*
h if / 4 lt;! «:
j 9, 't /, I
//
r gt;/
J '\i. â -⢠' ' / . I
EEN WOORD
naar aanleiding van het ontwerp eener Belasting op het Inkomen,
TE UTRECHT.
/
door
P. N. KOOLEN Psn.
Prijs 15 Cents.
EEN WOORD
naar aanleiding van het ontwerp eener Belasting op het Inkomen,
TE UTRECHT,
door
P. H. KOOLER Pzn.
EEN WOORD
naar aanleiding van het ontwerp eener Belasting op het Inkomen.
Het dagelijksch Bestuur der Gemeente heeft den R.aad een St. Nicolaasgeschenk aangeboden in den vorm van eene nieuwe belasting. Of de Raad dat geschenk met blijden lach en opgeruimden toon zal aannemen, kan op goeden grond worden betwijfeld; want dat geschenk is als een roe, waarvan de raadsleden gebruik zouden kunnen maken om hunne lastgevers te tuchtigen. En tuchtiging hebben Utrecht's ingezetenen toch niet verdiend? Te vergeefs zoekt ge in geheel Nederland eeue burgerij zoo geduldig, zoo onderworpen, zoo met eerbied opziende tot hare regeerders, als de Utrechtsche burgerij. Ter nauwer-nood neemt zij kennis van hetgeen in den Raad verhandeld wordt, die goede, rustige burgerij, ze weet immers dat al wat die Raad doet, welgedaan is, dat zijne besluiten zoo moeten zijn als zij ze nemen, en dat zelfs aan het tegenovergestelde te denken onge-
4
rijmel zoude zijn. Waagt het soms een enkel hunner in meening te verschillen en durft hij voor zijne denkwijze uitkomen, dan scheelt het niet veel of het doodvonnis wordt over hem, dien vermetele, uitgesproken. In club, societeit, in opzettelijk daartoe bijeengeroepen vergaderingen, worden plannen gesmeed, om den overmoedige den mond te snoeren en hem zoo mogelijk uit hunne kringen te bannen. Hij, die zich dus somwijlen opgewekt zou gevoelen om voor een of ander volksbelang op te komen, bedenkt zich driemaal, voor hij zijn stem verheft, hij weet immers te voren, dat ondank het loon zal zijn, voor de vele moeite en kosten die hij zich getroosten wilde! In Utrecht vooral komt het spreekwoord lot zijn volle recht: âdie aan den weg timmert heeft veel bekijks.quot;
En toch, uit wrijving van denkbeelden ontstaan vonken, en vonken kunnen licht geven, licht worden. Koevele goede denkbeelden blijven sluimeren, wat al uitmuntende opvattingen behoudt men voor zich, uit vrees om âgeen bekijksquot; te hebben. Zou het wezenlijk slechter gaan, wanneer de ingezetenen toonden wat meer belang te stellen in het bestuur van stad en land1? Zou het mogelijk zijn dat sommige knellende wetten kracht van wijzen kregen, indien de ingezetenen eenige studie maakten van de ontwerpen zooals zij ingediend worden en daarover hunne meeningen mededeelden? Het zou tot meerder ontwikkeling, meer beschaving leiden indien wetten, ingrijpende in onze geheele huishouding, een onderwerp uitmaakten van bespreking in de pers, in vergaderingen, in meetingen. Wij beroemen er ons zoo gaarne op een con-
5
stitutioneelen regeeringsvorm te bezitten, om er de vruchten van te plukken, bekommeren we ons zelden of ooit. Een jansalie geest blijft ous bezielen en als wij geslagen zijn, ja dan is mopperen schering en inslag, de slagen afwenden, neen schermen hebben wij verleerd of nooit goed gekend.
Debating clubs in het groot, dat is met vele leden, is en blijft nog een bepaalde behoefte in ons land , maar vooral ook in deze stad. Zeker, men zal dikwijls den bal misslaan , maar is dan alles volkomen juist wat ge in stands vergaderzaal, in onze raadzalen door eiken spreker hoort opdisschen ? De hoofdzaak is dat men oprecht zij, dat men voor zijne overtuiging uitkome en dat wanneer men gedwaald mocht hebben, men dit ruiterlijk erkenne.
Ik heb gemeend deze toelichting te moeten laten voorafgaan, als antwoord op de vragen van hen , die gaarne alles bedillen wanneer zij in beperkten kring zijn en die dus dit geschrift ook niet ongedeerd zullen laten, maar te flauwhartig zijn om in het openbaar van hun gevoelen te doen blijken. Moge mijn voorbeeld ook anderen opwekken, om hun stem over deze stof te doen hooren , de publieke zaak zal er zeker bij gebaat worden.
In den aanhef sprak ik over eene nieuwe belasting. Het college van Burgemeester en Wethouders bood den Raad drie geschriften aan en wel:
1°. Nota over de plaatselijke directe belasting (de
thans bestaande hoofdelijke omslag.) ^c. Ontwerp verordeningen op de heffing en de invordering eener plaatselijke directe belasting
()
naar het inkomen, (dus do inkomsten belasting.)
3quot;. Memorie van toelichting op de ontwerp verordening tot heffing van eene plaatselijke directe belasting naar het inkomen; (dus toelichting-op de nieuwe inkomsten belasting).
Ik wil trachten in enkele trekken, deze drie geschriften in bovenstaande volgorde zoo duidelijk mogelijk te verklaren om vooral die ingezetenen, wien tijd of lust ontbreekt er eene afzonderlijke studie van te maken, in staat te stellen; zich duidelijk uit te spreken en zich vóór of tegen te kunnen verklaren.
De tegenwoordige Hoofdelijke Omslag.
Sedert een dertigtal jaren heeft de Nederlandsche regeering zich onledig gehouden om te trachten den druk der belastingen voor de mindere standen te verlichten. Vooral in den tijd dat de schatkist nog goed gevuld was en men amortiseeren kon, dat is vroeger gemaakte schulden aflossen, dacht men er ook aan om zeer drukkende belastingen af te schaffen, zoo b. v. de belasting op het gemaal, op steenkolen enz.
De gemeenten verloren door die afschaffing echter een gedeelte barer inkomsten, die zij niet konden missen. Zij zochten dus naar andere bronnen en zoo ontstonden de equivalent-belastingen of hoofdelijke omslagen. Wat men vroeger als accijns betaalde, de meesten wisten zelfs niet dat zij die betaalden, werd nu in een directe belasting omgezet.
Ik herinner mij nog goed, dat een dertigtal jaar
7
geleden de broodprijzen 24 cents waren. De accijns op het gemaal werd afgeschaft en de prijzen daalden tot c20; bij eerlijke bakkers zelfs tot 19 cent.
Zoo lang de accijns op het gemaal van kracht was, had men dus bij eiken inslag van een brood ± 5 cent belasting betaald. Dat die accijns afgeschaft werd was dus een zegen voor de mindere standen, waar brood en nog eens brood de hoofdschotel uitmaakt. De gemeenten hadden echter door die afschaffing een bron van inkomsten verloren, omdat na opheffing van den rijksaccijns de plaatselijke gemaalbelasting moeilijk te houden was. Voor Utrecht bedroeg dit jaarlijks een te kort van 85.000 gulden. In dat tekort moest dus ook hier worden voorzien, terwijl destijds de overtuiging reeds bestoud dat de Regeering geleidelijk zou voortgaan met het afschaffen van meer accijnsen, hetgeen dan weer tot nieuwe tekorten in de gemeentekas zoude leiden.
Do gemeentebesturen moesten dus naar nieuwe grondslagen uitzien en dat was geen gemakkelijk werk, de Gemeentewet vooral was een hinderpaal. Onder de rijksbelastingen is er eene die allen gemeentebesturen toelachtte, namelijk, die op het personeel. Zooals als bekend mag worden verondersteld, heeft de personeele belasting verschillende grondslagen, te weten: le de huurwaarde, 2° de deuren en vensters, o0 de haardsteden, 4e mobilair, 5e dienst- en werk-boden, 6e paarden en was men nu vrij in de heffing, dan was niets gemakkelijker dan deze zelfde grondslagen , voor een equivalent belasting te kiezen. Maaide gemeentewet verbood dit in een barer artikelen
s
dat zegt: âAls grondslagen kunnen niet uitsluitend âworden aangenomen een of meer grondslagen van âde personeele belasting enz.quot; Wat deed men nu âin deze gemeente, men nam al die grondslagen en voegde er nog een zevenden grondslag bij: âde talrijkheid van het gezinquot; en door dezen goed gevonden zet, ontkwam men aan het verbod van genoemd knellend artikel der gemeentewet.
De verordening werd aangenomen en door de Regeering goedgekeurd. Door het aannemen van verschillende klassen en een opklimmende reeks van vermenigvuldig getallen wist men tevens het doel te bereiken om de meer gegoeden, ook meer te doen betalen. Behoudens kleine wijzigingen, is de verordening van 1855 nog van kracht. Alleen heeft de raad in 1874 de tabel van vermenigvuldig getallen veranderd met het gevolg dat zij, die het meest gegoed zijn, aanmerkelijk hooger werden aangeslagen. Zie Nota 1 pag. 10.
De Utrechtsche equivalent belasting heeft dus 30 jaar achter den rug. Hoe heeft zij gewerkt ? Was zij volmaakt? Zijn de gebreken niet zichtbaar? Tal van vragen kan men doen , maar de hoofdvraag zal blijven, zoo gij deze belasting afschaft, kunt gij eene betere in de plaats stellen! Holle theoriën die Nederland al meer en meer naar den afgrond slepen, hebben wij genoeg hooren verkondigen en tot uitvoering zien komen, en zij die onze wereldhandel van voor 30 jaar zelfs, kennen en vergelijken met het heden, zij weten waartoe zoovele holle theoriën ons gebracht hebben. Hoe heeft het equivalent hier ge-
9
werkt? Het. antwoord op die vraag vindt ge in de weinige klachten der belasting betalende burgerij tegen hunne aanslagen en in de geregelde opbrengst. De steller der Nota 1 zegt op pag. 56: âTegen de afschaffing van het equivalent k a n w o r-den aangevoerd, dat over het algemeen van grieven b ij de ingezetenen w e i n i g wordt vernomen, zoo dat deze zich naaiden toestand schijnen te hebben geschikt en ge ene verandering w ens c hen. Het kan niet worden ontkend, cl at er in onze ge-m e e n t e inderdaad van o n t e v r e d e n h e i d o v er de v e r d e e 1 i n g der b e 1 a s t i n g e n w e i n i g is gebleken.quot; Wat wil men meer'? Indien de ontwerper der inkomsten belasting, hoewel eenigszins schuchter, tot de bekentenis komen moet, dat de ingezetenen geen grieven tegen de bestaande belasting hebben, dat zij ge ene verand eri n g wenschen, d at er weinig van ontevredenheid gebleken is, is bet. dan geen gevaarlijk spel van het dagelijksch bestuur, om in zulken gelukkigen toestand stoornis te gaan brengen ? Moest het dagelijksch bestuur zich veeleer niet verheugen over zulk eene gewillig belasting betalende burgerij? En als Burgemeester en Wethouders nu zelf verklaren te gelooven, dat de ingezetenen ge ene verandering wenschen, hoe komt het dan bij hen op, eene nieuwe belasting te willen invoeren, die dan volgens eigen verwachting tegen den w e n s c h der ingezetenen zal moet en zijn.
