ocr page 1

30

!VSS

iEl OP B[ ÏEiBGEBSElBTM

van den 27 September 1892, (SM. No. 223J.

TOEGELICHT DOOR

. Leyenkamp,

p

y J

Ontvanger dee Registratie en Domeinen te Tholen.

2de D R U K.

Uitoave van J. M. C. POT, Tholen.

Vak 47

ocr page 2
ocr page 3

m Mi.

WET

TOT 11KFF] NCr KKNER

lEBIIfiEiSBELUIIIIB

TO-ÏV lt;5? quot;jp 4 -• '/

TOEGELICHT DOOR •

.-EVENKAMP,

SIN UN Tli TUOLEN.

2 ie DRUK.

Uitgave van J. M. C. POT, Tholen.

1

^ . 'tm n x ^ j .

ocr page 4

1? : I

t l

■

quot;i-j. lt; 'f. MÊS B VJ — .lt; .,-

■ SJT^-S . quot;.*gt;* • S % ■' t ^ V tl .. I V WÊSÊml , '

- -.'i, -J masum | i ^ --/t . -Jquot;,- .-

r :v-:

m

i jm

msm

msmÊmm

mÊÊÊÊÊÊÊÊÊm

l*5 MMMBiwI ■ '-^C' ■ mÊt

MfS

'

i

■

■

■ ;' | m m I i

-

ocr page 5

INLEIDING.

-OOXKO-O-

De groote gebreken^ die ons belastingstelsel aankleven, zijn voldoende bekend. De tegenwoordige Minister van Pinanciën, de heer Mr. N. G. Piekson, wees er bij dc toelichting van zijne verdienstelijke wetsontwerpen tot belastinghervorming op:

le. dat liet onroerend goed te zwaar gedrukt is als gevolg der grondbelasting en der mutatierechten,

2e. dat de verteringsbelastingen te hoog zijn opgevoerd, en 3e. dat eene personeele belasting op de inkomsten uit vermogen ontbreekt.

Hij achtte zich verplicht daaraan te gemoet te komen door het voorstellen van maatregelen, die de voor den grondeigendom bezwarende rechten zouden doen verminderen, de minvermogenden zouden ontlasten, hinderlijke belemmeringen in het verkeer zouden doen verdwijnen en tegelijk het privilege zouden doen ophouden, dat het roerend vermogen reeds te lang in ons belastingstelsel had genoten.

Verschillende pogingen om dit privilege op te heffen waren vroeger beproefd, doch steeds mislukt.

Geen der daartoe gestrekt hebbende wetsontwerpen — noch die van don Minister van Bosss van 1849, van 1851 en van 1870, noch dat van den Minister Betz van 1865, noch dat van Blussé van 1871, noch dat van Gleichman van 1879, noch dat vanVissering van 1880, noch dat van Grobbue van 1884, noch eindelijk dat van de 5 leden der Tweede Kamer van 1890 — had den weg naar het Staatsblad kunnen vinden.

Eerst de tegenwoordige Minister mocht er in slagen drukkende belastingen te zien afschaften en daarvoor in den vorm der tegenwoordige vermogensbelasting een aequivalent te zien in de plaats treden, waardoor ook het roerend vermogen in billijker mate tot de algemeene lasten zou bijdragen.

ocr page 6

Naast deze vermogensbelasting, waardoor zullen worden getroffen de inkomsten uit verinogen, stelt de Minister zieli voor eerlang te zullen indienen een wetsontwerp tot heffing eener belasting op de inkomsten uit beroepen en bedrijven en zulks ter vervanging van de uiterst gebrekkig geregelde en in hare werking dientengevolge hoogst onbillijke patentbelasting.

Beide, de vermogensbelasting en de bedrijfsbelasting, moeten tezamen één geheel vormen en als algemeene inkomstenbelasting werken.

Ofschoon eene dergelijke splitsing eigenaardige bezwaren met zich medebrengt, heeft de Minister daaraan toch de voorkeur gegeven boven eene algemeene inkomstenbelasting, en wel:

le. omdat beide belastingen, zal de gewenschte opbrengst daarvan verkregen worden, op verschillende wijze geregeld dienen te worden en dit door de splitsing mogelijk wordt gemaakt,

2e. omdat zoodoende de belastingschuldige, die voor de vermogensbelasting wordt aangeslagen in zijne woonplaats, voor de bedrijfsbelasting aangeslagen kan worden ter plaatse, waar hij zijn beroep of bedrijf uitoefent en dientengevolge voor sommige gemeenten de lang gewenschte gelegenheid geopend wordt om door het heffen van opeenten op de bedrijfsbelasting ook diegenen te treffen, die elders wonen doch voordeel trekken van de gemeentelijke uitgaven, en

3e. omdat in dat geval voldaan kan worden aan den eisch der billijkheid om de inkomsten uit vermogen hooger te belasten dan die uit arbeid.

Bij het ontwerpen der belastingplannen stond de regeering voor de vraag of zij de waarde van het vermogen dan wel het inkomen daaruit tot maatstaf van heffing zou kiezen. De Minister heeft gemeend het eerste te moeten voorstellen, wilde hij de billijkheid zooveel mogelijk betrachten.

Immers het draagvermogen wordt niet zoozeer bepaald door de feitelijke inkomsten, welke de belastingschuldige vaak geheel afhankelijk van zijn eigen goedvinden uit zijn vermogen trekt, dan wel door hetgeen hij bij eene normale wijze van belegging daaruit han trekken. Daarbij kwam nog dat eene tegenovergestelde regeling hoogst onbillijk zoude werken ten opzichte van de kleine kapitalisten, die vaak de voorkeur moeten geven aan fondsen, welke hooge rente geven doch meestal minder solied zijn.

ocr page 7

Wel wordt zoodoende ook belasting betaald van verinogen, dat geen rente geeft docli dit is ook bij de andere regeling niet te ondervangen.

Immers wanneer de goederen in waarde achteruitgaan en de waardevermindering het bedrag der revenuen te boven gaat, worden feitelijk geen inkomsten genoten, terwijl in dat geval tocli bij eene heffing naar de inkomsten ook betaald zoude moeten worden.

Eene hoogst belangrijke vraag, die ook dezen wetgevenden arbeid heeft beheerscht, was deze of men liet onroerend goed onder deze belasting zou doen vallen.

Vele leden achtten dit met het oog op de hooge belasting, die reeds van den grond gevorderd wordt en waarbij zelfs geen rekening wordt gehouden met schulden, niet billijk en niet gerechtvaardigd; zij zagen er in eene handhaving van het ook door de regeering zoo zeer afgekeurde privilege van liet roerend vermogen.

De Minister achtte het evenwel noodig en niet onbillijk. Noodig, omdat het roerend vermogen anders te zwaar belast zou moeten worden en de opbrengst dan toch nog niet voldoende zou zijn om tot de geweuschte afschaffingen te kunnen overgaan — niet onbillijk tegenover de belangrijke ontlasting van het onroerend goed als gevolg van de vermindering van de inutatierechtcn eu dc grondbelasting, de afschaffing van den zoutaccijns en dc toegezegde afschaffing der tollen.

ocr page 8

WET op de Vermogensbelasting

van den '27 Seploraber 1892 (SlsU. Nn. 323).

In naajr van Hare Majesteit WILHELMINA, bij de gratie Gons, Koningin uer Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Wij EMMA, Koningin- Weduwe, Regentes van het Koninkrijk;

Allen, die deze zullen zien ot hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat liet noodig is eene vermogensbelasting te hellen.

Zoo is het, dat Wij, den Kaad van State gehoord, enz.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Artikel I. Onder den naam van „vermogensbelastingquot; wordt eene directe belasting geheven van ieder, die binnen het Rijk woont, of die zich in den loop van het jaar binnen het Rijk metterwoon vestigt.

Of en waar iemand binnen het Rijk woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 2. leder is belastingplichtig naar de waarde van zijn vermogen, opgevat en berekend naar de bepalingen dezer wet.

Tot grondslag der berekening van het vermogen wordt genomen de toestand bij den aanvang van het belastingjaar of, voor hen, die zich eerst in den loop van het jaar binnen het Rijk metterwoon gevestigd hebben, het tijdstip van vestiging.

Hij, die zich eerst in den loop van het belastingjaar binnen het Rijk vestigt, is belastingplichtig voor zooveel twaalfde gedeelten van het belastingjaar als het aantal geheele maanden beloopt, die tijdens zijne vestiging nog niet zijn ingetreden.

Artikel 3. Onroerend goed wordt geacht vermogen te zijn van hem, die daarop recht van opstal of erfpacht uitoefent of het in dusgenaamde vaste huur of pacht bezit.

Wegens ander vruchtgenot van vermogen is hij, die het vruchtgenot heeft, belastingplichtig, als ware hij voor vier vijfde gedeelten de eigenaar van dat vermogen.

Voorts wordt als verinogen beschouwd een bij deze wet vast te stellen veelvoud van het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche ontvangsten ter zake van in opstal, erfpacht en dusgenaamde vaste huur of pacht uitgegeven goederen; ter zake van tiend, grondrente

ocr page 9

7

of andere op onroerende goederen gevestigde schuldplichtigheid; en ter zake van gevestigde of altijddurende renten en uitkeeringen van polderkassen.

Artikel 4. Het vermogen der vrouw wordt, behoudens de uitzonderingen, in de voorlaatste zinsnede van dit artikel omschreven, geacht een geheel uit te maken met dat van den man.

De man is, behoudens verhaal, naar de waarde van dat geheele vermogen belastingschuldig.

In de gevallen van scheiding van tafel en bed, van scheiding van goederen, en in het geval dat de vrouw krachtens art. 195 Burgerlijk Wetboek zich het beheer van hare roerende en onroerende goederen en het vrije genot van hare inkomsten bedongen heeft, is de vrouw naar de waarde van haar eigen vermogen zelve belastingplichtig.

Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de berekening van de verschuldigde belasting geene splitsing van de vermogens van man en vrouw toegelaten, maar de uitkomst der berekening wordt dan in evenredigheid tot het batig bedrag van ieders vermogen over beide omgeslagen.

Artikel 5. Het belastingjaar begint den Isten Mei en eindigt den 30sten April.

Artikel 6. Onder vermogen wordt niet begrepen:

а. Meubelen, kleederen, levensmiddelen, voorwerpen van kunst of wetenschap, goud- en zilverwerk, paarlen en edelgesteenten, geen handelsvoorraad zijnde ;

б. polissen van nog loopende levensverzekeringen;

c. het recht op lijfrenten en pensioenen;

d. goederen, waarvan anderen het vruchtgenot hebben;

e. nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten.

Artikel 7. V oor de regeling der belasting wordt de waarde van het vermogen bepaald als volgt:

A. Voor gebouwde en ongebouwde eigendommen op het twintig-voud hunner belastbare opbrengst naar de jongste schatting, tenzij de belastingplichtige mocht verkiezen zijne goederen dezer soort, geene uitgezonderd, naar hunne verkoopwaarde t-e schatten. Maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan vermeldt hij dit bij de aangifte, onder overlegging van een staat, aanwijzende welke waarde hij aan zijne gezamenlijke goederen heeft toegekend.

Indien de waarde wordt bepaald op het twintigvoud van de belastbare opbrengst, wordt die opbrengst vooraf verminderd :

1°. met de llijksgrondbelasting en de daarvan geheven opcenten over het loopende jaar;

2°. met de polder- en waterschapslasten volgens den laatst bekenden jaarlijkschen omslag, voor zoover deze de som te boven gaat, welke bij de regeling der belastbare opbrengst is afgetrokken;

3°. met het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche uitkeeringen

ocr page 10

ter zake van opstal, erfpacht, dusgenaamde vaste huur of pacht, tiend, grondrente of andere op de goederen gevestigde schuldplichtigheid, Is de uitkeering afwisselend, dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belastingjaren gerekend, of indien de uitkeering nog gecne drie jaren is geschied, het gemiddeld per jaar sedert zij een aanvang nam.

De bedragen of geldswaarden der af te trekken uitkeeringen worden verhoogd met vijf ten honderd, indien buitengewone uitkeering bij overgang of andere gebeurtenis verschuldigd is.

Bij schatting van de waarde wordt met de bij 1°.—3°. bedoelde lasten, uitkeeringen, huren en pachten rekening gehouden.

B. Voor:

bouwterreinen, daaronder niet begrepen erven en tuinen, aanhoö-righeden zijnde van gebouwde eigendommen, gronden aangelegd tot parken, zoomede gronden, die minder verkoopwaarde hebben dan één gulden de centiare;

gebouwde en ongebouwde eigendommen, waarvan vrijdom van grondbelasting genoten wordt;

ongebouwde eigendommen in veenpolders, waarvoor bij de laatste schatting de oude belastbare opbrengst behouden is;

gebouwde eigendommen, waarvoor de belastbare opbrengst wegens stichting, herbouw of verandering nog moet worden geregeld of opnieuw geregeld;

als zoodanig waarde hebbende venen, terpen, steengroeven en groeven van andere delfstoften;

onroerende goederen buiten het Eijk gelegen en rechten op die goederen gevestigd,

wordt de waarde bepaald naar de bekende verkoopwaarde van soortgelijke of daarmede het meest overeenkomende eigendommen, goederen of rechten.

C. Het bij het derde lid van art. 3 bedoelde veelvoud wordt gesteld op het twintigvoud van het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche ontvangsten. Zijn deze afwisselend, dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belastingjaren gerekend, of indien de ontvangst nog geen drie jaren heeft plaats gevonden, het gemiddeld per jaar sedert zij een aanvang nam.

Het bedrag, waarvan het twintigvoud wordt berekend, wordt met vijf ten honderd verhoogd, indien bij overgang of andere gebeurtenis buitengewone uitkeering wordt genoten.

D. Effecten worden geschat op hunne geldswaarde naar de laatst bekende gegevens.

Onder effecten worden verstaan inschrijvingen in Grootboeken van Nationale en buitenlandsche Staatsschuld, aandeelbewijzen en obliga-tiën, ook die, welke in den vorm van certificaten of recepissen zijn opgemaakt.

ocr page 11

!»

E. Hypothecaire en andere schuldvorderingen niet reeds onder D begrepen worden geschat op het bedrag van liet kapitaal.

Schuldvorderingen op tijd, waarover geen rente wordt berekend, wissels en ander handelspapier worden op hunne contante waarde geschat.

Indien de schuldvordering of de betaling der rente niet voldoende verzekerd is, wordt de waarde begroot.

F. Schepen, vaartuigen en schuiten niet toebehooren;

vaste en losse werktuigen en gereedschappen in fabrieken en werkplaatsen;

paarden en voertuigen, tot welke doeleinden ook gebezigd;

vee en voorwerpen van het landbouwbedrijf;

handelsvoorraden en alle overige zaken,

worden geschat naar hunne geldswaarde in verband met hunne bestemming.

Artikel 8. Het verinogen, overeenkomstig de bepalingen dezer wet berekend, wordt verminderd met:

1°. het bedrag der schuldvorderingen ten laste van den belastingplichtige.

Schuldvorderingen op tijd, waarover geen rente wordt berekend, wissels en ander handelspapier worden op hunne contante waarde geschat;

2°. het twintigvoudig jaarlijksch bedrag der verschuldigde lijfrenten, pensioenen en gevestigde of altijddurende renten ; benevens het twintigvoudig jaarlijksch bedrag der uitgaven van den belastingplichtige voor verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken.

Is het bedrag van dit een en ander afwisselend, dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belastingjaren gerekend, of, indien de schuld nog geen drie jaren bestaat, het gemiddeld per jaar sedert haar bestaan.

Wegens premiën voor levensverzekering, voor pensioen of voor lijfrente, wegens onverschuldigde uitkeeringen en wegens uitgaven voor onderhoud en opvoeding van kinderen wordt niets in mindering gebracht.

Artikel 9. Zij wier vermogen geheel of ten deelo belegd is in een of meer ondernemingen, hetzij door henzelven, al of niet in vereeni-ging met anderen, hetzij door anderen geheel of ten deele voor hunne rekening gedreven, kunnen, indien zij geen verhandelbare aandeelbewijzen daarvan bezitten, het aldus belegd vermogen schatten overeenkomstig de laatste door of namens hen vastgestelde of goedgekeurde balans; mits deze balans den staat van zaken aanwijze, op een tijdstip ten vroegste uit liet afgeloopen belastingjaar, en mits desgevorderd blijke, dat bij hare opmaking de baten en lasten geschat zijn naar regels, welker toepassing geen lager kapitaalsaldo oplevert, dan verkregen zou zijn bij toepassing der regels in de twee vorige artikels vermeld.

ocr page 12

10

Het aldus geschatte bedrag wordt vermeerderd of verminderd met de kapitalen, welke door den belastingplichtige aan de onderneming of ondernemingen sedert het tijdstip der balans zijn toegevoegd of onttrokken.

Artikel 10. Indien de waarde van het vermogen, overeenkomstig de vorige artikelen bepaald, minder bedraagt dan f13.000, is geen belasting verschuldigd. Is zij f13.000 of meer doch minder dan f 14.000, dan is verschuldigd f 2. Is zij f 14.000 of meer, doch minder dan f 13.000, dan is verschuldigd f 4. Is zij f 15.000 of meer, doch niet meer dan f 200.000, dan is verschuldigd f 1.25 van elke geheele som van fiOOO, waarmede zij het bedrag van f 10.000 te boven gaat. Is zij grooter dan f200.000, zoo is een vast bedrag van f 237.50 verschuldigd, benevens f2 van elke geheele som van f 1000, waarmede de waarde van het vermogen het bedrag van f200.000 te boven gaat.

Artikel II. Van de belasting zijn vrijgesteld vreemdelingen hier te lande als consuls of consulaire agenten toegelaten, mits zij onderdanen zijn van den Staat die hen benoemde en geen ander beroep of bedrijf uitoefenen en wederkeerig in de door hen vertegenwoordigde landen, aan Nederlanders aldaar op gelijken voet toegelaten, vrijstelling van belasting naar vermogen of inkomsten worde gegeven.

Artikel 12. De belastingplichtige wordt aangeslagen in de gemeente, waar hij woont bij het begin zijner belastingplichtigheid in het loopend belastingjaar.

De woonplaats van den man wordt geacht ook de woonplaats te zijn van zijne vrouw, van wie hij niet van tafel en bed gescheiden is.

Minderjarigen, onder curateele gestelden of krankzinnigen, aan wie een aanslag moet worden opgelegd, worden aangeslagen in de getneenle waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen.

Wonen deze buitenslands, zoo geschiedt de aanslag in de gemeente waar de minderjarige, onder curateele gestelde of krankzinnige gewoonlijk verblijf houdt.

Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belastingplichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van Financiën.

Aanslag.

Artikel 13. De aanslag in de belasting is opgedragen aan de inspecteurs der registratie, ieder in den kring van zijne divisie.

De gemeentebesturen zijn gehouden aan die inspecteurs op hun verzoek kosteloos inzage van de kohieren der hoofdelijke, omslagen naar het inkomen te geven, en toe te laten dat zij daarvan uittreksels of afschrift nemen of doen nemen.

De/ ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, geven aan die inspecteurs, voor zooveel noodig, inlichtingen uit de archieven van hunne kantoren, volgens regelen door den Minister van Financiën te stellen.

Artikel 14. Jaarlijks voor den 15 Mei doet de inspecteur der registratie voor elke gemeente of voor elk gedeelte cener gemeente van zijne

ocr page 13

]1

divisie, na overleg met den burgemeester of die hem vervangt, eene lijst opmaken van de namen der personen, die aldaar, naar zij vermoeden, volgens deze wet moeten worden aangeslagen, en hunner wettelijke vertegenwoordi gers.

De inlichtingen, welke de burgemeester of die hem vervangt en de ambtenaren belast met de regeling van de plaatselijke directe belasting nopens het vermogen van ieder kunnen geven, worden daarbij tevens aangeteekend.

Meent de inspecteur in don loop van bet jaar, dat iemands naam nog op de lijst moet worden gebracht, dan wordt de lijst op dezelfde wijze aangevuld.

De burgemeester doet telkens opgaaf aan den inspecteur van de namen der ingezetenen, die, naar zijn oordeel, nog op de lijst moeten worden gebracht.

Artikel 15. Aan ieder wiens naam op de lijst is vermeld of aan zijn wettelijken vertegenwoordiger doet de inspecteur vóór het einde van Mei een biljet toekomen, ingericht volgens formulier door Ons vastgesteld, bevattende summiere aanwijzing van de bestanddeelen van het vermogen.

Aan hen, die zich in den loop van het belastingjaar metterwoon binnen het Rijk vestigen, wordt zoo spoedig mogelijk een biljet gezonden.

De lijst, aangevuld inet eene ambtelijke verklaring dat de biljetten uitgereikt zijn, geldt als bewijs van uitreiking op den daarbij genoemden dag.

Artikel 16. Hij, aan wien blijkens de lijst een biljet is gezonden, is verplicht, binnen twintig dagen na de uitreiking, op dat biljet en volgens de daarop gedrukte aanwijzingen aangifte van zijn vermogen te doen.

Deze termijn kan door den inspecteur verlengd worden.

Indien het vermogen van hem, aan wien een biljet is gezonden, minder dan f 13.000 bedraagt, of indien hij geen vermogen heeft, verklaart hij dit een of ander op het biljet, dat aldus als aangifte onderteekend wordt.

Indien de vrouw krachtens art. 105 of art. 241 Burgerlijk Wetboek zelve het beheer over hare roerende en onroerende goederen en het vrije genot van hare inkomsten heeft, is elk der echtelieden verplicht aangifte te doen van zijn vermogen, al bedraagt dat minder dan f 13.000.

Hij, aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend jaar in eene andere gemeente van het Rijk is aangeslagen of daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op het biljet met opgaaf van den naam dier gemeente.

Het biljet wordt onderteekend.

Hij die, hoewel naar deze wet belastingplichtig, geen biljet heeft ontvangen, is verplicht vóór den vijftienden Juni van het belastingjaar of wel, bij vestiging binnen het Rijk in den loop van het

ocr page 14

12

belastingjaar, binnen twee maanden na die vestiging aangifte te doen, op de wijze bij dit artikel bepaald.

Tot dat einde worden biljetten kosteloos verkrijgbaar gesteld, zoowel op de kantoren van de registratie- en successierechten als op de secretarieën der gemeenten.

De namen van hen, aai; wie op verzoek biljetten zijn gegeven, worden door den inspecteur op de lijst ingeschreven.

Artikel 17. Indien de man verhinderd is aangifte te doen, is de vrouw gehouden namens hem aangifte te doen.

Wettige vertegenwoordigers van minderjarigen, onder curateele gestelden of krankzinnigen, aan wie een aanslag moet worden opgelegd, zijn verplicht voor deze aangifte te doen. De hoedanigheid wordt bij de onderteekening der aangifte vermeld.

Voor een overleden belastingplichtige kan de aangifte ouderteekend worden door één der erfgenamen, den executeur-testamentair of den bewindvoerder over de nalatenschap.

Voor hem, die niet in staat is aangifte te doen, kan de aangifte door een ander, namens hem, worden gedaan, mits ouder bijvoeging eener schriftelijke vergunning van den inspecteur.

Artikel 18. De aangifte wordt door of van wege den aangever bezorgd in een der bussen in het volgend artikel bedoeld, of rechtstreeks, kosteloos aangeteekend per post, toegezonden aan den ontvanger der successierechten, lot wiens kantoor, of aan den inspecteur, tot wiens divisie de gemeente behoort.

Artikel 19. In de kantoren van de registratie- en successierechten en iu de secretarie van elke gemeente, door den Minister van K-nmciën aan te wijzen, worden van Rijkswege vaststaande, gesloten bussen geplaatst, voor de ontvangst der aangiften bestemd.

De sleutel van de bus wordt bewaard door den inspecteur der registratie of op zijn last door den ontvanger der successierechten.

De burgemeester zorgt dat de bus, in de secretarie zijner gemeente geplaatst, gedurende de kantooruren tot ontvangst van aangiften toegankelijk is.

Hij, die zich met eene aangifte aanmeldt, wordt uitgenoodigd die persoonlijk in de bus te doen.

Artikel 20. De inspecteur der registratie of de ambtenaar die hem vervangt, verzamelt de aangiften.

De namen der aangevers en het bedrag van het aangegeven vermogen worden vermeld in een proces-verbaal, dat door den ambtenaar op zijn ambtseed wordt opgemaakt.

Aangiften welke in behandeling belmoren te komen bij een der ambtgenooteu van den inspecteur worden door hem aan dien ambtgenoot gezonden.

Aan hem wiens naam op de lijst is vermeld en van wien geen aangifte is ingekomen, kan de inspecteur kosteloos eene verzegelde

ocr page 15

13

uitnoodiging doen toekomen om de aangifte alsnog, binnen een dooiden inspecteur te bepalen termijn, bij hem zelf te bezorgen.

Indien de inspecteur nadere toelichting der aangifte noodig acht, kan hij den aangever daartoe in de gelegenheid stellen.

Artikel 21. Indien de inspecteur geen bedenking tegen de aangifte van het vermogen heeft, wordt de aanslag door hem in overeenstemming met die aangifte bepaald.

Aan aangiften van hen, wien naar de meening van den inspecteur geen aanslag moet worden opgelegd, wordt geen verdere behandeling gegeven.

De inspecteur is bevoegd den aanslag te bepalen naar een grooter vermogen of naar een hoogere waarde van vennogen dan aangegeven is, indien de aangifte hem te laag voorkomt of indien de waarde naar de regels dezer wet, volgens zijn oordeel, te laag is bepaald.

Indien de aangever gebruik heeft gemaakt van de bij art. 7, A, verleende bevoegdheid tot schatting, kan bij den aanslag aan het totaal zijner onroerende goederen geene hoogere waarde worden toegekend dan waarop zij bij toepassing van den regel der wet zouden zijn te bepalen.

Hij, die geene aangifte heeft gedaan, wordt door den inspecteur ambtshalve aangeslagen.

Artikel 22. De inspecteur, naar deze wet zelf tot aangifte verplicht, zendt die aan zijn door den Minister van Financiën aan te wijzen ambtgenoot.

Deze bepaalt zijn aanslag volgens de regelen dezer wet en doet daarvan opgaaf aan den ontvanger der succcssierechten, onder wiens kantoor de aanslag op het hierna vermelde register moet worden gebracht.

Artikel 23. De aanslagen in de belasting worden voor den kring van elk kantoor van successierechten opgenomen in een gemeentcs-gewijs aan te leggen register, dat door den inspecteur voor elke groep van gelijktijdig bepaalde aanslagen wordt vastgesteld.

Terstond na de vaststelling zendt de ontvanger, tot wiens kring van kantoor het register behoort, kosteloos voor tie aangeslagenen, aan ieder hunner eene verzegelde uitnoodiging om te zijnen kantore het bedrag te betalen, waarvoor hij in de belasting is aangeslagen.

Aan hen, wier aanslag hooger is gesteld dan hunne aangifte of die bij verzuim van aangifte ambtshalve zijn aangeslagen, wordt do uitnoodiging tot betaling aangeteekend per post gezonden.

Het volgnommer van het register wordt op de uitnoodiging vermeld; op de keerzijde worden de bepalingen dezer wet nopens betaling, invordering, bezwaren, ontheffing en beroep gedrukt.

Bezwaren tegen de aanslagen.

Ontheffing.

Artikel 24. Hij, wiens aanslag hooger is gesteld dan zijne aangifte, kan, in geval van bezwaar tegen zijn aanslag, zelf of door een gemachtigde binnen dertig dagen na de aanteekening van de

ocr page 16

14

uitnoodiging tot betaling een gemotiveerd bezwaarschrift in gesloten omslag per post aangeteekeml zenden, of tegen gedagteetend ontvangbewijs bezorgen bij den ontvanger die de uitnoodiging tot betaling hoeft gedaan.

