DOOR
l5. Mattl)iai y.ot| ^]ren(^cl\eitl.
iPgt;o- wit 3c 0j?c 96: éKa-pucineri,
uit liet f)uitócl| vertaald
PO.OR
â¢â¢â¢â¢^stDEMOPHILLUS. ^=^....
Vak 61
-31
V/K
Bi
5 O OP.
'P. A Ia tl liias voi\ llrcnisclieitl,
Sziesicz* uit de. Ozde 3e5 cKa pucmen, -^tg: uit l|et Duitf5cl| vertaald
6) fe
DOOR
DEMOPHILLUS,
6 1
gt;V--I
B1T? LIO T IT E r A
C lt;) N S L N T U S Vt H L .\ S i ó.
ROERMOND. M. WATERREUS, Drukker en Uitgever. 1890.
amp;vS\Ss«SNSxgt;S\SvvS\Sv«S\Svv^\Svvg\S\®\^ .S\®\6r\SNNlt;^SN^9\S\5\SsvS\S\Sgt;\Ss-S\Svv^5\S\SvvS\5NvS\S\S\S\S\S\®\SNa
^ amp; h lt;§gt; h
Voorrede.
-â^-^s:2quot;2s,4gt;^quot;â
nse Heilige Vader Fans Leo XIII spreekt in zijne heerlijke Encycliek van 6 Januari 1886 tot de Bisfchoppen van Fruisen over de opvoeding der geestelijkheid. Hij toont aan, hoe noodzakelijk, rechtvaardig en billijk de eisch der Katholieke Bisfchoppen is, om zelf in hunne eigene Seminarién de opleiding van de Candida ten voor het Fries ter schap te leiden en te bewaken. Dan vervolgt hij: nOnze eischen zijn niet van dien aard, dat door de inwilliging daarvan de vorsten iets van hunne waardigheid en macht verliezen', integendeel ontstaan daaruit voor het openbaar welzijn groote en blijvende voordeelen; want de leeringen welke door U, Eerwaarde Broeders en door moe medearbeiders bij de verkondiging van het Woord Gods, betreffende de plichten der onderdanen tegenover de wereldlijke overheid, gegeven worden, laten zich hierin samenvatten, dat iedere onderdaan zijne overheid gehoorzaam moet zijn »niet
alleen uit vrees voor straf, maar ook ter wille van het gewetenquot;
(Rom. ij. 5), dat de openbare lasten met geduld moeten gedragen worden, dat omverwerpingsplannen en ondernemingen verboden zijn, dat men zij)ien naaste in broederlijke liefde weldaden moet bewijzen en dat ieder
zijne plichten in de menschelijke maatschappij getrouw vervullen moet........
»Bovendien bevat de menschelijke maatschappij, zooals gij, Eerwaardige Broeders wel weet, in zich vele kiemen van oproer en is er veelvuldig overvloedige brandstof in opgehoopt, die een woesten brand dreigen te doen uitbarsten; het betreft namelijk het arbeiders vraagstuk, dat aan de leiders der Staten groote zorgen bereidt en hen doet omzien naar middelen hoe zij het dreigend gevaar kunnen voorkomen en tegen de geheime genootschappen kunnen optreden, die naar alle gelegenheden omzien, ten einde uit den slechten toestand van den Staat nut voor zich zeiven kunnen trekken en omwentelingen kunnen in 't leven roepen ten nadeele van het wezen van den Staat. '
â » Nu kunnen echter juist hierin de dienaren der Kerk door hunne
4
bemoeiingen zeer grootc verdiensten tegenover de memchelijke maatschappij verwerven, zooals zulks, naar men weet in vroegere tijden in storm en nood ook geschied is. De priesters namelijk, die door hun ambt bijna dagelijks met de mindere volksklasfen in aanraking komen en daarmede hartelijk en vertrouwelijk plegen te verkeer en, kennen de zorgen en de moeielijkheden van deze klas/en der maatschappij zeer nauwkeurig, zien de wonden hunner harten van zeer nabij, en doordien zij uit de bron van den goddelijken godsdienst ter rechter tijd hulp- en troostmiddelen putten, zijn zij tevens daartoe bestemd, om den lijdenden vertroosting en die heilmiddelen te geven, welke het best de smart der bestaande kzvalen verminderen, den gebroken 7noed weder opbeuren en de blindelings in heillooze plannen zich stortende geesten tot kalmte brengen kunnen quot;
Voorwaar, de leer, welke onze Katholieke Bisfchoppen en de Priesters het volk verkondigen, is in de hoogste mate geschikt, om het openbaar welzijn der Staten te bevorderen. In dit boekje zijn eenige daarvan uitgezocht en is in eenvoudige taal de groote beteekenis daarvan voor het maatschappelijk leven in 't licht gesteld. Wie omen tijd met zijne opvattingen en zijn streven, met zijne behoeften en zijne kwalen kent, zal moeten bekennen, dat zulk eene onderneming geheel en al ter plaatse is. Zoo moge dan dit kleine boekje, dat ik onder de bescherming van Onze Lieve Moeder Maria en van den glorierijken Heiligen Jozef plaats, eene vriendelijke ontvangst vinden en een weinig daartoe bijdragen, dat de trouwe gehechtheid aan onze Kerk bij de geloovigen toeneme, en dat men in de ernstige dagen van den tegenwoordigen tijd daar heil en hulp zoeke, waar zij werkelijk te vinden zijn, namelijk bij Christus en zijne Kerk. Slechts oprechte liefde tot deze Kerk en tot het Vaderland was de aanleiding tot het schrijven van dit boekje.
D1EBÃRamp;, op den feestdag van Maria Lichtmis 1886.
DE SCHRIJVER.
. a vier jaren is de toestand nog niets verbeterd, misfchien slee liter geworden. Ook nu nog zal dit boekje, dat met recht een guldenboekje mag genoemd worden, volkomen aan het doel van den Schrijver beantwoorden. Moge het recht veelvuldig door ons Neder-landsch volk, en vooral door den werkman gelezen worden, dan zal het veel goed stichten.
DE VERTALER.
HOÃFDiSTl/K I.
De Kerk en de leer over den mensch.
ilde men de Katholieke Kerk beoordeelen naar de geschriften, dagbladen en gesprekken harer tegenstanders, dan zou men meenen dat zij een wreede roofster is, die elk oogenblik uit haar hinderlaag dreigt te komen, om den Staat, dezen onschadelijken en zegenverspreidenden wandelaar, te overvallen en te vermoorden; of men zou gaan denken dat de Kerk eene boosaardige, intrigeerende revolutiemaak-ster en vijandin der menschelijke maatschappij is, die in 't geheim overal hare mijnen aanlegt, om op een gunstig oogenblik de staatsgebouwen en paleizen in de lucht te doen springen, of die overal haar vergif gereed houdt, om hier een Keizer, daar een Koning, ginds een Minister en daar weer het Hoofd eener regeering uit den weg te ruimen. Men zou geneigd zijn om al dat zinlooze en onware gebabbel te lachen, ware het niet, dat het zulke treurige en heillooze gevolgen na zich sleept. Want daardoor worden menschen, die broeders onder elkander zijn en die in den tegen-woordigen tijd met vereende krachten de groote gevaren, welke de Maatschappij bedreigen moesten tegenwerken, voortdurend tegen elkander opgehitst. De haat tegen de Kerk komt niet tot rust, en hierdoor lijdt het gansche Christendom, de geheele positieve openbaring.
De overschilligheid in zake van godsdienst en het ongeloof, zoo
6 HOOFDSTUK I.
verderflijk voor de jeugd, het huisgezin en den Staat, winnen daardoor voortdurend meer veld, en het werkelijk staatsgevaarlijk streven der tegenwoordige tijden wordt er door versterkt. Daarom wordt het hoog, ja de hoogste tijd, dat men weer eerlijk en oprecht de werkelijkheid en waarheid erkenne. De waarheid nu is, dat de Katholieke Kerk geene vijandin, maar de grootste weldoenster der menschelijke maatschappij is. In dit hoofdstuk zullen wij zien, hoe reeds haar leer over den mensch in hooge mate zegenrijk en heilzaam werkt.
1.
DE LEER VAN OMZE HEILIGE KERK OVER DEN MENSCH GEEFT, ALS ZIJ GOED WORDT BEGREPEN EN BEHARTIGD, A VN HET GE-HEELE MENSCHELIJK LEVEN EEN EDELE,
GOEDE EN ERNSTIGE RICHTING.
Al is een voorwerp op zich zelf nog zoo groot van waarde, men zal er toch geen goed en voortreffelijk gebruik van maken, als men de waarde er van niet kent en er geen grooten dunk van heeft. Iemand vindt een oud boek, waarvan de druk niet zeer leesbaar meer is, waarvan de bladen van ouderdom bruin en geel zijn en waarvan de band geheel beschadigd is. De onkundige vinder werpt er een vluchtigen blik in, legt het dan bij andere oude dingen, om het aan de vlammen prijs te geven. Had hij kennis gehad van de hooge waarde van dat boek, had hij geweten dat het een oud en zeldzaam werk was van een beroemd man, dan zou hij het zeker niet aan het vuur hebben prijs gegeven, hij zou er zich en anderen voordeel mee hebben kunnen doen. Daar hij het boek evenwel geen waarde toekende, is het hem van niet het minste nut geweest. Zoo is het ook met het menschelijk leven, dit hoogste goed, dat de Schepper ons geschonken heeft. In 't algemeen zullen de menschen slechts dan hun leven goed besteden, slechts dan voor zich en voor den evenmensch tot een oprechten zegen zijn, als zij de hooge en verhevene waarde van het menschelijk leven werkelijk kennen, als zij het diep beseffen, wat de mensch eigenlijk is, welke ernstige taak hij op deze wereld te verindien heeft.
Nu is het onze Heilige Kerk, die juist in dit opzicht zich zoo in hooge mate verdienstelijk heeft gemaakt voor de menschheid en nog dagelijks maakt. Zij toont ons de hooge waarde van ons leven en wijst ons voortdurend op een doel, dat ons tot een ernstig streven naar de deugd moet aansporen. Zij treedt voor den mensch en zegt hem: sGij
7
zijt meer dan de bloem van het veld, die heden in al haar kleurenpracht staat en morgen verwelkt; meer dan het insekt, dat heden van bloem tot bloem vliegt en zich aan zoeten honig laaft en morgen door den voet van den wandelaar vertrapt wordt en dan niet meer bestaat.
i Gij zijt oneindig veel meer; gij zijt een schepsel dat versierd is met het evenbeeld van zijn Heer en God; gij zijt een kind van GW, dat hij inniger en teederder bemint, dan de beste, liefdevolste moeder haar eenig kind slechts beminnen kan; gij bezit eene onsterflijke ziel, eene ziel zoo kostbaar, dat onze Heiland, de Godmensch Jezus Christus, zijn bloed tot op den laatsten druppel voor hare verlossing aan het kruishout vergoten heeft. Gij zijt niet geschapen, niet in het leven geroepen om hier beneden eenige jaren te eten en te drinken, om nu eens in vroolijke, gelukkige uren te lachen en te jubelen, dan weer onder den druk van het lijden te zuchten en te klagen en dan voor altijd en eeuwig uit het leven te scheiden. Zie op ten hemel! Gij zijt geschapen om hem te dienen en te beminnnn, die zijn troon boven de sterren heeft opgeslagen en eeuwig heerschen zal, en om den oneindigen God te dienen en te beminnen. Hebt gij Hem in uw leven trouw gediend, sterft gij in zijne genade en liefde, dan zal Hij u tot zich in den hemel opnemen en u deelgenoot laten zijn van zijne eeuwige zaligheid en heerlijkheid. De tijd van uw leven hier op aarde is dus slechts een zaaitijd, de tijd waarin gij het onkruid uwer booze neigingen moet uitrukken en heerlijke vruchten in deugden en goede werken moet voortbrengen.quot;
Hoe weldadig moeten zulke verhevene waarheden, als zij ernstig worden opgevat, op het menschelijk leven inwerken? Moeten zij er niet licht en klaarheid, vastberadenheid en kracht, ernstig streven naar deugd en zedelijke schoonheid in brengen?
Kan iemand, die het levendig bewustzijn van deze waarheden in zijn hart draagt, een slecht en bedorven mensch worden r Moet hij zich niet machtig aangespoord gevoelen, om met al de krachten zijner ziel aan zich zeiven te arbeiden, opdat hij leve, handele en wandele, zooals het een kind Gods betaamt?
Moet hij zich niet sterk opgewekt gevoelen om met allen ernst naar de deugd te streven en de zonde te vluchten, om zich eenmaal eeuwig bij God en in God te verheugen en gelukkig te zijn?
Laat het licht en de kracht dezer waarheden in de harten van alle menschen helder schitteren en daar krachtig werken, dat alleen zal reeds eene verandering in hen te voorschijn roepen, die aan de geheele menschheid tot den grootsten zegen zal strekken. De geheele denk- en handelswijze der menschen wordt daardoor verheven, helderder geadeld en op heerlijke, goede wegen gebracht.
8
Vergelijken wij nu met deze heilbrengende leer der Kerk die opvattingen en leeringen over den mensch, zooals zij in den tegenwoor-digen tijd door velen ijverig verkondigt en verbreid worden. Zij zijn een doodelijk vergif voor de raenschheid; zij zijn een bron, waaruit vloek en verderf overvloedig in de maatschappij vloeit. Zijn wij niet voor den dienst en de liefde Gods bestemd, bezitten wij geen onsterflijke ziel, staat ons geen ander leven met eeuwige vreugde of eeuwige pijnen te wachten, houdt met den laatsten hartslag ons leven voor altijd en eeuwig op en blijft dan niets, volstrekt niets van ons over als een handvol stof; waarom behoeven wij ons dan geweld aan te doen, om de booze begeerten, om het wilde dier in ons binnenste te bedwingen? Waartoe behoeven wij dan te worstelen en te strijden, waartoe offers te brengen, om een edel en deugdzaam leven te leiden? Waartoe moeten wij ons dan zedelijke en maatschappelijke beperkingen laten welgevallen, die ons in onze genietingen storen en voor onze zinnelijke natuur een last zijn ? Dan heeft niemand ter wereld het recht om ons wetten voor te schrijven; dan bestaat er volstrekt geen gezag en geen overheid, die een werkelijk gegronde heerschappij over ons zou kunnen uitoefenen. Zijn wij verders niets meer dan de goed afgerichtte nakomelingen van een dier, van een aap uit een of ander oerwoud, dan zullen wij ook met de goddeloozen en ongeloovigen uit de H. Schrift zeggen: »Kort en verdrietig is de tijd onzes leven en geen verkwikking is er aan het einde van den mensch; ook kent men niemand, die uit het doodenrijk is teruggekomen. Ons lichaam wordt asch en onze geest vervliegt als een dunne lucht. Laat ons daarom het goede genieten en ons haasten om het geschapene aan ons dienstbaar te maken, zoolang wij jong zijn.quot; (Boek der wijsheid K. 2. V. 1. enz.)
Ja, laat ons dan genieten; laat ons den beker des genots drinken tot op den laatsten druppel, dien hij bevat, laat ons eenieder, die ons in dit genot storen wil, meedogenloos met den dolk neerstooten, zij het ook de vorst, die een gouden kroon op het hoofd draagt, zij het ook uwe eigen echtgenoote, wie gij eens in een plechtige stonde eeuwige trouw hebt gezworen, zij het ook de zorgvolle moeder, die u onder het hart gedragen heeft en eens vol geluk naast uw wieg heeft gezeten. Gij hebt het recht deze allen uit den weg te ruimen, als zij u storen in uwe vreugde en genietingen. Welk een taal! Stellen wij ons eens een volk voor met zulke begrippen en beginselen bezield, en die in het leven overgebracht, welke een ondoordringbare duisternis zou dat over ons brengen? Op welke duistere, onheilvolle, met bloedbesmeurde wegen zou dat ons voeren ? Welke verschrikkelijke en wilde wanorde en verwarring
9
zou dat onder ons verwekken? Men zou dan bijna het lot van het redelooze dier van het woud benijden.
Doch wenden wij den blik van zulke voorstellingen en beelden af. De menschheid wordt slechts dan goed en gelukkig, ja zal slechts dan menschelijk leven als zij niet hare bestemming en hare verhouding tot God uit het oog verliest. Het blad van den boom blijft slechts zoolang groen als het door den tak met den stam verbonden blijft. Van den stam gescheiden, verwelkt het in korten tijd en wordt een spel van den wind. Slechts zoolang zijn de menschen deugdzaam en edel, als zij den band niet losmaken die hen met God verbindt, als zij aan hun eigene bestemming vasthouden. Verscheuren zij dezen band, dan verdwijnt elk hooger en beter leven uit hen, en zij zeiven worden de speelbal hunner hartstochten en slechte neigingen.
II.
DE LEER OVER DEN MENSCH HEEFT, ALS ZIJ GOED WORDT OPGEVAT, EEN ZEER ZEGENRiJKEN INVLOED OP DE OPVOEDING DER JEUGD.
Wil men van een boom in latere jaren talrijke en goede vruchten plukken, dan mag men dezen boom in zijn jeugd niet laten verwilderen, men moet hem veredelen, hem voor de schadelijke insecten en naar vermogen tegen de verwoestende kracht der stormen trachten te beschermen. Wil men zich in den zomer verheugen in een veelbelovend, heerlijk graanveld en in den herfst zware garven van het veld in de schuur dragen, dan moet men dit veld in de lente met moeite en arbeid bebouwen en goede zaden in de voren uitstrooien. Doet men dit niet, dan zal men later slechts onkruid, distels en doornen oogsten.
Zoo is het ook met den mensch en de menschelijke samenleving. Zullen in de samenleving, de deugd en de rechtschapenheid in aanzien zijn en ijverig beoefend worden, zal men met lust en liefde den soms zwaren arbeid van ons beroep naleven, zal men God, den Koning en de verdere overheid trouw toegedaan zijn, dan moet men de kinderen, de jeugd, vroegtijdig tot het goede aansporen, dan moet men de menschen eene degelijke, waarachtig goede opvoeding laten deelachtig worden. Doet men dat niet, veronachtzaamt men de opvoeding, dan zal dat tot het grootste nadeel voor de geheele maatschappij zijn; want er zal een geslacht opgroeien, dat het heilzame juk der tucht afwerpt, zich aan zonde en ondeugd overgeeft en overal wanorde en verwarring
IO HOOFDSTUKI.
in 't leven roept. Het woord der Heilige Schrift: »Een slechte zoon is den vader tot schande,quot; geldt ook voor de geheele samenleving. Een jeugd, die niet goed opgevoed is, kan der menschheid slechts tot schande verstrekken, kan slechts schudden aan de steunpilaren der menschelijke samenleving.
De verhevene leer der Kerk over den mensch is zoo juist daar heen gericht, om de opvoeding van het kind als eene hoogst ernstige en gewichtige taak te doen beschouwen, als eene taak, die meer dan eenige andere verdient, dat men haar al zijne kracht en opmerkzaamheid schenkt. Waar men van deze leer doordrongen is en er naar leeft en handelt, daar wordt het bepaald onmogelijk de opvoeding der jeugd te verontachtzamen.
Is eene Christelijke moeder levendig doordrongen van de gedachte, dat het kleine kind, wat zij op haar armen draagt en met teederheid aan haar minnend moederhart drukt, ook een kind Gods is, een kind van den eeuwigen hemelschen vader, die het eenmaal, als het hem hier beneden trouw gediend heeft, eeuwig tot zich in den hemel zal nemen, zal zulk eene moeder er dan niet met groote ernst en ijver voor zorgen, dat haar kind ook werkelijk als een goed kind van God leeft, dat het met deugden door het aardsche leven gaat? Zal en moet zij niet denken; Ik wil alles wat in mijn vermogen is aanwenden, opdat mijn kind de zonde vluchte en het goede doe, opdat het beantwoorde aan zijn verhevene en eeuwige bestemming, opdat ik eenmaal in den hemel voor eeuwig in zalige liefde met hem vereenigd worde? Ziet een Christelijke vader in zijn zoon niet slechts vleesch en bloed van zijn vleesch en bloed, niet slechts den erfgenaam van zijnen naam en zijne aardsche goederen, maar ook den toekomstigen erfgenaam der eeuwige zaligheid, ziet hij met de oogen des geloofs in hem de onsterfelijke ziel, voor welke Jezus Christus aan het kruis gestorven is, dan zal hij er niet mee tevreden zijn, dat zijn zoon een flink handwerksman, of een degelijke man van zaken, of een bekwaam beambte wordt; hij zal dan ook nog een groote zorg kennen, namelijk die, dat zijn zoon zich goede deugden eigen make en zoo de hoop moge hebben, ook eenmaal een gelukkig burger des hemels te worden. Zijn onze opvoeders, onze onderwijzers, onze leermeesters overal van de waarheid doordrongen, dal de leerlingen, die vol weetgierigheid voor hen zitten, onsterfelijke zielen met eene eeuwige bestemming hebben, dan zullen zij er niet alleen op bedacht zijn, om hen het A. B. C. of eene of andere wiskunstige stelling te leeren, of hen in de hoogere wetenschappen in te leiden; maar zij zullen dan ook eene heilige vrees hebben deze jeugdige zielen grondstellingen en begrippen in te prenten, die allengs de zedelijkheid en het
DE KERK EN DE LEER OVER DEN MENSCH.
geloof in hen aan 't wankelen moeten brengen; zij zullen dan integendeel een werkzaam aandeel nemen in de waarachtige, innerlijke veredeling hunner leerlingen en toehoorders. Welk een rijken zegen voor het algemeen welzijn zou het zijn, als alle moeders, alle vaders, alle opvoeders, alle onderwijzers, alle leeraren hun ambt in dezen zin opvatten en ook trachten te vervullen!
Laat daarentegen in de menschelijke maatschappij de waarheid verloren gaan, dat het kind eene onsterfelijke ziel bezit, dat het voor den dienst van God en de eeuwige zaligheid bestemd is, dan kan er op den duur geen sprake zijn van eene goede opvoeding, dan zullen de ouders mettertijd meer of min naar de afschuwelijke woorden van een ouden heidenschen wijsgeer, Epiktetus namelijk, handelen: sAls gij er u over bekommert dat uw kind zal ontaarden, dan zijt gij een dwaas.quot;
Zonder het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel en de eeuwige bestemming van den mensch verdwijnt de ware hoogachting en de liefde voor het kind. Voor eenige jaren werd bericht, dat op een eiland in Afrika moeders hunne eigen kinderen voor gekleurde stukken glas, bonte stukken laken en andere voorwerpen zonder waarde verruilden. Men ziet daaruit hoe alles bij de menschen mogelijk is, als zij niet meer weten welke onschatbare waarde de ziel van een kind heeft.
TIT.
DE LEER DER KERK OVER DEN MENSCH BRENGT, ALS ZIJ GOED WORDT BEGREPEN EN OPGEVOLGD, IN HET MENSCHELIJK HART GEWICHTIGE MAATSCHAPPELIJKE DEUGDEN VOORT, D. W. Z.
DEUGDEN DIE VOOR HET ALGEMEEN WELZIJN VAN GROOT, ZEER GROOT BELANG ZIJN.
Als eerste maatschappelijke deugd noem ik eene deugd, wier hooge beteekenis voor de maatschappij door zeer velen niet erkend wordt, namelijk de Ootmoedigheid. Hoovaardij is het verderf der maatschappij; zij brengt slechts ruïnen en onheil voort. De hoovaardige veracht hen die onder hem staan en behandelt ze hard en wreed; hij haat hen, die zijns gelijken zijn. en is van nijd en ijverzucht tegen hen vervuld en verbittert hun, waar hij kan, het leven; de hoovaardige haat ook hen die boven hem staan en zoekt, als hij er maar kans toe ziet, het juk van hun gezag van zich af te schudden. Stellen wij ons maar eens trotsche en hoogmoedige kinderen, trotsche dienstboden, trotsche leerlin-
II
12
gen, trotsche, zich zelve, aanbiddende vrouwen, trotsche, geheel voor zich zelve ingenomen mannen voor. Welke wanorde, welke verwarring, welk onheil zijn zulke menschen niet in staat aan te richten! Zullen zij zich niet overal door oproerigheid en opstoken doen kennen! Zullen zij niet overal in het arme menschenhart scherpe wonden slaan en grievend wee er in uitstorten! Slechts eene waarachtige, degelijke deemoedigheid kan ons voor al het onmetelijke onheil der hoovaardij behoeden.
Nu is het juist de leer van onze H. Kerk over den mensch, die5 als wij haar goed ter harte nemen, ons tot ootmoedigheid aanspoort. Zij zegt immers tegen ieder onzer; iGij zijt een arme zondaar, die op barmhartigheid rekenen moet; gij zijt zoo verbazend zwak en tot het booze geneigd; als de genade Gods u niet elk uur staande houdt en ondersteunt, zult gij diep en zwaar vallen, zult gij voor eeuwig verloren gaanquot;. De Kerk neemt elk jaar op Aschwoensdag een weinig asch, teekent daarmede het trotsche voorhoofd van den mensch en zegt tot hem: »Memento, homo, quia pulvis es et in pulverem reverterisquot;. J Mensch verootmoedig u; want bedenk dat gij stof zijt en tot het stof der aarde zult wederkeeren.quot; De Kerk treedt met onverschrokken moed voor lederen mensch, hoe hoog hij ook in de maatschappij sta, en zegt hem: sVerhef u niet op uwe uiterlijke voortrelifelijkheden, wees niet trotsch op den adel van uwe geboorte, niet op de grootte van uw fortuin, niet op den glans uwer talenten en bekwaamheden, niet op de schoonheid en de kracht van uw lichaam. Slechts de ware deugd, slechts een goed, christelijk hart geeft de waarde in de oogen van God en maakt u tot een echt en geheel mensch, maar niet deze uiterlijke voorrechten. Gij zijt voor de eeuwigheid geschapen; na den dood moet gij voor den rechterstoel verschijnen van God, voor wien geen aanzien des persoons geldt; daar zal uwe aanzienlijke betrekking, uw rijkdom, uw talent u volstrekt niets baten; integendeel, uwe rekenschap des te grooter en uw straf des te strenger zijn, als gij deze goederen niet volgens den wil van God gebruikt hebt.quot; Laat de menschen van zulke waarheden diep doordrongen zijn en gij zult de hoovaardij met den wortel uitroeien en ontelbare bronnen van menschelijke ellende in de maatschappij doen opdrogen.
Een andere maatschappelijke deugd is de Ktdschheid. de reinheid der zeden. De zuivere, heldere, lichte stralen der zon verwekken overal op onze aarde het schoonste, heerlijkste en weldadigste leven. Zoo is het ook de kuischheid, zijn het ook de zuivere zeden die overal in de zedelijke wereld het heerlijkste leven te voorschijn roepen. De kuischheid bewaart voor het hart zijn stil geluk; zij maakt den mensch geschikt en begeesterd voor al wat goed en edel is; zij maakt het huisgezin tot
DE KERK EN DE LEER OVER DEN MENSCH. 13
een verblijf van tevredenheid en waar geluk; zij verleent der menschheid kracht en sterkte naar ziel en lichaam.
Waar men evenwel deze heerlijke deugd niet meer eert, waar de onkuischheid haar zetel opgeslagen en algemeene verspreiding verkregen heeft, daar brengt zij zwaar, zeer zwaar verderf en naamloos onheil in de maatschappij. Want deze zonde ontrooft aan de ziel hare hoogste kracht, haar ideaal streven, ontroofd aan het hart zijne frischheid en zachtheid en ontneemt dikwijls genoeg aan het lichaam zijne bloeiende gezondheid en maakt het voor zijn tijd slap en ellendig. Deze zonde raakt met hare moorddadige hand den jongeling en de jongedochter, wischt van hunne ziel, ja zelf van hun voorhoofd den hemelschen glans der reinheid en maakt de jeugd onbeschaamd, teugeloos en gemeen. Deze zonde voert, volgens de getuigenis der geschiedenis en der ondervinding leugen, ongerechtigheid, hardheid en wreedheid in haar gevolg; zij druppelt haar doodelijk vergif in alle levensverhoudingen, verwekt overal de ontbinding en de verrotting van het graf en maakt de sterkste volkeren zwak, ziek en ellendig.
De heilige Kerk nu, werkt met hare leer over den mensch deze verderfelijke ondeugd tegen en bevordert machtig de kuischheid, die deugd, welke de maatschappij heil en zegen aanbrengt. Wees kuisch en rein, roept zij den mensch, vooral der jeugd toe; want gij zijt een kind van den oneindig reinen en heiligen Vader in den Hemel en deze uw Vader haat de onkuischheid in zijn kind, omdat zij zijn evenbeeld in diens ziel verwoest en het kind Gods maar al te gemakkelijk tot het redelooze schepsel doet afdalen. Wees kuisch en rein, zoo vermaant verder de heilige Kerk, want uw binnenste is een tempel, eene woning van den H. Geest en daarom schrijft de groote wereldapostel Paulus vol ernst aan de inwoners van Korinthe: » Weet gij ?iiet^ dat gij tempels van den H. Geest zijt. die in u woont.... Draagt en verheerlijkt derhalve God in uw lichaam. (I Cor. 6. 19 v.) De onzuiverheid verbant den H. Geest uit uw lichaam; behoed u derhalve op het zorgvuldigst er voor. Wees kuisch en rein, roept de Kerk den Christen toe; houdt uw lichaam in tucht en eere: want het is gewijd en geheiligd door het H. Doopsel en het allerheiligst Sacrament; het is het eigendom van onzen goddelijken Heiland; het zal ook eenmaal glorierijk uit het graf opstaan en met het kleed der verheerlijking en der onsterfelijkheid gesierd, met de ziel tot de eeuwige vreugde en zaligheid vereenigd worden.
Waar men deze leer der Kerk ter harte neemt en naar haar zijn leven richt, daar staat de heerlijke, lelieachtige deugd der kuischheid in eer en aanzien, daar zal de jeugd haar als haar kostbaarst sieraad zorgvuldig zoeken te bewaren; daar bezit het huwelijk zijn reine waar-
14
digheid en zijn ongeschonden glans en bewaart men daarin de beloofde trouw en de met dien staat vereenigbare kuischheid.
Waar men evenwel in den mensch volgens de begrippen van het hedendaagsche ongeloof slechts een meer ontwikkeld en gedresseerd dier ziet, waar men de meening is toegedaan dat het niet voor eene eeuwigheid is geschapen, maar slechts voor het kortstondig genot van dit voorbijgaand leven, moet daar de ondeugd, de onkuischheid niet altijd grootere verbreiding verkrijgen? Kan men er zich dan nog over verwonderen, als allen met koortsachtige begeerlijkheid naar den bedwelmenden beker der lusten grijpen, en deze ondeugd allengs alle perken van tucht en eerbaarheid onbeschaamd nederwerpt en alles met haar verderf overstroomt? Wee derhalve de maatschappij, waar de menschen niet meer op hunne onsterflijkheid letten, waar zij zich voor dieren houden en vrij naar hunne dierlijke lusten willen leven.