Wat kan toch wel de reden zijn, die aan het
10
nieuwe ontwerp het loven gaf ? Eerlijke, goede gezinde burgers, die gaarne zelfs meer opbrengen dan zij nu reeds doen, verklaarden in Ingezonden stukken in hel Utrecht's dagblad, dat vooral de mindere standen moesten ontheven worden. Maar wie verstaan zij hier door de mindere standen ?
Op eene bevolking van 78000 inwoners in Utrecht zijn er fi6t7 die hoofdelijken omslag betalen.
Volgt hieruit niet duidelijk, dat de mindere standen reeds geheel zijn vrijgesteld l Is daarenboven de afschaffing van de verbruiksbelastingen op geslacht, turf en steenkolen ook vooral niet ten goede geko-men aan de mindere standen 1 Hoe vele schatten worden door de gegoeden jaarijks niet betaald om de mindere standen gratis van onderwijs te voorzien ? Waarlijk de mindere standen hebben zich niet te beklagen. Maar opklnmnende. volgt op die mindere standen de kleine neringdoende stand, die voor zijn bedrijf ruimere woning noodig heeft, daarom in hoo-gere huurwaarde vervalt, personeele belasting en dus ook hoofdelijken omslag betaalt. En hoewel die aanslagen in het equivalent kleine bedragen zijn, voor dien stand zijn zelfs die bedragen bezwarend, dit geef ik gaarne toe. Te gemoetkoming ware hier wen-schelijk. Maar de hoofdelijke omslag kan immers ten bate van dien stand gewijzigd worden ? Men kan immers tot een zeker bedrag vrijstellen , zooals ook de inkomsten belasting dit zou willen doen ? Alleen om dien stand te ontheffen is het niet noodig, het equivalent geheel te laten vervallen en eene inkomsten belasting tegen den wensch der ingezetenen in het
11
leven te roepen. Op den kleinen neringdoenden stand volgt de kern der Maatschappij, de welvarende burgerstand, indien er welvaart is ! Dezen stand zwaarder te belasten, als reeds geschiedt zou bepaald drukkend zijn en dat zal het gevolg wezen van eene inkomsten belasting zooals ik hieronder zal aantoonen. Die stand betaalt zijn evenredig deel èn aan het personeel èn aan den hoofdelijken omslag. Immers zij die winkelzaken drijven, moeten op goeden stand wonen, ruime lokalen hebben, met goed licht (dus veel vensters en deuren) met logeerkamers voor inwonend personeel enz. Welnu behoef ik het nog te zeggen, dat de persoueele belasting en dus ook het equivalent voor dezen stand reeds drukkend genoeg is ? Maar dat drukkende heeft toch nog eene lichtzijde en wel deze: geheel vrijwillig heeft men zich die lasten opgelegd. En hieraan wordt niet gedacht. wanneer men over inkomsten belasting spreekt. Het equivalent, als steunende op het personeel is vrijwillig, inkomsten belasting is dwang. Om dit door een voorbeeld te staven. Een winkelier woont in een der achterstraten en heeft een tamelijk debiet, zijne lasten zijn geevenredigd aan den stand waarop hij woont. Nu komt ei-voor hem gelegenheid in het centrum der stad op zeer goeden stand zijne zaak te verplaatsen. Gaat hij daartoe over dan weet hij te voren, dat hij meer zal moeten opbrengen in belasting op het personeel en aan het equivalent, welnu hij hoopt er dat wel uit te slaan, hij wil vooruit, en haalt zich geheel vrijwillig die meerdere lasten op den hals. Zoo met al de
12
grondslagen van liet personeel. Wil men in elk vertrek kunnen stoken, goed . men betaalt er voor en zoo kan men zich alle comfort verschaften door slechts den fiscus het zijne te geven.
Een prachtig ameublement, vele dienstboden, luxe paarden, ja wat niet al, men is geheel vrij of men dat wil ot niet, maar schaft men het zich aan, men weet wat dat aan het personeel zal kosten en de verhooging in het equivalent kan men te voren op een cent na berekenen. Geene belasting zal ooit populair worden, maar dit is zeker, de ingezetenen dragen deze belastingen geduldig, omdat er geen willekeur bestaat. Nu wijst de nota N. 1 wel op verkeerde schattingen van verschillende perceelen. Dit is zeker voor de bewoners van de te hooggeschatte perceelen te betreuren maar wel gezien, was het toch uit vrijen wil dat zij zulke perceelen betrokken, niemand dwingt er hen toe en moeten zij zoodanige perceelen bewonen om hunne zaken te kunnen uitoefenen , het neemt niet weg dat zij in den grond daartoe door niemand verplicht werden.
Ik geef gereedelijk toe dat aan de belasting op het personeel gebreken kleven, die dus ook eigen zijn aan het equivalent, hoewel in veel minder mate ten gevolge der tabel van vermenigvuldiging, die voor de hoogere klassen zeer sterk toeneemt. Maar zoo lang de wet op het personeel ongewijzigd blijft bestaan, zie ik de noodzakelijkheid niet in. om bij gemis aan betere grondslagen, het equivalent door eene andere belasting te vervangen. Wil men enkele honderden burgers uit den kleinen stand, die nu zeer weinig
betalen geheel vrij stellen, de betreffende verordening kan op zeer eenvoudige wijze, daartoe gewijzigd worden en zou het daardoor ontstane tekort gedekt kunnen worden, door in de hoogere klassen de tabel van vermenigvuldiging ofwel de percentage te wijzigen. Onzes inziens is er dus geen enkele geldige reden voor het intrekken der bestaande verordening op den hootdelijken omslag, gaan wij nu zien wat men ons in de plaats wil geven.
Belasting op liet Inkomen.
De eerste artikelen van het ontwerp luiden:
^Er wordt in deze gemeente eene plaatselijke be-.,lasting geheven van het jaarlijksch inkomen der âbelastingplichtigen. Het bedrag der heffing is hoog-,stens u20j0 en wordt jaarlijksch door den Raad âvastgesteldquot;.
Ziedaar dus de inkomsten belasting in volle klaarheid on men moet den moed van den ontwerper bewonderen, die haar aandurfde. Hoevele ministers van Finantiën zijn in onze kamers over de inkomsten belasting gevallen? Herhaalde malen heeft de 2e Kamer zich uitgesproken van geen inkomsten belasting gediend te willen zijn, omdat het volk die belasting niet wenscht. Is het dan niet gewaagd om in onzen Raad met zulk ontwerp voor den dag te komen? Het is volgens onze meening niet goed gezien, om de meerderheid der burgerij zwaardere lasten te gaan opleggen en dat wel in den hatelijkst en vorm. Ik ga trachten het bewijs te geven van den afkeer, die deze belasting
14
moet opwekken en stel al dadelijk de vraag; Wat verstaat men door inkomsten van de verschillende standen in deze gemeente '?
Art. 5 van het ontwerp zegt:
.,Door inkomen wordt verstaan,al hetgeen in geld in vruchten of door eigen gebr n i k genoten wordt, uit alles kortom , waaruit maar iets Ie trekken valt , behoudens eenige noodzakelijke aftrekkingen.
En nu verklaren wij, dat als de heffing eener inkomsten belasting uitvoerbaar was, dan zon dit zeer zeker de rechtvaardigste belasting zijn, die kon worden geheven. Maar zij is niet rechtvaardig uit te voeren omdat ongelukkig de menschen niet zijn, zooals zij moesten zijn. De eerlijke lieden, die âden Keizer willen geven wat des Keizers isquot;', zullen betalen voor die velen, die de belasting op alle mogelijke wijze zullen trachten te ontduiken. Zeer veel is hierover te zeggen, ik meen dat voorbeelden uit het dagelijksch leven, echter het meest zullen spreken.
Neem om een vak te noemen, een stalhouder te Utrecht. Hij is zeer beklant, vooral door heereu studenten. Berekenen wij eerst, s'mans uitgaven. Huur of zoo het huis en de stallen zijn eigendom zijn (maar bezwaard) de interest van de plichten. Onderhoud gebouwen in geval van eigendom. Onderhoud van zijn materieel, zijne rijtuigen enz. Voeding der paarden. Is het een verstandig stalhouder, dan legt hij elk Jaar eenige percenten op de waarde dei-paarden en rijtuigen weg, omdat de eerste na eenige jaren versleten zullen zijn en de laatste ook niet eeuwig duren. Het kapitaal waarmee hij werkt, ver-
15
mindert dus per jaar. Verschillende belastingen. Loon van koetsiers en stalknechts. De kosten van zijn huishouden , opvoeding van zijn kinderen enz. En nu zijne inkomsten. Eenige dagelijksche kleine ontvangsten voor vigelanten enz., en . . . wat hij maar boeken moet. Nu vraag ik, wie is in staat s'mans inkomen zelfs maar bij benadering, met eenige juistheid te schatten? Nu zegt artikel 7 dat het gemiddelde der inkomsten van de drie laatste jaren zal worden genomen . maar is de stalhouder daar iets mee vooruit ? Wordt onder de inkomsten al dan niet meegerekend wat hij in het boek heeft staan? Zijn dat inkomsten. wat niet ontvangen is en waarvan wellicht een groot deel nooit ontvangen zal worden. En dan de geheimhouding? Moet hij aan de commissie uit den Raad of aan eene commissie van particulieren laten zien, wie hij in zijne boeken heeft staan en tot welke bedragen ? Zullen zijne klanten daarmee gediend zijn ? En hoe gaat het wanneer de man eene ziekte in zijn stal krijgt en paarden verliest, zijn kapitaal ziet verminderen en daardoor ook zijne inkomsten? Wanneer bij zijn stal aanvult met oververdiend geld voor zoover hij kan, wordt dit bedrag dan van zijne inkomsten al dan niet afgetrokken? Volgens het ontwerp zou hierop een ontkennend antwoord volgen. Welke commissie is in staat het juiste inkomen van dezen persoon te berekenen, zelf kan de man dat niet met nauwkeurigheid doen en moet het bij schatting of benadering geschieden, dan is âgissen waarschijnlijk missen.quot;
Een ander voorbeeld. Neem een onzer groote winkeliers! Welke enorme uitgaven hij heeft, zullen wij
16
maar niet trachten te beschrijven, maar wat zijn nu zijne inkomsten waarvoor hij belast zal worden ? Hel gemiddelde der winst van de 3 laatste jaren. Wat is zijn winst? Bekend is het, dat wanneer hij op zekere tijden contant kan koopen, hij zeer voordeelig kan inslaan, vele percenten onder de marktwaarde van het goed. Waartoe zal nu noodzakelijk de inkomsten belasting zoodanigen winkelier brengen? Hij zal den inkoopsprijs, dien hij toevallig kon bedingen niet boeken, maar den marktprijs, dien elke concurrent, die niet van het oogenblik van aanbod kan protiteeren of niet zulken grooten omzet heeft, betalen moet en toch is het verschil: inkomsten of winst, maar wie kan dat nagaan? En is de winkelier in het belang zijner zaak zelfs niet verplicht dit te doen, of moeten zijne concurrenten het soms ook te weten komen? Mij zijn zaken bekend; waar de patroons zelfs voor hunne boekhouders soortgelijke transactiën geheim houden en als de goederen in ontvangst worden genomen en in magazijn opgeslagen, dan worden zij onmiddelijk geboekt met eenige percenten hooger dan de ware inkoopsprijs. Waar is de commissie te vinden, die hier het inkomen zal berekenen? De inkomsten van de 8 laatste jaren gemiddeld genomen, zegt het ontwerp. Maar is dit juist? Ik neem aan dat geen enkele winkelier in Utrecht een post in zijne boeken heeft staan meer dan een jaar oud, die onbetaald bleef, hoewel ik reden heb dit te betwijfelen. Behalve van het laatste, der drie jaren zou dus misschien van de 2 overige het juiste inkomen op te geven zijn. Maar nu het laatste der drie jaren. Zal alles inkomen wat in
17
het boek staat? Zal de winkelier over het laatste jaar geen bankroeten bebben, die misschien zijn winst van een of meer jaren verslinden? Gelooft het Dage-lijksch Bestuur van Utrecht, dat het vooral tegenwoordig in de zaken, en den handel zoo rooskleurig is, dat alles geregeld atloopt? Weet het Dagelijksch Bestuur niet, dat er zaken zijn, die soms geruimen tijd met verlies worden gedreven en dat toch zoodanige flrmas voor haar crediet, het hoofd recht moeten houden en niets laten blijken ? Welke zijn in zulke zaken de inkomsten?
