ocr page 1

Pf/? ASV - Vo/

ocr page 2
ocr page 3

r

ONZE VADER,

VERKLAARD EN TOEGELICHT

DOOR

een Roomscli KatlioM Priester.

IMPRIMATUR.

Ruraemundae, 15 Julii 1891.

T. MANNENS, S. Theol. Doet. et Prof.

n

Libr. Cens.

DRUKKERIJ VAN J. K. ALBERTS. — SITTARD.

i

ocr page 4
ocr page 5

A

^ /r/. Vos j

JÜet „ONZE VADERquot; bestaat uit eene voorrede en zeven achtereenvolgende vragen. De drie eerste beden hebben betrek-i king op God, de vier laatste op ons zeiven en op onzen evenraensch.

Ofschoon het „Onze Vaderquot; kort en slechts in zeven, vragen is samengesteld,

bevat het niettemin den beknopten inhoud van de leer der christelijke volmaaktheid.

Deze leer, ons door Jesus in het h. Evangelie gegeven, toont ons, hoe wij moeten streven naar heiligheid, door de zonden te vluchten f en de deugden te beoefenen. Welnu, de kiem en het zaad van een echt christelijk leven is neergelegd in het „Onze Vaderquot;.

Wie dus aandachtig het „Onze Vaderquot; bidt en er zijn leven naar regelt, verbant uit geest en hart elke zonde, streeft naar volmaaktheid, en zal langzamerhand alle christelijke deugden verwerven.

ocr page 6

„Onze Vader, die in de hemelen zijt!

I.

uGeheiligd zij Uw naam!

„Laat toekomen JJio rijk!

„ Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, zoo ook op aarde!

II.

„Geef ons heden ons dageljksch brood! „En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven aan onze schuldenaren!

„En leid ons niet in bekoring,

„Maar verlos ons van den kwade.

Amen.quot;

[Math. 6; 9—14.]

ocr page 7

ONZE VADER DIE IN DE HEMELEN ZIJT.

ii Wie is gelijk de Heer, onze God, die zetelt in den hoogequot;, (1) io deo glans Zijner glorie, eu omstuwd is van millioenen engelen en serafijnen? Wie is Hij, de almachtige Schepper van het heelal? In welke betrekking staat Hij tot ons? ii De volkeren zijn voor Hem als een druppel water van een vat en als een stofje op de weegschaal.quot; (2) Eo toch die groote God is eeu Vader voor deu mensch, want uit Zijne handen is hij voortgekomen; ii Uwe handen hebben mij gemaakt en gevormd.quot; (3) „En Ik zal u aannemen, en zal u tot Vader zijn, en gij zult Mij zijn tot zonen en dochter en, spreekt de Heere, de Almachtige.quot; (4) Overigens Jesus, Gods eenige zoon, heeft het ons gezegd: nindien gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen, zal Hij het u geven.quot; (6)

Zeker, wij moeten God vreezen , omdat Hij zoo groot en zoo machtig is, maar oneindig meer moeten wij Hem beminnen: want door Jesus, die het menschdom verlost heeft, zijn wij kinderen gewoiden van God, kinderen die „uit God

(1) Ps. 112; 5. —(2) Isaias, 40; 15. — (3) Ps. 118; 73.— (4) II. Cor. 6; 18. — (5) Joan. 16; 23.

ocr page 8

geboren zijn' (1) door het heilig doopsel; want de zoon Gods is de zoon des meoschen geworden, om de kindereo der meascheo tot kinderen Gods te tualroD.

Een arme knaap stond weemoedig voor een versch gesloten graf en weende bitter. In dat graf had men weinige dagen te voren het lijk van zijn vader neergelegd. De knaap was tweemaal -wees, want voor weinige jaren had hij zijn goede moeder verloren en nu was hem zijn vader ontrukt. „Ach!quot; zoo zuchtte hij, „nu heb ik geen vader meer!quot; De hand, die voor mij arbeidde en mij te eten gaf is verdord; zij zal mij geen voedsel meer verschaffen! Ach, hij beminde mij soo zeer en ik 'had hem zoo lief! Hoe hard valt het mij thans zoo alleen en verlaten te zijn ; nergens kan ik mijn troost zoekeu, nergens ook zal ik hem vinden ! Zoo jammerde deze arme wees en stortte menigen traan op het graf van zijn gestorven vader.

Op den grafheuvel had men een kruis geplant; aan den voet van dat kruis stond een engel. Met de eeoe hand wees hij opwaarts naar den hemel, in de andere hield hij een opschrift met de woorden; „Ome Vader, die in de hemelen zijt.quot; Deze woorden wierpen een hemelschen lichtstraal in bet duistere gemoed van den armen knaap en na zijne tranen te hebben afgedroogd, vouwde hij

(1) Joan. 1; 13.

ocr page 9

io stillen eenvoud zijne handen en bad: „acli ja, U o God had ik haast vergeten, U zal ik nooit verliezen; Gij moet voortaan mijn Vader zijn. De liefde immers van een aardschen vader is niet te vergelijken bij die oneindig groote liefde, die Gij bewijst aan alle kinderen der menschen. Gij hebt mijn goeden vader tot ü genomen, voortaan zult Gij mijn vader zijn.quot;

Ja, Vader! 'k balg mij neêr; al is 't een heete strijd, Al duizelt mij het hoofd bij d'afgrond mijner rampen. De roede zij gekust, die mij zoo streng kastijdt:

Die op Uw liefde bouwt, bezwijkt niet in het kampen.

Bokger.

Vol hoop en troost op God zijn Vader in den hemel, verliet hij het kerkhof. God zorgde voor hem; hij bleef braaf en deugdzaam, groeide op, werd man en was bemind bij God en bij de menschen. In den laten avond van zijn veelbewogen leven herinnerde hij zich nog menigmaal, hoe hij op den grafheuvel zijns vaders lag neergeknield en hij de woorden las van den engel, die het opschrift droeg: „Onze Vader die in de hemelen zijt.quot;

„Er is geene aanneming des persoons hij Godquot;, (1) „en iemands aanzien geldt niet bij Hem.quot; (2) Voor God zijn alle menschen gelijk, want de koning is niet meer dan zijn soldaat; de meester niet meer dan zijn knecht; de rijke niet meer dan de

(1) Rom. 2; 11. — (2) Eccli. o5; 15.

ocr page 10

arme. Allen hebben een en denzelfden Vachr, dezelfde rechten, dezelfde verplichtingen. Ziedaar, waarom wij bidden: „onz© Vaderquot; en niet mijn Vader.

„Op alle plaatsen zijn des Heeren oogenquot;, (1) ualler menschen daden liggen voor zijn aangezichtquot;: (2) „want Ik ben hetquot;, zegt God , „die de nieren en harten doorgrondtquot;. (3) Waar gij u ook bevindt, waarheen gij ook uwe Bchreden richt,- Hij ziet, Hij hoort u.

Ofschoon God nu overal en op alle plaatsen tegenwoordig is, woont Hij echter op een ganseh bijzondere wijze in den hemel; want, „de Hemel is Mij een troonquot;. (4) Daar aanschouwen Hem de gelukzaligen van aanschijn tot aanschijn, in den vollen glans Zijner eeuwige heerlijkheid.

i.

GEHEILIGD ZIJ UW NAAM.

Het is een bekend feit, dat de groote natuur-en eterrekundige Newton zijn hoofd ontblootte, wanneer hij Gods naam hoorde uitspreken. Hij was doordrongen van den grooten eerbied, den Schepper van hemel en aarde, verschuldigd.

„De naam des Heeren zij gezegend, van nu af tot

(1) Prov. 15; 3. — (2) Eccli. 39; 24. — (3) Apoc. 2; 23. — (4) Act. ap. 7; 49.

ocr page 11

in eeuwijheid! Van den opgang der zon tot haren ondergang worde 's TI eer en naam geprezen' / (1) want, „de hemelen vermelden de heerlijkheid Gods en het. uitspansel verkondigt zijner handen werk. De ééne dag geeft den anderen het woord over, en de ééne nacht doet het kond aan den anderen.quot; (2)

Deze woorden zijn een lofzang op God, Wiens heerlijkheid zoo luistervol zichtbaar is aan het uitspansel. Aanschouwt den onbewolkten en blauwen hemel met zijne millioenen sterren, de bergen die met hunne spitse toppen tot aan den hemel reiken, de rivieren met hare onuitputtelijke waterbronnen, de zee met hare onmetelijke diepten, alle verkondigen en verheerlijken den naam van hunnen God, en op ieder schepsel staat Zijn heilige naam, als met onuitwischbare letteren, geschreven.

De mensch echter moet bij uitstek zijn God erkennen, Diens naam loven en verheerlijken; hij immers is naar Gods evenbeeld geschapen; God heeft hem met rede en verstand begaafd, en terwijl de dieren naar de aarde gebukt gaan, verheft hij fier zijn hoofd ten hemel, als om zijn Vader te aanschouwen, Zijn naam te verkondigen, te heiligen en te verheerlijken.

uGij koningen der aarde en alle volken; gij vorsten en alle aardsche rechters! Jongelingen en maagden, grijsaards en kinderen, dat zij den naam des Heeren loven.'' (3)

(1) Fs. 112; 2, 3. — (2) Ps. 18; 2, 3. — (3) Ps. 148; 11, 12.

ocr page 12

— 10 —

Gods heiligen naam moet gij loven door woorden en werken. Wilt gij God uw Vader noemen, toont dit door uw levenRwaudel.

„Ik ben niet gekomenquot;, zegt Jesus, „om de wet te niet te doen, maar ze te vervullen.'' (1) Jesus is de Zoon van God; Hij is God even als de Vader. Welnu, wanneer gij aan Jesus gelooft en Hem verheerlijkt door uwe werken, verheerlijkt gij Gods heiligen naam.

„De zaligheid is in geen ander', (2) dan alleen in Jesus; „want één God is er, één Middelaar ook Gods en der menschen, de mensch Christus Jesus. (3) Gij moet dus door een dubbelen band aan Hem verbonden zijn, namelijk door den band des geloofs en der liefde.

Wees op uwe hoede en laat u den schat des geloofs, waarop het in onze dagen gemunt is, niet ontnemen. Wat Christus geleerd heeft is onfeilbaar waar, want Hij is God. Twijfelen, aan hetgeen Hij gezegd heeft, is een groot kwaad; gij zondigt alsdan tegen Gods onfeilbare waarheid. „ Wie aan den Zoon ongeloovig is, zal het leven niet zien, maar de gramschap Gods blijft op hem. (4)

Er zijn geheimen in onzen godsdienst, en waarom niet? Zijn er dan nergens geheimen dan in den godsdienst? Overal zijn geheimen. De gansche natuur is eene aaneenschakeling van geheimen,

(1) Math. 5; 17. — (2) Act. ap. 4; 12. — (3) 1. Tim, 2 ; 5. — (4) Joan. 3; 36.

ocr page 13

— 11 -

Een zandkorrel, een grasscheut is een geheim voor de wetenschap. Niemand immers weet boe het zaad ontkiemt, hoe het zich ontwikkelt in onafzienbare korenvelden; niemand heeft ooit de oorspronkelijke kracht daarvan ontdekt. Wat is uw oog? Een geheim. Niemand heeft het ooit doorgrond. Het menschelljk lichaam wordt door zenuwen en spieren in beweging gebracht; de ziel werkt op het lichaam en het lichaam op de ziel door middel van zenuwen. Niemand echter weet wat zenuweu zijn. Noem mij deo mensch, die de oorspronkelijke kracht der zenuwen en spieren ontdekt heeft? Hij moet nog geboren worden. Neen zulk een mensch zal niet geboren worden; dat alles zal voor u duister en geheim blijven tot aan den jongste der dagen. En toch, dit alles bestaat, gij kunt het niet loochenen.

0 mensch! gij zijt voor u /elven het grootste geheim eo gij verwondert u, dat er geheimen bestaan in den godsdienst! Gij kent u zeiven niet en zoudt God en deszelfs instellingen willen doorgronden! Ja, ook de godsdienst heeft zijn geheimen. i)e godsdienst immers heeft God on-middelijk tot voorwerp. Geen menschenverstand heeft ooit Gods wezen doorgrond ; want God is het grootste mysterie, het ondoorgrondelij'kste geheim. Zonder geheim kan er geen godsdienst bestaan; onze eerste plicht is dus God aanbidden, ,,want er staat geschreven: gij zult den Heere uwen God

ocr page 14

— 12 —

aanbidden, en Hem alleen dienen.quot; (1) Wij moeten God aanbidden, zooals wij Hem kennen; zooals Hij is, dat wil zeggen, ondoorgrondelijk voor 's aienschen verstand. Als gij nu de waarheden, u door God geopenbaard, aanneemt, onderwerpt gij uw verstand aan Zijn geheimvol, goddelijk woord en brengt Hem de hulde van geest en hart door uwe aanbidding en liefde.

Neen, wij gelooven in Jesus, want nde zaligheid is in geen anderquot; (2) Wij gelooven alles wat Zijne Kerk ons leert en voorhoudt te gelooven. Christus immers wilde de eeuwige waarheden, door Hem. geopec baard, in veiligheid brengen en daarom heeft Hij zijn goddelijk gezag overgegeven aan de Kerk.

Jesua is God, gij moet dus in Hem gelooven en uw geest aan Hem onderwerpen. Hij is God, gij moet Hem beminnen en uw hart aan Zijn voeten nederleggen.

Heeft Hij niet genoeg gedaan om uw hart te trekken ? Is er wel eene vernedering, eene smart geweest, die Hij uiet heeft willen ondergaan, om u zijne liefde te toonen? Wat zegt u de Kribbe van Bethlehem en het Kruis van Golgotha? De Schriftuur geeft hierop het antwoord: „Christus heeft ons bemind, en met zijn bloed ons gewasschen van onze zonden.quot; (3) Waarom heeft Jesus door een onovertroffen wonder in het heilig Sacrament

(1) Math. 4; 10. — (2) Act. ap. 4; 12. — (3) Apoc. 1: 5.

ocr page 15

des Altaars, altijd bij u willen blijven wonen? De groote reden hiervan moet gij toeken in zijn heilig hart. „Ik heb u bemind, zei de Heer.quot; (1) Welnu, deze liefde raoet gij met wederliefde vergelden, door aan alles vaarwel te zeggen, wat u van Zijoe genade kan berooven. Als onderpand uwer liefde, vraagt Hij slechts het offer van datgene, wat u voor tijd en eeuwigheid ongelukkig kan maken. Hij vraagt van u slechts, dat gij Hem uwe driften en hartstochten slachtoffert. Hoe zult gij dit doen? Door uwe driften en hartstochten te bestrijden.