Eene derde maatschappelijke deugd is de Naastelicfde. Zij is voor de maatschappij als een trouwe engel des hemels, die hier een troon draagt, daar een milde gift met vriendelijkheid in de hand van den armen drukt, die nu troost in een bekommerd hart doet dalen, dan weer door hartelijke deelneming de vreugde en het geluk verdubbelt; zij is als een trouwe engel, die den band der eendracht en der vrede nauwer om de harten slingert en overal het zaad van het goede en van de deugd uitstrooit. Ontbreekt daarentegen in de menschelijke maatschappij de ware, wederzijdsche liefde, dan is het zeer treurig met haar gesteld. Wetenschap, kunst, rijkdom, arbeid, dit alles kan der maatschappij den rijken zegen der naasteliefde niet vergoeden.
Legt in een kouden, donkeren ijskelder het schitterrendste goud, de geleerdste boeken cn hangt er de kunstvolste schilderstukken op, toch zullen de teere bloemen in den ijskelder niet gedijen, niet hare heerlijke bloemen ter ontluiking brengen. Zoo is hel ook met de maatschappij. Zijn de harten der menschen tegenover elkander door koele zelfzucht koud als ijs en donker als de nacht, heerscht geene naasteliefde onder ons, dan is er ook geen heil, geen zegen, geen waar geluk, geen ware deugd onder ons te vinden.
Maar is de leer der Kerk over den mensch nu weer niet juist daartoe aangewezen om de ware naasteliefde in de harten aan te kweeken?
Is het niet de Kerk, die door hare leeringen eene tot toen onbekende liefde tot den evenmensch heeft in 't leven geroepen, zoodat het onder de heidenen als 't ware een spreekwoord was geworden: gt;Ziet hoezeer de Christenen elkander liefhebben!quot;
Is het niet de heilige Kerk met hare leer over den mensch die
ÃS
overal stichtingen van liefdadigheid in 't leven heeft geroepen, die ook nu nog in het hart van menigen jongeling, van menige maagd die gloeiende vonken van begeestering stort, die hen alle zoete banden der aarde doen verbreken en vaarwel zeggen aan de vreugden des huisgezins, om zich geheel en al voor den dienst der arme, zieke en onwetende menschheid op te offeren, en wel op te offeren zonder het geringste vooruitzicht op aardsch loon en aardsche erkentelijkheid ? Ja, sinds de Kerk tot den Christen zegt; sUwe evenmensch is als gij, een kind van den eeuwigen vader in den hemel; hij is uw broeder, uwe zuster en zal als gij en met u eeuwig zich in God verheugen; hij bezii. eene onsterflijke ziel voor wier verlossing Jezus Christus aan het kruis gestorven is; hij is een lidmaat van het mystieke lichaam van onzen Heer en Heiland.quot; â Sinds dien tijd heeft de wereld ware naasteliefde gezien, sinds dien tijd zijn de ketenen der slaven verbroken, en heeft de rijke en voorname aan den arme en noodlijdende eene barmhartige hand geboden; sinds dien tijd is het onderscheid der standen zachter en minder groot geworden; want op den pauselijken troon wisselden de afstammelingen der edelste vorstenfamiliën met de zonen van arme herders en handwerkslieden af en menigmaal legden vorsten de teekenen hunner geboorte en van hun hoogen stand af, om als arme monniken naast hunne onderdanen een leven van ontbering en naasteliefde te leiden.
Waar men evenwel de leer der Kerk niet meer acht, waar men niet meer aan de hoogere, bovennatuurlijke waarde der menschelijke ziel gelooven wil, daar dringt zich, niettegenstaande de geprezene humaniteit en algemeene menschenliefde de koude van de eigenbaatzucht, de bar-baarschheid en de hardvochtigheid van het oude heidendom weer in; daar verheft de eene stand tegen den anderen de vuist en wacht slechts op eene gunstige gelegenheid om hem te benadeelen, te berooven en onder het juk te brengen. Wie oogen heeft en zien wil, kan er zich in onzen tegenwoordigen tijd van overtuigen.
Nog eene andere maatschappelijke deugd zou men hier kunnen vermelden, namelijk de arbeidzaamheid. Maar wij willen die hier overslaan, daar later in een afzonderlijk hoofdstuk over den arbeid zal gesproken worden. Hetgeen gezegd is volstaat om aan te toonen, welke hooge maatschappelijke beteekenis de leer van de Kerk over den mensch heeft. Mocht men haar toch beter ter harte nemen en trachten op te volgen. Dan zou ook veel onder ons Katholieken anders zijn.
. «i â¢
IhVF l'STI K II.
Kerk en de hartstochten,
n eene schoone en gezegende vlakte staan de vruchten heerlijk en veelbelovend op de velden.
Het is een lust om te zien hoe op een helderen, warmen zomermorgen een zacht windje de prachtige graanhalmen golvend heen en weer doet wuiven.
En als de landman er langzaam door wan-quot;delt, dan schitteren zijne oogen van vreugde en verwachting; want hij denkt reeds aan den rijken oogst, die in den naasten herfst zijne ruime schuren zal vullen. Maar daar breekt eensklaps een zware oorlog uit en in deze bloeiende vlakte, op deze veelbelovende velden komt het tot een heeten strijd. Uren lang woedt, onbeslist tot wien de overwinning zal overhellen de kamp. Vele dappere jongelingen vallen, door een kogel getroffen of eene lans doorboord. Eindelijk is de strijd geëindigd.
Na eenige uren gaat wederom een landman over de velden rond. Maar hoe zwaar is hem nu het hart, hoe vol zorg en leed. Hij ziet het graan door de hoeven der paarden neergetrapt en vertreden, ziet den bodem rood geverfd door het bloed der gevallen soldaten en de velden bedekt met hunne lijken, en ach! onder deze bespeurt hij ook
De
DE KERK EN DE HARTSTOCHTEN. Ij
dat van zijn eigen zoon, die nog voor weinige maanden hier vreedzaam achter den ploeg liep en den akker bebouwde. En als de vader nu het lijk van zijn zoon. ziet, knielt hij er in naatnlooze smart naast neder en besproeit het rijkelijk met zijne tranen. Op zulk eene treurige wijze is nu alle hoop vernietigd geworden, die nog voor korten tijd op deze velden het hart van den landman vervuld had.
Iets dergelijks gebeurt ook dikwijls in het menschelijk hart zelf. Menig menschenhart is zoo goed en heerlijk in de jeugd, met zulken heerlijken aanleg en zulke schoone eigenschappen versierd, de vreugde, de hoop en de trots der ouders.
Maar op eens wordt dit hart de worstelplaats van gevechten, niet van bloedige, die met het zwaard worden uitgevochten, maar van onbloedige, onzichtbare gevechten. Een hartstocht heeft in het hart zijn intrek genomen, is allengs machtiger geworden en zit nu als overwinnaar op den troon. Ach! sedert dien tijd is het verderf in dit hart binnengetrokken; het veelbelovende zaad is als 't ware neergetrapt door den hartstocht; allen, die eens met zoete hoop op dezen jongeling nederzagen, vinden zich bitter, zeer bitter teleurgesteld. Ja de hartstochten oefenen maar al te dikwijls eene waarlijk verwoestende macht over het menschelijk hart en de menschelijke maatschappij in 't algemeen uit. Wij zullen deze macht nu eens nader beschouwen en dan in 't kort vermelden, wat onze heilige Kerk daar tegen doet.
I.
Hartstocht in engeren en eigenlijken zin is de heerschappij door eigen schuld van eene booze begeerte over den vrijen wil van den mensch. Als de mensch niet strijdt tegen de in hem opkomende ongeregelde begeerten, maar zich daar tegenover zwak en toegeeflijk betoont, kweekt hij een hartstocht bij zich op. Er zijn vele en verschillende hartstochten, maar allen kunnen groot onheil aanrichten, elk kan zeer noodlottig en verderflijk worden.
i0. De hartstocht berokkent den Christen in de eerste plaats groote schade met betrekking tot de bovennatuurlijke goederen zijner ziel. Zij berooft hem van de heiiigmakende genade, van dat hoogere, bovennatuurlijke leven, dat veel kostbaarder is dan de beste gezondheid van een krachtig lichaam, dan alle aardsche goederen, welke een mensch hier beneden slechts verwerven kan. Want leven wij in staat van genade, dan zijn wij Gode welgevallig, worden door Hem als dierbare kinderen bemind en hebben aanspraak op de eeuwige zaligheid des D. S. d. K. 2
l8 HOOFDSTUK II.
hemels. De hartstocht nu verlangt bevrediging, schreeuwt soms onstuimig om bevrediging; maar deze bevrediging is niet mogelijk zonder overtreding van de Geboden Gods, zij voert alzoo tot zonde, dikwijls tot vele en zware zonden. Ue zware zonde doodt evenwel in ons het goddelijke leven der genade, want van haar zegt de H. Geest: *Hare tanden zijn leeuwentanden, die den mensch het leven ontrooven.quot; (Sir. 2. 3.)
Vooral doodt de hartstocht in ons de heerlijkste bloemen en vruchten der genade, namelijk de liefde tot God. Hartstocht en liefde tot God kunnen niet met elkander samen gaan. De liefde tot God is ook gericht op den oneindig Reine en Heilige, de hartstocht daarentegen op het onheilige, op de zonde. De liefde tot God heft ons op in de hemel sche hoogten, de hartstocht daarentegen sleept den mensch in onreine diepten, zoodat hij, naar de dagelijksche ondervinding getuigt, menigmaal lager dan de redelooze dieren zinkt. De liefde tot God zoekt zich zelve niet, zij is bereid voor God en het goede een offer te brengen; de hartstocht heeft integendeel slechts zich zeiven en de eigene bevrediging op 't oog, al tracht hij dat ook nu en dan met mooie woorden en bedriegelijke handelingen te bewimpelen. Zoo moet dan daar, waar een hartstocht heerscht en vrijwillig onderhouden wordt, de liefde tot God sterven.
Maar het nadeel, dat een onbestreden hartstocht aan het bovennatuurlijk leven der ziel toebrengt, is soms nog grooter. Hij verzwakt namelijk het geloof en doodt het maar al te dikwijls geheel en ontneemt zoo den mensch nog de mogelijkheid, om een bovennatuurlijk leven der genade te leiden. De gevaarlijkste vijand van het geloof is de hartstocht, een veel wreedaardiger vijand dan een Nero of een Diocletiaan, die het Christendom toch zoo bloedig vervolgd hebben. Deze vijand heeft meer Christenen van den goddelijken Heiland afvallig gemaakt dan alle tirannen en alle sophisten te zamen. Want de oorzaak van het ongeloof en van de godsdienstige onverschilligheid moet in de meeste gevallen in een bedorven hart, maar niet in een geleerd en diepdenkend hoofd gezocht worden. Men kan aan een leerzamen en talentvollen jongen man gerust zeggen: ïStudeer vlijtig bij den dag en tot laat in den nacht door; zoek met onvermoeibaren ijver de krachten der natuur te leeren kennen, leg u toe op natuurkunde, op scheikunde, ontleedkunde, geneeskunde, en aardkunde en tracht nauwkeurig de geschiedenis der oude en der nieuwe volkeren te doorgronden, maak u vertrouwd met hunne talen, hunne zeden, hunne daden en hun lijden; dring dan met uw gedachten tot in de diepste navorschingen der wijsbegeerte door; maar blijf bij al uwe studiën meester over uwe booze neigingen en begeerten, houd vooral den hoogmoed krachtig onder uwe voeten en bewaar uw hart voor het
DE KERK EN DE HARTSTOCHTEN. IQ
vuur der onzuivere lusten.quot; Volgt de jongeling deze vermaningen getrouw op, dan behoeft men voor zijn geloof niet te vreezen. Daarentegen loopt zijn geloof groot gevaar, als hij zich aan onzuiveren hartstocht overgeeft, al heeft hij dan ook nog zoo weinig geleerd, dat hij zijn naam nauwelijks goed kan schrijven noch lezen. Niet de wetenschap, maar de hartstocht brengt het geloof in gevaar. Het geloof wil den hartstocht tegenhouden, het herinnert den mensch daarom aan een oneindig heiligen en rechtvaardigen God, aan den ernst van het Oordeel en de eeuwigheid niet hare straffen. Dat is eene taal, welke de hartstocht niet' verdragen kan; daarom wendt hij zich met gramschap van het geloof af, keert het den rug toe en geeft op leugenachtige wijze voor, dat het geloof niet met de wetenschap kan samengaan.
2°. Niet alleen over de bovennatuurlijke goederen strekt zich het verderf uit, dat de hartstocht doet ontstaan, maar ook over zijne natuurlijke goederen en wel in de eerste plaats over zijne inwendige begaafdheden. De hartstocht verduistert het verstand en verblindt den mensch, het hoogere licht der genade bluscht in zijn binnenste uit; al zijn zinnen en denken is op eenzijdige wijze op de bevrediging der ongeregelde begeerten gericht. Terwijl hij hem naar die zijde soms zeer vindingrijk en sluw maakt, verduistert hij op andere wijzen zijn verstand en werpt om zoo te zeggen een dichten sluier over het inwendige oog zijner ziel, zoodat hij veel dingen niet juist erkent en beoordeelt. Hij wordt blind en herkent niet meer den hoogen ernst en de groote beteekenis van de plichten van zijn staat, die hij vroeger met vreugde vervulde, maar nu veelvuldig verwaarloost. Hij wordt blind en ziet niet in, hoe diep hij zich door zijn doen en laten vernedert en verlaagt; misschien verhoo-vaardigt hij zich nog op datgene, wat hem in de oogen van alle verstandige menschen verachtelijk maakt. Hij is blind en erkent niet de groote moeielijkheden en gevaren, welke hij tegemoet gaat. Alles siddert voor hem, slechts hij alleen is rustig en vreest niets; men vermaant hem, men brengt het hem onder het oog, maar hij begrijpt niet hoe men er toe komen kan en aan de geheele zaak zooveel gewicht kan hechten. Met geblinddoekte oogen bevindt hij zich in de nabijheid van een gapenden afgrond en wandelt lichtzinnig langs deszelfs rand. â 'â Zij /lebben oogen en zien niet.quot; (Ps. 113.) Duizenden ouders, opvoeders en onderwijzers kunnen dit getuigen.
Maar nog meer dan het licht des verstands, worden hart en gemoed door de hartstochten in hooge mate benadeeld. De hartstochten verstikken in het hart allengs alle edele gevoelens. De hartstocht is toch niets dan zelfzucht; maar de zelfzucht maakt het hart koud en versteend, dringt er de geestdrift voor het edele en goede, voor plicht en deugd uit.
20 H O O F D S T U K 11.
Ter bevestiging van hetgeen hier gezegd wordt, behoeft men slechts op het dagelijksche leven te wijzen. Ik wil niet eens op het allerverschrikkelijkste opmerkzaam maken, niet er op wijzen hoe men soms wreed en onmenschelijk wordt voor die, met welke men door de innigste banden verbonden is, en zelfs naar het gift grijpt, om die uit den weg te ruimen, wien men liefde en dankbaarheid schuldig is. Wij zullen alleen de aandacht vestigen op die voorbeelden, waarvan men maar al te dikwijls getuigen kan zijn. Hier is een man, wiens hart door een hartstocht en een ongeregelde neiging naar eene andere persoon vervuld is. Sinds dien tijd is hij koud en zonder hart voor zijne eigene vrouw, die hij eens zoo plechtig trouw en liefde tot aan den dood gezworen had: de kommer en de smart, welke hij de edele en zwaar be-leedigde levensgezellin bereidt, treft den onmensch niet meer. Daar is een vader, die zich aan een anderen verderflijken hartstocht, namelijk de dronkenschap, heeft overgegeven. Sinds deze zijn tyrannieke heerschappij over hem uitoefent, is hij koud en liefdeloos voor zijn eigen kind geworden, dat hij vroeger zoo gaarne op zijn sterken arm nam en voor welks geluk hij zijn leven op het spel had willen zetten. Nu laat hij het honger en gebrek lijden, en laat het onverschillig eene treurige toekomst tegemoet gaan. Voor het kind, waaraan hij naast God het leven heeft gegeven, heeft hij geen hart meer; hij zorgt er niet meer voor. Daar is eene dochter, ruw, hard en afkeerig van hare eigen moeder, die sedert twintig jaren zoo rijkelijk liefde aan haar bewezen heeft. Vroeger was die dochter ook goed, vriendelijk en gewillig voor de dierbare moeder; eene lichte ongesteldheid van dezelve maakte haar bezorgd en ontrukte aan hare oogen tranen van medelijden. Maar sinds zij een hartstocht, eene ongeregelde neiging, die door de moeder niet wordt goedgekeurd, omdat die het kind klaarblijkelijk ongelukkig moet maken, in haar binnenste onderhoudt, is zij geheel anders, is zij hard en afkeerig van de vroeger zoo zeer beminde moeder geworden. Zoo zijn het dus de hartstochten welke in het hart de edele en goede neigingen en gevoelens verdringen, die er ware monsters in voortbrengen en opvoeden.
Het nadeeligst werken evenwel de hartochten op den vrijen wil van den mensch; zij ontrooven hem soms al zijne kracht en leggen hem het juk eener werkelijke tyrannieke slavernij op de schouders. Op een hoogen berg laat zich van de groote sneeuwmassa een klein gedeelte los. Misschien heeft de kleine voet van een vogel het in beweging gebracht. Nu is het zoo groot als een gebalde vuist, na eenige oogen-blikken reeds zoo als het hoofd van een zwaren man; het neemt ziender oog met elke seconde toe, tot het eene groote lawine is geworden, die
DE KERK EN DE HARTSTOCHTEN.
met zoo geweldige kracht zich naar beneden stort, dal zij boomen ontwortelt en breekt, menschen doodt en bedelft, ja zelfs huizen nedervverpt en met den grond gelijk maakt. Dat is een beeld van de macht van den hartstocht. In 't begin schijnt hij zeer klein en zwak; ja aangenaam en vermakelijk te zijn; men let er nauwelijks op: maar zoo dringt hij zich altijd meer in het binnenste in, maakt zich meer en meer meester van het onbewaakte hart, wordt altijd onstuimiger en veeleischender in zijne vorderingen, totdat hij ten laatste den wil geheel en al onder het juk brengt, en de arme mensch zich tegenover denzelven zwak gevoelt als een klein kind tegenover een wild verscheurend dier. Nu wil de mensch zich beteren; hij zweert dat hij een ander leven zal beginnen; maar in het volgend uur verheft de hartstocht zijn hoofd en scheeuwt om bevrediging, en de arme mensch doet hetzelfde, wat hij zoo even onder tranen heeft verafschuwd. Aan hem heeft zich het woord der Heilige Schrift vervuld: »Volg uwe begeerten niet en wend u van mv eigen wil af. Als gij uwe ziel hare lusten toestaat, maakt zij u tot den spot uwer vijanden. (Sir. 18 30. v.) Aan hem is het gezegde van den dichter bewaarheid geworden:
5Betoom uwen hartstocht! Blijft hij uw slaaf niet.
Dan wordt hij uw tyran.quot;
Maar nog verder gaat het nadeel dat de hartstocht den mensch kunnen aandoen. Hij benadeelt hem ook dikwijls in zijne tijdelijke goederen, bv. in zijne gezondheid, daar hij allengs de volle kracht en de frischheid van het lichaam ten gronde richt en het aan veel ziekten onderhevig maakt.
Men behoeft hier slechts de gramschap, de gierigheid, de on-kuischheid, de onmatigheid te noemen, hartstochten, die, volgens de verklaringen van de beroemdste geneesheeren, reeds meer menschen gedood hebben, dan in alle oorlogen door het zwaard of den kogel gevallen zijn. De hartstochten benadeelen den mensch in zijn vermogen en in zijne maatschappelijke positie. Zij willen bevredigd zijn en dat kost geld, dikwijls veel geld; zij nemen gaarne den mensch geheel in beslag en dat ontrukt hem aan de plichten van zijn beroep; zij bieden hem hunnen lust, en dat brengt hem al meer en meer van zijn arbeid af, die hem slechts last en moeite brengt. Zijn niet op deze wijze veel jongelingen met heerlijken aanleg, jongelingen die veel goeds hadden kunnen tot stand brengen, onbekwaam geworden voor een zegenrijke werkzaamheid? Zijn zij niet voor altijd uitgesloten geworden uit een gelukkigen levensstaat, dien zij gemakkelijk hadden kunnen bereiken en hebben zij niet een nutteloos en ellendig leven geleid? Ja, het hart van den waren menschen-
22
⦠vriend bloedt soms, als hij de ervaring opdoet, dat een jonge man die
bestemd en bekwaam was om iets uitstekends te worden, door een hartstocht op verkeerde wegen geraakt en uit het leven scheidt, nadat hij, in plaats van zegen, slechts vloek en onheil om zich heeft verspreid.
Voor een aantal jaren ging een Italiaansch schilder door de straten van zijne vaderstad, treurig en ter neergeslagen door zijn drukkende geldelijke zorgen. Op eenmaal bemerkt hij een kleinen knaap van zulk een wondervolle schoonheid, dat hij zijn kommer vergat en geheel verbaasd naar het engelachtige gelaat zag. »Dit lieflijk gelaat zou ik wel op mijne werkplaats willen hebbenquot;, sprak de kunstenaar bij zich zeiven en hij verzocht den knaap met hem te gaan om zich te laten uitschilderen. Deze deed het gaarne en was zeer verwonderd toen hij zag, hoe een andere knaap, zijn tweede ik, hem van het doek van den kunstenaar toelachte. De schilder beschouwde later dikwijls met groote vreugde het lieflijke, onschuldige gelaat, en hij wilde er voor geen geld afstand van doen. Jaren gingen inmiddels voorbij; menigmaal had de kunstenaar bij zich zeiven gedacht, wat er wel van den engel-achtigen en hoopvollen jongeling mocht geworden zijn. Op zekeren dag liep hij andermaal door de straten van zijn geboortestad, toen hij op eenmaal een jongen man zag, wiens trekken zoo gemeen, zoo bedorven en zoo duivelachtig uitzagen, dat hij onwillekeurig bleef staan om hem nauwkeuriger te beschouwen. Hij dacht bij zich-zelven: sDit gezicht zou ik wel eens willen uitschilderen om het in mijne werkplaats naast het heerlijke beeld van den onschuldigen knaap op te hangen; het zou zulk een sprekende tegenstelling zijn, als men wel zelden zou vindenquot;. Op dit oogenblik trad de jongeling op hem toe en vroeg om een aalmoes. sKom met mij op mijn kamer en laat mij u uitschilderen; ik zal er u goed voor betalenquot;, sprak de schilder. De jonge man ging met hem mede en zat voor eene schets. Toen hij eenige muntstukken ontvangen had en zich verwijderen wilde, viel zijn oog op het beeld van den mooien knaap. Hij bleef staan, beschouwde het nauwkeuriger, werd bleek en barstte in een stroom van tranen uit. sWat scheelt er aan?quot; vroeg de kunstenaar. Het duurde een poos voor en aleer de ongelukkige woorden kon vinden; dan wees hij op het beeld en sprak in afgebroken en diep uit het hart komende woorden: sDat, waarde heer, is mijne eigene beeltenis; twintig jaar geleden hebt gij mij ook uitgeschilderd. Helaas! toen en nu! Toen was ik een hoopvolle knaap, nu ben ik een geheel ten gronde gericht mensch. Toen was ik nog een onschuldige vrome knaap, nu ben ik zoo bedorven, dat allen zich vol afschuw van mij afwendenquot;. Op de vraag, hoe dat gekomen was, vertelde hij, dat hij ongelukkigerwijze vroegtijdig met eenige slechte kameraden had
23
kennis gemaakt; deze hadden hem verleid en bedorven; hij was in de zonden der onkuischheid vervallen en ten slotte ook een dief geworden. Ontdekt zijnde, moest hij de gevangenis in, maar was daar niet beter, we', slechter uit teruggekomen, s Dc hartstocht heeft mij ten gronde gerichtquot;, sprak hij met diepen ernst en verliet met tranen in de oogen de werkplaats van den kunstenaar.
»De hartstocht heeft mij ten onder gebracht, heeft mijn leven met kommer en zorg van allerlei aard vervuld, heeft mij en de mijnen ongelukkig gemaaktquot;, zoo zouden ontelbaar veel menscben van zich zeiven kunnen zeggen, als zij aan de eindpaal huns levens, aan de rand van het graf een terugblik op hun verleden wilden werpen. «De hartstochten hebben mij ten onder gebracht, hebben mij van het toppunt des geluks en des voorspoeds in den afgrond der zedeloosheid en der ellende, hebben mij in ongeregelheden en verwarringen van allerlei aard gestort,quot; zoo zou ook menig volk zuchtend kunnen uitroepen, als het op zijn geschiedenis wilde terugzien en een getuigenis der waarheid van zich zelf wilde afleggen. Het zijn toch de hartstochten, die de goede zeden, welke een volk sterk en levenskrachtig maken, steeds meer en meer ondermijnen en het zedelijk bederf steeds meer en meer verspreiden. Zij zijn het, die een volk altijd teugellooxer, altijd meer genotzoekend maken en daardoor zelfs den tijdelijken welstand allengs ten gronde richten en den nood en de armoede in steeds ruimer kringen verspreiden. De hartstochten zijn het, die uit het stille heiligdom des huisgezinsde zegenverspreidende godsvrucht en den gouden, geluk aanbrengenden vrede verdrijven en in plaats daarvan de booze geesten der hel er binnen roepen. Wee evenwel het volk, als bij hetzelve de huisgezinnen hunne wijding, hunne heiligheid en hunnen vrede verliezen. De hartstochten eindelijk zijn het, die in een volk den geest van leugens en bedrog aankweeken en de gerechtigheid en de godsdienstigheid, de beide hoofdpilaren van de menschelijke maatschappij, aan 't wankelen en ten val brengen. Een bloedige oorlog kan voor een volk veel leed en onheil ten gevolge hebben; eene besmettelijke ziekte kan veel verwoestingen onder ons aanrichten, zoo menig dierbaar leven kan zij van onze zijde wegrukken en daardoor veel wee en veel zorgen op ons laden. Maar verderflijker en meer onheilvol dan oorlog en pest, dan misgewas en hongersnood, dan brand en watersnood zijn voor de volkeren de zedelijke en stoffelijke verwoestingen, welke de hartstochten in de maatschappij te voorschijn roepen. Deze zijn het vooral, welke een volk zijn verderf en ondergang tegemoet voeren.
24 H O O F D S T U K 11.
IL
Nadat wij het onheil dat de hartstochten kunnen aanrichten beschouwd hebben, dringt zich de vraag aan ons op, wat moeten wij dan doen, om ons en de maatschappij zooveel mogelijk voor dit onheil te behoeden en te vrijwaren? Moeten wij misschien den krijgsdienst, het staande leger vermeerderen? Voorzeker kan een dapper en moedig leger in tijde van oorlog het vaderland heerlijke diensten bewijzen, en zooals de toestand der wereld nu is, kunnen wij een zeker aantal soldaten niet ontberen; maar dit staat ook vast en zeker, dat alle bajonetten, alle moordtuigen van een leger niet in staat zijn de zedelijkheid in een volk te behouden en te vermeerderen, en wel uiterst zelden zal de mannelijke jeugd door een langen diensttijd zedelijk reiner en deugdzamer worden. Zeer dikwijls klagen verstandige ouders over het tegendeel.
. Moeten wij dan misschien onze gevangenissen vergrooten en het aantal politiedienaren in onze steden en dorpen vermeerderen? Ook dat zal het niet doen. Want de politie heeft, al is haar macht overigens ook nog zoo groot en al moge zij ook nog zoo nuttig werken, zal zeer weinig of geen geweld uitoefenen over dat kleine, geringe ding, dat ieder mensch in zijne borst draagt en dat de zetel en de werkplaats der hartstochten is. Dat is het menschelijk hart. Zoolang de politie bijna geheel machteloos tegenover dat kleine hart staat, kan zij ook niet als beheerscheres der hartstochten optreden. De algemeene ondervinding leert, dat in steden, waar nu twintig, dertig, ja zelfs zeventig of tachtig politie-dienaren de straten op en neerloopen, het niet beter, maar veel slechter, met de zedelijkheid en de openbare veiligheid gesteld is dan vroeger, toen slechts vier of vijf politiedienaren in deze streken werkzaam waren. Dat toont toch duidelijk genoeg aan, dat de macht der politie geheel onmachtig is. om met goed gevolg de hartstochten tegen te gaan.
Moeten wij dan altijd nieuwe en altijd grooter scholen bouwen en meer onderwijs en meer beschaving onder het volk brengen? Het valt niet te ontkennen, dat onwetendheid een ongeluk voor de mensch-heid is. Daarom moet men altijd trachten kennis onder het volk te verspreiden, maar ware en practische kennis, geen veelweterij voor een paar maanden of jaren. Laat men de jeugd maar altijd met groote zorg leeren en onderrichten, maar zóó, dat men met verstand de behoeften des levens en der standen en ook de gezondheid en de krachten der kinderen, die geen overlading verdragen kunnen, in 't oog houdt. De onderwijzers zijn er, om de kinderen tot goede en bruikbare menschen op te leiden; maar de kinderen zijn er niet ter wille van den onderwij-
25
zer, om er op een openbaar examen mede te bluffen, in de hoop daardoor eenen of anderen voordeelige post te bekomen.
Maar hoe groot overigens ook het nut van het onderwijs en van het leeren moge zijn, de school alleen, het enkele onderwijs is niet in staat, een volk deugdzaam te maken en het voor de verwoestingen der hartstochten te bewaren. Sedert onze jeugd meer leert, sedert onze schoolkinderen de bergen en rivieren van Azië en Afrika kunnen opnoemen en wat weten te bazelen over natuur- en scheikunde, zijn zij waarlijk niet beter, niet zediger en ingetogener geworden. Men kan in zijn hoofd veel kennis en groote geleerdheid, en in zijn hart eene bo-demlooze slechtheid bezitten.
Ontelbare malen heeft de geschiedenis het bewijs voor deze bewering geleverd. Ja, wordt het verstand slechts eenzijdig gevormd, maar de veredeling van het hart daarentegen verwaarloosd, dan zal de ontwikkeling en de zoogenaamde verlichting maar al te gemakkelijk een dwaallicht worden, dat den mensch in de moerassen van het zedelijk bederf voert; dan zal het onderwijs en de ontwikkeling maar al te gemakkelijk er toe bijdragen om de ondeugd te verfijnen en de sluipwegen der verleiding te verveelvuldigen. Men ga slechts in onze gevangenissen en trachte wat nader bekend te worden met die ongelukkige lieden, welke achter slot en grendel moeten boeten voor groote en gemeenschappelijke misslagen, men zal algemeen bevinden, dat het ontwikkelde en onderwezen hoofden zijn. Een duidelijk bewijs, dat onderricht en ontwikkeling alleen de menschen niet zedelijk goed maken.
