ocr page 1

' 1quot; ' '• '• ;■ is1!'M,l1,',,i'|■'. v'*.'i'iX'!11' ''■'i'«V'quot;v.'/''•gt;'.' s1-'vJ'i'•il,I'''i '/'M'SV'1';- Mv»,»i«,,«!''-v'ï'.v^; ;I'l'-'I1'1'!'!'! v v.'•.. '■ v-',! ■! ;\,I'T'•! M1- ■•lt;'■. ■'. ;'• • '. ■ ;•!; .• !•,'•

..............................................................^am^i

üHi: :::^ :x-W;:^::S!:y ::::!;:*:::::;y:::••:lt;. ':

lt;,;.;.;.^..M|.:i, 1:1; «Wij. gt;;•:,•

.„-,!»

liiBïi»

l^^S4V^^!;^,^^^fe^::!^^{;^:::•:!V•:';!!;,i!;^.'^;,;.•:;!::: :•:• Xv'' '.v^':,: i' •?;•;;: '/.'v;';';^'' ;:x;;'i';;;;ivi;''t

;V'^;!v ';!::: I;:::;:' si:

V'^I'IViV-'! . I1quot;'. ■''/'■M'' vMsv ;•,•;• I •, .VVsk'-;- N'' 1'''''' 11,'. • ■11'!'''! ■■ '1'1 '■W'J'J'WJ'rf v XOlviv. ;.;•,

iliiiMiiM^fclM «iiiii li 11 r

ipMiëjÉlgpjiMiipiilM ' ■ ...................MÉ

ftI'::'i'■ 1 iii

11::; 1 m 1 Éi 1 m i ii

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

..........................................................................................................

UÉÉMÉÉMl

XLam

ocr page 6
ocr page 7

WW.

fan tTh^fo^^rhJii^mri^cftOmbr^é (ÉezehgGFSAP (^

eiS^J 3 ^ SJ

Op^nr|t te fsltrecfyt öeu S^-m Ortob^r 1544

■Uh

m

ocr page 8
ocr page 9

^EEST-PCLBUM

VAN HET GEZELSCHAP

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

1881 1905

iiiiinmnniumi

T JU'irn 'iii ni'i .........................

ocr page 10

Stoomdrukkerij „de Industriequot; J. van Druten - Utrecht.

i'. ru-uu-j.?.

■Jv,

fe

ocr page 11

gHan

EERELEDEN EN LEDEN

— VAM —

quot;OT-Or

ocr page 12

WORDT DIT ALBUM OPGEDRAGEN

DOOR DH

FEESTCOMMISSIE,

ocr page 13

Ti. S.

Zoo is dan eindelijk, honoraire leden en leden van „quot;UT'otquot; de feestdag aangebroken, quot;waarop sedert lange uw oog heeft gestaard.

waarvan gij eens lid waart of nog leden zijt, viert zijn io''6 lustrum; het herdenkt thans met blijdschap den dag van zijn $0-jarig bestaan.

Als man en vrouw hun gouden bruiloft vieren, dan zullen hunne kinderen zich wel wachten dien dag ongemerkt te laten voorbijgaan. Dan is 't reeds een tijdlang vooruit dat ze bezig zijn plannen te maken om dien feestdag waardig en blijde te vieren en, is eens die jubeldag daar, dan worden de ouders verrast met allerlei dingen; zoovele bewijzen van der kinderen liefde en gehechtheid.

Niet anders nu is 'twaar «-dt-otquot; zijn gouden feest viert. Daar waren het „twee zielen vast aaneengesmeedquot; — hier zijn het ruim een honderd-tal samen en toch ook weer één: in liefde voor hun gezelschap, in hartelijke toegenegenheid jegens elkander, vierend een feest van zoo blijden aard.

Wij f eestcommissarissen, handelend namens de leden, ook wij wenschten den jubilaris een verrassing te bereiden en daardoor in hem tevens zijne geheele familie: de honoraire leden en leden van Ook wij zaten reeds sedert maanden niet stil, maar beraamden

een plan en we gaven ons moeite om den 8sten October 1894 niet ongemerkt te laten voorbijgaan.

Als een der vruchten van onzen arbeid bieden wij hierbij dit album U aan, terwijl wij hier tevens onzen welgemeenden en hartelijken dank betuigen aan allen die aan ons verzoek tot medewerking gehoor gaven en alzoo door hunne bijdragen ons in staat hebben gesteld dit f eest-album uit te geven.

Ziet hier dan dit boek, honoraire leden!

Neemt het mede daarheen, waarvandaan gij tot ons zijt gekomen en zij 't U altijd een

ocr page 14

Opdracht door de Feestcommissie.

aangenaam souvenir aan het gouden feest van „quot;üT-or, van V gezelschap dat uwe liefde en trouw eens mocht ondervinden, maar dat ook uwe sympathie bij het wegsnellen der jaren niet heeft verloren.

En gij, leden van „■OT-Otquot; / de feestcommissie vertrouwt dat dit album ook U zal wezen een kostbaar aandenken aan het schoone feest van V gezelschap, dat, zoo gij't blijft liefhebben, voorzeker bij 't klimmen der jaren zal voortgaan met bloeien en toenemen in kracht, zoodat ,, -ct-oiquot;, al mag het ook oud worden genoemd, zijne jaren zal blijven dragen met eere en verouderd nooit worden geheeten.

De Feestcommissie-.

J. P. Ph. Loeff.

G. Posthumus Meyjes.

A. G. H. van Hoogenhuijze.

J. Henri Ledeboer.

C. W. Th. van Boetzelaer.

ocr page 15

WELKOMSTREDE,

Uitgesproken op 8 October 1894 door den praeses, den Heer A. I. Kan, Jr.

M.M. H.H., Leden en Eereleden van Secor Dabar!

ij staan thans aan het begin van een hoogst eigenaardig feest, waarvoor reeds maanden geleden de plannen zijn gemaakt, waarop reeds maanden geleden zich menigeen heeft verheugd, en waartoe thans uit alle streken des lands velen zijn samengekomen in hun oude academiestad.

En onder hen, die nu hier zijn vereenigd, bevindt zich menigeen, wiens naam reeds jaren geleden met eere werd genoemd; en naast hem allicht een jongeling, die zich door dit feest een tijd laat wegroepen van de laatste studiën die hem nog van het gewenschte ambt scheiden.

Ik zie menig jong predikant, die nog nauwelijks onzen kring heeft verlaten, naast den jeugdigen student, die zich nog slechts weinige maanden aan de theologie wijdde.

Maar geenszins verwonderen wij er ons over, dat zoovelen in deze stad feestelijk samen willen zijn, waar hier het ^o-jarig bestaan zal herdacht worden van den band die hen allen vereenigt, van dien band, die niet slechts velen kon vereenigen, die van jaar tot jaar gezamenlijk aan deze academie vertoefden, maar wat meer zegt: die de oudsten, die thans in ons midden zijn, reeds verbindt met de jongste studenten, nog voor zij elkander ooit hadden ontmoet.

En nu M. H., waar wij als het ware in afwachting zijn van de schoone dingen die morgen komen zullen, hoop ik niet dat gij van mij zult verwachten, dat ik ook maar zou

ocr page 16

Welkomstrede door den Praeses.

pogen iets te schetsen, van hetgeen ons gezelschap in deze 50 jaren heeft ondervonden, of van hetgeen „woquot; voor zoo menigeen in het bijzonder is geweest — Vergun mij, deze gewichtige en schoone taak over te laten aan onzen feestredenaar en ab-actis, die de lotgevallen der vervlogen jaren ons zullen herinneren; en aan oudere en jongere lippen, wien morgen aan den feestelijken disch, rijkelijk gelegenheid zal gegeven worden, in menig hartelijk woord den roem van quot;DT-Qt te verkondigen.

Thans heb ik iets anders op 't hart . . Behoorende tot en uit naam van het jongere geslacht, is het mij een behoefte U honorairen, oud-leden van ons gezelschap, welkom te heeten in ons midden; U te danken voor uwe komst, die de eigenaardig feestelijke tint aan ons feest moet geven. Op grooten prijs stellen wij het, dat de liefde tot ons gezelschap^ dat ook het uwe is, U heeft gedrongen, met ons jongelieden, het feest van-ut-di te komen vieren. Hadt gijlieden dit feest de moeite eener reis niet waardig gekeurd, voor ons zou dan het aantrekkelijke van den dag ontbreken.

Thans echter heeft bijna elk tijdperk van de 50 jaren, die larut achter zich heeft, als 't ware zijne vertegenwoordiger gezonden, om met ons blijde te zijn.

Waar straks het feestelijk verslag van onzen ab-actis, bij menigeen onder U eigenaardige gewaarwordingen zal opwekken, wanneer gij van perioden hoort gewagen, die gij zelf mede hebt doorleefd — daar wordt door uwe tegenwoordigheid voor ons het aantrekkelijke dezer herinneringen verhoogd, wanneer wij hen mogen ontmoeten, die zoo menige verbetering in de inrichting van ons gezelschap hebben tot stand gebracht, die zoo menige gebeurtenis hebben bijgewoond, kortom: zulke belangrijke factoren zijn geworden in de geschiedenis van -ot-o.

Waar wij U dan in ons midden mogen zien, heeten wij U hartelijk welkom, en breng ik U voor dit blijk van belangstelling en liefde voor quot;DTTH, den hartelijken dank van hen, die thans larur aan Utrecht's Academie vertegenwoordigen.

ocr page 17

Leden en Eereleden van Waarde vrienden!

Van harte roep ik u het welkom toe in deze feestelijke ure. Het jubeljaar van ons gezelschap hebt gij niet voorbij willen laten gaan, zonder door uwe tegenwoordigheid en uwe medewerking te toonen, hoe lief gij het hebt, en hoezeer gij op prijs stelt, korter of langer tijd tot zijne leden te hebben behoord.an harte roep ik u het welkom toe in deze feestelijke ure. Het jubeljaar van ons gezelschap hebt gij niet voorbij willen laten gaan, zonder door uwe tegenwoordigheid en uwe medewerking te toonen, hoe lief gij het hebt, en hoezeer gij op prijs stelt, korter of langer tijd tot zijne leden te hebben behoord.

Ik dank er u voor. Ik dank u, werkende leden, dat van u de uitnoodiging kwam tot dit feestelijk samenzijn. Ik dank u, eereleden, dat gij die uitnoodiging hebt aangenomen, en in zoo grooten getale, van heinde en ver zijt toegestroomd.

Ik dank u, feestcommissie, dat gij tot mij het verzoek hebt gericht, om bij deze gelegenheid te vertolken wat er omgaat in aller hoofd en hart. Ik heb niet kunnen, en niet willen weigeren. Want ik heb Secor lief gehad, en heb het nog lief. Reeds meer dan 40 jaar is het geleden, dat ik als buitengewoon lid toetrad; maar nog altijd staan mij ontmoetingen, ervaringen, gesprekken, disputen uit dien tijd levendig voor den geest. Het was een recht gezellige vriendenkring, waarin ik mij mocht bewegen. Voor verstand en hart heb ik er veel aan te danken. Van daar dan ook, dat ik later meer dan eens bij de Réunies mij liet vinden, en sinds ik hier als hoogleeraar werkzaam was, vrij geregeld de plechtige installaties van nieuwe leden bijwoonde — waarvoor ik met dit eerelint beloond werd, in onderscheiding van de leden der eerste drie lustra, die aan zulke insignes nog niet dachten.

Zoo kunt gij dan begrijpen, dat ik dankbaar de uitnoodiging aannam, om heden als uw feestredenaar op te treden.

Wij vieren feest. En wij mogen dit doen. Wel zijn er weemoedige herinneringen, die op een dag als deze levendig in ons worden. Van de leden van Secor, met wie ik als student kennis maakte, zijn er nu reeds zeven heengegaan. En als ik de 24 anderen, die op de leden-lijst met een kruisje zijn geteekend, wilde noemen, hoevelen onder u zouden mij dan toeroepen: ach! noem ze maar niet, wij hebben ze hier reeds al te zeer gemist!

ocr page 18

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

Slechts eenen naam kan ik niet verzwijgen. Gij hebt reeds geraden, wien ik bedoel: ee'n van de zeven oprichters van Secor, en zeker niet den minste, die voor tien jaren de feestrede hield in ons midden, en bij die gelegenheid door de zeldzame vereeniging van ernst en luim zoovele harten wist te winnen, Nicolaas Hendrik de Graaf. God heeft hem weggenomen. Maar dat sympathieke gelaat, dien gullen lach, dat trouwe hart, die warme liefde voor Secor, die hem kenmerkten, zullen wij niet licht vergeten.

Toch kan het gemis van dezen en genen vriend onze feestvreugde niet dooven. Want hoevelen zijn er, die wij hier met dankbare blijdschap mogen terugzien! Danken wij God, dat hij zoo menigen vriend voor ons spaarde, en zoo velen, die wij misschien sinds jaren niet zagen, de hand mogen drukken op dit groote feest van Secor.

Vijftig jaren. Welk een tijd! Vooral voor een studenten-gezelschap! Geen bewege-lijker, geen veranderlijker menschen, dan studenten. Het duurt niet lang, of zij kunnen zich in het bestaande niet meer vinden en hunkeren naar iets nieuws. Zij ontmoeten geestverwanten (zooals zij meenen, althans), sluiten zich aaneen, vormen een club of gezelschap, voor altijd — naar het heet. Wacht maar. Spoedig ziet men zich in elkander bedrogen. Men valt elkander tegen, men verstaat elkander niet meer — en de club spat uiteen. Of, zoo men het al zijn studenten-tijd uithoudt, er komen telkens nieuwe elementen bij, nieuwe gezichtspunten doen zich op, nieuwe toestanden worden geboren, nieuwe behoeften laten zich gelden — en het nieuwe gezelschap heeft het oude vervangen. Zóó gaat het in den regel. Zóó is het ook gegaan met al de theologische, literarische en oratorische gezelschappen, die reeds bestonden bij de geboorte van Secor. Om nu alleen van mijn lustrum te spreken — wat is er geworden van Ben-Sjaloom, van Studiis fovetur ingenium, van Fabricando fabri fimus, van Eloquentiae Sacrum, van Tandem fit sur cuius arbor, van Calliope? Zij hebben geleefd, gebloeid, mannen van naam en beteekenis ond er hunne leden geteld, en zeker ook wel vele vruchten gedragen voor kunst en wetenschap; maar zij zijn te niet gegaan.

quot;D-ru» echter leeft nog altijd voort. Bange dagen heeft het gekend. Er zijn critieke oogenblikken geweest, oogenblikken waarin er niet veel gebeuren moest of het uur van sterven was geslagen. Maar zóó ver is het niet gekomen. Het was een bezwijming, geen tering. Nabij den dood gekomen, is Secor weer opgeleefd, met nieuwe, jeugdige, frissche krachten, en heeft zich aan onze Universiteit eene positie verworven, die benijdenswaardig mag heeten. Waarlijk, als men let op het groot getal zijner leden, groot er dan het ooit is geweest, op den goeden naam dien het heeft bij het corps, op den invloed, dien het oefent in zoo menigen kring, dan krijgt men waarlijk niet den indruk van eene afgeleefde best, die op haren dood zit te wachten. Integendeel, ziet haar maar eens goed aan. De levenslust ziet haar oogen uit.

En hoe is dat alles zoo geworden? Wat is er in die vijftig jaren gebeurd? Waardoor is dat korreltje zaad, dat in 1844 in de aarde werd geworpen, zóó hoog opgeschoten, dat het een breed getakte boom is geworden ?

Mijne vrienden, ik ben niet als verslaggever voor u opgetreden, maar als feestredenaar. Verwacht dus van mij geen aaneengeschakeld verhaal van hetgeen er in die 50 jaren met

10

ocr page 19

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer,

Secor is gebeurd, en door Secor is gedaan. Maar toch, niet waar, gij vergunt mij wel, eenige grepen in de geschiedenis van Secor te doen, en met u de belangrijkste oogenblikken van zijn leven nogmaals te doorleven. Mij dunkt, het zal ons zijn karakter beter doen kennen, zijn heden beter doen verstaan, en ons een beter oog geven op zijne toekomst. Of het onze feestelijke stemming niet bederven zal? Ik geloof het niet. Bij mij althans was dat niet het geval nadat mijne lezing van de Notulen en mijn onderzoek van het Archief waren geëindigd, 't Is waar, meer dan eens vond ik, wat mij bedenkelijk het hoofd deed schudden. Maar kan er iets anders verwacht worden, wanneer men de geschiedenis leest van een gezelschap, waarin 50 jaren lang achtereenvolgens 216 mannen hebben geleefd en gewerkt? Moet men dan niet meer dan eens stuiten op woorden, die men zóó niet gesproken en daden, die men zóó niet gedaan zou hebben? (Onder ons gezegd en gebleven, was ik ook over mij zeiven niet altijd tevreden.) Toch moet ik u zeggen, dat over het algemeen de indruk van dien aard was, dat ik niet schroomde, als feestredenaar op te treden. Moge somtijds de lage toon niet ontbreken, de hooge toon, de feesttoon zal de heerschende zijn.

Lang zal ik niet stilstaan bij het jaar 1844,' het jaar der oprichting van ons gezelschap. De vorige feestredenaar de Graaf heeft daarvan voor 10 jaren het onderwerp zijner rede gemaakt. Menigeen onzer herinnert zich zeker nog de boeiende wijze, waarop hij zoo menige bijzonderheid uit dien eersten tijd mededeelde. Kennelijk was het zijn doel, de toenmalige leden van Secor een diepen indruk te geven van de vroomheid, den wetenschappelijken ernst, het gebedsleven en de broederliefde der mannen, die zich toen tot een gezelschap vereenigden. Menige bladzijde uit hun levensboek, waarvan geen Notulen konden gewagen, maar waarvan hij als getuige spreken kon en mocht, werd door hem opgeslagen, niet om zich zeiven en zijne medeleden daardoor te verheffen, maar om te doen zien, welke de leidende gedachten van de oprichters van Secor geweest waren, gedachten, die naar zijne overtuiging aan de latere leden van Secor nog wel eens mochten herinnerd worden.

Thans zal ik hierbij niet stilstaan. Met een enkel woord slechts wil ik vermelden, wat de naaste aanleiding tot het oprichten van het gezelschap is geweest. Dat was de uitnoodiging, tot N. H. de Graaf, D. Gildemeester en H. C. G. Schijvliet gericht, om lid te worden van het gezelschap Ben Sjaloom. Zou men die uitnoodiging aannemen ? Men had er geen vrede meê zich in een zoogenaamd ongeloovig gezelschap te laten opnemen. Toch zou men het misschien gedaan hebben, als Ben Sjaloom zich had laten vinden, om ook P. A. van toorenenbergen, den vriend van het drietal, tot het lidmaatschap uit te noo-digen. Daar dit niet geschiedde, bedankte men, en besloot men nu een eigen gezelschap op te richten. Zoo werd wijt geboren. Op den 8slen October 1844 had op de kamer van Gildemeester de eerste officieele vergadering plaats. Behalve de vier genoemden waren ook L. Tinholt, J. A, Ruys en W. zegers tegenwoordig.

Wat wilden die zeven mannen? De wet van Secor, in het volgend jaar vastgesteld, zegt het ons; en de Notulen zijn daarmede inover eenstemming, Onder de zinspreuk: quot;imot (gedenk het Woord), ontleend aan Ps. 119:49, stelde men zich de beoefening van wetenschappen voor, die op de Theologie en de Letteren betrekking hadden, alsmede die der uiterlijke welsprekendheid (art. 2), en streefde men daarbij naar het volbrengen van het

II

ocr page 20

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

bevel: „Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de een den ander voorgaandequot; (Rom. 12: 10), en: „Al wat uwe hand vindt om te doen, doet dat met uwe machtquot; (Pred. 9: 10) (art. 1).

Men wilde dus gelooven, liefhebben en werken.

Zijn geloof drukte men uit in de zinspreuk: -ut-o: gedenk het Woord! Dat men bij het kiezen van die zinspreuk niet bijzonder gelukkig geweest is, zal iedere exegeet moeten erkennen. Terecht zeide de redenaar van 1884, dat zijn leermeester Prof. Bouman er zich aan geërgerd zou hebben. Zelf keurde hij het uit een exegetisch oogpunt ook niet goed. In het psalmvers staat geheel iets anders te lezen, dan men er meê zeggen wil. Men wil er meê uitdrukken, dat de christen het Woord van God moet gedenken; terwijl de psalmdichter God herinnert aan het Woord, d. i. de belofte, aan zijnen knecht gedaan. Nu zou het zeker dwaasheid zijn, de oude leus te willen vervangen door eene nieuwe, die zuiverder weergeeft wat men bedoelt. Zulk een Purisme is niet noodig, en zou daarom schade doen. Maar men trachte ook de misvatting niet te verdedigen, en late vooral de „hoogere exegesequot; er buiten.

Hoe zijnde oprichters er toe gekomen? Heeft misschien hetFtyQanTM van hetLeidsche gezelschap hun voor den geest gezweefd? Laat mij een enkel woord over dat gezelschap hier inlasschen. Spoedig na de oprichting van Secor stelde men zich in betrekking met een studenten-gezelschap te Leiden, dat onder de leuze réyqantai met hetzelfde doel was opgericht, en in dien tijd den Heer J. C. de vijver, als predikant van Scheveningen in 1891 overleden, en de Heeren J. W. Felix, emeritus predikant te Utrecht en J. H. Schuur-mans stekhoven, doctor in de letteren, vroeger rector van het progymnasium te Harderwijk, thans predikant te Standaardbuiten, tot leden had. Men ving eene correspondentie aan, waarin over belangrijke en niet-belangrijke onderwerpen van gedachten gewisseld werd, noodigde de Leidsche broeders op zijne vergaderingen, waaraan, zoover mij gebleken is, alleen de Heer felix gevolg heeft gegeven, treurde toen het de doodstijding van het Leidsche gezelschap vernam, en benoemde de drie broeders tot honoraire leden.

Evenals dit gezelschap nu wilde men eene leuze hebben die de hooge beteekenis der Heilige Schriften deed uitkomen. Hiermede sprak men zich uit op het gebied des geloofs.

En hoe hoog men de liefde stelde, bleek uit het vooropzetten van het woord: hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de een den ander voorgaande. Er zullen niet vele theologische gezelschappen zijn, in wier statuten zoo iets is opgenomen. Men zou haast vragen: is zulk een woord daar wel op zijn plaats? Om dat te verklaren, moet men zich rekenschap geven van de omstandigheden, waaronder de oprichting plaats vond. Zoogenaamde orthodoxe studenten waren er toen weinige aan Utrecht's Hoogeschool. En indien zij al orthodox waren, waren zij niet ingenomen met die richting in de orthodoxie, die den invloed van het Réveil had ondervonden en, de persoonlijke bekeering, de persoonlijke ervaring van Gods genade in Christus op den voorgrond plaatsende, van de onbekeerde wereld zich zooveel mogelijk afzonderde, en in den vertrouwelijken omgang met gelijkgezinden steun en sterkte zocht. Later kom ik hierop meer uitvoerig terug. Thans constateer ik alleen het feit, tot verklaring van dat aandringen op de broederliefde. Broederliefde deed

12

ocr page 21

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer. 13

voor Ben Sjaloom bedanken, daar men van den niet-verkozen broeder niet scheiden wilde. Broederliefde deed de behoefte gevoelen, om zich in een gezelschap zoo nauw mogelijk met elkander te vereenigen. Broederliefde deed de nauwste betrekking aanknoopen met het Leidsche ré/qanrcu. Broederliefde deed allen, bij wie men geestverwantschap ontdekte, ook al behoorde hij tot eene andere faculteit, uitnoodigen om zich aan te sluiten.

En dat men daarbij het werken niet vergat, dat bewijst het coördineeren in hetzelfde artikel van het woord: al wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht! „Wie niet studeert is niet bekeerdquot; — dat woord was in hun hart geschreven. Of er gewerkt is in die eerste jaren! Exegese en critiek van Oud- en Nieuw Testament, kerkgeschiedenis, verdedigen van theses, meestal in het klassieke latijn, oratorische oefeningen, reeds in 1845 ter sprake gebracht; en dan nog zoogenaamde Arabische vergaderingen, 28 in getal, eerst in 1846 opgehouden. Waarlijk, dat men niet met hart en ziel studeerde, kan van de oprichters van ons gezelschap niet worden gezegd.

En dan, welk eene eenvoudigheid! Zooveel mogelijk trok men zich terug. Met de studentenwereld bemoeide men zich niet. Lid van het Corps behoefde men niet te zijn. Zelfs zult gij in de eerste jaren den naam van wnat te vergeefs onder de gezelschappen in den studenten-almanak zoeken. Liefst schuilde men weg. Men wilde niet met andere gezelschappen op ééne lijn staan. Men wilde iets anders. Men was iets anders.

In overeenstemming hiermede waren de vergaderingen. Met gebed werden zij geopend, met dankzegging gesloten. Van boeten was geen sprake, van contributie evenmin. De geest der liefde moest heerschen. Dat het denkbeeld van eene feestkas nog bij niemand opkwam, laat zich begrijpen. Hamer, insigne, toga, rok en witte das, vaandel, feestzangen, bokaal, champagne, soupers, feesttochten — van al dergelijke wereldsche dingen geen spoor. Er was wel een dulce, waarmede het utile besloten werd, een nabroodje, zooals men het noemde, en nog noemt; maar hooger dan de chocolade ging men niet.

En nu! Ik wil niet spreken van hetgeen wij gisteren mochten zien en hooren. Ik wijs u alleen op de installatie-avonden, door de meesten onzer zeker meer dan eens bijgewoond. Ik behoef u die niet te beschrijven. Zij staan u levendig genoeg voor den geest. Die deftige vergadering van mannen, in een halven cirkel geschaard, in onberispelijk gala-costuum, en met Secor's insigne omhangen; die geheimzinnige hamerslagen; dat statige binnenleiden van de nieuwe leden; die indrukwekkende toespraak van den in toga gedosten voorzitter; die plechtige belofte van trouw te blijven aan Sec or, bezegeld door een dronk uit den schuimenden beker, het oog op het prachtige vaandel gericht!

