roode koe; de lossingen; het groote jaar der vrijheid of jubeljaar; de vrijsteden, en andere meer.
Heidelbergsche OatecMsmus, 20ste Vraag. Vr. Worden dan alle mensclien weder door Chris-
48
tus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden ?
Antav. Neen zij; maar alleen degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd, en al Zijne weldaden aannemen.
op vraag' en antwooru 20.
Vr. Is er eene algemeene genadn?
Antw. Neen. â God geeft eene betooning van Zijne barmhartigheid daarin, dat Hij uit de geheele massa des menschdoms, eenigen uitverkiest in Christus Jesus, zonder daarbij hunne werken in aanmerking te nemen, enkel uit vrije goedheid, tot eere Zijns Naams; ook geeft Hij eene betooning van Zijne rechtvaardigheid daarin , dat Hij al de overigen mede tot eere Zijns Naams, in hunne verdoemenis laat liggen, waarin zij zich zeiven moedwillig gestort hebben.
Vr. Waar staat dat geschreven?
Antw. In Spr. 16, vs. 4: âDe Heere heeft alles gewrocht om Zijns zelfs wil; ja ook den goddelooze tot den dag des kwaads,quot; En in Hand. 13, vs. 48 : âEn er geloofden zoovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.quot;
Vr. Wat zegt onze Heere daarvan?
Antw. Joh, 17, vs 9 ; âIk bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt.quot;
Vr. Kan dan de mensch niet zalig worden, als hij wil?
Antw. Neen, dat hangt alleen af van Gods wil en ontferming.
49
Vr. Bewijs mij dit?
Antw. Joh. 6 , 44 , 45: âNiemand kan tot Mij komen , tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hemtrekke; eu Ik zal hem opwekken ten uitersten dago. Er is geschreven in de Profeten : Eu zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.quot;â Vs. 65: ,,En Hij zeide : Daarom heb Ik u gezegd , dat niemand tot Mij komen kan, ten zij dat het hem gegeven zij van Mijnen Vader.quot;
Matth. 11, vs. 25, 26: âIn dienzelven tijd antwoordde Jesus en zeide : Ik dank ü, Vader! Heere des hemels en der aarde ! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, eu hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Ja , Vader! want alzoo is geweest het welbehagen voor U.quot;
liom. 9, vs. 16: âZoo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.quot;
Jes. 65, vs. 1: âIk ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik; ziet, hier ben Ik.quot;
Vr. Er staat toch geschreven: God wil, dat alle men-schen zalig worden?
Antw. Dat is ook zoo; maar dit staat geschreven om de aanmatiging te niet te doen, waarmede men zich op de verkiezing Gods verheft, zonder bewijzen te geven, dat men in waarheid een uitverkorene is.
Vr. Eu wat is daarvan een doorslaand bewijs?
Antw. Zelfverloochening, ongeveinsd geloof en on-
4
50
ffohuicbelde liefde des naasten, ook, dat men alleen Gods
O '
eer en Gods Naam voor oogen houdt. Openb. 12, vs. 11 : ,,En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis; en zij hebben hun leven niet lief gehad tot den dood toe.quot;
Vr. ffoe beidt de heilsorde van Gods eeuwig r aad sb e sluit ?
Antw. Die Hjj te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen beeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.âEn: Een iegelijk dien Ik genadig ben, dien ben Ik genadig, en een iegelijk over wien Ik Mij ontferm, diens ontferm Ik Mij.
Eom. 8, vs. 29: âWant die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.quot;
Bom. 9, vs. 15: âWant Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn , diens Ik barmhartig ben.quot;
Joh. 10, vs 27 â 29: âMijne schapen hooren Mijne stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in dei-eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken-Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.quot;
Vr. Waartoe dient de leer der eeuwige vrije genade-verkiezing ?
Antw. Zij leert ons, in welken stand wij ons ten opzichte van God bevinden, opdat wij:
ten eerste , ons op genade en ongenade in do handen
51
van onzen souvereinen God werpen, met de bede: Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn;
ten tweede, opdat wij alle aanmatiging der eigenge-reclitigheid afleggen ;
ten derde, opdat wij een' vasten en eeuwigen troost hebben onder allerlei kruis, droefheid, vervolging en bestrijding.
Vr. Zoo ligt het dan aan God als een menscJi niet zalig wordt ?
Antw. God spreekt: Ik heb geenen lust aan den dood des stervenden, daarom bekeert u en leeft.
Ezeoh. 18, vs. 21â23: âMaar wanneer de goddelooze zich bekeert vap al zijne zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijne inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewissehjk leven, hij zal niet sterven. Al zijne overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijne gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. Zou Ik eenigszins lust hebben aan den dood des goddeloozen? spreekt de Heere Heere; is liet niet, als hij zich bekeert van zijne wegen, dat hij leve?quot;
Vs. 32: âWant Ik heb geenen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere Heere ; daarom bekeert u en leeft.quot;
Vr. Staan de namen der uitverkorenen hij God zóó aangeschreven , ah zij hier op aarde heeten ?
Antw. Ja, Samuel werd door den Heere met name geroepen: zoo ook Paulus meermalen, bijzonder waaide Heere zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Ook Zaeharias, Elisabet, Maria en Jozef werden door den engel Gabriël bij hunne namen geroepen, en zoo schrijft Paulus: (Phil. 4, vs. 3.) âEn ik bid ook u, gij mijn oprechte medgezel! wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in bet Evangelie, ook met
4*
52
Clemens, cn de andere mijne medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens.quot;
Vr. Hoe kan ik iceten, of ik ook in dit hoek sta opgeschreven ?
Antw. Vraag u zeiven af: âIn Wiens Naam ben ik gedoopt?quot; â Hoor des Hoeren Woord: Ga in door de enge poort. Laat uw eerste zorg zijn, om Christus deelachtig te worden; die is de Eerst-Uitverkorene. Hoor Hem zeggen : âDie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.quot; In Hem staat uwe verkiezing vast, en vau Hem staat geschreven: âHij zal Zich over Zijne ellen-digen ontfermenen: âIk zal zien op, den arme en ver-slagene van geest, en die ^oor Mijn Woord beeft.quot;
Ps- 72, vs. 12â14: âWant Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen' helper heeft. Hij zal den arme en nooddruftige ver-schoonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen Hij zal hunne zielen van list en.geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in Zijne oogen quot;
Vr. Waarop hebt (jij, bij de duizende goddelooze inwer-pingen tegen Gods voorverordineering, onverwrikt te letten'/
Antw. Op mijne eigene doemwaardigheid, onwaardigheid en volslagene onmacht; op de souvereiniteit en vrijheid diens Gods, die den persoon niet aanziet, en op bet bloed des Lams, dat zonder onderscheid of aanneming des persoons de zonde wegdraagt van eikéén, die zonde heeft, en die op dit Lam , naar den wil van God, zijne zonde legt.
53
Heidelbergsche Catechismus. 21ste Vraag,
Ve. Wat is een oprecht geloof?
Antw. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft; maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest, door het Evangelie, in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aau mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus.
OP VRAAG EN ANTWOORD 21.
Rom. 1, vs. 16: âquot;Want ik schaam mij des Evangelies Christi niet: want het is eene kracht Cfods tot zaligheid een' iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den O-riek.quot;
Rom. 3, vs. 24: âEn worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jesus is.quot; â Hoofdst. 5 , vs. 1 : âWij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jesus Christus.quot;
Vr. Waarom zegt de CatecJdsmus; âde Heilige Geest werkt het geloof?quot;
Antw. Ik geloof, dat ik niet door mijii eigen verstand, noch kracht, aan Jesus Christus, mijnen Heer, gelooven of tot Hem komen kan. Het geloof is geene verstandszaak. Daarom schrijft de Apostel Panlus: (I. Oor. 2, vs. 14.) ,,De natuurlijke mensch begrijpt niet
54
dedingen, die des Geestes GodsTzijn: want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan , omdat zij geestelijk onderscheiden worden quot;
Hand. 10, vs. 44: âAls Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.quot;
Vr. Waarom zent de Catechismus: âdoor het Evangelie?quot;
Antw. Dat geloof, hetwelk niet Gods Woord tot eenigen grondslag heeft, is dweeperij; en oen verbroken en verslagen hart wordt alleen genezen en opgericht door de blijde boodschap van de genade Jesu, van de liefde Gods, van de gerechtigheid, welke voor God geldt, en in welke een goddelooze gerechtvaardigd wordt voor Gods rechterstoel,
Vr. Waarom,\maakt de Catechismus onder scheid tus-schen âeen zeker wetenquot; en âeen hartelijk ver-trouioen?quot;
Antw. Bileam en Saul hielden alles voor waarheid wat God gezegd had ; maar een verslagen zondaar heeft daaraan niet genoeg; â aan hem geeft de Heilige Geest, te midden van zijne verbrijzeling en van zijn' geheel verloren toestand, de vrijmoedigheid, om van harte uit te roepen: âGij zijt mijn God en Heiland.quot;
Ps. 51, vs. 16: âYerlos mij van bloedschulden, o God J Oij God mijns heils! zoo zal mijne tong Uwe gerechtigheid yroolijk roemen.quot;
Rom. 10 , vs. 9 , 10 : âIndien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jesus, en met uw hart gelooven, dat Uem God uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid , en met den mond belijdt men ter zaligheid.quot;
Ps. 116, vs. 16: âOch Heere! zekerlijk ik ben Uw knecht
55
ik ben Uw kneclit, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden losgemaakt.quot;
Vr. Waarom zegt de Catechismus: âniet alleen aan anderen, maar ook aan mij?quot;
Antw. Omdat de Roomsclie Kerk leert, dat men wel in het algemeen kan zeggen: Wie gelooft, wordt zalig; maar dat men dit van zich zelveu niet met zekerheid weten kan.
Vr. Kan men dit van zich zeiven toeten?
Antw. Ja; en dit is ook ter zaligheid noodzakelijk. Job zegt: (19, vs. 25) âWant ik weet, mijn Verlosser leeft.quot;
Voorts: Jes. 44, vs. 5: âDeze zal zeggen: ik ben dus Heeren; en die zal zich noemen met den naam Jacobs; en gene zal met zijne hand schrijven: ik ben des Heeren; en zich toenoemen met den naam Israels.quot;
De Apostel Paulus schrijft: (I. Tim. 1, vs. 16.) âMij is barmhartigheid geschied;quot; en: (II. Tim. 4, vs. 8.) âMij is weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere in dien dag geven zal.quot;
Rom. 8, vs. 38, 39: âWant ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven , nog engelen , noch overheden , noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte , noch diepte , noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods , welke is in Christus Jesus, onzen Heere.quot;
Vr. Vinden alle kinderen Gods dit hartelijk vertrouwen in zich?
Antw. Neen, maar zij roepen: Ik geloof Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp! en wagen het in den Naam des Heeren Jesus op grond Zijner beloften; â want hun ongeloof veroorzaakt hun een harden strijd.
56
Vr. Roe komt men tot zekerheid zijner zaligheid?
Antw. De Apostel schrijft aldus: âDe rechtvaardige zal uit het geloof leven en: ,,Laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden.quot;
Vr. Waarom schrijft de Catechismus; âUit loutere genade?quot;
Antw. Om ons te leeren, dat alle werk, alle verdienste uitgesloten is; als ook daarom , opdat wij onze bekeering, of het geloof, niet voor een werk houden, om welks wille God ons zoude rechtvaardigen. Eph. 2. vs. 8, 9 : âUit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is G-ods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.quot;
Vr. Roe velerlei geloof is er?
Antw. Een historisch geloof, een tijdgeloof, een bijgeloof, een overgeloof en een zaligmakend geloof.
Heidelbergsche OatecMsmus. 22st0 Vraag,
Ve. Wat is dan eenen Christen noodig te gelooven?
Antw. Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in ééne hoofdsom leeren.
OP VRAAG EN ANTWquot;OOKD 22.
Vr. Wat wordt ons in het Evangelie beloofd?
Antw. De zekerheid onzer zaligheid door den Heiligen Geest, in de vergiffenis onzer zonden in het bloed van
57
Jesus Christus, den Zoon Gods, naar den wil des Vaders in de hemelen.
Heidelbergscke Catechismus, 23ate Vraag.
Vr. Hoe luiden die Artikelen?
Antw. Ik geloof in God, den Vader, den Al-machtige, Schepper des hemels en der aarde.
En in Jesus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen He ere; die ontvangen is van den Heiligen Geest, geheven uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatns, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derden dage iveder opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des alrnaahtigen Vaders; van waar Ilij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.
Ik geloof in den Heiligen Geest. Ik geloof eene heilige algemeene Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, wederopstanding des vleesches, en een eeuwig leven.
OP VRA.AG EN ANTIVOORD 23.
Vr. Wat hebt gij volgens het évangelie te gelooven, en rcat is urne belijdenis?
Antw. 1) Ik geloof, dat de God en Vader van mijnen Heere Jesus Christus, de eenige en levendige God is, die hemel en aarde, en ook mij geschapen heeft, en dat Hij om Christus wille alles nog draagt en onderhoudt in Zijne lankmoedigheid; ook, dat Hij, om Zijns
58
lieven Zoons wille, mija God en mijn Vader is, en voor mij zorgen zal in alles, voor zoo verre ik in Zijn Woord blijf.
2) Ik geloof, dat Jesus Christus de eeniggeboren eu eeuwige Zoon des Vaders is, dat Hij eenswezens is met den Vader. Hij is ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, alzoo is Hij mensch geworden voor mij. Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, en toen was Hij voor mij in de macht der helle. Ten derden dage is Hij weder opgestaan van de dooden; Hij is opgevaren ten hemel, en zit ter Eechterhand Gods, des almach-tigen Vaders, vanwaar Hij zal wederkomen om te oor-tleelen de levenden en de dooden.
8) Ik geloof, dat de Heilige Geest is God , eenswezens met den Vader en den Zoon.' Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk, gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, opstanding des vleesches en een eeuwig leven.
Deze God: de Vader, do Zoon, en de Heilige Geest is mijn God.
Heidelbergsche Catecliismus. 24sti; Vraag, Vk. Hoe worden deze Artikelen verdeeld? Antw. In drie deelen: het eerste is van God den Vader, en onze schepping; het andere, van God den Zoon, en onze verlossing; het derde: van God den Heiligen Geest, en onze heiligmaking.
Heidelbergsche Catecliismus, 25ste Vraag. Vr. Aangezien er maar één eenig Goddelijk
59
quot;Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest?
Antw. Omdat God Zich alzoo in Zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidene personen de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn.
OP VRAAG EN ANTWOORD 25.
Vr. Geef mij een hew ijs uit het Oude Testament voor de Heilig e Dr ieécnhei d.
Antw. Jes. 6, vs. 3; âEn de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen.quot; Vs. 8â10: âDaarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden? en wie zal ons henongaan? Toen zeide ik; Zie, hier ben ik, zend mij henen. Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Hoorende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogen, opdat het niet zie met zijne oogen , noch met zijne ooren hoore, noch met zijn hart versta, noch zich bekeere, en Hij het geneze.quot; Vergelijk dit met Joh. 12, vs. 41: âDit zeide Jesaja (van Je sus), toen hij Zijne heerlijkheid zag, en van Hem sprak.quot;
Hand. 28, vs. 25, 26: ,,Bn tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ééne woord gezegd had, namelijk : Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den Profeet , tot onze vaderen zeggende : Ga heen tot dit volk , en zeg : Met het gehoor zult gij hooren , en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien,, en geenszins bemerken.quot;
60
In Jes. 48 , vs. 16 spreekt Christus: ,,Yan dien tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere Heere, en Zijn Geest heeft Mij gezonden.quot;
Num. 6, vs. 24â27: ,,De Heere zegene u en behoede u! De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! Alzoo zullen zij Mijnen Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.quot;
Haggai 2, vs. 6: ,,Ik ben met u met het Woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Ec^pte uittrokt, en Mijnen Geest, staande in het midden van u ; vreest niet!quot; â Vergel. I. Joh. 5, vs. 7: âWant drie zijn er, die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één.quot;
Vr. Geef mij een paar h e w ij zen uit liet Nieuwe Testament voor de Heilige Drie éénheid.
Antw. Matth. 3, vs. 16, 17: âEn Jesus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, do hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk eene duive, en op Hem komen. En ziet, eene stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in denwelken Ik Mijn welbehagen heb !quot;
Joh. 15, vs. 26: âMaar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, dien Ik u zenden zal van den Vader namelijk de Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van Mij getuigen.quot;
Matth. 28, vs. 19: âGaat dan henen, onderwijst al de molken, dezelve doopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.quot;
, Hand. 20 , vs. 28 : âZoo hebt dan acht op u zeiven, en op de geheele kudde, over dewelke u de Heilige Geest
61
tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.quot;
I. Joh. 5, vs. 7: âWant drie zijn er, die getuigen iu den hemel, de Vader, het Woord, en de Heilige Geest, en deze drie zijn één.quot;
II. Cor. 13 , vs. 13: âDe genade des Heeren Jesus Christus, en do liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij me£ u allen ! Amen.quot;
Vr. Wat is een persoon?
Antw. Een persoon is , die uit eigene machtvolkomenheid âikquot; zegt.
Vr. Bewijs mij zulks van den Vader.
Antw. Matth. 3, vs. 17: âEn ziet, eene stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, iu denwelken Ik Mijn welbehagen heb.quot;
Vr. Bewijs mij sulks van den Zoon.
Antw. Joh. 15, vs. 26: âMaar wanneer de Trooster zal gekomen zijn , dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van Mij getuigen.quot;
Joh. 8, vs. 58: âJesus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u , eer Abraham was , ben Ik.quot;
Joh. 10, vs. 30: âIk en de Vader zijn één.quot;
Hand. 9 , vs. 5 : âIk ben Jesus , dien gij vervolgt.quot;
Openb. 22, vs. 16: âIk, Jesus, heb Mijnen engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten.quot;
Vr. Bewijs mij zulks van den Heiligen Geest.
Antw. Hand. 10, vs. 19, 20: âEn als Petrus op dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u ; daarom sta op, ga af, en reis met hen , niet twijfelende : want Ik heb ze gezonden.quot;
Hand. 13 , vs. 2 : âEn als zij den Heere dienden , en
62
vastten , zeide de Heilige Geest; Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot bet werk, waartoe Ik ben geroepen heb.quot;
Vr. Geef mij nog een heicijs, dat de Heilige Geest een persoon oj) zich s el v en is, onderscheiden van den Vader en den Zoon.
Antw. Aan Hem wordt verstand toegeschreven : (I. Cor. 2, vs. 10, 11.) âDoch God heeft het ons geopenbaard door Zijnen Geest, want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Want wie van de menschen weet, hetgeen des menschen is, dan de geest des menschen , die in hem is? alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.quot; â Eu wil; (I. Cor. 12, vs. 11.) ^Doeh deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, deelende aan een' iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.quot;
Vr. Waarin is de Zoon van den Vader onderscheiden ?
Antw. Do Zoon wordt eeuwig van den Vader gegenereerd. (Ps. 2, vs. 7.) ,,Ik zal van het besluit verhalen : De Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, beden heb Ik U gegenereerd.quot;
Vr. Waarin is de Heilige Geest van den Vader en den Zoon onderscheiden?
Antw. De Heilige Geest gaat uit van den Vader en van den Zoon.
Vr. Noem mij eenige eigenschappen van God.
Antw. God is al genoegzaam; Hij hangt van niets af, en alles van Hem. â Ps. 73, vs. 25â27: ,,Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens ü lust mij ook niets op de aarde 1 Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten, en mijn
63
deel m eeuwigbeid. Want ziet, die verre van U zijn , zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U af hoereert.quot;
God is almachtig; d. i. Hij kan buiten Zich zeiven alles uitwerken wat Hij wil. â Ps. 33, vs. 9 ; âWant Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en hot staat er.quot; Luc. 1, vs. 37: âWant geen ding zal bij God onmogelijk zijn.quot;
God is alomtegenwoordig; d. i. Hij is bij alle Zijne schepselen. ââ Ps. 139, vs. 7â10: âWaar zou ik heengaan voor Uwen Geest? en waar zoude ik heenvlie-don voor Uw aangezicht? Zoo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads; woonde ik aan het uiterste der zee; ook daar zou Uwe hand mij geleiden, en Uwe rechterhand zou mij houden.quot;
God is alwetend; d. i. door ééne daad kent Hij alles in Zich zeiven op de volmaaktste wijze. â Hebr. 4, vs. 13; âEr is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met welken wij te doen hebben.quot; -â Ps. 139, vs. 1â4: âHeere! Gij doorgrondt en kent mij. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijne gedachten. Gij omringt mijn gaan en mijn liggen, en Gij zijt al mijne wegen gewend. Als er nog geen woord op mijne tong is , zie Heere ! Gij weet het alles.quot;
God is alwijs; Eom. 11, vs. 33â36: âO diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennis Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie beeft Hem eerst gegeven, en het zal Hem wedervergolden worden ? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zija
64
alle dingen. Hem zij de heerlijklieid in der eeuwigheid. Amen.quot; Rom. 16, vs. 27 : âDeuzelven alleen wijzen God zij door Jesus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.quot;
God is barmhartig; Exod. 34, vs. 6: âAls nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zoo riep hij; Heere, Heere , God, barmhartig en genadig, lankmoedig un groot van weldadigheid en waarheid!quot;
God is éénig; d. i. niets is Hem gelijk. â Deuter. 6, vs. 4 : âHoor, Israël! de Heere, onze God, is een eenig Heere Iquot;
God is eenvoudig; d. i. alles wat in God is, is God zelf.
God is eeuwig; d. i. Hij bestaat tegelijk zonder beginsel, einde of vervolg van tijden.
I Tim. 6, vs. 16: âDie alleen onsterfelijkheid heeft.quot;
Ps. 90, vs. 4: âWant duizend jaren zijn in Uwe oogen, als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwaak.quot;
God is genadig; d. i. Hij doet Zijne schepselen wel, ofschoon zij het onwaardig zijn , ja het tegendeel verdienen.
Wij lezen inLuc. 15, vs. 20â22: âEn opstaande ging hij naar zijnen vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en toeloopende viel hem om zijnen hals en kuste hem. En de zoon zeide tot hem: Vader! ik heb gezondigd tegen deu hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed , en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne Jband, en schoenen aan de voeten, enz.quot;
65
Eph. 2, vs. 7â10: âOpdat Hij zou betoenen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade , door de goedertierenheid over ons in Christus Jesus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn. Zijn maaksel, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.quot;
God is getrouw; d. i. Hij kan Zich zelven niet verloochenen. â II Tim. 2, vs. 13: âIndien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zich zelven niet verloochenen.quot;
God is goed ; d. i. Hij wil Zijne schepselen wel, en doet hun wel, bijzonder Zijnen uitverkorenen.quot; â Ps. 136, vs. 1: âLooft den Heere, want Hij is goed: want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid.quot;
God is heilig; d. i. Hij kan niet anders dan de reinheid , het licht en het leven lief hebben; daarin alleen woont Hij, daarom zondert Hij de Zijnen ook af van alle onreinheid, van elke duisternis, van eiken dood en maakt hen heerlijk in en bij Zich eeuwiglijk; Hij bestraft ook daarom de onreinheid en de werken der duisternis.
I Petr. 1, vs. 15, 16; âMaar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zoo wordt ook gij zelven heilig in al uwen wandel; daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.quot; â Ps. 5, vs. 5â7 : âWant Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid ; de booze zal bij ü niet verkeeren. De onzinnigen zullen voor Uwe oogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en bedrogs heeft de Heere eenen gruwel.quot;
God is liefde. I Joh. 3, vs. 1: âZiet, hoe groote
5
66
liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.quot;
God is lankmoedig. Jes. 48, vs. 8, 9: âOok hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest: want Ik heb geweten, dat gij gansch trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genoemd zijt. Om Mijns Naams wil zal Ik Mijnen toorn langer uitstellen , en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.quot; Rom. 9, vs. 22: ,,En of God, willende Zijnen toorn bewijzen, en Zijne macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid.quot; â Hoofdst. 2, vs. 4: ,,Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt?quot; II Petr. 3, vs. 9: ,,God wil niet dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekeering komen.quot;
God is onbegrijpelijk; d. i. Zoo als Hij is, kan Hij niet ten volle door ons begrepen worden. â Job 11, vs. 7, 8; âZult gjj de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden? Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen ? dieper dan de hel, wat kunt gij weten?quot;
God is onveranderlijk; d. i. Hij blijft al wat Hij is. â Jac. 1, vs. 17: âAlle goede gave, en alle volmaakte gifts is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij welken geene verandering is, of schaduw van omkeering.quot; â Ps. 102, vs. 26â28 : ,,Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen; die zullen vergaan, maar Gij zult staande
67
blijven, en zij allen zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Maar Gij zijt dezelfde, en Uwe jaren zullen niet geëindigd worden.quot;
God is oneindig volmaakt; d. i. Hij bezit alle volmaaktheden. â Ps. 145, vs. 3; âDe Heere is groot en zeer te,prijzen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk.quot;
God is rechtvaardig; d. i. Hij geeft en laat een iegelijk het zijne; vordert niet, wat Hij niet gegeven heeft, en geeft, waar niets is, maar wat verkeerd blijven wil, houwt Hij af. â Rom. 2, vs. 6â11: ,,Welke een iegelijk vergelden zal naar zijne werken: dengenen wel, die met volharding in goed doen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar dengenen die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam , doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn , zal verbolgenheid en toorn vergolden worden: verdruk -king en benauwdheid over alle ziel dos menschen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van don Griek; maar heerlijkheid, en eer, en vrede, een iegelijk , die het goede werkt, eerst den Jood en ook den Griek. Want er is geene aanneming des â persoons bij God,quot; Hoofdst. 1, vs. 17, 18: âWant de rechtvaardigheid Gods wordt in het Evangelie geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Want de toorn Gods wordt geopenbaard van. den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid to onderhouden.quot;
Ezra 9, vs. 15: ,,0 Heere, God van Israël! Gij zijt rechtvaardig: want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aange-
5*
68
zicht in onze schuld, want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan om zulks.quot;
II Thess. 1, vs. 6, 7: ,,Alzoo het recht is bij God, verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken; en u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heers Jesus van den hemel met de engelen Zijner kracht.quot;
God is waarachtig; d. i. Hij is Zich zelveu altijd gelijk; wat Hij zegt, doet Hij: wat Hij belooft, houdt Hij. â Ps. 117: âLooft den Heere, alle heidenen ! prijst Hem, alle natiën! Want Zijne goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des Heeren is in der eeuwigheid! Hallelujah !quot;
Vr. IFat moet diegene yelooven, die tot God komtl Antw. Wie tot God komt, moet gelooven, dat Hij is, eu dat Hij een belooner is dergenen, die Hem zoeken.
VAN GOD DEN VADER.
Heidelbergsche Catechismus. 26ste Vraag.
Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
Antw. Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jesus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook dezelve nog door
69
Zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt «n regeert, om Zijns Zoons Christus wille, mijn God en mijn Vader is; op Wien ik alzoo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad^ dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keeren; omdat Hij zulks doen kan als een almaclitig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.
OP VRAAG EN ANTWOORD 2G.
Vr. âMet alle nooddruft des lichaams en der ziel ?quot;
Antw. Ja. Gen. 28, vs. 20: âEn Jakob beloofde eene gelofte, zeggende; Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en
kleederen om aan te trekken.....quot; â I Chron. 4, vs. 9,10:
,,Jabez nu was heerlijker dan zijne broeders; en zijne moeder had zijnen naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijne landpale vermeerderen zult, en Uwe hand met mij zijn zal, en met het kwade alzoo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen wat hij begeerde.quot;
Wij mogen bij God aanhouden in het gebed, al was het ook om een spijker of om eene speld, zoo wij maar in Zijne wegen gaan. God gaf aan de kinderen Israels vleesch en brood uit den hemel; veertig jaren lang verouderden hunne schoenen en kleederen niet. En de on-
70
dervinding der vromen bevestigt het, dat de getrouwe God nog dezelfde wonderen doet als van ouds. Mocht men er maar acht op geven.
Vr. âOok al het tcicaad ten leste keeren?quot;
Antw. Ja. Ps. 37, vs. 5: âWentel uwen weg op den Heere, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken.quot; â Eom. 8, vs. 28: âWij weten, dat dengenen, die God lief hebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.quot; â⢠Ps. 68, vs. 21: âDie God is ons een God van volkomens zaligheid; en bij den Heere, denHeere, zijn uitkomsten tegen den dood.quot;
Denken wij slechts aan de geschiedenis van Jozef, en. dat Salomo geboren werd uit Bathseba.
Heidelbergsche Catechismus. 27ste Vraag.
Vr. Wat verstaat gij door de Yoorzienigheid Grods?
Antw. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders de schepselen, als met Zjjne hand nog onderhoudt , en alzoo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen niet bij geval, maar van Zijne vaderlijke hand ons toekomen.
71
OP VRAAG EN ANTWOOKD 27.
