ocr page 1

gt;o .zr

ocr page 2

te:: tgt;

- .

' V'~..

, ■ ■ -

(

O

- . V

-

\

• :

i, /

- ■

'

ocr page 3

'Prijs 60 cent.

Gyprianus

of

Over de eenfieid der Kerk

door

2)r. 3os9pfi Hub. ^einkens.

Amstf.udam, Ü. VAN DER HOOGT. 1899.

ocr page 4
ocr page 5

De

Leer des heiligen Cyprianus

over de

Eenheid der Kerk

door

Dr. Joseph Hub. Reinkens,

Professor in de Kerkgeschiedenis.

uit

het Duitsch vertaald.

ocr page 6
ocr page 7

Ka het verschijnen van Prof. G. J. F. J. Bol lands Pefrus en Home. Oude Gegevens, Home en de Geschiedenis, en Open brief nan Dr. Schaepman, waarin de uitkomsten der wetenschap worden medegedeeld,

van Dr. II. J. .1. M. Schaepmans Bolland en Petrus, dat de kwasi-geleerdheid en tekst ver valscliingen van zjjn schrijver aan het licht brengt,

van P. J. van Ilarderwyks Petrus en het Primaat in de oude kerk, dat geschreven door een oud-Katholiek priester, dient om aan te ioonen, dat Prof. Bolland onvolledig en Dr. Schaepman eenzijdig zijn bij hunne beschouwingen over den eersten tijd der Christelijke kerk,

is het niet overbodig het voorliggende werkje over de leer van den h. Cyprianus, een der merkwaardigste kerkvaders, die in de verhandelingen der drie bovengenoemde schrijvers van geen geringe bewijskracht is, den landgenoot en vooral den Iloomschen onder de oogen te brengen.

Die Lelt re des heiligen Cgprian von der Einheit der Kirche, dargestelt von Dr. Joseph Hub. lieinkens werd in Duitsehlancl zeer reel gelezen. De schrijver in 1M21 geboren, fabriekswerkman te Aken, daarna gymnasiast te Bonn en in /■S'.'i7 professor te Breslau werd niet lang daarna bisschop te Bonn. Gelijkgezind met Döllinger en Diepenbrock streed hjj voor de Oud-Katholieken tijdens het vaticaansch consilie. Zij benoemden hem in JST-'l te Bonn tot hun bisschop. Van zijne geschriften zijn vele bekend o.a. Ueber die Einheit der Kath. Kirche; Die Geschichtsphilo-sophie des heil Augustinus; Hilarius van Poitiers en Lessing und Toleranz.

Aan het tcerkje is een korte levensbeschrijving van Cyprianus toegevoegd, volgens K. Leimbach in de Itealencyclopedie für protestantische Theologie und Kirche von llerzog (nieuwste editie door A. Hauck).

Wat de vele Latynsche aanteekeningen betreft, die in de Duitsehe brochure aan den voet der bladzijde staan, was het wellicht beter, die zooals thans in een aanhangsel te geven. Enkele verwijzingen naar nieuwere geschriften werden daarbij gevoegd.

DE UI TG E VEL'.

ocr page 8
ocr page 9

3 rr frond.

Pagina.

Voorbericht met het leven van Cyprianus.....1

Inleiding...................5

Eerste Hoofdstuk.

Over de eenheid der afzonderlijke Kerken .... 7

§ 1. Een vergeten onderscheid.........7

§ 2. De eenheid der afzonderlijke Kerken .... 8 § 3. Het in stand houden der eenheid door wettige

keuze en opvolging dek bisschoppen .... 13

§ 4. Tegenspraken..............lö

§ 5. De verhouding van den bisschop tot de'gemeente 18

Tweede Hoofdstuk.

De EENHEID DER GEHEELE IvERK..........24

§ 1. Petri's zonder wezenlijke betrekking tot de

EENHEID DER GEHEELE IvERK........24

§ 2. BeTEEKENIS VAN DEN STOEL VAN PETRUS TE ROME . 26 § 3. De bisschop van Rome is niet het hoofd van den

bisschop van Carthago..........29

§ 4. De bisschop van Rome is niet het hoofd der

geheele kerk.............35

a.) Feiten die bfwijzen..........35

b.) Principieele ontkenning van het primaat van Rome..............44

§ 5. De ambtsbroederlijke eenheid........47

§ 6. De eenheid der gezamenlijke Kerken is volgens

haar natuur Concordia of eensgezindheid . . 50

Aanhangsei...................(50

•#

ocr page 10

Voorbsriclit.

Waar staat Cyprianus ? Aan de zijde van het vati-caansch paganisme of aan die der oud-roomsche kerk? Dut is thans een zeer belangrijke vraag.

De onmiskenbaar groote be teekenis van dezen krach-tig en en praktischen man, die zich steeds bezig hield met de ontwikkeling van het bisschoppelijk regiment der Roomsche kerk. bracht het van zelf met zich mede, dat hij te allen tijde een hoofdrol speelde, wanneer men de inrichting der kerk ter sprake bracht. Zijn roem als martelaar, die hem voor altijd een jaarlijks terugkeerenden feestdag te Rome verzekerde, richtte vroegtijdig de opmerkzaamheid der westelijke Christenheid op hem en zijne geschriften. In talrijke handschriften vermenigvuldigd, gebrekkig afgeschreven en bij de klimmende macht der bisschoppen ran Rome en het aannemen ran de idee ran een algemeen episcopaat, met opzet vervalscht en ten slotte door het drijven der Roomsche curie op hevel der officieele censuur te Rome en Parijs met die vervalschingen gedrukt en verspreid, leerden die geschriften tot in de laatste tijden als ultramontaansche xoapenen gebruikt.

Thans bezitten uij eene uitstekende kritische uitgave der Weener Academie van Wetenschappen, in het Cor-

ocr page 11

pus Scriptornm eed. latinorum Vol. III. 1868—1871, uitgegeven door Wilhelm Har tel, die uitstekend voor zijn taak was berekend.

Wij toefen dus nu, wat de heilige Cyprianus ge-sclireven heeft en gelooven, dat thans de tijd gekomen is, zijn leer over de eenheid der Kerk op goede gronden te kunnen vaststellen. Daartoe behoort echter historische zin en de geschiktheid, de taal van een schrijver uit een verleden tijdperk te hegrijpen. Wie in de woorden der vervlogen eeuwen slechts datgene hoort, wat zijn eigen geest daaronder pleegt te verstaan, doet den geest van het verleden onrecht. Op die icijze wordt het verschijnsel verklaard, dat elkander geheel tegenovergestelde opvattingen van de leer des heiligen Cyprianus over de eenheid der kerk, thans nog geldend gemaakt worden.

Daar wij van plan zijn, deze leer zeer kort voor een groot publiek begrijpelijk te maken, kan eene uitvoerige bespreking en waardeering der bestaande litteratuur hier geen plaats vinden, maar behoeven de jongste ultramontaansehe geschriften daarom nog niet achterwege te blijven. Wij denken niet aan Gyprianus' mishandeling in het onrijpe boek van Kellner, maar aan het werk van Dr. Joh. Peters, professor aan het seminarium te Luxemburg, „Festschrift zur Feier der hi-thronisation des er den Bischofs von Luxenburgquot; onder den titel: ..Die Lehre des heil. Cyprian von der Eittheit der Kirche gegennber den beiden Scliismen in Carthago unci Bom.quot; {Luxemburg, 1870, Peter Briick.) Het Tubing er Quartalschrift heeft dat boek zeer geprezen-,

ocr page 12

%ci} hetreurm het, daarmede niet te kunnen instemmen. Br schrijver leest in de «erken van Cypnanus eene volkomen theone der vaticaansche kerk, tcaarran ce neüige geen vermoeden heeft. Peters heeft de plompe

ivterpolaties in De catholicae ecclesiae imitate, c ■

niet ran noode, - hij leest alles, wat de rervalschn.

gen wilden, tusschm de regels. Een dergelijk schandehj)

Lnnk maken ran alle woorden van Cypnanus, die het paganisme vernietigen, om het wede) te steunen en leven te geven, is meer on derhoudend dan tegenzm wekkend.

Wij sullen in onze bespreking slechts zeldm anceiei opvattingen bestrijden ; de positieve weergave van den inhoud 'der geschriften van Cyprianus getuige vooi

zkh ze,f' BE SCHRIJVER.

Breslau, Mei 1873.

ocr page 13

Leven van Cyprianus.

Thascim CaecUius Cijprianus (200—258) bisschop van Carthago, is een der beroemdste namen uit den vroegsten tijd van het bestaan der kerk en een haror eerste en merkwaardigste martelaren. Prudentius en Suidas noemen Carthago zijn vaderstad. Gesproten uk patricische familie, ontving hij eene uitstekende opvoeding, en hield zich later eenigen tijd bezig als leeraar in de welsprekendheid. Zeer rijk, vol enthousiasme, uitstekend op de hoogte der toenmalige litteratuur, bleef hij langen tijd heiden en leidde een smetteloos leven. Als ongeloovige schijnt hij redetwisten te hebben gehouden mot sommigen, die tot het Christendom bekeerd waren.

Ongeveer in 245 ontving hij den doop. Onmiddellijk daarna schonk hij het grootste deel van zijn vermogen aan de armen, legde zich strenge boetedoeningen op en studeei'de zeer vlijtig in den Bijbel en de geschriften dor Kerkvaders, vooral van Tertal lianus. Korten tijd na zijn bekeering werd hij diaken en in 247 bisschop, niet zonder tegenstand van eenige presbyters. Na zijn verheffing tot bisschop begon voor hem de lange en zware strijd. Een deel zijner priesters werkte hem tegen, ofschoon hij hen in alles erkende en om raad vroeg. Zijn streng handhaven der kerkelijke tucht tegenover de onzedelijkheid van geestelijke broeders en zusters, vermeerderde het getal zijner vijanden. Geheel onverwachts brak in 249 de Christenvervolging door Decianus uit: het volk wilde hem in den circus voor de leeuwen zien en liep op straat roepende: Cyprianus ad leonem (Cypr. voor den leeuw. Brief 55). Dat was het begin van zijn strijd.

Hij vluchtte. Terstond beschuldigden zijn vijanden hem van lafhartigheid. Zijn goederen werden verbeurd verklaard. Zijn vlucht te Rome in een verkeerd daglicht gesteld verwekte ook daar vijanden. De

ocr page 14

'2

nieuwe en nog gruwzamer vervolging onder een nieuwen consul in 250 te Carthago, deed de meesten aan de kwellingen tijdens het verhoor sterven. Welk een ellende voor den nieuwen bisschop. Hij was gevlucht; niemand kende zijn schuilplaats en toch — hoe uitstekend leidde hij van uit zijne vrijwillige plaats der ballingschap, zijne gemeente.

In zijn bisdom was verdeeldheid, ilen twistte over het weder opnemen der ketters en er was een schisma ontstaan '). De ziel van de scheuring was de presbyter Novatus en diens werktuig do diaken Felicissimus.

In 251 kort na Paschen kwam Cyprianus terug iu zijn gemeente. Hij riep een concilie van Afrikaansche bisschoppen bijeen om te spreken over do afgeval-lenen (de lapsisj. Men besloot, den libellatici (afvalligen) die slechts geschreven hadden, den keizer gehoorzaam te zijn, vergiffenis te schenken na berouw betoond te hebben en hen weder op te nemen, en evenzoo te handelen jegens hen die in doodsgevaar aan heidensche offers hadden deelgenomen, maar dat afvallige priesters onverbiddelijk ontzet bleven uit hunne waardigheid. Die bepalingen waren noodig, daar de belijders en martelaars, tijdens de afwezigheid van Cyprianus, misbruik hadden gemaakt van hun recht afvalligen weder op te nemen. Zeer streng trad Cyprianus op in geschriften tegen de afvalligen, maar zijne praktijk was anders. Dat deed hem goed, toen het schisma voortduurde. Het duurde niet lang of hij kreeg de goede meening voor zich, daar hij gezonden raad gaf, wijs in zijn ambt, vast van wil en praktisch was. Zijn aanzien steeg toen hij groote zelfverloochening toonde gedurende pest en hongersnood. Hij vertroostte met zijn geschrift de mortalitate (over de sterfelijkheid) en de eleemosynis (over de aalmoezen) zijn gemeente; kocht gevangen Christenen los van de Numidiers en verdedigde met goed gevolg (ad Demetrianum) de Christenen tegen de beschuldigingen der heidenen, dat zij schuld der alge-meene rampen waren.

Belangrijk is de strijd van Cyprianus tegen Stepha-

') Meer hierover in liet tweede hoofdstuk vau dit werkje.

ocr page 15

mis I, bisschop van Rome (254-257). Het ging om den doop van ketters en scheurmakers. Stephanus is plomp en vol van blinden ijver, rekent zich zelfs superieur. Cypri-anus antwoordt waardig en wijs, dat alle bisschoppen gelijk zijn. Over zijn idee van de eenheid der kerk en het niet opnieuw doopen der afvalligen en over de gedachten zijns tegenstanders werd later beslist. Do marteldood der beide bisschoppen volgde te spoedig.

Onder Valerianus werden op het einde van 2H5 de Christenen opnieuw vervolgd. Cyprianus schreef wederom eene vertroosting de exhorratione marlyri (over do aansporing van het martelaarschap). 30 Augustus 257 werd hij gegrepen en verhoord. Men eischte, dat hij den goden zou offeren. Hij weigerde. Zijne verbanning naar de woeste plaats Curubis, een dagreis van Carthago, volgde. Vergezeld van zijn diaken en levensbeschrijver Pontius') blijft hij daar een jaar, vertroost zijne gemeente en ondersteunt haar met geld. Kort na zijn aankomst te Curubis had hij een droomgezicht, dat hem een bloedig einde voorspelde. Een jaar echter moest hij nog wachten.

Een nieuw Keizerlijk edikt beveelt alle geestelijken te dooden. Cyprianus wordt naar Carthago gevoerd. Wederom vraagt men hem den goden te offeren. Hij weigert en wordt 14 September 258 veroordeeld tot den dood door het zwaard. Na de uitspraak roept hij uit: „God zij dank!quot;

Eene onafzienbare menigte vergezelde den bisschop naar het schavot, dat op korten afstand voor de stad was opgesteld. Er op geklommen, ontkleedde hij zich zelf, knielde en bad, waarop twee zijner geestelijken hom den blinddoek voor de oogen bonden. Voor hij stierf liet hij den beul, die van ontroering sidderde, nog 25 goudstukken betalen.

Dicht bij het schavot is de plaats waar eenige getrouwen zijner gemeente hem begroeven. Later bouwde men daar kerken tot zijn gedachtenis, die in den tijd der volksverhuizing door de Vandalen verwoest zijn.

De brieven en geschriften van Cyprianus zijn her-

') el'. S. Thasci CiK'dli Cypriani opera, omnia recensuit et commentario critico instruxit Guilehrms Hartel. 190 v.v. Weencn 18ö8. (Weencr academie van Wetenschappen).

ocr page 16

A

haaldelijk uitgegeven, daar men steeds veel belang in hem stelde. Onze landgenoot Erasmus deed o. a. oenige zijner werken drukken (Bazel 1025) en Reuch-lin wijdde aan hem een studie: de doctrinaCypriani. Naast de uitgaven en studiën verschenen zeer vele vertalingen, waarvan de Engelsche wellicht het talrijkst zijn. Aan den vertaler van het werkje van Dr. Reinkens is slechts eene Nederlandsche vertaling van de mortalitate bekend, een zeldzaam boekja uit 1597, waarvan het titelblad luidt: Een heerlick Sermoen ofte Predicatie Cypriani/ bisschop van Carthago ' beroerende die Sterdicheyt. Allen Christenen seer troostelick ende stichtelick/ in tijde van een groote sterfte/ oft Peste. Op nieuws wt de Latijnsche sprake overgeset/ in onse Nederlantsche tale door T. R. B. t'Amstelredam. Door Lauwerens Jacobsz. Boeckver-cooper opt Water/ By de oude Brugghe/ In den vergulden Bybel 1597.

De beste editie blijft die van Wilhelm Hartel.

ocr page 17

INLEIDING.

Cyprianus, de machtige bisscliop van Carthago togen het midden der — derde eeuw, — een grooto naam, zeer beroemd ia de christelijke oudheid, te allen tijde zeer gëeerd in de kerk, geteld onder hare heiligen, hoewel door den Paus in den ban gedaan en een onbekeerde dwaalleeraar wat betreft het noodzakelijkste sacrament, den doop, — wordt ook thans nog dikwijls aangehaald in den strijd over de almacht des pausen en zijne goddelijke praerogatieven dor onfeilbaarheid. De Ultramontanen vereeren in hem de onvervalschte stem van het Evangelie voor do leer van het bestuur en do eenheid der Kerk, terwijl hun zijn hiërarchische neigingen sympathiek zijn. Indien nu hier wordt beweerd dat hij ook als getuige voor de goddelijke instellingen in de Kerk een feilbaar mensch was, wordt daardoor nog volstrekt niet toegegeven, dat hij misschien voor de beweringen der Koomsche hoftheologen getuigt, liet hen heeft hij niets gemeen. Feilbaar was hij. Zonder hier in te gaan op zijn mooning over den kinderdoop, zij slechts dit opgemerkt. De wonderen, waarover hij in zijn geschrift De Lapsis spreekt en die geschied zijn aan nog niet door boete verzoende gevallenen met het oog op het avondmaal, zijn klaarblijkelijk zoo tegen den geest van het Christendom, en dat eene aan een onmondig kind, dat in schijn aan een afgodenoffer heeft deelgenomen, is zoo dwaas, dat het ons stellig veroorloofd is, ook de gedachten van Cyprianus na te gaan bij het licht van het Evangelie. Zijn geschrift aan Demetrianns is in dat opzicht ook leerrijk. Cyprianus verklaart daar het gebrek aan regen in den winter en aan warmte in den zomer, de matheid der zonnestralen, de onvruchtbaarheid der plantengroei, de geringe opbrengst der mijnen, het vroeg grijsworden en uitvallen der haren enz., uit het oud worden der wereld. „Alles wat nu geboren

ocr page 18

wordt, ontaardt door den hoogen ouderdom der aarde.quot; Een duidelijk groote dwaling van den vromen Kerkvader. Dat staaltje zij hier genoeg.

