,9^
0$^
V
v i: iï s la r.
VAN DE
gecombineerde vergadering
VAN DE
«iiii Ãà mmm
âUTRECHTquot;, âHAARLEMquot;
EN
âCOR UNUM ET ANIMA UNAquot;
gehouden den 1. October 1895 in het Rebouw van Kunsten en Wetenschappen
TE
TTTIESIEOZEaiT.
M'
VERSLAG
v^n de
g-ecomToineerde ^7â¢erg,a,d.eri2n.g,
van de
VEIMIGM VAN GEESTELIJKEN âütrecitquot;, âHaarlemquot; ti âCor tm et aiima naaquot;
gehouden den 1. October 1895 in hot gebouw van Kunsten en Wetensohappen
TE
Aanwezig waren de volgende personen: J. J. v. THIEL, Th. v. VLOOTEN, F. KENNINGK, J. H. BERENDS, N. PRINS, E. WIJKER, G. DIEPENDAAL, C. v. VLOOTEN, Th v. SANTEN, G. RINKEL, G. v. SCHAIK, P. J. JANS, B. J. JANS, H. Th. J. v. VLIJMEN, C. A. HARDERWIJK, C. H. v. VLOOTEN, J. A. v. BEEK (Rotterdam), J. A. v. BEEK (Leiden), C. DEELDER, B. SMITS, P. M. RINKEL, P. J. v. HARDERWIJK, A. B. DIE-VENBACH, G. v. d. POLL, H. A. DIEVENBACH en na de pauze H. HOOYKAAS.
De vergadering wordt namens de voorzitters der drie ver-eenigingen geopend door pastoor T. v. SANTEN, die na een kort begroetingswoord voorstelt den president J. J. v. THIEL tot voorzitter te kiezen, welk voorstel bij acclamatie wordt aangenomen. Nadat de gekozene het voorzitterschap heeft aanvaard worden de heeren HARDERWIJK, DIEVENBACH en BERENDS tot secretarissen benoemd.
De voorzitter stelt vervolgens voor het ontworpen reglement der gecombineerde vergadering punt voor punt te behandelen. Pastoor v. Beek-Rotterdam meent dat den leden tijd gelaten moet worden om over de verschillende paragrafen na te denken en wenscht daarom dat het reglement voor deze vergadering in zijn geheel aangenomen en tegen de volgende vergadering een nieuw ontwerp aan de leden ter beoordeeling zal worden rondgestuurd. Ofschoon de vergadering het met den president eens is die het reglement reeds nu definitief vastgesteld wenscht te hebben, blijkt uit de discussie over den naam van Gecombineerde Vergadering etc. reeds dat het voorstel van v. Beek-Rotterdam de voorkeur verdiende. Na een herhaling van hetzelfde voorstel wordt dit dan ook met algemeene stemmen aangenomen. Nadat het regiement van orde de goedkeuring der vergadering had gekregen, wordt overgegaan tot punt II der agenda.
II.
Apostolische successie in do Anglikaansche kerk.
De voorzitter brengt in herinnering wat met dit onderwerp wordt bedoeld en wat er aanleiding toe heeft gegeven. Voor eenige jaren, zeide hij, hebben zich de bisschoppen Wordsworth van Salisbury en Wilberforce van Newcastle tot aartsbisschop Heykamp gewend en met hem over de vereeniging der Oud-Katholieke en Anglikaansche kerken gesproken. Een der grootste bezwaren was en bleef de vraag of de Anglikaansche kerk in het bezit is der werkelijke apostolische opvolging harer bisschoppen en geestelijken, en Mgr. Wordsworth stelde er zeer hoogen prijs op dat ook door de Hollandsche kerk de geldigheid der anglikaansche wijdingen zou worden erkend. De aartsbisschop voelde zeer goed het belangrijke dezer kwestie maar niet minder de moeielijkheden die aan de oplossing daarvan waren verbonden. Even als reeds Mgr. de Caylus, bisschop van Auxerre, wenschte echter Mgr. Heykamp en wij allen zeker met hem, dat er meer helderheid omtrent dit punt mocht komen, omdat, zoo er al geen intercommunio door kon ontstaan, de beide kerken elkaar daardoor althans veel nader zouden komen. Het gevolg van het onderhoud der genoemde bisschoppen was dan ook dat door Mgr. Heykamp een commissie werd benoemd, bestaande uit vier onzer
3
pastoors en belast met liet onderzoek naar de aanhangige kwestie. Die commissie bracht in 1894 haar referaat uit en kwam daarin tot de conclusie, dat aan een geldige wijding van Mgr. Parker nauwelijks kon getwijfeld worden, maar dat er later in het wijdingsformulier veranderingen zijn gebracht die zeer groote bezwaren opleverden, daar dat formulier nu niet meer in overeenstemming scheen te zijn met hetgeen door de katholieke kerk essentieel tot een geldige wijding werd noodig geacht. De commissie durfde echter geen uitspraak doen, maar sloot haar rapport met de vraag aan de geestelijkheid: hoe zij over dat formulier dacht. Gelukkig zijn wij hier te zamen gekomen, zoo ging de voorzitter voort, om de vraag nauwgezet en in geest van liefde te beantwoorden en kunnen wij nu tot het onderwerp zelf overgaan. Dit gebeurde nadat spreker naar aanleiding van een werkje van Tabarand ') nog het een en ander over pogingen tot hereeniging met de anglikaansche kerk had meegedeeld en uit het verloop daarvan de gevolgtrekking had gemaakt, dat de vraag naar de geldigheid der engelsche wijding daarbij niet in aanmerking was gekomen, maar dat de hereeniging op geheel andere thans niet meer bestaande bezwaren was afgestuit.
Bij de behandeling van het onderwerp zelf is de voorzitter van meening dat men de kwestie zuiver moet stellen en er niet bij moet halen wat er niet bij hoort. Er is alleen sprake van de successie en niet van de katholiciteit der Anglikanen. Het laatste komt alleen in aanmerking als de intercommunie aan de orde gesteld wordt. Zoover zijn wij heden nog niet. Een kerkelijke partij kan onkatholiek zijn en toch een geldig episopaat bezitten. De vraag is daarom slechts deze: Is Parker geldig gewijd en zijn de latere wijdingen geldig m. a. w. heeft men moreele zekerheid dat de Anglicaansche ritus in overeenstemming zich bevindt met den katholieken ritus.
Past. Wijker is van oordeel dat men de theologie, de vraag naar de katholiciteit onmogelijk er buiten kan laten, waarop de voorzitter antwoordt dat bij de bediening van een sacrament niet naar de intentie of naar het geloof mag gevraagd worden om de geldigheid van het toegediende sacrament te bewijzen. Voor die geldigheid is het voldoende als men doet wat en zooals
') Vergel. p. IG aaum.
de kerk doet. Na eenige kleine schermutselingen, stelt prof. Kennlnck voor bij de verdere behandeling het referaat der commissie tot legger aan te nemen daar dat den geregelden gang der discussie slechts teu goede kan komen. Daar de vergadering-het hiermede eens is, vraagt de voorzitter wat de aanwezigen dan denken van het resultaat waartoe de commissie gekomen is, dat n.1. aan het historisch feit van Parker's geldige wijding-niet meer kan worden getwijfeld. Op de bezwaren van enkele leden, die door het verslag der commissie wel waren overtuigd maar bij hun pastorale zorgen geen tijd gevonden hadden om zelf alles te onderzoeken, wordt geantwoord dat een mathematische zekerheid nooit kan worden verkregen en dat het van niemand gevergd kan worden alle verwarde kwesties te doorsnuffelen. Als men echter weet dat 4 personen, die van vooringenomenheid niet kunnen beschuldigd worden, alles nauwkeurig hebben nagegaan dan mag men, wanneer hun bewijsvoering als juist wordt ingezien, ook wel hun resultaat over nemen, zonder de door de commissie gebruikte bescheiden en werken alle even nauwkeurig te kennen.
