B. VAN MEURS.
/
DE ARBEID
Wet
des Levens en der Opvoeding.
TWEEDE DRUK.
DE ARBEID
Wel des Levens en der Opvoeding,
- » /trjï /O
Van denzelfden Schrijver zijn nog verkrijgbaar
Het hart. Met uitslaande plaat.............f o.óo
Verhandelingen. Nieuwe uitgave...........- o.oo
De vroolijkheid en het lachen. Tweede druk.....- 0.60
Uhlands harp. Met platen, prachtband en étui.......- 4.00
Pepermuntjes. 25o Dichtjes. Tweede druk ........- 0.90
Germania's dichtbloemen. Derde druk........- 0-90
Rijm en Zang. Zesde druk. In linnen band........- 1.10
Kriekende Kriekske. Betuwsche gedichten. 3® dr. In 1. band, - r.10
DE ARBEID
Wet des Levens en dep Opvoeding,
JJlT HET FRANSCH MET A A N T EEK EN IN G EN
B, VAN MEURS.
TWEEDE DRUK.
's Hertog en nose ii, Maatschappij de Katholieke Illustratie
Pc redevoering «Lo Irav.-iil, loi de la vie et do réduealionquot; werd uitgesproken door Fklix, Conrerenoicr der Notrc-Uame te Parijs, bij gelegenlieid eener Prijsuitdeeling In 't licht gegeven, vond zij een zoo goed onthaal, dat do aanzienlijke oplage binnen eenige weken verkocht en door vele herdrukken gevolgd werd.
De vertaler bedoelt met deze uitgave hetzelfde wat de redenaar op het oog had: den studeerenden jongeling een waar begrip van den arbeid in te scherpen, met een heftigen afkeer van luiheid en ledigheid te bezielen en tot werkzaamheid en ijver krachtig aan te sporen.
Mogen ook de Aanteekening-en, gelijk studentenhaver bij het nagerechf, den dorst opwekken â naar kennis I
Rollerdam, 1898.
'^^aaS^sfe^êCdi i
^:.:f
f â¢f
d|-p^|gt; iet zonder schroom waag ik het, in deze plech--|1^Sp tige ure te spreken over een onderwerp, dat jK0' misschien aan uwe verwachting niet beant-Jl?' w001^t ' en waarvan behandeling, naar mijn (p oordeel, te weinig evenredig is aan de waardigheid en den luister dezer vergadering.
Ik gevoel mij evenwel bemoedigd, zoo door het vertrouwen op uwe welwillendheid jegens mij, als door het bewustzijn mijner genegenheid voor u. Ofschoon ik hier geen leeraarsambt bekleed en bijgevolg het recht niet heb, in deze ure en te dezer plaatse op te treden, acht ik mij toch geen vreemdeling, die het woord voert tot onbekenden.
Wanneer ik, dierbare Jongelingen, deze voor u weggelegde palmen aanschouw, neem ik levendig deel in de gevoelens, die uw hart bewegen en verheug mij over uw geluk en uwe verwachtingen. Deze palmen, voor u kronen der eere, worden voor mij, gelijk voor uwe ouders, kronen der vreugde. En wilt gij weten, waarom
4';'0-
4-^ -quot; éi» quot;â 'quot; 'quot;
- 6 -
zij in ons oog zoo schoon en zoo kostbaar zijn? Wij beschouwen ze als de vrucht der inspanning, als den oogst van den arbeid, en zien daarin een bewijs, dat gij reeds vroegtijdig de gewichtige wet van uw leven; d e m e n s c h wordt tot den arbeid geboren, volkomen begrepen hebt.
Met een dubbel gevoel van geluk en vreugde zullen wij u daarmede bekronen, omdat zij onder hun liefelijk beeld ons eene voorstelling geven van den schat, die hier dagelijks u bereid wordt, ik bedoel den onwaardeerbaren schat uwer opvoeding, die op hare beurt ook de edele vrucht van arbeid en inspanning zijn moet.
Want, let er wèl op, dat groote werk uwer vorming wordt niet door uwe opvoeders alleen, maar door u, in vereeniging met hen, voltooid. Zij zijn door hunne roeping de medewerkers van God; gij behoort door uwen arbeid medewerkers te zijn in hunne taak. Tusschen den arbeid van den jongeling en zijne opvoeding bestaat een zoo nauwe betrekking, een zoo innige vereeniging dat men den arbeid niet staken kan zonder terzelfder tijd de opvoeding te onderbreken. Van de opvoeding is de arbeid een wezenlijk bestanddeel, aangezien hij eene wet is van het menschelijk leven. Om deze reden alleen kom ik, uit naam uwer ouders, u opwekken, om met onbezweken moed het begonnen werk voort te zetten.
Nog andere beweegredenen zou ik kunnen aanhalen, doch zij schijnen mij overbodig. Het oog slaande op het leven in 't algemeen, en op uw leven in 't bijzon-
- 7 -
der, vergenoeg ik mij met n te zeggen: wilt gij mannen worden, werkt: de arbeid is de wet des levens. - U tot mannen te vormen is do taak uwer opvoeding; werkt: de arbeid is de wet der opvoeding.
Dit wensch ik in deze rede u aan te toonen. Moge God er Zijn vruchtbaarmakenden zegen aan schenken !
I.
behouds-begrippen is er geen door de dwa-
ling van onzen tijd zoo in den grond aangetast als het begrip van den arbeid. Het oogmerk dezer verhandeling, uwen geest te verlichten en uw gemoed te overreden, zou voorzeker onbereikbaar zijn, indien u niet vooraf duidelijk verklaard werd, wat door het woord arbeid moet worden verstaan.
In het spraakgebruik en het dagelljksch leven wordt bezig z Ij n maar al te dikwerf met arbeiden verward; en toch bestaat er een hemelsbreed onderscheid tusschen beide. Iedere arbeid is eene bezigheid, maar niet elke bezigheid kan een arbeid genoemd worden. Er is eene bezigheid, die de ledigheid niet buitensluit; en de wereld is vol lieden, die in een werkelooze bezigheid een leven slijten, dat geenerlei vruchten voortbrengt.
Wat is derhalve arbeid? Arbeid, in zijn eenvoudige
- s
beteekenis genomen, is inspanning om over hindernissen te zegevieren, is strijd tegen voorkomende moeilijkheden. Wanneer de mcnsch van zijne vermogens een vruchtbaar gebruik wil maken, gevoelt hij in zijn binnenste een vijandelijke kracht, die zich tegen de ontwikkeling zijner vermogens aankant; en bij iedere streving naar een groot en edel doel ontmoet hij een slagboom, welke hem den weg verspert: die kracht overwinnen, dien slagboom verbreken, noem ik arbeiden. Do mensch die werkt en voortbrengt, maar met de vermoeidheid in de leden, liet zweet op het voorhoofd, de droefenis mede in liet hart, hij vertoont ons den arbeid. Derhalve arbeid is moeite en strijd, waarmede hot gevoel van smart gepaard gaat; de arbeid is de smart zelve.
Hieruit laat het zich verklaren, waarom in dor men-schcn taal dikwerf arbeid en smart door hetzelfde woord worden uitgedrukt. Inderdaad, in het werkelijke leven zijn beide eene en dezelfde zaak. Arbeid, 't is waar, brengt genoegens voort, die de luiheid niet kent, gelijk offervaardigheid oen genot verschaft, dat do zelfzucht nooit gesmaakt heeft; doch ofschoon uit den arbeid de vreugde kan ontstaan, maakt zij evenwel zijn wezen niet uit; het geluk is de vrucht van den arbeid, maaide arbeid zelf is hot niet.
Zietdaar, buiten elk stelsel, het onvergankelijk begrip van den menschelijken arbeid; een begrip, dat noch de wijsbegeerte noch de omwenteling ooit zal kunnen veranderen.
Welnu, mijne jeugdige Vrienden, â vergeefs zondt gij het uzelven willen verhelen â de arbeid, gelijk wij hem zoo even bepaald hebben, is de wet, de voorname plicht, de noodzakelijke verrichting van uw leven. De arbeid heeft als een koning over de menschheid een zoo oppermachtig gebied, dat zij hem niet kan onttronen zonder zichzelve te vernederen. God. natuur en geschiedenis stemmen samen, om deze volstrekte macht van de wet des arbeids te verkondigen.
e godsdienst, die do geheimen der natuur zoo heer
lijk ontsluiert, toont ons bij den aanvang der wereld den arbeid, voortgesproten uit een opstand van den mensch en een strafgericht van God.
Verplaatst u met uw jeugdige verbeelding onder den wolkeloozen hemel en in den reinen dampkring van het eerste Paradijs, toen de natuur met al hare stemmen een algemeene muziek en de aarde met al hare tooneelen een gestadige glimlach uitmaakte. Daar verschijnt de mensch, met onschuld en gerechtigheid, krachten schoonheid bedoeld; een maagdelijk wezen met genade als met een hemelsch gewaad omkleed. Alom toont hem de schepping een weeldehof en noodigt hom ten feestdisch uit.
Waarom hij daar is? Hij is daar om in een gelukkige vrijheid van wil de kracht zijner vermogens te ontwikkelen; om zijne bezigheid uit te strekken over alles, wat God aan zijn schepter onderworpen heeft. Bezigheid was
- 10 -
toen nog geen arbeid: zij bestond voor den koning der schepping hierin, dat hij zijn onbedorven natuur liet ontluiken voor het oog van God, gelijk een bloem in de stralen der zon. Zijne bezigheid was niet een strijd tegen de natuur, die immers geen hindernissen opwierp, maar een drang tot haar, die niets dan bekoorlijkheden aanbood. De gansche schepping was eene harmonie; en die van den mensch stemde daarmee volkomen overeen. Er heerschte overal orde.
Maar ziet, daar ontstaat eensklaps, te midden van de harmonieën, wanorde: in de natuur en bezigheid van den mensch kwam eene omwenteling. Moedwillig brak hij den hemelschen keten stuk, die hem en de aan zijne macht onderworpen natuur met den Schepper vereenigde. Hij zondigde : de eerste ongerechtigheid beroerde de aarde, en de aarde sidderde bij de eerste aanraking van het kwaad. En wijl door don terugslag van dien val verwarring ontstaat zoowel in de diepte van het menschelijk hart als in de diepte der natuur, vertoont zich de Almachtige aan den gevallen koning en verkondigt, met eene stem, wier nagalm zich van geslacht tot geslacht herhalen zal, de straf van den mensch en de wet zijns levens: âDewijl gij gegeten hebt van den boom, waarvan ik u verboden had te eten, zoo zij de aarde vervloekt om uwentwil: de arbeid alleen zal uit haren schoot het voedsel voor uw leven trekken Deze met bloemen en vruchten overdekte grond zal u doornen en distelen voortbrengen. Gij zult uw brood eten in het zweet des aanschijns, tot
- 11 -
dat gij wederkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt.quot; (Gen. III, 17, 19.) Zoo luidt het onherroepelijk vonnis, dat een nieuw leven en een nieuwe wet voorschrijft.
Kinderen, aanvaardt het erfgoed van uwen ontrouwen vader! Buigt uwe hootden, en treedt een oogenblik in uzelven om het geheim van uw lot te overwegen en den last te wikken, door Gods woord u op de schouderen gelegd! Gij hebt het vernomen: al wat de mensch verricht, zal van nu af met smart gepaard gaan. Tot den arbeid geboren, zal hij zijn brood eten in het zweet zijns aangezichts; werken zal hij of sterven.
Aanschouw, o mensch, dezo aarde, die gisteren nog hare vruchtbaarheid zoo vrijgevig ter uwer beschikking stelde: indien gij voortaan niet werkt om uit hare ondankbare vore het voedsel te trekken tot onderhoud van uw lichaam â het vonnis is geveld: den 1 i c h a m e-1 ij k e n dood zult gij sterven.
Beschouw de duisternis, waarin gij door opstand uwen geest gedompeld hebt: indien gij niet werkt om dei-dwaling het voedsel voor uw verstand, de waarheid, te betwisten â het vonnis is geveld: den geestelijken dood zult gij sterven.
Hoor den kreet des verzets, dien de hartstochten uit uw binnenste doen opstijgen: indien gij niet werkt om het voedsel voor uw hart, de deugd, tegen hun geweld te verdedigen â het vonnis is geveld : den z e d e 1 ij k e n dood zult gij sterven.
En nu, ga heen en beploeg in alle richtingen de aarde,
12 -
uwen geest en uw hart Woestenij zal het zijn daar, waar het spoor uwer werkzaamheid zich niet vertoont. Wat er voortaan uit de aarde en uit uzelven voortspruit, zal de vrucht zijn van uwen arbeid en van uwe smart. Tevergeefs zal men u aan de heerschappij van deze wet zoeken te onttrekken; het woord is gesproken: de arbeid blijft, voor altijd!
En de mensch is heengegaan, en heeft de onverbiddelijke wet op zijne nakomelingen overgebracht.
Gij ziet het. God zelf verkondigt den arbeid als eene voorwaarde des levens; en onder een verheven eenvoudig beeld geeft Hij er eene bepaling van en eene verordening, wier begrip door het verstand des menschen niet kan vervalscht en wier macht door zijn wil niet kan vernietigd worden. En zoo de nakomelingschap ooit de verplichting en de beteekenis van den arbeid vergeten mocht, dan heeft zij, om daarvan het begrip terug te vinden en het gezag te herkennen, zich slechts aan het door God gesproken woord en aan het door Hem geteekende beeld te herinneren.
aar neen, het nageslacht heeft noch dat woord noch dat beeld kunnen vergeten. Overal en altoos heeft de menschel ijke natuur met do onsterfelijke herinnering tevens het onverwinnelijk instinkt van die haar opgelegde wet behouden. Ten trots van de menigwerf herhaalde poging, om de menschheid aan de heerschappij van die wet te
- 13 -
onttrekken, blijft toch de onuitroeibare overtuiging er van door allo eeuwen bestaan. *
In tijden van ontzettende verwarring treden er soms mannen op, om van den arbeid en zijne smart partij te trekken voor hunne zelfzucht. Terwijl zij den mensch in de kracht zijns levens nog zien werken met zweet op 't voorhoofd, gelijk een maaier in de middaghitte, zeggen zij tot hom op meewarigen doch huichelenden toon: âHoe! sedert zesduizend jaren nog altoos aan den arbeid; aan een arbeid met smarte gepaard?.... Lang genoeg zijn een wreede beschaving en een sombere godsdienst hand aan hand gegaan, om daaraan de wijding van hemel en aarde toe te kennen. Wij zullen het verdrijven dat akelige schrikbeeld! Wij zullen maken dat genieten en arbeiden een en hetzelfde zij!quot; Aldus hebben zij gesproken de hervormers van dezen tijd, brandend van begeerte om de werkelijkheid der eeuwen te doen vervangen door eene denkbeeldige wereld, die zij in hunne stelsels geschapen hadden.
De wet des arbeids geheel en al te loochenen, ware een handtastelijke ongerijmdheid geweest. Trouwens hot is zonneklaar, de menschheid moet voortbrengen, wil zij leven, zij moet werken, wil zij voortbrengen. Daarom verkondigt men in onze dagen die wet gebiedend; wat zeg ik?... men overdrijft haar door theorieën, die der menschelijke natuur de smadelijkste eischen stellen. Men eischt, dat alle verschil van levensstand voor het ideaal eener onmogelijke maatschappij vordwijne; men eischt
- 14 -
dat een ieder werkman zij, heel de wereld eene werkplaats, en al hare rijkdommen een soort van feest, waar een iegelijk liet recht heeft te verbruiken naarmate hij voortbrengt, dat is, naar gelang hij werkt.
Docli aangezien het volstrekt onmogelijk is, dat allen gezamelijk aan eene oproeping tot moeite en smart zullen gehoorzamen, belooft men onder den naam van arbeid eene bezigheid zonder inspanning, wier aantrekkelijkheid en harmonie alle kommer en leed verdrijven.
Op zulke wijze hebben zij het beproefd, aan den arbeid eene andere gedaante te geven, wijl zij overtuigd waren hem onmogelijk te kunnen afschaffen. Luide hebben zij het verkondigd, dat spoedig, door het toovermiddel eener nieuwe opvoeding en nooit gekende beschaving, de mensch zijne handen bereidvaardig leenen zal, om, onder het geheimzinnig genot van een aantrekkelijken arbeid, de aarde te beploegen; niet ongelijk aan een toonkunstenaar, die zijne vingeren laat gaan over de toetsen van het klavier, en voor anderen het genot der harmonie schept, zonder zichzelven te vermoeien. Hot was, terwijl zij voor de toekomst de maatschappij van arbeiders oprichtten, eene uitroeiing van don wortel des arbeids in hot hart der menschheid. Het was, onder den naam van georga-niseerden arbeid, hot volk de organisatie der luiheid beloven.
Dusdanig was de geest van den tijd; een zinnelijke, ontzenuwende geest, die helaas! ook het schoolgebouw is binnengedrongen, de studeerende jongelingschap de
zucht inblazend naar een arbeid, die louter vermaak, dat is, geen arbeid meer, wezen zou.