Welk een verschil! Hoe is het toch daartoe gekomen? Och, mijne vrienden, tempora mutantur, et nos mutamur in ipsis. Er kan in vijftig jaren al heel wat veranderen. Onmogelijk kon het zoo blijven, als het in den beginne was. Geen boeten! Kostelijk! Maar als nu deze of gene zijn werk niet af heeft, wat dan? Zoo werd dan reeds in 1844 met boete gedreigd, en 13 Februari 1846 boete geheven. En al bereikten de gevallen, waarin men boetschuldig was, nog niet zooals heden het eerbiedwaardig cijfer van 60 — waarschijnlijk omdat er voor eene rijke feestkas nog niet behoefde gezorgd te worden, zoo ging men toch het volgende jaar reeds verder.

ocr page 22

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

En toen het werkend lid SCHOUTEN, om den voorzitter zijne taak gemakkelijker te maken, den i3lt;len October 1852 aan het gezelschap een hamer ten geschenke gaf, met een zilveren plaatje voorzien, waarop de letters quot;UT-ot gegraveerd waren, zou men dien niet met dank aannemen en gebruiken? Nog altijd is hij in eere. De feesthamer, door den Heer LOOMAN in '72 aan het gezelschap geschonken, heeft hem niet kunnen verdringen.

De grootste verandering heeft het gezelschap wel ondergaan, toen de literarische sectie werd opgericht. Reeds vroeger, in '47, was de zaak te r sprake gebracht, maar zonder resultaat. Eerst in '59 ging men er toe over, en moest men er ook toe over gaan. Het gezelschap verkeerde in een treurigen toestand. Een aantal leden was na volbrachten studietijd heengegaan. Slechts een drietal bleef over. Het was de moeite niet meer waard, geregeld te vergaderen. Van 12 Mei '57, den dag waarop ik met mijne vrienden werd „geëxstalleerdquot;, tot 29 Sept, '58, zwijgen dan ook de Notulen. Maar toch, men bleef goedsmoeds. Aan H. V. HoGERZEIL de eer, van een beteren toestand te hebben voorbereid. Op zijn voorstel werd eene literarische sectie opgericht; wie uitgenoodigd waren om toe te treden, namen de uitnoodiging aan; en in Oct. '59 had de plechtige installatie plaats.

Het was hoog tijd, dat het daartoe kwam. Wilde men niet achter het net visschen, dan moest men terstond, zoodra de groentijd voorbij was, zijn ledental trachten te vermeerderen. Wel kon men ook vroeger, voordat men zijn propaedeutisch examen gedaan had, als buitengewoon lid in het gezelschap worden opgenomen, zooals o.a. met mij het geval was. Maar aan de werkzaamheden nam men geen deel. Alleen had men het voorrecht, na afloop der werkzaamheden, aan het nabroodje deel te nemen, wat dezen en genen wel eens aanleiding gaf om van „etendequot; leden te spreken. Dat dit niet lang zoo blijven kon, spreekt van zelf. Men wilde liever trouw en eerlijk zijn brood -verdienen.

Opmerkelijk is het, hoe sinds dien tijd de ééne verandering op de andere volgde. Kwam dat door het bruisende bloed, dat de jonge leden in het gezelschap brachten ? Och neen, het was alweder dezelfde revolutionaire Hogerzeil, die het initiatief tot verscheidene van die veranderingen nam. Op zijn voorstel was het, dat de insignes den 2istenFebr. i860 werden ingevoerd. Op zijn voorstel, dat een nieuwe lessenaar werd aangeschaft en den I2den December 1859 in gebruik genomen. Op zijn voorstel, dat er tot eene jaarlijksche viering van den dies van het gezelschap werd besloten, en eene feestkas daarvoor in het leven werd geroepen.

En zoo ging het al verder en verder den wereldschen weg op. Was reeds in '59 de toga bij de kerk-oratorie vastgesteld, in '66 mocht de voorzitter zonder toga niet meer instal-leeren, nadat reeds in '62 tot den zwarten rok en de witte das voor al de leden besloten was.

Dat ter zelfder tijd een „extra dulcequot; werd vastgesteld, en het uitsluitend gebruik van chocolade zich niet langer kon handhaven, begrijpt men licht. In '67 had de literarische sectie reeds de ernstige vraag overwogen, of men niet, om de groote warmte, de chocolade zou vervangen door limonade. Later- gewagen de Notulen van een „klinken met rooden wijn en zoete melkquot;, bij een gewoon dulce. Niet te verwonderen dus, dat iets buitengewoons als de installatie van nieuwe leden zonder champagne niet kon plaats hebben. Reeds in '71 vinden wij daarvan gewag gemaakt.

14

ocr page 23

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

Denkt nu ten slotte aan het vaandel, dat op de Algemeene Vergadering van 21 Juni l88i is onthuld; en gij hebt de metamorphose van Secor in uwe gedachten doorleefd.

Evolutie of revolutie, ontwikkeling of ontaarding, hoe zullen wij het noemen ?

Willen wij de geschiedenis nog eens laten spreken? Levendig herinner ik mij nog de Réunie-vergadering van 4 Oct. i860. Het was de eerste die door de werkende leden was belegd. Vroeger waren het de honoraire leden, van wie zulke Reünies uitgingen. Maar om verschillende redenen hadden deze weinig succes. Nu werd het door de werkende leden beproefd. Aan de Klomp bij Veenendaal kwam men bijeen. Zeven honoraire, en al de werkende leden waren tegenwoordig. Het ging er broederlijk toe, maar de werkende leden hadden het soms zwaar te verantwoorden. Evenwel.... zij hadden het zelf zoo gewild. Onverschrokken, als iemand die van zijn goed recht zich bewust is, vraagde de voorzitter, of de honoraire leden ook aanmerking hadden te maken op de veranderingen, die in den laatsten tijd in Secor hadden plaats gehad. Dat maakte de tongen los. De een keurde af, dat men studenten tot het gezelschap noodigde, in plaats van te wachten tot zij zelve er om verzochten. Een ander had bezwaar tegen de insignes, waardoor men zich te veel aan andere gezelschappen gelijkvormig maakte. Een ander vond de feestkas bedenkelijk. Een ander betreurde dat bij de keuze van nieuwe leden meer de knapheid dan de vroomheid op den voorgrond stond. Het was waarlijk een heet vuur, waarvoor Hogerzeil, Vos, Moulijn, Vliegenthart, om nu van anderen niet te spreken, stonden. Maar zij hebben de hitte moedig doorstaan. Al waren er, die niet zonder vreeze Secor den nieuwen weg zagen opgaan, althans de gevaren, die het liep voor zijn zedelijk en godsdienstig leven, zich niet konden ontveinzen, toch moest men erkennen, dat men van eene verandering van den geest des gezelschaps niet kon spreken. Door velen, ook door mij is dat uitgesproken.

Vergunt mij, dit hier bij deze gelegenheid met een enkel woord te motiveeren.

Te ontkennen is het niet, dat in de eerste jaren van ons gezelschap zich een zeker methodisme deed gelden. Verstaat mij wel. Ik wil niet zeggen, dat het gezelschap als zoodanig een methodistisch karakter droeg. Want ik vraag u: welk methodisme zit er in de leus TTr-Ot, gedenk het Woord? Welk methodisme in het streven naar broederliefde? Welk methodisme in de opwekking om alwat men vindt om te doen, dat te doen met al zijne kracht? Neen, dat alles is niet methodistisch, maar eenvoudig christelijk.. Maar daarom kan er bij de oprichting wel eenig methodisme in het spel zijn geweest. Ik heb van de oprichters gezegd, dat zij onder den invloed van het Réveil stonden. Welnu, droeg het Réveil zelf niet een min of meer methodistisch karakter?

Nu moet men mij niet te veel kwaads van het methodisme zeggen. Aan ieder volk, aan iedere kerk, waar het zijne stem heeft doen hooren, heeft het een rijken zegen gebracht. In het Christendom zelf is iets methodistisch, dat in al zijne beteekenis en waarde moet worden erkend. „Le méthodisme, zegt VlNET, l'objet de notre sérieux respect, n'est que le christianisme tAchant d'être conséquent. Voila en fin de compte, sa gloire et son crime; voila aussi, ne craignons pas de 1' ajouter, sa force. (») Juist, zóó is het. Dat aandringen

awtftiigmncioui. wvrm-jy ■* .'i-vt rx r r. ■

^ Zie J. F. Astié, Espril (T Alexandre Vittel, Laus. 1861, tome premier, p. 379.

aKftramiesMaBaatfiBMflaMieaBiwaftgaBCflPBMflBg g

ocr page 24

Ill I li I

Feestrede van Prof, Dr. J. Cramer.

bij ieder mensch op bekeer ing en wedergeboorte, dat vooropstellen van het innerlijke leven met God, die behoefte aan aaneensluiting van allen die hetzelfde geloof des harten bezitten, die vijandige houding tegenover de wereld, dat stellen van de eeuwige dingen boven al wat deze aarde schoons en liefelijks biedt, wat is dat anders dan „le Christianisme, tóchant d'être conséquentquot;? Het is Christendom, maar een Christendom dat, tegen zijne bedoeling in, consequent tracht te zijn; consequent niet alleen in dien zin, dat het christelijk beginsel des nieuwen levens alles beheerschen, alles heiligen, alles bezielen moet; want dat wil het Christendom ook, dat is juist de glorie van het Christendom; maar consequent in dien zin, dat het, geen reke ning houdende met de aardsche toestanden, met de eischen van het maatschappelijk leven en de rechten der zinnelijkheid, eenzijdig hier beneden tot stand wil brengen, wat eerst in de toekomende wereld zal worden gezien. De volkomen consequentie van het Christendom is voor een ander leven bewaard. Zoolang er op deze aarde nog zulk eene jammerlijke disharmonie heerscht, disharmonie tusschen gemoed en verstand, tusschen ziel en lichaam, tusschen geestelijke en zinnelijke dingen, tusschen kerk en maatschappij, tusschen de rechten van den individu en de rechten van de gemeenschap, brengt de hartstocht der consequentie zijne gevaren met zich.

Het methodisme vergeet dit. Van daar dat miskennen van de beteekenis der gemeenschap, dat eenzijdig appèl op het gevoel, die onverschilligheid omtrent zooveel wat dit aardsche leven verheft en veredelt, dat gemis van onderscheiding van zonde en wereld, dat mijden van kringen, waarin de godsdienst niet heerscht, en dat zich opsluiten in kringen, waarin men de vormen van zijn eigen godsdienstig leven geheel terugvindt, en wier grenzen men dan ook al licht voor de grenzen gaat houden, die de broederliefde beperken.

Dat in die onzijdigheid kracht ligt, moet met VlNET worden erkend. Niet alleen ontgaat men dan menig gevaar, en is men gepantserd tegen menige verzoeking. Maar ook geeft men den indruk van beginselvastheid, en dwingt men eerbied af voor zijn geloof.

Toch ligt ook zwakheid in die eenzijdigheid, zwakheid tegenover verzoekingen die men niet kan ontgaan, zwakheid tegenover eene maatschappij die men niet kan winnen, zwakheid tegenover andersdenkenden die men niet begrijpt, zwakheid tegenover de stroomingen des geestes welker weldadigen invloed men niet ondergaat.

Maar genoeg, mijne vrienden! Genoeg om u te doen begrijpen en waardeeren, wat de eerste vijftien jaren van ons gezelschap ons te aanschouwen geven. Maar ook genoeg om u te doen begrijpen en waardeeren, wat de geschiedenis der volgende jaren ons meldt.

Dat men wel eens van het rechte pad is afgeweken, wel eens in strijd met de beleden beginselen heeft gehandeld, wel eens te weinig op het intensieve, en te veel op het extensieve den nadruk heeft gelegd, is niet te ontkennen. Hoe menige voorzitter heeft bij het openen van den nieuwen cursus, of bij het installeeren van nieuwe leden gewaarschuwd tegen het gevaar van ontaarding en verwildering. Maar, wat zal ik zeggen? actie werkt reactie. De vrees van een achterblijver te zijn doet maar al te dikwijls verder gaan, dan Gods Woord en het geweten veroorloven.

16

Maar daarom is het gezelschap als zoodanig niet veranderd. Tot mijne blijdschap heb ik in den 7den druk van de Wet van Seeor, in '93 verschenen, nog dezelfde beginselen ge-

msm

mmmmssssi

ocr page 25

Feestrede van Prof. Dr. J Cramer.

vonden, die door de oprichters zoo luide zijn uitgesproken. Nu weet ik wel, dat soms de vlag de lading moet dekken. Maar waarom dit hier verondersteld? De liefde denkt geen kwaad. Dit is zeker, de Notulen geven geen grond voor dit vermoeden. Tot tweemalen toe is er over de beginselen, die het gezelschap leidden, een principieel debat gevoerd; maar beide keeren heb ik den indruk gekregen: had niet anders kunnen handelen.

Het eerste geval was het pijnlijkste, daar het ons op het verlies van uitnemende mannen te staan kwam. In I 868 kwam er een brief in van P. D. chantepie de la Saus-saye, D. J. C. Heldring en J. Kops (de laatste had maar pro forma geteekend om de zaak in behandeling te brengen) waarin niets minder dan dit geëischt werd: 1°. opheffing van het gezelschap zooals het toen bestond, en 2°. oprichting van een nieuw gezelschap waarvan alle leden desverkiezende lid konden worden, maar dat met het oude noch den naam noch artikel i gemeen had.

Zelden is zeker een radikaler voorstel in eene vergadering ingediend. Hoe men er toe gekomen was, blijkt uit de beraadslagingen. Reeds sinds eenigen tijd hadden de voorstellers bezwaar tegen hetgeen zij noemden het exclusief karakter van Secor. Alsof dit het eenige christelijke gezelschap aan de Universiteit was! Men moest geen gezelschap oprichten met eene christelijke leus. Wilden gelijkgezinden zich vereenigen tot eene club, best! Als men er dan den godsdienst maar buiten liet, en liever in handel en wandel zich een christen betoonde.

Toen daar nu twisten en oneenigheden bijkwamen, o. a. het weren van iemand als honorair lid, om geen andere reden dan omdat een ander in der tijd ook was geweerd, werd het voorstel tot ontbinding ingediend, met geen andere verwachting natuurlijk, dan dat het verworpen zou worden. Zoo geschiedde het dan ook. Na een levendig debat, waaraan vooral Riemens en L. J. Heldring met warmte deelnamen, besloot de vergadering haar beginsel te handhaven. En de beide voorstellers, waarbij ook Schuller tot Peursum zich had gevoegd, legden hun lidmaatschap neder.

Jammer genoeg — moet men zeggen — want daardoor gingen kostelijke elementen voor het gezelschap te loor. Of niet door minder heftigheid aan beide zijden de scheiding had kunnen voorkomen worden — wie zal het zeggen? Maar dit komt mij ontwijfelbaar voor: er was misverstand, in menig opzicht. Ik wil aannemen, dat er waren in die dagen die maar al te zeer als de christelijke, als de geloovige studenten zich tegenover de andere plaatsten. Maar doet men wel, met daarvan de schuld te geven aan het gezelschap? Kan het humanitair beginsel, mits geheiligd door het christelijk geloof, zich niet even goed als het methodistisch beginsel vinden in de leuze: gedenk het Woord van God? en vrede hebben met de opwekking om elkander hartelijk lief te hebben met broederlijke liefde, en met alle macht te doen wat de hand vindt om te doen? Daarin ligt geen zweem van exclusivisme, geen zweem van christelijken, of liever onchristelijken hoogmoed.

Zoo wil ik ook aannemen, dat er op schromelijke wijze tegen de liefde gezondigd is. Maar moet daarom het artikel dat de broederliefde aanbeveelt worden geschrapt? O, hoeveel vroeger had het dan wel moeten geschrapt worden! Weinige klachten komen meer in de Notulen terug dan de klacht over gemis aan broederzin, liefdelooze behandeling,

ocr page 26

11 11 I—

Feestrede van Prof, Dr. J. Cramer.

twisten, kibbelarijen. Bijna geen lustrum, of de voorzitter moet met nadruk de leden herinneren aan het artikel der broederliefde. Zelfs het eerste lustrum had in dezen de treurigste ervaringen.

Neen, beter, logischer zou ik het gevonden hebben, als men had voorgesteld het bewuste artikel cursief of met vette letters te laten drukken, opdat het te meer in het oog zou vallen en den liefdelooze zou beschamen.

Men moet toch onderscheid maken tusschen het gezelschap met zijne statuten, en de telkens elkander afwisselende leden. Altijd heb ik het gelukkig gevonden, dat de oprichters van ons gezelschap zoo weinig van hunne dogmatische- en ethische beschouwingen in de statuten hebben nedergelegd. Interessant is de gedachtenwisseling die daarover in '71 heeft plaats gehad naar aanleiding van eene vraag van JONKER, thans predikant te Dordrecht, wat toch wel het leidend beginsel van Secor moest genoemd worden, en in hoeverre de traditiën van het gezelschap moesten worden geëerbiedigd. Nooit is de dogmatische quaestie breedvoeriger besproken dan bij die gelegenheid. Of men vrijmoedigheid had om iemand in het gezelschap op te nemen, die „aan twijfelingen leedquot;; of men orthodox moest wezen om Hd te zijn; of het niet goed was, daaromtrent nadere bepalingen te maken — over deze en dergelijke vragen is veel gediscussieerd. En het resultaat was, dat men geene verscherping van de statuten begeerde, en zooals men het uitdrukte, de neiging der leden zelve wilde laten beslissen.

Goed gezien! Geen dogme vooropgesteld! Geen partij gekozen in den kerkdijken strijd! Tijdens mijn secretariaat in '54 kwam er een brief in van Ds. BROUWER, toen predikant te Ede, of Secor ook kon goedvinden, nu en dan in de Stemmen voor de Neder-landsche Gereformeerde Kerk (vroeger genoemd: de Wachter op Sions muur) iets van zijne werkzaamheden te laten opnemen, of ook opgave te doen van aanstaande proponenten. Met algemeene stemmen is die vraag ontkennend beantwoord. Men wilde vrij blijven, en niet op zoo goedkoope wijze zich een brevet van rechtzinnigheid laten geven.

Zoo is het gebleven tot op den huidigen dag. De feestredenaar van 1884 kon met blijdschap constateeren, dat Secor van zijne leden nooit de onderteekening van eenig geloofsformulier had geëischt. In dogmaticis moest men zelf weten wat men deed, wanneer men zich aan het gezelschap aansloot. Indien men maar, gelijk de praeses van '61 het zoojuist uitdrukte, stond naar versterking van den liefdeband en verlevendiging van den ijver, om te arbeiden met al de krachten die men van God ontving, volgens het zuiver oorspronkelijk beginsel van Secor om leden te hebben wier lust het eenig en alleen is te studeeren, gepaard met een hart, waarin liefde tot Christus woont.quot; (1)

Waarop komt dat anders neder dan, zooals ik bij den aanvang zeide, op gelooven, werken en liefhebben'*.

18

Dat staat in het Reglement, en moet in het Reglement blijven staan, zal Secor zijn oorsprong niet verloochenen. Dat is zijn „character indelebilis.quot;

(') Zie de Herinnering aan het vijf- en twintig-jarig jubilee van quot;UT^Ol '869, bl. 24.

ocr page 27

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

Moge men dan in vele dingen medegaan met den geest des tijds; moge er veel verschil zijn tusschen de leden onderling, — hier een methodist daar een humanist, hier een confessioneele daar een ethische, hier een criticus daar een dogmaticus, hier een geleerde daar een man der praktijk, hier een verstands-, daar een gevoelsmensch — wat nood, als maar in gelooven, liefhebben en werken allen één zijn!

Gelooven! Daaraan doet, gelijk ik reeds zeide, de naam van ons gezelschap ons denken: quot;DT-OI, gedenk het Woord! Wat wij onder het Woord te verstaan hebben, wordt niet gezegd. Van eene theorie omtrent de Schrift, van een Schrift-dogme geen woord. Wees niet bang, bijbel-critiek! Sla gerust uwe vleugelen uit, en verhef u zoo hoog als gij kunt en' moet! Zoolang gij het niet onmogelijk maakt in de Schriften des Ouden- en Nieuwen Verbonds Gods stem te hooren, heeft nm:)i niets van u te duchten.

Maar die stemme Gods moet dan ook gehoord worden; m. a. w. er moei geloof zijn, geloof in dien God, die tot ons gesproken heeft door zijne profeten, en ten laatste door zijnen Zoon. Dat geloof doet ons de H. Schriften waardeeren als eene kostelijke gave Gods, nooit in haar rijkdom te peilen, en daarom steeds meer uitlokkende tot ijverig, ernstig onderzoek.

Dat dit altijd in Secor zoo begrepen is, zou ik niet durven zeggen. Als er theologische stellingen werden genoemd, opdat de vergadering er uit kiezen zou, werden alle die min of meer „kritiekquot; waren, haastig ter zijde gelegd, Eene enkele uitzondering slechts wordt ons door het Notulenboek gemeld.

IJdele vrees! Zoo min de liefde met een verzwijgen van eigen meening is gediend, zal het geloof er door winnen, als heterodoxe stellingen van de tafel worden geweerd, Schriften die de vuurproef der critiek niet kunnen doorstaan, en een mysterieus waas noodig hebben om te stichten, kunnen de gemeente niet wijs maken tot zaligheid.

Toont alzoo, mijne vrienden, dat gij de vrijheid liefhebt, maar alleen die vrijheid, die voortvloeit uit het leven des geloofs. Nog altijd hebt gij de goede gewoonte, van den cursus te beginnen en te eindigen met gebed, en op uwe kamer-vergaderingen uwe werkzaamheden aan te vangen met het lezen van een gedeelte des Bijbels, 't Is maar een vorm, als gij wilt. Maar ook vormen hebben hunne beteekenis voor het godsdienstige leven. Dikwijls bewaren zij wat anders zou verloren gaan.

Ik kan u dus niet aanraden om de leus van ons gezelschap te veranderen, al moeten wij dan, gelijk ik bij den aanvang zeide, ons exegetisch geweten eenig geweld aandoen.

Maar evenmin kan ik u aanraden om uit art, 2 de woorden weg te nemen: al wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht. Hartelijk hoop ik dat ook daarin Secor zich van andere gezelschappen onderscheiden moge, dat er gewerkt wordt met voor-beeldigen ijver, in het diep gevoel van het gewicht zijner roeping. Van den beginne af aan is daarop de nadruk gelegd. Het behoort tot de oudste traditiën van het gezelschap. Hoe ook de roosters der werkzaamheden verschilden, er kwam toch altijd genoeg op voor om, als men maar van goeden wille was, een nuttigen avond door te brengen.

Opmerkelijk, dat van lieverlede het oratorisch gedeelte zulk een grooten omvang heeft gekregen. Had men in '46 reeds eene kerk-oratorie, veertien jaren later werd er eene kamer-

19

ocr page 28

iVi rf r 171;'iS ■■ '1 'I 111 Fiiaaw

20 Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

oratorie aan toegevoegd. Reeds tot 1244 is het getal oratorische vergaderingen geklommen. Wel een bewijs van de voorliefde, die men voor dien tak van werkzaamheid had!

Wie zal dit misprijzen in aanstaande Evangeliedienaren, die weten, hoe groot de invloed nog altijd is van het wèl doordachte, wèl gestelde, wèl gesprokene woord waarmede men voor de gemeente optreedt. Uitnemend vooral, dat men zich zoo gaarne in de kunst van improviseeren oefent! Natuurlijk niet om later van het lastige schrijven van preeken af te zijn, en op de gemakkelijkste wijze het uur vol te praten. Daarvoor vertrouwen wij dat Secor te hoog staat. Maar om het geschrevene te beter te kunnen voordragen, en niet verlegen te staan, wanneer men onverwachts tot spreken geroepen wordt.

Wat de onderwerpen betreft, waarover gelezen, geïmproviseerd en gedisputeerd werd, heeft vooral de verscheidenheid mijne aandacht getrokken. Koningen en keizers, dichters en prozaschrijvers, juridische vraagstukken, politiek, letterkunde, historie, kunst, sociale ethiek, sport, hygiene — over alles en nog wat is gesproken, met een vuur alsof de hoogste- en heiligste dingen op het spel stonden, met eene vrijmoedigheid, waarvan alleen studenten het geheim hebben.

Eén ding vond ik weer jammer, dat, zelfs in het dispuut, de theologie zoo zelden aan het woord kwam. Voor een theologisch gezelschap vond ik dat wel wat vreemd ; vooral bij de ontdekking, dat op de sectie-vergaderingen het leveren van schetsen het eenige was, dat van de oude theologische studie was overgebleven. Ik weet dat veel te verklaren is uit de nieuwe toestanden, waarin wij sedert de invoering der nieuwe Wet op het Hooger Onderwijs leven. En toegejuicht moet zeker worden, dat de theologant meer nog dan vroeger zich aantrekt wat buiten het eigenlijke gebied zijner studiën ligt. Maar toch, gij stemt het mij toe, en het is dan ook door menigeen in Secor uitgesproken, hoezeer zou het te betreuren zijn, als het ^leider auch Theologie!quot; in een theologisch gezelschap als •UT-ot ingang vond. Noodig zijn de mannen, die een hart hebben voor al wat menschelijk is, en zich op ieder gebied van het maatschappelijk leven gemakkelijk kunnen bewegen. Maar niet minder noodig zijn de mannen, die de eer der theologische wetenschap handhaven, en verstand en hart weder voor haar trachten te winnen. Mogen vele zulke mannen voortkomen uit ons geliefd ia-rut!