Vr. Wélke geschiedenissen lewijzen wel ten sterkste, âdat ons niets bij geval óverkomt?quot;
Antw. De geschiedenissen van Ahasveros en zijne beide kamerlingen, van Haman, van Mordechai, van Esther; de geschiedenis van Ruth, van Jozef, en bijzonder de geschiedenis, welke dus begint: ,,En bet geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden.quot;
Vr. Wat heihen wij uit dit alles te leer en ?
Antw. Dat, wanneer wij op den Heere betrouwen, ons geen ongeluk kan overkomen, waaruit de Heere ons geen geluk schept, al ging het ons ook gelijk het Job ging. Zoo wij in des Heeren woorden blijven, maakt Hij boven bidden en denken alles goed. Hij maakt de Zijnen tevreden met al Zijne wegen, zoodat wij op het einde Hem loven voor Zijne getrouwigheden. Ps. 42, vs. 12: âWat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God.quot; â Ps. 71, vs. 17: âO God! Gij hebt mij geleerd van mijne jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uwe wonderen.quot; â Vs. 20â23: âGij, die mij vele benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen nit de afgronden dei-aarde. Gij zult mijne grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten. Ook zal ik U loven met het instrument der luit, uwe trouw, mijn God! Ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israëls! Mijne lippen
72
zullen juichen, wanneer ik ü zal psalmzingen, en mijne ziel, die Gij verlost hebt.quot;
Heidelbergsche Oatechismus. 28stc Vraag.
Vr. Waartoe dient ons, dat wij weten, dat God alles geschapen heeft, en nog door Zijne Voorzienigheid onderhoudt?
Anïw Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles , wat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijne liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzoo in Zijne hand zijn, dat zij, tegen Zijnen wil, zich noch roeren noch bewegen kunnen.
OP VRAAG EN ANTWOORD 28.
Vr. Waarop licht gij hier hijzonder te letten ?
Antw. Daarop: âdat ik in allen tegenspoed geduldig moge zijn;quot; aangezien ook krankheid en armoede, indien ik mij zulks niet moedwillig berokkend heb, mij van Gods vaderlijke hand toekomt; â ook: âdat ik in voorspoed niet trotsch, maar dankbaar, nederig en bescheiden moge zijn;quot; en verder: âdat ik voor de toekomst goeden moed houde.quot;
Vr. âAlle schepselen in Zijne hand?quot;
Antw. Ja; daardoor gebeurt het, dat zelfs de raven
73
Elia brood moesten brengen. En o, hoe dikwijls helpt de Heere door de tegenstrijdigste middelen, die ten ver-derve bereid schenen, oven als Daniël uit don leeuwenkuil kwam, en de drie mannen in den vurigen oven bewaard werden. En zoo bekende Laban aan Jakob : (Gen. 31, vs. 29.) âHet ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken of goed of kwaad.quot;
VAN GOD DEN ZOON.
Heidelbergsche Catechismus. 29ste Vraag.
Yr. Waarom wordt de Zoon van God âJesusquot;, dat is Zaligmaker, genoemd ?
Antw. Omdat Hij ons zalig maakt, en van onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is.
op vraag en antwoord 29.
Vr. Wat heduidt eigenlijk de Naam âJesus?quot;
Antw. Hersteller van eene geheel bedorven massa, en: Terugbrenger van alle welvaart en overvloed; ook: Iemand die ruimte verschaft, die uit de engte, uit de benauwdheid en uit den angst bevrijdt.
Vr. Hoe heet âJesusquot; in het Hebreeuicsch 1 Antw. Josua.
74
Vr. Hoe prijst de gemeente dezen Naam ?
Antw. Hooglied 1, vs. 3: âUw Naam is eene olie, die uitgestort wordt, daarom hebben U de maagden lief.quot;
Vr. Wie gaf onzen Heere dezen Naam?
Antw. Zijn pleegvader Jozef, en onze Heer kreeg dezen Naam op den dag Zijner besnijdenis.
Vr. Op wiens bevel gaf Jozef dezen Naam aan den Eeere ?
Antw. Op bevel des Engels.
Vr. Aangezien dat God gewild heeft, dat Jesus âJesus'quot; heeten zou, waarvoor hebben wij Hem dan in al onzen nood ie houden?
Antw. Juist voor zulk eenen , als Zijn Naam uitdrukt-Jes. 42, vs. 3: âHet gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen.quot;
Vr. Wie beschrijft in korte woorden des Heeren toekomst in vleesch, en wat deze toekomst onmiddelijk zou voorafgaan?
Antw. Maleachi 3, vs. 1 â6: âZiet, Ik zende Mijnen ongel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijnen tempel komen die Heer, dien gijlieden zoekt, te weten, do Engel des Verbonds, aan denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen. Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen? en wie zal bestaan als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van eenen goudsmid, en als zeep der vollers. En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver : dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid. Dan zal het spijsoffer van Juda en Jerusalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen, en als in 4ie vorige jaren. En Ik zal tot ulieden ten oordeel na-
75
deren; en Ik zal een snel getuige zijn tegen de toovenaars, en de over spelers, en tegen degenen, die valschelijk zweren, en tegen degenen, die het loon des daglooners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeeren , en Mij niet vreezen , zegt de Heere der heirscharen. Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij , o kinderen Jakobs! niet verteerd.quot; â Hoofdst. 4, vs. 1: âWant ziet, die dag komt, brandende als een oven: dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heere der heirscharen, die hun noch wortel, noch tak laten zal.quot; â Vs. 2: âUlieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal do Zon der gerechtigheid opgaan; en er zal genezing ziju onder Zijne vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.quot; âVs. 5 en 6: âZiet, Ik zende ulieden den Profeet Elia, eer dat die groote en die vreeselijke dag des Heeren komen zal. En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederhren-gen, en het hart der kinderen tot hunne vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.quot;
Heidelbergscke Catechismus. 30stl! Vraag.
Vr. Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jesus, die hunne zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zich zeiven, of ergens elders zoeken ?
Antw. Neen zij: maar zij verloochenen met de daad den eenigen Heiland en Zaligmaker Jesus, ofschoon zij Hem met den mond roemen; want van twee één,
76
of Jesus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat tot hunne zaligheid noodig is.
OP VRAAG EN ANTWOORD 30.
Vr. Wat zegt de Apostel Petrus daarvan?
Antw. Hand. 4, vs. 12: âEn de zaligheid is in geenen anderen.quot;
Vr. Wat zegt Paulus daarvan, dat ,,wij alles in Hem hehhen, rcat tot onze zaligheid noodig is?quot;
Antw. I Cor. 1, vs. 5â7 : âGij zijt in alles rijk geworden in Hem â alzoo dat het u aan geene gave ontbreekt.quot; â Col. 2, vs. 9, 10: âWant in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; en gij zijt in Hom volmaakt, die het Hoofd is van alle overheid en macht.quot; â Vs. 3, 6, 7: âIn denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. â Gelijk gij dan Christus Jesiis, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzoo in Hem ; geworteld en opgebouwd in Hom, on bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging.quot; â Hoofdst. 1, vs. 17â20: âEn Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te samen door Hem: en Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, die het Begin is, de Eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. Want het is des Vaders welbehagen geweest. dat in Hem al de volheid wonen zou; en dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zich zelvon, hetzij de dingen
77
die op do aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zi)n-quot; â Vs. 21, 22: âEn Hij heeft u mi ook verzoend, in het lichaam Zijns vleesches, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen. â En onze Hoer zegt zelf: âIk ben de weg en de waarheid en het levenen wederom: âIk ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.quot; -â⢠Ten gevolge daarvan getuigt de Apostel Paulus: (Gal. 1, vs. 8, 9.) âDoch al ware het ook , dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Gelijk wij te voren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom; Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.quot; â En Phil. 4, vs. 13: âIk vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.quot; â En I Cor. 2, vs. 2: âWant ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jesus Christus, en dien gekruisigd.quot;
Vr. Foor Kelke geesten Jieht gij u dan te wachten?
Antw. Voor dezulken, die schoon zij den Naam Jesus met den mond roemen, toch hunne zaligheid ergens elders zoeken, en dien ten gevolge, een verkeerden wandel leiden.
Hebr. 13, vs. 9: âquot;Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leering-en: want het is goed, dat het hart gesterkt worde door genade.quot;
II Cor. 11, vs. 4: âWant indien degene, die komt, eenen anderen Jesus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij eenen anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zoo verdroegt gij hem met recht.quot;
78
II Tim. 2, vs. 19: âHet vaste fondament Gods staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.quot;
Heidelbergsclie Oatedrisinus. 31ste Vraag.
Vr. quot;Waarom is Hij âChristus,quot; dat is âeen Gezalfdequot; genoemd?
Antw. Omdat Hjj van God, den Vader, verordineerd en met den Heiligen Geest gezalfd is, tot onzen Hoogsten Profeet en Leer aar, die ons den verborgen raad en wille Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft; en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige offerande Zijns lichaams verlost heeft, en ons met Zijne voorbidding steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworvene verlossing beschut en behoedt.
op vraag en antwoord 31.
Vr. Wie heetten vuur Christus in de gemeente âgezalfden .Godsquot;?
Antw. Koningen, Hoogepriesters , Profeten; welke als zoodanig schaduwen van Christus, den eenigen Gezalfde waren, en ook de zalving van den Zoon Gods hadden.
Vr. Waar is âZijne zalvingquot; voorzegd?
Antw. Jes. 11, vs. 1,2: âWant er zal een rijsje
79
voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heeren.quot; Jes. 61, vs. 1: âDe Geest des Heeren Heereu is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft.quot;
Vr. TV aar is van âZijn profetisch amhtquot; voorzegd9
Antw. Mozes zegt: (Deuter. 18, vs. 15.) âEenc-n Profeet, uit het midden van u, uit uwe broederen, ais mij, zal u de Heere, uw God, verwekken; naar Hem zult gij hooren.quot;
En van dezen Profeet zijn de woorden; (Ps. 40 , vs. 11.) âUwe gerechtigheid bedek Ik niet in het midden Mijns harten; Uwe waarheid en Uw heil spreek Ik uit; üwo weldadigheid en Uwe trouw verheel Ik niet in de groote gemeente.quot;
Ps. 22, vs. 23: âIk zal Uwen naam Mijnen broederen vertellen; in het midden der gemeente zal Ik U prijzen.quot;
Vr. Waar is dat voorzegd, dat Christus den wille Gods zou doen, en dien ons openbaren ?
Antw. Ps. 40, vs. 9: âIk heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uwe Wet is in het midden Mijns ingewands.quot; â Spr. 8, vs. 6â10 : âHoort, want Ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn. Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en do goddeloosheid is Mijnen lippen een gruwel. Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid, er is niets verdraaids, noch verkeerds in. Zij zijn allen recht voor dengenen, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden. Neemt Mijne tucht aan, en niet
80
zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.quot; â Spr. 9, vs. 1â6; ,,De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, Zij heeft hare zeven pilaren gehouwen. Zij heeft haar slachtvee geslacht. Zij heeft haren wijn gemengd; ook heeft Zij hare tafel toegericht. Zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden; Zij noodigt op de tinnen van de hoogten der stad: Wie is slecht? hij keere zich herwaarts! tot den verstande-looze zegt Zij: Komt, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb. Verlaat de slech-tigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.quot;
Vr. TTaar is van âZijn Hoogepriesterlijk ambtquot; voorzegd?
Antw. Ps. 110, vs. 4: ,,De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.quot;
Vr. Wie was Melchizédek?
Antw. Een schaduwbeeld van onzen eenigen Hooge-priester en Koning. Hebr. 6, vs. 20: âDaar de voor-looper voor ons is ingegaan, namelijk Jesus, naar de ordening van Melchizédek, een Hoogepriester geworden zijnde in eeuwigheid.quot;
Vr. Waar is van âChristus, koninkrijkquot; voorzegd?
Antw. Ps. 45 , vs. 2: âMijn hart geeft eene goede rede op; ik zegge mijne gedichten uit van eenen Koning.quot; â Vs. 7, 8: âUw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos? de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid. Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met vreugde-olie boven Uwe medegenooten.quot;
Ps. 72, vs. 4. âHij zal de ellendigen des volks richten , Hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen,
81
«n den verdrukker verbrijzelen.quot; â Vs. 8: âEn Hij zal lieersclien van do zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.quot; â Vs. 12â14: âWant Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen' helper heeft. Hij zal lt;len arme en nooddruftige verschoonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen. Hij zal hunne zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in Zijne oogen.quot;
Jes. 32, vs. 1: âZiet, een Koning zal regeeren in gerechtigheid.quot;
Jerem. 33, vs. 15, 16; âIn die dagen, en te dier tijd zal Ik David eene Spruit der gerechtigheid doen uitspruiten ; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden, en Jerusalem zeker wonen'1, en deze is, die haar roepen zal: De Heere, onze gerechtigheid.quot; â Jerem. 30, vs. 21: âEn Zijn Heerlijke zal uit Hem zijn, en Zijn Heerscher uit het midden van Hem voortkomen; en Ik zal Hem doen naderen, en Hij zal tot Mij genaken: want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de Heere.quot;
Hosea 3, vs. 5: âDaarna zullen zich de kinderen Israels bekeeren, en zoeken den Heere, hunnen God, en David, hunnen koning; en zij zullen vreezende komen tot den Heere en tot Zijne goedheid, in het laatste der dagen.quot;
Ezech. 34, vs. 23: âEn Ik zal eenen eenigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijnen Knecht David; die zal ze weiden, en die zal hun tot eenen Herder zijn.quot;
Ps. 89, vs. 37, 38: âZijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en Zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Hij
6
82
zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw.quot;
Heiclelbergsche Catechismus, 32st0 Vraag.
Vr. Maar waarom wordt gij een Christen genoemd?
Antw. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en alzoo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijnen Naam bekenne, en mij zeiven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrij en gced geweten, in dit leven, tegen de zonde en den duivel strijde, en hier namaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere.
OP VRAAG EN ANTWOORD 32.
Vr. Hoe werd de naam âChristenquot; in het eerst gebruikt?
Antw. Als een scheldnaam. Hand. 11, vs. 26: âEn het is geschied, dat zij een geheel jaar samen vergaderden in de gemeente en eeno groote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.quot; â I Petr. 4, vs. 14â16: âIndien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zoo zijt gij zalig: want de Geest der heerlijkheid, en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat. Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt. Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit; maar
83
indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dozen deele.quot;
Vr. Wit zeyt Johannes daarvan , âdal wij Zijner zalving deelachti/j zijnquot;?
Antw. I Joh. 2, vs. 20: âDoch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle diagen.quot; â Vs. 27: ,,En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere; maar gelijk de zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig, en is geene leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in Hem blijven.quot;
Vr. Wal bedreigl de Heete dengenen, die Zijn' Naam niet Mijden , maar verloochenen ?
Antw. Mark. 8, vs. 38: âWant zoo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zieh do Zoon des menschen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met do heilige engelen.quot;
Vr. ff al zegl de Apostel van âeen vrij en goed geweienquot; 1
Antw. Hebr. 9, vs. 13, 14: âWant indien het bloed der stieren en bokken, en de asch der jonge koe, bespreugende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleesches: hoe veel te meer zal het bloed Christi, die door den eeuwigen Geest Zich zeiven Gode onstraffe-lijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen?quot;
Vr. Wal zegl de Apostel van âden strijd tegen de zonde en den duivelquot; ?
Antw. I Petr. 4, vs. 1, 2: âDewijl dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelve gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde; om
6*
84
nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wil van God, den tyd, die overig is in het vleesch te leven.quot;
I Petr. 5, vs. 8, 9: âZijt nuchteren, en waakt; want uwe tegenpartij, do duivel, gaat om als een brie-schende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden. Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.quot; â Vergel. Hebr. 12 , vs. 1: ,,Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.quot;
Rom. 12, vs. 1: âIk bid u dan, broeders! door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uwe redelijke godsdienst.quot;
Vr. Wat zegt de Apostel Paulus van âonze toekomstige regeering met den lieere^ ?
Antw. II Tim. 2, vs. 12: âIndien wij verdragen, wij zullen ook met Hem hecrschen.quot;
Vr. En wat onze Heere?
Antw. Openb. 3, vs. 21: overwint, Ik zal
hem geven met Mij te zitten in Mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijnen troon.quot;
Vr. En welke zijn die schepselen , over welke wij namauls met den Heere regeeren zullen?
Antw. Onder anderen de engelen. I Cor. 6, vs. 3: âWeet gij niet, dat wij de engelen oordeelen zullen?quot;
85
Heidelbergsdie Oatechismus. 33ste Vraag.
Vr. Waarom is Hij Gods eeniggebore'n Zoon genoemd, zoo wij toch ook Gods kinderen zijn?
Antw. Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon Gods is; maar wij zijn om Zijnentwille, uit Genade, tot kinderen Gods aangenomen.
OP Vil A AG ES ANTWOORD 33.
Vr. Wat zegt de Apostel Johannes daarvan?
Antw. Joh. 1 , vs. 11â14: âHij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen Naam gelooven; welke niet uit don bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En het Woord is vleesch geworden, en hoeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eeniggeboren van den Vader), vol van genade en waarheid.quot;
Heidelbergsche Catechismus. 34ste Vraag.
Vr. Waarom noemt gij Hem onzen Heer? Aïmv. Omdat Hij ons, met lichaam en ziel, van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar
86
met Zijn dierbaar bloed, gekocht, en van alle geweld des duivels verlost, en ons alzoo Zich tot een eigendom gemaakt heeft.
op vraag en antwoord 34.
Vr. Wat zegt de Profeet Zacharia van âonze verlossing door het Moed Christiquot; ?
Antw. Zach. 9, vs. 11: ,,U ook aangaande, o Zion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uwe gebondeneu uit den kuil, daar geen water in is , uitgelatenquot;
Vr. Fm icat de Apostel Paulus?
Antw. I Cor. 6, vs. 20: âWant gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn.quot; â Eu Hebr. 2, vs 14, 15: âOvermits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook desgelijks derzelver deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengenen, die het geweld des doods had, dat is den duivel: en verlossen zou al degenen, die met vreeze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid ouderworpen waren.quot; â Rom. 5, vs. 9: âVeel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.quot;
Heidelbergsclie OatecMsmus. 35ste Vraag.
Vr. Wat is dat gezegd: âDie ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Mariaquot;?
Antw. Dat de eeuwige Zoon van God, die waar-
87
ach tig en eeuwig God is en blijft, eene ware mensche-lijke natuur, uit het vleesch en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft; opdat Hij ook het ware Zaad van David zij, Zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
OP VRAAG EN ANTWOORD 35.
Vr. Wat voorzegt de Profeet Jesaja van Chris li ttcee-voudiffe natuur?
Antw. Jes. 9, vs. 5; âEen kind is ons geboren een Zoon is ons gegeven.quot;
Vr. Heeft Jesaja ook Zijne geboorte uit de maagd voorzegd?
Antw. Ja; Hoofdst. 7, vs. 14: ,,Ziet, eene (Hebr. maagd zal zwanger worden, en zij zal eencn Zoon baren, en Zijnen Naam Immanuël beeten.quot;
Vr. Wie van de Trof eten heeft dm Naam Zijner ge-hoortestad genoemd?
Antw. Micba; Hoofdst. 5, vs. 1: âEn gij, Betblebem Efrata! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscber zal zijn in Israël, en wiens uitgangen zijn vau ouds, van do dagen der eeuwigheid.quot;
Vr. Wie voorzeide den tijd Zijner geboorte?
Antw. Daniël; Hoofdst. 9, vs. 24: âZeventig weken zijn bestemd over Uw volk, en over Uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen en om cene eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den Profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.quot;
88
Vr. Wie heeft het voorzegd, dat Hij uit den zade Davids zijn zoude?
Antw. Jesaja; Hoofdst. 11, vs. 1, 2: Want er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een schout uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heeren.quot; â Zie ook II Sam. 7, vs. 12, 13.-âWanneer uwe dagen zullen vervuld zijn, en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, zoo zal Ik uw zaad na doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal Zijn koninkrijk bevestigen. Die zal Mijnen Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel Zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.quot;
Vr. Wie voorzegt Zijn optreden in den tempel te Jerusalem ?
Antw. Haggai; Hoofdst. 2 , vs. 7â10: âWant zoo zegt de Heere der heirscharen : Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen , en de aarde , en de zee, en het drooge doen beven. Ja Ik zal de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wensch aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen , zegt de Heere der heirscharen. Mijne is het zilver, en Mijne is het goud, spreekt de Heere der heirscharen. De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden, dan van het eerste, zegt de Heere der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de Heere der heirscharen.quot;
Vr. Hoe kon Maria, daar zij toch tot de zondaren behoorde, den Heere onbevlekt ontvangen ?
Antw. Daardoor, dat zij geloofd heeft. â Luc. 1, vs. 45 = âEu zalig is zij, die geloofd heeft.quot;
89
Vr. Hoe drukt de engel zich uit over het âontvangen door de werking des Heiligen Geestenquot; ?
Antw. Luc. 1, vs. 35: âDe Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u over-scbaduwen; daarom ook dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.quot;
Vr. Hoe heet die zonde, waaruit alle andere zonden voortkomen?
Antw. Ongehoorzaamheid; Eom, 5, vs. 12: âDaarom gelijk door éénen mensch de zonde in do wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.quot; â Vs. 19: âWant gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.quot;
En zóó luiden de woorden onzes Heercn: (Jes. 50, vs. 5.) ,,De Heere Heere heeft Mij het oor geopend, en Ik beu niet wederspannig. Ik wijk niet achterwaarts.quot;
Vr. Wie heeft dal voorzegd, dal onze Heer uit Egypte zou komen?
Antw. Hosea; Hoofdst. 11, vs. 1; ,,Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijnen Zoon uit Egypte geroepen.quot;
Heidelbergsche Catechismus, 36ste Vraag.
Vr. Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige â¢ontvauging en geboorte van Christus?
Antw. Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijne
90
onschuld en volkomene heiligheid, mijne zonden, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
op vraag en antwoord 36.
Vr. Beiütjs mij zulks uit de Heilige Schrift?
Antw. Luk. 2, vs. 22 lezen wij: ,,En als de dagen harer reiniging vervuld waren, uaar de wet van Mozes;...quot; Dit heeft zoowel betrekking op de moeder als op het kind en niet op de moeder alleen. Naar de wet maakte het kind de moeder onrein, omdat het ontvangen en geboren werd als een kind, dat aan de verdoemenis onderworpen was. Daar nu onze Heer van den Heiligen Geest ontvangen was en als ,,het heiligequot; geboren werd, behoefden Maria en het kind de reiniging niet, dan voor zooverre onze Heer van Zijne geboorte al reeds onder de wet gesteld werd, om de ongerechtigheid te dragen, waarin wij ontvangen en geboren worden.
Heidelbergsche Catechismus. 37st0 Vraag.
Vr. Wat verstaat gij door het woordje: geleden?
Anï\v. Dat Hij aan lichaam en ziel, den gan-schen tjjd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijk geslacht gedragen heeft; opdat Hij met Zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lichaam en ziel van de
91
eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve.
OP VRAAG EK ANTWOORD 37.
Vr. Waar zegt de Apoüel Petrus, dat de Geest Christi in de Profeten te voren getuigd heeft het lijden, dat op den Heere komen zou en de heerlijkheid daarna volgende?
Antw. I Petr. 1, vs. 10 â 12: âVan welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de Profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan n geschied: onderzoekende op welken of hoedanigen tijd de Geest Christi die in hen was, beduidde en te voren getuigde het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zich zeiven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn, bij degenen, die n het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begeerig zijn in te zien.quot;
Vr. Wie voorzegt Christus' lijden door de hardnekkigheid dergenen , die zich zeiven rechtvaardigen ?
Antw. David, in onderscheiden psalmen, vooral Ps. 41, vs. 6â9: âMijne vijanden spreken kwaad van Mij, zeggende: Wanneer zal Hij sterven, en Zijn Naam vergaan? En zoo iemand van hen komt, om Mij te zien , hij spreekt valschheid, zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten , hij spreekt er van. Al mijne haters mompelen te samen tegen Mij, zij bedenken tegen Mij hetgeen Mij kwaad is , zeggende: Een Belials stuk kleeft Hem aan; en Hij die nederligt, zal niet weder
92
opstaan.quot; â Ps 69, vs. 5: Die Mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren Mijns hoofds; die Mij zoeken te vernielen , die Mij om valsche oorzaken vijand zijn , zijn machtig geworden : wat Ik niet geroofd heb , moet Ik alsdan wedergeven.quot;
Vr. Wie voorzegt den koninklijken intocht onzes Heer en in Jerusalem vuur Zijn lijden?
Antw. Zach. 9 , vs 9 : âVerheug u zeer, gij dochter Zions! juich, gij dochter Jerusalems! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.quot;
Vr. En wie voorzegt Zijnen ijver voor het huis Zijns Faders, in het uitdrijven van de koopers en verkoopers uit den tempel?
Antw. David; Ps. 69, vs. 10: âWant de ijver van Uw huis heeft Mij verteerd.'*
Vr. In welke psalmen klaagt onze Heer over Judas, den verrader?
Antw. In onderscheidenpsalmen, bijzonder Ps. 41, vs. 10 : âZelfs de man Mijns vredes, op welken Ik vertrouwde, die Mijn brood at, heeft de verzenen tegen Mij grootelijks verheven.quot; â â Ps. 55, vs. 13â15: âWant het is geen vijand , die Mij hoont, anders zou Ik het hebben gedragen ; het is Mijn hater niet, die zich tegen Mij groot maakt, anders zou Ik Mij voor hem verborgen hebben. Maar gij zijt het, o mensch , als van Mijne waardigheid, Mijn leidsman , en Mijn bekende !quot; â Ps. 69 , vs. 26 : âHun paleis zij verwoest; in hunne tenten zij geen inwoner.quot; â Ps. 109, vs. 8 ; âEen ander neme zijn ambt.quot;
Vr. Is het ook voorzegd, dat Christus voor dertig zilverlingen zou verkocht worden?
Antw. Ja; Zach. 11, vs, 12: âWant Ik had tot hen-
93
lieden gezegd: Indien het goed is in uwe oogen, brengt Mijnen loon, en zoo niet, laat het na. En zij hebben Mijn loon gewogen , dertig zilverlingen.quot;
Vr. Wat is van Christus voorzegd in den 22'ten Psalm?
Antw. Zijne kruisiging. â Vs. 17: âWant honden hebben Mij omsingeld, eene vergadering der boosdoeners heeft Mij omgeven; zij hebben Mijne handen en Mijne voeten doorgraven.quot;
Dat men het lot over Zijne kleederen zou werpen. â Vs. 19: âZij deelen mijne kleederen onder zich , en werpen het lot over Mijn gewaad.quot;
Hoe men Hem bespot heeft. â Vs. 7â9; âMaar Ik ben een worm en geen man, een smaad van men-schen en veracht van het volk. Allen, die Mij zien, bespotten Mjj; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Hij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij Hem nu uithelpe, dat Hij Hem redde, dewijl Hij lust aan Hem heeft.quot; â Vs. 14: âZij hebben huuneu mond tegen Mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.quot;
Zijnen grooten dorst. â Vs. 18: âMijne kracht is verdroogd als een potscherf, en Mijne tong kleeft aan Mijn gehemelte; en Gij legt Mij in het stof des doods.quot; (Zoo ook Ps. 69, vs. 22: âJa zij hebben Mij gal tot Mijne spijze gegeven; en in Mijnen dorst hebben zij Mij edik te drinken gegeven.quot;)
Zijn âvan God verlaten zijn.quot; â Vs. 2: âMijn God, Mjjn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?quot;
En de vrucht van Zijn lijden. â Vs. 26, 27: ,,Van 11 zal Mijn lof zijn, in eene groote gemeente; Ik zal Mijne geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vreezen. De zachtmoedigen zullen eten
94
en verzadigd worden, zij zullen den Heere prijzen, die Hem zoeken ; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.quot;
Vr. En wat is van het lijden van Christus voorzegd, Jes. 52 en 53 ?