De menschlieid luistert een oogenblik met droevige verbazing naar die nieuwe openbaring; doch wisselt spoedig hare verbazing tegen het gevoel van verachting, en terwijl zij hoofdschuddend en weemoedig glimlachend de dwaling laat voorbijgaan, roept zij uit: âDie mannen drijven den spot met mij!... Sinds de eerste dagen van mijn zesduizend-jarigen levensloop, sleep ik rusteloos mij voort van de eene vermoeienis naar de andere. Do wet mijner kindsheid; in arbeid zult g ij 1 e v e n, e n arbeiden in vermoeiing, bestaat nog heden gelijk vóór zestig eeuwen. Wil ik leven in het oord mijner ballingschap, dan moet de door mij uitgestrooide zaadkorrel ontkiemen en vruchten voortbrengen in het zweet dat droppelt van mijn hoofd. Hoe is alles, in en om mij heen, veranderd sedert de verloopen zesduizend jaren 1 Veranderd zijn mijne denkbeelden, mijne zeden, mijne instellingen; alles heeft eene verandering ondergaan. Doch te midden van al die onvermijdelijke omkeeringen bleef één ding. aan mijn bestaan noodzakelijk verbonden, on-veranderlijk standhouden: de smartelijke arbeid. En men zou mij doen gelooven, dat arbeiden spoedig niet anders meer zijn zal dan genieten!... Laat die dwazen hunne hersenschim najagen! Ik gevoel de werkelijkheid in mijn binnenste; ik gevoel, dat voor mij tot aan den laatsten mijner dagen, waarop God mij het loon toereiken zal, het leven een w erken en het werken een 1 ij d e n is.
16
Zoo luidt do algcmeene echo der eerste wetsverkondi-ging van den arbeid; eeno eclio die, van eeuw tot eeuw, van afstand tot afstand weerklinkend en aan ieder herhalend wat zij aan allen herhaalt, eiken mensch tot een levende getuige maakt van dat koningschap des arbcids, waarvan hij de niet te verdelgen heerschappij blijft bevestigen door al de inspraken zijner natuur en alle neigingen zijns levens.
^och het doorslaandste bewijs voor en de welsprekendste verkondiging van de wet des arbeids is de getuigenis der feiten, de stem der geschiedenis. Zoo de menschelijke natuur harmonisch medestemt in het door God gesproken woord, de stem der geschiedenis is met beide in nog volmaakter harmonie.
De gewichtige leering, die ons, uit dit gezichtspunt, de eeuwenoude ontwikkeling van des menschen werking op aarde aanbiedt, is deze: overal, waar zich de macht zijner vrijheid uitstrekt, schept hij alles doorzijn arbeid. Zijne heerschappij over de physieke natuur is eene toenemende verovering van het werk zijner handen ; elke stoffelijke kracht, die hij onder zijn schepter brengen wil, geeft zich slechts gewonnen aan het geweld door den arbeid op haar uitgeoefend. Do nijverheid, uit den arbeid gesproten, gaat in gelijken tred met den arbeid vooruit; en de weg van den stoffelijken vooruitgang, waarop het genie onzer eeuw zijn eenigen roem stelt, is besproeid met de zweetdroppelen van vervlogene eeuwen.
Wat dc arbeidzaamheid teweegbrengt op stoffelijk gebied, datzelfde werkt zij uit op het gebied der kunst, der schoone letteren en der wetenschap. Overal, waaide mensch zijne geestkracht tot voortbrengen ontwikkelt, zien wij zijne scheppingen ontstaan uit de weeën, door zijn arbeid vruchtbaar gemaakt; zien wij de meesterstukken der gedachte, der kunst, der poëzie, der welsprekendheid, gelijk de werken der nijverheid, de wijding tot onsterfelijkheid ontvangen uit de hand van den arbeid. Deze is in de orde der natuur do grootste wonderdoener; door hem worden der menschen wonderen gewrocht.
Gaat ze na op den weg der eeuwen de luisterrijke sporen, door de keur van ons geslacht in de geschiedenis achtergelaten: wat er groots en machtigs, schoons en voortreffelijks gevonden wordt, heeft die grootheid en macht, die schoonheid en voortreffelijkheid aan den arbeid ontleend. De scheppingen van het genie dragen er den muntslag van. Zij worden uitgevonden door de geestdrift, doch uitgevoerd door den arbeid; de vinding gaat met vreugde, de volvoering met smarte gepaard.
Vandaar het verschijnsel, dat het genie, bij de totstandbrenging zijner gewrochten, beurtelings door vreugde en smart, door geestdrift en weemoed bezocht wordt. Elke kreet van bewondering beantwoordt aan een zijner zuchten. Gelijk eene moeder, blikkend op hare kinderen, zich al haar lijden herinnert, zoo mag de mensch, schouwend op zijne werken, met volle recht uitroepen: kinderen m ij n e r s m art z ij t g ij! Hierin is dan ook
- IS -
misschien het geheim te zoeken van de sympathie, die hij behoudt voor alles wat hijzelf heeft voortgebracht. Hij herkent in zijne werken niet alleen het beginsel van zijn leven, maar ook het gevoel zijner smart.
O, kon ik hier voor u oproepen de groote mannen, die den roem geweld aangedaan en de onsterfelijkheid verworven hebben. Zij zouden allen voor u verschijnen omstraald van luister maar met den ernst op 't gelaat, en ii toonen het onvervalschte merk van een afmattenden arbeid, zoowel op hunne meesterstukken als op hun voorhoofd geprent.
Gij zoudt hem zien, den onsterfelijken vorst der welsprekendheid, Demosthenes, hoe hij met onwankelbare geestkracht en ongehoorde inspanning worstelt tegen de hindernissen eener natuur, die hem de overwinning op het spreekgestoelte scheen ontzegd te hebben. Gij zoudt hem zien, hoe hij in de eenzaamheid de bliksems zijner welsprekendheid smeedt, die later, op het hoofd van Philippus geslingerd, als voortrollende donderslagen van eeuw tot eeuw met versterkt geluid worden gehoord.
Gij zoudt Vergilius zien, wiens zoetluidende poëzie, een zwanezang gelijk, alle geslachten in verrukking brengt; Vergilius, die op het sterfbed zijn heldendicht in de bevende hand houdt en gereed is het te verscheuren, omdat hij het, ondanks de twintig jaren arbeids daaraan besteed, noch hem noch der nakomelingschap waardig keurt.
Gij zoudt Bossuet zien, dien men naar waarheid ge-
~ 19 â
noeiml heeft: âla plus grande parole de runiversquot;; Bossuet wiens genie, verheven en breed als de vlucht van den adelaar, de grenzen der menschelijke welsprekendheid schijnt uit te zetten. Gij zoudt hem zien, dien beroemden man, hoe hij in zijne afzondering te Meaux dagelijks den morgenstond vijf uren vooruitsnelt, om zich aan den arbeid en de overweging te wijden; hoe hij daar zijne meesterstukken schept, waarvan vinding en uitwerking ons leeren wat al inspanning en arbeid hij daaraan moet hebben besteed; onovertreffelijke scheppingen waaromtrent de nauwlettendste waarnemer het niet waagt te beslissen, of het genie dun arbeid of de arbeid het genie overtroffen heeft.
Eindelijk zoudt gij, maar in een andere orde, den H. Franciscus Xaverius zien; en met hem al de apostolische mannen, die zich door werken en lijden een vruchtbaar vaderschap verwerven en eene ziel veroveren, gelijk Columbus een werelddeel, te midden van de kwellingen des levens en de benauwdheden des doods; onvermoeide arbeiders, die eerst dan met blijdschap maaien, nadat zij met tranen hebben gezaaid; die in 't zweet des aanschijns en in den strijd der ziele het werk voortzetten des heils, dat ontsproten is uit de zweetdruppelen en den doodstrijd des Heeren.
Zoodanig verschijnt ons in den loop der eeuwen de werkelijke menschheid. Zoodanig wordt zij overal en altoos aangetroffen, voortbrengend in arbeid en arbeidend in vermoeienis. In heel de geschiedenis doet zij bij 't ge-
- 20 -
druisch der werkzaamheden haar vonnis en hare wet weerklinken In het Oosten en het Westen, in het Zuiden en het Noorden, lieden en gisteren, altoos staat zij daar in de onveranderlijke houding van den smartvollen arbeid.
Ik zie den mensch gebogen hier met afgematte leden over een aanbeeld en ginds met de bleekheid op het gelaat over een boek; ik zie hem vorschen in de geheimen der natuur om er een genieting uit te trekken, en in de diepten der waarheid om er een meesterstuk uit op te delven; ik zie hem een zaadkorrel strooien om een graanoogst te winnen, en het zaad des Evangelies uitwerpen om een geslacht van heiligen te verwekken: en toch zij allen, hoe verschillend ook hun werkkring zij, dragen den niet te verminderen last van het men-schelijk lot. En wanneer ik hen ondervraag, wat naar de wet huns levens de voorwaarde is van hunne werken, dan rijzen allen op, om eenstemmig getuigenis te geven; en het voorhoofd afwisschend zeggen zij met een diepen zucht: âWij, zonen van onzen eersten stamvader, eten als hij ons brood bevochtigd met ons zweet. Wij, kinderen van onze eerste stammoeder, brengen als zij in smarten voort. Zie, alles wat door ons gemaakt wordt, draagt het onuitwischbare merk van die wet, door God gedrukt op onze werken als het teeken hunner volkomenheid, en op ons gerimpeld voorhoofd als het zegel der tnenschelijke grootheid en waardigheid.quot;
- 21 -
|oo verkondigen dus de stem der geschiedenis, de stem der natuur en de stem van God eenparig: d e mensch wordt geboren om te arbeiden; de arbeid is de wet des levens.
Gelijk nu elk wezen zich volmaakt door de nakoming zijner wet, en zich verderft door hare overtreding, zoo ook verheft of verlaagt zich de menschheid, naar gelang zij de levenswet van den arbeid nakomt of overtreedt.
Wordt de arbeid naar de juiste maat der behoeften en krachten verdeeld, en overeenkomstig de eischen der natuur aangewend, dan werken deugd, macht en orde te zamen om de volkeren groot, krachtig en gelukkig te maken; welvaart en overvloed en vrede vloeien met volle stroomen, en uit den hoogen ziet God met welgevallen neder op het menschdom dat zijn plicht vervult en zijn wet naleeft. En zoo die arbeid, gematigd door de goddelijke wet eener herstellende rust, bovendien eenmaal elke week versterkt en gelouterd wordt in de heilige bronnen van den godsdienst, dan biedt het menschelijk geslacht ons een schouwspel, dat hemel en aarde in verrukking brengt, omdat het daardoor toont, hoezeer de harmonie van arbeid en rust, vereenigd in zijne natuur on geheiligd door de wet van God, den roem en het geluk der volkeren bevorderen kan.
Wordt integendeel de overtreding van die wet een algemeen verschijnsel, dan verlaagt en verderft zich de menschheid; zij vervalt tot den staat eener zoo diepe vernedering en eener zoo tastbare ontaarding, dat zij
22 â
van het uiterlijke en de waardigheid des menschen slechts zóó veel schijnt over te houden als noodig is, om de diepte van haren val en de schande van hare verbastering te getuigen.
Een algemeen, voortdurend, ontzettend feit stelt deze waarheid in een helder licht, omdat het ons leert hoe de mensch geneigd is om zich in de luiheid te verlagen; dit feit is de toestand der wilde volken.
De toestand der wilde volken is de toestand eener vervallen en verbasterde menschheid. De wilde volmaakt zich niet, maar verderft zich; hij verheft zich niet, maar verlaagt zich; en zoo hij op die helling niet wordt tegengehouden, dan onttrekt zijn leven zich noodwendig aan de wet van den vooruitgang en geraakt onder de wet van een voortdurend verval.
De algeheele verlaging van het menschelijk leven heeft plaats gelijktijdig met de algeheele staking der werkzaamheid of de heerschappij der luiheid. Naarmate de werkzaamheid bij een volk vermindert, naar die mate ook gaat de beschaving achteruit; zoodra de werkzaamheid geheel en al ophoudt, gaat ook de beschaving terzelfder tijd te gronde; en uit de diepte van hetzelfde graf verhopen beide van hetzelfde wonder een gemeenschappelijke opstanding.
Daarom ook zien onzo geloofsverkondigers, die met het woord des Evangelies aan ruwe volksstammen de kiem eener christelijke beschaving brengen, hunne pogingen om de barbaarschheid te overwinnen niet eerder geluk-
- 23 -
ken, dan nadat zij die arbeidschuwe menschen liefde tot den arbeid hebben ingestort. Zoolang zij de vadsige natuur van den wilde niet door den arbeid hebben gestaald, blijft hij, ondanks de beschavende kracht des Christendoms, een wilde: een verlaagd, diep gezonken wezen, dat, èn om zijne onvruchtbaarheid tot het goede èn om zijne vruchtbaarheid tot het kwade, zich als een dubbel ijselijk schouwspel aan 't oog van den waarnemer vertoont.
Welnu, mijne jeugdige Vrienden, â en hier bid ik u om vernieuwing uwer oplettendheid, daar ik overga tot het deel mijner rede dat u meer in 't bijzonder aangaat â, dit feit van zedelijk verval, hetwelk u te recht met huivering vervult, zien wij eveneens plaats grijpen bij den beschaafde; het verwezenlijkt zich bovenal in den jongeling, naarmate hij zich aan den arbeid onttrekt en zich aan de luiheid overgeeft: het is dezelfde wet, maar onder een andere verhouding voltrokken.
Daarom aarzel ik niet te beweren, dat een jongeling, die de vruchtbare wet des arbeids verwaarloost, niet zijne opvoeding maar zijne ontaarding bewerkt. Hij volgt in zekeren zin die menschheid na, welke de luiheid tot den staat van barbaarschheid hoeft doen vervallen. In stede van zich te verheffen, verlaagt hij zich, omdat hij, door de wet des levens te overtreden, terzelfder tijd de w e t der o p v o e d i n g schendt.
II.
(gge opvoeding â is er voor den mensch wel een goed zoo kostbaar en gewichtig? Kostbaar is het voor hem die het ontvangt, gewichtig voor hem die het geeft. Een jongeling te vormen, voor een ambt te bekwamen, hem door den invloed van geest en hart en woord eene hem waardige grootheid en schoonheid te geven: 't is inderdaad een edel werk!
Maar, begrijpt het wél wat ik reeds bij den aanvang zeide: dit werk, dat hier voor n en in u ondernomen wordt, kan niet voltooid worden zonder u. Zonder uwen arbeid, is uwe vorming onmogelijk.
Tevergeefs zou uw jeugdig leven, gelijk een bevoorrechte plant, in een vruchtbaren en zuiveren dampkring zijn overgebracht; vergeefs zouden natuur en genade, aardsche en hemelsche invloed te zamen, trachten u te ontwikkelen: indien er in uw binnenste geen vrijwillige werking aanwezig is, die aan de werking buiten u beantwoordt, zullen natuur noch genade, goddelijke werking
noch menschelijke medewerking van u maken, wat de opvoeding van u maken moet: mannen.
In waarheid, elk geschapen wezen heeft de roeping, zich naar zijn eigen wet te ontwikkelen. De opvoeding des levens geschiedt volgens de wetten des levens, en de opvoeding van den mensch is niets anders dan zijn eigen ontwikkeling overeenkomstig de wetten die zijne natuur beheeren. Wijl nu de arbeid, gelijk wij gezien hebben, voor den mensch eene grondwet is, zoo volgt hieruit onmiddellijk, dat zijne volmaking of opvoeding slechts in en door arbeid mogelijk is; met andere woorden, zonder arbeid kan hij zich niet verheffen, is hij voor volmaking niet vatbaar.
Het eigenaardig karakter, het verheven kenteekon, waardoor do vorming des menschen zich onderscheidt van de vorming der andere geschapen wezens, is de vrije krachtsinspanning, de vrijwillige arbeid. Geeft aan een plant den grond, de lucht en het licht, die haar toekomen: de plant groeit op en ontwikkelt zich, hare opvoeding is onvermijdelijk Daar zijzelve geen inspanning aanwenden kan, gebiedt de Voorzienigheid haar, de werking op te volgen van krachten, die haar tot ontwikkeling brengen. Geheel anders is het gesteld met de opvoeding van het wezen, door De Maistre zoo juist genoemd; âla plante humaine.quot; De mensch is een handelend wezen, zijne ontwikkeling moet handelend zijn; hij is een vrijwillend wezen, zijne ontwikkeling moet vrijwillig zijn; hij is een gevallen wezen, zijne ontwikkeling moet met arbeid gepaard gaan;
- 26 -
hij verheft zich niet, tenzij met inspanning van zichzelven. Zijne natuur stelt zijn geregelde ontwikkeling hindernissen in den weg: deze moet hij door zijn geestkracht te boven komen. Hij moet door een moeizaam gegraven vore het bewijs leveren van den arbeid die hem is opgelegd, of liever, dien hijzelf op zich heeft genomen om met zijn Schepper mede te werken aan de vorming van zijn leven. Hij is het meesterstuk van God; maar tot voltooiing daarvan moet hij het zijne bijdragen. Beter nog dan zijn eigen werken voltooit en volmaakt hij zichzelven. Aan zijn arbeid ontleent hij het zegel zijner volkomenheid; en alleen op voorwaarde, dat hij zich bewerke, vervorme en verbetere, kan hij in de dagen zijner jeugd de eer zijner mannelijke jaren verdienen. Zonder dezen persoonlijken arbeid, waardoor de jongeling zich vormt en beschaaft, wordt zijne opvoeding niet alleen niet voltooid, maar bedorven. Hij verheft zich niet, maar daalt; hij daalt naar den geest, naar den wil en naar het hart, en in dit drievoudig opzicht bewerkt hij in zichzelven het menschelijk verval door eene luiheid, die hom on teert en hem onterft van zijne waardigheid.
Door de trapsgewijze en harmonische ontwikkeling van geest, wil en hart wordt de opvoeding voltooid en komt de jongeling tot de grootheid van den man.