Denken wij eens aan de steenbakkers. Voor eenige jaren zulke benijdenswaardige industrieelen, hoort men die thans niet luide klagen? Wanneer deze hun volk aan het werk houden en maar voortgaan steenen te pro-duceeren, doch te vergeefs naar afzet uitzien of gedurig met groot verlies verkoopen om weer plaats te maken voor nieuwe verliezen, welke commissie berekent hunne inkomsten, zonder onrechtvaardig te zijn ? Is het zoo ondenkbaar dat er onder hen gevonden worden, die niet van hunne inkomsten, die hebben z ij uit hunne zaken althans niet, maar van hun kapitaal leven ?
En de groote industrieelen en fabrikanten, die in dezen tijd van malaise, uit gevoel van medelijden, uit menschenliefde, weken, soms maanden lang veel meer volk aan het werk houden, dan zij werk kunnen geven, hoe zult ge die schatten? Zou de inkomsten belasting hier niet het middel kunnen zijn, om velen broodeloos te maken, want de patroons zullen toch dat medelijden niet belast willen zien?
18
Het zal overbodig zijn uit den handel en neringdoenden stand nog meer voorbeelden aan te halen, ze liggen maar voor het grijpen. De inkomsten belasting is voor die standen onmogelijk met eenige nauwkeurigheid te berekenen. Hoe zal men doen b. v. met aannemers, die werken hebben aangenomen loopende van het een in het andere jaar? Hoe kunt ge hunne inkomsten schatten1? Worden er door tegenspoed, door abusieve berekening enz. dikwijls geen groote verliezen geleden, die eerst bij het einde of na afloop van de werken met eenige juistheid zijn na te gaan? Heeft zoodanige aannemer ook inkomsten gehad en welke? Het is toch de bedoeling dat men inkomsten verklaard te zijn gelden, die ons toekomen, die wij verdiend hebben en waarover wij dus de vrije beschikking hebben?
Maar nu de velen, die geen handel drijven geen industrie uitoefenen, de gefortuneerden , die zooals men zegt, van hunne renten leven. Voor zooverre zij inkomsten trekken uit vaste goederen, uit hypotheken en dergelijken zijn hunne inkomsten na te gaan.
En toch zijn ook hier bezwaren. In den laatsten tijd, nu het den landbouwer zoo slecht ging, is het meermalen voorgekomen dat de landheeren de pacht of een gedeelte daarvan kwijtscholden. Zal men in zulke gevallen toch belasting heffen van uit mensch-lievendheid kwijtgescholden pachtpenningen. En hoe zal men de inkomsten berekenen van die zeer vermogende ingezetenen van Utrecht, waaronder volgens de faam meer dan een millionair moet schuilen! Dat kapitaal in portefeuille is dat bij benadering te schatten !
tl)
Of denkt het Dagelijksch Bestuur dat in deze gemeente één bankier, één notaris zal worden gevonden, die inlichtingen zal verstrekken?
Al was het de meest gezochte bankier of notaris spoedig zou niemand hem meer vertrouwen en hij zou gerust zijn kantoor kunnen sluiten. Want vergeten wij het niet, vertrouwt uw geheim aan u zeiven, hebt ge het een 2en medegedeeld, ge zijt geen meester meer van uw geheim en hoe zou dat gaan met commissies uit vele ledeu bestaande? En toch die ge-fortuneerden maken den stand uit, die de meeste draagkracht heeft, maar hoeveel kapitaal zou onbelast blijven, dat is, hoevele inkomsten, zal men uit vrees van te hoog te schatten , hier te laag taxeeren.
Eu bij te hooge schatting zult ge die farniliën niet uit de gemeente drijven?
Men heeft voor eenige jaren cene bouwwoede in Utrecht gekend, gelukkig voor de ondernemers waren de huizen, dikwerf vóór dat zij afgewerkt waren, reeds verhuurd. Utrecht met zijne prachtige ligging-in het midden des lands, met zijne gemakkelijke toegangswegen, met zijne heerlijke wandelingen en plantsoenen, met zijne fraaie omstreken, Utrecht trok vele familiën hierheen, die deze stad tot hunne verdere verblijfplaats uitkozen. Daarom eere aan het Dagelijksch Bestuur, dat zooveel tot verfraaiing deed, en daardoor van heinde en verre familiën naar Utrecht trok. De bouwwoede heerscht nu weder in Utrecht en wel zoo vinnig, dat het Dagelijksch Bestuur wel alles mag aanwenden, om die heele nieuwe wijken bewoond te krijgen. En nu vraag ik moet daartoe
-JO
de inkomsten belasting dienen? Zullen farailien, die zich hier willen komen vestigen, juist door de inkomsten belasting, van hun voornemen niet afzien? Heeft het Dagelijksch Bestuur nooit vernomen, dat toen Amsterdam zijn equivalent-belasting door eene inkomsten belasting verving, vele familien te Haarlem en elders zijn gaan wonen, om aan den druk der belasting te ontkomen ? Zullen hier ook geene familien gevonden worden, die ernstig aan een heenkomen zullen gaan denken ?
En boe zal het gaan met die velen. die zoo juist met hunne inkomsten rond komen. Laat ons toch bedenken, dat zi j door al die conversies van den laatsten tijd al deerlijk in hunne inkomsten hebben geleden. Het is een fatsoenlijke stand. Velen zijn er die om bun stand op te houden, dikwerf in liet belang hunner kinderen uitwendig nog al vertooning moeten maken maar zich binnenshuis zeer moeten behelpen, willen zij niet in schulden geraken. Hoe zult ge die taxeeren? Natuurlijk te hoog en wilt ge nu die menschen dwingen te reclameeren en hun toestand voor u bloot te leggen? Is dat dan die hooggeroemde vrijheid onzer eeuw? Leeraars en onderwijzers, bereken nauwkeurig hoeveel door u 'sjaars nog buitengewoon ontvangen wordt met het geven van lessen, want dat is een bron van inkomsten voor u en de fiscus wil ook daarvan zijn 2 percent hebben. Al offert gij al uw vrijen tijd, zelfs Zondagsuren op om dikwerf in het belang van uw gezin uwe inkomsten te verbeteren, u kan men eenigs-zins nagaan, u kan men bespieden, verraden des-
21
noods en gij zult van uwe inkomsten de 2 0/o moeten offeren en bijdragen voor hetgeen anderen te weinig betalen. Want daarin zit het groote kwaad der inkomsten belasting. Betaalde ieder wat hij rechtmatig schuldig was en zulks volgens eigen aangifte, waarschijnlijk zou niemand zich tegen het ontwerp verzetten. Vooral op dit groote verschil moet ik hier wijzen. Al degenen die een vast inkomen (salaris) genieten, betalen na aftrek van 500 gulden, van dat salaris. De andere klassen wier inkomsten, de winst is die zij jaarlijks in hunne zaken maken, kunnen op allerlei wijze aftrekken, daarna nog 500 gulden er afnemen en betalen van dat restant. Maar voor hen zijn nu vooral de schattingscommissiën. Die commission zullen eenvoudig het inkomen taxeeren en nu ontstaat die moeielijke toestand van reclameeren en bewijzen te leveren. Bewijzen leveren, laat ik het ware woord noemen, zal in vele gevallen: zich executeeren zijn, zijn eigen crediet benemen. En wat zal nu de toekomst leeren? Men schaft het equivalent af en gelijk bedrag moet door de inkomsten belasting opgebracht worden. Men begint voorloopig met 2 0/o. Welnu, gij eerlijke nauwgezette ingezetenen, gij ambtenaren, leeraars, onderwijzers, officieren, gij allen waarvan men het inkomen vrij nauwkeurig kan begrooten, gij zult gewillig, zelfs gaarne uw offer brengen, niemand twijfelt hieraan. Immers het is een rechtvaardigheid, dat ieder bijdraagt in de alge-meene lasten, naar gelang hij inkomen heeft. Maar nog eens, uwe penningen zullen anderen ten goede komen die men onmogelijk kan schatten en
-2-2
vooral hen, die een ruimer geweten hebben dan deze officieele personen. En hoevele ambtenaars zijn er in deze stad, die hoewel vrij goed bezoldigd, met het oog op een talrijk gezin, zich dikwerf in achterwijken eene woning van niet te groote huur moeten zoeken, willen zij aan alle verplichtingen voldoen. Zij betalen nu weinig aan het equivalent, omdat zij weinig personeele belasting betalen. Werd de inkomsten belasting ingevoerd, velen zouden het dubbele en meer moeten opbrengen, van hetgeen zij nu bijdragen. En dan die ambtenaren die eerlijk hun juist inkomen opgeven voor het patentrecht ? Met de inkomsten belasting wordt hun salaris nu dubbel getroffen. Die ambtenaren, welke grooter salaris hebben, dan zij voor patentrecht opgeven, dit is zeker; zullen er nu inloopen, en hoewel dit zeer onaangenaam voor hen zal zijn; daarbij zou echter de moraliteit winnen.
Zij die de lusten genieten van in Utrecht te wonen, moeten er ook gaarne de lasten van willen dragen, maar is het nu die stand van fatsoenlijke burgers, die getroffen moet worden? Daarom vroeg ik elders, waarom protesteeren zij niet? En ik vernam protesten tegen die vraag, protesten die getuigden van oud hollandsche eerlijkheid , van goede trouw, protesten waaruit bleek, dat men gaarne een ander naar zich zeiven beoordeelt!
Het beginsel eener belasting op de inkomsten werd gezegd, is ongetwijfeld overal de belasting der toekomst! Met die voorspelling zou ik vrede kunnen hebben, als de zedelijkheid, maar vooral de degelijkheid en zin voor liet goede en edele, als het gevoel voor recht-
vaardigheid en voor Recht voor allen gelijken tred hield, met de vermeerdering van kennis en toenemende beschaving.
In het ontwerp komen verder vele bepalingen voor, waartegen wij ons moeten verklaren als daar zijn: Art. 5, sub 1. Afgetrokken worden de renten van verschuldigde kapitalen; van welker bestaan voldoende bewijzen worden overgelegd. Kan deze bepaling geen middel worden tot ontduikingen der belasting? En, is 150/o voor onderhoud van gebouwen geen te lage schatting, vooral voor oude gebouwen?
Maar wat ons het meeste in het ontwerp hindert, is dat men eigen aangifte niet aanneemt, maar dat de rangschikking en de aanslag ambtshalve geschieden. De ingezetenen krijgen eenige vragen ter beantwoording. Art. 15 zegt: dat zij gehouden zijn die vragen stellig en zonder voorbehoud te beantwoorden en met hunne handteekening te bekrachtigen. Maar het gemeentebestuur is niet verplicht eenig geloof aan uwe aangifte te hechten; het schat U, na eerst een geheim gericht over u te hebben gehouden, nadat ge gewikt en gewogen zijt. Ge hebt later het recht van reclameeren, maar wat zal dat baten, als ge niet haarfijn uwe geheele positie bloot legt en zult ge daartoe overgaan , zult ge dat in het belang van uw crediet, dikwerf in het belang uwer kinderen kunnen of mogen doen?