De beste wijze om de vijanden te overwinnen, is hen te verdeelen. Gij moet niet alle driften op ééns uit uw hart willen uitroeien; neen, dat zou u niet gelukken. In den geestelijken strijd moet gij op dezelfde wijze te werk gaan, zooals de Romeinsche geschiedenis ons verhaalt van Horatius. Nadat zijne twee broeders gesneuveld waren, stond hij alleen in het strijdperk tegenover zijne vijanden, de drie Curiatiërs. Drie tegen één, dacht hij, is te veel. Horatius zag in, dat hij

onmogelijk overwinnen kon. Wat doet hij?____

Hij tracht zijne vijanden te verdeelen. Hij veinst de vlucht te nemen en zet het op een loopen. Toen de Curiatiërs dit zagen, scheidden zij zich van elkander en vervolgden hem de een na den ander. Eensklaps keert de Romein zich om,

(1) Malach. 1; 2.

ocr page 16

— 14 —

«n bemerkend, dat zijne vijanden op gcooteo afstaüd van elkander waren, valt hij den eersten aan, slaat hem met alle kracht neder, insgelijks den tweeden en ook den derden.. De overwinning was behaald!

Zoo moet ook gij doen ia den geestelijken strijd.; want gij staat niet één. tegen drie, maar tegen tien, tegen twintig vijanden, tegen allerlei booze neigingen en hartstochten. Gij moet dus uwe vijanden verdeelen. Vooreerst moet gij die drift aanranden, dien hartstocht bekampen en neder-vellen, die uwe ziel de grootste schade berokkent. Bij den een is het de ontucht, bij den ander de onrechtvaardigheid, de dronkenschap of godslastering. Rand uwen hoofdvijand aan, laat hem geen rust, strijd totdat hij nedervalt. Behaalt gij de zegenpraal over uwe hoofddrift, de andere zullen de vlucht nemen, want zij zijn allen door deze nederlaag verzwakt.

Als de generaal van een leger doodelijk gewond is, zullen al de overige soldaten verslagen worden en de vlucht nemen.

n.

LAAT TOEKOMEN UW RUK.

Het rijk Gods in al den glans zijner glorie is de hemel. Het rijk Gods is de heilige keek hier

ocr page 17

— 15 —

op aarde. Hat rijk Gods is io onze zielen, dooc de heiliginakende genade.

Spiegel u in het voorbeeld der Israëlieten, toen eij in ballingschap naar Babyion waren weggevoerd. nAan Babylons stroomen, daar zaten wij: en weenden, aan Sion gedenkend; aan de wilgen aldaar hingen we onze citers op; want zij die ons gevangen namen vroegen ons daar om liederen, en zij die ons weggevoerd hadden zeiden: Zingt ons een van Sions gezangen! Hoe konden wij een lied des Ileeren zingen in een vreemd land! Jerusalem, zoo ik u vergete, dan worde mijne rechterhand vergeten! Dat mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik uw. er niet gedenke, zoo ik Jerusalem niet stelle als toppunt mijner vreugde.quot; (I)

Ook gij zijt verre verwijderd van uw eeuwig vaderland, het hemelsch Jerusalem, ook bij u zullen de Babyloniërs, de kinderen des verderfs komen aankloppen, om u van God af te trekken. Maar antwoord hun gelijk de Israëlieten, toen hunne citers hingen aan de wilgen die het strand van den Euphraat belommerden; „Jerusalem, zoo ik u vergete, dan worde mijne rechterhand vergeten! Dat mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik uwer ■niet gedenke, zoo ik Jerusalem niet stelle als toppunt mijner vreugde.quot; (2) „Neen, neen, ik ben uit God voortgekomen, tot God moet ik wederkeeren.quot;

Wat is God? God is een peillooze oceaan van (1) Ps. 1367~l-7. — (2) Ps. 136; 5, 6.

ocr page 18

— 16 —

onuitsprekelijk geluk, waaraan de zaligen in den hemel zich komen laven, om als dranken van Gods sohoonhedeu hun geluk en hunne wellusten met volle teugen te genieten.

Toen de heilige Perpetua eenige dagen voor haren dood in den kerker iu gebed verzonken lag, werd zij in den geest vervoerd. „Ik zag een lust-hof,quot;, zoo schrijft zij, ;/van hemelschen glans omgeven. Aan den ingang daarvan stonden vier engelen, en al degenen, die er binnen kwamen, waren gekleed in sneeuwwitte kleederen. In het midden van dezen lusthof was een man gezeten; zijn hoofd was omkranst met zilverwitte lokken, fier was zijne gestalte en jeugdig zijn aanblik. Hij was omringd door alle geslachten en volkeren der wereld. Zijne dienaren brachten mij tot bij zijn troon, hij reikte mij zijne hand om die te kussen en heette mij duizendmaal welkom. De vier oudsten, die rondom zijn troon geschaard waren, zeiden tot mij: blijf wonen in dezen lusthof en verheug u met ons.quot;

In den hemel ontsnapt er geen traan aan de oogen der zaligen en geen zucht is er meer in hun hart. De vreugde kroont hun hoofd en van hunne lippen vloeit het zoete lied des heils. Met duizenden en nogmaals duizenden werpen zij hunne palmtakken en kronen voor de voeten van bet Lam, storten gulden vaten vol wierook en reukwerk uit en zingen: „Aan Hem die op den

ocr page 19

troon zit, en aan het Lam, zij danlc, eer, glorie en macht in alle eeuwen der eeuwen.quot; (1)

Jerusalem, volzaalge stad,

quot;Gezicht des Vredesquot;, is uw naam.

Uw straten en uw muren zijn Uit lijn gelouterd goud bereid.

Uw poorten staan, in parelglans ,

Steeds open tot het heiligdom,

Voor allen, die, om Christus1 wil.

Op aard in smaadheid zijn gedrukt.

En wien hier, enkel uit gena.

Het binnengaan veroorloold wordt.

Da. Wap.

De Kerk vaa Christus brengt niet alleen geluk, maar ook vooruitgang, beschaving en ware vrijheid.

Hoe dikwijls leest men niet dat voor de groote Fransche revolutie, Europa in duisternis bedolven en in dwingelandij geketend lag? Welk doel heeft men hiermede? Om te doen uitkomen, alsof de Kerk weinig of aiets voor het menschdom gedaan heeft, alsof de maatschappij alleen aan de vijanden des geloofs ware beschaving en vooruitgang te danken had. Neen, dat is niet zoo, en daarom bestrijd ik niet alleen een voor het geloof beleedigend beginsel, ik wil ook de ge-

2

1

Apoc. 5; 13.

ocr page 20

— 18 —

schiedenis wreken door zoo menig vooroordeel verminkt.

Ik zie niets grootsch in de Fransshe revolutie; ik zie niets grootsch in een bloedbad, in de guillotine, in plundering en verwoesting. Ik zie niets grootsch iu den moord van Lodewijk XVI, van Marie Antoinette, van de onvergelijkelijke vorstin Elisabeth. Ik zie niets grootsch in den moord en in de verdrukking van zoovele bisschoppen, kloosterlingen en edelmannen, in de verbanning van veertigduizend priesters uit het rijk vao Clovis en Clotilde.

Ik zie niets grootsch in de verheffing van de schaamtelooze godin der rede op Gods altaren. Ik zie niets grootsch in mannen, wier aanschijn bevlekt is met het slijk der ontucht en met het bloed der onsehuldigen.

Ik weet wel, dat men een onderscheid wil makeu tusschen de revolutie van 89 en 93, tus-soheo den vader en het kind, maar zonder den vadtfr zou het kind nooit ter wereld zijn gekomen.

„Uit de vrucht wordt de boom gekendquot;, (Ij en de Fransclie revolutie uit hare monsterachtige euveldaden.

Neen, ik ken niets grooters dan de Kerk van Christus; bij haar alleen is beschaving, vooruitgang en ware vrijheid. Werp een oogslag op de wereldkaart en zeg mij dan , welke volkeren

(1) Math. 12; 33.

ocr page 21

— 19 —

eo werelddeelen alleen tot beschaving, dat wil zeggen, tot waarheid en deugd zijn gekomen!

Wie heeft Europa van eene dwaze en ontuchtige heerschappij der afgoden bevrijd? Wie heeft de heidensche tempels verbrijzeld en doen neder-storten? „De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, werken van mcnschen-handen.quot; „Onze God is in den hemel, al wat Hij wil, dat doet Hij.quot; (1)

Wie heeft Europa's grond , waarop vroeger niets anders te vinden was, als woestijnen, onafzienbare bosschen en dompige moerassen herschapen in vruchtbare velden? Het geloof door zijne monniken. Ja, zegt een protestantsch schrijver: „de monniken hebben als missionarissen en landbouwers Europa veredeld en beschaafd, en deze dubbele taak hebben zij met evenveel moed als gevaar heldhaftig volbracht.quot; „Gij bracht een wijnstok over uit Egypte, verdreeft de Heidenen, en planttet hem. Gij waart zijn wegwijzer voor hem heen; Gij hebt zijne wortels in den grond gezet, en hij vervulde het land. Zijne schaduw overdekte de bergen, en zijne ranken de cederen Gods. Hij schoot tot aan de zee zijn loten uit, en zijne scheuten tot aan den stroom.quot; (2)

Wie heeft de grieksche en Romeinsche letteren en schoone kunsten van een zekeren en eeuwigen

(1) Ps. 113; 4-3. - (2) Ps 79; 9-12.

ocr page 22

— 20 —

ondergang bewaard? Het katholiek geloof door zijn monoikeo.

Wie heeft de mensehenoffers van de bloedige altaren der afgoden weggerukt, en deze schandelijke altaren verbrijzeld? Wie heeft den ijzeren, den volksverpletterenden scepter der Romeinsche Caesars verbroken? Het Roorasch-kathoüek geloof. „Zij is gevallen, zij is gevallen die groote stad Babylon! zij is geworden de woonplaats der duivelen, de schuilhoek van den onreinen geest en het nest van alle onrein en hatelijk gevogelte.quot; (1)

Wie heeft in het oud Romeinsch keizerrijk de boeien van meer dan zestig millioen slaven verbroken, en het verschil tussehen Griek en Rotnein, tusschen slaaf en meester, tussehen barbaar en inlander, uit de zeden der volkeren weggeveegd? Wie heeft de volkeren tot gelijkheid en kinderen Gods geroepen? Het geloof, ziedaar vooruitgang en beschaving. „Er is geene aanneming despersoons bij God,quot; (2) „en iemands aanzien geldt niet bij Hem.quot; (3)

Wie heeft de vrouw, onder het heidendom zoo miskend eo verstooten, aan de grillen en hartstochten van den man onttrokken; wie heeft het huwelijk veredeld, geheiligd en vereeuwigd? Het geloof! „Mozes heeft, om de hardheid uwer harten, u veroorloofd, uwe vrouwen te verlaten „• viaar van den beginne was het zoo niet.quot; (4) „Hebt gij niet

(1) Apoc. 18; 2. — (2) Rom. 2; 11. — (3) Eccl. 35; 15. — (4) Math. 19; 8.

ocr page 23

— 21 —

gelezen, dat Hij die in den beginne den tnensch heeft geschapen, hen man en vrouw heeft gemaakt, en gezegd: Hierom zal de man vader en moeder verlaten, en zijne vrouw aanhangen, en de twee zullen één vleesch zijn. Zoo zijn zij niet meer twee, maar één vleesch. Daarom hetgeen God heeft verbonden, scheide de mensch niet!quot; (1)

Wie heeft, ia één woord, de ware keonis vao God, van den raeoseh en der schepping cp aarde gebracht? Wie heeft de wetenschappeD bevorderd; wie heeft die hoogescholen io de middeleeuwen gesticht, hoogescholen die door duizenden en nogmaals duizenden jongelieden bezocht werden? Wie heeft geesten gevormd zooaU Origenes, Augustinus, Ansel mus, Thomas van Aquino, Bernard us, Bossuet, Fenelou en zoovele andere reuzen der wetenschap? Het geloof I „Zij, die u gehaard heeft, dat zij juiche. (2) O heilig geloof, o Kerk van Jesus! buiten u ontdek ik slechts ontaardheid, verbastering, duisternis en verval van het menschdom. Gij en gij alleen hebt waren vooruitgang en ware beschaving gebracht, gij en gij alleen hebt den mensch ware vrijheid geschonken.

Waar moet men de vrijheid zoeken? In 's men-schen wil. Het voorwerp nu van den wil des menschen moet noodzakelijkerwijze de deugd zijn. De ware vrijheid bestaat dus in de deugd en de deugd in de liefde tot God. De mensch die

(1) Math. 197 4-7. - (2) Prov. 23; 25.

ocr page 24

— 22 —

Gods liefde bezit, bezit ook de ware vrijheid, de vrijheid der kinderen van God.

Waarin bestaat de vrijheid? Alvorens hierop te antwoorden, wil ik de tegenovergestelde vraag oplossen. Waarin bestaat de wezenlijke, de zedelijke Blavernij? Zij bestaat in datgene, wat den menseh van God aftrekt en hem het schepsel doet beminnen; in één woord, de zedelijke slavernij bestaat in de zonde.

Hoevelen zuchten er niet in de slavernij hunner driften, en hoe weinigen kunnen zich zeiven be-heersehen? Dagen nacht wordt de wellusteling onrustig aangedreven, heen en weer geslingerd door zijne ontembare driften; ja, zegt een heidensch schrijver: „de mensch, die zich «elf niet overwinnen kan en koning is over zijne driften, is en blijft een slaaf.quot;

Welnu, waarin bestaat de ware vrijheid? De ware vryheid bestaat in de verachting der schepselen; in 's mensehen wil, die vrij is van zonden, om zich vervolgens tot God te kunnen verheffen.