Nu vraag ik allen, die zich met het zoo moeilijke werk, de vorming van den jongen mensch, belast hebben: wat wordt er van hem zonder dien persoonlijken arbeid, zonder die vrijwillige oefening van zijn hoogere vermogens? Wat
wordt er van zijn geest, zijn wil en zijn hart, deze drie takken van het zedelijk leven, waardoor hij moet opgroeien, krachtig worden, zich uitbreiden en, gelijk een welig opgeschoten boom, zich bekleeden met bladeren, bloemen en vruchten?
vooreerst, wanneer ik de ontwikkeling van den g e e st slechts uit het oogpunt van 't onder w ij s beschouw, kan ik de vraag stellen: wat wordt er van den geest zonder des jongelings arbeid? De geest, eenc straling .der Godheid in den mensch, dien hij ontvangen heeft om naar het firmament der gedachten te schouwen, gelijk hij oogen heeft om op te zien naar het firmament der sterren; de geest, door God geschapen om hooger dan de hemelen te stijgen, de grenzen der werelden te overschrijden en glansrijker dan alle zonnen te schitteren: wat zal er â ik vraag het u â van zijn geest worden, indien de luie jongeling, als een lafhartig soldaat, het machtige wapen van den arbeid moedeloos afwerpt? â Onvermijdelijk wordt hij bekrompen, oppervlakkig en beneveld; hij breidt zich niet uit, maar krimpt in; hij fladdert over de oppervlakte der dingen, en dringt tot hare diepten niet door; hij ziet slechts bij een vluchtige schemering, doch niet bij dat gestadige licht, waarbij de geest de waarheid aanschouwt gelijk ons oog de klaarheid van den dag; hij verliest den omvang, de doordringendheid en de helderheid, dat is, al de eigenschappen, die tot verkrijging van ware wetenschap gevorderd worden.
- 28 -
Hierover moet niemand zich verwonderen: de wetenschap is eene overwinning, die door den geest in het strijdperk der studie met het noodige wapen van den arbeid wordt behaald. Dit is de regel voor de ontwikkeling van den geest; en ik zou aan den plicht der oprechtheid te kort doen, indien ik hier niet voor het oog der werkelijkheid eene illusie deed verdwijnen, die in uwen leeftijd maar al te dikwerf voorkomt.
Jongelieden, met uitnemende geestvermogens begaafd, zijn blootgesteld aan eene verzoeking even verderfelijk als verleidend, de verzoeking namelijk van te gelooven aan de almogendheid van liet talent. Ontwaart de jongeling in zijn binnenste maar een weinig van datgene, 't welk het talent zoo niet het genie uitmaakt, dan is hij al aanstonds geneigd, in zijne gelukkige natuur eene vruchtbaarheid te veronderstellen, die zonder eenige moeite voortbrengen zal. Hij maakt zich diets, dat hij later het voorhoofd, de bewaarplaats der gedachten, maar even met den vinger heeft aan te raken, om daaruit wonderen te doen ontspringen. Te laat komt de ondervinding die heerlijke illusie verdrijven, waarmee de laatdunkende zich tragelijk gevleid had. Die bevoorrechte vernuften, welke bij hunne eerste ontluiking zooveel heerlijks beloofden, leveren niets op dan ontgoochelingen vol bitteren spijt. En zij, wier lente zoo rijk aan bloemen was en een mil-den oogst in de rijpheid des levens verhopen deed, maken door onwetendheid hunne talenten te schande en door de werkelijkheid van hun leven alle verwachtingen ten
- 29 -
spot, terwijl zij hunne familie, de maatschappij en meer nog zich zei ven een wreede teleurstelling berokkenen.
Het talent is de voorwaarde der vruchtbaarheid, het is niet de vruchtbaarheid zelve; God schenkt het den mensch, maar deze heeft de roeping, het vruchtbaar te maken. Het talent is een middel tot de wetenschap, hot is niet de wetenschap zelve; maar op den mensch rust de verplichting, om het met alle krachtsinspanning de roemvolle wegen der wetenschap te openen.
Zoo gij niet werkt, zult gij nimmer ware geleerden worden, al heeft ook de natuur u overvloedig met hare gaven uitgerust. Een veelomvattende, heldere en grondige kennis, verworven zonder voorafgaande nijvere arbeidzaamheid, is een verschijnsel, dat men tot dusverre nog niet heeft waargenomen. De mensch weet slechts wat hij onthoudt, hij onthoudt wat hij leert en hij leert wat hij vat, dat wil zeggen 't geen hij door de werkzaamheid van zijn geest met geweld in zich opneemt; en dit is, als ik mij niet bedrieg, de wijsgeerige zin van het eenvoudige en diepe woord 1 e e r e n.
Doch ik beschouw den arbeid niet enkel uit het oogpunt van het oude r w ij s, maar vooral ten aanzien van Je opvoeding.
In de opvoeding vormt de arbeid meer dan g e 1 e e r-d e n, hij vormt m a n n e n. Daarom ook is het gevaarlijkste letsel, dat de werkeloosheid een' jongeling, met betrekking tot de ontwikkeling van zijn geest, toebrengt, niet de onwetendheid maar de onberadenheid; zij
80 -
maakt hem niet enkel ongeschikt om te. weten, maar bovenal onmachtig om vooruit t e z i e n. Hierin ligt het onfeilbaar kenmerk van zijn zedelijk verval en een eerste trek van gelijkenis met den wilde.
Hoe gaat hij te werk, die sterkgebouwde doch niet gevormde zoon der wildernis? Vadsig uitgestrekt onder den boom, die zijne takken over hem nederbuigt, plukt hij de hem aangeboden vrucht ter voldoening van zijn eetlust; en zoodra hij den eersten ademtocht van don winter gevoelt, velt hij dien boom om hem tot verwarming te gebruiken. Nadert den arbeidschuwe en zegt hem, dat hij uit een bebouwden grond een vollen oogst kan winnen; geeft hem ploeg en os om de eerste voren te openen: wat zal hij doen? De Maistre geeft ons het antwoord: â11 tue le boeuf, pour en manger le chair, et il brüle, .pour la faire cuire, le bois de la charme,quot; hij slacht den os en verbrandt den ploeg om gebraden vlecsch te eten; hij zorgt niet voor de toekomst. De oogenblik dien hij doorleeft geldt hem voor geheel zijn bestaan; en eiken dag teert hij op, waarvan hij den volgenden dag zou moeten leven.
Hoogst opmerkelijk is het, dat deze onbedachtzaamheid, die bij den wilde het kenmerk is van de bekrompenheid zijns geestes, ook in het midden der beschaving gevonden wordt bij hem die niet arbeidt; men vindt haar vooral bij don luien jongeling in het tijdperk zijner opvoeding.
Houdt het oog op hem. die door den kanker der luiheid is aangetast. Welk eene zorgeloosheid voor de toekomst;
- 31 -
Welk eene onverschilligheid aangaande zijne bestemming! Welk eene verwaaiioozing van de meest gewettigde verwachtingen! Zegt hem, dat hij in de lente zijns levens de vruchten van zijn rijperen leeftijd verwoest; zegt hem, dat, als hij zóó voortgaat, zijn leven later worden zal gelijk hijzelf het gewild heeft: een leven van onvruchtbaarheid, machteloosheid en onbeduidendheid! ... En om hem beter tot nadenken te brengen, doet een beroep op zijne liefde; raakt de gevoeligste snaar zijns harten aan : spreekt hem van zijn vader, van zijne moeder. Zegt hem, dat hij, in plaats van voor zijn vader eene kroon der eere en voor zijne moeder een krans van vreugde te vlechten, aan hem slechts schande en aan haar niet dan droefenis bereidt, en dat die droefenis en schande hemzelven wroeging en smart zullen berokkenen. Spreekt hem eindelijk toe in bewoordingen, die in staat zijn om geest en hart van een rechtschapen zoon met een onverwinnelijke geestkracht te wapenen: âIndien gij niet werkt, zult gij uw vader van schaamte doen blozen en uwe moeder van spijt doen schreien!quot; Hij begrijpt u niet; het tegenwoordige is voor hem alles, de toekomst niets. Hij wil genieten zonder te werken, of niet werken tenzij om te genieten. Ook hij plukt, zonder zorg voor de toekomst, de vrucht af, die het tegenwoordige hem aanbiedt : hij ziet niet vooruit.
Alzoo draagt de luie jongeling door een dubbele verlaging van zijnen geest, die niets weet en zich om niets bekommert, het zichtbare merkteeken van zijn eigen verval.
- 32 -
och er is nog een grooter verval, waartoe de luiheid onvermijdelijk voert, 't is de verzwakking van den w i 1.
De sterkte van den wil maakt bovenal den man, daarin is zijn waarlijk eigenaardige geestkracht gelegen. De wil is hot forsche mannelijk vermogen; de wil is de mensch zelf. De H. Augustinns, wiens genie de dingen bij hun waren naam noemt, omdat hij er diep in doorgedrongen is, aarzelt niet te zeggen: âde mensch is een wilquot;; alsof de geheele mensch zich in dat vermogen laat samenvatten. Inderdaad, daarnaar wordt hij afgemeten. De geschiedenis bewijst het: in groote wereldgebeurtenissen, die het lot der volkeren beslissen, hebben mannen van krachtigen wil den grootsten invloed; en zij, die door hunne wilskracht de vrijheid van een volk bewerken, worden in hunne zegepraal begroet met de woorden: âDat zijn mannen, zij zijn van liet geslacht dergenen, die ten allen tijde Israël gered hebben.quot; (1 Mach. V, G2.)
Deze bepaling eenmaal aangenomen, hebben wij in de opvoeding, die zich de vorming van mannen ten doel stelt, het groote praktische vraagstuk op te lossen: waarin namelijk het geheim ligt, om den jongeling, die een man moet worden, met een sterken, waarachtig mannelijken wil toe te rusten.
Ik vraag dan: wat zal er zonder arbeid worden van den wil, dien verheven vassal Gods in het rijksbestuur des mensch en; van den wil, die hemel en aarde schijnt te gebieden; van den wil, die lier en zegepralend zich eun roemrijken weg baant door alle beletselen, wdke de
natuur zijn veroveringen tegenwerpt; van den wil, in één woord, die koning is in den mensch, gelijk de mensch zelf koning is in de schepping; wat zal er worden van den wil, indien de jongeling, in spijt van de uitstekendste opvoeding, niet arbeidt? Ik zal het u zeggen: die wil wordt van dag tot dag zwakker, machteloozer en nietiger. En 't geen hem nog rest, om aan zijne handelingen den spoorslag en aan geheel zijn leven de beweging te geven, is geen wil meer, maar een schijnbeeld van den wil, iets dat nog wel schijnt te willen, maar metterdaad niet meer wil. âDo luiaard wil en wil nietquot; zegt de H. Schrift. (Psov. XIJI, 4.) Het oogenblik, waarop hij een besluit vormt, is tevens het tijdstip, waarop dat besluit zich vernietigt. Gelijk een zwaar gekwetste slang met moeite de verbrijzelde lichaamsdeelen voortbeweegt, zoo sleept de wil van den luiaard met gebroken kracht zijne verminkte werken op den levensweg na. Zijn machtelooze wil heeft ternauwernood de kracht om begeerten te verwekken; maar welke begeerten ? IJdele begeerten, door de luiheid veroordeeld om onvermijdelijke misgeboorten te worden; begeerten onvruchtbaar voor anderen en verderfelijk voor hem; niemand het leven schenkend en hem den dood aanbrengend. âDe begeerten des luiaards dooden hem.quot; (Pkov. XXI, 25.)
Alsdan kunt gij van den zoodanige, wiens wil tot die laagte is afgedaald, niets verwachten. Neen, verwacht niets van hem, want, ik verzeker u, hij zal niets ten uitvoer brengen.
- 34 -
Om iets uit te voeren, is er stoutheid noodig; men moet de moeilijkheden aandurven. De luiaard durft niet; hij is bang en zegt: âEr is een leeuw op den weg!quot; Zijne verbeelding overdekt den weg der waarheid en liet pad der deugd met schrikbeelden, en fluistert hem in; âniet verder!quot; en hij blijft staan. (Prov. XXVI 13.)
Om iets uit te voeren, is er geestkracht noodig. De luiaard bezit geen geestkracht. De luiheid stort in zijne ledematen ik weet niet welk eene loomheid, vadsigheid en slaperigheid. Zijue handen hangen slap langs het lijf, zij zijn werkschuw. (Prov. XIX, 15; XXI, 25.)
Om iets uit te voeren, is er standvastigheid noodig. De luiaard is een veranderlijk wezen. Ik heb een jongeling gekend, wiens wilsvermogen zoodanig verslapt was, dat hij zijn voornemen, om handen aan 't werk te slaan, geen drie dagen kon volhouden. Ja, zoo de luiaard soms eenige kracht aanwenden kan, toch kan hij zeniet doen voortduren. Indien hij door een eerste wonder durft, door een tweede begint, dan is er nog een derde wonder noodig, waardoor hij het begonnen werk voltooit; en dit laatste zal niet gebeuren. Wel kan hij zeggen: âik heb gedurfdquot;; zeggen kan hij ook: âik heb handen aan 't werk geslagenquot;; maar hij zal niet kunnen zeggen: âik heb het ten einde gebracht.quot; Hij zal nimmer iets voleindigen. Daarom ook zal hij nimmer zijn koningschap versieren door den luister zijner werken. Wat zeg ik? Dat koningschap heeft hij reeds verloren, het is gevallen en verdwenen met zijn wil. De opstand tegen de souvereiniteit
van den arbeid heeft zijn eigen souvereiniteit ten ondergang gebracht. Weggeworpen heeft hij zijn kroon, verbroken zijn schepter. Ten bate zijner luiheid heeft hij afstand gedaan van de grootste eer, de hoogste majesteit des menschen: zichzelven te beheerschen en met sou-vereinen wil de hindernissen te overwinnen, die zijn koninklijke handeling in den weg staan. Tot zulk eene diepte is hij afgedaald, tengevolge der machteloosheid van zijn wil, en hij toont ons in die machteloosheid zelve het tweede kenmerk der verlaging, waartoe hem zijn afkeer van den arbeid gevoerd heeft.
De jongeling daarentegen die nijverig werkt, schept zich eene macht, die met iedoren dag toeneemt, omdat hij een wil heeft die zich voortdurend sterker maakt. Wijl de moeilijkheid, gelijk wij gezegd hebben, tot het wezen van den arbeid behoort, zal hij telkenmale, als hij arbeidt, een hinderpaal omverwerpen en eene overwinning behalen. De edelmoedige gewoonte van zichzelven te overwinnen maakt hem sterker dan alles wat buiten hem ligt. Hij wordt sterker na elk bezwaar, dat hij te boven komt; hij verheft zich na elk beletsel, dat hij wegruimt; met eene zielskracht, waaraan niets kan wederstaan, zegt hij: âik wil!quot; en de ten onder gebrachte natuur bereidt hem op den gebaanden weg een zegetocht. Hij heeft zijn wil verhard in de weldadige wateren van den arbeid, hij heeft gedronken aan den stroom des lijdens; daarom zal hij fier het hoofd opheffen en voorttreden van overwinning tot overwinning.
- 3G -
if
||s de invloed van den arbeid reeds zoo groot op de ontwikkeling van den geest en van den wil, wat zullen wij dan zeggen van de 'werking, die hij oefent op de vorming van het hart?
Het hart â men moet er wel van spreken als er over de opvoeding gehandeld wordt â liet hart is het middelpunt des levens; en bij den mensch zoowel als bij elk ander wezen, dat voor wasdom en ontwikkeling vatbaar is, gaat alle ontluiking van dit middelpunt uit. Eene opvoeding, die het hart niet raakt, is in den grond gebrekkig; de vorming van het hart is haar hoofdwerk.
De opvoeding, die den mensch en zijne bestemming wèl begrijpt, houdt bij des jongelings hart de wacht, gelijk de priester bij het heiligdom. Maar neen, dit ware niet voldoende! Zij treedt er binnen, en maakt daar voor het oog van God de zaden vruchtbaar van al het goede, ware en schoone, die zij daarin heeft uitgestrooid.
Welnu, ik vraag het met innige bezorgdheid: wat zal er worden van het zoo teedere en krachtvolle hart, dat met zijne liefde stroomen van weldadigheid, poëzie en welsprekendheid uitstort; van het hart, dat bij zijn eerste ontluiking zich opent als de schoonste bloem door God op aarde geplant? Ach! wie zal het ons zeggen, als de luiheid, die alles bezoedelt en onteert wat zij aanraakt, ook daarbinnen onherstelbare verwoestingen heeft aangericht ?
Helaas! dat hart, hetwelk zich in liefde behoort te ontplooien, zal zich terugtrekken in zelfzucht, en de vruchtbare bron der opvoeding afsluiten. Ik heb in het
hart van den jongeling de wonde der luiheid waargenomen en met tranen in de oogen den worm ontdekt, die aan de opvoeding knaagt.
Het is de taak der opvoeding, voor alles op te wekken toegenegenheid, edelmoedigheid en offervaardigheid. Welnu, het is eene algemeen erkende waarheid: de luiheid verstikt in het hart de edele kiemen der toewijding en der zelfopoffering. Hoe meer iemand de gewoonte verliest om door vrijwillige werkzaamheid zich te overwinnen, des te zelfzuchtiger zal hij worden. De zelfzucht en de luiheid zijn met elkaar op 't nauwst verwant: de eene is beducht zich moeite te geven, de andere is bang zich te overwinnen; vandaar is het geen wonder dat do luiaard zelfzuchtig is. En dit is een derde karaktertrek dien hij met den wilde gemeen lieeft: is zijn geest machteloos om vooruit te zien en zijn wil om iets te ondernemen, ook zijn hart is machteloos om te beminnen.
