ocr page 1

^ y'!n --7

^ _i£?S.

T

:

^ ^ p v a cl) l i li n u g i4 n

(S-ovtfenuiig bcr „OTtEIDIXGquot;)

non

H. C. SPRUVT,

' 1'e£)vev nm @Kmnafiurn 511 ®vr 11 iugen.

ïvitte 2tufliigc,

Meuibiert üon D, POL,

l'e^ïer on ber SKcalfc^ule 511 Snppemecr.

P. NOORDHOFF. — 1893. — GRONINGEX.

ƒ 0,50,

I Vak 145

? -=-~ V ;.

341

ocr page 2

Bij P. NOORDHOFF to Groningen is mede verschenen:

ocMeutsck Sprachlelire fir iieieflliiiep

{ i

H. C. SPRUYT.

Sechste, verbesserte Auflage.

Reviert von 0. POL,

LEHRER AN DER REAl.SCÜCLE ZO SAPrEMEER.

Preis /1,25.

BEOORDEELING EN.

«Deze «Spraohlehrequot; verdient in de volste mate, dat zij gekend worde door alle Nederlanders, die zich op de beoefening der lloogduitsoho taal toeleggen en zioli de «eerste beginselenquot; hebben eigen gemaakt.quot; (Ons Recht.)

)gt;Met groote ingenomenheid begroeten we dit werkje. Wij voor ons meenen in het nieuwe werkje een boek te hebben gevonden, dat inderdaad bij het onderwijs uitstekende diensten kan bewijzen.

liet werkje is met zorg bewerkt: nauwkeurigheid vinden we op elke bladzijde.quot;

J. OOSTING,

Leeraar aan de 11. B. S. en het (iymnasium te Deventer.

•Het verdient bij leeraars en leerlingen een goed onthaal.quot;

{De Vereeniging.)

quot;Het behoeft geen uitvoerig betoog, dat wij met dezen nieuwen arbeid des heeren S. hoog ingenomen zijn, en zijne moeite door een ruim debiet hopen beloond te zien.quot; A. M. Molenaar. (Het Schoolblad.)

O EK ENINGEN

BEIIOORENDE BIJ DE

Hochcleutsche Sprachtehre für Niederlander,

door

H. C. SPRUYT.

Zesde, verbeterde druk.

Herzien door ï). POL,

Leeraar aan de R. H. B. S. te Sappemeer.

Prijs 75 Cont.

BEOORDEELINGE N.

oOnzes inziens, sluiten zicli deze oefeningen waardig bij do spraakleer aan, en zij haar mede oen ruim debiet toegewensoht.quot; A. M. Molenaar.

(liet Schoolblad.)

«Uit dat, wat we over de Spraclilehre des heeren Spruyt neerschreven, blijkt genoeg, dat we haar eene welkome ontvangst bij hot leerarend personeel aan onze scholen toewenschen. De oefeningen, die do grammatica vergezellen, geven ruimschoots gelegenheid tot toepassing van 't geleerde, liet geheel zal ook voor hen. die zich voor een examen in het Hopgduitsch voor 'tlager onderwijs willen bekwamen, eene zeer goede handleiding zijn.quot; .1. Oostinc .

Leeraar aan de II. JJ. S. en hel Gymnasium te Deventer.

ocr page 3

J-l J

/ /y^ /

/ y/ 1^

f/c/?. c ts^y''

amp;

/ p r n di ü li h iig ni

(^ovtfcltuiii] bcv „im-i:ii»i\lt;jquot;')

lum

H. C. SPRUYT,

'chvcram ©ijmunjiuin 511 ©voiüiigeu.

ritte 3üifln(|c,

.Ofcuibicrt oou D, POL,

Vcfin-v au bcv ;ltealjc(julc 511 ©nppcmccv.

Bibliotheek UllHDERBROEüERS

weert.

1'. NOORDIIOI F. — 181)3. — CROMXGEN.

ocr page 4

s

■

ocr page 5

VOORBERICHT

Eenige jaren geleden vernam ik van sommigen, die mijn Hoogduitsche werkjes gebruiken , dat zij den overgang van de Inleiding tot de Sprachleltre met de Oefeningen voor leerlingen van de H. B. S. en scholen voor u. l. o. tvel zvat groot vonden en dat 't zvel wenschelijk was, die kloof aan te vullen. Ik beloofde eindelijk een aanvullingswerkje, en toen dit om afdoende redenen wat lang in de pen bleef, kwam er van vele zijden navraag, wanneer dat boekje toch zou verschijnen. Toen begreep ik, dat 'ttijd werd, aan 7algemeen verlangen te voldoen. Zoo ging ik dan aan het zverk, en wat ik gemaakt heb, heb ik de eer onder den titel van „Sprach-übungenquot; mijn collega's aan te bieden — natuurlijk als proeve. Want ik kan moeilijk gelooven, dat 't mij gelukt zou zijn, soo op eens aan aller wenschen voldaan te hebben. Daartoe is meer noodig. Ik hoop en vertrouw dan ook, dat

ocr page 6

allen, die dit werkje gebruiken, wel zoo goed zullen willen zijn , mij de gebreken , die zij vinden, de veranderingen, die zij wenschen, kortom al hun op- en aanmerkingen mede te deelen, opdat ik daarvan bij een eventuëelen tweeden druk gebruik kan maken en het werkje des te bruikbaarder worde.

Groningen , Dec. '84. S.

VOORBERICHT VOOR HEN TWEEDEN DRUK.

Deze druk, nagezien door den Heer d. pol , Leer aar aan de Rijks H. B. S. te Sappe meer, is behalve enkele wijzigingen , b.v. over de indirecte rede, gelijk aan den vorigen.

Gkon. October '88. N.

N.

VOOR DEN DERDEN DRUK.

Deze druk is geheel gelijk aan den Tweeden. Gron. Sept. '93.

ocr page 7

Das Verb.

^nï)itatiu.

i. Regulus ried* den Romeinen vrede te sluiten, ofschoon het hem het leven kostte. 2. Om de soldaten, die hem vervolgden, te ontgaan, verborg Karei II zich in den stam van een boom, waar hij 36 uren bleef. 3. Toen Adam groef en Eva spon, waar was toen (ba) wel de edelman? 4. Naar het Neurenberger recht behoudt hij de slagen, die ze heeft. 5. Al diegenen, die gevlucht en daardoor het gevaar ont-loopen waren, zochten en vonden een schuilplaats in een nabijgelegen dorp. 6. Precies te negen uur is er (o) een meteoor aan den hemel verschenen en als een bliksemstraal verdwenen. 7. Toen de admiraal vernomen had, waar de vijanden waren, greep hij ze dadelijk aan. 8. Hoe staat het met (bevindt zich) den zieke? De koorts is geweken; wij hopen ten minste, dat zij niet zal terugkomen. 9. Terwijl de Mohammedaan bidt, wendt hij zijn blikken naar Mekka. 10. Door petroleumlampen worden de straten onvoldoende verlicht. 11. Met geweld brak eens de oceaan door den bergrug, die bij de zuilen van

Ontloopen, Clttïimien; schuilplaats, ^Ilfhldjtëort, m.; nabijgelegen , itat)C= licgenb; bliksem—, ÏBIili—; ten minste, gt;t)cnigftcn§; blik, Stiet, m.; onvol' doende, uttgenügenb; breken door, butdjbvedjcit (uutr.); geweld, (Scumlt, 1». ? oceaan, Djecm, nt.; bergrug, ©cbiïgSviicfen, nt.; zuil, ©ciiilc, to.

NB. Bij woorden met een * vindt men aan 'l eind van hel boekje eenige ophelderingen.

ocr page 8

6

Hercules Afrika met Europa verbond. 12. De Thalers heetten in (ju) Luthers tijd Joachimsthalers naar de stad Joachims-thal in het Ertsgebergte, waar zij gemunt* werden. 13. Het is niet goed, dat gij weer inslaapt, als gij eens wakker geworden zijt. 14. De rechtschapenheid eischt (= beveelt), dat wij ons woord houden. 15. Men verwerft [zich] vrienden, door woord te houden (= daardoor, dat men ....). 16. De Phoeniciërs alleen verstonden de bereiding van het purper. 17. De slagen van het lot kan men dragen, maar wee hem, die door eigen schuld zijn leven bederft. 18. Bij de nadering van Xerxes besloten* de Atheners zich op hunne schepen te begeven. 19. De liefde tot den vaderlandschen grond dooft nooit geheel uit in het hart van den mensch. 20. De gierigaard is een paard, dat wijn vervoert en water drinkt.

21. Bij de oude Egyptenaars was een zoon verplicht het bedrijf voort te zetten, dat zijn (de) vader uitgeoefend had.

22. Socrates was opgeruimd en vroolijk, toen hij den giftbeker dronk. 23. Ik wenschte u de diensten te kunnen vergelden, die gij mij sedert zoovele jaren bewezen* hebt. 24. Er zijn wijsgeeren geweest, die aan alles twijfelden en zelfs over de werkelijkheid van hun eigen bestaan redetwistten. 25. Een boer hieuw een boom aan den oever van een stroom om; ongelukkig viel zijn bijl in het water en hij kon haar niet weervinden. 26. Hij heeft over (van) iets gesproken, dat ik niet verstaan heb. 27. Onderwerp u ((Sinlj.) ootmoedig aan den goddelijken wil. 28. Epaminondas liet, nadat hij verno-

Erts—, fej—; munten, prfigcn; wakker worden, aufioodjen; rechtschapenheid, ;KebttcI;fcit; verwerven, ctlnerben; purper, ÜJlltpUV, in.; wee, Itieljc; bederven, Uerberbeit; nadering, Stmtofjctuug; besluiten, befdjliepen; vader-landsch , fieünattid;; grond, iSoben, nt.; uitdooven, erlö|cl)en; vervoeren, fa^ren; drinken, faufen; verplichten, Uerpflicïjten ; bedrijf, ©elncrbe, j.; uitoefenen, Betreiben; opgeruimd, I)eiter; giftbeker, ©iftbed^cr, in.; werkelijkheid, SBirfdtfjfcit; bestaan, Jiojciu, j.; zich onderwerpen, jid) untciiucvfcil; oot. moedig, bemütig.

ocr page 9

7

men had, dat de zege bevochten was, het staal (ijzer) uit zijn borst trekken en stierf. 29. Er zouden geen oorlogen meer zijn, wanneer de vorsten genoodzaakt waren man tegen man te vechten. 30. De vlijtige hand verdient (= verwerft) voor (o) zich het (o) brood in ieder land. 31. Toen Gustaaf Adolf hoorde, dat Wallenstein een gedeelte van zijn leger naar den Rijn gezonden had, greep hij hem bij Lüt-zen aan. 32. De paarlen groeien in oesters, die in de Oost-indische zeeën gevonden worden. 33. De kinaboom groei de oorspronkelijk slechts in Zuid-Amerika; nu* groeit hij ook op Java. 34. Een met goud beladen ezel laat het balken niet. 35. Helder water welt aan den voet van den berg uit den grond op. 36. De eerste kruistocht begon in het jaar 1095.

37. Wat overtreft de blankheid der lelie en der sneeuw?

38. Sedert wij de laatste hinderpalen overwonnen hebben, is alles voor ons anders geworden. 39. Men vergeet snel alle gevaren der zeereis, zoodra men in (3) de haven geland is. 40. Koning Willem III was 32 jaren oud, toen hij den troon beklom. 41. Men geloofde te Athene, dat koning Philippus van Macedonië den beroemden redenaar Aeschines omgekocht had. 42. In 1870 overschreden de Duit-schers de Fransche grenzen en grepen den vijand op zijn eigen gebied aan. 43. Heb er geen berouw van , de zaak beproefd te hebben; heden is het mislukt, morgen zal het gelukken. 44. Op het graf van Franklin leest men: Hij ontrukte den hemel den bliksemstraal en den tyran den schepter. 45. De

Bevechten, ctriltgen; noodzaken , 3nriltgcn ; gedeelte, ScU, m.; zenden (wegzenden) , enticnben; paarl, 5|BcvIe, ltgt;.; kina—, SIjina—; balken , infien; helder, ftor; uit den grond opwellen, ï)crBovqueIten; blankheid, SSeijjc, in.; lelie, Silic, ; sedert, fcitbem; hinderpaal, ^nnbcnria, j.; overwinnen, ÜBertUUtbeit, kficgcn; beklimmen, Befieigen; omkoopen , kftedjcn; overschrijden, iibcrfdjmten; grens, ©vcujc, lu.; berouw hebben van, Bcvcucu; mislukken , mifjlitigen'; ontrukken, enhetfteit; schepter, 3cPtcv( f-

ocr page 10

8

Europeesche mogendheden dwongen de Turken het ongelukkige Griekenland te ontzien. 46. Omdat gij niet besluiten kimt, besloten wij nog een tijdlang te wachten. 47. De pot barstte, zoodra wij er water in goten, zoodat het water op den grond stroomde. 48. Herinnert ge u nog, dat gij mij eens bij toeval in het water stiet? 49. Waarom mijn vriend, ruktet ge u niet van zulke vrienden los, die u altijd van het werk zochten2 af te houden1?

Mogendheid, ïlïac^t, tu.; ontzien, fdjtmen; pot, ÏOpf, tn.; er in. Mucin; zoodat, )0 bnf;; grond, Sobcn, m.; stroomen, [(iepen; zich herinneren, ficf) enunent; bij toeval, non ungefafyv ; afhouden, juvücftjnUeu.

DE BOOGSCHUTTER.

Bij koning Philippus van Macedonië, die een versterkte stad belegerde, kwam een boogschutter, Aster genaamd , en bood hem zijn diensten aan. „Gij zult mij kunnen gebruiken*, koning Philippus,quot; sprak hij, „want ik mis nooit met mijn boog; zelfs den vogel in de snelste vlucht haalt mijn pijl uit de lucht (mv.).quot; „Gij zijt een kunstenaarquot;, antwoordde Philippus spottend. „Jammer, dat ik juist nu met menschen oorlog voer; zoodra ik echter met de spreeuwen begin, zal ik u het allereerst in dienst nemen.quot; Aster was door dien spot beleedigd en sloop naar (= in) de belegerde stad, om zich op den koning te kunnen wreken. De belegerden ontvingen hem goed en wezen hem een post op den muur aan. Reeds [op] den volgenden dag, toen de koning door de rijen zijner soldaten ging, om hun moed

Boogschutter, 230gcn|quot;cf)ütic; versterkt, feft; genaamd, tttlincuë; missen, fcfllen; lucht, Cuft, 1U. (ie kl.); halen , (hier:) {)eïUntev[)Olcn; kunstenaar, .fünftlev; spottend, fpottijd); juist, gerabc; spreeuw, ®tar, m.'het allereerst, ju ntlercrft; sluipen, fidj fd)Icic()cu; zich wreken op, fidj rcidjeit au; ontvangen, aufitctymen; post, poften, m.; op, an; rij, iïïcilje, lu.

ocr page 11

9

aan te vuren, vloog hem plotseling een pijl in 'trechter oog. Men snelde toe en haalde den bloedigen pijl er (o) uit en las met verbazing een opschrift. Het luidde: „Aan het rechter oog van koning Philippus! Aster.quot; Zoodra de koning zich hersteld had. beval hij een anderen pijl in de stad te schieten, met het opschrift; „Wanneer koning Philippus de stad inneemt, dan laat hij Aster (mit 3ïrt.) ophangen.quot; De wonde des ko-nings genas* weer en de stad werd veroverd. Toen hield, wel is waar, de koning woord, en de voortreffelijke boogschutter kwam aan de galg, maar Philippus bekwam daardoor zijn oog toch niet weer en de lust tot spotternijen was hem voor altijd vergaan.

Vliegen, (hier:) frtljrcn; toesnellen, Ïjeïfidcilen ; uittrekken, I)etau§3icï)en; verbazing, (Jvftounen; opschrift, 3tuffc^rift, tt).; luiden, lanten; zich herstellen , fidj erf)0len; ophangen , fjiingcn; wel is waar, freiitd); voortreffelijk, Bortrefflicf); galg, ©algen, m.; spotternij, ©pötterei, ».

DE HOORNEN SIEGFRIED.

Siegfried, een koningszoon uit Xanten aan den Rijn, was zoo sterk en moedig, dat hem de tijd te lang viel, tot zijn vader hem het ridderzwaard gaf. Hij liep dus naar een smid en begeerde te leeren*, hoe men een zwaard smeedt. De smid stemde toe, wanneer Siegfried hem een tijdlang dienen wilde. Siegfried was daartoe bereid, richtte echter met zijn ontzettende kracht zooveel onheil aan, dat zijn baas hem gaarne weer kwijt geweest ware. Nu eens sloeg de sterke knaap namelijk den hamer stuk, waarmede hij smeden zou (iolleu); dan eens mishandelde hij de knechts, wanneer deze hem als leerling* wilden

Hoornen, (jorncrn; vallen = duren (iDatjren); toestemmen, cuimilligcii; een tijdlang, citte 0^- CttlC Irtng; ontzettend, mtgc^cticï; baas,

DJïctftcr; kwijt, los!; nu eens — dan eens, bnlï) ■—6alb; stukslaan, jcrfdjld: gen; knecht, Wefette.

ocr page 12

IO

plagen. Ten laatste zei de baas, om den wilden gast in het ongeluk te storten: „Nu, smeed je dan een zwaard en neem de proef er mee op (= aan) den draak, ginds in 't woud.quot; Siegfried was blijde en smeedde, dat het huis dreunde en de knechts van vrees wegliepen. Toen het zwaard klaar was, sprong hij op van blijdschap en liet zich door den baas de schuilplaats van het monster wijzen; maar meegaan wilde niemand.

Spoedig stootte (= trof) de jonge held op een bron, waaruit hij zijn dorst dacht te lesschen, die echter door den draak reeds bezet was. De strijd* duurde niet lang; spoedig lag de kop van den draak voor Siegfrieds voeten en het bloed vloeide in de bron neer. Toen kreeg Siegfried lust zich in dit bloed te baden ; en zie, van het bad werd zijn huid zoo hard (= vast) als hoorn. Geen pijl, geen zwaard kon er (o) indringen; slechts een enkel* plekje tusschen de schouders*, waarop bij het baden een lin-denblad gevallen was, bleef kwetsbaar en daar werd hij later ook werkelijk doodelijk gewond.

Plagen, nccfeit; ten laatste, julett, enblid); gast, Surfte, m.; in het ongeluk storten, ücrbcïÈen; een proef nemen, eine ^SroBc moeien; draak, 8ini)5 luunn, nt., ®vac§e; ginds, bort; dreunen, crbvöljiicn; van, uor; wegloopen, fortlaufen; klaar, UoKenbet; van, Dor; schuilplaats, Slufcntfiolt, m.; monster, Uttgeïieuef, f.; denken (van plan zijn), gcbentcn; dorst, Surft, lit.; lesschen , Ififdjen; bezetten, beieren; neervloeien, IjtnaBrimten; bad, 23ab, f.; indringen , einbvingcn; enkel, cin;tg; plekje, ^pial?cfyeit; lindenblad, JiubcnWatt; kwetsbaar, Ücrlmmbfiav; doodelijk, juin jEobe; wonden, licrlDUltbcit.

3 m p c t f c £ t 5j c § amp; o n j u n f 111gt; d.

S)er ©djüler jc^reiöe ginter bic ^nfinitiöe bcr nacfifteïjeubcu üeröcn baê ^mpcrf. ^onj.:

bieten, fmibeu, bitten, bleiben, bleid)eit, breien, briitgen, ejieit, fatjven, icdj^ ten, fmbeu, fliegen, ftietjeu, gebcu, geniefecit, gtefien, gejdje^en, gteid;eu, glim

ocr page 13

11

men, graben, fjalten, letben, uctjinen, fdjaffen, fcfitngcn, fcE)liejien, [djneiben, fitsen, ipvedjen, tf)un, treffen, uerlieten, betgeffen, iniffen, steljen.

5- »•

biegen — bog — böge.

puf herben Ijaöcn im ^onj. ü ftatt H, n.l. ^clfcu,

ft er 6 en, lucrfen, loerbeu unb berber 6 en; 5. S.

fielfen — t;alf — f)iilfe.

(Sinige anbern ® er ben [}aben ö ftatt a im ^jmperf. bes Al'on= juuïtiü§ unb jtoar:

befell en, b er ft en, fielten, fte^len, beginnen, ge= minnen, fd) lui mm en, finnen, f pinnen; j. 58.

befeïjlen — befall — beföt)[c.

1. Arme broeder, h a d t gij acht geslagen op onzen raad en waart gij voorzichtiger geweest, dan genoot gij nog met ons de genoegens van het leven. 2. Waren wij minder neuswijs geweest, dan zaten wij nu warm te huis. 3. Wanneer de zieke van deze vruchten at, dan kon het hem slecht bekomen. 4. Wist ik dat (o) mijn hart aan tijdelijk goed hing {— geboeid), dan wierp ik met eigen hand het vuur er in. 5. Indien gij de deur sloot, kon uw broer niet binnenkomen, als hij misschien een weinig vroeger naar huis kwam. 6. Het zou ons buiten beter bevallen*, wanneer er meer gezelschap was. 7. Toen Apollodores uitriep: „Ach, Socrates, gij sterft onschuldig!quot; antwoordde deze: „Wenschtet gij, dat ik schuldig stierve?quot; 8. Bij deze zeereis scheen het, alsof alle elementen zich tegen ons verbonden. 9. Wanneer men vernam, dat gij de waarheid niet gezegd .hebt, dan zou men u verachten. 10. Het ware te wenschen, dat alle leerlingen* lazen

Acht slaan op, acl)tcn auf; voorzichtig, Uorfid}tig; genoegen, greitbe, lu.; neuswijs, nttfetoetë; slecht, übel; boeien, feffchl; vuur, 93vanb, m.; er in, l)tneiu; binnen—, l)inciu—; builen = op het land; er is, C£gt; gibt; vernemen, erfnljven.

ocr page 14

1 2

en schreven zooals gij. 11. Stond een oude Batavier eens weer op, en zag hij zijn land eens weer, dan zou hij zeker groote oogen opzetten. 12. Wien zou ik mijn zaak beter aanbevelen, dan mijn besten vriend? 13. Wanneer wij altijd met het eenvoudige begonnen, en zoo tot het meer moeilijke overgingen, zouden wij spoediger tot ons doel geraken. 14. Bevond er (o) zich in iedere school een goede bibliotheek, dan hadden de leerlingen een schoone gelegenheid hun kennis (mv.) door lezen uit te breiden. 15. Het ware mogelijk, dat wij dwaalden en dat wij een verkeerden (valschen) weg insloegen. 16. Als de generaal ons nu beval den vijand aan te grijpen, dan hadden wij veel kans den slag te winnen en wanneer wij dezen slag wonnen, dan zou de vijand wel aftrekken. 17. Veertig jaren lang voerde Mozes het Israëlietische volk in de Arabische woestijn rond, opdat er (o) een jonger geslacht opgroeide, dat de kracht bezat, het land Kanaan te veroveren. iS. De naaktheid der behoeftigen kon bedekt (= gekleed) worden van (= uit) den pronk der ijdelen. 19. Wat zou het den mensch helpen (3), wanneer hij de geheele wereld won, en toch schade leed aan zijn ziel? 20. Wat zoudt gij doen, als gij soldaat waart en men u beval in het gezicht van den vijand over een rivier te zwemmen om een verloren vlag te halen? Welnu, ik zwom er over.

Opzetten, mttc()en; aanbevelen , cmpfcljlcn; doel, 3Hjecf( 3'c'' t- i gera-ken tot, erveidjen; bibliotheek, Sgibliotljcf; kennis, iïcmttni§; uitbreiden, Hennefiren; dwalen, fid; irren; veel kans, cinc gutc @elegcnl)ctt; aftrekken, nbjicljcn; rond, utnfieï; opgroeien , I)craulüctd)fen ; naaktheid , SBIojjc, Id. ; behoeftig, biirftig; pronk, g-littcrjtnat, in.; schade lijden, ©ctynbcn nc^inen; vernemen, erfafyven; in het gezicht, ange|tcf)t§; vlag, glctgge, 1».; welnu, je nittt; er over, fjinübcv.

ocr page 15

1. (Sinige herben, bie bei un§ ftarf fiub, fiub im Seutfdjcn id)luad), luie 5. 23. fpannen, bannen, giffen (hijschen), fra= gen, tand) en (duiken), f er ben, fd)enten nnb lad) en.

