ocr page 1

Vi^. BENE

DOOR

P. K. KOOLEH Pz.

%

Typ. J. Van Poll Suykerbuyk, Roosendaal.

ocr page 2
ocr page 3

^qA ^ '7

ocr page 4
ocr page 5

AAN DE LEZERS.

Er wordt tegenwoordig veel gelezen, ook in de lagere standen der Maatschappij. Bibliotheken stellen, voor enkele centen alle snort van hoeken Ier lezing, de eigenaars van die soort zaken bekommeren zich vrij algemeen niet, om wie een hoek ter lezing vraagt en well: hoek hij voorkeur gevraagd wordt. In steden en dorpen worden •schotschriften en veel wat bij lezing meer kwaad dan goed zal doen, aan de huizen ter koop aangeboden, soms zelfs gratis uitgereikt. Dag- en weekbladen worden tot lagen prijs algemeen verspreid en er zijn tegenwoordig weinig gezinnen, ook op het platteland, waar men er niet een eigen krant op na houdt.

Lang vóór de Sint Willebrordus-Vereeniging ter verspreiding van goedkoopc Katholieke volkslectuur, haar verdienstelijke taak opnam, dacht ik en correspondeerde onder anderen, met den WelEd. Heer J. R. van der Lans te 's Hertogenbosch, over het nut, van het uitgeven van goed-koope, vooral populair geschreven kleine verladen, uit het volksleven ontleend.

Hoofdzaak achtte ik het: te zijn kort, duidelijk, zonder dichterlijke bespiegelingen, (die door velen niet worden begrepen} eenvoudig, door ieder te hegrijpen.

Wal volgt is eene proeve, van hetgeen ik mij voorstelde.

Moge het vele lezers vinden, dan zal het voor mij een bewijs zijn, dat ik in den juist en toon heb geschreven.

P. N. KOOLEN Pz.

's Gravenhage, Februari 1897.

ocr page 6
ocr page 7

DE GEVOLGEN

VAN EENE

Verwaarloosde Opvoeding.

Op eea kouden morgen in de maand December van het jaar 1870, het vroor zooals men zegt, dat het kraakte, kwam ik te Terheyden.

Terheyden is een dorp, gelegen tusschen den Moerdijk en Breda, aan den rijksweg. In den tijd dat Holland met België, nog niet door een spoorweg verbonden was, werd de reis van Rotterdam naar Antwerpen gemaakt of rechtstreeks met een stoomboot tot Antwerpen, of wel men nam de stoomboot te Rotterdam naar den Moerdijk en reed vandaar per diligence van Van Gend en Loos naar Antwerpen. Als men te Moerdijk in den wagen stapte reed men eerst door het dorp Zevenbergschen Hoek, dan door Terheyden en kwam vervolgens te Breda. Het riviertje de Mark loopt door Terheyden naar die stad. Voor vijftig jaar was Terheyden een stil, rustig Noordbrabantsch dor]). Het doorrijden van de diligence — vier maal per dug ■—, die aan De Rijzende Zon ophield, gaf er eenig vertier aan; de nabijheid van Breda, waar men van alles koopen kon, terwijl het langs den straatweg maar een uur loopen was, maakte dat er geen handel was; de boeren gingen naar de Bredasche markt.

ocr page 8

Ik ben zes jaar in dat dorp op kostschool geweest, vandaar, dat ik op rijperen leeftijd, er nog gaarne eenige oogen-Mikken ging doorbrengen.

Mijn reis was echter naar Tilburg, en daar het dichts bij zijnd station Breda was op nog een goed uur afstand en de trein van daar eerst om elf uur naar Tilburg vertrok en ik tijd in overvloed had, besloot ik in De Rijzende Zon te Terheyden eens aan te leggen.

Het zal omstreeks acht uur in den morgen geweest zijn, ik was al van den Moerdijk komen wandelen, dus had al een paar uur achter den rug. De vroege wandeling had mij goed gedaan, het luchtige ontbijt dat ik te Moerdijk vóór mijn vertrek gebruikte, liet blijkbaar geen sporen in mijne maag achter, want ik had werkelijk honger. Ik opende dus de deur van De Rijzende Zon, het eenige hotel van het dorp; de warmte kwam mij tegemoet, de groote torenkachel in het midden van de koffiezaak stond gloeiend.

Bij dien kachel viel mijn oog op een bejaard man, die in een leuningstoel zat te mijmeren, aan zijne voeten lag een hond te slapen, gekoesterd door de warmte welke de kachel uitstraalde.

„Goeje morgenquot; was de groet waarmede ik binnentradj „goeje morgenquot; hoorde ik bedekt uit den mond van den grijsaard, terwijl de hond den kop even draaide, mij nieuwsgierig aankeek en met een zacht gebrom weer ging liggen. Ik naderde den kachel, nam een stoel en zette mij zoo gemakkelijk mogelijk neêr. De oude man scheen in diep gepeins verzonken en nam verder geen notitie van mij. Ik keek de zaal eens rond, het zag er uit als in elk deftig dorpskoffiehuis.

In de buffetkast flesschen en karaften met helder gekleurde dranken; op de toonbank een groote koffiekan, een spoelblik, bier- en andere glazen; aan de muren enkele schilderijen, groote aanplakbiljetten van verkoopingen en

ocr page 9

verpachtingen; verder houten banken, tafeltjes en stoelen, en je hebt een trouw beeld van de groote koffiezaal van Dc Rijzende Zon.

Zooals ik reeds zelde, ik had bepaald honger, en mijn eerste gedachte was dus, hoe krijg ik nu wat te eten? Ik waagde het, den ouden man in zijn gepeins te storen en vroeg: „Zou ik hier iets te eten kunnen krijgen goede vriendquot;! „Ik ben geen vriend van je en je moet ine dus „zoo niet aanspreken, doe als de anderen, die noemen mij „„Jaap de droomerquot; zei hij norsch, en begon toen akelig te lachen. Je vraagt mij, zoo ging hij voort, of je hier iets te eten kunt krijgen, non dat zou ik denken, klopt maar eens op do bufietdeur of op de toonbank, dan zal oude Trui wel komen.

„Dank je vriendquot; zei ik, en terwijl ik opstond om naar de toonbank te gaan, hoorde ik nog achter de kachel brommen; „ik ben je vriend niet, ik heb geen vrienden, ik wil geen vrienden hebben, hoor jequot;!

