l'J'r Tquot;ir 7 v-, quot; , ' /
-N.' Ajr^lt; â v quot;Vi :,J Sf-i
-Wy \-w .W ,V' A ⢠Spl
\Nquot; \gt; V ''\'~' Sml} , ,
^ v-
â i*': *tl â¢Sm: i
r,-i
^ NV -
/â y.;;
, ! J . ' - .
,«r . , i- ^ i i
':4 y gt;â¢',quot;
v ^ -y
â Vv A vj .; W X^S.-
i-rliiMj 4 .nf f
V â¢; v. v wl
|^; ' IT ^ ; wjN. -,
feoirfc J .
mn-i: / x^-^.Va-I
⢠^ f, -.-vA. V- ^
ft . i . gt;â v 7^ 'â ' v ^
Vlt; Vgt;.i JÃ
f!
v _ / / a ., f .N
W wf. gt;v' ..\
V ^
â1 \V, \
â¢.1 ^'gt;r -â
\L Vi,
' y. gt;â J'^ -XaI vf*
ij - v -- j'Si'Mja
;.; ^ -sgt; /â Wv ^
Ac^quot;' 'v'fv;?;.| |C:gt;^v.^, \,cr-^v;/'
l i v . . / v vf A' '⢠- . ty /-â â . iV ^ - '
w .. -⢠-/â -gt;; -^/^j v â â: ü v
w ^ v v-vquot;' A- UAc ,vxC
M'-'ry r -r
N'»v- lt; i,-.t,:v .(' ^
if;,- gt;- v ^ ^ ! ^ 1 f â gt; -Thh iiiquot; a
««gt;»,^jgt;quot; ir***?-' ' J lt;# i
'â / â ⢠, igt;-^N . ,
sj , gt;£, (j- ..vi Jf- X, v;
N».,.-' Wé.'
-:r.-:- '
Kr-â
r ⢠S^J v.
lt; yquot; s
' â /% 'v
. -
â i »
-J w %
.,:rft As
quot;, . . y gt; **â¢..
â ,â ' r s. w â¢
â 'W S~
W «.c ^ .
â¢ja,-. 'Tf*-. y
' â¢\ V quot;V gt;gt;. ^
,1
S wi X, 7 ,'
â a f'. v' X.
1- .â ' . '^Hr M f*amp; fe. » ⢠r.{â } -f.
t .' ;w . A tur rgt; 'Aquot;* s â »...'« quot;vJ'cC
quot;â â¢â¢: .â â i*' tib/Vgt;quot;â gt;^ y
â¢gt;'â â . _. â V )fc./^gt;^»28F^ f-'j -n â¢,*
â¢X:quot; quot;â X../11 'A,$i
itMi- v
* â¢. â¢. s â M
r-Y /'y :
/ quot;V *? 'C*-. \K i x'*' JTj, ÃX \ ^ » Nv â¢
i... V' *? '£ . c sJ â¢/ \ -
K-u' ' â * * V
'V â V,
»quot;^'.i'- i.j kt#
;^;VH :^v
,V Vv i ^ X. » x. . W - I \quot; . / ;â â -â ; I i*- «â !
«â :
' vVXt V quot;S-V^V '.N?
. .r -v . â¢: â¢? -v ^
sac ji a ,--' ^ -â 'KM-' V '
r ' ' ^.gt;râ «-= ; gt;. . - . ^ i:. «. i .â¢ââ -.. â¢
; s â W wW v v ''. â â .....-f-. t
-: V y -
' \^quot;-w-'i'V'v»*'1 , x i
;.â V ^
i; :â: A!.*-1'-- : t:' â¢' ' â¢â¢
^ _JX gt;s. ^ -,t^ J
.. â ^: quot;j \ :CV v l
â¢- 7
v' .;⢠:quot;'â¢/ j/ ' v i
â¢.=?â 'â -.. . W â If lt;.. VV?f
fequot; -MM
«fiuü__dHL.
»1/
7
/ i» /e /
H
TEYSMANNIA
onder redactie van
Dr P. VAN ROMBURGH en H. J. WIGMAN,
met medewerking van de Heeren
Cu. Baumoartes, M. E. Bebvoets, .1 Bi.eij, Du. J. o. Boeulaoe, Dr. W. (i. Boorsma, Dr. J. van Breda de Haan, Dr. W. Birck, W. Buurman van Vreeden, Dr. A. van Hijlert, Dr. J. M. .Tanse, R. E. Kerkhoven, Dr. J. C Koningsberger, S. H. Kooroers, P van Leersum, G. C. F. W. Musdt, J. Smith, Dr. M. Treub, Dr, Th. Valkton, A. G. Vorderman, e. tt.
/.K\ i;\m; ih I I.
BATAVIA - 'S GHAYKMHAGK.
G. KOLFP amp; Co
1897
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
i»,,,
INHOUD.
OORSPRONKELIJKE STUKKEN.
Blz.
Animisme, Planten..... op Java, door A. G. VoBDEnMAX . . 57.
Bemesting, Op welk theoretisch en praktisch standpunt
heeft zich de......te stollen, door Dr. W. R. Tromp
dk Haas.............. 579.
Bloemen als voedsel, toespijs enz., door II. J. Wioman . 113.
Bloemen om te snijden, door J. J. Smith Jr. . . . 351.
Boomen, Het nut van......, door H. J. Wioiian . . 341.
Bonte bladeren. Prof. Stahl over....., door S H. Koordeks 225.
Cacao-cultuur, De......in Guadeloupe, door Dr. P. van
Romburgii............. 477.
Druiven, Over deteeltvan......, door Q-. Ottenhopp Jr. 178.
Enten, Het......van koffie-hybriden, door V . . . 529.
Gazonplanten, door J. J. Smith Jr....... 123.
Gember, door H. J. Wioman........ 525.
Getali Pertja, hare eigenschappen, haar voorkoraon en do wijze, waarop zij gewonnen wordt, door Dr. P. van Romburoh ............. 37,134.
Grassoorten, De determinatie der Indische......, door Dr.
J. G. Borrlaoe............ 595.
Kiemkracht van zaad, door H. J. Wioman .... 170.
Kotfieboom, Over do stoornis in de ontwikkeling van
don...... door overdracht, door H. s' Jacob . . . 285 .
Koffiecultuur, Een boek voor opzichters bij de......door
Dr. P. van Rombüroii.......... 366,
Koffieproducties, Over......in verband met den regenval, door Dr. \V. Burck..................1.
Kunstmeststoffen, door Dr. A. van Bijleut .... 143.
Liberia-koffiecultuur, Over....... op Java, door Dr.
P. van Rombcrgh en H. J. Wigman .... 509,557, 621 .
IV
Blz.
Mangga's onder bescherming van mieren, door Tan
Exo Tjoen..........................30.
Mangir-boom, De..... van Java, Ganopbyllnm falcatum
131,, door Dr. J. G. Boerlage en S. H. Koouders. . 485.
Pisang, Over....., door J. R. quot;Wigman............306.
Planten in luiis, door H. J. Wigman............323.
Planten voor bloemperken, door H. J. Wigman ... 33,
Plantwijze, Een nieuwe (?) koffie- ..... door N. B. . 532.
Proefstations, De Landbouw..... en het Departement
van Landbouw in de Vereenigde Staten van Noord-
Amerika, door Dr. J. M. Janse..............536.
Randen, Over.... met bloeiende planten, Canna's, Chrysanthemum's, enz., door H. J. Wigman..........641.
Reukstoffen, Kunstmatig bereide...... door P. van
Rombuhgh..........................317.
Rozen, Causerie over....., door H. J. Wigman . . . 401.
Rozen, Iets over do verschillende groepen onzer gecultiveerde....., door II. J. Wigman............573.
Rupsenplaag, Een..... en rupsenziekte in de kinaplantsoenen, door W. K......................256.
Schaduwboom, Een.....voor koffie, door C. J. de Jaaoeu 65.
Snoeien, Eenige wenken over het.. .doorO. Ottenhoff Jr. 411.
Stikstofverbindingen, De omzettingen van de.....inden
bodem, door Dr. J. M. .Iansk........ 598, 649.
Stikstofvoeding, Do..... van koffie en andere planten,
door Dr. J. M. Janse....................181.
Vezelstof-leverende planten, door H. J. Wigman. . . 230.
Vruchtenteelt, door II. J. Wigman..............464.
William Roxburgh, door Dr. J. G. Boerlage. . . . 457.
Wortels, De.....in het huishonden der plant, door Dr.
J. van Breda de Haan..................385.
SPROKKELINGEN UIT NIEUWE PUBLICATIES.
Aardbeienteelt..........................49.
Aarde, Gebrande........................415.
Acacia's..............................678.
Bacteriën, Het benutten van verschillende bodem...
voor den Landbouw......................337.
V
Ulz.
Balsem van Liquidambar....................500.
Begonia's, Een ziekte in de..................48.
Bemesting van Potplanten....................679.
Bloemenweelde, Do..... der 19e eeuw............373.
Bloemversiering..........................618.
Boekbeschouwing........................614.
Boomen-dag in Japan......................161.
Boomen, Gezellig-groeiende.....van de familie der Dip-
terooarpaceae..........................46.
Boomsnoeien, Tien regels waarop bij het.....moot gelet
worden..............................371.
Bromeliaeeeën..........................494.
Cacao, Een ziekte in......................212.
Cacao, Iets over het fermenteeren van..... op kleine
ondernemingen........................375.
Canna-zaad, Over........................373.
Caoutchouc-cultuur in Florida..................336.
Caoutehouc-industrie, Nieuwe..... in Lagos. ... 45.
Caoutchouc uit Madagascar..................491.
Caoutchouc, Verbod tot uitvoer van..................671.
Champignon, Ben zwavelkoolstof vormende..............377.
Champs Elysées..........................675.
Citronella-olie, Nog eens........................ICO.
Coffea stenophylla............ 331,672.
Corchorus capsularis, Een vergiftige stofin de zaden van.... 617.
Cubebe, staartpoper......................555
Cypripedium-soorten, Vergiftige werking van verschillende..................................215.
Djeroek, Een nieuwe variëteit van..................166.
Druiven-cultuur in Ceylon....................74.
Gambir, De daling in..........................672.
Grassen, Het eonserveeren van..... met aluin . . . 49'J.
Grassfarras................................2C7.
Herbarium van De Candolle..................497.
Hout, Export van..... uit Duitsch Nieuw-Guinea . . 48.
Houtonderzoek, Technisch.....in Japan..........217.
Jonge plantjes, Hoe komt het dat soms..... na 't verpoten zoo slecht vooruit willen................565.
VI
Kopal in Duitsch Oost-Afrika........
Kapok-koekeu............
Katoenzaad en de daaruit te winnen producten .
Kernhout van loofbooiuen.........
Kieming, over de inwerking vanchemische agentiën op de..
Koffle-vrueht, Over hot vruchtvleesch van de.....
Koper in plantaardige stoti'en........
Konijnen-plaag, Een..... in Amerika.....
Kool, Een nieuwe wijzo om.... te planten. .
Leucaena glauca Benth.........
Medicijnen, Inlandsche............
JLos voor Plantencultuur.........
Nootmuskaatbootneu, Ziekte in.........
Nuttige planten, Aauteekeningen over.......
Ooftteelt in Ceylou...........
Parkia biglobosa. Over de voedingswaarde van het meel
uit do zaden van............
Phaiaenopsis leucorhoda.........
Pollotine..............
Pisang..............
Pisang-handel, De..... van Janifiica . ...
Plantaardige producten in Perzië.......
Plantaardige producten uit Brazilië......
Plant, Een kostbare............
Rami...............
Rami-vezel.............
Roest, Zwarte..............
Röntgen, Toepassing van het photogrspheeren mot de stra
Ion van......op het onderzoek van plantaardige stoffen
Kruiden en struiken. Armoede aan...... in sommige
tropische bosschen..........
Rupsen op koolplanten..........
Soja-boonen, Eenige Chineesche..... praeparaten
Stikstof-voeding, Over de..... der Legurninosen.
X- stralen, Ken proef met.....op kiemplanten.
Suiker en tabak...........
Thee, Leppett......van Burma.......
Thee-zaad, L)o handel in Assam........
Bl,z.
VII
Blz.
Tuinbouwtijdschrift, Een nieuw Nederlandsch......
Uit hot April-Bericht van Schimmel amp; Co.....
Vanielje...............
Vanieljo-bereiding, Eeu nieuwe methode van......
Versiering, De.... van den Palmengarten in Frankfort.
Vruchtensappen, Ongegiste............
Wapens op vruchten...........
Waterlelies..............
Wetenschap en praktijk in den Landbouw.....
Wortelafscheidingen, Over............
Wortels, Insnijding van.... bij het overplanten.
Wijnbouw in Noord-Ohina.........
Zaden, Het latente leven der...........
Zijde, Het vervaardigen van kunstmatige.......
BEKNOPTE MEDEDEELINGEN UIT DE PRAKTIJK.
51. 211.
49G.
673. 301. 676.
674. 73.
370. 554. 552. 378.
371. 490.
53, 168, 416, 680.
KORTE BERICHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN UITGAANDE VAN DEN DIRECTEUR DER INRICHTING.
419. 219.
270. 280. 109.
75. 504. 379.
De grondsoorten, welke in Deli voor de tabakscultuur
worden gebezigd en hare eigenschappen.....
Do rupsenplaag in Kediri veroorzaakt door don oelar-djarau. Dierlijke vijanden der koffiecultuur. 8. De Engerlingen,
(oerets)..............
9. De slakrupsen...........
Een naderend gevaar voor de dadap in Kediri
Een ziekte in de Deli-tabak veroorzaakt door het tabaks-
aaltje ...............
Javaansche houtsoorten geschikt voor de Lucifer-industrie Koffieschillen als mest in koffietuinen......
LIJST VAN PLANTEN- EN DIERENNAMEN.
|
Aaltjes..... Aardbeien. Abacca..... Acacia arabica Willd. Blz. 89. 49. 233. 678. |
Acacia cultriformis Hook. 078. â dealbata . . . 678. v Faruesiana Willd. 678. â lonjnfolia Willd. G79. |
â VIII
|
1?LZ. Acacia melanoxylonR.Br. 679. â petiolaris Lohm. 678. â pyonantha Bnth. 678. n vera Willd. . . 678. Acajou du pays ouamer. 478. Acalypha..... 643. Achillea squarrosa . . 351. Acrocarpus fraxinifolius. 624. Adenanthera microsperma T. et B. . . . 505,506. Afzelia......48. Agave americana. . 241, 130. â Ixtley. . . . 130. â mexicana . . . 130. â rigida var. longifolia 241. â rigida var. sisalana241. 130. , vivipera . . . 243. â xalapensis Roezl. 130. Alang alang .... 267. Albizzia moluccana Miq. 65, 172, 513, 023. â montana Bth. . 616. , procera Benth. 505, 506. â stipulata Benth. 65, 506, 623. Aleurites moluccana Forst. 505. Alocasia..... 326. â macrorrhiza Schott. 132. â pubera Schott. . 132. Aloë......130. Alsem...... 352. Alsophila glauca J. Sm. 132. Altingia excelsa Ifor. . 500. Ananas...... 236. Angiopteris . . . . 132. Anggrek boelan . . . 360. |
326. 356. 116. 35!. 118. 126. 504. 505. ArundinariajaponicaS. et Z. 126. â stolonifera Krz. 126. Arundo donax. . . . 315. Aspergillus Orizae . . 414. Asplenium longissimum . 327. Asters......34. Astrocaryum .... 251. Atlaskever..... 270. Baccharis sp..... 352. Badoet. 34. 126. 126. 126. 126. 126. 504, 595. Bakoeng..... 353. Balsamienen . Bamboe audong â ater . â bitoeng â boeloe - bonte Bi.z. Anguillidae . . . 89. Anisoptera eostata Korth. 47. Anjelieren. . . . 33,641. Anthartherum pungens . 348. Anthemis nobilis L. . 118. Anthurium..... 326. â Andreanum . 328. â cristallinum . 328. â nmgnificum . 328. â regale . . . 328. â Schertzerianum 328. Antirrhinum majus . 34,641. Apogonia destructor Bos. 275. Areca lutescens . Areuj kikandel Arnica..... Artemisia lactitiora Wall Arthistiria gigantea Cav Artocarpus Blumei Tree |
|
ix | |||
|
islz. |
ulz. | ||
|
Bamboe longkatali . |
126. |
Cacao ladre .... |
479. |
|
, tamiaug . |
126. |
â Margariteno . |
480. |
|
Bambuseae..... |
546. |
... |
212. |
|
Bassia latifolia |
113. |
Caesalpinia arborea . |
023. |
|
Beaumontia grandiflora |
â Bonducella Flem. |
162. | |
|
Wall...... |
352. |
, dasyrrhachis Miq. |
629. |
|
Beaumontia multiflora T. |
â ferruginea Dcu. |
623. | |
|
352. |
Calanthe veratrifolia R. Br. |
352. | |
|
Begonia .... 48, |
326. |
Calendula officinalis . |
116. |
|
â Gogoensis . |
329. |
Calliopsis..... |
34. |
|
â Kex. . |
329. |
Calophyllum Calaba. |
478. |
|
â riciuif'olia A.Dtr. |
352. |
v Inophyllum |
48. |
|
â Verschatteltiana |
Cananga odorata Hook. | ||
|
Rgl. . . . |
352. |
et Thoms..... |
505. |
|
Belippa laleana Moore . |
281. |
Canna Aleraania . |
045. |
|
Bëuda..... 504, |
505. |
â America . |
645. |
|
Bertholletia excelsa . |
489. |
â Austria. |
644. |
|
Blailkevers..... |
270. |
â Bavaria |
645. |
|
Bladsprietigen. |
270. |
â Borussia . |
645. |
|
Bidara oepas .... |
1G3. |
â Burgondia. |
645. |
|
Boehmeria nivea . |
488. |
â edulis .... |
373. |
|
â tenacissima . |
488. |
â indica .... |
373. |
|
Boengoer, quot;Witte . |
357. |
â Italia .... |
644. |
|
Bombax heptaphyllum . |
119. |
â La France. |
645. |
|
â Malabaricum DC. |
504, |
â Pandora |
645. |
|
505. |
Caoutchouc .... |
491. | |
|
Borassus fiabellifomis . |
251. |
Oapparis spinosa . |
119. |
|
Botrytes Bassiana |
274. |
Capsicum annuum |
324. |
|
, teuella . |
274. |
Caraguata Ibera . |
238. |
|
Bowstreng-heunop. |
238. |
Cardyceps..... |
274. |
|
Bruidstranen, witte . |
3C2. |
Carludovica .... |
129. |
|
Bromelia..... |
326. |
Carthamus tinctorius. |
116. |
|
â argentea . |
238. |
Caryophyllus aromaticus L. |
117. |
|
Butea frondosa Koxb. 504 |
505. |
Caryota..... |
128. |
|
Cacao..... 330, |
375. |
â furfuracea. . |
327. |
|
â Creole . . . .' |
479. |
â urens.... |
252. |
|
â Cayenne . |
480. |
Castilloa elastica . |
631. |
|
â Criollo. |
480. |
Cedrela odorata . |
478. |
X
|
Blz. |
13lz. | ||
|
Celosia cristata . |
34. |
Cypripedium parviflorum. |
215. |
|
Cephaleuros Coffeae . |
677. |
â pubeseens . |
215. |
|
Chalcosoma Atlas L. |
270. |
â spectabile . |
215. |
|
Chalsis...... |
223. |
Cyrtostachys rendah. |
327. |
|
Chrysanthemum . . 34 |
646. |
Dactyloctenium aegyptia- | |
|
â cinerariao- |
cura...... |
267. | |
|
folium B, ct H. |
118. |
Dadap...... |
109. |
|
Chrysanthemum roseum |
â blondoeng. |
625. | |
|
WeberetMohr. |
119. |
â minjak. |
625. |
|
Chrysalidocarpus lutos- |
â rangrang . . . |
625. | |
|
cens Won dl. . .128, |
326. |
â bong . . . 505, |
506. |
|
Citrus decumana . .167 |
475. |
« i'i..... |
625. |
|
v...... |
414. |
â srep .... |
625. |
|
â Lima .... |
470. |
â tjoetjoek . |
625. |
|
â Limetta Risso. |
470. |
Dahlia's..... |
642. |
|
â medica acida. 166, |
470. |
Uali...... 505, |
506. |
|
â nohilis Lour. 166, |
167. |
Datura albaN. ab. E. |
60, |
|
Clematis paniculata Thb. |
353. |
â fastuosa L. . |
61- |
|
Clerodondrou serratum |
Dendrobium mutabile Lndl. |
354, | |
|
Spr...... |
119. |
Dendrocalamus giganteus |
126. |
|
Clostridium Pasteurianum |
665. |
v Hamiltoni. |
264, |
|
Cocos campestris Mart . |
129. |
Dianthus..... |
33. |
|
Coöoa Liberica . |
331. |
â chinensis. . |
641. |
|
â stenophylla . 330, |
672. |
Dieff'enbachia .... |
326. |
|
Calligonoa polygonoides |
115. |
Dillenia speciosa . |
119. |
|
Colocasia aiiti()Uorum Sch. |
59. |
Dipterocarpus Baudii Korth. |
47. |
|
Convallaria majalis . |
373. |
â pilosus Roxb. |
47. |
|
Convolvulus .... |
35. |
â tuberculatus | |
|
Corchorus capsularis. |
617. |
47. | |
|
Cordia subcordata |
48. |
Djabon..... 505, |
506. |
|
Cosmus bipinnatusfl.albo. |
353. |
Djamboe bidji. |
162. |
|
Crinum asiaticuni L. |
353. |
Djampang koeda . |
267. |
|
Crocus sativa.... |
115. |
Djangkocng .... |
362. |
|
Croton...... |
643. |
Djeroek...... |
166. |
|
Cubehe...... |
555. |
Djeungdjing .... |
623, |
|
Cycas circinalis L. . |
129. |
â laut . |
623. |
|
Cynoctonum .... |
49. |
Djinkat.....504 |
505. |
|
Cyperus altcrnifolius L. |
127. |
Djoedjooloek .... |
267. |
XI
|
liLZ. Djookoot malèla . . . 165. DojR..... 505,506. Domdoman.....ii67. Dracontomelum raangife- rum B1..... 505. Druiven . . . . 74, 178. Dryobalanopa aroniatica Giirtn. 1'. . . . . 47. Duizendblad .... 351. Duizendknoop. . . . 361. Duranta Plumierii Jac(|. fi. atbo..... 354. Dvnastidae..... 270. Dysoxylon amooroides Miq. 505, 506. â ? caulostachyum Miq. . . 505,506. 267. 133. 250. 119. 267. 223. 270. 47. 643. 623. Echinocliloa stagnina. Ebretia buxifolia Kxb. Elaeis guiueënsis. Elettaria speciosa B1. Eleusino indica . Encyrtus .... Engerlingen . Eng-tree .... Eranthemum . Erythrina .... â Hypaphorus Boerl. 505, 506, 625. s iudica . . . 477. â lithosperma Miq. 505, 500, 625. Erytliroxylon Coca . . 331. Eucharis granditioraPlanch.354. Eagraea littoralis B1. . 355. Ficus callosa Willd. 505, 506. B melinoearpa Bl. . 505. Fourcroya cubensis . . 246. |
Blz. Fourcroya cubensis, inermis 246. r gigantea . . 243. â longa . . . 131. Gaillardia.... 35, 641. Galbas...... 478. Galiusoga parviflora Cav. 280. Gambir...... 672. , oetan .... 357. Gandasoeli..... 355. Gardenia florida L. 132,643. â Horida L.Ã. pl. 355. â radicans Thb. 355. Gedong sèpöt. . . . 233. Gember...... 525. Genger......119. Getab pertja .... 37. Getah taban seinpor. . 135. Gigantochloa .... 126. Glaeosporura Musarum Cooke et Massee . . 310. Gledok pantok . . . 359. Glingsöm .... 505, 506. Goraphreua globosa . . 34. Ganopbyllum falcatum Bl. 485. 505, 506, Gramineac..... 596. Gras, Citronella ... 160. â Pampas. . . . 126. Grevillea robusta. . . 624. Gynerium argenteum N. ab. E......126. Hanekam.....34/ Hareueus.....363 Helianthus.....34. anuuus . . 642. Heliconia aurea-striara . 130. Hemerocallis fulva . . 115. graminea . 115. |
XII
|
ÃLZ. Hemileia vastatrix . . 529. Heterodera.....89. â javanica . . 105. Hevea brasiliensis . 330, 631. Hedychium coronarium Koen...... 355. Hedysarum coronarium . 177. Heynia sunmtrana Miq. 355. Hibiscus liliitioris. . . 643. â rosa sinensis . 648. â siinilis Bl. . 504, 506. â tiliaeeus. . . 414. Homaliumtomentosum Vent.505, 506. Honjoh......119. Hoya excarata T. et B. 356. Hydrocotyle .... 49. Hymenocallislitf oralis Herb.356. Hymenachne interrupta. 267. Hymenophyllum . . . 49. Hypolimnas . . . . 110. llat-liatan. . . . 505,506. Immortelle geante . . 477. Impatiens .... 34. Imperata anmdinacea . 267. Inga laurina .... 478. Ipomoea.....35. â Gomezii Cl. . 164. â mammosaChois. 163. Isachne miliacea . . 267. Isaria densa . . . .274. Isonandra Gutta ... 39. Isotoma longiHora Prsl. 356. Jambosa densiflora . . Ii9. Jasminum glabriusculum Bl. 357. , grandiflorum L. 321, 356. , odoratissimum L. 321. |
ÃLZ. Jasraiuum parviflorumDcn. 357. . sambac Ait. . 357. Kakawatan . . . . 267. Kalakkambing. . . . 61. Kamfer......211. Kamlandingan. . . . 119- Kamperfoelie .... 357. Kamillen.....118. Kappertjes.....119. Kopal............369. Karejo......132. Katja piring . 132, 355, 643. Katoen......617. Ködoet............504. Këmbang kantjing . . 34. â mentega . . 364. â sepatoe. . . 643. â tembaga . . 364. Këmiri............505. Këmlandingan. . . . 616. KSmoening .... 643. Kemroenggi .... 162. Kenanga..........505. Ketjoeboeng .... 61 Kickxia africana Benth. 45. Kiseroh..........357. Kitjankoeran . . . . 119- Kladi-oetan .... 59' Kleinliovia Iiospita L. . 505. Klitji......162. Kloentjing. . . . 504,506. Koela abbal .... 233. Ivoetoh......162. Koffie..... 181, 330. â Hybriden . . . 529. â Abeokuta . . . 330. â Liberia. . . 53, 509. Koffo............233. |
XIII
|
Blz. |
Blz. | |||
|
Kolc..... |
333 | |||
|
Kopo..... |
119. |
Maagdepalm .... |
364. | |
|
Kruidje roer mij niet |
173. |
Madre del cacao . |
477. | |
|
Lachnosterna . |
. |
270. |
Mahoni...... |
478. |
|
Lagerstroemia reginae |
Mangga ..... |
31. | ||
|
Kxb. tl. alb. |
. |
357. |
Mangir.....505 |
506. |
|
Lamellicornia . |
270. |
Mangirboom .... |
485. | |
|
Lamtaril .... |
. |
G16. |
Mauja bodas .... |
126. |
|
Landolphia. |
45, |
491. |
Martinezia..... |
129. |
|
Laportea peltata Oaud. |
504, |
505. |
Maryland-tabak . |
210. |
|
Latania..... |
129. |
Matricaria Chamomillae L. |
118. | |
|
Lawsouia alba Lam. |
357, |
643. |
Mata hiang .... |
102. |
|
Leouwebekjo . |
34, |
641. |
Mauritius-hennep. |
243. |
|
Lompoejangan. |
267. |
Melati...... |
357. | |
|
Lèrkarabing . |
61. |
â gambir. . . . |
356. | |
|
Lësös..... |
505. |
Melia Azedarach var-Ja- | ||
|
Leucaena glauca Bth. |
119, |
G15. |
vanioa K. et V. . 505 |
506. |
|
Licuala..... |
128. |
Melianthes major. |
115. | |
|
Lilium auratum . |
120. |
Melocanna Blumei Krz. |
126. | |
|
, concolor |
120. |
â brachyclada Krz. |
126. | |
|
n Glehnei . |
120. |
â Hasskarliana Krz. |
126, | |
|
â ionsriflorum . |
121. |
Melolouthidae. |
270. | |
|
, Thunbergii |
115, |
Merremia niammosa Hall./'. 164. | ||
|
â tigrinum . |
120. |
Meyeuia erecta Makoy . |
132. | |
|
Limacodes graoiosa Wost- |
Miressa niteus Walker . |
281 | ||
|
wood .... |
, |
281. |
Mimosa pudica |
173. |
|
Limacodidae . |
280. |
Mimulus quinquevulneris | ||
|
Lindebloesem . |
118. |
Hrt...... |
51. | |
|
Limuoeharis Plumierii |
H. |
Mindi. . . . 505,506, |
624. | |
|
et B..... |
119. |
Moenoeng .... 504, |
51)5. | |
|
Lingi..... |
267. |
Moonlight..... |
360. | |
|
Liquidambar altingiana . |
500. |
Mucuna prurita Hook. . |
60. | |
|
â orientalis Mill,500. |
Murraya exotica . |
643. | ||
|
, styracifluaTr. 500. |
Musa Bajoo .... |
235. | ||
|
Lolohan .... |
505, 500. |
â ensete Gmel. . |
129. | |
|
Lonchocarpus sp. |
330. |
â maculata |
316. | |
|
Loiiicora javauica DO. |
357. |
â Mindaueusis Rmph. |
233. | |
|
â oxylepis Miq |
357. |
â Sumatrana. |
235. | |
XIV
|
Blz. |
Blz. | ||
|
Musa superba Ilxb. . 129, |
313. |
Oreta extensa Wlk. . |
219. |
|
â toxtilis Ruiz, . |
232. |
Osmorrhiza .... |
49. |
|
Nanas sabrang L. |
130. |
Orthocraspeda trima, Moore 281. | |
|
Nauclea ? cordata BI. 505, |
50G. |
Paardrups..... |
219. |
|
Nelumbium speciosum |
Palaquium borneenso. 40, |
139. | |
|
Wild. H. alb. |
358. |
â Gutta. . 40, |
136. |
|
Nemathelminthes. |
89. |
oblongifolium |
40. |
|
Neraatoden .... |
89. |
â Treubii . 40, |
139. |
|
Nerium odorum Soland. |
Palicourea gardenioides | ||
|
fl. alb. . . . |
358. |
B. et H..... |
359. |
|
Nicotiana giganteum. |
210. |
Palmen..... |
326. |
|
â macrophyllum |
210. |
Pakoe hadji .... |
129. |
|
â tabacum, var-yir- |
â kebo .... |
132. | |
|
giniana. |
210. |
â tiang .... |
132. |
|
â texanuin var-rustica |
210. |
Panax crispatnm . |
132. |
|
Nieuw-Zeelandsch vlas . |
246. |
â obtusum Bl. |
132. |
|
Njamplong..... |
48. |
â victoriae |
132. |
|
Noisette rozen |
404. |
Pandanus utiiis Bory |
127. |
|
Nootmuskaatboom |
336. |
â Vcitchii . |
127. |
|
Nymphaea..... |
172. |
Pangang ..... |
119. |
|
â Lotus L. il. alba |
358. |
Pangium edule Reinw. |
505. |
|
â zanzibarensis Caspary 73. |
Paniceae..... |
595. | |
|
Ocimum minimum |
323. |
Panicum limnaceum . |
267. |
|
â basilicum . |
323. |
Para-rubber .... |
330. |
|
Oobi soefoe .... |
163. |
Parasa bicolor. Walker . |
281. |
|
Oedoelan..... |
2G7. |
â lepida, Cramer . |
281. |
|
Oelar djaran . . .110, |
219. |
â loesa Walker. |
281. |
|
Oorets...... |
270. |
,, laleana Moore |
281. |
|
Olagambing..... |
61. |
â trima, Moore. |
281- |
|
Oleander ..... |
358. |
Parkia africana R. Br. . |
119. |
|
Orania regalis Zipp. |
129. |
â biglobosa . |
679. |
|
Oranje...... |
216. |
â Roxburghii . |
119. |
|
â Harts Late . |
476. |
â speciosa . |
680. |
|
â Jafïa..... |
476. |
Paspalum raallicomum . |
267. |
|
r Majorca .... |
476. |
Passalidae..... |
270. |
|
â Parson's Navel. |
475. |
Patjar koekoe . . 357 |
643. |
|
v Ruby..... |
476. |
â tjina .... |
643. |
|
â St. Michael's Blood. |
475. |
Pavetta..... |
643. |
XV.
|
Blz. Pavotta arborea BI. . . 359. â incaruata BI. H. alb. 359. â littorea BI. . . 359. â nigricans K. Br. . 3G0. â \V yckii Hsskl. . 360. Payona Leorii . . 40, 136. Pelerkambing . . . 61. Peltophorum .... 623. Pennisetum Euppelianum 127. Pentaspadon Motleyi Hook. 360. Peper, staart . Petah-Petah . Peto .... â seion. â tjina . . . Petunia Peundeuj . Phalaenopsis ambalis â Casta . â Cynthia â Leda . â leucorhoda â Schilleriana â Schilleriana-gloriosa 678. â Youngiana . 678. Phormium tonax. . . 246. Phlox Drummondi . 34,641. Phoenicophorium sechel- larum Wendl. 120. Phoenix farinifera lioxb. 128. â hybrida. . . 129. Phragraitis sp. . . . 126. Phytocoriden . . . .212. Pilea......49. . ooo. . 629. . 114. . 114. 114,616. 34. 114,624. 677, 360. 678. 678. 678. 678. 677. Piper cubebe yar-badak 556. Pinus sylvestris . . . 51. Pisang 263, 306,492. |
Blz Pitheeolobiuiu polyeepha- lum Benth. . 68. â sanian. . 624, 65. Platygastridae . . . 223. Plfisa..... 504, 505. Ploempoeng .... 267, Plumiera acutifolia l'oir. 360. â alba L. . . . 360. Poetjoeng..........505. Pogonatherum crinitum. 267. Peis deux. . , . . 478. Polygala glomerata Lour. 165. â variabilis H. B. et Iv. albitl. . . . 361. â chinenso L. . 361. â chinense L. co- rymbosum .... 361. â orientale L. 362. Polyauthes tuberosa L.. 361. Pompelmoes .... 167. Porana paniculata Rxb. 362. â volubilis Burm. 362. Portulaca.....34. Psidium Guayava L. . 162. Pterospermum Javanicum Jungh..... 504, 506. Pulicaria.....116. Pyrethrum cinerariaefo- lium Trev.....118. Pyrethrum coronopifolium v 'wild......119. Quassia amara. . . . 115. Rami..... 167, 488. Randoe alas . . . 504, 505. Kavonala madagascarien- sis............673. Raoo............505. Raphia............250. |
XVI
|
13lz. |
Ulz. | ||||
|
lierawèan..... |
60. |
Roos |
Car. liiquet. |
404. | |
|
KouzenkeTers. |
270. |
V |
Catharine Mennet. |
404. | |
|
liha|)histemma pulchellum |
r |
Céline Forestier. 403 |
404. | ||
|
Wall...... |
362. |
V |
Centifolia . |
574. | |
|
lihapis fiabelliforniis Ait. |
128. |
V |
Centifolia rosea. . |
405. | |
|
Rhizophora mucronata . |
170. |
V |
Charles Lefebre |
405. | |
|
Rhizopus orizae . |
415. |
V |
Cheshunt hybride . |
404. | |
|
Rhododendron indicum Sw. |
363. |
V |
Clara Sylvius . |
404. | |
|
Roe |
mpoot bengala, . |
267. |
V |
Cloth of Gold . 403 |
404. |
|
â grintingan. . |
267. |
V |
Col, de Rougemont. |
405. | |
|
â kebo . |
267. |
V |
Comtesse d'Oxford. |
577. | |
|
â malele . |
267. |
V |
Coquette des Alpes. |
405. | |
|
â nieinerakan |
267. |
V |
Crimbson Rambler, |
407. | |
|
â palias . |
267. |
t» |
Devoniensis. |
404. | |
|
â pait. . . . |
349. |
V |
Dr. Andry . |
405. | |
|
Roomsohe kamillen . |
118. |
V |
Dr. Grill.... |
409. | |
|
Roos Abel Grand. . |
405. |
V |
Due de Rohan. |
405. | |
|
V |
Adam .... |
404. |
V |
Empress Eugénie . |
404. |
|
V |
Alba rosea . |
404. |
V |
Eugène Appert. 405, |
577. |
|
V |
Alfred Colomb . |
405. |
V |
Euphrosine . |
408. |
|
V |
Apoline .... |
404. |
rgt; |
Fiametta Nabonnand |
go o |
|
V |
Amazone |
404. |
V |
Flava .... |
573. |
|
p |
Auguste Mie . |
577. |
V |
Gallica .... |
574. |
|
n |
Anna Olivier . |
404. |
V |
Géant des Batailles. |
405. |
|
n |
Baronne A. deRotli- |
V |
General Jacquemi | ||
|
schild..... |
405. |
not .... 405, |
577. | ||
|
V |
Baronne de Roth |
V |
Gloire de Bordeaux |
404. | |
|
schild ..... |
577. |
V |
Gloire de Ditcher . |
405. | |
|
7) |
Beauty oi'Stapleford |
577. |
V |
Gloire de Dyon. 573, |
575. |
|
n |
Beauty of Waltham. |
405. |
V |
Gloire of Waltham. |
405. |
|
D |
Belle Lyonnaise. . |
404. |
V |
Henry Bennet . |
404. |
|
ï) |
Belle Siebreeht. |
407. |
Yl |
Horaère .... |
404. |
|
n |
Bongalensis. |
575. |
V |
Hybride remontont. |
574. |
|
n |
Black Prince . |
405. |
V |
Impératrice Elisa | |
|
n |
Camelia blanc . |
404. |
beth d'Autriche. . |
409. | |
|
rgt; |
Camillo Bernardiu. |
405. |
r |
Isabelle Sprunt. |
404. |
|
577. |
V |
Jean Jerpin. . |
405. | ||
|
V |
Capt. Christy . |
405. |
V |
Jean Liabaud . |
577- |
XVII
|
liLZ. |
Blz. | ||||
|
Roos |
Jeanne Duclier. |
404. |
lioos |
Pavilion de Pregny |
577. |
|
V |
Jeanuie Dickson . |
409. |
V |
Pierre Netting. |
405. |
|
V |
Jolm Hopper . |
405. |
V |
Polyantiia Mignonette 408 | |
|
V |
Jules Margottin. . |
577. |
77 |
Polyantha Pacque- | |
|
Yf |
Lady Marie Fitz |
407. | |||
|
William. |
407. |
V |
Polyantha sarmeu- | ||
|
1) |
La France. 405, 407, |
578. |
tosa..... |
407. | |
|
V |
Lamarque . . 403, |
404. |
V |
Prince Camille de | |
|
r) |
Louis van Houtte . |
405. |
Eohan .... |
405. | |
|
w |
Mad. A. do Kouge- |
77 |
Prince of Wales . |
405. | |
|
inont..... |
577. |
77 |
Queen Victoria. |
405 | |
|
w |
Mad. Alex. Dureau. |
405. |
77 |
Raglan .... |
405. |
|
77 |
Mad. Augusto Perrin. |
577. |
77 |
Reine Marie Hen | |
|
77 |
Madame Bérard |
575. |
rietta .... |
575. | |
|
77 |
Madame Bravy. |
404. |
77 |
Revo d'Or . |
404. |
|
77 |
Mad. Camille . |
404. |
77 |
Rosomane Alex. 11a- | |
|
77 |
Mad. Car. Küster . |
404. |
guier..... |
408. | |
|
77 |
Mad. Duclier . |
404. |
77 |
Rubens .... |
404. |
|
77 |
Mad. Emilie Charin. |
408. |
77 |
Saft'rano |
404. |
|
77 |
Mad. Eugène Verdier. |
405. |
77 |
Salfatare |
404. |
|
77 |
Mad. Faleot. . |
404. |
77 |
Sharman Crawfurd. |
408- |
|
77 |
Mad. Levet. |
404. |
77 |
Sonv. de la Malmai- | |
|
77 |
Mad. Margottin. . |
404. |
404. | ||
|
77 |
Merveille do Lyon. |
577. |
77 |
Souv. de Paul Neyron |
404. |
|
77 |
Mad. Moreau . |
573. |
77 |
Souvenir du Dr. | |
|
7» |
Mad. Victor Verdier |
405. |
Jaraain .... |
577. | |
|
77 |
Mad. Villormaz |
404. |
77 |
Sou v. du Prés. Car- | |
|
77 |
Mabel Morrison |
577. |
not..... |
408. | |
|
77 |
Marchioness of Lon |
77 |
Thalia .... |
407. | |
|
donderry .... |
409. |
77 |
574. | ||
|
77 |
Maréchal Xiel . 403, |
575, |
77 |
Triomphe de Rennes |
404. |
|
404. |
77 |
Turner's Crimson | |||
|
77 |
Maréchal Vaillant. |
405. |
Rambler. |
409. | |
|
77 |
Mario Bonman. |
405. |
77 |
Victor Emauuëi |
404. |
|
77 |
Marie van Iloutte. |
404. |
Victor Verdier. |
577. | |
|
77 |
Miss Bosanquet |
404. |
77 |
Virginal |
404. |
|
77 |
Niphetos |
404. |
77 |
Viridiflora . |
404. |
|
7» |
Paul Neyron . 405, |
573. |
77 |
White Rambler |
407. |
XVIII
|
Bl.z. Rosa damascena. . . 574. â indica . . . .575. â portlandica. . . 574. â Noisette. . . . 574. Rubus rosaefolius Sm. H. pl..............363. Russelia juncea Zuec . 132. Saceharum edule Ilasskl. 119. Sat'rtor......HG. Salvia coecinea . . . 36. â cocoinea splondens. 36. â fariuosa. . . . 36. Sambucus nigra L. . . 118. Saraodja..........360. Sanseviera cylindrica. . 239. â guinoëusis . 239. , Kirkii. . . 240. â longitiora. . 240. â Roxburghiana. 239. M zeylanica Willd. 240. Santen............359. Sapindus Rarak Dc . . 486. Sarai......128. Sarcolobus narcoticus. . 61. Schizolobium excelsum . G24. Schizophyllum lobatum , 377. Schloichera tnjuga Willd. 487. Scopolodes unicolor, West- wood......281. Sedap malam. . . . 361. Selaginella apoda. . . 502. Selamtiirii.....616. Semboong-koowook. . 505, 506. Sompohr.....119. Sëngawè .... 505,506. Sengon . . 65, 505, 506, 623. , laut.....65. , sabrang . . . 623. |
Blz. Senteh......132. Seroh wangi . . . . 160. Shiraz-tabak .... 210. Sborea Balaugeran . . 47. â robusta . . . 46. Sideroxylon nitidum BI. 504, 505. Silkgras..........246. Singoegoe.....119. Sisal-hennep .... 241. Slakrupsen..........280. Soewalèn.....251. Soga............623. Soka............359. Sophora japonica . . 174. Sojaboonen .... 413. Spathiphyllura cannaofor- mo Engl..........363. Spathiphyllum commuta- tum Schott.... 363. Spinners..........280. Spondias mangifera, var. Javanica K. et V. 504,506. Steplianotis tioribunda Brgn............363. Stereospermum hypostic-ticum Miq. . . . 505, 506. Strophanthus .... 45. Swietenia Maiiagoni. . 478. Tabak......209. Tabernaemontana eorona- ria 11. Br. fi. pl. . . 364. Tagetes.....34. Tangisan baroek . . . 355. Tangtong goela . . . 364. Tarate ketjil .... 358. â witte .... 858. Tarsonynms Bancroffii . 48. â Buxii . . 48. |
|
ÃLZ. |
Bi.z. | ||||
|
Toboe trooboek . |
119. |
Viola tricolor maxima |
. |
36. | |
|
Telanthera strigosa Miq. |
3G4. |
Viti-s vinifera. |
. |
. |
178. |
|
Tenglor..... |
1G2. |
Vittailonia triloba |
Hort . |
365. | |
|
Toreas...... |
223. |
Vlier . . . |
. |
⢠|
118. |
|
Tetrameles nudiHora li. Br. |
505. |
Wadang . |
⢠|
504, |
506. |
|
Theutheuk .... |
G25. |
Wadheran. |
. |
. |
267, |
|
'J'hosea sinensis Walker. |
281. |
Walikambing . |
. |
61. | |
|
Thrinax argentea Lodd. . |
128. |
Worawarikambing |
. |
. |
61. |
|
â barbadensis Lodd. |
128. |
Wargoe |
128. | ||
|
Tilia europaoa L. |
118. |
Wormkruid |
⢠|
⢠|
118. |
|
â ulmifolia Scopoli . |
118, |
Waroe . |
⢠|
414. | |
|
Tillandsia..... |
405. |
â gombong |
504, |
506, | |
|
nv Timanga ..... |
505. |
Waterlelie. |
73 |
358. | |
|
Titiwoean..... |
3G1. | ||||
|
Torenia Hailloni . |
35. |
Widara oepas. |
. |
⢠|
163. |
|
, Fournieri |
35. |
Winoong . |
505. | ||
|
ïrevesia sundaica Miq. . |
119. |
Wiroe . |
. |
128. | |
|
ïrichomanes .... |
49. |
Woodhoelan . |
. |
267. | |
|
Tropaeolum majus |
119. |
Wawalan . |
. |
275. | |
|
Unona odoratissima . |
322. |
Wijnstok . |
. |
. |
215. |
|
Vallisneria spiralis . |
171. |
/jephyranthuseant |
lidallerb. 365. | ||
|
Yauielje .... 49G |
G73. |
Zingiber officinale Koscoe |
525. | ||
|
Varens..... |
32(1. |
Zinnia elegans |
34 |
641. | |
|
Yatica Lamponga Brok. |
3G4. |
â linearis |
⢠|
⢠|
34. |
|
Verbena..... |
36. |
Zonnebloem |
34. | ||
|
Vornonia arborea Hamilt. |
505. |
Zygopetalum Tabago |
. |
119. | |
|
Vinea rosea L. tl, alba . |
364. | ||||
OVER KOF FIEPRODUCTIES IN VERBAND MET DEN REGENVAL.
In een artikel, dat de vorige maand is verschenen in het Tijdschrift voor het Binneulandsch .Bestuur, over de oorzaken, die geleid hebben tot den achteruitgang van de Gouveruenients-koftiecultuur, heb ik er met een enkel woord op gewezen, welk een buitengewonen invloed de âwisselvalligheidquot; in de oogsten in de op elkander volgende jaren heeft uitgeoefend op den loop van zaken bij de Gouvernements-kof'Hecultuur en daar ter plaatse meegedeeld, zonder daarover in détails te treden, dat ik een onderzoek naar de factoren, die den oogst jaarlijks beheerschen tot uitgangspunt had genomen van alle verdere beschouwingen.
Het komt mij voor, dat de resultaten van dit onderzoek de belangstelling kunnen wekken van de lezers van Teysmannia en het is om die reden, dat zij ter opname in dit tijdschrift worden aangeboden.
