xm
BROOD
Vak 76
VOOR GEEST EN HART.
ONDERRICHTINGEN
VOOR HET
KATHOLIEK HUISGEZIN.
DOOR
J. T. J. FILBRIJ,
Pastoor te Bovenkerk.
EERSTE REEKS. Het Oude Verbond
rwj. «ma-iw.;* *â ;⢠sMbvta*. iAwmti fiiitru jamp; â .. â¢Â» -
IMPRIMATUR.
H. F. J. Rikmenspoel,
Liir. Censor.
Amstelodami,
die 27 Maji 189S.
INHOUD.
I. Inleiding......................I
II. God, Schepper van hemel en aarde. . 18
III. De val van Adam en Eva.....52
IV. Godsbelofte in het Paradijs.....68
V. Middelen Gods. om deze belofte in de
kennis des menschen te behouden . 78 VI. De Voorafbeeldingen van Christus in
het Oude Verbond.......104
VII. De H. Schrift.........135
VIII. Een geleerd praatje in een omnibus . 154
IX. Mozes en het Christendom.....169
X. Beknopt overzicht der geschiedenis van
het Oude Verbond.......186
ORD.
Onder den algemeenen titel âBROOD VOOR GEEST EN //ARZquot; is het mijn voornemen aan het Katholiek Huisgezin aan te bieden eene reeks van boekjes waarin gehandeld wordt over de Geloofs- en Zedeleer,
De bergrede t an onzen Heer Jesus Christus gelijk ons deze door den H. Matt heus verhaald wordt, zal mij bij de samenstelling dezer werkjes tot leiddraad dienen.
Vooraf echter meende ik als inleiding eenige bewijsvoeringen te moeten aangeven, genomen uit hetgeen God gedaan en gesproken heeft in het Oudé Verbond, om de goddelijke zending van omen Heer Jesus Christus, als Verlosser der wereld, voor te bereiden en tevens aan te wijzen voor alle eeuwen.
Dagelijks bidden wij: âGeef ons heden ons dagelijkseh broody In die bede vragen wij aan onzen hemelse hen Vader ook om geestelijke spijs, die onze géést en ons hart voodig hebben om te leven en vooruit te gaan voor God in
deugd en in heiligheid.
Moge ook dit werkje voor het Katholiek Huisgezin zijn als een bete broods, waarin vele zielen licht voor den geest, en sterkte voor het hart zullen vinden ten eeuwig leven.
J. F.
Bovenkerk, 25 Maart 1898.
INLEIDING.
E H. Justinus, in het jaar 157 onzer Christelijke tijdrekening onder de regeering van Keizer Antonius, den marteldood gestorven, werd in Sichem, eene stad van Samaria, uit heidensche ouders geboren. AI spoedig openbaarde zich in den jongeling een vurig verlangen naar waarheid, en vooral naar kennis van den waren God. Om deze zucht naar de waarheid te bevredigen, ging justinus al spoedig van den eenen hei-denschen wijsgeer naar den andere, maar bij niemand van dezen kon hij de zekere waarheid omtrent God vinden. Ten laatste meende hij, in de wijsgeerige stelsels van den heidenschen wijsgeer Plato het ware begrip van God gevonden te hebben. God echter, zag met welgevallen neder op het verlangen van Justinus,
om door zijn verstand tot de kennis van God te komen. Om hem echter te redden uit het doolhof der hei-densche wijsgeerige bespiegelingen, waarin de geest van Justinus gevaar liep geheel af te dwalen van God, gewaardigde God zich door eene wonderlijke verschijning hem den waren weg te wijzen, dien Justinus moest inslaan, om tot de ware kennis van God te komen. Toen hij namelijk, eens de eenzaamheid gezocht had, en aan het verlaten strand der zee neder zat, om zich ongestoord aan zijn overdenkingen te kunnen overgeven, zag Justinus eensklaps een eerbiedwaardi-gen grijsaard met een innemend gelaat op hem toetreden. Al aanstonds kwam de grijsaard met den jongeling in een ernstig gesprek, en Justinus deelde hem op vertrouwelijke wijze alles mede, wat hij reeds gedaan had, om tot de kennis van het ware begrip van God te komen. Nadat hij had uitgesproken zeide hem de grijsaard op vermanenden toon. âTot nu toe hebt gij lief gehad woorden, niet echter de waarheid ; gij streeft er naar schoone beschouwingen te houden over God, maar wat God is, zult gij uit uwe wijsgeerige bespiegelingen nimmer leeren kennen,quot; Toen nu Justinus zijn wijsgeerig stelsel verdedigde, sprak de grijsaard ; âhet menschelijk verstand kan wel uit zich zelf besluiten : âer is een Godquot;, maar indringen in het wezen van God en weten wat God is? vermag de men-schelijke geest niet; God zelf moet den mensch tot deze kennis brengen.quot; En toen begon de grijsaard den H. Justinus te vermanen, dat hij moest beginnen met God te bidden, om licht voor zijnen geest. Vervolgens
toonde hij hem aan, dat God mannen had opgewekt, Profeten, aan wie Hij zich zeiven geopenbaard had; hunne geschriften moesten de bronnen zijn, waaruit hij de waarheid moest putten. Bij de profeten zou hij eene geheel andere waarheid vinden, als door de wijs-geeren verkondigd werd.quot; Als hij dit gezegd had verdween de grijsaard uit de oogen van Justinus, en deze zag hem nimmer weder.
Deze verschijning was het begin van de bekeering des H. Justinus tot het Christendom, tot de waarheid. De lezing van de geschriften der profeten voerde hem tot haar. Toen hij eenmaal zelf, door Gods genade, tot de waarheid was gekomen, stelde hij zich tot zijne groote levenstaak, om de waarheid ook aan anderen te verkondigen. Uit de geschriften, die nog heden van hem bestaan, zien wij, dat hij zijnen grooten geest onophoudelijk gebruikte, om het Christendom te verdedigen tegen de aanvallen van Joden, heidenen en ketters.
Uit de geschriften van dezen heilige willen wij eenige woorden aanhalen, die wij meenen, dat een goed begin kunnen zijn voor het werkje, dat wij u aanbieden. Immers, wat wij gezien hebben, dat God door middel van den grijsaard, die hem verscheen, den H. Justinus aanbeval te doen, dit zien wij door hem zeiven in woorden gebracht op deze wijze: âSinds eeuwen bezitten de Joden de geschriften der Profeten, en nog op heden bewaren zij dezen met eene bizondere vereering. De Joden nu zijn de aangewezen vijanden van het Christendom. Wanneer er nu in de geschriften der profeten
4 .
iets staat, dat tot bevestiging van de waarheid van het Christendom strekken kan, dan zal men zich hierop zeker kunnen verlaten. In de boeken nu der profeten vindt men den Persoon en het leven van een Verlosser der wereld in duidelijke bewoordingen omschreven : Een Verlosser, die komen zal, wanneer de Joden geen koning meer zullen hebben uit den stam van Juda. De profeten zeggen van Hem, dat Hij uit eene Maagd zal geboren worden, en wel in Bethlehem ; dat Hij zieken zal genezen en dooden tot het leven zal opwekken ; dat Hij vervolgd zal worden en gehaat zal zijn, en ten laatste sterven zal op een kruis ; dat Zijn Lichaam zal worden begraven, en Hij levend uit zijn graf zal opstaan ; dat hij ten Hemel zal opklimmen, en over de geheele aarde mannen zal uitzenden, om zijn leer te verkondigen ; en wel vooral, dat Hij de Zoon Gods is. Deze profeten nu hebben door alle eeuwen van het Oude Verbond geleefd ; velen meer dan twee duizend jaren vóór de komst van dezen Verlosser. En toch alles, wat deze verschillende profeten van den Verlosser voorspeld hebben, is in Jesus Christus in vervulling gegaan. De profeten konden dit alles niet vooruit geweten en dus vooraf voorspeld hebben, wanneer het hun niet door God zelf geopenbaard ware geworden. Door den mond dus van de profeten getuigt God zelf reeds eeuwen te voren, vóór Christus' komst hier op aarde, dat Jesus, in Wien alle Voorspellingen in vervulling zijn gegaan, werkelijk de Zoon Gods is.quot;
_
5
Maar, mij dunkt, ik hoor u als een goed en ijverig Katholiek Christen reeds uitroepen; âMaar hoe! waarom deze waarheid: âChristus is de Zoon Gods,quot; nog toegelicht of bewezen?quot; Ons geloof in Christus' Godheid is in ons ecne deugd, door God ingestort, reeds bij ons H. Doopsel. Onze ziel wordt genoemd âvan nature Christelijkquot;, dat wil zeggen, krachtens de wijze, waarop onze ziel door God werd geschapen, is gevormd, om als uit haren aard op te nemen, alles wat van Christus is: Zijne goddelijke leer. Zijne waarheden, Zijne beginselen. Onze ziel bezit eene natuurlijke geschiktheid, om de groote genademiddelen, ons door Christus gegeven, het gebed namelijk, en de H. Sacramenten tot haar heil aan te wenden en te gebruiken. Hoe vurig bidt vaak onze ziel in de oogenblikken van innige godsvrucht; hoe luide roept Zij tot God te midden der gevaren, die haar bedreigen; hoe kan zij schreien van smart in het uur van berouw, maar ook schreien van liefde, wanneer zij over de teedere liefde van Jesus Christus nadenkt! Hoezeer gevoelt onze ziel de behoefte voor ons, zinnelijke menschen, aan de uit-wendige teekenen van de inwendige genade, haar medegedeeld in alle omstandigheden des levens. Wij menschen, wier ziel denkt en waarneemt, en hoopt en verlangt, door de organen onzer lichamen, wij die als den zetel onzer liefde, waarmede wij God beminnen, aanwijzen ons vleeschelijk hart, gelijk wij zeggen dat door middel van de hersenen in ons hoofd onze ziel God kent en onzen wil gebiedt, Hem te gehoorzamen.
En daarom hoor ik mij toeroepen : âdat Jesus Chris-
6
tus God is, gevoelen wij in onze ziel, jubelt ons hart, aanschouwt onze geest. Wij gelooven in Jesus Christus ; want dit geloof werd ons gegeven, en wij bewaren dat geloof als onzen kostbaren schat, en in het bezit van dien schat kunnen wij niet anders dan juichend neder knielen voor dat Goddelijk Kind, in den nacht te Bethlehem geboren, en Hem aanbidden als den Eeuwigen Zoon Gods, om ons te verlossen, als Mensch hier op aarde verschenen.
O, ziel, vrijgekocht door het kostbare Bloed van Jesus Christus, wie gij ook zijt, bidden wij een enkel oogenblik met elkander. âLieve Jesus! moge onze ziel U immer kennen en beminnen, in leven en in sterven, nu en in eeuwigheid. Mogen wij U kennen en beminnen in voorspoed en in tegenspoed, te midden van onze vreugde, te midden onzer smarten. Mogen wij U kennen en beminnen in het uur der rust, als wij in teedere godsvrucht U aanbidden, maar ook mogen wij U immer kennen en beminnen in het uur van den strijd, in het uur des gevaars, in het oogenblik der bekoring, op den dag der verleiding, opdat wij immer en zonder ophouden U liefhebben, en in uwe zoete liefde altijd den troost vinden, dien wij behoeven in dit leven. Lieve Jesus! mogen wij altijd bevrijd blijven van de ellende der zonde, die ons den troost ontrooft, dien onze ziel in U te kennen en in U te beminnen smaken kan, bij iedere ademhaling van ons leven, Amen.
En toch kan het nuttig zijn om de vraag: âIs Jesus Christus de Zoon Gods?quot; ook voor U vurige Katholieken, eens te stellen. En wel om deze drie redenen.
J
7
die wij achtereenvolgens met elkander eens nader zullen beschouwen.
Eerste reden.
Wie onzer zal ooit genoeg in zijn leven kunnen overwegen de oneindige Barmhartigheid Gods jegens ons, schuldige menschen. Hoe meer wij nadenken over deze Barmhartigheid Gods, des te inniger de dankbaarheid zich zal vastwortelen in ont hart jegens Gods, Wiens liefde zulhe middelen heeft uitgekozen om ons menschen, Zijnen eeuwigen Zoon, Menschgeworden aan te wijzen en te doen kennen. Wat toch deed God, om door alle eeuwen heen, niet alleen in den tijd van het Christendom, maar reeds van den beginne af, reeds in het paradijs, de toekomstige menschwording van God den Zoon aan te kondigen en den menschen bekend te maken? Reeds in het paradijs beloofde God aan den gevallenen mensch den Verlosser. Later hernieuwde en bekrachtigde God aan de H. Aartsvaders deze gedane belofte. En door alle eeuwen van het Oude Verbond verlichtte God zelf de profeten en gaf dezen in, wat Zij omtrent den toekomstigen Verlosser aan het Joodsche volk moesten leeren en bekend maken. Maar hierop vooral ook moet gij acht geven : deze beloften, gedaan aan Adam en hernieuwd aan de H. Aartsvaders, deze voorspellingen der profeten, zij moesten niet alleen dienen om Jesus' komst voor te bereiden, maar zij moesten ook voor alle eeuwen van het Christendom waarachtige bewijzen blijven, dat de beloofde Messias verschenen is hier op aarde en Jesus Christus genoemd wordt. De vier duizend jaren toch.
8
die vóór de komst van Christus hier op aarde zijn voorbijgegaan, zijn geweest eene voorbereiding voor de gezegende komst van den Messias. Zij toonen een onafgebroken reeks van Werkingen Gods, om aan de wereld bij Jesus' komst, de blijde boodschap te verkondigen : âVreest niet, zoo spr ik de Engel tot de herders bij Christus' geboorte, want zie, ik verkondig U een groote blijdschap, die voor al het volk zal zijn : dat u heden geboren is de Zaligmaker, die Christus de Heer is, in de stad van David. En dit zij u ten teeken ; gij zult een Kind vinden, in doeken gewonden, en neergelegd in een kribbe. âAls gij dan met aandacht en ernst leest, wat wij u gaan voorstellen, en de verschillende middelen overweegt, door God gebruikt om de komst van zijnen eeuwigen Zoon voor te bereiden, zeg dan dikwijls in uw hart, en roep het uit met geheel uwe ziel: âhoe goed zijt Gij, o God! voor ons zondige menschen! en hoe zullen wij U genoeg wederliefde en dankbaarheid kunnen bewijzen, wijl Gij ons den Redder onzer zielen zoo ontwijfelbaar zeker hebt aangewezen en bekend gemaakt!quot;
Maar, zult gij zeggen : wij treffen, vooral in onzen tijd, zoo dikwijls menschen aan, die niets gelooven van dat alles, wat ons toch zoo dierbaar is ; die met alles, wat Christus aangaat hebben gebroken; er openlijk voor uitkomen, dat zij tot geen enkel kerkelijk genootschap behooren, en zelfs den schijn aannemen van in één God, Heer en Bestuurder van hemel en aarde, Be-looner van het goede en Straffer van het kwaad niet te gelooven. Hoe kunnen er, zult gij vragen, zulke
9
menschen bestaan? En ook op die vraag wil ik u net antwoord geven. Maar ziedaar, tevens de tweede reden, waarom het goed is, dat gij de verschillende beweegredenen van ons geloof ernstig en dikwijls zult overwegen. Want terwijl gij gedwongen zijt, om dikwijls met ongeloovige of althans schijnbaar ongeloovige menschen in aanraking te komen, hebt gij de verplichting, als Katholiek, openhartig voor uw heilig Geloof uit te komen, en te bewijzen, dat ons Geloof is een redelijk Geloof, en met de meest overtuigende bewijsvoeringen kan bevestigd worden voor een ieder, die niet zoo dwaas is van in zijn hart te zeggen : âik wil niet gelooven.quot; De ernstige overweging nu van hetgeen U in dit boekje wordt voorgesteld, zal u, hoop ik, krachtig kunnen helpen in een omgang met ongeloovige menschen, om dezen, namelijk, van antwoord te dienen, wanneer zij ons heilig Geloof zouden aanvallen, of misschien met onze heilige overtuiging den spot zouden drijven.
Of er nu werkelijk ongeloovige menschen zijn, dat wil zeggen, of er menschen zijn, die uit volle overtuiging zeggen : âer is geen God, er bestaat geene onsterfelijke ziel, een bovennatuurlijke openbaring is een verzinsel der menschen,quot; behoeven wij voor het oogen-blik hier niet te beslissen. Zeker zijn er menschen, en gij zult dezen nu en dan ontmoeten in uw leven, die zich uiterlijk voordoen als te zijn ongeloovig, en met een lachje of met een in hun oog veel zeggend schouder ophalen, hun ongeloof van de geopenbaarde waarheden van Christus aanduiden. Van zelf zien zulke
IO
lieden met medelijden neder op hen, die, naar hun zeggen, zoo achterlijk blijven in hunne opvattingen, dat zij in Christus, den Zoon Gods, Menschgeworden, en in eene door Hem gestichte Kerk blijven gelooven.
Wat nu zullen wij van zulke menschen zeggen; hoe zullen wij hen noemen? Mij dunkt, wij moeten vooreerst een groot medelijden met hen hebben, en nooit vergeten, dat wij voor ongeloovige, maar ook vooral voor verblinde menschen verplicht zijn hartelijk en dikwijls te bidden. Velen echter van hen zou ik het liefst maar âsukkelaarsquot;, âstumpersquot; noemen. Zij mee-nen, dat het eene zekere âvoornaamheidquot; geeft, vooral tegenover eenvoudige menschen, als zij âde ongeloovigequot; uithangen. Het is treurig te moeten erkennen, dat er zulke menschen zijn ; maar gij kent het woord der H. Schrift: âhet getal der dwazen is onnoemelijk.quot;
Waarlijk, braaf moedertje! dat daar uit de Hoogmis komt, en op het kerkpad voortstrompelt, dat heertje, die achter u op zijn fiets aansnelt, en met het wanluidend toetertje toetert, dat zelfs uwe oude ooren er nog van scheuren, dat heertje is nog zoo slecht niet, al gilt het dametje, die met hem medefietst het uit van de pret, wijl hij het zoo guitig zeggen kan: âdat de paapsche wierook zoolang nageurtquot;. âNiet boos worden, Nelis! dat fietsend heertje is meer dom, dan hatelijk, zóó dom, dat je vaders koe het in geleerdheid spoedig van hem zou winnen, als onze lieve Heer haar maar een weinig verstand wilde geven. Hij schijnt op zijn fiets in zijn wijd sport-pakje heel wat! Toch is hij er een uit de velen, die het weinigje verstand, dat
11
zij ontvangen hebben, voor niets anders gebruiken, dan voor hun pret; nooit eens ernstig nadenken, en het der moeite niet waard achten, om eens bij deze vraag stil te staan ; âZou er na dit leven, nog een ander leven komen ? en zoo ja, zouden dan die eenvoudige men-schen gelijk hebben, als zij getrouw naar de kerk gaan, en voor dat ander leven zorg dragen?quot; Maar zoover brengt het verstand van zulke menschen het niet Gij hebt zeker wel eens het woord gehoord van de heilige Schrift; âHet kind kent zijn eigenaar, en de ezel de kribbe zijns meesters ; Israël echter heeft mij niet gekend, en mijn volk heeft het niet begrepen, wie zijn Meester en Weldoener is.quot;
Hoezeer is het te bejammeren, dat er vooral in onzen tijd, zoovele menschen zijn, die niet nadenken! Maar is het te verwonderen ook? Hoevelen zijn er tegenwoordig, die ongeloovig schijnen, omdat zij van hunne jongste jeugd af, niets of bijna niets van God en godsdienst gehoord hebben. Hunne ouders hebben het goed gevonden, uit welke beweegredenen dan ook, om hen ongodsdienstig op te voeden ; in de school mocht niet van God gesproken worden, dat heette neu-traal-ondenvijs ; naar de kerk gaan, was niet noodig. Vader en moeder wisten zelve niet, aan wien zich te houden ; de dominé's zelve waren in de voornaamste punten van geloof en godsdienst oneenig onder elkander. âAls de kinderen groot zijn, aldus besliste de âwijzequot; vader, moeten zij zeiven maar kiezen, wat zij willen,quot; en de man trok bij deze uitspraak een gezicht, als had hij daar juist aan de wereld geleerd, om
een vast punt in de ijle lucht te vinden. Nu voor het meerendeel hebben die kinderen gekozen, en wijl zij van huis uit weinig of geen godsdienstige indrukken medenemen in hun leven, en op de school geleerd hebben, om alles in de wereld buiten God te beschouwen, beslissen zij, om maar zóó voort te gaan, en zich niet om bovennatuurlijke waarheden en beginselen te bekommeren ; nu vooral, wijl het denkbeeld van een God, gestreng Handhaver van sommige zedewetten, wel iet of wat van eene vrije opvolging van sommige neigingen in den weg kan staan.
Dat zulke menschen nu, dikwijls meer ongeloovig willen schijnen, dan zij in hun hart inwendig zijn, kunt ge onder anderen, ook hieruit opmaken.
Vooreerst zijn zij buitengewoon angstig voor den dood. Een kerkhof doet hen huiveren; aan het sterfbed van een vriend, dikwijls van een naasten bloedverwant is hunne plaats niet; het ontmoeten van een doodenwagen, van een lijkstoet, is voor hen een slecht voorteeken. Want zij zijn ten andere, zeer hijgeloovig. Een ekster, die voor hen uitvliegt op den weg, voorspelt een doode. Zoekt deze snaaksche vogel zijne rustplaats op een boom van hun tuin of erf, dan zal men spoedig âvan een doodequot; hooren. Het huilen van een hond kondigt ook al in de nabuurschap een doode aan. Zij willen voor geen geld ter wereld, met dertien aan tafel zitten ; die in zulk een geval onder den spiegel zit, wordt beschouwd het kind van de rekening te worden. Ik heb er gekend, op wie het vallen van een spiegel, hangend aan den wand zulk een indruk maakte,
13
dat zij dagen lang stil werden en afgetrokken, zoodat hunne naaste omgeving voor ernstige ziekte vreesde, en voor hen naar een dokter uitzagen. âFlauw, kinderachtig!quot; zult gij uitroepen, en gaarne zeg ik het u na. Maar wie uwer heeft niet reeds meerdere malen in zijn leven zulke bijgeloovigen ontmoet, die overigens het hoogste woord durven voeren, en hunne zoogenaamde aardigheden altijd bij de hand hebben over die domme Roomschen, die papen met hunne medailles van heiligen, en met hunne rozenkranzen, die zij bij zich dragen ; met hunne palmtakken en wijwater, waaraan zij zulk eene bijzondere kracht toeschrijven.
Al deze heilige zaken, niet waar? vinden hare kracht in het gebed der heilige Kerk, die van haren goddelij-ken Stichter de belofte ontving; âVoorwaar, voorwaar, ik zeg u, alles wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, Hij zal het u geven.quot;
Maar waarom hebben al deze dwaasheden, die wij zoo even opgenoemd hebben, op de harten van vele ongeloovigen zulk een krachtigen invloed? O, de mensch kan in waarheid zoo moeielijk zijne eindbestemming loochenen! Sterven is hard bijna voor lederen mensch, ook voor den geloovigen Christen. Maar verschrikkelijk is de dood voor den ongeloovige! iii) toch er staat naast den dood, die voor een ieder bepaald is, nog een andere vraag voor den ongeloovige: âIs met den dood nu alles beslist? of bestaat er eene verantwoordelijkheid voor het genoten leven, en zal de mensch eenmaal aan zijnen Schepper rekening en verantwoordiging moeten afleggen?quot; Hinderlijke, las-
14
tige, pijnlijke vragen, die maar het liefst ver uit den geest moeten blijven, maar die zich zoo gemakkelijk niet laten verjagen, en als ontijdige vermaners telkens wederkeeren, hoe gaarne men ook zijne ooren wil toestoppen, om aan den dood niet herinnerd te worden.
Maar, zult ge zeggen, die dwaze ongeloovige vindt ge zelfs bij Katholieken. En oprecht wil ik u bekennen, dat er zelfs onder de Katholieken zijn, die bang zijn voor het getal dertien, voor een vallenden spiegel, voor een opvliegenden ekster, voor een huilenden hond. Hieruit ziet gij, hoe sterk ook zelfs op een Katholiek het ongeloof zijn invloed gelden doet. Wapen u er tegen door dikwijls met ernst het antwoord der Kate-chismus te overdenken : âWat is bijgeloof? Aan woorden of zaken eene bovennatuurlijke kracht toekennen, welke zij niet bezitten.
Als gij nu op den weg, of in de herberg, -â die gij tusschen twee haakjes gezegd, maar niet, of slechts zeer zelden moet bezoeken â of in schuit of omnibus, zulk een âongeloovigequot; ontmoet, en gij hoort hem een of andere aardigheid verkoopen, ten koste van godsdienst of kerk, dan moet gij u nooit driftig maken, maar bedaard blijven, al kost het u wellicht ook moeite. Zulke dwaashoofden hebben er altijd schik in, en onder hunne kornuiten gaan zij er groot op, als zij door eene of andere flauwe hatelijkheid, âzoo'n paapsche vromequot; kwaad, driftig hebben gemaakt, en dat pretje behoeft gij hun niet te gunnen. Het beste is, wanneer gij hen eerst eens laat voortbabbelen. Al spoedig zeggen zij dan een of andere âdomheidquot;, waarnaar gij
i5
hunne wijsheid kunt afwegen. Gewoonlijk weten zij niet veel meer, dan hetgeen zij uit de krant leeren, die zij getrouw bijhouden, en die meestal de bron is, waaruit zij hunne wijsheid en grappigheid putten. Uit uwe gewone katechismus kunt gij hen gemakkelijk te recht zetten. Wees vooral niet bevreesd, om hen ten antwoord te staan, al praten zij ook met groote woorden, en op schreeuwenden, overblufïenden toon. Bevreesd zijn, om voor uw geloof en voor uwe Kerk op te komen is lafheid, en sticht dikwijls meer kwaad dan gij denken zoudt Leg u echter er niet op toe, om met hen te willen redetwisten, dat is een onbegonnen werk ; met een blinde kunt gij moeilijk over kleuren praten. Hoop ook niet te spoedig, hen te kunnen overtuigen, en tot betere gedachten te brengen. Zij willen gewoonlijk niet overtuigd zijn, en al uw redetwisten zal u weinig of niets baten. Maar zij moeten toch immer den indruK van u wegdragen, dat gij in de zaken des Geloofs en in de instellingen der Katholieke Kerk genoegzaam onderlegd zijt; dat wij Roomschen, een degelijTce kennis bezitten van onze Geloofs- en zedeleer. Als gij hen nu nog daarenboven kunt laten vastloopen in eene of andere aardigheid of hatelijkheid, die zij verkocht hebben, doe het dan, zoo mogelijk op eene of andere snaaksche wijze. Dat heeft ook dit voor, dat gij uw goed humeur bewaart, en vaak de lachers op uw hand krijgt. Wees echter nimmer grof en beleedigend ; de waarheid, die wij willen verdedigen, heeft nimmer voor hare verdediging grofheid of beleediging ten koste van den dwalende noodig.
i6
Derde reden. Doch gij vindt hierin, niet waar ? eene bevestiging van hetgeen ik u boven zeide, dat het ook voor den vurigen Katholiek nuttig is, om de grondslagen van ons H. Geloof zich dikwijls ernstig voor den geest te stellen. Gelijk het met iedere andere kennis gaat, zoo ook geschiedt het vaak met de kennis der waarheden van ons H. Geloof. Al heeft iemand als kind en in de jaren zijner jeugd op school ook al goed en best onderwijs, en wel met goed gevolg genoten, wanneer hij het geleerde niet onderhoudt in zijne latere jaren, gaan de vruchten van zijn genoten onderwijs al spoedig voor hem verloren; gaandeweg vergeet hij het geleerde, en nauwelijks kan men hem gelooven, als hij later beweert, dat hij toch goed lager onderwijs heeft gehad. Waaraan deze onkunde toe te schrijven ? Hij heeft het geleerde niet onderhouden, niet veel meer geschreven, gerekend en nagedacht over aardrijkskunde en geschiedenis. Zijn geheugen liet hem spoediger in den steek, dan hij vermoed had, en wat hij eens goed geleerd en geweten heeft, haspelt hij nu door elkander, dat het kant noch wal raakt. Afrika noemt hij een stad aan de Middellandsche Zee, China een werelddeel; de Joden trekken droogvoets door de rivier Egypte; Sara is, volgens hem, geweest de moeder van den heiligen Boetgezant, Joannes den Dooper ; en hij staat verstomd over zijne algemeene vergeetachtigheid, als zijn jongen hem overtuigt, hoe mis vader het heeft met vol te houden, dat Mozes uit de wateren der zondvloed gered is, toen deze door de dochter
van koning Pharao in een biezen korfje drijvend werd gevonden.
Op gelijke wijze zou het ook kunnen gaan met de waarheden van ons H. Geloof. Wanneer iemand deze kennis niet onderhoudt, door het ijverig bijwonen en luisteren naar de onderrichtingen, door den priester in de kerk gehouden op zondagen en op feestdagen; wanneer het Katechismusboek in het katholiek huisgezin geene andere plaats vindt, dan in de pet of in den broekzak van den knaap, die nog naar de Katechismus gaat; als de ouders met hunne kinderen niet spreken over de waarheden des geloofs, en hun niet afvragen, waarover de priester in de kerk gesproken heeft; als de ouders zich de moeite niet geven, om hunne kinde â ren de les der Katechismus te overhooren, alvorens zij die les opzeggen in de kerk ; als vader niet anders leest dan zijn krant, en dan nog maar alleen de berichtjes der ongelukken, die geschied zijn, en de vertelseltjes, die er in verhaald worden, en geregeld overslaat alles, wat over geloofs- en zedeleer in het Zondagsblad, of Kerkklokje, of St. Josefsblad te lezen staat; zie, dan kan het niet uitblijven, of men zal ondervinden, dat het geheugen spoedig ons menschen in den steek laat ook bij de kennis der geloofswaarheden. En dit kan ernstige gevolgen na zich slepen. Want zonder rekenen en schrijven, en zonder de kennis van aardrijkskunde en geschiedenis kan de mensch in den hemel komen ; maar de mensch, aan wien door eigen schuld eene voldoende kennis ontbreekt van de waarheden Gods, zou gevaar loopen om eens uit den mond van
IS
den goddelijken Rechter, Jesus Christus, te hooren: âGij hebt mij niet gekend, noch mijne waarheden, die ik u geleerd had; gij zijt mij vergeten, ook Ik wil u nu niet verder kennen in liefde ; boet uwe schuldige onwetendheid in alle eeuwigheid!quot;
Moge dit boekje een nieuw middel zijn, om in de katholieke huisgezinnen de kennis van God en van Zijne heilige waarheden levendig te houden!
11.
GOD, SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE.
Reeds een beroemd redenaar van het heidensche Rome zeide: âGeen volk zoo ruw en zoo wild, of het bezit het geloof aan een God, al kent het ook Diens wetten niet.quot;
Sinds dit woord werd gesproken, zijn er meer dan twee duizend jaren voorbijgegaan ; nieuwe volken zijn in die jaren ontdekt en bezocht geworden in alle doelen der wereld. Nog immer staat het woord van dezen heiden, dat hij uitsprak uit kracht eener ondervinding van alle eeuwen, door hem als getuigen opgeroepen voor de waarheid zijner uitspraak, onaangetast. Slechts werd zij door de ondervinding aller eeuwen na hem nog krachtiger bewezen en de geschiedenis aller volkeren, zoovele nieuwe volken, die allen van hunnen eersten oorsprong af, hunne goden gekend, aangeroepen en vereerd hebben. (*)
(*) God, Christendom en Kerk. Apologetisch Handboek, door Dr. A. W. II. Sloet. R. K. Pr.
19
De redelijke mensch kan met zijn verstand God, schepper aller dingen, kennen. Indien hij dit niet vermocht, dan zou de mensch radeloos gestaan hebben in eene wereld, te midden waarvan hij moet leven, en waarvan hij tevens getuigen moet, dat zij zijne eindbestemming niet kan zijn. De mensch stelt zich vragen, waarop hij het antwoord eischt van zijn verstand. Deze vragen zijn dezen : Van waar heb ik mijn bestaan? Wat moet ik doen op deze aarde? Wie is mijn Schepper, en hoe heb ik mij tegenover Hem te gedragen?
Denk niet, dat die zeggen niet te gelooven, met deze vragen in hun leven niet te rekenen hebben! Zij mogen het antwoord op die vragen verschuiven, en opschorten in hun geest. Zij mogen pogingen aanwenden, om die vragen zelve te ontwijken en buiten hun geest te stellen ; maar gewild of niet gewild, deze vragen komen telkens terug en laten zich niet onbevredigd ter zijde stellen. Dwaas en misdadig zijn de ijdele pogingen, aangewend door den mensch, om deze vragen onbeantwoord te willen laten. Misdadig, wijl deze pogingen rechtstreeks ingaan tegen God, den Schepper, die den mensch juist hierom vooral redelijl: heeft geschapen, te midden van het redeloos geschapene. De redelijke mensch moet God, zijnen Schepper hennen en verheerlijken hier op aarde. Misdadig ook, wijl alleen door de erkenning van God, eeuwigen Schepper aller dingen, de redelijke mensch, begiftigd met een vrijen wil, in staat is, om met vrijheid naar het doel te streven, waarvoor hij geschapen is hier op aarde.
20
De redelijke, de vrije mensch moet God kennen, maar ook Hem vreezen als den rechtvaardigen God, onver-biddelijken Straffer van het kwaad, gelijk Hij de rechtvaardige Belooner van het zedelijk goed ia
Maar ook dwaas zijn deze pogingen! Of is niet dwaas te noemen de mensch, wiens verstand zegt: dat hij naar zijn oorsprong, naar zijn doel des levens moet zoeken: zijn verstand wijst hem reeds heen naar God, zijnen Schepper. Zijn hart geeft hem reeds ondubbelzinnige aanwijzingen, dat hij in betrekkingen van gehoorzaamheid en onderwerping staat tegenover een oneindig Wezen. Maar tegen die uitspraak van zijne redelijke ziel verzet hij zich hardnekkig. Hij gevoelt, in zijn binnenste, dat het bij deze vragen gaat om het hoogst, wat hij kan bereiken : dat het eeuwig heil zijner onsterfelijke ziel op het spel staat, wanneer hij ingaat tegen deze inwendige stem. En toch, naar alle andere oplossingen dezer levensvragen ziet hij uit; liever het hoogste gewaagd, dan zich te onderwerpen aan de uitspraken van zijn eigen verstand ; liever allerlei zijwegen ingeslagen, die zijn geest voeren naar een doolhof van twijfelingen en verwarringen, ja, indruischen tegen zijne rede, dan den rechten weg in te slaan, voerend naar zijn God, zijn Schepper. Is het geen dwaasheid, om welke beweegredenen dan ook, het voor tijd en eeuwigheid beslissend antwoord met geweld te ontwijken, vrijwillig en met voorbedacht opzet geheel een leven in een pijnlijke, altijd wroeging wekkenden en angst latenden twijfel te blijven, tot aan den dood, liever dan zich te ondenverpen aan een inwendigen drang
21
van geest en hart en den persoonlijken God te erkennen, in Wien te gelooven de glorie der zie! uitmaakt, en haar geluk wordt voor tijd en eeuwigheid!
Maar, zal de ongeloovige zeggen, om te ontkomen aan den drang dezer redenen, âwij kunnen slechts met zekerheid kennen wat wij door de ervaring vermogen te weten. Doch uit de ervaring kunnen wij alleen kennen de stoffelijke wereld, de natuur met hare verschijnselen. Daar God nu, indien Hij bestaat, niet tot de wereld behoort, en zelfs oneindig hoog boven haar is verheven, kunnen wij bijgevolg nooit met zekerheid weten, of God werkelijk bestaat.quot;
Er zijn ongeloovigen, die werkelijk in hu.n voorbedacht ongeloof aldus redeneeren. De dwaasheid echter dezer redeneering valt aanstonds een ieder in het oog, die zijn verstand goed wil gebruiken. Immers indien zij alleen, als zeker bestaande, willen gelooven in de wereld, in de natuur met hare verschijnselen, derhalve in datgene, wat stoffelijk is, moeten zij aannemen, dat wat stoffelijk is ook eeuwig en oneindig zijn kan, wat eene klaarblijkelijke onwaarheid is. Want wanneer zij toegeven, dat de eerste oorzaak van de wereld huiten het stoffelijke moet gezocht worden, breken zij hunne eigene bewering af, en stellen buiten hunnen waamemingskring den oorsprong der wereld. De stoffelijke wereld nu kan nimmer eeuwig zijn, wijl zij als eindig zich aan onze waarnemingsvermogens openbaart Derhalve zegt ons ons menschelijk verstand, dat er buiten de zichtbare, stoffelijke wereld, die ons
22
omringt, een van die wereld afgescheiden, eerste oorzaak zijn moet, die onstoffelijk is, die God is.
Maar ook een enkel oogenblik aangenomen, dat de redelijke mensch niet volstrekt zeker zou kunnen zijn van het bestaan van éen persoonlijken God, wie dan zou het wijste, het meest verstandig handelen; óf hij, die besluit: âik kan niet zeker zijn van het bestaan van God, aan Wien ik eenmaal rekenschap van mijn leven moet afleggen: dus denk en leef ik, alsof er zeker zulk een God niet bestaatof wel, hij, die besluit: âik kan niet volstrekt zeker zijn uit mijne rede van het bestaan van een God, aan Wien ik eenmaal rekenschap van mijn leven moet afleggen ; maar ik weet dat door alle eeuwen heen de wijsten en de besten zelfs onder de menschen getuigenis van hun geloof in een rechtvaardigen God hebben afgelegd, dus denk en leef ik, alsof er een persoonlijke God, Belooner van het goed en Straffer van het kwaad, bestaat?quot; Zeker is het, dat beide eens zullen sterven. In het bederf van het graf zijn beiden, de geloovige en de ongeloovige, gelijk. Maar is er een God, die onze onsterfelijke ziel heeft geschapen, dan komen zij beiden vóór den rechterstoel van den God der eeuwigheid. Wie van beiden is dan in het voordeel, wie in het nadeel? Het kan niet twijfelachtig zijn. Die geloofd heeft in God zal in het voordeel zijn ; zijn oordeel zal een genadiger oordeel zijn. Die niet geloofd heeft, zal in alle gestrengheid veroordeeld worden, omdat hij niet geluisterd heeft naar de uitspraak zijner rede, niet beantwoord heeft aan de bestemming van zijn leven hier op aarde.
23
Leven dus alsof er geen God is, opzettelijk willen blind zijn voor de bewijzen, die God ook op natuurlijke wijze van Zijn goddelijk bestaan heeft gegeven, is een door niets te vergelijken dwaasheid, is een misdaad, is een roekeloos waagstuk, nooit te verdedigen.
Bij deze veronderstelling, die wij boven hebben opgezet, laten wij buiten bespreking, hoe ook voor het tijdelijk leven des menschen, een braaf, deugdzaam, geloovig leven eene voorwaarde is voor het aardsche welzijn, èn van iederen mensch in het bijzonder, èn van de geheele samenleving. Een ongeloovig leven, waarmede gewoonlijk een zelfzuchtig, een ongeregeld leven gepaard gaat, heeft èn voor den mensch persoonlijk, èn voor de geheele samenleving slechts onheil en ellende ten gevolge.
Maar, zóó zult gij vragen, hoe kan het mogelijk zijn, dat er telkens menschen gevonden worden, die zich zeiven geweld aandoen, en tegen de uitspraken van hun eigen verstand in, alom het luide willen verkondigen, dat zij niet gelooven in een God, eeuwigen Schepper van alles wat bestaat.
Wij moeten dit aan verschillende oorzaken toeschrijven, waarvan wij dezen zullen noemen :
1. Aan hunne onwetendheid in zake van godsdienst. Zij loochenen en ontkennen, wat zij nooit erns-tig onderzocht hebben.
2. Aan de bedorvenheid van veler harten. Wat zegt een beroemd schrijver? âIk heb, zoo durft hij te schrijven, wel eens gewenscht, een matig, bezadigd, kuisch en eerlijk man te hooren verzekeren, dat er geen God
is; zoo iemand zou ten minste belangloos spreken, â maar zulk een wordt niet gevonden.quot;
3. Aan dwazen hoogmoed. Zij meenen alles te kunnen doorgronden, en willen zoo gaarne in de oogen der wereld doorgaan voor groote vernuften.
Laat ik u eens zulk een man voorstellen. Wij zullen dan tegelijk in de gelegenheid zijn, om u nog eenige dwaze stellingen voor oogen te stellen, die zoo al uitgedacht zijn, om het bestaan van een persoonlijk, eeuwig God aan te randen en te loochenen. Wil echter met aandacht den geheelen loop dezer voorstelling goed volgen met uwen geest, opdat gij ze duidelijk zult begrijpen ; en wees niet verwonderd over de dwaze drogredenen, die zooal gebruikt zijn, ook door mannen, die voor zeer geleerd doorgingen, om hunne schandelijke Godsloocheningen met een glimp van hooge wijsheid te vernissen.
PROFESSOR WEETAL.
Een wonderbaarlijk geleerd man is de Hoogleeraar Weetal. Reeds als kind verbaasde hij zijne ouders door zijne kinderlijke schranderheid. Zijnen vader stelde hij vragen, die den man verlegen maakten, en hem deden uitroepen ; âKind, wat zal er nog eens uit jou groeien!quot; Op de schoolbanken... hij begreep zijne leermeesters, nog voordat zij hunne uitleggingen waren begonnen, en minstens eens in de week â het werd vervelend voor de andere jongens, â weerklonk het voor het front der school: âhoe komt de jongen er
toch aan!quot; Hij moest â dit sprak van zelf â worden opgeleid voor de hoogere studiën. âHet zou zonde en schande zijn geweest, wanneer zulk een aanleg voor de wetenschap verloren ging.quot; Met dit zelfbewustzijn begon de jeugdige Weetal zijne voorbereidende studiën op het gymnasium, promoveerde in betrekkelijk korten tijd aan de beroemde hoogeschool van zijn vaderland, met de hoogste onderscheiding tot doctor achtereenvolgens in verschillende wetenschappen. Hij was eenige jaren leeraar aan eene inrichting van meer uitgebreid onderwijs, en zag zich spoedig tot hoogleeraar verheven aan eene beroemde universiteit, buiten zijn vaderland.
