ocr page 1

-vz./Ï

ö

VEREENIGING

RAPPORT

ovilli DJ-:

mliéki vao fakiekeo en werfcplaalsei door pas eo door electrisoli licit,

CTITOKItUACHT HOOI! EF.XK COMMISSI^ IiKSTAAN11K UIT HE IIEKIIKS

J. A. SNIJDERS ('Jzn.,

P. H. TEJ{ MEULEN eu 1). VAN DEK HOKST,

01' DK

TWEE EN VEERTIGSTE

ALGEMEENE VERGADERING,

gkiioi:iu;n tf.

ENSCHEDÉ

don (j'11'11 en T111'11 September 1^93.

GF.DIJÜKT 151.1 lt;quot;) X' 'I1 O HST cV: O o. quot;s-Gli.V V KMIACK.

w

cr ^

ocr page 2
ocr page 3

7« of electriciteit coor verlichting can [((brieken en icerkplaatsen het meest aan te hevelen'? Welke redenen pleiten voor een cn ander'? Welke omstandigheden (jeven den doorsla;! bij de keuze?

RAPPORT, uitgebracht door eene Conmiissie, bestaande uit de Heeren: J. A. Snijders CJzn., P. H. tek Meui.ex en J ). van dek Hoest, benoemd door de Vereenigins; tot bevordering van Fabrieks- en Hand werksn ij verheid in Nederland.

Aan

de Yereeniging tot Bevordering van Fabrieks-eu Handwerksnijverheid in Nederland.

Door het Hoofdbestuur Uwer Vereeniging werden in Maart 1 891 de ondergeteekenden, P. H. ter Meulen, Electrotechnisch Ingenieur te Amsterdam, D. van der Horst, Directeur der gasfabriek te Utrecht en J. A. Snijders CJzn.. Hoogleeraar aan de Polytechnische School te Delft, benoemd tot eene Commissie ten einde Uwe Vereeniging voor te lichten omtrent de volgende vragen: „Is gas of electriciteit voor verlichting „van fabrieken en werkplaatsen het meest aan te bevelen'? „Welke redenen pleiten voor een en ander? Welke omstan-„digheden geven den doorslag bij de keuze?quot;

In hare eerste bijeenkomst op 10 April IS'Jl werden de werkzaamheden onder de leden onzer Commissie in dier voege verdeeld, dat de heer ter Meulen o. a. de gegevens zou verstrekken, die op kostenberekeningen van electrisclie installatiën betrekking hebben, terwijl de heer van der Horst hetzelfde zou doen voor gaslichtinstallatiën: aan den heer Snijders werd de taak van Voorzitter en Rapporteur opgedragen.

Al dadelijk waren in die eerste bijeenkomst de leden het er over eens, dat zij een moeielijke en ondankbare opdracht hadden te vervullen, een oordeel, dat bij hunne latere besprekingen eerder werd versterkt dan verzwakt. De vraag toch of electrisclie dan wel gasverlichting de voorkeur verdient, is reeds wo herhaalde malen besproken, — maar daarom nog niet beantwoord, — door deskundigen op electrotechnisch en op gastechnisch gebied, dat, hetzij men haar in algemeenen of wel in meer concreten zin ojjvat, er weinig nieuws over te zeggen valt, zoo goed als geen nieuwe gezichtspunten daarvoor

I

ocr page 4

bij te brengen zijn. Gedeeltelijk als een gevolg van deze omstandigheid, gedeeltelijk ook wegens de onmogelijkheid om bij de drukke werkzaamheden, die ieder van ons in zijne betrekking te vervullen heeft, in enkele weken tijds de gegevens voor een verslag bijeen te brengen, werd onze Commissie er toe geleid aan Uw Hoofdbestuur te berichten, dat zij geen kans zag om vóór de algemeene vergadering van 1891 haar rapport voltooid te krijgen. Haar verzoek om ten opzichte dezer zaak diligent verklaard te worden, grondde onze Commissie tevens op liet feit, dat in den zomer van 1891 de electrotechnische tentoonstelling te Frankfort a/M. plaats had; zij wenschte aan den vooravond eener zoo belangrijke gebeurtenis niet een verslag uit te brengen, waarvan de conclusiën door onverwachte openbaringen op liet terrein der electrische verlichting misschien eene ingrijpende wijziging zouden behooren te ondergaan. Nu heeft echter de tentoonstelling te Frankfort in dit opzicht aan velen een teleurstelling bereid. Wel is waar baadden zich de gebouwen en het terrein der expositie in een zee van electrisch licht, voortgebracht door duizenden boog- en gloeilampen, maar heel veel nieuws ten opzichte van de vraag naar de doelmatigheid en de kosten der electrische verlichting van fabrieken en werkplaatsen viel er niet te leeren. De tentoonstelling van 1891 ontleende hare groote beteekenis aan wat zij te zien gaf op het gebied van de overbrenging van arbeidsvermogen op groote afstanden en van de verdeeling van dit arbeidsvermogen voor het drijven van arbeidswerk-tuigen in fabrieken en kleine werkplaatsen door middel van aan grootere verdeelingsnetten aangesloten electromotoren. Wat de electrische verlichting betreft, hadden de inzenders er voornamelijk naar gestreefd om aan te toonen hoe op

sn-oote schaal, van centraal stations uit. verlichtingsnetten Ö . -j0 van aanzienlijken omvang van stroom kunnen worden voorzien, maar zelfs — wat velen misschien gehoopt hadden,— de strijd tusschen de voorstanders van gelijkgerichte en van wisselstroomen is bij die gelegenheid niet eens ten gunste van de eene. noch in het voordeel der andere partij beslist.

Dit schijnbaar negatieve, in werkelijkheid echter zeer bepaald positieve resultaat werd op uitstekende wijze in liet licht gesteld door den Minister Miquel bij gelegenheid van de sluiting der tentoonstelling. .Toen ik — sprak de minister ,— nog eerste Burgemeester hier in Frankfort was, heb ik .deelgenomen aan de behandeling der vraag, hoe wel op de „doelmatigste wijze in deze stad het vraagstuk der stedelijke

ocr page 5

3

„verlichting zou op te lossen zijn. Ik heb toen een gevoel , gehad alsof we ons nog midden in de periode der doctrinaire „ontwikkeling van die vraag bevonden; alsof stelsel tegen-,over stelsel stond; alsof er nog antinomie heerschte; alsof „het eene stelsel aan het andere niets goeds liet overblijven „en ieder stelsel meende alleenrecht van bestaan te hebben. „Thans, en daartoe ook zal deze tentoonstelling hebben bij-„ gedragen, zal wel erkend worden, dat van al die verschillende „stelsels elk zijn eigen goeden kant heeft; dat er geen „stelsel bestaat, dat voor ieder gegeven geval het absoluut „beste en eenig doelmatige is. maar dat naar den maatstaf „der verhoudingen en omstandigheden de vraag beantwoord „moet worden of de verschillende stelsels op verschillende „plaatsen even nuttig zouden zijn, dan wel of het eene „met meer, het andere niet minder voordeel zou kunnen „worden toegepast.quot;

Een feit, dat onze Commissie constateeren moet en dat zich wel na, maar daarom nog niet als een gevolg van de Frankforter tentoonstelling heeft voorgedaan, is de hoogst belangrijke prijsvermindering, die de electrische gloeilampen hebben ondergaan. Een voorloopige kostenberekening voor verschillende installatiën in fabrieken, door ons electrotech-nisch medelid in den zomer van 1891 gemaakt, was gebaseerd op een prijs van f 1.10 per stuk: bij de definitieve berekeningen, in den zomer van 1892 uitgevoerd en door tabellen en graphische voorstellingen toegelicht, kon van een prijs van /' 0.70 per gloeilamp worden uitgegaan, en thans, nauwelijks een jaar later, moeten de uitkomsten dezer berekeningen eigenlijk op nieuw aan een revisie onderworpen worden, omdat de prijs eener gloeilamp op dit oogenblik tot op ongeveer 40 a 45 ets. is gedaald. 1/ In 2 jaar tijds is eene gloeilamp van ongeveer dezelfde qualiteit 2' gt; maal goedkooper geworden ! Is er nog wel meer noodig om het te rechtvaardigen, dat wij van een moeielijke en ondankbare taak spreken; dat wij schromen met beschouwingen en be-

1

Bij het uitbrengen van ons verslag, in de vergadering te Enschedee op 6 September 1893, waren daaraan de bovenbedoelde berekeningen van 1892 toegevoegd: met goedkeuring van het Hoofdbestuur zijn dezo echter, tijdens het afdrukken, door onze Commissie vervangen door de thans hierachter voorkomende tabellen, die in de laatste dagen van October 11. op nieuw door ons medelid ter Meulen berekend zijn en waarbij, om de uitkomsten, wat do kosten der electrische verlichting betreft, vooral niet te gunstig voor te stollen, is uitgegaan van een prijs van f 0.50 voor een gloeilamp bij kleinere en van f 0.45 en f 0.40 bij grootere hoeveelheden.

ocr page 6

4

rekeningen voor den dag te komen, die morgen een groot deel van haar waarde kunnen verliezen tengevolge van verbeteringen. althans veranderingen, waarmede men in den feilen strijd tusschen gas en electriciteit, schier iedere week of maand de naar meerder en goedkooper licht zoekende gemeente komt verrassen y Wij vertrouwen daarom dat de leden Uwer Vereeniging, die van deze gegevens gebruik zouden willen maken, bereid zullen zijn de medegedeelde becijferingen cum yrano salts op te vatten en te bedenken, dat het na verloop van tijd noodig zal zijn opnieuw wijzigingen in die berekeningen te brengen, die het noodzakelijk gevolg zullen zijn van de alsdan plaats gehad hebbende prijsveranderingen. .Men heeft daarbij in hoofdzaak rekening te houden met de veranderingen in den prijs der gloeilampen, koolspitsen en steenkolen, terwijl de installatiekosten voor machines, geleidingen enz. en de overige exploitatiekosten een meer stabiel karakter vertoonen.

Xatuurlijk zal bij velen Uwer leden onmiddellijk de vraag voor de hand liggen of er dan toch niet eenmaal, en wel spoedig, een toestand zal intreden, waarbij ook de tot nog toe zoo veranderlijke elementen der electrische verlichting een meer standvastige waarde zullen verkregen hebben.

Wat de prijs der gloeilampen betreft kan deze vraag onmiddellijk bevestigend beantwoord worden. De materiëele waarde eener gloeilamp aan glas, kooldraad, platinadraadjes, gips en koper is uiterst gering; de hooge prijs van vroeger was een gevolg van de hooge productiekosten .... en van het hooge winstcijfer, door fabrikanten en aandeelhouders begeerd. De scherpe concurrentie heeft echter ook hier haar voor het publiek heilzamen invloed doen gevoelen, in die mate dat, naar de meening onzer Commissie, thans spoedig de grens zal zijn bereikt, waar beneden de prijs der gloei-lampen niet meer zal kunnen dalen. Maar er zjjn nog twee andere factoren, die bij de beantwoording der bovengestelde vraag in aanmerking komen, en deze zijn: de levensduur en het energieverbruik der lampen. Naarmate men er in slaagt lampen van langeren levensduur te vervaardigen, wordt de post voor de jaarlijksche vernieuwing der onbruikbaar geworden lampen, ook bij behoud van denzelfden eenheidsprijs, geringer. En naarmate men er meer en beter in slaagt lampen te vervaardigen, die voor het voortbrengen eener zelfde lichtkracht minder electrisch arbeidsvermogen, minder volt-ampères of watts aldus, gebruiken, naar die mate zal het aantal paardekrachten verminderen, dat men voor het doen

ocr page 7

O

branden van een zelfde aantal lampen noodig heeft, zullen dus de installatiekosten der stoomwerktuigen of andere motoren en van de dynamo's verminderen en zal de post voor rente en amortisatie, in de hier achtervolgende berekeningen voorkomende, een belangrijke reductie kunnen ondergaan. Ongelukkiglijk gaan nu deze beide zaken moeielijk samen. Onze tegenwoordige, algemeen gebruikte gloeilampen rekent men een levensduur van 1000 ii 1200 uren te bezitten, bij een energieverbruik van 3 ii 3'/2 watt per normaalkaars. Xu is men er wél al in geslaagd zoogenaamde economische gloeilampen te vervaardigen, die b. v. maar 2 watt per X. K. noodig hebben, maar tot nog toe heeft daarbij tamelijk wel de zuinigheid de wijsheid bedrogen. Want deze lampen bezitten een veel korteren levensduur van b. v. maar 300 a 400 uren. Het lijdt echter bijna geen twijfel of ook in dit opzicht zal er nog verbetering komen, en, is men er eenmaal in geslaagd lampen te vervaardigen van dezelfde liclitsterkte en van een levensduur van ook weder ± 1000 uren, maar waarvan men er 19 in plaats van 12 per PK. kan gebruiken, dan zal men terecht kunnen spreken van eene omwenteling, die door deze schijnbaar eenvoudige verbetering in de constructie der gloeilampen in de electrische verlichting is te weeg gebracht.

Terwijl wij op deze wijze eene apologie schrijven, die de vertraging van de inzending van ons rapport verklaren en rechtvaardigen moet, zon de schijn kunnen ontstaan, dat de steeds naar verbetering van hun licht strevende electro-technici alleen de schuld te dragen hebben van de onzekerheid, die ons tot uitstel heeft geleid. Xiets is minder waar dan dat. De snel voortschrijdende beweging oji het gebied der electrische verlichting heeft, voor jaren reeds, de gas-techniek wakker geschud uit den slaap, waarin deze tak van industrie, als een gevolg van de goede dagen, die hij beleefde, verzeild was geraakt. Xiet alleen, dat de productieprijs van het gas zelf in de laatste 15 jaren kolossaal verminderd is door het invoeren van verbeteringen, door wetenschap en ervaring aan de hand gedaan, maar vooral in de richting van verbetering der bestaande gasbranders heeft de gastechuiek getracht het wapen te vinden, waarmede zij baar plotseling voor den dag getreden mededingster met vrucht zou kunnen bestrijden. En het kan niet ontkend worden, dat haar dit voortreffelijk is gelukt. De talrijke soorten van intensief- en van zoogenaamde priicisions-branders zijn daar om te bewijzen, dat men geleerd heeft

ocr page 8

(5

lichtbronnen te vervaardigen, waarvan het gasverbruik per lichteenheid 2 a 3 maal kleiner is dan bij de vroegere soorten en tevens lichtbronnen van zooveel grooter absolute sterkte, dat deze de vergelijking kunnen doorstaan met de electrische booglampen en de grootere soorten van gloeilampen. Toen onze Commissie in den zomer van verleden jaar bijeen kwam om van gedachten te wisselen over de mogelijkheid om vóór de algemeene vergadering van September 1892 haar rapport in te dienen, verraste echter ons medelid van der Horst ons met de mededeeling. dat in de laatst voorafgaande maanden of weken liet zoogenaamde gasgloeilicht van A ner von Welsbacli zoodanige verbeteringen had ondergaan en in sommige groote buitenlandsche steden, met name in Weenen, zulk een verbazenden opgang maakte, dat er bij de beantwoording der door Uw iloofdbestuur gestelde vragen ernstig rekening mede moest worden gehouden. Op nieuw zagen wij ons dus teleurgesteld in onze hoop deze zaak eindelijk tot afdoening te kunnen brengen en waren wij verplicht aan Uw Hoofdbestuur andermaal een uitstel voor de indiening van ons rapport te verzoeken. Wijl de gasgloeiverlichting verleden jaar een geheel nieuwe phase scheen te zijn ingetreden, diende althans eeuigen tijd te worden afgewacht of zij werkelijk den roep verdiende, die er van uitging; er moesten eenige zekere gegevens worden verzameld omtrent lichtsterkte, gasverbruik en vooral omtrent de duurzaamheid der kousjes, in een woord men moest trachten de overdreven voorstellingen omtrent deze nieuwe verlichtingswijze in elk geval tot hare ware proportion terug te brengen. In November II. was ons gastechnisch medelid met zijne nieuwe berekeningen, op het gasgloeilicht betrekking hebbende, gereed en van af dat oogenblik zou aan de samenstelling van het rapport de hand kunnen zijn geslagen. Voor de nieuwe vertraging, die de indiening er van ondervonden heeft, is de rapporteur onzer Commissie geheel alleen aansprakelijk; van ons drieën had hij zeker de minst aangename en meest lastige taak, omdat de beide andere leden in elk geval op eenige concrete, van te voren door ons gezamenlijk uitgekozen en vastgestelde vragen hadden te antwoorden. Om deze schuld te boeten, is voor hem dan nu ook de taak weggelegd op de aanstaande algemeene vergadering U persoonlijk zijne verontschuldigingen aan te bieden en U voorloopig mondeling met den inhoud van ons rapport bekend te maken.

In onze eerste bijeenkomst is natuurlijk allereerst van

ocr page 9

gedachten gewisseld over de beteekenis der door Uw Hoofdbestuur gestelde vragen. Wijl. bij de eerste uitnoodiging om aan de werkzaamheden dezer Commissie deel te nemen, aan ons, voor zoover wij niet de eer hebben lid Uwer Vereeniging te zijn. tot toelichting der quaestie het verslag was toegezonden van de 39l' Algemeene Vergadering op 29 en 30 Augustus 1890 te Amsterdam gehouden, mochten wij de gestelde vragen niet dadelijk geheel losmaken van de bij die gelegenheid gevoerde discussie over hetzelfde onderwerp. Het moge ons daarom veroorloofd zijn te beginnen met in enkele woorden onze meening te zeggen over de toen ge-houden besprekingen. Daarbij zal dan tegelijkertijd blijken op welk standpunt onze Commissie gemeend heeft zich bij de beantwoording der door Uw Hoofdbestuur geformuleerde vragen te moeten plaatsen.

De aanvankelijk door den heer Kaniperdijk te Wageningen ter beantwoording aangeboden vraag luidde: .Wat is voor verlichting het meest wenschelijk: gas of electriciteit. uit het oogpunt van veiligheid en oeconomie Vquot; Het geachte lid uit Wageningen moge het ons ten goede houden, als wij verzekeren, dat op een zoo algemeen gestelde vraag ieder ernstig man het antwoord zal moeten schuldig blijven, en tevens dat zij. aldus gesteld, zeer onvolkomen beantwoordde aan de later gebleken bedoeling van den inzender. Of lt;gt;quot;as of electrisch licht voordeeliger zal zijn hangt geheel af', -en dit wordt door onze achter dit verslag voorkomende tabellen bewezen. — van het geval, waarvoor de toepassing verlangd wordt. In onze beschouwingen komen gevallen voor, waarbij het electrisch licht niet alleen goedkooper isdan het gewone gaslicht, maar zelfs dan het gasgloeilicht, als het gas tegen den laagstaangenomen gasprijs van 4 ets. per M3 berekend wordt, terwijl in de meeste gevallen omgekeerd niet alleen het Auer- maar zelfs het gewone gaslicht beterkoop zijn zal dan het electrisch licht. En wat de veiligheid betreft, behoefde de vraag eigenlijk niet meer aan een bepaald onderzoek onderworpen te worden, omdat men wel in het algemeen zeggen kan dat zij, ook in 1890 reeds, ten gunste van het electrisch licht was beslist. De geachte inzender is. naar liet ons voorkomt, in dezelfde fout vervallen als zij. die langen tijd gemeend hebben, dat bij de electrische verlichting een categorisch antwoord gegeven zou kunnen worden op de vraag: Welke stroomen zijn voor de electrische verlichting, uit het oogpunt van veiligheid en oeconomie, het meest wenschelijk: gelijkgerichte of wisselstroomen? En daarom

ocr page 10

8

dan ook zou onze Commissie op de vraag, zooals ze oorspronkelijk geformuleerd was. hebben willen antwoorden, indien ze daartoe geroepen ware geworden, in den geest van de in het begin van dit verslag opzettelijk aangehaalde woorden van den Minister Miquel: „Zoowel het stelsel van „gas- als van electrische verlichting heeft zijn eigen goeden „kant; men kan niet beweren dat een dier stelsels of een „hunner bepaalde vormen voor ieder gegeven geval het ab-„soluut beste en eenig doelmatige is, maar wel dat naar .den maatstaf der locale verhoudingen en omstandigheden „de vraag beantwoord moet worden of op verschillende „plaatsen de verschillende stelsels even nuttig zouden zijn, „dan wel of het eene hier, het andere daar met meer voordeel „en minder gevaar zou kunnen worden toegepast.'' (1)

Bij het stellen en beantwoorden van zulke vragen moet dus gespecificeerd worden. Maar dit bleek ook de bedoeling van den heer Kamperdijk geweest te zijn, zoowel uit de toelichting, die hij zelf aan den heer Sijmons «jaf, als uit de instemming, waarvan hij deed blijken, toen Dr. Mouton als zijne meening verklaarde, dat de bedoeling van de vraag der afdeeling Wageningen alleen deze was: „Wat is beter, eigen inrichting voor eene verlichting door middel van gas of van electriciteit ?quot; Als men dus b.v. een afgezonderd gelegen fabriek heeft, die niet aan een bestaande gasleiding of een reeds aanwezig electrisch verlichtingsnet kan worden aangesloten: als men zich tot nog toe met petroleum heeft moeten behelpen, maar nu van de zooveel betere, nieuwe ver-lichtingswijzen wil gaan profiteeren, wat is dan veiliger en voordeeliger: zelf electrisch licht of gaslicht te gaan maken?

Mocht de formuleenng der vraag te algemeen geweest zijn. de bedoeling blijkt nu weer te beperkt te zijn. Met den heer Mouton is onze Commissie het volkomen eens. dat het antwoord op die concrete vraag niet anders luiden kan, dan zóó, uls het door ieder deskundige aan belanghebbenden gegeven had kunnen worden: de verlichting van een dergelijke

1

Indien belangstellende leden Uwer Vereeniging de vraag naar den voorrang van electrisch of gaslicht, van een zoo algemeen standpunt uit, behandeld willen zien, natuurlijk zonder dat zij ten gunste van het eene of andere stelsel wordt beslist, dan wordt door onze. Commissie verwezen naar een tweetal artikelen in de Vragen des Tijds van 1889, waarin door Dr. A. .T. C. Snijders, leeraar aan de 11. B. S. te Zutfen. ^de strijd tussehen het electrisch liclit en bet gaslichtquot; op een lieldere en volkomen objectieve wijze is besproken geworden.

ocr page 11

9

fabriek door middel van gas is veel lastiger, onvolkomener en duurder dan door toepassing van electriciteit. Alleen in enkele van de straks te behandelen gevallen, n. 1. die waarbij een groot aantal lichten benoodigd zijn, of waarbij men voor alle lichten op een groot aantal branduren mag rekenen of eindelijk waarbij deze beide omstandigheden ver-eenigd zijn. zou de vraag al of niet een eigen gasfabriekje oji te richten, alleen op de kosten lettende, ernstige overweging verdienen. Aan te bevelen zou het in dat geval zijn een watergasinrichting te bouwen, waarvan het product eenerzijds voor verwarming, anderzijds voor gasverlichting zou kunnen dienen. Watergas is ad 8 ets. per M3 met bijberekening van alle onkosten te vervaardigen en werden daarbij dan de Auersche gaslampen toegepast, die het on-noodig zouden maken het niet-lichtgevende watergas vooraf te carbureeren, dan zou men de noodige lichtsterkte zee)' goedkoop kunnen verkrijgen, ook om deze reden, dat dit gas zeer gemakkelijk periodiek te bereiden is en niet in groote hoeveelheden behoeft te worden geaccumuleerd. De meening van ons medelid van der Horst, die in deze materie speciaal als de deskundige moet worden beschouwd, is echter. — en de beide andere leden onzer Commissie moeten het hem wel toestemmen, — dat in ons land de industrie nog niet op het standpunt is gekomen om gemakkelijk naar dit hulpmiddel te grijpen: dat zeer zeker talrijke industrieele inrichtingen op kleine schaal niet in de gelegenheid zullen komen om zich met voordeel van deze gassoort te bedienen : dat zij dus noodzakelijk aangewezen zijn óf op petroleum-of op electrische verlichting en dat zij in dat geval zeer zeker verstandig zullen doen, zoodra zij maar eenigszins over stoom- of waterkracht kunnen beschikken het electrisch licht toe te passen.