Om den lezer een overzicht te geven van de enorme schommelingen, die in de producties der Gouvornements-kofhecnltuur de laatste jaren zijn voorgekomen, heb ik hieraan «Is Bijlage
I toegevoegd een tabellarisch overzicht van de hoeveelheden koffie in picols in de Jaren 1859 tot 1894 uit de Gouverne-ments-inkooppakhuizen uitgeleverd en bovendien als Bijlage
II eene kaart, waarop die hoeveelheden koffie door eene lijn
zijn voorgesteld. lt;â¢
Men ziet uit deze graphische voorstelling met een oogopslag, dat groote en kleine oogsten in zeer onregelmatige volgorde met elkander afwisselden.
Zeer vaak zijn groote oogsten gevolgd door kleine en omgekeerd kleine oogsten door groote, zonder dat hierin een vaste regel valt waar te nemen.
VII 1
Moer dau eens tocli volgden twee groote oogsten direct op elkander (18G9 en 1870); somwijlen zelfs drie (18(i5, 18C0 en 1867) en ook wel eens vier (1881, 1882, 1883, 1884) terwijl ook wol eens op een jaar met een zeer middel matigen oog-st wederom een kleine (1801 en 1862) of middelmatige (1877 en 1878) is gevolgd.
Dat op gunstige jaren vaak kleine oogsten volgen is meermalen opgemerkt on werd dan dikwijls in verband gebracht met het feit, dat do plantsoenen aanzienlijk kunnen lijden aan do gevolgen van oen overvloedige vruchtdracht en het daarop volgend jaar moeite hebben zich daarvan te herstellen vóór dat de nieuwe bloeitijd is ingetreden. Ieder dio koffieinspec-ties houdt of koffietuinen bezit, weet zulks van eigen aanschouwing.
Toch is over den ganschen Java-oogst genomen die invloed van een grooten oogst op dien van het volgend jaar niet van overwegend belang, zooals reeds blijkt uit hot feit, dat niecr-malen 2, 3, of 4 groote oogsten op elkander zijn gevolgd. Natuurlijk zal dit moeten worden toegeschreven aan do om-standighoid, dat wanneer in een gunstig jaar ook ai enkele plantsoenen al te rijkelijk hebben vrucht gedragen, zulks niet te gelijkertijd goldt voor alle plantsoenen in alle Gewesten van Java, waar koffie wordt geplant.
Al moge dns ook deze factor vaak van zeer groot gewicht zijn voor een bepaalde koffieonderneming of voor enkele onder dezelfde omstandigheden verkeerende Gouvoruements-tuinen, toch mag daaraan niet te groote boteekenis worden toegekend onder die factoren, welke den ganschen Java-oogst van het volgend jaar bepalen; zijn invloed is in elk geval onbeduidend vergeleken bij dien van een anderen alles overheerschenden factor, dien wij zoo aanstonds zullen loeren kennen on die verband houdt met deu regenval.
Do afhankelijkheid van do koffieoogsten van den regen is van aigomeene bekendheid cn in allo koffie producoerende landen wordt daaraan dan ook een groote invloed toegeschre-
veil zoowel op den bloei en de bevruchting der bloemen als op de eerste ontwikkeling van liet jonge vruchtbeginsel en het rijpen der vruchten.
In verschillende werken over de koffiecultuur, in nota's en in rapporten vindt men daarvan gewag gemaakt en algemeen is do meening, dat in don regel op een betrekkelijk nut jaar een middelmatige of kleine oogst volgt; terwijl omgekeerd een overvloedige oogst wordt voorafgegaan door een betrekkelijk droog jaar. Vooral wordt een groote invloed op den oogst toegeschreven aan een voorafgaan den drogen Oostmoesson.
In hoeverre die algemeene opinie juist is of onjuist zal zoo aanstonds blijken.
Een eigenlijk onderzoek had daarnaar tot dusverre, voor zoover mij bekend is, nimmer plaats gehad; men bleef dus in 't duister eerstens omtrent het werkelijke verband, dat er viel op te merken in de koffieproducties en den regenval on ten tweede ook omtrent do oorzaken van dit verband; te weten : de roden, waarom door den regen een nadeelige invloed wordt uitgeoefend op bloei en vruchtzetting of op één van beiden.
Uit de kaart blijkt verder dat in de jaren 1859 tot 1S80 in den regel in elk tijdvak van 5 jaren een buitengewoon slecht oogstjaar is voorgekomen, terwijl na dion tijd een dergelijke misoogst iu elk tijdvak van 3 jaren werd geoonstatoerd.
Om die reden heb ik dan ook de gemiddelde bedragen zoodanig gekozen, dat de slechte oogstjaren 1862, 1864, 1871, 1875, 1880, 1887, 1890 en 1893 gelijkelijk werden verdeeld d. w. z. van af 1859 â 1889 de gemiddelden berekend uit een tijdvak van 5 jaren en van af 1889 tot 1894 uit een tijdvak van 3 jaren, zoodat telkens slechts één slecht oogstjaar zijn invloed doet gelden op hot cijfer van don gemiddelden oogst.
Die gemiddelden zijn op de kaart door horizontale lijnen aangegeven.
Wanneer nu in hotgeon hier volgt wordt gesproken overeen grooten, een kleinen of een middelmatigen oogst in een bepaald jaar wordt hiermede bedoeld een oogst, die groot, klein of
middelmatig mag heeten vergeleken met den gemiddelden oogst in het tijdvak, waartoe het jaar behoort.
Ten einde nu het verband te leeren kennen, waarop zoo even gewezen werd, is het noodig allereerst stil te staan bij hetgeen wij weten omtrent den regenval op .lava.
Reeds in vroegere jaren werden door enkele personen en vooral door Junglmhii geregelde plaatselijke regenwaarnemingen gedaan, die gewoonlijk werden bekend genaakt in het tijdschrift der Koninklijke Natuurkundige Vereeniging.
Weinige dezer aanteekeningen loopen evenwel over een eenigszins aanmerkelijk aantal jaren en sluiten ook maar weinig aan aan die, welke later werden geregistreerd. Eerst in 1871) is men met eeno geregelde meting en registreering van den regenval begonnen door do oprichting van een groot aantal regenstations, waarvan 52 op Java en Madura, waarop in 1880 nog die van een 17tal andere is gevolgd.
Sedert is liet aantal stations aanzienlijk uitgebreid, vooral doordat particuliere planters en suikerl'abrikanten zich aan deze hoogstgewichtige aangelegenheid meer en meer lieten gelegen liggen. Verder werden ten behoeve van de irrigatie en in den laatsten tijd ook voor de Oouvornements-koffiecul-tuur op vele plaatsen stations gevestigd, zoodat na verloop van eenige jaren ongetwijfeld een vrij goed overzicht zal kunnen verkregen werden van den regenval op Java en hare verdeeling over de verschillende streken.
In deze Gewesten, waar de regenval in de op elkander volgende jaren zoo buitengewoon verschillend kan zijn, krijgen die aanteekeningen eerst meerdere waarde naarmate het aantal Jaren, waarin zij werden opgenomen grooter wordt, terwijl plaatselijke waarnemingen, die slechts over enkele jaren loopen, van weinig beteekenis zijn om daaruit tot den gemiddelden regenval van een Gewest of van eene bepaalde streek te eon-cludeeren.
Om dus den invloed van den regenval op de koftieproduc-ties na te gaan heb ik dan ook uitsluitend gebruik gemaakt
van die plaatslijke waarnemingen, die sedert 1879 (of 1880) zijn geregistreerd geworden d. i. over eene serie van 15 (of 14) jaren.
Aangezien liet voor mijn doel van belang was om te weten aan welke schommelingen de regenval in do op elkander volgende jaren onderworpen was, ten einde daarmede de Huetuaties in de koffieproductie te kunnen vergelijken, heb ik in Bijlage
III een overzicht gegeven van de hoeveelheid gevallen regen op 69 regenstations op Java en Madura] terwijl in Bijlage
IV het aantal regendagen op die zelfde stations en in diezelfde jaren in een tabel zijn bijeengebracht.
De gegevens daarvoor zijn ontleend aan de Registers van liet Mag'ietisch-Metereologisch Observatorium alhier, welke met de meeste bereidwilligheid ter mijner beschikking werden gesteld.
Uit elke serie van 15 (c. q. 14) jaren 1879 (1880) â 189IJ werd vervolgens liet gemiddelde berekend, waardoor met een oogopslag kan worden gezien of een bepaald jaar voor oen bepaalde plaats een betrekkelijk droog of een betrekkelijk nat jaar is geweest m. a. w. of do regenval boven of beneden don gemiddelden is gebleven.
Zoo was b. v. het jaar 1880 voor Batavia een nat en 1881 een droog jaar.
Voor die stations, die eerst in 1880 werden opgericht werd in de eerste kolom voor den regenval in 1879 met cursieve letter hot gemiddeld cijfer ingevuld van dien over do 14 volgende jaren.
De ware regenval in 1879 op deze 17 plaatsen is dus niet juist aangegeven en daarom is ook het totaal van den in dat jaar gevallen regen op do 69 stations geen juist cijfer.
Aangezien 1879 onder de rcgenrijko jaren moet worden ge-gerangschikt is de som van den gevallen regen te klein.
Do onder de verschillende jaarkolommen aangegeven sommen geven verder een idee van den regenval over gansch Java en Madura in zoover men daaruit, wederom in vergelijking met den gemiddelden regenval, lezen kan of oen bepaald
â 6 â
jaar eon 'oetrokkelijk nat dan wel een droog jaar is geweest.
Zoo blijkt daaruit bij voorbeeld, dat, getoetst aan het gemiddelde van löG.ÃÃO niM., het jaar 1879 een zeer regenrijk en het jaar 1891 een zeer droog jaar is geweest.
Brengen wij nu dozen regenval op de G!) stations over in eeno lijn {15ijlage V), dan zien wij reeds dadelijk, dat deze in onregelmatigheid niet veel onderdoet voor die dor koffieproductie en dat droge en natte jaren zich zonder ecnigen vasten regel afwisselden; dat nu eens een droog jaar gevolgd werd door een nat jaar maar dat ook somtijds drie droge jaren achter elkander zijn voorgekomen (1883, 1884, 1885), die gevolgd werden dooi' twee natte jaren (188G, 1887).
Dat er verband bestaat tusschen regenval en het bedrag der koffieinlevering in liet daarop volgend jaar en juist in den zin als liierboveu aangegeven, wordt al aanstonds duidelijk bij een blik op Bijlage VI, waar de regenval door een sterkere en de koffieproductie door eene zwakkere lijn is aangegeven. (1) Hieruit lezen wij toch reeds dadelijk:
dat op het jaar 1893 met een gemiddelden regenval een oogst is gevolgd in 1894, die hot gemiddelde bedroeg van die welke do laatste 3 jaren (1892 â94) verkregen word, verder dat op het natte jaar 1892 een kleine oogst volgde in 1893; op het droge jaar 1891 een groote oogst in 1892;
op liet relatief droge jaar 1890 een betrekkelijk groote oogst in 1891;
op het natte jaar 1889 een kleine oogst in 1890 enz.
In do onderstaande tabel wordt dit alles meer overzichtelijk voorgesteld.
1893 middelmatig oogst 1894 middelmatig
1892 nat 1891 droog
1893 klein 1892 groot
1890 betrekkelijk droog â 1891 middelmatig
(1) Er zij liipr opgemerkt, dat wanneer in een bepaald jaar de regen invloed uitoefent op den bloei of de vruchtzetting, die invloed zich openbaart iu het volgend jaar, wanneer de oogst wordt ingeleverd.
|
1889 |
nat |
oogst |
1890 |
klein |
|
1888 |
droog |
n |
1889 |
groot |
|
!gt;⢠GC X |
nat |
ygt; |
1888 |
klein |
|
188G |
nat |
» |
1887 |
klein |
|
1885 |
droog |
rgt; |
1886 |
groot |
|
1884 |
droog |
V |
1885 |
klein |
|
1883 |
droog |
â¢n |
1884 |
groot |
|
1882 |
nat |
V |
1883 |
groot |
|
1881 |
droog |
rgt; |
1882 |
groot |
|
1880 |
nat |
n |
1881 |
middelmatig |
|
1879 |
nat |
r) |
1880 |
klein |
Men ziet uit dit overzicht, dat het verband niet te raiskonncn valt, In don regel zjjn kleine oogsten gevolgd op natte jaren en groote oogsten oj) droge jaren.
Sloohts twee uitzonderingen komen op dien algemeenen regel voor n. 1. de oogstjaren 1883 en 1885.
Evenwel moet dadelijk worden opgemerkt, dat men oen al-geheele overeenstemming niet mag verwachten, al was het slechts om de eenvoudige reden, dat de regenval op 69 plaatsen ons geen zuiver beeld geeft van den regenval op geheel Java.
Verder is er nog eene andere reden om het verband minder duidelijk voor den dag te doen treden.
Bestond de invloed van den regen in een meerderen of minderen graad van doordrenking van den bodem, die schadelijk zou kunnen worden voor den bloei en do vruchtzetting, zoodra zij een bepaalden graad was overschreden, dan voorzeker zou men meerdere overeenstemming mogen verwachten, doch zooals zoo aanstonds zal blijken is dit niet het geval.
Het is slechts in bepaalde maanden van het jaar, dat de regen (1) nadeelig kan zijn, terwijl hij in do overige maanden op de productie geen invloed kan uitoefenen.
Hierdoor wordt dus het beeld der afhankelijkheid van de productie van den regenval min of meer onzuiver.
Wat nu betreft de twee zooeven genoemde uitzonderingen
(1) Ik spreek hier voorloopig van den invloed van den regen : zoo aanstonds zullen wij zien, dat ilo uitdrukking'sregenquot; niet geheel jubt is.
â 8 â
op don regel, valt het niet moeielijk om reeds dadelijk eene verklaring te vinden voor die, welke hot oogstjaar 1885 geeft.
In dat jaar had men een grooten oogst mogen verwachten; toch bleef hij zoo als blijkt, ver beneden liet middelmatige.
Men zal zich echter herinneren, dat 1885 het voor de koffiecultuur zoo noodlottige jaar is geweest, waarin de bladziekte in zulk oen hevigen graad is opgetreden als nimmer te voren en ook nimmer daarna, zoodat toen op de particuliere onderne-mingen en in de Gouvernementstuiuen voor een zeer groot deel do oogst is verloren gegaan.
Aan vele Gouveruementstuinen is dat jaar oene onherstelbare schade toegebracht cn daardoor wordt het feit toegelicht, dat do oogst zoo bizonder tegenviel.
Minder gemakkelijk laat zich de tweede afwijking verklaren; ik moet dan ook voorloopig daarvan afzien om zoo aanstonds daarop terug te komen, wanneer wij eeu eenigszins dieperen blik in de zaak zullen geslagen hebben.
Wanneer ik zoo even twee oorzaken noemde, die maakten, dat do afhankelijkheid van den oogst van de mindere of meerdere iioevoellioid gevallen regen niet met de moest mogelijke duidelijkheid uit do grapliischo voorstelling valt af te leiden n.1. eerstens de omstandigheid dat do regenval op G!) stations geen juist beeld geeft van dien op gansch Java en ton tweede omdat de hoeveelheden werden modogorokond gevallen in die maanden, waarin de regen geen invloed kon uitoefenen op don oogst van het volgend jaar, dan moet ik thans nog op eon paar andore bronnen van fouten wijzen.
Zooeven is stilzwijzend aangenomen, dat wanneer een bepaald jaar een gunstig oogstjaar was voor Java â d. w. z. dat in het bedoelde jaar de productie stoog boven hot gemiddelde van don oogst in liet tijdvak, waartoe dat jaar behoordeâ, dit ook tegelijkertijd oen gunstig jaar was geweest voor alle Gewesten, zoowel in Oost- Midden-nis AVost-Java.
Inderdaad is zulks dan ook regel zooals blijkt uit Bijlage I doch al weder een regel, waarop uitzonderingen zijn voorgekomen. Zoo
â 9 â
was b.v. in het jaar 1883 de oogst in gansch PFeslt;-Java zeer gering vooral in vergelijking van liet daaraan voorafgaande jaar 1882;
de oogst van de Preanger-Regentschappen b.v. bedroeg slechts 102.000 picols, terwijl zij hot vorige jaar 213.000 picols had bedragen.
Daarentegen was de oogst in datzelfde jaar in Ooslt;-Java zeer groot in vergelijking met dien van het voorafgaande jaar; Pasoeroean bracht toen 423.000 picols op tegen 281.000 in 1882.
Voegt men dus do kleine oogsten van West-Java bij de groote oogsten van Oost-Java dan geeft dit een verward beeld en kan men ten slotte niet zeggen, dat 1883 een gunstig oogstjaar is geweest.
Natuurlijk zouden wij het zuiverste overzicht krijgen van het verband tusschen koffieproducties en regen, wanneer wij gelegenheid hadden om den regenval gedurende een groot aantal jaren opgeteekend in een bepaalden Gouverments-tuin of op eene particuliere onderneming konden vergelijken met de productie van dienzelfden tuin in die jaren.
Doch aan dezen eisch is niet te voldoen.
Gesteld al eens, dat een der regenstations geplaatst was in of nabij zulk een tuin en daarmede een serie van 14 of 15 jaren waarnemingen waren gedaan, dan nog zouden wij stuiten op de moeieljjkheid, dat do tuin niet altijd gedurende dat aantal jaren dezelfde uitgestrektheid had bezeten, zoodat niet allo jaren van hetzelfde aantal hoornen was g: )ogst geworden en zulks nof? afgezien van de omstandigheid, dat ook de plantsoenen langzamerhand minder productief waren geworden wegens hoogeren leeftijd.
Maar toch kunnen wij het werkelijke verband op verschillende wijzen nader komen.
le. door b.v. dei regenval in West-Java in kaart te brengen met de productie van West-Java: of den regenval in Oost-Java met de productie van Oost-Java.
2e. door de productie van een bepaald Gewest te beschouwen in verband met den regenval in dat Gewest.
- 10 â
Bij liet hier sub. 1 genoemde wil ik niet stilstaan om niette uitvoerig te worden en liet aantal kaarten niet noodeloos grootor te maken.
Eovendien is daarvan ook niet zulk een goede overeenstemming te verwachten als van het snb. 2 genoemde. Nu moot echter worden opgemerkt, dat wanneer wij zulk een verband in kaart willen brengen, wij zeer beperkt zijn in de keuze van het Gewest, dat wij in nadere bescliouwingon willen nemen, omdat zooals blijkt uit de Bijlage III het aantal regenstations in verreweg de meeste Gewesten zoo uiterst gering is, dat do regenval, die daaruit berekend kan worden, ons in 't geheel geen voorstelling geeft van dien in de geheele Residentie.
Betreffende Probolhiycjoh. v. bezitten wij slechts een 15-jarige serie van regenwaarnemingen opgenomen op twee plaatsen: n.1. de hoofdplaats en Loemadjang en ten aanzien der Residentie Pasoeroean kunnen wij alleen beschikken over de waarnemingen tc Ma lang, Pasoeroean en Lmbur(j\ voor Soerahqja zouden wij ons moeten behelpen met den regenval ter hoofdplaats, te Mocljokerto, Sidoardjo en Grisee.
Het is duidelijk, dat do regenval op deze plaatsen ons in het geheel geen beeld geeft van dien in de gansche Residentie en zulks nog te minder, omdat hij op deze laag gelegen plaatsen nog aanmerkelijk verschilt van dien in 't gebergte, waar koffie wordt gecultiveerd.
Na verloop van eenige jaren krijgen wij een vrij wat beter overzicht over don regenval in deze gewesten, nu het aantal stations aanzienlijk is vermeerderd.
Zoo b.v. werden, wat Probolinggo betreft, ook regenstations opgericht in 1885 to Soekapoera, Ataspufoeiig, Pek'alen en Kraksa'in; in 1880 ook nog op het land Kajoe enak en sedert dien tijd nog een aanmerkelijk aantal andere ten behoeve van de irrigatie en de koffiecultuur.
Voor het tegenwoordige dus hebben wij voor ons doel weinig aan do regenwaarnemingen in de genoemde Gewesten.
Gelukkig leenen zich evenwel de Preanyer-Iieyentschappen vrij goed voor onze verdere beschouwingen.
â 11 â
Uit dit gewest kunnen wij beschikken over 14-en 15-jarige waarnemingen van 12 stations en wat daaraan bizondero waarde geeft â deze allen zijn gelegen in de zoogenaamde koffiestreek.
Voor de Preanger kunnen wij derhalve oen regenlijn trekken van eeuige beteekenis. De kaart Bijlage VII gect't nu een voorstelling van de Preanger-oogsteu van 1880 tot 1894 in verband met don regenval in dat Gewest en de onderstaande tabel geeft eeu overzicht van de uitkomst:
|
1880 nat |
oogst |
1881 |
klein. |
|
1881 droog |
rt |
1882 |
groot. |
|
1882 nat |
if |
1883 |
klein. |
|
1883 droog |
n |
1884 |
groot. |
|
1884 droog |
t) |
1885 |
miclclelmatig |
|
1885 droog |
w |
18^6 |
groot. |
|
188G nat |
jy |
1887 |
klein. |
|
1887 nat |
D |
1888 |
klein. |
|
1888 droog |
1889 |
groot. | |
|
1889 nat |
V» |
1890 |
klein. |
|
1890 middelmatig |
V) |
1891 |
middelmatig |
|
1891 droog |
n |
1892 |
groot. |
|
1892 nat |
n |
1893 |
klein. |
|
1893 droog |
w |
1894 |
klein. |
Uit dit overzicht blijkt weder, dat in 1885 do oogst beneden het middelmatige bleet', alhoewel liet droge jaar 1884 een overvloedigon oogst deed verwachten.
Wij hebben hierboven reeds aangetoond, dat deze onregelmatigheid moest worden toegeschreven aan do gevolgen van de bladziekte. Verder vinden wij grootc overeenstemming; do uitzondering, die het jaar 1882/83 op den algemeenen regel k gaf bij do vergelijking van de oogsten van geheel Java met den totalen regenval is hier verdwenen; alleen blijft ter nadere verklaring nog over, do afwijking in het jaar 1894; de Preanger-oogst van 1894 had groot moeten zijn, omdat in 1893 de regenval in de Preanyer-lleyentschappen boneden het gemiddelde was gebleven; do overeenstemming is dus nog niet zoo
â 12 â
als zij ziju moet eu dit blijkt ook uit de verhoudingen tus-schou regenval en oogst in sommige jaren. Zoo was b.v. de oogst in 1890 wel gering doch tocli niet zoo klein als men uit den enormeu regenval van 1889 verwachten zou.
Tot dusverre hebben wij steeds verband gezocht tusscben de koffieproducties en den jaarlijkschen regenval, maar zooals ik hierboven reeds opmerkte, is het reeds a priori te verwachten, dat het slechts de regen in sommige maanden van 't jaar zal zijn, die bizonderen invloed uitoefent op bloei en vruchtzetting, terwijl die in andere maanden daaraan niets toe ot' afdoet.
Heeft een doordrenking des bodems met regenwater grooten invloed daarop, hetgeen trouwens nauwelijks te verwachten is, dan moot men reeds eenig verband vinden wanneer men den Westmoesson-regen in kaart brengt mot de productielijn en heeft de toestand dos bodems in den Oostmoesson daarop cemgen invloed, dan moet dit evenzoo blijken uit de OostmoeMson-regeniijn in verband gebracht mot do lijn der producties.
Noch hot een noch hot ander blijkt het goval te zijn; de AVestmoesson-regen in kaart gebracht, geeft ternauwernood cenigc overeenstemming te aanschouwen en de Oostmoesson-regen wijst, wel is waar meer op eeuig verband, doch dit is toch lang niet zoo heldor en duidelijk als hetgeen wij zooeven hebben leeren kennen tusschen de producties en den jaarlijkschen regenval.
Omdat het vrijwel do algemeene opvatting is, dat een groote oogst wordt voorafgegaan door een drogen Oostmoesson en omgekeerd een kleine oogst door een natten, heb ik dit in kaart gebracht; voor Oostmoesson nemende de 4 droogste maanden Juni, Juli, Augustus en September.
Het blijkt dadelijk (Bijlage VIII), dat de overeenstemming te wenschen overlaat, vooral in vergelijking met dio, welke Bijlage VU te aanschouwen geeft.
Op den slechts middelmatig natten Oostmoesson 1892 is b.v. een zeer geringe oogst gevolgd in 1893; op den zeer natten Oostmoesson 1890 een middelmatige oogst in 1891 en op den drogen Oostmoesson 188G een kleine oogst in 1887.
â 13 â
Dit brengt ons derhalve niet veel verder. Laat ons dus zien of wij niet langs een anderen weg de maanden kunnen vinden wier regenval van zooveel belang is voor de koffie-producties.
Allereerst is het hiertoe noodig eone oplossing te vinden van de vraag, van welken aard de invloed is, die door regen wordt uitgeoefend 't zij op de koffiebloem, 't zij op de koffievrucht.
Ik heb hierboven reeds opgemerkt, dat de afhankelijkheid van de kofHeoogsten van den regenval van algemecne bekendheid was.
Toch bezit men hieromtrent slechts vage begrippen en wanneer men eenigszins dieper in de zaak doordringt, dan blijkt het reeds aanstonds, dat er bij eene nadere bepaling van den aard van dien invloed niet altijd eenstemmigheid van gevoelen wordt opgemerkt cn dat de meeningen niet altijd gebaseerd zijn op nauwkeurige waarneming en vaak niet veel meer zijn dan bloote beweringen, waarvoor geen enkel argument wordt aangevoerd.
leder koffieplanter en ieder ambtenaar in Nederlandseh-Indië, die do leiding en liet toezicht heeft over Gouvernements-tuinen weet, dat een paar regenbuien direct vr ir den bloei na een min of meer langdurige droogte van bizonder veel belang zijn voor een regelmatige ontluiking der nagenoeg volwassen bloemknoppon, terwijl omgekeerd die knoppen bij volmaakt gemis aan regen gedurende verscheidene op elkander volgende dagen of weken, zich op zeer ongeregelde tijden openen en velen zelfs het niet zoo ver vermogen te brengen, daar zij vóór dien tijd verdrogen en afvallen.
Het feit laat zich gemakkelijk waarnemen en ik geloof niet, dat er andere inzichten omtrent den invloed van een paar regenbuien op het regelmatig openenen der bloemen bestaan.
Dat bij excessieve droogte de bloei vaak later dan gewoonlijk intreedt en nn eens deze, dan weder die bloem zich opent en vele in het geheel niet zoo ver komen, laat zich
â 14 â
verklaren wanneer men bedenkt, dat een aanzienlijke weefsel-spanning vereischt wordt voor het uit elkander wijken der in den knop dicht ineengedraaide slippen van dc bloemkroon en deze weefselspanning afhankelijk is van een voldoende gelegenheid tot wateropname in de cellen, waaruit het weefsel is siiniengestcld.
Ook kan liet ons niet verwonderen, dat nu en dan de bloemknoppen vóór do ontluiking ton gevolge der droogte afvallen, wanneer wij weten dat in enkele districten van Zutd-Indië o. a. het district Wynaad, waar meermalen in don drogen tijd gedurende 4 a 5 maanden geen enkele droppel regen valt, zelfs de bladeren van de boomen vallen ; een verschijnsel, dat ook oj) Java nu eu dan wordt waargenomen, alhoewel gelukkig zeldzaam. Een andere vraag is hot of de regen een nadeeligen invloed uitoefent op de bestuiving en op de bevruchting.
quot;Wil men planters gelooven, dan zou niets zoo nadeelig zijn als een regenbui tijdens den bloei en herhaaldelijk vindt men dan ook bij misgewas als oorzaak daarvan gerapporteerd, dat de bloesem verregende en daardoor de bloei niet âtot zijn rechtquot; gekomen was.
Die stelling houd ik voor onjuist en wel op goede gronden.
Onze tropische gewassen en ook dc koffie, alhoewel die niet tot het gebied onzer Flora behoort, zijn vrijwel tegen regens bestand en daaraan wol in die mate aangepast, dat hunne bloemen niet door een regenbui van den boom worden geslagen. Directe waarneming leert ons dit in den Westmoesson eiken dag en bij alle gewassen, en ieder die den bloei der koffie nauwlettend heeft gadegeslagen, weet dan ook dat noch de onopongesprongen bloemknoppen, noch de pas geopend e bloemen van een regenbui iets te lijden hebben.
Maar bovendien berust die vrij algemeen verkondigde stelling op een oppervlakkige en onjuiste waarneming; dc bloemen toch ontluiken niet gedurende een regenbui. Regel is liet dat de koffiebloem zich opent in den vroegen morgen. Op zich zelf beschouwt is hot roods een uitzondering op den regel
â 15 â
wanneer hot in den Oost-moesson in de bergstreken van Java reeds in den vroegen morgen regent. Wol moge hot in de West-moesson maanden voorkomen, dat de zon zich den ganschen dag of' verscheidone dagen achtereen niet vertoont, een hooge zeldzaamheid is dit toch wel in do maanden Juli, Augustus, September en October, in welke maanden de verschillende koffio-plantsoenen tot bloei komen.
Maar bovendien, wanneer zulks mocht voorkomen nu en dan, dan leert ons nog de waarneming, dat de bloemen zicli zelden of nooit openen gedurende oen regenbui, maar veeleer onder bolderen zonneschijn.
De opmerking zou gemaakt kunnen worden, dat do onder helderen zonneschijn pas ontloken bloemen door oen regenbui als liet ware zouden kunnen worden verrast, ton gevolge waarvan een bestuiving en daarop volgende bevruchting achterwege bleef.
Inderdaad zou hieruit oen groot gevaar voor de bloem voortspruiten, wanneer de bevruchting bjj do koffioplant gelijk bij zoo vele andere gewassen werd bewerkstelligd door tusschen-komst van insecten (bijen of hommels), die, honig zuigende uit een pas ontloken bloem op zijn behaard lichaam het stuifmeel der meeldraden medevoert en dit bij het bezoek aan een tweede bloem op den stempel daarvan afzet.
15ij regenachtig weer nu, vliegen do bijen on hommels niet uit en eenige uren regen zouden derhalve hoogst nadeelig zijn voor de bevruchting, te meer daar do kotfieboom slechts zeer kort bloeit.
Dergelijke afhankelijkheid van do koffiobloom in hare bevruchting van bijen on hommels werd voorhoen door vele biologen aangenomen en verdedigd.
Mijne eigen opzettelijk daarnaar ingestoldo ondorzoekingen en proefnemingen hebben mij evenwel de onjnisthoid dier stelling bewezen.
Hot is mij daarbij gebleken, dat do koffiobloom geheel onafhankelijk van insectenbezoek zich zelve bestuift on dat dit direct plaats vindt na do ontluiking zoo niot tijdens het van elkander wijken van de slippen.
â 16 â
Hieruit volgt nu, dat het voor de bevruchting van gansch ondergeschikt belang is of er kort na de opening der bloemen een regenbui neervalt, aangezien de bestuiving dan toch reeds hoeft plaats gehad.
Als een gevolg der ingetreden bevruchting laat de bloemkroon reeds spoedig los van den bloembodem, terwijl liet vruclitbo-ginsel blijft staan; de eerste verwelkt en verliest haar helder witte kleur. In dien toestand blijft zij nog geruimen tijd aan den stijl hangen, dikwijls tot verdrogens toe, om eindelijk af te vallen.
Dit laatste nu kan bespoedigd worden door een regenbui; maar dit verschijnsel, hetwelk men dan het âafregenen van den bloesemquot; noemt is een gansch onverschillige zaak daar do bevruchting reeds beeft plaats gevonden en de vrouwelijke organen der bloem (stempel, stijl en vruchtbeginsel) niet mede afvallen maar aan den boom bevestigd blijven.
De vraag bljjft nu over ot dan wellicht nog het stuifmeel, dat als een poeder op den stempel ligt, door een plotseling optredende regenbui kan worden afgespoeld, waardoor de bestuiving niet door eene bevruchting wordt gevolgd?
Hierop moot geantwoord werden, dat het stuifmeel op den stempel wordt vastgehouden door de kleverige stoffen, die door de stempel papillen worden afgescheiden en derhalve het afspoelen niet zoo heel licht in zijn werk gaat, terwijl hot voorts ten gevolge van dc chemische prikkel, door het stempelvocht daarop uitgeoefend al vrij spoedig een kiembuis ontwikkelt, die door het stempelweefsel heen in liet stijlkanaal binnendringt, waardoor er verder van afspoeling geen sprake meer zijn kan.
Men houde bier bovendien in 't oog, dat van de honderden stuifmeelkorrels, die op den stempel worden afgezet, slechts twee behoeven te kiemen en hun kiembuis naar het vruchtbeginsel behoeven te richten om een volledige bevruchting van de beide daarin bevatte eieren te bewerkstelligen.
â 17 â
Moge hot dus ook kunnen voorkomen, dat een regenbui direct na de bestuiving der bloemen al het stuifmeel van den stern-pel afvoert, dun toch zal zich dit wel bepalen tot hoogst zeldzaam voorkomende gevallen bij een enkele bloem van ecu enkelen boom en op den eventueel te verkrijgen oogst zal dit wel in 't geheel geen merkbaren invloed uitoefenen. Toch ziet men vaak, dat op een rjjkeljjken Moei niet altijd een daarmee overeenkomstige vruchtzetting volgt; ih' ondervinding leert zelfs herhaaldelijk, dat men daarop niet altjjd aan kan en men zeer oppervlakkig zou handelen, wanneer men op don bloei reeds de taxatie van den oogst ging baseeren.
Dit geldt niet alleen voor koffie maar voor alle gewassen; men denke b. v. maar eens aan onze mangga 's en ramboetans, die ook in jaren met een geringe vruchtdracht dikwijls zeer overvloedig hebben gebloeid.
Men mag echter niet vergeten, dat wanneer een bloei niet altjjd, zooals men dat noemt âtot zijn rechtquot; komt, men de reden hiervan niet juist behoeft te zoeken in nadeelige uitwendige omstandigheden of klimaatsinvloeden tijdens den bloei, daar ook eeu aantal factoren van gansch anderen aard op eene regelmatige bevruchting invloed kunnen uitoefenen.
Zoo b. v. om slechts een dier factoren te noemen is de kiemkracht van liet stuifmeel niet altijd even groot en kan men daarin dikwijls bjj een en hetzelfde gewas en zelfs bij een en dezelfde plant groote individueele verschillen opmerken.
Toen ik mij eenige jaren geleden bezig hield met een onderzoek naar de voorwaarden, waaraan op een stempel moest worden voldaan om de daarop afgezette stuifnieelkorrels tot kieming te brengen, is het mij zelfs herhaaldelijk gebleken, dat het stuifmeel van een en dezelfde plant in kiemkracht zulke enorme individueele verschillen kon vertoonen, dat nu nens do korrels haar kiembuis ontwikkelden in zuiver gedestilleerd water, terwijl in andere gevallen, daaraan een speciale, als chemische prikkel werkende, stof moest worden toegevoegd.
Hieruit blijkt dus wel, dat wij vaak de oorzaken van hot
VH 2
â 18 â
evengeuoemde verschijnsel zullen moeten zoeken in inwendige factoren â meerdere of mindere kiemkracht van liet stuifmeel, meerdere of mindere âBefruchtungsfahigkeitquot; der eieren â on niet altijd een verklaring behoeven te vinden in ongunstige klimatologische verhoudingen tijdens den bloei.
H oe dit ook zij, aan het afregenen van den bloesem na de bestuiving vóór dat de bevruchting is ingetreden hecht ik op grond van eigene waarnemingen geen geloof en meen bovendien ook maar een zeer matige waarde te mogen toekennen aan liet afspoelen van stuifmeel van don stempel wanneer de bloemkroon is afgevallen.
Hot wegrotten van jonge vruchtjes wegens een langdurig vochtig weer is ook al oen verschijnsol, dat wel eens voorkomt maar dan toch uiterst zeldzaam. Wanneer het plaats vindt, dan treft het toch in deu regel niet meer dan oen of twee jonge vruchtjes uit oen enkele krans.
Wat ten slotte betreft liet afwaaien der onrijpe vruchten â waaromtrent men wol eens verhalen leest in rapporten en nota's â ook dit berust op beweringen, die niet door feiten worden gesteund.
De nadeelige invloed van een nat jaar moet dan ook volgens mijne waarnemingen aan geheel iets anders worden too-goschreven en wel niet zoozeer aan den regen, dan wol meer aan bedekte luchten, overmaat van vocht en (j eb rek aan zonneschijn tijdens de ontwikkeling der bloemen van af het tijdperk, dat zij als jonge bloemknoppen te voorschijn komtn tot aan den lijd, waarop zij als volwassen bloem zich ontluiken.
Deze stelling verdient nadere toelichting. Ieder die bekend is met do koffiecultuur in een regenrijke streek, vooral in hot hoogere gebergte, waar dikwijls gedurende vele dagen en weken achteroen de zon zich niet doet zieu en de tuinen vaak zolts van af don vroegen morgen in nevels en wolken zijn gehuld, zal ongetwijfeld hebben opgemerkt, dat do koffieoogst aldaar herhaaldelijk mislukt, doordien de bloemen niet tot volledige ontwikkeling komen en openspringen lang vóór dat zij normale grootte en vollen wasdom hebben bereikt.
â 19 â
Hij planters zijn dergelijke bloemen bekend ouder den naam van âsterretjesquot; en ieder, die deze heeft waargenomen, weet, dat zij nimmer vrucht voortbrengen.
Deze abnormale bloemen vindt men vaak in dichte op elkaar gepakte kransen op korte bloemsteelties in de oksels der bladeren en stipulae; elke bloemsteel draagt dan gewoonlijk 1 of 2 paar rudimentaire blaadjes en aan den top een of twee van deze kleine âsterretjesquot;.
Uc kelkslippen zijn zóó klein, dat zij ternauwernood met bet blooto oog zijn waartenemen; de 5 kroon blaadjes krijgen nimmer oen helderwitte kleur, doch bljjvcn meestal lichtgroen en verbergen tusschen hunne omgevouwen randen elk een groenen cn glinsterenden meeldraad, waaraan de helmdraad ontbreekt.
De helmknop, die dicht tegen de kroonslip blijft aangedrukt, opent zich nimmer en bevat ook geen stuifmeel.
Verder bevat elke bloem een stamper en stijl mot twee meestal lichtgroen gekleurde stempelarmen.
liet vruchtbeginsel verkeert niet in zulk een geheel rudi-mentairen staat als de meeldraden; wel is waar is het veel kleiner dan bij normale bloemen, maar evenals bij deze laatste is het samengesteld uit twee hokjes ieder met één eitje, hetwelk er vrij normaal uitziet.
Deze abnormale bloemen zijn zeer verschillend van grootte en kunnen 1/5 tot '/j van de lengte van een normale bloem bereiken; nectar heb ik daarin nimmer aangetroffen.
Somwijlen treft men in een krans van rudimentaire bloemen een of meer normaal ontwikkelden aan.
De Fransche botanist Bernouilli, die in 1869, naar ik meen het eerst, do attentie op deze abnormale koffiebloemen heeft gevestigd, was van oordeel, dat deze zich in biologisehen zin in dit opzicht van de normale zouden onderscheiden, dat zjj uitsluitend vrouwelijk waren, terwijl de andore hermaphrodiet zijn en meende dan ook, dat deze bloemen in staat waren vrucht voort te brengen.
Reeds in 1884(1) is mij gebleken, dat deze zienswijze minder
1
Aunales du jardin botanique de Buitenzorg, vol IV-I884.
â 20 â
Juist was en dat Bemouilli klaarblijkelijk uit den werkelijk vrij normalen bouw van het ovarium eene conclusie had getrokken, die niet in overeenstemming was met do werkelijkheid en daarbij waarschijnlijk ook wel wat te veel had vertrouwd op berichten van slechte waarnemers.
Toen reeds heb ik in den Buitenzorgschen plantentuin ecu groot aantal van deze bloemen nauwkeurig gemerkt en aandachtig in hare verdere ontwikkeling gadegeslagen.
Geen van allen heeft vrucht voortgebracht. Sedert heb ik herhaaldelijk mijn aandacht daarop gevestigd gehouden cn mjjne vroegere waarnemingen omtrent de volkomen steriliteit dezer bloemen steeds bevestigd gevonden.
Wat mij destijds evenwel niet bekend was, is mij thans, nu ik sedert een paar jaren kofftcinspecties over Java heb gehouden en de cultuur heb gadegeslagen onder de meest verschillende klimatologische verhoudingen, duidelijk geworden n.1. dat deze âsterretjesquot; moeten worden beschouwd als bloemen, die op een zekeren trap van ontwikkeling zijn blijven staan en niet tot volledigen wasdom zijn gekomen, terwijl het mij waarschijnlijk is geworden, dat de onvolkomen ontwikkeling wordt veroorzaakt door overmaat van vocht of gebrek aan licht.
Aangezien geene speciale proeven hieromtrent door mij genomen werden, geen juist te voorschijn tredende bloemknoppen ter verdere ontwikkeling in een met waterdamp verzadigde lucht werden gebracht, noch in diffuus daglicht, kan ik niet zeggen, welke dezer factoren de meest werkzame is; overmaat van vocht, waardoor de bloemen openspringen lang vóórdat zij tot normalen wasdom zijn gekomen of gebrek aan licht voor de behoorlijke ontwikkeling; of misschien beide te zamen.
Mijne conclusie steunt op waarneming en wordt, zooals zoo aanstonds blijken zal, door allo feiten bevestigd.
liet duidelijkste trad dit aan 't licht in de koffietuinen op de helling van den Slamat in de afdeeling Poerholinygo der Residentie Banjoemas, welke afdeeling zicli door een buiten-
gewoon vochtig klimaat kenmerkt on in do hoogere bergtuinon op don Qcdeh in do afdeeiing Hoekahoemi.
In de eerstgenoemde tuinen waren dit jaar nagenoeg alle bloemen van don zoogenaamden hoofdbloei mislukt, dat wil zeggen rudimentair gebleven, terwijl die van don voorbloei tot ontwikkeling waren gekomen.
Dit komt daar, naar mij verzekerd word, bijna alle jaren voor; alleen in zeer droge jaren komen do bloemen tot normalen wasdom. Deze waarnemingen komen overeen met die van planters; velen verzekerden mij, dat do ontwikkeling van âsterretjesquot; voornamelijk valt waar te nemen in zeer natte jaren.
In de afdeeiing Poerholmggo deed zich nog het merkwaardige verschijnsel voor, dat de kleine, onder gewone omstandigheden rudimentair blijvende blaadjes aan den voet van den bloemsteel of van de inflorescentie zich vrij sterk gingen ontwikkelen en de bloempjes weldra in grootte aanzienlijk overtrotten.
Ook had daar ter plaatse een rijkelijke spruitvorming plaats in de oksels der bladeren en in de bloemkransen, zoodat de boomen ceu gansch abnormalen habitus verkregen. Dit alles wijst op overmaat van vocht en daarom geloof ik, dat deze factor van meer beteekenis op het genoemde verschijnsel is dan gebrek aan licht.
Alles te zamen genomen, meen ik dus het recht te hebben om een zeer groote beteekenis toetekennen aan de klimatologische omstandigheden tijdens de ontwikkeling der bloemknoppen tot bloemen en alle andere factoren, die van invloed kunnen zijn op het mislukken van den oogst (afspoelen van stuifmeel van don stempel, gemis aan kiemkraeht der pollenkorrels etc.) in hare betrekkelijke waarde latende, den meesten invloed te moeten toeschrijven aan den toestand van de lucht in die maanden, waarin de ontwikkeling der bloemen plaats vindt.
Hadden wij nu te doen met een enkelen koffietuin en konden wij beschikken over eene lange serie van regenwaarnemingen uit de streek, waarin deze tuin gelegen was; hadden wij dan tegelijkertijd nauwkeurig aanteekeniug gehouden van den
â 22 â
bloeitijd daar ter plaatse, zoowel van den voorbloei als nabloei, dan zouden wij de productie in de elkander opvolgende jaren vergelijkende met don regenval of den toestand der bewolking in de maanden, die aan den bloei voorafgaan, ongetwijfeld kunnen komen tot volmaakte zekerheid in deze.
Over dergelijke gegevens kan ik evenwol niet beschikken en moot dus om dit nader aan te toonen trachten langs een anderen weg de waarheid naderbij te komen.
Uit verschillende opgaven, mij op mijn verzoek verstrekt door de ambtenaren bij het Binnenlandsch Bestuur in de kwartaalverslagen betreffende do Gouvernements-koffiecultuur is mij gebleken, dat verreweg de meeste koffietuinen op Java bloeien in de maanden September en October] enkele tuinen bloeien eerst in November en wederom anderen reeds in Augustus (1); en verder dat de bloei bij het uitblijven der eerste rege..-buien dikwijls een paar weken kan worden verschoven of omgekeerd door vroegtijdigen regen oenigo dagen eerder kan intreden.
Wanneer derhalve mijne op waarneming gebaseerde beschouwingen juist zijn, dan moet het hooidznlcelijk de toestand van de luclit zijn in de maanden Augustus en September (overeenkomende met den bloei in September en October), die een overwegenden invloed uitoefent op den oogst; terwijl voor enkele jaren, waarin de bloei vroeger of later dan gewoonlijk is ingetreden (of voor enkele streken waar de tuinen eerder of later bloeien), ook de lucht-toestand in de maanden Juli en Octobcr van eenigen invloed moet zijn geweest.
Gegevens betreffende de bewolking zijn evenwel niet voorhanden; wij moeten ons derhalve in de plaats daarvan behelpen met den regen.
Keeren wij thans weer terug naar de graphische voorstellingen van do koffieproducties in verband niet den regenval en passen wij deze beschouwingen daarop toe, d. w. z. brengen wij nu het bedrag van den koffie-oogst in de op elkander volgende jaren in betrekking tot den regenval in de maanden Augustus en
(1) Er is hier alleen sprake van ilen hoofdbloei.
September met algoheelc eliminatie van dien van do overige 1 ü maanden.
Voor den regenval nemen wij echter nu niet meer de hoeveelheid gevallen regen in millimeters in de verschillende jaren opgeteekend, maar liever het aantal reyendayen.
Nu wij vermoeden, dat het niet zoo zeer de regen qua talis is, die invloed uitoefent op do ontwikkeling der bloemen, maar veeleer de toestand van do lucht, do mindere of' meerdere bewolking, een langer of korter verblijf der tuinen in de nevelen, nu geeft ons het anntal regendagen een beter overzicht daarover dan de hoeveelheid regen.
Zoolang wij den jaarljjkschen regenval in betrekking brachten tot de productie, dood het niot veel ter zake of wjj de hoeveelheid gevallen regen namen dan wel hot aantal dagen, waarop liet had geregend; maar nu wij den toestand moeton woton in enkele maanden van het jaar, nu verandert die zaak.
Eene enkele zware regenbui b.v. in de maand Augustus of Juli kan op het verloop van de regenlijn oen grooteron invloed uitoefenen dati een aantal dagen, waarop slechts weinig milli-inotors regon werden opgevangen, manr zooals duidelijk is geelt het laatste ons een beter idóe van den bewolkingstoostand in die maand dan de eerste.
Om de redenen reeds boven uiteengezet, kiezen wij weder do reanyer-oogsten en het aantal regendagen in dat gewest in do genoemde maanden van 1880 â 1893.