Antw. Zijne verachte gedaante. â Hoofdst.52, vs.14: âGelijk als velen zich over U ontzet hebben, alzoo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijne gedaante, meer dan van andere menschen-kinderen.quot;
Dat Hg echter zoo onze verlossing aanbrengen en vele volken met Zijn bloed besprengen zou. â Vs. 15; âAlzoo zal Hij vele heidenen besprengen, ja de koningen zullen hunnen mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben , die zullen het verstaan.quot;
Dat men in Gethsemané tot Hem zou uitgaan als tot eenen moordenaar, en dat Hij tus-schen kwaaddoeners zou gekruisigd worden. â Hoofdst. 53, vs. 12: âOmdat Hij Zijne ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest.quot;
Zijn gebed aan het kruis: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen! Vs. 12: âEn voor de overtreders gebeden heeft.quot;
Zijne rijke begrafenis. â Vs. 9: âMen heeft Zijn graf bij de goddeloozen gesteld, en Hij is bij de rijken in Zijnen dood geweest.quot;
Zijne onschuld. â Vs. 9: âOmdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijnen mond geweest is.quot;
Zijn vrijwillig lijden en Zijn geduld. â Vs. 7: ^Als dezelve geëischt werd, toen werd Hg verdrukt; doch Hij deed Zijnen mond niet open: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom
95
is voov het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij Zijnen mond niet open.quot;
De smaad van Zijn kruis, en hoe men Hem van den beginne af niet geacht beeft. â Vs. 2, 3: âWant Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit eene dorre aarde; Hij had geene gedaante noch heerlijkheid: als wij Hem aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid: en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.quot;
Onze verkeerdheid en Zijne zondaarsliefde. â Vs. 4: âWaarlijk Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.quot;
Hoe Hij onze schuld en straf heeft gedragen. â Vs. 5: âMaar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden.quot;
Hoe God Zich daarbij met ons. Zijne vijanden, verzoend heeft, door onzer aller ongerechtigheid op Zijn eigen, heilig Kind te werpen. â Vs. 6: âWij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen.quot;
Hoe Zijn lijden een verzoenend, en een voldoe-nend lijden is geweest. â Vs. 7 : âAls dezelve (de betaling van onze schuld) geëischt werd, toen werd Hij verdrukt.quot;
96
De vrucht van Zijn lijden. â Vs. 10, 11; âAls Zijne ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal Hij zaad zien; Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des Heeren zal door Zijne hand geluk-kiglijk voortgaan. Om don arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijne kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen.quot;
Vr. Is van Zijn lijden nog meer voorzegd?
Antw. Ja; dat men Hem ~ gegeeseld en in het aangezicht gespuwd heeft. â Jes. 50, vs. 6: âIk geef Mijnen rug dengenen, die Mij slaan, en Mijne wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.quot; Dat men Hem met roeden geslagen heeft. â Micha 4, vs. 14; âZij zullen den Rechter Israels mot de roede op het kinnebakken slaan.quot;
Ook heeft Zacharia voorzegd, dat in Gethsemané al Zijne discipelen Hem verlaten zouden. â Hoofdst. 13, vs. 7; âZwaard! ontwaak tegen Mijnen Herder , en tegen den Man, die Mijn metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen ; sla dien Herder eu de schapen zullen verstrooid worden ; maar Ik zal Mijne hand tot de kleinen wenden.
Ook van de wonden in Zijne handen. â Hoofdst. 13, vs. 6: âEn zoo iemand tot Hem zegt; Wat zijn deze wonden in Uwe handen? zoo zal Hij zeggen; Het zijn de wonden, waarmede Ik geslagen ben, in het huis Mijner liefhebbers.quot;
Ook van de wonde in Zijne zijde. â Hoofdst. 12, vs. 10; âEn zij zullen Mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben.quot;
97
En van Zijne ze venvoudige verwonding. â Hoofdst. 3, vs. 9: âWant ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien éénen steen zullen zeven oogen wezen.quot;
Dat men Hem geen been zoude kunnen breken â voorzegt Mozes: (Exod. 12, vs. 45.) âEn gij zult geen been daaraan breken.quot;
Heidelbergsclie CatecMsmus. 388te Vraag.
Vr. quot;Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden?
Antw. Opdat Hij onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.
OP VEAAG EN ANTWOORD 38.
Vr. Wat zegt Petrus daarvan ?
Antw. Hand, 3: vs. 13; âDe God Abrahams, en Isaks, en Jacobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jesus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus , als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten.quot; â Hoofdst. 2, vs. 23; âDezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood.quot;
7
98
Heidelbergsche Catechismus, 39ste Vraag.
Ye. Heeft het iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan dat Hij een' anderen dood gestorven ware?
Antw. Ja het, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich geladen heeft, want de dood des kruises was van God vervloekt.
op vraag en antwoord 39.
Vr. Waarom was de dood aan het kruis, door God vervloekt ?
Antw. De Looge God heeft altijd tot den mensch willen komen op aarde, daarom behoort de mensch bij den grond te blijven en van het Woord, van genade, van het geloof te leven; maar dat wil de mensch niet, hij wil altijd hooger dan hij gaan kan, zoo wordt hij te schande, en treft hem de vloek.
Want zoo spreekt God: (Exod. 12, vs. 12.) âWacht u op den berg te klimmen.quot; Daarom is het eene God-onteerende onderneming van het vleescb, tot God te willen opgaan in eigen kracht, wijsheid en rechtvaardigheid. Bij zoodanige onderneming blijft het tusschen hemel en aarde hangen. Voor deze onze zonde, waarop de dood staat, stierf onze Heer, hangende tusschen hemel en aarde, met vastgenagelde handen en voeten, dus als iemand, die niets kon doen.
99
Heidelbergsche Catechismus. 40ate Vraag.
Yr. quot;Waarom heeft Christus zich tot in den dood moeten vernederen?
Antw. Daarom, dat van wege de gerechtigheid en waarheid Gods, niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.
op vraag en antwoord 40.
Vr. Waarom door âden dood des Zoons Godsquot;?
Antw. Onze dood is â naar Gods rechtvaardig en onherroepelijk woord: âTen dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven,quot; â een eeuwige dood. Zou de genade heerschappij houden, Gods gerechtigheid voldoening hebben, en Gods waarheid onverkort blijven, zoo moest deze dood verslonden worden. Dit kon alleen geschieden door den dood des Zoons Gods.
Heidelbergsche Catechismus. 41ste Vraag.
Vr. quot;Waarom is Hij begraven geworden? Antw. Om daarmede te betuigen, dat Hij waarlijk gestorven is.
op vraag jïn antwoord 41.
Vr. Weet gij nog eene andere reden voor Zijne begrafenis ?
Antw. Ja: God heeft gezegd: Stof zijt gij, en tot
100
stof zult gij wederkeeren; Christus is in Zijne begrafenis met de aarde tot één geworden voor ons, opdat wij, als wij tot aarde geworden zijn, evenwel uit de aarde weder opkomen.
Vr. Maar dan had Christus de verderving moeten, zien?
Antw. Naar het menschelijk oordeel was Hij ook ter verderving overgegeven, en zou dus wel geheel met de aarde gelijk gemaakt zijn geweest, ware Hij niet verrezen, vóór de verderving kwam.
Heidelbergsche Catechismus. 42st0 Vraag,
Vr. Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Antw. Onze dood is geene betaling voor onze zonden, maar alleen eene afsterving der zonden, en een doorgang tot het eeuwige leven.
Heidelbergsche Catechismus. 436te Vraag.
Vr. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
Antw. Dat door Zijne kracht onze oude mensch met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt; opdat de booze lusten des vleesches in ons niet meer regeeren, maar dat wij ons zei ven Hem tot eene offerande der dankbaarheid opofferen.
OP VRAAG EN ANTWOORD 43.
Vr. Wat zegt de Apostel Paulus daarvan ?
Antw. Rom. 6, vs. 6: âDit wetende, dat onze oude mensch met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam
101
der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.
Vr. Maar de booze lusten des vleesches regeeren toch menigmaal zeer in de geloovigen?
Antw. Zij regeeren niet, maar zij oefenen hunne dwingelandij uit, en dat veroorzaakt het klagen en kermen: ,,Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Eom. 7, vs. 24.) â Onder dat alles worden de geloovigen door Christus, die hen gegrepen heeft, vastgehouden; en terwijl zij te midden van hunne ellendigheid, zich aan de genade vastklemmen , bevinden zij niet minder de waarheid en de kracht dezer liefelijke belofte; âDe zonde zal over u niet heerschen; want gij zijt niet onder wet, maar onder genade.quot; (Kom. 6, vs. 14.)
Vr. TFat heteekent dat; âdoor den Geest de werkingen des lichaams dooden ?quot; (Rom. 8, vs. 13.)
Antw. Tegen alle opwelling, bestrijding en beschuldiging in, te vreden zijn met de woorden des Heeren Jesus; âMijne genade is u genoeg: want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.quot; Want als men aan zonde en duivel den door Christus betaalden schuldbrief voorhoudt , zoo moet de telkens weder levend wordende zonde in haren dood terugzinken, waarin zij door Christus' bloed en Geest geworpen is. En de verzoeker vliedt van ons, als wij hem Christus' bloed voorhouden.
Heidelbergsche Catechismus. 448te Vraag. Vr. Waarom volgt er, nedergedaald ter helle?
Antw. Opdat ik, in mijne hoogste aanvechtin-
102
gen, verzekerd zij, en mij ganschelijk vertrooste^ dat mijn Heere Christus door Zijne onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikkingen en helsche kwalen, in welke Hij in Zijn gansche lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost heeft.
OP VRAAG EN ANTWOORD 44.
Vr. Wat moeien deze maag en dit antwoord heteehenen ?
Antw. Dit antwoord is zeer vertroostend. Men heeft echter aan het artikel ânedergedaald ter helle,quot; de beteekenis ontleend âdat Christus, terwijl Hij in het graf lag, ter helle nedergedaald is, en Zich dengenen, die daarin lagen, als Overwinnaar heeft getoond, en velen nit dezelve met Zich naar boven gevoerd heeft.quot; â Dit is ontleend aan eene verkeerde opvatting van het woord âgevangenisquot;. I Petr. 3, vs. 19: âIn denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeftquot;, â en van de woorden in Hoofdst. 4, vs. 6: âden dooden is het Evangelie verkondigd geworden.quot; â Van daar komt ook de dwaalleer van een vagevuur en van een Hades, (onderwereld) welke zeer oud is. Want de Kerk der wereld, welke later de Roomsche heette, en zich de Katholieke noemt, begon reeds in den apostolischen tijd zich voor de ware Kerk uit te geven en hare dwaallee-ringen te verbreiden, welke ook spoedig veel meer geloof vonden, dan de leer der Apostelen. Dit ziet men uit Rom. 16, vs. 17: Ik bid u, broeders! neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van
103
dezelve.quot; â II Cor. 11, vs. 3: âDoch ik vrees, dat gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, alzoo uwe zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.quot; â Gal. 3, vs. 1, 2: ,,0 gij, uitzinnige Galaten! wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jesus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Dit alleen wil ik van u leeren; Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?quot; â Evenzoo III Joh. vs. 9: âIk heb aan de gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.quot;
Maar den dooden is het Evangelie verkondigd gedurende hun leven; en âgevangenisquot; is het uitstel van driemaal veertig jaren, hetwelk God, in den tijd van Noach, den ongehoorzamen gaf, opdat zij zich nog mochten bekeeren. Christus is', in den Geest, in en door Noach tot deze ongehoorzamen heen gegaan, en Hij heeft hun in en door Noach berouw en bekeering gepredikt; en de menschen, tot welke Christus toenmaals door Noach predikte, heeten âgeestenquot; in denzelfden zin, waarin Johannes schrijft: âBeproeft de geesten, of zij uit God zijn.quot;
Vr. Was Christus dan in de hel, toen Hij in het graf lag?
Antw. Gewis, voor zoo ver namelijk, als een iegelijk, die gestorven is, tot zijue verrijzenis toe, in de macht des duivels is. Intusschen is de in Jesus ontslapene in de macht des duivels, gelijk een schip onder embargo, maar waarvan de vrijlating reeds eene uitgemaakte zaak is. De ziel is niettemin ook in de handen des Vaders
104
overgegeven en even zoo zeker in het paradijs, dat is, in den hemel. Ik houd mij bij dit artikel aan de navolgende uitspraken der Heilige Schrift; Onze Heere Jesus sprak aan het kruis: âVader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen Geest;quot; en in den 116cn Psalm: âGij zult Mijne ziel in de hel niet verlaten.quot; En de Apostel Petras zegt; (Hand. 2, vs. 24.) âWelken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.quot; â Verder houd ik mij aan hetgeen de Apostel Paulus schrijft; (I Cor. 15, vs. 53â55.) âWant dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfeljjkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is; De dood is verslonden tot overwinning. Dood! waar is nw prikkel? Hel! waar is uwe overwinning?quot; â En aan hetgeen onze Heer ons mededeelt van den armen Lazarus en den rijken man: (Luk. 16, vooral vs. 22 en 26.) âEn het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot Abrahams. En de rijke stierf ook en werd begraven. â En boven dit alles, tusschen ons en ulieden is eene groote klove gevestigd, zoodat dogenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.quot;
Vr. Waarop moei een hind Gods zich. voorbereiden?
Antw. Op sterke, ja op de allerhoogste aanvechtingen , niet alleen van zijne lievelingszonden, niet alleen van vleesch en bloed en van de wereld, maar van de gansche macht en woede van den vorst der duisternis.
105
(Eph. 6, vs. 12â16.) Christus is er echter Borg voor, dat het einde heerlijk zijn zal. (Gen. 32, vs. 24â31.)
Heidelbergsche Catechismus. 453te Vraag,
Vr. Wat nut ons de opstanding van Christus?
Antw. Ten eerste, heeft Hij door Zijne opstanding den dood overwonnen, opdat Hij de gerechtigheid, die Hij ons door Zijnen dood verworven had, kon deelachtig maken: ten andere, worden wij ook door Zijne kracht opgewekt tot een nieuw leven; ten derde, is de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding.
OP VRA.AG EN ANTWOORD 45.
I Cor. 15, vs. 56, 57: âDo prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar Go de zij dank, die ons de overwinning geeft, door onzen Heere Jesus Christus.quot;
Rom. 6, vs. 4: âWij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.''
I Coi*. 15, vs. 22: âWant gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.quot;
Vr. Waar is van Christus opstanding voorzegd?
Antw. Ps. 16 vs. 10, 11: âWant Gij zult Mijne ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat
106
Uw Heilige de verderving zie, Gij zult Mij het pad des levens bekend maken.quot;
Vr. Waarom is Christus ten derden dage opgewekt? Antw. üp dezen dag begint de verderving. âDe Heere zou de verderving niet zien.quot; (Ps. 16, vs. 10.) En zoo gaat het de ganscbe gemeente des Heeren; er komt: ten eerste: een dag en uur van nood en dood; ten tweede: een dag en uur van verzinken, zonder uitzicht op verlossing;
ten derde: een dag en uur van de vervulling der belofte, en waarin de verlossing zich bewaarheidt, â en dit uur is vroeg. Ps. 46 , vs. 6 : âGod zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.quot;
Hosea 6, vs. 2: âHij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, wij zullen voor Zijn aangezicht leven.quot; â En zoo is deze derde dag overal voorzegd.
Heidelbergsche Catechismus. 46st0 Vraag.
Vk. Wat verstaat gij daarmede, opgevaren ten hemel?
Antw. Dat Christus voor de oogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, tot dat Hij wederkomt, om te oordeelen de levenden en de dooden.
op vraag en antwoord 46.
Vr. Waar is van Christus' hemelvaart voorzegd? Antw. Ps. 47, vs. 6 : âGod vaart op met gejuich, de
107
Heere met geklank der bazuin.quot; â Ps. 68, vs. 19: âGij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen; ja ook de wederhoorigen om bij U te wonen, o Heere God !quot;
Heidelbergsche CatecMsmus. 47ste Vraag.
Vr. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?
Antw. Christus is waarachtig meusch en waarachtig Grod. Naar Zijne menschelijke natuur is Hij niet meer op aarde, maar naar Zijne Godheid, Majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.
op vraag en antwoord 47.
Vr. Wat zegt de Apostel Faulus daarvan: dat Christus naar Zijne menschelijke natuur niet meer op aarde is ?
Antw. Hebr. 8, vs. 4: âWant indien Hij op aarde ware, zoo zou Hij zelfs geen Priester zijn, dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren.quot;
Vr. Bewijs mij, dat onze Heere âmet Zijne genade en Geest nimmermeer van ons wijktquot; ?
Antw. Hij heeft gezegd: âWaar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden van henquot;; en: âZiet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleindiging der wereld.quot;
108
Heidelbergsohe Catechismus, 48ste Vraag.
Vb. Maar zoo de menschheid niet overal is, waar de Godheid is, worden dan die twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Antw. Ganschelijk niet: want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk en overaltegenwoordig is, zoo moet volgen, dat zij wel buiten hare aangenomen menschheid is, en nochtans ook in dezelve is, en persoonlijk met haar vereenigd blijft.
OP Vlt.VAG EN ANTWOORD 48.
Vr. Bewijs mij dit met woorden van onzen Heere zeiven. Antw. Terwijl onze Heer met Nikodemus sprak, zeide Hij: âdat Hii, de Zoon des menschen in den hemel is. (Joh. 3 : 13.)
Heidelbergsclie Catechismus, 49ste Vraag.
Vr. Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Antw. Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is; ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd ons, Zijne lidmaten, ook tot Zich zal nemen; ten derde, dat Hij ons Zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken, wat daar
109
boven is, waar Christus is, zittende ter Rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.
OP VRAAG EN ANTWOORD 49.
Vr. Noem mij daarvoor een paar bewijzen.
Antw. Eph. 2, vs. 6; ,,En heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jesus.quot;
Phil. 2, vs. 20, 21 : âMaar onze wandel is in de he-_ melen , waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jesus Christus, die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zich zeiven kan onderwerpen.quot;
I Joh. 2, vs. 1: âMijne kinderkens! ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den Vader, Jesus Christus, den Eechtvaardige.quot;
Eom. 8, vs. 34: âWie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is: ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.quot; â Joh. 14, vs. 3 : âEn zoo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.quot; â Col. 3, vs. 1 : âIndien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de Eechterhand Gods.quot; â Vergel. verder Eph. 1, vs. 17â20: âOpdat de God van onzen Heere Jesus Christus , de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openba-
110
ring in Zijne kennis, namelijk verlichte oogen nws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijne roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijne erfenis in de heiligen; en welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die gelooven , naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijne Rechterhand in den hemel.
Heidelbergsclie Catechismus, 50ste Vraag.
Yr. Waarom wordt daarbij gezet: zittende ter Rechterhand Gods?
Antw. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zich zeiven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door hetwelk de Yader alle dingen regeert.
op vraag en antwoord 50.
Vr. Wat zegt David daarvan in zijne Psalmen ?
Antw. Ps. 110, vs. 1: âDe Heere heeft tot mijnen Heere gesproken: Zit aan Mijne Kechterhand, totdat ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank Uwer voeten.quot;
Ps. 45, vs. 5: âEn rijd voorspoediglijk in Uwe heerlijkheid , op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uwe rechterhand zal U vreeselijke dingen leeren. â Ps 2, vs. 6: âIk toch heb Mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg Mijner heiligheid.quot; Ps. 72, vs. 8; âEn Hij zal heerschen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der
Ill
aarde.quot; â Ps. 89, vs. 19: âWant ons schild is van den Heere, en onze Koning is van den Heilige Israels.quot;
Heidelbergsclie Catechismus. 51ste Vraag.
Vr. Wat nuttigheid brengt ons nu deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Antw. Eerstelijk, dat Hij door Zijnen Heiligen Geest in ons, Zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet; daarna, dat Hjj ons met Zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.
OP VRAAG EN ANTWOORD 51.
Vr. Wal staat daarvan in den 72en Psalm, vs. 6 en 12â14?
Antw. ,,Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen , die de aarde bevochtigen.quot; â âWant Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen' helper heeft. Hij zal den arme en nooddruftige verschoonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen. Hij zal hunne zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in Zijne oogen,quot; â Ook heeft de Heere beloofd: âde poorten der hel zullen Mijne gemeente niet overweldigen.quot;
Heidelbergsche Catechismus. 52ste Vraag.
Vr. quot;Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordeelen de levenden en de dooden?
Antav. Dat ik in alle droefenis en vervolging,
112
met een opgericht hoofd, even Denzelfden, die Zich te voren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld, en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Hechter uit den hemel verwachte, die al Zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij, met alle uitverkorenen, tot Zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
OP VRAAG EN ANTWOORD 52.
Vr. Wat zegt de Apostel Pauhis dienaangaande?
Antw. I Thess. 4, vs. 16: ,,Want de Heere zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel, en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.quot; â En II Thess. 1, vs. 6â10: ,,Alzoo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken; en u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring des Heeren Jesus van den hemel met de engelen Zijner kracht; met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jesus Christus niet gehoorzaam zijn, dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte: wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die gelooven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.quot;
Dq^rom is dit het bestendig gebed der gemeente: ..Ja. kom, Heere Jesus.quot;
113
Vr. Hellen wij vóór den jongden dag, alzoo na of met Christus' toekomst, ook nog een duizendjarig zichtbaar rijk op aarde te verwachten?
Antw. Neen, want do Apostel Petrus schrijft: (II Petr. 3, vs. 10.) âMeiar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch ziillen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.quot; â Zij dwalen daarom zeer, die het getal âduizendquot; (Openb. 20, vs. 2.) naaide letter willen uitleggen. Het is een zinnebeeldig (symbolisch) getal, en beteekent de volheid van de macht des Woords en van de heerlijkheid der geloovigen met Christus op aarde. Welke volheid der macht en heerlijkheid slechts door degenen gezien wordt, wier oog eenvoudig is. Als echter de booze oogen toenemen, zoo verbergt de Heer de rechtvaardigen in hunne rustplaatsen, neemt het licht van don kandelaar, wijkt met Zijne genade en Geest, en dan wordt de satan weder losgelaten. De keten, welke hem zoo lang vasthield, is de prediking des geloofs. Christus betoont Zich wel als Koning te Jerusalem en overal, wanneer men maar in Geest en waarheid Zijnen Naam aanroept. Ook is de laatste vijand, die te niet gemaakt wordt ,,de doodquot; en niet Gog en Magog. En alle beloften Gods zijn ,,Jaquot; in Christus en zijn in Hem âAmenquot;, Gode tot heerlijkheid door ons.
Vr. Wat is de tweede dood?
Antw. De eerste dood is de afval van God in de ongehoorzaamheid van Adam, â de tweede dood is de afval van Christus, de afval van de gehoorzaamheid des geloofs.
8
114
VAN GOD DEN HEILIGEN GEEST.
d3-
Heidelbergsche Catechismus. ,74'ie Vraag.
Ve. Wat quot;gelooft gij van den Heiligen Geest?
Antw. Eerstelijk, dat Hij samen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is; ten andere, dat Hij ook aan m|j gegeven is, opdat Hij mij, door een oprecht geloof, Christus en al Zijne weldaden deelachtig make, mij trooste, en bij mij eeuwig blijve.
OP VRAAG EN ANTWOORD 53.
Vr. Waar ia van den Heiligen Geest voor zeg dl
Antw. Ps. 68, vs. 19: âGij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen; ja ook de weder-hoorigen om. bij ü te wonen, o Heere God.quot; â Jes. 32, vs. 15â17f: âTot dat over ons nitgegoteu worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. En het reent zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op bet vruchtbare veld verblijven. En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.quot; â Ezech. 36, vs. 25â27 âDan zal Ik rein water op u
115
sprengen, en gij zult rein worden: van al uwe onrei-nigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen , en zal u een vleeschcn hart geven. En Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u: en Ik zal maken, dat gij in Mijne iuzettingon zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen.quot;
Joül 2, vs. 28; âEn daarna zal het geschieden, dat Ik Mijnen Geest zal uitgieten over alle vleesch, en uwe zonen en uwe docbteren zullen profeteeren; en uwe ouden zullen droomen droomen, uwe jongelingen zullen gezichten zien.
Vr. If élk hoek is het Evangelie des Heiligen Geestes?
Antw. Het boek âde Handelingen der Apostelen door Lukasquot;, in hetwelk men alle werking en vrucht des Heiligen Geestes in de gemeente des Heeren beschreven vindt.
Vr. lfrat is de vrucht des Geestes?
Antw. Dat leert ons de Apostel Paulus: (Gal. 5, vs. 22.) âMaar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid , matigheid.
Vr. TFat is ânaar Geest wandelen''''?
Antw. Gelooven, of blijven bij de Wet des Geestes des levens in Christus Jesus.
Vr. En wal is ânaar vleesch 'loandeletiquot;?
Antw. Zich laten afhouden van Christus, door bedenkingen , dat men toch eerst dit of dat gedaan, of weder goed gemaakt moet hebben, of zóó en zóó moet geworden zijn, om te mogen gelooven , dat men genade bij God door Jesus Christus heeft. Dus: Uit hoofde
8*
116
zijner zonde, toegeven aan de kwade gedachten omtrent God.
Vr. Wat zegt de Apostel Panlus van den natuurlijken of onioedergehoren mensch?
Antw. I Cor. 2, vs. 14: âMaar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid, en bij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.quot;
Vr. Wat verstaat de Apostel onder ânatuurlijke menschquot;?
Antw. Den mensch naar den hoogen en hoogsten aanleg en eigenschappen zijner ziel.
Vr. Hoe leert men dan God en den Ileere Jesus kennen?
Antw. Paulus getuigt: (I Cor. 2, vs. 10.) âGod heeft het ons geopenbaard door Zijnen Geest,quot; en: (I Cor. 12, vs. 3.) âNiemand kan zoggen Jesus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.quot;
Vr, Wanneer ontvangt men den Heiligen Geest?
Antw. Als de Heere Jesus bij ons verheerlijkt wordt,
Vr. Wanneer wordt Hij hij ons verheerlijkt?
Antw. Als wij niet in het genot van bet vleesch^ van de wereld, van de zonde en haar dienst blijven rusten, maar met Euth de goede keuze doen: âUw volk is mijn volk, en uw God is mijn God,quot; en wanneer wij in den nood onzer zonde, ons van ganscher harte tot Hem begeven, zoo als Esther, toen zij zeide: âKom ik om, dan kom ik omen wanneer wij alles laten staan en gaan, wat niet Jesus is, d. i. wat niet voor de eeuwigheid redden kan.
Vr. Waar heeft de Heere aan Zijne gemeente beloofd,, dat âZijn Geest tot in eeuwigheid hij haar blijven zalquot;?
Antw. Joh. 14, vs. 16, 17: âIk zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven.
117
opdat Hij bij u blijve in dor eeuwigheid; namelijk: den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen , want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden , en zal in u zijn.quot; En Jes. 59, vs. 21: âMij aangaande, dit is Mijn verbond met hen, zegt de Heere: Mijn Geest, die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelogd heb, die zullen van uwen mond niet wijkeu, noeh van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe.quot; â Vergel. I Joh. 2, vs. 27: âEn de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in Hem blijven.quot;
Vr. TFie heeft den Geest verworven, en icie heeft Hem niet met mate?
Antw. Onze dierbare Zaligmaker; daarvan zegt Jesaja : (Hoofdst. 11, vs. 2.) âEn op Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der keunis eu der vreeze des Heeren.quot;
Vr. Waarom heet de Heilige Geest âde Troosterquot;? /
Antw. Omdat Hij de ânaar God treurigenquot; uit hunne ! hel en duisteren kerker in het liefelijk licht der genade overbrengt, eu met de moedon altijd een woord ter rechter tijd spreekt.
Vr. Noem mij eens zulk een woord ?
Antw. Onder anderen: âGij zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.quot;
118
T
quot;
Vr. Van welk middel bedient zich de Heilige Geest ons hij ons in te keeren ?
Antw. Van het geschreven en gepredikte Woord Gods; daarom zoekt ook de duivel voortdurend van het hooren, lezen, en betrachten van dat Woord af te houden, en op geestelijke hoogten te brengen, om den mensch ten laatste iu onverschilligheid, verstoktheid, of in wanhoop te storten. Gal. 3, vs. 2 : âHebt gij den Geest ontvangen uit de werken der Wet, of uit de prediking des geloofs?quot; â Jes. 8, vs. 20: âTot de Wet en tot het Getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat zij geen' dageraad zullen hebben.quot;
Vr. yfat httuigt de Apostel Patdus nog meer van den Heiligen Geest?
Antw. Rem. 8, vs. 9: âMaar zoo iemand den Geest Christi niet heeft, die komt hem niet toe.quot; â Eom. 8, vs. 14â17: âWant zoo velen als er door deii Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader! Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.quot; Eph. 4, vs. 30: âEn bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.quot; â II Cor. 1, vs. 21, 22: ,,Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God; die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.quot;
119
Heidelbergsche Oatecliismus. 54ste Vraag.
Vr. Wat gelooft gij van de heilige, alge-meene, Christelijke Kerk?
Antw. Dat de Zone Gods, uit het gansche men-schelijke geslacht, Zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zyn Greest en quot;Woord, in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.
Eph. 2, vs. 19 â 22: âZoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huis-genooten Gods; gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jesus Christus is de uiterste hoeksteen; op welken het geheele gebouw bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere ; op welken ook gij medegebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest.quot;
I Petr. 2, vs. 4, 5: âTot welken komende, als toteenen levenden steen, van de menschen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; zoo wordt gij ook zeiven, als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offerhanden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jesus Christus.quot;
OP VRAAG EN ANTWOORD 54.
Vr. Wie voorzeide van den hoeksteen der gemeente des Heer en ?
