ocr page 1

VOLGENS DE LAATSTE VOORSTELLEN DER REGEERING TOT HERZIENING DIER WET. OP 17 MAART 1880 IN BEHANDELING GEKOMEN,

GEVOLGD DOOR

De Grondwet voor liet Koningrijk der Nederlanden

HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK

HET ONTWERP DER STAATSCOMMISSIE

ter vergelijking naast elkander gesteld

DENEVENS HET

ONÏWEEP-VAN HOUTEN

TOT HERZIENING DER GRONDWET.

/d d 'c . ü-j c

ocr page 2
ocr page 3

DE MEUWE GRONDWET

- v

ri

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

I

p

i

VOLGENS DE LAATSTE VOORSTELLEN DER REGEERING

TOT HERZIENING DIER WET,

op 17 Maart 1886 in behandeling genomen.

,1

r

1

HAARLEM H. D. TJEENK WILLINK 18S6

bibliotheek der rijksuniversiteit u t r £ o h ta

ocr page 4

Gedrukt bij AV. H. Woest, te Haarlem.

ocr page 5

Ontwerp der gewijzigde Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, naar de laatste voorstellen der Reg eer inf.

Maart 1886.

EERSTE HOOFDSTUK.

Van het Rijk en zijn Inwoners.

Art. 1.

Het Koningrijk dor Nederlanden omvat het grondgebied in Europa benevens de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Art. 2.

Do Grondwet is alleen voor bet liijk in Europa verbindende, voor zoover niet bet tegendeel daaruit blijkt.

Waar in de volgende artikelen het liijk wordt genoemd, wordt alleen het Eijk in Europa bedoeld.

Art. 3.

De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen, en nieuwe vormen.

De grenzen van hel Kijk, van de provinciën cn van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd.

Art. 4.

Allen die zich op het grondgebied van het Kijk bevinden hebben aanspraak op bescherming van persoon en goederen.

De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen, en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten.

Art. 5.

Alle Nederlanders zijn gelijkelijk benoembaar tot openbare betrekkingen, behoudens de oisehon van bekwaamheid en geschiktheid.

Vreemdelingen zijn lot geen andere Kijksbetrekkingcn benoembaar dan tol die, welke de wet aanwijst.

Art. 6.

De wet verklaart wie Nederlanders en wie ingezetenen zijn.

De wet stelt regels voor de naturalisatie van vreemdelingen.

ocr page 6

ONTWERP DEB GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 7.

Niemand hooft voorafgaand verlof noodig, om door do drukpers godachten of gevoelens te openbaren , behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens do wet.

Art. S.

Ieder hooft het rogt om verzoeken, mits schriftelijk, aan do bevoogde magt in te dienen. Elk vorzoek moot door don verzoeker ondertoekend zijn. Ondorteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke bij het verzoek ovei'-gelegde vol magt.

Wettig bestaande ligchamon kunnen aan de bevoogde magt verzoekschriften indienen , doch alleen over onderwerpen tol hunnen bepaalden werkkring bohoorendo.

Art. 9.

Hot rogt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.

Do wet regelt en beperkt do uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van den Koning.

EERSTE AFDEELING.

Van de Troonopvolging.

Art. 10.

Do Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit WILLEM Freberik, Piiins van Ohaxje-Nassau , om door Hom en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig do navolgende bepalingen.

Art. 11.

Do Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij rogt van eerstgeboorte, met dien verstande dat bij vóóroverlijden van een regthebbonde diens zonen of verdere mannelijke uit mannon gekomen nakomelingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en do Kroon nooit in eono jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in do oudere lijn of don ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden.

Art. 12.

Bij ontstentenis van opvolgers in hot voorgaand artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde doebtors van den laatstoverloden Koning, bij rogt van corstgobooi'te.

Art. 13.

Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters in de ncdorgaande mannelijke lijnon uit don laatst overleden Koning en, bij gebreke ook daarvan, in de nedorgaande vrouwelijke lijnen.

In dat geval hoeft steeds do oudere lijn voor de jongere, do mannelijke tak voor don vrouwelijken, de oudore voor don jongeren, en hebben in ioderen tak mannen voor vrouwen en ouderen voor jongeren den voorrang.

4

ocr page 7

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 14.

Bij onlslcntcnis van oen opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen lot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het huis van Oranjc-Nassau behoorende, die den laatst overleden Koning, in do lijn der afstamming van wijlen Koning Willeji Fkedemk, Prins van Oranje-Nassau, liet naast bestaat.

Bij gelijken graad van verwantschap heeft de oudste in jaren don voorrang.

Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem overleden , dan treden hare nakomelingen in bare plaats met inachtneming dor regelen, in het 2de lid van art. (13) omschreven.

Art. 13.

Bij ontstentenis van oen opvolger, krachtens oen der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Cakolika vak Oiiakje, zuster van wijlen Prins Willem des Vijpde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. (11) ton opzigte van do nakomelingen van wijlen Koning quot;Willem Pkedemk , Prins van Oranje-Nassau is bepaald.

Art. 1G.

Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.

Art. 17-

liet kind waarvan eone vrouw zwanger is op het oogonblik van bot overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het rpgt op de Kroon als reeds geboren .aangemerkt. Bood ter wereld komende wordt bet geacht nooit to hebben bestaan.

Art. IS.

Van do erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle nakomelingen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met do Statcn-Generaal, of door een Prins of Prinses zonder de bij de wet verleende toestemming.

Zoodanig huwelijk aangaande doet ecne Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op do Kroon.

Voor een Prins of Prinses uit een ander dan het regerende stamhuis kan latere erkenning van een huwelijk bij do wet in de plaats van voorafgaande toestemming treden.

Art. 19.