Pastoor Deelder wil omtrent de zaak niets beslissen. De bewijzen zijn niet van dien aard dat aan alle bedenkingen de bodem is ingeslagen. Hij heeft de akten bestudeerd en is tot de overtuig ging gekomen dat deze vele eigenschappen, die wettige akten moeten hebben, missen. Men beroept zich, zeide hij, vooral op de akte van Lambeth, maar ten eerste ontbreken aan die akte de zoo noodige datum en de niet minder noodige onderteeke-ningen, vervolgens is daaraan door een vreemde hand iets toegevoegd en eindelijk moet zij 50 jaar in het stof gelegen hebben ofschoon vöör den tijd, waarop ze openbaar gemaakt werd, reeds bezwaren tegen de wijding waren geopperd, die door een vroegere openbaarmaking gemakkelijk hadden kunnen worden weerlegd. Persoonlijk moge men makkelijk over alles heengaan, maar het besluit dat heden zal worden genomen is voor de geschiedenis van het hoogste belang, het zal blijven bestaan, zoodat wij niet te voorzichtig kunnen te werk gaan. Door past. Prins wordt hierop geantwoord dat de bezwaren waarvan de vorige spreker gewaagde vöör de openbaarmaking van de akte nooit de wijding zelve hadden betroffen maar altijd tegen den wijder c. s. waren gericht. Men meende dat zij geen bisschoppen waren. Deze bezwaren konden door de acte der wijding niet weerlegd worden
zoodat het niet noodig was deze voor den dag te halen. Dit geschiedde eerst toen in het begin der 17de eeuw de wijding zelf werd aangevallen en bespot. Verder moge deze akte enkele kenteekenen van echtheid missen, reeds uit een belangrijk oud verhaal blijkt toch dat zij bestond. Men is bij het opstellen der akte slordig te werk gegaan, maar dat komt meer voor en toch wordt niet alles door slordigheid onecht. Bij stemming bleek dat de meerderheid het met de commissie eens was zoodat het historisch feit volgens de vergadering niet kon worden in twijfel getrokken.
Aan de orde is het thelogisch gedeelte der vraag, dat door den voorzitter aldus wordt toegelicht: als de wijdingsformule goed is, is de intentie van den bedienaar voor de geldigheid der wijding overbodig. Zelfs al heeft de bedienaar van de bisschopswijding de intentie gehad om liet offerkarakter niet mede te deelen, maar zich toch van het zichtbaar teeken met de daarbij behoo-rende woorden bediend, doende alzoo wat de kerk van Christus doet, dan zal dat offerkarakter door God toch worden medegedeeld. Augustinus zegt reeds dat ook de doop door Joden en ketters aldus toegediend geldig is. Steeds heeft men ook geloofd dat een priester, al is hij ongeloovig, geldig consacreert als hij de daartoe aangegeven formule bezigend, door zijn handeling toont te doen wat de Kerk doet. Na deze inleiding brengt past. Prins op verzoek het volgende verslag uit:
De grond, waarop wij de geldigheid van het Anglic. Formulier der priesterwijding betwijfelden, Mijnheer de Voorzitter, was deze: Er is in dit Formulier een leemte,
En die leemte is het gevolg van opzet.
Gemist wordt n.1. de aanduiding van de zoo voorname macht van den priester, om de H. Offerande op te dragen. Te voren, toen men nog het Koomsche Formulier gebruikte, bad men die macht af. Sedert de invoering van het nieuwe Formulier niet meer, want â men kende den Priester die macht niet toe. Hieruit maken wij deze gevolgtrekking:
Reeds is dit gemis der aanduiding van de Offermacht des Priesters, juist omdat men haar vroeger wel afbad, op zich zelf een bedenkelijk verschijnsel, â te bedenkelijker, omdat men haar, zij 't dan ook in verschillende bewoordingen, aantreft.
Maar bovendien, dit gemis is het gevolg van opzet; en â zoo vroegen we nu â âzal God, tegen de bedoeling der Anglic. Kerk
in, den wijdeling dier kerk nu toch liet karakter van âofferaarquot; verleenen?quot;
Om met de verdediging der laatste vraag te beginnen. Iemand heeft haar een dwaze vraag genoemd. Een ander schreef mij: âde vraag, door U ten slotte opgeworpen, heeft haren onbe-twistbaren grond.quot; De meeningen loopen dus, zooals dat gewoonlijk gaat, nog al uiteen.
Ik deel U die particuliere opmerkingen maar mee, Mhr. de V., omdat ze wellicht weergeven, wat ook in den boezem onzer vergadering voor of tegen die vraag zal worden ingebracht, en zal trachten aan te toonen dat onze vraag het bedoelde minder vleiende epitheton niet verdient.
Wanneer ik â want 't is aan mij persoonlijk gezegd en niet ook aan de andere leden der commissie â wanneer ik den eerst-bedoelden opmerker wel begrepen heb, dan schat hij die vraag daarom zoo gering, omdat ze zijns inziens indruischt tegen de leer der sacramenten. Daarbij toch geldt het volgende: niet zoozeer wat de bedienaar der Sacramenten bedoelt komt in aanmerking, maar wat de Kerk van Christus bedoelt. Zoo hij slechts doet, wat de Kerk doet, is het Sacrament geldig bediend. Een sprekend voorbeeld is de Doop. Gesteld dat een Protestant een kind doopt; die Protestant gelooft niet in de vergiffenis der erfzonde door den Doop. Hij bedoelt volstrekt niet, die uitwerking te verkrijgen. Maar â hij doopt, zooals het voorschrift luidt, âin den Naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes;quot; dus, doet wat de Kerk doet. Komt nu zijne verkeerde bedoeling in aanmerking? Zal, omdat hij in zijne bedoeling dwaalt, God den doopeling nu ook niet de vergiffenis der erfzonde verleenen? Toch immers. Die doop is geldig bediend, en de doopeling is van de erfzonde gezuiverd. Hier te vragen: âZal God, tegen de bedoeling van den Protestantschen dooper in, den doopeling toch de erfzonde vergeven?quot; zou dwaas zijn. Even dwaas is het derhalve, een dergelijke vraag te doen bij de bediening van het Priesterschap door de Angelicanen.
Ik meen, dat ik aldus de redeneering van den eersten opmerker zuiver heb weergegeven.
En wat kan hier nu tegen ingebracht worden ?
Toegegeven, Mhr. de A7'., dat het bij de sacramenten uitsluitend aankomt op de uitwendige handeling, zoo die maar is in overeenstemming met de leer der Kerk van Christus, dan blijft over
de volgende opmerking: Voor den Doop bestaat een vast Formulier, in het Evangelie zelf opgeteekend; voor het Sacrament des Altaars evenzoo. Er kan geen twijfel ooit bestaan, of degene, die deze Sacramenten volgens de bedoelde voorschriften bedient, doet toat da Kerk doet. Maar is het zoo gelegen ook met de andere sacramenten. :t Is er ver van af.