Beschouwt hem nauwkeurig den luiaard, die het onkruidder zelfzucht in zijn binnenste heeft laten opschieten, en leert hem ten volle kennen! Wat heeft hij waarlijk lief ? Niets, uitgenomen zichzelven en alles wat op hem betrekking heeft. De liefde vat hij op als een instinkt, niet als een plicht; als eene zelfvoldoening, niet als eene toewijding; en op den grond van zijne genegenheden, hoe geoorloofd en belangeloos zij ook schijnen, bespeur ik iets dat alles overheerscht, dat alles op één punt te zamen trekt, laat ik liever zeggen, dat alles bederft: de liefde tot zichzelven.
- 38 -
O, alsdan moet gij bij hem niet meer zoeken naar wat teeder, openhartig en edelmoedig is. Zulk een jongeling wordt even hard van gemoed als hij weekelijk van wil is; hij verliest do aanvalligheden, die het jeugdige hart versieren gelijk dauwdruppelen de lentebloem; hij stort geen enkele van die tranen meer, die een dichter zoo schoon genoemd heeft âles délicieuses larmes do l'atten-drissementquot;. Zijn hart verliest zelfs hot laatste overblijfsel der kinderlijke liefde, en toont zich ongevoelig voor het geluk, waarbij geen ander te vergelijken is, het geluk vader en moeder te zien schreien van vreugde over de vorderingen, die hun kind in deugd en wetenschap maakt. Onvermogend om de aantrekkingskracht der zelfzucht, die hem onophoudelijk tot zichzelven drijft, te overwinnen, kan hij buiten dien engen kring niet treden; hij sluit zich op in zijn eigen ik met zijn persoonlijke genietingen, en maakt zich even klein, bekrompen en verachtelijk als dat ik. Met zijne beminnelijkheid verliest hij eveneens zijne openhartigheid, alsmede zijne edelmoedigheid. De behoefte om een offer te brengen, den drang om een heldendaad te verrichten, de geestdrift om iets grootsch tot stand te brengen, kent hij niet; in een woord alles, wat het hart kan verheffen en tot vorming dienen van een groot man en van een roemvol leven, is hem vreemd. En wat hij in stede daarvan overhoudt? Niets dan het verlangen naar zelfvoldoening, het streven naar vermaak, de zucht naar genieting; dat is, niets dan zijn eigen ik en altoos ik,
- 39 -
als doel on middelpunt van alios op den voorgrond go-plaatst.
Wat zal er dan verder komen van het zoo rijke en overvloedige leven des harten? In een ellendige zelfzucht teruggetrokken, zal het zich oplossen in eene onvruchtbaarheid, die de inzichten des hemels en de verwachtingen der aarde bedriegt.
En ware die onvruchtbaarheid nog maar de laatste van zooveel ellenden; doch de luiheid drijft do verwoesting des harten nog verder. Dat leven, een onverwin-nelijken trek gevoelend om zich uit te breiden, zal zijn loop nemen, niet naar de hoogte â want daartoe mist het de kracht â, maar naar de laagte; zijn neiging volgend, zal het zich verliezen op de kronkelwegen des vermaaks, of zich werpen in de dwarreling der hartstochten. De stroom des levens, die het hart van den jongeling beweegt en zijne borst doet zwellen, heeft een uitweg noodig, hetzij ten goede of ten kwade; want het hart is aan eene bron gelijk, het heeft een onweerstaan-baren drang om zich uit te storten. Wordt zijne liefde niet met mannelijke kracht binnen de oevers gehouden, dan zal zij verwoestend overstroomen, in plaats van zich weldadig te verspreiden; zij zal den dood aanbrengen, waar zij het leven moest toevoeren; en te midden van buitensporigheden vol schande en van rampen vol jammer, zal zij ons toonen wat de tirannie der driften in het hart des menschen kan uitwerken.
In waarheid, het hart is de zetel en het leven der
â 40 -
driften. Dientengevolge is voor u de belangrijke zaak der opvoeding, die ook geheel het leven betreft, tot het hart teruggebracht. Zoo gij hier u niet streng aan arbeid en orde gewoon maakt, zult gij dan later in staat zijn, uw hart te bewaken, uwe driften te beteugelen? En wat zal er van u worden, bijaldien het hart niet bewaakt, de drift niet beteugeld is?
Ik schroom niet, op deze vragen te antwoorden: als gij niet werkt, zult gij uwe hartstochten niet overwinnen. Hoe! zoudt gij zonder een wonder, waarop gij geen recht hebt, de zegepraal kunnen behalen in dien vreese-lijken strijd? Do hartstochten zijn machtig, machtiger dan men zeggen kan; en welke macht bezit gij om er tegen te strijden? Gij hebt een geest die niet vooruit ziet, een wil die geen veerkracht heeft, een hart dat zich niet weet te bedwingen ; en gij zoudt rekenen op de overwinning ? Hoe! gij hebt niet eenmaal met een gewone inspanning de moeilijkheden kunnen te boven komen buiten u, en gij zoudt het geheim eener heldhaftige inspanning bezitten, om daarmede te zegevieren in den strijd uws binnenste? Hoe! toen het slechts gold, gedachten onder woorden te brengen of in beelden uit te drukken, de waarheid in eene rede te betoogen, toen hebt gij gezegd: âdat kan ik niet!quot; Wat zal het dan zijn, als gij zult te worstelen hebben in uw fel bewogen hart, in uw sidderend gemoed? Wat zal het zijn, als gij daarin met geweld kwade wortelen moet uitroeien, die gij niet aanraken kunt, zonder dat gij in de diepte uwer
41
ziel een leven voelt trillen, dat bij elke wonde oen smartkreet slaakt? Wat zal het zijn, als gij op den akker van uw hart veel pijnlijker voren moet ploegen, om daarin â liet zaad te leggen van deugden, die niet bloeien dan op de puinhoopen van het kwaad en op de bouwvallen der hartstochten.
Wat niet kan uitblijven zal gebeuren. Eenmaal zullen de driften meester worden van hem die den arbeid verstoeten heeft. En waarheen zullen zij den overwonneling sleepen? ... Ach! ik huiver bij die vraag, en durf mijzelven het antwoord er niet op geven. Zal de duivel der ontucht hem brandmerken?... Ik weet het niet, maar dit weet ik wel: de luiheid, gehuwd aan de reinheid des harten, is een wonder in de zedelijke wereld; dit weet ik wèl: van de drie groote ongerechtigheden, die het wraakvuur des hemels deden afdalen over de steden, schuldig aan afschuwelijke misdaden, was de eerste de hoogmoed, de tweede de overdaad en de derde - de ledigheid. (Ezech. XVI, 49.)
amp; ledaar de vorming van den mensch zonder de medewerking van den jongeling: het is geen opleiding maar nederdrukking; geen verheffing, maar verlaging.
Ziedaar hoedanig de luiheid hem gemaakt heeft: onwetend, kleingeestig, onbedachtzaam, laf, weekelijk, onverschillig, wanordelijk, zinnelijk, trotsch en zelfzuchtig; hij is niet ontwikkeld; hij is geen man 1
Vroeger hebt gij gezien, hoe de menschheid om de
42
schending barer wet gestraft werd met verwerping tot den staat van barbaarschheid. Slaat nu hot oog op den jongeling, die zich ter oorzake zijner luiheid eene dergelijke straf op den hals heeft gebaald. Gelijk de zoon der wildernis, bevindt ook bij zich op hetzelfde bellend vlak, dat hem naar een dergelijke verlaging voert; en zoo de omstandigheden, waarin bij verkeert, hem niet tegenhouden en verhinderen nog lager af te glijden, dan zoudt gij zeggen, dat liet een wilde is, maar in het kleed der beschaving. Niet ongelijk aan dien akker van den luiaard met onkruid en schadelijke planten overdekt (Prov. XXIV, 31), vertoont ook hij het tweewerf afzichtelijk schouwspel van eene onvruchtbaarheid tot het goede en van eene vruchtbaarheid tot het kwade
Wat zulk een zijn zal? Een last voor zichzelven, een schande voor zijne familie, een gevaar voor de samenleving, wellicht een geesel voor de menschheld!
Doch wenden wij onze blikken af van die sombere beelden en akelige vermoedens. Liever beschouwen wij den jongeling die gestadig en ijverig gewerkt beeft. Zijn geest heeft hij verrijkt, zijn wil versterkt en zijn hart beteugeld. Door den arbeid aan mannelijken strijd gewoon, beeft bij zijn leven verdedigd tegen de aanlokselen van het vermaak en de bedwelming van den wellust. Zulk een leven, stijgt in plaats van te dalen; het breidt zich uit onder de menscben, maar om ben met zijne geuren te verkwikken en met zijne gaven te beschermen. Geest, wil en hart zijn harmonisch in hem ontwikkeld. Op zijn
- 43 -
voorhoofd stralen de beminnelijkheid van zijn hart, de sterkte van zijn wil, de majesteit van zijnen geest; deze drievoudige afstraling vormt eeno schoonheid, die elke andere schoonheid der wereld in de schaduw stelt; en in de schittering van deze zijn mannelijke schoonheid kan hij uitroepen: âIk heb gearbeid, ik liob mijne opvoeding voltooid, ik ben een man!quot;
Ja, zulk een, die zich door zijn arbeid ontwikkeld, gevormd, veredeld heeft, is een m a n, dat is, een overheerlijk wederbeeld van goddelijke grootheid, kracht en beminnelijkheid. Met aardsche en hemelsche gaven verrijkt, door het offer veredeld, door zijne inspanningen gesterkt en door zijne smarten vruchtbaar geworden, rijst hij voor ons oog als het meesterstuk van Gods hand!
En zoodanig een meesterstuk zult ook gij zijn, indien gij met de werking van God en de toewijding van uwe opvoeders een krachtige medewerking van uw eigen arbeid weet te verbinden.
I^erhalve. geliefde Jongelingen, â en hiermee wil ik mijne rede besluiten â arbeidt, indien gij den kostbaren schat uwer opvoeding in onbesmette schoonheid, in ongeschonden toestand van hier wilt wegdragen, en uw voorhoofd versieren met den stempel van een beschaafd en mannelijk geslacht.
Arbeidt, indien gij door een getrouwe nakoming van de wet uws levens de waardigheid van mensch op een edele wijze bekleeden en andoren achting voor uw persoon inboezemen wilt.
1
44 -
Arbeidt, indien gij in uwe jeugd de kiemen uwer mannelijkheid niet wilt verstikken en oorzaak stellen, dat uwe opvoeders zich om uwentwille bedroeven bij 't zien van zooveel offers, jammerlijk tot onvruchtbaarheid gedoemd.
Maar opdat mijne rede des te zekerder doel treffe, dat is, opdat uw genomen besluit, om te werken, onwrikbaar vast sta, wil ik ten slotte een naam inroepen, wiens krachtdadige invloed door geen redeneering of welsprekendheid wordt geëvenaard. Ik zeg u dan: denkt aan uwe moeder!
O, kon zij hier overluid zeggen, wat zij dikwerf zacht gefluisterd heeft! Hoe zou de stem der moederlijke welsprekendheid uw gemoed ontroeren, wanneer zij op een toon, dien wij niet eenmaal kunnen nabootsen, u zou toespreken: âMijn zoon, in bange smarten heb ik u het leven geschonken; doch mijn lijden houdt niet op, het duurt nog dagelijks voort ter oorzake van uwe opvoeding. Gij zelf kunt daaraan een einde stellen door uwe werkzaamheid. Werk dan uit liefde voor mij! En zoo u somwijlen de moed ontzinkt, denk dan aan uwe moeder, en gij zult opnieuw met lust en kracht bezield worden. Vergeet het niet, dat uw arbeid mijn roem, mijne vreugde en mijn geluk uitmaakt!quot;
Dierbare Jongelingen, ik gevoel mijn hart verteederd, gelijk gij het uwe. Neen, men wederstaat de liefde eener moeder niet, wegslepend is haar woord. Zweert dan, gij allen, dat gij vastelijk besloten blijft, die vreugde uwer
moeder en dien schat uws levens te koopen voor den prijs van den arbeid, ja, des gevorderd, voor den prijs van de smart!
En gij, jeugdige Verwinnaars, die door onbezweken moed u den weg tot de zegepraal gebaand hebt, komt en plukt met innig zielsgenot deze eerste vruchten van den moeilijken arbeid; oogst de palmen der overwinning, die in het zweet uws aangezichts zijn opgeschoten; vertoont ze aan uwe ouders en brengt daarmede hun hart in verrukking ! Gaat en maakt van do hier behaalde overwinning een feest in den schoot uwer familie, en geniet het kinderlijk geluk, onder den zegen uws vaders en den glimlach uwer moeder uit te rusten. Doch laat die welverdiende rust u tevens eene voorbereiding tot verhoogde werkzaamheid zijn; en vergeet het niet, dat èn in den hemel èn op aarde de arbeid alleen beloond en bekroond wordt!
iji-.ââ......-..............................7............................................. £
quot;i* Jy vtr vf/ vj/__v}/.v!r -vâ
T, quot;^JC7jCquot;7JC7|Cquot;7JC /J\ âJx /Jx /j\ ^ IT
T ' â¢-
Een loeraar, de ecrslu Satyra van lloratius verklarend, nam uit het vers, waarin gezegd wordt, dat de zoo kleine mier een voorbeeld is van groote werkzaamheid :
Parvula nam exemplo est magni formica labovis, aanleiding om een zijner leerlingen te kapittelen, en besloot met den tekst uit het Boek der Spreuken; âGa tot de mier, gij luiaard, en word wijs!quot; â De zoo straf aangesprokene antwoordde beleefd ; âIk zal wel wijzer zijn, meneer; laat de mier maar tot mij komen!quot; â En het wederwoord luidde: âHm! niet slecht voor een doeniet!quot;
Een student behaalt den titel van doeniet, wanneer hij niets doet; ook, wanneer hij niet doet wat hij moet doen, of doet wat hij niet moet doen, of wat hij moet doen niet goed doet.
Daar zijn bezige doenieten: zij zijn bezig zonder doel en orde, vliegen als do wespen van 't een op 't ander, gonzen veel doch maken geen honing.
De arbeidzame doet het een na het ander; de bezige het een in plaats van het ander; de luie noch bet een noch het ander.
_ 48 -
Dc trek tot nietsdoen maakt zich van den jongeling lichter meester dan de andere driften; deze vorderen van hem altoos eenige inspanning, de luiheid echter eischt van hem niets.
De mensch haakt en streelt naar rijkdom, eer en genoegen; maar ook naar 't dolce far niente het zoete nietsdoen, en brengt daaraan niet zelden rijkdom, eer en de edelste genoegens ten offer.
Men zou den doeniet voor een toonbeeld van nederigheid houden, als men acht slaat op dc voorwendsels, waarmee hij zich van den arbeid zoekt te ontslaan; quot;Ik gevoel mijzelven tot die laak niet bekwaam. â Mijne talenten zijn daartoe op verre na met toereikend. â Anderen zullen daarin veel beter slagen. Ik ben geen hoogvlieger.quot;
Zoo onuitputtelijk de Irage is aan uitvluchten, zoo rijk is hij dikwerf ook aan goede voornemens om zijne traagheid uit te schudden, maar die voornemens zijn gelijk aan de bobbels op het water bij harden regen.
De dagen in nietsdoen doorgebracht tellen in de som des levens als nullen voor de eenheid.
Door de ledigheid is de verveling de wereld ingeslopen.
Het volstrekt nietsdoen kan de mensch op den duur niet uitstaan; pijnlijk zoekt hij naar een bezig nietsdoen, dat hem echter niet bezk' houdt en dus ontoereikend is om de onuitstaanbare verveling te verdrijven.
Toen Napoleon I naar St. Helena werd overgevoerd, beklaagde hij zich aan zijn metgezel den graaf Las Casas vooral over de vreeselijke verveling, die hem daar zou wachten. Doch een oogen-blik daarna groep hij moed en sprak; quot;Eh bien, j'ccrirai lesgran-des elioses que nous avons faites. Oui, il faudra travailler ! En reeds den volgenden dag, na zijne aankomst op het eiland, zette hij zich aan 't werk.
- 49 -
//Niefsclocn is iets doen w^t erger is dan niets.quot; (Seneca.) â //Door nietsdoen leeren wij kwaad doen.quot; (Cato.) â //Ne rien faire o'est mal faire, et bientót e'est faire le mal et tout, mal.quot; (Dupanloup.)
De ledigheid is des duivels oorkussen. â An idle brain is the devil's shoj). â Müssiggang ist aller Laster Anfang- â L'oisiveté est la mere de tous les vices.
Van de zeven hoofdzonden â zóó genoemd niet omdat zij grooter zijn en het hoofd boven alle andere zonden verheffen, maar omdat zij van dezen de hoofdbron zijn â, neemt de traagheid uiteraard de laatste plaats in, misschien ook om haar langeren nasleep.
De ledigheit loopt ongebonden:
Wat teelt haer sluimering al sonden!
Brandt.
De straf volgt de ondeugd op de hielen; maar van geen ondeugd zijn de verderfelijke gevolgen zekerder, spoediger en jam-merlijker dan van de luiheid.