Het moet gezegd: zijne liefde blaakte voor de wetenschap. Dag en nacht offerde hij aan de studie, en spoedig stelde hij in niets anders meer belang, dan in dit eene : de wereld te verbazen door de uitgestrektheid zijner wetenschappelijke kennis, zijner weerga-looze geleerdheid.
Professor Weetal was, wat zijne geloofsovertuiging betrof, zoo ongeloovig mogelijk. Volgens hem was het begrip van God een schrander uitgedachte veronderstelling, die langen tijd aan de menschheid groote diensten had bewezen, en ook nu nog, zoolang de wetenschap niet iets beters kon aangeven, maar moest blijven dienst doen, vooral bij de eenvoudige men-schen, maar die volgens des professors meening, toch haren tijd gehad had, en slechts op de zich immer ontwikkelende kennis der menschen wachtte, om voor goed aan zijde gezet te worden. Nu woelde en tobde
26
het sinds langen tijd reeds, in het hoofd van den geleerden professor rusteloos rond, en zijn hart popelde bij die gedachte van zijnen machtigen geest, die voor het meest grootsche denkbeeld niet terugschrikte, dat hij, professor Weetal, geroepen en bestemd was, om een nieuw, een beter denkbeeld voor het verouderde begrip âGodquot;, aan de menschheid voor te stellen en te verkondigen : een denkbeeld, dat de wiisgeeren zou bevredigen, waartegen de natuurkundige wetenschappen niets zouden kunnen inbrengen, dat alle tegenwoordige en toekomstige geleerden zouden huldigen en bijvallen.
Vaak des nachts te midden zijner onrustige droo-men ontwaakte de geleerde man en zag in de duisternis, die hem omgaf, met groote, gouden letteren de woorden schitteren op geheel nieuwe, lijvige boekdoelen, die van alle zijden der beschaafde wereld zich verspreidden over de aarde ; Het stelsel van jn-ofeamp;sor Weetal. Reeds hoorden zijne ooren het lofgeschal van alle kanten der aarde weerklinken ; âliet stelsel Weetal redt de wetenschappen, redt de aarde, redt de menschheid, te lang reeds versmachtend onder het juk eener bovennatuurlijke levensbeschouwing.
Eens op een vroegen ochtend, toen zijne huisgenoo-ten nog in diepe rust lagen verzonken, rees de hoogleeraar met een haastigen drift op van zijne legerstede, zocht bevend van aandoening zijne sokken, zijn pantalon, zijn scheermes en zeep bijeen, maakte in minder dan geen tijd zijn toilet, wierp zijn wijde kamerjas over zijne trillende ledematen, rolde zijn stoel naar de studeertafel, stampte met zijn voet op den grond, en nep
27
vol wilskracht uit: âhet kan, het moet!quot; En zich plaatsend voor zijne dichtgeslagen boeken, die hem geene nieuwe wijsheid meer konden aanbrengen, greep hij zijn denkend hoofd in beide handen vast, en staarde en bleef staren, uren en uren lang op het blanke papier, waarop reeds stond geschreven : âEen nieuw stelsel van Wereldbeschouiving.quot;
En nu begon voor professor Weetal een tijd van inspanning en van het ernstigste nadenken, gelijk hij nooit te voren doorleefd had. Weken en weken, en maanden lang gunde hij zich geene rust of ontspanning meer. Nauwelijks verscheen hij aan den huiselijken disch, om een vluchtig oogenblik een sober middagmaal te nemen. Van een ieder zonderde hij zich af ; niemand mocht hem meer in zijne studeerkamer naderen, en wanneer zijne vrouw behoedzaam tot hem kwam, zag zij haren geleerden man immer in dezelfde houding met het denkend hoofd in zijne handen, altijd starend op hetzelfde papier, waarop hij nog niets ander dan deze woorden had bijgeschreven :
âHet stelsel van een persoonlijk God, afgescheiden van de stoffelijke wereld, door Wien alles is geschapen, moet door de wetenschap worden veroordeeld!quot; En daaronder Bev/ijs I.
Verder had de professor het nog niet gebracht in dien langen tijd van inspannenden arbeid des geestes. En toch hoe ontmoedigd ook voor zijnen grooten geest, hij liet zich niet uit het veld slaan. âHet kan, riep hij alweder uit, als om zich zeiven moed te geven, het
28
moet!quot; En zijne pen opnemend schrijft hij onder Bewijs I:
Wij menschen komen tot de kennis der dingen door onze waarnemmgsvermogens. In het stelsel van een bestaand persoonlijk, goddelijk Opperwezen wordt en moet als beginsel worden aangenomen, dat God is een oneindig geestelijk Wezen. Wij kunnen slechts zien wat van de stof is.
Dus er bestaat geen oneindig, geestelijk Wezen, dus geen God.
Professor Weetal herlas nog eens ernstig deze zijne eerste bewijsvoering over, knikte met een zeker zelfbehagen het diep denkend hoofd menige malen op en neder, als een complimentje aan zijnen schran-deren geest gebracht, en schreef er ten overvloede nog achter, âdeze bewijsvoering verklaart zich zelve, en heeft geene verdere omschrijving noodig.'quot;
De hoogleeraar was zoo heel en al verslonden in zijn eigen nog uit te denken âNieuw stelsel van Wereldbeschouwingquot;, dat zijn diep denkende geest niets waarnam van al het valsche en van al het onredekundige, dat uit deze zijne eerste bewijsvoering uitstraalde.
Op een nieuwen regel schrijft hij met grooten moed, na zulk een langen tijd van nadenken :
Bewijs II.
Een oneindig persoonlijk, goddelijk Opperwezen, schepper van alles, is eene noodelooze veronderstelling, en voegt niet in eene verstandelijke wereldbeschouwing. Zij moet dus niet langer gehouden worden.
29
V erhlaring.
Noodeloozc veronderstelling. En de professor schrijft; âWant het bestaan der stoffelijke wereld kan op gronden, meer in overeenstemming met de men-schelijke rede, verklaard worden.quot;
Na deze zijne stelling nog enkele malen te hebben overgelezen, voegt de hoogleeraar er deze woorden achter : âMoet nader bewezen worden.quot;
En dan na geruimen tijd opnieuw te hebben nagedacht schrijft hij verder:
âAlvorens echter deze stelling te verklaren, zullen wij eenige stelsels van Wereldbeschouwing aangeven, die door de wetenschap als onhoudbaar zijn bewezen, en dus niet langer verdedigd kunnen worden. Derhalve :
Niet langer te verdedigen stelsels.
En nadat professor Weetal deze woorden met for-sche letters, waaruit zijne overtuiging scheen te spreken, had nedergeschreven, ging hij aldus voort:
1. Eerste, niet langer te verdedigen, stelsel.
Het eeuwig hestaan der wereld.
Een eeuwig bestaan veronderstelt geen begin, geen einde. Alles echter wat ik weet, dat bestaat, ziet mijn verstand als begonnen te zijn. Boven mij, aan het uitspansel des hemels, de zon, die mij warmte en licht geeft. Wat leert mij de natuurkunde omtrent de werking der zon ? Het valt niet te loochenen, de uitspraak der geleerdste mannen is daar, om het te bewijzen : de zon verliest, hoe onmerkbaar ook, van haar warmte en licht. Door samentrekking van zichzelve herstelt zij
3°
zich dit verlies van warmte en licht; maar het is voor een ieder duidelijk, dat aan deze samentrekking eens een einde moet komen. Wat, hoe ongemerkt dan ook, op den duur in zich minder wordt, moet ten laatste ophouden. De zon derhalve zal eenmaal een einde hebben. Ware zij nu zonder begin, dan zou zij reeds lang opgehouden hebben te zijn, want eeuwig veronderstelt een altijd geweest zijn. Bewijst derhalve de wetenschap, dat de zon eens een einde zal hebben, dan heeft zij reeds getuigt, dat de zon een begin heeft gehad; derhalve dat de zon eene oorzaak buiten haar heeft gehad, waaruit zij ontstaan is.
Op het vuur van mijn haard werp ik brandhout, en het wordt vernietigd. De boom, waaruit het gekloofd is, stond vroeger in mijn tuin, ik zag hem grooter en omvangrijker worden ; ik liet hem wegruimen, en plaatsten een nieuwen boom op zijne plaats. Zóo gaat het met alle boomen ; uit hunne loten verrijzen nieuwe boomen, die hunne plaats op de aarde innemen. Van waar echter de eerste boom, die de eerste loten heeft voortgebracht? Van een oorzaak, die geen boom kan geweest zijn, waaruit hij is voortgekomen.
Het vleesch, dat ik eet, komt mij van een gedood dier; het brood, dat mij voedt, komt van de zaadkorrel, die in de aarde is gestorven. Ik zelf ben voortgekomen uit ouders, die op hunne beurt hunne ouders gehad hebben. Zij zijn van de aarde verdwenen, gelijk ik eens van de aarde zal verdwijnen. Van waar kwam de eerste mensch ? Is de mensch eeuwig ? zal hij altijd voortbestaan, althans in zijn nakomeling-
3i
schap? Maar dan was de mensch de oneindige, de Schepper aller dingen!quot; roept eensklaps als opgetogen de professor uit. âAch! kon het bewezen worden!quot; zoo spreekt hij al voortschrijvend met klagende stem. Maar dan moest de mensch er geweest zijn vóór de zon, vóór den dampkring, vóór het voedsel. En dit alles heeft hij noodig om één uur, om één ondeelbaar oogenblik te bestaan! Neen ook de mensch kan de oorzaak der dingen niet zijn. Gemaakt moet hij zijn, nadat alles gevormd was, gelijk hij ten laatste zal eindigen, wanneer alles wat hij noodig heeft, om te bestaan, met hem zal ineenstorten, wanneer de natuur met hare krachten, die den mensch leven doet, uitgeput en werkeloos zal worden.quot;
âWat zal ik, aldus schrijft de professor verder, zeggen van het stelsel: âEr bestaat een eeuwige stof,quot; waaruit alles trapsgewijze, de zon, de hemellichamen, de aarde, het water, het zaad, de planten, de dieren, ten laatste de mensch zijn voortgekomen ? Ik wil, zoo beantwoordt hij zichzelven, de hoogste hulde brengen aan den men-schelijken geest, die zulk een stelsel wist uit te denken. Maar ook tegen dit stelsel verzet zich mijne mensche-lijke rede. Het is onhoudbaar! Wat men ook gezocht heeft op de aarde en onder de aarde, niets kan worden aangevoerd ter bevestiging der leer van een eeuwige stof, waaruit alles is voortgekomen. Slechts in het stelsel van God, eerste oorzaak van al het bestaande, kan het eeuwige plaats vinden. Hier op aarde vindt de wetenschap met al hare onderzoekingen het eeuwige niet; alles draagt in zich de kiem van zijn einde. Het eeu-
32
wige bestaat in de stoffelijke wereld niet. Derhalve bestaat het eeuwige niet!quot;
Als hij dit laatste had neergeschreven legde de ongeloovige man zijn pen een oogenblik ter zijde, en ondervraagde zichzelven: âIn de stoffelijke wereld bestaat het eeuwige niet, dit zegt mij mijn rede, mijn verstand. Maar kan en mag ik dan besluiten: dus bestaat het eeuwige niet ? Kan dan het eeuwige niet buiten de stoffelijke wereld bestaan? En kan dat eeuwige aan het stoffelijke niet het bestaan hebben gegeven?quot; Het was zichtbaar aan geheel het uiterlijke van den hoogleeraar: die vragen, als van zelf voortkomend uit zijn nadenkenden geest, onthutsten zijne ziel. Op zijn gerimpeld voorhoofd parelde zich het zweet, en een onverklaarbare angst beklemde zijn borst, hoe langer hij deze vragen overdacht. âHet eeuwige, buiten de geschapen wereld, van eeuwigheid bestaande! Dat eeuwige, misschien de God van hen, die in het bovennatuurlijke gelooven, de Schepper van alles, wat van deze wereld is zelf ongeschapen, en daarom ook onvergankelijk, oneindig! Die God in het stoffelijke, m het vergankelijke, Zijn eeuwig bestaan aan den redelijken mensch verkondigend, zoolang Hij aan Zijn redelijk schepsel Zijn eeuwig bestaan wil openbaren. Die God dus, de Heer van alles wat bestaat! Die God, dus ook de Heer van den mensch ; dus ook mijn Heei'\ de Heer van Wien ik afhankelijk ben in geheel mijn bestaan, God, de Heer, aan Wien ik eens verantwoordelijk voor mijn bestaan zal zijn!quot;...... Sidderend van
angst boog hij eensklaps zijn hoofd over zijn studeer-
33
tafel heen, en hij hoorde hoe zijn hart bonsde in zijn binnenste. Niet lang echter duurde deze strijd. Aan zijne zijde stond zijn bekoorder, stond de duivel van den hoogmoed. âVlucht! vlucht! riep deze, uwe eer, uw roem voor alle eeuwen staan op het spel! Ontvlucht deze gedachten, nog achtergebleven in uwen grooten geest uit de dagen uwer kindschheid! Ontvlucht de vooroordeelen, ongemerkt nog invloed uitoefenend op uw hart; het gevolg van de Christelijke maatschappij, waarin gij nog leven moet!...quot; Een oogenblik zweeg de helsche verleider. Toen hernam hij op schier sarrenden toon: âProfessor Weetal, op wien de geleerde wereld in spanning wachtende is ; die reeds den voet gezet heeft op de laatste treden van de ladder der wetenschap, die hem beroemd gaat maken voor alle eeuwen! Professor Weetal, eensklaps een vroome, een geloovige geworden! Hoort ge het minachtend hoongelach niet, dat u reeds tegenklinkt voor den dag uwer bekecring tot het bovennatuurlijke? Daar valt het voetstuk uwer eer in puin neder aan uwe voeten. Verdient ge een ander einde, dan de verachting van hen, die tot heden u geëerd hebben als een der groote geesten van uwen tijd!quot;
Zóó siste de duivel aan het oor van den ongelukkigen hoogleeraar. Hij rees op van zijn stoel, vouwde zijne geschriften te zamen, en sloot ze weg in zijne studeertafel. Hij gaf zijn huisknecht bevel, dat het rijtuig zou voorkomen. Na een half uur zat professor te midden zijner geleerde vrienden aan den feestdisch, aangelegd ter eere van den goddeloozen Voltaire, wiens borstbeeld
2
32
wige bestaat in de stoffelijke wereld niet. Derhalve bestaat het eeuwige niet!quot;
Als hij dit laatste had neergeschreven legde de ongeloovige man zijn pen een oogenblik ter zijde, en ondervraagde zichzelven: âIn de stoffelijke wereld bestaat het eeuwige niet, dit zegt mij mijn rede, mijn verstand. Maar kan en mag ik dan besluiten: dus bestaat het eeuwige niet? Kan dan het eeuwige niet buiten de stoffelijke wereld bestaan? En kan dat eeuwige aan het stoffelijke niet het bestaan hebben gegeven?quot; Het was zichtbaar aan geheel het uiterlijke van den hoogleeraar: die vragen, als van zelf voortkomend uit zijn nadenkenden geest, onthutsten zijne ziel. Op zijn gerimpeld voorhoofd parelde zich het zweet, en een onverklaarbare angst beklemde zijn borst, hoe langer hij deze vragen overdacht. âHet eeuwige, buiten de geschapen wereld, van eeuwigheid bestaande! Dat eeuwige, misschien de God van hen, die in het bovennatuurlijke gelooven, de Schepper van alles, wat van deze wereld is zelf ongeschapen, en daarom ook onvergankelijk, oneindig! Die God in het stoffelijke, m het vergankelijke. Zijn eeuwig bestaan aan den redelijken mensch verkondigend, zoolang Hij aan Zijn redelijk schepsel Zijn eeuwig bestaan wil openbaren. Die God dus, de Heer van alles wat bestaat! Die God, dus ook de Heer van den mensch ; dus ook mijn Heer! de Heer van Wien ik afhankelijk ben in geheel mijn bestaan, God, de Heer, aan Wien ik eens verantwoordelijk voor mijn bestaan zal zijn!quot;...... Sidderend van
angst boog hij eensklaps zijn hoofd over zijn studeer-
tafel heen, en hij hoorde hoe zijn hart bonsde in zijn binnenste. Niet lang echter duurde deze strijd. Aan zijne zijde stond zijn bekoorder, stond de duivel van den hoogmoed. âVlucht! vlucht! riep deze, uwe eer, uw roem voor alle eeuwen staan op het spel! Ontvlucht deze gedachten, nog achtergebleven in uwen grooten geest uit de dagen uwer kindschheid! Ontvlucht de vooroordeelen, ongemerkt nog invloed uitoefenend op uw hart; het gevolg van de Christelijke maatschappij, waarin gij nog leven moet!...quot; Een oogenblik zweeg de helsche verleider. Toen hernam hij op schier sarrenden toon; âProfessor Weetal, op wien de geleerde wereld in spanning wachtende is ; die reeds den voet gezet heeft op de laatste treden van de ladder der wetenschap, die hem beroemd gaat maken voor alle eeuwen! Professor Weetal, eensklaps een vroome, een geloovige geworden! Hoort ge het minachtend hoongelach niet, dat u reeds tegenklinkt voor den dag uwer bekeering tot het bovennatuurlijke? Daar valt het voetstuk uwer eer in puin neder aan uwe voeten. Verdient ge een ander einde, dan de verachting van hen, die tot heden u geëerd hebben als een der groote geesten van uwen tijd!quot;
Zóó siste de duivel aan het oor van den ongelukkigen hoogleeraar. Hij rees op van zijn stoel, vouwde zijne geschriften te zamen, en sloot ze weg in zijne studeertafel. Hij gaf zijn huisknecht bevel, dat het rijtuig zou voorkomen. Na een half uur zat professor te midden zijner geleerde vrienden aan den feestdisch, aangelegd ter eere van den goddeloozen Voltaire, wiens borstbeeld
2
^ ,1
dien dag in hun besloten kring plechtig onthuld was geworden. Spoedig waren de laatste trekken van den bangen strijd, dien hij gestreden had in zijn binnenste, van zijn gelaat verdwenen. Er werd getoost, en van alle zijden stegen de wierookwalmen der vleierij op. De een sprak om te vleien, de ander om gevleid te worden. Maar professor Weetal genoot op dien avond het leeu ⢠wendeel van de menschelijke vergoding; en de voorzitter van dezen disch besloot zijn gloeienden toost ter verheerlijking van de wetenschap met een smeekbede aan professor Weetal, dat hij niet langer de wereld m het doolhof van verwarring en onzekerheid zou laten, maar het licht zijner kennis zou ontsteken. Zijn nieuw stelsel van wereldbeschouwing zou zijn als de zon, in wier stralen zich alle menschelijke wetenschappen zouden koesteren en ontwikkelen...
Met vernieuwden moed hernam professor Weetal den volgenden dag zijn arbeid, en zette de schets voort van het werk, dat hij zich voorgenomen had aan de wereld te schenken.
De leer der zelf'xoordiny.
Nadat hij dit als hoofdstuk voor een nieuw betoog had nedergeschreven, vervolgde hij: âDe leer der zelf-wording, dat wil zeggen het van zelf ontstaan van een levend wezen uit de doode stof, moet op gezag van de proefnemingen aller groote natuuronderzoekers voor goed worden afgewezen. De levenlooze stof kan uit zich zelve geene levende wezens voortbrengen ; dit is eene waarheid, die door de wetenschap buiten twijfel is gesteld. Noch uit onze, noch uit vroegere tijden is er een
35
enkel feit aan te halen, wat tot bewijs kan strekken, dat uit de doode stof een levend wezen is voortgekomen. Het leven is nimmer nog door de levenlooze natuur voortgebracht. Nimmer nog is uit het levenloos goud de levende bloem voortgekomen ; nooit nog bracht het steen de levende plant voort.
Maar voor een oogenblik eens toegegeven, dat het mogelijk ware, en door de wetenschap kon worden aangewezen, dat het levenlooze het levende kan voortbrengen, dan nog zou niet aangenomen kunnen worden, dat de planten en de dieren, en ten laatste de mensch uit de levenlooze stof hun oorsprong en ontwikkeling hebben gevonden.
De levende wezens zijn onderscheiden in die van het plantenrijk en van het dierenrijk. Elk van dezen weder in familiën. Deze familiën in geslachten ; de geslachten in soorten. Dezen nu kunnen, noch elk voor zich, noch onderling aan een blijvende en wezenlijk andere soort het bestaan geven. Elke soort brengt haars gelijke voort. Binnen de grenzen der soort kunnen zich verschillen voordoen van kleur, van grootte enz. ; maar hoezeer in het oog loopend, de bijzonderheden, bijvoorbeeld van een nieuw ras van schapen of runderen ook mogen zijn, het algemeen karakter van het schaap of van het rund blijft bestaan. Nooit verkrijgt men van een schaap een geit, van een rund een ander dier van eene werkelijk andere soort. De meest verschillenden van dezelfde soort zijn onderling vruchtbaar ; doch dieren van eene verschillende soort blijven öf onderling onvruchtbaar, óf hun
30
kroost is onvruchtbaar, óf het ontstane bastaardsoort valt terug in eene van de twee oorspronkelijke soorten. Derhalve heeft de leer van den overgang der soorten geen steunpunt.
Zóó is het met de dieren, zóó is het ook met de planten. Zóó is het nu, zóó is het ook immer in den vroe-geren tijd geweest. Afbeeldingen van planten en dieren op monumenten van de oudste tijden gegrift, bewijzen dezelfde waarheid. Onze levende wezens wijken in niets af van de beschrijvingen, die de oudste ons bekende schrijvers ons van hen geven. De spinnen weven hun net als voor twee duizend jaren ; en de mieren verrichten hunnen arbeid nu, gelijk in de dagen van Salomon.
Wat in het bijzonder den mensch betreft, kan men nergens een wezen vinden, hetzij nu of in het verleden, waaruit zich de mensch heeft ontwikkeld. Een half-mensch bestaat niet, het kan niet aangewezen worden ooit bestaan te hebben. In den schoot der aarde vindt de wetenschap den mensch, nooit een middelsoort tusschen dier en mensch. Op den aardbol vindt men overal den mensch met zijne gedachte, en zijne taal, met zijn aanleg voor het ware, voor het goede en het schoone. De bekende natuurkenner en geneesheer Dr. Virchow heeft als zijne overtuiging uitgesproken, dat voor deze leer geen bewijs aanwezig was ; en dat alle stammen, die men als op apen gelijkende had aangewezen, ware mensclien zijn, evenals de Berlijners. Dan besluit hij : âIk heb gesproken als vriend en niet als vijand van deze leer; zooals ik ten allen tijde den onsterfelijken Darwin
37
vriendelijk en niet vijandig heb bejegend. Maar ik heb altijd onderscheid gemaakt tusschen vriend en aanhanger van zijne leer. Ik kan eene wetenschappelijke veronderstelling vriendelij Je begroeten en haar zelfs ondersteunen, voordat zij bewezen wordt door feiten ; maar ik kan geen aanhanger worden van haar, zoolang voldoende bewijzen haar niet komen bevestigen. Wie ons leert uit de soort paddestoelen een nieuwe soort te kweeken, zal meer gedaan hebben in het belang der wetenschappen. dan alle beschrijvers van den geslachtsboom der rnenschen.
Wij hebben, aldus voleindigde professor Weetal, dit gedeelte van zijnen arbeid, aan dit woord van den beroemden natuurkenner niets meer bij te voegen. De leer ook der zelfwording en der trapsgewijze ontwikkeling van het eene wezen in het andere is door de wetenschap gewogen en te licht bevonden, en neemt dus met recht de plaats in, die ik haar gaf, onder de niet langer te verdedigen stelsels.quot; Hij legde zijn pen een oogen-blik neder, las nog eens de schets over, die hij van zijn ontworpen boek zich tot nu gemaakt had, deed hier mi daar nog eenige losse aanteckeningen, die hij zich voornam nog uitvoeriger uit te werken, en schreef toen op een nieuw blad als titel:
Mijn 2^(in van wereldbeschomving.
âIk stel mij deze vragen. De wetenschap heeft mij geleerd, dat onhoudbaar zijn de navolgende stelsels, en wel:
i. Het eeuwig bestaan der wereld.
3«
2. liet bestaan van een eeuwige stof, waaruit alles trapsgewijze zich heeft ontwikkeld.
3. De leer der zelfwording, volgens welke uit de doode stof het levend wezen zijn ontstaan heeft gevonden.
âMaar nu, aldus vervolgde hij, en hij schreef; Eerste vraag: Hoe dan moet het bestaan der wereld worden uitgelegd ?quot;
âDe menschelijke geest vraagt naar den oorsprong van zijn eigen bestaan. Derhalve, de tweede vraag: Waaraan dankt de redelijke mensch zijn bestaan?quot;
âDe menschelijke rede vraagt, wat is het einddoel van den mensch, derhalve de derde vraag : Eindigt de redelijke mensch zijn bestaan met den dood, met de vernietiging van zijn lichamelijk leven hier op aarde?quot;
De hoogleeraar gevoelde het, nu was zijn werlc begonnen. Het bovennatuurlijke hardnekkig verwerpend, was hij aangevangen met alle valsche veronderstellingen als hechte grondslagen eener ongeloovige wereldbeschouwing door de menschelijke wetenschappen achtereenvolgens uitgedacht, maar door de menschelijke rede ook spoedig als valsch en onhoudbaar aangewezen, te verwerpen en als onverdedigbaar te brandmerken.
Hij had gedaan als het kind, dat met zijn makker speelde. De kleine had op een drinkglas steenen op stecnen gestapeld, en klappend in zijne handen sprong hij rond van blijdschap, wijl zijn opgebouwd torentje omhoog bleef staan. Maar zijn makker lachte hem uit. en riep: âZie, uw opgebouwd torentje kan niet staan blijven! Wilt gij het zien? Maar even slechts behoef k
39
aan een der opgebouwde steenen te raken, en allen storten zij ineen, en weg is uw torentje.quot; En hij deed het; met den vinger raakte hij nauwelijks een enkelen steen aan, en daar rolden zij allen tegelijk van het glas, waarop zij waren opgebouwd. âDoe gij het nu beter,quot; riep verdrietig het kind uit. âIk zal het, sprak de speelmakker, maar geef mij den tijd om na te denken, op wat wijze ik het glas zal zetten stevig en vast, opdat het de zwaarte der steenen drage, en niet kantelen zal.quot; En gedurende het volle speeluur bleef de kleine denken, en honderden malen draaide hij het glas rond, en beproefde het telkens opnieuw, maar hij kon aan het glas geen vastheid geven, noodig om het steenen torentje weder op te bouwen, en staande te houden. En ten laatste verdroot hem zijn nutteloozen arbeid, en hoe jeugdig hij ook nog was, reeds toonde hij zich onverzettelijk en stijfhoofdig. In onstuimigen drift nam hij het glas van de tafel, waaraan hij gespeeld had, en wierp het glas op den grond in stukken neder; en de kleine makker jouwde hem uit, en riep ; âWaarom ook moest gij mijn torentje omverwerpen ? gij zelf kunt geen beter opbouwen, dan ik had gebouwd.quot;
Zóó ook met den hooglecraar. De torentjes van men-sehelijke wereldbeschouwingen, allen opgebouwd met het doel, om den eeuwigen God, Schepper van hemel en aarde te kunnen loochenen, behoefde hij met den vinger van de menschelijke rede slechts aan te raken, en zij vielen ineen. Nu zou hij het beproeven ; en hij riep op zijne beurt zijne menschelijke rede te hulp, en hij dacht en hij bleef denken weken en weken, en maan-
40
den en maanden lang, en het gelukte hem niet. Telkens bracht zijn verstand hem tot den Eeuwige, tot den On-eindigen God, Schepper aller dingen, eerste Oorzaak van alles. Maar Dezen als grondslag bekennen van zijne wereldbeschouwing, wilde zijn hoogmoedige geest: niet. Waarom niet? Was God dan niet de beproefde grondslag van iedere ware wetenschap, van de wereldbeschouwing, die reeds de eeuwen getrotseerd had, waarop de grootste en edelste geesten van alle eeuwen hun menschelijk weten gebouwd hadden? Wees zijn eigen verstand hem niet telkens den eeuwigen God, als den noodzakelijken grondslag aan van al zijn weten, van al zijne kennis? Maar onverzettelijk en stijfhoof-dig gelijk hij was, bleef de hoogleeraar dien eenigen grondslag verwerpen. En zich hechtend aan zijn dwaas woord : âHet kan! het moet!quot; bleef zijn trotsche geest hangen aan het moeten ; en toen hij inzag, dat het hm-nen, hem onbereikbaar was geworden, werd hij hartstochtelijk. Eerst bracht de hoogmoed hem tot de verwarring des geestes ; daarna volgde de razernij des geestes.
Rusteloos martelde hij zijn geest zoo lang, zoolang.....
totdat hij het glas zijner menschelijke rede, de hooge kostbare gave Gods aan de menschen, had in stukken geworpen.
Het was nog geen half jaar later, toen de voorzitter van den feestdisch, ter eere van Voltaire aangericht, tot zijne geleerde vrienden op de clubvergadering zeide : âDe hecren hebben het stellig reeds vernomen: Professor Weetal, krankzinnig! men spreekt van dwangbuis; hij is niet meer in bedwang te houden!
4i
Nog vóór den avond zal hij vervoerd worden!quot; En na even gezwegen te hebben, voegde hij er op een half spottenden toon bij: âAfbreken is voor velen gemakkelijker dan opbouwen, mijne heeren!quot;
Een ander hoogleeraar, een Israëliet, merkte op, dat professor Weetal met al zijn nadenken bijna tot Mozes en Christus zou gekomen zijn, âmaar over Luther en Calvijn is hij gestruikeld.quot; Wat aan een derde geleerde, die wel iets te veel van het leven genoot, de woorden ontlokte: âIk ben nimmer zonder vrees geweest, dat Weetal met al zijn plannen nog bij het bovennatuurlijke eenmaal zou terecht komen ; hij was mij te veel opgesloten in zichzelven, en weigerde halstarrig, om van het leven te genieten, wat er van te halen is.quot; Schertsend antwoordde hem de voorzitter: âIn ieder geval blijft de nis tegenover onzen Voltaire voorloopig nog onbezet; denk hieraan professor!quot; Met een pieperig stemmetje zeide ten laatste op bitteren toon een der geleerden van dezen vriendenkring; âIn afwachting van beter zouden wij in de nis voorloopig den lee-gen hoed van professor Weetal kunnen ophangen.quot;
Alle deze geleerde vrienden begrepen de aardigheid van dezen professoralen zet. Slechts een enkele hunner gevoelde medelijden met het bittere van dien spot; maar allen scheidden zij lachend en schertsend van elkander, en gingen een ieder zijns weegs.
Uit hetgeen wij over het bestaan der wereld gezegd hebben, en wij den hoogleeraar Weetal uit de bewijsvoeringen zijner rede lieten beslissen, zal voldoende be
42
wezen zijn, dat wij met ons verstand reeds alleen met zekerheid moeten aannemen: er bestaat een God, Schepper van hemel en van aarde. âDe beschouwing der natuur, zegt de Eerwaarde Sloet in zijn doorwrocht âApologetisch Handboekquot;, dwingt de rede tot de belijdenis : daar is een God, ciie haar geschapen heeft. Elk zandkorreltje aan het strand en elke wereldbol in het hemelruim; het grashalmpje onder onzen voet en de reuzeneik aan wiens voet geslachten worden begraven ; het wormpje in het slijk en de walvisch in den oceaan ; het dwaallichtje op het veld en de bliksemstraal aan het uitspansel; het suizen van den wind en het ratelen van den donder â alles wat wij zien en heoren, alles getuigt: âHij heeft ons gemaakt.quot; En de mensch zelf, de heer der schepping, de eenige die spreken kan onder deze duizenden en millioenen getuigen, hij spreekt: âik ben gemaakt, niet door mijzelven, niet door de natuur, maar door Hem.quot;
Wij besluiten met eenige vermaningen, die wij in het leven van den H. Hermanns vinden op-geteekend. Deze heilige, die in de vorige eeuw geleefd heeft, was naar de wereld geoordeeld slechts een arm en eenvoudig soldaat. Toen hij eenmaal des winters een naakten, schijnbaar dorren boom met aandacht beschouwde, trof het hem, dat uit deze dorre takken straks, als de zomer zou gekomen zijn, groene bladeren en rijke bloesems en heerlijke vruchten zouden zijn voortgekomen. Deze gedachten voerden hem ongemerkt op naar God, den Schepper van den boom. Wiens Almacht zulk
43
een wondervolle kracht aan den boom heeft gegeven. Deze dorre boom was tevens als een beeld van een groot gedeelte van het leven des Heilige. God namelijk zond hem een geruimen tijd des levens zulke beproevingen over, dat hij het smartelijkste leed in zijne reine ziel door de dorheid en de angstvalligheden van zijn teeder geweten. Deze kwellingen echter brachten bij hem voort de rijkste vruchten. Zijn hart werd vervuld van eene edele, alles opofferende liefde voor God. Hij verliet de wereld en smeekte in een arm klooster dei-Paters Carmelieten te worden opgenomen. Hij werd te Parijs toegelaten, en spoedig maakte de eenvoudige kloosterbroeder zulk een voortgang in het geestelijk leven, dat hij ook door zijne uiterlijke verschijning aller harten tot zich trok. Fenelon, de beroemde aartsbisschop, bezocht eens den nederigen broeder tijdens cene pijnlijke ziekte, en vraagde hem, waartoe hij wel besluiten zoude, wanneer God hem de keus liet, nog langer te leven, om zijne verdiensten voor den hemel te vermeerderen óf aanstonds hem op te nemen in den hemel. âIk zou, antwoordde de heilige broeder, aan God de keus overlaten, en gerust afwachten, wat Hij zou beslissen.quot; Wat nu was het groote middel, dat de H. Herman heeft gebruikt om tot zulk een verheven trap van heiligheid te komen? Bij al de zielskwellingen, die hij geruimen tijd met het grootste geduld verduurde, en bij al de pijnen en smarten, die hij leed, was hij immer God gedachtig, Wiens heilige tegenwoordigheid geen oogenblik uit zijnen geest verwijderd was. Als grondregel van zijn leven had hij gesteld, dnt de
44
heiligste en noodzakelijkste oefening- van het geestelijk leven bestaat in de goddelijke tegenwoordigheid steeds gedachtig te zijn, en wel op zulk eene wijze, dat het hart doordrongen is van deze waarheid : geen enkel oogenblik zijn wij buiten het gezelschap van God, den Schepper en den Onderhouder van al het geschapene ; Zijne liefdevolle Almacht houdt alles, wat Hij geschapen heeft in stand, zoolang Hij het wil, en zoolang Hij weet, dat voor Zijn schepsel het bestaan goed en nuttig zijn zal.
Zijne gewone verzuchtingen waren: O God van liefde, ik bemin U uit geheel mijn hart; Heer, vorm mij naar Uw Hart. Ik wil immer, nu en in eeuwigheid, de Uwe zijn!
Laat de gedachte aan God ook ons meer en meer vervullen ; denken wij immer aan God, die ons voortdurend moet gedenken, en bij iedere ademhaling, die wij doen, ons in Zijn liefde en Almacht het leven blijft geven. Hoezeer verdient God, dat onze geest Hem voortdurend gedenkt, dat ons hart Hem voortdurend bemint!
DE STEM VAN ONS GEWETEN.
Nog een ander bewijs van het bestaan van God willen wij hier bijvoegen. De stem van ons geweten. Wie heeft haar niet gehoord, ik zeg niet eenmaal, maar duizenden malen reeds in zijn leven. Het is de stem van God, die vermaant tot het goede, waarschuwt tegen het kwaad; iedere goede daad prijst in den mensch; maar ook iedere kwade daad berispt en met knagende wroeging vaak bestraft. Zóó openbaart God
45
Zijn bestaan aan de redelijke ziel des menschen; en hetzij de mensch deugdzaam of boos zij ; hetzij hij ge-loovig of ongeloovig is : God spreekt tot de ziel des menschen en openbaart op deze wijze, dat Hij haar Schepper, maar ook haar Heer is, de Belooner van het goed, maar ook de wrekende Straffer van het kwaad.
Een ieder is aan die stem Gods in zijn binnenste onderworpen. Adam, na zijne zonde, verborg zich en vreesde God ; waarom ? âIk hoorde uwe stem in het paradijs en ik vreesde,quot; aldus antwoordt Adam zijnen God. Cain, de broedermoorder, vlucht in wanhoop voortgedreven over de aarde, vervolgd door die wrekende stem van God. Judas, de ontrouwe, de verraderlijke Apostel, ofschoon door niemand der menschen achtervolgd, ontvlucht Jeruzalem, na zijn bloedgeld, den prijs van zijn afschuwelijk verraad, voor de voeten zijner hardvochtige verleiders te hebben geworpen ; hij zoekt de eenzaamheid, en verhangt zich aan een strop. De stem van zijn geweten gunt hem geen rust meer hier op aarde. Zóó was het ten allen tijde, bij de Heidenen en bij de Joden; in de Christelijke tijden zoowel bij dc beschaafde als bij de onbeschaafde volken ; in het hart der keizers en der koningen, zoowel als in het hart van armen en van bedelaars ; allen zijn, ondanks zich zcl\en, gedwongen die stem Gods te hooren, welke pogingen zij ook aanwenden, om haar te smoren in hunne zielen.
De geschiedenis en de ondervinding der menschen is daar, om de zekerheid te geven, dat die stem Gods in de harten der menschen sprekend, onloochenbaar be-
46
staat. De geschiedenis verhaalt ons van dwingelanden, die door de macht hun gegeven, boven alle mensche-lijke wetten waren verheven, en buiten het bereik stonden van iedere menschelijke gerechtigheid. Hun leven en hun dood toonen aan, dat zij niet ontkomen zijn aan de straffende, folterende wroeging van hun schuldig geweten. Nog telkens worden verborgen misdaden, in de diepste verborgenheden gepleegd, openbaar voor de kennis der menschen, door geen andere kracht, dan de kracht dier stem des gewetens, die den schuldige geen rust laat, alvorens hij zijne misdaad aan de rechtmatige straf der menschelijke gerechtigheid zelfs onderworpen heeft. Het gestolen geld roept naar zijn eigenaar in het hart van den dief, en geeft hem eerst de rust des harten weder, als het bij den rechtmatigen eigenaar is wedergekeerd. De genomen wraak blijft strijden voor den onschuldigen, voor den belasterde, en zwijgt eerst in het hart van den lasteraar, wanneer de goede naam van haar slachtoffer hersteld en teruggegeven is door haar. De ontuchtige gevoelt, dat alleen eene openlijke boete de verloren eer kan herstellen. De moordenaar ziet des daags en des nachts de bloedvlekken van zijn slachtoffer, en openbaart zichzelven, om aan dit benauwend schouwspel een einde te maken. En dit alles zou slechts het gevolg zijn van vooroordeelen, het gevolg van.den invloed, dien eene Christelijke samenleving uitoefent? Neen, duizendmaal neen! dit is Gods stem, die Zijn goddelijke wet heeft geschreven in de harten der menschen : Zijne zedewet, die niet straffeloos wordt geschonden door den mensch, al behoudt hij ook zijne vrijheid.
47
om den Schepper niet te gehoorzamen. Op de zonde volgt de straf, ook reeds in dit leven ; op de misdaad de wrekende vergelding. Aldus handhaaft God zijn recht op de gehoorzaamheid van iederen mensch.
Vele verhalen uit de geschiedenis der menschen zijn u ten bewijze van die Godsstem reeds voorgesteld geworden. Ik wil u uit den laatsten tijd eene gebeurtenis verhalen, die ons door den gevierden Alban Stolz is verzameld geworden. Zij greep plaats in Pommeren, ten jare 1840. Een timmerman deed zijn veertienjarig zoontje in de leer bij een schoenmaker, in een naburig dorp. Nadat de knaap een half jaar geleerd had, werd hij door zijn meester naar de stad gezonden, om ongeveer tien thalers bij een schuldeischer te gaan betalen. De knaap echter kwam niet weder, en alle nasporingen bleven vruchteloos, en men vond geen spoor meer van hem terug. Een half jaar later werd het lijk van den armen jongen gevonden ; maar zonder het geld, dat hij bij zich had, toen hij zijn meester verliet. Ofschoon geen teekenen van geweldpleging aan het lichaam konden gevonden worden, hielden zijne ouders en meester en zeer velen met hen, het toch voor zeker, dat de knaap van het geld beroofd en vermoord was geworden. Hoe men echter ook bleef onderzoeken, de schuldige van dit afschuwelijk misdrijf werd niet gevonden ; en zijne ouders bleven den veelbelovenden knaap beweenen en beklagen vele jaren lang.
Een geruime tijd was reeds verloopen, en de meesten waren reeds het jammerlijk voorval vergeten ; maar de ongelukkige ouders bleven hun kind immer gedachtig.
48
en naar gelang zij toenamen in jaren gevoelden zij het ^emis van hun zoon zwaarder drukken op hunne schouderen. De vader had zijn ambacht als timmerman moeten opgeven, wijl in de plaats zijner inwoning het werk al schaarscher en schaarscher was geworden ; en om in het onderhoud van zijn huisgezin te voorzien werd hij genoodzaakt in de heide, op grooten afstand van zijn dorp gelegen, zijn brood te verdienen met groote mo-lensteenen te houwen. Dagelijks in den vroegen ochtend verliet hij zijn huis met een gedrukt hart, en begaf zich naar zijn zwaren arbeid, onderworpen aan God, maar zuchtend onder den zwaren last, dien God hem in het verlies van zijn eenig kind te dragen gaf. Zijne brave vrouw, hoezeer ook zelve in haar moederhart lijdend onder eigen verdriet, begreep toch haren plicht, dat zij namelijk de hulp en de steun van haren man moest zijn. Dagelijks verscheen zij zelve met het toebereid middagmaal bij haren man, en wanneer zij dan te samen gegeten hadden, bleven zij beiden nog geruimen tijd spreken met elkander; want de vrouw wist hoezeer haar man behoefte had aan deze samenspraken te midden van zijn afgezonderd werk, gedurende het overige van den dag.