2. Stnbre ftnb jd)luad) in einer Skbeutung, in einer anbern ftarf; )o jinb j. S.

ftavt: idjmac^:

pftegen (in Stat pffS6'1 u. f. 10.) pflegen, gewoon zijn, verplegen

fc£)leifen, slijpen fc^leifen, sleepen, slechten

belüegen, bewegen, overhalen bewegen, bewegen (eig.), roeren.

Idjafjen, scheppen jtljafieu (in allen üfirigen ®ebeutungen)

3. ÏÏRan berh)ed)fle nid)t:

ftarf: fcf;tt)ad):

ftedjen (mit einem (djatfen (Segeuftanb) fterfen, | ' z'ttequot;

9Jian fagt: in lt;See ftec^en unb in ffivunb ftecfen.

bitten, verzoeken beten, bidden

liegen, liggen Isgsrc, leggen

faugen, zuigen iciugen, zoogen

ertvinfen, verdrinken (intï.) erttdnfen, verdrinken (tranf.)

ïiangen, (intr.) tjangen, hangen (tvanf.).

1

In de 16e eeuw was Gent grooter dan de hoofdstad van Frankrijk, wat Karei V deed (= liet) zeggen: „Ik zou Parijs in mijn Gent stekenquot;. 2. Wanneer de boog te sterk gespannen is, dan breekt hij. 3. De rechtschapen, rondborstige Aristides werd door toedoen van Themistocles door het zoogenaamde schervengerecht uit zijn vaderland verb annen. 4. Wanneer gij zonder vingerhoed naait, kunt gij u licht in den vinger steken. 5. Toen onze admiraal de vlag heesch, ving de strijd aan, die weldra algemeen werd. 6. Schillers duiker dook ten tweeden male in den afgrond, maar verdronk. 7. Mijn

Boog, 33ogeu. lil.; rechtschapen, bicbeï; rondborstig, getabe; toedoen, 3ut{)un, f.; schervengerecht, ©djevbengei'idjt; vingerhoed, gingerijut; naaien , luiljeu; duiker, Jandjev.

ocr page 16

•4

vader placht te zeggen: „wat men 's morgens doet, behoeft men 's avonds niet te doen, en 's avonds is de rust zoet.quot; 8. Wanneer men de kippen te veel voeder geeft, zoodat zij het laten liggen, dan houden zij op met (ju) leggen. 9. Ik durf onzen (den) buurman niet meer om zijn bootje vragen; ik heb het geheel bij hem verkorven, daar ik hem om zijn zonderlingen hoed uitgelachen heb. 10. In Birma, zegt de vorst Pückler-Muskau, worden de kinderen drie jaar lang gezoogd; daarentegen leeren zij vroeg rooken. 11. Wanneer iemand ons onwaarheden verteld heeft, zegt men: dat heeft hij uit zijn duim (= vingers) gezogen of uit de lucht gegrepen. 12. Tegenwoordig worden vestingmuren en wallen geslecht en in parken veranderd*. 13. Wat zou er (o) gebeuren, wanneer de aarde zich niet om hare as bewoog? 14. Nadat wij drie dagen op een gunstigen wind gewacht hadden, staken wij in zee en daar de wind gunstig was, verloren wij de kust spoedig uit het gezicht. 15. Toen de zieke zich bewoog, trad de geestelijke op hem toe, waarop de zieke hem verzocht met hem te bidden, en hij bad met hem. 16. Nadat de soldaten van Tilly naar hartelust geroofd en gemoord hadden, staken zij de stad Maagdeburg in brand. 17. Als de Germanen ten (in den) oorlog gingen (trokken), plachten zij ruwe krijgsliederen te zingen. 18. Men moet (jollen) de berenhuid niet verkoopen, eer de beer gedood (gestoken) is. 19. Ik zou (lUoUcit) u de boeken terstond zenden, maar ik weet niet waar de jongen zit. 20. De veroveringen, die de Karthagers in Spanje maakten, bewogen de Romeinen om (o) met de stad Saguntum een verbond aan te gaan. 21. Met een bewogen stem bedankte de grijsaard voor de eer, die men hem bewezen

Behoeven , brauc£)cn; voeder, gutter, f.; durven, magen; bootje, DJadjen, m.; daarentegen, bagogen; vroeg, fniljjeitig; wal, 3i!oU, ut.; park, 3tnlage; hartelust, ^(eïjenSluft; verbond, ÜiinbniS, f.; aangaan , ciugctjeu; bedanken, bouten.

ocr page 17

15

had. 22. Na den dood van Codrus schaften de Atheners de koninklijke waardigheid af. 23. De (o) natuur gaf aan alles, wat zij schiep, behoorlijk zijn wapens; zij heeft het paard met sterken hoef, gehoornd den stier geschapen. 24. Een brand van 1 7 dagen veranderde het trotsche Karthago in een puinhoop en, waar de vlijtige Phoeniciërs vijf eeuwen gewerkt en gehandeld hadden, weidden voortaan romeinsche slaven de kudden hunner verafwonende heeren. 25. Als men een vreemde taal dikwijls hoort spreken, gewent het oor zich aan de vreemde klanken. 26. Het portret hangt nu boven de sofa, maar wij willen het aan den anderen wand hangen tusschen de portretten onzer ouders. 27. De portretten hangen nu boven de sofa, maar wij willen ze boven de piano hangen. 28. Mozes zou (jollen) in den Nijl verdronken worden, toen de koningsdochter, die juist aan den oever wandelde, hem redde. 29. De lengte van een stok vermeerdert het aan zijn uiteinde opgehangen gewicht. 30. De waarheid verdrinkt nooit; al

duikt men ze ook nog zoo vaak onder (= wanneer men.....

onderduikt), zij komt altijd weer boven [het] water. 31. Theodora, de vrouw van keizer Justinianus, was een dochter van een oppasser der wilde dieren. Van haar prilste jeugd hadden haar ouders er haar aan gewend, op het tooneel voor het gemeen allerlei grimassen en grappen te maken. 32. Door het vele dragen gewent men aan (o) zijn kleeren (310.). 33. Wie in zijn jeugd geen orde en netheid leert, die leert het nooit; daaraan moet men zich vroeg gewennen. 34. Coriolanus belegerde Rome, waaruit hij verbannen was. 35. Mijn horloge stond

Kon. waardigheid, tëönigsioiiïbe, lu.; behoorlijk, gehorig; gehoornd, ge= t)öint; puinhoop, ©djuttljaufen; werken, {djajjen; weiden, treiben; veraf-wonend, jevn; klank, tout, in.; sofa, Soja, f.; wandelen, luftluanbellt; uiteinde, @ube, f.; onderduiken, untertaudjcn; oppasser, Söarter; pril, jriif); tooneel, 'i^cateï, f.; gemeen, ïpöbel, m.; grimas, ©rimafje, m.; grap, ^ojfe, 1U.; veel, Ijiuifig; netheid , Dïettigfeit; belegeren, belagcm.

ocr page 18

6

plotseling stil, maar het begon (= ving aan) weer te loepen (= gaan), zoodra ik de veer bewoog. 36. De Frankische koningen bezochten de jaarlijksche volksvergaderingen in een met 4 ossen bespannen wagen.

Frankisch, jvnufifd); vergadering, ffievfatiuullllig.

ONTROUW.

Een muis wilde over een water, maar zij kon niet. Toen verzocht zij een kikvorsch om raad en hulp. De kikvorsch was een schelm en zei tot de muis; „Bind uw poot aan mijn poot, dan wil ik zwemmen en je er overtrekken.quot; Toen zij echter op het water gekomen waren, dook de kikvorsch onder en wilde de muis verdrinken. Terwijl nu echter de muis zich weert en werkt, vliegt er (o) een wouw voorbij en pakt de muis. Natuurlijk trekt hij den kikvorsch er ook uit en — vreet ze beide op (o).

Kikvorsch, gtojd), m.; er over . . . ., f)iuübeï . . , zich weren, fid) wervelt; werken , Oïbeiten; wouw, Sffieifj, m.; voorbij—, bo()er—; pakken, t;a|d;ert; er uit, Ijerauë.

SRögen — bütfen.

ögen öebcutct bie Suft, ben Üöideu Ijaöeit, genci^t )cin; 5. 93.

^sd) majJ md)t effen (ik het) geen trek, geen lust enz.). JJd) Utodjte tutffcil, 1U0 ei' ift (ik zou wel willen weten enz.).

SDiirfen bejeic^net bie preitje it, bic @ r [ a u 6 u i s; j. 93.

®u barfft ba§ nic^t t^mt, beine (Silent luotteu eS md)t ^aben (gij moogt enz.). £)l)tie Sogbfdjein barf nientanb jagen.

(Srteilt bei- (Spreienbe einem anbevn bie (Sr(au6m§, )o geövaudjt er ba§ Verbum mogen; 5. 93.

iöev mir ben ,i3ed)er faun tuieber jeigeit, ev mag ifin befalten.

ocr page 19

17

Gotten — niecben.

®eirt Sollen geflenüöer fte^t immer eiu SBolien; b. f). menu eö cinen giebt, bcr joll, fo gieöt e§ einen anbern, ber will; j. 43.

Su ) o 11) t gleid) fort (id) to i 11 c§). ®u ) o 11) t itid;t iquot;tel)lcn (baê (Sefetj will e§ nic|t). ISr foil gteicfi fommen (incin Sater tu i 11 eS). @ o 11 ic^ ba§ iBud; gleid; bringen? (Sfiollen ©ie, baf; . . . ?)

bieïeu öeiben Iclptcn ©dljen luiirben loir moeten jagen; luir überfe^en follen and; tvo^l mit behooren; j. 23.

SJian jolt (behoort, moet) immer [eine ^flidit t^uu.

(Sollen luirb and) gebrancfit, toenn ettuas nl§ ein @erüd)t bargeftellt loirb; j. 23.

6r foIt in aller ©tilte abgereift ( ' ^at: ......

• lt; Hij moet in alle stilte......

)ein. / '

l Het gerucht (men) wil, dat hij . .

28 er ben briidt eine reine 3utunft au§; 5. 23.

3d) luerbe töaljrfc^einltdj fd)on morgen einen 33rief erfiatteu.

SBem. Zullen bei einem luirb gar md)t ober burd) too Hen

iiberfejst; 3. 33.

Hij beloofde te zullen tSr uerfprad) ju fommeu

komen. ob. fommeu 511 to olie 11.

1. Indien gij geen lust hebt naar het paardenspel te gaan, ga dan met uw neef Hendrik naar den schouwburg. 2. Wij zouden dezen zomer gaarne een klein pleizierreisje willen doen, maar de omstandigheden zijn ons niet gunstig. 3. Mag ik na mijn onvergefelijk gedrag nog hopen, dat u mij zult aanhooren ? 4. Gij gt;Hoogt de menschen niet beoordeelen naar datgene, wat zij zeggen, maar naar datgene, wat zij doen. 5. Geloof niet alles, wat gij weet; doe niet alles, wat gij wilt. 6. Een weldaad behoort nooit verweten te worden. 7. Zoodra gij uw

Paardenspel, (JtrfuS, m.; schouwburg, Sfjeater, f.; pleizierreis, ïBergiiü= gungêreife, 10.; omstandigheid, Umftanb, m.; onvergefelijk, uttuerjei[)lid); gedrag, 33euel)mert, ].; verwijten, uortoerjett.

spruyt, Sprachübungen. 3e druk. 2

ocr page 20

werk af hebt, Karei, moogt ge uitgaan. 8. Frederik heeft thuis moeten blijven en niet mogen uitgaan, omdat hij niet wel is. 9. Na den slag bij Cannae moet Hannibal drie schepels gouden ringen, die van de armen der gedoode ridders gestroopt waren, naar Karthago gezonden hebben. 10. De huizen der Spartanen waren zeer ruw en zonder alle gemak, daar slechts de bijl en de zaag gebruikt mochten worden. 11. Velen beklagen zich over het geluk, die zich slechts over zich zeiven beklagen moesten. 12. Ik heb geen lust hier langer in de hitte te staan; laten we voor de deur in de schaduw gaan zitten. 13. Men zegt, dat ons tam rundvee van den bison afstamt, dien men nog in de wouden van Lithauen aantreft. 14. Gij zult niet stelen, zegt het achtste gebod. 15. Men moge klagen

over een zwaar verlies, maar men mag nooit over een hard lot morren. 16. Gij zult toch zeker niet zoo onedel zijn, om (o) uwen vijand, die ongelukkig is, nog ongelukkiger te maken. 17. Willem heeft mij gezegd spoedig te zullen schrijven, hoe het hem in zijn nieuwe betrekking bevalt. 18. Zal ik de brieven dadelijk naar de post brengen, of wilt u, dat ik eerst postpapier haal? 19. Wat dunkt u, zullen we morgen mooi weer hebben? Neen, mijn vriend, naar allen schijn sa/'t morgen regenen. 20. Als die man zegt, dat hij mij niet betalen wil, dan zeg ik, dat hij betalen zal; 'k zal wel een middel vinden, om (o) hem daartoe te noodzaken. 21. Julius Cesar placht te zeggen, dat hij liever de eerste in een dorp dan de tweede in Rome zou willen zijn. 22. Wie niet zwemmen kan, behoorde nooit in diepe waters te gaan.

Werk, SMrÊcit, lu.; af, bccnbigt; schepel, ©djefjel, m.; stroopen, ftretfen; gemak, Sequcinlicï)teit; bijl,- ©eil, hitte, ipi(5C, 10.; schaduw, ©coatten, m.; bison, Ur, m.; tam, Jdïjm; gebod, @ebot, f.; verlies, SSertuft, m.; morren , nuirren; betrekking, ©telle, 10.; naar, ailf; postpapier, Skicipopieï; naar allen schijn, dtlem 3(njct)ein ttad); noodzaken, nötigen.

ocr page 21

DE EZEL IN DE LEEUWENHUID.

Een weggeloopen ezel vond in het bosch toevallig de huid van een leeuw. Hij stak zich er in en joeg menschen en dieren schrik aan. Zijn meester (= heer) zocht hem overal. Toen de ezel zijn meester zag, begon hij op vreeselijke manier te brullen, want hij wilde ook dezen misleiden. Maar zijn meester pakte hem bij de ooren en zei: „Anderen moogt ge misleiden, met mij zal het je niet gelukken; ik ken je, mijn waarde langoor.quot; Bij deze woorden gaf hij hem een duchtig pak slagen en joeg hem weer naar huis.

Weggeloopen , eittlttufen; iemand schrik aanjagen, eineit irt ©djred'en fetjen; zien, fe£)en, erbticf'en; vreeselijk, füïdjterücf); brullen, brullen; misleiden , tiiufdjen; pakken, pacten; bij, an; met, bei; waard, lieb; duchtig, tüdjtig; dracht, ïrad^t, 10.; jagen, tixiben.

^nbircttc iHcitc.

ü^iebevljolt man ben ©ebaufcu ober bte iCuojage cineS anbern uur bcm ^ntjaltc, nidjt ber gorm nad), fo bebient man ftd) bev iubirefteu !)kbe; 5. iö.

SRein grennb cvjatjlte mtr: „$d) I)abe in bev .pauptftvafïe ein {djoneS .vianB gefauft.quot; 3nbiveftc Sebe: SJJein g-rennb erjiitjlte tniv, bajj er in ber .paupi! jtrajje ein fdjönes ijanS gefanjt £)abc, ober, SJiein grennb evjörjlte ntiv, cv l;abe in ber ^auptftrajje ein fd^oneS ^)au§ gefanft.

SMe Sonjuuftion ba[5 faun alfo Dor ber iubirefteu 9tebc iueglt; bleiöeu, baun bleibt bic SBortftettuug bie bev birefteu ^ïebe; j. 43.

tór fagte; „3d) bin franf.quot; (gr l'agte, bnfe er fvanf fei, ober: (ïr er iet trant'.

ifor eiuer Idugeren ©a^Oerbinbuug lafjt mau geioöljulid) bic ^oujuuftiou bajs lucg; j. Ü3.

(ïv fagte ju inir: raar im Sotitmet bc§ 3at)veë 1850, al§ id; ®ie

2*

ocr page 22

ZO

fcniten levnte in bent §aufc bc§ .sperm X., bei bent ©ie bamalS lofltevtcn.quot; 6r fogtc ;ii mtv, eS fei ini ©omntei' beë 3nt)ïe§ 18öü gemeten, alë er inid; im .fSou|e bc§ §evrn X., 6ci bent id) bantals logicrte, fennen levnte.

S)a§ ©erbum tit bev iubiveftcu Dtebc int .ftüitjiiitfliü.

(Sent. 3^) ia9e Mï jo, baf; e§ (o ift.)

^tt bcr 9tegcl gebrand)! ntait im S)cut)d)eit in bev inbireften Dtebe ben Jïonjunftiü bcr J^^tform, bie in ber biveften 9iebc gebrand)! war. $aitit man jebod) in bent gall an ber gomt beë ^crbniitê ben ^onjnnftib nid)t erfenneit, fo niinmt man anftatt ber 5|3ra|en§form bie ent)precf)enbe ^'npcrfcftforin; j.

3d; fagte ju i^tn: „3d) fiaBe fd)oit tjanfiger Betnerft, bajj it. f. W.quot;

Snbirefte SRebe; 3d) fagte ju ir)in, id) r)attc id)on Ijanfiger bemerft, baf? n. j. to.

Ülntüii. Sev Sd)üler neranbete nttit iit ben beibett tiod)fotgcitben ©liidett bie birefte !)iebe in bie iubirefte.

Sintfcr Ohtbolf unb SWlülter.

2tl§ ^aifer S)hibo(f einft fein ^oftager lJ jn ÏÏRainj I^atte, fain cin Sitrger Don 31ridj, ÏRitder, jn il;m. ;)hibolf, iucld)er

eben Don ben (Sropen beS iReid}c§ nmgeben mar, empfing iljit I^er^ lid) luie einen 43rtiber tmb fteUte i^n ben giirften nnb §erren Dor. ®ie]e fonnten e§ nidit begreifen, bajj ber iTaifer gegen einen ge= ringen ÏOiann fo Diete §erabtaffnng 2) jeigte. S)a erjatjUe ber ^aifer:

(,2Uê id} .^atiptinann ber ^itridier mar nnb mit bent ©rafen Don 3ïegen§6nrg ^rieg fiifirte, ^atte id) mid} ju meit abfeits ge= loagt, |o bajj bie SOiannfc^aft inir nid)t mefjr ju ^i(fe fommen tonnte. £)ie geinbe brangen auf mid) ein, unb DerlDuubet burdj ein ©efdjop :y) fie! id) Uom tpferbe. ®a fam biejer iöürger Don ^itrid), |d)!tig bie feiub!id)e Umgebung mannlid) in bie glud)!,

i) hof, hofhouding; 2) vriendelijkheid, minzaamheid (van een meerdere tegenover een mindere); 3) wat geschoten of geworpen wordt: pijlen , speren.

ocr page 23

2 I

l'eiMc mid) auf mciu eifleucS ^fcvb unb fiïïjrte mid) uou bcm ^-ciubc loeg. ®cs()a(f) iucrbe id) if)u immer al§ ben IKanu cljveu, ber mir mit ©ottcë §ilfe baS VcOcn gerettet f)at.quot; Apicrauf |d)Iug cv i()u jum fitter. (So oergan Diubolf Don ^abêburg and) in aUem ©liicf unb in ber I)üd)|'tcu §evvlicf)feit bcv ircuc unb 3)aufbarfeit gegen feine friseren greunbe nid)t.

NB. ®a§ SBort b i c | e r (SSiirger oou fnitn ™ ^ev inbivcften 8tebe

irid}t fteljeii fileiben (loannn intfitï). ÜJimi muf; e§ alfo biivd; etuen cmberu Slugbrucf erjeyen.

2)ci- «ri)ülcc bcv Stmeifc.

■ (Sin (SvoDcrcr Oerbanfte feine unb ©röf^e [)aupt)ad)lid)

fciner cijcrncn Se()aiTlid)t'cit 1). 9(uf biefe ïugcnb touvbe or 001'= jüglid)2) burd) folgenbeê (SrcigniS •'!) gefü^rt. „^n einem mcincr erffcn fêriegc,quot; erjci^Ite er, „fam id) cineê ïages fo fe^r ino ®e= brauge, baji; id) in ben Ohiinen eineö ©ebaubeë nor ben mic^ uer= folgenben Jeinben Sd)ul? fudjen unb bafelbft uie(e ©tunben berftedt bleiben mufste. ®ie §urd)t, meinen ®erfoIgern in bie ^anbe ju fallen, unb ber ©ebanfe, burd) bie erlittene SRicberlage ben ganjen ©etuiun meiuer biêl)erigen 'J ilnftrengungen5) ju berüeren, brüdten meiue ©eele nieber. ^vd) Derjtoeifelte an bent g(üdüd)en (Srfolg6) meiuer Unternel)mungcn unb befd)(o)^ fie anfjugeben. SDa fiel mir p(ö^lid) eine 3tmeife7) in bie 9(ugcu, bie bemi'd)t mar, ein ïöeijeitforn,8) gröfjer alê fie felbft, auf eine 3tn[)öE)e9) 511 tragen, S)a§ Xicrd)en fiel, loeun e§ mit feiner Saft beina^e obeu mar, immer luieber ^erab, unb id) jaf)(te neuuuub)ed)jig Uereitelte 3Serfud)e beSfelbeu. 31 ber e§ (ief?10) nid)t uad)10), unb bei bem fiebjigften ÏSerfuc^e erreid)te e§ g(üdlid) ben @ipfe[ ber ^nf)ö()e. SDiefeê ^eifpiel2) gab mir

1

volharding; 2) vooral; 3) gebeurtenis; 4) vroegere; 5) inspanningen; 6) uitslag; 7) mier; S) tarwekorrel; 9) hoogte; 10) iiacl)lajjcn; het opgeven;

2

voorbeeld.

ocr page 24

neucn ^Jïut, nub id) jog aus bcm @e)e^cneu cinc Scï;vc, bie mir Inciter fe^r oft ju 1:!) ftatten 12) tam:

©mfigeS 13) ^ïiiujcn gü^rt jitm ©dingen.quot;

12) te pas; 13) vlijtig.

(^ctuaït.

Übtntf) (mie oben). 6S gefellten ') fic^ jRinb, 2) @(^af jum Söluen unb jogen mit einanber auf bic 3a9^ cquot;tcn g-oijt. 5Da fie nun einen .^irfd) gefangen unb in uier ïeile g(cid) geteilt fatten, fprad) ber göiue: „^v luiffet, baf? ein ïeil mein ift al§ eureê ©efeUen; baê anbere geöüïjrt mir a(s eincm 5ïönige unter ben Xieren; ba§ britte mill id) ^aben barum, baf? id) ftdrfcr bin unb mefjr baruad) gelaufcn unb gearbcitet ^abc atë iljr alle brei; luenu iïir aber bas uierte fjaben luollt, )o müBt i[)r mir'S mit ©etoalt ne^men.quot; 211)0 muiten bic brei für ifire ÏÏJiü^c baö 9^acf)= fcïjcn unb ben Sdjaben jum Soljn f)abcn.

i) fid) gefetlen JU, zich voegen bij; 2) geit; 3) toekijken.

2)ie fieben $ta6e.

(Sin ®ater batte jicben ©ö^ne, bic öfters mit einanber uneinS tuurbcn. fiber bem 3anten ') unb ©treilen Derfaumten fie bic ïlrbcit. ^a, cinige böfe SJicnfdien fatten im ©inne, fid) bicjc Uneinigfcit ju nul?e ju mad)en unb bie ©öf)nc nad) bem ïobe beo haters um2) il;r (Srbteil ju briugen2).

®a liep ber eï;riuürbige ®rci§ cine§ ï.ageê alle fieben ©öl)ne juiammenïommcn, Icgte itjncn jicben ©tcibe oor, bie fc|'t jujammen gebuubcu waren, unb jagte: „5Demjcnigen non cud), we(d)cr bic)cn Q3ünbel ©tcibe cntjiuci brid)t, ja^le id) t)unbert grope Staler bar!quot; 3).

1) twisten; 2) briitgeu um, doen verliezen, ontnemen; 3) contant.

ocr page 25

23

(Sincr mxd) bem anbcrn ftreugtc aöe feine fircifte an, imb jcbcr fac^tc nacf) langem, uercjeblidjem 23cmül)cn: „(5§ ift gar nidjt inögltlj!quot;

„Unb bod},quot; fagte bcr SSatcr, „ift nid)t§ teister.quot; @r löftc4) ben Sünbel auf4) imb jerörad) cinen ©tab nad) bem anbern mit geringer ïOïüfje. „(Si,quot; riefen bie (Sö^ne, „)o ift eS frei(id) (eid)t, )o ïann eS ein fïeiner iïnaöe and)!quot;

®er SSater aber fpradi: „ïöie e§ mit biefen ©taben ift, )o ift e§ mit end), meine ©ö|ne. ©o lange i^r feft jnfammen ^altet, luerbet if)r beftef)n, unb niemanb loirb end) itbermcUtigen fönnen. 3Sirb aber baö 33anb ber ©intrapt, ba§ end) Derbinben foil, aufgeïöft, fo ge^t e§ eud), luie beu jerbrodienen ©tciben.quot;

4) aufïöien, losmaken.