Desniettemin blijft hij een belangrijk getuige van de opvatting der beste Christenen zijns iijds, over het wezen en de eenheid der Kerk. Hij is een ernstige leerling van Tertullianus, met wien hij zeker en beslist in de voetstappen der apostolische traditie treedt, en bemint de waarheid tot aan zijn marteldood. Zijn zuivere natuur kan zich zelfs in zi jn leer over de afzonderlijke kerken en liare eenheid, niet losmaken van het apostolische leven in de eendracht, zooals de eerste christelijke gemeenten dat openbaarden, hoewel hij er eene juridisch-hierarchische idee onder door laat loopen.

ocr page 19

EERSTE HOOFDSTUK.

Over de eenheid der afzonderlijke kerken.

§ i.

Een vergeten Onderscheid.

Al wie in staat is ccn schrijver te begrijpen volgens den geest van zijn tijd en zijn individueclen stijl, zal na hot lezen der opstellen en brieven van Cypri-anus, niet weinig zich erover verbazen, dat do ultramontanen dat volstrekt onafhankelijk karakter in loeencil van zijn open/ijken breuk met Rome en in iceer-icil van zijn bijzondere en duidelijke veru:erpinrj vaneen ahjemeenen bixschop, hetgeen hij positief en negatief verklaart, tot aanhanger van hun paus-systeem maken. ])e oplossing van het raadsel is, dat zij alles, wat Cyprianus zegt over de eenheid der afzonderlijke kerken op de geheele kerk overdragen. Zij hebben een groot onderscheid, dat bij dezen schrijver vast te stellen is, overgeslagen. Want men moet bij Cyprianus zorgvuldig onderscheiden de eenheid in een en dezelfde gemeente met een hoofd en vele leden en do eenheid van alle gemeenten met betrekking tot elkander, — den inwendigen vrede eener Christelijke stad en den vrede der Christenen dor ganscho aarde, zoover het Christendom reikt. In zijn beroemd werk over de eenheid der katholieke kerk, wordt bijna uitsluitend gesproken over de eenheid der afzonderlijke genieenten, den vredo in eóne diocese, zooals wij thans zouden zoggen. Overal toch waar do nadruk gelogd wordt op de eenheid in priignante beteekenis en het heil der zielen daarvan afhankelijk gemaakt, bedoelt Cyprianus slechts de eenheid der (jemeente aIs- lichaam op zichzelf, niet de corporatieve oenheid van alle kerken, waardoor de deelname aan een ideale eenheid van alle Christenen bedoeld wordt. Eveneons wordt, waar de gedachte aan do eenheid der kerk

ocr page 20

8

een juridischen vorm, men zou kunnen zeggen schakeering, aanneemt, waar slechts een glimp van een juridische beschouwing zich vertoont, steeds gedacht aan een afzonderlijke gemeente op ziclizolf.

Men zou echter kunnen meenen, dat de eenheid der gcheele kerk het gevolg is van de eenheid eener diocese, dat de qualiteit, do wezenlijke geaardheid der eene ook die der andere is. Verstandelijk, logisch moest het zoo zijn. Maar Cyprianus heeft die consequentie niet getrokken. Onmiskenbaar lijdt hij aan tegenspraak; maar de ernstige geschiedvorscher heeft daarmede niets te maken: hij vraagt niet wat de groote bisschop van Carthago had moeten leeren, maar wat hij geleerd heeft.

Die opmerkingen schenen belangrijk genoeg onder een afzonderlijken paragraaf gebracht te worden.

8 2.

De eenheid der afzonderlijke kerken.

Zooals ook reeds Cyprianus het wezen der eenheid der kerk in het algemeen heeft doen uitkomen en geschilderd en daardoor steeds het eeuwige in het oog moest houden, is hij toch bij hare zichtbare, uiterlijk waarneembare inrichting, tot iels toevalligs vervallen. Hij is geen man der theorie; zijn gehcele leer is op het praktische gericht. Zijn leer van de eenheid der kerk heeft dus steeds het tastbare voor oogen. De geloovige moet weten, waar on wanneer hij zich in de eenheid bevindt. Het is duidelijk dat deze in de eerste plaats slechts in de diocese kan zijn. Hier nu kenmerkte hij het toevallige als kenteeken der deelname aan het wezen, want hij formuleerde, dat diegene deel heeft aan do eenheid der kerk, die in juridisch verband is met de persoon van den plaatselijken bisschop, die ofschoon legitiem gekozen, toch steeds toevallig is.

Hij gaat zelfs zoo ver, dat hij in zijn werk over de eenheid der kerk de woorden van Christus; „En het zal een kudde en een herder zijn,quot; laat slaan op de plaatselijke eenheid, daar hij met het oog daarop

ocr page 21

9

vraagt: „meent iemand, dat op eene plaats vele herders en meerdere kudden kunnen zijn?quot;

Daarmede komt overeen, dat hij als de oorzaak der verdeeldheid in de kerk zulke Christenen aanwijst, die zich zonder icettelijke keuze tot bisschop naast den icettujen opwerpen. Hij spreekt pro domo d. w. z. is advocaat zijner eigen zaak. Een dergelijke scheuring had namelijk zijne tegenpartij te Cartago bewerkt. Daarover schrijft hij aan zijne gemeente, aan het volk. (Brief 43.) In dien brief rekent hij het zijn tegenstanders als een misdaad aan, dat zij een deel der verscheurde broedergemeente hadden icillen wapenen tegen het {onverdeelde) priesterdom van (lod, en roept uit, nadat hij op het misbruik der afgevallenen tot dat doel en op de verdorvenheid van enkele belijders had gewezen : „God is een en Christus is een: een is ook de kerk en een de door het woord des Heeren op Petrus gevestigde stoel! Een ander altaar kan niet opgericht worden, een nieuw priesterschap niet ontstaan naast het eene altaar en het eene priesterschap!quot; Dat in zich zelf een en onverdeeld priesterschap (Sacerdotiumj met dat eene altaar bezat nu Cyprianus te Carthago volgens legitieme keuze en daardoor door eene godsoordeel, en er kan naast hem geen tweede, nieuw priesterschap (in een op geen legetieme wijze gekozen tegenbisschop) ontstaan: dat is de beteekenis en de gang der gedachte. Aan den stoel te Rome wordt daarbij in het geheel niet gedacht. Het noemen van Petrus gaat niet verder dan diens persoon. Petrus is de verpersoonlijking der eenheidsgedachte; met zijn opvolging heeft het niets te maken. Bij nauwkeuriger inzicht in den samenhang bemerken wij, dat Cyprianus in zijn geschriften nooit de bisschoppen van Rome noemt in betrekking tot de eenheid der geheele kerk. Indien de bisschop van Rome zicli ook honderd malen in kerkelijke gemeenschap gesteld had met den tegen-bisschop van Cyprianus, en dezen zelfs in den ban deed, bleef niet de bisschop van Carthago, maar de paus van Rome zelf, volgens de meening des eersten, een scheurmaker.

Wij moeten hier echter de verhouding van Petrus tot de eenheid der kerk nauwkeurig mededeelen.

ocr page 22

10

Daarvoor geeft ons een punt van aanknooping een classieke plaats uit het 4e hoofdstuk van het werk over do eenheid der katholieke kerk, waarvan do vertaling letterlijk is1):

„De Heer spreekt tot Petrus: Ik zer/ u: Gij zljt Petrus en op deze rots zal ilc mijne kerJi horwen en de poorten der hel zullen haar niet bedwingen. Uzal ik den sleutel van het hemelrijk geven en wat gij binden zult op aarde, zal ook in den hemel gebonden zijn, en wat (/ij ontbinden zidt op aarde, zal ook in den hemel ontbonden zijn. (Math. 16 : 18). Op eenen bouwt hij de kerk en ofschoon hij na zijn opstanding allen apostelen gelijke macht toedeelt en zegt: zooal* mij de Vader gezonden heeft, zend ik ook u / Ontvangt den heiligen geest: wien gij zijne zonden vergeeft, hem zullen zij vergeven zijn en wien gij ze doet behouden, hem zullen zij behouden worden, (Joh. 20 : 21—23.) heeft hij toch om de eenheid te openbaren1) krachten* zijne autoriteit het zoo geordend, dat juist deze eenheid in een haar oorsprong neemt. Geheel hetzelfde, wat Petrus geweest is, waren wel is waar ook de overige apostels, bedeeld met een gelijk aandeel van waardigheid en macht (juridisch en geestelijk), —maar het begin vangt aan bij de eenheid, opdat de kerk als de eene zou worden voorgesteld. Op deze eene kerk duidt de heilige geest in het Hooglied, daar hij onder de persoon des Heer en sprekend zegt: Eene eenige is mijne duif, mijne volmaakte, de eenige harer moeder, de uitgekozene van die haar baarde. (Hooglied 6 : 9). Wie niet vasthoudt aan deze eenheid der kerk, hoe kan hij aan het geloof vrsthouden ?■ Wie der kerk wederstaat, hoe vertrouwt hij nog in haar te zijn / Daar toch ook de zalige apostel Paulus hetzelfde leert en het geheim der eenheid aantoont, wanneer hij zegt: Een lichaam en een geest, eene hope uwer roeping, een Heer, een geloof, een doop, een God!quot; ') Het is onloochenbaar, dat de bedoeling dezer plaats is het bewijs te leveren, dat Christus leert, dat de eenheid tot het wezen der kerk behoort en deze leer aanschouwelijk maakt door de tot Petrus gerichte

1

Steeds wordt geciteerd naar de uitgave van Willi. Hartel, vroeger genoemd.

ocr page 23

11

woorden. Even onloochenbaar is het, dat slechts van Petrus en niet van diens oproltjer* sprake is1).

Staat nu de bedoelini;' dezer plaats vast, dan is het tevens duidelijk, dat Cyprianus op stellige wijze de beteekenis van den apostel Petrus voor het begrip der eenheid tracht te begrenzen. Het doet het op twee wijzen. Ten eerste wijst hij beslist de voorstelling van de hand, dat Petrus in betrekking tot de eenheid der kerk zou staan door zijn voorranrj in icaardicjheid of zijn recht ■smacht boven de overige apostels; neen, zij hebben geheel hetzelfde lot van uctardirjheid en macht, zij zijn voor de kerk, juist hetzelfde, wat Petrus is. Hij, die beweert, dat hier door Cyprianus de ultra-montaansche leer wordt voorgedragen „de eenheid der kerk heeft haar principe in Petrus, in wien al hare macht, hare waarheid en genade zich concentreert,quot; toont niet in staat te zijn den eenvoudigsten samenhang eener plaats te begrijpen. Geen der apostels ontvangt van Petrus, als de gewaande bron der kerkelijke macht, zijn eer en aanzien: zij allen bezitten de onverdeelde erfenis (consortium) op gelijke wijze, geheel en onmiddellijk van Christus-). De Roomsche vervalscher dezer plaats heeft het erkend, door een ontwijfelachtige uitdrukking te schrappen en een ruwe toevoeging, die het tegendeel bevat, neer te schrijven. Ten tweede beperkt de heilige Cyprianus do beteekenis van Petrus voor de eenheid der kerk door te verwijzen naar de leer van Paulus, daar hij vermeldt, dat de eenheid ,,een geheimquot;, derhalve in haar wezen iets innerlijk* moet zijn, hetgeen dus niet door Petrus bepaald kan worden. In de Paulinische voorstelling van de werkelijke openbaring dor eenheid, ontbreekt Petrus; dat is voldoende. De beteekenis van Petrus heeft dus volgens de opvatting van Cyprianus niets te maken met het principe en het wezen der kerk-eenheid.

Indien wij nu onbevooroordeeld willen leeren, hetgeen een stem uit de derde eeuw tot ons spreekt,

') et'. Prof. Bolland, Polrus 011 Roino, pjr. 25, 27. Leiden 1809 cn

P. J. van Harderwijk, Petrus en hel Primaat van Home, pg'.

41 v. v. Uottcrdam J8!)!).

2) Zie aanhangsel, pag. Gl.

ocr page 24

12

dan blijft slechts het volgende over. Niet het centrum, veel minder het beginsel der eenheid van de cjeheele kerk is Petrus voor Cyprianus, maar het symbool voor de leer van Christus, dat de a fzonderlijke fiemeente door zich zelf' een is en deze eenheid door haren eenen legitiem gekozen bisschop wil voorstellen. Petrus heel't weliswaar in zijn persoon deze zinnebeeldige, symbo-liseerende kracht der eenheid, niet zijn opvolger. Indien iemand de zinsnede: „Oorsprong (origo) der eenheid uit eenenquot; wilde geweld aan doen en uitleggen, dat Petrus de oorsprong der eenheid is, uit wien zij voortkomt als uit hare oorzaak, zou hij, zelfs indien hij origo met het praedicaat incipiens = beginnend, niet kon begrijpen, spoedig tot een beter begrip komen, daar Cyprianus in het volgende afwisselend zegt: .,Het begin (exordium) gaat uit van de eenheid (zuiver als getalhetgeen slechts kan beteekenen: De kerk begint als eenheid op een punt, niet in een verdeelde gemeente, niet in de scheuring van broeders die op een plaats verzameld zijn. De uitlating, dat Christus bevolen heeft, dat de kerk als eene eenige in oeu haar oorsprong moest nemen, heeft dus in het geheel geen betrekking op de oorzaak der eenheid, — niet op hei principe en Kezen der eenheid.

Op een andere plaats gebruikt Cyprianus nogmaals Matth. 16 : 18, om de goddelijke regeling in de kerk te staven. (Brief 33). Hij gelooft, dat daar de waardigheid en plaats van eiken afzonderlijken bisschop en de rechtsverhouding der diocese binnen hare bijzondere grenzen, bepaald is. Derhalve ontwikkelde zich in den loop der tijden en door het op elkander volgen de ordening der bisschoppen en de inwendige rechtsregeling dor kerk, zoodat deze op de bisschoppen gegrondvest en door hen als hoofden elke daad der kerk bestuurd werd. Hetgeen nu de Heer tot Petrus spreekt zegt den heiligen Cyprianus slechts dit, dat de eenheid van elke diocese bedingd wordt door de bisschoppelijke rechtsregeling daarin, niet door de afhankelijkheid van den bisschop van Rome als opvolger van Petrus.

Cyprianus ziet dus in de tot den apostel gerichte woorden des Heeren (Matth. 1G : 18j, niet de noodzakelijkheid van een juridischen samenhang en vol-

ocr page 25

1 O

lo

komen afhankelijkheid maar iets ideaals, dat betrekking heeft op de eenheid van eiken bisschop met zijn gemeente (kerk), daar in hem de gemeente zich als kerk voelt en voordoet. Matth. 1(5 : 18 wordt in brief 3;3 aldus ingeleid: Onze Heer, wiens voorschriften wij moeten vreezen en opvolgen, het ambt van bisschop en een regeling zijner kerk instellende, spreekt in het evangelie en zegt tot Petrus: Ik zal u geven enz. Die woorden worden tot iederen bisschop gericht van oen afzonderlijke kerk, wier innerlijke rechtstoestand daardoor geschapen wordt.

Niet als centrum van almacht, waaruit elke kerkelijke macht voortkomt, wordt Petrus voorgesteld, maar als een ideaal begin, om de eenheid der afzonderlijke gemeente te symboliseeren.

Het in stand houden der eenheid door wettige keuze en opvolging der bisschoppen.

De eenheid der diocese in haren eenen bisschop behoort voor den heiligen Cyprianus tot bet begrip der kerk. Hij definieert de kerk als „het in den priester (bisschop) een geworden volkquot; i plebs sacerdoti adunata), de kudde die haren herder aanhangt (pastori suo grex adhaerens); daarom moet men weten, dat de bisschop in de kerk en de kerk in den bisschop is.quot; (Brief 66).

Men ziet nu gemakkelijk in, van hoeveel gewicht de wettigheid van den bisschop is; indien zijne aanstelling onrechtvaardig is, niet overeenkomstig de goddelijke wet, houdt terstond de kerk, waar hij staat, op te bestaan. Bij die aanstelling is in de Afrikaan-sche kerk nooit sprake van een benoeming, bevestiging en overgave van volmacht door den bisschop van Rome, die bij dat alles geen grooter recht van medespreken heeft, dan ice/ke bisschop ook ran het oosten. Het zicaartepunt ran de bisschopskeuze Jegt Cyprianus in hef volk, de gemeente van leeken {— plebs), zooals zijn synodaal schrijven (brief G7) zonder eenigen twij-

ocr page 26

14

tel aantoont. Hij bepaalt daarin de legitimiteit eener keuze, zooals zij cohjenu God* ha cel vaststaat. Indien het Gods bevel is, dan bestaat er thans in de lioora-sche kerk — te beginnen met den paus — geen enkele wettige bisschop. De overgroote meerderheid van bisschoppen benoemt de paus alleen; hij zelf en een klein gedeelte der bisschoppen wordt door een klein aantal bevoorrechte geestelijken bij gesloten deuren en met opzettelijke verwijdering van leeken gekozen.

Hij zegt, steunende op uitspraken in het oude Testament, dat een volk, dat de bevelen des Heeren ge-hoorzaamt en God vreest, zich moet afzonderen van een zondigen opziener en geen deel hebben aan het offer van een heiligschennigen bisschop en dat het in het bijzonder de macht heeft iraarduje bisschoppen te kiezen en oniraanli(/e af te u: ij zen '*). Daardoor heeft de S'omeente van leeken niet alleen een veto maar ook het positieve suffragium (stemrecht), geen paus, geen hierarchic kan dus oen bisschop opdringen. Want door goddelijke autoriteit is het bepaald, dat de bisschop in tegenwoordigheid des volks voor aller oogen gekozen en de waardige en geschikte door het openbaar oordeel en getuigenis aangewezen wordt. Slechts in dat geval is de keuzo rechtvaardig en wettig. Zoo hadden de apostelen reeds gehandeld bij het kiezen van een plaatsvervanger van Judas, toen alle ge-loovigen aanwezig waren (turba in uno). Eu voo^t hij er bij: In de Afrikaansche kerk en bijna in alle provincies heeft men zich volgens goddelijke overlevering en apostolische gewoonte eraan gehouden, dat om naar behoorlijk godsdienstig gebruik (rite) bisschopskeuzen te houden bij de gemeente aan wier hoofd een bisschop moest geplaatst worden, de naastbij wonenden bisschoppen tezamen kwamen en de keuze dan geschiedde in tegenwoordigheid van het volk, dat het leven van elk afzonderlijk het best kende en ieders handel en wandel doorzag.