Op eenigen afstand van het werk des steenhouwers, arbeidde insgelijks een man, iederen dag aan het houwen van steenen. Deze man had zich ongemerkt gewoon gemaakt, om in het middaguur met zijn medegebracht brood tot de bedrukte echtelieden te komen, en zich bij hun gezelschap te voegen. Wanneer zij nu vóór en na hunnen maaltijd gebeden hadden, en zich vaak
49
met tranen in de oogen herinnerden, hoe schoon hun onschuldig kind eenmaal bij den disch die gebeden kon voorbidden, dan verhaalden zij telkens aan den vreemdeling een nieuwe bijzonderheid van het bitter leed, dat zij in hun ouderhart moesten dragen. Langzamerhand ontstond tusschen deze beide mannen eene zekere vertrouwelijkheid, die immer grooter werd, naargelang zij elkander in hunne eenzaamheid meer en langduriger begonnen op te zoeken.
Maar op zekeren dag, toen de vreemdeling weder tot hem was gekomen, bemerkte de bedrukte vader bij zijnen nieuwen vriend een gemoedstoestand, die hem te meer verraste, naarmate deze tot nu toe uiterlijk zich niet week van hart getoond had aan hem. Terwijl zij, gelijk reeds zoo menig maal geschied was, met elkander spraken over den vermoorden knaap, barstte eensklaps de vreemdeling uit in tranen zóó overvloedig, dat de ouders zelve er verbaasd over waren. Zij schreven echter de hevigheid zijner smart toe aan zijne vriendschap, die met hen immer inniger scheen te worden. M.aar op een oogenblik waarop hij kalmer was geworden viel hij op eens jammerend op zijne knieën voor het bedrukte ouderpaar neder, smeekte om barmhartigheid en vergiffenis, en bekende de moordenaar van hun llt;ind te zijn. Hij prees dewijshe'id en de goedheid Gods, die hem in deze eenzaamheid gevoerd had, waarin hij gehoopt had rust te zullen vinden voor zijn misdadig hart, maar waarin God hem tot het eenig middel geleid had, om den vrede zijns harten terug te vinden. De openbaring van zijn bloedschuld gaf hem eene verlichting
50
van gemoed, een gevoel, dat hij sinds zijne misdaad niet meer gekend had. âNu, zoo besloot hij, blijft mij niets meer overig te doen, dan mijn gerechtige straf te zoeken hier op aarde, en zeker van uwe vergiffenis, mij met God te verzoenen en hopend op zijne Barmhartigheid, als een berouwvolle boetvaardige te sterven f'
Wie zal het in den vader misduiden, dat hij gerui-men tijd nog zijne oogen afgewend hield van den moordenaar zijns zoons ; dat ieder woord, dat hij wilde spreken op zijne lippen verstomde ; dat wanneer zijn voet den moordenaar wilde naderen, hij terugdeinsde van natuurlijken weerzin. Ten laatste trad de vrouw op haren man toe, sloeg haren arm om zijn hals, drukte hem aan haar kloppend hart, kuste hem op het gerimpeld gelaat en sprak : âLieve, goede man! laat ons het kruis-teeken maken en bidden wij het gebed, dat wij ons kind het eerst geleerd hebben te bidden, en dat hij zoo innig bidden kon. God wil dezen man vergeven ; weigeren wij hem onze vergiffenis niet.quot; En beiden knielden zij neder, en de vrouw bad met bevende stem het gebed des Heeren; âOnze Vader, die in de hemelen zijt.quot; Maar toen zij aan de bede was gekomen : âVergcef ons onze schulden, gelijk wij ook vergeven onze schuldenaren,quot; verhief zij hare stem, en tot tweemaal toe herhaalde zij deze bede ; luide weerklonk het over de eenzame heide: âgelijk wij ook vergeven onze schuldenaren!quot; âAmen, het zij zoo,quot; riep de ziel van den jarenlang zwaar beproefden vader, en opstaande trad hij toe op den moordenaar van zijn kind, gebood hem op te rijzen van den grond waarop hij in stomme smart ne-
5i
derlag, reikte hem de hand toe en zeide : âMoge God u vergeven, gelijk wij u vergeven ; tot aan mijn laatste uur zal ik bidden ook voor u, gelijk ik bid voor mijn gestorven kind!quot; En na een oogenblik gezwegen te hebben, hernam hi j: âNog eene vraag moet ik u doen. Gij, die een vreemdeling hier waart, wat deed u besluiten, om juist hier in deze eenzaamheid, waar gij uw misdrijf pleegdet, arbeid te zoeken?quot; En de moordenaar antwoordde : âOndanks mijzelven werd ik heengetrokken naar deze plaats. Overal zwierf ik rond, maar rust vond ik nergens. Deze eenzaamheid riep mij nacht en dag. Ik hoopte er ten laatste rust te vinden. Ook hier vond ik haar niet. Maar toen ik in uw lijdende harten het geduld aanschouwde, waarmede gij uw ziele-leed wist te dragen, toen begon ik te hopen, ^dat mijne wroeging een eerste stap kon worden op den weg der boetvaardigheid, die mijne ziel redden zou. Vaarwel tot in de eeuwigheid! Gij bidt voor mij; moedig sla ik den weg der boetvaardigheid nu in ; ik lever mij vrijwillig over in de handen der menschelijke gerechtigheid ; blijde geef ik mij over aan de verdiende menschelijke straffen, opdat God mij niet overlevere aan de helsche straffen, die mijne misdaden verdiend hebben.quot;
En de moordenaar ijlde heen naar de stad ; gaf zich over aan den rechter, en beleed zijne misdaad. Zijne zaak werd onderzocht, en hij werd schuldig bevonden. Hij werd ter dood veroordeeld! Na drie maanden betrad hij als een ware boetvaardige het schavot. In het uur zijner terechtstelling lagen twee oude lieden in hun dorpskerkje voor het H. Altaar in een vurig gebed ver-
zonken. Zij waren de ouders van den vermoorden knaap. Toen het uur der terechtstelling voorbij was, gingen zij zwijgend naar hunne woning terug. Als zij te huis waren gekomen, opende de vader zijn oude linnenkast, schoof een geheim laatje open, en wikkelde het papier los, waarin twee thalers verborgen lagen. Nog eenmaal kuste hij ze beiden ; gaf ze toen aan zijne vrouw en zeide : âga en breng deze aalmoes aan vrouw Muller voor haren zieken jongen, en vraag of zij beiden bidden willen voor een pas gestorvene.quot; De twee thalers waren het eerst verdiende werkloon van zijn vermoorden zoon geweest! â
III.
DE VAL VAN ADAM EN EVA IN HET PARADIJS.
De geschiedenis onzer eerste ouders in het paradijs heeft, gelijk gij weet, een allerdroevigst verloop gehad. Van de zijde Gods zien wij eene goedheid en milddadigheid jegens zijn schepsel, den mensch, uitschitteren, die ons verbaasd doen staan. Slechts een weinig minder dan de Engelen heeft God den mensch hier op aarde gesteld ; hem ziel en lichaam gemaakt; een lichaam, het meesterstuk van Gods Schepping; maar vooral eene ziel, gevormd naar Gods eigen beeld en gelijkenis, verre verheven boven al het overige geschapene hier op aarde door de natuurlijke en bovennatuurlijke gaven haar geschonken; om wille van hare verhevene eindbestemming onsterfelijk door God gemaakt.
Maar gelijk in geheel het werk der schepping, zoo ook heeft God bij de schepping des menschen zich ais hoogste doel moeten stellen zijne eigen verheerlijking. Die verheerlijking van Zichzelven had God voor oogen, toen Hij te midden van het redeloos geschapene hier op aarde den mensch schiep met eene redelijke ziel, dat wil zeggen, met eene ziel in staat om God te kennen, in staat om met een vrijen wil God te dienen.
Hoe verrukkelijk schoon, aldus zegt een geleerd Bisschop van onzen tijd, de geheele redelooze schepping uit de Almacht Gods ook was te voorschijn gekomen, er ontbrak aan die aarde een schepsel in staat om het doel der schepping te begrijpen. Wel zijn alle schepselen op aarde om eer te brengen aan God, den Schepper. In hun bestaan brengen zij, een ieder op zijne wijze, den cijns der verheerlijking, die aan God toekomt; niets blijft achter, om Hem te huldigen. Hem ter eere verheffen de bergen hunne onbereikbare Kruinen en buigen zich voor Hem neder de diepe dalen in al hunne lievelijkheid. Om Hem te loven ruischen de boomen, in hun bladerendos getooid, in de zoete avondschemering. Maar ook het loeiend gebulder van storm en orkaan, als de onstuimige zee hare ziedende golven hemelhoog opzweept, is een loflied ter eere van den almachtigen God. Ieder schepsel heeft zijne stem, om Gods oneindige volmaaktheid te huldigen. De verrukkelijke liederen van het koor der vogelen, maar ook het zwijgen der visschen ; het gegons der insekten, zoowel als de machtige geluiden van de dieren des wouds :
54
alles is het loflied der scheppingquot;, door God zelf aangeheven tot verheerlijking zijner oneindige volmaaktheid. Hij gaf aan de bloemen des velds haar kleed, zoo vol eenvoud, toch zoo zeer aantrekkend door hare schoonheid, door haar pracht. In den schoot der aarde, op den bodem der rivieren verborg Hij het fonkelend goud ; voor Zijn alziend oog fonkelt het, gelijk in de spleten van rotsen en van klippen de edelgesteenten schitteren, om luister te geven aan zijne scheppende Almacht. ,,Groot en machtig, rijk en onuitputtelijk milddadig is God, onze Schepper,quot; zoo roepen de hemellichamen aan het uitspansel, onmetelijk hoog boven de aarde uitgestrooid door Gods scheppende hand. De zon met haar licht en levengevende stralen verlicht en koestert en geeft vruchtbaarheid en wasdom aan de telkens zich vernieuwende aarde. Zij is het schitterend beeld van God, in Zijne eeuwige Schoonheid nimmer verouderend ; in Zijne scheppende Almacht nooit zoekend naar rust; in de volheid Zijner mildheid onuitputtelijk, de stroomen van Zijn eeuwig leven zonder ophouden uitstortend op de aarde, door Hem gemaakt en gevormd om vruchtbaar te zijn, zoolang Hij het zal willen. O, Almachtige Schepper, hoe onnaspeurlijk groot is uw Almacht, hoe onuitputtelijk rijk uwe mildadige scheppingsmacht! Wat ontbrak er nog aan die aarde zoo schoon en zoo rijk voortgekomen uit uwe scheppende Almacht? Gij zelf zeidet het ons, toen Gij spraakt: âLaat ons den mensch maken.quot; De zon schiet hare koesterende stralen uit, maar zelve gevoelt zij hare weldadige warmte niet. Zichzelven onbewust lichten
55
de sterren aan het uitspansel des hemels. Alles zingt het loflied ter eere van den Al machtigen Schepper. Maar onder al het redeloos geschapen is er niet één, die zijn Maker kan kennen. Gelijk het kunststuk van den beeldhouwer den lof van den kunstenaar verkondigt, maar zelf zielloos en zonder gevoel daar staat op het voetstuk, waarop het is verheven geworden, zoo ook in de redelooze schepping al het geschapene; het verkondigt tot aan de voleinding der eeuwen den lot en de grootiieid van den almachtigen Schepper, maar zelf kent het zijn Maker niet; niets kan het gevoelen voor de liefde, waarmede de Schepper het gemaakt en met zooveel schoonheid begiftigd heeft.
En God schiep den mensch; redelijk schiep Hij hem, en plaatste hem te midden van het redeloos geschapene. De mensch kende God zijnen Schepper, van Wien hij zelf, van Wien alles zijn bestaan had ontvangen ; hij kende God als zeiven Ongeschapen, als den Eeuwige. De mensch kende de reden van zijn bestaan, waarom hij was verschenen te midden van het redeloos geschapene. Hij was niet gekomen, om zich zeiven te zoeken, hij was gekomen om God, om wille van zijn Schepper. Hij zag het geschapene in zijn luister, in zijn overvloed, in zijn kracht, in zijn doel van bestaan hem omringen ; niets zag hij misplaatst in die schepping, niets zonder doel hem omgeven. Hij zong het loflied, mede juichend met al wat hij geschapen zag boven zich, onder zich en naast zich. Maar meer nog was er ; en de mensch alleen vermocht dit te volbrengen te midden van het redeloos geschapene;
56
hij kon den Schepper kennen niet alleen, maar ook Hem liefhebben ; en in de dankbaarheid van zijn hart vrijwillig geven, wat de mensch met recht het z ij n e noemen kan; zijne vrijheid, zijn vrijen wil in een ongedwongen daad van gehoorzaamheid binden aan den Oppersten Wil van God zijnen Schepper!
Helaas! de mensch toen hij in eere was, heeft het niet begrepen, wat zijne ware grootheid, zijn hoogste roem en eer zonde geweest zijn in eeuwigheid. God plaatste Adam en daarna Eva in het paradijs, dat oord van gelukzaligheid, een hof van geneugten, een lusthof, waarin alles groeide wat het oog kon bekoren, en wat de smaak des menschen mocht streelen. In het midden van dezen lusthof stonden de hoorn des levens en de hoorn der hennis van yoed en hivaad.
De boom des levens ontleende zijn naam aan zijne heilrijke vrucht. Ware de mensch gehoorzaam gebleven aan God, dan zou die vrucht den mensch, ook naar het lichaam, eeuwig hebben doen leven, gelijk God na de zonde zelf verklaarde: âdat nu Adam niet ook neme van den boom des levens, en ete en leve in ecu-wigheid.quot;
De tweede boom zou voor Adam een boom der beproeving zijn; aan Gods gebod gehoorzamend zou deze boom het middel zijn, waardoor hij het goed zou leeren kennen. Maar was hij ongehoorzaam aan God, dan zou deze boom der kennis hem het kwaad leeren ; wat helaas! maar al te jammerlijk voor den mensch in vervulling is gegaan.
Het paradijs, waarin de eerste menschen leefden,
was slechts eene flauwe afschaduwing van de eeuwige zaligheid, die zij verdienen moesten door hunne vrijwillige gehoorzaamheid aan God. Daarom gaf God aan Adam een gehod, dat geheel overeenkwam met den nog kinderlijken eenvoud zijner onschuld, en overeenstemde met den bekoorlijken rijkdom, die hem in het paradijs van alle zijden toelachte en aantrok.
âEet, aldus sprak God tot Adam, van alle boomen in het paradijs, maar van den boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten ; want op den dag, dat gij daarvan eet, zult gij sterven.quot; Waarlijk een licht gebod! hoe gemakkelijk voor den mensch zich van één boem te onthouden, te midden van den overvloed, die hem in het paradijs omringde, en op deze wijze zijne kinderlijke gehoorzaamheid aan God te toonen. Maar dan ook, was het gebod den mensch aldus gegeven, licht en gemakkelijk te onderhouden. Zwaar zou bij de overtreding van dit gebod voor hem de straf zijn. Sterven zou hij : sterven den tijdelijhen dood door de scheiding der ziel van het lichaam ; sterven den geestelijken dood door scheiding zijner ziel van God ; sterven den eeuwigen dood door de eeuwige verwerping.
Zoo onschuldig en heilig waren de eerste menschen, en met hun helder verstand was hun vrije wil in zulk eene overeenstemming, dat de bekoring om kwaad te doen in hun haxt zelfs niet kon oprijzen ; slechts door bekoringen, die buiten hen om inwerkten op hunne zielen konden zij tot het kwaad verleid worden. Hoe nu verhaalt ons de H. Schrift den val des menschen?
âOnder alle dieren, die God gemaakt had, was geen
5«
zoo listig als de slang.quot; Het behoeft bijna niet gezegd te worden, dat voor de ongeloovigen dit verhaal der H. Schrift als een fabel, ja laat het ons zeggen, als een âsprookjequot; is aangewezen geworden. Gelijk bij alles, wat dezen tegen de geopenbaarde waarheden Gods inbrengen, schittert ook hier echter hun gebrek aan ernstig nadenken, om niet te zeggen hun âdomheidquot; op het duidelijkst uit. Hier is van zelf geen spraak van eene slang, die spreekt tot Eva; maar van die bepaalde slang, die in dit oogenblik zich vertoont aan Eva, en in welke de duivel, de booze geest was ingevaren. Die duivel was, gelijk het uit vele plaatsen der heilige Schrift blijkt, het hoofd der gevallene engelen zelf. Hij bediende zich van eene slang, omdat de natuur van dit dier met zijne eigene laagheid, sluwe listigheid, bochtige dubbelzinnigheid en giftige boosheid het meest in overeenstemming was. De duivel, die immer eene zuivere geest blijft en geen stoffelijk lichaam heeft, wilde zich op eenige wijze uiterlijk vertoonen aan den mensch, om met hem in nauwere aanraking te kunnen komen. In zijne engelennatuur kon hij door den mensch niet gezien worden ; hij moest dus aan Eva verschijnen in eene zichtbare gedaante, en hij koos zich de slang, als het meest voegend bij zijne snoode bedoelingen, om door list en bedrog den mensch in het verderf te storten. Wanneer de goede engelen door God op aarde gezonden worden tot de menschen, om de een of andere heil aanbrengende zending te vervullen, nemen zij dikwijls overeenkomstig hunne heiligheid en verhevenheid de menschengedaante aan. God zelf,
59
de H. Geest, heeft zich gewaardigd, ter afbeelding Zijner oneindige heiligheid, in de gedaante eener reine duif te verschijnen. Laat het ons dus niet verwonderen, dat de geest der duisternis tot den mensch kwam in de gedaante van een verachtelijk en boosaardig dier, van eene giftige slang.
Het stond den duivel, zooals de H. Thomas leert, niet vrij, eene gedaante naar zijn goedvinden aan te nemen. God liet hem geene andere toe dan die eener slang, een treffend beeld van de giftige boosheid des duivels. En de slang- zeide tot de vrouw : âWaarom heeft God u verboden te eten van alle boomen in het paradijs?quot; En Eva antwoordde; âVan de vrucht der boomen in het paradijs eten wij ; maar van de vrucht des booms in het midden van het paradijs mogen wij niet eten, en die zelfs niet aanraken, opdat wij misschien niet sterven.quot; Nu trad de duivel, die de aartsleugenaar is en de vader der leugentaal, onverborgen te voorschijn : âVolstrekt niet zult gij sterven ; integendeel, God weet dat op den dag, waarop gij van dien boom zult eten, uwe oogen zullen opengaan, dat gij gelijk goden zijn en kennis hebben zult van goed en kwaad.quot; Eva nu zag, dat die vrucht goed was om te eten, en schoon en verlokkend om te zien, en misleid at zij van de vrucht en gaf er van aan haren man Adam ; en hij nam de vrucht, die zij hem aanbood, en ook hij at.
Zóó dus was de eerste zonde gepleegd. Zij was uiterst zwaar. En wel vooreerst, wijl zij gedaan werd met duidelijke kennis van de boosheid der
6o
daad en met volkomen vrijen wil. Zonder den prikkel eener vooruit bestaande begeerlijkheid, die na de zonde in alle menschen aanwezig is, werd deze zonde gepleegd tegen een gebod, dat zoo gemakkelijk te onderhouden was. De menschen leefden in een staat van volkomen geluk in het paradijs Zij zondigden tegen hun machtigen Schepper, maar ook tegen hun liefderijken Weldoener, die hen met gunsten van allerlei soort overladen had. Zij aten van de vrucht, ondanks de vreeselijke straf, waarmede zij door God bedreigd waren. Die zonde was een onbegrijpelijke, een snoode ongehoorzaamheid jegens God. Maar ook die zonde bevatte daarenboven in zich hoogmoed, genotzucht en ongeloof en een vermetelen opstand tegen God, in navolging der booze geesten, die ook aan God gelijk wilden zijn. De straf dezer zonde dan ook kon niet uitblijven, en verschrikkelijk is die straf gekomen over geheel het menschelijk geslacht. Later, wanneer wij spreken over de erfzonde, zullen wij de algemcene schuld aan deze zonde aantoonen. Nu willen wij spreken over de straf, die als een drievoudigen dood over Adam en zijn geslacht is gekomen.
Vooreerst de lichamelijke dood. Ofschoon het lichaam des menschen van natuur sterfelijk is geschapen, dat wil zeggen, kan ontbonden worden en vergaan, in tegenstelling van de ziel, die onsterfelijk geschapen, niet ontbonden kan worden en onvergankelijk voort-bestaat in eeuwigheid, dat is zonder einde ; zoo zou toch God ook het lichaam des menschen door Zijne Almacht voor de vergankelijkheid bewaard hebben.
6i
wanneer de mensch Hem gehoorzaam was gebleven. Zoolang hij in het bezit bleef van het paradijs kon hij eten van den boom des levens, wiens vrucht het voortbestaan van zijn lichaam verzekerde, het behoedde tegen de vergankelijkheid, die aan al het stoffelijke eigen is. Zonder de zonde zou de dood nimmer gekomen zijn, om scheiding te maken tusschen de ziel en het lichaam des menschen ; die vreeselijke scheiding,die het sterven van den mensch zoo verschrikkelijk maakt. Zijt gij ooit getuige geweest van het sterven eens menschen? O, dan hebt gij aanschouwd, hoe zwaar de straf des doods nedervalt op den bezwijkenden mensch. Nog hoort gij zijn pijnlijk stenen en zuchten ; dat snikken, naar adem zoeken van de ineenkrimpende borst. Niet licht zult gij dat loodkleurige gelaat vergeten, waarop de druppelen van het koude zweet zich parelden, die trekken, pijnlijk verwrongen ; die doffe oogen zonder ophouden zoekend naar een laatste hulp, die niemand meer kan aanbrengen. âIn het zweet uws aangezichts, aldus sprak God, zult gij uw brood eten, totdat gij wederkeert tot de aarde, waaruit ge zijt genomen. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren.quot; Dit vonnis Gods over den mensch uitgesproken gaat in vervulling reeds op het oogenblik van den dood. Zóó dierbaar kan de afgestorvene niet zijn aan hen, die hij achterlaat in dit leven, of dezen gevoelen een eersten plicht, die hoe pijnlijk ook, aanstonds volbracht moet worden. âWaar zal zijn graf zijn?quot; is de eerste vraag, die aan de legerstede van den gestorvene moet beslist worden. Want dit antwoord duldt geen uitstel; weggeruimd
62
moet hij worden die doode, hoe dierbaar hij ook wezen moge. Het vonnis des doods maakt dit tot plicht tegenover de levenden, maakt dit tot plicht tegenover het gestorven lichaam, dat men voor het oog der menschen in eer wil houden. Het verloop der vergankelijkheid moet onttrokken worden aan de oogen der levenden ; moet het geheim worden van het graf. Zóó eischen het de levenden; zóó eischt het de doode. Vreeselijke vernedering gekomen over den hoogmoed des menschen. Wat moet de overdenking van dit vonnis Gods de ziel van een Adam geslagen hebben! Stel u Adam voor, den gevallen koning der aarde! Voor ons is de ondervinding van den dood zoo menigvuldig, dat hoe verschrikkelijk in zich zelf de dood des lichaams in zijn naast gevolg ook moge zijn, het huiveringwekkende reeds veel van zijn indruk op ons hart heeft verloren. Maar denk u Adam aan de zijde van den eersten, doode. Hoe zal hij in overweldigende smart gestaard hebben op dat ontzielde lichaam! Is dit dan de dood, zal hij hebben uitgeroepen, waartoe ik met mijn geheel geslacht veroordeeld ben geworden. Sterven gelijk de plant sterft, en verdort en afvalt van haar stengel, om te vergaan en een te worden met den grond, dien wij met onze voeten vertreden ; sterven, gelijk het rund sterft, en inéénvalt, en walging wekt, en uit het oog des menschen wordt weggenomen, wijl het afzichtelijk is. O, mensch! wat zijt gij klein zonder God! en hoe vreeselijk is het u te vallen in de straffende hand van God!
63
11. Geestelijke dood.
Toch is dit verlies van de onvergankelijkheid des lichaams, die lichamelijke dood, niets geweest, in vergelijking van dien dood der ziel, die door de zonde over Adam is gekomen. Want door de doodzonde, die Adam en Eva misdreven, hadden zij hunne rechtvaardigheid en heiligheid, de heiligmakende genade, waardoor hunne ziel leefde en een voorwerp van welgevallen was voor God, verloren ; en dezelfde zonde, die hun lichaam aan ellende en smarten onderwierp, bracht in hunne ziel onwetendheid en booze begeerlijkheid ; zoodat de mensch, na de overtreding van Gods gebod, zoowel naar de ziel als naar het lichaam, niet meer dezelfde bleef, zooals hij in den staat z'ijner onschuld geweest was. Wat deze onwetendheid en booze begeerlijkheid hebben uitgewerkt leert ons de geschiedenis aller eeuwen, leert ons vooral de geschiedenis der heidenen met hunne verblindheid des gees-tes, wat betreft de kennis van den waren God, met hunne afschuwelijke ondeugden, die zij zelfs tot deugden hebben verheven.
Door de zonde verloor de mensch de heiligmakende genade, door God aan zijne ziel bij de schepping gegeven. Wat die heiligmakende genade is, wat zij uitwerkt in de ziel des menschen? Meer dan de ziel is voor het lichaam, is God voor de ziel, die Hij heeft geschapen. God schiep de ziel naar zijn eigen beeld en gelijkenis. De ziel van den rechtvaardige is zich bewust, dat zij in zich draagt dat beeld, die gelijkenis van God.
64
In God alleen vindt zij haar leven in al hare volheid terug. Hoor dat leven der ziel in de zielen der Heiligen roepen naar God. Hoor een H. Augustinus, wiens ziel in een vurige liefde voor haren God geen rust, geene bevrediging hier op aarde kan vinden. Kens, aldus beschrijft het een beroemd redenaar van onzen tijd : eens ging de H. Augustinus, na het dalen der zon langs het strand der zee. Het was dat plechtig uur, waarop de ziel in zichzelve keert, en de blik vragend rond ziet. En Augustinus vraagde: âWaarom zucht gij mijne ziel, en waarom zijt gij bedroefd?quot; Het scheen hem toe, dat over de wateren eene stem tot hem kwam en sprak: Zoeh hoven u. Terwijl oe heilige deze woorden overwoog, daalde de duisternis op de aarde en aan den hemel fonkelden de sterren. Augustinus zag omhoog en vraagde : âo, God! Gij die daar boven zetelt, zeg mij, waarom is mijne ziel bedroefd ?quot; En uit de onuitsprekelijke harmonie der schitterende sterren was het, of een antwoord klonk ; Z,och hoven ons. Augustinus steeg met zijne gedachten ten hemel en ondervraagde de engelen : âhemelsche geesten, weet gij, waarom mijne ziel bedroefd is?quot; En hij meende uit het lied der engelen te verstaan: âZoek boven ons.quot; En zie, voor Gods troon verhief zich zijne verbeelding; zijn hart was voldaan, en hij sprak: âja, dit ontbrak mijner ziel, dat verlangde zij!quot; God is de eindpaal der verlangens onzer ziel, zij verzucht naar Hem als naar de bron van het ware, schoone en goede ; God is het doel van ons leven! (1)
1
Schetsen eu Studiün door H. van Nieuwenhoff S. J.
65
Gij staat verbaasd over zoovele andere Heiligen! Over de heldhaftige zelfverloochening van een H. Franciscus van Assisie ; over den blakenden ijver van een H. Franciscus Xaverius ; over de alles overwinnende naastenliefde van een H. Vincentius a Paulo; over de vervoerende liefde van eene H. Teresia; over de boetvaardigheid van eene boetende Maria van Egypte? O, vraag slechts wat de heiligmakende genade is voor de ziel des menschen, en gij zult het antwoord vinden. Die genade is als God, die tot ons komt, gelijk het vuur tot het ijzer, dat het verwarmt, doordringt, ontgloeit en als in vuur verkeert. Die genade is als God, die in ons binnengaat, zooals het licht een doorschijnend lichaam, waaraan het zijne eigenschappen mededeelt Die genade is als God, die indringt, gelijk de zoete geur van het reukwerk in de stof der vaas, waarin het werd uitgestort. Die genade is als God, die in ons zijne gelijkenis afdrukt gelijk het zegel in de was; of beter nog, gelijk de mensch het beeld zijner gedachte prent in het stof, dat hij boetseert. Zóó nochtans, dat wij naar het woord van den H. Cyrillus, levende afbeeldsels worden van God zei ven. Die genade is als God, die aan onze ziel eene goddelijke gedaante geeft; God, het leven der ziel, gelijk de ziel het leven is des menschen.
Die heiligmakende genade verloor de eerste mensch, toen hij zondigde in het paradijs. O, wie is in staat om ook slechts stamelend uit te drukken, wat Adam in zijne ziel zal gevoeld hebben, toen hij ondervond, dat zijne ziel haren God had verlaten. Als de Heiligen
3
I
65
roepen naar God, en met den H. Paulus verzuchten; âik wensch ontbonden te worden en met Jesus Christus te zijnquot; ; als zij in de liefde voor hunnen God verzuchten zonder ophouden : âwanneer zal ik komen, o. Heer! en voor uw aanschijn verschijnen als eene H. Teresia uitroept; âneen, dit leven is geen leven, maar eene voortdurende berooving van het leven, dat onze ziel geroepen is te bezitten in God ;' â- wat dan moet de ziel van Adam gevoeld hebben, toen hij erkennen moest en het zoo bitter gevoelde in zijn hart, dat hij zijnen God had verloren! God, zijn Schepper; God zijn Vader ; God zijn Weldoener! God, met Wien hij tot nu toe in het paradijs had omgegaan, gelijk nooit later een Heilige heeft omgegaan met God, wanneer wij de Moeder des Verlossers, de H. Maagd Maria, uitzonderen. God in het paradijs sprekend met Adam, hem opvoedend en als eene zorgzame Vader hem leerend over alles, wat zijn geest mocht kennen omtrent de geheimenissen Gods. Slechts eenige oogenblikken aanschouwden de bevoorrechte leerlingen de glorievolle gedaanteverwisseling van Jesus, hunnen goddelijken Meester, en reeds riepen zij uit;: âHeer, het is ons goed hier te verblijven!quot; En Adam heeft de tegenwoordigheid Gods genoten; zijn God gehoord, zijn God verstaan, wanneer Hij hem toesprak en leerde. En nu ? Hij verbergt zich voor het aanschijn Gods, en bedekt zijn lichaam : want hij gevoelt het; God is van zijne ziel weggeweken ; hij is een schuldige geworden, onwaardig, om in het aanschijn Gods te leven. O, bittere misleiding des dui-
6;
veis: gij zult Goden worden! En zie, de mensch nog zoo even de koning der aarde, aan wien alles onderworpen was, ziet de aarde in opstand treden tegen hem, en na gewild te hebben, aan God gelijk te worden, waagt hij het nu niet langer naast de dieren van het paradijs te leven voor het aanschijn van zijn God; hij verborg zich voor het aangezicht des Heeren tus schen de boomen van het paradijs. âAdam, waar zijt gij,quot; aldus roept God, en Adam antwoordt: âIk hoorde uwe stem in het paradijs en ik vreesde, omdat ik naakt ben, en ik verborg mij.quot; En God, na de straf over de schuldige menschen te hebben uitgesproken, maakt0 voor Adam en diens vrouw kleederen van dierenvellen en bekleedde hen daarmede!quot; Diepe vernedering voor den hoogmoedigen Adam ; tot aan de voleindiging der eeuwen zal de mensch het teeken dragen van deze vernedering; met liet kleed der dieren bekleed zal de mensch het luide verkondigen, dat hij een gevallene, een verlaagde is te midden der schepping, niet waardig te wandelen voor het aangezicht van zijnen Schepper ! slechts door de oneindige Barmhartigheid van zijnen God nog geduld op de aarde.
III. De eeuwige dood.
Maar deze geestelijke dood zou nog voor den mensch door den eeuwigen dood gevolgd zijn in de rampzalige eeuwigheid. Doch God, die den dood des zondaars niet wil, spaarde Adam en Eva, en schonk hun, om wille der verdiensten van Christus, den toekomsti-gen Verlosser, dien Hij hun beloofde, de genade der boetvaardigheid en der bekeering. Zoo mochten Adam
68
en Eva, als gerechtvaardigde boetelingen leven hier op aarde, en bij hunnen dood binnengaan in het voor-geborgte der hel, om daar hunne volle verlossing door Christus af te wachten.
IV.
GODS BELOFTE IN HET PARADIJS.
De erfzonde.
Een bekwaam tuinier had een jongen krachtigen boom geplant in goede aarde ; hem van alle zijden verzorgd en gesteund, opdat hij groeien en bloeien zou en rijke, schoone vruchten mocht voortbrengen. Maar een venijnig gedierte naderde dien boom, stak zijn giftigen angel in diens wortels, zoodat het gif binnendrong in dien boom en zich vermengde met diens sappen. En die boom groeide op en spreidde zijne takken naar alle zijden uit; tak uit tak botte uit die reusachtige armen, die zich naar den hemel verhieven, en aan iederen tak vertoonden zich ontelbare vruchten, schoon om te aanschouwen, maar helaas! ieder voor zich dragend het bederf van het gif, door het venijnig gedierte eenmaal uitgeworpen in de wortels van dien boom.
Latén wij ons aldus Adam voorstellen geplant als een jongen krachtigen boom in het paradijs, volgens het bevel van God: âWast aan en vermenigvuldigt u en vervult de aarde,quot; opgroeiend en langs alle zijden zijne takken uitspreidend, ontelbare vruchten voortbrengend, die als menschen het aardrijk zouden vervullen. Maar de duivel naderde als een giftige slang Adam, den stamboom van het menschelijk geslacht, en stortte het ve-
6g
nijn der zonde in hem uit; in hunne sappen namen alle takken van dien boom dit uitgestort venijn in zich op : alle vruchten van dien boom bleken aangestoken met het gif der zonde.
Want Adam etend van de verbodene vrucht in het paradijs, heeft niet alleen gezondigd. Hij, de eerste stamvader van het menschelijk geslacht, sleepte in zijn zondeval alle zijne nakomelingen mede. Alleen de onbevlekte ontvangen Maagd, Zij, die in haren goddelij-ken Zoon, den kop van den helschen slang zou verpletteren, alleen Maria, de gezegende Moeder des Hee-ren, bleef vrij van de algemeene schuld der menschen, van de erfzonde. âDoor de ongehoorzaamheid van eenen zijn de velen, dat is, zijn allen tot zondaren gesteld,quot; aldus de H. Apostel Paulus. En in zijn brief aan de Romeinen schrijft hij : âAlle menschen stervèn om de zonde van eenen mensch ; wijl allen in dien eenen mensch hebben gezondigd.quot; Volgens zijn woord is door eenen mensch de zonde, en door de zonde de dood in de wereld gekomen en alzoo is op alle menschen de dood overgegaan, omdat allen in hem gezondigd hebben.
De leer nu der H. Kerk is deze: (*) Adam heeft door de zonde, welke hij door eigen daad bedreef, de oorspronkelijke rechtvaardigheid verloren, en zich de gramschap Gods op den hals gehaald tegelijk met de straffen, welke op hem na de zonde in het paradijs zijn gekomen. Maar door het verlies der oorspronkelijke rechtvaardigheid is niet alleen zïjn persoon, maar ook *) Libs Katechetiscli Handboek.
7°
zijne natuur getroffen, zoodat wij mensdien, zijne af-stammehngen, geboren worden in dcti stciamp;t van zonde, dat is met eene natuur, die aan God vijandig is. Het verschil dus dat er bestaat tusschen de erfzonde en de zonde, die wij persoonlijk doen is: dat de persoonlijke zonde voor ons is eene handeling van onzen vrijen wil; terwijl de erfzonde daarentegen een zondige toestand is, die zonder medewerking van onzen wil met onze menschelijke natuur op ons overgaat.
Vergeten wij ten laatste niet, dat de waarheid der erfzonde, ons geopenbaard geworden door God, gelijk vele andere waarheden van ons H. Geloof, een on begrijpelijk geheim blijft voor ons, dat wij door gelijkenissen en beelden pogen mogen aan onzen geest te verduidelijken, maar dat wij nimmer zullen kunnen begrijpen, wijl God ons den juisten toestand der oorspronkelijke rechtvaardigheid, aan de eerste menschen geschonken, niet heeft willen openbaren.
Welke nu waren de gevolgen der erfzonde? En wij antwoorden met het Handboek der Katholieke Godsdienstleer van Kan. B. Dankelman en Pastoor J. H. Wijnen:
1. Wij hebben door de erfzonde, met de heiligma-kende genade, het kindschap Gods en het recht op den
hemel verloren.
2. Voor het geheele menschdom werd de onwetendheid des geestes grooter ; de ongeregelde begeerlijkheid des vlcesches deed zich gevoelen, en de wil tot kwaad geneigd.
7i
3- De mensch werd onderworpen aan de wederwaardigheden des levens en aan den dood.
4. De vloek Gods werd over de aarde uitgesproken. Wat ten gevolge gehad heeft, dat de aarde doornen en distelen voortbracht en in het zweet zijns aanschijns door den mensch moest bewerkt worden. Uit het paradijs werden de menschen verjaagd, en de boom des levens werd hun ontoegankelijk. Toen begonnen arbeid en vermoeienis, hitte en koude, honger en dorst, ziekte en lijden het lichaam des menschen te sloopen; eene slooping die door den dood in iederen mensch moet voltooid worden.
O zonde! hoe vrccselijk zijn uwe gevolgen! O, duivel, hoe bitter hebt gij de menschen bedrogen en in de ellende gestort. Denken wij dikwijls aan het woord van den profeet Isaias ; âVlucht voor de zonde, als voor eene slang ; want als gij haar nabij komt, grijpt zij u ; hare tanden zijn als de tanden van een leeuw, die den mensch het leven rooven.quot;
II. Gods belofte.
Nadat wij nu de straffen Gods, uitgesproken over den gevallen mensch, hebben aangewezen, en de openbaring aanschouwd hebben van de oneindige Rechtvaardigheid Gods, Straffer van het kwaad, gelijk Hij de Belooner is van het goed ; vestigen wij vol dankbaarheid en vertrouwen onze oogen op de onuitsprekelijk groote Barmhartigheid Gods, die den dood des zondaars niet wil, maar dat hij zich bekeere en leve. Aanstonds als de straf is uitgesproken over hem reikt
72
God den schuldigen mensch de hand der verzoening. Zijne oneindige Rechtvaardigheid eischt de voldoening van de bedreven zonde. Maar God weet het, nooit zal het menschelijk geslacht bij machte zijn, om door eene genoegzame boetvaardigheid te herstellen den smaad aangedaan aan zijne verhevene volmaaktheid. Door alle eeuwen werd het rechtmatig geacht, dat oie zich aan de Majesteit zijns Vorsten vergrepen had, den dood stierf, de hoogste menschelijke straf, die uitgeoefend kan worden. Maar God staat oneindig ver in macht en in Majesteit boven alle vorsten der aarde verheven.
Hier dus moest het hoogste menschelijke offer, hefoffer des levens, te kort schieten, wanneer het gold, om te herstellen en goed te maken de beleediging God door de zonde aangedaan. De algemeene dood der men-schen kon een straf zijn, maar bleef toch steeds eene tijdelijhe, eene eindige straf ; en alle boetvaardigheden der menschen, ook in hare algemeenheid genomen, kon-den nimmer de geëvenredigde boete worden, waarmede de oneindige beleediging van God uitgewischt, uitgeboet kon worden. En toch in Zijne oneindige Rechtvaardigheid eischte God deze boete, geëvenredigd aan de misdaad der menschen. Geen mensch, ook geen En -gel, als eindige schepselen Gods, vermochten deze geëvenredigde boete te brengen ; alleen God was in staat om die oneindige voldoening, deze geëischte boete, te brengen voor de zonde: toen sprak Hij, die het Woord Gods genoemd wordt; âZie, ik kom om Uwen wil te volbrengen.quot;
73
Reeds in het paradijs heeft God medelijden met de onmacht van den mensch. Hij ziet het; de mensch zal naar ziel en lichaam eeuwig rampzalig blijven, wanneer Hij zelf Hem niet te hulp komt. Zonder hoop op redding zal de aarde voor Adam zijn eene plaats der wanhoop. De mensch kent God ; Adam heeft gesproken met zijnen God en Schepper, vertrouwelijker nog dan Mozes sprak met God, toen deze alleen met God was, gedurende veertig dagen, op den Sinaï. God heeft Adam opgevoed in het paradijs, gelijk een vader zijn kind opvoedt. Hoe zou Adam zijn lang boetvaardig leven hebben kunnen voleindigen, als hij de hoop gemist had, ooit nog zijn God en Schepper, zijn Vader in den Hemel terug te zien. Cain, die zich vergrepen heeft aan het leven van zijn broeder Abel, roept in wanhoop uit: âeen ieder, die mij ziet zal mij dooden ;quot; en God antwoordt den wanhoopige: âGeenszins zal dit geschieden, maar wie Cain dooden zal, zevenvoudig zal hij gestraft worden.quot; En God teekent het voorhoofd van Cain, opdat een ieder hem zal kunnen kennen. Judas, als hij zijn Meester reeds laaghartig heeft verraden, en de wanhoop zich reeds meester maakt van zijn. hart, hoort nog uit den mond van den God-Mensch, het hoop instortend woord : âMijn vriend! waartoe zijt gij gekomen!quot; En God zou Adam zonder hoop gelaten hebben! hem, als zwerveling over de aarde gezonden hebben ten prooi aan de bitterste vertwijfeling, veroordeeld om te leven op eene aarde, gevloekt om wille van zijne zonde! God zou den mensch gebukt gelaten hebben onder den last van tijdelijke
74
straffen, hem opgelegd, als zoovele middelen van boetvaardigheid met de zekerheid van een toekomstigen dood, waarvan hij niets anders zou kunnen weten, dan dat zijn lichaam tot het stof der aarde zou wederkee-ren, en zijne ziel onsterfelijk, voor eeuwig onverzoend zou blijven met God! Zeker ook deze zwaarste aller tijdelijke straffen had Gods Rechtvaardigheid aan den schuldigen mensch kunnen oefenen, Hij die in zijne Rechtvaardigheid de gevallen Engelen verdreef van zijn goddelijk Aanschijn naar den afgrond der hel! Maar zouden wij zulks hebben kunnen denken van God, die zelf het openlijk getuigd heeft, dat het zijne wellust is met de kinderen der menschen te zijn ; die het zoovele malen heeft ingegeven aan zijne profeten, om het alom en juichend te verkondigen : âWie is er, die gehoopt heeft op God en beschaamd is geworden.quot; Neen, de schuldige, de gestrafte Adam werd verjaagd uit het paradijs, maar alvorens de Engel met het vlammend zwaard den toegang tot het paradijs onherroepelijk voor het menschehjk geslacht zal afsluiten, zal uit Gods mond het ivoord der belofte weerklinken, hetwelk aan den mensch Gods ontfermende Barmhartigheid verkondigt en hem door de hoop voor immer gaat verbinden met God. Door Eva heeft de duivel den mensch overwonnen ; door Maria, de tweede Moeder der levenden, zal de duivel en zijne heerschappij over den mensch op zijne beurt overwonnen worden!
fn dit allesbeslissend oogenblik sprak God tot den duivel; âVijandschap zal ik stellen tusschen u en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad; zij zal u den
75
kop verpletteren en gij zult haar den hiel belagen.quot; Met andere woorden: Eene vrouw zal uit Eva's geslacht optreden, die de vijandin van den duivel znl zijn, en die in haren Zoon de macht des duivels over den gevallen mensch zal breken, de heerschappij van den satan over den mensch zal wegnemen. De duivel zal Haar den hiel belagen, dat wil zeggen : de helsche slang zal zooveel doenlijk aan zijnen vijand, die hem overwint, pijn en smart en verguizing aandoen, maar lijdend en stervend zal Christus, de Verlosser der wereld, den satan overwinnen, en door het allesverzoe-neud offer van Zichzelven, de gevorderde boete brengen, die noodig is, om de oneindige Rechtvaardigheid van God te bevredigen, en den schuldigen mensch te verzoenen met den beleedigden God.