De liefde tot God, ziedaar de eenige oorsprong der ware vrijheid, want wanneer de zonde uit het hart verbannen is, daalt er Gods liefde in neder; de dood immers, dat wil zeggen, de zonde en de liefde sluiten elkander uit: „want wat deelgenootschap heeft de regtvaardigheid met de onge-regtigheid? Of wat gemeenschap het licht met de

ocr page 25

— 23 —

duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial?quot; (1) „Die de liefde niet bezit, blijft in dm dood.quot; (2) Waar dus de liefde niet heerscht, (Jaar heerscht de dood, en waar de dood niet is, daar gloeit de liefde. Bijgevolg, „waar de geest des IIeer en is, daar is vrijheid,quot; (3) want de geest Gods stort in onze harten eene goddelijke liefde.

Het rijk Gods is in onze zielen door de heilig-makende genade.

De heiligmakende genade is de ziel van het Christelijk leven, zij is de bron van het geestelijk welzijn, de oorsprong van alle bovennatuurlijke verdiensten. De genade immers is de bron van het levetd water, waarvan Jesus zeide ; zij „oni-springtten eeuwigen leven.quot; (4) Ja , de heiligmakende genade isde gulden band van liefde en vriendschap, die er bestaat tusschen Gods kinderen hier op aarde en den Vader daarboven in den hemel, uEn Ik heilig mij zeiven voor hen, opdat ook zij in de waarheid geheiligd zijn.quot; (5)

Gelijk een soldaat in tijd van oorlog voor zijn koning en tegen zijn vijand te velde trekt, zoo ook moet de Christen, die een soldaat is van Jesus Christus, altijd, dag en nacht voor zijn goddelijken Koning te velde trekken tegen den grooten, den eenigen vijand zijner ziel, tegen de doodzonde. Uw eerste en onwrikbaar besluit moet

(1) II. Cor. 6; 14, 15. — (2) I. Joan. 3; 14. — (3) II. Cor. 3; 17. — (4) Joan. 4; 14. — (5) Joan. 17; 19.

ocr page 26

— 24- —

dus zijo, Gods wet ea die zijner Kerk in geen enkel punt te overtreden. ;/ Weest heilig, want Ik hen heilig, de Heer uw God.quot; (1) Wees volgens het oordeel der menschen een ongelukkige, wees een Job neergezeten op een mesthoop, geslageo met allerlei wonden, geteisterd van het hoofd tot de voeten; neen, gij zijt geen ongelukkige, indien gij Gods heilige genade bezit, want God zal u troosten in lijden en tegenspoed en genezen; den balsem zal Hij storten in de diepe wonde van dat bloedende hart. „Die op Hem hun ver-trouwen stellen, zullen de waarheid erkennen, en die Hem liefhebben met volharding , zullen bij Hem var-blijven; want genade en vrede geworden zijnen uitverkorenen.quot; (2)

In de laatste helft der vorige eeuw leefde de arme Benedictus Joseph Labre; alles had hij verlaten, om zijn dagelijksch brood van deur tot deur in den geest van ootmoed te gaan bedelen. Die jongeling wilde veracht en onder de voeten getreden worden ter wille en uit liefde tot Jesus, die ook den kelk des lijdens tot den laatsten druppel toe had geledigd. Was Labre niet gelukkiger dan zijn tijdgenoot de wulpsche Lode-wijk XV, destijds koning van Frankrijk, die gezeten op zijo troon van goud, te vergeefs het ware geluk najoeg en het noch in de weelde, noch in het zingenot en in den stroom der driften vinden (1) Lev. 19; 2. — (2) Sap. 3; 9.

ocr page 27

— 25 —

kon! „En de overblijvenden zullen erkennen, dat er niets heter is dan de vreeze des Heeren, en niets zoeter dan acht te geven op de geboden des Heerenquot; : (1) „want, als een stormwind die voorbij rukt, zoo vergaat de goddelooze.'' (2)

Ik kan mij niets ongelukkigers op aarde uitdenken dan den toestand van iemand, bij wien de grondslag van het christelijk leven, de grondslag van het ware geluk, Gods heilige genade ontbreekt. Hij dwaalt als een schaap zonder herder, hij beleeft bittere uren, bange dagen; uren en dagen van ontevredenheid, van wroeging, van tranen, van gramschap en wanhoop. Hij durf niet opzien naar den hemel en kan geen lucht geven aan zijn geprangd gemoed, dat neergedrukt, gebonden en gekneld is door de zonden; — alles, ja alles is voor hem verloren, zijn arbeid, zijn zweet, zijne ontberingen.... Stel nu zoo een man aan het hoofd van een huisgezin, als echtgenoot, ala vader. Hij heeft den zegen des Hemels niet, want eene scheidsmuur verheft zich tusschen hem en tusschen den almachtigen God. Hij is van God gescheiden, want de gulden band van liefde is verbroken, en zoolang die scheiding, zoolang die scheuring voortduurt, zoolang ook kan hij niets verdienen voor den Hemel; „want die wijsheid en tucht, dat is: godsdienst en deugd verzaakt, is ongelukkig, en ijdel is hunne hoop, en hun arbeid vruchteloos, en nutteloos (1) Eccl. 23; 37. — (2) Prov. 10; 25.

ocr page 28

— 26 —

hunne werken.quot; (1) Welk goed zal zulk een huisvader io zijne familie stichteD? Wat zal die man voor vrouw en kinderen zijn? Aan hem is de leiding der familie toevertrouwd, en welke leiding zal hij haar geven? In dat huis, in dien familiekring is alles in wanorde; daar heerschen twist en tweedracht, eigenzin en afkeer; daar treurt en zuoht de moeder, daar weer.en en schreien de kinderen. Want die vader, die door zijne deugden, door zijn goed voorbeeld , door zijne heilzame lessen, met één woord, door eene ziel vol van genade, den zegen des hemels in den schoot zijner familie moest doen nederdalen, hij brengt er de zonden en met haar alle noodlottige gevolgen. Hij heeft van God niets te wachten , noch voor de toekomst, noch voor de welvaart van zijn huisgezin, noch voor het slagen van zijne pogingen, noch voor den bloei van zijn handel of zijn ambacht, noch voor dit leven, noch voor de eeuwigheid; want aan Gods zegen is alles gelegen. // Leven zij lang, zij zullen toch voor niets geacht worden, en hun hoogc ouderdom zal ongeëerd zijn; en sterven zij spoedig, zij zullen geene hoop hebben, noch troost op den dag des oordeels. Want rampzalig is het uiteinde van een boos geslacht.quot; (2) Bijgevolg om Gods zegen over zich zeiven en over de zijnen af te smeekeo, moet men leven in staat van heilig-makende genade.

(1) Sap. 3; 11. — (2) Sap. 3; 17-20.

*

ocr page 29

- 27 -

Wie kan zijn gratig oog verzaden Aan 't paar, ter bruiloftsfeest bereid, Bekleed met zuivere gewaden Van Hemelsche erfrechtvaardigheid? Gewaden, niet van vrouw Nature Gewrocht, neen zeker; neen, o neen:

De stof van 't kleed is veel te pure. En niet te vinden daar we treên.

Dat kleed viel hun ten deel van boven. De Godheid schonk dien bruiloftsschat Hun beide uit liefde in aardsche hoven. Och, dat geen aardschheid dit bekladd'

Noch vuile vlek het schende in 't pralen! Geen blankheid mag het hierbij halen.

J. v. d. Vondel.

iii.

UW WIL GESCHIEDE, GELIJK IN DEN HEMEL ZOO OOK OP AARDE.

Gij moet Gods geboden onderhouden eo u in alles aan Hem met liefde en geduld ODderwerpen.

Wat wordt er in een aardsch koninkrijk gedaan? In een rijk wordt da wil des koninga ten uitvoer gebracht.

Hoe nu kent men den wil des konings? Door aijne wetten. De wet is dus de wil des konings.

Zoo ook is het in Gods rijk. Gods wet is Gods wil. Welnu, de wet Gods is u allen bekend. Zij

ocr page 30

— 28 —

is vervat in de tieo geboden. Deze geboden werden door God tweeduizend jaren vóór Christus aan den bevrijder van Israels volk, aan Mozes, op den berg Sinai plechtig gegeven. Gij hebt deze geschiedenis gelezen; gij weet met welk eene machtsvertoon God aan zijn volk de wet afkondigde; hoe de Sinai dreunde onder de bliksemende en donderende wolk, waarvan faij omgeven was; gt;

hoe het volk met schrik en angst bevangen,

Mozes' komst verbeidde en hoe deze verscheen met een glanzend hoofd, dragende in zijne handen de twee steenen tafelen, waarop de wet en de wil van God stond uitgedrukt.

Wie Gods geboden onderhoudt, volbrengt Gods wil. „ Wilt gij tot het leven ingaan, zoo onderhoud de geboden;' (1) aldus sprak de Heiland tot den jongeling uit het evangelie. Gelukkig als gij met dien jongeling kunt antwoorden; „alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af,quot; (2)

I. nik ben de Heer uw God, Gij zult geene vreemde Goden voor mijn aangezicht hebben; gij zult u geen gesneden beeld maken, om het te aanbidden.quot; (3)

II. „Gij zult den naam van den Heer, uwen God,

niet ijdelijk gebruiken.quot; (4)

III. uGedenk, dat gij den sabbatdag heiligt.quot; (5)

IV. „Eer uwen vader en uwe moeder, opdat het u welga, en gij lang moget leven op aarde.quot; (6)

(1) Math. 19; 17. — (2) Math. 19; 20. — (3) Exod. 20; ,

1, 3, 4, 5. — (4) 7. — (5) 8. - (6) 12.

ocr page 31

V. „Gij zult niet doodslaan.quot; (1)

VI. „Gij zult geen overspel doen.quot; (2)

VII. „Gij zult niet stelen.quot; (3)

VIII. „Gij zult tegen uwen naaste geene valsche getuigenis geven.quot; (4)

IX. „Gij zult uws naasten huisvrouw niet hegeeren.quot; (5)

X. a Gij zult uws naasten kuis niet begeeren, noch zijn akker, noch zijnen knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles, wat hem toebehoort.quot;

Ziedaar Gods wet en Gods wil. Maar om die wet te volbrengen moet gij strijden en u zeiven geweld aaodoen ; want „het rijk der hemelen wordt geweld aangedaan, en die geweld doen, nemen het in.quot; (6)

Wat heeft Jesus hier op aarde komen doen? Den wil volbrengen van zijnen hemelschen Vader. Dit heeft hij cos nier alleen geleerd door woorden, maar ook door zijn voorbeeld.

„Mijne spijs is, den wil te doen van Hem, die mij gezonden heeft, opdat ik Zijn werk volbrenge(7) „want ik ben uit den hemel neergedaald, niet om mijnen ivil te doen, maar om den ivü van Hem die mij gezonden heeft.quot; (8) Waarheen heeft Hem de wil van zijn Vader gezonden? Naar de arme kribbe van Bethlehem , naar de werkstede van den behoeftigen timmerman Joseph, naar het

(1) 13. — (iT 14. — (3) 15. - (4) 16. - (5) 17. - (6) Math. 11; 12. — (7) Joan. 4; 34. — (8) Joan. 6; 38.

ocr page 32

— 30 —

gerechtshof van Caïphas en Pilatus. De wil zijne Vaders was, dat Hij gegeeseid en met doornen gekroond werd; die geeseiing heeft Hij blijmoedig ondergaan en de doornenkroon heeft Hij met liefde gedragen. Om den wil te volbrengen van Zijn vader in den hemel , is Jesus voor niets teruggedeinsd. Hij wilde, wat het Hem ook zou kosten, den wil Zijns vaders volbrengen. Naar zijn voorbeeld moet gij in weerwil van al uwe driften, Gods heiligen wil, u door God in Zijne tien geboden en in die der heilige kerk geopenbaard, volbrengen ; want Gods zoon heeft Zijne kerk hier op aarde gesticht, om u Gods wil bekend te maken, en om in de kerk een onfeilbaren gids te vinden, die u leiden moet naar het Kijk der hemelen.

hZoo iemand na mij wil komen, die verloochene zich zeiven, on neme zijn kruis op en volge mij na.quot; (1)

ii Mijn zoon, als (jij in den dienst van God treedt, sta dan vast in de gerechtigheid en in de vreeze, en bereid uwe ziel tot de beproeving.quot; (2) De lijdensweg is voor ieder mensch de zekere en koninklijke weg naar den hepael; ieder Christen moet zijn kruis met liefde opnemen en geduldig dragen.

De tranen immers die gij schreit, wanneer uwe moeder u in bittere smarten baart, zijn als de voorboden van al dien jammer en ellende, die uw leven zullen vergezellen.

(1) Math. 16; 24. — (2) Eccli. 2; 1.

ocr page 33

— 31 —

. . . . Ween, teeder wichtjen, ween Bij d'intrée op den weg yan loutre heilloosheên! Ja, tranen zijn uw deel. Bereid u, die te plengen!

Haast zult gij ze aan uw zweet, uw hartebloed vermengen. En 't pad bedruppelen, ja beplasschen waar gij streeft. Schrei, wichtjen, 't is uw deel: de sterveling schreit, die leeft.

W. Bildebdijk. Overal zult gij uw kruis vinden, want veroede-ring eu lijden komen als van zelf. Onophoudelijk vroei Paulus aan God om van den prikkel des vleesches bevrijd te worden. God echter weigerde hem te verhooreo om hem in geduld en ootmoedigheid te versterken en in de deugd te bevestigen. n Alles wat u overkomt, neem het op, wees lijdzaam in uwe smarten, en oefen geduld in uwe vernedering. Want goud en zilver worden in het vuur beproefd, maar menschen, die Gode welgevallig zijn, in den smeltoven der vernedering.quot; (1)

In u zei ven dus, in uw eigen vleesch vindt gij uw kruis. Vervolgens komen smarten en vernederingen van alles wat u omringt. Eene doode-lijke ziekte kluistert n aan de legersponde; zij die u dierbaar zijn, worden plotseling en onverwachts door den dood aan uwe zijde weggerukt: Gij hebt zijn ziel beproefd, o Heer, en ook ons hart; Verlaten moest hij ons, zijn dood was onze smart. Gij werkt van den vroegen morgen tot den laten avond, gij doet uw best eo toch zullen dikwijls uwe pogingen mislukken.