Willen wij het onheil, dat de hartstochten na zich sleepen, naar ons vermogen weren, dan moeten wij daarop werken, dat onze maatschappij weer geheel en al van het levendige Christendom doordrongen wordt, dan moeten wij dat woord zoeken te vervullen, hetwelk een grijs vorst van onze dagen in een hachelijk oogenblik gesproken heeft: »De godsdienst moet in het volk gehouden worden.quot; Ja, in onzen Christelijken godsdienst is de hoofdmacht tegen de hartstochten gelegen. Het komt er slechts op aan om ernstig van deze macht gebruik te maken. Slechts ééne gedachte willen wij hier iets breedvoerig uitwerken, namelijk dat onze heilige Kerk de hartstochten bestrijdt en de bronnen der hartstochten tracht te verstoppen.
Eene bron der hartstochten is de slechte opvoeding der jeugd.
Juist in de jonge jaren doen de hartstochten zich meestal het eerste gelden; derhalve is het de plicht der opvoeding, die tegen te werken en aan de innerlijke neigingen van het kind en den jongeling eene goede richting te geven. Geschiedt dit niet, dan wordt de mensch met 'den tijd noodzakelijk een speelbal van den eenen of anderen hartstocht.
20
Even als op een akker, dien men niet bearbeidt, distels, doornen, en andere soorten van onkruid welig opgroeien, zoo gedijen ook in een kinderhart, waarvan men de opvoeding verwaarloost, de booze neigingen en hartstochten, en worden de kiemen van het goede met de tijd geheel en al verstikt. Eene slechte opvoeding arbeidt slechts in den dienst der hartstochten. Dat moeten ouders en opvoeders nooit vergeten.
Onze heilige Kerk nu is uiterst bezorgd voor eene goede opvoeding der jeugd. In haar hart draagt zij eene zelfde liefde tot de kinderen, als die welke in het hart van den Goddelijken kindervriend, haar hemel-schen Bruidegom gloeide. Daarom drukt zij de ouders zoo nadrukkelijk de plichten ten opzichte hunner kinderen op het hart, zij zegt hun, dat zij eens daarover eene strenge rekenschap zullen moeten afleggen. Zij wendt zich vooral tot de moeders en herinnert haar aan den hoogen adel en de waarde van het dierbare kind, welks eerste lachje en eerste gekeuvel haar zoo gelukkig heeft gemaakt; zij vermaant elke Christelijke moeder, hare kinderen ook als kinderen Gods te beschouwen en hen voor den dienst van den hemelschen Vader en voor de deugd groot te brengen. Zijn de kinderen grooter geworden, dan zendt de Kerk hare priesters tot hen in de onderrichting, om hen bekend te maken met de Christelijke waarheden en hen in het Christelijke leven in te leiden. Nadert dan de tijd dat de kinderen voor den eersten maal den goddelijken Heiland in de H. Communie ontvangen zullen, dan kent zij geen grooter zorg, dan hunne harten voor deze verhevene en beteekenisvolle daad voor te bereiden, en zij jubelt zelve van vreugde over het geluk, dat hen ten deel valt. Treedt de jongeling of de jonge-dochter dan later in het leven, dan waakt het moederoog der Kerk nog over hen; zij waarschuwt hen met nadruk voor de gevaren en slechte gelegenheden, die hen bedreigen, zij smeekt en vermaant hen, zich tegen alle strijden te sterken door regelmatig te bidden en dikwijls de heilige Sacramenten te ontvangen; zij zou gaarne alle jongelingen en jonge-dochters in de Maria-Congregatiën om zich willen verzamelen en hen aan te vuren tot een heiligen wedijver in het Christelijk leven.
Luisterden alle ouders bereidwillig naar de vermanende woorden der Kerk, wilde men hare zegenrijke werkzaamheid in de school bevorderen, in plaats van die tegen te werken en te onderdrukken, wilde men haar slechts ernstig ondersteunen in hare bemoeiingen voor de aankomende jeugd, in plaats van haar met wantrouwen te beschouwen, hoe rijk zouden de staat en de ouders daarvoor beloond worden; in hoeveel jonge harten zouden hartstochten, die nu later hun onheil aanrichten, in de kiem gesmoord geworden; met hoeveel verwachtingen voor de toekomst zou men dan op onze jeugd kunnen neerzien.
DE KERK EN DE HARTSTOCHTEN. 2^
Een tweede bron der hartstochten is het kwade voorbeeld der medemenschen, vooral van die, welke de maatschappij op eene of andere wijze boven de andere uitsteken, hetzij door hun ambt of ontwikkeling of hun rijkdom. Dat nu is juist het noodlottige en verderfelijke van liet kwade voorbeeld, dat het hartstochten wekt, ze opbeurt, ze verontschuldigt en verschoont, zoodat het overal de afschuw van de zonde allengs verzaakt en ten slotte geheel doodt. Verwijdert uit ons midden de kwade voorbeelden, bewerkt dat de ouders, de overheden, de voornamen, de geleerden, de volwassenen den glans van een godsdienstig en deugdzaam leven om zich verspreiden, en gij hebt den hartstochten den doodsteek gegeven; gij zult zien hoe een geslacht opgroeit, dat bijna geheel bewaard blijft voor het onheil der hartstochten. Daarom komt op het goede voorbeeld ook zoo buitengewoon veel aan.
Maar nu is het alweer onze heilige Kerk, die ons allen en vooral hen, die een hoogere plaats in het leven innemen, met grooten ernst aan den plicht van een goed voorbeeld herinnert, die ons dikwijls de woorden van onzen Goddelijken Heiland toeroept; sLaat uw licht voor de menschen schijnen, opdat zij uwe goede werken zien en uw Vader prijzen, die in den hemel is.quot; 't Is onze heilige Kerk, welke ons door hare leeringen en voorschriften, door hare vermaningen en waarschuwingen, door hare genademiddelen en hare priesterlijke leiding tot een leven voert, dat anderen moet stichten, als wij slechts als getrouwe kinderen aan de stem der kerk gehoor geven, 't Is onze heilige Kerk, welke ons met grooten nadruk verbiedt den evenmensch een kwaad voorbeeld te geven, of door woord of door daad of het verzuim van het goed dat men verplicht is te doen, aanleiding tot zonde te geven, omdat wij daardoor zijne onsterfelijke, met het bloed van Jezus vrijgekochte ziel een groot nadeel toe te brengen, en ons daarom deze vreeselijk ernstige woorden van onzen Goddelijken Heiland toeroept: » Wie een van deze kleinen^ die in mij gelooven^ ergernis geeft, dien ware het heter dat hem een molensteen om den hals werd gehangen en hij in de diepte der zee werd geworpen. IVee de wereld om der ergernis wille. Er moeten wel is waar ergernissen komen^ maar wee den mensch^ door 7vien ergernis komt.quot; (Math. iS) Waar de Christen naar deze waarschuwende woorden luistert, en waar de Kerk met haren geest, met hare leer en hare liefde de menschen beheerscht, daar schrikt men voor de ergernis, als voor den zielemoord van zijnen broeder of zijne zuster terug.
Een derde bron der hartstochten eindelijk bevindt zich in ons eigen hart^ in de neiging van onze bedorven natuur tot het kwaad.
Dit behoeft geen bewijs. Men behoeft slechts een blik in zijn
HOOFDSTUK 11.
eigen binnenste te slaan en dan zich-zelven de waarheid te bekennen. Ieder onzer, ook de allerbeste, moet zich zeiven bekennen, dat zich in zijn hart wel slechte kiemen bevinden, dat licht slechte gedachten en begeerten, slechte neigingen en gewaarwordingen ontstaan en hem strijd veroorzaken. Ieder onzer, ook de allerbeste, gevoelt bij zich zeiven dat het woord der heilige Schrift bewaarheid wordt; zin en de gedach
ten van het menschelijk hart zijn van af de jeugd tot het booze geneigdquot; (I Math. 8. 2i.) Het menschelijk hart is de hoofdbron, de zetel, de werkplaats der hartstochten.
Op het hart van den mensch nu zoekt onze heilige Kerk voor alles te werken. Zij veredelt het hart; zij veredelt het door hare leeringen en waarheden, die hoogere, goede strevingen en wenschen in hem voortbrengen; zij veredelt het, doordien zij ons God leert liefhebben. Niets ter wereld veredelt zoozeer ons hart, als de overgave daarvan aan God, als de liefde tot den oneindig volmaakten, oneindig heiligen en beminnenswaardigen God; zij veredelt het hart, doordien zij den geest der opoffering in hem opwekt. Een hart, dat tot geen opoffering kan besluiten, is geen edel hart en daarom des te eer voor de zonde toegankelijk.
De Kerk spoort ons verder aan, zorgvuldig over ons hart te waken; zij vermaant ons acht te geven op zijn eerste streven en wenschen en niets in ons binnenste voor gering te houden; zij zegt ons immers, dat wij niet alleen door de uiterlijke daad, maar ook door de inwendige gedachten en begeerten zwaar zondigen kunnen. Zij spoort ons aan, eiken avond ons hart te onderzoeken, hoe het zich tegenover God, den evenmensch en onze bijzondere plichten gehouden heeft, en vermaant ons over elke fout hieromtrent met leedwezen berouw te betoonen. Het is haar dringend verlangen, dat wij zeer dikwijls tot den biechtstoel naderen, dat wij bij deze gelegenheid door een ernstig gewetensonderzoek een vorschenden blik in ons binnenste werpen en ook een priester, een ervaren geneesheer der ziel, met oprechtheid ons hart ontsluiten. Eenieder, die het ernstig met zijne eigene vervolmaking en met het welzijn der menschheid meent, moet bekennen, dat deze beproeving en waakzaamheid, dat de veelvuldige goede biecht heilzaam ter bestrijding van de hartstochten en de booze neigingen is en ze helpt onderdrukken. De ondervinding toont ook aan, dat in Katholieke gemeenten, waar b. v. de jeugd dikwijls de heilige Sacramenten ontvangt, groote uitspattingen van den hartstocht uiterst zeldzaam zijn; zij toont aan, dat jongelingen en jongedochters gewoonlijk des te gemakkelijker aan alle uitspattingen en dwaasheden ten prooi vallen, hoe zeldzamer zij biechten.
De Kerk spoort ons verder aan, ons hart in heilzame tucht te
DE KERK EN DE HARTSTOCHTEN.
houden', zij spoort ons ook aan tot eene verstandige inwendige en uitwendige zelfbeheersching en zelfversterving. Het is algemeen bekendl hoe men haar daarover reeds dikwijls een verwijt heeft gemaakt. Maar als men altijd bedacht had, dat de booze neigingen en hartstochten het verderf van den enkelen mensch en van het groote geheel zijn; had men bedacht, dat het hart van eiken mensch tot het kwade geneigd is, en had men zelf ernst gemaakt met den strijd tegen het kwaad in zijn eigen binnenste, dan zou men de houding der Kerk wel geheel en al in den regel hebben bevonden, dan zou men het wel billijk in haar gevonden hebben, dat zij ons aanspoort, onze zinnelijkheid niet alles toe te staan, wat zij verlangt, maar haar in tucht te houden en haar soms iets te zeggen, wat op zich zelf eigenlijk niet ongeoorloofd is.
De Kerk boezemt ons hart verder een heilzame vrees in vooral in tijden van groote bekoringen. Wanneer de storm in ons binnenste woedt en de verleider de bekoorlijkheid der zonde op leugenachtige wijze den mensch voorhoudt en zijn arm hart gevaar loopt zich aan de zonde over te geven, dan zegt ons heilig geloof hem: Denk aan het oordeel van den oneindig heiligen en rechtvaardigen God; nog heden kan Hij u voor zijn rechterstoel roepen. Denk aan de eeuwige pijnen der hel, waaraan gij onmiddellijk na volbrachte zonde ten offer kunt vallen. jVrees niet degenen welke wel het lichaam, maar niet de ziel kunnen dooden; vrees veel meer Dengene^ die lichaam en ziel ter helle kan verdoemen T (Matth. tg. 28) God alleen weet, hoevele door deze vrees voor de verschrikkingen der eeuwigheid tot een volgehouden strijd tegen hunne hartstochten zijn aangewakkerd.
Eindelijk sterkt ook de heilige Kerk het menschelijk hart met bovennatuurlijke kracht opdat het niet het onderspit delve in de veelvuldige strijden, die het te wachten staat. Ons hart is zwak en wankelmoedig. Nu gevoelt het zich sterk, dan weer zucht het over zijne onmacht en armzaligheid; heden is het vol vuur bezield voor eene zaak en morgen misschien kan het voor diezelfde zaak niet meer warm worden. Daarom moet het kracht en volharding zoeken bij God, den oneindig sterke en den eeuwig onveranderlijke. Hij is voor het zwakke menschen-hart de sterke stam, die het kleine boompje stut en rechthoudt in die stormen, als het daarmede verbonden blijft. Breekt daarentegen zijne inwendige genadeverbinding met God af, dan wordt hij in zedelijke beteekenis altijd zwakker en machteloozer. Dat toont ons de geschiedenis van alle volkeren, en dat toont ook de geschiedenis van den enkelen mensch, misschien ook onze eigen levensgeschiedenis.
De Kerk nu brengt ons in de verbinding met de genade Gods en leert ons, bij Hem onze kracht en sterkte te zoeken. Als wij in
29
HOOFDSTUK II.
gevolge barer aansporing dagelijks goed bidden, dan daalt er telkens eene hoogere hemelsche kracht in ons hart, zoodat het met meer volharding tegen zijne eigene zwakheid en zondigheid strijdt. Als wij volgens den wil der Kerk den Zondag heiligen, met aandacht het heilig misoffer bijwonen en met oplettendheid en begeerte het woord Gods aanhooren, dan zal de gekruisigde Heiland ons van het altaar zegenen en sterken tegen de bekoringen, kampen en kommernissen van de beginnende week, opdat wij er niet voor bezwijken en nadeel lijden aan onze onsterfelijke ziel. Als wij dikwijls volgens het dringend verlangen der Kerk tot de Tafel des Heeren naderen en daar in de H. Communie het Brood der Engelen ontvangen, dan zal Jezus Christus zelf in eigen Persoon ons hart met hemelschen kracht toerusten, opdat het niet wankele, niet zwak en twijfelachtig worde. Op deze wijze heeft de Kerk menschen, die uit vleesch en bloed gevormd waren even als wij, tot groote Heiligen opgevoerd, die leefden, als waren zij geen nakomelingen van onzen zondigen stamvader Adam geweest. Dat is de macht der Kerk over het menschelijk hart. Overal waar men de Kerk nog trouw en ijverig is toegedaan, niet enkel uitwendig maar ook inwendig, en ernstig bemoeid is volgens hare leeringen en voorschriften te leven, daar vindt men nog eene jeugd, die terugdeinst voor de uitspattingen van den gevaarlijksten hartstocht, een jeugd, die, bij alle vroolijkheid en opgewektheid, zedelijk rein leeft en zoo den zekersten grondslag voor een later geluk legt; daar vindt men nog mannen, die niet alleep. anderen, maar ook vooral zich zeiven weten te beheerschen: daar vindt men nog huwelijken en huisgezinnen, die niet door zonden en hartstochten uit hun verband gerukt en verwoest worden, huisgezinnen, die door hunne godsvrucht en wederkeerige liefde en eensgezindheid verblijfplaatsen van het schoonste aardsche geluk zijn.
Mocht men toch in onzen tijd dezen invloed der Kerk met betrekking tot de hartstochten meer erkennen en tot het volle en geheele Christendom terugkeeren.
3°
M ï'f'ft'
St fWe gt;t â 'â â â â i\ â¢*' ,%3e. 3gt;ilt;L.^
quot;1 Wlcli0r«§O#C^Q^Clt;^''
TTTnTfiTTtfïi;iiïïil1l'TTTTtTTTTTTii
IIÃOI-M)sti;K III.
De Kerk en hel Huisgezin,
et is onze oppervlakkigheid eigen, dat wij
al te zeer de hooge beteekenis vergeten van de dingen, die wij dagelijks voor oogen hebben.
Wij zien eiken dag de zon op- en ondergaan, wij zien, hoe zij haar gulden stralen over berg en dal, over bosch en veld verspreidt, maar denken zelden aan het rijke leven en den 'grooten dien zij op onze aarde te voorschijn brengt en om zich verspreidt. Wij staan nu en dan wel eens verbaasd over het schitterende morgen- of avondrood, waardoor zij ons verheugt, maar zelden gedenkt iemand de talrijke weldaden, welke de algoede Schepper ons door de zon schenkt. Zoo is het ook met het huisgezin. Men wordt in een gezin geboren en opgevoed; men vestigt, als men ouder is geworden, misschien zelf een gezin; men leeft vijftig, zestig jaar in een huisgezin en geniet daarin veel vreugde of ondervindt er veel en groot verdriet, en toch hebben de meeste menschen er nauwelijks een begrip van de hooge beteekenis van het huisgezin. Hierover willen wij nu eenige beschouwingen ten beste geven en dan eens nagaan, hoe zegenbrengend onze Heilige Kerk op het huisgezin inwerkt, als men dit onder haar weldadigen invloed plaatst.
' 'Ãi
ïmim
f'f®
zegen,
HOOFDSTUK III.
I.
Men kan de beteekenis van het huisgezin niet licht te hoog opvatten. Het heeft eene algemeene beteekenis, die zich over alle personen uitstrekt, over den machtigen koning zoowel als over den armen dagloo-ner; een invloed alle tijdperken des levens, ja zelfs ons lot in de eeuwigheid in geen geringe mate helpt bepalen.
De invloed van het huisgezin is zeer groot op den enkelen mensch. In zijne jeugd ontvangt hij gewoonlijk daarin de richting naar geheel het volgende leven. Het kind aanschouwt krachteloos, zwak en in geestelijke beteekenis geheel onontwikkeld het eerste levenslicht. Het behoeft jaren lang de zorgvuldige verpleging en zorg der ouders, wil het later een leven leiden, dat den mensch waardig is, en zich nuttig voor de maatschappij maken. De vogel, die zoo oud is als het kind, is reeds lang volwassen, verheft zich in snelle vlucht in de hoogte, waar men hem nauwelijks met het bloote oog bemerken kan, of zit rustig op den groenen tak en doet zijne heerlijken tonen zoo helder en fraai door het woud trillen dat het lust is hem te hooren, en het kind ligt nog in de wieg, onbekwaam om ook maar een enkel woord te stamelen. De sterke machtige eik, die bedaard den woedenden storm weerstand biedt, heeft ook wel veel jaren noodig om zijn geheele ontwikkeling en grootte te bereiken; maar hij heeft toch niet zulk eene zorgvuldige oppassing noodig; men ziet er een paar maal in 't jaar naar om en snijdt de overtollige takken af of geeft den bodem wat nieuw voedsel. Dat is volkomen voldoende. Maar geheel anders is het daarentegen met den mensch gesteld. Hij zou spoedig ellendig omkomen, als men hem als klein kind aan zich-zelven overliet, en al gaf men hem ook lichaamlijk voedsel, als men niet opwekkend en opvoedend op zijn geest inwerkte, dan zou hij later slechts een zeer treurig en hoogst deerniswaardig leven kunnen lijden. Wil een mensch een waardig en nuttig lid der maatschappij worden, dan moet men zich zijner in de kindsheid en in de jeugd zorgvuldig aannemen en ernstig op zijne nog sluimerende krachten inwerken. Anderen moeten hem door hunne moeite en liefde tot lichaam-lijke en geestelijke rijpheid brengen; hij alleen kan het onmogelijk. Anderen geven hem zijne levensrichting. Dat doen in de eerste plaats de ouders en de andere leden van het huisgezin, waarin het kind opgroeit. De geest van het kind is als 't ware nog door den nacht omgeven, zijn hart is nog zacht en week, nog ontvankelijk voor alle indrukken, als weeke was, waarin men eiken vorm kan afdrukken; zijn wil is nog
32
DE KERK EN HET HUISGEZIN. 33
een blinde, onbestemde kracht, zonder scherp geteekende neigingen en zonder bepaalde richting; die moet hij nog eerst verkrijgen. Het zijn nu de ouders en de andere leden des huisgezins, die de eerste lichtstralen, de eerste waarheden in den geest van het kind moeten brengen, die zijn hart de eerste indrukken geven, de eerste wenschen en begeerten in zijn wil opwekken en die door woord en voorbeeld ten goede of ten kwade leiden. De ouders en de familieleden zijn het, welke op deze wijze het meest op den mensch werken op een tijd, als zijn aanleg en zijne neigingen het meest' geschikt zijn tot ontwikkeling, op een tijd waarin de grond moet gelegd worden voor geheel zijne latere toekomst ja voor de geheele eeuwigheid; zij zijn het, welke dezen grooten invloed gedurende tien, vijftien, twintig jaren op hem uitoefenen. Daaruit laat zich licht verklaren, dat de mensch gewoonlijk van het huisgezin, waarin hij opgroeit, de richting voor geheel zijn leven ontvangt. Of hij later deugdzaam of slecht, of zijn leven en doen later voor velen ten zegen of ten vloek, tot heil of ten verderve zal zijn, dat hangt meestal en voor een groot gedeelte van het huisgezin af, waarin hij de jaren zijner jeugd doorbrengt. Menige misdadiger, die nu, na een slecht leven, achter slot en grendel, in eene sombere gevangenis, een treurig leven voortsleept, heeft dit aan het leven in het ouderlijk huis te wijten. Dit huisgezin heeft hem reeds in zijne prilste jeugd eene slechte levensrichting gegeven. Het voorbeeld van een goddeloozen vader of de dwaasheid en de plicht-vergetenheid eener lichtzinnige moeder heeft hem in den kerker gebracht. Hij had een deugdzaam Christen, een voortreffelijk man kunnen worden maar de grondstellingen, het voorbeeld en het geheele leven in het ouderlijke huis hebben hem allengs tot een bedorven en diep gezonken mensch gemaakt.
Op dezelfde wijze geeft echter het huisgezin meestal aan het kind, dat later als een uitstekend Christen leeft en handelt, de goede levensrichting. Een voorbeeld moge het ons aantoonen. Wij allen hebben zeker wel eens den naam van den H. Vincentius ü Paulo gehoord; hij stierf op den 27 December van het jaar 1660. Wel zelden heeft een man zooveel goeds gewerkt, zooveel tranen gedroogd, zooveel leed en smart verzacht als deze ootmoedige Priester. Als heden ten dage zoo menig arm weeskind met Christelijke liefde en zorg wordt opgevoed, als nu aan het bed van zoo menigen zieke eene liefdezuster staat en hem ter liefde van Jezus Christus met bewonderenswaardige opoffering verpleegt, dan heeft men het aan den H. Vincentius te danken. Want zien wij aandachtiger toe, dan bemerken wij, dat het eene liefdezuster uit de door hem gestichte congregatie is, dat zij tot de Vincen-tianen behoort, welke het arme weeskind op hare armen draagt en bij D. S. d. K. 3
34 HOOFDSTUK III.
den verlaten zieke waakt. Maar wie is nu hoofdzakelijk de oorzaak geweest, dat de H. Vincentius zich zulk eene groote volmaaktheid eigen maakte en zulke buitengewone barmhartigheid beoefende? Waar heeft hij die heerlijke levensrichting verkregen? In het huisgezin zijner ouders, in het ouderlijk huis. Dit huis stond niet in de groote wereldstad Parijs, maar op het land, misschien onder de schaduw van een grooten boom waarnaast een oud kruis stond. Dit huis muntte niet uit door uiterlijke pracht en grooten rijkdom, maar het was de armoedige woning van eenvoudige landlieden, die door zwaren arbeid hun dagelijksch brood moesten verdienen. Maar in dat huis leidde men een zeer Christelijk familieleven, daar heerschten godsvrucht, vrede en liefde; daar stond een vader aan het hoofd, die zijn heilig geloof boven alles liefhad; daar werkte eene moeder, die een engel van barmhartigheid en goedheid was en met blijdschap van het weinige wat zij bezat den armen en noodlijdenden naar vermogen mededeelde. Daar werd de grond gelegd voor de deugd en de zegenrijke werkzaamheid van den H. Vincentius. Wat zou er wel uit hem geworden zijn, als het huisgezin, waarin hij zijne eerste kinderjaren doorbracht, geheel anders was geweest? Misschien een slecht man, die zich zeiven en anderen in het tijdelijk en eeuwig verderf had gestort.
Is het huisgezin, zooals wij gezegd hebben, van hooge beteekenis voor het gansche leven en werken van den enkelen mensch, dan volgt daar reeds van zelf uit, dat het van nog grooter beteekenis voor de geheele menschheid^ voor het maatschappelijk leven eens volks, voor den Staat moet zijn. De Staat wordt toch gevormd uit de som der enkele menschen, uit de som der huisgezinnen. De huisgezinnen zijn als 't ware de levensbronnen voor den Staat; zijn deze levensbronnen vergiftigd, dan moet noodzakelijkerwijze het geheele staatsleven, het geheele openbare leven vergiftigd en bedorven zijn.
Terwille van het groote gewicht der zaak, willen wij nog eenige gezichtspunten bijzonderlijk voor oogen stellen.
Voor het maatschappelijk welzijn van een volk is het klaarblijkelijk van het grootste belang, dat de rechtvaardige en billijke wetten van den Staat door de onderdanen geëerbiedigd en getrouw nageleefd worden. Geschiedt zulks niet, wordt het gezag der wetten met verachting in het stof getreden, dan kan er onmogelijk orde, tucht en geluk in den Staat heerschen.
Nu zullen evenwel de wetten niet meer geëerbiedigd worden, en zal zich overal de geest van oproer en verzet in een volk doen gelden, als men in de huisgezinnen geen gehoorzaamheid meer kent, als de grooter wordende zoon geen eerbied meer heeft voor de bevelen zijns vaders en onbeschaamd tegen zijne moeder opstaat. Met alle macht der
35
politie en alle gevangenissen zal men geene blijde gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat in 't leven roepen.
Voor het welzijn van een Staat is het verder van groot gewicht, dat deugd en goede zeden in aanzien zijn, dat de ondeugd daarentegen in de openbare meening veracht wordt. Is dit niet het geval, dan zal alles zedelijk vuil en bedorven in het volk zijn, overigens gunstige verhoudingen en omstandigheden zullen niet meer in staat zijn, het dreigende verderf op den duur tegen te houden en door een uiterlijk vernis en een bedriegelijken schijn den gapenden afgrond te verbergen, dien men tegemoet loopt. Dat men zich toch niet misleide; wat een volk groot en sterk maakt, is niet de lichamelijke kracht van armen of schouders, maar de zedelijke kracht van het hart en den wil. Er kan nu geen twijfel over bestaan, dat slechts dan deugd en zedelijkheid bij een volk in hoog aanzien staan, dat slechts dan de ondeugd in de openbare meening veracht is, als men in het huisgezin veel op Christelijke zeden en Christelijke tucht acht slaat, als het huisgezin nog een groot heiligdom is, waar men bidt. God lief heeft en zijne geboden getrouw tracht na te leven. Zijn daarentegen de huisgezinnen ontwijd en bedorven, dan zal daaruit als uit duizenden en duizenden bronnen het gift stroomen, dat het zedelijk leven van de geheele maatschappij verpest en het volk zelf rijp maakt voor den ondergang. Dat heeft eens het groote machtige Romeinsche rijk aan zich zelf ondervonden. Toen daar de huisgezinnen algemeen bedorven waren, toen de echtscheidingen tot iets alle-daagsch waren geworden en vele vrouwen, zooals Juvenalis met bijtenden spot opmerkt, hare jaren niet naar de opvolging der consuls, maar naar hunne mannen konden tellen, toen in den echtelijken staat geen huwelijkstrouw meer gehouden werd en de nauwelijks volwassen kinderen reeds liefdesbetrekkingen aanknoopten, toen stortte het rijk, dat uit ijzer en staal scheen opgebouwd te zijn, in een, toen stortte de Romeinsche adelaar, die zoo fier en zegepralend over de geheele wereld had geschouwd, van zijne hoogte af; de slagen der volksverhuizingen waren voldoende om het vroeger zoo machtige, maar nu bouwvallig geworden, wereldrijk te verbrokkelen. Het huisgezin was voor den Ro-meinschen Staat tot een giftbron geworden en daarom ging hij ten gronde.
Voor het openbare welzijn is het verder van groot gewicht dat een Staat goede ambtenaren heeft, die met getrouwheid en volgens hun geweten hunne plichten na leven, ambtenaren die niet hun eigen voordeel, maar het welzijn van het volk voor oogen houden; ambtenaren, die een nauwgezetten zin voor rechtvaardigheid bezitten en daarom ontoegankelijk zijn voor omkooperij of partij-bedoelingen. Gelukkig zulk een
36 HOOFDSTUK III.
Staat; hij zal het ware welzijn zijner burgers in hooge mate bevorderen. Goede, uitstekende ambtenaren zijn een groote zegen voor den Staat en al zijne onderhoorigen. Maar zullen nu de ambtenaren hunne plichten wel op uitstekende wijze kunnen vervullen, als zij niet in hunne jeugd door hunne ouders tot vlijt, tot liefde voor orde en tot nauwgezetheid opgeleid zijn geworden? Zullen zij onomkoopbaar en rechtvaardig zijn, indien zij als kinderen reeds kleine dieven waren? Zullen zij menschelijk en meedoogend met hunne ondergeschikten omgaan, indien zij als kinderen in het ouderlijke huis reeds opvliegend en heerschzuchtig, indien zij hard en liefdeloos voor broeders, zusters en dienstboden waren, en zoo er geen vaders of moeders waren, welke hunne gebreken en ondeugden met ernst te keer gingen en bestraften? Zekerlijk niet. Ook de latere ambtenaar ontvangt in het huisgezin, waarin hij zijne kindsheid doorbrengt, zijne levensrichting, zijn zedelijk karakter, waarvan hij zich niet zoo licht ontdoet.
Voor het algemeene welzijn van den Staat is, om nog slechts dit eene aan te halen, de werkzaamheid der Priesters als zielzorgers tot een groeten zegen. Wij moeten dezen zegen nog veel hooger stellen dan dien, welke aan het beroep van een ambtenaar verbonden is. Een braaf ijverig zielzorger treedt met vastheid en verstand de ondeugd in zijne gemeente tegen, al zou hij daarom ook gesmaad en gehaat worden; hij zorgt daarom met den ijver eens herders voor het Christelijk leven; hij onderricht en leidt de jeugd ten goede; hij troost de armen en hen, die in kommer verkeeren en staat de stervenden in het ernstige oogenblik des doods bij; kortom hij is in den besten zin des woords de geestelijke vader zijner gemeente. Dat weet ons goed Katholiek volk ook wel; daarom draagt het zijn getrouwen zielzorger liefde en achting toe; en treurt het bij zijn dood alsof een vader in het huisgezin gestorven ware. Wordt derhalve in eene gemeente eene geregelde en zegenrijke zielzorg onmogelijk gemaakt, dan verwildert de jeugd, wordt de ondeugd schaam-teloozer en komen met elk jaar meer vijandige gevoelens voor den Staat te voorschijn. Wie oogen heeft en zien wil, kan zich in onze dagen in meer dan een Staat daarvan overtuigen.