Wanneer bijzondere omstandigheden cenigc verandering in of eenigc voorziening omtrent de troonopvolging raadzaam maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.

De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

Art. 20.

Wanneer geen bevoegde opvolger naar do Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.

Du Statcn-Generaal beraadslagen en besluiten daarover iu vereenigde vergadering

5

ocr page 8

ONTWERP DEK GEWIJZIGDE GRONDWET.

Alt. 21.

Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar dc Grondwet bestaat, geschiedt dc benoeming regtstreeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe binnen eene maand na hot overlijden zamengeroepen.

Art. 22.

Al de bepalingen omtrent dc erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning uit een ander dan het regerende stamhuis, op wien krachtens een der drie voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk in dier voege dat het nieuwe stamhuis ten opzigte van die opvolging van hem zijnen oorsprong neemt, op gelijke wijze en niet dezelfde gevolgen als het huis van Oranje-Nassau dit volgens Art. (10) doet uit wijlen Koning Willem Fbedemk, Prins van Oranje-Nassau.

Ditzelfde geldt in het geval van art. (15) ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses Carolina tan Oranje.

Hot geldt, evenzeer ten aanzien van de vrouw en hare nakomelingen, die bij opvolging tot de Kroon zijn geroepen, met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende vrouwelijke lijn uit het regerende stamhuis overgaat.

Art. 33.

Do Koning kan gocne vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan do zetel der regering buiten het llijk worden verplaatst.

TWEEDE AFDEELING.

Van het Inkomen der Kroon.

Art. 34.

Behalve hot inkomen uit de domeinen, door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet do Koning een jaarlijkseb inkomen uit 'sLands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld.

Art. 35.

Den Koning worden tot doszelfs gebruik zomer- en winterverblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet moer dan ƒ 50.000 jaarlijks ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.

Art. 3G.

Do Koning en dc Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten.

Art. 37.

De Koning rigt zijn Huis naar eigen goedvinden in.

Art. 28.

Hot jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende baren weduwelijken staat, uit 's Lands kas is ƒ 150.000.

6

ocr page 9

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 29.

Dc oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die do vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Kouings eerste onderdaan, en voert deu titel van PlUNS van Okaxje.

Art. 30.

Do Prins van Oranje geniet als zoodanig uit 's Lands kas een jaarlijkscli inkomen van ƒ 100.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op ƒ 200.000, na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.

DERDE AFDEELING.

Van de voogdij des Konings.

Art. 31.

De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is. Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Eegent wordt.

Art. 32.

De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij ecne wet.

Over hot ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten dc Statcn-Generaal in ver-cenigdc vergadering.

Art. 33.

Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over dc regeling der voogdij gehoord.

Art. 31.

Alvorens de voogdij te aanvaarden legt elke voogd, in eene vereenigdc vergadering van de Statcn-Generaal, in handen van den Voorzitter, den navolgenden eed of belofte af:

»lk zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen toeleggen , om den Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor zijn volk in te boezemen!quot;

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof ik!quot;)

Art. 35.

Ingeval de Koning buiten staat geraakt do regering waar te nemen, wordt in het noodigo toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. (32) bepaald.

De wet bepaalt don eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen.

7

ocr page 10

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

VIERDE AFDEELING.

Van het Regentschap.

Arl. 30.

Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt hol Koninklijk gezag waargenomen door oenen HegeiU.

Arl. 37.

De Kcgcnt wordt benoemd bij eeno wet, die tevens de opvolging in het regentschap . tot 's Konings meerderjarigheid loc, kan regelen. Over bet ontwerp dier wel beraadslagen en besluiten de Slaten-Generaal in vercenigde vergadering.

De wel wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers gepiaakt.

Art. 38.

liet koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de .Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.

Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade vereenigd, oordcclcn dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State met uitnoodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen.

Art. 39.

Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen zij de Slaten-Generaal in vercenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van hel voorhanden geval verslag te doen.

Art. 40.

Zijn de Slaten-Generaal in vercenigde vergadering van oordeel, dat hot in art. (38), 1ste lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den in art. (106), 2de lid, aangewezen voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.

Bij ontstenlenis van dezen voorzitter wordt door de vergadering een voorzitter benoemd.

Art. 41.

In bot geval van art. (40) is de Prins van Oranje, wanneer bij zijn acbltiendc jaar vervuld hoeft, van regtswege Regent.

Arl. 42.

Ontbreekl een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan wordt in hot regentschap voorzien op de wijze in art. (37) bepaald; in het laatste geval tot aan bet tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld beeft.

Art. 43.

Bij hel aanvaarden van het regentschap legt de Regent in eene voroenigde vergadering van do Slaten-Generaal in handen van den voorzitter den volgenden eed of belofte af;

8

ocr page 11

ONTWEEP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof), dat ik in de waarneming van het Koninklijk gezag, zoolang de Koning minderjarig is (zoolang do Koning buiten staat blijft do regering waar te nemen), de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

»Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Eijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid, en de region van alle des Konings onderdanen, en van elk hunner zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van do algemeene en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden, welke do wetten te mijner beschikking stellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.

»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (»Dat beloof iklquot;)

Art. 44.

Wanneer een Eegont buiten Staat geraakt het regentschap waar te nemen, zijn de artt. (38), 2de lid, (39) en (40) toepasselijk. Is do opvolging in het regentschap niet geregeld, dan wordt art. (37) 1ste lid,- toegepast.

Art. 45.

Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State;

1°. bij bet overlijden des Konings, zoolang niet in de troonopvolging volgens art. (21) is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent is benoemd, of de Troonopvolger of Regent afwezig is;

2°. in de gevallen van artt. (40) en (44), zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en hij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard hoeft;

3°. in het geval van art. (17), zoolang de Troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afwezig is.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra do bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

In de gevallen, waarin in het regentschap moet worden voorzien, dient do Raad van State het daartoe strekkend wetsontwerp in binnen den tijd van eeno maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag.