Antw. Zach. 3, vs. 9: âWant ziet, aangaande dien
120
steen, welken Ik gelegd heb voor bet aangezicht van Jo-sua, op dien éenen steen zullen zeven oogen wezen.quot; â Hoofdst. 6, vs. 12: âAlzoo spreekt de Heere der beir-scharen, zeggende: Ziet een Man, wiens naam is Spruite die zal uit Zijne plaats spruiten, en Hij zal des Heeren tempel bouwen.quot; â David: (Ps. 118, vs. 22.) âDesteen, dien de bomvliedou verworpen badden, is tot een hoofd des hoeks geworden.quot; (Zie ook Jes. 28, vs. 16.)
Vr. Waarin bestaat het kenieeken eener vals die kerk*
Antw. Daarin, dat zij den eenigen hoeksteen , Christus, ter zijde legt; Hem door een zichtbaren zoekt te vervangen; op menschen bouwt; hare inrichtingen hooger schat dan de waarheid Christi, zich de heerschappij over de gewetens aanmatigt, in plaats van liefde te oefenen, en allen alles te worden; en de goeden uitwerpt.
Vr. Waarin bestaat het kenmerk eener ware kerk?
Antw. Daarin, dat zij het Hoofd, Christus, behoudt, uit hetwelk het geheele lichaam opwast, met Goddelrj-ken wasdom dat zij geen ander Hoofd kent; dat zij zich alleen door Christus' Woord en Geest laat regeeren; dat zjj de Sacramenten naar Christus' bevel bedient; de kerkelijke tucht in Christus' zin handhaaft, overigens een arm en gering, een bij de Christelijke wereld voor niets geacht volk is ; zooals Zephanja betuigt: (Hoofdst. 3, vs. 12.) ,,Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.quot;
Vr. Hoe luidt de belofte des Heeren voor Zijne gemeente ?
Antw. âWaar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden van hen.quot;
121
Vr. Zijn er nog andere beloften voor de kerk?
Antw. Ja; Ps. 46, vs. 3â5: âDaarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde hare plaats, ea al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën: laat hare wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten. â Luk. 12, vs. 32: âVrees niet gij klein kuddeken! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.quot; â Jes. 33, vs. 24: âEn geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.quot;
Vr. Hoe is deze Kerk heilig en rein?
Antw. Zij is heilig en rein om des Woords wille, dat de Heere tot haar gesproken heeft en spreekt.
Vr. Hoe is zij katholiek of algemeen?
Antw. Onze Heere Jesus Christus is Koning in alle landen der wereld; Hij heerscht van pool tot pool, van zee tot zee. Overal heeft Hij de Zijnen, die even dierbaar geloof verkregen hebben.
Vr Waarmede wordt de Kerk in de Heilige Schrift vergeleken ?
Antw. Met eene Bruid Ps. 45, vs. 10: âDe Koningin (bruid) staat aan Uwe Rechterhand, in hot fijnste goud van Ofir.quot; â Eu in het hooglied: (Hoofdst. 5, vs. 1.) âIk ben in Mijnen hof gekomen, o Mijne zuster, o bruid.quot;
Met eene treurige, verlatene, onvruchtbare vrouw, welke evenwel eene te kleine woning heeft, om alle bare kinderen te bergen. â Jes, 54, vs. 1â3: âZing vroolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vroolijk gezang, en juich, die geen barensnood
122
gehad hebt! Want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de Heere. Maak de plaats uwer tent wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uwe koorden lang, en steek uwe pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerhand, en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.quot; â Vs. 6, 7: âWant de Heere heeft u geroepen, als eene verlatene vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God. Voor een kleinen oogenblik hob Ik u verlaten; maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen.quot; â Vs. 11 13: âGij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! Zie, Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van Tobijnsteenen, en uwe gansche landpale van aangename steenen. En al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.quot;
Heidelbergsclie Catechismus, 55!tc Vraag.
Vr. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?
Antw. Eerstelijk, dat alle en elk geloovige. als lidmaten, aan den Heere Christus en aan al Zijne schatten en gaven gemeenschap hebben; ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven, ten
123
nutte en ter zaligheid der andere lidmaten, gewillig en met vreugde aan te leggen.
OP VRAAG EN ANTWOORD 55.
Vr. âAan al Zijne schatten?quot;
Antw. Ja; daarom schrijft Paulus: (I Cor. 1, vs. 4.) âIk dank mijnen God allen tijd over u, van wege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jesus.quot; â Vs. 7: âAlzoo dat het u aan geene gave ontbreekt, verwachtende do openbaring van onzen Heere Jesus Christus.quot; En Hoofdst. 3, vs. 21 â 23: âAlles is uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetïij Cephas, hetzij do wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Doch gij zijt Christi, en Christus is Gods.quot;
Vr. Wanneer zal men âzijne gaven gewilluj en met vreugde ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten besteden'' ?
Antw. Als men niet weet, dat men gaven heeft, maar dit ééne weet: dat men eenen genadigen God heeft.
Vr. Ti/t hoe worden die dan besteed?
Antw. Wanneer een iegelijk in zijn goddelijk beroep, eerlijk en vlijtig alles zóó doet, als ware het voor God en Zijne heilige engelen gedaan.
Vr. Waardoor wordt het meest tegen deze gemeenschap gezondigd ?
Antw. Daardoor, dat men den meester over anderen spelen wil, en: door geldgierigheid.
Vr. Toon mij met een voorbeeld aan, tcat gavenquot; zijn?
Antw. De God-vreezende dienstmaagd heeft gaven
124
voor de keuken; zij heeft te zorgen, dat zij niet van de eetwaren steelt, geen licht of brand verkwist, niets laat verloren gaan, of anderen heimelijk weggeeft; veeleer moet zij al wat in de keuken is, als Gods heilige dingen beschouwen, en er voor zorgen, dat zij alles bohoude en goed make voor hare vrouwe, zonder oogen-dienst, of om slechts menschen te behagen. En zóó een iegelijk in zijn beroep, in het alledaagsche. Niemand moet iets eigenwilligs drijven, maar Gods geboden nakomen, juist in dien stand en op die plaats, waar hij zich bevindt, en niet daar buiten, of daar naast. Wat hij dan van noode heeft, om den wil van God , en niet zijn eigen wil te doen, dat geeft hem de Heere. Dat zijn de gaven. Dat is het, wat de Apostel Paulus schrijft: ,,En dat ook de onzen leeren, goede werken voor te staan tot noodig gebruik , â deze dingen zijn bet, die goed en nuttig zijn den menschen.quot; (Titus 3, vs^ 14.) Daarom schrijft ook Paulus aan Timotheus : âDe vrouw zal zalig worden ia kinderen te baren,quot; dus niet door nonnenwerk.
Vr. Waarop helben wij voornamelijk hij dit artikel van de yemeenschap der heiligen te letten 1
Antw. Dat wij op Christus zien, zoo als Hij Zijne gemeente gereinigd heeft door het bad des waters in het Woord, en haar om Zijns Woords wille rein verklaart ; en dat wij niet zien op vleesch, noch op enkele verkeerdheden, noch verkeerden. Er staat hier: Ik geloof de gemeenschap der heiligen, ik zie ze echter niet altijd. Ik heb mij voor mijzelven te wachten en op mijzelven toe te zien : ,,Zoo gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat: Heere! wie zal bestaan.quot; (Ps. 130, vs. 3.)
125
Vr. Onder rcelke heelden frofeteeren de Profeten van deze gemeenschap?
Antw. Onder het beold van het feest der Loofhutten , en dat de een den ander noodigt onder den wijnstok en onder den vijgeboom. (Zach. 3, vs. 10. Hoofdst. 14, vs. 16. Vergel. verder Jes. 11, 6, 7.)
Heidelbergsclie Catechismus. 56stc Vraag.
Vr. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?
Antw. Dat God, om het genoegdoen van Christus, aan al mijne zonden, ook mijnen zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gerichte Gods kome.
op vraag en antwoord 56.
Vr. Wat is de kern van de leer der pauselijke kerk en van allen die het daarmede houden?
Antw. Het ongelukkige geloof van Kaïn: Mijne misdaad is grooter, dan dat zij vergeven worde. Daarom schrijft die kerk allerlei boetedoeningen en zelfgekozene werken voor, om de zaligheid te verdienen.
Vr. Hoe lang hebt gij met moe zondige natuur te strijden?
Antw. Mijn geheele leven lang; maar Gode zij dank door Jesus Christus, als ik van hier ga, dan zal zij ophouden.
128
Vr. Waarop hebt gij hier te letten ?
Antw. Dit artikel zegt: Ik geloof de vergeving der zonden. Wanneer ik dus den troost daarvan niet doorgaans in mij bevind, maar integendeel de zonden in mij woeden, bob ik juist dit woord ; âIk geloof do vergeving der zonden,quot; boog boven de golven en baren van den nood mijner ziel, in den bemel der vrije genade op te steken; slechts zóó word ik van mijnen nood gered , om met alle verlosten te zingen ; Wij hebben den eeuwigen dood verdiend, en verkrijgen het eeuwige leven.
Vr. Wat zeggen de Profeten van de vergeving der zonden ?
Antw. Ps. 32 , vs. 1 : âWelgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.quot; â Ezecb. 16, vs. 63: âOpdat gij het gedachtig zijt, eu u schaamt, en niet meer uwen mond opent van wege uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere.quot; â Jerem. 31, vs. 34; ,,Bn zij zullen niet meer, een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder, leeren, zeggende: Kent den Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt do Heere : want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken,quot; â Vs. 37: âZoo zegt de Heere: âIndien de hemelen daarboven gemeten , en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zoo zal Ik ook het gansche zaad Israels verwerpen , om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere.quot;
Jes. 54, vs. 8â10; âIn eenen kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een oogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen.
127
zegt de Heere, uw Verlosser. Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijkeu , en heuvelen wankelen ; maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.quot; â En Zach. 13 , vs. 1 : âTe dien dage zal er een fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde, en tegen de onreinig-heid.quot; (Vergel. Jes. 43 , vs. 22â25. Hoofdst. 44, vs. 22.)
Heidelbergsclie Catechismus. 57ste Vraag.
Vr. Wat troost geeft u de opstanding des vleesches?
Antw. Dat niet alleen mijne ziel, na dit leven van stonden aan, tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden; maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weder met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
OP VRAAG EN ANTWOORD 57.
Vr. Bij welke Profeet zien wij de opstanding des vleesches als op eene schilderij ?
Antw. By Ezechiël. (Hoofdst. 7 , vs. 1â10.) âDe
128
hand des Heeren was op mij, en de Heere voerde mij nit in den Geest, en zette mij neder in het midden eener vallei: dezelve nu was vol beenderen. En Hij deed mij bij dezelve voorbij gaan geheel rondom ; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei, en ziet, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij ; Menschenkind! zullen deze beenderen levend worden ? En ik zeide: Heere Heere, Gij weet het ! Toen zeide Hij tot mij : Profeteer over deze beenderen , en zeg tot dezelve : Gij dorre i beenderen ! hoort des Heeren Woord. Alzoo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden. En Ik za).
zenuwen op n leggen, en vleesch op u doen opkomen,
en eene huid over u trekken , en den geest in u geven,
en gij zult levend worden ; en gij zult weten dat Ik de Heere ben. Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was,
en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet, eene beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
En ik zag, en ziet, er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vleesch op; en Hij trok eene huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen. En Hij zeide tot mij; Profeteer tot den Geest, profeteer, menschenkind ! en zeg tot den Geest: Zoo zegt de Heere Heere: Gij Geest!
kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedooden, ^
opdat zij levend worden. En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de Geest in hen,
en zij werden levend en stonden op hunne voeten, een gansch zeer groot heir.quot;
Vr. Johannes schrijft in zijne Openbaring van eene eerste opstanding, wat is dat?
Antw, De eerste opstanding is het overgegaan zijn uit den dood der zonden in het leven Christi,
129
en wat daarvan het gevolg is: de overwinning der wereld door het geloof; daarna komt de tweede zalige opstanding, de opstanding des vleesches ten jongsten dage.
Vr. Wat zegt Joh van de opstanding des vleesches?
Antw. Job 19, vs. 25â27: âWant ik weet, mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over bet stof opstaan: en als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijne oogen zien zullen, en niet een' vreemde.quot;
En de Apostel Paulus spreekt daarvan, ICor.15, vs. 53,54 : âWant dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven isenz.
Vr. Welken troost geeft ons het Woord, voor onzen in den Heere ontslapenen ?
Antw. I Thess. 4, vs. 13â18: âDoch, broeders! ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geene hoop hebben. Want indien wij gelooven, dat Jesus is gestorven en opgestaan, alzoo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jesns, wederbrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna
9
130
wij, die levend overgebleven zijn, zullen te samen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere te gemoet, in de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden.quot;
Heidelbergsche Catechismus. 58ste Vraag.
Vr. Wat troost schept gij uit liet artikel van het eeuwige leven?
Antw. Dat, nademaal ik nu het beginsel dei-eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomene zaligheid bezitten zal, welke geen oog gezien, en geen oor gehoord heeft, en in geen 's menschen hart gekomen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.
OP VRAAG EX ANTWOORD 58. â¢
Vr. Waar ligt de aanvang van ons âeeuwig leven''?
Antw. In den eeuwigen vrederaad.
Vr. Wanneer worden wij dit eeuwige leven deelachtig?
Antw. Zoodra wij gelooven; want alsdan worden wij de rechtvaardigmaking des levens deelachtig in Christus Jesus.
Vr. Wanneer begint het ongestoorde genot van dit eeuwige leven?
Antw. Als wij van hier gaan.
Vr. Bewijs mij dit?
Antw. ,,Voorwaar zeg Ik u: heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.quot; (Verg. II Tim. 4, vs. 7, 8.)
131
VAN DE RECHTVAARDIGING.
Heidelbergsche Catechismus. 593te Vraag.
Vr. Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?
Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig beu, en een erfgenaam des eeuwigen levens.
OP VRAAG DN ANTWOORD 59.
Vr. Wal beduidt dat eigenlijk: voor God rechtvaardig zijn?
Antw. In overeenstemming zijn met de Wet Gods, voornamelijk zoo als zij geestelijk is en geestelijk oordeelt.
Vr. Waarop hebt gij hier vooral te letten ?
Antw. De Catechismus zegt: dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben; ik ben het dus niet in mij of door mijzelven, noch door mijne werken.
Vr. En waarop vervolgens ?
Antw. Dat die gerechtigheid in Christus mij recht geeft op de erfenis des eeuwigen levens.
Heidelbergsche Catechismus. 60ste Vraag.
Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Antw. Alleen door een oprecht geloof in Jesus
9*
132
Christus: alzoo, dat, al is het, dat mij mijn geweten beklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaar-lijk gezondigd, en van dezelve geen gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige mijner verdiensten, uit loutere genade, mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, even als had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik ook al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft; zooverre ik zulk eene weldaad met een geloovig harte aanneem.
OP VRAAG EN AKTWOOBD 60.
Vr. Welke treurige kenteehenen vindt een oprecht geloovige in zich ?
Antw. Die, welke de Catechismus opgeeft; dat mijn geweten mij aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd, en geen van dezelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben.
Vr. Aan welk woordjen hebt gij u dan te houden, als gij niet een enkel kenteeken van ware genade in u meent te vinden en gij daarover diep ter neder geslagen zijt ?
Antw. Aan het woordjen ânochtans.quot;
Vr. Maar hoe kan de Catechismus van een oprecht geloovige zeggen, dat hij nog steeds tot alle hoosheid geneigd is; de Catechismus schijnt zulks hij vraag en antwoord 8, alléén van den ontoedergeborenen te heiveren?
Antw. Het geldt in waarheid evenzoo van de weder-
133
geborenen. Maar de wedergeborenen hebben lust tot heiligheid, zjj hebben een vermaak in de Wet Gods, naar den inwendigen mensch ; zij dienen met het gemoed de Wet Gods; hun hart is geneigd tot de geboden des Heeren; zij beminnen en bewonderen de volmaakte schoonheid der Wet, maar in hunne oprechtheid klagen zij voor den Heero hunne volslagene ongelijkvormigheid aan de Heilige Wet, aan het goede gebod, en belijden met Paulus: (Eom. 7, vs. 14â26.) âWant wij weten «dat de Wet geestelijk is; maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet: want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zoo stem ik der Wet toe, dat zij goed is Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vleesch, geen goed woont: want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar bet kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Indien ik hetgene â doe, dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de Wet Gods, naar den inwendigen mensch; maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zoude, die in mijne leden is. Ik ellendig mensch ! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? ik dauke God, door Jesus Christus, onzen Heere. Zoo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de Wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde.quot;
134
Vr. Waarom voegt de Catechismus er bij: âZooverre ik zulk eene weldaad met een geloovig hart aanneemquot;?
Antw. Om ons zoo veel te meer van alle vertrouwen, op eigene heiligheid en rechtvaardigheid af te brengen.
Vr. In welke spreuken der Schrift is de leer der rechtvaardigheid voor God uit het geloof voornamelijk vervat ?
Antw. Jes. 45, vs. 23, 24: âMij zal alle knie gebogen worden, alle tong zal Mij zweren. Men zal van Mij zeggen: Grevvisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte.quot;
Jerem. 23 , vs. 6: âEn dit zal Zijn Naam zijn, waarmede men Hem zal noemen : De Heere onze gerechtigheid.quot;
Hab. 2, vs. 3, 4: âWant het gericht zal nog tot eenen bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen: zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven. Ziet, zijne ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.quot;
Rom. 5, vs. 1: âWij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jesus Christus.quot;
Gen. 15, vs. 6: âAbram geloofde in den Heere, en. Hij rekende het hem tot gerechtigheid.quot;
Heidelbergsche Catechismus. 61st0 Vraag.
Vr. Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?
Antw. Niet, dat ik van wege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben, maar daaromT
135
dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijne gerechtigheid voor God is, en dat ik dezelve niet anders, dan alleen door het geloof, aannemen en mij toeëigenen kan.
OP VRAAG EN ANTWOORD 61.
Vr. TV at is dat eigenlijkâdoor het geloof aannemen en zich toeèicjenen ?
Antw. Het is: Ja â zeggen, met een' schreeuw van blijdschap en van benauwdheid, van nood en van vreugde, op de vraag van den hoogen God; Houdt gij het daarvoor, dat Ik in uwe plaats en voor u in Mijnen Gezalfde, dit alles heb daargesteld; dat Mijne gerechtigheid voldoening heeft en Mijne AVet vervuld is, en dat uw' dood, zonde en vloek uit het midden weggenomen zijn aan het kruis ?
Vr. TPat is dus âgelooven?quot;
Antw. Het is âAmenquot; zeggen daarop, dat God onze zaligheid buiten ons en zonder ons in Christus heeft vastgesteld; het is God houden voor een eerlijk man; zich dus verlaten op Zijn woord, op Zijne belofte â op Zijn Lam; op dit Lam zien; zich aan Christus, den Middelaar en Borg des Verbonds, toevertrouwen ter Zijner rechtvaardiging, heiligmaking en volkomene verlossing.
Heidelbergsclie Catechismus. 62ste Vraag.
Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God, of een stuk van dezelve zijn? Antw. Daarom, dat de gerechtigheid, die voor
136
Gods gericht bestaan kan, gansch volkomen en aan de quot;Wet van Gfod en alle stukken gelijkmatig zijn moet; en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.
OP VRAAG EN ANTWOORD 62.
Vr. Strijdt het niet tegen elkander, dat Paulus in Hom. 3, vs. 28, schrijft: âWij hesluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Wet,'quot; â terwijl Jacohus schrijft, in Hoofdst. 2, vs. 24: âZiet gij dan nu, dat de mensch uit de werken gereehtvaar-digd wordt, en niet alleenlijk uit het geloofquot;?
Antw. De geloovige is Gods maaksel, gescbapen in Christus Jesus tot goede werken. Hier is hot geheel Gods werk, dat noemt Hij goed, gelijk bij de eerste schepping; ,,God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed.quot; Wie nu, terwijl deze nieuwe schepping er is, gelooft, zonder God den Heiligen Geest, betoont zich geen maaksel Gods; hij doet de werken niet; nu moet hij toch weten, hoe Gods werk er uitziet. â Wie echter uit God geloovig is â (want het gaat hier om het geloof) â moet als zondaar en goddelooze, hart en oogen op zijnen God, Heiland en getrouwen Schepper zijner ziel, hebben; hij geloove aan God en late aan God over wat, hoe, waar en wanneer hij werken moet. Jes. 55, vs. 11: ,,Mijn Woord zal doen hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.quot;
Vr. Noem mij een heilige, die op eens volmaakt teas?
Antw. De moordenaar aan het kruis.
137
Heidelbergsche OatecMsmus. 635te Vraag, Vr. Hoe, verdienen onze goede werken niet, welke God nochtans in dit en in het toekomende leven wil beloonen?
Antw. Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.
OP VRAAG EN ANTWOORD 63.
Vr. Verklaar mij dit door een voorbeeld uit het dage-lijksch leven ?
Antw. Een arm man wordt door een verjaagd Vorst, die hem voorbij komt, om eenen dronk water gevraagd. De arme man geeft hem dien met genoegen. De Vorst belooft hem daarvoor eene waterrijke bron, met eene pomp, opdat hij in het vervolg al het water zonder moeite hebbe. De Vorst komt weder in het bewind, zendt zijne bouwlieden tot den armen man, die wijzen hem de beloofde bron aan, zetten eene pomp daarop, en bouwen om de pomp heen een paleis, vervuld met alle mogelijke heerlijkheid. Dit heeft hij tot belooning voor zijn glas water. Nu vraag ik: Geschiedt deze belooning uit verdienste of uit genade?
Vr. Hoe hebt gij het dus te verdaan, ah onze Heer zegt: âBat wij toch even zoo voorzichtig moeten zijn als de kinderen dezer wereld en ons vrienden maken uit den onrecht-vaardigen â mammo7i, opdat, wanneer wij den adem uitblazen, deze vrienden ons opnemen in de woningen des Vaders hierboven, opdat wij het aldaar blijvend goed hebben;' dat ziet er toch waarlijk zoo uit, alsof men zich met zjn geld eene plaats in den hemel kon koopen ? (Luc. 16.)
Antw. Wij hebben dit te verstaan naar het boven-
138
gemelde voorbeeld. Overigens zijn de vrienden, welke de Heer bedoelt, des Heeren vrienden; deze worden echter van de farizeeuwsche wereld miskend en verworpen , en woi-den als aller voetveeg behandeld. â Zulke vrienden worden beschreven, Hebr. 11, vs. 37 , 38: âZij zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; zij hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; (welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in de holen der aardeâ en zulke vrienden maakt men zich niet licht. Een zoodanige vriend was ook de arme Lazarus. De Apostel Jacobus getuigt, Hoofdst. 2, vs. 13; âDe barmhai-tigheid roemt tegen het oordeel.quot;
Heidelbergsche Catechismus, 64ste Vraag.
Vr. Maar maakt deze leer geene zorgeloozo en goddelooze menschen?
Antw. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niét zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
op vraag en antwooud 64.
quot;Vr. Waarom, vraagt de. Catechismus: âMaakt deze leer geene zorgelooze en goddelooze menschen?quot;
Antw. Om dengenen den mond te stoppen, welke de
139
Gereformeerde leer, als eene zoodanige lasteren, welke zoude leeren : âLaat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kotnequot;. (Eom. 3, vs. 8.)
Vr. Maar de oprechte zou deze vrucht der dankbaarheid zoo gaarne hij zich zien, hij ziet ze intusscheu niet en wordt daarover hard bedreden.
Antw. De eerste vrucht der dankbaarheid is de belijdenis: Ik ben wel artn en ellendig, maar Gij zijt mijn Heer, mijn Verlosser, mijne gerechtigheid; â ook het gebed, Ps. 119, vs. 176: âIk heb gedwaald als een verloren schaap ; zoek Uwen knecht, want Uwe geboden heb ik niet vergeten;quot; evenzeer; het voornemen des harten, Ps. 116, vs. 13: âIk zal den beker der verlossingen opnemen , en den Naam des Heeren aanroepen;quot; â en de roem in den Heere: âIk, Heere Christus, ben gerechtigheid Gods in u, en gij zijt Mijne zonde.quot; (2 Cor. 5, vs. 21.)
Vr. Wat is het eemte en laatste goede werk, en wat omvat alle goede werken?
Antw. Het geloof. â En zoo zegt de Heere, van de beruchte zondares: âHaar is veel vergeven, want zij heeft veel lief gehad.quot; â Zij had deze liefde getoond.
Vr. Wien f-omt de beoordeeling daarover toe, of mijne werken goed zijn?
Antw. Niet mij zei ven, maar mijnen Heere Christus. â Mij zij het daarom te doen, dat ik mij bevlijtige, een goed geweten voor God en menschen te hebben, en dat ik den menschen oók zoo doe, als ik wil dat zij mij doen.
Vr. TFat hebt gij te doen, om dit goede geweten te hebben ?
Antw. Te doen? â Niets! maar te laten â
uo
mijn' eigen lust, en den lust der wereld, welke geheel in het booze ligt.
Vr. Hoe hebt gij een goed geweten?
Antw. Als ik op Christus zie als op mijne zonde en als op mijne gerechtigheid. Een goed geweten is er alleen door de opstanding Jesu Christi uit de dooden.
Vr. Wie heeft het bij gevolg?
Antw. Wij hebben het, wij in wien Gods Geest getuigt mot onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, aangenomen in Christus, uit eeuwige vrije ontferming.
VAN DE SACRAMENTEN.
Heidelbergsche OatecMsmus. 65ste Vraag,
Vr. Aangezien dan alleen het geloof ons aan Christus en al Zijne weldaden deelachtig maakt, van waar komt zulk een geloof?
Antw. Van den Heiligen Geest, die het geloof in onze harten werkt, door de verkondiging van het heilig Evangelie, en het sterkt door het gebruik der Sacramenten.
Heidelbergsche Catechismus. 66ste Vraag.
Vr. Wat zijn Sacramenten?
Antw. De Sacramenten zijn heilige, zichtbare waarteekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons, door het gebruiken derzei ven, de beloften van het Evangelie des te beter te verstaan geve en
141
verzegele: namelijk, dat Hij ons, van wege hefc eenig slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.
Heidelbergsche Catechismus. 67ste Vraag.
Vr. Zijn dan beide het Woord en de Sacramenten daarhenen gericht, of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jesus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen?
Antw. Ja zij toch: want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie, en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.
Heidelbergsche Catechismus. 68ste Vraag.
Vr. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het Nieuwe Verbond of Testament ingezet?
Anïw. Twee, namelijk den heiligen Doop en het heilig Avondmaal.
OP VRAAG EN ANTWOORD 68.
Vr. Heeft de Roomsche Kerk zich daarmede hunnen â vergenoegen ?
Antw. Neen, zij heeft er nog vijf meer, en sommigen
142
in de Protestantsclie Kerk zijn ook genegen om , tegen de instelling van Christus, de bevestiging van ledematen, de inzegening des huwelijks en de ordening der leeraren bij de Sacramenten te voegen.
VAN DEN HEILIGEN DOOP.
Heidelbergsche Oatechismus. 69ste Vraag,
Vr. Hoe wordt gij in den heiligen Doop vermaand en verzekerd, dat de eenige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
Antw. Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet: en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zeker met Zijn bloed en Geest van de onreinigheid mijner ziel, dat is, van al mijne zonden, gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des vleesches pleegt weg te nemen, gewasschen ben.
Heidelbergsche Catechismus, 70ste Vraag.
VR. Wat is het: met het bloed en den Geest van Christus gewasschen te zijn?
Antw. Het is de vergeving der zonden van God uit genade te hebben, om het bloed van Christus, hetwelk Hij in Zijne offerande aan bet kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer de
143
zonden afsterven, en in een godzalig, onstraffelijk leven wandelen.
Heidelbergsche Catechismus. 71ste Vraag. Vk. Waar heeft ons Christus toegezegd, dat Hij ons zoo zeker met Zijn bloed en Geest wasschen wil, als wij met het doopwater gewasschen worden?
Antw. In de inzetting des Doops, welke aldus luidt: âGaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.quot; â En: âDie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.'' Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop âhet bad der wedergeboortequot; en âde af-wasscbing der zondenquot; noemt.
Heidelbergsche Catechismus. 72ste Vraag. Vr. Is dan het uiterlijk waterbad de afwasaching der zonde zelve?
Antw. Keen het: want alleen het bloed van Jesus Christus, en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.
Heidelbergsche Catechismus. 735te Vraag. Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop: âhet bad der wedergeboortequot; en âde afwas-sching der zondenquot;?
Antw. God spreekt alzoo niet zonder groote
144
oorzaak, namelijk: niet alleen om ons daarmede te leeren, dat gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzoo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jesus Christus weggenomen worden; maar veel meer, dat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteeken wil verzekeren, dat wij zoo waarachtig van onze zonden geestelijk gewasschen zijn, als wij uitwendig met water gewasschen worden.
Heidelbergsche Catechismus. 74ste Vraag.
Vr. Zal men ook de jonge kinderen doopen?
Antw. Ja: want mitsdien zij, zoowel als de volwassenen in 't verbond Gods en Zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus bloed de verlossing van de zonden, en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den Doop, als door het teeken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd, en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor welke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.