Kaart IX geeft ons daarvan een overzicht hetwelk weder gemakshalve hieronder tabellarisch wordt weergegeven:
|
Regendagen. | |||
|
Augustus en Septembo |
r |
oogst | |
|
1880 |
groot |
1881 |
klein |
|
1881 |
klein |
1882 |
groot |
|
1882 |
groot |
1883 |
klein |
|
1883 |
klein |
1884 |
groot |
|
1884 |
klein |
1885 |
klein |
|
1885 |
klein |
1886 |
groot |
â 24 â
18«()
1887
1888
1889
1890
1891
1892
1893
kli'in groot
18iS7 1888
1889
1890
1891
1892 189:5 1894
middeliiiati^
groot groot klein groot groot
klein
klein
groot
klein
klein
groot
klein
klein
Wij /.ion roods dadelijk eene treffende ovoreensteiniuiug; onze beschouwingen /.jjn dus juist; dc jaarlijksclieproductie wordt inderdaad in hoofdzaak beheerscht door den toestand vun de lucht in de bedoelde maanden.
Drie belangrijke afwijkingen komen er in het staatje voor, die van 1884 85; 188G/87 en van 1888/89 en verder nog cenige kleinere, welke laatsten eigenlijk meer zijn onevenredige verhoudingen tusschen het aantal regendagen en de iioogere of lagere productie.
Nadere verklaring vereischen dus de jaren:
1) 1884/1885
2) 1886/1887
3) 1888/1889
4) 1889/1890
5) 1882/1883
6) 1883/1884
7) 1892/1893.
De eerste kunnen wij om reeds meermalen genoemde redenen buiten beschouwing laten (het is liet koltiebladziektejaar); wat de anderen betreft het volgende:
2) In 18S7 had men een grooten oogst mogen verwachten»
3) In 1888 was het aantal regendagen noch klein noch groot; toch was do oogst van 1889 vrij aanzienlijk.
4) In 1889 was liet aantal regendagen maar weinig boven het gemiddelde; hierdoor wordt de geringe oogst van 1890 niet verklaard.
5) In 1882 als sub 4.
â 25
(gt;) In 1888 was het aantal regondageu maar even beneden liet gemiddelde, doch de oogst 18S4 vrij belangrijk.
7) In 1892 was hot nagenoeg oven nat als in 1893, doch do oogst 189.f5 belangrijk kleiner dan dien van 1894.
Laat ons thans zien in hoever de regenval van Juli in enkele jaren invloed op den oogst heeft gehad en derhalve de oogsten in betrekking stellen tot het aantal regendagen in ./«//, A winstm en September] wij mogen dan verwachten, dat enkele afwijkingen ia bovenstaand overzichtje zullen worden gecorrigeerd. Zoo aanstonds zullen wij dan den regenval van October in onze beschouwingen opnemen, omdat het evenzoo verwacht kan worden, dat dan weder andere afwijkingen, die ons thans nog onverklaarbaar toeschijnen, duidelijk zullen worden.
Kaart \ geeft dus eene graphische overstelling der Prean-ger-oogsten in verband met het aantal regendagen in dit gewest in de maanden Juli, Augustus en September.
De afwijkingen zoo even genoemd sub 3, 4, 5 en 6 zien wij allen verdwijnen, terwijl die sub 7 iets gunstiger is geworden.
Daartegenover staat, dat er een onregelmatigheid is bijgekomen n.m. eene onevenredige verhouding tusschen regendagen en oogst in de jaren 1890â91.
Ton slotte nemen wij de regendagen in October op bij die van Augustus on Sey^e/ytie/^met weglating nu van die van Juli).
Thans leert ons kaart XI dat ook de afwijking genoemd sub 7 is verdwenen en ^rootendeels ook die welke het jaar 1886 â 87 (sub 2) ambood.
De afwijking in 1S83â84, die door den Juli-regen word verklaard is nu weer teruggekomen en de onevenredige verhouding tusschen hot aantal regendagen en den oo^st van 1890â91, die zoo even als nieuwe onregelmatigheid in kaart X was opgetreden, vindon wij ook hier weer terug.
Hiermede acht ik derhalve mijne stolling bewezen: lt;le schnni-vielingen in de koffieoogsten boven of beneden een bepaald gemiddeld bedrug worden in hoofdzaak beheerscht door den
â 2G â
toestand van de tucht (meerdere of' mindere vochtiglieid, meerdere of mindere bewolking, langer of korter verblijf der koffietuinen in de nevelen) in de maanden Aiu/ustiis en September; in enkele jaren heeft ook- de toestand van de lucht in de maand Juli, in. andere die in de maand October hierop eenigen invloed.
Do regen iu do overige maanden van het jaar brengt daaraan noch iets toe uueii iets af.
Ik moet er hier nolt;!; opmerkzaam op maken, dat wanneer niet altijd een juiste verhouiling wordt gevonden tusschen het aantal regendagen en oen daaraan evenredigen oogst en deze laatste nu eens iets hooger dan weder iets lager is dan men zou verwachten, men niet uit het oog mag verliezen, dut hier alleen rekening is gehouden met den toestand van de lucht tijdens den hoofdbloei, terwijl in de productielijn de geheele oogst is aangegeven, ook die, welke liet gevolg is van den voorbloei; en ton tweede nog, dat het aantal regendagen op 12 stations in do Preanger-Reyentschappen nog geen juist beeld i?eeft van don workelijken toestand in dit uitgestrekt gewest. Een in alle opzichten volmaakte overeenstenming mag dus niet worden verwacht.
Alhoewel ik thans mijne stelling door liet voorgaande bewezen acht, kan hot toch nog zijn nut hebben hier ten slotte een paar feiteii te noemen, die nog tot nadere bevestiging knnnen dienen.
Nog altjjd blijft mij over oene verklaring te geven van de zonderlinge afwijking, die het jaar 1883 aanbood, toen (zie Bijlage VI) de totale Java-koffieoogst vrij groot was niettegenstaande de regenval op ganscli Java ver boven liet middelmatige was geweest; zoo zelfs dat de registers voor dat jaar na 1879 het allerhoogste cijfer aanwijzen. Men had dus in 1883 een zeer kleinen oogst moeten verwachten.
Hij bespreking dezer afwijking op pag. 8, doelde ik mede, dat de verklaring voorloopig achterwege moest blijven, doch dat ik daarop zou terugkomen.
Ik kan thans die verklarinsr geven en de lezer zal tegelijkertijd opmerken, dat zij voor ons niet zonder beteekenis, is.
â '27 â
Het jaar 1883 was, wat betreft de koffieproductie op Java een bi zon der jaar.
Wanneer wij de gewestelijke opgaaf' der oogsten in IJijlage I. Jiesiilentie voor Residentie volgen, dan leert deze, dat wanneer wjj ons eene lijn getrokken denken midden door Java, loopen-de Imgs de oostelijke grenzen van Pekalongan, Ivedoo en Djokjakarta, alsdan alle Residenties gelegen oostwaarts van die lijn in het jaar 1883 olmi grooten oogst iiebben opgeleverd (d. w. x. hooger dan het gemidddelde bedrag van het 5-jarig tijdperk 1870â-83) en allo Residenties westwaarts van die lijn daarentegen een kleinen oogst.
De oogst van Pasoeroean was dat jaar 350/0 boven het gemiddelde bedrag; die van de Preanger-Regentschappen 380/o daarbeneden; de oogst van Proholinggo steeg tot 130quot;/o, die van Tegal daalde tot 780/o; de oogst van Besoeki steeg tot 140quot;/o die van Cheribon daalde tot 850/0 etc.
Zulk een eigenaardig oogstjaar is moer voorgekomen in de geschiedenis van de koffiecultuur b. v. in 1857 en 1858 en ook later no};;.
De vraag is nu hoe laat zich dit verklaren uit den regenval ?
Zooals reeds werd opgemerkt was het jaar 1882 een bizonder regenachtig jaar (de regenval gemiddeld KiO.OOO inM. bedragende, steeg in 1882 tot 193.000) en uit de plaats-lijke opgaaf blijkt (Bijlage III) dat dit overal het geval was, zoowel in West-, Midden- als Oost-Java.
De oostmoesson- maanden Juni, Juli, Augustus en September te Ziimen genomen, waren relatief nog voel natter; in deze maanden steeg de regenval van het gemiddelde bedrag van 25.500 mM. tot 43000 mM.
De hoosde productie in 18S3 kan derhalve niet verklaard t worden noch uit den totalen regenval, noch uit een vooraf-gaanden drogen oostmoesson.
Nu loeren ons de Registers der Regenwaarnomingen van het Magnetisch Metereogisch Observatorium dat in 1882 do maanden Maart en April over geheel Java relatief zeer droog zijn geweest; de maand Mei een gemiddelden regenval
â 28 â
heeft gehad; de maanden Juni en Juli weder over gaiisc'.i Java huitengewoon nat waren, terwijl eindeljjk de maanden Au-ftUKtm en September in alle Gewesten beoosten de besproken lijn droog en bewsten dia lijn nat zijn yeieeest.
liet zijn derhalve doze maanden geweest, wier regenval do hooge of lage productie in die verschillende gewesten verklaart*
De oostelijke helft van Java bracht een groote hoeveelheid koffie voort, terwijl de westelijke helft lage producties gaf. Aangezien nu de eerste grooter was dan de laatste was de totale productie van Java in 1883 boven het gemiddelde.
De verklaring van het leit is derhalve een bevestiging van liet reeds langs anderen weg verkregen resultaat.
In de koffietuinen op de helling van den Slamat in do afdeeling Poerbolingno dor Residentie Banjoemas, gelegen op eene hoogte van 2500 tot 4000 voet boven zee, waren dit jaar idle bloomen van den hoofdbloei tot âsterretjesquot; overgegaan.
Volgens de mededceliii^en der inlandsche Hoofden was dat in deze streken regel en eene normale ontwikkeling uitzondering.
Do boomen prijkten allen met jonge vruchtjes ontstaan uit don voorbloei.
Do regonwaarnemingen uit die streek, die de laatste twee jaren daar worden genomen op drie verschillende plaatsen Djaleyong, Bobofsarie en Merhoeng leeren ons nu, dat de regenval in de maanden Augustus on September niet zoo bizonder groot is; integendeel was liet aantal regendagen zelfs gering zoowel in 1 94 als in 1895, doch hot klimaat in de hoogere streken dezer afdeeling is van dien aard, dat dikwijls maanden achtereen de zon zich niet laat zien en de koffietuinen voordurend in do nevelen zijn gehuld ; dit was ook weder dit jaar hot geval geweest.
Het gevolg van dezen ongunstigen toestand is, dat in do laatste 15 jaren de koffieoogst 10 keeren zoo goed als geheel is mislukt. Elders is de oogstin slechte jaren in den regel 1 /^ van het gemiddelde bedrag (zie Bijlage 1) doch in Po er holing go was de mislukking volkomen en daalde de oogst van gemiddeld 2300 picols tot gemiddeld 140.
â 29 -
Dit is derhalve een nadere bevestiging van liet tweede gedeelte van mijne stelling, dat de nadeelige invloed van het klimaat niet moet worden toegeschreven aan den regen als zoodanig, maar aan de vochtigheid van de lucht in de bedoelde maanden.
Ter nadere illustratie van die mislukking der koffie-oogsten in Poerholingijo laat ik hier teu slotte nog volgen een kaartje (Bijlage XI1) waarop die producties graphiscb zijn voorgesteld in betrekking tot den regenval; bij gebrek aan een voldoend aantal regenwaarnemingen uit Banjoemas iieb ik voor den regenval dien genomen van 30 stations in Midden-Java.
Men ziet op dit kaartje een paar bizonderheden, die wij nog niet hebben aangetroffen en die eigenaardig zijn voor dit buitengewoon vochtige klimaat.
1quot; het verschijnsel, (reeds zoo even genoemd) dat in ongunstige oogstjaren de mislukking zoo goed als volkomen is en
2e dat ook in den regel in jaren met een middelmatigen reg'onval (1S84, 1890, 1893) de oogst totaal verloren gaat, terwijl hij elders in zulk een jaar nog wel terecht komt. zij het dan ook, dat hij niet stijgt boven een gemiddeld bedrag.
Onder dergelijke hoogst ongunstige klimatologische omstandigheden is de koffiecultuur, zooals van zelf' spreekt, niet geen mogelijkheid te handhaven; zij is daar voor de bevolking nimmer loonend geweest.
Buhck.
Batavia, December 1895.
MANGGA'S ONDER BESCHERMING VAN MIEREN.
Ter nanvulling van het door den lieer A. G. Vorderman in âTeysmnnniaquot; geplaatst artikel getiteld: âMangga's kunstmatig onder bescherming van mieren te Tjilintjingquot;, kan nog 't volgende worden opgemerkt:
Ue lieer Vorderman zegt, sprekende van de rangrang, de hier bekende groote soort roode mieren, wier beten buitengewoon pijnlijk zijn, dat zij bij dreigend gevaar zicli met opengesperde kaken tot den beschouwer wendt (en hem bij aanraking niet zelden aanvalt).
Uoe handelt men dan b. v. als de mangga's rjjp zijn en geschikt zijn voor den pluk? De Heer V. zegt niets hieromtrent, en tocii is dit punt niet van ondergeschikt belang.
Regel is 't te Tjilintjing, dat de mangga's goed rijp van den boom worden geplukt. Het plukken van onrijpe mangga's is niet goed, zegt de inlander. De oogst is dan per se slecht; de meeste, zoo niet alle, mangga's zullen dan spoedig bederven. Zoolang nu die gevreesde mieren in den boom zijn zal geen mensch 't ooit wagen daarin te klimmen, en toch is dit vaak noodig, wil men don oogst geheel onbeschadigd binnenhalen. Gewoonlijk brengt men de versch geplukte vruchten niet dadelijk aan den man, ze worden vooraf minstens 1 ot' 2 dagen en soms langer âgese-keptquot; d. i. berookt. Dan eerst krijgen ze die goudgele kleur, dien f'riscb-zoeten smaak en dat bekende aroma. Men zoige slechts bij het sorteeren de bij het publiek zoo gezochte âbedakquot; d i. een heel dun laagje poeder, op de vruchten te doen blijven. Die bedak is bij de mangga het kenmerk van trischheid.
Als mangga's op den grond vallen, zij 't dan ook op zandgrond, zooals overal op Tjilintjing, dan worden zij âdangkalquot; d. i. inwendig gekneusd en hot vleesch daardoor ietwat hard, ze zijn
- 31 â
dan waardeloos. Laat mij nu de wijze van plukken te TJilin-tjing beschrijven.
Evengoed als de senioot rangrang of tjangkrang, door het hangen van krengen van leguanen of kippen, gedurende don bloeitijd in de hooiuon worden gelokt, om een vcrdelgingskrijg te voeren tegen allerlei insecten en voor wie zelfs de, voor een goeden oogst zoo verderfelijke eu met geen andere middelen van de vruchten af te houden, kamprets, tjodots en kalongs zoo vreeselijk bang zjjn, laten deze mieren, belust uls zij zijn op dierlijk voedsel, door het plaatsen van versche krengen in andere boomen zich gemakkelijk uit den boom, waarvan de vruchten moeten worden geplukt, verwijderen. Geen enkele mier blijft dan in dezen boom achter. Om evenwel te beletten dat ze weer terugkoeren, snijdt men het touw door, dat als communicatie-middel met andere boomen dient. De verhuizing duurt niet langer dan één dag, hoogstens 2 dagen.
Voor zoover ik weet is het hier te Tjilintjing niet bekend dat eene andere mierensoort, de kleine zwarte, die men dikwijls op de djamboe ajer aantreft, eene verklaarde vijandin is van de tjangkrang, zooals de Heer V. beweert. Zelfs de vliegende hagedis, die zich zoo graag aan mieren vergast, laat de tjangkrang ongemoeid.
Tan Eng tjoen.
Tjilintjing, 1 Februari 1896.
De Heer Vordernian merkt naar aanleiding van liet bovenstaande op, dat 't in liet aangehaalde artikel alleen de hcdoeling geweest is om te wijzen op de bescherming van de mangga's door mieren, niet om over de mangga cultuur te schrijven.
Volgens don Heer V. loven lgt;ij l'edjoegkóran (tussehen 1'riok en Tje-lintjing) roode en zwarte mieren wel ilegelijk in vijandschap met elkaar.
Red.
T'LAXTRN VOOR IVI.OKMPKRKK.N'.
Dikwijls worden in ij vragen gesteld als die van Mevrouw C. te M.: âWelke planten zjjn geschikt voor den aanleiy van bloemperken (in een koel klimaat) en waar zijn die te krijgen.?quot;
Ter beantwoording van het eerste deel dor vraag zoude ik kunnen verwijzen naar verschillende opstellen in Teysmannia over bloeiende planten, bet tweede gedeelte echter is moeie-1 ijker te beantwoorden.
In enkele opzichten zijn wij in onze kolonie nog ten achter; zoo zijn er, voor zoover ik weet, hier geen bloemisterijen, vaar men planten, zooals Mevr. C. bedoelt, kan krijgen. Meer dan eens werd hier oen dergelijke zaak opgericht; of bet lag aan het publiek, aan den persoon, die do zaak leidde of aan andere oorzaken durf ik niet te zeggen, wol is het een feit, dat zij niet kon blijven bestaan, maar na korter of' langer tijd werd opgeheven. Wel zjjn er hier en daar personen, die planten, en anderen, die zaden verkoopen, het zijn echter meestal mensèhen, die niet voor hot vak opgeleid zijn en zich met min of' meer ijeluk op de cultuur van eenige weinige soorten planten toeleggen. Zoo zijn er hier te Buitenzorg twee; hun collectie bestaat grooten-deels uit Chevelures (Adiantum's), eenige andere varens, begonia's, rozen en eenige palmen; weinig andere planten zijn er te vinden! Ik geloof niet, dat zij er hun werk van maken tuinen aan te leggen en die behoorlijk met bloeiende gewassen, heesters, boomen, enz. te beplanten.
Evenzoo is het met de zaden, enkele personen zijn er die daarin handelen; prijscouranten geven zij in den laatsten tijd niet meer uit, ten minste ik ontving ze niet; de veronderstelling is daarom niet te gewaagd, dat zij niet ruim gesorteerd zijn. Mochten er in Indië personen gevonden worden, die bloemen
- 33 â
voor den haiirlol kwecken of in zaden handelen, op wie liet bovengenoemde niet van toepassing is, gaarne wil ik de attentie van het publiek op hunne prijscouranten vestigen, indien zij die aan de redaktie van Teysraannia zenden.
In andere koloniën is de toestand beter. Zoo ontvangen wij tamelijk gesorteerde prijscouranten van planten en zaden uit ( cylon, Calcutta, Australië, liio Janeiro enz.
Om op de vraag terug te komen, indien de bedoeling is één-jarigo gewassen voor bloemperken, dan kan men die zonder veel moeite of groote kosten uit Europa krijgen. Ditzelfde is het geval mot planten, waarvan de onderaardsche doelen voor de voortplanting kunnen dienen, hiertoe behooren wortelstokken, knollen, bollen enz. ; ook deze kunnen gemakkelijk droog per postpakket verzonden worden. Voor do laatste is men echter aan tijd gebonden, de verzending moet in hot najaar plaatshebben Als de bovenaardsche doelen der planten tengevolge van vorst afgestorven zijn, kunnen zij uit den grond genomen en na wat gedroogd te zijn, verzonden worden ; te lang bewaren heeft een slechten invloed op deze plantendeelen. Zaden ver-kceren in gunstiger omstandigheden; wel worden die ook in het najaar geoogst, de zaden der bier bedoelde gewassen blijven in Europa toch wel een jaar, de meesten langer, hef kiemver-mogen bewaren, zoodat men deze bestellen kan als men het wenscht. Nu is voor ons klimaat de beste tijd van uitzaaiing diei gewassen in het laatst van den westmoesson; zij genieten dan in hunne jeugd nog wat van de vochtigheid, terwijl zij kans hebben dat het tjjdens den bloei droog weer is te waardoor de bloemen zich fraaier ontwikkelen.
Ue Europeesche zaadhandelaars en bloemisten zonden hier tal van prijscouranten; niet allo daarin voorkomende planten groeien en bloeien in ons klimaat; slechts een zeer klein gedeelte dier gewassen is voor ons doel geschikt; er is echter meer dat voor een leek, die wel gaarne zaden zoude willen bestellen, de keus moeielijk maakt, de namen zijn hun dikwijls onbekend. Xiet ieder weet dat Anjelieren, DKnithn.quot; heeten, dat van het geslacht Dianthm de meeste soorten bier zeer fraai bloeien, dat er ande-
^7quot;TT
â M â
ren, zijn die met de meeste zorg lüor nouit een bloem vertoonen; dat Oost-hiilixche kers, Tropaeolum nuijnti, liot veryeetmijnielje, Myotiotis, en het maddi'-fje, He1 lis perennis heet.
Ten einde de plantenliefhebbers in deze eenigszins te hulp te komen en zooveel mogelijk voor teleurstelling te vrijwaren, zal ik hier nogmaals eenige «lier plantjes in hot kort bespreken.
In den vorigen jaargang, in een opstel op pag. 216 en volgende over: âéénjarige bloeiende plantonquot; zijn er eenige genoemd ; wat betreft Antirrhinnin majus, (leeuwenbekje); Asters, Chrysanthemum's Calliopsis, Celosia cristata, (hanekam) iJahlia's Dianthus, (anjeliereu), Gomphrena (/lohosa, (kembaiig kantjing) Heliinithus (zonnobloemen), Impaliens (Halsamien), Petunias, Phlox Urummondi, Portulaca, Tai/etus, Zinnia, eleyans, Zinnia linearis moet ik naar dat opstel verwijzen.
.Men vindt daariii reeds eene ruime keus voor het bestellen van zaden van éénjarige fraai bloeiende gewassen, er zijn er echter meer, die hier goed groeien.
Gaillardia is de naam van een plantengeslacht, dat even als .Vsters, Calliopsis, zonnebloemen en andere tot do Compositen, planten met samengestelde bloemen, behoort; in de Catalogi vindt men er eenige soorten en verscheidene variëteiten van genoteerd, zij hebben tamelijk groote bloemen, die in verschillende nuances van geel en rood gekleurd zijn, het beste is verschillende variëteiten gemengd te bestellen, zij geven hier ook zaad en blijven tamelijk constant. Evenals bij Calliopsis het geval is, bloeien zij mild, dik wjjIs zjjn daardoor de stengels te zwak om de bloemen te dragen, en hij zware regens ot wind slaan de laatste dan tegen den grond; het is daarom nuttig ze bijtijds te steunen. Zooals het met de meeste dergelijke werkjes op tuinbouwgebied gaat, zijn onze inlandsche tuinlieden erg onhandig, zij plaatsen eeu te dikken en te grooten stok bij do plantjes en binden die er als een bos om hoen, zoodat al hot sierlijke en bevallige er van verloren gaat. liet steunen van dergelijke plantjes moet met overleg geschieden, door een klein dun bamboetje te nemen dat korter is dan de plant en hieraan eenige bloemstengels te binden of
indion zulks onvoldoende is, met een lossen band de ^ehcolo plant er aan te bevestigen; dit laatste vooral niet te stijf, zoodat iedere stengel vrij blijft, dan krijgt men een goed geheel.
Evenals de meeste andere planten, kunnen de Grill la rd la's direct op het vak buiten gezaaid worden, of eerst in een pot, of op een kweekbel; beide laatste methoden zijn verkicseljjker, omdat men dan de plantjes later op den gewenschten afstand v;ui elkaar kan planten, die hier wel 1 voet mag bedragen. In ieder geval moeten de kiemplantjes hetzij zij in potten of op kweekbeddingen uitgezaaid zijn, dadelijk van bet volle licht genieten; staan ze wat donker dan groeien zo spoedig teveel in de lengte, worden zwak en sterven af.
Ipomoea is een klimplantje, hier moer onder den naam van Convolvulus bekend; er zijn prachtige variëteiten van met groote trechtervormige, fraai gekleurde bloemen, die echter slechts eenige uren 's ochtends open zijn; de bloemen zijn zoo fraai en ze bloeien zoo mild, dat zij verdienen in iederen tuin geplant te worden. Het moeielijke is de plant behoorlijk aan te brengen, zij neemt natuurlijk den vorm van de steunsels waar zij tegen opgroeit aan; indien men deze behoorlijk maakt, zal de mildbloeiende plant er zeker veel toe bijdragen den tuin in de morgenuren te versieren. Een lief klimplantje is ook Mina lohata; de talrijke bloempjes staan rechtop, zij zjjn hoogrood als zij nog niet geheel geopend zijn, in vollen bloei oranjegeel en lichtgeel als zij bijna uitgebloeid zijn.
Een mooi eenjarig plantje voor vakken is Toren la Fournieri, het blijft laag, bloeit zeer mild met hemelsblauwe bloemen, dio voorzien zijn van donkerblauwe vlekken, ook hier draagt Torenia volop zaad en blijft constant. Ofschoon fraai, maar moeielijker in cultuur is Torenia BaUInni, deze maakt lange kruipende takken en heeft goudgele bloemen met donkerbruine vlekken.
De z.g. Oost-Indische kers, Tropaeolum majus is minder geschikt voor de benedenlanden, wat hooger op behoort hij tot de fraaiste klimplanten; wij hebben te Tjibodas er een helling mede laten begroeien en reeds op verren afstand vallen de
- 36 â
froote rood en oranje gekleurde bloemen in het oog. Van naderbij ziet men er tal van nuances in, scharlaken, bronskleurig, geel met roode en bruine vlakken, roze met wit enz.
Voor bouquetten zijn Verbena's zeer geschikte bloemen, ook in vakken willen zij wel. Zooals men weet zijn Verbena's kruipende planten en nu groeien do jonge takken snel, maken onder gunstige omstandigheden wortels in den grond, het oudste deel der tuk verliest het blad en sterft dikwijls af, zoodat een deel der plant er al spoedig dornitziet; aan het jongere gedeelte der plant komen echter altijd nog goed ontwikkelde bloemen Vroeger kweekte men de Verbena's meest van stek, uit zaad krijgt men evenwel krachtiger planten.
Onder de sierlijkst bloeiende zaadplantjes mogen we het viooltje niet vergeten, ik bedoel hier niet het ruikende viooltje maar de z. g. pensee. Viola tricolor maximci. Het is verbazend, welk een aantal verscheidenheden hiervan gekweekt worden, in den catalogus van Haage amp; Schmidt te Erfurt vindt men er ruim zestig vermeld.
In de bovenlanden zjjn zij geschikt om in bloemperkjes geplant te worden; gewoonlijk zaait men ze eerst uit in potjes of op kweekbeddingen en plant ze daarna in het vakje over; zij honden van veel mest, liefst ouden verganen. Indebeneden-landen gaat het moeielijker; onder een afdakje in het volle licht, maar voor den regen beschut heb ik wel pensees in bloei gezien.
Onder de Salvia's zijn er verscheidene, die zoowel in de be-neden- als in de bovenlanden voor vakjes kunnen dienen. S. coccinea heeft verscheidene variëteiten, waarvan S. c. splen-dens een bijzonder mooie en krachtige plant is voor de bovenlanden; te Tjibodas hebben wij er dikwijls prachtige bloemperken van gehad; de groote, roode bloemen met witte schutblaadjes maken op aanzienlijken afstand al eflect. Salvia 'ari-nacea, heeft lange bloemaren en tamelijk groote, prachtige blauwe bloemen, deze is ook voor de benedenlanden geschikt.
Al de zaden der genoemde planten zijn in Europa bij iederen handelaar in tuinzaden te krijgen, de meeste worden in Erfurt (Duitschland) gekweekt. V .
GETAH PERT J A. HARE EIGENSCHAPPEN, HAAK VOORKOMEN EX DE WIJZE WAAROP ZIJ GEWONNEN WORDT.
Het is mij opgevallen, zoo dikwijls als door bezoekers van den cultuurtuin twee zoozeer verschillende producten als (jetidi pertja en caoutchouc, die men uit verschillende boomsoorten door insnijding van den bast verkrijgt, verward worden. Terwijl toeh caoutchouc zich bij de gewone temperatuur voordoet als ecu elastische zelfstandigheid, is getah pertja ouder dezelfde omstandigheden hard en meestal vezelig van structuur. Verwarmt men haar echter, bijv. door zo in warm water te dompelen, dan wordt zjj week en kneedbaar; bjj bekoeling evenwel herneemt zij haar oorspronkelijke hardheid en behoudt dan tevens den vorm, dien men haar in de warmte gaf.
In zuiveren toestand heeft zjj een witte of grijsachtige kleur; door den invloed van stukjes bast, waarmede zij bij liet inzamelen meestal verontreinigd wordt, neemt zij dikwijls eene roode kleur aan. Volkomen zuiver, is zij iets zwaarder dan water, onder gewone omstandigheden drijft zij echter, door do lucht, die er ingesloten is.
Getah pertja is een mengsel van een vaste koolwaterstof met kleine hoeveelheden van zuurstofiioudende lichamen, waarvan er een, het albinai, gekristalliseerd verkregen kan worden, terwijl dit met de anderen, het guttaan en fiuavil nog niet gelukt is. De verhouding, waarin deze stoffen voorkomen, is naar liet schijnt in getah pertja van verschillende afkomst verschillend en heeft zekerlijk grooten invloed op de eigenschappen en de waarde van het product. Bovendien bevat de getaii pertja van den handel kleine hoeveelheden looizuur, zouten en suikerach-
â 38 â
tigo stoffen. Veel danken wij voor de kennis van de samenstelling dor gotah pertja aan Nedcrlandsehe onderzoekers o. a. aan Adriani, Ilauinhauer en Oudemans.
Tegen vele chemischc agentiën is gctaii pertja bestendig; iloor den invloed vau licht en lucht wordt zij echter op don duur veranderd, zoodat zij bros en somtijds kleverig wordt. Zeewater oefent er bijna geen werking op uit; deze eigenschap, in verband met die, dat zij de electricitoit niet geleidt, heeft haar tot een onmisbare stol' gemaakt bij do vervaardiging van ondcr-zeesciie telegraafkabels.
Zij is oplosbaar iu zwavelkoolstof, chloroform, petroleum-aethor (benzine), benzol en tal van andere koolwaterstoffen. Op deze oplosbaarheid, die o.u. bjj do bereiding ervan uit bladoren toepassing gevonden heeft, zal ik straks nog gologenhoid hebben terug te komen.
Tot do vele eigenscliappon, dio getah pertja mot caoutchouc gemeen heeft, behoort ook dat zij zich laat vulcaniseeren. Hiermede bedoelt men de eigenaardige verandering, dio zij ondergaat door haar met zwavel of sommige zwavelverbindingen te behandelen. \a die behandeling biedt zij sterken weerstand aan den invloed van lucht en licht, terwijl zij de eigenschap om bij 50塉(iO reeds week te worden verloren heeft.
liet is nog niet zoo heel lang geleden, dat men de getah pertja en hare belangrijke toepassingen in Europa niet kende. Van twee kanten wordt aanspraak gemaakt op tie verdienste het product in Europa ingevoerd en bekend gemaakt te hebben en wel door William Moii tgomerie, die eenige jaren geneesheer op Singapore was en door José d'Almeida, die daar langoren tijd gewoond heeft. Do laatste kwam in 1843 te Londen en bracht verscheidene monsters getah pertja mede, die hij aan het Aziatisch genootschap voorlegde. In 't algemeen wordt cchtor de prioriteit van do invoering toegeschreven aan Dr. ilontgomerie, dio niet alleen het belang van het product inzag, maar ook de eerste was, die zich moeite gaf om het meer algemeen ingang te doen vinden.
Voor hij er de aandacht op vestigde was het niet alleen
- 39 â
weinig of niet bekend, maar ook de inlanders kenden de waarde er niet van en gebruikten liet slechts voor handvatsels van hunne bijlen of als een suriogaat van hoorn of hout. Onderden naam van Muzer Wood schijnt het vroeger naar Engeland gekomen te zijn. Nauwelijks had men de waarde der getah pertja leeren kennen of er ontstond een grooto vraag naar.
In 1839 werden bij wijze van proef 100 KG. uit Singapore naar Europa gezonden; in 1845 steeg de uitvoer reeds tot 169 pikol, in 184(5 was .gt;346 pikol, iu 1847,9^96 eninlBoH, op 12000 pikol.
Over den uitvoer uit onze koloniën ia het moeielijk juiste gegevens te verkrijgen. In de door de Bussy te Amsterdam uitgegeven jaaroverzichten betreffende den handel in koloniale producten vindt men o. a. opgegeven, dat uit Sumatra te Amsterdam werden aangevoerd in 1890, 236.200 KG., in 1891, 204.770 KG., in 1892, 252.000 KG., in 1893, 106.000. Ik vermoed echter, dat hierbij ook wel product uit andere streken van den Archipel zal zijn. Volgens Dr. Hu rek, in â Mededeelingen uit 's Lands Plantentuinquot; No. 1, werden omstreeks ISSSuit Borneo jaarlijks meer dan 1.300.000 KG. uit£revoerd
Ue plant, die de getah pertja opleverde, bleef tot 1848 onbekend, toen een Engelsch reiziger Thos. Lobb haar vond op het eiland Singapore. Sir William Hooker, de toennuiligo directeur van de Koninklijke botanische tuinen te Kew, beschreef haar naar herbarium-materiaal, gezonden door Dr. Ãxley, en gaf haar den naam van Isomvdra Gntta.
Oxley, die in 1848 eene verhandeling over getah pertja schreef, deelde toen reeds mede, dut van den boom, die hot product leverde en die vroeger overvloedig op het eiland Singapore werd aangetroffen, reeds alle grooto exemplaren waren omgehouwen. Men wist echter, dat ook in andere streken, zooals op Malaka en op Borneo, getah pertja voorkwam. Of ze echter van denzelfden boom stamde was onzeker.
Ur. Treub trachtte, reeds kort na zijn optreden als directeur van 's Lands Plantentuin, licht in deze zaak te verschaffen door aan do ambtenaren van liet Binneulandscli Bestuur monsters van
â 40 â
gctali [jertja, met bijbehooroud lierbai'iuin-niatoriaal, te vragen. JJüoi- liet ontbreken van bloRiiieu en vruchten was liet echter niet mogelijk de planten te detcrmiueeren. Uit de togelijk verkregen inlichtingen bleek echter één zaak duidelijk en wel deze, dat door de onoordeelkundige exploitatie door de inlanders, de productie in vele streken sterk achteruit ging en de volwassen boomen sedert lang uitgeroeid waren.
Met Xederiandsch-Indische Gouvernement, dat het groote belang van liet vraagstuk inzag, belastte daarop Dr. Burck, den toenmaligen adjunct-directeur van 's Liinds Plantentuin met eene zending naar Sumatra, om daar do verschillende soorten van getah pertja leverende planten te bcstudoeren. De navorschingen van J)r. liurck, die in 1884 als .Vu. 1 van de ilededeelingen uit's Lands Plantentuin een uitvoerig rapport omtrent zjjn onderzoek naar de getah pertja produoeerendc boomsoorten in de Padangsche Bovenlanden publiceerde, hebben zeer veel licht op do onderwer-pelijke zaak geworpen en de lezing van dit rapport kan allen, die in het onderwerp belang stellen, ten zeerste worden aanbevolen.
i)e getah pertja leverende boomen behooren allen tot de familie der Sapotaceae en volgens Dr. Burck verdienen niet minder dan een zestal soorten uit oen technisch oogpunt de aandacht; deze zijn; Palaquiuin Gutta (â Isonandra Gutln), Pi tl. obloiuiilolium, Pal. borneense, Pal. Treubii (in 2 variëteiten) en Puyena Leerii.
Deze soorten zjjn allen in den cultuurtuin te Buitenzorg aangeplant. 1) Vooral in den Pal. Gutta- en Pal. Treubii-aanplant vindt men zeer fraai ontwikkelde exemplaren, die reeds herhaaldelijk bloeiden en vruc itdroegen. Op liet oogen-blik prijken weder verscheidene exemplaren mot vruchten. Payena Leerii geeft al sedert jaren geregeld vruchten, die naar het schijnt door vleermuizen gegoten worden, zoodat men de zaden door deu geheelen tuin verspreid vindt.
1) In de Preanger-Regentschappon bij Tjipetir bevindt zich ei^n aanplant van getah pertja- en caoutchouc-boomen, die onder beheer staat van het Bosch wezen. Volgens liet Kol. Verslag over 1893 zijn op eenige der in de residentie Oostkust van Sumatra aan particulieren in concessie afgestane gronden, aanplantingen van getah pertja aangelegd.
â 41 â
Om de Retail pertja te winnen worden, volgons Dr. Burck, op Sumatra de booraen geveld en daarna op afstanden van 3 â 5 d.M. met oen kapmes geringd tot op liot hout. Op sommige plaatsen ontdooi men don gevolden boom, vóór dat mon hom ringt, van zijn kruin, daar men vreest, dat anders het melksap bij eenigszins hellende ligging van den stam naar de kroon vlooit on zich in do takken en blaren verdeelt.
Van soinmigo soorten is het melksap dun vloeibaar van andore daarentegen dikker. ^nar liet seliijnt komen ook bij verschillende exemplaren oener zeilde soort verschillen in de consistentie van hot sap voor.
Met melksap, dat in do ringen gestold is, wordt door middel van een schraper ingezameld. Daar alleen de naar boven gekoerde zijde van don boom geringd wordt en ook hot melksap, dat op don grond druipt of zich later nog in de ringen verzamelt, verwaarloosd wordt, kan men zicli voorstellen hoe-voel kostbaar product er verloren gaat.
liet dun vloeibare melksap gaat door eone zachte verwarming roods in don vasten toestand over; na de vaste massa nog eenmaal in warm water geweekt to hebben, is zij voor export geschikt.
De op den boom gestolde melksappen zijn meestal met houten bastschilfers verontreinigd, die zich echter gemakkelijk laten verwijderen door de getaii pertja in warm water te kneden, waarbij do stukjes van do onzuiverhoden aan do oppervlakte komen on gemakkelijk loslaten.
Wanneer men die bewerking spoedig na het verznmelen doet plaats hebben en hot water dikwijls vernieuwt, kan men, zooals ik mij door proeven overtuigde, vooral uit Pal. horneense en P. oblongifolium eon bijna volkomen wit product bereiden. Dat uit Fal. Gutta neemt gemakkelijk een eenigszins roode kleur aan, terwijl do getah pertja uit Pr//. Treuhii en Payena Leerii grijsachtig is.
Do getah pertja van den handel is gewoonlijk een mengsel van verschillende soorten, omdat do verzamelaars, vooral nu de boouien, die oen goed product opleveren, schaarschor worden, van
een bepaalde soort te weinig hebben om die afzonderlijk aan de mnrkt to brengen.
Over de opbrengst dor getab pertja-boomen vindt men de meest uiteenloopende en soms zeer overdreven opgaven, volgens welke 10, 100, of 300 boomen nootlig zouden zijn om één picol getah pertja op te leveren.
Dr. Burck nam daarover proeven op Sumatra. Een Njatoeh balam tembaga (Falaquiuin ohlongifolium Brck.), die op maiis-hoogto boven den grond een omvang had van 6 dM. en tot aan do kruin een hoogte van 20 M. gaf slechts 2150 gram getah pertja (de opbrengst, met hetgeen het stamdeel in de kruin on de takken er bij kon leveren, werd geschat op ongeveer 2,5 kati). Een dito-boom van 4 dM. omvang gat 1G0 gram ( !/4 kati).
Een jonge Njatoeh balam bringin (Payenu Leerii) gaf 22 gr.mi.
Een njatoeh balam doerian, nog niet volwassen, gaf 45 gram.
Volgens Dr. Burck zou men mogen rekenen dat een volwassen Palaquiuni oblongifoliiun 1 kati getah pertja bij aftapping kan opleveren.
Een in den Plantentuin staand volwassen oxemplaar van I'uldquium Gutta zou, volgens eene op een proef gegronde schatting van Dr. Burck, een oogst van ruim 2 kati kunnen geven, een bedrag, dat ruim het dubbele is van hetgeen men uit een volwassen stam zou verkrijgen, indien hij op de gewone onoordeelkundige wijze werd geexploiteerd.
Ik zelf heb nu gedurende ecnige jaren proeven genomen om do opbrengst te bepalen van de verschillende soorten der in den Cultuurtuin groeiende getah pertja-boomen. De uitkomsten dier proeven vindt men vermeld in de jaarverslagen omtrent den staat van 's Lands Plantentuin.
Evenals bij de caoutchouc produceerende boomen vindt men hier bij exemplaren eener zelfde soort groote individueele verschillen. In 1893 en 18f)4 liet ik, uit de toen ongeveer !J â10 jaar oude aanplantingen in den Cultuurtuin, een aantal boomen aftappen; de resultaten zjjn in do volgende tabel vermeld:
43
---
Aantal afgetapte booinen;
Palaquimn Gutta 18
â Treubii 'J8
â â parvifol. (7-8j.oud) 18 â oblongifolium 12
â borneense 12
Payena Leerii 66
Eén Palaquium Treubii-hoom in den aanplant munt uit door bijzonder groote opbrengst. Een vraag, die bjj de cultuur van getah-pertja zekerlijk op den voorgrond zal komen, is deze: Zal het door teeltkeus gelukken booinen te verkrijgen, die bjj een zoo snel mogelijken groei tevens een zoo hoog mogelijke opbrengst geven.
Het antwoord zal, er is bijna geen twijfel aan, bevestigend zijn, maar zeker is liet, dat het zeer lang zal duren voor men liet doel bereikt zal hebben.
Uit de boven aangehaalde getallen ziet men, dat bjj een plautwijdte van 12 voet do opbrengst per bouw bij Palaquiuin Gutld na 10 jaar pas }, picol zou bedragen, om eclitor in het llüjaar weer te dalen op slechts 1/6 pic.
Wellicht zal men door degelijke grondbewerking en bemesting de booinen tot sterker productie kunnen brengen, maar de vraag blijft dan toch, of de grootere uitgaven, die daarvan het gevolg zijn gedurende verscheidene jaren, gedekt zullen worden door de meerdere opbrengst, l'it het medegedeelde volgt, dat men zeer voorzichtig moet zijn bij het berekenen van de eventueele opbrengst van een aanplant en de berekeningen slechts mag gronden op de resultaten van talrijke proefnemingen. Daar nu eene rationeele cultuur nog maar sinds kort gedreven is en ook de proeven met het aftappen van levende booinen nog slechts gedurende een klein aantal jaren genomen werden, spreekt liet haast wel van zelve dat op het oogenblik de gegevens nog te weinig talrijk zijn om nu reeds over de rentabiliteit van aan te leggen getah pertja-aanplantingen, gebaseerd op het tappen der booinen, een
Gemiddelde opbrengst.
in 1894. 18 gr. 17 ..
in 1S93. (311 gr. 39 â 7.3 â 6 â U â
7 7 11
6.5
â 44 â
eon oordeel te kunnen uitspreken. Wel zijn de prijzen van eerste qualiteit getah pertja nog vrij hoog, /quot;2,20 per KG., maar men moet niet vergeten, dat men te concurreereu heeft met een bosch-product.
In verschillende verhandelingen en stukken vindt men de vrees uitgesproken, dat, door de roekelooze wijze van exploitatie door de inlanders, het oogenblik nadert, dat de getabpertja-boomen geheel uitgeroeid zuilen zijn, en voor sommige streken is deze vrees reeds bewaarheid; karakteristiek is echter de waarschuwing van een vakman in Nederland, naar aanleiding van de toezending van oen partij monsters, nl. âom voorzichtig te zijn met de- bjjna zou men 't kunnen noemen â âlogende, dat goede soorten van dit artikel als boschproduct âbjjiiti niet meer voorkomen ten gevolge van uitroeing Keeds , sinds meer dan 20 jaar hoorde ik dit vertellen en toch zag âik ze voortdurend komen, en is b.v. boden (1893) het aanbod âvan Borneo (Bandjermasing) ruimer dan ooitquot;.
Toch zoude liet m. i. aanbeveling verdienen, indien men, om, als hot blijken mocht, dat de cultuur met voordeel gedreven kan worden, alvast bibit te hebben en ook om uit verschillende streken gegevens te verkrijgen eenige soorten van getah pertja-boomon, b.v. als windbrekers op ondernemingen, op uitgebreider sciiaal aanplantte. v. R.
(Wordt vervolgd.)
NIEUWE CAOUTCHOUC-INDUSTKIE IN' LAGOS.
In West-Afrika zijn talrijke plantensoorten, die caoutchouc leveren, de Toornaamste behooren tot de Randolph ia's, klimplanten met stammen van 10â 15 cM. diameter Aran deze en anderen wordt van de Goudkust jaarlijks caoutcliouc uitgevoerd tot oen waarde van ruim I iniliioen suldon. In 1891 maakte do Gouverneur van Lagos bekend, dat hij inlanders van do Goudkust, ervaren in hot verzamelen van caoutchouc, heeft lateu overkomen on dat zij roods sommige districten onderzocht hebben, die rijk aan caoutchouc-pro-duceerendo planten bleken te zjjn, zoodat hij hoopt, dat Lagos spoedig mot de Goudkust kan mededingen. Igt;aarop kwam het bericht, dat oen nieuwe caoutchouc-leverende boom ontdekt was en door den Meer Olubi werd herbarium naar Kew gezonden. Hot onderzoek daarvan loerde dat de boom identisch is met Kicksia ufricana Benth. De zaden ervan waren vroeger in den handel gebracht als een vervalschingsmiddel van Strophantlms-'/ndon.
De waarnemende Gouverneur van Lagos verschafte aan Kew de volgende gegevens, waaruit blijkt hoezeer de uitvoer toenemende is:
Eng. ponden. Waarde in i..
i 805 Januari 21 LSI 1213
Februari 15888 777
Maart 1:6316 1419
April * 39763 2078
Mei 216916 11700
Juni 26''619 12577
Bij het tappen van den boom gaat men op de volgende wjjze to werk. Eerst wordt een vertikale insnijding gemaakt van don voet tot den top ter breedte van 1.25â 1.5 cM. Aan eikenkant maakt men schuinsche groeven, ongeveer 2 voet van elkander verwijderd, dio allen in de hoofdgroef uitloopen. Men begint aan den top van den boom. Al het melksap uit de zijgroeven vindt zijn weg naar de vertikale goot en bereikt zoo langzamerhand den grond, waar een vat geplaatst wordt om het op te vangen.
Om uit het melksap do caoutchouc te bereiden kan men twee
â 4G â
methodou gebruiken : het koude en liet warme proces, liet eerste wordt hoofdzakelijk gevolgd door de lieden van de Goudkust.
Men maakt een holte in een omgevallen boom, doet het melksap daarin en nadat zij gevuld is, laat men het met palmblaren bedekt ongeveer 14 dagen, soms langer, afhankelijk van het jaargetijde, staan. Hot water is dan gedeeltelijk verdampt, gedeeltelijk in het hout getrokken, liet residu wordt gekneed en geperst en geeft een cioutchouc van een donker bruine kleur, liet andere procédé wordt gewoonlijk gevolgd door do inboorlingen van Lagos, liet melksap, dat el kon dag ingezameld is, wordt eenvoudig gekookt en ingedampt. Men krijgt dan een product van zwartaelitige kleur, dat minder waard is dan het langs den kouden weg bereide.