De ledigheid verdelgt het oordeel, sloopt den geest;
Roeit zeden en gevoel voor eerzucht en betamen Den matten boezem uit, met deugd en Godsdienst samen;
Verkeert Gods beeltnis in een heest.
Bilderdijk.
De traagheid heeft meer talenten verstikt dan de naarstigheid heeft ontwikkeld.
Walter Scott, die tot leus had; //Nooit nietsdoenquot;, schreef aan zijn zoon, wien hijzelf een voorbeeld van onvermoeide werkzaamheid gaf, de volgende les: //Niet genoeg kan ik u op 't hart drukken, dat arbeid eene ordening van God is in eiken slaat des levens. Kennis kan de mensch evenmin zonder arbeid verkrijgen, als de akkers een oogst kunnen opleveren zonder vooraf door den ploeg bewerkt te zijn. Daarom, beste jongen, werk ijverig, en
50 -
maak u uwen tijd ten nutte. In den lijd der jeugd gaat men licht vooruit, de geest is dan leerzaam en neemt gemakkelijk kennis op. Voor hem, die de lente van zijn leven verwaarloost, zal de zomer treurig wezen en zijn oogst uit ledig stroo bestaan.quot;
«La jeunesse devrait être une caisse d'cpargne,quot; zegt Mmlt;! Swet-cliine. Als de mensch in hef tijdperk der jeugd zich niet oefent in hetgeen zijne roeping van hem eiseht, en geen voorraad van verstandelijke en zedelijke schatten inzamelt, loopt hij gevaar in de volgende tijdperken zijns levens arm te blijven.
Een oosterscue vertelling. Een jongeling, door een orkaan op een onbekend eiland geworpen, werd na eenigen lijd door de bewoners tot hun koning verkozen. Hij liet zich die keuze welgevallen, en aanvaardde de liooge waardigheid met al de schatten en genoegens daaraan verbonden.
Op zekeren dag nadert een grijze derwisch tot den jeugdigen Vorst, boog zich neder en sprak: //Uw dienaar acht zich verplicht u onder 't oog te brengen, dat niets op aarde zoo onzeker en zoo vergankelijk is als de troon waarop gij zetelt. Op een dag, dat gij er het minst aan denkt, zal men u onttronen, en zullen onverbiddelijke krijgsknechten u werpen in een schip, dat gereed ligt om u over ie voeren naar een ander eiland, ver van hier. Zóó wil liet de onveranderlijke wet van het rijk dat gij bestiert; niet één van uwe voorgangers hoeft zich daaraan kunnen onttrekken. Zij wisten het vooruit, dat dusdanig lot hen wachtte, maar de meesten hebben zelfs den moed niet gehad, het oog te vestigen op dat treurig verschiet. Zorgeloos leefden zij voort tot de dag aanbrak, waarop het te laat was om zich toe te rusten met middelen, die hun toekomstig lot konden verzachten: zij moesten hun leven doorbrengen in behoefte en gebrek en knagend zelfverwijt. Daar zijn er geweest die wijzer gehandeld hebben, maar hun getal is gering.quot;
Ik wil tot deze laatsten behooren! â riep de Vorst, die den grijsaard met ontzetting had aangehoord. â Zeg mij wat zij gedaan hebben die weinigen maar wijzer dan velen !
- 51 -
En de grijze derwiscli boog het hoofd en sprak : «Uw dienaar zal gehoorzamen. Zij dan hadden altoos het oog op hun lotsbestel gevesligd. Zij lieten, tijdens hunne regeering, op dat eiland alles verzamelen, wat noodig is om het leven gelukkig en aangenaam te maken. En toen zij er waren overgevoerd, verheugden zij zich over bun vroogeren ijver en werkzaamheid. Volg gij hun voorbeeld wijselijk na, maar verzuim geen oogenblik; vervlogen tijd kan niet meer worden ingehaald. Vaarwel!quot;
Onverwijld sloeg de Vorst handen aan 't werk. En toen hij naar dat eiland werd overgebraeht, vond hij daar niets dan wat hij door eigen vlijt en arbeid had ingezameld, en leefde gelukkig tot in zijn hoogen ouderdom.
Rollin bezat de zeldzame gave om zijn leerlingen lust tot werken in te boezemen en dien lust, naar de mate hunner krachten en geestvermogens, zooveel mogelijk te verzadigen. Eens ontmoette hem een zijner vroegere leerlingen, die door zijne wetenschap en kennis tot een hoogen maatscliappelijken rang was opgeklommen. //Ik herinner het mij nog levendig, wat hebt u mij ongenadig veel laten werken!quot; zei deze tot zijn ouden leermeester. //Zeg liever, wat heb je door dat werken een knappen bol van me gemaakt!quot; antwoordde Kollin.
Wie huiten den kring van middelmatigheid wil treden, wie iets meer wil worden dan hetgeen men dagelijks aantreft, wie in zijn beroep ol' stand iets meer wil verrichten dan door anderen verricht wordt, â wende ook van jongs af meer dan gewone arbeid en inspanning aan.
Prof Moltzer sprak eens tot de Groningsche studenten: //Wie komen in de wereld het best vooruit? Wie brengen 't het verst? Wie zijn het meest gezien, geëerd, geacht? Het zijn de mannen â zoo als men zegt â //met een kopquot;, mannen die het weten,
die werken willen en ____ werken kunnen. â Elk is zich bewust,
dat er na de promotie niet wordt gevraagd of hij goed rijden, fijn
spelen, //veel verdragenquot;, jolig feestvieren kan, maar eenig en alleen of li'y wat heeft //uitgevoerdquot; en bruikbaar is in de maatschappij-Elk weet, dat hooge geboorfe en vermogende protectie, onder het oude regime zulke krachtige hefboomen ter verhooging, al meer en meer in hare werking worden verlamd; dat tegenwoordig de kruiwagens er niet brengen, maar men zichzelven moet voorthelpen; dat het er niets hoegenaamd toe doet wat anderen voor iemand werken, maar wat hijzelf is. Het is met andere woorden hetzelfde gezegd als dat het er later hoofdzakelijk op aankomt, of gij uwe zaken weet al dan niet. En tot weten is de brug: werken.quot;
Studeert meneer? â //Pardon, ik ben student. Mijn famielje heeft gold genoeg; ik zal wel terechtkomen!quot; â O ja, onder de schapen mei gulden vachl van Diogenes.
Tot de //Jeunesse doreequot;, jongelieden, die alleen leven voor hun pleizier, zegt Beets snijdend :
Verachtelijke zwerm van knapen, los van zeden,
Verkwisters van uw jeugd, haar kracht, baar geest, haar gloed, Die 't leven wegsmijt voor doemwaarde nietigheden.
Geeft mij uw twintig jaar, zoo gij er niets mee doet!
Hoe verhevener het doel is, dat de jongeling door zijne inspanning zoekt te bereiken, des te grooter werkzaamheid moet hij trachten tc betoonen.
De meesten zijn in de wetenschap verder gekomen door lust en volharding, dan door vlugheid en genie.
Suarez, van wien Hugo de Groot getuigde, dat men onder de theologen en philosofen bezwaarlijk zijns gelijke aantrelien zal, toonde op zeventienjarigen leeftijd slechts een middelmatig verstand tc bezitten en was voornemens, om de geringe vordering die hij maakte, de studie vaarwel te zeggen. Op raad echter van zijne leermeesters bleef bij standvastig en verdubbelde zijn ijver.âHij werd hooglceraar en schrijver van 23 folianten.
- 53 -
Athanasius Kirohcr, in de natuurkunde bekend o. a. dooi- zijne uitvinding van do tooverlantaarn, werd als student door zijne leeraren voor de wetenschap onbekwaam geacht. Ook hij hield vol, werd een der grootste geleerden van zijn tijd, en schreef 32 folianten over allerlei wetenschap
Een groot talent met middelmatige vlijt brengt minder voort dan een middelmatig talent met groote vlijt.
Wat baat een groot talent als men bet niet weet te gebruiken? Tibullus werd door zijn vriend Horatins gelukkig geprezen niet om zijn rijkdom alleen, maar om het goed gebruik dat hij er van maakte:
Dii tibi divitias dederant artemque fruendi.
Vondel zegt: //Bij trappen klimt men eenen toren op, en niet zonder trappen, tenzy met gevaar van den hals te breecken. D'een bereickt langsamcr, d'ander sneller den top der volkomenheit.quot;
De eenvoudigste en nadrukkelijkste leerspreuk is deze: //Praesens imperfectum, perfectum futurum.quot;
Alle dingen zijn moeilijk, voordat zij gemakkelijk zijn.
De naarstigheid maakt het moeilijke gemakkelijk, de traagheid het gemakkelijke moeilijk.
Voor den ijverige is de arbeid geen last maar een lust, of zoo hij een last is dan is het hem een lust dien te dragen.
Wie werkt niet onwil heeft er geen wil van.
Niets grenst nader aan luiheid dan die lauwe langzaamheid, dat gebrek aan vuur, waardoor men zijne krachten en vermogens slechts half schijnt op te wekken en half te laten sluimeren.
Daar zijn er, die zoo lang wikken en wegen welk van de twee bezigheden zij het eerst onder handen zullen nemen, dat zij in dien tijd beide hadden kunnen afdoen.
- 54 -
Stel nimmer tot morgen uit, wat uw jilicht u gebiedt reeds heden te doen.
//Ja, morgen!quot;â Morgen? Neen,dat morgen wordt weêr heden. â //Slechts uitstel van een dag, hoe weinig ligt daaraan!quot; â Wat gistren morgen was, is heden reeds vergaan;
En kan u de eene dag oen uur van d'andren borgen? Dat morgen, dat niet is, wordt mooglijk nooit tot morgen. Met morgen, morgen, wordt ons leven telkens min;
Geen achterst wagenrad haalt ooit do voorsten in.
Bilderdijk.
De geest van uitstel is een der meest gewone kenmerken van traagheid en ijverloosheid. Hem, die tot vadsigheid en luiheid geneigd is, schijnt altijd liet tegenwoordig oogenblik het minst geschikt te zijn, om don hem opgelogdon arbeid aan te vangen; hy verborgt voor zichzelven zijn onwil lot bezigheid en inspanning onder het ijdcl voorwendsel, dat de tijd om aan te vangen nog niet rijp is, dat door zijn toeven niets verzuimd wordt, en dat een volgende dag of uur hom gemakken of aanleidingen tot werken zal geven, die hem thans nog ontbreken.
Uitgesteld werk valt dubbel lastig en wordt dikwerf ten halve, soms in 't geheel niet, voltooid. Van uitstel komt afstel.
Hooft was een vijand van uitstel, gelijk blijkt uit vele zijner brieven. Voor den schoorsteen op do zaal van hot Huis te Muidon stond de spreuk van Lucanus te lozen : Semper nocuil dijferre par a lis. Uitstel heeft den vaardige altoos geschaad.
Wie het verleden moet inhalen, benadeelt het heden.
De trage, achterlijke student wordt een blokker zoodra liet examen voor de deur staat; in alle haast slaat hij in zijn hoofd oen kraam van kennis op, die weer verdwijnt als de kermis (?) van 't examen voorbij is. Schielijk geweten, schielijk vergoten.
â 55 â
In heel de wereldgeschiedenis heeft zich maar één enkele door talmen en uitstellen onsterfelijk gemaakt; Fabius Cundator.
Gestadigheid is de ziel des ijvers; aanhoudendheid baat meer dan geweldige inspanning : de drup doorboort den steen, die de forsehe maar kortstondige slagen van beitel en hamer weerstaat. Gedurige arbeid overwint alles.
Geel zegt: //Voor arbeid vorkoopeii de Goden ons alle aardsche goederenâ quot;het leven geeft niets zonder arbeid quot; â quot;gij zult niets schoons of nuttigs vinden, dat de stervelingen zonder arbeid verkrijgen.quot; â Deze spreuken, die in beteekenis niet sterk verschillen, kan men met nog meer verscheidenheid van vorm opge-teekend vinden, reeds bij de oudste dichters, redenaars en wijsgeeren-Ik wil al die vormen niet optellen ; want Iluhnkenius heeft, in eene aanteekening op Xenophon, gezegd, dat wie niet bot van geest is, iederen dag de opmerking kan maken, in die wijze gedachte vervat. Zij moet dus wel waarheid bevatten; en uitzonderingen vind ik nergens aangewezen, hoe verschillend ook de vermogens der arbeiders zijn.
Demosthenes werd in alle tijden niet alleen als een model der welsprekendheid voor den staatsman en den pleitbezorger, maar ook als een voorbeeld van arbeidzaamheid en volharding gesteld. Onder de leiding van zijn leermeester Isaios bereidde hij zich met den grootsten ijver voor, om eenmaal als redenaar te kunnen optreden. Ten einde zich te noodzaken te huis te blijven werken, schoor hij zich somtijds liet hoofd halverwege kaal. quot;Veel oefende hij zich in zijne moedertaal en schreef o. a. ïhueydides acht malen over; daardoor verkreeg hij een stijl vaii //verheven eenvoudigheid,quot; die door alle kunstrechters, inzonderheid door Fcnelon, hoogelijk geroemd wordt.
Aan de bewerking zijner redevoeringen besteedde hij veel moeite en tijd. Pytheas, een zijner tegenstanders, waagde het eens, den spot te dryven met de nachtelijke werkzaamheid van Demosthenes en riep : //De gehouden redevoering riekt naar dc lamp !quot; Scherp
- 56 -
maar verdiend was het wederwoord: «De lamp ziet u en mij,
maar op verschillende wijze, bezig!quot; â Pytheas namelijk stond in den kwaden roep van nachllooper.
Daar hij inzag, dat zijn natuurlijke begaafdheid, om eene rede naar behooren voor te dragen, veel te kort schoot, oefende hij zich in uitspraak, houding en gebaren op eene wijze meer fe bewonderen dan na te volgen. Zijn zwakke borst en stem versterkte hij door luid declaineerend steile heuvelen te beklimmen, of aan het strand der zee zijne stem, boven het geraas der branding uit, verstaanbaar te maken. Men had hem opgemerkt, dat hij redevoerend dikwerf zijn rechterschouder optrok: dit aanwensel leerde hij af door middel *
van een scherppuntig staal, dat van den zolder nederhangend zijn schouder bij elke optrekking een gevoelige waarschuwing gat. In een grooten spiegel ging hij oplettend na, of gelaatstrekken en gebaren zijn woord naar eisch begeleidden en uitdrukten. Met recht wordt Demosthenes door Valerius Maximus genoemd: //De zoon van zijn eigen arbeid.quot;
Zóó mag ook Bossuet genoemd worden. Reeds als knaap, toen hij te Dyon de lessen van het college volgde, bracht hij liefst zijn vrije uren door in de bibliotheek van zijn oom, en kreeg daar den lust, die hem tot in hoogen ouderdom is bijgebleven, om met allerlei boeken kennis te maken en daaruit allerlei kennis fe putten.
Te Parijs onderscheidde zich Bossuet onder zijne medestudenten door buitengewone gaven, vooral door zijn gestadigen arbeid;
daarom noemde men hem, zinspelend op zijn naam: Bos suetus aratro, een os aan den ploeg gewend. Aan deze gewoonte van â werken bleef hij heel zijn leven getrouw.