(1) Eccli. 2; 4, 5.

ocr page 34

Wee hem, die dan dees pijn door wellust wil verdooven;

Wee hem, die dan in wijn verzachting vindt van smart.

Ach! wijn en wellust kan ons van gevoel berooven.

Maar de angel des verdriets doorwroet het nokkend hart.

Borger.

Verzet u niet tegen Gods heiligen wil, 'maar zeg: ik zal niet morren en klagen, dewijl Gij, o Heer, mijne deugd beproeft, om te zien of zij Uwer waardig is; want uwie den lafhartigen, die op God niet vertrouwen en daarom ook niet door Hem beschermd worden.quot; (1) Ja hef uwe oogeo hemelwaarts, want daarboven woont een goede Vader, die ieder kind, dat Hij bemint, liefdevol kastijdt en straft in den tijd, om het te kronen in de eeuwigheid.

Job werd geslagen met kwaadaardige zweren van het hoofd tot de voetzolen. Neergeworpen op een mesthoop, verlaten van allen, schrapte de ongelukkige met een potscherf den etter uit zijne woeden. Te vergeefs werd hij tot ongeduld en grammoedigheid aangespoord door zijne vrouw; ;/ Wat zijt gij nog eenvoudig', door God te loven en te prijzen voor al die onheilen. Maar Job gaf haar ten antwoord : „als een der dwaze vrouwen hebt gij gesproken; hebben wij het goede van Gods hand ontvangen, uaarom zouden wij dan ook niet het kwade gewillig aannemen?quot; (2)

Lodewijk IX, koning van Frankrijk, stak met

(1) Eccli. 2; 15 - (2) Job 2; 9. 10.

ocr page 35

— 38 —

zijne maDschappen over zee naar Egypte, om in Palestina het graf van Jesus aan de macht der Saraceenen te ontrukken en te bevrijden. God echter was tevreden met den goeden wil van den heiligen Lodewijk, want zijn leger werd door den vijand verslagen; hij zelf werd gevangen genomen en in boeien geklonken. De heilige Lodewijk omhelsde met liefde zijne ketenen en was blijmoedig in zijn lijden en in zijne vernederingen. Zijne vijanden hierover verwonderd, riepen uit: „nooit hebben wij een zoo grootmoedig hart aangetroffen.quot;

Wanneer u een ongeluk overkomt, ach mor en klaag niet tegen Gods vaderlijke Voorzienigheid, maar draag met liefde het Kruis, dat God u op de schouderen legt. Wees ook geduldig in het lijden u aangedaan door uwen evenmensch. Spiegelt u in het voorbeeld van David, (1) want toen zijn zoon Absalon tegen hem was opgestaan en hij met zijne getrouwen Jerusalem verlaten moest, ging hij over de beek Cedron en beklom barrevoets, met omsluierd hoofd, en weenende den Olijfberg. „Ik breidelde mijnen mond, als de goddelooze tegenover mij stond. Ik verstomde en vernederde mij; ik zweeg, zonder baat, (1) en mijne smart werd vernieuwd.quot; (2) Van hier vluchtte hij weder, en ontmoette een man met name Semei. Deze

1

Mijn zwijgen was geen leniging voor mijn smart.

ocr page 36

— 34 —

wierp hem met fiteeneo, en vervloekte hem. Abisai, de gezel van David, wilde heen gaan, en Semei dooden. Doch de koning antwoordde kalm en gelaten: „Laat hem vloeken; wellicht blikt God neder op mijne ellende, en vergeldt Hij mij 's mans vloek met zegeningen.quot;

IV.

GEEF ONS HEDEN ONS DAGEL1JKSCH BROOD.

Vele groote mannen zijn er geweest vóór en na Christus; deze mannen hebben zich een groeten naam verworven; maar geen enkel hunner heeft het durven wagen aan het menschdom een gebed voor te schrijven, zeggende: aldus zult gij bidden. Jesus alleen, die meer dan een groot man, die God was, heeft durven zeggen: „aldus zult gij hidden.quot; En van af dien tijd hebben honderden millioenen monden het heerlijk gebed herhaald : „Onze Vader, die in de Hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam! Laat toehomen Uw rijk! Uw wil ge-schiede gelijk in den Hemel, zoo ooh op aarde ! Geef ons heden ons dagelijlcsch brood.quot; (1) Deze laatste woorden zijn klaar en duidelijk ; wij vragen voor het lichaam het dagelijksch brood dat wij noodig hebben.

(1) Math. 6; 9, 10, 11.

ocr page 37

— 36 —

Brood beteekeot in het algemeeo voedsel voor ons lichamelijk en stoffelijk leven. Waar leven is, daar ook moet voedsel zijn, om het leven te onderhouden en te ontwikkelen. God weet, dat wij niet alleen eene ziel maar ook een lichaam hebben, dat wij niet alleen den wil van onzen Hemeischen Vader moeten volbrengen, maar ook dat onze stoffelijke natuur voedsel noodig heeft en daarom bidden wij: uGeeJ ons heden ons dage-lijksch brood.quot; God wil niet, dat wij Hem bidden om rijkdommen, om weeldeen kostbare kleederen, maar enkel en alleen om het dagelijksch brood te verkrijgen. Zoo leert Hij ons de matigheid, en datgene alleen aan de natuur toe te staan, wat wij haar uit noodzakelijkheid moeten geven. uHebben-de voedsel en deksel, zijn wij daarmede vergenoegd.quot; (1)

God zal het dagelijksch brood aan den mensch, zijn kind, hier op aarde niet weigereo; maar de mensch moet Hem door zijn gebed dat brood vragen en door een werkzaam leven zich waardig maken hetzelve te ontvangen. God weet zeer goed, dat gij het dagelijksch brood noodig hebt, maar ook gij van uwen kant moet niet vergeten, dat gij God noodig hebt, dat gij van Hem in alles afhangt en uw leven in Zijne macht is; daarom verlangt God, dat gij Hem het dagelijksch brood vraagt. Indien de mensch Gods weldadea genieten kon zonder Hem deze te vragen, zou hij weldra

(1) I. Tim. 6; 8.

ocr page 38

— 36 —

tot hoogmoed overslaan en denken : dit allea heb ik aan mij zei ven te danken; dit is de vrucht van mijn arbeid. Neen, alles komt van God; Hij is de onuitputtelijke bron van alle goed. Deze bekentenis en verheerlijking van Gods wezen ligt opgesloten in deze woorden en in het hart van den mensch die bidt: „Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot; Ja, deze woorden stellen ons God voor in Zijne oneindige grootheid en den mensch in zijne diepe afhankelijkheid van God.

Door den arbeid uwer handen moet gij u waardig maken het dagelijksch brood van God te ontvangen. „Ga tot de mier, o luiaard, beschouw hare wegen , en leer wijsheid! Zij heeft noch aanvoerder, noch meester, noch opperhoofd, en toch schaft tij zich in den zomer hare spijs aan, en vergadert in den oogsttijd haar voedsel. Hoe lang nog zult ge daar nederliggen, o luiaard? wanneer zult ge toch eens opstaan uit uwen slaap? Gij slaapt nog een weinig, gij sluimert nog een weinig, gij legt nog voor een ongen-blilc de handen over elkander om uit te rusten; en dan overvalt u het gebrek als een reiziger, en de armoede als een gewapend man! Maar indien gij naarstig zijt, dan zal uw oogst wezen als eene waterbron, en gebrek zal verre van u vluchten.quot; (1)

h Ter oorzdke van de koude verkoos de luiaard niet te ploegen; hij zal dan bedelen in den zomer, en niets krijgenquot;; (2) „maar van allen arbeidhomt overvloed.quot; {fi) quot;(1) Prov. 6; 6-11. — (2) Prov. 20; 4. - (3) Prov. 14; 23.

ocr page 39

-ST-

Op zekeren dag bracht een woeBtijnbewoner een bezoek aan den abt Silvaous en vroeg hem: f/Vader, waarom arbeidende monaikeD zoo ijverig voor het vergankelijk en lichamelijk brood? Maria toch had het beste deel gekozen, want Jesus verweet aan Martha dat zij om zoovele zaken bekommerd was.quot; Zonder een woord te spreken gaf de Heilige den woestijobewooer een boek en leidde hem vervolgens naar eene cel van zijn klooster. Te vergeefs wachtte hij, dat men hem zou uitnoodigen om het middagmaal te gebruiken; uit noodzakelijkheid gedwongen, ging hij naar den abt Silvanus en stelde hem de vraag: //Maar vader, nemen de monniken heden geen middagmaal?quot; //Zekerquot;, was het antwoord, //zij hebben het reeds gebruikt.quot; //Maar hoe komt het dan, dat men mij niet ontboden heeft?quot; vroeg de woestijn bewoner. De heilige antwoordde: //Omdat gij met Maria het beste deel hebt willen kiezen en den arbeid voor het dagelijksch brood overvloedig acht; gij schijnt alleen te leven van het geestelijk, wij echter hebben tevens een lichamelijk brood noodig; ziedaar waarom wij werken en arbeiden.quot; Gij moet dus niet alleen bidden maar ook arbeiden, om het dagelijksch brood van God te ontvangen. Dit zij gezegd aan rijk en arm. God , die Zijne zon laat opgaan over den rechtvaardige zoowel als over den zondaar, die de vogelen des Hemels voedt en de bloemen des

ocr page 40

— 38 —

velds versiert, zoodat nSalomon zelf in al zijne heerlijkheid niet gekleed is geweest, als eene van diequot;, (1) God z.eg ik, zou het dagelijksch brood weigeren aan den menseh, zijn kind hier op aarde, aan het edelste zijner schepselen? Neen, dat is niet mogelijk. De armoede zal daarom echter niet uit de wereld verdwijnen, want „de armen hebt gij altijd met u.quot; (2) i)e armoede is in zich geen ongeluk, ja zelfs de vrij willige armoede ia eene verhevene christelijke deugd, sedert Jesus arm en verlaten op deze wereld leefde; want nde vossen hebben holen, en de vogelen des Hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd neder-legge.quot; (3) Üe armoede overigens ligt .in de natuur van den meosch; de eene heeft meer talenten, de andere minder; de eene is traag en lui, de andere naarstig en werkzaam; de eene verspilt zijn vermogen in zonde en ondeugd , de andere is spaarzaam; de eene gaat dus vooruit, de andere achteruit. De zonde, ziedaar een der oorzaken, die armoede baart.

De rijken zijn verplicht de armen te ondersteunen : Gebied den rijken dezer eeuw weldadig te zijn, rijk te worden in goede werken, vrijgevig, mededeelzaam te zijn.quot; (4)

Laat vrij de weelde uw lachende oogen streelen.

Geniet wat u van God geschonken is;

(1) Math. 6; 29. — (2) Math. 26; 11. — (3) Math. 8; 20. — (4) I. Tim. 6; 17, 18.

ocr page 41

— 39 —

Maar denk ook soms: er zijn er ach, zooveleu Die hnnkren naar een kruimke van mijn disoh.

G. JONCKBLOET, S. J.

u Mijn zoon, onthoud den arme zijne aalmoes niet, en keer uwe oogen niet af van den hclioefti'ja.quot; (1) Job gaf gaaroe van zijn overvloed, want altijd ondersteunde hij den arme in zijne ellende en nooit zond hij de klagende weduwe van zijne deur. Zijn brood at hij nooit alleen, maar deelde het met den wees. Den naakte heeft hij gekleed, opdat hij niet van koude en gebrek zou vergaan.

Eloort naar de vermaning die de oude Tobias gaf aan zijn zoon: „Hebt gij veel, geef dan veel, hebt gij weinig, geef dan nog gaarne van dat weinige. Eet uw brood met de armen, en deel het met degenen die hongerig zijn; dek de naakten met uwe Ideederen.quot; (2) De heilige Elisabeth, landgravin van Thuringen verkocht al hare sieraden en kleederen ten voor-deele der behoeftigen en armen.

Gij moet den arme beminnen, den armen vader, de arme moeder. Gij rijken, gij moet hun ter hulpe komen, want ook gij hebt den arme noodig, om door uwe aalmoezen uwe zonden uit te boeten. Ach ja, wie zou niet het laatste stukje brood met hen willen deelen! Wie zou niet barmhartig zijn om ook eens barmhartigheid te verwerven! „Die zich ontfermt over den arme, zalig hij!quot; (3) De arme

(1) Eccli. 4; 1. - (2) Tob. 4; 9,17. - (3) Prov. 14; 21

ocr page 42

— 40 —

die klagend aan uwe deur, het Onze Vader bidt, ach versloot hem niet, want het is Jesus zelf;

Hij immers heeft het gezegd: Zoo dikwijls gij dit aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan helt, hebt gij het aan Mij gedaan.quot; (1) nEn al wie slechts een beker koud water aan eenen van deze geringsten, in den naam eens discipels, zal te drinken gegeven hebben, voorwaar, ik zeg u, hij zal zijn loon niet verliezen.quot; (2)

Daar staat een moeder, met heur kind, op straat.

Voor 't prachtig huis van eenen rijke, die Zijn geld verbrast in spel en overdaad.

Zij klopt: de wijde deur gaat open. Stil En nokkend smeekt zij: »Ach! om Godes wil.

Mijnheer____ik ben eene arme weduwvrouw;

Ik heb nog nooit gebedeld; maar de kou.

De honger dwingt mij, 't is voor den eersten keer.

En daarom kom ik 's avonds. .. Goede heer.

Een aalmoes! al was 't maar een stuksken brood!

Of wel mijn kind is morgen mooglijk dood

»Van honger!quot; Maar een dienstknecht snauwt haar toe:

„Daar 's niets te geven!quot; en de deur valt toe!

Jan van Beees.

u Wend uwe oogen niet af van den noodlijdende, opdat hij zich niet ver gramme; en geef hun, die u vragen, geene aanleiding om u achter uwen rug te verwenschen. Want de bede van hem, die u in de bitterheid zijns gemoeds verwenscht, zal verhoord worden; Hij die hem geschapen heeft zal hem verhooren.quot; (3)

(1) Math. 25; 40. —(2) Math. 10; 42.— (3) Eccli.4;5, fc.

ocr page 43

— 41 —

Nog eens rijken dezer aarde, dat de armen uw buis niet verlaten, zonder u een Gods loon toe te wenschen en Gods vaderlijken zegen over u en uw huisgezin af te soteeken.

