â v .
«-
.....
Gods Heiligheid Gehandhaafd
Hel wööil lol (Merzoek naarMyaflerscto.
Art. 342 ll.W.
W'n! uit een xedei/jl; oogpunt veroor-deeliug verdient, kan op de besclienniiig door liet recht geone aanspraak maken.
Prof. Mr. Trel'is.
Utrecht â 1807. â¢Uoom- Roek- en Steendrukkerij gt;de J. V AX DRI TKN.
Gods Heiligheid Gehandhaafd
ix
Het ?erW tol OMerzoel naar lel ïaöersciap.
Art. 342 RW.
Wat uit oen zedelijk oogpunt vcrooi-dooling verdient, kan op de besehermmg door liet recht geene aanspraak maken.
Prof. Mr. Theub.
Utrecht â 1S97.
Btoom- Boek- en Steendrukkerij gt;de Industriequot;. J. VAN DRUÃEN.
Toon, tot Job, sprak dus do Hocro:
Zal uu do mensch, die mot God durfde rechtcn, Waanwijs zich mongdo in dos Eeuwigen Raad, Zal hij hot pleit nu niet eere beslechten,
Toonen, hoe ver zijn voorzienigheid gaat.
Daarop gaf toon Job dit antwoord:
âHeer uit den hemel! mijn schuld is gebleken!
Waar is de worm, die d' Alwijzo doorgrondt? Ik bon te nietig, o God! om to spreken:
Ik leg aanbiddend de hand op don mond!quot;
Tex Kate, Het bock Joh.
Tot handhaving van ons wets-artikel, om aanstonds op den lieilic/en grondslag waarop dit rud to wijzen, beroepen wij ons op Prof. Mr. Treub, die in zijne besprekingen van Mr. van Hodten's Anti-sociale Staatsleer, in het Mei-nommer van de Vragen des Tijds, bi. Wrl zegt; noch voor het volksbewustzijn noch voor God kan, wat uit een zedelijk oogpunt veroordeeling verdient, op bescherming door het recht aanspraak maken.
De Heilige Handhaver der zedewet, voor wiens eer op te komen eene dure roeping ons is, heeft niet welhaast eene gansche eeuw vreeselijk o»m7^ werkeloos geduld, maar. geheel daaiiegenovergesteld. heeft Hij Zijne Heilige werkzaamheid ons getoond door aan onzedelijkheid recht te onlhonden, hoe onrechtvaardig het ook schijne, â niet naar schijn, naar wezen vraagt Hij â, hoog houdende de heiligheid van Zijn Bestaan en die van het recht.
Of verdient, naar het oordeel der duizende adressanten tegen ons artikel, (de vox populi is niet altijd vox Dei) de ontucht, gepleegd dooi' de vrouw, uit zedelijk oogpunt geene veroordeeling meer, zijn volksbewustzijn en God voor hen dan niet langer heilige Machten, met wier verbod te rekenen valt?
Do strijd tegen ons wets-artikel is droevige vrucht van de
4
zedelooze romanlectuui' onzer dagen, die allen eerlied voor de zedelijkheid onderinijnl, ontuchl plegen voorstelt als cerschoon-haar volgen van den drang der natuur, die bij zoovelen hocen Gods zedewet geldt, dat oerc/oelijken van de daad der vrouw, dat onschuld voor haar pleiten, ondermijnt den zedelijkheids-(jrond, waarop ons wets-artikel rust.
Ontrouw aan hare adelijke roeping in de zedelijke wereld gedraagt zich de vrouw, die de onzedelijke voorstellen van den man niet weerstaat om aan een misdrijf op zedelijk gebied medeplichtig te worden. Wat meer zegt, om aan zijn zondigen lust te voldoen stelt zij hem de gelegenheid open, ware de lud van den man nog te bedwingen geweest, door de vrouw wordt de lust tot eene onherroepelijke daad, waaraan zij het begin van uitcoerincj geeft, en wie dat doet is op het gebied der strafwet bij brandstichting bijvoorbeeld, en op het gebied der zedewet evenzoo, aansprakelijk voor de gevolgen.
Had de man maar niet getracht de vrouw te verleiden, 'jefallen ware deze niet, en daarom is aan Item alle schuld, zoo spreekt de onnadenkende, die geen oog heeft voor het onmisbare van de verleiding in de zedelijke ontwikkeling van ons geslacht. Tot strijden ons roepende, kan de verleiding, ja, droevige nederlaag over ons brengen, maar ook tot overwinning aanleiding geven, waarover Gods Engelen juichen, en daarom nimmer de verleiding als zoodanig gevloekt, want dat is vloeken van onze zedelijke roeping.
Die onschuld pleiten voor de gevallene vrouw, tot bestrijding van ons artikel, zien voorbij: de verleiding van den man brengt in de vrouw niet het kwade. Leefde niet reeds in haar de zondige lust, was daarvan haar harte afkeerig, haar zedelijk en godsdienstig gevoel had aanstonds tot den verleider gesproken: zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God, of wel had zij dat verpletterend: Ga achter mij, Sedan! doen hooren. Al verkeeren wij dagelijks in de verzoeking om oneerlijk te worden, op een rijks-kantoor bijvoorbeeld, op den eerlijke van hart heeft de verzoeking geen vat. Geven wij
daarentegen gehoor aan verzoeking, ons is hel tol schuld, voor onze rekening zijn de gevolgen. Den reine is alles rein. Van de innerlijke gesteldheid der vrouw toch hangt af of de verzoeking haar tol rijken zegen zal worden, als sterkende door strijden haar zedelijke kracht, of daarentegen tot hitteren vloek.
Kan nimmer op zedelijk gebied dat rerleid zijn door anderen ons ontheffen van schuld, gelijk ons beschuldigend geweten getuigt, er is ook geen sprake van verdeeling van zedelijke schuld. Schuldig op zich zelf echter i.s hij, die anderen verzoekt, gelijk ons het aloude Paradijs-verhaal leert, in het vonnis, geveld over de macht der verleiding-, die schuld staat echter geheel op op zichzelve, is onafhankelijk van het goed of van het kwaad dooide verleiding gewrocht. Maar onttrekt de man zich gewetenloos aan zijn zedelijken plicht tot mede-verzorging van het kind, dan ontgaat hij, evenals de meiueedige, de gerechte straf van den Handhaver der zedewet niet, die een iegelijk naar zijne werken vergeldt. Zien wij, voor wie zooveel blijft verborgen, die straf niet altijd voor oogen, daar is zooveel inwendige straf, die meer dan de uitwendige foltert, toch is daarvan ieder verzekerd, wien de geest onzer dagen niet alle geloof in een Albesturend en Rechtvaardig God heeft ontroofd.
Verkeert de gevallene vrouw, onder onze wet, in afhanke-lijken staat, de hulp, tol onderhoud van haar kind haar verleend, zal zij als onverdiend dankbaar waardeeren, aan Uwe terechtwijzende toespraak geeft deze hulp gezegende kracht, die stoffelijke en zedelijke controle, kunnende recidive voorkomen, kan veelal tot behoud haar zijn.
Met hooge ingenomenheid namen wij daarom kennis van het bestaan der vereeniging: Onderlinge Vrouwenbescherming, onlangs gevestigd te Rotterdam, die zich het lot aantrekt van deerniswaardige vrouwen en kinderen. Moge die nieuwe vereeniging weldra in den algemeenen en krachtigen steun, vooral ook van aanzienlijken in den lande zich verheugen, gelijk eene inrichting van dien aard in Frankrijk, in den steun van den adel en in belangrijke bijdragen van gewichtige Staatslichamen zich vei-
6
heugt. (Zie de Amsterdammer Weekbl. voorNederl.no. 1057.