Nog een enkel woord, en ik eindig. Het betreft dat andere lid van Secor's hoofdartikel: hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de een den ander voorgaande.

Moest ik thans als praeses den nieuwen cursus openen, ik zou daarover gaarne uitweiden. Niet omdat ik meen dat Secor vooral thans daaraan zooveel behoefte heeft; maar omdat ik zoo diep overtuigd ben, dat eene liefde, die elkander weet te waardeeren en daarom ook elkander weet te dragen, eene liefde die gelooft en hoopt, die bedekt en vergeeft, ontzaglijk veel vermag, ook voor den bloei van een gezelschap.

Maar daar ik thans feestredenaar ben, wil ik alleen mijne blijdschap uitspreken, dat dit apostolisch woord nog altijd prijkt in onze Wet, en dat de Wetgevers van 1893 gemeend hebben, dat de gewone letter nog altijd voldoende was. Zij hadden dus de beste verwachting van «, werkende leden. En, niet waar? gij hebt ook de beste verwachting van ons, honoraire leden. Want anders hadt gij den moed niet gehad, ons tot dezê feestelijke Réunie te noodigen •

ocr page 29

Feestrede van Prof. Dr. J. Cramer.

Zoolang deze geest heerscht, vrees ik voor de toekomst niet. In 1848 nam Secor het besluit, dat „bij mogelijke ontbinding of ontaarding eeue copie van al de stukken van het archief zou wezen bij eene commissie der binnenlandsche werkende leden en oud-ledenquot;. Men was toen in eene sombere stemming, misschien wel onder den indruk van 1848, „toen de band der Staten sprong, en de dam was doorgebroken, die d'omwentlingszee bedwong!quot;

En nu schrijven wij 1894! Van die commissie hebben wij nooit gehoord. Maar wel hebben wij gehoord van een gezelschap, dat zijn vijftigjarig jubilee vieren mag. Wel hebben wij meer dan honderd werkende en honoraire leden zien samenkomen om, dankbaar aan God voor zooveel genoten zegen, samen zich te verblijden, en elkanders handen te sterken tot den strijd des levens. Dit geeft moed, vooral in dagen als de onze, nu zooveel kantelt, dat vast scheen te staan, en zooveel ontbonden wordt dat onlosmakelijk één scheen te wezen. Wat er gebeuren zal na korter of langer tijd, weten wij niet. Maar nu althans, op dit ons Réuniefeest, is er niets dat ons de vrijmoedigheid ontneemt om elkander toe te roepen :

21

Vivat, floreat, crescat consortium nostrum, lavuT dictum, in aeternum!

Ik heb gezegd.

ocr page 30

ffiK»»K!tt:ci«ï.M^

-r-Hffer-K-Wi-r-C'

ocr page 31

VERSLAG

van den huldigen toestand van het gezelschap

-iiTinr

Mijne Heer en. Eereleden en Leden van tit-o»

rt. 84 der Wet legt den ab-actis van SEGOR-DABAR de taak op, bij een lustrum verslag te geven van den toestand van het gezelschap. Is het steeds een eer de pen op te nemen om op den diës den leden de fata van een jaar levens voor te houden, welk een gevoel moet hem dan nu doortintelen, nu een gouden feest van heinde en ver oprichters en eereleden heeft doen toestroomen, om het hun eenmaal en nu nog dierbare gezelschap weer te zien. Ouderen, al jaren in de bediening van het Evangelie werkzaam, gaven aan de roepstem gehoor om dit feest mee te vieren en togen herwaarts op om te zien of de oude traditiën nog in eere waren gehouden, jongeren achtten zelfs de uitnoodiging tot overkomen niet noodig, maar als van zelf sprekend spoedden zij aan, om den pas gebroken band weer aaneen te hechten en wij, de jongste loten van den ouden stam, verblijdden ons reeds lang te voren bij de gedachte aan 8 en 9 October 1894, wanneer uit alle tijdperken van Secor's bestaan leden aanwezig zouden zijn, één in liefde voor ons gezelschap. En nu is die dag aangebroken en wij zijn hier allen bijeen en juichen in het geluk zoo iets te mogen beleven. Vele en velerlei gedachten zullen U door 't hoofd zijn gegaan, eer gij U hierheen opmaaktet. Zou het fundament, waarop Secor werd gegrondvest, nog hetzelfde zijn? dacht de een, die in de eerste jaren na de oprichting lid was. Zou Secor nog zijn wat het was in mijn tijd? zoo dacht een ander, een kleine schare, niet geteld in het Studentencorps, ja zelfs met minachting bejegend? Zou Secor nog toongevend zijn in het kamp der theologen ? dacht een derde, die de tijden had beleefd

ocr page 32

Verslag van den huidigen toestand van het gezelschap -ovoi.

waarin ons gezelschap de eerste plaats bekleedde in onze faculteit. Gelukkig wij die de vereerende taak hebben, U licht te geven op die punten. Wij behoeven niet beangst te zijn, zoo de toetssteen ons van verschillende zijden wordt aangelegd. Wij staan tot op dezen dag en kunnen een victoriekreet doen hooren, Gbde zij dank: ons gezelschap bloeit. Willen wij deze uiting als waarheid doen kennen, zoo laten wij Secor van alle kanten bezien.

Eerst de uitwendige toestand. En dan springt 't eerst in 't oog het groote aantal der leden. Wij zijn met ons 27. Velen uwer zullen denken: 'tzit niet in het groote aantal, in mijn tijd telden wij slechts zoo weinigen en toch was de toestand uitnemend. Vergun ons deze opmerking met stilzwijgen te mogen voorbijgaan om later te beantwoorden. Met fierheid staren wij ons vaandel aan — sinds 1881 jaarlijks den volke met eere vertoond — wetend dat het met al zijn schitteringen ook een gezelschap vertegenwoordigt waard te schitteren onder de vele in ons Corps. Met eendrachtige bezieling zingen wij ons lied — sinds 1881 telken jare opnieuw in druk verschijnend wanneer nieuwe krachten ons komen versterken — en voelen ons sterk als de wanden dreunen onder 't machtig geluid van zooveel stemmen en juichen, als de sde regel van het 2de couplet — „al is soms 't aantal kleinquot; — wordt aangeheven, bij de gedachte aan zooveel voorspoed sedert dit lied voor 't eerst weerklonk. Al sinds jaren is ons aantal toegenomen met 6, soms 7 nieuwe leden en evenveel malen is het gefluister vernomen: „Secor wordt te groot, 'tzal scheurenquot; — geen nood, ons gezelschap staat daarvoor op te goeden grondslag,

't Ware vreemd zoo een gezelschap, uit zoovele krachten bestaande, ook zijn invloed niet naar buiten deed gevoelen. Niet meer kan er gesproken worden van 't dwingen van de stembus door Secor — de tijden zijn veranderd — maar de leden zelve toonen hun kracht, waar zij waardig blijken voor gewichtige posten in ons Corps. Met blijdschap kunnen wij wijzen op den rectorszetel, ingenomen door een eerelid en verder op bestuurs-plaatsen, pas verlaten of nog bezet in gezelschappen als Olympia, Cantus, Panta, Arti, in redactiën van Almanak, Minerva en Vox en Faculteits bestuur. In dezen zullen velen uwer de bakens niet weggenomen vinden, maar nog op dezelfde beproefde plaatsen.

Nu wij hier spreken over den uitwendigen toestand, dient één punt niet over't hoofd gezien te worden n.1. onze verhouding tot het theologisch gezelschap „E. A. Borgerquot; 'tls niet dan met aarzeling, dat dit punt wordt aangeroerd; zoo het geschiedt is dit enkel om eenigszins volledig te zijn. Vroeger was er immers vaak sprake van een pijnlijke verhouding; de verslagen uit dien tijd zijn daar om het te bewijzen en velen Uwer zullen de gedachte ook hieraan hebben medegebracht. Gelukkig wij, die kunnen gewagen van een volkomen vredestoestand, ja van meer, van een vriendschappelijke verhouding van verscheidenen onzer met leden van „E. A. Borgerquot;. Mogen de wapenen steeds begraven blijven.

Zoo staat Secor Dabar in onze Utrechtsche Studentenwereld. Zeiden wij te veel, zoo wij spraken van een bloeienden toestand?

Doch ook 't inv/endige dient nagegaan, zeker wel 't voornaamste. Was het bij't bepalen van den uitwendigen toestand door 't voortgaan der tijden en 't veranderen van omstandigheden niet mogelijk ons aan 'tverleden van Secor in dit opzicht te toetsen, bij dit afdeel van ons verslag is het gelukkig wel mogelijk. Dan is het niet twijfelachtig welke toetssteen

2

ocr page 33

Verslag van den hnidigen toestand van het gezelschap -ot-Qt.

moet worden aangelegd; dan slaan wij de eerste bladzijden van onze wet op. Daar staat zij in Art. 2: Het gezelschap streeft naar de volbrenging van het bevel: „Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eer de een den anderen voorgaandequot; (Rom. XII: 10) en: „Al wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe machtquot; (Pred. IX: 10) en — al luidt het in het oorspronkelijk reglement eenigszins anders; 't spreekt daar van „broederlijke gemeenschapquot; — Art. 3: Het gezelschap stelt zich ten doel: iste De bevordering van een vriendschappelijk verkeer der leden. 2de De gemeenschappelijke beoefening der Theologische-en Literarische wetenschappen en van de uiterlijke welsprekendheid. — 't Zij ons vergund hier even iets ter kenschetsing in te lasschen. Toen in November van 't vorig jaar 'tgroote werk der wetsherziening aanving, kwamen we ook aan Art. 3, In de oude wet (sinds 1872) lazen wij de alinea's omgekeerd, ging de wetenschap vooraf aan 't vriendschappelijk verkeer. Spreekt zich de geest van Secor hierin niet uit, waar met volkomen instemming de beide alinea's werden verwisseld? Doch dit verder daargelaten. Hier, in deze 2 artikelen vinden wij den toetssteen; kunnen we nu dien toets doorstaan? En nu verzoeken wij U niet uit het oog te verliezen, hetgeen we hier boven zeiden: wij zijn met ons 27. Om 27 leden met broederlijke liefde hartelijk lief te hebben d. w. z. met allen intiem om te gaan is nu eenmaal een onmogelijkheid; hier staat het getal ons in den weg. Zoo wij de verhouding onderling in onzen kring in één woord wilden schetsen, wij zouden zeggen: wij voelen ons bij elkander thuis. En dat dit van groote waarde is, wij behoeven 't U zeker niet voor te houden waar de notulen en brieven van vroeger dagen wel eens gewagen van onderlinge oneenigheden. Voor zooverre onze herinneringen gaan, zijn die nooit voorgekomen en wij aarzelen dus niet te zeggen dat ons gezelschap den toets van Art. 2 kan doorstaan. Ook Art. 3 is nog onveranderd van kracht: nog bevorderen wij 't vriendschappelijk verkeer, nog worden gemeenschappelijk de Theologische- en Literarische wetenschappen en uiterlijke welsprekendheid beoefend.

Hier naderen wij een punt waarbij even nader dient verwijld. Den jongeren eereleden en natuurlijk den leden zijn deze werkzaamheden bekend, doch den ouderen allicht niet of ten minste eenigszins veranderd. Vergun dus Uwen verslaggever even den rooster der verschillende vergaderingen te vermelden. Op een kerk-oratorische vergadering (eiken Dinsdag ten 31/4 ure in de Domkerk) bestaan de werkzaamheden in: een lezing (zelfvervaardigde leerrede) memorisatie, improvisatie, reciet (een hoofdstuk der H. Schrift) en schriftelijke kritiek op de lezing. Op een kamer-oratorische vergadering (Vrijdag om de 14 dagen ten 61/2 ure in de Kapittelkamer der Janskerk) in een lezing (vrij onderwerp), twee declamation (proza en poësie), improvisatie en een dispuut. Dit laatste, ingeleid door den defendens, wordt door de geheele vergadering gevoerd. Op de Literarische sectie worden de Hebreeuwsche taal en antiquiteiten bestudeerd (eiken Maandag van S1/^ tot 11 uur); op de Theologische wordt een homiletische schets behandeld (eiken Donderdag van gl/2 tot 11 uur). Beide laatste vergaderingen worden gehouden op de kamers der leden. Zooals reeds uit de werkzaamheden is op te maken, maken zij, die nog hun propaedeutisch examen moeten doen, deel uit der Lit. sectie, de overige leden tot aan hun candidaatsexamen der Theol. sectie.

25

ocr page 34

Verslag van den huidigen toestand van het gezelschap ■ut-oi.

28

toegenomen. Hierdoor juist is deze feestdag ons dubbel feestelijk, want wij behoeven ons niet te schamen tegenover hoofdschuddend schouderophalen en wantrouwende blikken. Wel zal 't velen Uwer treffen dat de eenvoud niet zoo is als vroeger, doch ook in dezen gaan wij met den tijd mee. Feestelijk worden de installatiën, die geboortedagen van nieuw leven gevierd; de zweep klapt vroolijk op den volgenden dag als jonge- en oude leden een rijtoer maken in Utrechts omstreken; de openings- en sluitvergaderingen worden met goed voorziene „nabroodjesquot; besloten en de diës hoort de kurken knallen en de spuitwater- en limonadeflesschen sissen. Doch geen Uwer zal het laken, zoo hij bekend is met de hedendaagsche toestanden. Vijftig jaren zijn immers over Secor's hoofd heengegaan, het heeft meegeleefd met de toename van behoeften, het deelt in de voorrechten van het heden en waar de feestkas het toelaat, zouden wij daar de opname van nieuwe krachten niet vieren ook met het edelste wat het druivennat oplevert ?

Wij zijn gekomen aan het einde van ons verslag. Goed deed het ons aan het hart zulk een verslag te mogen schrijven; er kon immers gewaagd worden van het vele goede ons geschonken. Er rijze dan ook uit ons hart een blijde danktoon tot Hem, die het ons gezelschap — ook na tijden van druk — zoo wel heeft gemaakt. Alles heeft zich ten beste gekeerd en met goede verwachting staren wij de toekomst van Secor Dabar tegen. De bloei, waarin wij het kennen, zal blijven zoolang het Woord in gedachtenis blijft, zoolang Art. 2 nog het artikel onzer grondwet zal zijn. En in die verwachting en op dat fundament staande roepen wij ons gezelschap toe ; „Vivat, floreat, crescat consortium nostrum, Seco r Dabar dictum, in aeternum.

F. C. VAN DE PLASSCHE,

h. t. Ti ab-actis.

17 September 1894.

ocr page 35

Bijbrapn tmtt Oub=If^$n

ocr page 36
ocr page 37

OORSPRONG

van het Theologisch Studentengezelschap

quot;im—13?

e gunst van den getrouwen God is verspreid over al wat in de wereld met Hem wordt aangevangen en voortgezet; Zijn rijkmakende zegen blijft er in kenbaar.

Deze stelling wordt steeds heuchelijker voor hen die, den Heer van harte onderworpen zijnde, met Hem als hun God leven, door ervaring in hen zelve en door hetgeen zij rondom zich waarnemen.

Voor hen die haar betwijfelen of die, niet genoegzaam den grondslag naspeurende, meenen hier en daar het tegendeel te bemerken, moge het beginsel van quot;UT-oj tot verzekering strekken dat God ook in studentenkringen niet te vergeefs zal worden gekend en gevreesd.

In het jaar 1843 hadden de studenten N. H. de Graaf en P. A. van Toorenenbergen hunne studie in de rechten tè Utrecht juist opgegeven voor die in de theologie, omdat de Christus en Zijne verkondiging aan de arme zondaren in hun hart de overhand kreeg, toen L. Tinholt, H.C. G.Schij-vuet, D. Gildemeester en J. A. Ruijs als novitii in September daar aankwamen.

Deze hadden weldra verstaan dat zelfs iets hoo-gers dan de studentenband hen vereenigde en den 7den October 1843 0P de kamer van den laatstgenoemden bij gelegenheid van diens verjaarfeest voor 't eerst zamen zijnde met de beide voor-afgenoemden, maakten zij het verbond dat den volgenden dag ten huize van N. H. de Graaf zou bevestigd zijn.

Door geenerlei omstandigheden is uit mijn geheugen gewischt de treffende wijze waarop ons zestal zich daar den Heer mocht opdragen tot vereenigd arbeiden ter voorbereiding voor een Godewaardig ambt. Daar werd bepaald hoe we hiertoe wekelijks één avond op een der kamers met verschillende theologische vakken ons zouden bezighouden en hierbij eerlang een uur 's weeks oratorie .... Des Zondags zouden we na de voormiddag godsdienstoefening kinderen elk afzonderlijk onderrichten uit Gods Woord en 's avonds onder onderlinge bespreking van Gods Woord met gebed en gezang bijeen zijn. Ook was spoedig het woord bepaald dat het meest paste als devies voor zulk gezelschap. — Wij vonden;

Ps. 119 : 49a quot;DT-DT

10. als herinnering; de Heer heeft gedacht aan

Zijn Woord;

20. als vermaning: gedenkt gij des Woords;


ocr page 38

Bijdragen van cenige Oud-Leden en Leden.

32

3°. (in grammaticalen zin) als bede: gedenk Heere

Uw Woord der belofte;

4°. als verzekering: de Heer gedenkt aan Zijn Woord der belofte.

Ofschoon wij het studentencorps niet verlieten, droeg ons gezelschap van toen af den minachtenden toenaam; „de chocoladeclubquot;, naar aanleiding van ons begin met chocolade en wegens onze overeenkomst om op onze navergaderingen geen wijn doch chocolade te geven, niet omdat we afschaffers werden, maar omdat we, te midden van veel misbruik, voor verzoeking bewaard en tot voorbeeld wenschten te zijn. Zóó werd hij ons tot een eerenaam en waar we in de vrees des Heeren met veel menschelijk gebrek, ons geweten niet bezoedelende, aan ons verbond getrouw bleven, kon het ook geenszins ons verbitteren dat men ons op de collegien dwong om op eene afgezonderde bank te zitten. —

Immers welk een geenszins stijven, doch blijden en gezegenden vijfjarigen studententijd doorleefden we; onze studie ging steeds ongestoord voort, bij elk examen bleek er zegen op te rusten; een aantal van 13 sympathiserenden (10 medestuderenden in theologie en 3 honoraire leden) was weldra tot ons toegedaan; het candidaats-examen van elk onzer, uitgezonderd één, werd op den bestemden tijd afgelegd zóó als toen iets zeer buitengewoons was: „Summis cum laudibusquot;. — Dit deed ons uit ervaring spreken: Spreuk 1; 7 is waarheid, — en reeds in het jaar 1848 moesten wij, na voorspoedig proponents-examen, met weedom scheiden uit een 19-tal, waar we terstond ingingen tot een veelszins gezegenden Evangeliearbeid in het Koninkrijk der Hemelen. —

Een herinnerings-album met toepasselijke inscriptie werd van wege het gezelschap ons medegegeven, dat tot op dezen dag gedurig de con-militones en de aangename studentenjaren voor den geest terugroept en na eene halve eeuw mag er, nadat velerlei andere gezelschappen daar aangevangen en te niet gegaan zijn, in Utrecht een theologisch gezelschap bestaan dat onder denzelfden naam op denzelfden grondslag bloeit, waarom de nakomende leden op den 8 October 1894 uitroepen Ps. 34: 10 (berijmd vs. 5), — Soli Deo gloria! — en dit wordt dezen dag op hoogen leeftijd mede uitgeroepen door de in leven zijnde stichters, de emeriti predikanten H. C. G. Schij-vliet en den ondergeteekende

Gedaan te Kampen 23 Juli 1894.


,,Gedenkt hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaart het.quot;

quot;quot;^quot;quot;Veze woorden roep ik mijnen waarden medeleden van op dezen heugelijken gedenkdag

^toe. Verhindert mijne gezondheid mij hem mede te vieren, in den geest wensch ik toch met U te zijn. Liefelijke herinneringen worden in mij opgewekt, wanneer ik gedenk aan het ontstaan van ons gezel schap, nu voor 50 jaren. Uit verschillende plaatsen te Utrecht aangekomen, ontmoetten wij eikanderen ontdekten dat wij één waren in geloof hoop en liefde, toen wij cog aan het begin van onze academische loopbaan stonden. Wij sloten ons steeds meer aan elkander aan en toen wij een gezelschap oprichtten, gevoelden wij ons gedrongen ook in zijn naam ons uit te spreken als dezulken, die biddend op Gods Woord hoopten en het wenschten te stellen als richtsnoer voor ons leven en onderling verkeer.

O, hoeveel zegen heeft ons deze leuze aangebracht. Zij is proefhoudend gebleken in leven en in sterven. Velen der onzen zijn reeds heengegaan in vast vertrouwen op de beloften van Gods Woord. Gildemeester, de Graaf en meerderen, die wij op dezen dag in liefde herdenken.

Mag ik dan aan den avond mijns levens, terwijl ik nog voortdurend beter den rijken inhoud en de heerlijke beteekenis dezer leuze leer verstaan; mag ik dan ulieden niet toeroepen: Blijft aan onze

ocr page 39

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden. 33

leuze getrouw, houdt U biddend aan Gods getuigenis, zoekt al het heil te genieten dat de Heere belooft in Zijn Woord!

Moge de zegen, dien wij in ons onderling verkeer genoten hebben, ook ulieder deel zijn. Moogt ge eerlang als evangeliedienaars dat Woord als uw banier omhooghouden en getuigen tegen alles wat tegen dit Woord strijdt of zijn gezag ondermijnt. Gedenkt er aan, dat dit Woord waarheid is en eens zal zegevieren. Het ongeloof wordt beschaamd. Maar zalig zijn zij die gelooven, die de Heer heeft doen hopen op Zijn Woord, die door Zijne toezegging levend gemaakt zijn, welke in hunne ellende hun troost is.

Moogt gijlieden, evenals het ons gegaan is, die 'UT-oi opgericht hebben, met liefelijke herinnering terugzien op uw samenzijn te Utrecht.

Waarde broeders, medeleden, vergeet het nooit dat quot;U-i-Ui eene vereeniging was in de vreezeGods. Hoeveel verkeerds ons aankleefde, wij wenschten, ook als studenten den Heer te dienen. Bij elke bijeenkomst van „quot;UT-oquot; werd 'sHeeren naam met gebed en dankzegging aangeroepen; wij zochten ook op elkander zoowel als op ons zelven acht te geven. Onze vrienden Murray die uit Schotland kwamen waren ons ook tot grooten zegen. De oudste hunner is reeds heengegaan in den vrede; de jon cere broeder getuigt nog steeds ook in geschriften, dat hij blijft in het Woord van zijnen Heer en God.

Moge ook deze gedenkdag de bewijzen opleveren, dat het jongere geslacht van ons gezelschap de oude leuze niet vergeet.

De Heere stelle U lieden tot Zijne getuigen en tot schijnende lichten in deze dagen van afval.

Hij zegene IJ allen en weest een zegen.

--

OP HET GOUDEN FEEST

't VéypanTac was het zwaard, dat in de hand des Heeren

Des Satans snoode list verlammend nedersloeg. Zoo bracht 't quot;DTtDI in menig uur van smarte Een rijken troostgrond aan, die alle smart verjoeg.

Die éénheid des geloofs, verbond ook saam de harten

Van 't Stichtsch 'T't met Leidens vriendenkring. Die blonk weldadig uit, als men elkanders leden In eenige samenkomst als welkom gast ontving.

Moeht 't Stichtsch IE F FA 117/1/ overleven,

't I's/ paxzai des geloofs blijft tot in eeuwigheid. Dat in 'T'I 't 13T13I steeds leve,

Ja bloeie meer en meer tot Godes heerlijkheid!


ocr page 40

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

34

8 October 1894.

rofetenzonen! die des Heeren eer bedoelt.

Die door Zijn Geest in U de heilige roeping voelt Gods volk te troosten en Zijn wegen te bereiden.

Laat 't gras al reeds verdord, de bloem weldra ontblaard, U leeren 't sober deel, dat hij ontvangt van de aard', Die uit dat gras, die bloem, een rustbed zich wil spreiden.

De dood beheerscht al wat er leeft in ruimte of tijd;

Maar 's Heeren Woord bestaat tot in alle eeuwigheid. Maakt van dat Woord uw spijs, leert op dat Woord vertrouwen, 'tGaat al voorbij, wat 'swerelds wetenschap hier sticht; Beschaamd wordt wie haar dient, gebluscht wordt al haar licht, Heil! die op 's Heeren Woord alleen Zijn huis wil bouwen.

Hooggeachte Heer en Br. in uwe betrekking tot ''t gelief de gezelschap,

ijne herinneringen aan' t gezelschap van bijna den aanvang van zijn bestaan aan, zijn hoogst en innigst levendig en liefelijk. Hoe zou 't mij verblijden zoo die goede hand des Heeren, die mij steeds zoo liefelijk en ook zoo dikmaals naar den wensch mijns harten heeft geleid, gedurende de vervlogen levensjaren, mij in den tijd van Uwe feestviering naar Europa zou zenden!

Maar dit zou te groot zijn en ik durf 't niet wenschen en er dus ook niet om bidden. Ik zal mij in den geest met U vereenen. Onnoodig U te zeggen wat mij al eene overkomst tot eene onmogelijkheid maakt.

8 October is slechts weinige dagen voor den aanvang van de zitting onzer Synode en ik moet dan D.V, op mijne plaats zijn. Dan juist niet, maar dra daarna zullen de Afrikaner leden van -ut-oi in de Kaapstad bijeenzijn en ik zal trachten hen, al is 't maar een of twee uren, bijeen te brengen en ons in den geest met het pas gevierde feest te vereenigen.