Wel geven de onderscheidene formulieren, over hun geheel genomen, uitdrukking aan de leer der Kerk betreffende elk bijzonder sacrament; maar ieder formulier op zijn eigen wijze, eene wijze waarin zooveel vrijheid valt op te merken, dat de eigenaardige plechtigheden en gebeden vaak zeer duidelijk de nationaliteit der verschillende Kerken verraden. Een vast formulier bestaat niet. Wat sprak echter meer van zelf dan dit, dat men in de keuze der uitwendige handeling en der gebeden zich aan de Apostolische overlevering aansloot, en over hem, die het sacrament ontving de gaven en genaden afbad, die hij in zijn bijzonder geval behoefde? En zéker is daarbij het volgende jniet te loochenen: wanneer men een dier vrije formulieren (zullen we ze maar noemen) opstelde, hield men daarbij â lijdt 't nog twijfel? â rekening met het geloof der kerk van Christus, en zou zich natuurlijk wèl wachten, dit geloof met opzet öf in 't geheel niet öf in dubbelzinnige bewoordingen in dat formulier neêr te leggen. En kunnen we aannemen, dat men ooit een formulier zou hebben kunnen goedkeuren, wanneer het vaststond, dat dit opzettelijk dubbelzinnig gesteld was? Of nog iets anders: dat men ooit een formulier zou hebben goedgekeurd, als een verklaard kettersche sekte haar ketterij daarin had neergelegd? â hetzij dit door aan het geloof vreemde bijmeng-selen was geschied of door listig verzwijgen ? Zou men zulk een formulier niet als uit den booze verworpen hebben, en als maar in staat, om verwarring in de Kerk te brengen ? Of zou men hebben geoordeeld: in de bediening der sacramenten â zonderling moge 't klinken, maar het is zoo: juist bij die kostbare genademiddelen heeft de ketterij vrij spel? Een sacramenteele handeling, door ketters volgens een opzettelijk dubbelzinnig formulier voltrokken, is geldig? ?. Laat één gezaghebbend voorbeeld worden bijgebracht, waarmee die vraag bevestigend wordt beantwoord, en we zullen kunnen zeggen: âcausa flnita est.quot; «Maar vóór de Anglic. Hervorming stond men niet voor een dergelijke vraag. Ze is nieuw in de Kerk, en vindt hare op-
8
lossing dan ook niet in de praktijk der Kerk maar in den geest der Liturgieën. We komen hierop nader terug.
We herinneren thans alleen nog aan hetgeen we in onze laatstverschenen brochure âDe la validité des Ordinations Anglicanesquot; op pag. 16 in de 2e noot hebben medegedeeld, t. w. hoe zelfs van Anglic, zijde erkend wordt: âsedert de invoering van het ânieuwe Formulier . . . heeft de Anglic. Kerk geen offerende âPriesterschap meer.quot; Ziedaar tenminste een ondubbelzinnig Anglicanisme, dat uit de praemissen een zuivere conclusie durft te trekken.
Toch ééne herinnering nog. Ook Bp. Neercassel oordeelde; âDe Anglicanen hebben (dat blijkt uit hun Ordinale wel ten âduidelijkste) de macht om te offeren en God te verheerlijken âdoor het onbloedige Offer van Christus van zich verwijderd, âen daarmee tevens tegen hun zin de eer en de macht zoo van âbisschop, als van priester en van diaken.quot; ') Wat wij dus vragenderwijze stelden, spreekt Bp. Neercassel uit met beslistheid. Was onze traag dwaas, meer nog was 't dan Bp. Neercassels stellige uitspraak.
Maar we vertrouwen te hebben aangetoond, dat onze vraag die benaming niet verdient, maar om met den 2en opmerker, mijn briefschrijver, te spreken, âharen onbetwistbaren grondquot; heeft.
En thans, Mhr. de V., vragen we Uwe aandacht voor de toelichting onzer stelling âEr is in het Anglic. Formulier der Priesterwijding eene leemte.quot;
Ons komt het voor, dat eigenlijk het opzettelijke der bedoelde weglating op zich zelf al, gelijk we zooeven deden uitkomen, aan dit Formulier een bedenkelijk karakter geeft, indien niet het beslist ongeldig maakt. Maar de vraag is thans: is de bewering, dat er in gezegd Formulier eene leemte is, ook niet te bewijzen uit de vergelijking met andere formulieren? âNeenquot; wordt ons gezegd.
Nu, Mhr. de V., â wie er vasthoudt aan het beginsel, dat bij de formulieren der Sacramenten alles aankomt op één moment (handoplegging met gebed b.v.; bij het Formulier des Priester-schaps een gebed, waarin over den Ordinandus de H.Geest wordt
') Zie sliijdragon van du gesclj. van do li. K. Kerk in Nederland 2e stuk. bl. 81 cn 82.
9
afgebeden) zonder meer, terwijl het overige essentialiter niet ter zake doet, ja zelfs dubbelzinnigheid toelaat, â die heeft van zijn standpunt gelijk tegenover ons. 't Zal noodig zijn, hier een oogen-blik bij stil te staan.
Wij doen dan de vraag, of het evengenoemde standpunt wel zuiver is? en betwijfelen het.
Wanneer, om maar eens ééne opmerking te maken, wanneer dit beginsel stamt uit de Oude Kerk, dan dient ook, nietwaar' in hare Formulieren dat ééne moment met zekerheid aangewezen te kunnen worden. En is dit wel mogelijk? Disputeert men niet nog altijd over de plaats van dat ééne moment, waar materia en forma tot haar recht komen? Heeft ooit de Kerk met haar gezag die plaats aangewezen ? . .. .
Dat er een materia en forma, d. w. z. een uitwendige handeling en een gebed, â een zaak en het woord, dat aan die zaak haar beteekenis geeft noodig zijn zal wel niemand betwijfelen.
Terloops moge ons de opmerking vergund worden, dat het betoog van Bp. Reinkens in de âRevue internationalequot; (Janv.â Mars 1895 p. 20 e. v.). waarbij Z.H.W. het bejammert, dat wij als Oud-Katholieken nog die termen âmateriaquot; en âformaquot; gebruikten, hoeveel wetenswaardigs het ook behelst, ons niet overtuigd heeft van de noodzakelijkheid, om die woorden voortaan niet meer te bezigen. Of men toch van res en verba spreekt, â bij den Doop, het Sacram. des Altaars en het Laatste Oliesel inzonderheid van verbum et elementum â of wel in 't algemeen bij alle sacramenten van materia en forma, â welk verschil kan dit maken? Altijd weer kan de beteekenis, die men er aan te hechten heeft, geen andere zijn dan deze: de uitwendige zaak of handeling (res, materia, elementum) ontvangt vorm en zin door het woord (forma, verbum). Wij zullen dan ook de oude, gebruikelijke spreekwijze maar behouden.
Nu dan; dat er een materia en forma zijn moet, zal wel niemand betwijfelen. Immers, hoe een sacrament te vormen, zonder een zaak of uitw. handeling en een woord of gebed, waardoor die beide sacramenteele beteekenis, waardoor ze ziel en leven verkrijgen ? De vraag is echter: moeten materia en forma op één moment worden saamgedrongen ? Blijkt het daarentegen niet op in 't oogloopende wijze uit de verschillende Formulieren, dat men bij de samenstelling er van volstrekt niet van dit denkbeeld uitging? Integendeel valt dit op te merken: uit een of
10
meer der verschillende bedieningen of genaden, door de Sacramenten medegedeeld, nam men gelegenheid, om aan de heilige handeling door plechtigheden en verschillende gebeden luister bij te zetten. Dus werd de sacramenteele handeling over verschillende momenten verdeeld. Dat ziet men in onze Westersche, maar evenzeer in de aloude Oostersche Liturgieën.