Art. 40.

Eono wet bepaalt, bij de benoeming van don Regent of bij de aanvaarding van hot regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het regentschap.

Deze bepaling kan gedurende het regentschap niot worden veranderd.

Art. 47.

Zoodra het in art. (38) omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door do Staten-Generaal in vereonigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den voorzitter, in art. (40) vermeld, wordt afgekondigd.

Art. 48.

Dit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal. Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter dor Eerste Kamer, die do beide Kamers onmiddellijk in voreenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting dor Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoogd de oproeping zeiven te doen.

9

ocr page 12

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 49.

De hoofden der ministeriele departementen on do voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers dor Staten-Goneraal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Kegent verslag te doen.

Art. (92) 3de lid, is ton deze ook op do voogden toepasselijk.

Art. 50.

Onmiddellijk na afkondiging van het in art. (47) omschreven besluit herneemt de Koning do waarneming dor regering.

VIJFDE APDEELIN6.

Van de Inhuldiging des Konings.

Art. 51

De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig be-eedigd en ingehuldigd binnen do stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde vergadering der Staten-Generaal.

Art. 52.

In deze vergadering wordt door den Koning do volgende eed of belofte op do Grondwet afgelegd;

»Ik zwoer (beloof) aan het Nederlandsche volk, dat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

»Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Eijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en do region van al mijne onderdanen zal boscliennen, en tot instandhouding on bevordering van do algemeene en bijzondere welvaart allo middelen zal aanwenden, welke do wetten te mijner beschikking stollen, zooals oen goed Koning schuldig is te doen.

»Zoo waarlijk helpo mij God almagtigP (»Dat beloof ik!quot;)

Art. 53.

Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door do Staten-Generaal, wier voorzitter do volgende plegtigo verklaring uitspreekt, die vervolgens door hom en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:

»Wij ontvangen en huldigen in naam van het Nederlandsche volk on krachtens de Grondwet, U als Koning;

»wij zweren (beloven), dat wij uwe onschendbaarheid en de regten Uwer Kroon zullen handhaven; wij zworen (beloven) alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.

»Zoo waarlijk hclpe ons God almagtiglquot; (»Dat beloven wijlquot;)

10

ocr page 13

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

ZESDE AFDEELING.

Van de magt des Konings.

Art. 34.

De Koning is onschendbaar; do ministers zijn verantwoordelijk.

Art. 33.

De uitvoerende raagt berust bij den Koning.

Art. 36.

Door den Koning worden algcmccnc maatregelen van bestuur vastgesteld.

Strafbepalingen worden in die maatregelen niet opgenomen dan kraebtons de wet.

Art. 37.

De Koning hoeft het opperbestuur der buitenlandsclie betrekkingen.

Art. 38.

De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan do beide Kamers dor Staten-Goneraal, met bijvoeging van zoodanige mededeclingen, als Ilij met het belang van den Staat bestaanbaar acht.

Art. 39.

Do Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Ilij doelt den inhoud dezor verdragen mede aan do beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.

Verdragen, die wijziging van het grondgebied dos Eijks in Europa of in andere worelddeelen inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten-Goneraal te zijn goedgekeurd.

Deze goedkeuring wordt niet veroischt, indien de wet den Koning tot het sluiten van het verdrag hoeft gemagtigd.

Art. 00.

De Koning heeft hot oppergezag over zoo- en landmagt.

De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door hem bevorderd, onstlagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.

De pensioenen worden door de wet geregeld.

Art. 61.

De Koning heeft het opperbestuur dor koloniën en bezittingen van het Eijk in andere worelddeelen.

De reglementen op liet beleid dor regering aldaar worden door de wet vastgesteld.

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld.

Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan.

11

ocr page 14

ONTWERP DEK GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art, 62.

Do Koning iloct jaarlijks aan dc Staten-Gcncraal ccn omstandig verslag govon van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

De wet regelt do wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen.

Art. 63.

De Koning heeft het opperbestuur van de algeineene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren, die uit 's Kijks kas worden betaald.

Do wet regelt dc bezoldiging van den Baad van State, van de Algcmcene Heken-kamer en van de regterlijko magt.

Dc Koning brengt de bezoldigingen op de bcgrooting der Rijksuitgaven.

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.

Art. 64.

De Koning heeft het regt van dc munt. Hij vermag zijne becldtenis op de muntspeciën te doen stellen.

Art. 63.

De Koning verleent adeldom.

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen.

Art. 60.

Kiddcr-orden worden door ocne wet, op voorstel des Konings, ingesteld.

Art. 67.

Vreemde orden, waaraan geenc verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning cn met Zijne toestemming door dc Prinsen van Zijn Huis.

In geen geval mogen andere Nederlanders of de vreemdelingen, die in Neder-landschen Staatsdienst zijn, vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen , zonder bijzonder verlof van den Koning.

Art. OS.

De Koning heeft bet regt van gratie van straffen door regterlijk vonnis opgelegd.

Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter die het vonnis gewezen heeft, wanneer liet vcroordeelingen betreft lot hechtenis of gevangenisstraf van niet moer dan drie jaren, en tot geldboete of verbeurdverklaring van voorwerpen te zamen of afzonderlijk. Bij ontstentenis van dien regter, alsmede wanneer het veroordeelingen tot andere straften betreft, wordt de Hooge Raad gehoord.

Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan.

Art. 09.

Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met magtiging van de wet.

De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt.

Dispensatie van bepalingen van algcmcene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

12

ocr page 15

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 70.