Hoogstzuinig was hij met zijn tijd en vindingrijk om dien uit te koopen. Uij sliep niet langer dan vijf uren en werd vanzelf wakker; dan zette hij zich dadelijk aan den arbeid, ook in den strengen winter en zonder eerst vuur aan te maken. Bezoeken en tegenbezoeken afleggen, om aan de maatschappelijke beleefdheidsvormen te voldoen, noemde hij in een zijner brieven een ontzaglijk tijdverlies: //Je suis fort peu régulier en visites, ou plutót je suis assez régulier a n'en guère faire. On m'excuse, paree
J
-
qu'on salt liicn que co n'est ni par gloii'e, ui par dédain, ni par indifféreace; et moi je me garaiitis d'une perte de temps infinie.quot; â Wandelingen deed bij niet; zelden zag men hem in zijn eigen tuin. Op zekeren dag trad de tuinier het studievertrek van den bisschop binnen en noodigde hem uit, de ontluiking te komen zien van eenige zeldzame en prachtige bloemen. Toen hij uit het antwoord kon besluiten, dat de noodiging zonder gevolg zou blijven, zeide hij wrevelig: //Als ik Augusti-nussen en Chrysostomussen gekweekt had, zou Monseigneur wej tijd weten te vinden !quot;
Bij gelegenheid van zijne intreerede als lid der fransche Academie gewaagde Bossuet over liet hoog gewicht van de kennis der moedertaal voor schrijvers en redenaars, en riep uit: //ïravaillez sans relache a vous surpasser tons les jours vous-memes!quot;
Vondels vlijt en arbeidzaamheid was bijna ongelootlijk â zegt Brandt â, //wetende, gelijk hij in zekeren brief schreef, dat me», al hijgende en zwetende, van langer handt de steilte van den Parnas opklim t: en dat oeffenvKj en wakker heit het vernuft wetten- Al zijn naagelaate schriften, meer dan dertig tooneelspeelen, het pascha hier niet onder gerekent; voorts zijn andere groote werken, en zulk een meenighte van allerley gedichten, zijn blijken van dien vlyt. Zijn leergierig-heit was hier spitsvondig en diende zich van allerhande middelen. Om op elke stof en zaak de rechte spreekwijzen te vinden, onderzocht hij by allerley slagh van mensehen, wat woorden elk omtrent zijn werk, handteering en kunst gebruikte- De landtluiden vraagde hij, hoe zij spraaken omtrent den landtbou, en hoe zij 't geen daartoe behoorde, noemden, en uitdrukten. Omtrent den huisbou, vraagde hij op gelyke wyze de timmerluiden en metselaars ; omtrent de zeevaart en 't scheepstuig de zeeluiden; omtrent de schilderkunst, en waf daar toe hoorde, de schilders; en zoo voort omtrent alle ander bedrijf, wetenschappen en kunsten. Dit strekte tot opbou der taaie cn om al wat hem voorquam met woorden, die der zaake eigen waaren, te spreeken.quot;
«Boven alle liollandschc schrijvers stelde Vondel den Drost, zoo
â 58 â
wegens zijn poezy, als inzonderheid wegens zijn prozastijl, waarvan hij getuigde, dat hij in gandsch Nederland niemand kende, die in staat was slechts een blad te schrijven, gelijk de Drost het gehcele werk der Nederlandsche Geschiedenis had uitgevoerd.quot; De Drost, Pietcr Corncliszoon Hooft, verwierf den titel van «Hollandsche Tacitusquot;, omdat zijn stijl voor dien van don latijnschen historicus niet behoeft te wijken. Groot was de vlijt, welke hij aangewend heeft om zoodanigen stijl meester te worden: daartoe heeft hij de boeken van Tacitus twee-enr-twintigraaal uitgelezen, met veel zorg vertaald, en //naa 't vertaaien, herkauwt, verstelt of verandertquot; zegt Brandt. â Zijn zoon Arnout, student to Leiden, wekt hij in zijne brieven op tot naarstigheid zooveel de gezondheid maar toelaat. //De kosten troost ik my, mits dat u zich des arbeids trooste, zoo dat ze niet verloren worden.quot; Hy beveelt hem een ijverige studie der moedertaal aan: //Dit vermaan ik, op dat ghy beneirstight uwe moederlijke taal wel te schrijven en te spreken: waartoe u dienstigh zijn zal, by wijlen wat in mijne Historiën te lezen.quot; â Schrijft de student in de Rechten c_en hollandsche fout in zijne brieven, dan tikt de Vader hem volgenderwijs op de vingers; «Als gij onderteekent in Nominativo, gelijk: Ik blijf...., zoo moet het zijn; Onderdaanighste zoon, niet Onderdaaniyhsten.quot;
Bilderdijk heeft ongelooflijke oefeningen aangewend om het werktuigelijke der taal meester te worden. Hij zegt van zichzelven, dat hij meer dan tien jaren in volstrekte eenzaamheid heeft gewerkt, om de kracht en eigenschappen der taal te leercn kennen cn dc noodige buigzaamheid van stijl en uitdrukking te verkrijgen //somwijlen twintig- en meermalen een zelfde stuk uit de Oudheid in Hollandsche verzen vertalende, om het werktuig, waarvan ik mij bedienen moest, meester te worden, en dit niet over mij en de stoffen mijner bewerking te laten heersehen.quot;
//De heerschappij over dc faal wordt meer door lange en harde studie, dan door een aangeboren koningschap verkregenquot;, zegt Schaepman. Hij getuigt van Louis Veuillot: //Ook hij heeft beleden, wat inspanning, wat volhouden het hem kostte tot het vormen van een goed, een onberispelijk stuk proza te komen. -â Niet
â 59 â
zijn leeren was spelen, zooals liet brave rijmpje zegt, maar nu hij geleerd heeft kan hij spelen met het hoogste, maar nok het teerste werktuig: de taal. De drie gaven, die haar ééne en ccnige schoonheid uitmaken, heeft hij veroverd; klaarheid, sierlijkheid, kracht.quot;
De //eenvoudigheid van stijlquot;, die van der Palm's geschriften kenmerkt, zij is meer dan eene aangehorene gave, merkt Beets aan; zij wordt niet dan door gedurigen strijd verkregen. Van der Palm verstond de groote kunst: de kunst door do kunst te bedekken. //Men prijst mij altijd over mijne eenvoudigheid, mijne eenvoudigheid!quot; â zeide hij eens tot een zijner vertrouwdste vrienden, na eene openlijke voorlezing, welke dat compliment weder overvloedig had uitgelokt â //maar men weet niet wat voor moeite mij die gemakkelijke eenvoudigheid kost!quot;
Toen hij zijn Gedenkschrift voor Nederlands herstelling voltooid had, zond hij het handschrift aan den Staatsman en Voorstander der letteren Pa lek, met verzoek het oplettend na te zien en aanmerkingen te geven; en //deze werden gegeven â zegt Beets â ook daar waar zij niet de voorstelling van personen en gebeurtenissen, maar den stijl en de woordelijke uitdrukking betrofl'en. Nu eens mishaagt Palck de keus van een woord, de bouw van een volzin. Straks bevreemdt hem eene in zijn oog te groote vrijheid van den stijl. Hier stuit hij op eene uitdrukking, die hem niet juist of niet duidelijk, straks op eene andere, die hem niet eenvoudig genoeg voorkomt. Het minste vermoeden van een pleonasme, van een germanisme onderdrukt hij niet. En terstond gevoelt hij het, waar de stijl ook maar eenigszins stroever of ge-zwollener is, dan met Van der Palms en zijn eigenen smaak overeenkomt. Een enkele maal werpt hij een vraagpunt van spelling op. En meestal heeft hij de zelfvoldoening dat zijne aanmerkingen door den grooten stilist juist bevonden en gehoorzaamd worden, of dat zij, schoon op zichzelven niet aannemelijk, toch aanleiding geven tot eene verbetering.'' â Een enkel voorbeeld. In het handschrift stond: //Ons verhaal kan allo de namen niet noemen.... Zij staan elders geboekstaafdquot; Palck had tegen dit woord bezwaar. Van der Palm toont uit de beteckenis zijne gepastheid aan //Doch
- 60 -
â voegt hij er bij â liet klinkt wat ijdcl, bombastisch; dus
oygeteekend?
In zijn Aenleidinrje ter Nederduilsche JHchtkunste zegt Vondel: «Geef uwe dichten niet in uwen eersten yver aen don dagh. Laetze een goede wijl onder u rusten: ga er dan eens en anderwerf, ja zevenwerf, met versclie zinnen over: want ons oordeel is, naar de gesteltenis der hersenen, gelijck de luclit, zomtijts bolder, zom-tijtsquot; betrockon. Hierom laet het gedicht van concn Aristarchus, ja versebeide kourmcestcren keuren.quot; âDeze los beeft de Meest er zelt in acht genomen. Van Lennep maakt do opmerking, hoe Vondel, «ook voorzoo verre het den vorm betrof, gaarne het oordeel van lieden van smaak en kennis vernam, on bun zijn gedichten, eer hij die ter perse gaf, liet lezen, of voorlas. Bij zoodanige gelegenheid placht bij hun raad in te nemen, en verzocht hen, scherp te letten op do zuiverheid van dc taal, van hot dicht en van den zin. Wezen zij hem in het Nederduitsch oenigo onzuiverheid, in de poizie oenigo stroefheid of matheid, in den zinbouw eenige kreupelheid aan, en oordeelde hij, dat hun kritiek op goeden grond steunde, zoo dood hij zijn best, do bestaande feil te verbeteren.quot;
Van den dichter Bogaers zegt Bcets, dat hij de zucht om zijne gedichten altijd weder te herzien en te verbeteren, zoo ver dreef dat er zijn «waarin sedert do eerste redactie bijna geen enkele regel dezelfde gebleven is quot; Ook had Bogaers //den moed en de krachtquot;, in een gedicht een aantal coupletten te schrappen //blijkbaar om goen andere reden dan â dat zij gemist konden worden Aan hem verzocht Tollens zijn Laatste gedichten vóór de uitgave na te zien, en schrcet' bij do toezending van hot afgedrukte boekdoel: //Bij het doorbladeren zult gij op vele plaatsen zien, welk quot;â ebruik ik van uwe aanmerkingen en uwe verbeteringen gemaakt hob.quot;
Van Lennep zegt, ter plaatse waar hij Vondels lofdicht op Sint Agnos toelicht, dat //in den beroemden lierzang Aan den Rijn van Borgerquot; door eens anders verbetering «niet veel van het oorspronkelijke aanwezig is geblevenquot;. â Uit een verslag van
- 61 -
Dr. J. VV. Mulder, die des dichters hiindselirift en brieven heeft ingezien, blijkt ten eerste, dat //Borger zijn vers, noch slechts vier coupletten lang, ter plaatsing in den Muzenalmanakquot; heeft gezonden; ten tweede, dat hij het later met nog twee coupletten vermeerderd heeft; ten derde, dat in de zes coupletten wijzigingen en verbeteringen //slechts enkele door Tollens, de meeste door den dichter zelfquot; zijn aangebracht. Vergelijken wij eens, het kan niet anders dan leerzaam wezen, in slechts drie coupletten enkele versregels met de varianten, die hier cur-iief gedrukt zijn.
Couplet I, regel 10âH.
De stranden kust of scheurt de dijken,
De wereld splitst in koningrijken,
Nu rustig vloeit, dan breekt door dijken,
Zijn gunst of zijn geweld doet blijken.
Couplet III, regel 2â0.
Maar wie telt mijner tranen tal?
Eer keert de Rijn weer tot zijn wellen,
Eer ik den slag vergeten zal,
Dien slag, die mij ten tweede male De kroon deed vallen van liet hoofd.
Maar tranen ween ik zonder tal ;
Eer stort de Rijn weer in zijn wellen,
Eer ooit mijn hart vergeten zal (Eer ik niet meer heweenen zal)
Den slag, die mij ten tweede male De kroon deed vallen van mijn hoofd.
Couplet V, regel 1â4.
Groet ook bet kind, welks lijkje de aarde Reeds bad ontvangen in haar schoot,
Eer zij, die mij dat lijkje baarde.
Voor 't levenslicht bare oogen sloot.
En groet ook 't kindje, dat aan de aarde Reeds dagen lang was toevertrouwd:
Het slaapt aan 'I hart van die het haarde En heeft nooit zon of maan aanschouwd.
Groet ook bet lieve kind, dal de aarde Reeds bad geborgen in haar schoot,
Eer zij, die mij dat lijkje baarde,
Aan de armen mijner liefde ontvlood.
Vorenstaand geeft ons «een kijkje in de werkplaats der poëzie,quot; waar â Horatius kan het weten â de verzen op een aanbeeld worden gesmeed en hersmeed, gevijld en gepolijst:
Et male tornatos incudi reddere versus,
waar de kunstenaar soms den meesten arbeid heeft besteed aan de zoodanigen, die den schijn hebben als ware hunne vervaardiging hem glad en handig afgegaan. Ik begrijp niet wat moois Helmers er in vond, om de Hollandsche natie door een op allerlei maat en toon gezongen deuntje te foppen, alsof een dichter maar even zijn denkbeeldige lier hoeft te grijpen om plots los te barsten in gloeiende zangen en vloeiende verzen :
Grijpt, grijpt uw lier ! uw verzen stroomen Ten boezem uit, door niets gestuit! Hem navolgend heeft ook Tollens in den beginne, door zijne Ode aan (te dichtkunst, liet dichterlijk gevoel, üe dichter en meer dergelijke winderige zangen, ons volk zich de poëten doen voorstellen als lieden, die een verstandig mensch de zucht op de lippen brachten:
//Ik wensch de dwazen wijzerquot;,
doch van wie men werkelijk meende, dat zij maar hadden te bevelen:
Dreun op dan, hef dan aan mijn lier !
om een twee-en-zeventig coupletten groot //wonderquot; te wrochten als liet turfschip van Breda ; of dat zij maar hadden te gebieden ;
Stroom los, in zangen uitgespat !
om uit hun brein te doen springen een papieren kind als kenau Hasselaar in volle wapenrusting, gelijk Jupiter's dochter Minerva.
Van Lennep schreef drie, vier malen over wat hij stelde. //Zou iemand ââ vraagt De Buil â als hij zich de moeite van nadenken geeft, kunnen meenen, dat men zoo groot meesterschap over taal en alle mogelijke vormen erlangt, zonder sterke inspanning; dat een genie slechts de penseelen in de hand zou behoeven te nemen, om zoo fijn en uitvoerig, zoo natuur- en historiegetrouw, tot in de geringste détails, te schilderen; dat, zelfs de meest begaafdede pen slechts in den inktkoker zou hebben te doopen om meesterstukken te schrijven, zooals hij zoovele geleverd heeft? Neen, wie
- 63 -
onbevooroordeeld zijn werken leest, grondig, ernstig leest, zal hem recht doen; wie met hem heeft gewerkt of wie van zijn arbeid getuige was, kan het bevestigen, en weet bovendien dat Van Lennap de les van den grooten fransehen kritikus in praktijk bracht:
Vingt fois sur Ie métier remettez votre ouvrage.
't Geldt ook hier: //wat men ziet en wat men niet ziet.quot; Met kwistige hand strooide hij zijn paarlen rond, zonder te vertellen hoe diep hij ze had gezocht, met hoeveel zorg en moeite hij ze verworven had; maar waar is liet niettemin, dat hij ze allesbehalve zoo maar uit de mouw schudde.
Hooren wij zijn eigen bekentenis:
Helaas, indien zij 't wisten. Zij, die dus spreken, hoe na moeite en tijdverkwisten, üie arbeid, die hun 't werk van luttel uren schijnt.
Soms weken 't matte brein des makers heeft gepijnd. Hoe menige uchtend vloog bij nutloos geestvermoeien. Afmattend hartgebons en smartlijk voorhoofdgloeien,
Hoe, op de stille sponde, in 't holle van den nacht. Met peinzen uur op uur werd slaaploos doorgebracht,
Hoe 't krenken dag aan dag der teedre hersenvliezen Aan maag en ingewand hun veerkracht deed verliezen. Tot van elks lichaamsdeel de werking was verstoord.
En 't al somwijlen om één volzin, om één woord!
Zij zijn er mooglijk, ja, Minervaas gunstelingen,
Bij wie een nieuwe stof zich telkens op komt dringen,
Wien nooit een denkbeeld faalt, bij wie, met lossen zwier. De woorden ongezocht zich voegen op 't papier.
Zij zijn er, maar niet ik mag bij die uitverkoornen Gesteld zijn: en mij bloeit geen roos ooit zonder doornen. Het wel geslaagde werk vergoedde soms den last.
Maar last bleef mij altijd aan eiken arbeid vast.
Broere, de geniale schrijver, die zich als godgeleerde, wijsgeer en dichter in tal van schriften met de hoogste onderscheiding heeft doen kennen, heeft mede het bewijs geleverd dat z'y. die
- 64 -
buitengewone gaven ontvangen liebben, niettemin buitengewonen arbeid moeten aanwenden om tot buitengewone hoogte te kunnen klimmen.
Veel moeite beeft het bem gekost, om meester te zijn in een stijl altijd edel en geschikt voor bet onderwerp, dat hij behandelde. Uit zijn nagelaten papieren blijkt, dat de prachtige inleiding van zijne beschouwing Maria zes malen is overgewerkt. Vele fragmenten van zijn beldendicbt, Constanlijn, geven verscbillende lezingen, allen van zijn band. Broere zou voorzeker geen tegenstander van Geel geweest zijn, toen deze beweerde, «dat poëzij niet vreemd is van arbeidquot;, immers veel arbeid beeft bem de vervaardiging der gekost: aan den boogleeraar Prenger,
die mij deze bijzonderbeden beeft medegedeeld, bekende bij in zijne eenvoudigheid dat bij, na de voltooiing van het gedicht, in de eerste dagen onmogelijk iets meer kon uitvoeren, zoo afgemat was bij. De zorg aan den vorm zijner scbriften besteed was zoo nauwlettend, dat hij om cene enkele uitdrukking, ja om een enkel woord soms geruimen tijd zat te schaven en te passen, en eindelijk, zoo hij bet met zichzelven niet kon eens worden, bij een zijner collega's te rade ging. Op een avond las hij Prenger een pas vervaardigd opstel voor met verzoek hem te onderbreken op plaatsen, die minder duidelijk mochten schijnen. Aan het verzoek werd spoedig voldaan. Nu trachtte de lezer het onverstaanbare zooveel mogelijk te verklaren; doch zijn ontoegevende hoorder bleef volhouden, dat het geschrevene er niet duidelijker op werd. Den volgenden dag las Broere hem de plaats in quaestie, die hij nu geheel omgewerkt had, nog eens voor, en vroeg of het nu goed was.
Toonen zijne wijsgeerige stukken, zoowel door de verwonderlijke eenheid als de streng volgehouden gelijkmatigheid van toon, die èn in 't geheel en in de onderdeelen heerscben, dat zij de vrucht zijn van een geweldigen arbeid des geestes : zijn uitmuntend werk over Hugo de Groot en andere geschiedkundige artikelen bewijzen, welk een schat van belezenheid, wolk een uitgebreide kennis, die voorzeker niet dan door een langdurig en grondig onderzoek kan verkregen worden, de zijne was.
Aan het verzamelen van positieve feiten, van bouwstoffen voor zijn godgeleerde of geschiedkundige schriften, besteedde hij gewoonlijk den namiddag, aan het op- en samenstellen den morgen en den avond; en hij maakte lange morgens en lange avonden. Meermalen is het gebeurd, dat men Broere kwam wekken â niet uit zijne nachtrust, maar uit zijn nachtelijken arbeid.
Kenl ge d'arbeid in zijn waarde?
D'arbeid, geestrijk, goed en schoon,
In wat vorm hij zich vertoon'
Wondren scheppend op onze aarde?
Zonder arbeid - geen Poëet !
