mmmt
i?
11
m i in m i in ii.
dat is:
Korte en eenYOudige besclioiiwing der voornaamste en troostelijkste drie hoofdzaken in liet werk onzer zaligheid, waarbij alle twist en krakeel vermeden wordt.
DOOR
Bernliard Textor.
AMSTERDAM,
SCHEFFER amp; C».
1895.
UIT HET HOÃGDU1TSCH
DOOR
KERN EN MERG VAN DEN HEILIGEN RIJBEL.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
f li
2309 564 3
jfi
r
ü
ii
i,
dat is:
Korte en eenvoudige beschouwing der voornaamste en troostelijkste drie hoofdzaken in het werk onzer zaligheid, waarbij alle twist en krakeel vermeden wordt.
DOOR
Bernliard Textor.
UIT HRT UOOGDUITSCH
V/^
AMSTERDAM, SC HEFFER amp; Cquot;.
1893.
/t^pA
r
VOORREDE VAN DEN VERTALER.
Het Duitsche werkje van Bern hard Textor, waarvan de ijverige kerkhistoricus Lie. theol. F. W. Cuno, Gereformeerd predikant te Eddigehausen in Hannover, ten vorigen jare eene nieuwe uitgave bezorgde, kwam ons voor, de vertaling dubbel waard te zijn. Immers ons volk wordt overstroomd met schriften en geschriftjes, waarvan zeer vele beter in de pen waren gebleven. Iets degelijks krijgt men niet dagelijks onder de oogen. De oude schrijvers zijn bij ons volk geliefd, al is het ook, dat menige oude schrijver op een en ander punt van de leer der waarheid afwijkt. Om die reden dacht bet ons goed, ook dezen âouden schrijverquot; voor ons volk te doen spreken. En dit te meer, dewijl dit werkje, âKern und Saftquot;, het kenmerk draagt van geschreven te zijn door iemand, die de waarheid verstond en daarom gaarne ook anderen duidelijk wilde maken, wat hemzelven dierbaar was. De schrijver was zeer nauw verbonden aan Caspar Olevianus, den medeopsteller van den Heidelbergschen Catechismus. Men merkt dit o. a. aan zijne manier van spreken en aan zijnen gedachtengang. Zoo heeft dit werkje wel iets van eene verklaring van genoemden Catechismus, waarin de drie stukken der leer, van 's menschen ellende, verlossing en dankbaarheid, zoo schoon uiteengezet worden. Degenen, die de Gereformeerde leer liefhebben, zullen daarom dit boekje met blijdschap begroeten, vooral omdat zoovelen, die zich Gereformeerd
noemen, steeds meer afwijken van Gods Getuigenis, om wegen te gaan, waarvan het einde de dood is.
âKern und Saftquot; werd in het jaar 1590 te Siegen door Chris-toph Corvinus in klein octavo gedrukt. Het Duitsch van dien tijd is door Cuno in overeenstemming gebracht met het huidige spraakgebruik. De tekst is zooveel mogelijk geliandliaafd. Naar die nieuwe uitgave is deze vertaling bewerkt. Bij de beoordeeling van taal en stijl gelieve men in aanmerking te te nemen, dat het ons streven was, zoo dicht mogelijk bij het Duitsch te blijven, hetgeen natuurlijk niet altjjd mogelijk was. zonder te kort te doen aan ons taaleigen.
Het aanhangsel, getiteld: âSterbekunstquot;, is eene door Textor bezorgde vertaling van het werkje van den Franschen theoloog Johannes Spinaeus ; âConsolatio et instruclio ad aegrotosquot;.
Voor degenen, die Textor niet kennen, volgen hier eenige bijzonderheden omtrent zijn leven. Bernliard Textor werd omstreeks het jaar 1560 te Allendorf aan de quot;VVerra in Hessen geboren. In 1585 kwam hij als tweede diaken te Ilerborn, waar hij zich spoedig de liefde van Olevianus verwierf, die bij iedere gelegenheid met buitengewonen lof van hem sprak. Op zijne aansporing en onder zijne leiding bewerkte hij in Januari 1587, toen de Heidelbergsche Catechismus in vele Gemeenten van het tot Nassau behoorende gebied nog geenen ingang gevonden had, vraagpunten van den Lutherschen Catechismus, met bijvoeging van hetgeen uit de Augsburgsche Confessie daartoe dienstig was, voor de scholen in Gereformeerden zin. Met zijnen collega Jacob Alsted was hij bij het afsterven van Olevianus tegenwoordig. Van 1588 af was hij predikant te Driedorf, totdat hij in Juni 1591 tot professor in de theologie te Ilerborn benoemd werd. In deze betrekking was hij belast met de leiding van de openbare disputation der studenten in de theologie, en moest hun bovendien onderwijs in de predikkunst geven. Van zijn meesterschap hierin getuigen zijne in de Latijnsche taal geschreven âPandekten heiliger Redenquot;, welke in het jaar KiOO in drie banden
het licht zagen. Textor was een vurig aanhanger van den Franschen philosoof Ramus, wiens methode hij op uitstekende wijze op de predikkunst toepaste. Zijn hoogleeraarsambt nam hij slechts tot het jaar 1594 waar, toen hij tot inspecteur der kerken ea scholen in de Dillenburger inspectie en te gelijk tot hofprediker van den Godvreezenden graaf' Johan don Oude te Dillenburg benoemd werd.
Voor de onder zijn opzicht gestelde predikanten toonde hij broederlijke liefde en zorg te hebben, terwijl hij niet alleen verre was van alle hiërarchische opgeblazenheid, maar zich ook nimmer schuldig maakte aan misbruik van zijn ambt.
Als hofprediker moest hij als 's Graven rechterhand voor dezen de correspondentie met de hoogeschool van Herborn voeren. Ook aan deze opdracht voldeed hij met alle getrouwheid en bescheidenheid. Zijn onverwacht vroegtijdig overlijden verwekte allerwegen groote droefheid. In het jaar 1G02 stierf hij nml. aan de pest, welke toen te Dillenburg vele slachtoffers maakte. Zijn lijk word in de stadskerk te Dillenburg begraven. â
Moge dit boekje in liefde ontvangen worden door allen, die de waarheid beminnen !
De Vehtaler.
VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER.
Aan den Christel ij ken lezer.
Welk een kostelijke schat, welk een edel kleinood en kostbaar goed de heilige Goddelijke Schrift, door Profeten, Evangelisten en Apostelen opgeteekend, voor de kinderen Gods is, erkennen en weten alleen zij, wier verstand en hart niet uitgaat naar de dingen dezer wereld, niet boos en goddeloos is, maar door don Heiligen Geest is verlicht geworden, en geleid en gebracht tot de beschouwing van haren waren kern, zoeten inhoud en liefelijke kracht, alsmede tot het eigenlijk doel, de voortreffelijke veelvoudige werking en nuttigheid.
Het is waarlijk iets groots, dat de Heere God daarin aan het licht gebracht en betuigd heeft Zijnen hoogwijzen raad en wil, welke overigens onbekend en ondoorgrondelijk zijn, alsook de kennis van Zijne veelvoudige, machtige en heerlijke werken, inzonderheid echter omtrent het tijdelijk en eeuwig welzijn, het heil, de zaligheid en het leven des menschen.
Het is verder iets groots, aangezien alle menschen na den val van nature zich in het rijk der duisternis bevonden en geestelijk blind waren, en daarom het ontstoken licht der Goddelijke waarheid niet aanschouwen, noch het vruchtbaar genieten en gebruiken konden, dat God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, uit loutere genade door Zijne macht, waardoor Hij kan te voorschijn roepen, wat niet is, ja uit de duisternis een licht weet voort te brengen, hun de oogen van hun blind verstand opent, en dat wel niet op eene geestver-Textor, Kern. 1
2
rukkende wijze en zonder middelen, maar juist door het vlijtig lezen, de stichtelijke verkondiging en het aandachtig hooren van Zijn quot;Woord. Dus heeft de Heilige Schrift niet alleen het doel, nut en gebruik, dat zij een getuigenis is van het Vaderlijke hart en den wil Gods, Die jegens ons, Zijne uitverkorene kinderen en erfgenamen, gunstig gezind is, maar zij is ook te gelijk een werktuig van Zijne genade en macht, waardoor Hij vrijwillig, d. w. z. in wien, wanneer en zoo als Hij wil, werkt, verlicht, treft en alzoo schept, dat, evenals regen en sneeuw, welke van den hemel vallen en derwaarts niet wederkeeren, maar de aarde bevochtigen, opdat zij vrucht voortbrenge, zoo ook de blijde, ronde, duidelijke, geregelde, verstaanbare en treffende prediking van Gods Woord niet zonder vrucht blijft, maar datgene uitwerkt, waartoe zij door God is gezonden. Want daardoor wordt de leer van het eeuwige oneindige wezen, van den wil en de groote daden en werken Gods, naar de mate, welke een ieder tot zijne zaligheid noodig heeft, den kinderen Gods in de ooren, in verstand, hart en handen gebracht.
Zoo is dan ook eindelijk dat iets groots, dat wij Christenen aan de Heilige Schrift zulk een in 't oog loopend, vast, door Profeten en Apostelen voorgesteld Woord hebben, waarop onze geloovig gemaakte harten onafgebroken zien, onbeweeglijk staan, stand houden, bouwen kunnen en zekerlijk vertrouwen. Want eerder zouden hemel en aarde voorbijgaan, en heuvels en bergen vallen, dan dat een tittel of jota, laat staan dan een woord van datgene, wat God in de Heilige Schrift gesproken, beloofd en toegezegd heeft, niet geheel in alle en ieder opzicht zou vervuld en gehouden worden.
Kortom, wij hebben aan den Heiligen Bijbel, welke is het geschreven Woord Gods des Ouden en Nieuwen Testaments, een waar Woord tot onderwijzing, voeding en verwering. Want wij worden ten eerste daarin geleerd en onderwezen omtrent al hetgeen een Christen moet hooren, leeren, liefhebben en doen, waarom het dan ook billijk den eeretitel draagt en heeft, dat het alleen een regel en richtsnoer van ons geloof en leven is.
Verder is het ook een Woord tot voeding en vertroos-
3
ting. Want wat van het geloof en leven eens Christens in de Heilige Schrift geleerd en voorgehouden wordt, is alles daarop gericht, dat wij daardoor voeding, lafenis, troost, rust en blijdschap des gewetens zouden heblren in iederen stand, ambt en weg, en op die wijze tot ons hoogste doelwit zouden gebracht worden, nml. tot de heiliging van den grootcn en dierbaren Naam Gods, hier in dit leven wel eenigermate en ten deele, maar in de hemelsche volmaaktheid en heerlijkheid volkomen-lijk, zonder stoornis en zonder ophouden.
Ten derde is het geschreven Woord Gïods ook een Woord tot verwering, opdat wij daarmee door middel van de genade Gods ons beschutten en verdedigen tegen den duivel, die een listige en machtige doodvijand is van alle zuivere leer, waarachtig geloof, Christehjken wandel en levenden troost der Christenen en dus van de eere Gods, des Vaders, Zoons en Heiligen Geestes, alsook tegen de goddelooze wereld en valsche leeraars en ons eigen boos vleesch. en opdat wij deze onze vijanden daarmee kunnen slaan, kruisigen, dooden en overwinnen.
Daarom behoeft men zich niet te verwonderen over den koninklijken Profeet David, dat hij (met het oog op het onuitsprekelijke, groote, veelvoudige nut) het Woord Gods, waarvan toen slechts een klein deel geschreven was, zoo hoog verheft en verre boven alle andere aardsche dingen stelt, als hij in Psalm i'19 zijn hart uitstort en te verstaan geeft, dat hij tot het Woord zulk eene genegenheid, lust en liefde heeft, dat hij alle andere dingen, die overigens in de oogen en in de gedachten der wereld kostelijk zijn en op prijs gesteld worden, op den achtergrond stelt, en vurig en met bijzondere begeerte bidt, dat, gelijk God begonnen heeft, hem zoodanigen lust en vreugde tot en in Zijn Goddelijk Woord te schenken. Hij op die wijze (dewijl van Hem dit alles alleen komen en gewerkt worden moet) ook moge voortgaan, en zijn hart hoe langer zoo meer daartoe moge neigen, dat hij in zijnen stand, beroep en geheele leven zich daarnaar richte, en in alle omstandigheden, inzonderheid echter in kommer, zich daardoor krachtig oprichte, daarop als op den rechten herdersstaf Gods, steunen en leunen en zich verlaten moge, en alzoo oorzaak
4
hebben, Hem over deze hooge en groote genade en weldaad eeuwig te loven en te prijzen. Hij ijvert ook en spreekt zeer ernstig tegen de verachters van God en Zijn Woord, dreigt en verkondigt hun, dat zij het veelvoudige nut daarvan in eeuwigheid niet zullen smaken.
Daarom, Christelijke lezer, houd het geenszins daarvoor, dat het mijne bedoeling en mijn plan zou zijn, u door de volgende korte verhandeling van dit edel kleinood, dezen kostbaren schat en liefelijke bron van alle goede leer en troost, af te brengen, of door dit geschrift u den Heiligen Bijbel uit de handen te nemen, maar daarentegen hem in oogen, ooren, verstand, hart en handen te brengen door de genade, den Geest en den zegen Gods, en wanneer gij met mij over deze zaak een weinig in de vreeze des Heeren zult nadenken, dan zult gij bevinden, dat dit in waarheid zoo is. Dan zult gij de hoognoodige leer van het eeuwige en eenige Verbond der genade, van Jesus Christus, den rechten en waarachtigen Middelaar van het Genadeverbond, en van de uitnemende weldaden. die daaruit voortkomen, beschouwen en overwegen; en dit zal u niet van den Heiligen Bijbel afbrengen, maar daarheen wijzen en leiden en u aansporen, om hem vlijtig te lezen en te hooren; aangezien daarbuiten nergens elders eene enkele letter hiervan te vinden is.
Dit zal u ook een sleutel tot den Heiligen Bijbel zijn en bijzondere aanwijzing en onderrichting geven, om hem des te beter te verstaan. Want evenals de zeelieden op de wijde, groote zee bepaalde merkteekenen, kompas en sterren hebben, waarnaar zij zich bij hunne scheepvaart richten, zoo zal ook hij, die aan de straks genoemde drie punten kennis heeft, daarin niet slechts eene aansporing vinden, om den Heiligen Bijbel te hooren en te lezen, maar ook een voortreffelijk richtsnoer en aanwijzing, om zonder aanstoot en krenking tot den rechten, gewenschten stand er van te komen. Daarentegen is dengenen, die in deze drie hoofdzaken geene geoefende zinnen hebben, de Heilige Bijbel een verzegeld en gesloten Boek, en kan het spoedig en gemakkelijk gebeuren, dat zij met gevaar voor hun tijdelijk en eeuwig geluk verre afdwalen, zich vreeselijk ergeren en verderven.
5
Verder is het zeker, dat de gedurige overweging der leer van het Genadeverbond, van den Middelaar en van de veelvuldige weldaden van Hem, Godvruchtige harten niet slechts aanzet, om den Heiligen Bijbel te lezen, en aanwijzing geeft, om met vrucht hem te beschouwen, maar ook eenen bijzonderen lust, liefde en vreugde daartoe in hen werkt. Want geljjk zoodanige leer hoognoodig en duidelijk is, zoo is zij ook bovenmate vertroostend en bemoedigend, en geeft leven, rust en vreugde aan het bekommerd hart en het verslagen geweten van den armen zondaar, laaft en verkwikt hem grootehjks en wonderlijk in zijne geestelijke onmacht en droefenis. AVie zou dan niet als een moè gejaagd hert, naar de frissche, levendmakende fontein van het Woord Gods, waarin alleen zulk eene troostvolle leer vervat is, en waaruit die alleen geschept worden kan, een hartelijk verlangen, lust en liefde willen hebben?
Zoo ook eindelijk, als wij deze troostvolle leer recht in 't leven, vooral echter in het sterven en bij het scheiden uit dit jammerdal, inderdaad in beoefening en in practijk willen brengen, moeten onze oogen, ooren, verstand en harten zich wenden naar den Heiligen Bijbel en zien, hooren en acht geven op diegenen, die ons op den weg naar het hemelsche vaderland met hun voorbeeld voorgegaan zijn en zich op dien weg met niets anders getroost hebben, ook onder alle kruis, vervolging en midden in den dood op niets anders hun vertrouwen gesteld hebben, dan op de zekere en zalige belofte van het onveranderlijk eeuwig Verbond der genade Gods, dat door den Heere Jesus Christus in alle opzichten bevestigd geworden is, en daaruit ook in hunne harten en gewetens onder alle omstandigheden gevonden hebben, dat hun de Geest Gods door Woord en Sacrament getuigenis gegeven heeft, dat zij rechtvaardig waren, kinderen en erfgenamen Gods in leven en sterven cn in eeuwigheid.
Derhalve ziet men, dat door dit mijn geschrift en mijne herinnering aan de düe noodzakelijke, voorname en troostvolle hoofdpunten niemand afgetrokken, maar iedereen naar den Heiligen Bijbel en de Goddelijke Schrift gewezen en gedreven wordt tot nuttige en stichteljjke beschouwing en lezing daar-
6
van; ook wel voorbereid en aangetoond, hoe ook een hartelijke lust, liefde en vreugde daartoe gewekt wordt, alles met dit doel, dat een ieder naar de aanwijzing des Goddelijken A\oords, gelijk ook der daarin vermelde en voorgestelde voorbeelden van Gods kinderen zalig en rustig moge leven en sterven.
En juist de overweging van deze zeer gewichtige zaken en onderwerpen heeft mij bewogen, aan dit werk zoodanigen titel te geven, waardoor datgene, wat ik den Christelijken lezer tot hiertoe in herinnering bracht, duidelijk te verstaan gegeven zou worden. Vooral als ik het noem; »Kern en merg van den Heiligen Bijbelquot;, brengt zulk een titel in eene dubbele gelijkenis voor de aandacht:
1) dat de leer van de drie hoofdpunten de noodzakelijkste is, en daarom groote aandacht en voortdurende overweging behoeft;
2) dat hierin als in een kort bestek en kleinen inhoud bijeengebracht en samengevat is, wat vooral in den Heiligen Bijbel medegedeeld en verhandeld wordt, en dat daarop alles neerkomt, wat in den Bijbel uitvoerig uiteengezet wordt;
3) dat deze leer eene versterkende en vertroostende, liefelijke leer is, naar welke wij als naar den kern en het merg van den Heiligen Bijbel zeer begeerig behooren te zijn.
Ik wensch daarom zoowel mijzelven als anderen, voornamelijk echter mijnen door den Heere Gfod en mijne Christelijke, hooggeborene, genadige Overheid toevertrouwden schapen en geliefden toehoorders, welke ik zoowel met mondelinge als met schriftelijke prediking van deze troostvolle leer, vooral en allereerst heb willen dienen, dat Hij ons allen door Zijnen heiligen, goeden Geest alzoo moge regeeren, besturen en ons aller hart daarheen neigen en meer en meer brengen, dat wij de noodzakelijke leer van het eeuwig Verbond der genade van onzen eenigen Heere en Verlosser Jesus Christus, den Middelaar des Genadeverbonds, alsook van de vruchten en weldaden, welke aan de Christelijke Kerk en aan al hare ware leden van het Verbond der genade en van Christus alleen toekomen en medegedeeld worden, hoe langer zoo meer gaarne hooren, ter harte nemen en verstaan, er behagen in vinden,
7
ons met hartelijke blijdschap er op toeleggen, en in onzen geheelen weg, beroep en toestand, hetzij wij leven, of sterven. ons deze ten nutte maken, wel in beoefening en prac-tijk mogen brengen tot lof, eer en roem van den grooten en heiligen Naam van God den Vader, Zoon en Heiligen Geest, alsook tot ons aller tijdelijke en eeuwige zaligheid en welvaart. Amen.
Christelijke lezer, vaar wel, en leef en sterf in Christus, den Gekruisigde, zoo zult gij leven, al sterft gij ook.
KERN EN MERG VAN DEN HEILIGEN BIJBEL,
dat is;
Korte en eenvoudige beschouwing der voornaamste en troostelijkste drie hoofdzaken in het werk onzer zaligheid, waarbij alle twist en krakeel vermeden wordt.
Evenals er geene grootere en zwaardere ellende is, dan van God, liet hoogste goed, gescheiden te zijn, d. i. eenen onver-zoenden God te hebben, en Diens toorn tegen zich te gevoelen, ook Hem te vergeten, of l£em te haten en te ontvluchten: zoo is er ook geen grooter goed in hemel noch op aarde, dan met God vereenigd te zijn, door Hem bemind te worden, Zijne genade te kennen en te genieten, zonder vreeze tot Hem te naderen en alles goeds van Hem te verwachten. Nu is het wel waar, dat de raensch vóór den val Gods gunst en evenbeeld gehad heeft, en om die roden met God vereenigd, zalig en levend, ofschoon vergankelijk geweest is; doch na den val zijn er vooral twee dingen in hem, waarom hij van God gescheiden en met recht arm, ellendig en levend dood is, nml. het evenbeeld des duivels en de ongenade Gods. Zoo begrijpen wij dan gemakkelijk, dat do mensch door de zonde zich uit de zaligheid, zoover hij die bezat, in het verderf gestort heeft. Immers God is eerst door de zonde vertoornd geworden, daarna heeft de mensch ook door zijne ongehoorzaamheid en zijnen afval het evenbeeld Gods verloren en zichzelven geheel en al verdorven, en op die wijze
9
is hot door den duivel en de zonde geschied, dat de band tusschen God en de menschen, welke in de liefde bestond, verbroken is geworden. quot;Want hoewel God daaraan geene schuld had, dat de band der schopping gebroken was, kon Hij toch als een rechtvaardig Rechter den raensch wegens zijnen afval niet liefhebben, maar haatte hem. Zoo was ook de' liefde des menschen jegens God den Schepper uit-gebluscht, en in plaats daarvan door het bedrog des Satans een haat en afschuw tegen God in de harten geschreven en geplant, zooals voldoende te zien is uit het voorbeeld onzer eerste voorouders Adam en Eva en uit de ontleding en blootlegging van den zondigen mensch, Rom. 3 : 8â10. In alle eeuwigheid zou ook wegens die zonde tusschen den rechtvaardigen en heiligen God en den afvalligen, onrechtvaar-digen en verdorven mensch geen vrede, vriendschap en verbond gemaakt hebben kunnen worden zonder eenen wettigen Middelaar, en dus zou niemand hebben kunnen zalig worden. Doch niemand, die slechts een mensch was, kon zulk een ambt waarnemen, aangezien al zijne krachten en verdiensten verdorven en nietig zijn; geen ander schepsel, ook geen engel heeft dit op zich kunnen nemen en verrichten, vooral omdat de engelen noch onze scheppers waren, noch onze natuur en eigenschappen hadden, en dus quot;bok geenen toegang tot zulk een ambt zouden gehad hebben. Voorts zou ook geen engel dit ambt hebben kunnen uitvoeren, omdat, hoewel de engelen Gods toorn gevoelen, zooals blijkt uit het voorbeeld der duivelen, toch geen engel zoodanige sterkte heeft, dat hij den toorn Gods zou kunnen overwinnen. Geen engel bezit ook de macht en het vermogen, dat hij ons uit het rijk der duisternis, der ongerechtigheid, des eeuwigen doods, en aller schande en ondeugd zou kunnen overbrengen in het Rijk des lichts, der gerechtigheid, des eeuwigen levens en heiligen wandels. Alleen de eeuwige Zoon Gods was in den eeuwigen raad der Heilige Drieëenheid tot dit hooge ambt uitgezonden en verordineerd, en Hij had Zich ook gewillig daartoe verbonden, dat Hij een heilig mensch zou worden, de wet vervullen, en vervolgens door het smaken en overwinnen van den eeuwigen dood, aan het deel, dat niet trouweloos geworden was, voor het deel,
10
dat overtreden had, nml. voor de uitverkorenen, eene genoegzame voldoening brengen zou, en alzoo aan Gods zijde alle hindernis wegnemen en daarentegen het Verbond der genade door verwerving van Gods gunst zou vastmaken. Hij wilde ook in de uitverkoren menschen door Zyne kracht het rijk des Satans verstoren, d. i. de duisternis des verstands, het wantrouwen en den onvrede des harten, dus het beeld des Satans uit hen wegnemen, Zijn Kijk echter in hen planten, d. i. een kennen en een proeven der barmhartigheid Gods wegens Zijne betaling, en als een gevolg daarvan rust, blijdschap en troost des harten werken, ook het evenbeeld Gods vernieuwen, en op die wijze de geboden des Ileeren weder in hunne harten schrijven.
Dit, nml. dat Christus de eenige wettige Middelaar des Genadeverbonds is, en dat geen mensch zonder Hem, noch ook zonder Zijn zaligmakend ambt en zonder Zijne voortrette-lijke weldaden, ware kennis, vertrouwen en liefde zalig kan worden, verstond bovenmate de Apostel Paulus, zooals dit met vele uitnemende getuigenissen uit zjjne prediking en geschriften zou kunnen bewezen en aangetoond worden. Ik wil slechts op één er van de aandacht vestigen, hetwelk staat in den Brief aan de Efezen, Hoofdstuk 3, van Vers l-i tot het einde, waar hij eerst in vijf schoone gelijkenissen en vervolgens ook met korte, ronde woorden aan de Efezen en in hunnen persoon aan ons allen van God, den Vader van onzen Heere Jesus Christus, uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, van harte toewenscht, dat beide, zij en wij, den eenigen Zaligmaker recht kennen. Hem met waarachtig vertrouwen en hartelijke liefde door de krachtige werking des Heiligen Geestes aanhangen, in Hem de onbegrensde liefde des hemelschen Vaders smaken en daaruit ware rust, vreugde, troost en leven des harten verkrijgen mogen.
Want dit bedoelt hij, wanneer hij vooreerst zegt: »Om deze oorzaak buig ik mjjne knieën tot den Vader van onzen Heere Jesus Christusquot;, d. i.; ik roep den Vader van onzen Heere Jesus Christus aan, «opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijnen Geest in den inwendigen menschquot;. Daar leert
11
hij, dat het met het geloof in den Heere Jesus Christus gesteld is als met eenen mensch. Immers evenals de mensch, wanneer hij in de wereld geboren wordt, zeer zwak en klein is, maar van dag tot dag grooter en sterker wordt, tot hij zijnen volkomen mannelijken leeftijd bereikt heeft: zoo ook is de kennis, het vertrouwen en de liefde van Christus, wanneer zij in de uitverkorenen door den Geest der wedergeboorte en des kindschaps eenen aanvang neemt, zeer gering en zwak, maar vermeerdert door de krachtige werking des Heiligen Geestes van dag tot dag in hen, totdat zij tot de volmaakte kennis en liefde van Christus gebracht en alzoo een volkomen man in Hem geworden zijn.
Vervolgens wenscht Paulus hetzelfde in eene andere schoone gelijkenis, als hij bidt, dat God de Vader aan de Efezen en alzoo ook aan ons kracht moge geven naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, door Zijnen Heiligen Geest, opdat Christus door het geloof in hunne harten wone, d. w. z. dat Hij niet als een reiziger zij, die niet lang op eene plaats vertoeft, maar dat Hij bestendige woning bij hen en ons make, d. i. dat het geloof der Efezen en van ons aangaande Christus niet eene vluchtige en korte gedachte, maar eene altijddurende kennis, vertrouwen en liefde van Christus moge zijn.
Ten derde meent Paulus in bedoeld gezegde weder hetzelfde, als hij zegt: »in de liefde geworteldquot;, d. i. door de liefde geworteld in Christus; alsof hij wilde zeggen: zooals een boom, wanneer hij geene wortels heeft, of in geenen goeden grond geplant is, geen goed sap en geen leven kan hebben, alzoo kan hij, die door het geloof, waarachtig vertrouwen en liefde in Christus, den eenigen Middelaar, door de kracht des Heiligen Geestes niet geworteld wordt, niet het rechte sap, leven, troost en rust hebben. Daarom is dit de bedoeling: ik bid den Vader van onzen Heere Jesus Christus, dat Hij u kracht geve, opdat gij door de liefde van Christus geworteld wordt, opdat gij het rechte sap, troost en leven moogt hebben.
Ten vierde geeft Paulus dit te verstaan met eene andere gelijkenis, als hij bidt, dat de Vader van onzen Heere Jesus Christus den Efezen (en zoo ook ons) kracht moge geven, om
12
in de liefde gegrond te worden, namelijk in Christus. Want evenals iemand, die een duurzaam huis wil bouwen, moet toezien, dat hij eenen goeden en vasten grond legge, en vervolgens daarop bouwe: zoo moot hij, die zeker van zijne zaligheid wil zijn, door eene altijddurende liefde, welke uit ware kennis en waar vertrouwen voortvloeit, op Christus, den eenigen Verlosser en grond der zaligheid gebouwd en gegrond zijn.
Ten vijfde wordt dit door Paulus aangetoond, als hij den Efezen en ons toewenscht, dat de Vader van onzen lleere Jesus Christus, hun en ons kracht geven moge door Zijnen Heiligen Geest, opdat zij en wij begrijpen zouden, met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, nrnl. van de groote liefde Gods in Christus jegens hen en ons. Dit nu is de bedoeling: evenals iemand, die de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van een werk of een gebouw begrijpt en weet, ook tamelijk wel den bouw en den vorm van het werk of het gebouw kent: alzoo wie door de krachtige werking des Heiligen Geestes begrijpt en kent de breedte en de lengte, do diepte en de hoogte der genade Gods in Christus, den eenigen Zaligmaker, en van dag tot dag in deze kennis wast en toeneemt, die verstaat ook tamelijk wel het geheim, werk en gebouw der zaligheid, en kan de giftige, gruwelijke en snelle aanvallen des Satans door Gods genade wel doorstaan en overwinnen.
Derhalve, wat Paulus in de vorige vijf schoone gelijkenissen, welke ook op vele andere plaatsen der Heilige Schrift gevonden worden, den Efezen en ons van den Vader onzes Heeren Jesus Christus door de kracht des Heiligen Geestes toegewenscht heeft, dat wenscht hij hun en ons in Vers 19 met korte, ronde woorden, als hij zegt; »dat gij moogt bekennen de liefde van Christus (waarmede Hij ons liefgehad heeft), die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Godsquot;. Dat wil zooveel zeggen als: Wie met den eenigen Zaligmaker Christus door ware kennis, vertrouwen en liefde verbonden is, die heeft in Hem alle volheid, rijkdom, schatten en weldaden van Gods genade, terwijl daarentegen hij, die den Heere Jesus Christus niet erkent en liefheeft, vervloekt is en alle schatten der groote genade
13
van den hemelschen Vader ontberen en derven moet, al ware hij ook zoo wijs en verstandig als Plato, en zoo rijk als Croesus.
Wie nu de troostvolle leer van de zaligmakende vereeni-ging en liefde Gods recht genieten en gebruiken, en ook in de liefde van Christus naar den inwendigen niensch, door de werking des Heiligen Geestes van dag tot dag sterker worden en toenemen wil; wie wil, dat Christus in hem wone, en hij in Hem dieper geworteld en op Hem vaster gegrond worde; ook de lengte en de breedte, de diepte en de hoogte van het geheim en werk der zaligheid en der barmhartigheid Gods al meer en meer eenigermate wil begrijpen, â die moet op de volgende drie hoofdstukken nauwkeurig acht geven, waarin in 't kort, doch grondig voorgesteld en uiteengezet zal worden de leer :
1. Van het eeuwig Testament of Genade verbond van God, dat Hij met Zijne uitverkorene kinderen en erfgenamen heeft opgericht.
H. Van den Middelaar van het Genadeverbond, d. i. van den hoogen en heiligen Persoon, gelijk ook van het zaligmakend ambt van onzen Heere Christus.
HI. Van do uitnemende vruchten en weldaden, welke aan de Christelijke Kerk en al hare leden uit het Genadeverbond en van Christus door de uitoefening Zijns ambts toekomen en medegedeeld worden.
Welke drie stukken ik naar aanleiding van het heilige Woord Gods en van de Artikelen der Apostolische Geloofsbelijdenis wil beschouwen en voorstellen.
De Vader der waarheid en des lichts verleene om Zijns Zoons Jesus Christus wil Zijne genade en Zijnen Heiligen Geest daartoe, dat Zjne Kerk daarmede gediend worde tot prijs van Zijnen grooten en Heiligen Naam, gelijk ook tot levenden troost en eeuwige zaligheid Zijner kinderen. Amen.