Het Dagelijksch Bestuur zal trachten eene Commissie van ingezetenen bijeen te brengen, die in de schatting zullen behulpzaam zijn, maar alleen advi-seeren, de schatting zelf mag die Commissie niet doen.
Wie zullen in die Commissie zitting hebben? Geen
24
persoon, die zaken zijner medeburgers behandelt zal in die Commissie zitting kunnen nemen, wil hij zijn eigen zaak niet benadeel en. En anderen ? Hoe zal het gaan ? Er wordt een ambtenaar benoemd speciaal voor deze belasting. Hij zal zich bezig houden met het verzamelen van gegevens , hij moet dus als het ware als een speurhond rond loopen , aan elke huisdeur luisteren, al wat hij opvangt noteeren. om vooral te zorgen, dat hij gegevens heeft voor het Dagelijksch Bestuur. Voorwaar eene benijdenswaardige betrekking ! Zoo herinner ik mij het volgende wat voor eenige jaren te Z. plaats had. Een der ingezetenen bezat een prachtige collectie oud zilverwerk , dat al van vader op zoon en van zoon op kleinzoon was overgegaan en met zorg in de familie bewaard bleef. Dat zilverwerk deed alleen dienst als er eens vrienden gevraagd werden, een soupeetje werd gegeven. Nu was er te Z. een nieuwe Controleur benoemd en bij de eerste avondpartij in die familie zat ook hij aan en liet zich een en ander goed smaken, terwijl hij in zijne gedachte het zilverwerk op tafel aanwezig, reeds schrite. Den volgenden dag keek onze Controleur na, voor hoeveel onze gastheer in het mobilair was aangeslagen en hij haastte zich om hem voor te lage aangifte te laten calangeeren. Welnu, wordt er eene Commissie uit de ingezetenen benoemd, die ingezetenen zullen uit den aard der betrekking, spionnen worden, waarvoor ge u zult hebben te wachten.
En dan die fraaie geheimhouding ? Zal men die Commissieleden een eed laten afleggen ?
En hoe zal het, met de Aanslagbilletten gaan ? Krijgt elk ingezeten die onder couvert te huis of waar blijft anders uwe geheimhouding ?
Immers als een der voordeden der inkomsten belasting wordt ook de gemakkelijke berekening er van opgegeven, en dat is zoo! Hij die u de aanslagbilletten te huis bezorgt, zegt: de aanslag gedeeld door 2, hondermaal genomen en er 500 gulden bijgeteld, zie mijnheer of mevrouw, voor dat inkomen zijt u geschat. Knechts en meiden, ieder die een aanslag-billet in handen krijgen, men kan toch altijd zelf den ontvanger niet gaan betalen, zullen uwe inkomsten kunnen berekenen en rondbazuinen, vooral zoo aangenaam als zij uw' dienst verlaten en bij anderen in dienst komen.
De door het Dagelijksch Bestuur overgelegde stukken erkennen ook deze en andere bezwaren. Zoo b. v. lees ik er in:
,De gewenschte gelijkheid van druk zal âook door haar slechts onvolledig worden âbereikt.
âHet is bijvoorbeeld uitermate moeilijk âeene juiste en bruikbare omschrijving te âgeven der beteeken is van h e t w o o r d âinkomen.
âHetzelfde inkomen vertegenwoordigt âbij den een, een geheel andere draagkracht dan bij den andere.quot;
Zou men nu niet zeggen, dat na zulk vonnis geen enkel lid van den Raad voor eene belasting op het inkomen kan stemmen? En dat vonnis wordt door
het Dagelijksch Bestuur, die het ontwerp indiende, zelve geveld! Men vraagt eene inkomsten belasting omdat zij rechtvaardiger is, en de gewenschte gelijkheid van druk kan door haar niet worden bereikt. Men wil eene belasting op bet inkomen en men verklaart geen juiste omschrijving van het inkomen te kunnen geven. Men wil hen die de meeste draagkracht hebben, het meest laten betalen en men verklaart dat menschen met hetzelfde inkomen dus die men even hoog wil belasten, niet dezelfde draagkracht hebben. Welke tegenspraak in zulke ernstige zaak!
Verder lees ik pag. 61 der nota 1 : âOok het bezwaar der publiciteit eigen aan eene belasting, waarbij het vermogen geheel of ten deele moet worden geschat of geopenbaard, is tot zekere mate gegrond. (De alinea die hierop volgt om dat zekere mate te verklaren, staat er geheel zonder samenhang bij.) Dus ook openbaarheid wordt toegegeven , terwijl men elders van geheimhouding spreekt. Wanneer men de uitgegeven stukken met eenige aandacht leest, dan zou men bijna tot het besluit komen; dat Burgemeester eu Wethouders zelf, het ontwerp ontraden.
Zoo lees ik pag. 55 nota 1.
âDe Raad mag niet tot verandering overgaan, alvorens het voor en tegen daarvan rijpelijk te hebben overwogen.quot; Hebt ge het gehoord 1 De Raad wordt hier voor de geheele verantwoordelijkheid geplaatst, want die zinsnede kan toch zeker niet tot aanbeveling strekken of is het dagelijksch Bestuur in deze gemeente gewoon
op die wijze zijne voorstellen bij den Raad in te leiden en aan te bevelen 2 En dan de druk der nieuwe belasting ? In de nota pag. 29 staat hieromtrent het volgende :
In Amsterdam werd het equivalent afgeschaft en door eene inkomsten belasting vervangen. En wat gebeurde? Van de 100 die aan het equivalent betaalden, werden er ruim 79 verhoogd, 10 bleven er evenveel betalen en 10 betaalden iets minder. Welnu maakt nu zelf de toepassing. In 1885 betaalden er hier 6017 aan het equivalent. Van deze 6617 aangesla-genen waren er in laagste klasse 2983. Als dus hier ook 100/o minder zal betalen en 100/o blijven staan, dan zijn er zelfs in de laagste klasse nog 1600 die verhoogd zullen worden, terwijl alle andere die op dit oogenblik equivalent betalen, hooger zullen worden aangeslagen. Wat blijtt er dan over van die vrijstelling der mindere standen ? En al nemen wij nu aan dat er door de inkomsten belasting 1600 meer zullen worden aangeslagen, dan te voren , dan zal de druk voor de burgerij des te grooter zijn , omdat dan de tegenwoordige le klasse geheel vrij valt.
En tot welke onbillijkheden zal die belasting leiden bv. Twee of meer bejaarde dames , die elk een vast inkomen hebben, of misschien zich een lijfrente hebben gekocht, gaan te zamen wonen; hare inkomsten zijn niet voldoende om op fatsoenlijke wijze op zichzelf te kunnen wonen. Bij het tegenwoordige equivalent zou één, die als huurster van het perceel te boek staat belast zijn , met de inkomsten belasting worden zij elk afzonderlijk belast en moeten haren toestand bloot leggen.
-28
Wat mag toch wel aanleiding gegeven hebben tot het indienen van dit ontwerp? Zijn de gemeente-finan-tien zoo ontredderd ? Is de gemeentekas zoodanig in nood? Och neen, elk jaar bij het behandelen der gemeente-begrooting gaf een of ander raadslid den wensch te kennen, om eene andere belasting te hebben en burgemeester en wethouders kunnen toch niet Oost- ,,
Indisch doof blijven en na van 1878 tot 1885 te hebben gedraald, komen zij nu met dit plan voor ^
den dag. In October 1885 had een enkel lid in den Raad wij meenen, de heer v. Beuningen, tot Burgemeester en Wethouders den wensch gericht om;
âvóór de aanbieding der begrooting voor 1887 een voorstel over eene nieuwe op andere grondslagen berustende plaatselijke directe belasting in te dienenquot;, van inkomsten belasting was echter geen sprake en althans niet van de voorgestelde, daar deze geen grondslagen heeft. Het dagelijksch Bestuur voldeed aan dat verzoek en diende het ontwerp in, voor eene inkomsten belasting, dat ons nu bezig houdt.
In de brochure, die Mr. N. F. van Nooten oud-lid van onzen gemeenteraad tegen de inkomsten belasting heeft uitgegeven, komen tal van bedenkingen tegen deze belasting voor, die ik zooveel mogelijk onaangeroerd heb gelaten om niet in herhalingen te ver- | vallen. De lezing van die brochure is belanghebbenden zeer aan te bevelen. De schrijver eindigt zijne bemerkingen met de volgende behartigingswaardige woorden:
âDe leden van den Raad zijn tot een moeilijken plicht geroepen; meer dan immer mogen zij door-
-2(.)
drongen zijn van de bewustheid, dat op hen ieder in het bijzonder de verplichting rust de belangen niet slechts van de gemeente, maar ook van hare ingezetenen ieder naar zijn beste weten te bevorderen.quot;
âLaat de Gemeentewet het heffen eener plaatselijke belasting op de inkomsten toe, de gemeente-wetgever heeft gewild, dat zij niet anders zal worden geheven, dan naar grondslagen, die voor een redelijken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te honden zijn.quot;
Grondslagen worden in het o n t werp te vergeefs gezocht.
âAan willekeur mogen de belangen der ingezetenen niet worden prijsgegeven. De bloei van onze gemeente wordt bedreigd, de inkomsten der gemeente, met inbegrip van de eigen directe belasting, zooals zij nu wordt geheven â de kortelings aangenomen begrooting voor het dienstjaar 1887 heeft het bewezen â zijn voldoende om hare uitgaven te bestrijden.quot;
âMoge de Raad dezer gemeente besluiten de gedane voordracht af te wij zen ; hij zal aan Burgemeester en Wethouders, aan zich zeiven en aan de ingezetenen tal van moeite en noodelooze bemoeiingen met hunne b ij z o n d e r e aangelegenheden b e-s par en.quot;
Met dien wensch kan ik mij volkomen vereenigen, maar dwalen is menschelijk en daarom komt het mij
:50
noodzakelijk voor, dat de ingezetenen zeiven openlijk van hunne meening doen blijken.
Elders sprak ik van eene Meeting. Welnu, zoo de kleine bezwaren, die daartegen oprezen, uit den weg geruimd zijn , zal zij in den loop dezer of der volgende maand worden gehouden. Mijnerzijds wil ik daartoe behulpzaam zijn en zal de netto opbrengst van dit geschrift afstaan om de kosten der Meeting te helpen bestrijden.
Ten slotte nog dit.
In 1874 waren er in den stedelijken Raad ook enkele voorstanders eener inkomsten-belasting. Op 19 Nov. van dat jaar stond prof. Fruin in de R.aadszit-ting op; om de heeren voorstanders als zijn gevoelen te doen kennen:
âdat eene belasting op het inkomen naar âzijne overtuiging de slechtste van alle is âomdat zij niet zoo te ontwerpen is, dat zij âbillijk kan zijn.quot;
Welnu aan het gevoelen van prof. Fruin werd door de raadsleden steeds groote waarde gehecht, terwijl de kiezers zijn mandaat bij elke per. aftreding vernieuwden.
De liberale partij, waarvan beweerd wordt dat zij quand même voor eene inkomstenbelasting moet zijn, kan uit de redevoering van 19 Nov. leeren dat de inkomstenbelasting de slechtste van alle belastingen is. Wij laten die geheele rede, alsmede die van den heer Verloren van Themaat als bijlagen hier volgen en koesteren de hoop, dat er onder onze raadsleden nog vereerders en vrienden van den over-
:Ji
leden professor gevonden zullen worden, om in zijn geest te spreken en te stemmen, in dat geval zal de
beslissing over het ingediende ontwerp niet twijfelachtig zijn.