De heilige Joannes, patriarch van Alexandrie, was buitengewoon vrijgevig in het nitdeelen van aalmoezen. Toen hem op zekeren dag een bedelaar om een aalmoes vroeg, beval bij zijn kamerdienaar, hem zes zilverlingen te geven.-

In andere kleederen gestoken kwam kort daarop dezelfde bedelaar. De heilige gaf hem andermaal dezelfde aalmoes en toen zijn kamerdienaar hem de opmerking maakte, dat hij voor de tweede maal denzelfden bedelaar eene aalmoes had toegereikt, gaf de heilige bisschop hem ten antwoord, dat bij zulks niet geloofde. Voor de derde maal klopte dezelfde bedelaar bij Joannee aan. Zijn kamerdienaar gaf den Heilige een teeken, dat het dezelfde persoon was ala tweemaal te voren. „Welnuquot;, zeide Joannes, «geef hem ditmaal twaalf zilverlingen, misschien is het Jesus zelf, om ons aldus op de proef te stellen, wie van ons beiden dit het langst zal volhouden, hij met vragen of ik met geven.quot;

Niet alleen een stoffelijk maar ook een geestelijk brood hebt gij noodig.

Het geestelijk brood is het woord Gods, en de heilige Saoramenten, maar vooral het heilig Sacrament des Altaars.

ocr page 44

_ 42 —

Gelijk de akker bezaaid wordt om vruchten voort te brengen, zoo heeft uwe ziel een geestelijk zaad noodig om deugden aan te kweeken; dit uzaad is het woord Gods,quot; (1) „Mijn zoon! geef acht op mijne woorden en neig uw oor tot mijne reden !quot; (2) Het woord Gods is een geestelijk zaad, want het woord is niet stoffelijk. Het woord kan niet met de hand uitgeworpen worden, zoo als de akkerman zijn zaad uitwerpt. Het woord is een klank, die klank bevat eene leer en deze leer moet waarheid zijn. Uwe ziel immers is voor de waarheid geschapen, de waarheid is haar natuurlijk en noodzakelijk voorwerp, ja zij is haar voedsel, haar licht en haar leven.

;/ Wat is de waarheid?'' vroeg Pilatus aan Jesus, toen Deze hem zeide: „Ik ben in de wereld c/ekomen om der waarheid getuigenis te geven quot; (3) dat wil zeggen, om te verklaren wat de waarheid is, om het zaad der waarheid in de wereld rond te strooien. Gods woord is dus het zaad der ziel, bijgevolg God is de leeraar der menschen.

Door zijn woord onderrichtte God in het aardsch-paradijs den eersten mensch; later, toen de zonde in de wereld was gekomen en de waarheid verduisterd werd door de driften en hartstochten, trad God nogmaals op als leeraar voor het gevallene menschdom, want Hij sprak tot de patriarcuen Noë, Abraham, Isaac en Jacob, Hij wekte Mozes

(1) Luc. 8; 11. — (2) ProY. 4; 20. — (3) Joan. 18; 28, 37.

ocr page 45

— 43 —

op, zoud profeten uit, verkoor de Israëlieten als zijn uitverkoren volk, tot dat Hij eindelijk in den persoon van Jesus tot het geheele menschdom gesproken heeft: „Het zaad is het woord Godsquot;, {l) ja door alle eeuwen heen is het zaad der waarheid, het woord van God. Gelijk dit goddelijk zaad, het zaad des heils, voorheen aan het hoogepries-terlijk gezag van het Israëlitische volk was toevertrouwd, zoo is het thans aan de heilige Kerk gegeveu, want tot deze heeft Jesus gezegd : „Leert alle volkeren.quot; (2) Aan de Kerk heeft Jesus het onfeilbaar gezag gegeven om zijn goddelijk woord onvervalscht te bewaren en door alle eeuwen heen te prediken. Jesus heeft haar Zijn woord , het zaad des heils overgegeven, en dat goddelijk woord zaait zij onophoudelijk door hare priesters in de harten der geloovigen. Gelukkig, wanneer dat zaad in eene goede aarde valtl „Dezen zijn, die het woord hooren, en het met een goed en voortreffelijk hart bewaren, en vrucht voortbrengen in lijdzaamheid.quot; (3)

Het is maar al te waar hetgeen Jesus zegt, dat het zaad der waarheid zoo dikwijls valt óf langs den weg waar het vertreden wordt, óf op de steenrots waar het geen wortel kan schieten, óf tusschen de distels en doornen, waar het verstikt.

Gij moet dus niet alleen Gods woord aanhooren, maar ook met blijdschap aannemen en bewaren

(1) Luc. 8; 11. — (2) Math. 28; 19. — (3) Luc. 8; 15.

ocr page 46

— 44 —

in uw hart. Gij moet uwen goeden wil toonen, om Tolgeos dat woord uw leven in te richten, ja het moet een schat wezen voor uw hart, waarheen gij uwen toevlucht neemt in de ure der beproeving, in lijden en gevaar. Het woord Gods moet ootc vruchten voortbrengen van geduld. Met geduld moet gij werken aan het heil uwer ziel en weerstand bieden aan den drang der hartstochten. „Een langmoedig mensch is meer dan een krijgsheld, en die zich zeiven beheerscht overtreft een overwinnaar van steden.quot; (1) Ja, gelijk de zon het zaad in de aarde vruchtbaar maakt en tot rijpheid doet komen, zoo ook moet Gods woord u opwekken om het goede te willen en te doen en er altijd in te volharden.

Te Tarsus woonde eens een tooneelspeler die met verschillende vrouwen in zondige verkeering leefde. Toen hij op zekeren dag eene Katholieke Kerk voorbijging, werd hij uit nieuwsgierigheid gedreven er in te gaan. Een priester had den kansel betreden om het woord Gods aan het vrome volk te verkondigen. Hij had gesproken over de hel en eindigde zijne toespraak: „Met gouden stift zal op de poorten der hel geschreven Btaan : die hier intreedt legt de hoop voor eeuwig, eeuwig af.quot;

Deze woorden maakten een zoo diepen indruk op het hart van den tooneelspeler, dat hij berouw

(1) Prov. 16; 32.

ocr page 47

— 45 —

kreeg over zijne zooden en het vaste besluit maakte zijn leven te beteren. Te buis gekomeo, legde hij de plechtige verklaring af elke zondige verkeering te willen afbreken om zijne onsterfe* lijke ziel te redden. Bitter begonnen de vrouwen te weenen en zeiden: „Toen gij ons in het verderf wildet storten, hebt gij ons komen opzoeken, maar nu gij het leven wilt ingaan, laat gij ons aan alle ellende over. Neen, wij zijn deelgenoot geweest in uw zondig leven, wij willen u ook in boetvaardigheid volgen.quot; Zij verlieten de wereld, bewoonden een (oren, gebouwd op de stadsmuren van Tarsus, waren daar een voorbeeld voor allen, deden groote boetvaardigheid over hunne zonden en zochten er velen op den weg der deugd terug te brengen.

„Ik ben het levende brood die uit den Hemel ben nedergedaald; zoo iemand van dit brood eet, die zal leven in eeuwigheid en het brood, dat ik zal geven is mijn vleesch voor het leven der wereld.

Toen de Joden deze ivoorden hoorden , streden zij onder elkander, zeggende: Hoe kan deze ons zijn vleesch te eten geven?quot; (1) Als Jesus figuurlijk had gesproken was hij verplicht geweest de Joden uit hunne dwaling te helpen. Hij had dus moeten zeggen: „gij bedriegt u, ik heb slechts figuurlijk gesproken.quot; Maar neen, Jesus bevestigt zijne woorden: » Voorwaar, voorwaar ik zeg u „• tenzij gij

(1) Joan. 6; 51-53.

ocr page 48

— 46 —

het vleesch van den Zoon des menschen eet, en zijn Hoed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en ik zal hem ten jongsten dage opwekken, want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank, die mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, blijjt in mij, en ik in hem.quot; (1) Duidelijker eo krachtiger had Jesus zich niet kunnen uitdrukken, Neen, er is geen sprake van figuur of zinnebeeld. Jesus kondigt hier het Sacrament des Altaars aan, waarin Hij werkelijk en wezenlijk tegenwoordig is.

Als gij Jesus figuurlijk wilt hooren spreken, luistert dan: „Uwe vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven, maar dit is het brood, hetwelk uit den Hemel nederdaalt, opdat zoo wie daarvan eet, niet sterve.quot; (2) Het mauna der woestijo is de figuur en het zinnebeeld door Jesus aangegeven; maar dat zinnebeeld wordt voltrokken door het goddelijk manna, door het brood des levens, dat Jesus ons geven zal.

Zoo sprak Jesus te ;;Capharnaum' (3) aan den oever dei* Gallileische zee; zoo kondigde hij dit groote mysterie aan, reeds tweemaal voorafge-beeld in de woestijn door de vermenigvuldiging der brooden.

Toen Jesus in het laatste avondmaal het paaseh-lam gegeten had, „nam Hij het brood, zegende en

(1) Joan. 6; 54-58. - (2) Joan. 6; 49,50. (3) Joan. 6; 60.

ocr page 49

brak het, en gaf het aan zijne discipelen en sprak; neemt en eet; dit is mijn lichaam,quot; Daarna nam Hij ook den kelk en dankte, en gaj hun denzelven zeggende : Drinkt hieruit, allen ! want dit is mijn bloed des nieuwen verhonds, hetwelk voor velen zal vergoten worden, ter vergiffenis der zonden.quot; (1)

Er is geene waarheid in het evangelie, die met meer zekerheid en grooter luister doorstraalt en schittert, dan de Eucharistie waarin Jesus werkelijk en zelfstandig tegenwoordig is. Toen Luther deze woorden van Jesus overwoog riep hij uit: ;;Welk middel zou ik kunnen uitdenken om dit te loochenen ! Het is een ondoorgrondelijk geheim ! Maar als God gesproken heeft, houdt alle twijfel op.

uGod is liefdequot;, (2) dit woord zoo troostvol en zinrijk heeft Joannes aan de wereld verkondigd. Welnu de liefde streeft naar vereeniging, dit streven is haar eigen, hare natuur en kenmerk. De Eucharistie is de vereeniging van God met den mensch. Zij is de schoonste vrucht, de heerlijkste uitstraling van Gods liefde.

Sidder niet! Ik ben de liefde Voor het hart. dat Mij bemint.

Ja! Ik ben en blijf de liefde Zelfs voor 't wedcrspannig kind.

Liefde omsluiert mijne grootheid,

Maakt mij tot verborgen God;

Zonder Mij bestaat geen liefde,

Zonder liefde, geen genot.

(1) Math. 26; 26, 27, 28. — (2) I. Joan. 4; 8.

ocr page 50

Niet genoeg voor niqne liefde Nood Ik de aard ten gastmale uit;

De aarde wordt mijn tweede Hemel,

En de ziele wordt mfjn bruid.

Dr. Michael Smiets.

Nadat Jesus* goddelijke liefde getriompheerd had ia de arme Kribbe van Bethlehem en op het Kruis van Golgotha, heeft tij in de Eucharistie haar werk voltooid ; ja de Eucharistie is haar meesterstuk en zet de kroon op het liefderijk werk der verlossing. In het heilig Sacrament des Altaars, in dat wonder der goddelijke liefde, vindt onze «iel het krachtig voedsel, dat in haar het leven der genade en der goddelijke liefde onderhoudt en vermeerdert.

De natuur der spijs moet in betrekking staan met de natuur des levens. Waar een bovennatuurlijk leven is, daar moet ook eece bovennatuurlijke spijs bestaan. Welnu, de ziel leeft een bovennatuurlijk leven, bijgevolg moet zij gevoed v»orden met een bovennatuurlijk brood. Dit brood is Jesus Christus zelf, daarom zeide Hij; „Tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben.quot; (1)

Beschouw, hoe der Engelen Brood tot een spijs Van den Christlijken pelgrim op aard is geworden, Het Brood van de kindren des Eeuwigen Eijks, Een spijs, die geen honden ten voedsel mag strekken. ____Dk. Wap.

(1) Joan. 6; 54. _

ocr page 51

Xgt;rvi.ls.fioia.teix.

Jx--

Blz. 24 regel 9 v. b. staat; genezeo; dea Lees: genezenden.

ocr page 52
ocr page 53

— 49 —

V.

VERGEEF ONS ONZE SCHULDEN, GELIJK OOK WIJ VERGEVEN AAN ONZE SCHULDENAREN,

üm van God vergiffenis te verkrijgen van uwe zonden, moet gij uwen evenmenseh van harte vergeven.

Wat beteekent het woord schulden? Door het woord schulden heeft Jesus het onrecht bedoeld, dat u aangedaau wordt door den evenmenseh ;

iilndien gij den menschen hunne feilen vergeeji , zal uw hemelsche Vader ook uwe wandaden u vergeven,quot; maar voegt Jesus er onmiddelijk bij „■ „indien gij den menschen niet vergeeft, zal ook uw Vader uwe zonden u niet vergeven?' (1)

Ik geloof niet, dat er in het Evangeliewoorden te vinden zijn, die gij meer dan deze moet behartigen.

De Christelijke vergeving en naasteliefde, ziedaar de weg der zaligheid, de sleutel van Gods hart; in haar vindt gij al de schatten van Gods barmhartigheid , ja zelfs de vergiffenis uwer zonden. Hoe dikwijls verontrusten u niet de zonden van uw vroeger leven? Vrees en angst bevangen

(1) Math. 6; 14, 15.

4

ocr page 54

— 50 —

uwe ziel bij de gedachte aan Gods oordeel, aan de strenge rekenschap, die gij eens moet afleggen aan den oppersten Rechter vau levenden en doodea.

Hoe meer uwe jaren klimmen dös te meer pijnigen de zonden , bedreven in de dolzinnige jaren der jeugd, het hart van den vromen Christen. Hij zegt soms bij zich zei ven : Had ik deze of gene zonde niet bedreven! Hij telt ze op, en niet zelden vloeit er een traan uit zijne oogen, wanneer hij denkt; zijn ze mij wel vergeven?