Ook ontwaart men duidelijk de goede trouw, waarmee de onderscheidene Formulieren werden opgesteld. Men stelde ze immers op voor geloovigen, eu spande zich daarom niet altijd in om de uitdrukkingen voor ketters onaantasbaar te maken, of beter gezegd: om met de uiterste zorg zijn woorden te kiezen. Het woord van Augustinus komt hier te pas âinnocenter quaedam âet minus caute locuti sunt.quot; De geloovigen verstonden wel, wat bedoeld werd; de bona fides vulde een soms sobere uitdrukking genoegzaam aan.
Uit een en ander volgt: dat men niet overal uitsluitend naar één essentieel moment moet zoeken; men weet, hoe moeielijk dit moment soms te vinden is; maar dat men de Liturgieën in haar geheel als de eigenlijke materia en forma moet beschouwen; terwijl ook sobere bewoordingen, hier en daar verspreid, dan wel degelijk in aanmerking komen.
Dat is 't, wat Bossuet óok leert in zijn welbekend geschrift âExplication de quelques difflcultés sur les Prières de la Messequot;: ') âVesprit des liturgies, et en général de toutes les consécrations, ân'est pas de nous attacher a de certains moments précis, mais âde nous faire considérer le total de Taction pour en entendre âaussi l'effet entier.quot; Hiermee wordt niet weersproken, dat zeer dikwerf een hoofdmoment is aan te wijzen, of dat soms in zulk een hoofdmoment alles is neergelegd. We willen alleen maar beweren, dat men niet altijd aan zulk een hoofdmoment uitsluitend het sacramenteele gewicht kan hechten; en voorts, dat uit het geheel der Formulieren zulk een hoofdmoment dient verklaard te worden. Want, gelijk Bossuet even later zegt: âC'est âun efiet du langage humain, qui ne peut s'expliquer que par âpartie; et Dieu, qui voit dans nos coeurs d'une seule vue ce âque nous avons dit, ce que nous disons, et ce que nous ^oitZons âdire, écoute tout, et fait tout dans les moments convenables â qui lui sont connus, sans qu'il soit besoin de nous mettre en peine
') Oeuvres completes de Bossuet. Lyon amp; Paris i8GU t. VIII p. 4.45.
11
âen quel cndroit précis il le fait- II suffit que nous exprimions âtout ce qui se fait, par des actions et par des paroles con-âvenables, et que le tout ensemble, quoique fait et prononcé âsuccessivement, nous représente en unité tous les effets et âcomme toute la face du divin mystère.quot;
Passen we deze beginselen nu toe op de verschillende Formulieren des Priesterschaps, dan treffen wij, ze onderzoekend, daarin aan: l». altijd één of meer momenten van handoplegging. 2°. altijd één of meer gebeden, waarin over den Ordinandus
de H. Geest wordt aangeroepen,
3°. altijd één of meer gebeden, of handelingen, soms ook een enkele uitspraak, gelijk dat in sommige Oostersche Formulieren het geval is, waaruit blijkt, dat de macht om het Offer des K Verbonds op te dragen, tot het wezen behoort van de heilige bediening, die de wijdeling aanvaardt.
Slechts één Formulier (Vgl. Martène: De ant. eed. rit. Bassani 1788. fol. t. II. 1. I. C-VIII. Art XI. Ordo VI. p. -19.) der Wes-tersche Kerk mist het gebed âDeus sanctiflcationumquot;, .dat overigens in alle voorkomt, en waarin de offermacht des Priesters vermeld wordt. Het heeft niettemin 't âAccipe potestatem offerre âsacriflcium Deo, missamque celebrare etc.quot;
In het onlangs verschenen werk âDe Hierarchia Anglicana van Denny en Lacey, p. 115, wordt uit de âConstit. Apostol.quot; 1. VIII. c- 16. een gebed bij de Priesterwijding aangehaald, waarin inderdaad niets betreffende de bedoelde oflfermacht voorkomt.
Maar wat zegt â om met Martène, die 't echter op iets anders toepast, te spreken â wat zegt één of âwat zeggen eenige weinige formulieren op zoovele andere?quot; ')
Het gaat natuurlijk thans niet aan, om onze bewering uit ieder Formulier afzonderlijk te staven. Zoo noodig kan dit straks nader geschieden, als iemand ons rekenschap mocht vragen.
Op grond van een en ander is 't dunkt ons opmerkelijk, dat het Anglic. Formulier der Priesterwijding de nadere aanduiding van de offermacht des Priesters mist. Het verschilt hierdoor in een belangrijk, wellicht in een essentieel opzicht van de oude
') Het woord van Martène luidt in zijn geheel: »Verum quid pauei codices, iiquo oinnino reccntes, adversus venerandae antiquitatis libros, et numeros et charactero longe praeforelidos'?quot; {Martène 1 c. Art. IX. n. XII.
u
Formulieren; opzettelijk verschilt het in dit opzicht van het vroeger door hen gebruikte. En daarom vragen wij: Wordt de beteekenis van het daarin voorkomende hoofdmoment door die opzettelijke weglating, (in verband met het geloof der Anglic. Kerk) niet in een wezenlijk opzicht beperkt ? Is er, rekening gehouden met den geest der liturgieën, geen leemte in, waardoor men het voor ongenoegzaam moet verklaren?
Ziedaar, Mhr. de V., we eindigen alweer met een vraag. Waarom ? Omdat we de voorzichtigheid willen betrachten; omdat we ons oordeel, dat anders vrijwel beslist is, gaarne aan dat der geestelijkheid onderwerpen; omdat we bereid zijn terug te treden als men ons overtuigt, dat wij dwalen; omdat wij de kwestie zoo teer. teer voor de Anglicanen zoowel als voor onze Kerk, achten, dat wij niet durven beslissen; eindelijk, omdat wij onderstellen, dat met ons bescheiden onderzoek de kwestie nog volstrekt niet uitgeput is.
Onze verdere onderlinge besprekingen mogen maar die vrucht afwerpen, dat wij allen uit twijfel tot zekerheid geraken, hetzij dan omtrent de geldigheid of de ongeldigheid der Anglic, wijdingen! Mogen intusschen onze inlichtingen daartoe iets hebben bijgedragen.
Ik heb gezegd.
Nadat de voorzitter den spreker namens de vergadering dank betuigd heeft voor het uitstekend rapport, verkrijgt prof. Ken-ninck het woord. Hij kan niets dan hulde brengen aan den rapporteur die zoo beknopt en toch zoo duidelijk het gevoelen der commissie heeft meegedeeld. Toch wenscht hij te vragen hoe de commissie aan de bewering gekomen is dat in de anglikaan-sche kerk slechts het roomsche pontificaal gebezigd werd. In tegendeel. Het pontificaal van Salisbury werd daar veel meer gebruikt. Ook hecht z-i- de commissie te veel waarde aan de oudheid van het rituaal- Er zijn niet zooveel ritualen van de oudste tijden af tot ons gekomen zoodat zeker zou kunnen worden uitgemaakt welke woorden er precies moeten gebezigd worden- Zeker is het gewenscht zich zoo veel mogelijk aan oude ritualen te houden, maar als het tegenwoordige anglik. rituaal zich niet duidelijk uitspreekt over het offerkarakter der mis dan hebben wij nog geen recht te zeggen dat de Anglikanen dat offerkarakter loochenen- De commissie -stemt zelf toe dat materia en forma van een sacrament niet juist op één plaats behoeven
13
aanwezig te zijn, maar dan is de voorstelling der Anglikaansche kerk ook goed. Zij hechten zeker niet minder, misschien meer aan het denkbeeld bisschop, priester en diaken, dan Rome daaraan hecht. quot;Wat nu de beschuldiging van opzettelijke verval-sching betreft, dat is te stout gesproken. Rome is er wel toe gekomen de porrectio instrumentorum als iets wezenlijks aan de wijding toe te voegen, ja daarin het hoofdmoment te zien. Waarom wordt de Roomsche kerk niet van vervalsching beschuldigd en wel de Anglikaansche?