Indien de aangeslagene of zijn gemachtigde het verlangen daartoe heeft te kennen gegeven, wordt hij, te zijner keus, door den inspecteur of den ontvanger in persoon nopens zijne bezwaren gehoord.

Artikel 25. Aan hem, die in den loop van het belastingjaar het Eijk metterwoon verlaat, wordt op zijn verzoekschrift ontheffing verleend voor zooveel twaalfde gedeelten van zijn aanslag als het aantal geheele maanden van het jaar beloopt, die tijdens zijn vertrek of — indien het verzoekschrift eerst na het vertrek is ingediend — tijdens de indiening nog niet zijn ingetreden.

Aan hem, die aangeslagen is wegens een vruchtgenot, dat in den loop van het belastingjaar eindigt, wordt ontheffing verleend voor zooveel geheele maanden als bij het indienen van zijn verzoekschrift nog niet verstreken zijn.

De verzoekschriften worden ingediend op de wijze en bij den ambtenaar in het vorig artikel bepaald.

Artikel 26. Op de bezwaarschriften en verzoekschriften wordt uitspraak gedaan door den inspecteur, voor zooveel noodig op den voet van het volgend artikel gemachtigd.

Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangeteekend per post of tegen gedagteetend ontvangbewijs, kosteloos, aan den aangeslagene.

Artikel 27. Op machtiging van een door Ons aan te wijzen hoofdambtenaar der registratie, kan de inspecteur, onverschillig of al dan niet een bezwaarschrift is ingediend, ontheffing van belasting ver-leenen, indien hem in den loop van het belastingjaar blijkt dat hij den aanslag van een belastingplichtige, die aangifte heeft gedaan, te hoog heeft bepaald.

Gelijke machtiging heeft de inspecteur noodig voor ontheffing op bezwaar- en verzoekschriften.

Beroep.

Artikel 28. De aangeslagene, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den inspecteur omtrent den aanslag of tegen den aanslag hem ambtshalve opgelegd, kan in beroep komen bij den Eaad, krachtens het volgend artikel ingesteld.

Het beroep geschiedt door indiening bij dien Eaad van een bezwaarschrift, dat tegen gedagteekend ontvangbewijs bezorgd moet worden bij den voorzitter of bij den ontvanger der successierechten, of wel aan een van hen aangeteekend per post moet worden toegezonden.

Hij, die aangifte heeft gedaan, doch wiens aanslag krachtens eene uitspraak van den inspecteur hooger dan de aangifte is gesteld, kan het bezwaarschrift indienen uiterlijk dertig dagen nadat hem de uitspraak van den inspecteur is toegezonden. Als datum van toe-

ocr page 17

zending geldt die der aanteekening per post of die van liet gedag-teekend ontvangbewijs bedoeld bij art. 26 tweede lid.

Bij de indiening van het bezwaarschrift moet tevens de uitspraak van den inspecteur worden overgelegd.

Hij, die geene aangifte beeft gedaan, kan liet bezwaarschrift indienen uiterlijk dertig dagen nadat hem de uitnoodiging tot betaling, bedoeld bij artikel 23 derde lid, is toegezonden. Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post.

Artikel 29. In elke provincie of in elk gedeelte eener provincie, door Ons aan te wijzen, wordt voor de uitspraak op de bezwaarschriften, bedoeld bij het vorig artikel, een Raad van beroep ingesteld, welks standplaats door Ons wordt aangewezen.

De Raad bestaat uit drie leden, van wie één wordt benoemd door Gedeputeerde Staten der provincie, één door de rechtbank, tot wier rechtsgebied de standplaats van den Raad behoort, en één door den Minister .van Financiën.

Op dezelfde wijze wordt voor ieder lid een plaatsvervanger benoemd, en bij ontslag of overlijden in eene vacature voorzien.

Om de twee jaren treedt eeu der leden en een der plaatsvervangers af volgens rooster door den Raad op te maken.

De aftredenden zijn herbenoembaar. Zoowel genoemde collegiën als de Minister kunnen ieder het door hen benoemde lid of den plaatsvervanger ook tusschentijds ontslaan.

De voorzitter van den Raad wordt door Ons benoemd en ontslagen. Hij heeft alleen raadgevende stem.

Rijksambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, zijn niet tot voorzitter, lid of plaatsvervanger benoembaar.

De Raad kiest uit zijn midden een secretaris, vergadert op plaats en tijd door den voorzitter te bepalen en beslist, bij meerderheid van stemmen.

Op verzoek van den Raad kan de Minister van Financiën een ambtenaar aanwijzen om den secretaris bij te staan.

De Raad beslist bij meerderheid van stemmen der drie tegenwoordige leden of plaatsvervangers.

Artikel 30. De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van den Raad leggen alvorens hunne betrekking te aanvaarden ten overstaan van Onzen Commissaris in de provincie den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) dat ik als voorzitter (lid, plaatsvervangend lid) van den Raad van beroep voor de vermogensbelasting, overeenkomstig de bepalingen der wet met nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal handelen, en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens den aanslag van een ingezetene of diens vermoojen blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik!)quot;.

Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.

Wegens liet afleggen van den eed of belofte en liet opmaken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.

ocr page 18

16

Artikel 31. Alvorens op een bezwaarschrift uitspraaTc te doen hoort de Raad mondeling den aangeslagene die het mocht verlangen, als oolc den inspecteur of den Rijksambtenaar die hem vervangt.

Elk bezwaarschrift wordt ten minste twintig dagen vóór de be-hnndeling aan den inspecteur ter beoordeeling gezonden.

Zoowel de aangeslagene als dc inspecteur worden door den voorzitter ten minste vijf dagen vóór dc vergadering schriftelijk opgeroepen.

Bij verhindering van den aangeslagene om zelf in de vergadering van den Raad te verschijnen kan diens gemachfigde worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan den voorzitter gegrond voorkomen.

De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voorzitter verdaagd.

Ue aangeslagene en de inspecteur kunnen schriftelijke toelichtingen aan den Raad overleggen.

Artikel 32. De inspecteur, of de rijksambtenaar die hem vervangt, is bevoegd zijn advies op het bezwaarschrift toe te lichten uit memoriën van aangifte voor het recht van successie of uit andere gegevens, waaromtrent hem geheimhouding is opgelegd.

Artikel 33. De Raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag op te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van den inspecteur.

De Raad is echter onbevoegd den aanslag, opgelegd aan hem, die geene aangifte heeft gedaan, te verlagen, tenzij de aangeslagene hebbe aangetoond dat de aanslag te hoog was.

Bij dc behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.

Indien omtrent de juistheid der aangifte twijfel overblijft en bezwaar is tegen toepassing van het eerste lid van dit artikel, kan de Raad den aangeslagene, die bij zijne aangifte volhardt, uitnoodigen oin die in de vergadering van den Raad door een der volgende verklaringen te bevestigen;

„Ik verklaar dat het vermogen bij de aangifte, die hier voor mij ligt, te goeder trouw, naar mijn beste weten, zonder iets te verzwijgen is opgegeven, en dat dc waarde van dat vermogen overeenkomstig de wet te goeder trouw, naar mijn beste weten, berekend is.quot;

„Ik verklaar dat ik te goeder trouw vermeen, dat ik geen vermogen had aan te geven, waarvoor naar de wet belasting verschuldigd is.quot;

Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin de verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend wordt.

Het proces-verbaal wordt door den voorzitter en de leden van den Raad onderteekend.

In de bevestigde aangifte wordt berust.

De aanslag van hem, die weigert of, daartoe overeenkomstig het in alinea 3 van art. 31 bepaalde opgeroepen, in gebreke blijft dc verklaring af te leggen en te onderteekenen, wordt gehandhaafd.

ocr page 19

17

In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Eijk of andere wettige reden van verhindering, kan de verklaring met toelating van den Minister van financiën, krachtens eene bijzondere volmacht, worden afgelegd. Het verzoekschrift om toelating wordt door tusschenkomst van den voorzitter van den Raad aan don Minister gezonden.

Op het persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde opzettelijk afleggen eener valsche verklaring is de straf, bepaald bij art. 207, eerste en laatste lid. Wetboek van Strafrecht, van toepassing.

Artikel 34. De aanslag bij de uitspraak van den Raad vastgesteld of gehandhaafd, wordt verhoogd met:

vijf en twintig ten honderd van de hoofdsom van den aanslag, indien de aangeslagene geene aangifte heeft gedaan;

vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting in hoofdsom, indien de aangifte te laag is gedaan.

Artikel 35. Bij twijfel nopens de waarde van goederen die als maatstaf ter bepaling van een aanslag moet dienen, kan de Raad zich doen voorlichten door een of meer door hem aan te wijzen deskundigen.

Artikel 36. De uitspraak van den Raad, door den voorzitter en den secretaris onderteekend, wordt aan den belanghebbende gezonden en in afschrift medegedeeld aan den inspecteur, die voor zooveel noodig voor de uitvoering zorgt.

Artikel 37. Aan den voorzitter en de leden van den Raad wordt door Ons, boven vergoeding van reis- en verblijfkosten, vacatiegeld en aan den secretaris bovendien vergoeding voor bureaukosten toegekend.

Aan de deskundigen die den Raad hebben voorgelicht wordt dooiden voorzitter vergoeding toegekend volgens de artikelen 61, 03 en 66 van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken, met dien verstande, dat zijne beoordeeling in de plaats treedt van die van den rechter.

De aan de deskundigen toegekende vergoeding en de kosten van huur, verwarming, verlichting en schoonhouden van het lokaal, waarin de Raad vergadert, en van bediening komen ten laste van het Rijk.

Artikel 38. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den inspecteur op een verzoekschrift krachtens art. 25 dezer wet ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat hem die uitspraak is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen.

Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post of die van het gedagteekend ontvangbewijs, bedoeld bij art. 26 tweede lid.

Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.

Invordering.

Artikel 39. De aanslag in de belasting moet worden betaald, de helft vóór den eersten November, de wederhelft vóór den eersten April

2

ocr page 20

18

van het belastingjaar, beide helften, indien de aangeslagene het verlangt, in twee gedeelten.

Aanslagen, die eerst na den Isten November van het belastingjaar zijn opgelegd, moeten worden betaald vóór den Isten April van dat jaar. Desverkiezende kan de aangeslagene ook deze betaling in twee gedeelten doen.

Zoodra een aangeslagene het Rijk metterwoon verlaat is zijn aanslag invorderbaar, onverminderd zijne aanspraak op ontheffing.

Artikel 40. Voor de betaling van belasting door middel van postwissels, kosteloos voor aangeslagenen, wonende buiten de gemeente waar het ontvangkantoor gevestigd is, worden door Ons regelen gesteld.

De strook van den wissel, in overeenstemming met. dezen ingevuld, door een ambtenaar der posterijen onderteekend en op de uitnoodiging tot betaling vastgehecht, geldt als bewijs van betaling.

Artikel 41. Indien de aangeslagene de verschuldigde belasting niet vóór of op den verschijndag aanzuivert, zendt de ontvanger hem eene gesloten waarschuwing om binnen drie dagen aan zijne verplichting tot betaling te voldoen.

Indien op de waarschuwing de betaling niet volgt, doet de ontvanger hem eene gesloten aanmaning toekomen om binnen een nieuwen termijn van drie dagen het verschuldigde te betalen, onder mededeeling, dat hij anders daartoe zal worden gedwongen door het middel bij het volgend artikel bepaald.

Artikel 42. 'J Degen den aangeslagene die geen gevolg heeft gegeven aan de aanmaning bij het vorig artikel bedoeld, wordt dooiden ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, medebrengende het recht van parate executie.

Het dwangbevel wordt executoir verklaard door den kantonrechter in wiens kanton het kantoor der successierechten is gevestigd.

Het wordt beteekend en ten uitvoer gelegd op den voet en de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven.

De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet met redenen bekleed.

Het verzet wordt beteekend aan den ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd en moet op straffe van nietigheid bevatten keuze van domicilie binnen het arrondissement waarin het kantoor van ontvangst is gevestigd, en dagvaarding voor de rechtbank van dat arrondissement tegen een bepaalden rechtsdag, invallende binnen den veertienden dag na de beteekening der dagvaarding.

De terugvordering van betaalde belasting heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van Financiën voor de arrondissements-recht-bank tot welker gebied het ontvangkantoor behoort. Do dagvaarding wordt beteekend aan den ontvanger van dit kantoor.

Verzet en terugvordering kunnen niet het bedrag van den aanslag of de bepaling van het vermogen van den aangeslagene betreffen.

ocr page 21

1!)

noch gegrond zijn op het niet ontvangen van waarschuwing en aanmaning.

De rechtsmdinseu worden als summiere zaken behandeld.

O O

Artikel 43. De belasting is verhaalbaar op de goederen van den aangeslagene, zoomede op die der vrouw, wier vermogen voor de regeling der belasting geacht is mot dat van den aangeslagene één geheel uit te maken.

Artikel 44. Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven in al hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van diens aanslag aansprakelijk, voor zoo ver schulden van den boedel van den aangeslagene ten hunnen laste komen.

De vorderingen tot betaling en tot teruggaaf van belasting verjaren na verloop van twee jaar na de vaststelling van den aanslag.

Artikel 45. Wij behouden Ons voor om in bijzondere gevallen vanwege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding, vermindering of teruggave van do hoofdsom en van de ingevolge art. 34 opgelegde verhooging te verleencn.

Bijzondere bepalingen.

Artikel 46. Ieder erfgenaam, de executeur-testamentair of de bewindvoerder over de nalatenschap is bevoegd bezwaarschriften in te dienen en in beroep te komen omtrent den aanslag van een over-edene, alsof hij zelf de aangeslagene ware.

Artikel 47. Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.

Hij, die opzettelijk de bij het vorig lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht otn ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging wordt ingesteld dan op klaehte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is gesehonden.

Artikel 48. De ontvanger der successierechten zendt een afschrift van het register van aanslagen aan zijn ambtgenoot der directe belastingen.

Voor de samenstelling der lijst van de hoogstaangeslagenen geldt het afschrift als een kohier der directe belasting.

Artikel 49. De stukken krachtens deze wet op te maken en uit te vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede de processtukken, vonnissen en afschriften van vonnissen betreffende de toe-

ocr page 22

passing van deze wet, daaronder begrepen, zijn vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.

Overgangs- en slotbepalingen.

Artikel 50. In afwachting van nadere wettelijke regeling worden op de vermogensbelasting geen opcenten ten behoeve van gemeenten of provinciën geheven.

Artikel 51. Zoolang de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen niet algemeen is herzien en de uitkomsten in de kadastrale leggers zijn opgenomen, wordt hunne waarde, bij afwijking van art. 7 dezer wet, voor de regeling der vermogensbelasting bepaald op het vijftienvoud hunner belastbare opbrengst.

Tot dien tijd wordt het bedrag der verminderingen wegens uit-keeringon, welke gebouwde en ongebouwde eigendommen gezamenlijk betreffen, voor elke soort in verhouding van de belastbare opbrengst der eigendommen berekend.

Artikel 52. Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet ook verstaan tijdperken van twaalf maanden, beginnende 1 Mei en eindigende 30 April, voorafgegaan aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

Artikel 53. De wet van 22 Mei 181-5 [Staatsblad no. 23) op de invordering van 's Eijks directe belastingen is niet van toepassing op de invordering van de vermogensbelasting.

Artikel 54. Deze wet treedt in werking den eersten Mei 1893.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven, enz.

—-o-oo^ooo-

ocr page 23

ALOEMKENE 11 EPA I.INf; EX.

Artikel I.

Onder den naam van »vermogensbelastingquot; wordt eene directe belasting geheven van ieder, die binnen bet Rijk woont, of die zicb in den loop van bet jaar binnen bet Rijk metterwoon vestigt.

Of en waar iemand binnen liet Rijk woont wordt naaide omstandigheden beoordeeld.

1. Vermogensbelasting. In het oorspronkelijk ontwerp werd gesproken van „belasting op de inkomsten uit vermogenquot;. De Regeering had gemeend deze benaming te moeten kiezen niet alleen omdat het inkomen in het wezen der zaak het voorwerp zou zijn, dat men wenschte te treft'etij al had men de waarde van het verinogen ook tot grondslag voor de heffing genomen, maar ook om zoodoende des te beter te doen uitkomen het verband, dat men wenschte te leggen tusschen deze belasting en die op de inkomsten uit beroepen en bedrijven.

Dc Tweede Kamer oordeelde deze benaming evenwel minder juist als geen verband houdende met den voorgestelden grondslag voor de heffing.

Aan dit bezwaar is de Eegeering door het kiezen der tegenwoordige benaming in het gewijzigd ontwerp tegemoet gekomen.

2. Ieder. De wet treft alleen de physieke personen, niet de rechtspersonen. Wel achtten vele leden der Tweede Kamer het onbillijk zoodoende het bestaande privilege van de goederen in de doode hand nog te vergrooten. doch zij legden zich neer bij de opmerking der Eegeering dat eene belasting op de doode hand, werd zij eenmaal ingevoerd, op andere beginselen zou moeten steunen dan aan deze wet ten grondslag liggen.

Evenmin heeft de Eegeering de naamlooze vennootschappen onder de belastingplichtigen opgenomen op grond dat deze reeds patent-plichtig zijn en ook in de te wachten bedrijfsbelasting aangeslagen zullen worden (M. v. A. ad art. 2). Zonder eene gelijktijdige vrijstelling van de aandeelen in handen der aandeelhouders zou zulks ook niet wel mogelijk zijn geweest.

3. JFoont. De belastingplicht is afhankelijk gesteld van het wonen binnen het Eijk. C) De nationaliteit doet niets ter zake.

(1) Een amendement van den heer Balilmann om de niet binnen het Rijk woonachtige personen in deze belasting te doen dragen voor hunne binnen het Kijk gelegen onroerende goederen is, na bestrijding door de C. v. 11., door den voorsteller ingetrokken.

ocr page 24

00

Een vreemdeling, die hier tc lande woont, wordt door de belasting getroffen — een Nederlander, die in den vreemde woont, daarentegen niet.

Naar het oorspronkelijk ontwerp waren alleen zij belastingplichtig, die bij het Imjhi van het belastingjaar hier te lande woonden.

Vele leden wensehten evenwel cone wijziging in dien zin dat ook zij, die zich in den loop van het jaar hier te lande vestigen, naar tijdsgelang zouden worden aangeslagen. Zij meenden niet alleen dat dit door de billijkheid werd gevorderd, doch achtten het ook noodzakelijk om te voorkomen dat men de belasting zou gaan ontduiken door de woonplaats in den aanvang van het jaar voor korten tijd naar het buitenland over te brengen. (V.V. ad art. 2). Overeenkomstig deze opmerking heeft de Regeering het ontwerp gewijzigd. (Zie ook art. 2 al. -3).

4, Jaar. Hiermede wordt bedoeld het belastingjaar. Door een antwoord van den Minister aan den lieer Hartogh is dit buiten twijfel gesteld.

5. Lc omdandigleden. Bij de behandeling van het ontwerp voor eene rentebelasting van den Minister Vissering was men na ampele besprekingen tot de conclusie gekomen dat het niet mogelijk is om, zonder bij tie toepassing in onbillijkheden te vervallen, een alsemeenen regel vast te stellen waarnaar te beoordeelen of iemand al dan niet binnen liet rijk woont. Vandaar dat de Tweede Kamer er destijds de voorkeur aan heeft gegeven om in elk voorkomend geval de omstandigheden te laten beslissen.

Hiermede rekening houdende heeft de tegenwoordige, regeering hetzelfde beginsel aangenomen. Dienovereenkomstig is de wet tot stand gekomen.

Het verschil tnsschen de aangenomen regeling en die van het B. TV. omtrent de woonplaats springt dadelijk in het oog. Terwijl het B. W. toch voor de verandering van woonplaats twee elementen vordert en wel liet werkelijk wonen in eene andere plaats benevens liet voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen, houdt deze wet met dat voornemen geen rekening (T gl. art. 75 e. v. B. W.) en vraagt zij alleen naar het feitelijk wonen. Moet men naar burgerlijk recht bij gemis van liet voornemen om elders zijn hoofdverblijf te vestigen meermalen geacht worden zijn domicilie te hebben behouden op eene plaats, die men reeds jaren geleden heeft verlaten (Vgl. arresten H. li. dd. 2(1 November 18S() en 22 October 1891, W. v. h. E. nos. 4573 en 6097), voor de toepassing dezer wet kan zich iets dergelijks niet voordoen. Immers zoodra men maar ophoudt in eene plaats werkelijk verblijf te hebben, kan men volgens haar niet meer gezegd worden daar te wonen.

Afgescheiden van alle wettelijke bepalingen is de rechter in de appreciatie der omstandigheden volkomen vrij. Zoo mogen de verklaringen van art. 76 B. W., s'tel dat zij zijn afgelegd, op de te nemen beslissing misschien niet zonder invloed zijn, op zich zelve zijn zij voor de questie niet beslissend.

ocr page 25

D:it mot de oinstandiglieden rekening gehouden moet worden niet alleen voor de beslissing dor vraag ol' iemand bij den aanvang van het belastingjaar hier te lande woont maar oolc, wanneer het de vraag geldt ol' iemand /,ich in don loop van het jaar metterwoon binnen hot rijk gevestigd heof'tj behoeft geen botoog.

Beslist het feitelijk wonen binnen hot rijk al zoo do belastingplicht dan spreekt het van zolf dat onze gezanten bij do vreemde hoven niet onder het bereik dezer belasting vallen.

Gezanten van vreemde hoven, hier te lande resideerende, zijn krachtens algemeene beginselen van het volkenrecht van directe belastingen vrijgesteld. (Zie over consulaire ambtenaren van vreemde regeeringen art. 11).

6. Bij de behandeling der tweede alinea maakte de heer Hnber oenige opmerkingen in verband met het geval dat een aanslagbiljet wordt gezonden aan iemand, die zelf meent niet onder het bereik dezer belasting te vallen, dientengevolge hot biljet niet invult en vervolgens door den inspecteur ambtshalve wordt aangeslagen. Uit het tegenwoordig art. 4'3 vloeit voort dat geschil over den belastingplicht aan het oordeel van den burgerlijken rechter onderworpen is. Diens tusschenkomst zal de aangeslagene evenwel eerst kunnen inroepen wanneer uit hoofde van niet-betaling een dwangsehrift tegen hem uitgevaardigd is en hij daartegen verzet heeft gedaan. Uit den aard der zaak zal het dwangsehrift niet uitgevaardigd kunnen 'worden vóór de termijn verstreken is, binnen welken de bezwaren tegen den aanslag, wat de hoegrootheid betreft, moeten worden ingebracht. Heeft de inspecteur het vermogen van don aangeslagene in dat geval nu bovendien overschat, dan zal deze eerst daartegen, onder protest tegen den belastingplicht zeiven, moeten opkomen, eerst bij den inspecteur en desnoods nog bij den Raad. Immers doet hij dat niet en mocht de rechter hein later belastingplichtig verklaren dan moet hij den te hoog gesteldon aanslag voldoen.

Er wordt alzoo getwist over do hoegrootheid van liet vermogen, terwijl do qnestie of de persoon wel in het geheel belastingplichtig is nog steeds onbeslist is gebleven. Misschien oordeelt de rechter later dat hij hier te lande niet woont. In dat goval is hot verzet tegen do hoegrootheid van den aanslag geheel doelloos geweest.

Een en ander in aanmerking nemende wilde de heer Iluber in een dergelijk geval eerst de wettigheid van den aanslag zelf aan des rechters oordeel onderworpen zien alvorens het bedrag van don aanslag werd besproken. Noodelooze administratieve processen toch, die bij de voorgestelde regeling zeker niet zouden uitblijven, zouden op die wijze voorkomen kunnen worden.

Do opmerkingen van don hoer Hnber waren zeker niet ongegrond. Hot scheen evenwel niet mogelijk de bestaande bezwaren uit den weg te ruimen, zonder in meer andere to vervallen. Vandaar dat de heer Hnber na repliek, eerst van don heer Van Houten en daarna van den Minister, niet verder op eonc regeling, als eerst door hem

ocr page 26

u

bedoeld, aandrong. Om evenwel de bezwaren zooveel mogelijk te beperken gaf de lieer Huber later in overweging om den aangeslagene, bij verschil van meening tnsschen liem en den inspecteur over den belastingplicht, in de gelegenheid te stellen eerst het oordeel van het administratief gezag daarover te kunnen vernemen. De mogelijkheid toch is niet uitgesloten dat de zienswijze van den inspecteur verschilt met die der administratie. Vandaar zijn voorstel om de laatste alinea van art. 12 ook op dit geval toepasselijk te verklaren. Zooals bekend is wordt daarbij, wanneer het wonen hier te lande en de belastingplicht op zichzelf vast staat, de beslissing der vraag waar ter plaatse iemand aangeslagen moet worden aan den Minister van financiën opgedragen. Dit denkbeeld ondervond echter weinig bijval. Over het algemeen scheen men zich beter te kunnen vereenigen met het voorstel der Regeering om de beslissing over den belastingplicht geheel aan het administratief gezag te onttrekken en uitsluitend aan den burgerlijken rechter over te laten. Dit bleek ook later toen de heer Levy bij de behandeling van art. 12 op dit punt terug kwam en een amendement voorstelde, waarin ook het denkbeeld van den heer Huber om den Minister voorloopig over don belastingplicht te laten beslissen belichaamd was.

Bij de beraadslagingen over dit, later door den voorsteller ingetrokken, amendement maakte de Minister nog de opmerking dat de belastingschuldige zich in veel gevallen zelf voor moeilijkheden, als hier boven bedoeld, zal kunnen vrijwaren. Daartoe late hij den aanslag niet aan den inspecteur over doch vuile hij het aanslagbiljet zelf in, onder opgave dat hij door die invulling niet geacht wil worden zijnen belastingplicht erkend te hebben en onder mededeeling van de gronden, waarop hij meent niet onder het bereik dezer belasting te vallen. (Zie ad. art. 16 al. 1). Komen de aangevoerde gronden den inspecteur in dat geval juist voor, dan zal hij met toepassing van art. 21 aan de aangifte zeker geen verdere behandeling geven en is de zaak daarmede derhalve uit.

Artikel 2.

Ieder is belastingplichtig naar de waarde van zijn vermogen, opgevat en berekend naar do bepalingen dezer wet.

Tot grondslag der berekening van het vermogen wordt genomen de toestand bij den aanvang van het belastingjaar of voor hen, die zich eerst in den loop van het jaar binnen het Rijk metterwoon gevestigd hebben, het tijdstip van vestiging.

Hij, die zich eerst in den loop van het belastingjaar binnen het Rijk vestigt, is belast ingplichtig voor zooveel twaalfde gedeelten van het belastingjaar als tiet aantal geheele maanden beloopt, die tijdens zijne vestiging nog niet zijn ingetreden.

ocr page 27

25

7. Toestand. Duidelijk blijkt uit het artikel dat de bestand-deelen, waaruit het vermogen bij den aanvang van het belastingjaar of wel, ingeval van tusschentijdsche vestiging, bij het tijdstip der vestiging is samengesteld, voor de regeling der belasting in aanmerking moeten worden genomen.