Wie wil ooit een ziel vervoeren.
Die de stugge taal niet kneedt.
Die niet weet ])e harp te roeren.
Die '/het menschlijk hartequot; heet !
Zonder arbeid â duurt geen zegen.
Wordt de kennis nooit verkregen.
Waardoor Kunst en Wetenschap Klimmen tot den hoogsten trap.
Ten Kate.
Alleen door een gestadigen en ordelijken arbeid was het den mannen van letteren en wetenschap mogelijk, talrijke boeken te schrijven, die ons met eerbied en verbazing vervullen. Van een en denzelfdcn auteur vormen soms de compleete werken, in folio-quarto- of octavoformaat, eene reeks zoo lang, dat de lengtemaat der armen te kort schiet om ze te meten.
A Lapide (van den Steen), hoogleeraar te Rome, schreef 10 lijvige folianten. Hij was klein en tenger van gestalte. Op zekeren dag bevond hij zich in een vertrek van het Vaticaan, om den Paus zijne gezamenlijke werken aan te bieden. Toen deze binnentrad, lag de auteur naar gebruikelijke wijze geknield. Z. H. gebood hem op te staan ; A Lapide gehoorzaamde en plaafsle zich acher
â no Pans in dc meening verkeerende, dat Vy
si'^rrria»»«â¢Â» â
mpnschcn ouder worden dan
Hildebrand .egt .dat er fC ,~slcrs van de onschuldige ââippe,. cn schoolmeesters; ââ ,ât
aassempies «o de kindere», ei ülld «ârfen van
Ut de bergers v.â l»'/â¢quot;'»quot; âfoL, âaar da. 4 er oa.l liet stof der boeken, durf ik n nict om Hildebrands
m worden »1 » fc-»-. »1. «e
zich van den arbeid afmaakt met niet dood werken !
STlr^mboldt, Const. Huygens, Morgagm, 1- red. Rugt;
Vondel. .
Micquot;el
C.,., «K «-«.
Newton, Rollin, Young.
Le Sage, Strada. van 40 onsterfelyken ; wel is
Ziedaar een volledige ca Vontenelle ook hier als
het passend, dat de âokdm^aiugk
Secretaris fungeere.
ocv/l. vyl.»»quot; ----o
W» ft hei «rrieUe. »«
vorderd wordt, besekou.t do v »r e e ^ ^1,1,«,, de Uooge van alle schatten. Be wijzen van a z;,jn vol van
ââ,0 den tiid begrepen, » quot; ^quot;e bJed.n.
vermaningen, om hem nauwgezet en spaau.
- 67 -
De (ijd blijft zijn hooge waarde behouden gedurende den loop van geheel het leven; doch hoe ouder wij worden des fe kostbaarder is hij, des te zuiniger en zorgvuldiger moeten wij hem uitzetten, als het laatste overblijfsel van een rentegevend goed.
wGe hebt in uw leven reeds zoo veel en zoo zwaar gewerkt, dat ge nu op uw ouden dag gerust op uw muiltjes moogt loopen!quot; zei iemand in gemoede tot Diogenes; maar deze antwoordde: //Stel, dat ik in de renbaan loopend den eindpaal bijna genaderd was: wat zou dan het verstandigst zijn, den loop te versnellen of te vertragen ?quot;
Hoe moer iemand weet des te beter ziet hij in, hoe veel er nog te leeren overblijft; om deze reden zei Socrates: //Dit céne weet ik, dat ik niets weet.quot;
Duval, bibliothecaris van keizer Frans I, werd over allerlei wetenschappelijke vraagpunten geraadpleegd, en antwoordde dikwerf zonder omwegen: //Ik weet het niet.quot; â //Maar de keizer betaalt u toch om dit te wetenquot; â merkte hem een onbeleefd vrager op; en het antwoord van den bescheiden geleerde was: //De keizer betaalt mij voor hetgeen ik weet; indien hij mij betalen moest voor wat ik nog niet weet, dan zouden al de schatten van zijn rijk ontoereikend zijn.quot;
Werken en denken en leeren is leven:
Wie hier niet werkt, is zijn plekjen op aard'.
Wie daar niet denkt, is het leven nic( waard.
En om te leeren is 't leven gegeven!
Leeren en leeren is de eeuwige taak.
Die noch de knaap noch de grijsaard verzaak'.
De Genestet.
Nooit is iemand te oud om te leeren. Cato de Oude begon de grieksche, Plutarchus de latijnsche en Bossuet de hebreeuwsche taal te leeren loen zij reeds zestigers waren.
Borret, lol het laatst van zijn leven toe, altijd weetgierig en
- G8 -
werkend om zijn rijken geesi nog meer te verrijken, was gewoon zielizelven te noemen: //do oude student.quot; Deze geleerde kunsten oudheidkenner schreef in een zijner laatste brieven: //Ik lees nog altijd en studeer ijverig., zooveel liet de oude dag toelaat. In° zijn aoht-en-zeventigste jaar leverde hij in de Katholiek een doorwrocht en nog frisch geschreven artikel over //De klassieke letteren in dienst der christelijke archeologie en apologetiek.quot; Daaronder stond: {Slot volgt.) Maar de dood besloot zijn werkzaam leven.
Dumarsais hield zich als tachtiger nog ijverig bezig met grammaticale onderzoekingen. Toen hij op zijn laatste ziekbed lag, zond de Academie tot hem afgevaardigden om naar zijn toestand
te vernemen. De bijna stervende taalgeleerde antwoordde: //Dites a 1'Académie que je men vais ou que je m'en vas, car l'un et 1 autre peuvent se dire.quot;
Wie van dc waarde des tijds een goed begrip heeft, zal zooveel mogelijk tijd trachten uit te winnen. De tijd is een schat, die zich vermenigvuldigt voor wie hem weten te bezuinigen, maar die verloren gaat voor wie er rijkelijk mee omgaan. Een bekwame tijdhuishoudkundige zal uren en dagen -winnen door minuten op prijs te stellen, terwijl een onbekwame uren als minuten en dagen als uren verliest.
Jammer is het, te heulen met den grootsten vijand van den tijd, den slaap, en aan hem meer uren te olVeren, dan do behoefte der natuur het vordert. Toch zijn er, voor wie de tijd zoo kostbaar is, dat zij hem bij voorkeur verslapen, de oogen gesloten houdend voor de Aurora musis arnica, de aan wetenschap en letteren zoo vriendelijk gezinde morgenstond.
Karl Hitter zegt: //Wanneer ik koning ware, nam ik terstond het voorstel van een waarlijk verstandig man aan, om dagelijks, zoodra de zon opgaat, alle klokken te luiden, opdat de slaper zou vernemen, dat de dag aangebroken was om aan 't werk te gaan.
Zou het helpen, en zou de luiheid geen middel weten om het
te verhelpen?
69
Alibcrf meldt dat iemand aan, een zijner vrienden, die zijn leven in ledigheid doorbracht, het volgend voorstel deed: //Wijl ik cene plaats aan 't hof bekomen heb, zoo kunt gij rekenen op mijne protectie: laat mij slechts weten wat gij verlangt, ik zal al het mogelijke doen, dat uw verlangen vervuld worde.quot; Deze verzocht eenige dagen om zich te bedenken. Na verloop daarvan vraagt hij opnieuw om uitstel. Eindelijk geeft hij op herhaalden aandrang van zijn edelmoedigen vriend dit antwoord : //Ik wenschte, dat gij door uwe tusschenkomst den koning het bevel liet geven, om alle klokken niet meer te doen luiden, want zij hinderen mij in den slaap.quot;
Aan zeven uren slapen heeft zoowel de jongeling als de grijsaard genoeg, luidt de stelregel der Salernitaansohe school:
Septem horas dormire, sat est juvenique senique.
Johann Seume verhaalt, dat hij in zijne jeugd veel hield van lang slapen en daarvoor menig uitbrander van den Rector der latijnsehe school overhad. Op zekeren morgen las hij op zijn kamerdeur de met krijt geschreven spreuk :
Genoog is voor grijzen en knapen,
Zeven of zes uur te slapen.
De snaak veranderde of in en, liet de spreuk staan en sliep den volgenden morgen een gat in den dag. De Hector keerde terug, las de verandering en schreef er onder:
Geen slecbte Variant Voor een luien kwant.
üc langste en schoonste tijd wordt gewonnen door inkorting van den slaap. Wat van nutteloozen slaap wordt afgetrokken is zuivere tijdwinst en zekere levensverlenging. Men bewijst dit rekenkunstig als volgt. Als iemand dagelijks, in plaats van acht, slechts zes uren aan zijn nachtrust besteedt, wint hij 2 uren en loeit die bijgevolg langer: want de tijd, waarin men door don slaap bet bewustzijn verloren heeft, kan men geen leven noemen. Deze dagelijksche winst van 2 uren maakt in eene week 14 uren of een geheelen werkdag uit. Alzoo wint hij in een jaar 7o0 uren, en leeft dus 52 werkdagen langer. Houdt hij dit gedurende
- 08 -
werkend om zijn rijken geesl, nog meer te verrijken, was gewoon zichzelvcn te noemen: //de oude student.quot; Deze geleerde kuns en oudheidkenner sehreef in een zijner laatste brieven: wik lees nog altijd en studeer ijverig, zooveel het de oude dag toelaat.' Inquot; zijn aeht-en-zeventigste jaar leverde hij in de Katholiek een doorwrocht en nog friseli geschreven artikel over quot;De klassieke letteren in dienst der christelijke archeologie en apologetiek.quot; Daaronder stond: (SM volgt.) Maar de dood besloot zijn werkzaam leven.
Dumarsais hield zich als tachtiger nog ijverig bezig met grammaticale onderzoekingen. Toen hij op zijn laatste ziekbed lag, zond de Academie tot hem afgevaardigden om naar zijn toestand tc vernemen. De bijna stervende taalgeleerde antwoordde: //Dites a l'Acadcmie que je men vais on que je m'en van, car l'un et 1 autre peuvent se dire.quot;
Wie van de waarde des tijds een goed begrip heeft, zal zooveel mogelijk tijd trachten uit tc winnen. De tijd is een schat, die zich vermenigvuldigt voor wie hem weten te bezuinigen, maar die verloren gaat voor wie er rijkelijk mee omgaan. Een bekwame tijdhuishoudkundige zal uren en dagen winnen door minuten op prijs te stelleu, terwijl een onbekwame uren als minuten en dagen als uren verliest.
Jammer is het, te heulen met den grootsten vijand van den tijd, den slaap, en aan hem meer uren te offeren, dan de behoefte der natuur het vordert. Toch zijn er, voor wie de tijd zoo kostbaar is, dat zij hem bij voorkeur verslapen, de oogen gesloten houdend voor de Aurora musis amica, de aan wetenschap en letteren zoo vriendelijk gezinde morgenstond.
Karl Hitter zegt: «Wanneer ik koning ware, nam ik terstond het voorstel van een waarlijk verstandig man aan, om dagelijks, zoodra de zon opgaat, alle klokken te luiden, opdat de slaper zou vernemen, dat de dag aangebroken was om aan 't werk te gaan.
Zou het helpen, en zou de luiheid geen middel weten om het te verhelpen?
69
Aliborf meldt dat iemand aan, een zijner vrienden, die zijn loven in ledigheid doorbracht, het volgend voorstel deed: «Wijl ik eene plaats aan 't hof bekomen heb, zoo kunt gij rekenen op mijne protectie: laat mij slechts weten wat gij verlangt, ik zal al het mogelijke doen, dat uw verlangen vervuld worde.quot; Deze verzocht ecnige dagen om zich te bedenken. Na verloop daarvan vraagt hij opnieuw om uitstel. Eindelijk geeft hij op herhaalden aandrang van zijn edelmoedigen vriend dit antwoord: /'Ik wenschte, dat gij door uwe tusschenkomst den koning het bevel liet geven, om alle klokken niet meer te doen luiden, want zij hinderen mij in den slaap.quot;
Aan zeven uren slapen heeft zoowel de jongeling als de grijsaard genoeg, luidt de stelregel der Salernitaansche school:
Septem horas dormire, sat est juvenique senique.
Johann Seume verhaalt, dat hij in zijne jeugd veel hield van lang slapen en daarvoor menig uitbrander van den Rector der latijnsche school overhad. Op zekeren morgen las hij op zijn kamerdeur de met krijt geschreven spreuk:
Genoog is voor grijzen on knapen,
Zeven ol' zes uur te slapen.
De snaak veranderde of in en, liet de spreuk staan en sliep den volgenden morgen eon gat in don dag. De Rector keerde terug, las de verandering en schreef er onder:
Geen slechte Variant Voor een Inion kwant.
üe langste en schoonste tijd wordt gewonnen door inkorting van den slaap. Wat van nutteloozen slaap wordt afgetrokken is zuivere tijdwinst en zekere levensverlenging. Men bewijst dit rekenkunstig als volgt. Als iemand dagelijks, in plaats van acht, slechts zes uren aan zijn nachtrust besteedt, wint hij 2 uren en loeft die bijgevolg langer: want de tijd, waarin men door don slaap het bewustzijn verloren heeft, kan men geen leven noemen. Deze dagelijksche winst van 2 uren maakt in eene week 14 uren of een geheolen werkdag uit. Alzoo wint hij in een jaar 780 uren, en leeft dus 52 werkdagen langer. Houdt hij dit gedurende
40 jaren vol, dan heeft bij c'k werkjaar, of meer dan 10 gewone jaren gewonnen, en derhalve, in plaats van 40 jaren, 50 jaren geleefd.
Seneca, wiens brieven en verhandelingen vol zijn van spreuken over het nut van den arbeid en de waarde des tijds, had zich een zeer korfe nachtrust voorgeschreven, en de oogenblikken van den dag, die door onbeduidendheden waren ingenomen, trok hij af van zijn koristondigen slaap.
Aristoteles zat des avonds laat te studeeren met een koperen bal in de hand, die hij langs zijne zijde liet afhangen boven een metalen bekken; zoodra hem nu de slaap beving, ontsnapte de bal zijn hand, viel in het bekken en wekte door den rinkinkenden klank den sluimerenden wijsgeer.
Genébrard studeerde geregeld 14 uren eiken dag. Om zich des avonds te wapenen tegen do ontijdige bezoeken van den slaap, had hij zijn hond zoo gedresseerd, dat deze begon te blaffen zoodra hij zijn meester zag knikkebollen.
Possevinus bond, vóór hij zich te slapen legde, zijn voel met een koord aan het ledikant, opdat hij, wanneer hij zich in den slaap omdraaide (gelijk velen plegen (e doen na dc eerste nachtrust genoten te hebben), door\de trekking van het koord dadelijk zou worden gewekt.
Origenes, die om zijn buitengewone vlijt en arbeidzaamheid dc //stalen manquot; genoemd werd, sliep slechts een paar uren op den harden grond.
Winckelmann studeerde tot middernacht, ging dan zelfs in den winter niet naar bed, maar sliep in een leuningstoel tot vier uur, om dadelijk weer te kunnen voorlstudeeren.
Ook Lcibnüz ging zelden naar lied, maar sliep een paar uren in zijn leunstoel, die nog heden te Hannover bewaard wordt.
Zijn spreuk was: Pars vita;, quoties perditur hora, perit. Elk nutteloos verloren uur.
Verloren deel van levensduur,
_ 71 -
Gerard Vossius bleef tot laat in den nacht bij zijne boeken en stond weer vroeg op. De //wakkere Joost,' die zijn tijd voorwaar ook niet verslapen heeft, zong bij Vossius' portret door Sandrart:
Laet zestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen.
Noch grijzer is het brein dan 't grijze hair op 't hooft.
Dat brein heeft heugenis van meer dan vijftigh eeuwen.
En al haer wetenschap, in boecken afgeslooft.
Sandrart, beschans hem niet met boecken, en met blaren;
Al wat in boecken steeckt is in dat hooft gevaren.
Mannen, die zonder schade voor lichaam en geest zich zulk een korte nachtrust voorschrijven, toonen een groote zielskracht cn een sterk gestel te bezitten, cn zijn meer te bewonderen dan na te volgen.
Tusschen het te weinig en te veel slapen ligt een gulden middelweg : li e t matig slapen.
De overmatige slaap maakt dof cn dommelig cn ongeschikt tot den arbeid ; dc matige slaap herstelt onze uitgeputte krachten en maakt den geest frisch voor nieuwe werkzaamheden.
Tot na middernacht te werken is verderfelijk, vooral wanneer men, om goed wakker te blijven, zijn toevlucht moet nemen tot opwekkende middelen als kotlie en tabak.
Huetins had zich tot leefregel gesteld, 's avonds onmiddellijk vóór het slapen gaan zich niet bezig to houden met werk, dat den geest te veel inspant, omdat daaruit slapeloosheid geboren wordt. Om dezelfde reden las hij nooit de brieven, die bij 's avonds ontving, maar opende die eerst den volgenden morgen.
Dc Raadpensionaris Jan de Witt placht tc zeggen, dat iemand, die vele en gewichtige zaken in 't hoofd heeft, die moet kunnen ter zijde stellen, zoodra hij zich te bedde bevindt; een raad die uitmuntend is, doch dien iedereen niet even bekwaam is te volgen, 't Is echter in 't algemeen raadzaam, niet onmiddellijk van den arbeid naar bed te gaan; want dan blijven allicht onze gedachten
op hetzelfde punt werkzaam en belet ons dit te slapen â men doet daarom altijd beter, niet later dan lot een zeker uur te werken, en dan een weinig vermoeiende lektuur bij de hand te nemen, of zich op andere wijze te ontspannen, zoodat men met een verfriseht hoofd te bedde gaat: ik althans heb mij bij 't aanwenden van soortgelijke middelen steeds wel bevondenquot; â zoo getuigt J. van Lennep van zichzelven.