Alle geschillen van bestunr lusschen provinciën onderling, tnsschen provinciën en gemeenten, tusschen gemeenten onderling en tusschen provinciën of gemeenten en watcrscliappcn, veenschappen en veenpolders worden hetzij reglstreeks of in het hoogste ressort door den Koning beslist.

Art. 71.

Do Koning draagt aan de Slatcn-Generaal ontwerpen van wet voor, en doet hun zoodanige andere voorstellen, als Hij noodig acht.

Hij heeft het regt de door de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren.

Art. 72.

De wijze van afkondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld.

Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:

»Wij enz.... Koning der Nederlanden enz....

»Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

»Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz.

(De beweegredenen der wet.)

»Zoo is het, dat Wij, den Kaad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, enz.

(De inhoud der wet.)

»Gegeven,quot; enz.

Ingeval ecne Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of dooiden Raad van State wordt waargenomen, wordt de daarvoor noodige wijziging in dit formulier gebragt.

Art. 73.

De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elk afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tol liet verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamen-koinen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden.

De Raad van State, het Koninklijk gezag waarnemende, oefent het regt van ontbinding niet uit.

ZEVENDE AFDEELING.

Van den Raad van State en de ministeriele Departementen.

Art. 74.

Er is een Raad van State, welks zaraenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet.

De Koning is Voorzitter van den Kaad en benoemt de leden.

Do Prins van Oranje hooft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad.

13

ocr page 16

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 73.

Do Koning brengt ter overweging bij don Raad van State allo voorstellen, door Hom aan de Staten-Gcneraal to doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeeno maatregelen van bestuur van liet Kijk en van zijne koloniën en bezittingen in andore wereld deel en.

Aan bet hoofd dor uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege geboord is.

De Koning boort wijders den Raad van State over allo zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt.

De Koning alleen besluit en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan don Raad van State.

Art. 70.

De wet, die de bevoegdheid van den Raad van State regelt, kan aan dien Raad of aan oeno afdooling daarvan do uitspraak in bet boogstc ressort over gesebillen, opdragen.

Art. 77.

De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er do hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor do uitvoering dor Grondwet en der andere wetten, voor zooverre dio van de Kroon afhangt.

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.

Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriele departementen mede onderteekend.

DERDE HOOFDSTUK.

Van dc Staten-Generaal.

EERSTE AFDEELING.

Van de zamenstelling der Staten-Generaal.

Art. 78.

Dc Staten-Generaal vertegenwoordigen bet geboelc Nederlandschc volk.

Art. 79.

Do Staten-Gcneraal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer.

Art. 80.

De leden van dc Tweede Kamer worden rcgtstrecks gekozen door dc meerderjarige mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die als hoofden van gezinnen, krachtens persoonlijk of zakelijk regt, eene woning van eene door dc wet voor iedere gemeente bepaalde jaarlijksche huurwaarde voor de ongestoffccrdc woning berekend, in gebruik hebben. Onder hoofden van gezinnen zijn ook alleenwonende personen begrepen.

Het minimum van do bedoelde huurwaarde wordt in do gemeenten voor welke de laagste maatstaf van huurwaarde wordt aangenomen, niet lager bepaald dan/36 en in de gemeenten voor welke dc hoogste maatstaf wordt aangenomen, niet booger dan ƒ 230.

Dc wet kan ook het kiesregt toekennen aan de meerderjarige, mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, dio kraclilens aanslag in eene. Rijksbelasting, waarvan

14

ocr page 17

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

hot gonot van gebouwde of ongebouwde eigendommen, krachtens regt van bezit of eenig ander zakelijk regt, den grondslag of een der grondslagen uitmaakt, eene voor de gemeente hunner inwoning bepaalde som betalen, van welke sommen de minste op ƒ 20 in 't jaar bepaald wordt.

Het kiesregt wordt niet uitgeoefend door hen die in de gevangenis of in hechtenis zijn; of wien het kiesregt bij een regterlijke uitspraak is ontzegd; of die, tijdens de vaststelling der lijsten van kiezers, niet in het volle genot hunner burgerlijke regten zijn; of, wier aanslag in óéne of meer liijks directe belastingen over bet dienstjaar, voorafgaande aan dat waarin die lijsten worden vastgesteld, niet of niet ten volle is voldaan.

Art. 81.

Do Tweede Kamer bestaat uit honderd leden, die gekozen worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Eijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en do wijze van verkiezing betreft wordt door de wet geregeld.

Art. 83.

De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij moeten behooren tot de hoogst-aangeslagenon in de Rijks directe belastingen. Het getal dezer lippgst-aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zóó bepaald, dat op iedere twee duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.

Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd. Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in de volgende

verhouding:

Noordbrabant............................................................6

Gelderland................................................................6

Zuidholland................................................................10

Noordholland............................................................9

Zeeland......................................................................2

Utrecht......................................................................3

Friesland....................................................................4

Overijssel..................................................................3

Groningen..................................................................3

Drenthe......................................................................2

Limburg....................................................................3

50

In geval van vereeniging of splitsing van provinciën of vorming van nieuwe voorziet de wet in de ,wijziging welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

TWEEDE AFDEELING.

Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Art. 83.

Om lid dor Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer

15

ocr page 18

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

over zijne goederen licbbe verloren, noch van de verkiesbaarheid onlzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.

Art. 84.

De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar.

Art. 85.

Do leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen.

Art. 80.

Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.

»Zoo waarlijk belpe mij God almagtig!quot; (Dat beloof iklquot;)

Alvorens tot dien eed of die belofte te worden toegelaten, loggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:

»lk zweer (verklaar) dat ik, om tot lid der Staten-Generaal te' worden benoemd, direetelijk of indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam of voorwendsel ook, ecnige giften of gaven beloofd of gegeven heb.