Pastoor van Santen wijst er op dat men, wat vooral bij de Anglikaansche kerk van zoo groot belang is, onderscheid moet maken tusschen de intentie en de formule van wijden. Hij is overtuigd dat bisschop Wordsworth, als hij priesters wijdt ook offeraars wil wijden. Van anderen is dat niet zoo zeker. De intentie is bij allen zeer verschillend, zoodat men de bona 'fides der Anglik. kerk wel eens in twijfel heeft getrokken. Van enkele personen hangt echter de geheele richting niet af en alleen als de commissie in staat is te bewijzen, dat er in de jaren van Parker tot heden een tijd geweest is waarin geen enkele ' bisschop offeraars wilde wijden, zou men aan de apostolische opvolging mogen twijfelen. De heer van Vlijmen meent, dat zoo die tijd te vinden is, deze dan zal moeten gezocht worden in de 18de eeuw onder de regeering van het Hannoversche huis.
Past. Deelder wil liever dat van intentie niet gesproken wordt, maar dat men in zulke moeielijke gevallen als het onderhavige de geschiedenis laat spreken. Nu is het een feit dat door de Anglikaansche kerk het rituaal veranderd is en dat mag niet worden vergeten. Tamburini zegt beslist dat wie het rituaal verandert, zoo dat er twijfel ontstaan kan omtrent de redenen van die verandering, een doodzonde begaat. Morinus is het met hem eens, en als een bisschop Neercassel zegt âvoor mij bestaan er slechts leeken in de Anglikaansche kerkquot; berust zijn gevoelen op de leer der kerkvaders eh der scholastiek.
Morinus, die als de vader van een nieuwe richting in eenig opzicht beschouwd kan worden, bespreekt opzettelijk de kwestie der geldigheid eener priesterwijding, die door kettersche bisschoppen is toegediend. Daar zegt hij, dat dit punt zoo ingewikkeld en verward is, dat het haast onmogelijk is, er een oplossing van te geven. Daarom beroept hij zich niet alleen op scholastieken maar ook op Vaders. De uitspraken van deze
ticht hij zoo uiteenloopend, dat van eeu traditie ten gunste van de geldigheid der kettersche wijding niet gesproken kan worden. Het veiligst acht hij dan, zich aan die kerkvaders te houden, die van een ander gevoelen zijn, terwijl hij voor zich, om zijn raee-ning met een nieuwere opvatting in overeenstemming te brengen, een zekeren uitweg zoekt. De veranderingen nu, die in het rituaal gemaakt zijn, zijn volstrekt niet op wettig gezag gemaakt maar alleen op bevel van het Engelsche Parlement. Prof. Kenninck toont hierop aan, dat men niet al te angstvallig mag zijn bij het beoordeelen van enkele feiten. Er waren dan in de roomsche kerk dingen aan te wijzen die veel erger zijn dan waaraan de angli-kaansche kerk zich ooit heeft schuldig gemaakt, dingen, die zouden kunnen doen twijfelen aan de geldigheid van heel wat bisschoppen in de Westersche kerk. Verder wijst hij er op, dat het parlement lang niet alles alleen heeft gedaan, maar dat wij in de anglikaansche kerk voor twee stroomingen staan waarvan nu eens deze dan gene de overhand heeft gehad. Men mag een kerk zoo maar niet beschuldigen, maar moet ook op de eerlijkheid harer vertegenwoordigers vertrouwen.
Past. Wijker vindt dat die eerlijkheid der angl. kerk uit haar geloofsbelijdenis moet blijken. Daar wordt duidelijk gezegd, dat alleen hij die gelooft Christus ontvangt, zoodat er nooit sprake kan zijn van offerande. In hun liturgie zegt prof. Kenninck vindt gij meer. Daar zijn er die de trantsubstantiatie aannemen, daar zijn er ook die het niet doen, en allen hebben dezelfde liturgie. Past. van Santen geeft den raad het hoofd niet in een wespennest te steken. Ik kan zegt hij, uit Engelsche schrijvers het ware Katholicisme maar ook het reinste Calvinisme putten. Aan de idee âAnglikaansche kerkquot; als een afgerond geheel kunnen wij niet meer vasthouden. Juist aan dat twijfelen tusschen katholicisme en protestantisme hebben de 39 artikelen hun ontstaan te danken- Er zijn echter onder de anglikaansche geestelijken katholieken die ook gevoelen dat zij hun kerk zoo veel mogelijk tot het katholicisme moeten terugbrengen en die juist daarom bij ons raad vragen. De groote moeilijkheid is echter: wat is de zuivere katholieke voorstelling van het offer van J. Chr. en van de H. Mis. Dat is eenvoudig in een formule niet weer te geven.
Nadat op de bezwaren van past. quot;Wijker door den President geantwoord is met de voorlezing van blz. 12i vl. uit âDe hierarchia anglikanaquot; van Denny en Lacey wordt een uur pauze gehouden.