N.B. Sittcrjeftionen unb Slnvebeiuörtcr fallen in ber inb. ;1ïebe natürlid) jucg.

'JiaturHd) fönnen and) ^ragen imb 3{n§rufnngen inbireït luieber= gegeben luerben; 5. 33.

®iïcfte Ptebe. ^wbirette 9tebe.

6r fvagte mic^: 3ft bein ©ruber 6r frogte micf), 06 mein ©ruber nod)

nocf) fronf? franf fei.

6t fragte: wer Ijat bas get^an? (Sr fragte, toer ba§ getljan fiabe. (Sr rief au§: SSie Jd)ön ift bod) 6r rief ait§, wie fd)ön bic itu§fid)t fei. btefe 3(u§fic|t.

35er ^mperatib ber bireïten 3ïebe luirb in ber inbiretten 9tebe burd) ijiifSüerbeu umfd)rieben, unb jloar burd) folteu unb mögeu; j. 23.

®irefte ilïebe. ^quot;Mrefte Otebe.

3d) rief iï)tn ju: „fiomin bod) Balb 3d) rief tfiui ju, er miige (ob. folie)

ju mir!quot; Èalb ju mir foutmen.

3d) fagte if)in: ©d)rei6! 3# l«ste « f-olle fd)reiljen.

2Senu iu ber bireïten SRebe ein St'onjuuïtiu ftebt, fo bleibt bicier in ber inbiretten 9kbe uuDerdnbert fte^eu; j. 33.

6t fagte: „SBenu id) (Selb 1) a 11 e, ®r fagte, loenn er ®elb 1) a 11 e, fo fo gin ge id; auf Oieifen. giitflc cv auf ;1ïcifcu.

ocr page 26

24

© d) 1 u jj b c in c r f u n g. SSenu in ciucr unb bcrfclöcu (grjci^hnuj bcibeê uortoiumt, biveftc uub inbivcttc :)fcbc, fo luirb man finben, babic bircfte 9ïebe bcfonbcrö bami angcluenbct mivb, lucnn man bic Veknbigfcit bcr ©avftcllnmj erl)of)cn mill.

itbungcn (mie oben).

IHfop ging einft nac^ cinem ©tabtcC}cn !)in.

6in SSanbrer fommt nnb griif;et ifjn

nnb fragt: „^Bie lange, grcnitb, id) jn gefjcn

bis ju bent gleden bort, ben toir üon lucitem fc^en?quot;

„®el;,quot; fpridjt ÏÏfop. — „®aS meif; id) luofjl,

bajl, menn id) tociter fommen fott,

id) geljcn mu^. StUcin, bu follft mir fagcn,

mie lange.quot; — „©eï)!quot; — „©er Al'erl ift toH;

id) merbe ind)tö bon if)in erfragen,quot; ')

bruntmt er unb geïjt. „§e!quot; ruft si(fop, „ein ïöort!

^mei ©tunben gcl;ft bu bis jum js-lecfcn bort.quot;

S)er SBanbrer b(cibt betroffen ftef)cn.

„@i,quot; ruft er, „unb mie meijjt bn'ë mm?quot;

„Unb mie,quot; üerfetjt Slfop, „fount ic^ ben x'tuofprud) t^un,

bebor id) beineu @ang gefeljcn?quot;

i) door vragen te weten komen.

^ie Saljc unb bic üöinufe.

5Die ïOMuje fielten einmal einc 35olfëberfammlung, urn fid) ju beraten, mie fie ben 9fad)ftelümgen ') ber iïatjen cntge^cn foUten. ®a mar aber guter :)fat teuer, unb oergebeno rief ber i^orfil^er bic erfaf)rcnften ï'Mufc ber ©emeinbe auf, bió enblid) ein iunger ^Jcauferid)2) jmei g-inger emporftreefte nnb uin bie (Srlaubniö bal

i) vervolgingen; 2) mannelijke muis.

ocr page 27

2S

ju ipxTd)cu. 511S biefein mm baö 28ort gcgeöeu luarb, fjub cv au unb )pvad); „^d) [jabc lange barüöcr iiad)gcbad)t, luavum uuS bic itaiH'n )o gcfdf;rlid) finb. Saë liegt uid)t joluoljl an i^rev ®e= )d)imnbigfeit, iuouon jouiel S[igt;c)en§ :1) gemaft toirb, — loürben luir [ie ju vedjter 3^ getoatjr, jo toaren luir iuo()( öe^enbe genug, in unfer Sod) 511 enteringen, elje fie uuê etiuaê anl;aben 1) fönnten. ^Ijve Überlegen^eits) liegt bietme^r in iljren famtenen ïpfoten, unter tuctdjcn fie iï)re graufaincn kratten l!) i'o lange ju berbergen toiffen, (në fie un§ in ben ïafeen 2) |a6en. SDenn ba loir ben (Sdjatl ber italjen nidjt Oernel^incn, fo tanjen unb jpringen loir nod) uubeforgt über Sli)d)e unb 93önfe, loenn ber 'Jobfeinb fc^on ^crüor)d)lcid)t7) unb ben öucfel juin (Sprnnge trümmt, nn§ ju ^afd)en unb ju loürgen. SDarum i[t meine OJïeinung, man mflffe ben Gateen bic ■©d)eUc anl)angen, bamit ber (Sd)all nnê if)re iftd^e oerfünbe, beuor eê ju fprit ift.quot; SDiefer 3ior)d)lag fanb fo groten Slnflangs), bafj er alóbalb juin 23efd)(uf3 erf)oben loarb. (Ss fragte fid) jebt uur nod), loer es üöerneïjmen follte, ber ^al^e bie ©d)etle anjiipn= gen. SDer ®orfi^er mcinte: „§ierju luirb niemanb geeigneter10) fcin al§ berjenige, ber fo fd)(anen S^at erbadjt I)at.quot; SDa geriet ber junge SOidnferid) in ïkrtegenljeit unb ftotterte bie @ntfd)ulbi= gung ^eraus: „^d) bin t)ierju ju jung, id) fenne bic iïabc nid)t genug; mein ©rof^Oater, ber fie beffer leunt, loirb baju gefd)icfter fein.quot; 3)iefer erfldrte aber: „©ben loeil ic^ bie iïalje ju gut tenue, luerbe ic^ mid) iooï)l pten, einen fold)en ituftragn) ju ïtberncl)inen.quot; 2tud) fonft looütc fid) niemanb fyicrju OcrftcI)en, unb fo blieb ber 33efd)(ufj unauëgefiU)rt nnb bic ,^errfd)aft ber ^al^en über bie s)JJaufe ungebrod)en.

1

8) bijval; 9) op zich nemen; 10) geschikter; 11) last, taak.

2

(Sin tófel begegnete eincm Ijnngrigen SBolfc. „§abe 2Ritleiben

ocr page 28

20

mit miv,quot; jagtc bcr jitternbe @fc(; 6in cin avmc§, t'rauïeS ïicr; jtcf) uur, toaö fflv eiuen ®orn id) mir in beu gufj getreten (jabc!quot; —

„ï^aljrfjaftig, bu bauerft') mid),quot; üerfe^te bcr S5?oIf, uub id) fiube mid) tu meinciu ©cUnffcu üerbuubeu, bic^ öon biefen ©d)incr= jen ju befreien.quot; —

i?num lunr bas iigt;ort gefagt, )o tuarb ber (Sjel jerriffen.

i) bil bauevft luid}, gij boezemt mij medelijden in.

Xiic iBicnc uub bic SBïCinfe.

©ine 23remfe') gab 2) einft bei ber Arbeit öon meljrcren 23ieneu eiue lt;3u)d)auerin ab.2)

„§m!quot; fing fie enblid) nn ju )unimen:!), „tüaê biefeS für eiit fteifeë, gejtoungeneë, Iangfame§ @e)d)aftl) ift! SBoju niibt e§ mm, aiïeê fo abjujirïeln 5), )o forgfciltig einjuteilen, fo übertricben rein(id) ju mad)cu? toürbet iquot; ber ^eit, bie i^r mit biefer uuuötigen Orbnung berliert, jel)nmal ein= uub anSfltegen ïönnen.quot;

„@töre un§ nid)t, meine greunbiu!quot; erluiberte eiue 33iene: „llu; orbuuug idjeint nur, ju förbern, unb ift am @nbe ber gröfïte ^eit-Oerhift; aber bie .vmlfte feiner xUrbeit f)ai berjcnigc getf)an, ber fid) frït()jeitig au Orbnung geiuöfjut.quot;

i) ^ rem je, paardenvlieg, horzel; 2) zijn; 3) gonzen; 4) werk; 5) afronden.

^cr $tveit urn bic 'öJiefc.

inm jluei alten (3d)lueijern luirb erjciïjtt, baf; fie einen ©treit um eiue 2Biefe fatten. .Jeber glaubte cin gute§ 9tcd)l au biefetbc ju [)aben. 5)a ïam cineS ïagcë ber eiue jum anbern unb fagte i[)m: „3^ f)a6c bie ;)èid)ter jufammen fommeu taffen. 3Bir maren beibe nid)l gele^rt geuug, unfere @ad)e ins Dteinc ju bringen. .'itomm morgen mit oor @erid)t!quot; S)er aubcre antluorteie; „^d)

ocr page 29

27

ïcmn morcjcn md;t, id) Ijcièe mein §cu gemci^t; es mup einge6rad)t lucrbcn.quot; 3frtc£) eiuigem ÜBeftnnen fügte bericföc {jiuju: „@eï; bu bod) allcin, j'age ben 9ïtd)tern beine unb ineine ©rünbe, uub laf; fie bann eutfdjeiben.quot; ') S)er aubere naï)m es au, ging, fül)vte 6cibe ©ad)en in )cf)(id)ter -) ïöa^r^eit, fam am 2t0cnb tuieber, trat bei bem SBiberfadjev 3) ein unb berfünbete i[)m: „5Dic ;)fid)ter I)aOcn für bid) entfc^ieben. ©ottlob, bajj unfer §aber4) aus ift.quot;

l) beslissen; 2) eenvoudig; 3) tegenpartij; 4) twist.

^•vagc: Sftad) lueld)en 3Ser6en fommt a(|o ber ^oujuuftit) HovV

i. De Perzen geloofden, dat de zon de eenige god was. 2. Mijn vriend beweert, dat hij u in den dierentuin gezien heeft. 3. Men verzekert, dat het gebruik* van het buskruit den Chineezen reeds bekend was, voor Barthold Schwar/, het uitvond. 4. Goud en zilver zijn de eenige deugden van vele lieden, die gelooven , dat armoede en ondeugd gelijkbeteekenend zijn. 5. Solon had gelijk m6t (o) te zeggen, dat men over de verdienste van een mensch eerst na zijn dood kan oordeelen. 6. De Arabieren zeggen van den Libanon, dat hij op zijn hoofd* den winter, op zijn schouders de lente en in zijn schoot den herfst draagt, maar dat de zomer aan zijn voet aan de Middellandsche Zee sluimert. 7. Iemand pochte, dat hij een geheel schepel dukaten te huis had. Toen* hij zetoonenzou, haalde hij een klein rond doosje voor den dag, dat men met de hand bedekken kon. Maar hij redde zich met een goede uitvlucht: de dukatenmaat, zei hij, was kleiner dan de vruch-tenmaat. 8. Gij kent de vertelling van den herdersknaap, die de gewoonte aangenomen had van te liegen (= zich het liegen aangewend had) en meende, dat men voor de grap wel liegen mocht. 9. Harun al Raschid droomde eens, dat hem al zijn tanden uitgevallen waren. Hij liet een droomuitlegger komen

ocr page 30

28

en vroeg, wal de droom te beduiden had. Deze zei, dat hij al zijn bloedverwanten zou zien sterven, üe sultan, vertoornd over deze uitlegging, liet hem honderd stokslagen geven en een anderen uitlegger roepen. Deze antwoordde op de vraag: wat de droom beduidde: „Moge de hemel uwe aanverwanten een lang leven schenken! De droom beduidt, dat gij ze allen zult overleven.quot; De kalif liet hem honderd dukaten geven. Eigenlijk hadden beide uitleggers hetzelfde gezegd.

Beweren, bcljaitptcn; dieren—, Sier—; buskruit, ©djiejjpulBer, f.; Chinees, ©tjiiiefc; verdienste, Sevbicilft, f.; sluimeren, fdjlummern; pochen, ijodjeu; schepel, ©cf)e[fel, ut; doosje, ©cpityteldjen; voor den dag, jinn 93dv= fdjeiu; zich redden, fid) ï)elfcn; uitvlucht, 3(uSvcbc, lü.; vruchtenmaat, grudjtinaj;, ).; zich aanwennen, fid) aiujciuöfjucn; voor de grap, int ©djeq; wel, fd;oit; droomen, trctlimeit; uitleggen, auêïegeu; de bloedverwant, bei' iienunitbte; vertoornd, cïjünit; eigenlijk, hu (Sruubc.

SBcvbcu mit 2)atiu.

©tnige ScrOcu, bie bei uite einen ?(f f u j a t i ü crfovbcvu, tocr= ben im SDcm|d)eu mit bent SDatib geöraudjt; bic ü6Hd))'tcn finb:

banfen, danken gtauOen, gelooven

bieuen, dienen gleid)cu, gelijken op

broljen, dreigen (jelfcn*, helpen

folgen, volgen raten, raden

ld}abeix, schaden )d)incid)c(n; vleien tranen, vertrouwen trolpen, trotseeren.


nebft; begegnenf) (bejegenen, ontmoeten), 6eiftef)en, erlicgen

') Slud) bic Stbleitungen unb ^nimiuneii).; rtitêgenommcn fi d) amp; et; elf en. t) SBivb mit feht fonjugiert.

N.B. X ran en (door den echt verbinden) erforbert ben Slffnfati».

®en ^rautigant unb and) bie 33raut Sic t)at bev .sjerr ^aftov getvont.

ISas bcbeutct: irauc, fdjauc, lucnt (©pvud))?

ocr page 31

29

(bezwijken aan) unb bic 3?crbcn, tucldjc mit Juibev (weer, tegen) jufammengefetjt finb.

SDie 35er6en eb tenen, 6ebroï;cn, öefoltjen (opvolgen) regicren beu 2tïf.

i. De Grieken vergaten nooit den goden te offeren , om hen te d a n k en , wanneer zij een overwinning behaald hadden. 2. Vertrouw die menschen niet, die iedereen (= allen) vleien.

3. God groet menigeen, die hem niet terug groet (= dankt).

4. Karei, de vader van Pepijn den Korten, werd hamer genoemd, omdat niets zijn dapperheid kon weerstaan. 5. Volg steeds de raadgevingen uwer ouders en onderwijzers, zij zijn uwe beste vrienden. 6. Het is schadelijk voor de gezondheid, langer dan 8 uren te slapen. 7. Wie niet te raden is, die is niet te helpen. 8. Gij zult niet alleen ieder het zijne laten, maar hem ook met het uwe bijstaan. 9. Petersburg heeft zelfs in den winter nachten, die o p den dag g e 1 ij k e n. 10. De menschen beloonen vaak diegenen, die hen raden en dienen, met ondank, zij haten degenen, die hen weer-spreken en gel 00 ven hen, die hen vleien. 11. Een tyran dreigde een filosoof met den dood. „Heb ik u gezegd,quot; antwoordde deze, „dat ik onsterfelijk ben?quot; 12. God beware mij voor dengenen, op wien ik mij verlaat; ik zal mij zei ven behoeden voor hem, dien ik wantrouw. 13. Ulysses beval zijn matrozen, hunne ooren met was dicht te stoppen; hij zelf liet zich aan den mast binden, om het tooverachtig gezang der sirenen te weerstaan, 14. Uw morren zal tot niets dienen (= helpen), volg mijn raad en trotseer de bevelen, die men u gegeven heeft niet; geloof mij, het zou u (gij zoudt het) berouwen. 15. Deze jonge man bezweek aan een ziekte, die hij zich zeiven door zijn roekeloosheid op den hals had gehaald. 16. Ik zal mij vooreerst met dit slechte woordenboek behelpen; maar wanneer gij Frits ontmoet, verzoek hem

ocr page 32

3°

dan, mij het zijne voor (nuf) een paar dagen te leenen.* 17. Den knecht, die ons bediende, bedreigt een groot ongeluk; zijn spaarpenningen, die hij aan een handelaar heeft toevertrouwd, zijn waarschijnlijk verloren. iS. Ik heb dien man dikwijls ontmoet en ik ken hem nog niet. 19. Wanneer iemand u een goeden raad geeft, volg dien dan op.

lïehalen , ba»0li tragen ; raadgeving, SKatfcIllag, ill.; ondank, Uiitxmt, m.; zich verlaten op iem., fid) jciltctnb ttlUH'VlrOUCn; zich behoeden voor, fid) fd)Üt}CU UOï; wantrouwen, mifjtraueu; raatroos, SDJatvoje; dichtstoppen, 311= ftopjci!; mast, iUaft(bauin); tooverachtig gezang, ^aiIÊettOU (SJie^rt).); het berouwt mij, ca reut mirf); zich iets op den hals halen, fid) etluas jlljietjClt; roekeloosheid, .Ifudjlofigfeit; spaarpenning, ©païpfennig; raad, -Hot, ill.

sj!)iari)cu — Urn 511.

®tc beiit)d)C opradjc (jeOraudjt oft marl)en, luo luir doen [)nbcn tmb jttmr:

a. in 5Mu§brÜcfen lüic: einc Mcife mad)en, ciiicni ÏSonuiirfe (verwijtingen) ui ad; en.

b. bei einem 5. ^3.; bu mad)ft (doet) mid) Iad)eii.

c. ffiaë lliad)ft bu'c' Wat voert gij uit?

J-aU untev b tuirb aud) luoljl lanen gebraudjt; j. 55. ®eiu Scuetjmcn (gedrag) ld fit mid) glaiibcn, baf; bu iiid)t jujfiebcn Infi.

d. Urn 511 fteljt tiov einem meun ber „Hiuccf nuS-flcbvüdt iuerben foil; J. 58. asir effen, um 511 leben.

aber;

üij dwong mij, om dat te doen, er llötigte ITltd), biefcs jlt tï)Ull.

Ik heb geen lust, om dat te doen, id) ï)ot)e feilie fiuft, baë 511 tE)ini.

Dat is hard, om te verdragen, ba§ ift f)art, JU ertrageu.

aSoïjl luirb um ju gefet^t, menu einem ^bjeftiu genu9 ober 511 uorangeïjt; j. 33.

ocr page 33

31

tèT ift retcf; genug, um ba§ i5aiIë 5U faufen.

Sl'ir fiub 311 evmübet, mn nujve ïlteifc fovtjufctjcn.

1. ^Vie heeft de eerste reis om de wereld gedaan? 2. De kunst, om kousen te breien, werd eerst onder Frans I uitgevonden. 3. Houd u nooit voor schrander of machtig genoeg, om de wetten naar uw believen uit te leggen. 4. Columbus heeft een groote ontdekking gedaan; een ander had ze kunnen doen. 5. Sedert de uitvinding* der lucifers gebruikt men den vuursteen bijna niet meer, om vuur te maken. *6. In de 16e eeuw was Gent grooter dan de hoofdstad van Frankrijk, wat Karei V deed zeggen: „Ik zou Parijs in mijn Gent stekenquot;. 7. Men is niet geschikt, om officier te zijn, zei Napoleon, wanneer men het hoofd anders dan door een kanonskogel verliezen kan. 8. Men is nooit te oud, om te leeren. 9. De ontzettende afstand der sterren en de glans, waarmee ze stralen, d o e n gelooven, dat het evenveel zonnen zijn, van welke ieder haar planeten en kometen heeft. 10. Wie zich sterk genoeg denkt, om iedereen te ontberen, bedriegt zich zeer. 11. De zelfzuchtige zou een boom omhouwen, o m een appel geheel op zijn gemak te plukken. 12. Welke gewichtige uitvindingen zijn er (o) in onze eeuw gedaan? 13. Oudere menschen hebben veelal de gewoonte, om des namiddags een slaapje te doen. 14. Toen Columbus de leden eener vergadering uitnoodigde, om een ei zoo op de punt te zetten, dat het bleef2 staan1, wilde ieder iiet beproeven, maar het gelukte niemand. 15. De geringe aanleg (mv.), dien mijn broer voor de taalstudie toonde te bezitten (= getoond heeft), heeft mijn vader aanleiding gegeven, om

Breien, jincfen; schrander, cinfidjtBöotl; believen, ScÜeBen; lucifers, 3ü«b= Ijoljev; bijna niet, fcumt; geschikt, gceiguct; ontzettend, ungeljcucr; afstand, (ïntfcvnuug; zich bedriegen, jïd) taufcf;cn; geheel op zijn gemak, galij tjaglid;; slaapje, ®d)lafcE)eit; lid, ÏUitglici), j.; vergadering, SSevjammluug; beproeven, uerjudjen; aanleg, 2tulage; taalstudie, ©pradjftuïnum, j.; aanleiding geven, tieranlajjen (jd;mad)).

ocr page 34

32

hem een andere loopbaan te doen kiezen. 16. Wat voert Hendrik toch uit? Ik weet niet, wat hij doet; hij zei mij, dat hij zijn thema in het net wilde schrijven.

Loopbaan, Üttllfbat)», lu.; in het net, iuë Mcilte.

herben, bic eincit ,3uf'n^iö ginter fid) ^aben, mit ober oljnc ^u, foinmcn in eiucm aöpngigen ©at^ ginter ben ^nfinitif 511 fteïjeu; j. 23.;

(vr (gelastte) ntid; fommen; after; 3(13 er mid; fommen ()icf?,

fing er nn 511 Iad;en.

1. Wanneer men een vreemde taal vaak hoort spreken , gewent zich het oor aan de vreemde klanken. 2. Waarschuw mij, zoodra gij den postwagen ziet komen; want ik wil ook mee. 3. Als gij mij een weinig helpt werken, zal ik je op je wandeling naar N. vergezellen. 4. Wie ten minste niet leert lezen, schrijven en rekenen, zal 't zeker niet ver brengen. 5. Ongelukkig is hij , die zich zeiven nooit weet te helpen. 6. Ofschoon ik mijn broer wist te overreden, u geen beleedigenden brief te schrijven, schijnt het toch, dat hij u op iedere wijze zoekt te benadeelen. 7. De vrienden en bekenden, die ik daar hoopte te vinden, heb ik helaas niet aangetroffen. 8. Toen* wij den sjouwerman lieten komen, vertelde hij ons nauwkeurig, wat er gebeurd was. 9. Zoo vaak ik dat lied hoor zingen, denk ik aan mijn goede moeder, die het altijd placht te zingen.

10. Menigeen zegt dikwijls meer, dan hij behoeft te zeggen, en daardoor brengt hij zich niet zelden in een neteligen toestand.

11. Ieder mensch geldt in de wereld slechts zooveel, als hij zich doet gelden. 12. Wat deden de Romeinen, toen Hannibal Rome dreigde te veroveren? Zij bevalen Scipio naar Karthago te trekken, om het in te nemen.

Klank, iiaut, Ut.; wandeling, Spajieïgang, m.; ten minste, luemgftenë; benadeelen, fdjaben (3); sjouwerman, ©ienftmann; behoeven, tmiudjen; netelig, mijjtid); toestand, Yüqc, to.

ocr page 35

33

DE STROOPOP.