Ik koos de verstandigste partij, door daar niets op te antwoorden; ik had geen lust om met den oude te gaan twisten, en bij het buffet gekomen, klopte ik een paar malen op de toonbank. Ik hoorde een deur opengaan, op klompen loopen en daar stond oude Trui voor me; „goeje morgen mijnheer,quot; was de vriendelijke groet van de bejaarde herbergierster; „goeje morgen,quot; was mijn antwoord, en ik liet er op volgen „kan ik wat te eten krijgen vrouwtjequot;? „Wel zeker mijnheer! Ik heb heerlijke „krentenmik, nog geen drie dagen oud, eigen baksel mijn-„heer; versche eieren van onze eigen kippen; u kunt ook „puike ham krijgen van ons eigen varken, maar die zal „voor mijnheer misschien wel wat vet zijn, of wil je een „stuk ossen vleesch van een rollade die ik vanmorgen al „gebraden heb, om voor vanmiddag te dienen? Ik kan „dadelijk koffie zetten, want het water staat in de keuken „te koken. U ziet mijnheer, je zult hier in De Rijzende „Zon niet met een hongerige maag behoeven heen te gaan.quot;

ocr page 10

Dat alles had de oude Trui /,00 vlug achtereen gezegd, dat ik geen tijd had gehad er iets tusschen te voegen. Daarbij kwam nog dat de opsomming van lekkere mik, versche eieren, puike ham, pas gebraden rollade mij al deed watertanden; „ja vrouwtjequot; zei ik „men had mij „verteld dat Dc Rijzende Zon een uitstekend logement was, „alles wat je er van kreeg was goed en zindelijk, en zie „je ik ben vanmorgen wat vroeg op het pad gegaan, ik „heb al twee uur geloopen, mijn eerste ontbijt is al lang „vergeten, ik heb waarlijk honger als een wolf, hoe meer „haast je maakt, hoe liever ik het heb.quot;

„Wat zal ik dan voor mijnheer klaarmaken?quot; zei Trui. „O ja, dat is waar ook, dat heb ik je nog niet gezegd. „Zet een lekkere kop koffie, snij me een snee of zes van „je lekkere mik, maar goed boter er op hoor, kook een „paar eieren, snij wat van je rollade af, van je ham als „die zoo vet is, zal ik maar niet gebruiken.quot;

En fluks was de oude Trui weg, ze liep zoo vlug als een jonge deerne, en ik begaf mij weer naar de kachel, om aftewachlen dat het bestelde zou worden gereed gezet. De oude man zat altijd nog in diepe gedachten verzonken, hij verwaardigde zich niet om een enkelen blik op mij te slaan, en daar ook ik niet de minste opgewektheid gevoelde om een gesprek met hem aantcknoopen, heerschte er een pijnlijke stilte.

Zoo gingen er een twintig minuten om voordat de oude Trui kwam waarschuwen dat het eten klaar was. Ze behoefde mij dat geen tweemaal te zeggen, ik volgde haar naar een nevenvertrek. Trui schikte nog het een en ander en zei toen : „als mijnheer nog iets noodig heeft dan „behoeft hij maar te bellen, de bel staat naast u; ik moet „aan mijn werkquot; en ze liet mij alleen, voor een welvoorziene tafel.

Trui had niet te veel opgehemeld, de mik smaakte heerlijk en ze was nog versch, een goed toebereide mik

ocr page 11

blijft wel 8 ilaguii zonder te droog te worden, en Trui had immers gezegd, ze was pas •quot;gt; dagen oud ?

De eieren waren verscli en de kippen schenen goed te leggen en dat in het hartje van den winter en hij zulke koude. Inplaats van twee, zooals ik besteld had, lagen er een half dozijn, half zacht gekookt, voor mij. Dat ik mij het een en ander goed liet smaken, zal ik wel niet meer behoeven te zeggen; als men honger heeft dan smaakt droog brood zelfs goed en ik werd bepaald getrakteerd. Daarbij, terwijl het buiten vinnig koud was, zat ik in een goed verwarmde kamer, en ik had nog volop den tijd. Maar eindelijk was dan toch de inwendige mensch genoegzaam versterkt, ik stak een sigaar op en belde Trui-Met opgestroopte armen kwam zij binnen met een : ,,Wat blieft u mijnheerquot;? „Vrouwtje wat ben ik u schuldigquot;? was mijn wedervraag.

„Heeft het mijnheer goed gesmaakt ? Waren de eieren ,.niet goedquot; — ze wierp een blik op de tafel — „Mijn-„heer heeft er maar twee van gebruikt, en smaakte de „mik u niet, de helft staat er nog, en was het vleesch „ook al niet naar uw zin. Mijnheer heeft er haast niets „van gegeten.quot;

„Wel hoe heb ik het met je, viel ik haar in de rede, het heeft mij alles kostelijk gesmaakt, alles was heel goed, ik maak je mijn compliment over de heerlijke mik, maar er was zooveel gesneden, dat drie man er wel genoeg aan gehad zouden hebben! Wij stadsche lui kunnen niet zooveel eten als een boerenarbeider, maar het heeft mij best gesmaakt en als ik weer eens in Terheyden kom, dan beloof ik je, dat ik weer in Dc Rijzende Zon kom eten. Maar zeg nu eens hoeveel geld je van mij krijgt, want het wordt mijn tijd om op te stappen. — Vijftig cent mijnheer! was het antwoord van Trui, en tegelijk begon ze de tafel aftencmen. Ik haalde mijn beurs voor den dag en betaalde het gevraagde; in Rotterdam had ik zeker

ocr page 12

10

het dubbele moeten betalen. Dunk je mijnheer zei Trui

en.....................

maar de woorden bleven haar in de keel, nit de koffie-zaal klonk ons een harde slag in de ooren. Verschrikt liep Trui, door mij op den voet gevolgd, het vertrek nit, de koffiezaal in; de oude man was in slaap en tegen do kachel gevallen, had een diepe wond aan het hoofd gekregen en lag met kachel en al op den grond.

Brandende stukkon kolen waren wijd en zijd heen ge-gevlogen. de hond lag onder dc kachel te kermen en janken van de pijn. Trui stond als versteend en kon geen hand uitsteken, ik ging dadelijk aan den slag.

Ik hielp eerst den ouden man op, die erg kreunde van de pijn en zette hem voorzichtig tegen een der muren in een groote stoel. Nu ging Trui water en azijn en doeken halen, ze waschte het bloed van het gelaat van Jaap af, waarna ik zoo goed mogelijk een voorloopig verband op de wonde legde en daarop Trui wegzond om den dokter te halen. Intusschen trachtte ik den hond vrij te krijgen, het kermen van het beest sneed mij door het hart. Gemakkelijk ging het echter niet, de kachel was zou heet dat men zonder zich te branden, er niet aan kon raken. Daar zie ik een groote dweil liggen, die bij den ingang van de deur als voetenmat dienst deed. Met die dweil gewapend, duwde ik de kachel voorzichtig op zij, lichtte hem even op en trok er den hond onder uit. Het arme beest kon niet meer op de pooten staan, liet was vol brandwonden. Ik wikkelde hem in de dweil, bracht hem buiten de koffiezaal, legde hem voorzichtig in zijn mandje en keerde naar den ouden man terug.

Ik haalde een paar kussens van een bed in een neven-vertrek en stopte die achter het hoofd en den rug van den ouden man in den stoel, ten einde hem wat meer te laten rusten.