Mag men, naar heilige ordonnantie, der vrouw geen hulp in rechten verstrekken, ook gewenscht ware dat niet, want voor vrouw en voor kind heeft liet afgedwongen brood van den schuldigen man iets weerzinwekkends; terwijl het brood, door christelijke liefde verstrekt, tot dankbaarheid stemt, gelijk het gebied van armenzorg in het algemeen ons dat staaft. Of zal men, om menigen gierigaard te treffen, die zijne zedelijke verplichting verzaakt om mede voor armen te zorgen, ons een algemeene armentax opleggen en de christelijke liefdezorg laten varen, die ook ons zeiven zooveel zegen brengt V
Toonen christen-vrouwen in daden van toewijding hare zorgende deernis, het zedelijk kwaad wordt dan niet noodeloos ruchtbaar, tot zegen van het opkomend geslacht. Gansch anders als de val der vrouw lot eene rechtszaak aanleiding geeft, als zij. tot verkrijging van brood voor haar kind, haar droevigen val moet openbaren aan hen, van wier deernis zij niet is verzekerd, die zedelijke prostitutie, waartoe men haar dringt, baant haar tot nieuwe overtreding den weg. Huivert haar geweten te vragen om recht, haar naastbestaanden zullen daartoe haar dringen, hetzij om stoffelijk gewin, hetzij om op den schuldigen man zich te wreken â want zoet is op dat gebied juist de wraak â maar der vrouw zelve tot zedelijk verderf, want dat versterkt ook in haar dat onedel beginsel, met christelijke roeping in strijd.
Of wel de gevallene vrouw, van haar goed recht geheel zeker, treedt fier de rechtszaal in, te schamen heeft zij zich niet dat zij de zedewet overtrad, dat juist stelt haar onder de bescherming van het goddelijke recht, terwijl de innerlijke Godsstem daarover haar vonnist. Onderhoud eischende voor haar kind zal zij, als van U geheel onafhankelijk, voor Uwe goede lessen U danken, en te eer vervolgt zij den weg des verderfs. Voorwaar, aan het geld, dat ge van den schuldigen man voor haar afdwingt, kleeft vloek, dat brengt haar op den goeden weg niet terug, wat hoofdzaak moet zijn bij allen, die het wel met haar meenen.
7
Geroepen wordt de rechter van de droevigste onzedelijkheid kennis te nemen, tot allerlei onkiesche vragen en onderzoekingen van het meest intieme leven daalt hij af, en dat moet in eene rechtszaak geschieden, tot heden door onze wei niet geëischt maar verboden, voorwaar eene heilige strekking dier wet, want hoe meer het onzedelijke blootgelegd wordt te dieper verderf brengt het mede, alleen in eene strafzaak is dat niet te ontwijken. Op het demonisch gebied der ontucht is lasteren, liegen en bedriegen inheemsch, en daarom is er voor rech-terlijke dwaling hier groote en ten hoogste bedenkelijke vrees. Dat het wettig en overtuigend bewijs van schuld, hier zoo moeielijk is te geven, is allerpijnlijkst voor de vrouw, die, oj) het diepst van de schuld des beklaagden verzekerd, daardoor niet alleen de gehoopte geldelijke vergoeding ontbeert, maar onder verdenking komt van valsche betichting, wat een en ander het heilig rechtsbesef van ons volk vergiftigen moet.
Maar bij den arbeid dor christelijke liefde op dat gebied vervallen niet alleen genoemde bezwaren en wijkt de ellende op edele wijs, maar zoo vermeerdert bovendien de kennis van den aard en den omvang van het te bestrijden zedelijk kwaad, gelijk de heilige Jezus, door zijn omgang met tollenaren en zondaren, in wie Zijn blik nog wat goed was waardeerde, te krachtiger streed tegen het kwaad.
Duur en heilig is onze roeping de jammerlijke ontucht te weren, maar do geestelijke mensch in ons zegt, evenmin als geldboete het ware middel is om het zedelijk kwaad der Godslastering uit te bannen, wordt ontucht uitgebannen door gcldclijL-i- vergoeding van den medeschuldigen man. A grands maux des grands remèdes. Tast ge het zedelijk kwaad niet in zijn hartader aan, roept ge alleen om de jammerlijke gevolgen te wapen, in een schuilhoek, waar het U niet ergert, trekt het kwaad zich terug, daar hebt ge er geen vat op, daar kunt ge het niet bestrijden, noodig zelfs acht ge dat niet, en onaangevochten verwoest het, als de kanker, den zedelijken aanleg van ons geslacht. Is de bestrijding van het zedelijk kwaad zelf ons niet hoofdzaak, en dat is het niet
bij den natuurlijken mensch, die niet voor liet ktraad zelf, maar alleen voor de gevolgen huivert, do breede haven van het phariseïsme gaan we in; wij zoeken uitwendige vroomheid, waarom de wereld ons prijst, waarin wij zeiven welhehagelijk rusten, en desniettemin woedt hel inivendig bederf met te meer kracht in ons voort.
Naar het bekende: sim ilia similibus moet zedelijk kwaad worden gekeerd door zedelijke middelen; langzaam moogt ge vorderen, omdat uw strijd de hartader geldt van het kwaad, gij vordert gewis. Volgens zijne hooge roeping, woekert de mensch dan met den zedelijken aanleg, als een kostbaar fed ent, hem geschonken en, werkzaam aan de zedelijke verheffing van anderen, neemt, naar eeuwige ordening, eigene zedelijkheid in kracht en omvang toe.
De strijd tegen ons wetsartikel draagt een onheilig karakter, als gericht tegen eene ordening Gods, in onze wetgeving nedergelegd, die vloek aan wat kwaad is, verbindt.
In plaats van met eerbiedige huivering te buigen voor de openbaring der onkreukbare Heiligheid Gods, op het gebied der ontucht, aanschouwelijk in wanhoop, zelfmoord, kindermoord, door welke ellende God, als Handhaver der zedewet, het zedelijk kwaad vernietigen wil, gelijk alle kwaad zich zelf straft dat lichamelijken welstand, dat maatschappelijk, zedelijk en godsdienstig leven verwoest, de kinderen onzes tijds doen als zoo-velen, die, gebogen onder het jammer van Gods straffende hand, voor eigen schuld gansch hlind, aan anderen hunne ellende wijten, geheel voorbij ziende, dat de jammerlijke tooneelen, waarvan het gebied der ontucht gewaagt, rechtvaardige straf is van God, waardoor Hij, zooals onze strafwet dat doet, de openbaring van dat demonische kwaad wil beteugelen, voegen wij naar dien teugel ons niet, niet Hem, ons dat te wijten.
Rekening houdt men niet met de eeuwige waarheid dat in elke straf van den Vader der lichten, al erkennen we het noode, heilzame strekking tot onze verbetering ligt.
Overeenkomstig den aard van den natuurlijken mensch.
9
die in onzen strijd aan liet woord is, zoekl men naar een voorwerp om zijn wrevel te uiten, en nu daalt op Napoleon, door wien die wet tot ons kwam, als op een zondebok alle vervloeking neer. De vrouw, op zedelijk gebied als onmondig verklaard, wordt voor haar doen niet verantwoordelijk gerekend; alsof er bij haar geen sprake is van ei jen schuld, wordt aan Napoleon's wet al de ellende van zelfmoord en kindermoord geweten en daarom : wey met haar. (')
De vloek, door duizenden tot Napoleon en tot die wet gericht, zal echter iot hunne verantwoordincj wezen, omdat die wet, als met een dreigend zwaard, ten krachtigste waarschuwt tegen de ontucht, volksbewudzijn en God hechten aan die wet het goedkeurend zegel, als onthoudende aan eene daad van onzedelijkheid recht.
Het blijft bij dat lasteren van Napoleon niet. Geleid door dien onheiligen geest roept de mensch den hoogen God voor zi jne vierschaar. Hem legt hij ten laste het houden van duhbele moraal jegens man en jegens vrouw, godslasterlijk woord tegenover de Godheid, die goed en kwaad hier regelt, gebezigd, reeds tot modewoord geworden bij ons.
Als dooi1 een demon beheerscht, kampt de man tegen de vrouw, tot zedelijk misdrijf nog niet vervallen, maar, door God geroepen en in staat gesteld, (gelijk wij straks nader ontvouwen) als adelijlce in de zedelijke wereld, den voortgang van het onzedelijke te stuiten. Ontrouw aan hare heilige roeping legt zij in den strijd tegen den onzedelijken man, na kort of lang overleg, hare wapenen af, den demon der ontucht geeft ook zij zich over, zij pleegt verraad aan de heilige zaak, gelijk de slotvoogd, die, geroepen, om wat het ook koste, de sleutels van het slot te bewaken, laaghartig aan den vijand die biedt.