Als een merkwaardigheid wil onze Commissie hier ter plaatse niet onvermeld laten, dat op de Frankforter tentoonstelling in 1891 twee installatiën voor de bereiding van watergas uit anthraciet en waterdamp in werking waren, en wel eene van de Gasmotoren-Fabrik Deutz te Deutz bij Keulen en de andere van Gebr. Korting te Körtingsdorf bij Hannover. Maar in plaats van nu dit zoogenaamde Dowson-gas na carburatie onmiddellijk te gebruiken voor het voortbrengen van gaslicht, werden er gasmotoren mede gevoed, die op hun beurt weder dynamo's dreven Twee dynamo's van Schucktrt amp; Co. werden in beweging gebracht door Otto'sche gasmotoren van de Deutzer firma van 3U en van

ocr page 12

10

12 PK., wier assen rechtstreeks niet die van de dynamo's gekoppeld waren. Het door Gebr. Korting vervaardigde Dowsongas voedde twee eencylindrische gasmotoren van diezelfde firma van 16 en van 25 PK., waarmede dynamo's van Fritsclie amp; Pischon en van Gebr. Naglo gedreven werden. Als men daarbij nu nog weet. dat de dynamo van 30 PK. der firma Scliuckert een accumulatoren-batterij van 60 cellen laadde: dat deze diende voor de tooneelverliditinu van het Victoria-theater en dat daarvoor in het geheel een stroom van 250 amp. bij 110 volt noodig was, een stroom die dus onder gewone omstandigheden een 500 gloeilampen had kunnen doen branden, dan is hiermede een belangwekkend voorbeeld geleverd van de ingenieuse middelen, .vaarvan de buitenlandsche industrie zich bedient om zelfs het (ja*, in verschillende vormen, dienstbaar te maken aan de voortbrenging van electrisch licht. , In 1882 reeds is , Dowson de door hem bereide gassoort voor het drijven .van gasmotoren gaan gebruiken. Hoewel van het uit „anthraciet en waterdamp verkregen watergas een vijfmaal „grootere hoeveelheid voor het drijven van een motor wordt , vereischt dan van gewoon lichtgas, berekent Dowson toch, „dat, door geringere kosten van productie en de veel kleinere ,hoeveelheid anthraciet. die voor de bereiding noodig is. „met dit gas eene besparing kan worden verkregen van 50 .tot 60 procent. Neemt men alle bedrijfs- en reparatie-,kosten, benevens amortisatie en rente van het kapitaal in „de berekening op, dan kan een groote gasmotor met „Dowsongas 40 tot 50 0 , goedkooper gedreven worden „dan eene stoommachine van hetzelfde vermogen,quot; Deze aanhaling is ontleend aan een artikel van Dr. Snijders te Zutfen, in het Album der Natuur van 1885 voorkomende en getiteld: „Het watergas, de brandstof der toekomst.quot;

Op de bovenaangehaalde mededeeling liet de schrijver toen reeds de opmerking volgen: „Deze uitkomst is hoogst „belangrijk, niet alleen met het oog op eene goedkoope .productie van kracht, doch ook voor de meerdere uit-„breiding van het electrisch licht, dat door de toepassing „van het watergas insgelijks vee! goedkooper zal kunnen „geleverd worden cn zeker een veel algemeenere toepassing „zal vindenquot;. In hetzelfde artikel verzuimt de schrijver echter niet met nadruk te wijzen op het nadeel, aan liet waterjas verbonden, door de aanwezigheid van een aan-

.. , O

zienlijke hoeveelheid kooloxyd (30 a 40 quot;n) dat wegens zijne vergiftige eigenschappen zeer gevaarlijk is. Hit gevaar

ocr page 13

11

wordt noquot;' daardoor verdroot, dat het watereas volkomen

O O O

reukeloos is en men de aanwezigheid van een lek in de gasleiding dus niet. zooals bij het gewone lichtgas, gemakkelijk op den reuk af bemerken kan. Bij gebruik van r.et watergas, hetzij direct tot verlichting met Auer'sclie of andere gasbranders, hetzij zooals boven is medegedeeld tot voortbrenging van electrisch licht door tusschenkomst van gasmotoren en dynamo's, zou dus aan het genoemde bezwaar moeten worden tegemoet gekomen door er in geringe hoeveelheden gassen met een doordrino-enden yeur mede te

. . O _ O

mengen, die de aanwezigheid van geringe lekken reeds gemakkelijk zouden verraden.

Hoewel we later van zelf op de quaestie der verlichting van alleenstaande fabrieken zullen moeten terugkomen, kunnen we het bovenstaande voorloopig reeds als een antwoord beschouwen op de vraag van den Heer Kamper-dijk. in den concreten zin. waarin deze bedoeld was. Over de beteekenis. die door den Heer Sijmons in zijne inleiding aan de vraag der Wageningsche afdeeling gehecht werd. kunnen we kort zijn. Of bij den aanleg van centraal-stations voor electnsche verlichting gemeentelijke of particuliere exploitatie het meest gewenscht is, is een quaestie die met de voorkeur aan electrisch of aan yrt.slicht te geven niets te maken heeft. Terecht werd daarop ook weder door Dr. Mouton gewezen. Üe eenige reden waarom niettemin tocli even over de opvatting van den Heer Sijmons wordt gesproken is deze; dat de discussie over de Wageningsche vraag eindigde met een lierhan/d verzoek van ZEd. aan het Hoofdbestuur om aan een Commissie op te dragen een onderzoek van de quaestie of gemeentelijke dan wel particuliere exploitatie van electrische instaliatiën de voorkeur verdient. Dit verzoek werd niet rechtstreeks afgewezen. Uw geachte Voorzitter stelde aan de vergadering voor: aan het Hoofdbestuur op te dragen een nader onderzoek omtrent de vergelijkende mérites van gas en electriciteit door de benoeming van een commissie ad hoe uit te lokken, daarbij tevens verzoekende de formuleering der vraag aan het Hoofdbestuur te willen overlaten; conform dit voorstel werd daarop door de vergadering besloten. Onze Coniraissie wil nu even constateeren, dat her, haar niet gelukt is in de door uw Hoofdbestuur creforinuleerde vragen, die aan het hoofd van dit verslag zijn vermeld, de bedoeling van den heer Sijmons terug te vinden. Xaar onze meening heeft het Hoofdbestuur terecht de quaestie der wijze van exploi-

ocr page 14

12

tiitie van electi'iscli-liclitinriclitiiigen voor het oogenblik ter zijde gelaten en zich zoo nauw mogelijk aangesloten aan het oorspronkelijk door de Wageningsche afdeeling o])ge-geven vraagpunt. Alleen zijn daarbij vermeden de gebreken, waaraan naar ons bovenvermeld oordeel de door haar opgegeven redactie mank ging. Er wordt nu niet meer in algemeene bewoordingen gevraagd of aan electrische of aan gasverlichting de voorrang moet worden toegekend, maaide quaestie wordt beperkt tot het gebruik, dat fahrieken en irerkplanftieii van deze beide verlichtingsmethoden hebben te maken: aan den anderen kant wordt er niet, zooals door \\ ageningen bedoeld werd, van alleenstaande fabrieken gesproken, die een eigen inrichting zouden moeten maken, maar blijkbaar wordt thans gewenscht, dat de vraag ook zal beantwoord worden voor fabrieken en werkplaatsen, in de kom of in de onmiddellijke nabijheid van gemeenten gelegen, die van een electriscli- en een gasgeleidiugsnet of althans van het laatste zijn voorzien, zoodat de bedoelde inrichtingen zich naar keuze aan een van beide netten, of in eik geval aan de gasleiding zouden kunnen aansluiten. Het is in dien zin. dat onze Commissie gemeend heeft de door Uw Hoofdbestuur gestelde vragen, die in elk geval voor haar het voornaamste richtsnoer bij de beantwoording moesten blijven, te moeten opvatten. Zij hoopt daarmede aan de bedoeling van het Hoofdbestuur en tevens ook aan die der leden Uwer Vereeniging beantwoord te hebben.

Het feit, dat op de eerste vraag aan onze Commissie gedaan, .Is gas of electriciteit voor verlichting van fabrieken en werkplaatsen het meest aan te bevelen?'' onmiddellijk deze andere volgt: .Welke redenen pleiten voor een en ander?quot; is op zich zelf reeds een bewijs dat door Uw Hoofdbestuur geen categorisch antwoord op de eerste vraag verwacht werd. Het vermoeden lag voor de hand, dat er redenen, omstandigheden zooals in de 3e vraag gezegd wordt, zullen bestaan, die eenerzijds voor het gebruik van electriscli licht, anderzijds voor dat van gaslicht pleiten. En dit is naar de meening van onze Commissie ook werkelijk het geval. Evenmin als er een beslist antwoord kon gegeven worden, toen in geheel algemeene termen gevraagd werd naar den voorrang van het electriscli of van het gaslicht, evenmin is dit nu het geval, nu de vraag beperkt is tot bet gebruik dier verlichtingswijzen in fabrieken en werkplaatsen. Al zal, naaide meening onzer Commissie, in heel veel gevallen de balans ten gunste der electrische verlichting doorslaan, toch zou

ocr page 15

13

zij huiverig ziin om categorisch uit te spreken, dat het gebruik van gaslicht in fabrieken geheel veroordeeld is of althans: dat het in alle gevallen eerst in de tweede plaats in aanmerking kan komen, nu wij «ver het electrisch licht kunnen beschikken. Wij meenen dan ook van een verdere opzettelijke behandeling der eerste vraag te mogen afzien en ons in hoofdzaak te kunnen bepalen tot de beantwoording der tweede : „ Welke redenen pleiten voor een en ander ?quot; Daaruit zal dan niet alleen van zelf aan de lezers van dit verslag de juistheid van ons beweren blijken, dat de eerste vraag niet voor een afdoende beantwoording vatbaar is. maar tevens zal hun het middel aan de hand zijn gedaan om zelf in ieder bijzonder geval de derde vraag te beantwoorden: ,Welke omstandigheden geven den doorslag bij de keuze?quot; Voor den een zal de eene reden zwaarwichtiger zijn en den doorslag geven, voor den ander zal een ander motief meer beteekenis hebben en zijne keuze bepalen. De verschillende omstandigheden, waarop te letten valt. kunnen aldus worden samengevat:

lu. eigenaardigheden der verlichtingswijzen op zich zelf; 2quot;. voorwaarden voor de veiligheid van werklieden en beambten, gebouwen en werktuigen;

3°. voorwaarden voor de gezondheid en het algemeen welzijn der arbeiders;

4U. voorwaarden die voortvloeien uit den aard van het fabriekaat en

5U. de kosten der verschillende verlichtingsmethoden.

Achtereenvolgens zullen deze punten nu door onze Commissie besproken worden, maar vooraf reeds kunnen wij nieedeelen, dat, waar het op het doen eener keuze aankomt, naar onze meening de voorwaarden voor de veiligheid dei-gebouwen en voor de gezondheid der werklieden en beambten in de eerste plaats in aanmerking komen, en dat daarna pas op de eigenaardigheden der verlichtingswijzen, die van de in de fabriek vervaardigde producten en op de kosten behoort te worden gelet. In de laatste jaren is dooide arbeids-enquête, door de arbeidswet, door de instelling van fabrieksinspecteurs. door de door Uwe Vereeniging in 1890 ontworpen tentoonstelling tot bevordering van veiligheid en gezondheid in fabrieken en werkplaatsen, enz. eener-zijds zóó zeer de aandacht gevestigd op toestanden, die dringend verbetering vereischten en anderzijds zóó duidelijk het bewijs geleverd, dat ook werkelijk het ernstig streven bestaat om in die misstanden verbeteringen aan te brengen.

ocr page 16

14

iliit onze Cuminissie het overbodig iicht in dézen kring met vele woorden te betoogen, dut ook bij het doen eener keuze tusschen de voor een fabriek beschikbare verlichtingswijzen, in de eerste plaats behoort te worden gelet op de veiligheid en het welzijn van hen, die in die gebouwen het grootste deel van hun leven moeten slijten en die evenveel aanspraken hebben O]) een goede zorg voor hunne gezondheid van de zijde der fabriekanten, als wij, ambtenaren en mannen van zaken, voor ons zelf willen doen gelden als wij ons naar onze bureaux, kantoren, collegezalen en studeervertrekken begeven.

In de tweede plaats komen dan de kosten, de eigenaardige voor- en nadeelen der verlichtingswijzen als zoodanig en de aard der m de fabriek vervaardigde producten in aanmerking. Het is ons natuurlijk niet mogelijk aan te wijzen welke dezer factoren de meest belangrijke is. Zooals boven reeds opgemerkt werd, zal in de eene fabriek de quaestie der kosten het meest op den voorgrond treden en zonder schade voor het bedrijf den doorslag kunnen geven, in eene andere zullen de eischen van dat bedrijf zelf van de grootste beteekenis zijn en de vraag naar de kosten der verlichtingswijzen op den achtergrond dringen. Algemeene regelen kunnen daarvoor door onze Commissie niet worden aangegeven :

or? '

ieder fabnekant behoort dienaangaande met zijn eigen inzichten en belangen te rade te gaan. W ij meenen ons dan ook. na het bovengezegde, van een nadere beschouwing der derde vraag te mogen onthouden en ons te mogen bepalen tot een behandeling der zoo even genoemde vijf punten. De volgorde, die daarvoor gekozen is, komt wel is waar niet overeen met de belangrijkheid, door ons zelf aan ieder afzonderlijk toegekend, maar is misschien de meest geschikte voor eene regelmatige behandeling van het onderwerp.

I. De eigenaardigheden der verlichtingswijzen als zoodanig.

Bij het electrisch licht hebben we, zooals bekend is, alleen de keuze tusschen boog- en gloeilampen; bij het gaslicht komen in aanmerking : gewone open gasvlammen, uit zoogenaamde spleet- of holkopbranders brandende, intensieflampen en gasgloeilichten. Het gebruik van Argand-branders, waarbij glazen en ballonnen, althans de eerste, noodig zijn. zal in fabrieken meestal wel beperkt moeten blijven tot de bureaux en teekenlokalen; bij onze kostenberekeningen zal steeds op een zeker aantal branders van deze soort voor dat doel ye-rekend worden, waarbij wij dan natuurlijk bepaaldelijk op

ocr page 17

15

het uoquot;- zullen hebben de nieuwere en betere soorten, de zoogenaamde prilcisions-branders, waarbij de toevoer van het gas automatisch geregeld wordt, en daardoor een grooter gasverbruik dan het normale belet wordt. De genoemde lichtbronnen nu verschillen onderling aanmerkelijk in intensiteit en in kleur, terwijl bovendien de mechanische inrichting van sommige lampen tot bijzondere eigenschappen aanleiding geven kan, waarop voor de toepassing in fabrieken dikwijls zal moeten worden gelet.

Wat de lichtsterkte betreft, staan de booglampen en de regeneratieve gasbranders of intensieflampen bovenaan. Zeer geschikt om, als zij op een behoorlijke hoogte opgehangen zijn, eene groote ruimte, van uit weinige punten slechts geheel te verlichten, staan zij echter bij de minder sterke lichtbronnen ten achter, als het er op aankomt iederen werkman op zijne eigene vaste standplaats de noodige hoeveelheid licht te verschaffen. Ter verlichting van de aan fabrieken somtijds verbonden magazijnen en bergplaatsen, van de omringende fabrieksterreinen en dergelijke, waar het er alleen op aankomt de yelteele ruimte flink te verlichten, zonder dat het noodig is op bepaalde punten een zekere „Beleuchtungquot;, bestralings- of verlichtingssterkte ter be-schikking te hebben, waarbij men b. v. lezen of fijnea arbeid verrichten kan, zijn de intensieve electrische en gaslampen natuurlijk bijzonder geschikt. Wat echter bij de beoordeeling van de w aarde eener lichtbron nog altijd in de praktijk te veel uit het oog verloren wordt, is het feit, dat dikwijls de totale, in alle richtingen uitgezonden hoeveelheid licht of de zoogenaamde spherische lichtsterkte van betrekkelijk weinig belang is; dat van véél meer beteekenis is de vraag: hoeveel licht in iedere richting afzonderlijk wordt uitgestraald en hoe groot dus ook de bestralingssterkte is, die men op een gegeven afstand van de lichtbron af en voor een gegeven stand van het te verlichten vlak verkrijgen kan. En juist hierop komt liet in fabrieken, althans in die. waar de werklieden allen op vaste plaatsen aan hun eigen werkbank, werktafel of werktuig bezig zijn. voornamelijk aan. Juist de vermeerderde toepassing der electrische booglampen en die der intensief-gasbranders heeft op deze zaak meer dan vroeger de aandacht gevestigd en photometers doen con-struëeren. waarmede men niet de absolute lichtsterkte eener lichtbron, maar wel de voortgebrachte wlichting oi de zoogenaamde bestralingssterkte in verschillende punten van het door die bron verlichte lokaal bepaalt. Een uitstekend

ocr page 18

IC)

diiïirvoor geschikt werktuig is de bekende photometer van Leonhard Web er. waarmede men in ieder punt van een lokaal de bestralingssterkte in zoogenaamde meterkaarsen uitdrukt. Bij de beoordeeling der doelmatigheid of waarde van een eenmaal aangebrachte verlichting zal men dus ook in fabrieken en werkplaatsen wél doen. met een dergelijk instrument de verlichting in verschillende punten te doen controleeren. In bureaux en kantoren waar de afzonderlijke lessenaars, in kleinere werkplaatsen en groote fabrieks-lokalen, waar de afzonderlijke standplaatsen der arbeiders, in drukkerijen waar de zitplaatsen der zetters behoorlijk verlicht moeten worden, zal men moeten rekenen, dat in de slechtst verlichte punten een bestralingssterkte van nog minstens 10 meterkaarsen voorhanden is, en dat deze op de helderst verlichte plaatsen een waarde van 50 meterkaarsen niet overschrijdt. Zeer belangrijke, praktische gegevens omtrent de vereischten, waaraan o. a. ook de verlichting van fabrieken heeft te voldoen, vindt men in het werk van Prof. Dr. (!. Heim: Die Einrichtung elektrischer Beleuchtungs-anlagen. Leipzig, Oskar Leiner, 18i)2. Het spreekt wel van zelf, dat de aldaar meegedeelde gegevens, waarop hierboven gedoeld werd, even goed voor verlichting der lokalen met sterke en zwakkere gaslampen als voor die met electrische boog- en gloeilampen gelden. Dat men nu met de minder geconcentreerde lichtbronnen het doel: een zoo gelijkmatig mogelijke verlichting voort te brengen, gemakkelijker bereiken kan dan met de sterke, die over weinig punten van de lokalen verdeeld zijn, zal wel voor ieder duidelijk wezen. De hier u'eyeven korte beschouwinyen doen dus zien. in welke ü'e-

O O _ O _ O lt;

deelten der fabrieken men booglampen en intensiefbranders, in welke men gloeilampen en gewone gasvlammen gebruiken kan.

Letten we nu een oogenblik op liet verschil tusschen de electrische en de gaslampen, dan blijkt dadelijk dat een booglamp ten opzichte van de uitzending van licht in verschillende richtingen geheel andere eigenschappen heeft dan eene intensief-gaslamp. Door de positieve, kratervormig uitgeholde koolstaaf boven te plaatsen, bereikt men van zelf, dat het licht hoofdzakelijk in richtingen naar beneden wordt uitgestraald en men geen afzonderlijke reflectoren meer noodig heeft: de ballon, die den lichtboog en de spitsen omgeeft, brengt eene diffusie te weeg, waardoor de uitstraling in verschillende richtingen beneden het horizontale vlak. door den lichtboog gaande, meer gelijkmatig wordt, terwijl naar boven een voldoende hoeveelheid licht

ocr page 19

17

wordt uitgezonden om de zoldering of de kap in het lokaal niet in volslagen duisternis te hullen. Bij rechte regeneratief lampen is de uitstralingswijze echter geheel anders. Naar hoven wordt zóóveel licht uitgezonden, dat het bovengedeelte van het vertrek volkomen nutteloos te sterk ver-

O

lichten zou ten koste van de lager gelegen punten, waar de verlichting het meest noodig is, dat men er in den regel reflectoren hij moet toepassen, die dan echter weer het nadeel hebben al het licht, dat naar boven gaat, te onderscheppen en een volkomen schaduw tegen de zoldering te weeg te brengen. Op dit bezwaar werd bij de discussie in 189U reeds door Dr. Mouton gewezen. De grootere, zoogenaamde omgekeerde regeneratieflauipen van Wenham, Siemens, enz. hetfen het bezwaar der bovenwaartsche lichtverspreiding grootendeels op; ook zonder metingen overtuigt men zicli daarvan gemakkelijk door op te merken, dat de lichtbron van beneden af gezien overal geheel in het gezicht blijft. Zij verlichten evenmin den zolder, maar kunnen daarentegen weer het voordeel geven een er goede ventilatie.

lïij de gloeilampen en de kleine gasbranders doet zich niet zulk een belangrijk verschil in de hierboven vermelde wijze van uitstraling voor als bij de sterkere lichtbronnen. Mocht men hier op de onderschepping van het licht in benedenwaartsche richting de aandacht willen vestigen, dan moet dadelijk worden opgemerkt, dat de gewone en Auer'sche gasvlammen natuurlijk niet anders dan verticaal naar boven kunnen branden en dus daarbij het bezwaar van een schaduw door den voet of den arm der lamp teweeggebracht, niet door een verandering van den stand der lamp kan worden opgeheven. Electrische gloeilampen echter kunnen in alle richtingen goed branden; wil men een schaduw naar beneden vermijden, zoodat de werkman, die nu in den regel één lamp geheel tot zijn beschikking zal hebben, het licht flink op zijn werk en zijn handen kan laten vallen, dan is men gewoon de gloeilamp een helling naar beneden van ongeveer 45° te geven, voornamelijk ter wille van de sierlijkheid; is men echter bevreesd, dat door trillingen of andere oorzaken de gloeiende kooldraad met den glazen wand in aanraking zou kunnen komen en dien zou doen springen, dan kan men de lamp zonder eenig bezwaar in verticale richting naar beneden gebruiken. Een ander voordeel der electrische gloeilamp is hare gemakkelijke verplaatsbaarheid. Een gasvlam zal in den regel op een vaste

11

ocr page 20

IS

plaats of hoogstens aan een om scharnieren draaibaren arm zijn aangebracht; haar volkomen verplaatsbaar te maken door het gebruik eener caoutchoucbuis zou in een fabriek tot velerlei bezwaren aanleidinü- quot;quot;even en in elk geval

^ O O O

kostbaar zijn. Een electrisch gloeilampje daarentegen, aan een eenvoudig voetje verbonden, kan door middel van een paar dunne draden of zelfs van een enkel dun en buigbaar snoer door den werkman ieder oogenblik ter plaatse gebracht worden, waar hij het licht behoeft. In één opzicht staat de electrische gloeilamp bij de gasvlam ten achter, haar lichtsterkte kan, zonder groote bezwaren, niet geregeld worden, terwijl dit met de gasvlam wèl het geval is en het verbruik aan gas daarbij als 't ware gelijken tred houdt met de hoeveelheid licht, die zij geeft. Wij zijn op dit oogenblik niet in staat een voorbeeld te noemen, maar wel kunnen we ons voorstellen, dat zich gevallen kunnen voordoen in sommige fabrieken, dat de werkman voor korten tijd de sterkte van zijn licht temperen wil: de gloeilamp laat hem alsdan in den steek. Op dit bezwaar is in de algemeene vergadering der vereeniging van gasfabrikanten. in 1891 te 's-Hertogenbosch gehouden, gewezen door den Heer Fried-rich Lux. de bekende gastechnicus, die in een vergelijking tusschen „Gaslicht en electrisch lichtquot; met onovertroffen handigheid allerlei ondeugden van de electrische gloeilamp heeft weten te berde te brengen, die echter, met uitzondering van de genoemde, hier met stilzwijgen voorbijgegaan kunnen worden. Onze Commissie meent aan de onpartijdigheid op voldoende wijze te hebben voldaan, door de aandacht van de leden Uwer Vereeniging op de bewuste redevoering van dezen verdienstelijken technicus te hebben gevestigd.