Utrecht, G December 1886.
P. N. KOOLEN, Pzn.
Zitting van den Utrechtschen Gemeenteraad
op DONDERDAG 19 NOVEMBER 1874.
Redevoering van Professor FKUiN.
De heer Fruin wenscht, nu geen der andere leden' nog het woord schijnt te verlangen, zijn persoonlijk gevoelen te zeggen over de thaus aanhangige zaak en tevens de wettelijke bezwaren te bespreken, die in het afdeelingsverslag tegen het stelsel van de meerderheid der kommissie zijn geopperd. Toen haar rapport bij den raad was ingekomen, heeft een dagblad, dat destijds hier ter stede uitkwam en wellicht nog uitkomt â Spr. kent het alleen uit de enkele nommers, die do redaktie de beleefdheid had, hem van tijd tot tijd toe te zenden â aan zijn lezers medegedeeld, dat de heeren van Geuns, Kol en van Hall in de kommissie de voorkeur hadden gegeven aan eene inkomsten-be-lasting, maar dat zij in de minderheid waren gebleven, en dus de vier overige leden zich voor het beginsel der tegenwoordige verordening verklaard hadden. Spreker laat in het midden, hoe het blad aan die wetenschap gekomen is, maar hij aarzelt niet te zeggen, dat het bericht, wat hem zelf betreft, juist is. Hij was en is er nog voor, het beginsel der bestaande verordening te behouden. Daarvoor heeft hij dezen grond. Naar zijne overtuiging moet men een bestaand belastingstelsel niet lichtvaardig veranderen, omdat die verandering altijd een betrekkelijk kwaad is. De maatschappij â Spr. had nog onlangs het voorrecht, dat door een onzer eerste staathuishoudkundigen, Mr. W. C. Mees, te hooren betoo-gen â voegt zich langzamerhand naar elke, ook naar de slechtste belasting; de druk daarvan wordt, omdat de ingezeten, met het oog daarop, hunne maatregelen nemen, na eenigen tijd niet meer gevoeld, en de verandering komt dus niet ten goede van hen, die men door die verandering ontheffen wil, maar vau anderen; ter-
wijl het nieuwe stelsel meestal juist voor die eersten weer een nieuwen druk te weeg brengt. Dit is nu, natuurlijk, wel geen reden om altijd bij het eens bestaande te volharden, maar wel om toe te zien, dat men niet van stelsel verandert dan om overwegende redenen. En zulke redenen bestaan hier, naar het Spr. voorkomt, niet. De tegenwoordige verordening heeft reeds jaren lang gegolden; de burgerij is daaraan gewend en heelt nooit over haar druk geklaagd: integendeel, men rekende, en terecht, dat men hier van beter konditie was dan in de meeste andere gemeenten. Eerst toen het noodig is geworden den aanslag te verhoogen, is men gaan klagen. Nu acht ieder haar verkeerd. Maar het ware een dwaling, hieruit af te leiden, dat men het stelsel zelf afkeurt. De belastingschuldigen zijn ontevreden met elke hooge belasting, on erschillig naar welk stelsel die geheven wordt. Spr. zou de proef durven nemen, ook bij de invoering eener inkomstenbelasting. Wanneer men daartoe overgaat, zullen allen, die dan minder betalen dan nu, uiterst tevreden zijn, maar als het eens noodig wordt hun aanslag te verhoogen, weder even hard klagen als thans. Zullen de voorstanders dier belasting ook dan daaruit afleiden, dat zij niet goed is? Spr. ziet inderdaad geen reden, het beginsel der bestaande verordening op te geven, zoolang men niet bewijst, dat dit op zich zelf, en afgezien van bijzondere omstandigheden, niet deugt. En dat bewijs is voor Spr. niet geleverd. Hij voor zich acht het tegenwoordig stelsel oneindig billijker dan althans dat eener belasting, die direkt naar het inkomen geheven wordt. Zulk eene belasting is, naar zijne overtuiging, de slechtste van alle, omdat zij niet zoo te ontwerpen is, dat zij billijk kan zijo. Spr. zal dit niet in bijzonderheden betoogen â hij meent dat men dat van den geachten rapporteur der kommissie te wachten zal hebben â maar hij beroept zich op de ervaring, opgedaan in zijne geboortestad Botterdam. Toen Spr. aldaar lid van den raad werd, had men kort geleden eene zuivere inkomstenbelasting-ingevoerd. En wat was het resultaat? Vooreest dit, dat zij ruim een ton gouds minder opbracht dan de raming, en dat al de leden van den raad, die zitting namen in de kommissie, welke met B. en W. de eigen aangifte der belastingschuldigen moest kontroleeren, na eenigeu tijd inzagen, dat zij die taak niet goed konden vervullen en sukzussievelijk hun ontslag namen. En het eindresultaat was dat men, nagenoeg algemeen, het stelsel opgaf, en eene belasting invoerde, soortgelijk als de hie) bestaar.de. Op dezen oogenblik bestaat die nog, en zij werkt uitmuntend. Nu weet Spr. wel, dat men tegenover Botterdam andere gemeenten, Arnhem o. a., ploegt te stellen, waar de
u
inkomsten-belasting, naar men zegt, geen stof tot klachten geeft. Maar hij moet toch opmerken, dat vele. de Arnhemsche Courant b. v., daarover wel degelijk klagen, en dat men bovendien op het niet-klageu niet uitsluitend kan afgaan. Van elkeo vorm van belastingheffing geldt wat Spr. zoo even zeide: zoolang men uiet veel betaalt, is men met elk, ook met het slechtste stelsel tevreden; wanneer men veel betaalt, klaagt men ook over het beste. Zij die heiveren, dat bij ons de ondeugdelijkheid der verteringsbelasting eerst gebleken is, toen men de aanslagen is moeten gaan verhoogen, hebben h^t bewijs te leveren, dat men te Arnhem, in het gelijke geval, toch met het stelsel tevreden zal blijven. Maar â en hiermede komt Spr. tot het hoofddoel van zijne rede â de tegenstanders der tegenwoordige verordening beweren, dat alle betoog over het betrekkelijk goede of kwade daarvan, van ondergeschikt belang is. omdat het bestaande stelsel in strijd is met letter en geest der gemeentewet , en dus niet behouden mag worden.
üe bedenking komt Spr. vreemd voor: onze verordening bestaat sedert jaren, en elders bestaan soortgelijke: geen dei regeeringen sedert 1851 heeft dus de beweerde onwettigheid opgemerkt. Maar de beschuldiging is in elk geval van zoo overwegend groot gewicht, dat zij nauwkeurig dient onderzocht te worden. Spr. verzoekt den raad hem daartoe nog eenigen tijd bet woord te gunnen, üe onwettigheid onzer verordening wordt door de tegenpartij betoogd, zoowel uit de eerste als uit de tweede alinea van art. 248 der gemeentewet. Bij elk dezer alinea's, die beide haar geschiedenis hebben, wenscht Spr. eenige oogen-blikken stil te staan. Alinea 1 luidt aldus: âHoofdelijke omslagen en andere plaatselijke direkte belastingen worden geheven naar grondslagen, die voor een redelijken maatstaf van het inkomen dor belastingschuldigen te houden zijn.quot; Het doel dezer bepaling is duidelijker. Zij wilde het misbruik beletten, dat destijds vooral op het platte land bestond, om het vermoedelijk inkomen der belastingschuldigen willekeurig te taxeeren, en het zonder eenigen grondslag van berekening, naar het goedvinden der besturen, op een bepaald cijfer te begrooten. Zelfs nog in 1853 klaagde de minister Thorbecke, dat de gemeentebesturen alleen het vermoedelijk vermogen of inkomen als grondslag aanwezen . of de grondslagen in zoo onbestemde bewoordingen vermelden, dat de bedoeling nauwelijks te raden was. Dit wilde de wetgever voorkomen, hij wilde grondslagen gekozen zien, die zoo min mogelijk tot misbruik en willekeur aanleiding gaven. Maar wilde hij daarom dat de plaatselijke belastingen juist direkt naar het vermogen zouden geheven worden? Wilde hij
35
verbieden, dat men tot maatstaf van het inkomen de vertering nomen zou? Er is schijn noch schaduw van. Aan een direkte inkomsten-belasting dacht hij blijkbaar zelfs in het geheel niet Reeds de 2. alinea van het artikel, die verbiedt de grondslagen van het personeel uitsluitend tot maatstaf van het vermogen te nemen, bewijst, dat hij in de eerste plaats aan eene zoogenaamde verteringsbelasting dacht. Van eene belasting, direkt naar het inkomen geheven, is dan ook alleen sprake in art. 240 ouder de rijksbelastingen. En toen de ontwerper der gemeentewet, in zijne cirkulaire van 29 Jan. 1858 (van Oosterwijk, Gemeentewet, bl. 1817), verklaarde onder âgrondslagenquot;, in art. 213, te verstaan, zoodanige feiten of omstandigheden, waarin de mee4 zekere teekenen van het inkomen te vinden zijn en die het gemakkelijkst door ieder kunnen worden waargenomen en nagegaanquot;, dacht hij zeker al weder niet aan eene inkomstenbelasting, die op eigen aangifte of aanslag ambtshalve geheven wordt. Immers eigen aangifte en ambtshalve aanslag kunnen geen âfeiten en omstandigbedenquot; zijn, als waarvan de minister sprak. Dit alles is zoo waar, dat Gedep. Staten van Gelderland (W. v. Burg. adm. no. 1321) niet geaarzeld hebben van art. 243 al. 1 dit te zeggen: âUit de gemeentewet en hare geschiedenis is niet af te leiden, dat men in art. 243 eene inkomstenbelasting bedoeld heeft: hot tegendeel is waar. De plaatselijke belastingen, daar bedoeld, worden niet geheven direkt naar het inkomen, zooals de rijksbelastingen, waarvan sprake is in art. 240, maar naar grondslagen, die voor een âredelijkenquot; maatstaf van het inkomen âte houdenquot; zijn. Op de hoofdsom der rijksbelastingen, direkt naar het inkomen geheven, zoo die er zijn, mogen de gemeentebestuuren slechts opcenten hefl'en, maar een eigen heffing van dusdanige belasting is hun niet veroorloofd. Met art. 243 zou de heffing van zulk eene belasting bepaaldelijk onvereenigbaar zijn! En al ging de min. Thorbecke nu ook zoover niet als Ged. Staten, toch beval ook hij in 1853 onder de grondslagen voor eene plaatselijke belasting in de eerste plaats aan: âden aanslag van de belasting-schuldigen in het rijks-personeel.quot; Hoe kan men, na dit alles, beweren, dat eene verteringsbelasting onwettig zou zijn? Spr. komt thans tot alinea 2 van art. 243, waarin bepaald wordt: âAls grondslagen (van plaatselijke belasting) kunnen niet uitsluitend worden aangenomen een of meer grondslagen van de personeele belastingquot;. Ook met dit beginsel is onze verordening in geenen deele in strijd. Al dadelijk moet Spr. erkennen, dat dit voorschrift zijn oorsprong te danken heeft aan de overweging, dat het personeel te zwaar drukt âop den minderen burgerquot;. Bij sommige leden der Kamer heeft dat
36