^ oordeeliger voor den arbeid is het, den slaap des morgens dan wel des avonds in te korten. In de morgenuren zijn geest en lichaam verseh en levendig, en behoeft men voor geen afleiding, geen oponthoud, geen bezoek, geen ontijdige stoornis te vreezen.
Door 's avonds zich tijdig (er ruste te begeven en 's morgens vroeg op te staan, verkrijgt men 't klassieke: mens sana incorpore sano, een gezonde ziel in een gezond lichaam.
De morgenstond heeft goud in den mond, zoo ten bate van de ziel als van 't lichaam.
O mijn Perses ! neem ter harte
Wat u biedt mijn trouwe mond:
Sta vroeg op, verleng uw leven ledren nieuwen morgenstond !
Spring ten bedde uit, als het zonlicht
Nieuwe kracht en lust u schenkt.
Spoed u dan ten noesten arbeid Waar dc heiige plicht n wenkt.
Hesiodus.
Spring ten bedde uit. Het vroeg opstaan moet als met een sprong, dat is met zelfoverwinning, zonder talmen, geschieden. Het festina lente //haast u langzaamquot; is hier bij uitzondering niet van toepassing.
Erederik dc Grootc kon dien grooten sprong maar niet doen. Na zijne troonsbeklimming beval hij zijn bediende uitdrnkkelijk, hem eiken morgen om vijf uur tc wekken cn daarbij desnoods eene beleediging niet tc sparen. Doch eerbiedige vrees weerhield
de stipte uitvoering van dit koninklijk bevel. Toen gebood Prederik hem op straf van ontslag, dat hij hem een natten doek op quot;t gelaat moest werpen. Deze koudwaterkuur gebruikte hij zoolang, tot hij vanzelf bijtijds wakker werd en er uit sprong, vóór dat de natte dook verseheen.
Buffon verhaalt van zichzclven, dat hij in zijne jeugd een liefhebber was van lang slapen. Op zekeren dag begon hij het duidelijk in te zien, dat hij op die wijze don besten tijd zijns levens nutteloos liet verloren gaan, en nam het vaste voornemen zijn slaap in te korten en dien gewonnen tijd aan den arbeid te besteden. //Ik gaf mijn knecht order â zoo gaat hij voort â mij 's morgens vóór zes uren te wekken, en beloofde hem eiken dag 3 francs, als hij mij op den vastgestelden tijd uit het bed haalde. Den volgenden dag stond Jaap, zoo heette de kneeht, mij met al de kracht van zijn stem te vermanen om toch op te staan ; doch ik overlaadde hom met zooveel scheldwoorden en bedreigingen, dat hij moedeloos aftrok en mij aan mijn lot overliet. Den tweeden morgen hernieuwde hij zijne pogingen, bijgestaan door de kracht van zijn armen. Dit gelukte 5 do 3 francs waren verdiend. /,00 ging het eenige dagen goed. Maar op zekeren dag weigerde ik kortaf te gehoorzamen; ik trachtte geweld niet geweld (e keer te gaan, en bleef meester van 't terrein; doch opeens neemt Jaap de lampetkan, werpt mij een golf frisch water over 't lijf en vliegt de kamer uit. Ik spring uit het bed, trek aan de schel, en geef den bevenden wekker zijne zuur verdiende 3 francs. Sedert dien tijd heb ik aan mijn knecht drie of vier deelen van mijn Uisfoire naturelle te danken.quot;
Van der Palm getuigt van zichzelven dat hij, student te Leiden, //zich 's morgens om drie uren al stond te wasschen in den Statenbak, zoo als 't Stateh-Collegie genoemd werd.quot;
Even als door een doelmatige beperking van den slaap, zoo toont men ook door de gewoonte van zelfs de geringste oogen-blikken niet ongebruikt te laten voorbijgaan, dat men de waarde van den tijd reeht weet te schatten.
Waar 't leven van gemaakt is
Zij kostlijk in ons oog!
De vluehtigste uren spoeden,
Niets kan den tijd vergoeden.
Die eenmaal ons ontvloog.
Bcels.
In het omschrift van het door DellI' gegraveerde portret van Hugo de Groot staaf zijn spreuk : Ihdt hora '/het uur snelt voort,quot; waardoor hij zich opwekte, om den kostbaren maar vluchtigeu tijd wel te besteden.
Over Lipman schreef De Wachter: «Hij had den tijd leeren kennen als een ontzaglijk middel, waarmee veel te doen viel door hem, die het te gebruiken wist. En wie was er, die beter dan hij den tijd wist te gebruiken? Niet van eiken dag, neen van ieder uur vroeg hij schatting; arbeid was hem het leven in don edelsten zin des woords. Tot zijn vergevorderde jaren toe bleef die eigenaardige spaarzaamheid met zijn tijd hem eigon, eene spaarzaamheid, die gierigheid was, waar bet gold voor zicbzelven een genoegen te nemen, die mildheid werd, waar door anderen een dienst werd gevraagd.quot;
't Is die spaarzaamheid met den tijd, welke soms den mensch op jeugdigen leeftijd reeds maakt tot «den wonderrijken geleerde op zoo menig verschillend gebied.quot; Zijn leven, hoe kort ook, heeft vele jaren afgelegd; het is gelijk aan edele metalen, die een groot gewicht hebben onder een kleine uitgebreidheid.
Men zou het niet gelooven, hoeveel men door zulk een prijzenswaardige spaarzaamheid aan tijd wint.
Poirters zegt:
Alle dagen ook maer Een draciken gesponnen,
O]) bot eind van het jaer Een hembdsmouw gewonnen.
â (O â
Die dagelijks maar een half uurtje wint, werkt, in een jaar 15 dagen meer dan anderen, de werkdag op 12 uren gerekend.
In plaats van den tijd te versnipperen, weet de nijverige zelfs de snipperuren wèl te besteden. Het waarnemen van de //verloren oogenblikkenquot; noemt Dupanloup //la science des moments perdus.quot; Dat er iets goeds van te maken is, heeft de kanselier d'Aguesseau bewezen. Hij toonde een vriend twee van zijn uitgegeven werken en zei: //Voici les volumes que j'ai composes pendant les cinq minutes dont, tous les jours, depuis vingt ans, madame d'Aguesseau est en retard pour le diner.quot;
Een zeker geleerde, die een voorbeeld was van zuinige en ordelijke tijdhuishouding, vond eens op zijn lessenaar het volgend biljetje, door een zijner vrienden uit scherts geschreven: «Ziehier het resultaat eener nauwkeurige waarneming: gemiddeld neemt gij om dc tien minuten een snuifje, met welke operatie â de tijd van het bevallig openen en sluiten der snuifdoos mitsgaders het statig snuiten en afvegen van neus, duim en wijsvinger inedege-rekend â minstens anderhalve minuut verloopt; gij besteedt dus aan snuiven eiken dag (uw dag telt 1G uren) lil minuten of 2 uur 24 minuten, dat is, elke tien dagen 24 uren, dat is, elk jaar 876 uren.quot; â Dc geleerde werd door die tijdhuishoudkundige berekening zoodanig getrofl'en, dat hij de scherts als ernst opnam, zijn snuifdoos voorgoed ledigde, en daarin het biljetje van zijn vriend wegborg tor gedachtenis aan zijne vroegere tijdroovende hebbelijkheid.
In de Dagbladen vinden wij somtijds het oude nieuwtje, dat te N . . . . in den stroozak van een gestorven bedelaar aanzienlijke schatten gevonden zijn. Hoeveel schatten van kennis en wetenschap hebben velen niet verzameld door een spaarzaam gebruik van de afgebedelde oogenblikken van den tijd!
Die gierig op zijn tijd is (en deze gierigheid, door Seneca honesla avaritia genoemd, behooit niet tot de zeven hoofdzonden), pleegt voor de vorming van zijn geest of voor zijne betrekking zelfs in
zoodanige oogenblikken, die eigenlijk tot verpoozing of lot verzorging van het lichaam bestemd zijn, werkzaam te wezen. Hij leert in denzelfden tijd op verschillende wijze bezig te zijn.
De kardinaal Carolus Borromeus maakte zich elk oogenblik ten nutte, hetwelk hij op zijne ambtsbezigheden kon uitwinnen. Au-dientie gaf bij na het diner, wijl die tijd voor de studio bet minst geschikt is. Hij had aan den zadel van zijn paard twee zakken laten maken, die bij met boeken vulde om ze op reis te gebruiken. Terwijl zijn bediende hem den baard schoor, hield zijn secretaris voor hem eene lezing.
Delrius zat gewoonlijk in de bibliotheek tc werken; om bij 't naslaan van boeken geen tijd met hoen en weer loopen te verliezen, had hij een rollenden lessenaar vervaardigd, dien hij met den voet kon sturen waar hij wilde.
Thomas van Aquine was zeer karig op zijn tijd. Eens werd hij door Lodewijk IX, wiens raadgever hij was, ter tafel genoodigd. Waarscbynlijk duurde die koninklijke maaltijd wat al te lang voor Thomas, althans zijn werkzame geest nam de vrijheid, zich van tafel te verwijderen en een uitstapje te maken op wetenschappelijk gebied. Na een wijle tijds gezwegen te hebben, slaat hij eensklaps met hevigheid op tafel en roept uit: Condumm est contra Mmncheos ! Alle aanwezigen schrokken niet weinig over die distractie van den geleerde, en Thomas, tot zicbzclven teruggekeerd, vroeg den koning nederig om vergeving voor zulk eene tekortkoming aan eerbied. Maar dc vorst glimlachte, ontbood zijn secretaris, en beval Thomas hem het wetenschappelijk reisje van zijn geest aanstonds te dictee-ren, opdat zijne gedachten niet mochten verloren gaan, of aan kracht en helderheid verliezen, zoo zij niet aanstonds werden opgeteekond.
Er is voor iemand, die zijn tijd wM besteden wil, geen grooter torment dan te zitten aan een tafel, waar gedurende twee of drie uren schotel-parade gehouden wordt, vooral indien men door schuld van den gastheer of van de gasten het voornaamste gerecht ; een aangenamen kout met attisch zout, niet genieten kan.
De Keurvorst van Keulen had naar Parijs ter goedkeuring gezonden het programma der feestelijkheden, die bij de ontmoeting van Lodewijk XIV zouden plaats hebben, en daarin was ook sprake van het diner. De goedkeuring van den Koning luidde : quot;Bon, pourvu que Ie diner soit eourt.quot;
«Wat is Callisthenes toch gelukkig, dat hij mag eien aan de tafel van koning Alexander!quot; â //Maar ik vind, dat hij juist daarom ongelukkig is â antwoordde Diogenes â, want nu moet hij eten alles wat Alexander eet, en zoolang Alexander eet?quot;
Pomponius Atticus hield er een voorlezer op na, en liet onder den maaltijd voor zijne vrienden en genoodigden eene lezing houden, om zoo doende â zegt Nepos â den geest tegelijk met het lichaam te voeden.
In Duitsehland hebben de geleerden nog een ander middel om twee vliegen in èèn klap fe slaan: zij noodigen den vriend of vreemdeling, die hen komt bezoeken, ter wandeling of ontvangen hem in de bibliotheek; getuige hiervan is geweest ABquot;1 des Amorie van der Hoeven Jr. op zijne Academie-reis.
Zaeharias Ursinus, professor te Heidelberg, ontving zijne be-groeters en bezoekers in zijn studeervertrek. Zoodra hij bemerkte, dat hij te doen had met iemand die geen begrip scheen te hebben van de waarde des tijds, bracht hij hem ongemerkt eene aan den muur hangende waarschuwing onder 't oog, die luidde als volgt
Amice, quisquis Imr venis,
A ut age paucis, aut abi,
A ut me laborantem adjuva.
Amice, ik houd niet van plakken of luieren.
Dus een van de drie : öf Wees niet Ie lang van slof,
01' help me een handjen, of ga kuieren.
Hooft was hoogzuinig; met zijn tijd. Uit //den slommcr der be-
78 -
kommernissenquot; wist hij altoos «incenigli uurkenquot; te stelen. Gezelschap noemde hij «een daghdief.quot; Aan Justus Baak schreef hij eens: «De zoomcr is een gladde tijdt, en slibbert mij uit der handt, terwijl deeze zich opent, om vrienden te bewelkoomen oft te beadieuwen.quot; Als zijne huisvrouw gasten over den vloer haalde, die hem niet naar den zin waren, dan verschanste hij zich in zijn quot;Toorentjcn,quot; zijn studeervertrek. //Ick ben niet zeer zoet op dusdaene oorlofsdaeghen: ende als ick immers uit te spannen had, deed het liever in gezelschap van luiden van weetenschap. Mijn Toorenljen nochtans wordt weenigh aengevoehten.quot;
Balmes was op zekere vastgestelde uren voor zijne vrienden niet te spreken. Toen zij hem daarover een verwijl maakten, antwoordde hij: //Vergeeft het mij, maar deze oogenblikken mag ik aan mijne studie niet onttrekken. Twijfelt aan mijne vriendschap niet, vordert als bewijs barer oprechtheid zooveel als gij wilt, maar laat mij dezen tijd behouden.quot;
Vrienden die dikwijls ledigen tijd hebben, zijn niet van de beste soort.
Het bezit overigens van een waren vriend is een kostbare schat, en zijn gezellig verkeer een der aangenaamste uitspanningen van den arbeid.
Laat zoete vriendenkout (maar 't zij van ware vrinden. Wie hartlijkheid en smaak, geen stijve plicht, verbinden. Wier omgang voor 't verstand niet ledig is of dor!) U streelen, doch vermijdt het ramlend dischgesnor Dat d'ooren iastig is, en hart noch geest bevredigt.
Ja zelfs de kieschheid kwetst, den fijnen smaak beleedigt. Ontvlucht den kwelgeest; schuwt den slechthoofd boven al. Wiens reden dwaasheid is, wiens tong een ijdle schal. Waarbij gc u-zelf verpijnt met zin of slot te zoeken. En zuchtend rugwaarf ziet naar de opgepakte boeken.
Bilderdijk.
Uitspanning cn rust zijn den arbeidzame niet alleen nuttig, maar noodzakelijk als de ademlialing voor het leven.
Een onafgebroken arbeid is eene ziekte, zegt Hippocrates, waarvan de rust het eenige geneesmiddel is.
Het edelst genot des menschen is de rust na wel volbrachten arbeid.
Uitspanning of rust zij slechts een middel, om den arbeid met vernieuwde kracht te hervatten.
Niets is verderfelijker, dan in de uitspanning de maat te buiten te gaan.
Hoe groot de genoegens mogen zijn der verstrooiing en der gezelligheid, de genoegens eener betamelijke arbeidzaamheid gaan die oneindig te boven.
Al te groote arbeidzaamheid heeft nooit aan lichaam of ziel zooveel schade toegebracht, als te menigvuldige '.'erstrooiing.
Wacht u evenwel voor overdreven werkzaamheid, die zich geen betamelijke rust vergunt, die niet raadpleegt met do mate der lichaamskrachten of geestvermogens.
Bilderdijk, die «uitmuntte in velen boven velen,quot; heeft voorzeker zijn diepe, uitgebreide kennis niet het minst aan zijne ontzettende arbeidzaamheid en onvermoeide vlijt te danken. «Hoe hem echter â 't zijn de woorden van Da Costa â die overspanning van arbeid later op het verlies, wel niet van krachten, maar van het levensgenot eener gewone gezondheid is te staan gekomen, en eene Ilias van plagen, gelijk hij zc dichterlijk noemde, voortdurend te weeg bracht, heeft hij zelve op meer dan céne plaats en wijze beschreven, gelijk hij ook zijn Leerdicht «Ziekte der Geleerdenquot; voor een aanmerkelijk deel uit eigen bevinding schreef. Gedurende den Academietijd trotseerde dat veerkrachtig gestel ten koste van wat inspanning en later lijden dan ook, de vermoeienissen van een levenswijze, waarbij nog de iijdgenooten
- 80 -
O \ 6 3 03
het wisten te verhalen, hoe dikwerf van de drie nachten twee aan de studie in plaats van aan den slaap gegeven werden, en hij meer dan eens van uitputting op de collegiiin der Hoogleeraren is nedergezegen. Maar de arbeid was zijn leven, â de hoofdoorzaak van zijne krankheden, maar dan ook wederom het hoofdmiddel zijner betrekkelijke genezing.quot;
Behartigenswaardig is het voorschrift, dat Bilderdijk in zijn bovengenoemd Leerdicht geeft:
U, prille Jonglingschap, die de uitgestrekte zee Des levens inslaat met zoo fors gespannen doeken,
üjn voedsel voor uw hart, om roem en eer te zoeken; Om ware wijsheid, meer dan goud of kronen waard! Hoe juicht mijn hart u toe! hoe deelt het in uw vaart! Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden.
Verlies geen oogenblik om 't edel doel te vinden;
Jlet leven is alreeds tot zulk een reis te kort.
En spoodt nog sneller voort, hoe snel uw vaartuig snort.
Maar ach! zie voor u! Reef, o reef en plooi somwijlen Het al te zwellend zeil en schroom het overijlen!
Spoed langzaam! spaar u zelv', en breidel 't jeugdig bloed! Zoek kennis; maar als menseh, die 't lichaam vieren moet!
BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK
Typ. Lutkie amp; Cranenburg.