Door den heer Hartogh werd de vraag gedaan of het de bedoeling der wet is onder den toestand van het vermogen ook de waarde te begrijpen, ra. a. w. of de voor de regeling der belasting in aanmerking komende vermogensbestanddeelen moeten gesteld worden op de waarde, die zij op een der evenbedoelde tijdstippen hebben. De Minister antwoordde hierop: „Wanneer ik een vasten datum „noem komt men dadelijk in conflict met art. 9, waar gesproken „wordt van vermogens, die in ondernemingen belegd zijn en waar „een andere datum dan 1 Mei bedoeld is. Er bestaat overigens „geen onduidelijkheid ten aanzien van dit punt. De waarde van „gebouwde en ongebouwde eigendommen kan bepaald worden naar „den maatstaf van de belastbare opbrengst. Effecten worden geschat „naar de laatst bekende gegevens, wellicht van verschillende tfjdstip-„pen. Dit punt is aldus voldoende geregeld. Het noemen van een „bepaalden datum schijnt inderdaad niet wensehelijk.quot;

Het komt mij voor dat de heer Hartogh zijne opmerking had moeten uitstellen tot bij de behandeling van art. 7 en bij dat artikel in overweging had moeten geven om hier en daar bij te voegen de woorden: quot;bij den aanvang van het belastingjaar of wel bij het tijdstip der vestiging.quot;

Door eene dergelijke bijvoeging toch zou alle twijfel zijn afgesneden over de bedoeling van dit artikel, die ongetwijfeld hierop neerkomt dat, behalve bij effecten, voor de waardebepaling niet gelet moet worden op omstandigheden, die eerst na het tijdstip waarop men belastingplichtig is geworden verandering in de waarde der vermogensbestanddeelen hebben gebracht.

Artikel 3.

Onroerend goed wordt geacht vermogen te zijn van hem, die daarop recht van opstal of erfpacht uitoefent of liet in dusgenaamde vaste huur of pacht bezit.

Wegens ander vruchtgenot van vermogen is hij, die het vruchtgenot heeft, belastingplichtig, als ware hij voor vier vijfde gedeelten de eigenaar van dat vermogen.

Voorts wordt als vermogen beschouwd een bij deze wet vast te stellen veelvoud van het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche ontvangsten ter zake van in opstal, erfpacht en dusgenaamde vaste huur of pacht uitgegeven goederen; ter zake van tiend, grondrente of andere op onroerende

ocr page 28

26

goederen gevestigde schuldplichiigheid; en tor zake van gevestigde of altijddurende renlon en uilkeeringen van poiderkassen.

8. 'Doel. De strekking van dit artikel is om voor sommige gevallen, waarin daaromtrent twijfel zou kunnen bestaan, tc bepalen of iets al dan niet aJs vermogen moet worden beschouwd. Als zoodanig heeft het reden van bestaan naast art. 7, hetwelk een ander onderwerp regelt. Dat artikel toch geeft aan hoe de verschillende vermogensbestanddeelen op waarde gesteld worden doch laat zich niet uit over de vraag wat als iemands vermogen moet worden aangemerkt.

Het komt mij evenwel voor dat beide artikelen niet scherp van elkaar te scheiden zijn. Immers art. 3 bepaalt slechts voor enkele gevallen wat vermogen is; voor de daar niet uitdrukkelijk voorziene gevallen heeft men blijkbaar geen twijfel mogelijk geoordeeld. Bovendien vindt men in al. 2 van dit artikel een grondslag voor waarde-berekening aangegeven en komt in al. 3 eene verwijzing voor naar het in art. 7 onder letter C opgegeven veelvoud.

9. Het artikel regelt in hoofdzaak gevallen, waarin do inkomsten van roerende en onroerende zaken ingevolge daarop gevestigde zakelijke rechten van genot of wel krachtens persoonlijke verbintenissen van den eigenaar geheel of wel ten deele ten goede komen aan anderen dan den eigenaar.

Bij die regeling gaat de wet van het beginsel uit dat de belasting gedragen moet worden door hen, die geheel of wel ten deele het genot van het goed hebben en beschouwt dientengevolge als vermogen:

a. het recht van opstal en dat van erfpacht op onroerende zaken.

I. het dusgenaamde recht van vaste huur of pacht op onroerende, zaken, waaronder wordt begrepen zoowel liet in Groningen voorkomende zakelijk recht van beklemming en dat van vaste huur als de hier en daar bekende vaste huur ot' pacht, die krachtens persoonlijk recht van den eenen huurder op den anderen overgaat en waarvoor ook slechts een betrekkelijk geringe huurprijs wordt betaald.

c. het recht om, ook onder eiken anderen titel dan dien sub a of ^ bedoeld, de vruchten van roerende en onroerende zaken in haar vollen omvang te genieten. Dit wordt bedoeld met de woorden „ander vruchtgenot van vermogenquot;, zooals blijkt uit de M. v. A., waarin men leest dat hier behalve aan het zakelijk recht vau vruchtgebruik ook gedacht moet worden aan het persoonlijk recht op de vruchten en inkomsten van eens anders goed, waarvan sprake is in art. 1017 B. W., aan het wettelijk vruchtgenot der ouders, aan het genot van tontinaire goederen en aan dat, hetwelk toekomt aan hen, die met de inkomsten van vicariën begiftigd zijn.

d. het recht op de jaarlijksche uitkeeringen, waartoe de genieters der sub a en i bedoelde rechten tegenover den eigenaar zijn gehouden.

e. het recht op de ten laste van den grondeigenaar bestaande jaarlijksche uitkeeringen ter zake van tiend, grondrente of eeuige

ocr page 29

■Z7

andere op onvoercnde goederen gevestigde schuldplichtigheid, als hoedanig voorkomen uitgangen, oudeigens, grondpachten, vaste pachten, cijnsen, thijnsen, grondhuren, vroonpachton, uitkeeringen rustende op heerlijkheden, uitkeeringen rustende op tiendrechten cn meer andere.

Verder wordt in dit artikel als vermogen beschouwd:

f. het recht op de uitkeeringen ter zake van gevestigde of altijddurende renten.

In het oorspronkelijk ontwerp waren ook lijfrenten, tontines cn andere voor het leven of voor bepaalden tijd vastgestelde periodieke inkomsten als vermogen beschouwd.

In het V. V. werden hiertegen bedenkingen aangevoerd. Sommige leden beweerden dat daaronder ook zouden vallen tractementen en pensioenen, anderen merkten op dat het zeker niet de bedoeling was ook deze inkomsten te trelfen, doch achtten het in dat geval niet billijk wel de lijfrenten te treffen en niet de pensioenen, die naar hunne meening van deze dikwijls moeilijk te onderscheiden zijn.

In deze opmerkingen heeft de Eegeering aanleiding meenen te moeten vinden om het recht op lijfrenten zoowel als dat op pensioenen uitdrukkelijk van deze belasting vrij te stellen. (Zie art. G letter c).

Alle questie of tractementen onder het bereik dezer wet vallen is hierdoor van zelf vervallen. In de M. v. A. aan de Eerste Kamer heeft de Eegeering medegedeeld dat zij zal voorstellen om de lijfrenten en de pensioenen evenals de tractementen in de bedrijfsbelasting te betrekken.

g. het recht op uitkeeringen van polderkassen, waarmede men het oog heeft op de uitkeeringen aan ingelanden van de opbrengst van sommige poldcrcigendotmnen.

In het oorspronkelijk ontwerp niet met name genoemd zijn zij naar aanleiding eener opmerking in het V. V. in het gewijzigd ontwerp opgenomen.

10. Eene enkele uitweiding over de waardeberekening der hiervoor sub. letters a—g genoemde bestanddeelen moge met het oog op het nauwe verband tusschen dit artikel en artikel 7 hier eene plaats vinden.

De vaste goederen, waarop een der sub a en b bedoelde rechten wordt uitgeoefend, worden geacht het vermogen te zijn van hem, die recht op het genot heeft (al. 1 van art. 3). De waarde dezer rechten wordt alzoo gelijk gesteld met die van den vollen eigendom.

De bloote eigenaren worden ter zake dezer goederen alzoo niet aangeslagen, tenzij zij van de genieters jaarlijks zekere uitkeeringen ontvangen (vgl. letter cl hiervoor). In dat geval worden die uitkeeringen volgens dit artikel naar een bij deze wet vastgesteld veelvoud — waarvoor in art. 7 letter Chef getal 20 is aangenomen —

als het vermogen der bloote eigenaren beschouwd. Daartegenover 1 •

wordt voor hem, die het genot heeft, de waarde van den vollen

eigendom verminderd met het aldus gekapitaliseerde bedrag der

uitkeeringen. (art. 7 letter A no. 3).

10a. De genieter van een vruchtgenot, als bedoeld onder letter e, is belastingplichtig als ware hij voor vier vijfde gedeelten de eigenaar

ocr page 30

van dat vermogen en betaalt alzoo over 4/5 van de waarde van den vollen eigendom. Deze waardebepaling is algemeen zoodat hierbij geen rekening wordt gehouden met eventueele beperkingen, die nu en dan aan het genot worden gesteld en waarvan in de M. v. A, o. a. als vooi-beeld was gegeven het geval dat de vruchtgebruiker niet het recht heeft om boomen te kappen. De vraag ligt nu voor de hand hoe wordt in dat geval de eigendom belast.

In het oorspronkelijk ontwerp werd de waarde van dien blooten eigendom bepaald op die van den vollen eigendom verminderd met het twintigvoud van de waarde van het jaarlijkseh genot. In de omstandigheid dat de bloote eigendom in vruchtdragenden eigendom kan worden omgezet vond men toen bezwaar hem geheel vrij te laten. Later is men over dit bezwaar heen gestapt en heeft men in het gewijzigd ontwerp onder art. 6 lett. cl van de belasting vrijgesteld „goederen, waarvan anderen het vruchtgenot hebbenquot;, nu op grond dat het met den aard dezer belasting niet zou strooken den eigenaar aan te slaan voor goederen, waaruit hij geen voordeel kan trekken. (M. v. A., ad art. 3).

Uit de getroffen regeling vloeit alzoo voort dat een gedeelte van de waarde van den vollen eigendom, en wel Vs- onbelast blijft.

Dat men het vruchtgebruik slechts op Ys 611 iquot;6* 0P het geheel van de waarde van den vollen eigendom gesteld heeft vindt volgens de M. v. A. ad art. 3 hare verklaring hierin dat de toestand van hem, die slechts het vruchtgenot heeft, in onderscheiden opzichten minder gunstig is dan die van den eigenaar, in zoover als hij b.v. de bestemming van de goederen niet naar willekeur mag veranderen, niet wordt gebaat door de stijging der verkoopwaarde enz.

10b. De onder de letters e, f en // bedoelde rechten worden tot kapitaal gebracht naar hetzelfde veelvoud als hiervoor ten aanzien van het sub. letter d bedoelde recht is aangewezen. De waarde der vaste goederen, die met de sub. letter e bedoelde zakelijke rechten zijn bezwaard, wordt ter zake van dat bezwaar met evenbedoeld veelvoud verminderd, (art. 7 letter A no. 3).

Zij, die de sub. letter f bedoelde uitkeeringen moeten voldoen, verminderen hun vermogen met het twintigvoud dezer uitkeeringen. (art. 8 no. 2).

II. In het V. V. werd het door sommige leden zeer afgekeurd dat bij de waardebepaling in beginsel geen onderscheid werd gemaakt tusschen vermogen, dat na den dood van den bezitter op anderen overgaat en tijdelijke inkomsten — zooals die uit vruchtgebruik —, die met den dood van den genieter of reeds vroeger vervallen. Men achtte het met alle regelen van billijkheid in strijd dergelijke tijdelijke inkomsten voor alle gevallen te kapitaliseeren met het cijfer 20, in plaats van in elk voorkomend geval de waarde te bepalen met inachtneming van den tijd, gedurende welken ze zullen worden genoten. In de M. v. A. werd naar aanleiding dezer bedenkingen terecht opgemerkt dat zij het gevolg waren van eene minder juiste

ocr page 31

29

voorstelling, die men zich van den aard dezer belasting vormde.

Men scheen toch voorbij te zien dat zij moet werken niet als eene Z-fljróöaamp;belasting, doch als eene «w^OTtóewbelasting. Werd dit in hot oog gehouden dan zou het duidelijk worden dat bij tijdelijke inkomsten niet gelet moet worden op haar langeren of kortereu duur. Eveneens scheen het duidelijk dat het bij deze wet aangenomen beginsel — om ter berekening van het bedrag der belasting een zeker percentage te nemen niet van het bedrag der inkomsten, maar van de waarde van het kapitaal — op inkomsten, waaraan direct geen kapitaal ten grondslag ligt, niet toegepast kan worden zonder dat deze eerst tot den kapitaalsvorm zijn herleid.

Artikel 4.

liet vermogen der vrouw wordt, behoudens de uitzonderingen, in de voorlaatste zinsneden van dit artikel omschreven. geacht een geheel uit te maken met dat van den man.

De man is, behoudens verhaal, naar de waarde van dat geheels vermogen belastingschuldig.

In de gevallen van scheiding van tafel en bed, van scheiding van goederen, en in het geval dat de vrouw krachtens art. 195 Burgerlijk Wetboek zich het beheer van hare roerende en onroerende goederen en het vrije genot van hare inkomsten bedongen heeft, is de vrouw naar de waarde van haar eigen vermogen zelve belastingplichtig.

Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de berekening van de verschuldigde belasting geene splitsing van de vermogens van man en vrouw toegelaten, maar de uitkomst der berekening wordt dan in evenredigheid tot het batig bedrag van ieders vermogen over heide omgeslagen.

12. Strekking. Bij het ontwerpen van dit artikel heeft men naar een middel gezocht om daar, waar dit niet met de billijkheid zou strooken, te voorkomen dat kleine vermogens aan de belasting zouden ontsnappen en dat de invloed der progressie zich bij grootere niet in voldoende mate zou doen gevoelen. Vandaar het beginsel dat eehtgenooten, die samen wonen, voor de heffing der belasting gerekend zouden worden één vermogen te hebben en voorts dat zij geacht zouden worden samen te wonen zoolang de verplichting daartoe volgens do wet niet is opgeheven. Naar dat samengevoegd vermogen zou de belasting worden berekend. De man zou de belastingschuldige zijn, hij zou van het geheel aangifte moeten doen en, behoudens verhaal op de

ocr page 32

•'id

vrouw, ook voor al de verschuldigde belasting aansprakelijk zijn. (') Was daarentegen scheiding van tafel en bed uitgesproken en dientengevolge de verplichting om samen te wonen vervallen, dan bleef de vrouw naar de waarde van haar eigen vermogen belastingplichtig en zou zij zelve daarvan aangifte te doen hebben.

13. In hoever hot aan den man toegekend recht van verhaal zou gaan, kan blijken uit de volgende aanteekening in de M. v. A. nopens het dragen der belasting: //Ook zonder dat daaromtrent uitdrukkelijke bepalingen in deze wet voorkomen, mag toch als vaststaand worden aangenomen dat deze belasting behoort tot de lasten, die tegenover het genot der vruchten staan. Daaruit volgt dat de man al de belasting zal moeten dragen ingeval hij al de inkomsten van liet vermogen zijner vrouw geniet — dat, bijaldien de vrouw zelve het genot van de inkomsten van eenig vermogen geniet, de verhouding tusschen dat vermogen en de overige bezittingen zal aanwijzen, welk deel der belasting ten laste van de vrouw komt — en dat, ingeval al de inkomsten tusschen de echtgenooten gemeen zijn, de belasting uit de gemeene baten zal moeten worden betaaldquot;.

14. Kon men zich met de voorgestelde eenheid van aanslag wat de vermogens van echtgenooten betreft in het algemeen wel vereenigen, men meende op dien regel, behalve voor het in het ontwerp reeds voorgestelde geval van scheiding van tafel en bed, ook nog eene uitzondering te moeten maken voor het geval de vrouw van goederen gescheiden is of bij huwelijksvoorwaarden overeenkomstig art. 195 B. W. het beheer van haar eigen vermogen en het vrije genot van hare inkomsten heeft bedongen. Eeeds in het V. V. was hierop gewezen en bij de openbare beraadslagingen kwam de heer Rutgers van Rozenburg op dit punt terug.

Aan den eenen kant wees hij er op dat het niet aanging om den man in deze twee gevallen de verplichting op te leggen om aangifte te doen van het vermogen der vrouw, daar hij er vaak niet voldoende mede bekend zal zijn. Daartegenover stelde hij de nadee-lige gevolgen in het licht, die uit de voorgestelde regeling voor de vrouw zouden kunnen voortvloeien. Het zal toch bij scheiding van goederen niet zelden voorkomen, aldus ging de heer Rutgers voort, dat de man verzuimt naar de vermogensbelasting om te zien, nalaat aangifte te doen zoodat de inspecteur ambtshalve zal moeten aanslaan en ook dan nog een wellicht veel te hoogen aanslag zich niet aantrekt, — de vrouw staat in dat geval weerloos, zij moet berusten en toezien dat op haar vermogen wellicht veel meer wordt verhaald dan bij behoorlijke voldoening aan de voorschriften der wet verschuldigd zou zijn geweest. Ook bij het beding van art. 195 B. W. kan zich, vooral wanneer de man zelf niets te verliezen heeft, het geval voordoen dat hij geen aangifte doet of, misschien om zijne vrouw onaangenaam te wezen, veel te hoog aangeeft.

(1) Al lie belasting zou evenwel ook verhaalbaar zijn op de goederen der vrouw. (Zie art. 43 der wet). Hier schijnt meu onwillekeurig verzuimd te hebben recht vjiu verhaal toe te kennen.

ocr page 33

••31

Dc heer Rutgers wilde de vrouw, dio overigens financieel vrij wel zelfstandig is, niet op deze wijze afhankelijk gesteld zien van den man en stelde daarom bij amendement voor om ook bij scheiding van goederen en bij het in art. L!Jö B. W. bedoelde beding van eigen beheer met vrij genot der inkomsten den aanslag te splitsen, zoodat de man ook in die gevallen alleen aangifte zou hebben te doen van zijn vermogen en de vrouw van liet hare. Om te voorkomen dat de schatkist door deze splitsing van aangifte schade zoude lijden strekte het amendement mede daartoe om voor de berekening van het bedrag der belasting, wegens beider vermogen verschuldigd, geen splitsing toe te laten.

Minder van de zijde van den Minister, dan wel van die van den heer van Houten, ondervond het amendement bestrijding. Men vroeg waarom het beginsel dan ook niet uitgebreid tot vrouwen, die in algeheele of wel in beperkte gemeenschap zijn gehuwd en ook bescherming kunnen behoeven, waarop werd geantwoord dat die vrouwen, in tegenstelling met de andere, geheel afhankelijk zijn van den man en er geen aanleiding bestaat om daarop voor deze belasting eene uitzondering te maken.

Na uitvoerige beraadslagingen, die zouden doen denken dat de scheiding van goederen en het beding van art. 195 B. W. spijzen van den dag zijn, is het amendement met groote meerderheid dooide Tweede Kamer aangenomen.

Heeft de vrouw alleen het beheer harer roerende en onroerende goederen doch niet tegelijk het vrije genot van hare inkomsten bedongen dan geldt de algemeene regel en doet de man alleen aangifte. Immers de exceptioneele bepaling, dooi het amendement Rutgers in de wet gebracht, mag niet worden uitgebreid tot andere dan de daarbij uitdrukkelijk voorziene gevallen. (Vgl. M. v. A. Eerste Kamer.)

15. Een paar voorbeelden ter verduidelijking.

I. De echtgenooten zijn gehuwd in algeheele gemeenschap van goederen.

Het vermogen der gemeenschap bedraagt f300.000.

De man doet aangifte.

Er is verschuldigd: 1.2 5 0/00 van f 290.000 f3G2.50.

0,75 %0 van „ 100.000 = „ 75.—.

Te zamen f437.50.

De belasting wordt uit de gemeenschap betaald en alzoo door de echtgenooten gedragen in evenredigheid van hunne aandeelcn in de gemeenschap, welke meestal gelijk staan.

II. De echtgenooten zijn gehuwd in gemeenschap van winst en verlies of wel van vruchten en inkomsten.

Het vermogen der gemeenschap bedraagt f 150.000 het particuliere vermogen van den man . „ 100.000 dat der vrouw.........„ 50.000.

Te zamen f300.000.

ocr page 34

32

De man doet aangifte.

De verschuldigde belasting ten bedrage van f4'37.50 wordt door da gemeenschap gedragen; al de aanwezige baten, ook die der vrouw, zijn daarvoor aansprakelijk. (Zie art. 43.)

III. De eehtgenooten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap; de man beheert de goederen der vrouw.

Het vermogen van den man bedraagt t 100.000, dat van de vrouw f 200.000.

De verschuldigde belasting bedraagt f437.50.

Zijn al de inkomsten van quot;de goederen der vrouw tor beschikking van den man (Art. 201 B. AA .), dan draagt deze de belasting alleen.

Is daarentegen, overeenkomstig art. 200 B. W,, bepaald dat de vrouw jaarlijks een zeker bedrag, b. v. f1000, zal bijdragen tot de kosten der huishouding, dan zal, aangenomen dat de revenuen van het vermogen der vrouw jaarlijks zuiver f 8000 bedragen, m. i. aldus gerekend moeten worden:

Ter zake van het vermogen van den man is verschuldigd Uo'-ïroo X f 437.50 = f 145.83, ter zake van dat der vrouw 200.000 x f4,37,50 = f 291.67. Van de inkomsten van haar vermogen keert de vrouw jaarlijks uit aan den man f 1000, zijnde alzoo één achtste gedeelte. De van haar vermogen verschuldigde belasting ten bedrage van f291.47 komt nu ook ten laste van den man voor 1/s en derhalve ten laste van de vrouw voor 7/s.

Al de aanwezige goederen zijn voor de verschuldigde belasting aansprakelijk (Art. 43.)

IV. De eehtgenooten zijn gehuwd in gemeenschap b v. van onroerende goederen.

Het vermogen der gemeenschap, dat van den man en dat van de vrouw bedraagt elk f 100.000.

De man doet alleen aangifte. De verschuldigde belasting bedraagt te zamen f437.50.

Dit bedrag wordt gedragen door de gemeenschap, door den man en door de vrouw elk voor i/v

Al de aanwezige goederen zijn voor de verschuldigde belasting aansprakelijk. (Art. 43.)

V. Werd in het geval sub II scheiding van goederen uitgesproken, dan zou na de verdeeling van de gemeenschappelijke baten liet vermogen van den man f 100.000 f /5.000 — f 175.000 en dat der vrouw f50.000 f75.000 = f125.000 bedragen.

De man en de vrouw doen elk aangifte van hun eigen vermogen.

Wegens de beide vermogens zou te zamen verschuldigd zijn f437.50.

Hiervan zou komen ten laste van den man en ook uitsluitend op diens goederen verhaald kunnen worden Jf^ooo = f255.20. Ten laste der vrouw zou komen -^ö^ooo. — f]82.30, voor welk bedrag ook alleen haar goederen aansprakelijk zouden zijn.

Immers art. 43 bepaalt wel dat het vermogen der vrouw ook

ocr page 35

■V6

aansprakelijk is voor de door don man verschuldigde belasting, wanneer haar vermogen voor dc regeling der belasting geacht wordt één geheel uit te maken met dat van den man, maar in een geval als hier, waar de vrouw afzonderlijk aangifte doet, afzonderlijk aangeslagen wordt en zelf het recht van reclame heeft, kan haar vermogen bezwaarlijk gezegd worden één geheel uit te maken met dat van den man, al wordt voor de berekening van het bedrag der belasting beider vermogen ook als één geheel beschouwd.

Bij de berekening van hetgeen door ieder der echtgenooten in de belasting moet worden gedragen blijft buiten aanmerking de bijdrage der vrouw in de kosten van de huishouding en van de opvoeding der kinderen naar art. 248 B. W. Die bijdrage toch bedraagt niet meer dan het volgens de wet ten laste der vrouw komende aandeel in de werkelijke kosten der huishouding en draagt dus in geen geval het karakter ecner bevoordeeling van den man.

Om dezelfde reden kan de vrouw deze bijdrage ook bij haar vermogen niet in mindering brengen. (Zie art. 8 laatste alinea).

VI. Werd in het geval sub II scheiding van tafel en bed uitgesproken, dan zou na de verdeeling der gemeenschap de stand van ieders vermogen zijn gelijk hiervoor onder no. V is aangewezen.

In dat geval zou echter voor de berekening der belasting geen cumulatie plaats hebben. Op de aangifte van den man zou verschuldigd zijn l,350/no van 1' I (j5.00U = f206.25, op die der vrouw 1.25%0 van f 115.000 = f 14;5.75. Wegens beider vermogen zou nu slechts f 350 betaald behoeven te worden.

Voor de belasting van den man zijn de goederen der vrouw ook nu niet aansprakelijk.

Dc uitkeering tot onderhoud, waartoe de eene echtgenoot ingevolge rechterlijke beschikking jegens den anderen verplicht mocht zijn naar art. 280 juncto art. 301 B. W., kan door hem, die met de uitkeering is belast, in mindering van zijn vermogen worden gebracht. (Art. 8). De andere zal te dier zake in deze belasling niet behoeven bij te dragen. (Zie art. 6 letter c).

!6. In het oorspronkelijk ontwerp was eene soortgelijke cumulatie als voor de vermogens der echtgenooten ook aangenomen voor het vermogen van de ouders en dat hunner minderjarige kinderen, waarvan gene het wettelijk vruchtgenot hebben.

De daarop betrekking hebbende bepalingen komen in de wet niet meer voor, daar dit geval nu is voorzien in de algemeene regeling van art. 3 al. 2.

Artikel 5.

liet belaslingjaav heginl den isten .Mei en eindig! den MOslen April.

ocr page 36

•■54

17. De aanvang van het belastingjaar is gesteld op 1 Mei om verband te houden met het tijdstip, waarop de aangiften moeten worden gedaan en waarvoor de maand Mei in het bijzonder in aanmerking moest komen. Dan toch eerst hebben de meeste menschen hun balans opgemaakt en dientengevolge een overzicht van den stand van hun vermogen.

Aan den wenk in het V. V. gegeven en waarop de heer Bahlmann bij de openbare beraadslagingen terugkwam om den aanvang van het belastingjaar te stellen op 1 Januari heeft de Minister geen gevolg gegeven omdat hij zich daardoor ook verplicht zou zien den dag van aangifte vroeger te stellen, hetgeen om de hiervoor aangegeven reden niet wenschelijk voorkwam.

Artikel 6.

Onder vermogen wordt niet begrepen:

a. meubelen, kleederen, levensmiddelen, voorwerpen van kunst of wetenschap, goud- en zilverwerk, paarlen en edelgesteenten, geen handelsvoorraad zijnde;

b. polissen van nog loopende levensverzekeringen;

c. het recht op lijfrenten en pensioenen;

d. goederen, waarvan anderen het vruchtgenot hebben;

e. nog niet vorderbare termijnen van renten, vanuitkee-ringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten.

18. Letter a. Wat betreft meubelen, kleederen en levensmiddelen vond deze vrijstelling algemeen instemming. Met de vrijstelling der overige hier genoemde zaken konden vele leden zich minder goed vereenigen. Nadat de regeering haar verdedigd had met de opmerking dat het belastingplichtig vermogen niet te scherp berekend moet worden wil men komen aan eene rente van 40/0, op welken voet de wet ontworpen is en dat bovendien het beoefenen van kunsten en wetenschappen in het algemeen belang bevorderd dient te worden, werd een amendement van den heer de Kanter om bedoelde zaken in de belasting te betrekken verworpen.