Met de hoop op die belofte van God, begon Adam zijn langdurig en boetvaardig leven hier op aarde. Dc band was gelegd, waarmede de mensch verbonden bleef met zijn God. Hopend op den toehomstigcn Verlosser, die uit het menschelijk geslacht zou voortkomen, ontvingen Adam's boetedoeningen, zijne offers en zijne gebeden hun zin, hunne beteekenis, maar ook hunne waarde. Het einddoel van zijn onsterfelijk bestaan was niet verloren ; de hemel, de aanschouwing van God in eeuwigheid bleven ook voor den gevallen mensch bereikbaar. Het geloof in Gods belofte en de hoop op den toekomstigen Verlosser, den mensch gegeven in het paradijs, waren voor hem, naast eene getrouwe vervulling van Gods heiligen wil, de groote
76
te komen. En dit niet alleen voor Adam en Eva, maar
ook voor hunne nakomelingen tot aan de komst van
den beloofden Verlosser. Voor geheel het menschelijk
geslacht, ook voor alle geslachten der menschen, die
later buiten het geslacht van Abraham de aarde zullen
vervullen, blijft de hoop op den Verlosser, beloofd door
God, naast eene trouwe opvolging van de natuurwet,
p-eerifd in de harten der menschen, het groote middel ö ö
om hun eindbestemming, den Hemel te bereiken. Dus ook voor de Heidensche volken; en gelijk God Zijne uitverkorenen ook nu nog vindt onder de Heidenen, die in de duisternis van ongeloof en Heidendom zijn verzonken, zoo ook in ue eeuwen vóór Christus' komst hier op aarde. Langs welke wegen God dit bereikt heeft voor de heidenen? Wie zal Gods wegen kennen? Toch zien wij bij de meeste heidensche volken m hunne oudste geschiedenis die belofte Gods aan Adam in het paradijs gedaan, niet geheel verloren gegaan, hoezeer ook door menschelijke verzinselen verbasterd. In hunne geschiedenis komen de Joden telkens in aanraking met de heidensche volken; zeventig jaren leven zij zelfs in ballingschap te Babyion te midden der heidenen. De H. Schrift zelve verhaalt ons van een heiligen koning Melchisedech; van den geduldigen man Job tot de geslachten der heidenen behoorend. En nog bij de geboorte van Christus komen de Wijze Koningen van het verre Oosten, om den Menschgewor-den Zoon van God te aanbidden en te huldigen als hun God, als hun Koning, als hun Verlosser. Ook buiten het volk der Joden dus, te midden der Heidenen,
77
heeft God Zijne uitverkorenen gevonden, gelijk wij met recht hopen mogen, dat ook nu nog te midden der millioenen van heidenen, die de aarde bevolken, God voortdurend de zijnen redden zal, om hen uit kracht van de oneindige verdiensten van Jesus Christus, voor alle menschen gestorven, den Hemel te kunnen schenken in eeuwigheid.
Hoe noodzakelijk overigens voor den gevallen mensch in het verloop der eeuwen, vóór Christus' komst hier op aarde, de uitverkiezing van Abraham's geslacht tot Volh Gods geweest is, blijkt vooral ook uit het diep zedelijk verval, waartoe de heidensche volken zijn gekomen met hunne tallooze afgoden en afschuwelijke eerediensten ; met hunne wraakroepende ondeugden en gruwelijke misdaden, die als deugden en goede werken door de heidenen beschouwd en gepleegd zijn geworden.
Thans gaan wij beschouwen, hoe God in Zijne oneindige Wijsheid en ontfermende Goedheid, de doeltreffendste middelen heeft gebruikt, om de belofte in het paradijs aan Adam en Eva gedaan, in de kennis der menschen te bewaren, gedurende de vierduizend jaren, die de komst van den Verlosser voorafgingen. Deze middelen, door God uitgekozen, blijven tevens voor alle tijden, ook na de komst des Verlossers, de zekere heivijzen, dat Gods belofte vervuld is ; dat God zijn eeniggeboren Zoon heeft gezonden, om het menschelijk geslacht van de zonde te verlossen.
78
V.
Middelen door God gchruiht, om de 'paradijs-helofte in de kennis der mensehen te behouden.
Zoowel in het Nieuwe, als in het Oude Testament heeft God de mondelinge overlevering willen gebruiken als het groote middel, om zijne waarheden onder de menschen van geslacht tot geslacht te bewaren. Meer nog dan het geschreven Woord Gods werd door Christus in het Nieuw Verbond de mondelinge prediking van zijne geopenbaarde waarheden als het groote middel aangegeven, om de menschen te leeren en tot hun eeuwig heil te brengen. Toen Christus bij zijne glorievolle Hemelvaart zijne laatste woorden sprak tot zijne Apostelen, wat beval hij hun ? Zeide Hij wellicht : âGaat en zet u neder en schrijft boeken en brieven over de geheele aarde, om aan alle volken de goddelijke waarheden bekend te maken? Voor de meeste volken der aarde zou dit middel onvoldoende, althans zeer gebrekkig geweest zijn. Immers althans de onbeschaafde volken, zouden met dit geschreven woord weinig of niet gebaat zijn geworden, wijl schrift en letters voor de meesten een onbekende wetenschap waren. Zoo ook nog in onze dagen ; wanneer de bekeering der heidensche volken moest geschieden door boeken en brieven, het bekeeringswerk der heidensche volken zou weinig voortgang maken. Zend de schoonste brieven en de meest bevattelijke geschriften en boeken naar de stammen, die in onze dagen de binnen -landen van Afrika of van de eilanden in Oceanie en
7lt;J
Micronesie bewonen, zij zullen geen vruchten van bekeering voortbrengen. Christus dan ook, die in alles met goddelijke wijsheid zijne H. Kerk, het rijk zijner waarheid, gesticht heeft, en haar de ware middelen heeft aangewezen, om haar doel, alle volken der aarde te loeren en zalig te maken, te bereiken, beval aan zijne Apostelen, en m hen aan hunne opvolgers tot aan de voleindiging der eeuwen : ,,Gaat en onderwijst alle volken!quot; De helft der Apostelen hebben de leer, welke zij predikten, niet geschreven; allen gingen na den Pinksterdag, met Jesus kruis in de hand, naar de dee-len der aarde, waarheen zij geroepen waren: een H. Petrus eerst naar Antiochië, daarna naar Rome ; een H. Paulus naar Asië ; een H. Thomas naar Indië ; een H. Jacobus naar Spanje. Zij ook onder de Apostelen, die de heilige boeken van het Nieuw Testament hebben opgesteld, deden dit eerst verscheidene jaren na Christus' Hemelvaart, toen scheuring en ketterij zich vertoonden. Eerst zes jaren na Christus' dood schreef de H. Mattheus zijn H. Evangelie, het oudste, dat is het eerste der H. Evangeliën, die geschreven werden. De H. Joannes schrijft dan ook aan het einde van zijn Evangelie: âEr is nog veel meer, hetgeen Jesus gedaan heeft; werd dit in het bijzonder geschreven, dan zou, meen ik, de gansche wereld de boeken niet kunnen bevatten dat wil zeggen, onnoemlijk veel heeft Christus nog gedaan en geleerd, wat niet in de heilige Schrift vervat is. Wat volgt hieruit? Dat naast de H. Schrift, naast den Bijbel, als kenbron der door God geopenbaarde waarheid, er nog een andere kenbron dier waar-
8o
heid zijn moet, en wel de Traditie, dat is de Overlevering. Wat moeten wij hier verstaan door Overlevering? De verzameling van die geopenbaarde waarheden, welke in de H. Schrift niet werden opgeteekend, maar door de Apostelen gepredikt, in de H. Kerk bewaard gebleven, en van hand tot hand over gelever i zijn. De H. Paulus schrijft dan ook in zijn tweeden brief aan zijnen leerling Timotheus: âHetgeen gij van mij, onder vele getuigen, gehoord hebt, geef dat wederom over aan vertrouwde mannen, die bekwaam zullen zijn ook anderen te leeren.quot;
Dat er naast den Bijbel nog een andere kenbron des geloofs zijn moet, blijkt ten slotte ook hieruit: in de H. Schrift, in den Bijbel zelf staat geen enkel woord, om ons aan te geven, welke boeken tot de heilige Schrift behooren, en of zij werkelijk onder Gods ingeving geschreven zijn of niet. Gij weet, dat de H. Schrift bestaat uit eene verzameling van verschillende geschriften, die in het verloop der eeuwen, zoowel vóór Christus, als na Christus' komst hierop aarde, door heilige mannen, onder ingeving van den H. Geest zijn geschreven. Hoe weten wij nu, en kunnen wij met onfeilbare zekerheid weten, welke geschriften onder ingeving van den heiligen Geest geschreven zijn, en volgens den heiligen wil Gods tot de heilige Schrift, tot den Bijbel gerekend moeten worden? In den Bijbel zelf is er ons niets van opgeteekend geworden. Wij weten dit uit de Overlevering, die de H. Kerk van de Apostelen als een schat heeft ontvangen, en die onder den bijstand des H. Geestes onvervalscht door de H.
8i
Kerk is bewaard gebleven. De H. Kerk alleen heeft van Christus den last en de macht verkregen, om ons (hu inhoud en den waren zin tevens van de H. Schrift en van de Overlevering met onfeilbaar gezag te leeren. âZie, aldus sprak Christus als laatste woord tot. zijne Apostelen bij zijn Hemelvaart, zie, ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding der eeuwen.quot;
Besluiten wij dit woord over de Overlevering als tweede kenbron der geopenbaarde waarheden Gods, met hetgeen in het niet genoeg aan te bevelen Handboek der Katholieke Godsdienstleer, de Kanunnik Dankelman en Pastoor J. Wijnen schrijven : âDe overlevering, dat is de ongeschreven leer der Apostelen, is van de Apostelen af onafgebroken in de Kerk van het eene geslacht aan het andere overgeleverd. Op welke wijze is die overlevering geschied? I. Deels door mondeling onderricht; 2. deels door instellingen en gebruiken der Kerk of door de geschriften der H. Kerk vaders.
âWat moeten wij ten opzichte der Overlevering ge-looven? I. Dat zij, evenals de H. Schrift, het Woord Gods bevat; en 2. dat wij derhalve de geopenbaarde waarheden, welke zij ons leert, even vast moeten ge-looven, als die, welke in den Bijbel opgeteekend zijn.
Gelijk nu God in het Nieuw Verbond de mondelinge overlevering gekozen heeft, om de door Christus geleerde waarheden van geslacht tot geslacht onver-valscht over te dragen, zoo heeft God ook gewild, dat van den aanvang der menschelijke geschiedenis af, de kennis vooral van de belofte Gods in het paradijs aan
82
de menschen gedaan, onvervalscht zou overgclevei d worden van geslacht tot geslacht, tot de komst van den Verlosser hier op aarde. En ook om dit doel te bereiken koos God de meest doeltreffende middelen uit. Drie dezer middelen willen wij een weinig nader beschouwen. Eerst zullen wij deze drie middelen noemen :
1. De langdurige leeftijd der menschen tot aan den zondvloed.
2. De hernieuwing der paradijs-belofte, dooi Go^ zeiven gedaan, aan de heilige Aartsvaders, de Patriarchen.
3. De voorspellingen der Profeten, op ingeving en op last van God aan het volk der Joden gedaan, en in alle eeuwen van het Oude Verbond hun verkondigd.
Beginnen wij aanstonds met het eerste middel1. de langdurige leeftijd der menschen tot aan den zondvloed.
De H. Mattheus begint zijn Evangelie met deze woorden; âHet geslachtboek van Jesus Christus, den Zoon van David, den Zoon van Abraham.quot; De heilige Evangelist namelijk toont ons uit de geslachtslijst van Jesus Christus, dat de beloofde Messias volgens de voorspellingen der heilige Schriften, naar zijne men-schelijke natuur is voortgesproten uit het geslacht van Abraham, en uit het huis David. Het tijdvak hetwelk met Adam begint, en met Abraham eindigt, beslaat in onze tijdrekening, ongeveer de eerste twee duizend jaren na de schepping der wereld. Noemen wij nu vooraf de eerste stamvaders van ons menschelijk ge-
slacht, die tot Noé, den geredde uit den zondvloed, geleefd hebben. Zij waren tien in getal. Hunne namen volgen hier tegelijk met het getal hunner jaren, die zij doorleefd hebben hier op aarde,
Adam 930 jaren Jared 962 jaren
Seth 913 â Henoch 365 â
Enos 905 â Mathusalem 969 â
Kainan 910 â Lamech 777 â
Malaléel 895 â Noé 950 â
Toen Noé öoo jaren oud was, kwam de zondvloed over de aarde, waarin van alle toen levende menschen alleen Noé en zijn geslacht gered werd door God.
Na Noé, dat is na den zondvloed, komen er nog negen stamvaders vóór Abraham, den heiligen Aartsvader ; deze stamvaders echter leefden reeds aanmerkelijk korter, dan de stamvaders, die wij boven genoemd hebben. Ook hunne namen laten wij hier volgen, tegelijk met het getal van hunne levensjaren. Sem 600 jaren Phaleg 239 jaren
Arphaxad 338 â Reu 239 â
Sale 433 â Sareg 230
Heber 464 â Nachor 148
Thare 205
Deze laatste Thare was de vader van Abraham, die 175 jaren oud werd, wiens zoon Isaac 180 jaren, en wiens kleinzoon Jacob 147 jaren op de aarde geleefd hebben. Deze Jacob nu had twaalf zonen, die de hoofden zijn geweest van de twaalf stammen van Israël.
Wanneer wij nu den levensduur der stamvaders vóór den zondvloed vergelijken met dien der stamvaders
na den zondvloed tot Abraham, dan valt het ons op, hoe aanmerkelijk minder de levensjaren werden van deze laatsten. Zeker kunnen wij voor den langen levensduur der eerste stamvaders ook eenige natuurlijke redenen aangeven. En wel, I. De jeugdige kracht zoowel van de menschen zeiven, als van de aarde, die den mensch voeden en versterken moet. 2. de zeer eenvoudige en gezonde levenswijze der stamvaders, die als herders leefden, en voortdurend op het veld en onder den vrijen hemel in tenten hun verblijf hielden. De ondervinding leert ook nu nog, dat eene sobere en matige levenswijze een machtig middel is om tot een hoogen leeftijd te geraken. âWant, zoo zegt God in de heilige Schrift, veel eten maakt iemand ongesteld ; door onmatigheid stierven er velen, maar die matig is, verlengt zijn leven.quot;
Maar vooral moeten wij voor dezen langen levensduur der menschen op de hovennatmirlijhe redenen letten, die God hierbij op het oog gehad heeft. En wij vinden die redenen in de genaderijke beschikkingen Gods. Slechts door mondelinge overlevering konden de ware eeredienst, de openbaringen van Gods waarheden, de godsdienst in de kennis der menschen voortleven. De patriarchen waren van hun huisgezin niet alleen vaders, maar ook tevens de koningen, de priesters en de middelaars tusschen God en de hunnen, bewaarders en verkondigers van Gods waarheden en wetten, vooral de bewaarders van de belofte van den toekoms-tigen Verlosser, in Wien zij geloofden, op Wien zij hoopten.
85
Door den langen levensduur nu, dien God hun schonk, konden de waarheden Gods en vooral de belofte van den toekomstigen Verlosser, onvervalscht tot het geslacht van Abraham overgebracht worden. Adam, de eerste mensch, kon zijne nakomelingen onderwijzen tot het achtste geslacht, wijl hij volgens de opgave des Bijbels nog 56 jaren leefde na de geboorte van Lamech, den vader van Noé ; Sem was toen reeds 95 jaren, en hij leefde nog 50 jaren te gelijk met den aartsvader Isaak, den zoon van Abraham. Deze Isaak dus kon aan zijne kleinzonen, aan de stamhoofden van het Israëlitische volk, leeren, wat hij zelf geleerd had uit den mond van hem, wiens grootvader den eersten mensch Adam, gekend had. En toch lagen er tusschen de schepping van Adam en den dood van Isaak bijna drie en twintig eeuwen!
Op deze wijze dan vond Gods wijsheid het middel, om gedurende een tijdsverloop van meer dan twee duizend jaren, door middel van mondelinge overlevering, in de kennis der menschen levendig te houden, de belofte van den toekomstigen Verlosser, eene belofte, waarin alle menschen gelooven en waarop zij hopen en vertrouwen moesten, om hunne zielen te redden in eeuwigheid, en voor dit leven hier op aarde hun troost en bemoediging te vinden.
2. De hernieuwing van de paradij.thelofte.
Een tweede middel door God gebruikt, om de kennis der belofte van den toekomstigen Verlosser bij de menschen levendig te houden, was, dat God de para-
dijsbelofte aan de heilige Aartsvaders hernieuwde, en hun aanwees uit welk van de geslachten der menschen Hij zou geboren worden.
Na den zondvloed, waarin alle menschen omkwamen, uitgezonderd Noé, die met zijn huisgezin in de ark gespaard bleef door God, tellen wij negen, of volgens den heiligen Evangelist Lucas tien stamvaders, gelijk wij boven hebben aangegeven. Noé nu had drie zonen, Sem, Cham en Japhet, die na den zondvloed, ongeveer den ouderdom van honderd jaren bereikt had den, en de stamvaders van het nieuw menschelijk geslacht, de bewaarders van den voorvaderlijken godsdienst, en de dragers der goddelijke openbaring geworden zijn.
De heilige Schrift verhaalt ons, dat Noé, de kracht niet kennend van den wijn, dien hij uit de druiven van zijn geplanten wijngaard gemaakt had, in eene onschuldige dronkenschap was gekomen. In dien toestand bespot hem zijn zoon Cham. Toen Noé ontwaakte, vernam hij op welk een ergerlijke wijze zijn jongste zoon zich tegenover hem had misdragen. Onder ingeving zeker van God deed Noé, vol verontwaardiging, deze voorspelling, die tegelijk in den mond van dezen heiligen stamvader eene vloekspraak zou zijn. âVervloekt zij Kanaan, de zoon van Cham, een knecht der knechten zij hij zijnen broeders. Maar gezegend zij de Heer, de God van Sem, en zijn slaaf zij Kanaan. Moge God Japhet groot maken ; hij wone in de tenten van Sem, en zijn slaaf zij Kanaan.quot;
Beide voorspellingen zijn in alle doelen vervuld ge-
quot;7
worden. Sem was de uij uitstek gezegende. Wij, die 'n de volheid der tijden, de vervulling van Noé's voorspelling zien mogen, wij begrijpen, waarom Noé zegt, dat de Heer, de God van Sem, moet gezegend zijn, dat wil zeggen, gedankt en geprezen moet worden; want zóó bij uitstek zal Sem eens in zijn geslacht gezegend worden, dat de Zoon Gods, naar zijne menschelijke natuur, eens de groote Nakomeling wezen zal van Sem, en wel uit diens geslacht zal geboren worden. Om wille van dit hoogste gunstbetoon moet God, als de God van Sem gezegend, dat is geprezen worden in eeuwigheid. Zoo werd Sem, door de mond van Noé, aangewezen door God, als de stamvader van Gods uitverkoren volk, dat de ware dienst van God zou bewaren, en uit welk volk de Verlosser, in Wien alle volken der aarde zijn gezegend geworden, als Mensch heeft willen afstammen.
Japhet's geslacht werd het meest uitgebreid en het machtigst geslacht op aarde. Later verdrong het de afstammelingen van Sem, en woonde in hunne landen. Maar vooral trad het geslacht van Japhet, traden de heidenen in de plaats der Joden, de nakomelingen van Sem, toen dezen den Verlosser verwierpen, en de heidenen het Christendom omhelsden.
Het geslacht van Cham, dat vooral Afrika heeft bevolkt, draagt nog den vloek des stamvaders, en heeft de ketenen der slavernij nog niet geheel verbroken. De nakomelingen van Kanaan zijn door de Joden, toen zij het beloofde land hadden ingenomen, op bevel van God, langzamerhand geheel verdelgd geworden.
88
Uit het geslacht van Sem nu. de eerste der zonen van Noé, werd Thare geboren, wiens zoon Abraham, de heilige Aartsvader was van het uitverkoren volk der Joden, de stamvaders van den Mensch geworden Zoon van God.
In dezen Abraham zien wij door God hernieuwd d': belofte in het paradijs aan de gevallen menschen gedaan. Tot dezen heiligen Aartsvader toch sprak God : âVertrek uit uw vaderland, en ga naar het land, dat ik u toonen zal. Ik zal u maken tot den stamvader van een groot volk, en in u zullen gezegend worden alle geslachten der aarde.quot; Terwijl God dus in het paradijs den toekomstigen Verlosser in het algemeen voorspelde als uit Eva zullende geboren worden, wees Hij Hem hier aan, als zullende voortspruiten uit het volk, waarvan Abraham de stamvader zou worden.
Wanneer later Abraham, op bevel van God, reeds het offermes in de hoogte heft, om zijn zoon Isaac, het kind der belofte, op te offeren aan God, en hij naar het woord van den H. Paulus, hoopte tegen iedere hoop in, klinkt het eensklaps uit den hemel; âAbraham! Abraham ! strek de hand niet uit tot den knaap en doe hem niets. Nu weet ik, dat gij God vreest, en uwen eenigen zoon niet gespaard hebt om mij. Bij mij zeiven heb ik gezworen, spreekt de Heer, omdat gij dit gedaan hebt, en uw eenigen zoon om mijnentwil niet gespaard hebt, zal ik u zegenen en uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels en als het zand aan het strand der zee. Gezegend zullen worden in uwen Nakomeling alle
8g
volken der aarde, omdat gij mijn woord gehoorzaamd hebt.quot;
Dezelfde voorspellingen herhaalt God later aan Jacob. Tot hem zegt God : âIk ben de Heer, de God van Abraham en Isaac ; het land waarop gij slaapt zal ik u en uw geslacht geven, en talrijk zal uw geslacht zijn als het stof der aarde, en gezegend zullen worden in u en in uwen Nakomeling alle geslachten der aarde. Uw geleider zal ik zijn, waarheen gij gaat, en terugvoeren zal ik u in dit land, en met U blijven totdat ik alles, wat ik zeg, vervuld heb.quot;
Deze Jacob zegent stervend zijn zoon Juda en zegt: âde schepter zal aan Juda niet ontnomen worden, nocb het oppergebied wijken in zijn nakomelingschap, totdat Hij komt, die zal gezonden worden; Deze zal de Verwachte der volken zijn.quot;
Op deze wijze leerde God aan de heilige Aartsvaders van het uitverkoren volk der Joden, dat niet enkel de Verlosser der wereld komen zou als Mensch hier op aarde, maar ook dat Hij uit hun geslacht zou geboren worden, hun Nakomeling zou zijn, en in het land zou verschijnen, dat God hun als erfdeel had toegeschikt.
Kinderen! het zij gij nog jong of volwassen of reeds ouder zijt geworden, wilt toch immer door uw eerbiedig, liefderijk en gehoorzaam gedrag, uwe ouders in staat stellen om in leven en in sterven u te kunnen zegenen en Gods liefde over u aftesmeeken.
yo
Ouders! Zonder eene bijzondere ingeving van God. vloekt nimmer uwe kinderen ; leert uit Noé's geschiedenis, hoe vreeselijk de vloek eens vaders nederkomt op de kinderen, ja dikwijls nog langen tijd, en tot hun verre nageslacht.
Moge tevens het vertrouwen van Abraham op God de ouders immer bemoedigen oij iedere beproeving des levens, hoe zwaar zij hun moge toeschijnen; altijd overtuigd blijvend, dat God machtig is, om ons te helpen, en oneindig rijk en mildadig om aan een ieder honderdvoudig terug te geven, wat Hij in dagen van tegenspoed en bittere beproeving ons ontneemt, hoe dierbaar het ook wezen moge aan ons hart; hoe noodzakelijk het ons moge toeschijnen om ons gelukkig te maken in ons leven.
Ten slotte verhaal ik u nog ecne gebeurtenis1), die naar aanleiding onzer vermaning aan ouders en kinderen, hier een goede plaats zal vinden. Een oudste zoon des huizes verloor op twintigjarigen leeftijd quot;zijnen vader. Zijne moeder moest om hare overige kinderen te kunnen verzorgen, hem aan het hoofd stellen van de zaak, door haren man tot nu gedreven. De zoon werkte ijverig aan het ambacht, dat hij uitoefende, en er heerschte welvaart in het huisgezin. Dikwijls echter rezen er tusschen moeder en zoon groote moeielijkhe-den op, die maar al te vaak in twisten en ergerlijke scheldwoorden ontaarden. Terwijl de moeder een driftig en onstuiming karakter bezat, miste de zoon de
1
Alban Stolz.
9i
zelfbehccrsching, hem zoo noodig, om den eerbied fe behouden, dien hij tegenover zijne moeder immer in acht nemen moest. Eens liep tusschen beiden de twist zoo hoog, dat de zoon zijn hand ophief en dreigde zijne moeder te zullen slaan. Op hetzelfde oogenblik riep de moeder: âGevloekt de hand, die gij tegen uwe moeder opheft!quot; Als bij zijn ontwaken den volgenden dag, de zoon zijn werk wilde beginnen, gevoelde hij, dat zijn arm geheel verstijfd en verlamd, en voor den arbeid ongeschikt was geworden. Bij wien hij ook hulp en genezing zocht, het mocht hem niet baten. De arm waarmede hij zijne moeder gedreigd had, heeft bij niemand ooit genezing kunnen vinden. Spoedig hield de welvaart op in het huisgezin te heerschen. Toen de jonge man, na eenige jaren nog met zijne moeder in armoede geleefd te hebben, stierf, liet hij haar zonder hulp, in kommer en gebrek achter.
Ouders! Vloekt nimmer in drift uwe kinderen. Kinderen! eerbiedigt en hebt immer uwe ouders lief, ook dan zelfs, wanneer zij in hun gedrag tegenover u nu en dan misschien onredelijk zouden zijn. En wanneer u zulks op den duur ook zwaar en moeielijk te vervullen zou toeschijnen, overdenkt dan, welk een geduld uwe ouders hebben moeten oefenen, om u als kind groot te brengen ; hoevelen genoegen des levens zij zich om uwentwil ontzegd hebben ; hoe zij vaak in lange en koude nachten de rust hunner lichamen hebben opgeofferd voor u ; misschien voor u armoede en gebrek hebben geleden, om u te brengen tot de levensjaren, waarin gij hunne zorgen niet langer noodig hadt.
92
3. Dc voorspellingen der f vofcten.
Het derde der middelen door God gebruikt, om de paradijs-belofte in de kennis der menschen te bewaren gedurende de vier duizend jaren, die de komst van den goddelijken Verlosser voorafgingen, waren de voorspellingen der profeten.
Zeggen wij vooreerst, wie de profeten waren. De profeten zijn heilige en door Gods ingeving verlichte mannen, die de komst en het leven des Verlossers met de grootste nauwkeurigheid beschreven en voorspeld hebben. De profeten, wier voorspellingen wij in de heilige Schrift vinden opgeteekend, bewezen hunne goddelijke zending door de heiligheid huns levens en door wonderen, die zij verrichtten. Door de Joden en door de Katholieke Kerk werden zij ten allen tijde beschouwd als mannen, die op bevel en door bijzondere ingeving Gods hebben gesproken. Zij voorspelden aangaande den Persoon van Christus, den beloofden Messias ; honderden en honderden jaren leefden zij vóór de komst van Jesus hier op aarde. De uitkomst heeft bewezen, dat wat zij voorspeld hebben, is bewaarheid geworden. ^Uit zichzelven konden zij onmogelijk op zulk eene juiste en ware wijze, als zij voorspeld hebben, de gebeurtenissen uit Jesus leven kennen. Toch verhaalden zij deze, als zagen zij die verschilende feiten uit Jesus' leven, voor hunne oogen geschieden. Hoe zagen zij deze ? Er is slechts een antwoord mogelijk : God zelf gaf hun die kennis, die wetenschap in ; verlichtte hen eeuwen te voren, over hetgeen den Mes-
93
sias betrof, om de menschen, met wie zij leefden en aan wie zij hunne voorspellingen deden, den beloofden Verlosser aan te kondigen en hun hoop op Dezen te bevestigen en te vermeerderen ; maar tevens ook, opdat zij, die bij zijne verschijning en na zijne komst hier op aarde leefden, ook uit de vervulling der voorspellingen in Christus te leeren en aan te toonen, dat het Kind te Bethlehem in den nacht geboren, de Beloofde is van het paradijs ; dat Hij de Verwachte is van alle eeuwen, van Wien God tot de heilige Aartsvaders heeft gesproken.
Als wij nu aantoonen, dat alles wat de profeten van den Verlosser voorzegd hebben in Jesus Christus is vervuld geworden, dan volgt daaruit, dat Hij, de beloofde Messias, de Heiland der wereld is.
De profeten hebben verschillende feiten aangeduid, die als ken teekenen van den toekomstigen Verlosser zouden zijn. Als zoodanig kunnen wij aanwijzen de plaats en het tijdstip zijner geboorte, gelijk wij boven reeds zeiden, waarop de Verlosser zou verschijnen hier op aarde ; dan namelijk, wanneer de schepter van Juda zou weggenomen zijn, dat is, wanneer het volk der Joden niet meer een zelfstandig volk zijn zou, en de stam van Juda ook geen koninklijk gezag meer zou uitoefenen. Op deze wijze werd ook vervuld het woord van den profeet Micheas : âGij Bethlehem, Ephrata! zijt wel klein onder de duizendtallen van Juda ; toch zal uit u Degene voorttreden, die heerschen zal in Israël, en Zijne uitgang is van den beginne, van de dagen der eeuwigheid.quot; Hoe ging deze voorspelling in vervul-
94
ling? Maria en Josef woonden te Nazareth, toen op last van den Romeinschen keizer, aan wien het Jood-sche volk onderworpen was geworden, het bevelschrift uitging van eene algemeene volkstelling. Opdat dit bij de Joden ordelijk zou geschieden moest een ieder opgaan naar de plaats, waar de stamregisters zijner familie bewaard werden. Josef moest dus als afstammeling der koninklijke familie van David naar Bethlehem reizen ; en daar Maria, als ook behoorende tot het geslacht van David, als eene erfdochter, insgelijks als familiehoofd optrad, moest zij haren echtgenoot, den heiligen Josef vergezellen.
Deze profetie, een der duidelijkste, die in het Oude Testament gegeven zijn, was ten tijde van Christus algemeen bekend. Niet alleen de opperpriesters en schriftgeleerden kenden haar, maar ook het volk kende haar als eene zóó onfeilbare aanwijzing van Bethlehem als geboorteplaats des Verlossers, dat eenigen, die meenden, dat Christus van Nazareth uit Galilea afkomstig was, daarom weigerden in Hem den Messias te erkennen. âKomt de Christus dan van Galilea? zeiden zij, zegt de Schriftuur dan niet, dat de Christus uit het geslacht van David komt en uit het vlek Bethlehem, waar David was ?quot;
De profeet Daniël bepaalde duidelijk den tijd, waarop Jesus als openbaar Lecraar zou optreden, het tijdstip, waarop Hij zou lijden en sterven. De profeet Aggeus voorspelde aan de Joden, die teruggekeerd waren uit de Babylonische gevangenschap, dat de Messias zou komen, terwijl de tweede tempel te Jeruzalem
ys
nog bestond. Een andere profeet, Malachias, zeide: âWeldra zal de Heerscher, dien gij zoekt, en de Engel des Testaments naar wien gij verlangt, tot zijnen tempel komen.quot; Werkelijk verscheen de Verlosser, terwijl de tweede tempel nog bestond, en vele malen bezocht Hij dien tempel.
Van het openbaar leven des Verlossers, werd door Isaias voorspeld, dat Hij ontelbare wonderen zou doen ; dat Hij den blinden het gezicht, den dooven het gehoor zou wedergeven, dat Hij de kreupelen en stommen zou genezen.
De profeten David, Isaias en Zacharias beschreven in de meeste bijzonderheden het lijden en den dood van den toekomstigen Verlosser. Voor dertig zilverlingen zou Hij verraden worden. Hij zou geslagen en bespuwd worden in zijn aangezicht; als een aardworm zou Hij vertreden worden, tot de laagste der menschen worden gerekend. Onder de misdadigers zou Hij geteld worden ; met edik en gal worden gelaafd. Zijne handen en voeten zouden doorboord, zijne beenderen geteld worden ; aan het vloekhout des kruizes zou Hij hangen; en om het bezit van zijn bovenkleed zou het lot worden geworpen. Wie onzer weet niet, uit de geschiedenis van Jesus' bitter lijden en sterven, dat dit alles in letterlijken zin in Christus is vervuld geworden.
De verrijzenis van Christus en Zijne Hemelvaart werden door David voorspeld. De profeet Joël voor-zeide de zendinci des II. Geestes over de Apostelen, die op den Pinksterdag vervuld werd. Na de Hemelvaart van Christus wezen de Apostelen het Joodsche volk
9ö
er op, hoe deze voorzeggingen in Christus zijn vervuld geworden.
Ook de verwoesting van Jeruzalem, die na den dood des Verlossers plaats greep, werd door de profeten voorspeld, Een vreemd volk zou met zijn aanvoerder komen en Jeruzalem met haren tempel verwoesten. Deze verwoesting zou blijven, tot het einde der tijden. Tot straf voor hunne verwerping des Messias zou het Joodsche volk door God verstoeten en verworpen worden. Geen offers, geen tempel zouden zij langer bezitten. Over de geheele aarde zou het volk der Joden verspreid worden.
Wij zien de vervulling dezer voorspellingen nog immer voortbestaan, terwijl de Joden onder alle volken zijn verspreid geworden, en toch zich niet vermengen met de overige volken der aarde. Hun stad Jeruzalem ligt in puin ; hun tempel is verdelgd ; hun eeredienst, hun offer hebben opgehouden. Geen scepter, die hen vereenigt, geen eeredienst die hen met elkander verbindt, geen land, dat hen bijeen voert. Zij bestaan over de geheele aarde verspreid en verstrooid. Met welk doel ? Om in hun bestaan te blijven getuigen, dat zij verworpen zijn als volk door God, maar ook, om hunne geschiedenis als volle Gods in het Oude Verbond, in levendige herinnering te houden te midden der Christen volken, waaronder zij leven.
Ziehier u dan drie der middelen voorgesteld, door God gebezigd om Zijne belofte in het paradijs gedaan aan den gevallen mensch, in de kennis der menschen te bewaren, als stellige bewijzen tevens van de waar-
97
achtige komst van den God-Mensch, als Verlosser der wereld, hier op aarde.
Maar wij mogen niet eindigen, zonder uw aandacht nog gevraagd te hebben voor eene benaming aan Jesus Christus, vooral tijdens zijn openbaar leven als Verlosser, hier op aarde. In het geslachtsboek van den Verlosser noemt de H. Evangelist Mattheus Jesus niet alleen den Zoon van Abraham, maar ook den Zoon van David; en hij begint dan uit de openbare geslachts -lijst aan te wijzen, dat Christus van koning David afstamde. Maar zooals Christus de pharizeën met de woorden van David zelf overtuigde, dat de Messias niet enkel de Zoon, maar ook de Heer van David is en aan de rechterhand Gods zetelt, zoo ook de Evangelist Mattheus. Op de geslachtslijst, waaruit hij Jesus' afstamming uit David aanwijst, laat hij aanstonds volgen het verhaal van Jesus' wondervolle ontvangenis: âHij is ontvangen van den H. Geest, en uit eene Maagd geboren.quot; Aldus is vervuld de geheimvolle voorspelling van den profeet Isaias: âZie, de Maagd zal ontvangen en een zoon baren.quot; Die zoon wordt niet enkel genoemd Zoon, Gods, omdat Hij ontvangen is van den heiligen Geest; maar ook wijl Hij zelf God is ; van daar zijn Naam âen zijn Naam zal genoemd worden Emmanuelquot;, dat wil zeggen volgens de verklaring van den H. Evangelist zelf: âGod met ons.quot; Zoo wordt ons van het begin af door den H. Mattheus, die voorspelling gegeven van den Persoon van Jesus Christus, welke de eenige ware is, en aan alle overige waarheden van ons Christelijk Geloof ten grondslag ligt; Jesus is als
4
98
Mensch, naar zijne menschelijke natuur van ons geslacht ; maar toch Hij stamt uit den Hemel; Mensch is Hij geworden, maar God, en van goddelijke natuur is Hij van eeuwigheid. Zoodanig hebben Hem de profeten voorspeld en aangewezen. Ook het doel van zijne komst, zijne goddelijke zending, wijst de heilige Evangelist aanstonds aan ; niet een aardsch, maar een geestelijk, een hemelsch doel! De Engel zegt tot den H, Josef n iet: Hij zal Zijn volk van de Romeinsche heerschappij redden en verlossen ; maar wel, Hij zal ons bevrijden van de grootste en schandelijkste onderdrukking, die er voor ons menschen hier op aarde zijn kan: âHij zal zijn volk van de zonde verlossen.quot;
Spreken wij nu over deze benaming van Jesus: âZoon van Davidquot;. Zij was de gewone benaming, waarmede het volk den Messias noemde. De twee blinden op den weg van Jericho, toen zij bemerkt hadden, dat Jesus voorbijging, riepen en schreeuwden: âHeer! ontferm U onzer, Gij zoon van David! Als 't volk hen berispte, opdat zij zouden zwijgen, schreeuwden zij nog meer: âHeer! ontferm u onzer, Gij, zoon van David!quot; Op Jesus' vraag: wat dunkt u aangaande den Christus? Wiens Zoon is Hij?, antwoordden de pharizeën zonder aarzeling: âVan David.quot; En toen Jesus onder het gejuich en gejubel der scharen, die Hem gevolgd waren, de stad Jeruzalem binnentrok, riepen zij, die Hem vooruitgingen en die Hem volgden, vol geestdrift uit: âHosanna, de zoon van Da vid! Gezegend Hij die komt m den naam des Heeren ; Hosanna in den hooge!quot;
99
Deze benaming vindt zijn oorsprong in de belofte, die God zelf deed aan David, den koning uit de stam Juda. âIk zal u, zoo sprak God, een zoon opwekken ' na u, en ik zal zijn rijk bevestigen ; uw huis zal vast en uw rijk in eeuwigheid zijn voor mijn aangezicht, en uw troon zal onwankelbaar zijn voor altijd.quot; Zooals blijkt uit de een-en-zeventigste psalm, verwachtte David een Afstammeling, Wiens naam zou blijven in eeuwigheid; langer dan de zon en de maan; die eeuwige gerechtigheid en vrede zou brengen; Dien alle koningen zouden aanbidden, en alle volken dienen, en in Wien alle stammen der aarde zouden gezegend worden.