De tegenwoordigheid van het volk is geen ijdel

;?) .... qu.nido ijisn, (plebs) maxime habeat potcstatem vel cligcndi dignos sacerdotes vel indignos recusandl.

ocr page 27

passief moment, het speelt niet den rol van toeschouwer, maar treedt handelend op, werkt beslissend op de keuze, niet alleen door zijn Veto (ik verbied), maar door zijn positief stemrecht, hetgeen Cyprianns hem steeds toekent, terwijl hij der geestelijkheid het Testimonium (bewijs van goedkeuring), den aanwezige bisschoppen goede raadgevingen en de voltrekking der aanstelling toewijst (Brief 55). Zoo zeer legt hij den nadruk op den beslissenden invloed des volks op do keuze, dat hij do bewijzen voor zijn eigen wettigheid opsommende en geldig makende (Brief 59), in het geheel niet spreekt over Clerus en bisschoppen, maar slechts vermeldt, dat hij gekozen is in plaats van den overleden bisschop van Carthago, zonder oneenigheid bij de keuze door de stem van hef geheele quot;volk (universi populi sutt'ragio).

Hetzelfde gewicht, dat thans de aanhangers der onfeilbaarheid hechten aan de stem van den bisschop ran Jioine, legde Cyprianus aan de volksstem: hij hoorde daarin (rods stem. Het kiesrecht des volks was hem een Godsoordeel (Dei judicium. Brief 68; divi-mun judicium, Brinf 59). Een wettig gekozen bisschop is door Christus zelf' daartoe aangesteld, die hem zal wreken, indien iemand het waagt hem te verachten (Brief 0(5). Wie hem oordeelt, werpt zich op tot rechter over Christus. Hij is van oordeel, dat ook de persoon, waarop de keuze des volks valt, en die op zich zelf toevallig is, door God positief tot bisschop verkoren is: indien geen muschje zonder Gods wil op aarde valt, wordt ook niemand zonder zijn wil bisschop (Br. 59 en 66). Het is godslasterlijke vermetelheid en eene lage gedachte, te meenen dat iemand bisschop wordt zonder een Godsoordeel (Br. 59). God greep dus volgens zijn meening zelf onmiddellijk in bij elke bisschopskeuze om de eenheid der kerk in een toevallige, door allen waarneembare persoon voor te stellen en duidelijk te maken.

Tengevolge van deze meening stelt hij vast, dat zoodra iemand bisschop geworden is door het getuigenis en oordeel der provinciale bisschoppen en door de gemeente der leeken, in geen geval een tweede kan worden aangesteld (Br. 44). Waar dat toch geschiedt

ocr page 28

lü

is haoresio 1), een verderfelijke factie voor de kerk. Hij zegt: daaruit ontstonden scheuringen en haeresie en ontstaan zij nog, dat de bisschop die eenkj is en aan het hoofd der kerk geplaatst werd, door do trotsche aanmatiging van zekere lieden veracht, en de man, die door het genadig oordeel Gods met eer bekleed is, door de menschen onwaardig geoordeeld wordt. De bijen hebben een koningin en de kudden een herder: door trouw blijven de roovers eensgezind: zij allen zijn daarom beter dan die Christenen, die den bisschop zijn goddelijke wijding bestrijden en hem niet voJgen (Br. GG). Een tegenbisschop en diens partij zijn voor Cypiranus terstond buiten de kerk; zij verliezen de genadeschatten en elke gemeenschap met de Christenen ^Br. G9).

§ 4.

Tegenspraken.

Het kan niet ontkend worden, dat do leer van Cyprianus over de eenheid der gemeente bijzonder eenvoudig was en zeer practisch voor het beantwoorden der vraag, of iemand deel heeft aan de eenheid der kerk. Deel aan de eenheid heeft hij, die den bisschop volgt; is de bisschop gestorven, dan komen de naastwonende bisschoppen bijeen en spoedig wordt door de geheele gemeente heen de siem Gods luid en duidelijk gehoord in de stem des volks, die den door Christus zelf direct aangestclden opvolger bij name noemt en de bisschop, de tastbare band der eenheid is er weder. Dat is duidelijk voor ieder, de band tastbaar voor elke hand. Maar is het waar, dat die band der eenheid niet kan scheuren? Indien b. v. de stemmen staken en er geen eenstemmigheid kan komen, waar is dan Gods stem? Bovendien heeft niemand het recht bij een bisschopskeuze een speciaal wopder, „inspiratie der massaquot;, aan te nemen.

Cyprianus verkondigt de stelling, dat een gevallen

1

Haeresie beteekent bij Cyprianus oneenigheid met den legitieuien bisschop, niet afwijken van het geloot'.

ocr page 29

bisschop, d. w. z. een die uit vrees voor den dood tijdens de vervolging ontkent Christen te zijn, of zelfs den schijn der verloochening aangenomen heeft, zijn hisschopjielIjk amht verliest en het nooit herkrijgen kon. (Br. üf) en 67). Indien zulk een bisschop zijn val ernstig betreurt en zwaar ervoor boet, mag hot volk toch niet dulden, dat hij in zijne waardigheid blijft; het moet hem ontzetten en „zich van den zondigen opziener afscheidenquot; en een nieuwen kiezen. Dat is een tegenspraak met de meening, dat God zelf door de stem des volks den bisschop aanstelt, de benoemde dan echter God alleen verantwoordelijk is voor zijne daden en geen rechter op aarde heeft, zooals Cyprianus leert: het is een tegenspraak met de stelling, dat Christus zelf onmiddellijk (praesentia sua = persoonlijk tegenwoordig) naar eigen wil en de bisschoppen en de kerk in hare bisschoppen bestuurt (Br. (id). Slechts oudtestamentische uitspraken weet Cyprianus voor zijne meening aan te voeren; het Nieuwe Testament spreekt duidelijk in tcgenover-gestelden zin (Joh. 21 ; 15—17).

Een tegenspraak, die inderdaad de theorie geheel vernietigt, is de volgende. Cyprianus ziet de veelgeprezen eenheid dor gemeente in de erkenning der wettigheid des bisschops en in de juridische gemeenschap met hem in leer, cultus en bestuur. Verder is hij ervan overtuigd, dat in de gemeente het wezen der katholiciteit zich het best openbaart; in haar moet dus de eenheid zoo te voorschijn komen, als zij zich in de vereeniging van alle gemeenten voordoet. Consequent zou het dus zijn, indien hij ook de eenheid van alle gemeenten onderling erkende door de verbinding met een gekozen bisschop der bisschoppen. Maar zooals later blijken zal, leert hij juist het tegendeel. liet wezen der eenheid moet in het kleine zoowel als in het groote hetzelfde blijken. Waarom zou het onmogelijk zijn, de veelheid der bisschoppelijke diocesen in aanmerking genomen, dat een in tweeën gedeeld werd zonder gevaar voor de eenheid ? Cyprianus is daarom tot zijne theorie gebracht^mdat hij een wapen noodig had tegen zijn tegenbisschop. Tegen dezen heelt hij de praktische gevolgtrekking

ocr page 30

18

gemaakt uit zijn begrip van de eenheid der kerk, waarin tevens het absolute kerkbestuur wortelt. Do twee gedachten: de bisschop is door God aan het hoofd der gemeente gesteld in een bepaalde, maar op zich zelf' toeral/ijje. persoon en ten tweede; hij is derhalve voor al zijn duden slechts God verantuoordhuj schuldifj, die alleen zijn rechter is, — sluiten het onverbiddelijk despotisme in zich. Maar het leven der gemeente in haar zelfbestuur was in de derde eeuw ook een Cyprianus nog te machtig, dan dat hij het door een in den strijd om een bisschopsstoel verzonnen theorie, die steun moest vinden in het Oude Testament, had kunnen aangrijpen. Het zal blijken, hoezeer hij dat leven achtte.

§ ij-

De verhouding van den bisschop tot de gemeente.

Dat de leeken feitelijk de cjemeente zijn, het (jelonrhje volk, niet do clerus, zegt Cyprianus in brief (52 nog ondubbelzinniger dan op de reeds vermelde plaatsen. Hij geeft daar de bepaling: rI)e kerk d. i. het tot een kerk geworden volkquot; ( . . . ecclesia, i. e. plebs in ecclesia constituta). Hij weet niets van het offer van wil of verstand door den geloovige aan de hierarchie. Wel kent hij de „waardigheidquot; en het „rechtquot; van het Christelijke volk. Hij leert een priesterlijke autoriteit en macht, maar slechts in verbinding met do onvergankelijke majesteit vein het tot kerk vereenigde geloovige volk. Slechts deze incorrupta majestas der gemeente van leeken is de grond voor de waardigheid der Katholieke kerk. Cyprianus gebruikt die uitdrukkingen als algemeen verstaanbaar, die slechts iets bekends aanduidden, om te zeggen, dat die waardigheid en majesteit tegelijk met de priesterlijke autoriteit en macht verloren gingen, indien de bisschop als vertegenwoordiger der kerk toestond, dat zij die geen lidmaten der kerk waren, over hem oordeelden (Br. 59), De majesteit der kerk en van het geloovige volk, dat de kerk vormt, is onvervreemdbaar, daar zij berust

ocr page 31

iö

op onze verhouding tot God, als kinderen tot den vader. Daarom reeds behoeft de bisschop zich niets onwaardigs van buiten af te laten welgevallen, dewijl daardoor de waardigheid van het door hem vertegenwoordigde volk gekrenkt wordt. Nergens beschouwt Cyprianus het bisschoppelijk ambt als doel op zich zelf, als voorwerp van hulde, waarnaar de vroomheid wordt afgemeten; het valt hem niet in ter wille van do majesteit dor kerk, die zich vertoont in den heerschers-praal en macht der bisschoppen, het voor hen in het stof knielende volk voorbij te zien. „Ik kan minachting Vein mijn bisschoppelijkambtquot; (in de gemeente) schrijft hij, (Br. 16), „voorbij zien, ik kan haar verdragen en heb haar door de vingers gezien en verdragen; maar het gaat niet meer, daar de broederen bedrogen wordenquot; (door de praktijk der confessoren, schadelijk voor het werkelijk heil der afgevallenen). Het heil der gcloovigen, niet de gedachte aan zijn bisschoppelijke waardigheid, was beslissend voor zijn handelen. Hij meende geroepen te zijn de kerkelijke majesteit van het geloovige volk te erkennen in de herstelde gelijken is met God en de gemeente dienend daartoe mede te werken, dat de gelijkenis tot gelijkheid in het licht en in de kracht der waarheid verheerlijkt werd. Verlichting des verstands door onderwijzing en versterking der wil door verscherping van het bewustzijn der zedelijke zelfverantwoording, d. w. z. door vermeerderde waakzaamheid van het geweten, was zijn streven, zijn vreugde; maar de stank dei-vertering van een afgestorven verstand en een gehoorzaamheid van een lijk (perinde ut cadaver1), zooals thans onder de tegenwoordige hierarchic ontstaan is bij het Christelijk volk op straffe van ex-communicatie, zou hora met ontzetting hebben vervuld.

Maar de majesteit van het geloovige volk beschermt het niet alleen tegen verkrachting zijner menschelijke waardigheid en zijner zedelijke natuur, maar geeft hem ook het recht mede te werken en te beraadslagen in alle kerkelijke belangen. Wegens zijn geloof en zijn godsvrucht komt hem deze eer toe (Br. 19). De bisschop

1

Vertaler.

ocr page 32

■20

óp zich zelf is niets; clerus en volk vormen een gemeente (Kerk) ook bij het open staan van een stoel, terwijl do bisschop zonder clerus en volk niets is. Niet hij, maar de gemeente is de kerk, de moede}-. Toen Cyprianus tijdens zijn vrijwillige banning aan zijn geestelijkheid schreef, dat hij bij zijn terugkeer over de wederopname der gevallen zou beraadslagen, drukte hij zich zoo uit, dat het geschieden zou, „wanneer hij door Godsgenade weer opname gevonden had in den schoot der moeder, der Kerk (Br. l(i). Do gemeente is zijn moeder; niet hij de moeder der ye-meenfe*). Daarom is het hem een gewetenszaak, dat de gemeente vreugde en eer geniet, niet dat hij van de gemeente eerbetoon ontvangt. Aan de vreugde der gemeente, zegt hij, heeft de bisschop het grootste aandeel; haar roem is tevens de room van haren opziener-), —- eene stelling die do tegenwoordige bisschoppen juist omkeeren.

De waardigheid en eer, die ieder Christen van den bisschop tot den geringston geloovige bij God en do menschen bezit, eischt voor alles de deelname van allen aan het bestuur der gemeenschappelijke kerkelijke aangelegenheden. „Ik heb sedert het eerste begin van mijn bisschoppelijk ambt,quot; — schrijft Cyprianus (Br. 14), „deze grondstelling voor vast aangenomen, niets zonder den raad der priesters en diakenen, niets zonder de toestemming des rolks 'de leekeni alleen naar eigen goedvinden te doen. Wanneer ik dus tot u kom, zullen wij, zooals het ieders eer van ons eischt, tezamen beraadslagen over hetgeen geschied is en geschieden zaP).quot;

De confessoren hadden den afvalligen der gemeente van Carthago vrede geschonken, d. w. z. hen weder opgenomen in het volle genot der kerkelijke gemeenschap, en het den heiligen Cyprianus aangezegd. Deze achtte het een onrecht, daar de confessoren, die niet de geheele kerk, maar een deel van haar waren, zich een recht hadden aangematigd, dat slechts de

') Thans is de. bisschop on vooral do, paus do. moedor.

2) cedosiao cnim gloria praopositi gloria est. Briot' 13.

3) Do tegenwoordige bisschoppen zonden daarin den ondergang der kerk zien. Vgl. Br. 43.

ocr page 33

21

gcheclc gemeente toekwam. De ex-commnnicutie uit-uitspreken of' opheffen konden zij evenmin ulleen als de bisschop. Daarom antwoordde Cyprianus in een brief (2\i) aar zijn clerus: „ Dat in een zaak, die onder de algemeene herciadslctci'mg en het besluit ran ons allen ralt; daarom iraacj ik het niet alleen vooruit een oordeel te rellen en alleen een zaak te beslechten, die der yansche gemeente behoort*).quot;

Ook over geestelijken wil hij noch alleen oordeelen noch zich tevreden stellen met den raad zijner collega's, maar eveneens met do geheole gemeente van leeken (cum plebe ipsa universal daarover beraadslagen.

Zelfs zijne geestelijken van den laagsten rang kiest en wijdt de bisschop niet volgens eigen zelfstandig besluit. Cyprianus schrijft aan den clerus en het volk (Hrief 38); „Bij de wijding der priesters, zeer geliefde broeders, zijn wij gewoon te voren raad te vragen en het zedelijk karakter en de verdienste (van den candidaat) in gemeenschappelijk overleg af te icegen fcommuni consilio pouderare).quot; Gedurende zijn ballingschap heofc hij eenmaal zich veroorloofd van dezen regel af te wijken, toen hij don geloovigen Aurelius, zonder te voren den raad der gemeente in te winnen, tot lector aanstelde. AVegens deze afwijking rechtvaardigt hij zich voor de geestelijkheid en het volk, niet door do bewering, dat de bisschop de macht heeft zijn clerus te wijden en aan te stellen, maar door de tijdsomstandigheden, die de overhaaste benoeming noodzakelijk en een gemeenschappelijk overleg onmogelijk maakten-).

Tucht, boete en benoeming van kerkdienaren vfvn den hoogsten tot den laagsten graad, en alles, wat de

') Zie aanhangsel pag'. 61.

*) Iedere geestelijke werd slechts voor een bepaald ambt gekozen en gewijd. Het misbruik, dat thans zeer sterk in Rome heerscht, waar men zelfs presbyters en bisschoppen met gefingeerde namen schept en wijdingen zonder rede van bestaan toedeelt, waarbij zelt's de momentane uitoefening van een ambt geveinsd wordt, was der Christelijke oudheid vreemd, liet Lectoraat was een ambt van zeer lagen graad en Cyprianus geloofde het niet te kunnen verleenen zonder de toestemming dor gemeente. Thans verkondigen de bisschoppen den ondergang der kerk, wanneer zij geen presbijter wijden en geen priester benoemen kunnen zonder de wil der gemeente.

ocr page 34

bisschop in het algemeen in de gemeente deed, was zaak van gemeenschappelijk overleg en besluit van allen. Zelfs te Carthago, wiiar tegen het midden der derde eeuw Cyprianus, de man die het meest hiërarchisch was aangelegd, bisschop was, die niemand voor een Christen hield, die niet met den bisschop zijner diocese op voet van vrede stond, had de regeerinp; en het bestuur der kerk een echt demokratisch karakter.

Het volk was niet het bloote materiaal tot bevrediging van geestelijke heerschzucht en begeerte naar geld, maar had in alles recht van spreken en handelen. Maar deze Demos (= plebs, volk), hoewel door de Latijnen steeds plebs genoemd, was inderdaad volstrekt geen gepeupel, waarvoor een kapelaan, een priester, een bisschop en ten slotte een paus dacht en wilde, maar het volk Gods vol majesteit en waardigheid, ..een Koninklijk en priesterlijk geslacht,quot; met een eer, die door geen hier archie kon en mocht vervreemd icorden. Wie Christen was, was ook van vrijgeboren, koninklijk geslacht in het rijk des geestes, in het rijk Gods, waarin geen heerschers en slaven zijn en geen huwelijk „ter linker hand.quot; Do cultus van waardigheden, dien thans de heerschers en de geheele clerus voor zich alleen houden, het eeuwige tituleeren, buigen en deemoedig zijn der leeken voor de geestelijken tot den voetkus bij den paus, zou toen verafschvicd zijn geworden als heidensch en onchristelijk. De bisschop, die was wat hij moest zijn, werd het voorwerp der liefde en vreugde zijner gemeente, niet het idool van onwaardige handelingen terwille van zijn ambt. Toen de lieden voor den apostel Paulus nederknielden, schrok hij, wees hen af en verklaarde, dat hij een mensch als anderen was; toen do geloovigen echter hem uit liefde omhelsden cn uit vrees, dat zij hem niet zouden wederzien, weenden, was hij niet vertoornd. De heilige Cyprianus stelt zich do vreugde in de Roomsche gemeente bij den terugkeer van don trouwen belijder cn bisschop Lucius naar Rome zoo voor, dat het bijna te veel zou zijn om aan te zien, dat het volk zich nauwelijks kon verzadigen hom te aanschouwen. Maar Lucius was geen wereldbcheer-

ocr page 35

23

scbende paus, doch do ootmoedige bisschop van Rome, een bisschop zooals elke andere.