Door de hitte van het vuur niet direct op het product te laten werken, verkreeg men aan het botanisch station in Lagos een product, dat melkwit was en veel hooger getaxeerd werd.
Uit het hierboven medegedeelde Idijkt duideljjk, welke rijke hulpbronnen men in de uitgestrekte wouden van West-Afrika bezit.
(Keiv Jiulletin, October 1895). r.
GEZELLIG- GROEIENDE BOOMEN VAN DE FAMILIE DER DIPTEROCARPACEAE.
Aan een recente monographic over de familie der Dipterocarpaceae van de band van Sir Dr. Uietrich Buanius, oud-hoofdinspecteur viin do bosschen in Britsch-Indië, is het volgende ontleend.
Een der meest eigenaardige biologische karaktertrekken van deze plantenfamilie is de gezellige groei van vele hiertoe behoo-rende soorten. Vele Dipterocarpeeën vorineu namelijk uitgestrekte homogene (in hoofdzaak uit één boomioort) bestaande bosschen, waarin een enkele species zich ton koste van alle andere species ontwikkeld heeft. In de tropische bosschen van Oost-Azië spelen de Dipterocarpeeën een soortgelijke rol als de Coniferen en Cupuliferen in Europa. De bolangrijkste van deze gezellig groeiende Dipterocarpeeën is de âSal-treequot;, Shorea rohusla, die homogene of nagenoeg honiogene, zoor uitgestrekte bosschen vormt aan den voet van den Himalaya van Asam tot Punjab en in de bergstreken van Oost-Centraal-Indië tot ann de Godavery-rivier. Wanneer klimaat en grond (de âstandplaatsquot;) gunstig zijn voor
don groei dezer soort, voert deze S/iomt door aantal van individuen do heerschappij over andere boomsoorten. De factoren, die in hoofdzaak bijdragen tot do geschiktheid dezer Dipterocarpee om over do andere plautonaoorten te heerschen zijn vooral de volgende: Het zaad wordt rijp nadat de boschliranden uitgewoed hebben en kort voordat de regenmoesson invalt. He boom draagt elk jaar in groote hoovoelheid zaad, dat gemakkelijk en snel ontkiemt. De bladeren van de jonge pbuiton zijn zeer groot en verstikken daardoor de eventueel onder do jonge Shorea's opgeschoten andere planten. Wanneer de boschbrand in den volgenden drogen moesson don ondergroei der bosschen tot op den grond heeft doen verdwijnen, schieten tegen liet invallen der eersto regens kraclnige jonge loten uit de stronken van de afgebrande SJiorea, ook al zijn de planton tot op don wortel afgebrand. Dit alles is van groot nut voor deze Shorea in den strijd om het bestaan tegen andere plantensoorten, die niet zulk een groot regeneratie-vermogen hebben tegen brand, en die minder vaak en minder rijk zaad dragen en wior zaden goproduceerd worden op oen tijdstip, dat niet zoo gunstig is als hot begin van den regenmoesson. Nog een groot voordeel voor deze gezelliggroeiende Shorea is hot vermogen om gedurende de jeugd jaren lang te kuunen blijven leven onder dichte schaduw van andere planton.
Een andere boomsoort der Dipterocarpeeën-familie, die merkwaardig is door zijn gozolligon grooi on die in Burma op sommige plaatsen uitgestrekte homogene wouden vormt is de z.g. Eng-trer JJipterocarpus tuherculatus Roxu. Evenals bij den Sal-treo vindt men onder en nabij oude boomon dezer soort steeds een zeer groot aantal, uit afgevallen zaad opgeschoten, jonge individuen v in allerlei leeftijd En dezelfde factoren, die den gezelligen groei van Shorea robusta veroorzaken, maken hot ook voor deze Dipte-rocarpus mogelijk om op bepaalde standplaatsen gezellig-groeiend op te treden.
Bkanuis vermeldt 17 species ei\syezelli(/-groeiende, homogene bosschen vormende Dipterocarpaceae.
Daartoe behooren (volgens IJ.) in den Maleischen Archipel alleen do volgende soorten:
Dnjobalanops aroinalicu Qaitrx. f. cn Dipferocnrpus Duudii Koiitu. {â I). pilosus Roxb.) in Sumatra.
Shorea Balani/eran en A nis op te ra costata Korth. iu Borneo;
â 48 â
do overige 13 soorten vormen ullcen buiten don Muloischen Archipel, vooral in Voor- en Achter-Indië homogene bossehen. (Bkandis, Dipterocarpaceae, 1895 p. 6.) /,â¢,
EXPORT VAN HOUT UIT DÃITSCH NiEUW-OUlXKA,
âSedert 30 Nov. 189*1 zijn (door de Nieuw-Gruiuea Compagnie) ontvangen 121 blokken Calophijllum hiophi/lluin, (njamylong) en 1C3 blokken met 10 stamstukken (163 Stücke and 10 Stiimmo) Cordia suhcordata. Omilat de markt voor dit hout in het vorige jaar niet gunstig is heeft men verderen inkoop gestaakt. Behalve de op p. 15 van hot vorige â lluttquot; vonnelde hoeveelheid werden seilurt November ISO-! nog verkocht 54 blokken ('alophijUuin, 13 blokken AfieUlt;t en 38 blokken Cordia snhcordala. In den hiiit?gt;teii tijd worden do prijzen weder beter, doordat men do technische eigenschappen van het hout door doeltreffende behandeling vóór het gebruik verbeterd heeft.quot;
k.
(Nuchrichten üher Kaiser Wil-helmsland und den Bismarcks Archipel, 1895 p. 2.)
Hef. vestigt or de aandacht op, dat alle drie hiergenoemde houtsoorten ook in onzen Maleischen Archipel voorkomen, Calofjhijlliun en Af zei ia zelfs in vrij groote hoeveelheden, zonder dat mon hier in Indië aan export schijnt te denken.
EEN ZIEKTE IN DE BEGONIA'S.
Bij sommige kasplanten, vooral Begonia's, maar ook Gloxinia's en andore kruidachtige gewassen komt in den laatsten tijd eene ziekte voor, die de bloesems doet afvallen en de bladeren verkleuren. In Engeland houdt Michaël zich bezig met het bestudeoren van plantluizen en andere kleine plantenvijanden uit het dierenrijk, hij vond als oorzaak van genoemde ziekte een bijna microscopisch klein diertje uit het geslacht Tarsonymus. Eonige soorten van dit geslacht hebben reeds een slechte reputatie, zoo is T. Jiancroffii een vijand van het suikerriet, terwijl T. Buxi van geheele vakken Buxus de bladeren vernielt.
â 49 â
De soort, die de ziekte in Begonia's veroorzaakt, is des te meer te vreezen, daar hij zich niet verbazende snelheid voortplant en niet gemakkelijk to bereiken is, omdat hij zich onder de epidermis ophoudt. Michaöl geeft als middelen ter bestrijding zwavelzuur, carbolzuur en bonzino op, terwijl Watson uit Kow hier als zijne ervaring bijvoegt, dat het boter is voorbehoedsmaatregelen to nemen door nu en dan, b. v. eenmaal 's weeks, do bladeren met tabaks-of' zeepwater te besproeien. ugt;.
{Revue Horticole Nu. 24. 1869.)
ARMOEDE AAN KRUIDEN EN STRUIKEN IN SOMMIGE TROPISCHE ROSSCIIEN.
In een stuk getiteld âLTehor den Cbarakter dos südchilenischen Urwaldesquot; deelt Dr. Neger eenige bijzonderheden mede over de armoede aan licht en als een govolg daarvan armoede aan kruiden en struiken op den bodem van sommige bosschen. Het volgende is aan dit artikel ontleend.
Do moeste bosschen van Zuid-Chili zijn bijna gedurende het gansche jaar in regenwolken gehuld; eon week droog holder weder is iu vole streken een zeldzaamheid. Hierdoor is de hoeveelheid licht, waarmede zich de plantenwereld tevreden moot stellen zeer gering; inzonderdheid is dit het geval met de op deu bodem van het dichte, altjjd groene oerwoud groeiende kruiden en heesters. In het voortdurende halfduister van zulke gesloten bosschen is dan ook het aantal op den bodem groeiende kruiden en heesters uiterst gering. Het zijn slechts een paar varensoorten (Hi/menopyllum en Trichoinanes), 2 Umbelliferen {Osmorrhiza en Hydrocolyle) een I'ilea-soort en oen paar Cynoctonwii-soovim, die bewijzen, dat de plantengroei iu dit halfduister niet geheel verdwenen is.
(Forstl. Naturwiss. Zeitschr. 1895 p. 425). k.
AARDBEIENTEELT.
In oen opstel ovor aardbeienteelt van den heer Ide in het onderstaande tijdschrift vind ik eenigo wenken, die ook in Indiö niet ton onpas zijn, want ofschoon in do bovenlanden hier en daar wol aardbeien geteeld worden, geschiedt zulks nog lang niet voldoende. Het is hier nu eeno zeldzaamheid als men op die heerlijke vruchten onthaald wordt; dit kon anders zijn. Nu het genoeg bewezen is VII ' 4
âL 50 â
tlat zjj in de bovonlaudon willen grooion, zomlo mot wat moer zorg do cultuur gemakkelijk uitgebreid kunnon worden te moor daar or zulke goede niouwe variëteiten bijgekomen zijn.
Dn heer Ide zogt: Mon neme om te pooten hot eerste dool dor rank. Gewoonlijk ziot mon, wanneer niouwe aanplantingen aangelegd worden, do jonge planten zoomaar voor don voet wegnemen. Soms gebruikt men zelfs oude planton, welke dan vaak door scheuring vorkregen worden, liet laatste is zoor af to keuren, vooreerst slaan do planton mooiolijk aau tengevolge der verouderde en daardoor verkeerde wortels. Ten tweede zijn de vruchten, die men later van zoodanige planten oogst, kleiner van stuk on minder van gehalte. Door de eerste handelwijze bekomt men planton, die langzamer groeien on ook moor neiging tot ontaarding toonen, waaraan, evenals vele andere planten, ook deze plant in storko mate onderhevig is. Niouwe soorten, hetzij' zij toevallig of kunstmatig ontstaan zijn, verdienen do voorkeur. Wil mon bestaande soorten verbetoren of in stand houden, dan kan men, zooals boven gezegd is, door alleen de jonge loten van zoodanige planten te gebruiken, veel tot verbetering bijbrengen.
Bij nieuwe aanplantingen neme men vooral don zwaarston grond. dion men heeft; droge gronden zijn voor deze plant mindor geschikt. Moot of wil men or toch op telen, dan geve men eerst een zware bemesting met goeden, verteerden stalmest en make vooral don ondergrond goed los. Om hot uitdrogen te voorkomen, belegge mon na het poten do oppervlakte mot oen laagje most. Een flinke begieting met vloeibare most in 't najaar en in't voorjaar bemesting met Chi-lisalpoter, bevorderen zoor de ontwikkeling van bladeren en ranken.
Bij hot uitplanton zorgo men er voor, dat de planton niet dichter dan 0.00 a 0.70 M. op en in de rijen komen to staan, liet laton groeien van alle jonge planton, zoowel als bet afsnijden van allo bladeren is zeer af te keuren. Het eerste, omdat hot de planton zoowel als do grond, waarop ze geteeld worden te spoedig uitput, terwjjl do jonge planton tevens do oude van het licht borooven, zoodat de knoppen slecht gevormd worden en bijgevolg later weinig vrucht dragen.
Do gewone maandbloeiers moeten om do twoo of drie jaar door zaaiing vernieuwd worden anders gaan zij achteruit, ook do andere soorten aardbeien moeten na vier of vijf jaron vervangen worden.
{Tijdschrift voor Tuinbouw 2o en 3e Afl. 1895.) w.
â 51 â
BEN NIEUW NEDEKLA.NDSCJI TUINBOUWTIJDSCUUIFT.
Hot vorige jaar verscheen or bij do firma J. B. Woltors te Groningen een nieuw tijdschrift onder den titel âTijdschrift voor Tuinbouwquot; ondor redactie van Dr. H. Bos, A. C. Ido, Ernst H. Krelage, 15. A. i'lemper van Balon on Leonard A. Springer on met veler medowerking. Illt; ontving er No. I, 2, 3 on 8 van.
Hot is een fraai tijdschrift on wat meer zegt, het is goed goïl-Instreerd, zoo zijn or fraaie chromolithographiën, van Mimulus qainquevHlnerin Hort, bij een opstol van II. Witto, on van oen fraaien nieuwen appol â Yellow transparant.quot; De autotypiën beboerende bij hot overzicht dor soorten Vanda'svan I'lemper van Balen, zjjn hoewel duidelijk, minder fraai; zeer good is eeuo zincographie van Vanda tricolor.
Do inhoud biedt grooto verscheidenheid aan, wij zouden bier te uitvoerig worden door de verschillondo opstellen to bespreken, die door degelijkheid uitmunten. Om er op goed geluk maar eón te nemen komt in de 8° aflevering een opstel voor van den bekenden tuin-architekt Leonard A, Springer getiteld: âDo grove Don {l'hius syl-vestrin) als sierboom in onze parken.quot; Zoowel door hetgeen ervan gozogd wordt als door de fraaie illustratie is schrjj ver er in geslaagd ons jaloorscb to maken, dat ons klimaat niot toelaat dien karakteristieken boom hier to kwoeken. Zoowel door fraaie autotypiën als zincographiën wordt do tokst toegelicht.
Hoewel een Nederlandsch tuinbonwtjjdschrift, onzen Indiachen bloemenliefhebbers natuurlijk niet veel nuttige werken kan gevon, is het voor ieder, die moer van den Nederlandschen tuinbouw wil weten, wel de moeite waard, het nieuwe Tijdschrift van Tuinbouw te bezitten. Wij wenschen liet eone goede toekomst toe.
MOS VOOR DE PLANTENCULTUUR.
Van alle middelen, die aangewend worden om de planten tegen i uitdrogen te beveiligen, is er geen boter dan mos. Toch schijnt het nut van hot mos aan velen onbekend.
Als 't mos eenmaal vochtig is. laat 't hot water niet gemakkelijk verdampen, en daar 't niot zoo licht verrot als bladeren, is het beter geschikt voor dekking van planten togen droogte; ook tegen vorst is hot uitstekend. Deze laatste eigenschap kan ons echter koud laten.
â 52 â
Zonder dat ze met mos boilokt zijn, kiemen de /aden van Rhododendron's, Azalea's en moer dergelijke zeer moeilijk. Ook voor 't kiemen van Palm-on Musa-zadeu is eone mosbedekking bevor-derlijk.
De (kis uitfteplante zaailingen, die men uit de pepiuières buiten plunt, zijn, als men den grond met mos bedekt, in 24 uur hersteld, terwijl zij onbedekt dikwijls dagen lang treuren en deels achteruitgaan of althans dorre bladeren maken, al begiet men ze ook nog zoo regelmatig.
Om den guustigen invloed eeuer mosbedekking te leeren kennen, dekke men den grond rondom eoiiigo planten, bijv. om Dahlia-stengels een hand hoog met tnos, men zal verrast staan over de weelderigheid, die deze planten weldra in haar groei toonen.
In den groentetuin kan hot mos mede met goed gevolg gebruikt worden, inzonderheid als bodembedekking voor zulke planton, die veel vochtigheid wenschen, als koolsoorten enz. Daargelaten uog dat men minder behoeft te gieten, laat het mos geen onkruid door; kropsalade, door mos omgeven, was 14 dagen vroeger bruikbaar en grooter dan die, welke vrjj stond.
Opmerkelijk is hot: ook dat mos den grond los houdt, waardoor op grondbewerking bezuinigd wordt. Onder het mos is do grond steeds vochtig en los, zeker tot niet gering voordeel voor den groei der planten. Men zou hiertegen slechts één zaak kunnen aanvoeren, en wol deze, dat er zieh lo voel ongedierte onder verzamelt, wat men echter door bestrooiing met asch grootendeels kan boletteu. Do aardvloo bovendien wordt or door geweerd.
De plantenliefhebber bezit ongetwijfeld in het mos een middel om zijn kweekolingen togen veel nadeelige invloeden te beschermen. (Sempervirens No. 2, 1896.) w.
iWKNOl'TK MKlJKI)Ki;LINGION uit L)K I'JIAKTIJK.
Antwoord op vraag 8.
Wolke planton zjju gescliikt voor tien aanleg van lilocinperkon in een kool klimaat on waar zijn dio lo krijgen;'
Het opstel o|) pag 32 van dezo aflevering geeft oenig antwoord op deze vraag.
Vraag 10. Gaarne zoudo ik oen proef' willen nonion mot de (Imivon-cnltmir (voor eigen gebruik); do plaats, waar ik zou wonsehen te planton, ligt op den Ardjnono op circa 3000 vt. boven de zee.
Ilooft iemand reeds ervaringen verkregen niet drniven-cultnur o]) die lioogte of op andere hoogten boven de zee^
W. te «.
Mot liet oog op een stuk over Ijiberia-koftieknltnur, dat in bewerking is, zouden do lozers, die daartoe in do gelegenheid zijn de Redactie zeer verplichten met hot geven van een zoo volledig mogelijk antwoord op de volgende vragen:
a. Op welke hoogte liggen uwe tuinen, hoe groot is er do regenval (ook aantal regendagen op te geven) en welke is de grondsoort?
b. Op welke wijze is de grond voor den aanleg bewerkt; was hot maagdelijke grond of reeds vroeger bebouwde en wat is er na het planten gedaan aan onderhoud, grondbewerking on bemesting. Is er ook kunstmest gebruikt en welke en in welke hoeveelheden?
c. Welke schaduwboomen zijn er geplant, zijn die in don grond gebracht vóór, tegelijk mot, of na do koffie. Hoe groot is de plant-wijdte der schaduwboomen ?
d. Is het Liberia-kofRezaad met of zonder hoornschil geplant en eerst op zaaibeddingen en daarna op kweekbeddingen overgespeend, dan wel direct op kweekbeddingen. Welke plantwijdte is op de kweekbeddingen genomen?
â 54 â
0. Zijn de planton met een kluit (peeterans) of zonder «leze (tjaboetans) in de tuinen geplant en waren er onder do jonge plantjes niet krommen o(' gekronkeldon ponwortel. Werd do pen-wortol vóór het planten afgesneden ?
f. Hoe oud waren de plantjes toen zo in do tuinen weidon overgebracht, welke hoogte hadden zij '^ Werden er andere gewassen tusschen geplant?
g. Hoe groot is do plantwijdte van de kottio in uwe tuinen; zjju de hoornen getopt en zoo ja niet welke resultaten?
h. Worden do tuinen geheel zonder onkruid gehouden of ge-brnikt men het opsohiotendo onkruid voor groene bemesting?
1. Hoe groot is do opbrengst per bouw van tuinen van ver-schillemlon loeftjjd. Heeft do plantwijdte invloed op de opbrengst.
j. Zijn er op uwe onderneming ook aanplantingeu van zoogen. hybriden, dan wel van enten van âhybridenquot; op Liberia-onderstam? Iloo zijn de resultaten dier aanplantingeu?
k. Hebben bladziokto, djamoer oepas enz. of wol insecten schade aangericht ? Is or iets tegen deze plagen gedaan ?
Hot zal overbodig zijn te zoggen, dat zoo do inzenders van antwoorden dit verlangen mochten, do namen der ondernemiiigen van welke gegevens verstrekt worden, niet genoemd zullen worden.
De Red.
Vraag II. Zjjn er onder do lezers van dit tijdschrift, dio daarin een en ander zouden willen mododeelon over do Cultuur van Morinda citrifolia (patjeh, koedoe, raangkoedoe.)
v. D.
KORTK liElilGHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN.
UlTOAANDE VAN DKN DIKECTEUK DEIt INRICHTING.
Beschikbare Zaden van NuUir/e Gewassen.
Acrocarpus fraxiuifolius, Arn. Mad an;/ pari.
Albizzia inoluccana, Djeungdjiny laul.
Albizzia stipulata, Bth. Sengon.
Andropogon rauricatus, Retz. A kar wangi.
Canariura commune, L. Kanari.
Caosalpinia coriaria, Wild. Divi-diri.
n dasyrachis, Miq. Petah-petah.
Cassia llorida, Vahl. Djoear.
Cassia javanica, L. Doenyhoengdelan.
Castilloa olastica, Ccrv. Caoutchouc.
Casuarina sumatrana Jngh,
â llumphi.
Cedrela sorrulata, Afici Soerian.
Cinnamomura zoylanicum, Hreyu. Kaneel.
Corchorus capsularis, L. Goeni, dute.
Croton Tiglium, L.
Cupressus excolsa,
Eehinodiscus oehinatus, L'ers.
Elaois guineensis, L. Oliepalm.
Eriodendron anfractuosum, ü. C. Ka pc/,-.
Erythroxylon Coca, Lam. Coca.
Euchlaena luxurians, Dur. Teosinle.
Fiacourtia sapida, Rxb. Lobi-lobi asem.
Fourcroya sp. Mauritius-hennep (in groote hoeveelhedon, bolletjes).
Helianthus anuuus, L. Zonnebloem.
Hevea brasiliensis, Müll. Arg. Caoutchouc.
Indigofera galegoides, Dl. Taroem oetan
Intsia amboinensis, Thou. Maraboh.
Melia Candollei, A. Juss.
Melia Azedarach, L. Mincli.
Myristica fragrans, Houtt. I'ala.
Myroxylon peruiferum, L. Ferubalsrm.
l'arkia interinodia, Hsskl. l'ctir.
I'iiyona Leerii, Brck (Utah perlja.
Polygala olcifera, lleekel. Boterplant.
l'terocarpus saxatilis, llinph. Lengoa batoe.
llhodoloia Teysnianni, Mii]. Katjihurana.
Schizolobium oxcolsum.
Sindora sumatraua, Miq. Sindor.
Styrax Benzoin, Dryand. .Minjan.
Tamarindus indica, L. Asem.
Thoa assamica, (Ilybr. Ceylon). Thee.
Thea chinensis, Sinis. Thee.
Theobroma Cacao, 1gt;. (in kleine hoeveelheden).
â bicolor, 11. 15. n v
Verschillende varieteiten van;
Cotfea arabica L. (in kleine hoeveelheden). Nicotiana Tabaeum, L. 'J'ahah.
Sorghum vulgare, L. G'indroeng.
Sesamum indicura. 1). G. Widjen.
Aan allo aanvragen wordt, zoodra hot gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat het overbodig is, bij niet spoedige ontvangst, op toezending aan to dringen.
Buitenzorg Jan. 189fi.
Bijlage I.
Hoeveelheid pikols koffie in de jaren 1859â1894 uit de inkooppakhuizen uitgeleverd.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
8 03.000 70 7.0 0 O 0 88.000 3 75.000 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
8:n .00O
80 0.000
o:tr».ooo
:t.il.000
c â 1,1896
â ) eAsC-lt;ik X
C
,-t^ lt;v 5 o-Cp 4lt; Qj0, O - os.
Bijl\gï: IT.
|
'i' ^ CTi tâ t - |
|
cc |
00 |
Cl |
X O |
X |
O |
t |
oc |
gt;o |
co |
Cl |
Cl |
tlt; |
cc |
O |
Cl |
co |
O |
Cl |
(M r-( | |
|
O |
O |
X |
»o co |
X |
GO |
O |
lO |
co |
r- |
co |
00 |
t |
o |
' â lt; |
Cl |
CO |
X |
«O |
-t lt;â' | |
|
I- |
O |
O |
o o |
O |
co |
Cl |
t |
râ( |
co |
O |
t |
t |
CO |
1- |
GO |
O |
O |
Cl t | ||
|
co |
ci co |
Cl |
Cl |
Cl |
co |
co |
co |
tl |
Cl |
rH |
Cl |
Cl |
tl |
co |
Cl |
CM Cl | ||||
|
t co |
â |
co |
Cl t |
Cl |
co |
O |
O |
co |
cö |
co |
CO |
O |
GO |
lO |
t |
iO |
co |
co |
Cl |
GO tl |
|
co |
X o |
O |
Cl |
00 |
CO |
Cl |
co |
l~- |
Cl |
O |
O |
lO |
GO |
O |
gt;o |
Cl |
00 |
l- IO | ||
|
»o |
h- |
'X |
C5 lO |
ccgt; |
f- |
X |
O |
Cl |
O |
PâI |
tl |
Cl |
co |
âH |
f-4 |
IO |
â¢âlt; |
00 |
h» |
»o «O |
|
Cl |
Cl Cl |
r-H |
rH |
Cl |
Cl |
tl |
co |
co |
»o |
Cl |
co |
co |
CO |
co |
»o |
gt;â4 |
T-l Cl | |||
|
co |
co |
lâ |
CO co |
co |
t |
1» |
co |
gt;o |
r- |
t |
fl |
co |
t |
râ |
Cl |
co |
O co oo | |||
|
co |
co |
co |
t- .o |
lO |
'CO |
GO |
O |
co |
co |
00 |
'â⢠|
Oi |
â¢c» |
X Cl |
co |
t |
X |
_l |
t tl | |
|
O |
Cl |
gt;o |
â' Cl |
iO oo |
O |
't |
t |
r- |
tâ |
o |
»o |
1â |
r- |
â¢O |
tl |
O |
00 |
cc \o | ||
|
Cl |
Cl |
co |
co co |
Cl |
'â1 |
Cl |
Cl |
Cl |
t |
co |
t |
t |
Cl |
? i |
CO |
Cl |
t |
Cl |
Cl |
'-I Cl |
gt; io r- tgt;. ^ j
i quot;O o â⢠«o ⢠⢠â« CO CO lO -
| 'l)l,!UI')f)
09C9!)I
amp;
IZÃMH
co ^ (M âlt; ^ CM C5 O â fM i- ro
i - ^5 o o r-
ro o ^ oo
«O (Cl Tt^ iO
l'lJSl
C^COCOO â O â O-^GV O O »0 â¢â' '-â X1 O t ~ O iD CO (M 'â CO w5 iO O0
iWW.L\ r,805 ii
7D O «O CO O 00 O CO X)
â C0r-(i0 0-^0»âI â OOI
co co CO O 7D CO rt' CJ â¢
'â1 CO (Cl CO CO râ* Cl Cl '
x» co cm c^i co co r- co quot;O »ogt; â
Cl Tji CO Iâ CO GO 'Cl Cti O '
?,6tm
I f»0981
quot;i
a
tl CM lO CO 00 Cl
rs io ccgt; co co co O Cl â« »o co »o (Cl
X) CjD CO CO 00 O Ctgt; ID co »o t-
quot;O 1^- t â O 10 t^-
LVZMl
ilt;0 ;Ji â GO
w
-t!
1 88(UUl ' 01 amp;0G l
^ ^ O) O O O ^ tâ (J5 O0 CO quot;«^ Tf CO O GO lO C5 â C^l CM âlt; âlt; CO CJ
CO CO lO lO GO co O tâ ^ (Cl vO CO CO Cl (M ^ co t- X
--- quot;ir^wcocoocooco-ft^-ïooiâ' â
â¢. r\ i rr\ s ^ i ^» r\t â _^a -»â¢
co yj
t-^ 5 ^ S S ^ ^ I w iJ ^ 0 ,0 0 ^ ^ 01 00 O GO Cl co r-
V^xJSSSSSSSJ^^r^ â SP^'^JCIO^CSOCICOCOOOt'-O^iOOiO
^ SI ?i Iz 2 S 15 ^ 0 ^ 0 ^ ,c ^ ^ ,0 ^ ^ ^ ^
â¢â«ClCli-Hr-.cOCO-^tiCOCOCICICOCOCICO'--^ClCI~- -- -- â
OCO^COt^lOiOCOClCOw^Oâ' o io ci gt;o os -H co o r- co -H o rC) GT. Cl CO 'GO â¢â« iCI »â -f O O co -H Cl âlt; CO co r-H ci Cl Cl Cl Cl Cl Cl
7^
Cl Cl CO Cl co CO Cl
05C5iO-^i-^fâ^-fCO'-t â OOtir-CO^CO â O O CO CO Cl O CO Cl -tl gt;o CO X O O O »o Cl Cl quot;^r-ooo^i-^o.-ococooiOTttt^coo^H CO Cl Cl 1â« 1--» Cl Cl co Cl Cl CO Cl CO Cl CO ^ Cl
X â GO CO O -f 00 Cl l- x t-quot;O'-Hoor^-cor-cojocitâicococi â ci ^ ' X) Cl O T-- co Cl GO r^- !gt;⢠Cj 1-H co co rH co ^ quot;Tts CO Cl Cl Cl Cl Cl âlt; GO Cl Cl Cl â
t -
X
CO CO ccgt; r: co
â Ci h- tâ co Cl Cl â«OCOâ' â lO-HCO^ ^-GOOGOOiââ '-tIGO â â Cl -H Cl Cl Cl CO Cl
^-OCOCO^COcn-COOCOCOClCOOCO^O^-HOOCO^asCl^b-^^COCOCIGOOO^COOr^
ClCOXgt; CIOOCI»â' CV CO -quot;O 0 05 GOl^* --tiCTiiO 'O O Cl -t COrOCOCa^â^ OCOâ*'âlt;C0 tâ Cl GO »â⢠X â^ -H lO O Cl -f lO CO O Cl CO GO T1 lO â' O Cl co Cl CC1 -* quot;â¢** CO O O CO Cï â' Cl X âICIClr-^Cl^^HCl'-CI^-r-. ^ Clâ⢠'
|
Cl |
Cl |
r- |
â |
rH |
â | ||||||||||
|
0 |
lO |
co |
I- |
0 |
1- |
X |
lt;3, |
CO |
»0 |
CO |
co |
CO |
r- |
X |
CO |
|
Cl |
rât |
X |
Cl |
X |
0 |
CO |
(x) |
CO |
X |
co |
0 |
CO |
X) |
CO | |
|
CO |
CO |
co |
CO |
t |
r- |
tâl |
CO |
CO |
Cl |
CO |
r-x |
CO |
râlt; | ||
|
Cl |
Cl |
Cl |
â¢âI |
CO |
â¢âI |
Cl |
râ |
Cl |
â |
Cl |
â |
01 |
Cl |
Cl Cl CO Cl
. go -f r- o O ci r- c: o co os co cï o ^ gt;o co gt;COCliOCOCOC5tâ l-h-OOGOquot;^â«CIOS â -tiiOGO 1 X) co io gd o »ââ co co â' io ci co r- -«ti co i r-- go I --H CO CO âI Cl CO CO CO Cl râ Cl Cl Cl »0 CO -t -H Cl
I lO Cl I gt;o O ( Cl â^
1 CO -t 'X GO 1(0 1 Cl â ^ ^ â
' O â Cl I O O CO iO
O C5 O
j â w â â⢠wv â¢â1 ^ ^ ^ gt;o co - i 't gt;0 â' CC. CO O O â¢-tl iO 'O Cl O
â w CO C5 O. X Cl CO CO Cl âlt; 'f X Cl ' co
C1 â¢â' â â'Cl Cl Cl Cl r-H Cl Cl Cl CO Cl .quot;O quot;t Cl
t-- Cl O C5 O Cl CO I- O tâ co O O 3 CO lO C^ CO CO Cl Cl CO Cl Ci Oï CO 00 00 ⢠^ W iw ^ W W .W
^ ^ X) â- GG- X -f to CO CO co quot;O O l'â o 'CO O 't lO -f ïO O O O O Cl X) 't o O lO Cl
tâ tO »0 -T f- o CO GO rH Xj cfj O CO Cl CC) CI O Cl «O X) â quot; ~ â------- --- --------- --
' Cl â' quot;»t Cl Cl Cl lt; Cl ââ â c^l Cl â
I O lO CO O lO O uo
-â j w ^ iij t- itj w w w ' (7*1 jj tquot; ^ itj j iO CC) '0 1-â r-» -ti CO CO Cl CO Oi O O Cl O GO gt;o cc
IGC6H toGcei 6D0C0S
-d
gt; I- gt;C CM Cl
â' â - â ⺠. » ^ ju Cl -t »0 CCi Cl O CO Oi t-â co â¢|0«OOCOCO»0quot;OCOOCOCOCOGOI^-OOGOCC - o râ o ci ci â x â â' io co «o go co -t io o I Cl Cl Cl Cl CO CO CO Cl Cl Cl Cl Cl -«t co co co co
i O -t c^ râ( co c^ râ x r^» x co â' ci ci cmo co
«O Cj C. Cv tâ 1-0 I- Cl Cl O IIO \0 O »0 s X O XGOKcOCOCïOCOCO-tCO'O'tCO^'HC^'ti
' CO Cl ^ Cl CO o» -H Cl Cl Cl Cl Cl CO CO cr« »o CO
O W
⢠quot;t âlt; Cl
|
O CTi ^ M SM Cl |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
râ CO GO O «O »0 lO CO O C5 ~ co âlt; co co .x i- o t â tl CO GO ^ -tl CO CO O Cl Cl CO Cl CO r-~* 'âlt; Cl Cl Cl â' |
|
1 GO O ' |
io |
__ |
co |
fâ |
X |
l^r |
r- |
t |
tl |
X |
r- |
r- |
lt;3 |
Cl |
CO |
CO |
1^- |
CO |
CO |
cc |
X | ||
|
Cl X rH |
t |
co |
cc |
co |
Cl |
râ |
co |
tâ |
X |
X |
râ |
10 |
0 |
CO |
t |
tâ |
t |
râ1 |
»o |
â |
t- |
râquot; |
Cl |
|
X -t 0 |
t |
IO |
co |
1â |
tl |
Cl |
0 |
X |
0 |
t |
co |
0 |
0 |
rH |
CO |
X |
0 |
âlt; |
co |
co |
CO |
gt;0 | |
|
Cl Cl co |
'-- |
Cl |
Cl |
Cl |
Cl |
â. |
Cl |
CI |
Cl |
Cl | |||||||||||||
|
co 0 X |
IC |
IO |
co |
quot;0quot; |
Cl |
01 |
co |
Cl |
co |
co |
Q |
lO |
CI |
Cl |
tl |
0 |
â |
CO |
»0 |
t | |||
|
r- 01 x |
0 |
1â |
co |
0 |
r-« |
â¢âlt; |
Cl |
t- |
gt;0 |
rH |
»o |
t |
»0 |
gt;0 |
'â |
X |
0 |
râ |
5 |
CO |
CO |
CO |
X |
|
co co â |
0 |
co |
co |
ti |
CO' |
t |
0 |
râ |
uo |
0 |
r- |
t |
t |
X |
CO |
⢠Q |
CO |
IO |
X |
X |
rH |
CO |
CO |
|
r-.r-.r- |
ââ |
Cl |
r~' | ||||||||||||||||||||
|
Cl lO co |
Cl |
0 |
t |
fâ |
X |
t |
tâ |
CO |
t- |
3 |
tquot; |
X |
CI |
CO |
Cl |
CO |
Cl |
Cl |
0 |
_ | |||
|
tl co »0 |
0 |
co |
râ. |
tl |
co |
Cl |
0 |
Cl |
X |
»c |
X |
»0 |
r- |
t- |
Tr |
CO |
co |
to |
rH |
r-. |
có |
X |
CO |
|
t â' X |
co |
co |
CO |
co |
X |
tâ |
CO |
0 |
X |
Iâ |
t |
CO |
X |
0 |
râ |
CO |
CO |
lO |
CO |
X |
r- | ||
|
Cl Cl Cl |
râ |
co |
r-. |
Cl |
rH |
r-. |
Cl |
Cl |
Cl |
r~' |
Cl | ||||||||||||
|
r- f- x |
co |
0 |
gt;0 |
Cl |
0 |
co |
co |
co |
r» |
co |
CO |
CO |
râ |
râ |
X |
CO |
»0 |
CO |
t |
CO |
0 |
X | |
|
IC t tâ |
CO |
co |
CO |
Cl |
co |
co |
X |
tl |
0 |
t |
t |
1 - |
CO |
r- |
CO |
0 |
Cl |
h- |
tl | ||||
|
t -co co |
X |
co |
Cl |
X |
Cl |
có |
»0 |
»0 |
co |
co |
»0 |
rH |
CO |
CO |
Cl |
â |
CO- |
X |
cc |
CO |
0 |
X | |
|
CO Cl co |
â |
co |
Cl |
â1 |
ȉ1 |
Cl |
Cl |
Cl |
â¢â⢠|
CI |
CI |
â« |
Cl |
'â |
Cl |
Cl |
â¢â1 |
Cl |
Cl |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
⢠O '00 -ti t CO ^-gt; 55 CO 1-' Cl â¢â^ â¢â T-H râ« C-l 1âlt; _. w Ci CO --tH iO t-G^ co ^ C, â ^ (C, »- 6^0851 |
|
co gt;o cc |
co |
Cl |
1^ |
co |
lO |
rgt; |
co |
cc |
co |
t |
co |
cc |
_ |
X |
co |
O |
â¢âlt; |
t |
O |
â¢Â»t |
h- |
co | ||
|
CO CO Ci |
CO |
co |
«O |
lt;â« |
00 |
t |
co |
Cl |
t |
CO |
CO |
Cl |
ló |
âw |
co |
X |
lO |
tl |
Cl |
O |
â¢â⢠|
GO |
O | |
|
O 00 â1 |
gt;o |
iO |
CO |
co |
r- |
1â« |
GO |
X) |
O |
O |
co |
co |
co |
O |
Cl |
r-H |
Cl |
O |
co |
t |
co |
co |
1- | |
|
Cl Cl |
Cl |
T-H |
râlt; |
Cl |
Cl |
Cl |
â4 |
T-. |
rH |
GV| |
Cl |
rH |
Cl | |||||||||||
|
x co co |
CO |
cl |
t |
Cl |
lO |
co |
quot;co |
CO |
co |
Cl |
»o |
»o |
Cl |
co |
co |
, , |
co |
gt;o |
CO |
CO |
t | |||
|
O co O |
Cl |
t |
»o |
Cl |
t |
t |
Vâ1 |
GO |
gt;o |
O |
TâH |
»o |
Cl |
CO |
O |
GO |
fâ |
00 |
Cl |
â⢠|
GO |
t |
co | |
|
O X) |
cc |
cc |
lO |
Cl |
co |
Cl |
cc |
X |
X |
ȉlt; |
lO |
r- |
lO |
t |
CO |
l-gt;- |
co |
Cl |
Cl |
O |
co |
câ | ||
|
Cl Cl ^ |
Cl |
Cl |
'--, |
Cl |
Cl |
Cl |
r-H |
ȉ1 |
â â« |
â¢â1 |
tâlt; |
rH |
â¢âgt; |
r- |
Cl |
Tâ' |
â â¢H |
r-( |
â¢âlt; |
Cl |
â |
rH |
â li ^ 22 Cr 1:0 10 ^ ^ ^ ^ ^ CV1 CO 00 co t Cl 'CO ^ CO 't' C' Cl (M »o co uo
^ LZ IL X; 55 ü! ^ 70 ^ 00 ,0 O oi o O (Ci co co io ⢠r- co t iO ci o os vo r- r- co
i^p^^'^^'^'^^^'ooc^coGO^^r^GOGOâ-tico^r^'-tGO'-'COOOiX'Coc: ^ CO Ol CO C^l Cl Cl Ol Cl (Cl Cl Ol iâquot; CO fâ â¢âlt;â« CO Ol Cl â¢â'â¢â⢠r-1 (Cl 'â1 Cl Cl
19 ^ O* 21! ^ *1: ^ o CO o CO GO f O ^ O O Cl 't O O' O ^ gt;0 lO -t vo t- â GO O r- co o
^ ^ o 1-- O O CO CO co Cl GO O â' CO Cl â« o 00 X X O CO O CO GO Cl c: -t co O O
r. ^ ^ ^ co t- O x CO Cl Cl lO o t- »o co XJ co O O - - CO CO CO Cl 00 â CX IO Cl - CO t-
01 Cl Cl lO co Cl CO Cl CO Cl Cl Cl CO Cl Cl ~ â1 â »â' Cl Cl Cl Cl Cl Cl lt; Cl «-i ' ol â ci ^
Xà f2 2° ^ 10 ^ 00 ^ ^ ^ CO CO lO lO GO CO C5 f-gt;- T-» (Cl lO CO co 'M Cl quot;H co I- ci
ll1 ^ LZ ^ ^ ^ 00 ,0 ^ â C^l CO CO 'O Cl Cl h- C- CO CO O co C. O ^ t-- iO â1 -
11 X\ ^ E2 IT '0 ^ ^ ^ ^ 10 CO «O »0 OC5CMiCC0O(MOOG0O(M(M(M^quot;^C0C005C4
â⢠. I (Cl 'quot;f co Cl (Cl (M CO CO Cl (Cl CO (M CO 'tl Cl Ol Ol Cl Ol (M lt;CI âlt; »âi Cl CO â¢â1 »â (Cl C
â lO O X 't o» 'O râ O o gt;lt;0 quot;0 0gt; 1(0 CO O Cl »o l- CO O) co cc co ^ o O CO Cl GO 00 00 tâ ifO O
^ Cf GO 00 ^ r- ^ TH tH ââ quot;tl »Q 'C Co Cl lO--h Cl â¢âi â O «O Cl lO ^ â CO Cl 'â 1â O -t gt;O GO â â
lO Cl GO (X Of ^ tl âlt; 00 00 00 'O »0 tâ Cl CO t- t- r-- GO f t CO co O O â O Cl Cl -t o r-
^ o? Cl lO CO Cl Oi Of CC Of CO Cl CO Cl Of gt;-i ^ Cl Cl Cl Cl Cl CO CO Cl Cl Cl
irt ^ ^ ^ ^ ^ co quot;H f O lO O (Cl O O co O CO GO Ol CO iâ Cl CM co »o co r- »â
ococoocicor^â'-^ioooc^ OXJOGO1â OICOIO-^COCOCOCOGOIâ cor-.ciCiOïXir-oof^-c^'fC^ior-Gr:^ -H Ol â⢠-Cl (Cl Cl Ol (Cl (Cl Cl â co râ â1 r-lt; (Cl ri oi â â â â â
GifWflt öQci:f)i
I CO Cl Cl GM Cl
JS
, 0
rc *
O .
O tsc
*p §
, CP O §3
O.S I ès
.⢠tc . cc s c
^ T* C3
t: ^ cf
^ O r
-O O ^
1 C3
⢠to O
5 - rc â¢
c3 C« fcc
O â¢â¢âJ '-l â¢
o -d .5 â¢-
s- CS --C
O c $ CJ â¢
o ~ O- O
'/3 O o ^
C8 C S-i O .
^ PQ -
o ic d ,
. tc a
v- 2 '
COS-
s quot;cc : c 5 â '
o C3 !
r/2 H c
O
MH5!
' 53 J3 S ic S s
-So
5 O O
H W ^
⢠tt
ïf C bo-
. c a 5 -â¢
. et «s ^ Vr gt; â ^ O)
l§JI g
§ .£, to ^ g a =3 c o
^ â a â : â¢
c ⢠O» 2
cS ^ c â¢- C)
O c3 o .2 ^
S % T3 ^ quot;3
O O O .~c,'
.2* o
oS â
ci -O C
cy c3 ce
to Ã
O ^
w ^ 'rj2
s ^ ;
; I 2 â¢:
; o .: . ^ .73 r
ïbj* G O
quot;S 53
I £
3 bc
,oi Ã
' o t-
ci .Xgt; O O
~ O
quot;5
to^
cö ^
c5 â
fctgt;
ce cr.s, o 22 H O a ^
53 ^ 1
=2 quot;CD
2 s
i) O
^ o
quot; «quot;=
gig ^ a- a
«5 3
«O
: c-~ :
b s ic.;
âI Cw ^ 1 *ââ ^
o O tc O Cï ;
.-5,.~S « c MMS P'Z ^
cö
|
â¢r* |
cf |
CD 0 |
£ | |
|
' d, |
E |
0 |
tc | |
|
Sis |
0 |
0 |
0 -M | |
|
^C | ||||
|
OS |
s |
jü |
0 | |
|
:cl |
OS |
0 |
0 |
0 |
|
H |
0 |
^3
|
lO |
llt;t) |
!gt;⢠|
O |
O |
O |
X |
Lâ |
X |
1 - |
âj |
CD |
3 |
CD |
O |
X |
__ |
X |
cd C; |
Dl |
CD |
CD |
1 - |
X |
CD |
O |
O |
05 |
05 |
05 |
CD |
O |
O iât |
CD |
gt;o |
-- |
I-- |
O ^ |
»o |
Dl |
1 - X |
O âH |
â |
1 ^ |
râ |
co t- |
Dl Dl |
Dl |
lO |
05 X |
â |
CO |
CD |
CC |
lO | |||||
|
»o |
â¢O |
co |
Dl |
iO |
CD |
CD |
â, |
O |
X |
CO |
CO |
O |
co |
â OO |
t- Dl |
O |
quot;O |
'f |
05 |
X |
1- |
â¢â4 |
-t1 |
T-H |
CD |
J- |
l- CD |
lO |
CD |
CD |
gt;c |
co co |
iO |
CO -h |
co |
O |
X O |
Dl |
O |
co |
O |
O â |
â 05 |
CO |
X |
CD I - |
gt;o |
O |
Dl |
T-H |
O | ||||||||
|
f-H |
â¢â1 |
Dl |
Dl |
01 |
DJ |
Dl |
Dl |
Ol |
gt;âlt; |
DJ |
râ. |
râ |
f-H |
DJ |
'--, |
TâH |
râlt; r~' |
r-« |
lt; |
Tâ1 |
1â. râ |
ȉlt; |
T-lt; |
r-* |
t-H râ |
â¢â⢠|
'â1 |
r-t ȉlt; |
1 |
râI |
)|)jlUO0
|
quot;M â' O iO O O O ^ O 30 â -f â 05 O ^5 CO 'M «X ^5 (M X) GO O «O fM ^ 'f oi x GO ^ o O T: 'M O gt;o r- â^ r': rc co 'M ^ »o -f â O (M tâ ^ rv, ^ Ol Cquot;, â¢â quot;M â^ â -^l Tl 'â â1 â â¢ââ -â' â^ quot;M Ol quot;M Cvl rH I- CD )Ctgt; Ol GO X) lt;M râ O Ol O 'â GO I- CO X OJ Tl ^ '-T: co CO IC O CO X t- GO gt;o X O â X X1 'O »o ^ r^. t- O O O co lO x n X lt;â â' O oi Ol â i- cr:
f;i)8i 6()8l I()8l |
Ol CO O â1 »0 O O lâ (M Oâ|05i0Xi0r-- 'Cr:^'â â O Ol ^ CO Ci CD ^ r^. t~- co -H C5 05 iO O O '-H gt;0 CO 'â' OS lO CO CO »0 tâ (M C2 X Ol CD »âI O ^^OCOrHOT-OOtâ XOïCï'O â C0»0 057I0505D^05XO05XCDI0I0C0'^O(Xgt;CDXC0 lO Igt;- lt;M tâ tgt;» 05 GO CO O CO CO ^ O O Ol lgt;- T-1 W ^ 'â w- W ^ 'M »o O GO X '-f X iO -f ^ tâ CO t^. lO O X ^ ^1 âlt; O ââ C^l ^ O â' »o GO lO r- - ; c: x co |
|
- 05 IO Ol quot;^1 Ol OI Di I- â Ol r- o -^ â¢ââ O ^ Oi fi co CO »C gt;0 X CD CD Dl O* OJ GO O 05 -h -D: tâ lOCD'fCOCDfMI-COXCOOiC^OnO^OOïfM'â L^CDt-lt;Xgt;GOMJ(M^C005 O CD r-( CO X X O: iO CO CO Ol 05 C0 tO l- 1- Dl lt;- tâ Dl â' - 1 O CO Oi CD O O DI O X o co »o O tgt;- O OS r- X I-- 1- CD X O) CO 05 »0 â O 05 CD »0 w X râ -M 05 co CO X â 05 D5 X co ^ Dl »-H DJ »-H DJ 'quot;H r-H T-H rH tâH t-H tâ« râlt; rH tâlt; iâ^ â¢â» â iâi âlt; â⢠â r-H râ* »-H râlt; râ r-* tâi t-H »âgt; 0681 6881 |
' O X iD DJ Iâ C5 CD l -f »0 CO »0 CO X 05
8881 1881 0881 5881 t88I S881 o88l 1881 0881 6i8l
*5 lt;1
CO
O 2
fep J.