Uit het verwerpen van dit amendement kan blijken dat geen doel heeft getroffen de geestige vraag van den heer Rutgers van Roozen-burg, reeds bij de algemeene beraadslagingen gedaan, „waarom het systeem dezer wet — het heften eener belasting niet naar de werkelijke inkomsten maar naar die, welke in billijkheid en met veiligheid uit het vermogen kunnen worden getrokken — niet zou worden toegepast op den verzamelaar van schilderijen en andere kostbaarheden, die eene groote waarde vertegenwoordigen en door den eigenaar zijn aangekoclit misschien uit speculatie op buiten- of binnenlandsche

ocr page 37

85

ridderorden, die dan de rente vertegenwoordigen van den besteden schat en waarom niet betaald zou worden van paarlen en juweelen, waarmede een andere rijkaard vrouw en dochters optuigt of niet van liet gouden en zilveren vaatwerk, waarmede hij zijne tafel versiert.quot;

Bij de toepassing verlieze men de slotwoorden evenwel niet uit het oog. Zijn de hier genoemde voorwerpen handelsvoorraad, dan worden zij onder het vermogen begrepen. Staat derhalve vast dat voorwerpen van kunst en dergelijke uit speculatie zijn gekocht, al is het niet door een koopman, dan moet daarover door den eigenaar betaald worden. Al is het amendement van den heer de Kan ter dan ook verworpen, de speculanten, die hij op het oog had, worden toch getroffen.

19. Letter h. Hieronder vallen levensverzekeringen, waarvan nog wel geen uitkeeringen genoten worden, doch die waarde vertegenwoordigen ten gevolge van reeds plaats gehad hebbende premiebetalingen. Zij zijn vrijgesteld op grond dat zij de bestemming missen om gerealiseerd en vruchtdragend gemaakt te worden.

20. Letter c. Hieronder valt het recht op de in de toekomst vorderbare termijnen van lijfrenten en pensioenen, in wier genot men reeds is getreden. (Vgl. § 9 sub letter f).

21. Letter d. (Vgl. § 10quot;).

22. Letter e. Hieronder vallen de loopende termijnen van tractementen, pensioenen, lijfrenten, reuten, pachten, enz.

Hoofdzakelijk om de taak der belastingschuldigen te vereenvoudigen is men voor do hier bedoelde vorderingen afgeweken van den algemeenen regel dat alle schuldvorderingen, onverschillig of ze opeischbaar zijn of niet, onder het vermogen worden opgenomen.

Als van exceptioneelen aard moet deze bepaling streng worden opgevat.

Om niet onder het belastbaar vermogen te vallen moeten de vorderingen ten eerste inkomsten betreffen, dus geen verschotten, leve-rantiën en dergelijke en ten tweede inkomsten, die in termijnen aan den belastingplichtige worden uitgekeerd. Hieruit vloeit van zelf voort dat pachten, die op 1 Mei betaald moeten worden, coupons en renten, die op 1 Mei vervallen, in het belastingjaar, dat met dien dag begint, onder liet vermogen begrepen worden evenals hetgeen men ter zake van zijn bedrijf over het loopende jaar te vorderen heeft. (Vgl. V. V. en M. v. A., Eerste Kamer).

23. Op dit artikel werden staande de beraadslagingen twee amendementen voorgesteld, één door den heer Bahlmanu om in de vrijstellingen ook te begrijpen de in het buitenland gelegen onroerende goederen, waarvan de belastingplichtige in het vreemde land inkomsten- of vermogensbelasting moet betalen — en één door den heer A. van Dedem, die de liefhebbers van paarden niet

ocr page 38

36

scheen te willen achterstellen bij die van schilderijen enz. en daarom vrijstelling vroeg ook voor paarden en voertuigen, tot welk doeleinde ook gebezigd, mits niet tot iemands bedrijf behoorende.

Beide amendementen werden door den Minister bestreden, het eerste o. a. met de zeer juiste opmerking dat het niet billijk zou zijn onroerend goed in den vreemde vrij te laten en roerend goed aldaar, b. v. de in vreemde handelsondernemingen belegde gelden, niet in eene soortgelijke vrijstelling te doen deelen.

Evenmin kon de Minister medegaan met het amendement van den heer van Dedem, waarvan het gevolg zou zijn geweest dat niet betaald werd van de luxepaarden van den rijkaard, wel van de werkpaarden van den boer, den stalhouder en den neringdoende.

Beide amendementen werden daarna verworpen.

Artikel 7.

Voor de regeling der belasting wordt do waarde van het vermogen bepaald als volgt;

A. Voor gebouwde en ongebouwde eigendommen op het twintigvoud hunner belastbare opbrengst naar de jongste schatting, tenzij de belastingplichtige mocht verkiezen zijne goederen dezer soort, geene uitgezonderd, naar hunne verkoopwaarde te schatten. Maakt hij van die bevoegdheid gebruik, dan vermeldt hij dit bij de aangifte, onder overlegging van een staat, aanwijzende welke waarde hij aan zijne gezamenlijke goederen heeft toegekend.

Indien de waarde wordt bepaald op het twintigvoud van de belastbare opbrengst, wordt die opbrengst voorat verminderd :

1°. met de Rijksgrondbelasting en de daarvan geheven opcenten over bet loopende jaar;

2°. met de polder- en waterschapslasten volgens den laatstbekenden jaarlij kscheu omslag, voor zoover deze de som te boven gaat. welke bij de regeling der belastbare opbrengst is afgetrokken;

3°. met het bedrag of de geldswaarde der jaarlij ksche nitkeeringen ter zake van opstal, erfpacht, dusgenaamde vaste huur of pacht, tiend, grondrente of andere op de goederen gevestigde schuldplichtigheid. Is de uil keering afwisselend, dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie

ocr page 39

87

laatste belastingjaren gerekend, of indien de uit keering nog geene drie jaren is geschied, het gemiddeld per jaar sedert zij een aanvang nam.

De bedragen of geldswaarden der af te trekken uitkee-ringen worden verhoogd met vijf ten honderd, indien buitengewone uitkeering bij overgang of andere gebeurtenis verschuldigd is.

Bij schatting van de waarde wordt met de bij 4°.—3°. bedoelde lasten, uitkeeringen, huren en pachten rekening-gehouden.quot;

24. Geboiiivde en ongehouwdc eigendommen. In het oorspronkelijk ontwerp was maar één maatstaf aangenomen voor de waardebepaling der onroerende goederen en wel de gekapitaliseerde belastbare opbrengst. Yoor de ongebouwde eigendommen had men als cijfer van vermenigvuldiging gesteld 20 en voor de gebouwde eigendommen 15.

De aanleiding voor dat verschil in multiplicator moest hierin gezocht worden dat bij de herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen krachtens de wet van 25 A.prill879 (Stbl. no. 89) rekening was gehouden met de noodzakelijke, volgens de burgerlijke wet ten laste van den eigenaar komende kosten van onderhoud (art. 2), terwijl deze kosten niet waren afgetrokken bij de herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen krachtens de wet van 22 Juli 18 73 (Stbl. no. 116).

Men meende zoodoende een maatstaf te hebben gegeven, die tot zeer gematigde uitkomsten zou leiden en buitendien in de praktijk weinig bezwaren zou opleveren.

De belastingschuldigen toch kunnen de belastbare opbrengst door raadpleging der kadastrale leggers te weten komen, daar de nieuwe schattingen voor de ongebouwde eigendommen daarin reeds opgenomen zijn. En zoodra de grondbelasting ook naar die schattingen geregeld is kan het aanslagbiljet voor de grondbelasting zelfs het noodige licht geven en de naziening der kadastrale leggers alzoo achterwege blijven.

Tegen de voorgestelde regeling werden in het V. V. verschillende bezwaren geopperd, gericht deels tegen het gekozen stelsel, deels tegen de voorgestelde cijfers van vermenigvuldiging.

In het gewijzigd ontwerp is aan de gerezen bezwaren ten deele tegemoet gekomen door het aannemen van een tweeden waardemeter. Daarin toch is aan hem, die zulks verlangt, de bevoegdheid gegeven om de werkelijke verkoopwaarde tot grondslag te doen nemen, met dien verstande evenwel dat al de onroerende goederen — geene uitgezonderd, aldus zegt het artikel — naar denzclfden maatstaf moeten worden geschat. Aan die bevoegdheid was in dat ontwerp, uit een oogpunt van controle, de voorwaarde verbonden dat in een bij de

ocr page 40

38

aangifte over te leggen staat de geschatte waarde dor goederen gemeentesgewijze zou worden opgegeven.

De primitief aangenomen cijfers van vermenigvuldiging zijn evenwel gehandhaafd. Wel is ook voor de gebouwde eigendommen het cijfer 20 aangenomen, doch dit is geschied mot het oog op eene voorgenomen herziening van dc belastbare opbrengst dezer eigendommen, waarbij men zich voorstelt dan ook, evenals voor de ongebouwde eigendommen, de zuivere huurwaarde tot maatstaf te doen nemen. Zoolang die herziening evenwel niet heeft plaats gehad en niet dc tegenwoordige onzuivere huurwaarde alzoo rekening moet worden gehouden zal het cijfer 15 blijven gelden, zooals onder de overgangsbepalingen in art. 51 uitdrukkelijk is gezegd.

Op het aldus gewijzigde artikel werd een amendement voorgesteld door den heer Clerx, strekkende om zoowel voor de ongebouwde als voor de gebouwde eigendommen het vijftienvoud der belastbare opbrengst als waarde aan te nemen. L)c voorsteller meende dat het getal 20 als cijfer van vermenigvuldiging voor de ongebouwde eigendommen in veel gevallen te hoog is, daar de perceelen bij de laatste herziening, in vergelijking van de tegenwoordige prijzen, te hoog zijn geschat en dit als noodzakelijk gevolg van het gebiedend voorschrift van art. 2 al. 3 der zoo even aangehaalde wet van 1879.

Nadat de heer Tydeman, en later ook de Minister, met aan de praktijk ontleende voorbeelden had aangetoond dat het cijfer 20 beter dan het cijfer 15 in staat is om de werkelijke waarde tc doen kennen — nadat de heer van Houten de opmerking had gemaakt dat de opgegeven motieven de voorgestelde wijziging niet rechtvaardigen daar zij voor hen, wier goederen te hoog geschat mochten zijn, overbodig is naast de bij het ontwerp toegekende bevoegdheid om de goederen zelf te waardeeren en uit een oogpunt van billijkheid onnoodig is voor hen, wier goederen op de juiste waarde of misschien te laag zijn gesteld — nadat de Minister de gegronde opmerking had gemaakt dat de bedoeling van het amendement eigenlijk hierop neerkwam oin de groote grondeigenaren eenige verlichting te bezorgen en in overweging had gegeven om, zoo noodig, te trachten deze verlichting te vinden bij de wijziging van dc wet op de grondbelasting, opdat niet enkel zonden worden gebaat de groote grondeigenaren, maar ook de kleinere bezitters — werd het amendement met 53 tegen 36 stemmen verworpen.

In de praktijk zal ongetwijfeld blijken dat het twintigvoud der belastbare opbrengst in den regel nog ver blijft beneden de werkelijke waarde der goederen.

25. Geene uitgezonderd. Door den heer G. van Dedem is beproefd den Minister te bewegen om deze woorden in het artikel tc doen vervallen, opdat men de goederen gemeentesgewijze te zijner keuze zou kunnen aangeven bi' naar den eenen of naar den anderen maatstaf. Aan dien wenk heeft de Minister evenwel gemeend geen gevolg te moeten geven, zoodat de voorgestelde éénheid van schatting is gebleven.

ocr page 41

39

26. Staat. In de bij het gewijzigd ontwerp aan den belastingschuldige opgelegde verplichting om, ingeval van eigen schatting, in den over te leggen staat de waarde der goederen gemeentesgewijze op te geven vond de heer Kolkman bezwaar.

Hiervan toch zou naar zijne meening het gevolg zijn dat, in geval iemand in meerdere gemeenten land heeft en hij voor sommige gemeenten te hoog en voor andere te laag heeft geschat, het meerdere op het eene niet in compensatie zou kunnen strekken met het mindere op liet andere. De heer Kolkman achtte dit niet wensche-lijk en stelde bij amendement voor om de woorden „in elke gemeente afzonderlijkquot; te doen vervallen en alzoo ook hier evenals bij de toepassing van art. 23 der successiewet genoegen te nemen met eene schatting van al het vast goed in één bedrag. Dit amendement, niet van de zijde der regeering bestreden, werd met groote meerder-heid aangenomen.

De staat, die bij de aangifte moet worden overgelegd, behoeft nu slechts één post te bevatten; hij zal daarom wel zonder eenig bezwaar in het formulier der aangifte kunnen worden opgenomen.

27. Opcenten. Hier wordt gesproken van opcenten in het algemeen en uit het antwoord van den Minister aan den heer van Alphen naar aanleiding van eene desbetreffende vraag blijkt dat het werkelijk de bedoeling is ook aftrek toe te laten ter zake van provinciale en gemeentelijke opcenten.

Indirect oefenen provincie en gemeente zoodoende invloed uit op het bedrag dezer belasting.

28. Polder- en waterschapslasten. Bij de herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen heeft geen aftrek plaats gehad van het volle bedrag der toenmalige polder- en waterschapslasten, doch alleen van hetgeen daaronder begrepen was voor kosten van onderhoud van destijds bestaande werken en voor administratiekosten, de laatste evenwel niet verder dan tot de maxima bedoeld in art. 13 der wet op de grondbelasting van 26 Mei 1870 (Stbl. no. 82). De administratiekosten, voor zoover zij de gestelde maxima te boven gingen, de kosten gevallen op liet maken van geheel nieuwe werken en mogelijke andere elementen, die de polderlasten verhoogen, zijn alzoo destijds buiten aanmerking gebleven. Daarbij komt dat na de herziening bestaande lasten verhoogd en nieuwe opgelegd kunnen zijn.

Daarom is bij deze wet aftrek toegelaten van hetgeen volgens den laatstbekenden jaarlijkschen omslag voor polder- en waterschapslasten meer betaald moet worden dan daarvoor bij de herziening in rekening is gebracht.

Opdat de belastingschuldigen zich op gemakkelijke wijze van dat bij de herziening in rekening gebracht bedrag op de hoogte zouden kunnen stellen heeft de Minister de hyphotheekbewaarders reeds onder dagteekcning van 16 September 1892 no. 42 Reg. doen aanschrijven

ocr page 42

40

om dat bedrag, uitgedrukt per H. A., bij elk perceel in de kadastrale leggers te doen opteekenen.

Daar de omslag der polderlasten meestal ook per H. A. geschiedt, zal men dus vrij gemakkelijk kunnen nagaan hoeveel men in een polder voor waterschapslasten betaalt boven het daarvoor bij de herziening in aanmerking genomen bedrag.

Heeft men goederen in meerdere polders en bedragen de waterschapslasten in sommige meer en in andere minder dan het bij de herziening in aanmerking genomen bedrag, dan zal m. i. alleen aftrek kunnen plaats hebben voor zoover wegens al die goederen meer wordt betaald dan daarvoor bij de herziening in rekening is gebracht.

Voor waterkeerende en waterloozende werken, die hier en daar door den eigenaar zelf zijn aangelegd op gronden, die niet tot een polder behooren en waarop ook bij de herziening van de belastbare opbrengst is gelet, kan ook de hier toegestane aftrek worden toegepast (M. v. A. ad art. 7).

28a. De heer Eoüll achtte het twijfelachtig of onder do waterschapslasten wel zouden kunnen worden begrepen de omslagen, die in zoogenaamde veenschapjien worden geheven tot ontginning van hoogveen, daar een veenschap volgens het arrest van den H. H. van den 37 Maart 1882 (W. v. h. E. no. 4758) niet valt onder de uitdrukking waterschap. Hij gaf daarom in overweging om in no. 2 naast polder- en waterschapslasten uitdrukkelijk te spreken van veenschapslasten.

Minder noodig achtte de heer Eoöll het ook afzonderlijk te spreken van omslagen in yeeupolders, daar deze naar zijne meening ongetwijfeld onder den generieken naam van^oWerlasten begrepen zouden kunnen worden.

De Minister achtte het onnoodig uitdrukkelijk van veenschapslasten te spreken, daar, zooals zou blijken uit de gevoerde beraadslagingen naar aanleiding van de wet tot herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen, in de belastingtaal de term waterschappen de generieke term is waaronder ook de veenschappen zijn begrepen.

De heer Eoëll, blijkbaar niet voldaan door het gegeven antwoord, bepaalde er zich echter toe akte te nemen van des Ministers interpretatie.

29. Vitheeringen ter zake van opstal enz.

Deze uitkeeringen kunnen niet ten volle in mindering worden gebracht, slechts na aftrek van hetgeen daarop wegens grondbelasting kan worden gekort (Vgl. art 48 der wet op de grondbelasting). Zoo geen daarmede strijdig beding door partijen is gemaakt kan volgens dat artikel van hetgeen als grondrente, opstal of andere schuldplichtigheid moet worden betaald zooveel gekort worden als in verhouding staat van het bedrag der belasting tot de belastbare opbrengst; bij tiend of erfpacht bedraagt de korting van hetgeen als tiend of erfpacht verschuldigd is.

ocr page 43

41

Een paar voorbeelden tot toelichting.

1. Een perceel land heeft eene belastbare opbrengst van f 250.— De grondbelasting bedraagt f 50.—. Het perceel is belast met eene grondrente groot f30.—

Belastbare opbrengst . . . f 350.—

Hieraf:

Grondbelasting. . . f50 Grondrente . . f30 te verminderen met 5P X f 30 = „6 „24 „ 74.—

Blijtt f176.—

De waarde van het perceel kan dus worden gesteld op 20 X f 176 = f3520.—

2. Een perceel land heeft eene belastbare opbrengst van f250.— De grondbelasting bedraagt f 50.— Het is in erfpacht uitgegeven tegen een jaarlijkschen canon van f 100.—

Belastbare opbrengst......f250.—

Hieraf:

Grondbelasting.....f50

Erfpachtscanon . flOO te verminderen met

1/- van f 100 == „ 20 „80 „130.— —Blijft f120.—

De erfpachter betaalt ter zake van dit perceel dus over 20 X f120 = f2400.

30. Buitengewone vitJceeringen. Deze zijn b.v. verschuldigd door den beklemden meier onder den naam van „geschenkquot;.

B. Voor;

bouwterreinen, daaronder niel begrepen erven en tuinen, aanhoorigheden zijnde van gebouwde eigendommen, gronden aangelegd tot parken, zoomede gronden, die minder verkoopwaarde hebben dan één gulden de centiare;

gebouwde en ongebouwde eigendommen, waarvan vrijdom van grondbelasting genoten wordt;

ongebouwde eigendommen in veenpolders, waarvoor l)ij do laatste schatting de oude belastbare opbrengst behoudenis;

gebouwde eigendommen, waarvoor de belastbare opbrengst wegens sticliling, herbouw of verandering nog moet worden geregeld of opnieuw geregeld;

als zoodanig waarde hebbende venen, terpen, steengroeven en groeven van andere delfstollen;

ocr page 44

42

onroerende goederen buiten het Rijk gelegen en rechten op die goederen gevestigd,

wordt de waarde bepaald naar de bekende verkoopwaarde van soortgelijke of daarmede het meest overeenkomende eigendommen, goederen of rechten.

31. Voor onroerende goederen, waarvoor geen belastbare opbrengst is vastgesteld of welker verkoopwaarde geen verband houdt mot de belastbare opbrengst, is onder letter B de verkoopwaarde als eenigen waardemeter aangenomen.

32. Bouwterreinen. Voor deze terreinen is veelal eene belastbare opbrengst bepaald als voor wei- en bouwland, soms ook ingevolge het 9de lid van art. 2 der wet van 1879 eene opbrengst gelijk staande met de hoogste, welke aan gronden in dezelfde gemeente is toegekend. Door hier de belastbare' opbrengst met 20 te kapitaliseeren, zou men in den regel ver beneden de werkelijke waarde dezer terreinen blijven.

32a. Erven en tarnen enz. Erven en tuinen, die met gebouwde eigendommen als één geheel worden gebruikt, zijn terecht niet onder de bouwterreinen gerangschikt.

Evenmin heeft men de hier en daar nabij de bebouwde kom der gemeente gelegen en tot parken aangelegde gronden als zoodanig meenen te moeten beschouwen uit vrees zoodoende het verdwijnen dezer zaken in de hand te zullen werken.

32b. Zoomede gronden enz. Deze bijvoeging strekt om vele questies af te snijden over de vraag of een stuk grond al of niet als bouwterrein beschouwd moet worden. Bedraagt de verkoopwaarde van den grond toch minder dan fl.— per M2, dan zal hij wel meestal niet voor bouwterrein kunnen doorgaan. Bedraagt de waarde daarentegen meer dan fl.— per M2, dan kan de grond gerust als bouwterrein beschouwd worden.

32c. Is de inspecteur van oordeel dat gronden, waarvan da waarde door den belastingplichtige naar de belastbare opbrengst is geregeld, als bouwterrein moesten zijn geschat, dan zal hij de aangifte verhoogen. Kan de belastingplichtige zich hiermede niet vereenigen, dan kan hij zijne bezwaren daartegen inbrengen en zal de Raad van beroep ten slotte beslissen. (M. v. A.)

33. Gebouwde .... tvaarvan vrijdom van grondbelasting genoten wordt. Zie voor de gevallen, waarin vrijdom van grond-

ocr page 45

43

belasting genoten wordt, de artikelen 26 e. v. der wet op de grondbelasting van den 26 Mei 1870 (Stbl. No. 82) en in verband daarmede de wet van 20 Juli 188-1 (Stbl. No. 14-9), die den vrijdom heeft doen vervallen voor de gebouwde eigendommen, waarvan de stiehting, herbouw, bij- of opbouw of gedeeltelijke vernieuwing na den 1 Januari 1885 is begonnen.

34. Onyeboiiwde eigendommen in veenpólders enz. Deze bepaling staat in verband met het laatste lid van art. 2 der wet van 1879 tot herziening van de belastbare opbrengst der ongebouwde eigendommen, waarbij is aangenomen dat de oude belastbare opbrengst behouden zoude blijven voor veenpólders, waar de voortdurende betaling der grondbelasting door waarborgkassen verzekerd is en de daar binnen gelegen gronden buitendien door verveening in waarde verminderd zijn. Daargelaten in hoever het destijds billijk was om voor deze, door verveening in waarde verminderde, gronden de oude belastbare opbrengst te behouden, zeker is het dat men tot een te hoog waardecijfer zou komen door hiervan het twintigvoud te nemen.

35. Gebouwde eigendommen waarvoor de helasthare opbrengst enz. Hier is het geval voorzien dat men bezig is met het regelen of opnieuw regelen van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen en de uitslag der schatting nog niet bekend is ten tijde dat de aangifte wordt gedaan.

36. Als zoodanig waarde hebbende venen enz. Deze bepaling is een gevolg hiervan dat bij de herziening van de belastbare opbrengst dezer eigendommen rekening is gehouden met de pachtwaarde en niet niet de waarde der delfstoffen.. De woorden ,,als zoodanig waarde hebbendequot; stellen het buiten twijfel dat hier alleen bedoeld zijn venen, terpen enz., waarvan exploitatie mogelijk is.

36a. Onder „groeven van andere delfstoffenquot; vallen ook de tichelklei bevattende gronden volgens de hier te lande geldende fransche wet op de mijnen van 21 April 1810.

C. Het bij hel derde lid van art. 3 bedoelde veelvoud wordt gesteld op het twintigvoud van het bedrag of de geldswaarde der jaarlijksche ontvangsten. Zijn deze afwisselend, dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belastingjaren gerekend, of indien de Ontvangst nog geen drie jaren heeft plaats gevonden, het gemiddeld per jaar sedert zij een aanvang nam.

Het bedrag, waarvan het twintigvoud wordt berekend,

ocr page 46

11

wordt met vijf ten honderd verhoogd, indien bij overgang of andere gebeurtenis builongewone uil keering wordt genoten.

37. Jaarlyhche ontvangsten. Hiermede wordt ongetwijfeld bedoeld het bedrag der uitkeering na aftrek van hetgeen daarop wegens grondbelasting gekort kan worden. (Vgl. § 29).

D. Effecten worden geschat op hunne geldswaarde naar de laatst bekende gegevens.

Onder elfecten worden verstaan inschrijvingen in Grootboeken van Nationale en buitenlandsche Staatsschuld, aan-deelbewijzen en obligation, ook die, welke in den vorm van certilicaten of recepissen zijn opgemaakt.

38. Laatst Lekende gegevens. De belastingschuldigen zijn binnen de door de wet gestelde termijnen vrij in de keuze van den dag, waarop zij hun biljet wenschen in te vullen. Gaan zij tot liet in gereedheid brengen hunner aangifte over dan kunnen zij hunne etfeeten schatten naar de laatst bekende gegevens, d. i. naar de prijscourant van den loopenden dag en behoeven zij niet eene vroegere op te zoeken.

Incourante fondsen kunnen op gezegde van den Minister worden geschat volgens de daarvan bestaande prijscouranten. Mochten zij daarop niet voorkomen, dan zal de belastingschuldige tegenover den fiscus verantwoord zijn wanneer hij volgt de schatting van een makelaar.

Actiën in commanditaire kapitalen vallen onder de effecten (zie art. 9).

E. Hypothecaire en andere schuldvorderingen niet reeds onder D begrepen worden geschat op het bedrag van het kapitaal.

Schuldvorderingen op tijd. waarover geen rente wordt berekend, wissels en ander handelspapier worden op hunne contante waarde geschat.

Indien de schuldvordering of de betaling der rente niet voldoende verzekerd is, wordt de waarde begroot.

39. Kapitaal. Dit woord duidt aan dat de wet hier alleen liet oog heeft gehad op schuldvorderingen, die bet geven van geld ten onderwerp hebben. Vorderingen, ten onderwerp hebbende verbintenissen om iets te doen of om iets anders te geven dan geld, vallen onder „alle overige zakenquot;, die in het slot van dit artikel zijn bedoeld.

ocr page 47

40. Al clc hier bedoelde schuldvorderingen, hypothecaire, en andere, moeten worden geschat op het bedrag van het kapitaal (al. 1), tenware zij renteloos zijn en niet dadelijk opvorderbaar (al. 2) of de voldoening, hetzij van de schuldvordering zelve of wel van de rente, niet voldoende verzekerd is (al. 3), in welke beide gevallen zij lager geschat kunnen worden.

Niet dadelijke opeischbaarheid gepaard met lage rente is volgens de letter der wet geen aanleiding om lager te schatten.

41. Wissels enz. Bij de bepaling van de contante waarde, d. i. van de werkelijke waarde op den vervaldag, moet behalve met den vervaldag ook met den wisselkoers op de plaats der betaling rekening worden gehouden.

42. Alinea o. Het hier bepaalde geldt voor alle schuldvorderingen. (Vgl. no. 40).

F. Schepen, vaartuigen en schuilou met toebehooren;

vaste en losse werktuigen en gereeilschappen in fabrieken en werkplaatsen;

paarden en voertuigen, tot welke iloeleinrlen ook gebezigd;

vee en voorwerpen van het landbouwbedrijf;

handelsvoorraden en alle overige zaken,

worden geschat naar hunne geldswaarde in verband met hunne besteraming.

43. Vaste en losse werktuigen enz. De waarde der vaste en losse werktuigen en der gereedschappen in fabrieken, trafieken of werkplaatsen is bij de herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen niet in aanmerking genomen. (Art. 3 wet 22 Juli 1873, Stbl. 116). Vandaar dat zij hier afzonderlijk zijn genoemd.

Sommige leden meenden dat deze goederen evenals de handelsvoorraden, de schepen en de schuiten van deze belasting vrijgesteld moesten worden, omdat zij een grondslag zouden moeten uitmaken voor de belasting op de bedrijven, doch zagen daarbij over het hoofd dat deze laatste eene belasting is op ondernemersioinsten en helooningen, niet op het vermogen, dat in iudustriëele en handelsondernemingen is belegd.