Welnu, ik kom u een troost brengen, dien gij niet zult weigeren aao te nemen. Ik kom u een zeker middel aan de hand geven, om barm. hartigheid bij uwen hemelschen Vader te verwerven, om voor uwe zonden, hoe groot en menigvuldig zij ook mogen wezen, geheel en al te voldoen. Lwister, en vergeet het nooit ; schrijf deze woorden op de muren uwer woningen, schrijf ze op de voorgevels van uwe huizen om ze toch nooit te vergeten , om ze altijd te zien en te overwegen. Het zijn de woorden die eens van Jesus' lippen vloeiden: „Vergeeft, en u zal vergeven ivorden.quot; (1) uZijt voor elkander goedertieren, barmhartig, u onderling vergevende, gelijk ook God in Christus vergeven heeft aanu!quot; (2) Geliefden, wreekt u zeiven niet; maar geeft der gramschap jilaats ! Want er staat geschreven.- Mij is de wraak; ik zahvederom vergelden! spreekt de Ileere.quot; (3) „Vergeeft, indien (1) Luc. 6; 37. — (2) Eph. 4; 32. — (3) Bom, 12; 19.

ocr page 55

— 51 —

gij tets hebt tegen iemand: opdat ook uw Vader, die in de Hemelen is, uwe zonden u vergeve(1) want neen vonnis zonder barmhartigheid dreigt hem, die geene barmhartigheid bewezen heeft.quot; (2)

De Christelijke uaasteliefde, ziedaar het door God aangewezen middel ter vergeving uwer zonden: „de liefde dekt alle overtredingen toe.quot; (3) O edelmoedig hart, o echt christelijk hart, dat vergeven kan en vergeven wil. Let er wel op, de christelijke vergeving is de voorwaarde, die God u stelt, ja, zij is de noodzakelijke voorwaarde om op uwe beurt van Hem vergiffenis te verkrijgen. Deze voorwaarde heeft u Jesus uitdrukkelijk in het Onze Vader geleerd; „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren.''

Draagt gij dus wrok in het hart, gramschap, haat en nijd , afgunst en al deze vergiftige slangen, die het leven in de maatschappij zoo verbitteren en vergiftigen, en het christelijk leven in u dooden, dan hebt gij geen Aanspraak meer op Gods barmhartigheid; ja, ik durf het zeggen, dan zijt gij geen Christen meer. Dit is niet te veel gezegd, want mijne woorden zal ik staven door een afdoend bewijs. Waaraan kent men den Christen mensch? Luister, de goddelijke leeraar, de held uit het evangelie, Jesus, zal het u zeggen: „Hieraan zullen allen kennen, dat gij mijne (1) Mare. 11; 25.— (2) Jac. 2; lö. — (3) Prov. 10; 12.

ocr page 56

— 52 —

discipelen zijt, indien gij liefde hebt tot elkander.quot; (1) O hemelsche taal, die de wereld, waarin zooveel twiat en tweedracht heerscht, in een aardseb paradijs zou herscheppen , indien zij ter harte werd genomen. De naasteliefde, ziedaar het kenmerk van een waar Christen. Ja, aan hem, maar ook aan heni alleen, zal God de zonden vergeven, bij alleen zal aanspraak kunnen maken op Gods barmhartigheid en liefde, die de liefde tot zijn evenmensch beoefend heeft. Indien uwe goede werken niet gepaard gaan met de liefde tot den evenmensch, zullen zij u niet helpen; de slag immers , dien gij slaal op het hart van uw broeder, springt terug en treft het hart vaa Jesus; want, „zoo dikwijls gij dit aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, hebt gij het mij gedaan.quot; (2) De naasteliefde is dus een groot gebod; ja, het ia met Gods liefde, het grootste gebod, wat Jesus ons in Zijne wet heeft opgelegd. De naasteliefde staat in het Evangelie boven de kuischheid, boven de boetvaardigheid en den ootmoed, met één woord, zij staat boven alle andere deugden.

Op de naasteliefde zal het laatste oordeel gebouwd zijn. „Komt, gezegenden mijns Vaders!quot; zal de Heiland zeggen, „bezit het rijk, hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is; want ik heb honger gehad en gij hebt mij te eten gegeven; ik heb dorst gehad en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was (1) Joan. 13; 35. — (2) Math. 75; 40.

ocr page 57

— 53 —

vreemdeling en gij hebt mij geherbergd; naakt en gij hebt mij gekleed, ziek en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen.quot; (1)

Draag dan allen zonder uitzondering een welwillend hart toe. Vergeet gaarne en vergeef van harte, wat men tegen u misdaan heeft. „Als gij uw offer aan het Altaar opdraagt, en daar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offer daar voor het Altaar en ga eerst met uwen broeder u verzoenen , en dan zult gij uw offer komen opdragen.quot; (2)

De heilige Eleazar volgde zijn vader als graaf op. Meer genegen voor het huis van Arragon, weigerden zijne onderdanen zich aan hem te onderwerpen. Ofschoon zijne vrienden bij hem er op aandrongen, met alle gestrengheid te werk te gaan, bleef Eleazar kalm en behandelde de zijnen met de grootste welwillendheid en het heiligste geduld. — Eensdaags zeide Taranto, een zijner bloedverwanten tot hem: wgeef mij de opstandelingen over, ik zal hen met geweld onder uwe macht brengen, — Jegens goede burgers moet men zijn als een lam, maar jegens opstandelingen en rebellen als een leeuw.quot;

,/Ik ben geheel anders van oordeelzeide Eleazar; „met geweld wil ik mijne regeering niet beginnen, maar wel naet zachtmoedigheid. — Het is niet roemvol, dat de leeuw een lam ver-

(1) Math. 257 34-36. - (2) Math. 5; 23, 24.

ocr page 58

— 64. —

scheurt; wel ia het eene heldendaad voor het lam den triomf te behalen over deo leeuw; met Gods genade hoop ik dit weldra te bewerken.quot; Zijne woorden gingen in vervulling; want de inwoners van het graafschap Ariano, noodigden hem uit, bezit te komen nemen van zijn voorvaderlijk erf. Toen Eleazar eenigen tijd te Ariano gevestigd was, vond hij onder de gêschriften van zijn vader een brief van een veldheer, waarin hij den vader aanraadde zijn zoon, die meer monnik dan veldheer was, te onterven.

Delphina, de echtgenoote van Eleazar, ontstak hierover in hevige gramschap en verlangde, dat hij zich zou wreken. Eleazar echter zeide: „Jesus verbiedt ons wraak te nemen en beveelt ons kwaad met goed te vergelden.quot;

Hij vergaf van harte en verbrandde den schand-brief van dien veldheer.

VI.

EN LEID ONS NIET IN BEKORINGEN.

Bekoringen zijn dingen binnen of buiten ons, waardoor wij worden aangezet iets te doen, wat zonde is.

Bekoringen op zich zelf genomen zijn geene zonden, want ook „Jesus werd door den Geest naar de woestijn geleid, om van den duivel bekoord te

ocr page 59

— 55 —

worden.quot; (1) Jesus was God, bijgevolg kon Hij niet zondigen; wanneer de bekoring op zich zelf genomen reeds zonde ware, had Jesus gezondigd; dit echter ie niet mogelijk; want dit zou in strijd zijn niet zijne goddelijke natuur. Gij doet dus geene zonde, als gij in de bekoring niet toestemt. Hoe hevig en schandelijk gij ook gepraamd wordt door den prikkel des vleesches, gij zult geene zonden doen, wanneer gij biddende uw hart tot God verheft. „Zalig is de man, die aan de beharing weerstaat, want als hij beproefd zal zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd heeft aan degenen die hem beminnen.quot; (2)

Paulus werd vreeselijk bekoord tegen de heilige kuischheid; ,/daarom heb ik driemaal den Heere gebeden, dat die van mij mocht ivijhen. En de Heer sprak tot mij; Genoeg is u mijne genadequot; (3) ttA'ch! wie zal eene tuchtroede leggen op mijne gedachten en leering van wijsheid geven arm mijn hart, opdat ik niet gespaard worde bij hare misslagen , en hare zonden niet te voorschijn komen en opdat mijne dwaasheden, niet toenemen en mijne misdaden zich vermeerderen en mijne zonden overvloedig ivorden, en ik alzoo struikele voor de oogen mijner tegenstanders, en mijn vijand zich over mij verheuge: 0 Heere, Vader en God van mijn leven, geef mij niet over aan hunnen wil!quot; (4)

(1) Math. 4; 1. — (2) Jac. 1; 12. — (3) II. Cor. 12; 8, 9. — (4) Eccli. 23; 2, 3, 4.

ocr page 60

Ook de heilige Katharina van Siënen werd eensdaags tegen de heilige deugd bekoord. Toen de bekoring geweken was, verscheen haar de Heiland. Katharina klaagde bitter en vroeg Hem: „Waar waart gij toch, Heer, toen ik zoo gefolterd en bekoord werd?quot; Jesus antwoordde: „Ik was bij u en woonde in uw hart. Zeg mij eene, Katharina,quot; zoo ging Jesus voort: „waren u die gedachten en begeerten aangenaam?quot; „O neen, Heer Jesus!quot; riep de heilige uit, „want ik bad en riep uwe hulp in.quot; „Welnu,quot; zeide Jesus. «Ik boezemde u afkeer in tegen die schandelijke gedachten en begeerten, en bewaarde u tevens, opdat gij er niet in zoudt toestemmen.quot;

Wanneer gij u vrijwillig en zonder noodzakelijkheid in het gevaar begeeft, ja, wanneer gij God tergt door de bekoring op te zoeken, dan ligt de schuld aan u, want „wie het gevaar bemint, zal er in venmaan,quot; (1) dan zult gij volgens den gewonen loop der dingen onvermijdelijk diep io zonden vallen. Ware Eva in het aardsch-paradijs niet naar den boom gegaan, waarop de verboden vrucht stond, zij zou niet bekoord zijn geworden. Hadde David beter zijne oogen bewaard, nooit zou de vleeschelijke wellust hem overwonnen hebben. Salomon was een goed en wijs koning, zoolang hij geen omgang had met de heidenen; later echter ging hij vriendschap

(1) Eccli. 3727.

ocr page 61

— 57 —

aan met heidensche vrouwen en viel diep io zonden.

Zijt gij door noodzakelijkheid gedwongen op eene plaats of bij personen te zijn, waar gij bekoord wordt tot zonden, dan bid en blijf bidden, strijd, ja strijd zonder ophouden, want God zal u zijne genade geven, om niet in de bekoring te vallen en toe te stemmen. „Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Die in mij blijft en ik in hem, die draagt veel vrucht-, want zonder mij kunt gij niets doen.quot; {\) Gelijk deranken, om het leven te onderhouden door den wijnstok gevoed worden, zoo ook worden wij gevoed door de genade van Christus; want zonder haar kunnen wij niets. Bijgevolg zonder Gods hulp en genade kunt gij geene bekoring overwinnen. Bid en strijd in de bekoring, dan kunt gij zeggen met Paulus: „ik kan alles in Hem, die mij versterkt.quot;

Boudewijn, graaf van Vlaanderen, een der voornaamste ridders uit de kruistochten, werd in het jaar 1204 door de Fransehen en Venetiërs tot keizer van Constantinopel uitgeroepen.

In de nabijheid van Adrianopel werd zijn leger door de Bulgaren overwonnen en hij zelf werd gevangen genomen. In den kerker leed de jeugdige Boudewijn honger en dorst; God alleen troostte zijne schoone ziel en zijn zuiver hart. Eiken dag ontving hij een bezoek van de

(1) Joan. 15; 5.

ocr page 62

— 5'8 —

koDiDgin der Bulgaren, eo ofschoon zij al de liefde geooot van haar koDioklijken gemaal, •werd aij weldra voor den jeugdigen en schoonen Boudewijn ingenomen. ^Op zekeren dag zeide zij tot hem: „Boudewijn, zonder losgeld kunt gij twee gevangenen van huune boeien ontslaan.quot; „'Welke zijn dezequot;, vroeg Boudewijn, deukende wn frwee zijner veldheeren. De koningin gaf hem ten antwoord: wDe eerste gevangene zijt gij, en üe tweede ben ik. Neetn mij tot uwe gemalin, en wij zullen beiden vrij zijn. Laat den koning der Bulgaren het ongelukkig keizerrijk van Con-stantinopel, wat weldra zal vergaan ! Kom en keer met mij naar uw vaderland terug, alle middelen om ons te bevrijden, staan mij ten dienste.quot; De jonge en edele Boudewijn werd bleek en schrok van zulke taal. Hij hield de koningin den gruwel voor. Deze ontstak iti gramschap en dreigde hem met den dood, indien hij haar aanzoek weigerde. 'Des anderen daags kwam zij in den kerker terug en voerde dezelfde taal, maar Boudewijn hield opnieuw haar den gruwel harer misdaad voor oogen. Wanhopend liep zij naar den koning en klaagde den önschuldigen Boudewijn aan. De koning reeds ■wreed van natuur, werd nog wreeder gestemd door deze valsche beschuldiging. Hij deed Boudewijn uit den kerker haJen, liet hem handen en voeten afkappen en zoo verminkt, in een diepen kuil werpen. Drie dagen lang worstelde de edele ridder

ocr page 63

— 59 —

met den dood, maar steeg met den martelaarspalm ten Hemel op.

VIL

MAAR VERLOS ONS VAN DEN KWADE.

De zonde, die den gulden hand van liefde, welke den meosch met zijn God vereenigt, den band der heiligmakende genade verscheurt, de doodzonde, ziedaar vooral het kwaad, waarvan wij vragen bevrijd te worden, als wij bidden: «Verlos ons van den kwade.quot;

Verbeeld u, een koning voelt zich ingenomen voor een bedelaar. Hij breekt zijn bedelstaf, neemt hem bij de hand, steekt aan ziju vingerden ring van trouw en liefde en plaatst hem op zijn koningstroon.