15
Te een uur wordt de vergadering heropend. De voorzitter zet zijn citaat uit âDe hierarchia anglicanaquot; voort. Vervolgens antwoordt hij op hetgeen door pastoor Deelder in het midden is gebracht. Ook spreker is van meening dat men de intentie er buiten moet laten, maar dan moet men haar niet door een achterdeurtje weer binnen smokkelen- Pastoor Deelder heeft gezegd dat de kerkvaders de door ketters bediende wijdingen niet voor geldig bebben gehouden. Naar sprekers meening is na den strijd van Stephanus en Cyprianus niets zoo zeker als dit: dat aan de geldigheid van een sacrament door den bedienaar niets wordt afgedaan als do vorm der bediening slechts in orde is. Zooals bekend is, heeft Augustinus dat herhaaldelijk en duidelijk uitgesproken met toepassing op den Doop, maar daarbij zich grondend op een algemeen beginsel, dat evenzeer ook op andere sacramenten toepassing vindt. Wat Tamburini betreft, ook deze is van oordeel dat de anglikaansche bisschopswijding, ofschoon onwettig, geldig is. Past. Prins, gaat spreker verder, heeft gezegd dat de vaders dikwijls minus caute locuti sunt. Dat mag worden toegegeven voor zoover Jiet enkele leerstellingen betreft, maar niet waar het de bediening der sacramenten geldt. Daar zijn zij altijd nauwkeurig en precies te werk gegaan en hebben zij vermeden iets op te nemen wat afdwalingen zou kunnen ten gevolge hebben. In het Nieuwe Testament reeds worden vorm en materie genoemd van het sacrament van 't priesterschap, n l. handoplegging en gebed. Een bepaald gebed wordt daar echter niet aangegeven. Zoo is in alle ritualen het wezenlijke gebleven; handoplegging en gebed in den vorm eener praefatie- Met past. Prins is spreker het eens, dat men nu dat gebed weer niet te mechanisch op moet vatten, maar dat de geheele handeling dei-wijding in aanmerking moet komen. Maar ook in dezen ruimen zin wordt in de ritualen nooit uitgedrukt dat aan de wijdelingen de macht gegeven wordt om te offeren. Deze worden aangesteld tot dienaars van Christus, dan wordt God aangesproken en vervolgens de zegen over hen afgebeden. Van offeren komt in de oude gebeden niets voor, maar vooral het feit dat in de H. S. geen gebedsformule wordt aangegeven en ook de kerk daarover niets bepaald heeft, sluit de mogelijkheid uit van met grond te zeggen dat gebed moet dit of dat bevatten- Maar zegt men, de anglikaansche kerk heeft met opzet haar rituaal veranderd. Ik herinner er dan aan, dat ook voor de hervorming door de Engel-
sche kerk wijzigingen in het rituaal zijn aangebracht, maar tegelijk moet ik er aan herinneren, dat de bisschoppen daartoe het recht hadden, omdat er geen vaste formules voor bestaan. Een feit is het dat er in de dagen van troebelen een groote calvinistische strooming bestond, dat de 39 artikelen daaraan hun ontstaan te danken hebben en dat men getransigeerd heeft. Dat is jammer- Het heeft de gemeenschap afgebroken, maar deze is er toch niet onmogelijk door geworden. Om bij het sacrament van het priesterschap te blijven, het wezen van dit sacrament is door dat schipperen niet weggevallen- De oplegging der handen en het gebed om den H- Geest zijn gebleven. Dat de anglicanen het priesterschap niet als sacrament zouden beschouwen volgt niet uit de 39 artikelen zooals o-a- aangetoond wordt in de Hier- Angl- p- 97 No- 150 vlg- Het doet niets af dat een partij in de anglikaansche kerk anders denkt- De anglik- kerk als zoodanig wil dienaars van Christus maken. Als zij nu niets achterlaat van hetgeen de geheele kerk altijd gedaan heeft dan is haar ritus goed- Ook op het concilie van Trente is, toen de anglicaansche kerk ter loops ter sprake kwam, aan de geldigheid der bisschopswijding niet getwijfeld- Wij ontkennen, zeide een der bisschoppen, zonder door anderen te worden verbeterd, dat de anglicaansche bisschoppen ware bisschoppen zijn omdat zij door den roomschen paus niet zijn bevestigd. Hierdoor alleen kunnen wij hen overtuigen dat zij op den verkeerden weg zijn. (De Hierar- Angl- p- 169)- Ik heb reeds gesproken over de pogingen ter hereeniging met de Anglikaansche kerk beschreven door Tabarand- Laat mij ten slotte daaruit nog iets meedeelen. Pater Leander, een Benedictijn, door Urbanus VHI naar Engeland gezonden om zulk een hereeniging te bewerkstelligen schrijft o-a. in een Mémoire aan kardinaal Barberini; De anglikaansche kerk heeft dezelfde hierarchie behouden die zij voor de scheuring-bezat. Haar geestelijken zijn gewijd naar den ritus van het roomsche pontificaal ')⢠Na hetgeen ik gezegd heb, geloof ik dat wij mogen besluiten, dat er geen bezwaar bestaat om te erkennen dat de anglikaansche ritus der wijding met dien dei-katholieke kerk zich in overeenstemming bevindt.
Nadat pastoor v. d- Poll in enkele woorden als zijn meening had te kennen gegeven, dat er in de oude formulieren wel dege-
â ) Vergel. Tabarand Hist. Critique des pi-ojets formes depuis 300 ans jjour la reunion des communions ehretiennes p. 257.
17
lijk van een offeren wordt gesproken en dat bij de wijding ook het meedeelen van het charakter als offeraar werd uitgesproken, komt pastoor Deelder zoowel op dit zelfde onderwerp als op hetgeen hem door den president is geantwoord terug. Hij verklaart dal hij nauwkeurig alles heeft nagegaan en beslist durft hij verklaren dat in de meeste liturgieën, sacramentaliën enz- het denkbeeld van offeren voorkomt. Tevens herhaalt hij dat de kerk geen uitspraak gedaan heeft omtrent de door ketters toegediende sacramenten. Hij meent ook te mogen twijfelen of ^ hetgeen door den voorzitter aangaande het concilie van Trento
is bijgebracht wel van beteekenis is. Dat toch had betrekking op de zitting van Nov. 1562. Nu was juist in dat jaar het anglikaansche formulier veranderd en mag men dus vermoeden dat die bisschoppen nog niet wisten dat er in het formulier der wijding een verandering uit calvinistische beginselen had plaats gehad.
De voorzitter moet nogmaals op den doop wijzen. Ook de doop door een protestant bediend wordt door ons voor geldig gehouden ofschoon de protestant niet aan de erfzonden gelooft en dus ook de intentie niet kan hebben om deze door den doop te vergeven. Toch nemen wij aan, dat God ook aan het door protestanten gedoopte kind de erfzonde vergeeft. Zoo zal Hij ook aan de door Anglikanen ge wijden al de gaven van het priesterschap meedeelen, zelfs al hebben de Anglicanen de intentie niet om ze alle in Zijn naam te schenken. Pastoor Deelder is nog niet overtuigd maar leest enkele plaatsen uit kerkvaders voor, die over de bediening der sacramenten door ketters handelen en verwijst voor deze en meer andere naar Morinus. Wordt door enkelen aan de aangevoerde bewijzen een groote c beteekenis ontzegd, past. v. Santen laat de bewijskracht in het
midden, maar is van gevoelen dat als omtrent deze zaak geen vaste traditie bestaat, wij dan ook aan niets gebonden zijn. In ⢠den ouden tijd handelde men naar omstandigheden en waar het
het heil van de geheele kerk of zelfs van een klein gedeelte daarvan betrof, schroomde men niet handelend op te treden, hetzij er een traditie bestond of niet. Zoo moeten wij ook doen. Laten wij zien of een der beide stroomingen in de Anglikaansche kerk, de katholieke, zich niet wat meer wil afscheiden en meer tot ons wil naderen dan valt het veel gemakkelijker met dat gedeelte te onderhandelen. Dan krijgt de vraag een meer praktische beteekenis. Na oen korte gedachtcnwisseling tusschen
18
de heeren Kennink, Prins en Deelder, stelt prof. Kennink een motie voor die z. i. wel niet veel licht verschaft, maar dat dan toch een antwoord is op de door de commissie gestelde vragen.
Enkele leden hebben bezwaar tegen de redactie der motie. Prof.
Berends wil er ingevoegd zien dat, als in de anglik. kerk de katholieke richting meer op den voorgrond treedt, de bezwaren veel makkelijker uit den weg zouden kunnen worden geruimd.
Ook past. v. Santen wil dat er in worde uitgedrukt, dat wij de Anglik. geestelijkheid niet als geldig kunnen erkennen zoolang haar kerk allerlei richtingen in eigen boezem duldt. De motie ,
wordt hierna aan een commissie van redactie gegeven die na een pauze van 15 minuten haar in den volgenden vorm heeft gegoten:
De priesters der O. B. Clerecy van Nederland, te Utrecht verga derd 1 Oct. 1895 verklaren: dat bij hen uit een historisch oogpunt tegen de erkenning der apostol. successie in de Anglik. kerk geen bezwaar bestaat; zij durven echter het geldig en wettig bestaan der hierarchie aan bedoelde kerk niet toekennen zoolang niet deze kerk van haar kant meer officieel bewijs geeft van katholiciteit.