44. Vee en voonverpen van het landbouwbedrijf. Ka daarover in den breede beraadslaagd te hebben heeft de Minister eindelijk gezegd dat de te velde staande gewassen niet hieronder vallen, zoodat daarvoor in deze belasting niet betaald behoeft te worden. De op-

ocr page 48

46

merking van den heer van Houten, dat dit punt tot- geen moeilijkheden aanleiding kan geven omdat vruchten te velde tengevolge van de werking der natrekking een deel uitmaken van de onroerende hoofdzaak, zou gegrond zijn geweest in geval de eigenaar altijd zelf zijne gronden bebouwde. Daar evenwel verreweg het meerendeel der gronden verpacht is had do questie zeker actueele waarde.

45. En alle overige zaken. Naar aanleiding van eenige in het V. V. gedane vragen en de daarop gegeven inlichtingen in de M. v. A.. valt nog het volgende op te merken.

Het aanwezige houtgewas behoeft niet afzonderlijk te worden aangegeven en geschat, daar bij de herziening van de belastbare opbrengst voor de gronden, met hout beplant, de gemiddelde zuivere onbrengst is genomen, evenals voor de landerijen de gemiddelde zuivere pachtwaarde.

Het recht op uitkeeringen van een deel van door firma's behaalde winst, welke dikwijls voor familieleden van firmanten bedongen wordt, wordt niet als vermogen beschouwd. Anders toch zou de bedrijfsbelasting ten aanzien dezer winstaandeelen eene dubbele belasting doen ontstaan.

Dat onder dit passé-partout artikel overigens vallen b.v. grondstoffen voor fabrieken, heerlijke jachtrechten, loten geen effecten zijnde, contant geld, reeds ingeoogste vruchten, geveld houtgewas en bankbiljetten schijnt weinig twijfelachtig.

46. Hunne geldswaarde in verhand met Inmne bestemming. In het gewijzigd ontwerp was gesproken van „geldswaarde voor den belastingplichtige,quot; waaronder volgens de M. v. A. moest worden verstaan de waarde, waarmede de eigenaar rekening houdt bij verzekering tegen brand of eenig ander gevaar.

De C. v. R. stelde bij monde van den heer Goeman Borgesius bij amendement voor om de woorden voor den lelastingplielitige te doen vervallen, omdat de meeste der hier bedoelde goederen, zonder welke de belastingschuldige zijn bedrijf of zaak niet kan voortzetten, dientengevolge voor hem zelf meestal eene zeer groote waarde vertegenwoordigen, grooter dan de werkelijke verkoopwaarde en het niet de bedoeling kan zijn die exceptioneel hooge waarde tot grondslag dezer belasting te doen strekken.

Nadat de Minister nader als zijne bedoeling had te kennen gegeven dat deze goederen zouden worden geschat naar de waarde, welke zij voor den belastingschuldige bezitten in verband met het doel, waarvoor hij ze gebruikt en de vrees had geuit dat het voorgestelde amendement zou kunnen leiden tot eene schatting zonder eenig verband met. de zaak, waarvoor zij dienen, werd het amendement in dien zin gewijzigd dat zoude worde aangenomen „hunne geldswaarde in verband met hunne bestemming.quot;

Het aldus gewijzigd amendement ondervond geen bezwaar meer bij den Minister en werd daarna aangenomen.

ocr page 49

47

Artikel 8.

Het vermogen, overeenkomstig de bepalingen dezer wet berekend, wordt verminderd met:

lü. liet bedrag der schuldvorderingen ten laste van den belastingplichtige.

Schuldvorderingen op tijd, waarover geen rente wordt berekend, wissels en ander handelspapier worden op hunne contante waarde geschat;

2°. het twintigvoudig jaarlijksch bedrag der verschuldigde lijfrenten, pensioenen en gevestigde of altijddurende renten; benevens het twintigvoudig Jaarlijksch bedrag' der uitgaven van den belastingplichtige voor verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken.

Is het bedrag van dit een en ander afwisselend, dan wordt het gemiddeld per jaar van de drie laatste belastingjaren gerekend, of, indien de schuld nog geen drie jaren bestaat, het gemiddeld per jaar sedert haar bestaan.

Wegens premiên voor levensverzekering, voor pensioen of voor lijfrente, wegens onverschuldigde uitkeeringen en wegéns uitgaven voor onderhoud en opvoeding van kinderen wordt niets in mindering gebracht.

47. Ten laste van den belastingplichtige (no. 1). Is de man rncdc naar liet vermogen zijner vrouw belastingplichtig dan kunnen ook de schuldvorderingen te haren laste van liet gezamenlijk vermogen worden afgetrokken.

48. Laatste en voorlaatste alinea. Naar aanleiding van daaromtrent gedane vragen heeft de Minister te kennen gegeven dat eenc nit-keering of eene verstrekking eerst dan versclmldigd is wanneer een of meer bepaalde personen liet recht hebben om op zekere tijdstippen een vastgesteld of vast te stellen bedrag van den belastingplichtige te vorderen. Er behoeft niet noodwendig een schriftelijk stuk te bestaan, in elk voorkomend geval zal naar de regelen van het gemeene recht beoordeeld moeten worden of er al of niet zoodanig vorderingsrecht bestaat.

Eene uitkeering heeft daarentegen onverschuldigd plaats wanneer de belastingschuldige haar naar willekeur kan doen of achterwege laten.

Uit een en ander vloeit voort dat o. a. kunnen worden afgetrokken uitkeeringen, welke bij huwelijksvoorwaarden door derden aan de

ocr page 50

aanstaande echtgenooten zijn toegelegd. Daartoe toch heeft men zich op wettige wijze, zij het ook uit vrijgevigheid, verbonden.

Op de hiervoor ontwikkelde beginselen is in het slot ecne uitzondering- gemaakt voor uitgaven voor onderhoud en opvoeding van kinderen, waarbij gedacht is aan de verplichting der ouders om hunne minderjarige kinderen te onderhouden en op te voeden. (Art. 353 B. ^ .). Ofschoon daarbij toch zeker gedacht moet worden aan eene verschuldigde verstrekking van levensonderhoud, heeft de wet geen aftrek daarvoor toegelaten quot;omdat dergelijke uitgaven deel uitmaken van de kosten der huishouding.

Eene dergelijke uitzondering is evenwel niet gemaakt voor mt-keeringen tot onderhond van meerderjarige kinderen. (Art. 376. e. v. B. quot;W.). Zijn deze, overeenkomstig art. 379 B, W., door den recUer geregeld dan zijn zij ongetwijfeld als verschuldigd te beschouwen en derhalve voor aftrek vatbaar. Uitkeeringen aan meerderjarige kinderen, niet bij vonnis opgelegd, zijn in den zin van het vorenstaande voor aftrek vatbaar wanneer zij dienen om in het noodzakelijk levensonderhoud der begiftigden te voorzien, m. a. w. wanneer do begiftigde zijne ouders tot het doen der uitkeering in rechten zoude kunnen noodzaken. Uitkeeringen daarentegen, welke vermogende ouders jaarlijks vrijwillig aan hunne kinderen na het huwelijk plegen te geven, opdat deze kunnen blijven leven in den stand, waarin zij zijn opgevoed, zijn onverschuldigd en mitsdien niet voor aftrek vatbaar.

Het recht op de voor aftrek vatbare lijfrenten en pensioenen wordt niet geacht vermogen te zijn van den genieter, wel liet recht op dlt; gevestigde of altijddurende renten (Zie no. 9).

48a. Premicn voor levensverzekering. Hiervoor is geen aftrek toegelaten omdat het betalen dezer premiën als een soort geldbelegging kan worden beschouwd.

48b. Twintigvoud. Een amendement van den heer Havelaar om hier in plaats van het 20-voud het 25-voud te lezen is door de Kamer verworpen, nadat de Minister het cijfer 20 geoordeeld had beter in hot kader dezer wet te passen. (Vgl. art. 7 letter C.).

Artikel 9.

Zij wier vermogen geheel of ten deele belegd is in een of meer ondernemingen, hetzij door henzelven, al of niet in vereeniging met anderen, hetzij door anderen geheel ot ten deele voor hunne rekening gedreven, kunnen, indien zij geen verhandelbare aandeelbewijzen daarvan bezitten, het aldus belegd vermogen schatten overeenkomstig de laatste door of namens hen vastgestelde of goedgekeurde

ocr page 51

49

balans; mits deze balans den slaat van zaken aanwijze, op een tijdstip ten vroegste uit het afgeloopen belastingjaar, en mits desgevorderd blijke, dat bij hare opmaking de baten en lasten geschat zijn naar regels, welker toepassing geen lager kapitaalsaldo oplevert, dan verkregen zou zijn bij toepassing der regels in de twee vorige artikels vermeld.

Het aldus geschatte bedrag wordt vermeerderd of verminderd met de kapitalen, welke door den belastingplichtige aan de onderneming, of ondernemingen sedert het tijdstip der balans zijn toegevoegd of onttrokken.

49. De 2de alinea van art. 2 zou, gesteld dat het daarbij bepaalde ook voor den koopman verbindend was, tengevolge hebben dat deze op den 1 Mei den stand van zijn vermogen opnieuw moest opnemen na misschien betrekkelijk korten tijd te voren zijne gewone jaarbalans te hebben opgemaakt. Dit zou voor den koopman te bezwarend zijn. Vandaar dat in het eerste ontwerp voorgesteld was om, met afwijking van het in art. 2 aangenomen tijdstip, aan kooplieden de bevoegdheid te geven hun vermogen te schatten volgens de laatst opgemaakte balans, mits deze niet ouder was dan één jaar.

Tegen de voorgestelde regeling, voor zoover zij een ander tijdstip voor de bepaling van het vermogen zou invoeren, had men geen bezwaar.

Voor zoover daaruit echter tegelijk zou voortvloeien dat de koopman geheel vrij zou zijn in de taxatie van zijn vermogen, werden tegen het regeeringsvoorstel veel bedenkingen geopperd. Dit toch achtte men hoogst onbillijk tegenover den particulier, die zich bij de waardebepaling moet onderwerpen aan de daarvoor in de wet gegeven regels.

Men verzocht dientengevolge in het V. V. het artikel in dien zin te wijzigen dat ook voor het vermogen van kooplieden verplichtend werd gesteld eene schatting, zij het dan ook op een vroeger tijdstip, in elk geval overeenkomstig de regels in de wet voor ieder gesteld.

Hieraan gevolg gevende, werd in het gewijzigd ontwerp aan het tot grondslag nemen der balanswaarde de voorwaarde verbonden: „ m?ts lij hare opmaking de laten en lasten geschat zijn naar regels, welker toepassing geen lager kapitaalsaldo oplevert, dan verkregen zou zijn lij toepassing der regels in de hvee vorige artikelen vermeld.quot;

Door deze wijziging waren de bezwaren evenwel niet geheel uit den weg geruimd.

Namens de Commissie van Rapporteurs stelde de heer Huber in het licht dat de administratie ook bij deze redactie nog geen enkel middel in handen had om tot de wetenschap te komen of de gestelde voorwaarde werkelijk was nageleefd, m. a. w. of bij de opmaking van de balans werkelijk geschat was overeenkomstig de artikelen dezer wet. Dit achttte de commissie verkeerd. Zij stelde

4

ocr page 52

5ü

daarom bij amendement voor om achter het woordje mits (zie hierboven) in te voegen de woorden: desgevorderd hUjke.

Tengevolge van dit, door de regeering overgenomen, amendement staat vast dat de koopman nu bij verschil van meening tot justificatie van de aan zijne aangifte tot grondslag liggende schatting kan worden opgeroepen.

49a. Welke gevallen zullen zich kunnen voordoen wanneer de inspecteur den koopman oproept tot justificatie zijner schatting?

Geeft de koopman geen gehoor aan die oproeping, dan moet liet er voor gehouden worden dat niet is voldaan aan de voorwaarde, waaronder het doen van aangifte naar art. 9 alleen geoorloofd is. De ingediende aangifte is alzoo niet - rechtsgeldig, de koopman wordt geacht geen aangifte le hebben gedaan en de inspecteur zal hem ambtshalve aanslaan. Wel zal de koopman van den hem opgelegden aanslag in beroep kunnen komen bij den Eaad, doch hij zal, in welken zin de uitspraak van den Raad ook moge vallen, in geen geval kunnen ontsnappen aan de verhooging bij art. 34- bedreigd, daar hij ongetwijfeld terecht ambtshalve is aangeslagen.

Ook is het mogelijk dat de koopman nadere inlichtingen geeft, doch er niet in slaagt den inspecteur van de juistheid zijner schatting te overtuigen. Deze, derhalve van meening dat geen rechtsgeldige aangifte is gedaan, zal den koopman ambtshalve aanslaan. Ook nu zal de koopman zijne bezwaren tegen den hem opgelegden aanslag m. i. bij den Eaad van beroep moeten inbrengen. Vindt deze de reclame gegrond eu blijkt op die wijze dat de koopman terecht naar art. 9 aangifte heeft gedaan dan zal, in tegenstelling met het eerst behandelde geval, art. SI geen toepassing erlangen.

50. Hetzij door Tien zeiven, al of niet in vereeniging met anderen enz. Deze woorden omvatten behalve het vermogen van kooplieden, die alleen handel drijven, ook het aandeel van vennooten in het maatschappelijk kapitaal, onverschillig welke overeenkomst van maatschap zij ook mochten hebben aangegaan.

De toepasssing van dit artikel is evenwel uitdrukkelijk uitgesloten voor het geval verhandelbare aandeelbewjzen aan de vennooten zijn uitgegeven, hetwelk het geval is bij naamlooze en bij sommige commanditaire vennootschappen; deze worden op waarde gebracht volgens art. 7 letter D.

51. Welke door den helasiingplicldige. Deze woorden zijn in het tweede lid opgenomen tengevolge van een door den heer Hintzen voorgesteld en door de regeering overgenomen amendement.

Daarmede is buiten twijfel gesteld dat het aldus geschatte bedrag — niet het eindcijfer van de balans in zijn geheel, maar het bedrag van het aandeel van den belastingplichtige in dat eindcijfer — alleen vermeerderd of verminderd wordt wanneer sedert de laatste balans

ocr page 53

51

door denzelfden belastingplichtige (en alzoo niet wanneer door een ander vennoot of een derde) aan de onderneming geld onttrokken of toegevoegd is.

Artikel 10.

Indien de waarde van liet vermogen, overeenkomstig de vorige artikelen bepaald, minder bedraagt dan f43.000, is geen belasting verschuldigd. Is zij f 13.000 of meer, doch minder dan f14.000, dan is verschuldigd f2. Is zij f14.000 ot meer, doch minder dan f15.000, dan is verschuldigd f4. Is zij f15.000 of meer, doch niet meer dan f200.000, dan is verschuldigd fl.25 van elke gebeele som van f 1000, waarmede zij het bedrag van f 10.000 te boven gaat. Is zij grooter dan f200.000, zoo is een vast bedrag van f 237,50 verschuldigd, benevens f2 van elke gebeele som van f 1000, waarmede de waarde van bet vermogen het bedrag van f200.000 te boven gaat.

52. Volgens dit artikel is dus verschuldigd:

Vermogen. der 111 gul(lens

belasting. per t 1000.

f

12.000

Nihil.

_

yt

13.000

f

2.00

f 0.15

ff

14.000

ff

4.00

„ 0.29

ff

15.000

ff

6.25

„ 0.41

ff

16.000

ff

7.50

„ 0.48

ff

17.000

ff

8.75

„ 0.51

ff

18.000

ff

10.00

„ 0.5G

ff

19.000

ff

11.25

„ 0.59

ff

20.000

ff

12.50

„ 0.62

ff

21.000

ff

13.75

„ 0.65

ff

22.000

ff

15.00

„ 0.68

ff

23.000

ff

16.25

„ 0.71

ff

24.000

ff

17.50

„ 0.73

ff

25.000

ff

18.75

„0.75

if

30.000

ff

25.00

„ 0.83

ff

35.000

ff

31.25

„ 0.89

ff

40.000

ff

37.50

„ 0.94

ff

45.000

ff

43.75

„ 0.97

ff

50.000

ff

50.00

„1.00

ff

75.000

ff

81.25

„ 1.08

ff

100.000

ff

112.50

„ 1.13

ocr page 54

Bedrag der

Vermogen. belasting.

f 150.000 f 175.00

„ 200.000 „ 237.50

„ 250.000 „ 337.50

„ 300.000 „ 437.50

„ 350.000 „ 537.50

„ 400.000 „ 637.50

„ 450.000 „ 737.50

„ 500.000 „ 837.50

„ 750.000 „ 1337.50

„ 1.000.000 „ 1837.50

„ 3.000.000 „ 5837.50

5.000.000 „ 9837.50

In guldens per f 1000.

f 1.17 „ 1.19 „ 1.35 „ 1.46 „ 1.54 „ 1.59 „ 1.64

„ 1.67 „1.78 „ 1.84 „ 1.94 „ 1.97

Zie M. v. A.

Drie op dit artikel voorgestelde amendementen, alle ten doel hebbende eene hoogere opvoering der voorgestelde progressie, zijn verworpen.

53. Van elke geheels som van fiOOO. Wegens een vermogen van f 100.500 is dus verschuldigd f 100.500 — f 10.000 = f 90.500, berekend naar f90.000 a fl.25 per mille op f 112.50.

Artikel II.

Van de belasting zijn vrijgesteld vreemdelingen hier te lande als consuls of consulaire agenten toegelaten, mits zij onderdanen zijn van den Staat die hen benoemde en geen ander beroep of bedrijf uitoefenen en wederkeerig in de door hen vertegenwoordigde landen, aan Nederlanders aldaar op gelijken voet toegelaten, vrijstelling, van belasting naar vermogen of inkomsten worde gegeven.

54. Voor deze wet is een reciprociteitsstelsel aangenomen ten aanzien van vreemdelingen, hier te lande als consuls of consulaire agenten toegelaten, mits zij onderdanen zijn van den staat, die hen benoemde en geen beroep of bedrijf uitoefenen. n- i

Hier te lande gevestigde kooplieden, die gewoonlijk onbezoldigd het consulaat voor eene vreemde mogendheid waarnemen, worden, onverschillig of ze Nederlanders zijn of niet, naar algemeen aangenomen regels voor de toepassing der wetten op de directe belastingen, ook voor deze wet met ingezetenen gelijk gesteld.

55. Diplomatieke agenten. Zie § 5 slot.

ocr page 55

53

Artikel 12.

De belastingplichtige wordt aangeslagen in de gemeente, waar hij woont bij het begin zijner belastingplichtigheid in het loopend belastingjaar.

De woonplaats van den man wordt geacht ook de woonplaats te zijn van zijne vrouw, van wie hij niet van tafel en bed gescheiden is.

Minderjarigen, onder curateele gestelden of krankzinnigen, aan wie een aanslag moet worden opgelegd, worden aangeslagen in de gemeente waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen.

Wonen deze buitenslands, zoo geschiedt de aanslag in de gemeente waar de minderjarige, onder curateele gestelde of krankzinnige gewoonlijk verblijf houdt.

Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belastingplichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van Financiën.

56. Bij het legin enz. Uit art. 1 in verband met art. 2 vloeit voort dat de belastingplicht ontstaat bij den aanvang van het belastingjaar, d. i. 1 Mei. Alleen voor hen, die zich tusschentijds hier te lande vestigen, bij het tijdstip hunner vestiging. Daarnaar regelt zich ook de aanslag.

57. Alinea 2. Deze alinea stelt het buiten twijfel dat behalve in het hier uitgezonderde geval van scheiding van tafel en bed geen belasting verschuldigd is van het vermogen der vrouw, al woont zij binnen het Rijk, wanneer haar man in het buitenland zijne woonplaats heeft.

58. Laatste alinea. Zoolang op deze belasting geen opcenten ten behoeve van de gemeente of de provincie geheven mogen worden (Zie art. 50), heeft de vraag waar ter plaatse de belasting betaald moet worden voor den aangeslagene hoegenaamd geen belang. Zij kan alleen aanleiding geven tot administratieve questies, waarvan de beslissing terecht aan den Minister van Financiën is opgedragen. (Zie ook § 6).

Aanslag.

59. Het stelsel van eigen aangifte is bij deze wet aangenomen.

ocr page 56

54

Daarnaast is evenwel aan de administratie de bevoegdheid gegeven om bij .den aanslag van de aangifte af te wijken en om bij verzuim van eigen aangifte ambtshalve een aanslag op te leggen. Deze regeling scheen te meer aanbeveling te verdienen nu men in Pruissen, na allerlei vergeefsche pogingen om met ambtshalve aanslag te volstaan, bij de wet van 24 Juni 1891 de eigen aangifte heeft ingevoerd.

Bij het gekozen stelsel van eigen aangifte moest verder gezocht worden naar eene regeling, die het mogelijk maakte de aangiften scherp te controleeren zonder de geheimhouding der aanslagen in gevaar te brengen. Vandaar dat de regeling van den aanslag alleen kon worden opgedragen aan de ambtenaren der registratie als de eenigen, die de beschikking hebben over gegevens, welke onmisbaar zijn voor de beoordeeling van de vermogens der belastingschuldigen en voor wie geheimhouding niet iets vreemds is. Daarvoor zijn dan ook aangewezen de inspecteurs der registratie, ieder in den kring van zijne divisie. Verder zijn de gemeentebesturen en de onder het departement van financiën rcssorteerende ambtenaren bij de wet verplicht om den inspecteur inlichtingen te geven nopens het vermogen der ingezetenen.

Ten einde de bij de wet aangenomen regeling in hoofdtrekken te doen kennen, laat ik hier volgen een, op enkele plaatsen gewijzigd, extract uit de M. v. T., luidende:

„Volgens het wetsontwerp worden onder toezicht van den inspecteur en na overleg met den burgemeester lijsten opgemaakt van de namen der ingezetenen, die naar hun oordeel een biljet (formulier van aangifte) behooren te ontvangen. De inlichtingen, die de burgemeester nopens het vermogen der ingezetenen kan geven, worden op deze lijsten aangeteekend.

Het ligt in de bedoeling om de biljetten gesloten te verzenden. Op het biljet zal de noodige aanwijzing voor de invulling der aangifte gedrukt worden. De aangifte, gesloten in den daarbij behoorenden omslag, behoort binnen zekeren termijn, die op verzoek kan worden verlengd, bezorgd te worden in de naastbij zijnde bus, die in de secretarie der gemeente of in een der kantoren van de registratie-of successierechten geplaatst is of wel rechtstreeks per aangeteekenden brief gezonden te worden aan den betrokken ontvanger of inspecteur. De Rijksambtenaar zorgt dat die bussen tijdig worden geledigd. Heeft iemand, wiens naam op de lijst vermeld is, geen aangifte gedaan dan is de inspecteur bevoegd — niet verplicht — om hem de gelegenheid te geven alsnog binnen zekeren termijn aangifte te doen. De inspecteur bepaalt den aanslag in overeenstemming met of — indien hij die te laag oordeelt — hooger dan de aangifte. Hij, die verzuimt aangifte te doen, wordt ambtshalve aangeslagen. De uit-noodiging tot betaling van het bedrag van den aanslag wordt door den ontvanger der successierechten in gesloten omslag aan den aangeslagene gezonden. Heeft deze bezwaar tegen zijn aanslag, dan kan hij door tusschenkomst van den ontvanger een bezwaarschrift aan den inspecteur indienen en desverkiezende mondeling toelichten.

ocr page 57

5 o

Binnen dertig dagen na des inspecteurs uitspraak, die wederom gesloten aan de belanghebbende gezonden wordt, kan deze in beroep komen bij een Raad, samengesteld uit 3 leden, waarvan één wordt benoemd door Gedeputeerde Staten der provincie, één door de rechtbank, tot wier rechtsgebied de standplaats van den Raad behoort C7i één door den Minister van Financiën. Drie plaatsvervangers worden op dezelfde wijze benoemd. De voorzitter heeft alleen raadgevende stem.

Om zelfs den schijn van fiscaliteit bij de samenstelling van dien raad te vermijden zijn Rijksambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, niet benoembaar verklaard. De aangeslagene wordt in de gelegenheid gesteld zijne bezwaren, zoowel schriftelijk als mondeling, voor den raad toe te lichten, terwijl ook de inspecteur vóór de uitspraak gehoord wordt. Ligt de waarheid in het midden dan is de raad bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag op te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van het advies van den inspecteur. Blijft er bij den raad twijfel bestaan nopens de juistheid der aangifte, en tevens nopens de gronden, door den inspecteur voor hoogeren aanslag aangevoerd, dan kan hij den aangeslagene verplichten om zijne aangifte door eene verklaring te bevestigen. Van den eenen kant is derhalve gezorgd dat de aanslagen tot hun recht komen, van den anderen kant geven de bepalingen van het wetsontwerp waarborg voor zorgvuldige behandeling van de bezwaarschriften.quot;

Artikel 13.

De aanslag in de belasting is opgedragen aan de inspecteurs der registratie, ieder in den kring van zijne divisie.

De gemeentebesturen zijn gehouden aan die inspecteurs op hun verzoek kosteloos inzage van de kohieren der hoofdelijke omslagen naar het inkomen te geven en toe te laten dat zij daarvan uittreksels of afschrift nemen of doen nemen.

De ambtenaren, ressorteerende onder het Departement van Financiën, geven aan die inspecteurs, voor zooveel noodig, inlichtingen uit de archieven van hunne kantoren, volgens regelen door den Minister van Financiën te stellen.

Artikel 14.

Jaarlijks vóór den 15 Mei doet de inspecteur der registratie voor elke gemeénte of voor elk gedeelte eener gemeente van zijne divisie, na overleg met den burgemeester of die hem ver-

ocr page 58

56

vangt, eene lijst opmaken van de namen der personen, die aldaar, naar zij vermoeden, volgens deze wet moeten worden aangeslagen, en hunner wettelijke vertegenwoordigers.

De inlichtingen, welke de burgemeester of die hem vervangt en de ambtenaren belast met de regeling van de plaatselijke directe belasting nopens het vermogen van ieder kunnen geven, worden daarbij tevens aangeteekend.

Meent de inspecteur in den loop van het jaar, dat iemands naam nog op de lijst moet worden gebracht, dan wordt de lijst op dezelfde wijze aangevuld.

De burgemeester doet telkens opgaaf aan den inspecteur van de namen der ingezetenen, die, naar zijn oordeel, nog op de lijst moeten worden gebracht.

60. Na overleg met deti burgemeester. De bij de wet gevorderde medewerking van den burgemeester moet in dien zin worden verstaan dat de burgemeester en de inspecteur persoonlijk met elkaar in aanraking komen bij gelegenheid van het opmaken van de lijst voor de verzending der aanslagbiljetten. (Zie art. 15). De burgemeester kan niet volstaan met het zenden aan den inspecteur van eene opgave der naar zijne meening belastingplichtige ingezetenen. Wel werd er in het V. Y. op aangedrongen des burgemeesters medewerking hiertoe te beperken, doch de Minister achtte het noodig dat beide ambtenaren de zaak met elkaar bespraken.

Overigens bepaalt de tusschenkomst van den burgemeester zich tot het geven der hem bekende inlichtingen. De inspecteur brengt die in verband met de hem uit anderen hoofde bekende gegevens en stelt daarna zelf de lijst vast, zonder dat de burgemeester daarin verder de hand heeft. Uitdrukkelijk toch is in de gewisselde stukken gezegd dat het niet de bedoeling is dat de inspecteur en de burgemeester te zamen het vermogen vaststellen. De inspecteur zal dan ook aan den burgemeester geen mededeeling behoeven en zelfs niet mogen doen van de hem bekende gegevens.

61. WettelijJce vertegenwoordigers. Elders verblijf houdende minderjarigen, onder curateele gesteldcn en krankzinnigen worden gebracht op de lijst in de gemeente, waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen (art. 12 al. 3), tenzij deze buitenslands wonen. (Art. 12 al. 4).