»lk zweer (beloof) dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal direetelijk of indirectelijk.

»Zoo waarlijk belpe mij God almagtig!quot; (»Dat verklaar en beloof ik!quot;)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.

Art. 87-

De voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden.

Art. 88.

De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld. Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van f 2000 'sjaars.

Deze schadeloosstelling wordt, voor den tijd der zitting, niet genoten door hen, die gedurende de gehcele zitting afwezig bleven.

DERDE AFDEELING.

Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Art. 89.

De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. Art. (85) is op hen van toepassing.

Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den

16

ocr page 19

ONTWERP DER GEWUZTGDE GRONDWET.

Voorzitter, daartoe door den Koning gcmaatigd. Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet.

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster, üe uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar.

Art. 90.

De voorzitter wordt door den Koning uit de loden benoemd, voor liet tijdperk oener zitting.

VIERDE AFDEELING.

Beschikkingen aan beide Kamers gemeen.

Art. 91.

Niemand kan tegelijk lid der beide Kamers zijn.

Die Iegelijk of op meer dan eéne plaats lot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoeiningen bij aanneemt.

Art. 93.

De boofden der ministeriele departementen bebben zitting in de beide Kamers. Zij bobben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.

Zij geven aan de Kamers, betzij mondeling, betzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met bet belang van den Staat.

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde tor vergadering tegenwoordig te zijn.

Art. 93.

Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in vereenigde vergadering, het regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet.

Ait. 94.

Een lid van de Staten-Generaal kan niet te gelijkertijd zijn vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal bij den Hoogen Baad noch president of lid van de Algeineeiie Kekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie.

De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van bet lidmaatschap van een der beide Kamers met andere dan do in het eerste lid uitgesloten, uit 's lands kas bezoldigde ambten.

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn koeren zij tot de werkelijke dienst terug.

Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar.

17

2

ocr page 20

ONTWERP DEK GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 95.

Do leden der Slaten-Generaal zijn niel gereglelijk vervolgbaav voor hetgeen zij in tic vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.

Art. 90.

Elke Kamer onderzoekt do geloofsbrieven barer nieuwe inkomende leden , en beslist do geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.

Art. 97.

Elke Kamer benoemt haren griffier.

Deze mag niet tegelijk lid van een der Kamers zijn.

Art. 98.

De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal 'sjaars te zamen.

Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Maandag In September.

De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Ilij zulks noodig oordeelt.

Art. 99.

De afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers, en evenzoo de vereenigde vergaderingen , worden in liet openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of' de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

Art. 100.

Is bij overlijden dos Konings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen do Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping.

Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend.

Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den alloop der nieuwe verkiezingen.

Art. 101.

De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenigde vergadering dor beide Kamers door den Koning of door eene commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren.

De gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. (73) omschreven.

Art. 103.

Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide, sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal.

18

ocr page 21

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 103.

Dc Kamers mogen, noch afzonderlijk noch in vcrecnigde vergadering, beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is.

Art. 104.

Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

J3ij staken van stemmen wordt het nemen van een besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer één der leden dit verlangt en alsdan mondeling.

Art. 105.

De stemming over personen voor dc benoemingen of voordragten, in de Grondwet vermeld, geschiedt bij besloten cn ongeteekende briefjes.

De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij staken van stemmen beslist het lot.

Art. 100.

Bij eene vcrecnigde vergadering, worden de beide Kamers als slechts éénc beschouwd cn nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats.

De voorzitter der Eerste Kamer heeft dc leiding der vergadering.

VIJFDE AFDEELING.

Vnn de Wetgevende Magt.

Art. 107-

De wetgevende magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend.

Art. 108.

De Koning zenüt zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene Commissie.

Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen Commissarissen opdragen de Ministers bij het behandelen van die voorstellen in dc vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan.

Art. 109.

Over ecnig ingekomen voorstel des Konings wordt door de volle Kamer niet beraadslaagd, dan nadat eene commissie van rapporteurs daarover een verslag heeft uitgebragt, al of niet voorafgegaan door een onderzoek in de afdeclingen, waarin al dc leden der Kamers zich verdeclen cn die op gezette lijden bij loting worden vernieuwd.

Art. 110.

Do Tweede Kamer alsmede do vcrecnigde vergadering der beide Kamers heeft het regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken.

19

ocr page 22

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 111.

Wanneer dn Tweede Kamer lot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij liet aan de Eerste Kamer met het volgende formulier:

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer het hiernevens gaande voorstel des Konings en is van oordeel, dat het, zooals het daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden aangenomen.quot;

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier:

»Dc Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.quot;

Art. 112.

De Eerste Kamer overweegt met inachtneming van art. (109) het voorstel zoodanig als bet door de Tweede Kamer is aangenomen. Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

■:gt;A(in den Konituj.

»Do Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van do belangen van den Staat en vcrcenigen zich met het voorstel zooals het daar ligt.quot;

*Aan de Tweede Kamer.

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat zij zich heeft vereenigd met hot voorstel betrekkelijk. ... op den. . . . aan haar door de Tweede Kamer toegezonden.quot;

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

den Koning.

»Do Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van den Staat cn verzoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.quot;

fAan de Ticeede Kamer.

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat

zij den Koning eerbiedig heeft verzocht het voorstel betrekkelijk..... op den.....

aan haar door de Tweede Kamer toegezonden, in nadere overweging te nemen.quot;

Art. 113.

Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft de Koning bevoogd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken.

Art. 111.

De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen.

Art. 115.