HET EERSTE HOOFDSTUK.
Van het eeuwig Testament of Genadeverbond Gods met Zijne uitverkorene kinderen.
liet Grenadeverbond is eene vereeniging van God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest met de uitverkorene menschen in de liefde, welke niet gegrond is op de krachten en verdiensten der menschen, maar op de verdienste en de krachtige werking van den Middelaar Christus.
Ter verklaring en tot bewijs dezer beschrijving van het Genadeverbond moeten de volgende punten in acht genomen worden :
Vooreerst wordt in de beschrijving van het Genadeverbond mededeeling gedaan van de partijen, tusschen welke het Genadeverbond opgericht wordt. Aan de eene zijde staat God de Vader, Zoon en Heilige Geest, welke drie Personen één geestelijk, onveranderlijk, oneindig, eeuwig en allerheiligst wezen, wijsheid, vrijen wil, macht, goedheid, gerechtigheid en eer hebben, welke ook naar hunne eenige, geestelijke, onveranderlijke, oneindige, eeuwige en heilige wijs-beid, wil, macht, goedheid, gerechtigheid, en tot Hunne eer geschapen hebben hemel en aarde, met alles wat er in is; ook nog heden onderhouden en regeeren alle en ieder geschapen ding, zoodat niet één, ook het allergeringste niet, zonder Hunnen wil en beweging bestaan, veranderd, verminderd, vermeerderd of vernietigd worden kan. Aan de andere zijde staan de uitverkorene menschen. met welke de Heere God
15
het Verbond der genade maakt, d. i. diegenen, die wel door hunne zonde zich van God, hunnen onveranderhjken Schepper, losgescheurd, en zich naar ziel en lichaam, naar verstand en wil verdorven hadden, doch welke God ten eeuwigen leven verkoren en van eeuwigheid besloten heeft, hen van het getal der verdoemden af te zonderen, voor hen door zijnen Zoon te betalen, en door Zijnen Heiligen Geest krachtiglijk uit het rijk des Satans in Zijn Rijk te roepen.
Ten tweede wordt in de bedoelde beschrijving van het Verbond der genade vermeld, waarin het Verbond der schepping of der wet, en het Verbond der genade overeenkomen. Beide, het Verbond der wet en het Verbond der genade, zijn eene vereeniging van God met do menschen in de liefde, alzoo dat God de menschen met Zijne genade omvat en hun naar ziel en lichaam allerlei goeds bewijst, terwijl de menschen van hunnen kant zulke liefde Gods jegens hen erkennen, en daardoor opgewekt worden, om Hem wederom lief te hebben en te eeren, gelijk het in 't vervolg uit de getuigenissen van het Woord Gods genoegzaam zal blijken.
Doch hierbij moet dit wel opgemerkt worden, aangezien in het eerste punt van dit Hoofdstuk vermeld geworden is, hoe de onveranderlijke God van Zijnen kant het Verbond niet gebroken heeft, de mensch echter zich door de zonde van God, zijnen hoogsten Schepper, losgerukt, en door dit losrukken Gods toorn op zich geladen, en zich ook zoo verdorven heeft, dat hij God van nature niet liefheeft, maar haat. Derhalve zou in eeuwigheid geen Verbond in vereeniging van God met de uitverkorene menschen in de liefde kunnen zijn, indien de voorgaande beletselen der liefde, beide bij God en bij de menschen niet weggenomen werden. Daarom moet aan Gods zijde, als Hij de menschen zal liefhebben en niet haten, door vergeving der zonden uit Zijn gemoed weggedaan worden de gedachtenis dor zonden en de toorn, welke tegenover Gods liefde jegens de menschen stonden. Aan de zijde der menschen moet, zoo zij de goedheid Gods erkennen, Hem liefhebben en niet haten zullen, de blindheid huns geestes en de hardheid huns harten, dat van nature geneigd is. God niet te erkennen en lief te hebben, maar te haten, worden weggenomen.
l(i
Bovendien moeten wij hierbij bedenken, dat God en de menschen zoo met elkander in de liefde vereenigd worden, dat zij gemeenschappelijke vrienden en vijanden willen hebben. Daarom bemint God al degenen, die de uitverkorenen liefhebben en hun goed doen, en haat al degenen, die hen haten en vervolgen. â¢) Zoo ook beminnen de uitverkorenen al degenen, die God recht kennen en liefhebben, als deelgcnoo-ten des Verbonds, maar haten daarentegen allen, die God voortdurend haten. :) Ja, er is een heilige en vurige ijver tusschen God en de uitverkorenen, veel meer ijver dan tus-schen man en vrouw, die door de liefde innig verbonden zijn.
Ten derde wordt in de beschrijving van het Genadever-bond aangetoond, wat voor onderscheid er is tusschen liet Verbond der schepping of dor wet, en het Verbond der genade.
Het Verbond der schepping of der wet is eene vereeniging tusschen God en de menschen door zoodanige liefde, als gegrond is op de krachten en op de verdienste der menschen. Want ofschoon God als vrijwillige Schepper aan niemand iets schuldig is, maar alle schepselen en inzonderheid de menschen veeleer aan God verplichting hebben, zoo heeft Hij Zich toch in de Schepping en in de wet door Zijne belofte jegens den mensch verbonden, om hem lief te hebben en hem naar ziel en lichaam alles goeds te bewijzen, op deze voorwaarde, dat de mensch uit zijne krachten, die hem in de schepping gegeven waren, God zou liefhebben en Hem jegens zich verplichten zou. Zoo was dus, gelijk gezegd is, het Verbond der wet gegrond op de krachten en op de verdienste der menschen.
Daarentegen is het Genadeverbond of het Verbond van God, den Verlosser, met den mensch, die in de zonde gevallen is, eene vereeniging door zoodanige liefde, welke niet gegrond is op de krachten en op de verdienste der menschen, zooals het Verbond der schepping of der wet, maar op de
') Goh. 12 : 3. *) I's. 13'J.
17
verdienste en de krachtige werking van den Middelaar Chris-tua, van quot;Wien in het volgende, tweede Hoofdstuk zal gehandeld worden.
Het Genadeverbond nu kon niet op de krachten en op de verdienste der menschen gegrond worden, om deze reden, dat de mensch, nadat hij in de zonde gevallen is, door zijne krachten en verdienste niet in staat is, eenig beletsel voor het Verbond der genade weg te ruimen, d. w. z. hij is niet in staat, bij God de gedachtenis der zonden en den toorn, noch bij zichzelven de boosheid zijns harten, dat geneigd is. God te haten, te niet te doen. Evenmin kan hij verwerven de genade en liefde Gods, gelijk hij ook in zichzelven niet werken kan eene erkentenis van en vertrouwen op die liefde, noch den rechten ijver, om God oprecht naar Zijnen wil te dienen. Want de krachten des menschen zijn zóó door den afval van God verdorven, dat hij niets goeds uit zichzelven denken, laat staan willen of verrichten kan; en zoo hij het al kon, zou hij toch niet voor de vroegere zonde betalen, en derhalve toch aan God alles schuldig zijn. Hij kan het echter, gelijk gezegd is, niet, waarom ook zijn werk en verdienste niets anders is dan zonde, toorn en vloek Gods, kan daarom niet voor eene enkele zonde betalen, maar maakt de schuld nog dagelijks grooter, kan ook uit het rijk des Satans in het Koninkrijk Gods zich nooit door eigen krachten overbrengen, maar zou, wat zijne krachten betreft, die geneigd zijn tot alle kwaad en onbekwaam tot eenig goed, eeuwig onder de macht des Satans en in het rijk der duisternis, zonden, onrust, droefheid en des eeuwigen doods moeten blijven. Daarom, zoo er na den val een verbond en eene vereeniging tusschen God en menschen in de liefde zou zijn, dan moest dit op de eenige verdienste en de krachtige werking van den Middelaar Christus gegrond zijn, door welke beide al hetgeen bij God en ons, nadat wjj van Hem afgevallen zijn, het Genadeverbond in den weg staat, weggenomen is en wordt, daarentegen al wat tot de vereeniging tusschen God en menschen in de liefde behoort, verworven is en gewerkt wordt.
Uit deze herinnering aan de overeenstemming en het onderscheid tusschen het Verbond der wet en dat der genade ïextor, Kern. 2
18
zal men verstaan kunnen, wat de Heere meent, als Hjj door den Profeet Jeremia in het 31ste Hoofdstuk zegt, dat Hij met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw Verbond zal maken, niet naar het Verbond, dat Hjj met hunne vaderen gemaakt heeft, enz.. Want deze woorden mogen geene aanleiding geven tot de gedachte, dat het Verbond der weten het Genadeverbond niets met elkander te maken hebben, en dat het Verbond der genade niet eene vereeniging tusschen God en de menschen is door de liefde, aangezien dit van het Verbond der wet ook juist gezegd wordt, en God toch hier zegt, dat Hij een nieuw en ander Verbond met het huis Israëls maken zal, niet naar het vorige. quot;Want met deze woorden wil God datgene, waarin het Verbond der wet en het Genadeverbond overeenkomen, niet opheffen, maar wil slechts aantoonen. dat het nieuwe Verbond niet op de krachten en de verdienste der menschen, zooals het oude Verbond der wet, zou gegrond zijn, maar alleen op Zijne genade, welke ons toestraalt in het Aangezicht, d. i. in de verdienste en in de krachtige werking van Jesus Christus, den Middelaar.
Ten vierde wordt dit Verbond genoemd het Genadeverbond. quot;Want ofschoon aan de gerechtigheid Gods door den dood en de verdienste van Christus genoegdoening gebracht is, wordt toch deze verdienste slechts uit loutere genade ons door God toegerekend; wordt ook om die verdienste, uit loutere genade Gods, Christus met Zijne verdienste ons te verstaan gegeven en een waarachtig vertrouwen op dezen Middelaar en Zijne betaling in ons hart gewerkt. Doch dit heeft alles daarom plaats, opdat den Heere God alleen, en niet den menschen de roem van het groote werk der verlossing toegeschreven, en Hij alleen daarvoor geëerd worde.
Ten andere, opdat onze harten en gewetens eene voortdurende en eeuwige rust hebben, ook zich geheel en al overgeven, om den Heere God met blijdschap te dienen. Daarentegen, zoo het Verbond der genade op de verdienste en krachten der menschen gebouwd ware, en niet op de loutere genade en verdienste en de krachtige werking van den Zaligmaker Christus, dan zou het niet een Genadeverbond zijn, zou ook niet alleen aan God de eer van onze behoudenis
lü
toegeschreven zjjn, en wij zouden nooit van ons heil zeker kunnen zijn, zouden ons ook nooit met waren ijver in ons geheele leven tot den dienst Gods begeven.
Ten vijfde dient bij deze beschrijving opgemerkt te worden, dat er niet meer dan een eenig en eeuwig Verbond der genade is. Eeuwig is het, omdat God in Zijnen hoogwijzen Raad van eeuwigheid besloten heeft, aan sommigen uit het geschapene en afvallige menschelijk geslacht de zonde te vergeven en hen lief te hebben, om de verdienste van den Hoogepriester Christus, in hen ook het rijk des Satans te verstoren en Zijn Rijk in hen op te richten door de machtige werking van Zijnen gezalfden Koning Christus ; ook heeft Hij dezen Zijnen Raad vervuld van het begin der oprichting en voltrekking van het Genadeverbond, tot op dit uur, vervult hem nog, en zal hem vervullen tot aan het einde der wereld en tot in alle eeuwigheid.
Er is evenwel slechts een eenig Genadeverbond. Want ofschoon het eeuwig Genadeverbond, zooals het in den Raad Gods besloten is geworden, eerst aan Adam verkondigd, en vervolgens door God Zeiven en door Zijne gezanten menigmaal aan het volk is herinnerd en herhaald geworden, ook nog heden ten dage dikwerf daarvan door de dienaars Gods geleerd wordt, â zoo moet men toch niet meenen, dat God zoo menigmaal een nieuw Verbond maakt, als daarvan gesproken wordt, doch, zooals gezegd is, de leer van het eeuwig en eenig Genadeverbond wordt slechts herhaald en herinnerd om drieërlei redenen. Vooreerst omdat do menschen, welke meermalen van het Verbond der genade gehoord hebben, vergeetachtig zijn. ïen andere is, al zijn zij reeds ver in de kennis van het Genadeverbond gevorderd, al hun weten nog maar stukwerk en onvolkomen. Opdat God hen nu in geloof doe volharden, en zij alzoo troost hebben tegen de aanvechtingen des Satans, herhaalt Hij vaak de leer van het Genadeverbond. ïen derde moeten steeds nieuwe deelgenooten van het Verbond toegebracht worden; daarom spreekt God hen en Zijne dienaren op zulk eene wijze aan, alsof 11 ij met eenen ieder van hen een bijzonder Verbond en vriendschap sloot; aan dezen geeft Hij aanvankelijk de melk van de leer aangaande
20
het Verbond der genade, daarna, wanneer zij iets toegenomen zijn, vaste spijze.
Het neemt ook de eenigheid van het Genadeverbond niet weg, dat God in de verkondiging daarvan vóór de verschijning van Christus in het vleesch en vóór Diens lijden andere woorden, ceremoniën en Sacramenten gebruikt, ook niet zoo overvloedig den Heiligen Geest uitgestort heeft als na de komst van Christus in het vleesch en na Zijne volkomene betaling. Want hoewel dat getuigenis door het Woord en de Sacramenten niet zoo duidelijk, en de werking des Heiligen Geestes (in de menigte der uitverkorenen) niet zoo groot geweest is als thans, zoo is toch zelfs daardoor getuigd geworden van het Verbond, dat door den dood van Christus bevestigd zou worden, waarvan thans het Woord en de Geest Gods duidelijk en overvloedig verkondigen en betuigen, dat het door den dood van Christus eenmaal in eeuwigheid bekrachtigd is.
Wij merken hierbij op, dat de voorgaande beschrijving van het Genadeverbond en de verklaring er van in het heilige Woord Gods haren grond heeft, hetgeen blijkt uit de volgende voorbeelden en getuigenissen.
Vooreerst in Gen. 3 : 15 spreekt de Heere God tot de slang, waardoor de duivel verstaan wordt, en tot onze eerste ouders, die het Verbond der schepping overtreden en daardoor God ten zeerste vertoornd, zich van Hem gescheiden, zichzel-ven uitermate verdorven en onder de macht en het rijk des Satans gebracht hadden, op deze wijze : »Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar Zaad ; datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelenquot;, â alsof God wilde zeggen : Gij, Satan, en de mensch hebt vriendschap met elkander gesloten, en zoo hebt gij, gelijk gij zelf Mij haat, ook den mensch door uwe list en leugen er toe gebracht, dat zijn hart van Mij gescheiden is, Mij haat, van Mij vlucht en alzoo levend dood is. Doch Ik wil wederom tusschen u vijandschap zetten, en daarentegen met de uitverkorenen in genade en liefde Mij vereenigen; en deze vriendschap tusschen Mij en hen zal niet, zooals vóór den val, gegrond zijn op des menschen krachten en verdienste, maar op de verdienste en
21
krachtige werking van Mijnen Zoon, Die Zelf het zaad der vrouw, d. i. de waarachtige menschehjke natuur zal aannemen. Hem zult Gij in de verzenen steken, d. w. z. Ik zal Hem door u met het gift des eeuwigen doods en der helsche angst plagen, opdat Hij alzoo betale voor de zonde der uitverkorene menschen, Mijner gerechtigheid genoegdoening brenge, Mijnen toorn stille, en hun Mijne genade verwerve. Ja Hij zal ook door Zijne groote kracht u den kop verpletteren en, nadat Hij u, den sterke en welgewapende, overwonnen heeft, zal Hij u ook den roof ontnemen, m. a. w. Hij zal de uitverkorenen, voor welke Hij door Zijn lijden en sterven betaald heeft, met macht uit uw rijk in Mijn en Zijn Rijk overbrengen door Onzen Geest.
Eveneens, waar God tot Abraham, den vader aller ge-loovigen, zegt in Gen. 17 : 7: «Ik zal Mijn Verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten tot een eeuwig Verbond, om u te zijn tot eenen God en uw zaad na uquot;; en waar Hij ook later dikwerf door den mond Zijner heilige Profeten en dienaren de ware kinderen Abrahams aldus aanspreekt: Ik zal uw God zijn, en g ij z u 11 M ij n volk zijn, moet men verstaan, dat God Zich aan Abraham en aan al degenen, die het geloof van Abraham deelachtig zijn, tot zulk eenen God schenkt, Die hem en hen met eeuwige genade omvat en daarom hun geeft en in hen werkt, wat hun aan lichaam en ziel nuttig en noodig is; zij echter verplichten zich wederkeerig, zulk een volk Gods te zijn, dat Hem door Zijne genade en werking wil liefhebben en eeren. Dat deze woorden, welke God vaak in de Schrift gebruikt, op deze wijze verstaan moeten worden, is zeker. Immers God is ook en kan ook genoemd worden de God der duivelen en der booze menschen, omdat, hoewel Hij hun de boosheid niet ingestort heeft. Hij hun toch hun wezen gegeven heeft, hen ook nog alzoo onderhoudt en regeert, dat zij zonder Gods onderhouding, zonder Zijnen wil en drijving niets kunnen denken, zich voornemen of verrichten. Doch Hij is niet zóó hun God, dat Hij hen zou liefhebben, maar Hjj haat hen wegens hunne boosheid; evenals de booze verworpene menschen ook wel Gods volk zijn, doch God niet liefhebben,
zooals de uitverkorenen en geloovigen, maar Hem haten. Daarom moet noodzakelijk dit woord bij de Profeten: I k zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn, van de vereeniging tusschen God en de menschen door de liefde verstaan worden.
En de Profeet Jesaia, na eerst in het 53ste Hoofdstuk op Gods bevel te hebben geleerd, dat Christus, de Middelaar van het Genadeverbond, datgene wat der liefde Gods tot de menschen en wederkeerig die der menschen jegens God in den weg stond, zou wegnemen, doordien Hij door Zijn offer en dood, als een Hoogepriester, de gedachtenis der zonden en den toorn van God uit het hart des Vaders uitdelgen, en vervolgens ook als een Koning door de krachtige werking Zijna Geestes uit het hart des menschen de onrust, duisternis en boosheid wegdoen zou, â vermaant ook in het begin van het 54ste Hoofdstuk de Kerk Gods tot twee dingen, waarin het geheele Ghristen zijn, nadat men de genade Gods in Christus, den Gekruisigde, door geloof gesmaakt heeft, bestaat, nml. tot vreugde en dankbaarheid over de weldaden (Vers 1), en vervolgens ook tot voortgang in het geloof (Vers 2, 3 en 4), en voegt eindelijk deze reden er aan toe : »\Vant uw Maker is uw Manquot;. Met deze woorden brengt hij in een beeld, aan het echtverbond ontleend, in herinnering, wat het Genadeverbond van God is, nml. eene vereeniging tusschen God en de uitverkorene menschen in de liefde, gelijk het verbond tusschen man en ,vrouw in den echtelijken staat is : ongeveinsde liefde van den man jegens de vrouw en van de vrouw jegens den man. Dit, nml. wat het Verbond der genade is, wordt eindelijk nog beter verklaard in hetzelfde Hoofdstuk, waar God met eenen eed belooft, dat, hoewel Hij de Kerk een oogenblik verlaten en Zijn Aangezicht in het oogenblik des toorns een weinig voor haar verborgen heeft. Hij toch met het oog op den dood, de verdienste en voldoende betaling van Christus niet op haar toornen, noch haar schelden zal, maar met groote ontfermingen haar zal vergaderen, en met eeuwige goedertierenheid Zich over haar ontfermen zal. Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Zijne goedertierenheid zal niet van haar wijken en het Verbond Zijns vredes
33
zal niet wankelen. Hier Wordt de goedertierenheid Gods en het quot;Verbond des vredes als ééne zaak beschouwd, en wordt dus aangetoond, waarin het Genadever-bond bestaat.
Aangezien voorts het beeld, aan den echt ontleend, vooral dient, om te verklaren, wat het Genadeverbond Gods is, zoo wordt het vaak en veelvuldig in de Schriften der Profeten gebruikt, inzonderheid bij den Profeet Ezechiël in het iOde Hoofdstuk. En wie dat Hoofdstuk recht gebruikt, die zal moeten bekennen, dat de beschrijving van het Genadeverbond, welke ik aan het begin van dit eerste Hoofdstuk gesteld en vervolgens verklaard heb, overeenkomstig Gods Woord is. Want de menschen, die door de zonde afvallig van God geworden zijn en zichzelven verdorven hebben, worden aldaar vergeleken met eene vrouw, die haren man ontrouw geworden is, met iedereen hoererij bedreven heeft en haren wettigen man niet liefheeft, maar haat. God daarentegen wordt vergeleken bij eenen vromen, jaloerschen en toch bovenmate goedertieren echtgenoot, die zulk eene vrouw in hare zonden en schande ziet liggen en haar op deze wijze toespreekt: Welaan, opdat er wederom een echtverbond tusschen Mij en u bestaan moge, wil Ik, opdat Ik u moge liefhebben, al de zonde en hoererij, welke gij gepleegd hebt, bedekken en in eeuwigheid daaraan niet meer gedenken. En opdat gjj, die Mij thans haat, Mij weder moogt liefhebben, wil Ik u een ander hart geven, opdat alzoo alle beletselen voor de echtelijke verbintenis en de echtelijke liefde, beide bij Mij en bij u, weggenomen worden. Zooals nu door vergeving der zonden, welke den man belett'en, de vrouw lief te hebben, en door de wegneming der boosheid, waardoor de vrouw verhinderd werd, haren man lief te hebben, al datgene weggeruimd wordt, wat der echtverbintenis, d. i. der liefde van den man jegens de vrouw, en van de vrouw jegens den man, in den weg stond, â alzoo worden ook door vergeving der zonden in God, en door uitdelging der zonden uit de harten der menschen de dingen vernietigd, die, beide bij God en bij de menschen, beletselen waren voor het Genadeverbond, hetwelk niets anders is, dan, zooals nu dikwerf gezegd is, eene vereeniging tusschen God en
S4
de menschen in de liefde, gelijk liet echtverbond niets anders is dan liefde van den man jegens de vrouw, en liefde van de vrouw jegens den man.
Bij den Profeet Jeremia, Hoofdstuk 31, toont God Zelf zeer duidelijk aan, wat het Genadeverbond is, want Hij zegt: I k zal hun toteenen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En opdat niet iemand hier op het dwaalspoor geraken zou en zou denken ; Hoe kan dat mogelijk zijn, dat zulk een volk, dat van nature geneigd is, God te haten, Gods volk zou zijn en Hem zou liefhebben? zoo belooft God te voren, dat, ofschoon zij van nature geneigd zijn, Hem te haten en het niet in hunne macht staat. Hem lief te hebben, Hjj toch dit beletsel voor de liefde in Zijn volk jegens Hem wegnemen en Zijne wet in hun hart zal schrijven.
Opdat wederom ook niemand zou denken: Hoe kan de rechtvaardige God dat volk liefhebben en hun God zijn, dat Hij van zoo gruwelijke zonden beschuldigt ? zoo belooft Hij vervolgens, dat Hij ook dit beletsel Zijner liefde jegens Zijn volk wil wegnemen, en zegt; Want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven en hunner zunde niet meer gedenken.
Bij den Profeet Ezechiël, Hoofdstuk 36 : 25â28, staat ook een duidelijk getuigenis van deze leer, waar God vooreerst belooft, dat Hij hetgeen aan Zijne zijde het Genadeverbond, d. i. Zijne liefde jegens Zijn volk in den weg staat, te niet doen zal, naardien Hij zegt. Vers 25: »Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden van al uwe onreinig-heid, en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigenquot;. Daarna belooft Hij ook, dat Hij hetgeen aan de zijde der menschen voor het Genadeverbond, d. i. voor de liefde der menschen jegens God, een beletsel is, wil wegnemen, te meer daar het niet genoeg is, dat God niet haat, maar het ook noodig is, dat wij Hem niet haten, waartoe toch het hart des menschen na den val van nature geneigd is, zoodat er in eeuwigheid geen vast Verbond en vriendschap tusschen God en de menschen zou zijn, indien God de Heere niet ook dit beletsel wegnam. Daarom voegt Hij er Vers 26 en 27 aan toe : Jgt;En Ik zal u een nieuw hart gevenquot;, enz.. En eindelijk, nadat Hij
25
alzoo van de wegruiming van alle hindernissen des Genade-verbonds gesproken heeft, voegt hij er deze woorden aan toe, waarin de ware beschrijving van het Verbond der genade begrepen is: Gij zult Mij tot een volk zijn, nml. zulk een, dat zich met zijne gansche ziel, met alle krachten in den toekomstigen Heiland overgeeft, om Mij lief te hebben en Mij naar Mijnen wil en door de kracht van Mijnen Gezalfde te dienen. En Ik zal u tot eenen God zijn, nml. tot eenen God, Die u liefheeft en over uwe ziel en uw lichaam tijdelijke en eeuwige weldaden uit de bron van deze Mijne liefde en genade uitgiet.
Dat het Verbond der genade niet op de verdienste en krachten der menschen gegrond is, zooals met het Verbond der wet het geval was, kan met al de getuigenissen, welke hiervoor uit de Profeten aangehaald zijn, en naast dezelve uit vele andere genoegzaam bewezen worden, inzonderheid uit Gods getuigenis bij den Profeet Jeremia, Hoofdstuk 31, waar Hij zegt, dat Hij een nieuw en ander Verbond maken wil met de kinderen Israels en met het huis van Juda, namelijk dat niet, zooals het Verbond der wet, op de verdienste en krachten der menschen gegrond is. Reden: zij hebben het Verbond der wet niet gehouden en daardoor al hunne krachten, om Mij lief te hebben, verloren. Daarom zegt ook God bij den Profeet Ezechiël in Hoofstuk 36 : 32, waar Hij van het Genadever-bond spreekt in het schoone beeld, aan den echt ontleend: »Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere Heere, het zij u bekend I Schaamt u en wordt schaamrood van uwe wegen, gij huis Israels!quot;
Dat het Genadeverbond alleen gegrond is op de verdienste en de krachtige werking van den Middelaar Christus, zal in het volgende Hoofdstuk genoegzaam aangetoond en verklaard worden.
bibliotheek-
ned. hp??y y-
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
Van den Middelaar des Genadeverbonds.
Geljjk in het voorgaande, eerste Hoofdstuk herinnerd is, is het eeuwig Verbond der genade alleen op Christus en Diens verdienste en krachtige werking gegrond. Ook al hetgeen in het volgende, derde Hoofdstuk van de gerechtigheid voor God, van ons kindschap, van den Greest des kindschaps en van de hemelsche erfenis, van het geloof, van het gevoel der gerechtigheid in het hart en geweten der uitverkorene geloovigen, van het eeuwige leven en den Godzaligen wandel der Christenen, van de duurzaamheid, de zending des Woords, het gebruik der heilige Sacramenten en de mededee-ling des Heiligen Geestes overdacht zal worden, vloeit uit de leer van den Middelaar des Genadeverbonds en van Zijn ambt voort. Om die reden is het noodig, dat deze met naarstigheid beschouwd worde. Als men echter de leer van den Middelaar des Genadeverbonds en van Zijn ambt recht grondig, en zooveel als tot zaligheid noodig is, wil verstaan, moet men op drie hoofdpunten letten.
4. Wat het ambt van den Middelaar des Genadeverbonds is.
2. Wat daartoe behoort, dat Hij beide eenen vrijen toegang tot dit ambt hebbe en het ook naar be-hooren kan uitoefenen.
3. Hoe Hij dit ambt uitgeoefend heeft, nog uitoefent en verder zal uitoefenen.
27
Want ofschoon het niet verkeerd, maar goed gesproken is, als men zegt, dat er bij den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jesus Christus, twee dingen in aanmerking moeten genomen worden, de Persoon en het ambt van den Persoon, zoo kan toch de onderwijzing omtrent den even genoemden Middelaar ter wille van beter en zuiverder begrip in de vermelde drie punten samengevat en den eenvoudigen met vrucht worden voorgehouden.
1. Wat het Ambt van den Middelaar des Genadeverbonds is.
Wat het eerste punt betreft, is zeker, dat het ambt van den Middelaar des Genadeverbonds, zooals ook reeds gezegd is, hierin bestaat, dat Hij vooreerst alle beletselen voor dit Verbond, beide bjj God en de uitverkorene menschen, wegneemt. En ten tweede, dat Hij in genade en liefde de beide partijen weder vereenigt, d. i. dat Hij ten eerste als een Hoogepriester met den Vader handelt, en door Zijn offer, verdienste en voorbede Diens toorn wegens de verbreking van het Verbond der schepping stilt, en in de plaats daarvan de gunst en genade des Vaders voor de uitverkorene menschen verwerft, uit welke genade Hij allerlei hemelsche en geestelijke gaven over en in hen uitgiet; dat Hij ook ten tweede als een Koning met de uitverkorene menschen handelt en door Zijne koninklijke en krachtige werking hun blind verstand verlicht, de verkeerde harten, welke geneigd zijn, om God, hunnen Schepper te haten, wegneemt en in de plaats daarvan lain waarachtig geeft te kennen des Vaders gunst, door Zijn offer verworven, hunne harten daardoor tevredenstelt, welke door do zonde zich in onrust en droefheid bevinden, ook aan hunne zijde ware liefde wekt jegens God en rechten ijver, om Hem naar Zijnen wil zonder vreeze voor de hel te dienen, en dat Hij hen op die wijze uit het rijk des Satans in Zijn Eijk overbrengt. Hieruit ziet men:
Vooreerst, welke de partjjen zijn, tusschen welke de Middelaar moet handelen, namelijk God, Die vanwege het verbroken Verbond der schepping of der wet vertoornd was, en de uitverkorene menschen, die God door hunne afvalligheid vertoornd en zichzelven daardoor verdorven hadden.
2S
Vervolgens, hoe Hij met ieder deel moet doen : Hij moet den toorn van God den Vader stillen en in de plaats daarvan Diens gunst en genade verwerven. Daarna moet Hij uit het gemoed en hart der menschen wegnemen de duisternis, het wantrouwen, den haat, de onrust, en het beeld des Satans, en in de plaats daarvan teweegbrengen licht, vertrouwen, rust en het beeld Gods ; dus moet Hij het rijk des Satans in de menschen vernietigen en Zijn Rijk in hen oprichten.
Ten derde wordt aangetoond, hoe Hij met ieder deel moet handelen. Bij den Vader moet Hij, om Diens toorn te stillen en genade te verwerven, in den naam der uitverkorenen als een Hoogepriester door Zijn offer en verdienste handelen; bij de uitverkorenen in den Naam des Vaders, om het rijk des Satans in hen te vernietigen en Zijn Rijk in hen op te richten, als een Koning door den scepter Zijns Woords en de krachtige werking Zijns Geestes. Dus moest de Middelaar jegens den Vader een Hoogepriester, jegens ons een Koning zijn. Hier is echter op te merken, dat door deze leer het profetisch ambt van Christus niet buitengesloten wordt, doch dat wordt tot het ambt des Middelaars, niet als Hoogepriester, omdat Hij den Vader niet leeren noch regeeren moest, maar als Koning gebracht, naardien Hij, gelijk gezegd is, Zijne uitverkorene leden door den scepter Zijns Woords verlichten, heiligen en regeeren moet. Het komt ook wel meer voor, dat aan Christus als aan eenen Middelaar in de Heilige Schrift vele ambtsnamen gegeven worden, daaruit moet men echter niet aüeiden, dat Hij zoo vele ambten heeft, als Hij namen draagt, maar het tweevoudig ambt van den Middelaar Christus wordt alleen met vele namen, welke dezelfde waarde hebben, aangeduid. Evenwel worden eenige van die namen aan Christus gegeven wegens Zjjn tweevoudig ambt, zooals de Naam Christus zelf, d. i. Gezalfde, zoo ook : Jesus, Zaligmaker, Middelaar, Heere, Brood uit den hemel. Vrede, Herder enz.. Sommige wijzen maar alleen op Zijn hoogepriesterlijk ambt, zooals : Voorbidder, Voorspraak, Knecht, Lam enz.. Sommige ook wijzen vooral op Zijn Koninklijk ambt, zooals: Profeet, Hoofd, Wijnstok, Deur, Licht, enz..