Hoe smartvol zou het dien koning niet vallen, wanneer die gunsteling zijn trouw zou schenden en hem verwonden! Zou hij niet tegen dit laag en ondankbaar schepsel den vloek uitspreken; zou hij hem niet verbannen uit zijn rijk en zeggen: ,/mijne oogen zijn te zuiver om u voortaan te aanschouwen !quot;

Oit verhaal is slechts eene vergelijking van datgene, wat tusschen God en 's menschen ziel voorvalt; want de ziel des menschen is de koningsdochter des Hemels; door de heiligmakende ge-

ocr page 64

— 60 —

nade immers heeft God haar verheven op een troon. De inensch echter pleegt verraad, wanneer hij zich aan doodzonde overgeeft, hij verbreekt de trouw, die hij God gezworen had en verzaakt aan Jesus' liefde. «Wijk van Mij, gij trouweloozequot;, zegt God, „gij behoort mij niet meer toe, want de liefdeband tusschen Mij en u ia voortaan gebroken.quot;

„Wee mij, Heere, omdat ik veel gezondigd heb in mijn leven: wat zal ik, ongelukkige doen? Waarheen gevlucht, tenzij tot U mijn God?quot;

God 'k ben plichtig! Vóór ü zucht ik;

Schaamrood om mijn schulden, ducht ik:

Spaar mij, smeekling, tot u vlucht ik.

G. J. Wijnhoven.

h Mijne ongerechtigheden zijn mij hoven 't hoofd gestegen, en gelijk een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.quot; „Er is niets gezonds meer aan mijn vleesch, ter oor zake uwes toorns; geen rust in mijn gebeente, ter oorzake mijner zondenquot; (1)

De doodzonde ia dus de beul uwer ziel, want zij berooft haar van het bovennatuurlijk leven der genade; zij is de beul van hel waar geluk hier op aarde, want voor den zondaar is geen vrede; de worm des gewetens knaagt onophoudelijk aan zijn hart en belet hem gelukkig te zijn, ja de doodzonde is de beul des menschen in de ramp-

(1) Pi. 37; 5, 4.

ocr page 65

— 81 —

zalige eeuwigheid, want zij bereidt hem de eeuwige straffen der hel. Ais gij denkt: de doodzonde is de ondergang mijner ziel, met haar kan ik zelfs op aarde niet gelukkig zijn, door haar word ik eeuwig rampzalig in het toekomstige leven, als gij zoo en dikwijls daarover nadenkt, zult gij vurig bidden; ;/ Verlos ons van den kwade.quot; Ja, 's morgens bij uw ontwaken moet gij reeds bidden : Heer, verlos mij van alle kwaad. Schenk mij de genade dezen dag de doodzonde te vermijden. Dit gebed is immers natuurlijk voor den mensch. Als gij toch weet, wat eene doodzonde is, zult gij bij het aanbreken van den dag, en alvorens gij aan den arbeid gaat, tot God geest en hart verheffen en bidden: „Verlos ons van den Invade.quot;

Het is echter niet voldoende te bidden om van dat kwaad, de doodzonde, verlost te worden. Neen, want dan zou de weg naar den Hemel al te gemakkelijk voor u zijn. Dan zou God alles doen en gij bijna niets. j.Neen'quot;', zegt de heilige Augustinus, „God heeft u geschapen zonder u, maar hij zal u niet zaligtuaken en van den kwade verlossen zonder uwe eigene medewerking.quot; En vier eeuwen te voren had Jes'js , de goddelijke leeraar der menschen , reeds gezegd: ii Niet eeniegelijk, die tot mij zegt: IIeere , Heere ! zal ingaan in het rijk der Hemelen, maar wie den wil doet mijns Vaders die in de Hemelen is, die zal in

ocr page 66

— 62 —

htt rijk der Hemelen ingaan.quot; (1) Dit kan ook niet anders; gij bezit immers een vrijen wil en deze vrijheid moet gij gebruiken om de zonden te vluchten en de deugde» te beoefenen. Voelt gij niet, dat gij door eene bovennatuurlijke hulp moet versterkt worden, dat gij Gods genade noodig hebt om als redelijk inensch te leven en uwe driften onder het juk en in bedwang te houden? Ja, de beste, de krachtigste wil schiet te kort, wanneer hij alleen werkt, wanneer Gods genade, door het gebed afgesmeekt, hem niet te hulp komt. Ieder menschelijk leven is er een degelijk bewijs van. Het gebed moet dus gepaard gaan met den goeden wil. Hoe toout gij uwen goeden wil? Door de vrijwillige naaste gelegenheid van doodzonde te vluchten.

De gelegenheid maakt den dief, zegt het spreekwoord, en ik voeg erbij: de gelegenheid maakt den zondaar. Doe wat gij wilt, bid, vast, geef aalmoezen in menigte, kastijd uw lichaam, het zal u niets baten, indien gij de vrijwillige naaste gelegenheid van doodzonde niet vlucht. „Indien uwe hand of uw voet u ergert, houw ze aj, en werp ze van u; het is beter, verminkt of kreupel tot het leven in te gaan, dan twee handen of twee voeten te hebben, en in het eeuwige vuur geworpen te worden.quot; „En indien uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het van u: het is beter, met één oog tot het leven in te gaan, (1) Math. 7; 21.

ocr page 67

— 63, —

dan twee oogen te heiben, en in het helsche vuur geworpen te worden.quot; (1) Wat beteekenen die hand, die voet, dat oog in den mond van den Zaligmaker? Deze woorden beteekenen een persoon , een huis, een voorwerp, dat u zoo noodzakelijk zou wezen ais uwe rechterhand, als uw voet, ja, zoo kostbaar als uw rechteroog; als dat voorwerp voor u eene naaste gelegenheid zou zijn van doodzonde, zijt gij ten strengste verplicht deze gelegenheid te verlaten, want het is beter voor u aan God dit offer te brengen, dan in het helsche vuur te worden geworpen. Jesus geeft n de vrije keuze, of wel de naaste gelegenheid van doodzonde te verlaten, of in het vuur der hel te worden geworpen. Ziedaar de wet u voorgeschreven, door onzen goddelijken wetgever Jesus Christus.

Als gij wandelend op de velden aan uwe voeten eene slang zoudt ontdekken, hoe zoudt gij vol schrik en angst terugdeinzen en het afschuwelijke dier, dat een doodelijk vergift uitwerpt, ontwijken en vluchten? Zoo moet gij alle zonden, maar vooral de doodzonde vermijden.

nRust u uit en wees een manquot; (2) zoo sprak de stervende David tot zijn zoon en troonopvolger Salomon. Wat bedoelde David hiermede? Wilde hij zeggen: Wees een held in den strijd, versla uwe vijanden, verhef meer en meer den roem (1) Math. 18; 8, 9. - (2) III. Reg. 2; 2, 3.

ocr page 68

„ d. glorie'quot;«frow.»

beteekene0; ... öé,

op den troon een ste ^ vooral de dood-

beoefen de deugde ^ zin de9

zonde, dan alleen zul g ] ^ aUeen ^

woords een waardtg j ' daD alleen zult

Gods gelijkenis m u groot

gij hat volk, aa° uwe Z neenj de schoonheid

en gelukkig maken ^ ^ dheid maakt

^ de\r^e elften ^ titels, de adel den man niet, de V dragen,

maken den ^^n^rellendeliog .ijo-

den scepter voere ^ ^ ware groot.

Waar geene deug . ^ overhand heeft,

heid, waar de der0s0dall gchandelijke slavernij.

daar is met. annc8 Chrysostomus by

Toe. d. beilig. J»quot;-' ,len,

keizer Arcadius in onSen raad om te over-

gaderde deze ïiju g^ l0U ondergaan,

leggen, welke straf g0ederen zijner

De een stelde voor ^ wilde hem in

Kerk te berooven ^ het keilerrijk

boeien slaan; een e. het

verbannen; een vier ^ de overige

zwaard doen vallen. Nadat eJ^ ^

raadsmannen ha want al9 gij de

((geen uwer ken y iuit gij ze den

goederen zij w.lt hem in boeien slaan,

armeo ootoGtuGD, g J

ocr page 69

— 65 —

zijne ketenen echter zal hij ala eeo zegeteeken met liefde en geduld dragen; gij wilt hem in ballingschap zenden; maar zijne ziel is te groot, wijl de gansche aarde zijn vaderland is; gij bedreigt hem met den dood; hij vreest den dood niet, want hij beschouwt hem als de voorbode des hemels, die hem het begin aankondigt van de eeuwige glorie. Ik weet, wat hij vreest: Chrysostomus vreest alleen de zonde, voor hem is al het overige niets. Kunt gij hem tot eene zonde, maar vooral tot eene doodzonde brengen, dan zult gij hem werkelijk straffen,quot;

Omtrent dieozelfden tijd schreef Chrysostomus aan eene heilige weduwe, Olympia: „ik verzeker u, dat ik geen grooter kwaad ken dan de doodzonde. — Men bedreigt mij met verbeurdverklaring der goederen mijner Kerk, met gevangenis, met ballingschap, ja zelfs met den dood; maar hij, die een levendig geloof bezit, beschouwt de wereldsche straffen als de voorbode der eeuwige gelukzaligheid.quot;

Ook de dagelijksche zonde is eene beleediging Gode aangedaan, bijgevolg ook baar moet gij vermijden. Als gij een trouw vriend hebt, dien gij waarlijk bemint, zult gij hem nooit willen bedroeven en op welke wijze ook onaangenaam zijn. God is uw beste vriend, alles wat gij bezit komt van Hem. God bemint u met eene oprechte liefde; g'j if Jt Hem dus wederliefde schenken, door

5

ocr page 70

— 66 —

Hem getrouw »e zijn in kleine punten. Beleedigt gij God door eene dagelijksche zonde , dan zal uwe liefde jegens Hem verflauwen, en nooit zult gij meer aanspraak kunnen maken op eene ware liefde jegens God. Vermijd daaroin ook de kleine fouten, de dagelijksche gebreken. Zoudt gij wel eene dienstbode ia uw huis kunnen dulden, die u alleen het grove werk goed verrichten zou en naar honderden kleinigheden niet omziet? Neen. De volmaaktheid bestaat hierin, dat gij getrouw zijt in alles, dus ook in kleine punten.

Eo wanneer gij Gods hart hebt gewond (1), door getrouw te zijn in het kleine, wanneer uwe ziel een spiegel wordt, waarin God zich zei ven ziet, dan komt zalving en geestelijke troost van boven, en dien troost verlangt gij, omdat hij u zoo noodzakelijk is; „want zegt de Heer; ik zal op haar doen nederdalen een vloed van vrede.quot; (1) Er zijn menschen die niet begrijpen, wat geestelijke troost is; er zijn andere die er meê spotten , omdat zij dien geestelijken troost als kinderspel en zwakheid aanzien. Aan de eersten zeg ik, vervult trouw uwe plichten, en weldra zult gij ondervinden wat geestelijke troost is. Met de anderen heb ik medelijden , want zij zijn zeer onwetend en hebben niet het minste begrip van *8 menschen hart. De mensch immers haakt oaar

1

Gods liefde verworven.

ocr page 71

— 67 —

geluk, hij verlaagt naar vreugde en geooegen. Welnu, deze vreugde, dat genoegen kao alleen komen van den Hemel of van de aarde, van God of van de schepselen. Bijgevolg, verzaakt de menseb aan de liefde der schepselen, dan moet God troost en vreugde storten in zijn hart; want het hart des menschen kan zonder genoegen of vreugde, zonder troost of genot niet bestaan. God nu zal die vreugde, dat genoegen en dien troost schenken aan hem, wiens gedachte alleen op het goede gevestigd is en die ook de kleine fouten vermijdt.

Als gij eens nadenkt, hoezeer aan God de dage-lijksche zonde mishaagt, zult gij liever alle geld en goed, alle eer en gezondheid opofferen, dan eene vrijwillige dagelijksche zonde bedrijven. Al kunt gij door een kleine leugen een ander uit grooten nood helpen, ja hem misschien het leven redden , dan is het nog beter dat er tien, zelfs honderd menschen omkomen en den dood sterven , dan God een enkel maal door zulke kleine zonde te beleedigen.

Toen de heilige Seraphinus door eene adelijke dame aangezocht werd een kleine leugen te zeggen, gaf hij haar ten antwoord: „wanneer mij al de schatten der wereld aangeboden werden voor een enkele leugen, zou ik al die kostbaarheden met verachting van mij stooten , wijl de dagelijksche zonde mijne ziel doet verflauwen in Gods heilige liefde.quot;

ocr page 72

De dagelijksche zonde heeft ook vele oadeelige gevolgen; want de eerste bisschop van Laodicea had de kleine fouten niet vermeden en was daarom verflauwd in den dienst des Heeren; God zeide hem door den mond van Joannes: nik Teen uwe wet hen, gij zijt noch houd noch warmquot;; „maar omdat gij lauw zijtquot; en de dagelijksche zonde niet vlucht, a zal ih beginnen u uit mijnen mond te spuweri't (1) en vele genade weigeren.

De heilige Radegunda, geboren te Augsburg, verhuurde zich als dienstmeid op het kasteel Wellenburg. Na volbrachten arbeid ging zij eiken dag bij het vallen van den avond naar het gasthuis om de zieken te verplegen.

Toen zij op zekeren keer eenige voedingsmiddelen io een korf droeg, om daarmede de armen te spijzigen, werd zij door haar meester aangehouden. Op de vraag^wat zij in den korf droeg, nam Radegunda haar toevlucht tot eene noodleugen en antwoordde, dat zij zeep en een kam in den korf had, om daarmede de zieken te reinigen. Toen zij later door een bosch, hetwelk tusschen genoemd kasteel en gasthuis gelegen was, huiswaarts keerde, werd zij door de wolven aangevallen. Wijl Radegunda niet bijtijds te huis was, werden twee dienstboden uitgezonden om haar te zoeken. Ka lang gedocht te hebben, vonden zij haar badende in haar bloed; men bracht haar

(1) Apac. 3; 15, 16.

ocr page 73

— 69 —

naar huis, alwaar zij na drie dagen overleed. Omtrent baren dood verhaalt ons Gregorius de Groote, dat Radegunda hetzelfde lot onderging, als de profeet uit Juda, die zich tegen Gods gebod liet overhalen brood te eten en water te drinken in het land, wiens Koning hij den vloek Gods moest aankondigen. God sprak tot hem: uwijl gij mijn gebod overtreden hebt, zult gij niet begraven worden in het graf uwer voorvaderen.quot; (1)

Toen de profeet naar huis terugkeerde, werd hij door een leeuw overvallen en gedood. De ongehoorzaamheid wel is waar werd uitgeboet en vergeven door den dood ; want de leeuw, die den profeet doodde, liet zijn lijk ongeschonden.