OP VRAAG EN ANTWOOKD 69â74.
Vr. Wordt gij lid van de gemeente Christi, als gij uwe belijdenis aflegt?
Antw. Neen, de kinderen der gemeente van Christus zijn
145
in Christus geheiligd, zijn leden der gemeente, leden van Hem, die het Hoofd is, en dus gerechtigd om gedoopt te worden.
Vr. Zij, die tegen den kinderdoop zijn, leweren: dat, daar Christus gezegd heeft: âDie gelooid zal hebben, en gedoopt zal zijnquot; en dewijl de jonge kinderen toch nog geen verstand hebben orn te gelooven, zij eerst dan gedoopt mogen worden, wanneer zij eene belijdenis van hun geloof kunnen ajlegge)i; â wat antwoordt gij daarop?
Antw. Onze Heer heeft bij de woorden: âDie gelooft en gedoopt wordt,quot; den nadruk gelegd op het woord âdie gedoopt wordt,quot; en heeft daarmede gemeend, dat de volwassenen, die toenmaals zich bekeerden, hun geloof daardoor betuigen zouden, dat zij zich lieten doopen en alzoo het kruis en den smaad Christi op zich namen. Ware overigens Gods waarheid afhankelijk van ons gelooven, zoo zou zij even zoo dikwijls te niet gaan, als dit geloof bij ons, door onze schuld, werkeloos is.
Is de ziel van een kind voor de zaligheid Gods in den hemel vatbaar, wanneer het sterft, zoo is zij ook vatbaar voor die genade, dat de Heer Zijnen Naam op het kind laat leggen in den doop.
Vr. Sprak het echter ook van zelve, dat toen de Heer den doop instelde, de doop der kinderen daar mede in opgesloten, was?
Antw. Ja; want de Joden hadden eenen doop voor de heidenen, en daarbij was het gebruikelijk, dat de kinderen met de ouders gedoopt werden. Wanneer Petrus dus tot de volwassenen, ook tot de moeders, die voorzeker met hunne kinderen onder de toehoorders waren, zeide : Laat u doopen, want u komt de belofte toe, en
10
146
uwen kinderen, (zie Hand. 2, vs. 38, 39.) zoo spreekt het van zelve, dat hij gemeend heeft, dat zij ook hunne kinderen zouden laten doopen.
Vr. Wat geschiedt er dan in den doop?
Antw. God laat Zijnen driemaal heiligen Naam op een kind leggen, hetwelk in ongerechtigheid geboren en in zonden ontvangen is. en verklaart, dat het Zijn kind is.
Vr, Maar kan het doopwater zulke groote dingen doen f
Antw. Neen! Even zoo min als Mozes' staf de Schelfzee van één kon slaan. Maar Christus heeft dat water bevolen, en dan is het Woord met het water, en dau is het water een teeken van den levendmakenden Geest Gods en Christi, den Geest die genade, leven en schuldvergeving mededeelt.
Vr. Maar als een kind zich dan later niet bekeert, of nimmer tot het geloof komt?
Antw. Zulks heeft dat kind te verantwoorden; God heeft het Zijne gedaan. Wilde men daarom aan een kind den doop onthouden, zoo zou men in Gods regeering ingrijpen, die toch ook over de boozen Zijne zon laat schijnen. Verder zullen wij het wel aan den eenigeu Rechter hebben over te laten, wat er wellicht nog zelfs in het sterfuur kan gebeuren.
Vr. Wat troost u derhalve de heilige doop?
Antw. Dat ik in denzelven op Gods koninklijken, Vaderlijken en zaligmakenden Naam, ook ben opgeteekend in Zijn boek des levens, met al mijne schulden, zonden en nooden; en dat ik dus eenen rijken God en genadigen Vader in den hemel heb.
Vr. Wie staat in dit boek des levens boven aan? s
Antw. De mensch Christus Jesus, mijn lieve Heiland,
147
Borg en Voorspraak, die Zich om mijnentwil met den water- en bloeddoop heeft laten doopen.
VAN HET HEILIG AVONDMAAL VAN ONZEN HEERE JESUS CHRISTUS.
Heidelbergsche Catechismus. 75 te Vraag,
Vr. Hoe wordt gij in het heilig Avondmaal vermaand en verzekerd, dat gij aan de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebt?
Antw. Alzoo, dat Christus aan mij en alle ge-loovigen, tot Zijne gedachtenis, van dit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daarbij ook belooft: eerstelijk, dat Zijn lichaam zoo zeker voor mij aan het kruis geofferd en gebroken, en Z|jn bloed voor mij vergoten is, als ik met oogen zie, dat het brood des Heeren voor mij gebroken, en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en ten andere, dat Hij zelf mijne ziel, met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed, zoo zeker tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren, (als zekere waarteekenen van het lichaam en bloed van Christus), uit des dienaars hand ontvang en mondelijk geniet.
10*
148
Heidelbergsche Catechismus. 76,te Vraag.
Yr. Wat is dat te zeggen: âhet gekruisigd lichaam van Christus te eten en Zijn vergoten bloed te drinken.quot;?
Axtw. Het is niet alleen, met een geloovig hart, het gansche lijden en sterven van Christus aannemen, en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen, maar ook daar benevens door den Heiligen Geest, die te samen in Christus en in ons woont, alzoo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer vereenigd te worden, dat wij, al is het, dat Christus in den hemel is en wij op aarde zijn, nochtans vleesch van Zijn vleesch, en been van Zijne beenen zijn, en dat wij door éénen Geest (als leden eens lichaams van ééne ziel) eeuwigiijk leven en geregeerd worden.
Heidelbergsche Catechismus. 77ste Vraag.
Vr. Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de geloovigen zoo zeker alzoo met Zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken?
Antw. In de inzetting des Avondmaals, welke aldus luidt: (I Cor. 11, vs. 23â26.) âDe Heere Jesus nam, in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam,
149
dat voor u gebroken wordt; rloet dat tot Mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondraaals, en zeifle: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken , tot Mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, tot dat Hij komt.quot;
Deze toezegging wordt ook herhaald door den heiligen Apostel Paulus, waar hij spreekt: (I Cor. 10, vs. 16,17.) âDe drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloeds Christi ? Het brood dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des lichaams Christi? Want één brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.quot;
Heidelbergsclie Catechismus. 78ste Vraag.
Vr. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijke lichaam en bloed van Christus?
Antw. Neen; maar geljjkerwijs het water in den Doop niet in het bloed Christi veranderd wordt, noch de afwassching der zonde zelve is, (waarvan het alleen een Goddelijk waarteeken en verzekering is) alzoo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelf, hoewel het, naar den aard en de eigenschap der Sacramenten, het lichaam van Jesus Christus genoemd wordt.
150
Heidelbergsche Catechismus. 79ste Vraag.
Yr. quot;Waarom noemt clan Christus het brood Zijn lichaam, en den drinkbeker Zijn bloed, of het Nieuwe Verbond door Zijn bloed, en Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds Christi?
Antw. Christus spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak, namelijk: niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzoo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veel meer, om ons door deze zichtbare teekenen en panden te verzekeren, dat wij zoo waarachtig aan Zijn waar lichaam en bloed, door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waarteekenen met den lichamelijken mond tot Zijne gedachtenis ontvangen; en dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid zoo zeker ons eigen zijn, als hadden wij zeiven in onzen eigen persoon alles geleden, en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.
OP VRAAG EN ANTWOORD 75-79.
Vr. Waarom schrijft de Apostel Paulus: âin den nacht, in welken Hij verraden werd''?
Antw. Opdat wij niet doen zouden zoo als Judas.
151
Vr. Wanneer zouden wij doen zoo als Judas?
Antw. Wanneer wij niet gelooven, dat de minste plaats de onze is.
Vr. Welke Kerk leert, dat het brood en de wijn in het lichaam en in het Hoed van Christus veranderd wordt?
Antw. De Roomsehe.
Vr. Is het lichaam en het bloed van Christus in, met en onder het brood en den wijn, zoo als de Lutherschen leeren ?
Antw. Neen, zulke hooge dingen deelt ons de Heer mede door den Geest des geloofs uit den hemel, weshalve wij onze harten en zinnen hemelwaarts te verheffen hebben.
Vr. Wanneer komt gij waardig tot des Iletren Avondmaal?
Antw. Als ik Hem mijne zonden geef, en Zijne gerechtigheid aanneem.
Vr. Wat is âzich zeiven beproevenquot;?
Antw. Het is zich zeiven onderzoeken, of men het met zijn hart eens is; dat men niets meer van zich zelven verwacht, maar alles van den Heere, om Hem te leven ; â waarbij de ziel tot Hem uitgaat met deze bede: âDoe mij ook nu smaken de zekerheid mijner zaligheid, Heer, door Uwe genade.quot;
Vr. Is het noodzakelijk, dat men bij het genot van brood en wijn bijzondere gewaarwordingen helle?
Antw. Het gezonde geloof houdt zich aan het Woord, de werking openbaart zich daarna â in tijd van nood.
Vr. Waaraan kan ik weten, dat ik geen âhuichelaarquot; ben?
Antw. Een huichelaar houdt zich voor den oprechtsten mensch in het Koninkrijk der hemelen. Een huichelaar houdt met zijn hart vast aan twee wegen, en is er op uit, die twee wegen voor God eu zijn hem beschuldigend geweten te rechtvaardigen, en op beide
152
de wegen goedkeuring te erlangen: ofscboon hy zeer goed weet, dat een van beide niet deugt. De oprechte belijdt voor God zijne huicbelarij.
Vr. Waaraan 1-an ik roeten of ik uitverkoren hen,?
Antw. De tollenaar stond van verre.
Vr. Wanneer zal ik vooral niet van de tafel des Heeren afblijven ?
Antw. Wanneer van wege mijne zonden hot licht mijner oogen niet meer bij mij is, en ik toch zoo gaarne den gekruisigden Heiland zoude wederzien en omhelzen.
Vr. Zeg mij in weinige woorden, hoe gij dat begrijpt, dat Christus in het heilig Avondmaal ons Zijn lichaam te eten geeft?
Antw. Elk lichaam wordt door voedsel te samen gehouden. De gemeente Gods maakt één lichaam uit, dit lichaam wordt door geestelijke voeding te samen gehouden; deze geestelijke voeding is het gekruisigde lichaam van Christus. Onder het teeken van brood geeft ons de Heer in het Avondmaal de verzekering, dat Hij ons naar geest, ziel en lichaam met Zijn lichaam in zich te samen houdt, voedt en sterkt ten eeuwigen leven. Zoo wij gelooven, dan proeven en smaken wij in het geloof, dat dit waarachtig waar is.
Vr. En hoe begrijpt gij dat, dat Christus ons in het Avondmaal met Zijn bloed drenkt?
Antw. De gemeente van Christus zou, als lichaam, toch om hare zonden niet voor God kunnen bestaan, zoo het verzoenend bloed Christi, het bloed en leven van dat lichaam niet gaande hield, niet reinigde en voedde. In het Avondmaal geeft de Heer ons de verzekering, dat wij als geestelijke menschen Zijn verzoenend bloed te drinken krijgen, opdat wij niet omkomen
153
van eeuwigen dorst onder de bitte van Gods gramscliap tegen onze zonden. Zoo wij geloovon, smaken en proeven wij in het geloof, dat dit waarachtig waar is. Overigens is de betoekenis in nauwen samenhang met het vleesch en het bloed van het afschaduwend paaschlam.
Heidelbergsche Oatechismus. 80,te Vraag.
Vr. Welk onderscheid is er tusschen het Nachtmaal des Heeren en de paapsche mis?
Anïw. Het Nachtmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomene vergeving aller zonden hebben, door de eenige offerande van Jesus Christus, die Hij zelf éénmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, die nu naar Zjjne menschelijke natuur, niet meer op de aarde, maar in den hemel is, ter Rechterhand Gods, Zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn. Maar de mis leert dat de levenden en de dooden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij Christus nog dagelijks voor dezelve van den mispriester geofferd worde; en dat Christus lichamelijk onder de gestalte van het brood en den wijn zij, en daarom ook daarin moet aangebeden worden. En alzoo is de mis in den grond anders niet, dan eene verloochening der eenige offerande en des lijdens Jesu Christi en eene vervloekte afgoderij.
154
Heidelbergsche Catechismus. 8rte Vraag.
Vr. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld ?
Antw. Voor degenen, die zich zeiven van wege hunne zonden mishagen, en nochtans vertrouwen, dat dezelve hun om Christus wille vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden, en sterven bedekt is; ook begeerende hoe langer hoe meer hun geloof te sterken, en hun leven te beteren. Maar de geveinsden, en die zich niet met een waar hart tot God bekeeren, die eten en drinken zich zeiven eeu oordeel.
Heidelbergsche Oatechismus. 82't8 Vraag.
Vr. Zal men ook tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hunne bekentenis en leven als onge-loovige en goddelooze menschen aanstellen?
Antw. Neen: want alzoo wordt het verbond Gods ontheiligd en Zijn toorn over de gansche gemeente verwekt; daarom is de Christelijke kerk schuldig, naar de ordening van Christus en Zijne Apostelen, derzulken (tot dat zij betering huns levens bewijzen) door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.
Heidelbergsche Catechismus. 833te Vraag.
Vr. Wat zijn de sleutelen des hemelrijks? Antw. De verkondiging van het heilig Evangelie
155
en de Christelijke ban, of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den geloovigen opengedaan, en den onge-loovigen toegesloten wordt.
OP VRAAG EN ANTWOORD 83.
Matth; 16, vs. 19: âEn Ik zal u geven de sleutelen van liet Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn: en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.'' Matth. 18, vs. 18: âYoorwaar zeg Ik u: al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.quot; â Joh. 20, vs. 23: âZoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.quot;
Vr. Hoe komt de Catechismus op het woord âsleutelen'?
Antw. De vorsten gaven oudtiids aan hunne huis-verzorgers sleutels om do rijks schatten open te doen of af te sluiten.
Vr. Mochten de huisverzorgers daarmede naar welgevallen handelen ?
Antw Neen, maar naar den wil van hunnen vorst.
Vr. Wat zijn dan de sleutelen des hemelrijks?
Antw. De bevoegdheid naar het Woord des Heeren, zonden te vergeven of te behouden; dat is, naar luid van het Woord Gods het den boetvaardigen aan te kondigen, dat hun de zonden vergeven zijn en den onboetvaardigen, dat hun de zonden behouden zijn, tot-
156
hunne betering. Eu deze aankondiging geldt in den hemel, omdat de Hoere het gezegd heeft.
Vr. Wat zijn de gevolyen van het nalaten der kerlce-kelijke tucht?
Antw. Dat de troost on de werking des Heiligen Geestes in de gemeente ophoudt, en dat het gebed dei-gemeente niet verhoord wordt.
Vr. Heeft de roomsche kerk ook de bevoegdheid om de sleutelen te gebruiken ?
Antw. Neen; maar als wij, die gelooven, der roomsche kerk aanzeggen, dat haar de zonden niet vergeven zijn, zoo geldt dit in den hemel. In het algemeen heeft geene kerk, welken naam zij ook drage, de bevoegdheid de sleutelen des hemelrijks te gebruiken, als zij nevens den weg van ,,geloof in Christus en bekeering tot Godquot; andere wegen aanlegt, hetzij wegen van boetedoeningen, hetzij van zoogenaamde zedelijke verbetering, of van eenen vrijen wil of eene eigenwillige heiligmaking.
Heidelbergsche Catechismus. 84ste Vraag.
Yr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig Evangelie otitsloten en toegesloten?
Antw. Alzoo, als achtervolgens het bevel van Christus, allen eu een' iegelijk geloovige verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun (zoo dikwijls zij de beloften van het Evangelie met waar geloof aannemen), waarachtig al hunne zonden van Ood, om de verdiensten van Christus, vergeven zijn: daarentegen aan alle ongeloovigen, en die zich niet
157
van harte bekeeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods, en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoo lang zij zich niet bekeeren; volgens welk getuigenis des Evangelies, Grod, beide in dit en in het toekomende leven, oordeelen wil.
Heidelbergsche Catechismus. 858te Vraag,
Vr. Hoe wordt het hemelrijk toeges 1 oten on ontsloten door den Christel ij ken banquot;?
Axïw. Alzoo, als achtervolgens het bevel van Christus, degenen die onder den Christeljjken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij menigmaal broederlijk vermaand zijnde, van hunne dwalingen en schandelijk leven niet afstaan willen, der gemeente, of dengenen die van de gemeente daartoe verordend zijn, aangebracht worden; en zoo zij naar de vermaning niet vragen, van henlieden, door het verbieden der Sacramenten , uit de Christelijke gemeente, en van God zeiven uit het Rijk van Christus gesloten worden, en wederom als lidmaten van Christus en Zijne gemeente aangenomen , wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.
HET DERDE DEEL. VAN DE DANKBAAKHEID.
Heidelbergsche Catechismus. 86ste Vraag.
Vr. Aangezien wij uit onze ellende, zonder eenige onzer verdiensten, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Antw. Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door Zijnen Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij met ons gansche leven Gode dankbaarheid voor Zijne weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde: daarna ook, dat elk bij zich zeiven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen godzaligen wandel onze naaste ook voor Christus gewonnen worde.
Heidelbergsche Catechismus, 875te Vraag.
Vr. Kunnen dan zij niet zalig worden , die in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeeren?
Antw. In geenerlei wijze: want de Heilige Schrift
159
zegt dat geen onkuische, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar noch roover, noch diergelijke, het rijk Gods beërven zal.
OP HET DEUDE DEEL.
Vr. Wat is het dankbaarste schepsel Gods?
Antw. De hond.
Vr. Waarin zal dan moe dankbaarheid bestaan ?
Antw. Daarin, dat ik bi) de genade blijf, gelijk de hond bij zijnen meester, en mij altijd weder op nieuw tot deze genade begeef om genade, en dus bij de verlossing, met welke ik om niet verlost ben, blijve en volharde. De bond kruipt juist dan het meest naar zijnen meester toe, wanneer hij slagen van hem krijgt.
Vr. Wat is eigenlijk dankbaarheid?
Antw. Dat ik aanneem wat mij aangeboden wordt, en dat met blijdschap geniet.
Vr. Wie is Gode dankbaar?
Antw. Eene zondares wiesch des Heeren voeten met hare tranen , en droogde ze af met de haren baars hoofds. Die is Gode dankbaar, dié het belijdt, dat het hem onmogelijk is, Gode ooit recht dankbaar te zijn. Hij neemt den beker der verlossing op en drinkt dien uit; bij looft den Heere, dat Zijne goedertierenheid als een stroom geweldig over ons heengaat. Hij is dankbaar, zonder dat hij het weet; hij beschuldigt zicb, dat hij ondankbaar is; maar bij geeft het voor duivel, zonde, dood en wereld niet op, dat de Heere zijn God en Heiland is, die hem van bloedschulden verlost en bij Wien uitkomsten zijn tegen den dood.
160
Vr. TFaarom is toch dit derde duel aan den Catechismus toegevoegd?
Antw. Om verscheidene zeei- goede redenen:
1. De pausgezinden zeiden: De Gereformeerde leer maakt zorgelooze en goddelooze monschen, zij leert alleen maar van geloof en is tegen alle goede werken; de Gereformeerde leer zegt: Indien men maar gelooft, kan men doen wat men wil. Tegen zulke lastering stelde men het derde deel. Ook gaven in dien tijd de Luther-schen in den Palts, die van Luther niets verstonden, allerlei verdraaide en hatelijke uitleggingen aan de Gereformeerde waarheid.
2. Er waren ook toen tor tijd allerlei lichtzinnige menschen, zoogenaamde vrijgeesten of lichtvrienden, voor welke de tucht in de roomsche kerk te streng was; die sloten zich aan do Gereformeerde Kerk aan, in don waan, dat derzelver leer hun vrijheid gaf, allerlei ongerechtigheid uit te gieten, en dat zij dan toch ten laatste door genade zouden zalig worden.
3. In de Gereformeerde Kerk zelve waren velen, die onbekeerd bleven, die de genade tot een oorkussen maakten, om er op in te sluimeren, en inmiddels hunnen wereldschen gang aanhielden en in den dienst Belials bleven.
Aan zulk woest gedierte moest toom en gebit in den mond gelegd worden.
4. De geloovigen dragen vleesch en bloed met zich om: als zoodanig staan zij voor elke verzoeking bloot en moeten gedurig op den weg der gerechtigheid gehouden worden. Zulks geschiedt wel is waar inwendig dooiden Geest, maar de Geest bedient zich daarbij vau geen anderen regel of richtsnoer dan van de tien geboden. Binnen deze perken leidt Hij zelf de geloovigen aan
161
Zijne hand naar des Heeren belofte, tegen alle verzoekingen en uitspattingen van het vleesch. En Hij maakt de geloovigen daarin vrijwillig, in de vrijheid Christi, zoodat zij alleen weten van genade, en juist zóó naar Gods Wet wandelen, zij verootmoedigen zich vau wege hunne onvolmaaktheid aan de Wet, en toch is hun wandel en werk recht.
5. Er kwamen in do gemeente spoedig zoodanige menschen op, die in de Evangelische leer slechts pleisters voor hunne ondeugden en hartepijn zochten, zonder er naar te vragen: Hoe komt God tot Zijn recht, waar blijft de Wet, waar de zonde? ââ Het ging denzulken niet om heiligheid. Anderen wederom meenden, dat uiterlijke gehoorzaamheid naar de letter der Wet ook volbrenging van de Wet Gods was; zij hielden het daarvoor, dat zij die uiterlijke gehoorzaamheid bezaten, en dat wel van harte, daarom beweerden zij, dat als men geloofde, men ook de tien geboden volkomen houden kon. â De eerste soort nu heette wetbestrijders, als die leerden dat al wat men niet houden kan, ook niet behoeft voorgehouden te worden; de tweede, volmaaktheiddrijvers. Tegen beiden dient dit derde deel. Intus-schen moet elk, die het Woord recht snijdt, zich met lijdzaamheid wapenen tegen de lastering der eigengerechtige en valsche broeders, dat hij zoowel een wetbestrijder, als een volmaaktheiddrijver is.
Vr. TFelJce zijn de tic te hoofdafdeelingen van ons derde deel?
Antw. Gebod en gebed.
11
162
Heidelbergsche Catechismus. 88ste Vraag.
Vr In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekeering des menschen?
Antw. In twee stukken: in de a f s t e r v i n g v a n den ouden, en in de opstanding van den nieuwen m e n squot;c h.
Heidelbergsche Catechismus. 895te Vraag.
Vr. Wat is de afsterving van den ouden m e n s c h ?
Antw. Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en dezelve hoe langer hoe meer haten en vlieden.
Heidelbergsche Catechismus. 90ste Vraag. Vr. Wat is de opstanding van den nieuwen mensch?
Antw. Het is eene hartelijke vreugd in God door Christus, en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven.
OP VRAAG EN ANTWOORD 88-90.
Vr. Wat leteekmt dat toch: âoude mensch en nieuwe menschquot; zijn dat twee werkelijke menschen, die een mensch in zich heeft?
Antw. Neen, het is eene figuurlijke manier van
163
spreken. De Apostel Paulus spreekt (Rom. 6, vs. 6; Eph. 4, vs. 22â24; en Col. 3, vs. 9, 10.) van oenen ,,ouden menschquot; en verstaat daaronder, den mensch zoo als hij in Adam , God, zijn leven er aan gegeven heeft, of van God afgevallen is; dus meent hij er mede, wat wij met Adam geworden zijn, en wat wij als zoodanig denken, handelen en doen, en hij spreekt in diezelfde plaatsen van eenen ânieuwen mensch,quot; en verstaat daaronder Christus en wat wij met Christus geworden zijn, en de vrucht van dien Geest, welken wij in het geloove Christi zijn deelachtig geworden.
De Apostel vergelijkt deze beide menschen met klee-deren, zoodat wij de kleederen des eersten hebben uitgetrokken, en die des anderen hebben aangetrokken. (NB. Eph. 4, vs. 22, luidt naar het Grieksch: âdat gij afgelegd hebt â den ouden mensch â en vernieuwd wordt â en den nieuwen mensch aangedaan hMquot;) Dat de Apostel onder âouden menschquot; ondeugden verstaat, zien wij uit het 25e en de volgende verzen: âDaarom hebbende afgelegd do leugen,quot; â en dat hij onder ânieuwen menschquot;, Christus verstaat en de vrucht des Geestes, zien wij uit Rom. 13, vs. 14: âHebt den Heere Jesus Christus aangetrokken,quot; en uit Col. 3, vs. 12: âHebt dan aangetrokken, als uitverkorenen Gods, â de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid , â verdragende elkander.quot;
Heidelbergsche CatecMsmus. 91ste Vraag.
Vr. Maar wat zijn goede werken?
Antw. Alleen die uit waar geloof, naar de Wet
11*
164
Gods, Hem ter eere geschieden, en niet die op ons goeddunken of menschen inzettingen gegrond zijn.
OP VRAAG EK ANTWOORD 91.
Vr. Zeg mij nog eens wat het allergrootste en allerbeste goede werk is?
Antw. Het geloof.
Vr. Maar icaarom spreeM ie Catechismus hier van de goede werken zoo?
Antw. Omdat de patisgezinden van de goede werken altijd huichelachtig spreken.
Vr. Staan de Apostelen ook op goede werken?
Antw. Ja, overal; onder anderen, Titus 2, vs. 24: Die Zich zeiven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zich zei ven een eigen volk zon reinigen, ijverig in goede werken. â II Tim. 3, vs. 16, 17: Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.quot; â Titus 3, vs. 14: âEn dat ook de onzen leeren, goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.quot; â Maar wij leeren, met het Evangelie, dat eerst de boom goed moet zijn; alsdan is de vrucht van zelve goed.
De pausgezinden leeren, dat hunne heiligen meer goedo werken bij God in rekening hebben te brengen, dan zij behoeven gedaan te hebben; de geloovigen daarentegen weten voor Christus niet, en zullen het voor Hem ook
165
nimmer weten, dat zij één eenig goed werk goed gedaan liebben. Matth. 25, vs. 37â39: âDan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer Lebben wij ü hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven ? En wanneer hebben wij à een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt en gekleed? En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?quot;
Vr. 7Fa( gevoelt gij dan van iemand, die denkt, ik moet en zal dit of dat goede werk doen, want zoo staat er geschreven ?
Antw. Die wil God wat wijs maken. - Hij, die een goed werk doet, doet het niet opdat God en menschen er kennis van dragen zouden, maar hij doet het van zelf, want de liefde dringt hem.
Vr. Wat hebben wij over het algemeen omtrent het houden van de geboden Gods vast te stellen ?
Antw. Dat wij daartoe geheel onbekwaam zijn; dat zulks echter niet aan de geboden, maar aan ons ligt. De Wet is heilig, zij moet niet alleen naar de letter, maar naar den geest gehouden worden; wij daarentegen zijn vlecschelijk, verkocht onder de zonde. Dat moet bij ons vast staan, dat wij volstrekt in overeenstemming met de Wet moeten zijn, en juist daarom hebben wij ons aan Christus, hebben wij ons aan Zijne genade vast te iiouden, en zóó zullen wij door Zijnen Geest, naar Zijne belofte, wandelen aan Zijne hand en naar Zijnen raad, in eene door Hem vervulde Wet, zóó dat wij daarbij zondaars blijven en alleen Zijne heiligmaking roemen.
Vergel. Rom. 8, vs. 3 en 4: âWant hetgeen der Wet onmogelijk was, dewijl zij door bet vleesch krachteloos was, heeft God, Zijnen Zoon zendende in gelijk-
166
heid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch. Opdat het recht der Wet vervnld zou worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.quot;
Jer. 31, vs. 33, 34: âMaar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere; Ik zal Mijne Wet in hun binnenste geven, en Ik zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot eenen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder, leeren, zeggende; Kent den Heere ! want zg zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere: want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.quot;
Ezech. 36, vs. 25â-27: âDan zal Ik rein water op sprengen, en gij zult rein worden ; van al uwe on-reinigheid en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u : en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vleeschen hart geven. En Ik zal Mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijne inzettingen zult wandelen, en Mijne rechten zult bewaren en doen.quot;
Hosea 14, vs. 9: âEfraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien, Ik zal hem zijn als een groenende denneboom, uwe vrucht is uit Mij gevonden.quot;
Ps. 32, vs. 8: âIk zal u onderwijzen, en u leeren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven; Mijn oog zal op u zijn.quot;
167
I Petr. 1, vs. 2: âNaar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds Jesn Christi.quot;
II Petr. 1, vs. i: Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.quot;
VAN DE WET.
Heidelbergsche Catechismus. 92ste quot;Vraag.
Vr. Hoe luidt de Wet der Heeren?
Antw. âGod sprak alle deze woorden:
(Exod. 20, vs. 2ââ 17. â Deut. 5, vs. 6â21.)
Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Het eerste gebod.
Gij zidt (jeene andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik de Heere, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der
168
vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben , en Mijne geboden onderhouden.