Ik weet niet wie onzer allen leden van 't gezelschap zijn geweest en wie allen ons reeds zijn ontvallen; maar eene plaats, die van John. Murray, die hier een reeks van jaren professor aan ons theol.-Seminarie is geweest en in 1882 ons door den Heer werd ontnomen, zal ledig zijn, en die ledigheid zal ons gevoelig smarten. Zijn broeder Andrew, Prof. Hofmeijer om van niet meer te spreken, leven en arbeiden nog, en ik ben overtuigd dat in hen en in ons allen, die meer leden van 't gezelschap zijn geweest, nog steeds 't gezelschap laTnji zijn geest en invloed doet voelen.

Wij echter zullen haast worden opgeroepen. Jongeren, die geen leden van 't gezelschap zijn geweest zullen onze plaats in den wijngaard, dien wij voor den Heere bearbeiden, innemen. Maar ook in dezen zal de geest en invloed van 't geliefde gezelschap niet uitsterven. Men zal 't misschien niet weten, maar 'tzal evenwel zoo zijn; en in den tijd van meer licht en dieper inzien zal 't openbaar worden.

Ik schrijf deze regelen op 't portefolio dat de leden van wui elkander in Europa, nu meer dan 40 jaar geleden, ten geschenke gaven. Ik schrijf alles daarop, 't Is een klein, maar duidelijk bewijs, dat -OT-Oi mij en anderen met mij nog eene levende zaak is.

De geest die 't gezelschap destijds vervulde en onderscheidde, was de geest van


ocr page 41

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

35

eenvoudig, kinderlijk geloof. De leden zetteden geen vraagteeken achter „Gods Woordquot; van den bijbel gesproken. Zij behoorden, velen althans, tot de voornaamste studenten des tijds aan de Universiteit. Zij waren bekend met de tegenwerpingen j zij kenden den strijd tegen de groote levenswaarheid in dit woord van den Bijbel gezegd, in hunne eigene ziel; maar zij geloofden 't, zij ondervonden 't; zij wisten dat voor Nederland, ja de heele wereld dit 't panacea was.

Zoo zij 't, zoo biijve 't!

Groet de B. B. De Heere geve U eene blijde feestviering! Ik heb U per„P.M.O.quot; Tien Shill. st. gezonden. Ik vertrouw dat U het in orde zult ontvangen.

Bij eene vroegere feestviering zonden wij U eenige Kaapsche producten, confijten en wijn, geloof ik. Maar de toezending kwam ongelukkig te laat. Prof. Hofmeijer is van huis, anders had hij zijne bijdrage zeker

r

met mij gezonden. Ik had de mijne U vroeger ter hand doen stellen; maar eerst onlangs ben ik van een uitstapje, dat twee maanden heeft geduurd, van Transvaal teruggekeerd. Wij hebben daar ons zendingswerk en iemand onzer moest naar eenigen der staties gaan, om inspectie te houden. Ons zendingswerk is zeer gezegend en neemt zachtkens grootere dimensies aan. Dit meld ik in betrekking tot het jubileerende gezelschap, want van de commissie, die de buiten-landsche zending behartigt, naar den wensch onzer Synode, zijn van de vijf, drie leden van ■u'vot. Dit is van de buitenlandsche zending en van de commissie der binnenlandsche zending is de voorzitter lid van dit gezelschap.

Doch, ik vermoei U met mijn langen brief; dus eindig ik, mij noemende:

Stellenbosch, 3 Juli 1894


1844-1894.

^Oeldra is 't laatste lid der oude garde

Den weg gegaan van alle vleesch; De oude vrienden zijn verdwenen, Een nieuw geslacht verrees.

Het kleine zaad, door hen in d'aard geworpen,

Ontkiemde, groeide, werd een plant; En bleef, ook onder zware stormen, Beveiligd door Gods hand!

WOj! Gij eens zoo diep verachte!

Kwaamt door Gods gunst, tot eer en macht; Blijf steeds Uw Vaandel heilig houden In 's Heeren naam en kracht!

Dan vindt Gij op Gods tijd, die allen weder,

Wier naam IJw doodenlijst vermeldt; Al die bekenden en beminden Bij d' onverwinb'ren Held!

Bodegraven, Juli 1894. S /•


ocr page 42

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

-/J* exizaotdtnatte eót... oazactèie de /a vte o/itéhenne.

ft.. yiNET.

36

amp;

Utrecht, Aug. 1894.

Ficksburg, 18 Juli 1894.

(O. Vrijstaat).

WelEd. Heer.'

vereerende uitaoodiging van het gezelschap „Secor Dabarquot;, om op 8 Oct. a. s. zijn 50-jarig bestaan mede te komen vieren als eerelld — is door mij een paar weken geleden in orde ontvangen.

Hoe 't mij leed doet aan die uitnoodiging niet te kunnen voldoen — kan ik UE. en de andere leden van dit gezelschap niet zeggen. Allerlei herinneringen doemen op uit het voorledene, circa een 40 jaren geleden, toen ook ik enkele jaren lid van S, D. was, en te Utrecht op de Studenten-banken zat. Aangename jaren bracht ik in de Acad. stad door en ook aan S. D. mocht ik heel wat danken tot mijn vorming als Evangeliedienaar, waarvoor de Heer zij geprezen.

Thans ben ik een oud man en heb heel wat doorleefd als Evangelie-dienaar. Voor de tweede maal in Zuid-Afrika, reeds sinds jaren, zal dit verre Zuiden nu ook wel mijn laatste rustplaats worden. Toch geeft de Getrouwe mij kracht, om Zijn werk alhier te doen, en zelfs veel werk, daar ik Consulent ben eener naburige gemeente.

Was 'tdit niet en enkele andere redenen, de Broeders zouden mij D. V. op het jubileum zien in Oct. daar 't mijn wensch sedert de laatste jaren is, om het oud Vaderland vóór mijn dood nog eens te bezoeken.

Nu 't dit jaar nog niet dus is, en ik de Réunie niet zal bijwonen, wensch ik de eere-leden en actieve leden van S. D. op 8 en 9 Oct. a. s. alles goeds toe van onzen God, die getrouw is: druk allen, voor al de B. B. uit de jaren van 1852 tot 58, in den geest de hand; en wensch dat S. D. nog een halve eeuw, ja langer moge bloeien en voor Gods Koninkrijk tal van geestelijke zegeningen moge afwerpen!

Na hartelijke groeten aan oude- en nieuwe B. B. van S. D. geloof mij WelEd. Heer

UwEd. Dw. Dr. en Br. in Chr.


- 0—OÖ»-» ■

ocr page 43

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

37

at ik aan Secor Dabar te danken heb zal ik nooit vergeten. Als ik mijne herinnering raadpleeg, meten is altijd een moeilijk werk, komt het mij voor dat ik in dat gezelschap niet minder van de theologie heb geleerd dan op de college-banken mijner meeste professoren. Ik werd er lid van toen het zijn ondergang nabij scheen en door andere theologische gezelschappen, nu reeds lang verdwenen, dreigde overvleugeld te worden. Op de kamer van den innig vromen, vroeg ontslapenen candidaat Versteegh had onze installatie op zeer eenvoudige wijze plaats. In een kort hartelijk woord werd ons op het hart gebonden getrouw te blijven aan het levensbeginsel van het beminde gezelschap, ons de belijdenis van het Evangelie naar de Schriften in de studentenwereld niet te schamen en alles besloten met een gewijd gebed. Het maakte op ons, wij waren meen ik met ons vieren, die nog ons propaedeu-tisch examen moesten afleggen, een diepen indruk; wij hadden het gevoel dat ons jongeren door ouderen, tegen wie wij opzagen, een vaandel werd toevertrouwd dat wij hoog moesten houden.

En wij hebben getracht dat te doen, al besloten wij ook, toen wij als werkende leden optraden, het gezelschap te reorganiseeren. Eene litterari-sche sectie werd in het leven geroepen, een insigne aangeschaft eene nieuwe wet ontworpen en ingevoerd, alles meer ingericht op den voet der andere bestaande gezelschappen. Maar de geest van het gezelschap bleef dezelfde.

Wat waren wij ingenomen met den bloei waarin het zich na deze verandering spoedig mocht verheugen. Met welk een geestdrift werden zijne belangen verdedigd tegenover die van andere gezelschappen, welke het nog somtijds smalend „de bidclubquot; noemden. Uit een hoek was het midden in de studentenwereld komen te staan. Er werd goed gewerkt, vroolijk gelachen, heftig gedisputeerd, wij durfden met jeugdigen overmoed alles aan, maar ook menig stichtelijk gesprek werd er gehouden en het „oraquot; vóór „laboraquot; bleef staan.

Aan de Klomp bij Veenendaal werd eene reünie met oud-leden gehouden. Maar weinige van de laatsten waren opgekomen. Voor den toen-maligen voorzitter was het een benauwde dag. Hij had gehoopt den hamer aan een der oudleden te kunnen overdoen, maar deze vonden dat eene overbodige bescheidenheid en lieten hem zijn hamer houden. Een paar eerwaardige predikanten toonden zich ongerust over de „nieuwighedenquot; welke in het gezelschap waren ingevoerd, en toen een hunner den jeugdigen voorzitter vroeg hem eens in te lichten omtrent „den geestelijken staatquot; der werkende leden, eene vraag welke deze rechts en links deed kijken, vond hij het voorzichtig den welmeenenden vrager aan te raden zelf hen in de biecht te nemen. De stemming op die reünie was anders zeer broederlijk en hoopvol. Men meende, dit zat toen zóó in de lucht, dat men krachtig „naar buitenquot; moest optreden. Het plan werd ontworpen een tijdschrift „tegen het ongeloofquot; uit te geven en het oud-lid Dr. J. Cramer, predikant te Oude en Nieuwe Wetering uitgenoodigd om een en ander voor te bereiden. Van de geheele zaak is niets gekomen, maar het plan hield de vergadering aangenaam bezig en was het onderwerp voor een opgewonden toast aan tafel.

Bijna 35 jaren zijn sedert voorbij gegaan. Maar deze herinneringen maken mijn hart warm en vervullen het met blijdschap. Het is een onschatbaar voorrecht aan de Hoogeschool in een kring te hebben mogen verkeeren waaraan men zonder eenig verwijt en met dankbaarheid blijft terugdenken. Ons gezelschap dat velen ten zegen was, blijve nog lang voor velen, een haard die ernstigen studiezin en trouwe vriendschap wekt en onderhoudt.

Amsterdam.

-—^


ocr page 44

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

38

VAN KOPER TOT GOUD.

!Rauw had het zijn kop'ren feest gehaald, Of Secor ware in het graf gedaald, Had niet ons kwartet 'tVan sterven gered. ') Wij délibereerden, gelijk het behoort. . . . Littrarische Sectie! gij kwaaint er uit voort. Wij sloegen de handen in één,

Secor redivivus verscheen! Wij bestudeerden Grieksch en Latijn, Dronken chocolade, en nooit (?) wijn. Ook deden w'aan oratorie,

Hadden Beets ras onder de knie,

En vlogen met vlag en wimpel naar de theologie Secor groeide,

Secor bloeide,

Secor sloeg zijn wieken uit,

Veel verscheen er.

Veel verdween er.

Niets, dat Secors glorie stuit.

Zijn oog is niet verdonkerd, zijn kracht niet vergaan, Nadat het de helft eener eeuw heeft bestaan. Het worde na een eeuw nog met eere vermeld, Onzen zoons en zoons zonen ten zegen gesteld!


cpen feuugblih op de jatten 18§8—1862

zooals die, ongeveer twintig jaar later, werd geleverd in eene briefwisseling tusschen twee ex-praesides van thans predikanten bij de

Nederd. Herv. Gemeenten te Amsterdam en Groningen, en waaruit iets aan 't licht treedt van de velerlei lieflijke en gezegende herinneringen, mede als vrucht van het samenleven in dit gezelschap, uit vroeger en later tijd in veler hart dankbaar bewaard; herinneringen, tot welke ook zulke behooren, die nog altcos spreken

Van vriendschap, die haar banden vlocht Uit wat niet breken kon.

De bedoelde woorden nu, waarvan niet behoeft te worden aangeduid, dat ze slechts een fragment vormen, en evenmin hoe er uit blijkt, dat de schrijver er van zich1 nog eens weder had mogen „inlevenquot; in dien studententijd, naar welken ze heen wijzen, luidden aldus:

Maar ach, mijn zangster is geen sterre;

Haar zwakke stem heeft nauwelijks kracht Om uit te spreken 'tgeen van verre Mij uit dien tijd nog tegenlacht.

Dit slechts: 'tgeen bovenal ons streelde,

Was „'t schoone en goedequot;, dat we om strijd Genoten in de volle weelde

Van onzer vriendschaps jong'lingstijd.

Steeds rijker, reiner idealen

Ontkiemden, onder 't rijzend licht,

Waarin wij mochten ommedwalen

Met „blijden ernstquot; op 't aangezicht.

Zoo zie 'k U nog, mijn vriend, in de oogen

En voel nog nu uw warme hand. Ook waar voor Hem w'ons nederbogen, Die sprak van quot;t eeuwig Vaderland.

Daarheen op reis, zijn wij nóg samen;

Want, liep ook onze weg uiteen.

Één bleef ons hart, één blijft ons amen Op 't Woord van Gods barmhartighêen.

Groningen, Juli 1894.


Mijn dichtster blink! en werp uw stralen

Van goud en zilver voor mij heen. Opdat ik iets nog af moog malen

Der schitt'ring van zoo schoon verlêen!

1

) 12 Mei *57 werden als leden geïnstalleerd J. Enderlé, H. V, Hogerzkil, W. Vliegknhart, Jb. Moulijn.

Nijmegen, 28 Juli '94.

ocr page 45

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

39

VOOR HET GOUDEN JUBILEE

-in-r-ü?

„Secor dahar /'' „Gedenk het Woord,

Dat God tot U deed komenquot; ;

„Weest niet vervaard, maar werpt u kloek

In zijne diepe stroomen 1quot;

Zoo spraakt Gij krachtig vijftig jaar

Tot wie, op gladde paden,

Met vurig bloed en kennisdorst Naar 't heilig Dienstwerk traden.

„Secor dabar /quot; „ Gedenk het Woord /quot;

Ik wil het steeds bewaren :

'kHeb meer dan dertig jaren lang,

De kracht er van ervaren.

'k Gedenk met warme dankbaarheid

Aan wat „Secorquot; deed vinden : Ons zoeken was slechts worstlen ja.

Maar — tegen stroom en winden.

„Secor dabar!quot; „Gedenk het Woord!quot;

O, blijf 't zoolang herhalen,

Totdat de Heiland, dien het schetst,

Zijn rijk doet zegepralen ;

Zijn vijand lokt ten allen tijd,

't Meest, als w'op lauw'ren rusten ;

Staak daarom nooit uw biddend werk : Steeds worstlen naar de kusten !

't Was na de Paaschvacantie van 1859 dat twee Cives Academici, de een reeds bevorderd ad scholas theologorum, de ander nog propaedeuticus, meermalen een vertrouwelijk onderhoud hadden over de mogelijkheid om het uit zeer weinigen nog bestaande gezelschap op te heffen en voor dreigenden ondergang te behoeden. Kon daaraan eene litterarische Sectie worden verbonden, dan was zijn voortbestaan, althans voor een tijd gewaarborgd. De Septembermaand zou nieuwe Studenten naar Utrecht brengen; een kring, uit dezen gekozen, met den propaedeuticus aan het hoofd, kon tot het gewenschte doel leiden. En... na veel wikken en wegen, na niet geringen strijd, gaf deze toe en verbond zich aan een gezelschap schier onbekend en niet geteld in de Studentenwereld, ja voor velen een voorwerp van spot . . . Hoe kon hij zóó dwaas zijn ?

Maar hij beklaagde zich den stap niet. Na vele jaren gedenkt hij — en welk een breede rij met hem — hoe onuitsprekelijk veel hij aan den kring, die eenmaal „Gedenk het Woord!quot; tot zinspreuk koos, voor hoofd en hart, ja voor zijn leven te danken heeft.

Factus est surculus arbor. God schonk den zegen.

Hoogst eervol is thans het lidmaatschap van ■ur-ot. Vier dan, geliefd gezelschap, blijde feest! Hef fier het met goud gekroonde hoofd op! Ontplooi uwe beteeke-nisvolle banier! Vivas, crescas, floreas!

Blijf, aan uw Christelijk beginsel getrouw, gezegend en ten zegen!

v—

ff-e..


ocr page 46

Bijdragen van cenige

Oud-Leden en Leden.

4o

-ot-oi. Schoon devies van het Studentengezelschap, waarvan ik het voorrecht had, gedurende den onveigetelijken studententijd, welken ik als zoon der alma mater te Utrecht doorbracht, werkend lid te zijn. — Blijve het steeds aan die veelzeggende zinspreuk getrouw!

Op den grondslag van het Woord Gods zal het te midden van den vaak geweldigen golfslag der tijden onwrikbaar vaststaan, zal het groeien en bloeien, en eens met eere zijn eeuwfeest vieren.

Dat woord bevat de grondwet der hoogste lielde, waardoor de leden van quot;OT—Ot elkander liefhebben, „met eere de een den ander voorgaandequot;. —

Al het zichtbare met wat het was en is en zijn zal, moge worden en vergaan, verschijnen en verdwijnen als de spiegel en de voorbode van zijnen ondergang; alles moge rusteloos voorbijgaan en snellij-k worden afgesneden, Gods Woord blijft.

Is het licht van Gods Woord voor de christelijke gemeente de wolkkolom bij dag, de vuurkolom bij nacht, het zij en blijve voor voor ons, Evangeliedienaren het

e'éne, eenige en onmisbare, zonder hetwelk wij het heil der ziel voor eeuwig zouden derven.

Haarlem, Aug. 1894.

LIED OP 'T HALVE EEUWFEEST

VAN

8 PCTOBEF^ 1894;

^Jövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

't Heeft nu al vijftig jaar bestaan! En ieder van ons goed gedaan! lövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

lövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

Student, professor, dorainé!

Komt drinken we allen lustig mee! lövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

lövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

De wetenschap, met joligheid, En chocola, ons 't hart verblijdt, lövivat, lövivat.

Nostrum Secor-Dabar!

lövivat, lövivat.

Nostrum Secor-Dabar! We hebben trouw de kerk gediend, En maken elk met haar bevriend, lövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

lövivat, lövivat,

Nostrum Secor-Dabar!

't Bloei weer een halven eeuwkring voort Zijn roem word' door heel 'tland gehoord lövivat, lövivat,

Almum Secor-Dabar!


Harlingen.

ocr page 47

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

41

Uit de Reis-Portefeuille.

'tls een warme zomermiddag. Alles noodigt mij uit om te genieten van de vacantie-rust. Heb ik in den laatsten, overdrukken tijd Richard Rothe wel eens nagezegd: „nicht nach Ruhe sehn' ich mich, sondern nach Stillequot;, nu heb ik ze beide gevonden: stilte en rust.

Van uit het raam mijner kamer geniet ik het uitzicht over het bekoorlijke Zeiler meer. Rondom verheffen zich statige bergen, van welke sommige met eeuwige sneeuw bedekt zijn. Recht voor mij uit, de rotsgevaarten van het „steinerne Meerquot;, eeuwen-heugende versteende gletschers. Langs de blauwe, zacht gerimpelde watervlakte bewegen zich enkele sloepjes langzaam voort. Overigens in deze droomerig-schoone natuur geenerlei beweging.

Wat zal ik voor het oogenblik beter doen, dan meê rusten en meê droomen ? Toch eene innerlijke stem fluistert mij toe: wees niet geheel ledig! Vergeet in het bijzonder uwe academie-vrienden niet, die ginds in het verre vaderland een teeken begeeren, dat gij hen blijft gedenken!

Hoe zou ik ze ooit vergeten, de jaren mijner jongelingschap, de vrienden met wie ik toen verkeerde? Alexander Verheull heeft in een zijner schetsen eene aangrijpende teekening gegeven van de groote verandering die ons ontroert, wanneer wij na tal van jaren terugkeeren op de plek, waar wij onzen studenten-tijd hebben doorgebracht: de hospita, bij wie wij thuis waren, dood; kameraden met wie wij op en nedergingen, dood; de oppasser, die onze boodschappen bezorgde, dood; het hondje, dat ons op onze schreden volgde, dood... Inderdaad, sinds de jaren onzer jongelingschap heeft de dood menig kostbaar offer geëischt.

Ook vrienden zijn opgeroepen, aan wie wij ons zoo innig gehecht gevoelden, vrienden die wij blijven liefhebben, al zullen wij hen hier beneden niet wederzien. Anderen zijn nog in dit land der levenden. En binnenkort hopen sommigen onzer den gemeenschappelijk doorleefden studietijd te gedenken, samen gedragen leed, maar ook samen genoten vreugde!

'tWas op den 15den Juni van het jaar 1864, dat vóór dag en dauw een uitgelezen gezelschap van blijkbaar vroolijk gestemde studiosi zich verzamelde op de kamer van onzen vriend V.

Er zou een groote rijtoer ondernomen worden naar Arnhem en de Grebbe. Van hetgeen wij op dien dag doorleefden, is veel voor goed in de Lethe verzonken. Maar één ding vergeet ik niet licht: den indruk namelijk, dien de schoonheid der natuur op mij maakte. Ik had nog nooit iets van de heerlijkheid van een bergland aanschouwd; en toen wij nu de lachende heuvelen in de nabijheid van den Wageningschen berg voorbij reden rees er in mijn hart een lied op, dat ik later onder mijne aanteekeningen vond:

Uw heerlijk oord, verrukk'lijk Wageningen, Verlokt ook ons om tot uw eer te zingen,

En legt ook ons een loflied in den mond. Behooren wij niet tot de barden-scharen,

Die bij het zacht geluid van hunne snaren, Het diepst gevoel van 't hart in woorden openbaren. Toch deedt ge ook ons verrukt staan op uw grond.

Ook ons zaagt gij verbaasd en opgetogen. Ook ons verrast, toen wij voor onze oogen

Uw' berg aanschouwden en uw heuvlenrij. Wie onzer zou zulk schoon naar waarde malen? üw heerlijk groen; uw heuvelen en dalen, Zij maakten bij 't gemis der lieve zonnestralen, Nogtans ons aller hart verheugd en blij.

Wel mocht deez' streek ons hart tot blijdschap

[stemmen,

Het oogbetooverend landschap, waar zich Hemmen

Bekoorlijk uitstrekte aan de rechterhand: Dit oord met zijne bosschen, holle wegen En kreupelhout, wij blijven het genegen, Het maakte ons blij en trotsch, het riep ons allen tegen: Dit Nederland, het is uw vaderland!

Hoeveel is er in mijn leven veranderd, sinds in den jongelingstijd deze woorden mij uit hart en pen vloeiden, 'k Was toen nog nooit over de grenzen van mijn vaderland geweest. En nü: hoeveel gezegende plekjes die ik heb liefgekregen in het vriendelijk Rijndal, bij de Zwitschersche bergen; in de Thuringsche bosschen, nu ook in het Tyrolsche land. Wanneer Prof. van Oosterzee indertijd mijn loflied op den Wageningschen berg gelezen had, zou hij waarschijnlijk gezegd hebben;


ocr page 48

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

42

„Paulo majora canamusquot;. Inderdaad, 't is in mijn leven „excelsiorquot; gegaan; aan hooger zangstof heeft het mij althans niet ontbroken. Slechts jammer, dat ik meermalen pijnlijk ervaren moest niet te behooren tot de barden-scharen, die alles in dichttaal kunnen uitdrukken, wat hunne ziel vervult. Gelukkig is onze Hollandsche taal zóó rijk en zóó zangerig, dat het mij nu en dan weinig moeite heeft gekost om wat andere poeeten in hunne vreemde taal hadden gezongen, weêr te geven in onze schoone moedertaal. Zoo trof mij onlangs een Hoogduitsch lied, dat ik gaarne nazong, niet alleen omdat er gesproken wordt over de heerlijkheid der natuur, maar ook omdat de liefde tot eigen vaderland er zich zoo teeder en krachtig in uitspreekt:

Zoo gij mij vraagt naar 't liefste plekje op aard, 't Is eigen vaderland, 't is eigen huis en haard. Naar 't verre land toog ik, niet lang geleên, Met blijden moed en vol verwachting heen; En mijn verwachting bleef niet onvervuld,

Natuur heeft mij haar wonderen onthuld

En zongme in'toor haar schoonste scheppingslied. Maar vaderland was 't verre land toch niet.

Mijn vaderland spreidt niet veel pracht ten toon ; Het verre land is zoo verrukkend schoon;

Daar bruist de bergstroom in zijn wilde vaart ; Daar streven steile rotsen hemelwaart;

Daar wenkt de blauwe spiegel van het meir,

Daar de eeuw'ge sneeuw van 't statig Alpenheir, Een ware tooverwereld van rondom. Een wonderbaar, aangrijpend heiligdom!

Vaak klopte mij het hart met luider slag,

Vaak zwol mijn borst, verrukt door't geen ik zag; Maar altijd weêr bracht, diep in mijn gemoed, Een stem aan 't vaderland van ver een groet : O groene weiden van ons lage land,

O blauwe golven van ons Noordzee-strand,

O dierb're plek, die ik zoo gaarne aanschouw, Mijn vaderland, uw kind blijft u getrouw!

Met vreugde en dank ben ik op reis gegaan. Met vreugde en dank meld ik mij weder aan; Een schat van rijke 'erinn'ring breng ik meê ; 'k Geniet ze straks tehuis in stillen vreê.

U, land der bergen, nogmaals mijnen groet. Het was mij in uw tooverwereld goed.

Maar vraagt gij mij de liefste plek op aard: 't Is eigen vaderland; 't is eigen huis en haard!