Ten vierde blijkt hieruit ook dit, dat het koninklijk ambt
29
van 'den Middelaar Christus zijnen grond heeft in Zijn hooge-priesterlijk ambt, aangezien de Middelaar Christus als een Koning diegenen niet ter zaligheid verlicht, heiligt en regeert, voor welke Hij met Zijn offer niet betaald heeft. Ten andere regeert ook do Middelaar Christus de harten dergenen, voor welke Hij betaald heeft, alzoo, dat zij door de werking van Christus uit niets anders dan uit Zijn offer en dood duurzamen troost, vrede, blijdschap en leven scheppen en verkrijgen. Want wat is er anders, dat het onrustige, treurige en doode hart rustig, blijde en levend maken kan, dan de genade Gods, door het offer en den dood van Christus verworven? Daarom zegt de Middelaar Zelf Luk. 24 : 46âi8: xAlzóó is er geschreven, en alzóó moest de Christus lijdenquot;, enz.. Dit, namelijk dat het koninklijk ambt van Christus grond heeft in Zijn hoogepriesterhjk ambt, toont ook Paulus tweemaal aan in 2 Cor. 5. vooreerst in het 18l'e Vers: ))God heeft ons met Zichzelven verzoend door Jesus Christus (den Hoogepries-ter)quot;, enz.. Vervolgens in het Vera : iQod was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenendequot;, enz.. Ditzelfde ziet men ook uit den Brief aan de Efezicrs, Hoofdstuk 1: 7 vv.. Daarom zegt ook Paulus 1 Tim. 2 : 5â7: sEr is één God, er is ook één Middelaarquot;, enz..
Om die reden is het zeker, dat het koninklijk ambt van Christus grond heeft in Zijn hoogepriesterlijk ambt, d. w. z. wanneer Christus, onze Koning, onze harten en gewetens recht rustig, vroolijk en levend wil maken, dan wijst Hij ze op Zijn offer, waardoor de toorn Gods verzoend is, en waarin de onuitputtelijke goedheid Gods aan het licht treedt.
Deze eerste leer van het hoogepriesterhjk en koninklijk ambt van den Middelaar tusschen God en de menschen is niet slechts in het Nieuwe, maar ook in het Oude Testament aan de kinderen Gods zeer wel bekend geweest, naardien de beloften, profetieën, voorbeelden en ceremoniën van het Oude Testament niet alle daarop gericht geweest zijn, dat zij op het hoogepriesterhjk ambt van Christus en Zijn offer alleen zouden wijzen, maar vele er van ook van het koninklijk ambt van Christus, den Middelaar, moesten getuigen. Inzonderheid echter wijst het voorbeeld van Melchizedek niet slechts op
30
het offer en hoogeprieBterlijk ambt van Christus, maar ook op Diens koninklijk ambt, hetgeen de Profeet David in Psalm 110 betuigt en Paulus in den Brief aan de Hebreen uitvoerig uitlegt (Hoofdst. 7 : 1â3). Zoo ook had de Ileere God niet alleen eenen spiegel, een voorbeeld en getuigenis van het hoogepriesterlijk ambt van Christus en van Zijn offer in het levietische priesterdom Zijn volk voor oogen gesteld, maar ook een staatkundig koninkrijk en bestuur ingesteld, niet opdat het op het hoogepriesterlijk ambt van Christus zou wijzen, maar opdat het een dagelijksch getuigenis en voorbeeld zou zijn van het geestelijk Koninkrijk en de regeering van den Middelaar Jesus Christus.
2. Wat daartoe behoort, dat de Middelaar van het Genadeverbond beide eenen vrijen toegang tot dit ambt heeft en het kan waarnemen, en dat ook alles, wat van den Middelaar des Genadeverbonds geëischt wordt, in Christus gevonden wordt.
Tot dusverre is overwogen, wat het ambt van den Middelaar des Genadeverbonds tusschen God en de uitverkorene menschen is. Nu moet ten tweede ook beschouwd worden, wat daartoe noodig is, dat Hij beide eenen vrijen toegang tot dit ambt heeft en het ook waarnemen kan.
Vooreerst wordt van den Middelaar des Genadeverbonds geëischt, dat Hij zij waarachtig God (en daartoe niet de Vader of de Heilige Geest, maar do Zoon Gods, door AVelken de menschen geschapen waren) en waarachtig Mensch. Want wat in de eerste plaats het recht en den toegang tot dit ambt betreft, kon Diegene geen Middelaar zijn en het hoogepriesterlijk ambt jegens den Vader en het koninklijke jegens ons niet waarnemen, die niet waarachtig God en Mensch was, dewijl degenen, die Hij verlossen zou, zoowel Zijn eigendom moesten zijn, als ook door vriendschap met Hem verbonden. Want evenals iemand, die eenig goed voor zich wil lossen, óf diegene moet zijn, wiens eigendom het geweest is, óf met dengene, die het verpand heeft, door vriendschap moet verbonden zijn, en anders geene aanspraak en toegang tot het
31
goed heeft, om dat voor zich te lossen,âzoo ook zouden wij, indien onze Middelaar en Verlosser niet God was. Die ons geschapen heeft. Zijn eigendom niet zijn ; indien Hij niet mensch was, d. i. vleesch van ons vleesch, zoo zou Hij met ons geene verwantschap gehad hebben en alzoo geenen toegang en aanspraak, om ons te verlossen. Daarom moet Hij waarachtig God zijn en moet eene ware menschelijke ziel en lichaam hebben, gelijk de Apostel Paulus dit betuigt, het eerste in Hebr. 1 : '2 en '2 : 10, het andere in Hoofdstuk 2 : l i en 15. Ten tweede is het niet genoeg, dat iemand eenen toegang heeft, om iets voor zich te lossen, of een ambt waar te nemen, maar er wordt ook gevorderd, dat hij een vermogen heeft, om het losgeld te betalen of het ambt waar te nemen. Derhalve, als de Middelaar des Genadeverbonds niet slechts eenen toegang tot het Middelaarsambt zou hebben, maar ook het zou kunnen waarnemen, dan was bovendien noodzakelijk, dat Hij waarachtig God en waarachtig mensch was, dewijl Hij door Zijne verdienste als Hoogepriester een Zaligmaker en Verlosser zou zijn, en ook als Koning door Zijne krachtige werking, d. i. Hij moest den Vader als Dengene, Die de macht had, om ons wegens onze afvalligheid en verdorven natuur te verdoemen, een genoegzaam en voldoend losgeld door Zijne verdienste en offerande ter betaling voor ons aanbrengen als een Hoogepriester. Vervolgens moest Hij ons ook als onze Koning door Zijne krachtige werking van het geweld en uit de banden des Satans redden, en alzoo ons uit diens rijk, dat een rijk is van volkomen duisternis, zonde, onrust, treurigheid en eeuwigen dood, verlossen, en in Zijn Rijk, dat een rijk is van licht, gerechtigheid, heiligheid, vrede, vreugde en eeuwig leven, overbrengen. Want wij hadden twee vijanden : God en den duivel. Als derhalve onze verlossing volkomen zou zijn, dan moesten wij van beide verlost worden: van den toorn Gods door de verdienste des Middelaars, uit de macht des Satans en uit het rijk, dat deze in ons had, tot het Rijk Gods door de krachtige werking des Middelaars.
Opdat wij nu van den toorn Gods, welken de eerste zonde van Adam en alie, die daaruit in hem en ons ontstaan, verdiend hebben en nog verdienen, mochten behouden worden en
32
aan de gerechtigheid Gods voor ons een voldoende losprijs gegeven zou worden, was het noodig, dat de Middelaar en Verlosser waarachtig God en mensch zou wezen, omdat er vanwege Gods gerechtigheid eene verhouding en vergelijking moest zijn tusschen de zonde des menschen en de betaling en den losprijs voor de zonde. Nu liet de mensch zich in den beginne door den duivel zoo verleiden, dat hij tegen den wil Gods en de orde der natuur begeerde, aan God, zijnen al-wetenden Schepper, gelijk te zijn, door welke roekelooze begeerte hij zich en al zijne natuurlijke nakomelingen onder den vloek en den toorn Gods bracht. Als derhalve voor deze en alle andere zonden der uitverkorenen, welke uit de eerste zonde voortspruiten, betaald zou worden, dan was het noodig, dat Hij, Die aan God gelijk was. Zich zoo diep vernederde, als de mensch wegens zijnen hoogmoed gevallen was, d. w. z. dat Hij niet slechts ons vleesch en bloed aannam, maar ook in het aangenomen vleesch den allersmadelijksten en meest vervloekten dood des kruises leed, en alzoo den toorn Gods om onzentwille smaakte en overwon. Het was derhalve noodig, zooals gezegd is. dat de Middelaar des Genadeverbonds waarachtig God en waarachtig Mensch was, zoo Hij in staat zou zijn, om onzen eersten vijand, namelijk den toornigen God, te verzoenen en eenen voldoenden losprijs door Zijne verdienste en Zijnen dood voor de zonde aan God te betalen.
Verder moet men ook bedenken, wat daartoe noodig geweest is, dat wij van onzen anderen vijand, den duivel, (aangezien wij door de zonde niet slechts God vertoornd hadden, maar daardoor ook onder des Satans macht en heerschappij gekomen waren), verlost en tot het Rijk Gods gebracht zouden worden. Het is zeker, dat dit nooit zou hebben kunnen geschieden, indien niet de Verlosser waarachtig God geweest was en ons door Zijn lijden in het aangenomen vleesch niet alleen vergeving der zonden en Gods genade, maar ook den Heiligen Geest verworven had, door Welken Hij naast den Vader het rijk en het beeld des Satans in ons vernietigde, Zijn Rijk en evenbeeld daarentegen in ons oprichtte.
Om dit beter te verstaan, willen wij nagaan, waarin de vernietiging van het rijk des duivels en in de plaats daarvan de
33
oprichting en voltooiing van liet Rijk van Christus bestaat. Het rijk des duivels is in de menschen een rijk van duisternis, zonden, onrust, treurigheid en eeuwigen dood. liet Rijk van Christus daarentegen is een rijk van licht, gerechtigheid, vrede, vreugde, eeuwig leven en heerlijkheid. Zal het eerste in de harten der menschen vernietigd en het laatste daarin opgericht worden, dan is daarvoor eene oneindige Goddelijke kracht noodig. Want als uit het verduisterde gemoed en het verstokte hart des menschen een licht des geloofs, d. i. eene ware kennis, vertrouwen en liefde Gods voortkomen zal, dan moet dit geschieden door het krachtig roepen en werken Desgenen, Die bij de schepping dor wereld het licht uit de duisternis gebood voort te komen.
Zal in de harten, die zich de zonden bewust zijn en deswege zichzelven moeten veroordeelen, omdat God in hen Zijnen rechterstoel opgericht heeft, een zeker, waarachtig en standvastig vertrouwen op de belofte Gods van vergeving der zonden en gerechtigheid, die door den dood des Middelaars verworven is, teweeggebracht worden, dan moet dit door de Goddelijke en krachtige werking van den Middelaar eu van Zijnen Geest geschieden ; anders zou het ons allen gaan als Kaïn, Saul en Judas, d. w. z. wij zouden in onze zonden moeten vertwijfelen en omkomen. Zullen de vanwege zonden en vanwege den toorn Gods onrustige, treurige en verslagene gewetens rustig, vroolijk en levend gemaakt worden door de kennis en het proeven van Gods genade, welke in het aangezicht van den Middelaar straalt, dan moet dit door do krachtige werking van den Middelaar en van Zijnon Geest geschieden.
Zal in de harten der menschen, welke van nature tot het booze eu tot de zonde geneigd zijn, een ware lust en begeerte tot het goede en tot de heiligheid gewerkt worden, dan moet dit geschieden door de krachtige en almachtige werking van den Middelaar des Genadeverbonds en van Zijnen Geest; anders kan dit evenmin gebeuren, als uit eenen steen olie geperst en uit eenen stinkenden muur zoete en smakelijke wijn getapt kan worden. Eu dit is het eerste, dat in Hem, Die de Middelaar van het Genadeverbond moest zijn, vereischt werd.
Ten tweede, als het Genadeverbond tusschen God en de Textor, Kern. 3
31
uitverkorenen, d. i. de vereeniging van God en de uitverkorene menschen bestendig en onverbrekelijk zou zijn, dan was het noodig, dat in den Middelaar des Genadeverbonda de grond der eeuwige vereeniging en vriendschap diep en vast genoeg gelegd zou worden, en werd dus vereischt, dat de twee naturen, van welke nu gesproken is, niet van elkander gescheiden,-maar door eenen onverbrekelijken band vereenigd zouden worden. Dit moest ook daarom geschieden, opdat het bloed, dat tot wegneming van alle hinderpalen voor het Genadeverbond en tot verwerving van al datgene, wat tot bevestiging van het Verbond behoorde, vergoten zou worden, Gods bloed en dus dierbaar en kostbaar genoeg zou zijn tot betaling voor de zonde voor Gods Aangezicht. En gelijk het onmogelijk geweest zou zijn, dat de onveranderlijke, onsterfelijke Godheid op Zich-zelve den vloek der wet en de smarten des eeuwigen doods zou hebben kunnen smaken en voelen, zoo zou het ook onmogelijk geweest zijn, dat de menschheid op zichzelve het oneindig verterende vuur van Gods toorn zou hebben kunnen dragen en overwinnen. Het was derhalve ook om die reden noodig, dat de Goddelijke en menschelijke natuur in den Middelaar des Genadeverbonds vereenigd werd.
Ten derde werd echter evenzeer gevorderd, dat in de persoonlijke vereeniging der beide genoemde naturen de naturen zeiven, bare eigenschappen en werkingen in eeuwigheid onderscheiden bleven. Daarom, dewijl het Verbond, welks Middelaar deze Persoon moest zijn, een eeuwig Verbond is, zoo moet ook de Middelaar en grond van het Verbond eeuwig zijn en in eeuwigheid als waarachtig God en mensch erkend worden, wat niet zou kunnen, indien de naturen, eigenschappen en werkingen niet onderscheiden bleven. Want evenals onze zaligheid niet had kunnen verworven en het Genadeverbond niet had kunnen opgericht worden, als de Middelaar niet God en mensch geweest was, zoo kon ook de zaligheid niet eeuwig bewaard en behouden worden, en het Genade-verbond niet eeuwig bestaan, als de Middelaar niet in eeuwigheid God en mensch bleef. Onze eeuwige zaligheid en het eeuwig Genadeverbond rust namelijk op de twee vereouigde en toch onderscheidene naturen des Middelaars als op twee
35
zuilen of pilaren, en zoodra cóne van deze zuilen valt, moet ook noodzakelijk het geheele gebouw en werk van onze zaligheid en van het Genadeverbond vallen. Daarom stelt ook de Satan zich gewoonlijk, wanneer hij de zaligheid der men-schen wil beletten, óf tegen de Goddelijke óf tegen de men-schelijke natuur van den Middelaar, loochent ze, vermengt ze, of scheidt hare eigenschappen en werkingen.
Ten vierde, als de Middelaar des Genadeverbonds een heilig Hoogepriester en een heilig Offer zou zijn, dan was het noodig, dat do tweede Persoon der Heilige Drieöenheid niet alleen waarachtig en raenschelijk vleesch aannam, maar dat dit ook rein, zonder alle erfzonde en werkelijke zonde was. Derhalve moest de menschelijke natuur van den Heiligen Geest ontvangen worden en daarna naar alle geboden Gods volko-mcnlijk leven. Want als dit niet geschied was, zou Hij niet een heilig Priester en oen heilig Offer geweest zijn, en zou dus door Zijnen dood voor de zonde niet hebben kunnen betalen, maar voor Zichzelven een offer en eene voldoening noodig gehad hebben.
Ten vijfde was het noodig, indien de Middelaar des Genadeverbonds een getrouw Hoogepriester zou zijn, dat Hij, ofschoon Hij geheel zonder zonde was, toch van het begin Zijner menschwording tot het einde Zijns levens aan allerhande tijdelijk kruis en jammer onderworpen was, en wel niet opdat Hij daardoor voor onze zonde betaalde en vergeving daarvan verwierf (want alleen door Zijnen dood heeft Hij voor onze zonde betaald en vergeving er van verworven), maar opdat Hij in alle dingen verzocht werd evenals wij, en een getrouw Hoogepriester zou zijn, Die ook met ons, wanneer wij onder het kruis zouden liggen, medelijden kon hebben.
Ten zesde, als de Middelaar des Genadeverbonds een Christus en Gezalfde des lleeren zou zijn, dan moest Hij in den eeuwigen Raad Gods tot het hoogepriesterlijk en koninklijk ambt verkoren en eindelijk aan Zijne aangenomen menschheid met noodzakelijke gaven daartoe begaafd zijn, en moest Hij komen in den Naam des lleeren, d. i. met het bevel en de belofte des Vaders, dut Hij een Koning eu Hoogepriester zou
36
zijn, en dat, zoo -wij begeercn zalig te worden, wij in Hem geloovon moesten. Vervolgens, dat de Vader het offer van dezen Hoogeprlestcr tot volkomen betaling voor de zonde van alle uitverkorenen aanneemt en om den wille van dit offer, den Heiligen Geest wilde uitstorten en schenken, dat alzoo beide, het hart des Vaders en dus ook onze harten, op Hem zouden kunnen rusten.
Dit zijn de vereiscbten of hetgeen in Hem, Die het ambt van Middelaar tusschen God en menschen zou waarnemen, verlangd werd, namelijk, dat Hij vooreerst waarachtig God en waarachtig mensch zou zijn; vervolgens, dat dio beide naturen in eeuwigheid vereenigd en, ten derde, toch onderscheiden bleven ; ten vierde was het noodig, dat do Persoon des Middelaars geheel rechtvaardig en heilig zou zijn; ten vijfde, dat de Persoon des Middelaars, vóór Hij den vloek Gods voor ons droeg, aan allerhande tijdelijk kruis onderworpen, en eindelijk, dat Hij een Gezalfde des Heeren zou zijn. Een andere persoon, in welken de genoemde stukken niet waren, zou het ambt van middelaar in het geheel niet hebben kunnen waarnemen.
Alles, waarvan nu in dit tweede punt is aangetoond, dat het in den Middelaar des Genadeverbonds vereischt wordt, wordt volgens de Heilige Schrift, welke niet kan liegen en deze dingen getuigt, in Christus gevonden :
Vooreerst, dat Christus waarachtig God is, want Hij wordt daarin in den beginne Gods Zoon genoemd, Ps. 2 : 7; Matth.
3 : 17; 17 : 5; 26 : C4; Mark. 1:1; Luk. Ij 32 en 35; Joh. 1 : 14, 18 en 34; 3 : 10 â 18; 20 T 31; Hand. 9 : 20; Hom 3 : 4 en 9; 8 : 3, 29 en 32; 2 Cor. 1 : 19; Gal. 4:4; 1 Thess. 1 : 10; Hebr. 1 : 2, 5 en C; 4 : 14; 5:8; 10 : 29 enz; 2 Petr. 1 : 17; 1 Joh. 1 : 3; 3 : 8;
4 : 9, 10, 14 en 15; 5 : 5, 9â13 en 20. Bedoeld wordt do eengeboren Zoon Gods, zooals blijkt uit Joh 3 : 10 en 1 Joh. 4 : 9. Evenzoo Gods wijsheid, Spr. 8:1; Joh. 1:1; en Gods evenbeeld. Joh 14 : 7â9; 2 Cor. 4 : 4; Col. 1:15; Hebr. 1 : 3. Daarom wordt Hem ook ten tweede uitdrukkelijk in de Schrift de Naam Gods gegeven, In het Oude Testament Ps. 45 : 7 ; Jes. 7 : 17; 35 : 4 en 5, hetgeen dui-
37
delijkt blijkt, wanneer men de volgende getuigenissen van hot Nieuwe Testament met de vorige vergelijkt: Hebr. 1:8; Matth. i : 23 ; 11 : 4 en 5. In het Nieuwe Testament : Hand.
20 : 28; Hom. 9 : 5; 1 Cor. 2:8; 1 Tim. 3 :16; Tit. 1:3; 2:13; 1 Joh. 5 : 20. Ten derdo worden Hem Goddelijke eigenschappen toegeschreven, als dat Hij alomtegenwoordig is : Matth. 18 : 20 ; 28 : 20 ; Joh. 3:13; dat Hij eeuwig ia : Spr. 8 : 22 ; Micha 5:2; Joh. 1:1; Col. 1 : 17; Hebr-
9 : 15; Openb. 1:8; dat Hij alwetend is: Joh. 2 : 24 en 25;
21 : 17; dat Hij almachtig is; Joh. 5 : 17 en 19 ; 10:28â30; Filipp. 3 : 21; Hebr. 1:3; Openb. 1 : 8 ; 4 : 8; 17 : 14, en zoovele wonderen als Christus verricht heeft, zoovele getuigenissen Zijner almacht kan men daaruit nemen. Ten vierde worden aan Christus in de Heilige Schrift ook Goddelijke werken toegeschreven: de schepping der wereld Jes 15 : 23; Rom 14 : 11; Joh. 1 : 3 en 10; Col. 1 : 16 en 17; Hebr.
1 : 2 en 10; de onderhouding van alle geschapene dingen Joh 5 : 17; Hebr. 1 : 3. Hij doet wonderen en daden door Zijne eigene kracht (zie de evangelische geschiedenissen, in 't bijzonder Matth. 11 : 4âG; Joh. 5 : 30 ; 10 : 25), geeft anderen macht, om wonderen te doen, ja doet ze Zelf door de menschen, Matth. 10 : 8; Mark. 6:7; 16 : 17; Luk.
10 : 19; Joh. 14 : 12; Hand. 3 : 6, 12 en 16; 14 : 3; Rom. 15 : 18 en 19; maakt zalig, Matth. 1 : 21; Hand-4 : 12; Ef. 5 : 23; Tit. 1 : 3 en 4; 2 : 13; 1 Joh. 4 : 14; vergeeft uit eigene macht zonde, Matth. 9:6; zendt den Heiligen Geest, Zach. 12 : 10; Joh. 16 : 7; 20 : 22; deelt geestelijke gaven uit, Ef. 4 ; 10â12 vv.; geeft het geloof, Matth. 11 : 27; Joh. 1 : 18; Hebr. 12 : 2 ; maakt levend, Hos. 1 : 11; Joh. 6; Ef. 4 : 15 en 16; verhoort, die Hem aanroepen. Joh. 14 : 14. Ten vijfde wordt aan Christus in de Heilige Schrift Goddelijke eer toegeschreven. Joh. 5 : 23: men wordt in Zijnen Naam gedoopt, Matth. 28 : 19; Hand.
2 : 38; men moet in Hem gelooven, Joh. 3:15â18 en 36; 14 : 1; men moet Hem aanroepen, Ps. 97 : 8; Hebr. 1 : 6; Filipp. 2 : 10; men moet op Hem hopen, Ps. 2 : 12; Jes.
11 : 10; Rom. 15 : 12; men moet Hem danken. Hij moet derhalve waarachtig God zijn.
3S
Evenzoo is het genoegzaam uit de Schrift bekend, dat Christus waarachtig mensch is, omdat daarin gezegd wordt, dat Hjj van menschen afstamt, als van Abraham, Matth. 1:1; Ilebr. 2 : 1G; van David, Luk 1 : 32 ; Hand. 13:23; Rom. 1 : 13; van Maria, Matth. 1 : 16 ; Gal. 4 : 4. Ook wordt Hij in de Schrift een mensch genoemd, 1 Tim 2 : 5, terwijl daarin betuigd wordt, dat Hij eene redelijke ziel heeft, Matth. 26 : 38 ; 27 : 50; en ook een werkelijk lichaam. Col, 1 : 22 ; llebr. 10 : 5. En wanneer wij letten op de Schriften der Apostelen en Evangelisten, worden beide de men-schehjke eigenschappen van het lichaam en die van de ziel en daarom ook menschelijke werken bij Christus gevonden.
Ten tweede meldt de Schrift, dat beide naturen, de Goddelijke en de menschelijke, in Christus zóó vereenigd en verbonden zijn, dat zij in eeuwigheid niet kunnen gescheiden worden, Jes 7 : li; 9 : G en 7 ; Matth. 1 : 23 ; Micha 5:2; Matth. 2:6; Luk. 1 : 35; Joh. 1 : 14; Rom. 9' : 5; 1 Tim. 3 : 1G; Hebr. 2 : 14, 16 en 17; Col. 1 : 19. Wat, behalve uit deze getuigenissen, ook daaruit volgt, dat in den eenigen Christus Goddelijke en menschelijke eigenschappen gevonden en door Hem Goddelijke en menschelijke werken verricht worden, zooals blijkt uit de beschouwing van de vorige twee stukken.
Ten derde ziet men duidelijk uit de Schrift, dat, ofschoon de Goddelijke en de menschelijke natuur in den Persoon van Christus met elkander vereenigd zijn en in eeuwigheid vereenigd blijven, er toch wel een onderscheid der naturen, eigenschappen en werkingen der naturen is en blijft. Luk. 20 : 41 ; Rom. 1 : 3â5; 9:5; 1 Tim 3 : 1G ; 1 Petr. 3 : 18 ; Hebr. 9 : 14. Dit blijkt ook daaruit, dat in de Schrift van den eenigen Christus tegenstrijdige dingen gezegd worden, welke niet wel verklaard kunnen worden, dan alleen door het onderscheid der naturen, eigenschappen en werkingen der naturen in Hem.
Ten vierde wordt ook betuigd, dat de menschelijke natuur van Christus zonder eenige zonde ontvangen en geboren is. Luk. 1 : 35, en ook daarna zonder eenige zonde geleefd heeft. Bewijzert voor het laatste zijn: Jes. 53 ; 9 ;
Rom. 8:3; 2 Cor 5 : 2i ; 1 Petr. 2 ; 22 ; 1 Joh. 3:5; Ilcbr. 4 : 15.
Ten vijfde deelt de Schrift veel mede van het tijdelijk lijden van Christus, van het begin Zijner menschwording tot aan het einde Zijns levens, dat Hij, in den stal geboren, in eene kribbe gelegd, door Ilerodes vervolgd, zoo arm is geweest, dat Hij niet gehad heeft, om Zijn hoofd neder te leggen, met vijandschap bejegend en gehaat is geworden door de Schriftgeleerden en Parizeen, dat Hij door eenen Zijner discipelen verraden is geworden, gevangengenomen, gebonden en als een Godslasteraar en oproerling veroordeeld, gegeeseld, met eene doornenkroon gekroond, met eenen rietstok geslagen, door de krijgsknechten bespot, bespuwd en eindelijk gekruisigd is geworden.
ïen zesde en ten laatste hebben wij ook duidelijke getuigenissen in de Schrift, dat Christus tot het Middelaarsambt door den Vader gezalfd, d. i. van eeuwigheid verordineerd is, Luk. 2 : H ; Hom. 3 : 25; Ef. 1 : 4 en 5 ; Ilebr. 5 ; 5 â 7; Ps. 110; met de volheid van alle gaven des Heiligen Geestes aangedaan is, Jes. 11 : 1 en 2; Joh. 1 : 16; 3 : 34; en dat Hij gekomen is en komt in den Naam, d. i. met het bevel en met de belofte des Heeren, Matth. 21 : 9, dat Hij Middelaar moest zijn, dat men in Hem gelooven moet, en dat allen, die door Zijne genade Hem kennen, op Hem vertrouwen en Hem liefhebben, het begin des eeuwigen levens hebben, en eindelijk volkomene rust en vreugde in den hemel zullen genieten.
Derhalve blijkt ontegenzeggelyk, dat Christus beide eenen vrijen toegang tot het Middelaarsambt heeft gehad, en dat Hij het ook wel heeft kunnen waarnemen en het nog kan. Want ofschoon geen van de bovengenoemde zes zaken het ambt des Middelaars en dus ook niet de betaling voor de zonde is, worden zij er toch alle toe vereischt, opdat de Middelaar den toegang tot Zijn ambt van Verlosser en ook het verinogen zou hebben, om het waar te nemen, zoodat men zich er dus veilig op zou kunnen verlaten. quot; â_
I
40
3. Hoe Christus Zijn Middelaarsambt waargenomen heeft, nog waarneemt en zal waarnemen.
Ten dorde moet nu ook behandeld worden, hoe dan de Middelaar Zijn ambt uitgevoerd heeft, nog uitvoert en zal uitvoeren.
Wat het hoogepriesterlijk ambt van den Middelaar Christus betreft, dit heeft Hij zoo uitgevoerd, dat Hij vooreerst vóór Zijne verschijning in het vleesch, uit kracht van Zijn toekomstig otter en Zijnen toekomstigen dood, de Voorbidder van alle uitverkorenen onder het Oude Testament geweest is, en hunne zonde als eene wolk van het Aangezicht Gods weggedaan heeft, zoodat zij in Hem en in Zijne toekomstige betaling vergeving der zonden en eenen genadigen God gehad hebben. Met het oog daarop wordt in Hebr. d3 : 8 gezegd : nJesus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheidquot;. En de oude kerkleeraar Bernardus zegt; iMors Christi profuit, antequam fuitquot;, d. i, do dood van Christus heeft zijne kracht en zijn nut gohad, voordat Christus hem ondergaan heeft.
Vervolgens heeft Hij Zijn hoogepriesterlijk ambt ook zoo uitgeoefend, dat Hij ter bepaalder tijd den schrikkeljjken vloek der wet, den toorn Gods en dus den eeuwigen dood in het lijden Zijner menschheid gesmaakt, en dezen door de kracht Zijner Godheid overwonnen heeft, en alzoo door een eenig, genoegzaam, heilig offer voor de zonde van alle uitverkorenen, die er voor en na Zijnen dood ooit geweest zijn, nog zijn en tot aan het einde der wereld zijn zullen, volkomenlijk betaald heeft (Ef. 2 : 16; 1 Petr. '2 : '24), zoodat God die zonde in alle eeuwigheid niet meer gedenken wil en in plaats van met Zijnen grimmigen toorn hen met enkel gunst en genade omringen wil en uit deze genade in en over hen allerlei hemelsche goederen uitgestort heeft, uitstort en uitstorten wil.
Aangezien echter dit stuk de grond van allen waarachtigen, bestendigen en eeuwigen troost is, â waarvan evenwel weinig gezien wordt, daar vele menschen het lijden en den dood van Christus slechts als een voorbeeld aanzien, en anderen met hun hart aan de doornenkroon, aan de wonden des lichaams
41
en aan den tijdelijken dood van Christus blijven hangen, terwijl slechts zeer weinigen van hen tot de beschouwing van het rechte lijden van Christus komen, namelijk tot de onrust en droefheid en alzoo tot de smarten van den eeuwigen dood, welke Christus gesmaakt en overwonnen heeft, â zoo dient dit wat beter overwogen te worden. Wanneer men nu het lijden, den dood en het offer van Christus recht beschouwen, levenden troost daaruit putten en grondig weten wil, hoe Christus Zijn hoogepriesterlijk ambt op aarde uitgeoefend heeft, moet men op de volgende punten letten :
Vooreerst op den vertoornden God; ten andere op het eigenlijke lijden van Christus; ten derde op de oorzaak van Gods toorn en het lijden van Christus, nml. op de zonde der uitverkorenen; ten vierde hierop, dat God de Vader niet Zijnen halven toorn, maar alle vloeden Zijns toorn s, welken alle en iedere zonde der uitverkorenen verdient, over Christus uitgestort, en Christus dezen toorn volkomen gevoeld en overwonnen heeft; ten vijfde op de reden, waarom God de Vader de zonde van alle uitverkorenen op Christus gelegd en Hem deswege Zijne strenge rechtvaardigheid en toorn in al hunne zwaarte heeft doen gevoelen; ook waarom Christus deze zonde op Zich genomen, den vloek der wet, den toorn Gods, de smarten der hel en des eeuwigen doods volkomen gesmaakt en overwonnen heeft.