(') Zio Hervorming 1800 No. 30; Nieuwe Gorinclicmsclio Courant 19 Juli 1896 lt;tic in verblinding afschaffing van ons artikel oen vlek minder voor do volgende eeuw durft noemen, het Utr. Prov. en Sted. Dagblad waarin Dien beweerde, noin/na snul ndiosa, dat niemand de verdediging van ons wetsartikel meer op zich durfde nemen, de Heiliijc Machten, roUcsbcwustxijn en God durven dat 1
10
De dubbele weegschaal, door God sinds bijna eeiie eeuw reeds gebezigd, zal men, door wetswijziging, met vereende kracht, door de Staatswet gesteund. Hem ontrukken, Gods heilige vloek op de ontucht moet weg. Van de gevolgen van haar misdrijf, die heilzame waarschuwing voor haar zelve en anderen, worde de vrouw voortaan ontheven. Ter wille van (jeld hare hooge vemntwoordelijliheld op den achterjrond plaatsen, tot meerdere zorgeloosheid haar aanleiding geven, dat achten duizenden, o jammer! handelen in het ivaar belang der vrouw.
Met het Carthago delenda doemen rechtsgeleerden een wetsartikel ten doode dat aan den eerden eisch van heilige reclits-bedeeling voldoet, op grond van hetgeen volksbewustzijn en God postuleert, recht ontzeggende aan wat met de zedelijkheid vloekt.
Niet uit gemis aan deernis met de gevallene vrouw ontzeggen we haar met beslistheid dat recht, maar rechten moraal kunnen elkander niet tegenspreken. Rechts- en Staatswetenschap is, volgens Mr. Treub, ethische wetenschap, zoo goed als de wetenschap der moraal.
Tot waarschuwing voor onzedelijk leven, om tot zedelijkheid te dringen, wil ons zoo onverbiddelijk artikel, wel voor velen de stem eens roependen in de woestijn, maar toch palladiuin der zedelijkheid en tevens der heiligheid Gods, jeugdigen en nog zedelijk zwakken, een heilig doel voorwaar, steunen in hun moeilijken strijd tegen een kwaad, waartoe vleesch en bloed zoo krachtig prikkelt, ziende in zoovelen de jammerlijke gevolgen van onbedachtzaam toegeven aan zinnelijken lust.
In den strijd op zedelijk gebied, waarvan hier sprake is, komt het zwaartepunt neer op do vrouw. Zij is de priesteresse Gods, Zijne hulp als het ware bij de voortplanting van ons geslacht, van welk heilig gebied zij, als priesteresse, de zonde verre moet houden; te waken heeft zij bovenal, dat het redelijk schepsel Gods, dat zij ter wereld brengt en hetwelk haar den heiligen moedernaam geeft, door zijne geboorte niet met schande en vloek is beladen.
1]
Tot dien zwaren strijd heeft Hij, die weet van wat maaksel wij zijn, de vrouw gewapend met fijn gevoel en teeder geweten, wat offert eene moeder op voor haar kind. Van wat vernedert keert zij van nature zich af, aanleg tot geloof en godsdienst, zoo noodig in dien strijd, heeft zij meer dan de man. Met beschermende vleugelen omzweeft haar de Engel der schaamte.
Waar de vrouw, met aanleg lot godsdienst gezegend, ook godsdienst draagt in het hart, daar weerstaat zij alle verzoeking. Nimmer geeft de godsdienstige vrouw den man gelegenheid tot eene onzedelijke daad en ziet hier het alles afdoend geneesmiddel â alle andere middelen zijn palliatieven â want, gelijk recht en moraal, zoo is ware godsdienst en zedelijkheid één.
Aan hare zedelijke en heilige roeping getrouw, bant alzoo de vrouw, naar Gods raad, ook het onzedelijke uit den man, lot zedelijkheid, tot zelfhelieersching, tol strijden zal zij hem wekken. Blijft de vrouw in den strijd voor de zedelijkheid behouden, â en zoo verheerlijkt zich hier de wijze en heilige ordening Gods, â behouden is dan ook de man, waar zij voorgaat moet hij volgen, en daarom nog eens, het zwaaiiepunt ligi bij dezen strijd in de vrouw, zij wordt zoo den man tot reddende Engel en adelt ons geslacht, gelijk ook zij, naar het Bijbelsch verhaal, hem en daarmede ons geslacht lot zondigen gebracht heeft.
De Heilige God, die, ons tol waarschuwing, streng het onzedelijke straft, is tevens een God van genade, in 's menschen verderf heeft Hij geen lust; Hij roept ons daarom tot de edele en hartverheffende laak de droevige wonden te heelen, hier geslagen door het zedelijk kwaad, maar niet door het recht, want dat strijdt met zijn Wezen, dat neemt het geloof aan zijne Heiligheid weg, dat zou zijn het onzedelijke kroonen, maar gelijk wij vroeger reeds in het breede ontvouwden, door Christelijk liefdebetoon.
Kan de Staat als zedemeester zich niet rechtstreeks doen gelden, op zedelijkheid is de Staatswet gebouwd. Onderscheid
12
maakt de Staat tusschen die zedelijk en die onzedelijk leven; aan de eersfen geeft hij rechten, die hij aan de laatsten onthoudt. OC zal voortaan de Staat aan de eonun om onzedelijkheid rechten onthouden en aan anderen die geven, ondanks hun onzedelijk bestaan. Art. 28 Weth. van Strafrecht noemt tal van rechten, die wij door onzedelijk leven verbeuren. De vaderlijke macht, ofschoon gebaseerd op de natuur, ontneemt de Staat aan den vader om onzedelijk gedrag. Onzedelijk gedraagt zich de vrouw, die de natuur boven de zedewet stelt, die de wijze en heilige ordening van het huwelijk loochent, zijnde het cement van den Staat, onzedelijk gedraagt zich do moeder die, haar eigen kind, of mag dat niet alzoo heeten, met gehande en vloek belaadt, bij zedelijk leven had zij al haar ellende, ook die aan den Staat berokkend, wiens grondslag zij ondermijnt, kunnen voorkomen, en daarom onthoudt de Staat haar het recht, in de natuur geworteld, aan de vaderlijke macht gelijk, op den naam en de hulp van den natuurlijken vader voor haar natuurlijk kind, welk recht de Staat aan de wettige vrouw, van wege den wettigen man, voorliet wettige kind waarborgt.
Biedt de vrouw echter, gelijk bij rerkrachfiny geschiedt, den man niet gewillig tot ontucht plegen gelegenheid aan, heeft zij alzoo niet onzedelijk gehandeld, dan blijft haar het recht door de natuur haar verleend, gelijk in de 2e alinea van ons Wetsartikel staat, dat den man dan geheel bezwaart met de zorg voor het kind.
Naar de wet der heilige liefde, die vaak hard is voorwaar, moet de vrouw de gevolgen van hare daad ondervinden, opdat zij leert beseffen, en anderen in haar voorbeeld het zien, dat zij zedelijk verantwoordelijk is voor haar daad, tot zedelijke verheffing van haar geslacht, terwijl die vergoelijking van het kwaad, zooals de wereld dat doet, haar wordt tot verderf, wat ons het gebied der opvoeding staaft. Een waardig dragen van de (/evolgen aan ons misdrijf verbonden, is tot verzoening daarvan de koninklijke weg, zoo wordt de verlorene vrede van lieverlede herwonnen, gelijk de gestrafte misdadiger meer runt in zijn
13
binnenste heeft, dan liij, clie zijne welverdiende straf niet erlangde. Menigeen, door den drang van het ontwaakte geweten geleid, begeert zelf daarom gerechte straf.