Een boer had een schoon tarweveld. Daar kwamen de mus-schen en vraten de halfrijpe korrels op (o). Toen* ging de man des morgens in de (= alle) vroegte naar buiten, om op die spitsboeven te schieten; maar toen* hij op zijn akker kwam, waren zij er al geweest. Zij zaten nu in (op) den kerseboom van zijn (= den) buurman en snoepten kersen en maakten een leven, alsof zij pret hadden van hun spitsboeverij. De boer krabde zich achter de ooren en overlegde, wat hij doen zou (jollen). Op eens viel hem een goed middel in Toen hij thuis kwam, nam hij een stok, wikkelde er stroo om heen (o), maakte er (= hem) twee armen aan (o), trok hem vervolgens zijn ouden rok aan, zette hem zijn ouden hoed op en gaf hem een groote zweep in de hand. Zoodra het avond was en de musschen sliepen, zette hij dit monster midden op zijn akker. Toen nu den anderen morgen de musschen weer kwamen, ziedaar, daar stond reeds de boer in zijn ouden rok en met zijn ouden hoed op (o) en dreigde hen met zijn zweep. Daar hij er (o) zoo gevaarlijk uitzag, durfden zij niet nader te komen, maar loerden in de buurt, of de man met de zweep ook naar huis zou gaan. Maar hij bleef staan en, als de wind kwam, zwaaide hij zijn zweep zoo hoog, dat zij zeer bang werden (= dat hun ernstig bang werd). Eindelijk vlogen zij met een hongerige maag naar huis, waar zij in de kaaskamer een goed maal hoopten te vinden. Maar dat bekwam hun nog slechter. Toen namelijk de boer de musschen op (naar) zijn open venster zag loeren, verborg hij zich achter de deur en toen nu de kaasdieven naar binnen gevlogen waren en juist meenden, een gelukkige vondst gedaan te hebben, toen trok hij het venster met (aan) een draad toe en ziedaar, de heeren musschen waren allen gevangen.

Stroopop, ©trofjinatm; tarweveld, SBcijeuacfer, m.; musch, @patï, ®).ier= liltg, Ut.; korrel, jïont, f.; vroegte, j5vüfje, U).; naar buiten, t)tn(Ut§; spits-

SPRÜYT, Sjtrachübungen. 3e druk. 3

ocr page 36

34

boef, ©(ntjbuk, m.; er al, jd)OU ba; kerseboom, Siv[d§Baum; snoepen, uafdjen; een leven maken, lürmen; pret hebben van, fid) jveueu Übev; krabben , tïatscn; overleggen, üBevkgen; invallen , einfttUcii; thuis, ïuicE) .paujc; wikkelen, toicfcln; er om, barutn; vervolgens, bomt; zweep, *Pett(cf)e, ».; monster, Ungetihn, j.; ziedaar, ficljc ba; nader komen, fyevbeitonimeu; loeren, laucrn; buurt, 9iad)bar{d;aft; de man met de zweep, ber ^eitl'dieitntann; zwaaien, jdjioingen; bang, bange; maag, SDlagen, nt.; kaaskamer, Safefantmev, maal, SRaf)!, j.; slecht, Ü6el; zich verbergen, fid; Ocvftedeu; naar binnen, l)ineinj; juist, eben; meenen, glauben; vondst, g-unb, nt.

Das Substantiv.

ÏWiiintliri) finb 1. ®ie Dromen ber §inimcl§gcgcnben (windstreken), 3a^re§jeiten, SJtonate unb Sage; 5. 33. ber 9tov= ben — ber Often — ber grüljlmg — ber Sanuar — ber ïliittwod)

2. ®ie Jtamen ber ©teine unb S3 er ge; 3. S3, ber Sia= mant, ber 9Jioiit=S3[onc.

3. Sie SSerbatftamme unb if;re 3ufommcnfeöungen; 3. S3, ber g-Iug, ber ©riff, ber S3egriff, ber Sfngriff.

4. ®ie ©ubftantioe auf iug, iinii: ber gering, ber ©perling.

ilU'iljlirl) finb 1. ©ie Ocomen ber S3auntc unb grüdjte; 3. S3, bie (ïic^e,

bie (Srbfe. SSon ben S3amnen finb auSgenommen ber üt^0rn, ber ^ifang, ber §olunber, ber glieber, unb uou ben grüdjten ber 31 pfel, ber .Sürbiê unb bie ge lbfrüd) te: ber ÏReië (rijst), ber §afer u. f. in.; aber bic ©erfte unb bie itartoffel.

2. ®ie ïiamen ber 33 tuinen: bie sprimet (primula veris), bie Sturifel (auricula), bic Vilic.

Bie ïöörtcr auf c, ci, heit, feit, frfjaft, «uil.

Sadlliri) finb 1. ®ic SRatneu ber 33ud;ftabcn unb *Roten3eid)eu; j. S3, baë 3t, baë ga.

2. ®ie Siamen ber SWetalte; auggeu.: ber ®tat|I, bie S3 r 0 n 5 e.

3. ®ie SBörter auf htm; 3. 33. ba5 SSadjsitmn, auSgcu. ber nt e i d) t n ut unb ber Sïttum.

ocr page 37

35

golgeubc (Siibftantibe I;abcu 5 lu e i f a d) e r

bcr Snnb, band, boekdeel.

bcï ffiunb, verbond, bond.

ber (Se^alt, gehalte.

bev Jïieicr, kakebeen.

bev Smtbe, klant.

bcr £ot)lt, belooning.

bic SOfnvf, mark.

ber ©cl)ilb, schild.

beiquot; @ec, meer.

bei' ©proffe, spruit.

bev ffievbienü, verdienste (winst).

j lu c i c v 1 c i @ c i d) (c d) t bei SScbcutuug.

baê Soitb, band, lint.

bas ©uub, bos (sleutels, hooi enz.).

ba§ @et)alt, traktement.

bic jïicfev, pijnboom.

bic jïunbe, bericht.

bo§ l'oljn, loon (van een werkman).

bo§ SJÏarf, merg.

ba§ @ct)ilb, plaat, uithangbord enz.

bic ©ee, zee.

bie ©pvoffe, sport.

ba§ 35cvbienji, verdienste (verdienstelijkheid).


3iad])te()cnbe ©ubftautiüe fjabcn ein anbereê ®ejd)lccl)t al§ ba§ entfpredjenbe (jottdnbifdie 3Sort.

bev 3(l)jd)ieb, afscheid, ontslag.

bas 3l(llto[en, aalmoes.

ba§ siltev, ouderdom.

ba§ ÏKtevtum, de oudheid.

bev 3tnFev, anker.

bie Sllltloovt, antwoord.

bie 3h'I)eit, arbeid, werk.

bev Sll'tifcl, artikel.

bie S(ufitd)t, opzicht.

bev Stuabvucf, uitdrukking.

ba§ SBarometev', barometer.

ba§ $eil, bijl.

bic Sibel, bijbel.

ba§ ®oot, boot.

bev ffinnnten, bron.

bev (J^iovoftcv, karakter.

bns Satuni, datum

ba§ (ïcflO, de echo.

ba§ (ïleitb, ellende.

bev (SntfcC)lujj, besluit.

bev gatti5, vangst.

bie golgc, gevolg.

bcr (Sebvaud), gebruik.

bic (gebulb, geduld.

bev (Sefatten, genoegen.

bie @cfa£)ï, gevaar.

bei' (Mpvjam, gehoorzaamheid.

bev Jfioi, hof.

baê iïabcl, kabel.

bev £anal, kanaal.

ba§ Sanapee, kanapee.

bie Jtauone, kanon.

baê iïop, kaap.

bev .Sontpajj, kompas.

bev jïontvoft, kontrast.

bev itovpcv, lichaam.

bev .stvcbit, het krediet.

bev K'vug, kruik.

bie .®ugeï, kogel, bal.

baê Vaftev, ondeugd.


ocr page 38

36

bcr Suyilë, weelde.

bev 'DJiagen, maag.

bcv SJtonb, maan, maand.

ber 3)ïof(ï|ii§, muskus.

bie 9ïot, nood.

ber ïcutjen, nut.

bcr Ofeil, kachel.

ba§ Dl, olie.

bic Orgel, orgel.

bcr ^Salaft, paleis.

bcr ^latt, plan.

bcr ^rojcj^, proces.

ber ^unft, punt.

bcr ïpurpuv, purper.

bie ®aat, koren (op den akker).

bcr ©aft, sap.

bcr ©anb, zand.

ber @d)Ottcn, schaduw.

ber ©cfilant, slijk.

ber ©cljinuct, sieraad.

bcr ©d;itec, sneeuw.

bic ©djrift, schrift.

bag ©ofa, sofa.

ber ©peet', spek.

ber ©ctyrocijj, zweet.

bcr ïctbaf, tabak.

ber ïcil, deel (gedeelte).

boê Ufer, oever.

ber Untcrljalt, onderhoud.

ber Unterridjt, onderwijs.

ber Ulltcrfd;ieb, onderscheid.

bcr 2gt;erg[eid;, vergelijk.

bcr SBciiufl, verlies.

bcr SScrrat, verraad.

ber SSerftanb, verstand.

bcr iSorfaU, voorval.

bcr SSorteil, voordeel.

ber SSert, waarde.

bie SSurjel, wortel.

ber ^06'*


i. Welk onderscheid maakt gij tusschen wreedheid, die be-leedigt, en medelijden, dat nergens toe (= tot niets) dient? 2. Het lezen vormt het hart en verlicht het verstand. 3. Het gebruik is een der wetgevers der talen. 4.. Steek uw huis niet in brand, om de maan te ergeren. 5. De Noordzeekust van Duitsch-land is overal zeer vlak*, zoodat slechts kleinere vaartuigen den oever kunnen bereiken. 6. Thans gaan alle schepen, die vroeger om de Kaap plachten te gaan, door het Suez-Kanaal. 7. Wanneer men de beweging op het kanaal aanziet, wordt het (o) terstond duidelijk, wie het het meest gebruikt en dus ook het meeste nut er van (uit) trekt. 8. De belangrijkste graansoorten zijn de tarwe, de rogge, de gerst en de

Wreedheid, ©raufomtcit; medelijden, 3Jiitleib; dienen, nliken (nutjcn); vormen, bilbett; wetgever, ©efe^gcbct; ergeren, örgerit; kust, jïüfte; belangrijk, nnd}tig; graansoort, ©etveibeart; tarwe, SBeijen; rogge, flioggen.

ocr page 39

37

haver 9. Waar het voor onze tarwe te warm wordt, daar groeit de rijst en de maïs. 10. Wie een proces om een hen heeft, die neme liever het ei daarvoor. 11. De sneeuw beschut de planten voor te sterke vorst.gt;, 12. Tien jaren na zijn terugkeer naar Sparta sloot Menelaus zich nog altijd in zijn paleis op, om de vrienden te beweenen , die hij onder de muren van Troje verloren had. 13. De warmte der lente brengt het sap der boomen in beweging. 14. Een onderzeesche kabel maakt het mogelijk snel berichten van Europa naar Amerika over te brengen.' 15. Verzacht de ellende der armen, in zooverre die (zij) niet het gevolg van traagheid is. 16. Het is dikwijls noodig, een besluit dadelijk te nemen. 17. Wanneer ik den datum geweten had, dan had ik dien ook aangegeven. xS. Een Franschman, Nicot ge-heeten, bracht in het jaar 156* de tabak naar Frankrijk, ig. Het spek en de noot zijn het lokaas, waarmee men muizen vangt. 20. Het is onverstandig te loochenen, dat er in de natuur een verstandig plan aanwezig is. 21. Door den algemeenen nood gedrongen, beperkte iedereen zijn uitgaven. 22. Bij de oude Germanen rustte de zorg voor de huishouding op de vrouw; grijsaards en kinderen hielpen in de zaken; de huisvader had alleen het opzicht. 23. Hoe schoon is de natuur, wanneer het woud bladeren heeft, de vogel zingt, het koren aren schiet en de wolk met een boog van den hemel (neer) hangt, k 24. De stad Berlijn is een gewichtig middelpunt van verkeer voor Noordduitschland, ja voor het Europeesche vastland. 25. De kruik gaat zoolang te water (naar (ju) Terugkeer, Sïüctfeljr, W.; zich opsluiten, fid) ein—; onderzeesch , imteï= feeifdj; overbrengen, gelcmgen Inffen; verzachten, Itnbevn; traagheid, quot;Erngs ïjeit; besluit, (Stttfdjllljj; nemen, taffen; lokaas, Socffpeifc; (on)verstandig, (un)tteïiutnfttg; loochenen, leugrten; aanwezig, uortjcntDcn; beperken, du= jd)vchtfcu; rusten op, oblkgetl (3); huishouding, Sffiirtjd^ttft, lu.; grijsaard, (Sretë; zaak, (S5eid;aft, f.; aar, 3t(jre, lu.; middelp. van verkeer, SBcrfetjrs—; vasteland, gefttcnib.

ocr page 40

38

de bron), tot zij breekt. 26. De boomolie is een hoogst gewichtig handelsartikel, dat groote geldsommen naar het vaderland van den olijfboom voert. 27. De thee gedijt alleen goed in haar vaderland, China en in Japan. 28. Sterke koffie doet de zenuwen hevig aan, veroorzaakt beven der ledematen en bederft ten laatste de maag. 29. De Oosterlingen kennen aan het cederhout niet slechts een eeuwigdurende groeikracht (wasdom), maar ook een levende ziel toe. 30. De bedelaar groet den rok, omdat hij dengenen om een aalmoes vraagt, die hem draagt; wanneer de vreemde gekleed was zooals hij, dan zou hij hem voorbij laten gaan, zonder hem te groeten. 31. De staart van den walvisch is 5 a 6 meter breed en heeft een groote kracht; één slag er van kan een boot verbrijzelen. 32 De haringvangst hield eertijds 45000 menschen bij ons bezig en bracht jaarlijks millioenen op. / 33. Ons schip verloor bij den laatsten storm zijn anker. 34. De pisang is een boom, die vruchten draagt van een voet lang, die den vorm van komkommers hebben. 35. Het geduld overwint alle zwarigheden. 36. De plechtigheid van den godsdienst* wordt aanmerkelijk verhoogd door de tonen van een harmonisch orgel. 37. Alle menschen, die braaf geleefd hebben, hebben (= bezitten) gewoonlijk een beminnelijk karakter. 38. Ofschoon Socrates arm was, trok hij geen loon voor zijn onderricht. 39. Menigeen werpt de bijl zoover weg, dat hij haar niet terug kan halen. 40. Even als de deugd heeft de ondeugd

Vaderland, §eimat, it).; olijfboom, Ölbaum, OKöenBaitm; gedijen, ge= bei()en; aandoen, nufregcu; veroorzaken, Ctjeugen; lidmaat, (Slicb, f.; bederven, Bevbetben; Oosterling, ÏKorgenlimbev; toekennen, beliegen; cederhout, gebern—; levendig, (cticnbig; voorbij, uorüber; verbrijzelen, jerfityinettcrn; bezighouden, befdjciftigen; opbr—, ctlt—; van een voet lang, fufelang (abj.); den vorm van komk. hebben, gurfenföïlttig feitt; overwinnen, überlöinben; zwarigheid, ©djlBicngfcit; plechtigheid, gcier(icf;fctt; aanmerkelijk, lucfcntlidj, bebeutcitb; verhoogen, er^ö^en; toon, Xoit, m.; beminnelijk, liebenStmlrbig; trekken, bejie^Cll; terug, loieber.

ocr page 41

39

haar trappen. 41. De eerste Hohenzoller Frederik I bezat maar één kanon; het heette de luie Griet, omdat het wegens zijn zwaarte slechts langzaam vervoerd kon worden. 42. Lode-wijk XIV wist het Fransche hof tot het schitterende middelpunt van den aardschen glans te maken. 43. Men ziet, zegt een Romeinsch schrijver, zeer vele lieden, voor wie het leven maar één doel heeft: eten. 44. De aarde is niet slechts een uitgebreid vlak, zij is een ontzettend groote bol (kogel). 45. Het kontrast tusschen licht en donker* geeft aan vele platen een eigenaardige bekoorlijkheid. 46. De kastanjes zijn in Italië, [in het] zuidelijk Frankrijk en [in] Zwitserland voor een groot gedeelte der inwoners in den winter het voornaamste voedsel. 47. Lelies, sleutelbloemen (Primula veris) en aurikels behooren tot die bloemen, die wij gaarne in onze tuinen aankweeken. 48. Men behoort zijn lichaam niet te verwaarloozen, want alleen in een gezond lichaam woont een gezonde ziel. 49. Ik heb niets noodig, antwoordde Diogenes koning Alexander den Grooten , maar als gij mij een genoegen wilt doen, ga dan uit de zon. 50. Een armzalige wandklok was het eenige versiersel van mijn kamertje. 51. Ih den winter is de kachel de beste vriend der armen en zieken. 52. Het purper was in Rome de kleur der senatoren. 53. De Nijl maakt Egypte vruchtbaar door het slijk, dat hij op beide oevers verspreidt en achterlaat. 54. De Chineezen hebben het kompas meer dan icoo jaren voor ons gekend. 55. Karei de Eenvoudige maakte aan de invallen der Noormannen een eind door een verdrag, waarbij

Trap, ©tufc, 10.; Griet, @rete; zwaarte, Sdjlucrc; vervoeren, foïtjdjaneil; aardsch, iïbi(c£); glans, ©laitj, m.; Romeinsch, tomifdj; schrijver, ©c£|nft= [teller; uitbreiden , ausbet)neit; vlak, g-lttdjC, 10.; ontzettend , ungeficucr; plaat, ®ilb; eigenaardig, cigciltümlicl); bekoorlijkheid, Weij, m.; kastanje, jïaftanie; voornaamste voedsel, .(Sauptnaljvuiig; aankweeken, Oflegcit; noodig hebben, bvaudjeit; gaan, loeidjcn; armzalig, avinjelig; kamertje. Hammer, iu.; kleur, garbe, 10.; Nijl, Sftit, m.; verspreiden, ucibiciteu; achterlaten, juïitct'lajjeu; eenvoudig, ciufdttig; inval, (ïinfalt.

ocr page 42

4°

hij aan Rollo het land afstond, dat later den naam van (o) Normandië kreeg 56. De muskus is een reukwerk, dat zeer sterk riekt. 57. Wij lijden meer door het verraad van een vriend dan door de beleedigingen onzer vijanden. 58. Wij gingen zitten in de schaduw van een ouden eik en verkwikten ons aan een eenvoudig maal. 59. Ik verzoek U op de sofa (de kanapee) te gaan zitten, ik zal op een stoel gaan zitten. 60. De Franschen lachen niet om een gebrekkige u i t-d ruk king, die een vreemdeling ontvalt. 61. De rijkdom en de weelde zijn het ongeluk der volken, 62 Ik beloof u, dat ik over dit voorval zwijgen zal. 63. Wij behooren de weldaden, die wij bewezen hebben, in het zand te schrijven. 64. Het marmer wordt levend onder de handen van dien voortreffelijken beeldhouwer. 65. De rijkdom van den arme is zijn rechtschapenheid. 66. De aardappels zijn uit Amerika gekomen. 67. Toen Gustaaf Adolf hoorde, dat Wallenstein een gedeelte van zijn leger naar den Rijn gezonden had, greep hij hem bij Lützen aan. 68. Onze vrees verdween, toen wij inzagen, hoe groot het gevaar was (= de grootte van het gevaar inzagen). 69. Ik heb [het] verlof gekregen, heden morgen uit te gaan. 70. Het schoonste antwoord op lasteringen is, dat men ze stilzwijgend veracht. 71. Een dapper soldaat vraagt zijn ontslag niet op (cm) den vooravond van een slag. 72. Vele adellijke emigranten, die na [het jaar] 17S9 Frankrijk hadden verlaten, zochten als onderwijzer der Fransche taal in Duitschland en Engeland hun brood te verdienen. 73. Een mager* vergelijk is beter dan een vet proces. 74. Gezegend zij hij, die het schrift uitvond.

Afstaan, abtreten; reukwerk, 'l-artihll, ].; rieken, viecfjcn; zich verkwikken, ftcf) evfrifdjen ; eenvoudig, chlfad); maal, 3Jïatlt. f.; om, ÜBer; gebrekkig , fcfi(er()ait; uitdrukking, 'Jfusbnui, lil.; ontvallen, euucf)lüpfcu; voortreffelijk , uortrefflid), tüdjtig; zenden, entfenben; lastering, ■i'erletnnbung; vragen, üei'Iangen; adellijk, oblifl; emigrant, (Smtgrant; verdienen, etluerben.

ocr page 43

4i

75- De tijd is voorbij (= is niet meer), dat (= waar) de openbare machten zonder plichten en de gehoorzaamheid zonder rechten was. 76. Het is een treurige (= beklagenswaardige) roem, waarvan de vijanden het voordeel hebben. 77. Mijn vriend nam het besluit zijn bezittingen te ver-koopen en het vaderland te verlaten. 78. De duivel heet in de bijbeltaal (= taal des bijbels) vorst der duisternis. 79. Het brons is een mengsel* van koper, tin en zink, 80. De Oranjeappel en de vijg gedijen alleen in zuidelijke landen. Si. Een doove noot is een noot, die ledig is; zoo heeft men ook leege (= doove) aren. 82. Het diamant vindt men vooral in Oost-Indië en Brazilië; ook heeft men het bij den Ural en aan de Kaap aangetroffen. 83. Juli draagt den naam naar Julius Cesar, die in die maand geboren is; Augustus kreeg zijn naam van den Romeinschen keizer Augustus. 84. De aardappel is in 1585 door den Engelschen admiraal Frans Drake naar Europa gebracht. 85. Het lente sap der ahorn-boomen is zeer rijk aan suiker en uit dat van den suiker-a horn wordt in Noord-Araerika suiker bereid. 86. Het saphir is van een (o) schoone blauwe kleur; het komt evenwel ook in andere kleuren voor; het roode saphir noemt men robijn. 87. De komkommer, de meloen en de pompoen zijn uit Azië in Europa ingevoerd; de pompoen weegt soms 100 tot 200 pond. 88. In Turkije is het aan (met) de hoogste waardigheden verbonden traktement zeer matig. 89. Wanneer de barometer stijgt, dan kan men er op rekenen, dat het niet regenen zal. 90. Het suikerriet is een grassoort, wier stengel een zoet merg bevat. 91. De moedertaal is de hechtste band, die ons aan het vaderland bindt. 92. De oevers

Openbare macht, iiffentlidje 9Jïarf}t; een besluit nemen, citten (Slltfdjluj; faffen; tin, 3'mt; zink. ,3'nfgt; lente—, gvül)fuig§—; bereiden, gettriunen; waardigheid, SBÜtbc, iö.; suikerriet, gucferi'Ofyr, f.; grassoort, ©rasart, hecht, jeft.

ocr page 44

van het meer van Genève zijn zeer schoon. 93. Ik heb voor mijn hond een fraaien halsband en voor mij zeiven een bos (25 st.) sigaren gekocht. 94. Het fijn-gehalte van een munt is de inhoud daarvan aan kostbare bestanddeelen. 95. De eenheid der Duitsche munten is de mark; zij heeft een waarde van ongeveer 60 ets. naar ons geld. 96. De arbeider, die zijn verdienste verkwist, kan zijn gezin niet onderhouden. 97. De Grieken bewoonden het zuidoosten van Europa en het westen van Azië. 98. Hoektanden hebben de knaagdieren niet, maar in iedere kaak hebben zij twee groote knaagtanden. 99. Het loon van een arbeider moet zich naar den arbeid richten. 100. De hooge zee begint daar, waar het land uit het oog verdwijnt. 101. De pakjesdragers hebben koperen platen op hun borst, waarop hun nommer staat. 102. In 1579 sloten zeven gevvesten in Noord-Nederland een verbond, dat onder den naam van Unie van Utrecht bekend is. 103. Geen dwaling is zoo groot, of zij (= die niet) vindt hare toehoorders. 104. Toen Augustus het bericht vernam van de nederlaag van Varus, riep hij in wanhoop uit: Varus, Varus, geef mij mijn legioenen weder. 105. Ieder deel van dit boek is afzonderlijk te koop. 106. De beste klant is die, welke altijd kontant betaalt. 107. De pijnboom wordt onder gunstige omstandigheden 80 —100 voet hoog. 108. Stilzwijgen is ook een antwoord. 109. Dc eerzuchtige behandelt zijn vriend als de sport eener ladder; eerst klemt hij zich daaraan vast (o), om omhoog te stijgen, en dan treedt hij die met voeten. 1 10. Het loon der deugd is

Sigaar, 3lfl0vve, W.; verkwisten, Dertljun; gezin, g-mtlilic, 1U.; onderhouden, cnuit)rcn; hoektand, (M'jttljlt, ill.; pakjesdragers, ®ienftmiinner; gewest, ^Prooinj, 1U.; unie. Union, 1U.; toehoorder, 3ll£)orer; nederlaag, SHeberlage, 1U.; afzonderlijk, etlljcllt; te koop, fauflid); kontant, bar; eerzuchtig, cl)ï = gei,jig; ladder, geiler, lu.; klemmen, flcmtmcnt; omhoog, in bte .jjöl;c.

ocr page 45

43

tevredenheid, iii Het barnsteen is een hars, dat dikwijls door de Oostzee uitgeworpen wordt. 112. Wie zich in het spel te gronde gericht heeft, verdient geen vertrouwen en geen krediet meer.

ilars, f.; vertrouwen, 3Mtrauen, f.