Bisschop, clerus en volk zijn niet door een uiterlijke verhouding, als door een bevel en gehoorzaamheid, maar door innerlijke overeenstemming een. Thans is hot volkomen omgekeerd. De bisschop schept niet de eenheid door gezag, waarvoor allen sidderen en willoos tot een rjeheel worden, veeleer vindt de eenheid der gemeente, die opbloeit in begrijpen en liefde uit het aan allen gemeen kind-zijn van God, in den bisschop voor zoover hij van harte een voorbeeld zijner kudde is, hare uitdrukking; hij is niet de oorzaak, maar de uitbeelding der eenheid.

ocr page 36

TWEEDE HOOFDSTUK.

De eenheid der geheele kerk.

§ i.

Petrus zonder wezenlijke betrekking tot de eenheid der geheele kerk.

Van ccne eenheid van allo kerken tezamen door ondergeschiktheid aan den bisschop van Rome weet Cyprianus niets; noch door absolute, noch door reprae-sentatiove positie van den bisschop van Rome, laat hij de eenheid der kerk ontstaan of behouden. Overal waar hij den apostel Petrus in een betrekking tot de eenheid dor kerk opvat, is slechts van de persoon van Petrus sprake en is er niet de geringste aanwijzing, dat de een of ander zijner opvolgers in dezelfde verhouding staat. In het bijzonder geldt dat steeds, indien hij de grondvesting der kerk op Petrus doet uitkomen (b.v. Br. 59 aan den Roomschen paus Cornelius) ; nooit neemt hij den bisschop van Rome in aan-merTiincj, alsof deze de voortzetting der grondlegging der kerk voorstelt. Zulk een gedachte ligt hem zeer ver. Ofschoon hij eenmaal (Br. (56) de bekende plaats Joh. VI ; 68 in strijd met de uitlegging der overige kerkvaders der derde eeuw zoo verklaart, dat hij de kerk op Petrus laat gebouwd zijn, terwijl hij anders de algemeene opvatting deelt, volgens welke Christus de rots is (Rr. 63), verzuimt hij toch niet, zelfs door den grammatischen vorm der uitdrukking, elke gedachte aan eene voortzetting van de grondlegging in de bisschoppen van Rome onmosrelijk te maken. Want hij zegt niet, dat de kerk op Petrus gebouwd wordt, zelfs niet, dat zij op hem gebouird is, maar: „de kerk icas op hem gebouwd geweestquot; (Br. 66: super quem (Petrum) aedificata fuerat ecclesia, cf 59.), d. w. z. dat het bouwen der kerk op Petrus een op zichzelf

ocr page 37

25

staande en voorbijgaande handeling was, een begin dat niet kan worden herhaald. Uitdrukkelijk laat Cyprianus het in dien brief (66) slaan op de afzonderlijke gemeente en op eiken afzonderlijken bisschop, volstrekt niet op den bisschop van Rome als zoodanig, die zelfs niet eens genoemd wordt. Een paar maal zegt hij wel is waar in het algemeen, zonder die plaats uit do Schrift nadrukkelijk te doen uitkomen, dat de Heer de kerk op Petrus gebouwd heeft, maar met betrekking tot het ambt van sleutelbewaarder stelt hij op deze plaats (Br. 73) slechts den voorrang van tijd voor Petrus op den voorgrond; wat hem het eerxt (primum)') alleen verleend was als symbool der eenheid, werd hiter allen apostelen gegeven-). Die opvatting blijkt nog duidelijker uit Br. 71. „Petrus,quot; schrijft hij, „dien de Heer hot eerst verkoos en op wien hij zijne kerk bouwde, heeft, toen in lateren tijd Paulus met hem twistte over de besnijding, zich (jeen bijzonder voorrecht driest toer/eeir/end, noch zich aan-matic/end (jedracjen, zoodat hij misschien kon hebben gezegd, dat hij het primaat*) bezat en de jont/ere en latere apostelen hem meer moesten gehoorzamen en toer/eren/ — neen, hij achtte Paulus, omdat deze vroeger een vervolger der kerk was geweest, niet gering, maar nam diens raad, die in overeenstemming met de waarheid was, aan en keurde de verstandelijke wetgeving van Paulus goed, een voorbeeld van eendracht en verdraagzaamheid gevend, opdat wij niet hardnekkig het onze beminnen, maar veeleer hetgeen ons door de broederen behulpzaam en nuttig aangeboden wordt, indien hot waar en billijk is, als ons eigendom beschouwen.quot; Hij haalt daarbij aan I Cor. 14 : 29. Niemand, gaat hij voort, heeft het voorrecht, steeds het beste te gt;reten, — de Gekst Gods OPENüAAliT zich, wien hm wil. Het woord „primaatquot; heeft op de aangehaalde plaats geen andere beteekenis dan; roorranfi in tijd. Het zou juist belachelijk zi jn het de

') In rtion {roest is in Ep. 71. (|iioni pnimim Doniinus elegit tc

verklaren. Prinnim «i'eldt van tijd.

-) De unit. eed. e. 4.

:1) Hier alleen gebruikt Cyprianus primaat in betrekking tot Petrus.

ocr page 38

beteekcnis te geven, die de ultramontunen thans or aan hechten. Noch vormelijk noch wezenlijk ontving Petrus volgens de meening van den heiligen Cyprianus iets anders, dan de overige apostelen: noch meer macht om te regeeren, noch meer aanzien, zooals do reeds vroeger vermelde aanhaling uit de Unit. Eec'. bewijst —; „de overige apostelen waren hetzelfde, wat Petrus was, bekleed met dezelfde eer en macht.quot; Wie dat niet inziet, wil niet begrijpen.

Petrus kan dus, indien hij door Cyprianus in betrekking met de eenheid der kerk wordt gesteld, slechts hot voorbeeld, slechts een symbool voor de eenheid dei-op zich zelf gedachte gemeente, niet der f/emeenteti tezamen, zijn. De gedachte van den beroemden Afrikaanschen bisschop is: Christus wilde, dat elke gemeente slechts een bisschop had en dat de kerk op elke plaats het geloovige volk. door den bisschop vereenigd, was. Daarom heeft Petrus het eerst alleen de bisschoppelijke macht of het apostelschap ontvangen; omdat er echter vele plaatsen waren, waar zich gemeenten vormden, ontvingen vele apostelen te gelijker tijd hetzelfde ambt. Of deze opvatting volgens den Bijbel juist is, is hier van geen belang; onze zaak is het de beteekcnis van Cyprianus' woorden vast te stellen.

§ 2.

Beteekcnis van den stoel van Petrus te Rome.

Hier zal niet worden ingegaan op do twistvraag, of de bisschop van Rome als zoodanig de opvolger en erfgenaam van alle rechten des apostels Petrus is, — ofschoon de schrijver van dit werk niet verbergen wil, dat hij bij zijn langdurige historische onderzoekingen mot het doel het bewijs daarvoor te leveren, zich niet heeft kunnen overtuigen, dat Petrus ooit in eigenlijken zin bisschop van Rome is geweest, hetgeen toch natuurlijk door de moeilijk aan te nemen tijdelijke aanwezigheid te Rome, nog niet is bewezen. Indien echicr Petrus nooit bisschop van Rome was, kan hij daar geen stoel met het erfdeel zijner rechten blijvend hebben opgericht.

Gregorius de Groote, paus te Rome, beweert nog

ocr page 39

27

in het laatst der zesde eeuw, dat Petrus te Rome, Alexandrië en Antiochië zijn zetel met gelijke rechten geplaatst heeft, zoodat volgens goddelijke autoriteit deze bisschopszetels en hunne bezitters op volkomen gelijke wijze den voorrang der apostelen repraesen-teeren; Cyprianus echter, toevallig of met opzet, spreekt van den stoel van Petrus te Rome en van geen anderen. Hij doet het echter slechts tweemaal in al zijn geschriften — niet „altijdquot;, zooals Peters ('pag. 36) beweert — en wel eenmaal zonder verdere gevolgtrekking, zeggende, dat Cornelius door legitieme keuze in de plaats van den vacanton zetel van Fa-bianus gekomen was, d. w. z. in de plaats van Petrus (locus Petri, ep. 55), — andermaal met eene toevoeging, die nadere verklaring behoeft.

In brief 59 namelijk wordt niet alleen de bisschopszetel te Rome „de stoel van Petrusquot; genoemd maar ook de kerk te Rome de principale kerk, waaruit de eenheid ran hef priesterdom ontstaan /*'). Het is duidelijk, dat wij aan de kerk te Rome met betrekking tot de Cathedra Petri (stool van Petrus) in den geest van Cyprianus niet meer beteekenis behoeven te hechten, dan hij zelf gegeven heeft aan Petrus. De principale kerk is de oorspronkelijke, de eerste in den tijd, en als zoodanig was die te Rome in het Westen bekend-), — niet in het algemeen dus, maar in het Westen, want de eerste was die te Jeruzalem;1). De uitdrukking ecclesia principalis door „hoofdkerkquot; te vertalen, zooals Dr. Peters doet (pag. 38), kan slechts hij, die zonder acht te slaan op het taaleigen van Cyprianus en diens tijd, zijn ultramontaansch vooroordeel erin wil leggen. Van beteekenis kan slechts do toevoeging zijn: „waaruit de eenheid van het priesterdom ontstaan (exorta) is.quot; Waar de beteekenis behoeft niet hooger geschat te worden, dan die van Petrus voor de eenheid dor kerk, d. w. z.: de kerk te Rome is tot type geworden van de eenheid van alle kerken: zooals daar in den beginne de geloovigen

') Zie, aanhangsel Jiag'. (il.

-) Zie aanhangsel pap;. (II.

:l) el'. I'. J. van Harderwijk, Petrus en het Primaat in de Oxide Kerk: cn Prof. Bolland, Petrus en Rome en Oude Gegevens

ocr page 40

28

zich om een bisschop geschaard hebben en de roeping van Petrus volgens haar ideale opvatting feitelijk hare waardeering vond, zoo hebben zich de aandere kerken naar dat voorbeeld gevormd. Indien Peters er meer in ziet dan een voorbeeld en pag. 06 schrijft: „Het overdragen der macht op Petrus is voorbeeld, richtsnoer, wortel en bron van het opzienerschap dat Avordt voortgezet in eiken bisschop afzonderlijk,quot; — heeft Cyprianus met zulk een leer niets meer te maken.

Ook berust het op een volkomen misverstand, wanneer dezelfde ultramontaansche schrijver pg. 37 beweert: „De kerk te Rome is hem (Cyprianus) wortel en moeder der katholieke kerk. (Brief 41).quot; Maar de benaming „moeder en wortelquot; slaat niet op de betrekking tusschen de kerk te Rome en de kerken van andere landen, — gesteld dat daardoor slechts do onmiddellijke apostolische oorsprong bedoeld is, zooals bij Tertullianus de praescript. haer. 21, die alle apostolische kerken ecclesiae matrices et originales noemt, — maar op hare inwendige eenheid door den samenhang der gemeente met haren wettigen bisschop. Zoo noemt Cyprianus (Br. 71) het terugkeeren der ketters, die in zijn kerk gedoopt zich een tijdlang tijdens het schisma van hem hadden afgescheiden, een terugkeer „tot de waarheid en de moederquot; (ad veritatem et matricem), en in zijn geschrift over de eenheid (c. 23) wordt het verlaten der kerk, die in haar zelf een is, zonder dat een afzonderlijke gemeente bedoeld wordt, een afscheuring van de levengevende „moederquot; in het algemeen genoemd.

Men mag in het allerminst uit het praedicaat katholiek, dat men der kerk te Rome eenige malen toevoegt, besluiten tot een juridisch praerogatief. Want bij Cyprianus beteekent katholiek „het geheel vertegenwoordigendquot; en wel zoo, dat eene gemeente op zich zelf in hare eenheid door den eenen bisschop alle wezenlijke eigenschappen bezit, die de door Christus gestichte kerk bezit. Dat praedicaat komt dus elke gemeente afzonderlijk toe, waarin geen scheuring is. Daarom heet het, „in een katholieke kerk moet een God zijn, een Christus, de Heer ...., een heilige Geest een bisschopquot; (Brief 49, Cornelius aan Cyprianus).

ocr page 41

29

Daai'door begrijpt men ook de uitdrukking, dat de kerk overal catholica una 'de eene katholieke: Br. 6(i; is, en dat degeen, die in een kerk een scheuring brengt, de gevolgen van zijn twist niet kan afwenden door heimelijke gemeenschap met een andere kerk.

In brief 05 is sprake van een vroeger verschil van meening onder de Afrikaansche bisschoppen over de boetedoening, waarbij het geheim der ondeelbare kerkelijke eenheid bewaard is. In dien samenhang wordt de uitdrukking „Katholieke kerkquot; met betrekking tot de eenheid in de Afrikaansche episcopale kerk, zonder op Rome acht te slaan, gebezigd.

§ 3.

De bisschop van Rome is niet het hoofd van den bisschop van Carthago.

De aanhangers van het Vaticanisme trachten hun bewering aangaande het juridisch primaat van den bisschop van Rome over de geheele kerk steeds zoo te bewijzen, dat zij het als onomstootclijk rooropstellen en dienvolgens de bijgesleepte feiten a if leggen. Wien het echter ernst is met historische bewijzen, zal spoedig inzien, dat ten tijde van Cyprianus geen enkel feit voor een centraalbestuur der algemeene kerk door den paus van Rome, ook slechts indirekt spreekt. Niemand weet in dien tijd te Rome iets van een centraalbestuur. Er was daar noch een „college van cardinalenquot; noch een rij van congregaties en dicasteria1), die het monopolie van den godsdienst tot een geldwinning op groote schaal hadden gebruikt. Te Rome evenals in elke andere gemeente waren een bisschop, presbijters en diakenen. Clerus en volk kozen als overal in tegenwoordigheid van meerdere bisschoppen uit de provincie, den bisschop. Indien de bisschop van Rome de algemeene regeering der gezamenlijke kerken in handen had gehad, zou te Rome ook het hoofdgerechtshof voor het algemeene kerkrecht zijn gehouden. Dat is echter in het geheel niet het geval. Later moesten verzinsels en verval-

1

Zie aanhangsel pag. Gi.

ocr page 42

30

schingon ter vergoeding dienen. Uit Syrië zijn de eerste rechtsformules afkomstig, die de kerkelijke tucht zouden verzekeren. Voor het algemcene kerkrecht legt in do vierde eeuw het concilie van Nicaea (325) den wezenlijken grondslag, terwijl de bisschop van Rome geen voorzitter was. In de kerk van het Westen ontstaat het recht, dat algemeen geldend is, eerder in Spanje en Gallic dan in Italië. JMj gebrek aan een vroeger Romeinsch kerkrecht hooft men, toen er in de eeuwige stad behoefte werd gevoeld aan een universeele stelling van den paus van Rome, brieven van Romoinsche bisschoppen trachten te krijgen, en gaf men zich alle moeite hun een juridische beteekenis te geven. Er was echter geen centraal archief voor de regeering der algemeene kerk tc Rome, waar zulke geschriften tot vaststelling der geldende tucht van ambtswege bewaard waren. Daarom moest nog in de zesde eeuw Dionysius de kleine, toen hem door den Romeinschen presbyter Julianus verzocht werd in zijne verzameling van kerkelijke wetten uit Syrië, Nicaea, Constantinopel, Chalcedon en Carthago ook iets uit Rome op te nemen, langs verre omwegen zich brieven van pausen van Rome, die de gaping zouden vullen, verschaffen uit de aanwezige litteratuur. En toch begon hij slechts met het einde der vierde eeuw, met Siricius (385—398). Zoo weinig sold Rome als het middenpunt dor algemeene kerkelijke wetgeving, dat Dionysius, hoewel te Rome levend en arbeidend (hij was van geboorte een Skyth, maar reeds sedert de laatste jaren der vijfde eeuw tc Rome), in zijn eerste verzameling, die het algemeene doel moest dienen, niet één stuk uit Rome opnam. Dat is een feit, dat zoo zeer den voorrang in rechtspraak van Rome ontkent, dat men niet begrijpt, hoe iemand met gezond verstand de kerkgeschiedenis bestudeerende daarvan niets merkt. Doch koeren wij terug tot Cyprianus.

Dat in het midden der derde eeuw de bisschop van Rome volgens het getuigenis van den bisschop van Ccirthago, niet de bisschop der bisschoppen, niet het juridisch hoofd van cdle lierken tezamen was, wordt reeds daardoor bewezen, dat hij niet door Cyprianus

ocr page 43

als hot hoofd dor Koord-Afrikaansclie kerk werd erkend. De gemeente van Rome stond met haar in veel nauwer verbinding dan met het Oosten ; Rome was voor Noord-Afrika de apostolische .stoel, de eenige, met wien Carthago in levendig verkeer kon zijn, dien het vereerde als den oorsprong van eigen bestaan, terwijl het Oosten een reeks van apostolische zetels bezat. Indien Rome nu zelfs over de Noord-Afrikaansche kerk geen macht bezat, hoe veel minder kon zij het dan hebben over het Oosten! Uit de brieven van Cyprianus, die allen van praktischen aard en van bepaalde strekking zijn en diep ingrijpen in de kerkelijke rechts- en twistvragen, blijkt ten stelligste, dat de bisschop van Rome toen evenmin als vroeger aan de kerk van Noord-Afrika eenige wet heeft voorgeschreven; dat hij verder bij de keuze en wijding van een bisschop nooit het woord gevoerd heeft krachtens een hoogere autoriteit, en dat ook het lot van Noord-Afrikaansche bisschoppen voor geen kerkelijk gerechtshof van Rome beslist is. Bij het levendig verkeer tusschen Rome en Carthago en bij de talrijke onderlinge twisten van Noord-Afrikaansche bisschoppen, moest wel een spoor van zulke onderhandelingen, indien zij gevoerd waren, worden gevonden in de brieven van Cyprianus.