Vriend, zei ik tot hem, heb je veel pijn? Geen ant-

ocr page 13

] I

woord. Waar doet het je zeer? Geen antwoord. Niets dan kreunen en nu en dan zwaar hijgen. Daar de doek dien ik om do hoofdwond had gebonden het bloed doorliet, keek ik angstig uit naar de komst van den dokter.

Het waren pijnlijke oogcnblikken voor mij. Eindelijk kwam de oude Trui terug; het mensch was buiten adem van het loopen, de dokter zou aanstonds komen. Nog enkele oogenblikken en daar was de man der wetenschap.

Ik vertelde hem met enkele woorden wat er gebeurd was. Hij onderzocht de wonden van den ouden man, legde hier en daar een verband en liet hem onmiddelijk naar bed brengen. Trui riep een paar boerenknechts, die den ouden Jaap inet stoel en al voorzichtig oplichten en wegbrachten. Op dat oogenblik opende Jaap even de oogen, zag mij aan, en uit dien blik kon ik een gevoel van dankbaarheid, voor de door mij verleende hulp, lezen.

De ijskorst, die ik om zijn hart waande, was door liet gebeurde, blijkbaar gesmolten.

Nauwelijks was de oude man weggedragen, gevolgd door Trui, die helpen zou bij het in bed leggen, of de dokter wendde zich tot mij met de vraag of ik familie van Jaap of Trui was, of dat ik hen soms goed kende.

Ik antwoordde, dat ik voor een paar uren voor het eerst mijn voeten in Dc Rijzende Zon had gezet, hoe ik door de koude even was komen pleisteren, omdat dc morgenlucht mij als uitgehongerd had.

Ik vertelde hem mijne ontmoeting met den ouden man en den indruk van heel norsch te zijn, dien hij op mij had gemaakt. „Heel norsch, daar heeft u gelijk inquot; zeide de dokter, „maar veel is den man te vergeven. Hij heeft „nameloos veel verdriet gehad, hij heeft de wereld van „zulke slechte zijde leeren kennen.quot;

Ge maakt me nieuwsgierig antwoordde ik den dokter, ik zou daar wel iets meer van willen weten.

„Nu zeide de dokter, als u over Terheyden terugkomt

ocr page 14

12

„cn u kunt ecu avond hier doorbrengen, dan wil ik Jc ..dat wel eens verhalen; kom dan maar gerust bij me, des „avonds vindt ge mij in den regel tehuis.quot;

Het is best mogelijk hernam ik, dat ik spoedig van uw gul aanbod gebruik zal maken. Het is nu te laat óm den trein te Breda nog te halen; mijn reis naar Tilburg moet ik dus tot een andere gelegenheid uitstellen.

Ik denk dus vandaag hier te blijven en de omstreken eens te gaan zien; ik blijf dan hier logeeren cn wandel morgen terug naar den Moerdijk, vanwaar illt; dan met dt stoomboot naar Rotterdam terugkeer. Als het u dus van avond paste dokter, dan zou ik je man zijn? „Nu, zei de „dokter, dat komt al heel goed, mijn familie gaat van avond „uit en ik zit alleen. Ik zal u dus wachten, maar komt „niet te laat, want wij zijn hier gewoon vroeg naar dc „kooi tc gaan.quot; Ik zal u dus tegen zes uur wachten, en met een hartelijken handdruk verliet dc dokter de koilie-zaal, en ging eerst nog den ouden man een bezoek brengen, die tusschen de dekens was gestopt.

Toen de dokter vertrokken was, kwam Trui even bij me en vertelde mij hoe de oude man, waarschijnlijk uitgeput door bloedverlies en vermoeienis, in slaap was gevallen en op liet oogenblik heel rustig was. Ze bedankte mij hartelijk voor de verleende hulp, en toen ze hoorde dat ik dien dag in Terheyden zou blijven en in De Rijzende Zon zou logeeren, was zij recht in haar schik. Als mijnheer tevreden zou zijn met wat de pot dien dag zou schaflen, dan was het goed, maar iets bijzonders kon ze niet voor mij klaar maken, nu haar tijd wol door den ouden man in beslag zou worden genomen.

„Ik kan mij best voor een diig behelpen, zei ik, zeg „maar hoe laat gij gewoon zijt tc eten, dan zal ik pre-„sent zijn.quot; Ja, mijnheer, antwoordde Trui. ziet u, anders eten wij om 12 uur, dat komt zoo het best met de werkzaamheden uit, maar vandaag zal het wel wat later wor-

ocr page 15

i::

den, Tiiaar als mijnheer tevreden is met aardapjielen, groenten en vleeseh, dan kan hij zelf het uur bepalen en ik zal zorg dragen dat het eten klaar is. — Nou, dat is uitmuntend antwoordde ik, het is nu tien uur, maak clan dat ik om 4 uur kan eten; ik ga een grootc wandeling doen hier in den omtrek, maar zal tegen 4 uur terug zijn. Nu, dag vrouw, zooals afgesproken, tot vanmiddag 4 uur, beterschap met den ouden man.

ITet was helder weer; een van die prachtige winterdagen waarop de mensch zoo goed kan ademhalen en waarop een fiksche wandeling het bloed sneller doet vloeien. De wegen waren goed, als men in de zandwegen maar buiten de vragensporen bleef.

Eerst wandelde ik naar Wagenberg, vandaar naar Lage-Zwaluwe, toen naar den Moerdijk, om vandaar naar Ter-heyden terugtekeeren. Ik kan niet zeggen dat er op de geheele wandeling iets bijzonders te zien was; het kwam mij zelfs voor, dat de zomermaanden niet in staat zullen zijn, reizigers, die van natuurschoon houden, hierheen te trekken. De grond is er veelal goede zware klei, dat is waar, men ziet er goed gebouwde boeven (boerenwoningen) maar overigens wisselen bouw- en weiland af met weien bouwland, wat heel eentonig is. In den zomer heeft men echter die heerlijke kleurschakeeringen, maar in den winter, als alles naakt en kaal is, vindt men in deze streken niets, wat het oog kan bekooren. Zoowel te Wagenberg, Lage-Zwaluwe als te Moerdijk, stopte ik even op, ik verpraatte echter mijn tijd niet, en zoo was ik ongeveer ten 4 uur 's middags in De Rijzende Zon terug. De oude man was heel rustig en sliep tamelijk vast; de bond was onder hevige stuiptrekkingen gestorven.

Oude Trui had er voor gezorgd dat het eten klaar was, en werkelijk, de goede ziel had zich nog uitgesloofd om mij te verrassen.

Tegen G uur vroeg ik aan Trui waar de dokter woonde.

ocr page 16

11

liet was dat groote witte huis rechts tegenover het raadhuis, aan liet eind der straat, zei zo, u zult het gemakkelijk vinden. Ik ging dan op weg en stond weldra voor het huis van den geneesheer.