In de eerste plaats heb ik gezegd, dat men moet letten op den vertoornden God. quot;Want wanneer men blijft hangen aan Judas, aan de schare der Joden, aan den hoogepriester en zijnen aanhang, aan Pilatus, aan de overmoedige krijgsknechten, die Christus bespott'en, bespuwden en aan het kruis hingen, en het hart niet verheft tot Dengene, Die in dit gansche werk de hand heeft, zoo zal men nooit tegen zijne zonde rechten troost hebben. Want God was vertoornd vanwege de zonde, daarom moet men bedenken, dat God de Heere Zelf hier gevangen-neemt, veroordeelt, kruisigt en slaat, waarop de Heilige Geest ons in de Schrift dan ook wil wijzen, als Hij spreekt in Hand. 4 ; 27 en 28 ; Kom. 8 ; 3 ; 2 Cor. 5:51, Jes. 53 ; 4 en 10. En Matth. 2G : 31 zegt Christus Zelf naar Zach. 43 : 7, dat
42
God te voren gesproken heeft: »Ik zal den Herder slaanquot;. Terwijl de schare dor Joden Christus uiterlijk bindt, omvangt de Ileerc God het hart van Christus met smarten des eeuwigen doods. Terwijl het oordeel der verdoemenis tegen Christus uiterlijk door de overpriesters en door den rechter Pilatus tot den tijdeljjken dood uitgesproken wordt, veroordeelt de vertoornde God Hem tot den eeuwigen en vervloekten dood. Terwijl Christus de doornenkroon wordt opgezet en Hem handen en voeten doorgraven worden, laat do Heere God Hem Zijnen grimmigen toorn en den eeuwigen dood in het hart gevoelen. Terwijl Christus uiterlijk aan het kruis geslagen en gehangen wordt, kruisigt Hem de Vader inwendig met den vloek der wet en met Zijnen toorn het hart. Dit moet vooreerst in 't oog gevat worden.
Ten tweede, evenals men (naar het voorgaande) in dit werk eigenlijk niet op de verbitterde menschen, maar op den vertoornden God moet zien, zoo ook moet men daar,in eigenlijk niet zien op de banden, welke Christus aan het lichaam gelegd worden, niet op den schrik, welke Hem zal bevangen hebben bij de veroordeeling tot den tijdelijken dood, niet op de smarten, welke Hij door het opzetten der doornenkroon, door de geeseling, door het doorboren Zijner handen en voeten, of door den tijdelijken dood geleden heeft. quot;Want geen van deze dingen heeft Hem zulk eene pijn en schrik, zulke smarten veroorzaakt, als Hij onderging, toen Hij klaagde: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe, ja van angst en droefheid bloed zweette. Eindelijk voelde Hij ook aan het kruis, als lichaam en ziel door den tijdelijken dood scheiden zouden, bovenmate zeer de smarten van den eeuwigen dood, waarom Hij diep bedroefd uitroept: Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Deze angst en droefheid wordt Hem niet aangedaan door de schare der Joden, niet door het woeden der overpriesters, niet door het vonnis van Pilatus, niet door de slagen der krijgsknechten, niet door de geeseling en kruisiging, maar het komt alles daarvan, dat Hij onder dat alles den vloek der wet, den grooten toorn Gods en dus de smarten van den eeuwigen dood aanschouwt en voelt.
t3
Daarom, wanneer men rechten troost uit liet lijden en den dood van Christus wil putten, moet men de oogen des harten hierheen richten, namelijk op den angst en de droefheid van het hart van Christus, waarin alleen de hoogste troost bestaat.
Ten derde, de reden, waarom God de Vader den lleere Christus het hart met zulk eene onrust, droefheid en smarten vervuld. Zijn geweten zoo geplaagd en Hem den angst des doods en der hel te proeven gegeven heeft, waarom Christus aan dit alles Zich ook gewillig heeft onderworpen, is niet, dat Hij met Zijne eigene zonden dit verdient Immers Hij is zonder eenige zonde geboren en heeft alzoo geleefd, gelijk ook de Joden in hunne aanklacht, hoe veel moeite zij zich ook geven, Hem inderdaad niet eene enkele zonde kunnen aanwijzen, en de rechter Pontius Pilatus moet herhaaldelijk van de onschuld van Christus getuigenis geven. Neen, de reden is deze, dat God de Vader alle en iedere zonde der uitverkorenen op Hem geworpen heeft (Jes. 53 : 6), en Christus ze op Zich genomen heeft, ook beloofd had, daarvoor te betalen, inzonderheid voor de zonde van Adam, waaruit alle andere haren oorsprong hebben. Daarom moet men hier wel acht geven op de reden, waarom Christus is ter dood veroordeeld geworden, en vervolgens ook, wat voor dood Hij ondergaan heeft, vooral omdat juist deze beide tegenover de eerste zonde van Adam en hare straf gesteld worden. In de eerste plaats is de reden, waarom Christus is ter dood veroordeeld geworden door de geestelijke en wereldlijke rechters, ja door God Zeiven, de eenige belijdenis van Christus, waar Hij zegt, dat Hij is de Gezalfde des Heeren en de Zoon Gods, Matth. 2G : G3â(18; Joh. 19 ; 7. Waarom, zal mogelijk iemand vragen, wordt Christus juist om deze ware belijdenis ter dood veroordeeld ? Antwoord: daarom, opdat men erkenne, dat Hij, ofschoon Hij in waarheid Gods Zoon en dus Gode gelijk was, nochtans, opdat Hij voor den schrikkelijk en hoogmoed van Adam en van alle uitverkorenen, die natuurlijke erfgenamen van Adam zijn, zou betalen. Zich zoo diep vernederd heeft, dat Hij het oordeel der verdoemenis wegens die uitgesproken waarheid over Zich heeft laten gaan. Want Adam wilde aan God, Zijnen alweten-
it
den Schepper, gelijk zijn, maar haalde door deze onmatige begeerte den toorn en het oordeel Gods over zich en zijne natuurlijke nakomelingen. Als derhalve aan de strenge gerechtigheid Gods genoeg geschieden zou en er eene billijke verhouding zou zijn tusschen de zonde van Adam en de betaling voor de zonde, dan was het noodig, dat Degene, Die waarlijk aan God gelijk was. Zich zóó diep vernederde in de aangenomen volmaakt zuivere menschheid, als Adam en Zijne natuurlijke erfgenamen door hunnen hoogmoed gevallen waren, nml. onder den oneindigen toorn Gods en den schrik-kelijken vloek der wet. Daarom moet nu ook ten tweede overwogen worden, welk eenen dood Christus on-d e r g a a n h e e f t. Hij heeft niet eenen gewonen dood, maar den dood des kruises, welke door God Zeiven vervloekt was, ondergaan. Waarom den dood des kruises ? Tot een getuigenis, dat Hij niet alleen de eerste en alle andere zonden, welke uit de eerste voortkomen, op Zich genomen, maar dat Hij ook de straf daarvoor op Zich geladen heeft, namelijk den vloek en de verdoemenis der wet en den eeuwigen dood, welken alle en iedere zonde der uitverkorenen verdient, en dus voor al hunne zonde betaald heeft.
Ten vierde. God de Vader is aan al onze zonden in de straf van Zijnen Zoon, onzen Verlosser, alzoo gedachtig geweest, dat Hij voortaan in alle eeuwigheid derzelve niet meer wil gedenken, ook nooit in Zijnen toorn iets, wat het ook zij, tegen ons wil doen. Integendeel, omdat Hij Zijne gestrenge gerechtigheid en Zijnen toorn aan Zijnen Zoon, onzen Broeder, wegens onze zonden, welke Hij op Hein geworpen heeft, in al hunne zwaarte heeft doen gevoelen, moet nu in eeuwigheid niets in den weg staan, dat Hjj ons niet voortdurend in Zijne gunst en liefde zou doen deelen. Want Hij is een rechtvaardig God en straft derhalve eene zonde niet tweemaal. Aangezien Hij nu alle en iedere zonde der uitverkorenen aan Zijnen Zoon met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft, wil Hij ze niet nog eens aan ons noch in dit, noch in het toekomende leven straffen. En nademaal de gedachtenis der zonden in God door den dood van Christus uitgedelgd is, kan nu in eeuwigheid niets in den weg zijn.
45
dat God niet met louter genade en gedachten der liefde jegens de uitverkorenen zou handelen.
Hiervoor kan men twee duidelijke en troostvolle getuigenissen van het onfeilbare Woord Oods aanvoeren, een uit het Oude, en het andere uit het Nieuwe Testament. Als de Profeet Jesaia in het 53ato Hoofdstuk aangetoond heeft, dat de Heere God de zonde van alle uitverkorenen op Zijnen Knecht, d. i. op den toekomstigen Iloogepriester zou leggen, wegens deze zonde Hem veroordeelen, plagen en met smarten verbrijzelen en alzoo Zijne gestrenge rechtvaardigheid aan Hem betoonen zou, voegt hij er eindelijk in het 549to Hoofdstuk, nadat Hij de Kerk wegens de vorige weldaad tot blijdschap en tot meerdere erkenning van Gods goedertierenheid vermaand heeft, deze woorden des Hee-ren aangaande do bestendige genade en barmhartigheid, welke door niets mag noch kan tegengehouden of belet worden, aan toe : »Yoor eenen kleinen oogenblik heb Ik u verlaten ; maar met g r o o t e ontfermingen zal Ik u vergaderenquot;, enz. (Yers 7â10). Nog troostrijker en duidelijker is het getuigenis van het Nieuwe Testament, dat in den Brief van Paulus aan de Romeinen in het 8sto Hoofdstuk staat: sAVie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?quot; enz. (Vers 33â39). Hieruit ziet men dus, dat de liefde Gods jegens degenen, voor wie Christus betaald heeft, vaster gegrond is dan hemel en aarde met alle heuvelen en bergen te zamen, en dat geen schepsel, hoe sterk het ook moge zijn, ons van dezen eeuwigen troost berooven en ons van de liefde Gods kan scheiden. Dezen troost uit do genade en liefde Gods zouden wij nooit kunnen hebben, zoo de Heere God onze zonden niet volkomenhjk gedachtig was geweest en ze niet aan Zijnen Zoon gestraft had.
Dat echter Christus wegens do zonden, welke Hij gewillig op Zich heeft genomen, den vloek der wet, den toorn van God, de smarten des eeuwigen doods waarlijk gesmaakt en overwonnen en op die wijze volkomenhjk voor alle en iedere zonde der uitverkorenen door Zijnen dood betaald en Zijn hoogepriesterhjk ambt op aarde uitgevoerd heeft, bljjkt duidelijk genoeg uit vele getuigenissen der Heilige Schrift, o. a. uit den Brief aan de Hebreën Hoofdstuk 10 : 1â10. Doch er zijn vier dingen in Gods Woord en in de Artikelen des ge-
J.6
loofs, die dit bijzonder krachtig bewijzen, namelijk de opstanding van Christus uit den dood, Zijne hemelvaart. Zijn zitten ter Rechterhand des Vaders in den hemel en Zijne wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden. Want hoewel door geen van deze aan de betaling van Christus voor ons iets toegevoegd wordt, zoo zijn het toch alle onfeilbare getuigenissen, dat Christus door Zijnen dood volkomenlijk betaald heeft.
Het eerste getuigenis der gewisse en volkomene betaling door Christus voor de zonde is Zijne glorierijke opstanding. Want wanneer slechts eene enkele van de zonden van alle uitverkorenen, welke de Vader op Christus gelegd en Hij gewillig op Zich genomen had, om er voor te betalen, onbetaald gebleven was, dan zou Hij niet uit den dood hebben kunnen opstaan. Aangezien Hij echter opstaat, is het zeker, dat Hij volkomenlijk betaald heeft, te meer daar Hij en wij in Hem door Zijne opstanding van al onze zonden en de straf daarvoor vrijgemaakt en vrijgesproken zijn geworden. Daarom zegt Paulus Hom. 4 : 25: «Christus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmakingquot;. Zie ook llom. 8 : 34 en 1 Petr. 3 : 21. Ja dit getuigenis is zoo zeker, dat wij ook door de opstanding van Jesus Christus overtuigd worden van de levende hoop, die wij hebben, en dit zou nooit hebben kunnen zijn, als Christus niet volkomenlijk betaald had. Want wanneer dit niet geschied was, zouden wij voor altoos onder den eeuwigen toorn moeten blijven. Daarom zegt Petrus in Zijnen eersten Brief Hoofdstuk 1 : 3-5; «Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jesus Christusquot;, enz..
Het tweede getuigenis van de volkomen betaling door Christus voor alle en iedere zonde der 'uitverkorenen ia Zijne hemelvaart. Want dewijl niets onreins den hemel kan binnenkomen, zoo zou ook Christus het offer, waarop de zonden van alle uitverkorenen gelegd waren, niet in den hemel hebben kunnen inbrengen, als niet eene volkomene betaling daarvoor geschied was. Aangezien Hij het echter inbrengt, is dit een onfeilbaar bewijs, dat Christus volkomenlijk voor ons betaald heeft. Hiervan spreekt Paulus Col. 2 : 10â15.
47
Het derde getuigenis van die volkomene betaling is het voortdurend zitten van Christus ter Rechterhand Zijns Vaders in de hemelsche heerlijkheid. Daarom zegt Paulus Hebr. i : 3, dat de Zoon van God, »nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven teweeggebracht heeft, is gezeten aan de Rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelenquot;, namelijk tot een zek3r getuigenis Zijner volkomone betaling. Ja dit zekere getuigenis is ook daarom zeker, omdat Christus nu niet meer bij den Vader in ongenade is, (hetgeen toch moest zijn, als Hij voor de zonde, die Hij op Zich geladen heeft, niet geheel betaald had), maar in bijzondere genade. Dat Hij in bijzondere genade is bij den Vader, en derhalve volko-menljjk betaald heeft, bljjkt daaruit, dat de Vader om de genoegdoening en voorbede van Christus de eerstelingen der hemelsche erfenis, den Heiligen Geest, in onze harten uit den hemel noderzendt. Dus hebben wij een dubbel pand der eeuwige zaligheid, der hemelsche erfenis en der volkomene betaling door Christus : het eene in den hamel, namelijk het geofferde, gedoode en opgewekte vleesch van Jesus Christus, dat Hij van ons aangenomen heeft en, in den naam van alle uitverkorenen, in het bezit der hemelsche erfenis heeft ingeleid, zooals bij het voorgaande tweede getuigenis opgemerkt is; het andere pand hebben wij in onszelven, namelijk de eerstelingen des Heiligen Geestes. Dit alles nu had in geen geval kunnen zijn, indien niet volkomenlijk voor onze zonden betaald was.
Het vierde getuigenis, dat Christus volkomenlijk door Zijnen dood voor onze zonde betaald heeft, is, dat in de Schrift gemeld wordt, dat Hij ten laatsten dage wederkomen en verschijnen zal als een rechtvaardig Rechter, hetgeen niet zou kunnen zijn, indien Hij niet voor de zonde, die Hij op Zich geladen heeft, volkomenlijk had betaald. Ja, dit getuigenis is ook daarom gewis, omdat Christus, de rechtvaardige Rechter, wederkomen zal, om te oordeelen de levenden en de dooden, d. i. aan degenen, die zich door het Evangelie en door den Heiligen Geest op Zijne volkomene betaling niet hebben willen laten wijzen en zich daaraan niet gehouden hebben, zal Hij toe-deelen den eeuwigen angst en smaad; daarentegen zal Hij
â¢ts
degenen, die in dit leven in Hem geloofd en in hun geweten van alle zonden door het Evangelie en het getuigenis des Heiligen Geestes vrijgesproken, maar nochtans door de goddelooze wereld voor onrechtvaardige misdadigers gehouden en vervolgd zijn geworden, voor de oogen van alle duivelen en ongeloo-vigen van al hunne zonden openlijk en geheel vrijspreken en hun de hemelsche erfenis, rust, blijdschap en heerlijkheid me-dedeelen, hetgeen Hjj nooit zou hebben kunnen doen, indien Hjj niet door Zijnen dood voor hunne zonden betaald had. Derhalve is do wederkomst van Christus, om te oordeelen de levenden en de dooden, een onfeilbaar getuigenis voor de volkomene betaling door Christus, gelijk ook de opstanding, hemelvaart en het zitten ter Rechterhand des Vaders in den hemel.
Van de hier genoemde velerlei feitelijke bewijzen voor de volkomene betaling door Christus kunnen nog twee schoone getuigenissen aangevoerd worden uit Gods Woord. Het eene daarvan vinden wij in Hom. 8: «Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het. Die rechtvaardig maakt. Wie zal verdoemen? Christus is het. Die gestorven ia, (namelijk om volkomenljk voor de zonde tc betalen), ja wat meer is, Die ook opgewekt is, (een getuigenis, dat door Christus' dood volkomenljjk voor de zonde betaald is), Die ook ter Rechterhand Gods is. Die ook voor ons bidt, (het tweede en derde getuigenis van de volkomen betaling voor de zonde door den dood van Christus). Zie ook wat Petrus zegt in Zijnen eersten Brief Hoofdstuk 3 : 21 en 22.
Behalve deze drie feitelijke bewijzen voor de volkomen betaling door Christus zijn er nog vele andere getuigenissen in de Heilige Schrift, waarvan wel het voornaamste is, dat wij vinden in Hebr. 10 : 1 â19, waar o. a. gezegd wordt, dat de H oogepriester Christus met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden.
Nu volgt het vijfde punt, dat tot de juiste beschouwing van het lijden en den dood van Christus behoort: waarom namelijk God de Vader de zonden van alle uitverkorenen op Zijnen Zoon gelegd en deze aan Hem gestraft heeft, en wel
4!l
niet gedeeltelijk, maar volkoraeniyk; waarom ook Christus gehoorzaam en gewillig die zonden op Zich genomen, daarvoor den vloek der wet, den toorn Grods en de smarten der hel gesmaakt en overwonnen en op die wijze volkomenhjk betaald heeft. Dit is daarom geschied, opdat alle uitverkorenen hun geheele leven lang eenen waren, voortdurenden en levenden troost, vrede en vreugde zouden hebben tegen de zonde en hare bezoldiging en tegen alle kruis, dat God hun toezendt, waarvan o. a. de Profeet Jesaia Hoofdstuk 53 spreekt, zeggende : De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op II e m, namelijk beide in voorspoed en onder kruis, ja beide in leven en in sterven. Zoo ook Paulus in Col. 1 : 19 en 20. Hier herinnere men zich ook den buitengewoon heerlijken troost, welken de Apostel Paulus, geljjk wij te voren opmerkten, in Ivom. 8 voorhoudt aan alle uitverkorene^ zoowel den troost, welken hij tegen de vroegere zonde in hen uit den dood van Christus, als dien, welken hij tegen de vervolging en het kruis uit de eeuwige genade en liefde Gods put.
Wat derhalve ook de Ileere God met de uitverkorenen doet. Hij doet toch niets uit toorn tegen hen, maar alles uit enkel liefde, en het moet hun ten beste dienen. En hoewel de vijanden Christus en Zijne leden binden en gevangennemen, zijn toch hunne harten van den vloek der wet, van den toorn Gods en van de banden des eeuwigen doods vrijgemaakt. Immers Christus, de Gekruisigde, heeft hen vrijgemaakt. De wereld mag hen gedurig veroordeelen, als slechts de Heilige Geest met hunnen geest getuigt, dat zij kinderen Gods zijn, en dat de wet geen recht op hen heeft, om hen aan te klagen en te verdoemen, omdat zijn in Christus Jesus, den Gekruisigde, zijn. De wereld mag hen uitwendig verwonden, martelen, hangen en branden, als slechts hun hart in God vanwege de smart en foltering van Jesus Christus vrede en leven heeft. Kortom, alle vervolgden, die in Christus gelooven, kunnen in vrede en met blijdschap leven en sterven, want hun troost en leven, die zij uit de eeuwige gunst en genade Gods putten, is vaster gegrond dan hemel en aarde (Jes. 54), en zij zijn verzekerd, dat noch banden, noch gevangenis, noch oordeel, noch verdoemenis, noch hangen, noch branden enz.
Textor, Kern. 4
50
hen scheiden kan van de liefde Gods, welke zij hebben in Christus Jesus, den Gekruisigde.
Zoo kan ieder geloovige ook buiten de vervolging niet alleen zijn geheele leven lang, maar vooral bij het scheiden uit deze wereld troost, vrede en vreugde in het hart hebben, omdat hij zeker is, dat hij eenen genadigen God in Jesus Christus, den Gekruisigde, heeft. quot;Waar echter dit proeven en smaken, deze kennis van Gods genade vanwege de volkomene betaling door Christus niet is, daar moet noodzakelijk onrust, treurigheid en dus een gevoelen en een begin van den eeuwig knagenden worm en van den dood in het hart zijn, hetzij men leve, of sterve.
Wij hebben nu overwogen, hoe de Middelaar Christus Zijn hoogepriesterlijk ambt op aarde door Zijn lijden en Zijnen dood, om den toorn des Vaders te verzoenen en Zijne genade te verwerven, heeft uitgevoerd. A'a dien tijd iieeft Hij verder Zijn hoogepriesterlijk ambt alzoo waargenomen, dat Hij het offer, dat Hij eenmaal op aarde tot volkomene betaling voor de zonde van alle uitverkorenen opgeofferd heeft, i n h e t hemelsche heiligdom heeft i n g e b r a c ht, om daarmede steeds voor het Aangezicht des Yaders in den hemel te verschijnen. Ook is Hij uit kracht van dat gebrachte, volmaakte offer en van dien dood, van dien tijd af tot nu toe, de Voorspraak van alle uitverkorenen geweest, is nog hun Voorspraak, en zal ook verder hun Voorspraak zijn, opdat de eenmaal door Zijn offer en dood verworvene gerechtigheid of vergeving der zonde en genade Gods eeuwig moge zijn en blijven.
Wij hebben tot hiertoe beschouwd, hoe Christus het eerste deel van Zijn Middelaarsambt, namelijk Zijn hoogepriesterlijk ambt waargenomen heeft, nog waarneemt en (in de toekomst) zal waarnemen. Laat ons nu nog kortelijk nagaan, hoe Hij het andere deel van Zijn Middelaarsambt, waarnaar Hij van eeuwigheid af verordineerd is, om als een Koning met de menschen te handelen, uitgeoefend heeft, nog uitoefent en verder zal uitoefenen. Want de Middelaar Christus Jesus moest niet slechts met den Vader handelen, de gedachtenis der zonden uit Zijn gemoed wegdoen en als een Hoogepriester Hem
51
door Zijne verdienste tevredenstellen, maar ook als een Koning door Zijne krachtige werking in de harten der uitverkorene menschen werken, daarin het rijk des Satans vernietigen en Zijn Koninkrijk oprichten ; d. w. z. in plaats van de duisternis des gemoeds en de verharding des harten moest er een waarachtig, bestendig licht en vertrouwen des geloofs gewekt worden ; in plaats van de bewuste ongerechtigheid eene waarachtige kennis der gerechtigheid in Zijne als des Hoogepries-ters betaling; in plaats van het geweten, dat door de bewuste ongerechtigheid en den toorn Gods onrustig, treurig en bijna gedood is, een vreedzaam, blijmoedig en levend hart, uit de ondervinding en de kennis van Gods genade, welke den mensch in Zijn offer toestraalt; in plaats van de geneigdheid van het menschelijk hart tot het kwade en tot zonden een ware lust tot het goede en tot Gods geboden. Om die reden was het noodig, dat Hij, namelijk Christus, de Middelaar, niet slechts Zijn hoogepriesterhjk ambt tegenover den Vader, maar ook dit Zijn koninklijk ambt jegens ons uitoefende, anders zou Hij niet een volkomen Middelaar en Verlosser geweest zijn.
liet koninklijke ambt van Christus nu bestaat uit twee deelen, in zooverre Hij dit óf uitgeoefend heeft, óf nog uitoefent en uitoefenen zal i n d i t 1 e v e n, óf wel het nog uitoefenen zal na dit leven. In dit leven heeft Christus van het begin der voltrekking des Genadeverbonds tot op dezen stond de harten van alle uitverkorenen inwendig alzoo geregeerd, dat Hij hen door de prediking Zijns Woords en de krachtige werking Zijns Geestes, waarnaar Hij hen van zonde en oordeel overtuigt, vooreerst verlicht en gewezen heeft op Zichzelven, en wel óf op Zijn toekomstig offer en Zijne verdienste, zooals de voorvaderen onder het Oude Testament, of wel op Zijn volbracht offer en verdienste, zooals alle uitverkorenen, die van Zijne opstanding tot heden geleefd hebben. Hij heeft hun allen in Zichzelven en in Zijne genoegzame, en volmaakte verdienste de gunst en genade des Vaders te smaken en te kennen gegeven en op die wijze hunne onrustige, treurige harten, die door de zonden en den toorn Gods verslagen zijn, door het proeven en kennen van Gods gunst, welke hun in Zijn offer toestraalt,
â
52
rustig, vroolijk en levend gemaakt. Daarna heeft Hij door Zijn Woord en Geest ook den zondigen aard en lust in hen gefnuikt en in de plaats daarvan rechten lust en ijver, om naar alle geboden Gods te leven, in hen gewerkt. Eveneens oefent Hij nog heden ten dage in de harten der uitverkorenen Zijn koninklijk ambt uit, en zal het op deze wijze ook tot het einde der wereld in dit leven uitoefenen.
Wat nu betreft de uitoefening van het koninklijk ambt van Christus na dit tegenwoordige leven, zoo zal het daarmede naar het geopenbaarde Woord Gods aldus gesteld zijn, dat Christus, de Middelaar, als een koninklijk Rechter zal wederkomen, opdat Hij al dengenen, die Hij door Zijn Woord en Geest in dit leven alzoo geregeerd en geleid heeft, dat zij uit het rijk van duisternis, zonden, onrust, droefheid en eeuwigen dood, m. a. w. uit het rijk des Satans, in het Rijk des lichts, der gerechtigheid, des vredes, der blijdschap en des eeuwigen levens, d. i. in het Rijk Gods, aanvankelijk overgezet worden, het volmaakte hemelsche leven en de heerlijkheid toedeele, alle beletselen voor den volmaakten eeuwigen vrede, voor de vreugde, het leven en de heerlijkheid in en buiten hen weg-neme, als daar zijn ; de onvolmaakte kennis van Gods genade in Christus, de vroegere zonde en de tijdelijke dood in hun vleesch, zoowel als het kruis en de vervolging des duivels en der goddeloozen vanwege het geloof in Jesus Christus, welke alle dingen zijn, die hen nog ten deele onrustig en treurig maken. In de plaats daarvan zal 1'ij hen Gods genade ten volle doen ondervinden en kennen, naardien zij God alsdan zullen zien van aangezicht tot aangezicht, gelijk Hij is, d. i. zij zullen de gunst en goedheid Gods in Christus volkomen kennen en daardoor volkomen blijdschap en vrede des gewetens en alzoo het eeuwige leven, dat in dit leven in hen begonnen is, ongestoord bezitten en aan hunne lichamen, die van den tijdelijken dood opgewekt en wederom met de zielen vereenigd zijn, verheerlijkt zijn en zonder eenige verandering eeuwig blijven.
Daarentegen zal Christus, de hemelsche Koning en Rechter, bij Zijne tweede komst ai dengenen, die zich doorZijn oord en Geest tot het Rijk des lichts, der gerechtigheid, des vre-
des, der blijdschap en dos eeuwigen levens niet hebben willen laten leiden en besturen, maar onder de heerschappij der duisternis, der zonde, der vervloeking Qods en des eeuwigen doods gebleven zijn, toedeelen den eeuwigen en voortdurenden angst en smaad, en dan zal bun de toorn van God en hun eigen kwaad geweten een eeuwig verterend vuur en eeuwig knagende worm zijn en blijven, en zullen zij alzoo in den afgrond der hel, aan lichaam en ziel, niet slechts onuitsprekelijke smarten, maar ook eeuwige smaadheid en schande hebben en gevoelen. (Zie dienaangaande het laatste Hoofdstuk van Jesaia.)
Na aldus te hebben overwogen, wat er bij het tweede Hoofdstuk in het werk onzer zaligheid ten aanzien van den Middelaar des Genadeverbonds valt op te merken, gaan wij thans door Gods genade over tot de behandeling van het derde en laatste Hoofdstuk.
HET DERDE EN LAATSTE HOOFDSTUK.
Van de uitnemende vruchten en weldaden des Genadeverbonds.
Uit de in het voorgaande behandelde leer van het Genade-verbond en van den Middelaar des Genadeverbonds kan men nu in de derde plaats gemakkelijk opmaken, welke weldaden Gods Kerk en hare ware leden zoowel uit het (.ienade\ er-bond, als ook van het hoogepriesterhjk en koninklijk ambt van Christus ontvangt.
Vruchten en weldaden van het hoogepriesterlijk Ambt.
De weldaden, welke den uitverkorenen uit het Genadever-bond en van Christus, den Hoogepriester, en van Zijn offer toekomen, zijn: de vergeving der zonden of de gerechtigheid voor God. Want Christus, de Hoogepriester, heeft door Zijn offer en dood, welke eene eeuwigdurende kracht hebben, voor al onze zonde den hemelschen Vader eene volkomene betaling gebracht, en ons alzóó met Hem verzoend, dat Hij in eeuwigheid niets uit toorn tegen ons doen zal. En derhalve is er eigenlijk niets anders, dat ons door den hemelschen Vader tot vergeving van al onze zonden en tot gerechtigheid wordt toegerekend, dan de volkomene betaling van den Hoogepriester Christus, welke ook teweegbrengt, dat God ons voor Zijne kinderen houdt en ons den Geest der aanneming tot kinderen mededeelt en eindelijk de erfenis der hemelsche heerlijkheid geven zal. Doch ik zeg, dat de Hoogepriester Christus deze heerlijke en onmetelijke weldaden voor ons bij den hemelschen Vader
door niets anders heeft teweeggebracht dan door Zijn offer en Zijnen dood. Want ofschoon Hij God geweest en heilig, zonder alle erfzonde, van den Heiligen Geest ontvangen en uit de maagd Maria als waarachtig mensch geboren is, (ja al had Hij ook duizend jaren op aarde heilig, zonder alle zonde, geleefd, en ware Hij ook aan menigvuldig tijdeljjk kruis en jammer onderworpen geweest), en ofschoon Hij ten hemel gevaren is en Zich ter Rechterhand des Vaders gezet heeft, van waar Hij wederkomen zal, om te oordeelen de levenden en de dooden, â indien Hij niet onze zonde op Zich genomen en den angst der hel en de smarten des eeuwigen doods en van Gods toorn voor ons gesmaakt en overwonnen had, zoo zou Hij onze rechte Hoogepriester en Zaligmaker niet zijn, en de hemelsche Vader zou niet met ons verzoend zijn, zou ons ook niet voor kinderen en erfgenamen der hemelsche heerlijkheid houden, gelijk Chistus ons in eene zeer schoone gelijkenis bij den Evangelist Johannes te verstaan geeft, als Hij zegt: «Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, indien het tanvegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo bljjft het alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voortquot;. Alsof Hij zeggen wilde: Alzoo ook Ik, Die waarachtig God en waarachtig en rechtvaardig mensch ben, enz., indien Ik niet aan het hout des kruises den bittersten en allersmadelijksten dood voor u. Mijne discipelen, en voor alle uitverkorenen, welke door uw woord in Mij gelooven zullen, ging lyden, zoo zoudt gij de voorgestelde vruchten en weldaden, namelijk vergeving der zonden, het kindschap Gods, den Geest des kindschaps en het recht op de hemelsche erfenis, nooit kunnen ontvangen. Wij weten evenwel en zijn daarvan verzekerd, dat de Hoogepriester Christus (Die het geestelijk tarwegraan is) den smadehjksten dood des kruises voor ons geleden en daardoor en door niets anders ons met Zijnen Vader in eeuwigheid verzoend en vergeving van al onze zonden en den Heiligen Geest verworven, ons tot kinderen en erfgenamen van het hemelsche leven gemaakt heeft. En deze weldaden van het hoogepriesterlijk ambt van Christus overtreffen verre al hetgeen goed in den hemel en op aarde kan genoemd worden. Want men bedenke slechts, welk een schrikkelijk ding
5 6
ket is, eenen niet genadigen God te hebben, geene vergeving der zonden te hebben, geen kind (iods te wezen, geen deel aan de hemelsche zaligheid te hebben. Zoo zou men anderzijds eenigermate kunnen verstaan, welke groote weldaden het zijn, eenen genadigen God en vergeving der zonden te hebben, een kind Gods te zijn en het recht op de hemelsche erfenis te hebben.
Welk eene onschatbare weldaad het is, eenen genadigen God te hebben, heeft do koninklijke Profeet David zeer goed gezien. Want als hij in den 144sten Psalm in Vers 12â-14 eenige aardsche weldaden van God afgebeden heeft, voegt hij eindelijk in het 15de Yers er aan toe: «Welgelukzalig is het volk, welks God de Ileere isquot;. Welk eene groote weldaad het is, vergeving der zonden te hebben, heeft dezelfde Profeet en koning terecht erkend, waarom hij in Ps. 32 ; 1 en 2 zegt: »Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is, de mensch, wien de Ileere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog isquot;.