bezwaar wel gegolden, maar de bepaling werd ontworpen niet een geheel ander doel. De min. v. fin. zeide het reeds met zoovele woorden: âmen wilde daardoor beletten, dat plaats, dir. belastingen in het wezen eene verhooging werden van de rijks dir. belasting, en dat de gemeenten, ouder den naam van omslag, hieven hetgeen zij niet zonden mogen heffen op het personeelquot;. En in 18(35 zeide de minister Thorbecke ditzelfde nog eens. âDc hoofdreden, die in 1851 geleid heeft tot opneming van de uitsluiting, in de 2. alinea van art. 2 vervat, was het belang van het rijkspersoneelquot;. En juist omdat dit belang in 18(35, tengevolge van den afstand van 4/5 van het personeel aan de gemeenten, , oneindig minderquot; was geworden, wilde de minister die geheele alinea doen vervallen. Dit gewichtige feit verdient wel overweging. Het beginsel, waaraan de tegenstanders onzer belasting zooveel hechten, dat zij er zich telkens op beroepen, had in 1865 voor Thorbecke en Betz zoo weinig waarde, dat zij liet wilden afschaffen en het niet meer in luin ontwerp hadden opgenomen. De regeering verklaarde uitdrukkelijk, dat het gebleken was, onmogelijk te zijn, het verbod der 2. al. streng te handhaven, dat men daarom zijwegen had moeten zoeken om het in de toepassing te temperen, en dat het daarom beter was, het te doen vervallen, te meer, daar het voorschrift van al. 1 omtrent de noodzakelijkheid van een âredelijken maatstafquot; aan liet gouvernement kontrole genoeg gaf. Nu is liet bekend, dat desniettegenstaande de bepaling door de Kamer behouden is, en het staat dus vast dat zij door elk bestuur, en ook door ons, moet worden nageleefd. Maar wil dan de meerderheid der komm. haar niet naleven? Die dit beweren, hebben het voorschrift niet goed gelezen. Het verbiedt niet een of meer grondslagen van het personeel tot grondslagen van plaatselijke belasting te nemen: het verbiedt alleen de grondslagen van het personeel uitsluitend daartoe te gebruiken. Zoodra men dus, buiten do grondslagen van het personeel, nog een enkelen anderen grondslag aanneemt, is aan de wet voldaan. Zoo is die sedert 1865 altijd geïnterpreerd, o. a. ook door den minister, die thans weder aan het hoofd van ons binneniandsch bestuur is geplaatst, den heer Heemskerk. In de zeer merkwaardige missieve van dien minister aan Ged. Staten van Noord-Holland, dd. 23 Juli 1886 (Gemeentestem, no. 788) verklaart hij, dat âwanneer een gemeentebestuur bij de grondslagen , die het aan de personeele belasting-ontleent, nog minstens e'én anderen grondslag voegt, zijn besluit met de wet in overeenstemming is.quot; Naar dit voorschrift heeft de meerderheid der kommissie zich gedragen; zij neemt, in overeenstemming met het stelsel der bestaande verordening,
M
behalve de groudslagen van liet personeel, nog ée'n anderen grondslag aan , namelijk de talrijkheid van het gezin. Nu komt men daartegen wel op, en beweert â ook de min. Heemskerk deed dit â dat de talrijkheid van het gezin geen redelijke maatstaf vau het inkomen zijn kan, maar die bedenking is alleen juist in het door de gemeentewet gewraakte stelsel cener belasting, die direkt naar het inkomen geheven wordt. In het stelsel daarentegen eener belasting, die de vertering tot maatstaf van het inkomen neemt, is de talrijkheid van het gezin niet slechts een redelijke maar zelfs een onmisbare grondslag. Dit is gemakkelijk aan te toonen. Wanneer ik, een groot gezin hebbende, een groot huis bewoon, kan de huur, die ik betaal, op zich zelf, geen maatstaf van mijn inkomen zijn. Immers, omdat ik een groot gezin heb, kan ik niet buiten een groot huis; het is dus mogelijk, dat ik meer verwoon dan ik eigenlijk kan , en om het geld te vinden , mij andere , zelfs noodige behoeften ontzeggen moet. Wanneer ik daarentegen, geen of een klein gezin hebbende , een groot huis huur, is die uitgave in zekeren zin weelde , en bestaat er dus alle grond om te vermoeden , dat mijn inkomen mij toelaat zulke uitgaven te doen. De talrijkheid van het gezin is alzoo bij eene belasting, die door de vertering tot het inkomen wil komen, een noodzakelijke grondslag. Maar zelfs wanneer men dit blijft ontkennen, is het stelsel der kommissie met de wet in overeenstemming. Immers zij neemt in elk geval, ook buiten de talrijkheid van het gezin , nog een grondslag aan , die niet is een grondslag der personeele belasting te weten den faktor, waarmee zij liet bedrag van den aanslag in het personeel vermenigvuldigt, om het belastbaar inkomen te vinden. Zoo redeneerde althans de min. Heemskerk in 1866. âHet inkomenquot;, zeide hij, âwordt berekend door vermenigvuldiging van het bedrag, dat men naar de grondslagen van het personeel verkrijgt, met zekeren faktor, welke , naar de verschillende klassen rijst of daalt. Die faktor is dus zelf een grondslag , en deze is niet aan de personeele belasting ontleend.quot;
Nu wil Spr. wel niet beweren , dat deze laatste interpretatie de gedachte van den wetgever van 1851 teruggeeft, maar zij bewijst toch, dat ooi: de heer Heemskerk, evenzeer als Thorbecke, overtuigd is van de noodzakelijkheid om het voorschrift dei-wet in de toepassing te temperen. Ook met het oog hierop is dus het voorstel der kommissie volkomen goed te verdedigen. En nu ten slotte, van het defensief tot het offensief terrein overgaande, vraagt Spr,: Kan ook eene belasting , die direkt naar het inkomen geheven wordt, gezegd worden met de wet
38
in overeenstemming te zijn ? Met Ged. Staten van Gelderland meent hij dit sterk te mogen betwijfelen. Men kan zulk eene belasting hefl'en , of op eigen aangifte , of op ambtshalve aanslag , öf op beide deze wijzen gekombineerd. Dat deze laatste wijze van heffing inkonsekwent en een hinken op twee gedachten is, Iaat Spr. nu daar; zelfs warme voorstanders der inkomstenbelasting (b. v. het Weekb. van Burg. Adm. n. 1122) geven dit toe : Spr. komt daarop echter nu niet. Hij vraagt alleen ; kan eigen aangifte of ambtshalve aanslag een 9 grondslagquot; hee ten , die voor een redelijken maatstaf van het inkomen te houden is ?quot; Kan de verklaring van den belastingschuldige zelf of de aanslag door het bestuur â om met Thorbecke te spreken â een âfeit of omstandigheid zijn, waarin het meest zekere tee-ken van het inkomen te vinden is , en die gemakkelijk door elk kan worden nagegaan?quot; Volgens Spr., onmogelijk. Het is dan ook de proef op de som, dat het Weekblad v. Burg. Adm. zelf erkent, dat de ambtshalve aanslag op zijn beurt weder op grondslagen berusten moet, en alzoo toegeeft, dat die aanslag op zich zelf geen grondslag is. En op welken grondslag wil nu het Weekblad dien ambtshalve aanslag doen berusten ? Op den uiterlijken staat, of m. a. w.: de grondslagen van het personeel. Zoo komt het, langs een omweg, juist tot het stelsel der kommissie terug. Dat stelsel blijft Spr. dan ook uit volle overtuiging aanbevelen. Of het goed in de koncept verordening is toegepast, is thans nog de vraag niet. Voorloopig meent Spr. dus hiermee te kunnen volstaan. Hij heeft alleen rekenschap willen geven van zijne ekonomische overtuiging , dat eene verteringsbelasting de voorkeur verdient boven eene belasting , die direkt naar liet inkomen geheven wordt, en van zijne juridieke overtuiging, dat de eerstgenoemde soort van belasting meer met de gemeentewet in overeenstemming is dan de laatstgenoemde.
Redevoering; van den Heer VERLOREN VAN THEM A AT.
De heer VerLorcn zegt, dat, daar er zoowel in de kommissie als ook in den raad nog al voorstanders eener inkomstenbelasting zijn, hij het, wegens het groote gewicht der zaak voor de gemeente wel waard acht dat de vraag of men hier de verte-rings belasting zal verwisselen met eene inkomstenbelasting aan alle zijden wordt bezien en eenigszins meer uitvoerig besproken dan anders in raadsvergaderingen de gewoonte is. Er zijn ook hier te lande velen, die in eene inkomstenbelasting de beste en billijkste belasting zien, die er bestaat, ja zelfs die zoo voor-
39
treffelijk achten, dat sommigen hunner, alle andere belastingen zouden willen afschaffen om haar als impöt unique te bezigen. Die voortreffelijkheid zou daarin gelegen zijn, dat bij eene inkomstenbelasting iedereen betaalt naar rato van zijn vermogen. Men zegt: in de belastingen behoort ieder te dragen naar gelang en naar rato van zijn vermogen. Spr. is het met die stelling in principe volkomen eens, mits men ouder vermogen versta, de gegoedheid, den rijkdom in 't algemeen, zoodat de stelling hierop neerkomt, dat ieder behoort te betalen naar proportie hij rijk is. Of er in de praktijk zoodanige belasting te vinden is, dat is eene andere vraag, die Spr. niet zoo spoedig kan beantwoorden. Maar in theorie heeft bij niets op die stelling te neggen, doch wel op de tweede stelling, die de voorstanders van inkomstenbelastingen er aan toevoegen, dat als iedereen een gelijk percent betaalt van zijne inkomsten, dan allen ook evenredig betalen van hun vermogen, d. w. z. naar rato dat zij rijk zijn. Die stelling is onwaar, want niet alle menschen, die gelijke inkomsten hebben zijn daarom ook even rijk. Het groote uithangbord van billijkheid en gelijkmatigen druk eener inkomstenbelasting waarmede deze gewoonlijk den volke wordt aanbevolen en als de beste van alle belastingen wordt aangeprezen is dus geheel en al humbug. Maar er is meer. Niet alleen dat alle lieden die gelijke inkomsten hebben niet even rijk zijn, b. v. een vruchtgebruiker en een eigenaar die beide /' 1000 trekken als huur eener hofstede, maar het maakt nog een hemelsbreed verschil onder welke omstandigheden en uit welke bron de inkomsten getrokken worden. Daarom maakt de income tax, zooals die in Engeland geheven wordt, ten minste nog een onderscheid tusschen de soorten van inkomsten. Daar zijn 5 kategoriën (schedule's) van inkomsten, die op verschillende wijzen berekend en geheven worden. Het maakt toch een groot verschil of de inkomst voortdurend dan slechts tijdelijk en daarom hooger is dan eene voortdurende, b. v. of men die trekt uit soliede fondsen dan wel uit insoliede, die wel zeer hooge rente geven, maar misschien over eenige jaren niet veel meer dan scheurpapier waard zullen zijn; of men die trekt uit een kapitaal, en andere rentegevende goederen, dan wel zonder kapitaal, zooals de ambtenaar, werkman, winkelier, enz., wier verdiensten bij ouderdom, ziekelijken toestand en door den dood ophouden. Zelfs al staan twee belasting-plichtigen in dit opzicht gelijk, dan kan nog voor den e'én een inkomen van f 1000 veel meer zijn dan voor een ander, die zijn stand moet ophouden wegens het beroep of de betrekking, die hij bekleedt, of daarvoor b. v. eene bibliotheek of andere zaken moet hebben of wegens groot
40