Het derde gebod.
Gij zidt den Naam des Heer en, uws Gods, niet ijdelijk gebruiken: ivant de Heere zal niet onschuldig houden die Zijnen Naam ijdelijk gebruikt.
Het vierde gebod.
Gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al mv werk doen, maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren, wvs Gods, dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorte is; want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere den Sabbatdag, en heiligde denzelven.
Het vijfde gebod.
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd luorden in het land, dat u de Heere, uw God, geeft.
Het zesde gebod.
Gij zult niet doodslaan.
«
169
Het zevende gebod.
Gij zult niet echtbreken.
Het achtste gebod.
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod.
Gij zult geen valsch getuigenis spreken tegen uwen naaste.
Het tiende gebod.
Gij zult niet hegeeren uws naasten huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht , noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat van uwen naaste is.
Heidelbergsche OatecMsmus. 93ste Vraag.
Vr. Hoe worden deze tien geboden verdeeld? Antw. In twee tafelen: waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn.
Heidelbergsche Catechismus. 94ste Vraag.
Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antw. Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, tooverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en den eenigen waren God recht leere kennen. Hem alleen
170
vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij aan Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganscher harte liefhebbe, vreeze en eere: alzoo dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in bet allerminste tegen Zijnen wil doe.
Heidelbergsche Catechismus, 95ste Vraag, Vr. Wat is afgoderij?
Antw. Afgoderij is, in de plaats van den eenigen waren God, die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens denzelven, iets anders versieren of hebben, waarop de measch zijn vertrouwen zet.
op vraag en antwoord 94 en 95.
Bxod. 34, vs. 12â16: âquot;Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot eenen strik worde in het midden van u. Maar hunne altaren zult gijlieden omwerpen, en hunne opgerichte beelden zult gij verbreken, en hunne bosschen zult gij afhouwen. (quot;Want gij zult u niet buigen voor eenen anderen god; want des Heeren Naam is IJveraar! een ijverig God is Hij!) Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hunne goden niet nahoereeren, noch hunnen goden offerande doen, en hij u noodigende, gij van hunne offerande etet. En gij voor uwe zonen vrouwen neemt van hunne dochteren: en hunne doch-teren hunne goden nahoereerende, maken, dat ook uwe zonen hunne goden nahoereeren.quot;
171
Levit. 19, vs. 31: âGij zult u niet keeren tot de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, zoekt hen niet, u met hen verontreinigende: Ik ben de Heere uw God!quot;
I Kon. 11, vs. i â 6: âWant het geschiedde in den tijd van Salomo's ouderdom, dat zijne vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den Heere, zijnen God, gelijk het hart van zijnen vader David. quot;Want Salomo wandelde Astoreth, den god der Zi-doniërs, na, en Milchom, het verfoeisel dor Ammonieten. Alzoo deed Salomo dat kwaad was in de oogen des Heeren, en volhardde niet den Heere te volgen, gelijk zijn vader David.quot;
Dan. 3, vs. 16â28: âSadrach, Mesach en Ahed-nego antwoordden en zeiden tot den koning Nehukadnezar: quot;Wij hebben niet noodig u op deze zaak te antwoorden. Zal het zoo zijn, onze God, dien wij eeren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uwe hand, o koning! verlossen. Maar zoo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden. Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet maken zou dan men dien pleegt heet te maken. En tot de sterkste mannen van kracht, die iu zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in den oven des brandenden vuurs. Toen werden die mannen gebonden in hunne mantels, hunne broeken en hunne hoeden, en hunne andere kleederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs. Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer heet was, zoo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood. Maar als die drie mannen, Sadrach , Mesach en Abed-nego, in het midden van den oven
172
des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren: toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in dei- haast, antwoordde en zeide tot zijne raadsheeren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning! Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen los wandelen in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der Goden. Toen naderde Kebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden vuurs: antwoordde en sprak: Gij Sadraoh, Mesach en Abed-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach , Mesach en Abed-nego uit het midden des vuurs. Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheeren des ko-nings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hunne lichamen niet geheerscht had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hunne mantels niet verbrand waren, ja dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was. Kube-kadnezar antwoordde on zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, die Zijnen engel gezonden, en zijne knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hunne lichamen overgegeven hebben, opdat zij geenen god eerden noch aanbaden, dan hunnen God.quot; â Hoofdst. 6, vs. 12, 13. âToen kwamen die mannen met hoopen, en zij vonden Daniël biddende en smeekende voor zijnen God. Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod geteekend, dat alle man, die in dertig dagen van eenigeo god of mensch iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden. De koning antwoordde en zeide: Het is eene vaste rede, naar de wet der Meden en Persen, die niet mag wederroepen worden.quot;
173
I Oor. 10, vs. 7: âEn wordt geene afgodendienaars, gelijker wijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.quot;
Openb. 22, vs. 8, 9: âEn ik viel neder om aan te bidden voor de voeten des engels, die mij deze dingen toonde. En hij zeide tot mij: Zie, dat gij het niet doet, want ik ben uw mededienstknecht, â aanbid God.quot;
Joh. 17, vs. 3: âEn dit is het eeuwige leven, dat zij LT kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jesus Christus, dien Gij gezonden hebt.quot;
Matth. 4, vs. 8 â10: âquot;Wederom nam Hem de duivel mede op eenen zeer hoogen berg; en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hunne heerlijkheid; en zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallendo, mij zult aanbidden. Toen zeide Jesus tot hem: Ga weg Satan! want er staat geschreven: Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.quot;
Spr. 21, vs. 27: âHet offer der goddeloozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen.quot;
I Cor. 10, vs. 14: âVliedt van den afgodendienst.quot;
Vr. IFelken anderen god heeft de roomsche ktrh voor Gods aangezicht ?
Antw. Eene vrouw, die zij Koningin (in het He-breeuwsch Melecheth) des hemels noemt. Dezelve aanbaden de Joodsohe afgodendienaren ook, zoo als wij lezen, Jerem. 44, vs. 17: âMaar wij znllen ganschelijk doen al hetgeen xiit onzen mond is uitgegaan , rookende aan Melecheth des hemels, en baar dankofPeren offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onzo koningen en onze vorsten, in do steden van Juda en in
174
â de straten van Jerusalem ; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vroolijk, en zagen geen kwaad.quot; â Zij heette vroeger Astharoth, I Sam. 7 , vs. 3: ..Toen sprak Samuel: Indien gijlieden u met uw gansche hart tot den Heere bekeert, zoo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths, en richt uw hart tot den Heere, en dient Hem alleen, zoo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken.quot; â De oude Babyloniërs beeldden haar af met een zoontje op den schoot, of met eene slang in de hand.
Vr. IVaaruit maakt zich de mensch geicoonlijh een afgod; waarop hij zijn vertrouwen stelt?
Antw. Uit geld, goed, eer, schoonheid, man, vrouw, kinderen, familie, vermogende menschen, huis, huisraad, lichaam, kleederen, eten, drinken enz.
Jer. 17, vs. 5: âZoo zegt de Heere: Vervloekt is de man, die op eenen mensch vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens hart van den Heer afwijkt.quot;
Luk. 14, vs. 16â26. âMaar Hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen En hij zond zijnen dienstknecht uit ter ure des avondmaals, om den genooden te zeggen : Komt, want alle dingen zijn nu gereed. En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb eenen akker gekocht, en het is noodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf jok ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven , ik bid u , houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijnen
175
teer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hierin. En de dienstknecht zeide: Heere! het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, cn nog is er plaats. En de heer zeide tot den dienstknecht : Ga uit in de wegen, en heggen, en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde: want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal. â En vele scharen gingen met Hem, en Hij, zich omkeerende, zeide tot hen: Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn,
Vr. Wat is âafgoderif naar den geestelijken zin der Wet?
Antw. Zijne genade verlaten en eene andere heiligmaking najagen dan die, welke is in het bloed en in den Geest Christi.
Jona 2, vs. 8: âDie de valsche ijdelheden onderhouden , verlaten hunlieder weldadigheid.quot;
Hebr. 12, vs. 14: âJaagt den vrede na met allen, on de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.quot;
I Joh. 5, vs 20, 21: âDoch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen , en wij zijn in den Waarachtige, in Zijnen Zoon Jesus Christus. Deze is de Waarachtige God, en het eeuwige leven. Kin-derkens! bewaart u zei ven van de afgoden.quot;
Ps. 16, vs. 4: âDe smarten dergenen, die eenen anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; Ik zal hunne dankofteren van bloed niet offeren, en hunne namen op Mijne lippen niet nemen.quot;
176
Heidelbergsche Catechismus, 96ste Vraag,
Yr. quot;VVat eischt God in het tweede gebod? Antw. Dat wij God op geenerlei wijze afbeelden, noch op eene andere wijze vereeren, dan Hij in Zijn quot;Woord bevolen heeft.
Heidelbergsche Catechismus, 97ste Vraag.
Vr. Mag men dan ganschehjk geene beelden maken ?
Antw. God kan noch mag op geenerlei wijze afgebeeld worden; maar al is het dat de schepselen kunnen afgebeeld worden, zoo verbiedt God toch, hunne beeldtenis te maken en te hebben, om die te vereeren, of God daardoor te dienen.
Heidelbergsche Catechismus, 98ste Vraag,
Yr. Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leeken niet mogen lijden ?
Antw. Ween: want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die Zijne christenen, niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns quot;Woords , wil onderwezen hebben.
op vraag en antw0011d 96â98.
Jer. 10, ts. 8â13: âIn één ding zijn zij toch onvernuftig en zot; een hout is een onderwijs der ijdelheden. Uitgerekt zilver -vvordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des wnrkmeesters e-n van de handen des goudsmids; hemelstlauw en purper is hunne kleeding, een werk der
177
wijzen zijn zij al te samen. Maar do Heere God is de Waarheid. Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijne verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijne gramschap niet verdragen. (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen; De goden die den hemel on de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder «lezen hemel.) Die de aarde gemaakt heeft door Zijne kracht, die de wereld bereid heeft door Zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand. Als Hij Zijne stem geeft, zoo is er een gedruisoh van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit zijne schatkameren.quot;
Deut. 27, vs. 15: âVervloekt zij de man, die oen gesneden of gegoten beeld, eenen gruwel des Heeren, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! en al het volk zal antwoorden en zeggen : Amen.quot;
Ex. 32, vs. 8; âEn zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had! Zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uwe goden , Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.quot;
Ps. 115, vs. 3â8: Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des menschen handen; zij hebben eenen mond, maar spreken niet; zij hebben oogen, maar zien niet; ooren hebben zij, maar hooren niet; zij hebben een' neus, maar rieken niet; hunne handen hebben zij, maar tasten niet; hunne voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hunne keel. Dat die hen maken hun gelijk worden, en ai wie op hen vertrouwt.quot;
Jes. 44, vs. 12â20: âDe ijzersmid maakt eene bijl, en werkt in den gloed, en formeert het met hamers, en werkt )iet met zijnen sterken arm; ook lijdt hij honger, totdat hij
12
178
krachteloos wordt, hij drinkt geen water, totdat hjj amechtig wordt. De timmerman trekt hot richtsnoer uit, hij teekent het af met den draad, hij maakt het effen met de schaven, en teekent het met den passer, en maakt het naar de beeltenis eens mans, naar de schoonheid van een' mensch , dat het in het huis blijve. Ais hij zich cederen afhouwt zoo neemt hij een' cipressenboom of een' eik, en hij versterkt zich onder de boomen des wouds; hij plant eenen olmboom, en de regen maakt dien groot. Dan is het voor den mensch om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij: daarenboven maakt hij er eenen God van, en buigt zich daarvoor. Hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neder. Zijne helft brandt hij in het vuur. bij de andere helft daarvan eet hij vleesch, hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zich zeiven, en hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien! Het overige nu daarvan maakt hij tot eenen god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neder, en buigt zich, en bidt het aan en zegt: Redt mij, want gij zijt mijn God. Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hunne oogen bestreken, dat zij niet zien, en hunne harten, dat zij niet verstaan. En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur , ja ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vleesch daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot eenen gruwel maken? Zou ik nederknielen van hetgeen van een' boom gekomen is. Hij voedt zich met asch, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zoodat hij zijne ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet eene leugen in mijne rechterhand?quot;
Jes. 46, vs. 5â8: âquot;Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en even gelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander
179
gelijken zouden? Zij verkwisten het goud uit do beurs, en wegen het zilver mot de waag; zij huren eenen goudsmid, en die maakt het tot eenon god; zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor. Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijne plaats: daar staat hij, hij wijkt van zijne stede niet; ja roept iemand tot hem, zoo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijne benauwdheid. Gedenkt hieraan en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders!quot;
Hand. 17, vs. 29: âWij dan, zijnde Gods geslacht moeten niet meenen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn.quot;
Rom. 1, vs. 23, 24: âEn hebben de heerlijkheid des on-vcrderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hunne lichamen onder elkander te onteeren.quot;
Hand. 7, vs. 42, 43: âEn God keerde Zich, en gaf hen over dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? Ja gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uwen god Remphan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om te aanbidden, en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babyion.quot;
Vr. Hoe wordt dit gebod niet alleen letterlijk maar ook geestelijk overtredend
Antw. Daardoor, dat men anticbristelijke leer bedenkt of in zijn eigen bart omhelst of naloopt, en eenen anderen Jesus, een ander Evangelie, en eenen anderen
12*
180
geest .aanneemt, gelooft, of huldigt, dan ons de Profeten en Apostelen verkondigen. (Verg. II Cor. 11, vs. 3, 4.)
I Joh. 4, vs. 2, 3: âHieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jesus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; en alle geest, die niet belijdt, dat Jesus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet: maar dit is de geest van den Antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu aireede in de wereld.quot;
Matth. 15, vs. 9: âDoch te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die geboden van menschen zijn.
Vr. JVat wil dat zeggen: âZou men de heelden in de Kerken als hoeken der leeken niet mogen lijdenquot;?
Antw. Of ongestudeerde leden der gemeente niet op de geschilderde beelden van zoogenaamde heiligen kunnen zien als op de voorbeelden ter navolging. Maar daarop mag men niet zien, men moet het Woord Godshooren, en daarop zien wat dat Woord ons voorhoudt en leert.
Vr. Is de onder scheiding van leeken en geeatel ijken op Gods Woord gegrond?
Antw Neen, want de belofte luidt: zij zullen allen van God geleerd zijn; en Christus heeft al de leden Zijner gemeente tot koningen en priesters gemaakt, daarom zijn er in de gemeente Gods ook geene bevoorrechte leden. Eén is uw Meester, en gij zijt allen broeders, zegt de Heere.
Vr. Maar mag men zich in zijn gebed. God of den Heere Jesus niet onder een leeld voorstellen?
Antw. Volstrekt niet; dat is louter werk der verbeelding en niet des geloofs.
Joh. 4, vs. 24: âGod is een Geest, en die Hem aanbidden , moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.quot;
181
Deut. 4, vs. 15, 16. âWacht u dan wel voor uwe zielen: want gij hebt geene gelijkenis gezien, ten dage als de Heere op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak; opdat gij u niet verderft, eu maakt u iets ge-anedens, de gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van man of vrouw.quot;
Vr. Heeft evenwel een beeld van onzen Heer aan ven crucifix, of op eene schilderij aan den muur, ook niet zijne nuttigheid?
Antw. Met zulk een beeld wordt men wel zeer bedrogen, daar er nimmer eene echte afbeelding van onzen Heer bestaan hoeft. De schilders verzinnen zulk een beeld naar hunne opvatting, en ook verhaalt men van een' Spaanschen of Neurenberger Jood, die zich voor geld door eenen schilder aan een kruis liet binden, om tot model te dienen, en dien de schilder toen, om zijn werk volkomen te hebben, met een dolk doorstak. Maar wat zullen de beelden ons baten ? God, onze hemelsche Vader, is alomtegenwoordig. Zoude een vader bet goedkeuren , dat zijn kind in tegenwoordigheid des vaders, van deszelfs beeltenis iets afsmeekte, in plaats van tot den Vader zeiven te gaan?
Heidelbergsche Catechismus. 99slt;e Vraag.
Vr. Wat wil het derde gebod?
Antw. Dat wij niet alleen met vloeken of met eenen valschen eed, maar ook met onnoodig zweren, den Naam van God niet lasteren noch misbruiken noch ons, met ons stilzwijgen en toezien, aan zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken: en in één
182
woord, dat wij den heiligen Naam van God anders niet dan met vreeze en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht bekend, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.
Heidelbergsche Oatecliismus. 1005tlt;! Vraag,
Vr. Is het dan zoo groote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over hen vertoornt, die, zoo veel hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden ?
Antw. Ja gewisselijk: want er is geen grooter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams, waarom Hij ook dezelve met den dood te straffen bevolen heeft.
OP VRAAG EN ANTWOORD 99 en 100.
Lev. 5, vs. 1: âAls een mensch zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft eene stemme des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen.quot; â Lev 19, vs 12: âEngij zult niet valschelijk bij Mijnen Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen: Ik ben de Heere! â Lev. 24, vs. 10 â16: En er ging de zoon eener Israëlitische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israels, de zoon van eenen Egyptischen man was, en de zoon van deze Israëlitische en een Israëlitisch man twistten in het leger. Toen lasterde de zoon der Israëlitische vrouw uitdrukkelijk den Naam en vloekte; daar-
183
om brachten zij hem tot Mozes: de naam nu zijner moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan. En zij leiden hem in de gevangenis, op dat hem naar den mond des Heeren, verklaring geschieden zou. En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: Brengt den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die liet gehoord hebben, zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de geheele vergadering steenigen. En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Een ieder als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijne zonde dragen. En wie den Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de gansche vergadering zal hem zekerlijk steenigen; alzoo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den Naam zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden quot;
Bom 2, vs. 24: âWant de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de Heidenen, gelijk geschreven is.quot;
I Tim. 6, vs. 1: âDe dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunnen heeren alle eero waardig achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde.quot;
II Sam. 12, vs. 14: âNochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des Heeren grootelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.quot;
Joh. 17, vs. 6: âIk heb Uwen Naam geopenbaard den inenschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw Woord bewaard.quot; â Vs. 26: âEn Ik heb Uwen Naam bekend gemaakt, en zal hem bekend maken; opdat de liefde waar-jnede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.quot;
Vr. Wat is eigenlijk de âNaam Godsquot;? ,
Antw. De Naam Gods is de samenvattiDg van al
182
woord, dat wij den heiligen Naam van God anders niet dan met vreeze en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht bekend, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.
Heidelbergsche Oatecliismus. 1005tlt;! Vraag,
Vr. Is het dan zoo groote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over hen vertoornt, die, zoo veel hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden ?
Antw. Ja gewisselijk: want er is geen grooter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams, waarom Hij ook dezelve met den dood te straffen bevolen heeft.
OP VRAAG EN ANTWOORD 99 en 100.
Lev. 5, vs. 1: âAls een mensch zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft eene stemme des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen.quot; â Lev 19, vs 12: âEngij zult niet valschelijk bij Mijnen Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen: Ik ben de Heere! â Lev. 24, vs. 10 â16: En er ging de zoon eener Israëlitische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israels, de zoon van eenen Egyptischen man was, en de zoon van deze Israëlitische en een Israëlitisch man twistten in het leger. Toen lasterde de zoon der Israëlitische vrouw uitdrukkelijk den Naam en vloekte; daar-
183
om brachten zij hem tot Mozes: de naam nu zijner moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan. En zij leiden hem in de gevangenis, op dat hem naar den mond des Heeren, verklaring geschieden zou. En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: Brengt den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die liet gehoord hebben, zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de geheele vergadering steenigen. En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Een ieder als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijne zonde dragen. En wie den Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de gansche vergadering zal hem zekerlijk steenigen; alzoo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den Naam zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden quot;
Bom 2, vs. 24: âWant de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de Heidenen, gelijk geschreven is.quot;
I Tim. 6, vs. 1: âDe dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunnen heeren alle eero waardig achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde.quot;
II Sam. 12, vs. 14: âNochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des Heeren grootelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.quot;
Joh. 17, vs. 6: âIk heb Uwen Naam geopenbaard den inenschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw Woord bewaard.quot; â Vs. 26: âEn Ik heb Uwen Naam bekend gemaakt, en zal hem bekend maken; opdat de liefde waar-jnede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.quot;
Vr. Wat is eigenlijk de âNaam Godsquot;? ,
Antw. De Naam Gods is de samenvattiDg van al
186
Matth. 14, vs. 9: âEn de koning werd bedroefd: doch om de eeden, en degenen, die met hem aanzaten j gebood hij, dat het haar zou gegeven worden.quot;
Vr. Geef mij daarvan bewijzen, dat de heiligen, lij plechtige gelegenheden betuigingen der waarheid hebben bevestigd of hebben doen bevestigen met aanroeping van den heiligen Naam Gods?
Antw. Abraham nam Eliëzer, den bezorger van zijn huis, eenen eed af: âLeg toch uwe hand onder mijne heup; opdat ik u doe zweren bij den Heere, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijnen zoon geene vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaiinieten, in het midden van welke ik woon.quot; (Gen. 24, vs. 2, 3.) â I Kon. 1, vs. 29, 30: âToen zwoer de koning en zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft, die mijne ziel uit allen nood verlost heeft: voorzeker , gelijk als Ik u gezworen heb bij den Heere, den God Israëls, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mi} koning zijn, en zal op mijnen troon in mijne plaats zitten ; voorzeker, alzoo zal ik te dezen zeiven dage doen.quot; â De Apostel Paulus schrijft: (IICor.vs. 11,31.) âDe God en Vader van onzen Heer Jesus Christus weet dat ik niet liegquot;; en: (II Cor. 1, vs. 23.) âIk aanroepe God tot een getuige over mijne ziel.quot; Vergelijk hiermede, wat hij schrijft Kom. 9, vs. 1: âIk zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet, (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest.quot;) En I Thess. 5, vs. 27: âIk bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde.quot;
Eindelijk geeft ook de Heere Christus den hoogepriester antwoord, toen deze Hem bezweert bij den levenden God,
187
quot;Vr. Mag men wel stilzwijgent als er gevloekt wordt?
Antw. Neen. â Epheze 5, vs. 11: âHebt geene gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze veeleer.quot;
Lev. 19, vs. 17: âGij zult uwen broeder in uw hart niet haten; gij zult uwen naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.quot;
Heidelbergsclie Catechismus. 102de Vraag.
Yk. Mag men ook bij de heiligen of bij eenige ' andere schepselen eenen eed zweren?
Antw. Neen: want een' rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het harte kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen, indien ik valschelijk zweer, welke eer aan geene schepselen toebehoort.
Heidelbergsclie Catechismus. 103li'! Vraag.
Vk. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antw. Eerstelijk, dat de kerkedienst of het predikambt, en de scholen onderhouden worden; en dat ik, inzonderheid op den Sabbat, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstig kome, om Gods Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, God den Heere openlijk aan te roepen, en den armen christelijke handreiking te doen; ten andere, dat ik alle de dagen mijns levens van mijne booze werken viere, den Heere door Zijnen Geest
188
in mij werken late, en alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange.
01» VRAAG DN ANTWOORD 103.
Num. 15, vs. 32â36: âAls nu de kinderen Israels inde woestijn waren, zoo vonden zij eenen man, hout lezende op den sabbatdag. En die hem vonden, hout lezende, brachten hem tot Mozes en tot Aiiron , en tot de gansche vergadering. En zij stelden hem in bewaring, want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden. Zoo zeide de Heere tot Mozes; Die man zal zekerlijk gedood worden; de gansohe vergadering zal hem met steenen steenigen, buiten helleger. Toen bracht hem de gansche vergadering uit tot buiten het leger, en zij steenigden hem met steenen, dat hij stierf, gelijk als de Heere Mozes geboden had.quot;
Ex. 31, vs. 13 â17: âGij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel Mijne sabbatten onderhouden: want dit is een teeken tusschen Mij en tusschen ulieden, bij uwe geslachten; opdat men wete, dat ik de Heere ben, die u heilige. Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden: want een iegelijk, die op denzelven eenig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken. Zes dagen zal men werk doen , doch op den zevenden dag i« de sabbat der rust, eene heiligheid des Heeren, wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden. Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond. Hij zal tusschen Mij en tusschen de kinderen Israëls een teeken in eeuwigheid zijn: dewijl de Heere, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft.quot;
Jer. 17, vs. 20â27: âEn zeg tot hen: Hoort des Heeren
189
quot;Woord, gij koningen van Juda, en ganKch Juda, en alle inwoners van Jerusalem, die door deze poorten ingaat! Zoo zegt de Heere: Wacht u op uwe zielen, en draagt geenen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jerusalem. Ook zult gijlieden geenen last uitvoeren uit uwe huizen op den sabbatdag, nog eenig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uwen vaderen geboden heb. Maar zij hebben niet gehoord, noch hun ooi-geneigd; maar zij hebben hunnen nok verhard, 0111 niet te hooren, en om de tucht niet aan te nemen. Het zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult hooren, spreekt de Heere, dat gjj geenen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt; dat gij geen werk daarop doet; zoo zullen door de poorten dezer stad ingaan koningen en vorsten, zittende op den troon van David, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hunne vorsten, de mannen van Juda en do inwoners van Jerusalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid. En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jerusalem, en uit liet land van Benjamin, en uit do laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize des Heeren. Maar indien gij naar Mij niet zult hooren, om den sabbatdag te heiligen, en om geenen last te dragen, als gij op den sabbatdag door de poorten van Jerusalem ingaat, zoo zal Ik een vuur in hare poorten aansteken, dat de paleizen van Jerusalem zal verteeren, en niet worden uitgebluscht.quot;
Ezech 20, vs. 12 â15: âDaartoe gaf Ik hun Mijne sabbatten, om een teeken te zijn tusschen Mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Heere bon, die hen heilig. Maar het huis Israels werd wederspannig tegen Mij in de woestijn, zij wandelden in Mijne inzettingen niet, en verwierpen Mijne rechten: dewelke, zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden Mijne sabbatten zeer.
190
dat Ik zeido, Mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen. Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd wierde voor de oogen van die heidenen, voor welker oogen Ik hen uitvoerde. Evenwel hief Ik ook Mijne hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad ia van alle landen.quot;
Spr. 29, vs. 18: âAls er geene profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de Wet bewaart.quot;
Luk. 23, vs. 36: âEn wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven: en op den sabbat rustten zij naar het gebod.quot;
Vr. Welke is de geestelijke zin van het vierde gehod?
Antw. Zoo als de Catechismus zegt: dat wij Gods Geest in ons laten werken, en alzoo den eeuwigen sabbat in dit leven reeds aanvangen. Dat wij in de leere Christi blijven en in die ruste, welke Hij voor ons bereid heeft.
Verg. Hebr. 4, vs. 1â11: âLaat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd, de belofte van in Zijne rustin te gaan nagelaten zjjnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Want ook ons is bet Evangelie verkondigd, gelijk als bun; maar bet Woord der prediking deed bun geen nut, dewijl bet met bet geloof niet gemengd was in degenen, die het geboord bebben. Want wij, die geloofd bebben, gaan in de rust, gelijk Hg gezegd heeft: Zoo heb ik dan gezworen in Mijnen toorn: indien zij zullen ingaan in Mijne rust! hoewel Zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren. Want Hij beeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijne werken gerust. En in deze plaats wederom
191
Indien zij in Mijne ruste zullen ingaan. Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, dien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn van wege de ongehoorzaamheid, zoo bepaalt Hij wederom eenen zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zoo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien gij Zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet. Want indien Jesus hen in de rust gebracht heeft, zoo had Hij daarna niet gesproken van eenen anderen dag. Er blijft dan eene rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in zijne rust, heeft zelf ook van zijne werken gerust, gelijk God van de Zijne, laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongeloo-vigheid valle.quot;
Ex. 35, vs. 1, 2: âToen deed Mozes de gansche vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen; Dit zijn de woorden, die de Heere geboden heeft, dat men ze doe. Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den Heere; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.quot;
Vr. JFat hebt gij dengenen te antwoorden, die meenen dat wij niet verplicht zijn den Zondag te vieren?