Hij ontving mij zeer vriendelijk en was recht gastvrij, zooals men dat op het platteland, vooral in Noord-Brabant is. Hij belde even om de meid, liet een paar fiesschen ouden wijn, uit hok G zei hij, komen, zette sigaren gereed, gelastte de meid hem alleen bij noodzakelijkheid te komen storen, voor gewone bezoeken gaf hij belet, schonk de glazen in, verzocht mij met hem te klinken, presenteerde de sigaren en begon toen zijn verhaal.

11.

Ik heb u beloofd, zoo begon de dokter, u iets meer Ie zeggen over Jaap, die den bijnaam heeft van den droo-mer, en het doet mij genoegen, dit reeds heden avond te kunnen doen.

Jaap zal nu omstreeks 50 jaar oud zijn, hij schijnt echter veel ouder, omdat hij afgeleefd is door kommer-en verdriet. Eens was het een flinke boerenzoon, die, toen hij Marijtje ten huwelijk vroeg, op het jawoord niet behoefde te wachten. Immers, Jaap stond bij iedereen bekend als een brave borst, werkzaam en niet dom ook, en daarenboven hij kreeg bij zijn trouwen een eigen hoeve met tien bunders land meê.

Marijtje's ouders voegden daar nog twintig bunders bij, vulden den stal met prachtige beesten, met wagens en tuig, landbouwgereedschappen en wat niet al, en toen Marijtje haar spaarpot uitstortte in dien van Jaap, hadden zij samen een dikke 800 gulden om vooreerst van te

ocr page 17

1quot;)

kunnen leven. Jaap en Marijtje waren dus een gelukkig paar, je hadt ze moeten zien, toen ze na de bruiloft, naar hun eigen hoeve te Ginneken reden.

Ginneken is een aangenaam gelegen dorp aan de andere zijde van Breda. In het dorp zelf wonen nette burgeren boerenlieden, maar niet ver van daar is een uithoek, zooals men er voor vele jaren meer in ons land had. Wie denkt bier bijv. niet aan het beruchte Ruephensehe Heike, dat alleen bewoond was door het uitschot der maatschappij, dieven, stroopers, brandstichters, zelfs moordenaars; tbans is dit het dorp S'. Willebrord, dat als voorbeeld kan strekken hoe de godsdienst, de ruwste menschen kan verbeteren.

Vooreerst besloten ze nog geen werkvolk in den kost te nemen; hadden ze meiden of arbeiders of arbeidsters noo-dig, ze zouden daggelders nemen. Reeds den eersten dag na de bruiloft, gingen zij aan het werk. Jaap ging alles eens goed opnemen en overleggen wat hij, zoodra het voorjaar aankwam (ze waren in Januari getrouwd) zou zaaien of pooten of planten. Het was een knap landbouwer die Jaap, hij had kennis van den grond; uren in bet rond vondt je geen bekwamer in zijn vak.

Hij zocht de best gelegen gronden uit die voor weiland geschikt waren; hij zou ook een grooten boomgaard aanleggen, niet te ver van de hoeve, daar zou hij rogge, tarwe, haver, boekweit, oliezaad en op dc zwaarste gronden meekrap en vlas uitzaaien.

Hij zou van alles trouw rekening houden, dan kon hij zien, wat hem het voordeeligste uitkwam en voor welke gewassen zijne gronden het best geschikt waren.

Marijtje zorgde voor het huishouden, maar vooral ook voor de beesten op stal. Het was een lust haar bezig te zien. Al wat overbleef van melk en boter werd verkocht en bracht een mooien stuiver op. Zóo kwamen zij de maand Februari door, en daar het weer zacht en droog was, ging Jaap op het land aan den gang.

ocr page 18

IC.

Werklui kon hij gcnooo- krijgen; liij zon zijn volk goed behandelen en hnn het loon geven, dat /.ij verdienden. Het was nu eiken dag hard werken; zoodra de dag aanbrak was Jaap in de kleeren. Tot zijn schande moet echter gezegd worden, dat hij er nooit aan dacht, des morgens vóór hij uitging of des avonds vóór hij slapen ging een kort gebed tot den Gever van alle goed, tot God te richten. Zijn gedachten waren steeds: hoe kan ik nog meer verdienen, en hij bedacht niet, dat zonder 's hemels zegen al zijn werken vruchteloos zoude zijn. Een paar sneeën roggenbrood met boerenmik, was liet geen vastendag dan ging er een stuk spek tusschen, een kop koffie die Ma-rijtje van den vorigeu dag had opgewarmd, en Jaap het veld in. Zoo ging het dagelijks, zijn volk was al present.

Dat eerste jaar trof Jaap het heel gelukkig met het weêr, het kon niet beter. In de goed bewerkte gronden groeide al het zaad voorspoedig, alles liet een rijken oogst verwachten. Of Jaap en Marijtje gelukkig waren? Kunt ge dat nog vragen, ze waren overgelukkig.

Zoo liep het jaar ten einde, en weldra brak de dag aan waarop ze vóór een jaar door den priester voor het altaar vereenigd waren. Dien dag vierden ze feest en ook de armen werden niet vergeten.

De Meimaand die volgde, bracht nieuwe vreugde in het huis. Marijtje was moeder geworden, ze schonk haar Jaap een Hinken zoon, die naar Jaaps vader, Gerardus, verkort Geert, werd genoemd.

Marijtje nam nu een dienstmeid in huis, Jaap had al sedert een paar maanden twee vaste boerenarbeiders. Zoo vervloog de eene maand na de andere.

De kleine Geert kreeg een broertje, die naar Marijtjes vader, Adrianus werd gedoopt en verkort Janus werd genoemd. De boerderij ging goed, Jaap boerde steeds vooruit en genoot ieders achting. De jongens Geert en

ocr page 19

17

Janus schoten goed op, het werden stevige boerenknapen

maar....................

de opvoeding der jongens werd geheel verwaarloosd.

Wie zou dat hebben durven denken van zulke knappe ouders als Jaap en Marijtje zei de dokter mij vragend aanziende, terwijl hij onze, onder het vertellen en luisteren, ledig gedronken glazen weer inschonk. Ja, antwoordde ik werktuigelijk, wie zou dat hebben durven denken? En toch, zei de dokter, de opvoeding van Geert en Janus werd verwaarloosd. Moeder kon geen kwaad van de jongens hooren of zien en vader had het, zooals hij zeide, te druk om naar do kinderen om te kijken.

Jaap was, wat men zoo gewoonlijk zegt, een goede sul, maar godsdienst zat er weinig in. Hij nam zijn plichten waar, ging op Zon-en feestdagen naar do kerk, maar alles omdat het gewoonte was. Het ware onbrak bij hem. Dankbaarheid aan den Goeden God, die hem zoo rijkelijk had gezegend, neen daar dacht hij niet aan, evenmin als hij in tegenspoed zich tot den liefhebbenden Hemelvader zoude hebben gewend, om hulp en troost. Uit mijn verder verhaal zal u blijken, hoe dat 'gemis aan vertrouwen op God, hem zoo diep ongelukkig en neerslachtig maakte. Ach hadden zij geweten, welke schrikkelijke gevolgen dat voor hen zou hebben, hadden zij bedacht dat de ouders bij God verantwoordelijk zijn voor hunne kinderen! Maar zij waren als met blindheid geslagen, do jongens werden in den grond bedorven.