geziu, slechte gezouclheid, belioeftige bloedverwanten, die hij moet onderhouden en wat niet al, uitgaven heeft te doen, die anderen niet hebben. Die zijn inkomen trekt uit kapitaal, dat soliede geplaatst is, kan gerust zijn geheele inkomen verteren, maar hij wiens inkomen bestaat uit een traktement of uit verdiensten , door arbeid genoten, weet dat die bij ouderdom, voortdurende ziekelijkheid, in allen geval met den dood, ophouden. Ouder zulke omstandigheden zal ieder verstandig mensch en huisvader een gedeelte van zijn inkomen niet verteren duch besteden om daarmede in een levensverzekering, weduwenfonds of door eenig kapitaal te verzamelen zich voor de toekomst te verzekeren, evenals eene verstandige handels-ruderneming niet altijd alles wat overblijft in een jaar geheel als winst beschouwt, maar een deel daarvan als reserve fonds afzondert tegen zeer mogelijke jaren van verlies. Op alle gezegde toestanden en omstandigheden behoorde eene inkomstenbelasting acht te slaan , maar doet zulks niet en kan het ook eigenlijk niet doen. Dit gaf dan ook den minister Blussé bij de verdediging zijner voorgestelde doch verworpen Avet tot invoering eener belasting op de inkomsten te kennen, toen hij. ofschoon volmondig toestemmende, dat Æ 1000 inkomen van A. meestal niet gelijk was aan f 1000 inkomen van B. en daarbij duizende omstandigheden moesten in acht genomen worden , echter de wetgever daarin niet kon treden en het slechts de vraag was, welke wet in de minste mate onrechtvaardig of onbillijk was: de patentwet, die zou komen te vervallen, dan wel de nieuw in te voeren inkomstenbelasting. In de plaatselijke verordeningen der gemeenten die eene inkomstenbelasting hebben, treft men dan ook geen dergelijke uit/onderingen aan, behalve voor het getal kinderen. Maar ik vraag, zegt Spr., is het niet onbillijk en onrechtvaardig als eene belasting enkel vraagt naar het bedrag van het inkomen, zonder te letten op den aard der inkomsten, de bron waaruit zij voortvloeien, het tijdelijke of voortdurende daarvan en de omstandigheden, waaronder zij getrokken worden ? Zoodoende rukt men de werkelijkheid geheel uit haar verband en isoleert het inkomen geheel van het kapitaal, waaruit het voortspruit. Het is dan ook niet te verwonderen dat de meeste ekonomisten en mannen van het fiuancie-wezen tegen inkomstenbelasting gestemd zijn, terwijl de meeste voorstanders zijn te vinden onder de demokraten en hen die eene algemeene verdeeling der bezittingen voorstaan, gelijk dan ook deze belasting op de kongressen der Internationale steeds bijval vond. â Gogel zeide reeds in het begin dezer eeuw âniet elk schatplichtige ofschoon gelijke inkomsten hebbende, met een ander, is daarom
41
iu kontribuabel vermogen gelijk.quot; Hij was liet, die de inkomsten-belastiugen der republiek, die volstrekt niet voldeden aan de verwachtingen welke men er van gekoesterd had hielp afschaften en vervangen door andere direkte en indirekte belastingen. Spr. beroept zich verder op Mac Gulloch, die al? slotsom zijner beschouwingen ever de income-tax zegt, dat zoodanige belasting ncoit goed te krijgen is: âit would be easier indeed to wash the Ethiopian white, than to make the tax fair and equitablequot;. Zelfs Bright, dien men nog wel voor een voorstander houdt, schreef in een brief aan de anti-income-tax association : âdat er weinig verschil bestaat over het hatelijk karakter en de onbillijkheid der income-tax, maar dat het niet gemakkelijk zou zijn eene andere bron van inkomsten te vinden''. Doch niet alleen de ekonomisten zijn in Engeland gestemd tegen de income-tax, niettegenstaande aldaar de wet op die belasting vrij wat uitvoeriger is dan de plaatselijke verordeningen en zelfs de voorgestelde doch verworpen wet tot invoering eener inkomstenbelasting zou geweest zijn.
De wet aldaar bestaat uit 189 artikelen en heeft, als gezegd is , diverse tarieven voor kooplieden, enz. Desniettemin voldoet die in geenen deele, zooals reeds in 1SG1 door eene kommissie uit het Lagerhuis, in een rapport over het voorstel van Hubbard, strekkende om de wet te wijzigen ten einde die billijker en meer gelijkmatig drukkende te maken, werd te kennen gegeven. Daarin wordt gezegd, dat de onbillijkheden, waarover men klaagde niet waren weg te nemen door verandering der bepalingen van de wet, daar zij meer in den aard der inkomstenbelasting zelve waren gelegen, dau wel in de wijze waarop zij werd toegepast en geheven: âin its nature and essence, rather than to the particular shape which has been given to it.quot; â Toen in 1872 alweder een adres van 44 kamers van koophandel bij het Parlement was ingekomen met klachten over de income-tax, gaf de minister Lowe in de zitting van 19 Mei 1872 te kennen, dat het naar zijn inzien geheel doelloos en noodeloos zou zijn om nog weder eene vierde enquête te houden over de wijzigingen, die wellicht in de wet konden gebracht worden ter verbetering , daar de gebreken dier belasting reeds zoo dikwijls onderzocht en gebleken, dat het geheel noodeloos was zulks nog eens te doen, en dat de bezwaren, aan eene income-tax verbonden onvermijdelijk waren en niet weg te nemen, zoodat men er maar in moest berusten en dat er niets anders overschoot, dan te zorgen, dat de uitgaven zoo verminderd werden, dat men de income-tax niet meer noodig had. In Amerika is men evenzeer tegen de aldaar geheven wordende
42
income-tax gestemd. In liet Huis van afgevaardigden aldaar werd, bij de beraadslagingen over belasting-hervorming, eene motie aangenomen, luidende: âHet Huis besluit, dat het ware beginsel van belastinghervorming strekt tot afschaffing van de income-tax.. . zoodra zulks bestaanbaar zal zijn met de handhaving der goede trouw en het krediet van den staat.quot; Spr. zet vervolgens uiteen, waarom eene inkomstenbelasting uit den aard der zaak nooit goed en gelijk drukkende te maken is zoolang die niet is gekombineerd met andere belastingen, in de eerste plaats met eene belasting op het kapitaal. Men kan zich wel is waar het inkomen denken afgescheiden van het kapitaal of de bron waaruit die vloeien, maar in de werkelijkheid bestaat het niet zonder kapitaal of andere bron . waaruit het voortspruit. Evenzoo kan men. omgekeerd, ook het kapitaal in de gedachte wel afzonderen van de inkomsten, die het afwerpt, maar in de werkelijkheid bestaat er geen kapitaal, zonder dat het vruchten afwerpt of ten minste kan gekonver-teerd worden in geld of iets anders, dat inkomsten oplevert. Wil men dus eene belasting hebben, die op de werkelijkheid gegrond is en niet op abstraktiën; wil men eene belasting die gelijkmatig drukt, dan moet die niet op het kapitaal alleen of op het inkomen alleen drukken, maar op beide tegelijk. Dan zal hij, die veel inkomsten trekt omdat zijn kapitaal inso-liede is, veel betalen voor zijne inkomsten maar daarentegen weinig aan de kapitaalbelasting, omdat zijne insoliede effekten mindere kapitaalswaarde hebben. Evenzoo, omgekeerd, zal hij die b. v. Æ 10000 bezit in Ned. schuld, omdat hij maar 41j pet. trekt zooveel minder in de inkomstenbelasting behoeven te betalen. Het eene balanceert dan het andere. Hij, die inkomsten trekt uit een vruchtgebruik, een ambt, uit zijne nijverheid, in een woord hij, die vruchten trek zonder kapitaal, betaalt dan niets voor kapitaal en daardoor minder dan degene, die voor die zelfde som aan inkomsten is aangeslagen, maar bovendien ook moet betalen voor het kapitaal, waaruit die getrokken worden. Bovendien is, in de werkelijkheid, het inkomen ook niet af te scheiden van de bestemming, die daaraan gegeven wordt, m. a. w. van de uitgaven of zooals men het in belastingzaken gewoonlijk noemt met de verteringen: kapitaal, inkomsten en uitgaven zijn in iedere huishouding en bij ieder belastingschuldige de drie momenten, die in aanmerking komen en niet kunnen afgescheiden worden of men vervalt in onbillijkheden en ongelijkmatigen druk der belasting, omdat zij in de werkelijkheid nooit afgescheiden voorkomen. Want, zooals Spr. reeds aantoonde, als Æ1000, voor den een
43
eeu ruim bestaan is, waardoor hij best 2 ii 3 pet. belasting kau betalen , dan is dat voor een ander , in de omstandigheden, waarin hij verkeert een schamel bestaan, waarvoor hij Va pet. betalende misschien nog hooger gedrukt wordt dan de eerste. Daarom zal iedere belasting, die alleen op het kapitaal, of alleen op de inkomsten, of enkel op de verbeteringen gebaseerd is, uit dien hoofde per se altijd ongelijk drukken. Alleen dan, wanneer men drie afzonderlijke belastingen op ieder dezer zaken heeft, of wel eene enkele belasting, waarin deze drie elementen te zamen zijn opgenomen en belast, zal die gelijkmatig drukken; ten minste zoo gelijkmatig, als bij belastingen mogelijk is. â Spr. zegt dat men hieruit nu waarschijnlijk het gevolg zal trekken , dat dan eene verteringsbelasting alleen, zonder bijvoeging eener kapitaals-belasting en inkomsten-belasting, eveneens per se niet kon voldoen aan den eisch van billijkheid en gelijkmatigen druk. Dit is dan ook ten volle waar. Onze tegenwoordige plaatselijke belasting enkel gebaseerd op de verteringen is slecht. Men zou die minstens met eene belasting op het kapitaal moeten vereenigen, zooals te Schiedam plaats grijpt. De vraag echter rijst, of art. 243 gem. wet niet verbiedt, om als hoofdelijken omslag, eene belasting van het kapitaal te heffen, hetzij alleen hetzij vereenigd met eene andere belasting, daar gemeld artikel zoo bepaald spreekt van het belasten van het inkomen der ingezetenen. Tn ieder geval zou Spr. meenen, dat eene dergelijke belasting, zooals verleden jaar te Schiedam is gemaakt, in dezen raad toch geen genoegzame bijval zou vinden. De vraag is uu maar, welk soort van pl. belasting is de minst slechte: eene inkomsten-belasting of eene verbeterings-belasting? Spr. kiest de laatste, omdat de inkomsten-belasting behalve de gebreken, die aan beiden gemeen zijn, bovendien er ook nog afzonderlijke bij heeft, die aan eene verterings-belasting niet verbonden zijn. Ie kan bij een verterings-belasting onderscheid gemaakt worden naar aanleiding der verschillende omstandigheden waarin de belastingschuldige verkeert, bijv. of degeen die een paard houdt, een beroep uitoefent waarvoor hij paarden noodig heeft, of eene dienstbode wordt gehouden door een logementhouder, landbouwer, enz. alle welke onderscheidingen en geheele of gedeeltelijke vrijstellingen maken, dat de belasting gelijkmatiger drukt. Maar eene inkomsten-belasting zegt eenvoudig /quot;1000 is f1000, verder doet het er niets toe af wie die trekt en hoe men die trekt; met onderscheidingen kan de wet zich niet inlaten. 2e. Eene vert.-bel. is gebasseerd op zaken, die men kan zien, uittellen of schatten; het valt ge-
44
makkelijk definities te geven van hetgeen men onder ecu paard, dienstbode ot' venster, deur, schoorsteen enz. verstaat. Maar geheel anders is het met het inkomen, dat men niet ziet en alleen een produkt van berekening en boekhouding is. Het is in vele gevallen hoogst moeielijk en onzeker, wat als inkomsten en wat als kapitaal moet beschouwd worden en waar de grens van beiden is te vinden, bijv. of lijfrenten geheel of gedeeltelijk als kapitaal, dan wel als inkomen moeten gerekend worden.