Welk eene groote weldaad het is, een kind en erfgenaam van God te zijn, heeft de heilige Johannes wel verstaan, als hij schrijft in zijnen eersten Zendbrief (Iloofdst. 3 : 1 en 2): sZiet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zonden genaamd worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden! nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij isquot;.
Thans volgen de
Vruchten en weldaden van het koninklijk Ambt van Christus.
De weldaden, welke der Kerk Gods en haren waren leden uit het Genadeverbond en uit de uitoefening van het koninklijk ambt van Christus toekomen en in hen gewerkt worden, zijn. dat zij door de koninklijke regeering, d. i. door het Woord en den Geest van Christus, uit het rijk des Satans, d. i. uit het rijk der duisternis, der ongerechtigheid, des eeuwigen doods, het rijk van alle schande en ondeugd, ver-
5 7
lost, en in het Rijk Gods, dat een Rijk is van licht, gerechtigheid en eeuwig leven en heiligen wandel of van alle christelijke deugden, in dit leven aanvankelijk, maar na dit leven volkomenljjk geleid en overgezet en van het begin af tot in alle eeuwigheid daarin beschermd, verder geleid en volmaakt worden. Doch voor dit alles werkt Christus, onze Koning, in de harten der uitverkorenen een verlangen naaien eenen lust tot het Genadeverbond en tot het Rijk Gods, hetwelk geschiedt, wanneer de met Zijn otter verworven Heilige Geest door de prediking of bestraffing der wet in de menschen eene waarachtige kennis en een bevinden schept, dat zij van nature in het rijk der duisternis, zonden, ongerechtigheden, des eeuwigen doods en verderfs zijn, en door het Evangelie verkondigt, dat zij zoo lang daarin moeten bljjven, totdat zij in het Rijk Gods worden overgezet. Hieruit ontstaat in de uitverkorenen een heilige schrik en een afschuw van het rijk des duivels, dat hij van nature in hen had, en in de plaats daarvan een heilige honger, dorst, verlangen en liefde tot het zalige Genadeverbond en den Middelaar daarvan. Ja, nadat wij reeds aanvankelijk uit het rijk des duivels in het Rijk van God zijn overgezet, gebruikt toch Christus, onze Koning, door Zijnen Heiligen Geest de prediking der wet niet slechts tot eene lamp voor onzen voet en tot eenen regel en een richtsnoer van ons leven, maar geeft ons daardoor ook nog dagelijks te verstaan en te gevoelen onze zonde, ongerechtigheid, onbekwaamheid tot het goede, en wat wij daarmede verdienen, opdat wij ons aan het zalige Genadeverbond en aan de betaling van den Middelaar Christus houden, deze van dag tot dag hooger leeren achten en tot in eeuwigheid daarop rusten. Dit is eene g r o o t e weldaad van onzen Koning Christus, zonder welke het ons zou gaan als den kranken, die hunne krankheid niet kennen en daarom geen verlangen naar den medicijnmeester hebben, d. i. wij zouden geen verlangen hebben naar de verzoening met God door Christus, zouden ook het rijk des duivels liefhebben en in eeuwigheid daarin blijven, daarentegen zouden wij het Rijk Gods verachten, haten en in eeuwigheid er buiten blijven. Daarom is dat eene groote wel-
58
daad van onzen Koning Christus, wanneer Hij ons onze ellende onze zonde, ongerechtigheid, onmacht en vervloeking geeft te kennen.
De andere weldaad des Genadeverbonds en van het koninklijk ambt van Christus is het geloof. Het geloof nu is zulk een licht in het verstand der uitverkorenen, vertrouwen en liefde in hunne harten, dat het in het AVoord des Evangelies vooral den dood van Christus en daarin Gods gunst en genade door de werking van den Geest der aanneming tot kinderen ziet, en daarop rust. Want hoewel het waar is, dat het geloof ziet op al hetgeen in het Woord Gods begrepen is, zoo is het toch gewis, dat het daarin voornamelijk op het getuigenis van het otter en de helsche angsten van Christus, (welke Hij tot betaling voor onze zonde gevoeld, gedragen en overwonnen heeft), ziet, en daarop rust. Want evenals een schutter, wanneer hij goed wil schieten, wel de geheele schijf aanziet, maar toch de oogen vooral op het wit der schijf richt, zoo ziet wel ieder geloovige Christen met de oogen zijns harten op al hetgeen van Christus in de Heilige Schrift en in dc Artikelen des geloofs begrepen is en getuigd wordt, maar vooral op de onrust, de droefheid en dus op de smarten des eeuwigen doods, welke Christus als onze Hoogepriester voor ons gedragen heeft, om deze twee redenen ; Vooreerst o m-dat er niets anders is, waardoor de hemelse he Vader tevredengesteld en met ons verzoend is geworden, dan de dood van den Hoogepriester Christus, zooals blijkt uit de weldaad van het hoogepries-terlijk ambt van Christus, welke vroeger in het kort verklaard is; ten andere kunnen ook onze harten door niets anders rustig gemaakt worden en vrede vinden dan door datgene, waardoor het hart van den hemelschen \ader is tevredengesteld. Daarom moeten zij ook voornamelijk op den dood van Christus zien.
Ten andere, wanneer men Gods AVoord en de Artikelen des geloofs van Christus recht beschouwt, blijkt daaruit voldoende, dat alles vooral daarheen gericht is, dat aangetoond worde, óf dat Christus eenen vrijen toegang tot het hooge-priesterlijk ambt gehad heeft en dat Hij het heeft kunnen
59
uitoefenen, óf wel, hoe Hij het uitgeoefend heeft. Want evenals alle lijnen, die van den rand der schijf of van eenen cirkel getrokken worden, samenkomen in het wit der schijf of in het middelpunt des cirkels, zoo wijzen alle Artikelen in het tweede deel der Apostolische Geloofsbelijdenis, van de verlossing der uitverkorenen, welke aan de leer van het lijden van Christus voorafgaan of er op volgen, met eikander op het offer en de betaling van Christus voor ons. Want waarom anders wordt er gezegd, dat Christus de eengeboren Zoon van God is en alzoo waarachtig God met den Vader en den Heiligen Geest, dan opdat daardoor aangeduid worde, dat Hij eenen vrijen toegang gehad heeft, om ons als Zijn schepsel en eigendom te verlossen, en dat Hij als onze Hooge-priester in Zijn lijden den eeuwigen toorn Gods heeft kunnen dragen en overwinnen, dat ook Zijn offer kostelijk genoeg heeft kunnen zijn, om voor ons te betalen ? Waarom anders wordt in de Artikelen : lOntvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Mariaquot;, aangetoond, dat de Zoon van God waarachtig mensch geworden is, dan opdat men versta, dat Hij onze Broeder is en den toorn Gods waarlijk heeft kunnen smaken en gevoelen ? Waarom anders wordt daarin gezegd, dat Christus zonder alle erfzonde ontvangen, geboren en daarom ook zonder alle werkelijke zonde geleefd heeft, dan opdat men versta, dat Christus een heilig Hoogepriester en een heilig Offer heeft kunnen zijn, en niet voor Zijne, maar voor onze zonde heeft kunnen lijden ? Waarom anders wordt na de leer van het lijden van Christus gezegd, dat Hij opgestaan is, ten hemel is gevaren, ter Rechterhand des Vaders zit, weder zal komen, om te oordeelen de levenden en de dooden, dan opdat ons geloof gericht worde op dit ééne punt, dat Christus gewisselijk en volkomenlijk door Zijn offer, lijden, dood en verdienste voor ons betaald heeft ? Want indien Hij daardoor niet volkomenlijk voor alle zonde der uitverkorenen betaald had, dan zou Hij ten eerste niet uit de macht des eeuwigen doods hebben kunnen opstaan, naardien ook zelfs eene enkele zonde den eeuwigen dood verdient. Ten andere zou Hij niet ten hemel hebben kunnen varen, aangezien niets onreins in den hemel kan komen. Ten derde zou Hij
00
niet ter Rechterhand des Vaders in den hemel zitten, d. i. Hij zou niet in bijzondere genade en eere bij den Vader zijn, aangezien ook eene enkele zonde Gods ongenade waardig is. En eindelijk zou Hij ook niet de levenden en de dooden kunnen oordeelen, d. i, als een rechtvaardig Rechter, Die op aarde als een misdadiger werd aangezien, degenen, die het Evangelie van Zijne volkomene betaling in dit leven geloofd en daardoor wel in hunne harten en gewetens van alle zonden vrijgesproken, doch eveneens door de goddeloozen voor onrecht-vaardigen gehouden en veroordeeld geworden zijn, voor het aangezicht van alle duivelen en goddeloozen vanwege Zijn offer geheel vrijspreken, maar aan degenen, die in de zonde verhard zijn en wier harten door Zijn bloed, als het bloed van het Lam Gods, niet in geloove besprengd geworden zjjn, toedeelen de volkomene eeuwigdurende onrust, droefheid en den eeuwigen dood, en hen in eeuwigheid daarmede straffen en plagen. Dit alles zou Hij niet kunnen doen, indien Hij niet een rechtvaardig Rechter was en niet volkomenlijk betaald had voor der uitverkorenen zonde, die Hij op Zich geladen heeft. AYaarheen hebben dus alle Sacramenten van het Oude en Nieuwe Testament anders voornamelijk gewezen en waarheen wijzen zij nog voornamelijk, dan op het offer en den dood van Christus en in dien dood op de genade Gods ? Want waarheen hebben de besnijdenis, het paaschlam en andere offers van het Oude Testament de oogen en harten der uitverkorenen voornamelijk gewezen en gericht, dan op het toekomstige lijden en den dood van Christus, dan op den eenigen grond, het eenige fundament hunner zaligheid? Waar wijzen thans het water in den Doop, het gebroken brood en de uit de schenkkan in den beker gegoten wijn bij het Avondmaal onze oogen en harten voornamelijk op ? Toch slechts op den angst, de droefenis en smarten van den eeuwigen dood, welke Christus gevoeld heeft, toen Hij voor ons geleden. Zijn bloed vergoten iieeft, gestorven is en een Offer is geworden, als op den eenigen grond, het eenig fundament onzer zaligheid ? Gelijk dan ook Paulus de Corinthiërs vooral daarop wijst, als hij zegt: sZoo dikwijls gij dit brood zult eten en dezen beker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren,
61
totdat Hij komtquot;. Waarom zegt hij niet, zooals hij wel had kunnen doen en ook wel had mogen doen : dZoo dikwijls gij dit brood zult eten, zoo verkondigt des Heeren heilige geboorte en leven, opstanding, hemelvaart, zitten ter Rechterhand des Vaders, wederkomst ten oordeelquot; ? Antwoord: Hij wilde de Corinthiërs op den eenigen grond hunner zaligheid en op het wit in de schijf van hot Goddelijk Woord en de Sacramenten wijzen, gelijk hij dan ook te voren om dezelfde reden gezegd had : »Ik heb niet voorgenomen, iets te weten onder u, dan Jesus Christus en Dien gekruisigdquot;, en aan de Galaten; nllet zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen lleere Jesus Christusquot;. Daarom ook draagt het Evangelie terecht den Naam van het »Woord des kruisesquot;, namelijk van den lleere Christus, want het wijst de menschen, die begeeren zalig te worden, op den dood en het kruis van Christus. Wat was het ook anders, dat de harten en oogen der Joden en Grieken van het voorwerp des geloofs, d. i van het Woord des Evangelies, als van eene dwaze leer afwendde, dan dat zij voornamelijk hoorden van eenen gekruisigden en gedooden Christus, in Wiens lijden en dood men vergeving der zonden en het leven moest zoeken? Dewijl wij dan zien, dat het hart van God den Vader door niets anders dan door het offer en den dood van Christus tevredengesteld is, naardien ook het Woord Gods, de Artikelen des geloofs en de heilige Sacramenten van het Oude en Nieuwe Testament vooral op het kruis, het offer, den dood en de bloedstorting van Christus wijzen en daarin op de bevestiging van het Genadeverbond, zoo moeten ook onze harten vooral daarop gericht zijn en daarop rusten, indien wij althans rust en vrede voor het gemoed willen hebben. Hier moet men echter niet meenen, dat door zoodanige leer van Gods Woord de oogen en harten der uitverkorene geloovigen van den Persoon des Middelaars afgetrokken en alleen gewezen worden op het offer en de weldaden, welke door het offer verworven zijn. Want dat is eenmaal waar en zeker, dat diegenen alleen aan het offer van Christus, de vergeving der zonden, do genade Gods, het kindschap en het eeuwige leven deel krijgen, die Christus, waarachtig God en waarachtig mensch, als hun-
62
nen eenigen Middelaar recht kennen, Hem aannemen en liefhebben. En juist om deze redenen heeft God de Vader lang te voren, eer Zijn Zoon in het vleesch verschenen was, door de heilige Profeten Hem met allerlei merkteekenen laten teekenen, opdat, wanneer Hij verscheen, men zich in den persoon niet vergissen, maar aan de kenteekenen Hem kennen, op Hem vertrouwen en Hem liefhebben mocht; gelijk dan ook Christus Zelf om die redenen vaak uit de vervullin? der voorlegging Gods in Hem bewezen heeft, dat Hij de Messias is, en dat wie begeert zalig te worden, in Hem ge-looven moet. Op dezelfde wijze hebben ook de Evangelisten en Apostelen vaak op de vervulling der profetieën in Christus gewezen, door spoedig aan alle werken en geschiedenissen van Christus dit besluit vast te knoopen ; Dit is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is, enz.. Daarentegen kunnen al degenen, die óf in de leer van den Persoon van Christus dwalen, óf ook de Goddelijke of de menschehjke natuur of de vereeniging der naturen loochenen, óf die de naturen, hare eigenschappen en werkingen niet onderscheiden, maar vermengen of gelijk achten, zij mogen zijn, wie zij willen, Joden of Turken, Arianen of Samosatenianen, Manicheën of Marcionieten, Nestorianen of Eutychianen, noch aan het ofter van Christus, noch am de weldaden, welke door dat offer verworven zijn, deel krijgen. Derhalve is het zeker, dat wie de weldaden van Christus deelachtig wil worden, met Christus door een waar geloof, d. i. door eene ware kennis, door vertrouwen en liefde vereenigd, Hem ingelijfd, ingeworteld, ingeplant en ingeënt moet zijn. Immers, als de Schrift zegt, dat wij in Christus zijn en Hij in ons, dat wij met Hem vereenigd zijn, dat Hij ons Hoofd is, en wij Zijne lidmaten, Hij de Hoeksteen, en wij op Hem gebouwd. Hij'de Wijnstok, en wij de ranken, dat Hij in onze harten woont door het geloof, dat wij Hem aantrekken, aannemen, eten, drinken en dergelijke, dan wil zij ons door deze woorden en gelijkenissen leeren, dat door eene ware kennis, vast vertrouwen en vurige liefde dit alles plaats heeft. Dewijl echter de ware kennisse Christi, het rechte vertrouwen en de vurige liefde tot Hem van den Heiligen Geest komt, staat er geschreven : sNiemand
63
kan zeggen, Jesus den Ileere te zijn, dan door den Heiligen Geestquot;, alsook dat wij door den Heiligen Geest in Christus zijn, met Hem vereenigd. Hem ingelijfd en ingeworteld worden.
Wij zien dus, wat de andere groote weldaad is, welke Christus, onze Koning, in ons werkt, namelijk, dat Hjj de duisternis en het wantrouwen uit het verstand en den wil verdrijft, het geloof daarin werkt, dat door de kracht des Heiligen Geestes gewezen en gericht wordt op de belofte Gods, en in de belofte vooral op het offer van Christus, en in bet offer van Christus op Gods gunst en genade, en ook met het hart op dit Offer alleen rust.
De derde weldaad des Genadeverbonds, welke Koning Christus in alle uitverkorenen door het geloof en den verworvenen Heiligen Geest gewerkt heeft en nog werkt, is, dat zij erkennen, zeker besluiten en vertrouwen, dat God de Vader wegens do betaling van Christus, den Hoogepriester, hun al hunne zonde vergeven heelt. Ik zeg echter : overgeven heeftquot;, opdat men niet meene, dat God de Vader den uitverkorenen dan allereerst de zonde vergeeft, wanneer zij beginnen door het geloof met Christus en Zijn offer vereenigd te worden, want Hij hoeft hen verkoren en voor rechtvaardig gehouden in Christus, vóór de grondlegging der wereld, ja Hij geeft aan niemand den Heiligen Geest en door Dezen het begin des geloofs, dan aan degenen, wien Hij eerst de zonde vergeven heeft. Dit is echter waar, dat de uitverkorenen niet eerder besluiten en bij zichzelven gevoelen, dat zij vergeving van al hunne zonden hebben, kinderen Gods zijn, en dat hun de hemelsche erfenis toekomt, vóórdat hun door het Woord des Evangelies en den Heiligen Geest aangetoond wordt, hoe God de Vader wegens de betaling van Christus jegens hen gezind is, namelijk dat Hij hun al hunne zonden vergeven, hen tot kinderen en erfgenamen der hemelsche heerlijkheid aangenomen heeft, ook vóórdat zij dit geloofd hebben. Zij zeiven echter hebben hiervan niets geweten en gevoeld, vóór zij door de regeering en den Geest van Christus geloovig zijn geworden.
Hieruit kan men gemakkelijk afleiden, om welke r e-den do Schrift zegt, dat ons het geloof tot
fi
J- v. 0 ; /l o-prpkend wordt, daar toch,
rechtvaardigheid geresenu .
Uâ Christ», en dit Jk plâ¢t. beeft, vóór wij den Heggen thrift zTStquot; on,quot; l.ofS° loof loTtchtfldig^rgerekend
lord! on, wel tot rechtvaardigheid en vergeving der zonden door den hemelschen Vader gerekend, ook eer wij d irelooven doch w.J erkennen en weten dl. niet, vóórdat door d n Geèst de. kindschap, het geloot in ons hart gewerk wordt en naarmate door de werking de. Hed.gen Geestes bet c'eloot in on. toeneemt, naar di. mate erkennen en ge-vlf quot;ij, dat wij rechtvaardig, da. «ij kinderen en erfge-
nTnc°rl0dis1onk nf te t'eiden, wat de Kerk hedoe.t, * *
AUeen het geloof en niets anders is het, waardoor J 1-racht des Heiligen Geestes erkennen en in ons gew overtuigd worden, dat God ons, ook vóór wij geloof^quot;'
onze zonde vergeven en ons voor ^
niet wegens onze verdienste en ons werk, maar om de eem
en volkomene betaling van Christus, en Jf.
verder tot in alle eeuwigheid om deze betaling
quot;De'viTrdfvLÃt weldaad van het Genadeverbond en
do koninklijke regeering en werking van C^rl®tu8^S o a i' w i f? e loven, dat alle uitverkorenen m het Uude en Nieuwe Testament daaruit verkregen hebben en ver rijgen, wanneer zij door het geloof in
smaakt hebben en smaken, hoe vriendelijk de lieere is. r clwigo leven i. niet. ander, dan vrede en vreugde de.
gewetens uit de ondervinding van Gods genade in Christus, den Gekruisigde, en door Hem, gelijk daarentegen de eeuwige dood niets anders is dan een onrustig en treurig geweten door de gewaarwording van Gods toorn wegens de zonde zooals voldoende blijkt uit het voorbeeld van den eersten en den tweeden Adam. ïen aanzien van deze dingen lette men mede op het volgende :
Vooreerst, dat het woord Dievenquot; hier gebruikt wordt bij wijze van vergelijking voor vrede, vreugde en troost des harten, zooals het woord sdoodquot; gebruikt wordt voor onrust, droefheid en den knagenden worm der gewetenswroeging. En een levend hart is hier niets anders dan een rustig geweten en een rustige geest, die vrede en vreugde hebben, evenals een verbrijzeld, verslagen en dood hart niets anders is dan een onrustig hart en een droeve geest, en wie daaronder gebukt gaat, die is levend dood, gelijk hij, die rust en vrede des gewetens heeft, leeft, al sterft hij ook.
ïen tweede wordt dit leven eeuwig genoemd niet daarom, dat het na het jongste gericht van onzen Koning Christus eerst in den hemel begonnen en alsdan in eeuwigheid voortduren zal, (want het eeuwige leven moet hier zijn begin hebben, waarom gezegd wordt: wie in Christus gelooft, die beeft het eeuwige leven), maar het wordt daarom eeuwig genoemd, omdat de vrede en de vreugde des harten, die uit het geloof, d. i. uit de kennis en de ondervinding van Gods genade wegens de betaling van Christus in de uitverkorenen ontstaat, nooit ofte nimmer geheel kunnen ophouden. Want de bron des levens, dos vredes en der vreugde, nml. Gods genade, nadat Zijner gerechtigheid eene volkomene genoegdoening gebracht is door het offer van Christus, kan niet ophouden te vloeien. Zoo is het ook zeker, dat de Geest der aanneming tot kinderen, wanneer Hij eenmaal den uitverkorenen gegeven is, in eeuwigheid bij hen blijft en in hen niet ledig is, maar hun zonder ophouden, al is het niet altijd in dezelfde mate, Gods genade geeft te proeven om de betaling van Christus en alzoo voort-durenden vrede en vreugde des harten in hen werkt. Waar is het, dat het eeuwige leven hier onvolmaakt is, want do volkomen vrede en de vreugde des harten wordt voor de ïextor, liem 5
6ö
tweede komst van Christus nog door vier dingen belemmerd in dit leven. Vooreerst daardoor, dat het geloof en de kennis van Gods genade onvolkomen is ; doch in zooverre hebben wij vreugde en leven, als wij kennis en geloof hebben. Ten andere door de vroegere zonde, welke ons nog aankleeft en door ons begaan wordt. Ten derde door den tijdelijken dood; en ten laatste door het kruis, waaraan de uitverkorenen vanwege het geloof en de belijdenis van Christus onderworpen moeten zijn. Wanneer wij echter God zullen zien van aangezicht tot aangezicht, gelijk Hij is, en dus het geloof volkomen is, en de vroegere zonde met den tijdelijken dood geheel weggenomen, wanneer tevens alle duivelen en goddeloozen zoo ver van de uitverkorenen afgezonderd zullen zijn, als hemel en hel van elkander verwijderd zijn, dan zal het eeuwige leven, d. i. de vrede en de vreugde des harten, volkomen zijn en blijven tot in alle eeuwigheid. liet hier gezegde omtrent het begin en omtrent de volmaaktheid des eeuwigen levens moet wel opgemerkt worden, zoo men ten minste begeert, vele spreuken der Heilige Schrift recht te verstaan, vooral daar sommige van het begin, en sommige van de volmaaktheid des eeuwigen levens spreken.
ïen derde, opdat iemand in dit leven een gerust en vroolijk geweten en dus het begin des eeuwigen levens hebbe, is het niet genoeg, dat God hem liefheeft en hem genadig is, maar wordt ook vereischt, dat hij dit erkenne, daarop ruste en alzoo Gods genade en goedertierenheid smake. Want zoolang dit niet geschiedt, kan het geweten geene ware rust en vreugde hebben. Daarom is het wel zeker, dat de gunst en liefde Gods de bron des levens, des vredes en der vreugde is, doch niemand wordt daartoe bekwaam, tenzij hij dit door een waar geloof erkenne, smake en daarop ruste, en dus leeft diegene in waarheid of heeft m. a. w. alleen een gerust en vroolijk geweten onder al wat hem wedervaart, die eenen ge-nadigen God heeft en dit erkent. Daarom zegt de Profeet Habakuk: De rechtvaardige zal doorzijn geloof leven. En zoo het vriendelijke aangezicht des konings leven is, d. w. z. gerust en vroolijk maakt degenen, die het aanschouwen, â veel duizendmaal meer leven, rust en vreugde brengt het vriende*
f.7
lijk Aangezicht Gods teweeg, als het met een geloovig hart gekend en aanschouwd wordt; gelijk het in het tegenovergesteld geval schrik, onrust, droefenis en smarten der hel werkt, wanneer God Zijn toornig Aangezicht laat zien en Zijne gramschap doet ondervinden.
Ten vierde zou het evenwel onmogelijk geweest zijn, dat God ons liefhad, en wij zouden die liefde nooit hebben kunnen kennen en ondervinden, indien Christus niet eerst door Zijn offer den toorn des Vaders verzoend en Diens gunst verworven had; voorts indien Hij door de krachtige werking Zijns Geestes niet het geloof en het vertrouwen Zijne betaling en op grond daarvan op do genade Gods werkte. Daarom wordt eindelijk in de beschrijving van het eeuwige leven gezegd, dat het vrede en vreugde des gewetens is uit de ondervinding van Gods genade in Christus, den Gekruisigde, en door Hem.
Uit deze beschrijving van het eeuwige leven en de verklaring daarvan kan nu wel verstaan worden:
Vooreerst, waarom in het Woord Gods gezegd wordt, dat de gerechtigheid welke Christus ons door Zijnen dood verworven heeft, eene gerechtigheid des levens iS of dat de genade heerscht door gerechtigheid ten eeuwigen leven. Dit alles geschiedt daarom, wijl door de betaling van Christus, welke ons tot gerechtigheid wordt toegerekend, de oorzaak van den eeuwigen dood, namelijk de zonde, de ongerechtigheid en de toorn Gods, weggenomen en in de plaats daarvan en daartegen ons de bron des levens verworven en geopend is, namelijk Gods gunst, welke het hart recht levend, d. w. z. gerust en vroolijk maakt; evenals daarentegen de toorn Gods wegens de zonden en ongerechtigheid doodt, d. w. z. onrustig en treurig maakt. â Verder ook, waarom door de verdienste en betaling van Christus niet slechts de oorzaak van den eeuwigen dood, nml. de zonde en de toorn Gods, van de uitverkorenen weggenomen en in do plaats daarvan en daartegen de bron des levens, nml. gerechtigheid en genade Gods, maar ook de levendmakende Geest is verworven, Welke door ware kennis en vertrouwen hun Gods genade te ondervinden geeft en daardoor hunne door de wet
68
gedoode gewetens met de prediking des Evangelies gerust en op die wijze vroolijk en levend maakt. Docli dit doet de Geest der aanneming tot kinderen, wanneer Hij onze en aller uitverkorenen harten wijst op het offer en de betaling en alzoo op de verworvene gerechtigheid van Christus. Dit0 bedoelt Paulus, waar hij zegt; sWij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen lleere Jesus Christusquot;, d. w. z. niet alleen is God de Vader dooide genoegdoening van Christus tevredengesteld en heeft allen toorn weggedaan, maar de Heilige Geest, AV elke door het offer van Christus verworven is, maakt ook onze harten tevreden, en maakt ze levend, doordien Hij hun te verstaan geelt, dat zij zoo rechtvaardig voor God zijn wegens de vol-komene betaling van Christus, als Christus Zelf was, toen Hij
van de dooden opstond.
Ten tweede kan uit deze leer ook wel begrepen worden, waarom Christus zegt: »IIet brood, dat Ik geven zal, is Mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld , en waarom Christus Zich eene spijze of een brood des levens noemt. Eveneens, waarom de Kerk zegt, dat C li r i s t u s vleesch een levendmakend vleesch is en dat men in den dood van Christus het leven moet zoeken. Hier moet men niet meenen, dat dit daarom geschiedt, dat in het vleesch van Christus eene kracht is, om levend te maken. Want dit ontkent Christus, waar Hij zegt: ïDe Geest is het, üie levend maakt, het vleesch is niet nutquot;, nml. om levend te maken, aangezien het het geloof, waardoor de harten levend gemaakt worden, niet in ons kan werken, want dit moet door eene oneindige kracht gebeuren; neen, dit alles geschiedt om drie redenen: 1. Omdat door het geofferde vleesch van Christus de oorzaak der eeuwige versmachting en des eeuwigen doods weggenomen is, nml. de zonde en de toorn Gods. 2. Omdat daartegenover de oorzaak van eeuwige verkwikking en eeuwig leven, vrede en vreugde verworven is, nml. niet alleen gerechtigheid, Gods gunst, maar ook de Heilige Geest, Die door het geloof ons deze genade te kennen en te ondervinden geeft en daardoor onze harten levend maakt. 3. Omdat, wanneer de Heilige Geest ouzo harten wil vertroosten, levend maken
00
en hun de genade Gods fc verstaan en te ondervinden geven. Iljj zo op het geofferde vleesch van Christus wijst, dat den toorn Gods en de smarten des eeuwigen doods voor ons gevoeld en door do kracht van den eeuwigen Geest heeft overwonnen.
Ten derde volgt hieruit vanzelf, waarom de Heilige Geest een Geest dos levens of een levendmakende Geest genoemd wordt, nml. riet alleen daarom, omdat Iljj in ons werkt, dat wij ons leven en onzen wandel naar Gods wil richten, maar vooral daarom, dewijl Hij de liefde Gods in onze harten uitstort, doordien Hij ons door het geloof Gods gunst en goedertierenheid in den gekruisigden Christus te ondervinden geeft en ons daardoor levend, d. i. des vredes en der blijdschap deelachtig maakt.
Ten vierde blijkt uit de voorgaande leer, hoe het moet verstaan worden, als de Schrift zegt; De rechtvaardige zal door zijn geloof leven, of wanneer aan het geloof toegeschreven wordt, dat het levend maakt. Want het geloof, dat de gerechtigheid in de betaling van Christus door de werking des Heiligen Geestes aangrijpt en daarin de genade Gods aanschouwt, maakt het hart, dat vanwege de zonde en den toorn Gods dood, d. i, onrustig en treurig was, gerust, blijde en dus levend. Daarom, wanneer de Profeet Habakuk en na hom Paulus zegt: Do rechtvaardige zal door zijn geloof loven, is dit hetzelfde, als wanneer gezegd wordt in Kom. 5:1: »AVjj dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij Godquot;. Dat echter het woord slovenquot; in Hab. 2 zooveel zegt als vrede of rust des gewetons, blijkt uit de tegenstelling, waar hij aldus spreekt: »Ziet, wie zich verheft, zal geeno rust in zijn hart hebben '), maar de rechtvaardige zal door zijn geloof levenHier wordt «geene rustquot; en slovenquot; (of rust) tegenover elkander gesteld en daarmede aangeduid, wat met elevenquot; bedoeld wordt.
Ten vijfde, wanneer het Evangelie genoemd wordt oen Woord des levens of levend Woord, gebeurt dit daarom, omdat het van de eeuwige bron des
â¢]) Aldus naar Lutlicr. â Slatenvert.: «Ziet;, zijne ziel vci-licft zicli, zij is niet recht in hemquot;.
70
levens, namelijk van de genade Gods, in de betaling en het Aangezicht van Christus stralend, getuigt, en voorts ook, omdat daardoor in de kracht des Heiligen Qeestes de harten deiquot; uitverkorenen levend, d. i. rustig en vroolijk gemaakt worden, nadat zij door de prediking der wet gedood en bedroefd of treurig gemaakt waren. Vandaar ook, dat het genoemd wordt het Evangelie en Woord des vredes, aangezien het een getuigenis is van het tevredengestelde en verzoende hart des hemelschen Vaders; en voorts omdat het een werktuig is, dat de Heilige Geest gebruikt, om ook des uitverkorenen hart en geweten vrede en rust te doen vinden. Daarom zegt ook Paulus, dat bij naast andere leeraars des Evangelies sommigen een reuk des doods ten doode, anderen echter een reuk des levens ten leven is. Want wanneer zij leeren, dat al degenen, die Christus, den Gekruisigde, niet met waar geloof aanhangen, onder de zonde, den vloek en toorn Gods zijn, verwekt dit in de harten der verworpen ongeloovigen eene onrust, welke tot in eeuwigheid duurt, en alzoo is hun de leer des Evangelies een reuk des doods ten doode ; wanneer zij evenwel hunnen mond opendoen en verkondigen, dat al degenen, die zich aan de volkomene betaling van den waren Christus houden, vergeving der zonden en eenon genadigen God hebben, wordt door deze leer in de harten der uitverkorenen en geloovigcn een begin gemaakt van het eeuwige leven, van den vrede en de vreugde, welke in den hemel volmaakt zal zijn, en zoo wordt hun dus het Evangelie een reuk des levens ten leven.
Wat voor kostelijke en groote weldaad van onzen Koning Christus en van Zijne koninklijke regeering dat is, weten alleen diegenen, hoewel slechts ten deele, welke God de Ileere, doordat Hij hen eenen tijd lang Zijnen toorn heeft laten gevoelen, gedood en als het ware in de hel geworpen en die Hij later door de ondervinding Zijner genade weder levend gemaakt en als het ware uit de hel gerukt heeft. Daarom zegt ook Paulus: «De vrede Gods, welke alle verstand te boven gaat, beware uwe harten in Christus Jesusquot;.