Toen ze zeven jaar oud waren, hoewel Geert een jaar ouder was, kon men dat niet aan hem zien, ze leken even oud, werden ze op school gedaan, maar, en dit was zeer verkeerd, ze bleven dan om deze, dan om gene reden tehuis, of wel, ze gingen een schobbertje maken, spijbelen.

Zoo groeiden de jongens op, zonder iets te leeren, ja wel, ze leerden kwaad, ze leerden zonde bedrijven. Soort zoek soort zegt het spreekwoord en zio hadden zij spoe-

ocr page 20

l.S

dig de grootste straatbengels tot vrienden. Wat ze niet wisten, dat leerden ze van die kwajongens. Spoedig begonnen zij te vloeken en vuile taal te spreken, liegen en stelen, dat is tehuis wegnemen wat onder hun bereik kwain^ kwam dagelijks voor. De pastoor van bet dorp zag dat alles met leede oogen aan; meermalen was hij al op de hoeve geweest om de ouders op hunne plichten te wijzen, maar hij sprak tevergeefs; de ouders waren blind en bleven blind. Marijtje kon geen kwaad van haar jongens hooren. Eens zelfs had zij tot den pastoor gezegd dat hij zich met haar jongens niet behoefde te bemoeien, zij was zelf daar best voor in staat. Ge zult mij vragen zeide de dokter, gingen de jongens dan niet naar de catechismus? Wel zeker, ze werden er door Jaap gezonden, maar ze waren den pastoor tot ergernis en last; ze zaten te spelen en kattekwaad uittevoeren, ze zaten nooit te luisteren naar de verklaringen en lessen van den pastoor, het liep zoo erg dat deze genoodzaakt was, hen geheel van de andere kinderen verwijderd, te plaatsen.

In Ginneken was 't het gebruik, de kinderen als zij goed onderwezen waren, met hun elfde jaar tot de eerste H. Communie toetelaten, maar Geert was bijna 13, Janus bijna 12 jaar, maar de pastoor kon geen toestemming geven voor die twee jongens. Jaap en Marijtje vonden dat heel onaangenaam en besloten toen, de jongens voor eenige maanden naar een kostschool te zenden om ze daar te laten leeren en voorbereiden voor de eerste H. Communie. Zoo kwamen Geert en Janus bij de fraters te Oudenbosch. Hier heerscht in alles orde en regelmaat, waaraan de jongens zich maar niet konden gewennen.

Wat een geduld de fraters hebben moeten oefenen met die jongens, kunt ge licht begrijpen. Geert en Janus, ziende dat zij hier moesten bukken, werden iets volgzamer en begonnen ook te leeren. Na verloop van een maand of tien was er zichtbaar beterschap bij hen te bespeuren en

ocr page 21

19

werden zij tot de Eerste H. Communie toegelaten. Waren zij toen maar een paar jaar bij de broeders gebleven, het goede zaad zou wel vruchten hebben gedragen! Maar de dwaze ouders besloten de jongens weder tehuis te nemen, ze waren nu 14 en 13 jaar oud. In het eerst ging het tehuis vrij goed, de jongens gingen mee naar het veld en het scheen, dat zij lust in het werken hadden gekregen. Jaap was recht in zijn schik met zulke flinke jongens, maar Marijtje begon hen door hare malle liefde weer, zooveel zij kon, te bederven.

Vooral gaf zij hen, zonder weten van Jaap, dikwijls geld, en zoo begonnen de jongens meer uittegaan dan goed was. Ze waren nu 19 en 18 jaar toen Jaap ernstig ziek werd en maanden achtereen te moest blijven liggen.

In het eerst ging het tamelijk goed, de jongens stonden vroeg op, verdeelden onder elkaar de werkzaamheden en 'savonds gingen zij of buurten, dat is bij de buren een uurtje praten, of zij gingen in liet dorpslogement een glas bier drinken.

Op zekeren avond kwamen zij door een der achterbuurten voorbij een kroeg. Vroolijke stemmen, zang, dans zelfs, klonk hun in do ooren. Kom Geert, zei Janus laten wij er ook eens ingaan, en hij behoefde dat geen tweemaal te zeggen.

De stap in dat huis, zei de dokter, was hun ongeluk en het ongeluk voor hunne ouders zooals ge nu hooren zult

(Laat ik u echter eerst nog eens inschenken zei de vriendelijke dokter, steek een versche sigaar op, nog eens geklonken en hij zette zijn verhaal voort).

ocr page 22

20

III.

Mijn verhaal wordt nu hoe langer hoe treuriger, zoo ging de dokter voort; het bezoek in de kroeg deed de vroegere straatbengels terugvinden, die nu jongens van ruim 20 jaar waren. Daar moest nu op worden gedronken.

Geert en Janus moesten trakteeren, daar kon 't best bij lijden. Het eene glas na het andere en onze broers niet gewoon om zooveel van dat helsche vocht, de jenever, te drinken, wisten spoedig niet meer wat ze deden. De drank hitste allen op, daar waren cr die de twee broeders begonnen te sarren, te bespotten, omdat zij Zondags zoo geregeld naar de kerk gingen, dat ze 'savonds met moeder pap zaten te eten, met de kippen naar bed gingen, en soortgelijke zoutelooze aardigheden meer. Dan volgde er een helsch gelach van al de aanwezigen. Geert en Janus waren bloedrood van drift, maar door den drank beneveld, konden zij op de beenen niet staan en vielen dan tegen de een, dan tegen den ander, terwijl zij telkens met geweld werden teruggeworpen.

Daar bonste onverwachts een slag op Geert neêr, en nu gingen de poppen aan het dansen, zooals het spreekwoord zegt. Men viel op elkaar; alles in do kroeg werd stuk geslagen en al vechtende, ging men de straat op. Laat in den nacht kwamen Geert en Janus als verwilderd tehuis. Marijtje had al dien tijd bij een keukenlamp zitten te wachten, ze wist niet wat te denken, ze vreesde dat hen een ongeluk zou overkomen zijn.

Jaap ziek te bed, hoorde veel verward schreeuwen en ontstelde zeer, over dat ongewoon nachtelijk rumoer. Ma-rijtje durfde niets te zeggen, sloot de buitendeur en ging vol angst te bed; slapen kon ze den heelen nacht niet. Vroeg stond zij op, maar Geert en Janus bleven liggen en gingen niet naar het werk. Tegen den avond stonden zij op, gingen de deur uit en weer naar de kroeg.

ocr page 23

21

De oude vrienden waren cr al en Geert en Janus werden met gejuich begroet. Ze hadden nog niet lang gezeten of er werd voorgesteld te gaan dobbelen, dat is, met dobbelsteenen om geld te werpen. De twee broers wisten niet dat zij met valsche spelers te doen zouden hebben; ze waren nog niet zoo diep gedaald als hunne vroegere speelmakkers. Het gevolg was dan ook dat ze niet alleen alles verloren wat zij bij zich hadden, maar nog ƒ25.— daarenboven, die zij beloofden den volgenden avond te zullen betalen. U ziet, zoo ging de dokter voort, ze waren op een hellenden weg, drank en sjiel, en welke treurige gevolgen zal dat moeten hebben!