Spreken wij gedurig van dat heilig volktibeimdzijn, welk begrip hebben we ons daarvan te vormen? Schuilt in den diepst gevallene nog steeds een kiem van hooger leven, als aanslui-tingspunt om te arbeiden aan zijn behoud, en dat op de mogelijkheid daarvan doet hopen, â een kerkvader noemt 's menschen ziel van nature Christin, â zoo woont ook bij al de droevige zonden onzes volks in de diepte een heilig besef, dat we volkshewust-zijn noemen, hetwelk, bij alle jammerlijke zonden om ons heen, toch hoop geeft op de wederyeboorte des volks. In dat verborgen bewustzijn staat gegraveerd: ijerechtiyhekl eerhooyt een culk, maar (Je zonde is de schandvlek der natie, en op welke utiliteitsgronden ge U ook moogt beroepen tot afschaffing van ons wetsartikel, die afschaffing vloekt met ons volksbewustzijn, want dat is het onzedelijke, de schandvlek der natie, met heilig recht beschermen en daarvan nu keert dat heilig volksbewustzijn als het niet kunstmatig verdoofd is, met beslistheid zich af.
Te midden van alle stoffelijke en zedelijke ellende regeert onze God. Bij dien geduchten brand te Parijs, die het gansche land met ontzetting vervulde, sprak het kortzichtige ongeloof: daar is yeen God, althans geen God ran Liefde. En toch welke ernstige, liefdevolle, behartigingswaardige lessen bracht die groote ellende tot ons: hoe broos is het menschelijk leven, weest ter aller ure en overal tot sterven bereid, vergankelijk is alle grootheid der aarde, waarachtige deelneming balsemde der zwaar beproefden schrijnende smart, eene edele uiting tevens van menschelijk gevoel, allen adelend wie deze betoonen. Dat zwaar beproefd zijn zelf roept tot ernst des levens, tot het zoeken van het hoogere, tot ontplooiing van zielskracht, tot heiliging 015. De millioenen, toen vrijwillig op het altaar der liefde geofferd, waren eene onwaardeerbare, wereldhistorische, hemel-sche getuigenis van menschenliefde en zielenadel in een volk om wuftheid en ongeloof bekend, uiting van edel volksbewustzijn
14
dat ook in deze op betere dagen doet hopen, predikend de hemelsche blijmare, van meer beteekenis nog dan de saam-gebrachte miliioenen, de hitterste smart brengt den heilzaam sten zegen. Aan het licht ware die adel des volks niet getreden, had het land niet vooraf van ellende gebeefd, voorwaar do Albestunrder adelt en heiligt personen en volken door leed.
Met wereldoverwinnende kracht toont ons Jezus het mogelijke, liet edele van dat geloof, hoe onbereikbaar in schijn; gansch vrijwillig en onschuldig laat Hij tot den dood toe zich martelen, door het heilig besef in Zijn binnenste: tegenover Mij heeft niemand macht, ware hem die macht niet van horen gegeven. Zijn drinkbeker had Hem de Vader bereid, ia zijn bloed plant Hij de banier van het bergenverzettend geloof, om dooi- dat geloof in Gods liefde ons geslacht vertroosting te brengen, onwaardeerbaar op deze aarde, waar zoo eindeloos veel wordt geleden, waar droevige schuld ons bezwaart, waar de dood de dierbaarste offers ons afeischt, waar menschen, waar onze naaste betrekkingen, gelijk onze Heer dat van Judas ervaarde, onze zielen tot den dood toe vaak wonden. Dat dierbaar geloof, hetwelk onze martelaren op brandstapel en moordschavot steunde, legt het uitgesnikte: fiat voluntas, op lippen, die beven van smart.
Brengen we alle kwaad, ook dat ons menschen berokkenen, met God in verband, van die aanraking met Hem, den Vader der lichten, gaat tot ons rijke zegen uit, verlichtende den anders zoo drukkenden last van dat kwaad. De sterfhuizen staven ons dat, waar alleen het geloof: God beproefde, vertroost, ja, door dat geloot kunnen we onzen vijanden vergiffenis schenken en worden we tot de edelste daden bezield.
Of was het niet dat heilig geloof. God bestuurt ook het kwade, waardoor Jozef zijnen broeders vergiffenis bood voor het vreeselijk kwaad hem berokkend, hij erkende ten goede was het door God hem gedacht, reeds in zijn uitwendig leven, maar aan het licht kwam ook daardoor zijne grootheid van ziel.
Was het niet het heilig geloof: God bestuurt ook het kwade.
15
hetwelk David bewoog een Simei vergiffenis te schenken, die in fle dagen zijner vernedering zoo gruwzaam hem vloekt. Met koninklijke macht weer bekleed, weerstond hij den krachtigen aandrang om zich op dien vijand te wreken, in de erkentenis: ook deze vervulde Gods raad, en tot schooner kroon wordt hem dat vergiffenis schenken dan de koningskroon, die hem tooit.
Was het niet dat heilig geloof: God bestuurt ook liet kwade, hetwelk den Man van Smarte kracht gaf, in de bangste ure zijns levens, toen Hij voor liet eerst al de schande, al de vlijmende smart der kruisstraf ervaarde, voor zijne vijanden, terwijl zij Hem tergen, de heerlijkste bede te slaken, die op dit benedenrond immer weerklonk: Vader! vergeef hef hun, want zij weten niet wat zij doen.
Gelijk de bittere ellende, die den zoon in de gelijkenis drong om tot den vader weder te keeren, tot zegen hem werd, de ellende van dronkenschap en ontucht kunnen in dien zin tot zegen voor ons worden, als zij ons, op zedelijk gebied als met lamheid geslagen, wegdommelende in zoete rust, aanbiddend geknield voor het altaar der kunst, die er in roemt naar zedelijkheid niet te vragen, uitdrijft als met vlijmende prikkels om èn het zedelijk kwaad ten bloede te weerstaan, èn de schrijnende wonden, ontstaan door dat zedelijk kwaad, te balsemen door Christelijk liefdebetoon.
Op het gebied der dronkenschap is het volk tot edelen strijd reeds ontwaakt en gordt men mot vereende krachten zich aan om het jammerlijke kwaad te bestrijden, dat de grootste ellende in maatschappij en huisgezin brengt. Tegen de demonische ontucht daarentegen voert de volksgeest haast geen strijd. Is de vrouw van God verordend om te ijveren voor de zedelijkheid van ons geslacht, in plaats van haar aan te vuren in dien zoo hachel ijken strijd, wil men, door verkeerd geplaatste deernis geleid, uit den hof der ontucht de voetangels en klemmen wegnemen voor haren voet, meer vrij kan zij dan daar zich bewegen. Weg moet de vloek Gods sinds eene eeuw voor de vrouw aan het plegen van ontucht verbonden,
16
beschermd moet de ontucht met hetrecht. Vergoelijken van dat kwaad is de geest onzer dagen, gelijk die modewoorden van duhhde moraal en blanke slavinnen getuigen, ingeblazen door den demon der ontucht, die daarmede goedwillig zijn slachtoffers dekt. Of wordt in ons vrije land dan iemand, een slaaf gelijk, tot het plegen van ontucht gedwongen, maakt de dienst van God dan niet langer ons crij?
Ondoorgrondelijk zijn Goda oordeelen, onnaspeurlijk Gods ive()en, dat is de taal, die ons bij de geheimenis van het Godsbestuur voegt. Vleesch en geest, tijd en eeuwigheid zijn de factoren van ons bestaan. Dat geestelijke en eeuwige, de adem Gods ons ingeblazen, is in eeuwige tweespalt met het beginsel, dat aan de aarde en aan den tijd ons hecht. Van onze jeugd ontwikkelt zich die lagere factor en is reeds tot eene geduchte macht in ons geworden, eer die hoogere factor tot besef van zijne heilige roeping om dat lagere te beheerschen ontwaakt, daartoe moet zorgvuldige opvoeding dienen. Wordt die lagere natuur van alle zijden geprikkeld, een strijd ten bloede toe wordt gevorderd van ons om met den Eeuwige en Heilige onze verwantschap te toonen.