Past. Deelder raadt de vergadering aan zich met de motie te vereenigen om twee redenen. Vooreerst zijn de gevoelens omtrent de geldigheid nog verdeeld. Er zijn er die haar be-vestigen maar er zijn er ook die haar ontkennen. Glashelder is de zaak dus niet en toch is de uitspraak van ingrijpend belang. Slechts een gedeelte van hetgeen met deze zaak te za-men hangt is behandeld en ook de besproken kwesties zijn nog lang niet uitgeput. Zij die meenen licht te bezitten mogen dankbaar zijn, maar zij mogen niet hun gevoelen aan anderen opdringen en zeggen omdat gij dit of dat niet inziet zijt gij dom. Er zijn bovendien bezwaren uit godsdienstige gronden die !
geëerbiedigd moeten worden. Maar ook nog om een andere rede meen ik de motie te moeten aanbevelen. Wij kunnen niet eischen dat de anglikaansche kerk voor ons op de knieën valt.
Al zijn er vele calvinisten in die kerk, er zijn ook zeer vele katholieken, zoodat als die anglik. kerk ons tegemoet kwam en ons de zekerheid gaf dat zij katholiek wilde zijn, wij vele dingen over het hoofd behoorden te zien. Ook in de kerk van Corinthe waren er die de verrijzenis loochenden en Bossuet zegt wanneer wij zekerheid hadden dat er in de Luthersche kerk meer mannen waren als Molinus dan stond niets aan dé veree-niging in den weg.
19
Ofschoon ook de tegenwoordige redactie der motie nog niet aan allen kan behagen, omdat nog niet duidelijk genoeg het gevoelen der vergadering daarin wordt uitgedrukt, wordt de motie toch, daar niemand een betere redactie weet voor te stellen, met algemeene stemmen op twee na, terwijl één lid buiten stemming bleef, aangenomen. Nadat besloten is deze motie aan de commissie belast met het onderzoek naar de apostel. opvolging in de anglik. kerk als een antwoord op de door haar gestelde vragen toe te zenden, wordt door Past. Prins uit naam der commissie der vergadering dank gezegd voor de belangstelling in het werk der commissie en voor de moeite die allen zich getroost hebben om tot een goed einde te komen. Hiermede is punt twee der agenda afgehandeld en wordt terstond overgegaan tot het derde punt; De moedertaal in de liturgie.
III.
Moedertaal.
Prof. Kenninck opent de besprekingen met er op te wijzen, dat de brochure die de heeren van hun bisschoppen hebben ontvangen en de vergadering geheel onafhankelijk van elkaar zijn. Die brochure bevat het verslag dat de commissie, in zake moedertaal door de bisschoppen benoemd, aan haar lastgevers heeft uitgebracht. De commissie is niet zoo ingenomen met haar eigen werk dat zij de vergadering verzoekt dat verslag aan de debatten ten grondslag te leggen, maar spreker meent toch tot dezen maatregel te moeten aanraden, daar zij een groot gemak bij de beraadslagingen zal i opleveren- Past. v. Santen voegt hieraan toe dat de bisschoppen
juist om deze vergadering de termijn van antwoorden van 15 Sept. tot 15 Oct. hebben verlengd. In zooverre zagen zij dus eenig verband tusschen dat rapport en deze vergadering. Wij kunnen hetzelfde doen en dus de commissie verzoeken hun rapport als legger te geven. Past. v. Beek-Rotterdam vindt het het beste als de vergadering de vijf door de bisschoppen gestelde vragen zoekt te beantwoorden- Daardoor hebben wij meent hij tegelijk een gids en een beknopt compendium van hetgeen zal moeten worden behandeld. De vergadering betuigt haar instemming met deze woorden waarna de voorzitter terstond de volgende vraag voorlegt: Zijt gij voor of tegen de invoering der moedertaal bij de
20
heilige offerande der mis? Wij weten genoeg, gaat hij meteen voort, dat de bedoeling der kerk altijd geweest is te bidden in de taal van het volk. Als wij van de offerande willen maken wat zij oorspronkelijk was, een handeling van priester en volk, dan moet het volk meebidden. Met Fleury (Troisiem Discours sur l'hist. eccl. no. 24) wijs ik er op dat sedert de Gothen, de Franken en andere Germaansche volksstammen zich in de Eomeinsche provincies vestigden zij daar de minderheid uitmaakten zoodat het niet noodig was om voor hen de taal te veranderen, maar als men het Christendom bracht in landen waar hun eigen taal de heerschende of de eenige was daar moest men hun alles toestaan wat kon dienen om hen te onderrichten en in het geloof te bevestigen. Op de vraag van den heer v. Vlijmen of hier naar het persoonlijk gevoelen wordt gevraagd of dat de geestelijken uit naam van hun gemeente moeten spreken wordt geantwoord dat hier alleen van het persoonlijk gevoelen der geestelijken sprake is. Ook past. van Santen is van deze meening, maar hij wenscht te vernemen of, zoo de bisschoppen tot een invoering der moedertaal zullen besluiten, deze dan imperatief of facultatief zijn zal. De voorzitter denkt dat deze zeker wel facultatief zijn zalge'ijk dat in Duitschland het geval ook is. Na deze kleine inleiding wordt de eerste vraag door allen bevestigend beantwoord.
De tweede vraag luidt: Wenscht gij eenvoudig een vertaling van de geheele thans in gebruik zijnde liturgie? Deze vraag hangt volgens het algemeen gevoelen te nauw met de derde: Acht gij het met de commissie gewenscht het een en ander weg te laten? te zamen dan dat zij afzonderlijkkunnen worden behandeld. Men besluit derhalve ze te verbinden. Past. v. Schaik zou stemmen voor letterlijke vertaling. Hij weet wel dat men het recht heeft enkele veranderingen aan te brengen, maar, zegt hij, men moet met de gemeenten rekening houden. Hij ziet geen kans om allen zoo ontwikkeld te maken dat zij het recht van veranderen inzien en erkennen. Het gaat zeer moeielijk in dit geval onzen persoon van de gemeente te scheiden. Wij willen juist verandering in het bestaande aanbrengen ten bate der gemeenten. Wij moeten dus meer de gemeenten dan ons zelf laten spreken. Wat zou het baten als we hier al als privaatpersonen eenstemmig verschillende dingen aannamen, maar tegenover de bisschoppen een andere taal zouden moeten voeren als hoofden der gemeenten? Wij moeten gebed en gezang van elkaar schei-
21
den. In het laatste kunnen veranderingen worden aangebracht, maar het officie der mis moeten wij onveranderd houden. Ook past. v. Santen spreekt in dezen geest. Hij wijst er nog op dat wij vooral ook om de bisschoppen te vreden te stellen en te winnen zoo weinig mogelijk veranderingen moeten maken, het liefst in 't geheel geen veranderingen. Het laatste was ook het gevoelen van past. v. Vlooten-Den Haag.