S !» -h
| S
O w
rvj
H
D5 D5 x iO 01 01
â co 01 O
lOCOf^ iXDI-- lOCOt-- â Tt^xxrâ l-CDCDl-.-'* I «O D^ I- 1-- co CO «O CO Ol O co 05 't' CD â 05 x Dl f 0] â¢â1 OJ Ol â¢â^ 01 â1 â¢â 'âI 01 01 ^ I Ol ' »-H Dl
~ 01 05
X CD CO
Ti â O X
X iD I - -t ^ â X OI CO ^ 0J 01 -H Dl Ol â' Dl â' â
I-» Dl â X OJ CO CD CD I CO O CO CD CO iO tâ 01 05 CO Dl -n CD CD Dl â CD O - â â â ^ -H 01 DJ âi Dl
CD O X ^ CO 01
Of-OOl^- Iâ 0500i0:0 â^lO-fr-iiODJâ1D1 â coco
05 CD CD 05 x OJ CD O âlt; DJ 05' -T- O 05 0J Ol lO CD »0 lO r- f
iO CO X CD .quot;O CO
CO 01 CD X 2 2 01 O S 05 Dl t? O 2 oi '5 Ãl' '/ oquot;! X; iO :t CD X S S $f! X DJ CO CD DJ ^ X 05 CO CO O ^ O CO O »0 »0 »lt;0 CD O Dl gt;â CO X CO O O ^ 00 CD CO O CD lO X X »0
Tâ r-H-^OJOlOIOIâ'â'01'â DJ'â'â â¢â'r-.â^ (J.! Dl Dl â' »jO 2 ^ ',2 ',2 ^ 40 71 quot;^1 ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ 00 0
05 I- X co â« â
iO »o
O .-O
X â
O X
55'-HI^»CD'*^,r--i0005-005CDIâ O-fCDâ^CO'
05 i- 05 l
D «O i
^ D CD CO 01 Ol
|
X |
05 |
»o |
O |
Iâ |
|
01 |
â |
Dl |
Ol |
â¢O |
|
f-H |
T-H |
lt;â» |
gt;â« |
lt;-H |
l lO ⢠CD
iO Ol 05 X X LO
DJ lt;-OJ 0
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
O O O r- |
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
»o ^ â â¢lt;* 01 oi oj : |
|
JD Dl iO â - |
|
|
O |
CO |
o |
X CO |
»o |
1- â O |
D -f -f »0 f |
â' 1(0 |
CD |
O |
Dl |
CD | |
|
05 |
CD |
X |
Dl |
16 o:' |
Dl |
Dl iO O |
i- â' X -n CD |
Dl O |
05 |
Dl | ||
|
Dl |
â⢠r-H |
r-H r-â 01 |
t-H râ1 f-H r-H |
â 01 |
râ |
yâgt; |
1-H |
Dl 05 CO X 05 CO CD Câ Dl (O Ol ^ ' lO O CO X lO Dl lO DJ Dl iO iO CO 'T 1- CO gt;0 -r O CO CJ O X «O X t' CO Dl O^ Dl I-01 DJ â â Ol DJ DJ â-lt; IâI Dl 01 01 â â' â^ râlt; Dl DJ Dl Dl »-lt;
' 05gt; CJ O I - âlt; iO «O O X CD Iâ CO 'T^tlt;OCDDI â â CDCODICDDJ
CD X co 01 01 01
x iO r- x gt;o oi
01 Ci'j ^ »0 05 05
tâ iO â' CD CD CD CD tâ O X) lO CO ^ «O âlt; X CD iO DJ Iâ 05 DJ O CO CD CO DI CD O -tlt; ^ 1- 05 CO Dl
2 Zh ^ 2 2 2 2 ^ ^ ^ 00 ^00^ ^ 001'' 1 ^ 30 0 Lquot; ^ 0 ^1010 00 0 ^
CD X â CD â' «O Dl -t Dl Dl CD â CD CO CD »0 «O ^ CD 05 O lO r- -f D CO OS 05 D X CD iO ^ X X ifO â'
-tj Dgt; O Ij- CO 00 , X X I - X iO iO CD CD ^ O X CO iO CO â' â^ quot;-f Dl âi CO â^ X f 05 I â t - X O Dl CO 05
CO 05 Ttn O Dl O r- ^ CO râ CO 05 05 CD CD 05 r- â- lâ CD OJ CO CD fâ O lO »0 lO CD -f O CO -ri X CO ^ ZH ^ 2 '2 Zh â â' CI âlt; âlt; X CD OC â O O Dl CO O' â -- D1 X 'â Câ iO I - 05 â O X
^ ^ x Dl O 1â co CO CO -t' DI ^ lO 't' O 05 -f x CD O X O CO â' râ CO X CO CD Dl O x »o X
2 O X O OOO X 2 ,0 0 â ^ ^ ' ^ ^ X â Ol r-H Dl 05 lO 05 t- X CD ^ CO CO â
iâtâ i-»D)i(0'â' ' or-- â * * 05 â-o
lO »(0 CD '-- -r Cl lO lO râi O IQ X Iâ CD
lâ O X »-H CD CO 05 I- »0 CO X X gt;0 05 GO tgt;- O O «O X lO 01 OI â CD ^ !gt;⢠00 X CO CO O O CO O CO iO ^
CD oi lO lO -tl CO iO CO -t- â⢠O tquot; O â O O O.- CD DJ 05 i-H Tf X X O X 05 l- :D X co I- O O
3 â CD 05 CD 05 X O tr- CD -li »0 05 05 t- t'- 05 Dl Dl CO X X Dl â O X O ' X X quot;'f O^
05 X r- 2 ^ ,0 ^ ^ ^ ^ ^ X X DJ O DJ iO X 05 â T-1 O^ âlt; I- X «O 05 D1 â --i
t^-X'âlt;-^O5- (r-XO5XC0r^^â-C0^ t- CD lO CD »0 Dl iO DJ lO CO lâ O DJ â C0O05XDlCDC0CD uo CO CD «O X CO 00 co tâ ifO CO CO 'D O O Dl »0 CD O lâ Dl lO I- Dl iO 05 05 r- â' CO X X â' CO Dl
^ Ol DJ OJ CO CO Dl »0 ^-i D' O OJ DI Dl 05 05 DJ O O DJ 05 X 05 O L- 05 X CD CD co 05 '--1 X I-
|
O |
T-H |
CD |
lO |
~H |
X |
lO |
Ol |
05 |
1-v |
CO __ |
1- -H CD âtl |
O | |||
|
ât1 |
â CO |
»Q |
O |
⢠O |
1 â |
'O |
X |
âH |
1â |
Vquot;7^ |
CD |
quot;«rM |
X 1- -f â | ||
|
Dl |
Dl |
1 |
r- |
Dl |
TH |
Dl |
r-H |
Tâ1 T-H |
r-H râ â Dl |
Dl |
to
33 O
fcCO
. O â¢
TS
03
gt; O fco
)
c
c
o!
. fcc
d0§ O 5
-2 c S «s
|
⢠«- O â â Cli tc.x^ a, c: -td vjJcc^a,c:'-o^^ oOotrDcïcfcocö 5 ^ ^ JS ^ o o 3 .5 â¢â âgt; o cj |
|
ss _! , tr crj â ~ tc C« cgt; ^3 H | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
D
si
to D
C tD . e« tD
â -^.s -
C D 0)
S ^ D O o ^ o â¢: o 05
§ ⢠S
O OJ
â ^ O
J2 ^ â ~
O) C^S
H
tc _ .
0 ⢠c c 2 _
'o ^ o.
C tr gt; â ââ *} 03
O a f c« ^ C3
J g ë-^-^ O
® o â¢2^c S S
o â, c ö S g
.quot;tJ ^ c^ ^5 ctj o ^2 lt;5 P5 CO
to a
2 â¢
' a; â
^ fcD .
S if 5 «'
2 2 sl
s- CS fcO ^ cti g tc: fco o cö ; CQ O ^ i
O
to
O â¢-,
fcD
3 _ _o ^
tc g
cS
O
cö C â¢â» D
O
o cö
Q u:
-j
CÃ c
c« .ti i-. â o
SD
PJ D r3
lt;D
1 ^
S o
OJ o â * â»
a gt; ^
5 -D C« 2 c .2 o ^ ^ 33 H ffl
o «
° « -S ^ co O
.£, ^----- â¢
-t3 03 ^O t? *-lt; cj ea lt;0 0 0 fcDCÃ D rz^
a-
O
O cö
O Q CÃ ^ O o i/J '
O -
tD
tc c
il
cö o
D D - ^
Q q
... o ... a quot;tC o S
â . tc-S â 'S'^'2
5 ^ = ,2. g « « I
â ^ -c cfi ^ o O
«it §1 s
^ ^ O CQ CO ^
sO
CT; CO
|
à |
S |
|
â r*^. | |
|
-1r |
£ |
|
S0 |
V rr* |
|
O |
ü |
|
O |
V |
|
t-cei |
«081 |
5
:
â¢0
' SO â¢-0
.O
o
Ti d a
d QJ
c5 gt;
d »-5
O
bc a
mm* I â Bkh m mÃÃÃÃBÃ
; V/f;
â BHHniinSHM_________________________ iMI
H SilS
gm jHUHl
9 â ./.v.:'
â am
mt
. ;
f:.-!*,i'.Vquot;
I, â
|
- | |
|
p |
H |
|
y | |
|
â | |
|
-0 | |
|
cr0 |
cr- |
|
0 | |
|
0 |
to
I
9
CD
O
aJ
c5 gt;
Pi
lt;u txn agt; M
O)
-4^»
agt;
a
à c5
t-.
O»
OD
O
0C' CO
à c3 tgt;
agt;
-4^
CO
to
O â¢
M
O 60 0 c5 lt;D
o 5
s
|
O CP | ||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
O |
O |
O | |
|
O |
O |
o |
O |
|
q |
q |
q | |
|
ö |
lO |
d |
lO |
|
O |
tâ |
iO |
CM |
|
fâ^ |
1 r
V
â 1
' i
O)
fcn 02
lt;T)
CO
*r
â¢1 /*gt;
5quot;J
Q
9
1
lt;s
»-gt; 5
r
O
O
'T
|
O |
O |
O |
O |
O |
|
O |
O |
O |
O |
O |
|
O |
O |
O |
O |
O |
|
O |
to |
ö |
16 |
ö |
|
O |
t- |
iO |
O | |
|
(M |
TH |
yâi |
1~H |
|
O |
o |
O |
|
O |
O |
O |
|
O |
O |
O |
|
lO |
O |
i6 |
|
tgt;- |
lO |
CM |
bi) O
ö O
O
e
O
Cfj
G CJ
Ã
O» -w
tf) til O
C
O)
to §
e
PL,
: ^
1
(-D O CO
.i 5
. y ⢠\N
n
T
P
cr^
O 0
c
eb
bX)
.9
S t-i agt; o CU
bC
.9
p 4
O
O
n3
c5
gt;
CÃ
T-C8I }:««l {.liSt £081 SGSl U»8I 168I0«8I OOS'I «88 ï CsSl 8881 8881 .'881 1881»881 98s l lt;;88ï C88Tf881 f88[ }:88I 888 F S881 28811881 188T0881 08810^81
nd
â¢i~lt;
a
pl o
o
bD
O
CO
Pa O
r 1 4
ca gt;-
agt;
bo
(igt;
.2 O P3 T3 O
M
O ià O
i
Ã
O) TJ O c3 c3
a 0)
O
O
O
O
O O
£
agt;
O
'quot;à ö
Ã
O»
op
â¢73 0
(D fcD
O)
-S a ce c3
-4-5
lt;D
-a
O)
a
O
JS
Pm
agt; gt;
co 00
^ff o co
-w
O » â
co
O ^
CO U,
GO
TâH
S o
cr
)=iH ü â¡D
agt;
O
o -*-j
w
to c O
O 3
ö bJ | ^
P-i
c
O
gt;c
e
O
Cp èf)
O
O O
O
c
f-68 [ f!«8I
fi'681 tosi lt;j(isgt;T MiSt
tos'i oosr
OGS'I «SKI CS'Sl sssi
88.41
issr igt;ss(
98«1 isM (-!88l fS'Si f SS I }.*s s i tSKI oSSI
V
S88IIS8I 1881 (»881 0881 ti'SI
|
O |
O |
O |
|
O |
O |
O |
|
»o | ||
|
1quot; |
â ^1 |
f r
r3 ö
1
CJ)
co
O
O
a
agt; a
O O O
O
O
q
o
o5
o
o q
iO tgt;-
|
O |
O |
|
O |
O |
|
q |
q |
|
ö |
gt;d |
|
»o |
cvi |
|
r-H ... |
rH quot;T |
O
O
q
o o
O
O
q tgt;-
o
O
q o
lO
O O
q
O) no
(N
| tD
cb
ö
⢠r-lt;
Ã
O 6C
cö ®
to 0) *-l
-S Ã
lt;D
-4-5
O
e
'tj a
c3 i-Q
QJ
Otgt; 00
f-i
o ^
-M
O S
§ -2
00 CU
l-H O
m
c
p3 P gt;â O
d
lt;D »
-4-3 -4-3
n co
tr p
O 6c
O P
A -4
O
P â â £ £
co
X
to
t3 :=r5
PLANTEN-ANIMISME OP JAVA.
dook A. G. VORBERMAN.
Het Polynesische volksbegrip, dat aan sommige planten liet bezit van een ziel toekent, is ook op Java terug te vinden. Meerdere voorbeelden daarvan worden dan ook in de litteratuur over dit onderwerp aangetroffen.
Ten aanzien van de rijstplant vooral zijn deze duidelijk sprekend.
Prof. Dr. G. A. Wilken beweert in zijn werk over liet animisme bij de volken van den Indischen archipel, dat do Javaan het eenmaal bestaande begrip van de bezieling van dit gewas verbonden heeft aan de van de Ilindoe's overgenomen vereering der godin van den landbouw (4'ri of zooals zij op Java heet: Deivi Sri, de ecbtgenoote van Visiinok.
Dit betoog vereiscbt ccliter eenige toelichting.
Van animisme door de Hindoo's in Britscli Indië aan do rijstplant toegeschreven, bcb ik in do nijj ten dienste staande litteratuur niets aangetroffen. Wel echter, dat die Hindoos do rijst bcschouweu als het zinnebeeld van rijkdom of fortuin.
âOp een Donderdag in de maand Pauscha (van December âtot Januari), nadat do nieuwe padi geoogst is, wordt een maat âbestemd voor granen en van rotan gevlochten, in het 15en-âgaalsch rek genaamd, gevuld met versche rijst, goud-en zilver-âstukken en koperen munt en daaraan toegevoegd eenige schelpjes, âdie in Afrika als munt gelden, kauri genaamd, en het geheel âvereerd als de vertegenwoordiging van de godin des overvloeds.
âDit toesfellotje wordt in oen sclioonen aarden pot opgeborgen âen tot vereering op een Donderdag in de eerstvolgende drie âHindoe- maanden onder ceremonieel naar buiten gebracht.
VII 5
â 58 -
âHot is do huiselijke vorm, waarin die godin bjj oen laudbouwvolk âals de lliiuloes, die voornainelijk van rijst leven, vereerd wordtquot; Van deze godin Laksiimi of Qri worden nog vele afbeeldingen in steen, nit don lündoetijd afkomstig, liior op tTava aungetrotfon. Hot zijn meestal staande of zittende vierarmige beelden met lotuskussen, achterstuk en glorie en als attribuut een lotusbloem in een der handen, terwijl zich soms eon korenaar in een der achterlianden bevindt. Ook langs do muren van zwem- of badbassins uit den Hiudootijd wordt soms een afbeelding dezer godin opgemerkt, waarbij do borsten dooibooid zijn en gediend hebben om hot immer stroomend water overvloedig aan te voeren.
De in het Madioenscho gevonden steenon graanteinpels zijn voorstellingen in het klein dor hedondaagscho rijstscliurou (loemboong).
Volgens (xRüKNKVEU)T waren die tempeltjes waarschijnlijk gewijd aan (Jul, in hare hoodanigheid van godin van liet graan, en m do nabijheid dor rijstvelden geplaatst.
Do betrekking van deze godin tot de rjjjtplant is hierdoor
voldoende toegelicht.
liet idéé van animisme is door de Javanen op de plant overgebracht en het ligt voor de baud, dat zij Deivi Sri, door hun godsdienstleeraars als godin der fortuin, ouder andere door middel van rijst, vereerd, als oorzaak dor bezieling gingen beschouwen.
Hoe ingeworteld dit begrip nog is bjj de hedendaagsche bevolking vernam ik ton vorigen jare te Tjabaug-boengin (residentie Batavia), waar do rijst nooit op een Maandag mag gesneden worden. Als roden hoorde ik opgeven, dat hot eonigo malen was voorgekomen, dat halmen, op Maandag gesneden, een bloederig vocht blokon te bevatten. Een dergelijk verschijnsel kan wellicht ontstaan zijn door inwerking van microorganismen binnen den halm, doch do Inlanders schreven het toe asm de monstruatietijd van iVy'/'-Sui. Wie echter iVy/-Siu was kon niemand uit het Mohaiuedaansohe gezelschap, waarin hot mij modogodoeld word, vertollen.
Ivarakteristicke verhalen over de bezieling van hot rijstgewas zijn bjj SolIjEWUN Gelpke in diens âRijstcultuur in Italië en op Javaquot; 011 bij Wiekex in hot bovonaangehanldo werk te lezen, waaruit ik enkel in 't kort citeer: de vermenging van het water, dat naar de beplante sawahs vlooit met ampoh on roedjak, versnaperingen waarop Inlandsche vrouwen, vooral ten tijde van zwangerschap belust zijn.
Bjj de vruchtzetting namelijk wordt de rijst in de meening van den Inlander zwanger en om de planten uit berekening welgevallig te zijn, worden zij evenals zwangeron, die âgelustenquot; hebben, gotracteerd op roedjak en eetbare aarde.
Hot ligt echter in de bedoeling door dit opstel de litteratuur over planton-animisme met eenigo voorbeelden, die minder bekend zijn, te vermeerderen.
Deelde ik zoooven iets mede over do zoogenaamde zwangerschapsgel usten of nyidam van Inlandsche vrouwen, dan rneeno men niet dat deze zich beperken tot het bovenvermelde genotmiddel en do tusschenspijs roedjak. De vreemdste zaken worden soms verlangd en het wordt als plicht van den echtgenoot beschouwd, aan haar verlangen zooveel mogelijk te voldoen.
Nu groeit overal op Java op vochtige plekken de wilde of ongecultiveerde vorm van de kladi, Co/orasin anHquovum Sen. te Batavia kladi oetan gohecten.
Deze wilde kladi dient nooit tot voedingsmiddel voor den mensch door de menigte raphiden van oxaalzuro kalk, die daarin voorkomen en die bij hot gebruik prikkelend werken op lippen, tong en gehemelte.
Varkens echter laten zich die zotmeelhoudende stengelknol, mot do stengels fijn gehakt, in onberoidon staat goed smaken on versmaden dit voedsel niet liet minst. Yandaar de meening dat de Idadi oetan voor varkens bestemd niet prikkelt, doch wèl voor den mensch.
Heeft oene Inlandsche zwangere haar lust gesteld op sajor van kladi oetan, dan gaat de echtgenoot dn plant zoeken, maar noemt, vóór hij de plant uitrukt, de voorzorg luid to knorren als een varken, om de plant in den waan to brongen, dat /ij
â 60 â
moet dienen voor zulk een dier en dus minder prikkelend zal zijn.
Wie hotjah angon zijn, weet iedereen, die eenigen tijd in het binnenland vertoefde.
Inlandsche knapen uit den landbouwersstand van 7â10 jarigen leeftijd, die niet buffels, sapi's, geiten of schapen worden uitgezonden om het vee te weiden en ter gelegener tijd naar den. kraal terug te voeren, Zjj zijn echte Javaansche, kwajongens. Is er oen feestje in de buurt, honderd tegen één, dat zij hun kudde, die veilig op de afgesneden sawahs graast, in den steek laten om to nonton, waarbij de kennis dor omgevende natuur, die zij op hun tochtjes opdoen, hen te stade komt om een goed plaatsje vooraan te krijgen.
Wee den volwassen toeschouwer, die hen in den weg staat en hun het uitzicht belet! Met eon glagah-rietje, waarin de haartjes van do beruchte jeukeboontjes, rerawèan (Mucunaprurita IIook.) worden deze ongemerkt onder de kleederen geblazen, tot dat do man genoopt is zich hevig krabbende te verwijderen. Op hun zwerftochtjes met het vee vangen zjj niet alleen uit tijdverdrijf allerlei insecten, maar peuzelen ze ook in gepoften staat op.
Men uitvoerige beschrijving van de insecten, die door Javaansche herdersjongens onder het weiden gezocht en gegeten worden, kwam voor op do Amstcrdamsche koloniale tentoonstelling van 1883 en was ingezonden door don Malangschcn zendeling Kheemer. Niet alleen insecten maar ook allerlei in hot wild groeiende vruchten zijn van hun gading.
Nu moet in het .Madioensche een hoester voorkomen, waarvan de vruchtjes volgens Javaansche begrippen )i\et schadelijk zijn voor apen. doch wel voor menschen. Het karbouwonhoedertje in zijn kwaliteit van omniphaag versmaadt echter dit vruchtje niet, maar neemt vóór hot plukken do voorzorg te kochelen als eon aap, om de plant op hot dwaalspoor te brengen en te doen donken, dat hare vrucht door een dergelijk dier genuttigd zal worden.
De zaden van de ketjoeboeng, Datura alba x. ah e. en Datura
â 61 â
fistuosa Ij., worden onder anderen soms gebruikt om gevaarlijke boosNvichten, die gearresteerd moeten worden en voor wien men bevreesd is, weerloos te maken, zoodat zij zicli zonder weerstand te bieden laten overvallen en knevelen. Een gewezen djaksa noemde dit procédé: óe/rüt mabok mabok lalar, dat is, in den toestand brengen van oen dronken vlieg. Daartoe worden de ketjoeboeng-zaden fijn gemaakt en met koffie vermengd, hem toegediend met de hulp van eene door do politiedienaren omgekochte Dulcinea, bij wie hij zijn intrek genomen heeft, die hem in halt' verdoofden toestand aan zijn belagers overlevert. Bij het plukken der vruchten heeft een handeling plaats, die zoowel op veronderstelde bezieling der plant berust, als op transmigratie. (Ij
Wenscht men dat de persoon, voor wien de zaden bestemd zijn, slaperig zal worden, dan bootst men de allures en liet snorken van een inensch na, Moet hij vroolijk zijn en veel praten dan babbelt en lacht do plukker en zoo liet in de bedoeling ligt hom te doen dansen zoo geschiedt de pluk onder tandakkende bewegingen.
Het is een bekend feit, dat op Java tot verdelging van schadelijk gedierte, als tijgers en wilde varkens, do bast dient van don Sarcolohus narcoticum (2), een Javaansche plant, waarover nog onlangs een zeer interessant artikel van den hand van Dr.' Greshoff verscheen in de Tndisciic Mcrcuui' van 19 October 1895 en in de 2c aflevering van Nuttige Indische Planten van denzelfden auteur, als extra bulletin uitgegeven door het Koloniaal Musuum te Haarlem.
Niet alleen, dat deze plant in de meening der Inlanders tot ile bezielde behoort, maar zonderling genoog beweren zij, dat de bast enkel als vergift werkt op viervoetige dieren en niet op menschen.
(1). Ovor de leer der transmigratie loze men liet opstel in het Feest-altium voor Professor Vetii ; De transmigratie-en slgnaturenleer inde Javaansche geneeskunde.
(2) In hot Bataviaasch Maleisch pelèrkambing geheeten. Elders op Java walikambing, kalakkambing, olagambing, woramrikambing, en op Madoera .lèrkamphitig, genaamd.
â (12 â
Deze boide geg'evens voor oogen houdende is hot niet onaardig ua to gaan hoo de pluk geschiedt door een giftmenger van beroep, die in het Krawangsche woont en die een groote reputatie heeft hij de Chineesche landhuurders in den omtrek op Uataviaaseii gebied. Binnen oenige maanden hooft hij op hot land Tjibaroesa meer dan C00 wilde varkens vergiftigd en buitgemaakt. Met voel succes is daarop do giftmenger in het Tjabangboeginseho werkzaam geweest, waar do jonge klapper-aanplant door wilde varkens dreigde vernield to worden. Hij is pèrauakan-Chiueos en zijn bedrijf levert hom voldoende inkomsten op, daar bij voor / 15 's maands door de eeno of andere Chineesche kongsie wordt ingehuurd, vrij rijst en thee krijgt en de opbrengst der gedoodo varkens tot dengdeng bereid, hem ton goede komt.
Zij:i succes,.zegt men, hangt niet alleen af van liet middel, maar ook van de minutieuso voorzorgen, die hij neemt bij den pluk der plant.
Wanneer hij het materiaal in de Krawangsche of Tjabang-selie strandbosschen gaat zoeken, moet hij nuchter zijn en mag hij sedert dou vorigon avond niets gegeten hebben.
Bespeurt hij dc plant, dan moet hij zich doodstil ontkleedcn en haar op handen en voeten loopende benaderen, opdat deze denke, dat oen hongerig viervoetig dier in de nabijheid is.
Daarna bijt hij in den stengel en eerst dan is de illusie voor de walikambing-plaiit volkomen on is zij zoo giftig mogelijk.
Nu kan hij gerust zijn kleoding weder gebruiken en de ranken afsnijden, die hij noodig heeft, maar spreken mag lijj niet tot de bereiding afgoloopen is, die daarin bestaat, dat na verwijdering van den buitenbast, do binnenbast geschraapt on gedroogd wordt, waarna hij fijn gestampt wordt tot een grof poeder.
By hot schrapen moet er nog op gelet worden, dat lijj dit naar zich too verricht. Heeft lij liet ongeluk van zioli af te schrapen, dan zullen de vergiftigde varkens ver van de plaats waar liet vergift gegeten is, verlamd worden, doch verricht hij het schrapen naar zich toe, dan zijn zij na liet nuttigen
niet ver tc zoeken en gemakkelijk mot oen lans at to maken. Dit laatste bonist op transmigratieleer.
Mot het bereide poeder, dat nog altijd bezield scbijnt, moet voorzichtig worden omgegaan. Zoo beweert men dat het allo gifti go working verliest, wanneer hot nabij oen lijk gebracht wordt
ot wanneer oen lijk het Imis, waarin men hot preparaat bewaart,
wordt voorbijgedragen.
Het poeder wordt geacht te denken, dat hot dan zijn plicht
reeds gedaan hoeft.
In do Cheribonsche desa Tjlhtiifjiiij/ zag een mijnei \riondi ii eonige inlanders in een kring om een tvtampd loepen waarop walikambing-bast to drogen lag en daarbij de knorrende geluiden van varkens nabootsen. Met het oog op het bovenstaande kan daaraan geen andere beteekenis worden gehecht, dan hot middel tot ijver aan te sporen en bijzonder vergiftig te zijn, als zjjnde bestemd voor varkens.
De administrateur van do Teyahvaroc-lunden, The Ban Siok in het Krawangsche, had de vriendelijkheid voor mij teinformeeren
naar den pluk en de bereiding der walikambing, die zijn prauw-
voerders op hun tochten langs de Tjitaroem medebrachten.
Zijn mededeelingen, voor zoovere daarbij animisme in het spel is, komen op het volgende neder.
Zoodra de prauwvoerder ze gesneden en naar de aanlegplaats gebracht heeft, moet hij zich aan den wal ot in dc prauw nederleggen en zich herhaaldelijk omwentelen.
Bij het schrapen der bast mogen geen anderen tegenwoordig zijn, die wellicht door tc praten en dus door de menschelijke stem te doen hoeren, de werkzaamheid van het preparaat
zouden in gevaar brengen.
Wanneer het poeder met het lokaas, clédök, suikerriet als anderszins, vermefngd en op de plaats, waar wilde varkens verwacht worden, nedergelegd is, moet de persoon, die dit werk verricht, zich daarna op den grond heen en weer werpen en zich verwijderende een Mohamedaanschen lijkzang aanhetlen.
Dit alleen wat betreft hot geloof aan bezieling van den â¢Surcolobm op West Java.
04 â
Het is echter opmerkelijk Jat in liet Poegersche, residentie Pesoeki, de walikambing-pluk op dezelfde wijze plaats hoeft als waarop deze door don Krawaiigschen giftmenger geschiedt, gelijk mij medegedeeld werd door den houtvester Kooudkrs, belast met het onderzoek der Javaansche bosehboomflora. Zelfs gaat men daar verder en bindt do plukker, die op handen en voeten loopendo de plant benadert, zich alvorens een dierenstaart aan, natuurlijk om de illusie der plant volkomen te doen zijn.
Batavia, 0 Maart 1890.
EEN SCHADUW BOOM VOOR KOFFIE.
Nu door do ouderzookingen van Dr. T. M. Janse geconstateerd is, dat de dadapzickte reeds over geheel Java in meerdere of mindere mate voorkomt, is liet van het hoogste belang, dat getracht worde een anderen boom te vinden, die, zij het dan ook niot aan alle, dan toch aan de meeste eischen die aan een schaduwboom voor koffie gestold moeten worden, voldoet.
Wat de deugden en gebreken zijn der thans meest gebruikelijke, zooals Alhizzia moluccana (Sengon laut) en A. stipulata (Sengon) is voldoende bekend.
Dc laatste heeft zeer zeker vele goede eigenschappen, maar, vooral daar, waar liet er op aankomt reeds bestaande tuinen, die door liet afsterven der dadap buiten schaduw geraakt zijn, op nieuw onder schaduw te brengen, groeit die boom wel wat langzaam. Uier althans (op het Jaaggebergte in het district Gading der afdeeling Kraksaaa) kost het verbazend veel moeite en tijd hem boven de drie- en vier-jarige koffieboomen uit te krijgen, en wat in 't leven blijft ziet er spichtig en zwak uit.
Of er een boom te vinden zal zjjn, die in elh opzicht de dadap kan vervangen is niet zeker. Misschien dat liet toeval ons op den weg helpt; maar beter is het zooveel mogelijk proeven te nemen om te zien of onder de inheemsche dan wel van elders aangevoerde boomen er een te vinden is, die dc best mogelijke eigenschappen voorschaduwboom in zich vereenigt.
Het onderstaande zal duidelijk maken waarom ik vermeen de hoop tc mogen koesteren een dergehjken boom gevonden te hebben en wel in Fithecolohiuin Sammi Benth. Ik zeg uitdrukkelijk âr/e hoop te mogen lioetttcreiiquot;, want zekerheid bestaat daaromtrent nog volstrekt niet.
â 66 â
Nu ongeveer 5 jaren geleden, ontving ik uit 's Lands Plantentuin verschillende zaden van boomen, waarmede ik proeven wenschte te nemen voor scliaduwboomen langs de wegen, vooral ter vervanging van deu djoear, die zooals bekend is (heeren Suikerfabrikanten kunnen daarvan medespreken) een zeer nadee-ligen invloed uitoefent op bet in de nabijheid geplante gewas.
Onder die zaden bevond zich ook eene kleine hoeveelheid van bovengenoemden boom.
Een gedeelte der zaden behield ik zelf, een ander gedeelte gaf ik aan den ingenieur Lamminga, toenmaals belast met de uitvoering der Pekalen-werken, die scliaduwboomen langs het hoofdkanaal wenschte te planten.
Omstreeks Januari of Februari 1891 werden de zaden uit-geplant op kweekbeddingen op afstanden van ± één Rijnl. voet
Xa een paar maanden ontkiemden zij zeer regelmatig. Daar, zooals gezegd, het mijn doel was ze voor schaduwboomen langs do wegen te gebruiken, liet ik de planten op do kweekbed-ding, om hoo^e stammen te kweeken. De planten groeiden zeer snel, en daar ze dicht opeen stonden, zonder zich te vertakken, recht naar boven.
Ik liet de boomen op de kweekbedding staan, tot de westmoesson van dat jaar begon in te vallen. Zij waren toen dus ongeveer i) maanden oud, nog vrij dun en hadden eene hoogte van ruim 3 meter, maar zonder eenigen zijtak van aanbelang.
Zij werden toen overgeplant op do aloen-aloen, die tegenover mijn woning gelegen is.
llier begonnen zij al spoedig zijtakken te vormen, die zich horizontaal uitstrekten, maar weinig in aantal en slechts dun bebladerd.
Ãe schaduw was dus gering, echter zeer voldoende, of liever juist wat gewenscht wordt voor koffie.
Eerst het vierde jaar kwam hierin eenige verandering, en nu in bet .V10 jaar is de schaduw zeer diciit, te dicht voor koffie, maar door het wegsnoeien van enkele takken, kan men hierin elke verandering brengen, die men wenscht.
â 67 â
Eon der booraen (or zjjn or zeven) die hot besto reclit opgegroeid is, vertakt zich eerst op een hoogte van 3 nieter in tweeën. De eigenlijke kruin wordt editor eerst op een hoogte vau 5 meter gevornul.
De boom van den grond tot de bovenste bladeren zal ± 9 meter hoog zijn.
Ecu oppervlakte van 18 meter middellijn wordt er door beschaduwd.
De omtrek van den stam is op manshoogte ruim I meter.
Het blad vertoont veel gelijkenis met dat der Albizzia moluccana.
Zoodra de zon ondergaat, sluiten zich de blaadjes niet alleen, maar vouwen zich ook tegen elkaar op, terwijl do steel recht naar beneden hangt, ja zelfs nog eenigszins zich naar den tak toebuigt.
Hierdoor heeft des nachts de lucht vrijen toegang tot het daaronder groeiend gewas.
Zooals bekend is, waait het in den oostmoesson in deze streken zeer fel, toch is bijna geen enkele der zeer lange takken gebroken.
Zooals gezegd, bevonden de boomeu zich op de aloeu-aloen te Kraksaiin, dus in de warmste zone. Hoogstwaarschijnlijk zullen zij echter ook in de hooge bergstreken wel goed gedijen? althans in 's Lands Plantentuin moeten prachtexemplaren voorkomen en ook nog wel elders tot op moer dan 3000 voet.
Wanneer dus door kweeking er voor gezorgd wordt, dat de boom zich niet te snel vertakt, dan heeft hij uiterlijk alia eigenschappen, die hem voor schaduwboom in do koffietuinen aanbevelen.
Dit is ook het oordeel van verschillende deskundigen, die de boomen bij mij gezien hebben, doch is het daarom nog volstrekt niet zeker, dat hij ook bruikbaar zal blijken te zijn, daar het zeer goed mogelijk is, dat hij den grond te veel uitput en dus op die wijze de koffieboomen te veel benadeelt.
Dit kan natuurlijk alleen door proeven worden uitgemaakt. Ik heb echter veel hoop, dat die gunstig zullen uitvallen. Zoo
- 68 -
verneeiu ik dat in 's Lands Plantentuin de cacao zoor goed in do schaduw van Pithecolohhm groeit, en hier op de aloen-aloen groeien oen jonge fjenwni en een palm (Oreotlo.ra) in de onmiddellijke nabijheid van ecu der booiuen, zonder eenig nadeel daarvan te ondervinden.
liet ineosre echter wordt ik in die goede opinie versterkt, door een bericht voorkomende in de laatst verschenen Indische Mere uur (21 December 1895 bladz. 7;}7) luidende:
Schaduwbooinen voor koffie: âEen boom, die in de Repn-âbliek Columbia hooggesschat wordt als schaduw voor koffie, ,wordt beschreven in den volgenden interessanten brief van âKew geadresseerd door den lieer li. 15. White, gedateerd âPalmira 6 Aug. j.1. Do boom is geidentifieerd als Pithe-vrolohiuin polycephaluin, Benth., en is door Miers ook nabij âKio de Janeiro gevonden. De heer White schrjjft: ilier-ânevens sluit ik eenige zaden in van eon boom, die hier mot âvool succes als schaduw voor koffie gebruikt wordt. Hij heeft âbloemen als kleine witte bollen, juist even groot als die der âsensitieve plant, lange, platte, samengedrukte peulen met 15 âtot 20 zaden. Ho peulen openen zich niet, daar zij bijeenge-âhouden «orden door sterke landaderen; zij breken eenvou-âdig stuk als zij rotten.
âNiemand hier kent den naam van den boom, ook niet de âheer Lehmann, dien ik er naar vroeg.
âDij is enkel inheemsch te Antioquia en groeit in eene âgemiddelde temperatuur van 75° Fahrenheit.
âHij heeft liefst steenachtigen armen bodem. Een boom van â18 maanden oud, dekt 144 vierkante yards grond (1 2 X 12). âHjj gaat tics nachts slapen, zoodat de dauw en de koele lucht âde koffie kunnen bereiken.
âJong zijnde, is het bout zacbt, doch bij het ouder wor-âden krijgt het een rood hart, en wordt duurzaam en hard. âHet u toegezonden zaad is gebaad in eene oplossing van koper-âsulfaat, en is geloof ik goed, zoodat gij enkele zaden' bij âwijze van curiositeit te Kew kunt beproeven, en de rest âopzenden naar een onzer tropische Koloniën ter onderzoek.
âVolwassen zijnde wordt doze boom 50 voet hoog; met eene âuitspreiding van minstens 50 voet naar alle zijden. Hij is âonovertrefbaar als schaduwboom niet veeleisohend on put den âbodem niet uit. Ifjj spreidt zieli horizontaal uit, geei't goede âschaduw, niet te dicht, en gedurende den nacht kan de dauw âdo planten er onder verf'risschen.
âDe bladeren maken goon vuil op de plantage en zijn te âklein om zwammen of schimmels to herbergen (1). Hij wordt âgemakkelijk gesnoeid en in vorm gebracht.quot;
Zooals men ziet komt de beschrijving van dezen boom bijna geheel overeen met die van Pithecolobium Saman, echter niet geheel, want dozc heeft roodbrnino bloemen (in don vorm van kwasten) en de in de Indische Mercnur beschreven heeft witte bloemen. Jlen heeft hier dus niet te denken aan een toevallig verschil van naam, maar wel degelijk aan een verschil in soort.
Het is dus mogelijk, dat hoewel de P. pohjcephalum den grond niet uitput, het later blijken zal, dat de P. Saman dit wel doet. Daar echter de boomen in elk geval zeer nauw mot elkaar verwant zijn, is dit een reden te meer om de hoop te moyen koesteren, dat ook de I'. Sanum dit niet zal doen. (2) Hoe dit zij, het beste zal wel wezen, do proeven met P. Saman, waarmede in deze afdeeling ook op verschillende particuliere ondernemingen, op mijne aansporing reeds eenige maanden geleden begonnen is, niet te staken. Mochten latei-zaden van P. polycepliulum verkregen kunnen worden, dan zal het zeer zeker alle aanbeveling verdienen, ook daarmede proeven te nemen.
(1) Dit is natuurlijk onjuist.
(2) Zooals uit het Verslag van 's Lamls Plantentuin over 1893 blijkt, nam van Rnmburgh waar, dat niet alleen aan de wortels van jonge planten, maar ook aan die van oude hoornen, de aan de Loguminosae eigene wortelknolletjes gevonden worden. De gegronde verwachting bestaat dus, dat de boom aan den grond niet, of weinig, stikslof-\n'v\nu-dingen onttrekt, ja onder gunstige omstandigheden zelfs den bodemrijker aan zulke verbindingen maakt.
70 â
Er is echter nog' een andere reden waarom ik den Pifhrcolo-luun Soman weuseli aan te bevelen en wel ais windbreker.
De ingenieur Lammiuga namelijk volgde met de aan hem verstrekte zaden een andere cnltuurwijze. Zoodra de jonge plantjes ongeveer een voet hoog waren, werden zij langs het kanaal uitgeplant. Ook hier ontwikkelden do jonge boomen ziuh zeer goed, maar vertoonden een geheel ander habitus. De hooldstain splitste zich vrij dicht boven den grond al dadelijk in drie of vier vertakkingen. Ieder dier vertakkingen ontwikkelde zich op dezelfde wjjze als de enkele stam, die door mij geplant was,
1 let gevolg daarvan was, dat zich al zeer spoedig een buitengewoon dicht loofdak vormde, waar geen zonnestraal doordringt. Ook deze boomen groeiden zeer snel, zoowel in de hoogte als in de breedte. Een rij van deze boomen zoodanig geplant, dat de takken Hink in elkaar grijpen, bijv. op een afstand van 10 a 12 meter onderling, moet dus een scherm vormen, in staat om de felste winden tegen te houden, omdat de kruin zich reeds dicht bjj den bodem vormt. Ook daar bleken de boomen goed tegen den wind bestand te zijn, althans ik kon niet bemerken, dat een enkele der zeer lange takken gebroken was.
Voor beplanting van kale steile hellingen en als windbrekers kunnen zjj dus uitnemend dienst doen, als men den jongen boom eenvoudig aan zich zei ven overlaat en hem zijn natuurlijke groeiwijze laat volgen.
Naar gelang van het gebruik, dat men van den boom wil inaken, moet dus de cultuurmethode eenigszins gewijzigd worden.
Ik vermeen, dat men het beste zal doen, op de volgende wijze te werk te gaan:
l1' in het geval men don boom als schaduwboom in nog aan te leggen of nog zeer jonge koffietuinen wenscht te gebruiken, logge men de zaden in liet begin van den westmossson uit op kweekbeddingen, op een afstand van óéu halven lijjnland-schen voet. Zoodra ze voldoende opgeschoten zijn om de overplanting te kunnen verdragen (na H of 4 maanden) brenge
-Ti
men zo over in den tuin op at'stniideti vau 8 of 9 meter. Door tijdis'e siiooiing worden no óónstainmig geliouden. Na drie of vier juron zal een rij uitgekapt kunnen worden, zoodat de hoornen op Ui of 18 meter afstand komen te staan.
2quot; in liet geval men den boom als windbreker wensoht aan te wenden, legt men de kweekbeddiug op de zelfde wijze aan, maar late na de overplanting de boomeu aan hun natuurlijke groeiwijze over. Indien men over veel zaad beschikt, kan ook uitzaaiing op do plaats beproefd worden.
Natuurlijk zal. in beide gevallen er voor gezorgd moeten worden, dat de jonge boompjes niet onder hot onkruid verstikken.
3e Indien men den boom wenscht te gebruiken om oudere koffietuinen opnieuw onder schaduw te brengen, legge men de zaden in hot begin van den westmoesson uit op kweekbed-dingen, op een afstand van één voet Rijnl. en late zo daar verblijven, tot het begin van don volgenden westmoesson. Er zullen zich dan vrij hooge éénstammige boompjes gevormd hebben, die op 8 of 9 meter afstand in de tuinen geplant worden. Misschien zal men zelfs beter doen don afstand op 4 of 4J meter te nemen, 1« om den tuin zoo spoedig mogelijk wat schaduw te geven en 2quot; omdat er allicht eon gedeelte van zal sterven, daar de omstandigheden minder gunstig zijn, dan in oen nieuw aangelegden tuin, waar de boom zich vrijelijk kan ontwikkelen.
De hier voorafgaande aanwijzingen steunen nog volstrekt niet op in de praktijk verkregen resultaten, daar eerst dit jaar in deze afdeeling de eerste proeven met den Pithecolobiimi Saman als schaduw-boom genomen worden. Alleen opgrond van wat ik omtrent de wijze, waarop de boom zich onwikkelt, heb waargenomen, meen ik deze behandeling te mogen aanbevelen als de waarschijnlijk meest ralloneele.
Het zal dus in elk geval zaak zijn, de proef op bescheiden schaal te nemen.
Hot dool van mijn schrijven is dan ook alleen, de aandacht van belangstellenden in de koffiecultuur op dezen boom te vestigen, daar er, volgens de meening van verscheidene bekwame
koffieplanters, zooal Reeii zekerheid, dan toch dc mogelijkheid bestaat, dat de Flthecolobium Saman een geschikte schaduw-boom zal blijken te zijn.
Dat het in de hoogste mate aanbeveling verdient, pogingen in het werk te stollen, om zaden van de Pithecolobium jmIi/-cephahm te krijgen, wiens goede eigenschappen reeds bewezen schijnen te zijn, zal wel niet gezegd behoeven te worden.
Kraksaün, 10 Februari 1896.
C. J. de Jaager.
WATERLELIES.
Sinds efiiiige jaren legt tnon zich in l'uropa toe op de cultuur van waterlelies, Ni/mphaeu's; er worden tal van soorten on variëteiten gekweekt. In oen opstel, pag. 112 van don vorigen jaargang, gal ik eene korte beschrijving van eenige dezer fraaie gewassen.
Jn onderstaand tijdschrift komt een artikel voor van een der grootste liefhebbers van Nymphaea's in Frankrijk, den burgemeester van het dorp Temple-sur-Lot, Latour Marliac. Hij kweekt de planten deels in open vjjvers, deels in koude en warme kassen al naarmate de streek, waarvan zij afkomstig zijn, in de gematigde, de subtropische of' de tropische zone ligt. Hij verdeelt ze, wat betreft de temperatuur, waarin zij bet boste gedijen, in drie groepen, harde, half' harde en warme. Hoewel niet waarschijnlijk, is het toch niet onmogelijk, dat beide eerstgenoemde hier in do bovenlanden kunnen groeien. Beter gaat het natuurlijk niet de laatstgenoemde soorten, waartoe ook de, uit Midden-Afrika afkomstige, prachtige Nymphaea zanziharensis en hare variëteiten behoort.
De volgende beschrijving wordt van de voor ons nog onbekende JV. zanziharensis Caspary, gegeven.
De plant heeft romie bladeren met een sterken bladsteel; do bladschijf is vlak en ruw getand, en heeft 25 a 35 cM. middellijn; de bovenkant is glanzend donkergroen met bleekgroene nerven, die aan den onderkant duidelijker te zien zijn; van onderen hoeft het blad een paarse tint, die aan den rand licht en naar het midden donkerder is.
De ondervolgende variëteiten worden er van gekweekt:
iV. zanz. waarvan de bloemen blauw met blauwe kelkbladeren
zijn.
N. zanz. Bloemen, blauw met witte kolk bladeren,
N. zanz. , rose met witte kelkbladeren,
.V. zanz. â rose met rose kelkbladeren,
N. zanz. â zeer donker rose,
VII
- 74 â
i\r. saus. Bloemon, donkerblauw mot witte kelkbladen, A'. zanz, zeor donkerblauw.