Gelijk de man met zijn krachtigen arm voor het dagelijksch brood heeft te werken, het vaderland beschermen moet, voor huis en altaar strijdend, heeft de vrouw zwak, en toch in haar zwakheid zoo krachtig, bij voorkeur den heiligen bodem te bewaken van het zedelijk en geestelijk koningrijk, daartoe, gelijk wij reeds ontvouwden, door God bij uitnemendheid geroepen en bekwaamd. Niet voor het redenerend verstand, maar voor de warmte en de bezieling van het gemoedsleven der godsdienstige vrouw, waardoor van haar geloof al de kracht en de heerlijkheid blijkt, wijkt de demon van het ongeloof, omdat hij juist alle warmte mist en bezieling.
Maar, en ziet hier eene hoogst teedere zaak, op zedelijk gebied is de vrouw zoo diep schuldig. In plaats van voor het zedelijke, naar hare roeping te strijden, bunnen duizenden, tot verderf der maatschappij, alle zedelijkheid uit, die leven
17
van het plegen van ontucht. Dat heirleger van prostituées ontrooft den man eerbied voor, geloof aan vrouwelijke aan-geborene schaamte, is aanleiding dat hij der vrouw onbeschaamd met onzedelijke aanzoeken naderen durft, gelijk het bedrog, dat nu eenmaal in onze samenleving hoerseht, den bedrieger niet aarzelen doet anderen schaamteloos tot bedriegen te wekken. In plaats van tegen Napoleon's voor de zedelijkheid heilzame wet, worde tegen de prostitutie, driewerf demonisch, het Carthago delenda gericht, waardoor de vrouw, als met eigene hand, den man op het gebied van het onzedelijke voert, terwijl van haar juist de genezing moet uitgaan van het zedelijke kwaad. Kenmerkt zij zich algemeen door oen zedelijk bestaan, te minder zal do man haar onzedelijke voorstellen doen, gelijk wij, krachtens de eeuwige wet der zedelijke wereld, huiveren hem, die ons als eerlijk bekend staat, op te wokken tot oneerlijke daden, want diep beschamend is oeno nederlaag op zedelijk gebied.
Dat do gevallene vrouw togen over den man te zwaar wordt gestraft, dat de Eeuwige Wijsheid en Rechtvaardigheid Gods vonnist naar dubbele moraal, schreeuwend onrecht zou plegen is oeno lastering van het ongeloof, waarop zware verantwoording volgt, want storm zal hij oogsten, die wind heeft gezaaid.
Als menschelijke verordening is de Staat volkomen bevoogd om ons artikel op te heffen, maar dat do Heilige Handhaver der zedewet in Zijne Wijsheid aan liet onzedelijke recht onthoudt, dat toch is hot hart der kwestie, daartegen komt men op, en daarover nu voegt ons geen oordeel, niemand mag dat onrecht noemen, of alle eerbied voor God is hem vreemd. Is in don Staat do persoon des Konings onschendbaar, hoeveel meer geldt dit den Koning der Koningen dan, en is veroordeeling van Diens ordening strafbaar, waar zwijgen aan ons kortzichtigen tegenover Hem past. Of mogen wij de bittere ellende van vrouw en kinderen van don dronkaard, gansch onschuldig vaak, die do Handhaver
18
der zedewet gedoogt, ook schreeuwend onrecht noemen, waar die ellende hier tot waarschuwing, daar tot genezing van het kwaad als straffend middel dienen moet?
Voegt het ons niet te zwijgen, wanneer de dood, als Gods dienaar, de pijnlijkste offers ons vraagt?
Met het: âGod wil hetquot; der kruisvaarders den heiligen strijd aanvaard tegen de demonische prostitutie, die allen eerbied voor het zedelijke doodt in man en in vrouw. Hoe men in onze dagen voor kennis en verstandsontwikkeling ijveren moge, de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig leven eerst leert de verkregene kennis dienstbaar te stellen aan het waarachtig goede, aan wat ons volk en ook ons zeiven adelt.
Wijdt de vrouw aan de edele taak der zedelijke vorming barer dwalende zusters bare beste kracht, toewijding aan die zedelijke xport zal de gezondheid barer ziel verhoogen, staalt hare zedelijke kracht en brengt in maatschappij, in huisgezin en hart den heerlijksten zegen.
Dronkenschap, ontucht, onmatigheid, verkwisting, al wat met onze hooge zedelijke roeping om Gods beeltenis te dragen vloekt, brengt op dit benedenrond oene ellende te voorschijn, die ons met ontzetting vervult. De wereldgescJUedenis is het irereldgericht. Om onze hooge bestemming te bereiken, moeten wij de onzedelijkheid, de zonde, dat heerschappij verleenen aan het zinnelijke boven den geed bestrijden, daartoe gedrongen door harde lessen van schade en schande, want hardleersch voorwaar is de aan bet zinnelijke zoo verkleefde menscb. Honderd duizenden mogen de ellende om ons heen, die hen neerdrukt, vervloeken, gelijk de misdadiger de strafwet vloekt, verordend tot beteugeling van maatschappelijk kwaad, en op grond daarvan beweren: een God is er niet, anders ware er niet zooveel ellende op aarde, die ellende is, wat de kerker voor de misdaad is, de rechtvaardige straf, dat wij met onzen verstandigen, zedelijken, godsdienstigen aanleg niet woekeren, leeren moet ons die ellende dien verhevenen aanleg tot ontwikkeling te brengen, waarachtige levenswijsheid moet zij ons
19
leeren, dienen moet zij tot cormint) en heiUcfing van ons zondig geslacht, tot hciHlt;jinrj uit veryeciny geboren.
Voor sociale ellende is godsdienst bijvoorbeeld het noodige goed, want tot bittere armoede, zoo vaak het gevolg van eigen schuld, zal immers de zedelijke en godsdienstige mensch niet vervallen, en den rijke, die zich Gods rentvieester acht, is het een lust en eene heilige roeping den zwaren strijd om liet bestaan voor zijne mede-kinderen Gods te verzachten.
Die zegt in zijn hart: daar is i/een God, die niet gelooft in eene hooge en heilige Macht, die alles hier beneden tot hooger doel tracht te leiden, noemt die wereld een chaos van verwarring, brutaal geweld en schreeuwend onrecht ziet li ij alom, tot zijne ziele drong niet door wat de Engel des geloofs tot onzen troost reeds sinds eeuwen bij het moordtooneel op Golgotha fluistert: al die gruwzame ellende is heilige liefderaad Gods.
Volslagen blind voor de heilige diepten der zedelijke ontwikkeling van ons geslacht vermeet de mensch zich dat rechten met God. Weg met Gods tuchtroede, tot heden rustende op de gevallene vrouw, naar het oordeel dezer eeuw is toch harde kastijding geen middel tot verbetering meer, en hebben zachte geneesmeesters bij pijnlijke kwalen de voorkeur, niet langer is de kastijdende hand het sprekend onderpand van belangstellende, heilige liefde en daarom wordt betooning daarvan den Heiligen Vader belet.
Rampzalig slachtoffer der verleiding, zoo verontschuldigt men, de grenzen der zedelijkheid verflauwend, de gevallene vrouw, alsof de mensch, met rede en geweten begaafd, niet ten bloede tegen verleiding moet strijden, en voor die miskenning zijner heiligste roeping, waardoor hij goddelijke en menschelijke wetten overtreedt, niet ten zwaarste zou hebben te boeten, eene boete, die niet naar den aardschen, maar naar den hemelschen Rechter verwijst. De verleiding, die ons hier beneden omringt, is de hoorn der kennis des goeds en des kwaads, dooi- God tol onze zedelijke ontwikkeling ver-
20
ordend, liij toch kent niet het waarachtige goede, die vreemd is aan liet jammer des kwaads.
Reikte, naar het Paradijs-verhaal, Eva aan Adam de ver-bodene vracht, wat hooze begeerte in het hart van den man moge schuilen, de vrouw, wier heilige, zedelijke roeping hot is de bevrediging daarvan te voorkomen, baant daartoe hem bereidwillig den weg. Maar â en hier staan we voor een der diepste en heiligste mysteriën in de ontwikkeling van ons geslacht â noodwendirj is de ergernis, onvermijdelijk de verleiding, en desniettemin een jammerlijk wee, over hem door wien de ergernis komt.