De vijfde vrucht of weldaad, welke de Kerke Gods en al
71
hare leden uit het Verbond der genade en uit de uitoefening van het koninklijk ambt van Christus ontvangen heeft en nog ontvangt, is, dat do uitverkorenen in do plaats daarvan, dat zij te voren van nature tot het kwade en tot zonden geheel-lijk geneigd waren, werkelijk lust tot het goede en ijver om oprecht te wandelen krijgen, wanneer Christus onze Koning eerst in hun verstand werkt; dat zij recht erkennen, welke de regel en het richtsnoer is van hun geheele leven, gedachten, lusten, gebaren, woorden en werken. Daarna, wanneer Hjj ook in den wil der uitverkorenen door sterke gronden en redenen eenen rechten lust en wezenlijke liefde tot den aangenomen regel en om naar dezen te leven teweegbrengt. En aangezien deze werken der genade hier in de Kerk en in ons onvolmaakt zijn, wil God de Vader onze gebreken door do betaling van Zijnen Zoon toedekken en uit genade vergeven; ook wil Hij ze door Zijnen Heiligen Geest en door Zijn Woord hoe langs zoo meer uitdelgen en wegdoen, tot de tijd der volmaaktheid en eindelijke verlossing aanbreekt.
De zesde vrucht en weldaad, welke voor de Kerk Gods uit het Genadeverbond en door de waarneming van het koninklijk ambt van Christus, beide in het Oude en het Nieuwe Testament ontstaan is en nog ontstaat, is de voortgang en het blijven in do kennis van hare ellende, in het geloof, in gerechtigheid, eeuwig leven en heiligen wandel. V ant onze Koning Christus is met den Vader en den Heiligen Geest niet alleen Degene, Die de vorige weldaden aanvankelijk in de uitverkorenen werkt, maar Hij is liet ook. Die ze onderhoudt, vermeerdert en voleindigt.
Tot beter verstand en een grondig kennen der leer van de volharding der Kerk en van Gods kinderen moet men weten, dat God de Vader naar Zijnen eeuwigen Raad niet slechts eenmaal, maar van eeuwigheid tot eeuwigheid in Zijn Genadeverbond, in Zijne almachtige hand en in Zijne bescherming Zyne Kerk en Zijne kinderen opgenomen en omvat heeft, dat onze Heere Jesus Christus niet alleen eenmaal aan het hout des kruises met Zijn heilig en dierbaar bloed voor al onze zonden volkomen betaald heeft, maar als de rechte Hoogepriester
dit bloed in het hemelsche heiligdom heeft ingebracht, ook om daarmee te verschijnen voor het Aangezicht des Vaders, waar Hij voor ons bidt en onze Voorspraak is, opdat de eenmaal verworvene gerechtigheid en genade eeuwig moge zijn en blijven; dat de Heilige Geest de voorgaande werken der genade niet alleen begint, maar ook in stand houdt, vermeerdert en voleindt. En wanneer het zoo niet gesteld was, dan zou al het vorige, wat ons van God den Vader, Zoon en Heiligen Geest wedervaren is, ons geen nut doen.
Daarom is ons heil en onze zaligheid op een zeker, sterk en onbeweeglijk fundament gebouwd, nml. op het eeuwig raadsbesluit en Genadeverbond van onzen hemelschcn Vader, op Zijne onuitsprekelijke liefde, grondeloozo goedheid en barmhartigheid, trouw, waarheid en macht, op de dierbare, heilige cn volkomene betaling en de voortdurende voorbede van onzen Verlosser Jesus Christus en op de onafgebrokene krachtige werking des Heiligen Geestes, alzoo dat ons en de Christelijke Kerk ook do poorten der hel niet zullen overweldigen, noch in eeuwigheid uit de hand van onzen getrouwen cn almachtigen Vader, onzen Verlosser Jesus Christus en den Heiligen Geest kunnen rukken.
En hoewel wij struikelen en vallen, en wel soms zeer diep, zoo hebben wij toch het getuigenis in onze harten en gewetens, dat wij niet alleszins opzettelijk, maar uit zwakheid zondigen, en bevinden ook dit bj ons, dat, wanneer wij door ons vleesch verrast en overwonnen worden, wij toch niet van ganscher harte zondigen, maar ook in onze overtredingen en zonden eenen strijd tusschen vleesch en Geest ondervinden. En dit is dan een goed teeken en zeer vertroostend, te meer daar deze strijd niet uit onszelven en uit onze krachten, maar uit den in ons wonenden Geest zjnen oorsprong heeft. Zoo houdt ons Deze ook bij de hand en helpt ons in onze zwakheid weder op.
Al legt God de Heere Zijner Kerk en Zijnen kinderen soms een zwaar en groot kruis op en al schijnt het en laat het zich aanzien, alsof de Heere Zijn Aangezicht cn hart geheel van hen afgewend had en alsof het met hen geheel gedaan was, zoo weten Gods kinderen toch wel, dat hen niets kan schei-
73
den van de liefde Gods, welke zij in Chrisfus Jcsus hebben. Ja, onze liemelscho Vader wil en kan alles, wat lljj ons in deze wereld naar Zijnen Vaderlijken wil en Zjjn raadsbesluit toezendt, daartoe richten en alzoo besturen, dat hot ons ten goede dienen en ons daarom voor ons heil, voor onze zaligheid en welvaart niet in den weg, maar bevorderlijk moet zijn, totdat wij eindelijk van alle kwaad verlost, in het hemelscho Vaderland gebracht en in het bezit der volkomen rust, heerlijkheid en eeuwige vreugde en goederen gestold worden.
Deze zekere en troostvolle leer van do volharding der Kerk en van Gods kinderen heeft haren vasten en goed gelegden grond in de Heilige Schrift, zooals genoegzaam zij zullen zien, die de volgende plaatsen en getuigenissen daarin zoeken en over deze, zonder eene vooraf opgevatte meening te laten gelden, in de vreeze des Heeren zullen nadenken.
1) Sommige er van getuigen van de onophoudelijke en altijddurende liefde, van de onveranderlijke waarheid en almacht, van het Wezen Gods, als : Ps. 37 ; 23 en 2 i ; 1-45 : l i ; Jes. 5-4 : 10; 59:21 ; Hos. 2 : 19 ; Amos 9:15; Matth. 24:2-4; Joh. 10 : 28â30; Rom. 11 : 29; Filipp. 1 : G.
2) Sommige van de volkomen betaling en bestendige voorbidding van Christus voor de uitverkorenen en geloovigen, en met Zijne voorbidding is de hemelsche Vader tevreden, zoodat Hij dan ook het gebed van Christus altoos veriioort : Luk, 22 : 31 en 32; Joh. 14 : 10 en 17; 1 Joh. 3 : 9.
3) Eenige getuigen van den Heiligen Geest, dat Hij, als II ij den uitverkorenen eenmaal gegeven is, bij hen tot in eeuwigheid blijft en in hen werkt en onderhoudt, wat Hij begonnen heeft, als : Jes. 59 : 21; Joh 14 : 10 ; 1 Joh. 3 : 9.
4) Eenige getuigen, dat noch de duivel noch de wereld zoo machtig is, dat zij eenen enkelen uitverkorene en geloovige uit de almachtige hand Gods kunnen rukken: Matth. 7 : 24; 15 : 16; 24 : 24; Joh. 10 : 27â30.
5) Sommige getuigen, dat, ofschoon do uitverkorenen en geloovigen menigmaal zondigen, zij toch niet zoo ver gebracht worden, dat zij alle geloof, ondervinding van Gods genade, vrede des gewetens, vreeze Gods, hoop en lijdzaamheid zouden ver-
74
liezen, hetgeen ook uit den strijd, welken do Geest tegen het vleesch over deze dingen heeft, duidelijk is, als: Ps. 1:3; Ezech. 47 : 12; Matth. 7 : 24-28; Joh. 4 : 14 ; G : 51, 54 en 56 ; 1 Joh. 3:9; Gal, 5:9; Rom. 7.
6) Het lijdt dan ook geenen twijfel, dat degenen, die bezwaren hebben tegen de leer van de volharding der geloovigen en uitverkorenen, nooit het laatste Artikel der Apostolische Geloofsbelijdenis recht en met grond kunnen uitspreken en belijden. Want hoe kan iemand naar waarheid en van harte zeggen: »Ik geloof een eeuwig levenquot;, d. w. z.: ik ben zeker en zonder eenigen twijfel, dat niet alleen een eeuwig leven in don hemel is, maar ook, dat ik dit deelachtig zal worden en een erfgenaam zijn, â en te gelijk beweren, dat het gebeuren kan, dat hij het zaligmakend geloof weêr geheel verliest en dus eeuwig verdoemd is.
De zevende weldaad van onzen Koning Christus is, dat Hij der Kerke Gods door het getuigenis Zijns Woords alles, wat tot nu toe behandeld geworden is, voorstelt en al de genoemde weldaden in de uitverkorenen werkt. AVant niemand zou in dit leven zijne zonde en vervloeking vecht kennen en gevoelen, zoo Christus, onze Koning, niet door de wet in ons werkte; niemand zou den Ileere Christus als den eenigen Zaligmaker recht kennen, op Hem vertrouwen. Hem liefhebben, aan Zijne volkomen betaling zich vasthouden, de gerechtigheid, welke voor God geldt, daarin aangrijpen, cn de genade Gods ondervinden en alzoo het begin der eeuwige rust, des eeuwigen vredes en des eeuwigen levens in het hart en geweten gevoelen, noch ook God den Ileere altijd met zijnen wandel recht eeren en in dit alles voortdurend blijven en voortgaan, totdat de volkomenheid van al deze weldaden aan ons zal openbaar worden, â indien Christus, onze Koning, dit door het getuigenis Zijns Evangelies niet openbaarde, voortbracht, aanbood en mededeelde.
De achtste weldaad van onzen Koning Christus is, dat Hij niet slechts voor de ooren door het gehoorde Woord, maar voor de ooren, oogen en harten te gelijk door de heilige Sacramenten van het Oude en het Nieuwe Testament, als door zichtbare getuigenissen en middelen, van de hierboven genoemde
75
Verbondsgeheimen, schatten, rijkdommen en weldaden getuigd heeft en nog getuigt en het alzoo niet laat blijven bij de openbaring van den wil Zijns hemelschen Vaders door het Woord, maar ook nog tot meerdere verzekering de heilige Sacramenten, als zichtbare waarteekenen, zegelen en ecden, aan de belofte des Evangelies hecht en alzoo krachtig in onze harten bevestigt, hetgeen Hij door het gehoorde Woord heeft begonnen.
Aangezien echter beide het Woord en de heilige Sacramenten op zichzelven geen van de voorgaande stukken in het werk onzer zaligheid kunnen geven te kennen, is het in de negende plaats eene bijzondere en groote weldaad van onzen hemelschen Koning Jesus Christus, dat Hij den Geest der aanneming tot kinderen schenkt aan degenen, welke Hem van den Vader gegeven worden, en Deze werkt in hen door de prediking der wet krachtiglijk eene kennis van hunne ellende, hunne zonden, hunne ongerechtigheid en van den door hen verdienden eeuwigen dood en alzoo een verlangen naar dit Gena-deverbond. Door de prediking des Evangelies echter werkt Hij in hen het geloof, gerechtigheid, leven, heiligen wandel en volharding in dat alles, wat Hij ook door de Sacramenten verzegelt.
Opdat echter hetgeen bij de laatste twee groote weldaden van het Genadeverbond en van onzen Koning Christus is herinnerd geworden, nog beter en grondiger verstaan worde, moet de leer van do Sacramenten zoowel in het algemeen als in het bijzonder iets uitvoeriger uiteengezet en verklaard worden.
Van de Sacramenten in het algemeen.
Van de Sacramenten in het algemeen behoort een Christen vooral vijf stukken te weten en te gelooven.
1) Aangezien niemand onder de schepselen weet, wat in den mensch is, dan God en de geest des menschen, en alzoo ook niemand weet, hoe God jegens ons gezind is, dan God Zelf, terwijl alle Sacramenten hierin overeenkomen, dat zij zichtbare getuigenissen zijn van het hart des Vaders en van den wil Gods, Die Zijner Kerk en Zijnen kinderen genegen is, â zoo is het zeker, dat noch engelen, noch menschen, noch eenig schepsel macht hebben, om Sacramenten in f.e stellen of af te schaffen, noch ook maar het geringste in de ingestelde genade- en
70
waarteekenen te veranderen, af te doen, of toe te voegen.
2) Dat in allo Sacramenten tweeërlei verschillende dingen, personen, handelingen en werken moeten onderscheiden worden ; aardsche of lichamelijke en hemelsche of geestelijke, en quot;â elijk gene (de aardsche of lichamelijke) waarteekenen en zegelen zijn, alzoo zijn deze (de hemelsche of geestelijke) het be-
teekende en verzegelde goed.
ri) Dat in alle Sacramenten tusschcn de aardsche of lichamelijke en de hemelsche of geestelijke dingen, personen, handelingen en werken vooreerst eenige gelijkenis zijn moest. Want anders zouden de aardsche en lichamelijke Sacramenten niet de waarteekenen, zegelen en verzekering van de hemelsche en geestelijke kunnen zijn. Waarom Augustinus zegt: Sacra-menta earum rerum, quas significant, similitudmem habent; quam nisi haberent, ne sacramenta quidem essent: atque inde fit, ut etiam nomina rerum, quas significant, suscipiant, d. i.: Er is eene gelijkenis tusschen de Sacramenten en de dingen, welke door de Sacramenten aangeduid worden, en wanneer dat niet zoo ware, zouden zij geene Sacramenten en genadeteeke-nen kunnen zijn. En dat is ook do reden, waarom zij den naam der beteekende dingen en goederen verkrijgen. Vervolgens, dat de aardsche en lichamelijke dingen, personen, handelingen, werken en wat in hen gevonden wordt, dat op de geestelijke cn hemelsche kan wijzen, door Gods uitdrukkelijk bevel en Zijne belofte daartoe geheiligd en verordend wordt, dat men het in de openbare en algemeene samenkomst van de Gemeente en van Gods kinderen gebruiken moet. Anders
zouden alle gelijkenissen (gelijkheden) Sacramenten zijn. Daarom
zeo-t Augustinus: Accedat verbum ad elementum et fit sacra-mentum, d. i.: Wanneer het Woord, het bevel en de belofte Gods bij het element komt, zoo wordt het naast zijn natuurlijk gebruik ook een Sacrament, genadeteeken en zegel.
4) Dat alle Sacramenten door God daartoe ingezet zijn, dat zij tot Zijne eer strekken en dus een voornaam stuk van den godsdienst zijn moeten. Vervolgens, dat zij de opbouwing des geloofs, de levende vertroosting en den heiligen wandel van Gods kinderen bevorderen en dus een openbaar getuigenis, cen-teeken en oefening van het heilige Christendom moeten zijn.
77
5) Dat van alle Sacramenten, gelijk ook van alle andere dingen, op tweeërlei wijze kan gesproken en geschreven worden, namelijk proprie, d. 1. rechtstreeks, eigenlijk en zooals de zaak op zichzelve is, of tropice, d. i. op verbloemde of figuurlijke wijze, als wanneer aan het teeken de naam van het beteekende goed en wat daaraan en daardoor geschiedt, of wel aan het beteekende goed de naam van hec teeken en wat aan het teeken geschiedt, toegeschreven wordt. Waarom de Sacramenten ook zulke namen hebben, waarvan sommige rechtstreeks en eigenlyk, sommige echter vergelijkenderwijze aanduiden, wat hunne strekking is, waar zij bijv. genoemd worden: teeken, zegel, verbond, geheim, zichtbare woorden, schilderij, wegwijzer, leeken-bijbel, spiegel, herhaling en kort begrip van het gansche werk onzer zaligheid, het kleine en groote evangelie, gedachtenis, eedzwering, onderpand, verzekering, ken- en veldteeken, geloofsbelijdenis en dergelijke.
Van de Sacramenten in het bijzonder.
Van de Sacramenten in het bijzonder moet men weten:
1) Dat sommige Sacramenten zijn ingesteld met het doel, dat aan de Kerk en aan de kinderen Gods daardoor bij wijze van een geheimenis en gelijkenis beloofd en hun geleerd, herinnerd en verzekerd zou worden, dat al hetgeen tot het tijdelijke en eeuwige leven behoort, van God den Yader, Zoon en Heiligen Geest alleen zijnen oorsprong heeft, zoowel van eeuwigheid in Hem, als ook ter bestemder tijd in ons (sacra-menta initiationis), zooals de Besnijdenis in het Oude en do Doop in het Nieuwe Testament.
2) Dat sommige Sacramenten ingesteld zijn met het doel, dat aan de Kerk en aan Gods kinderen daardoor bij wijze van een geheimenis en gelijkenis beloofd en hun geleerd, herinnerd en verzekerd zou worden, dat God de Vader, Zoon en Heilige Geest al hetgeen in hen door Zijne genade, kracht en werking begonnen is, onderhouden, vermeerderen, volbrengen en voltooien wil (sacrainenta continuationis), zooals het offer en paaschlam in het Oude en het Avondmaal in hot Nieuwe Testament.
78
Van het eerste Sacrament des Nieuwen Testaments in het bijzonder, hetwelk is de Heilige Doop.
Opdat echter de voorafgaande algemeene leer op de twee Sacramenten des Nieuwen Testaments, nml. op den Doop en het Avondmaal des Heeren, vooral toegepast worde, is het noodig te weten :
Yan den Doop.
I (Efficiens.) Dat de Heilige Doop door God den Zoon met raad en inwilliging des Vaders en des Heiligen Geestes in de plaats van de Besnijdenis voor de Christenen en hunne kinderen, hetzij zij (uit) Joden of Heidenen zijn, m het Nieuwe
Testament is ingesteld.
11. (Materia.) Dat in den Heiligen Doop tweeerlei dingen, personen, handelingen en werken met groote voorzie i-Lheid en met ijver beschouwd en onderscheiden moeten worden: de zichtbare genadeteekenen en zegelen en vervolgens ook de beteckende geestelijke hemelsche goederen, nml. het eeuwig Genadeverbond van God, met het bloed van Christus bevestigd en de geheele leer des Evangelies, als Gods getuigenis, dat 'door de ooren aan ons hart geloof, leven, troost, vreug e en rust aanbrengt. Dat dit in den Doop door de aanschouwing der oo-en, de betrachting en het gebruik der Goddelijke genadeteekenen en zegelen geschiedt, doch met dien verstande dat de Heilige Geest, door God den Vader vanwege de verdienste van Christus in onze harten uitgestort en gezonden, zoowel het Woord Gods, als ook de genadeteekenen en zegelen in den Heili-gen Doop vrijwillig gebruikt, om als de eerste en eemge oorzaak dit alles, in wien, wanneer en zooveel Hij wil, te werken en te scheppen, gelijk dit stuksgewijze in de volgende tabel te zien is.
Aardsche genadeteekenen en zegelen. Hemelsche beteekende goederen, i) Kinderen der menschen. ') Kinderen Gods.
u'01iker ^ ^et: M00''0,1 Geest van Christus,
i, a elquot; i) Mededeeling en vereenigin^ met
) espieng g. Christus door den Heiligen Geest.
5) Afwassching en reiniging. 5) Vergeving der zonden
0) Plicht en opvoeding der men- C) Plicht en opvoeding dei kmdeien
schenkinderen. Gods.
7) Erfenis der aardsche kinderen. 7) Erfenis der kinderen Gods,
l'J
III. (Forma.) Opdat evenwel de aardsche en stoffelijke dingen, handelingen en werken in den Heiligen Doop een Sacrament, genadeteeken en zegel der hemelscbe en geestelijke goederen en dus van het Genadeverbond en van de belofte des Evangelies zouden worden, waren twee dingen zeer noodig :
a) Vooreerst, dat tusschen de aardsche, stoffelijke, zichtbare dingen, als het teeken in den Doop, en tusschen de hemel-sche of geestelijke dingen, als het beteekende goed, eene gelijkenis zou zijn.
b) Vervolgens, dat de vergelijking tusschen het uiterlijk element en de handeling des Doops en tusschen het hemel-sche goed door Gods ordening. Woord en belofte samengevat en gesteld worde, alzoo dat het aardsche de Kerk en de kinderen Gods zou wijzen en richten op het hemelsche ; want zoo van deze twee één ontbrak, zou de Heilige Doop geen Sacrament kunnen zijn; deze twee geven aan den Doop zijnen vorm en zijn wezen.
a) Vergelijking der genadeteekenen en zegelen met het hemelsche, onzichtbare, beteekende en verzegelde goed in den Doop.
1) Evenals aardsche ouders, wanneer zij hunne kinderen ten Doop brengen, betuigen, dat zij dezen voor hunne kinderen houden, (omdat God de Heere hunnen dienst gebruikt, om de kinderen in het tijdelijke leven te zetten, hun lichaam, hoofJ, oogen, ooren, handen en voeten enz te geven en dat daarom hunne kinderen een zegen, geschenk en gave Gods zijn), ook daarmede betuigen, dat hunne kinderen van nature onrein, vuil, krachteloos en hulpbehoevend zijn en daarom reiniging, hulp en voeding noodig hebben, â alzoo betuigt God de hemelsche Vader, Zoon en Heilige Geest door den Doop, dat Hij niet slechts de oorspronkelijke en hoogste oorzaak is van het tijdelijke en aardsche leven en wat daarmede samenhangt en daarbij behoort, maar dat Hij ons ook tot een veel beter loven uitverkoren, wedergeboren en geschapen heeft en nog dagelijks wederbaren en vernieuwen wil.
2) Evenals de dienaar des Woords uiterlijk doopt, zoo doopt God inwendig.
so
3) Evenals de dienaar water gebruikt, zoo gebruikt God de Vader, om ons van zonden te reinigen en op die wijze tot het eeuwige leven te wederbaren, het bloed en den Geest van
Christus, Zijnen Zoon.
4) Evenals de dienaar het water op deze wijze gebruikt, dat hij het hoofd van het kind als het voornaamste lid en deel van het menschelijk lichaam daarmede besprengt en bevochtigt, zoo gebruikt ook God de Vader het bloed van Christus, Zijnen Zoon, niet slechts daartoe, dat Hij ons de vergieting van dit bloed bij Zichzelven toepast en toerekent, ook voordat wij gelooven, maar dat Hij ons ook de harten met den Heiligen Geest doopt, besprengt en begiftigt, opdat ook wij te Zijner tijd door eene ware kennis en een harteujk vertrouwen Christus aangrijpen, en Zijne bloedstorting ons toepassen, toeëige-nen cn^deze met alle daarmede verworvene weldaden deelachtig worden.
5) Gelijk het water, waarmede de dienaar het lichaam des kinds besprengt en bevochtigt, behalve andere dit voordeel of deze nuttigheid heeft, dat het het lichaam van de onreinheid wascht en zuivert, zoo heeft het dierbare en heilige bloed van Christus, wanneer het vergieten daarvan ons door God wordt toegerekend en Hij ons de genade geeft, dat wij door waar geloof, kennis en vertrouwen ons datzelve in het hart toeëigenen, deze nuttigheii, dat het ons van al onze zonden wascht en reinigt, d. w. z., dat ons deze in eeuwigheid vergeven zijn en niet toegerekend worden. Want wij worden door den hemelschen Vader voor zoo heilig, rein en rechtvaardig gehouden, als Jesus Christus, onze Verlosser, Zelf was, toen Hij tot een feitelijk en onfeilbaar getuigenis van de volkomen betaling voor al onze zonden van de dooden opstond, gelijk ook de Heilige Geest (Welke zoowel als de vergeving der zonden bij God den Vader door het vergieten van het bloed van Christus verworven is) daarom in ons verstand en in ons hart uitgestort en ons medegedeeld wordt, om onze gewetens te reinigen van de booze werken en zonden door geloof en bekeering. Dit brengt Hij tot stand, doordien Hij ons verstand en hart reinigt en op het dierbare en heilige, voor ons vergoten bloed van Christus tot vergeving van al onze
81
zonden wijst on krachtiglijk in ons werkt, dat wij de zonden leeren haten en do deugd liefhebben en dus de rechte kenmerken van Gods kinderen hebben, waaruit wij zeker kunnen besluiten en afleiden, dat God de Vader ons tot Zijne kinderen uit genade vanwege de genoegdoening van Christus aangenomen heeft en in eeuwigheid voor Zijne lieve kinderen en erfgenamen zal houden.
6) Gelijk het den kinderen betaamt, den ganscben tijd huns levens den plicht en de gehoorzaamheid, welke zij hunnen ouders schuldig zijn, zich te herinneren, dienovereenkomstig te leven, en dus hunne ouders niet te smaden, maar te eeren, en de ouders er op bedacht bebooren te zijn, met hijzonderen ijver en ernst hunne kinderen tot dit alles wel te besturen, te leiden en op te voeden, hun (den ouders) tot eer en den kinderen tot heil, â zoo moeten ook kinderen Gods gedurende hun gansche leven zich niet alleen herinneren de groote en veelvuldige tijdelijke en eeuwige weldaden, welke God de Vader hun in Zijnen eeniggeborenen Zoon Jesus Christus betoond, hen door de werking des Heiligen Geestes heeft doen kennen en hun met den Heiligen Doop verzegeld heeft, maar ook gedachtig zijn aan den plicht, welken z\j van hunne zijde bij het ontvangen van den Heiligen Doop op zich genomen hebben, dienovereenkomstig zich gedragen en zich beijveren, om rein en heilig te leven. God, hunnen hemelschen A ader, tot eer, en te geljjk zichzelven en anderen ten heil en tot een voorbeeld, dat waardig is nagevolgd te worden.
Dewijl echter de plicht, dien wij op ons genomen hebben, t. w. die van de schuldige en gewillige gehoorzaamheid, welke wij aan God den Vader, Zoon en Heiligen Geest bij het ontvangen van den Heiligen Doop beloofd hebben, niet in onze krachten en ons vermogen staat, zoo heeft onze hemelsche Vader, van Wien alle goede gaven en dus ook het willen en volbrengen, het begin, midden en einde van alle Christelijke deugden afkomstig zijn, niet slechts in het met ons opgerichte Genadoverbond, maar ook in den Heiligen Doop, (waardoor wij aan de uitnemende en bijzonder troostvolle leer van het Genadoverbond Gods, in de hand van Christus met ons opgericht, herinnerd en verzekerd worden), de zekere belofte ge-Textor, Kern. ^
82
geven, Zijne geboden in onze harten te schrijven, d. w. z. ons tot den wederkeerigen plicht dor schuldige en gewillige gehoorzaamheid door Zijn Woord en Geest te onderwijzen, te leiden en op te voeden, ook het goede, dat Hij in ons heeft begonnen, te onderhouden, te vermeerderen en te voltooien.
7) Evenals de kinderen, welke van aardsche ouders geboren en aan dezen naar Christelijke onderwijzing, leiding en opvoeding schuldige en gewillige gehoorzaamheid bewijzen, niet slechts hoop op do erfenis hebben, maar ook eindelijk als wettige erfgenamen in het bezit van hunne vaderlijke goederen, schatten en heerlijkheid komen en geraken, â zoo hebben ook al degenen, die uit God geboren zijn en door Diens genade, kracht en werking overeenkomstig hunnen plicht leven en dus, in den stand, het beroep en den toestand, waarin God hen gezet heeft, getrouw, oprecht en gehoorzaam zich betoonen, niet slechts hoop op de hemelsche erfenis en het volmaakte eeuwige leven en do eeuwige heerlijkheid, maar die hoop zal hen ook niet te schande laten worden, omdat het hun beloofd heeft Hij, Die niet liegen kan en Die almachtig is. Want omdat zij door het bloed en den Geest van Christus Gods kinderen zijn geworden, zooals hunne kenteekenen uitwijzen en uit hunne kinderlijke gehoorzaamheid genoegzaam af te leiden is, moet hun ook eindelijk, naar de onveranderlijke goddelijke zoowel mondelinge alsook in den Heiligen Doop gedane zichtbare beloften, de erfenis en heerlijkheid van Gods kinderen zekerlijk medegedeeld worden. Zooals Paulus, het uitverkoren kind en werktuig Gods, onderwijst: »Naar Zijne barmhartigheid heeft Hij ons zalig gemaakt door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jesus Christus, onzen Zaligmaker; opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. Dit is een getrouw woordquot;.
b) Van Gods ordening, Woord, bevel en belofte bij het Sacrament des Doops.
Aangezien de voorgaande leer van de vergelijking tussclicn de aardsche en de hemelsche dingen in den Doop niet genoeg-
83
zaara is, om aan dit Sacrament zijnen vorm, bestaan, aard, wezen en duurzaamheid te geven, maar ten andere ook nog vereischt wordt, dat men hiervan Gods quot;Woord, bevel en belofte heeft, waardoor de zichtbare genadeteekenen en zegelen met het beteekende en verzegelde goed samengevat en verbonden worden, met dien verstande en in dier voege, dat het aardsche en zichtbare van zich af op de hemelsche wijzen, daarheen ons leiden, ons daaraan herinneren en daarvan verzekeren moet, â zoo is ons verder noodig te weten, dat er niet alleen eene vergelijking tusschen hemelsche en aardsche dingen, personen, handelingen en werken in den Heiligen Doop is, maar dat ook onze Ileore Jesus Christus, toen Hij zegevierend weder van do dooden opgestaan en daardoor Zich als den eengeborenen, almachtigen Zoon van God had betoond, nu alle macht, om namelijk het Evangelie te laten prediken, niet slechts in het Joodsche land, maar ook onder de Heidenen, verkregen had, welke macht Hij, ofschoon Hij met den Vader en den Heiligen Geest van eeuwigheid almachtig is geweest, vóór Zijn lijden en Zyne opstanding vanwege het raadsbesluit, de ordening en belofte van God, Zijnen hemelschen Yader, niet gehad heeft. Waarom Hij ook Zijnen discipelen verboden heeft, op den weg der Heidenen te gaan. Toen echter de tijd, welke in Gods raadsbesluit naar Zijnen wil en welbehagen bepaald was, was aangebroken, dat Hem ook de Heidenen tot een erfdeel gegeven en krachtighjk tot Hem geroepen zouden worden, gaf Hij Zijnen discipelen bevel, dat zij in de geheele wereld zouden uitgaan en zoowel den Heidenen als den Joden niet slechts het Evangelie prediken, maar hen ook doopen in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, met deze troostvolle belofte : »Wie geloofd zal hebben (hij moge een Jood of een Heiden zijn, niemand is uitgesloten) en gedoopt zal zijn, zal zalig wordenquot;, te gelijk met de toegevoegde ernstige en zware bedreiging: lAVie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd wordenquot;. In deze woorden heeft de Zoon Gods met raad en bewilliging des Vaders en des Heiligen Geestes het water en de uiterlijke handeling en het uiterlijke werk in den Hoop met het hemelsche geestelijke goed wegens de gelijkheid, die er tusschen is, zoo vereenigd
84
en verbonden, dat do aardsclie dingen, handelingen en werken van den Doop tot een goddelijk Sacrament, genadeteeken, zegel en derhalve eene zichtbare herinnering en verzekering van het eeuwig Verbond der genade, van de belofte des Evangelies, van onze wedergeboorte, kindschap, reiniging van zonden door het bloed en den Geest van Christus, zoowel als van de eeuwige hemclsche erfenis, van het leven en de heerlijkheid verordend en gemaakt werden.
IV. (Finis bapt.) Zooals tot hiertoe van den Insteller en van de wezenlijke oorzaken des Uoops, als daar zijn materie en vorm, d. i. van tweeërlei verschillende dingen, personen, handelingen en werken, en vervolgens ook van de vergelijking, welke tusschen deze bestaat, welke door Christus' Woord, bevel en belofte samengevat en tot het eerste Sacrament des Nieuwen Testaments is verordend, gehandeld is geworden, zoo moet nu ook iets medegedeeld worden omtrent het doel en de eindoorzaak, waarom de Heilige Doop door Christus is ingesteld. Dat doel nu is de eere Gods des Vaders, Zoons en Heiligen Geestes en vervolgens ook onze opbouwing in het heilig geloof, den levenden troost en den Christehjken wandel. En om die redenen ia de Heilige Doop daarop gericht, dat hij op die wijze een openlijk getuigenis, belijdenis en oefening
van ons Christendom zij. Want
1) dat is toch eene groote eere Gods des Vaders, Zoons en Heiligen Geesfes, wanneer ouders met hunne kinderen bij den Doop voor God verschijnen, en openlijk belijden en betuigen, dat Hij alleen de eeuwige waarachtige God is, Die niet alleen voor het tijdelijke en eeuwige leven, maar ook van al de middelen en weldaden, welke tot het tijdelijke en eeuwige leven behooren, de Oorsprong en Bron is en blijft in alle eeuwigheid.