Hoezeer hoopten de profeten op dezen koning, op dezen Nakomeling van David! âEen vorst zal op staan, aldus voorspelt de profeet Michaeas, die het volk Gods zal regeeren in de kracht Gods, in de Majesteit des Heeren ; Wiens uitgang is van de dagen der eeuwigheid.quot; Isaias jubelt: âEen Kind is ons geboren ; een Zoon is ons gegeven ! Op zijne schouders rust de heerschappij, en zijn naam zal heeten: Wonderbare, Raadgever, sterke God, Vader der toekomst, Vrede-vorst Zijne heerschappij zal groeien, en aan den vrede zal geen einde zijn. Op den troon van David en in zijn rijk zal Hij zetelen, opdat Hij het ver-sterke en bevestige in recht en in rechtvaardigheid, van nu af tot in eeuwigheid.quot; En op eene andere plaats zegt dezelfde profeet: âZegt aan den kleinmoedigen, schept moed en vreest niet; ziet uw God brengt vergeldende wraak; God zelf komt en verlost u. Dan
IOO
zullen de oogen der blinden ontsloten worden, en de ooren der dooven geopend ; dan zal de lamme huppelen als eene hinde, en de tong der stommen zal ontbonden worden. Wateren zullen wellen in de woestijn en beken in de wildernis.quot;
Isaias ziet een groot licht, dat opgaat in het gebied van Zabulon en Nephtali, in Galilea, tusschen den Jor-daan en de Middellandsche Zee. Hij spreekt van een grooten dienaar Gods, den uitverkorene des Heeren, in Wien God Zijn welbeKagen heeft; die het recht aan de volkeren zal verkondigen naar waarheid en met zachtmoedigheid ; die een goddelijk verbond zal stichten, en velen rechtvaardig zal maken ; die het licht der Heidenen zal zijn, en op Wien de verre gewesten wachten.quot;
âIk zag, aldus de profeet Daniël, een nachtgezicht; en er kwam iemand op de wolken des hemels als een Menschenzoon, en hij kwam bij den oude van dagen (den Eeuwige) en werd voor zijn aangezicht gebracht. En hij gaf hem macht, en eer en het rijk ; en alle volken, geslachten en talen zullen hem dienen, zijne macht is een eeuwige macht, die niet wordt weggenomen, en zijn rijk een eeuwig rijk, dat niet vernietigd wordt.quot;
De voorspellingen van het oude verbond eindigen met die van den profeet Malachias; âZie, ik zend mijnen Engel, en deze zal den weg bereiden voor mij heen, en aanstonds zal naar mijnen tempel komen de Hcrrscher, Dien gij zoekt, en de Engel des Verbonds
IOI
naar Wien gij verlangt; ziet Hij komt, zegt de Heer der heerscharen.quot;
Met het getuigenis van dezen engel willen wij de voorspellingen der profeten aangaande den Christus gedaan, besluiten. Deze engel was de groote voorloo-per van den goddelijken Verlosser, de H. Joannes de Dooper. De H. Marcus begint zijn Evangelie met deze woorden : âGelijk er geschreven staat bij den profeet; Zie, ik zend mijn Engel voor uw aangezicht, die uw weg zal bereiden voor u heen ; de stem eens roependen in de woestijn : bereidt den weg des Heeren ; maakt zijne paden recht; zóó was Joannes, doopend in de woestijn, en predikend een boetdoopsel tot vergeving der zonden.quot; En geheel de landstreek van Judea liep tot hem uit, en al de inwoners van Jeruzalem ; en zij lieten zich van Hem doopen in de rivier de Jordaan, hunne zonden belijdend. Joannes nu predikte, zeggend : âNa mij komt die machtiger is dan ik, van Wiens schoeisel ik niet waardig ben den riem ne derbukkend te ontbinden. Ik doopte u met water, maar Hij zal u doopen met den heiligen Geest.quot; En het geschiedde, dat Jesus in die dagen kwam van Nazareth, eene stad van Galilea, en hij liet zich van Joannes doopen in de Jordaan. En terstond opklimmend uit het water, zag hij de hemelen geopend worden, en den Geest als eene duive nederdalen en op Hem blijven. En er kwam eene stem uit den hemel: âGij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb ik mijn behagen gesteld.quot; De heilige Evangelist verhaalt ons, dat Joannes de Dooper, toen hij Jesus aan den Jordaan tot zich
I02
zag komen, uitriep : âZiedaar het Lam Gods, ziedaar, die de zonde der wereld wegneemt. Deze is het van Wien ik zeide : na mij komt een Man, die voor mij geworden is, omdat Hij eer was dan ik. En ik kende Hem niet, maar opdat Hij in Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen met water doopend.quot; En Joannes gaf getuigenis, zeggend: âIk heb den Geest zien nederdalen als een duive, uit den hemel, en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar die mij gezonden heeft, om met water te doopen, Deze had tot mij gezegd: Op Wien gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem bliiven. Deze is het, die doopt met den heiligen Geest. En ik heb het gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon Gods is.quot;
Geen wonder overigens, dat ten tijde van Jesus' openbaar leven, de Joden den Messias verwachtten. Waren niet de tijden aangebroken, waarin volgens de profeten de voorspellingen der eeuwen in vervulling-zouden gaan? Werden de boeken der heilige Schrift, en de voorspellingen der profeten niet voortdurend gelezen in den tempel; waren de psalmen van David niet opgenomen in de gebeden, bij de offers van den Joodschen eeredienst? De grijze Simeon riep juichend uit, als hij het goddelijk Kind in den tempel zag verschijnen : âLaat nu, o Heer! uw dienaar gaan, naar uw woord, in vrede ; want gezien hebben mijne oogen uw Heil, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israel.quot; Ook de profetes Anna loofde den Heer bij de opdracht van Jesus
i03
in den tempel, en sprak over het Kind tot allen, die verlangend waren naar de verlossing van Israël.
De Apostel Philippus zeide bij zijne roeping tot het Apostelschap, tot Nathaniel, een anderen Apostel: âDien, van Wien Mozes in de wet heeft geschreven. Dien hebben wij gevonden, Jesus van Nazareth.quot; Dit woord sloeg op hetgeen Mozes reeds aan het volk voorzegd had: âEen profeet uit uw volk, en uit uwe broeders, zooals ik, zal de Heer uw God u opwekken ; naar Hem zult ge luisteren. De Heer heeft tot mij gesproken : âcenen Profeet, gelijk gij, zal ik hun opwekken uit hunne broeders; en ik zal mijne woorden in zijnen mond leggen; en Hij zal alles tot hen spreken, wat ik hem gelast zal hebben. Zoo echter iemand naar zijne woorden, die hij in mijnen naam zal spreken niet luistert, zal ik als Wreker optreden.quot;
Uit hetgeen wij derhalve omtrent de belofte Gods en de voorspellingen der Profeten hebben aangehaald, blijkt overvloedig de goddeiijhc zending van onzen Heer en Verlosser, Jesus Christus. In Hem zijn al de voorspellingen der profeten vervuld. Joannes de Dooper heeft Hem aangewezen als den Beloofde der volkeren ; als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. God heeft luide van den Hemel uit getuigd, dat Jesus'Zijn welbeminde Zoon is, in Wien Hij Zijn welbehagen heeft Zij allen, die niet opzettelijk besloten hebben, niet te willen gelooven, zij zullen moeten getuigen : Jesus Christus is de Zoon Gods, gekomen om de belofte van het paradijs te vurvullen ; Hij is de Verwachte van alle eeuwen, Hij is de Verlosser
104
en Zaligmaker der wereld, verschenen om zijn volk van de zonde te verlossen, en het rijk Zijner genade op de aarde te grondvesten.
Laten wij in de liefde en dankbaarheid onzer harten Jesus Christus als onzen Koning aanbidden, huldigen en gehoorzamen ; laten wij juichen bij de blijde gedachte tot Zijn rijk te beboeren, ledematen te zijn van Zijne H. Kerk. Roepen wij Hem aan, als het; Licht der heidenen, als den Verlosser der zondaren, opdat Zijn Rijk toekome, en'zich uitbreiden moge over alle landen, over alle geslachten der aarde,
VI.
V oor af heel d in gen van den Messias.
In het vorig hoofdstuk hebben wij u aangetoond, hoe God in Zijne Wijsheid en Goedheid de voorzeggingen der Profeten als middel heeft willen gebruiken, om den toekomstigen Messias aan te wijzen en te beschrijven. Die van goeden wil is, en zijn verstand met ernst wil gebruiken, zal uit de vervulling der voorspellingen van de Profeten iii Jesus Christus moeten erkennen, dat Hij de beloofde Messias is.
Nog een ander middel om den toekomstigen Verlosser aan te duiden heeft God in het Oude Verbond willen gebruiken. Dit middel zullen wij in dit hoofdstuk met u bespreken. Het zijn namelijk de vooraf-heeldingen van het Oude Verbond, die op den toekomstigen Verlosser en Diens rijk betrekking hebben.
Zeggen wij vooraf, wat eene voorafbeelding is. On-
io5
der voorafbeelding verstaat men, gelijk Kanunnik 13. Dankelman in zijne verklaring der Katholieke Geloofs- en Zedeleer zegt: âin het algemeen datgene, wat eene in het ooy loopende gelijkenis heeft met iet: hetwelk nog niet aanwezig is, maar in het vervolg van tijd zal komen. Eene voorafbeelding van den Messias zal dus zijn alles, wat overeenkomstig Gods bedoeling eene in het oogloopende gelijkenis met den toekomstigen Messias en Diens rijk, dat is, met Diens eigenschappen, ambten, daden en lijden, en met de inrichtingen Zijner H. Kerk heeft. Gelijk wij nu de voorspellingen der profeten kunnen noemen de ingevingen Gods in woorden gedaan, zóó kunnen wij de voor afbeelding en noemen de ingevingen Gods, in daden, in feiten gegeven.
Deze voorafbeeldingen nu kunnen zijn óf 'persoonlijke óf zakelijke voorafbeeldingen. Persoonlijke voorafbeeldingen noemen wij die voorafbeeldingen, welke God uitdrukt in het leven en de daden ; in het karakter en in het ambt; in de lotgevallen van eenen persoon, waardoor deze eene in het oog loopende gelijkenis heeft met den toekomstigen Verlosser. Zakelijke voorafbeeldingen worden zij genoemd, wanneer God deze in het oog loopende gelijkenis met den toekomstigen Verlosser in eene of andere zaak uitdrukt. Deze zaak nu kan zijn: bij voorbeeld, het manna; het offerdier ; of wel eene gebeurtenis, als bijvoorbeeld, de redding van Noé door middel van de ark, of eene voor-geschrevene handeling, gelijk het slachten van het paaschlam was. De boeken van het Oude Testament
io6
zijn vol van voorafbeeldingen van beiderlei soort. Immers, volgens 'de eenparige leer der Apostelen, der H. Vaders en der H. Kerk was het Oude Testament niets anders dan eene voorafbeelding van het nieuwe, door den Messias te stichten Testament, waarin in een hoogeren en volmaakten zin voltooid zou worden het Verbond door God met Abraham gesloten. Gelijk het geheele Oude Testament, zoo moesten ook, volgens den wil van God, de voorafbeeldingen het volk voorbereiden op de komst van den Messias, en het aansporen, om Jesus' H. Kerk binnen te gaan.
De voorafbeeldingen nu zijn, even als de voorspellingen der profeten, een nieuw heivijs van de komst des beloofden Messias hier op aarde. Ook zij zijn in Christus vervuld geworden. God nu heeft, eeuwen te voren reeds, in verschillende personen, met hunne daden, ambten en lotgevallen eene in het oog springende gelijkenis gelegd met het leven en karakter, met de instellingen van den toekomstigen Verlosser. Ook dus in de vervulling der voorafbeeldingen in Christus en in Zijne werken getuigt God voortdurend, dat Jesus Christus waarlijk is de Messias, de Verlosser der wereld. Volgens het plan Gods moest geheel het Oude Verbond eene voorbereiding en voorafbeelding zijn van het Nieuwe; waaraan anders toeteschrijven zoovele bijzondere voorschriften door God in het Oude Verbond gegeven, wanneer zij niet tevens moesten strekken tot aanduidingen van hetgeen er volbracht zou worden in het Nieuwe Verbond, in het rijk, dat de toekomstige Verlosser hier op aarde zou stichten. Het
io7
Oude Verbond met zijne wonderbare lotgevalle'i, eigenaardige gebruiken en voorschriften blijft een raadsel, als in het Nieuwe Verbond, in het Christendom niet de oplossing kon gevonden worden. Het Nieuwe Testament, zegt de H. Augustinus, is in het Oude verborgen; en het Oude Verbond wordt in het Nieuwe klaar en duidelijk. Het Oude Verbond kan vergeleken worden met het bouwplan, dat de bouwmeester te voren maakt; dit plan geeft aan, hoe het gebouw worden zal. Wanneer gij op den straatweg cie lange schaduwen ziet, die de naderende wandelaar afwerpt, wordt gij zijne komst, zijne nadering gewaar. De dageraad kondigt u des morgens de komst der zon aan. Evenzoo kondigen iu vele gewichtige daden van de H. Aartsvaders de groote werken aan, door den Messias te volbrengen, en bijna alle plechtigheden door God voorgeschreven bij den eeredienst der Joden ; zij wijzen u op de toekomstige instellingen van Christus, wanneer de schaduwen van het Oude Verbond in werkelijkheid zouden overgaan.
God heeft, zegt Prof. Muré in zijne Bijbelsche Geschiedenis, door feitelijke voorspelling het beeld van den Verlosser, lang vóór zijne komst, onmiskenbaar voor aller oogen afgeteekend. Tot deze voorafbeelding van den Verlosser der wereld en van de Kerk, welke Hij stichten zou, verkoos God, op geheel bijzondere wijze, het Israëlitische volk, aan hetwelk Hij iu deszelfs geschiedenis, voornaamste mannen, en ge-heele inrichting, de duidelijkste en veelzijdigste trekken van overeenkomst gaf met den Verlosser en Zijne
io8
Kerk. Reeds de Apostel Paulus verklaart, dat hetgeen den Israëlieten wedervoer, eene afbeelding was van hetgeen onder de Christenen vervuld is. âdit alles geschiedde hun als zijnde voorafbeeldingquot;, en in al zijne brieven, bepaaldelijk in dien aan de Hebreën, toont hij dit in bijzonderheden aan. Zoo zegt hij bijvoorbeeld,, van de godsdienstige plechtigheden welke de Joodsche wet voorschreef: âZij zijn eene schaduw van het toekomstige.' ' De Heilige Kerkvaders noemen het Oude Testament den hlocsem en den knop, het Nieuwe Testament de vrucht en de ont-lohen bloem.quot; Het geheele Oude Testament, zegt de H. Augustinus, is eene omsluiijerde afbeelding van het Nieuwe. De Aartsvaders, hunne verbonden, woorden, handelingen, hun geheel leven, hunne kinderen waren voortgezette voorspellingen van Christus en Zijne Kerk; geheel het Joodsche volk met zijne gansche geschiedenis was eene groote voorafbeelding van Christus en de Kerk.
Laten wij nu hier tot bevestiging van ons geloof, maar vooral tot stichting van ons hart, eenige der voorafbeeldingen van Christus en Diens werk, uit het Oude Verbond, ons voor oogen stellen.
ABEL.
Nauwelijks dèrtig jaren na de eerste belofte van eenen Verlosser, vloeide het bloed van âAbel den rechtvaardigequot;, die door de hand van zijnen broeder Cain, wreedelijk gedood was, over de aarde.
log
Wie erkent niet in Abel den onschuldigen Herder, Jesus Christus âden Rechtvaardige Gods,quot; den Herder der volkeren, den Vorst, het Hoofd der herders, die door het volk van Israel uit nijd aan het kruis genageld, met zijn heilig Bloed de aarde bevochtigde.
NOE.
In het jaar 1656 na de schepping des menschen, of 2348 jaren vóór de komst van Jezus Christus hier op aarde, had de zondvloed plaats, waarin het geslacht der menschen werd verdelgd van de aarde, uitgenomen het geslacht van Noë, den Rechtvaardige. God toch had gesproken : âHet berouwt mij den mensch ge schapen te hebben, en Hij riep uit: Ik zal verdelgen van de aarde den mensch, dien Ik geschapen heb, en met den mensch de dieren en al wat kruipt, en de vogelen des hemels,quot; Maar te midden der goddeloozen leefde een rechtvaardige, de H. Aartsvader Noë, die een volmaakt man was, en met God wandelde. En God gebood hem: âbouw u een ark, zie ik zal een watervloed over de aarde brengen, en alles, wat leeft op aarde, zal sterven. Maar met u zal ik mijn Verbond gestand doen ; gij zult in de ark gaan met uwe vrouw, uwe zonen en hunne vrouwen. Van alle dieren moet gij één paar, van de reine dieren zeven paar, in de ark opnemen.quot; Noë geloofde aan het woord van God, en bouwde de ark tot behoud van zijn huis. Hoeveel tijd daartoe besteed werd zegt de H. Schrift niet; volgens eene aloude overlevering arbeidde Noë gedurende honderd jaren aan den bouw der ark. Deze arbeid
IIO
zelf was eene voortdurende vermaning tot boetvaardigheid. Daarenboven verhief Noë, dien de H. Petrus een prediker der rechtvaardigheid noemt, onophoudelijk zijne stem tot waarschuwing zijner bedorveae medemenschen. Maar deze sloegen zijne woorden in den wind ; zij leefden voort in zingenot, gelijk onze Zaligmaker zelf verklaart; totdat de tijd, hun door God tot boete en bekeering toegestaan, voorbij was. Toen gebood God Noë en den zijnen binnen te gaan in de ark. âWantquot; sprak hij, ânog zeven dagen, en Ik zal het doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten.quot; Toen de zeven dagen voorbij waren, begon de zondvloed de aarde te overstroomen. Op dien zelfden dag ging Noë in de ark met zijne vrouw, zijne drie zonen en hunne vrouwen, en met de dieren volgens Gods bevel. God sloot de deur der ark van buiten, en het zwellende water hief haar in de hoogte. Alle menschen met al wat op aarde leeft, werden verdelgd : Noë alleen en die met hem in de ark waren, bleven behouden.
Heerlijke voorafbeelding is deze geschiedenis van de roeping der H. Kerk hier op aarde. Gelijk de ark, zegt Professor Muré in zijne Bijbelsche geschiedenis, het eenig middel was van behoud bij de algemeene verwoesting, zoo is er geene zaligheid te hopen buiten de eenige, alleenzaligmakende Kerk. Hij kan God niet tot Vader hebben, zeide de H. Cyprianus, die de Kerk niet tot moeder heeft. Evenmin als iemand buiten Noë's ark den ondergang ontkomen kon, zal iemand buiten de Kerk kunnen behouden worden. De ark had
Ill
slechts ééne deur ; de kerk heeft slechts eenen ingang : (het H. Doopsel.) De ark was een broos vaartuig, een verachtelijk hout, gelijk de H. Schrift haar noemt, en uit eigen kracht niet bestand tegen het woeden der vernielende golven; maar Gods wijsheid bestuurde haar, en maakte haar tot een overwinnend hout. Ook de Kerk was tegenover de woedende vervolgingen, die van haar eerste bestaan af, tegen haar uitbraken, machteloos naar de wereld en beroofd van alle stoffelijke kracht. Maar de Zoon Gods is met haar en verlaat haar niet; Zijn Geest bestuurt het schip der Kerk, en daarom is zij sterk en onoverwinnelijk tegenover de machten der hel en der aarde. Het kruishout, dat eens een hout der verachting was, is en blijft in haai het hout der overwinning. Naarmate de wateren des zondvloeds hooger stegen, hieven zij de ark hooger op ; alle aanvallen en vervolgingen tegen de Kerk hebben slechts gediend, om haar meer te verheffen en hire onvergankelijkheid helderder te toonen en te bewijzen. Als hare vijanden het machtigste zijn, als de nood het hoogste geklommen schijnt, als men haar het ergst verguist en berooft, dan juist viert zij hare schitterendste zegepralen.
MELCHISEDECH.
Ten tijde van den H. Aartsvader Abraham, ongeveer twee duizend jaar na de schepping des menschen, leefde te Salem, het latere Jerusalem, een koning, Mel-chisedech genaamd. Niet slechts koning was hij, maar ook tevens priester van den Allerhoogsten God. Hij
112
offerde aan God een offer van dankzegging op, bestaande in irood en wijn.
Deze Melchisedech was, gelijk de Apostel Paulus aantoont, eene heerlijke voorafbeelding van onzen Heer Jezus Christus. Hij was koning;: zijn naam be-teekent âKoning der gerechtigheid.quot; Hij was koning van Salem, dat ia: Koning des vredes. Christus ge tuigde zelf : âIk ben Koningquot;, en zijne namen zijn: âOnze Rechtvaardigequot;, Vredevorst.quot; Melchisedech was koning cn priester tevens; Christus is Priester en Koning in eeuwigheid. Melchisedech verschijnt in de H. Schrift zonder vader en moeder, zonder vermelding van geslacht, zonder bekend begin van dagen of einde van leven. Van Christus staat geschreven: âWie zal zijn geslacht vermelden?quot; Hij was vóór alle begin, en Zijn leven kent geen einde. Van Melchisedech weten wij alleen, dat hij geofferd en gezegend heeft. Christus offer was de samenvatting van Zijne geheele werkzaamheid op aarde, en door Hem alleen daalt de zegen Gods over de geredde wereld af. Melchisedech's offer bestond uit brood en wijn, en hij verdeelde dien spijs en drank onder Abraham's knechten, om hen te verkwikken na den strijd en te versterken op hunne reis naar hun land. Onze Heer Jesus Christus heeft in het laatste avondmaal Zichzelven, onder de gedaante van brood en wijn, geofferd, en aan Zijne Apostelen gegeven tot voedsel hunner ziel; en aan de Priesters der nieuwe wet verleende Hij de macht om te Zijner gedachtenis hetzelfde te doen, wat Hij had gedaan : Zijn waarachtig Vleesch en Bloed dagelijks aan God op
ii3
te dragen in de heilige Mis, en met die goddelijke offerspijs hunne eigene zielen en die van het geloovige volk te verkwikken in den grooten strijd des heiis, en te versterken op de reis naar het hemelsch Vaderland. En ofschoon de Priesters Zijne dienaren zijn aan het heilig Altaar, Hij toch, Jesus Christus zelf, is de eigenlijke Offeraar, de ware Priester, in wien de voorspel ling vervuld is : Gij zijc Priester in eeuwigheid volger s de orde van Melchisedech.
ISAAK.
In Isaak, den eenigen zoon van Abraham, het kind der belofte, zien wij een andere merkwaardige voorat-beelding van den toekomstigen Messias- Op last van God beklimt hij met zijnen vader Abraham den berg Moria. Op zijne schouders draagt hij het hout, waarop hij aan den Heer als een brandoffer moet worden aangeboden. Zonder de minste klacht laat hij zich binden en biedt aan God het offer van zijn leven aan, terwijl zijn vader de liarid uitstrekt naar het mes om hem te slachtofferen. Wie ziet in dezen Isaak niet treffend voorafgebeeld Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon van den eeuwigen Vader? Jesus draagt op den dag van Zijnen dood zelf het Kruis, waaraan Hij als het Zoenofler voor de zonden der wereld moest sterven, op zijne schouders naar den Calvarieberg; en zonder een klacht te uiten strekt Hij zich uit op het offeraltaar des Kruises en laat zich vastnagelen aan het Kruishout.
quot;4
JACOB.
jacob, een der zonen van Isaak, wordt door zijnen broeder Ezau vervolgd en ter dood gezocht, maar overwint toch ten laatste door zijne liefde den wreeden haat van zijnen broeder. Ofschoon hij de zoon is van eenen rijken vader, woont hij toch een geruimen tijd in een vreemd land, om zich aldaar eene godsdienstige bruid te winnen. Als knecht is hij daar dienstbaar vele jaren lang en erEÃLngt haar ten laatste tot zijne vrouw. Jacob heeft twaalf zonen, onder wie Josef is, zijn lieveling bij uitnemendheid.
Christus wordt door zijne broeders de Joden gehaat en vervolgd en ten laatste ter dood gebracht, maar 'door zijne liefde en barmhartigheid zal hij toch aan het einde der tijden hunnen haat overwinnen, en zullen de Joden zich tot Hem wenden. Ofschoon Christus de Zoon is van den eeuwigen God, komt Hij hier op aarde, en komt hier arm en behoeftig om zich Zijne I Bruid te winnen, de H. Kerk. Na gedurende drie en dertig jaren in de gestalte van een dienstknecht de menschen gediend te hebben, sticht Hij Zijne Kerk, en kiest zich twaalf Apostelen, onder wie Zijn bevoorrechten lieveling, den H. Joannes. Ook in Jacob aanschouwen wii eene treffende voorafbeelding van den Verlosser der wereld.
JOSEF.
Josef, de lievelingzoon van Jacob, wordt door zijne broeders uit nijd en afgunst gehaat en vervolgd, en voor eenige zilverlingen aan heidensche kooplieden
ii5
verkocht. Hij komt in Egypte, en de liefde voor zijne onschuld brengt hem in de gevangenis te midden van twee misdadigers. Een dezer misdadigers wordt begenadigd , de andere veroordeeld. Als begraven in de gevangenis wordt Jozef ten laatste verlost en aan het hof des konings verheven, voor hem moet alle knieën zich buigen ; met den naam van heiland der wereld is hij begroet. Hij wordt de redder van dit volk, maar ook van zijne trouwelooze broeders.
Zoo werd ook Jesus door Judas, Zijn trouweloozen Apostel, voor dertig zilverlingen verkocht aan de Joden en aan den heidenschen landvoogd Pontius Pilatus overgeleverd, door hoogepriesters en ouderlingen des volks is Hij valschelijk beschuldigd ; gekruisigd werd Hij tusschen twee misdadigers, van wie een genade vond bij God. Hij werd begraven, maar Hij stond op uit zijn graf ; was de Redder van zijn volk en de Heiland der wereld, voor Wie zich alle knieën moeten buigen van die in den hemel, op aarde en onder de aarde zijn, aan Wie geen andere naam is gegeven, door Wien zij kunnen zalig worden, dan Zijn Naam, de Naam Jesus, dat is. Zaligmaker en Verlosser.
MOZES.
Mozes was de groote profeet der Joden in het Oude Verbond, Hij was de redder van zijn volk, zuchtend in de slavernij van Egypte, waar het sinds Josef, de lievelingzoon van Jacob, zich gevestigd, gedurende ruim twee honderd jaren geleefd en zich tot een volkrijk geslacht had ontwikkeld. Mozes was een leeraar
116
door God gezonden tot het uitverkoren volk, om Zijne goddelijke wet, Zijne beloften en straffen aan dat volk te verkondigen. Hij was een middelaar tusschen God en de kinderen van Israel. Na vele groote wonderen gedaan te hebben, voerde Mozes het geslacht van Abraham, groot en talrijk geworden, uit Egypte het land der slavernij, in de woestijn; daar stichtte hij eenen bond met den Allerhoogste, en onder aanhoudende wonderen leidde hij de Joden door de woestijn naar het beloofde land, alles aanwendend, om het morrend volk tevreden te stellen, en den vertoornden God door zijne smeekingen te verzoenen.
Zoo werd Mozes, eeuwen te voren, een getrouw en sprekend beeld van den Messias, die door Zijnen god-delijken Vader gezonden werd als Leer aar van alle volken, bijzonder echter voor het uitverkoren volk der Joden ; van den Messias, die optrad als Middelaar tusschen God en de menschen ; Hij de stichter van den nieuwen bond der liefde en genade, die in het Christendom op den bond der vrees is gevolgd.
Mozes wordt als kind wonderbaar gered ; Jesus ontkomt aan den kindennoord van Bethlehem en vlucht naar Egypte. Mozes vast veertig dagen, en ontvangt van God op den Sinai de goddelijke geboden. Jesus, alvorens als openbaar Leeraar optetreden, vast veertig dagen en treedt dan op, om de Wet Gods niet te niet te doen, maar opnieuw in al hare kracht aftekondigen-Mozes geleidde het volk der Joden naar het beloofde land ; Jesus wees alle volken der aarde den weg naai den Hemel, het eeuwig vaderland, beloofd aan alle
n;
menschen. Mozes bidt aanhoudend voor zijn volk. Jesus bracht de nachten üoor in gebed voor ons! Mozes gelaat straalde van de heerlijkheid Gods, die hij op den Sinai aanschouwd had ; Jesus' gelaat blonk op den Thabor, toen Hij voor het oog zijner bevoorrechte leerlingen van gedaante verwisselde. Mozes was de profeet bij uitnemendheid in het Oude Verbond; Jesus is de Profeet van Wien Mozes zelf voorspelde: âEen profeet zal God verwekken uit het Joodsche volk, in Wiens mond Gods woorden zijn zullen. Wie Zijne woorden niet wil hooren, op dien zal Gods wraak nederkomen.quot;
DAVID-
David, de groote koning van het volk der Joden, die Saul, den eersten koning van Israel, opvolgde, toen deze verworpen was door God, is evenzoo in vele voorvallen zijne levens eene treffende voorafbeelding van den toekomstigen Verlosser.
David wordt te Bethlehem geboren en brengt zijne eerste levensjaren in de nederigste verborgenheid door. Onverschrokken treedt hij den trotschen reus Goliath te gemoet, den verwaten vijand van het volk Gods. Met de vijf steenen, die hij zich uitzocht, wapende hij zich in dien strijd' tegen den hoogmoedigen Philistijn, en doodt hem als hij met zijnen slinger een der steenen geworpen heeft in het hoofd van den alom schrikverwekkenden reus.
Ook Jesus wordt te Bethlehem geboren in den nede-rigsten staat, en treedt op tegen den hoogmoedigen
118
duivel, die geheel het menschelijk geslacht ongelukkig gemaakt heeft, en met eeuwigen ondergang bedreigt. Hij kiest zich de vijf wonden, met liefde genomen in Zijn goddelijk Lichaam uit, om zijnen vijand te bestrijden!: de wonde in Zijne zijde, waaruit op Zijn Kruis het water en het bloed vloeide getuigt, dat Hij den duivel overwonnen heeft, en het menschelijk geslacht, het uitverkoren volk Gods heeft gered van den eeuwigen dood.
David wordt de Koning van het uitverkoren volk Gods ; Jesus wordt de Koning van het eeuwig Koninkrijk, Zijne H. Kerk hier op aarde, Zijne zegepralende Kerk in eeuwigheid. Veel heeft David te lijden alvorens hij zijn rijk in vrede stichten zal; zijn vertrouweling Achitopel verraadt hem met duivelsche sluwheid, en sterft gelijk later een Judas, de trouwelooze Apostel, aan een strop. David's eigen zoon Absalon valt hem aan en vervolgt hem- Diep bedroefd vlucht David over de beek Cedron en wordt dan nog gelasterd en met smaad overladen door Semei, een bloedverwant van den verworpen koning Saul. Hij besteeg den olijfberg, openlijk getuigenis afleggend, dat hij zijnen rampspoed in den geest van boetvaardigheid uit Gods hand aannam ; barrevoets en zijn hoofd ten teeken van rouw omhuld, gaat David voort; allen die hem vergezellen, volgen zijn voorbeeld ; zoo bereikt de treurende stoet onder tranen en luide jammerklachten den top van den berg. Daar knielt David aanbiddend neder, om van God bescherming af te smeeken over zich zei-
up
ven en zijne getrouwen, over zijn dierbaar Jeruzalem, waarop zijne oogen rusten.
Ook over deze beek Cedron gaat Jesus op den avond waarin hij werd gevangen genomen door de Joden, verraden door Judas, den Apostel, terwijl Hij in Zijne goddelijke alwetendheid ziet, met welk een booze vreugde de hoogepriesters en oversten des volks vervuld zijn te Jeruzalem, nu het hun eindelijk gelukken zal, om Hem in hunne macht te krijgen, en aan den Kruisdood over te leveren. In den hof van olijven valt Jesus biddend neder op den grond, en stelt onder bloed en tranen, de groote daad van berouw, niet voor Zichzelven, maar voor ons zondaren, wier zondelast Hij vrijwillig op Zich heeft geladen. Gelijk David getroost wordt door zijne getrouwe dienaren, zoo ook komt de Engel af bij Jesus in dit oogenblik van het hevigst zielelijden, om Zijnen Heer en God te troosten- In zijn gebed op den Olijfberg leert David vol barmhartigheid voor zijnen snooden zoon bidden: âSpaar, spaar mijnen zoon Absalom!quot; En Jesus verkondigt het op het oogenblik van Zijne kruisiging, wat Hij gesmeekt heeft in den hof van Olijven: âVader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.quot;
O ziel, die deze bede overweegt, hier moeten wij allen, zondaren gelijk wij allen zijn en schuldig aan den kruisdood van onzen barmhartigen Verlosser, een vluchtig oogenblik verzuchten tot Jesus: âStervende Verlosser! niet wij zijn het, die wagen uitteroe-pen: âVader vergeef ons, zondigend wisten wij niet wat wij deden, maar Gij zijt het, die in Uwe immer
120
ontfermende liefde bidt voor ons: Vergeef het hun! Ach, laat uwe smeekbode voor mij dagelijks opstijgen uit Uw minnend Hart voor den troon Uws Vaders; Moge Hij zijn op uwe lippen, wanneer ik straks zal staan voor Uw ontzaggelijk oordeel, opdat mijne zonden om wille van Uwe smeekingen, vergiffenis vinden bij Uwe goddelijke Rechtvaardigheid.quot;
JONAS.
Waarschijnlijk leefde te Jerusalem, onder de regeering van koning Jerobeam II de profeet jonas, uit wiens leven Christus zelf eene gebeurtenis aanwijst als eene voorafbeeldng zijner verrijzenis uit hei. graf. âGelijk Jonas drie dagen en drie nachten in de ingewanden van het zeegedrocht is geweest, alzoo ^al de Zoon des menschen drie dagen in het hart der aarde zijn.quot; Aldus voorspelde Christus zelf, toen ie Joden van Hem een teeken eischten, ten bewijze van zijn goddelijke macht en zending.
Gij kent de geschiedenis van den profeet Jonas. Hij ontvangt de zending van God, om naar de volkrijke stad Ninivé te gaan, en daar te prediken: âdoet boetvaardigheid, want nog veertig dagen en Ninivé zal vergaan.quot; Jonas, angstig om deze tijding aan deze stad te brengen, tracht aan zijne roeping te ontkomen, en scheept zich in op een schip, dat een geheel andere reis beoogt, dan naar de stad Ninivé- Maar als hij op zee is, verwekt God een storm, zóó hevig en onstuimig, dat al het scheepsvolk vreest te zullen vergaan. In hun angst besluiten zij over alle schepelingen het lot te
121
werpen, om te beslissen, wie van hen den toorn Gods, duidelijk sprekend uit den storin, heeft gaande gemaakt. Het lot viel op Jonas, en het scheepsvolk oordeelde, dat het nuttig was, dat er één omkwam, opdat niet allen zouden vergaan. En Jonas in zee geworpen, werd door een zeegedrocht verslonden, en kwam na drie dagen ongedeerd, levend uit de ingewanden van het dier te voorschijn, wonderbaar uitgeworpen op het strand van de zee der stad Ninivé. Met dit teeken Gods zijner zending wordt zijne komst in de stad Ninivé des te duidelijker. Hij predikt zijne boetpredi-kingen met zulk een kracht, dat de koning van Ninivé met zijn geheel volk opstaat, om boetvaardigheid te doen. De stad bevredigt door hare boetvaardigheid Gods toorn en God spaart haar van de algeheele verdelging, die haar reeds bedreigde.
Jesus gezonden op de wereld om boetvaardigheid te prediken, en den algemeenen ondergang van het menschlijk geslacht te voorkomen, brengt het offe: zijner verzoening voor den schuldigen mensch, en sterft op zijn Kruis. Ook van Hem wordt gezegd, dat het beter is, dat één mensch sterft, dan dat het ge-heele volk verloren ga. In den schoot der aarde wordt Hij begraven, en zijn goddelijk Lichaam blijft drie dagen verborgen voor het oog der wereld. Maar d.' Godheid, die van zijn gestorven Lichaam niet kon weggaan, bouwt zijne Menschheid weder op ; djne Ziel uit zijn Lichaam weggegaan in het oogenblik van zijnen dood op het Kruis, keert weder tot zijn Lichaam in het graf. Hij neemt znn menschelijk leven, opgeofferd
122
voor ons, terug, en Hij verrijst uit zijn graf met dit verheerlijkt Lichaam, dat Hij bezit in alle eeuwigheid. Het wonder van Jesus glorievolle verrijzenis blijft voor alle eeuwen en voor alle volken het groote teeken, het Wonder bij uitnemendheid van Jesus' goddelijke zending hier op aarde. âIndien, zegt de Apostel Paulus, Christus niet verrezen is, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof-quot; Waarom? Wijl Christus uitdrukkelijk dit wonder zijner verrijzenis ten bewijze van zijne Godheid gesteld heeft.quot; âBreekt dezen tempel van mijn lichaam af, en in drie dagen zal ik hem weder opbouwen.quot;
HET PAASCHLAM.
God had besloten, dat het geslacht van Abraham, onder Joseph naar Egypte gekomen, tot een talrijk volk zou opgroeien. âDe zonen Israel's, zoo lezen wij in de H. Schrift, groeiden aan, en vermeerderden zich, en zeer sterk geworden, vervulden zij het land.quot; Zoolang nu het stamhuis van den koning regeerde, die aan Jacob en zijn huisgezin het land Gessen tot woonplaats had gegeven, werden de Joden in Egypte niet verontrust- Maar nauwelijks was er een nieuwe koning over Egypte komen heerschen, of hun rust en vrede waren ten einde. âZiet, aldus sprak deze koning tot zijn volk, de zonen Israel's zijn talrijk en ons te machtig. Laten \yij met overleg hen verdrukken, opdat zij niet nog meer vermenigvuldigen, en niet in geval van oorlog zich met onze vijanden vereenigen.quot; Nu begon voor de Joden in Egypte de onderdrukking, die spoe-
123
dig eene harde slavernij werd- Zij moesten het hardste slavenwerk verrichten. En bij dien arbeid ondergingen zij de wreedste mishandelingen en de bespottingen der Egyptische opzichters, die wisten, dat zij nimmer genoeg de gehate vreemdelingen zouden kunnen kwellen naar den wensch hunner lastgevers. Nadat de Joden nu twee honderd jaren in Egypte geleefd hadden, wekte God Mozes op, om zijn volk te verlossen uit deze harde slavernij, en hen te geleiden naar het land, dat God reeds aan Abraham beloofd had. aan zijn geslacht te zullen geven. âIk heb, alsdus sprak God tot Mozes, de verdrukking van mijn volk in Egypte gezien, en gehoord hun geschrei over de wreedheid van de opzichters huns arbeids. Ik wil hen verlossen uit de handen der Egyptenaren en voeren naar een goed land, dat vloeit van melk en honig. En u wil ik zenden tot Pharao, opdat gij mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypte voert.quot;
Mozes volvoerde de lastgeving hem gegeven door God. Hij verscheen met Aaron, zijn broeder, voor den koning en sprak : ,,Zoo spreekt Jehova, de God van Israël, laat mijn volk uittrekken, opdat het mij ofïere in de woestijn.quot; Dit woord kwetst den hoogmoed van den koning. âWie is Jehova, dat ik naar Zijn woord luistere, en de Joden zou laten uittrekken. Ik ken geen Jehova, en het volk laat ik niet gaan.quot; En met dit woord zond hij smadelijk Mozes en Aaron weg uit zijn paleis, waar zij verschenen waren voor hem. Nu begonnen achtereenvolgens over het land van Egypte de tien plagen te komen, die telkens schrik en angst
I24
brachten te midden der Egyptenaren, en telkens door het gebed van Mozes werden weggenomen, wanneer de koning beloofde het volk Gods uit zijn land te laten weggaan. Maar telkens ook verbrak de dubbelhartige koning zijne belofte, zoodat God, na de negende plaag te hebben weggenomen, die Hij over Egypte had uitgestort, den hardnekkigen koning verwierp en als een geducht Straffer van den koning en diens volk optrad-
God beval Mozes, dat hij aan de Israëlieten zou bevelen, dat ieder hoofd van een huisgezin zich voorzien zou van een lam, dat zonder gebrek, van het mannelijk geslacht en eenjarig zijn moest. Dat dit lam moest geslacht worden en door de Joden gegeten moest worden ; maar dat in het bloed van het lam een bundel van den hysopstruik moest gedoopt worden ; en daarmede den bovendrempel der deur en hare beide posten moesten besprenkeld worden; daarna mocht niemand meer het huis, waar het lam geslacht en gegeten was, verlaten. Want God kondigde aan, dat Hij in het midden van den nacht door Egypte zou gaan, en al de eerstgeborenen zou slaan met den dood, maar de huizen, die geteekend waren met het bloed van het offerlam, zou voorbijgaan.
Terwijl nu de Joden in diepen eerbied, in den aangewezen nacht, vervuld hebben, wat God bevolen had en het vreeselijke strafoordeel Gods afwachtten, weerklinken eensklaps in de stilte van den nacht, de luide wanhoopskreten der Egyptenaren. Een ontzettend gejammer stijgt er op ten hemel uit geheel Egypte. God
125
slaat al de eerstgeborenen ; in één oogenblik sterven duizenden ; in elk huis, zoowel in het koninklijk paleis, als in den kerker, is een doode, op de weiden en in de stallen van het vee heerscht dezelfde dood. Nu roept de diepgeslagen koning nog in denzelfden nacht, te midden van het jammergeschrei van geheel het land, Mozes en Aaron tot zich en gebiedt en dwingt hen, zeggende : âGaat en offert uwen God, voert uwe schapen en runderen mede en zegent mij quot; En de Egyp-tenaren smeekten de Israelieten, dat zij toch ijlings weg zouden gaan ; âgaat toch, roepen zij, anders zullen wij allen nog den dood sterven.quot; Zelfs gunden zij den Joden den tijd niet, om hun brood te bakken, zoodat dezen het ongedeesemde deeg in hunne mantels wikkelden en rauw met zich namen. En zij ontvingen zoovele zilveren en gouden vaten, dat de Joden een rijken buit uit Egypte mede voerden.
Dit paaschlam nu was een treffend zinnebeeld van Jesus Christus, het reine Lam Gods, dat aan het Kruis geslacht werd, en door zijn kostbaar Bloed de men-schen van den eeuwigen dood bevrijdde. Met zijn goddelijk Bloed besproeide Hij het hout des Kruises, en bracht verlossing van den eeuwigen dood aan allen, die met zijn goddelijk Bloed zouden besproeid zijn.
DE ROODE ZEE.
God dan had Zijn volk met straffende hand verlost uit de slavernij van Egypte- Mozes geleidde hen buiten Egypte en een wonderbare kolom, die zich daags als eöh duistere wolk, des nachts als een lichtende vuurzuil vertoonde, ging voor de Joden uit, en bleef hen
126
op hunnen geheelen tocht vergezellen, om hun te zijn tot een onfeilbaren gids, en tevens tot eene hemelsche banier, gelijk die voegde aan het volk Gods. Deze kolom wordt ook een engel Gods genoemd, hetgeen aldus kan verstaan worden, dat een engel haar bewoog en als bezielde.
Maar reeds spoedig gevoelde de koning van Egypte met zijn volk spijt over het vertrek der Joden uit hun land, en in zijn dwazen hoogmoed nog immer het wagend tegen den waren God optetreden, besloot hij met een groot leger de weggetrokken Joden te achtervolgen en hen met geweld te dwingen, naar Egypte terugtekeeren. Tegen het vallen van den nacht krijgen zij de legerplaats der Joden in het gezicht ; zij houden rust, om hen den volgenden morgen aan te vallen, want aan ontkomen was geen denken, daar de nabij liggende zee alle voorttrekken voor de Joden onmogelijk maakte.
Maar God zeide tot Mozes: âGeef bevel aan het volk om op te breken. En gij, hef uwen staf omhoog, steek uwe hand over de zee, en deel haar in tweeën, opdat de zonen Israel's midden door de zee aftrekken over het droge. En de Egyptenaren, zij zullen weten, dat ik de Heer ben.quot; Toen verplaatste zich de won-derkolom, die den Joden vooruitging, naar achteren, zoodat zij tusschen hen en het Egyptische leger stond ; naar voren verspreidde zij een helder licht, doch de Egyptenaren hulde zij in een stikdonkeren nacht, die hun alle beweging tot overrompeling der Israelieten onmogelijk maakte.
127
Mozes stond op het strand der zee en strekte zijne hand uit over hare wateren. âDe zee zag het en vluchtte.quot; Hevige stormwinden grijpen de wateren aan, zweepen ze op uit de diepte, en werpen ze ter rechter en ter linker zijde op elkander. Als ware het vloeiend water in een vasten muur veranderd, zoo staat het aan beide kanten onbewegelijk ; in het midden laat het een breeden weg open voor het volk der Joden. Deze betreden dit wonderbare pad, door God hun bereid, en zij gaan droogvoets tusschen de beide muren van water door.