En zullen we nu op dat geheimzinnig gebied, hetwelk ons kortzichtig denken verduistert, door onberaden Petrus' ijver vervoerd, met onheilige handen in overmoed, met het zwaard van aardsche gerechtigheid slaan? Staan dan tot den kamp voor gerechtigheid geene lioogere Machten, geene legioenen van Engelen gereed? Alleen de Heilige Handhaver der zedewet, voor Wien geen mysterie bestaat, die varffles menschen hart de diepste diepte peilt, is tot berechting van een zedelijk vergrijp en dus ook van zijn gevolgen â en daarvan immers, en niet van een strafrechterlijk vergrijp, is hier sprake, â in staat en bevoegd. Wie dat loochent door op zedelijk gebied, buiten Hem om, met stoffelijke middelen, als rechter op te treden, miskent Gods hooge Majesteit, miskent het Hem alleen toekomend recht.
En is dat nu de weg tot zegenrijke ontwikkeling van ons geslacht, van het huwelijk, die beteekenisvolle instelling Gods, den hoogen ernst en de heiligheid prijs te geven en dat om tegemoet te komen aan die onzedelijk leven, die al hun ellende te wijten hebben aan eigen schuld? Zullen we ingang geven aan de verderfelijke leer dat op de verbintenis van man en vrouw, zonder de formaliteit van het huwelijk, geen straffe van nietigheid rust, leeren dat hunne gemeenschap, met wet en zedelijkheid strijdig, toch rechtsgevolgen heeft, wat het zedelijk gevoel, wat het volksbewustzijn beleedigt? De Staat toch delft zijn
21
eigen graf, die dekt met zijn gezag wat verworpen wordt door het zedelijk oordeel, wat van het maatschappelijk en huiselijk leven den grondslag ondermijnt. Om ons zedelijk te doen leven, om het huwelijk heilig te houden, kan de Staat ons in rechten niet dwingen, maar Staatsroeping is het zedelijk in zijne wet dat te doen, over geslachtsgemeenschap buiten huwelijk zijne hooge afkeuring te toonen en daarom werd tot heden aan de schuldigen in deze geen recht gegeven, maar tot zedelijke straf recM hun ontzegd, de duisternis mag niet over het licht triomfeeren.
Staat bij den waren medicus ziekten voorkomen hooger dan die genezen, dat geldt ook op zedelijk gebied. Ons wetsartikel is als het vlammend zwaard om den val der vrouw, zoo mogelijk, te voorkomen, de wetswijziging toch belooft wel brood, maar geeft haar de verlorene eer niet terug, ons artikel hoe hard, bedoelt bewaring der vrouwelijke eer.
Die het gebied van het geslachtsleven, van alle menschelijk bestaan het geheimzinnig uitgangspunt, het schouwtoonel van Gods scheppende kracht, durft ontwijden, toetreedt door zondige lusten beheerscht, laadt op zich Gods heiligen vloek, waarom Hij dan ook het plegen van ontucht op geduchte wijze straft, nu door een ongelukkigen echt, daarvan zoo vaak het droevig gevolg, en dan weer met de meest afzichtelijke ziekten.
Met wie, met welke bedoelingen, op welken giondslag man en vrouw dat heilig gebied van het echtelijke leven betreden is eene zaak van de hoogste beteekenis, waarop heilige verantwoording rust, eene verbintenis, die twee als tot eene geheimnisvolle eenheid vormt, en uit die eenheid ontplooit zich een wezen, gekroond met een eeuwig bestaan. Man en vrouw zorgeloos, lichtzinnig, zonder levensernst op dat heilig gebied tot eene eenheid geworden, die onheilig moet heeten, worden daarom zwaar gestraft, vaak door een leven van jammer en ellende te boeten.
En zullen we nu uit ons Wetboek het artikel verbannen dat der vrouw hare hooge verantwoordelijkheid op het gebied
22
van het geslachtsleven voorhoudt, en als met vlammend schrift Gods heiligen vloek, rustende op zondigen op dat gebied, aanschouwelijk voor ons vertolkt.
De vrouw op hare hooge verantwoordelijkheid te wijzen als redelijk en zedelijk wezen, met aanleg tot godsdienst begaafd, tegenover den lichtzinnigen geest onzer dagen, tegenover de stem van het begeerlijke vleescli, dat is het groote, afdoende, heilige middel, om van uit ons volk de demonische prostitutie te weren, maar niet door de vrouw van de jammeilijke gevolgen van hare onzedelijke daad vooraf te ontheffen, daartoe als het ware haar een vrijbrief te geven, terwijl zij door zedelijk te leven den vloek van ons wetsartikel ontgaat.
Door groote animositeit, maar niet van edel gehalte, wordt de strijd tegen ons wetsartikel beheerscht, animositeit, die geene tegenspraak duldt. Een onzer tegenstanders, zie Telegr. 189G N0. 1327 gaf ons, die durfden pleiten voor dat artikel, prijs, zoo hij meende, aan de algemeene bespotting, door zijn uitroep: leve art. 343; de heilige machten: volksbewustzijn en God, beide verbiedende het onzedelijke te kroonen met recht, werden dooi' zijne jammerlijke bespotting met ons getroffen. Rechtsgeleerden, die waken moesten voor de heiligheid van het recht, willen dat in dienst stellen van zedelijk kwaad van demonischen aard, liggende geheel buiten de sfeer van den rechter, alleen geroepen tot berechting van het maatschappelijk kwaad. In verblinding dringt men onze geeerbiedigde Regentes, Hoogedele Vrouw en Moeder, zich in de bres te stellen voor wie do zedewet overtraden, steunen moet zij deze met recht, ofschoon volksbewustzijn en God dat ten strengste verbieden. Met Staatshulp wil men onzedelijken beschermen, als ware het geen eeuwige waarheid dat wij, zedelijke wezens, de zedewet gehoorzamen moeten, bij overtreding daarvan de zedelijke straf moeten dragen, waarvan geen Staat ons te ontheffen vermag, evenmin als een rechter, uit deernis met vrouw of met kind, te kort doen mag aan den eisch van het recht. Aan koninklijke genade alleen, en op ons gebied aan de
23
christelijke liefde, is de edele taak opgedragen, onder strikt voorbehoud van wijs overleg, de hardheid van het menschelijke en van het goddelijke recht le verzachten.
Bij God, met wijsheid en wetenschap die onpeilbaar is, schuilt, naar velen beweren, schreeuwend onrecht, bij ons, die van gisteren zijn, recht, straffen mag de Rechter der gansche aarde alleen naar ons inzicht, naar onze begrippen, naar zijn Eeuwigen liefderaad niet. Zoo oordeelde voor eeuwen, met het oog op den voorspoed der boozen, ook Asaf, maar toen hij in Gods heiligdom inging, de verborgenheden van Gods bestuur leerde kennen, beleed hij zijn onverstand, en gevoelde hij zich te krachtiger tot Gods aanbidding genoopt.
Waren Gods wijze en heilige bedoelingen ons openbaar, in de regeling van het lot der gevallene vrouwen, in plaats van den weg Gods te bedillen, zouden wij geloovig de wegen van dien God aanbidden, die ook het droevig bloed der martelaren immers het gezegende zaad zijner kerke deed zijn.
Niet de eere Gods, niet het waarachtig heil van den naaste ligt aan dat pleiten op recht voor de ontucht ten grondslag, maar de grondslag is het ons ingeschapen krachtig gevoel van deernis, van natuurlijke goedheid, een ruwe diamant gelijk, alleen door rede, geweten en godsdienst tot een schitterenden diamant te stempelen; of, met een ander beeld geschetst, die deernis is eene domme kracht, die alleen in bekwame handen tot zegen verstrekt, evenals de aandrift tot voortplanting van ons geslacht, ook natuurlijke kracht, maar niet door hoogere beginselen beheerscht, ons voert tot de demonische ontucht.
Ook dat deernis gevoel, niet onder hoogere controle, brengt verderf, gelijk wij dat zien bij liet veelvuldige weldoen zonder verstand. Ons laten leiden door dat natuurlijk gevoel van goedheid, maar zonder controle van hooger beginsel, is de vloek in de opvoeding van ons geslacht, de verloochening van dat hoogere beginsel, het ongebruikt laten van dat kostbaar talent, wordt in ouders en kinderen gestraft.