62. J)e burgemeester of die hem vervangt enz. De hier bedoelde inlichtingen behoeven niet noodwendig door den burgemeester zelf, doch kunnen in diens plaats ook worden gegeven, wat trouwens niet vreemd zal klinken, door de personen, die in art. 77 der ge-

ocr page 59

meentewet te zijner vervanging zijn aangewezen. Verder is den burgemeester de mogelijkheid geopend de hier bedoelde inlichtingen te doen geven door de gemeente-ambtenaren, belast met de werkzaamheden aan de heffing der plaatselijke belastingen verbonden. In geen geval zal de burgemeester zich echter, wanneer de inspecteur het verzoekt, aan een persoonlijk overleg met hem kunnen onttrekken.

63. Alinea 3. Dit is in de eerste plaats het geval met hen, die zich in den loop van het belastingjaar metterwoon binnen het rijk vestigen. Aan dezen wordt zoo spoedig mogelijk na hunne vestiging een biljet gezonden (art. 15 al. 2). Dit voorschrift is zoo imperatief dat het moet worden nageleefd, al hebben de betrokken personen ook reeds den termijn laten verloopen, binnen welken zij volgens art. 16 al. 7 gehouden zijn zelf een biljet aan te vragen tot het doen van aangifte voor het geval er hun geen van wege de administratie gezonden mocht zijn. Eerst nadat hun dan nog een biljet uitgereikt is en zij 20 dagen (art. 16 al. 1) na die uitreiking hebben laten verloopen zonder aangifte te doen, mag de inspecteur hen volgens de laatste alinea van art. 31 ambtshalve aanslaan.

Ook kan zich het geval voordoen dat ingezetenen, ofschoon een belastbaar vermogen bezittende, bij het opmaken der lijst bij vergissing zijn overgeslagen en geen biljet hebben ontvangen. Deze zijn in dat geval ook verplicht om zelf een biljet aan te vragen. Laten zij den daarvoor in evengemeld art. 16 al. 7 gestelden termijn voorbij gaan, te hunnen opzichte is veel meer dan bij de zich pas binnen het rijk gevestigd hebbende personen het vermoeden gewettigd dat zij zoodoende trachten om aan de belasting te ontsnappen. Vandaar dat der administratie dan ook nergens bij de wet de verplichting is opgelegd om hun later nog een biljet te zenden. De inspecteur kan hen volgens de laatste alinea van art. 21 direct ambtshalve aanslaan. Blijkt hem evenwel dat het verzuim om zelf een biljet te vragen niet het gevolg is geweest van kwade trouw, dan zal hij hen nog in de gelegenheid mogen stellen om zelf aangifte te doen.

Bij de openbare beraadslagingen heeft de Minister als zijn voornemen te kennen gegeven om, wanneer zich dergelijke gevallen in den beginne voordoen, in den regel nog een biljet te doen zenden, maar later niet meer, tenzij bijzondere omstandigheden het wenschelijk mochten maken.

64. Alinea 4. Ontdekt de burgemeester in den loop van het jaar iemand, die bij het opmaken der lijst naar zijn oordeel bij vergissing is overgeslagen of wel vestigt zich iemand uit den vreemde in zijne gemeente, die naar zijne meening belastingplichtig is, dan geeft hij van een of ander kennis aan den inspecteur.

ocr page 60

58

Artikel 15.

Aan ieder wiens naam op de lijst is vermeld of aan zijn wettelijken vertegenwoordiger doet de inspecteur vóór het einde van Mei een biljet toekomen, ingericht volgens formulier door Ons vastgesteld, bevattende summiere aanwijzing van de bestanddeelen van het vermogen.

Aan hen, die zich in den loop van het belastingjaar metterwoon binnen het Rijk vestigen, wordt zoo spoedig mogelijk een biljet gezonden.

De lijst, aangevuld met eene ambtelijke verklaring dat de biljetten uitgereikt zijn, geldt als bewijs van uitreiking op den daarbij genoemden dag.

65. Biljet. Ten einde de wijzigingen, die de ondervinding als wenschelijk zou doen kennen, daarin later gemakkelijker te kunnen aanbrengen heeft de regeering voorgesteld om het formulier voor een aanslagbiljet te doen vaststellen bij algemeenen maatregel van bestuur en niet bij de wet.

Niet zonder tegenspraak en niet dan nadat de Minister in het algemeen geruststellende verklaringen had afgelegd nopens de wijze, waarop hij zich voorstelde het biljet in te richten, heeft de Tweede Kamer zich hierbij neergelegd.

Bepaalde toezeggingen omtrent de inrichting heeft de Minister betrekkelijk weinig gedaan. Alleen leest men in de M. v. A. in verband hiermede: „Er zal geen specifieke opgaaf van al de bestand-„deelen van het vermogen gevorderd worden, maar de goederen en „schulden zullen in rubrieken worden verdeeld; slechts ten aanzien „van enkele zaken zal eenige nadere aanduiding worden gevraagd. „Zoo zal van geschatte onroerende goederen de waarde per gemeente „moeten worden opgegeven; (') schepen stuksgewijs.quot; én gaf de Minister bij de openbare beraadslagingen te kennen „dat noch naar „inkomsten, noch naar verteringen gevraagd zal worden, dan voor „zooveel betreft de inkomsten vallende onder de derde alinea van art. 3.quot;

66. Alinea 2. Zie § 63.

67. Alinea 3. Excepties, gegrond op de bewering dat de biljetten niet zijn ontvangen, zijn zoodoende afgesneden.

Artikel 16.

Hij, aan wien blijkens de lijst een biljet is gezonden, is

(1) Vervallen. Zie § '26.

ocr page 61

59

verplicht, binnen twintig dagen na de uitreiking, op dat biljet en volgens de daarop gedrukte aanwijzingen aangifte van zijn vermogen te doen.

Deze termijn kan door den inspecteur verlengd worden.

Indien het vermogen van hem, aan wien een biljet is gezonden, minder dan f13.000 bedraagt, of indien hij geen vermogen heeft, verklaart hij dit een of ander op het biljet, dat aldus als aangifte onderteekend wordt.

Indien de vrouw krachtens art. 195 of art. 241 Bur gerlijk Wetboek zelve het beheer over hare roerende en onroerende goederen en het vrije genot van hare inkomsten heeft, is elk der echtelieden verplicht aangifte te doen van zijn vermogen, al bedraagt dat minder dan f13.000.

Hij, aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend jaar in eene andere gemeente van het Rijk is aangeslagen of daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op het biljet met opgaaf van den naam dier gemeente.

Het biljet wordt onderteekend.

Hij die, hoewel naar deze wet belastingplichtig, geen biljet heeft ontvangen, is verplicht vóór den vijftienden Juni van het belastingjaar of wel, bij vestiging binnen het Rijk in den loop van het belastingjaar, binnen twee maanden na die vestiging aangifte te doen. op de wijze bij dit artikel bepaald.

Tot dat einde worden biljetten kosteloos verkrijgbaar gesteld, zoowel op de kantoren van de registratie- en successierechten als op de secretarieën der gemeenten.

De namen van hen. aan wie op verzoek biljetten zijn gegeven, worden door den inspecteur op de lijst ingeschreven.

68. Hij, aan wien enz. al. i. Ieder, aan wien een biljet is gezonden^ is verplicht daarop aangifte te doen van zijn vermogen. De wet onderscheidt in dat opzicht niet. Derhalve zal ook hij, die zelf meent niet belastingplichtig te zijn, aangifte moeten doen.

De heer Levj zag hierin eenig bezwaar. Hij vreesde dat iemand, eenmaal volgens de wet aangifte gedaan hebbende, daardoor geacht zou kunnen worden zijn recht te hebben verloren om later zijnen belastingplicht te ontkennen en stelde een amendement voor ten einde daarin te voorzien.

Nadat de heer van Houten had opgemerkt dat de naleving van een wettelijk voorschrift toch bezwaarlijk als een daad van berusting

ocr page 62

60

kan worden beschouwd en de Minister de pertinente verklaring had afgelegd dat de administratie de door den heer Levy gewraakte exceptie niet zal opwerpen, trok de voorsteller het amendement in. (Vgl. in verband hiermede § 6).

69. Volgens de daarop gedrukte aanwijzingen. Volgens art. 15 wordt het formulier vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur en volgens artikel 16 moet de aangifte geschieden naar de op het formulier gedrukte aanwijzingen. Derhalve moet uit het formulier en niet uit de wet beoordeeld worden tot welke opgaven de aangever verplicht is.

69a. Indien het biljet niet volgens de daarop vervatte aanwijzingen is ingevuld, is de door de wet gevorderde aangifte niet gedaan en kan ambtshalve aanslag volgen. Eene milde toepassing der wet zal ook in dit opzicht worden voorgeschreven. Op onbeduidende afwijkingen, die geen afbreuk doen aan de volledigheid of betrouwbaarheid der aangifte, zal niet worden gelet. Bij ernstiger onregelmatigheden zal in den regel gelegenheid tot herstel worden gegeven. (M. v. A., Eerste Kamer).

70. Minder dan fiS.OOO. De Eegeering schijnt voornemens te zijn om hen, die 'een voor deze belasting vrijgesteld vermogen hebben, daarvoor in de bedrijfsbelasting te betrekken door hun be-drijfsinkomen te verhoogen met de rente van dat vermogen. In dat geval zal hunne aangifte voor de bedrijfsbelasting tevens het bedrag van hun vermogen moeten vermelden. (M. v. A., Eerste Kamer).

71. Al bedraagt dat minder dan f i3.000, {Al. 4). Het hier bepaalde is een noodzakelijk uitvloeisel van de regeling in art. 4, in zoover als in de hier bedoelde gevallen^ al zou het vermogen der vrouw op zich zelf anders ook in de vrijstelling deelen, het samengevoegd vermogen van beide echtgenooten het bedrag der verschuldigde belasting regelt of wel de vrijstelling bepaalt.

72. Alinea 7. In § 63 werd reeds gewezen op deze bepaling, waarbij zoowel aan ingezetenen, die bij den aanvang van het belastingjaar als aan zich tusschentijds hier te lande vestigende vreemdelingen, die na hunne vestiging geen biljet van de administratie hebben ontvangen, de verplichting is opgelegd om uit eigen

beweging aangifte te doen.

Het verschil in de gevolgen van de niet-naleving van dit voorschrift voor beide categorieën van personen werd ook daar aangewezen.

ocr page 63

61

Artikel 17.

Indien de man verhinderd is aangifte te doen, is de vrouw gehouden namens hem aangifte te doen.

Wettige vertegenwoordigers van minderjarigen, onder curateele gestelden of krankzinnigen, aan wie een aanslag moet worden opgelegd, zijn verplicht voor deze aangifte te doen. De hoedanigheid wordt bij de onderteekening der aangifte vermeld.

Voor een overleden belastingplichtige kan de aangifte onderteekend worden door één der erfgenamen, den executeur-testamentair of den bewindvoerder over de nalatenschap.

Voor hem, die niet in staat is aangifte te doen, kan de aangifte door een ander, namens hem, worden gedaan, mits onder bijvoeging eener schriftelijke vergunning van den inspecteur.

73. Indien de man verhinderd is enz. In den zin van dit artikel is de man verhinderd aangifte te doen wanneer hij daartoe door afwezigheid, ziekte of andere oorzaken persoonlijk niet in staat is en er geen wettelijke vertegenwoordiger en geen van eene schriftelijke vergunning van den inspecteur voorziene lasthebber is, die voor hem aangifte kan doen. In dat geval is de vrouw, bij uitbreiding van het beginsel van art. 180 B. W., tot het doen van aangifte namens hem verplicht. Dat zij in dat geval ook van de bij de laatste alinea gegeven bevoegdheid gebruik kan maken behoeft geen betoog.

Aan ambtshalve aanslag, die anders het noodzakelijk gevolg zou worden van de verhindering van den man, kan men door deze bepaling nog ontsnappen. Wordt hier dus al een verplichting opgelegd aan de vrouw, het is in elk geval eene verplichting, die haar ook ten goede komt. Uit de strekking dezer bepaling, zooals die hiervoor is ontwikkeld, blijkt genoegzaam dat zij geen onderscheid maakt tusschen het geval dat de man aangifte had te doen van zijn eigen vermogen bf van dat zijner vrouw of wel van die van beide. Daaruit kan tevens blijken waarom niet wederkeerig eene dergelijke verplichting aan den man is opgelegd bij verhindering van de vrouw.

74. Alinea 2. De wettelijke vertegenwoordiger, die verzuimt aangifte te doen, zal aan de door hem vertegenwoordigde persoon de schade moeten vergoeden, die deze daardoor mocht lijden. Komt hij van den ambtshalve opgelegden aanslag in beroep bij den Eaad dan zal hij de verhooging, die dientengevolge naar art. 34 verschuldigd

ocr page 64

is geworden, niet aan de door hem vertegenwoordigde in rekening kunnen brengen. Keclaineert hij niet, niettegenstaande de aanslag te boog was, dan zal hij het te veel betaalde evenmin van deze kunnen terugvorderen.

75. Alinea S. Om de beteekenis dezer bepaling te doen kennen doe ik de opmerking voorafgaan dat volgens art. 2 ieder belastingplichtig is, die op 1 Mei hier te lande woont en wel voor een vol jaar, behoudens zijn recht op ontheffing naar art. 25, wanneer hij in den loop van het jaar het rijk metterwoon mocht verlaten. Bij overlijden van den belastingplichtige in den loop van het belastingjaar blijft het volle bedrag van den aanslag verschuldigd. (Art. 44).

Het geval kan zich nu voordoen dat een belastingplichtige overleden is vóór de termijn tot het doen van aangifte verstreken was. Dit belet niet dat er een aanslag ten name van den overledene, zal plaats hebben. Hoe zal het bedrag van dien aanslag evenwel geregeld worden ? Zonder de erfgenamen de verplichting op te leggen om in dat geval aangifte te doen van het vermogen van den overledene, heeft de wet hun daartoe echter de bevoegdheid gegeven.

Wenschen zij van xlie bevoegdheid gebruik te maken dan kan de aangifte voor de gezamenlijke erfgenamen worden gedaan door één hunner of wel door den executeur bf wel door den bewindvoerder over de nalatenschap.

Maken de erfgenamen van die bevoegdheid geen gebruik, dan zal de inspecteur den overledene ambtshalve aanslaan.

75a. Vgl. het aangeteekende op art. 44 voor de vraag op wie verhaalbaar is de aanslag, den overledene opgelegd.

75b. Tegen den aldus ambtshalve opgelegden aanslag zal zeker beroep open staan. Doch wanneer bij den Raad gereclameerd is, zal dan de door dezen vastgestelde of gehandhaafde aanslag naar art. 34 met 250/0 verhoogd worden ? Naar de letter van dat artikel zeker ja, want de aangeslagene heeft geen aangifte gedaan. Mocht de wet evenwel in dien zin worden toegepast dan zal de bevoegdheid der erfgenamen, waarvan hier sprake is en waarop ook door den Minister bij de beraadslagingen werd gewezen, meer het karakter krijgen eener verplichting, op welker niet- nakoming eene straf is gesteld.

75c. De aangifte, door één der hier genoemde personen gedaan, is voor al de erfgenamen verbindend, behoudens ieders recht tot reclame volgens art. 46. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de fiscus de hoogste aangifte tot grondslag voor den aanslag kan nemen, wanneer meerdere van de hier bedoelde personen elk afzonderlijk aangifte hebben gedaan met uiteen loopende cijfers.

ocr page 65

68

75d. Van meer dan één zijde werd de hiervoor geresumeerde regeling bestreden. Men merkte op dat liet persoonlijk karakter dezer belasting, waarvan ook in het eerste lid van art. 25 is uitgegaan, noodwendig tengevolge moet hebben dat een overledene niet wordt aangeslagen en dat bij overlijden na den aanslag ontheffing wordt verleend. In het tegenovergestelde geval treft men niet de persoon maar het vermogen zelf en maakt men de belasting dus zakelijk. Een en ander gaf aanleiding tot het amendement van den heer van de Velde om deze alinea te doen vervallen. De aanneming van dit amendement zou tengevolge gehad hebben dat, wilde men het vermogen van den overledene niet gedurende een geheel jaar of een gedeelte van een jaar aan de belasting doen ontsnappen, voor den aanslag van de erfgenamen rekening moest worden gehouden met hun vermogen op een ander tijdstip dan daarvoor in art. 2 is aangewezen.

De Tweede Kamer achtte het niet wenschelijk van dit hoofdbeginsel der wet af te wijken, vond de voorgestelde regeling billijk en verwierp daarom het ingediende amendement.

76. Alinea 4. Bij de openbare beraadslagingen heeft de Minister de opmerking gemaakt dat het de bedoeling van de wet is om alleen uit hooide van ernstige, serieuse verhindering bevoegdheid te geven aangifte door een ander te laten doen. Vandaar dat hier, in afwijking van het bepaalde bij art. 18 der successiewet, schriftelijke vergunning van den inspecteur is gevorderd.

De wet vordert evenwel niet dat de gemachtigde steeds van eene schriftelijke, volmacht voorzien zij. De inspecteur kan dus, ook zonder dat van eene uitdrukkelijke volmacht blijkt, de vereischte vergunning geven.

Artikel 18.

De aangifte wordt door of van wege den aangever bezorgd in een der bussen in liet volgend artikel bedoeld, of rechtstreeks. kosteloos aangeteekend per post, toegezonden aan den ontvanger der successierechten, tot wiens kantoor, of aan den inspecteur, tot wiens divisie de gemeente behoort.

77. In de M. v. T. vindt men bij dit artikel aangeteekend dat het voor de regeling van eene belasting als deze, die slechts door een betrekkelijk klein aantal ingezetenen zal gedragen worden en waarvan de aangiften geheim dienen te blijven, aanbeveling verdient om het rondbrengen van biljetten en het inzamelen van aangiften aan de woningen door het voorgedragen stelsel te vervangen.

Volgens dat stelsel hebben de aangevers het in hunne keus om de aangifte te bezorgen of te doen bezorgen in de daarvoor bestemde

ocr page 66

64

bus of wel om ze kosteloos per aangeteekenden brief te zenden aan

den betrokken ontvanger of inspecteur.

Bij toezending per post zal liet bewijs, dat de aangifte g -diendis, door het recu van het postkantoor geleverd kunnen worden. Bij het gebruik maken van de andere wijze van bezorging zouden de aangevers in dat opzicht voldoende gewaarborgd kunnen worden door den ambtenaar, die de bus opent, voor te schrijven om bij procesverbaal te constateeren, welke aangiften door hem m de bus woiden

gevonden.

Artikel 19.

In de kantoren van de registratie- en successierechten en in de secretarie van elke gemeente, door den Minister van Financiën aan te wijzen, worden van Rijkswege vaststaande, gesloten bussen geplaatst, voor de ontvangst der aangiften bestemd.

üe sleutel van de bus wordt bewaard door den inspecteur der registratie of op zijn last door den ontvanger der sue-cessierechten.

De burgemeester zorgt dat de bus, in de secretarie zijner gemeente geplaatst, gedurende de kantooruren tot ontvangst

van aangiften toegankelijk is.

Hij, die zich met eene aangifte aanmeldt, wordt uitge-

noodigd die persoonlijk in de bus te doen.

78. Alinea i. In elke kleine gemeente, waar slechts weinig aangiften te wachten zijn, zal de Minister zeker geen us oen plaatsen. In dat geval zal zeker één bus voor verschillende gemeenten in één dezer geplaatst worden.

79. Alinea 2. Ook de sleutel van dc bus ter secretarie aanwezig.

Artikel 20.

De inspecteur der registratie of de ambtenaar die hem

vervangt, verzamelt de aangiften.

De namen der aangevers en het bedrag van het aangegeven vermogen worden vermeld in een proces-verbaal, dat door den ambtenaar op zijn ambtseed wordt opgemaakt. Aangiften welke in behandeling behooren te komen by

ocr page 67

65

een der ambtgenooten van den inspecteur worden door hem aan dien ambtgenoot gezonden.

Aan hem wiens naam op de lijst is vermeld en van wien geen aangifte is ingekomen, kan de inspecteur kosteloos eene verzegelde uitnoodiging doen toekomen om de aangifte alsnog, binnen een door den inspecteur te bepalen termijn, bij hem zelf te bezorgen.

Indien de inspecteur nadere toelichting der aangifte noodig acht, kan hij den aangever daartoe in de gelegenheid stellen.

80. Alinea '1 en 3. De aangiften, deels bezorgd in de in art. 18 bedoelde bussen en deels rechtstreeks toegezonden aan den ontvanger of den inspecteur, worden door dezen of wel door een hem vervangenden ontvanger of surnumerair verzameld. In een daarvan door den, met de verzameling belast geweest zijnden, ambtenaar op diens ambtseed op te maken proces-verbaal worden de namen der aangevers en het bedrag van het aangegeven vermogen vermeld. Stukken, die met inachtneming van het onder no. GDquot; aangeteekende niet als aangiften kunnen gelden, worden uit den aard der zaak niet in dit proces-verbaal opgenomen.

81. Alinea 4. Is van iemand, wiens naam op de lijst is vermeld, geen aangifte ingekomen — en het geval dat een niet als aangifte te beschouwen stuk is ingezonden staat hiermede gelijk — dan is de inspecteur bij verzuim te goeder trouw bevoegd, alvorens ambtshalve aan te slaan naar het slot van art. 21, om de verplichting tot aangifte in herinnering te brengen of wel om gelegenheid te geven lot het indienen van een verbeterd stuk. De aangifte of wel de verbeterde aangifte, die op eene dergelijke uitnoodiging volgt, moet bij den inspecteur zelf worden bezorgd.

Het zenden van zoodanige uitnoodiging is evenwel niet verplichtend gesteld, om geen gevaar te loopen dat het doen van aangifte op de lange baan zou worden geschoven. Niettemin heeft de Minister in de M. v. A. als zijn voornemen te kennen gegeven om in den beginne zeer ruim te zijn met het zenden dezer uitnoodigingen opdat zooveel mogelijk aangiften verkregen worden.

82. Alinea 5. Vóór de inspecteur den aanslag vaststelt naar een hooger bedrag dan het aangegevene is hij bevoegd om met den aangever in overleg te treden. De inspecteur is hiertoe echter niet verplicht. Men vreesde, door het verplichtend te stellen, zorgeloosheid bij het opmaken der aangiften in de hand te zullen werken.

5.

ocr page 68

66

Artikel 21.

Indien de inspecteur geen bedenking tegen de aangifte van het vermogen heeft, wordt de aanslag door hem in overeenstemming met die aangifte bepaald.

Aan aangiften van hen, wien naar de meening van den inspecteur geen aanslag moet worden opgelegd, wordt geen verdere behandeling gegeven.

De inspecteur is bevoegd den aanslag te bepalen naar een quot;rooter vermouen of naar een hoogere waarde van vermogen

O o

dan aangegeven is, indien de aangifte hem te laag voorkomt of indien de waarde naar de regels dezer wet, volgens zijn oordeel, te laag is bepaald.

Indien de aangever gebruik heeft gemaakt van de bij art. 7, A, verleende bevoegdheid tot schatting, kan bij den aanslag aan het totaal zijner onroerende goederen geene hoogere waarde worden toegekend dan waarop zij bij toepassing van den regel der wet zouden zijn te bepalen.

Hij, die geene aangifte heeft gedaan, wordt door den inspecteur ambtshalve aangeslagen.

83. Alinea 1. De inspecteur bepaalt den aanslag. In de M. v. T. werd opgemerkt dat de belangen der belastingschuldigen beter gewaarborgd zijn wanneer de aanslag wordt bepaald door een persoon, die de volle verantwoordelijkheid draagt dan wanneer dit aan eene commissie van meerdere personen wordt opgedragen. (Vgl. aantee-kening op art. 26).

84. Alinea 2. Dit is het geval met biljetten, die de verklaring bevatten bedoeld in het derde lid van art. 16, wanneer de inspecteur de juistheid van die verklaring niet betwijfelt. (Vgl. § ^5).

85. Alinea 3. Hier is zoowel het geval voorzien dat sommige goederen niet zijn aangegeven als dat aangegeven goederen te laag zijn geschat.

Ook moet worden aangenomen, al is het minder duidelijk gezegd, dat de inspecteur aan deze bepaling de bevoegdheid ontleent een aanslag op te leggen aan hem, die eene verklaring, als bedoeld bij art. 16 al. 3, heeft ingezonden.

86. Alinea 4. Heeft de aangever te laag geschat dan kunnen

ocr page 69

67

de gezamenlijke in art. 7 letter A bedoelde onroerende goederen evenwel in geen geval op een hooger bedrag worden gebracht dan dat, waartoe de bij de wet aangenomen waardebepaling geleid zou hebben.

87. Alinea 5. Ambtshalve aanslag heeft plaats tenzij aangifte is gedaan of eene als aangifte geldende negatieve verklaring is ingezonden, die als juist kan worden aangenomen. Vooraf kan doch behoeft niet gewaarschuwd te worden. (Zie § 82).

Artikel 22.

De inspecteur, naar deze wet zelf tot aangifte verplicht, zendt die aan zijn door den Minister van Financiën aan te wijzen ambtgenoot.

Deze bepaalt, zijn aanslag volgens de regelen dezer wet en doet daarvan opgaaf aan den ontvanger der successie-reebten, onder wiens kantoor de aanslag op het hierna vermelde register moet worden gebracht.

Artikel 23.

De aanslagen in de belasting worden voor den kring van elk kantoor van successierechten opgenomen in een gemeen-tesgewijs aan te leggen register, dat door den inspecteur voor elke groep van gelijktijdig bepaalde aanslagen wordt vastgesteld.

Terstond na de vaststelling zendt de ontvanger, tot wiens kring van kantoor het register behoort, kosteloos voor de aangeslagenen, aan ieder hunner eene verzegelde uitnoodi-ging om te zijnen kantore bet bedrag te betalen, waarvoor bij in de belasting is aangeslagen.

Aan hen, wier aanslag hooger is gesteld dan hunne aangifte of die bij verzuim van aangifte ambtshalve zijn aangeslagen, wordt de uitnoodiging tot betaling aangeteekend per post gezonden.

Het volgnommer van het register wordt op de uitnoodiging vermeld; op de keerzijde worden de bepalingen dezer wet nopens betaling, invordering, bezwaren, ontheffing en beroep gedrukt.

ocr page 70

68

88. Register. Dit register kan niet op één lijn gesteld worden met het kohier, dat tot grondslag strekt voor de invordering der overige directe belastingen en waaronder men verstaat een executoir verklaard register van aanslagen. (A.rt. 1 wet 22 Mei 1845, Stbl. no. 22).

Het hier bedoelde register is meer een verzamelinglegger van de gedane aanslagen. De executoriale titel, die voor de invordering van den aanslag wellicht later noodig mocht blijken te zijn, ligt in het in dat geval naar art. 41 uit te vaardigen d.vangschrift. (Vgl. M. v. A).

89. Elke groep van gelijktijdig lepaalde aanslagen. De inspecteur behoeft al de aanslagen in een gemeente dus niet gelijktijdig vast te stellen. Door dit bij gedeelten te doen kan de verzending van de uitnoodigingen tot betaling regelmatig vorderen.

90. Uitnoodiging. Dit stuk vervangt het aanslagbiljet, dat bij andere directe belastingen wordt gezonden.

91. Zendt. Omtrent de wijze van verzending is in het algemeen alleen voorgeschreven dat zij verzegeld zal plaats hebben. Hiermede is eene gedoten verzending bedoeld.

Alleen voor hen, wier aangifte verhoogd is of die ambtshalve zijn aangeslagen en voor wie de juiste dagteekening der verzending om de bij de artt. 24 en 28 vastgestelde termijnen van reclame derhalve van belang is, schrijft de derde alinea eene aangeteekende verzending per post voor.