Den volgenden morgen, bij de schemering van den vroegen ochtend, zien de krijgslieden van het Egyptische leger de Joden niet meer in de legerplaats ; bij het optrekken der nevelen, waarin de zee gehuld lag, zien zi j de verklaring van dezen onverklaarbaren aftocht der Joden. Zij staren op den wonderbaren weg over den drogen bodem der zee, en in de verte nog de achterhoede der Israëlieten, die het strand aan de overzijde van de zee nog niet bereikt heeft. De verblinde koning meent, dat die weg door God voor Zijn volk bereid, ook voor hem en zijn leger zal openstaan. Met zijne ruiters en wagens snelt hij van het strand de zee in. ijlt de Israelieten achterna tot midden tusschen de twee kusten- Toen was het uur der goddelijke wraak gekomen. De wolkkolom, die donker en dreigend boven het Egyptische leger zweeft, breekt eensklaps in plassen van regen los ; de donder ratelt, bliksems schieten op de verschrikte gelederen neder; de grond waarop zij staan beeft en siddert, de schichtige paar-
128
den werpen de strijdwagens tegen elkander en deze botsen om ; de raderen zinken in het doorweekte zand, het geheele leger van koning Pharao is in ontzetting en verwarring. Nog heeft God hen gewaarschuwd, een oogenblik van barmhartigheid gegeven. Daar verschijnt Mozes aan het strand der zee. Zijn volk is gereed, de laatste man van zijn volk is droogvoets door de Roode zee gekomen. âLaat ons vluchten, roepen de Egypte-naren, Jehova strijdt weder tegen ons!quot; Het is te laat! Andermaal strekt Mozes zijne hand uit over de zee, en de wateren keeren weder op hunne plaats ; de golven hernemen haar werk ; hoog op verheffen zij zich ; zij sleuren de Egyptenaren mede naar de diepte ; voetknechten en ruiters met hunne krijgswagens en paarden verzwelgen zij ; niet een man blijft over van dat machtige leger, in de zee worden zij begraven, slechts dooden werpt de zee nu en dan uit op de kusten.
Huiverend van eerbied aanschouwt Mozes met het volk deze ontzettende tuchtiging Gods. Nu verslo nt in den mond des volks ae klacht, die zij den vorigen dag nog uitten: âWaarom, Mozes, hebt gij ons uit Egypte geleid, om ons in de woestijn te doen sterven! Waren er dan in Egypte geen graven, om ons op te nemen, als wij zouden gestorven zijn?quot; Nu geloofden zij in Jehova en aan zijn dienaar Mozes.
De doortocht der Israelieten door deRoode zee was eene voorafbeelding van het H. Doopsel, gelijk ree quot;Is de Apostel Paulus aanwees, toen hij zeide tot de Joden dat al hunne vaders de zee doortrokken en als in de
129
zee gedoopt werden. Gelijk voor de Joden geen andere weg openstond, om ae Egyptische slavernij te ontkomen en in het land der belofte aan te komen, dan de weg door de zee, zoo kunnen wij slechts door het H. Doopsel verlost worden uit de slavernij des duivels, en den weg betreden, die voert naar den Hemel, ons beloofd. In het water der zee werd ue macht van Pharao, den Egyptischen koning, vernietigd ; in de wateren van het H. Doopsel wordt de zonde, die de vijand der ziel is, uitgedelgd, en over hem, die gedoopt is, heeft de booze geen macht meer. Die verlossing uit de macht der Egypteukren was voor de Joden een onverdiende genade. âNiet, zeide later Mozes, omdat gij grooter waart dan de overige volken, maar omdat de Heer u lief had, heeft Hij u met machtigen arm verlost uit het huis der slavernij, uit de macht van Pharao.quot; Moeten ook wij allen niet hetzelfde getuigen. Niet wegens rechtvaardige werken door ons gedaan, maar naar Zijne barmhartigheid heeft Hij ons zalig gemaakt door het bad der wedergeboorte en der hernieuwing des H. Geestes, Welken Hij overvloedig in ons heeft uitgestort door Jesus Christus, onzen Zaligmaker.quot;
Laten we toch allen dankbaar zijn jegens God voor de genade van het H. Doopsel.
HET ZOENOFFER.
Op bevel van God moest de Hoogepriester in het Oude Verbond, nadat hij in den voorhof des tempels den offerdienst had waargenomen, met het bloed van het geslachte offerdier gaan in het Heilige der heili-
5
13°
gen ; daar bracht hij dit bloed als een zoenoffer voor de misdaden des volks voor het aanschijn des Heeren â niet dat bloed besprenkelde hij het verzoendeksel en de ark.
Zoo ging ook onze Hoogepriester Jesus Christus, na zijn offer op aarde gebracht te hebben, met zijn bloed in den Hemel voor den troon des Allerhoogste, om het tot verzoening voor ons aan den eeuwigen Vader aan te bieden.
Ook legde de rloogepriester, volgens het voorschrift Gods, beide handen op het hoofd van het offerdier, terwijl hij luide de zonden van het geheele volk beleed ; en daarna, ids het ware met de zonden van het volk beladen, werd het offerdier, als zoenoffer, in de woestijn gejaagd, waar het den onvermijdelijken dood tegemoet ging.
Zoo werd Jesus, de Godmensch, met ons ajler ongerechtigheden beladen, uit het land der levenden gevoerd ; Hij stierf buiten Jerusalem gesleurd, den offerdood ter verzoening voor de zonden van geheel de wereld.
DE KOPEREN SLANG.
Op hunnen tocht naar het beloofde land, waren de Joden in een dorre en wilde woestijn gekomen. Go'; nu weder, gelijk zoo menigmaal geschiedde, wanneer zij in eene bijzondere moeielijkheid kwamen, werden zij ontevreden, en morden tegen God en tegen Mozes met eene schaamtlooze ondankbaarheid. âWij hebben noch brood noch water, en dit manna, wij walgen van
i3i
dit fiauwe voedselquot; riepen zij uit Maar God trad op tegen zijn ondankbaar volk, om hun te leeren, dat Hij de gaven Zijner goedheid niet ongestraft liet versmaden en beschimpen. Vurige slangen zond God af tegen deze ondankbaren. Zeer velen werden gebeten, en de wonden, die zij ontvingen veroorzaakten door het gif der slangen brandende pijn en zelfs den dood. Onder de slagen van Gods straffende rechtvaardigheid kwamen de morrenden spoedig tot inkeer, en hunne toevlucht nemend tot Mozes, spraken zij : âBid voor ons, opdat God ons van die slangen verlosse.quot; Mozes bad en ontving van God ten antwoord : âMaak eene slang van koper, en hang die op aan een paal, wie gebeten wordt en die slang aanziet, zal leven.quot; Aanstonds deed Mozes wat God hem bevolen had, en wie van de slangen gebeten werd, zag op naar de koperen slang, en werd genezen.
Onze goddelijke Zaligmaker zelf heeft ons geleerd, welke voorafbeelding in de oprichting dezer koperen slang ons in het Oude Verbond werd gegeven. âGelijk Mozes, zegt Hij Zijnen Kruisdood voorspellend, de slang heeft omhoog geheven in de woestijn, zóó moet de Zoon des menschen omhoog geheven worden, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe.quot; De Joden, die in de woestijn leden en stierven aan de beten der giftige slangen, waren het treurige beeld van het menschelijk geslacht, dat gebeten was geworden door de helsche slang, die haar venijn in hunne ziel en in hun lichaam had uitgestort, en hun den dood naar het lichaam en naar dc
133
ziel berokkende. Maar een Kruishout, een paal, werd opgericht op den berg van Calvarie, en aan dien paal werd Gods Mensch geworden Zoon opgehangen, opdat Hij niet slechts een toeken, maar de werkende oorzaak van behoud zou zijn. Toen was de doodende macht der helsche slang gebroken, want wie in geloof en vertrouwen opziet naar het heilig Kruis, hij sterft den dood der zonde niet, maar wordt genezen en zal leven in eeuwigheid.
En de koperen, de doode, onschadelijke slang, welke door Mozes werd opgehangen aan den paal in de woestijn, was het afbeeldsel van den duivel, wien Christus, toen Hij aan het Kruis stierf, het hoofd verpletterde, en wien Hij de heillooze macht over den verlosten mensch ontnam- Want Christus stierf aan het Kruis niet om dood te blijven, maar om Zelf en in zijne verlosten te verrijzen ; de duivel werd overwonnen in hetzelfde oogenblik, waarin hij meende te overwinnen, en als een doode slang werd hij voor immer gebonden aan den paal. âDe slang, zegt Tertulianus, aan een paal opgehangen, was eene voorafbeelding van Jesus' Kruis, dat ons van de duivelsche slang zou verlossen, terwijl het de paal werd, waaraan de duivel, die ge-doode slang, is opgehangen geworden.quot;
HET MANNA.
Eéne maand was er voorbijgegaan sinds Mozes het volk uit Egypte in de woestijn gevoerd had, en de levensvoorraad, die zij uit Egypte hadden medegevoerd, en die hun tot nu toe ten voedsel verstrekt had.
1.33
was verteerd; in de woestijn was geen voedsel te vinden. Van waar spijs voor zulke talrijke menigte te vinden? âAch, zoo morden de Joden tegen Mozes en Aiiron, had de hand des Heeeren ons maar doen sterven in Egypte, toen wij wij bij de vleeschpotten zaten en brood hadden in overvloed.quot; God hoorde hun gemor, doch in plaats van hen voor hun wantrouwen en hunne onbegrijpelijke ondankbaarheid te straffen, wilde Hij hunnen wenseh voldoen : God zelf zou hun brood geven. âDezen avond zult gij de glorie Gods aanschouwen-quot; Tegen den avond viel een menigte vogels, wachtels geheeten, neder in het kamp der Israëlieten, en bedekten den grond, zoodat zij met de hand konden gegrepen worden.
Maar den volgenden morgen was de grond, zoover men zien kon, bedekt met kleine korrels, kogelrond van gedaante, en'doorschijnend wit van kleur. Dit was het manna, het brood, dat God beloofd had aan Zijn volk te zullen geven. Dit hemelsch wonderbrood was het voedsel der Israëlieten gedurende al de jaren hunner omzwerving in de woestijn, totdat zij de grenzen van Kanaan, het beloofde land, bereikten.
In het manna, die wonderbare spijs welke in de woestijn dagelijks van den hemel regende, zien wij eene voorafbeelding van het levende Hemelbrood, dat in de H. Kerk dag aan dag op het altaar nederdaalt tot een spijs voor de geloovigen, het Allerheiligste Sacrament. Gelijk het manna, dat tegelijk met den dauw uit den hemel nederviel, aan de Joden werd gegeven, opdat zij niet van honger zouden sterven, zoo
134
heeft onze Heer Jesus Christus, naar Wicn Oudvaders en Profeten hadden verzucht: âDauwt, hemelen, vaa boven ; wolken, regent den Rechtvaardige af,quot; eene spijs gegeven aan de Zijnen, opdat hunne zielen niet van honger bezwijken zouden-
Zoolang de Joden in de woestijn omzwierven, aten zij het hemelsch brood ; Christus blijft in Zijn aanbiddelijk Sacrament de spijs der zielen, zoolang er menschen de woestijn dezer wereld doortrekken; want daar vooral vervult Hij zijne belofte: âIk ben met u alle dagen tot het einde der eeuwen.quot;
Rein en wit was het manna ; rein en wit is de broods-gedaante, waaronder de Zoon van God in het Allerheiligste Sacrament tegenwoordig is. , Zoet was de smaak van het manna, alle aangenaamheid vereeni-gend, en zich naar ieders smaak schikkend. In de H. Communie wordt gesmaakt en ondervonden, hoe zoet de Heer is, want daar ontvangen wij den Gever der genade met al de volmaaktheid Zijner gaven; daar wordt ieder heilig verlangen voldaan, elke wensch der rechtvaardige ziel bevredigd.
De Joden ontvingen het manna eerst, nadat zij door de Roode zee waren getrokken ; alleen voor den Christen, die in de wateren van het H. Doopsel is gewas-schen, heeft onze Verlosser Zijnen heiligen Maaltijd aangericht-
Het manna onderhield het lichamelijk leven der Israëlieten, maar toch stierven allen, twee slechts uitgezonderd, die er van gegeten hadden in de woestijn. Het aanbiddelijke Sacrament des Altaars onderhoudt
135
het leven onzer ziel, dat voortduurt in eeuwigheid, en is tevens voor ons lichaam het zaad der onsterfelijkheid, dat op den dag van de algemeene verrijzenis rijpe vruchten zal voortbrengen. Voor ziel en lichaam beiden is het Allerheiligste Sacrament het onderpand der toekomstige heerlijkheid.
VII.
DE H. SCHRIFT.
Reeds meerdere malen hebben wij gesproken over den Bijbel, of de H. Schrift; U gewezen op gebeurtenissen, die ons in de Heilige Schrift verhaald worden, ten bewijze van de waarheden, die wij voorhielden ; ons beroepen op woorden en gezegden, die in de H. Schrift staan opgeteekend, en nog niet hebben wij uiteengezet, wat de H. Schrift is, en welk gezag wij haar moeten toekennen ? Toch kan het nuttig zijn ook hierover te spreken. Wij willen derhalve beginnen deze beide vragen te beantwoorden- Vooreerst, Wat is de H. Schrift? en ten andere: Welk gezag moeten wij aan de H. Schrift toeschrijven?
I. Wat is de H. Schrift? De H. Schrift is eene verzameling van boeken, welke, onder ingeving en bijzonderen bijstand des H. Geestes geschreven, door de H Kerk als het woord van God erkend worden. Zij wordt ook Bijbel genoemd, en dit woord van de Grieksche taal genomen, beteekent HET boek bij uitnemendheid. De H. Schrift nu wordt verdeeld in boe-
136
ken des Ouden en des Nieuwen Testaments. De boeken des Ouden Testaments bevatten de goddelijke openbaringen vóór de komst van Christus aan het menschdom gedaan ; de boeken van het Nieuwe Verbond behelzen de openbaringen, welke wij van Christus en de Apostelen ontvangen hebben.
Alvorens wij verder gaan, nog deze vraag : Wat zijn de boeken van de heilige Schrift? met andere woorden, wat verstaan wij hier onder het woordboekenquot; ? Ziehier het antwoord;
In verschillende tijden en door onderscheidene schrijvers zijn boeken samengesteld ; deze boeken behelzen vooreerst de geschiedboeken Van het Oude Testament, waarin de schepping der wereld, de lotgevallen van de H. Aartsvaders en van het Joodsche volk verhaald worden. Vervolgens zijn het de Leerboeken 01 de verzamelingen van Psalmen, Spreuken en zedeles-sen, door verschillende schrijvers in het Oude Verbond geschreven- Ten derde, zijn in de H. Schrift opgenomen de profetische boeken, welke meerendeels voorzeggingen, vooral aangaande den Verlosser der wereld bevatten.
Het Nieuwe Testament bestaat:
1. uit de vier Evangeliën, volgens de H. H. Mat-theus, Marcus, Lucas en Joannes, waarin de geschiedenis van de geboorte, het leven, het lijden en de verheerlijking van den Verlosser verhaald wordt;
2. uit de geschiedenis der Apostelen, beschreven door den H- Lucas;
3. uit de Brieven van den H. Paulus en andere
137
Apostelen, welke handelen over de geloofs- en zede-leer ;
4. bevat de H. Schrift van het Nieuwe Testament de Apocalypsis of het boek der Openbaringen van den H. Joannes, waarin voorzeggingen, kvooral over den strijd en de overwinning der Kerk gegeven worden-
Hoe nu moeten wij de H. Schrift beschouwen ? Met andere woorden, welke waarde moeten wij aan de boeken der H. Schrift toeschrijven?
Wij kunnen op een tweevoudige wijze deze boeken beschouwen. En wel als boeken door God zeiven ingegeven, dat wil zeggen, op ingeving van den H. Geest en onder Zijne leiding door de gewijde schrijvers geschreven ; als boeken dus van God zeiven afkomstig, en die God tot Maker hebben ; boeken dus die werkelijk genoemd moeten worden âGods woordquot; en voor ons derhalve een onfeilbaar gezag hebben.
Ook kunnen wij deze boeken beschouwen als geschiedkundige oorkonden, die enkel ook op mensche-lijke gronden een volkomen vertrouwen verdienen, en bijgevolg feiten en gebeurtenissen verhalen, die volstrekt geloofwaardig zijn.
1. Dc H. Schrift, het woord van God.
Wij willen vooreerst de boeken beschouwen als het woord Gods, voor ons dus bezittend een goddelijk gezag- Ook de geloovige Protestanten hebben, gelijk wij weten, een grooten eerbied en kennen een hoog
138
gezag toe aan den Bijbel- Een groot verschil is er echter tusschen de wijze waarop de Protestanten den Bijbel aannemen, beschouwen en verstaan, en tusschen de wijze waarop wij, Katholieken, de H. Schrift, den Bijbel aannemen, beschouwen en den zin harer woorden verstaan, Wij, Katholieken, ontvangen den Bijbel uit de handen der H. Kerk, die ons met onfeilbaar gezag leert, welke boeken wij als het woord van God moeten aannemen; haar onfeilbaar getuigenis geeft ons zekerheid, dat de Bijbel, zooals hij ons door de H. Kerk wordt gegeven, het onder Goddelijke ingeving geschreven boek is.
Vervolgens nemen wij, gelijk wij boven sprekend over de overlevering zeiden, van dezelfde hand der H. Kerk, met gelijken eerbied de traditie, de overlevering, als tweede kenbron der goddelijke openbaring aan, dat is als het ongeschreven woord van God, hetwelk niet in de boeken der H. Schrift vervat is-
Eindelijk, de Protestanten belijden, dat een ieder gerechtigd is, den zin der H. Schrift te bepalen, dat een ieder uit den Bijbel oordeelen of beslissen moet, wat hij moet gelooven en doen om zalig te worden ; met andere woorden, het eigen onderzoek in den Bijbel geeft den Protestant aan, wat hij van de waarheden Gods, van Diens wetten en bevelen als het Geloof zal aannemen en beschouwen. Wat echter is de waarheid, die wij. Katholieken, belijden en moeten aannemen? Aan de Kerk is het voorbehouden onder den bijstand van den H. Geest, de lijst of canon der Heilige Boeken van den Bijbel vast te stellen, en den zin van den ge-
wijden tekst aan te geven en te verklaren. Hier dus vervalt het persoonUjlc beslissen, wat H. Schrift is of niet; hier wordt bepaald door het onfeilbaar gezag der H. Kerk zelve, wat de zin, wat de heteeJcenis is der verschillende schriftuurplaatsen; hier treedt de H. Kerk op in de volheid van Haar onfeilbaar Leeraarsambt. Kortom, het levende leeraarsambt der levende Kerk, het onfeilbaar leergezag, dat Jesus Christus aan Zijne H. Kerk heeft gegeven, ziedaar het beginsel, hetwelk het geloof quot;der Katholieken bepaalt.
Reeds meerdere malen hebben wij U gesproken over de H. Schrift, als door God, door den H. Geest inyegeven. Wat hebben wij onder dit woord ingeving te verstaan ? Met andere woorden, op welke wijze handelt God, wanneer Hij een of anderen mensch Zijn woord ingeeft?
Of wel door een uiterlijken, of wel door een inner-lijken- invloed zet God eenen mensch werkdadig tot schrijven aan. God doet dezen mensch op meer of mindere omstandige wijze de zaken kennen, welke Hij door de hand van dien mensch wil schrijven, en terwijl de schrijver aan de uitvoering van dit goddelijk plan werkt, helpt en leidt hem de H. Geest, opdat niets in zijn geschrift afwijke van de bedoelingen Gods, Wiens werktuig de schrijver is- De mensch is een werktuig in de hand van God, maar hij is een levend werktuig, begaafd met verstand en wil, en God beneemt hem, terwijl Hij zich van den schrijver bedient, niet van het gebruik dier beide vermogens. God staat aan dien mensch toe de goddelijke gedachte.
14U
welke hem is medegedeeld, op zijne wijze op te vatten en haar uit te drukken, zooals het hem het geschiktste voorkomt. Voor eene zaak echter zorgt God, en wel, dat Zijne gedachte getrouw door den schrijver wordt weergegeven. Bij sommige gelegenheden geeft God aan den schrijver zelfs de woorden in, waardoor de goddelijke gedachte moet worden uitgedrukt, maar ge woonlijk worden die woorden en de ordening van de ondergeschikte bijzonderheden van het geschrift, aan de keus van den schrijver overgelaten, die echter ook daarbij nog altijd onder de leiding blijft van den H. Geest en Diens hulp ontvangt. Somtijds doet God Zijne gedachte aan den schrijver kennen, zonder dat deze door zijne handelingen er iets toe bijdraagt, maar menigmaal ook wil God, dat de schrijver door eigen voorafgaanden of gelijktijdigen arbeid medewerkt, om de goddelijke gedachte te leeren kennen. Het is dus volstrekt niet met de goddelijke ingeving in strijd, dat bijvoorbeeld, een schrijver om een geschiedkundig geschrift samen te stellen zich bedient van reeds bestaande oorkonden, gebruik maakt van hetgeen hij zelf zich herinnert; onderzoekingen instelt en anderen ondervraagt, die van de gebeurtenissen getuigen waren. Alles nu, wat op de hier aangegeven wijze onder de goddelijke ingeving is geschreven, is het woord van God, dat onfeilbare waarheid bevat. Daaruit volgt, dat de Bijbel in zijn geheel en in al zijne deelen een goddelijk gezag heeft. 1)
') W. Devivier. S. J. Apologie des Christendom .
Hi
Uit hetgeen wij hier hebben verklaard over de ingeving van de H. Schrift, zult gij gemakkelijk kunnen inzien, met welk een gezag, bijvoorbeeld, de priesten; in hunne onderrichtingen en predikatiën, ons voorgehouden in onze kerken, zich beroepen kunnen op de uitspraken van God, opgeteekend in de H. Schrift. Terwijl zij de roeping hebben en den plicht om ons de Woorden der H. Schrift voor te houden en uit te leggen naar den zin, die door de onfeilbare Kerk er aan gehecht wordt, zijn voor ons deze woorden der H. Schrift de uitspraken van God zeiven, ons toegesproken door de Eeuwige Waarheid, die ons niet kan en niet wil bedriegen. Zij dienen ons echter niet. alleen, om ons te leeren en te onderrichten in de geloofswaarheden, die wij moeten aannemen en belijden, maar ook strekken zij om onzen wil over te halen en te bevestigen in het beoefenen van het goed en in het ontvluchten van het kwaad, om ons de deugd te doen beminnen, en ons de zonde te doen haten. Dragen wij dan er immer de hoogste zorg voor, om den eerbied voor Gods woord in onze harten te bewaren, en vermijden wij alles, wat den indruk, door de woorden der H. Schrift op onze zielen te maken, zou kunnen verflauwen en verminderen. Er zijn meerderen van die zoogenaamde aardigheden in omloop onder de menschen, en telkens worden er nieuwe uitgedacht, die hare geestigheid moeten vinden in een schandelijk misbruiken van de woorden der H. Schrift. De H. Schrift is het woord Gods, en als zoodanig is Zij te verheven, om tot opwekking van onzen lachlust te strekken. De H.
142
Schrift moet ons leeren en den weg naar den hemel wijzen ; ieder misbruik, dat gemaakt wordt van de woorden der H. Schrift, is misplaatst, doet tekort aan den eerbied, dien wij voor Gods woord moeten hebben, en heeft tengevolge, dat ongemerkt in ons wordt weggenomen die heilige ernst, waarmede wij tegenover het woord Gods immer moeten vervuld zijn. In den tweeden brief aan zijnen leerling Timotheu^ schrijft de H. Paulus : âAlle van God ingegeven schrift is nuttig tot onderrichting, tot wederlegging, tot verbetering, tot opvoeding in de gerechtigheid,quot; dat wil zeggen : tot opvoeding in een godsdienstig en deugdzaam leven. âLevend is het woord van God, zegt de H. Paulus, in zijn brief aan de Hebreën, en werkdadig, en doordringender dan alle tweesnijdend zwaard.quot; Stellen wij nimmer oorzaak, dat op onze harten, wuft en lichtzinnig, misschien verhard geworden, het zwaard van Gods woord afschampe ; in smart zouden wij ontberen den troost, dien Gods woord den mensch instort; in den strijd zouden wij wellicht het wapen missen, waartegen onze vijand niet bestand is ; in de duisternis van onzen geest misschien het licht niet zien, dat den mensch uit Gods woord toeschijnt.
2. Geschiedkundige ivaarde van de li. Schrift.
Maar ook kunnen en mogen wij den Bijbel beschouwen als samengesteld uit verschillende boeken, die cene geschiedhundige waarde bezitten.
De H. Schrift verzekert ons, dat God den menschen
143
waarheden geopenbaard heeft, en stelt ons een groot gedeelte daarvan voor. Indien nu aangetoond wordt, dat geen enkel geschiedkundig boek grooter gezag heeft dan de H. Schrift, zoo zijn wij genoodzaakt het bestaan der goddelijke openbaring aan te nemen- Dat bewijs nu willen wij hier geven.
Als het bewezen is : I. dat deze boeken geschreven zijn door die mannen, wier namen zij dragen ; 2. dat zij onvervalscht en ongeschonden tot ons zijn gekomen ; en 3. dat de schrijvers zeer geloofwaardig zijn, dan moeten wij erkennen, dat zij als geschiedkundige boeken het hoogste gezag hebben, en dat ons verstand ons dwingt de gebeurtenissen, daarin vermeld, aan te nemen. Het zou voor ons doel echter te breedvoerig worden, indien wij aldus de geschiedkundige waarde van alle boeken der H. Schrift gingen bewijzen. Bovendien hem. die deze bewijsvoering geheel zou willen volgen, kunnen wij gemakkelijk verwijzen naar het boven reeds aangehaalde âHandboek der Katholieke Godsdienstleerquot;, een handboek, dat voor hen die op degelijk onderricht in onzen godsdienst prijsstelten, alleraanbevelenstwaardig is, en in het Christelijk huisgezin naast den Kate-chismus eene eereplaats toekomt. Toch willen wij twee dier bewijsvoeringen u voorstellen, en wel van het Oude Verbond, dat de vijf boeken van Mozes onvervalscht aan ons zijn overgeleverd; en van het Nieuwe Verbond, dat de H. Evangelisten, ook alleen beschouwd als geschiedschrijvers, allergeloof waardi(j$t te Jioemen zijn.
144
A. De vijf hoeken van Mazes.
Immers van de Vijf boeken van Mozes, waarin ons achtereenvolgens de geschiedenis verhaald wordt van de schepping der wereld af, tot den dood van Mozes, zouden ongeloovigen kunnen vragen, wie waarborgt mij, dat zulke oude geschriften door Mozes geschreven, in het verloop der eeuwen onvervalscht gebleven zijn en ongeschonden, gelijk zij door den ge-loofwaardigen Mozes werden opgesteld, aan ons zijn overgeleverd. Beginnen wij aanstonds met voorop te stellen, dat de vijf boeken van Mozes, gedurende den geheelen duur van de Joodsche geschiedenis, in groote eer werden gehouden bij de Joden. Dat geschiedboek door Mozes zeiven geschreven, was de grondslag van het leven der Joden ; was er in het verloop der eeuwen eene veranderring gebracht in dat boek, dan zou daaruit noodzakelijk gevolgd zijn eene verandering in de godsdienstige begrippen, in de wetten en gebruiken in de zeden van het Joodsche volk. Wat zou het gevolg zijn geweest van zulk eene verandering? Een krachtig verzet zou opgerezen zijn te midden van het volk, dat zich beroepen zou op hetgeen hun wetgever Mozes geschreven heeft. Dat boek was bij de Joden geen vergeten boek, integendeel het bleef in de handen van den hoogepriester en de geleerden van het volk gedurende alle eeuwen van de Joodsche geschiedenis. In den tempel te Jeruzalem en in de synagogen werd het voor het volk gelezen en uitgelegd. De beroemde geschiedschrijver der Joden, Flavius Josephus, getuigt,
145
dat de Joden eene hoogst nauwkeurige kennis hadden van dit Boek, âniemand, zegt hij, heeft ooit de stoutheid gehad, er het minste bij te voegen, af te doen, ol te veranderen.quot;
Daarenboven, wie zouden dat boek hebben moeten vervalschen? Stellig de Joden niet, want indien zij de vervalsching zouden gepleegd hebben, hoevelen gebeurtenissen, die in het boek van Mozes zijn opgetee-kend, en slechts tot oneer van hunne voorouders strekken konden, zouden zij dan veranderd, of geheel weggelaten hebben- Waren de heidenen misschien de ver-valschers? Maar waarom dan zouden zij de wonderen, die Gods bestaan bewijzen, niet uitgeschrapt hebben/1 Vvellicht na de verschijning van den Messias hier op aarde, de Christenen? O, wat zouden de Joden opgekomen zijn tegen die vervalsching, gepleegd door de Christenen, zij die met een bitteren haat, door alle eeuwen heen, Christus' Kerk blijven halen en vervolgen. Hoe zouden zij den tijd, waarin de vervalsching gepleegd was, aangewezen en den vervalscher gebrandmerkt hebben!
Dit zij ons genoeg, om enkel reeds op geschiedkundige gronden te bewijzen, dat de boeken van Mozes onvervalscht tot ons zijn overgekomen.
Maar ook van het Nieuwe Verbond willen wij hiei een enkel bewijs aangeven, dat ook op menschelijke gronden alleen aan de H. Schrift de hoogste geschiedkundige waarde moet toegeschreven worden.
B Geschiedhundige waarde der II. Evangeliën.
Als wij zien, hoezeer de ongeloovigen van alle eeu-
146
wen in de Christelijke tijden zich vergeten hebben, en zelfs den Goddelijken Persoon van Jesus Christus hebben verguisd en gelasterd, dan moet het ons niet verwonderen, dat zij ook zich niet geschaamd hebben, om de H- Apostelen, de H. Evangelisten, als verval-schers der geschiedenis, als bedriegers van het volk lasterlijk te beschuldigen en aan te duiden. Stellen wij tegenover dezen laster de volgende bewijsvoering: âDe H. Evangelisten zijn in alle opzichten ten zeerste geloofwaardig.quot;
!. Vooreerst de H. Evangelisten hebben niet in dwaling kunnen verkeeren aangaande de gebeurtenissen, welke zij mededeelen. Immers zij verhalen slechts wat zij zelve gezien hebben. De H- Evangelisten Mat-theus en Joannes waren Apostelen, die gedurende drie jaren voortdurend aan de zijde van den Verlosser geleefd hadden en derhalve ooggetuigen geweest zijn van de gebeurtenissen, welke zij verhalen ; zij treden bij die gebeurtenissen dikwijls zelfs als handelende per sonen op. De H. Evangelist Marcus was een leerling van den H. Petrus ; de H. Lucas, een leerling van den H. Paulus. Wat zij schreven, konden zij met de grootste nauwkeurigheid weten-
Bovendien, de feiten, welke zij mededeelen, waren kort te voren geschied ; zij hadden allen in het open ⢠baar plaats gehad, en dikwijls in tegenwoordigheid van eene groote volksmenigte, ja zelfs van de vijanden van Christus, die deze daden niet loochenden, maar alleen poogden ze door eene tusschenkomst des duivels uit te leggen. Jesus' daden waren daarenboven van het
147
allerhoogste gewicht voor den godsdienst' van het Joodsche volk, zij strekten om aan te toonen en te De-wijzen, dat de beloofde Messias verschenen was. Het waren buitengewone en wonderdadige feiten, die de Joden voor hunne oogen zagen geschieden ; die daden trokken dus op bijzondere wijze hun aandacht, en het volk beoordeelde ze met de hoogste belangstelling' Het volk prentte die verschillende uaden, zoo wonderbaar en dikwijls met zooveel goedheid door Jesus gedaan, in hun geheugen ; een ieder verhaalde ze in den kring, waarin hij leefde, zelfs Jesus vijanden namen die feiten als wonderbaar zonder voorbehoud aan.
Zouden de H. Evangelisten, ook dan wanneer zij het; gewild hadden, het volk hebben kunnen misleiden, met daden te beschrijven, die niet geschied waren, of op zulk een wijze te verhalen, ais zij niet geschied waren ; terwijl het volk Jesus' daden kende en van mond tot mond aan elkander verhaalde? Zouden de H. Evangelisten de woorden van Jesus prediking hebben kunnen vervalschen, en in anderen zin voorstellen, dan waarin zij door Hem gesproken waren ; terwijl toch onze Verlosser zelf het kon getuigen voor den Hooge-priester, dat Hij altijd openlijk tot de wereld gesproken had, en een beroep deed op hen, die Hem gehoord hadden: âOndervraag hen, die gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb ; zie, dezen weten wat ik gezegd heb.quot; Neen, de laster aan de H. Evangelisten aangedaan, achterhaalt gemakkelijk zichzelf. â Verder zij zouden niet het minste belang gehad hebben, om zulk eene verfoeielijke daad te stellen. Zonder eenige
148
reden maakt niemand zich tot een bedrieger. Hebben de H. Apostelen, hebben de H. Evangelisten eemg tijdelijk voordeel getrokken, hetzij dan van de zijde der Joden, hetzij dan van de zijde der Heidenen? Konden zij althans hopen op zulk een voordeel? Jesus had hun immers voorspeld, dat de leerling niet beter is dan zijn Meester, en dat gelijk de wereld Hem vervolgd heeft, zoo ook zij vervolgd zullen worden. Verachting, beleedigingen, vervolgingen, eindelijk den dood, ziedaar wat zij zich moedig en heldhaftig in het vooruitzicht stelden. âIk geloof, zegt een geleerde schrijver, volgaarne geschiedenissen, wanneer zij, die ze verhalen, zich ter bevestiging daarvan laten ter dood brengen.quot;
De H. Evangelisten wilden de wereld niet bedriegen ; zouden zij het hebben hurmen doen ook dan, wanneer zij het gewild hadden?
Verbazen wij ons over de ongerijmdheden, die uit den laster moeten voortvloeien! De H. Evangelisten waren allen, wanneer wij den H. Lucas uitzonderen, ongeletterde en onbeschaafde menschen- Is het te denken,dat zulke menschen instaat zouden zijn geweest, om een persoon in hunne geschriften uit te denken, gelijk zij Jesus in zijn optreden, in zijn omgang met het volk, in zijne woorden en werken ons in hunne Evangelien beschreven hebben, terwijl dit niets dan verdichting en bedrog zou geweest zijn? Die onwetende lieden zouden eene leer uitgevonden en aan hun held Christus hebben toegeschreven, welke door heiligheid, verhevenheid en diepzinnigheid alles over-
149
treft, wat ooit door de beroemdste heidensche wijsgee-ren is uitgedacht! En die mannen, even onwetend als slecht, zouden die fabelen, welke slechts uitvindingen hunner verbeelding heeten, geschreven hebben op eene wijze zóó eenvoudig en ongekunsteld, als nog nooit iemand geschreven heeft. En dit zouden vier mannen gedaan hebben, die ieder op hunne wijze het leven van Jesus beschreven, niet in overleg met elkander, want de H. Joannes schreef zijn H. Evangelie vele jaren later, dan de overige Evangelisten, maar gescheiden van elkander levend, terwijl ieder der H. Evangeliën het eigenaardig kenmerk draagt van het doel, waarvoor het is geschreven geworden; en toch zoo volmaakt met elkander overeenkomend, dat men er geen enkele tegenstrijdigheid in kan vinden. Daarenboven, dit bedrog zou zoo volkomen geslaagd zijn, dat deze mSnnen, die dan toch als ellendige bedriegers moeten aangezien worden, niet alleen het eeuwenoude en ingewortelde Jodendom ten val brachten, maar ook het Heidendom, dat gesteund werd door de rijkdommen, de wetenschap, de staatsmacht en de aantrekkelijkheid van eene zedenleer, welke de hartstochten begunstigde ; ja zelfs het zou hun gelukt zijn, de geheele wereld rouwmoedig te doen nederknielen voor de voeten van eenen, die gekruisigd was, en dien zij tot een held hadden verheven! De godsdienst van Jesus Christus, het Christendom der eeuwen, door de geleerdste mannen beleden ; door de edelste heldhaftigste vrouwen beoefend ; door de duizendtallen van Martelaren met hun bloed bezegeld; door de Heiligen
ISO
aller eeuwen in zijne evangelische raden beleefd; die godsdienst, die sinds achttien eeuwen stand houdt, trots alle vervolgingen van machtigen en van keizers, die g'odsdienst zoude tot grondslag hebben eene leugen, door enkele onbeschaafde menschen uitgedacht en over de wereld verspreid ? En God zou dit bedrog gesteund hebben door de voorzeggingen, welke die mannen verzonnen en op bedriegelijke wijze aan Jesus toeschreven, in vervulling te doen gaan, en tevens door in den loop der eeuwen ontelbare wonderen ten gunste van hunne leerlingen en volgelingen te werken! God zelf dus zoude er toe medegewerkt hebben om het menschdom in dwaling te brengen ! Wie zal ook zelfs één dezer ongerijmdheden durven volhouden en onderschrijven!
Inderdaad, indien waar was, wat tegen de H. Evangelisten in dit punt door de ongeloovigen wordt opgeworpen, dan zouden wij met recht kunnen uitroepen: âHeer! indien wij in dwaling verkeeren, dan zijn wij door U zeiven bedrogen, want die waarheden des Ge-loofs, in de H. Evangeliën ons geleerd, zijn door zoo-velen teekenen ën wonderen bevestigd, en door zoo-danigen, welke slechts door U kunnen geschied zijn!quot;
Besluiten wij dit hoofdstuk met eene gebeurtenis te verhalen, die in het leven van den H. Spiridion voorkomt. Deze Heilige was de zoon van een eenvoudigen landman en hij werd schaapherder. Hij stierf in het jaar 348 onzer Christelijke tijdrekening. Ofschoon geheel afgezonderd levend van de menschelijke samenleving, trokken toch zijne naastenliefde en de beminnelijkheid
i5i
van zijn hart ontelbaren naar de eenzaamheid, welke hij zich vrijwillig had uitgekozen. Ja, zóó groot was zijne liefde voor de menschen, dat zijn hart bedroefd was en er onder leed, wanneer iemand weigerde van zijne gastvrijheid gebruik te maken. Zijne heilige levenswandel en de vele wonderen, waarmede God zelf zijn rechtvaardig leven wilde bevestigen, maakten zulk een indruk op het volk, dat, zeker op ingeving van God, hij algemeen door het volk tot Bisschop werd uitgeroepen, ofschoon hij zelfs nog geen Priester gewijd was. Wat hem aan menschelijke wijsheid mocht ontbroken hebben, vulde God op wonderbare wijze aan. Ook als Bisschop bleef hij in denzelfden eenvoud leven. Den keizer Konstantinus genas hij van een ernstige kwaal, waaraan deze lijdend was, door zijne hand over het hoofd des keizers zegenend uit te strekken. In zijne dankbaarheid bood de keizer den Bisschop een grooten som gelds aan. Voor zich zeiven iedere geldelijke belooning versmadend, sprak de Heilige deze merkwaardige woorden tot den keizer: âGij moet, o keizer! eene weldaad U bewezen, niet met kwaad vergelden. Ik heb mijn vaderland verlaten en de gevaren en moeielijkheden van een verre reis over zee mij getroost, om op uw verzoek tot u te komen, en gij biedt mij daarvoor geld aan, dat zooveel onheil den menschen aanbrengt!quot; En hij verdeelde het vorstelijk geschenk, dat de keizer hem bleef opdringen, onder de armen en de dienstknechten van het paleis. Toen Kon-stantijn zulks vernam, riep hij uit: âNu verwonder ik
152
mij niet langer, dat een man, die leeft gelijk Spiridion, zoovele en groote wonderen doet!quot;
Uit het leven van dezen Heilige blijkt ook, hoe God geene menschelijke wetenschap noodig heeft, om zijne Waarheid te doen schitteren. Op de beroemde Kerkvergadering van Nicaea, waarop meer dan driehonderd Bisschoppen van alle plaatsen der wereld waren te samengekomen, en waarop tegenover de ketterij van Arius, de leer van Jesus Christus' Godheid werd verdedigd en gehandhaafd, was ook de H. Spiridion verschenen. Op deze Kerkvergadering stond een beroemd geleerde op, die de valsche leer van Arius met zulk eene sluwheid verdedigde, dat hij aan zijne drogredenen een schijn van waarheid wist medetedeelen, zoodat het volk, op de Kerkvergaderingen tegenwoor dig, hem met luide bijvalsbetuigingen begroette. Te vergeefs poogden de aanwezige Bisschoppen hem van zijne dwaling te overtuigen. Gelijk eens David optrad tegen den reus Goliath, aldus stond de H. Spiridion op, om den overmoedig geworden geleerde zijne ver-foeielijke dwaling voor oogen te stellen. Het moet gezegd worden, dat de aanwezige Bisschoppen met zekere bezorgdheid het optreden van den H. Spiridion aanzagen. Zij vreesden, dat de kennis van den Heilige met opgewassen zou zijn tegen den listigen betoogtrant van den ketterschen geleerde. Maar de Heilige stelde de waarheid van Jesus' Godheid in allen eenvoud met zulk eene klaarheid den~geleerde voor, dat deze zich gewonnen gaf, en toen Spiridion had uitgesproken, uitriep ; âNu ben ik van de Katholieke waarheid over-
153
tuigd geworden !quot; En hij wendde zich tot zijne leerlingen, die hem gevolgd waren op deze Kerkvergadering en zeide: âZoolang er met woorden gestreden werd, kon ik met mijne redetwisten het gemakkelijk van een ieder winnen ; maar nu mij in allen eenvoud de goddelijke waarheid wordt voorgesteld, nu schaam ik rruj niet langer, mijoverwonnen te verklaren ; u allen raad ik aan, de ware leer, door dezen Heilige verkondigd, aan te nemen.quot; Leeren wij hieruit, dat de goddelijke waarheden in allen eenvoud geleerd door een mond, die gewoon is, om te bidden en met God te spreken ; en in liefde voorgesteld door een hart, daL een oprecht belang stelt in het eeuwig heil der zielen, en in de eer van God, dikwijls spoediger ingang vinoen bij een ongeloovige of dwalende, dan wanneer zij in de schoonste, kunstigste vormen worden geleeraard en verkondigd. De waarheid heeft in zich zelve eene kracht ter overreding, waaraan hij, die geneigd is om te gelooven, moeielijk kan weêrstaan. lu.aar de geneigdheid om te gelooven is het werk des harten, het groote werk, dat door Gods genade alleen kan bewerkt worden. Wie zal het best slagen, om de genade Gods voor den ongeloovige en dwalende ts verkrijgen? Hij, die veel bidt, en gewoon is om veel te bidden. Hij, wiens hart een groote liefde heeft voor God en voor zijnen evenmensch !