Het „liefste plekje op aardquot; zal Nederland wel voor mij blijven. Toch, bij het klimmen onzer jaren wordt de indruk steeds levendiger, dat wij hier beneden geen blijvende stad hebben. Ook de herinnering aan den vóór jaren doorleefden studietijd stemt tot weemoedigen ernst. Binnenkort zal ook onze plaats hier beneden niet meer worden gevonden. Wel ons zoo wij (in dezen haastig-wegsnellenden tijd) in Christus onzen Heer het eeuwige leven hebben gevonden. Dan kennen wij uitzichten en vergezichten, schooner dan die eenige berg of dal op aarde ons geven kan. Dan reizen wij, onder Gods hoede, hetzij langs liefelijke bergen, hetzij door donkere dalen, het betere, hemelsche vaderland te gemoet.

Broeders, laat ons, ook bij onze naderende feestviering, het Woord gedenken, dat ons ter eeuwige feestviering oproept!

//e-.

Zell am See, Juli 1894.

-«0ggt;-o-

„Gedenk het Woordquot;. — De gezelschaps-leuze werd voor velen levensleus.

Geen wisselende, wankele menschenwijs-heid, maar „het Woord.quot;

Het Woord Gods is levend en krachtig, — het geeft levenskracht.

Het blijve geëerd, gelezen, gehoorzaamd, daarin ligt de waarborg voor het voortbestaan van -UT-OI.

Zoo zal het ten zegen blijven zijn, niet enkel gedurende het verblijf aan de Hooge-school, maar ook voor het daarop volgende leven.

Haarlem.


ocr page 49

ar»^r I I I I Hl ■ I ^Vgt; I ■ »1^ I I I I 'bPi ■ ■ ........ ■ ■ ■ I ■ ■ H 4 ». fc,

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

8 OCTOBER 1844.—1894.

Veteranen-lied aan lai-ui gewijd.

■Uquot;rquot;0? viert thans een feest,

Als nimmer van te voren;

't Is vijftig jaar in stand geweest.

En blijft ons nog behooren.

Het vormt zich telkens een geslacht, Van ferme theologen;

Geen club heeft het zoo ver gebracht — 't Wordt klassiek in onz' oogen.

„Réuniequot; is het feestparool.

Thans ook voor d'eereleden;

Zij richten naar de hoogeschool Met vreugde hunne schreden.

Réunies gaan niet meer zoo vlug,

In onze tweedrachtstijden,

Maar hier zien wij elkaar terug. Om waarlijk te benijden.

„131quot;, dat ons te zadm verbindt,

Blijft zijn insigne dragen :

— Een Bijbel aan 'tfluweelen lint — Dat juist blijft ons behagen.

Het „Woord van Godquot;, zooals 'tdaar ligt. Getrouw steeds uit te leggen;

En waar het voor geen tijdgeest zwicht. Den menschen 't aan te zeggen.

Zoo doen wij veteranen meê,

Aan dit uw Jubileum.

Ons lied stijgt voor u op als beê,

Ja, als een stil „Te Deumquot;.

Wij kennen nog wel menig lied.

Uit de studenten dagen;

Toch zingen wij die langer niet,

Het wil niet meer zoo slagen.

De zeeman, die het bruischend nat In stormtij moet braveêren.

Krijgt iets, dat hij voorheen niet had. Zulks gaat men later leeren.

Hij krijgt meer ernst in zijnen blik;

Die ernst komt met de jaren. Ook kreeg hij al eens meen'gen tik, In 'tworstlen met de baren.

Het leven is geen spelevaart,

Al is 't vol zegeningen;

De Christen staat hier op deez' aard. Voor heel wat hooger dingen.

Zij, die zich hebben toebereid.

Voor 't ambt van predikanten, Hun wacht des Heeren heil'ge strijd, Als Zijne kruisgezanten.

Steeds trouw te zijn in 't heerlijk werk ;

„Van Christus te getuigenquot; — Als dienaars Zijner eigen kerk ;

En voor geen mensch te buigen. . . .

Zietdaar, gij broeders! uw verschiet.

Dat gij u hebt verkozen.

Den vollen ernst ziet gij nog niet; Gij lijkt nog op matrozen.

Maar gordt u aan in breede schaar

Van nog niet ingewijden.

Als 't uur eens slaat, o weest dan klaar. Om met ons meê te strijden.

Gaat dan de wijde wereld in: . . , .

Verlaat de stille reede;

Werpt uit het net; maakt een begin! God deelt u zegen mede.

Nu evenwel nog studioos.

Aan Utrechts academie —

En in elk opzicht virtuoos, — Wedijvrend om de premie.

Een theoloog is een student,

Van 't meest klassieken stempel. De heil'ge godgeleerdheid schendt Geenszins Minerva's tempel.

Integendeel, zij heiligt dien !

Wel hem, die haar blijft eeren.

En in zijn wandel ook laat zien. De waarheid van zijn leeren.


ocr page 50

Bij drageti van eenige Oud-Leden en Leden.

44

Die hoog're eenheid is uw kracht,

Reeds in studenten-kringen;

Doch meest in 't ambt, dat op u wacht;

Nooit mag de schoen dadr wringen.

-OT-Ot! Gij broederkring.

Blijft, nauw vereend, te zamen.

Wat met der tijd in vorm verging,

Wilt nooit u 't Godswoord schamen!

Divina Theologia!

Dat blijv' de heil'ge leuze!

't „Kriporfiaquot; der „Suirtjptaquot;,

Blijv' biddend uwe keuze.

God zeegne deez' studentenbond,

In tal nog van geslachten. De feestbocaal mag aan den mond; Wee! die quot;Ui verachten.

Wij eereleden, straks bijeen,

Beloven een „ad fundumquot; — Op quot;UT-Ot, met al zijn leên,

Celebrum et jucundum ! —

Dan steken wij weer af in zee,

In strijd met wind en golven.

Naar 'tZeeuwsch devies: „ik worstel meê, Doch ik wordt niet bedolven.quot; —

Blijft gij vooreerst nog op de kust,

En vormt uw beste krachten;

En weest student, en werkt met lust! Totdat wij u verwachten.

Of quot;OT-Dt ook zal bestaan.

Nog vijftig jaar na dezen ?

Of voordien zal te gronde gaan ?

Staat in geen boek te lezen.

Maar wat verga, één ding blijft vast:

„De waarheid van 't insignequot; —

Wien ooit die waarheid werd tot last Is 't lidmaatschap „indigne !quot;

Rotterdam, Juli 1894.

Dr. j. p, esser.

(in JvIemoriam.)

£jr gloort iets droefgeestigs over den naam: Julius Petrus Essër.quot; Niet de fonkelgloed van wereldsche glorie, doorgaans minder spoedig verworven, dan verloren. Ook niet dat fletse, dat ziekelijk-bleeke van een mislukt leven, zonder kinderlijken lach en mannelijke veerkracht. Maar iets van dien weemoed, van dien martelaars-weemoed zei ik bijna, die altijd goeden moed weet te grijpen en toch altijd met de moedeloosheid blijft worstelen; iets van het Paulinisch heldenparool: „droevig, doch altijd blijdequot;; iets dat doet denken aan de smeltende tinten van het avondrood, en een mensch er toe brengt te weenen en te jubelen tegelijk. Dat tengere lichaam, haast te zwak om den last te torschen van een' kloeken geest tot kwijnen te groot. Dat lijden van een teeder hart onder wat hem pijnlijks werd aangedaan door eene wereld, die hij o zoo boos vond en die hij toch niet kon nalaten met eene edele liefde te beminnen. — Dat eenzame wegtrekken naar een ver land, waar de moeilijkheden van een schijnbaar ondankbaar arbeidsveld hem aanvankelijk wel eens de vraag zouden ontlokken, of 't maar niet beter was het werk op te geven. En dan dat sterven.— Dat onverhoeds weggerukt worden, toen hij, door Prof. Vreede geholpen, bezig was zijne vertaling van het N. T. in het Madoereesch te herzien en te laten drukken, en terwijl hij zelf immers een paar uur vóór zijn dood nauwelijks kon gelooven, dat God hem midden uit zijn heerlijken arbeid zou oproepen. Ach, 'twas als of dat aan dissonanten rijke leven, met een' voor ons gevoel bij uitstek schrillen dissonant eindigen moest!

Maar wij treuren niet. Christus is de oplossing van alle tegenstellingen. En in Hem heeft onze Esser een rijk leven geleefd, rijk aan zegen en rijk aan beloften. In '79 ging hij naarMadoera; in '87 kwam hij terug. Maar de beteekenis van eens menschen arbeid hangt gelukkig niet af van een tijd, daaraan besteed. Het tarwezaad dat in de aarde valt en sterft, brengt veel vrucht voort.


ocr page 51

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

45

Men heeft voorspeld, dat Esser de Apostel der Madoereezen zou genoemd worden. Laat die voorspelling onvervuld blijven! Om ook maar ééne ziel, als die van Pa'k Byng voor Christus te winnen, en zoo voor Christus te winnen als deze gewonnen werd, mag het der moeite waard geacht worden te leven, en — te sterven ook.

De menschen hebben Esser niet altijd begrepen. En hij heeft het hun, eerlijk gezegd, ook niet altijd gemakkelijk gemaakt hem te begrijpen. Een karakter, dat te veel eerbied had voor de waarheid om veel eerbied te kunnen hebben voor het con -ventioneele. Een vlugge geest, die onbarmhartig den draak kon steken met schoolsche vormen en geleerde dressuur. Een student, die beter de kunst verstond om voor zijne eerzame commilitones college-marschen te vervaardigen, dan zelf college te loopen. Een doctor in de godgeleerdheid, die zoo innig ondeugend het; „leider auchTheologiequot; kon herhalen. Geen wonder, dat men hem somwijlen aanzag, zooals men een hiëroglief pleegt aan te kijken I

Maar wij, die hem mochten liefhebben, wij hebben gemerkt dat er in die zwart-bleeke, kuchende hieroglief een schat verscholen was, een schat van tintelend vernuft, een schat van liefde en trouw, van warme vroomheid,van geestdriftvolle toewijding, o zoo heerlijk. Wij hebben hem liefgekregen. En wij zullen hem blijven liefhebben.

Requiescat in pace!

Hij is ons voorgegaan,

Pa'k Byng zou zeggen; „wij gaan later ook.quot;


BIDDEN.

et gebed brengt ons op het terrein van de mystiek des christelijken levens. Immers het is van dat leven de verborgen achtergrond. De aan 'toog onttrokken wortel, waarop de plant daarvan stoelt. Van dat leven de onzichtbare ademtocht. — Aan onzen tijd, die terecht roemt op tal van openbaringen der christelijke liefde, mag wel de onmisbaarheid van het gebed worden herinnerd. De zenuwachtige haast, die zich naar de wijze van het „einde der eeuwquot; ook van de „christenenquot; heeft meester gemaakt, bij hen bedoelend vruchten des Christendoms te zien en te toonen binnen den kortst mogelijken tijd, — die gejaagdheid heeft zeker een edel bestanddeel. Zij heeft echter ook een hoogst gevaarlijke zijde. NI. zich in oppervlakkigheid te verliezen. De maat der diepte, waarop de fundamenten zijn aangebracht, van geen beteekenis te achten, wanneer het gebouw maar terstond gereed komt. En wat oppervlakkig is draagt met zich den vloek der onwaarachtigheid. En wat onwaarachtig is dat kan niet zijn uit God. — Daarom is het zeker niet overbodig op het „gebedquot; den nadruk te leggen, opdat in het christelijk leven het evenwicht bewaard of hersteld worde, en de uitwendige openbaring daarvan niet vooruitloope aan zijn ontwikkeling in 't verborgene, maar daarmêe gelijken tred houde! — Wie was daarvan meer doordrongen dan Hij, Die, te midden van den arbeid aan de taak zijns levens, voor Hem zóó lang en zóó bang, voortdurend den omgang genoot met den Vader, waaruit steeds op nieuw moed en kracht Hem toevloeiden! Hoe trekt Hij zich meermalen in belangrijke tijdsgewrichten zijns levens terug in de stilte der woestijn, waar de woestheid der natuur alléén sprak van de grootheid zijns Gods! De Zoon stort dan het hart uit voor den Vader. En wie op Hem ziel als op „den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs,quot; die volgt Hem ook in de eenzaamheid des gebeds!—

ocr page 52

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

Bidden wij reeds waarlijk? Waarlijk? Het hart moet in het gebed zijn. „Laat lieverquot; heeft iemand gezegd, „het hart zonder woorden wezen, dan woorden zonder het hart!quot; Wij leven in een'tijd, waarin meer gevloekt dan gebeden wordt. Voorzeker, de harten mogen wij niet beootdeelen. Maar toch indien er meer omgang was met God, meer waarheid dan ook en minder vormelijkheid, die goed maken moet wat aan de werkelijkheid ontbreekt, — er zou zeker minder wanhoop en vertwijfeling, minder onvoldaanheid en ontevredenheid zijn. O dat de verborgen mensch des harten aan het woord kome! Dat wij hem in onze zondige dwaasheid het zwijgen niet opleggen! Dat wij hem toelaten uiting te geven aan al zijne klachten! Maar niet er mêe te gaan tot de menschen, die geen lasten afwentelen en balsem in de wonden gieten kunnen! Slechts de ziel uit te storten voor het aangezicht van den Heer! — Wie meet de kracht van het gebed? Toen de bekende Berlijnsche arts Heine, — tijdgenoot van Hufeland, — geruïneerd door het bankroet van een handelshuis, daarover beklaagd werd door een' vriend, sprak hij: „Het spijt mij, dat ge dat doet, want ik ben er reeds over heen. Eerst was het mij, alsof met mijn geld alles verloren was. Ik had geen hart meer voor mijne patiënten en geen oog voor mijn huiselijk geluk. Overal bracht ik een wolk van somberheid. Totdat ik mijn toevlucht nam tot God. In de eenzaamheid stortte ik mijn hart uit in een vurig gebed. En toén werden alle lasten van mij afgewenteld. Ik had mijn God terug. Wat deerde mij nu het verlies van het goud?! De zon brak wêer door de wolken!quot; — Dat was de macht van't gebed!— In de ijzerfabrieken kunnen wij eene machine zien, die ijzer en staal als papier aan reepen snijdt. En één vinger-druk van een kind doet de machine haar werk verrichten. Die vinger-druk is 't gebed. God regeert de wereld door de gebeden van zwakke stervelingen. Maar 't is niet de dommekracht van 't ijzeren, onwrikbare noodlot, maar de ondoorgrondelijke beweging der eeuwige Liefde, die dan op 't gebed zich openbaart!— Vergeten wij echter niet, dat er moed noodig is, om te kunnen bidden. Wij moeten het durven. Immers „ingaan in de binnenkamer des gebedsquot; is: Zich stellen in het volle licht, dat afstraalt van het aangezicht van den heiligen God. Maar gelijk de reiziger, een' donkeren tunnel instoomend, daartoe den moed vat, omdat hij weet: „in de verte schemert reeds wéér het licht van den dag!quot;— Zoo vat ook de mensch, de zondige mensch, moed tot het gebed, — waarin hij zich laat oordeelen door zijn' God in het aangezicht van Christus, — omdat hij daarin reeds de hand eener liefde erkent, die door de diepte der zelfveroordeeling heen hem leidt tot de hoogste hoogte der vrijheid, der behoudenis! — Het kan dan ook niet anders, of het „nuchteren zijnquot; is een eerste eisch, die aan den bidder gesteld worden moet. Zich opwinden, verkeeren in een' toestand van overspanning — dat kan geen bidden zijn. Alle verschijnselen in onzen tijd van hetgeen wij zouden kunnen noemen: „geestelijke dronkenschapquot; zijn in brandenden strijd met het waarachtig gebed. In de hoogste mate gevaarlijk, omdat men daarbij waant op eene hoogte te staan, die men innerlijk niet heeft bereikt, en het gevoel dan moet goed maken, wat aan den wil nog ontbreekt! De onderdaan, voor zijn' Koning geroepen, zorgt wel volkomen zich zelf te zijn! En zou dan de mensch tegenover zijn' God die ingetogenheid niet in acht moeten nemen?!— En in dat heiligdom des gebeds, waar alle overspanning, overprikkeling verre is, waar de mate van nuchterheid de thermometer is voor de beteekenis van het gebed, — in dat heiligdom kan dan ook Hij alléén ons binnenleiden, Die zich door niets afbrengen liet van dien omgang met den Vader, welke zijn leven was! Hij, Die ons een oog doet krijgen voor de wonderbare heerlijkheid van het Koninkrijk Gods, Hij, Die voor ons de zonde haar bekoring verliezen doet door de macht Zijner gekruisigde Liefde, en ons in Hem doet verblijden met een nimmer eindigende blijdschap, — Hij leidt ons ook binnen in die wereld des gebeds, waar wij omgaan met God, als kinderen, die, met het „Abba Vaderquot; in het hart, vertrouwend tot Hem naderen! —

Ten slotte. Om in de rechte gebedsstemming te komen en te blijven, daartoe is dagelijksche zelfreiniging noodig, en dat voortdurend zich samenvatten uit de verstrooidheid, die de wereld telkens geeft. Hier is een wisselwerking. Om wereld en zonde steeds minder invloed op ons te doen uitoefenen is 't voortdurend gebed van de hoogste beteekenis. En omgekeerd: om het leven te doen worden tot een

46

ocr page 53

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

„bidden zonder ophoudenquot;, moeten wij steeds minder geboeid zijn aan het stof! — Er zijn dan ook trappen in het leven des gebeds. Het is eene school, waarin de groote Bidder zelf ons binnenvoert. In den aanvang van het christelijk leven — zijne lente, — dikwijls geestdrift in het gebed, die aan overspanning grenst. Daarop volgt gewoonlijk een tijdperk van ontnuchtering, waarin de hemelsche Landman de wilde loten van het geestelijk leven gaat snoeien. Dan bemerken wij, dat het leven niet zóó gemakkelijk tot een gebedsleven, tot een „omgaan met Godquot; wordt. Dat zulk een leven worden, groeien moet! Eerst telkens een overgang tot het gebed. Een zekere smartvolle tegenstelling tusschen het gewone leven en de oogenblikken, die wij in het gebed doorbrengen. Maar hoe hooger het christelijk leven zich verheft, hoemeer wij, — stervend aan ons zelve en de wereld rondom ons, — het eigendom worden van Jezus Christus, des te meer verheft dat leven in zijn geheel zich tot één leven des gebeds. Dan gaat het gebed het leven doordringen in al zijne schakeeringen, onder alle omstandigheden! Wakend en slapend, juichend en weenend, arbeidend en rustend, bidden wij voort, altijd voort, zonder ophouden!—

Leven wij aldus, dan zijn wij ook arbeiders aan de komst van Gods koninkrijk! En dit is niet de vraag, of wij de van God ons opgelegde taak afmaken zullen, — God slechts voltooit! — Maar dit is de levensvraag, of wij aan den arbeid zullen zijn, wanneer Hij ons oproept, m. a. w. of Hij ons dan vinden zal, wandelend met Hem !—

47

In den Hemel geen tegenstellingen meer. Daar volkomen harmonie! Leven met en werken vóór God zullen daar nimmermeer naast elkander, en nog veel minder tegenover elkander kunnen staan!— Oefenen wij ons dan in het gebed te midden van den strijd des levens! Op den dag der overwinning zal de kroon ons niet ontgaan !—

Amersfoort, Augustus '94.

^s met der jarenloop.

Reeds menig beeld vervlogen, Dat onuitwisbaar scheen:

Met onverflauwde glans

Staat mij Uw beeld voor oogen. Geliefd ■dtui.

Wees, wat gij voor mij waart.

Nog menigeen ten zegen, Aan Utrecht's Hoogeschool.

En klink na vijftig jaar

Nog onverflauwd U tegen:

Lang leef Woi.


Neen wat ik ooit vergeet.

Wolvega, 20 Juli 1894.

Met dank blijf ik gedenken. Hetgeen gij voor mij waart. Wat g'in Uw vriendenkring.

Zoo ruimschoots mij woudt schenken,

Mijn trouw quot;i3Tquot;Ot.

ocr page 54

quot;Bijdragen van eenigen Oud-Leden en Leden.

quot;T.a Rochefoucauld zegt in eene van zijne Maximes: „Cequi fait que peu depersonnes sont agréables

dans la conversation c'est que chacun songe plus a. cequ'il a dessein de dire qu' A ce que les autres disent et que l'on n'écoute guère quand on a bien envie de parler.quot; In deze woorden komt de zwartgallige beschouwing van den bekenden moralist even om den hoek gluren. Toch bevatten zij een niet te versmaden wenk. Hebben wij als Christenen, meer in het bijzonder als voorgangers der gemeente er geen behoefte aan, dat Paulus' leuze „allen alles te zijnquot; ons hierin, al is het met andere woorden, nog eens op het hart wordt gebonden?

Hoe zullen wij de heerlijkheid van het Evangelie juist laten zien aan hen, die haar niet kennen, wanneer wij niet weten wat hen daarin belemmert ? en hoe zullen wij dat weten, als wij hen niet alles laten zeggen wat daarover licht verspreiden kan, en nauwkeurig daarnaar luisteren ?

48

Wij hebben in dit opzicht dikwijls ons zei ven te overwinnen, maar zullen ervaren, dat Hij, die kwam om te zoeken wat verloren is, ons daarin zal steunen. Hij leert ons de kunst verstaan, met het oog op het doel, geduld te oefenen tot in het voor den wereldling oneindige, te luisteren naar het voor den onverschillige belachelijke, te leeren uit het voor den „wijzequot; „dwazequot;, en winst te doen met elke uitdrukking, die van een indruk getuigt, maar tegelijkertijd telkens met het antwoord gereed te zijn dat Zijn Geest ons geeft. Dit kan samengaan, omdat het onze roeping niet is slechts „agréablequot; te zijn, maar nuttig als het zout der aarde.

Delden.

quot;-«Btr-o-

HERINNERING,

Secor Dabar! — Wat blij herdenken

Wordt opgewekt door uwen naam! Gij schonkt ons leiding, boodt ons vriendschap, Gaaft ernst en vroolijkheid te zaam.

Secor Dabar! — En tal van uren

In Dom- en Janskerk saam vergaard, • Getuigen hoe Secor ons vormde

Voor 't heilig werk in 's Heeren gaard.

Secor Dabar! — Ja al mijn jaren

Leeft gij in mijn herin'ring voort! Heb dank voor 'tgeen g'ons deedt genieten, — Voor 'tstil gebed: „Gedenk het Woord!quot;


Secor Dabar! — En tal van jolen

Herleven weder voor mijn geest!

't Was rijden, zingen, klinken, toosten:

't Student zijn scheen één vreugdefeest!

Secor Dabar! — En tal van vrienden

Druk ik in stilte weêr de hand. 't Geliefd Secor bracht ons eens samen En vlocht den hechtsten vriendenband.

Ophemert.

ocr page 55

Bijdragen van eenige Oud-Leden eft Leden.

49

jeugdig jolig installeeren.

Uren achtereen flaneeren.

Stotterend iraproviseeren.

Trouw beboet memoriseeren.

Onbarmhartig critiseeren.

Kaalgepluk van hoogmoedsveeren.

Orgel-belletjes hanteeren.

Praeses' hamerslag negeeren,

Geur'ge koffietjes offreeren.

Sectie's eenvoud doen brilleeren.

't Niet-fideele amoveeren.

led're hoekigheid cureeren.

't Echt student-zijn 't zwaarst studeeren.

Gloende harten saamsoldeeren.

Zelfgenoegzaamheid verkeren.

't Eigen leven glad verteren,

Licht in vriendschaps hooge sferen.

Trotsend Breeroo's ; „'tkan verkeeren !quot;

Zwijgend trouwe liefde zweren.

Vreugde uit den hooge eeren.

Uit de laagt' tot vreugd' zich keeren

Dit als' leven profeteeren ;

Lang op 's levens lente teren.

Ja dat hebt gij willen leeren,

Viiend'lijk lichtende star

Van ons dier Secor-Dabar!

Daarom zeg ik voor en na

Voor Secor een Gloria! —

VRIENDSCHAP.

„Want hij had hem lief, met de liefde zijner ziel.quot;

CQelzalig hij, die van zichzelven zat,

Dien ander' vond, die hem wel wilde vinden, Voor eeuwig ja aan zich hem wilde binden,

Daar hij hem noemt: zijn langgezochte schat.

Nu heeft hij weer wat hij verloren had,

Zijn goede ik, dat zelf hij niet meer minde En stierf bijna ... — Stil zagen toe zijn vrinden — Hij heeft het weer! Dus is hij werklijk wat ?!

Nu gaat hij eiken dag alles vermijden,

Wat 't weerzien van zijn vriend hem dreigt

't onthouwen. En eiken dag zich hoogelijk verblijden,

Opnieuw te hooren 't woord van vol vertrouwen, Wetend dat iedereen hem zal benijden „Die liefde, wonderer dan die van vrouwen.quot;

COLMSCHATE 23 Juli '94.


Kralingen.

„^lhe daad can zelfoeploochening, die t heden niet beloont, is als een schahel in de gcoote heten, die ons aan eene betepe toehomst bindt.

Alkmaar, 4 Aug. '49.

ocr page 56

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

♦Jy» kL« •si/» nL« •Jrquot;» •vi^ tsj^. tsX/t tjy» «Jy»

(Xjie Abrams zaad ook teeder mint,

En uitziet naar zijn vrede,

Dat Tsrel dra zijn Koning vind', Is week'lijks Dominee's bede.

Maar... 't blijft bij 't week'lijksch nagebed.

Is Isrel niet vergeten,

Dan heeft hij weder nauwgezet Zich van zijn plicht gekweten.

Zijn vrome dienstmaagd is 't geslacht

Van Sem juist min genegen. En, anders in haar oordeel zacht,

Heeft ze op een Jood iets tegen. Toch, als de slager 't vleesch haar brengt.

Altoos een vriend'lijk praatje!

En, als ze aan 't nagebed nog denkt, Krijgt hij een mooi tractaatje.