De bewemny voor het Allerlicht maakt het noodiy nu

«T? O o

nog een derde parallel te trekken tusschen gas- en electrisch licht. De Auerlichten hebben een zoodanige absolute lichtsterkte, dat zij moeilijk met de in den regel zwakkere gloeilampen, maar ook evenmin met de veel sterkere booglampen kunnen vergeleken worden. Voor den electrotechnicus was het bij de wederopdoeming van het gasgloeilicht de vraag of hij kans zou zien lampen van ongeveer dezelfde lichtkracht te vervaardigen als de Auerlampen, maar waarin de electrische energie op voordeeliger wijze wordt gebruikt dan in de gewone gloeilampen. Voor dergelijk doel zijn de booglampen aangewezen, maar dan moesten zij voor een veel geringer stroomverbruik dan gewoonlijk ingericht kunnen worden. De laatste maanden nu hebben bewezen.

ocr page 21

19

dut een electrotechnicus zich ook zoo gemakkelijk niet uit het veld laat slaan. De kleine booglamp was op een gegeven oogenblik noodig, welnu, al spoedig was zij er en zéér nauwkeurige metingen hebben bewezen, dat zij volkomen aan haar doel beantwoordt. Booglampen met een stroomverbruik van 4 tot 3 ampère werden reeds sedert 1883, o. a. door de firma Schuckert amp; Co. vervaardigd. De Frank-forter-tentoonstelling gaf in 1891 voor het eerst een klein model van '1 ampère te zien, van C. amp; E. Fein te Stuttgart. Tegenwoordig echter worden door Siemens en Halske, Schuckert amp; Co., Korting en Mathiesen en ook door de Allgemeine Elektricitilts-Gesellschaft booglampen vervaardigd, wier stroomverbruik tot op 1 1 ampère daalt. Door Prof. Heim te Hannover is een uitvoerig en nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de betrekkelijke waarde van het gasgloeilicht en de kleine booglampen : zijne degelijke verhandeling daarover en een kort naschrift zijn verschenen in de nummers 14 en 16 van het Electrotechnisch Tijdschrift van 7 en 21 April 1.1. En in Nu quot;21 van hetzelfde tijdschrift van 2B Mei 1893 komt een redevoering voor, door l)r Wedding te Berlijn gehouden in de vergadering van den Elektrotechnischen Verein op 25 April 1.1., waarin hij een overzicht geeft van de door hem in het Electrotechnisch laboratorium der Technische Hochschule te Berlijn volbrachte metingen, die door uitvoerigheid en belangrijkrijkheid misschien die van Prof. Heim nog overtreffen. Dr. Wedding vestigt er tei'echt de aandacht op, dat het niet voldoende is het onder liet horizontale vlak. door het midden der lichtbron gaande, uitgestraalde licht te meten, als deze niet voorzien is van de bij het gewone gebruik gebezigde ballons en schermen. Door hem zijn dus zoowel bij de kleine booglampen als bij de Auerlichten de metingen steeds verricht zonder, maar ook met de gebruikelijke en in den handel voorkomende of zelfs, wat de booglampen betreft, door de fabrikanten er bij geleverde ballons en reflectoren. De metingen der lichtsterkte van de gasgloei-lichten zonder ballons of schermen gaf het verrassend resultaat, dat van de geheele hoeveelheid licht ongeveer 4/7 in bovenwaartsche richtingen en slechts 3/7 naar beneden wordt uitgestraald. Bij gasgloeilichten is men dus zeker verplicht door kappen en ballons de uitzending van het licht in benedenwaartsche richtingen te versterken. Het is niet overbodig eenige van de op die wijze door Dr. Wedding verkregen uitkomsten mede te deelen. Voor een gasgloeilicht, dat om-

ocr page 22

20

geven was door verschillende kappen en ballons, werd gevonden :

Voor 2 kleine booglampen werd gevonden:

Lu nip ran Sienie/ts cu Hdlakc.

Stroomsterkte in amp.

Verbruikte watts .

Gemiddelde licht sterkt»

denwaartsche richtingen in d. i. gemiddeld ])er watt

d( /• A U'/i'éii. KU'hii'in

Stroomsterkte in amp. . . . 1.5 1.5 *2 *2 *2.5 *2.5 8

Verbruikte watts............47.7 49.0 64.2 65.(5 lt;St).*2 86.7 108.0

Gemiddelde lichtsterkte in bene-

dcnwajirtsche richtingen in IJ. L. 25.0 *25.0 88.0 84.6 17.8 52.0 74.0

d. i. gemiddeld per watt . . . 0.5*2 0.51 0.51 0.58 0.55 0.60 0.68

Indien we nu nog uitmaken welke verhouding er tusschen de kosten van 1 liter gas en van een 1 watt mag worden aangenomen, kunnen de bovenstaande cijfers direct met elkander vergeleken worden. I)r. Wedding geeft daaromtrent de volgende praktische aanwijzing. Indien we 1 Mquot;1 gas, in plaats van dien in een Auerbrander rechtstreeks te verbranden, gebruiken om een gasmotor en daarmede een dynamo te drijven, kunnen we met de nieuwere werktuigen van deze beide soorten daarmede juist een beschikbaar electrisch arbeidsvermogen van 1 kilowatt verkrijgen. We mogen dus de waarde van 1 M3 gas en ] kilowatt, en dus ook die van 1 liter gas en 1 watt aan elkander gelijk stellen. De vergelijking van bovenstaande cijfers bewijst dan onmiddelijk voor nlle gevallen de superioriteit der kleine booglampen boven de gasgloeilichten. Maar ür. Wedding gaat verder en maakt dezelfde opmerking, die door ons hierboven reeds gemaakt is. dat liet den lichtverbruiker waarschijnlijk volmaakt onverschillig is hoe groot de gemiddelde spherische intensiteit van een lichtbron is. als de tafel waaraan hij zit te werken maar behoorlijk verlicht is. Hij heeft I- dus een bepaald geval aangenomen •20quot; ( f -.........) ■20quot; en wel: dat men de bestralingssterkte kennen wil van af C tot in een punt A of B, zóó dat de lichtstralen uit L uiterlijk onder een hoek van 20° met het horizontale vlak invallen en de hoogte der lichtbron boven het vlak A B 1 Meter bedraagt.

Gasverbruik in liters......1ÜU 109 108 llO 107 10S

Gr middelde lichtsterkte alleen in de lienedenwanrtsehe richtingen in

Hefner-lichteenhtóden......7)7.1) 51.8 54.5 4S.4 3().S 85.4

d. i. «gemiddeld per liter gas. . . 0.5'28 0.471 0.505 0.44 0.84 0.88

. . 1.5

O

-gt;

•2.5

3

. . 01.3

70.S

7-J.-2

94.5

107.

'be

ne-

11.

L. 30.4

48.'2

72.(5

S3.4

o.ry.i

0.51

().(i7

0.77

0.71

Gr

srllsc/t.

1.5

1.5

•gt; •gt;

•2.5

•2.5 :

ocr page 23

21

In A en B is men dan 2.75 Meter van liet voetpunt C der loodlijn, uit de lichtbron op AB neergelaten, verwijderd. Uit de tabellen voor de uitstralingssterkte in verschillende richtingen, waarvan de boven opgegeven cijfers de gemiddelden waren, kon hij door eenvoudige becijferingen de bestralings-sterkten in verschillende concentrische ringen met C als middelpunt en tot A en B toe berekenen. En wat bleek nu? Dat deze bestralingssterkte bij het gasgloeilicht in het midden, bij C of weinig daar voorbij, zéér groot was, maar dat zij zeer snel afnam en op 1,5 meter van C af reeds tot beneden de grens, die men, om goed te kunnen lezen en werken, niet overschrijden mag, was gedaald: dat echter het booglicht een ree! gelijkmatiger verdeeling der bestralingssterkte gaf, die op 1,8 meter nog meer bedroeg dan bij het gasgloeilicht op 1.5 meter en die op 0,7 meter van C af haar maximumwaarde had. Ook deze bestralingssterkten. nu niet meer in Hefner-eenheden, maar in meterlichten uitgedrukt, kan men over de geheele bestraalde vlakte middelen. En zoo kreeg Dr. Wedding bij de booglamp van Siemens en Ilalske bij ... 1.5 *2 *2 *2.») ::nij)óu'.

en. . . . 51.:} 70.8 7*2.2 94.5 107.-1 wntt. een gemiddelde bestral in«£.s-

sterkte van.......5.0*2 6.31 8.S() 1*2.lt;S.S 14.84 meterlichten.

ot' gemiddeld per watt . . 0.0980 0.0895 0.1*23 0.13(gt; 0.138

terwijl op gelijke wijze voor het gemiddelde van 5 gas-

gloeilichten gevonden werd bij gebruik van vier verschillende

ballons en kappen:

«gemiddelde bestralin^ssterkte bij een

verbruik van gemiddeld 108 liter 4.03 ().5*2 7.79 8.*21

gemiddelde bestralino-ssterkte voor

1 !iter, beide in meterlii hten 0.0378 0.0591 0.0714 0.07(?0

cijfers die, de gelijkheid in waarde van 1 watt en 1 liter gas in aanmerking nemende, zóóveel kleiner zijn dan die der booglamp, dat de keus tusschen beide lichtbronnen, als het op een voldoende en gelijkmatige bestralingssterkte aankomt, niet moeielijk is. Vergelijkt men bv. de booglamp met 1.5 ampère (gem. bestralingssterkte bij 51.3 watt = 5.02) met de gasgloeilamp met een matten bolvormigen ballon ei-om heen (gem. bestralingssterkte bij lOiS L. 4.03) dan blijkt liet, dat de indirecte methode, waarbij het gas gebruikt wordt om electrisch licht te leveren, = 2M maal zoo voordeelig is als bij de directe omzetting in Auer's gloeilicht. Deelt men de minimumwaarde bij quot;t gasgloeilicht op de maximumwaarde bij de booglamp, dan krijgt men: 5-55=^ — 3.6 en doet men liet omgekeerde, dan komt

ocr page 24

22

er: oquot;™) = I-IS- Bi) nieest ongunstige vergelijking is de booglamp dus nog 18° n bij liet gasgloeilicht vooruit.

Dr. Wedding heeft verder nagegaan hoe het met zijne gasgloeilichten gesteld was na 100 uren brandtijd; de gemiddelde uitstralingssterkte was met 15% afgenomen. De bestralingssterkte was nu minstens 2 en hoogstens 4 maal kleiner dan die der booglamp.

Omtrent het afnemen van de lichtsterkte der Auerlichten zijn ook andere gegevens bekend geworden.

De Generalgasdirektor Filhndrich uit Weenen, de bakermat der gasgloeilichten, deelde in de vergadering des Deutschen Vereins von Gas- und Wasserfachmünner. in Juni van het vorige jaar te Kiel gehouden, mede, dat bij de zorgvuldigste behandeling de levensduur van di'ie door hem gebruikte branders niet hooger was geklommen dan 480, 400 en 470 uren. Hij meent, dat in de praktijk gemiddeld op geen langeren levensduur dan van 350 uren te rekenen valt. De afneming der lichtsterkte bleek uit twee door hem gedane opgaven: van een lamp die 95 liter gas verbruikte en aanvankelijk een lichtsterkte van 48 Hefner-kaarsen had, was deze na 336 uren tot op 3G kaarsen afgenomen om verder, tot het onbruikbaar worden der kous na 524 uren toe, nagenoeg standvastig f34 kaarsen) te blijven. Eene andere lamp, die onder hoogeren druk 120 L. gas gebruikte en een beginsterkte van 84 kaarsen had, was na 384 uren onbruikbaar geworden: haar lichtsterkte was geleidelijk tot op 29 kaarsen afgenomen. Bij deze opgaven moet men wel in het oog houden, dat de zoogenaamde Hefner-licht-eenheden kleiner zijn dan die onzer gewone normaalkaarsen. De Engelsche spermaceti-nonnaalkaars komt met 1.135, de Duitsche paraffinekaars met 1.224 eenheden der Hefnersche amvlacetaatlamp overeen. Een Hefnersche lichteenheid bedraagt dus maar 88% van de Engelsche en 81 ''/o van de Duitsche normaalkaars. De directeur Filhndrich maakte er verder opmerkzaam op, dat een groot aantal procenten van de kousjes door het stukgaan verloren gaat. en wel bij het opzetten der glazen, het springen dier cylinders, bij de lichte ontploffing die er volgt, als men bij het aansteken te vroeg de kraan opent, enz.

In de op 9 Februari 1.1. gehouden vergadering van de afdeeling Uwer Vereeniging in Dordrecht, werd door Uw betreurd medelid, de heer •). A. Francois, eveneens de quaestie van het gasgloeilicht behandeld. Hij gaf toen op. dat elk kousje f 1.40 kostte. Dr. Bleekrode erkende in

ocr page 25

een vergadering van het Dep. 's-Gravenhage der Xed. Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, dat de broosheid der kousjes en de hooge prijs, n.1. t 9.00 voor eiken brander en f 1.50 voor elk kousje, als zoovele nadeelen der gasgloeiverlichting zijn aan te merken. Deze cijfers komen vrij wel overeen met wat omtrent de prijzen in Berlijn en Weenen is bekend geworden. De heer Francois deelde n 1. mede. dat de gasgloeilichtmaatscliappijën aldaar zelf zich belasten met het onderhoud, zooals het schoonmaken der glazen, vernieuwen der kousjes enz. Dit laatste moet 3 a 4 maal per jaar geschieden, waarbij dan de levensduur der kousjes op 300 uur wordt gerekend. De prijs, die voor dat onderhoud betaald wordt, is 2 pf. per lamp en per dag, dus 7 Mk. 30 per jaar. Rekent men dat gemiddeld de lampen iederen avond 2 uur branden, dan wordt alleen door het onderhoud de prijs van het licht per lampenuur met 1 pfquot;. bezwaard. Neemt men aan, dat, in het bedrag van 7 Mk. 30, 6 Mk. voor de vernieuwing der kousjes zijn begrepen, dan komt, als deze bewerking 3 maal per jaar plaats heeft, elke vernieuwing op 2 Mk te staan, dus op weinig minder dan hier te lande voor een kousje betaald wordt. Dat deze prijs voor het onderhoud werkelijk berekend wordt, wordt bevestigd door een verklaring van den directeur der Gasglühlicht-Gesellschaft J. Krüger, die bij het debat over een voordracht van Dr Nordmanu in de zitting des Elektrotechnischen \ ereins, op 2G April 1892 te Berlijn gehouden, erkende, dat zijne Maatschappij 2 pf. daags voor het onderhoud van elke lamp in rekening brengt en dat een lamp zelf niet 17.50 Mk. kost, zooals door Dr. Nordmanu beweerd was, maar slechts (!) 15 Mk, In eene brochure, die korten tijd geleden verschenen is onder den titel: „Glühlicht mittelst Gas erzeugt . van de hand van den Heer Aschner, electrotechnisch ingenieur en gasvakman te Berlijn, blijkt, dat te Weenen de weldaden van het gasgloeilicht al mede duur gekocht worden. Wij zouden van deze beschouwingen, waarvan de vorm te kort doet aan de waardigheid van een degelijk, polemisch geschrift, geen melding maken, indien er niet uit bleek, dat de vereeniging der koffijhuishouders, (de bekende eener Kaffeesieder) in Januari van dit jaar officieel verzet hebben aangeteekend tegen de handelingen der tinna Welsbach en Williams. Men maakt zich dus in elk geval aan een schromelijke overdrijving schuldig, als men beweert, dat men in Weenen en Berlijn zoo hoogelijk ingenomen is met het

ocr page 26

24

gasgloeilicht, dat liet thans reeds een ernstige concurrent van het electrisch licht geworden is.

Onwillekeurig zijn wij met onze beschouwingen thans reeds op het laatste punt, dat der kosten, terechtgekomen. Ver-klaarblaar is dit. omdat de laatst behandelde quaestie onmiddellijk met de bijzondere eigenaardigheden van het gasgloeilicht samenhangt. Laten we haar thans rusten, dan blijft alleen nog over een enkel woord te zeggen over den verschillenden aard der behandelde lichtbronnen, met betrekking tot de kleur van het licht, dat zij uitzenden.

Die kleurenquaestie is voortdurend een wapen geweest, waarmede de voor- en tegenstanders der verschillende verlichtingsmethoden elkaar op het felst heliben trachten te bestrijden en waarbij het van weerszijden aan overdrijving niet ontbroken heeft. Ons komt het voor dat de smaak, waarover moeielijk te twisten valt, en de geoefendheid in het zien. het beoordeelen van kleuren eene belangrijke rol spelen, als men door leeken met ophef aan de kleur van deze of gene lichtbron de voorkeur hoort schenken. Spec-traalanalytisch onderzoek is echter het eenige en afdoende middel om over den aard der door een lichtbron uitgezonden stralen een juist oordeel te vellen. Dr. Snijders uit Zutfen zegt in zijn vroeger aangehaalde artikelen in de Vragen de* Tijds van 1889 omtrent de kleur van het electrisch licht het volgende: Dit licht komt ,,van alle verlichtings-..methoden, in kleur en helderheid het meest het zonlicht ,.nabij en de voorwerpen behouden daarin bijna volkomen ,,hunne natuurlijke kleuren. Wel is waar hoort men. vooral „van de tegenstanders, dikwijls aan dit licht verwijten, dat ,,het eene minder aangename blauwe tint heeft, en ons, „evenals het maanlicht, bleek toeschijnt, terwijl het gaslicht aan de voorwerpen eene warmere tint verleent. Doch „dit nadeel, als het zoo heeten mag, is voor een groot „deel opgeheven door de invoering der gloeilampen. Overi-„gens is het verschijnsel slechts schijnbaar, daar het moet „worden toegeschreven aan zoogenaamd opflurh bedrog. „aan zinsbedrog dus. Men heeft de samemteUlng van het ,,electrisch Jicht en die van hef gaslicht onderzocht en ver-geleken met die van het zonlicht, en uit dat onderzoek is „gebleken, dat het gaslicht meer roode en minder violette „stralen bevat dan het zonlicht, terwijl het electrisch licht „in dat opzicht meer met dit laatste overeenkomt en ,,alleen in het groen en blauw een sterker licht uitstraalt.quot;

Wat de subjectieve beoordeeling betreft, zegt de schrijver

ocr page 27

nog: „Daar wij, van jongs al'aan, des avonds aan het gas-„of petroleumlicht gewoon zijn en alles steeds door dit „roodachtige licht beschouwd hehben, schijnt ons het elec-,,trisch licht bleek en koud toe. Doch dit zal bij toenemend „gebruik zeer zeker verminderen en bij eene algemeene toepas-„sing geheel verdwijnen, terwijl bij de electrische verlichting, „juist door de meerdere overeenkomst met liet zonlicht, „onderscheiding veel beter mogelijk is dan bij het gaslicht.quot;

De bekende hygiënist. Prof. Max von Pettenkofer, heeft zich in: .der Münchener medicinischen Wochenschriftquot; over .de gas- en de electrische verlichting van een hygiënisch standpunt uif' aldus uitgelaten:

„Juist te dezen opzichte is het van belang, de waarde „der drie voornaamste lichtbronnen, het daglicht, het gas-„en het electrisch licht inet elkaar te vergelijken daar deze ..op de gezichtsscherpte van belangrijken invloed is. Het is „gebleken, dat die bij het gaslicht ongeveer met Yio „minderd wordt, terwijl zij bij het electrisch licht, vooral „met betrekking tot het beoordeelen van kleuren, tegenover „het daglicht verhoogd is.'7 Aan het einde van zijn opstel zijne beschouwingen resumeerende. zegt Prof. von Pettenkofer nogmaals: „vatten wre alles samen, dan vinden we, dat, „wat gezichtsscherpte en kleurenzin betreft, het electrische „licht, met name het booglicht, den voorrang boven het „gaslicht heeft.quot; De aangehaalde oordeelvellingen berusten nu niet op subjectieve gewaarwordingen en op smaak,maar op langs wetenschappelijken weg wel geconstateerde feiten. Daarom hebben zij voor ons waarde en is het o'nnoodig er iets bij te voegen. Wij moeten evenwel opmerken, dat uit de woorden van Prof. von Pettenkofer niet mag worden afgeleid, dat het electrisch gloeilicht bij het booglicht belangrijk zou ten achter staan. Aanvankelijk moge de samenstelling der kooldraadjes niet geschikt geweest zijn, met het oog op een eenigszins langen levensduur der lampen, om ze tot de temperatuur der zuivere witgloeihitte 800° a 100ün ( '.. door den stroom te doen verhitten, thans is dit wél het geval en zenden de kooldraadjes het fraaie, witte licht uit, waarvan het spectrum zoo zeer met dat van het zonlicht overeenkomt.

Op het brengen tot de •witgloeihitte van vaste stoffen, die niet verbranden, berusten ook de Auerlichten. Oxyden van de metalen magnesium, lanthanium. yttrium en vooral van zirconium zijn de stoffen, waaruit de pulverachtige kousjes zijn samengesteld, leder, die nu maar even met de

ocr page 28

26

natuurkundige leer van het licht bekend is, zal inzien, dat er groote kans bestaat, dat in het continue spectrum, dat deze vaste gloeiende stoffen opleveren, de bijzondere kleuren, die deze metalen zouden vertoonen als zij vervluchtigd. in gas- of dampvorm dus, aan de hitte der op zich zelf kleurlooze vlam van den brander werden blootgesteld, op den voorgrond zullen treden. Ieder dezer metalen heeft zijn eigenaardig spectrum, zijn bijzondere kleurenstrepen. Dr. Auer heeft nu wel in zijn patentaanvraag de meest verschillende combinatiën opgegeven, om licht van zeer uiteenloopende tinten te kunnen samenstellen, maar een feit is het. dat hij er niet in schijnt te kunnen slagen om eene verbinding te maken, waarbij het koude, groene licht dat de gasgloeilichten kenmerkt, vermeden is In zijn aangehaald geschrift: „Glühlicht mittelst Gas erzeugt , trekt de ingenieur Aschner heftig tegen deze vale kleur te velde. Gelukkig voor hem behoeven zijne lezers niet alleen óp zijn gezag af te gaan, maar kan hij zich beroepen op het oordeel van den bekenden Hoogleeraar Dr. Pfaundler, die in Januari van dit jaar in een in den ,Naturwissenschaftlichen Verein te Graz in Oostenrijk gehouden voordracht, verklaarde: ,Het Auer'sche gloeilicht toonde bij de daarmede genomen ,proeven op eclatante wijze juist een vijand van de warme .kleuren rood. oranje en geel te zijn, en daarentegen de „koude kleuren groen en blauw op den voorgrond te brengen. .In de gelaatskleur komen echter juist de warme tinten voor „en deze geeft het electrisch licht buiten twijfel levendiger .en fraaier terug, terwijl zij in het Auerlicht verbleeken en .geheel op den achtergrond treden'quot;. In de vergadering van den Elektrotechnischen Verein van 25 April 11., waarin Dr. Wedding de boven besproken voordracht hield, volgde daarop een warme discussie, waarin weder de heer Aschner zich op prof Pfaundler beriep bij zijn afkeurend oordeel over de kleur van het gasgloeilicht. Ook hier te lande deelen velen deze ongunstige meening; het mag overbodig heeten dit met aanhalingen te staven. Het wordt algemeen erkend, dat de groene kleur bestaat en dat zij voor het oog niet aangenaam en bij de beoordeeling van de kleuren van andere voorwerpen hinderlijk is. Onze Commissie acht door het bovenstaande voldoende aangetoond, dat het gasgloeilicht ook ten opzichte van zijne kleur nog niet beantwoordt aan het ideaal eener kunstmatige verlichtingsbron, terwijl voor het tegenwoordig doel uitvoerig genoeg de eigenaardigheden van elk der verschillende verlichtiugsbronnen, die

ocr page 29

hier tersprake moesten worden gebracht, zijn aangewezen.