Wie geeft ons die goede zielzorgers? Wie helpt goede Priesters vormen? Dat is zeker de taak der priester-seminaries, maar deze vorming in de seminaries moet voorbereid worden door eene goede opvoeding in het huisgezin. Het ouderlijk huis is het eerste seminarie, waarin de toekomstige Priester voor zijn heiligen stand opgevoed wordt. Is dit seminarie slecht, dan bestaat er nauwelijks hoop, uit den jongen godgeleerde door de beste opleiding in het seminarie een goed Priester te vormen.
DE KERK EN HET HUISGEZIN. 37
De moeder is de eerste s regent,quot; die den toekomstigen Priester de eerste en gewichtigste opvoeding moet geven. Doet deze j regentquot; haar plicht niet, dan is dit een nadeel, dat de Priester geheel zijn volgend leven vergezelt. Onze goede en ijverige Priesters hadden bijna altijd eene vrome moeder, die het ernstig met de opvoeding der kinderen nam; en onze heilige Priesters, die de Kerk Gods door den glans hunner deugden verheerlijkt en zoo zegenrijk op het eigen en het nageslacht gewerkt hebben, hadden gewoonlijk ook eene heilige moeder, die de kinderen op haar schoot reeds God leerden liefhebben.
Dat is in korte woorden de hooge beteekenis van het huisgezin voor den enkelen mensch en de geheele maatschappij.
Laat ons nu zien, wat de Heilige Kerk doet om het huisgezin te verheffen en het in staat te stellen, om zijn rijken zegen te verspreiden.
11.
De Heilige Kerk verheft, veredelt en bezorgt het geluk van het huisgezin op drieërlei wijzen; ten eerste legt zij een goeden vasten grondslag daarvoor door hare leer over het huwelijk. Geen verstandig mensch bouwt zijn huis op een moeras, al groeit daar nog zulk frisch en welig gras op; hij verlangt veeleer een stevigen, vasten grondslag, want hij weet dat het zonder dezen zou verzinken en ineen vallen. Zoo is het ook met het innerlijke leven in een huis, met het huisgezin. De grondslag daarvoor is het huwelijk. Is het huwelijk goed, deugdzaam en gelukkig, dan is ook het geheele huwelijksleven goed en deugdzaam. Nu echter is er niets, dat het huwelijk zoo zeer verheft en adelt als de leer onzer Kerk; niets draagt er meer toe bij om het huwelijk te heiligen en het goed en gelukkig te maken, dan wanneer de bruidslieden en echtge-nooten diep doordrongen zijn van de waarheden, welke de Kerk over het Christelijk huwelijk verkondigt. Zij leert met grooten nadruk: het huwelijk is niet alleen een burgerlijk contract, zooals bv. de koop van een huis of van een akker, het is veeleer iets heiligs, het is door Jezus Christus tot de waardigheid van een heilig Sacrament verheven, volgens de woorden van den Apostel Paulus; iHel huwelijk is een groot Sacrament, ik zeg u echter in Christus en de Kerk. (Ephes. 5. 32) Treden Christelijke bruidslieden in staat van genade en met goede bedoelingen tot het altaar, en reiken zij elkander daar onder den zegen des Priesters de hand tot het huwelijfcsverbond, dan ziet God in den hemel met welgevallen op het jonge bruidspaar neder, Hij keurt hun band goed en
38 HOOFDSTUK III.
zegent dien en schenkt den gehuwden zijne rijke genaden, opdat zij hier beneden hunne plichten getrouw vervullen en eenmaal in den hemel voor altijd in God met elkander verbonden blijven. De Kerk houdt verder met onbuigzame vastheid de eenheid en de onoplosbaarheid mn] het Christelijk hinuelijk staande; zij leert: Wat God verbonden heeft, zal de menseh niet scheidenquot; (Math. 19. 6.) De echtelieden moeten in trouwe liefdeen eendracht hunne levensdagen met elkander doorbrengen, tot de dood komt en met zijne koude hand den vasten, innigen band, die hen aan elkander verbindt, verbreekt. Zij moeten elkander ondersteunen en staande houden, moeten elkander tot de deugd en een Christelijk leven aansporen en trachten te vervolmaken; geen kruis, geen lijden, geen ongemak mag ooit hunne harten van elkander los maken; opdat deze trouw en eendracht ook niet in 't geringste aan 't wankelen worde gebracht, moeten zij zelfs de geringste en verborgenste gedachten, welke daartegen in het hart opkomen, met alle beslistheid van zich wijzen; want onze Goddelijke Heiland zegt met heilige gestrengheid: »Gij hebt gehoord, dat tot de anderen gezegd is geworden: Gij zult niet overspelig zijn. Maar ik zeg u, dat ieder, die eene vrouw met begeerte aanziet, in zijn hart reeds echtbreuk heeft gepleegd.quot; (Math. 5. 27.)
Dat is in 't kort de leer van de Heilige Kerk over het huwelijk, gewis eene leer, welke eene aanhoudende en offervaardige toewijding van de opvoeding der kinderen mogelijk maakt; eene leer, eindelijk, die de menschelijke hartstochten in toom en teugel houdt. Kan men een beteren en zekerder grondslag voor een goed familieleven leggen, dan het door deze leer der Kerk geschiedt? Als alle Christenen, als allen, die in den huwelijken staat willen treden, en allen, welke zich daarin reeds werkelijk bevinden, van deze zoo eenvoudige en toch zoo verheven waarheden doordrongen waren en daarnaar leefden, zou dat niet uiterst weldadig op het gansche familieleven werken?
Met welke voorzichtigheid, met welken zedelijken ernst zou men dan niet in het huwelijk treden en met hoeveel nauwgezetheid zich tot dezen gewichtigen stap voorbereiden? Hoeveel onheil en zonde, hoeveel ongeregeldheid en ongeluk zouden daardoor niet reeds van het huis der echtelieden verre gehouden worden?
Maar de Kerk doet nog meer voor het welzijn van het huisgezin.
Zij streeft er in de tweede plaats naar, om het Christelijk huisgezin met die eigenschappen te versieren, welke zooveel tot het ware geluk ervan bijdragen. Zij schenkt het vooreerst godsvrucht en vroomheid. Waar in een huisgezin de medeleden van het huis werkelijk Christelijk zijn. Christelijk leven en Christelijk denken, daar beminnen zij God ; en omdat zij God beminnen, vreezen zij Hem te beleedigen en geven daarom
39
acht op zich en hunne neigingen. Dat alleen moet reeds de orde, de eenheid en het geluk van het huisgezin machtig bevorderen. In zulk een huis, waar men God lief heeft, bidt men gaarne tot Hem, bezoekt men gaarne de kerk, ontvangt men gaarne en dikwijls de heilige Sacramenten, Daardoor blijft men in voortdurend verkeer met God, die de bron van al het waarachtig goede en van alle genade is. Valt daardoor aan het huisgezin niet voortdurend nieuwe hemelsche aanmoediging en kracht ten deel, en moeten zijne leden daardoor niet zedelijk verheven en veredeld worden?
Wil het huisgezin goed en gelukkig zijn, dan moet men er de eendracht en den vrede trachten te bewaren. Waar vrede heerscht daar is vreugde en tevredenheid, daar wordt het kruis aanmerkelijk lichter gedragen, daar wordt eene goede, gevolgrijke opvoeding der kinderen veel eerder verzekerd. Verdwijnt daarentegen de vrede uit een huisgezin, dan is het nog slechts eene plaats van verwarring en ongeregeldheid, van zonde en van kommer; het is alsof de hel met al hare booze geesten er haar intrek heeft genomen. Nu is evenwel de leer en het streven der Kerk er zeer op uit om in de Christelijke huisgezinnen den vrede te vestigen en te bewaren. Zij spoort de leden van het huisgezin aan elkander te beminnen als kinderen van den hemelschen Vader; zij herinnert hen aan de heerlijke woorden van onzen Goddelijken Heiland: iZalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk bezitten; zalig zijn de vredelievenden, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.quot;
De Kerk maant ons voortdurend aan ons zeiven te beheerschen, toorn en ongeduld te bestrijden en, naar het verheven voorbeeld van Jezus-Christus, te zijn zachtmoedig en ootmoedig. Zij spoort ons aan te vergeven als wij gekrenkt of beleedigd zijn geworden, en kwaad met goed te vergelden; dagelijks doet zij ons in het »Onze Vaderquot; bidden; iVergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.quot; Voeg hier nog bij het verkeer met den God des eeuwigen vredes, waartoe de Kerk hare kinderen door het gebed en de H. Communie aanmaant. Moet door dit alles niet de vrede in het huisgezin bevorderd en gesterkt worden ? Is lang aanhoudend ongenoegen wel mogelijk in een huisgezin, waar men volgens de leeringen en vermaningen der Kerk leeft? Al mogen ook de temperamenten verschillend zijn, al mogen ook hier en daar de opvattingen uit elkander loopen, een ernstig en blijvend ongenoegen kan in zulk een huisgezin niet voorkomen, en elke kleine oneenig-heid zal door Christelijke zelfbeheersching en voorkomendheid spoedig weer vereffend worden.
Eindelijk bevordert de Kerk ook den voorspoed en de welvaart van het huisgezin. Zij kan het jeugdig echtpaar wel is waar geen groot
40 H O O F D S T U K m.
vermogen schenken; zij is dikwijls zelve arm en moet hare noodzakelijkste behoeften voor den godsdienst en de missiën door milde gaven der geloovigen bestrijden. Doch zulk een geschenk ware voor de meeste huisgezinnen slechts nadeelig. Er zijn vele zeer rijke familiën, welke door groote deugd en Christelijken ijver uitmunten, maar buitengewone rijkdom brengt toch gewoonlijk zeer groote gevaren mede, evenals ook groote armoede. Voor de meeste menschen en de meeste huisgezinnen is een bescheidene welvaart het best en het wenschelijkst. En deze bevordert op werkdadige wijze het Christendom, onze moeder, de heilige Kerk. Waar men in een huisgezin Christelijk denkt en leeft, daar is men matig. De moderne zucht tot vermaak der Christen volkeren, die zoo zeer de welvaart belemmert, is over het geheel onchristelijk; zij zou zeker niet bestaan, als men niet veelvuldig volgens heidensche beginselen leefde in plaats van naar Christelijke. In een waarlijk Christelijk huisgezin is men bij alle weldadigheid en barmhartigheid spaarzaam en huishoudelijk; want men heeft de overtuiging, dat men ook eenmaal van de tijdelijke goederen rekenschap zal moeten afleggen; men heeft in de H. Schrift gelezen, dat de Goddelijke Heiland, na de wonderdadige vermeerdering der brooden in de woestijn, de broodkruimels zorgvuldig liet verzamelen. In een dóór en dóór Christelijk huisgezin is men eindelijk ook vlijtig en arbeidzaam; want men weet, dat de arbeid eene wet van boetedoening voor de gevallen menschheid is, welke God reeds op de eerste bladzijden der H. Schrift aan onzen stamvader en aan al zijne nakomelingen heeft gegeven, als hij zegt; tin '/ zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, totdat gij tot de aarde zult weder-keeren, waarvan gij genomen zijt: (I Mos. 31. 19.) Daarom streeft een getrouw en ijverig Christen nog steeds er naar, zijne beroepsplichten nauwgezet te vervullen. Wie ziet nu niet in, dat door deze eigenschappen ook eene zekere welvaart van het huisgezin wordt bewerkt? In hoevele huisgezinnen, waar nu nood en ellende heerscht, zou men zich in welvaart kunnen verheugen, als men er steeds volgens Christelijke grondbeginselen geleefd en vooral arbeidzaamheid, spaarzaamheid en matigheid in 't oog gehouden had?
De Kerk doet ten slotte nog iets voor de welvaart van het Christelijke huisgezin. Zij wendt zich namelijk tot de verschillende leden daarvan en drukt hun vol ernst hunne plichten op het hart. Zij wendt zich in de eerste plaats tot den man en zegt hem: Gij zijt het hoofd des huisgezins, maar niet om als een dwingeland naar luim en willekeur te heerschen, maar om als plaatsvervanger van God voor allen te zorgen. Gij moet zorg dragen voor uwe vrouw, die u als levensgezellin ter zijde staat, »Gij zijt haar trouwe liefde verschuldigd; zij moet de vreugde
41
uwer ziel, de koningin uws harten zijn; gij moet liever alles verliezen, alles lijden dan uwe vrouw ontrouw worden, tMannen^ hebt uwe vrouwen lief, zooals Christus zijne Kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft opgeofferd.quot; (Ephes. 5. 25.) Gij zult zorg dragen, zegt de Kerk verder tot den man, dat uwe kinderen in de liefde en de vreeze Gods opgroeien: want eenmaal zult gij tot rekenschap over hen worden opgeroepen ; daarom moet gij hen en al uwe onderhoorigen door woord en voorbeeld tot een deugdzaam leven aansporen. Gij moet ook als hoofd des gezins naar uw vermogen voor de tijdelijke welvaart der uwen zorgen; want anders zijn op u de woorden van den Apostel Paulus van toepassing;
sAls iemand voor de zijnen en vooral voor zijne huisgenooten niet zorgt, die is erger dan een heiden en heeft het geloof verloochend.quot; (I Thim. 5. 8) Welk een geluk zou het voor de maatschappij zijn, als alle mannen en vaders deze vermaningen der Kerk trouw ter harte namen! Daardoor alleen zou misschien reeds de helft van alle zonden en alle zedelijke en stoffelijke ellende uit de wereld verwijderd worden!
Daarop wendt de Kerk zich tot de vrouw, die zij uit den diepen smaad, welke in het heidendom op haar rustte, bevrijd en met eer en waardigheid omgeven heeft, en spreekt tot haar: Is de man het hoofd van het huisgezin, gij zijt er het hart van. Van uit het hart stroomt het bloed en verdeelt zich in alle ledematen van het lichaam en zoo kan dit zich in eene frissche en bloeiende gezondheid verheugen; en bij deze zegenrijke werkdadigheid wordt het hart niet zichtbaar en spreekt het niet luidt, zooals het hoofd, maar klopt en werkt rustig en stil.
Zoo moet ook gij door een stil, vroom, vlijtig en huislijk leven in het huisgezin eene bron worden, waaruit vreugde en geluk, een hemelsche zegen op alle leden van het huis stroomt. In 't hart woont de geest van offervaardigheid, die den mensch boven de aangeboren zwakheid verheft en tot goede, edele daden bekwaam maakt. Zoo moet ook u een sterke zin van offervaardigheid bezielen; uw leven moet een blijvend leven van opoffering zijn; gij moet u opofferen voor uw man, aan wien gij steeds trouw, gehoorzaamheid en vriendelijke voorkomendheid moet schenken; dan moogt gij ook hopen een heilzamen invloed op zijne onsterfelijke ziel te verwerven en hem voor den hemel te redden. Gij moet u ook opofferen voor uwe kinderen, wier opvoeding God vooral in uwe handen heeft gelegd. Gij moet derhalve alles aanwenden, om hen tot goede menschen, tot getrouwe en ijverige Christenen op te brengen.
Mochten toch alle vrouwen, alle moeders deze taal, deze wenschen der Kerk begrijpen en trachten te vervullen! Gelukkig dan de mannen, gelukkig, tienmaal gelukkig dan, de kinderen.
HOOFDSTUK 111.
42
In de derde plaats wendt de Kerk zich tot de kinderen van het gezin en vermaant hen hunne ouders als de plaatsvervangers van God te eeren en hen als hunne grootste weldoeners hier op aarde te beminnen. Zij wijst hen op het heerlijk voorbeeld, dat hun het Goddelijk Kind Jezus in Nazareth heeft gegeven, en herinnert hen er aan, hoe Hij zijne heilige Moeder en zijnen maagdelijkcn voedstervader in alles gewillige en bereidvaardige gehoorzaamheid betoonde.
Zij drukt den kinderen zeer diep in het vierde gebod op 't hart: ï Eert vader en moeder, opdat het u welga en gij lang moogt leven op aarde.quot; Zij maakt hen opmerkzaam op de beloften van zegen, welke God den goeden kinderen gegeven heeft, en op de bedreigingen welke Hij tegen de ongehoorzame en ondeugende kinderen uitspreekt. Bovendien tracht zij, in hare groote liefde tot de kinderen, een goeden invloed op hen te verkrijgen; onderricht hen in de godsdienstige waarheden en leidt hen het Christelijke leven in. De ouders werken voor hun geluk en dat hunner kinderen, als zij de Kerk in deze zegenrijke werkdadigheid zoo krachtig mogelijk ondersteunen, en de Staat handelt in zijn eigen belang, als hij hun in dit opzicht volle vrijheid laat. De Katholieke leer bevat geen staatsgevaarlijke grondbeginselen, en geen enkel Katholieke Priester heeft ooit in den katechismus tot ongehoorzaamheid aan de ouders en de wereldlijke overheid aangespoord.
Ten slotte wendt de heilige Kerk zich ook tot de dienstboden in het huisgezin en vermaant hen de woorden van den H. Paulus plichtmatig te vervullen; *De dienaren vermaan ik, dat zij hunnen meesters onderdanig en in alles gehoorzaam zijn, niet tegenspreken, niets ontvreemden, maar in alles volmaakt getrouw zich betoonen, opdat zij de leer Gods, onzen Heiland, in alles tot sieraad mogen zijn. (Tit. 2. 9) Zoo den dienstboden hun beroep en arbeid zwaar vallen, dan herinnert de Kerk hen aan den Goddelijken Heiland, die op aarde kwam, niet om zich te laten bedienen, maar om zelf te dienen; zij herinnert hen aan den hemel en de eeuwige zaligheid, waar elke zweetdroppel, dien men God heeft opgeofferd, overvloedig loon zal vinden. Waar de Kerk nog invloed op de dienstboden heeft, daar zijn zij gewillig, trouw en eerlijk, vlijtig en gehoorzaam. Waar de Kerk over 't algemeen in de aangegevene drievoudige wijze op het huisgezin kan werken, daar is het er nog goed mede gesteld, en stroomt daaruit een groote zegen op bijna alle verhoudingen der menschelijke maatschappij. Mocht dan ook het huigezin zich in onze dagen wederom geheel onder den invloed van het Christendom stellen!
fioo^^BWiv iv.
De Kerk en de Eigendom,
en denkend mensch zal gaarne de bewering beamen, dat eene wijze en rechtvaardige wetgeving ten opzichte van den eigendom eene zeer hooge waarde bezit. Een volk heeft alle reden zich zelf geluk te wenschen, als door strenge wetten elke woeker en elke onrechtvaardigheid verboden en gestraft wordt, verhouding tusschen arbeidgevers en arbeiders op eene goede wijze wettelijk geregeld is en alles wat op handel en kapitaal betrekking heeft, verstandig en wijs geregeld is geworden, als de belastingen en lasten naar rechtvaardigheid en billijkheid verdeeld zijn. â Dat alles kan veel tot de tevredenheid, de orde en de welvaart van een volk bijdragen. Maar door deze uiterlijke wetten van den Staat is nog niet alles, ja nog niet het meeste geschied, wat het verwerven en het gebruik der aardsche goederen, van den eigendom, heilrijk ordent en regelt. Daartoe is voor alles noodig, dat de gewetens der menschen goed gevormd en geordend zijn.
Want wat baten de beste wetten van een Staat, als de onderdanen in hun geweten niet voor kleine ongerechtigheden terugdeinzen, als misschien zij, wien de rechtspleging is toevertrouwd, er geen gewetenszaak van maken om de wetten te overtreden of behendig te ontduiken ? Dan staan de wetten wel op het papier, en liggen in de bestoven acten der
44 H O O F D S T U K IV.
ambtenaren, maar zij leven niet in het volk, zij zijn geen macht, die de gerechtigheid hoog houdt. Het komt er voor alles op aan, dat het inwendige geweten voor iedere ongerechtigheid terugdeinst. Dat is meer waard dan de beste uiterlijke wetten op het papier. Maar het geweten wordt niet gevormd en in regelmaat gehouden door den stok der politie, niet door de ijzeren tralies voor de vensters onzer gevangenissen, maar door een geloovig opzien tot God, door den godsdienst, door onze Moeder de heilige Kerk. Daarom is ook de Kerk ten opzichte van den eigendom de grootste weldoenster van den Staat en de geheele maatschappij. Dit zullen wij in dit hoofdstuk wat nader beschouwen.
L
De heilige Kerk leert in de eerste plaats, dat het bezit van aardsche goederen, de eigendom, rechtvaardig en billijk is.
God zelf is de hoogste en onbeperkte Heer der geheele aarde en van alle dingen die zich op haar bevinden, omdat Hij alles door zijne almacht in 't wezen heeft geroepen en alles voortdurend onderhoudt. God kan zich van dit zijn hoogste eigendomsrecht niet ontdoen, daar het wezen en het voortbestaan der dingen in elk oogenblik van zijn wil afhangt. Maar niets belet Hem, het recht om de goederen der aarde te mogen gebruiken, aan anderen af te staan. En Hij heeft dit recht ook werkelijk den mensch geschonken, dien Hij naar zijn beeld en gelijkenis schiep, met verstand en een vrijen wil toerustte en die daarom de bekwaamheid heeft, de aardsche goederen op doelmatige wijze goed te kunnen bezitten en gebruiken. God heeft gezegd: ^Laat ons den mensch naar ons beeld en onze gelijkenis maken, opdat hij heersche over de visschen der zee en de vogels des hemels en de dieren en over de geheele aarde en over al het kruipend gedierte dat zich op de aarde beweegt.quot; (IMoz. i. 26.) Na de schepping heeft Hij toen aan het eerste menschenpaar en in dit aan de geheele menschheid het bevel gegeven: »Vervult de geheele aarde en maakt haar u onderdanig en heerscht over de visschen der zee en over de vogels des hemels en over alle dieren die zich bewegen op aarde... Zie, ik heb u gegeven alle kruid, dat zaad geeft en alle boomen, die in zich zeiven zaad hebben volgens hun soort, opdat zij u tot spijs dienen. (I Moz. 1. 28 en 29.) Sinds dien tijd hebben demen-schen zich de goederen der aarde daadwerkelijk toegeëigend en ze tot hun nut aangewend. Zij hebben die, ofschoon God de hoogste eigenaar blijft, toch met recht als hun eigendom beschouwd. En overal, waar
DE KERK EN DE EIGENDOM.
God in zijne liefde en gerechtigheid zich den menschen openbaarde, heeft Hij hun eigendomsrecht erkend. Ja, dat niet alleen, maar Hij heeft het zelfs geheiligd, heeft het door zijne wetten in bescherming genomen, heeft aan de menschen het strenge bevel doen toekomen den eigendom van anderen niet te beschadigen, en zelfs op plechtige wijze van den berg Sinaï de begeerte daarnaar verboden. En van Jezus Christus, den eenigen Zoon Gods, die uit oneindige liefde tot ons mensch werd en onder ons verkeerde, lezen wij nergens, dat Hij ook slechts met een enkel woord het menschelijk eigendomsrecht heeft aangetast. Hij zelf wilde in de grootste armoede geboren worden, wilde in ontbering en armoede sterven. Hij bezat niets op deze wereld wat Hij als mensch zijn eigendom kon noemen. De Kribbe, waarin Hij in den heiligen Kerstnacht hulpeloos lag, was niet zijn eigendom, noch dat zijner moeder of zijns voedstervaders; zijn zoo vreeselijk hard sterfbed, het arme, naakte kruis, waaraan Hij stierf en het graf, waarin Hij werd gelegd, was niet zijn eigendom, maar van een ander. Hij kon in waarheid van zich zeggen: nDc vossen hebben hunne holen en de vogels hunne nesten; maar de Zoon des menschen heeft niets, waarop Hij zijn hoofd kan nederleggen.quot; (Math. 9. 20.) Hij verkeerde gaarne met de armen en noodlijdenden: men kan het niet ontkennen, zij waren zijne lievelingen. De rijken heeft Hij ernstig op de gevaren opmerkzaam gemaakt, welke het bezit van goederen hun brengen kan; Hij heeft zijn »weequot; over hen uitgesproken, als zij hun hart aan den Mammon hechtten; maar de arme, niets bezittende Heiland heeft niet gezegd: »De eigendom is diefstal;quot; bij geene enkele gelegenheid heeft Hij ook maar door een enkel woord het eigendomsrecht aangevallen. En toch had Hij er dikwijls genoeg de gelegenheid toe. Hij ging b. v. van tijd tot tijd bij de drie bekenden (Maria, Martha en Lazarus) in Bethanie. Het waren zeer welvarende en rijke lieden, die echter bij hunnen rijkdom God trouw dienden. De Goddelijke Heiland heeft hun nooit aangeraden al hunne goederen aan anderen te verdeelen, omdat het ongerecht is eigendom te bezitten, ja. Hij heeft zelfs een der zusters, Maria namelijk, uitdrukkelijk in bescherming genomen, toen de hebzuchtige Judas zijne berisping uitsprak over de kostbare zalf waarvan men, zooals de huichelaar zeide, beter deed de waarde aan de armen te geven. Zoo heeft Christus nooit den eigendom op zich zelf misbillijkt.
Deze gezindheid van haren Goddelijken stichter kennende, heeft de heilige Kerk altijd geleerd en zal zij altijd leeren, dat het bezit van een rechtmatig verkregen zaak volstrekt niets onrechtvaardigs heeft, dat integendeel de eigendom volkomen gerechtvaardigd is cn aan den wil van God beantwoordt.
46
Deze leer der Kerk is in de eerste plaats eene ware weldaad voor den enkelen mensch. Zij draagt er veel toe bij, dat het kenmerk der zelfstandigheid en der persoonlijke vrijheid zich gemakkelijker op eene goede wijze bij hem ontwikkelt. De menschen willen nu toch eenmaal leven. Bezitten zij evenwel volstrekt geen eigendom, dan zweven zij in voortdurende onzekerheid over hun middelen van onderhoud en beslaan.
Wat iemand tot behoud zijns levens voor zich zeiven wil nemen, neemt misschien een ander voor hem; of als hij die zaak misschien verkregen heeft, komt een sterker en ontrukt ze aan zijne handen en gaat er bedaard mee weg, zonder zich in 't minst om zijn honger en nood te bekommeren. Deze voortdurende onzekerheid moet evenwel ook in 't binnenste een blijvend wankelen te voorschijn roepen en moet dus klaarblijkelijk de vorming van een vast en edel karakter in hooge mate belemmeren. Bezit de mensch evenwel geen karakter, dan is het treurig met hem gesteld; hij is, om mij zoo uit te drukken, slechts een half mensch, die geen zin en geen ernstig streven tot eene goede zaak bezit, een mensch, die slechts tot eene teringachtige deugd in staat is en niets degelijks kan voortbrengen.
Maar men denkt misschien dat de Staat alles moet bezitten, over alles moet beschikken, alles onder de enkele personen moet verdeelen. Wij hebben een spreekwoord, dat zeer leelijk is, maar dat volgens de dagehjksche ondervinding, door de zwakheid der menschelijke natuur maar al te dikwijls een waar woord wordt. Het luidt: »Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.quot; Maar al te dikwijls wordt hij, die geen eigendom bezit, zelf het eigendom van een ander; hij spreekt, zooals de andere het hebben wil; hij doet en laat wat den andere aangenaam is; hij hangt van de korst brood af die de andere hem reikt en verliest maar al te licht de persoonlijke vrijheid en zelfstandigheid. Zoo nu de Staat alles bezat en alles aan de afzonderlijke personen moest uitreiken, dan zouden de menschen spoedig nog slechts uit eene kudde laffe, onzelfstandige slaven bestaan, die steeds meer en meer het bewustzijn hunner menschelijke waardigheid zouden verliezen. Zulke menschen zouden mettertijd steeds karakterloozer moeten worden en steeds dieper in den afgrond der laagheid zinken. En toch wil ik mij, om mijne verhandeling niet al te ver uit te breiden, niet langer bij de vraag ophouden: welke ongerijmdheden en onmogelijkheden er ontstaan moesten, wanneer de Staat als de algemeene broodgever alles moest verdeelen, hoe groot het legioen beambten zou moeten zijn, die met de verdeeling belast waren en hoe dikwijls de verdeeling weer opnieuw zou moeten beginnen, om elke ontstane ongelijkheid dadelijk in de kiem te verstikken, en ten slotte hoe licht bij de verdeeling partijdighe-
47
den en onrechtvaardigheden konden binnensluipen, die iederen dag aan duizenden en duizenden redenen tot ontevredenheid zouden geven. Zulke en dergelijke vragen, waarvan men er nog vele zou kunnen aanvoeren, bewijzen, dat zulk een stelsel op den duur onmogelijk is en dat het voortdurend de menschen tegen elkander in 't harnas zou jagen.
De leer van onze Kerk over het eigendomsrecht is verder ook eene groote weldaad voor het familieleven. De familie is, zooals wij reeds gezien hebben, wezenlijk een lid van de menschelijke maatschappij, van welke in hooge mate haar voor- of tegenspoed afhangt.
Nu is de eigendom in zekeren zin de stoffelijke grondslag, waarop de familie, het huisgezin, berust. Geheel en al zonder eigendom kan zij niet bestaan. De ouders zijn naast God de oorsprong van het leven hunner kinderen; daarom behooren dezen voor alles den ouders. De ouders moeten in de eerste plaats de kinderen voeden en kleeden, opvoeden, voor hunne geestelijke en lichamelijke ontwikkeling en vorming zorgen, en zoo naar vermogen hun toekomstig geluk grondvesten.
Indien men dezen plicht niet wilde erkennen, dan zou dat noodzakelijkerwijze het verval der familie en der geheele maatschappij na zich sleepen. De ouders nu kunnen dezen eersten en noodzakelijksten plicht niet nakomen zonder eigendomsrecht. Hoe kunnen zij hunne kinderen op zekere wijze voeding en kleeding geven, hoe hen op den duur zeker voor honger en koude beschermen, als zij volstrekt geen recht hadden, eene of andere zaak als hun eigendom te beschouwen, als zij zelfs niet den penning of het stuk brood, die zij in het zweet huns aanschijns verdienen, als hun eigendom konden aanwijzen? Zou den ouders daardoor niet een plicht onmogelijk worden gemaakt, welks trouwe vervulling nu hun schoonste geluk uitmaakt en voor de menschheid den rijksten zegen medebrengt, namelijk het behoud en de geestelijke en lichamelijke opvoeding hunner kinderen.