Antw. 1) God heeft reeds van den beginne der schepping (verg. Gen. 2, vs. 2, 3.) en onder Mozes den eersten dag der week, of den Zondag, profetisch laten heiligen, Lev. 14, vs. 10 : âEn op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren, en een jarig volkomen schaap nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem, ten spijsoffer, met die gemengd, en eenen log olie.quot; Lev. 9, vs. 1: âEn het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes
192
riep Aarou, en zijne zonen, en de oudsten van Israel.quot; â Lev. 23, vs. 24: âSpreek tot de kinderen Israüls, zeggende: In de zevende maand, op deu eersten der maand, zult gij eene rust hebben, eene gedachtenis des geklanks, eene heilige samenroeping.quot;
2) De Sabbat is overgegaan op den eersten dag dei-week of den Zondag, daarom hebben de Apostelen, en de Heere zelf, dezen dag dadelijk na de opstanding tot de bijeenkomsten geheiligd en afgezonderd. Joh. 20, vs. 26: âEn na acht dagen waren Zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jesus kwam, als de deuren gesloten waren, cn stond in het midden; en zeide: Vrede zij ulieden!quot; â Zoo ook tot de giften voor de behoeftigen. I Cor. 16, vs. 2: âOp eiken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zich zei ven weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft;quot; â de Zondag heet bij de Apostelen daarom de dag des Heeren. Openb. 1, vs. 10; âIk was in den geest op den dag des Heerenquot;; â en wij zien denzelven 27 jaren na de opstanding nog tot hunne onderlinge bijeenkomsten geheiligd. Hand. 20, vs. 7: , En op den eersten dag der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht.quot; â Overigens leert ons de kerkelijke geschiedenis, dat de eerste Christenen den Zondag plechtig vierden, hoe zeer zij uit dien hoofde ook bedreigd en vervolgd werden.
3) God is een God van orde, en de mensch is geen geest.
4) Men zoude het sens ondervinden, welk een weldaad Gods men missen zou, indien allen, die van den arbeid
193
hunner handen leven, geenen rustdag hadden. De rustdag bestaat van het begin der wereld. Het was God niet om den zevenden dag op zicbzelven te doen, maar daarom, dat de mensch van den arbeid zou rusten en genieten, wat God voor hem geschapen had. Hoe kan men zulks echter genieten, als men God niet looft, en hoe kan men God op Zijnen dag loven, als men het niet gemeenschappelijk doet, of als men zijne dienstboden en den naaste voor zich laat werken, en hem dus die verkwikking niet gunt, welke God geboden heeft voor allen. God wil immers niets anders, dan dat wij, Zijne schepselen, op eenen bepaalden dag der week ons gemeenschappelijk voor Zijn aangezicht over de weldaad Christi, de weldaad der eerste en der tweede schepping, verheugen, en de zorgen ter zijde stellen.
5) Als er geene profetie is, wordt het volk ontbloot, zegt de Schrift; en hoe zal do gemeente de profetie hooren, zoo zij niet naar Gods verordening en bevel te samen komt, en hoe zal zij zich wijden aan het lezen en hooren, aan het onderzoeken en betrachten van het Woord des levens, en der eeuwige vertroosting, zoo daar geen bepaalde tijd toe is. Zij zijn dan wel zeer vleeschelijk, die zich voor te geestelijk honden, om den Zondag te heiligen en te vieren.
6) De tien geboden zijn niet ceremonieel, maar zijn daartoe gegeven, opdat onze zeden en ons leven volgens dezelve zouden ingericht zijn. Zoo zal dan noch de overheid , noch het volk den zegen Gods kunnen verwachten, en een iegelijk den vloek inoogsten, als het vierde gebod veronachtzaamd wordt, en er van Gods eeuwiggeldende tien geboden slechts negen worden aangenomen.
13
194
Heidelbergsche Catechismus. 104'ic Vraag.
Vr. Wat wil God in het vijfde gebod?
Antw. Dat ik mijnea vader en mijne moeder, en allen, die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij aan hunne goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid ouderwerpe, en ook met hunne zwakheid en gebreken geduld hebbe; aangezien het Gode belieft, ons door hunne hand te regeeren.
01' vraag en antwoord 104.
Exod. 21, vs. 15 en 17; âZoo wie zijnen vader of zijne moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden. Wie ook zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.quot;
Lev. 19, vs. 32: âVoor liet grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereeren; en gjj zult vreezen voor uwen God, Ik ben de Heere!quot;
Deutern. 27, vs. 16: âVervloekt zij, die zijnen vader of zijne moedor veracht! en al het volk zal zoggen; Amen.quot;
I Kon. 2; vs. 19: âZoo kwam Bathseba tot den koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar te gemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijnen troon, en deed eenen stoel voor de moeder des konings zetten, en zij zat aan zjjne rechterhand.quot;
Spr. 23, vs. 22; âHoor naar uwen vader, die u gewonnen heeft; en veracht uwe moeder niet, als zij oud geworden is.quot; â Spr. 24, vs. 21; âMijn zoon! vrees don Heere en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan.quot; â Spr. 30, vs. 17: âHet oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.quot;
195
Esther 2, vs. 20: âEstliev nu had hare maagschap en Jiaai- Tolk niet te kennen gegeven, gelijk als Mordechai haar geboden had : want Esther deed het bevel van Mordechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd.quot;
Gen. 24, vs. 12: âEn hij zeide: Heere! God van mijnen heer Abraham! doe haar toch mij heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham mijnen heer.quot; â Gen 39, vs. 2â5 ; âEn de Heerc was met Jozef, zoodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijnen heer, den Egyptenaar. Als nu zijn heer zag, dat de Heere met hem was, en dat de Heere, al wat hij deed, door zijne hand voorspoedig maakte: zoo vond Jozef genade in zijne oogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis, en al wat hjj had gaf hij in zijne hand. En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was) gesteld had, dat de Heere des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja de zegen des Heeren was in alles, wat hij had, in het huis, en in het veld.quot;
Hebr. 13, vs. 17: âZijt uwen voorgangeren gehoorzaam . en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dat is u niet nuttig.quot; (Yergl. ook I Thess. 5, vs. 12, 13.)
Ruth 2, vs. 18: âEn zij nam het op, en kwam in de stad, en hare schoonmoeder zag wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar wat zij van hare verzadiging overgehouden had.quot;
Luk. 2, vs. 51: âEn Hij ging met hen af, en kwam te Ifazareth, en was hun onderdanig.quot;
Joh. 19, vs. 26, 27: âJesus nu, ziende Zijne moeder, en don discipel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zyne moeder: Yrouw! zie uw zoon. Daarna zeide Hij totr den discipel: Zie uwe moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.quot;
13*
196
Vr. Wat beveelt de Apostel Paulus aan de kindtren en aan de ouder si
Antw. Eph. 6, vs. 1 â 4: âGij kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht. Eert uwen vader, en moeder, (hetwelk het eerste gebod is met eene belofte) opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde. En gij vaders! verwekt uwe kinderen niet tot toorn; maar voedt hen op in de leering en vermaning des Heeren.quot;
Vr. Wi%artoe moeten dus de kinderen, zonder toegevendheid, worden aangezet?
Antw. Tot het lezen van Gods Woord, tot het morgen- en avondgebed, tot vlijtig leeren en werken, tot hooren, zien en zwijgen, tot alle welvoegelijkheid, tot broeder- eu zusterliefde, tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, tot eerlijkheid en tot spreken der waarheid.quot;
Vr. Hoe zal men het aanleggen om de kinderen goed, dal is in den Heere op te voeden?
Antw. Als de ouders het aan God klagen, dat zij daartoe geen verstand hebben, en hunne kinderen den Heere opdragen, dan gaat het-als van zeiven. Men geve den moed niet op, houde bij God aan in het gebed, ook voor ontaarde kinderen. Een kind van veel gebeds komt meestal terecht.
Vr. Vertel mij eene merkwaardigheid van de Rechahie-ten, die hunnen vader zoo gehoorzaam waren, volgens Jer. 35, vs. 18, 19: âTot het huis nu der liechahieten zeide Jeremia: Zoo zegt de Heere der heir schar en, de God Israels: Omdat gijlieden het gehad van uwen vader Jonadah zjt gehoorzaam geweest, en heht al zijne geloden hewaard, en gedaan naar alles, wat hij vlieden geboden heeft; daarom alzoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Hr zal
197
Jonadab, den zoon van Rechah, niet worden af gemeden een man, die voor Mijn aangezicht sta, al de dagen.''''
Antw. Dat hunne nazaten , tot op den huldigen dag , nog in rust en welvaart in de woestijn leven.
Vr. Bedoelt de Heer niet dit gebod alleen gehoorzaamheid aan de ouders?
Antw. Neen, maar ook de gehoorzaamheid aan allen , die over ons gesteld zijn, als: onze onderwijzers, â â onze heeren en vrouwen, in wier dienst wij staan, â en de Overheid.
Vr. Wat beveelt de Jpodel den dienstknechten en heeren?
Antw. Eph. 6, vs. 5â9: âGij dienstknechten! zijt gehoorzaam nwen heeren naar het vleesch, met vreeze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; niet naar oogendienst, als menschenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wille Gods van harte; dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de menschen: wetende, dat zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije. En gij heeren! doet hetzelfde bij hen, nalatende de bedreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is. en dat geene aanneming des persoons bij Hem is.quot;
Vr. En wat beveelt hij ons ten opzichte van de Overheid?
Antw. Rom. 13, vs. 1â7: ,,Alle ziele zij de machten, over haar gesteld, onderworpen , want er is geene macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God verordend. Alzoo dat die zich tegen de macht stelt, de verordening van God wederstaat; en die ze weder-staan, zullen over zichzelven een oordeel halen. Want de oversten zijn niet tot eene vreeze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreezen.
198
doet het goede, en gij zult lof van haar hebben. Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vreest; want zij draagt het zwaard niet to vergeefs: want zij is Gods dienares, eene wreekster tot straf dengenen, die kwaad doet. Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil. Want daarom betaalt gij ook schattingen: want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. Zoo geeft dan een iegelijk wat gij schuldig zijt: schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreeze, dien gij de vreeze, eere, dien gij de eere schuldig zijt.quot;
II Tim. 2, vs. 1â3: âIk vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen , gebeden, voorbiddingen , dankzeggingen voor alle menschen: voor koningen, eu allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker.
Vr. Wat leert ons de ondervinding?
Antw. Dat God die kinderen bijzonder zegent, die naar dit gebod God vreezen; dat, gelijk wij onze ouders behandelen, onze kinderen ook ons behandelen; dat wederspannige kinderen van God zwaar gestraft worden, zoo als wij zien aan Absalom; dat de Heer diegenen rijkelijk beloont, die in hunne roeping trouw en eerlijk zijn, en, dat al diegenen, welke zich ongeroepen tegen de overheid verzetten , zich altijd in het verderf gestort hebben.
Vr. Maar moet men dan ook gehoorzamen met overtreding der andere geloden?
Antw. Neen; wij hebben God meer te gehoorzamen
199
dan de monschen. En onze Heiland zegt: Die vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig.
Heidelbergsche Catechismus. 105de Vraag.
Vr. Wat eischt God in het zesde gebod?
Anïw. Dat ik mijnen naaste, noch met gedachten, noch mot woorden, of eenig gelaat, veel minder met de daad, door mij zeiven of door anderen ont-eere, hate, kwetse of doode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge, ook mij zeiven niet kWetse, of moedwillig in eenig gevaar begeve, waarom ook de Overheid het zwaard draagt, om den doodslag te weren.
Heidelbergsche Catechismus. 106(le Vraag.
Vr. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken ?
Antw. Grod, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat, en zulks alles voor eenen doodslag houdt.
Heidelbergsche Catechismus. 107lt;lc Vraag.
Vr. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, gelijk gezegd is, niet dooden?
Antw. Neen: want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste
200
liefhebben als ons zeiven, en jegens liem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijne schade, zooveel ons mogelijk is, afkeeren, en ook onzen vijanden goed doen.
OP VRAAG EN ANTWOORD 105 â107.
Gen. 4, vs. 11, 12: âEn nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uwe hand te ontvangen. Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.quot; â Gen. 9. vs. 6 : âWie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensoh vergoten worden; want God heeft den mensch naar Zijn beeld gemaakt.quot;
Num. 35, vs. 33 : âZoo zult gij niet ontheiligen het land, waarin gij zijt: want het bloed ontheiligt het land: en voor het land zal geene verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed desgenen, die dat vergoten heeft.quot; -â (Zie de geschiedenis van Naboth: I Kon. 21. â Davids handelwijze met Una: II Sam. 11:2. â Joab: I Kon. 2, vs. 31â33.)
Matth. 5, vs. 21 â 26: âGij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Doch Ik zeg u, zoo wie te onrecht op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijnen broeder zegt : Raka! die zal strafbaar zijn door den groeten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur. Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren , en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat daar uwe gave voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave. quot;VVeest haas-
201
tel ij k welgezind jegens «we wederpartij, terwijl gjj nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar Ik zeg u: gij zult daar geenszins uitkomen, tot dat gij den laatsten penning zult betaald hebben.quot;
Jak. 2, vs. 8â10:' âIndien gij dan de koninklijke Wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zei ven, zoo doet gij wel; maar indien gij den persoon aanneemt, zoo doet gij zonde,en wordt van de Wet bestraft als overtreders. Want wie de geheele Wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan allen.quot;
Gal. 5, vs. 18â2i: âMaar indien gjj door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de Wet. De werken des vleesches nu zijn openbaar: welke zjjn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, venjjngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekjjf, tweedracht, ketterijen, njjd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijken; van dewelke ik u te voren zeg; gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Tegen de zoodanige is de Wet niet. Maar die Christi zijn, hebben het vleesch gekruist met' de bewegingen en begeerlijkheden.quot;
Eph. 4, vs. 26: âWordt toornig, en zondigt niet, de zon ga niet onder over uwe toornigheid.quot;
Rom. 12, vs. 17â21: âYergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle menschen. Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen. Wreekt u zeiven niet, beminden! maar geeft den toorn plaats: want er is geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijzigt hem, indien hem dorst, zoo geeft hem te drinken;
202
want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen. Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.quot;
Matth. 5, vs. 44â48: âMaar Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen. Opdat gij raoogt kinderen zijn uws Yaders, die in de hemelen is, want Hij doet Zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onreehtvaardigen, AVant indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzoo? quot;VVeest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.quot;
Spr. 24, vs. 17; âVerblijdt u niet, als uw vijand valt, en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen.quot;
Spr. 25, vs. 21, 22; âIndien dengenen, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken; want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hoopen, en de Heere zal het u vergelden.quot;
Spr. 29, vs. 27; âEen ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, ia den goddelooze een gruwel.quot;
Exod. 23, vs. 4, 5; âWanneer gij uws vijands os, of zijnen dwalenden ezel ontmoet, gij zult hem denzelven gan-schelijk wederbrengen. quot;Wanneer gij uws haters ezel onder zijnen last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.quot;
Luk. 22, vs. 27; âWant wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.quot;
Luk. 23, vs. 34; âEn Jesus zeide; Vader! vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen.quot;
203
Luk. 23, vs. 39 â 43: âEn een van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos TJ zeiven en ons. Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook üod niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? En wij toch recht-vaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zeide tot Jesus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. En Jesus zeide tot hem : Voorwaar zeg Ik u: heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.quot;
Vr. Naardien wij geleerd leurden onze vijanden lief te hebben, hoe moet gij het dan verstaan, dat er in de psalmen zoo hevig tegen de vijanden gebeden wordt, ja, dat zij gevloekt worden, onder anderen, Ps. 69, vs. 25â29: ^ âStort over hen Uwe gramschap uil; en de hittigheid Dies looms grijpe hen aan. Hun paleis zij verwoest; in hunne tenten zij geen inwoner. Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een -praal van de smart Uwer verwonden. Boe misdaad lot hunne misdaad, en laat hen niet komen tot Uwe gerechtigheid. Laat hen uilgedelgd worden uit het hoek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden''' En Ps. 139, vs. 21, 22: âZoude ik niet haten, Heere! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen' haat, tot vijanden zijn zij mij''
Antw. Dat geschiedt tegen die vijanden, als vijauden Gods en Zijner Gemeente. David zegt niet: âZondeik niet haten, die mij haten,quot; hij zegt: âdie U haten,quot; even zoo als Paulns aan Timotheus schreef: (II Tim. 4, vs. 14, 15.) âAlexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijne werken. Van
204
welken wacht, gij n oot, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan.quot; â Dat David aan zijne vijanden enkel goed gedaan heeft, weten wij uit zijne geschiedenis met Saul. Van de vijanden van Gods Kerk, zegt ook de Apostel Paulus: (Gal. 5, vs. 12.) âOch of zij ook afgesneden wierden, die u onrustig maken!quot; en : (ICor. 16, vs. 22.) âIndien iemand den Heore Jesus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking!quot;
Vr. Maar naar om scherpt de Ileere het ons zoo in, dat icij onze vijanden zullen liefhebhen?
Antw. Opdat wij hen door liefde overwinnen, gelijk God ons te sterk geworden is en ons overwonnen heeft door die liefde, dat Christus voor ons overtreders gebeden heeft, en wij met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, toen wij nog vijanden waren.
Vr. Wat i? wel het troostrijkst heeld, hetwelk ons met opzicht tot dit yehod, de genade van Christus vertoont?
Antw. De verordening der vrijsteden. (Num. 35.)
Vr. Hoe wordt dit gehod (jeestelijk overtreden?
Antw. Wanneer wij ons voor vroom houden, en den rechtvaardige haten of dood wenschen, die het ons in de liefde Gods heeft te verstaan gegeven, dat wij slecht zijn. en eene leugen in de rechterhand hebben. Daarom doodde Kaïn zijnen broeder Abel.
I Joh. 3, vs. 9â15: âEen iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft. Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander
205
zouden liefhebben. Niet gelijk Kaïn, die uit den boozo was, en zijnen broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? omdat zijne werken boos waren, en van zijnen broeder rechtvaardig. Verwondert u niet, mijne broeders I zoo u de wereld haat. Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij do broeders liefhebben; die zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood. Een iegelijk die zijnen broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blyvende.quot;
Heidelbergsche Gatecliismus. 108ste Vraag.
Vk. Wat leert ons liet zevende gebod?
Antw. Dat alle onkuischheid van God vervloekt is; en dat wij daarom, dezelve vau harte vijand zijnde, kuisch en tuchtelijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat, of buiten denzelven.
Heidelbergsche Catechismus. 109'11! Vraag.
Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schande?
Antw. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zoo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren, daarom verbiedt Hij alle onkuische daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat den mensch daartoe trekken kan.
206
OP VRAAG EN ANTWOORD 108 en 109.
Oenesis 38, vs. 9.
Genesis 39, vs. 8, 9.
Rom. 1, vs. 24â28.
Deuteron. 27, vs. 20 â 23.
Levit. 20, vs. 10 â 23.
Deuteron. 22 , vs. 23, 24. vs. 28, 29.
Spr. 5, vs. 3 â13: âWant de lippen der vreemde vrouw druppen lioningzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie; maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Hare voeten dalen naar den dood , hare treden houden de hel vast. Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn hare gangen ongestadig, dat gij het niet merkt. Nu dan, gij kinderen! hoort naar Mij, en wijkt niet van de reden Mijns monds. Maakt uwen weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis, opdat gij anderen uwe eer niet geeft, en uwe jaren den wreeden; opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden; en gij in uw laatste brult, als uw vleesch en uw lijf verteerd is, en zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijne ooren geneigd tot mijne leeraars!quot;
Spr. 7, vs. 21â23: âZij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei barer lippen, hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien; tot dat de pijl zijne lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.quot;
Spr. 22, vs. 14 : âDe mond der vreemde vrouwen is eene diepe gracht; op welke de Heere vergramd is, zal daarin
207
vallen.quot; â II Sam 12, vs. 9 â11: âWaarom hebt gij dan het quot;Woord des Heeren veracht, doende wat kwaad is in Zijne oogen? Gij hebt tJria, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijne huisvrouw iiebt gij n ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard der kinderen Amnions doodgeslagen. Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij. Zoo zegt de Heere: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uwe vrouwen nemen voor uwe oogen, en zal haar aan uwen naaste geven; die zal bij uwe vrouwen liggen, voor de oogen dezer zon.quot; â Vs. 14; âNochtans, dewijl gij door deze zaak do vijanden des Heeren grootelijks heb doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.quot;
I Cor. 6, vs. 9, 10: âWeet gij niet, dat de onrechtvaar-digen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Dwaalt niet, noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch, gierigaards, noch dronkaards, geene lasteraars, geene roovers zullen het koninkrijk Gods beërven.quot; â Vs. 15â20: âWeet gij niet, dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de lichamen nemen en maken ze leden eener hoer? Dat zij verre. Of weet ge niet, dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee zegt Hij, zullen tot één vleesch wezen. Maar die den Heere aanhangt, is één geest met Hem. Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mensch doet, is buiten het lichaam; maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet ge niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn.quot;
Bfez. 5, vs. 3â9: âMaar hoererij en alle onreinigheid,
208
ol' gierigheid Iaat ook onder u niet genoemd worden, gelijkor-wijs het den heiligen betaamt; noch oneerbaarheid, noch zofc geklap, ot' gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging. Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, oi' gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk Christi en Gods. Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. Zoo zijt dan hunne medegenooten niet: want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in don Heere, wandelt als kinderen des lichts, want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid en waarheid.quot;
I Thess. 4, vs. 3â5: âWant dit is de wille Godsr, uwe heiligmaking; dat gij u onthoudt van de hoererij ; dat een iegelijk van u wete zjjn vat te bezitten in heiligmaking en eere; niet in kwade beweging der begeerljjkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.quot;
Hebr. 13, vs. 4: âHet huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen.quot;
Matth. 5, vs. 28: âMaar Ik zeg u, dat zoo wie eene vrouw aanziet, om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan.quot; â Ys. 32: âMaar Ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.quot;
Joh. 8, vs. 1 â11.
Joh. 4, vs. 18 en 39.
Ps. 51.
Luk. 15, vs. 18 â 24: âIk zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als eenen van uwe huurlingen. En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En
209
ala hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende, viel hem om zijnen hals, en kuste hem. En de zoon zeide tot hem: Yader! ik heb gezondigd tegen den hemel en vooru, en ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden. Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne hand, en schoenen aan de voeten; en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vroolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden, en hij was verloren, en is gevonden. En zij begonnen vroolijk te zjjn.
Vr. Hoe wordt dit gehod geestelijk overtreden?
Antw. Wanneer wij uit werken zoeken zalig te worden, en evenwel beweren, dat wij God gelooven en dienen. (Hosea 2. Ezech. 16. Jerem. 3.)
Vr. Wal raad, wanneer mij alles veroordeelt, wat ik hier verneem ?
Antw. Laat u veroordeelen en veroordeel u zeiven; geef God recht en gelijk, en boud aan Christus, zoo als gij zijt. Voor u gaf de Heer de gelijkenis van den verloren zoon Gij moogt tot Hem gaan, Hij zal het met u niet anders maken, dan de vader in de gelijkenis. Geloof Hem, en niet den duivel, zoo zal Hij het wel bij n daarstellen, wat geschreven staat Rom. 12, vs. 1.
Vr. Waarop lenst het huwelijk?
Antw. Op wederzijdsche trouw.
Vr. Welke hevelen geeft het Woord Gods aan de getrouioden?
Antw. Gen. 3, vs. 16: ,,En de Heere zeide tot de vrouw: Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren,
14
210
en tot uwen man zal uwe begeerte zijn , en hij zal over u heerschappij hebben.quot;
Eph. 5, vs. 22â25; âGij vrouwen! weest uwen eigenen mannen onderdanig, gelijk den Heere: want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der gemeente is; en Hij is de behouder des liohaams. Daarom gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, alzoo ook de vrouwen aan hare eigene mannen in alles. Gij mannen! hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente lief gehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven.
Vr. Wie is de vreeselijkste vijand van den huiselijken en huwelijken staat ?
Antw. De duivel, daarom leert hij den mensch, Gods schepsel voor onheilig te houden en kloosters te bouwen, â of hij werpt zich tusschen man en vrouw. Hij wordt echter uit het huis geworpen, en het huis wordt gebouwd door het Woord Gods en door het gebed, en wanneer God Zijnen zegen geeft, welke is vlijt, orde, spaarzaamheid, matigheid en ootmoed met geloof in Christus Jesus.
Heidelbergsche Catechismus. 110dc Vraag.
Vr. Wat verbiedt Godwin het achtste gebod?
Antw. God verbiedt niet alleen dat stelen en roeven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij, alle booze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed aan ons denken te brengen, hetzij met geweld of schijn van recht, als met onrecht gewicht, el, maat, waar, munt, woe-
211
leer , of door eenig middel van God verboden: daarbij ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.
Heidelbergsche Catechismus, lil116 Vraag.
Vr. Maar wat gebiedt God in dit gebod?
Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag bevorder, mot hem alzoo handel, als ik wil dat men met mij handelt; daarbij ook, dat ik getrouw arbeid, opdat ik den nooddruftige helpen moge.
OP VRAAG ENquot; ANTWOORD 110 â111.
f
Exod. 22, vs. 1: âWanneer iemand eenen os, of klein vee steelt, cn slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor eenen os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.quot; â Vs. 21â27: âGij zult ook den vreemdeling geenen overlast doen, noch hem onderdrukken: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. Oij zult geene weduwe noch wees beleedigen. Indien gij hen eenigszins beleedigt, en indien zij eenigszins tot Mij roepen. Ik zal hun geroep zekerlijk verhooren; en Mijn toorn .zal ontsteken, en Ik zal nlieden met het zwaard dooden; en uwe vrouwen zullen weduwen , en uwe kinderen weezen worden. Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zoo zult gij tegen hetzelve niet zijn, als een woekeraar; gij zult op hetzelve geenen woeker leggen. Indien gij eenigszins uws naasten kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat: want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijne huid; waarin zou hij liggen? het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal hooren, want Ik ben genadig!quot;
14*
212
Deut. 24, vs. 15 en 17: âOp zijnen dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan: want hij is arm, en zijne ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den Heere, en zonde in u zij. â Gij zult het recht van den vreemdeling en van den wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen.quot;
De geschiedenis van Achan: Josua 7.
Spr. 22, vs. 8: âDie onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.quot; â Vs. 22, 23: âBeroof den arme niet, omdat hij arm is, en verbrijzel den ellendige niet in de poort. Want de Heere zal hunne twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen berooven, de ziel rooven.quot;
Efez. 4, vs. 28; âDie gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen, dengenen, die nood heeft.quot;
I Thess. 4, vs. 11, 12: âEn dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uwe eigene dingen te doen, en te werken met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben: opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van noode hebt.quot;
II Thess. 3, vs. 10 â 12: Zoo iemand niet wil werken, dat hij ook niet ete. quot;Want wij hooren, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende. Doch den zoodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jesus Christus, dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten.quot;
Hebr. 13, vs. 5: âUw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige: want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.quot;
I Tim. 6, vs. 10: âDe geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zich zeiven met vele smarten doorstoken.quot;
213
Luk. 16, vs. 10: âDie getrouw is in het minste, die is ook in het groots getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig.quot;
Matth. 25, vs. 21; âEn zijn heer zeide tot hem; Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten, ga in, in de vreugde uws heeren.quot;
Vr. Wat is eigenlijk de zonde, welke door dit gebod bestraft wordt?
Antw. Dat men niet tevreden is met hetgeen God geeft, en niet gelooft dat men eenen rijken Vader in den hemel heeft, die het dagelijksch brood ook heden nog wil geven aan een iegelijk, die er Hem om bidt in den Naam des Heeren Jesus, met belijdenis van schuld en onwaardigheid.
Vr. Wat is de bron van deze zonde 1
Antw. Ontevredenheid en wanorde, en dat men zich niet wil onderworpen aan hot gebod: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten.
Vr. Wanneer stelen kinderen?
Antw Als zij in het geheim wegnemen, wat voor ben niet bestemd of hun niet gegeven is.
Heidelbergsche Catechismus. 112lle Vraag.
Vr. Wat wil het negende gebod?
Antw. Dat ik tegen niemand valsche getuigenis geve, niemands woorden verkeere, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordeele, of helpe verdoemen; maar allerlei liegen
214
en bedriegen, als eigene werken des duivels, ver-mijde, tenzij ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, opreehtelijk spreke en bekenne; ook mijns naasten eer en goed gerucht, naar mijn vermogen, voorsta en bevordere.
OP VRAAG EN ANTWOORD 112.
Joh. 3, vs. 21: âMaar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.quot;
Bfez. 4, vs. 25: âSpreekt de waarheid, een iegelijk met zijnen naaste; want wij zijn elkanders leden.quot;
Hand. 5, vs. 1 â10: âEen zeker man, met name Ananias, met Saffira zijne vrouw, verkocht eene have; en onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en leide dat aan de voeten der Apostelen. Eu Petrus zeide: Ananias! waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands? Zoo het gebleven ware, bleef het niet uwe? en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den menschen niet gelogen, maar Gode. En Ananias, deze woorden hoorende, viel neder en gaf den geest. En er kwam groote vrees over allen. die dit hoorden. En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. En het was omtrent drie uur daarna, dat ook zijne vrouw daarin kwam, niet wetende, wat er geschied was; en Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het land voor zooveel verkocht? En zij zeide: ja, voor zoo veel. En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den
215
Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uwen man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. En zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf den geest. En de jongelingen, ingekomen zijnde, vonden haar dood, en droegen ze uit, en begroeven haar bij haren man.
Spr. 13, vs. 5: âDe rechtvaardige haat leugentaal, maar de goddelooze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.'' Spr, 21, vs. 28: âEen leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.quot; De geschiedenis van Naboth: I Kon. 21.