Appelscha.


-o—43Qgt;—c—

lt;Sgt;ecor, reeds half een eeuw waart gij een steun van velen.

Een band, die samenbond met vroomheid, vriendschap, deugd, Heb dank voor 't geen gij gaaft; blijf steeds voor talloos velen Een lichtstar op den weg, een bron van blijde vreugd.

„Het schoone en goede altijdquot;, het blijv' een levensleuze

Een vrome zin in 't hart en blijdschap op 't gelaat — Dat is en blijft 'tSecor, waarvoor wij gaarne strijden Dat leeft met God en vast ja vastgeworteld staat.

Laren, (Gelderland.)

-o—SS*-»-

©ecor is een van die gezelschappen aan de Utrechtsche academie, waar vriendschap voor het leven gesloten wordt. Ontmoet ik voor 't eerst een Secorlid, zoo druk ik hem dubbel krachtig de hand.

Heilo, _____

VROOLIJKHEID.

eHls ik door een tegenstelling het „natuurlijkquot; leven en het leven dat van boven is zou willen karakteriseeren, dan zou ik het aldus kunnen doen: zoolang wij niet wedergeboren zijn, moet de wereld ons vroolijk maken, daarna maken wij de wereld vroolijk! De wereld geeft veel; veel geoorloofds niet alleen, veel kostelijks en schoons, want ze is van God. Doch wee dus, indien we de wereld noodig hebben, als we zonder haar niet vroolijk


ocr page 57

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

Si

wezen kunnen! Dan leven we in smadelijke afhankelijkheid en zijn haar slaven! Van die slavernij heb ik veel gevoeld, toen ik studentwas, ik was knecht. lederen dag ging ik tot de wereld en zeide: O, maak mij vroolijk! En zij maakte mij vroolijk, zij gaf veel (geen schooner vorm van het natuurlijk leven, dan het studentenleven!) maar al wat ik ontving werd bedorven door het steeds groeiend besef van gebondenheid en slavernij. In mijn hart was het donker en eng. Nu is het anders. De rollen zijn omgekeerd. Nu maak ik de wereld vroolijk. Ik spreid over de dingen Gods licht. De wereld is anders geworden. Want over boom en veld en dier en mensch ligt glans gespreid. Nu is het goed. Nu heb ik de wereld lief. Want ze bindt en knecht mij niet langer. Zij is mijn vijand niet meer. Nu heb ik het leven lief. Want het leven is geen last maar een lust. Nu wil ik leven, eerst moest ik leven. Wie verstaat dat godsdienst „de wil om te levenquot; is, die weet wat godsdienst is! Gezegende arbeid anderen te brengen tot deze overwinning; groot voorrecht apostelen des geloofs te mogen wezen.— Apostel des geloofs is bedienaar der blijde vroolijkheid te wezen.

Lopik 25 Juli '94.

------

ZELF,

^Dicht bij de menschen woont het Mysterie.

Het lacht soms en weent soms en heeft alle gebaren der menschelijke emotie.

Het is in de dingen rondom. De boomen spreken er van als ze op de winden meegaan. En de zee heeft er altijd het hart vol van, en de golven roepen roepen van het mysterie. En al de dingen; ook de leelijke rechte slooten; ook de vervelende namiddagen in de straten vol zon; en de gesloten deuren, die onbewegelijk als op wacht zijn tot ze openkleppen ora in te laten... misschien den dood.

Maar al deze dingen weten het niet.

Soms is het in den avond, als een nieuwe glans op de bladeren regent uit een lichte lucht, alsof de natuur in haar geheel, het ééne wezen dat de natuur is, het weet; maar wel zelden. Meestal is de gezamenlijkheid der zichtbare dingen passief niet uit zichzelf werkend noch in zichzelf weêr-keerend; maar ondergaat de straf van haar ijdelheid, en ondergaat de vreugd van haar bestaan, niet om haar eigen wil. De dingen zijn meestal zooals ze zijn zonder meer; ze worden gedreven en weten het niet.

Maar enkele malen ontwaakt het gezamenlijke wezen der natuur uit zijn droomloozen slaap en ziet het mysterie van haar zijn; merkt op zichzelf met de nog niet welbewuste bevreemding van een kind dat ontwaakt. Dan ziet het al-der-dingen — de half bewuste geest der wereld — neer op de vreemde verrijzenis zijner boomen en uitspreiding zijner bladeren en klaren avondglans zijner plassen — gelijk een mensch ziet op zijn eigen handen. Dan wordt de geest der wereld zich bewust van het mysterie — eenigermate. Hierin is de kennis van het mysterie dat men terug-ziet, niet vooruit maar: in zichzelf weerkeerend; niet naar de dingen buiten, maar naar de dingen binnen; Reflectie; het groote mysterie is beschreven in het woord ZELF.

En zoo zal de mensch, de hoogst-bewuste, gestadig in zich weder-keeren, gelijk de geest dei; wereld zelden doet. Zoo zal de mensch zich plaatsen voor het groote Raadsel, dat op hem staart met wijde oogen, geweldig en diepzinnig als de Sfinx der Tijden: zoo zal de Mensch stilstaan voor zich Zelf en over het Zelf als 'tnabijste en innigst mysterie verwonderen.

En in de geopende oogen van het mysterie zijns zelfs zal hij ontdekken groote dingen, wijsheid en zonden bovenmate, twijfelingen en vele gedachten, hoop en verlangen, maar nog meer vorschend zal hij zien dat één nieuwe glans in de oogdiepten om al de dingen schijnt: een Liefde niet van de Aarde.

En zoo ooit de kennis van het Mysterie niet be-angst is het óm de Liefde Gods die daarin is.


ocr page 58

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

52

En wie gelooft heeft zich verblijd, want de duisternis van het Raadsel des Zelfs is inwendig van Liefde licht.

ootmarsum, l6 Juli '94.

A-*»—

-o-lt;Ö3gt;-

,,^5en huis, dat tegen zich zeiven verdeeld is, kan niet bestaanquot;. De waarheid van dit Woord der Schrift, sta den leden van „Se-corquot; ten allen tijde duidelijk voor den geest en strekke hun ten richtsnoer bij hunne onderlinge verhouding; dan zullen zooveel mogelijk alle verschilpunten vergeten en alle aanrakingspunten opgezocht worden en de spreuk onzer vaderen „Eendracht maakt machtquot; ook in Secor's verdere geschiedenis worden bewaarheid, zoodat de wensch uit ons „Secorliedquot; zal worden vervuld:

„Het bloei steeds ongestoord Aan de Academie voort,

Dat men nog jaren hoort:

Lang leev' Secorquot;.

ter aa.

quot;Vijftig jaren telt uw leven,

Zegen hebt g' alom verspreid.

Kennis, vriendschap, kracht tot strijden.

Werd door U gevormd, gewijd.

Wees nog menig tiental jaren

't Sieraad uwer Hoogeschool,

En uw naam „ Gedenk het Woordquot;, blijv' Tevens immer uw parool!

HERINNERINGEN.

/'TXijn eerste herinnering aan Secor Dabar doet V*-4mij terugdenken aan iets mysterieus, aan een soort geheim genootschap, als ik 't zoo zeggen mag. —

Ik zie 'tnog voor mij als gisteren, dieneersten keer, dat ik dien vreemden, nu zoo bekenden, naam gehoord heb. We zaten op een tweeden Paaschmiddag in Tivoli in Utrecht. Mijn vriend was in zijn eerste jaar, ik moest nog aankomen.—

We hadden ieder een heerlijk glas boerenjongens voor ons, zoo'n breed, diep glas, en de bruine rozijnen dreven stil, dicht op en over elkander in den modderigen brandewijn, waaruit 't lepeltje, als we 'tmet rust lieten, trotsch, tusschen de rozijnen door, naar boven stak.

„Heb je wel eens van Secor gehoordquot;, vroeg mijn vriend opeens, alsof hij iets dood natuurlijks vroeg.

„Wat zeg jequot;, antwoordde ik verbaasd.

„Of je wel eens van Secor gehoord hebtquot; ?

„Neen, wat is dat?quot; informeerde ik met matig interest.

„Dat is hier ons Theologen Gezelschapquot;, en, voegde hij er hartelijk aan toe, „ik hoop dat je er ook lid van zult worden.quot;

Mijn belangstelling was opgewekt:

„Als 'teen aardig gezelschap is, waarom zou ik er dan geèn lid van worden?quot; zei ik argeloos.

Hij keekmemeewarig, eenigszins gebelgd zelfs, aan.

„Pu, pu, dat gaat zóó maar niet, daar kun je maar zóó geen lid van wordenquot;, die twee zoo's met verbazend veel nadruk, — „Je moet er voor gevraagd wordenquot; lichtte hij met waardigheid in. -

„Ah, zoo, en hoe heet 't, zei je?quot;

„Secor, Secor Dabar, je begrijpt wel..

„Ja, ja, zei ik, zekerquot;, hoewel ik er niets van begreep, zelfs niet eens dat 't Hebreeuwsch was.. „en, is 'tleuk, vroeg ik verder, wat wordt er „al zoo gedaan, vertel eens!

„Neen, dat gaat niet, ik had er eigentlijk maar niet over moeten beginnen,quot; later, als je misschien er in komt, je begrijpt....

Alweer begreep ik volstrekt niet, waarom ik


ocr page 59

Bijdrage7t van ecnige Oud-Leden en Leden. 53

niet wat meer kon te hooren krijgen. Doch ik berustte na nog een paar vergeefscbe pogingen.

En als we verder gingen, dacht ik dat 'ttoch iets heerlijks moest wezen, zoo'n studenten gezelschap, ook al had 't dan ook nog zoo'n vreemden naam, je begrijpt...

Toen ik in de groote vacantie mijn vriend eens opzocht, lag er een zwart fluweelen insigne op zijn tafel, aan de kanten licht blauw en licht rose afgezet. „Wat is dat voor'n dingquot; vroeg ik.

„Dat, o, dat is 't insigne van Secorquot; en haastig borg hij 't weg, dat ik 't niet meer zien kon.

Dien nacht droomde ik van studentengezelschappen, zwart fluweelen insignes met blauwe en rose randjes, mysterieën, en heb ik, geloof ik, in mijn slaap hardop „Secor Dabarquot; gezegd.—

Wij waren groen, theologische groenen.

Bijna had ik geschreven: we waren theologisch groen, doch dat zou onwaar zijn geweest, want we waren toen héél gedecideerd, en wisten toen héél precies hoe zwaar, niet hoe licht, we wogen.

En als rechtgeaarde theologische groenen legden we allereerst visites af bij de theologische studenten.

We wisten al gauw, wie de leden van Secor waren, we hadden ook al zoo'n beetje ons als groenen van Secor geformeerd, doch dat hielden we natuurlijk voor de studenten van Secor geheim.

„Je doe maar net of je van niets weetquot; die taktiek van 'tDiakenhuismannetje voelden we instinctmatig, dat de onze moest wezen.

Zoo kwamen wij bij jonge leden, die, strijdlustig ons 't liefst vroegen, tot welke partij we behoorden, (welk goed theologisch groen heeft geen partij!) bij oude leden, die ons heel ernstig aankeken, en vroegen, waarom we nu juist theologische groenen waren; zelfs bij oud-leden, die wij héél oud vonden, 'n soort kerkvaders...

Maar we deden van weerskanten net, of er geen Secor op de wereld was.

Toen 't tegen de Installatie ging loopen, begonnen we een vernieuwde campagne.

Als „monsters op zichtquot; werden we hier en daar nog eens vertoond, bij de lastigsten deden we graag nog een her-examentje.

Op den avond van 't groenen-souper knikten een paar van de leden me beteekenisvol toe, toen ik na de installatie kroegjool thuis kwam, lag er een deftig gezegelde brief op m'n bureau, toen ik 'm den volgenden morgen las, stond er in dat ik benoemd was tot lid van Secor Dabar!

Ja ni, de Corpsinstallatie heugt mij 't best die van Secor Dabar!

Ik zie ons nog met ons zessen zitten.

Klokslag bestelden tijd waren we gekomen, en 't werd een wachten, een wachten!

En wat zagen we er uit!

Allen in een gekleede jas, maar van geen van allen was 't z'n eigen.

En naarmate 't wachten langer duurde, werden we bleeker.

Alleen ons haar glom van de pommade, anders was alles even dof.

Niets van Chrysostomussen, die straks de preekstoelen zouden beuken, en kathedralen zouden doen daveren; echt groen, armzalig groen goed!

Als we waren binnengeleid, zaten we op een rijtje naast elkander, en tegenover ons stond de praeses in toga.

Zoo'n installatie is plechtig, we voelden dat, en voelen 'tnóg.

Vóór ons ons diploma, ons insigne, 't insigne, dat eens voor me weggeborgen was, en dat nu 't mijne werd; tot ons gericht vriendelijke gezichten, hartelijke woorden.....

En links achteraan 'tlid, met wien ik ter eere der plechtigheid ruilhandel had gedreven, krakend en steunend in mijn rok, dien ik in eere zal houden, al was 't alleen maar omdat hij dien spannenden avond heeft uitgehouden, terwijl ik me zelf in ruimte baadde, en me wel in de geleende sluitjas verstoppen kon!

Toen, na afloop der rede, ons van alle kanten de vriendenhanden werden toegestoken, toen ons 't insigne, óns, ons éigen Secor insigne werd omgehangen, toen trilde er iets in ons, toen waren we blij, toen waren we dankbaar dat we lid waren van Secor Dabar!

Door practisch Calvinisme jammerlijk verminkte


MWiixm

ocr page 60

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

54

Domkerk van het Sticht, uw kansel heeft voor mij eene herinnering, zoo groot en zoo lief!

Hij is ééns, tweemalen mijn kansel geweest!

Mijn preekeboekje lag op uw Bijbel, mijn stem kaatste tegen uw klankbord verder, mijn hart bonsde, mijn hoofd gloeide, toen ik op uw hoogte stond en sprak, en misschien een enkel Secor-lid er even naar luisteren wou!

En ik dacht, dat zoo'n preekje den meest verstokte bekeeren, den meest verfijnde boeien moest!

't Was een gebrekkige rhetoriek, en ik vond haar aangrijpend, 't was een voordracht, afgehoord en afgezien van mijn lievelings-dominée, en ik vond haar oorspronkelijk-wegsleepend, kansel van de Domkerk, gij hebt mij den droom doen droomen uit de Leekedichtjes, den ijdelen droom van

„De schare, saamgestroomd Zeker aan mijn voet.

Want van leege kerken

Droomt geen vroom gemoed.quot;

En toch, tóch was die droom zoo zoet en is zijn herdenking mij zoo lief!

Nog ééne herinnering, Secor!

Uw Donderdagavonden, Uw schetsavonden!

't „mihi constatquot; zat voor, 't odium theologicum vlamde soms op, 't theologisch, 't kerkelijk exclusivisme schrijnde en striemde vaak.

't„Ik ben van Paulus, en ik van Apollos of Cefasquot; deed zijn gevaarlijke aantrekkelijkheid gelden.

Goed, goed, maar wat deed gij ons onvergetelijk heerlijk verdedigen en aanvallen, wat boeidet gij ons, wat spandet gij al onze gevatheid in, wat deedt gij gloeien al de overtuiging in ons jong gemoed!

Wat lag er een toon in die kamers, blauw van den scherpen tabaksrook, verzacht door de zoete dampen der vette chocola, wat glinsterde er ons oog, als we meening tegen meening plaatsten en streden over de diepste dingen met een zekerheid, die slechts 't onzekere vermag te geven, wat bleven we vaak plakken, wat vlogen de uren voorbij onder die eeuwig nieuwe gesprekken over die eeuwen oude zaken van religie, die niemand weet, en wier oplossing niemand vindt!

Nu Secor zijn vijftigjarig feest gaat vieren, bereike 't, met deze enkele herinneringen, mijn hartelijke gelukwensch. 't Bloeie steeds ongestoord en zij nog velen ten zegen!

Juli 1894.


-fXe bloei van iederen vriendenkring hangt aan den wandel naar dezen dubbelen regel: dat waarachtige liefde moet critiseeren en dat critiek dan alleen waarachtig is, als zij door liefde gedragen wordt.

ocr page 61

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden.

SS

2^ij gelegenheid van onze réunie zal door de ouderen onder ons nog menige herinnering worden opgehaald uit vervlogen jaren. Ik denk niet, dat alleen belangrijke gebeurtenissen die herinneringen zullen uitmaken; allicht ook menige daad die in besloten kring geschiedde, menig woord in dage-lijkschen omgang geuit.

Wanneer wij jongeren reeds lang van elkander zullen gescheiden zijn en — misschien wel door andere oorzaken dan door afstand alleen — dan zal misschien ook voor ons wel eens gelegenheid komen, om met onze tijdgenooten oude tijden te bespreken.

Zal ook dan niet voor onzen geest terugkomen zoo menig schijnbaar onbeteekenende daad, die echter ergerde of wellicht een zonder booze bedoeling gesproken woord, dat toch den vriend pijn deed?

r komt tegenwoordig op elke voltallige vergadering van Secor, als het Secor-lied wordt gezongen, een glimlach op ieders gelaat bij de regels : „Het zal steeds machtig zijn,

Al is soms 't aantal klein.quot;

Verbeeldt U een kamer,—hoe ruim ook, — toch in de meeste gevallen niet ruim genoeg om aan ieder een behoorlijke zitplaats te verschaffen, — waar een lange keten van menschen, arm in arm, de grilligste kronkelingen makend, steeds jaar in, jaar uit, het „kleine aantal'' bezingt. En dat aantal neemt eer toe, dan af.

En die glimlach zal weer verschijnen, telkens wanneer op deze beide feestdagen het „Lang leev' Secorquot; zal worden aangeheven door ... een schare van meer dan honderd.

Ja! er werd wel eens gesproken — zij 't dan slechts schertsend, over het veranderen van dien versregel. Toch moeten wij dat niet doen. We moeten ons schoon lied houden, zooals de dichter 't ons schonk.

Want het herinnert ons telkens aan de tijden van weleer, toen Secor een strijd had te strijden om 't bestaan. Terwijl het op een slechts klein aantal leden kon wijzen, was het toch machtig : want het was vast aanéén gesloten.

De in ons lied uitgesproken profetie werd tot heden steeds vervuld. En zóó zal 't blijven, mits aan de voorwaarde voldaan wordt:

„Laat onze leus slechts zijn ;

Eendracht maakt macht.quot;

Het grooter wordend aantal kan bevorderlijk zijn aan de éénheid, maar onnatuurlijk zou 't niet zijn, als dit niet 't geval werd. Hiertegen dient gewaakt, dat 't verschil opzettelijk wordt geaccentueerd. En evenzeer ook tegen dit, dat Secor zou zijn een vereeniging van gelijk- en gelijkvormige individu's. Slechts bij wederzijdsche waardeering en erkenning van het vele, dat Secor aan elk zijner leden geeft wordt de onderlinge vriendschapsband bewaard. Mogen wij allen daartoe medewerken en getrouw zijn in de vervulling van onzen plicht, van die vóór ons waren op ons overgegaan, om Secor's roem te handhaven.

-=gt;-lt;De—--

lt;Sgt;laan wij een blik terug, dan zien

Wij hoe God allerwegen Ons in den thans vervlogen tijd Omringd heeft met Zijn zegen.

Slaan wij een blik vooruit, hoe goed

Is 't ons dan dit te weten:

God blijft dezelfde als voorheen,

Hij zal ons nooit vergeten!


S22

ocr page 62

Bijdragen van eenige Oud-Leden en Leden,

56

„/.an -in-r-iD?

i

gelijk een koningszoon, gedoscht in zij,

Vol blind verlangen soms 't paleis ontvlucht En heimlijk voortsluipt, voor verraad beducht; Hij wenscht zich, zij 't een oogenblik ook, vrij.

Want onder 't kleed van opgewektheid zucht En weent zijn hart, waar hij zoo gaarne blij En vroolijk wandeld' aan zijns liefsten zij, Wat 'tprins-zijn hem verbiedt, — wat strenge tucht!

Zoo ween ook ik, als ik vol trage smart

Mij voel in 't corps geslingerd heen en weer; Het corps, dat 'k liefheb en waarvoor mijn hart

Vol vreugde heeft geklopt zoo menig keer.....

Maar als Secor mij dan ontsluit zijn poort,

Dan rust ik uit bij 't vroom: „Gedenk het Woord.quot;

II

De „chocoladeclubquot; Secor Dabar,

Die eens veracht door wien „studentquot; zich noemde, Voor niemand ooit zijn schoonen naam verbloemde, Maar trotsch was op dat woord zoo fier zoo waar,

Viert nu met dankbaar hart zijn gouden feest.

Of men 'tnu eert of hoont, 'tis ons om 'teven; Ons heeft het vriendschap, kennis, kracht gegeven, Voor ons is 't veel, vaak alles zelfs, geweest.

Voor ons — maar na ons komen andre leden;

Zij 't ook hun troost en schuilplaats in gevaar. Word' er dan nu een stil gebed gebeden:

Dat God het hoed' en het nog lang bewaar'! Dan kan het met vertrouwen voorwaarts gaan, Geloovend; wat God doet is welgedaan.

Nijmegen, Aug. '94.

ocr page 63

Bijdragen van cenige Oud-Leden en Leden.

Alle banden, alle bonden

Die men onder menschen vindt, Zijn vergeefsch, als ware liefde Niet de harten samenbindt.

57

(D. Kamphuizen.)

bezoeker van het zuidelijk gedeelte van de provincie Limburg — wat natuurschoon betreft verreweg het rijkst gezegende stukje van ons vaderland — zal voorzeker te midden van alles, wat de natuur hem daar te genieten geeft, ook getroffen worden door de groote menigte kloosters, die hij daar vindt. Uit alle landen van Europa, en wel voornamelijk uit Frankrijk en België, stroomen jaarlijks tallooze, meest jonge menschen, dikwijls uit de aanzienlijkste familien toe, om daar het leven te midden hunner betrekkingen en vrienden vaarwel te zeggen en zich tusschen de sombere kloostermuren te begraven in de hoop daar rust en vrede te vinden.

Vreemd verschijnsel voorzeker in onze negentiende eeuw! Wat mag hiervan de oorzaak zijn? In negen- en- negentig van de honderd gevallen is die niet ver te zoeken: zij hebben het leven verkeerd begrepen, verkeerd ingericht en zijn dientengevolge verkeerd uitgekomen. In plaats van te begrijpen, dat er ook voor hen een werkkring was, dat ook zij een roeping hadden te vervullen en ook hunne krachten vereischt werden tot instandhouding der maatschappij, hebben zij gemeend voor hun pleizier alleen te kunnen leven en zoo gelukkig te zullen zijn. En ach! zij hebben moeten ondervinden hoe het geluk, als men het door pleizier-maken tracht te verkrijgen, zich afwendt en steeds verder wegvlucht. Dit nu heeft hen ontmoedigd. Ze kregen genoeg van 't leven en daarom onttrokken zij er zich aan in een klooster. In Roomsche landen vormen de kloosters tegenwoordig de toevluchtsoorden, waarheen de levensraoeden zich spoeden en zouden er in onze Protestantsche landen ook niet velen gevonden worden, die hetzelfde wel zouden wenschen te doen? Kennen wij hen niet maar al te veel, ook in ouze naaste omgeving, die menschen, die ongelukkig zijn omdat zij het leven moede zijn en zich vervelen en niet kunnen of willen begrijpen, dat er ook voor hen werk, overvloed van werk is, en dit het zekerste middel zou zijn om hen van hun kwaal te genezen? Gelukkig daarom zij die in hun leven een doel hebben, dat hen steeds voor oogen is, die een werkkring uitgekozen hebben om daarin werkzaam te zijn! Zij zullen het juiste midden weten te bewaren tusschen een leven alleen van pleizier en een leven ver van alles in een klooster en zoo doende knnnen zij gelukkig zijn.

Valkenburg 20 Augustus '94.


miamp;yr/f'kttii

ocr page 64

JSecor-lied

— DOOR —

L. J. Blanson Henkemans.

---------a——

Wijze : God save the Queen.

£ang lcco ^ecoF ^Daban! t Schift ire gelijk een stap

JXaasf onzen gol!

t ^loeie steeds ongestoopd, g^on d Academie ooopt, ^at men nog japen hoopt;

JÊang leeo lt;Sgt;ecop !

JKpmt bpoedeps, dan oepeend, ifet onze hulp oepleend,

^ötet alle hpacht.

^et zal toch machtig zijn, is soms t aantal hlein, JÊaat onze leus slechts zyn: Pendpacht maaht ^Tlacht.

ocr page 65

LIJST

der Buitengewone Eereleden, Eereleden-Opriehters, Eereleden en Leden

VAN

in-r-or

------- O—.........

BUITENGEWONE EERELEDEN.

Dr. J. J. van Toorenenbergen................Emeritus 1892. Amersfoort.

J. W. Felix..................Emeritus 1894. Utrecht.

tj. C. de Vijver.................Overleden 1891.

Dr. J. H. Schuurmans Stekhoven....... ... Standaardbuiten,

EERELEDEN-OPRICHTERS.

NAAM.

Jaren v. h. Lidmaatschap.

Woonplaats.

tN. H. de Graaf..........

1844-1849

Overleden. 1886,

fL. Tinholt............

1844—1848

Overleden 1886.

J. A. Ruijs............

1844—1848

Emeritus 1885. Kampen.

tP. A. van Toorenenbergen.......

1844—1848

Overleden 1869.

H. C. G. Schij vliet.........

1844—1849

Emeritus 1883. Zeist.

tD. Gildemeester..........

1844—1848

Overleden 1869.

mmmzmm

miik*

ocr page 66

EERELEDEN,

NAAM.

Jaren v. h. Lidmaatschap

Woonplaats.

NAAM.

Jaren v. h. Lidmaatschap.