Eindelijk is de leer der Kerk over het eigendomsrecht ook eene groote weldaad voor de stoffelijke en geestelijke ontwikkeling, voor den waren vooruitgang en de ware beschaving der volkeren. Dat hangt met het voorafgaande nauw te zamen. De menschen bezitten lichamelijke en geestelijke krachten. Deze moeten zij gebruiken en steeds meer ontwikkelen, daartoe heeft de Schepper ze hun gegeven. Als zij die nu vlijtig gebruiken en vervolmaken, schreidt de ontwikkeling der menschheid vooruit, ontwikkelt de ware vooruitgang steeds meer zijn zegen. Deze ontwikkeling der beschaving nu hangt wezenlijk af van den eigendom.
Dit geldt in de eerste plaats voor de stoffelijke beschaving, voor den vooruitgang en het gedijen van den akkerbouw, het handwerk en
HOOFDSTUK IV.
den handel. Zullen deze zich heerlijk ontwikkelen en tot bloei geraken, dan is daartoe bepaald arbeid en wel opgeruimde en opmerkzame en aanhoudende arbeid noodzakelijk.
Maar zouden de menschen op den duur gaarne en vlijtig arbeiden, zouden zij zich meer en meer trachten te vervolmaken in hunne bekwaamheid in zaken en handwerk, indien zij niet de vruchten of het loon van hun arbeid als hun eigendom mochten beschouwen? Zou men niet veeleer denken: waartoe zal ik mij aftobben en al mijne kracht aan den arbeid zetten, als anderen de vrucht van mijn zweet oogsten? Zou niet spoedig een algemeene afkeer van den arbeid het noodzakelijke gevolg daarvan zijn? Daalt evenwel de lust tot arbeid, dan daalt ook de stoffelijke vooruitgang: een algemeene achteruitgang in handel en in zaken, nood en ellende van allerlei aard moeten daaruit voortkomen.
Men heeft volkeren ontdekt, b. v. op verscheidene eilanden van Australië, bij welke sedert eeuwen een soort socialisme bestaat, daar slechts de gemeente het grondbezit heeft. Als gevolg daarvan vertoont zich eene buitengewone traagheid, zoodat de bewoners dikwijls aan het gevaar van den hongerdood blootgesteld zijn, en dat op den bodem, die drie en viermaal meer opbrengt en vruchtbaarder is, dan de bodem in onze gewesten. Daar nu de arme lieden evenwel niet van honger willen sterven, worden zij menscheneters. Op eene zelfde wijze staat ook de geestelijke ontwikkeling, staat de vooruitgang in kunsten en wetenschappen in de nauwste betrekking tot den eigendom. Bloei van kunsten en wetenschappen is evenwel niet denkbaar zonder geestdrift voor dezelve en zonder ingespannen werkdadigheid van den geest.
Deze blijde en ernstige geestesarbeid kan over 't algemeen slechts gedijen op den grondslag van den eigendom; hij is slechts dan op den duur mogelijk als door den eigendom voor de lichamelijke behoeften van de betreffende personen gezorgd wordt, als daardoor tijd en middelen voor den geestesarbeid gewonnen kunnen worden. Dientengevolge derhalve is het eigendomsrecht, zooals de heilige Kerk het leert, de grondslag voor de gezamenlijke ontwikkeling der beschaving, de grondslag voor een zegenrijk familieleven en de grondslag voor de vorming van het karakter en de persoonlijke vrijheid van den mensch afzonderlijk. Wie het eigendomsrecht aantast, tast de grondzuil aan, waarop de orde en het welzijn van de geheele maatschappij rust. Mocht men dit in onzen tijd wederom algemeen erkennen; mocht men het inzien en zeer ter harte nemen, dat men het welzijn der volken niet grondt door de omverwerping van de door God gewilde orde, die sedert duizenden jaren bestaat, niet daardoor, dat men zich vijandig stelt tegen over God, zijn wil en zijne openbaring.
48
I
DE KERK EN DE EIGENDOM. 49
TL
De Heilige Kerk leert verder: :Met is zonde den evenviensch ï! met voorbedachten rade aan zijn eigendom op eenigerlci wijze te schaden.
Is deze beschadiging aanmerkelijk, dan is dit eene zware zonde, eene doodzonde, die, als men er in sterft, van de eeuwige zaligheid uitsluit. Want de Heer spreekt door den Apostel Paul us: » Wee', gij dan niet, dat dc goddeloozen het rijk Gods niet zullen erlangen; misleid ti niet: ' noch dieven, noch hebzuchtigen... noch roovers zullen het rijk Gods bezitten (I Cor. 6, 9 en n.) Ja niet alleen de werkelijke beschadiging van den vreemden eigendom is zondig, maar ook reeds de vrijwillige begeerte daartoe; daarom scherpt de Kerk met groeten nadruk het tiende in: »Gij zult niet begeer en uws naasten huis, akker, dienstknecht, dienstmaagd, os, ezel, noch iets van al hetgeen hem toebehoort.quot; Zij tracht in het hart van den Christen een diepen en edelen zin voor de gerechtigheid aan te kweeken; want zij is vast overtuigd dat een mensch, wien de eigendom van zijn evenmensch niet heilig is, die oneerlijk en onrechtvaardig is, onmogelijk een getrouw dienaar Gods, dat een volk, hetwelk zich gewetenloos bedrog en diefstal veroorlooft, geen waarachtig godsdienstig volk zijn kan, al houdt het ook met traaiheid aan enkele godsdienstige gebruiken vast.
Daarom waarschuwt de Kerk reeds de kleine kinderen, dat zij van hunne ouders, broeders, zusters of andere personen niets zullen wegnemen; want al merkt het ook geen mensch, toch ziet het alom tegenwoordige oog van God hun diefstal en zal Hij hen daarvoor straffen: xWie zijn vader of zijne moeder iets neemt en zegt, het is geene zonde, die is de gezel van een moordenaarquot; (Spreekw. 28. 24.) Zij vermaant hen met ernst ook geen kleine, onbeduidende zaken te stelen, want »wie het kleine niet acht, gaat allengs ten gronde.quot; En waar de Kerk nog invloed op de jeugd heeft en deze hnar onderricht gewillig aanneemt, daar vormen twaalfjarige knapen nog geen dievenbenden, zooals het in onze dagen meer dan eens is gebeurd: daar hebben zij veeleer een heiligen afschuw van elke onrechtvaardigheid. En heeft een kind eenmaal aan eene verleiding toegegeven, dan schaamt het zich voor zich-zelf en het heeft geen rust voor en aleer het den laatsten gestolen cent heeft teruggegeven.
De Heilige Kerk vermaant met veel nadruk de dienstboden, zich aan geen ontrouw jegens hunne meesters schuldig te maken, voor den eigendom van overheden stipt te zorgen, alsof hij hun-zei ven toebehoorde; zij roept hun de woorden van den H. Paulustoe: 3De dienaren vermaan D. S. d. K. 4
50 H O O F D S ï U K IV.
ik, dat zij hunnen meesters niets ontvreemden, maar hun in alles volmaakte trouw betoonen, opdat zij de leer van God, onzen Heiland, in alles tot sieraad strekkenquot; (Tit. 2â9 en 16.) En waar het Christendom nog werkelijk in het volk leeft en er invloed op heeft, waar de dienstboden nog goede Christenen, goede Katholieken zijn, daar vindt men bij hen nog een zeer groote stiptheid met betrekking tot den eigendom hunner meesters, daar zijn nog dienstknechten en dienstmaagden, die geen enkelen penning zullen ontvreemden of op andere wijze ontrouw zullen zijn. Maar waar men de arme dienstboden van hun Christelijken godsdienst vervreemdt, waar men het hun onmogelijk maakt des Zondags de godsdienstoefening bij te wonen, en waar men door hoon en spot de laatste vonk van het heilig geloof zoekt te verstikken, daar verdwijnt bij hen ook de eerlijkheid, en worden met elk jaar de klachten over de ontrouw en de diefstallen der dienstboden talrijker.
De Kerk vermaant alle arbeiders en handwerkslieden^ alle handelaars en kooplieden zich geen bedrog en onrechtvaardig voordeel opzichtens hunnen evenmensch te veroorloven; want God haat dergelijke oneerlijkheid en zal daarover rekenschap vragen. Zij spreekt aldus: gt;Dai is de wil Gods, dat niemand zijn broeder benadeele en in den handel bedriege; want de Heer is een wreker van dit alles, (r Tess. 4. 6.) En verder: Een gruwel is voor den Heer een dubbel gewicht^ en eene valsche weegschaal is niet rechtvaardig. (Spreekw. 20. 23.) En de ondervinding toont aan, dat overal, waar men de Kerk nog in trouwe liefde toegedaan is, en zich door haar laat leeren en leiden, dat men daar waarlijk niet bevreesd behoeft te zijn, dat elke arbeider een dief en ieder handelaar een bedrieger is; daar heerscht nog strenge rechtvaardigheid in handel en wandel en kan men nog dikwijls voordeelen van die nauwgezetheid van geweten opmerken, welke eens zeker vroom jongeling aan den dag heeft gelegd.
Deze was door bedreigingen van een anderen jongeling aangezet eene kleinigheid voor hem te stelen. Maar hij kon er door niet toegedwongen worden; onverschrokken gaf hij het schoone en Christelijke antwoord: »Ik zal mij eer in stukken laten scheuren, dan ook maar het geringste te ontvreemden, daar dit eene zonde is.quot;
De Heilige Kerk spoort verder allen, die zich onrechtvaardig goed hebben toegeëigend of iemand met voordacht eenig nadeel hebben toegebracht, ernstig aan: terug te geven en den naaste schadeloos te stellen. Komt men, als men er toe in staat is, dezen plicht niet na, den verwerft men geen vergiffenis der zonde; dan is geen biecht en geen absolutie van eenig nut. Geen Priester, geen Bisschop, geen Paus kan ons van dezen plicht der schadevergoeding, als die mogelijk is, ontslaan.
DE KERK EN DE EIGENDOM. SI
De Heilige Augustinus spreekt slechts een beginsel onzer Kerk uit, als hij zegt: »A/s het vreemde goed, om het welk men gezondigd heeft, nog teruggegeven kan worden, maar dat niet teruggegeven tuordt, dan doet men geen boetvaardigheid, maar men huichelt die slechts.quot; 't Is hier natuurlijk de plaats niet, over dezen plicht der schadevergoeding verder uit te weiden: maar dit dient uitdrukkelijk gezegd te worden: Overal waar men de Kerk nog eert en nog naar hare stem luistert, komen de onrechtvaar-digen, die zich met God verzoenen willen, dezen plicht na en zij leggen zich soms zware offers en ontberingen op, om de toegebrachte schade weer goed te maken. God alleen weet, hoe dikwijls het Sacrament der biecht oorzaak was dat vreemd goed teruggeven werd. Juist de biecht, de veelvuldige en goede biecht, welke de Kerk zoo dringend verlangt, is een zeer krachtig middel, om den zin voor rechtvaardigheid onder de Christenen te behouden en aan te kweeken. Wie de biecht lastert en smaalt, spuwt daardoor in zijn onverstand gift uit tegen eene rijke bron van zegen.
TIL
De Heilige Kerk regelt en ordent door hare leeringen op heilzame wijze het gebruik van den eigendom en de benuttiging der aardsche goederen: dit is even gewichtig voor de maatschappij en voor de enkele personen, als hare strenge leer over de krenking van den eigendom. Volgens de leer van onze Kerk mogen zij, die aardsche goederen bezitten, in de eerste plaats, hun hart er niet aan hechten. Want hechten zij hun hart op ongeregelde wijze aan hunne goederen, dan zullen zij God vergeten en geen acht geven op de zorg voor hunne onsterfelijke ziel; hunne rijkdommen worden dan als een zwaar gewicht van lood, dat hen in het verderf sleept. Daarom heeft de Goddelijke Heiland, die het menschelijk hart wel kende, eens tot zijne leerlingen gezegd: Kinderen, hoe moeielijk is het voor hen, die hun vertrouwen op het geld stellen, het rijk Gods binnen te gaan: (Mare. 10. 24.) Daarom herinnert de Kerk de rijken aan den dood, die binnen korten tijd komt en hen van alle schatten berooft, die hen even arm maakt en zoo goed aan de ontbinding overlevert als den geringsten bedelaar, op welken zij trotsch en verachtend hebben neergezien. Zij spoort hen aan, door een Christelijk leven en goede werken zich groote verdiensten en schatten voor de eeuwigheid te verzamelen, die hun alleen voor den rechterstoel van God van nut kunnen zijn, en welke geen dief of roover hun ontstelen kan.
S2
Volgens de leer van de Kerk moeten zij, die aardsche goederen bezitten, deze niet misbruiken en ze niet lichtzinnig verkwisten. Het zijn immers gaven van God; Hij heeft ze geschapen: Hem behooren ze in de eerste plaats toe. Daarom moeten de menschen, aan welke Hij ze heeft toevertrouwd, ze naar zijn wil gebruiken. Hij zal hun daarover eenmaal strenge rekenschap afvragen. De rijken en de hooggeplaatste personen mogen zekerlijk volgens hun stand en hunne betrekking leven, zij mogen en moeten op betamelijke wijze voor de toekomst en den stand hunner kinderen zorgen; ook is het hun niet verboden, zich nu en dan een gepast vermaak te veroorloven; maar zij mogen hunne goederen niet gebruiken om slechts een lui, weekelijk en zinnelijk leven te leiden; het is hun niet geoorloofd hun geld voor vermaken en uiterlijke pracht te verspillen, welke niet alleen het Christendom, maar ook het gezond verstand veroordeelt; zij mogen hunnen rijkdom, die een geschenk van God is, niet aanwenden om den goeden God te beleedigen en zonde op zonde te stapelen.
Ten slotte moeten zij, die welgesteld en rijk zijn, naar hun vermogen barmhartigheid oefenen jegens hunne arme en noodlijdende mede-menschen, welke hunne broeders en zusters in Christus zijn. Dat is volgens de leer der Kerk niet enkel een raad, maar een gestreng gebod, waarvan de niet-vervulling van de eeuwige gelukzaligheid uitsluit. Want de Heer zal eenmaal in het laatste oordeel tot de verdoemden zeggen: jGaat van mij in het eeuwige vuur, dat bereid is voor satan en zijne engelen; want ik had honger en gij hebt mij niet gespijsd; ik had dorst en gij hebt mij niet gelaafd; ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; ik was naakt en gij hebt mij niet gekleed; ik was ziek en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht.quot; En op de vraag der verdoemden: »Maar, Heer, wanneer hebben wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek en in de gevangenis gezien en hebben wij U niet geholpen?quot; szal de rechter hun antwoorden: s Voorwaar, ik zeg u, wat gij den geringste mijner broeders niet gedaan hebt, dat hebt gij ook mij niet gedaan.quot; (Math. 25.)
Sedert de Kerk zulk eene leer verkondigt, heeft de wereld wonderen van barmhartigheid gezien; heeft zij gezien hoe men overal voor de zieken en zwakken hospitalen heeft gebouwd, hoe de dochter van rijke, ja vorstelijke ouders in de kleine hut eens armen ging, om een zieke te verplegen of om aan eene arme moeder brood voor hare kinderen te brengen. En overal, waar nu nog onze rijken en voornamen Christelijke gevoelens hebben en zich als ijverige kinderen der Kerk betoonen, hebben zij een meedoogend hart voor den nood hunner medemenschen en openen zij altijd gaarne eene milde hand, om giften te schenken
DE KERK EN DE EIGENDOM. - 53
voor de edele doeleinden der Christelijke naastenliefde. Waarlijk, niet onze trouwe Christenen, niet onze trouwe Katholieken zullen zich met koelheid en verachting van de arme en arbeidende klasse der mensch-heid afwenden; zij zullen door den aanblik van den nood der armen niet gestoord willen worden bij weelderige feesten en uitspattende vermaken; 't zijn niet de trouwe kinderen der Kerk, welke het zweet, de kracht en het leven van den armen arbeider, van zijne vrouw en zelfs van zijne teedere kinderen onmeedoogend voor een gering loon voor zich zullen nemen, ten einde ongehoorde rijkdommen op te hoopen.
Dit zijn in 't kort de leeringen van de Kerk over den eigendom, over de aardsche goederen. Hoe heilzaam zou het voor de geheele maatschappij zijn, als men die algemeen opvolgde! hoevele kwalen en misbruiken zouden daardoor voorkomen worden! hoeveel bronnen van zegen zouden daardoor geopend worden! En is het vooral in onze dagen niet noodzakelijk en gewichtig, deze leeringen den menschen andermaal levendig in 't geheugen te brengen; in onzen tijd, waar sommigen alle eigendomsrecht van anderen aanvallen en velen in teugellooze genotzucht hunne aardsche goederen verspillen en misbruiken, of ze in onverzadelijke hebzucht op onrechtvaardige wijze op stapelen? Uaar zijn allen, welke Christus en zijne Kerk en hare leer en hare werkdadigheid smaden en zoeken te ondermijnen, vijanden der mensche-lijke maatschappij, al bazuinen zij zich zeiven ook duizendmaal als hare vrienden en heilaanbrengers uit. Een volk, dat tegen Christus en zijn kruis stormloopt, werkt met kracht aan zijn eigen val en ondergang.
In 't jaar 1882 maakte ergens in Frankrijk een woedende vrijdenker met eenige gelijkgezinde vrienden eene wandeling. Onderweg werd hij een steenen kruis gewaar, dat een vroom man op zijn grond en bodem had opgericht. Bij dit gezicht ontbrandde het hart van den vrijdenker in grimmigen toorn; hij ijlde op het kruis toe om het omver te werpen. En werkelijk gelukte het hem het kruis omver te halen, maar het viel met zijn geheele zwaarte op de borst van den booswicht, dien het letterlijk vermorzelde. De ziel van den armen, beklagenswaar-digen man ging in de eeuwigheid over, om door den gekruisten Heiland, tegen wien hij in zijn toorn te vergeefs gewoed had, geoordeeld te worden. Zoo ook verging het voor eenige jaren een man in de nabijheid van Offenbach, dien men dood onder een door hem omgeworpen kruis vond.
1IöOI'M)^Tt 'K V.
De Kerk en het Gezag.
et leven der bijen is zeer bewonderenswaardig. Behalve eene groote arbeidzaamheid merken wij bij deze diertjes ook eene opvallende liefde voor de zindelijkheid, een koenen moed, waarmede zij den naderenden vijand tegemoet treden op; wij vinden in hare cellen en bij haren arbeid eene schoone regelmatigheid, die ons in verbazing zet. Voor ^ alles treft ons evenwel de houding tegenover de koningin in den korf. Komt de koningin; te voorschijn, dan verzame-?\ len zich schielijk eenige andere bijen om haar, bewijzen haar j de grootste opmerkzaamheid en bieden haar honing aan. Is de koningin op hare tochten gewond of door vermoeidheid uitgeput, dan omringen hare onderdanen haar, bewijzen haar alle zorg; en als zij herstelt, ontstaat een luid gegons als een algemeene vreugdekreet der beminnenswaardige kleine schepsels. Sterft evenwel de koningin, dan wordt zij nog dagen lang betreurd, de arbeid blijft rusten en de bijenstaat lost zich door verhuizing of door den dood op. Zoo heeft God, de Schepper, aan de bijen eene groote gehechtheid aan de koningin en eene voortreffelijke onderworpenheid aan haar ingeprent, en daardoor juist is het leven in een bijenkorf zoo bewonderenswaardig en zoo regel-
55
matig. Wat bij deze kleine dieren onbewust, instinctmatig, geschiedt, moet in de maatschappij der menschen met bewustzijn en vrijwillig geschieden; zij moeten vrijwillig en blijmoedig eerbied en gehoorzaamheid jegens hunne overheid aan den dag leggen; zij moeten het gezag in hooge eer houden. Zonder gezag kan de maatschappij niet bestaan, evenmin als een boom zonder gezonde wortels.
Nu vragen wij: Hoe verhoudt de Kerk zich tegenover het gezag ? Bevordert zij ook dit op werkzame wijze, dan is niets verstandigers, dan de Kerk te eeren en haar ongehinderd hare taak tot heil der mensch-heid te laten vervullen.
I.
Wat is eigenlijk het gezag? Onder gezag verstaat men in zedelijken zin eene opperheerschappij, eene macht, welke men eerbiedigt en die daardoor gehoorzaamheid en achting in 't leven roept. Het bewerkt in de eerste plaats gehoorzaamheid, d. w. z. de vrijwillige onderwerping van den eigen wil aan den wil van dengene, die de opperheerschappij bezit. Van een gezag zonder heerschappij te spreken is het hetzelfde alsof men van een boek sprak, waaraan zich slechts de band bevindt en verder niets. Maar gehoorzaamheid alleen is niet voldoende, er moet ook vereering bijkomen, die eene met liefde verbonden achting is. Men zal dengene, die ons geen liefde en achting weet in te boezemen, niet lang gehoorzaamheid bewijzen, althans niet blijmoedig. Het kan soms reeds zwaar vallen, zijn wil te onderwerpen, als men hem, aan wien men zich onderwerpt, oprecht lief heeft en acht. Ontbreekt echter de liefde en achting, ontbreekt de vereering, zal dan de gehoorzaamheid niet oneindig zwaarder vallen ? Zal men dan niet zeker mettertijd het lastige en drukkende juk der opperheerschappij van zich afwerpen? Daarom is er geen waar, geen volkomen gezag mogelijk zonder vereering.
Aan God komt ontegenzeggelijk het hoogste gezag toe, omdat Hij de eerste en opperste Heer over allen en alles is, omdat alle waardigheid en hoogheid van Hem als uit hare bron voortkomt. Na God komt het gezag aan zijne Heilige Kerk toe; want zij is hier beneden zijne plaatsvervangster in de bovennatuurlijke orde, in zaken, welke op Hem zeiven en op ons zielenheil betrekking hebben; zij is zijne dierbare bruid, die ons voor den Hemel moet opbrengen. In de enkel natuurlijke orde der dingen, wil ik hier slechts twee soorten van gezag noemen, namelijk die twee, welke voor het maatschappelijk leven van bijzonder groote be-
56 HOOFDSTUK V.
teekenis zijn. Het eerste gezag is dat der ouders, is de onderwerping en eerbied, welke de kinderen aan vader en moeder verschuldigd zijn; de tweede is die, welke g.an de vorsten en hunne plaatsbekleeders, welke aan de wereldlijke regeering toekomt.
Het gezag nu â er is hier slechts van de natuurlijke orde sprake â is voor de maatschappij eene ware levensbehoefte. Even als de enkele raensch â al zijn longen en hart ook nog zoo sterk gebouwd, niet zonder lucht leven kan, zoo kan ook de geheele maatschappij niet zonder gezag bestaan. Zonder dit is een menschwaardig geregeld, gelukkig leven onder ons volstrekt niet denkbaar: het is de band der eendracht, welke de menschen omstrengelt en het tot orde en harmonie met elkander verbindt; het is als de hartslag, waarvan voortdurend gezond leven in de maatschappelijke instellingen uitgaat.
Zonder gezag moet alles bij ons in wanorde geraken, alles zich tot ondergang keeren, moeten verwarring en onheil, storm en nacht, dood en verrotting zich overal vertoonen. Eenige woorden zullen volstaan om dit te bewijzen. Zonder erkenning van het gezag zijn de vorming en de opvoeding van den mensch geheel onmogelijk. Gehoorzaamheid toch is de belangrijkste zaak bij de opvoeding van het kind, zonder deze kan men niets bereiken. Zal een knaap goed opgevoed worden en braaf opgroeien, als hij bij elk bevel der ouders trotsch het hoofd opheft, hen met toornige blikken aanziet en brutaal zegt: sDat doe ik niet?quot; Zal er in eene school nog van opvoeding en van vorderingen bij het leeren sprake kunnen zijn, als de leerlingen zich niet om de terecht-wijzigingen van den onderwijzer bekommeren, hem elk oogenblik door spot en ongehoorzaamheid beleedigen en slechts doen en laten wat zij verkiezen? In 't minst niet; zij zullen zelfs niet leeren lezen en schrijven. Zal de jongeling in de werkplaats iets goed doen, als hij de aan wijzigingen van den meester volstrekt niet opvolgt, als hij met de schaaf werkt, terwijl hij de bijl terstond moest nemen, als hij klopt, terwijl hij boren moest ? Onmogelijk. Zonder gehoorzaamheid, zonder gezag is er dus geen vorming, geen opvoeding van den mensch, kan hij niets leeren.
Zonder erkenning van het gezag is er geen deugdzaam leven onder de menschen. Om deugdzaam te worden, moet men dikwijls van zijn eigen willen en wenschen afzien, om zich naar een hoogeren wil, den wil van God, te voegen: want deugd staat gelijk met den wil Gods. Maar dit is onmogelijk zonder gehoorzaamheid, zonder erkenning van de door God ingestelde orde. Willen wij deugdzaam worden, dan moeten wij ons op worstelingen, ja op ernstige worstelingen met onze eigene booze neigingen voorbereiden. Dat wil ieder van ons, die ook langen
57
tijd ernstig naar deugd gestreefd heeft. Niet door droomen en suffen, niet door rustig en vreedzaam de handen in den schoot te leggen, wordt men deugdzaam, maar door strijd en zelfbeheersching en door zich zeiven geweld aan te doen. De Goddelijke Heiland zegt immers: Het hemelrijk lijdt geweld, en slechts die, welke zich geweld aan doen, zullen het bekomenquot; Maar een mensch, die voor geen gezag buigt en geen gehoorzaamheid geleerd heeft, zal nooit zich zeiven verloochenen, zal zich zeiven geen geweld aandoen; hij wil slechts voor zich, voor zijn eigen luimen en neigingen leven. Zulk een mensch bezit derhalve geen kracht en geen moed tot zelfbeheersching; hij staat zwak en laf tegenover de stormen en bekoringen, welke op hem aandringen; hij zal een offer zijner hartstochten worden.
Daar stond voor jaren op het vrije veld in uitstekenden bodem een schoon, veelbelovend boompje, veredeld door den tak van eenen uitstekenden boom. Maar nu is sedert lang elk spoor er van verdwenen, het heeft geen enkele maal vruchten gedragen. Hoe is dat gekomen? Iemand had op zekeren dag den sterken, vasten stok, waaraan het veelbelovend boompje gebonden was, verwijderd. Nu was het vrij, vrij kon het zich bewegen, nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden, juist zooals de richting van den wind ging. Maar op eenmaal kwam een hevige storm opzetten; hij schudde het een tijdlang; nog eenmaal een nieuwe stoot en het boompje lag gebroken op de aarde. De vrijheid was zijn verderf, was zijn ondergang. Dat is een beeld hoe het met den mensch gaat, die slechts vrij wil zijn en zich daarom aan geen gezag wil onderwerpen. Slechts hij, die sterk genoeg is, den teugel van het gezag vrijwillig te dragen, zal ook tegen zijne eigen kwade neigingen strijden; slechts hij zal overwinnaar over zich-zelven zijn.
â sgt;Een man die gehoorzaam is, zal van overwinnen sprekenquot;. (Spreuken 21. 18.) Ieder ander zal zich zeiven en vele zijner medemen-schen in het verderf storten.
Zonder erkenning van het gezag is geen gemeenschappelijk samenwerken ter bereiking van goede en edele doeleinden mogelijk. Zal er in de maatschappij iets groots, goeds en heerlijks gedaan worden, dan moeten de menschen samenwerken; een enkele kan met zijn verstand, zijn wil en zijne kracht zonder vereeniging met anderen niet veel tot stand brengen. Zal evenwel een samenwerken mogelijk zijn, dan moet de eene boven staan, de andere ondergeschikt zijn; dan moet de eene zich naar den wil van den andere voegen. Is dat niet het geval, dan zullen de beste en sterkste krachten slechts versnipperen, er zal slechts wanorde en een bonte warboel, ja slechts strijd en tegenstand intreden. In de natuur volgen de tallooze hemellichamen nauwgezet de banen,
HOOFDSTUK V.
welke hun voorgeschreven zijn; zij wijken er niet van af, noch naar rechts noch naar links, noch naar boven noch naar beneden.
Door deze gehoorzaamheid heerscht de schoonste harmonie in de wereld, ontstaat op onze aarde in het voorjaar een veelvormig leven en rijke pracht. Konden en wilden de hemellichamen zeiven hunne banen kiezen, welke grenzenlooze wanorde moest daaruit niet ontstaan? tot welke vreeselijke onheilen zou dat niet voeren? hoe spoedig zou het heerlijke leven op onze aarde verwoest zijn? Zoo is het ook met de maatschappij gesteld. Slechts door het gezag kunnen overeenstemming en orde, eendracht en vrede een den mensch waardig leven en een heilzaam werken verkregen worden. Zonder gezag heeft het huisgezin geen band, die het te zamen houdt; het moet dus uiteen gaan. Zonder gezag bezit de staat geen inwendige, vereeniger.de en behoudende kracht; hij wordt slechts eene bijeenvoeging van menschen, die elkander bestrijden en trachten te onderdrukken, slechts eene menigte individuen, waar omwentelingen op omwentelingen volgen, waarvan de eene nog bloediger en noodlottiger dan de andere is. Daarom herhaal ik de bewering: Evenals de menschen niet zonder lucht kunnen leven, zoo ook niet zonder erkenning van het gezag. Het is bepaald noodzakelijk voor het heil van den enkelen mensch en van de geheele maatschappij. Nu doet zich de vraag voor; Wat doet de Kerk voor het behoud van dit zoo gewichtig en noodzakelijk goed der menschelijke maatschappij ?
II.
Het gezag wordt niet gehandhaafd en beschermd door het met den grootst mogelijken schrik te omgeven, of door het grijpen naar de tuchtroede om elk ook het minste verzuim tegen het gezag streng te bestraffen, of door de krachtige hand aan 't blanke zwaard te slaan en ieder, die zich niet gewillig onderwerpt, met den dood te dreigen. Dat alles is niet toereikend om het aanzien van het gezag op te houden.
Lodewijk XIV van Frankrijk onderhield zich eens met eenige grooten van zijn rijk. Het gesprek kwam ook op den Shah van 1'erzië en er werd verteld, dat hij kort te voren eenige aanzienlijke mannen om de eene of andere reden had laten terecht stellen. Toen riep de koning uit: »Ziet, mijne heeren, dat noem ik nog eens heerschen.quot; Maar een hertog, die langen tijd gezant in Perzië was geweest, gaf het voortreffelijke en moedige antwoord: »Ja, Sire, ik heb het daar ook beleefd, dat drie Persische Shahs geworgd werden.quot;
58
S9
Zoo gaat het: hoe meer men het gezag met staal en bloed wil steunen, des te onzekerder wordt het, des te eerder staat men de dragers van het gezag naar 't leven, niet alleen in Perzië, maar overal in alle landen.