2) Dat is een groote roem en lof, wanneer ouders met hunne kinderen Gode alleen de eer der gerechtigheid geven, en zich niet ontzien en schamen, openlijk te bekennen, dat zij en hunne kinderen van nature onrein, zondaren zijn en waard zouden geweest zijn, om in den poel en het slijk dor hel te lijden, wanneer God met hen had willen doen, naar dat zij verdiend hebben.
85
.quot;â {) Dat is den Ileere Jesus Christus eene groote eer, wanneer ouders met hunne kinderen door het ondergaan van den Heiligen Doop openlijk bekennen, dat zij van het slijk en van de ongerechtigheid der zonden, zoowel als van den eeuwigen dood door niets anders gereinigd, ontdaan en met den he-melschen Vader verzoend zijn, dan alleen door het heilige en dierbare bloed van Jesus Christus, den Zoon van God en van Maria.
4) Dat is God den Heiligen Geest eene groote eer, wanneer ouders met hunne kinderen door het ontvangen van den Heiligen Doop openlijk belijden, dat de door liet bloed van Christus verworven en in en over hen uitgestorte Heilige Geest Degene is. Die hunne harten en gewetens van zonden door het geloof en de bekeering reinigt, terwijl Hjj hen door het Evangelie en den Doop onderwijst en verzekert van de genadige wegneming en vergeving der zonden bij God den Vader door de volkomen betaling van Christus, Die ook alleen in hen werkt, dat zij der zonde afsterven, d. i. haar van harte vijand worden, en zoowel met betrekking tot zich-zelven als tot anderen der gerechtigheid leven, d. w. z. alle Christelijke deugden beminnen en zich daarop toeleggen.
5) Dat is God den Vader, Zoon en Heiligen Geest eene groote eer, dat Christelijke ouders met hunne kinderen in het ontvangen van den Heiligen Doop de verplichting op zich nemen, Hem, den waarachtigen God, in eiken stand, beroep en toestand met gewillige gehoorzaamheid, niet eenen dag of een jaar, maar den ganschen tijd huns levens te dienen, Hem alleen in alles aan te roepen, te loven en te prijzen.
Dat de Heilige Doop ten andere ook gericht is en dient tot versterking onzes geloofs, vermeerdering van de blijdschap en den troost van ons geweten, zal dan bekend en boven allen twijfel verheven zijn, wanneer men bedenkt, dat de Doop niet slechts eene openlijke belijdenis van de zijde van ons en onze kinderen is van alle de dingen, welke tot eer van God den Vader, Zoon en Heiligen Geest strekken, maar ook van Gods zijde een zichtbaar getuigenis, belofte, waarteeken, zegol en eedzweriug, en wel niet van eenen mensch, die feilen kan, maar van God, Die waarachtig en almachtig
86
is, waardoor Hij ons herinnert en verzekert, dat wij en onze kinderen met Hem iu een verband en vriendschap staan, alzoo dat Hij in eeuwigheid onze God, en wij Zijne kinderen en erfgenamen zijn en blijven zullen, aan welke Hij naar lichaam en ziel niet wil ophouden goeds te gunnen en te bewijzen. Dit is een grond van geloof en levenden troost, welke niet feilen kan.
Zoo dient ook eindelijk de Doop tot betering des levens zoowel van ons als onze kinderen. Te meer daar dit heilig Sacrament niet slechts een goddelijk getuigenis en gebod hiervan, maar ook een uitnemend werktuig is, dat de Heilige Geest vrijwillig en krachtig gebruikt, om in onze harten haat, vijandschap en afschuw tegen hot kwade en daarentegen hartelijke liefde, lust en verlangen tot het goede te werken.
V. quot;VYat betreft den aard en de wijze van spreken, is het onloochenbaar, dat, evenals van alle andere Sacramenten, zoo ook van den Heiligen Doop de Heilige Schrift en de Kerk Gods op tweeërlei wijze spreekt, op sommige plaatsen proprie, d. i. in eigenlijken zin, zooals de zaak op zichzelve bestaat, waarbij men de woorden naar de letter moet verstaan, op andere plaatsen echter tropice, d. i. in figuurlijken zin, waarbij de woorden niet naar de letter en op aardsche wijze, maar naar den aard en de manier van spreken der Sacramenten zoowel als van de zaak, waarvan God met ons daarin- handelt, verstaan zullen en moeten worden. Want evenals Gen. 47 van de besnijdenis gezegd wordt, dat zij is het Verbond Gods, met Abraham in zijn zaad opgericht, wrelke manier van spreken niet naar de letter te verstaan is, maar zooals zij van den Heere God Zeiven uitgelegd wordt: d e Besnijdenis is een tee ken des Yer bonds, â zoo ook zou men beide wel van den Heiligen Doop, welke in de plaats der Besnijdenis in het Nieuwe Testament door Christus ingesteld is, kunnen zeggen, t. w.: de Doop is het Verbond Gods, en: de Doop is een teeken van het Verbond Gods, het eerste figuurlijk, het andere eigenlijk. Eveneens, waar Paulus zegt : »Weet gij niet, dat, zoo velen wij in Christus Jesus gedoopt zijn, wij in Zijnen dood gedoopt zijn ? Wij zijn danquot;, enz, Rom. 6:3 en 4, en: »Haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woordquot;, Ef. 5 : 2(5, daar wTordt in
87
deze gezegden aan het teeken, liet welk het water is, bij wijze van gelijkenis en geheim toegeschreven, wat alleen op het beteekende goed van toepassing is. Want van het water wordt gezegd, wat eigenlijk en oorspronkelijk van hot bloed en den Geest van Christus geldt.
VI. Deze leer van den Heiligen Doop heeft haren grond in Gods quot;Woord, vooral in Gen. 17 : 44 ; Ex. i : 2-i â 2G ; Matth. 3 : 3, C, 11, 13 en 14; 11: 28; 18; 14; 10: 13; 21 : 25; 28 : 19; Mark. 1:4 en 8; 10 : 14 en 40;
11 : 30 ; 26 : 15 en 10 ; Luk. 3 : 8 en 16 ; 7 : 28 ; 18 : 5 ; 20 : 4; Joh. 1 : 23 en 33 ; 3 : 5, 6, 22 en 23 ; 4 : 1 en 2 ; 18 : 8; Hand. 1:5; 2 : 38, 39 en 41 ; 8 : 16, 35, 37 en 38 ; 9 : 17 ; 10 : 44, 47 en 48 ; 11 : 15 en 16 ; 13 : 24 ; 16 : 14, 15 en 30-34; 18 : 8 en 25 ; 19 : 3-5; Rom. 6 : 3â7; 1 Cor. 1 : 13â16; 6 : 11; 7 : 14; 10 : 2;
12 : 12, 13 en 27 ; 15 : 2 en 29 ; Gal. 3 : 27 ; Ef. 4 : 5 ;
5 : 26; Col. 2 : 11 en 12; 1 Tim. 2:4; Tit. 3:5; Ilebr.
6 : 2 en 6; 10 : 2 en 20; 1 Petr. 3 : 20 en 21.
7 â¢
Van het tweede Sacrament des Nieuwen Testaments in het bijzonder, hetwelk is het Heilig Avondmaal.
Hebben wij in het voorgaande de algemeene leer van de Sacramenten inzonderheid op den Heiligen Doop, als op het eerste Sacrament des Nieuwen Testaments, toegepast, thans moet bij de beschouwing van het andere genadeteeken en zegel van het Nieuwe Testament aangetoond worden, hoe dit algemeene aangaande de Sacramenten in gelijke mate betrekking heeft op de ware en grondige opvatting van de leer van het Heilig Avondmaal. Zoo hebben wij dan hierbij met bij-zonderen ijver en in de vreeze des Heeren het navolgende wel in het oog te vatton :
I. (Efficiens, d. i. Degene, Die het Heilig Avondmaal ingezet heeft.) Dat onze Heere Jesus Christus in don nacht, in welken Hij verraden werd door een Zijner discipelen, en nadat Hij naar Zijne goddelijke wijsheid te voren gezien had, hoe zeer de andere discipelen aan Zijn lijden zich zouden ergeren, daaruit aanleiding genomen heeft, in het Nieuwe Testament
8S
in de plaats van het offer des paaschlams het Heilig Avondmaal in te stellen en daardoor hun te leoren, waartoe hun en allen Christenen, die van het begin der wereld geleefd hebben en tot het einde der wereld leven zouden, Zijn lijden zou dienen en nuttig zijn, dat Hij nml. daarmee bet eeuwig Ge-nadeverbond en alle beloften daarvan wilde bevestigen.
11. (Materia, d. i. van tweeërlei zaken enz. des Heiligen Avondmaals.) Dat ook in het Heilig Avondmaal naar den ge-meenen aard en het wezen van allo Sacramenten tweeërlei dingen, personen, handelingen en werken met bijzondere voorzichtigheid moeten beschouwd en onderscheiden worden, namelijk aardsche, lichamelijke en zichtbare genadeteekenen en zegelen, als daar zijn brood en wijn en wat daaraan en daarmee geschiedt en verricht wordt, en vervolgens het eeuwig Genade-verbond, dat bevestigd is door de bloedstorting en den dood van Christus.
Opdat dit echter nog beter moge verstaan worden, willen wij het geheele Avondmaal als in stukken uiteenzetten en zoowel van de genadeteekenen en zegelen als van het betee-kende en beloofde goed in de volgende tabel spreken :
Aardsche en ziclitbare teekeuen Hemelsche en geestelijke beloofde
en zegelen. goederen.
1) Natuurlijke mensch en natuurlijk 1) Nieuwe, wedergeboren mensch en
leven. geesteiyk leven.
2) Honger en dorst. 2) Verlangen en begeerte naar Gods
genade.
3) Spijs en drank. 3) Het gekruisigd lichaam en ver
goten bloed van Christus.
4) Dienaar der Kerk. 4) God.
5) Aanbieding van spijs en drank. 5) Aanbieding van het gekruisigd
lichaam en het vergoten bloed van Christus als spijs en drank. G) Hand en mond des lichaams van C) Hand en mond van den geestelij-den aardschen mensch. ken mensch.
7) Aanneming en genieting van spijs 7) Aanneming en genieting van het
en drank. lichaam en bloed van Christus.
8) Voeding en onderhouding door do 8) Lafenis en verkwikking, onder-
aangenomen spijs en drank tot houding en toeneming in den
hot tijdelijke leven. levendon troost, rust en vreugde
des gewetens door beschouwing van het lijden cn den dood van Christus.
89
III. (Forma, d. i. vergelijking tusschen tweeërlei dingen enz.) Dat tusschen de aardsche en de heraelsche dingen in het Avondmaal, van welke hierboven stukswijze gesproken is, eene vergelijking bestaat, en dat Christus in de instelling des Heiligen Avondmaals op die vergelijking gezien heeft, gelijk dit thans stuksgewijze uitgelegd en aangetoond zal worden.
1) Evenals geen doode eten en tot het tijdelijke leven gespijzigd kan worden, en daarom aan geenc tafel toegelaten wordt, en evenals ook geene onreine zwijnen en honden daaraan gezet worden, maar levende en gereinigde menschen, zoo ook moet niemand, die niet gedoopt is, en in welken de Heilige Geest door het geloof het eeuwige leven en den Christehjken heiligen wandel niet heeft begonnen, tot het Avondmaal worden toegelaten. Want men heeft er vooral op te letten, zoo men tot het eigenlijk doel des Avondmaals komen en dit laatste recht gebruiken wil, dat wel moet verstaan worden, wat het eeuwige leven van eenen Christen en kind Gods is, waartoe hij in het Avondmaal door Christus gespijzigd wordt.
Dat nu is het eeuwige leven, vrede, vreugde en troost des gewetens, hetgeen daaruit voortvloeit en zijnen oorsprongheeft, dat een Christen verstaat en er in zijn hart en consciëntie van overtuigd is, dat hij eenen genadigen God in Jesus Christus, den Gekruisigde, heeft, en dit wordt in dit leven door de blijde verkondiging des Evangelies, zoowel als door het rechte gebruik der Sacramenten onderhouden en vermeerderd, totdat de Christenen tot de hemelsche volkomenheid gebracht worden. Gelijk daarentegen de eeuwige dood niets anders is dan onrust, droefheid en knaging des gewetens vanwege de erkentenis en het gevoel van zonde, toorn en straf Gods, zooals boven bij de vierde weldaad des Genadeverbonds aangewezen is.
2) (Vergelijking van den aardschen honger en dorst met den geestelijken.) Evenals echter daartoe, dat iemand met lust en vreugde aardsche spijs en drank tot zich neme en daardoor voor het tijdelijke leven gelaafd en gespijzigd worde, niet genoeg is, dat hij leeft, m. a. w. het begin des tijdelijken levens heeft, doch ook vereischt wordt, als ten minste spijs en drank met lust en smaak genomen en met voordeel genoten zullen worden, dat er een honger en dorst (welke de beste kok en
90
schenker is) bij de menschen aanwezig zij, â zoo ook wordt, ofsclioou tot het rechte geestelijke eten en drinken in het Avondmaal voornamelijk vereischt wordt, dat Christenen en kinderen Gods het begin des geloofs en van het eeuwige leven, vrede, vreugde en troost in het hart, door de werking, verlichting en dnjving van den levendmakenden Geest Gods hebben, toch bovendien bij eenen Christen en waren tafelgenoot van Christus, die met vreugde eten en drinken wil, een geestelijke honger en dorst, d. i. een hartelijk verlangen, lust, begeerte en liefde naar de rechte spijze en den rechten drank der ziel vereischt. Dit ontstaat daardoor, dat de door den Geest der aanneming tot kinderen tea deele levend gemaakte kinderen Gods van dag tot dag hoe langer zoo meer erkennen en betrachten do hooge en heilige Majesteit, gerechtigheid en de als goud gelouterde quot;Wet Gods, en daartegenover hunne nietigheid en onheilige natuur, zoowel als de veelvuldige werkelijke zonden, welke zij ook uit zwakheid des vleesches bedrijven, (en waarmede zij, zooveel in hen is, op zich laden Gods zwaren en rechtvaardigen toorn, tijdelijken en eeuwigen vloek en verdoemenis der Wet); doch evenzeer ook de groote goedheid, vriendelijkheid en barmhartigheid Gods in Christus Jesus hoe langer zoo meer leeren verstaan, ter harte nemen en overwegen. Zoo kan het niet anders, of de spijze en drank, welke hun in Woord en Avondmaal voorgezet en aangeboden worden, zijn hun hoe langer zoo meer aangenaam, en zij krijgen en hebben dus daarnaar hartelijk verlangen.
3) (Vergelijking van do aardsche spijs en drank met het gekruisigde lichaam en bloed van Christus.) Zooals het voor het tijdelijke en natuurlijke leven niet genoeg is, dat een mensch het begin des levens, honger en dorst heeft, maar ook verder vereischt wordt, dat hij goede spijs en drank heeft, wijl hij zonder deze van honger zou moeten sterven en verderven, â alzoo is het voor het eeuwige geestelijke leven niet genoeg, dat iemand daarvan een begin, alsook eenen rechten geestelijken honger en dorst heeft, maar wordt vereischt eene goede spijs en drank tot onderhouding en toeneming van dit leven en tot stilling van den honger en dorst der zielen.
Zulke spijs en zulke drank is het vleesch en bloed van
91
Christus, en wel in zooverre als het gekruisigd en vergoten is, hetgeen de woorden (naardien Christus niet slechts zegt: adat is Mijn lichaam, dat is Mijn bloed:', doch er aan toevoegt: «hetwelk voor u gegevenquot;, en: nh et welk voor u vergoten wordtquot;) en ook de ceremoniën van het brood-breken en het gieten van den wijn uit het eene vat in het andere in het Heilig Avondmaal blijkbaar en uitdrukkelijk leeren.
4) (Vergelijking van den dienaar der Kerk met God.) Evenals de dienaar der Kerk door goddelijke genade en ordening de uiterlijke en zichtbare handeling in het Avondmaal verricht, zoo wordt door niemand anders gedaan en tot stand gebracht, wat innerlijk (met betrekking tot het verder onderwijs en de verzekering van ons geloof en den levenden troost) in het geweten der uitverkorenen verricht moet worden, dan alleen door God, den almachtigen Schepper, Die alleen harten en nieren proeft en daarom alleen weet, waar het eenen iegelijk nog hapert, en hoe veel Hem behaagt aan eenen iegelijk te geven.
5) (Vergelijking van de aanbieding der aardsche spijs en drank met die der geestelijke.) Evenals voor het tijdeljjk leven noodig is, dat ouders hunnen kinderen spijs en drank voorzetten en aanbieden, zoo kunnen zich Gods kinderen over het gekruisigd lichaam en vergoten bloed van Christus, zoowel als over den levendmakenden vrede, de vreugde en troostgronden, vergeving der zonden, gerechtigheid, gunst en genade Gods niet verheugen, zoo deze in het Heilig Avondmaal door Woord, genadeteekenen en leerrijke plechtigheden hun door God den Vader door middel van den dienst der predikers, waarvan Hij Zich vrijwillig bedient, niet aangeboden werden.
6) (Vergelijking van de lichamelijke hand en den lichame-lijken mond met de hand en den mond des harten, welke het geloof is.) Evenals voor het tijdelijke leven niet genoeg is, dat een mensch het begin des levens, honger en dorst, spijs en drank heeft, en dat spijs en drank worden voorgezet en aangeboden, zoo mede bevolen wordt, dat men ze eten zal, maar ook verder noodig is, dat men hand en mond hebbe, om de aangebodene en voorgezette spijze aan te nemen en ze tot het tijdelijke leven te genieten, â zoo wordt ook bij een geestelijk mensch of kind Gods gevorderd, dat hij hand en mond hebbe, om de
92
aangeboden spijs en drank der zielen, namelijk het gekruisigd lichaam en het vergoten bloed van Christus aan te nemen en ze tot troost, rust, vreugde en leven des gewetens te genieten en te gebruiken. Dit nu is niets anders dan het ware en levendmakende geloof, d. i. grondige kennis van Christus, benevens Diens verdienste en weldaden, zoowel als een hartelijk vertrouwen op Hem en Zijn lijden en bloedvergieten, tot vergeving van al onze zonden aan het hout des kruises geschied. Dit geloof komt niet van menschenkrachten, maar van den Heiligen Geest, door do prediking van het A\oord Gods. En wie het begin van het ware geloof niet heeft, en toch aan de tafel des Heeren gaat, en met band en mond brood en wijn aanneemt, die wordt voorzeker schuldig aan het gekruisigd lichaam en vergoten bloed des Heeren, welke hij door ongeloof veracht. Doch dat hij des lichaams en bloeds van Christus deelachtig zou worden, daarvan is hij nog verre, en dit zal niemand uit Gods Woord met deugdelijke gronden kunnen bewijzen.
7) (Vergelijking van de lichamelijke aanneming en genieting van het brood en den wijn met de aanneming en genieting van het gekruisigd lichaam enz ) Evenals het tot aanneming en genieting van de aangeboden aardsche spijze en drank voor het tijdelijke leven niet genoeg is, dat wij hand en mond hebben, maar ook noodig is, dat men toetaste, de aangeboden spijze en de drank aanneme en tot zich neme en geniete, alzoo wordt ook gevorderd van eenen Christen, dat zijn geloof voor, in en na de handeling des Avondmaals niet ledig, maar werkzaam zij en hij hoe langer zoo meer Christus leere kennen, en steeds vaster met Hem door waarachtige kennis, vast vertrouwen en hartelijke liefde vereenigd en Hem ingelijfd worde.
8) (Vergelijking van de voeding tot het tijdelijke leven door brood en wijn met de lafenis en sterking tot bet eeuwige leven door het lichaam en bloed van Christus.) Evenals de aangenomen en genoten spijze en de drank aan den natuurlijken mensch lafenis en verkwikking, onderhouding en voeding geeft tot het tijdelijke leven, â zoo geeft het gekruisigde lichaam en het vergoten bloed van Christus, met waar geloof, rechte kennis en hartelijk vertrouwen aangenomen, ja hetzelve door vurige liefde ingelijfd, leven, rust, vreugde en troost aan het
03
hart en geweten van Gods kinderen tegen alle zonde en de verdoemenis der wet, en dit is het rechte geestelijke leven, waartoe wij in het Heilig Avondmaal gespijzigd en gedrenkt worden, gelijk dit boven bij de vierde weldaad van het Verbond der genade en van onzen Koning Jesus Christus beschreven is, waarop ik nogmaals den Christelijken lezer heenwijs, met de bede, om hetgeen daar van het eeuwige leven gezegd is, in de vreeze des Ileeren te overdenken. Want waar de leer van het eeuwige leven, gelijk zij daar uit Gods Woord voorgehouden is, niet wel ter harte genomen wordt, daar is het onmogelijk, dat men zich in de leer van het Heilig Avondmaal zou kunnen schikken ; en het is voorzeker den Satan eene gewenschte zaak en gelegenheid geweest, allerlei onzuiverheid, nuttelooze vragen, misverstand en dwaling in de leer van des Ileeren Avondmaal ongemerkt en langzamerhand iu te schuiven, als men begonnen is, de troostvolle leer van het eeuwige leven, waartoe wij in dit Sacrament gespjzigd worden, uit het oog te verliezen. Daarom is het hoognoodig, zoo men begeert uit de vele vragen, en het geredetwist over het Heilig Avondmaal te geraken, dat men een eenvoudig en in Gods Woord welgegrond bericht, recht verstand en begin des eeuwigen levens hebbe, fe meer daar alsdan voldoende blijken zal, dat wij tot het eeuwige leven, d. i. tot den vrede en do vreugde onzes gewetens, niets anders behoeven, dan den gekruisigden Christus, wijl Hij door Zijnen dood en Zijne bloedstorting alle oorzaak van den eeuwigen dood, d. i. van het onrustige en treurige geweten, nml. de zonde en den toorn Gods, opgeheven en weggenomen heeft, daarentegen de oorzaak des eeuwigen levens, hetwelk in rust, troost en vreugde des harten bestaat, nml. de vergeving der zonden, gerechtigheid en genade Gods. teweeggebracht heeft, om welke redenen ook de Apostel Paulus vermaant, dat, zoo dikwerf wij van het brood en den beker des Avondmaals eten en drinken, wijden dood des Ileeren verkondigen, totdat Hij komt. Dewijl hot niet genoeg is tot een Sacrament, dat daarin eene vergelijking van aardscho en honiolsche dingen is, maar bovendien ook nog gevorderd wordt, dat door Gods AV oord, bevel en belofie de aardsche en de hemelsche dingen samengevat worden, en veror-
94
dend, om ze in de openbare samenkomsten der Gemeente en vergaderingen van Gods kinderen te gebruiken, â zoo is het vorder noodig te weten, dat in het Heilig Avondmaal niet alleen eene vergelijking is van aardsche en hemelsche dingen, personen, handelingen en werken, nml. van brood en wijn en wat daaraan en daardoor geschiedt en verricht wordt, en tus-schen het lichaam en bloed van Christus, benevens hetgeen daaraan en daardoor verricht en teweeggebracht is en wordt, â maar ook, dat onze Heere Jesus Christus, met raad en bewilliging van Zijnen hemelschen Vader en den Heiligen Geest, niet slechts met Zijn voorbeeld, maar met een uitdrukkelijk bevel en goddelijke belofte samengevat heeft, dat het brood en de wijn en wat uiterlijk daardoor plaats heeft en verricht wordt, de kinderen Gods onderwijzen, herinneren, besturen en leiden zal tot het lichaam en bloed van Christus, zoowel als tot al hetgeen daaraan verricht is, nml. tot de kruisiging des lichaams en vergieting des bloeds van Christus en wat daardoor aangebracht is en verricht wTordt, nml. vergeving der zonden, genade Gods, de Geest der aanneming tot kinderen, leven, lafenis, verkwikking, rust, vrede en eeuwige troost des gewetens.
IV. (Finis, d. i. waarom en waartoe Christus het Heilig Avondmaal ingesteld heeft.) Na het tot dusver behandelde moet thans uiteengezet worden, waartoe het Heilig Avondmaal door Christus ingezet is, (en waarop dan ook alle zaken) woorden en ceremoniën in het Avondmaal wijzen), t. w.:
1) (Tot Gods eer.) Opdat wij de deugden en veelvuldige onuitsprekelijke weldaden van God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, welke in het werk onzer eeuwige verlossing zijn op te merken, â als: Gods goedertierenheid, vriendelijkheid, barmhartigheid, liefde, gerechtigheid, wijsheid, macht, waarheid, â kennen, roemen en prjjzen. Vandaar ook, dat het Avondmaal genoemd wordt Eucharistia, d. i. een dank- en vreugdeoffer.
2) (Tot versterking van ons geloof, alsook tot vermeerdering van onzen troost.) Opdat wij in ons gewisse geloof en onzen levenden troost door deze goddelijke zichtbare teekenen en zegelen Zijner genade gesterkt en hoe langer zoo meer tegen alle aanvechting des Satans, der wereld en van ons eigen vleesch verzekerd en bevestigd worden.
93
3) (Tot betering onzes levens.) Opdat wij eindelijk, onverschillig in welken stand, beroep of toestand wij ook mogen zijn, ons boe langer zoo meer onze schuldige en gewillige gehoorzaamheid jegens God herinneren en voorts ook door Gods genade, zogen en Geest bewogen worden, om met onzen naaste in liefde, eenigheid en vrede te leven en als het ware één brood te worden. Want gelijk een aardsch huisvader zijne kinderen daarom spijzigt tot liet tijdelijke leven, opdat een ieder den hem bevolen arbeid des te vlijtiger zou verrichten, ook de een den ander de broederlijke liefde bewijze en in al wat recht is behulpzaam zij, alzoo spijzigt God de Heere aan Zijnen disch Zijne uitverkorenen en geloovige kinderen ten eeuwigen leven, opdat een ieder do werkzaamheden van zijn beroep met des te meer vlijt, lust en oprechtheid tot eer van zjnen hemelschen Vader, alsook tot stichting en opbouwing van zijnen naaste verrichte.
V. (Aard en manier van spreken in het Heilig Avondmaal.) quot;Wat betreft den gewonen aard en manier om van Sacramenten te spreken, is het zeker, dat ook deze in het Avondmaal moet plaats vinden, daar Christus' woorden : ïdat (het brood) is Mijn lichaamquot;, en: sdat (de wijn) is Mijn bloed des Nieuwen Testamentsquot;, niet proprie, d. i. naar de letter, zooals zij luiden, maar tropice, d. i. figuurlijk, naar de wijze, waarop de Schrift van Sacramenten spreekt, moeten verstaan worden, nml. alzóó, dat het brood in het Avondmaal een Sacrament, waarteeken en zegel is van het gekruisigde lichaam van Christus, en de wijn van het bloed van Christus, dat Hij aan het hout des kruises vergoten heeft tot vergeving van al onze zonden. En wij laten ons hier volstrekt niet het spoor bijster maken door hetgeen op onbedachtzame en ongegronde wijze voorgesteld wordt door diegenen, die met den mond zeggen, dat de woorden van Christus moeten verstaan worden, zooals zij luiden, en eenen grooten roem der godzaligheid daarin zoeken, dat zij voorgeven, zul-ken te zijn, die de woorden van Christus, zooals zij luiden, zonder eene figuur, verstaan. Doch het is eea vermeende, ongegronde, ijdele, nietige roem, wijl zij zeiven de woorden van Christus niet verstaan, zooals zij luiden- Want het heeft zeker niet eenerlei zin : »üat is Mijn lichaamquot;, en : »in het brood is Mijn lichaamquot;, en : »dat worde Mijn lichaamquot;.
96
YI. (Grond dezer leer.) Deze leer van het Heilig Avondmaal ia gegrond in de Heilige goddelijke Schrift, inzonderheid op Matth. 2G : 26 â 29; Mark. 14: 22â24; Luk. 22 :19; Joh. 6 ; Hand. 2: 42; 20: 7; 1 Cor. 10: 4, 15 en 17; 11 : 20 â 34.
Dit zij dan nu gezegd van de vruchten en weldaden, welke voor de Kerke Gods uit het Genadeverbond door de uitoefening van beide het hoogepriesterlijk cn het koninklijk ambt van den Middelaar Christus ontsproten zijn en nog ontspruiten.
In de tot hiertoe verklaarde drie Hoofdstukken werd eeni-germate aangetoond, welke de breedte en de lengte en de diepte en de hoogte zij van het gebouw, geheim en werk onzer zaligheid in Christus.
Der Heilige Dricéénheid, God den Vader, Zijnen eengeborenen eeuwigen Zoon en den Heiligen Geest, zij lof en dank toegebracht voor het heilzame licht der waarheid, dat onder ons ontstoken is. Zij behoude ook en vermeerdere genadiglijk, wat in ons begonnen is, totdat wij in de bemelsche heerlijkheid Hem, den waren God, van aangezicht tot aangezicht, d. i. volkomen, aanschouwen, gelijk Hij is, en daardoor volmaakt rustig, vroolijk en levend worden en Hem in alle eeuwigheid met de schare van alle heilige uitverkorene engelen cn men-Bchen zonder eenige stoornis danken.
Ontferm U ook, o God, over degenen, die nog in dwaling verkeeren, weerhoud hen, dat zij de waarheid tot hunne tijdelijke en eeuwige onherstelbare schade niet lasteren, verketteren of vervolgen, maar leid hen naar Uwen wil door het licht Uwer goddelijke waarheid, verlicht hen door Uwen Heiligen Geest, opdat zij met ons en alle heiligen mogen begrijpen, welke de breedte en de lengte, en de diepte en de hoogte zij van het werk onzer groote verlossing, en ook erkennen, dat den waren Christus lief te hebben veel beter is dan alle weten, opdat zij met ons vervuld worden met al de volheid Gods.
Hem nu, Die overvloedig doen kan boven al wat wij bidden of verstaan, naar de kracht, die in ons werkt. Hem zij eere in de Gemeente, welke in Christus Jesus is te allen tijde van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, Amen.
Ef. 3 : 18â21.
STERFKUNST,
DAT IS :
EENVOUDIG EN KLAAR BERICHT UIT GODS WOORD,
wat bij eenen mensch vereischt wordt, die den tijdelijken dood rustig begeert af te wachten, en eindelijk met vrede en vreugde uit dit jammerdal naar het hemelsch Vaderland wenscht te gaan.
Naar de woorden van den ouden Simeon, Lukas II: 29â32.
159G.
/
i
««.lOfHica.
STERFKUNST,
dat is:
Eenvoudig en klaar bericht uit Gods Woord, wat bij eenen mensch vereischt wordt, die den tijdelijken dood rustig begeert af te wachten, en eindelijk met vrede en vreugde uit dit jammerdal naar het hemelsch Vaderland wenscht te gaan.
ïN u laat G ij, 11 e e r e ! Uw e n dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord; want mijne oogen hebben Uwe zaligiieid gezien, welke Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: een Licht tot verlichting der Heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.quot;
(Woorden van den ouden Simeon, Luk. 2 : 29â32.)
Onder de woorden, waarmede een Christen in zijn gansche leven, vooral echter in doodsnood en bij het verlaten van dit jammerdal krachtig gesteund en getroost kan worden, zijn deze zeker van de voortreffelijkste. Wij willen daarom naar aanleiding daarvan door Gods genade, zegen en Geest de volgende hoogst gewichtige vraag met elkander overwegen en beantwoorden, namelijk :
Wat bij oenen mensch, hij moge zijn uit de Joden of de Heidenen, wezen moet, opdat hij den tijdelijken dood kalm moge a f w a c h t e n, e n ei n del ij k met vrede en vreugde dit jammerdal
100
verlaten en naar het hemelsch Vaderland gaan.