24
Ais ongebreidelde kracht, die, in de keuze der middelen, onderscheid van goed en kwaad niet erkent, ziel ge in ons volk dat deernis gevoel als het den weerbarstigen knaap, den dronkaard, den misdadiger vaak aan de hand der politic ontrukt. Denkt aan het bekende palingoproer, aan de talrijke schare, die partij Irok voor den ontslagen onderwijzer in onze hoofdstad, die het hoog gezag had miskend.
In onzen strijd openbaart zich datzelfde deernis gevoel, naar zijn aard niet vragende of dat pleiten op recht voor de ontucht ook der zedelijkheid schaadt, niet vragende of men ook aan den onbetwistbaren en heiligen eisch dat huwelijk aan alle geslachtsgemeenschap moet voorafgaan, te kort doet, niet vragende of het ook vloekt met de heiligheid van het recht aan eene demonische zonde dat dienstbaar te maken, niet vragende of het overeenkomt met de Majesteit Gods het plegen van schreeuwend onrecht Hem ten laste te leggen, dat alles gaat buiten die natuurstem om, deze vraagt niet naar onschuld of sclndd; gelijk onze straten ons dagelijks doen zien, worden vaak schuldigen ontrukt aan de straffende hand der justitie, en dat maakt onzen strijd zoo onbeschrijfelijk ernstig, hier weerstaat men de straffende justitie van God. Dat de demonische ontucht, die zoo nameloos veel ellende baart, gestraft wordt, eischt de Heiligheid Gods. Daartoe bedient Hij sinds eene eeuw zich van onze wet als een middel en mogen we die heilige tuchtroede nu ontrukken aan Zijne straffende hand ?
Niet alleen echter is deernis met deerniswaardigen in ons oog, de grondslag der beweging, maar tevens, en daardoor dulden onze tegenstanders te minder tegenspraak nog, zij komen in hun oog op voor het recht, gepleegd onrecht wil men wreken. Straft de Handhaver der zedewet sinds eene eeuw den schuldigen man niet, nu is het geduld ten einde, gesteund door de Staatsmacht zullen zij, wijzer en heiliger in hun oog dan God zelf, toonen hoe het zedelijk kwaad is te straffen.
Die algemeene loochening van zedelijke straf in onzen
25
materialistischen tijd, de hartader onzer beweging, die wij daarom zoo beslist bestrijden, is de jammerlijke vloek onzer dagen, als men maar aan de handen der justitie ontkomt, dan achten duizenden alles geoorloofd.
01' zegt men: wij trachten de droevige ellende van zelfmoord en kindermoord te voorkomen en daarom dringen we op opheffing van ons wetsartikel aan. Maar zal dan door strijd tegen de ontucht zelve die droevige ellende niet wijken, en is die strijd niet het eerste wat voegt. Of zullen we ook de strafwet opheffen, die zoo menigen schuldigen huisvader voor jaren ontrukt aan zijn gezin, wat de zijnen aan armoede prijs geeft, opheffen de strafwet omdat er zijn, die zich het leven benemen om die dreigende strafwet te ontgaan, want door die opheffing wordt dat immers voorkomen ?
Maar het onderzoek naar het vaderschap geldt toch hot menschelijk recht, dat tot onze berechting behoort, voorzeker en daarom, zijn adressanten belust op dat onderzoek zelf, ook als het geen succes heeft voor moeder en kind, meenen zij dat het openbaar maken van het zedelijk kwaad het zedelijk peil van ons volk zal verhoogen, dat onderzoek zi j hun gegund. Maar succes kan en mag nimmer rechtens dat onderzoek hebben. De schuldige man moge vader zijn naar de natuurwet, met die natuurlijke betrekking laat de Staat zich niet in, gelijk deze ook den man niet kan dwingen zijne natuurlijke vrouw (concubine) te onderhouden, want de Staat kent haar niet als zijne vrouw, sanctie hebben die natuurlijke betrekkingen niet van den Staat en daarom kan hij als Staat tegen deze niet optreden, zooals tegen den wettigen vader en tegen den wettigen man, en om te dwingen tot vervulling van zedelijke verplichtingen heeft de Staat niet het recht. Is het kind den man niet uit wettig huwelijk geboren, vader is hij voor de Staatswet dan niet, en daarom is de Staat, wiens gezag alleen rust op de wet. niet bevoegd tot onderhouden van het kind hem te dwingen; alleen als politiemaatregel heeft de Staat, zoo noodig, met onechte kinderen, als zij
26
onverzorgd zijn, bemoeiing. Nu zegt wel de volksstem; maar de schuldige man is dan tocli de vader, dat hij gestraft wordt heeft hij meer dan verdiend, loon heeft hij nu naar werken, maar met die volks-logica is ook de toepassing der Ijnchu-et geoorloofd, mag men zichzelf ook recht verschaffen. Meent men tot op zekere hoogte, langs dien weg, het kwaad der ontucht te keeren, de groote waarheid niet vergeten: het dóél heiligt de middelen niet, verschuile de Staat, met zijne heilige roeping, zicli nimmer achter schijn van recht, steeds sta hem het:fiat jimtitia, per eat viundus voor oogen, maar, en dat zegt alles, brengt ge liet onreine, het demonische, door het in rechten ontvankelijk te stellen, tot eer, volksbewustzijn en God spreken het onverbiddelijk veto.
Nog eens, onbevoegd is de Staat om den schuldigen man, hoe paradox het ook klinke, met de verzorging van het kind te belasten. Naar het similia simMbus legt de zedewet, die liij overtrad, daartoe de verplichting hem op, zijn zedelijk vergrijp moet hij herstellen en kunnen herstellen door eene zedelijke daad. Voldoet hij niet aan dien heiligen last en neemt de christelijke liefde dien van hem over, het zal hem tot verantwoording wezen, gelijk dat de duizenden geldt, die niet aan hunne zedelijke roeping voldoen en zedelijk door God worden gestraft, al zien wij die straf niet voor oogen. Die zedelijke straf bepaalt den vrede of den onvrede, de gezondheid of de krankheid van ons innerlijk leven, dat als ons dierbaar kleinood, als ons hart, waaruit de uitgangen zijn onzes levens, boven alles door ons moet worden bewaard.
Niet aan den Staat, onder welken vorm ook, maar aan den Kenner der harten komt de handhaving der zedewet toe. Zijn alomvattende blik alleen oordeelt met juistheid over omstandigheden, drijfveeren, beginselen, temperament, mate onzer zedelijke kracht, dat alles beslist over meerdere of mindere schuld. Niet bij overtreding der strafwet, maar bij overtreding-der zedewet, geldt daarom het heilige Godswoord: Ik zal het vergelden.
27
Leeft eerbied voor de Heiligheid Gods in ons hart, gloort van dat heilig volksbewustzijn in ons binnenste een sprank, dan wijst waarachtige deernis de schuldige niet naar de rechtszaal, waardoor alle gevoel van verootmoediging wijkt, maar naar het arbeidsveld der christelijke liefde, waar stoffelijke en zedelijke hulp haar beidt, de laatste dubbel haar noodig.
Geeft nu de Staat aan het verlangen der adressanten gehoor, werpt deze zelf het zedélijhlieidsheginsel, het fundament van het Staatsgebouw, de heiligheid van liet huwelijk, en tevens de heiligheid van het recht over boord, wil liij het sprekend beeld ons vertoonen van een koninkrijk tegen zich zeiven verdeeld, door voortaan in ons vaderland aan het onzedelijke recht te verleenen, terwijl dit met volksbewustzijn en met God strijdt, het onzedelijke, van schaamte en schande ontheven, in rechten ontvankelijk, gesteund en beschermd door den machtigen en eerbiedwaardigen arm van den Staat, zal vooiiaan iceliy onder ons groeien en bloeien, waarvan de onzedelijkheid onzer dagen nog maar eene schaduw zal zijn, nu de Staat door ons wetsartikel het onafwijsbare, de heiligheid van het huwelijk nog handhaaft.
Ware in onzen strijd, die de hoogste en heiligste belangen van volk en Godsrijk geldt, welhaast de beslissende teerling geworpen, gestaafd wordt hier weer de troostvolle waarheid: als het water aan de lippen is, is Gods redding nabij.