Cyprianus was in zijn tijd zonder twijfel do uit-stekendste bisschop der kerk van Noord-Afrika. Zoowel de gewichtigheid van zijn zetel, in aanmerking nemend den politieken rang der stad, als de betee-kenis zijner persoon, stelt hem op den voorgrond der gemeente in het gebied van den proconsul van Noord-Afrika. Indien een voorrang in jurisdictie van den bisschop van Home a-erkelijk bestond, moest die zich tegenover hem geldend maken, want Cyprianus was ongetwijfeld het natuurlijke en wettelijke orgaan van de centrale regeering, zoover die haar macht kon uitoefenen in Carthago, Numidië en Mauritanië, waarover zich de kerkelijke provincie Carthago uitstrekte. Zijn verhouding tot den bisschop van Rome moest dan op de eene of andere wijze als ambtelijk ondergeschikt gekenmerkt zijn, al was het dan niet een vleiorsonderworpenheid der tegenwoordige

ocr page 44

32

Patriarchen, Primaten on Aartsbisschoppen der Room sche kerk. Een zekere ondergeschiktheid had noodzakelijk herkenbaar moeten zijn in het schriftelijk verkeer.

Van zulk eene ondergeschiktheid bemerkt men in de werken van Cyprianus in het geheel niets. Op geen enkele wijze kent hij den bisschop van Rome een hoogeren ambtelijken rang toe, dan zich zelf; nooit geeft hij hem een titel, die van eenig gezag doet blijken. Wij bezitten negen brieven van hem aan den bisschop van Rome Conie/ius, een aan Lucius en twee aan Stephanus. In die twaalf brieven spreekt hij de bisschoppen van Rome nooit anders aan dan „col/ecjaquot; en „broeder.quot; Niets wijst op de verhouding van een ondergeschikte tot zijn superieur. Uit de correspondentie blijkt verder geen voorrang in eer voor den bisschop van Rome. Indien anderen den bisschop van Rome toen reeds anders genoemd en aangesproken hebben, zegt Cyprianus: „collega, broeder;quot; —■ daardoor is elke ondeiyeschikfheid huiten (jesloten. En vragen wij den bisschoppen van Rome, dan richten zij zich op dezeltde wijze tot Cyprianus; „liefste broeder, dierbaarste collega!quot;

In het bijzonder worde hier nog op den voorgrond gesteld, dat de bisschop van Rome in het midden dei-derde eeuw in het geheel met geen titel van onderscheiding vereerd werd, of men sprak ook Cyprianus daarmede aan. Cyprianus wordt zelfs ,,(jclukza!igste en luisterrijkste pausquot; genoemd. En door wien? Door den clerus der kerk van Rome, die ten tijde van het vacant zijn van den bisschoppelijken zetel aldaar (einde Augustus 250) hem een brief (30) schreef met het opschrift „pausquot; en het slot „beatissime ac gloriosissime Papa!quot; Te Rome maakte men zelfs geen aanspraak op een hoogeren titel dan de andere bisschoppen voerden: van toen aan sprak men eiken bisschop als „pausquot; aan1).

Evenals de titels toonen ook de tusschen Cyprianus en den bisschop van Rome gevoerde onderhandelingen, geen soort ondergeschiktheid van genen aan dezen.

1

Zie aanhangsel pag'. 61.

ocr page 45

as

Hot eerst treffen wij de keuze van Cornelius aarl, die in Xovatianus een tegenbisschop te bestrijden had, dien hij vooral met Cyprianus' hulp overwon. Cypri-anus trad in die zaak als scheidsrechter op. Op de synode van 250 to Carthago werd de keuze van Cornelius besproken. Men meende onvoldoende te zijn ingelicht en zond de bisschoppen Caldonius en For-tunatus naar Rome, om nauwkeurig hetgeen bij de keuze geschied was te leeren kennen, voornamelijk uit het getuigenis der bisschoppen, die de keuze bijgewoond hadden (Brief 44, 45). Zoodra zij zich hadden overtuigd, dat do keuze wettig was, zonden zij haar ondersteunen en medewerken tot het herstel der scheuring. Voordat echter authentiek berichtten gunste van Cornelius te Carthago was aangekomen, wilden Cyprianus en zijne medebisschoppen hunne correspondentie met de gemeente te Rome slechts richten tot hare presbyters eii diakenen, liet bericht was gunstig, vond bevestiging in de mededeelingen van twee getuigen der keuze, de bisschoppen Pompeius en Stephanus, die persoonlijk naar Afrika kwamen, on alles was in overeenstemming met hetgeen Cornelius zelf schreef. Cyprianus erkende hem thans, hield onder de Afrikaansche bisschoppen voortaan zijne legitimiteit met nadruk op en vermaande de scheurmakers in de gemeente van Rome, ijverig tot de eenheid terug te keeren, daar zoodra iemand bisschop geworden en door het getuigenis en oordeel der collega's en van het volk erkend was, een ander niet meer kon worden aangesteld.

Cornelius was eenigszins gekwetst door de vertraging van zijne erkenning, maar Cyprianus deed hem inzien, dat de bedachtzame toetsing zijner wettigheid noodzakelijk was geweest. Hoe is nu de verhouding tusschen Cyprianus en Cornelius? Nergens is sprake, dat het om de erkenning van een juridisch hoofd der alge-meene kerk ging. Alles draaide om het lot der gemeente te Rome. Werd ons omgekeerd het zenden van twee bisschoppen van Rome naar Carthago tot het onderzoeken van een daar betwistte verkiezing bericht, dan zouden de ultramontanen daarin hot duidelijkste bewijs zien voor het primaat van Rome en een ieder

3

ocr page 46

34

berispen, die dat bewijs onvoldoende zou vindcné

Wien verdedigt nu Cyprianus in Cornelius, den bisschop van Rome? Hij treedt op tegen de aanvallen der aanhangers van Novatus voor Cornelius zijn collega il5r. 44). Wat hem tot het zorgvuldig, onpartijdig onderzoek, waarbij hij den tegenstander de bitterste en zwaarste beschuldigingen toeliet te uiten, aandreef, was „de (jciueenschappelijl^e eer en de achting voor de heilige waardigheid des priestersquot; (Rr. 40).

Verder deelt hij, „broeder Corneliusquot; mede, hetgeen te Carthago ten opzichte van het schisma aldaar was voorgevallen, niet als plichtmatig ambtsbericht, maar hij brengt in herinnering, dat de collega's hem daarover geschreven hadden, wat hun oordeel was geweest na kennisneming van den toestand; het zou echter beter zijn, indien Cornelius het schrijven, dat hij orereeukonisthj hunne {jcnieemchap in de liefde (pro dilectione communi) aan den clerus van Rome, niet aan het volk geschreven en hem ter inzage gezonden had, den broederen te Rome liet voorlezen, opdat zoowel daar als hier de broederen over alles door hen (Cornelius en Cyprianus) werden onderricht.

Onder keizer Gallus brak plotseling eene vervolging van de gemeente te Rome uit. Bisschop Cornelius werd gegrepen, als belijder standvastig bevonden en in den herfst van 252 naar Centumcellae (Civita Vecchia) verbannen, waar hij waarschijnlijk in 20:5 stierf. Cyprianus schreef hem naar zijn verbanningsoord, een brief (Br. 60), waarin de gloed van zijn diop gevoel opvlamt. Het is geen klacht, maar een loflied op den room des belijders. Wien verheerlijkt Cyprianus? Zijn hoofd? neen, zijn „riiedebiMchop.quot; (consacerdos). Welke bisschop (sacerdos, priester in eminente beteekenis) zou zich niet met den roem van zijn medebisschop geluk tvenschen als met zijn eigen f' Vervolgens prijst hij de geheele gemeente, die openlijk en onverschrokken zich haar bisschop niet geschaamd had. Maar dat in Cornelius wellicht het hoofd der gezamenlijke kerk leed, daarvan is geen spoor te vinden, en daarin had toch de sterkste beweegrede tot medeverheuging kunnen liggen. Ten slotte vermaant Cyprianus zijne broeders op delicate

ocr page 47

35

wijze door ook zich zelf te vermanen, maar ook op een toon zooals het aan gelijken van rang betaamt, „krachtens den band der irederzijd*clie liefdequot; (pro caritate mutua qua nobis invicem cohaeremus).

Opdat men echter niet nieene, dat hier sprake is van een vertrouwelijke verhouding tusschen twee personen, die uitzondering verdient en eene ambtelijke verhouding opheft, leze men de briefwisseling met Lucius en Stephanus, bisschoppen van Rome. Het toespreken is het hetzelfde, eveneens de toon. Dien „dierbaarsten broeder Luciusquot; wenscht Cyprianus geluk met de dubbele eer, belijder en bisschop te zijn geworden. Hij spreekt daarbij slechts van het lot der gemeente te Rome, niet van dat der gezamenlijke kerk. Terwijl hij in den geest den jubel der gemeente bij den terugkeer van Lucius te Rome ziet, zou hij gaarne erbij zijn — niet alsof dat beslist hem aanging als oenen ondergeschikte het feest van zijn heer, maar icecjen* de irederzijclsc/ie liefde. Hij en zijn collega's en do geheele broedergemeente zenden een geluk wensch als een bewijs hunner trouwe liefde (Br. (i 1).

8 4.

De bisschop van Rome is niet het hoofd der geheele kerk. a.) Feiten die bewijzen.

Door Cyprianus' energie en invloed was het erkennen van bisschop Cornelius als bisschop van Rome tegenover Novatus bijna algemeen geworden. Een kleinen aanhang had deze echter overgehouden en een zijner volgelingen zat nog ten tijde van Stephanus op den machtigen zetel te Aries in Zuid-Gallië. Daar nu onderlinge overeenstemming der bisschoppen noodzakelijk was voor de eenheid der gezamenlijke kerk, zoo beschouwde men deze als verbroken, wanneer een bisschop, die in zijn gemeente wettig was, kerkelijke gemeenschap onderhield met een schismatischen. Dat deed Marcianus van Arles, daar hij niet Cornelius, Lucius en Stephanus, maar Novatus als wettigen bisschop van Rome beschouwde. De overige bisschop-

ocr page 48

»36

J)en van Gallic, vooral Faustinus van Lyon, doelden het herhaaldelijk mede aan Stephanus te Rome en Cyprianus te Carthago. Deze wendde zich eindelijk tot Stephanus hem aan te manen maatregelen te nemen tot opheffing van het schisma. Die aanmaning begint na eene schildering van het kwaad, aldus: „Dat kwaad te genezen is onze. zonk (ons recht en onze plicht), waardste broeder,quot; — onze, d. w. z. nwc. en mijne, namelijk de zaak der bisschoppen (Ep. HS. cui rei nostrum est consulcre et subvenire, frater caris-sime!). Duidelijker kan men toch niet zeggen, dat het hier niet gaat om een bepaald recht, een voorrang in jurisdictie van den bisschop van Rome, maar dat het een gemeenschappelijk recht der bisschoppen is, voornamelijk der twee van Carthago en Rome, waarop hier met nadruk gewezen wordt. Hij geelt zijn gronden aan: „Daarom, dierbaarste broeder, is er een groot lichaam van bisschoppen, door den band van wederkeerige eensgezindheid en eenheid verbonden, opdat, indien een uit ons midden scheuring (haeresis) tracht te maken en de kudde van Christus te verstrooien en te verderven, de overigen te hulpe komen en als goede en barmhartige herders de schapen des Heeren weder tot een kudde verzamelen.quot; Door een beeld ontnomen aan do zee en de havens, waarvan een in verval is gekomen, zoodat de schippers hem vermijden en naar den naastbijzijnden veiligen varen, geeft hij te kennen, dat voor alles hulp te zoeken is bij de naaste kerkprovincie. Arles te helpen was dus voor Rome een natuurlijke en dringende plicht. Indien nu Peters (pg. 40) beweert, dat Cyprianus in weerwil van de hier vermelde meening over de inrichting van het college der bisschoppen zelf „geen beslissingquot;' in den strijd te Arles genomen heeft, maar „deze den bisschop van Rome overgelaten, wel wetende, dat diens oordeel tot voorbeeld strekte en in dit geval gehouden werd voor dat van alle bisschoppen,quot; dan beteekent dat: Cyprianus zegt wel is waar juist het omgekeerde, maar hij wist toch dat wij ultramontanen der 19de eeuw gelijk hebben. Neen, de bisschop van Carthago wist het niet; hij heeft zijn plicht naar zijn beste weten gedaan en in Briet 68

ocr page 49

37

in de zaak van Marcianus zonder wankelen beslist. Hij wijst Stcphanus aan als uitvoerder van het oordcel, door hem op zijn plicht te wijzen, in een uitvoerigen brief') den bisschoppen van de provincie Lyon en der gemeente te Aries do handelingen van Novatus uiteen te zetten. Marcianus moest liever diens zaak opgeven en boetvaardig tot do kerkgemeenschap terugkeeren ot' de gemeente moest een anderen bisschop kiezen. Cyprianus dicteert Stephanus den gebeden inhoud van den te schrijven brief volgens de voornaamste feiten en wenscht na het herstel der legitime orde den afloop te weten. Behalve de algemoene plicht daarin handelend op te treden, had Stcphanus nog cene bijzondere, daar hij de opvolger van Cornelius cn Lucius was. Ware Novatus de wettige bisschop van Rome, dan waren zij valsche bisschoppen en was bet met hun eer gedaan.

„Indien wij nu hun aandenken eeren,quot; schrijft Cyprianus, „hoeveel te meer is het dan uwe plicht, waardste broeder, uwe eer te bevorderen en hoogte houden door uwen invloed cn uw gezag, daar gij hunne plaats hebt ingenomen en hun opvolger geworden zijt!quot; Daaruit volgt vooreerst, dat Cyprianus zelf den bisschoppen dier provincie heeft geschreven (quorum memoriam cum nos honoremus) en vervolgens dat hij bij het ontwikkelen der motieven, waardoor Stephanus mede handelend zou optreden, niets weet, ja zelfs geen vermoeden heelt van een primaat van Rome. —

Een ander feit. In Spanje waren de bisschoppen Basilides en Martialis van de dubbelgemcento Leon— Astorga cn van Merida tijdens de vervolging tot den afgodendienst overgegaan, hadden dus Jezus verloochend en zich bovendien door ernstige zedelijke misstappen, die zij niet ontkenden, hun hoog ambt onwaardig betoond. In een gevaarlijke ziekte had Basilides godslasteringen gezegd, daarna echter berouw gevoeld, bekend en vrijwillig afstand gedaan van zijn ambt. Dientengevolge had de gemeente van Leon—Astorga (blijkens het opschrift en het begin

') Zio aanhangsel pag. Gl.

ocr page 50

3H

van een brief van Cyprianus) eon volkomen wettige verkiezing gehonden, waardoor Sabinus was benoemd. Martialis van Merida was tegen zijn wil afgezet en vervangen door Felix, doch zooals schijnt op eenigs-zins onwettige wijze. Martialis wilde zijn zetel behouden en Basilides beproefde later hetzelfde. Tijdens het schisma trachtten nu de tegenbisschoppen zich en hun partij te versterken, door moeite te doen zich in kerkelijke gemeenschap te stellen met machtige en aanzienlijke bisschoppen. Voor Basilides was dat des te zwaarder, daar hij afstand had gedaan en een nieuwe wettige keuze was gehouden. Daarom zocht hij vooral veraf hetgeen hij in de nabijheid niet kon verkrijgen. In zijn diocese waren zijne feilen ontdekt en door hem bekend. Hij ging dus tot een ver verwijderden (longe positum) bisschop, zijn „collega Stephanusquot; van Eome, die van het verloop der zaken niets wist, vertelde hem op zijne wijze zijn ongeluk, dat een tegenbisschop was aangesteld en verzocht ondersteuning voor het herwinnen van zijn stoel, waarvan hij onrechtvaardig was verstooten. Stephanus liet zich misleiden en schijnt hem kerkelijke gemeenschap verzekerd en zijn voorspraak beloofd te hebben. Waren nu de Christenen in Spanje overtuigd geweest van het primaat van den bisschop van Rome over de geheele kerk, zoodat hij kon afzetten en benoemen en van zijn erkenning de werkzaamheid en wettigheid der bisschoppelijke functies afhingen, dan zouden de gemeenten van Merida en Leon—Astorga zonder twijfel zich met een volledig verslag dor feiten tot Rome hebben gewond. Zij lieten echter Basilides zich beroemen op zijn kerkgemeenschap met Stephanus en richtten zich tot het hoofd der naburige provincie Carthago, Cyprianus, wiens aanzien groot was. Do presbyter Felix met de gemeente Loon—Astorga en de diaken Aelius met de gemeente Merida schreven hem en zonden hun schrijven door middel van de nieuw gekozen bisschoppen Felix on Sabinus mot bede om troost of hulp door een beslissend oordeel (sen-tentia). Cyprianus hield een synode van ongeveer ilT bisschoppen. Zij antwoordden gemeenschappelijk (Br. 67). De brief begint: „Nadat wij ons verzameld hadden,

ocr page 51

lazen wij, geliefdste broederen uw schrijven, dat gij, gedreven door de oncjeschondenheid meer frouic en uice r/odm-ruchf, door onze medebisscboppen Felix en Sabi-nus ons gezonden hebt, enz.'). Vervolgens; God had hun twist beslecht door de leer (in het O. Test.), dat de priesters rein en heilig en vrij van misslagen moesten zijn. Slechts zulken moest het volk kiezen en zich scheiden van hem, die later anders bleek. De keuze van Sabinus was wettig; de door Basilides van den „collega Stephanusquot; ontfutselde kerkgemeenschap veranderde daaraan niets. Ook Martialis moest wegens zijn afval tot den afgodendienst en zijn andere feilen voor Felix wijken. Mot dezen maatstaf voor het gedrag jegens afgevallene en misdadige bisschoppen was ook hun collega Cornelius, de vroegere bisschop van Rome, het eens. Hunne overtuiging in deze beslissing kon niet aan het wankelen worden gebracht, doordat behalve Stephanus nog eenige andere collega's kerkgemeenschap met Basilides en Martialis hielden; zij kregen daardoor deel aan hunne schuld. Het slot luidt: „Daarom, geliefdste broederen, prijzen wij do nauwlettende zorg, die geopenbaard is door de ongeschondenheid en trouw-) uwer gezindheid, evenzeer als wij haar goedkeuren en u tevens door dit schrijven vermanen, u niet in te laten met do profane en bevlekte priesters (bisschoppen) in eene heilisschendende kerkgemeenschap, maar de reine en zuivere onwrikbaarheid uwer trouw met angstvallige vreeze Gods te bewaren.quot;

Het schrijven der synode houdt noch met Rome noch met een vandaar te verwachten bericht rekening. Indien nu Pius Bonif. Gams in zijn kerkgeschiedenis van Spanje (I. 263) zegt, „niets pleit er voor, datCypria-nus in zijn brief (synodaal schrijven) de zaak der Spaansche bisschoppen wilde beslissen of meende te hebben beslist,quot; — het is slechts „een gevoelen, geen uitspraakquot; geweest, — hij heeft „een moreelen druk of

') Tn zulk oone uiting- van rlou bisschop van Rome zonden rto

Ultraniontancn ton duidelijkste primaat en ontcilhaa.iheid uitgesproken vinden.