De voorzitter vindt, dat vertalen alleen een halfheid zijn zou. Nu wij toch veranderen, moeten wij het in eens zoo goed mogelijk doen. Hij stelt voor, dat de commissie zich eens laat hooren. Prof. Kenninck wijst er dan op welk een onaangenamen indruk enkele gebeden, als zij letterlijk werden vertaald, op den geestelijke zoowel als op de gemeente moesten maken. Blijven wij slechts staan bij den eersten psalm Idica me Deus. Het is duidelijk, dat die psalm als een privaat gebed voor den priester moet worden aangezien, maar tegenwoordig geen rede van bestaan meer heeft. Zou men er tevreden mee zijn als de priester aanhief: âEed mij, o heer, van dat onheilig volk.quot; Past. Deelder merkt aan dat deze psalm lang niet overal in gebruik is. Wij moeten zooveel mogelijk terugkeeren tot de zuivere oudheid, tot een gemeenschappelijk gebed van priester en gemeente. Daarbij is het echter noodig dat de handeling niet te lang dure, zoodat dan ook de commissie gemeend heeft, veel van wat niet essentieel of wat stoorend is, te moeten verwijderen. Prof. Kenninck wijst er verder op, dat de viering van al die heiligendagen zooals ons missaal dat eischt, geheel in strijd is met de oorspronkelijke bedoeling der kerk. De kerk wil het geheele verlossingswerk van Christus ieder jaar met de geloovigen doox--loopen. Dat verlossingswerk moet de hoofdzaak blijven en mag niet willekeurig worden afgebroken. Waarom al die heiligendagen in de kerstweek, waarom de vasten door feestdagen afgewisseld. Veranderingen moeten er gemaakt worden. Om de beide stroomingen van voor- en tegenstanders te vereenigen, stelt daarop past. Harderwijk-Delft voor, de mis zooveel mogelijk letterlijk te vertalen, maar het aan den priester over te laten of hij enkele gedeelten, die door de vergadering, op voordracht van de Commissie, aangenomen worden, wil overslaan of niet. De vraag, of men dan verschillende hollandsche missalen zou moeten laten drukken, wordt op voorstel van past. Harderwijk-Delft door het volgende besluit beantwoord. Er worde éen missaal gedrukt, maar
22
boven die gebeden die niet tot het essentieele behooren en die naar liet gevoelen der vergadering beter zouden zijn weggelaten, worden de woorden gedrukt ânaar believen.quot; Verder is men het er over eens, dat in het tweede gedeelte van het missaal, dus in datgene wat niet tot de mis behoort, veel gemakkelijker veranderingen kunnen worden aangebracht, daar de gemeenten daar niet zoo strak op staan als op het officie. Door bovengenoemd besluit is de discussie over de voorgestelde veranderingen voor een groot gedeelte afgesneden.
Voor de aan te brengen veranderingen wordt bijlage A van het rapport der commissie in zake de moedertaal als legger genomen. Zonder discussie wordt besloten boven de gebeden bedoeld in nommer 1, 2, 5, 9, 12, 15 en IGa (St. Jans evangelie) van die bijlage de woorden ânaar believenquot; te plaatsen. Slechts enkele moeielijkheden kwamen nog voor, zooals b.v. de vraag of de Introïtus kan vervallen. Past. Jans-Helder, wil hem behouden voor de nakomenden en ook voor den priester zelf, daar deze zich in de sacristie bevindt als de inleidende psalm wordt gezongen. Er wordt op geantwoord dat men met de achterblijvers geen rekening kan houden, daar dan dikwijls nog vee\ meer dan de introïtus zou moeten worden herhaald. Het grootste bezwaar is echter dat de heilige handeling leelijk zou worden gestoord door het herhalen van een psalmvers. Wat kan men zich een schooner begin wenschen dan de schuldbelijdenis met het gebed om vergiffenis. Waarom, na dit begin terstond weer opgehouden om nog even een inleiding te lezen. Hier is de stoornis voor ieder zoo duidelijk mogelijk. Met deze verklaring van past. Decider zijn de geopperde bezwaren weerlegd en wordt besloten om als uitzondering op de aangenomen regel de introïtus geheel weg te laten. Met nommer 3 worden verder zonder bezwaar nom. 4, 6, 7, 8, 11, 13 en 14 aangenomen. Alleen de punten 10 en 16b (Benedictie) leverden nog eenige bezwaren op. Punt 10 werd door prof. Keninck aldus toegelicht. Het bidden voor vorst en vaderland in den canon is een zeer oude gewoonte. De apostel Paulus wilde dat zelfs voor de heidensche keizers zou gebeden worden en zeker hebben de eerste christenen dat bij hun heiligste handelingen niet vergeten. Op het bezwaar dat de personen die daar genoemd worden in de gemeenschap dei-kerk moeten staan antwoordt de voorzitter dat dit door de woorden una cum niet wordt uitgedrukt. Zij beteekenen een-
23
voudig dat met de genoemde ook de nog volgende personen mogen gespaard en gezegend worden- Daar er echter werd aangevoerd dat voor vorst en vaderland toch reeds regelmatig werd gebeden was de meerderheid van meening dat daar het vorstenhuis niet tot de katholieke kerk behoorde men ook niet in den canon voor hen moest bidden- Nadat door stemming dit gevoelen der meerderheid was kenbaar geworden ontstond er nog eenige discussie over de vraag of nu ook de paus nog met name mocht genoemd worden. De voorzitter meent dat, de beteekenis van una cum in aanmerking genomen, men zeer goed voor den paus in den canon mag bidden- Past. Harderwijk-Delft zegt, dat zoolang onze verhouding tot Rome blijft zooals zij nu is, men den paus niet mag vergeten- Bij de stemming bleek dat de overgroote meerderheid het gebed voor den paus wilde behouden.
Bij punt j.6 werd er op gewezen dat de benedictie met het âOns Heerquot; wel eerst uit later tijden stamde, maar dat het een te schoon slot was der godsdienstoefeningen dan dat men haar zonder dringende redenen zou willen laten vervallen. Bij groote meerderheid van stemmen werd daarom besloten die benedictie te behouden.
Nadat een commissie van voorbereiding voor de volgende vergadering was benoemd, bestaande uit den voorzitter en de secretarissen der gehouden vergadering was de agenda afgehandeld. Daar geen der leden iets anders verlangde ter sprake te brengen, sloot de voorzitter met dankbetuiging voor de goede opkomst ten 5 ure de vergadering.
C. A. HARDERWIJK.
A. B. D1EVENBACH.
J. H. BERENDS.
October 1895.
24
Nadat door ons de ter algemeene vergadering aangenomen motie aan de commissie in zake de apostolische opvolging in de Anglikaansche kerk den 14. Oct. was toegezonden, ontvingen wij den 15. daaraanvlg. onderstaand antwoord, dat wij om aan het verzoek, in dat schrijven geuit, te voldoen hier mededeelen.
Zeerearw. Heeren!
Namens de commissie tot onderzoek van het vraagpunt der Apostolische Opvolging in de Anglikaansche Kerk heb ik de eer, U de ontvangst van Uw geëerd schrijven d.d. 14 Oct. mede te deelen en verzoek U beleefd, om ter gdeganar tijd aan de geestelijken voor hun gewaardeerd antwoord onzen dank te betuigen.
De Secretaris van bovengenoemde commissie â¢N. PRINS.
Namens den Voorzitter en de Secretarissen der algem. vergadering
J. H. BEKENDS.
ipp
H
â : â â a â
i/ I
'. .â¢â¢â â .â . ' ' â â K: ^;-
|
I HB â HHBHHII_______* ÃH |
â â â â â â â '. â , â â â â â -â ffi |
'IIS
1 -.V' .' V ' -Afjr~' 'â -' .-' â
-
HiÃMii I