Ook daardoor wordt het gezag niet gesteund en is het verheven, dat de dragers er van bij elke gelegenheid zelfs de waardigheid en het aanzien van hun persoon zoo sterk mogelijk doen uitkomen en ophemelen, dat zij voor hunne onderdanen treden en met grooten nadruk en zelfbewustheid zeggen: Ik ben de meester, ik ben de boven u geplaatste, ik ben de Koning; ik heb te bevelen en te heerschen; gij moet voor mij in het stof kruipen en mij huldigen en mij uwe onderdanigste gehoorzaamheid bewijzen. Als wij geen ander raiddel bezitten om het gezag te steunen, dan is het er spoedig mee gedaan, dan zal het aanzien van ouders en van de overheid spoedig algemeen met voeten worden getreden, geen kroon zal meer zeker en vast op het hoofd der vorsten staan. Slaan wij maar eens een blik op het oude Rome in den tijd des Keizers. Daar waren Keizers, welke dit middel verkozen om hun gezag op te houden. Zij verhieven altijd en overal de waardigheid van hun persoon omhoog, lieten zich zelfs als god vereeren en hunne borstbeelden in de tempels plaatsen. Men moest er wierook voor branden als voor het beeld van Jupiter. En het Romeinsche volk was toen laf en karakterloos genoeg, om zich gewillig tot deze laagheid te leenen. Maar hebben dit verblindend aanzien, deze groote glans van het gezag de kroon en den troon der Romeinsche keizers verzekerd? Het tegendeel was het geval. Want toen kon men het bijna alle twee jaren, ja menigmaal zelfs in weinige maanden herhaaldelijk beleven, dat deze als goden verheerlijkte en aangebeden vorsten door sluipmoord omkwamen. Gisteren brandde men voor het beeld van zulk een vorst nog wierook en vandaag zwom hij in zijn eigen bloed, doordien men naar zijn leven had gestaan; weinige dagen te voren was hij bij een schitterenden triomftocht, bij het gejuich en het gejubel van geheel Rome, rondgedragen, en nu lag hij in den doods-reutel, omdat iemand het gewaagd had, dezen keizersgod den dolk in het hart te stooten. Het gezag wordt derhalve niet gesteund door een bedriegelijk, verblindend aanzien; dit geschiedt het best en het zekerst door datgene, wat de Heilige Kerk er voor doet.
De Kerk bevestigt in de eerste plaats met grooten nadruk en ernst het gezag van God en spoort ons aan, dit zoo hoog mogelijk in eere te houden. Zij zegt ons, dat wij Gode alles moeten onderwerpen, ons hart, onze gedachten, onze werken, ons geheele leven, want Hij is de Opperste Heer over alles wat wij zijn en hebben. En daar de Kerk het gezag van God zoo hoog houdt, houdt zij ook haar eigen gezag zoo
6o HOOFDSTUK V.
hoog, omdat zij zich als de plaatsvervangster van God in de bovennatuurlijke orde der dingen beschouwt. Het komt er hier minder op aan te bewijzen dat zij zulks doen moet, dan wel om aan te toonen dat zij het werkelijk doet, dat zij werkelijk bij hare kinderen en aanhangers een eerbied voor haar gezag aankweekt, dien men overal elders te vergeefs zoekt.
Wij hebben daar een schouwspel voor ons, zooals de wereld er nog nooit een gezien heeft, en zooals de wereld met al hare macht, haar inzicht en hare wetenschap er nooit een, zelfs niet voor een enkelen dag, zou kunnen aantoonen; een schouwspel, dat evenwel sinds eeuwen reeds voortbestaat en wel trots alle reusachtige pogingen, welke men zoo dikwijls heeft aangewend, om haar van de aarde te verbannen, blijft voortbestaan.
En welk is dat schouwspel ? Er waart in eene verre stad een oude, veel belasterde, gesmaalde en vervolgde grijsaard. Misschien heeft de last der jaren en de vermoeienissen zijns levens hem dermate verzwakt, dat zijne handen beven en hij zonder stok nauwelijks twintig schreden gaan kan. Op zijn gelaat lezen wij geen hoogmoed, geen heerschzucht; hij houdt zich voor geen goddelijk wezen, zooals het eens die trotsche Cesars deden, die in hunne handen de teugels der wereld hielden.
Neen, hij valt veeleer eiken dag voor den eenen waren God in 't stof neer en bekent zich voor Hem als een zondaar, die zijne genade en barmhartigheid noodig heeft. En toch hangt aan dezen zwakken, hulpeloozen, levenden grijsaard de liefde eene geheele wereld, de gehoorzaamheid, ja, de blijmoedige en vaardige gehoorzaamheid van millioenen menschen. Hij opent zijnen mond en spreekt eenige eenvoudige, zalvingvolle woorden, en onmiddellijk worden die naar alle werelddeelen overgedragen en overal, zelfs in de verste landen, met den eerbied en de bereidvaardigheid aangenomen, waarmede men de woorden van een beminden vader, dien men spoedig door den dood vreest te verliezen, aanneemt. De zwakke, grijze man, van wien ik spreek, is de Paus van Rome.
Wij willen nog aan een ander schouwspel herinneren. Daar knielt een vorst in 't stof, een vorst omkleed met macht en aanzien, of eene vorstin, in goud en zijde gedost. Zij knielen voor een man en spreken zacht tot hem; zij zeggen hem dingen, welke zij zelfs hun koninklijken vader of hunne koninklijke moeder niet toevertrouwen; zij biechten hem hunne zonden. Dan luisteren zij deemoedig en bereidwillig naar zijne vermaningen, gaan met moed en vertrouwen van hem weg, vast besloten, volgens zijne raadgevingen wederom van nieuws af aan tegen hunne eigene booze neigingen te strijden. Wie is dan toch die man, naar wiens woorden deze vorstelijke personen met eerbied luisteren? Waar heeft zijn gulden wieg gestaan? Waar is het prachtige paleis, in 'twelk hij het levenslicht aanschouwde? Ja, gulden wieg en paleis !
DE KERK EN HET GEZAG. 6l
In een klein, armoedig huis is hij eenvoudig en onbekend opgegroeid. Daar heeft God zijn ziel met heilige genade geraakt, heeft in zijn hart eene hemelsche liefde en vurigen ijver voor zijne heilige zaak gestort, heeft hem na de noodige voorbereiding door de hand des Bis-schops tot zijn bijzonderen dienaar, tot zijn Priester gewijd. Daardoor is hij met een bovenaardsch gezag bekleed geworden. Zoo wordt in de Heilige Kerk het gezag van God en het gezag zijner plaatsvervangers geëerd en zoo moet het ook geëerd worden. Waar dat zoo geschiedt, kan het niet meer moeielijk vallen, ook het gezag in de zuiver natuurlijke orde te eeren, zich aan den eerbied en de billijke en rechtmatige eischen der ouders, der overheid en des vorsten te onderwerpen; want daar zijn de trotschheid en de hoogmoed reeds zoodanig gebroken en en overwonnen, dat dit offer niet zoo heel zwaar meer valt. Zoo is de Goddelijke instelling van het Pausdom, zoo is de door Christus ingestelde biecht in onze Kerk een zeer werkzaam middel om het gezag te ondersteunen. Met recht zegt derhalve de bekende staatsman Guyzot: »De Katholieke Kerk is de grootste en heiligste school van den eerbied voor elke rechmatige macht, welke de wereld ooit gezien heeft.quot; Wij mogen hier niet vergeten dat de man, die dit gezegd heeft, geen Katholiek maar een Protestant is. En zelfs een Rousseau, die zeker geen lofredenaar der Katholieke Kerk was, zegt: ï\Vie paus zegt die zegt gezag.quot;
Doch gaan wij verder.
De Kerk doet nog meer voor het gezag. Zij verlangt met gestrengheid van hare volgelingen, dat zij zich ook aan de wereldlijke overheid, om der gewetens wille, zullen onderwerpen, omdat ook zij de plaats van God bekleedt. Zij omgeeft ook de ouders, de wereldlijke overheid, de bestuurders en vorsten met het licht en den glans van de plaatsvervanging Gods. Dat is het tweede, wat de Kerk voor het wereldlijk gezag doet. Men ga slechts in de eerste school de beste en lette op het onderricht, dat een Katholiek Priester den kinderen over het vierde gebod geeft. Dan zal men hooren hoe hij hun met ernst en nadruk leert, dat wij aan onze ouders en overheden stipte gehoorzaamheid, getrouwheid en eerbied schuldig zijn, dat wij aan onze overheid stiptelijk belasting en rechten moeten betalen. Men zal hooren hoe hij, als bewijs daarvoor, zich op het woord van den Goddelijken Heiland zeiven beroept: gt;Geeft den Keizer wat des Keizers is.quot; Men zal hooren, dat de Priester, dien sommige lieden slechts met groot mistrouwen tot de kinderen zien gaan, dezen de woorden vnn den wereld-apostel ernstig op het hart drukt: »JZoi ieder ondcrwcrpc zich aan het gezag dei' overheid! Want er is geen gezag dan dat van God, en dat hetwelk bestaat, is Tan God aangesteld. Wie zieh derhalve verzet tegen het gezag van de over-
6z HOOFDSTUK V.
hcid^ die verzet zich tegen de orde van God; en zij. die zich hier tegen verzetten roepen hunne eigen veroordeeling over zich af. Daarom is het uw plicht onderdanig te zijn^ niet alleen uit vreeze voor de straf maar ook om den gewetens wille.quot; (Rom. iâ6.) Dat zijn toch waarlijk duidelijke, bepaalde en beslissende woorden. Kan men met nog meer nadruk de gehoorzaamheid tegenover de wereldlijke overheid uitspreken? Kan men die nog dieper in het hart der onderdanen griffen, dan met deze woorden gedaan wordt? Kan men het gezag en de orde wel beter ondersteunen, kan men die eerbiedwaardiger en heiliger voorstellen, dan wanneer de Priester deze beteekenisvolle woorden aan de geloovigen voorhoudt; woorden waarmede de Godheid zelve alle ongehoorzaamheid, alle verzet tegen het gezag der overheid als strenge plicht aanduidt, waarvan de overtreding strengelijk door Hem gestraft zal worden. Ook nog heden, nu men de vaderlandsliefde der Katholieken door duizenden leugens verdacht zoekt te maken, spreekt de Katholieke Kerk deze woorden tot kinderen en volwassenen door den mond van hare gewijde bedienaren.
Maar zulk eene leer ook bewerkt, als zij gewillig wordt aangenomen, dat men trouwe gehoorzaamheid en liefdevollen eerbied zijnen overheid en zijnen vorst is toegedaan; zij beschermt het gezag beter en krachtiger dan de scherpte van het zwaard en millioenen soldaten het kunnen doen.
In het eerste Boek der Koningen, hoofdstuk vierentwintig, wordt een schoon voorval vermeld, dat wij ons hier zeer te pas herinneren. David had voor de vijandelijke vervolgingen van Saul in de woestijn Engahdi de vlucht genomen. Toen Saul dit vernam, brak hij met drieduizend man op, om David na te zetten. Hij vondt op zijn weg een hol, waarin hij binnenging om wat te rusten en te slapen. Diep in het binnenste nu van dit hol lag David met eenige van zijne getrouwe mannen. Toen Saul sliep, sprak een dezer mannen tot David: aZie, dat is de dag van welken de Heer gesproken heeft: sik wil uwen vijand in uwe handen leveren.quot; David stond nu op en sneed een stuk van den mantel van den slapenden Saul, smaarquot;, zoo voegt de Heilige Schrift er bij,»zijn hart klopte.quot; Meer wilde hij niet doen; want hij sprak: sDe Heer zij mij genadig, dat ik mijn hand niet op hem leg: want hij is de gezalfde des Heereti.quot; En David legde den mannen het zwijgen op en liet niet toe, dat Saul leed werd gedaan. Na eenigen tijd ontwaakte deze, stond op en ging rustig verder, zonder te vermoeden in welken gevaarlijken toestand hij zich bevonden hnd. Daarop ging ook David uit het hol, volgde Saul op eenigen afstand en riep hem toe: »Heer, mijn Koning!quot; Saul zag om. Toen neigde David zijn gelaat ter aarde en
DE KERK EN HET GEZAG. 63
en sprak: sWaarora luistert gij naar de woorden van hen die zeggen: David zoekt kwaad tegen ur Zie, heden zien uwe oogen, dat de Heer u in mijne handen heeft gegeven. Ja, mijn vader, zie en erken het stuk van uwen mantel in mijne handen. Toen ik de slip van uw mautel afsneed, wilde ik mijne hand niet tegen u uitstrekken. De Heer zij rechter tusschen u en mij, maar mijne hand wil ik niet aan u slaan.quot;
Juist zoo is de gezindheid van iederen Katholiek : waar de Kerk nog invloed bezit, waar hare kinderen zich nog niet door de moderne goddelooze beginselen om den tuin hebben laten leiden, daar eeren zij nog in den vorst den gezalfde des Heeren, den plaatsvervanger Gods; daar ziet men nog met innerlijken eerbied tot zijne waardigheid en neemt men innig deel in alle droevige en blijde gebeurtenissen van zijn huis. Waar de Katholieken zich nog trouw aan hunne Kerk houden en zich door haar gewillig laten leeren en geleiden, daar behoeft men voor geen revolutie te vreezen, daar kan de vorst gerust zijn hoofd in den schoot van elk zijner onderdanen leggen, om uit te rusten; hij zal niet gewurgd worden; daar staan in tijden van gevaar alle onderdanen in trouw en liefde bijeen, om, als het noodig is, met geestdrift hun bloed en leven te geven voor het behoud van den vorst en van zijn rijk. Na een ernstig doorgestaan gevaar in 1848 heeft Wilhelm IV van Pruisen gezegd: vAan de trouw mijner Katholieke onderdanen heb ik het behoud van mijn troon te danken.quot;
Ja, wie Paus zegt, die zegt gezag.
De Heilige Kerk doet nog eene derde zaak om het gezag te ondersteunen en het eerbied en liefde te verzekeren. Als iemand een kostbaar, maar zwaar en licht breekbaar voorwerp draagt, dan is dit destemeer verzekerd, hoe sterker, nauwgezetter en voorzichtiger de drager is. Is de drager evenwel zwak en lichtzinnig; gaat hij onverschillig zijn weg, zonder op zijne schreden te letten, dan verkeert het kostbare voorwerp in groot gevaar van op den grond te vallen en verbrijzeld te worden.
Zoo is het ook met het gezag, dat toch, zooals wij gezien hebben, een zeer kostbaar goed voor de maatschappij is. Zijn de dragers van het gezag zeer bekwaam en goed, dwingen zij ons door hunne voortreffelijke eigenschappen en deugden achting en liefde af, dan wint het gezag daardoor zeer veel, en buigt men gaarne en gewillig zijn hals onder deszelfs juk. Bemerkt men daarentegen aan de dragers van het gezag eigenschappen, waarvan men slechts afschuw en walging kan hebben, dan is de mensch maar al te licht er toe geneigd om het juk van het gezag af te schudden en het nog in 't stof onder de voeten te vertrappen. Als bewijs hiervoor behoeft men slechts aan het gezag van
64 H O O F D S T U K V.
den vader in het huisgezin te denken. Kan men niet dagelijks in iedere stad, ja in elk dorp de ervaring opdoen, dat de kinderen dit gezag des-te hooger eerbiedigen en er zich des te gewilliger aan onderwerpen, hoe deugdzamer en volmaakter de vader zelf is? En zijn in het tegenovergestelde geval de kinderen niet te lichter tot ongehoorzaamheid en trotsch-heid tegenover den vader geneigd, hoe leelijker en berispelijker diens voorbeeld is. Datzelfde nu geldt voor elk gezag.
De Heilige Kerk tracht altijd, alle dragers van het gezag tot goede menschen en deugdzame Christenen te vormen en hen voor het misbruiken van hun aanzien en hunne macht te bewaren. Zij herinnert hen met grooten ernst aan het oordeel, dat eenmaal komen zal; zij zegt hun, dat hunne rekenschap deste grooter zal zijn, hoe hooger hun ambt en hoe grooter hun aanzien gedurende hun leven was; zij zegt hun, dat voor den rechterstoel van God de glans der machtigste kronen verbleekt en dat de grootste vorst der \vereld met dezelfde strenge rechtvaardigheid zal geoordeeld worden, als de armste bedelaar, die, slechts schamel gekleed, nauwelijks tot het heerlijke paleis des konings durfde opzien. Heeft de Heilige Kerk niet altijd den moed gehad, zelfs den machtigsten heer dezer aarde de woorden uit het Boek der Wijsheid toe te roepen: Door den Heer is tic heerschappij gegeven cn de macht van den Allerhoogste die uwe werken onderzoeken cn uwe. gedachten doorvor-schen zal; want als gij als dienaar van zijn rijk niet rechtvaardig oordeelt^ de wet der gerechtigheid niet goed waarneemt^ cn niet naar den wil Gods gehandeld licht, zal hij plotseling en snel over u komen, omdat het gestrengste oordeel over hen zal gaan, die hoven anderen geplaatst zijn; want de geringe zal barmhartigheid ontmoeten, maar de machtigen zullen ziaaar gestraft 'worden. (B. d. Wijsheid 6, 4â7) Men behoeft slechts eenige redevoeringen te lezen, welk een beroemd redenaar, een nederig Priester uit de Sociëteit van Jezus, namelijk Bourdaloue, voor het schitterende hof van den machtigen koning van Frankrijk gehouden heeft, en men zal verstomd staan over de onverschrokkene vrijmoedigheid, waarmede hij de eerste personen van zijn vaderland onverbloemd ilc waarheid zegde. Met dezelfde apostolische onverschrokkenheid heeft ongeveer terzelfder tijd een arme kapucyner-missionnaris, namelijk Proco-pius, in Praag den aanzienlijksten en invloedrijksten mannen van Bohemen hunne plichten op het hart gedrukt. Men kan daaruit zien, dat de Kerk geen ander verlangen heeft, dan ook de dragers van het gezag tot deugdzame Christenen te vormen. Kn daardoor bewijst zij het gezag zelf den grootsten dienst; bewerkt daardoor, dat de ondergeschikten hunne overheid des te meer eeren en liefhebben en hare bevelen cn wenschen des-te blijmoediger nakomen. CTmochten toch alle vaders en moeders, alle
DE KERK EN HET GEZAG. 65
opvoeders en onderwijzers, alle meesters, ambtenaren en overigheden, alle koningen en vorsten dit goed ten harte nemen en daarom de vermaningen en aansporingen der Kerk getrouw nakomen, in welken schoonen heerlijken glans zou zich dan het gezag aan de oogen der onderhoorigen voordoen; hoeveel zou het daardoor aan eerbied en trouwe aanhankelijkheid winnen, en welke rijke zegen zou daaruit over de geheele maatschappij komen! Dat heeft eens een heldhaftige vorst, namelijk Alfred de Groote van Engeland, erkend, als hij zeide : «Waar en echt is eerst dan de waardigheid des konings, als hij zicli in het rijk van Christus, dat is in de Kerk van Christus, niét als koning beschouwt, maar nis onderdaan; als hij zich niet overmoedig verheft boven de wetten der Bisschoppen, maar zich aan de wetten van Christus, welke door de Bisschoppen bekend gemaakt worden, met een gehoorzaam en ootmoedig hart onderwerpt.quot; Dat is, wel is waar, eene taal, waarvan velen niet willen hooren; maar de geschiedenis van het Christendom getuigt, dat slechts die overheden en vorsten, welke volgens Christelijke grondbeginselen dachten en handelden, hun ambt en hunne waardigheid met aanzien en eerbied omringd hebben; dat, daarentegen, het gezag des te meer van zijn glans verloor, hoe meer de dragers er van zich inwendig en uitwendig van het Christendom losmaakten.
O O
Zoo geeft, ingevolge hetgeen wij gezegd hebben, de Heilige Kerk aan de wereldlijke overheid haar waar aanzien en eene duurzame vastheid. En toch heeft men haar verweten, dat zij eene vijandin van den Staat is, dat zij het wereldlijk gezag ondermijnt, omdat zij leert, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin men hem geen gehoorzaamheid mag of hoeft bewijzen. Is dat werkelijk waar? Wij antwoorden zonder dralen met een vol en krachtig ja. Want het is letterlijk waar, dat de Kerk leert, dat een kind zijn vader niet mag gehoorzamen, als deze het een diefstal, een leugen of eenig ander kwaad beveelt. Het is letterlijk waar, dat de Kerk eens streng van de Katholieken vorderde, dat zij den keizer in Rome volstrekt niet zouden gehoorzamen, toen deze van hen verlangde, dat zij wierook voor het beeld van Jupiter zouden branden. De Kerk heeft altijd geleerd en zal altijd U-eren. dat het niet geoorloofd is een vorst te gehoorzamen, al ware het ook de machtigste van geheel de wereld, als deze een bevel of eene wet uitvaardigt, welke tegen den wil Gods en tegen het geweten strijdt. Wij willen volstrekt niet trachten, deze leer van de Kerk op eenigerlei wijze te verzachten of te verbergen. Wij vragen evenwel: «Kan men haar over deze leer ook maar het geringste verwijt maken? Dan zou men dit verwijt ook den Godde-lijken Heiland zeiven maken, die niet alleen verlangde dat den keizer zou gegeven worden wat des keizers is, maar ook Gode wat Godes is, en D. S. d. K.. 5
HOOFDSTUK V,
die niet bij Pilatus een staatsexamen heeft afgelegd cf het verlof heeft gevraagd om zijne leer te mogen verkondigen. Men zou dit verwijt ook moeten doen aan de Apostelen en aan de moedige en brave Christenen der eerste eenwen; want slechts aan hunne ongehoorzaamheid aan de goddelooze bevelen der toenmalige wereldlijke regeering hebben wij het Christendom met al zijn rijken zegen te danken. Ja, men zou dit verwijt ook aan het gezond verstand moeten doen; want dit deed den heidenschen wijsgeer Socrates tot zijne rechters zeggen, dat hij de stem Gods meer moest gehoorzamen dan hun. De diepdenkende Plato, die dit vertelt, billijkt dit antwoord slechts. In plaats van een verwijt, verdient de Kerk voor hare leer veeleer de erkentelijkheid en den dank der gansche menschheid. Want door haar geeft zij aan het gezag den zekersten grondslag. Zij vestigt het gezag niet op den uitwendigen glans die bedriegelijk is en vergaat, niet op de aardsche macht, die omvergeworpen kan worden, niet op menschelijke willekeur en luim, die zoo veranderlijk is en soms sneller omkeert als onstandvastig Aprilweer: zij grondt veelmeer het gezag op den oneindig heiligen, eeuwig vasten en onveranderlijken wil Gods. Dat is de beste en zekerste grondslag voor het wereldlijk gezag, dat is tevens eene onverwoestbare, onbeweeglijke rots, waarop het zeker rust. Al het andere is licht zand, dat op den duur geen vastheid en bestendigheid biedt. De dragers van het wereldlijk gezag, de ouders, de overheden, de vorsten zijn slechts dienaren van God. Zou hun zwakke, veranderlijke en feilbare wil meer gelden dan de heilige en eeuwige wil van den oneindigen God, dan is dat even alsof men de orde het onderste boven keerde, dan is dat verwarring en onheil in de maatschappij roepen en het wereldlijk gezag de zwaarste wonden slaan.
De Kerk verdient dus door datgene, waarvan men haar een verwijt maakt, den warmsten dank der Christen volkeren en zelfs der vorsten.
Mocht men daarom toch eens ophouden de Kerk met wantrouwen te bejegenen. Mochten toch allen, aan welke God een ambt of aanzien heeft verleend, nooit vergeten, dat de Kerk de beste beschutster van het gezag is; en mochten daarom alle ouders en opvoeders, alle overheden en ambtenaren, alle koningen en vorsten de Kerk achting en liefde bewijzen en haar zegenrijk werken in hunne kringen naar hun vermogen ondersteunen. Daardoor zouden de revolutionnaire lusten en neigingen van onze dagen het krachtigst worden bestreden en zou onze maatschappij zoodoende voor den dreigenden ondergang bewaard blijven.
66
AA a A A ,v A^AAAAAAAAAA^AAA^A
fftTiTffffff ffffffffffm^^^^nf^nTTmn
IK'i'P l'STi K VJ.
De Kerk en de Arbeid.
e mensch, naar Gods beeld geschapen, neemt in zekeren zin deel aan Gods scheppende werk-dadigheid. Wel is waar bezit hij niet de kracht, uit niets iets voort te brengen, maar hij is toch staa^ ''e voorhanden zijnde dingen om te wer-ken en overal, zoowel in 't rijk der gedachte als in de zichtbare wereld, sporen van zijne zegenrijke werkzaamheid achter te laten. Dat doet hij door den arbeid. De arbeid kan geestelijk en lichamelijk zijn. De geestelijke arbeid strekt zich uit over het gebied der waarheid en der wetenschap, van het zedelijk goede en de orde, de lichamelijke, wendt zich tot de zichtbare dingen, werkt ze om en brengt zoo de goederen voort, die tot bevrediging der lagere behoeften dienen. Ofschoon zij veel van elkander verschillen, staan zij toch ook wederom in veelvuldige en nauwe betrekking tot elkander, zooals ook bij den mensch-zelven geest en lichaam tot eene persoonlijkheid met elkander verbonden zijn. Evenals de geest boven de stof gaat, zoo staat ook de arbeid van den geest boven dien van het lichaam, en de geschiedenis en de ondervinding leeren, dat ware grootheid en kracht, ware vorming en beschaving slechts bij die volken gevonden worden, waar een groot aantal menschen
HOOFDSTUK VI.
van de noodziikelijkheid ontheven zijn, om lichamelijken arbeid te vei richten, ten einde zich aan de werken eener hoogere orde te kunne wijden. Dat benadeelt de maatschappij niet, maar verheft haar, verede' haar, verrijkt haar. Maar daardoor zal nu geenszins de zeer hooge be teekenis van den lichamelijken arbeid verminderd worden; integendee hebben wij, als in de volgende hoofdstukken over de waarde van de; arbeid cn den invloed der Kerk daar op gesproken wordt, hoofdzakelij! den lichamelijken arbeid op het oog en denken wij voornamelijk aan dei zoogenaamden handwerksstand, die onze gansche achting en liefd verdient.
L
Men verhaalt van een landman, dat hij kort voor zijn dood zijn^ zonen om zijn sterfbed vergaderde, om hen, onder anderen, ook aan t sporen het landgoed, dat hij hun naliet, vlijtig te bearbeiden. Hij spral tot hen: sin onzen akker ligt een schat; graaft, kinderen â graaft.quot; â De vader stierf zonder zijne gedachten geheel te kunnen uitspreken, ei de zonen werkten, naar den schat zoekende, den akker om en om. Zi: vonden nu, wel is waar, den schat niet, naar welken zij zochten, maa door hun arbeid bracht de omgegraven grond hun veel rijkeren oogs dan ooit te voren op.
In deze kleine vertelling, die wij reeds als schoolknapen leerdei kennen, ligt eene gewichtige waarheid, die wij nooit in ons leven moetei vergeten, deze waarheid, namelijk, dat de vlijtige arbeid ons rijke schat ten aanbrengt, en dat hij een groote zegen voor de menschheid is.
i0 De arbeid onderhoudt het lichamelijk leven der menschen. He brood, hetwelk wij eten, de drank, die onze dorst stilt, de kleederen welke wij dragen en die ons tegen de koude en de onguurheden van be weder beschutten, het huis dat wij bewonen en waarin wij ons me onze verwanten en vrienden zoo vertrouwelijk onderhouden, het huisraac dat ons dagelijks tot gebruik dient en ons zooveel gemakken aanbiedt... da alles hebben wij aan den arbeid en de vermoeienissen van het gewone volk te danken. Als wij dit slechts in 't oog houden, wordt het ons reeds duidelijk, dat de zweetdruppels, welke van het voorhoofd van der werkman vallen, dat het ruwe eelt in zijne krachtige handen voor dc menschheid van groote waarde is, dat het kostbare kleinoodiën voor dt maatschappij zijn.
2° De arbeid brengt welvaart en beschaving in de maatschappij. Dat een land groote weiden en schoone vlakten bezit, die zich goed vooi
68
69
den landbouw laten gebruiken, dat het lieflijke hoogten en bergen heeft, waarop men een edelen wijn kan planten, dat majestueuse stroomen voorbij zijne steden en dorpen vloeien en handel en nijverheid vergemakkelijken, dat in zijne bergen rijke lagen van quot;ijzer, zilver en goud gevonden worden, dat alles is zonder twijfel van groot nut voor de welvaart van het land, maar toch op zich-zelf onvoldoende om die in 't leven te roepen. Er zijn toch landen op onze aarde, die op bovengemelde wijze door de natuur, of juister gezegd door den Schepper begunstigd zijn, en die toch slechts armoede en ellende hebben aan te wijzen. Kr moet noodzakelijk
I arbeid, harde, ingespannen arbeid van den gemeenen man bijkomen. Slechts door zijne eeltige hand verkrijgen deze goederen werkelijke waarde voor de maatschappij. arbeid, harde, ingespannen arbeid van den gemeenen man bijkomen. Slechts door zijne eeltige hand verkrijgen deze goederen werkelijke waarde voor de maatschappij.
Want wat baat ons de schoonste, vruchtbaarste vlakte als de | landman haar niet in 't zweet zijns aanschijns bebouwt? Er zal geen I tarwe noch rogge op groeien, en wij kunnen te vergeefs op onze tafel ï naar brood omzien. Wat nut heeft het ijzer, het zilver, ja zelfs het I goud in de aarde, als de bergwerker niet met zijn lichtje in de mijn J afdaalt, en het edele metaal, dat als munt in het maatschappelijk verkeer l komt, niet met moeite aan het daglicht brengt? Zoo is er dan zonder 5 arbeid geen welvaart, geen handel en geen nijverheid en, wat daarmede â nauw verbonden gaat, ook geen beschaving en geleerdheid. Alle volkeren | welke zich door arbeid en vlijt tot een hoogen trap van beschaving lt; hebben opgewerkt, zijn daar weer van afgestort, toen zij de hoogachting I en de liefde voor den arbeid verloren.
3° De arbeid is verder een band van eendracht. Dat is veelvul-| dig het ongeluk van zeer voorname familiën, dat hare leden niet door | den dagelijkschen arbeid wederkeerig elkander noodig hebben en daar-| door licht in gevaar komen den band der eendracht losser te maken cn ; geheel te verscheuren.