1. @0 lange man fid) mit fein— eigen— SSerbienft jcfjmücfen fann, brand)t man ben (bie, baê) feiner Süincn nic§t. 2. ift ein— grofj— Unterfdjieb jtt)ifd)en bem einen SDfenfdien nnb bem anbern. 3. $Die ©onne fann an jid) mie unfre (Srbe ein— bnnfel—, ja ein amp;clüoI)n6ar— SEBelttörper fein. 4. 2Ran jagt bon einem iWen)d)en, ba^ er alt toirb, loenn er ein - — filter erreidjt; toenn er jebod) bnrd) b— 21 Iter jeine Jïrdfte öerliert, )o aïtert er. 5. ©trafjönrg liegt eine SSierteïftunbe Hom 3(f)ein nnb ift bnrd) ein— tö'anal mit biefem tierbnnben. 6. ©ie Oliben luerben and) cingemad)t; bies ift aöer nur b— geringere Dhiijen; b— .öauptgeluinn bleibt b— feine, toftbare, bei nnê aïS Saumöl befannte Olibenöï. 7. Obluol)t bie gried}ifd)en ©ofbner i^ren §iU)rcr bnrd) b— 33 err at bcr ^erfer bedoren fatten, fo jogen fte bod) in gnter Orbnnng juriicf. 8. ®— Jtap ber guten ^offnung ift bie ©übfpit^e bon 2Ifrifa. 9. ®— igt;er= ftanb beS Menfdjen überfd)reitet bic engen ©d)ranfen, in uicld)c er (fie, eê) bon ber ÏÏhttnr eingefd)loffen ift. 10. 5D—Sönrjel inand)eê ïjoljen StammeS ift fau(. 11. 2)ic DJfgrr^e ift ein - an ber Suft erl)drtet— @ctft, ben (bic, ba§) jinci in 9lrabicn nnb S^itbien l^eimifd)e 23aume liefern. 12. sJhir ï)alb ift b — SSerluft beë fd)ünften ®lüdê, ibenn ibir auf ben 33efil3 nid)t fid)er ja^tten. 13. Söiebiel grof^e ïtRdnncr ï)at b— ?(11 e r t u m nid)t f)erborgcbrad)t. 14. 5Dcm flcifngen Strbeiter trdnfelt b—® d) lb e i f] bon ber ©tirn. 15. tberbet einft b— grofete— Stnljcn jicl)cn auö ben ©tnnben, lbcld)e ben ©tubien geJbibmet moren. 16. ^cber, ber b— ©cfabr liebt, fommt barin um. 17. ®ie©d)iff-brnd)igen beftrebten fid) fd)ïbimmenb b— Ufcr ju crreid)cn. 18. lï'in— lüè a r ï (= '/2 ^fnnb ) ©ilber f)at 16 Sot nnb ein—

ocr page 46

44

Wart ®olb 24 iïavat. 19. ipviuj ^((cranbcr ber TOebcrlanbc luav b— lel^te ©^roffc Don bcm ©tamm bcv Oranier. 20. (Sin mager— SB c r g I e i d; i[t öefjer al§ cin fett— ^roje^.

^e{(tnation bcr Subftantiue.

JÖicbcri)olung bcr in ber Inleiding gcgeöcucn Dtegeln.

„Huialj. IBorter auö frembcit ©pralen öcljntten mit ber freinbcn Jonn unb 2tuê)pracf)e aud} bic frcmbe ïï)Mjrl)eitöenbuug ■S; J. quot;ix 8ovb,2oïb8; SBaggon, ®aggon«t; Xvant, SvnniS; (5I)ef, tó^efg. üDiefe (Snbung er^alten and) anberc grembtoörter, ja felbft beutfc^e SBêrter, benen man fetne anbre ©nbung anpngen fann; J. §inbit, y'cf)o, (MjoS; lllju, UtyuS, (Ulju).

®ie anf er^alten fc: Omnibuffe, g-tbibuffc.

i. Een dapper soldaat had in een gevecht zijn [de] beide armen verloren. Zijn kapitein bood hem een paar guldens aan: „U meent denkelijk,quot; hernam de grenadier, „dat ik een paar handschoenen verloren heb?quot; 2. Cesar bedekte zijn hoofd met laurieren, omdat het kaal was. 3. De god Janus werd met twee gezichten (3c ®l.) voorgesteld, omdat hij zoowel de verleden als de toekomstige dingen'wist. 4. Gelukkig zijn de koningen en vorsten, die hunne onderdanen liefhebben, want deze hebben hen ook lief (lijd. vorm). 5. De karavanen der kooplieden en pelgrims in West-Azië en Afrika kunnen zonder ka meel en (1e ^tl.) in 't geheel niet gedacht worden. 6. Kundigheden zijn een kapitaal, dat altijd intrest (sDïcI)rT). @em. S)cf(.) opbrengt. 7. De zending is het werk van de uitbreiding der chris-

Kapitein, .ftauptmann; denkelijk, ucrmuttid); hernemen , eriuibevn; kaal, fnfyl; zoowel — als, ebcnjoluol)! als; verleden, ucrgangcn; pelgrim, pilgrim, (Jc .fll.); kundigheid, jteuutuis, 11).; kapitaal, iïapifctl, j.; opbrengen, tragcn; zending, DJijfion, ID.; uitbreiding, iScrbreitung.

ocr page 47

45

stelijke kerk door zendelingen. 8. De lijken der rijke Romeinen werden in asbestlinnen verbrand. 9. De kalkoenen zijn door zendelingen naar Europa gebracht, ie. De sybille van Cuma schreef, wanneer zij geraadpleegd werd, hare antwoorden (lü.) op losse bladen, die zij aan den ingang van haar hol wierp. 11. Op een ezel rijdende doorreisde Peter van Amiëns steden en landen. 12. Waar-(= waarheen) hij kwam, in stegen en straten, op markten en in kerken, schilderde* hij met gloeiende kleuren den benarden toestand van het heilige land. ig. Zoodra de kruisvaarders de heilige stad met haar muren en torens zagen en dus het loon voor alle verliezen nabij was, waren alle gevaren en moeiten vergeten. 14. Sulla overlaadde zijn soldaten met allerlei (o) arbeid CüReljrl).), tot zij zei ven verzochten om te mogen vechten (— om den strijd verzochten). 15. Bij de doorreis van den monarch was den trein bij (op) het station bijna een ongeluk overkomen. 16. Sedert de (o) invoering der omnibussen en der trams is de vigilante meer op (in) den achtergrond gedrongen. 17. De ooievaars vertrekken in den herfst, omdat zij in den winter geen hagedissen, kikvorschen, bijen en dergelijke meer bij ons vinden, 18. Behalve de ooievaars zijn er nog vele andere trekvogels, b.v. de zwaluwen, de sjireeuwen,

Zendeling, SJliffioitttl', fflitffioniir (le ,®(.); kalkoen, ïrutlja^n; sibylle, ©ifiyïïe; raadplegen, kfragen; los, lo)'c; ingang, ©ingang, m.; hol, §Öf)lc, 10.; doorreizen, buvcfjjieïjcn; steeg, (Safje, 1U.; markt, SOÏnrft, m.; gloeien, glüficn; benarde toestand, 33ebl'(tngni§, 1».; zoodra, foBafb; kruisvaarder, itveujfaljrer; muur, ïïïauei', lu.; toren, Xuntt, m.; moeite, ïlJiiljjeligfeU; overladen, Ü6cvf|intfcn; station, ®a!juï)0{, m.; overkomen, juftojjen; invoering, (Stnfül)vuiig; tram, 5pfevbeba^n, lu., 'ïvam, m.; vigilante, ®ïofd§tc, tu.; achtergrond, .f)intergvunb, m.; dringen (tr.), brfingen; ooievaar, Stoïd), in.; hagedis, (Sibcctjfe, lu.; bij, SBicnc, tu.; behalve, aujier; trek—, 3llg—gt; zwaluw, ©ct;lunlbe, lu.

ocr page 48

46

de kwartels en de wilde duiven. 19. De Libanon (het woord beteekent zooveel als witte berg) bestaat uit witachtigen kalksteen, waarin men schelpen en versteeningen van visschen van (uit) den voortijd vindt. 20. Aan de rotswanden van de helling hangen overal kloosters en dorpen als zwaluwnesten boven de afgronden der dalen. 21. Een der voornaamste sieraden* van Berlijn zijn zijne standbeelden, gedenkteekenen en groepen, 22. De Ty-rische schepen droegen masten van cederboomen; in kisten uit dit ijzersterk, welriekend hout brachten de Ty-rische kooplieden hun purperen gewaden, hun zijden en geborduurde doeken (3e iï(.) op de markten. ' 23. Mekka, de heilige stad, de geboorteplaats van den profeet, is de algemeene bedevaartplaats der Mohammedanen. Bij duizenden komen jaarlijks in den bedevaartstijd de pelgrims aan. 24. De kameelen zijn met balen beladen en met doeken bedekt; daarop zitten de Mooren met bonte tulbanden en mantels, met dolken en sabels, hun onafscheidelijke reisgenooten. Zoo schrijdt de karavaan door de woestijn. 25. Met zachte, vriendelijke woorden (le ,SÏ1.) kunt gij den olifant leiden aan een enkel haar. 26. Er is geen gek, waarvan de wijze niet iets zou kunnen leeren. 27. De mark heeft 100 penningen en 375 (eiikéle) penningen zijn dus zooveel als 3 mark en 75 penningen; ge behoeft echter, wanneer iemand u een som van M. 3,75

Kwartel, SBad|tcI, gt;D.; witachtig, loeijjltd); kalk—, italf—; schelp, ïDhtjdjel, tv.; versteening, Serfteinerung; rots—, gelfen—; helling, Slbgaug, m.; afgrond, 'Mgruub, m.; gedenkteeken, Senfmcit, j. (3e groep,

@nippc, iD.; ceder—, 3e^eï—gt; k1'51' purperen, puipunt; bordu

ren, fticfeit; geboorteplaats, ©etmrtSort, m.; bedevaartsplaats, SBolIfatjvtêort; bij, JU; baal, ïöolleit, UI.; moor, ïïïofir (fcf)lB. BeÊl.); tulband, Durban, in. (1c ^l.); sabel, ©abel, m.; onafscheidelijk, unjertrennlid); reisgenoot, (S5e= ici^vte; schrijden, jc£)reiteit; leiden, füljl'en; behoeven, l)raud)cn.

ocr page 49

47

te betalen heeft, daarvoor niet in enkel pasmunt 375 penningen aan te nemen. 28. Vagebonden zijn men-schen, die zonder een geoorloofd doel en zonder toereikende middelen het land doortrekken. 29. De bramen zijn de vruchten van een rankenden struik, die in goeden grond aan heggen, aan de boschranden en ook op de velden groeit en die door zijn wortels en 1 o t en voor den landman zeer lastig wordt. 30. Blinde passagiers noemen de Duitschers zulke reizigers , die zonder het passagiersgeld te betalen (= zonder betaling van . . . ) medereizen. 31. Toen het groote werk der doorgraving (=: doorsteking) van de landengte van Suez in i860 begonnen werd, beweerden Engelsche i n g e-n i e u r s , dat het onmogelijk was (oufgepa^t!) , een scheepvaartkanaal (@. 36) tusschen de Middellandsche Zee en de Roode Zee te maken. 32. De geheele bemanning en alle passagiers zijn omgekomen, toen het schip op (aan) de kusten van Noorwegen schipbreuk leed. '33. Spionnen worden gewoonlijk gedood, wanneer zij door den vijand ontdekt worden. 34. Ons vaderland is door een menigte kanalen doorsneden; ook vindt men bij ons vele zeeën, moerassen* en turflanden. 35. In de havens en op (aan) de gevaarlijkste plaatsen* der zeekust bouwt men vuurtorens, opdat de schepen bij nacht niet in gevaar komen. 36. De uhu is een groote ooruil. Niet alleen kikvorschen, muizen, ratten en kleine vogels, maar ook wilde hoenders en eenden pakt hij; hazen en »' e g e 1 s zelfs. Hij leeft

Enkel, louter; pasmunt, ©djdbeinünj#) 10.; vagebond, SSagctbuuD, m. (fdjlu.); geoorloofd, crlaubt; toereikend, ï)inretcf)enb; braam, SBrombeere; ranken, ronfen; grond, SBoben, m.; heg.^aun, lit.; boschrand, ÏÖalbvaitb, lit.; loot, ©proffe, to.; lastig, laftig;-.b^aling, (grlegung; passagiersgeld, ^Paffagiergelb, f.; landengte, Saitbenge, to.; scheepvaart—, ^ctjiifaljrtS— bemanning, ®d)iff§inonn|'djajt; schipbreuk lijden, fc^eitcrtl; spion, ©pion (le iï(.); zeekust, Sjleercêfüflc, 10.; vuurtoren, amp;ucf}ttuïlll, lil.; komen, geratel! eend, (Snte, 10. ,

ocr page 50

48

meest in bergachtige streken. In de lente, wanneer de uhu's nestelen*, hoort men hun akelig geroep; boelioe! boeüoe !

Bergachtig, gctrivflig; akelig, fdjailCïlidfj; geroep, ;)hlf.

1. TOan fteüt bic SBogelfc^eudje (tu.) auf bic ®aum, inn bic Sperling aöjufdjrecfcn. 2. ®ic ®iu)cum (sïli) bcci Souure cutljnltcn ïoftbarc ® c in a (b c. 3. ©ic ,*0 a l ë (m.) bei © d) tu a n (in.) finb gcwiffermafjcn Sd)iff§ fd)nabel unb il;vc @d)tocif (m.) ©tenerrnber. 4. ïL'ian feierte bic ®ermal)htng beë r on-prinj burdj einc 3tei^e uon 23a 11 (m.) unb ©d)au)piel ().). 5. SDie Süneburger §eibe ift eine lücite, üon 93 a u tn (ÏOÏ) unb ©tra u d) (?[)ï) cntbïö^tc (Sbcne. 6. iUclc (£ l) i n c) e bewoljnen £al)n (nt.) auf ben jal)lrcid)en ^anal il)re§ Sanbes. 7. l'Xrbcit unb ©cbitlb übcrtüinben inde § i n b e r n i §. 8. t}0ffc/ man mir biefe 9ïad)rid}t burd} ben £ c I c g r a p t; )c^icten luirb. (K ©er ©enat beflcibetc (Scifar mit bcr SMftatur unb mit ber gau= jen (Selualt eine§ ïlïonard). 10. ®ie ïlcinen 23a(m.) öilbcn grojje ©trom (m.J. 11. Um bic iöarc(lu.J unb bic Dteifenbc fortjufdjaffen mu^ bic ^nbuftrie © d) i f f (DJÏJ fiir baê quot;DJicer, a Ij n (m.) für bic % 1 u fj, SS a g e n (m.) unb darren (m.) für bic S a n b ft r a § e (ÏOl), S o c o m o t i b e (lu.J unb 5Kgt; a g^ g o n (ÏÏR) für bic (S i) c n b a I) n (lu. 9Jï.) |cr)tet[en. 12. SDic itrofobil (]. Ie iïl.) finb 6ei ber ©cburt nur flciu; fic fönnen aber einc ^dnge nou 10 ÏÏJietern erreid)en. 13. S)ie Omnibus erfdjienen juerft in 5pari§ im 3a^re 1820. 14. Unter bie be= rü^mtefteu @ ct) o (s2)ï) reenet man ba§ Don ïöoobftoct, toddicS ben ©d)aU jtoanjigmaï iuieber^olt. 15. ^nbien ertranfeu fid) jaljrlidj ïaufenbe bon §inbu in ben ®cl»affer (f.) be§ @an= geê. 1G. (Sinige 25ulfan (m. 1c SI.) luerfen fiebenbe ïöaf fer= f t r a Ij 1 (9JèJ auS, anbre ©djlamm, ©djlucfcl ober cntjünblid)c ®aS (f.). 17. £r an ï I; c i t (sBï), © e u dj c (ÏOÏ) unb bie un=

ocr page 51

49

auff)ih-lid)cn Onfall bcr 'Sitrfe (Dij fatten bic ^cil)c

(9}iJ bev ^rcujfal;rer (2R) fe|r gelidjtet. 18. @§ gieOt feiu gvöfïcrcS ©lücf aio jcine ÏTtangel ju üerbcfjern unb fciue ^ e f) f c v iuiebcr gut ju inad)cn. 19. 2önë ctu a £ e u (iÖerfleiuentngSto.) iuerbeu luid, friimmt ftcf) öei feiten. 20. ïDHtteljt bev ueuen £'anone (lu.), lueldje au§ öerfertigt finb, faun man bie

ftavf[teu ?Di a u e r fto.) jevtrümmcru. 21. ©oèalb bie iTaffe geöffuet ift, toil! id) 231 Het (iU) für un§ alle lofeu. 22. ®ie Uitvier jug (m. 2)ï) fjaöeu iu granfreid) uur SBaggon evfter jllafje, 23. ïöer eine gorberung bon 2 SDtavf 50 ^fen= uig au bid) Ijat, öraudjt bafüv uidjt '250 (eiujehte) pfennig ju nefjmeu. 24. 9Jlan fanb bei bent ^aufmauit jtoei ungeeidjte ^fuub (ob. ^fuubjtüde). 25. ®ie 9ftann l'teüteu fid) iu Ofeil) unb ©Heb, 8 9Jcaun Ijod). 20. gibibuS fiOi) ftub ge= faltete ©treifen (m.) papier, bie jum 3(ujüubeu bev £abafS= pfeife (s)3c) üertöenbet loerben.

27. a d) t i g a 11 (to.) pv' id) fiugeu,

Serd)e— ') fang Dom §imme( ftingeu,

9ïuife l23 (lü.J )d)!ageu in beu .slagen :1),

©roffel 4J (iö.) pfeifeu burd) beu ïöalb, ®af? eê.ïjell iu§ ï^al evfctjatlt 5J •

(Sauê (lu.J fd)uatteni auf bent 33ad)e,

(Snte (lu.) tattern in bev Sac^e ©tovd) (nt.) fiappevn auf bent ®ad)e,

?)tabe (ut.) ïvadjjen, f a u (nt.) fd)vein,

Hub bie § enne auf beu Steunen 7)

©acÊevu bvein.

t)i o t f d) It) a u j d) e n jivven,

aBalbtaube givveu,

Jiitf piitfeu,

ij leeuwerik; 20 merel; 3D §0(5, heg, struikgewas; 4D lijster; 5|) weerklinken; 6) plas, poel; 7[)([ dorschvloer.

SPRUYT, Sprachiibungen. 3e druk. 4

ocr page 52

5°

Spalji (d)lunUcn, 5!t(Icnt|nlbeu ^iüit)d)cvn © d) lu a l O c.

(Volgcube ©uöftantiuc f)a6en jtocierlei quot;DMjrljeit, urn jlueierlei iöebeutung ju kjeidjnen.

bic fflanf — söanFe (©its—). SBanfen (@clb—).

ba§ Öirf)t — Sidjtev (glommen). Üid)tc (ftei'^cu).

bcr ïlconb — SCRonbe (Dtebenplaneteit). llconben (quot;lllouate in ge£;obner Wcbc).

ber ©trauf; — ©trnufse (Sögel). Straufec (bouquets).

baS'ïnct)—3;üd)cr(§atê—,©d)nupf—). $uc§e (©toffe ju .ftleibent).

ba§ Sovt — SBörter (ofme 3uialns SBovte (jufammenpngcnbe ;Hcbe).

mentjong).

ber Sanb — 33anbe(ï««c|• bas 33anb — fflanbcï,|SnnbcJ

ber (dwaas) — Sloven ba§ (poort) — S;t)orc.

1. Oclaü b a n b fiub ^anblidjer ') afö Quart Daub unb Joliautcu. 2. (SS ift eiuc fd)rcct(id)c @ad)c, lucnu ciu ©d)tff Dom ©tunnc gegeu gelfcn ober auf (Sanbbanf gefdilcubcrt luirb, 3. (Sfjrt eurcu ï?atcr uub curc SOhitter burd) .^anblungcn, burd) SBort unb burd) cinc unbegvenjte ©ebulb. 4. 58ejouber§ forgfaltig )ud)eu bie ©traujs— beu Ort 511 öer^etmlid;en, luo ftc tt)r SReft augc= legt Ijabcu. ©ie laufen nie gcrabe barauf ju. 5. 3n ucueu Slnlage2) im Storbeu ber ©tabt r)at man ü6era(I ©ilj 6 a n f ange= örad)t, bamit bie ©pajierganger ausru^en ober irgenb eine jdjöne 'ituêfic^t genieten fönnen. (i. ijier tja ft bu eiuige ©dlje, bie bu jn§ 3)eutid}e üöerfetjcu jottft; bie baöei fefilcnben ïöort fauuft bu im Söort—fiud) uad))d)(agen. 7. iBanb— [tnb auë 23aum= rootte, Seiutoanb, ïBotte ober and) au§ Seibe gemad)t; fie bieneu jum 23inben, aöer aud) jum 5put3 3). 8. ^n frül)eren 3citi:n luurbeu bie ïfjor ber Stcibte aöenbö ju eiuer beftimmten (Stuube ge)d)tol|en. 9. ^rrtidjt ') )d)roe6en nid)t loeit Dom Soben be=

1) t)aublid}, gemakkelijk te hanteeren; 2) aanleg, park; 3) opschik; 4) dwaallichtje.

ocr page 53

51

fonbers übcr )uinpfic\cn r,J Drten uub Icitcn fo beu i^aubrcr in ©innpfc; bcr ®o(fêgIau6c Tjiclt fie für umgct;cnbc ,!) ©efpcnfter. 10. Ïöafjrcnb uufre (Srbe uur eiiten Wonb fiat, umgcöcn ben .^upitcr Dier unb beu ©aturn jogar ficècn iHoub. 11. 5)er iïaufmann legte mir jur 'ituêroafil für einen ïTlocf einige 31 u cf) Dor unb fragtc mid), 06 id) uid)t audj nocf) fcibene §al§= unb 3;nfd)entud) ïaufen inoüe. 12. ikbor ber SBortjaug fdUt, erfialten bie Beften @d)aiifpie(criuncu oft fefir fd)öne (Strang. 13. Sjie SLnlg 1 i d)t7), bic frater aUgemeiu im ©ebrand) ïuareu, fiefit man ^eutjntage beinafie gar nicfit me§r. 14. 9htr bie ÏI)or tierfdjloenben ii)rc 3eit uub ifir ®e(b; fie fennen ben 2Bert biefer ©uier nid)t.

5) moerassig; 6) ronddwalen, spoken; 7) vetkaars.

Mijn waarde Rudolf,

Ingesloten zend ik je mijn photographic , waarom ge mij reeds zoolang verzocht hebt en die ik evenwel onmogelijk vroeger kon sturen, omdat ik er (o) zelf geen bezat. In het begin dezer week ging ik eindelijk naar den photograaf en liet mij photographee-ren. Zeg mij asjeblieft je meening over het portret. Wees zoo goed en schrijf mij zoo spoedig mogelijk; een brief van je vroo-lijkt mij steeds op en maakt mij gelukkig.

Je getrouwe Hendrik.

Ingesloten, inlicgeitb; zenden, hier: übevfcnkl! fltlltv.); stnren, fdjicf'ctt; in, nu; portret, f.; wees zoo goed, tittc; opvroolijken , cdjcitevil.

ocr page 54

52

DE VOS.

Baas vos gelijkt in (au) grootte op een middelmatigen herdershond, en komt hiermede tamelijk wel overeen. Hij heeft roodgeel haar (mv.) en een ruigen staart. Er zijn ook grijze, witte en zwarte vossen. Hij woont in holen onder den grond , vreet hazen en konijnen, kippen en duiven, ganzen en eenden, alsmede ander gevogelte. In een (o) slechten tijd moet hij het zelfs met ratten, muizen, slangen, hagedissen en padden doen. Ook honig en druiven versmaadt hij niet. Den honig ontrooft (= rooft) hij den bijen, wespen en hommels. Jammerlijk gestoken moet hij wel is waar telkens weer naar huis gaan. Zijn woning bouwt hij zelden zelf. Hij is een luie landlooper, een dagdief. Den zwakkeren, vlijtigen das en het arme konijn verdrijft hij uit hun woningen en betrekt ze zelf. De geroofde woning richt hij fluks voor zich in. Zijn wijfje krijgt jaarlijks 5 tot 6 jongen, die de vader reeds vroeg tot [het] stelen en rooven aanzet. / Reintje gaat gewoonlijk 's nachts op [den] weg, kruipt door heggen, springt over muren en snelt regelrecht naar de ganzen- of kippenhokken op de boerenhofsteden, waar hij dan naar hartelust moordt. Vaak sleept hij voor zich in één nacht voor drie tot vier dagen vreten bijeen. ' Dat gaat hem nu niet altijd zoo ongestraft af. Jagers met de buks, boeren en honden vervolgen hem vaak dagen lang. Maar hij is een sluw en vermetel dier; hij laat zich niet gemakkelijk schieten of vangen. Zijn hol is vaak met vallen en strikken omringd. Dan graaft hij zich óf een anderen uitweg óf hij verhongert. De vos leeft ongeveer 20 jaar en laat zich niet gemakkelijk temmen. Zijn vel wordt tamelijk duur betaald.