Woonplaats.

tJ. C. v. Toorenenbergen

1844

Overl. 1850.

F. J. P. Moquette

1859-

-1859

Rotterdam.

J. G. van Rijn

1844-

-1851

buiten Evangelieb.

G. J. van Lindonk

1859-

-1863

Voorburg.

G. Hooft (Jur. stud.)

1844-

1850

Partic. Woudenb.

A. Loeff

1859-

-1863

Dordrecht.

0. Vermeulen (Med.stud.)

1844—1850

Overleden.

H. F. W. v. Straaten

1859-

1860

buiten Evangelieb.

tC. J. Hoogeveen (Jur.

H. C. van Lindonk

1859-

■1864

Oosterbeek.

stud.)

1844-

■1849

Overleden 1849.

H. J. James

1859-

-1864

Vlaardingen.

tJ. Murray

1845-

1848

Overleden 1881.

tJ. v. d. Horst

1859

Overleden 1860.

A. Murray

1845-

1848

Wellington/

B. J. Swaan

1859-

-1864

Haarlem.

tW. W. Was

1845

Overleden 1847.

|E. A. Lazonder

1859-

1863

Overleden 1891,

J. Drost

1846-

■1850

Em. '89.Berg en Dal.

V. J. Konigsberger

1860-

-1861

Utiecht.

J. H. Neethling

1846-

-1850

Stellenbosch.

J. Gann Dun

1860-

-1861

Em. '88. 'sGravenh.

J. P. Hattink

1847-

-1850

Harderwijk.

fA. J. Rademaker

1860

Overleden 1860.

Dr. H. E. Faure

1848-

1851

Doesburg.

tA. D. Swellengrebel

1860

Overleden 1861.

N. J. Hofmeijr

1848-

1850

Stellenbosch.

S. H. J. de Wolff

1860-

-1864

Leiden.

W. v. d. Bijtel

1848-

1851

Em. '93. Nunspeet.

tG. J. Hulsman

1860-

-1865

Overleden 1893.

C. F. Michel

1849-

1850

Weilburg.

P. N. Pikaar

1860-

-1865

Dieren.

tDr. S. Hofmeijr

1849-

■1852

Overleden,

A. Verkouw

1862-

-1864

Brielle.

A. A. Louw

1849-

1852

Parel.

J. J. v. d. Lip

1861-

-1866

Leiden,

W. Murray

1849—

1852

Worchester.

G. J. de Hoest

1862-

-1867

Leiden.

L. Schouten, Hz.

1850-

■1854

Utrecht.

H. v. d. Meulen

1862-

-1867

Joure.

J. G. Verhoeff

1850-

-1852

Bodegraven.

W. Willems

1862-

1868

Langerak.

H. W. Eigeman

1852-

-1854

N ieuw-Loosdrecht.

H. A. Leemans, Jr.

1863-

-1868

Harlingen.

tJ. P. Nonhebei

1852-

1853

Overleden 1883.

Dr. J. Riemens

1863-

-1868

Rotterdam.

tJ. Boer Knottnerus

1852-

1853

Overleden 1864.

P. E. Barbas

1863-

-1867

Haarlem.

fD. T. Visser

1852-

■1853

Overleden 1854.

N. A. de Gaay Fortman

1864-

-1870

dol. pred. Amsterd.

■fj. A. Herman

1853-

1857

Overleden 1859.

L. J. Heldring

1864-

-1868

Em. 1870.

A. E. Kingma

1853-

-1857

Rinzumageest.

H. W. v. Lindonk

1864—1869

Voorst.

Dr. J. Cramer

1853-

■1857

Hoogl. te Utrecht.

G. W. A. de Veer

1864—1869

Middelburg.

H. A. Leenmans

1853-

-1854

Oosterwijk.

tJ. Kops

1865-

-1869

Overleden 1872.

W. Mense

1853-

1857

buiten Evangelieb.

Dr. E, Barger

1865-

-1870

Amsterdam.

H. v. Broekhuizen

1853-

-1857

Ficksburg.

C. L. Laan

1866-

-1870

Rotterdam.

IJ. C. K. Nonhebei

1854—1855

Overleden 1893.

tA. J. Leenheer

1868

Overleden 1869.

A. Meerdink

1854-

■1857

Groningen.

P. C. v. Oosterzee

1868-

-1872

Gent.

tA. G. Versteeg

1855-

1858

Overleden 1859.

B. v. Schelven

1868-

-1872

dol. pred. Amsterd.

fG. M. Hogerzeil

1856-

•1859

Overleden 1862.

A. E. v. d. Dussen

1867-

-1870

Amsterdam.

J. G. G. Moorrees

1856-

-1859

Aalst.

quot;W. P. v. Lindonk

1867 -

-1871

Zwijndrecht.

fj. Enderlé

1857-

-1859

Overleden 1893.

J. Knottenbelt

1868-

-1871

Groningen.

H. V. Hogerzeil

1858-

-1861

Amsterdam.

tH. J. D. Looman

1868

Overleden 1871.

Jb. Moulijn

1858-

-1861

Nijmegen.

L, ten Bosch

1868-

-1873

Gouda.

VV. Vliegenthart

1858-

-1863

Groningen.

G. H. v. Kasteel

1869-

-1874

dol. pred. 's Hage.

Dr. G. J, Vos, Az.

1858-

-1861

Amsterdam.

Dr. A. J. Th. Jonker

1869-

-1874

Dordrecht.

ocr page 67

/•«MMWWaMWWtWJ

5H

NAAM.

Jaren v. h. Lidmaatschap.

Woonplaats.

NAAM.

Jaren v. h. Lidmaatschap.

Woonplaats.

C. van Dis

1869-1874

Sil volde.

H. E. Vinke

1883-

-1878

Tricht.

J. M. Snethlage

1870—1875

Amsterdam.

J. Ph. F. v. d. Plassche

1883-

1888

's Heer Abtskerke.

H. J. ter Haar Romeny

1870—1876

Amersfoort.

C. L. Voorhoeve

1883-

-1887

Vlissingen.

Dr. J. P. Ess er

1870—1874

Overleden 1889.

R. Bennink Bolt

1883-

1888

Zwammerdam.

G. J. Barger

1870—1876

dol. pred. Drieberg.

Dr. J. A. Cramer

1884-

■1888

Alkmaar.

Dr. C. J. Montijn

1871—1877

Chaam.

C. R. v. Lelyveld

1884-

1888

Goes.

Mr. F. C. Barbas

1871—1876

Middelburg.

tH. J. Pynacker Hordijk

1884-

■1889

Overleden 1889.

J. J. Sanders

1871—1875

Warnsveld.

fA. G. Thomassen

1885-

■1889

Overleden 1890.

J. C. Reesse

1872—1878

Overleden 1890.

A. J. Roozemeyer

1885-

-1889

Laren. (Gelderl.)

S. L. v. Stein Callenfels

1873-1878

Heerde.

F. J. J. Loeff

1885-

1890

Heilo.

C. F. S. Rutgers

1873—1878

Koudum.

Dr. J. H. Gerretsen

1885-

■1889

Lopik.

J. H. Conradi

1873-1881

de Lier.

P. J. v. d. Muelen

1885-

1889

Baarland.

P. J. Konigsberger

1874—1876

Overleden 1876.

C. D. Moulijn

1885-

■1888

Nijeveen.

H. H. Barger

1874—1879

Bloemendaal.

Dr. J. D. Bierens de

W. H. Snethlage

1874-1880

Achlum.

Haan

1886-

-1889

Ootraarsum.

J. J. de Kat Angelino

1876-1880

Deil.

J. R. Callenbach

1886-

-1891

lerseke.

J. C. van Schelven

1877—1883

dol. pred. Dieren.

J. A. Gerth v. Wijk, Jr.

1886-

1890

Bennebroek.

H. Th. Barbas

1877—1881

Vreeland.

F. F. J. v. d. Plassche

1886-

1890

Gouderak.

A. B. ter Haar Romeny

1878—1884

Middelburg.

W. Timmermans Paquy

1886-

1890

Hoogersmilde.

H. Jonker

1878—1884

Holten.

P. J. Kromsigt.

1886-

OO

Scherpenisse.

G. van Kempen

1878—1882

Westbroek.

P. Kuylman

1887-

-1890

Bunnik.

LJ.Blanson Henkemans

1875-1879

Wolvega.

H. Smits

1887-

-1890

Nieuw Leuzen.

N. M. de Ligt

1875—1879

Rhenen.

J. Wartena

1887-

-1891

Vleuten.

C. L. F. v. Schelven

1875-1880

dol. pred. 0. en N.

J. A. v. Leeuwen

1888-

-1891

Angerloo.

Wetering.

A. v. d. Flier

1888-

-1892

theol. docts.

J. F. Verhoeff, JQz.

1875-1880

Menado.

J. D. J. Idenburg

1888-

-1892

Ter Aa.

A. Tap

1876-1881

Gameren.

J. W. Swaan

1888-

-1892

Wichmond.

J. C. Prins

1878—1883

Almkerk.

H. W. A. Voorhoeve

1888-

-1892

Rekken.

Dr. W, van der Beke

L. B. Tjebbes

1888-

-1892

Schraard.

Callenfels

1879—1885

Delden.

Dr. J. A. C. v. Leeuwen

1888-

-1892

Avereest.

J. Dommisse

1879—1885

Heeg.

H. J. C. Pierson

1888-

-1893

Ressen.

A. de Haan

1879—1885

Zwolle.

G. A. J. Hazeu

1889-

-1890

litt. cand. Leiden.

J. Schrijver

1879—1886

Schiedam.

E. J. W. Posthumus

J. G. Harthoorn

1880-1883

Hardenberg.

Meijjes

1889-

-1893

theol. docts.

C. J. Six Dijkstra

1880—1885

Cortgene.

M. Wijt, Wz.

1889-

-1882

jur. cand. Utrecht.

G. B. Fijnvandraat

1881-1885

Nieuwerkerk.

A. Drost, Az.

1884-

■1893

theol. cand.

H. Gerbrandy

1881—1885

Woudsend.

Dr. J. R. Slotemaker de

G. J. A. Jonker

1882—1886

Kralingen.

Bruine

1889-

-1893

Haulerwijk.

A. S. Talma

1882-1887

Vlissingen.

F. G. Moeton

1890-

-1894

theol. cand.

G. F. Haspels

1883—1887

Colmschate.

N, B. De 31 leden, wien het eerelidmaatschap niet werd aangeboden, zijn in deze lijst niet opgenomen.

mm

ocr page 68

LEDEN.

NAAM.

Jaar v. h. Lidmaatschap.

WOONPLAA

J. P. Ph. Loeff...........

1890-

theol. cand.

F. C. v. d. Plassche.........

1890—

theol. cand.

R. J. v. d. Meulen.........

1890—

theol. cand.

G. Posthumus Meijjes.........

1890—

theol. cand.

1890-

theol. cand. praeses.

A. G. H. van Hoogenhuijze......

1891 —

N. A. Stutterheim..........

1891—

L. D. de Jong Schouwenburg.....

1891-

J. C. B. Eijkman..........

1891—

A. J. Wartena...........

1891 —

B. J. Bolwerk...........

1891 —

J. P. de Bie............

1891 —

G. van Hoogstraten.........

1892—

1892—

J. H. Ledeboer...........

1892—

P. J. Roscam Abbing, Jr........

1892—

J. Ch. Kromsigt..........

1892—

W. A. Eerdbeek..........

1892-

F. C. Unger............

1892—

1893—

1893—

1893—

C. W. Th. van Boetzelaer.......

1893-

J. Cramer, Jr. ■ t..........

1893—

J. W. A. Klinkhamer Bredius......

1893—

1894—

Aldus opgemaakt 19 September 1894.

ocr page 69

mmmmsmmmm

REUNIE-COMMISSARISSEN.

Voor de jaren:

1841—1849

Kampen.

ïgt;

»gt;

1819—1854

— J. G. Verhoeff.....

Bodegraven.

f)

ft

1854-1859

Utrecht.

»

»gt;

1859—1864

— B. J. Swaan......

Haarlem.

»)

»gt;

1864—1869

Amsterdam.

1gt;

»

1869-1874

— A. J. Th. Jonker ....

Dordrecht.

»

ff

1874—1879

— A. B. ter Haar Romeny Bzn.

Middelburg.

ff

ff

1879—1884

Zwolle.

tf

»gt;

1881-1889

F. J. J. Loeff.....

Heiloo.

ft

»gt;

1889—1894

ocr page 70

cc

J

ocr page 71
ocr page 72
ocr page 73

5^^

THEOIOftlSCH STÏÏDESTEN-eEZElSCHAP

(; k i) n? kadi;

HET EERSTE LUSTRUM

1843-1848,

AANVULSEL TOT HET EEESTALBUM VAN HEI JAAR 1894.

DOOI; DEN MKDE-OIMMCHTKli

J. A. EÏÏYS.

i

ocr page 74

/

ocr page 75

THEOIOHSCH STUDENTEMEZEISCHAP

GEDURENDE

HET EERSTE LUSTRUM

1843-1848.

AANVULSEL TOT HET FEESTALBUM VAN HET JAAR 1894,

DOOR DEN MEDE-OPRICHTER

J. A. EÏÏYS.

-e——

a. ..---r ■■'■.1'

' - ■quot;

! CHT

ocr page 76
ocr page 77

!

INLEIDING.

oen mij op den 8 en 9 October 1894 vergund werd het 50jarig bestaan van het theologisch gezelschap Zekor Dhaabaar feestelijk mede te herdenken, is het onder velerlei herinnering, op hoogen leeftijd, te midden van vele eereleden, in dien soliden studentenkring te Utrecht, mij goed geweest in meer dan een opzicht.

Onder innige betrekking op dit gewrocht, waarvan ik de aanleidende en eene zeer werkzame oorzaak had mogen zijn, werd levendig door mij aanschouwd, dat 's Heeren goedheid en trouw geene palen kennen waar het verbond met Hem is gemaakt, — en het deed de stille verzuchting in mij heerschen: »0 God! bewaar het gezelschap in overeenstemming met het beginsel waarop het gegrond is en te voren recht levend was.quot;

Naardien het mij verbaasd had, toen gaandeweg tijdens het feest, uit woorden, geschrift, rede van den feestredenaar voor den dag kwam dat notulen en archief van Zekor bleken niet ge-i leidelijk of onvoldoende de ware gedaante van het oorspronkelijk Zekor te doen kennen, en

dat vele van 1843 tot 1848 te Utrecht in dat gezelschap gebeurde hoofdzaken vergeten waren,_

terwijl een vreemd licht dat er op viel, het in geheel andere gedaante voorstelde dan het eertijds had, — werd het plan gemaakt om, met dankerkentenis aan de bewerkers van dit schoon feest, eenige inlichtingen omtrent hoofdzaken, wier herinnering noodig voorkwam, voor het archief over te zenden.

De noodige aanteekeningen werden weldra daartoe gemaakt, doch eene overvallende ongesteldheid verhinderde de voltooiing ook in den winter.

in het voorjaar deze overziende, was ik hierover zóó slecht voldaan dat de betrekking op Zekor mij het besluit deed nemen om eene meer geregelde beschrijving daar te stellen van wat, betreffende het oorspronkelijke gezelschap, der vergetelheid niet mocht prijs-4 gegeven worden.

Immers na mijn verscheiden eerlang, zal er niemand over zijn die, deze feiten en omstandigheden beleefd hebbende, ze in hunne ware gedaante tot prijs Godes zal kunnen kenbaar ,, maken en bewaren.

Zoo heb ik dan uit het geheugen en uit enkele overgebleven bescheiden een en ander ter herinnering voor de nakomenden in geschrifte saamgesteld. Zij zullen daaruit aanschouwen, hoe vastheid van- en hartelijke consequentie aan levend beginsel, — of, het Zekor

T

I oei r gis

ocr page 78

68

Dhaabaar in 't hart geprent en in beoefening gebracht, inderdaad heerlijke vruchten doet dragen door Hem, Die doet wat Hij beloofd heeft.

Grebreken der leden zijn slechts vermeld of aangestipt zooverre het noodig was. Vele zaken worden beschreven die, zal Zekor in zijn wezen bewaard blijven, het kenmerken moeten en dus niet veranderen kunnen met den tijd. Want indien de spreuk: »tempora mutantur et nos mutamur in illisquot; op deze in toepassing gebracht wordt, — zal dit, Zekor, met den geest des tijds medegaande, in de volgende halve eeuw het onderscheidende van andere gezelschappen doen verliezen en het weldra gelijk doen worden aan vele gezelschappen die in het niet verzonken zijn.

Hiervoor worde ons geliefd Zekor in allerlei tyden bewaard ; — en zij dan ook deze oorkonde een gezegende wegwijzer voor vele leden die er door tot goed verstand komen om te bespeuren waar de oude paden zijn, waar toch de goede weg zij, — en die daarin wandelen om rust te vinden voor hunne ziel (Jerem. G : 1G).

Dat het geschiede als in den vóór eene halve eeuw zoo rijk gezegenden kring, is de bede van

Kampen, Juni 1895.

ocr page 79

OORSPRONG.

2ee eerste aanleiding tot stichting van het Theologisch Studenten-gezelschap quot;quot;Qquot;!-is geworden eene noodiging tegen 7 October 1843 des namiddags—• aan N. H. de Graaf (jur. stud, toen overgegaan tot de theol.), H. C. G. Schijvliet (pas ontgroend novit. voor de theol.) en D. Gildemeester (pas ontgroend novit. voor de theol.) die in een zelfde theol. gezelschap gevraagd waren, door P. A. van Toorenenbergen (jur. stud, toen overgegaan tot de theol.) en J. A. Ruys (pas ontgroend novit. voor de theol.) die in twee theol. gezelschappen waren aangezocht, — op de kamer van den laatstgenoemden die hier tot oprichting van een afzonderlijk gezelschap het voorstel deed dat bij hem gerijpt was door afkeer van het leven en verkeer in het studentencorps, opgedaan tijdens het groenloopen.

Op den 9 October 1843 des avonds, ten huize van notaris de Graaf te Utrecht, besloet dit vijftal met L. Tinholt (pas ontgroend novit. voor de theol.) die hier mede verschenen was, tot daarstelling van dit gezelschap.

Van dien met God begonnen en voortgezetten avond af, kenden deze elkander als verbonden door den liefelijken band van den éénen Geest, welke band, voortreffelijker dan die in eenig studenten-gezelschap, ook door de vele gebreken en verscheidenheden die zij in elkander ontdekten, nimmer verbroken kon worden.

M:

NAAM.

et het vinden van den naam van het gezelschap waren deze den 9 October 1843 bijzonder gelukkig, zelfs naar de getuigenis van verschillende exegeten die daarna den zin der spreuk verstonden.

Vóór den avond waarop zij hem bepaalden, had L. Tinholt hem reeds bedacht («).

faiii

ia) Waarschijnlijk heeft L. T. den Hebreer uit de Hebreen Mr. 1». da Costa zijn en naderhand hun leermeester, ertoegeraad-l-leegd. In allen gevalle waren de vier novitiï in de kennis der Hebreenwsche taal meer of min, enkelen hunner door een driejarig privaatonderwijs, toen reeds zoo ver gevorderd dat prof. Groenewoud, onderwijl de vermeende sehande van het tot Zekor behooren nog niet publiek was, op het College huu verzocht om hunne wekclijksche O.'festam. grammaticale oefening met een paar

ocr page 80

70

Zonder eenige aanmerking van het aanzijn van een yiypxTrrai te Leiden, stelde hij voor naar Ps. 119 : 49a quot;DT quot;CT-

T T T ;

De bedenking werd er tegen geopperd dat naar den receptus hier slechts een pleitwoord op Gods beloften aangetroffen werd, hoedanig voor een devies niet voldoende scheen.

Doch overleggende, dat de consonanten 1, T op andere plaatsen der H. Schrift door verschillende vocalen een anderen zin aangaven, besloten zij deze consonanten (hoedanige oorspronkelijk zonder vocalen geschreven werden) te nemen, om ze met verschillende vocalen te kunnen aanwenden. De consonanten quot;1, ' zou men dan kunnen vereenigen :

lo. in verleden zin, quot;CT b. v. naar Ps. 89 : 31, Ps. 136 : 23. Hij heeft gedacht.

- T

2o. in vermanenden of gebiedenden zin, quot;CT b. v. naar Ps. 74 : 22, gedenk (gij).

3o. in biddenden zin, quot;CT b. v. naar Ps. 119 : 49«, gedenk (Heer).

4o. in tegenwoordigen zin, *quot;£• b. v. naar Ps. 105 : 8. Hij gedenkt.

Zooals in het »Oorsprongquot; enz. (Zie feesialbum 1894 bl. 31, 32) reeds korte-lijk is aangewezen.

Zij stelden zich voor de spreuk in elke dezer beteekenissen met achterplaatsing van -Q-l in den zin waarin het vereischt werd bij verwisseling te gebruiken ; zoodat het gezelschap

TT

niet alleen Zekor (dhaabaar), maar evenzeer Zaakar en Zekoor (dhaabaar) volgens de oorspronkelijke instelling geheeten is, naar gelang de leden elkander wilden herinneren, — en, met een goed exegetisch geweten ook nu nog kan geheeten worden.

AANVANG.

Op den 12 October 1843 hielden de zes vereenigden op de kamer van D. Gildemeester (Neude, Keders) eene eerste officieele vergadering tot bespreking en vaststelling van het te verrichten werk en van een zeer kort reeds geconcipieerd reglement.p den 12 October 1843 hielden de zes vereenigden op de kamer van D. Gildemeester (Neude, Keders) eene eerste officieele vergadering tot bespreking en vaststelling van het te verrichten werk en van een zeer kort reeds geconcipieerd reglement.

In deze vergadering meldde zich aan, de novitius W. Zegers en in het begin van 1844 W. P. ZadelhofF, die als leden tot beproeving werden toegelaten. Na korten tijd werd hun, om verschillende redenen, naar eenstemmig goedvinden ondershands te kennen gegeven dat zij

andere novitiï te houden. Ook de beide tot de theologie overgekomen juristen die nog niets aan het Hebreeuwseh gedaan hadden, profiteerden hiervan. Jammer dat dus de Graaf die het beraad der novitiï bij het bepalen van den zin der spreuk „Zekor Dhaabaarquot; blijkt niet gevat te hebben, die ook daarna geen groot Hebraïeus geworden is, aangaande den zin Prof. Bouman niet heeft kunnen inlichten ; tengevolge hiervan, waar de novitii met den rijken zin van de spreuk niet te koop liepen, blijkt er, ook uit onbekendheid met den rijkdom der Hebreeuwsehe taal, professoraal misverstand eu ergernis omtrent dien zin ontstaan en met den loop der jaren ingeworteld te zijn.

ocr page 81

71

tot de gemeenschap van Zekor niet behoorden. Het op 12 October 1843 vastgesteld reglement werd in het begin van 1844 na de Kerstvacantie, eenigszins gewijzigd, gedrukt en door de leden onderteekend.

Daar in 1844, behalve het honorair-lid Ds. J. J. van Toorenenbergen, eenige buitengewone leden waren aangenomen, n. 1. J. C. van Toorenenbergen, secretaris van den gemeenteraad, — J. G. van Rijn die zich toen voorbereidde tot studie in de theol., — G. Hooft, jong jur. stud., C. Vermeulen oud-med. stud- en C. J. Hoogeveen jong jur. stud., — en nadat in 1845 waren aangenomen de van de universiteit te Edinburg tot voltooiing hunner theolog. studie in Utrecht gekomen Kapenaren J. Murray en A. Murray, benevens W. W. Was, theol. stud, van Leiden, — is het reglement herzien en goedgekeurd op eene buitengewone vergadering den 4 October 1845, — en alzoo opnieuw gedrukt, door de werkende en buitengewone leden onderteekend en voor elk een exemplaar bestemd.

Door dat op den titel van deze exemplaren gedrukt staat: «opgericht den 8sten van Wijnmaand 1844quot;, in plaats van 1843, (eene in dien tijd wel bekende vergissing van den secretaris), blijkt de dwaling ingeslopen te zijn, dat Zekor in den jare 1844 zou zijn opgericht.

In 1844 is een hamer met inscriptie en een zegel aangeschaft, — een lezenaar werd door de Graaf gegeven. Ook is toen het leesgezelschap »Veritasquot; voor al de werkende leden begonnen en, althans tot het vertrek der oprichters, voortgezet; — het theolog. gezelschap ytypxTTrixt te Leiden heeft betrekking met Zekor geopend en door briefwisseling van tijd tot tijd voortgezet.

W IJ Z E.

Yan het begin af is geregeld elke week op Dinsdagavond te 6 uur bijeenkomst gehouden naar vaste orde op eene van dc kamers der werkende leden, waar de bewoner ook in gebed en dankzegging presideerde en de kosten voor zij ne rekening nam.an het begin af is geregeld elke week op Dinsdagavond te 6 uur bijeenkomst gehouden naar vaste orde op eene van dc kamers der werkende leden, waar de bewoner ook in gebed en dankzegging presideerde en de kosten voor zij ne rekening nam.

Volgens het pensum, geregeld elke week vooraf, door den secretaris aan de leden bezorgd, werden hier de theol. wetenschappen (zie art. 2 regl. 1844) in dier voege beoefend dat a en b werden saamgevoegd tot grammaticale exegese van O. en N. Testam. Omdat alle colleges en examina, zelfs die over de Mathesis, behalve Nederl. letterkunde en catechesis, in het Latijn gehouden werden, is, na eenig beraad, besloten daar het niemand bezwaarde, — alles tot aan de lezing in het Latijn nittevoeren.