Joh. 18, vs. 17; âPilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een koning? Jestvs antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijne stem.quot;
Vr. Hoe wordt dit (jehod geestelijk overtreden?
Antw. IStaar Ps. 50, vs. 16â22: âMaar tot den goddelooze zegt God: Wat hebt gij Mijne inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uwen mond? Dewijl gij de kastijding haat, en Mijne woorden achter u henen werpt. Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers. Uwen mond slaat gij in bet kwade, en uwe tong koppelt bedrog. Gij zit, gij spreekt tegen uwen broeder, tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit. Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik ten eenemaal ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentlijk voor uwe oogen stellen. Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscbeure en niemand redde.quot; Ps, 56, vs. 6, 7: âDen ganscben dag verdraaien zij Mijne woorden; al bunne gedachten zijn
216
tegen Mij ten kwade. Zij rotten samen , zij versteken zich, zij passen op mijne bielen, als die op mijne ziel wachten.quot; Hosea 7, vs. 13; âWee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugenen tegen Mij.quot;
Vr. Hoe overtreden kinderen dit gebod?
Antw. Als zij de waarheid ontduiken, hunne schuld en verkeerdheid niet bekennen, en het kwaad dat zij bedreven vergoelijken.
Vr. Wat hebt gij nog meer van dit gebod te zeggen?
Antw. Dat er geen gebod is, hetwelk meer door ons overtreden wordt, vooral in gezelschap, zonder dat wij er acht op geven, hoe wij zeiven door dit gebod veroordeeld worden.
Heidelbergsche Catechismus. US'16 Vraag.
Vr. Wat eischt van ons het tiende gebod?
Antw. Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome; maar dat wij te allen tijde, van ganscher harte, aller zonde vijand zijn, en lust tot alle gerechtigheid hebben.
OP VKAAG ES ANTWOORD 113.
Rom. 7, vs. 7: âWat zullen wij dan zeggen? Is de quot;Wet zonde? Dat zij verre. Ja ik kende de zonde niet dan door de quot;Wet: want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de quot;Wet niet zeide: Gij zult niet begeeren.quot;
217
Jak. 1 , vs. 13 â15. âNiemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.quot;
Vr. Waarop hehbeu wij htj dit gelod te letten ?
Antw. Dat wij niet kunnen nalaten om steeds datgene te begeeren, of te willen hebben, wat God aan onzen naaste gegund heeft. De man begeert den welstand van zijnen buurman, de vrouw de kleedij van baars gelijken; en wij doen gelijk de kinderen, die op de markt de moeder dwingen om lekkernij of speelgoed, terwijl zy de kleederen, die zij even te voren van de ouders gekregen hebben, als niets rekenen.
Vr. Zeg mij nog iets van de geboden in het algemeen?
Antw. Elk verbod gebiedt het tegenovergestelde, elk gebod verbiedt het tegenovergestelde.
Vr. En nog iets ?
Antw. Daar God de tien woorden der Wet tot zesmaal honderd duizend menschen, van allerlei rang, stand en ouderdom gesproken heeft, zoo zegt God, dat wy allen, van wat rang, stand of ouderdom ook, overtreders van elk dezer geboden zijn, met gedachten, woorden en werken. Matth. 15, vs. 19; âWant uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen.quot; â Dus al wat in deze tien woorden der Wet verboden is , woont in het hart van ieder mensch.
218
'Vr. Ze(j mij eens iets van de heilzaamheid van Gods (jehodtn ?
Antw. Ten eerste; Indien God ons onzen wil liet tegen Zijnen heiligen wil, of ons dat gaf, wat wij tegen Zijnen wil begeeren, zoo waren wij diep ongelukkig.
Ten tweede; Indien God Zijne Wet niet gegeven had, zoo bestond er volstrekt geen eigendom, elkeen zou beschikken over zijns naasten huisvrouw, huis en goed; iedereen zou zich door dierlijke lusten verdoen; er zon nergens eerbied wezen voor stand, wet, orde en zeden; de een zou den ander ombrengen, en wij menschel! zouden tot zulke gruwelen vervallen, welke zelfs de duivelen zouden doen sidderen.
Ten derde: Verlangen naar terugkeer tot God, naar verlossing door Christus, naar herééniging met God, naar de eeuwige zaligheid dus, zoude bij niemand kunnen opgewekt worden; en God zoude ons reeds lang door het eeuwige vuur hebben moeten verteeren, zoo als Hij vroeger de geheele wereld door het water heeft moeten verderven.
Vr. Maar heeft God nog recht, volkomene yehoorzaam-heid aan Zijne gehoden van ons te eischen ?
Antw. Ja, want Hij is onze Schepper en Souverein.
Vr. Is evemcel de IV et van Mo zes, zoo als die in tien woorden bestaat, niet afgeschaft?
Antw. Neen, want onze Hoer en do Apostelen geven den geloovigen uit de heidenen, zoowel als den goloo-vigen uit de joden, steeds bevelen uit de tien geboden; o. a. schrijft de Apostel Paulus, Efez. 6 aan de kinderen: ,,Gij kinderen, â eert uwen vader en moeder, (hetwelk hot eerste gebod is met eene belofte) opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.quot; Aangezien
219
het vijfde gebod dou geloovigen uit do heidenen voorgehouden wordt, zoo bobben ook de overige negen geboden van de Wet van Mozes Goddelijk gezag voor ons, die geloovigen uit de heidenen zijn.
Heidelbergsche Catechismus. 114l,c Vraag.
Vr. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden?
Antw. Neen zij , maar ook de allerheiligsten, zoo lang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.
OP VRAAG EN ANTWOORD 114.
Vr. JVaartagen is deze vraag en antwoord gericht?
Antw. Tegen de zoogonaamdo volkotnonbeidsleer, of dwaalleer: dat een geloovigo langs zekere geestelijke trappen tot de volkomonbeid der gehoorzaamheid aan de Goddelijke Wet geraken kan.
Vr. Waarom schrijft de Catechismus ,,de allerheilig-sten quot; â zijn er heiligen, en dan die nog heiliger zijn?
Antw. Neen; dat is eene manier van spreken. Abraham, Izak, Jakob, Mozes on David, Salomo en Hiskia, zijn er de levendigste bewijzen van, boe klein het beginsel onzer gehoorzaamheid is. Maar de Catechismus leert ons zulks tot vernedering van den hoog-
220
moed van ons vleesch, en doet het voorts tot bemoediging. Wat er echter dadelijk op volgt: âdoch alzoo , dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven;quot; leert ons ten duidelijkste, hoe het bij den oprechte ligt: te weten; dat zulk een het in waarheid voor den Heere betuigt, niettegenstaande zijne ellendigheid: âIk heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uwen knecht, want Uwe geboden heb ik niet vergeten,quot; (Ps. 119, vs. 176.) en dat hij zegt, met den Apostel Paulus, Eom. 7 : âIk heb een vermaak in de Wet Gods, naar den inwendigen mensch.quot; Maar ook evenzeer slaken alle des Heeren heiligen dezelfde klacht: âIk ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods!quot; en âOok wij zeiven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zeiven, zuchten in ons zeiven, verwachtende â de verlossing onzes lichaams.quot;
Vr. Mag men dus, als mm vrede hij God heeft door Jesus Christus, niet zeggen, dat men voor en volgens de Wet volmaakt is?
Antw. Ja zeker, namelijk, volgens de genadige toerekening van de genoegdoening, gerechtigheid eh heiligheid Christi, en volgens de getuigenis eener goede conscientie in den Heiligen Geest, ziende op het reinig-makende bloed Christi. Wanneer dus iemand, tegen Christus aan, met de Wet iets van ons als uit ons, als uit onze kracht, wilde eischen, om ons van de genade Christi af te trekken, zoo houden wij ons aan des Apostels woord: âIn Hem, in Christus, zijt gij volmaakt,quot; dat is, vervuld naar de maat der Wet. Want daarin bestaat onze rechtvaardigmaking, dat wij verklaard worden in overeenstemming te zijn met de Wet Gods.
221
Vr. Be Apostelen schrijven echter zoo dikte ijls; dat wij op den dag Christi, voor Hem mogen bevonden worden onberispelijk, zonder vlelc of rimpel, geheel volkomen?
Antw. Zóó zal de geloovige dan ook bevonden worden ; want hij buigt zich in ootmoedigheid onder elk gebod, en onder allo geboden des Heeron; en hij houdt ze ook naar geest, als van zelf', geheel vrijwillig en in ongedwongen beweging, maar dat weet hij zelf niet; hij blijft onder dat alles een arm zondaar. Matth. 25, vs. 27: âDan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij à hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven? (Vergelijk Eom. 8, vs. 3 en 4.) Hier is het om de vraag te doen, of een mensch, omdat hij bekeerd is, eene zekere volkomenheid als bij trappen bereiken kan, hetgeen eene duivelsohe leer is. (Rom. 7, vs. 15 en 26 )
Heidelbergsclie Catechismus. 115'le Vraag.
Vr. Waarom laat God ons dan zoo scherpelijk de tien geboden prediken, indien toch niemand in dit leven ze houden kan?
Antw. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langs zoo meer leeren kennen, en des te begeeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken, daarna, dat wij zonder nalaten ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, tot dat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.
222
OP VRAAG EK ANTWOORD 115.
Vr. iFat hébben wij dus ter harte te nemen?
Antw. Bovenal dit: dat wij toch nimmer meenen uitgeleerd te zijn in de kennis van onze ellendigheid, of in de kennis van Christus en Zijne heils-verdiensten. Want onze eigengerechtigheid zit zeer diep, en wanneer do zonde zich met kracht wil verheffen, dan maakt zij zich, onophoudelijk er op uit zijnde ons te vatten, zoo klein, dat men meent, dat zij reeds lang met wortel en tak bij ons uitgeroeid is.
Vr. En wat werkt de genade des Heiligen Geestes?
Antw. Zij maakt ons eiken dag meer zalig, wanneer zij ons al meer openbaring geeft van onze alge-heele onbekwaamheid en volslagen nietigheid, en van des Heeren Jesus liefde, algenoegzaamheid, bedekkende macht en getrouwigheden.
Vr. Maar ligt evenwel in die woorden: âOpdat wij hoe langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden,quot; uiel eene zei-ere volkomenheidsleer ?
Antw. De meening is deze, dat het bij ons in dit leven waarheid zijn moge, wat Johannes de Dooper zeide: ,,Hij moet wassen, maar ik minder worden.quot; En alle arme zondaars zijn zoo verliefd op de heiligheid des Heeren, dat zij het allen voorhouden, en in het verborgen zich daarnaar gedragen, wat de Apostel Paulus betuigde: (Phil. 3, vs. 12â14.) ,,Niet, dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaakt ben, maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jesus ook gegrepen ben. Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot
223
hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jesus.quot; Daarom zijn zij ook zoo blijde, wanneer de Heere hen komt te huis halen, want het is hun hier van wege hunne zwakheden en ellendigheid dikwijls zoo bang, en zij gevoelen zich hier zoo vreemd, gelijk de Apostel schrijft: (Hebr. 11, vs. 14.) âWant die zulke dingen zeggen, betoonen klaarhjk, dat zij een vaderland zoeken, zij zijn begeerig naar een boter dat is, naar het hemelsche.quot;
II Cor. 5, vs. 1â4: ,,Want wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig , in de hemelen. Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden. Zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn , zuchten, bezwaard zijnde; nade-inaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.quot;
Vr. Wat sal men doen, als men hij herhaling tegen een der goede woorden des Heer en gezondigd heef tl
Antw. Men zal niet wachten tot morgen of overmorgen, maar zich dadelijk met God laten verzoenen, anders geeft men ruimte aan den duivel en aan de zonde.
VAN HET GEBED.
Heidelbergsche Catechismus. 116rte Vraag, Yr. quot;Waarom is het gebed den Christenen van noode?
Antw. Daarom, dat dit het voornaamste stuk
224
der dankbaarheid is, hetwelk God van ons vordert: en dat God Zijne genade en den Heiligen Geest alleen dien geven wil, die Hem, met hartelijk zuchten, zonder ophouden, daarom bidden en daarvoor dankeu.
Heidelbergsche Catechismus, li?11' Vraag.
Vr. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is, en van Hem verhoord wordt?
Antw. Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen waren God, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen: ten andere, dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht Zijner Majesteit verootmoedigen: ten derde, dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zjjn, om des Heeren Christus wil, zekerlijk wil verhooren, gelijk Hij ons in Zijn Woord beloofd heeft.
Heidelbergsche Catechismus. 118de Vraag.
Vk. Wat heeft God ons bevolen van Hem te bidden ?
Atütw. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij zelf ons geleerd heeft.
225
Heidelbergsche Oateohismus, 119de Vraag.
Yr. Hoe luidt dat gebed?
AnïW. Onze Vader, die in de hemelen zijt!
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij verderen onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.
Heidelbergsche Catechismus. 120ste Vraag.
Vr. Waarom heeft Christus ons geboden, God alzoo aan te spreken: âOnze Vaderquot;?
Antw. Opdat Hij van stonden aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreeze en toe-voorzicht tot God verwekken zou, hetwelk de grond onzes gebeds is; namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal, hetgeen wij van Hem met een. recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardsche â dingen ontzeggen.
15
226
Heiclelbergsche Catechismus. 121ste Vraag. Yr. Waarom wordt hier toegedaan: âDie in de hemelen zij tquot; ?
Antw. Opdat wij van de hemelsche Majesteit Gods niet aardsch gedenken, en van Zyne almacht allo nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.
Heidelbergsche Catechismus. 122quot;° Vraag.
Vr. Welke is de eerste bede?
Antw. Uw Naam worde geheiligd; dat is: geef ons eerstelijk, dat wij IJ recht kennen, en U in al Uwe werken, in welke Uwe almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheidklaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen: daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzoo schikken en richten, dat Uw ÃTaam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.
Heidelbergsche Catechismus. 123'0 Vraag.
Vr. Welke is de tweede bede?
Antw. Uw Koninkrijk kome; dat is: regeer ons alzoo door Uw Woord en Uwen Geest, dat wij ons hoe langs zoo meer aan U onderwerpen; bewaar cn vermeerder Uwe Kerk, verstoor de werken des duivels, en alle geweld, hetwelk zich tegen U ver-
227
heft, mitsgaders alle booze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden, tot dat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.
Heidelbergsche Catechismus. 124 ,e Vraag.
Vr. Welke is de derde bede?
Ajjtw. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; dat is: geef, dat wij en alle meuschen onzen eigen wil verzaken, en Uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken, gehoorzaam zijn, opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroeping zoo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen.
Heidelbergsche Catechismus. 125ste Vraag.
Vr. Welke is de vierde bede?
Antw. Geef ons heden ons dagelijksch brood; dat is: wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de eenige Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg, noch arbeid, noch Uwe gaven, zonder Uwen zegen, ons gedijen; en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken, en op U alleen stellen.
15*
228
Heidelbergsche Catechismus. 1265te Vraag.
Yr. quot;Welke is de vijfde bede?
Antw, En vergeef ons onze schulden, gel ij k ook wij vergeven onzen schuldenaren; dat is: wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om het bloed van Christus niet toerekenen, alzoo wij ook het getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons gansche voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.
Heidelbergsche Catechismus, 127ste Vraag.
Vr. Welke is de zesde bede?
Antw. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; dat is: dewijl wij van ons zeiven zoo zwak zijn, dat wij niet een oogenblik kunnen bestaan, en daartoe onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch niet ophouden ons aan te vechten: wil ons toch behoeden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, tot dat wij eindelijk ten eenemale de overhand behouden.
229
Heidelbergsche Catechismus. 128 ce Vraag.
Vr. Hoe besluit gij uw gebed?
Antw. quot;VVant üw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid; dat is: zulks alles bidden wij van U daarom, dat Gij, als onze Koning, en aller dingen machtig, den wil en het vermogen hebt, om alles goeds te geven, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar üw heilige lïaam eeuwig geprezen worde.
Heidelbergsclie Catechismus. 1298tl! Vraag.
Ve. Wat beduidt het woord Amen?
Antw. Amen is te zeggen; het zal waar en zeker zijn; want mijn gebed veel zekerder van God verhoord is, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer.
230
oi' het hoofdstuk : VAN HET GEBED.
Vr. Waartoe dient de vraag: âWaarom is het gebed den Christenen van mode?quot;
Antw. Zij, die uit werken hunne gerechtigheid zoeken, plegen dengenen, die in Christus wenschen gerechtvaardigd te worden, lasterlijk te zeggen; Bijaldien gij dus volmaakt zijt in Christus, en alles in Hem hebt, zoo behoeft gij niet te bidden. Daarop antwoordt de geloovige: juist daarom bid ik; ik juich en erken, dat in Hem alle volheid voor mij is, daarom ga ik tot Hem, om uit die volheid te ontvangen, ook genade voor genade.
Verder waren en zijn er altijd lichtzinnige menschen , die veel van geloof, onmacht en genade opgeven, maar niet verstaan hoe ledig een geloovige in zich zeiven is, en hoe hij alles met het gebed verkrijgt, als met den ademtocht zijner ziel, opdat de vijand hem niet verslinde, dood en zonde hem niet verstikken.
Vr. HeJ)l gij van die vraag ook eene toepassing te maken op n zeiven 1
Antw. Voorzeker, en wel die, dat ik wakker blij ve, om gedurig tot den Heere in het gebed te gaan om goede en volkomene gaven, en tot Hem de toevlucht te nemen tegen alle kwaad.
Vr. Hoe gaat hei den oprechte met het hidden ?
Antw. Hij bidt zonder ophouden, maar hij weet niet dat hij het doet, hij beschuldigt zich veeleer, dat hij zoo weinig bidt, ja in het geheel niet bidt en niet bid-
231
don kan. Waar loven is, daar is een gedurig zuchten om licht en lucht; daar is oen roepen ca kermen in het verborgen; daar zijn onuitsprekelijke zuchtingen; daar is een gedurig vragen naar den Heero en Zijne sterkte; een aanbidden, een juichen, een wandelen voor Gods aangezicht met stomme gesprekken, toch luid verneembaar diep in do ziel, dag ou nacht.
Vr. Hoe verschillen de huichelaar en de opredde van elkander in het siuk van het hidden ?
Antw. De huichelaar denkt, dat hij alles om zijn gebod krijgt. Als dus de nood opkomt, dan moet er geboden worden. Is de nood half voorbij, dan zegt hij; het is niet meer noodig, of hij meent, dat hij het zelf lt;doeu moet en ook doen kan. (I Sam. 14, vs. 18, 19.) Hij daarentegen, die zich aan God houdt, handelt, en heeft den Heere tot zijne rechterhand en hulpe, want hij is voor zich zeiven steeds zonder kracht en altijd onbekwaam, daarom zijn zijne oogen op den Heere. Als het er op aankomt, verlaat hij zich op zijnen God, die is zijn steun en zijne sterkte. Bidden en doen is voor hem één ding. (I Sam. 14, vs. 6; II Chron. 16, vs. 9; II Chron. 20, vs. 12.) De huichelaar en de duivel sporen altijd aan tot doen, â de Geest tot bidden.
Vr. Kayi men wel hidden zonder andere, zonder zondige gedachten ?
Antw. Neen, wij moeten echter daarom het gebed niet nalaten.
Vr. Mogen wij God alles zeggen, alles Hagen en oni alles vragen , wat wij van noode hebben ?
Antw. Zoo wij zulks niet doen, zijn wij wel zeer ondankbaar; Hij wil immers voor alles zorgen, en:
232
,,Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd,quot; zegt David.
Vr. Wat meent de Apostel Jakobus, als 7iij schrijft â Hij begeere {wijsheid) in geloof, niet twijfelende. (Jak. 1, vs. 6.J
Antw. Hij bidde zoo, dat het er hem om te doen is; hij bidde niet als Bileam, die het goud en zilver ert de eer der menschen toch liever had.
Vr. Wordt het gebed des geloovigen altijd verhoord?
Antw. Wanneer het zoo niet verhoord wordt, als hij het zich voorstelde, dan wordt het altijd nog beter verhoord , dan hij dacht. Maar al wie wat goeds van den Heere ontvangt, moet gemeenlijk lang wachten.
Vr. h dan de oprechte in zijn bidden geheel vrij van verkeerde gedachten omtrent God?
Antw. Geenszins; juist dat behoort tot zijne ellendigheid, maar hij verootmoedigt zich er over voor Gods heilig aangezicht, en looft des te meer Zijnen grooten Naam.
Vr. Wat zegt onze Heer van het bidden ?
Antw. Matth. 6, vs. 6â9: âMaar gij, wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bidt uwen Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen: want uw Vader weet, wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt. Gij dan bidt aldus: Onze Vader, die in de hemelen zijtE Uw Naam worde geheiligd.quot;
Matth. 7, vs. 7â11: ,,Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en n zal open gedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ont-
233
vangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal open gedaan worden. Of wat mensch is er onder u, . zoo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem eenen steen zal geven? En zoo hij hem om een' visch zou bidden, die hem eene slang zal geven? Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden.quot;
Luk. 18, vs. 1â8: âEn Hij zeido ook eene gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; zeggende: Er was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde, en geen' mensch ontzag. En er was eene zekere weduwe in diezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij. En hij wilde voor eenen langen tijd niet, maar daarna zeide hij bij zich zeiven: Hoewel ik God niet vreeze, en geen' mensch ontzie; nochtans , omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zoo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan geen recht doen Zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des menschen, als Hij komt, zal Hy ook geloof vinden op de aarde?quot;
Joh. 16, vs. 23â27: âEn in dien dag zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar zeg ik u: al wat gij den Vader zult bidden in Mijnen Naam, dat zal Hij u geven. Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijnen Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zij. Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot
234
u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenisseu tot u spreken zal, maar u vrij uit van den Vader zal verkondigen. In dien dag zult gij in Mijnen Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal: want de Vader zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan.quot;
Luk. 21, vs. 36; âWaakt dan te allen tijd. biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des menschen.quot;
Joh. 15, vs. 7: âIndien gij in Mij blijft, en Mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt, zult gij begee-ren , en het zal u geschieden.quot;
Vr. Wat zegt de Apostel J'anhis van het hidden ?
Antw. Phil. 4, vs. 6: âWeest in geen ding bezorgd ; maar laat uwe begeerten in alles, door bidden en smee-ken, met dankzegging bekend worden bij God.quot;
Efez. 6, vs. 18: âMet alle bidding en smeeking, biddende te allen tijd in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid eu smeeking voor al de heiligen.quot;
I Thess. 5, vs. 17: â Bidt zonder ophouden.quot;
Eom. 8, vs. 26, 27: âEn desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp: want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. En die de harten doorzoekt, weet, welke de meening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.quot;
Vr. Waarom lezen wij in de Handelingen der Apostelen zoo dikwijls van het gebed?
Antw. Omdat het de voornaamste vracht des Gees-
235
tes is : wie liefheeft kan niet ophouden gedurig aan dien alles te zeggen, eu met dien vertrouwelijk te spreken, die hem liefheeft.
Vr. Welk kapittel van de Heilige S:hrift is aller Christenen Ileils-apotheek?
Antw. Psalm 119.
Vr. Zeg mij nog een voortreffelijk antwoord van onzen Catechismus ?
Antw. Zoo luidt het in hot antwoord op vraag 129; ,,Mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer.quot;
Vr. Heeft de geloovige daar dan niet wel eens vooraf gevoel van, dat God zijn gebed verhoort of verhoord heeft ?
Antw. Ja, menigwerf zegt hij het met verzekering, als een profeet: Mijn gebed is verhoord, gij zult het zien. Maar daarbij kan hij toch weder handelen, als ware hij het zelf vergeten. Menigmaal heeft hij er geen besef van. Zoo bidt do geheele gemeente om de verlossing van Petrus uit de gevangenis, en als hij daarop aan de deur klopt, zeggen zij; âhet is zijn geest.quot;
Vr. Wat hebt gij nog van het gebed te zeggen ?
Antw. Dat het eene buitengewone bevestiging van de hope geeft, dat wij hot eeuwige leven zullen beürven, en onzen grooten God en Zaligmaker van aangezicht tot aangezicht aanschouwen zullen; nademaal wij ondervinden hoe de hooge God datgene wat stof, aarde en assche is, zoo wonderbaar verhoort, hoe Hij goedertierenheid bewijst, de trouwe bewaart, alles doet wat Zijne heiligen van Hem begeeren, en Zich bij hen steeds betoont als de God : âAmen.quot;
236
Het gebed is het hemelleven bij aanvang.
Vr. Wat is de zegenwensch der Gemeente aan een iegelijk, die met God worsteltt
Aütw. De Heere hebbe uw gebed verhoord, Hij hebbe uwe tranen gezien ; en: Ps. 20, vs. 2â6 : De Heere verhoore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek. Hij zende uwe hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Zion. Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot asch. Sela. Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uwen raad. Wij zullen juichen over uw heil; en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De Heere vervulle al uwe begeerten.quot;
INHOUDSOPGAVE.
liladz.
INLEIDING..............................................................................5.
1' ZoNDAGSAro. le en 2° Vraag. Van den eenigen troost. 8â11.
HET EERSTE DEEL.
VAN DES MENSCHEN ELLENDE.
2» Zond AGs a f d, 3°â 5e Vraag. Van de kennis der ellende
uit de Wet........................19â21.
3' â 6eâ 8e â Van den oorsprong der
ellende................................24â26
4« â 9quot;â11quot; â Van de straf der zonde.... 28â32,
HET TWEEDE DEEL.
VAN DES MENSCHEN VERLOSSING.
5« Zondagsaïd. I2eâ15« Vraag. Van de voldoening...... 34 â 39,
()⢠â 16eâ19quot; â Van den Middelaar..... 39â44
1' â 20sâ23' â Van het geloof.........47â57
8e i, 24°â2öc â Van God en de H. Drie-
eenheid ............... 58
VAN GOD DEN VADER EN ONZE SCHEPPING.
9quot; Zondagsafd. 26e Vraag. Vao de schepping........ 68
10e â 27'â28' â Van de voorzienigheid Gods. 70â72
238
Bladz. 73â75,
78â82.
12»
13«
14«
15» Ifio
17' 18« 19«
31«â32«
33«â34«
35«â36«
37«â39« 40«â44°
45« 46«â49« 50«â5i«
Van den Naam Christus en den naam Christenen.
Van Gods eeniggeboren
Zoon, onzen Heer..........85.
Van des Heilands ontvangenis en geboorte.. 86â89. Van des Heilands lijden. 90â98, Van des Heilands dood,
begraving en nederda-
ling ter helle........ 99â101,
Van des Heilands opstanding.................105.
Van des Heilands hemelvaart............... 106â108.
Van des Heilands zitting aan Gods Rechterhand en Zijne wederkomst ten oordeel.............. 110â111.
VAN GOD DEN ZOON EN ONZE VERLOSSING. 11quot; ZoNDAGSAFU. 29eâS0e Vrnag. Van den Naam Jesus..
VAN GOD DEN HEILIGEN GEEST EN ONZE HEILIGMAKING.
58® Vraag. Van den Heiligen Geest.
Van de Kerk, van de gemeenschap der heiligen en de vergeving der
zonden..............
114.
20® ZONDAGAFD. 21e ff
119â125,
Van de opstanding des vleesches en het eeuwig leven ...............
22®
57®â58®
127â130.
54®â56®
VAN DE RECHTVAARDIGING.
23® Zondagsafd. 59®â61® Vraag. Van de rechtvaardiging. 131â134. 24° n 62°â64® â Van de ongenoegzaamheid onzer goede werken
voor God........................135â138,
/ 2 % b lt;9 i
239
VAN DE SACRAMENTEN.
Bladz.
25e ZoNnAGSAFD. 65eâ68e Vraag. Van dc Sacramenten... 140â141.
1. VAN DEN HEILIGEN DOOP.
26« Zondagsafd. 69eâ71e Vraag. Van den Heiligen Doop. 148â143. 27e n quot; Van den Kinderdoop .. . 143â144.
2. VAN HET HEILIG AVONDMAAL.
28« Zondagsafd. 7öeâ77e Vraag. Van het Heilig Avondmaal................................147â148.
29' â 7Squot;â79e â Van de wederlegging der
transsubstantiatie..........149â150.
30® â S0eâ82® â Van de paapsche mis
en de vereisuhten des
avondmaalgangers..........153-â154.
31' u 83eâ85e I, Van de sleutelen des
hemelrijks......................154â157.
HET DERDE DEEL. VAN DE DANKBAARHEID.
32® Zondagsafd. 8C®â87® Vraag. Van de noodzakelijkheid
der goede werken..........158.
33® ,1 88®â91® â Van de bekeering..... 162â163.
J. VAN DE WET.
34® Zondagsafd. 92®â 95® Vraag. Van Gods Wet, en het
eerste gebod..............167â170.
85® ii 96®â 98® â Van het tweede gebod. 176. 36® ii 99®â100® â Van het derdegebod. 181â182.
240
|
Bladz. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
eu het besluit des gebeds............ 228â229. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||