II. Voorwaarden voor de veiligheid van werklieden en beambten, gebouwen en werktuigen.

Over het tweede der door ons genoemde vijf punten kan onze Commissie kort zijn. Dat de eigenaar eener fabriek voor de veiligheid van het gebouw en de daarin aanwezige werklieden en beambten verplicht is de grootst mogelijke zorg te dragen, zal door ieder gaarne worden erkend. Gebouw, werktuigen en voorraad mogen verzekerd zijn, tegenover de verzekeringmaatschappijen niet alleen, maar ook tegenover de groote maatschappij in haar geheel, is de fabrikant verplicht te zorgen, dat niet door brand of explosie kolossale waarden verloren gaan, al heeft hij — de stoornis in zijn bedrijf daargelaten — zelf de schade niet te dragen. Maar vooral tegenover de in zijn fabriek werkzame personen en hunne gezinnen is hij verplicht de meest afdoende voorzorgen voor hunne veiligheid te nemen Indien nu de aard van het in de fabriek uitgeoefende bedrijf zich niet op bijzondere wijze tegen het gebruik van het gaslicht verzet, zou men kunnen zeggen, dat. onder ééne voorwaarde, de veiligheid bij gas- en electrische verlichting beide op gelijke wijze gewaarborgd is Deze voorwaarde is bij de discussie in 1890 genoemd door den heer Sijmons, toen hij zeide, dat bij locale verlichting het toezicht eene belangrijke rol speelt. Is het toezicht degelijk en goed. dan zullen beide soorten van verlichting weinig gevaar opleveren, ten minste als de aanleg aan kundige handen is toevertrouwd geweest. Onze Commissie is dit geheel met den heer Sijmons eens Maar is het niet beter de menschen te nemen zooals zij zijn en er niet te vast op te rekenen, dat. onder alle omstandigheden, op ieder oogenblik dat toezicht voldoende zijn zal. al is er voor gezorgd, dat het in het algemeen goed kan genoemd worden ? Verdient het niet de voorkeur de aiwending van gevaar zooveel mogelijk onafhankelijk te maken van het toezicht en dus die verlichtingswjjze te kiezen, die op zich zelf. ook bij niet nauwkeurig toezicht, de minste gevaren oplevert? In dat geval is het de meening onzer Commissie, dat de prasverlichting bij de electrische ten achter staat. . Het brandgevaar, de ontplofbaarheid van het , lichtgas, wordt in den regel met veel overdrijving voorgesteldquot;, zegt Dr. Snijdersin zijne artikelen in de Vragen de* Tijd*. „De hoeveelheid* gas. die zich met de lucht moet ,vermengen, vóór eene ontploffing kan plaats hebben, is

ocr page 30

.zóó groot, dat zelfs het minst gevoelige reukorgaan eeiii' „honderdmaal kleinere hoeveelheid nog kan waarnemen . Dit is Yolkoinen waar. En toch is men in het algemeen zóó zorgeloos en zóó onbekend met het gevaar, dat dreigt, dat men zich niet ontziet in een met ontplofbare gassen gevuld lokaal een lucifer aan te steken. De onlangs plaats gehad hebbende ontploffing te Rotterdam in een vertrek, waarin de handschoenenwasscheri) werd uitgeoefend en dat opgevuld was met benzine-dampen, de brand, die daardoor ontstond en die aan twee menschen het leven kostte, leveren een der vele bewijzen daarvoor.

Bij een aanleg voor electrische verlichting heeft men met ontplofbare en zelfbrandbare stoffen in het geheel niet te maken. De electrische gloeilampen en in bijna dezelfde mate ook de booglampen zijn zeiven volkomen zonder gevaar; zelfs het breken der glazen ballons der gloeilampen levert geen brandgevaar op, zooals men wel eens meent, daar het gloeien dan bijna oogenblikkelijk ophoudt en het glas niet zóó warm wordt, dat de naar beneden vallende scherven brand zouden kunnen doen ontstaan. Het ontsteken van boog- en gloeilampen is volkomen gevaarloos, wat van een gasvlam in veel mindere mate kan worden beweerd. Alleen brj gebreken in den aanleg zouden de geleidingen, door kortsluitingen, brandgevaar kunnen doen ontstaan. Voor een soliden aanleg van het electrisch net in het gebouw behoort dus evenveel zorg gedragen te worden als bi] den aanleg eener gasleiding. Het gevaar voor de veiligheid van personen, die door omniddelliike aanraking met de geleiddraden een ongeluk zouden kunnen krijgen of misschien zelfs gedood zouden kunnen worden, wordt door ons volkomen ontkend. Zulke gevaren bestaan alleen als men door zijn lichaam een korte sluiting teweegbrengt tusschen twee geleiders, die een zeer groot potentiaal-verschil bezitten, ot tusschen een hooggespannen geleider en de aarde. Maar er wordt geen enkele electrische installatie gemaakt, van welken aard ook, ook niet als hooge spanningen in de toevoerleidingen worden toegepast, waarbij de verdeelings-, de verbruiksgeleidingen, die voor de in het gebouw aanwezige personen toegankelijk zijn, een voor het leven schadelijke spanning hebben. Deze bezitten geen grooter potentiaal-verschil dan 100 ii 120 volt. eene spanning, die voor het menschelijk lichaam volkomen onschadelijk is. Het gevaar, dat door de een of andere oorzaak van de dynamo of van de voedingsleidingen uit plotseling sterker stroomen in liet verdeelingsnet zouden

ocr page 31

29

terecht komen clan waarvoor het bestemd is, wordt, zooals bekend is, voorkomen door het inlasschen van looden verbindingen, die bij een bepaalde stroomsterkte smelten en daardoor den verderen doorgang van den stroom geheel beletten. De geheele aanleg, — de isolatie der geleidingen, de doorsnede der loodsluitingen enz. — moet goed zijn, maar daarmede houdt dan ook alle gevaar op.

Door een der sprekers werd in 1890 gewezen op het belangrijke voordeel, dat het gas in groote hoeveelheden kan geaccumuleerd worden, zoodat men altijd over een zekere reserve te beschikken heeft, indien de productie tengevolge van eenig ongeval, een defect aan de toestellen in de fabriek b.v., misschien gedurende eenigen tijd moet stilstaan. De vrees werd geuit dat. zoolang men geen betere toestellen heeft dan de bestaande om de electriciteit te bewaren en bij een gebrek aan de dynamo's, tengevolge waarvan zij stil moeten staan, te gebruiken, men gevaar loopt, dat plotseling de geheele werkplaats in het duister geraakt. Men zou daarom verstandig handelen door in fabrieken en werkplaatsen naast de electrische verlichting ook eene andere wijze van verlichting aan te brengen. Indien dit juist ware, zou daarin een zeer onzachte veroordeeling van liet gebruik van het electrische licht in fabrieken en werk plaatsen, of liever in het algemeen, opgesloten liggen.

Door Dr. Mouton werd toen reels opgemerkt, dat het gebruik van accumulatoren het bezwaar opheft. Wel is waar kunnen die slechts tijdelijk in de behoefte aan stroom voorzien, maar bij de gasverlichting kunnen zich ook gevallen voordoen, waarin het accumuleerend vermogen van weinig nut is. bv. bij storing in de toevoerbuizen van het gas bij scherpe koude of andere oorzaken, of als een gashouder zelf door een of ander accident hapert En zelfs als men geen accumulatoren gebruikt, mogen we beweren, dat, op het tegenwoordig standpunt der techniek, het gevaar voor een plotseling ophouden der verlichting zéér gering is. Welke fabriek, van welken aard ook, werkt er zonder reserve-materieel? Een gasfabriek zeker niet, en dus kan het bij een electrischen aanleg van eenigen omvang zeker niet als een grief gelden, dat ook daarbij op eenige reserve gerekend wordt. Maar zelfs als dit niet gebeurt, is de voorstelling als zou men ieder oogenblik gevaar loopen in het duister te zitten zéér overdreven. Ons zijn tal van fabrieken en andere installatiën bekend, waarin sedert jaren electrisch licht wordt voortgebracht, zonder dat op eenige reserve gerekend is, en

ocr page 32

80

die nochtans nimmer eenige stoornis in liet bedrijf ondervonden hebben. I)e tegenwoordig zoo uitstekende, oordeelkundige constructie der dynamo's is een waarborg, dat bij een goede behandeling dier werktuigen plotselinge defecten zoo goed als uitgesloten zijn. Ook in dit opzicht mag men aannemen, dat de electrische verlichting de noodige zekerheid en veiligheid oplevert.

Ten slotte wil onze Commissie als bewijs voor de meerdere veiligheid, die het electrisch licht boven het gaslicht waarborgt, wijzen op het feit, dat door sommige assurantie-maatschappijen de verzekeringspremiën voor gebouwen, die electrisch verlicht zijn. lager wordt gesteld dan voor zulke die gasverlichting hebben.

111. Y oorwaarden voor de gezondheid en het algemeen welzijn der arbeiders.

Ook zonder dat zij het slachtoffer van plotselinge ongevallen worden, staan de werklieden in fabrieken dikwijls aan invloeden bloot, die voor hunne gezondheid hoogst nadeelig zijn en hun levensduur verkorten. Voor den hvgi-enischen toestand in de fabrieken en werkplaatsen heeft de werkgever eveneens te zorgen: hij moet dien bevorderen door alle hem ten dienste staande middelen, dus ook, indien dit mogelijk is, door de wijze van verlichting, die hij in zijne fabriek toepast. Oorzaken voor luchtbederf, belangrijke temperatuurverhooging enz levert het electrisch licht niet op. Dit is wel met het gas het geval. Prof. von Pet-tenkofer, die herhaaldelijk in zijne geschriften op de vergiftige eigenschappen van het lichtgas, tengevolge van aanwezigheid daarin van kooloxyd, gewezen heeft en talrijke, sterk sprekende voorbeelden heeft bijgebracht niet alleen van acute, maar ook van chronische vergiftigingsgevallen, door lichtgas veroorzaakt, trekt in het vroeger genoemde artikel in de „Münchener medicinischen Wochenschriff een parallel tusschen het electrisch en het gaslicht, waarvan een gedeelte reeds door ons besproken is. Op de gezichtsscherpte en de kleurenonderscheiding heeft het gaslicht een nadeeligen. het electrisch licht een voordeeligen invloed. Ten opzichte der warmteontwikkeling is het verschil zéér belangrijk: de verhouding wordt door hem gesteld als 1 ; 20. Luchtbederf, zegt hij. is bij het electrisch licht in het geheel niet, bij het gas in belangrijke mate voorhanden. Alleen de verblindende werking, die het licht op de oogen uitoefent, is volgens zijne meening bij het electrisch licht grooter, terwijl

ocr page 33

81

het flikkeren een verschijnsel is. dat aan beide eigen is. Het laatste zijn we natuurlijk niet met Prof. von 1'ettenkofer eens. Bij ondoelmatige open gasvlammen is liet flikkeren niet alleen steeds aanwezig, maar tevens, vooral voor sommige oogen en gestellen, in de hoogste mate hinderlijk. Periodieke veranderingen in lichtsterkte van de electrische gloei- en booglampen zijn echter, op het tegenwoordig standpunt der electrotechniek. alleen een bewijs voor een slechten aanleg en plotselinge veranderingen van het licht der booglampen zijn. bij de steeds verbeterende qualiteit dei-kolen. hoe langer hoe zeldzamer en in geen geval hinderlijk voor de oogen. Aan het gasgloeilicht moeten we bij deze gelegenheid het recht doen wedervaren, dat het van onregelmatigheden in zijne sterkte nagenoeg volkomen vrij is.

Wat de warmteontwikkeling betreft, komen in het artikel van Prof. von Pettenkofer de volgende opgaven voor: per

uur worden ontwikkeld door

wil volwassen nifiiscli...........92 caloriën

» stearinekaars.............94 »

» gasvlam van 17 kaarsen liclitstciktc..... 795 »

quot; petroleumvlam van dezelfde iic.htsti'i kte .... (:v!4 » en )j gloeilarnp van » » ... 4-0 »

Het voordeel der electrische lamp springt hier op treffende wijze in het oog. De gevallen, waarin men van de door de gasvlammen ontwikkelde warmte partij zal willen trekken voor de verwarming der lokalen, zullen in fabrieken wel hoogst zeldzaam zijn. Ons is een enkel geval bekend, dat men in een weverij in den winter des ochtends bij voorkeur vroeg met licht begon te werken, omdat de stoomverwarming in de eerste twee uren de gevvenschte temperatuur in de lokalen niet leveren kon.

Een nog grooter voordeel, zegt v. Pettenkofer, heeft het electrisch licht boven andere lichtbronnen ten opzichte van de verandering der lucht in de verlichte ruimten. Volgens von Yoit gebruikt

een mensch in een uur ongeveer ... 38 gram zuurstof

een stearinekaars........30 , „

en een gasvlam van 17 kaarsen lichtsterkte 214 „ ,

Een gloeilamp gebruikt in het geheel geen zuurstof en een booglamp in verhouding tot hare lichtsterkte een minieme hoeveelheid. Intusschen achten wij deze cijfers van weinig betee-kenis. De aanvoer van versche lucht in de fabriekslokalen zal in elk geval de vermindering van het zuurstofgehalte der lucht door ademhaling en verbranding gemakkelijk kunnen vergoeden. Niet de vermindering van het zuurstofgehalte.

ocr page 34

maar de vermeerdering van het koolzuurgehalte is het, die het zoogenaamde luchtbederf en de onmiddellijke gevolgen daarvan bij daarvoor vatbare personen als hoofdpijn, onpasselijkheid enz. te weeg brengt. En eigenlijk is het dan nog weer niet dit koolzuur zelf. dat de lucht bederft, want dit gas is voor den mensch volkomen onschadelijk Men gebruikt alleen hij de beoordeeling van de lucht in lokalen, waar veel personen langen tijd aanwezig zijn geweest en veel gas- of andere vlammen gebrand hebben, liet koolzuurgehalte, dat zich betrekkelijk gemakkelijk laat bepalen, als maatstaf voor het gehalte aan andere uitademings- en verbrandingsproducten, die in hooge mate nadeelig zijn voor de gezondheid; die juist de oorzaak zijn van het gevoel van malaise, dat zich in zulke lokalen van ons meester maakt, — maar die men niet rechtstreeks aantoonen en veel minder nieten kan.

Volgens de opgave van von Pettenkofer wordt in een uur

dooi' een volwassen mensch nitgeadennl ongeveer 44 gram COo

» » stearinekaars voortgebracht .... 28 » »

» » gasvlam van 17 kaarsen lichtsterkte . 150 » »

en •gt; vgt; petroleum vlam van deze lid e » zells 289 » gt;gt;

De electrische gloeilamp doet in het geheel geen koolzuur en schadelijke stoffen of uitwasemingen in de lucht overgaan; de koolzuurontwikkeling eener booglamp is in verhouding tot hare lichtsterkte weder als zeer miniem te beschouwen. Fabrieken behooren nu, evenals scholen, schouwburgen en dergelijke tot de lokalen, die, wegens het groot aantal personen die er langen tijd achtereen te zamen zijn. behoorlijk geventileerd moeten worden. Er op te rekenen, dat de bedorven lucht zelf wel een uitgang zoeken zal en door versche lucht zal worden aangevuld, is in een fabriek ongeoorloofd en een kunstmatige ventilatie aan te brengen door het openschuiven of draaien van ramen en het openzetten van deuren zal in den regel niet gewenscht zijn wegens den daardoor teweeg te brengen tocht. Er zal dus voor een goed ingericht kunstmatig ventilatiestelsel moeten gezorgd worden. I )oor sommigen wordt nu, zoodra men het terrein der luchtverversching betreedt, met voorliefde op de ventileerende eigenschappen der gasvlammen gewezen. De Heer Sijmons herinnerde, en van zijn standpunt volkomen terecht, bij de discussie in 1890 aan het venti-leerend vermogen der regeneratieve gasbranders. Dr. Snijders uit Zutfen drukt zich in de Vragen des Tijd* volgender-wijze uit:

ocr page 35

„Bovendien behoeft men tegenwoordig noch van de warmte, „nóch van de verontreiniging der lucht door het lichtgas „meer hinder te hebben. Alle bezwaren van dien aard worden „voldoende weerlegd door het bestaan van de uitstekende „regenvratiefbranders, bij welke de verbrandingsproducten „niet slechts uit het vertrek verwijderd worden, doch de „ontwikkelde warmte juist dienstbaar gemaakt wordt tot „ventilatie, dus tot verwijdering der verwarmde lucht. En „niet slechts het door den brander gevormde, vrij 'onschuldige koolzuur wordt hierdoor weggevoerd, doch ook de „veel gevaarlijker, door de ademhaling gevormde producten „worden door deze branders uit het vertrek weggezogen, „een voordeel, waarop het electrisch licht niet kan wijzenquot;.

Tegen deze redeneering, valt. voor zoover zij de goede eigenschappen der regeneratiefbranders betreft, niets in te brengen. Maar de verwarming en het luchtbederf, door de electrische lichtbronnen teweeggebracht, zijn als nagenoeg geheel afwezig te beschouwen. Dat dus een electrische brander geen ventileerend vermogen bezit, waardoor hij in staat zou zijn de door hem zelf voortgebrachte voor den mensch schadelijke en in elk geval onbruikbare producten weg te voeren, behoeft hem niet als een grief te worden aangerekend. Dat de regeneratiefbrander dit wél kan en wél doet is. zouden we zeggen, niet meer dan als een staaltje van zijn plicht te beschouwen. De voorkeur aan de regeneratiefbranders te geven, is dus alleen gerechtvaardigd voor zoover zij méér verwarmde lucht en méér schadelijke stoffen wegvoeren dan zij zelt voortbrengen. Is het nóódig, dat toestellen, die eigenlijk tot verlichting dienen, daarvoor gebruikt worden, dan pleit dit niet voor de hygiënische inrichting der fabriek. Want hoe is het dan met de lucht-verversching op den dag gesteld? Steekt men dan misschien de regeneratiefbranders alleen aan om ventilatie te verkrijgen ? Dan zou dit gebruik toch vrij kostbaar zijn. En doet men het niet, dan helpt het ventileerend vermogen dier branders alleen gedurende de enkele uren 's morgens vroeg en des avonds, waarop men met kunstlicht werkt, terwijl dan des daags de zuiverheid en temperatuur dei-lucht. met het oog op de gezondheid der arbeiders, te wenschen overlaten. De redeneering. die naar het oordeel onzer Commissie gevolgd moet worden, is deze:

Fabrieken waar uiUluitend 's avonds en 's nachts gewerkt wordt, die des daags gesloten worden en stilstaan, bestaan er voor zoo ver wij weten niet. De dagtaak zal dus in

111

ocr page 36

34

den regel in duur overtreffen dien. waarbij met kunstlicht gewerkt moet worden. Gedurende den dag moet de ventilatie voldoende zijn. Het zou dwaasheid zijn, om die te verkrijgen, regeneratiefbranders in de fabriekslokalen te ontsteken. Gewone, mechanische ventilatoren behooren dus ia een behoorlijke luchtverversching te voorzien, voor zoover de aanwezige personen, het haardvuur in smederijen, de hinderlijke of schadelijke gassen en dampen, die bij het bedrijf ontstaan in het algemeen, het luchtbederf te weeg brengen. Maar als deze werktuigen gedurende den dag die functie vervullen, kunnen ze liet ook in de vroege morgenuren en des avonds doen, en zou men aan de kunstlichtbronnen, die men wil gebruiken, hoogstens den eiscb kunnen stellen, dat zij óf geen warmte en luchtbederf te weeg brengen (waaraan de electrische lichtbronnen nagenoeg volkomen voldoen) óf dat zij in elk geval zelf zorgen voor den afvoer van wat door hen geproduceerd wordt, een voorwaarde, die door de rege-neratiefgasbrauders zeer goed, maar door de gewone niet vervuld wordt. Xaar ons inzien staan dus de gas- en de electrische verlichting te dezen opzichte vrij wel met elkaar gelijk. Maakt men eenmaal van gewone, mechanische ventilatoren gebruik, dan komt het ons voor dat de aanwezigheid in de fabriek van een electrisch geleidingsnet zelfs groot gemak en groot voordeel kan aanbrengen. Wil men ventilatoren op de gewone wijze, van een transmissie-as in het lokaal uit. drijven, dan zal men meestal aan bepaalde en niet altijd de meest geschikte plaatsen voor de opstelling dier werktuigen gebonden zijn. Drijft men ze ieder afzonderlijk met een kleinen electrischen motor, dan kan men ze aanbrengen daar, waar ze het meest en het best dienst doen; een paar dunne draden verbinden de electromotoren met het electrische geleidingsnet, dat voor de verlichting dient, en deze motoren zelf. van 0.1. 0.2 tot 0.5 Pkr. worden aan de ventilatoren onmiddellijk gekoppeld en daaraan vastgebouwd op de wijze als dat door Siemens en Halske en andere firma's sedert een paar jaren in steeds toenemende mate gedaan wordt. Men past m. a. w. het systeem van „Einzelantriebquot; toe, dat zich voor de beweging van arbeidswerktuigen in fabrieken sedert de tentoonstelling van Frankfort van 1891 hoe langer hoe meer baan gebroken heeft. Op grond van al de voorgaande beschouwingen komt onze Commissie dus tot de conclusie dat, als in een fabriek een goed ventilatiestelsel wordt toegepast, met gasverlichting de lucht in de lokalen even koel en even zuiver kan worden gehouden

ocr page 37

35

uls met electrische verlichting; dut echter daar. waar een kunstmatige ventilatie ontbreekt en geen calorische ventilatie door regeneratietlampen plaats heeft, aan de electrische verlichting stellig de voorkeur gegeven moet worden boven de gasverlichting met gewone en met Auerlampen en eindelijk dat. als electrische verlichting wordt toegepast, liet meest eenvoudige hulpmiddel aan de hand wordt gedaan om ook des daags een mechanische ventilatie in het leven te roepe i door middel van gewone ventilatoren en daaraan onmiddellijk gekoppelde kleine electromotoren.

IA'. Voorwaarden, die voortvloeien uit den aard van het fabrikaat.

Met het opnemen van dit vierde punt in hare beschouwingen. is bet niet de bedoeling van onze Commissie geweest allerlei soorten van fabrieken en werkplaatsen achtereenvolgens de revue te laten passeeren en aan te geven in welke gas zou kunnen of in welke electriciteit zou moeten worden toegepast. Ieder fabrikant kan een conclusie dienaangaande voor zich zelf maken, terwijl wij alleen op deze quaestie volledigheidshalve de aandacht willen vestigen. Bij de discussie in 1890 beeft de Keer Francois reeds opgemerkt :

„Het zal wel geen nader betoog verdienen, dat in die , werkplaatsen, waar zich brandbare gassen of stoffen bebinden. bij gebruik van gas slechts een verlichting aan „de buitenzijde van het lokaal kan worden aangebracht, .terwijl door gebruik te maken van electrische gloeilampen „zonder gevaar de lichten in het lokaal kunnen worden aangebracht.quot;

In buskruitfabrieken dus. daar waar met naphta, benzine, ether en dergelijke ontvlambare stoffen wordt gewerkt, behoort alleen reeds om den aard van het fabrikaat het gebruik van gaslicht te worden buitengesloten.

Ook de warmteontwikkeling door het gas kan in veel gevallen schadelijk zijn voor het fabrikaat. We denken hier b.v. in de eerste plaats aan bierbrouwerijen, zuivelfabrieken. enz., waar men geen kosten ontziet om door middel van ijsmachines verschillende lokalen en kelders koel te houden en waar men dus zéér inconsequent zou handelen, als men toeliet, dat de warmte der gasvlammen de met zooveel moeite verkregen lage temperatuur weer deed stijgen. Waar men nog geen electrisch licht gebruikt in dergelijke fabrieken, schijnt men dan ook in de lokalen,

ocr page 38

die koel moeten blijven, geen gas maar kaarsen te gebruiken. Een bierbrouwer vertelde nog onlangs aan een onzer, dat hij tegen ile kosten van aanleg opzag, maar dat hij dankbaar zou zijn, als hij zijn fabriek electrisch verlicht had en van den last van het gebruik dier kaarsen bevrijd was. Een geringe warmteontwikkeling is voor dergelijke fabrieken van zóóveel belang, dat in het vroeger genoemde werk van Prof. Heim de brouwerijen afzonderlijk genoemd worden, bij het opgeven van de lichtsterkte, waarop bij een electrischen aanleg met booglichten voor verschillende lokalen gerekend dient te worden.

Het heet daar in een tabel op pag 439, dat de gemiddelde spherische lichtsterkte beneden het horizontale vlak door den lichtboog behoort te bedragen voor iederen vierkanten meter bodemoppervlak van het lokaal bij:

Restauraties, winkels, concert- en balzalen 5--li nonnaalkaarseii tabriekszaleii, (weverijen. dniUkerijen) 4— (i

fabriekslokalen in gieterijen en niac.liineta-

lirieken 3— 4

overdekte markten ^.5—

stationsiokalen 1.5—quot;2.0 „

en eindelijk bij fabrieksterreinen, hrumi'e-

n'jcii en do'tielijlse 0.5- 1.0

Zelfs bij gebruik van electrisch licht mag dus de verlichting in brouwerijen enz. niet sterker zijn, dan die van de open terreinen buiten de fabrieken: ten overvloede wordt er nog, om een begrip te geven van de helderheid, die men er mag toelaten, door Prof. Heim bijgevoegd, dat deze bij 0.5 a 1.0 N. K. per M - bodemoppervlak overeenkomt met de helderheid bij vollemaansverlichting.