De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings voorstellen is be-

20

ocr page 23

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

paakl cn na aanneming aan dn Eersfo Kamor verzendt met bel volgende formulier:

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste Kamer liet hiernevens gaande voorstel, en is van oordeel, dal de Staten-Generaal daarop''s Konings Ijo-williging belmoren te verzoeken.quot;

Zij is bevoegd aan oen of meer van bare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van baar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen.

Art. 110.

Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te bebben beraadslaagd , het voorstel goedkeurt, zendt zij bet aan den Koning met het volgende formulier:

»De Staten-Generaal, oordeelende dat bet nevensgaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering van de belangen van den Staat, verzoeken eerbiedig daarop'sKonings bewilliging.quot;

Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met bet volgende formulier:

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer, dat zij zich heeft vereenigd met bet van haar op den..... ontvangen voorstel betrekkelijk....., en daarop namens de Staten-Generaal 's Konings bewilliging heeft verzocht.quot;

Wanneer de Eerste Kamer bet voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

»Dc Eerste Kamer der Staten-Generaal beeft geene genoegzame reden gevonden om op het biernevens teruggaande voorstel 's Konings bewilliging te verzoeken.quot;

Art. 117.

Andere voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.

Art. 118.

De Koning doet den Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of bij een voorstel van wet, door ben aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren:

»Dc Koning bewilligt in het voorstel.quot;

of:

»De Koning boudt bet voorstel in overwegingquot;.

Art. 110.

Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen cn door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd.

De wetten ziju onschendbaar.

Art. 120.

De wetten zijn alleen voor bet Kijk verbindend, voor zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij ook voor de koloniën of de overzeesche bezittingen verbindend zijn.

ZESDE AFDEELING.

Van de Berjroollng en de Rekening.

Art. 121.

Door de wet worden de begrootingen van alle uitgaven des lüjks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen.

21

ocr page 24

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 122.

De ontwerpen der algenicene begrootingswetton worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen der gewone zitting van de Staten-Genoraal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de begrootingen moeten dienen.

Art. 123.

Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.

Ieder hoofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden loegestaan.

Art. 124.

Van alle ontvangsten en uitgaven des Rijks wordt over ieder afgeloopen dienstjaar eene rekening opgemaakt, overeenstemmende met de indeeling en omschrijving van die ontvangsten en uitgaven in de begrootingswetten.

13e rekening wordt onderzocht en vastgesteld door de Algemeene Eekenkamer en daarna van wege den Koning aan do Staten-Generaal medegedeeld.

Vindt de Algemeene Eekonkamer bezwaar in de verevening van eenige ontvangst of uitgave, die geschied of door den Koning bevolen is, dan beslist de wet. Jaarlijks biedt de Algemeene Rekenkamer aan den Koning een volledig verslag van hare werkzaamheden over hot afgeloopen jaar aan; dit verslag wordt van wege den Koning aan de Staten-Generaal medegedeeld.

VIERDE HOOFDSTUK.

yan de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen.

EERSTE AFDEELING.

Vati de samenstelling der Provinciale Stalen.

Art. 125.

Be leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren, regtstreeks door de ingezetenen, bezittende do vereischten in art. (80) vermeld, naar de bepalingen dor wet gekozen.

De helft dier leden treedt om do drio jaren af.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt vereischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten dor provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of hot beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzei zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

Art. 126.

Niemand kan tegelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie.

Art. 127.

De leden der Staten loggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

ocr page 25

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

»Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks.

»Zoo waarlijk helpe mij God almaglig!quot; (»Dat beloof ik!quot;)

Zij worden lot dien eed (belofle) toegelaten na alvorens le hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. (86) voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald.

Art. 138.

De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt: en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen.

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. (99).

Art. 129.

De leden der Staten stemmen zonder last of ruggespraak met hen die benoemen.

Art. 130.

Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de artt. (103, 101 en 105) ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven.

TWEEDE AFDEELING.

Van de magt der Provinciale Slalen.

Art. 131.

Het gezag en de magt van de Staten worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.

Art. 132.

Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten.

Zij maken de verordeningen, die zij voor het provinciaal belang noodig oordoelen.

Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings.

Art. 133.

Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, ver-leenen de Staten huune medewerking lot uitvoering daarvan.

Art. 134.

Elk besluit der Staten lol hel invoeren, wijzigen of afsehaflen van eene provinciale belasting behoeft de goedkeuring des Konings.

De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren.

Art. 135.

De begroeiing der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Stalen op te maken , behoeft de goedkeuring des Konings.

De wet regelt hel vaststellen van de provinciale rekening.

23

ocr page 26

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 13fi.

Dn Staten kunnen de belangen van de provincie bij don Koning en bij de Staten-Generaal voorstaan.

Art. 137.

De Staten benoemen uit bun midden een coilegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijkselie leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.

Arl. 138.

De Koning kan, volgens door de wet gestelde regels, |de besluiten dor Staten ol' der Gedeputeerde Staten, die mot de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, seborsen of vernietigen, niet uitzondering van uitspraken, waarvan beroep openstaat of aanbangig is.

Art. 139.

De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan, met de uitvoering Zijner bevelen en mol het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze Commissaris is voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die dor Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd coilegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijnor woning worden op de begrooting der Hijks-uitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van het provinciaal bestuur ten laste van bel Kijk komen.

DEKDE AFDEEL ING.

Van de Gemeentebesturen.

Art. 140.

De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met inaebtneming den' voorschriften in do volgende artikelen dezer af-dceling vervat.

Art. 141.

Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtslreeks door de ingezetenen, bezittende de voroisebten in art. (80) vermeld, voor een bepaald aantal jaren worden verkozen.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt voreiseht, dal men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak do beschikking of hot beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de loden van den raad , benoemd en door hem ontslagen.

Art. 142.

Aan don raad wordt de regeling en het bestuur van do buishouding dor gomeonto overgelaten.