Den volgenden dag kwam cr een vreemde becstenkooper oj) de hoeve en kocht van Geert twee koeien. De beesten werden onmiddclijk betaald en weggevoerd. Daar Jaap nog ziek te bed lag en Marijtje niet bij den koop was geweest, besloten de broers er ƒ -10.— af te houden ; ze konden dan hun speelschuld afdoen en hadden nog ƒ 15.— over, dus diefstal. Zoo volgt noodwendig het eenc kwaad uit het andere, 's Avonds gingen de broers weer naar de kroeg en in het holle van den nacht had men ze waggelende naar huis kunnen zien gaan. Dit duurde zoo ge-ruimen tijd voort. De arbeiders op de hoeve zagen de broers niet meer op het werk, en daar liet oog van den meester er niet meer was en Jaap nog altijd ziek te bed lag, werd er veel geluierd, en wat nog gedaan werd, was half goed. De boerderij ging hard achteruit. Jaap herstelde slechts langzaam en Marijtje, die al dien tijd over het leven, dat de jongens leidden, niets aan Jaap had durven zeggen uit vrees ook, van daardoor zijne ziekte te verergeren, schrikte bij de gedachte, dat Jaap alles ontdekken zou.

Op zekeren avond — het was kermis in het dorp — waren de beide broers 's avond ten 12 uur nog niet tehuis. Marijtje bleef opzitten. Ze had al een voorgevoel, dat er iets schrikkelijks gebeuren zou.

ocr page 24

22

Omstreeks 2 uur in den nacht hoort zij in de verte een geschreeuw en rumoer, dat naderkwam. Zij behoefde niet lang te wachten. Welk verschrikkelijk schouwspel ? Geert overal door messteken getroffen, bebloed en doodsbleek, door vier man gedragen. Een verward schreeuwen van enkele dronkaards, die den stoet volgden. Waar was nu Janus, om zijn broer te helpen ? Niemand wist het. Och goede God riep Marijtje, heb medelijden met mij, wat moet ik aanvangen; hij sterft en niemand, niemand om hem te helpen of mij bijtestaan. Geen pastoor, geen dokter; wat ben ik diep ongelukkig! Door haar angstig schreeuwen was Jaap wakker geworden, had zich zoo vlug als hij kon aangekleed, en stond onverwachts bij het treurige tooneel, als aan den grond genageld. Vrouw, zei hij, loop naar den dokter en breng hem mede; zeg hem dat Geert sterft, dat er groot gevaar is. En zich toen tot de dronkaards en nachtloopers keerende, zeide hij met een schorre stem: „Gaat gij allen heen, laat mij met mijn zoon alleen.quot;

De een na den ander verwijderde zich, de meeste door den schrik nuchter geworden toen ze Geert, daar stervende zagen.

Daar stond Jaap, bij het zwakke licht van de lantaarn, zich de handen wringende van verkropte wraak en haat tegen de maatschappij, bij het bebloede lichaam van zijn zoon, als wezenloos te staren!

Goddank, daar kwam de dokter. De man der wetenschap onderzocht nauwkeurig de wonden, maar schudde bedenkelijk het hoofd; vooral een diepe wonde onder het hart, was levensgevaarlijk. De dokter deed wat hij onder zulke omstandigheden kon doen; verbanden werden gelegd om het bloedvloeien te stuiten. Geert werd voorzichtig te bed gebracht, men hoorde hem slechts kermen, de oogen had hij nog niet eenmaal opengedaan.

Jaap zelf ging den pastoor halen; deze kwam onmid-

ocr page 25

23

dellijk mede, maar kon zijn geestelijke hulp niet ver-

leenen. Geert was geheel buiten kennis en.........

wie huivert er niet van? . . . een half uur daarna was Geert een lijk. Is het niet ijselijk, zoo de eeuwigheid integaan, zoo voor den Rechterstoel van den Almachtigen God te verschijnen ? Jaap en Marijtje stonden wezenloos bij het doodsbed; niemand kon hier een woord van troost zeggen; de pastoor was tot in de ziel toe aangedaan.

Hij ging met den dokter huiswaarts; dat is dan het gevolg van verwaarloosde opvoeding, zei do dokter.

Ja, antwoordde de pastoor, maar een schrikkelijk gevolg. Hoe geheel anders zou het hier hebben kunnen zijn! Menschen, die bij hun huwelijk met alle aardsche geluk gezegend waren. Wat moet er nu van hen worden ? Hun andere zoon is even slecht. God geve dat deze nog bijtijds tot inkeer kome.

Den volgenden morgen was heel het dorp in rep en roer; de officier van justitie met den griffier en twee maréchaussees waren al vroeg van Breda gekomen, om een eerste onderzoek intestellen. Dat onderzoek was zeer moeilijk, daar Geert geen inlichtingen meer kon geven, over hetgeen gebeurd was. In de kroeg wist men alleen te zeggen, dat Geert omstreeks één uur met zijn broêr en nog zes of acht andere personen was heen gegaan; ze waren toen wel allen dronken, maar waren vroolijk en zongen, van vechten was geen sprake. Wat was er daarna gebeurd? Degenen die met Geert in de kroeg waren geweest, konden niets naders zeggen. Het scherpste onderzoek bracht niets aan het licht.

Twee dagen daarna werd Geert begraven op een afgelegen niet ge wijden hoek van het kerkhof. Van Janus had men nog niets gehoord. Jaap en Marijtje hadden dus op één oogenblik hunne beide zoons verloren; ze waren diep bedroefd, vooral Marijtje trok het zich sterk aan en scheen wel 10 jaar ouder te zijn geworden. Jaap, de vroegere

ocr page 26

24

knappe landbouwer, had geen lust of tier meer; hij ging zijne zaken niet meer na, en het gevolg was, dat hij ve;-armde en spoedig zijne hoeve en landerijen moest bezwaren, door gelden als hypotheek op te nemen.

Zoo verliep de eene maand na de andere; de hoeve scheen als uitgestorven. Maar de dwaze ouders hadden den beker der smart nog niet geheel geledigd. Op zekeren dag werd Jaap op het raadhuis ontboden.

De burgemeester had treurige berichten over Janus ontvangen; hij durfde ze hem niet mededeelcn, maar zeide alleen, dat Jaap zich op het ergste moest voorbereiden. En wel was het erg; Janus zat in de gevangenis, beschuldigd van brandstichting; hij had reeds bekend, maar daarenboven verklaard, dat hij de moordenaar van zijn broeder Geert was geweest, om welke reden hij zijn vaderland was ontvlucht.