Voor de eigenaars van magazijnen van galanteriën en luxeartikelen, is het electrisch licht een ware uitkomst geweest. En door de warmte, én door de verbrandingsproducten van het gas werden vroeger hun artikelen, vooral die welke in de hoogere deelen der winkels waren uitgestald, menigmaal bedorven door den schadelijken invloed, die op de kleurbedekkingen en vernissen enz. der uitgestalde voorwerpen werd uitgeoefend. De eigenaar van een dergelijk magazijn, dat in Den Haag aan het verlichtingsnet is aangesloten, verzekerde nog onlangs dat de meerdere uitgaven voor het electrisch licht, die tot de vroegere, toen in dezelfde lokalen gas gebruikt werd. staan als 3 : 2, ruimschoots worden opgewogen door de mindere schade, die de voorwerpen in den winkel lijden en door het feit, dat nü het magazijn tot boven toe kan worden verlicht, terwijl men

ocr page 39

O /

zich vroeger wegens de hevige warmteontwikkeling tut do onderste dealen moest bepalen. Geldt dit voor magazijnen, waarin dergelijke voorwerpen worden verkocht, dan geldt het natuurlijk ook voor de fabrieken, waarin zij worden vervaardigd en de fabrieksmagazijnen of depóts, waarin de voorraad wordt bewaard. De Ingenieur L. Dufour vestigde op de hier ter sprake gebrachte omstandigheid reeds de aandacht in Augustus 1889 in zijn: „Rapport omtrent den tegenwoordigen stand van het vraagstuk der electrische verlichting door middel van centraalstations.'' Op pag. 92 zegt hij: .Het electrisch licht heeft boven gaslicht twee .belangrijke voordeelen: de atmospheer wordt niet bedorven .en het gebruik is eenvoudiger. Eerstgenoemde omstandig-.heid moet niet alleen beschouwd worden in het belang .der gezondheid, maar vooral voor neringdoenden moet de „inlndere depreciatie, waaraan hun goederen Idootstaan, een .materieel voordeel worden geacht.quot;

Op liet gemak, dat het electrisch gloeilicht oplevert bij die bedrijven, waarbij ieder werkman eene afzonderlijke lamp noodig heeft, die hij bovendien naar willekeur moet kunnen verplaatsen, werd reeds bij de bespreking van punt 1 door ons gewezen. Ook de Heer Francois vestigde er in 1890 reeds de aandacht op. dat sommige bedrijven deze tot de uiterste grens gedreven verdeeling van liet licht noodig kunnen maken en dat in die gevallen .zeker, ter vermindering van .luchtbederf, electrisch licht is aan te bevelen.quot;' Op deze wijze zouden we kunnen voortgaan met het zoeken van voorbeelden, waarbij de aard van de in de fabriek vervaardigde voorwerpen, de aard van het uitgeoefende bedrijf, aan het electrisch licht den voorrang doen schenken. Dr. Mouton vestigde in 1890 de aandacht op een enkel geval, waarbij juist de aard van het bedrijf het gebruik van gaslicht zou noodzakelijk maken. In fabrieken, waarin men voortdurend moet soldeeren. zooals fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen en dergelijke, kan men natuurlijk gasvlammen niet ontberen. Dr. Mouton voegde er echter onmiddellijk als zijne meening bij. dat men in zulke gevallen toch verstandig zou doen om voor het soldeeren de niet lichtgevende gasvlammen, maar voor de verlichting dier fabrieken electrische lichtbronnen te gebruiken. Onze Commissie meent hiermede ook het vierde punt genoegzaam te hebben toegelicht en gaat thans over tot het laatste, zeker niet het minst belangrijke punt:

ocr page 40

V. De kosten der verschillende verlichtingsmethoden.

Bij de bespreking in hare eerste bijeenkomst van de wijze, waarop dit punt in haar verslag zou worden behandeld, was onze Commissie van oordeel, dat het zich beter dan een der andere tot een positieve beantwoording leende, indien we slaagden eenige goed gekozen voorbeelden te nemen en daarvoor de kostenberekening, zoowel voor gas- als voor electrische verlichting uitvoerden. Vroeger is reeds terloops opgemerkt, dat zich. wat den aard van het vraagstuk betreft, de volgende gevallen laten onderscheiden:

j een alleenstaande fsibriek. ( a. ei^en gasverlichting aan te le^en of die verplicht zou zijn : ( h. .. electrische verlichting .. ..

een fabriek, die in de kom i

of in de onmiddellijke n:i- ' nan een bestaande nfas^eleidin«r

bijheid eener gemeente j^e- ) •gt;.....bestaand electrisch ^eleidin^snet.

legen, zich kan aansluiten l

en eindelijk:

o een fabriek, die gelegen is als

in g-eval *2. 111:1:1 r zich bedient van een der middelen, ^•enoeind infrevall.

Van deze zes gevallen kunnen nu onmiddellijk eenige worden buitengesloten. De gevallen T' en 3quot;, waarbij men verplicht is een eigen gasverlichting te maken of wél dit uit vrijen wil doet, omdat men aan een bestaand gasgelei-dingsnet zich niet aansluiten wil, zullen zeer zelden voorkomen en zijn in het eerste gedeelte van dit rapport reeds besproken. De bezwaren, verbonden aan het oprichten van een eigen gasfabriekje, zijn op de vergadering in 1890 door Dr. Mout on aangewezen en door ons hierboven gereleveerd: de oplossing, door ons medelid v. d. Horst aanbevolen, om zich in dat geval niet van gewoon gas, maar van watergas te bedienen, is eveneens met de noodige volledigheid behandeld.

Als derde gassoort zou men zich van petroleum-of ander oliegas kunnen bedienen. Het is echter niet noodig daaromtrent afzonderlijke berekeningen temaken. I gt;ij verlichting met petroleumgas is de hoeveelheid, die men noodig heeft, slechts 20° d van die. welke men bij gewoon lichtgas behoeft. Maar daar staat tegenover, dat de productiekosten ongeveer 5 maal hooger zijn dan die van gewoon lichtgas, zoodat het een volkomen tegen het ander opweegt. I!ij de prijsberekeningen voor de gevallen met gasverlichting, heeft de Heer v. d. Horst prijzen van 6, 5 en 4 ets. per M:i aangenomen. De beide eerste cijfers hebben betrekking op de kosten bij aansluiting aan een bestaande gasgeleiding: een M;i lichtgas van 15 Duitsche norm aalkaarsen mag, naar de meening van ons medelid, niet meer dan 6 ct.

ocr page 41

39

kosten. De berekeningen met 4 ct. voor den kubieken meter zijn door hem opgenomen, omdat het mogelijk is, dat de fabriekant als groot afnemer reductie bij den gasleverancier bedingt en verkrijgt, of omdat hij, zelf het gas fabriceerende, dat hij voor verlichting of technische doeleinden noodig heeft, zijn gasprijs tot 5 of 4 ct. kan doen dalen. De uitkomsten met 5 en 4 ct. als eenheidsprijs kan men dus, bij eigen aanleg van een gasfabriekje, beschouwen als geldig te zijn. zoowel voor verlichting met gewoon gas als met petroleumgas. \ roeger is reeds medegedeeld, dat bij gebruik van watergas, de prijs voordeeliger wordt, omdat dit gas tegen 3 ct. per AF', alle onkosten daaronder begrepen. door den fabrikant zelf kan worden vervaardigd. Behalve de gevallen la en 3a. kunnen we ook het geval 2b verder buiten beschouwing laten. De gelegenheden voor een fabriek om zich aan een bestaand electrisch geleidings-net aan te sluiten, zijn in ons land nog zeer zeldzaam eu doen zich voorloopig alleen voor in Amsterdam, 's Graven-hage en aan den Kinderdijk en Kapelle a d Lek. Over de kosten eener dergelijke aansluiting valt weinig te zeggen. Evenals hierboven voor de aansluiting aan een gasgeleidings-net is opgemerkt, zou de fabrikant als groot afnemer misschien een reductie op den prijs van den kilowatt kunnen bedingen; is die prijs eenmaal overeengekomen, heeft men het aantal branduren per jaar. het wattver-bruik per lamp en het aantal lampen aangenomen, heeft men de kosten van aanleg geraamd en voor rente en onderhoud een percentscijfer vastgesteld, dan kan ieder zelf gemakkelijk de berekening maken hoeveel hem een licht per uur kost: we achten het daarom volkomen nutteloos onzerzijds verschillende onderstellingen aan te nemen, en daarvoor de te berekeningen uit te voeren, omdat deze praktisch weinig waarde zouden hebben wegens de groote zeldzaamheid om er gebruik van te kunnen maken.

Van de drie overblijvende gevallen kunnen er twee, nl. lb en B1', worden samengevoegd. Als men toch eenmaal een eigen electrische installatie maakt, is het onverschillig of de fabriek afgezonderd ligt. dan wel of zij in of zóó dicht bij een gemeente ligt. dat zij zich desverkiezend aan een bestaand electrisch geleidingsnet zou kunnen aansluiten. Er blijven dus ten slotte maar twee gevallen over, waarvoor de kosten moeten vergeleken worden:

I1' en 31': aanleg van een eigen electrische installatie, en 2quot;: aansluiting aan een bestaande gasleiding.

ocr page 42

40

Het kwam er nu voor onze Commissie op aan eenige gevallen te kiezen, zóó dat daarmede eenigszins aan praktische eischen beantwoord werd. Vastgesteld moest worden, welke hoeveelheden licht fabrieken van verschillenden omvang en aard kunnen behoeven. Stonden deze hoeveelheden vast. dan zouden niet het oog op ile bepaling van liet cijfer der aanlegkosten. de uitgebreidheid, de inrichting en de verdeeling der gebouwen en terreinen in aanmerking moeten zijn genomen als factoren, ilie op de kostenver-gelijking belangrijken invloed kunnen uitoefenen. Deze gevallen zijn echter zoo zeer uiteenloopend, dat het, wil men niet in een eindelooze specificatie vervallen en toch eene eenigszins vertrouwbare oplossing van het vraagstuk verkrijgen. beter is met al die omstandigheden slechts in zoo verre rekening te houden, als door het grooter of kleiner aantal lichten van zelf reeds een zekere maatstaf voor de aanlegkosten per verlichtingspunt opgeleverd wordt. Bij gasaanleg konden dan die kosten constant worden aangenomen

0]) f 10.— per verlichtingspunt: bij de electrische installatiën heeft ons lid ter Meulen voor de aanlegkosten cijfers aangenomen. die hem, op grond zijner ervaring en rekening houdende met de grootte der installatiën, ten dienste stonden.

Voor deze zijn vier typen gekozen, nl.:

A. 50 gloeilampen van 15 Duitsche normaalkaarsen -\-

2 booglampen van 1000 kaarsen:

B. 100 gloeilampen van 15 N.K. - 4 booglampen:

C. 300 ' . r 15 , t! , en

1). 1000 „ ,15 , 4- -S

Het aantal booglampen bedraagt dus hierbij respectievelijk 4, 4. 2 en O.S0 , van dat der gloeilampen. Het nuttig lichteffect van elke booglamp mag natuurlijk niet beschouwd worden als zich te verhouden tot dat eener gloeilamp als 1000: 15; omdat het nietopde absolute lichtsterkte der lampen, maar wel op de bestralingssterkte aankomt op de plaats, waar men het licht gebruikt. En wijl nu de booglampen veel hooger en veel verder van elkaar verwijderd moeten worden opgehangen dan de gloeilampen en zij daardoor de plaats, waar de werklieden hun arbeid verrichten, door den grooteren afstand zooveel minder sterk verlichten, hebben wij aangenomen, dat een booglamp met 10 gloeilampen in verlichtingswaarde overeenstemt. Deze aanname is ook om eene andere reden niet zoo willekeurig als men oppervlakkig meenen zou. Wijl de kostenberekening van de electrische verlichting gebaseerd is op het aantal watts,

ocr page 43

41

voor ieder licht benoodigd. moet men natuurlijk, de booglampen tot een aequivalent aantal gloeilampen herleidende, de verhouding in rekening brengen tusschen het aantal watts, dat zij verbruiken, en die verhouding komt ongeveer met het cijfer lü overeen. Dat een booglamp, die maar 10 maal meer watts verbruikt, een ongeveer 60 a 70 maal grootere lichtsterkte heeft dan een gloeilamp is een bekende zaak en is uit de zooveel hoogere temperatuur van den lichtboog gereedelijk te verklaren.

Om nu met gas een totale verlichting te verkrijgen, die in alle vier de gevallen A. B. C en D de bovenaangenomene zooveel mogelijk nabij komt. is ondersteld, dat de verlichting zou worden tot stand gebracht in geval A:

door 2 intensief-branders van 6 x löX.Kquot;. = 12 x lö N.lv.

8 praecisions , .2x15 , = (3X15 . en 52 bolkop . r 1 X 15 „ =52 x 15 ,

Totaal . . . 70 x 15N.K., overeenkomende met 50 gloeilampen -|- 2 booglampen = 70 gloeilampen van 15 X.K. of, op eenvoudiger wijze uitgedrukt, 70 verlichtingseenheden.

Op soortgelijke wijze is gehandeld in de gevallen I gt;, C en D en zijn dus de aantallen branders verkregen, die in bijlage T zijn aangegeven en waarmede in bijlage II het totale gasverbruik berekend is. daarbij aannemende, dat een intensief-brander 500 L., een praecisions-brander 250 L. en een holkopbrander 150 L. gas per uur verbrandt. Het aantal intensief-branders bedraagt hier respectievelijk 3.6. 3.6, 4.4 en 5.1 ''n van dat der kleinere soorten. Deze cijfers stemmen wel niet overeen met die voor de electrische verlichting, maar liet is ook niet hetzelfde of men booglampen van 1000 of intensief-lampen van 90 N.K. gebruikt. Bij de laatste is het licht veel sterker verdeeld en komt men dus veel eerder in de gelegenheid ze in sommige fabrieksruimten toe te passen dan met booglampen het geval is. \ oor de verlichting van de omgevende fabrieksterreinen en van die lokalen, waarin men werkelijk ook booglampen zou kunnen gebruiken, heeft men bovendien 2 of 3 intensief-branders noodig om ééne booglamp te vervangen.

In de derde plaats is nog ondersteld, dat de gasverlichting door middel van A.uerlichten wordt tot stand gebracht. Daarbij is de gemiddelde lichtsterkte zeer matig berekend op 2 15 = 30 X.K. Bet aantal verlichtingspunten wordt dan natuurlijk direct gevonden = 35, 70. 180 en 540 resp. voor de gevallen A. B. (1 en D.

ocr page 44

42

Om nu niet alleen rekening te houden met de afmetingen der fabrieken, maar ook met de verschillende eischen der daarin uitgeoefende bedrijven, zijn voor ieder der 4 gevallen de kosten berekend voor een jaarlijkschen brandtijd dei-lampen van 350. fiOO. 1000 en 3000 branduren. Züo doende hebben we in het geheel 16 gevallen gekregen. Onze Commissie vleit zich, dat. waar tusschen en behalve een kleine fabriek van 70 eenheden en 350 uren brandtijd en een groote fabriek van 1080 eenheden en 3600 uren brandtijd nog 14 andere gevallen zijn uitgewerkt, een fabrikant, die voor de keus zou staan zijne fabriek met electrisch licht of met gas te gaan verlichten, al zeer licht in een der door ons behandelde gevallen ten naasten bij het zijne zou herkennen en in de berekening voor dat naastbijkomende geval een middel zou vinden om over de vermoedelijke kosten van den door hem gewenschten aanleg een denkbeeld te krijgen. Aan de vier genoemde cijfers voor den brandtijd zijn wij gekomen door uit te gaan van de volgende onderstellingen:

1quot;. dat in de fabriek des morgens niet met kunstlicht gewerkt wordt en des avonds slechts tot zeven ure; dat bovendien niet gewerkt wordt op Zon- en feestdagen; in dat geval kan men rekenen, dat het geheele aantal branduren op onze geographische breedte omstreeks 850 per jaar bedraagt:

2°. dat, Zon- en feestdagen uitgezonderd, gewerkt wordt van 6 uur 's morgens tot 7 uur 's avonds, en dat dus ook van October tot Maart in de morgenuren gedurende eenigen tijd van kunstlicht gebruik gemaakt moet worden; in dat geval is het aantal branduren ongeveer 600 per jaar;

3quot; dat aan al diezelfde voorwaarden wordt voldaan, maar dat. in plaats van tot 7 uur. des avonds tot half-negen gewerkt wordt: liet aantal branduren per jaar is dan 1000;

4°. dat, Zon- en feestdagen uitgezonderd, dag en nacht doorgewerkt wordt: in dat geval kan de brandtijd op 3600 uren 'sjaars gesteld worden.

De kostenberekening voor deze 16 gevallen met gewone en met Auer'sche gasverlichting is nu voor drie verschillende gasprijzen van 6, 5 en 4 ets. per M:l in Bijlage II uitgevoerd. De aanlegkosten zijn geschat op f 10.-per ver-li chtingspunt.

Zooals vroeger reeds gezegd is, zou het aanlegkapitaal geheel afhankelijk gesteld moeten worden van de ligging

ocr page 45

43

der gebouwen, of zelfs, als er maar één gebouw is, van de oppervlakte en het aantal verdiepingen. Het aantal gevallen, dat hierbij voorkomt, is zéér groot, daar zoowel op de wijdte als op de lengte der buizen door de genoemde omstandigheden invloed wordt uitgeoefend. Kiest men daarvoor echter gemiddelde cijfers, dan zal f 10,- per ver-lichtingspunt tot maatstaf der berekening kunnen dienen, met inbegrip natuurlijk van lampen, kranen, enz., welk cijfer zeker niet te laag is. Voor rente van het kapitaal wordt 4U'U en voor kosten van onderhoud 2% aangenomen, bij elkaar dus 6ftJ. Bij de gewone gasverlichting wijst de tabel nu van zelf den weg; uit de totaalprijzen per jaar zijn telkens de kosten voor één lamp per uur afgeleid. Bij de gasgloeiverlichting zijn de aanlegkosten op hetzelfde bedrag aangenomen; dit mag daarom geschieden, omdat wel is waar de Auerbranders veel duurder zijn dan de (gewone, maar daarentegen, wegens het geringer gasverbruik,

~ O O O O •

de aanlegkosten der onderstelde fabrieksleidingen belangrijk lager worden; voor de onderhoudskosten echter is een afzonderlijk bedrag voor de vernieuwing der kousjes in rekening gebracht. Zooals boven reeds opgemerkt is. wordt ile lichtsterkte der Auerlampen zeer matig op gemiddeld 80 kaarsen aangenomen: het gasverbruik wordt daarmede in overeenstemming op 75 L. per uur berekend. De brandduur is gemiddeld op 500 uur gesteld en de prijs dei-kousjes op ƒ1.-- per stuk. Van deze verschillende onderstellingen uitgaande, zijn in Bijlage 1 de sommen berekend, die. bij 35, 70, 180 en 540 Auerlichten, jaarlijks voor de aangenomen brandtijden moeten worden besteed aan de vernieuwing der kousjes en deze zijn nu in Bijlage II als een nieuwe post in de exploitatie-rekening opgenomen. Ook hier zijn de prijzen per lampenuur berekend. Ten slotte zijn al deze uitkomsten graphisch voorgesteld in Bijlage IV.

Wat de electrische installatiën betreft, is ons medelid ter Meulen van de volgende onderstellingen uitgegaan.

O O ~ O

Bij het taxeeren der aanlegprijzen is een gemiddeld cijfer aangenomen, waarbij ondersteld is. dat de machinekamer in liet midden van het gebouw gelegen is.

Als er gebruik gemaakt is van accumulatoren, zijn er twee gevallen aangenomen, en wel:

1°. dat een kleine batterij wordt opgesteld voor bureauverlichting, enz. (voor 10—50 lampen) om in de kantoren te kunnen voortwerken. ook nadat de fabriek gesloten is en de machines stil gezet zijn. De batterij speelt hier slechts

ocr page 46

44

een oiidergescliikte rol en de dynamo is van dezelfde grootte als in liet geval, waarbij geen batterij aanwezig is:

2°. dat een groote batterij, die een belangrijk deel van den stroom kan leveren, wordt opgesteld. De dynamo is dan van een kleiner type, laadt overdag de batterij en wordt quot;s avonds met deze parallel geschakeld.

Daar in bet laatste geval de spanning altijd constant is. is bier een levensduur der gloeilampen van 1200 uur aangenomen tegenover 1000 uur bij gebruik van directen nmcbinestroom. In Bijlage l zijn. evenals voor de kousjes der Auerlichten, de aantallen gloeilampen berekend, die jaarlijks in al de onderstelde gevallen voor vernieuwing noodig zijn; van deze uitkomsten is in de berekeningen van Bijlage 111 gebruik gemaakt.

Bij installatiën met accumulatoren is aangenomen, dat deze 75 n 0 nuttig effect hebben, dat dus voor de lampen, die door de batterij gevoed worden, 33 1meer kolen noodig zijn dan voor die, welke directen machinestroom ontvangen.

Groote batterijen zijn alleen aangenomen in de gevallen, waarbij de stoommachine der fabriek de dynamo drijft. W anneer een eigen stoommachine of locomobile opgesteld wordt, zal in de meeste gevallen een bedrijf met accumulatoren te duur worden en zal bet voordeeliger zijn de machine door te laten loopen.

Hij de electrische installatie is zoo doende het geheele aantal gevallen, waarvoor de kostenberekening is uitgevoerd, belangrijk uitgebreid. Met behoud van hetzelfde aantal lampen en van denzelfden brandduur kan men bij een electrischen aanleg nog weer van allerlei verschillende onderstellingen uitgaan, wat bij een gasverlichting in veel mindere mate het geval is. Men kan bv. in geval A onderstellen: dat van de fabrieksmachine zelf genoeg arbeidsvermogen beschikbaar blijft om de dynamo te drijven; dat zij gedurende den brandtijd der lampen niet al bet noodige arbeidsvermogen leveren kan en dus des daags een accumulatoren-batterij moet laden, die des avonds een deel der stroomlevering overneemt; men kan aannemen, dat de fabrieksmachine in het geheel niet disponibel is voor het drijven van de dynamo en er dus een afzonderlijke stoommachine daarvoor moet worden aangeschaft, zij het dan ook dat de stoomketel groot genoeg is om ook voor deze tweede machine den noodigen stoom te leveren; is ook de ketel niet groot genoeg, dan kan men een locomobile aanschaffen. die als ketel en stoomwerktuig te gelijk dienst doet;

ocr page 47

45

maar in dat geval kan men zich ook van een anderen motor, b. v. een gasmotor of een petroleummotor. voor liet drijven van de dynamo bedienen. Al deze onderstellingen, vermeerderd met nog 3 andere, waarbij men aan een der zes genoemde een accumulatoren-batterij toevoegt voor de verlichting van het kantoor, als des avonds de fabriek gesloten is, zijn voor het geval A in Hij lage lil uitgewerkt; op soortgelijke wijze is voor de gevallen H, C en I) gehandeld en eindelijk zijn weder al de uitkomsten dezer berekeningen graphisch voorgesteld op de bijlagen V. VJ. VII en YIII. Onze Commissie meent aan de leden Uwer Vereeniging een dienst te bewijzen door deze berekeningen in exteuxo mede te dealen en zich niet te bepalen tot het geven van een uittreksel daaruit of van een enkel voorbeeld. (*)

Vergelijken we nu, wat het gemakkelijkst gaat door eeu blik te slaan op de graphische voorstellingen, de uitkomsten der electrische verlichtingen met elkaar, dan zien we dadelijk, dat in alle 4 de gevallen A, 1gt;, C en D, en voor elk der daarbij voorkomende bijzondere onderstellingen de prijs van een lampenuur belangrijk afneemt met het aantal branduren per jaar, wat dan trouwens ook te verwachten was; dat, zooals al weder van zelf spreekt, het gebruik maken van den ketel en de stoommachine der fabriek het voordee-ligst is en de gevallen, waarin men hetzij een locomobile, hetzij een gas- of petroleummotor moet aanschaffen om de dynamo te drijven, het schadelijkst uitkomen: dat de kosten van de kleine batterij voor de verlichting van het kantoor den prijs van een lampenuur in de meeste gevallen niet bijzonder verhoogt; dat eindelijk de aanschaffing van een grootere accumulatoren-batterij, die een gedeelte van het bedrijf overneemt, voornamelijk in de gevallen A en B van nut kan zijn, maar dat in de gevallen C en D bij een zekeren brandtijd een punt bereikt wordt, waarbij het voordeeliger wordt een geheel afzonderlijke stoommachine niet ketel, een locomobile dus zooals hier ondersteld wordt, aan te schaffen, dan van het arbeidsvermogen, dat de fabrieks-macliine nos beschikbaar heeft, «jebruik te maken om een

O ■ o

krachtige accumulatoren-batterij te laden. De stippel-punt-

(quot;) Wij moeten or hier aan herinneren, dat de berekemngeii van de kost'ii van het elec.triseh licht in October ISSW zijn bijgewerkt, terwijl die van de kosten van hot o-aslicht in Novoniber 1802 zijn uitgevoerd en er geen wijzigingen meer in zijn aangebracht, die het gevolg zouden hebben kunnen zijn van mogelijke veranderingen in .sommige eenheidsprijzen gedurende het laatstverloopen jaar.

ocr page 48

4:(i

lijn 3 n.l.. die op alle vier de teekeningen op dit geval l)e-trekking heeft, heeft een geringere helling dan de lijn G en snijdt deze dientengevolge in de gevallen C en D in een punt van de teekening. Een vergelijking van de vier teekeningen onderling leert ons, dat de prijs van een lampenuur belanrijk minder wordt, naarmate de installatie grooter is; hierbij moet in het oog gehouden worden, dat de schaal, waarop in de gevallen C en 1) de prijzen geteekend zijn, voor de duidelijkheid tweemaal zoo groot genomen is als in de gevallen A en B. De laagste prijs, waarvoor men een lamp gedurende een uur kan laten branden, doet zich natuurlijk voor bij 1000 lampen. 3600 uren brandtijd en gebruik der fabrieksmachine; deze bedraagt dan slechts 0.19 ct. Maar zelfs als men daarbij de groote accuniulatoren-b at te rij gebruikt en dus het duurste geval neemt, stijgt de prijs nog maar tot 0.28 ct. per lamp en per uur.