2) Fides is trouw jegens de heilige grondstellingen der kerk.

ocr page 52

40

indrukquot; willen uitoefenen, — hetgeen Peters hem naspreekt (pg. 39) —, is dat geen geschiedschrijving meer1).

Een derde feit komt hier ia aanmerking: de strijd over de geldigheid van den kinderdoop. Cyprianus leerde: er is slechts een wettige en ware doop, die in de katholieke kerk is. De scheurmakers en ketters staan buiten de kerk en hebben daarom geen gezag noch recht van toedeelen wat betreft de genade en de heilsmiddelen in de kerk. Hun altaars zijn valsch, hun priesterdom ongeoorloofd, hun eeredienst heiligschennend. Hun doop verreint en heiligt dus niet: hij is zonder uitwerking, tenzij dat het profane water de ondergedompelden bevlekt; ook indien zij zooals Novatus hetzelfde doopformulier als de katholieke kerk gebruiken en in den naam van God den Vader, den Zoon en van den heiligen Geest doopen, blijft de daad vruchteloos. Het is eigenlijk geen doop, dien zij bedienen; het is alles ijdele schijn, slechts het werk van apen, een uiterlijk nadoen zonder inhoud. De apen bootsen na hetgeen zij de men-schen zien doen, maar hun doen is daarom nog geen menschelijk handelen. Bezaten de ketters den doop, dan ware bij hen ook de kerk. Het oen als hot ander is onwaar. Volgens die opvatting doopten de Noord-Afrikaansche bisschoppen zulke Christenen, die reeds gedoopt waren door de ketters, indien zij den afvalligen bisschop verlieten en hunne gemeenschap zochten, daar zij zeiden: dat is geen herdoopen, maar alleenlijk de doop der kerk, want dezelfde handeling der ketters is geen doop. Deze leer en praktijk vinden ij verdedigd in zes brieven (69—75), waarvan twee synodale brieven zijn en een, de laatste, een lange brief is van Firmilianus, den metropolitaan van Caesarea in Kap-padocië aan Cyprianus, waarin de overeenstemming zijner provincie en veler kerken van het Gosten met de Afrikanen wordt uitgesproken. Daarentegen leerde Stephanus van Rome met vele westersche kerken,

1

In het bock van Gams hcerscht brutaliteit dor triton om to, bcwijzon, dat do Spanjaavdon dor oornto drie ccmvon hotzclfdc over het primaat van Home dachten als hij.

ocr page 53

41

dat ook de doop door ketters in zooverre hij slechts volgens wet en symbool der kerk in den naam der heilige Drieeenheid toegediend was, van kracht was en men hun, die zoodanig gedoopt waren, indien zij zich tot de kerk wendden, slechts de handen behoefde op te leggen tot boette en verzoening en ontvangen van den heiligen Geest. Dc dogmatische gronden voor en tegen laten wij hier ter zijde; voor ons is het hier van geen beteekenis, dat hot gevoelen van Cyprianus de overhand kreeg. Wij vragen slechts hoe de verhouding van den bisschop van Rome tot de gezamenlijke kerk was tijdens don strijd, die duurde tot den marteldood der aanvoerders der twistende partijen (253—258gt; Daarover kan geen twijfel zijn. Stephanus beroept zich op de traditie der kerk te Rome, die die der apostelen is; want zij hadden verboden hen te doopen, die van de zijde der ketters kwamen en bevolen het aan de volgende generaties over te leveren. Zoo weinig hielden de Afrikanen en Oosterlingen toen de Romeinsche traditie voor oen onfeilbare leer der openbaring, dat Cyprianus en Pirmilianus daarop antwoordden, dat niemand zoo dwaas zou zijn Stephanus te gelooven, dat de apostelen zulks hadden overgeleverd, daar er in hun tijd nog geen ketterij was en derhalve nog geen praxis voor het opnemen van ketters. Firmilianus voegt daarbij, dat Rome in het geheel geen voorbeeld voor eene algemeene wijze van handelen kon zijn, omdat daar klaarblijkelijk vele gewoonten waren, die b. v. met die der gemeente te Jeruzalem niet overeen kwamen. Dat Rome later in de kerk van het Westen hare praxis heeft ingevoerd, kan niet bewijzen, dat de talrijke kerken, wier hoofden Cyprianus en Firmilianus waren, in het midden dei-derde eeuw de onfeilbaarheid der traditie der kerk van Rome en van haar hoofd niet hadden ontkend. Door te zeggen, dat het afkomstU] zijn can, de lanr/-duricje riciroontc (consuetudo) niet beslist, maar de icaarhekl, die op gronden steunt (die de ratio, rede voor zich heeft) en te verklaren, dat een traditie zonder waarheid slechts een vergrijsde dwaling is, geven zij toch niet toe, dat zij voor hunne handelwijze geen traditie hadden; der valsche traditie der Romei-

ocr page 54

42

nen stellen zij de truditie der waarheid (consuetu-dinem sed veritatis) tegenover; niemand kon bew ijzen dat zij pas was ontstaan; zij juist was de traditie van Christus en der apostelen.

Stephanus had zich echter erop beroepen, dat hij door wettige opvolging den stoel van Petrus innam. Daarbij lag Firmilianus de gedachte, dat Stephanus daarom onfeilbaar het juiste geloofde en deed, zoo verre, dat hij op de direkto tegenspraak wees, die hem daarin scheen te liggen, dat Stephanus door erkenning van den ketterdoop vele andere rotsen als kerkfundamenten plaatste en nieuwe gebouwen van vele kerken oprichtte. De rots Petrus is hem overal, waar de ware sacramenten worden toegedeeld. Wie gelooft, dat de ketters den wTaren doop toedienen, staat in kerkelijke gemeenschap met hen en hoeft geen grond zich te onthouden van de deelname aan hunnen verderen cultus, meent Firmilianus.

Stephanus had zijn tegenstanders de kerkgemeenschap opgezegd. Hetgeen men thans excommunicatie noemt, een daad der jurisdictie, die over hemel en hel beslist, kende men toen niet. Indien een bisschop de kerkgemeenschap met een anderen verbrak, kwam alles aan op de houding der overige bisschoppen. Het geschiedde dikwijls, dat zoowel de een als de ander met andere kerken in verbinding bleef. Ook de schikking en hernieuwing der gemeenschap geschiedde zonder rechtsdwang, dikwijls stilzwijgend doordat men terstond zoo met elkander omging, alsof zij nooit was verbroken. Datmaal echter werd het gedrag van Stephanus door het Oosten en Afrika scherp beoordeeld en veroordeeld, Firmilianus zegt van hem, dat hij een twister was. „Bedrieg u niet,quot; zegt hij tot hem, „gij hebt u zeiven afgescheiden van zoo vele kudden; want hij is toch inderdaad een scheurmaker, die zich tot afvallige van de gemeenschap aan de kerkelijke eenheid gemaakt heeft!quot; Firmilianus kent dientengevolge geen ^kerkelijke eenheidquot;, die door de afhankelijkheid van alle bisschoppen van de rechterlijke macht des bisschops van Rome moest worden hersteld. Hij weet slechts van „het geheim en den band des vredesquot;, van de „een-

ocr page 55

43

heid der liefde,quot; waartegen Stephanus raasde, die dikwijls twistziek, nu eens tweedrachtig was met het Oosten, dan weder met Afrika, zich niet schaamde uit liefde voor de kotters do broederlijke gemeenschap te verbreken en een man als Cyprianns te schelden als een pseudochristus, pseudoapostel en be-driegelijken arbeider, namen die veeleer hem toekwamen.

Toen Stephanus een uit bisschoppen bestaand gezantschap der Noord-Afrikaansche kerk, dat oen verzoening moest bewerken, op de meest inhumane wijze, zoodat hij der gemeente van Rome beval hun gastvriendschap en huisvesting te weigeren, ongehoord had afgewezen, beriep Cyprianus een derde synode te Carthago om de zaak te onderzoeken. Vele bisschoppen uit Mauritanië en Numidië kwamen op. In tegenwoordigheid van clerus en volk verklaarden 80 aanwezige bisschoppen, waarvan een voor twee afwezigen tevens stemde, eenstemmig en met nadruk zich tegen den ketterdoop. Dat was het antwoord aan Rome. Zoo stond de geheele Noord-Afrikaansche kerk als een geheel in de bewering, dat de traditie van Rome en de leer van den paus van Rome valsch was. De dogmatische zijde der vraag latende varen, blijft hot zeker, dat zij overeenstemming met den paus van Rome niet noodzakelijk achtten om in de eenheid der katholieke kerk te blijven. Omdat deze zich van hen scheidde, hielden zij zich nog niet voor afvalligen.

Indien Firmilianus aan Stephanus „vermetelheid en omboschaamdheidquot; verwijt, is het oordeel van Cyprianus zachter van vorm, maar niet wat het feit betreft. „Stephanus waagt de zaak der ketters tegen do Christenen en tegen de kerk Gods te steunen.quot; „Hij schrijft onervaren en onbezonnen vol hoogmoed, hetgeen niets ter zake doet en zich zelf weerspreekt.quot; Hij .bestrijdt het geheim der goddelijke traditie.quot; (Br. 74).

J)af wijst niet op eene verJiouclinr/ tof een hoofd.quot;

Doch wij vinden ook bij Cyprianus uitdrukkelijk:

ocr page 56

44

h) de principieele ontkenning van het primaat van Rome.

Hiertoe behoort vooreerst de plaats uit het boek over de eenheid der kerk cap. 4, die hier in kap. I § 2 besproken is, en de volkomen gelijkheid der apostelen en derhalve der bisschoppen zoo beslist uitspreekt, dat elke inlassching van een juridisch hoofd een tergende tegenspraak wordt. Zijn alle apostelen hetzelfde als Petrus is, zijn zij allen met een gelijk lot van eer en macht bedeeld, dan heeft geen meer eer en macht dan de anderen. Dat is en blijft niet tegen te spreken.

Verder verwijzen wij naar brief 68 van Cyprianus (aan Stephanus, bisschop van Rome), waarin hij storingen van het kerkelijk eenwiliig leven door een schisma, niet laat ophouden door het ingrijpen van een monarchaal hoofd, maar door hot col leg hun van bisschoppen, waardoor eene geplitste gemeente steeds door bemiddeling Vein een aangrenzende provincie, die onberoerd door den strijd is, de eenheid en den vrede kan herkrijgen.

Daarbij komt nu de beslissende leer der onvoorwaardelijke en onbegrensde juridische zelfstandigheid van elke gemeente afzonderlijk, door haar vertegenwoordiger den bisschop, in zooverre deze als wettig gekozen en ingesteld met zijn gemeente een is. „Zoolang de band der eenheid blijft en het geheim der ondeelbaarheid der Katholieke kerk voortduurt, ordent en leidt elke bisschop op zich zelf zijn bestuur (zelfstandig), verplicht den Heer (alleen) rekenschap van zijn daden te geven.quot; (Br. 55 pg. 639). In brief 59 zegt hij: „het is door ons allen als wet bepaald, en het is ook billijk en rechtvaardig, dat de zaak van een ieder afzonderlijk, daar behandeld wordt waar een misdrijf begaan is, en dat den afzonderlijken herder een deel der (algemeene) kudde toegewezen wordt, dat iedere afzonderlijke (bisschop) regeeren en besturen zal, slecht daartoe verplicht, den Heer rekenschap van zijn bestuur te gevenquot; (pg. 683). Dat zegt hij, omdat de twistenden van Carthago hun strijd naar Rome hadden gebracht. De tegenwerping, alsof de kerk te Carthago minder macht

ocr page 57

45

had, dan die te Rome, wijst hij verre van zich en sluit met de verklaring, dat het oordeel uitgesproken is.

Het gewaande recht van een appcllatie is hem geheel vreemd. In den geheelen brief, gericht tot Cornelius, den bisschop van Rome, bevindt zich geen spoor van de erkenning van een recht, dat deze kon hebben om een voor Cyprianus bindende uitspraak te seven in den strijd te Carthago.

De stelling, dat iedere bisschop, vrij in zijn handelwijze binnen zijn gemeente, den Heer slechts rekenschap van zijn bestuur had te geven, keert weder in brief 09 (pg. 7()5) met beroep op de woorden van den apostel Paulus (Rom. 14 : 12—13); „zoo dan een iegelijk van ons zal voor zich zeiven Gode rekenschap s^ven. Laat ons dan elkander niet meer oordcelen.quot; Met bijzonderen nadruk herhaalt hij die woorden aan het slot van den brief aan Stephanus over den ketterdoop (Br. 72): „Wij doen hierin nie-7)iand c/eiceld en deren niemand een wet, daar toch in het bestuur der kerk elke opziener (öi-sxehojj) afzonderlijk de vrije hesli-s-sing ran zijn icil heeft, om den Heer alleen rekenschap ran zijn bestuur te gecen 1).quot; liet denzelfden nadruk wordt het ingescherpt aan het slot van don brief aan Jubajanus (73): „Dat hebben wij in het kort naar onze zwakke krachten u geantwoord, liefste broeder, niemand iets voorschrijvend of ge-praejudicieerd zijnde, dat iedere bisschop afzonderlijk volgens zijn overtuiging moet handelen, daar hij toch de vrije macht van eisen wil en beslissing heeft.quot;

Ook de clerus van Rome staat in de opvatting der zelfstandigheid van de jurisdictie der bisschoppen op hetzelfde standpunt als Cyprianus. Deze had tijdens de bisschopsvacature op het einde van Augustus 250, den presbyters en diakenen van de kerk te Rome inlichting gegeven over hetgeen te Carthago tusschen hem en zijn gemeente ten opzichte van de belijders en afgevallen was voorgevallen, en dat bericht copieën van verschillende brieven toegevoegd. Daarop antwoordden de presbyters en diakenen van Rome aan „den paus Cyprianus.quot; Hun antwoord begint met

1

Zie aanhangsel pag. 62.

ocr page 58

•iö

do verklaring: „Ofschoon ieder, die zich van een good strevon bewust is, op do kracht der evangelische tucht steunt en in do hemelscho verordening zich zelf een getuige der waarheid is geworden, gewoon is tevreden te zijn raot God alleen als zijn rechter, zonder te streven naar den lof van anderen of hunne berisping te vroezen, zijn zij toch dubbelen lof waard, die, hoewel wetend, dat zij hun getceten God aIs den eenigen rechter schuldig zijn, toch wonschen, dat hunne handelingen ook door hunne broederen gebillijkt worden.quot; (Br. liOj Zij bekennen vervolgens, dat zij geen rechter over Cyprianus zijn, maar deel hebben aan zijn room.

Overweldigend echter en op zich zelf reeds do vraag of Cyprianus don voorrang in jurisdictie van den bisschop van Rome gekend heeft of niet, door onmiddellijke ontkenning beslissend, is het grooto concilie te Carthago (September 250), waaraan 85 bisschoppen mot hunne presbyters en diakenen in tegenwoordigheid en mot toestemming oener zeer groote schaar leeken, persoonlijk doolnaraen. Wij bedoelen hier niet alleen hot feit, dat de gehoele kerk van het proconsulaat Afrika, van Numidie en Mauritanië, hare zelfstandigheid in dogmatische vragen tegenover don bisschop van Home volhield — daargelaten of in hot bepaalde geval feitelijk het recht aan hare zijde was — maar ook het machtige woord, dat Cyprianus onder algemoone instemming in de eerwaardige vergadering sprak. Nadat namelijk do briefwisseling tusschon don bisschop van Carthago en bisschop Jubajanus, waarin de vraag over do geldigheid van den ketterdoop volgons het toenmalig standpunt voor de navorsching van theologische kwesties volledig was behandeld, voorgelezen was en daardoor de aanwezigen tot een gevestigd oordeel kwamen, zeide Cyprianus de belangrijke woorden: „Thans blijft over, dat wij ieder afzonderlijk ons gevoelen over do onderhavige zaak bloot loggen, geen andersdenkende oor-deelende of van de kerkgemeenschap niet ons teruga-ijzend. Want niemand onzer heeft zich tot bisschop der hisschop-pen aangesteld, of dwingt met het schrikbewind van een tg ran zijne collega's tot de noodzakelijkheid van gehoor-

ocr page 59

4?

zamen, aangezien toch elke bisschop icecjens zijn vrije keuze en macht het recht van ekjen beslissinfj heeft en daarom evenmin door een ander kan (jeoordeeld irorden ; maar wij zullen het oordeel van onzen Heer Jezus Christus afa-achten, die eenUj en alleen de macht heeft, ons tot opzieners te ii/ake)i om zijne kerk te besturen en ons bestuur te oordeel en *).