2-1

ocr page 27

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Hij maakt dc verordeningen, dio liij in tiel belang der gemeente noodig oordeelt.

Wanneer de wetten, algomeene maatregelen van inwendig bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, vcrlccnon do gcracentebesturon bunne medewerking tot uitvoering daarvan.

Art. 1I-3.

De Koning kan, volgens door do wet gestelde regels, de besluiten van gemeentebesturen, die niet do wetten ol' het algemeen belang strijdig zijn, schorsen ol' vernietigen, mot uitzondering van uitspraken, waarvan beroep openstaat oi'aanhangig is.

Art. 144.

De besluiten dor gemeentebesturen rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of' zoodanige andere burgerlijke regtshandelingcn, als do wet aanwijst, alsmede do begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan dc goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen.

Het opmaken der begrootingen en hot vaststellen der rekeningen wordt door do wet geregeld.

Art. 145.

Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen cener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven.

De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen.

Deze belastingen mogen don doorvoer, don uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren.

Art. 146.

De gemeenteraden kunnen de belangen van hunne gemeente voorstaan bij den Koning, bij dc Staten-Gcneraal en bij do Staten der provincie.

VIJFDE HOOFDSTUK.

1'«« dc Justitie.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

Art. 147.

Er wordt alom in het Kijk regt gesproken in naam dos Konings.

Art. 148.

Hot burgerlijk en handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijkc magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen.

25

ocr page 28

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 149.

Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat liet algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgons de voorschriften van eene algemecne wet.

Deze algemecne wet bepaalt ook do gevallen in welke de voorafgaande verklaring bij do wet niet wordt vereischt.

Het vereischte. dat dc verscluildigdc schadeloosstelling vooraf betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood ccne onverwijlde inbezitneming vordert.

Art. 150.

Waar in het algemeen belang eigendom door hot openbaar gezag moet worden vernietigd of onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling tenzij de wet het tegendeel bepaalt.

Art. 151.

Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot de kennis van do regterlijke magt.

Art. 152.

De wet bepaalt, welk gezag in dc door haar aangewezen twistgedingen in zake van belastingen en over andere administratieve geschillen, niet bchoorende tot die in art. (70) vermeld, uitspraak doet.

Art. 153.

De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst.

Art. 154.

Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van den regtcr dien de wet hem toekent.

Over geschillen van bevoegdheid naar aanleiding van artt. (70 en 153) ontstaan, beslist de Koning, do Raad van State gehoord.

Over geschillen van bevoegdheid tusschen het regterlijk en hot administratief gezag oordeelt de Hooge Eaad der Nederlanden in volle vergadering.

Art. 155.

Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding.

Dit bevel moet bij of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteckend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord.

Art. 156.

Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algcmee-nen last van eene magt door de wet aangewezen.

Dc wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is.

26

ocr page 29

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 157.

Hel geheim der aim de post of andere openbare instellingen van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in do wet omschreven.

Art. 158.

Op geen misdaad mag als straf gesteld worden de algenieene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende.

Art. 159.

Allo vonnissen moeten de gronden, waarop zij rusten, inhouden en in stralzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust, aanwijzen.

De uitspraak geschiedt met open deuren.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar. De regter kan in liet belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken.

TWEEDE APDEELING.

Van de Regterlijlie Magt.

Art. 160.

Er bestaat eon opperste geregtshof onder den naam van Iloogo Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd.

Art. 101.

Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Kaad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voor-dragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen.

De Koning benoemt den president en den vice-president uit de leden van den Hoogen Kaad.

Art. 102,

De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriele departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed iu de koloniën of bezittingen des Kijks in andere werelddeelen, de leden van den llaad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van 's Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer.

De wet kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegiën wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad teregt staan.

Art. 103.

Do Hooge Raad heeft het toezigt op den geregeldon loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op bet nakomen der wetten door de leden der regterlijke raagt.

Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet tc stellen uitzonderingen.

De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet.

27

ocr page 30

ONTWERP DER GEWIJZISDE GRONDWET.

Art. 164.

Dc loden van do rcgtorlijke magt worden door don Koning aangesteld.

De leden van do rcgtorlijke magt, met regtspraak belast, en do prooureiir-gone-raal bij den Hoogen Raad worden voor hnn leven aangesteld.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van don Hoogen Raad in de gevallen bij do wet aangewezen.

Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Van de godsdienst.

Art. 105.

Ieder belijdt zijne godsdienstige moeningen met volkomen vrijheid, beliondens do bescherming der maatschappij en harer loden tegen de overtreding der strafwet.

Art. 1GG.

Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijko beschorming verleend.

Art. 167.

De belijders dor ondorscheideno godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en staatkundige regten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van openbare betrekkingen.

An. ICS.

Allo openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen tor verzekering der openbare orde en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen in besloten plaatsen geoorloofd waar zij in 1S48 naar de wetten cn reglementen was toegelaten.

Art. 109.

De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, door dc onderscheidene godsdienstige gezindheden of hare leeraars genoten wordende, blijven op den voet, waarop die op de begrooting der uitgaven van het Rijk voor bet dienstjaar 1SS5 zijn uitgetrokken, aan die gezindheden verzekerd.

Art. 170.

Dc Koning waakt, dat allo kerkgenootschappen zich houden binnen do palen van gehoorzaamheid aan dc wetten van den Staat.

Art. 171.

De tusschenkomst der Regering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgons do wet, bij dc afkondiging van kerkelijke voorschriften.

28

ocr page 31

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Van de Financiën.

Art. 172.

Gecne belastingen kunnen ten boliocve van 's Eijks kas worden gelieven, dan uit krachte van eene wet.