Beschouwen we nu ook de graphische voorstelling der gasprijzen, dan zien we, dat daarbij de afname van den prijs met de toename van het aantal branduren veel geringer is: de lijnen zijn ni. a. w. veel minder hol naar boven gebogen. Evenzoo heeft ook de grootte der installatie veel minder invloed ; voor de gevallen A en B vallen de lijnen samen, voor C en ]) liggen ze maar weinig lager. De invloed der gasprijzen van 6, 5 en 4 ets. per M3 is met een oogopslag te zien; het gasgloeilicht blijkt onmiddellijk nog ongeveer tweemaal zoo goedkoop te zijn als het gewone gaslicht. De lijnen, ilie daarbij, voor een zelfden gasprijs. betrekking hebben op de gevallen A. li. C en D. vallen nagenoeg volkomen samen; ze wijken in elk geval zóó weinig af, dat zij in de figuur niet afzonderlijk duidelijk waren weer te geven. Voor den laagsten gasprijs en den grootsten brandtijd is bij het Auer-licht de prijs gedaald tot 0.26 ct. per lamp en per uur.

Vergelijken we nu eindelijk, en dit is de groote zaak waarop het aankomt, de prijzen van het gas- en van het electrisch licht met elkaar, dan zien we onmiddellijk dat het volstrekt geen uitgemaakte zaak is. dat het gaslx-ht, zelfs niet dat het Allerlicht per se goedkooper is dan het electrisch licht. Voor kleinere installatiën, die weinig brandtijd hebben, of zooals men het in de techniek uitdrukt, weinig belast zijn, zal zeker het gasgloeilicht en meestal ook het gewone gaslicht in prijs den voorrang hebben boven het electrisch licht; wij wijzen bv. op liet volgende geval: bij den kleinsten aanleg en den geringsten brandtijd kost het gasgloeilicht, bij den li oogsten der aangenomen gas-

ocr page 49

47

prijzen, slechts 0.46 ct.; de duurste verlichting niet gewoon gaslicht kost 0.96 ct.: alle onderstellingen, die voor het electrisch licht zijn aangenomen, geven echter een hoogeren prijs, behalve die, waarbij men de dynamo door de iabrieks-machine drijft, in welk geval een minimum-prijs van 0.86 bereikt wordt. Daarentegen zal bij grootere installatiën en langeren brandtijd de electrische zeer goed kunnen concur-reeren met de o-asverHchting. Voor de installatie met 1000 gloeilampen en bij 3600 uren brandtijd geeft de duurste wijze van electrische verlichting slechts een prijs van 0.28 ct. per lampen-uur. Bij den laagsten gasprijs betaalt men echter in dat geval 0.54 ct. Alleen als men dan het Auer-licht toepast daalt de prijs tot 0.26 ct.

We kunnen het nu veilig aan de belanghebbenden overlaten uit de gegeven berekeningen en graphische voorstellingen zelf de verdere conclusiën te trekken, die noodig zijn. Wij voor ons willen alleen nogmaals constateeren, dat, ook ten opzichte van het belangrijke punt der kosten, geen algemeen toepasselijk antwoord te geven is op de vraag: Wat verdient in fabrieken en werkplaatsen de voorkeur, gas of electrisch licht V Soms zal de eene, in andere gevallen de andere wijze van verlichting voordeeliger zijn. Wij vleien ons alleen, dat we door onze voorafgaande beschouwingen het een en ander hebben bijgebracht om in het vervolg aan onze fabriekanten de keus tusschen het eene of andere stelsel gemakkelijker te maken; wij vleien ons tevens, dat we de voor- en nadeelen van beide verlichtingswijzen, in bare toepassing op fabrieken en werkplaatsen, met de noodige onpartijdigheid hebben in het licht gesteld, iets waarvoor dan ook trouwens de samenstelling onzer Commissie van zelf een waarborg gaf. En, voor zoo ver ons verslag de quaes tie der electrische verlichting behandelt, hopen we, dat het een bijdrage moge zijn om de electrotechnische toepassingen en de voordeelen, die ze dikwijls aanbieden, in onze industrieele wereld in ruimer kringen bekend te maken, zoodat quaestiën als in de aanstaande algemeene vergadering bij punt e ter sprake zullen worden gebracht, voor het vervolg althans zeker haai

reden van bestaan verliezen.

Pc Coiniulssie.

Utrecht, 81 Augustus 1898.

P. H. Tei; Meulex, D. v. igt;. Horst.

J. A. Snudeks C.Jz.

Rapporteur.


ocr page 50

-iy

N A Ö C H III F T.

Op pag. (3) is in eene noot medegedeeld, dat. tijilens het afdrukken van dit verslag, de tabellen, die de kosten der electrische verlichting aangeven, door den heer ter Meulen zijn bijgewerkt met de gegevens, die in October 1893 ter zijner beschikking stonden. De tabellen, die op de gasver-licliting betrekking hebben en die. zooals op pag. (6) en (-15) werd vermeid, in November 1892 zijn berekend, zijn echter niet omgewerkt. Ten einde nu dit verslag, ook wat de verschillende verlichtingsniethoden met quot;as betreft, noa- eenilt;gt;'s-

' o O

zins vollediger te maken, achten wij het niet ondienstig hier liet korte overzicht af te drukken, dat onlangs gegeven is door den heer Dicke, ingenieur bij de firma Julius Pintsch te Berlijn, van de lichtsterkte in kaarsen, het gasverbruik en de warmteontwikkeling bij toepassing van verschillende gassoorten en branders.

Lichtgas. Warmteproductie; 5300 caloriën per M:i.

l'lsclistcnirf- en rleenii»/'«branders geven 16 kaarsen lichtsterkte, verbruiken 150 L. gas per uur

150 X 5.3 .n , ... en brengen dus -- = oO calonen i)er

kaars en ]ier uur voort.

.l/Y/a«f/-branders geven 30 kaarsen bij een verbruik van 250 L. per uur en brengen dus

250 X 5.3 _ , . , ... ,

-------- = -14 calonen per kaars en per uur

voort.

Sicinens' rfiyeneratief-hnmAeva (grootere soort)

geven 530 kaarsen bij 2300 L. gasverbruik en

. . 2800 X 5.3 . ...

produceeren dus _= 23 calonen per o30

kaars en per uur.

Allerlicht van 50 kaarsen hij 100 liter gasverbruik geeft = 10.6 caloriën per kaars en per uur.

Watergas. Warmteproductie: 2620 caloriën per M:'.

Magnesia-kous in de watergasvlam geeft 35 kaar-

ISO X 2.62 sen bij 180 L. gasverbruik: levert dus 0-

= 13.5 caloriën jier kaars en per uur.

ocr page 51

49

Allerlicht, toegepast op watergas, met GO kaarsen

lichtsterkte bij 230 L. gasverbruik produceert

230 X 2.62 ,

— 10 calonen per kaars en per uur.

()()

Hetzelfde, voor 140 kaarsen bij 3G0 L. gasver-

, x, 360 X 2.62 nr, , ...

bruik, ffeert — ------- = 0. i calonen per

' 0 140 1

kaars en per uur.

Dit watergas kost in de fabriek van Schulz

Knaudt te Essen, waar de inrichting 2.000.000 M -'

per jaar levert: 1.38 ct. per M3.

In de fabriek van Julius Pintsch in Fiirsten-

walde kost het bij een jaarproductie van 800.000

M3 2.4 ct. per M3 en

bij Dr. Kahlbaum te Görlitz, waar het gebruikt wordt ter verlichting, verwarming en spijsbereiding in zijn gesticht voor zenuwlijders, kost het l)jj een jaarproductie van 204.000 M3 3.37 ct. per M:i.

December 1893. De Coniniissie roornoetiui.

IV

ocr page 52
ocr page 53
ocr page 54

II

I

'ë

Ë 5

I i

-

r| j- ■-

~ — C •_£

H r

I ^

Si

71 quot;JT C 71 ^ 1 —

7 7i — c; ^

71 quot;-T 7J 3 71 fC

-J't

-r s

I i S)

O 71

't C

2 v. — C

71

-M £ ~ ~ g:

IJl

w

O

d 5

M

•7.£ — .= ■-:l — — ■-.i. — — ■- .Ü —j=.

'■- . I~ • — — t-O- — ••. n el

S-

= ;-

.r

^ ST I -§ T

2 -M -J: c-i 1 =

J =

K

ï rr. -2 C

-f

g

f2

T-

j £ 3

« c .5 « « a

SO J x I ■2 •-

s i- = ^20 2

JjTlTi X

gt;1 ill Hi Hi

~ = X X X

= ct

c gt;

^ or.

r:r

rs ~

■cfl

£:

Is

c -

X X

C -_ CJ Z

11 — 0 — O

rt ■M i-

^ -2 ?i :g ss i

= o O O

Ii1quot;

1 s

-c v- •?! x 7-;

2i= --y,

: ■? R

si: sp

II

= S 5 = r- -n -

~ 9

Uil

X '= s quot;£

^7=5 gt; =P2 — o .= ^ — :ë e

•J c •_z c

=_ =_ =quot; = --3

I J -=

quot;l x igo

=-2 _

Ho «

2 c T:

= ï =

rt-2 quot;

'1 = T

Tc-^ gt;

rj

£ 3

C

= 11 III i § I 111

LL _

III

TcJ gt;

rli

c £ i

E

X

X

t

ill

GOO 500 1000

§

X

X

=

ts

£ ;

B 2 —

— -5 .1

ocr page 55
ocr page 56
ocr page 57

51

BIJLAGE II.

A. Verlichting met eene totale lichtkracht van 70 X I5 kaarsen.

Als branders worden gebruikt: '2 intens. In-, ii 500 L. = 1000 L. I! [iraecis. » » '250 » = 750 » 5'2 liolkop 0 » 150 » = 7800 »

„J

per uur 9550 1.

dus:

)ier 350 uur » 000 » » 1000 » » 3000 »

3342.5

5730.— »

9550.— »

34380.— »

5 et.

Aaulejrkosten per verlielitingsptmt /' '10.—, dus totaal / 570.-—.! liente en onderhoud 0% =/,34.'20./

4 et.,

Gas Onderhoud

' per lamp-uui

i (ïus \ Onderhoud

{ per lamp-uur

(«tlS

per lamp-uur

350 uur.

600 uur.

ƒ 343.80 » 34.20

1000 uur.

3600 uur.

/' 200.55 » 34.20

/' 573.— )gt; 34.20

/' 2062.80 » 34.20

» 234.75 » 0.0096

» 378.— igt; 0.0090

.) 607.20 » 0.0087

i) 2097.— » 0.0083

/' 167.13 .) 34.20 .) 201.33 » 0.0082

/' 286.50 » 34.20 T1S2Ö.7Ö » 0.0076

/' 477.50 » 34.20 » 511.70 » 0.0073

/•1719.-» 34.20 » '1753.20 » 0.0069

/' 133.70 » 34.20 » 167.90 » 0.0068

/' 229.20 » 34.20

/ 382.— » 34.20

/1375.20 » 34.20

263.40 lt;, 0.0063

» 416.20 » 0.0059

i, 1409.40 » 0.0056

350 uur. I G00 uur. lOOOuur. 3000uur

•157.50 34.20 70.— 261.70 0.0037

/' 55.13 » 34.20 » 24.50

/' 94.50 » 34.20 » 42 —: 170.70 » 0.0041

\

113.83 0.0046

Als branders worden gebruikt: 35 Auerlampen (= 70 X 15 kaarsen) a 75 Liter per uur = 20'25 Liter per uur,

(las \ Onderhoud

/0 ct.J KousjeS

per lamp-uur

/' 45.94 i) 34 20 •o 24.50

•131.25 34.20 70.-

78.75 34.20

15 ct

104.64 0.0043

154.95 0.0037

235.45 0.0034

350 uur » 000 » » 1000 » » 3000 »

lquot;'1'

dus

918.75 M:l. 1575.— » 2025.— » 9450.— »

/ Oas \ Onderhoud

Kousjegt;

■per

Aanlegkosten als boven.

Voor kousjes per 500 i: per lamp /' I.—

(Zie bijiage I.)

T.as Onderhoud

/' 36.75 » 34.20 » 24.50

Kousjes

» 95.45 » 0.0039

i et.»

lier

per lamp-uur

f 63.— /' 105.— 34.20 » 34.20

42.—

» 139.20 » 0.0033

70.—

» 209.20 » 0.(X)30


ocr page 58

52

B. Verlichting met eene totale lichtkracht van 140 X 15 kaarsen

350 uur. 600 nnr. lOOOnnr. 3600n\ir.

/' 1146.-» 68.40 TT'i 14.417 » 0.0087

/' 4125.60 » 68.40 » 4194.— » 0.008.3

Als branders -worden jzcbi nikt 4 intens, br. a 'gt;00 L. = 2000 ]j.(

() nraocis. » »250 » = 1500» 04 holkoj) » » 150 »= 15600»

]ier nur 19100 l. fil.

[liet

'3438.— . (18,40 , ^(XvK) i 0.0069

ilns :

por .'150 uur « 600 » !gt; lOOO ygt; .) 3600 »

m.

6685. — I1460.-19100.— 68760.—

/' 76i.— » 68.40

'2750.40 gt; 68.40 . 2lt;s I S.SI I . 0.0056

832.40 O.OI »59

Oas

. \ ()nderbond (gt; et.»

11ioi' iaiii|)-

Gas ilioiid

amp-inir

r laiiip-inir «

^50 nnr.

/quot;

401.10

f)

68.40

»

469.50

0.0096

/■

334.25

»

68.40

»

402.65

»

0.0082

/■

267.40

•ft

68.40

i)

335.80

))

0.0068

/' 687.60

» 68.40

» 756.—

» 0.0090

641.40 1 '■ 1 (■23.40 0.0076 » 0.0073

458.40 68.40

5tgt;6.80 0.00G3

573.— /' 955.— ()8.40 i » 68.40

I ('3S

L l Onderhond . 2 o ctJ Kousjes

Ijier lamp-nm

I (las ^ Onderhond

I

1837.5 3150.-5250.— 18900.—

por

et.

Aanlegkoston als liovon. oor knusjos por 500 lamp-nur (/ie bijlage I.)

Als brandors wnrdon fj'oi 0 Anorlanipon (= 140 x aarson) a 75 l.itor por nnr 250 Litor por nur,

350 uur 600 » » 1000 » » 3600 »

ans :

Jl:!.

Gas (^mlorliDud Ivonsjos

/

por lamp-uur

Konsjo:

! por lainp-nnr!

l 3

50 uur.

600 nnr.

lOOOnnr.

3600 uur.

/■

110.25

/'

189.—

f

315 —

/' 1134.-

))

68.40

)gt;

68.40

»

68.40

» 68.40

)gt;

49.—

»

84.—

140__

» 504. ■

»

227.65

»

341.40

))

523.40

» 1706.40

))

0.0046

0.0041

))

0.0037

,) 0.0034

/■

91.88

/'

157.50

/'

262.50

/' 945.—

»

68.40

))

68.40

)gt;

68.40

» 68.40

rt

49.—

»

84__

))

140.—

v 504.—

))

quot;209.28

))

309.90

))

470.90

»1517.40

))

0.0043

))

0.0037

))

0.0034

» 0.0030

/'

73.50

/'

126.—

/■

»

210.—

/' 756.—

»

68.40

»

68.40

68.40

» 68.40

»

49.—

»

84.—

»

140.—

» 504.—

»

190.90

))

278.40

418.40

» 1328.40

»

0.0039

»

0.0033

»

0.0030

» 0.0026

ocr page 59

C Verlichting met eene totale lichtkracht van 360 X 15 kaarsen.

Als In-anders wonlcn ItHiilons. br. ii500 Ij. — ÖOOOL. 18 praeeis. » »250 » — 4500» 25i2 liulkop » »150 » — I57MOO»

per uur 48300 L

( lilS

dns :

jii'r :i5o hui

» (100 »

» looo »

» 8(500 »

•16905.— M:!.

28980.— »

48300.— »

73880.— »

rpoi-

Aaiilogko.stcn pri' verliclitin.uspunll /' 10.—, dus totaal /' 2S2().—. : Kou te en onderhoud ti'/o = ƒ 100.20.'

4 el

( iJIS

()iiilorlioiul

(i rtA

fpor lainp-uiii

^ OiKk'ilioud Jö ct.v

é-

(ïas rlioud

per lamp-uur

350 uur.

/•1014.30 » 169.20

600 uur.

/1738.80 » 169.20

lOOOuur.

/' 2898.— » 169.20

3600 uur.

/104-32.80 » 169.20

»1183.50 » 0.0094

.) 1908.— » 0.0088

» 3067.20 » 0.0085

» 10602.— » 0.0082

/■ 845 25 » 169.20

/■ 1449.— /•2415. -» 169.201» 169.20

/• 8694.— » 169.20

« 1014.45 » 0.0080

» 1618.20 » 0.0075

» 2584.20 » 0.0072

» 8863.20 » 0.0068

/' 676.20 i /' 1159.20 » 169.20 quot; 169.20 » 845.40 »1328.40 » 0.0067 » 0.0062

/• 1932.— » 169.20

» 210 r2Ö

» 0.0058

/' 6955.20 .gt; 169.20 gt;gt; 7124.40 » 0.0055

3600 uur.

/■2916.— » 169.20 « 129().-7438K20 » 0.0034

0 et.)

Als liranders worden geiiniikt: 180 Auerlaiii|ieii (= 300 X 15 kaarsen) «ï 75 Liter [iel' uur — 13500 Liter per uur,

dus :

por 350 uur

» 600 » » -1000 » » 3600 »

/' 675.— » 169.20 » 360.—

/' 2430.—■ » 169.20 » 1296. -» 3895720 » 0.0030

4725 M:i. . , »100 » Lact. •13500 »

48600 »

» 1204.20 » 0.0033

/ iicr

Aanlegkosten als boven.

Voor kousjes per 500 lamp-u

/•I--

(Zie bijlage 1.)

540.— | / 1944. 1 9

360.— j » 1296.— 1069.20 | » 3409.20 0.0030 1 » 0.0026

'.5. et.

(las (Inderliond

Kousjes

per lamp-uur

(ias Onderhoud

Kousjes

per laui[i-uur

Gas Onderhoud Kousjes

[per luuip-uur

350 uur.

283.50

169.20

126.—

578.70

0.0046

/■

236.25

169.20

))

126.—

»

531.45

»

0.0042

/■

»)

189.-

169.20

))

126.—

))

-48 i-.20

»

0.0038

600 uur.! lOOOuur.

/' 486.— /' 810.—

» •]69.20 » -169.20

» 216.— I» 360.—

» 871.20 » 1339.20

.gt; 0.0040 » 0.0037

/' 405.— » 169.20 quot; 216.— T 7'. 10.20 » 0.0037

/' 324.-

))

» 216.-

709.20 0.003:!

ocr page 60

54

D. Verlichting met eene totale lichtkracht van 1080 X 15 kaarsen.

,'550 uur. ! 000 uur. lÜOOuur. MOOOuur.

/'8580. -» 492 » 9072.— » 0.0084

/■.'iOOH. 492.

Als linuuliTs wnnlcn gfihrniUt: 40 intens. Iir. ii 5001..= 'iO M:! 60 piaccis. » » » = IT) » 720 holkoji » » 150 » —- 108 »

7150.— 492.-

7642.- -0.0071

/' 5720.— » 492.—

'Aaulogkosti'ii piT voi lichtliigsi)iint

/' 10.—, dus totaal /'8200.—. Rente en onderhoud ti'Vo =/'492.—.

ilus :

I tor :!5() uiu

» 000 1)

» 1000 »

i) 360() »

/'2502.50 /'W'.IO. -i) 402.— _» 4'.)2.— gt;gt; 2994.50 » 4782.— d 0.0079 1 » 0.0074

/■2002.- /'3432.— » 492.— » 492. ,! '2494.— | » 3924.— o 0.0066 » O.OOol

/'5148.— » 492. ii 3495.— 11 5640. » 0.0093 | » 0.008'

/' 20592.— » 492.— o 6212.— 1» 21084.— » 0.00571» 0.0054

/■ 257 40.—

O 492 —

» 0.0067

/30888.— » 492.— » :ii:!8ii. 0.0081

350 uur. 600 nnr 1000

3600 uur.

/■ 8748.— 492.— » 3-88. »13128.— » 0.0034

/' •1458. -» 492.— « 648.— V'i598l-» 0.0040

850.50 492.— » 378. — ïTl 720.50 » 0.0016

/■ 2430. » 492.-» 1080.-

/'

» 4002.— » 0.0037

Als lirandrrs woi'dcn gchruikt 540 Annrlampen (= 1080 x 1^ kaarsen) a 75 Liter per uur = 40.5 M:iper uur.

I ias ()nderlioud

Kousjes

^per lamp-uui'

/-1215.-» 492.— » 64'8.—

/' 708.75 » 492.— d 378.—

/■2025.— 492.— 1080.— 3597.— 0 0033

/' 7290.-» 492.-» 3888-

» 1578.75 » 0.0042

» 2355.— » 0.0036

» 11670.— » 0.0030

dus :

per 350 nnr

ygt; 600 » » 1000 » » 3600 »

14175 M:!. 24300 » 40500 » -145800 »

I (ias 1 Onderbond 5 et.' Kousjes

,[)er lamp-uu

/' 972. -» 492.— » 648.—

ƒ-1620.— 492.— 1080.—

ct.

3192.— 0.0030

Aanlegkosten als boven.

Voor kousjes per 500 lamp-li /1.-. '

(Zie bijlage 1.)

Gas ()nderboud

Kousjes

'per lamp-uur

/' 567.—

» 492.—

■i 378—

714377— | » 21-12.-» 0.0038 i » 0.0033

/■ 5832.— » 492.— » 3888.— 710212.-» 0.0026

ocr page 61

55

BIJLAGE III.

A. Verlichting met eene totale lichtkracht van 70 X 15 kaarsen. A. I.

Aanleg met 50 gloei- cu booglampen. Sti-ooinsterktc 32 ampère, spanning 110 vult. licnooiligde kracht 8 1. 1'. K. Stoonimacliinc en ketel zijn aanwezig. Aanlegkosten compleet /1200.—. Voor cle pi ijsberekening per lamp wordt aangenomen, dat elke booglanij» 10 gloeilampen vervangt; het aantal lampen wordt dus berekend op 50-i- 20 = 70 lampen.

Brandduur.

:iÖ0 uur.

000 uur.

JUOO uur.

oOOO uur.

ISente en amortisatie . .

/120.—

/120.-

f 120.—

/120.--

(lloeilampen (/.ie bijlage 1.)