Wie tegenover zulke woorden nog volhoudt, dat Cyprianus den bisschop van Rome den voorrang in jurisdictie boven de geheele kerk toekent, is zonder gevoel voor historische waarheid of zelf leugenachtig.

§ 5.

De ambtsbroederlijke eenheid.

De eigenlijke juridische eenheid der kerk bereikt haar toppunt bij den heiligen Cyprianus in de wettige verhouding des bisschops in en tot de gemeente, waardoor de afzonderlijke gemeente op zich zelf een is. /ij stelt hem dan op zich zelf het geheele wezen der katholieke kerk voor. In haar is de eenheid der katholieke kerk geopenbaard en die zich van haar scheidt, verlaat de katholieke kerk. Wat in en aan haar als wezenlijke voorstelling der stichting van Jezus Christus verschijnt, moet oreral, waar een afzonderlijke gemeente op wettige wijze bestaat, eveneens verschijnen. Men raag niet bevooroordeeld, aan de idee van rechtzinnigheid in de Katholieke leer van Cyprianus de beteekenis geven, die men in zijn jeugd van scholastische dogmatici heeft geleerd, ook niet willekeurig haar eene opvatting — hoe vernuftig speculatief ook — van het standpunt der tegenwoordige wetenschappelijke dogmatiek schenken, maar men moet eenvoudig nagaan, wat Cyprianus zich daarbij voorstelde. Het is niets anders dan: de rechtzinnigheid in de Katholieke leer is hem die verplichtende verbinding in de verhouding van bisschop en gemeente, krachtens welke in den eenling overal het wezen van het geheel verschijnt. Daarin ligt de sleutel voor de oplossing der beroemde plaats in zijn werk „de imitate Ecclesiae catholicaequot; over de eenheid van

*) Zie aanhangsel pag'. 62.

ocr page 60

4S

het episcopaat. Nadat Cyprianus namelijk in hoofdstuk 4 van dat werk de wezenlijke kenmerken der eenheid der kerk, zooals do apostel Paulns die leert, heeft aangevoerd, gaat hij voort; „Deze eenheid moeten wij onwrikbaar vasthouden en verdedigen, in hot bijzonder wij bisschoppen, die dc gemeente voorgaan, opdat wij ook het episcopcmt (tlx een en oor-dee/hciar toetten. Niemand mag dc brocdorschap door een lengen op het dwaalspoor brengen, niemand der waarheid des geloofs door trouweloozen afval schade doen. lief episcopaat is eett, traaf in elk afzonderlijk deel heeft met traarborrj voor het geheel '). Ook de kerk is een, die in een veelheid zich ontplooiend bij toenemende vruchtbaarheid zich steeds verder uitbreidt.quot; Indien de ultramontanen deze plaats als steun voor het pausdom aanwenden, is het slechts een bewijs, dat de dwaasheid geen grenzen kent. Wat zij willen, is dit: ,,Een verteyena-oordicit het tjeheel root- allen, zoadat allen niets zijn zonder Itettt, hij alleen echter alles is.quot; De woorden van Cyprianus beteekenen echter: „allen, elk afzonderlijk vertegenicoordigen het geheel, zooals een itidicidue de soort.quot; Het is niet mogelijk, dat een enkele de groote over de geheele aarde verbreide kudde der Christenen leidt; daarom is een veelheid van bisschoppen noodzakelijk. Nu is echter het episcopaat — het ambt — ondeelbaar; iedere bisschop afzonderlijk heeft dus wel is waar slechts een deel der kudde, maar het atttbt geheel. liet episcopaat is een; iedere bisschop eener afzonderlijke gemeente vertegenwoordigt het in den vóllen zin des troords en is juist daarom ook juridisch onafhankelijk in de leiding van dat deel der kudde, dat hem is toevertrouwd Daarom de uitspraak: „den afzonderlijke herders is een deel der kudde -) toegewezen, dat een ieder moet besturen onder verplichting slechts den Heer rekenschap van zijn bestuur te Reven.quot; Daarom verwerpt Cyprianus elk beroep op Rome of op welken anderen bisschop ook (vgl. Br. 59 aan Cornelius, bisschop van Rome).

') Zie aanhangsel pag. G2. '-) Zie aanhangsel pag. G2.

ocr page 61

49

Bovendien staat tot de juridische eenheid nog in betrekking het college van bisschoppen. Indien in de afzonderlijke gemeente de rechtzinnige Katholieke leer is geschonden door innerlijke tweedracht, door verbreking der wettige verhoudingen en vooral indien deze door den dood des bisschops tijdelijk opgeheven, of hoe dan ook in gevaar zijn, moet, zooals reeds vroeger is opgemerkt, genezing en hulp komen can het college van bisschoppen. Do naburige bisschoppen zien toe op de nieuwe keuze, die goedgekeurd wordt bij wettig verloop; tot hen vlucht de gemeente, die inwendig verdeeld en verstrooid is om verzameld en een te worden. Wij moeten telkens opmerkzaam maken op de plaats (Br. 68), volgens welke daarom de ceel heul van bisschoppen is ingesteld, opdat, indien een uit het college beproeft ketterij te plegen, de kudde te verdeden of te vernietigen, de overigen der benauwde gemeente te hulpe zouden komen. Indien Cy-prianus zulks als principieel erkend en als bekend aan paus Stephanus van Rome schrijft, heeft hij geen vermoeden van de latere leer, dat de paus van Rome moet oordeelen over de oneenigheden tusschen bisschoppen en tusschen bisschop en gemeente.

De grondslag der wettigheid eens bisschops is do canonieke keuze door colk en cjeextelijkheid zooals dc apostels deden bij dc plaatsvervanging van Judas. Bezegeld en beschermd wordt zij door het college can alle bisschoppen. Hun algemeene toestemming van later voor een bisschop duldt niet, dat de wettige vorm eener keuze daarna wordt betwijfeld en aangevallen. (Br. 59j. Daarentegen verliest zelfs een wettige bisschop, wiens verkiezing elke andere, waardoor hem wellicht een tegenbisschop gesteld is, voorafging, zijn wettigheid door vrijwillige onttrekking aan dat college. „Het bisschoppelijk ambt kon niemand behouden, — hoezeer hij ook den voorrang in verkiezing had — indien hij zelf den krachtigen band met zijn medebisschoppen verbrak.quot; (Br. 55). Daarom is het van het hoogste gewicht voor een juist begrip der volledige zienswijze van Cyprianus, de natuur der ambtsbroederlijke eenheid te leeren kennen.

é

ocr page 62

oO § 6.

De eenheid der gezamenlijke kerken is volgens haaC natuur concordia of eensgezindheid.

IIoc noodzakelijk ook het college van bisschoppen is voor het bekrachtigen en hot in stand houden der wettigheid des bisschops in zijne gemeente, d. w. z. voor de handhaving der wettigheid der afzonderlijke gemeente, is de eigenlijke band van zijn eigen samenhang niet ran jvridisrlien aard. Het vooronderstelt de juridische eenheid der afzonderlijke gemeente en de zorg voor de handhaving daarvan. De uitvoering van een voorschrift der Christelijke leer in de wettig ingerichte gemeente geschiedt zonder dat in het college een bisschop den anderen eenig voorstel doet, laat staan eenig dwang- of strafbevel geeft. Welzijn er belangen der algemeene kerk, waarvoor eensgezindheid in het college en met de gemeenten ge-wenscht is. Zoo verklaart Cyprianus met nadruk, dat de bespreking en vaststelling dor voorwaarden voor het weder aannemen der afgevallenen een zaak was, die niet alleen een afzonderlijke kerk of een afzonderlijke provincie, maar de geheele wereld aanging. (Br. 19). Maar door gemeenschappelijke beraadslaging wordt den eenling geen geweld aangedaan; indien hij zijn eigen weg gaat, wordt hij daarom nog niet door de anderen gebannen. Eenmaal wettig bisschop kan men het college van bisschoppen slechts verlaten door verloochening van den naam van Jezus, zware zedelijke misdaden of vrijwillige losmaking van den band der liefde. Want de eenheid der algemeene kerk openbaart zich als concordia d. i. eenwilligheid. „Zoolang de band dezer eensgezindheid duurt en bijgevolg het geheim der ondeelbaarheid der katholieke kerk voortduurt, regelt elke bisschop, — den Heer alleen rekenschap van zijn bedoelingen schuldig — zijn bestuur zelfstandig.quot; (Br. 55). „Niemand wordt hard en wreed van de kerk gescheiden,quot; zoodat hij gedwongen is tot de heidenen of scheurmakers te gaan. Zelfs een zoo ernstige oneenigheid als het dogmatisch verschil van meening over den ketterdoop,

ocr page 63

51

waardoor beslist werd of iemand tot de kerk bo hoorde of niet, moest volgens Cyprianus geen oorzaak van scheiding of opheffing der kerkgemeenschap zijn. Dat verklaart hij telkens wanneer de vraag ter sprake komt, niet alsof hij in zijn meening wankelt, maar in de vaste overtuiging, dat voor het college van bisschoppen dat de hoofdzaak was: rdi')i hnnd des rredes en der eendracht quot; bij wederzijdschen eerbied voor de gelijke zelfstandigheid van eiken bisschop en van het recht een eigen karakter in zijn gemeente te bewaren, onverbroken te houden. (Br. 72 aan paus Stephanus).

De eenheid van het bisschoppelijk college lijkt dus niet op een republikeinsch bestuur, zoodat een bisschop als praesident meer rechten of meer gezag over de anderen bezit: evenmin wordt het bestuur der afzonderlijke kerk juridisch bepaald door een hoofd van buiten; geen dogmatische meeningen, die in groote verscheidenheid aanwezig zijn en bij de onschendbaarheid van de apostolische belijdenis toch in de gewoonte voorwaarden vinden, zijn voor de kerkelijke gemeenschap bindend.

De eenheid is niet werktuigelijk maar levend. Haar wortels liggen niet open en bloot, maar verborgen in de diepte: de eenheid is een geheim (sacramentum). Haar oorzaak is geen grondwet of wetboek, dat men voelen en tasten kan, maar de geest Gods die onzichtbaar de harten bestuurt.

Men kan thans vragen: indien de Heilige Geest vrij heerscht en schept in den eenling, indien in de afzonderlijke kerk hot wezen der goddelijke instelling des Christendoms wordt geopenbaard, — waartoe dan het streven naar de eenheid van allen? — Een voldoend antwoord ware: de Christelijke godsdienst leidt den mensch tot volkomen uitbeelding van zijn zedelijk wezen, maar de menschheid is een en ook het geheele geslacht in zijn eenheid moet tot openbaring zijner verheerlijke natuur komen. Maar Cyprianus heeft nog een andere reden, die bij hem dieper ligt. Hij zegt: wel is alles wezenlijks reeds in den eenling, maar geen eenling, ook geen afzonderlijke kerk kan de volheid des goddelijken geests omvatten: ora

ocr page 64

52

derhalve den oneindigen rijkdom zijns lichts en zijner gaven te begrijpen, is de gemeenschap van allen van noode. Die gedachte gaat door al zijn werken. Fir-milianus zijn vriend en geestverwant heeft haar in scherpzinnigen vorm uitgedrukt: „Het goddelijk woord overschrijdt de menschelijke natuur en do ziel kan het noch geheel noch in zijn volkomenheid bevatten; en dat is de reden, waarom er zoo'n groot aantal profeten is, opdat de menigvuldige en goddelijke wijsheid door de velen wordt uitgedeeld 1).quot; Daarom houdt hij de jaarlijksche synoden voor noodzakelijk, dewijl de geest in zulk eene gemeenschap zich slechts openbaart in zijn veelheid en volheid. In zijn grootste menigvuldigheid en rijkdom is hij slechts in de ge-heele Christenheid, welker eenheid daardoor volmaakte waarde bezit. Maar evenals de volheid der stralen der openbaring van den goddelijken geest begrensd is door de beperktheid van het schepsel tegenover de onmetelijkheid Gods, noodzaakt ons de eenvoudige eenheid en de gelijkheid aan zich zeiven van het goddelijk wezen wederom alle stralen terug te voeren op de eenige lichtbron. Die door de menigvuldige stralen verlicht zijn voelen zich aan de eenheid verwant door den inwendigen samenhang; het is de eenheid van het goddelijke, die hen geheimzinnig innerlijk verbindt. Daardoor ontstaat het wonderlijke bewustzijn van het geheim der eenheid, die alle perken des tijds te buiten gaat en het verleden vereent met het heden. „De genade Gods is machtig ook datgene samen te voegen, dat door welke tus-schenruimte ook van elkander gescheiden verschijnt.quot; „De goddelijke kracht verbond Job en Noach met Ezechiel en Daniel tot eenwilligheid trots de tijden die tusschen hen lagen.quot; „Want, aangezien de Heer, die in ons woont, een en dezelfde is, verbindt hij de zijnen overal door den band der eenheid.quot; Het laatste zegt Firmilianus, doelende op zijn gemeenschap met den zoo ver verwijderden Cyprianus, die met hem van een gevoelen en eenen geest is, hetgeen alles geschiedt door de goddelijke kracht der eenheid

1

Zie aanhangsel pag'. ü2.

ocr page 65

53

(Br. 75). Zoo is ook het woord der apostelen des Heeren, die door de kracht van den geest der eenheid ijlings waren opgestaan, over de gansche aarde gesneld.

In dien zin der eenheid door den geest Gods en in dien zin der veelheid der kerken krachtens de natuur van het menschdom, dat in zijn eindigheid het goddelijk wezen niet geheel kan omvatten en in milliarden individuen over de aarde is verspreid, vatten wij ook de schoone woorden van Cyprianus op over de eenheid der kerk op haren goddelijken grotid, die slechts door dwaas kwalijk begrijpen zijn uitgelegd als eeue juridische eenheid in den paus van Rome (De unit. c. 5). Evenals het episcopaat een is, hoewel er vele bisschoppen zijn, is ook de kerk een, die in eene veelheid zich openbaart, gelijk er vele zonnestralen zijn, maar een licht, vele takken eens booms, maar een eik....., indien uit een bron vele beekjes stroomen, kan steeds hun groot aantal bij hun overgroote talrijkheid zich voordoen als gesplist bij het uitstroo-men: de eenheid wordt toch bewaard in den oorsprong. Scheid een straal van de zon: de eenheid des lichts ondervindt geen verdeeling; breek den tak van don boom: afgebroken kan hij niet meer botten; snijd de beek van haar bron af; zij zal verdrogen. Zoo zendt de kerk, badende in het Jicht des Heeren, hare stralen over de geheele aarde; maar haar licht is een, dat zich overal verspreidt, zonder de eenheid te verbreken; in hare vruchtbaarheid breidt zij hare takken uit over de wereld; de talrijke opborrelende beekjes vertakt zij verder en verder: En toch is haar hoofd (do Heer, Christus), een oorsprong, een moeder.quot; Wat betreft de laatste woorden, gaat hij voort: „God kan geen vader zijn voor hetgeen de kerk niet tot moeder heeft,quot; — een dikwijls misbruikt gezegde. Wie toen den paus van Rome voor „de Moederquot; zou hebben uitgegeven, omdat hij „c/e hn-kquot; was, dien had Cyprianus voor waanzinnig gehouden.

Een onmisbare voorwaarde voor het toetreden tot de eenheid der kerk is de doop. In de eenige kerk is de eeniije doop, en die dezen niet heeft ontvangen, is ook niet in de kerk. Dat is een grondgedachte in de brieven G9—75.

ocr page 66

Een uitbeelding der eenheid is het gezamenlijk vasthouden der bisschoppen der geheele wereld aan „het richtsnoer der evangdhehe waarheid en aan de overlevering den Heerenquot; (Br. 62), niet op bevel van buiten af onder dreigen met straf, maar door inwendige kracht, de macht van het geloof in den geest Gods.

De algemeene band is de liefde, niet die zich openbaart in gehoorzaamheid jegens den paus van Rome en zoo jegens God in zijn plaatsvervanger, maar de echte evangelische naastenliefde, die ontspruit uit de liefde tot God. Men kan in de geschriften van Cyprianus nauwelijks een gedachte zoo dikwijls en op verschillende wijze uitgedrukt vinden, als die van de eenheid der bisschoppen en der kerken onderling door den band des vredes en der liefde. Hulp door raad en daad, medelijden, medevreugde, het verkeer onderling in de gemeente, de provincie, het rijk, de wereld, — wordt door dien band gemotiveerd. Het kerkelijk verkeer tusschen de kerk van Noord-Afrika en die van Rome wordt in het bijzonder daardoor gerechtvaardigd. Alles geschiedt daarbij „uit wederkeerige liefdequot; (procari-tate mutua, ep 60).

Tot kenschetsing van dezen band der liefde zij nog het volgende opgemerkt. Indien Cyprianus gronden uit den Bijbel aanhaalt, kiest hij woorden des Heeren bij Johannes of die van dezen apostel der liefde. Den verheven grond vindt hij dientengevolge in de verhouding tusschen den Zoon Gods en den Vader en in het algemeen in de Drieeenheid, hetgeen zijn werk over de eenheid der kerk met nadruk aantoont. De verwerkelijking van den band der liefde is een bevel Gods, een geheim Zijner genade; die den vrede —-zooals de band ook heet — verbreekt, misdoet tegen Christus. Volgens zijn ideale betrekking en genadevolle verwezenlijking is het duidelijk, dat de band der eenheid der gezamenlijke kerk het karakter der innerlijkheid moet bezitten, zoodat geen zirhthaar middenpunt zich daartoe oorzakelijk kan verhouden. Voor deze innerlijkheid vindt Cyprianus geen woorden genoeg. Alle aanduidingen van het inwendig leven roept hij ter hulpe tot aanschouwelijk maken van zijn gedachten. Voor alles spreekt hij over de eenheid des

ocr page 67

00

fjeestes en over de gemeenschap des harten. Zeer dikwijls noemt hij den band der liefde cuncordia. die dan nader wordt bepaald als een samenlumy des harten door het cement der liefde. De uitdrukking cohaereniie — een samenhany door innerlijke kracht der eensgezindheid — keert steeds terug, zoodat aanhalingen hier overbodig zijn. Ten slotte wordt de eenheid als organisch voorgesteld door de uitdrukking van Paulus „Uchaatnquot; (corpus; vgl. Br. 62: adunationis nostrae corpus unum). Daaruit volgt dan het praedicaat der ondeelbaarheid. Do eenheid der kerk is ondeelbaarheid (individua), onscheidbaar finseparabilis). Dat zijn vooitdurend de praedicatcn. De beelden van de zon en hare stralen, van den boom en zijne takken, van de bron en hare beeken zijn onvoldoende, daar zij ontleend zijn aan de verschijnselen der natuur, die op zichzelf deelbaar is; het minst voldoet in het gcschrii't over de eenheid der kerk het beeld van den ongenaaiden rokquot; (tunica eius per totum textilis et cohaerens). Misschien niet zoozeer wegens de schitterende toepassing van den vernuftigen Cyprianus, als wegens de oppervlakkigheid der pauselijke theologen, die daarvan gebruik maakten om op geestelooze en dikwijls dwaze wijze het primaat daardoor te bewijzen, is juist dat beeld het beroemdste geworden.