ïe 9 uur verdedigde elk op zijne beurt zijne de vorige week opgegeven theses en werd door een ander eene oratie voorgedragen, waarbij de buitengewone leden konden tegenwoordig zijn. Uit beginsel, gewaarschuwd door hetgeen op andere gezelschappen te dien tijd plaats had, ten einde hierin niet met andere gezelschappen op ééne lijn te geraken, dat men, in plaats van tot nut van elkander en tot Gods verheerlijking samen te zijn, vaak, na niets uitvoeren dan ij delheid, dronken uiteenging, werd intusschen slechts thee en water gebruikt, en werd zelfs bepaald dat, ten einde niet in verzoeking te leiden, onder het gemeenschappelijk broodje daarna.

iJ55ir7,,:

ocr page 82

72

te 10 uur, — geen der leden iets anders dan chocolade of iets dergelijks zou mogen geven. Men heeft volhard en er zich goed bij bevonden, — ook zelfs nadat Prof. Vinke, op een der colleges, na eene vraag door een spotter gedaan of ZHG. den wijn op de gezelschappen afkeurde, verklaard had dnt hij het hield, ook tot versterking der stem, met hen die daar enkele glazen wijn gebruikten.

De hierdoor in zwang gekomen spotnaam; Chocolade-club, heeft hen later evenmin van het goede spoor gebracht.

De oratorische oefeningen van 1846 af in de Remonstrantsche kerk, wekelijks een uur, leverden niet op wat er van verwacht werd. Er was te dien tjjd gebrek aan onderwijs en voorgang in oratorie en aan opwekking tot dit zeer gewichtig deel der theologische studie.

Door vijf der leden werden de colleges der theologische professoren vrij geregeld bijgewoond en het daar vernomene in de bijeenkomsten nader onderzocht en besproken.

Verre van op de colleges weg te schuilen, pleegden de leden vau Zekor geregeld vroegtijdig verschillende der voorste banken te bezetten, waaruit ergernis soms onverholen genomen werd, omdat men niet naast hen wilde zitten of nevens hen uitgaan. Al hunne examina liepen op den kortst mogelijken tijd bij toeneming voorspoedig en zeer gunstig af.

Des Zondags na den openbaren voormiddag-godsdienst hield elk der werkende leden op zijne kamer godsdienstonderwijzing voor kinderen die ras in aantal vermenigvuldigd waren, en na den middag-godsdienst pleegden velen bij een der werkende of buitengewone leden samen te zijn tot onderlinge practicale bijbelverklaring met gebed en gezang. Dit bijeenzijn kon in de beide laatste jaren niet dan ongeregeld volgehouden worden daar, na opening van de Rijnspoor, een deel der leden veelal te Amsterdam bij Mr. Is. da Costa's lezingen, — een ander deel te Amersfoort den Zondag doorbracht. De Zondag werd besloten ten huize van een der vele familien, waar elk der leden ruimen ingang vond.

Eenige leden, ganschelijk geene schaduwzijden van quiëtisme of piëtisme vertoonende, pleegden een deel hunner vrije uren te gebruiken tot bet opzoeken van ellendigen in hunne woningen om ze naar ziel en lichaam te helpen en ze te brengen tot een leven en tot beoefening van deugden door het waar Christendom gekweekt.

In plaats van zich af te zonderen van de wereld, was hun dagelijksch verkeer van tijd tot tijd in verschillende kringen waar onbekeerlijkheid of geen godsdienst heerschte, maar, zoo verre mij bekend, hebben zij er steeds, ten einde tot een zegen te wezen, hunnen Heer medegebracht, doch in ver tr ouwelij ken omgang met elkander, waar zij, in plaats van steun en sterkte in elkander te zoeken, soms onder bitteren smaad zich sterkten in God, en in kringen waaide godsdienst heerschte, was hun leven en genot.

In het verlangen om. reeds nu aan te vangen met het opvolgen van een der laatste bevelen des Heeren, heeft een deel der werkende en buitengewone leden, die men den tijd van hunne studie en kosten er toe te mogen afzonderen, de Hulp-Zendingsvereeniging: »Elthetoquot; opgericht en tot hun vertrek er mede volgehouden.

Over boeten is in de eerste jaren niet gesproken. Hetgeen noodig was, werd door omslag over de werkende leden bijeengebracht en tot aandrang om te werken, waren verlangen naar het einddoel en liefde voldoende. Doch in het jaai- 1846 is, niet om geld te verzamelen.

ocr page 83

73

er toe besloten, met liet oog op een der werkende leden die, gelijk op de colleges, zoo op de werkavonden, niettegenstaande veel aansporing, nalatig bleef.

Wijl het te dien tijde zoo scheen te behooren, waren en bleven allen, leden'van het studenten-corps en als zoodanig leden van de societeit. Echter hielden zij zich hiermede niet op, niet omdat zij er zonde in zagen of zich als wat anders wilden voordoen ; doch zij gevoelden zich er niet te huis. Terwijl zjj er niets voor verstand of hart aantroffen, — konden zij er, naar het beginsel des levens uit God in hen, niet met een gerust geweten of met vrede verkeeren. Een deel van hen werd lid van het leesmuseum, waar te dien tijde wetenschappelijke mannen als Mr. Is. da Costa en anderen voordrachten hielden.

Om dezelfde redenen bemoeide Zekor zich niet met serenades en maskerades vau liet corps, maar wel hebben de gezamenlijke leden van Zekor op hunne wijze belangrijke feest-tochten gehouden.

Onder anderen in liet jaar 1844 toen zij van Zaterdag tot Maandag eene tocht, per rijtuig maakten over Voorthuizen naar Elspeet, waar de bevestiging en intrede van het honorair-lid Ds. J. J. van Toorenenbergen werd bijgewoond; — en daarna in 184l) toen het lustrum der Utrechtsche academie met maskerade gevierd werd, toen zooveel ellende daar quot;•ezien is, — irino'en

O 7 O O

zij een schoonen dag doorbrengen te Driebergen en Zeist, waar een Christelijk feest hen veel deed genieten tot ontwikkeling van verstand en hart door rede en gezang, en tegelijk tot verheffing van het aardsch leven.

Ofschoon geen der leden zich er voor geïnteresseerd schijnt te hebben of de naam van Zekor ook in de studenten-almanak met eene zwarte kool geteekend stond, zoo blijkt dat zelfs niet de naam vau eenig studenten-gezelschap in een der studenten-almanakken van 1843—184(3 wordt genoemd.

Alleenlijk wordt als eene groote bijzonderheid in die van 184G vermeld, dat er één theologisch gezelschap gevonden werd dat tien jaren bestaan had.

Toen in 1847 het oprichten van eene litterarische sectie als wenschelijk ter sprake kwam, hadden slechts een viertal nieuwe leden hierin kunnen samenwerken, n. 1. J. G. van Rijn (toen student geworden), J. Drost, J. P. Hattink (novitiï) en H. P. Neethling (van Transvaal). Deze prefereerden om met de andere leden, van de grammaticale exegetische studie des 0. en N. Testam., te proliteeren, te meer omdat te dien tijde in de tweejarige zoogenaamde propedeutische studie zooveel van gering belang voorkwam.

AARD EN HOEDANIGHEID.

Ket oorspronkelijk Zekor was eene samenstrooming van in aanleg, karakter, talenten zeer verschillende élementen uit «Reveilquot; en »Nachtschoolquot; ontsproten, niet in Duitsch mystieke noch in Engelsch practische, maar, onder invloed van Mr. Groen van Prinsterer en Mr. Is. da Costa, in Calvinistische geestesrichting.et oorspronkelijk Zekor was eene samenstrooming van in aanleg, karakter, talenten zeer verschillende élementen uit «Reveilquot; en »Nachtschoolquot; ontsproten, niet in Duitsch mystieke noch in Engelsch practische, maar, onder invloed van Mr. Groen van Prinsterer en Mr. Is. da Costa, in Calvinistische geestesrichting.

Het is te beschouwen als eene religieuse beweging, als eene Christelijke geloofsactie van jonge mannen.

ocr page 84

74

Niet op ethische paden of' naar het methodisme afgetrokken, zijn zij op de beginselen van het gereformeerd leven teruggegaan, waardoor zo eene wondere kracht vonden die in deze beginselen school, wier bestudeering hun eene hoofdzaak was, niet om bij den ouden vorm te zweeren, doch onderscheidende tusschen toevalligeu vorm en duurzaam wezen. Zoo bouwden zij, onder aanhoudend arbeiden en gebed, zich op in de Nederluudsche theologie der Vaderen en bewogen zich in de oude Pnriteinsche levensusantiën.

Verre van in een gedurig appèl op het gevoel hen te doen leven en kracht zoeken, beteekende hunne vereeniging of' had tot oogmerk, in één geloof en liefde op 't innigst verbonden, elkander zoowel in theorie als in practijk ten zegen te wezen onder gebed, studie en verkeer, met den toeleg om hiervan naar buiten heilzame uitvloeisels te doen uitgaan zoo verre het met hunne roeping strookte.

Zij beseften, dat het eenigermate hunne roeping reeds nu was, te reageeren niet tegen de wereld, maar tegen het zondige, de ongerechtigheid in de wereld, tegen haar liggen in den booze, — en wel door den Christus er te vertoonen in woorden en in leven.

Ofschoon zondige hartstochten zich onder hen geopenbaard hebben, zijn zij bewaard gebleven voor de hartstocht der consequentie die altoos kwaad zou moeten zijn. Doch geen der leden is teruggedeinsd voor de uiterste consequentie van het goede, van hetgeen hun nieuw levensbeginsel uitmaakte. Overdrijving van iets goeds, dat wel met kwaad vermengd of verkeerd toegepast kan worden, meende men, — was onmogelijk.

Het besef is hun levendig bijgebleven dat, waar de vroegere heerschappij der innerlijke disharmonie in hen verbroken was, een ten halve medegaan met de wereld, de glorie van hun Christendom, hunne zinspreuk, de eer huns Heeren te schande zou maken. Dies hebben zy zich hiervoor gewacht, er tegen gestreden en veel er toe gearbeid om de in velen en veelszins rondom hen aanschouwelijke disharmonie, door Christus den Almachtige, verbroken te zien.

Naar het oordeel van sommigen toen, evenals in dezen tijd, hadden zij te midden van de studenten-wereld meer toegeeflijk voor — meedoende in toestanden, eischen en vermeende rechten van de ongerechtigheid en ijdelheid der wereld moeten zijn. Doch in-, door-, tengevolge van hunne consequentie bestond Zekor.

In plaats van zich terug te trekken uit de studenten-wereld, waar men zich van hen terugtrok of van hen scheidde, zich voor hen schamende, bezochten zij zooveel mogelijk, inzon-derheid orthodoxe theologanten, hoedanigen van verschillend kaliber er te dien tijd te Utrecht een groot deel waren. («) Maar een deel van hen schaamde zich om voor het beginsel en leven van Zekor uit te komen. Anderen waren bang dat het aan hunne examina schade zou doen. Wéér anderen meenden dat de leden van Zekor al te drijverig of te consequent waren en spraken even als nu gehoord wordt: »de volkomen consequentie is voor een volgend leven «bewaardquot;, — en zij kregen tot antwoord: «hiermede zijt gij er voor uzelven niet af, —

(lt;r) Omdat de liberale prediking geen ingang vond en do kerken ledig bleven, begon men te dien tijde meer algemeen eene soort Pelagiaansdie misvormde leer der Gereformeerde Kerk aantenenien, ten einde de prediking daarnaar, voor den rnenseh aannemelijker, voor het volk bevattelijker te maken. Zulkcn pleegden zieh dau ethisch- en irenisch- orthodox te noemen. Zij waren in den ïcgel biltere tegenstanders van Zekor.

ocr page 85

»liebt zout in u zeiven, — kent ge iets verachtelijker dan een inconsequent Christendom te midden der wereld ?quot;

Ook schuilde men niet liefst weg uit het midden der wereld rondom. Integendeel, naar hun toeleg om de opgetrokken scheidsmuur tusschen studenten en niet-studenten af te breken, daar waar het beginsel des levens uit God verlangen naar verlichting des Evangeliums der heerlijkheid van Christus die het beeld Gods is, naar gemeenscha]) en alzoo broederliefde zich openbaarde, verkeerden zij in verschillende gezinnen van gegoede burgers en van behoeftigeu, mot het pogen er naar, dat het Christelijk beginsel des nieuwen levens gelijk ouder hen, zoo rondom hen alles beheerschen, heiligen, bezielen mocht.

• Maar hierin was hun, als Christenen, niet geoorloofd rekening te houden met aardsche toestanden die zij als innerlijk zondig aanschouwden, met eischen van. het maatschappelijk leven die zij als bjj God veroordeeld leenden, met de rechten eener zinnelijkheid die tegen de gerechtigheid indruischten en den vloek der zonde droegen. Wetende dat, waar de Zoon van God iu het binnenste tot een nieuw leven geopenbaard wordt, het Christendom in zijne glorie voor den dag komt tot tenietdoening van de jammerlijke disharmonie tusschen gemoed pn verstand, tusschen ziel en lichaam, tusschen geestelijke en zinlijke dingen, tusschen kerk en maatschappij, tusschen de rechten van den individu en van de gemeenschap, bleef Zekor zicli afzonderen van het leven en van de verkeer- en handelwijze der wereld waarin zij zich verderft.

In dezen wenschten de leden niet met haar op ééne lijn te staan, doch iets anders te zijn en te willen.

Waar zij hare ijdelheden, comedies, dansen, spelen, soirees als diep zondig aanschouwden, wilden zij als kinderen Gods naar hun beginsel leven, gelijk de kinderen dezer eeuw naar het beginsel der wereld, terwijl hoofdzaak hunner studie bleef, zich voor te bereiden voor het ambt waarin ze wezenlijke dienaren van Christus wenschten te wezen tot behoud van zondaren in die wereld.

En dit alles kwam niet voort uit eenvoudigheid. Door deze aan Zekor toe te schrijven, anders dan die in beginsel inderdaad begeerlijke eenvoudigheid is, zou men het slechts ijdellijk in het zonnetje kunnen zetten. Iets werd er gevonden van de goddelijke eenvoudigheid waarin de dingen geopenbaard worden, die de Vader, de Heer des Hemels en der aarde voor de wijzen en verstandigeu verborgen heeft.

Het groeide op den wortel van nauwgezette vreeze Gods die het beginsel is der ware wijsheid, die doet afscheiden van al wat uit den booze is, die eene toekomst doet hebben.

Zoo was Zekor in plaats van eenvoudig, bij toeneming veelszins ontwikkeld en weldra veelzijdig zich ontwikkelend.

Overtuigd dat daar, waar het beginsel des levens en der liefde uit God, deed zoeken naar

gemeenschap met Zekor in studie en leven, eene goede orthodoxie aanwezig moest zijn, _

onderzochten de leden nimmer naar rechtheid in de leer bij aankomende studenten, — docli verzochten hen in den groentijd by zich en trachtten na te speuren of ditzelfde beginsel hen in hart en leven beheerschte en of hierin eenige gezonde ontwikkeling te wachten was.

Om dezelfde reden en verzekerd dat ook zulke novitiï door ervaring wijzer zouden worden, bemoeiden zij er zich zells niet mede, of deze al dan niet heerlijkheid zagen in het lid zijn van

wnMSmn!

ocr page 86

7G

studeuten-corps, van societeit enz., ofschoon zij voor zichzelven door ondervinding, van groen-loopen het gevaarlijke, het schadelijke, het verlagende ondervonden hadden, nadat zij te voren hadden gemeend dat er eenige noodzakelijkheid toe bestond.

Ook hierin beoefenden zij jegens anderen de Christelijke vrijheid. Bovendien ook is als modus vati handelen aangenomen en volgehouden om niemand tot aansluiting ais lid te verzoeken. Die als éénes Geest es met hen, kenbaar werden en zich den Heer en hunner niet schaamden ea met hen wenschten te leven eu te werken, kwamen als werkende of buitengewone leden als 't ware van zelf iu hun kring en vonden sympathie door den éenen band van geloof eu liefde daar hunne broederliefde uitgestrekter en rijker was dan gewoonlijk die der leden van het corps of van eenig ander gezelschap tot limine mèdeleden slechts.

In één woord, liet leven der leden van Zekor wus te midden van en onder het studentencorps en toch niet met het corps; te midden van en onder do wereld en toch niet met de wereld ; in de ware liberaliteit zonder eenige stijfheid ; —- zich bereidende voor het hoogheerlijk ambt zijn ze hierin consequent gebleven.

Geestgenooten van Calvijn zijnde, bleken zij zonen van hun tijd te wezen en hadden een schoon studentenleven, waarin ze hun eigen wezen vrijelijk ontplooiden zonder zich aan eenig inensch te storen, waarin ze tegelijk veel genoten wat het aardsch leven inderdaad verheft en veredelt, — en waarop ze daarna met aangename herinnering terugzagen.

Zoo is de eikel gepoot, wiens boom, in weerwil van vele stormen, zich vijftig jaren omhoog kon verheffen.

p den 8 Juni 1848 kon het zestal van elkander en van de beide Murray's, aan wie ze op het

innigst verbonden waren, het samenleven niet eindigen, niet scheiden dan met hartelijke

BESLUIT.

droefheid, waarom zij aan een plechtig afzonderlijk avondmaal, onder voorgang van den oudste der Murray's die toen reeds voor de Kaap geordend was, onderling met hartelijke belijdenis, voor altoos zich verbonden aan den Heer hun Zender die hen nu riep, en aan elkander, zoodat zijne belofte aan hun hart verzegeld werd : »Ik ben met uliedenquot;, — hetwelk onder eenige blijmoedigheid de smart van het uiteengaan verzachtte.

De hoofdoorzaak van deze smart beschrijvende, wordt hierdoor de toestand van het oor-spronkelijk Zekor aan het einde van het eerste lustrum in helder licht gesteld.

Zij lag niet hierin dat zij nu voor altoos van elkander zouden scheiden die vijf' jaren zoo zegenrijk waren vereenigd geweest; want hoe smartvol de scheiding ware, het verlangen om tot hunne roeping in den wijngaard des Heeren in te gaan, had de overhand in hun gemoed.

Veel minder kwam ze hieruit voort dat ze nu moesten gewaar worden hoe hunne studie mislukt was, want integendeel zagen zij zich in volle glorie aan den eindpaal daarvan gekomen.

ocr page 87

77

Ook kwam de hoofdoorzaak van hunne smart niet hieruit voort, dat zij toen beseften hoe het beginsel hunner vereeniging niet het rechte of overdreven zou geweest zijn, of hoe zij, de beteekenis van hunne gemeenschap miskennende of verwaarloozende, aan dat beginsel niet inderdaad getrouw gebleven waren, — want heerlijke vruchten begonnen zij toen reeds te aanschouwen, door zegen op eene getrouwe consequentie.

Zelfs kenden zij geene droefheid hierover, dat ze tevergeefs gepoogd hadden om tot stand te brengen wat in het volgend leven eerst in volkomenheid zal gezien worden; en, vonden zij verzoening in het bloed van Christus voor slapheid of vertraging hierin, — nochtans waren ze verre gebleven van overheerscht te worden door quiëtisme, door de schaduwzijden van piëtisme en door een doodend methodisme.

Terwijl Christenzin, ware liberaliteit en blijmoedigheid onder hen heerschend waren gebleven, — hadden zij, naar Christus* bevel, met hun hart volhard in den strijd tot overwinning van den booze, van de wereld, van hun eigen vleesch; ten einde, volmaakt gesteld in Christus Jezus, de volmaaktheid in hope te aanschouwen.

Maar de oorzaak tot zelfbeschuldiging en verootmoediging voor God, was hun daarin gelegen dat zij in de ware eenvoudigheid, zonder omzien of aanzien des persoons, — niet altoos en in alle opzichten hunne consequentie volledig hadden doorgevoerd en er zich niet krachtig genoeg in betoond zoowel jegens hunne omgeving als in hun kring. Daardoor gevoelden zij dat zij voor God, die de harten doorgrondt, niet als getrouw bestaan konden.

Wat anders zijnde in leven en handelwijze dan de verdervende wereld rondom, hadden zij niet zich als boven die wereld aangesteld of van die wereld getracht zich te scheiden, gelijk de wereld gepoogd had zich van hen te ontdoen, — doch hoe veel meer had de liefde van Christus hen moeten dringen om reeds nu zonder vertragen in haar midden het werk van een Evangelist te doen, haar openlijk het komend verderf aanzeggende, terwijl zij toch in haar midden stonden als toonbeelden van het geluk en de blijdschap door de vreeze des Heeren.

Zoo hadden zij als een zout tot bewaring tegen het verderf, zich te midden van haar moeten bewijzen.

In het bijzonder te midden van het studentencorps, hoezeer waren zij aan hun Verlosser verschuldigd dat zij, verre zijnde van deel te nemen in de ongerechtigheden van dat corps, van hun toenemenden invloed die steeds duidelijker werd door den zegen des Heeren op hen gelegd, zonder vertragen gebruik gemaakt hadden om daar alles te bezielen en te heiligen. Wellicht zouden zij er dan meer in geslaagd zijn om eene gezonde zedelijkheid in de studenten-wereld te bevorderen.

En in hun kring, waren zij niet ontrouw jegens elkander geworden, doch levendig was het hun nu voor den geest in hun liefdehart, hoe vaak in hun dagelijks verkeer de onderlinge liefde hen er toe verleid had om niet getrouw genoeg, om veelszins zwak jegens elkander te zijn, om elkander te ontzien ten aanzien van Zekor's devies in zijn tweeden zin.

Zoo hadden zij het jegens zichzelven en jegens elkander beoogde doel niet bereikt n. 1. dat zij eenige volmaaktheid in zich en in elkander aantroffen.

Zij beseften en aanschouwden dat de zondigende aard en de gebreken die zij in zichzelven en in elkander aantroffen, niet gedood waren, b. v. dat deze een aangeboren sarcasme of bijtende

ocr page 88

78

kwinkslagen hem eigen, niet was te boven gekomen, — dat gene zijne eigenaardige hoogheid, — dat gindsche eene aangeleerde stijfheid en eigenzinnigheid, — dat een ander in den geest wortelende onverschilligheid omtrent aardsche gaven, niet geheel had kunnen overwinnen. Zelfs was er één onder hen die, ofschoon niet met de minste talenten begaafd, door al zijne examina niet dan »nauwelijksquot; gekomen was. Evenmin als de anderen had hij zich aan ijdel piëtisme of quiëtisme overgegeven, — doch hij had volhard in het vermorsen van zijn kostelijken studietijd met velerlei bijzaken die niet tot zijne roeping behoorden, die nietswaardig voor hem waren, — en de anderen hadden hem hiervan niet afgedrongen.

Zoo is het gekomen dat zij als zondaren veroordeeld bg zichzelveu, maar met het oog op hun rijken Borg en getrouwen Verbonds-God, Die hen tot hiertoe gebracht had en het verder maken zou, gesterkt, ja! eenigszins blijmoedig in Hem, elkander verlieten; en weldra waren zij allen tot een gezegenden arbeid in het Koninkrijk der Hemelen ingegaan.

Uit een en ander mag als besluit dit geconstateerd worden : volledige consequentie of getrouwe nauwgezetheid op den grondslag van Zekor in studie en leven heeft voor de grondleggers van het gezelschap, niettegenstaande gebrek, de rijkste vruchten gedragen tot heil der gemeente des Heeren, — en hoevele vruchten daarvan voor zulken die in hunne voetstappen volhard hebben, zijn tot het jaar 1895 aanschouwd V

ocr page 89

VERBETERINGEN.

Bladz. 69 in de noot: Hebreer uit de Hebreen, lees: »Hebreer uit de Hebreen.quot;

» 72 regel 5 van beneden; die men den tijd, lees; die meenden tijd.

» 74 in de noot: soort Pelagiaansche misvormde leer, lees : soort Pelagiaansch misvormde leer. » 76 regel 20 van boven: wiens boom, lees; welks boom.

» 77 regel 7 van onder: dagelijks verkeer, lees; dagelijksch verkeer.

ocr page 90
ocr page 91

mmmmrnm

INHOUD.

Bladz.

Inleiding........................... 68

Oorsprong..........................

Naam............................ 70

Aanvang........................70, 71

Wijze.........................71—73

Aard en hoedanigheid........... ... . 73_76

Besluit.........................76-78

V

1 öa

ocr page 92

C-Oür Y/\,

W om oo

j ■ fgt;

. . v ëo-cv-ïo-

quot;«:•, fVV-

KA.MI'KK HOKK- KN STKENDRl KKKIU.T VAK ZA1.SMAX.

ocr page 93
ocr page 94

Rijksuniversiteit te Utrecht BIBLIOTHEEK CENTRUM UITHOF

ocr page 95
ocr page 96

ViW'iS 11 ■ M»}1 .:;i' Iamp;hJrh^Jiïj■,I,!'-,«i'M,;v',Is''M'.vgt;X,^,!'/.'quot;'Iv gt;; .•'.•[•i'WI'M' ■!'■»1 'i,'' 1*!■ I'lt;•!s''Iv,^^I1 JfIT1''fei'Sv?I' 1'«lsï'1''{• I !■ 1^•:•:•''«M-Iv«.■'•''i'• :• :• •lt;';•;•!'!• ;• !• '1 ;• i 'gt;quot;: ■ ;•:■;■; ;gt;•..•■ ''.vv.jlw;''.•■ ;gt;;•!vlt;:■;«:«■'•.■!•;s;-s•• ;• Ijl»•■ «;lt;1 'i•;•;'.'iSi'I-N •■ •{•!•gt; •;•;•:■: ••'■x-.'-'v!1-1«:|': ,'i;--!^A*gt;;1,'• tvj»SfW»!s■gt;'i;ij»Vi;= '• i•gt;.«|''-s'i^

iiii^ ......i^^Éiiiiii (gpi

wiii iiliipiifc

IliiïiiÉiiiiP» ......

.....................................liiiiirftaiipiiiiii

iiii^

4 'i

S1.1' !i!-

ï'Wiï f i t-, 1,','

'i 'i [r! i

'X^\