(I{evue Horlkole, No. 24, 1895)
1gt;KUIVEN-CULTUUR IN CEYLON.
hi de nabijheid van Colombo is een Landbouwschool, waar proeven met vorsohillende cultures genomen worden; in den laatste tijd zijn daar van de beste soorten Australische druiven geplant, die aanvankelijk zeer goed groeien.
Men hecfr op Ceylon algemeen do overtuiging, dat te veel regen na-deelig is voor den groei der wijnstok. Zavotti, do proefnemer bestrijdt xulks; hij zegt, dat, indien nieu slechts een geschikte plok kiest, waaide grond poreus is en waar hot overtollige water spoedig wegvloeit, de nadeolen niet zoo groot zijn. Zoo is door pater Assauw van de Katholieke Zending, te Wahakotte een zoer goed geslaagde aanplant van druiven aangelegd, die aanvankelijk goed groeide, later echter (toor een buitengewoon natten moesson vernield werd. Zavetti schrijft dit slechte resultaat meer toe aan den harden, taaien grond dan aan de overvloedige regens.
In het noorden, waar het klimaat droger is, zoude de cultuur van den wijnstok waarschijnlijk beter gaan, ofschoon zij nog nooit op uitgebreide schaul beproefd is. Het is lang niet zeker of de cultuur in het groot voordeel zoude opleveren; men zoude het mot een duizendtal planten kunnen beproeven. Meer kans van slagen heeft men echter met de cultuur in het klein, langs latwerk. Indien men dan zooveel zorg aan de planten besteedt als aan de kasdruiven in Midden- en Noord-Europa, zal het wel gaan en is men er zeker van smakelijke vruchten te kweeken.
('I'he froincal ac/riculfnrist, Januari 1896).
w.
KORTE BERICHTEN' UIT 'S LANDS PLANTEXTUIiV UITGAANDE VAX DEN DIRECTEUR DER INRICHTING.
EEN ZIKIvTE IN DE DMM-TAHA K VEROORZAAKT DOOR HRT TABAKS-AALTJE.
VOO R LO() F1 GE MED lO DE ELI N G E N
van-
Du. .1. van lini D.v du Haan.
In Juni 18'JiJ werd mijne aandacht gevestigd up eeuige velden eenei' afdeeling, met tabak beplant, waar de planten klein en achterlijk bleven, terwijl sommigen reeds vóórdat zij nog eenige neiging toonden om te bloeien, afstierven.
Het verschijnsel was tot een paar naast elkander gelegen volden beperkt, te midden eener uiterlijk, overigens zeer gezonde aanplant.
Toen enkele dezer afgestorven en kwijnende planten werden uitgegraven en daarop de wortels voorzichtig van aarde ontdaan, werden hieraan talrijke aanzwellingen gevonden, soms meerderen vlak bijeen, of wel, nog gescheiden door een oogenschijnljjk gezond en normaal wortelgedeelte.
Zoowel de jongste zijwortels, als de oudere wortels vertoonden deze aanzwellingen, die soms het dubbele tot driedubbele bereikten dor afmetingen der gewone wortels.
Noch den administrateur, noch een der andere personen of koelies, was dit verschijnsel bekend, men meende nog nimmer zulk een abnormaal wortelstelsel gezien te hebben.
Daar het verschijnsel zich slechts over eene kleine uitgestrekt-
- 74 â
N. sanz. Bloemen, donkerblauw niet witte kelkbladen, A'. zanz. sieor donkerblauw.
{Hevne iforticole, No. 24, 1895) w.
DRUIVEN-CULTUUR IN CKYLÃN.
In de nabijheid van Colombo is oen Landbouwschool, waar proeven met verschillende cultures genomen worden; in don laatste tijd zjjn daar van do beste soorten Australische druiven geplant, die aan-vankelijk zoer goed groeien.
Men heeft op Ceylon algemeen de overtuiging, dat te veel regen na-deelig is voor den groei dor wijnstok. Zavetti, de proefnemer bestrijdt zulks; hij zegt, dat, indien men slechts een geschikte plek kiest, waaide grond poreus is en waar het overtollige water spoedig wegvloeit, de nadeelen niet zoo groot zijn. Zoo is door pator Assauw van de Katholieke Zending, te Wahakotte een zeer goed geslaagde aanplant van druiven atuigelegd, die aanvankelijk goed groeide, later echter door een buitengewoon natten moesson vernield werd. Zavetti schrijft dit slechte resultaat meer toe aan den harden, taaien grond dan aan de overvloedige regens.
In het noorden, waar hot klimaat droger is, zoude de cultuur van den wijnstok waarschijnlijk beter gaan, ofschoon zij nog nooit op uitgebreide schaal beproefd is. liet is lang niet zeker of de cultuur in hot groot voordeel zoude opleveren;'men zoude het meteen duizendtal planten kunnen beproeven. Meer kans van slagen heeft men echter met de cultuur in het klein, langs latwerk. Indien inou dan zooveel zorg aan do planten besteedt als aan de kasdruiven in Midden- en Noord-Europa, zal hot wol gaan en is men er zoker van smakelijke vruchten te kweeken.
{The troimal agrimlhirist, Januari 1896).
w.
KORTE BKRICIITEX UfT 'S LANDS l'LAXTKXTUIX UITGAANDE VAX DEX DTRECTEUR DER INRICHTING.
RUX ZIEKTE IN DR I) KI. I-TA ISA Iv VEROORZAAKT DOOR 11RT TABAKS-AALTJE.
VOO RLOO PI GE iM E D K ü E EL IX G EX
VAM
Db. J. v.w Bukh.v de Haan.
In Juni werd mijne aandaoht gevestigd up eenige
volden eener afdeeling, met tabak beplant, waar de planten klein en achterlijk bleven, terwijl sommigen reeds vóórdat zij nog eenige neiging toonden om te bloeien, afstierven.
Het verschijnsel was tot een paar naast elkander gelegen volden beperkt, te midden eener uiterlijk, overigens zeer gezonde aanplant.
Toen enkele dezer afgestorven en kwijnende planten werden uitgegraven en daarop de wortels voorzichtig van aarde ontdaan, werden hieraan talrijke aanzwellingen gevonden, soms meerderen vlak bijeen, of wel, nog gescheiden door een oogenschijnlijk gezond en normaal wortelgedeelte.
Zoowel de jongste zijwortels, als de oudore wortels vertoonden deze aanzwellingen, die soms het dubbele tot driedubbele bereikten der afmetingen der gewone wortels.
Noch den administrateur, noch een der andere personen of koelies, was dit verschijnsel bekend, men meende nog nimmer jculk een abnormaal wortelstelsel gezien te hebben.
Daar liet verschijnsel zich slechts over ceno kleine uitgestrekt-
â 70 â
lieid voordeed en aldaar nagenoeg allo planten, die door den-zelfden koelie behandeld waren, in meerdere of mindere mate ziek bleken, was reeds van zelve do eerste gedachte, dat eene infectie-ziekte de oorzaak zoude zijn. De aanzwellingen aan de wortels deden aan gallon denken, door een parasiet veroorzaakt, wolk vermoeden spoedig bevestiging vond, toen de wortels mikroskopisch onderzocht werden.
Een dwarsdoorsnede door een der aanzwellingen vertoonde talrijke groote holten, waarin zich het opgezwollen lichaam van een nematode bevond. Door vorm en voorkomen deed zich deze nematode onmiddellijk kennen als een naverwante van het beruchte bieten-aaltje en zoude dus ook waarschijnlijk een 1 leterodera-soort zijn.
Bij dit eerste geval, dat het optreden werd waargenomen van dezen tabaksvijand, viel reeds de scherpe omgrenzing van het aangetaste gedeelte op. Wij zullen later zien, dat dit algemeen het geval is en trachten hiervoor een verklaring te geven.
De afdeeling der onderneming, waar dit verschijnsel zich het eerst voordeed, was op ouden, vrijwel afgeplanten, grond gelegen. De bodem bestond uit oen rullen, zwarten grond, goed gemest en gedraineerd, waarop zeker in geen jaren tabak was geteeld; de laatste vier jaren had er slechts lalang gegroeid.
Het eerst, dat ik weder van het optreden derzelfde parasiet vernam, was in het voorjaar van 1894. Wel werd nog in 1893 rondgevraagd, of zich hier en daar wellicht bij kwijnende tabak, verschijnselen voordeden, welke aan bet parasiteeren eenor nematode kon worden toegeschreven: een bevestigend antwoord, of wel zieke planten, werden echter niet ontvangen.
In 1894 werd op dezelfde onderneming, evenwel op eene andere afdeeling, opgemerkt, dat enkele kweekbedden achterlijk bleven. De bibit werd geel en bleef kort en gedrongen; trok men deze plantjes voorzichtig uit, zoo vond men aan de Jonge worteltjes talrijke aanzwellingen, soms niet grooter dan een speldeknop. Jlij onderzoek bleken deze aanzwellingen eveneens ontstaan te zijn door galvorming eenor nematode.
Langzamerhand kwamen er nu meer berichten in van
abnormale wortel-ontwikkeling en kwijnende tabak, of van bibit, welke niet wilde groeien. In deze gevallen bleek steeds dezelfde nematode, de schuldige te zijn.
Naarmate er zoodoende meerdere gegevens konden verzameld -worden over het optreden der parasiet, bleek deze over nagenoeg geheel Ãeli en een groot gedeelte van Serdang verspreid te zijn. Uit Langkat en van de kust werd tot nu toe nog niets gerapporteerd, wat zoude kunnen doen denken aan liet voorkomen eener parasitaire nematode.
Des te algemeener is echter de verspreiding in Deli, en het mag betwijfeld worden of deze uitbreiding dor plaag eerst van deze laatste jaren dateert.
Veelvuldig toch komt het voor, dat de uitgeplante tabak gaat kwijnen en zich niet normaal ontwikkelt, vele oorzaken kunnen het hunne hiertoe bijdragen; met zekerheid blijkt nu echter, dat het optreden eener nematode iu vele dezer gevallen een gewichtige rol speelde.
Daar uien de meest in 't oog loopende, specifieke verschijnselen van het parasiteeren der nematoden, eerst duidelijk ziet, wanneer men dc wortels uitgraaft en dit niet de noodige voorzichtigheid laat geschieden, blijft de oorzaak van het kwijnen der planten dikwerf onbekend, wanneer men zich slechts tevreden stelt met het doorsnijden van den stam. Zoo men hierbij meent niets abnormaals te vinden, worden bodem of weder al spoedig dc schuld gegeven van den achterlijken stand dor planten.
Was de ziekte dus waarschijnlijk reeds van ouderen datum in Dcli opgetreden, iu de laatste jaren eerst, werd de aandacht er op gevestigd en den naam van âsakit obiquot; door de koelies gebruikt. Zoo wordt ook de naam âknolletjes- of aardappel-ziektequot; in de laatste jaren meer en meer vernomen en verheugt zich reeds iu zekere beruchtheid, nu men is gaan inzien wolk gevaar er dreigt.
Moge dan ook het onderzoek dezer ziekte nog niet zijn afge-loopen, xoo oordeelden wij het toch nuttig ook in ruimer kring, de aandacht op dit verschijnsel t^ vestigen, te meer daar de ziekte en liet onderzoek niet alleen wetenschappelijk interessant
â 78 â
/ijn, maar hot ook voor de tabakscultuur van't hoogste belang is, dat deze parasiet, zooveel iu ons vermogen is, wordt bestreden en haar optreden wordt gevolgd, liekendheid met het gevaar, is hier het gevaar reeds ten halve bestreden.
Ter wiiarschuwing voor Deli, strekke het optreden dezer zelfde parasiet, in de tabak in do residentie Pekalongan. Eertijds was daar een bloeiende cultuur van tabak voor de inlandscho markt; door de Chineezen met graagte opgekocht en bekend te Semarang, bereikte de handel in dit product oen liooge vlucht. Enkele jaren geleden trad er de Hetero-dera op, welke hare vernielende werkkring zoo snel uitbreidde, dat nu de cultuur nagenoeg geheel verlaten is, en geen middelen moer kunnen helpen om den ouden voorspoedigen toestand weder temquot;; te roepen.
De Javaansche naam âloudotquot; voor dezelfde ziekteverscliijn-selen als âsakit oebiquot; is helaas op Java maar al te berucht en bekend geworden.
Een zeer naverwante parasiet bedreigde gedurende geruimen tijd de beetwortel-cultuur in Europa, een afzonderlijk proefstation werd te Hallo, onder leiding van Prof. Kühn opgericht, ten einde de oorzaak dezer z. g. n. âRübennüidigkoitquot; te bestn-deeren. liet gelukte maatregelen aan te geven, welke voor de Duitscbe landbouwers van onschatbare waarde waren en de beetwortelteelt van een wissen ondergang redde. Al is dus het gevaar dreigend, het laatste voorbeeld moge aantoonen, dat er ook nog redding mogeljjk is.
Het eerste optreden van hot tabaks-aaltje werd waargenomen op zwarten grond, en ook de eerst daarop volgende mededee-lingen, omtrent het voorkomen, vermeldden allen een zwarten grond, welke reeds meermalen beplant was, als speciaal geïnfecteerd. Naar analogie der beetwortel-ziekte, zouden wij dus zulk een grond âtabaks-moedequot; kunnen noemen, en scheen het alsof alleen oude reeds afgeplante grond aan deze kwaal leed. Toen echter de waarnemingen menigvuldiger werden, vond men de parasiet ook op andere grondsoorten en op gronden, welke
- 7lt;) â
nog niet zoo waren uitgebouwd. Er bestaat echter waarschijnlijk wel eenig verband in het optreden der parasiet en den bodem, waarop de tabak wordt geteeld, maar daarover later.
Op een der laagst gelegene ondernemingen, waar het grondwater met moeite uit de velden werd gehouden en de bodem veelal laagveen was, hier en daar met hoogere zandruggen afgewisseld, bleek de tabak, welke kwijnde, door de nematode geïnfecteerd te zijn.
Op witten kleigrond, welke zich in een strook, bjjna evenwijdig met de zeekust door Deli voortzet, werd tabak gevonden welke hetzelfde verschijnsel vertoonde, lioode grond aan den voet der heuvels, ja grond op heuvels zeiven bleek âtabaks-moedequot; te zijn.
Zelfs hoog op, in 't gebergte, op de zandige paraa's langs de rivieren, wilde de tabak niet gedijen tengevolge der verwoesting door dezen parasiet veroorzaakt. Zoo waren gronden, welke over geheel Deli en Serdang verspreid lagen, besmet, zonder dat hierbij eenige regelmaat viel op te merken, eveniin vormden de besmette plaatsen een aanééngesloten geheel.
Wel waren liet meestal terreinen, waarop reeds een ot meermalen tabak was geteeld. De maagdelijkheid van den bodem bleek echter ten slotte ook geen zekerheid op te leveren, dat de nematode er niet in voorkwam. Wilde planten, uit het pas gekapte oerwoud vertoonden ook de wortelgallen, even schoon als de sterkst aangetaste tabak.
Do meening dus, dat de infectie van buiten af zoude zijn aangebracht en verder verbreid, hetzij door mensch nf dier, bleek dus niet steekhoudend te wezen, nu in het oerwoud, waar nog nimmer een 0111111111' gedreven was, de bodem reeds geïnfecteerd bleek.
De besmetting door tabaks-aaltjes, komt dus voor op geheel verschillende grondsoorten, over geheel Deli en Serdang verspreid, zoowel op reeds afgeplanten grond, als op plaatsen waar liet oerwoud voor de tabak hot veld moest ruimen.
De levensloop van een tabaksplant kunnen wij in twee
â 80 â
grooto perioden verdeuleu, gosciieideu duoi' het oogeiiblik vau overplanting op hot veld. Als eerste periode nemen wij dau de ontwikkeling der tabak, van zaad tot bibit, welke den leeftijd bereikte om op het vrij * veld te worden overgebracht.
De tweede periode begint bij deze overplanting en eindigt op het tijdstip, dat de rijpe tabak wordt geoogst.
Graan wij nu na welke gevolgen het optreden der nematode hoeft bij de tabak in deze beide perioden.
Over inrichting enz. der kweekbedden, behoef ik hier niet meer uit te weiden, ter anderer plaatse (zie Med. v. 's Lands Plantentuin X0. XV) vindt men daaromtrent liet noodige medegedeeld.
Uit de zaadkorrel ontwikkelt zich het wortelstelsel, bestemd om onder de oppervlakte van den bodem te blijven en het met bladeren voorziene stamgedeelte, dat zich boven den grond verheft. X'u komt, dit kunnen wij reeds voorloopig mededeelen, de nematode slechts voor in liet onderaardsche gedeelte dor plant, en is het aan vervorming enz. van die organen te wijten, dat de ziekteverschijnselen zich uiten in bet bladdragende gedeelte der plant. Eerst zullen wij de uitwendige veranderingen nagaan, welke de nematode of liet tabaks-aaltje op deze beide organen-stelsels uitoefent. Later zal dan de mededeeling dor resultaten van hot mikroskopisch onderzoek, ons hot tabaksaaltje zelve doen kennen.
l it liet kiemworteltje ontwikkelt zich de penwortel, in goeden vruchtbaren grond ontstaan hieruit spoedig talrijke zij wortels.
Vergelijkt men nu twee bibitplautjes van denzelfden ouderdom, waarvan het eene gezond, en het andere door het tabaksaaltje aangetast is, dan vallen ons bij liet laatste reeds dadelijk de aanzwellingen (gallen) op, welke onregelmatig over de wortels verspreid zijn. Reeds bij bibit, slechts een maand geleden gezaaid, waar het hoofdworteltje nog nauwelijks een handbreedte lang is, kan men deze gallen aantreffen, liet is natuurlijk, dat er geen vaste regel is, volgons welke de gallen voorkomen, zoo kan het gebeuren dat nu eens de
â 81 â
hoofd wortel goed ontwikkeld is, dan weder, dat deze in ont-wikkeling achterblijft bij de zij wortels. Uit de verspreiding der gallen aan de wortels blijkt, dat deze reeds op zeer jeugdigen leeftijd kunnen worden aangetast.
Zoo werden bij een pen worteltje, dat ongeveer 30 millimeter lang was, gallen aangetroffen op een afstand van 10 millimeter van den wortelhals en verder, op ouderlingen afstand van 5 en 8 millimeter nog eenige gallen, welke nog niet zoo ontwikkeld waren. Xu was de geliecle plant nog slechts dertig dagen oud, en dus hoogstens 15 a 20 dagen op het tijdstip dat de wortel geïnfecteerd werd, tenminste te oordeelen naar den omvang der eerste gallen, welke 2 a 2l/8 milliineter in diameter waren, (de diameter van den wortel onmiddellijk boven de gal gemeten was ± 1/., m.M .) De jongste gallen aan den worteltop waren nog nauwelijks zichtbaar als kleine verhevenheden.
igt;ij een ander plantje was de hoofd wortel eveneens aangetast, deze had zich daarop niet verder ontwikkeld, daarentegen wol de zjjwortels, die over hun geheele lengte, hier en daar gallen droegen.
Wanneer wij een pas aangetast plantje uit den grond trekken, vallen de gallen alleen in het oog door de zwelling van den wortel. De wortelbast vertoont uitwendig niets afwijkends van de overige wortelgedeelten. Spoelen wij zulk een wortel voorzichtig af en brengen hein in alcohol, dan worden na eenigen tijd, de jongere weefsels, nagenoeg geheel doorzichtig en zien wij in het inwendige der gal, met het bloote oog, een geelachtig ondoorzichtig bolletje. Dit is het opgezwollen vrouwelijke tabaks-aaltje, dat of pas geslachtsrijp is of reeds een soort cyste vormde, waarin zich de eieren en larven verder onwikkelen.
Dij grootere gallen, vindt men in hot galweefsel soms meerdere dezer cysten, welke elk hun ontstaan aan een afzonderlijk tabaks-aaltje danken.
Bij do oudere gallon vindt men hier en daar op de oppervlakte een zwart bruin uitstekend puistje. Naarmate het aaltje zich namelijk meer ontwikkelde on zijn inhoud toenam, werden
â 82 â
de wortel weefsels verscheurd cmi ten slotte liet bruine weefsel (hoofdzakelijk uit epidermiscellen en eieren bestaande), dat het puistje vormde, afgestooten.
Brengt tneu zulk een gal, in sterken alkohol, dan trekken zich de weefsels s imen en wordt soms het opgezwollen lichaam van het tabaks-aaltje, een weinig uit de weefsels geperst.
Naar het schijnt, heeft dit laatste soms ook in de natuur plaats, men vindt toch bjj oudere gallen op de oppervlakte hier en daar ledige holten, welke vroeger dc tabaks-aaltjes, tijdens hunne ontwikkeling, herbergden.
Hij bibit ziet men dit echter zelden; tegen den tijd dat deze wordt uitgetrokken en overgeplant, zijn de gallen nog gesloten.
Hehalve de vorming dezer gallon, lieeft het optreden van het tabaks-aaltje nog andere gevolgen voor het wortelstelsel.
Met oen enkel woord reeds, duidden wij aan, dat do geheele wortelontwikkeling soms veel te wenschen overlaat.
Meestentijds is de hoofdwortel gebrekkig ontwikkeld en vindt men zelden bij aangetaste bibit een behoorlijken pcnwortel.
Hetzelfde is het geval mot de zjjwortels, welke echter dikwerf door hun aantal zoeken goed te maken wat zi j individueel aan ontwikkeling missen. Meest blijven zij kort en gedrongen en krjjgon een knoesterig uiterlijk, wanneer meerdere gallen bijeen zijn gezeten. Ook komt het voor, dat een zijworteltje over een aanzienlijke lengte abnormaal is opgezwollen, en slechts niet een dun steeltje aan den hoofdwortel is verbonden.
Verder valt do geringe ontwikkeling dor haarwortels op; bij normale wortels, is deze steeds vrij sterk en zuigen zij door de wortelharen liet noodige voedsel voor de plant op.
Wanneer wij oen gezond plantje uittrekken en voorzichtig de aarde losschudden, blijft er juist aan de wortelharen, oonige aarde hangen.
Bij zieke planten is zulks niet hot geval, oen paar maal Hink schulden is reeds voldoende om alle aanhangende aarde te verwjjderen.
Bij de onderaardscho deelen der aangetaste planten, valt
â 88 â
dus behalve de gal vorming, de gebrekkige wortelontwikkeling op. Wanneer wij hier 'fc woord âschraalquot; mogen gebruiken, zoude dit wellicht beter op het ziektebeeld toepasselijk zijn.
Zien wij nu wat de gevolgen zijn in de bovenaardsehe gedeelten der bibit. Bij de zeer jonge plantjes, waar de blaadjes hoogstens 2 a 3 c.M. lang zijn, valt er nog weinig aan hen op te merken. Dikwerf was bibit van dezen ouderdom, wier blad er normaal uitzag, toeli roods vrij hevig geïnfecteerd.
Het eerst bemerkt men echter, dat er iets niet in orde is, door den langzamen groei der bibit, vooral wanneer andere bedden, onder dezelfde omstandigheden, goed doorgroeien en dus droogte of' abnormale weersgesteldheid, hierop geen invloed hadden. Wordt de bibit grooter, dan uit zich deze achterlijk-lieid in ontwikkeling, in een spichtig voorkomen; het blad wordt grof en krijgt soms een vale tint.
Hoeft men ook dan nog niet de eigenlijke oorzaak ontdekt en de bibit vernietigd, zoo ziet men later, bij bibit die ongeveer de grootte bereikte waarop zij zoude overgeplant kunnen worden, het onderblad spoedig geel worden en verdorren. I )o stengels zijn dun en houterig; wanneer men de afdaken dor kweekbedden voorgoed wegneemt, wordt het geheele kweekbed som-tjjds ploseling geel en onbruikbaar. Do plantjes zijn door hun gebrekkig wortelstels d, niet in staat den plotselinge i overgang tot sterkere verdamping te verdragen en verkwijnen.
Duidelijk in liet oog vallende kenmerken zijn er dus aan het blad of stengeltje niet waar te nemen, vergelijking met andere bedden moet ons doen zien, dat er iets niet in orde is. Wanneer het blad en de stengel overigens gezond schijnen, moet wel van zelve het idee bij ons op komen, dat wellicht in de wortels de oorzaak schuilt. Trekt men zulk een plantje nu uit, dan is deze oorzaak ras gevonden, daar zelfs bij oppervlakkige beschouwing reeds vrij spoedig de gallen opvallen.
Zien wij nu, wat er bij reeds uitgeplante tabak geschiedt, wanneer deze door het tabaks-aaltje is aangetast. In hoofdzaak vinden wij dezelfde verschijnselen terug, als zooeven voor de kweekbedden beschreven, evenwel in sterkere mate.
- 84 -
Ei' kunnen zich echter twue govullea voordoen, die vooral met liet oog op de gevolgen hij hot wortelstelsel, uiteen dienen gehouden tc worden. De gevolgen aan liet bebladerde stam-gedeelte zijn niet zoo streng geseheiden.
Deze twee gevallen, welke wij hier bedoelen, doen zich voor, naarmate men aangetaste bibit in gezonden grond overplant, dun wel gezonde bibit in aangetasten grond brengt.
Nog een derde geval kan voorkomen, wanneer aangetaste bibit, in aangetasten wordt uitgepiant; de verschijnselen welke zich hierbij voordoen, zijn echter in hoofdzaak eone combinatie, van hetgeen wij bjj de twee eerste gevallen vinden.
Gaan wij dus eerst na, wat er gebeurt, wanneer wij een zieke bibit ovorplanton in overigens gezonden bodem. Het wortelstelsel, dat reeds talrijke gallen droeg, wordt overgebracht in grond, die vrij is van ziektekiemen. De gallen, die zich reeds in aanleg bevonden bij de wortels, zullen voortgaan zich tc ontwikkelen. Ue uieuw ontstane wortels ('ii wortcluiteinden bevinden zich echter in een bodem, welke vrij is van aaltjes en zullen zich een tijdlang normaal ontwikkelen, voorzoover zij daarin niet gehinderd worden door de oudere gallen, welke hun invloed ook doen gevoelen op de nieuwe wortelontwikkeling.
Aan de wortels, welke de bibit reeds bezat, kwamen reeds gallen voor, deze vervormen, bij hun toename in omvang, de oudste wortelgedeelten en vormen daar talrijke knolletjes en opgezwollen zjjwortels. Neemt men nu na eenigen tijd, zulk eene, oorspronkelijk zieke, bibit uit den grond, dan vindt men dat wortels, nabij de z. gn. wortelhals, talrijke gallen en aan-zwellingen bezitten, de jongere wortels, die zich na de overplanting vormden, relatief vrjj zijn van gallen. Geheel vrij zijn zij echter meestal niet en schijnen zij dus na de verplanting toch nog op nieuw geïnfecteerd te zijn.
Dit kan zeer goed bet geval zijn door de aaltjes, welke uit de oudere wortelgallen vrij werden na de overplanting, en in den bodem rondzwervende, de jonge wortels weder aantastten.
Juist het tegenovergestelde vinden wij bij hot tweede geval, daar zijn de wortels welke zich reeds bij de bibit ontwikkelden,
nog gezond gebleven en vertoont het wortelstelsel, nabij den stam geen of nagenoeg geen aanzwellingen, terw ijl juist aan de jongere worteluiteuiden, de gallen in grootcn getale optreden. Soms kan dit zoo sterk zjjn, dat zulk een plant aan de dunne, oorspronkelijke zijwortels een gansclie tros van misvormde korte dikke wortelgalleu draagt.
Wij vestigden er zooeven de aandacht op, dat liet aanwezig zijn van een gal, zelfs nabij den top van den wortel, toch nog een storenden invloed had, op het oudere wortelgedeelte. Ook vroeger wezen wij er op, hoe aan de hoofdzijwortels, aan uiterst dunne zjjworteltjes, soms gallen voorkomen, die dan slechts door een dun steeltje (i. c. veel dunner dan een normaal ontwikkelde zij wortel, op dezelfde plaats, had moeten zijn) worden gedragen.
Eenige weinige regels ter verklaring, mogen hier wellicht op hun plaats zijn. Wij weten, dat de wortels voedsel en water opnemen en dit vervoeren, om zoowel de oudere doelen der plant, als den wortel zeiven, een gedeelte van het noodige materiaal te verschaffen ter verdere ontwikkeling. Nu treedt er echter een stoornis op in dit voedseltransport zoodra er zich een gal vormt, en wel gedeeltelijk door het verstoren eoner gedeelte der banen, waarlangs het vervoer plaats vindt, als wel doordat de gal een groot gedeelte van het voedsel, zelve tot zich trekt.
Hierdoor zal dus duidelijk zijn, dat ook hot gedeelte van een wortel tusschen stam en gal gelegen, wel degelijk den invloed dezer laatste ondervindt.
Bezien wij nu een wortelstelsel met gallen nauwkeuriger, dan vinden wij bij de jongst gevormde aanzwellingen, hetzelfde als wij reeds bij de bibit beschreven. De oudere gallen zijn naar verhouding meer in omvang toegenomen, en voelen sponzig aan, men kan hen vrij gemakkelijk samendrukken tusschen de vingers. Een aanduiding, dat deze aanzwellingen voor een groot gedeelte uit een los luchthoudend weefsel bestaan.
Op de oppervlakte dor gezwollen gedeelten, ziet men hier en daar wit grijze stipjes, dit zijn de met eieren gevulde aaltjes, Avier lichaam onder het zwellen de beschuttende hing van den
8() â
wortelhast wegdrukte. Neemt zulk een nnltjo luj de voortgaande ontwikkeling der eieren, nog meer in omvaug toe, dan komt liet voor, dat het zich zelve geheel uit het wortel weefsel uitperst, cu vindeu wij dan in de oppervlakte der gallen, kleine ronde, zeer regelmatig gevormde kuiltjes, welke vroeger elk een aaltje herbergden. Evenals elders medegedeeld, laat de ontwikkeling der zij wortels, ook bij deze planten, zeer veel te wenschen over en schuilt daarin gedeeltelijk hunne gebrekkige werking, welke zich uit in het kwijnen der bovenaardsche deelen der plant.
Wat zjjn nu, bij het stamgedeelte, de gevolgen van het optreden van het aaltje. Laten wij beginnen mede te deelen, dat er, buiten het wortelstelsel, geen spoor der parasiet zelve meer in de plant wordt gevonden en dat de verschijnselen welke wij nu zullen beschrijven, slechts de gevolgen zijn, waarvan de oorzaak zich bevindt in hot gedeelte dor plant onder de aarde.
Ook nu weder kunnen wjj twee gevallen onderscheiden, naar gelaug reeds aangetaste planten op het veld worden uit-geplant, of wel gezonde bibit door infectio na de overplanting zieke planten gaf.
In het eerste geval zal namelijk door do ontwikkeling van nieuwe wortels, welke na het overplanten in den versohen grond plaats vindt, do plant ruimschoots voedsel worden toegevoerd, en zal men dus als 't ware een opflikkering bij haar waarnemen, die echter spoedig verdwijnt wanneer ook deze wortels worden aangetast. De plant groeit dan niet meer, zelfs veel guano wil niet helpen en is liet weder eenigszins abnormaal droog, dan komt de bloem reeds te voorschijn op een tijdstip, dat gelijktijdig uitgeplante gezonde planten nog in hunne volle bladontwikkeling zijn.
Hetzelfde vindt plaats bij planten in geïnfecteerdon bodem uitgeplant; ook daar worden de nieuwe jonge wortels het eerst aangetast eu doorloopen zjj alle stadiën, als reeds vroeger beschreven.
De plant voert uu verder een kwijnend bestaan, de stam
noemt slechts lanjzaaiu in omvang toe, hot blad wordt grover en spitser dan hij gezoade planten en vertoont wellicht het meest typische verschijnsel van dit ziektebeeld, door spoedig boog geel te worden en at' te vallen.
Bijna onfeilbaar zal men de aangetaste planten temidden van gezonde exemplaren kennen, juist door dit snel geel worden van hot onderblad, dat daarbij een kleur aanneemt, in schelheid en gelijkmatigheid geheel afwijkend van hetgeen men hjj gezonde planten aantreft, wanneer daar het onderblad geel wordt en langzamerhand afsterft.
Wanneer wij ons nu nog herinneren, wat wij opmerkten over het voedseltoevoer door de aangetaste wortels, zal hot geen verwondering baren, waunoer wij bij do grootore planten, alle teekenen van watergebrek aantreffen, zoo do wortels gallen dragen.
Komt men in de velden op een warmen dag, dan ziet men bij de aangetaste planten bet blad slap neerhangen en de top van de plant neergebogen. Is het weder wat ongunstig droog, of staan de planten op te drassig terrein dan is het niet zelden, dat men hiermede gepaard vindt gaan de verschijnselen van pokziekte, welke gelijk wij weten iu hoofd/aak berusten op abnormale verdamping en watertoevoer der planten.
Wanneer wij dus op bet veld, planten vinden welke kwijnen, aan watergebrek lijden, en verder snel geel wordend en afvallend onderblad hebben, zullen wij met recht mogen vermoeden, dat de aaltjes-ziekte de oorzaak dezer verschijnselen is. In de meeste gevallen zal dit vermoeden bevestiging vinden, wanneer bot wortelstelsel met zorg wordt uitgegraven en daaraan de gallen worden gevonden.
Heeft ten slotte, de ziekte langen tijd voortgewoekerd, dan is tengevolge dor verscheuring der weefsels in de wortels, door de aanzwelling der aaltjes, de gelegenheid geboden aan allerhande rottings- en saprophytische organismen om binnen te dringen on strekken deze weldra bun werkkring uit tot hot stamgodeelte. Wij zien dan de stammen aan het ondereinde zwart worden en ten slotte geheel wegrotten.
Bij het bezoeken van tabaksvelden, door de aaltjes-ziekte
â 8K â
geteisterd, viel het mij meermalen op, dat er een bepaalde regelmaat iti de verspreiding der aangetaste planten viel op te merken. Toen eenmaal mijne opmerkzaamheid hierop gevestigd was, bleek hot mij dat hiervoor bepaalde redenen aanwezig waren, en ook dat op grond der verspreiding der zieke planten op het veld, kun worden nagegaan ot liet zink zijn valt to wijten aan het gebruik van zieke bihit ^iets wat voorkomen had kunnen worden) of' wel, dat de grond die beplant werd, zelve reeds de kiemen dor plaag herbergde.
Tk behoef hier niet moer uiteen te zotten op welke wijze de koelie zijn void beplant, en hoe zulks met regelmatige tusschenpoozeu geschiedt. Hoeft nu de koelie bij het planten zieke bihit gebruikt, dan vinden wij deze planten in regelmatige rijen op het veld terug, welke dan ook allen de boven beschreven kenmerken der ziekte in gelijken «'raad vertoonen. Heelt hij na eenigon tijd bemerkt, dat er met zijn plantmateriaal iets niet in orde was, en hoeft hij toon andere hibit genomen, dan vindon wij op het veld plotseling de ziekte ophouden, en zijn dc planten na dien tijd geplant, allen gezond gebleven.
Kwam de aaltjes-ziekte in alle kweekbedden eener afdeeling voor dan zal zich dit versehijnsol ook bij de uitgeplante tabak herhalen over de gehoele afdeeling.
Men zal dan echter ook kunnen opmerken, dat de koelies reeds bemerkt hebben, dat er iets niet in orde was met do bibit, daar zij zooveel in hun vormogon was, trachtten de besto bibit. uit te zooken. Hierbij blijkt dan tevens, dat de eene koelie hier beter oog op heeft, dan de andere, wanneer mm ziet, dat op nahij gelegen velden, de ziekte in het ecne geval b.v. 2ü rijen planten sterk deed kwijnen, en de daarop volgende minder ziek zijn, terwijl bij een anderen koelie, die niet zoo goed toozag, allo planten in gelijke mate zijn aangetast.
Is dus uit dit regelmatig optreden der ziekte, reeds a priori op te maken dat de bibit ziek was, bevestiging vindt dit vermoeden, wanneer wij dan de kweekbedden onderzoeken en daar ook aangetaste planten vindon.
Staan daarentegen, over hot gansche koelie-veid verspreid,
nu eens gezonde en dan weder zieke exemplaren naast elkander, en vertooiien deze de ziekte in verschillende mate, dan zal de ziekte in de meeste gevallen, reeds in den bodem, welke beplant werd, schuilen, en is het dus niet te wijten aan slechte zorg voor plantmateriaal of gebrekkig toezicht, wanneer de planten ziek worden.
B-j een globale beschouwing- der velden kunnen wij dus reeds het bovenstaande opmerken, bevestiging onzer vermoedens, zullen wij vinden in tie verdeeling der gallen aan liet wortelstelsel.
Deze verschijnselen te zamen zullen in de meeste gevallen, ons tot een juiste conclusie kunnen voeren, wanneer wij wenschen na te gaan, waar de oorzaak der aaltjes-ziekte schuilde.
Xn wij dus hebben nagegaan, wat alzoo met het ongewapende oog valt waar te nemen, wordt liet tijd ons eens te wapenen met het mikroskoop, en te zien in hoeverre wij onze kennis van den vijand, langs dezen weg nog kunnen vermeerderen. Reeds meermaalen noemden wij nematoden, aaltjes enz. als de ziekte-oorzaak, tot recht begrip der zaak en ook der volgende beschrijvingen, volge hier eerst een zoölogische uitweiding.
Onder de groote diergroep door de wonnen (Vennes)' gevormd, bekleedt de klasse der vondwonnen of Nemathehninthes een voorname plaats. Deze worden in eenige orden onderverdeeld, waarvan de Nematode)! of draad-wormen gekenmerkt zijn door het bezit van mond en darmkanaal. Bijna alle dieren tot deze orde beboerende, zijn parasieten. Een afzonderlijke familie wordt gevormd door de Anyuillidae of aaltjes. Een geslacht dezer familie is weder Heterodera, waarvan onderscheidene soorten goed bekend en beschreven zijn, en waartoe ook het tabaks-aaltje zal blijken te beljooren.
Een tot in bizonderheden afdalende, zoölogische beschrijving, meenen wij hier minder op zjjn plaats te zijn, daarom zij bier volstaan met een algemeen overzicht der levensverschijnselen, welke men bjj Heterodera leerde kennen, en die wij in hoofdzaak ook bij het tabaks-aaltje aantroffen. Nemen wij als punt van uitgang een vrouwelijk aaltje, dat haar iioogste ontwikkeling heeft bereikt. Wij vinden dan een kogelrond, sterk opgezwollen
vu ;
â 90 â
blaasje, waarop een kort dik uitwasje zich bevindt. Soms is de overgang van dit dunnere gedeelte op het bolronde lichaam vrij plotseling, soms ook meer geleidelijk en heeft daardoor hot geheel een meer peervormige gedaante.
tiet opgezwollen gedeelte wordt gevormd door het lichaam van hot aaltje, waarin zich de symmetrisch gepaarde geslachtsorganen bevinden 1 let dunnere gedeelte vormt de kop, waarin zich de organen tot voedscl-opname bevinden. Deze bestaan in hoofdzaak uit een fijnen, scherp gepuntcn stekel, welke met ecni^e spieren verbonden is, die do stekel naar buiten kunnen stooten, of wel binnen, hot lichaam (mond) terughouden.
1)lt;gt; stekel staat in verband mot oen fijne gang, welke in eon verwijding uitmondt (zuigmaag), door stevige spierwandeu omgeven, dio als zuigapparaat fungeert.
Deze zuigmaag staat op haar beurt weder in verbinding met een darmkanaal, dat zich binnenin het opgezwollen lichaiims-«jedoeltc bevindt.
Aan het achtereiado van hot lichaam vinden wij eene opening, welke de functie van anaalopening zoude hebben.
Deze nnaalopening ligt in een plooi van don lichaamswand verborgen, dicht daarneven is nog een andere kleinere opening welke met de eileiders in verhand staat.
Do twee gekronkelde ovariün zijn moestal duidelijk te zien iu 't inwendige, vooral wanneer eerst sinds korten tijd de eieren worden gevormd. Het lichaam zelve is dan ook reeds opgezwollen, maar nog met talrijke vetkogeltjesopgevnld, welke verdwjjnen naarmate de eieren zich meer en meer ontwikkelen.
Na de bevruchtiging (waaromtrent het juiste nog niet bekend is), begint de vorming der eieren, welke wij het eerst als kleine ovale blaasjes in de ovariën vinden. Mot oen grot korreligen, vetrijken inhoud voorzien, beginnen zij zich onmiddellijk verder te ontwikkelen, en ontstaan de larven. In een opgezwollen iialtjo, vinden wij eieren, in de meest verschillende ontwikkelingsstadiën van af liet ci, welks inhoud zich pas begint te deelen, tot do larve welke op het punt staat, uit den eiwand vrjj te komen.
- 91 â
Ten slotte sterft het vrouwelijk aaltje en barst de wand welke tot nu toe de eieren omsloten hield. Ondertusschen zijn de eieren tot larven geworden, waarbij de inhoud een deelings-proees doorloopt, waarvan het einde is, dat zieii binnen den oorspronkelijken eiwand een inééngekronkeld aaltje bevindt, van slanfcen vorm en wier koporganen, zij liet dan ook nop; op kleiner schaal, volkomen gelijken op die van liet moederdier.
Tegen liet einde van het larven-stadium komt er beweging binnen den eiwand en zien wij de larve zieh heen en weer kronkelen, wellicht heeft dit ten doel, den eiwand te verbreken, waf ten slotte geschiedt, waarna het aaltje vrij komt.
Onder deze aaltjes, welke hot larve-stadium dus pas verlieten bevinden zich nu mannelijke en vrouwelijke individuën. Heiden zijn van langgestrekten vorm, het kopgedcclte vertoont veel overéénkomst, alleen is bij het mannetje, de zuigmaag iets meer naar binnen gelegen eu kleiner, en zijn er bij de mondorganen eenige kleine afwijkingen op te merken.
Duidelijker verschil h echter op te merken in den inhoud, welke bij het eene reeds duidelijk de differentiatie kenmerken vertoont, van den aanleg eener gepaarde eierstok, terwijl men bij het mannetje oen vrij groote vaste kern vindt; den aanleg van liet toekomstig mannelijk genitaal-orgaan.
Ook in het staartgedeelte vallen enkele kleine verschillen op, de staart van liet mannetje is spitser eu glashelder, bij het vrouwtje stomper en tot aan het uiteinde met een fijn korreligen inhoud opgevuld, welke zich ook in de overige lichaamsholten bevindt. Van beide aaltjes is de lichaamswand duidelijk, zeer fijn dwars gestreept, liet vrouwelijke aaltje zoekt zich nu spoedig een plaats in het wortelweefsel, waar hot zich vastzet, met den stekel do cellen in haar omgeving aanborend en zoo het voedsel tot zich nemend. Het begint nu weldra op to zwellen en geljjkt na korten tijd op het moederdier, welk ons punt van uitgang vormde.
Alvorens het mannelijke aaltje tot volkomen ontwikkeling komt, doorloopt het eerst nog een metamorphose. Na eeoigon tijd in het bovenbeschreven stadium als aaltje te hebben door-
â 92 â
gebracht zien wij hierbinnen weder een ander aaltje ontstaan. De inhoud trekt zieli van den wand terug en neemt in grootte toe, waarbij zich het nieuwe aaltje, weder in inééngekronkelden toestand, binnen den ouden lichaamswand bevindt. In plaats \an een spits toeloopende staart, vinden wij nu een stomp staartge-deelte, aan welks uiteinde het geslachtsorgaan met de twee z. gn. spiculae.
Ten slotte barst de wand open en komt hot volkomen geslachtsrijpe aaltje vrij. Het is dus een soort van vervelling welke hot doorloopen heoft, waarbij tevens een gedaanteverwisseling plaats vond, door het verlies dor toegespitste staart. Het schijnt verder na de uitoefening zijner functiën weldra af te sterven, ten minste zelve, als parasiet van betrekkelijk weinig beteekenis te zijn.
Een naverwante van het tabaks-aaltje is hot bieten-aaltje in Europa, wat productiviteit aangaat, zullen zij elkander zekerlijk niet voel ontloopon. Nu berekende Strubell, dat or in Europa ongeveer zes generaties por jaar kunnen ontstaan en daar oen wijfje ongeveer 1500 larven voortbrengt en hiervan wellicht 150 exemplaren vrouwelijk zjjn, zoude dit dus de nakomelingsschap van een enkel zwanger wijfje per jaar 22.781 milliard doen bedragen.
Zulks geschiedt in Europa, waar de generatie-wisseling dooide winterkoude wordt gestoord, in de tropen zal dus de nakomelingschap zeker niet minder zijn.
Eén diertje op zich zelve is wellicht vrij onschuldig, maar milliarden kunnen aanleiding geven tot een misooogst.
Dat hot dus zaak is, zoo spoedig mogelijk er bij te zijn en ile ziekte als 't ware, in hare geboorte te smoren, behoeft dan ook geen verder betoog. Elk vernietigd aaltje bespaart ons later wellicht den aanval van oenige milliarden nakomelingen.
Au wjj dus onzen vijand hebben loeren kennen, kunnen wij nagaan, hoe hij zich in de wortels ophoudt en welke veranderingen daar te weeg worden gebracht. Snijden wij eon tabaks-wortel dicht nabij den top door, dan vinden wij een centralen vaatbundel, welke uit langgerekte met elkander comiminicee-rende vaten bestaat, omgeven door een schorsweefsel van dun-
waudige parenchymatisclie celleu, welke op hunne beurt weder door een fijne opperhuid zjjn omgeven.
Naarmate het wortelgedeelte in ouderdom toeneemt, heeft er een verandering dezer weefsels plaats, in zooverre dat de fijne opperhuid steviger wordt en ten laatste plaats maakt voor een kurklaagje. De centrale vaatbundelstreng ondergaat ook eene verandering, doordat hier een houtvorming optreedt, waarbij kortere houtvaten en hout-parenchym worden gevormd.
Hij de oudste wortels, bestaat het centrale gedeelte van den wortel uit parenchymatisch merg, door den houtcydinder omsloten. Vooral nabij den worteltop, zijn de verschillende opbouwende elementen, nog losjes met elkander verbonden en hebben onderling, groote intercellulaire ruimten. Aan den worteltop zelvon, vinden wij den aanleg der verschillende weefsels in het z. gn. groeipunt.
De zij wortels worden aangelegd op de grens der centrale vaat-bundelki ing en van het parenchymatisch schorsweefael, doorboren dus dit laatste en de opperliuid bij hunne verdere ontwikkeling.
Ujj do nu volgende beschrijving zullen wij hier en daar eenigzins hypothetisch moeten zijn, wat moeilijk te ontgaan is, waar wij nog niet in alle bizonderheden bekend zijn, met de levensgeschiedenis en levensvoorwaarden onzer Heterodera. Dat het onderzoek i. c. nog eigenaardige moc-ielijkheden met zich brengt, moge o. a. blijken uit het feit dat Kühn, meer dan 5 jaar noodig had alvorens hij eenigszins op de hoogte was der levensgeschiedenis etc. van het bieten-aaltje.
Aan de overzichtelijkheid van hetgeen wij tot dusverre vonden en van hetgeen wij ter aanvulling ontleenden aan reeds beter bekende TIeterodera's, vermeenden wij slechts schade te doen, door afzonderlijk te vermelden, wat ons zeiven, hot onderzoek met zekerheid leerde. Binnen niet te langen tijd hoop ik echter mijne gegevens in zooverre te hebben aangevuld, dat ecu volledig overzicht mededeeling kan vinden.