18 ii 50 c). » 9. —

30 a 50 ct. » 15.—-

50 a 45 ct. » 22.50

180 a 45 ct.» 81.—

Stei nkolen 2Vigt; Klt; 1. per

I.P.K. = 20 KG. per uur

a 1' 8.—• de ton. . . .

7 ton )) 50. —

12 ton » 90.—

20 Ion ■»100.—

72 ton » 576.—

Koolspitsen 1 ct. per lamp

» 12.—

» 20.—

» 7.—

D 72.—

Olie, katoen en diversen .

» 10__

)) 14.-

» 18.—

» 25.—

» 10.—

» 14.—

» 18.—

» 25.—

Totaal . .

/• 212. -

/■ 271.

/358.50

/■899.—

l'rijs per uur.....

/' 0.005

/' 0.45

/ 0.36

/' 0.25

Prijs per lamp en per uur

» 0.0080

» 0.0004

» 0.0051

» 0.0036

A. II.

Aanleg niet 50 gloei- en 2 booglampen als onder A i. doch niet accumulatoren-batterij van 30 elementen, spanning 05 volt en stroomsterkte 8 ampère voor kantoorverlicliting, gedurende gemiddeld 2 uren na het stoppen der fabrieksmachine, met 10 lampen. Prijs der accnniulatoren-batterij /'425. — , prijs der overige toestellen /'200.—, totaal / 025.—.

10(10 u.

quot;30 u.

f 02.50 » 24. — » 19.50

SI K gt;0 «.

CUU u.

Brandduur.

Itente en amortisatie . . Onderhoud batterij . . Meerdere steenkolen. . , Lampenbrandduur ;=0()0 u dus nieuwe lampen: ono _ ~ • 50 ct_

I0x ...... — O

1000

Totaal (Zie A l.) Totaal.

Andere kosten

Lampenbranduren . . . l'rijs per lamp en per um

/' 409.-» 212.

/• 321.— 70 x 350=24500 ■10 x 000= 0000 3Ö500 f 0.0105

f 109.— ■» 358.50

/' 380— /' 467.50

70 x 000=42000 70x 1000=70000 10 x 000 = 0000 10 x 000= 6000 48000 76000

/' 0.0079 ; /' 0.0002 i

f 109. » 271.-


ocr page 62

5fi

A. III.

Aanlog met 50 gloei- en Ijooglainpen. De fabi'ieksinacliino heeft ongexoer i.5 1'. K. disponibel. .Men laadt daarmede gedurende den dag oen accu nu da toren I :attcrij en deze woi'dt des avonds met de dynamo parallel geschakeld. De dynamo moet voor de lading XO volt knnnen geven. De. werkspanning bedraagt 05 volt. Stel nu dat de dynamo voor % gedeelte en de batterij voor ;1/s gedeelte de lampen voedt en dat van de. voor de lading der batterij benoodigde, energie 75% In de lampen terecht komt, dan /al voor dat 3/s gedeelte Ya meer energie ontwikkeld moeten worden en zal daardoor het kolenverbruik met l/s stijgen. De gloeilampen zullen daarentegen door een meer gelijkmatige spanning een langeren levensduur bezitten en 1200 uren kunnen branden. Totale stroomsterkte 70x0.8=50 ampère. Daarvan levert de dynamo 35 en de batterij 21 am-jière. Aanlegkosten dynamo, toestellen en geleidingen /' 1300. —.

10(K) u.

f 1 i()0.-130

130. -140.— 70.— 21.—

180.— 20.— 30.— 30. -

/'

)) ))

)r)Oji45ct. gt;)

))

)) »

12a jOct.

021 0.02 0.0087

Brandduur.

Aanlegkosten batterij, incl.

zwavelzuur, montage,enz. Cajiaciteit iu ampère-uren.

Uentc en amortisatie voor dynamo en toestellen . id. id. batterij. . . Onderhoud batterij . . . t'doeilanipen (Zie bijlage 1.) Steenkolen als onder A i. doch '/„ meer . . . .

Koolspitsen......

Olie, katoen en diversen . Onderhoud......

Totaal . .

Prijs per uur.....

Prijs per lamp en per uur.

/' 130.-» 100. -)) 50.— isiisott. » 7.50

» 03.— » 7.—

» 15.—

» 15.—

/' 387.50 » 1.11 » 0.0158

f 1000. 80

:gt;'gt;() h.

» 108__

» 12. » 20.— » 20.— /V482.5Ö gt;) 0.805 » o.o: 15

/■ 130.— » 120,— » 00. — » 12.50

f 1201). 100

OUU u.

131)......

200.— 120.— 07.50

648.— 72.— 40.— » 40.— 7 1357.5!) » 0.38 » 0.0054

f 2/(00. 340

M) ii.

A. IV.

Aanleg met 50 gloei- en 2 booglampen als onder A i. doch met al'zomlerlljke stoom-madiine van 8 1. P. K.. Stoomketel is aanwezig. .Stoomdruk aangenomen op 5 atm. overdruk. Prijs stoommachine f 000. - . Aanlegkosten / 120!) 000 = / 1800. — .

Uranddinir.

llente en amortisatie . . Gloeilampen (Zie A i.) . . Steenkolen 3KG. per I. P.K.

=24 KG. per uur a /'8__

de ton .......

Koolspitsen ......

Olie, katoen en diversen . Onderhoud......

Totaal. .

Prijs per uur.....

Prijs per lamp en per uur

ii.

UJUU u.

(MJ ii.

180. — 15.—

180.—

22,50

•192.— 20.— 70.— 50.— quot;53450 0.53' 0.0070

115.20 12.— 00.— 40.—

/' 422.20 » 0.70« » 0.0101

180.-lt;).-

07.20 U. I Ion

50.—I 30.

/' 343.20 » 0.98 » 0.0140

30UÜ u.

f 180.

» 81 .-

«(•.■t ton 091.20

» 72.—

» 100.—

» 75.—

/■■1109.20

» 0.335

» 0.0048


ocr page 63

57

A. V.

Aanleg met TiO gloei- en 'i l.)lt;iogliiiii|icii als oniler iiiaeliine uls onder A iv en aecmniilatori nljaUeiij als verlichting. Aanlegko.sten al.s onder A iv l- kosten /' 025 = /' ^425.—.

Ilrnjiddmir.

'I'dtale e\|iloitatieko.sten

batterij (zie A n.) . .

Andere kosten (zio A IV.).

Totaal. .

Lanipe.nbrandnren (zieA II.)

I'rijs per lamp en per niir

•}M ii.

f 109.- -» 343.20 /' 452.20

/' 0.0148

(j(H) ii.

/' 100.

422.20 / r.:!|.2quot; 48000 /■ 0.0111

A I. doc.li met afzonderlijke stoom-onder All voor kantoor en reservebatterij als onder A li = /'1800

KMX) u. \ mX) ii.

f 100.-'i ; gt;34.50

/■ (r«!.r^r

70000 /' 0.0085


A. VI.

Aanleg met HO gloei- en 2 liooglampen als onder zoiitale ol vciticale semi-portaliele loconioliile van 8 Totaal der aanlegkostcn /' 1200 -1- ISOO = /' 3000.-

A i. (locli met alzoiulerlijke liori-I 1'. K. Prijs locomobile / IS00.—


llrctnchluiir.

Ilente en amortisatie . . (iloeilampeu (zie A i.) . . Steenkolen 3 Kfl. perl. I'.K. — 24 KG. per iinra /'8.—

de ton.......

Steenkolen voor opstoken ketel 300 keer ii 50 KG. = 15 ton ii /' 8.— . . Koolspitsen ......

Olie, katoen en diversen .

Onderhoud......

liedieningskosten voor een

stoker, enz.....

Totaal .

Prijs per uur.....

Prijs per lamp en per uur.

ii.

f 300.— » 9.-

» 07.20

120.

00.—

(XH) II.

/■ 300.—

gt;) 15.—

» 115.20

» 120.

« 12,—

» 70.—

» 00.—

» 150.—

45. -

/' 812.20 1.403 » 0.0201

» 100.— ~f 708.20quot; » 2.025 » 0.0289

1011(1 II.

f 300. -» 22.50

» 091.20

i) 120.— » 72.—

» 110.-

» 120.

» 500.—

/1994.20 » 0.555 » 0.0079

» 192.—

» 120.

» 20. —

» 80.—

gt;gt; 75.—

» 200. -/■•1009.50quot; » I.OI » 0.0144

SIM) ii.

f 300.— » 81. —


A. VII.

Aanleg met 50 gloei- en 2 booglampen als onder A i. doel....... at'z mderlijke loco-

mo))ile als onder A vi en met aeemunlatorenbatterij als onder A n voor kantoor- en reserveverlichting. Aaulegkosten als onder A vi kósten iiattcrii als onder \ n = ƒ3000 /' 025 = /' 3025.—.

3'JU U.

f 109. -» 708.20

~f quot;sTrTaoquot;

30500 /' 0.0208

mill ii.

f 109.-» 812.20 /■quot;951.20quot; 48000 /' 0.0198

KHH) ii.

f 109.— quot;1009.50

SOW u.

/1 118.50

700110 /' 0.0147

Brandduur.

Totale exploitatiekosten

batterij (zie A li.) . . Andere kosten (zie A vi.)

Totaal. . Lampenbrandnren (zieA n.) Prijs per lamp en per uur.

ocr page 64

58

.... t 51) ^loei- on '1 Itouglampen als oihIim- A i. doch mat al'zomlerlijkoii gas-motor van 8 I. I'.'lv. Prijs motor comploot /' 24');).— mut 2 vliog\vieloii._ Aanlegkostmi /' 1200 /' li40L) = /quot; 3ü00.—. Gasverbruik 1 M3 |»'r I. 1'. K. ('■asprijs 7 ct. [icr M ■.

Vraiukhii'r.

oM if.

IXH) tt.

KHH) II.

:)(j(JU ii.

Uento en amortisatie . .

Olooilampen......

(ias voor 8 1. P.K. = 8 M-i per uur a /' 0.07 per M = / 0.56 per uur. . .

Koolspitsen......

Olie, katoen en diversen . Onderhond......

/' 360.— » 9. -

» 106. » 7.— » 50.— » :!0.—

f 360.— gt;gt; 15.—

» 336.— » 15.—

» 60.— » 40.—

1 360.— » 22.50

» 560.— « 20. « 70. — » 50.—

/' 360.— » 81.

1)2016. — » 72.— » 100.

» 75.—

Totaal.

Prijs per uur.....

Prijs per lamp en per uur

| /' 652. -i » 1.865 .gt; 0.0266

/' 823.— » 1.37 » 0.0106

/1082.50 » 1.08' » 0.0155

/'2704.-» 0.75 » 0.0107

^ Aanleg met 50 gloei- on - l)ooglani|ieu als onder A l, doch met afzonderlijken pe-troieninmotor van SVa I- I'- 'lt;• '''ijs motor com|ileet /' 2000. .

Aanlegkosten / 1200 -l- / 2000 : / .!200. .

I'etrotëumverbrnik 0.Cgt; I,, jier I. 1'. K. I'rijs petroleum 5 ct. per 1,.

lirantldmir.

1 {ente en amortisatie . J

Gloeilampen......

Petroleum voor S I. P. K.

ii 0.6 L. per P. K.=4.8 I..

per imr a 5 ct. per L.

— 24 ct. per nnr. . .

Koolspitsen......

Olio, katoen en diversen .

Onderhoud......I

Totaal. .

Prijs por uur.....!

Prijs per lamp en per uurj

A. VIII.

AanloK

j() ii.

HOU u.

1(XHJ ii.

ii.

320.-9.—

f 320.-» 15.—

f 320. » 22.50

f 320.— ■gt; 81.—

84.— 7.— 50.— 30.—

» 144.-» 12.-i) 60. — » 40.—

» 240. — » 20.-» 70.— 50.—

» 864. -» 72.— )■gt; 100.—

» 75.—-

~5ÖÜ.— 1.43 0.0204

/' 591.-» 0.08' » 0.0141

/' 722.50 » 0.723 » 0.0103

/1512.— » 0.42 » 0.0060

ocr page 65

59

B. Verlichting met eene totale lichtkracht van 140X15 kaarsen. B. I.

Aanleg met 100 gloei- en 4 Ijoüglampcn. Stamisterkte tji amiière, spanning 110 vult. lionoodigde kracht 1 i I. I'. Iv. Stoommaehine en ketel zijn aanwezig. Aanlegkosten compleet / 2150. . Voor ile pi'ijslierekening per lamp wordt aaugemimen, dat elke booglamp 10 gloeilampen vervangt; hot aantal lampen wordt dns berekend op 100 40 = i iO lampen.

Uramhlunr.

Uente en amortisatie . . /'215.— (iloeilampen (zie liijlage 1.)! aöiröOct. •gt; 17.50 Steenkolen 2 KG. per 1. l'.K.j = 'iS KG. per nur a /'8.—

de ton.......'9.8 ton » 78.40

Koolspitsen I ct. per lamp

en per uur.....I » 14

Olie, katoen en diversen .1 » 12.—

Onderhond......' » 15.—

Totaal . /: (51.90

1'i'ijs per nur.....j » 1.00^

l'i ijz per lamp en per nur. » 0.0072

300 H.

(M) ii.

I' 215.— ti0al5ct. )gt; 27.—

10.S Ion » 184.40

0 24.— » 16. » 20. fl'MiMi' » 0.7:i; » 0.0052

lüUU II.

/■ 215. -100n45ct. » 45.—

28 ton » 224.

» 40. » 20.—;

jTseo.—j

li 0.57 » 0.004!

SOUO u.

/■215.—

:icoaioct.» 144.—

ion.8 (onïi 806.40

i) 144.— i) 30.— » 40.— /1: (70.40 I) 0.385 » 0.0027


B. II.

Aanleg met 100 gloei- en 4 booglampen als onder li i, doch niet accninulatoren-liatterij van 30 elementen, spanning 05 volt en stroomsterkte 8 ampère voor kantoor-verlichting. gedurende gemiddeld 2 nren na het stoppen der fabrieksinacliine, niet 10 lampen. Prijs der a^cumn laturen batterij alc ouder A u = /' 025.—.

Brandduur.

exploitatiekosten batterij (zie A li.) Andere kosten (zie li i.)

Totaal.

Lampenbrandnren . . Prijs per lamp en per nur.

:1.JO

r

100.— 351.90

/' 460.90 140 x 350= 49000 10 x 600 = 0000 5500(1 /' 0.0084

GUU u.

109.— 436.40

/' 545.40 140 x 600—84000 10 x 600= 6000 '90000 /' 0.0061

Km u.

:!IM) u.

109.

569.-

/' 678.— 140 x 1000=140000 10 X 600= liOÜQ 146000; /■ 0.0046


ocr page 66

GO

B. III.

Aaiilo^' mot 1(10 glooi- i'ii 4 liO(i^laigt;i|icii. De IViliricUsiiiïicliiiui licel't KU'. K. ilisponilicl. Voor dn besi'.luijving van liet bcilrijf zio onili'i' Am. Tutali'stmomsterkti' = i I aiii|ièi'L'. Daai'van levert de dynamo 5/g — 70 en de batterij :,/3 = 4i2 amiière. Aanlegkosten ilynamo. toestellen en geleidingen /'^'iOO.—.

lim li.

:üO K.

m) a.

:!(J(Ki it.

/' I9Ü0. '220

f KKIO. 000

I 1500. 150

f 1700.-180

Brandduur.

Aanlegkosten batterij, incl.

/.wavelzunr. montage, enz. Cajiaeiteit in anijière-uren.

Rente en amortisatie voorj dynamo en toestellen.

id. id. batterij . . Onderlioud battei-ij . . .

0 loei lampen (zie bijlage l.V:i()a50ct. Steenkolen als onder I! i.

doch Vs meer Koolspitsen . .

Olie, katoen en ()nderliond

'220.— 170.— 85.— 22.50

220.-

•190.— ; »

95.— i gt;gt;

:57.80 üOüiiiOL-t.»

220 — 400. -200. -120.—

'220. 155.-80. -

Prijs Prijs

per

per

.).— üOalöct. »

/'

»

»

Ul 1 üft. gt;)

» 88.20

»

151.20

»

252. -

» 007.20

. . . .]

» li.—

»

24 —

gt;)

40.—

» 1 «.—

diversen .

» 18.-

24.—

))

30.- 1

» 45.—

» 20.—

»

25.—

))

30.— 1

» 50.—

Totaal J

/quot; 610.20

/quot;

721.70

/'

894.80

/' 2080.20

» 1.74 •'

1.20 5

((.89'

« 0.58

on por uur'

» 0.0125

»

0.0080

V)

0.01)01

» 0.0041

IV.

Aanleg niet 100 gloei- en 4 booglampen als onder 1! 1. docb met al'zonderl macbine van 15 I. P. K. Stoomketel is aanwezig. Prijs stoommacliine f 850. kosten ƒ2150 /'850 = /'3000.-.

.e stoom-Aanleg-

Brandduiir.

Rente en amortisatie . .! Gloeilampen (zie 1! 1) . . Steenkolen ± 2'-/3 l\(quot;t. per 1. P. K. = 40 KCl. per unr a f'8.— do ton.

Koolspitsen......

Olie, katoen en diversen . Onderbond......

,jüO ii.

(KM) u.

1U0U u.

oi'M ii.

Totaal

Prijs per uur .... Prijs per lamp en per nnr

/■

300.—

/'

300.—

/■

300,—

/■

300.—

»

17.50

»

27.—

45__

»

144. -

14 Ion i)

112.—

21 Ion »

•192—

■10 ton»

320.—

IJl ton»

•1152.

»

14.—

»

24.—

))

40.—

»

1 44. -

»

80.—

9

•100.-

»

120.—

»

160.—

»

50.—

))

00.—

))

70.—

»

•100.—

/'

573.50

/'

^03.-~

895. -

/■ 2000.—

»

1.64

»

•1.17

))

0.89 5

»

0.555

»

0.01 17

»

0.0084

0.0064

»

0.0040

ocr page 67

61

B V.

Aanleg ...... 100 jjoci- m 4 boo^lani|icn als onder li i. doch met afzonderlijke stoom-

iiiacliiiie als onder 1! iv en ae.c.nmnlatorenljattei'ij als onder li n voor kantoor- en re-serveverlichtiiifi'. Aanlegkosten als onder I! iv kostenbatterij als onder Pgt; n =/'3000.— ■ ■ /' 025 — /' 3025.—.

.Ti(l ii.

lt;HHI )(.

KHHI H.

SHOO v.

/' 109.— }gt; 57)gt;gt;.5()

682.50 55000 / 0.0124.

/■ 109 — » 703.—

Ts\^~

90000 /' 0.0090

f 109.— 895.— /1001.— 146000 /' 0.0009

nrcoidduur.

'1'otale ex jiloitatiek oston

liatterij (zie B li.) . . Andere kosten (zie li iv.) .

Totaal .

LaMi|penl)randiii'en(zie li n.) Prijs per laniji enpeiMinr.

B. VI.

Aanleg met 100 gloei- en 4- l)ooglam|ien als onder li i. doeh met afzonderlijke horizontale semi-portabele locomobile van 15 I. 1'. K. Prijs loconiobile /'2300.— Totaal der aanlegkosten /' 2150 / 2300 — /' 4150.—.

Branchlunr.

fl'/J ii.

(KM) v.

1000 v.

Mm ii.

li en te en amortisatie . .

f

445.—

f 445.—

1

445.—

f

445.—

(lloeilampen (zie li i.) . .

»

17.50

ii

27. -

»

45.

H

•144.—

Steenkolen 22':j KG. per

1. P. K. = 40 KG. ])er

nni' (zie li iv.) . . . .

»

112.-

»

-192.-

»

320.—

11

1152.—

Steenkolen voor opstoken

300 x 60 KG. = IS ton

r a /' 8.—......

n

•144.-

ii

144.—

»

-144.-

11

111.—

Koolspitsen......

D

14—

ii

24.—

»

40.—

T)

■144.—

Olie, katoen en diversen .

n

90.—

ii

120.—

»

150. —

11

200. -

Onderhoud......

ii

75.—

ii

90.—

HO.—

11

■150 —

Bedieningskosten voor een

stoker, enz. . . . ■

ii

100.—

»

150.—

»

200.—

11

500.--

Totaal . .

f 997.50

1 u2.—

quot;/■

I5'i.

/•2879.—

Prijs per uur.....

ii

2.85

»

1.98''

li

•I .455

gt;gt;

0.80

Prijs per lamp en per uur.

ii

0.0204

ii

0.0142

»

0.0104

ï»

0.0057

B. VII.

Aanleg met 100 gloei- en 4 booglampen als onder li i. doch met afzonderlijke locomobile als onder li vi en met ar.cmnnlatoren batte rij als onder li n voor kantoor- en reservcverlichting. Aanlegkosten als onder li vi kosten batterij als onder ]! n = /' 4450 -i- /' 625 = /' 5075.—.

Bmnclduur.

Totale exploitatiekosten

batterij (zie li n.) . . Andere kosten (zie B vi.)

Totaal

Laniponbranddnnr(zie B m.) Prijs per lamp en per nnr.j

quot;HOH ii.

3J0 u.

(KH) v.

lOOO tl.

f 109.-

f 109.—

f 109.—

» 997.50

»1192.—

»1454.-

/' 1 lOi).50 55000 /' 0.0201

/1301.— 90000 /' 0.0145

/■1563.— 146000 /' 0.0107


ocr page 68

02

B. VIII.

Aanleg

met

100 tiioei- on 4 booglampen als onder B i, iloc.li met afzonderlijken gasmotor van 15 I. P. K. Trijs motor com pleet f 2900. - met 2 vliegwielen. Aanlegkosten /' 2150 - • / 2'JOO - /' 5050. — . Gasverbruik 0.9 M:l per I. P. K. Gasprijs 7 et.

Brandduur.

Rente en amortisatie . .

Gloeilampen......

Gas voor 15 1. P. K. = 13.5 M3 per uur ii / 0.07 per M:l = / 0.945 peruui

Koolspitsen.....

Olie, katoen en diversen

Onderhoud.....

Totaal

Prijs per uur .... Prijs per lamp en per uur

:gt;'gt;() u.

/•505,— » 17.50

» 330.75 » 14.— « 80,—

» 50.— /'997.25 » 2.85 » 0.0204

(MK) ii.

/505. — » 27.—

gt;gt; 567.— » 24.— » 100 — » 60.—

/•1283.— » 2.14 0.0153

KMX) u.

f 505,— » 45.—

» 945.—

» 40.— » 120 —

» 70.—

•1.725 1 0.0123 j

/1725.

:',m) ii.

f 505.-» 144.-

» 3402.— » 144.-» 160.— » 1(H).—

/4455 — » 1.24 » 0.0088


B IX

Aanleg met 100 gloei- en 4 booglampen als onder I! i, doeb met afzonderlijken petroleum-motor van 15 LP. K. l'ri.js motor compleet /'2900.—.Aanlegkosten /'2150 - /'2900= /';gt;O.gt;0.—. Petroleum verbruik 0.55 L. per I. P. K. Prijs petroleum 5 et. per L.

Brandduur.

Rente en amortisatie . .

Gloeilampen......

Petroleum voor 15 I. P. K. sï 0.55 L. per P. K. = 8.25 L. per uur a 5 et. = 41.25 et. per uur . .

Koolspitsen.....

Olie, katoen en diversen

Onderhoud.....

Totaal

Prijs per uur .... Prijs per lamp en per um

v.

/' 505.— » 17.50

» 144.38

» 14 —

» 80.—

» 50.—

/' 810.88 » 2.32 » 0.016G

(HM) ii.

/' 505,-

» 247.50

» 24.—

» 100.—

» 60.—

/' 963.50 » 1.603 » 0.0115

KXM) u.

f 505.- -

o 45 -

» 412.50

» 40.—

» 120.—

» 70.—

/1192.50 » 1.195

» 0.0085

3600 v..

/' 505.—

gt;■) •! 44.—

» 1485. -» 144.-» 160.-» 100.-

/'2538.-» 0.70quot; » ÓiOOlO


ocr page 69

G3

C. Verlichting met eene totale lichtkracht van 360X15 kaarsen.

c. I.

Aanleg' met 300 gloei- en (gt; boogiampon. Stroomsterkte iC8 ampère, spanning 110 volt. Denoodigde kracht üü 1. 1'. Iv. Stoommacliine en ketel zijn aanwezig. Aanlegkosten compleet / 5000.—. Voor de prijsbeiekenino- per lam[) wordt aangenomen, dat elke booglamp 10 gloeilampen vervangt; bet aantal lampen wordt dus berekend op H00-t-(iü = 300 lampen.