Uit het vehoor, dat Janus in de gevangenis had ondergaan, was gebleken dat in den bewusten kermisnacht te Ginneken, Geert en Janus twist hadden gekregen, de twist was, doordat beiden door den drank beneveld waren, zoo hoog gcloopen, dat Janus zijn broêr met een dolkmes verscheidene wonden had toegebracht.

Toen hij zijn broêr bloedende ter aarde had zien vallen, was hij op de vlucht gegaan; niemand was bij dat gevecht tegenwoordig geweest.

De personen die Geert tehuis hadden gebracht, hadden hem zwaar gewond en in zijn bloed badende aan den weg vinden liggen en toen zij hem herkenden, hadden zij hem opgenomen en naar huis gebracht; Janus, door angst en wroeging vervolgd, was den geheelen nacht doorgeloopen, en den volgenden morgen was hij per spoor naar Duitsch-land gereisd.

Daar hij nog al wat geld bij zich had, besloot hij tot aan de Russische grenzen door te reizen en daar als arbeider werk te zoeken. In den spoortrein had hij echter

ocr page 27

kennis gemaakt met een paar echte vagebonden, die hem op de grappigste wijze hunne avonturen verhaalden.

Werken, neen, dat lieten zij aan ezels over, zij werkten niet en hadden een prettig leven. Zij hadden altijd overvloedig geld en waren altijd op reis, dan hier, dan waren zij daar. Janus luisterde met de grootste aandacht naar die verhalen; hij wilde gaarne de kunst om zoo gemakkelijk aan den kost te komen van hen leeren, en Janus sloot zich hij hen aan. Door een schrikkelijken eed werd hun verbond bekrachtigd. Al wat zij roofden en stalen, zouden zij gezamenlijk deelen.

Het eerstvolgende station stapten zij af en liepen den

weg op naar het dorp..... Toen zij aan een herberg

kwamen, gingen zij binnen, en na iets te hebben besteld' knoopten zij met de vrouw van het huis een gesprek aan. Zij ondervroegen haar over het dorp en do bewoners. Daar schuins af, terwijl zij met haar vinger door het raam wees, zeide de praatzieke vrouw, woont een rijke weduwe geheel alleen met een oude dienstbode. Zij geeft veel geld en goed weg, nooit komt er iemand om haar hulp in te roepen, die door haar wordt afgewezen. Het gehcele dorp heeft zij tot vriend, altijd en overal wordt met de grootste achting over haar gesproken. Is zij dan zoo rijk, vroeg Janus?

Rijk zei de herbergierster, uren in den omtrek is er niemand rijker dan zij; de menschen zeggen dat zij een groote kist heeft slaan vol rijksdaalders, en hoeveel zij ook weggeeft, de kist blijft vol, dat wil zeggen, zij is nooit ledig geweest. De vrouw vertelde nog veel over de kostbare gouden sieraden en diamanten, die do weduwe in huis had. Ons boeveneomplot had met aandacht zitten te luisteren; de begeerigheid was op hunne gelaatstrekken te lezen, maar de herbergierster, een eenvoudige dorpsvrouw, had daar geen verstand van en merkte h e ook niet op. De drie hoeven betaalden hun gelag en

ocr page 28

26

gingen op weg, ze kozen echter een anderen weg om liet dorp uit te komen, om overdag niet opgemerkt te worden. Hun besluit was spoedig genomen. Als de avond gevallen was, zouden zij eerst het huis goed opnemen. Een hunner zou echter voor het vallen van den avond, dat is, vóór dat alles gesloten was, in het huis trachten te komen en zich er in verbergen, om 's nachts als alles in rust was, de deur voor zijn makkers open te zetten. Ze besloten, als ze overvallen zouden worden, het huis in brand te steken (het had zooals bijna alle huizen in dat dorp, een rieten dak) en van de verwarring gebruik te maken om te stelen en dan te vluchten. Alles liep gunstig voor de roovers.

Terwijl de weduwe naar het lof was in de dorpskerk en de meid alleen in de keuken, sloop een der roovers naar binnen en verborg zich in de pronkkamer van het huis, waar hij werkelijk een groote ijzeren kist zag, dat zeker de geldkist moest wezen. Toen de kerk uit was, kwam de weduwe tehuis, de meid kwam bij haar; ze gingen samen het avondmaal gebruiken en na het avondgebed, dat zij ook samen deden, werden de deuren op de grendels gedaan; andere sluiting was er niet aan, en de twee vrouwen gingen slapen. Het sloeg één uur 's nachts, de dief daarbinnen met een dievenlantaarn in de hand, sloop zacht naar de voordeur, maakte de grendels los en liet een der boeven binnen.

Janus moest op den uitkijk blijven en bij het minste onraad dat hij zou hooren, het rieten dak in brand steken; uit voorzorg hadden zij er op vele plaatsen petroleum overgegoten. Het woei erg, en ook dat begunstigde hun boos voornemen.

Op eens meent Janus voetstappen te hooren; doodelijk verschrikt van overvallen te worden, sluipt hij langs het rieten dak, dat hij op meer dan eene plaats in brand steekt. Janus had zich bedrogen, er was op het oogenblik nog niemand in de nabijheid; eerst wilde hij vluchten,

ocr page 29

27

maar nu hij niemand hoorde naderen, bleef hij, gedachtig aan zijn zwaren eed, de wacht houden. De twee boeven daarbinnen hadden de geldkist reeds geopend en waren druk aan het stelen, toen op eens een oude vrouw voor de deur der kamer verschijnt. Gehoord had zij niets, hoewel zij een groot gedeelte van den nacht niet sliep, maar het lichten van het brandende dak, dat door de vansters flikkerde, had haar doen opstaan. De dieven haar ziende, lieten alles staan, vlogen haar voorbij, wierpen het oude mensch op den grond, snelden naar de open deur en vluchtten ijlings heen, zonder zich om Janus te bekommeren. Intusschen was ook de brand in het dorp opgemerkt en van alle kanten kwam men spoedig toege-loopen om te helpen den brand te blusschen. Janus hoorde weldra van alle zijden roepen: brand ! brand! en wilde vluchten. Maar ontvluchten was niet meer mogelijk, hij werd door de boeren gegrepen en geboeid naar liet raadhuis gebracht. Het geheele huis brandde af; men had bijna niets kunnen redden.

Wat nu volgde is gemakkelijk te raden.

Janus werd streng bewaakt en naar een groote gevangenis in de dichtstbijgelegen stad gebracht. In het nauw gebracht door de strikvragen van den rechter, die met het onderzoek belast was, bekende hij alles. Zoo wist men, wie hij was. Er werd naar Ginneken geschreven en vandaar vernam men dat hij onverwachts verdwenen was in denzelfden nacht, dat zijn broeder vermoord was. Nu werd Janus in de gevangenis opnieuw streng ondervraagd en zoo bekende hij ook zijn broeder te hebben vermoord.