Raas, i'feifterquot;; middelmatig, mittelmajjig; herders—, Sdjöfev—; overeenkomen met, ntjlllid) jein (B); ruig, jOttig; grijs, gvau; hol; jjoflle; grond , (Srbe; kip, i^uïjn; duif, Xaufie; eend, alsmede, fo loic aud); gevo

gelte, ©efliigd, f.; konijn, Hauiltt^eit; in, bei; hagedis, @ibccr;}c; pad.

ocr page 55

53

£ri)te; het doen met, fürlicb Iteïjtnen; honig, .ViOltii^; versmaden , Ueïfdjntafjeit; bij, 93icHe; wesp, 2I!et|)e; hommel, pummel, lu.; jammerlijk, jammerlied; gestoken, jeïftoctjcu; telkens, jebesmat; naar huis gaan, [jeimjicfjen; land-looper, ,g)evum[tvcicl)cv; dagdief, ïaijebicÊ; das, ®acf)S, m.; betrekken; be= jietjen; inrichten, chiric^tcn; links, ffltgë; aanzetten, antjaften; Reintje, 3tcniete; gaan, nuidjen; heg, §CCfe; regelrecht, flvoctg; —hok, —ftaü, m.; —hofstede, —[jof, m.; hartelust, ^er.jenêtllfi; moorden, luürgen; slepen, tvogeit; vreten , graf,; bijeen , jufamnten; af, blivcl): buks, 4.Mid)fe; vermetel; Deviuegen; hol, val, g-atle; strik, Sdjliuge; omringd, umgeben; uit

weg, jCuêlueg, m.; temmen, jammen; tamelijk, ^iemlicl;.

Das Adjektiv.

ben Jlbjcftiben, bie im ^omparatib uub ©u^crlatiti ben Umlaut beïommen, gepren uod) 6ang, blajj (bleek), glatt unb uaf;').

Een jong (dier), du ^Ultges.

de jongen, bie Jjungeu.

i. Toen de Spanjaarden in Amerika landden, vonden zij daar wilden van een (o) roode kleur, die zij Indianen noemden. 2. Een beleefd mensch spreekt nooit zijn afkeuring op (= in) een ruwe wijze uit. 3. Het betaamt kinderen in tegenwoordigheid van volwassenen te zwijgen. 4. Men moet hard aan de deur van een doove kloppen. 5. In Karthago bekleedde het volk jaarlijks twee beambten met de hoogste macht. 6. Vóór de uitvinding der glazen spiegels had men platen van gepolijst metaal. 7. De hooge bergen zijn met eeuwige sneeuw bedekt. 8. Ga in de hutten der ellende (@. 35), ongeduldige! Leert gij daar geen (= niet) tevredenheid, dan leert gij ze nergens. 9. De tabak is een Ame-

Indiaan, ^l'Waner; beleefd, ïjöflidj; afkeuring, Sabel; betamen, gejiemeu ; tegenwoordigheid, ©egemiHUt, !u.; volwassen, eïloodjicu; hard, laut; glazen spiegel, @!a§[ptegel, m.; plaat, oplatte; polijsten, pjlicreu.

') jfigl. Stubicjcn 1111b ? «beu.

ocr page 56

54

rikaansche plant. Zij werd in 1520 naar Lissabon gebracht en Nicot, Fransche gezant in Portugal, zond ze van daar naar Parijs in het jaar 1559. 10, Des adelaars jong vangt geen vliegen. 11. Wel verre van zich op zijn vijanden te wreken, streeft de edelmoedige mensch er naar, hun goed te doen, 12. Dichters en reizigers hebben den Rijn, waar hij van Bingen tot Bonn door het gebergte stroomt, dikwijls maar nooit te veel geprezen. 13. Schilderwerk op een grond van verse he kalk, waarmede de kleuren zich volkomen verbinden , heet frescoschildering. 14. Een ingebeelde zieke gebruikt artsenij, ofschoon hij er geen noodig heeft, en menigeen, die zich voor gezond houdt, heeft artsenij noodig en gebruikt er (o) geen. 15. Wij zijn allen deelen van een groot geheel. 16. Een vreemdeling, die te Sparta was, bewonderde den eerbied der jonge lieden jegens de grijsaards. „Slechts in Sparta,quot; zei hij, „is het aangenaam om oud te worden.quot; 17. De Franschen houden zich gaarne voor het meest beschaafde volk en hun hoofdstad voor de hoofdstad der beschaafde wereld. IS. Uwe wangen zijn bleek, maar toch niet bleek er dan gewoonlijk; gij houdt u altijd voor zwakker en zieker, dan gij werkelijk zijt; daardoor maakt gij het kwaad erger. 19. Ofschoon de stekelvarkens in de heetste streken van Azië en Afrika te huis behooren, kunnen zij ook in minder warme landen, als Spanje en Italië, leven en zich vermenigvuldigen. 20. Wat CluetdjeS) is de sterkste drank? Water, want het drijft molens. 21. Bier is niet zoo gezond als wateren melk. Water en melk zijn ook gezonder dan wijn; zij zijn de gezond-

Wei verre van, iueit entfernt; zich wreken op, fidj radjett (Ut; streven, ftreben; prijzen, preiten; schilderwerk, ÏIMerei; grond, Wnutb, lit.; versch, frijd); fresco-schildering, grcëcomdevet; inbeelden, eiltbilbcit; artsenij, 3lr5= ttei; noodig hebben, brctud)cn; jegens, gcgcit; een grijsaard, ein @ret§; wang, SLicutge, lt).; kwaad, Übel, j.; stekelvarken, ©tacfjelfd)lt)cin, j.; te huis behooren, 511 .vjnitfe (eiltljetmifdj) feilt; zich vermenigvuldigen, fidj »er= meuren.

ocr page 57

55

«

ste van alle dranken. 22. Wijs mij, als het 11 belieft, den naasten weg naar het naaste dorp; ik zou niet gaarne natter worden, dan ik reeds ben. 23. De sterkste man is evenzeer aan ongelukken blootgesteld als de zwakste.

24. Den vos houdt men voor het sluwste aller dieren.

25. Het jongere geslacht geniet menige vrucht, waarvan (= van welke) het zaad* reeds door de voorouders gezaaid is.

26. Een kapitein behoorde ook in den wilds ten storm en in den donkersten nacht nooit zijn bedaardheid en tegenwoordigheid van geest te verliezen. 27. Als de grond hier een weinig natter was, zouden de bloemen beter gedijen.

Drank, (Mctrnnf, f.; molen, ÏRitflk; ongeluk, llnfalt, lit.; blootgesteld aan, auêgefe^t (rnit ®at.); kapitein, ^apitün; donker, bltnfel; bedaardheid, ÏRllIjC; tegenw. v. geest, ©eiftesgegCltlDCU't, 1».; grond, 33obeit; gedijen, gc= betijen.

Das Adverbium.

3Bic bilbet man beu rclatibeu unb luie ben aöfolutcn ©upcrlotiü'?

ÏÏRan unterjdjeibe luotjl:

r ei p 0 f i t i 0 n c n. -Kb ü e v 6 i c n.

mncn

bont

auf;cu

obcu

uutcn

ïjintcn

tn bor

aufïev

über

nntcr

ginter

bicöieit

jenjcit

bieSjcitS jcnfcitS.

Agt;ev, I)iu. ,V)er bcbcutct ciuc Oiicl)tung 511 bcm ©pvedjcnbcn; f)in ciuc ©ntfernung bon bcmfelbcn; j.

®aS Jïiltb gittfl 3« tt)iii t)iit mtb fant baitu luieitcv 511 iniv t)ev.

ocr page 58

56

'Sicfe 23ebeulung (jaöcu I;in imb fjcr oud) in ben ^ufammcu= fctjungen: ijevab, {)hiaö — f)cvan, ()innn — ï)crauf, [)iitanf — l)crau§, f)inait§ — f)crcin, (jhrnn — Ijcvüfier, tjinüber — Ijcïuntcr, l)iminter.

ïöenu ic() im ^aufc bin, jagc id) 5.33.511 einem greunb, bcr oorüber= gc^it; „bommen @tc boc^ (jcvein. jDcv anbre anttuovtet: 3dj fann nid)t [jtuciit, meil bie £t}iiv uerfc^Ioffen ift; id) I)a6e aud) uic^t üiel fomincn ®ic !)cvau0.quot; „@ut, id) luerbe ()tnau§ fommen.quot;

®a jebod) oft cine sBeWegung uid)t auf ben ®pred)cnben bejogen tuerben faun, jagt man bej)cr: ()iu bejeic^net bie 9ïid)timg Don bem Orte lueg, luo ber ©predjer in feiner SSorfteKung lueift, l)Cf bie 3iid)tung ju biefem Drte Ijin. @0 fagt man, loei! ttrir in uufrer igt;or[teUung r)icv auf ber Cberf(ad)c ber (Srbe ioeilen; ®er ;)icgcu fallt f)cr al). rie Sünfte fteigen ()in auf. Sev Anabc, bev ben 93aum ()iit= aufflettert, faun nid)t Idd)t (jevuntcr fatten.

1. Het is billijk, dat diegene, die het best arbeidt, het grootste loon bekomt. 2. In Italië worden de reizigers zeer door de bedelaars lastig gevallen, die hen op de meest on-bescheidene wijze toespreken. 3. Toen Alexander zijn vriend Clitus gedood had, had hij ten zeerste berouw van zijn wandaad. 4. De geringere klassen vermaken zich het best in den schouwburg, als de acteurs elkaar op slagen trakteeren. 5. De deugden worden het gemakkelijkst door goede voorbeelden verworven. 6. Het is noodzakelijk, dat wij onze gezondheid op de zorgvuldigste wijze (—ten zorgvuldigste) ontzien. 7. Deze jongen stelt zich zeer lomp aan, hij plaatst vooraan, wat achteraan behoorde te zijn. 8. De nesten der musschen zijn van buiten van hooi; van bin-

Billijk, geredjt; bedelaar, ^citïev; lastig vallen, belaftigen; onbescheiden, gllblingtid); toespreken, jnjpvedten (3); berouw hebben van, belenen; wandaad, Untt)at; zeer, l'd^mei'jlid); zich vermaken, fid) nntert)afteit; trakteeren op, tl'ttfticvcu mit; voorbeeld, 35eif))ie(; noodzakelijk, uotlucubig; zorgvuldig, fovflfaltig; ontzien, fd)onen; zich aanstellen, fid) beuet)men; lomp, ungefd)idt; hooi, .vjeu.

ocr page 59

57

nen van veeren gemaakt 9 Ieder mensch loopt gevaar ruw te handelen, wanneer zijn toorn ten hoogste opgewekt is. 10. Wacht u voor de katten, die van voren lekken en van achteren krabben. 11. Willem stond boven aan de trap* en riep zijn kameraad, die beneden stond, toe: Hendrik, kom toch naar boven, ik zal je iets moois laten zien. 12. Hendrik antwoordde, dat hij niet naar boven kon gaan, omdat hij een boodschap voor zijn vader te doen had, en nu verzocht hij Willem, om naar beneden te komen en hem te vergezellen. Willem deed zijn zin en ging dus naar beneden, om met hem mee te gaan. 13. Van den hemel komt het water naar beneden, naar (ju) den hemel stijgt het weer omhoog en weer naar beneden naar (ju) de aarde moet het, eeuwig wisselend. 14. Uw broeder heeft mij in het ongeluk gestort, maar gij hebt mij er (o) weer uitgeholpen. 15. Wie tegen (o) een ladder opklimmen wil, die moet bij de onderste sport beginnen. 16. Van (onder) de verzamelingen van sprookjes zijn de sprookjes van Grimm het verst verspreid. 17. Peri-kles sprak nooit voor het volk zonder zich »p het zorgvuldigst voorbereid te hebben. 18. Vele teedere planten, die men reeds in Maart uit de broeikas heeft gedaan, zijn bevroren, omdat men ze na zonsondergang er (o) niet weer ingedaan heeft. 19. Wanneer het schip stil liggen moet, dan wordt het anker neergelaten; moet het schip weer weg, dan wordt het weer opgewonden.

Loopen, jein in; opwekken, mtfregen; zich wachten, fid) fyiiten; lekken, lecfen; krabben, fratsen; kameraad, jïamevab ®efl.); boodschap, Wang, lit.; zip, iBille; wisselen, luect;jeln; klimmen, fteigen; verzameling van sprookjes, quot;Dfiircljenjammlutu]; ver, roeit; verspreiden, Berbreitcn; teeder, jort; broeikas, ivcibliaiiö; bevriezen, cvfrievcn; zonsondergang, ©onnennntcrgang; weg, fort; winden, imuben.

ocr page 60

5«

LEER OM LEER.

Een dokter ging eens naar een zieke. Een voorbijganger bemerkte in de mouw van zijn rok een gat en zeide, terwijl hij er naar wees: „Daar kijkt de wijsheid uit.quot; „En de domheid er in,quot; zei de dokter koel.

Leer, amp;^rc; een voorbijganger, cin 3Sorü6evgeI)ettbev; mouw, jivniel; wijzen naar, ïjhlbeuten ouj; kijken, gucfeil; uit (bl. 56), er in (bl. 56); koel, fül)l.

DE LISTIGE POEDEL.

In een herberg waren vier honden. Zoodra het in den win-dertijd avond werd, kwamen zij na elkander (de (o) een na den ander) in de gelagkamer en gingen om de kachel heen liggen. De eene hond echter, een poedel, kwam gewoonlijk wat later dan de overige. Dan waren de beste plaatsen bij de kachel reeds bezet en hij moest verder af gaan liggen. Op zekeren avond was het zeer koud en zijn plaats*, die zoover van de kachel was, wilde hem volstrekt niet bevallen*. Reeds had hij meermalen heen en weer gekeken, of er (o) geen betere plaats voor hem [daar] was, maar hij vond er (o) geen. Toen liep hij plotseling uit de gelagkamer en begon bij de huisdeur geducht te blaffen. Gezwind sprongen de andere honden op, liepen naar buiten en blaften insgelijks. Toen de poedel echter de andere keffers zoo naar buiten gelokt had, snelde hij stil weer de (5UV) deur in, zocht voor (o) zich de beste plaats* uit, ging bedaard liggen en liet zijn kameraden blaffen, zoolang als (o) zij maar (o) wilden. Zoo legde hij 't later vaker aan, wanneer de plaatsen* om de kachel heen bezet waren, en de gasten in de kamer, die dat spoedig bemerkten , hadden er dan telkens vermaak in.

Listig, liftig, fdjlau; poedel, Uitbel, ut.; herberg, üBiïtëljauS; in, 511;

ocr page 61

59

gelagkamer, (Sctjljïube; gaan liggen, ficfj (ngci'lt; om — heen, um — t)ei'um; bij, au; gaan liggen, ficl) f)iltlegcil; op zekeren avond, cilteê 3lt)C!tbB; meermalen, mC^ïmalS; toen, ba; bij, neten; geducht, tüdjttg; insgelijks, e6enfaU§; keffer, iïlnfjer; lokken, loeten; gaan liggen, jïcf) niebcvlegcn; het aanlegen, c§ inad)Clt; later, ltttd}£)ev; vermaak hebben in iets, feine ^veilbe

(Suft) an etiuas ^abcn.

DE MIEREN.

De mieren zijn een zeer verstandig volkje. De beroemde Franklin vertelt ons het (o) volgende ware feit, dat hij zelf waargenomen en opgeschreven heeft.

Hij had eens een aarden vat* met stroop in een kast staan. Een menigte mieren waren naar binnen geslopen en vraten van de stroop; want zij houden bijzonder veel van zoetigheid (mv.). Zoodra hij dit zag, deed (nam) hij ze er uit en hing (©. 13) den pot met een dun touwtje aan den zolder van de kamer. Toevallig was een enkele mier daarin [achter] gebleven. Deze vrat zich zat. Toen zij weg wilde, bevond zij zich in [een] niet geringe verlegenheid. Zij zocht lang te vergeefs naar (o) den terugweg. Eindelijk vond zij dien (= hem); zij liep aan den draad naar boven tot aan den zolder. Toen zij dien bereikt had, liep zij langs (®en.) denzelven heen en zoo verder langs (o) den wand naar beneden tot op den grond. Nauwelijks was er een half uur voorbij gegaan, of er (o) trok een geheele zwerm van (o) mieren naar den zolder heen en juist op het touwtje af. Daar langs (aan hetz.) kropen zij verder tot aan en in den pot en begonnen weer te vreten. Dit zetten zij zoo lang voort, als er nog iets van de stroop over was. Sommigen liepen langs het touw naar boven andere naar beneden en dit duurde den geheelen dag.

Verstandig, fining; feit, X()at)ad}e; waarnemen, 6eoBacI)teu; aarden . irSen; stroop, SiïUp, m.; kast, Sdjrttnf, m.; bijzonder veel, befonbei'S; doen,

ocr page 62

6o

udimcu; pot, ÏOpf, UI.; dun touwtje, gabcu; zolder, ©ede; achter, JUVÜcf; zat, fntt; verlegenheid, SBei'IegeitI)eit; terugweg, Siiicftueg; grond, öobcn; voorl)ijgaan (tijd), Uerge^en, t)erfltef?en; of, l'o; zwerm, ©djttmnn, lil.; naar, ju; juist, gcrnbe; af, 511; langs, au UiugS; over, übïig, ba.

Die Praposition.

ïUcgtevmtg.

^rdpofitionen mit ©enitiü.

p N t My t

Unlucit !), mittelft, fraft2) unb luat)re 110,

Sant 3), üermöge i)l uugcadjtct5),

£)6erl)a(6 quot;) uub uirtcttjalb,

^nnertjalö unb au[jer^atb,

5)ieë|cit, jcnfeit, t)al6cn, luegen,

@tatt — aud) langS, jufolgc 7), trot?,

(Steden mit bent ©enitiö Ober auf bie grage loef feu?

©od) i[t (jter nidjt ju uergeffeu,

bet biejeu lekten brei 9lud) ber ®atiu rid)tig iet.

I) ober unfern (niet ver van); 2) krachtens; 3) luidens; 4) door, krachtens, op grond van; 5) niettegenstaande; 6) aan den bovenkant van; 7) ten gevolge. 3utDlgc ïegiert beu @eu., tuenu e§ (eiucm JïofuS uorangetjt, beu ©atic, loeun es fetueiu Kafits uadjgefetjt ift; 5. 33. sufotgebejjen rbev bemjufolge (dientengevolge).

sBeif^ieïc.

xHIcgt; ju ©ontaêf ^sbrafjitn ^ajdja iueilte

((Sr refibierte bort )tatt eiitcö ïürfeu

Unb lua^renb biefer ^eit mit ïrcift'gem JJiUrïeu),

ocr page 63

61

.Su ifjiu cin ïÖlufelman Doll (SiferS ciltc,

Urn luegeu eine§ ®taitr§ 1) fid) 511 beHageu.

„O §err,quot; fprtdjt er, „ïein foil jemalë luagcu,

Saut bcS ®efe|e§, ba§ biv i[t Dcfaimt,

3u SRoffe iuner^otb bcr ©tabt 511 jagen;

S)ic ®fe( uur ftnb als erlaubt genannt.

S)e§ungead)tet l)at '§ cin (Sljvift geluagt.

8ang§ jeneS 2Sege§, untoeit ber ÏOÏofc£)ee

3l't er ju Dioffe fred) baf)in gejagt,

29 0 er jcnfeitS ber ©tabt ben ïiJeg erf ragt

Unb bann bieëfeit beë Surrnê bog jur 3(llcc.

(3ut0föe beffen lap iï)n rafd) ergreifen,

Sy er mitt elft fdjluerer betten ï)er if)n fdjleifen;

33cftraf' i^n ftreng' Her moge beiner ÏOiadjt,

Ï9eil er — loie mid; — fo ba§ ©efetj uerladjt.quot;

SDer ^afdja fprad): „ïroli aller beiner blagen

33lcibt jener frei fraft ntcineë 23efe§ls(

9,Igt;ottt I;ö^er als (SEjriften beim Dïeitcn i[;r jagen,

53ebienet meinet^alben eud} beë Mantels.quot;

1. ïUelleidjt luirb e§ innerïjalb ein— 2Bod)e ju ein— grojj (Sd)lad)t (lu.) fommen. 2. fiotteriejettel 'J finb (Singangêjettel in b — ^etteïïjaus2). 3. ^d) beluotjne ein gimmer, beffen genfter anf b— @ee (m.) ge|en, ludtjrenb bie genfter meines ©djlafjimmers anf b -©arten gebeiu 4. SDas SDorf liegt oberfjalb b— 5Rüt;Ie; alfo liegt bie ?l)M;le unter^alb b— ®orf. 5. ®or all— jal;le anf bir, bid). 6. 9ïid)t jebe ïfilume pafd in ein— (Stranjj. 7. Slnfjer mir, mid) iueifj niemanb nm b— @ef)eimniê. 8. ®in ©ciufer gerat ftets in leiblid) unb geiftig - (5'leiib, unb er ftürjt aufjerbem feine 5«= milie mit in b - Unglüd. 9. ïöeldje grope ©tabt liegt umueit b-Üefuü V 10. quot;Dean faun moljl über einen unfdjulbigen (Sdjerj lad)en,

1) Bcttcl, briefje: 2) armenhuis.