154
VIII
Een geleerd praatje in een Omnibus.
Mijnheer Bram is telegrafist, en in het dorp, alwaar hij zijn ambt sinds jaren waarneemt, voor zijne medeburgers een bijzonder man. Hij is secretaris en de ziel van de liberale kiesvereenigihg ; zit gewoonlijk voor in de verschillende vergaderingen, die in het liberalisee-rend dorp kwistig gehouden worden ; is een ijverig lid van de rederijkerskamer, waarin hij bij uitvoeringen niet onverdienstelijk meestal de hoofdrol vervult; blaast in het fanfarecorps met veel gevoel de trombone, sluit zich bij alles aan, wat bevorderlijk kan wezen voor het publieke leven zijner medeburgers ; komt overal, behalve des Zondags in zijne kerk, ofschoon de dominé nog wel modem is ; en is volgens zijn eigene woorden âhaar ongeloovig.quot; Wij stellen u dit oogenblik den heer Bram voor, gezeten in de omnibus, die naar de naburige stad rijdt, gezeten tegenover den veenman Bak, die een vurig roomsch man is.
Bak is in zijn dorp een welgesteld man ; het land, dat hij van zijn vader heeft geërfd, viel in de vervening ; deze omstandigheid wees hem van zelf den weg aan, die zijn werkkring bepaalde ; en wijl hij een werkzaam en tegelijk een schrander man is, drijft hij met goed gevolg zijne zaken, en weet eene voldoende welvaart in zijn huisgezin te doen heerschen-Overigens is hij in zijn uiterlijke vertooning een een-
155
voudig man, oprecht en goedlmrtig, en daarom in achting en aanzien bij zijne medeburgers.
De heer Bram is niet prettig geluimd dien ochtend ; hij heeft zijn vrijen dag; heeft zich van dien dag veel voorgesteld, en... de regen stroomt van den hemel.
âNattig weertje mijnheer!quot; zegt Bak, die om een praatje is verlegen, en voor het oogenblik niets beters weet.
âZegt u maar nattig, bromt de telegrafist, ik noem het een hondenweer, een duivelswcer!quot;
âNu laat de duivel er maar buiten ; als gij het dan onder of boven de wereld wilt zoeken, dan zeg ik, het is Gods weer.quot;
âWat, die papen met hun God!... ik heb geen GoJ, ik ken geen God, mijn God is de zon, de vroolijke natuur, en zie ik de blijde zon niet, dan is er dien dag voor mij geen God, dan is de booze geest aan het werk, dan is het duivels weer.quot;
âWel zoo, antwoordt Bak, bitter geërgerd door deze afschuwelijke woorden, is dat uw geloof- Wij men-schen onder elkander spreken wel eens over u, en vragen wel eens, wat zou die mijnheer de telegrafist eigenlijk wel gelooven? Wij hooren u nog al eens vloeken, en dat zelfs op uw kantoor ; ik zou u aanraden, om in dat vloeken u eens wat te gaan menageeren, want velen op ons dorp verdragen dit op den duur toch niet... Maar nu weet ik tenminste zoo iets van uw geloof. Uw God is dan de zon, de blijde natuur, en gij bedoelt hiermede zeker het genot, het blijde leven.quot;
âJuist, antwoordde de telegrafist, alles wat mij goed
156
doet, wat mijne zinnen, wat mijne verlangens niet tegenstaat, houd ik voor mijn God. Ik wil niemand kwaad doen, maar ik eisch ook, dat niemand en niets mij hinder aandoet. Ondervind ik zulks, dan poog ik er aan te ontkomen ; gelukt mij dit niet, dan ben ik ontevreden, dan gevoel ik mij ongelukkig, dan geloof ik dat een kwade geest mij wil tergen- Dat is mijn geloof en daar houd ik mij bij.quot;
âDan houdt ge u toch, als ik het zoo zeggen mag, aan een groote domheid, sprak onze veenman, wat ik nu juist van zulk een heer als u, niet zou verwacht hebben. Laat mij nu even uitpraten. Gij weet, bijna alle belangen zijn verschillend; als het regent zal de eene mensch blij, de andere knorrig zijn ; of beter gezegd, wijl niemand gelukkig is op aarde, en voor de meeste menschen er altijd eenig verdriet, eenige kwelling blijft, waaraan hij niet kan ontkomen, zou volgens uw geloof een ieder moeten aannemen, dat hij gekweld wordt door den boozen geest, dat de goede God zich van ons menschen heeft teruggetrokken. Als dat zóó was, waarom dan langer te wachten ? Beginnen wij dan maar den strijd tegen elkander, en dat ieder zijn best doe, om zooveel genot en zooveel middelen tot genieting te bemachtigen, als hij maar grijpen kan.quot;
âDan zou tenminste die rechtvaardigheid heerschen onder de menschen, dat een ieder kon krijgen, wat hij waard is. Met al die meeningen over God en godsdienst, met al die wetten en overheden, aan wie de menschen zich onderwerpen moeten; wat is maar al te dikwijls de ondervinding? Om het zoo eens te noe-
157
men, de dommen krijgen de kaarten. Waarom moet die boer â zonder hem te benijden â twintig, dertig bunders land bezitten, en een stal met koeien en paarden er bij? Waarom kan hij in een gemakkelijke tilbury naar de stad rijden, en waarom moet ik hier in deze ellendige omnibus als geradbraakt worden en in mijne gevoelige hersenen van daag gepijnigd worden, omdat het paard van dien boer het mijne niet is?
âZie, zei Bak, hierop hebben wij Roomsche men-schen, een goed en waar antwoord. Wij houden het geheel anders dan u; en gelooven, dat wij niet juist voor ons genot hier op aarde zijn. Wij menschen hebben het allen tegenover God mis gehad, en erg mis ook. Door zijn lijden en sterven heeft Christus ons verlost, en den gesloten Hemel voor ons geopend ; maar toch wij blijven verjaagd uit het aardsche paradijs, en gij zoo min als iemand der menschen kunt den Engel met het vlammend zwaard overvallen en het paradijs weer binnensluipen. Wij moeten boete doen in ons leven; met geduld de zorgen des levens, het verdriet en de teleurstelling dezer aarde dragen. Doen wij dit met tevredenheid, och, mijnheer! dan hebben wij nog geen klagen ; God laat ons nog overvloedig genieten van hetgeen Hij ons gelaten heelt op de aarde; en ook al zouden wij niets dan ellende hebben in dit leven, och, mijnheer! het zal u misschien vreemd in de ooren klinken, maar wat hindert ons de ellende des levens, als wij maar in den hemel komen !quot;
âJa, ja, roept de telegrafist uit, gij meent het goed mijnheer Bak, ge meent het goed ; maar met uw verlof,
158
en een schamper lachje vertoonde zich op zijn bleek gelaat, dat vertelde mijn goed grootje mij ook al, toen ik een kind was. Doch in allen ernst, gelooft gij nu werkelijk aan dat verhaal van dien slang en dien appel ; machtig aardig voor een kind, om het te hoo-ren vertellen, maar toch geen kost voor een man, dïe nadenkt en de wereld rondziet, en zoo het een en ander gelezen en gestudeerd heeft.quot;
Het was onzen veenman aan te zien, dat hij moeite deed om zich te bedwingen ; zoo ongemerkt balde hij zijn vuist, beet op zijn tong, en keek juist niet vriendelijk met zijne scherpe oogen in de fletse oogjes van den vermagerden telegrafist. Hij zweeg echter, terwijl hij zich boven het wantrouwen van zulK een man verheven gevoelde.
âIk vraagu, gaat mijnheer Bram voort, waarin hebben de menschen dit vertelseltje gevonden? In den Bijbel zult gij zeggen ; best! Maar wat is de Bijbel? Een zeer oud boek, waarmede de Israëlieten vooral vroeger erg wegliepen, omdat de eerste boeken door hun Mozes gemaakt waren. De Christenen hebben van hen dien Bijbel overgenomen, en in hunne schatting is dit boek het heiligste, en het meest ware boek van de wereld ; ja, het boek door God zelf ingegeven, ür staat dan ook volgens hen, niet de minste onwaarheid, niet de geringste vergissing of dwaling in. Maar nu vraag ik u. Bak, wat is de eerste regel van dit ware boek?
âO, dat kan een kind u zegger(: âIn den beginne schiep God hemel en aarde.quot;
âJuist, spreekt Bram, en wat volgt er dan? Ik zal
*59
het u uitleggen : dan begint Mozes te verhalen, wat God op den eersten, tweeden, derden, tot den zesden gemaakt heeft, en zegt dan, âen op den zevenden dag rustte God.quot; Maar nu hebt gij er misschien nog nimmer van gehoord Bak, dat die geschiedenis van zes dagen der schepping lang niet uitkomt, met wat de geleerden zooal ontdekt en gevonden hebben. Ik kan u dat alles niet uitleggen, maar dit moet gij toch onthouden. 1 Wat hebben de geleerde mannen der wetenschappen als vast en zeker bewezen ? Dat de zes dagen van Mozes in den Bijbel maar praatjes zijn ; als er eene schepping zou geweest zijn, dan zouden er toch stellig millioenen van jaren verloopen zijn tus-schen den eenen dag en den anderen door Mozes aangegeven. De geleerden zijn met den Bijbel in de hand eens gaan graven in de aarde ; en wat hebben zij gevonden ? Gij hebt wellicht gehoord van een zekeren Carl Vogt, niet waar?
âDat is die man, die eigenlijk heeft uitgelegd, waarom wij vooral zeker soort van menscnen gerust âapenquot; mogen noemen ; is hij dat niet ?quot;
âBak, geen flauwigheden nu, wij spreken als verstandige menschen. Luister dan: de door en door geleerde man heeft- in Amerika een menschelijk geraamte gevonden, aan quot;welk hij een ouderdom moet toeschrijven van zevenenvijftig duizend jaren. Dat is 'wat anders, als wat uit Mozes gerekend wordt, dat ongeveer vier duizend jaren vóór de komst van unris-tus. God hemel en aarde heeft geschapen!quot;
âZie, dat treft nu juist goed. Het is nog zoo lang
i6o
niet geleden, dat onze Pastoor in de onderrichtingen, die hij des Zondags geeft, gesproken heeft over de schepping van hemel en aarde, Hij raadde ons aan vooral deze twee punten goed te onthouden. Ten eerste : dat wij den Bijbel nog niet afvallen, als wij de dagen, waarvan Mozes bij de beschrijving der schepping spreekt, niet beschouwen als onze dagen van vierentwintig uur, maar als zes verschillende, elkander opvolgende tijdperken. Hij dus, die in plaats van de zes dagen van vierentwintig uur, zes tijdperken aanneemt in de schepping der wereld, blijft even goed Roomsch, als hij die zich aan de zes dagen houdt van vierentwintig uur. Dit blijft voor ons Katholieken, eene vrije meening, waarin de H. Kerk nog geen uitspraak gedaan heeft. Waarom kan Mozes, sprekend van zes dagen, niet evengoed bedoeld hebben, aan te geven tijdperken, die elkander zijn opgevolgd ? Gebruiken ook wij niet dikwijls het woord in dien zin ? Wij zeggen immers zoo dikwijls : die mensch krijgt nu zijn kwaden dag, dat wil zeggen, hij is in zijn tijdperk des levens, waarin hij tegenspoed ondervindt. Wie hoopt niet op een gelukkigen ouden dag, dat wil zeggen, wie wenscht niet een gelukkigen ouderdom te bereiken? Zoo ook kan Mozes, sprekend van de zes dagen der schepping, bedoeld hebben met het woord âdagquot; onbepaalde tijdperken van grooteren of kleineren duur, van vele millioenen of van vele duizenden jaren. Slechts eene zaak moeten wij niet voorbijzien, die tijdperken, hoe lang ieder ook van duur,
161
èn een einde gehad hebben.quot;
âIk moet erkennen, sprak de telegrafist met een medelijdend lachje, die uitlegging is niet onaardig gevonden ; zoo zou ook Mozes bedoeld kunnen hebben millioenen van jaren, die sinds de schepping zijn voorbijgegaan. Maar ga voort, mijnheer Bak, ik zie, gij zijt nog niet aan het einde met uwe verdediging van Mozes.
âGaarne, mijnheer Bram; het tweede punt, dat wij goed moesten onthouden, zeide de Pastoor, was dit: Van de levende wezens, die geschapen zijn, zijn wij de jongsten, de laatst geschapenen, wijl wij na de planten en de dieren geschapen zijn. Nu moet gij wel weten, dat de Bijbel geen enkele bepaalde opgave doet van den ouderdom van het menschelijk geslacht en dat de H. Kerk van haren goddelijken Stichter Jesus Christus geene zending heeft ontvangen om vraagstukken op ie lossen, die door de tijdrekenkunde kunnen opgeworpen worden. En dit is ook volstrekt niet noodig; onze zaligheid wordt niet in gevaar gebracht of bemoeilijkt, omdat wij niet zeker zijn van het aantal jaren, die tusschen de schepping en de komst van Christus hier op aarde zijn verloopen. Zoude ooit onze zaligheid hiermede gemoeid worden, dan zeker zal de H. Kerk ook in deze vraag eene beslissende en onfeilbare uitspraak doen, want door alle eeuwen heen zal zij ons menschen de waarheid leeren, die wij voor onze zaligheid noodig hebben.quot;
âNog eens, mijnheer Bak, het is aardig om te hoo-ren hoe gij, Katholieken, uwen Mozes blijft verdedi-
6
102
gen en handhaven. Maar wat zegt uw Pastoor zoo al omtrent de ontdekkingen, die de geleerde mannen gedaan hebben, van hetgeen zij gevonden hebben in den schoot der aarde, en wat toch moeilijk kan overeengebracht worden met de opvolging der tijdperken, die Mozes in de schepping aangeeft?
âVooreerst moet ik u nog zeggen, antwoordt Bak, dat de Katholieken niet alleen staan, wanneer zij zich vasthouden aan de beschrijving, die Mozes geeft van de schepping der wereld. Ook vele niet-Katholieken zijn er, die de uitvindingen en ontdekkingen van onzen tijd gemakkelijk weten overeen te brengen met hetgeen Mozes heeft geschreven. Maar verder, zeker is het, dat reeds zoovele onderzoekingen en opgravingen in de aarde, bewezen hebben niets bepaalds ons te leeren. Zij zijn dan ook liefst zoo spoedig mogelijk door de geleerden zeiven, die er eerst hoog mede wegliepen, vergeten, wijl de menschen er hartelijk over lachen gingen. Gij noemdet straks dien man, die een menschelijk geraamte had gevonden, dat hij uitrekende zeven en vijftig duizend jaren oud te zijn. Hij kwam tot dat dwaas getal, omdat hij dit geraamte gevonden had in een laag der aarde, die gerekend werd minstens zoovele jaren oud te zijn. Gaat deze redenering echter op? Volstrekt niet. Wat dan zou als zeker moeten vaststaan? Dat de plaats waar dit geraamte gevonden is nooit is omgewoeld, noch door de menschen, die overigens al heel wat in de aarde gewroet hebben,noch door eenige omwenteling in de natuur. Wie zal dit echter met zekerheid kunnen bewijzen? En wie zal
163
ons zeggen, wat er ten gevolge van den zondvloed geschied is? Hoe door deze ontzettende gebeurtenis de aarde kan omwoeld zijn geworden?quot;
âIk sta verbaasd, mijnheer Bak, over de kennis, waarmede gij spreekt over zulke geleerde dingen ; in waarheid, ik had niet gedacht, dat gij Katholieken, onderricht ontvingt zelfs in zulke wetenschappelijke zaken. Maar ga voort, ik mag u graag zoo hooren spreken, al zult gij mij moeilijk kunnen overtuigen, dat de Bijbel op de hoogte is van de wetenschappelijke bevindingen van onzen tijd.quot;
âOch, mijnheer Bram, van een ongeloovige een ge-loovige maken, is niet in de macht van den mensen, maar in Gods macht; en daarom laat onze pastoor ons ieder week in het bijzonder bidden voor de ongeloovige menschen. Maar wij moeten toch in staat zijn om U en een ander te woord te staan, als onze godsdienst wordt aangevallen, en de H. Kerk als niet van onzen tijd meer, wordt voorgesteld en gescholden. Het is daarom, dat wij geleerd worden in vele zaken, die strikt genomen, voor onze eigene godsdienstige overtuiging niet noodig zijn, om ons uit te leggen. Wij hebben onze vaste beginselen, waarvan wij uitgaan, die wij aannemen en belijden op het gezag van God zeiven. Zoo moeten wij Katholieken gelooven en vas-telijk aannemen: vooreerst, dat God in den beginne hemel en aarde heeft geschapen ; maar ook ten tweede, dat God niet alleen de grondstof der aarde gemaakt heeft, maar ook dat Hij aan die grondstof der aarde de wetten heeft gegeven, welke de opeenvolgende ver-
164
anderingen hebben bepaald, die de aarde in haren schoot zou ondergaan. Hoe zich nu de schepping onder de leiding van God ontwikkeld heeft, laten wij gerust over om te onderzoeken aan de geleerden. Maar wij zijn vast overtuigd, dat wat ook ontdekt worde, er nooit iets in tegenspraak zal komen met de H. Schrift. Waarom niet? Wijl van de eene zijde de Bijbel het woord Gods is, en van de andere zijde de schepping uit de hand Gods is voortgekomen, en er nooit tus-schen het woord van God en de daad van God de minste tegenstrijdigheid zijn kan.quot;
âIk beken het, ik moet eerbied hebben voor uwe overtuiging, mijnheer Bak; maar als u wilt, laat ons te-rugkeeren tot de ontdekking, die geleerde mannen gedaan hebben in den schoot der aarde. Gij beweert, dat de lagen der aarde door het werk der menschen kan omgewoeld en door de omwentelingen in de natuur als dooreengemengd kunnen zijn. Als voorbeeld haalt gij den zondvloed aan ; deze ontzettende gebeurtenis kan hebben uitgewerkt dat, wat in de hoogste aardlagen te huis behoorde, in de laagste aardlagen te recht kwam.quot;
âJuist, antwoordt Bak; welk een kracht bezit niet het water ? Kan niet het water in een zeer korten tijd dooreenmengen, wat vele eeuwen lang van elkander was gescheiden ? Ik herinner mij eens gelezen te hebben, dat een Engelsche geleerde, die langen tijd in In-dië gewoond had, zich aldaar een woning gebouwd had. In de nabijheid van deze woning stroomde een rivier. Op zekeren dag trad deze rivier buiten hare
I65
oevers, overstroomde alles wat in hare nabijheid was, en sleepte met andere woningen ook de woning mede, die hij zich daar gebouwd had. Dertig, veertig voet diep in den grond werden de baksteenen begraven, waarmede hij zijn huis had opgetrokken. Nu, verhaalt hij, is de rivier reeds lang teruggetrokken, en op dc plaats, waar vroeger ook mijne woning stond, is een nieuw dorp verrezen. Wanneer men daar nu opgravingen liet doen, zou men wellicht de baksteenen terugvinden van mijne woning, misschien in een aardlaag, die reeds duizenden jaren oud moet zijn. Hieruit zou men dus moeten afleiden, dat ik, die deze baksteenen zelf gevormd had, om mijne woning te bouwen, minstens ook reeds duizenden jaren geleden, geleefd heb. Gij zult moeten erkennen, mijnheer Bram, dat wat zoo al in verschillende aardlagen gevonden wordt nog niet veel bewijst voor de eeuwenoudheid van het gevondene.quot;
âWij zouden hierop kunnen antwoorden, mijnheer Bak, dat somwijlen het niet zeker aan te wijzen is, of de voorwerpen, die in de aardlagen worden gevonden, uit het tijdperk zijn, waartoe de aardlagen moeten gerekend worden ; andere omstandigheden kunnen het een of ander voorwerp in den aardlaag als verdwaald hebben doen geraken. Maar vooreerst bewijst een of ander geval, dat uitzondering kan wezen, nog niet tegen de stellige uitspraak der wetenschap.quot;
âEn toch moeten die enkele ontdekkingen strekken tot bewijs tegen de waarheid van het scheppingsverhaal van Mozes. Geheel anders zou het kunnen schij-
166
nen, wanneer niet een of ander, maar vele, talrijke voorwerpen gevonden werden in een aardlaag, die volgens het verhaal van Mozes in een geheel ander tijdperk der schepping hun ontstaan te danken hadden. Dan tenminste zou er eenige reden van twijfel kunnen zijn van de zijde der ongeloovigen, of het scheppingsverhaal van Mozes wel als vertrouwbaar kon beschouwd worden. Maar nu die aardlagen zelve. Wie zal ons zekerheid geven omtrent de waarheid, die toch maar uit eene veronderstelling wordt afgeleid, dat tusschen ieder tijdperk in de schepping, duizenden, ja millioe-nen jaren zijn verloopen, alvorens het volgend tijdperk zijn begin had ? Wat weten de geleerdste mannen zelfs nog weinig omtrent de kracht, die woont in den schoot der aarde. Hoe heeft die aarde zich inwendig gevormd ; hoe was hare ontwikkeling; hoe is nog hare werking, en hare kracht ? Alles wat de geleerden hieromtrent als waarheid verkondigen, het berust bijna enkel op veronderstellingen, die dikwijls zeer vernuftig en scherpzinnig door menschen zijn uitgedacht, maar ten slotte toch immer veronderstellingen blijven. Over de eenvoudigste grondvormingen verkeert men dikwijls jaren in eene meening, die later blijkt eene dwaling te zijn geweest. Bijvoorbeeld; gij kent onze venen, waaruit in ons vaderland vooral de turf gemaakt wordt. Deze venen zijn ontstaan uit boomen en planten, die door overmaat van vocht niet gekomen zijn tot geheele verrotting, en dus tot een eigenaardige aardsoort zich gevormd hebben. Vroeger waren de geleerden van meening, dat er meer dan drie duizend
167
jaren noodig waren, opdat zulk een laag zich vormde. Later bevond men door onderzoekingen in Oost-Friesland gedaan, dat er slechts tweehonderd jaren noodig zijn, opdat een veenlaag van dertig voet diepte zich vorme. Nog later beweerde een andere geleerde, dat men bevonden had, dat venen, die geheel uitgebaggerd waren, in den tijd van dertig jaren met een nieuwe laag veengrond van vijf voet dikte bedekt waren. Gij ziet hieruit met hoe weinig zekerheid de menschelijke wetenschap kan bepalen en vaststellen de meest gewone werkkracht der aarde.
âUw pastoor, zegt mijnheer Bram, op een toon van voornaamheid, weet toch iets meer, dan ik oogenschijn-lijk van hem dacht; hij onderlegt zijne hoorders beter dan ik wel vermoeden kon, ook omtrent de wetenschappen van onzen tijd. Ik houd van zelf mijn opinie : de Bijbel is en blijft voor mij een boek van niets ; misschien nuttig geweest in vroegere tijden, maar voor onzen tijd geheel en al verouderd, en alleen aardig om op een museum plechtig bewaard te blijven.quot;
âMaar, antwoordt Bak niet zonder eenige bitsheid, dan moet gij toch in uw eigen belang er voor zorgen, dat één blaadje van dien verouderden Bijbel onder de menschen blijft.quot;
âEn welk blaadje?quot; vraagt onze telegrafist nieuwsgierig.
âHet blaadje, waarop de gelijkenis verhaald staat, van den schuldenaar en zijnen medeknecht; gij weet wel, wat ik bedoel. Een knecht had een medeknecht, die hem een luttel som gelds schuldig was, en hem
168
ontmoetend, greep hij hem in de keel en sprak: betaal wat gij mij schuldig zijt. De medeknecht niets hebbend, om te betalen, viel voor zijne voeten neder en bad, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. Maar hij had geen medelijden voor dien medeknecht, maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij het verschuldigde zou betalen. Nu moet ge niet boos worden, mijnheer Bram ? maar waarom laat ik en zoovelen anderen u nog altijd ongemoeid in ons dorp voortleven ? Gij weet wel, het is nu al de vierde winter, dat uw turfrekening van tweeendertig gulden op mijn boek open blijft staan. Nu zou ik kunnen denken : zoo'n groot heer, die alles beter schijnt te weten, dan onze pastoor, ja, dan onze Paus zelf, zal ook wel raad weten, om mij aan mijn geld te helpen ; ik moest hem eens wat harder aanpakken. En om u de waarheid te zeggen, ik zou het al reeds lang gedaan hebben ; maar wat zeide mijne brave vrouw? Bak, zegt zij, doe het nog niet, voor het oogenblik kunnen wij het nog missen ; denk aan den knecht van het Evangelie. Wat zeide zijn heer ? Gij booze knecht! de geheele schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gesmeekt hebt; moest ook gij u niet ontfermen over uwen medeknecht, zooals ik mij ontfermd heb over u? En gij weet, zijn heer werd vertoornd en gaf hem over aan zijne pijnigers. Zóó zal, aldus besloot mijn vrouw, mijn hemelsche Vadcn ook met u doen, als gij niet ... Nu ik wist genoeg, en ik ben aanstonds naar Thomas Snijder, den kleermaker geloopen, die ook nog wat met u te vereffenen heeft, en die eigenlijk het plannetje ver-
i6g
zonnen had : âwij zouden u samen eens aanpakken.quot; En na lang praten en weder praten, kwam hij tot zijn besluit: âenfin, dan nog maar weder eens geduld hebben.quot; Als gij dan, mijnheer Bram, het van daag of morgen gedaan mocht krijgen, om den Bijbel in een of ander museum weg te stoppen, zorg dan tenminste in uw belang, dat het blaadje, waarop de gelijkenis van dien knecht staat, onder de menschen blijft; anders sta ik voor uw heerenleventje hier in ons dorp niet langer in.quot;'
De omnibus had de stad bereikt; ik geloof, dat de telegrafist er niet rouwig om was. Het gesprek met mijnheer Bak begon zoo opeens zulk een vreemde wending te nemen. Op zijn mager gezicht vertoonde zich een verlegen blosje. Hij groette niemand, maar stapte haastig den wagen uit; schreeuwde den conducteur van de reeds vertrekkende tram toe, dat hij nog mede moest, en was in een ommezien uit het gezicht verloren. Met een ondeugend knikje groet mijnheer Bak zijne medereizigers, gaat met zijn fluweelen reiszak op den rug bedaard de straat op ; en zich weinig storend aan den regen, stapt hij met een gerust hart de stad in, en doet er opgeruimd dien dag âzijne zaakjesquot;.
IX.
MOZES EN HET CHRISTENDOM.
De H. Joannes heeft in zijn Evangelie een merk-
I/O
waardig woord opgeteekend van onzen goddelijken Verlosser. Jesus te Jeruzalem gekomen, geneest op den Sabbatdag zekeren mensch van eene ziekte, waaraan deze reeds acht en dertig jaren lijdend is geweest. Hij gebiedt hem zijn bed op te nemen, en daarmede weg te wandelen. Wijl nu deze mensch op den Sabbatdag zijn bed draagt, bestraffen hem de Joodsche Oversten. Maar deze beroept zich op het bevel van Hem, die hem genezen heeft, en wijst Jesus aan als Dengene, die hem genas. Jesus nu, aangevallen door de oversten der Joden, wijl Hij met deze genezing den Sabbatdag heeft geschonden, verdedigt zich, met hun te verklaren, dat Hij de Zoon Gods is, en evenmin als Zijn vader aan de Sabbatwet is gebonden. Hieruit besluiten de Joodsche oversten, dat Hij zich aan God gelijk maakt, en beschuldigen Hem daarom van Godslastering. Jesus nu, wel verre van te loochenen, dat Hij Zich zeiven aan God gelijk gemaakt heeft, bevestigt Zijne woorden door uitvoerig te verklaren, dat Hij even zoo Almachtig is als Zijn Vader, en aan Hem dezelfde eer toekomt, als aan Zijnen Vader moet gebracht worden. En met onwraakbare bewijzen bekrachtigt Hij de waarheid van het getuigenis, dat Hij van Zich-zelven geeft. Ten slotte doet onze goddelijke Verlosser een beroep op Mozes en zegt: âMeent niet, gij oversten, dat ih u zal aanklagen bij den Vader; uw aanklager is Mozes, op wien gij uw hoop gesteld hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, wellicht zoudt gij ook mij gelooven; want van mij heeft hij geschreven.quot;
Jesus Christus is de eeuwige Zoon Gods. Ook nog
i7i
voor onze eeuw geldt dit zelfde bewijs voor Jesus' godheid. Ook op gezag van Mozes, den man Gods, den grooten Wetgever van het Joodsche volk, moet onze tijd besluiten tot de Godheid van Jesus Christus. Ja, zij gevoelen het, de ongeloovigen van onzen tijd, er bestaat een onverbreekbaar verband tusschen Mozes en Christus. Het gezag van Mozes aannemen ; de he ⢠schrijving, die hij doet van de schepping der wereld voor waar erkennen ; het verhaalde van de vroegste geschiedenis der menschen, hun zondeval in het para â dijs, als waarheid en tot grondslag nemen der geschiedenis van het menschelijk geslacht, voert onverbiddelijk tot den Zoon van God, Menschgeworden om de zonde der wereld uit te boeten en uit te wisschen. Maar Jesus Christus' Godheid aannemen, is geloovig worden, is zich vrijwillig buigen onder het juk van Gods geboden ; is breken 'met de beginselen der wereld, en Christus verwachten, eens wederkomend in macht en in heerlijkheid op de wolken des hemels, om levenden en dooden te oordeelen. Dit nu blijven de ongeloovigen weigeren, om aan te nemen en te gelooven. Van daar ook hun strijd tegen Mozes; van daar hunne nooit eindigende aanvallen tegen den Bijbel, die begint met de door God ingegeven geschriften van Mozes, en waarin opgeteekend staat, wat God gewild heeft, dat wij weten zouden van de schepping der wereld, en van de vroegste geschiedenis der menschen.
Op welke wijze heboen de ongeloovigen van onzen tijd vooral, Jesus Christus beschouwd? Om zich zeiven, als menschen, des te hooger te kunnen verheffen ;
1/2
om wille dus van hun trots en hun hoogmoed, hebben zij Christus als Mensch, op een verheven voetstuk geplaatst. Zij noemen Hem, den wijsten, den uitstekendsten, den besten, den edelsten mensch ooit voortgekomen uit ons menschelijk geslacht. Uit de onbeholpenheden hunner drogredenen gluurt hun hoogmoed, gelijk de onuitstaanbare hoogmoed gluurde uit de gaten der verscheurde kleederen van een heidenschen Diogenes. Te midden hunner bittere aanvallen tegen den God-Mensch, is het, als hoort gij des duivels stem : âgij zult Gode gelijk zijn.quot; Tusschen de regelen hunner ongeloovige geschriften leest gij den waanzinnigen hoogmoed, als zij sprekend over Christus, Hem als Mensch verheffen, alsof zij het luide wilden verkondigen : âtot zulk eene wijsheid, tot zulk een verheven graad van enkel natuurlijke deugd kan een mensch zich verheffen!quot; Christus, aldus bekennen zij, heeft door Zijn woord en Zijn voorbeeld het Heidendom overwonnen en de wereld hervormd door nieuwe beginselen, die met geen anderen naam kunnen genoemd worden, als met de Christelijke beginselen. In hun oog echter blijft Christus, en moet Hij blijven in Zijne geboorte een gewoon Kind der menschen, toegerust als men wil, met een verstand, zooals nog nooit iemand heeft gehad; toegerust met een hart, vatbaar en gevormd voor de edelste gevoelens. Maar altijd toch moet Hij blijven een kind der menschen. Want Christus' goddelijke afkomst erkennen en aannemen, is voor den ongeloovige, die met toeleg gebroken heeft met iedere goddelijke openbaring, een onmogelijke eisch.
173
Zóó wordt door alle eeuwen heen het woord van Christus vervuld : âopdat zij ziende niet zien, en hoorende niet verstaan!quot;
Herinner u nog eens het verhaal van den zondeval des menschen, gelijk het ons door Mozes is beschreven geworden. De ongeloovigen noemen dit verhaal onwaarschijnlijk in zich; ja, spotten met de woorden van Mozes. Wij zullen zien, hoe dit verhaal in zich alle kenmerken draagt van waarheid en goddelijke openbaring.
God dan, aldus verhaalt Mozes, schiep den mensen naar Zijn beeld en gelijkenis ; naar Zijn eigen beeld schiep Hij hem ; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en zei de: âWast aan en vermenigvuldigt u, en vervult de aarde, en onderwerpt haar aan u, en heerscht over de visschen der zee, en over de vogelen des hemels, en over alle dieren, welke zich bewegen op de aarde. De Heer God nu had van den beginne af een paradijs van geneugte geplant, waarin Hij den mensch plaatste, dien Hij gemaakt had. En de Heer God had uit den grond doen opschieten allerlei geboomte, schoon voor het gezicht, en aangenaam om te eten; ook den boom des levens, in het midden van het paradijs, en den boom der kennis van goed en kwaad. De Heer God nam dan den mensch, en plaatste hem in het paradijs van geneugte, opdat hij het zou bewerken en bewaren. En Hij gebood hem zeggend: âEet van alle boomen in het paradijs, maar van den boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten ; want ten dage waarop gij daarvan eet, zult gij
174
sterven. Maar de slang zeide tot de vrouwl: âWaarom heeft God u geboden, om niet te eten van iederen boom in het paradijs?quot; De vrouw antwoordde: âVan de vruchten der boomen, die in het paradijs zijn, eten wij, maar van de vrucht des booms, die in het midden van het paradijs is, heeft God geboden niet te eten, en dien niet aan te raken, opdat wij misschien niet sterven.quot; De slang nu zeide tot de vrouw: âGeenszins zult gij den dood sterven, maar God weet, dat op den dag, waarop gij van dien boom zult eten, uwe oogen zullen open gaan, en gij zult gelijk goden zijn, kennende goed en kwaad.quot; De vrouw misleid, at van de vrucht, en gaf er van aan haren man, die ook at; en geopend werden beider oogen, en zij bemerkten, dat zij naakt waren. Toen riep God Adam en zeide hem: âAdam! waar zijt gij ?quot; Adam antwoordde: âIk hoorde uwe stem in het paradijs, en ik vreesde, omdat ik naakt ben, en ik verborg mij.quot; En de Heer zeide: âWie toch heeft u geopenbaard, dat gij naakt zijt; is het niet, omdat gij gegeten hebt van oen boom, waarvan ik u geboden heb, niet te eten.quot; Adam zeida: âDe vrouw, die gij mij gaaït tot gezellin, heeft mij van den boom gegeven, en ik heb gegeten.quot; En de Heer God sprak tot de vrouw;: âwaarom hebt gij dit gedaan ?quot; Zij antwoordde: âDe slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.quot; En de Heer God sprak tot de slang: âOmdat gij dit gedaan hebt, zijt gij gevloekt. Vijandschap zal ik stellen tus-schen u en de vrouw en tusschen uw zaad en haar zaad ; zij zal u den kop verpletteren.quot; Vervolgens spreekt God het vonnis der veroordeeling over onze eerste
175
ouders uit; het lijden en de dood zullen komen over hen.
Om nu den zin te verduidelijken der woorden Gods, waarin de beloften der verlossing liggen opgesloten, moeten wij verder in hetzelfde boek van Mozes de hernieuwing dier belofte ons herinneren
Ongeveer twee duizend jaren later zegt God tot Abraham : âIk zal uit u doen voortkomen een groot volk ; ik zal u zegenen, en alle volken der aarde zullen in u gezegend worden.quot; De Engel des Heeren roept Abraham en zegt hem : âIk zweer bij mij zeiven, zegt de Heer, dat ik u zegenen zal en alle volken der aarde zullen gezegend worden in Een van uwe nakomelingen.quot; Jacob, de kleinzoon van Abraham, zegt stervend tot zijn zoon Juda: âDe schepter zal aan Juda niet ontnomen worden, noch het oppergebied wijken uit zijne nakomelingschap, totdat Hij komt, die zal gezonden worden ; die zal de verwachte der volken zijn.quot;
Ziedaar de belofte Gods, door Mozes opgeteekend, aan Adam gedaan, hernieuwd door God aan Abraham en Jacob ; eene belofte, die althans het geslacht van Abraham vrijgehouden heeft van het algemeen bederf des menschelijken geslachts, totdat de schepter van Juda weggenomen, en overgegaan was op de Romeinen, en Hij op aarde verscheen, in Wien alle volken der aarde gezegend werden en geheiligd ; Die van Zich zeiven openlijk getuigde!: het is van Mij, dat Mozes heeft geschreven.quot; Hij, de Nakomeling der eerste vrouw Eva, Wiens onbevlekt ontvangen Moeder juichend uitriep : âMijne ziel maakt groot den Heer, wijl Hij
176
groote dingen aan mij gedaan heeft; volgens de belofte die Hij deed aan onze Vaders, aan Abraham en zijn nakomelingschap in eeuwigheid.quot;
Ziet gij nu den band, die het Christendom verbindt aan de openbaringen van Mozes. Erkennen moeten de ongeloovigen, dat het verhaal van Mozes omtrent den zondeval des menschen den grondslag uitmaakt van het Christendom. Zonder zonde, zonder val des menschen, was er geen Verlosser, geen Christus noo-dig. Door een mensch, opgewekt door God, kon de menschheid verlicht en geleerd en gebracht zijn op den weg van haar waarachtig heil en geluk. Maar Verlossing brengen, maar eene geëvenredigde boete stellen voor eene oneindige schuld aangegaan bij den be-leedigden God, maar de zonde des menschen goed maken en uitwisschen uit de zielen der schuldige menschen, zie, dat vermocITt geen mensch, dat vermocht alleen God. Daarom zond God zijnen eeuwigen Zoon, Jesus Christus, om de zonde der wereld weg te nemen. Zoo moet zelfs het verstand, de rede des menschen spreken. Uit den val des menschen moest de komst hier op aarde van den Uod-Mensch volgen, toen God beloofd had, dat Hij den mensch zou opheffen van zijnen diepen val, en hem opnieuw in genade zou opne-iTien.
In hun haat echter tegen alles wat bovennatuurlijk is, hebben de ongeloovigen het wapen van spot ter hand genomen ; en in hunne waanwijsheid zien zij met medelijden neder op Mozes en op allen, die op diens gezag, het verhaal van den zondeval aannemen en be-
177
lijden. Maar stellen wij hier eens deze vraag: kunne.i de ongeloovigen voor die spot, ook zelfs een schijn-hare reden aangeven?
Voorop stellen wij, dat de waarheid der algemeene erfzonde met al hare omstandigheden en gevolgen, altijd blijven zal een groot geheim van ons Geloof, door God ons geopenbaard. Toch blijft het waar, dat voor hen, die de erfzonde verwerpen, de tegenwoordige toestand van het menschelijk geslacht ecne nog grootere geheimenis blijft. En wel om deze redenen.
Vooreerst, hoe zullen wij verklaren, indien wij den zondeval zouden wegcijferen, van waar het komt, wat toch blijkt uit de eerste geschiedenis van alle volken der oudheid, dat de menschen in hun begrip en in hun kennis van God, niet vooruit, maar telkens achteruit zijn gegaan, naar mate zij zich ontwikkelden in hunne geschiedenis. Hun begrip van God begint met eene Godheid, die zij Vader in den Hemel noemen ; een persoonlijke God, Dien zij boven het geschapene verheven en van het geschapene onderscheiden, zich denken en voorstellen: een weldadigen God, Schepper van hemel en aarde. Later dalen zij in hunne Godskennis en zoeken hunne Godheid in de natuur zelve, die hen omringt; zij aanbidden de zon, de maan en de sterren. Maar immer teruggaande en afwijkend van hun oorspronkelijk beginsel van eene Godheid, komen zij tot de aanbidding van boomen en planten, van dieren en gedrochten ; om ten laatste het werk hunner eigen handen, gemaakte beelden, afschuwelijke afgoden, als Goden te verecren en te aanbidden. Hoe dit
178
anders te verklaren, dan uit de achteruitgang van den menschelijken geest, wanneer hij aan zichzelven is overgelaten, en niet gelijk het geslacht der Joden, door goddelijke openbaring voortdurend in de ware Gods-kennis onderwezen wordt. Maar de achteruitgang van den menschelijken geest in deze eerste der waarheden, in de kennis Gods, hoe is zij anders te verklaren, dan door de leer der erfzonde, die ons zegt, dat het verstand van den mensch door de eerste zonde van Adam verduisterd is geworden, en in de noodzakelijkste kennis, in de ware kennis van God, den Schepper, voortdurend behoefte heeft aan een bijzondere hulp van God, aan ecne goddelijke openbaring.
Wat zien wij op zedelijk gebied in de geschiedenis der volken? Het juiste begrip van goed en kwaad toont zich het best nog in hunne eerste opvattingen van hetgeen natuurlijk goed is; maar hoe meer zij in hunne geschiedenis voortgaan, verflauwt het licht hunner rede, die zegt, wat te doen en te laten yoed is. Ongemerkt worden de goeden slecht en begint de mensch op onredelijke en ongeregelde wijzen zijne booze neigingen en lusten op te volgen, terwijl hij toch nog het verkeerde, het kwaad zijner handelingen doorschouwt. Hij gevoelt, dat hij meester moet zijn van zijne zinnelijke neigingen, en toch hij geeft er aan toe op eene buitensporige wijze. Hij ziet zich slaaf worden van zijn verkeerden, boozen wil, en doorschouwt de ellende, die voor hem en zijne omgeving er uit voortkomen, en toch hij verzet zich niet langer. Langzamerhand zien wij de zedelijkheid der volken dalen ; zij verliezen hun
179
kracht; zwakheid en plichtverzaking vernederen gaandeweg èn overheid èn volk. Machtig gelijk zij waren bezwijken zij ten laatste, hun zoo sterk geworden rijk stort in één ; hun geschiedenis is ten einde; een nieuw volk is opgetreden en neemt hunne plaats in ; en ook dit volk komt na korteren of langeren tijd tot verval en ondervindt op zijne beurt, de overheer-sching van een nieuw opvolgend volk. En immer is de val der grootste rijken zelfs, en van de machtigste volken, het bederf der zeden, waardoor zij zichzelve ten gronde richten en zichzelve als volk vernietigen. Hoe dit verschijnsel, bijna bij ieder volk van het heidendom te aanschouwen, anders te verklaren, dan uit hetgeen God ons geopenbaard heeft omtrent de erfzonde en hare bittere gevolgen, waardoor bij de verduistering van zijhen geest, ook de wil des menschen verzwakt is, en alleen door goddelijke hulp gesteund, kan voortgaan op den weg van het waarachtig zedelijk goed, dat hem ook voor dit leven ten heil en ten geluk moet zijn.