De dagelijksche zonde stelt den weg open tot de doodzonde, want „die het kleine versmaadt, gaat aüengskens ten gronde.quot; (2) Als gij lichtzinnig dagelijksche zonden bedrijft, zult gij er langzamerhand aan gewoon worden; door deze gewoonte zal de afschuw voor het kwaad uit uw hart wijken en de goede wil om de zonden te vluchten zal in u verzwakken. Gij zult vervolgens verflauwen in den geest des gebeds, de bekoring komt u opzoeken, en gij zult misschien diep in zonde vallen. Vermijd dan elke zonde, hoe klein en gering zij u ook moge toeschijnen, want die in het geringe getrouw is, zal ook in het groote getrouw blijven.

(1) III. Eeg^ 13. - (2) Eccli. 19; 1.

ocr page 74

— 70 —

De heilige Augustious verhaalt in zijne belij-denissen het volgende van zijne moeder, d^ heilige Monica,quot; „Ofschoon hare ouders de beste zorg voor hare opvoeding droegen, had «ij langzamerhand eene slechte gewoonte aangenomen. Toen zij nog jong was, moest zij op zekeren dag de dienstmeid harer ouders behulpzaam zijn om de wijnflesschen aan te vullen. Nu en dan slurpte zij eenige druppels wijn op, vervolgens iets meer en langzamerhand dronk zij den wijn met volle teugen. Eensdaags geraakte zij met de dienstmeid in groot geschil; in haar toorn verweet deze Monica hare drankzucht; dit verwijt viel haar hard en smartte haar zeer. Van stonde af aan maakte Monica het vaste besluit zich van deze slechte gewoonte te beteren.

Gelijk uit eene kleine beek een groote stroom, uit een sneeuwbal eene lawine, uit een vonkje vuur een verschrikkelijke brand kan ontstaan, zoo ook kunt gij langzamerhand , door kleine gebreken niet te vermijden, in zeer zware zonden vallen.

Er bestaat een beheerscher, een overwinnaar, die de macht aller helden te boven gaat; de ganache wereld zal hij onder zijn alvernielend juk brengen en door geen slachtoffer verzadigd, waart hij overal meêdoogenloos rond. Sedert zesduizend jaren onderdrukt hij het zoo diep gevallen menschdom, want den koning stoot hij

ocr page 75

- 71 —

onverbiddelijk van zijn troon en den arme verjaagt hij onbarmhartig uit zijne schamele hut; geen leeftijd wordt door hem gespaard, want jong en oud, ja mensehen van eiken leeftijd, vallen onder zijn alvernielend zwaard. nEn wat lean u cwrhomen, als het den Allerhoogsten behaagt! hetzij gif tien, hetzij gij honderd, hetzij gij duizend jaren leeft. Want in het doodenrijk is geen verwijt over het leven.quot; (1)

In het begin der tijden werd deze machtige veroveraar de wijde wereld ingezonden , om als wreker van 3ods beleedigde en getergde majesteit op te treden. Wie heeft u, o treurende moeder, het kind uit de armen of uit de wieg weggerukt? Wie heeft den vader in zoo diepen rouw gedompeld, wijl hem zijne hoop en zijn troost, die veel belovende jongeling, zoo spoedig werd ontnomen? Weezen van eiken stand, door wiens geweld werden uwe dierbare ouders zoo vroeg ten grave gesleept? Allen zijn gevallen onder de zeis des doods. „De mensch, — zijn dagen zijn als het gras ; gelijk een veldbloem, zoo bloeit hij: als de wind daarover heen is gegaan, dan bestaat zij niet meer, en zij leent hare plaats niet meer.quot; (2)

Wij sluiten zacht hunne oogen En dragen met geween,

Ten laatste, lange ruste üe ons dierbre dooden heen.

Gr. JONCKBLOEI, S. J.

(1) Eccli. 417G, 7. — (2) Ps. 102; 15, 16.

ocr page 76

— li —

In de laatste bede van het Onze Vader, bidden wij: „verlos ons van den kwade*quot; Niet alsof wij van God vroegen, om van den dood bevrijd te blijven, want de dood des lichaams is eene tijdelijke straf, die wij voor de zonde moeten ondergaan; maar wij bidden om niet dfn dood der zondaren te sterven.

Niets is er op aarde zoo alvernielend als de dood; dientengevolge ia er ook niets, wat de tnensch meer vreest. Onze natuur verzet zich tegen den dood, en deinst weigerend terug voor de straf en „de soldij der zonde.quot; (1) God heeft zijn vloek over het menschdotn uitgesproken; deze vloek werd eene algemeene wet, en geen schepsel kan zich aan deze wet onttrekken; „wat mensch leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn leven redden kan uit de macht der onderwereld?quot; (2)

Er kwam eens een jongeling, den heiligen Philippus Nerius blijmoedig vertellen, dat hij aan de universiteit de rechten ging studeeren. De heilige, die gewoon was weinig te zeggen, stelde hem de eenvoudige vraag: „en dan?quot; De jongeling antwoordde: „dan zal ik na eenige jaren advokaat zijn.quot; „En dan?quot; vroeg de heilige. „Dan zullen mij de menschen hunne processen toevertrouwen, en ik zal veel geld verdienen.quot; „En dan?quot; hernam hij verder. ,/Dan zal ik rijk worden

(1) Rom. 6; 23. — (2) Ps. 88; 49.

ocr page 77

- 73 —

en vele landgoedereo koopen.quot; „Maar dan?quot; vroeg ten laatste de heilige Philippus; de jongeling antwoordde niet meer, want hij herinnerde zich dat dan de dood en het graf nabij was.

Gij zijt dus gedwocgen den gevreesden en geweld/'ten doodstrijd eenmaal in te gaan; want weidra-zal de ure slaan, dat het koude zweet uw aangezicht bedekt; schrikkelijk zal de doodsangst uwe ziel benauwen, wegens de onzekerheid van uw vonnis. De wereld zal voor u verdwijnen en de schepselen zullen u niet meer kunnen troosten; geld en goed, niets zal u meer kunnen helpen; neen, niets blijft u over als bange vrees en bittere smart , die nergens hunne weerga zullen vinden.

Een waar Christen echter, die den goeden strijd gestreden heeft, en de wet van Jesus trouw is nagekomen, zal den dood niet vreezen. Te midden zijner angsten en benauwdheden kan hij zeggen: nwaar is, o dood! uwe overwinning? waar is, o dood.' uw angel?quot; (1) Niet gij, maar ik zal zegepralen. Schijnbaar zult gij mij overwinnen; mijn lichaam weliswaar slaat gij ter neder, maar mijne ziel zal ongeschonden blijven; zij zal leven in eeuwigheid en opstijgen naar het heilige Sion, naar het hemelsch Jerusalem, waar alle burgers koning zijn, en God zelf Zijne eeuwige vreugde uitstort in aller harten.

(1) I. Cor. 15; 55.

ocr page 78

n---................................

— 74 —

. 1

Toen Leopold Frederik, graaf van Stolberg, op zijn uiterste lag, vroeg hij aan zijn geneesheer: „zal ik morgen of overmorgen sterven?quot; De geneesheer antwoordde hem: „wanneer ik uw levendig geloof aanschouw en uw innig verlangen naar God in den hemel, gif.oof ik, beer graaf, dat uwe ziel vóór middernacht nog ï van uw lichaam ontbonden zal zijn.quot; „Goddank,quot;

hernam de edelman. En na eeoige vermaningen aan zijne kinderen te hebben gegeven, zeide hij: „geloofd zij Jesua Christusquot;; met deze woorden op de lippen voer de edele graaf in het jaar 1819, ten hemel op, „tot mijnen Vader en uwen Vader, mijnen God en uwen God.quot; (1) De oude priester, die aan zijne legersponde stond, bad vervolgens die troostende gebeden, hem door de Kerk zoo heerlijk in den mond gelegd:

.Vertrek! o Christen ziel!quot; sprak hij met al de klem. Die hij van grijsheid mocht, en trad aan 't sterfbed nader; Vertrek van de aard, in naam uws scheppers d'eeuwgen

Vader,

In naam van Zijnen Zoon, die voor u leed en stierf, In naam van beider Geest, wiens leven gij verwierf. Vertrek, o Christen ziel, in naam der englenrijen. Der Cherubijnen, al der hemelheersohappijen, En uitverkoornen Gods, door 't eigen bloed gered; Dat zij voor u dit uur getuigen in 't gebed,

Vertrek, en dezen dag zij uw verblijf in vrede. Uw woonplaats 't heiligdom van Sions opperstede.quot;

(1) Joan. 20; 17.

ocr page 79

— 75 -

En midlerwijl hij sprak, daar hijgde 't door de lucht, Daar daalde onzichtbaar op hun licht ontwolkte vlucht. De rei der englen neer, zij vingen bij 't ontbinden Zijn ziel in de armen op, en als de morgenwinden Gaan steigren met den geur der dalbloem die ontsluit. Zoo voerden ze op hun wiek haar d'aardschen kommer uit-| C. Bboeke.

Wee den doodstrijd van den zondaar! Zooden heeft hij in zijn leven gezaaid, smarten zal hij bij zijnen dood inoogsten, want lthwaad is de dood der goddeloozen.quot; (1) Het zal hem hard vallen, alles voor de wereld en niets voor zijn God te hebben gedaan. Ten prooi geworpen aan een razend geweten, hoort hij reeds in de verte de vervloekende stem des eeuwigen Rechters; want gelijk een misdadiger in den kerker gekluisterd, dag en nacht met de grievendste smarten worstelt en zijn lijden verdubbelt, naarmate de dag nadert, waarop hij terecht zal staan, zoo ook zullen de smarten van den zondaar, door schrik en angst bevangen, vermeerderen en aangroeien, totdat hij eindelijk voor den rechterstoel van Jesus Christus gedagvaard wordt.

Eeo mensch, die geheel zijn leven in groote zonden geleefd had, werd gevaarlijk ziek. De priester naderde zijne legersponde, en bracht hem het gevaarlijke van zijn toestand onder de oogeu. Hij vermaande hem, zich lot God te bekeereo

(1) P». 33; 22.

ocr page 80

-Tö-

en eene oprechte biecht te spreken. De zieke antwoordde: „ik zal bijtijds biechten.quot; De priester die vurig naar liet heil dezer ziel verlangde, naderde andermaal den lijdende, en spoorde hem opnieuw aan, zijne zonden te belijden. De zieke antwoordde: „Welnu ik zal tt'Vaorgen biechten.quot; [)es anderen daags kwam de'jjriester terug otn zijne biecht te hooren, maar de ongelukkige zweeg en sprak geen enkel woord. Eindelijk zeide hij: „de goddelooze ziet het, en ver-gramt er zich over.quot; (1) Zonder een woord te spreken, bedekte hij zijn aangezicht. De priester zeide hem: „mijn zoon, mijn zoon, stel niet langer meer uit.quot; „Ja, mijn vader, ik zal biechten,quot; antwoordde hij; maar de zieke, in plaats van zijne zonden te belijden, gaat voort: de zondaar nknerst met de tanden en verteert,quot; En op datzelfde oogenblik, zooals de eerste maal, bedekte hij zijn aangezicht. Voor den derden keer vermaant hem de priester, zijne zonden te belijden en nogmaals antwoordt de zieke, aan zijn woord gehoor te geven. Maar neen, het uur van Gods gerechtigheid heeft geslagen, want de zieke eindigt de vreeselijke tekstwoorden der schriftuur: „de zondaar krijgt zijn verlangen niet.quot; De priester ontdekt vervolgens zijn gelaat, maar de zieke was reeds voor Gods rechterstoel verschenen. Wat

(1) Ps. 111; 10.

ocr page 81

hij had gezaaid, had hij ingeoogst; bij was gestorven zoo als bij geleefd had.

üw dagen zijn geteld, uw gruwelen staan geboekt. Verga voor de eeuwigheid, gevloekte, wees gevloekt I \ DB. H. Schaepman.

Het 'Onze Vader wordt gesloten met het woord „Amen.quot; „Amenquot; beteekent: O mijn God, moge toch alles geschieden, wat ik a gevraagd heb!

Ik heb uitgeroepen: „geheiligd zij Uw naam.quot;! Alle schepselen , maar de mensch vooral , moet Uw heiligen naam loven en verheerlijken. O mijn God, moge dit alles geschieden!

„Laat toekomen Uw rijk.quot; Eenmaal hopen wij U in den Hemel te aanschouwen in al den glans Uwer glorie. Onze voorbereiding hiertoe is de heilige Kerk, Uw rijk hier op aarde, want zij alleen is de bron, waar het levend water, de heiligmakeode genade , ontspringt. O mijn God, moge dit alles geschieden!

„Uw wil geschiede gelijk in den Hemel zoo ook op aarde.quot; Uwe geboden moeten wij onderhouden en ons io alles met liefde en geduld aan U onderwerpen. O mijn God, moge dit alles geschieden! Amen.

„Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot; Door ons gebed en den arbeid onzer banden vragen wij U het brood, dat wij dagelijks noodig hebben. Den rijken dezer eeuw hebt Gij vermaand mede-

ocr page 82

— is —

deelzaam te zijn en den arme in zijne behoefte bij te staan. Zonder U, o mijn God, kunnen wij het bovennatuurlijk leven niet bezitten; o zaai dao Uw heilig woord in onze harten, geef ons Uwe genade en laat ons drinkeo aan die onuitputbare bronnen, waaruit alle genade^voortvloeien. O mijn God, moge dit alles geschieden!

„Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren.quot; Om van U, o mijn God, vergiffenis (e verkrijgen van onze zonden,, moeten wij onzen evenmensch van harte vergeven. O mijn God, moge dit alles geschieden!

„En leid ons niet in de bekoringen.quot; Bekoord zulleu wij worden, want Gij , o Jesus, zijt ons voorbeeld geweest. Maar wij bidden U, sterk te zijn in de bekoring die komen zal en haar nooit vrijwillig op te zoeken. O mijn God, moge dit alles geschieden!

„Verlos ons van den kwade.quot; Ja Heer, verlos ons van alle zonden, maar vooral van de doodzonde. Laat ons in Uwe armen den dood der rechtvaardigen sterven. O mijn God, moge dit alles geschieden! Amen.

ocr page 83
ocr page 84