Stellen wij ons dus nu voor, een gezonde tabaksplant te hebben, hetzij bibit, hetzij reeds uitgeplant, de gezonde wortels verspreiden zich in den lossen bodem. Wanneer nu op do een
of andere wijze in Jezeu bodem Heterodera's kome;;, zullen zjj zicli naai- deze wortels begeven en daar binnendringen.
In Europa werd opgemerkt, dat liet bieten-aaltje zich bij voorkeur naar beneden begeeft (tot op zekere diepte in den grond) eu daarbij door zekere stoffen (die de wortels atscheiden?) wordt aangetrokken. Nu verbreidt de plant ook hare wortels naar beneden en bevinden zich dezo dus op den weg der aaltjes, waaneer deze boven op don beplanten bodem zjjn gekomen.
Xiet in alle stadiën van ontwikkeling zijn echter de aaltjes iu staat in dc wortels binnen te dringen. Zoodra zjj beginnen te zwellen, zijn zij log en langzaam in hunne bewegingen. Het zal dus in het stadium zijn, waarin zij nog hunne typische aaltjes-vorm hebben, dat, hetzij een vrouwelijk, of mannelijk aaltje in den wortel binnendringt.
Dit schijnt slechts even boven liet groeipunt te kunnen gebeuren, daar is de opperhuid nog niet te hard geworden om vol-doenden weerstand te bieden, en kan het aaltje met zijn stekel gewapend zich gemakkelijk een weg banen.
Het groeipunt zelve, schijnt niet aangetast te worden, wellicht dat het wortelkapje, welke dit omgeeft voldoende bescherming biedt. Werd liet groeipunt namelijk verstoord, dan zoude men bij een aangetasten wortel, aau den top een galletje moeten vinden, en de zij wortels zich hooger op sterk ontwikkelen. Dit laatste is na wel gedeeltelijk liet geval, liet eerste echter niet, ook nog verder dan de gallen, zien wij den wortel doorgroeien, zonder dat er van stoornis in het groeipunt iets blijkt.
Het aaltje dringt dus het schorsweefsel binnen en boort zich een weg tot vlak nabij den vaatbundel-cylinder. De weg dien het volgde, is later niet meer terug te vinden, bij de Europeesche soorten van Heterodera, welke grooter zijn, is dit beter te zien en blijft er een kleine boorgang achter.
Bij de vaatbundels aangekomen, kruipt het aaltje over eeni-gen afstand daar langs, zoodat het met het geheele langgéstrekto lichaam, vlak tegen den vaatbundel-cylinder aan komt te liggen, met den kop gericht naar hot groeipunt van den wortel.
Eenmaal zoover gekomen, schijnt het verder rustig zoo te
â 95 -
blijven liegen en boort nu mot zjjn stekel, de cellen en vaten aan, in de nabijheid van zijn kop, om daaruit voedsel te putten.
.Meerdere aaltjes kunnen, naar bet schijnt, ongeveer denzelfden weg volgen, ten minste meermalen trol ik twee of'drie aaltjes in dit stadium aan, vlak bijéén gelegen. Uitwendig is aan het worteltje nu nog niets te zien, er is nog geen zwelling te hespeuren en op goed geluk moet men de wortels eeuer aangetaste plant onderzoeken, om de aaltjes in dit stadium aan te treffen. Door de voedselopname nemen nu de aaltjes geleidelijk, in omvang toe, hun lichaam wordt gevuld met een vetrijke massa, welke den grofkorrelige inhoud vormt.
De zwelling van bet lichaam neemt nu voortdurend toe, de eileiders en het ovarium volmaken zich meer en meer en nu wordt het wijfje, dat geslachtsrijp is geworden, bevrucht. Op welke wijze dit geschiedt, werd nog nimmer waargenomen.
Of het mannetje van buiten af doordringt in den wortel en zich door de weefsels hoen verplaatst, en de wijfjes welke het op zijn weg ontmoet, bevrucht, of wel, dat voor de bevruchting van elk vrouwelijk exemplnar een manneljjk aaltje noodig is, bleef nog onzeker. Zeer zelden echter vindt men een manneljjk geslachtsrijp aaltje in de nabijheid der wijfjes, vergeten wij hierbij niet, dat de geslachtsrijpe mannetjes een slanken vorm hebben en zich gemakkelijk en snel bewegen.
Terwijl nu het wijfje na do bevruchting nog meer in omvang toeneemt treden er ook in het weefsel der plant veran doringen op. In do nabijheid der plaats, waar hot wijfje zich nestelde, nemen de cellen eerst sterk in omvang toe en vor-grooten zich, waarbij zij ten slotte een stevigen wand krijgen en de protoplasma- inhoud der cel overgaat in een fijnkorrelige massa, waarin zich soms meerdere kernen bevinden.
Tevens beeft er een verandering plaats in den loop der vaat-bundels, in plaats dor langgestrekte elementen, welke zich normaal vormen, wordt bet verband der vaten gedeeltelijk verbroken en vinden wij kortere, netvormig gestippelde wond-vaten in de gallen, waardoor wel is waar nog verband bestaat
â 96 â
tussclieu dc vaatbuiidel-oyliiidors aan weerszijden der gal, echter niet meer op zulk een volkomene wijze als vroeger.
De gal, wanneer wij hieraan de beteekenis hechten eener weet.-telwoekering, welke liet gevolg is eener prikkel door een dierlijk organisme uitgeoefend, ontstaat dus iiier door het aaltje. Door de prikkel door dit dier uitgeoefend, hetzjj bij het zoeken naar voedsel, hetzij door excretie, ontstaan vergrootingen der bestaande cellen en veranderingen in de vaatbundels.
Do cellen in de omgeving van het aaltje vermeerderen zicli sterk en blijven daardoor het dier, dat voortdurend in om vang toeneemt, omgeven. Ware dit niet hot geval, dan zouden wij reeds bij de minste aanzwelling der parasiet, de weefsels vanéén zien splijten. I Iet kan nu gebeuren, dat een gal meerdere aaltjes bevat, welke tot de grootte eener speldeknop aanzwollen, zonder dat er van een barst iets valt te bespeuren De vorm der gal zal natuurlijk afhangen van het aantal der Ileterodera's, welke op éénzelfde hoogte den wortel aantastten. Zjjn er vele aaltjes in elkanders onmiddellijke nabijheid, langs den vaatbundel gelegen, dan zal de zwelling niet plaatselijk zijn, maar zich soms over gernimen afstand in den wortel voorzetten en deze meer cvlindrisch verdikt zijn. Tijdens deze veranderingen in de wortelweefsels, is het wijfje bevrucht geworden en overgegaan tot ei vorming, nu zagen wij reeds, dat nog gedurende hun verblijf binnen het moederlichaam de eieren reeds het lurvestadium kunnen bereiken; dat zij zich daar ook reeds uit de ei huid vrijmaken, kon niet met zekerheid geobserveerd worden.
Werden er nu en dan zich vrjj bewegende aaltjes gevonden binnen het moederdier, dau scheen dit reeds afgestorven te zjjn. liet schijnt echter, dat behalve de eieren welke dus binnen den licliaamswand besloten blijven, het aaltje ook eieren buiten zijn lichaam afzet.
Daar voor hen echter geen plaats meer is binnen de wortel-weefsels, (het opgezwollen wijfje toch blijft steeds nauw omgeven door de parenchymatischc cellen van den wortel), worden deze nu uitéén gedrukt en ontstaat er een spleet naar buiten.
waar do eieren ingoperat worden. Meermalen vond ik aan de oppervlakte van oudere gallon larven, welke nog door de eihuid waren omgeven.
Werden deze eieren verwijderd, dan kwam een holte vrij waarin nog meer eieren, door een bruingekleurde kit-massa samongeliouden. Werd dit klompje weggenomen, dan werd het vrouwelijk aaltje zichtbaar, met dik opgezet lichaam, gevuld met eieren van jonger stadium, dan die welke zicli buiten bevonden. Deze waarneming en liet feit dat deze losse eieren-massa's slechts aan do buitenzijde der oudere gallen werd en aangetroffen, brachten mij tot bovenstaande gevolgtrekking.
De larven, welke dus aan de oppervlakte der gal vrijkomen, zullen zich in den bodem verder bewegen en naar nieuwe aantasting» punten zoeken. Ecu gedeelte komt echter vrij binnen het wortelweefsel en kan zich dan, hetzjj door do intercellulaire ruimten tusschen de cellen van liet schorsweefsel hetzjj tusschen, of door, de vaten verder begeven, en zich op een andere plaats in den wortel vastzetten. Op hunne beurt geven zij daar weder aanleiding tot het ontstaan van een nieuwe gal.
Het aaltje op zich zelve is reeds een vreemd lichaam binnen het wortelwcefsel en alleen reeds door zijn aanwezigheid, moet liet cenige prikkel uitoefenen.
Deze prikkel en do gevolgen daarvan, vallen echter moeieljjk te scheiden van de prikkels welke bij de verdere ontwikkeling van het aaltje optreden. Ten eerste heeft liet zelve voedsel noodig voor zijn ontwikkeling, en deze hoeveelheid is niet gering, wanneer wij in gedachte houden dat nagenoeg do ge-heele inhoud van hot lichaam van een opgezwollen wijfje, bestaat uit een eiwitachtige en vette zelfstandigheid.
Om deze tot zich te kunnen nemen, werd dit voedsel onttrokken aan de plantenweefsels en ondervond dus de plant schade in zijn voedseltoevocr.
Verder zagen wij dat er nabjj den kop van het aaltje, groote cellen ontstonden met rijkelijken inhoud, ook deze bezitten dien inhoud ten koste van do overige plantendeelen.
Door de galvorming heeft dus een locale voedselophooping
â 98 â
plaats, ten nadeele der plant. Hierin zullen wij een gedeeltelijke verklaring moeten zoeken van het achterlijk uiterlijk der aangetaste planten.
Verder zagen wij dat er een stoornis optreedt in het regelmatige verloop der vaatbundela, op de plaats der gal. liet transport van water en voedingsstoffen zal op deze jilaatseu belemmering ondervinden, ook weder ten koste der overige plantendeelen, hieraan valt o, a. zekerlijk toe te schrijven, het verschijnsel van watergebrek, dat de zieke planten bij eenigszins droog weder, onniiddollijk vertoonen. In het water door de wortels opgenomen, worden in opgelosten toestand ook nog verschillende voedende bestanddeelen voor de bovenaardsche deelen der plant vervoerd. Dit verklaart ons, te zamen met boven medegedeelde, wellicht in voldoende mate het kwijnen der planten.
Dus ook reeds, vóór nog de aaltjes den weg hebben geopend in het wortelweefsel voor rottingsbacteries enz, is de parasiet reeds in staat groote schade aan te richten. Is het weder en andere omstandigheden echter gunstig, dan zal de plant nog lang haar kwijnend bestaan kunnen rekken, tot ten slotte de binnendringende saprophytische organismen, de verdere verwoesting der wortel weefsels op zich nemen, en een totale verrotting der wortels een einde maakt aan het bestaan der, door liet tabaks-aaltje aangetaste, planten.
Xu wij dus gezien hebben hoe de plant wordt aangetast door het tabaks-aaltje, kunnen wij ons nog ten slotte de vraag stellen, wanneer of zulks gebeurt en hoe groot tijdsverloop noodig is, voor en aleer de lleterodera-gallen geheel ontwikkeld zijn.
Een genoegzaam aantal waarnemingen om breekt nog, om met juistheid den duur te bepalen, benoodigd voor de verschillende ontwikkelingsphasen. Enkele feiten kunnen ons echter töeh reeds voldoende aanknoopingspunten opleveren.
Aan of in het tabakszaad, komen de aaltjes niet voor, tenzij zij van buiten af aangebracht zijn, het aaltje bepaalt zijne verspreiding alleenlijk tot de onderaardsche doelen van de plant. Wij kunnen dus aannemen, dat het zaad vrij is van eieren of
â (J9 â
larven der lleterotlera. Zoo /a^eu wij ook reeds dat liet aaltjes-stadium moet bereikt zijn, wil de Heterodera in staat zijn, in de wortels binnen te dringen.
Dj) een kweekbed op zieken grond aangelegd, zullen wij dus de gegevens moeten verzamelen, voor ons doel noodig, dailr bleek het ons, dat aan wortels welke niet ouder konden zijn dan hoogstens 25 dagen, reeds gallen waren, welke opgezwollen aaltjes bevatten, met eieren welke bjjna het einde van bet larvenstadium hadden bereikt.
Nemen wij dus den tijd iets ruimen, dan zijn 30 dagen zeker voldoende voor eene generatie, wanneer wij dus zieke bibit overplanten, dan kunnen wij er zeker van zijn, dat wij tevens een groot aantal aaltjes in den grond brengen, welke liet larvestadium hebbon verlaten en in staat zijn nog gezonde wortels aan te tasten.
Wanneer wij als gemiddeld aannemen dat de bibit 45 dagen op do kweekbedden blijft, dan kan er in dien tijd dus reeds anderhalve generatie verloopen zijn. Stellen wij den gelieelen duur eener tabaksplant op 120 dagen, dan is in dien tijd aan vier generatie's van nakomelingen het leven gegeven, d.w.z. dat een enkel aaltje in het kweekbed aanwezig bij het uitzaaien, luj het oogsten der plant is vermeerderd tot ettelijke millioenen.
Met zulke cijfers en feiten voor oogeu, zoude men wellicht gaan wanhopen, maar gelukkig dat er ook millioenen aaltjes weder gestorven zijn voordat zij hunne schadelijke werking konden uitoefenen, en dat er ten minste enkele maatregelen zjjn te nemen om liet optreden van het tabaksaaltje binnen zekere grenzen te beperken.
In een der eerste bladzijden van dit rapport, vermeldden wij reeds met een onkel woord, het voorkomen der Heterodera bij andere planten als de tabak, ja zelfs aan de wortels van planten in hot oerwoud konden gallen, door deze nematode veroorzaakt, worden gevonden.
De vraag doet zich dus voor ot dit wel 't zelfde aaltje is.
â 100
wat afmetingen enz. aangaat zeker wel, terwijl enkele proeben ter infectie genomen ook een bevestigend resultaat gaven. Jlet is dus wellicht minder juist van een tabaks-aaitje te spreken, waardoor men licht zoude meeuen, dat dit aaltje zich speciaal in de tabaksplant ophield.
Zoolang echter nog niet met zekerheid is uitgemaakt, of de gevonden nematode identiek is met de Heterodera javanica, ot wellicht nauwer verwant is aan de Heterodera nidicola, tusschen welke twee soorten het in staat, wat zijn dimensies betreft, doen wij het best den naam van tabaks-aaltje voor-loopig te blijven gebruiken, even goed als de naam van bieten-aaltje ook niet aanduidt, dat zich dit aaltje in de biet alleen ophoudt.
Wij moeten nu nog trachten, een verklaring te geven van het feit, dat dit auitje juist bij de tabak schadelijk is, bij andere planten daarentegen slechts in geringere mate
Ten eerste bemerken wij in't bosch de schadelijkheid minder, doordat ons meestal de noodige punten van vergelijking ontbreken, daarbij zal de schade door het aaltje aangericht in een oer-bosch, waar slechts de krachtigste individuen zich in den strijd om lucht en grond, staande konden houden, veel geringer zijn. Verder bevindt zicli een boscliplant onder natuurlijke omstandigheden waar aan zij zich geheel aanpaste; met een cultuurplant is dit geheel anders, daar do omstandigheden waaronder een cultuur wordt gedreven, eerder kunstmatig zijn te noemen.
(Stellen wij daar tegenover b.v. een kweekbed van tabak, waar in dichte massa de bibitwortels den lossen bodem doorwoekeren en zorgvuldig alle andere wortels hij liet onkruid wieden worden verwijderd. Zulk een kweekbed moet een uitgezocht iets zijn, primo toch schijnt het aaltje een zekere voorliefde te hebben voor de tabakswortels, en dan werken de losse bodem en de nabijheid der wortels onderling, op uitstekende wijze de verspreiding in de hand.
In alle opzichten heeft dus het aaltje in een kweekbed wat het zoekt, volop eten, volop gelegenheid tot verspreiding en een matige vochtigheid, uitstekend geschikt voor de ver-
schillemle levensprocessen, welke een rijke nakomelingschap beloven. Wij zouden dus kunnen zeggen, dat terwijl door do aaltjes in het oerwoud een harden strijd om liet bestaan moet gestreden worden, deze juist op een tabakskweekbed voor het individu in kwestie, zoo gemakkelijk mogelijk is gemaakt.
Niet in dezelfde mate, maar toch wel eenigszins vinden wij hetzelfde op hot tabaksveld terug. Ook hier worden met zorg alle andere planten, waar de aaltjes zich in zouden kunnen ophouden verwijderd, slechts de tabak blijft over en van zelve dus, dat daar het aaltje zijn aanvallen op richt.
Voor zijn voortbestaan, is de tabak een noodzakelijkheid geworden en zal deze dus het meest van de aanvallen van het aaltje te verduren hebben, daaraan valt dus zekerlijk ook Avel toe te schrijven dat ons bij de tabak, de gevolgen het gemakkelijkst in het oog vallen.
Voor wij nu maatregelen kunnen beramen, om aan het schadelijk optreden paal en perk te stellen, moeten wij ons eerst nogmaals kortehjk overtuigen van het infectieuse karakter der aaltjes-ziekte. Zijn wij toch bekend mot do wijze, waarop de ziekte wordt verspreid, dan vinden wij wellicht reeds in deze meerdere kennis, enkele gegevens om de kwaal te bestrijden. De betrekkelijk weinige bekendheid welke de plaag nog heeft in Deli, maakt het moeieljjk, voor Deli zelve eclatante voorbeelden aan te halen. Wij zullen ons dus gedeeltelijk moeten vergenoegen, met de mogelijkheid van enkele gevallen aan te nemen, en verder met de kennis van enkele feiten over de verspreiding der naverwante bieten-aaltjes bekend.
Zonder meer zal het duidelijk zjjn, dat de beste overbrenging en besmetting geschiedt op zulk een wijze, dat er 't minst veranderd wordt aan de natuurlijke omstandigheden, waarin de parasiet zich bevindt; dus door het overbrengen van zieke bibit of aangetaste planten.
Er is verder een periode in de levensgeschiedenis van het tabaks-aaltje, wanneer het bij uitstek geschikt is, om zonder schade voor het verdere leven, te worden vervoerd.
Wij herinneren ons, hoe wij vroeger mededeelden, dat de
eieren door een vrij stevige chitine-huul bcschormd zijn en hitmen deze huid, de larve zich tot zulk een stadium ontwikkelt, dat zij vrijkomend, zich onmiddellijk zelfstandig kan bewogen en voeden.
I)( jze ontwikkeling van ei tot larve geschiedt zonder reclit-streeksclien invloed van het moederdier m. a. vv. het ei kan g'oruimen tijd buiten het moederdier, zelfs buiten de gal verblijven, zonder iets van zijn ontwikkelingskracht te verliezen. In dit stadium is dus de overbrenging mogelijk mot de meeste zekerheid voor het verdere voortbestaan van het individu.
Naar proeven in Europa loerden, is het zelfs mogelijk, dat het aaltje in het oi-staduim gedurende eenigen tijd zijn verdere ontwikkeling staakt, wanneer het onder veranderde omstandigheden komt, om deze weder te hervatten wanneer zij gunstig worden.
Verder herinneren wij ouh, dat wjj mededeelden, hoe er soms een gedeelte dor eieren door het moederdier uitgestooten, buiten het plantenlichaam komen, terwijl verder door de verrotting dor wortels, ook talrijke eieren en larven in z. gn. geëncysteer-don toestand (nog door chitine-huid omgeven), in den grend vrjj komen.
Alle werktuigen, in 't kort alles, wat met grond in aanraking komt, waarin zich deze infectie-kiemen bevinden, kan dus de infectie overbrengen. Mik gronddeoltje, dat aan een tjankol, een hark, ja aan een voetzool blijjft hangen, kan de kiemen met zich dragen. In Europa werd proefondervindelijk aangetoond, dat de besmetting overgebracht werd door de landbouwwerktuigen, en zelfs toen men deze goed desinfecteerde, bleek door den grond aan de hoeven der ploegpaarden, de besmetting verder te zijn gebracht.
Een aanduiding, dat men zelfs bij desinfectie het minste of geringste niet mag verwaarloozen, om niet alle andere voorzorgen nutteloos te maken.
Zoo werd mij in Deli een geval bekend, waar de ziekte was voorgekomen op de kweekbedden en later zich bij enkele planten vertoonde op een veld, dat met gezonde bibit was beplant geworden. Het bleek nu, dat door den koelie, met den
â io:5 â
tjankol het zieke bed was omgctjankold en hjj daarna met denzelfden tjankol onrniddelljjk was gaan aanhoogen bij deziok-geworden planten.
Kunnen de larven in hun chitine-iiuid besloten, een vrij groote mate van uitdroging verdragen, ook den invloed van vocht, kunnen zij in dezen toestand vrij lang weerstaan. Zoo kan het gebeuren, dat het sproeiwater besmet wordt, door aangetaste planten welke men uitrukte en ter vernietiging iu een beek wierp, waarvan liet water verder beneden tor besproeiing werd gebruikt.
Nog dient gewezen to worden op een groot gevaar bij de, in do liiatste jaren, zoo dikwerf voorkomende bibittransporten in kisten on manden. De infectie kan bijna niet gemakkelijker gemaakt worden, dan juist in zulke kisten. Meestal worden zij onmiddellijk weder gebruikt na geledigd te zijn, en blijft er heel wat aarde hangen aan de planken en in de voegen. Stellen wij ons voor, dat or in zulke kisten zieke bibit was verpakt, ongetwijfeld zullen er dan genoeg kiemen in achterblijven om een volgende bezending bibit, welke dicht opéén gedrongen er weder ingepakt wordt, te besmetten.
]gt;ij plantenziekten ziet men dikwerf, dat de schuld der infectie wordt geweten aan het gebruik van geïnfecteerde voorwerpen, terwijl de mensch zelve als 't ware hier boven verhoven is. Helaas is hot dikwerf juist omgekeerd en treedt juist rle mensch op, als een der voornaamste verspreiders van ziektekiemen.
Daarom, laat nimmer een koelie, wiens veld geïnfecteerd is, hetzij door eigon schuld, hetzij om andere oorzaken in een veld van een anderen koelie komen. Tracht hem er aan te wennen, zoo hij moot tjankollen in zijn veld, of aldaar andere werkzaamheden te verrichten heeft, schoenen aan te trekken. Wanneer hij deze dan achterlaat op zijn besmet veld, en telkenmale weder bij zijn werk aantrekt, zal er zeker een gedeelte der kans op verdere verspreiding der kiemen, door zijn ongewassohen voeten vervallen. Zulks zal wellicht gemakkelijker zijn dan hem te wennen b het verlaten van zijn veld, zijn voeten te desinfecteeren.
Zoo zijn wij geleidelijk aangeland bjj de desinfectie, uit het voorgaande zoude het echter schijnen alsof de mensch (koelie) alléén willens en wetens de besmetting overbrengt, en liet aaltje hierbij slechts een passieve rol speelt.
liet eerste is echter slechts gedeeltelijk liet geval, het aaltje kan zelve ook de besmetting verbreiden, liet is in staat zich te bewegen. Zonder meer zal 't echter duidcljjk zjjn, dat zulk een zelf-verspreiding slechts betrekkelijk geringe dimensies zal aannemen, bij besmetting over grooteren afstam', zal steeds een passieve overbrenging plaats vinden.
liet eerste wat dus te doen staat, is zoo zorgvuldig mogelijk alle infectie tegen te gaan, wanneer men de aanwezigheid der parasiet bemerkt heeft. Praktische maatregelen ten dien einde te bepalen, zij der praktijk overgelaten.
De gewone desinfectie-middelen zullen in tie meeste gevallen de kiemen verstoren, maar door het vuur vernietigt men hen zeker, dit is ook verreweg liet gemakkelijkste middel, om de verschillende graaf- en hakwerktuigen te deainfecteeren.
Verder moet regel boven alles zjjn, nooitzieke bi bit te gebruiken, ook al is de aantasting nog schijnbaar zeer gering, dit is slechts te voorkomen door nauwlettende controle op het plantmateriaal, door zorgen zooals alleen besteed kunnen worden, wanneer den veldkoelie zijn bibitkweekenj wordt ontnomen.
Men is dan in staat hem gezonde bibit te verschaffen en dit te controleeren, en ontgaat op deze wijze tevens het gevaar, dat de veldkoelie de besmetting eventueel uit de kweekbedden verder brengt.
Af en toe, moet men uit do bedden, zelfs al staan zij goed, een plantje uittrekken, en de wortels voorzichtig van de aanhangende aarde reinigen, vindt men niets abnormaals, dan kan men gerust zijn, anders moet men maatregelen nemen, waarover zoo dadelijk meer.
Bevindt men dat een veld ter beplanting aangewezen, besmet is, dan zie men den koelie een ander stuk grond toe te wijzen, en isoleere het verlaten stuk. Mocht men te laat het kwaad bemerken, dan is het zaak voor later maatregelen te nemen, zoodat men
niet lievrecsil belioeft te zijn, over ettelijke jaren, op dezelfde plaats weder oen misoogst te hebben. Te weinig wordt helaas gedacht aan do toekomst, wie over 8 jaar komt, die dan zorgt, is de leus van velen.
Men trachtte dus in alle opzichten, zich zooveel mogelijk te behoeden voor een overbrenging der kiemen. Is de plaag ver-sciionen op eon onderneming, dan zio men haar binnen, zoo eng mogeljjke, grenzen to houden. Men wijze do koelies op het gevaar en bespare zich zelve de gevolgen van slecht plantrnateriaal. Zorg voor de bibit is, ook hier weder, een eerste vereischte. Directe bestrijdingsmiddelen zjjn er weinige toe te passen, daar b. v. desinf'ectie-middolen, welke hot aaltje in den bodem zouden dooden ook do wortels dor planten zullen schaden. Men heeft in Europa beproefd, waar de wjjnstok hier en daar door aaltjes werd aangetast, door zwavelkoolstof, welke men in don grond bracht, hen te verdrijven, liet succes was echter gering en het zal nog te bezien staan, of de tabaksplant wel gesteld is op deze stof, in de nabijheid harer wortels.
Zoo heelt men ook beweerd, dat men resultaten had gezien op bieten-moede akkers, waar men gebruikte poetslappen on machine-katoen, met olie en petroleum gedrenkt, onder geploegd had. Do aaltjes zouden niot bestand zijn, tegen de lucht van deze vuiligheid en het veld ruimen. Ook dit schijnt ons een middel toe, dat wel wat barbaarsch is, men zoude het editor op enkoio kweekbedden kunnen beproeven en daar wat van zulke lappen begraven, maar dan toch liefst op zulk een diepte, dat do bibitwortels er niet tegen stuiten.
Op Java is er een tijdperk geweest, dat men meende de sereh in hot suikerriet aan een Heterodem javanica te moeten toeschrijven, welke do wortels aantastte.
Gedurende die periode, werd er tegen de aaltjes een feilen strijd gevoerd, en meende men o. a. succes te hebben, door de sawah's waarop men het riet wilde tooien, onder water te zotton en daarna verdunde, aHoop-stroop der suikerfabrieken op het veld te brengen.
Deze verzuurde dan in don bodem, er ontstond op deze wijze
VII 8
azijnzuur, hot wolk do aaltjes dooddo, maar men maakte den grond ook voor geruimon tijd ongeschikt voor de cultuur.
Met valt dan ook te betw ij telen, of op Deli zulk een maatregel zoude toegepast kunnen worden en ot' men niet den grond, voor langen tijd, voor de tabakscultuur ongeschikt maakt.
Met minder gevaar zoude men wellicht ongebluschto kalk op do besmette volden kunnen onderploegen mot een bovengronds-ploeg, of dit echter afdoende zal zijn moet ook nog door proeven bewezen worden.
Nog rest ons te wijzen op een laatste ingenieuse methode ter vornietiging der aaltjes, welke door Kithn aanbevolen, tot nu toe met hot meeste succes, in Europa werd toegepast. Ik heb hierbij het oog op de vernietiging der parasieten dooide methode van vangplantcn.
Deze methode berust in hoofzaak op de navolgende beschouwing, gesteld men heeft een bietenveld, door aaltjes geïnfecteerd, hierop zaait men een gewas b. v. zomerknollen of vroege bieten, waarin de aaltjes zich ook gaarne ophouden.
Zoodra de wortels van dit zaaisel zich gaan ontwikkelen, nestelen dc aaltjes zich hierin. Men wacht nu het tijdstip af, dat do aaltjes nagenoeg geslachtsrijp zijn en op het punt zijn, dat de eieren vrijkomen. Dan worden do planten met wortel en al voorzichtig uitgetrokken en verbrand eu op deze wijze dus een groot aantal aaltjes in de planten gevangen.
Wanneer men dit een paar maal herhaalt, met de noodige voorzorgen en op het juiste tijdstip, en daarbij een wissel-cultuur invoert, zal het mogelijk zijn, ten slotte de besmette akkers weder tot hunne vroegere productiviteit te brengen.
De bizondere wijze dor tabakscultuur in Deli, brengt echter met zich mede, dat deze wijze van vangen dor aaltjes, ten minste op het vrije veld moeielijk kan toegepast worden, tenzij men een veld voor later wil zuiveren.
Op de kweekbeddon is het iets anders, daar is deze methode van vangplantcn zeer goed toe te passen en werd zulks reeds met succes gedaan. Bemerkt men op een kweekbed, dat er aaltjes aan de wortels der bibit parasiteeren, dan laat men
â 107 â
deze i-ustif? lum gang gaun, tot op hot oogenblik, dat do mikomolingscliap het liclit zoude zien. Dan trekt men de bibit voorzichtig uit en verbrandt deze onder de noodigc voorzorgen. Nu wordt het bed weder gelijk gemaakt, en laat men het een paar dagen aan do zon blootgesteld, daarop zaait men weder, en herhaalt dan na eenigen tijd dezelfde bewerking. Vooral wanneer de kweekbedden, zich in de afdcolingen, op gedeelten der velden bevinden, welke later beplant moeten worden, zal men, ook al gebruikt men de bibit niet, toch dezen maatregel moeten toepassen, wil men zich voor latere rampen in de uitgeplante tabak behoeden
Al is de methode van vangplanten zooals in Europa gebruikelijk, niet toe te passen op liet vrije veld, zoo zoude wellicht eene wijziging, resultaten kunnen hebben.
Gesteld weder, men heeft een besmet veld, dat toch beplant moet worden, nu plant men de tabak wat ruimer dan gewoonlijk en zet tusschen de tabak in, andere planten, die laag blijven en waar de aaltjes nog meer don voorkeur aan geven, om in te parasiteeren dan in de tabak.
Dan zal men met deze planten op dezelfde wjjzc kunnen handelen als anders met vangplanten en zoo do tabak, ten minste voor een gedeelte der aaltjes, vrijwaren.
Het is echter de vraag, welke de plant zal zijn, die nog smakelijker is voor do aaltjes dan de tabak, hierover durf ik mij nog' niet uit te laten, voor proeven hebben aangetoond, dat de plant in kwestie aan het doel beantwoordt en tevens geen schade aanricht.
Dit zjjn dus in hoofdzaak de directe bestrjjdingsmethoden; welke voorzorgen men tegen besmetting kan nemen, werd ook reeds uitéén gezet; gaan wij nu na,, wanneer het aaltje in weerwil dor genomen maatregelen, toch schade doet, of wij deze schade niet op de een of andere wijze, tot een minimum kunnen reduceeren.
Do govolgon der aantasting van het aaltje berusten in hoofdzaak op voedselonttrekking, vernieling van het wortelstolsel en watergebrek.
108
Planten in mageron schralen bodoin zullen moer te lijden hebben, dan in vetten grond; bijjven de aangetaste planten achterlijk, dau is het zaak, door hen voortdurend te bemesten, zooveel mogcljjk voedsel toe te voeren in een vorm, waarin dit gemakkelijk door de plant wordt verwerkt.
Vorder moeten wij trachten, de plant te nopen in plaats der vernielde wortels, rijkelijk nieuwe wortels te vormen.
Dit is mogelijk (Zie Teysmannia .1805 Xo. 12 âAanaarden bij de Deli-tfibakquot;) door goed hoog aan te aarden, des uoods nog hooger dan gebruikelijk is en dit geleidelijk te doen, en daarbij zorg te dragen alleen bovengrond te gebruiken.
De eigenaardigheid der aaltjes om zich gaarne in den ondergrond op te houden, komt ons hierbij goed te stade. Wanneer wjj toch op deze wijze aanboogen, gebruiken wij daarbij den grond, welke relatief zuiver van aaltjes zal/ijn, zoo zal dus de kans van aantasting der bovenwortcls in verhouding geringer zjjn.
Ten slotte kunnen wjj de planten welke de verschijnselen van watergebrek vertoonen, tegemoet komen, door hunne verdampende oppervlakte te verminderen, wanneer wij laag toppen. Het zal vooral bij dezen laatsten maatregel veel overweging verdienen, voordat men hiertoe overgaat, het overblijvende blad zal na hot toppen toch grover worden.
Het is echter dan de vraag, of dit niet valt te preferoeren boven een ecu misoogst.
Nemen wij verder de voorzorg, bij het onkruid wieden, dit met wortel en al buiten het veld te brengen en daar te verbranden; mogelijk toch vernietigt men op deze wijze weder eenige aaltjes.
fs de oogst afgeloopen, dan moeten onder de noodige maatregelen, tot tegengang van besmetting, de overgebleven stronken van zieke planten uitgetrokken en verbrand worden.
In voorgaande bladzijden hebben wij getracht een kort overzicht te geven van het geen ons, in hoofdzaak tot nu toe bekend was, over het optreden der aaltjes-ziekte, wij konden
109
door' de komiis der vci'schijnsoloJi. wolko zicli hierbij vooi'doden, eenige maatregelen ter verrnindei'iiig dor plaag voorslaan.
Do detail-ondorzookiiigen, uitgebreid on aangevuld, hopen wij ter gelegener tijd te |mbliooeren.
Moge de lozing van dit rapport echter reeds de overtuiging schenken, dat de aaltjes-/,ioktc in do tabak alle aandacht der planters waard is, en dat ook hier, meer zorg voor de bibit, accuraat toezicht en ondorhoud der geplante tabak, met oenig overleg in staat zullen zijn, de schadelijke gevolgen dor aaltjesziekte in de Deli-tabak aanmerkelijk te verminderen.
Fi'ltruari 1890.
J. v. Iïheda de Haan.
Onderstaande nota, die ik heden van Dit. .T. ('. KoNLNusitKitOEK, Landbonw-Zoöloog aan 's Lands Plantentuin, ontving, komt mij voor van zulk een actueel belang te zijn, niet alleen voor Kodiri, maar wellicht ook voor andere gewesten, dat do spoedige verspreiding ervan, inruimen kring, bijzonder gewonscht goaclit moet worden.
Brdfeiizorg, 14 Maart ISi)6.
lgt;o Wd. Dintctmv ran 's Lamh Plcoilentuin, P VAN HO.MBURGH.
REN NADKKENl) GEVAAR VOOR DM DADAP IX KED1RI.
Toen ik eenige dagen geleden op de Noordwestelijke helling van den Kloet vertoefde ten einde een onderzoek in looo in te stellen naar do aldaar heerschende rupsenplaag, door don imtar i/jantii veroorzaakt, werd hier en daar mijne aandacht getrokken door een ander verschjjnsel.
In verschillende, en voornaraelijlc in jonge tuinen vertoonden
zich tul Viiii dagvlinders, die tot oane soort beliooren, waarvan men in den regel slechts een paar exemplaren tegelijk aantreft. Hoewel de zaak in liet geheel geen onrustbarend aanzien had en nog geen spoor van aangerichte schade viel te ontdekken, acht ik het tocli wensclielijk korteljjk de aandacht op deze vlinders te vestigen en wel om de volgende reden.
In Juli 1895 werden uit de residentie Madioen aan den Direotenr van 's Lands Plantentuin een aantal rupsen gezonden, die, volgens een begeleidend schrijven, in sommige koffietuinen groote schade hadden aangericht door het kaalvreten van do dadap. De juiste naam van hot insect kon door het onderzoek van de rups alléén niet worden bepaald ; zooveel is echter zeker, dat de rups eene zeer sterke gelijkenis vertoont met de rupsen Vim hot geslacht Hypolimnas, waartoe de thans op den Kloet zoo sterk vertegenwoordigde vlindersoort behoort.
Bjj de zekerheid, dat deze talrijke vlinders een zeer groot aantal eitjes zullen leggen, voegt zich dus de groote waarschijnlijkheid, dat de uit deze eitjes te voorschijn komende rupsen zich op de dadap znllen werpen.
liet verdient derhalve aanbeveling de abnormaal sterke vermenigvuldiging dezer vlindersoort reeds in den aanvang te stuiten. De koffietuinen hebben door de aanvallen van den oclur rljaran reeds zwaar geleden; worden ze nu ook nog van hunne schaduw beroofd, dan zullen de hoornen des te grooter moeite hebben zich te herstellen. Bovendien sehjjnt de oelar djarnn zonneschijn boven zware schaduw te verkiezen.
De bestrijding der vlinders zal niet moeielijk vallen; ze vliegen dicht bij den grond, zijn niet schuw en laten zich soms met de hand grijpen, zoodat ik vermoed, dat oen stukje gevlochten mat, aan een stok bevestigd, een zeer geschikt werktuig zal zijn om ze te dooden of althans neer te slaan en daarna te verzamelen. Minder gemakkelijk zal het vernietigen der eitjes en dor rupsen zijn. Wat de eerste betreft, dient de legplaats te worden opgespoord; wat de rupsen aangaat, levert de hoogte van de dadap een groot bezwaar op. Misschien is echter liet vernietigen van ééne vlindergeneratie voldoende.
â Ill
Ik laat liiev cene korte beschi-ijving van liet insect volgen, naar welke men liet zonder moeite zal herkennen.
De mannelijke vlinder heeft een vluclit van ö -8 centimeter; men ziet hem gewoonlijk van do bovensdjde, daar hij langzaam vliegt, geen krachtigen vleugelslag heeft en ook in rust do vleugels hij na uitgeslagen houdt. Deze bovenzijde is blauwzwart maar elke vleugel hoeft in hot midden een groote zilverwitte t« vlek met blauw omzoomd, terwijl de voorvleugels in het
uiteinde eene kleinere dergelijke vlek hebben. Do wijfjes hebben ' I do gemiddelde grootte dor mannetjes en zjjn bruin van kleur
met zwarte tcekeningeu, terwijl aan het uiteinde der voorvleugels een viertal witte vlekjes in een Hauw gebogen rij naast elkander liggen. Men herkent do wijfjes overigens gemakkelijk aan do omstandigheid, dat haar door de mannetjes oj) omslachtige wijze hot hof wordt gemaakt.
De pop is oen weinig grillig van vorm, als't ware ingedeukt tusschen kop en achtergedeelte; het laatste vertoont een aantal stompe stekels.
De rups, die 5 â (i centimeter lang wordt, heeft zoowel op zjjde van liet lichaam als op den rug oen aantal op rjjen geplaatste, gedoomde uitsteeksels. Op den kop draagt hij twee dergelijke uitsteeksels, die echter iets grooter zjjn dan do andere. Aangaande de eitjes en de plaats waar ze gelegd worden, is mij niets bekend.
Buitenzorg 14 Maart ISWi.
.1. C. IvoNINSOliEKOER.
i t
â 112 â
Beschikbare Zaden van Nuliiijc Gewassen.
Acrocurpus fraxinifolius, Arn. Mudani/ pari.
All)izziii moluccana, Mi(|. Djenngdjiug laat.
Alhizzia sti])ulata, Bth. Senyon.
Andropogon murieatus, Uetz. Akar iranyi.
üanarium conummo, L. Kanuri.
Oaosalpiuia coriaria, Wild. Ãivi-diri.
â dasyrachis, Miq. I'elah-petah.
Cassia tlorida, Vahl. Djoear.
Codrola serrulata, Jlii) Soerian.
Cinnamomum zeylanicuiu, Breyu. Kaneel.
Corchorus capsularis, L. Gueni, Jute.
Elaeis guineensis, L. Oliepahn.
Eriodondron anfractuosum, I). L'. Kapok.
Erytliroxylün Coca, Lam. Coca.
Euchlaena luxiirians, Dur. Teosinte.
Pourcroya sp. Mauritias-ke.nnep (in groate hoeveelheden, holletjes)
Helianthus animus, L. Zonneljlocm.
Indigofera galegoiaes. Dl. 'I'aroctn oe/an
Molia Azedaracli, L. Miiidi.
Myristica f'ragrans, Houtt. I'ala.
Myroxylon peruiferum, Ij. Perubalsem.
Polygala oleifera, lleckol. Boterplanl.
Scbizolohium excelsum.
Sindora suraatrana, .Mi(j. Slndor.
Styrax Benzoin, Ãryand. Minjan.
Tamarindus indica, L. Asem.
Thoa assamica, (llybr. Ceylon). Thee.
Thea chiuensis, Sims. Thee.
Theobroma Cacao, lgt;. (in kleine hoevoelheden).
â bicolor, II. amp; H. â â
Verschillende varieteiten van:
Nicotiana Tabacum, L. Tahal'.
Sorghum vulgare, L. Gandroeng.
Sesanmm indicum. I). C. Widjcn.
Aan alle aanvragen wordt, zoodra hot gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat liet overbodig is, bij niet spoedige ontvangst, op toezending aan te dringen.
Buitenzorg, Maart 1896.
BLOEMEN ALS VOEDSEL, TOESPIJS ENZ.
Wij zijn zoo gewoon bloemen te beschouwen ais strekkende tot sieraad dor planten of als voorloopers van de vrucht, dat het menigeen zal verbazen, welke rol deze plantendeelen nog vervullen als voedingsmiddel, toespijs, als geneesmiddel enz.
Een der beste voorbeelden van bloemen, die als voedingsmiddel dienen geeft ons de Mahwa, waarover reeds in 1891, door Dr. Greshoff in Teysmannia een en and r werd medegedeeld.
Mahwa is de inheemsche naam van Bassia latifolia, eene plant uit de familie der Sapotaceae ; de vleezige, witte bloemkronen komen in de maanden Maart en April aan de boomen, zij vallen spoedig af en bedekken den bodem onder de boomen met een dikke laag, zij worden door de inboorlingen zorgvuldig verzameld en zoowel rauw als gekookt gaarne gegeten. Men berekent, dat alleen in het district Moonghay ten zuiden van den Ganges, een millioen Bassia-boomen zijn, die jaarlijks, om een ronde som te noemen, ongeveer 100.000 ton bloemen produceeren, het zijn alleen de bloemkronen, do kelk blijft aan de vrucht. Tijdens den bloeitijd is het in sommige districten van Bombay, llajpootana en Bengalen voor de armere klassen der bevolking feest, zij eten dan tweemaal daags volop van de Bassia-bloemen en bewaren nog wat voor winterprovisie.
In 1877 werden eene menigte dezer bloemen naar Engeland verzonden om ze als veevoeder te beproeven en ook om er spiritus uit te stoken. Wat het eerste betreft werd er zeer gunstig over geoordeeld; het vleesch der met de bloemen gevoerde varkens heette bijzonder goed te zijn. In Indië stookt men er in het groot spiritus uit en het schijnt dat de bloemen een geregeld uitvoerartikel naar Frankrijk zijn geworden ; daar maakt men er spiritus uit, doet deze op Fransche flesschen, VII 9
â 114 -
plakt er eeu etiket âFrench brandyquot; op, en exporteert ze weer naar Bombay.
Op pag. 3U7 van den 2Uquot; Jaargang van dit tijdschrift zegt dr. Greshoff, dat do booiu op het Maleische Schiereiland, in Mysore, in Malabar en vooral in het Presidentschap Bombay groeit. Gewoonlijk vindt men hem aan de kusten, hij komt echter ook nog al hoog in liet gebergte voor en verdraagt daar een vrij lage temporatuur. Zoowel de bloemen als de vruchten worden gebruikt.
De gedroogde bloemen âMahwa flowersquot; bevatten volgens Riclie cn Itemout (gt;0 0/o vergistbare en 8^ quot;/o kristalliseerbare suiker. Volgens een recente analyse in Engeland vond men: Honig (waarselujnljjk onkristalliseerbare suiker) 42.Ã3 quot;l^ Rietsuiker...........1.04 â
42.20 â 2.32 â 12.20 .
Cel lulose A sch Water .
üe zaden geven bij uitpersing een vet, dat als Illipé boter bekend is; het is geelgroen, maar wordt door het zonlicht kleurloos, liet heot't een aangenamen geur.
Volgens Gibson worden de bloemen in het warme jaargetijde door do Biieels ingezameld, hetzij uit de bosschen, hetzjj uit plantages. Een enkele boom kan van 200 tot 400 pond bloemen geven. Gedroogd worden zij als voedingsmiddel verzonden, en er is geen beter middel om de stammen, die Mahwa-boomen bezitten, tot onderwerping te brengen, dan ze te bedreigen deze hoornen om te kappen.
De Hindoes maken geleien en gebak van de gedroogde bloemen, die naar rozjjnen smaken. In Guzerate en Rajputana bozit ieder dorp zijn eigen distilleertoestel, om uit de gegiste bloemen een sterken drank te bereiden. Van dien, welke bij Bombay, op het eiland Caranja gesrookt wordt, heft het Rngelsche gouvernement eene belasting van 60 tot 80.000 pd. st.
Er is reeds meer dan eens beproefd de Bassia lat ifol» a op Java in 's Lands Plantentuin in te voeren, nog altijd te ver-
â 115 â
geefs. De zaden schijnen spoedig liet kiemvermogen te ververliezen; de boom groeit zeer langzaam.
Ook de bloemen van Calligonum polygonioides, in Britscli Indië als phogalli bekend, dienen als voedsel van de inheemsche bevolking, zij maken er zelfs een soort gebak van. De bloemen hebben den geur van aardbeien en volgens eene analyse bevatten zij 46 0/0 suiker en 1G.7 0/0 albumine-stoffen.
De bloemen van Melianthus major zijn bijzonder rijk aan honig, de inboorlingen van de Kaap zjjn er verzot op; zij verzamelen met veel zorg de bloemen, die daar als eene délicatesse gelden.
De gedroogde bloemen van eenige Leto'e-soorten, Hemerocallis graminea en fulva en Li Hum Tliunberyii leveren aan de Chi-neeache gourmands een gezochte lekkernij. De handel in dit artikel is in China zeer levendig, alleen uit Chinkiang werden in 1893, 73.000 centenaars geëxporteerd. Gedroogde rozenblaadjes werden in China ook veel gegeten. In West-lndië worden de fraaie roode bloemen van Quassia atuara op wijn of water getrokken, zij gelden daar voor maagversterkend en wekken den eetlust op.
Wat is het gedeelte der kool dat wij onder den naam van bloemkool eten anders dan de bloem; ik behoef hier niet te wijzen op het groote gebruik en den handel, die in dit artikel bestaat; duizende menschen vinden zoo wel in de cultuur als in den handel van bloemkool een nuttig en voordeelig bedrijf.