Hoe nu verhaalt Mozes de eerste geschiedenis der menschen ? God, de Schepper, gaat om en spreekt met Adam in het paradijs. Hij voedt hem op, voert de dieren tot hem, opdat een ieder dezer van Adam den hun voegenden naam zal ontvangen. Op de vraag des duivels : âWaarom eet gij niet van den boom der kennis,quot; volgt ongekunsteld het antwoord, âomdat God dit verboden heeftquot; In ongerepte onschuld, zonder strijd, zonder bekoring leven Adam en Eva met elkander voor het oog van God. Kan het duidelijker en volle-
i8o
diger, maar ook ongekunstelder beschreven en verklaard worden? Indien deze beschrijving van den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid geene ingeving, geen openbaring Gods ware; indien Mozes zijne eigen vinding had beschreven, zou hij dan in dien eenvoud, en toch met die alles omvattende duidelijkheid dezen grondslag van onze menschelijke geschiedenis hebben willen, hebben kunnen leggen ? Zou hij dan niet een geheel andere voorstelling, meer aangrijpend door een of ander treffend voorval, hebben kunnen verdichten en aan zijn volk hebben voorgesteld P Het ongeloof lacht over eene slang, die spreekt; over een vrucht, die aangeboden en gegeten wordt, en verderf brengt aan geheel het menschelijk geslacht.
Maar vooreerst, heeft het ongeloof niet geruimen tijd gelachen over Mozes, als hij de scheppingsdaad van God beschrijft en voorstelt als geschied in zes dagen. En toch zijn de geleerdste natuurkundigen en de beroemdste aardkundigen en sterrekundigen geëindigd met de volgorde, door Mozes aangegeven als door God gevolgd bij de verschillende scheppingsdaden, niet alleen te waardeeren, maar als grondslag te nemen, waarop zij hunne eigen veronderstellingen vaststellen en opbouwen. Volgens de wetenschap van onzen tijd is Mozes dus waar geweest als hij opteckende : âin den beginne schiep God hemel en aarde; en de aarde was vormloos en ledig, en duisternis lag over den afgrond. Mozes is waar geweest, als hij God deed zeggen ; âhet licht worde en het werd licht,quot; en dus vóór de schepping der zon het warmtegevend licht als geschapen
i8i
voorstelde. Waar is hij geweest, wanneer hij achtereenvolgens de bewerktuigde wezens in hunne opvolging beschrijft als geschapen, eerst het zaad, de kruiden en planten, en de boomen, dan de kruipende cn de overige dieren der zee en tegelijk de vogelen ; dan de landdieren; ten laatst den mensch. Waarheid heelt Mozes verhaalt, als hij óns den zondvloed beschrijft, gelijk uit de verhalen der oudste volken blijkt. Waar was hij, toen hij leerde dat uit één menschenpaar geheel het menschelijk geslacht is voortgekomen, gelijk het ongeloof krachtens zijne eigene onderzoekingen meer en meer gedwongen wordt te erkennen. Dus zoo mogen wij veilig besluiten, is Mozes ook xvaar geweest, toen hij ons den val van Adam met al de gevolgen van dien val beschreef; toen hij ons de belofte Gods op-teekende van den toekomstigen Verlosser, die zou voortkomen uit het geslacht van Adam, in wien alle volken der aarde zouden gezegend worden. En te meer mogen wij aldus besluiten, omdat Mozes, die waar blijkt te zijn in zijn scheppingsverhaal, niet als natuurkundige is opgetreden, om de wording der wereld te beschrijven, maar slechts ten doel had, om de eerste geschiedenis der menschen te beschrijven, en hunne verhoudingen tegenover God, hunne 'plichten van godsdienst, aan te wijzen en te verkondigen.
Verder kunnen wij hier nog aanstippen, dat ook het verhaal van Mozes wat betreft het paradijs met zijn boom der kennis van goed en kwaad vol verborgenheden en geheimenissen blijft. Als wij vragen, wat die verboden vrucht was, is slechts het antwoord : God
heeft ons dit niet geopenbaard. Hoedanig was het paradijs met zijne vier stroomen, een plaats van geneugte genoemd, waar de boom des levens bloeide? Wij moeten het antwoord schuldig blijven. Hoedanig was zelfs de toestand van de menschelijke ziel in hare ooi spronkelijke rechtvaardigheid? Wij kunnen slech s het weinige antwoorden, wat God ons ook hiervan heeft willen openbaren. Maar hoe meer wij nadenken over het verhaal, door Mozes gedaan over de eerste geschiedenis des menschen in het paradijs, hoe diepei ook wij getroffen worden over den ongekunstelden eenvoud, waarin God gewild heeft, dat ons dit verhaal zou gedaan worden; hoe meer wij erkennen moeten, dal God zelf ons door Mozes dit verhaal gegeven heeft. Menschelijke verdichting zou voor den val van het menschelijk geslacht eene geheel andere, een meer aangrijpende oorzaak zich hebben uitgedacht
Hoe overtuigend echter voor den menschelijken o-eest deze bewijsvoeringen ook wezen mogen, zij missen voor den ongeloovige hare kracht van overreding. Waarom? O, die niet overreed wil worden, blijft voor de meest overtuigende bewijsvoering ontoegan-e ij^. Liever dan zich gewonnen te geven, zal zulk een b ij-ven zoeken naar middelen, om de waarheid hem voorgesteld, door allerlei drogredenen voor het oog van
ziinen geest te verduisteren.
Plinius een heidensch schrijver, wijst ons op cc eigenaardigheid, die hij bij den olifant had waarge^ nomen. Ofschoon dit dier nu juist met aan rekt door zijn natuurlijke schoonheid, maakt het toch een g
183
weldigen indruk door de plompe kracht, die uit zijn lichaamsbouw spreekt. In hoever nu dit dier met deze plompe kracht zelf als verlegen en bedremmeld is, weet men niet; maar zeker is het, volgens dezen Plinius, dat de olifant, wanneer hij langs een beek voortstapt en in het heldere, spiegelend water de afspiegeling-ziet van zijn lichaam, met zijn grove pooten zooveel zand en slijk in het klare water schopt, totdat hët water troebel is geworden, en hij zijn beeld niet meer zien kan. Evenzoo doen vele ongeloovigen tegenover de waarheid. Hoe afzichtelijk gelijk het slijk hun ongeloof ook moge wezen, als in hare kracht de waarheid zich afspiegelt in hunnen geest, zullen zij haar liever door allerlei drogredenen duister en troebel maken, dan gedwongen te zijn de waarheid te aanschouwen en aan te nemen. Zij willen het monsterachtige van hun ongeloof niet zien, omdat zij de waarheid haten, en het woord Gods niet willen hooren. Arme, verblinde menschen, die de aalmoes onzer gebeden zoo zeer behoeven ! Menschen, wier zielen door het kostbaar Bloed van onzen Heer Jesus Christus zijn vrijgekocht en voor wie wij toch groote vrees moeten hebben, dat zij in den Hemel nimmer den zetel zullen innemen, die hun bereid is door Christus. Van hen, die ter goede trouw dwalen, mogen en moeten wij zelfs, het beste hopen blijven. Maar waar is de goede trouw van hen, die zich met toeleg hebben voorgenomen van niet te willen gelooven in eene bovennatuurlijke openbaring ; die den goddelijken Leermeester verwerpen, om wille van de waarheid en de leer, die Hij verkondigd heeft
184
aan de wereld.
Hoe zoudt ge den mensch noemen, die zich in het hoofd gesteld heeft: er bestaat geen zon, die ons verlicht en verwarmt, en die de maan zou willen aanwijzen, als die licht geeft ook des daags ? Gij wilt hem afbrengen van zijne zinnelooze dwaling, en gij gaat op den vollen middag naar hem heen en zegt: âZie dan toch naar boven ,en overtuig u ; zij, die u verlicht in dit oogenblik is niet de maan, maar de zon, daar prijkend aan den hemel.quot; Maar hij, uwe bedoeling aanstonds radend, heeft zich reeds, alvorens gij bij hem waart, geblinddoekt. âGij dwaalt, roept hij uit; zij die ons verlicht, is de maan, dezelfde, die des nachts schijnt aan den hemel.quot; Gij wilt hem overreden, hem dwingen om den blinddoek van zijne oogen weg te nemen ; maar hij verzet zich en roept uit, dat hij bij dag beter ziet in zijn blinddoek, dan met zijn open oog. Maar des nachts komt hij bij u, en wekt u op van uw bed, en roept: âKom, kom nu, naar buiten ! en overtuig u van de waarheid ; zie, daar staat zij in haar volle licht, de maan, die ons verlicht, niet alleen des nachts, maar ook des daags.quot; Gij wilt hem wijzen op zijne dwaasheid, maar hij wordt boos, en wendt u den rug toe. Hij scheldt u voor bevooroordeeld, voor achterlijk en bekrompen van opvatting, voor een domoor, die niet wil medegaan met de vooruitgang der wetenschap en der kennis, in den tijd waarin wij leven. Geef zelf aan dien mensch den naam, die hem toekomt; hij verdient geen andere. Maar maak nu zelf ook de toepassing en zeg, hoe gij hem noemen wilt, die in het volle
i8s
licht der goddelijke openbaring leeft, maar vrijwillig zijne oogen sluit voor de zon der waarheid, die ons ver licht en verwarmt; die uitsluitend zijne oogen opent voor het vale licht, dat menschelijke kennis en wetenschap afwerpen ; die zijn geest blinddoekt, opdat hij niet zien zal de goddelijke openbaring, maar al zijne kennis en weten uitsluitend putten wil uit de gissingen en uitspraken van bloot menschelijke wetenschap. God zelf heeft hem den naam gegeven, die hem toekomt: âDe dwaas zegt, er is geen God.quot; En gerust mogen wij er bij voegen : Die zegt; âChristus is niet de eeuwige Zoon Gods, één van natuur met Zijnen Vader, God, gelijk de Vader God is, God, gelijk de H. Geest God is; Jesus Christus is niet de goddelijke Verlosser der wereld,quot; hij, die aldus denkt, die aldus spreekt is een uitzinnige, is een dwaas!
Waarom ? I. omdat God èn in de schepping der wereld, èn in de instandhouding en bestuur van hemel en aarde, èn in de stem van ons geweten, zóó duidelijk ons het bewijs van zijn ecuwig bestaan voortdurend bewijst en aantoont, dat alleen hij, die niet gelooven wil, zeggen kan: âer is geen God.quot;
2. Omdat de goddelijke zending van den Zoon Gods, als Verlosser der menschen, door God zelf, gedurende de vierduizend jaren vóór Jesus komst hier op aarde, ontwijfelbaar voorbereid is geworden.
3. Omdat Christus zelf, tijdens Zijn sterfelijk leven hier op aarde, èn door de leer, die Hij gepredikt heeft, èn door de wonderen, die Hij ter bevestiging van zijne verkondigde leer verricht heeft, èn door
186
voorspellingen, die Hij gedaan heeft en die vervuld zijn geworden, ,èn door Zijnen volmaakten levenswandel, dien Hij voor het oog van een geheel volk geleid heeft, getoond heeft de Zoon Gods te zijn.
4. Omdat Christus' werk, de stichting Zijner H. Kerk, voor alle eeuwen en voor alle geslachten der menschen, reeds gedurende achttien eeuwen bestaat, niettegenstaande in iedere eeuw, die voorbij is gegaan, de felste strijd tegen Haar is gestreden geworden.
Wil u immer dankbaar toonen voor den schat des Geloofs, u geschonken door God ; verspil hem niet op den weg der zonde en ongerechtigheid; vergeet niet, dat er vooral twee groote redenen zijn, waarom meerdere ongeloovigen niet willen gelooven. Die in God en in Zijnen eeuwigen Zoon, dien Hij als Mensch heeft gezonden hier op aarde, wil gelooven, moet Tcuisch willen leven; die in God, in Christus wil gelooven, moet rechtvaardig, dat wil zeggen, eerlijk willen leven ; eerlijk namelijk in dien zin: âhet mijn en het dijnquot; met groote nauwgezetheid in alles altijd in het oog houden.
X.
BESLUIT.
Laat ons nog eens samenvatten, wat u in dit boekje is voorgesteld geworden. Ongeveer vier duizend jaren vóór de komst van den Zoon Gods, Menschgewor-den om ons te verlossen, hier op aarde, schiep de Almachtige God hemel en aarde, en alles wat er is , maakte
18;
den eersten mensch, Adam, en plaatste hem in het paradijs, een oord van geneugte, in een allergelukkigsten staat naar ziel en naar lichaam. Na Adam vormde God Eva, de eerste vrouw, als een levensgezellin van Adam, en sprak : âWast en vermenigvuldigt u.quot; Uit dit eerste ouderenpaar is geheel het menschelijk geslacht, dat geleefd heeft en leeft hier op aarde, voortgekomen.
Adam en Eva zondigden en kwamen in opstand tegen God, den oneindigen Schepper. Zij verloren door de zonde de heiligmakende genade, die God aan hunne zielen had gegeven, door welke genade zij in de vriendschap leefden met hunnen God. Zij werden tot straf van hun opstand door God verjaagd uit het paradijs, en aan het lijden en den lichamelijken dood onderworpen. In het zweet huns aanschijns moesten zij hun brood eten op aarde, gevloekt door God, om wille van de zonde des menschen. Door het verlies der heiligmakende genade werd het bezit van den hemel, waartoe hunne onsterfelijke zielen geroepen waren, voor het menschelijk geslacht onbereikbaar. Want door geene menschelijke boetvaardigheid, door geen eindige verdiensten, hoe ook verworven, kon Gods Rechtvaardigheid voldaan, en de belcediging den oneindigen God door de zonde aangedaan, bevredigd worden. In zijne oneindige Rechtvaardigheid echter eischte God eene boete, die in evenredigheid was van de schuld des menschen. Ware dus God zelf niet den gevallen mensch te hulpe gekomen, de mensch zou nimmer het einddoel zijner schepping, den Hemel, bereikt hebben, en voor eeuwig zijn buitengesloten ge-
188
bleven uit den Hemel; nimmer zou hij genoten hebben de aanschouwing van zijnen God.
Maar God had medelijden met den gevallen mensch: en was besloten hem te redden. Het hoogste bewijs Zijner oneindige Barmhartigheid gaf Hij hem in de openbaring Zijner oneindige Rechtvaardigheid. De eeuwige Zoon Gods, als Mensch verschijnend hier op aarde om het menschelijk geslacht van de zonde te verlossen, bracht dit verzoenend Offer van Zichzel-ven. Dien Verlosser beloofde God reeds aan de eerste menschen in het paradijs, alvorens Hij hen voor immer uit deze plaats van geneugte verjaagde. Eenmaal zou uit Adam's geslacht geboren worden de Redder, de Verlosser, die den duivel overwinnen, en 'den mensch' verzoenen zou met God!
Opdat echter de mensch de ellende, waarin hij zich gestort had door te zondigen, zou inzien en gevoelen, en hij dus immer meer naar dien Verlosser zou verlangen en verzuchten, naarmate zijne ellende toenam hier op aarde; opdat ook tevens het Verlossingswerk van den Zoon Gods des te heerlijker zou uitschitteren, naar gelang de nooclzalcelijklieid dier redding langduriger en inniger gevoeld werd door den gevallen mensch, wachtte God bijna vier duizend jaren, alvorens Hij Zijne belofte vervulde. O, hoezeer gevoelde het menschelijk geslacht de behoefte aan dien Verlosser, gedurende deze vierduizend jaren, die Jesus' komst voorafgingen ! Alle volken der aarde geleken bij Christus' verschijning als Mensch hier op aarde, aan een zieke, die vol ongeduld te midden van zijne pijnen en smar-
i8g
ten de komst afwacht van den geneesheer, van vvien hij verlichting en bevrijding zijner pijnen verhoopt Aan eenen mensch gelijk, die in een diepen afgrond gestort, na alles te vergeefs beproefd te hebben, om op te staan en uit zijne ellende te geraken, smachtend verlangt naar iemand, die komen zal om hem te redden ; zóó verzuchtten alle volken der aarde naar den Verlosser der wereld. Niet alleen de Joden, maar ook de hei-densche volken. De heidensche dichter der Romeinen verzucht in één zijner liederen: âKom eindelijk. Gij Zoon van de verhevene Maagd, blijf lang onder uw volk, en moogt Gij laat tot den Hemel wederkeeren, vind er uw welbehagen in, hier Vader en Vorst genoemd te worden.quot; En de heidensche wijsgeer bij de Grieken hoopte, dat er van den hemel een Middelaar zou afdalen, die zonder dwalen den menschen hunne verplichtingen tegenover God en tegenover elkander zou loeren. Zóó werd vervuld het woord door den stervenden Jacob gesproken, dat de Verlosser zou zijn : âdc Verwachte aller volkenquot;.
Hoe kwamen ook de heidensche volken aan deze verwachting van een Redder en Verlosser? Vooreerst kunnen wij zeggen uit de kracht der belofte door God gedaan in het paradijs, de helofte die van Adam overgebracht door de twee eerste duizendtallen van jaren, aan de eerste aartsvaders, na den zondvloed door Noé werd overgedragen aan zijn nakomelingschap, en door de drie groote menschenrassen, uit Sem, Cham en Ja-phet werd overgedragen aan hun nakomelingschap. Deze belofte werd door de drie groote menschenrassen, uit
ipo
Sem, Cham en Japhet voortgekomen, medegenomen over de geheele aarde, toen zij bij de spraakverwarring van Babel zich ieder vormde tot de groote volken, zooals God het wilde. Hoe verward ook deze belofte werd door de menschelijke verzinselen, toch blijkt uit de vroegste geschiedenis der heidensche volken, dat zij allen het denkbeeld hadden behouden van eenen Verlosser, van eenen toekomstigen Redder, die hen zou op-heflen uit den staat van vernedering, waarin zij zelf gevoelden te zijn, en hen zou opvoeren tot een nieuwen staat van geluk, dien zij zich bewust waren verloren te hebben, dien zij wisten uit eigen kracht niet te kunnen henvinnen.' Het geslacht van Abraham, gesproten uit het geslacht van Sem, had het voorrecht om door Gnil. zeiven voortdurend, tot aan de komst van den Verlosser, verlicht, onderwezen en herinnerd te worden aan deze belofte. Onder de leiding Gods kwamen de Joden op allerlei wijzen in betrekking en aanraking met de heidensche volken. De beloften Gods, aan de H Aartsvaders en Profeten gedaan werden opgeschreven door Mozes en de profeten in hunne heilige boeken. Deze boeken werden later zelfs in de talen van heidensche volken overgebracht en vertaald. De zin, de beteeke-nis van den Joodschen eeredienst, van hunne offers, allen heenwijzend op het verzoeningbrengend offer van den Messias, kwam tot de kennis ook der heidensche volken. Dit alles bewerkte, althans bij velen hunner wijsgeeren, dat het denkbeeld eener mogelijlce verlossing ook bij hen levendig werd, en hen naar eene verlossing deden verlangen en uitzien.
igi
Maar vooral bij de Joden, het volk Gods, werd de belofte van den toekomstigen Messias door goddelijke openbaringen voortdurend door alle eeuwen heen levendig gehouden. Gelijk wij zagen, gebruikte God den langdurigen leeftijd der eerste Aartsvaders als middel, om de belofte aan den mensch in het paradijs gedaan, in de kennis der menschen te bewaren. Na den zondvloed hernieuwde God deze belofte aan de H. Aartsvaders Abraham, Isaac en Jacob, en beloofde aan dezen, dat de Messias uit hun geslacht zou geboren worden. Later verwekte God heilige mannen, die als Profeten het volk Gods zouden voorspellen, wat deze Messias zijn zou ; de plaatsen waar en den tijd, waarop Hij lijden en sterven zou, om het offer der verzoening voor ons menschen te brengen.
Deze middelen, door God gebruikt, zijn ook voor ons, Christenen, door God opgeteekend in de H. Schrift, het woord Gods. Ziedaar, waarom wij u ook geschreven hebben over de H. Schrift; want al deze werken van Gods liefde en barmhartigheid, blijven ook voor ons, Christenen, zoovele duidelijke bewijzen, dat Jesus Christus de Zoon Gods is, en de beloofde Verlosser. In Hem zien wij vervuld èn de belofte Gods, èn de voorspellingen der Profeten. Ook voor ons, die in Christus gelooven als in den Zoon van God, blijven deze vervullingen zoovele bewijzen van Gods Barmhartigheid jegens ons. In den nood, in iedere ellende onzer ziel weten wij bij Wien wij redding kunnen vinden, om den Hemel te winnen, en onze onsterfelijke zielen te behoeden voor den eeuwigen ondergang.
lg2
Laten wij dan geheel ons leven die Barmhartigheid van onzen God dankbaar prijzen en loven. Stellen wij in Christus onze kracht en onze hoop te midden van den strijd, dien wij te strijden hebben hier op aarde. Oefenen wij ons immer meer in Hem te beminnen, die de Redder, de Zaligmaker onzer ziel is. Laten wij niet enkel oprecht geloovigen zijn, maar streven wij er tevens naar, om immer getrouwer volgelingen van Jesus te worden, blijde dragend het juk Zijner geboden ; ons heiligend door de genademiddelen, die Hij ons heeft gebracht, om het leven onzer ziel, de heiligmakende genade, altijd overvloediger in ons te bezitten.
Alvorens wij echter eindigen, willen wij U nog de voornaamste gebeurtenissen met de jaartallen aangeven, die in het verloop der vier duizend jaren voor de komst des Messias, onder leiding Gods, geschied zijn, en de eerste geschiedenis van ons menschelijk geslacht genoemd wordt. Wij zullen u echter vooraf de tijdrekening aangeven, die de Christenvolken hebben aangenomen bij het bepalen der jaartallen van het oude Verbond.
De wereld wordt gerekend nu ongeveer 5900 jaren te bestaan. Het zal nu ongeveer igoo geleden zijn, dat God Zijnen Zoon als Verlosser hier op aarde zond, dat Jesus Christus, de beloofde Messias, als Mensch te Bethlehem, een stad in het land van Palestina, vroeger Chanaan, later Judea genaamd, geboren werd. Palestina, ook het beloofde land, nu vooral het heilige Land geheeten, is gelegen aan de Middel-landsche zee, aan beide zijden van de rivier de Jor-
193
daan. Ziehier zijne grenzen : Ten Noorden grenst het aan Phoenicië, ten Oosten aan de Syrisch-Arabische woestijn ; ten Zuiden aan Arabic ; ten Westen aan de Middellandsche zee. Het is een klein, maar zeer vruchtbaar land, nauwelijks 500 vierkante mijlen groot. Het besloeg eene oppervlakte omtrent gelijk aan die van Nederland. Deze kleinheid des lands deed de heidenen spottend zeggen, dat de God der Joden wel een kleine God moest zijn, wijl Hij aan zijn volk geen grooter land had kunnen geven. Alsof in de schatting van den oneindig grooten God iets groot, of iets klein kan zijn !
Van alle zijden als ingesloten, was Palestina door zijne natuurlijke ligging geschikt tot een opvoedingsoord voor een van de overigen afgezonderd volk. Van den anderen kant lag het bijna in het midden der oude wereld. Het stond door de zee met Europa, door de landengte van Suez met Egypte en Afrika, door meerdere handelswegen met de volken van Azië in verband. Het was dus een geschikt middelpunt, waaruit het geloof aan den waren God, en de hoop op den beloofden Verlosser zich naar alle zijden konden verbreiden ; waaruit vooral, in de volheid der dagen, het licht van het H. Evangelie over de geheele aarde schijnen, en het woord des heils klinken kon tot aan de grenzen der wereld.
In de eerste Christelijke eeuwen nu rekende men de jaartallen naar de regeering der Romeinsche consuls. Maar in het jaar 525 van onze tegenwoordige Christelijke tijdrekening begon de Romeinsche Abt Dionysius, de Kleine bijgenaamd, de jaren te tellen van de Menschwordmg van God, den Zoon. Keizer Karei
194
voerde deze tijdrekening voor geheel Duitschland In, maar begon de Christelijke tijdrekening met het jaar van Christus' geboorte. Zoo begonnen dan de Christenen de eeuwen te tellen met vóór en na de geboorte van Christus. Maar de vier duizend jaren vóór Christus worden geteld in eene afdalende orde, zoodat wij zeggen in het jaar ongeveer 4000 vóór Christus' geboorte schiep God Hemel en aarde ; in de jaren 1050â 1015 vóór Christus heerschte David als Koning over het volk der Joden.
Van deze vier duizend jaren vóór Christus geven wij deze voornaamste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het menschelijk geslacht.
HET EERSTE TIJDVAK.
Van de schepping der wereld tot aan de algemeene afgoderij.
(Van Adam tot Abraham, ongeveer 4000 tot 2000 vóór Christus.)
De naam van vroegste geschiedenis past aan het eerste tijdvak, dat omtrent 2000 jaren omvat, omdat daartoe de vroegste lotgevallen van het menschelijk geslacht behooren. Droevig is voor ons menschen dit tijdvak. Het begint met eene blijde en veel hoop gevende gebeurtenis, met de schepping namelijk, van de wereld en bepaaldelijk van den mensch, dien God, voor tijd en eeuwigheid wilde gelukkig maken. Het eindigt helaas! met het jammerlijkste bederf, met de verspreiding van afgoderij en boosheid over de ge-heele aarde.
Aan het begin van dit treurig tijdvak staat Adam,
195
de zondige stamvader der menschen. Aan het einde van dit tijdvak verrijst, als eene voorspelling van betere tijden, het beeld van Abraham, den rechtvaardigen stamvader van een godvreezend volk.
In dit eerste tijdvak komen de volgende gebeurtenissen voor.
De zondeval van Adam en Eva, Gods belofte van den toekomstigen Verlosser, en de verjaging der menschen uit het Paradijs.
Kain doodt zijn broeder Abel uit afgunst. Zij waren zonen van Adam en Eva ; en Kain zal ongeveer 130 jaren oud zijn geweest, toen hij Abel, die gerekend wordt 127 jaren geleefd te hebben, laaghartig vermoordde.
Vervolgens treedt het tijdperk in van de tien Patriarchen, Aartsvaders, wier langen levensduur wij reeds vroeger aangegeven hebben.
Ten laatste nam het zedebederf onder de menschen zoo zeer toe, dat God besloot hen te verdelgen van de aarde. Aan Noé beval God, dat hij een ark zou bouwen, en nadat deze ongeveer honderd jaren aan den bouw van de ark gearbeid had, en Noé zijn 600ste levensjaar was ingetreden, deed God het veertig dagen en veertig nachten op de aarde regenen, en kwam de groote zondvloed over de aarde.
Volgens de volkomen duidelijke opgaven der H. Schrift, had de zondvloed plaats in het jaar 1656 na de schepping der menschen, of 2348 jaren vóór Christus' geboorte. .
Na den zondvloed vermenigvuldigden de menschen zich spoedig, voortgesproten uit de drie zonen van Noé, Sem, Cham en Japhet, uit wie de groote menschen-
igö
rassen zijn voortgekomen. De menschen spraken nog immer eenezelfde taal. In hun hoogmoed en bedorvenheid zeiden zij tot elkander: âWelaan, laat ons eene stad bouwen en een'toren, wiens spits tot aan den hemel reikt, en laten wij ons een grooten naam en een teeken maken, opdat wij niet verstrooid worden over de geheele aarde.quot; En zij begonnen hun hoogmoedig werk. Om dan den overmoed van de trotsche bouwers te beschamen en te bestraffen, en tevens de eenheid der menschelijke maatschappij te verbreken, verwarde God hunne spraak, zoodat zij elkander niet meer konden verstaan. Gelijk de taal de allereerste en onmisbare voorwaarde is voor alle menschelijke samenleving, zoo konden menschen, die elkanders woorden niet meer verstonden, onmogelijk één volk blijven uitmaken. De spraakverwarring moest noodzakelijk het uit elkander gaan der menschen ten gevolge hebben. Uit de vlakte van Sennaar â het zuidelijk gedeelte van de streek tusschen den Tiger en den Euphraatâ waar zij hun toren hadden willen opbouwen, verspreidden zich de menschen over de geheele aarde. Zij hielden op met het bouwen der stad, die ter blijvende gedachtenis aan hetgeen geschied was, den naam van Babel (of Babyion) dat wil zeggen: verwarring, ontving.
De tijd, waarop de verstrooiing der menschen plaats had, is niet met zekerheid te bepalen. Het is genoegzaam zeker, dat Nemrod, de heerscher van Babyion, niet vreemd was aan den torenbouw. Deze Nemrod was de kleinzoon van Cham, en zal dus niet lang na den zondvloed geboren zijn. De meest genoemde jaartallen, zegt professor Muré, zijn 101, of 152, of 170, of 325 jaren na den zondvloed.
197
TWEEDE TIJDVAK.
Geschiedenis van het volk Gods.
(Van Abraham tot Salomon, ongeveer 2000âiooo vóór Christus.)
God nu bleef de belofte vervullen, die Hij den men-schen in het paradijs gedaan had. Om echter het geloof in den waren God en de hoop op den beloofden Verlosser, zonder dwalingen, en onverzwakt te doen voortduren, vertrouwde God dat geloof en die hoop aan een volk, dat Hij tot Zijn volk verkoor, en dat in de volgende tijden het bijzondere voorwerp Zijner zorg zou zijn. Dit volk nu kwam voort uit het geslacht van Abraham, een afstammeling van Sem, de eerste der zonen van Noé. Gelijk wij vroeger gezien hebben was Thare de vader van Abraham.
Zoo wordt dan de geschiedenis der openbaring Gods aan de menschen, meer in het bijzonder de geschiedenis van het geslacht van Abraham, van het Israëlitische volk. Gelijk in het leven van een mensch, zegt professor Muré, kmdschheid, jongelingschap en volwassen leeftijd elkander opvolgen, zoo doorleeft ook een volk een tijdperk van wording, van vorming en van hloei.
Het tijdperh der wording van het Israëlitische volk is dat zijner patriarchen, en loopt van Abraham's geboorte tot Josef's dood.
Tot de vonning of opvoeding van het Joodsche volk behooren de verdrukking in Egypte, de omdwaling door de woestijn, de oorlogen fegëh de Kanaariieten, zoodat het tweede tijdperk loopt van Mozes tot Saul.
ipS
Het Israëlitische volk beleefde zijn bloeitijd onder de regeeringen van David en Salomon.
Het tjdperh der wording, van Abraham tot Josef, den zoon van Jacob.
Omstreeks het jaar 2000 vóór Christus riep God Abraham op uit zijn vaderland, uit Ur der Chaldeën, waarschijnlijk in het noord-oostelijke gedeelte van Mesopotamië gelegen ; en voerde hem naar Palestina. In dit land vestigde zich Abraham te Hebron, ten Westen van de doode zee gelegen. âHef uwe oogen op, sprak God tot Abraham, en zie van de plaats, waar gij u nu bevindt naar het Noorden en het Zuiden, naar het Oosten en het Wester^: al het land wat gij ziet, zal ik geven aan u en aan uw geslacht voor eeuwig. En uw geslacht zal ik vermenigvuldigen als het stof der aarde : wie dit tellen kan, zal ook uwe nakomelingen tellen kunnen.quot;
Abraham nu ontving van God een zoon Isaac, in wien alle volken der aarde zouden gezegend worden. Isaac nu had twee zonen Ezau en Jacob. Deze Jacob, ook Israël geheeten, had twaalf zonen. Eén van deze zonen was Josef, die onderkoning werd van Egypte, en die zijne bloedverwanten, zevenenzestig in getal, naar Egypte liet overkomen, en aan wie hij de vruchtbare landstreek Gessen tot woonplaats gaf. Deze komst van Abraham's geslacht in Egypte had plaats ongeveer in het jaar 1900 vóór Christus. In Egypte vermeerderden de Joden zich op eene wonderbare wijze. Onder de latere koningen echter van Egypte kwamen zij in een harde verdrukking ; zij werden van toen af gewoonlijk Israëlieten geheeten.
199
Het tweede tijdperk van het Israëlitische volk, de opvoeding van het Joodsche volk.
Het verblijf der Joden in Egypte kan berekend worden op 215 jaren. Om hen uit de verdrukking, die eene ware slavernij was geworden, te verlossen riep God Mozes op, die in het jaar der wereld 2434 gerekend wordt geboren te zijn, dat is omstreeks het jaar 1566 vóór Christus. Onder Mozes werden de Israëlieten uit Egypte geleid, om op te trekken naar Kanaan, het beloofde 'and, Palestina, waar de goddelijke Verlosser is geboren. Alvorens zij echter het beloofde land binnentrokken, wilde God, dat de Joden gedurende veertig jaren zouden rondzwerven in de woestijn, en zich daar vooral tot het Godsvolk zouden vormen.
Omstreeks het jaar 1500 vóór Christus trokken ongeveer twee millioen menschen, onder wie 600,000 strijdbare mannen waren, onder aanvoering van Mozes en zijn broeder Aaron uit Egypte ; zij gingen op wondervolle wijze droogvoets door de roode zee, en kwamen in de woestijn van Arabië. Hier werden zij gedurende veertig jaren door God gespijzigd met het dagelijks van den hemel regenend Manna. Op den zeven en veertigsten dag, na hun uittocht uit Egypte, kondigde God Zijne geboden af, en gaf op den berg Sinai, op twee steenen tafelen gegrifd. Zijne heilige tien geboden. Mozes stierf op den berg Nebo, en mocht het beloofde land slechts van verre beschouwen, maar het niet binnengaan.
Josué, de opvolger van Mozes, bemachtigde het beloofde land. Onder hem namen de Joden bezit van het land Kanaan. Toch moesten de Israëlieten nog ruim 300 jaren onder aanvoering der Rechters tegen
200
de verschillende volken, die tot nu toe Kanaan be -woond hadden, strijd voeren. Dit tijdperk loopt van 1450â1100 vóór Christus.
De Rechters waren dappere mannen, die God in tijd van nood opwekte, om de heidensche volken, die de Israëlieten beoorloogden, te overwinnen. Zij spraken ook recht onder het volk; vandaar hun naam Rechters. De voornaamste waren: Gedeon, Jephte, Samson, de laatste van hen was Samuel, die Saul tot koning over Israël zalfde.
Nadat Samuel namelijk twintig jaren als Rechter het Israëlitische volk bestuurd had, zonden de Joden een gezantschap, gekozen uit de ouderlingen van Israël, tot hem, met dit verzoek: âStel een koning over ons aan, opdat hij onze rechter zij, gelijk bij alle andere volken.quot; In eene zaak van zulk aanbelang raadpleegde Samuel God in een vurig gebed. En God sprak tot Zijn Profeet: âHoor naar de stem des volks en doe naar hun verlangen.quot; God nu koos Saul uit, onder de mannen van Israël, om koning te worden over zijn volk. Maar Saul beantwoordde niet aan zijne roeping, en God sprak: âHet berouwt mij Saul tot koning te hebben aangesteld, daar hij mij verlaten, en mijne bevelen niet vervuld heeft.quot;
Samuel nu ontving van God het bevel. âVul uwe kruik met olie en ga naar Bethlehem tot Isaï; één van zijne zonen heb ik tot koning verkoren.quot; Deze Isaï had acht zonen, de jongste van hen heette David. Hij werd door God aangewezen, om als koning van Israël op te treden, daar Saul verworpen werd door God.
Met dezen David begint het tijdperk van hloei van
20I
het Israëlitische volk; het loopt van David tot Salomon, van het jaar 105 5 tot 975 vóór Christus' geboorte.
David's leven kenmerkt zich door groote vroomheid. Hij vervaardigde de psalmen, en ontving van God de belofte, dat uit zijn geslacht de Verlosser der wereld zou voortkomen. Tot tweemaal toe viel David in zware zonde. Door de strenge boetvaardigheid, die hij oefende over zijne schuld blijft David een voorbeeld ook voor alle eeuwen des Christendoms.
Zijn zoon Salomon volgde hem op. Deze bouwde in het jaar 1012 vóór Christus den tempel te Jeruzalem. God gaf hem groote wijsheid; hij is de vervaardiger van het Boek der Spreuken. Maar de weelde, te midden waarvan hij leefde, bracht ook hem ten val. Ergerlijk werd zijn leven te midden van het volk, en God verwierp hem. âOmdat gij dit gedaan hebt, aldus sprak God tot Salomon, zal ik uw rijk uit elkander scheuren, en het geven aan uwen knecht. Om wille echter van mijn dienaar David en van de stad Jeruzalem, zal ik niet het geheele rijk aan uw geslacht ontnemen, maar één stam geven aan uwen zoon.quot;
Deze scheuring van het rijk had plaats onder de regeering van Roboam, den zoon van Salomon. En hiermede begint het derde tijdvak van de geschiedenis des Israëlitischen volks, de geschiedenis namelijk, van het verval des Joodschen volks, van de scheuring Israel's tot de komst des Verlossers. Van Salomon tot Christus, ongeveer het jaar 1000â1 vóór Christus. Derhalve :
HET DERDE TIJDVAK.
Dit tijdvak wordt in drie afdeelingen verdeeld;
1. de geschiedenis der rijken van Juda en Israël.
202
en loopt tot aan het begin der Babylonische gevangenschap.
2. de gevangenschap in Babyion tot aan den terugkeer der Joden in Judea.
3. de geschiedenis der Joden onder de Machabeën.
Eerste af'deeling van dat derde tijdvak. Na Salomon's dood scheidde zich het Joodsche rijk in twee rijken : het koninkrijk van Israël en het koninkrijk van Juda.
Roboam volgde zijn vader Salomon op als koning over het rijk van David. Maar onder dezen Roboam scheidden zich de tien noordelijke stammen af, en vormden zich tot een zelfstandig koninkrijk, Israël geheeten, onder een anderen koning, Jeroboam genaamd. Alleen de twee zuidelijke stammen Juda en Benjamin, bleven hun koning Roboam getrouw, en vormden zich tot het koninkrijk Juda.
Het koninkrijk Israël had ig koningen. Dezen brachten het volk tot afgoderij, opdat het niet op zou gaan naar Jerusalem, om den waren God te offeren. God zond tot Zijn volk de profeten, die boete predikten en hen bedreigde met Zijne straffen. Maar zij wilden niet luisteren, en in het jaar 722 vóór Christus kwam de Assyrische koning Salmanassar, vernietigde het rijk van Israël, en voerde het volk als gevangenen weg. In het jaar 606 kwamen zij, na de verwoesting van het Assyrische rijk, onder de macht der Babylo-niërs ; en in het jaar 538 onder de heerschappij van Cyrus, den koning van Persië.
Het koninkrijk Juda had twintig koningen, en bleef langer in stand. Eerst onder den koning Nabuchodo-nosor werd het rijk van Juda overwonnen, en toen zij
203
opstonden tegen hem, werden vele Joden, onder wie Daniël, in gevangenschap gevoerd, omstreeks het jaar 600; hunne stad Jerusalem en hun tempel werden in het jaar 588 verwoest. Maar ook toen nog werden op de puinhopen van den tempel offers opgedragen..
Tweede af deeling.
Sinds het jaar 600 waren de bewoners van beide rijken Israël en Juda onder één koning, en werden weder bevriend met elkander. Van nu af worden zij gewoonlijk Joden genoemd. In het jaar 536 stond Cyrus, de koning der Persen hun toe, naar hun land terug te koeren, en den tempel te Jerusalem weder op te bouwen. Onder aanvoering van Zorobabel trokken 42000 Joden naar Jerusalem en begonnen stad en tempel weder op te bouwen. In het jaar 453 ontvingen de Joden van den persischen koning Artaxerxes het verlof Jerusalem met nieuwe muren te versterken. Gedurende 200 jaren bleven de Joden nu onder de macht der Persen, en hadden van hen niets te lijden. Toen verscheen Alexander de Groote, en bemachtigde het Persische rijk. Nu kwamen de joden onder de macht van de Macedonische koningen. In het jaar 203 werden zij onderworpen aan den wreeden koning Antiochus Epi-phanes IV. Deze koning vervolgde hen om wille van hun godsdienst Hij liet de zeven Machabaeïsche broeders martelen, en plaatste zelfs in den tempel te Jerusalem beelden van afgoden.
Derde af deeling.
Onder aanvoering der Machabeën Mathatias en zijne vijf zonen, begonnen de Joden hun vrijheidsoorlogen schudden het Syrische juk van zich af. Een der Ma-
204
chabeesche broeders, Simon, werd koning en hooge-priester in Judea. Gedurende honderd jaren werden zij nu weder door Joodsche koningen geregeerd. In het jaar 64 vóór Christus onderwierp de veldheer der Romeinen, Pompejus, den joodschen koning aan de Romeinsche heerschappij. Toen echter in het jaar 38 vóór Christus de Joden opgestaan waren tegen de Romeinen, zetten deze den Joodschen koning af, en maakten Herodes, een heiden, koning van Juda. Herodes de Groote was de eerste joodsche koning, die zelf geen jood was. Onder zijne regeering moest dus de Verlosser geboren worden, volgens het woord van den profeet. Deze Herodes gaf het bevel van den kindermoord te Bethlehem. Hij stierf 3 jaar na Christus' geboorte.
Zijn zoon Herodes Antipas volgde hem op in de regeering, van het jaar 3 tot 40 na Christus' geboorte. Deze liet Joannes den Dooper vermoorden, en bespotte den Verlosser op den dag van Zijnen Kruisdood.
Herodes Agrippa, een neef van Herodes den Groo-ten, volgde dezen wellustigen koning op. Deze liet den H. Jacobus onthoofden, en den H. Petrus in de gevangenis zetten. Hij liet zich God noemen, en werd reeds bij zijn leven door de wormen verteerd. Hij stierf in het jaar 44 na Christus.
In het jaar 70 na Chr. werd Jerusalem door den Ro-meinschen keizer Titus verwoest, en de Joden onder alle volken der aarde verspreid en verstrooid.
EINDE.