De eenheid der kerk volgens Cyprianus is geen uiterlijk gewaad, hoe kunstig geweven ook, geen monarchisch ingerichte zichtbare institutie, maar iets dat leeft in het binnenste, geheimzinnig zich van binnen uit openbarende. Zij is de kracht der liefde en haar leven berust daarom op icederheerifjheid, die Cyprianus in zijn leer over de eenheid als wezenlijk kenmerkt. Daarin is de sleutel gevonden voor het begrip der ondeelbaarheid der door hem geroemde eenheid. Niemand toch kan door een daad van gezag of door geweld van buiten uit deze eenheid gerukt worden. Geen ban als van heden, opgesteld met juridische formules en groote zegels kan een iid der kerk scheiden van de eenheid. Slechts door liefdelooze verbreking van de wederkeerigheid kan de eenling uit den bond der liefde treden. Maar ook daardoor ontstaat geen verdeeling der eenheid; want die haar zelf

ocr page 68

56

verlaat neemt haar niet mede; eigenliefde sluit de eenheid uit: met het afsterven der liefde tot den naaste sterft ook de liefde van Jezus Christus in hem. Het lot echter van hen, die i» de wederzijdsche liefde getrouw blijven, is dat zij zich onafscheibaar van elkander in de liefde voelen. „Aan uwe ccr bindt ons uwe onwrikbare liefde en de geest staat de liefde niet toe, zich af te scheiden,quot; schrijft Cyprianus aan de belijders in de gevangenis (Br. 15). Niet van de eenheid eener rechtsgeleerde instelling spreekt Cyprianus, maar van het r onaf scheidbaar een geworden volk van Christusquot; (at vero quia Christi populus non potest scindi, schrijft hij in zijn werk over de eenheid), liet roll; zelf is, volgens dc woorden van Paulus en Petrus, het huis Gods. Geen kind kan uitgestooten worden door een daad van gezag; het moet zelf erin willen blijven. „Zij zijn de kerk (de eenige), die in het huis Gods blijvenquot; ('Br. 59), — die niet zelf het verlaten. Antichristenen zijn zij, die zich van de liefde en daardoor van dc eenheid der katholieke kerk afwenden (Br. 69).

Volgens Cyprianus werd do kerk op de gevoeligste wijze gescheurd, wanneer in eene stad hcee bisschoppen zich opwierpen en dientengevolge twee kerken gevormd werden. Wij moeten nog eenmaal terugkomen op de theorie over de eenheid dor afzonderlijke kerk, zooals hij die tracht te bewijzen door talrijke plaatsen uit het Oude- en Nieuwe-Testament. Zeer streng spreekt hij haar uit in zijn boek over dc eenheid der kerk, waar hij, na de woorden des Ileeren; „het zal een kudde en een herder zijnquot; te hebben aangehaald, zegt: „meent nog iemand, dat oj) een en dezeifde jilaats vele herders en vele kudden kunnen zijn?quot; Ilij bedoelt namelijk, dat iedere stad als het ware een huis Gods is, waarin alle Christenen eenwillig en een van hart ongeveinsd zullen samenwonen. Wordt nu hot gezin van God door twee bisschoppen verdeeld, dan houdt hij dat voor de grootste ramp: de kerk is dan verscheurd en het deel, dat de oorzaak is, verliest het wezen des heils. Wel is waar zou hij aan het slot van den brief aan de Romeinen hebben knnnen zien, dat reeds in den beginne te Rome meer kleine

ocr page 69

57

gemeenten waren, waaraan de apostel ook den naam van kerk gaf, maar met zijne theorie staat en valt voor hem het Christendom. Daarom heeft hij geen oog voor do tegenspraak in de feiten. Als oorzaak voor scheuringen noemt hij eerzucht, nijd en afgunst. Dat zijn hem de onheilbrengende oorzaken, waardoor „de band van den vrede in den Heer verscheurd, de broederliefde geschonden, de waarheid vervalscht, de eenheid verbroken wordt, — waardoor men tot ketterij en scheuring komt, zoodat men de priesters aanklaagt, de bisschoppen met afgunst vervolgt, daar men zich zelf beklaagt geen bisschop te zijn en men geen ander als opziener kan verdragen.quot; (De zelo et li vore).

Do eenheid te bewaren is de hoogste plicht van allen. Wij hooren van Cyprianus geen vermaning vaker dan die. Het herhaaldelijk roemen der eenheid is in zijn mond eene vermaning; bij eiken twist hooren wij haar weder. Daarom dringt hij steeds aan op rcrdraagzacnuheicl, ook bij verschil in meening over een dogma. Elkander rerdragen is hem hoofdzaak. Ootmoed, zachtheid, gestadig geduld zijn do krachten waardoor der liefde de zege geschonken wordt. Daarin heeft hij zichzelven tot voorbeeld gesteld zooals geen ander zijner lijdgenooten. In den strijd over den ketterdoop is hij het zuivere beeld der onoverwinnelijke zachtheid, voor zoover het personen gold, terwijl Stephanus de harde en toornige onverdraagzaamheid verpersoonlijkte, hetgeen des te meer uitkwam, daar de paus van Rome juist een breederen blik op de zaak had. Toen Cyprianus zag hoe de gemoederen verbitterd werden en den band der liefde verstoorden, schreef hij zijn heerlijk boekje „over het Goede van het Geduldquot; (do bono patientiae); om een breuk der gemeenschap in de liefde wegens het dogmatisch verschil te voorkomen, toonde hij, hoe de liefde alles duldt, alles verdraagt en daarom alles vergeeft.

Hij betuigt in den brief (l'-V) aan Jubaianus: „Geduldig en zacht wordt door ons bewaard de hartelijke liefde, de eer van het college, do band der trouw, de eensgezindheid van het priesterdom.quot; Ten bewijze zendt hij hem het werkje over het goede van het

ocr page 70

58

geduld. Gelijk de oenheid haar verheven oorzaak in de drieeenheid heeft, is ook het oerbeeld van het geduld, -waardoor het in stand blijft^ in God te zoeken; het oerbeeld van het geduld is God zelf. Hij verdraagt het geduldig, dat de menschen zijne heerlijkheid en eer smalende, afgodentempels oprichten, de aanbidding die Hem toekomt aardsche beelden geven en zijnen heilgen dienst ontwijden. Hij doet den dag aanbreken en de zon opgaan over goeden en boezen, hij drenkt de aarde met regenstroomen, en niemand wordt van die weldaad uitgesloten — zonder onderscheid tus-schen rechtvaardigen en onrechtvaardigen, schenkt Hij zegen. Wij zien, hoe bij zijn onafscheidelijk en gelijkmatig geduld op Gods wenk, voor schuldigen en onschuldigen, godsdienstigen en ongodsdienstigen, dankbaren en ondankbaren de tijdsomstandigheden zich schikken, de element dienen, de winden waaien, de bronnen stroomen, het zaad weelig wascht, de druiven der wijnbergen rijpen, de vruchtboomen met ooft beladen zijn, de wouden groenen, de weiden met bloemen worden bedekt. En ofschoon God steeds door beleedigingen wordt vertoornd, matigt Hij zijn gramschap en wacht geduldig den bepaalden dag der vergelding. Hij heeft de macht wraak te nemen, maar verkiest geduld te oefenen en te wachten op bekeering, want Hij wil den dood des zondaars niet. Zoo is nu ook in de kerk de zachtzinnige, de geduldige, de zachtmoedige, de navolger Gods, des Vaders. Ook wijst Cyprianus op den Zoon, op het geduld van Jezus tijdens zijn leven van de wieg tot het kruis en op diens leer in de bergprediking. Dan gaat hij voort; „Hij gebood zijne jongeren niet als slaven met despotische macht, maar hij beminde hen goedertieren en zachtzinnirj met broederlijke liefde.quot; Hij wiesch hunne voeten, ontving den kus des verraders en had zelfs nog een woord der liefde voor hem. Hij weende over de Joden te Jeruzalem en wilde hen verzamelen als de hen hare kiekens. Hij is het voorbeeld voor de zijnen; de kracht der liefde maakt hen een, geduld beschermt liefde en eenheid. „De liefde is de band der broederschap, het fundament des vredes, de wortel en de bevestiging der eenheid; zij is grooter dan hoop en

ocr page 71

59

geloof, heeft meer waarde dan werken en martelingen; zij zal eeuwig levend bij God in het hemelrijk steeds daar met ons zijn. Ontneem haar het geduld en alle sieraad verliezend houdt zij op te bestaan.quot;

De eenheid der kerk niet al haar goede ren hanyt af ran de ^Verdraagzaamheidquot;

\

ocr page 72

AANHANGSEL.

Hoofdstuk I § 2 pg. 10. De oorspronkelijRe tekst hiidt: Loquitur Domimis ad Petram: Ego tibi dk-o, inquit, quia tu es Petrus et super istam petram aedificabo eeclesiam Tneam,ctportaoiiifcrionim uou vincent eam. Dabo tibi claves regni caeloruni: et quae ligaveris super terrain, erunt ligata et in caelis, et quaecunique solveris super terrain, erunt soluta et in eaelis. Super unum aedificat eeclesiam, et quamvis apostolis omnibus ]iost rpsurreti-onem suani parein potestatem tribuat et dicat: sicut misit me pater et ego initto vos. Accipite spirituin sanctum: si cuius remi.seritis peccata, remittentur illi: si cuius tenueritis, tenelnmtur, tarnen ut unitatem manifestaret1) unitatis eiusdem originem ab uno incipientem sua auctoritate disposuit. boe erant utique et ceteri apostoli quod luit Petrus, pari consortio praediti et honoris et potestatis, sed exordium ab unitate proliciscitur, ut ecclesia Christi una monstretur, quam unani eeclesiam etiam in cantico canticoruin Spiritus sanctus ex persona Domini designat et dicit: una est cohimba mea, perfecta mea, una est matri suae, electa genitrici suae, banc ecclesiae unitatem qui non tenet tenere se fidem credit? qui ecclesiae renititur et resistit in ecclesia se esse confidit? quando et beatus apostolus Paulus hoc idem doceat et sacramentum unitatis ostendat dicens: unum corpus et mms spiritus, una spes vocationis vestrae, unus Dominus, una fides, unum baptisma, unus Deus.

De tekst van deze beroemde plaats staat aldus wetenschappelijk vast. In eenige latere handschriften staan de onbeschaamdste vervalschingen ten gunste van het Roomsche primaat. (Kartel, P. Ill, Praef. p. XLII-XLIV en P. I, pg. 212-213). Daar zijn de beslissende woorden: rde overige apostels, bedeeld met een gelijk aandeel van waardigheid en macht als Petrusquot; geschrapt en vervangen door: „maar aan Petrus werd het primaat gegeven.quot; Verder staat er de eene stoel als die van Petrus alleen; wie deze verliet, was niet meer in de Kerk! Toen de Phllologen der 16e eeuw de grove vervalschingen ontdekten, verbood de Roomsche curie den druk van den echten tekst; zij gebood dc wetenschap te liegen, daar zij de waarheid van Cyprianus vreesde.

X.B. Voor Roomsche vervalschingen kan men o.a. naslaan Prof. Bolland, Open brief aan Dr. Schaepman pg. 44, 4ó v. v. Leiden 1899; en voor die van Dr. Schaepman bij P. J. v. Harderwijk, Petrus en het Primaat in de oude kerk, pg. 15, 23,43. Rotterdam lü'.l!).

1

Kralünfcer vertaalt: om de eenheid zichtbaar aan te tooncn ; Dr. Peters: om de eenheid zichtbaar te maken; beide overzettingen zyn verkeerd. Christus openbuurde hoe de kerk zou zyn, maakte de wet der eenheid voor haar tot een maatstaf, vertoonde haar nog niet zichtbaar.

ocr page 73

61

§ 2 pg. 10. Het is meer dan naïef, wanneer Dr. Joh. Peters (pjr. 25—27) schrijft: Wij behoeven ons door de woorden, dat Christus na zijne opstanding' allen apostelen gelijke volmacht (parem polestatem) heeft gegeven, „allen gelijk aandeel in eer en macht toevertrouwd,quot; niet te misleiden. Daarmede wilde Cyprianus niet zeggen, dat Christus de in den beginne ingestelde eenheid later tot een veelheid van gelijkelijk gemachtigden en van elkander onafhankelijke organen vergroot heeft.quot;

Indien hij verder Cyprianus de leer doet verkondigen, dat Petrus „oorsprong, einde en middelpunt der eenheidquot; is, is het ook eene vervalsching. Nergens heeft de bisschop van Carthago geloerd, dat Petrus „het middelpunt der eenheid is en evenmin, dat deze apostel in tegenstelling tot de overige apostels „direct Christus representeert.quot; Maar Dr. Peters gaat nog verder. Nadat hij aangeduid heeft, dat volgens de leer van Cyprianus, Christus „oorsprong en grond der eenheid is,quot; die op Petrus zijne eenige kerk gegrond heeft, gaat hij voort- „Als oorsprong en grond der eenheid bezit Petrus lüt den aard der zaak het primaat over de geheele kerk, enz.quot; Dat is het, wat de Roomsche ver-valschingen wilden.

t; 5 pg. 21. Quae res cum omnium nostrum consilium et sen-tentiam spectet, praejudicare ego et solum mihi rem communem vindicare non audeo. Voor de uitoefening der rechten der ge-meenteaangelegenheden gold de stelling: ecclesia in episcopoet clero et in omnibus stantibus (tegenstelling van afgevallenen) est constituta. Ep. oo. Peters schrijft: „De wederopname in de kerkelijke gemeenschap was uitsluitend het recht des bisschops,quot; pg. 7. Het tegenovergestelde van de leer van Cyprianus.

Hoofdstuk II, § 2, pg. 27 et ad Petri cathedram adque ad ecclesiam principalcm, undo unitas sacerdotalis exorta est ab schisniaticis et profanis litteras ferre ....

S 2. pg. 27. Bij Tertullianus wordt principalis en princi-palitas ook met betrekking tot den tijd gebruikt. Eveneens in een onechten brief van Cyprianus principaliter (Hartel. A. p. 282) voor primo. Litterae principales zijn beginletters A. p. 108.

§ 3. pg. 29. Dicasterium was vroeger een vergadering van rechtsgeleerden, die geen rechterlijke macht in een bepaald distrikt uitoefenden, maar op verzoek van gerechtshoven of particulieren adviezen gaven. Meukende zulke instellingen nog lang in Duitsch-land (b.v. schepenen; rechtsfaculteiten).

§ o. pg. 32. Over den titel van paus en den voorrang van den bisschop van Rome zie Bungener, Paus en Concilie, Utrecht 1870, pg. 242 v. v. Papa = Paus = vader. Vgl. Matth. 23 : 8—i).

§ 4, pg. 37. Quapropter facere te oportet plenissimas litteras ad coepiscopos nostros in Gallia constitutos — „een krachtigen brief,quot; zegt Peters (pg. 39); men moet echter zeggen: uitvoerig, volledig behandeld, do zaak van alle kanten blootleggend, zooals plenissime instruere, volledig of van alle kanten onderrichten iep. 9 en 62) en plenissime noscere (ep. 07), en plenissime tractare de aliqua re (ep. 34) uitvoerig iets behandelen. „Krachtigquot; paste den ultramoataanschen schrijver echter beter.

ocr page 74

(32

§ 4, pg-, 45. Qua in re noc nos vim cuiquam facimus aut Icgom damns, quando habeat in ecclesiac administratione voluntatis suae arbitrium libernm nnnsqnisqnc pracpositus, rationem actus sni Domino redditurus.

§ 4, pg-. 47. Supcrest, ut de hac ipsa resinguli quid sentiainns proferamus, — neuiinem indicantes aut a jure eonnnunionis aliquem, si diversum senscrit, anioventos. Ncqnc cnim quisquam nostrum episcopnm se episcoponuii constiUiit ant tyrannieo terrore ad obsoqnondi necessitatem collcgas snos adigit, qnando habeat omnis episcopns pro liccntia libertatis ot potcstatis suae arbitrinm proprium, tamquc indicari ab alio non possit quain nec ipse possit alinm indicarc; sed expectemus universi iudicium Domini nostri Jesu Christi, qni unus et solus habet potestatem ct praedonendi nos in Ecclesiae suae gubernatione et de actu nostro indicandi.

S 5, pg-. 4s. Episcopatus unus est, cuius a singulis in solidum pars tenetur. Deze uitdrukking' is juridisch: velen, een ieder zelfstandig' en volledig, zijn waarborg' voor het geheel.

§ ö. pg'. 48. — portio gregis — niet portio potcstatis? of portio sollicitudinis, die iedere bisschop veeleer voor zijne gemeente geheel bezit.

§ (i, pg. 52. Ep. 75; Sen no divinus humanam natnram supcr-greditnr nec potest totum et perfectum anima concipere; idcirco et tantus est numerus proplietarum, ut multiplex et divina sapientia per muitos distribuatur.

ocr page 75
ocr page 76
ocr page 77
ocr page 78