1

C^iu (sHcuiv (türfifd); fpv. dzjaur) ift bei ben liivten ein Unglanbigev.

ocr page 64

abcv man barf nidjt fiber eruft - SDiuci- fi^erjcii. 11. siigt;cr mir crjt (^eidjmact gefimbeit Ijat au b- greuben beS 9,igt;or;ltï;unö, bem luirb co and) nie au b ïïlïiltel baju fefjlcn. 12. Weill lUadjbar ift feiu— Atiuber iuegen nad) bcr @tabt gejogen; bie[c foUen baê (siijiniiaiium befudjen. 13. fteue mid) }c[;r auf ■') mein CMeburt§= tag, benn auf b— fe(6— ftnb alle metne grcunbe getaben. 14. iiUrft bu and) auf mein — (Sebnrtstag fein V 15. 5)cr Oberft fragte jcbeu SBerimmbeten, ob er and) irgenb ein 3Miegen4) an iC) m, i f) n I)abe. 16. iSetm ber Srtef nid)t balb tomuit, fo umf? looljl etiuas in b— 2öcg gefommen fein. IT. i'ajj uns guteS 23ier trinfen ftatt b— fd)led)t— ïöein. 18. ift freilid) gut, ioenn man auf fein— (Sid)erl)eit5) bebad)t ift, aber man mufj bie @adje bod) nid)t auf b— @pit5c treiben. 19. ber §err ftetê auf b— SDiener fd)ilt unb ber ©iener befttinbig auf b-- §crrn fd)impft, ba ift auf mel ru()ig-quot; unb fröl)lid)— ïage nid)t 511 red)nen. 20. ®aö @d)iff ging trot? b— I)cftig— Sturm bod) in @ee. 21. aBer einen guten Dtat gcben faun, folltc mit bemfetben nid)t ginter b — Serg fatten lt;;). 22. S)ie SDiener beo ©efe^eó tonnen traft ii)r -- 31mt ®eI)orfam forbern. 23. 2Ber nie in grop— Scot gefommen ift, lueifj nid)t, luie cinem in bemfelben 511 mute ift. 24. (S§ ift unfd)iif(id) fo ins (im) 23laue - ï)inein jn reben unb mir fortmcilireub inb - 3iebe 511 fatten. 25. Sant bief- bon bir auSgeftettt — ©d)ulbfd)ein ift bie Dtucf= jal;tung ndd)ften SDÏontag ju leiften 8J. 20. ïUian I)at mir unter b— §anb 511 üerfteljen gegeben, bajj bie ®ad)e nid)t unter b-- V'eute foil. 27. gibt ^^ten im 2)ïenfcf)enleben, in benen ein Ungtücf über b— anbre fommt. 28. §aft bu fd)on einmat eine Sour IcingS b— j)K)ein gemad)t? 29. ©iefer ^nabe meip fid) immer auf ein— gut— 2(rt tjerauêjnreben unb auf ein gefd)icft— SScife au§b— stemme 511 jie^en. 30. 3ufo^0e ~ SInorbnungen !0) fonnte id) nid)t an= berë. SDein— I'tnorbuungeu jnfolge fonnte id) nid)t auberö. 31. Db= gleid) es über all— iBcfc£)reibung I)eif5 ift, finb mir fiber ein quot;Dh'iie

3) in het vooruitzicht van: 4) verzoek; 5) veiligheid; 6) achterhoudend zijn; 7) bewijs; 8) doen, volbrengen; 9) klem, moeielijkheid; 10) schikkingen.

ocr page 65

63

flcgnugen. 82. siigt;ir lucvbcu uuó fiber bief— ipunft !cid)t ciuigcii, jebod) uur uuter ciu- ikbiuguug quot;J. 33. ®§ toiumt Dor all— Singe uid)t auf SÏu^erlid^feiteii, fonberu auf b- inneru 9Bert au. 34. SDiefe SBare ift fiber b— (Sebiiljr (to.) icuer nub bod) öerfauft man fie fdjou uuter b (i'iufaufêpreië. 35. Uugead)tct b— 2Bar= nuugeu berftdubiger Seute futjr baS ^öoot bod) ab.

li) voorwaarde.

i. Een stuk brood en een weinig water is dikwijls het eenige voedsel van een alpenjager gedurende een geheelen dag. 2. Misschien zal het binnen een week tot een groeten slag komen. 3. Het paaschfeest valt altijd in een der maanden Maart en April en wel op een Zondag. 4. Het valt op een zondag in een der maanden Maart of April. 5. Ik plaats dezen kunstenaar naast zijn broeder, ja in menig opzicht nog boven hem, in ieder geval staat hij niet bij zijn broer ten achteren, 6. Welke steden van ons vaderland liggen niet ver van de Noordzee? 7. De kruisvaarders naaiden kruisen van laken of zijde op hun kleeren. 8. Karei is met (bij) het mooie weer met zijn makkers buiten (oor) de poort gegaan. 9. Is de Elbe boven de stad Hamburg niet veel smaller dan beneden de stad (dezelfde) ? 10. Buiten de poort wilden de jongens een vlieger oplaten (= een draak laten stijgen). 11. De kat staat op den sprong, maar de vogel zal op zijn hoede zijn. 12. Ik heb wegens het slechte weer niet kunnen komen. 13. Welke vader kan het over zijn (= het) hart krijgen (brengen), zijn ongelukkig kind [de] hulp te weigeren? 14. Ontslagen misdadigers worden niet zelden onder [het] toezicht der politie gesteld. 15. De landman moet niettegenstaande het slechte weer ten laatste toch met (o) den oogst beginnen. 16. Aan kwade dieren is geen dank te verdienen, zei de boer tot de slang, die zich tot (au) hem gewend

Paasch—, Ofter—-; kunstenaar, jïünfller; in menig opz., in m(md)Cn ©tücfeil; in ieder geval, jebcnfaïïè; ten acht. staan bij, jurücf fieI)Cll t)inter; makker, öejpiclc; hoede, §ut, W.; weigeren, Ucrfagcn; ontslaan, cntlafjcn; toezicht. Stuffiest, U'.

ocr page 66

64

had , om haar uit den kuil te hel]jen (= dat hij haar uit den kuil hielpe). 17. Al (tueuu) was iemand ook nog zoo arm, dan ontbrak het hem toch niet aan de gelegenheid, om (o) anderen te dienen. 18. Heeft men den dief op heeterdaad betrapt? 19. Jn weerwil van het uitdrukkelijk verbod van den dokter is de zieke toch uitgegaan. 20. Een trage weet zich altijd achter een voorwendsel te verschuilen, waarmede hij zijn traagheid denkt te verontschuldigen; maar mettertijd komt men achter zijn streken. 21. Het geheele vermogen werd krachtens het testament aan een armen bloedverwant toegewezen. 22. Wie zich in mijn plaats* denkt, zal zich niet verwonderen, wanneer ik deze stad verlaat. 23. Wie met (üöer) een gebrekkigen spot, lastert* diens schepper. 24. Door hitte wordt het lood in een vloeibaar lichaam veranderd*. 25. Noorwegen stond vroeger onder de Deensche heerschappij, nu is het onder de heerschappij van Zweden gekomen. 26. Ook die dienstboden behooren onder (4) de ongetrouwe, die alles, wat er in huis voorvalt en verborgen behoort te blijven, onder de menschen (lieden) brengen. 27. Luidens een telegrafisch bericht heeft er onlangs in Mexico een niet onbeteekenende aardbeving plaats gehad. 28. Op welke wijze kan men zich het best tegen (üov) die onbeschaamde musschen beschermen? 29. Op deze vraag kan ik u niet zoo voetstoots antwoorden. 30. Wat verstaat gij overigens onder hun onbeschaamdheid? 31. Mij dunkt (schijnt), men moet over redelooze dieren niet voorbarig den staf breken. 32. Langs de westkust wordt ons vaderland door duinen beschut.

Kuil, 0gt;5nt6e; ontbreken, feljlcn; heet, (t)ier:) jtijd}; zich verschuilen, fid) ftccfcn: denken, gcbenfcn; streek, ©d;lid;, lit.; toewijzen, jufpvedjcu; zich verwonderen, fid) luuubent; gebrekkig (van een raensch), gebred;ltd;; lood, 33Iet; vloeibaar, fïüffig; heerschappij, .Öerïjdjaft; alles, wat er in huis voorvalt en geheim moet blijven , jebc .peilltlidjfcit; onbeteekenend , unbebeutCllD; aardbeving, CSl'bbebdl, f.; onbeschaamd, llitUerjd)amt; zoo voetstoots, oljltC Üïcitcics; redeloos, uilOmuhtftig; voorbarig, oovjdiuelt; duin, Dünc; beschutten, jd)üt5cn.

ocr page 67

65

33. Zullen wij op (an) een Zondag of op een werkdag uitgaan? 34. Tengevolge van een aardbeving is de eens zoo bloeiende stad in een puinhoop veranderd*. 35. De zieke was in dezen nacht zeer rustig; hij sliep tot het reeds helder dag was (= tot aan den lichten morgen). 36. Deze hen broeit nog op haar eieren, daarom mengt zij zich ook niet onder de andere kippen. 37. Men kan zich op bloote geruchten nooit verlaten. 38. Ieder, die zich aan het hoofd (= spits) stelt van een opstand tegen de ingestelde regeering, zet zijn leven op het spel. 39. De Hongaarsche adel is zeer talrijk; maar naast de rijke Hongaarsche magnaten zijn er, zoo als in Ierland, ook vele arme edellieden. 40. Wanneer men olie met water vermengt*, waarin men soda heeft opgelost, dan verandert* het in een witte brij, die bij (= in) het drogen hard wordt en dat is de zeep.

Werkdag, ï8od;erttag, Samp;erftag; puinhoop, ©djiitttjaufeu; broeien, bn'itcn; zich mengen, fid) mijden; opstand, DieBetlioit, m.; instellen, eiufeken; Hon-gaarsch, ungaïifdj; brei, 23ïei, m.; drogen, trocfncn; zeep, ©eife.

(Jftetn-and) eintgev ^vaJpofitioncn.

Hj = 1 óci, lueuit eüte Stutje BejeicEjnet mcrbcit fo[(; tc^ bin bei bir.

2 jn, „ „ Jtidjtung „ „ id) fomme ju bir.

tot = \ lucnn eine ©rcnje attgegcBen luevben fott: «or Ort§= namen, 3a^'10öïteru unb 3e;i^enennnngen jtcl}t e§ allein; 3. '3. Bi§ morgen, bis (Srouingeu, bi§ jed;8 lU;v; fonft gebvaudjt man bit? ja (au).

2 ju in allen aubern gallen.

naar = 1 ju bei ïperjonen; itrir geljen ju bem Onfel.

2 nadj „ ©ad;en: roir get)en nac^ ber ©tabt.

voor = 1 üoc (fraujo|ifd; devant, avani). ©id) jd;amen öor, |id) tjiiten üor, loarnen uor u. f. lu.

2 füt = potir. ,

na (naast') = urtrijft bejeidiuet Otaugorbnnng: 9Hd)ft bir i)t er mein befter g-reuub.

naast = ucliett (nevens) bebeutet juv ©eite: 3Jïcin §an§ fte^t neb en bem feinigen.

neb ft = benevens.

spruyt , Sprachübungm. 3e druk. 5

ocr page 68

66

i. Wacht tot mijn vader bij u komt; hij zal zeker iets voor u doen. 2. Hoeveel dank ben ik mijn ouders schuldig, voor alle offers, die zij voor mij gebracht hebben! 3. Voor gedegen goud en voor echte paarlen betaalt men groote sommen. 4. In het eerste gebod heet het: gij zult geen andere goden hebben nevens mij. 5. Na een grooten brand levert misschien (o) wel een onstuimige zee het verhevenste gezicht op. 6. Als gij morgen bij mij komt, zal ik u mijn teekeningen laten zien, benevens een duivenhok, dat ik zelf gemaakt heb. 7. Attila overviel zijn vijanden met bliksemsnelheid en wierp alles overhoop; duizenden vielen of vluchten voor hem , en waar hij kwam, veranderde hij het land in een woestenij.

8. De mensch groeit tot kort na zijn 20ste jaar 1).

9. Daar ik in den afgeloopen nacht van (bor) het leven in de straat niet slapen kon, ga ik nu vroeg naar (ju) bed, want ik kan mijne (—de) oogen van vermoeidheid niet langer open houden. 10. De kinderen Israels aanbaden ten laatste nevens de gouden kalveren ook nog [dén] Baal. 11. De vrees voor onzen broer, die in een hevigen storm op [de] zee was, hield ons voortdurend in spanning. 12. Uit vrees voor een nachtelijke inbraak durfden wij niet ter ruste gaan. 13. Wij woonden vroeger naast den apotheker; nu zijn we naast

Offer, Opfer, f.; gedegen, gcbiegen; som, ®umme, lü.; gebod, ©ebot, f.; brand, gcuetsbl'imft, 1U.; onstuimig, tobenb; verheven, er£)abcn; gezicht, 3(nl)Ucf, m.; —hok, —-fdjlog, m.; bliksemsnelheid, quot;-ütiljcêidjnclte; overhoop, übev ben §aufen; woestenij, SMftenct, 1».; afgeloopen, Bevgcmgeu; leven, Scirm, m.; vermoeidheid, 33ïübigfcit; openhouden, ouffjoitcn; aanbidden, dUÊcteit (trennb.); hevig, fjcftig: voortdurend, fortroiiljvcnb; spanning, Stufregung; nachtelijk, nö^tlid); inbraak, (sinbïud), ut.; ter ruste gaan, fid) fdjlafen legen.

') Sie S^te omt 20—29 neunt man bie jloanjtger «ou 30—39 bic breifiigcr -^o^re n. f. 10.; alfo faun man i)ier übeï= feöeit: bis in b— crften jmanjigev Saljr—.

ocr page 69

67

het raadhuis gaan wonen (= getrokken). 14. Wat is na een duurzame gezondheid het hoogste goed? 15. Tot groote daden is niet ieder geschapen, maar t o t de trouwe waarneming van ons beroep zijn we allen verplicht. 16. Ik kom heden avond bij u; alleen wanneer ik b ij u ben, ben ik kalm en kan ik mijn ongeluk een poosje vergeten. 17. Als ge ooit te (nad)) Amsterdam komt, vergeet dan niet den dierentuin te bezoeken. 18. Voor broodelooze kunsten en onbruikbare kennis moet men geen tijd opofferen (offeren). 19. Aan wien zijn wij na onze ouders den meesten dank schuldig? 20. Naast God heb ik u mijn leven te danken. 21. Gaat ge mee naar mijn oom? Hij verwacht ons beide. Neen, mijn vriend, ik moet naar het station; maar ik zal je toch tot aan de Nieuwe Kerk vergezellen. 22. Hendrik, gij weet, waar de dokter woont; ga eens gauw n a a r hem toe (o) en verzoek hem, terstond bij mij te komen. 23. De vriendin mijner zuster is verleden herfst naar Davos gereisd en zij denkt tot aan de maand Mei daar te blijven. 24. Wie is er (o) na u binnengekomen? Als ik het wist, zou ik het u zeggen.

Raadhuis, Otatf)au§, f.; duurzaam, bauerljaft; trouw, treu; waarneming, 9l6tt)artung; beroep, (Sïfüllung; dierentuin, ïievgarteu; broodeloos, brottos; onbruikbaar, unbraudjbav; kennis, SBiffett; gauw, jdjnell; verleden, Deï= gangen; binnen, fyerein ob. f)tnein(?).

^ur töiebcrfjolung.

DE BELEEDIGDE BURGEMEESTER.

De burgemeester van een landstadje kwam eens in de residentie. Op [de] straat ontmoette hij een vreemdeling, die verdwaald was en hem vroeg: „Goede, brave man, hoe heet deze straat?quot; Ik ben geen goede, brave man,quot; — zei gene, die zich beleedigd achtte, „ik ben de burgemeester van S.quot;

Burgemeester, 33ürgeïmeifter; residentie. iRcfiöenj, ll).; verdwalen, fid) ücïutcii; achten, {ül;len.

ocr page 70

68

DE BELEEFDE ECHO.

In een gezelschap vertelde men iets van een bewonderenswaardige echo, die een woord zes tot zevenmaal herhaalde. „Dat is niets,quot; zei een Gascogner, „in mijn land is een geheel andere echo. Als men haar toeroept: „Hoe vaart gij?quot;, dan antwoordt zij terstond; „Om u te dienen.quot;

Beleefd, pflid); bewonderenswaardig, betUUItbetUltgsiUÜvbtg; herhalen, ll)icbcv£}0lc!t; terstond, ben SlugeubticC; dienen, oilfluarten (3).

ROERENDE EENVOUD VAN EEN KIND.

Karei: Maar Willem , wat doe je daar (dan) toch op den boom ? Willem: Wees toch stil, dat papa en Marietje het niet hoorei! ; de dokter heeft gisteren gezegd, dat Marietje zou sterven , wanneer de bladeren van de boomen vielen; nu wil ik ze vast binden, opdat ze niet afvallen en Marietje niet sterft.

Roeren, rüljïeit; eenvoud, ©infctlt, m.

DE ARTSENIJKIST.

Van een schip viel een arts, die alles met water placht te genezen, in [de] zee. Een matroos meldde het den kapitein met deze woorden: „Kapitein, de wondarts is in zijn artsenijkist gevallen.quot;

—kist, — faften, nt.; matroos, SRatrojc; wond—, 28unb—.

ocr page 71

69

CLÖLIA.

Door de daad van Mucius Scaevola verschrikt zond Porsenna gezanten naar Rome, om over den vrede te onderhandelen. Deze kwam voorloopig tot stand. Porsenna verlangde echter, dat de Romeinen hem voor de stipte naleving der vredesvoorwaarden gijzelaars zouden geven. Verscheidene voorname Romeinsche vrouwen en jonkvrouwen werden daartoe bestemd en naar (in) de legerplaats van Porsenna gebracht. Deze koning beval, dat men haar met eerbied zou bejegenen en voor iedere mishandeling zou beschermen.

Toch waren de vrouwen en jonkvrouwen zeer bedroefd en wenschten vurig naar Rome terug te keeren. Daar nam de jonkvrouw Clölia het besluit, zich zelve en de andere vrouwen te bevrijden. Toen zij nu eens door soldaten bewaakt met andere vrouwen aan den oever van den Tiber wandelde, zeide zij tot dezen: „Als gij den moed hebt, u uit de macht der vijanden te bevrijden, volgt mij dan [na]!quot; Met deze woorden sprong zij in den vloed en zwom naar den anderen oever. De andere jonkvrouwen volgden haar voorbeeld en de geheele schaar kwam er gelukkig over, ofschoon vele pijlen haar achterna vlogen. Weldra echter kwamen er gezanten van Porsenna en verlangden, dat Clölia weer uitgeleverd zou worden. Dit geschiedde en zoo werd zij voor Porsenna gebracht. Deze toonde nu, dat hij een edel vorst was. Hij ontving de jonkvrouw met achting en zeide tot haar: „Clölia, ik bewonder uw moedige daad; ontvang van mij een waardig loon daarvoor. Vrij moogt ge tot de uwen terugkeeren en uit de nog overige gijzelaars eenige uitkiezen en medenemen.

Verschrikken, ev'fdjvecfen (fd)iD.); voorloopig, öorlaufig; stipt, gennu; naleving, (ïrfüllung; vredesvoorwaarde, gïicbeitëbeimtguitg; gijzelaar, (Sieifel; voornaam, tiorncïjtn; legerplaats, Öagcr, f.; brengen, abfuljrett; bejegenen, fecgcgnen; mishandeling, SOlt^mtblung; vurig, fet)nlid)jt: bevrijden. Befreien; naar, gegen; schaar, ©cf)(U', lu.; er over, t)eï(!jin)iibei'(?); achternavliegen, nadjjd;tmn:en(3); achting, Gfirerinctung; waardig, miirbig; uitkiezen, wat;len-

ocr page 72

7°

DE BELOONING

[De] kalif Harun al Raschid trof, toen hij eens op de jacht was, een oud man aan, die een noteboom plantte. „Welk een dwaas is die oude!quot; zei de kalif tot hen, die hem vergezelden , „hij doet, alsof hij nog een jongeling was en de vruchten van dien boom genieten zou.'' Daar zijn jachtgenooten eveneens om dien oude lachten, ging de kalif naar hem toe en vroeg, hoe oud hij was. „Over de (o) tachtig jaar, heer,quot; was zijn antwoord, „maar goddank nog zoo gezond als iemand van dertig.quot; „Hoe lang denkt ge dan nog te leven?quot; vroeg de kalif verder, „dat gij op zulk een ouderdom nog jonge boompjes plant, die zoo laat vruchten dragen? Waartoe die vergeefsche arbeid?quot; „Heer,quot; gaf de oude ten antwoord, „ik ben tevreden, wanneer ik de boomen geplant heb, zonder mij er om te bekommeren , of ik of een ander de vruchten daarvan (= derzelve) genieten zal. 't Is billijk, dat wij doen, zooals onze vaderen deden. Zij plantten boomen, wier vruchten wij eten; daar wij nu den arbeid der vaderen genoten hebben, waarom zouden wij nu jegens onze nakomelingen onverschilliger zijn, dan gene jegens ons waren? Ik denk, wat de vader niet geniet, dat oogst de zoon.quot; De milde Harun, wien dit antwoord beviel*, schonk den oude een handvol goudstukken. „Wie kan nu zeggen,quot; ging de opgeruimde grijsaard voort, „dat ik vandaag vergeefs gearbeid heb, daar de jonge boom, dien ik geplant heb, terstond op den eersten dag zulke rijke vruchten draagt?quot;

Iemand, die ons vergezelt, Secjfeitev: jachtgenoot, hier: (Sefciljrte; eveneens, gleid;fatl§: naar, (Ulf; op, in; vergeefsch, uevgeblid); ten, juv; er om, borum; zich bekommeren, fid) fümmern; billijk, bilüg; zouden, fotltcu; nakomeling, Dtndjtomme; stuk, Snuf, j.; voortgaan, fortfaljren; opgeruimd, munter; terstond, gleid); op, an.

ocr page 73

7i

TREK VAN [DE] ZELFVERLOOCHENING

Szekuli, een Oostenrijksch kapitein, werd tot opsluiting in de vesting Szegedin veroordeeld. De bediende van dezen ongelukkige nam het besluit, zich tot den keizer te wenden, om hem te verzoeken, zijn meester in de vesting te mogen volgen. „Wat wilt ge bij uw meester doen?quot; vroeg hem de keizer, „ge weet immers, dat hij als misdadiger veroordeeld is.quot; „Ik weet het,quot; antwoordde de trouwe dienaar, „maar ik heb hem in zijn geluk gediend en nu bied ik mij aan, hem ook in zijn ongeluk te volgen. Hij zal mijn diensten op zijn ouden dag ODcJ noodig hebben en wanneer ik niets anders doen kan, om zijn lot te verzachten , dan zal ik hem ten minste troosten en hem aanmoedigen, om zijn straf geduldig te verdragen.quot; De keizer, door zulk een zeldzame verknochtheid en trouw geroerd, veroorloofde hem, zijn meester te vergezellen, en stond hem zelfs een klein pensioen toe.

Trek, 3llSgt; zelfverloochening, §iugebung: tot opsluiting, jur (StufpeiTintg; meester, .^enquot;; verzachten, milbevit; dan, fo; troosten, tröftcn; aanmoedigen, crmutigen; verdragen, evtrageit; zeldzaam, feiten; verknochtheid, 4(nf)dnglicl)feit; toestaan, beiuiltigen; pensioen, ^enfiou, lo.

DE WEDERVERGELDING

Toen een juwelier eens aan filff.J een Romeinsche keizerin valsche juweelen verkocht had, eischte zij daarvoor van haar man een strenge bestraffing. Daar de keizer zijn vrouw niet tot bedaren kon brengen, veroordeelde hij den bedrieger tot den strijd* met den leeuw. De keizerin begaf zich , begeleid door haar geheelen hofstoet, naar (op) de kampplaats, om haar wraak te genieten. Maar hoe groot was haar teleurstelling, toen in plaats van een verscheurend dier een onschuldig lam op den

ocr page 74

72

veroordeelde toetrad. Zij was zeer boos, dat men haar misleid* had en beklaagde zich daarover bitter bij den keizer, Maar deze antwoordde haar: „Ik heb den misdadiger naar de wet der wedervergelding gestraft; hij heeft u misleid* en hij is van zijn kant misleid*.

Wedervergelding, ÏBicbctUergcttung; juwelier, juwelier; juweel, (Sbcffteiu; man, (Satte; tot bedaren brengen, befdjUridjitgcn; hofstoet, .'öof; wraak, Mad)C; teleurstelling, jEaufdjuitg; verscheurend, veijjcnb; toetreden, jugelEjen; boos, ttufgeBrad)t; van zijn kant, feinerjeitS.

DE ZEVEN SLAPERS.