Als belastingen worden niet aangemerkt heffingen wegens het gebruik van Rijkswerken en -inrigtingen.

Art. 173.

Geene privilegien kunnen in bet stuk van belastingen worden verleend.

Art. 17i.

Do verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd.

De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen tor bevordering dor belangen van de schuldeischers van den Staat.

Art. 173.

Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspeciën-worden door de wet geregeld.

Art. 176.

Hot toezigt en de zorg over de zaken van de Munt en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld.

Art. 177.

Er is eene Algemeene Eekenkamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld.

Bij bet openvallen eenor plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.

De leden der Kekenkamer worden voor hun leven aangesteld.

Het 3de lid van art. (104) is op hen van toepassing.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Van de defensie.

Art. 178.

Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Kijk en tot verdediging van zijn grondgebied.

Ook aan ingezetenen, die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd.

Art. 179.

Tot bescherming dor belangen van den Slaat is er eene zee- en landmagt, bestaande uit vrijwillig dienenden, en, voor zoover deze niet toereikend zijn, uit dicnstpligtigen.

De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan ben, die niet tot de zee- ot' landmagt behooren, ten aanzien van 's lands verdediging opgelegd kunnen worden.

Art. 180.

In do koloniën en bezittingen in andere werelddeelon is eene krijgsmagt aanwezig tot handhaving van bet Nederlandsch gezag aldaar.

29

ocr page 32

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 181.

Vreemde (roepen worden niet dan krachtens cone wet in dienst genomen.

Art. 182.

De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Europa. Aan de dienst, door lien in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen, worden door de wet voordeden verbonden.

Art. 183.

De dienstpligtigen ie land mogen niet dan kraclitens cone wet buiten Europa worden gezonden.

De wet bepaalt de voordooien hun wegens de uitzending toe te kennen.

Art. 184.

Wanneer in geval vau oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omslandig-bedon de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt gelijktijdig een voorstel van wet aan de. Staten-Generaal gedaan, om het onder do wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel mogelijk te bepalen.

• Art. 185.

Al de kosten voor do legers van het Rijk worden uit 's Rijks kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van hot krijgsvolk, de transporten en leve-rantiën van welken aard ook. voor do legers of verdedigingswerken van het Rijk gevorderd, kunnen niet dan volgens algomeene regelen bij de wet te stellen en legen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzonderingen op die algomeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in 'slands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist do Koning.

Art. 186.

Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.

Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op hot militair gozag overgaan en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.

Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. (7, 9, 156 en 157) der Grondwet. Voor het geval van oorlog kan ook van art. (lai) 1ste lid, worden afgeweken.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Van den Waterstaat.

Art. 187.

De wet geeft regels omtrent bet waterstaatsbestuur, het opperloozigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat.

30

ocr page 33

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 188.

De Koning hooft hot oppcrtoozigt op alios -wat don watorstaat betreft, zonder onder-sclioid of de kosten daarvan worden betaald uit 's lüjks kas of op oeno andere wijze gevonden.

Art. 189.

De Staten dor provinciën hebben hot toozigt op alle waterstaatswerken, waterschappen , veenschappon en veenpolders. Nogtans kan do wot hot toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtin-gen en reglementen der waterschappen, veenschappon en veenpolders veranderingen te maken, nieuwe waterschappen, veonschappen en veenpolders op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stollen. Tot verandering van do inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten dor provincie doen.

Art. 190.

De besturen van waterschappen, veenschappon en veenpolders kunnen volgons regels, door de wet te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken.

TIENDE HOOFDSTUK.

Van het onderwijs en het armbestuur.

Art. 191.

liet openhaar onderwijs is oen voorwerp van do aanhoudende zorg dor Regering.

Do inrigting van hot openbaar onderwijs wordt door de wet geregeld.

Do openbare scholen zijn toegankelijk voor leerlingen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid.

In of voor elke gemeente wordt lager onderwijs gegeven, voldoende aan de behoefte dor bevolking. Het wordt, voor zooveel daarin niet op andere wijze is voorzien, van overheidswege verstrekt in openbare scholen; voor onvermogenden kosteloos, voor anderen tegen betaling van een billijk schoolgeld.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door do wet te regelen.

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

Art. 192.

Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door do wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

ELFDE HOOFDSTUK.

Van veranderingen.

Art. 193.

Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart, dat er grond bestaat, om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging to nemen.

31

ocr page 34

ONTWERP DER GEWIJZIGDE GRONDWET.

Art. 194.

Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. Do nieuwe Kamers overwegen het voorstel cn kininen niet dan niet twee derden dor uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

Art. 193.

Gedurende een Regentschap kan in de troonopvolging gcono verandering worden gebragt.

Art. 19 G.

De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en do Staten-Generaal vastgesteld , worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd.

ADDITIONELE ARTIKELEN.

Art. 1.

Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, tot dat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.

An. 2.

Alle op het oogenblik der afkondiging van do veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, tot dat zij aehter-volgens door andere worden vervangen.

Art. 3.

De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing dor overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

Art. 4.

De Kaniers der Staten-Generaal blijven bestaan uit het getal leden, bepaald bij do op het tijdstip van het afkondigen der veranderingen in do Grondwet geldende wetten lot dat de wet regelende hot kiesrogt en de benoeming der afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer naar don eisch van de artt. (80), (81) cn (82) zal zijn herzien.

Het voorstel of de voorstellen van wet, daartoe noodig, worden in de eerstvolgende zitting na de afkondiging der veranderingen in de Grondwet van 's Konings wege aan de Tweede Kamer gezonden.

Art. 5.

Art. (149) der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, in geval do specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 1883 rustte.

Art. 6.

Art. (150) dor Grondwet blijft buiten toepassing, tot dat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of onbruikbaannaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in working getreden.

32