Bezwaren tegen de aanslagen.

92. Bij het samenstellen der wet moest men bedacht zijn op middelen, die het doen van aangifte door den belastingschuldige zouden bevorderen. Immers ambtshalve aanslag door den inspecteur overeenkomstig de laatste alinea van art. 21 zal soms te lagen aanslag en dientengevolge onvoldoende opbrengst der belasting ten gevolge hebben, daargelaten nog de vele moeilijkheden, die er voor de administratie uit voortvloeien. Vandaar dat, als tegenwicht tegen de kans om bij ambtshalve aanslag te laag gesteld te worden, ten aanzien van hen, die zelf niet hebben aangegeven:

a. uitgesloten is het beroep bij den inspecteur (art. 24) en derhalve alleen beroep bij den Eaad toegelaten is (art. 28),

l). geen verlaging van den aanslag door den Raad mogelijk is, tenzij zij hebben aangetoond dat hun aanslag te hoog was (art. 33

al. 2) en . i j

c. niet geldt de gunstige bepaling van art. 27, alles onverminderd,

d. de verhooging met 25 ten honderd van de hoofdsom van den aanslag wanneer zij in beroep zijn gekomen bij den Raad, eene verhooging, die in ieder geval wordt toegepast, hoedanig de uitspraak van den Raad ook zij.

ocr page 71

69

Ontheffing.

Artikel 24.

Hij, wiens aanslag honger is gesteld dan zijne aangifte, kan, ingeval van bezwaar tegen zijn aanslag, zelf of door een gemachtigde binnen dertig dagen na de aanteekening van de uitnoodiging tot betaling een gemotiveerd bezwaarschrift in gesloten omslag per post aangeteekend zenden, of tegen gedagteekend ontvangbewijs bezorgen bij den ontvanger die de uitnoodiging tot betaling heeft gedaan.

Indien de aangeslagene of zijn gemachtigde het verlangen daartoe heeft te kennen gegeven, wordt hij, te zijner keus, door den inspecteur of den ontvanger in persoon nopens zijne bezwaren gehoord.

93. Bezwaren tegen den aanslag, wat de hoegrootheid betreft, moeten worden ingebracht bij den inspecteur en in hooger beroep bij den Eaad. Zij staan uitsluitend te hunner beoordeeling en zijn uitdrukkelijk aan de kennisneming van den burgerlijken rechter onttrokken. (Zie art. 42).

Op liet eerste gezicht komt het misschien vreemd voor dat dezelfde persoon, die den aanslag heeft vastgesteld, ook geroepen is om in eersten aanleg te beslissen over de bezwaren, waartoe die aanslag aanleiding heeft gegeven. Deze regeling vindt men evenwel verklaard met de opmerking dat de gerezen bezwaren vaak hun oorsprong zullen vinden in een misverstand, hetzij van den aangeslagene, hetzij van den inspecteur en dat menig misverstand door een mondeling onderhoud uit den weg is te ruimen.

94. Aanslag. Yan de bij dit artikel toegekende bevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt door hem, die zelf aangifte gedaan of eene als aangifte geldende verklaring ingezonden heeft. (Vgl. no. 92).

95. Dertig dagen. Daar de uitnoodiging tot betaling bij aan-geteekenden brief wordt verzonden (art. 23 al. 3) en het bezwaarschrift eveneens aangeteekend verzonden of wel tegen gedagteekend ontvangbewijs bij den ontvanger bezorgd moet worden, kunnen zich geen moeilijkheden voordoen nopens de vraag of de hier gegeven termijn van 30 dagen wel bij de inzending van het bezwaarschrift in acht is genomen.

96. Of zijn gemachtigde. In het algemeen zijn geen strenge

ocr page 72

70

eischen gesteld voor het bewijs van het bestaan der lastgeving. Beroept men zich op mondelinge lastgeving dan is de inspecteur evenwel bevoegd om zich van het werkelijk bestaan van den last te overtuigen.

Deze bepaling houdt verband met de laatste alinea van art. 17.

Artikel 25.

Aan hem, die in den loop van het belastingjaar het Rijk metterwoon verlaat, wordt op zijn verzoekschrift ontheffing verleend voor zooveel twaalfde gedeelten van zijn aanslag als het aantal geheele maanden van het jaar beloopt, die tijdens zijn vertrek of — indien het verzoekschrift eerst na het vertrek is ingediend — tijdens de indiening nog niet zijn ingetreden.

Aan hem, die aangeslagen is wegens een vruchtgenot, dat in den loop van het belastingjaar eindigt, wordt ontheffing verleend voor zooveel geheele maanden als bij het indienen van zijn verzoekschrift nog niet verstreken zijn.

De verzoekschriften worden ingediend op de wijze en bij den ambtenaar in het vorig artikel bepaald.

97. Ontheffing. Onder no. 75 teekende ik reeds aan dat hij, die op 1 Mei binnen het Rijk woont, daardoor voor een vol jaar belastingplichtig wordt (art. 2). Artikel 25 maakt het evenwel mogelijk om op verzoekschrift gedeeltelijke ontheffing van den aanslag te verkenen, wanneer men in den loop van het jaar het rijk verlaat. (Zie ook no. löd).

De inspecteur doet uitspraak op dit verzoekschrift (art. 26). Van diens uitspraak kan men in beroep komen bij deti Koning (art. 38).

Door deze regeling is, naar het oordeel van den Minister, het vragen van ontheffing op grond van vertrek uit het rijk bij den burgerlijken rechter uitgesloten (M. v. A., Eerste Kamer). Om duidelijk te doen uitkomen dat questies over ontheffing op grond van dit artikel in geen geval behooreu tot de competentie van den Raad is door de Commissie van Rapporteurs voorgesteld om in de eerste alinea van art 28 achter de woorden „van den inspecleurquot; bij te voegen de woorden „omtrent den aanslagquot;

98. Verzoekschrift. Motiveering van het verzoekschrift is niet gevorderd, veel minder overlegging van bewijsstukken. Het belang van den belastingschuldige brengt evenwel mede dat hij de gronden aangeeft, waarop zijn verzoek steunt. Wel zal de inspecteur ook dan nog een zelfstandig onderzoek naar de feiten moeten instellen, doch

ocr page 73

71

er kunnen voor den belastingschuldige gunstige omstandigheden aanwezig zijn, die den inspectenr onbekend blijven, zoo hij daarop niet gewezen wordt.

99. Alinea 2. Daar den vruchtgebruiker ontheffing wordt verleend, zonder dat de bloote eigenaar behoeft bij te betalen, gaat een gedeelte der belasting verloren.

Eene andere regeling zou tot onbillijkheden aanleiding gegeven hebben. Het giug toch niet aan den blooten eigenaar te laten bijbetalen wanneer b. v. in de maand November het vruchtgebruik eindigde van in eigen gebruik geweest zijnde landerijen.

100. Alinea 3. Van den dag der indiening van het verzoekschrift hangt af het aantal maanden waarvoor ontheffing kan worden verleend. Vandaar dat zekerheid dient te bestaan omtrent den dag der indiening.

I0L Bij de openbare beraadslagingen is op voorstel van de Commissie van Rapporteurs uit dit artikel vervallen de daarin primitief voorkomende bepaling dat ontheffing van den geheelen aanslag zou worden verleend ingeval de aangeslagene tijdens zijn vertrek nog geen 12 achtereenvolgende maanden binnen het rijk gewoond had.

Men vond voor eene zoover gaande liberaliteit geen aanleiding en vreesde buitendien dat men inet de voorgestelde bepaling jaren achtereen aan de belasting zou kunnen ontsnappen door geregeld elk jaar enkele maanden naar het buitenland te gaan.

De Minister gaf te kennen hiermede het oog te hebben gehad op personen, die voor bijzondere gelegenheden, b. v. om een bekwaam medicus te raadplegen, eenige maanden hier te lande een eigen huishouding inrichten en die naar zijne meening niet in deze belasting moeten dragen. Terecht werd naar aanleiding daarvan door den heer Goeman Borgesius de opmerking gemaakt dat de gewraakte bepaling voor dat doel overbodig is, daar de door den Minister bedoelde personen wel zelden of nooit gezegd zullen kunnen wopden

in den zin van art. 1 der wet hier te lande te wonen. (Vgl. ook § 3). «

Artikel 26.

Op de bezwaarschriften en verzoekschriften wordt uitspraak gedaan door den inspecteur, voor zooveel noodig op den voet van het volgend artikel gemachtigd.

11 ij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangeteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos, aan den aangeslagene.

ocr page 74

72

102. Uitspraak. De wet vordert niet dat des inspecteurs uitspraak gemotiveerd is. Heeft de inspecteur zijne uitspraak met quot;emotivoerd, dan heeft men de zekerlieid dat de Raad de zaak op nieuw zelfstandig zal onderzoeken. Gevaar dat het onderzoek van den Eaad bloot neerkomt op eene verificatie van de gronden en de beslissing van den inspecteur bestaat in dat geval niet. (Zie ook no. 112 hierna).

103. Voor zooveel uooclig . . . gemachtigd. Ontheffing raag de inspecteur niet verleenen zonder naar art. 27 gemachtigd te zijn. Yoor het nemen eener afwijzende beschikking heeft hij geen machtiging noodig; partijen kunnen daarvan immers in beroep komen

bij den Raad. i •• i .

Deze regeling is een voldoende waarborg dat de inspecteur bij het

vaststellen der aanslagen niet lichtvaardig te werk zal gaan.

104. Laatste alinea. Met het oog op de in art. 28 en 38 gestelde termijnen dient zekerheid te bestaan omtrent de dagteekening van verzending van des inspecteurs uitspraak.

Artikel 27.

Op machtiging van een door Ons aan te wijzen hoofdambtenaar der registratie, kan de inspecteur, onverschillig of al dan niet een bezwaarschrift is ingediend, ontheffing van belasting verleenen, indien hem in den loop van het belastingjaar blijkt dat hij den aanslag van een belastingplichtige, die aangifte heeft gedaan, te hoog heeft bepaald.

Gelijke machtiging heeft de inspecteur noodig voor ontheffing op bezwaar- en verzoekschriften.

105. Voel. Dit artikel, door den Minister bij de openbare beraadslagingen het abuizenartikel genoemd, rn;fSikt het mogelijk om hen, die aangifte hebben gedaan en te hoog zijn aangeslagen het te veel betaalde te doen teruggeven. De inspecteur kan b. v. op grond daarvan ontheffing verleenen wanneer naderhand blijkt dat bij de regeling van den aanslag goederen en rechten in aanmerking zijn genomen, die geen deel uitmaken van het vermogen, dat bestaande schulden ten laste van den aangeslagene niet zijn afgetrokken, dat sommige vermogens-bestanddeelen voor een te groot of wel dat bestaande, schulden voor een te laag bedrag daarbij in rekening zijn gebracht. Ook kan dit artikel ten goede komen aan de vrouw, wier vermogen door den man te hoog is aangegeven.

ocr page 75

73

In dat opzicht niet limitatief gesteld kan het artikel toegepast worden ook wanneer de termijnen voor reclame verstreken zijn; zijne werking is alleen beperkt tot in den loop van het belastingjaar. Ook is liet onverschillig of vroeger een hezwaarsclrifl is ingediend of niet.

106. Verhand met art. 45. Volgens art. 37 kan alleen op voorstel van den inspecteur ontheffing worden verleend wanneer later, mits in den loop van het belastingjaar, blijkt dat de aanslag van iemand, die aangifte heeft gedaan, te hoog is gesteld.

De Tweede Kamer vond dit niet voldoende. Zij wenschte ook eene mogelijke ontheffing van belasting na het verstrijken van den termijn van reclame voor hen, die geen aangifte hebben gedaan, wanneer later mocht blijken dat deze werkelijk te hoog zijn aangeslagen en eveneens eene mogelijke ontheffing van de verhooging, die naar art. 34 verschuldigd is geworden.

Vandaar het tegenwoordige art. 45, door de Commissie van Eap-porteurs als amendement voorgesteld. Dit artikel voorziet nochtans alleen het geval dat dwaling of onwillig verzuim de oorzaak is geweest van het niet doen van aangifte of van het te laag aangeven.

Overigens is art. 45 zoo algemeen gesteld dat op grond daarvan, mits weer dwaling of onwillig verzuim te bewijzen is, ook kwijtschelding verleend kan worden in gevallen, in beginsel in art. 37 voorzien, wanneer de inspecteur geen aanleiding heeft gevonden om ambtshalve een voorstel tot ontheffing te doen of zoodanig voorstel niet heeft kunnen doen, omdat het belastingjaar reeds verstreken was.

Beroep.

Artikel 28.

De aangeslagene, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den inspecteur omtrent den aanslag of tegen den aanslag hem ambtshalve opgelegd, kan in beroep komen bij den Raad, krachtens het volgend artikel ingesteld.

liet beroep geschiedt door indiening bij dien Raad van een bezwaarschrift, dat tegen gedagteekend ontvangbewijs bezorgd moet worden bij den voorzitter of bij den ontvanger der successierechten, of wel aan een van hen aangeteekend per post moet worden toegezonden.

Hij, die aangifte heeft gedaan, doch wiens aanslag krachtens eene uitspraak van den inspecteur hooger dan de aangifte is gesteld, kan het l)ezwaarschrift indienen uiterlijk

ocr page 76

74

dertig dagen nadat hem de uitspraak van den inspecteur is toegezonden. Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post of die van het gedagteekend ontvang-hewijs, bedoeld bij art. 2(5 tweede lid.

Bij de indiening van het bezwaarschrift moet tevens de uitspraak van den inspecteur worden overgelegd.

Hij. die geene aangifte heeft gedaan, kan het bezwaarschrift indienen uiterlijk dertig dagen nadat hem de uit-noodiging tot betaling, bedoeld hij artikel 23 derde lid, is toegezonden. Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post.

107. Omtrent de instelling van dezen Raad vindt men in de M. v. T. aangeteekend: „Al staat'ook vast dat de wet in tnilden geest moet worden toegepast, toch behoort de aangeslagene, die zich ondanks de hernieuwde overweging van zijn aanslag verongelijkt acht, in beroep te kunnen komen bij eene commissie, die zelfs om hare samenstelling (zie art. 29) niet onder verdenking van fiscaliteit kan komen. Afgezien van de moeilijkheid om een groot aantal personen te vinden, geschikt en tevens bereid om als lid van zoodanige commissie op te treden, verdient eene weinig talrijke commissie aanbeveling, omdat de verantwoordelijkheid bij eene commissie van een klein aantal leden meer wordt gevoeld. Eene meer talrijke commissie geeft trouwens geen waarborg voor beter onderzoek, omdat loopende geruchten nopens omvang van vermogen niet tot richtsnoer kunnen dienen en Dij de beoordeeling van den aanslag de bijzonderheden, door den inspecteur medegedeeld en de gegevens, door den inspecteur bijgebracht ten slotte toch den doorslag moeten geven.quot;

108. Omtrent den aanslag. Zie § 97 slot.

109. In leroep komen. Hij, die zelf aangifte heeft gedaan, dient zijne bezwaren in eerst bij den inspecteur, daarna in Jiooger beroep bij den Raad — hij, die geen aangifte heeft gedaan en ambtshalve is aangeslagen, kan zich niet eerst tot den inspecteur wenden doch moet direct in beroep komen bij den Raad. (Vgl. § 92).

110. Bezwaarschrift. De wet vordert niet dat het bezwaarschrift gemotiveerd is. Het ligt echter in den aard der zaak dat de belastingplichtige in den regel meer kans zal hebben op verlaging van den aanslag wanneer hij gronden aanvoert voor zijne bewering van te hoogen aanslag, dan wanneer hij een ongemotiveerd bezwaarschrift indient.

ocr page 77

75

Ml. Alinea 4. Is de uitspraak gemotiveerd dan ziet de Eaad direct het punt van verschil. In elk geval krijgt de Eaad door de gevorderde overlegging het bewijs in handen dat de inspecteur niet is voorbij gegaan.

112. Kan men bij den Raad bezwaren aanvoeren, die niet bij den inspecteur zijn ingebracht? Ik geloof ja, daar het tegendeel nergens in de wet is bepaald. Hieruit vloeit van zelf voort dat de inspecteur, eene beslissing moetende nemen op een bij hem ingediend bezwaarschrift, niet kan volstaan met alleen de daarin aangevoerde bedenkingen tegen den aanslag in nadere overweging te nemen. Integendeel, hij zal den aanslag in allen deele nader moeten beoordeelen en dezen zoo noodig op andere dan de aangevoerde gronden moeten verlagen. Geschiedt dit laatste dan blijft zijne uitspraak toch gegrond op art. 26. Derhalve zal ook de aangeslagene, met de toegestane vermindering niet tevreden, nog in beroep kunnen komen bij den Raad. Moest in een dergelijk geval des inspecteurs uitspraak geacht worden een uitvloeisel te zijn van art. 27, dan zou hooger beroep bij den Raad niet meer open staan.

Artikel 29.

In elke provincie of in elk gedeelte eener provincie, door Ons aan te wijzen, wordt voor de uitspraak op de bezwaarschriften, bedoeld bij het vorig artikel, een Raad van beroep ingesteld, welks standplaats door Ons wordt aangewezen.

De R.aad bestaat uit drie leden, van wie één wordt benoemd door Gedeputeerde Staten der provincie, één dooide rechtbank, tot wier rechtsgebied de standplaats van den Raad behoort, en één door den Minister van Financiën.

Op dezelfde wijze wordt voor ieder lid een plaatsvervanger benoemd, en bij ontslag of overlijden in eene vacature voorzien.

Om de twee jaren treedt een der leden en een der plaatsvervangers af volgens rooster door den Raad op te maken.

De aftredenden zijn herbenoembaar. Zoowel genoemde collegiën als de Minister kunnen ieder liet door hen benoemde lid ot den plaatsvervanger ook tusschentijds ontslaan.

De voorzitter van den Raad wordt door Ons benoemd en ontslagen. Hij heeft alleen raadgevende stem.

Rijksambtenaren, ressorteerende onder bet Departement

ocr page 78

76

van Financiën, zijn niet tot voorzitter, lid of plaatsvervanger benoembaar.

De Raad kiest uit zijn midden een secretaris, vergadert op plaats en tijd door den voorzitter te bepalen en beslist bij meerderheid van stemmen.

Op verzoek van den Raad kan de Minister van Financiën een ambtenaar aanwijzen om den secretaris bij te staan.

De Raad beslist bij meerderheid van stemmen der drie tegenwoordige leden of plaatsvervangers.

113. Alinea 2. De Raad behoort geheel onafhankelijk te zijn van het uitvoerend gezag.

114. Alinea 3, Voor den voorzitter wordt geen plaatsvervanger benoemd. Dit is minder noodig daar de voorzitter alleen eene raadgevende stem heeft.

115. Alinea 8. De Raad kan alleen beslissen wanneer dc drie leden of hunne plaatsvervangers tegenwoordig zijn.

Het al of niet motiveeren van de genomen uitspraak is aan het oordeel van den Raad zelf overgelaten.

Artikel 30.

De voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van den R.aad leggen alvorens hunne betrekking te aanvaarden ten overstaan van Onzen Commissaris in de provincie den volgenden eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) dat ik als voorzitter (lid, plaatsvervangend lid) van den Raad van beroep voor de vermogensbelasting, overeenkomstig de bepalingen der wet met nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal handelen, en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens den aanslag van een ingezetene of diens vermogen blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik!)quot;.

Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.

Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opmaken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.

ocr page 79

77

116. Het lidmaatschap van den Raad van beroep is een ambt. Art. 47 geldt dus voor de leden en den voorzitter (M. v. A.).

Artikel 31.

Alvorens op een bezwaarschrift uitspraak te doen hoort de Raad mondeling den aangeslagene die het mocht verlangen, als ook den inspecteur of den Rijksambtenaar die hem vervangt.

Elk bezwaarschrift wordt ten minste twintig dagen vuur de behandeling aan den inspecteur ter beoordeeling gezonden.

Zoowel de aangeslagene als de inspecteur worden dooiden voorzitter ten minste vijf dagen vóór de vergadering schriftelijk opgeroepen.

Bij verhindering van den aangeslagene om zelf in de vergadering van den Piaad te verschijnen kan diens gemachtigde worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan den voorzitter gegrond voorkomen.

De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voorzitter verdaagd.

De aangeslagene en de inspecteur kunnen schriftelijke toelichtingen aan den Raad overleggen.

117. Alinea 1. De aangeslagene wordt in de gelegenheid gesteld om op het door hem ingediende bezwaarschrift gehoord te worden. Daartoe wordt hij minstens 5 dagen vóór de, voor de behandeling zijner zaak bestemde, vergadering schriftelijk door den voorzitter opgeroepen. De inspecteur zal in elk geval voor den Raad verschijnen.

Volgens de M. v. A. is de tegenwoordige redactie van deze alinea gekozen opdat het aan den Raad zou zijn overgelaten om den aangeslagene, zoo deze verschijnt, en den inspecteur ieder afzonderlijk of wel in elkanders tegenwoordigheid te hooren.

118. Alinea 4. Als regel is gesteld dat de aangeslagene zelf in de vergadering van den Raad moet verschijnen. Vertegenwoordiging door zaakwaarnemers, onder welken naam ook, schijnt men in het algemeen niet gewild te hebben.

Alleen bij verhindering van den aangeslagene kan de voorzitter een gemachtigde toelaten. Vormen zijn daarvoor verder niet voorgeschreven. De mogelijkheid is dus niet uitgesloten dat een gemachtigde verschijnt, die eerst in de vergadering de redenen van verhindering ten genoege van den voorzitter aantoont. Acht de voorzitter de

ocr page 80

78

aangevoerde redenen evenwel niet voldoende, dan zal hij den ter vergadering versclienen gemachtigde niet toelaten.

Daarom is het gewenseht vooraf toelating door een gemachtigde aan den voorzitter te verzoeken.

119. Alinea 5. Verdaging van de behandeling is mogelijk zoowel wanneer de inspecteur of zijn plaatsvervanger plotseling verhinderd is te verschijnen als wanneer dit met den aangeslagene of diens gemachtigde het geval is (M. v. A.).

120. Alinea G. Door deze bepaling heeft men de gelegenheid geopend om reeds vóór liet verhoor schriftelijke toelichtingen aan den Raad te doen toekomen (M. v. A.).

Artikel 32.

De inspecteur, of de rijksambtenaar die hem vervangt, is bevoegd zijn advies op het bezwaarschrift toe te lichten uit memoriën van aangifte voor het recht van successie, of uit andere gegevens, waaromtrent hem geheimhouding is opgelegd.

Artikel 33.

De Raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag op te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van den inspecteur.

De Raad is echter onbevoegd den aanslag, opgelegd aan hem, die geene aangifte heeft gedaan, te verlagen, tenzij de aangeslagene hebbe aangetoond dat de aanslag te hoo^ was.

Rij de behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.

Indien omtrent de juistheid der aangifte twijfel overblijft en bezwaar' is tegen toepassing van het eerste lid van dit artikel, kan de Raad den aangeslagene, die bij zijne aangifte volhardt, uitnoodigen om die in de vergadering van den Raad door een der volgende verklaringen te bevestigen;

»Ik verklaar dat het vermogen bij de aangifte, die hier voor mij ligt, te goeder trouw,gt; naar mijn beste weten, zonder iets te verzwijgen is opgegeven, en dat de waarde

ocr page 81

79

van dat vermogen overeenkomstig de wet te goeder trouw, naar mijn heste weten, berekend is.quot;

))Ik verklaar dat ik te goeder trouw vermeen, dat ik geen vermogen had aan te geven, waarvoor naar de wet belasting verschuldigd is.quot;

Van de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin de verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend wordt.

Het proces-verbaal wordt door den voorzitter en de leden van den Raad onderteekend.

In de bevestigde aangifte wordt berust.

De aanslag van hem, die weigert of, daartoe overeenkomstig het in alinea 3 van art. 31 bepaalde opgeroepen, in gebreke blijft de verklaring af te leggen en te onderteekenen, wordt gehandhaafd.

In geval van ziekte, afwezigheid buiten het Rijk of andere wettige reden van verhindering, kan de verklaring met toelating van den Minister van Financiën, krachtens eene bijzondere volmacht, worden afgelegd. Het verzoekschrift om toelating wordt door tusschenkomst van den voorzitter van den Raad aan den Minister gezonden.

Op het persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde opzettelijk afleggen eener valsche verklaring is de straf, bepaald bij art. 207, eerste en laatste lid. Wetboek van Strafrecht, van toepassing.

121. Een der voornaamste vragen bij het ontwerpen van waarborgende bepalingen om deugdelijke en vertrouwbare aangiften te verkrijgen was wel deze of men in voorkomende gevallen van den aangever al of niet zou vorderen dat hij de deugdelijkheid zijner aangifte onder eede bevestigde.

In het oorspronkelijk ontwerp kwam de eed niet voor. Daarin was alleen sprake van eene plechtige verklaring, zelfs niet door strafbepalingen gesanctionneerd. Deze regeling werd vrij algemeen onvoldoende geoordeeld en is door de regeering dan ook in het gewijzigd ontwerp teruggenomen. In dat ontwerp werd aan den belastingschuldige de keus gelaten om af te leggen hetzij een eed, hetzij eene verklaring. Uitdrukkelijke strafbepalingen kwamen daarin niet voor. De Minister achtte ze niet noodig, daar tegen meineed in art. 207 Strafr. voorzien is en de daartegen bedreigde straf op grond van de derde alinea van dat artikel door hem rechtens toe-

ocr page 82

80

passelijk werd geoordeeld op het afleggen eener valsclie verklaring als in het ontwerp bedoeld. Ook met deze regeling bleek men niet tevreden te zijn. De heer Levy beweerde dat de keus, die schijnbaar aan den belastingschuldige wordt gelaten, feitelijk neerkomt op eedsdwang. Dit keurde hij af met het oog op de gevoelens van andersdenkenden. Aan den andereu kant achtte hij het hoogst twijfelachtig of art. 207 Straft, wel bij het afleggen der valsche verklaring toepassing zou kunnen erlangen, wanneer niet uitdrukkelijk werd bepaald dat die verklaring voor den eed in de plaats zou treden. (Zie art. 207 al. 3).

Vandaar dat de heer Levy bij amendement voorstelde om den eed te doen vervallen, alleen eene verklaring te vorderen en tegen het afleggen eener valsche verklaring uitdrukkelijk te bedreigen de bij art. quot;207 Strafr. bepaalde straf. Ook het gelijktijdig ingediend amendement Schaeptnan c.s. beoogde in hoofdzaak hetzelfde doel. De Minister vond hierin aanleiding het regeeringsartikel te wijzigen in den zin van eerstbedoeld amendement, waarna beide werden ingetrokken. Dienovereenkomstig is thans ook het onderwerp in de wet geregeld.

122. Een tweede vraag was deze of strafbepalingen gemaakt moesten worden niet alleen tegen het bevestigen, maar ook tegen het doen van valsche aangifte. Tot dit laatste meende de_ Regeering niet te moeten overgaan. In de eerste plaats vreesde zij dat eene straf op valsche aangifte menigeen zou weerhouden om zelf aangifte te doen en aan ambtshalve aanslag de voorkeur zou doen geven. Buitendien meende zij dat het belang der schatkist vordert dat de belastingschuldige tot op het laatste oogenblik, zelfs bij de ondervraging' door den Kaad, in de gelegenheid moet zijn om zijne aangifte te verbeteren. Wanneer hij nu, door de aangifte te verbeteren en zoodoende zelf hare valschheid te erkennen, gevaar zou loopen de straf tegen valsche aangifte bedreigd op zich toegepast te zien, spreekt het van zelf dat hij bij de valsche aangifte zal volharden, tot schade ook voor den fiscus.