Bij den strijd der partijen, die ons vaderland hebben beroerd, bij het gevaar dat door onheiligen ijver ons wetsartikel bedreigde, waakt de Albesturende God, die als Hij niet heilig ia, niet bestaat, op kennelijke wijze, gelijk ieder, die oogen heeft zal moeten erkennen, voor de edelste en heiligste goederen van ons volk voor vrijheid, xoor zedelijkheid, \oor de heiligheid van het recht, voor de erkenning zijner Heilige Liefde.
Geeft bij moeielijke vragen en donkere raadselen godsdienstige beschouwing menigmaal licht, gelijk Israels Zieners ons leeren.
28
gestaafd wordt ons dat als wij het oog- richten op die wonde plek der samenleving, op de geborenen huiten echt.
Die droevige wezens ondermijnen als het ware het geloof in Gods wijs en heilig bestuur, want de oppervlakkige beschouwer kan geene hardere lotshedeeliny zich denken dan hun de Allerhoogste bereidt.
Schijnt in de natuur, voor het uitwendige oog, zooveel gansch onnut, door het licht der wetenschap komt de wijze inrichting dei' natuur hoe langer hoe meer tot haar recht, door het licht des geloofs komen ook tol hun recht de raadselen van Gods heilig bestuur. Beschouwen we die kinderen als geestelijke wezens, voor de eeuwigheid bestemd, dan vervalt alle bedenking als ware God bij uitnemendheid hard jegens hen. De hardheid van hun lot, wij hadden die kunnen voorkomen, is 's menschen werk, op ons geslacht komt daarvan alle ver-antwoordelijkheid neer. En toch, de God der liefde, die het kwaad in zegen herschept, geeft aan die naar de wereld verachten, schijnbaar gansch onnut, voor ons zondig geslacht nog eene hooye en heilige roeping.
Ballast der samenleving klinke het veroordeelend vonnis van de kinderen der wereld, de geestelijke mensch ziet in die diep verachten levende, aangrijpende waarschuwingen tegen het plegen van ontucht, zoo algemeen helaas, en daarom niet onnoodig voorwaar. En blijft hun zwijgend getuigen bij velen zonder vrucht, geen sterfelijk wezen begroot ons het aantal van hen, voor wie zij. als het ware, de noodige, maar tragische taak van het onkruid op den akker vervullen.
Maar ook wordt de heerlijke kracht van het levend geloof in een Albesturend God door en in hen openbaar. Leven zij als vervreemd van hun God, erkennen zij in hun droevig lot geene Hoogere leiding, bitterheid, vloek, haat tegen de maatschappij zetelt dan in hun harte. Maar gelooven ze dat een Albesturend God, die de starren des hemels en ook de haren onzes hoofds heeft geteld, hun dat droevig lot beschikte, gestempeld is hun aardsch bestaan tot een leven van genade,
29
want ten onrechte gorlnlrlig' to lijden is verJieeftijMnf/ Golt;h. Woont God met Zijn geest in Imn harte â en wil Hij. bij Wien geen aanzien rjehtt ran persoon daar, hun tot troost, niet wonen? â dan is in hun binnenste voor wrevel en vloek, voor haat jegens de maatschappij geene plaats, zij verblijden zich in hun aanzijn, door ongeloovigen yevloekt. Dat niet te huis zich gevoelen in de wereld, welke hen zoo hardvochtig bejegent, â en dat geldt in het algemeen naar de wereld inisdeelden, â dringt gemeenschap te zoeken met Hem, tot Wien de verslagene ziel niet vergeefs gaat óm frooxf. Hen kroont de hoogste zielenadel als zij, in navolging van den Heer, de minachting der wereld met gelatenheid dragen, geen vloei-, maar heden hebben voor de schuldigen aan hun droevig lot, Gods besturende band geloovig erkennen in den lijdenskelk, die geen dag van hen wijkt.
Of gaat zulk betoon van zielenadel misschien menschelijk vermogen te boven? Maar bergenverzettend is immers de kracht des geloofs? Het besef gansch onschuldig te zijn aan de ons beschoren miskenning geeft, om haar te dulden en te dragen, vermogen dat niet is begrensd. De wereld moge die ongelukkigen als paria's vloeken. Hij, wiens naam 0ntfermer is, kroont naar de wereld verachten vaak met Zijn hooge gunst. De school van lijden en vernedering, waar wij Hem het eerst leeren zoeken, waar zielenadel wordt gekweekt, wat martelaren toonen, stelt God bij uitnemendheid open voor hen. Niemand wordt door God gedwongen, vrije keuze laat Hij ons, ons heil hebben wij zeiven te zoeken, maar om dat heil deelachtig te worden biedt Hij ons de gelegenheid aan. Krachtiger dan aan gevierden naar de wereld met hun rangen en titels, wenken aan die Lazarussen der samenleving, die in dit leven hun goed niet ontvingen, maar wier deel was miskenning, zoo zij God zoeken, eereplaatsen toe in het Koningrijk Gods.
Tot val of tot opstanding zijn ze ons geslachte, zij ontdekken ons aan ons zeiven. Minacht ge hen, zijt ge omtrent hun lot onverschillig, is alle deernis met hen aan u vreemd, hoe
30
vroom ge u zeiven ook moogt achten, en anderen dat ook doen, gelijk Jezus helliij voorbeeld ons staaft, die ons ganscli anders leerde, gedoopt zijt ge niet met Gods geest. Maar leeft deernis in U, die in dudm zich uit, dringt hun aanblik U het zedelijk kwaad niet kracht te bestrijden, neemt ge de levenswaarheden aan door lien, als op hooyev last, tot U gekomen, dan blijkt het dat Gods Geest in n woont.
Verzorge daarom de christelijke samenleving die ongeluk-kigen, zoo noodig, met liefde en trouw. Dooi' haar onzedelijk gedrag verbeurde de vrouw tegenover den scliuldigen man op recht alle aanspraak, en voldoen aan zeddijke verplichting ziet ge zelden bij den onzedelijken man. Zwaar en hard is voor die kinderen het dagelijksche kruis, want vinden andere onge-lukkigen van nature reeds deernis, van deze keert men van nature zich af, hun bestaan toch druischt in tegen het ons ingeschapen zedelijk r/evoel en bij zoovelen gaat natuur boven leer. Tot hulpbetoon is de samenleving in het algemeen verplicht als aan hun droevig aanzijn schuldig, als niet krachtig genoeg voor het waarachtig zedelijke ijverende met woord en met daad. En schiet de christelijke liefde tot hulp tekort, de Staat, wiens humaniteit aan des doods schuldigen het brood niet onthoudt, reike dat dan ook aan die omchuidigen als leden onzer samenleving uit, gelijk de Staat doet bij armen, waarover de christelijke liefde zich niet ontfermt. Maar neen, de christelijke liefde schiet niet te kort in de ware volgers van Hem, die zijn gansche leven aan de redding van ongelukkigen wijdde, als in hun hart de vraag weerklinkt; wat onderscheidt ons van hen ?
Eu de zorgende liefde, door ons hun bewezen, verzoent hen met de samenleving, het zoo vaak zinkend geloof aan Gods liefde herleeft, tot kruisdragen geeft ons liefdebetoon hun telkens weer kracht.
Maar rijst, naar aanleiding van onze beschouwing, licht over die deerniswaardige kinderen, met hun bestaan op zich zelt geen vrede geoefend, van miskenning der heilige zedewet Gods,
31
van lt;le demonische ontucht zijn en blijven zij de droevige vrucht.
En keeren velen zich wellicht at' van onze ideale beschouwing, want de werkelijkheid is zoo gansch anders, hebbe men dan ook den treurigen moed zich af te keeren van het: Zijl heilig, trant Ik ben heilig der Oudheid, van het: Weest gij lieden volmaakt, gelijk de Hemelsche ^ruder volmaakt is, door den Koning van het Godsrijk tot ons zondig geslachte gericht.
Soli Deo Gloria.
Heilig, heilig, heilig is de Heer der Heerscharen.
M.
Enter. Predikant.
Utrecht.