Ik kom nu aan het einde van mijn verhaal, zeide de dokter. Na een openbare behandeling voor de rechtbank, werd Janus door de Duitsche rechters als brandstichter tot zes jaar cellulaire gevangenis veroordeeld, terwijl aan de Nederlandsche regeering kennis werd gegeven van den broedermoord. Deze verzocht om uitlevering, als hij zijn straf in Duitschland zou hebben ondergaan.

ocr page 30

28

Hoewel men in het eerst voor Marijtje alles had verzwegen, kwam het haar onverwachts ter oore dour een bedelaar, dien zij van de deur had weggejaagd en die haar dat alles nu verweet. De schrik was zoo hevig, dat zij razend werd en als krankzinnig naar een gesticht moest worden gevoerd. Zij overleed er eenige weken daarna, zij was niet meer bij haar verstand geweest.

Jaap, door al die rampen verouderd en terneêr gedrukt, verkocht wat hij nog bezat en ging daarna bij de oude Trui hier, een nicht van Jaap, inwonen.

Kunt ge u nu nog verwonderen, vroeg mij de dokter, dat Jaap altijd zit te mijmeren en voor niemand een vriendelijk woord heeft, dat hij geen vrienden wil hebben?

Ik was zoo aangedaan door hetgeen ik gehoord had, dat ik niets wist te antwoorden.

De vriendelijke dokter schonk mij nog eens in, bood mij een nieuwe sigaar aan en wandelde toen met mij naar Dc Rijzende Zon, daar hij nog eens wilde gaan zien, hoe de oude Jaap het maakte. Hij gelastte, dat er dien nacht bij Jaap moest worden gewaakt en beloofde 's morgens vroegtijdig terug te zullen komen, waarop hij van mij een hartelijk afscheid nam.

Dien nacht kon ik in De Rijzende Zon maar geen slaap in de oogen krijgen; ik stond vroeg op, betaalde mijn logies en wandelde naar den Moerdijk om de vroegboot naar Rotterdam, te kunnen halen.

ocr page 31

BESLUIT.

Kinderen goed opvoeden, ziedaar liet levensdoel van brave ouders.

Een huwelijk zonder kinderen, werd in vroegere eeuwen zelfs bij liet door God uitverkoren Joodsche volk, als een straf beschouwd. Heeft God u dus kinderen geschonken, dan hebt ge zware plichten te vervullen en rust er op u eene verantwoording, die niet gering is.

Wanneer moet ge niet de opvoeding aanvangen ? Ziedaar een vraag van zeer groot belang.

Het kind wordt geboren met goede en kwade neigingen. Nauwelijks leeft het, is het slechts enkele maanden oud en men kan dat reeds waarnemen. Het kan nog niet

spreken maar..........het kan dwingen.

Het grijpt naar eenig glinsterend voorwerp, b.v. een mes of schaar, gij weet dat liet kind er zich meê kan bezeeren, en neemt het weg. Wat doet nu het kind? Het begint te schreeuwen omdat het zijn zin niet krijgt, steigert soms in zijn stoel, trapt met de voetjes. Ziedaar reeds Iwade neigingen. Ge hebt daarentegen iets in uwe handen, dat ge het kind geven wilt, ge laat het zien, het kind begint reeds te lachen, ge geeft het en in zijne blikken leest ge tevredenheid en dankbaarheid, dus goede neigingen.

Bij mij staat het vast, reeds dan moet de opvoeding beginnen. Geef aan het dwingen van het kind niet toe, tikt het zoo noodig op de vingertjes, toont door uwe oogen, dat ge ontevreden op het kind zijt en eerst als het weêr gehoorzaam is en niet meer dwingt, verzoet dan het leed en leg een pleister op do wonde.

Het kinderhart is spoedig voldaan. Dit is nu een eenvoudige les, die ik u geef, maar volgt die op.

Naargelang het kind ouder wordt, worden de goede en

ocr page 32

30

kwade neigingen sprekender, duidelijker waarneembaar en krachtiger. Het kind, vergeet ook dat niet, kent spoedig uwe zwakke zijde.

Krijgt het door te gaan schreeuwen zijn zin, dan kweekt ge zelf een groot kwaad bij uw kind aan. Liefderijk voor liet kind als het goed wil, ernstig, zelfs bestraffend als het ondeugend is. Zoodra het kind begint te begrijpen wat het zegt, leert liet dan de handjes vouwen en bidden. Gaat het daarin voor. Zorgt, dat in de omgeving van het kind, dat b.v. in uw gezin twist en tweedracht geweerd worden, gewent het kind aan orde en zindelijkheid. Komt eindelijk de tijd om het naar de school te zenden, zie dan wel toe, welke school ge kiest. Zijn er katholieke bijzondere scholen in de gemeente uwer inwoning, al kost het ii eenige opoffering, al moet ge iets bijdragen in do zware kosten, die deze scholen te dragen hebben, gij zijt verplicht uwe kinderen op de katholieke school te doen, ge moogt ze dan niet naar de openbare school zenden. Denkt echter niet, dat ge nu van uw plichten ontheven zijt.

De school alleen is niet voldoende, ge moet krachtig meewerken. Ge moet uw kind in zijn gaan en doen volgen. Ziet vooral toe met welke kinderen het speelt, zet uwe ooren ongemerkt steeds open, vooral naar gelang het ouder wordt; hoort wat en hoe het spreekt. Zorgt vooral voor een godsdienstige opvoeding. Als ik dit zeg, dan meen ik daarmede niet, dat go in dweeperij moet vervallen of dat ge overdrijven moet. Het kind mag en moet gejuiste ontspanning hebben, want de boog kan niet altijd gespannen zijn. Zorgt er voor, dat liet trouw de christelijke leering, de cathecismus bezoekt, dat het zijn lessen leert, laat die bij u opzeggen vóór het naar de kerk gaat. Hoofdzaak is en blijft, zijt waakzaam. Beschouwt uwe kinderen^ alsof het kostbare parelen waren die ge in bruikleen hebt, maar die ge eenmaal als parelen van het zuiverste water, zult moeten teruggeven. Ik zeide reeds, het is eene zware

ocr page 33

•-gt;1 ol

verantwoordelijkheid die opvoeding, maar vertrouwt op God. Hij zal u behulpzaam zijn en bij de lasten dei-opvoeding, zij geeft ook lusten en groote voldoening. Hoe gelukkig toch is de vader, hoe overgelukkig de moeder, die brave kinderen heeft.

Ik zal hierbij eindigen. Gij allen zult begrijpen dat uwe zorgen en uw toezicht grooter moeten worden, naar gelang de kinderen ouder worden.

Blijft altijd hun leider op hun levenspad, zorgt dat zij hunne godsdienstplichten stipt vervullen, zijt uwe kinderen steeds tot raadsman, tot steun en hulp, waar het noodig is, in één woord, zorgt dat ge ouders blijft al klimmen uwe jaren en de jaren uwer kinderen.

En nu zult ge het wel geen gewaagde voorspelling van mij vinden als ik met deze woorden sluit;

„Dan zullen uwe kinderen geen Geert en Janus worden.quot;

ocr page 34