De heer Beelaerts van Blokland stelde de vraag of het opzettelijk indienen eener valsche aangifte niet reeds strafbaar is volgens art. 225 Strafr.; hij meende van ja. De Minister antwoordde daarop dat verschillende juristen hem op de gestelde vraag een beslist ontkennend antwoord hadden gegeven.

123. Alinea 1 en 2. De Raad is in alle voorkomende gevallen geheel vrij in zijne beslissing. Hij kan niet alleen, wanneer hij meent dat de waarheid in het midden ligt, een aanslag opleggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van liet advies van den inspecteur, maar is ook bevoegd om den opgelegden aanslag te verhoogen, zoo daartoe naar zijne meening aanleiding bestaat. Alleen ingeval de aangeslagene geen aangifte gedaan of geen als aangifte geldende

ocr page 83

81

verklaring ingediend heeft mag de Eaad den ambtshalve opgelegden aanslag niet verlagen, tenzij de aangeslagene aangetoond heeft, d. \v. z. op overtuigende wijze ten genoege van den Eaad bewezen, dat de aanslag te hoog was.

124. Alinea 3. Dit kan ook namens den aangeslagene geschieden door den persoon, die hem naar art. 31 bij de behandeling van zijne zaak voor den Eaad vertegenwoordigt. Deze gemachtigde kan ook voor den aangeslagene het bij de 2de alinea gevorderde bewijs leveren.

125. Alinea 4. Wanneer de Eaad in de verkregen inlichtingen geen voldoende aanwijzing vindt om het vermogen te bepalen en dientengevolge ook van de hem bij de eerste alinea gegeven bevoegdheid geen gebruik weet te maken, kan hij den aangeslagene uitnoodigen om de aangifte door een van de twee hier voorgeschreven verklaringen te bevestigen. Mocht evenwel het opleggen eener verklaring in een gegeven geval aan den Eaad minder doelmatig voorkomen, dan kan hij het ook achterwege laten en den opgelegden aanslag handhaven.

De eerst vastgestelde verklaring geldt voor hen, die aangifte van een belastbaar vermogen hebben gedaan, de tweede voor hen, die eene als aangifte geldende negatieve verklaring hebben ingezonden.

Het spreekt van zelf dat tengevolge van het bepaalde bij de tweede alinea van dit artikel geen sprake kan zijn van het opleggen eener dergelijke verklaring aan personen, die noch eene aangifte, noch eene negatieve verklaring hebben ingezonden.

De verklaring wordt in haar geheel door den aangever uitgesproken.

126. Alinea 7 en 8. Van het voorgevallene in den Eaad (de handeling) wordt een proces-verbaal opgemaakt. Als zoodanig wordt daarin melding gemaakt van de opdracht tot het afleggen en van het al of niet afleggen der verklaring.

Verder moet de afgelegde verklaring in het lichaam van het proces-verbaal opgenomen en door den aangever onderteekend worden. Zoodoende moet de aangever de verklaring dus tweemaal afleggen, eens mondeling en eens schriftelijk.

In den zin van de 10 de alinea van dit artikel is alzoo weigerachtig zoowel hij, die de verklaring niet aflegt als hij, die weigert de eenmaal afgelegde verklaring te onderteekenen.

Ten aanzien van hem, die de afgelegde verklaring niet kan onderteekenen, zal de verklaring van niet te kunnen teekenen wel als onderteekening dienen te gelden.

127. Alinea 9. De aanslag wordt in elk geval overeenkomstig de bevestigde aangifte geregeld, al mocht zij ook blijken valsch te zijn.

ocr page 84

82

128. Alinea iO. Legt de Eaad de verklaring op in eene vergadering, waarin de aangeslagene zelf niet tegenwoordig is, dan wordt deze tot het afleggen op een naderen dag opgeroepen. Bij het niet afleggen der verklaring wordt de aanslag onvoorwaardelijk gehandhaafd.

129. Alinea 41. Daar aan het niet afleggen der verklaring als gevolg is verbonden handhaving van den aanslag, diende aan hem, die zelf niet kan verschijnen, de gelegenheid gegeven te worden om de verklaring door een gemachtigde te laten afleggen. Daar deze wijze van bevestiging evenwel minder waarborgen oplevert dan eene bevestiging in persoon, zijn' eenige beperkende bepalingen gemaakt en is gevorderd eene ministriëele toelating en tegelijk eene bijzondere volmacht. (Vgl. art. 32 Successiewet).

130. Alinea '12. De vraag of de gemachtigde zelf strafrechterlijk vervolgbaar is schijnt beoordeeld te moeten worden in verband met de algemeene regelen van het Wetboek van Strafrecht omtrent medeplichtigheid (artt. 47 e. v. Strafr.).

Artikel 34.

De aanslag bij de uitspraak van den Raad vastgesteld of gehandhaafd, wordt verhoogd met:

vijf en twintig ten honderd van de hoofdsom van den aanslag, indien de aangeslagene geene aangifte heeft gedaan;

vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting in hoofdsom, indien de aangifte te laag is gedaan.

131. Alinea 3. Komen zij, die geen aangifte gedaan hebben, bij den Raad in beroep dan wordt hun aanslag in elk geval verhoogd met 25 0/0. (Zie no. 92).

132. Alinea 3. Hier wordt het geval voorzien dat iemand in beroep komt, die aangifte gedaan of wel eene als aangifte geldende verklaring ingezonden heeft, doch wiens vermogen door den inspecteur voor de regeling der belasting is verhoogd. Wordt zijne aangifte ook door den Raad te laag bevonden, onverschillig hoeveel, dan wordt zijn aanslag verhoogd met 25 ten honderd van de verhooging.

Artikel 35.

Bij twijfel nopens de waarde van goederen die als maatstaf ter bepaling van een aanslag moet dienen, kan de Raad

ocr page 85

83

zich doen voorlichten dooi' een of meer door hem aan te wijzen deskundigen.

133. Deze deskundigen moeten zoo min mogelijk bekend gemaakt worden met de vermogenstoestanden en zoo min mogelijk in de geheimen worden ingewijd. De Kaad mag ze alleen raadplegen over eenvoudige, feitelijke questies, b. v. over de waarde van een bepaald aangewezen vermogensbestanddeel. Immers zij worden niet beëedigd en zijn evenmin gebonden door de ambtelijke geheimhouding van art. 47. Alles is echter overgelaten aan het oordeel van den Eaad.

Artikel 36.

De uitspraak van den Raad, door den voorzitter en den secretaris onderteekend, wordt aan den belanghebbende ffe-

O O

zonden en in afschrift medegedeeld aan den inspecteur, die voor zooveel noodig voor de uitvoering zorgt.

134. Voor de wijze van toezending zijn geen bepaalde voorschriften gegeven. Van den dag der toezending hangen dan ook geen termijnen af.

Artikel 37.

Aan den voorzitter en de leden van den Raad wordt door Ons, boven vergoeding van reis- en verblijfkosten, vacatiegeld en aan den secretaris bovendien vergoeding voor bureaukosten toegekend.

Aan de deskundigen, die den Raad hebben voorgelicht wordt door den voorzitter vergoeding toegekend volgens de artikelen 61, 63 en 66 van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken, met dien verstande, dat zijne beoordeeling in de plaats treedt van die van den rechter.

De aan de deskundigen toegekende vergoeding en de kosten van huur, verwarming, verlichting en schoonhouden van het lokaal, waarin de Raad vergadert, en van bediening komen ten laste van het Rijk.

135. De vergoeding, aan de deskundigen toe te kennen, wordt door het Rijk betaald en komt in geen geval ten laste van den

ocr page 86

84

belastingschuldige. Naast de verhooging van art. 34! worden dezen geen kosten in rekening gebracht.

Artikel 38.

Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den inspecteur op een verzoekschrift krachtens art. 25 dezer wet ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat hem die uitspraak is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen.

Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post of die van het gedagteekend ontvangbewijs, bedoeld bij art. 26 tweede lid.

Door Ons wordt beslist, den Raad van State gehoord.

136. Zie § 97.

Invordering.

Artikel 39.

De aanslag in de belasting moet worden betaald, de helft vóór den eersten November, de wederhelft vóór den eersten April van het belastingjaar, beide helften, indien de aangeslagene het verlangt, in twee gedeelten.

Aanslagen, die eerst na den Isten November van het belastingjaar zijn opgelegd, moeten worden betaald vóór den Isten April van dat jaar. Desverkiezende kan de aangeslagene ook deze betaling in twee gedeelten doen.

Zoodra een aangeslagene het Rijk metterwoon verlaat is zijn aanslag invorderbaar, onverminderd zijne aanspraak op ontheffing.

137. Bij eene belasting als deze, die in het algemeen met weinig moeite zal worden opgebracht, was het stellen van meerdere termijnen van betaling onnoodig.

Artikel 40.

Voor de betaling van belasting door middel van postwissels, kosteloos voor aangeslagenen, wonende buiten de ge-

ocr page 87

meente waar het ontvangkantoor gevestigd is, worden door Ons regelen gesteld.

De strook van den wissel, in overeenstemming met dezen ingevuld, door een ambtenaar der posterijen onderteekend en op de uitnoodiging tot betaling vastgehecht, geldt als bewijs van betaling.

138. Alinea 1. Daar men volstaan kan met op den postwissel en de strook het volgnomtner van het register van den ontvanger aan te teekenen en de naam van den aangeslagene daarop dus niet behoeft voor te komen wordt het geheim van den aanslag door deze wijze van betaling niet geschonden.

Voor belastingschuldigen, hmnen den kring van het ontvangkantoor woonachtig, was eene dergelijke bepaling niet noodig.

Overigens ligt het niet in de bedoeling der Kegeering om de ontvangers buiten hun standplaats zitdagen te doen honden (M. v. T.).

Artikel 41.

Indien de aangeslagene (ïe verschuldigde belasting niet vóór of op den verschijndag aanzuivert, zendt de ontvanger hem eene gesloten waarschuwing om binnen drie dagen aan zijne verplichting tot betaling te voldoen.

Indien op de waarschuwing de betaling niet volgt, doet de ontvanger hem eene gesloten aanmaning toekomen om binnen een nieuwen termijn van drie dagen het verschuldigde te betalen, onder mededeeling, dat hij anders daartoe zal worden gedwongen door het middel bij het volgend artikel bepaald.

Artikel 42.

Tegen den aangeslagene, dio geen gevolg heeft gegeven aan de aanmaning bij het vorig artikel bedoeld, wordt door den ontvanger een dwangbevel uitgevaardigd, medebrengende het recht van parate executie.

Het dwangbevel wordt executoir verklaard door den kantonrechter in wiens kanton het kantoor der successierechten is gevestigd.

ocr page 88

86

Het wordt beteekend en ten uitvoer gelegd op den voet en de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven.

De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet met redenen bekleed.

Het verzet wordt beteekend aan den ontvanger die het dwangbevel heeft uitgevaardigd en moet op straffe van nietigheid bevatten keuze van domicilie binnen het arrondissement waarin bet kantoor van ontvangst is gevestigd, en dagvaarding voor de rechtbank van dat arrondissement tegen een bepaalden rechtsdag, invallende binnen den veertienden dag na de beteekening der dagvaarding.

De terugvordering van betaalde belasting heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van Financiën voor de arron-dissements-rechtbank tot welker gebied het ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend aan den ontvanger van dit kantoor.

Verzet en terugvordering kunnen niet het bedrag van den aanslag of de bepaling van het vermogen van den aangeslagene betreffen, noch gegrond zijn op het niet ontvangen van waarschuwing en aanmaning.

De rechtsgedingen worden als summiere zaken behandeld.

139. In het oorspronkelijk ontwerp was de in registratiezaken geldende procedure voorgesteld, later nog in dien zin door de regeering aangevuld dat de kosten van het opstellen van exploiten en memoriën voor den aangeslagene zouden worden begrepen onder die, welke het rijk eventueel aan den belastingschuldige zou hebben te vergoeden. (Artt. 63 e. v. der wet van 22 Primaire VII).

Dit voorstel ondervond krachtige bestrijding. De althans ten deele niet geheel ongegronde bezwaren, welke tegen deze procesorde worden ingebracht — o. a. dat het proces schriftelijk gevoerd wordt en partijen zich niet van procureurs mogen bedienen, dat hooger beroep is uitgesloten en dat de in het ongelijk gestelde partij slechts een onbeteekenend deel van de kosten der wederpartij heeft te dragen — werden in den breede uitgemeten. Men scheen niet te weten dat in België, waar deze bijzondere procesorde in 1870 in registratiezaken is afgeschaft, vrij algemeen naar herstel van den vroegeren toestand verlangd wordt.

Doch hoe dit ook zij, men verkoos de waarschuwing, de aanmaning en het dwangbevel van de wet van 22 Mei 1845 (Stbl. no. 22),

ocr page 89

87

regelende de invordering van alle directe belastingen en verder de gewone regelen van het burgerlijk proces. Een in dien zin door den lieer Huber voorgesteld amendement werd door de Eegeering overgenomen.

Al heeft men de waarschuwing, de aanmaning en het dwangbevel van de wet van 1845 ook overgenomen, daarmede evenwel niet de wijze van bezorging dezer stukken. Immers de waarschuwing en de aanmaning zullen gesloten per post worden verzonden (art. 41), terwijl het dwangbevel door deurwaarders bij de rechterlijke colleges beteekend zal worden (Ait. 42 al. 3).

140. Dxvanghevel. Het dwangbevel brengt mede het recht van partite executie, d. w. z. het recht om de roerende en de onroerende goederen van den schuldenaar zonder vonnis uit te winnen.

Diar men bij het ontwerpen dezer bepalingen het oog heeft gehad op oe hiervoor aangehaalde wet van 22 Mei 1845, regelende de invordering der overige directe belastingen, verdient het aanbeveling om ook hier, evenals daar, aan het hoofd van liet dwangbevel te plaatsen de woorden „In naam der Koningin.quot;

141. Executoir verklaard. De kantonrechter heeft de gegrondheid der vordering niet te beoordeelen en mag de executoir verklaring niet weigeren. (Vgl. arrest H. E. dd. 6 December 1889, W. v. h. E. no. 5807).

142. liecJdhank van hei arrondissement, (alinea 5 en 0). Elk verzet tegen een dwangbevel en elke terugvordering van betaalde belasting, in behoorlijken vorm gedaan, is ontvankelijk, mits niet steunende op een ier gronden in het 7de lid van dit artikel aangegeven. Men denke b.v. aan het geval dat de inspecteur een als aangifte ingediend stuk niet als zoodanig heeft meenen te kunnen beschouwen en nu ambtshalve een hoogeren aanslag heeft opgelegd — of dat hij ambtshalve een aanslag heeft opgelegd aan iemand, die beweert hier te lande niet te wonen — of wel dat hij de vermogens van den man en de vrouw heeft samengevoegd, terwijl deze beweren dat ieders vermogen afzonderlijk belastingplichtig is.

Verzet zal b.v. ook gedaan kunnen worden op grond dat de termijn, voor de betaling gesteld, nog niet verstreken is of wel dat de betaling reeds heeft plaats gehad.

143. Alinea 7. Bij den rechter kunnen evenwel geen bezwaren, ontleend aan het bedrag van den aanslag of aan de hoegrootheid van het vermogen, worden ingebracht. Deze staan uitsluitend ter kennisneming van den inspecteur en, in hoogste ressort, van den Eaad van beroep. Ook kan het verzet niet gegrond zijn op het niet ontvangen van de waarschuwing en de aanmaning. Evenmin, ofschoon het hier niet uitdrukkelijk is gezegd, op het niet ontvangen van de

ocr page 90

88

uitnoodiging tot betaling, daar de verplicliting tot betaling nergens van het ontvangen van dat stuk afhankelijk is gesteld.

Artikel 43.

De belasting is verhaalbaar op de goederen van den aangeslagene, zoomede op die der vrouw, wier vermogen voor de regeling der belasting geacht is met dat van den aangeslagene één geheel uit te maken.

144. Bic der vrome. Ue aanslag, den belastingplichtige eerst na zijn overlijden opgelegd, is ook nog verhaalbaar op de goederen zijner vrouw (Zie § 75«; Vgl. ook § 146).

145. Eén geheel. Zie § 12 cn 14.

Artikel 44.

Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven in al hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van diens aanslag aansprakelijk, voor zoo ver schulden ran den boedel van den aangeslagene ten hunne laste komen.

De vorderingen tot betaling en tot teruggaaf van belasting verjaren na verloop van twee jaar na de vaststelling van den aanslag.

146. De woorden van het artikel geven wel eenige aanleiding om het alleen toepasselijk te verklaren op het geval, dat de belastingplichtige is overleden nadat hem reeds de aanslag was opgelegd. Mocht men van meening zijn dat het artikel niet geilt voor de erfgenamen van den belastingplichtige, die gestorven is vóór hem de aanslag werd opgelegd, dan zullen diens erfgenamen toch in elk geval volgens art. 1146 B. W. voor den aanslag aansprakelijk zijn, daar de verschuldigde belasting een schuld is ten laste van den overledene. (Vgl. no. 75).

147. Voor zoover de schulden enz. Vgl. artt. 1078 e. v. B. W.

Artikel 45.

Wij behouden Ons voor om in bijzondere gevallen van-

ocr page 91

89

wege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding, vermindering of teruggave van de hoofdsom en van de ingevolge art. 34 opgelegde verhooging te verleenen.

148. Vgl. § 106.

Bijzondere bepalingen.

Artikel 46.

Ieder erfgenaam, de executeur-testamentair of de bewindvoerder over de nalatenschap is bevoegd bezwaarschriften in te dienen en in beroep te komen omtrent den aajislag van een overledene, alsof hij zelf de aangeslagene ware.

149. Vgl. § 75«.

Artikel 47.

Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt, nopens den aanslag van een ingezetene in deze belasting of diens vermogen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt gevorderd wordt.

Hij, die opzettelijk de bij het vorig lid opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met óf zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem, ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.

150. Ieder. De wet spreekt hier zeer algemeen. Het verbod geldt dus niet alleen voor de ambtenaren in deze wet genoemd doch ook voor hen, die uit anderen hoofde met de aanslagen bekend

ocr page 92

90

worden, zooals b.v. de Gedeputeerde Staten, die voor de vaststelling van de lijst der hoogst aangeslagenen inzage zullen krijgen van de aanslagen in deze belasting.

Artikel 48.

De ontvanger der successierechten zendt een afschrift van het register van aanslagen aan zijn ambtgenoot dei-directe belastingen.

Voor de samenstelling der lijst van de hoogstaangeslagenen geldt het afschrift als een kohier der directe belasting.

151. Alinea 2. Deze bepaling houdt verband met art. 72 der kieswet.

Artikel 49.

De stukken krachtens deze wet op te maken en uit te vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede de processtukken, vonnissen en afschriften van vonnissen betreffende toepassing van deze wet, daaronder begrepen, zijn vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.

152. Naast de uitdrukkelijk genoemde stukken vallen hieronder b.v. ook de bezwaarschriften, bedoeld in de artt. 27 en 28 en de rekesten om kwijtschelding, vermindering of teruggave, bedoeld in art. 45 (M. v. A., Eerste Kamer).

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.

Artikel 50.

In afwachting van nadere wettelijke regeling worden op de vermogensbelasting geen opcenten ten behoeve van gemeenten of provinciën geheven.

153. Zie § 58.

ocr page 93

91

Artikel 51.

Zoolang de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen niet algemeen is herzien en de uitkomsten in de kadastrale leggers zijn opgenomen, wordt hunne waarde, bij afwijking van art. 7 dezer wet, voor de regeling dei-vermogensbelasting bepaald op het vijftienvoud hunner belastbare opbrengst.

Tot dien tijd wordt het bedrag der verminderingen wegens uitkeeringen, welke gebouwde en ongebouwde eigendommen gezamenlijk betreffen, voor elke soort in verhouding van de belastbare opbrengst der eigendommen*berekend.

154. Alinea i. Vgl. § 24.

155. Alinea 3. Een noodzakelijk gevolg van het verschil in multiplicator voor de gebouwde en de ongebouwde eigendommen.

Stel dat iemand bezit gebouwde en ongebouwde eigendommen, bezwaard met eene grondrente, bedragende na aftrek der korting voor grondbelasting, f 300.— en dat de belastbare opbrengst en de grondbelasting van het gebouwde is resp. flOOO.— en flOO.— en van liet ongebouwde resp. f2000.— en f120.—.

Het vermogen zal dan aldus bepaald worden:

Belastbare opbrengst gebouwd.....f1000.—

~ 1000

af: Grondrente-X 300 = f 100

1000 -f 2000

Grondbelasting.......»100

-„ 200.-

15 X f 800.— = f12.000.

Belastbare opbrengst ongebouwd .... f2000,—

quot; 2000

af: Grondrente-X 300 = f 200

1000 2000

Grondbelasting.......«120

-„ 320.-

20 X f 1680.— =„ 33.600.

Te zamen f 45.600.

Artikel 52.

Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet ook

ocr page 94

92

verstaan tijdperken van twaalf maanden, beginnende l Mei en eindigende 30 April, voorafgegaan aan het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

156. Zie art. 7 letter A no. 3; art. 7 letter C, art. 8 voorlaatste lid, art. 9 enz.

Artikel 53.

De wet van 22 Mei 1845 (Staaisblad no. 22) op de invordering van 's Rijks directe belastingen is niet van toepassing op de invordering van de vermogensbelasting.

157. Derhalve ook niet het bij art. 13 van die wet aan den Staat toegekende recht van voorrang of het bij art. 17 gegeven recht tot inlegering.

Evenmin zullen de huurders, de pachters en de andere in art. 7 van die wet genoemde personen tot afgifte gehouden zijn van de gelden, die zij van achterstallige belastingschuldigen onder zich mochten hebben.

Artikel 54.

Deze wet treedt in werking den eersten Mei 1893.

►oO^^Ooo-

ocr page 95

REGISTER.

(DE NOMMERS VERWIJZEN NAAR DE PARAGRAPHEN).

-o-o^»{oo-

Aangifte. Formulier 26, 65. Uitreiking 67. Koopman 49—51. Verzuim uitreiking biljet 63, 66, 72. Verplichting aangifte te doen 68—71, 92. Gebrekkige aangifte 69«. Verhindering man 73. Minderjarigen, curandi enz. 74. Overlijden vóór aangifte 75, 75C. Door een gemachtigde 76. Inzending 77—79. Verdere behandeling 80.

Aanslag. Stelsel 59. Waar Art. 12. Opdracht inspecteur Art. 13. Uitvoering Art. 14. Vaststelling aanslag 81—86. Ambtshalve aanslag 49«, 69a, 87. Overlijden belastingplichtige 75.Eegister van aanslagen 88—89. Zie verder Eeclame.

Aansprakelijkheid. Vermogens echtgenooten 12, 15, 144, 145. Overleden belastingplichtige 75°, 146, 147.

Belastingjaar. Aanvang. Einde 17.

Belastingplichtig. Wie 2, 3, 56, 57. Consuls 54. Diplomatieke agenten 5, 55. Gedragslijn bij vermeende niet belastingplicht 6, 142, 143. Overlijden vóór de aangifte 75.

Betaling. Uitnoodiging 90—91. Termijnen 137. Wijze 138.

Bloote eigendommen. Vrijstelling 10«,21.

Bouwterrein. Maatstaf van beoordeeling 32—32«.

Consuls. 54.

Diplomatieke agenten. 5, 55.

Doode hand. 2.

Dragen der belasting. 13.

Echtgenooten. Aanslag. Cumulatie 12, 14, 15. Aansprakelijkheid 144, 145.

Gemeentebesturen. Burgemeesters. Medewerking 60,62,64. Art. 13.

ocr page 96

94

Inkomsten. Tijdelijke 11. Loopende termijnen. Vrijstelling 22.

Invordering. Betaling 137—138. Waarschuwing. Aanmaning. Art. 41, 42. Dwangschrift 139—143. Verband met de wet van 22 Mei 1845 (Stbl. no. 22). 139, 157.

Koopman. Aangifte 49, 50, 51. Eeclame 49«.

Levensverzekeringen. Vrijstelling 19. Verschuldigde prcmiën 48quot;.

Lijfrenten. Vrijstelling 9, 20. Verschuldigde uitkeeringen. Zie Schulden.

Meubelen enz. Vrijstelling 18.

Minderjarige kinderen. Ouders vruchtgenot 16.

Onroerend goed. Zie Waarde. Buitenlandsch 23. Staat 26.

Ontheffing. Vertrek uit het Eijk 75, 97, 98, 100, 101. Einde vruchtgenot 99. Uitspraak inspecteur 102—104. Beroep koning 136. Bij gunst 105, 106, 148. Zie verder Eeclame.

Opcenten. 27, 58, 153.

Overlijden belastingplichtige. Zie Aanslag, Aansprakelijkheid en Reclame. Beschouwingen 75^.

Paarden enz, 23.

Pensioen. Vrijstelling 9, 20. Zie Lijfrenten.

Percentage. Progressie. 52, 53.

Reclame. Bedrag aanslag. Verschil eigen aangifte en ambtshalve aanslag 92. Overlijden belastingschuldige 75J, 149. Bij inspecteur 93—96. Uitspraak inspecteur 102—104. Eaad van beroep. Samenstelling. Bevestiging der aangifte. Uitspraak 107— 130, 134. Verhooging 131, 132. Voorlichting deskundigen 133. Vergoeding leden van den Eaad 135.

Zie verder verzet.

Schulden. 47—485. Verschuldigde uitkeeringen 48. Premiën levensverzekeringen 48°.

Strafbepalingen. Bevestiging valsche aangifte 121. Doen van valsche aangifte 122. Geheimhouding 150.

Stukken uit deze wet voortvloeiende. Zegel en registratie 152.

ocr page 97

95

Tractementen. Vrijstelling 9.

Terugvordering. Betaalde belasting 142—143.

Verjaring. Art. 44.

Vermogen. Toestand 7. Erfpacht. Opstal. Vaste huur. ïiend. Grondrente. Bezwaarde eigendommen 9. Vruchtgenot 9, 16. Renten 9.

Verzet. Invordering belasting 143, 143.

Vrijstellingen. 9, 10quot;, 18—23, 45.

Vruchten te velde. Vrijstelling 44.

Waarde. Welk oogenblik 7, 38, 49. Erfpacht. Opstal. Vaste huur 10, 29, 30. Bloote eigendom. 10, 37. Vruchtgenot. Bloote eigendom 10a. Tiend. Grondrente 105, 31. Eigendom hiermede bezwaard lO4, 29, 30. Gevestigde of altijddurende renten 10J, 37. Polderuitkeeringen 10^, 37. Gebouwde en ongebouwde eigendommen. Belastbare opbrengst 24—36°. 154, 155. Bouwterreinen 31—324. Eigendommen met vrijdom van grondbelasting 33. Eigendommen in veenpolders 34. Eigendommen, welker belastbare opbrengst nog niet geregeld is 35. Venen. Terpen 36. Groeven van delfstoffen 36a. Effecten. 38. Aandeelen in vennootschappen. 38, 50. Schuldvorderingen 39—41. Schepen enz. 46. Werktuigen enz. 43—46. Paarden, vee, landbouwvoorwerpen enz. 44. Handelsvoorraden. Houtgewas. Grondstoffen. Jachtrechten. Loten. Contanten. Ingeoogste vruchten. Bankbiljetten en alle overige zaken 45, 46. Vermogen in ondernemingen 49—51.

Wonen. 3—5. 57. Getrouwde vrouwen. Minderjarigen. Curandi. Art. 12.

Waterschapslasten. Polderlasten 28. Veenschapslasten enz. 28quot;.

gt;«gt;lt;5gt;olt;

ocr page 98
ocr page 99
ocr page 100