Brandduur.

Iiente en amortisatie (1 loei lam pen (ziel! i j lage I.) Steenkolen l'V.i, KG. per I. P. K. — 03 K( 1. per mir a /' 8.— de ton . Koolspitsen 1 et. per lamp en per uur . . . . Olie, katoen en diversen .

Onderhoud.....

Totaal .

Prijs per uur.....

Prijs per lamp en per uur

350 u. /' 500.—

I05ii4rgt;et.» 47. ür»

22.05 ton» 176.40

» 21.

» 20.-

» 30.—

/' 794.65 » 2.27 » 0.0063

(XK) u. f 500.—

lS0«45ct.» 81__

37.S ton » 302.40

» 36.— » 30.-1 » 40^—j f 98911)1 » 1.65| » 0.00461

HHX) ». /' 500.—

300:145 ft.» 120.—

CS ton » 504.--

» 60.— » 40.— » 50.—

/•■1274.— j » 1.275: » 0.0035|

WM) u.

/' 500. -.» 432.—

221',.S ton »1814.40

» 216.— » 70.— » 80.— »3112.40 » 0.865 » 0.0024


C. II.

Aanleg met 300 gloei- en 5 booglampen als onder G l. doch met accumulatorenbatterij voor kantoor- en reserveverlichting met 20 gloeilampen, die gemiddeld 2 uur per dag branden. Prijs batterij /' 750.—, prijs der overige toestellen /' 250—, totaal /' 1000. . De batterij wordt over dag geladen en daartoe in 2 seriën parallel geschakeld. De lading kan ook tijdens het lichtgeven met behulp van een weerstand geschieden.

Brandduur.

Rente en amortisatie. Onderhoud batterij . Meerdere steenkolen . Lampenbrandduur = 600 uur, dus nieuwe lam «oo , , pen: 20X1555 = 12 11

45 ets......

Totaal . Andere kosten (zie C 1.)

Totaal .

Lampenbranduren. . . Prijs per lamp en per uur

KHH) u.

I u.

f 100.—

» 45.—-» 40.-

I -190.40 » 989.40

/' 190.40 » 794.65

5.40

f 190.40 » 1274.—

/' 985.05 /' Tl 79.80 1 / 1464.40

360 x 350=126000 3(iO x 600=216000!360 x 1000=360000 20 x 000= I200()j 20x000= I2000i 20 x 600= 12000 138000 228000 372000

/' 0.0071 I /' 0.0052 I /' 0.0039

(MH) 11.

u.


ocr page 70

■

G4

C. III.

Aanleg met 300 gloei- en (i booglampen. De fabi ieksmacliine heeft 22 P. K disnonibel Noor ile bescbnjvmg van het bedrijf zie onder A 111: het leidingnet en de batterii woiden echter in dit geval voor een werkspanning van 110 volt en niet, zooals daar', op eene van G;j volt berekend. Kr zijn dus (il) elementen voor de batterij noodi.r De dynamo moet in staat zijn voor de lading 140 volt te geven. Totale stroomsterkte' lOS ampere: daarvan levert de dynamo •/, = 105 ampère en de batterij «/ = 03 ampère Aanlegkosten dynamo, toestellen en leidingnet /'5100.—.

Brandduur.

Aanlegkosten battei'ij, incl.

zwavelzuur, montage, enz. Capaciteit in ampère-uren.

Uente en amortisatie vooi dynamo en toestellen. . Uente en amortisatie voor

batterij.......

Onderhoud batterij . . . (lloeilampen (zie bijlage I.) Steenkolen als onder C i .

doch i/o meer

Koolspitsen Olie, katoen Onderbond

Totaal

Trijs per uur . . . 1'rijs per lamp en per

C. IV.

Aanleg met 300 . machine van 35 elf. kosten /'5000 l- /'1

IJrcDidduur.

Uente en amortisatie . (lloeilampen (zie (' j.) . Steenkolen 2 KG. perl. P.K. = 70 KG. per uur a I'S.— de ton . . . .

Koolspitsen......

Olie, katoen en diversen . Onderbond......

Totaal . .

Prijs per uur.....

Prijs per lamp en perunr.j

S50 u.

000 u .

1000 u.

3000 H.

en diversen

/'3700.— 270

/'4700.— 349

/'5600.—• 410

/'10000__

•1100

/' 510.-

/'510.—

/' 510.—

/■ 510,-

» 370.— » •j85.— 88lll5cf. )) 39.00

» 470,-» 235.— I.')0a45cl.)) 67.50

» 560.— » 280.— 2:gt;0a45ct.» TI2.50

»1000.-» 500.— fl00a40ct. )) 360. -

» 198.45 » 21. -» 30,— » 35.—

» 340.20 » 36.— » 45.— » 45.—

» 567.— » 60.— » 60.— » 55.—

» 20 i 1.20 » 216.— » 100.— » 100,-

/1389.05 » 3.97 » 0.0110

/1748.70 » 2.915 » 0 0081

/'2204.50 » 2.20-» 0.0061

/4827,20 » 1.34 » 0.0037

■i- en 0 booglampen als onder C K. Stoomketid is aanwezig. 1'rij = / 0600.—.

i, doch met afzonderlijke stoom-stoommacbine /1600,—. Aanlen-

■I'tO u.

000 v.

1000 ii.

3600 u.

f 600.— » 47.25

f 060,-» 81.—

f 660. — » -120,—

f 660,-» 432.—

24'ton » 19(1.— » 21.— » J 20.— » 75.—

■12 Ion » 330.— » 36,— » 150.— » 90,-

71) Ion )) 560.— » 60.— » 180,— » 105,—

252 Ion ))2010.— » 216,-

» 240__

» 150,—

/1119.25 » 3.20 :■) 0.0089

/1353.— » 2,255 » 0.0063

ill

/■3714,— » 1,03 » 0,0029

_

ocr page 71

65

C. V.

Bratuldmir.

'I'ulnlc e\|(loitatie-ko.sti'n

liaUi'i'ij (zie C ii.). . . Andere kosten (zie C iv.).

Totaal . . i.ampenhrand uren (zie C ji.) l'i'ijs per lamp en per aiir.

C. VI.

■ IM u.

(JOO li.

JOMJ

.nm u.

ii.

[ 190.40 » 1-1-19.25 » -1309.65 138000 /' 0.0005

f 190.40 /' -190.40 » 1353.— » -1685.—

» 1543.40 228000 /' 0.0068

» 1875.40 372000 /' 0.0050

lotaal der aaiilegko.steii / oOOO /*4200 = /9200__~

Bfcniddtiur.

Itente en amortisatie Gloeilampen (zie C i.) . . Steenkolen i K.(1. pei 1.1'. K.=.63 K. G. pei- uin

(zie G i.)......

Steenkolen voor opstoken 300 x 70 K.G. = 21

ton a fS.—.....

Koolspitsen......

Olie, katoen en diversen. .

Onderhond......

Jiedieningskosten voor een stoker, enz. .....

Totaal . .

Prijs per uur.....

I'rijs per lamp en per uur.

■Ï'JO U.

920.— 47.25

17().40

168.— 21.— -140.— 110.—

-100.—

/■ 1682.6.quot;. » 4.81 » 0.0134

OUO h.

' 920.-■ 81. -

» 302.40

» 168.--

» 36.—

» 180.—

» -135,-

» 150__

» 1972.40

» 3.29

» 0.0091

lOMJ u.

f 920,-» 120___

» 504.

168.— 60.— 220.—

» 160.-» 200-

2352.--2.35 0.0065

fSOOO ti.

f 920,— » 432.-

» 1814.40

» 168.—

« 216.-

» 300__

» 225. —

» 500.—

» 4575.40

» 1.27

»

27 0.0035


C. VII.

■iNanmL'quot;r;?00 equot; 0 b°0quot;lanil'en als onder Cr, doclnnet afzonderlijke locomobile verliehtino- V',,, I quot;'f ^quot;quot;'quot;^^quot;^tterij als onder (' u voor kantoor- en .Xrve!

;Toóot?i5S.5 01 V1 kosten battei,iJ ais oquot;iitT cquot; = z'9200

350 u.

CXK) ti.

:tr,( n) k.

f 190.40 9 1682.65 f 1873.05 138000 /' 0.0136

f 190.40 » 1972.40 /' 2162.80 228000 /' 0.0095

Brandduur.

Totale exploitatiekosten

batterij Czie Cu.) . Andere kosten (zie C vi.) .

Totaal . . Lampenbrandnren (zie Cu.) Prijs jier lamp en per uur.

/' 2542.40

372000 /' 0.0068

f 190.40 » 2352.—

1000 ii.

ocr page 72

er.

c. VIII.

Aaquot;J0f nquot;',^ 300 gloei- on G booglampen als omlw C i, docli met afzonderlijken gasmotor /■/'/nn 0 ^,/ co'.quot;ll^t /■ /'■4(,0 quot;quot;'t 2 vliegwielen. Aanlegkosten / 5000

/4400= /9400.—. (lasvei'lirmk 0.8 M3 per I. P. K. Casprijs 7 et.

Brmidchmr.

Rente en amoitisatie .

Gloeilampen......

Gas voor 35 I. I'. K. =

28 M:i per inira/ 0.07 =|

/'*1.96 per mir . . . J

Koolspitsen.....

Olie. katoen en diversen Onderbond.....

Totaal

Prijs per nur ....

quot;50 ii.

IM) ii.

iOOO V.

S600 k.

f 940.— » 47.25

f 940.-» 81.—

f 940.— » -120.—

f 940.— gt;, 432.—

v 686.— » 2-1.— » 120.— » 75.—

» 36.— » 150. — » 90.—

»-I960.— » 60.— » 180.— » 105.—

» 7056.— » 216.— » 240.— » 150.-—

/1889.25 » 5.40 » 0.0150

/■2473.— » 4.12 » 0.0115

/3365.— » 3.36'' gt;gt; 0.0093

/•lt;J0;j4.— » 2.51 » 0.0070

Pi-ijs jier lamp en per nm

C. IX.

Aanleg met 300 gloei- en 0 booglampen als onder C i. doe.b met afzonderliiken l-e//finl,nilJ n^AA Vaquot; ,', , 1 • K- lgt;l lis motor compleet /'4-100.- . Aanlegkosten/'5000 / 4400= /9400.-. Petrolenmverbnnk 0.5 L. per I. P. K. P.-ijs petrolenm 5 c't. per L.

Brandduur.

Rente en amortisatie .

Gloeilampen......

Petroleum voor 351. P. K. a! 0.5 L. per P. K. = 17.5 L.' per uur a 5 et. = 87.5 et.

]ier uur......'

Koolspitsen......

Olie, katoen en diversen Onderbond ....

Totaal .

Prijs jier uur.....!

Prijs per uur en per lamp!

Sr/) n.

f 940.— » 47.25

» 306.25 « 21 — » 120.— « 75.— /-1509.50 4.3-1 » 0.0120

(K)U v .

/• 940.— » 81.—

O 525.—

» 36. —

» 150 —

» 90.-

/■1822.— « 3.04 » 0.0084

KMX) v.

/■ 940.-» 120.-

» 875.-

» 60.-

» 180.-

» 105.-

/2280__

» 2.28 » 0.0063

3600 v.

f 940.-» 432.—

» 3150.-» 216.-» 240. -» '150.-

/■5-128.-» -1.42° )) 0.0040


ocr page 73

HI

D. Verlichting met eene totale liehtkracht van 1080X15 kaarsen.

D. I.

Aanleg met 1000 gloei- en 8 booglampen. Stroomsterkte 5-12 ainpèi-e, spanuiiiquot;- 110

otpleerftSo quot;^Ivn0 ' ^ - ketel zgn aanlig /aulègko.steï

compleet / 1 000.—. \ ooi de prijsberekomng |.er lamp wordt aangenomen dat elke

80 =a?080 lampen'1 11gt;Cn vervanHt: llt't aantal lampen wordt dus berekend op 1000

....... ... ....... .. , liw,— 1 I nw— /1200.— /••I'HK) _

yéenkóléirn'! K U0'~ j6004^ i'oooaioct.» 400. - aeooMoet. Jim.

I. P. Iv. = 150 KÖ. per'

_ uur ii /' 8.— de ton .|:

Koolsjiitsen 'I et.per lamp

en per uur . . . .| » 28._

Olie, katoen en diversen. » 40._

Ondei-lioud..........» (j0. —

Totaal. . /'1888.—

l'rijs per uur . . . . » 5.89'

Prijs per lamp en per uur| » 0.0050 |

Brandduur. liente en amortisatie.

D II.

Aanleg met 1000 gloei- en 8 booglampen als onder 1) i. doel: met accumulatoren-batterij voor kantoor- en reserveverlicliting met 50 gloeilampen, die gemiddeld 3 uur lsOOS blaquot;l3equot;- |'U8 l'attei-ij / I4o0.—, prijs der overige toestellen f 350.—. totaal / 1800.—. De batterij wordt over dag geladen of tijdens het lichtleven met'beluiln van een weerstand. Capaciteit der batterij 75 ampère-uren 1

oöU u.

/1 -ion. -1

MH) u. /1200.-

KKK) u. /1200.—

3000 u.

■2.5 lou » 420. uo lou » 720.— ; 150 (Uil » 1200._

540 lou »4320.—

» 288.— » 100.---» 125.—

» 48___

» 60.—

» _80__

/■2348.— ■gt; 3.915 » 0.0036

» 80.— » 75.— » 95.— /'3050.— gt;gt; 3.05 » 0.00281

/'7473.— » 2.C8 » 0.0019

Brandduur.

Uente en amortisatie. Onderhoud batterij . Meerdere steenkolen . Lampenbranddunr =

900 uui ilus nieuwe lampen :

■TA w 000

1000 := ^ ^'t. Totaal . . Andere kosten (zie D i.)

Totaal . Lampenbranduren. .

Prijs per lamp en per uur

oöU u .

/' 180.-

» 80. -» 75. -

/' 353.-» 2348.-

-18.—

/' 353.— »1888.—

/■2241— ƒ 2701.—

■1080 x 350 - 378()0(), 1080 x (iOt) _64800() 50 x 900= 45000 50 x 900^ 45000 423000 693000

/■ 0.0053 ! /■ 0.0039

OW u.

KXJU u.

353.— 3050,—

/■ 3403.-1080 x 1000=1080000 50 X 900= 45000

1125000 /' 0.0030

;HiOO u.

f


ocr page 74

68

D. III.

niljol.H'lTo dynainc)0 kan quot;quot;l i'o' voir voo^H^I'Tad,i'''! h,''Cft 00 .1.gt;- K- ,lisP0-

tweede, zoogenaamde Znsatzdynamo^gebniikt die den (hi'rv gt; i^'l W0lJt

hoogere spanninquot;- lt;reol't Sti'nnmctnt^t i i luiaivooi benoodigden .stroom oen kan een Aroom ^ 60 amS ^,,;0yquot;am0 3,32 ^ ^'satzdynamo

sterkte = J5ü ampère. AaSóste^ d namo 7 J Tquot;quot;* Ve,:hooSequot;- Batterij-stroom-ƒ lam-. .vaint0hosien Usnamo, /usatzdynarno, toestellen en geleidingen

Brandduur.

Aanlegkosten battei-ij, inci. zwavelzuur, montage, enz.....

Capaciteit in ampèreuren. .

/■1220.— » 850.— » 425.—

iiente en amortisatie voor dynamo en toestellen .....

id. id batterij.

Onderhoud batterij . . „ ,tzo _ Woeilampen (zie Bijl. I.) 292iU0ct.» 116.80 oteenkolen als onder U j.

doch 1/, hooger. . . » 479.50

Koolspitsen..... » og _

Olie, katoen en diversen » ah

Onderhoud.....j ^ 70 _

D .. Totaal- -I

P| IJS per uur . . . . g qgg

000 u.

lOOO n.

f 10500.-900

f 9500,-750

/ 1220.—

»1050__-

525.—

834a40et.)) 333.60

»1350.—

» 80__

» 115.— » MO.— / 4783.60 I ') 4.785; » 0.004 i I

/1220.-» 950.-» 475.— sooiaoct.» 200,—

810.—

48.— 90.— 90.-

»

/■ 3883.— » 6.47 » 0.0060

SÜUO u.

f 19500.— 2400

f 1220.—

» 1950___

» 975__

Uoct. » 1^00.—

» 4860. -» 288.— » 150.— » 140.—

/10783.-i) 2.993 » 0.0028


SM u.

/'8500. 600

D. IV.

rnad.imf val'VÏu! tt. Stoonittfl'i's aaquot; ^ quot;'quot;'p' ^ '' lnct «Wonderlijke stoon,-/ 6000.-. Aanlegkosten / 12000 f 6000 ^Cpl|g0Iü|)i'^_stoolninacli''ie met condensatie

350 u.

000 u.

/1800.— » 240.

f 1800.-» 140.-

420.— 28.-

180__

-120—

00 (un

» 720.—

» 48.—

» 230__

» 140.— /' 3178.—

» 5.30

» 0.0049

Rente en amortisatie .

Gloeilampen (zie D i.) .

Steenkolen 1 Va KG. por I. P. K. = 150 KG. per uur a f 8.— de ton.! 52.d tou »

Koolspitsen..........„

Olie, katoen en diversen. »

Onderhoud..........^

,, •• Totaal. . /2688.—

Pi'ijs per uur .... »7 68

Prijs per lam pen per uur| » 0.00711

Brandduur.

150 ton » 1200__

» 80.-

» 270__

» 160__

lODI) u.

/■-1800.— » 400.—

/ 3910.— » 3.91 » 0.0036

510 ton » 4320.—

» 288.—

» 360.—

__»_ 350.—

/ 8558. -

» 2.38

» 0.0022

Sm 11.

f 1800.-» 1440.—

1

rijs per lamp en per uur » 0.0086

ocr page 75

69

lutalo exploitatiekosten

batterij (zie D n.). Andere kosten (zie J) iv.)

Totaal .

Naiiipeiil randuren (zieD II.) l'i'ijs per lamp en per nur

D. V.

Aanleg met JOOO gloei- en ■stoomniachine als onder li i\'

Brandduur.

100(1

oOUO u.

f Hó:!.-» 3910.

« boog'ampen als onder D r, doch met afemdorliiko t,.n ,TórJ^lllat0/f±attr, i.i. nl.s 0'1lt;le'- quot; h voor kantoor-

3Z0 u.

OOO u.

f 353.-» 2688.—

/' 353.-»3178.-

/■304-1__

423000 /■ 0.0072

/•3531— 693000 /■ 0.0051

/■4263.— 1125000 /' 0.0038


D. VI.

hoiizontale senji-portabde' coVnpoun^-mi^nr n^ét quot;quot;''T quot;f'' d0'''' afi!quot;nil('llijko loeomobile /'10200.- Totaal dJ ^egkostoT ^

Brandduur.

Rente en amortisatie . Gloeilampen (zio DL). Steenkolen KG. per I. I'. K. = 150 KG. pei uur (zie D J.) . . . . Steenkolen voor opstoken 300 x 100 KG. — 30ton

a f8.......

Koolspitsen.....

Olie, katoen en diversen Onderhoud . . . . , Bedieningskosten voor een stoker, enz. ....

Totaal . 1 i'fjs per uur.....

Prijs per lamp en per uur ■ gt;■quot;gt;0 u.

/'2220.-» 140.-

» 420.-

» 240. —

'lt;gt; 28,—

» 210.—

» 180__

» 150.— |

735887^ I

» 10.25 i » 0.00951

000 u.

/■2220.— » 240__

» 720.

» 240. -48,— » 260.--» 210__

200.—

»

»

7t4T38^quot; » 0.90 » 0.0064

1000 u.

/2220.-» 400. -

»1200.-

» 240__

» 80.—

» 310.— |

» 240.—

» 250. — /■4940. j » 4.94 » 0.0046

30U0 u.

/■2220.-»1440.-

» 4320.-

» 240. —

» 288.—

» 430.—

» 520.—

» 600.— /10058.— » 2.795 » 0.0026


ocr page 76

70

D. VII.

als docJ. .net afzonderlijke loco-

reserve-ve,'lichting. Aanlegkostcn /'^^O /Sw = ^ kaquot;t0(quot;-

(W

KM) u.

S(M(J ii.

/■

35:5,-3588,-

f 353.-» 4138.— /' 4491.— 093000 /' 0.0005

f 353.-» 4940.—

f 5293.— M25000 /' 0.0017

Bramlcluitr. :SM

ïntale exploitatiekosten batterij (zie D 11.) . .

Andere kosten (zie I) \ i.)

. , Totaal . . /•894-1.-

Lainponlirandiircn (zie I) ii.)j 423000

1'rijs jjer lanip en jier uur.: /' O.OOÜi:

D. VIII.

Een aanleg met een gasniutor van 100 1'. K zal in dennHiil „ i , ■ i

ssvrss? r,wijss - - ^ ~i «ss

D. IX.

PetiolenniiMotuicii wordt van een

z:^S^iiict—^

ocr page 77

d

ocr page 78

i

/

}

i.

A

*! *

f

j

/

ii

|

-----

--------

----

/

/

/

/ i

T f

i

.. /

1 ii a

4

/ /

f 1 f * 1 /

* l*| J* , / ;

ÏÏ

ii . i!

/

/ •gt;*

/

1

1

/ i

*

f.' V f.'

ll! rit

Ui i1

/

1 1

---1-

1 1 ;

1 i

|

j

_i_ i i

: f/

: -

:

u

f/

*'

/

f;

j

|

1

i

/i i ;

lil

ifr iÜ

I I i

|

i

i__'

f-

*!

/ ♦

/

r

1 i

--------

-

! i

0 A /

1 * • f ƒ

.... .*.ƒ. f ■»■ /

:

1 *■ *

___*.i__

;

♦ ;

♦• «

f •

♦ '

f:

/ /'

; i' /

A. .L.r.L.:—

i i i

i

_l---

1

i

/

/

t-.....

1

/ !

II ! i'l !

i i i i

i

i

1 1' ! 1 il

TTt

1

! i

; f /

i '1 1 li

! f: 1 s';

♦

i

li ji

.....

/ / f /

i , / !

1

1 1

/gt;

■V-'

/

/

*■

/

c

. Zj/

1 i

■1

i

..ó? •V

f'

/

/

/

// // / .

/

/

/

/

/ /

i !

✓

y'

y

s,y ' y

:gt;VX

y'

/

/

/

/

/• ■'-

y

__/

-----

i i

1

1 i

j

v-o

c^

rr d

ocr page 79
ocr page 80

ill

L

lt;5^

O-

8 \o

Q-„

§

H i

O Q d

-HvdBKU-»

o si

§ J

£ . d

pQ

S

1

1

-—

/

♦

// //

1 j

.

i 1

------

---------

---

i

j

f

1 f 1

// f gt;* ?

T 7

--J----

l]

I 1

1

/ 0

:l

U

/ '/

1 i 1

x

.

.....T

/

i * *

'} ;•

1 i i

/-

/

.....1 gt;

i tl

1 *i *'

i ;

//

r |-----

/1

/

4#— /'.f

f:l

h-H-

li i

j

1

-------

I

/

/

/ i i ;

II i

^!

|

1

| / 1 i

#/ ;

lil *y. ■

l

i

i i i

11

1

I

i

//// // /

i, .'/

—f-j i

i /

1--

|

\! ; i

//1 gt;ïi

/ ;

-hf

1

1 j

1

J * /

i f

f i

ti

'ïi * /

if-.' i

—HH 1 1

1

1

i |

/

1- :

f /

' ••gt;

' ;'

/

/

i :

! 1 i -

1 1

1 1

i

j

—/ .' *

7 quot;j

! ! 1 '

1 i

i - f --1 1

1

y

y

y*

X

X ,

•*

•'

x •'* 'I

J

.■ * / -// '/

/

/

/' / / /quot;

/

/

/

/

/

r

i

F

/

/

o/

;

X

X

X

*

*

X

*'

'

.quot;V v

/

/

/ /

— /— /

/

-7

i

J? * '.

jt *.quot;!'.*••

*

. ^ .-

i

% ^ *

*

/

/

y

s

/ y

1

—.

lt;:_

i

—

- 1

^ . CTn =0 ^

^ — O O o

•=i

«Tn

O

o

rC O

O

d

ö

ocr page 81
ocr page 82

■

ocr page 83

HHHI

ocr page 84
ocr page 85
ocr page 86