Er wordt nog steeds getwist tusschen de ekonomisten over eene juiste bepaling van het begrip inkomen bij eene inkomstenbelasting, terwijl in de meeste plaatselijke verordeningen , waarbij een iukomsten-belasting wordt geregeld, steeds wordt gesproken van het inkomen, zonder dat er bijgevoegd wordt, hoe dit moet berekend worden. Bij een deel der belastingschuldigen is dit wel gemakkelijk te berekenen, bijv. bij hen, die traktement of loon trekken, maar bij anderen, bij de kooplieden en fabrikanten, kan zulks alleen blijken uit eene balans, of liever uit hunne winst- of verliesrekening. Iedereen weet, en de droevige ondervinding leert het genoeg, hoe er met dergelijke balansen gemaneuvreerd wordt en hoe men daarmede naar gelang van omstandigheden eene zaak naar verkiezing winst of verlies kan laten opleveren. Wanneer men nu een koopman en speculant in waren het voorrecht laat genieten om zijn iu-komeu bij eene balans te laten berekenen dan kan men dit billijkerwijs niet weigeren aan iemand, die, ia plaats van in granen en olie, speculeert in effekten. Deze moet voor de inkomsten-belasting niet alleen opgeven wat hij in een jaar heett getrokken uit de koepons, der sukzessievelijk omgezette effekten, maar er bijvoege al wat hij door rijzing der waarde heeft gewonnen en kan daarentegen aftrekken al wat hij door daling van den prijs heeft verloren. Zelfs beweert Pierson in zijn bekend stuk over de inkomsten-belasting inde Gids-van 1872, dat iedereen ook de niet-spekulant, op die wijze zijn inkomen moet berekenen, en rekening moet houden van rijzing of daling zijner effecten in een gegeven jaar, zelfs al verkoopt hij die niet, daar alle belastingschuldigen naar hetzelfde systeem hunne inkomsten-berekening behooren te maken en de wet niet mag toestaan, dat de een zoo en de ander geheel anders rekent. Dit alles behoort eene wet of verordening op de inkomstenbelasting te regelen, evenals ook nog een aantal punten , bijv. of men van de winst in een gegeven jaar eerst mag aftrekken het verlies, in een vroeger geleden; of men een reservefonds mag hebben, of men afschrijving mag doen voor slijtage van gebouwen en werktuigen, enz. Doch de verordeningen houden
45
die bepalingeu niet in; zij spreken eenvoudig van het inkomen; wat dit is of niet is en hoe het berekend moet worden , dat moeten de belastingschuldigen en de kommissiën, die hunne aangiften beoordeelen naar zelf weten. Indien echter de wetgever reeds niet weet wat het inkomen is en hoe het berekend moet worden, dan zullen de belastingschuldigen en de kommissiën, die het beoordeelen moeten het nog veel minder weten. De minister Blussé zeide wel in 1872, bij de behandeling der wet in de 2e Kamer: âde wet kan zich niet in détails begeven, maar alleen het principe vaststellen, de rest vindt zich van zelf in de praktijk, evenals het bij de patentwet gegaan is,quot; maar de heer Heemskerk had dan ook recht te zeggen: âde grondslag dezer wet is eigenlijk de willekeurige aangifte der belastingschuldigen, getemperd door de willekeur der zetters.quot;
Het verdient dan ook opmerking dat, in 1871, de Saksische regeering te kennen gaf dat zij van het invoeren eener inkomstenbelasting had afgezien: âomdat het begrip van inkomen niet behoorlijk kon vastgesteld worden.quot; 3. Bij eene verteringsbelasting is kontröle mogelijk, omdat die op zichtbare eu tastbare voorwerpen berust, die kunnen nagegaan worden. Bij eene inkomstenbelasting is kontröle in de meeste gevallen onmogelijk, te meer als ieder belastingschuldige zijn eigen wijze van berekening heeft eu kan kiezen welke hem het meest profitabel uitkomt en niet genoodzaakt is bij de opgaaf van zijn vermogen tevens zijne berekening te voegen, noch ook om die met eede te moeten bevestigen. Dit laatste ten minste is in geene der plaatselijke verordeningen opgenomen, ofschoon het wel voorkwam in het ontwerp der wet op de inkomstenbelasting in 1872 verworpen, en toen de minister van financiën zelfs beweerde , dat, zonder beëediging of bevoegdheid om die te vorderen, eene inkomstenbelasting eigenlijk onuitvoerbaar werd, waarbij hij er zich op beriep, dat de afschaffing van den eed bij de successie in Belgie, de opbrengst een derde had doen verminderen. Waar inkomsten-belastingen geheven werden zijn dan ook de klachten over verkeerde en onware opgaven algemeen. Spr. leest eenige zinsneden op uit eene toelichtende memorie, door B. en W. te Arnhem gevoegd bij hun voorstel, dit jaar aan den raad aldaar gedaan tot herziening der ink. bel., en uit eene andere memorie van 7 leden uit dien raad tot toelichting van een door hen voorgesteld amendement op dat voorstel. In beide stukken wordt zeer geklaagd over de ongelijkmatige drukking dier belasting , veroorzaakt door de vele onware opgaven der belastingschuldigen. Van de 3108 aangiften in 1873 hadden B. en W.
er 700 moeten verhoogen, waaronder zelfs die van J 4000 op / 15000 inkomen gebracht werden, terwijl zijquot; er bijvoegen, dat er zeker nog velen waren, wier ontduikingen hun onbekend gebleven waren. Het publiek is daar eveneens hoogst ontevreden over de werking dezer belasting, die aldaar reeds 7 jaar in werking is geweest; getuige een hoofdartikel in de Arnh. Ct. van 30 Okt. 1873, waarin o. a. gezegd wordt dat niet alleen in de hoogere klassen, maar ook in die beneden / 4000, f GOOO en / 10000 inkomen âtastbare omfaarheden en openlijke fraudeering schering en inslag is, enz.quot;
Het eenig redmiddel, dat B. en W. aldaar er op wisten, en door den Raad ook is aangenomen, bestond in het laten drukken en verkrijgbaar stellen der kohieren, ten einde door die publiciteit van onware opgaven al te schrikken. â In Italië heeft dit jaar de minister v. fin. in de Kamer ook reeds gedreigd dit zelfde middel te appliceeren, daar het met die eigen aangiften van het inkomen toch al te erg liep. Of dit strafmiddel veel zal baten, meent Spr. te moeten betwijfelen. In ieder geval is eene belasting, die niet kan geheven worden zonder in dergelijke hatelijke dwangmiddelen te vervallen, waardoor bovendien ook de onschuldigen, die ware opgaven hebben gedaan mede worden gestraft door de openbaarheid aan hun fortuin geven, niet zeer aan te bevelen. 4. de grootste grief tegen de inkomsten-belasting is de openbaarheid, die daardoor aan het inkomen en bij konsekwentie ook aan het vermogen der belastingschuldigen wordt gegeven. De kontribuabelen zijn niet alleen hun geld kwijt aan de belasting, maar hebben nog bovendien het ongerief, dat hunne fortuin bekend wordt, zelfs al hebben zij hun inkomen zoo eerlijk en gemoedelijk mogelijk opgegeven. Niet alleen de koopman, maar ook menig huisvader kan zeer gewichtige en alleszins billijke redenen hebben waarom hij, zelfs voor zijne naaste bloedverwanten en huisgenooten, niet wil weten, dat hij zoo veel of zoo weinig inkomen heeft. Want. al vervalt men ook niet in zulke onhebbelijkheden als te Arnhem en te Middelburg, waar de kohieren gedrukt en uitgevent worden, en misschien over eenige jaren ook nog door den omroeper rondgeklonken zullen worden, zoo liggen de kohieren toch publiek ter visie en worden de aanslagbiljetten ongesloten rondgestuurd, waardoor allicht de aanslag bekend wordt. Men is hier te lande altijd zeer tegen de publiciteit van het vermogen geweest. Reeds in de 16. eeuw, toen Alva ons zijn bekende inkomstenbelasting wilde opdringen, zeiden de Staten in hunne remonstrantiën daarentegen gericht: âniemand wil hier in zijn geldkist laten zien.quot; Wat zouden
47
zij wel gezegd liebbeu indien Alva er bepalingen aan toegevoegd had, zooals te Arnhem en Middelburg bestaan ? Ten slotte wil Spr, nog een enkel woord zeggen over de groote verwachtingen, die men, naar zijn inzien ten onrechte, van de invoering eener inkomsten-belasting alhier koestert, dat daardoor meer hooger aangeslagenen zullen komen dan thans bij de nog geldende verterings-belasting. Te Arnhem waren in 1873 in de inkomsten-belasting aangeslagen 3108 personen, te zamen betalende f 99223. Daaronder waren slechts 9, die meer dan / 30000 inkomen hadden, te zamen betalende /8100 aan belasting; eene som betrekkelijk gering te achten in verhouding tot het totaal bedrag, niettegenstaande zij per hoofd van / G00 tot /1500 aan belasting betaalden.
Hier ter stede in 1873 pl. m. f 90000 betaald door 4737 aangeslagen, waarin de 3 hoogste klassen betaalden f 11802, terwijl in Arnhem de 4 hoogste klassen, zijnde van f G0000 tot f 100000, t. z. slechts 3750 betaalden van het totaal bedrag van f 99223. Naar die proportien dus te oordeelen, zou eene inkomsten-belasting ad f 90000 te Utrecht geheven wordende, in de 4 hoogste klassen minder opbrengen dan de tegenwoordige vert. bel. opbrengt in die klassen. Dus, zelfs al bleef de vermenigvuldigingstabel, zooals die thans is, en niet zooals de kommissie die voor de hoogere klassen wil ver-hoogen, waardoor de hoogste klassen voortaan bijna eens zoo veel zullen betalen, dan nog zou Spr. liet betwijfelen of de hoogste klassen bij de invoering eener inkomsten-belasting wel meer zullen betalen in het totaal bedrag dan thans. Maar wat stellig zeker is, bij de invoering eener inkomsten-belasting alhier, zullen eenige honderden personen uit den kleinen burgerstand, werklieden en mindere beambten, die thans, en terecht, van betaling in de plaatselijke belasting geh even volgens de verteringen vrij zijn, alsdan belastingschuldig worden. Te Groningen is ieder die/200iukomen heeft (d. i./5,76 per week) en te Arnhem die/500 inkomen bezit (d. i. /quot;9,62) belastingschuldig, zoodat het gemakkelijk is na te gaan, dat zelfs een aantal werklieden als zij hun loon en verdere bijvallen van fooien enz. te zamen rekenen zich aldaar moeten aangeven in de belasting. Spr. voorziet dat bij eene invoering der inkomstenbelasting alhier de klachten, in plaats van te verminderen, juist zullen vermeerderen, vooral bij de minder gegoeden.
De Inkomsten Belasting is met de tegenwoordige
bepalingen van art. 243 der Gemeentewet moeiliik
overeen te brengen.
(Brief aan Ged. Staten der provinciën d.d. 12 Aug. 1885 van Z. Exc. den Minister van Binmnlandsche Znken Heemskerk.)
Druk Tan F. B VAN DITMAB, Utrecht.