In dit opzicht zijn de arbeidersfamiliën gelukkiger. Daar staat de vader des morgens vroeg van zijne legerstede op, om zich na een kort gebed aan zijn harden arbeid te begeven. Hij tobt zich den geheelen dag voor vrouw en kinderen af. Voor hen spant hij al zijne krachten in; voor hen stroomt het zweet van zijn aangezicht; de gedachte aan hen spoort hem tot nieuwe inspanning aan, als zijn arm nu en dan moede zou gaan worden. Zijne vrouw weet hoe zeer hij zich plagen moet voor het onderhoud van zijn gezin; daarom doet zij haar best ook voor hem te leven en te arbeiden. Met naarstigheid bereidt zij zijn maal, zorgvuldig verstelt zij zijne kleeren; zij tracht hem door voorkomenheid en trouwe liefde zijn zwaar lot te verzachten. Bovendien verzorgt zij alle hare kinderen; zoo gaan in den dagelijkschen huishoudelijken arbeid
70
hare gedachten en hare zorgen van den eene tot den andere; zij offert zich voortdurend voor allen op. Ook de kinderen moeten reeds aanpakken, moeten de moeder menigen dienst bewijzen, moeten elkander in hunnen arbeid helpen. Wij zien hoe een grooter kind een kleiner draagt en er zorg voor draagt. Dat alles is een voortdurend wederkeerig leven en arbeiden, een bestendig wederkeerige opoffering van de eenen voor de anderen. Moet dat er niet veel toe bijdragen, om liefde en eendracht in zulk een huis te doen wonen? Is dat niet een band, die zich om de harten slingert en ze tot vreedzame eendracht verbindt. Van daar dan ook de veelvuldige ervaring, dat in de familie van een Christelijken werkman een schoone, gelukkige vrede heerscht, zooals men dien in vele voorname huizen, waar men zich aan de wet van den arbeid onttrekt, te vergeefs zoekt.
En evenals de arbeid een band van eendracht voor de enkele familie is, zoo ook voor de geheele maatschappij. Niemand toch kan alles doen; de een heeft den arbeid van den ander noodig. Wie een akker kan bewerken, is niet in staat een huis te bouwen. Wie een huis kan bouwen, is niet bekwaam om een kleedingstuk of een schoeisel te maken. Zoo heeft men elkander wederkeerig noodig, zco moet de eene klasse voor de andere werken. Dat brengt de menschen nader tot elkander, en zoo slingert dan de arbeid een vereenigenden band om de geheele maatschappij.
4°. De arbeid is een machtig middel tot opbctiring en bevordering van het zedelijk leven. Dat hebben onze voorvaderen zeer goed begrepen, daarom zeiden zij ook: jDe lediggang is het begin van alle kwaad.quot; Hetzelfde zegt ook de H. Schrift met de woorden: sDe lediggang leert veel kwaad.quot; (Eccles. 33. 29,) en met de andere woorden: sDe ziel van den arbeidzame wordt rijk.quot; (Spreuk. 13. 4.) De arbeider moet al zijne aandacht aan zijn werk schenken en al zijne kracht er aan ten beste geven; daardoor verspert hij aan vele kwade bekoringen den toegang tot zijn hart, of weigert haar beter gehoor als zij met hare influisteringen tot hem komen. Wie zich daarentegen aan den lediggang overgeeft, is weerloos aan alle bekoringen overgeleverd. Met recht merkt Cassianus derhalve aan: iWie vlijtig bij zijn arbeid is, wordt slechts door een duivel bekoord; wie evenwel aan den lediggang is overgegeven, dien storten tallooze duivels in de zonde.quot;
Daarbij komt nog iets anders. Een zedelijk goed en deugdzaam leven is volstrekt niet mogelijk zonder zelfverloochening.
jWie mij navolgen wil, verloochene zich-zelven, neme zijn kruis op en volge mij.quot; (Math. 16. 24.) De arbeid staat evenwel der zinnelijke natuur van den mensch niet aan; hij wordt hem lastig omdat hij hard
DE KERK EN DE ARBEID. 71
en zwaar is. Wie desniettemin dagelijks vlijtig arbeidt, leeft in voortdurende beoefening van zelfverloochening. Want dagelijks door moeitevollen arbeid en in 't zweet zijns aanschijns de natuur hetgeen voor het leven noodzakelijk is af te dwingen, dagelijks van den morgen tot den avond de bezwaren van een hard dagwerk geduldig te verdragen, is waarlijk geene kleinigheid, 't is een voortdurende strijd tegen de natuurlijke traagheid en gemakzucht van den mensch, 't is eene aanhoudende zelfverwinning. Deze verleent evenwel den menschelijken wil eene hoogere kracht, waardoor hij gemakkelijker de zonde mijden en met meer beslistheid de deugd beoefenen kan. Daarom is het over het algemeen bij de arbeidende klasse beter met de zedelijkheid gesteld, dan in die kringen, waar men niet arbeidt en slechts verstrooiingen en genoegens najaagt. Is het daar, waar men van den arbeid niets weet en niets weten wil, niet dikwijls zoover gekomen, dat men de ondeugd niet slechts verontschuldigt, maar ze zelfs verheerlijkt en aanbeveelt. Wel komen ook bij de arbeidende klasse afdwalingen en buitensporigheden voor, maar bij haar toch geldt, als zij niet van buiten af verleid wordt, zonde voor zonde, ondeugd voor ondeugd; bij haar staat de deugd nog in hoog aanzien en vindt men zedelijken ernst en liefde tot het goede.
In de snelvlietende wateren leeft de heerlijke en gezochte forel, in het water evenwel dat traag stil staat en vuil wordt, de pad en andere afschuwelijke dieren, al bloeien ook rondom het stilstaande water schoone en welriekende bloemen. Zoo gaat het ook voortdurend in de menschelijke maatschappij. Arbeid is noodzakelijk, wil de mensch voor zedelijken ondergang bewaard blijven.
50 De arbeid maakt eindelijk den mensch behoudend gezind in maatschappelijke en staatkundig opzicht. Wel is waar heeft de geschiedenis meer dan eenmaal aangetoond, dat ook in den arbeiderstand zich revolutionnaire lusten en neigingen hebben doen gelden: een blik op den tegenwoordigen tijd kan ons er trouwens voldoende van overtuigen. Maar men kan eindelijk ook het zachte lam tergen en tot toorn brengen. Ons werkvolk wordt slechts revolutionnair door voortgezet gebrek aan noodzakelijke voorzorgen te zijnen opzichte, door het lasten op te leggen, welke boven zijne krachten gaan, of door ophitsing van verleiders, die het zijn geloof ontnemen en het tegen de bestaande orde ophitsen. Van nature is het evenwel behoudend gezind.
Onze werklieden leven in eenvoudige omstandigheden; hoe eenvoudiger nu het leven is, des te rustiger en tevredener is het hart, des te minder behoeften heeft de mensch. Deze rust en tevredenheid begunstigen nu klaarblijkelijk de behoudende gezindheid en wekken afkeer en mistrouwen tegen alle nieuwigheden. Hoe samengestelder, verstrooider
72
en onwerkzamer daarentegen het leven is, des te eer wordt ook de mensch ontevreden met zich zeiven en de uiterlijke omstandigheden, des te eerder wil hij dan ook verandering, hervorming en omverwerping van de bestaande orde. Leegloopers zijn altijd de bereidwilligste revolution-nairen; zij hunkeren het meest naar staatsomwentelingen. Daarentegen is het arbeidende volk in normale toestanden de beste en zekerste steun van den Staat. De krachtige en moedige jongelingen en mannen uit den arbeidenden stand zijn het vooral, die in tijden van ernstig gevaar als een sterke muur zich tegenover de vijanden van het vaderland stellen, die bloed en leven voor zijne eer en redding op spel zetten. Wat wij hier gezegd hebben moge volstaan om de hooge waarde van den arbeid voor de maatschappij in 't licht te stellen. Daaruit blijkt, dat hij eene groote maatschappelijke beteekenis heeft en dat het daarom van gewicht i.s, dat hij geëerd, bemind en vlijtig uitgeoefend wordt. Nu moeten wij nog de vraag beantwoorden, wat de Kerk voor den arbeid en de arbeiders gedaan heeft en nog doet.
II.
i0. De Kerk heeft den arbeid ivcer in aanzien en eer gebracht. Vóór Christus rustte er schande op den arbeid. Men oordeele; «Niets edels kan er uit de werkplaatsen voortkomen, en alle handwerkslieden drijven daarom een vuile zaak. Ongeëerd en gemeen is in 't algemeen iedere verdienste van alle loonarbeiders, in zoover hunne diensten en niet de voortbrengselen hunner kunst gekocht worden.quot; Zoo denkt en spreekt Cicero, een der wijste en beste der Romeinsche wijsgeeren, over den arbeid en zijne voortbrengselen. Deze meening heerschte ook bij de Grieken, en Aris-toteles, die geleerde en scherpzinnige wijsgeer, spreekt bijna woordelijk zooals Cicero over den lichamelijken arbeid, alleen drukt hij zijn afschuw daarvoor nog bepaalder en scherper uit.
Loonarbeid, handwerk en in 't algemeen elk gewin door handenarbeid gold bij de Grieken en Romeinen als een vrijen man onwaardig; men wees die aan de slaven toe, welke men voor geen deugd bekwaam hield, verachtte en als een niet menschelijk wezen behandelde.
Toen verscheen Jezus Christus, de Godmensch, onze dierbare Verlosser. Tot zijn voedstervader verkoos hij zich niet een Romeinschen Cesar, die op een schitterenden troon zat, niet een senator van de wereldstad Rome, die honderden slaven bezat en dezen in zijn patricischen hoogmoed hard en onmenschelijk behandelde, maar een armen handwerksman,
DE KERK EN DE ARBEID.
die zijn gansche leven slechts zwaren arbeid had verricht. Hij zelf wilde tot aan zijn dertigste jaar in diens werkplaats werkzaam zijn. Daar stond Hij met de bijl in de hand aan de boomstammen werkende en gaf ze, terwijl het zweet van zijn voorhoofd droop, den juisten vorm voor de gebouwen. Bij zijn openbaar optreden verkoos Hij geen beroemde wijsgeeren of beproefde staatslieden tot zijne Leerlingen en Apostelen, maar Hij ging naar het meer van Genesareth en heeft daar uit de vis-schersbooten mannen gehaald met eelt aan hunne handen. Arme werklieden zouden zijne eerste Apostelen zijn, met hen wil Hij de wereld veroveren. Zulk een plan op te vatten en het dan met goed gevolg tot stand te brengen, was slechts een Godmensch mogelijk.
Zoo heeft de Goddelijke Heiland den arbeid door zijn eigen voorbeeld geëerd en geadeld. Sinds dien tijd is voor zijne Kerk, die slechts denkt, zooals Hij, de arbeid eerbiedwaardig en heilig; sinds dien tijd heeft zij hare kinderen altijd tot den arbeid aangespoord, heeft zij getracht vlijt en arbeidzaamheid onder hen aan te wakkeren en te behouden. Zij geloofde ook in zedelijk en godsdienstig opzicht niet veel bij hen te kunnen uitwerken, als zij voor den arbeid terug deinsden en den lediggang beminden. Daarom was het zelfs bij de Kluizenaars in de woestijn voorschrift en gebruik, handenarbeid te verrichten. Zeer waar en schoon schildert een geschiedschrijver van den laatsten tijd het leven van de Kluizenaars in Egypte op deze wijze: »Volgens de woorden van een Heilige kan men de aan elkander palende woningen der woestijn met een bijenkorf vergelijken; ieder had daar het was van den arbeid in zijne handen en den honig van het psalmgezang en het gebed op zijne tong. De dagen waren verdeeld in arbeid en gebed. De arbeid was verdeeld in landbouw en het beoefenen van verschillende beroepen; vooral werden die matten gevlochten, waaraan het gebruik nu nog in de zuidelijke landen zoo algemeen verbreid is. Onder de monniken bevonden zich geheele groepen van wevers, timmerlieden, leerwerkers, kleermakers en volders. De arbeid was dubbel hard, omdat er bijna onafgebroken een streng vasten mee gepaard ging. Evenwel stellen de vaders der woestijn dien in al hunne regelen tot eene verplichting; en het voorbeeld van hun heilig leven legde hun dien nog nader aan het hart. Eene uitzondering op dezen regel wordt nergens vermeld, werd nooit gevonden. De oversten waren ook in den rooeitevollen arbeid de eersten. Toen de bejaarde Malarius den H. Antonius bezocht, zetten beiden zich dadelijk neder, om aan eene mat te arbeiden, terwijl hunne gesprekken over de aangelegenheden der ziel liepen, en de H. Antonius was zoo gesticht door de vlijt van zijn gastvriend, dat hij diens rechterhand kuste en ontroerd uitriep; ïHoeveel deugd gaat niet van deze handen uit!quot; Ieder
73
HOOFDSTUK VI.
klooster was eene groote school voor den arbeid en tevens eene groote school der liefde.quot; (Montalembert, De monniken van het Oosten.)
Ook in ons werelddeel bracht de Kerk den arbeid in eere; van haar ging de beoefening van den akkerbouw uit en in de kloosters vond het handwerk zijn eerste toevluchtsoord. Al wat noodig was voor kleeding, voor spijs en drank, voor woning en inrichting, voor de godsdienstoefening werd door de broeders in de kloosters gemaakt. Ook in het handwerk waren op deze wijze de monniken de leermeesters van het volk, en naar de kloosters stroomden niet alleen de landontginners op de kloostergronden toe, maar ook arbeiders, die in het handwerk bezigheid zochten. Het kerkelijk middelpunt werd tot een landhuishoudkundig centrum, waar van heinde en ver de kolonisten zich verzamelden, otn van de opbrenhst van landbouw en handwerk te leven. Het klooster, het bisschopsstif, de pastorie bevatten scholen voor de jeugd. Op Zonen feestdagen stroomden alle kolonisten en onderhoorigen naar de godsdienstoefening en dreven daar den ruilhandel voor hunne behoeften. Het kerkelijk middelpunt werd zoo ook het centrum van het verkeer. Langs dezen weg zijn de steden ontstaan; deze zijn er de eerste kiemen van en de eerste beginselen.
sGeen geschiedschrijver kan de bekentenis ontduiken dat akkerbouw, kunstvlijt en verkeer op de meest middellijke wijze door de Kerk bevorderd werden, dat eeuwen lang alle vooruitgang op landhuishoudkundig gebied van de bisdommen en kloosters, aan welke wij het ontstaan der steden te danken hebben, uitging; en dat alles, wat de beschaving van den tegen woord igen tijd uitmaakt, direct of indirect op de Kerk kan teruggevoerd worden, zooals vooral de afschaffing der slavernij, de adeldom van eiken rechtmatigen arbeid, de vorming van verschillende beroepsbonden naast elkander, de veelzijdigheid van onze kunst en wetenschap; de bloei van elke landhuishoudkundige productie,quot;
2° De Kerk bewerkt, dat men den arbeid lief heeft. Onze Seraphijnsche vader Franciscus zegt in zijnen orde-regel: »De broeders, welken God de genade om te arbeiden gegeven heeft, moeten met getrouwheid en oplettendheid arbeiden.quot;
Dat is eene taal, welke het oude heidendom niet zou begrepen hebben. Den arbeid als eene kostbare gave en genade des hemels te beschouwen, die men met alle getrouwheid en naarstigheid zijns harten moet aanwenden, voorzeker, dat verraadt een zeer grooten eerbied voor den arbeid en eene innige, bezielende liefde daarvoor. Zulk eene liefde zal men zich nu eigen maken, als men den arbeid in den geest van den H. Franciscus beschouwt en tracht te verrichten. De Kerk zegt, dat de wil van God ons boven alles lief en dierbaar moet zijn.
75
Het is de wil van God, dat wij vlijtig zullen arbeiden en zoo boete doen voor onze zonden. Want Hij heeft tot onzen stamvader en in hem tot ons allen gezegd: »In 't zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, tot gij tot het stof terugkeert, waaruit gij genomen zijt.quot; En de wereldapostel zegt op bevel van den H. Geest; »Broeders, doet uw best om uwe eigene zaken te drijven, met eigen handen te arbeiden, zooals wij het u bevolen hebben, eerbaar te wandelen, voor hen die daar buiten zijn en van niemand iets te begeeren.quot; De Kerk zegt ons verder, dat het ons ijverigst streven en verlangen moet zijn, aan onzen Goddelijken Heiland, het voorbeeld der verhevenste deugden, gelijk te worden. Die gelijkheid met Hem is de grootste eer en het grootste sieraad voor een Christen. Slechts de gelijkheid met God, geeft ons recht op den Hemel, en hoe meer wij Hem gelijk komen, des te grootere heerlijkheid hebben wij te verwachten.
Jezus Christus heeft gearbeid, vlijtig en hard gearbeid, heeft menigen zweetdruppel voor ons vergoten. Door onzen dagelijkschen arbeid worden wij Hem alzoo gelijk; wij nemen, als wij ons werk in den rechten geest verrichten, eveneens deel in zijne onthouding en zijne smartvolle versterving. Dat moet ons met troost en hoop vervullen.
De Kerk leert ons eindelijk: süok de kleinste en geringste arbeid heeft eene hooge waarde en brengt ons rijke verdiensten voor de eeuwigheid aan, als wij dien uit liefde tot God verrichten. Want Hij let meer op de innerlijke bedoeling en de liefde, waarmede men handelt, dan op het uiterlijke werk. Daarom is de arbeid van een man, die op het veld ploegt of in zijne werkplaats zich aftobt, als hij zijn arbeid door eene goede meening heiligt, grooter voor God en ook verdienstelijker voor den Hemel, dan de bewonderenswaardigste werken van een grooten wijsgeer of de gevierde daden van een beroemd veldheer of staatsman, als deze bij hunne handelingen God niet in 't oog houden.
Dit zijn waarheden, die, als ze goed worden opgevat, groote tevredenheid en blijmoedigheid in het hart van den werkman storten; zij bewerken, dat men den arbeid, die toch tegen de zinnelijke en trage natuur van den mensch indruischt. als eene genade des Hemels beschouwt en dien van harte lief heeft. Daarom is ook ons Christelijk volk, zoolang het geloof er in doordringt en het bezielt, blij en gelukkig bij zijne da-gelijksche vermoeienissen en zijn zwaren arbeid, zoo gelukkig, dat menige voorname leeglooper en wereldmensch alle reden heeft, hem om zijn innerlijk geluk te benijden.
sEene vergelijking van de arbeiders wereld in de middeleeuwen met die van den tegenwoordigen tijd biedt in dit opzicht een beklagens-waardigen achteruitgang aan. Het oude vroolijke (aid merry) Engeland
76
der middeleeuwen is geheel verdwenen; in de plaats daarvan trad een somber, zwartgallig en treurig geslacht van arbeiders, die deels in doffe vertwijfeling voortsoezen, deels zich aan alle ruwheid en uitspattingen overgeven en van trap tot trap in uitgelatenheid en slechtheid afdalen. Het Duitsche volk onderscheidde zich in de middeleeuwen, zooals door alle berichten van tijdgenooten bevestigd wordt, door opgeruimde vroo-lijkheid, die zich vooral in liederen en gezangen openbaarde.
»De geheele wereld.quot; schreef omtrent het midden der i2'lc eeuw de beroemde proost Gertot van Reichersberg aan den Inn, ïjubelt den lof des Heilands ook in liederen in de volkstaal; het meest is dit onder de Duitschers het geval, wier taal voor welluidende liederen geschikt is.quot;
Soortgelijke mededeelingen uit middeleeuvvsche schrijvers biedt de bekende Janssen, in het eerste deel van zijn heerlijk geschiedwerk, er nog meer aan.
Hoe dikwijls is dat nu in de arbeidswereld geheel anders geworden. In plaats van de vreedzame en vroolijke gildemakkers van de middeleeuwen zien wij nu den in zijn hart diep beleedigden, somberen en ontevreden werkman; in plaats van frissche, lichaam en ziel verkwikkende echte levensblijheid, nemen wij nu veelvuldig ruwe uitgelatenheid, woest geraas, wilde vechterij en bitteren schimplust waar. Wel zijn er nog overal eervolle uitzonderingen; maar in 't algemeen genomen is toch de tevredenheid en het innerlijk geluk van den werkmansstand aanmerkelijk verdwenen. Als gedeeltelijke oorzaak daarvan moet men het feit beschouwen, dat men de vermoeienissen en bezwaren des levens niet meer Christelijk opvat en niet meer weet te heiligen.
3° De Heilige Kerk maakt den luerkman zedelijk goed en edel. De getrouwheid in den arbeid en de blijmoedige overgeving daarvan gaat nauw en wezenlijk samen met de zedelijke hoedanigheid van den werkman zeiven. Deze opmerking hebben allen gemaakt, welke op eenigerleiwijze zich met den toestand van de arbeidende klasse bezighouden. Daarom is de zedelijke gesteldheid van de werklieden voor de beteekenis van hetgeen zij voortbrengen en van hun geheelen stand van het grootste gewicht. Nu heeft de Heilige Kerk zedelijk goede, brave edele werklieden voortgebracht; want zij heeft hun in de eerste plaats hunne menschenwaarde teruggegeven.
In het heidendom werd den werkman, den slaaf, geene menschenwaarde toegekend; hij gold slechts als een werktuig, en wel als een bezield en met overleg werkend werktuig, zooals Aristoteles zich uitdrukt, maar toch altijd maar als een werktuig, dat zelf geen rechten bezat en waarover de meester geheel naar goeddunken kon geschikken. Moest deze geheele verachting zijner menschenwaarde niet uiterst veronzedelijkend
DE KERK EN DE ARBEID.
op den armen slaaf werken? Want waarom zou hij, wien alle anderen geen recht toekenden, zich zeiven aan een hoogeren plicht gebonden achten? Waarom zou hij, die eigenlijk niet voor een mensch, maar slechts voor eene verkoopbare zaak gold, zich beijveren om een den mensch waardig leven te leiden? vandaar dan ook die onbegrijpelijke slechtheid der slaven in de oudheid, die hen dan altijd eene steeds grootere verachting op den hals haalde.
De Kerk daarentegen erkent in den armsten werkman de onsterflijke, de naar Gods beeld geschapene ziel even goed als bij den machtigsten vorst en den rijksten man der gansche aarde. De werkman is voor haar een kind Gods, even goed als zijn meester en werkgever. Zij leert, dat het onderscheid van standen in de menschelijke maatschappij, wel is waar, door God gewild en geregeld is en daarom ook door de menschen erkend moet worden, maar dat de aanzienlijke stand, de hooge geboorte, de rijkdommen en de glans van het huis den mensch geen echte waarde geven; dat doet slechts de getrouwheid jegens God, de zorg voor de onsterfelijke ziel, de innerlijke goede gezindheid en een deugdzaam leven. Daarom staat een werkman, die Christelijk goed leeft, veel hooger dan een aanzienlijke geldman, die een goddeloos leven leidt. Zulk eene leer moest den werkman zedelijk verheffen; zij eerst maakte een zedelijk goed leven voor hem mogelijk.
De Kerk gaf verder den werkman zijne familie. De slaaf van het heidendom kon geen vrij, geen rein en gelukkig familieleven vestigen, dat op zijn gansche leven en handelen heilzaam kon werken. Uit liefde tot God zijne zinnelijke natuur te beheerschen en een kuisch leven te leiden, daarvan had hij geen begrip en daartoe ontbrak hem ook de zedelijke kracht. Zoo zonk de beklagenswaardige dan altijd dieper en dieper, totdat hij eindelijk in een poel van dierlijke zinnelijkheid was verzonken, die men voor onmogelijk zou houden, als niet de geloofwaardigste mannen ons zoo bericht hadden. Daarover meer te zeggen verbiedt ons de christelijke eerbaarheid. Het Christendom nu heeft met zijne leer over de waardigheid van den mensch, over de afschuwelijkheid en grootheid der onzuivere zonden, over de heiligheid en de beteekenis van het Christelijk huwelijk ook den werkman een schoon, rein, hem zedelijk opheffend familieleven geschonken. De Kerk heeft hem geleerd met liefde voor de zijnen te zorgen en met hen God in geweten te dienen; zij heeft ziine vrouw en zijne kinderen tot trouwe plichtsvervulling aangespoord, en zoo heeft zij de bescheidene familie van den werkman tot een stil heiligdom hervormd, waardoor hij voor veel zedelijke afdwalingen behoed wordt. Menige arbeidersfamilie werd eene kleine huiselijke kerk, eene verblijfplaats van het geluk en de genade, waarin
78
de huisgenooten elkander wederkeerig heiligden, en van waar uit nog een groote zegen van deugd op anderen overging.
De Kerk heeft eindelijk den arbeider in hare leeringen en Sacramenten groote gedachten gegeven, welke hem boven het stof en het lage drijven van het dagelijksch leven verheffen, en gaf hem hoogere, bovennatuurlijke kracht, die hem tegen het kwaad sterkt. Kortheidshalve wordt hier slechts aan de zedelijke beteekenis van den Zondag herinnerd. Als de werkman op dezen dag uitrust van zijne zware zorgen en drukken arbeid, en het vuile stof der aarde van zijne ziel schudt, en, de roepstem der Kerk volgende, zijne schrede naar het huis des Heeren wendt, als hij daarin een aandachtig gebed zich met zijne gedachten en liefde tot God verheft, met God spreekt en God tot zich spreken laat; als hij de nu eens vermanende en ernstige, dan weer de vertroostende waarheden van onzen heiligen godsdienst diep in zijn hart opneemt; als hij door de heilige Communie en de rijke genaden van het hoogheilig Misoffer zich innerlijk vernieuwt en sterkt, moet dat niet een buitengewoon heilzamen invloed op geheel zijn leven uitoefenen? moet hij daardoor niet zedelijk veredeld en verheven worden? wordt hij dan niet aangespoord de wegen der zonde te vermijden, ijverig alle zijne plichten na te komen en den zwaren last zijns bestaan in God berustend te dragen? Zal zulk een werkman niet trouw en vertrouwbaar zijn in zijne bezigheden? niet sober en matig in zijne uitspanningen? niet een trouwe man en vader voor vrouw en kinderen wezen? God zij gedankt, dat er ook nog heden overal zulke voortreffelijke, goede werklieden zijn.
Ontneem daarentegen aan onze arbeiders den Christelijken godsdienst, laat alle hoogere gedachten aan God en deugd in hen uitsterven, welke verwoestende gevolgen in zedelijk en maatschappelijk opzicht moet dat niet voor den arbeiderstand na zich sleepen? Moet onze arbeider dan niet allengs aan de groote ruwheid en barbaarsch-heid, aan alle uitspattingen en teugelloosheden ten prooi vallen? Een bewijs daarvan leveren Klein Azië en Afrika, waar met het verdwijnen van het Christendom ook alle zedelijkheid en beschaving onder het volk verdwenen zijn. Het Christendom is de zedelijke zon der maatschappij; gaat deze onder, dan wordt daarin alles nacht en duisternis.
4° De Kerk ocfeuf eindelijk ook op heilzame lüijzc invloed uit op de werkgevers. Vroeger heeft zij de meesters aangespoord de slaven menschelijk te behandelen en hun eindelijk de vrijheid te geven. Ook nu nog zullen arbeidgevers, die niet maar uiterlijk, doch innerlijk Christen zijn, zich tegenover hunne arbeiders menschelijk betoonen, hun volgens geweten een rechtmatig en billijk loon geven en bereid zijn hun toestand zooveel mogelijk te verbeteren. De Kerk stort hun den geest'der
79
zelfbeheersching en der liefde in, zoodat zij hart voor hunne ondergeschikten hebben. Het is echter zeer te betreuren, dat vele fabriekseigenaars en werkgevers van onze dagen inwendig van het Christendom en de Kerk vervreemd zijn. Dat zulke mannen de kracht en den sterken arm van den werkman slechts tot de vermeerdering van hun kapitaal trachten te misbruiken, daarover behoeft men zich niet te verwonderen.
Doch genoeg. Wat wij gezegd hebben is voldoende, om aan te toonen, dat de Kerk veel voor den werkmansstand gedaan heeft en nog voortdurend doet. En toch hebben wij nog niets eens gerept van de vele gestichten voor zieken en gebrekkigen, die zij vroeger gebouwd heeft voor den werkman, welke tot den arbeid onbekwaam was geworden; wij hebben nog niet gesproken van de Katholieke gezellen-vereenigingen, die zoo ontzaglijk veel goeds hebben uitgewerkt en nog uitwerken.
Mocht toch de werkman het nooit vergeten, dat hij aan de Kerk zeer groote weldaden te danken heeft; en mochten weer allen in dezen eerbiedwaardigen stand ijverige volgelingen van Jezus-Christus worden. Maar mochten ook allen, wien het aangaat, er ijverig toe medewerken, dat men de belangen van den werkman en den landman eene wettelijke en liefdevolle zorg toewijde en dat men aan hunne billijke eischen recht late wedervaren.
IIOOFDSTI quot;K
Kerk en hel
VJl.
Lijden,
De
ie is een ware vriend? Misschien hij, die ons in 't gezicht mooie woordjes toevoegt en ons bij iedere gelegenheid prijst en er zooveel toe bijdraagt, dat wij in onze dwaasheid ons op onze vermeende voortreffelijkheden iets inbeelden en werkelijk meenen dat wij eene grootheid zijn, die alge-meenen eerbied en huldiging verdient? Die is geen ware vriend, maar in zekeren zin een vijand, die ons in 't verderf helpt storten. Een ware, een echte vriend moet ook den moed en het hart hebben, ons op onze gebreken en dwaasbeden opmerkzaam te maken, om, als 't noodig is, vrijmoedig te zeggen: Mijn beste, dat is verkeerd, zie daarvan af; het zou anders treurige gevolgen voor u en voor anderen na zich kunnen sleepen. Wij herhalen nu onze vraag: j Wie is een ware vriend? Wellicht hij, die zich slechts aan onze zijde bevindt, zoolang het gelukszonnetje ons beschijnt, zoolang wij in eer en aanzien stann, die slechts in vroolijk gezelschap met ons eet en drinkt en door zijne vroolijke vertellingen en grappen ons aan 't lachen brengt? Dat alles is nog geen teeken van ware vriendschap. De ware vriend staat ons ook trouw ter zijde in de kommervolle dagen des lijdens, in de dagen als de boosheid ons belastert, beleedigt en ons hart met smart en wee vervult. Ja, juist in zulke tijden
DE KERK EN HET LIJDEN. 8l
doet de trouwe liefde van een waren vriend zich het schitterendst kennen. Hij zoekt ons dan moed, vertrouwen en troost in te storten, helpt ons deelnemend het kruis dragen, opdat wij niet onder den zwaren last bezwijken.
Zulke trouwe vriendschapsdiensten nu bewijst de Heilige Kerk aan de menschheid. Zij vleit ons niet op dwaze wijze, maar zegt ons met plechtigen ernst de waarheid, waar het noodig is; zij staat ons vooral in kruis en lijden bij, beurt ons op, troost ons, geeft ons bovennatuurlijke kracht, opdat wij het kruis gewillig en tot heil onzer ziel dragen. Deze diensten, welke de Kerk aan de menschheid met betrekking tot de smarten des levens bewijst, willen wij in dit hoofdstuk nader toelichten. Het onderwerp is zoo veelomvattend, dat men er boeken vol over zou kunnen schrijven. Wij kunnen derhalve slechts de voornaamste gezichtspunten vermelden.