Als men slaapt, gaat iemand de tijd voorbij (voort), zoodat men niet weet, waar hij blijft. Dat blijkt uit datgene, wat ons verteld wordt van de zeven slapers. Dat waren zeven jongelingen te Ephesus, die, toen [de] keizer Decius de Christenen ten wreedste vervolgde, in een hol van een nabijzijnden berg vluchtten en zich daar verborgen hielden, totdat zij eindelijk van vermoeidheid in slaap vielen. Keizer Decius liet, toen hij daarvan hoorde, een grooten steen voor het hol rollen, maar zij sliepen voort en merkten er niets van. Na 196 jaren, toen middelerwijl het Romeinsche rijk christelijk was geworden, wilde een burger [zich] daar een huis bouwen en liet den steen wegnemen. Toen nu de eerste zonnestraal in het hol valt, ontwaken de zeven en beraadslagen, en dewijl de honger hen kwelt. zal er (o) een, Jamblichus genaamd, heimelijk naar (in) de stad gaan, om brood te koopen. Toen hij er uitkomt en rondkijkt,

Slaper, ©c^lafer; blijven, ïnitfontmcn; blijken, et£)CÏÏeu; wreed, gvttlljam; hol, nabijzijnd, natje; daar, bajcttft; van vermoeidheid, ÜOl'

inübling; in slaap vallen, ein|d}lafcn; rollen, lua^cn; middelerwijl,'imttlcr= ineile; weg—, [)tnttgt;cg—; ontwaken, mtfluacfieit; beraadslagen, fitf) heraten; kwellen, quolcu; heimelijk, £)cimlid); rondkijken , fid) mnjefjClt.

ocr page 75

73

of er geen vervolgers te zien zijn, wrijft hij zijn (= zich de) oogen uit (o), want de streek komt hem geheel anders voor, de menschen zijn bedaard op [de] straat en op het veld met hun werk bezig; hij meent nog te droomen. Hij komt bij (= aan) de poort, ziet daarboven (boven dez.) een groot Christusbeeld aan het kruis, verschrikt en wil niet naar binnen (bl. 56), gaat naar (bor) een andere, daar vindt hij hetzelfde en bovendien ziet hij op de torens het kruis schitteren. Hij gaat weer naar (511) de eerste poort, gaat naar binnen naar (untcr) de broodbanken, — alles is (= heeft zich) veranderd*, en in een tempel daarnaast hoort men zingen: Te Deum laudamus (Wij loven U, o Heer!). De bakker bekijkt zijn geld, maar wil het niet aannemen en zegt, dat hij dat niet gebruiken kan. De jongeling zegt: „Het heeft immers gisteren nog gegolden!quot; Terwijl hij weggaat en steeds meent te droomen, gaat de bakker heimelijk naar den stadhouder, laat hem het oude geld zien en zegt, dat een vreemd man het hem gegeven had en die moest wel een schat gevonden hebben. De stadhouder zendt eenige stedelijke bedienden om hem uit en toen deze hem grijpen, denkt de jongeling, dat men hem voor Decius sleept. De stadhouder vraagt, wie hij is en waar hij zijn geld heeft. Hij noemt zijn ouders, maar niemand weet iets van hen; hij noemt zijns vaders huis, maar daarin wonen andere menschen. Daar zij niet weten, wat zij van alles denken zullen , vat de jongeling moed en vraagt naar [den] keizer Decius. „Decius?quot; zeggen zij, „de duivel der christenen, wat zou die (— wat is het met dien)? Onze keizer heet Theodosius, dien God zegene (zegenen wille) door Christus!quot; „Spreekt zacht,quot; hernam de jongeling, „hoe durft gij vandaag

Bezig zijn met, )iad)gc{)Crt (3); cristusb. a. h. kr., ^rujifip, j.; bovendien, baju; schitteren, gliinjcn: daarnaast, ncficitan; bekijken, anfcfjauett; aannemen, licl)llien; weggaan, bawingefien; stedelijk bediende, ®tabtflied;t; om, nad): sleepen, fcfjlcppeu; moed vatten, fid) ein foffctt.

ocr page 76

74

den naam notmen, waarom gisteren de bloedhonden achter ons aan (ï)er) zaten (= waren)? Wie zijt gij en wie zijn de lieden, die in den tempel van Diana het Te Deum laudamus gezongen hebben.quot; Nu begrijpt men de zaak: onder de lieden van Ephesus ging nog wel de sage van de zeven jongelingen, die keizer Decius in den tijd der rampen ergens ingemetseld (bl. 17) zou hebben en zij noemden hun namen, want zij waren niet vergeten. Toen de jongeling zijn naam en dien zijner broeders hoorde en vernam, hoe Ephesus nu christelijk geworden was en hoe God de Heer het hun gegeven had, den tijd der rampen met slapen door te brengen, weende hij luid en ging in het hol naar zijn makkers en al het volk geleidde hem en bracht de zeven in grooten triomf naar (= in) de stad. Nadat deze des avonds nog eens met elkaar God gedankt hadden, legden zij zich ter ruste, maar zijn niet meer ontwaakt; men vond ze des morgens zacht en zalig ontslapen.

Waarom, lim beë imllen; een zaak begrijpen, nudj: ciltcv ©acl;c ailf ben (Sïltltb fornmen; ramp, SvüÊjal; ergens, ivgenbluo ; inmetselen, Denitaucnt; met slapen doorbrengen, ücvjd)lafcn; makker, (Sefaïjrte; ter, juï; ontwaken, aiifluacfjcn; ontslapen, entjcf)Iajcn.

Synonymisches.

bedriegen — töufcl)cn. ^ïan faun eiucn in pter unb in bofer 3lf))irf)t tdui'djen unb bie ïdufc^ung faun 6alb eine nül5lid)e unb angene^tne, 6alb cinc fdjablic^e nub imangcne^me iüirfung Ijabcu. Der atvjt tauf^t ben kranten biëtBcilcn übev feinen 3ufatt^- tctuji^eu.

betviigcu ï)ci[5t: einen ju feinem ©djabcu unb in eigennülpiger 2l6jid)t borjdljlid) tdu)d)eu. ()inter(jcl)cn ^eipt: jemanbe§ ikrtraueu mifj6vau= djeu, in ber 3l6fid)t, iïim ju fd)aben.

ocr page 77

75

besluiten — l)efd)tief|cn (ge]d)icï)t nad) vciflid)er ÜÊevIcgung): DJïnn kfcCiloü, fecn iïatnpf ju luageit.

firf) cntfd)lief;cn (= yid) eutfdjcibcn, maS man tl)iin miü) faun fdjnett, oïine öoiijerge[)enbe 23c= rat)d)lagung gcfc£)efjen. ®ie befc^liepen ftetö j» marten, lueil ©ie fid^ nic^t entjd)[iei;en fönnen.

bevallen — g e f a 11 e n.

befallen = tveffen; (*iu Uuglüd befiel (overkwam) un§.

bewijzen — belueifen. 1, burd) ©rünbe gcluip jn niadjon |ud)en; 2. jetgen: einem greunbfcfyajt, 2lujiuevf[ainfcit be roe if en.

etitieifen. 1. anëveidjenb 6ciuei)cn; 2. erjeigcn: einem SMeitile, ©ejdüigfeiten, @utc§ evtueijcn.

S)ie ©ottesleugnev ^nlten baS ïafein ÖiotteS bnrd) bie ®c roei je, bie man bauon aufgefieltt ^at, nid;t jüï cr= miefen. Cbgleic^ er nie (Selegen^eit f)atte, mir greunb= fdjaftsbienfte ju er roe if en, fo ^at er mir bod; ftet§ greunbfc^aft b e ro i e f e n.

donker — buntel (©egenf. Ijetl, tl ar). Wan ncnnt bic ©cgenjtfinbe b u n f c I, tucnn baë Sidjt nid)t fo l'tarï ift, bafj man fie untcrfd)eiben fann: eine bun f Ie 9iad)t (bie ©terne fd)einen nid)t ï)el(, eiit bun= fier SBalb (bie SBege finb nidjt meljr ju unterfdieibeu). Sic Vompe brennt bun fel. ®unfelgelb.

duister — fittfter ([tdrfer als b u n f c l) = o^ne atteS 8id}t;

cine finftre 'Jiadjt (bo§ Sid^t ift fort), cin finftrer JSalb. ëin büftcfct ©cgenftanb macf)t uus traurig, uerurfad)t g-urd)t, ober erregt (Srauen. 28ir mnfjten fpiit Slbcnbë nod; burd; cineu büftcren ÜBolb.

gebruik — Wcbiaud), sBraud) = @itte, ©einoljnfjcit: Sas ift ein graufamcr ©ebrand;. ®u fodft nad; unfren 33 r a u d; e n uns bcftattcn (begraven).

©ebroud) = 33emiljung ober ïserluenbung einer ©ad)e; SoS heffer ift burd) ben @ ebrand; abgeunljt. gebruiken — gelgt;initd)cn nnb bvoud)eu. Jas fann man nid;t

ocr page 78

76

b ma cl; cu (gcbvaitrfjcn). 23 ra ud) en Öebeutct (Ulrf) bebürfen (noodig hebben). @in eingebi(= betev iïïaufer g e b v a u ct) t ^trjnei, ba cv bod) fctnc b ï a u d) t.

genezen — gencfen (intr.): ®cr fttanfc genas,

feilen (tr§. u. iutrê.): ®te aBunbe f)ci(t. tas ^Pflaficr ficilt bic aSunbc.

ïuvicrcn : ®cr Slrjt furiert.

godsdienst — Wotteóbieuft, bie cinem @ott beit)ie)ene ^cr= e^rung — auc^ bic öffcntlidjcn ^cifigcn @eamp;raud)e. dieltgion, bic 3trt unb 2Bei)e ber @otteêücr= c^rung, bie Scoren üöcr ®ott unb göttlid)e Singe: d^riftlidje, jiibifebe Meligion.

lioofd — gcgt;»öljnlid)e 33encunuug für biefeu .^ïürpcr=

teil: itopflucrj. ïlïan fefet beu ^iut auf beu jïopf. ftaïjte .töpfe.

.^au^t mivb uur in ber eblern ©prad)c bom .lt;ïopf beë TOenjdien gefagt: SSirb ber .ftöuig gcïröut, fo fct't luait if)in bie Jtvoue auf baS o u p t. Oefröute §aupter. ®cï SBater ift ba§ iwnnilie.

lasteren — Dcvfcumben, bem guten (naam) einer ^er= fon fd)aben. Saê ift ciue Sevlcumbung (laster), laftern, ein entel)rcnbe§ Urteil fcitlen itamp;cr bie guten ©igcnidiaften unb ^onblungen einer ^er= jon. lUau löftcït beu iïöuig, bic Uufdjulb u. f. tu. (3)a§ Softer — de ondeugd; j. 23. baS ©piet ift ciu Softer.)

leenen — boegen = ein SDarle^n (befonberê ©etb) geben ober ne[)tnen.

letten = einem etluaê jur 33enu|ung überlaffen ob. etloaS jur 23enu^ung üon einem nefimen (33iic^cr).

leeren — leuren = Uuterrid)t erteüeu.

lemen = jid) üben in, fid) befannt mad)en mit.

leerling — 0c()itlcr = einer, ber eine (3d)ule bejud)!.

ocr page 79

77

Scfttlhtg = etner, ber in ber Se^re ift (6ei §aubtöerfern, ^auf(euten).

mager — mager (@egen). fett): mageres gfcifd}, etn mo= geveê ïier; (bilbL) iitageve (Srnte, mageïe (Sintüiifte. I)a}]er = ïeine Dollen, fdjluellenben gormen l)a-l'cnb. Siefeê ï9ort ift ebler atë mager unb luirb uur Don ïDienfcfjen gefagt.

mengen — mengen. Unier einanber g e m eng t e 2)inge fann man immer bon einanber unterfdjeiben (jroei ®e= tveibeorten). @u6[t. ©emenge, 3)ïengfel. mifc()en. Unter einanber g e m i) d) t e SDinge [inb nid;t meïjr öon einanber ju nnterfdjeiben (Staffer unb DJiildj), (Subft. ÏÏR i) d) u n g.

misleiden — ©. bedriegen.

moeras — 3nm^f, eine fcid)te (ondiepe) Ï8afferfldd)c, bie einen fdjlainmigen 23oben ï;at, in bie man einjinft. üöioraft. Ser o r a ft ift trocfner als cin ©um^f, aber tief, bobeuloó.

munten — mnnjen, ^ragen (eig. ftempelu).

nestelen — niften (im allgemeinen).

f) or [ten loirb nur uoit groten ^ögetn, befonberS bon Sïanbbögejn gefagt o r ft — r;od) ragcubeS Dieft ber DiauboogeQ.

nu — jetjt (gel)t uur auf bie ^eit).

nun (geïjt aufjerbem auf bie llmftcinbe).

plaats — Crt = ïcil beé StaumeS im allgemeinen. jjMcv i)t nid;t bcv O x t, iibev folc^e Singc 311 (prcd;eii.

lt;$tclte = beftimmter Steil einee Orteê (plek); J. 23. Jpier ift bic ©telle, wo bee Diorb gefcfiaf); ge= fa£;i'lidf)e ©tellen im ©ebiïge.

^tai? fjeifjt ber Dtaum, ben eine -^erfon ober ©ad)e gelbo^nlid; einnimmt, einuef)men fann ober foil; 3. 23. Ding an feinen qjtalj fetien. ,lpiev ift

ocr page 80

7«

mein ^ 1 a (5. .gier fiub nod) jioci ^ I a 1? e lecv. lt;Stely. plat?. ^51 aij fjeipt aiic§ bie 5'lad)e, bie ju cinem gclüifjcn 3tl)ecf bient; 5. ïö. TOavftplatj, ©ptclplab, üaittpfptab 11. j. re.

raden — raten. 1. ein Dïatfel —, auf ein 9ïat[e( —. 2. 9ïat gebcn.

ccratcn (ein SMtfef buvc^ Oïaten löfcn); 5.

bil t)afi e§ ervateu — gij hebt het geraden.

schilderen — frijUbcrn (nur bi(bli^) = burd) SBorte ciu (e= bcnbigcö 23tlb üon etmaë barfteüen.

maten = mit garöen id)iitüdcu; 5. Die aScink cincê ^innners malen (bemalen). Afinnen maten, schouder — 2gt;d)uUer unb itdjfel (eig. oksel).

9( d) 1 c 1 luirb oft auftatt ©jutter ge6roud}t; j. 33. @tnem anf bic St d; f e 1 n (®d;uttern) flopfcn. (Stoas auf ben 2td)feIn (©djuttern) tragen; a6er:

21 dj)etpfjle nid)t @d)u 1 tcr^ö^ie.

breit fdiulte rig nidjt breit ad) fel ig.

sieraad — ,3'cc^e' eiquot; ©egcnftanb, ber fcine Umgcbung oer: ïd)Önert; ©ie war bie 3ierbe nnjrcë ©tabtd;enë. ©iefeë .Spans ift cine 3icrbe bes '^layeê (v. het markt-plein).

3icrat, ein ©egcnftanb, ber jur 3Serfc^önerung einer @ad;e angebrad)t töirb. 3M}t alte 3ieratcn, bie au cinem .vSaufc aitgebrad;t mevben, gereid;en bem= fclben jnr

strijd — iStreit. (Sin ©treit in Söorten tuirb rul;ig unb strijden mit ©ri'mben gefü^rt. 3n ge^obner :Hebe fagt man and) ftreiten, luenn ber ©ieg burd) ©e= lualt erftrebt toirb: g-ürs aSatertanb ftreiten. ®ie Xrommel fd;lug jnm ©treite.

^am^f. ^dmpfen ift ein Ijeftigc§ ©treiten: ®er 33icnfd) tamp ft mit cinem Sörocn. g-ür baë 25atcr= lanb, für bic grcil)cit tamp f en. @in bhuiger .ft'ampf. (Scgen ben ©turm t(impjen. SOÏit aSorroürfeu fömpfen.

ocr page 81

79

toen — ba (alors).

atë {lorsqué).

b a in a t ê (a cette époque).

trap — Src^c. @ine $veppe bcftc^t auö ©tufen (treden, 6ci iin§ aud) trappen genanut). uitvinden — et'ftnbcn, n.l. etlüns itod) md)t ^Borfjanbcties; 93. ba§ ©d)ie|lpu(Dei'.

ait'Sfinöcit ob. auêftnbig mad)en (opsporen): f)n6e ben redjten DJïann auëgefuubcu. vat — (^cföfj, allgcineinc 93enennung für I)ot|(c @egcu= ftdnbc, bie baju kftimmt finb, etmaë in fid) ju faff en (ciu @la§, cinc iaffe u. tv.).

ein [)öljevneö ©efdjj auë SDauben (duigen) mittelft Dleifen (hoepels) jufammengel)alten. veranderen — ünbecn, tievftnïicrn = tcillDcife anberë ntad)cn: man anbevt (ocraubeït) ein jtfeib, fcinc Scbenëroeife. ijcrwnnbcln = ctwaë fo ganjtid) beranberu, bajj ba§ Uv)prünglid)e nid)t mrf)r 511 erfennen ift; j. 93. ®ie Otaupe oer lu an belt fid) in einen ©d)metterling. vlak — flacl) = oïine mcr£lid)c (Srïjebung ober SSertiefung;

ein ftadjes gelb. (Sine ©d)ale, ein öiftel, ein SBaffev

finb ft ad), luenn fie loenig ïiefe §aben.

ebcn = oI)ne l)erbortrctenbe llngleid)^ett. (Sine

(Söenc ï)at feine 93ergc ober 2tnï)öf)en; Sine

©djale, ein Soffet finb eben, roenn feine 33eulen bavin

finb.

zaad — Samen (m.) — bie Corner, bic 5ïeime für ncue ^flanjen eut^alten; 5. 33. 23Iumen f a m e n, ciu (Samenïjanbler.

Sant (10.) = ber auêgefatc ©ame bcS (SctreibeS. zacht — fduft. SDa§ ©anfte nrirft bcfonberê auf ba§ (Sefü^l: ©anft wie ©eibc.

ïeifc. S)a§ S e i f c luirft bcfonberê auf ba§ @e^ör; leife veben, ge^en.

ocr page 82

BEOORDEELINGEN

VAX

SPRACHÜBUNGEN,

VON

H. C. SPRUYT,

Lehrer am Gymnasium zu Groninyen.

«Uitnemend van stof en bewerking.quot;

{Maandschrift v. Opv. en Onderw. in Ned.-Indïé.)

»Er bestond vroeger eene groote kloof tusschen de besproken «Inleidingquot; en het groote leerboek van Sprayt, de «Hoclideutschc Sprachlehre''. De overgang was al te groot; het moest ieder leeraar moeielijk vallen, zelf dien aan te vullen. De schrijver heeft het ook later ingezien, en verleden jaar liet hij voor het eerst een soort van «aanvulliugswerkjequot; verschijnen, de «Sprachübungen''. I lierdoor wil hij den leerling in staat stellen, om in 't vervolg de groote spraakkunst gemakkelijker te doorloopen. Of hij er in geslaagd is, blijkt bij het eerste oogenblik heel klaar. Vele, zeer vele oefeningen, in 't Nederlandsoh of Duitsch opgesteld, nu eens eenvoudige, afzonderlijke zinnen, meestal met belangrijken geschiedkundigen inhoud, dan eens korte of lange samenhangende verhalen, boeiende fabels en vertelsels, 't Is een ware kleine bloemlezing, waar echter alles tot één doel strekt, den leerling vertrouwd te maken met den bijzonderen geest, die in zekere gevallen de woordschikking en den zinsbouw in 't Duitsch beheerscht. Praktijk alleen kan hierin zijn gevoel, het zoogenoemde spraakgevoel, ontwikkelen. Daarom nemen er ook de regels bijna geen plaats in; de gegeven theorieën zijn zeer bondig, maar hoe bondig ook, met een knappe juistheid uitgedrukt; zoo vooral die, handelende over 't verschil in be-teekenis bij de hulpwerkwoorden der wijze in de twee talen; het gebruik van do bijvoegende wijze in de ondergeschikte zinnen; de nadruk gelegd op Tie beperkte beteekenis van zekere voorzetsels, en nog andere. Met de kennis van de «Sprachübungenquot; mag dus in liet derde, of beter het vierde jaar de studie van de groote «Ilochdeutsche Sprachlehrequot; gerust begonnen en de kroon op het geheel gezet worden. De moeielijkheden, die dit laatste boek bevat, zal men op deze wijze gemakkelijk kunnen te boven komen.quot; Th.

(De Toekomst). ___

ocr page 83

liij I'. NOORDHOFF te Groningen is mede verschenen

H. C. SPRUYT,

Hegeln und Worterverzeiohnis

mit Uel)ung:en fnr lt;lie deutsche lleclitsclireil)ung.

(Naoh der Reclitsclireibung, aufgestellt im Auftrage des Preussischen Unterriclitsministeriums.)

Prijs 50 Cent.

DEOORDEELING.

«We achten 't een gelukkig denkbeeld van den heer Spruyt, ile verordeningen omtrent de Hoogduitsche spelling meer tot gemeen goed te maken en wensohen zijn werkje in de handen van alle beoefenaars der Hoogduitsche taal.quot;

(Ons Rechl.)

ALTES und NETJES.

Deutsches Lesebuch fiir die Niederlandischen Schulen,

VON

H. C. SPRUYT.

(Nacli der Rechtschreibung, aufgestollt im Auftrage des Preussischen Unterrichtsministeriuins.)

2te Auflage.

Zwei Teile. Preis jedes Teiles /1,50.

HEOORDEELINGEN.

«Dit werk is in de nieuwe, officiëele spelling opgesteld. Dat is reeds eene aanbeveling, maar nog moer is zulks de keus der stukken, die het bevat.

Wij wenschen, dat dit werk in onze gestichten van middelbaar, maar vooral van normaal onderwijs een goed onthaal geniete.quot; (De l'ockomsl.)

«Altes und Neuesquot; is de titel van een Uuitsch leesboek, waarin een keur van prozastukken en gedichten, zorgvuldig volgens de Deutsche Rechtschreibung bewerkt, is opgenomen. Het boek is van dien aard, dat het wel spoedig een tweeden druk zal beleven.quot; {Roti. Nieuwsblad.)

«Aanbeveling verdient »Altes und Neuesquot;, dat, behalve stukken, die in de meeste andere leesboeken voorkomen, ook uit enkele nieuwe schrijvers fragmenten bevat, die ons voorkomen met smaak en voorzichtigheid gekozen te zijn.quot;

(Dc Portefeuille.)

»De schrijver ging uit om op het uitgestrekte veld der Duitsche litteratuur bloemen tot een schoon geheel saam te lezen: de oogst was zeer rijk. «Altes und Xeues'' zal stellig bij de leerlingen den lust kweeken vole werken iu hun geheel te leeren kennen.quot; {Het Vaderland.)

«Dit werk verdient loffelijke vermelding.

De meeste stukken zijn boeiende verhalen, die de jeugd zeker met genoegen zal lezen en verhalen. Wat vooral aandacht en aanbeveling verdient, is de nieuwe spelling, zooals die door 't Pruisische .Ministerie van onderwijs is vastgesteld.'1 (O/ï.s Recht.)

ocr page 84

j ■1

I I. C. SJPRIJYT, THEO li Eïl SCI l-l1 ifiCTlSCHE ISLEtniKG

tot de

HOOGDUITSCHE TAAL.

12de druk. Prijs ƒ 1,25. t

quot;i ■: ■ , ♦

geoordeelinGen.

»Dit leerboek is reeds meermalen door mij beoordeeld. Sedert jaren gebruik ik liet op mijne scliool , en dat gebruik lieeft liet mij doen kennen als een der beste hand boeken bij 't onderwijs in de Iloogduitsche taal.

M. i. verdient ook deze druk onvoorwaardelijke aanbeveling.quot; (Vooruil.)

»Eene ^Inleidingquot;, die veel meer geeft, dan haar bescheiden titel doet vermoeden. Wie dit werk van den lieer Spruyt kent, waardeert het als een. dat op iedere bladzijde van methode en zakelijkheid getuigt.quot; (Ons Recht.')

«Hulde aan den heer Spruyt. die zjjne Inleiding zoo goed wist saam te stellen„ ' . dat zij door beproefd gebruik geijkt is geworden en zoo'n tal van drukken reeds if

JÉPjg. heeft beleefdquot; A. J. Servaas van Roqyen. \

I' ' Den Haag. (Hat LeesRübinet.)

Z »Eene uitstekende proeve van eenvoud en helderheid.quot;

(Maandschrift v. Opv. en Ondenr. in Ned.-Indié.) k| «Deze inleiding is vooral een practisoh handboek.

Een uitsluitend theoretisch gedeelte, zoo beknopt mogelijk samengevat, benevens een wat uitgebreider practisch gedeelte, van talrijke oefeningen voorzien,

alles volgens do behoeften van den beginneling.

Reeds van t eerste jaar af zal hot kind zich de hoofdpunten der vormleer eigen gemaakt hebben. De zinsneden in de oefeningen zijn ook zorgvuldig verzameld.quot; (De Toekomst.)

«Vvij schrijven het aau het breken Biet de meestal gevolgde gewoonte toe, : dat deze Inleiding zich bij voortduring in de gunst van vele onderwijzers der Hoogduitsehe taal mag verheugen. Hier toch wordt een meer rationeelo weg ■ gevolgd dan in de meeste der bestaande Hoogduitsehe spraakkunsten, waarin op do rij af al de rededeelen meer of min volledig worden afgehandefd. De Schr. dezer inleiding is in de bereiking van zijn doel. zooveel mogelijk van 1'et : bekende tot het onbekende over te gaan, goed geslaagd, en om het volgen van j dezen paedagogischen regel wensohen wij dit werkje nog menigen herdruk toe.quot;

(Ons rifcht.)

«bleehts enkele wijzigingen braeht de schrijver in dezen nieuwen druk: veel veranderingen zouden ook geheel overbodig zijn, wijl de degelijkheid van dit werk door ieder beoefenaar dor Hoogduitsehe taal reeds voor lang boven allen twijfel verheven was. Wij meenen dan ook te kunnen volstaan met dit uitmuntende wei !■' allen belanghebbenden ien warmste aan te bevelen. Als ge- ■ woonlijk heef' do uitgever veel zorg aan de uitgave besteed; papier en druk munten beid - bijzonder.uit.quot; (notl. Nieuwsbl,)

«Overtuigd, dat de achtste, verbeterde druk genoeg voor de degelijkheid van dit werk pleit, uc'it ik onuoodig or meer van te zeggen.

Deze «Inleidingquot; wordt belangstellenden ten zeerste aanbevolen.quot;

i

(Vooruitganrj.)

m

Uitgave van vP; NOORDHOFF to Groningen.