Men zie hier op alle wijsheid, kunst, macht, eer en rijkdom dezer wereld, â geen van deze dingen kan op zichzelf, ook al kon men ze alle vereenigen, dat geven, waarvan wij spreken. Ja, liet is bekend, dat zeer vele menschen juist vanwege die dingen den dood met vreeze verwachten en daardoor aan het einde huns levens, wanneer zij alles moeten achterlaten, zeer onrustig en bedroefd gemaakt worden. Dit moet ons dan bewegen en drijven, dat wij onze harten van dit alles aftrekken en tot een veel beter en duurzamer goed wenden. Wat dat is, leert ons de oude Simeon hier, beide met woorden en mot zijn voorbeeld, namelijk: dat men den Ileere Jesus Christus met al Zijne schatten en weldaden aanschouwe, aangnjpe en vasthoude als de hoogste Gave van den hemelschen Vader.
Opdat wij echter dit korte antwoord meer grondig mogen verstaan en des te beter in ons gansche leven, vooral echter bij ons einde, naar het voorbeeld van Simeon in beoefening en toepassing mogen brengen, willen wij de volgende vijf stukken met alle aandacht betrachten.
Vooreerst zien wij hier, dat een zien en aanschouwen van den Ileere Jesus Christus vereischt wordt, aangezien Simeon zegt; »^Tu laat Gij, Ileere, Uwen dienstknecht gaan in vrede, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezienquot; '). Waarmede hij te kennen geeft: dat hij met een kalm gemoed een zalig einde verwacht, en bereid is, met vreugde uit deze wereld naar het hemelsch Vaderland te gaan, dat komt daarvan, dat hij den Ileere Jesus Christus gezien heeft.
Hier dient echter opgemerkt te worden, dat er tweeërlei zien en aanschouwen van den Ileere is, een lichamelijk en een geestelijk. liet lichamelijke zonder het geestelijke helpt niets ter zaligheid, ook kan het het geweten geene rust schenken, niet bevredigen. Want ofschoon vele Joden, Schriftgeleerden, Farizeën, Judas, Kajafas, Tontius Pilatus en anderen Christus met lichamelijke oogen gezien hebben, zoo hebben zij evenwel met vreezen en beven den dood verwacht en zijn eindelijk met
') Dc Uuitscho L! ij bel hooft: «Mjjno oogon hebbon Uwen Heiland gezienquot;.
101
groote verschrikking niet naar den hemel, maar naar de hel gegaan. Alzoo zullen zij ook ten laatsten dage Dien aanschouwen, in Welken zij gestoken hebben, doch daardoor zullen zij zeer verschrikt worden, omdat zij Hem niet te gelijk met de oogen der ziel en des harten als hunnen Heiland zullen aanschouwen.
Wanneer echter bij het lichamelijk zien en aanschouwen ook het geestelijke is, dan schenken deze beide, doch vooral het innerlijke zien van Christus, het hart rechte blijdschap en vrede, gelijk dit te zien is aan het voorbeeld van den ouden Simeon, die, wanneer hij slechts uitwendig Christus aanschouwd had, en niet te gelijk met de oogen des harten, nooit met een blij gemoed had kunnen zeggen : «Nu laat Gij, Ileere ! Uwen dienstknecht gaan in vredequot;. Zoo zullen ook wij in de hemelsche heerlijkheid Christus van aangezicht tot aangezicht aanschouwen met verheerlijkte oogen des lichaams, doch voornamelijk met de oogen des harten, en in dit aanschouwen waren, volkomenen vrede en volmaakte blijdschap genieten in alle eeuwigheid.
Doch het zien en aanschouwen van den Ileere Christus, waaraan eigenlijk in het antwoord op de gestelde vraag wordt gedacht, is alleen het inwendige zonder het uitwendige. En op die wijze hebben Christus gezien de vaderen van het Oude Testament, voordat Hij in vleesch verschenen was, zooals Christus van Abraham, den vader van alle geloovigen, Zelf gezegd heeft, dat hij Zijnen dag gezien en zich verblijd heeft. Alzoo zien Hem alle geloovigen in het Nieuwe Testament na Zijne menschwording en hemelvaart tot den jongsten dag, gelijk Paulus zegt; ïWij wandelen door geloofquot;, 't welk het geestelijke aanschouwen van Christus, in de hemelsche heerlijkheid gezeten, is, »en niet door aansch ouwenquot;, nml. dat door de lichamelijke oogen geschiedt. Van dit zien sprak Christus, als Hij tot Thomas zeide: Zalig zijn zij, die niet zullen gezienquot;, nml. met lichamelijke oogen, »en nochtans zullen geloofd hebbenquot;, d. i. die met de oogen des harten Mij aanschouwen.
Uit hetgeen tot hiertoe gezegd is, kan nu licht verstaan worden, wat het inwendige en geestelijke zien en aanschouwen
102
is, nml. niets anders, dan eene rechte kennis en een hartelijk bestendig vertrouwen op den Ileere Jeans Christus, Dien men in den geest aanschouwt, waarbij men als 't ware met de oogen des harten in Hem blijft zien, alzoo dat ons niets in deze wereld mag wedervaren, wat het ook moge zijn, dat de oogen van ons gemoed en hart van Hem zou kunnen afwenden. Overigens ziet en kent de duivel Christus ook, maar hij siddert en is onrustig, omdat hij niet op Hem vertrouwt, ja niet op Hem vertrouwen kan.
Aangezien echter ook wij in het rijk der duisternis en van nature blind waren, zoo zouden wij den Heere Jesus Christus nooit hebben kunnen aanschouwen, d. i. recht kennen en op Hem vertrouwen, indien wij niet door het licht des Evangelies en door de krachtige inwendige verlichting van den Geest van Christus uit het rijk der duisternis in het Rijk des lichts gebracht en dus inwendig ziende en van kinderen der duisternis tot kinderen des lichts waren gemaakt. Immers ons zou hetzelfde overkomen zijn, wat dengenen overkomt, die in den nacht en in dikke duisternis wandelen, welke altoos in vrees en schrik zijn, zich altjjd stooten, tegen iets aanloopen en zich verwonden, altijd struikelen en vallen. Ja wanneer de inwendige verlichting van Christus niet tot de uitwendige, welke door het Woord geschiedt, kwam, dan zou het ons evenzoo gaan als den stekeblinde op den helderen middag, die, ofschoon het rondom hem heldor dag is, toch niet ziet. Zoo zouden wij, wanneer Christus niet de oogen van ons hart door Zijnen Geest krachtig opende. Hem nooit kunnen aanschouwen, maar eeuwig in de duisternis en blindheid moeten blijven.
Dit heeft de oude Simeon zeer goed gezien, want hij zegt: 3)Nu laat Gij, Heere ! Uwen dienstknecht gaan in vrede, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezienquot;. Doch opdat niet iemand zou denken, dat hij dit gezicht van zichzelven had, voegt hij er terstond aan toe: snaar Uw Woord , waarmede hij te kennen geeft, dat hij zonder het licht des Evangelies in het rijk der duisternis zou gebleven zijn en Christus nooit had kunnen zien. Want hoewel hij hier spreekt van zulk een woord Gods, dat in 't bijzonder tot hem geschied
103
is, zoo sluit bij toch niet uit de algemeene belofte des Evangelies van Christus, wat men ongetwijfeld hieruit afleiden kan, dat hij met de uitdrukking »naar Uw quot;Woordquot; heeft willen te verstaan geven, dat Christus hem zonder dat quot;Woord Gods bedekt en verborgen zou geweest zijn.
Van wien echter de inwendige verlichting baren oorsprong heeft, (want Gods quot;Woord en de Heilige Sacramenten zijn slechts werktuigen daartoe), zullen wij gemakkelijk kunnen zien, als wij beide, het voorbeeld en vervolgens ook het getuigenis van Simeon aangaande Christus, beschouwen. quot;Want wat het voorbeeld van Simeon betreft, zoo zegt van hem de evangelist Lukas even vóór deze woorden, welke wij willen verklaren, dat hem eene goddelijke openbaring gedaan was door den Heiligen Geest, quot;Welke door des hemelschen Vader en door den Heere Christus in het hart van Simeon gezonden was, om het door het quot;Woord der belofte te verlichten. quot;Wat echter het getuigenis van Simeon betreft, zoo zegt hij uitdrukkelijk, dat Christus een Licht was tot verlichting der Heidenen, wat zooveel zeggen wil, als dat de Heere Christus Degene was, zonder Wiens inwendige verlichting en werking, welke Hij door den Heiligen Geest tot stand brengt, al het uiterlijk zeggen en leeren ver-geefsch is. Daarom wordt Hij ook door den Profeet Maleachi de Zon der gerechtigheid (Hoofdst 4 : 2) genoemd en door Zacharias de Opgang uit de hoogte, om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwen des doods (Luk. 1 : 78 en 79). Derhalve moeten wij besluiten : zullen wij van de duisternis en blindheid, waarin wij ontvangen en geboren zijn, gered worden en gezicht verkrijgen, om den Heere Jesus Christus recht en bij voortduring te aanschouwen, dan is het zeer noodzakelijk, dat Hij ons Zelf door Zijn quot;Woord en krachtige werking des Heiligen Geestes verlichte.
Daarom staan diegenen, die Gods Woord en de Heilige Sacramenten (welke zichtbare woorden en eedzweringen Gods zijn) verachten, of zich tegen de werking des Heiligen Geestes boosehjk verzetten en zich dus niet tot de rechte kennis van Christus laten brengen, hun eigen welzijn in den weg, en kunnen nooit rustig den tijdelijken dood verwachten, en gaan
104
ook eindelijk met grooten schrik en vrees naai»- hunne plaats. Daarentegen al degenen, die Gods Woord en de Heilige Sacramenten in waarde houden en daaruit met den ouden Simeon den Ileere Jesus Christus door de krachtige werking des Heiligen Geestes recht leeren aanschouwen, verwachten kalm een zalig verscheiden, en gaan eindelijk met vrede en vreugde uit deze wereld door de kracht Gods, onder geleide van de heilige engelen, naar het homelsche Vaderland.
Dit is het eerste, dat tot recht verstand van de vooropgestelde vraag en antwoord gevorderd wordt; wie eenen voortdurenden troost in leven en sterven, alsook in iederen anderen toestand wenscht te hebben, die moet met den ouden Simeon den Heere Jesus Christus recht aanschouwen en de oogen der ziel en des harten door niets van Hem laten afwenden in eeuwigheid.
Ten andere moet verder tot verklaring der gestelde vraag en het daarop gegeven korte antwoord bedacht worden, wat men dan aan Christus eigenlijk te aanschouwen heeft, opdat men datgene, wat hooger is dan alle verstand, nml. de vrede des gewetens met God, verkrijgen moge. Dit zullen wij gemakkelijk kunnen zien, wanneer wij nogmaals het voorbeeld en het onfeilbare getuigenis van den ouden Simeon recht grondig overwegen, dewijl daarin vier dingen voorgesteld worden, welke tot het zaligmakende aanschouwen en de kennis van Christus behooren.
Want vooreerst moeten wij Christus aanschouwen niet als eenen mensch zonder meer, maar als zulk eenen Persoon, Die met den Vader en den Heiligen Geest van eeuwigheid af God geweest is en nog is, Welke ter bestemder tijd de ware menschehjke natuur in en uit de maagd Maria aangenomen en met die menscheljjke natuur Zich zoo vereenigd heeft, dat in Christus van het oogenblik af, toen deze vereeniging plaats had, tot in alle eeuwigheid twee ongelijke en verschillende naturen, eene goddelijke en eene menschelijke, te onderscheiden zijn. Waarom ook de oude Simeon, toen hij den Heere Jesus Christus op zijne armen genomen had. Hem niet als een bloot mensch, maar als God en mensch aanschouwd heeft, naardien hij Hem de ïzaligheidquot; noemt, nml. den Heiland en Zaligmaker van alle uitverkorenen, wat alleen God toekomt en wel God ge-
105
openbaard in vleesch. Wanneer daarom ook wij Christus recht willen zien, dan moeten wij erkennen, dat Hij waarachtig God en waarachtig Mensch is. Wanneer dat niet zoo was, dan had Simeon in waarheid niet van Christus kunnen getuigen, wat beneden grondiger verklaard zal worden, nml. dat Hij de Heiland der wereld en het Licht der volken is, tot heerlijkheid van het volk Israël door God bereid. Want wat in zulk een, die tot deze beide eenen vrijen toegang zou hebben, en vervolgens ook geschikt zou zijn, om dit alles te verrichten, gevorderd wordt, wat ook van Hem door de Profeten te voren verkondigd is geworden, is duidelijk genoeg uit de Heilige Schrift; van deze profetieën in het Oude Testament zoowel ais van hare vervulling in het Nieuwe Testament en van den Persoon van den Heere Christus als waarachtig God en mensch is bij andere gelegenheden dikwijls eene grondige uiteenzetting gegeven, waarom ik mij hier niet langer wil ophouden.
Dit aangaande den Persoon van Christus moet daarom wel in acht genomen worden, opdat duidelijk bhjke, welken grond van troost en vrede wij hebben, welke wij beide in leven en in sterven ondervinden. Al degenen, die of de goddelijke óf de menschelijke natuur van Christus verloochenen, berooven zoowel zichzelven als anderen, die hun geloof schenken, van hun eeuwig heil en troost. Wrant dat is gewissehjk waar en een dierbaar, kostelijk woord, dat de eeuwige zaligheid op niets anders dan op de beide veree-nigde en toch onderscheidene naturen van Christus rust.
Verder behoort tot het zaligmakende zien van Christus ook de kennis van Zijn ambt, dat men Hem aanzie als den rechten Hoogepriester en Koning. Dit dubbele ambt is door den ouden Simeon met twee sclioone eeretitels en namen in Zijn getuigenis aangewezen, waar hij Christus de Zaligheid en het Licht noemt; de zaligheid (of den Heiland) vanwege het hoogepriesterlijk ambt, dat Hij aan het hout des kruises vooral zou uitoefenen, en nu volkomen uitgeoefend heeft, opdat wij alzoo door Zijne striemen zouden genezen worden ; een Licht vanwege Zijn Koninklijk ambt, dat Hij nog dagelijks
106
uitoefent, terwijl Hij in het verstand en hart der uitverkorenen de duisternis door het licht en de verlichting des Heiligen Geestes verdrijft, het licht des geloofs en van het waarachtig vertrouwen daarin ontsteekt en werkt en hen al-zoo maakt tot kinderen des lichts, welke God eeren, hen ook staande houdt, beschermt en verdedigt tegen hunne vijanden, inzonderheid tegen de giftige aanvallen van den vorst der duisternis, en teweegbrengt, dat zij Hem als hunnen eenigen Heiland en Zaligmaker ongestoord met een vertrouwen des harten aanschouwen.
Dat Christus met dit dubbele ambt bekleed is, was daarom zeer noodig, dewijl wij ons in dubbele ellende bevinden, nml. in de zonde en onder de straf der zonde. Daarom was het noodig, opdat wij van de straf der zonde verlost zouden worden, dat Christus onze Heiland was en ons door Zijne wonden en Zijne verdienste van den toorn, zoowel als van den tijdelijken en eeuwigen vloek Gods bevrijdde, en in de plaats daarvan de eeuwige genade Gods en eeuwigen zegen ver-wierve. Opdat de zonde zelve in ons weggedaan en daarentegen de deugden, welke bij een kind Gods gevorderd worden, verwezenlijkt] werden, was het noodig, dat Christus als onze hemelsche Koning door Zijn Woord en Geest dit verrichtte, en dat Hij alzoo als het rechte Licht en de Zon der gerechtigheid het kwade bij do kinderen Gods vernietigde, de koude harten in de liefde Gods en des naasten wederom krachtig verwarmde en hen tot lichten der wereld als 't ware ontstak.
Bovendien wordt vereischt, dat wij dezen waarachtigen God en Mensch, Hoogepriester en Koning Jesus Christus aanzien als eene groote gave en louter geschenk van Gods genade. Dit wordt andermaal door den door God hoog verlichten Simeon duidelijk betuigd, waar hij zegt: ïMijne oogen hebben Uwe Zaligheid gezienquot;, en spoedig daarop nog duidelijker met deze woorden : »Welke Gij bereid hebt.quot; Immers wat heeft hij met deze woorden anders willen aantoonen, dan dat Christus zonder eenige onzer verdienste door den hemelschen Yader uit loutere genade door Zijn raadsbesluit tot Hoogepriester en Koning van eeuwigheid af is verordineerd, dat Hij ook door Hem ter bestemder tijd gezonden is geworden, met
:ü7
het bevel; »H o o r t II e mquot;, en met deze belofte : dat allen, die in Hem gelooven, niet zullen verloren gaan, maar hot eeuwigo leven hebben.
Dit derde deel van het rechte zien van Christus moet ons daartoe dienen, dat wij onze harten van alle anderen, welke door menschen opgeworpen werden, of zichzelven voor den Messias voor en na de komst van Christus hebben uitgegeven, en ook van hem, op wien nog heden ten dage de arme blinde Joden tevergeefs wachten, afwenden en alleen op Hem richten, Dien Simeon gezien heeft. Want niemand anders dan alleen Deze is Gods Heiland, ook niemand dan alleen Deze is door God bereid, d. i. van eeuwigheid verordineerd, ook is er niemand dan alleen Deze gekomen met het bevel en de belofte van den hemelschen Vader. Dit stuk dreef de Apostel Paulus bijzonder bij de Corinthiërs, toen hij zag, dat de Joden aan de prediking des Evangelies zich ergerden en dat de Heidenen de loer van Christus bespott'en. AVant hij schrijft met groote blijmoedigheid : sChristus is ons gemaakt van God tot wijsheid en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing, opdat het zij gelijk geschreven is : Die roemt, roeme in den Heerequot; (1 Cor. 1 : 30 en 31).
Wee derhalve dengenen, die hunne oogen op eenen ander of op zichzelven en hunne verdienste richten, want deze allen, zij mogen zijn, wie zij willen, kunnen nooit mot den ouden Simeon zeggen: iNu laat Gij, Heere ! Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord, want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien, welke Gij bereid hebtquot;. Daarom, als wij be-geeren, dat onze harten rust en vrede hebben, dan moeten wij alleen Jesus Christus als den grootsten schat der genade Gods aanzien en moet dus ons hart met het harte Gods in Christus eenstemmig zijn. Want geljjk de hemelsche Vader door niets anders dan door de genoegdoening van Christus bevredigd is, zoo kunnen ook onze harten en gewetens door niets andera rust en vrede vinden, dan alleen door de aanschouwing van het bloedig offer van Christus, onzen Hoogepriester en Heiland.
Eindelijk behoort ook tot het zaligmakend zien van Christus, dat men erkent, dat deze Persoon tot eenen Heiland en tot een Licht van den hemelschen \ ader bereid is, niet slechts voor de Joden, maar ook voor de Heidenen, hetgeen ook de
108
oude Simeon betuigf, als hij eerst in 't algemeen zegt: »Die Gij bereidt hebt voor het aangezicht van al de volkenquot; en daarna in 't bijzonder beide de Heidenen en het volk Israël gedenkt. Want hoewel de Joden dit voorrecht hebben en men hun dezen roem moet geven, dat Christus van hen naar het vleesch Zijnen oorsprong heeft, (wat Simeon bedoelt, als hij zegt: ïtot heerlijkheid van Uw volk Israëlquot;), zoo is het toch zeker, dat Hij evenwel niet slechts der Joden, maar ook der Ileidenen Heiland en Licht is, hetgeen met vele getuigenissen der Schrift, als het noodig was, zou kunnen bewezen worden.
Dit nu moet ons dienen tegen de afgunst en den valschen roem der Joden, welke onbeschaamd voorwenden, dat de Messias alleen hun en niet ook den Heidenen beloofd is. Doch wij gelooven meer de Heilige Schrift en het getuigenis van Simeon, die hier uitdrukkelijk zegt; dat Christus door God gegeven is tot eenen Heiland voor alle volkeren, onder welke ook de Heidenen begrepen zijn, en in 't bijzonder wordt aangetoond, dat Hij gegeven is tot een Licht, dat, nadat het ter Rechterhand Gods in den hemel gezet en verhoogd is, eene grootere schare van Heidenen dan van Joden verlichten zal. Evenwel, de heilige Apostel betuigt, dat, wanneer de volheid der Heidenen zal ingegaan zijn, gansch Israël zal zalig worden. (Rom. H : 25 en 26.)
Dit heb ik bij het tweede punt tot verklaring van ons voornemen onder de aandacht willen brengen. Wij hebben daar gehoord, dat wie begeert den Heere Jesus Christus recht te zien en daarom den tijdehjken dood rustig af te wachten, ook eindelijk met vrede en vreugde uit dit jammerdal naar het hemelsche Vaderland wenscht te gaan, moet erkennen, vooreerst, dat Hij waarachtig God en Mensch is, ten andere, dat Hij een Heiland en Licht is, ten derde, dat deze waarachtige God en Mensch tot eenen Heiland en Licht van God bereid is, en ten laatste, dat Hij niet alleen voor de Joden, maar ook voor de Heidenen bereid is.
Verder is, hoewel in de beide vorige punten eenige malen opgemerkt is, wat het aanschouwen en de kennis van Christus werkt, toch noodig, dat in de derde plaats nog iets uit-
10'J
voeriger daarvan gehandeld worde. En wel dient opgemerkt te worden, dat, wat bet zien van den Ileere Jesua Christus en het ware geloof gewerkt heeft in den ouden Simeon, daardoor nog gewerkt wordt in allen, die daarmede begiftigd zijn. Nu heeft het zien van Christus en het ware geloof in den ouden Simeon dit gewerkt, dat hij kalm een zalig sterfuur heeft verwacht, en verheugd van hart heeft kunnen zeggen : ïjStu laat Gij, Heere ! Uwen dienstknecht gaan in vredequot;, d. w. z. : wanneer Gij wilt, ben ik bereid, met vrede en vreugde uit dit jammerdal naar het hemelsch Vaderland te gaan, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien. Daarom zal ook juist dit het aanschouwen van Christus en het ware geloof in al degenen werken, die daarmee begiftigd zijn.
En hoe zouden de harten van alle geloovigen, met Simeon, niet tevreden zijn en troost hebben in leven en sterven ? Immers zien zij Hem, l)ie niet door menschen, maar door den hemelschen Vader tot eenen Ileiland bereid en verordineerd is, niet alleen voor de Joden, maar ook voor de Heidenen, en Dien God hun ook alleen als den rechten Heiland heeft bevolen te beschouwen, daaraan deze troostvolle en onveranderlijke toezegging verbindende, dat de aangezichten dergenen, die op Hem zien en Hem als een waterstroom aanloopen, niet schaamrood zullen worden (Ps. 34 : G). Ofschoon zij van nature zondaren en onrechtvaardig waren, en, als God met hen in 't gericht had willen treden, Hem op duizend niet één hadden kunnen antwoorden, zoo zijn zij daarom nu toch zeker, dat Degene, Dien zij in Gods Woord en in de Heilige Sacramenten door de krachtige werking des Heiligen Geestes aanschouwen, hun door de verdienste van Zijnen dood de gerechtigheid verworven heeft, welke voor God geldt. Desgelijks zien zij, hoewel zij met hunne zonden en hunne ongerechtigheid den oneindigen last van den toorn Gods op zich geladen hebben, toch in het geloof Hem aan, Die alleen den toorn Gods voor hen gedragen en hun door de verdienste van Zijnen dood de eeuwige gunst en genade Gods verworven heeft.
Eveneens, ofschoon zij ook met hunne zonden den tijdelijken en eeuwigen vloek der wet verdiend hebben, zoo zien zij toch op Hem, Die aan het hout des kruises een vloek voor
no
hen geworden is, opdat de zegen van Abraham over hen zou komen.
Hoewel zij knechten des Satans en onder de vreeze der hel waren, zoo zien zij toch in waarachtig geloof Hem aan, Die hen door de verdienste Zijns doods tot kinderen Gods en erfgenamen van het hemelsche Jerusalem gemaakt heeft.
Hoewel zij van nature blind zijn en in het rijk der duisternis, der zonden en des doods wandelden, zoo zien zij nu toch door Gods genade en de werking des Heiligen Geestes op Hem, Die een Licht is tot verlichting der Heidenen.
Ofschoon zij ook, nadat zij begonnen in den Heere Jesus Christus te gelooven, nog uit zwakheid zondigen, en wel soms zeer zwaar, zoo zien zij toch Hem aan met de oogen der ziel en des harten, Die, nadat Hij Zich eenmaal aan het hout des kruises tot volkomen betaling voor hunne zonde heeft opgeofferd, in het hemelsche heiligdom is ingegaan, om zonder ophouden voor hen te bidden en voor hen in te treden bij God den Vader.
Ofschoon ('zij ook listige, machtige en verschrikkelijke vijanden hebben, zoo zien zij toch onafgebroken op Hem, in Wien alle schatten der wijsheid, macht en genade Gods verborgen liggen, dio ook Zjjne schaapjes in Zijne hand heeft, waaruit ze Hem niemand zal rukken, ja ook de poorten der hel zullen hen niet overweldigen.
Worden ook hunne zielen door den tijdeljjken dood met smarten van het lichaam gescheurd, â zij zien op Hem, Die als de rechte Held en Leidsman des levens door Zijne hemelsche heirscharen en sterke helden hen zeker laat overbrengen en geleiden in de hemelsche rust.
Moeten zij ook vrouw en kinderen verlaten, zoo zien zij toch Hem, Die hen met den Vader en den Heiligen Geest aanneemt en niet tevergeefs een Vader dor weduwen en weezen genoemd wordt.
quot;Worden ook hunne lichamen van de ziel gescheiden en in de aarde gelegd, door de wormen gegeten en tot stof gemaakt, zoo zien zij toch op Hem, Die naar Zijne almacht Zich alle dingen kan onderworpen maken en Die gesproken heeft: »Ik zal hem opwekkeu ton uitersten dagequot; (Joh. G : 40 en 44).
11]
Wij zien dus, hoe alle geloovigen door het zien van den Heere Christus tegen al hetgeen hen onrustig zou kunnen maken, hunne harten beide in leven en sterven kunnen tevredenstellen.
Hier moet echter niemand gaan meenen, dat door deze leer een Christen een stok of steen zou worden, alzoo dat hij geen gevoel meer zou hehben en in 't bijzonder, dat hij de smarten van den tijdelijken dood, wanneer lichaam en ziel, vriend en vriend van elkander gerukt worden, niet meer zou gevoelen. quot;Want ook de kinderen Gods doet de tijdelijke dood en het scheiden van goede vrienden eenen tijd lang smartelijk aan ; evenwel wordt hunne smart door het geloof in Jesus Christus en door de zekere hoop op het eeuwige leven overwonnen en verslonden. Daarom zeggen zij met den koninklijken Pro â feet David (Ps. 13:6): xiMaar ik vertrouw op Uwe goedertierenheid ; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den Heere zingen, omdat LCij aan mij welgedaan heeftquot;.
Dit heb ik in het kort omtrent bovengenoemde vraag en antwoord willen opmerken, uit het voorbeeld en getuigenis van Simeon aantoonende, dat al degenen, die den Heere Jesus Christus als waarachtig God en Mensch, als den rechten Heiland en het rechte Licht, als een louter geschenk der genade Gods, dat Hij beide voor Joden en Heidenen bereid heeft, aanschouwen, een zalig verscheiden verwachten, met vrede en vreugde uit deze wereld naar het hemelsche Vaderland gaan en tegen alle aanvallen en aanvechtingen des Satans, hij moge dan in het werk stellen, wat hij wil, om hen te bedroeven, zich ridderlijk kunnen verdedigen.
Nu wil ik ten vierde eenige andere voorbeelden aanhalen, opdat datgene, wat in de vorige drie punten gezegd en opgemerkt is, des te duidelijker voorgesteld worde.
Vooreerst lijdt het geenen twijfel, dat onze eerste ouders Adam en Eva in het woord der belofte: »IIet Zaad der vrouw zal der slang den kop vermorzelenquot;, door de inwendige verlichtinar des Heilisren Geestes den Heere Jesus met
_
de oogen der ziel en des harten aanschouwd en daardoor tegen de vreeze en do smarten des doods levenden troost verkregen hebben en met vrede en vreugde uit deze wereld gescheiden zijn.
112
Van onzen vader Abraham wordt gezegd, dat hij den dag van den Heere Christus gezien en zich verheugd heeft (Joh. 3 : 56). Daarom staat ook van hem geschreven (Gen. 25 : 8), dat hij tot zijne volken verzameld is, wat zooveel wil zeggen als, dat hij met vrede en vreugde uit deze wereld naar het hemelsche Vaderland gegaan is, waarheen alle kinderen Gods, het een na het ander, tot den jongsten dag verzameld worden.
Zoo blijkt ook uit de geschiedenis van den aartsvader Jakob, waarop hij gezien en zijne kinderen gewezen heeft, nml. op het eeuwig Verbond der genade, dat met Abraham in zijn zaad, 't welk Christus was, is opgericht. Waarom ook van hem gezegd wordt, dat hij, nadat hij voleind bad aan zijne zonen bevelen te geven, zijne voeten samenleide op het bed en den geest gaf en verzameld werd tot zijne volken (Gen. 49 : 33), d. w. z. dat hij met vrede uit deze wereld naar Abrahams schoot gegaan is.
Toen Job meende, dat het laatste uur zijn levens gekomen was, heeft hij den Ileere Jesus Christus gezien, met een tevreden hart en vaste hoop, naardien hij zeide: sik -weet, mijn Verlosser leeftquot;, enz. (Job 19 : 25â27).
Zoo heeft zich ook David getroost door het proeven van de gunste Gods in Christus, buiten Wien niets te verwachten zijn dan enkel schrikkelijke blikken van den toorn Gods. Want hij zegt met een blijmoedig hart (Ps. 73 : 25 en 2G): sWien heb ik nevens U in den hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn deel in eeuwigheid.
Hoe zich de heilige martelaar Stefanus gehouden heeft, is ook bekend. Want als hij den Heere Jesus Christus zag, zittende ter Rechterhand Gods in den hemel, gaf hij Hem met een kalm hart zijne ziel over en zeide: jlleere Jesus, ontvang mijnen geestquot;, waarop hij rustig ontsliep.
De heilige Apostel Paulus heeft, toen hij het kruis beschouwde, waaraan hij en andere kinderen Gods in deze wereld moeten onderworpen zijn, door het zien van de liefde Gods, welke in 't Aangezicht van Jesus Christus straalt, beide zich en anderen krachtiglijk gesterkt met deze woorden : »Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? verdrukking, of benauwdheidquot;, enz.
113
Wanneer de voorbeelden, hier aangehaald, benevens vele andere aan de hierboven uiteengezette leer toegevoegd en in de vreeze des Ileeren beschouwd worden, zoo zal men merken, dat zij op hetgeen hiervoren onder de aandacht is gebracht een^helder licht zullen werpen.
Ten laatste kunnen wij nu, wijl wij een klaar bericht hebben, hoe zich al degenen moeten gedragen, die den tijdehjken dood rustig wenschen af te wachten, en eindelijk met vrede en vreugde uit dit droevig leven naar het hemelsche Vaderland begeeren te gaan, en ook voorbeelden hebben van dezulken, die ons in deze leer en op dezen weg, die naar de hemelsche woningen leidt, zijn voorgegaan, gemakkelijk verstaan, wat ook ons betaamt, dat wij nml. dit bericht uit Gods Woord niet oppervlakkig, maar met bijzondere aandacht nagaan, ons voor de reis naar het hemelsche Vaderland toerusten en reisvaardig maken en degenen, die in waar geloof, in vertrouwen en hoop ons zijn voorgegaan, vroohjk volgen, wanneer de Heere naar Zijnen Vaderlijken wil ons zal oproepen. Dit zal dan geschieden, wanneer wij intijds onze harten van alle aardsche dingen afkeeren en alleen naar het hemelsche Vaderland en de eeuwige woningen, gelijk de oude Simeon, richten. Wijders, wanneer wij met de oogen der ziel en des gemoeds den Heere Jesus Christus, waarachtig God en Mensch, als onzen eenigen Hoogepriester en Koning, door God niet slechts voor de Joden, maar ook voor de Heidenen bereid, in het Woord en de Sacramenten door de krachtige werking en in de innerlijke verlichting des Heiligen Geestes onafgebroken aanzien en in Hem tegen alle aanvechting des Satans, naar de aanwijzingen van dit bericht troost en vrede zoeken. Dan zullen wij met een vroolijk hart evenals de godzalige Simeon ook kunnen zeggen: »Nu laat Gij, Heere ! Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien, welke Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken en tot heerlijkheid van Uw volk Israëlquot;. Deze genade verleene ons God onze hemelsche Vader door onzen Heere en Heiland Jesus Christus. Amen.
BiBLIOr-j NED. Miquot;