I.
sGeluk,quot; welk een betooverend woord! hoe treft het ons hart tot in zijne diepte! Wie zou niet gelukkig willen zijn! Aan ons geluk dacht reeds onze trouwe moeder, toen zij nadenkend aan onze wieg stond; van geluk, van kinderlijke geluksplannen was ons hart vervuld, toen wij ons in onze kinderenjaren blijde met onze speelmakkers onderhielden. Van geluk, van het schoone geluk der toekomst, spreekt en droomt de opgroeiende jongeling; hij wandelt in den geest reeds vroolijk en vergenoegd in het paleis van 't geluk dat zijn vlijt, zijn talent, zijn vermogen, misschien ook een goed en voordeelig huwelijk, voor hem zullen opbouwen. Naar geluk voor zich en geheel zijn gezin streeft de man in zwaren arbeid, in ernstige zorgen en plannen, die den slaap van zijne legerstede bannen. Zelfs de grijsaard, die gebogen en bevend zich langzaam en met moeite op zijn stok leunende voortsleept, denkt nog aan een toekomst van geluk, al bevindt hij zich nabij zijn graf. Kortom, men kan zeggen: de geheele menschheid denkt slechts aan geluk, streeft slechts naar geluk, wil gelukkig zijn en bevindt zich in zekeren zin op eene groote jacht naar het geluk.
En toch laat het geluk zich slechts door weinigen vangen. Dit zeggen ons de stroomen van tranen, welke over deze aarde heenvloeien; de sombere, treurige gezichten, welke inwendigen kommer verraden en die wij zoo dikwijls zien; de zuchten en bittere klachten, die wij zoo dikwijls vernemen; de vele huizen en inrichtingen, waarin een ge-D. S. d. K. 6
82 HOOFDSTUK Vil.
deelte der menschheid wordt opgesloten en vreugdeloos leeft; ik bedoel de ziekenhuizen en hospitalen, de krankzinnigengestichten en gevangenissen. Aan hoeveel kommer en smart herinneren ons al zulke inrichtingen.
Ja waarlijk, er is veel kruis en lijden onder ons, sterflijke menschen, niet alleen in de arme dorpen, maar ook in de rijkste en schitterendste steden; niet alleen in de kleine hut, waarvan de bewoners nauwelijks door een armzalig dak van stroo onvoldoende voor regen en onweer beschut worden, maar ook in de groote en rijke huizen, in de heerlijke en prachtige paleizen. Ja, daar vindt men menigmaal een zeer groot kruis. Dit moge wel van buiten af heerlijk schitteren, want het schijnt van goud te zijn, maar daarom is het ook juist des te zwaarder en drukt het des te harder. Bijna elk menschenhart is een stil heiligdom van 't lijden. Bij eenigen is de kommer oud, bij anderen nieuw, bij sommigen duurt hij kort, bij velen levenslang. Alles kan ons tot een kruis worden, zelfs dat, ja soms juist dat, waarvan men zich het grootste geluk en de rijkste vreugde had voorgesteld.
Met alle recht zegt derhalve de eerbiedwaardige Thomas a Kempis in zijn gulden boekje ide Navolging van Christus:quot; sHet geheele aardsche leven is vol droefenissen en rondom met kruisen omgeven. Het kruis wacht overal op u; gij kunt het niet ontvluchten waarheen gij u ook wenden moogt. Wend u naar boven, wend u naar beneden, wend u naar binnen, wend u naar buiten, overal zult gij het kruis vinden.quot;
En hoe hard en drukkend, hoe zwaar en bitter kan menigwerf het kruis zijn! Hier staat een man aan het sterfbed zijner echtgenoote, die hem vijf of zes kleine kinderen achterlaat. Zij was voor de kinderen eene goede moeder, en voor hem eene trouwe levensgezellin, die zich geheel en al voor hem en voor haar huisgezin opofferde. Nu staat dat trouwe hart stil; het is in den dood gebroken. De echtgenoote licht als een koud en verstijfd lijk voor den man, die zich nauwelijks van smart kan staande houden; het is hem, als ware de toekomst nog slechts een ruwe, duistere, sterrenlooze nacht. Daar leeft eene arme weduwe met verscheidene kleine kinderen; zij hebben honger, maar de moeder heeft geen brood om hen te verzadigen; zij beven van koude, maar de moeder kan hun geen kleeding geven, die hen voor den grimmigen winter beschut. De moeder zelve is zwak en ziekelijk; zij kan met den besten wil niet veel voor de kinderen verdienen. Dan wordt het haar soms zeer zwaar om 't hart, als zij de dierbare kinderen ziet lijden en het haar niet mogelijk is hen te helpen, en menige heete traan valt ongezien langs haar bleeke wangen. Daar zien wij eene jonge moeder bij het graf van haar eerstgeboren kind staan. Hoezeer had dit lieve onschuldige schepsel haar moederlijk hart met
DE KERK EN HET LIJDEN.
vreugde vervuld! hoe had het gejuicht toen het voor 't eerst haar met den moedernaam begroette; met welke schoone verwachtingen had zij zich de toekomst van dit kind voorgesteld! Nu zijn al deze verwachtingen vervlogen. Want de dood heeft haar het kindje ontnomen; men heeft het naar het kerkhof gedragen en het in het koude graf gelegd, waarbij nu de moeder met naamloos wee in 't hart staat.
Maar er is kommer, die nog bitterder is, nog dieper smart. Dat is vooral het verborgen leed, hetwelk lang aan 't harte knaagt en teert, die kommer, welken men niet gaarne aan anderen mededeelt, omdat hij ons soms bereid wordt door de dierbaarste personen, welke men op aarde bezit. Zulk een smartelijk leed bereiden elkander soms de echtelieden wederkeerig, of ondeugende kinderen bereiden het aan hunne ouders. Doch wij willen niet verder over de algemeenheid en de bitterheid van het lijden spreken; ieder onzer heeft het reeds meer of minder zelf ondervonden en de toekomst zal ons zeker nog ons kruis brengen. Wij zullen verdergaan in onze beschouwing en zien, welke plaats de Kerk tegenover het lijden inneemt.
II.
i0 Dc Kerk voorkomt in de eerste plaats veel lijden. De deugd is de beste grondslag voor het ware geluk der menschelijke maatschappij. Om dit in te zien, is het niet noodzakelijk Christen te zijn; het is voldoende, dat men een onbevoordeeld mensch met gezonden zin en helder verstand zij. De zonde, de ondeugd, daarentegen, is de rijkste bron van ellende en van het bitterste lijden. Daarmede wordt evenwel niet gezegd, dat ieder ongelukkige en kruisdrager een groot zondaar is. Dat zou tegen de uitdrukkelijke leer der Heilige Schrift zijn. Het is bekend, dat ook de beste zielen menigmaal een zwaar kruis te dragen hebben, dat God dikwijls uit wijze en barmhartige uitzichten, zijne trouwste dienaren met zwaar lijden bezoekt. Maar niettemin blijft het eene onomstootbare waarheid, dat uit de zonden der menschen eene ge-heele zee van smart en wee over onze aarde wordt uitgestort. Verwijder uit onze maatschappij allen hoogmoed en trots, allen toorn en nijd, alle gierigheid en hebzucht, alle traagheid en nalatigheid, alle onmatigheid en onkuischheid, en als met een tooverslag hebt gij onze aarde, dit jammerdal vol tranen, in een soort van paradijs veranderd, hebt gij in duizenden harten, die nu van kommer en wee sidderen en bloeden, rust, vrede en vreugde gestort, hebt gij de hoofdbronnen van het menschelijk lijden
83
HOOFDSTUK VII.
verstopt. Daarom vermaant de Heilige Schrift met allen nadruk; sMijn zoon I saai niets wat boos is in dc voren der ongerechtigheid, dan zult gij het niet zevenvoudig inoogsten.
Maar is het nu niet de Heilige Kerk, die ons een diepen haat, afschuw tegen de zonde inboezemt en ons daartegen zorgvuldig tracht te bewaren? Is het niet de Kerk, die ons door hare leeringen, haar verheven godsdienst en hare Heilige Sacramenten bovennatuurlijke kracht schenkt voor den strijd tegen de booze neigingen in ons binnenste en tegen de gevaren en verleidingen van buiten? Is het niet de Kerk, die ons voortdurend aanspoort het verheven voorbeeld van onzen Goddelijken Heiland na te volgen en ons door geheel haar leven en werken altijd door tot een Christelijk, deugdzaam leven aanwakkert? Volgen de huisgezinnen gewillig de leer en de leiding der Kerk, luistert de jeugd getrouw naar hare vermaningen en houdt zij zich overal binnen de grenzen der Christelijke matigheid en der Christelijke eerbaarheid, dan zal daardoor zeker eene groote som van ellende en onheil met goed gevolg tegengewerkt worden. Tot deze overtuiging was voor vele jaren een zeer rijk, maar ongeloovig man door bedaard nadenken gekomen. Hij gaf zijn eenigen zoon aan een inrichting van Jezuïeten ter opvoeding. Gevraagd zijnde hoe hij er toe kwam om zijn zoon eene opvoeding te laten geven, die lijnrecht in strijd was met zijne eigene inzichten en grondbeginselen, antwoordde hij kort en bondig: sik wil niet, dat mijn zoon zoo ongelukkig wordt als ik.quot;
2° De Kerk leert ons verder de hooge waarde van het lijden kennen. Zij zegt ons: Het lijden, dat God ons toezendt, is een bewijs van zijne groote liefde tot ons zondige menschen; want: sDien de Heer lief heeft, kastijdt Hij; en Hij heeft zijn welgevallen in hem, als een vader in zijnen zoon.
Zij denkt en zegt met den H. Joannes Chrystostomus: sAls God u macht verleent, de dooden op te wekken, zoo schenkt Hij u veel minder, dan wanneer Hij u kruis en lijden toezendt; want terwille van de gave der wonderen blijft gij zijn schuldenaar, maar door het lijden wordt God uw schuldenaar.quot;
Ja, het kruis dat ons treft, is eene grooteweldaad voor ons.
Door het kruis namelijk wordt de Christen allengs van de te groote gehechtheid van de aardsche goederen bevrijd en er toe gebracht zijn blikken en zijne liefde te wenden tot God, zijn laatste doel. In der tijd als het bosch welig groeit en alles op veld en weide in heerlijken bloei staat, zijn de meeste vogels niet vertrouwelijk tegenover de menschen, zij vluchten voor hen; zij hebben voedsel in overvloed en hebben den mensch en zijne gaven niet noodig. Maar als, daarentegen, in den
84
DE KERK EN HET LIJDEN. 85
winter, bij grimmige koude, bosch en veld weken lang met sneeuw bedekt zijn, bronnen en beken dicht vriezen en de arme vogeltjes daar buiten geen voedsel meer vinden, dan komen zij in hunnen nood in de nabijheid der menschelijke woningen en bedelen om voedsel. Ja, soms worden eenige dezer vogels zoo vertrouwelijk tegenover de menschen, dat zij zich in hunne kamer wagen en hun het voedsel uit de hand nemen.
Zoo is ook de handelswijze van zeer vele menschen tegenover God. Hebben zij geluk met al hunne plannen en ondernemingen, leven zij voortdurend in eer en aanzien, bezitten zij groote rijkdommen, waardoor zij zich veel vreugde en genot kunnen verschaffen, is hunne gezondheid steeds sterk en bloeiend, hoe licht laten zij zich dan aan de aarde en hare nietige goederen kluisteren? hoe licht vergeten zij God, die hen geschapen en wel tot zijnen dienst geschapen heeft, en overtreden zij lichtzinnig en onbeschaamd zijne heilige geboden? Met het volste recht spreekt daarom een Duitsch dichter; 2Niets is moeielijker te dragen dan eene reeks gelukkige dagen.quot; Doen de menschen, daarentegen, bittere ervaringen op, worden hunne dierbaarste plannen onbarmhartig gedwarsboomd, wordt hunne gezondheid zwak en wankelend, ontrukt de dood hun een dierbaar pand, in één woord, moeten zij een hard en zwaar kruis dragen, dan erkennen zij klaar en duidelijk, dat de aarde geen ware goederen voor hen heeft, dat zij slechts een jammerdal is, waardoor wij als pelgrims moeten heen trekken, om in ons waar vaderland te komen; zij zien wederom tot God op, dien zij in hun geluk vergeten hadden. Hoe menig Christen heeft het aan zijn kruis te danken, dat hij God heeft wedergevonden en den Hemel niet voor eeuwig verloren heeft. Hij kan ook met den koninklijken profeet dankend uitroepen: vDag en nacht lag uwe hand zicaar op wij; in mijne ellende heb ik mij bekeerd!''
Door kruis en lijden doen wij boete voor onze zonden. Wij allen zijn zondaars voor God, ook de rijken en aanzienlijken, ook de geleerden en voornamen, zelfs de goeden en welgezinden. Wij allen hebben reden om dagelijks op onze borst te kloppen en met den Tollenaar te bidden: sGod, wees mij, armen zondaar, genadig.quot; Zijn wij nu zondaren, dan moeten wij ook boetvaardigheid doen: zijn wij tegenover God schuldenaren, dan moeten wij ook onze schuld betalen, moeten wij genoegdoening geven. Zoo vordert het de rechtvaardigheid Gods. Doch hoe weinigen geven vrijwillig genoegdoening, doen vrijwillig, zooals zij zouden moeten doen, boetvaardigheid voor hunne zonden. Dan komt God ons te hulp en legt ons zelf de boete op, doordien Hij ons kruis en lijden toezendt. Dragen wij dan ons kruis op de goede wijze, dan wordt ons leven daardoor een leven van boetedoening, zooals het voor zondaren past.
HOOFDSTUK VII.
Door kruis en lijden wordt verder onze ziel veredeld en wint zij steeds meer aan schoonheid en waarde. Een beeldhouwer wil uit een ruw zwaar steenblok een heerlijk standbeeld maken. Hoe begint hij dan ? Hij neemt zijn ijzeren hamer en slaat er onbarmhartig op los. Hoe talrijk vliegen de kleine brokstukken dan naar alle kanten heen! Als de steen gevoel had en spreken kon, wat zou hij luid schreeuwen en zich bitter over den beeldhouwer beklagen! En toch kan uit den groven steen geen heerlijk, bewonderenswaardig standbeeld ontstaan, als de beeldhouwer er niet met hamer en beitel aan werkt. Welnu, wat voor den steen de hamer is, dat is voor de menschen het leed, dat is voor hem het kruis.
Door het lijden en de wederwaardigheden des levens wordt in de eerste plaats onze hoovaardigheid, die de schoonheid onzer ziel zoo leelijk ontsiert, verootmoedigd. Men erkent al de nietigheid en armzaligheid er van: men gevoelt het maar al te duidelijk, dat men geen God is, die alles vermag en voor wien ieder zich buigen moet, maar een arm, zwak en vergankelijk mensch van stof, die in elk opzicht van God en de menschen afhangt. Door het lijden worden wij verder geheeld van onze lichtzinnigheid, die zoo hatelijk en bovendien zoo kinderachtig is. Wij leeren het leven ernstiger opvatten; men ziet toch dat het iets geheel anders is dan een gemakkelijk spel en eene vroolijke dans. In het lijden en de wederwaardigheden des levens, nemen wij toe in ware naastenliefde.
Wie zelf nooit ziek was, weet volstrekt niet hoe een ziek mensch te moede is; hij komt maar al te licht op de gedachte, dat de zieke eigenlijk nog zoo ellendig en zwak niet is, als hij voorgeeft. Zoo is het ook met ander lijden. In het kruis wordt het hart mild gestemd wordt het toegankelijker voor medelijden. Van daar zoo dikwijls het verschijnsel, dat vele geringe lieden, welke hun leven in zwaren arbeid en velerlei druk doorbrengen, dat dienstboden, werklieden, eenvoudige landlieden zulk een medelijdend, goed hart bezitten en buitengewoon milddadig zijn. Ja, tot hoeveel heerlijke daden en beoefeningen van deugd geven de wederwaardigheden en de verdrietelijkheden des levens geen aanleiding. Zonder lijden zou alle barmhartigheid, alle liefde spoedig onder ons verdwijnen.
In kruis en lijden wint onze ziel ook aan kracht en sterkte. Even als de spieren en pezen van het lichaam door arbeid en beweging gesterkt worden, zoo worden ook de krachten der ziel vermeerderd en gestaald door de zwarigheden, welke men te overwinnen, door het lijden, hetwelk men te verduren heeft, als men dit slechts op de rechte wijze verduurt. De ziel wordt grooter, moediger en onverschrokkener. Het kruis dient derhalve om haar te veredelen en hare schoonheid en
»7
hare waarde te verhoogen. Zoo is ook het water dat over harde keistee-nen stroomt, helderder, frisscher en beter, dan dat, hetwelk in eene vlakke, bloerarijke weide stilstaat.
De Heilige Kerk leert ons nog eene hooge beteekenis van het lijden. Zij leert: Het lijden biedt ons de schoonste en beste gelegenheid aan, om rijke verdiensten voor de eeuwigheid te verzamelen.
De Goddelijke Heiland voorspelde eens aan zijne Apostelen het lijden en de wederwaardigheden, welke zij later zouden te verduren hebben; maar dan voegde Hij er ook dadelijk veelbelovend aan toe: * Verheugt u en weest blijde, want mu loon sal groot zijn in den Hemel. Deze troostende woorden gelden ons allen. Wij zullen eenmaal het loon ontvangen voor al onze gebeden, die wij met aandacht hebben gedaan, voor alle goede werken, die wij met eene goede bedoeling hebben verricht, maar vooral zal die kroon heerlijk zijn, welke wij voor ons goed gedragen kruis zullen ontvangen. Voor alle gelaten kruisdragers gelden de schoone woorden uit de H. Schrift. ^Die met tranen zaaien, zullen in blijdschap maaien; zij gaan en strooien weenend het zaad uit, maar komen met gejuich en brengen hunne schoven binnen. (Ps. 125.)
30 De Kerk spoort ons aan, het kruis met geduld en op God vertrouwend te dragen. Dat doet zij reeds hierdoor, dat zij ons, gelijk wij gezien hebben, de hooge beteekenis van het lijden voor oogen stelt. Daardoor leeren wij het kruis hoog schatten als een groot goed, als een geschenk van den oneindig liefdevollen en barmhartigen God. Maar behalve dat, doet zij nog drie dingen om ons bij het lijden en de moeie-lijkheden des levens met moed en vertrouwen op God te dragen.
Zij richt in de eerste plaats onzen blik Hemelwaarts. In den Hemel, zoo spreekt zij tot ons, woont God onze Vader, die ons meer lief heeft, dan wij met al onze liefde ons zeiven kunnen liefhebben. Hij ziet ons lijden en ons strijden; Hij is bereid ons bij te staan met zijne genade. Hij wil ons sterken, opdat wij het kruis tot heil voor onze ziel dragen. Daarom vallen wij neder en bidden: gt;Onze vader, die in den Hemel zijt,quot; wij smeeken, dat Hij ons, zijne kinderen, moge bijstaan, opdat wij niet onder den last des kruises bezwijken, maar het met onderwerping aan zijnen wil dragen en alzoo waardig worden, eens door Hem als goede kinderen met de eeuwige heerlijkheid gekroond te worden. Wie zoo denkt, zal ook bij het grootste lijden niet naar dolk of vergift grijpen, om een einde aan zijn leven te maken, maar hij zal zijn kruis met Christelijke waardigheid en wankelbaar vertrouwen op God weten te dragen.
De Kerk richt in de tweede plaats onzen blik omhoog naar het kruis van onzen Goddelijken Heiland. Zij toont ons den Goddelijken
88 HOOFDSTUK VII.
Heiland hoe Hij met wonden en bloed geslagen aan het kruis hangt, üp zijn hoofd rust de smaad- en smartekroon van doornen; zijne heilige handen en voeten zijn met zware ijzeren nagelen doorboord; uit ontelbare wonden vloeit zijn kostbaar bloed en valt op den Calvarieberg. Bij deze uitwendige kwellingen komt dan ook nog de inwendige troosteloosheid en het angstverwekkende gevoel door God verlaten te zijn. Dat alles lijdt de Heiland uit liefde tot ons, om ons te redden en eeuwig zalig te maken. Dan mag het ons ook niet te veel en te hard toeschijnen, als wij iets te lijden en een kruis te dragen hebben. Want: nals wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden.quot; (Rom. 8. 17.) Zoo vereenigt dan de ware Christen zijn lijden met de veel grooter smarten van den Goddelijken Heiland, hij draagt ze geduldig en legt ze, als een klein offer, in Christus' heilige wonden neder. Met zulke gezindheid heeft de Heilige Elizabeth van Thuringen, eene der grootste en heerlijkste vrouwen figuren van Duitschland, na den dood van haar gemaal, smaad en beleediging verdragen; vooral in dien schrikkelijken nacht, toen zij door haar eigen onderhoorigen met hare kleine kinderen uit het kasteel werd gewezen. God nog dank zeggende voor het onheil dat men haar zoo barmhartig bereid had. Met deze gezindheid heeft de Heilige Apostel Andreas vol blijdschap het kruis begroet, waaraan hij den marteldood zou sterven. Jubelend riep hij bij het zien daarvan uit; sO heerlijk kruis, dat door de ledematen van den Heer verheerlijkt is geworden, lang heb ik u gezocht, teederlijk heb ik u bemind, nu bezit ik u. Neem den leerling op, zooals gij den meester hebt opgenomen; ja, neem mij weg uit deze wereld en geef mij mijnen meester terug. Waar Hij zijn leven voor mij gaf, wil ik het mijne voor Hem geven.quot;
De Kerk richt eindelijk, om ons tot geduld in kruis en lijden aan te sporen, onzen blik op tot het tabernakel. In het tabernakel, in het Allerheiligste Sacrament des Altaars woont Jezus Christus, met Godheid en menschheid, met zijn Allerheiligst Hart, dat ons zoo onuitsprekelijk bemint. Hij is onze beste vriend, die ons troosten, die ons sterken wil in onze wederwaardigheden, opdat wij doordaar tot een hoogen trap van eeuwige zaligheid zouden komen. Hier in het kleine, eenzame tabernakel wacht Hij op ons, tot wij bij Hem komen en Hem vol vertrouwen onze aangelegenheden voordragen. Hier, op onze altaren offert Hij zich op voor allen die een kruis dragen, opdat de weg des kruises ook voor hen een weg ter eeuwige zaligheid worde. Hier wil Hij in de H. Communie aan het hart van den Christen rusten, wil Hij het met hoogere, bovennatuurlijke kracht tot den ernstigen en zwaren strijd des levens toerusten, wil Hij de woorden vervullen, die Hij tot alle zielen gesproken heeft, welke met
DE KERK EN HET LIJDEN. 89
kruis en lijden beproefd worden: »Komi allen tot mij die belast en beladen zijt, en ik zal u verkwikken.quot; En hoevelen hebben hier voor het tabernakel reeds ondervonden, dat Jezus Christus trouw zijne gedane belofte vervult! Hoe velen hebben hier rijkelijk bovennatuurlijke kracht en hemelschen troost verkregen, zoodat zij in hun kruis, in droefheid en wederwaardigheden, bij al hun zwaren arbeid en al hunne zorgen tevre-dener en gelukkiger waren, dan anderen te midden van hunne vermaken en vreugdefeesten. De bekende stichter der Katholieke Gezellen-vereeni-gingen, de zalige Kolping, die land en lieden had leeren kennen, zooals weinigen anderen, verhaalt van eene brave Christelijke vrouw, die ter nauwernood door haar zwaren arbeid, van den vroegen morgen tot den laten avond, voor zich en hare vier kinderen het dagelijksch brood kon verdienen, maar die daarbij toch de gelukkigste vrouw was, welke hij ooit gezien had. Haar levendig en innig geloof, het verheven geheim op onze altaren, het zuiverste en liefdevolste Hart van Jezus in het tabernakel, dat waren de bronnen, waaruit haar overvloedige troost, tevredenheid en innerlijke vreugde toestroomde in hare kommervolle en moeielijke dagen. Dagelijks woonde zij, als het haar maar ' eenigszins mogelijk was, de H. Mis bij, en zeer dikwijls naderde zij met groote godsvrucht tot de Tafel des Heeren. O mochten wij. Katholieke Christenen, het toch goed inzien, welken oneindig grooten schat het tabernakel voor ons op onze moeitevolle pelgrimsreize hier beneden verbergt!
Het Christendom verzoent derhalve, zooals wij gezien hebben, den mensch met zijnen tegenspoed en het lijden des levens. Maar welke sterkte, welken troost biedt nu het moderne anti-Christendom, het ongeloof de lijdende menschheid aan? Volstrekt geene. Hoe meer het haar door genotzucht en zinnelijkheid in gezonde en gelukkige dagen ontzenuwt en verwijfd maakt, des te lafifer en zwakker, des te onmannelijker en kinderachtiger maakt het haar in dagen van tegenspoed en lijden. Een bewijs daarvoor is de manie van zelfmoord, die in de laatste jaren meer en meer de maatschappij, zelfs jeugdige studenten en schoolkinderen heeft aangegrepen. Daar men geen innig godsdienstig steunpunt bezit, is men, bij alle ontwikkeling en bij alle pralerij op eigen kracht, te zwak, om slechts voor eenige dagen met waardigheid te dragen wat de vrome vrouw van een daglooner jaren lang met heldenmoed verdroeg. Men heeft misschien op bloedige slagvelden, midden in den dichten kogelregen, gestaan en onvervaard den dood in 't aangezicht gezien, maar men is te ellendig en te zwak om een onbeteekenend leed geduldig op te nemen en zich naar een betrekkelijk gering kruis te voegen. In plaats van mannelijke waardigheid en kalmte te bewaren, jaagt men zich een kogel door het ongeloovig hart, onbekommerd over
HOOFDSTUK VII.
de treurige gevolgen en de smart, die men daardoor aan de zijnen berokkent.
Doch gaan wij verder.
4° De Heilige Kerk heeft ein lelijk het Christelijk medelijden met de ellende en hei leed van anderen, heeft de Christelijke naastenliefde in de maatschappij voortgebracht. Het oude heidendom kende geen medelijden met de ellende en den nood van anderen. Zelfs zijn beste en wijste manne beschouwen dat als eene zwakheid, waarvoor men zich in acht moet nemen. Marcus Aurelius, dien men als den zachtmoedigsten en besten der Heidensche keizers geprezen heeft, zegt; idat het eene zwakheid is, medelijden te hebben met de ongelukkigen en te weenen met de weenenden.quot; En Seneca, een der uitstekendsche wijsgeeren van Rome, schaamt zich niet in zijne verhandeling over de goedeitierenheid (de dementia) de volgende regels te schrijven: »De goeden moeten voor het medelijden op hunne hoede zijn.quot; (Boni misericordiam vitabunt.) »De wijze kent geen erbarmen (Sapiens non miseretur.) Wat eene koude, ijskoude grondregelen zijn dat! Kan men er zich dan nog wel over verwonderen, dat een volk, hetwelk zulke beginselen had, een ontelbare menigte menschen zonder mededoogen en erbarmen onder het juk der slavernij hield? Dat bij de zwaardvechterspelen teedere Romeinsche vrouwen van vreugde en blijdschap luid juichten en in de handen klapten, als in het amphitheater een groot aantal menschen lot louter vermaak van het volk elkander bloedig bevochten en wreedaardig vermoordden? Hoe geheel anders luidt, daarentegen, de taal der Heilige Kerk? Hoe geheel anders zijn de beginselen, welke zij ons leert? Zij treedt voor hare kinderen en prent hun diep in 't hart; nZalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot; (Matth. 5. 7.) Weest barmhartig jegens uwe evenmenschen, welke in nood en ellende zuchten, welke smart en kommer te dragen hebben, dan zal God in den Hemel u ook barmhartigheid bewijzen. Hij zal ook uwe zonden vergeven en u een genadig Rechter zijn. Zoo luidt de taal der Kerk. Ja, zij zegt nog meer; zij verzekert ons dat de Goddelijke Heiland iederen liefdedienst, zelfs den geringsten, elke aalmoes, hoe klein ook, die wij om zijnentwil aan den geringste onzer evenmenschen geven, zal beschouwen, als hadden wij dien dienst aan zijnen Goddelijken Persoon bewezen, als hadden wij de aalmoes in zijn eigen hand neergelegd, s Wat gij den geringste mijner broeders hebt gedaan, dat hebt gij Mij gedaan.quot; (Matth. 25. 40.)
Sinds de Kerk zulke leeringen verkondigt, heeft de wereld verhevene, wonderbare dingen met betrekking tot de Christelijke naastenliefde gezien. Zij was ontelbare malen getuige, hoe de rijken en welvarenden zich gelukkig achtten, hunnen armen en noodlijdenden medebroeders
DE KERK EN HET LIJDEN.
hulp te kunnen verleenen; hoe overal gestichten van liefdadigheid oprezen: hier voor vermoeide pelgrims en reizigers, daar voor arme zieken, ginds voor weeskinderen, welke, zonder de opvoeding in zulk een gesticht, verwilderd een geesel en een plaag voor de menschheid geworden waren. Zij was dikwijls, zeer dikwijls getuige, dat hoopvolle, rijke, ja vorstelijke jonkvrouwen en jongelingen vrijwillig van de eerbewijzingen, genietingen en rijkdommen der wereld afstand deden en in eene arme orde een leven van de strengste gehoorzaamheid, en van veelvuldige ontberingen leidden, enkel en alleen met het doel, om zich met al hunne krachten aan de verpleging van arme zieken en de opvoeding van verlatene weeskinderen te wijden. Ja, de wereld heeft sinds dien tijd de liefdezusters aan het bed der pestzieken gezien, waarvan echtgenoote en dochter gevlucht waren; of zij heeft die heldinnen op de bloedige slagvelden gezien, waar zij, omringd van het kanongedonder, de wonden van den armen vreemden soldaat met eene zorgvuldigheid verbonden, als ware de gekwetste haar eigen vader. Is dat niet inderdaad een verheven schouwspel?
Moet niet eene Kerk, die zulke heldhaftige offervaardigheid vermag in te boezemen, eene goddelijke kracht en liefde in zich hebben? Verdient niet eene Kerk, die ook nog heden duizend en duizend barmhartige broeders en zusters uitzendt, om gezondheid en geheel hun leven aan de ellende van anderen te wijden, onze volle achting en liefde? Zou onze tijd, die zoo vreeslijk lijdt aan kwalen van allerlei aard, deze niet gemakkelijker en zekerder genezen, zouden wij niet met meer hoop in de toekomst kunnen blikken, als men op elk gebied des levens de Kerk weer recht wilde laten wedervaren, en niet liefdeloos met blind vooroordeel haar reddende hand van zich stiet.
Mocht men in dit opzicht tot een beter besef komen eer het te laat is!
91
4 IIP fl li 31 HI;
VOORREDE................3
I. DE KERK EN DE LEER OVER DEN MENSCH......5
II. DE KERK EN DE HARTSTOCHTEN.........l6
III. DE KERK EN HET HUISGEZIN..........31
IV. DE KERK EN DE EIGENDOM . quot;........43
V. DE KERK EN HET GEZAG...........54
VI. DE KERK EN DE ARBEID...........67
VII. DE KERK EN HET LIJDEN...........80