Een zeer eigenaardige cultuur is ook die der Crocus sativa L., deze levert de safraan, die alleen uit de stigma's (de stampers) der bloemen bestaat. Hoe aanzienlijk bet gebruik van safraan is, kan blijken uit den invoer ervan in Engeland en in Engelsch Indië, in 1892 bedroeg die in eerstgenoemd land voor een waarde van 60.272 en in 1893, 56.614 pond sterling, terwijl in Britsch Indië de jaarlijksche invoer dikwijls oen waarde vertegenwoordigt van 75.000 pond sterling.
Do moeste safraan wordt in Spanje geteeld, ook verschillende andere landen leveren kleine hoeveelheden, in Frankrijk in de nabijheid van Or.cans bestaan eenige kleine aanplantingen,
â 116 â
waarvan we het volgende weten. De fraaie bloemen komen in October te voorschijn, zij duren slechts twee dagen, gedurende 2 a 3 weken worden zij dagelijks geplukt, de stigma's worden er nog denzelfden dag uitgenomen en in hoopjes van circa 400 gr, verdeeld. Ieder hoopje wordt een kwartier lang in een fijne zeef boven een zwak kolenvuur gedroogd, en als zij koud geworden zijn in zakken gedaan ; zoo kunnen zij jaren lang goed blijven. Men berekent dat 35 tot 40.000 bloemen noodig zijn om 500 gr. droge safraan te krijgen.
De cultuur vereiacht veel zorg, men neemt can, dat eene vrouw in 14 dagen, 3,75 KG. stigma's kan verzamelen die'J75 gr. droge waar leveren. Het gemiddelde bedrag droge safraan per hectare is 20 KG. De plant neemt de schraalste gronden voor lief, de cultuur is echter aan vele wisselvalligheden onderworpen. Hazen en konijnen eten de blaadjes, ratten eten de knollen, ook van eenige fungi heeft de plant te lijden, zoodat misgewas niet zeldzaam ia. De prijs vcrscliilt nog al, loopt in Pithiviers tusschen 40 en 200 fr. per KG., in gewone jaren is de prijs 70 a 80 fr. per KG. In Frankrijk gebruikt men safraan uit Spanje en wordt de daar geteelde uitgevoerd, omdat de prijs der Fransche safraan hooger staat.
Een product, dat zulk een hooge waarde heeft, wordt natuurlijk vervalsclit, gewoonlijk gebruikt men daarvoor deelen der bloem van Calendula officinalis, Carthamus tinctorius (saftior). Arnica, Pulicaria enz.
Het gebruik van safraan schijnt, hoewel het zooals uit bovengenoemde cijfers blijkt, thans nog aanzienlijk is, vroeger veel grooter geweest te zijn. Er zijn tal van plaatsen, waar vroeger de cultuur op uitgebreide schaal gedreven werd, waar men nu geen safraan meer ziet.
Hoe groot het gebruik der safraan in vroegere tijden was, blijkt uit de oude archieven van Verona, waarin 448 op eens 16 last, van 4 a 5 centenaar safraan, alleen naar Duitschland geëxporteerd werd.
De bloemen van viooltjes vermengden de Romeinen met wijn en nog wordt er in Turkije een zeer gezochte sorbet van gemaakt.
â 117 â
Een niet onbelangrijke cultuur, waarbij het ook om de bloemen te doen is, is die der kruidnagelen, Caryophyllus aromaticus L. Bijna ieder in Indië kent den f'raaien boom, hij wordt niet bijzonder hoog, zelden boven de 20 M., en heeft ook geen uitgespreide kroon, het is meer de helder geelgroene kleur der leerachtige, aan den rand gegolfde aromatische bladeren, die hem als sierboom doen waardeeren.
Een groep boomen met verschillend getint loof, maakt op eenigen afstand altijd een fraai effect, nu zijn er weinig boomen wier loof tegen ander groen zoo fraai afsteekt als dat van den kruidnagel.
Volgens van Gorkom âOost Indische culturesquot;, schijnt de kruidnagel tegelijk met de notemuscaat voor het eerst tijdens de Regeering van keizer Augustus bekend geworden te zijn. Plinius de oudere beschreef ze als een waar gelijk peperkorrels âgariophyllumquot; genoemd, doch grooter en brozer, die aangebracht werden om hun geur en uit een Indisch bosch afkomstig waren. Volgens F. A. Pliickiger âPharmakoguosie des PHan-zenreichesquot; schijnt het, dat Plinius iets anders bedoeld heeft en dat de kruidnagel eerst veel later in Europa bekend geworden is.
In de middeleeuwen waren ze nog zóó kostbaar, dat alleen de machtigen en rijken der aarde zich do weelde van het gebruik ervan konden veroorloven, üe geneesheeren der 17quot; eeuw kenden aan den kruidnagel en de notemuscaat groote heelkracht toe en in de huishouding vonden deze alras alge-meene toepassing, toen door vermeerderden aanvoer, de prijzen meer binnen het bereik van mindergegoeden kwamen.
Zooals bekend is voerden onze voorouders, nadat zij zich van de Molukken meestergemaakt hadden, het monopolie voor nagels en noten in ; bepaalde eilanden werden voor de cultuur ervan aangewezen, elke boom daar buiten werd uitgeroeid.
Onder Houtman werden z. g. Hongi-tochten in het leven geroepen; jaarlijks moester de afhankelijke vorsten oen zeker aantal vaartuigen bemannen en daarmede een kruistocht ondernemen langs de specerij-eilanden, ton einde te onderzoeken of de bevelen der edele compagnie trouw opgevolgd werden.
â 118 â
Tot in het laatst der 18° eeuw duurde liet monopolie, toch gelukte het den Franschen de planten naar hunne koloniën over te brengen. Tijdens liet Engelsch tusschenbestuur werd het monopolie opgeheven en werden kruidnagels en notomuskaten naar Henkooion en Pinang overgebracht. De Franschen plantten nagels op de Oostkust van Afrika, Trinidad, Jamaica, in Cayenne en Brazilië, tegenwoordig levert Zanzibar het grootste deel der kruidnagels van den handel, sedert 1839 toch worden vau daar jaarlijks eenige millioenen kilo nagels geëxporteerd ; toch blijft het product van de specerij-eilanden de voorkeur verdienen.
Zooals men weet is de bloem langwerpig, eerst geelgroen daarna roodbruin, liet grootste deel bestaat uit de kelk, terwijl de bloemkroon uit een z. g. kapje bestaat, dat den kelk als het ware dekt, en er echter later afvalt. De beste tijd van oogsten is even voor dit kapje er af valt. liloemen die niet geplukt worden, geven het ontstaan aan de vruchten, bekend als moernagelen, vroeger kwamen zij wel onder dien naam in den handel; zjj hebben echter als specerij weinig waarde. Ook voerde men vroeger de bloemsteeltjes onder den naam van Testucae, âstipites caryophyllorumquot; uit.
In Europa kont iedere buismoeder de werking van Linde-bloesom, (Tilia europaea L. en T. uhnifolia Scopolit, van vlierbloemen, (Samhucus nigra L.), van kamillen {Matricaria Chaiuomillae L.) en van Roomsche kamillen (Anthemis nobilis L.). Ook het wormkruid bestaat uit bloemhoofdjes van eenige Artemiaia-soorten. Het wormdrjjvend bestanddeel dezer bloemen is het santonine, dat in geen andere plant gevonden is, het wordt veel voor genoemd doel aangewend.
Het z. g. insektenpoeder is afkomstig van de bloemen van eenige Chrysanthemum-soovten. Zoo is Chri/mnf Itemurn cinera-riaefoiium B et H, syn. met Pyrethrum cinerariaefolium Trev. in-heemsch in Dalmatië, Montenegro en de Herzegowina; de bloemhoofdjes dezer soort als Ualmatische insektenbloemen bekend, worden als de beste geacht. In Triest bereikt de invoer sommige jaren het respectabele cijfer van 50Ã.000 KG. dezer bloemen.
â 119 â
Chrysanthemum roseum Weber amp; Mohr, syn met Fyrethrum coronopifolium Wild., levert de Kaukasischo insektenbloem ; ofschoon ook deze plant eene goede waar levert, is zij toch minder gezocht, daar er zooveel vervalschingen in voorkomen.
Een bloem, die hier iu Indië de bloemkool kan vervangen levert een soort suikerriet de z. g. teboe troeboek, afkomstig van Saccharum edvle Hasskl. De bloem vun deze teboo is hier slechts zelden te krijgen, toch levert zij goed klaargemaakt een smakelijke groente. Miquel zegt, dat dit riet op Java op vochtige plaatsen tusschen do struiken in het wild voorkomt, volgens Rumphius is het hier geïmporteerd. De plant verdient hier meer geteeld te worden, te meer daar de cultuur zeer eenvoudig is
De jonge bloemkelk van Dillenia speciosa (sempohr) voegt men in Britsch-Indië dikwijls bij do kerrikruiden, ook de bloemknoppen van Bonibax heptaphyllum worden daar, ua met zout en peper gekookt te zijn, gegeten.
In Arabic behooren in suiker bewaarde rozeknoppen tot dc lekkernijen.
De bekende kappertjes zijn bloemknoppen van Cup par is spinosa, als vervalschingsmiddel worden de bloemknopjes van Zi/f/npetahiiii Tabago, en nog meer do onrijpe vruchtjes van Tropaeolum major, Oost-Indische kers, gebruikt. Ongeveer twee millioen pond kappertjes worden jaarlijks in Zuid-Frankrijk geoogst, meestal op azijn gezet en daarna uitgevoerd.
Hier op de pasars ziet men behalve de bloemen die dooiden toekang rempa verkocht worden, ook nu en dan bloemen voor ander gebruik te koop aanbieden. Zoo b. v. die van Parkia Boxburyhii pete en Parkia alricana R. I3r. peundeuj, Lmcaena glanca Hth. pete selon, pete tjina, kamlandingan, Jambosa densiftora Dc, kopo, Trevesia sundaica Miq., kitjan-koeran, pangang, Clerodendrun serratum Spr. singoegoe, iïlet-la r ia speciosa BI. honjeh, eenige soorten pisang, o. a. p. batoo, p. kepok en p. koleh, verder de bloemen van Limnocharis Plu-mier ii H. et B. genjer, de geheele ot'gedeelten dezer bloemen worden hier door de de inlanders gekookt of in de sambalans gegeten.
Behalve de hier genoemde planten waarvan de bloemen gegeten worden, zijn er nog andere gewassen, die wij alleen voor sieraad kweeken, en die in andere landen dikwijls als voedingsgewassen beschouwd worden, dit is b. v. het geval met de Lelies, die behalve fraaie bloemen in hunne bollen een niet te versmaden voedingsmiddel bezitten, wij kennen alleen de eerste eigenschap. De Japanners echter, hoe zij ook op de prachtige bloemen der lelies gesteld zjjn, beschouwen de plant meer uit een utiliteitsbeginsel. In Japan zal men op ieder memu van eenigszins uitvoerigen aard, onder de lekkernijen ook leliebollen aantreffen.
Volgens Miquel en Franchet komen er in Japan niet minder dan 17 verschillende leliesoorten voor, maar zij bevatten een groot aantal variëteiten; overal op de heuvels en in de dalen groeien zij in het wild, en worden door de Japanners ook in het groot gekweekt.
De Amo's, bet ras, dat verondersteld werd oorspronkelijk Japan te bewonen, maar thans naar eenige weinige plaatsen in het noorden naar Hakkaida terug gedrongen zijn, leven van jacht en vischvangst; wat plantaardig voedsel betreft zijn zij in hoofdzaak aangewezen op de bollen van Lilium Glehnei. Uit de bollen balen zij eene groote hoeveelheid zetmeel. Zij maken hiervan harde koeken met een gat in hot midden, waardoor een touw gaat, waaraan zij opgehangen worden. Men moet den groei der lelies te Hakkaido gezien hebben, om zich van de verbazende ontwikkeling die zij daar bereiken, te overtuigen; dikwijls ziet men dertig bloemen aan eenen stengel, zonder dat zij ooit vrucht dragen. Lilium auratum heeft bloemen, zelfs in wilden staat, van 9 dm. diameter. De bollen van bijna iedere soort zijn eetbaar, de in 't wild groeiende zijn zoeter dan de gecultiveerde. Men verhaalt, dat van de meer dan honderd variëteiten, die een paar eeuwen geleden aan de Japansche tuinlieden bekend waren, thans niet veel meer dan de helft bestaat.
De beide soorten, die het meest voor culinaire doeleinden gebruikt worden, zijn: Lilium tigrinum, in Japan bekend als Oniyuri, letterlijk de orgel-lelie, of Ryari-yuri, en Lilium
â 121 â
concolor var. pule helium, de laatste bekend als Hiraeyuri, de princes-lelie. Sclieikundige analyses toonen aan, dat de Japaneezen volkomen in hun recht zijn, wat de voedingswaarde betreft; zjj bewijzen, dat do bollen niet weinig stikstof bevatten. In het Gouverneinents-gezondlieidsbureau werd de volgende analyse verkregen :
|
Water |
69. 6:5 |
|
Stikstof |
3. 40 |
|
Vet |
0. 01 |
|
Zetmeel |
19. 10 |
|
Dextrine |
1.91 |
|
Glucose |
0. 62 |
|
Pectose |
2. 44 |
|
Vezels |
1. 41 |
|
Asch |
1. 35 |
Hieruit bljjkt, dat de Lelies geen geringe voedingswaarde hebben. Op eene geringe uitgebreidheid van 6 voet vierkant kunnen 60 en 70 van die bollen verkregen worden, /oo zoude van een acre 80.000 bollen geoogst kunnen worden. Volgens officieele bescheiden van 1886, worden in de tuinen voor de markt 48.000 ftJ dezer bollen voor een waarde van 9300 yen geproduceerd. Hierbij zjjn niet berekend die in particuliere tuinen gekweekt worden; zij worden verkocht voor ll2 tot 2 dollar-cents per stuk, naarmate hunne grootte en naar den tijd van 't jaar. Gewoonlijk worden zij na gekookt te zijn, met suiker gegeten, rauw zijn zij wat bitter. Als zij zacht gekookt zijn, hebben zij in smaak veel van boonen. De bittere smaak schijnt in de randen der dikke schubben te zetelen, daarom zijn zij na geschild te zijn zoeter. Dikwijls worden zjj gekookt met rijst. Het ervan gemaakte meel is zeer duurzaam; vroeger werd het bewaard om in tijden van hongersnood te dienen. De variëteit longiflorum, bekend als Teppo-yuri, ook wel als Riu-kiu-yuri, is zeer gezocht voor de bloemen; de bollen hiervan zijn zeer bitter, bet meel is echter van uitnemende qualiteit. Eene variëteit, bekend als Aka-kanoka, die tot eene hoogte van 4 voet opgroeit en
â 122 â
wier bloemen rood gevlakt zijn, heeft bollen van eon purpero kleur , bitter en geheel ongeschikt om gekookt gegeten te worden , levert ook meel van goede kwaliteit. Do beste wijze van toebreiding voor de Europeesche tafel is ze te koken voor salade mee bijvoeging van room e» eieren. De kleine bolletjes, die in de oksels den bladen van sonnnige leliesoorten voorkomen, worden geroosterd gegeten en de bloembladeren van eenige in Hakkaido in 't wild groeiende soorten leveren een goede salade.
De export van leliebollen naar Europa on Amerika is niet gering, zoo verzond eene firma in Yokohama, Ueki-shokai in 1890, 913.88U bollen, behoorende aan 31 verschillende variëteiten. 1 lieronder leveren de z. g. berg-lolies het leeuwenaandeel met 550.569 bollen, daarop volgt de Gun-lelie , Teppo Yuri met 360.000 bollen.
|
Do volgende tafel geeft eenig overzicht van de waarde van den uitvoer van leliebollen naar verschillende landen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De Yama-yuri, die zulk een voorname rol speelt in den exporthandel, groeit in 't wild en ofschoon hij in Japan niet gewaardeerd wordt, staat hij voor tafelgebruik bjj andere soorten ten achter. W. |
(') lli' yen .staat gewoonlijk pari met den Mcxicaansehen dollar.
GAZOXPLANTEN.
Maat houdeu is dikwijls eene zeer lastige zaak en voor hon, die van planten houden, schijnt dat wel niet liet minst moeilijk te zijn. De keuze van schoone planten is dan ook zoo groot, dat er heel wat wilskracht toe behoort, om, als men zijn tuin eenmaal behoorlijk beplant heeft, alle overige soorten, ik zou haast zeggen met een overschilligen blik te beschouwen; ze bewonderen is in heel veel gevallen synoniem met ze in zijn bezit wensclien te hebben, en als men eenmaal zoo ver is, dan is dit laatste maar eene kwestie van tijd. Men maakt zichzelt zoo licht wijs, dat er voor éóne enkele, bijzonder mooie soort nog wel een plaatsje is, maar op een gegeven oogenblik bemerkt men dan, dat er van den mooien aanleg van zijn tuin niet bijster veel meer tot zijn recht komt.
Men moet bij den aanleg van een tuin wel weten, of men zooveel mogelijk soorten en variëteiten wil kweeken, eene soort botanischen tuin maken, waarin het om elke plant op zichzelf te doen is, ot' dat men een mooi geheel wil vormen; beide zaken vereenigon gaat slecht, tenminste als men niet over een zeer uitgestrekt terrein te beschikken heeft.
Al meermalen is er in Teijsmannia op gewezen, dat goede gazons eene hoofdzaak zijn in eiken aanleg en ook werden do wijzen, waarop men ilie kan verkrijgen, aangegeven; van de meening, dat het maken van fraaie grasvelden hier onmogelijk zou zijn, is men reeds lang teruggekomen. Het is echter zoo gemakkelijk niet ze doelmatig te beplanten. Al naar gelang der uitgestrektheid ervan moeten er meer of minder, grootere of kleinere boom- en heestergroepen in aangebracht worden, waarbij men er steeds op bedacht moet zijn van sommige punten, b. v, het woonhuis, eene hoogte, een koepeltje, of iets derge-
â 126 â
exemplaar vau do een of' andere groote bamboesoort. Prachtig zijn o. a. eene van Siam afkomstige, nog niet gedetermineerde soort, wier iiooge stengels vlak naast elkaar oprijzen en eindigen in groote pluimen van zeer fijn groen; de Hritsch-Indiscbe Dendrocalamus giganteus, welke de grootste, bekende bamboe moet zijn, maar waarvan we nog geen volwassen exemplaar bezitten; de verschillende, hier thuis behoorende soorten van Gigantochloa, zooals bamboe at er, h. andong, b. bifoeng. Maar gewoonlijk ontbreekt de ruimte om dezen reus-achtigen planten eene plaats iu het gazon in te ruimen.
Beter gaat dat met do zeer welig groeiende Melocanna'.t, o. a. M. Blum ei Krz, (bomboe tamiang), M. brachijclada Krz. (6. hoeloe), M. Hasskarliana Krz. ( b. lengkatali), wier vrij grof' bebladerde stengels tot op den bodem ombuigen; de hoogte welke deze planten bereiken, bedraagt ongeveer 9 M., de doorsnee ongeveer 12 M. Meer algemeen als gazonplant gekweekt is de als bonte bamboe (Phragmitis sp.) bekende grassoort, die evenals do oospronkelijke, groene vorm zeer geschikt is voor het dool en bjj eene hoogte van 5 M. oen zeer grooten omvang kan verkrijgen; worden de planten te wild, dan doet men het best, ze geheel uit den grond te nemen en een klein stuk ervan opnieuw te planten. Afgesneden takken in vazen gezet zijn zeer decoratief. De vermenigvuldiging gaat door scheuren bijzonder gemakkelijk. Van de voor een goed deel uit Japan afkomstige Arundinaria's is de mooiste, welke wij in den plantentuin bezitten, en wel onder twee verschillende namen (A. stolonifera Krz. en A. japonica S. et '/.) eene met rechtopstaande stengels, die ongeveer G M. hoog worden, en smalle, donkergroene bladeren. Arthistiria gigantea Cav., manja bodas, die algemeen in bot wild aangetroffen wordt, zou geen slechte figuur maken, als zij met haar tot 3 M. hooge, sierlijke bloemstengels prijkt, maar heeft haar veelvuldig voorkomen weer tegen zich; na den bloei moet men de plant opnemen en een of meer der jonge uitspruitsels opnieuw planten. In Europa behoort tot de mooiste gazonplanten het pampasgras, (Gynereum argenteum N. ah E.) van Brazilië, wiens prachtige bloem-
â 127 â
pluimen een hoofdbestandJeel uitmaken der Makartbouquetten. Jammer genoeg is het hier voor genoemd gras te warm, maar toch hebben we in Pennisetuni liuppelianum een lang niet te verwerpen plaatsvervanger ervoor; de zeer fijne, lange bladeren zijn sierlijk omgebogen en vormen een bos van 1,20 M. doorsnee en hoogte en ook de bloemaren zijn fraai. Door middel van zaad kan men do plant voortkwecken.
Heeft men water in zijn aanleg, dan is voor het daaraan grenzende gazon Cyperutt alternifolius L., de van Madagaskar afkomstige parapluieplant als aangewezen, boewei die ook op minder vochtige plaatsen, zoowel als in potten, zeer goed groeit. Dit cypergras vormt een dicht gevulde plant van ongeveer M. hoogte en brengt veel tot afwisseling in den tuin bij, terwijl de stengels zeer goed in bouquetten, vooral in mandjes, gebruikt kunnen worden. Het is zeer jammer, dat de bontbladerige afwijking van deze soort hier niet standvastig blijft; reeds een paar maal ontvingen wc die plant uit Europa, doch liet eerste, wat zij hier doet, is geheel groen worden. Men kan deze Cyperus door scheuren gemakkelijk vermeerderen; voor potten verkrijgt men evenwel de mooiste plantjes door stekken. Daartoe snijdt men den stengel tot kort onder de bladrozot aan den top af, kort de bladeren tot op een paar centimeters in en zet de zoo verkregen stek in aarde, zand of mos, dat voortdurend vochtig gehouden wordt, en bedekt ze met een glazen stolp of glas; men behoeft dan niet bang te zijn voor mislukking.
Een van de beste, bonte gazonplanten is Pandanus Veitchii, eene plant met lange, zeer mooi groen en wit gestreepte, scherp gezaagde bladeren, die niet hoog wordt en door haar gemakkelijke vermenigvuldiging (door scheuren) reeds tamelijk verspreid is.
De meeste andere /WHt^m-soorten zijn wel aardig, als ze jong zijn, maar lang genoegen heeft men er toch niet van; F. utilis Bory van Madagaskar, die uit zaad voortgekweekt kan worden, is echter wel een plaatsje waard.
Palmen zijn gazonplanten bij uitnemendheid en in jongen toestand kunnen zij eigenlijk alle daarvoor worden gebruikt.
â 128 â
Om echter op een gegeven oogenblik niet gedwongen te zijn eene nog gezonde, krachtige plant op te ruimen, is het natuurlijk verkieselijker die soorten te kiezen, welke niet te hooge stammen verkrijgen. Het is niet mijn bedoeling hier de palmen nog eens uitvoerig te behandelen ; door den plantentuin zijn reeds talrijke soorten overal verspreid, zoodat men zich op venduties en bij enkele handelaars tegen niet te veel geld deze fraaie planten kan aanschaffen. Alleen wil ik eenige der beste met het oog op de afmetingen opgeven. Volgens de groeiwijze kan men ze verdoelen in één-en meerstammige; bij de laatste worden aan den voet der plant, evenals bij bamboe, steeds nieuwe stengels gevormd, hetgeen bij de eerste, waarvan de klapper en de pinang voorbeelden opleveren, niet het geval is. Tot de bossig groeiende soorten be-hooren: de verschillende Licuala's {wargoe, witoé) met lang-gesteelde, waaiervormige bladeren en sierlijke, ver buiten de bladeren uitstekende vruchtstengels, die bezet zijn met talrijke, kleine roode vruchtjes; volwassen planten kunnen 6 M. hoog en meer dan 8 M. breed worden. Rhapis, waarvan de meest gekweekte soort R. flabellifonnis AH., uit China afkomstig, is, heeft wel eenige overeenkomst met Licuala in het klein, en wordt door de inlanders dan ook ivargoe genoemd; zij worden slechts 2 M. hoog, maar kunnen een vrij groote doorsnee verkrijgen. De Cargota's, saraj, zijn zeer gemakkelijk te kennen aan hun eigenaardig en sterk verdeelde bladeren. Chry-sdlidocorpus lutescens Wendl. van Bourbon vormt dichte, lage bosjes van vedervormige, groengeel gesteelde bladeren, waar-tusschen zich bij oudere planten eenige stengels tot ongeveer 9 M. verheffen. Tot do minst algemeene verspreide soorten zullen wel blijven behooren: Phoenix farinifera Roxh. van Britseh-Indië met vedervormige bladeren en Thrinax harba-densis Lot ld., en 7'. ar gen tea Lodd. van do West-Indische eilanden met zeer mooie, waaiervormige bladeren, de eerste soort, omdat die hier geen rijp zaad voortbrengt, de beide laatste, omdat de jonge plantjes zeer langzaam groeien en er heel wat van verloren gaan. Van de eenstammige palmen
â 129 â
noem ik alleen als de mooiste de Latania's van Mauritius en Bourbon met hun groote, zeer stevige waaierbladeren; zij maken wel een stam, maar worden toch niet hoog. Hetzelfde kan gezegd worden van de Martinezia's, in Zuid-Amerika thuis bohoorend, wier geveerde bladeren mot lange, zwarte stekels bezet zjjii en wier groote vruchttrossen hun ook tot sieraad strekken. De van Nieuw-Ouinea afkomstige Orania regalis Zipp. heeft eveneens gevinde bladeren cu groote, oranje, op djeroeks gelijkende vruchten. Minder algemeene soorten zijn de roestpahn (Phoenicophorium sechellarum Wendl.) Phoenix hybrida, waarvan wij nu en dan zaad uit Britsch-Indië ontvangen, terwijl Cocon campestris Mart. tot do nieuwere soorten in den tuin behoort en allo eigenschappen van eene fraaie gazonplant bezit.
De Carludovica1 s van Zuid-Amerika vertoonon in uiterlijk zeer veel overeenkomst met do paltnen; zjj vormen bossigo planten, waarvan de grootste tot 3 M. hoog worden, en hebben zeer lunggcsteokle, meestal waaiervormige en lichtgroene bladeren, die minder stevig van samenstelling zijn dan die der meeste palmen. Zij worden door scheuren vermenigvuldigd en kunnen zeer goed wat schaduw verdragen.
Nog eene andore familie, die der Cycadeae, wordt veelal in één adem met de palmen genoemd, hoewel zij daaraan volstrekt niet verwant zijn, maar met de Coniferen tot de afdeeling der Gymnospermae (naaktzadigen) behooren. Slechts ééne soort, Cycas circinalis /gt;., pakoe hadji komt in onzen archipel voor en is het kweeken zeer waard; de andere soorten zijn ook wel mooi, maar de hier meestal lastige venucerdering staat do verspreiding daarvan in den weff.
Eene plant, welke nog zeer weinig gezien wordt, is Musa Ensete 6'me/., de Abyssinische pisang, waarvan men in Europa gedurende den zomer zeer veel gebruik maakt ter versiering der gazons; zij wordt daar in het voorjaar, in goed toebereiden grond buiten uitgeplant en ontwikkelt zich dan zeer mooi. Ook hier gelukt de cultuur uitstekend en de plant biedt door haar groote, forsche bladeren eene aangename afwisseling aan.
VII 9
â 130 â
Zij veraehilt van de gewone pisang daardoor, dat de z.g. atam zeer kort blijft en geen uitspruitsels vormt aan den voet; de bladeren zijn zeer talrjjk, buigen zich niet om eu scheuren minder licht dan die der eetbare pisangs. De vermenigvuldiging moet door middel van zaden plaats hebben.
Ook Musa super ha tixb., eene andere eenstammige pisang-soort, wordt in Europa gekweekt, maar moet in schoonheid toch ver achterstaan bij M. Ensete.
Zeer mooi als gazonplant is Heliconia aureo-striata, wier dwars groen en lichtgeel gestreepte bladeren duidelijk haar verwantschap met Musa toonen. De wortelstok vertakt zich sterk, waardoor men spoedig eene zeer dichte plant verkrijgt, en scheuren een gemakkelijk middel is om ze snel te vermeerderen. Vooral in de zon is de plant mooi gekleurd; in de schaduw worden de bladeren lichtgroen. De andere Heli-comVs, waarvan de meeste uit Brazilië komen, eene enkele ook in den Archipel thuis behoort, verlangen voor eene goede ontwikkeling eene beschaduwde standplaats.
De zeer talrijke Jf/aw-soorten, nanas sebrany, zijn uiterst gemakkelijk te kweeken, ontwikkelen zich best in slechten, dorren grond en er worden dan ook in bijna eiken tuin een of een paar soorten aangetroffen. De meest verspreide zijn wel de groene en bontbladige A. americana L., welke evenwel in de beuedcnlanden lang niet tot de meest aanbevelenswaardige behooren, omdat de bladeren daar 'te lang worden en onregelmatig gebogen zijn; in de bovenlanden zijn zij zeer mooi. Er zijn echter genoeg andere, die regelmatiger groeien, zooals A. xalapensis Roezl., A. Ixtley, A. rigida var. Sisalana, die de beste vezels, als Sisalhennep bekend, moet leveren, A. mexicana enz.; vele daarvan hebben die eigenaardige, blauwachtige kleur, die zoo goed tegen het omringende gras afsteekt. De Agaves zijn ook in Holland welbekende sierplanten en wel ouder den verkeerden naam van A loë; vooral van A. americana L. ziet men daar af en toe in de dag-en tuinbouwbladen melding gemaakt, als er ergens een exemplaar gaat bloeien. De bloemen zijn niet bepaald mooi, maar de vreemde, kandelaber-
â 131 â
vormige vertakking vau den bloemstengel mist haar uitwerking op den toeschouwer niet; na den bloei sterft de plant, na eerst het leven geschonken te hebben aan talrijke zijspruiten, die kunnen dienen om de soort te vermenigvuldigen.
Zeer veel overeenkomst met de Agaves hebben de Fourcroyd's, eveneens uit tropisch Amerika afkomstig. Zjj worden echter grooter, de bladeren vertoonen niet die mooi blauwachtige tint, maar zijn groen en ook minder vloezig dan die der Agaves, welke laatste als sierplanten meer waarde hebben. Maar als do Fourcroya's in bloei staan zijn zij zeer sierlijk; evenais bij de Agaves ontwikkelt do bloemstengel zich uit het hart der plant, maar vormt hier een reusachtige, rechtopstaande, losse pluim met talrijke zijtakken, die naar den top geleidelijk kleiner worden en een zeer groot aantal middelmatig groote, hangende bloemen dragen, wier bloembe-kleedselen lichtgroen zijn met broeden, witten rand, zoodat zij op een afstand geheel wit schijnen. Deze bloemen zetten hier nooit vrucht, doch in plaats daarvan ontstaan er aan den bloemstengel jonge plantjes, z.g. bulbillen, in grooten getale, die voor de vermeerdering dienen en een zeer taai leven hebben. Jammer is het, dat de bladeren in den regel, nog vóór dat de bloemen volkomen ontwikkeld zijn, als uitgeput, slap naar beneden gaan hangen, waardoor veel van de schoonheid verloren gaat.
Ais bijzonderheid deel ik mee, dat in December van het vorige jaar bijna alle Fourcroya's in den plantentuin, van verschillenden leeftijd en tot een paar soorten behoorend, ongeveer een 50tal, bloemstengels begonnen te drijven. Het grootste exemplaar had een doorsnee van ruim 4 M. en, met den bloemstengel, een hoogte van ruim 13 M.; de bloempluim had ongeveer denzelfden omvang als de bladrozet. Eene der bloeiende planten, die onder den naam F. longa ontvangen werd, onderscheidde zich van de andere door eene bijzonder mooie bloempluim, ongestekelde bladeren, welke, ook nadat de plant in vollen bloei stond, nog niet verwelkt waren.
De Fourcroya^s leveren eene mooie vezelstof, die als Mauri-
â 132 â
tius-hennep bekend is; ook op Java wordt de plant tegenwoordig voor het winnen daarvan hier en daar aangeplant.
Een paar Alocasia's, tot de familie den Aronskelken behoo-rend, komen ook in aanmerking om in het gras geplant te worden; het zijn A. macrorrhiza Schoft, (senteh) en baar bonte verscheidenheid en A. pubera Schott. (karejo), met groote hart-pijlvormige bladeren. Zij verlangen een voedzamen, goed bewerkten bodem en kunnen wel eenige schaduw velen.
Boomvarens {pakoe tiang) voldoen uitstekend in het gazon en toch worden ze daar maar zelden aangetroffen. Eene der gemakkelijkste en meest voorkomende soorten '\s Alsophilaglauca J. Sm. met paarse, gestekelde bladstelen en groote, fijn verdeelde bladeren. Ook Angiopteris, (pakoe kebo), is te gebruiken, maar verlangt iets meer schaduw dan Alsophila.
Alle genoemde planten onderscheiden zich door haar houding en bladvorm zeer van het gewone voorkomen onzer boomen en heesters en zijn daardoor bij uitstek geschikt om in den tuin de zoo gewensehte afwisseling aan te brengen; do beste wijze, waarop van haar sierlijke vormen partij getrokken kan worden, is door ze niet in heester- en boomgroepen te gebruiken, maar door ze afzonderlijk in het gras een plekje aan te wijzen, waardoor zij zich geheel vrij naar alle zijden kunnen ontwikkelen. Behalve de enkele genoemde Cycadeae en \a.rena behooren alle tot de éénzaadlobbige gewassen.
Dit neemt echter niet weg, dat er ook onder de heesters soorten gevonden worden, welke in het gazon goede diensten kunnen bewijzen; zonder in uitvoerige beschrijvingen te vervallen, vermeld ik nog eenige poorten, welke evenwel allo reeds vroeger in Teysmannia besproken zijn. Meyenia erecta Makoy. van Afrika met donkerpaarse of witte bloemen; Gardenia flo-rida L. de welbekende katja piring; verschillende Pawa.x-soorten (waartoe o. a. ook daoen mangkok behoort) o. a. P. Victoriae, P. obtusum BI., P. crispatum enz.; Russelia juncea Zucc., in Mexico thuis behoorend, wier sterk vertakte, bijna onbe-bladerde, omgebogen stengels zeer rijk bloeien met buisvormige, hangende, helderroode bloempjes, waardoor de plant
â 133 â
op een fontein van vuurwerk gelijkt; Ehretia buxifolia Bxb., uit de Molukkcn, met siorlijken habitus en kleine, donkergroene blaadjes. Ook eenige gekleurdbladerige heesters leenen er zich goed voor en in het bijzonder wensch ik nog melding te maken van eenige Coniferen, tjernarcïs, vooral eenige soorten Cupressus, Thuja, Biota, waarvan jonge planten in den vrijen grond uitgeplant, mits zij van de volle zon kunnen genieten, zich prachtig ontwikkelen. Worden de takken te lang, dan kunnen ze zonder vrees een eind ingesneden worden, waarbij men zorgen moet don natuurlijken pyraniide-vorm te behouden. Na eenige jaren worden zij in den regel leelijk, zoodat het dan het best is ze weg te doen.
Ook van planten in potten en kuipen, b. v, palmen, Arau-caria's, enz. kan men gebruik maken ter versiering der gazons; in Europa doet men dat veel, omdat men zoodoende planten kan gebruiken, die tegen de winterkou niet bestand zijn.
J, J. Smith Ju.
GET AH PERT J A.. HARK EIGENSCHAPPEN, HAAR VOORKOMEN EN DE WIJZE WAAROP ZIJ GEWONNEN WORDT.
{Vervolg).
Hot vraagstuk van het winnen van getah pertja is in de laatste jaren in een geheel nieuw stadium getreden. Zagen we reeds in het eerste gedeelte van dit opstel, dat de door de Inlanders gevolgde methode niet alleen roekeloos is, daalde boom slechts één oogst oplevert, zij geeft bovendien een slechte opbrengst, omdat een zeer groot gedeelte van het product in den gevolden boom blijft. Men heeft wol voorgesteld, om door verbods- of strafbepalingen aan deze vernieling perken te stellen, maar het is duidelijk, dat het te midden van oerbosschen al heel moeielijk is, te beletten, dat die bepalingen overtreden worden.
Het vellen van don boom is eigenlijk voor de woudloopers de natuurlijk aangewezen werkwijze. Het maken van insnijdingen in een hoog opgaanden, dikken, door den regenen door mosbedekking dikwijls gladden stam is een moeielijk, ja zelfs gevaarlijk werk. Bovendien heeft de man, die dit werk zou doen, geen waarborg, dat niet een ander kort daarna den boom toch velt of wel eenigeu tijd later, met gebruikmaking van de inkepingen, die door don voorgangei; gemaakt zijn en de beklimming vergemakkelijken, den boom opnieuw aftapt. Vloeide nu het melksap gemakkelijk, zoodat men het iu een of ander vat beneden kon inzamelen, dan zouden de opgesomde bezwaren misschien wel te overkomen ziju, doch dikwijls stolt het sap in en bij de insnijdingen, zoodat men het eenige uren na het tappen daaruit moet schrapen. Hier althans komt de getah pertja in den vorm van schilfers binnen.
*
â 135 â
In een geregclden aanplant zou men natuurlijk wel kunnen tappen ; er werd echter reeds op gewezen, dat de oogsten pas na een groot aantal jaren komen.
In het December-nummer van 1883 van het âJournal ol' the Straits Branch of the Royal Asiatic Societyquot; komt een rapport voort van Wray, aan den Resident van Perak, over getah pertja-leverende boomen.
Even als Dr. Hurck was Wray getroffen door de geringe opbrengst, die gevelde boomen geven bij de door de Maleiers gevolgde werkwijze, en dit bracht hem tot een onderzoek van den gedroogden bast, om door een reeks van zorgvuldige proeven uit te maken, welk gedeelte van de geheele hoeveelheid getah, in een boom aanwezig, daarin achter blijft, nadat de gewone werkwijze van de Maleiers er op toegepast is. Hij liet een boom van âGetah Tahan Siinpoi'quot; vellen en tappen, waardoor 340 gram getah verkregen werd. Twee of drie dagen later sneed hij eenige stukken bast in dunne reopen en kookte die in water gedurende een korten tijd, waardoor de getah naar buiten gekomen en als een dunne en onregelmatige bekleeding op de stukken achtergebleven was. Deze werd er afgenomen en gewogen; het gewicht bedroeg 31 /2 pCt. van van den verschen bast. Door deze eenvoudige en gunstige proef aangemoedigd, kookte hij een gewogen monster gestampten bast met water en verkreeg zoo 5.3 pCt. van het gewiclit van den natten baat aan getah pertja.
Een ander monster bast werd in drogen toestand met koude chloroform behandeld; na verdamping van de chloroform word 5.7 pCt. getah pertja verkregen (berekend op verschen bast). Daar de bast 50 pCt. water bevat, zou men dus in gedroogden bast een materiaal hebben, dat 11.4 pCt. getah pertja inhoudt. Naar eene op metingen en wegingen berustende schatting van Wray was het totale gewicht aan bast van den bovenbedoelden boom 240 KG., bevattende ruim 12,5 KG. getah pertja meer dan de 340 gram, die er door aftapping uit verkregen werden. Voor elk kilogram geoogste getah pertja gaat dus een hoeveelheid van 37 KG. ongeveer verloren. Alleen voor Borneo»
â 136 â
waar in 1883 de uitvoer 1,3 millioen KG. was, zou dit verlies dus 48 millioen Kilogram bedragen hebben !
Zeil' heb ik ook proeven genomen in deze richting. Van een 13-jarig exemplaar van Palaquium Gufta nam ik een stuk bast van 15 cM. lengte en 6 cM. breedte, het gewicht, in ver-schen toestand, bedroeg 54,5 gram, na droging op 100° 22 gr.
liet watergehalte was dus ongeveer 60 0/0, grooter dus dan het door Wray gevondene. Dit moet waarschijnlijk daaraan worden toegeschreven, dat door mij de proef met een stuk bast van den niet gevelden stam van een jongeren boom genomen werd. Door uittrekking van den fijn gepoederden drogen bast met chloroform verkreeg ik, na verwijdering van het oplosmiddel met een straal stoom en na droging van het product, 2 gram getah pertja, d. i. op drogen bast berekend 9 0/o.
Men moet wel zorg dragen de verkregen getah niet te wegen vóór men zo door plaatsing in een droge ruimte geheel gedroogd heeft, want al is het versch bereide product oogenschjjnlijk droog, toch neemt het in een droge atmosfeer nog vrij aanzienlijk in gewicht af.
Do boom, waarvan het door mij bij deze proef gebruikte stuk bast afkomstig is, heeft eene hoogte van 16 M. en een omvang van 1 M. aan den voet; de hoeveelheid bast is dus ongeveer 900 maal grooter dan het gebruikte stuk, zoodat de daarin bevatte getah omstreeks 1800 gram zal wegen.
Mogen dus de hooger genoemde getallen voor de hoeveelheden getah pertja, die bij de tegenwoordig gevolgde oogstwijze verloren gaan, wellicht 20 â25 a/0 kleiner zijn, zij blijven echter niettemin aanzienlijk, liehalve in den stam- en tak-bast komt er eveneons getah pertja voor in den wortelbast, zoodat ook daaruit nog groote quantiteiten zouden kunnen gewonnen worden.
Toch is het twijfelachtig of eene onderneming, gebaseerd op het winnen van de getah uit bast, gepaard met tappen, winsten zou kunnen afwerpen. Een andere vraag is het of het opkoopen van bast van de getah pertja-verzamelaars, indien zij er toe gebracht konden worden dezen te vervoeren, en het
â 137 â
bereiden van liet product op de aan voerplaatsen geen winstgevend bedrijf zou kunnen worden.
Het inzamelen van den bust van oen gevelden boom is een eenvoudig werk, het drogen en transporteeren ervan is, hoewel natuurlijk veel minder gemakkelijk dan dat van do getali zelve, eenvoudiger dan dat van de blaren.
Er blijft dan echter nog de moeielijkheid om tegen knoeierijen te waken.
Wray beval reeds aan, dat hot Gouvernement van de Straits getah pertja-boomen zou aanplanten en daarvoor Payena Loerii zou kiezen, omdat deze het gemakkelijkst groeit. Zooals in het eerste gedeelte van dit stuk reeds werd gezegd, bezit de cultuurtuin een aanplant van dezen boom, die bij tapping echter zeer geringe opbrengsten geeft, het gehalte in den drogen bast is echter niet onaanzienlijk en bedroeg in een mjjner proeven 7,3 0/0 (*)
Niet alleen in den bast, maar ook in de bladeren en de jonge twijgjes van de getah pertja-leverende boomen vindt men melksap. Breekt men bijv. een blad af, dan vloeien uit de wond een of meer druppels van een wit melkachtig vocht. Scheurt men een blad door, dan ziet men op de breukvlakte op talrijke plaatsen fijne melkdruppels en hoeft men een jong blad eerst gedroogd, dan neemt men soms bij hot doorscheuren fijne, op spinrag gelijkende draden waar.
De bereiding van de getah pertja uit blaren en twijgjes lag dus, na do proeven van Wray om het product door extractie uit den bast te bereiden, wel eenigszins voor de hand. Alleen, men heeft voor do eerste de groote trom geroerd, de reclame heeft er zich van moestor gemaakt en ook de speculatie. Gouden bergen heeft men zich van die zoogenaamde belangrijke ontdekking voorgesteld. Voor mij ligt een prospectus van âThe Gutta Percha .Manufacturing Coy Limited. (Printed at the âSiam Mercantile Press)quot;, waarin men het publiek uitnoodigt om in te schrijven op eon kapitaal van 6ÃÃ.ÃUÃ dollai-s, verdeeld
(') De ([ualiteit was ovenwei veel minder goed dan die van de uit P. Gutta bereide getah.
â 138 â
in 24000 aandeelen. Men stelt zich voor Pulo Obin Estate op Poeloe Obin te koopen voor 40000 dollars en daar 66000 boomen te planten. De kosten van aanplanten heeten gering te zijn, omdat ze gedeeltelijk gedekt zullen worden door den opbrengst van koffie en doerian. Bovendien wil het Sianieesche gouvernement grond afstaan. Het werkkapitaal wordt begroot op 275000 dollars en de jaarlijkBcbe uitgaven op 1.128500 dollars. Daartegenover staat een inkomst van 2.100000 dollars als opbrengst van 6000 picol getah pertja togen 350 dollars per picol. â Waar men bet plantmateriaal voor (gt;0000 boomen en de 5 picols blaren van eiken boom, die in het prospectus als opbrengst vermeld worden bij elke snoeing (2 maal 's jaars) van daan wil halen, blijft natuurlijk een raadsel.
Uet schijnt dan ook dat, niettegenstaande een jaarlijksch dividend van 150 pCt. beloofd werd, de zaak niet tot stand is gekomen. Volgens do bij het prospectus gevoegde certificaten moet liet door den uitvinder Dieudonné Rigole bereide product van zeer goede qualitoit zijn geweest.
Vóór hem hebben de Heeren Sérullas en Jungfleisch te Parijs zich met dc extractie van getah pertja uit de blaren bezig gehouden. Als uittrekvlooistof gebruikte Jungfleisch toluol en hij verkreeg door de blaren daarmede uit te trekken een door bladgroen gekleurde vloeistof, waaruit door behandeling met stoom, die de toluol mede voert, de getah pertja in vrij zuiveren toestand verkregen werd. De opbrengst bedroeg uit twijgen en blaren omstreeks 10 pCt. De groene kleur van do dus bereide getah pertja laat zich volgens Jungfleisch verwijderen door haar onder water aan bet licht bloot te stellen. Uet door hem verkregen product werd duor vakmenschcn zeer gunstig beoordeeld De conclusies, welke hij echter uit zijne proeven trekt, zijn wel wat rooskleurig. âHet blad van de6rM/tequot; (hot is echter m. i. niet zeker, dat men werkelijk blaren van die plant onder handen heeft gehad) zegt hij, âheeft zulk een bijzonderen vorm en uiterlijk, dat, als men die kent, men het niet licht met blaren van verwante soorten zal verwisselenquot;. Dit nu is zekerlijk niet het geval en bovendien vindt men er, onder de verwante
â 139 â
soorten, met blaren die, zooals mijne proeven mij leerden, een product leveren, dat voor dat uit Isonandra {Palaquium) Gutta niet behoeft onder te doeu.
De gegevens, die de heer Sérullas verstrekt over de opbrengst aan blad, zijn aanzienlijk veel betrouwbaarder dan die, welke in het bovengenoemde prospectus voorkomen. Een 3()-jarige boom zou ongeveer 11 KGr. droog blad geven, waaruit men dus ruim 1 KG, getah pertja zou kunnen verkrijgen. Een boom van denzelf'deu leeftijd geeft volgens Sérullas bij het vellen slechts 265 gram getah.
In 1891 werden door mij prooven genomen om uit de blaren van Palaquium Gutta met behulp'van zwavelkoolstof of van chloroform getah pertja te bereiden en werkelijk werd een product van vrij goede qualiteit verkregen. De kleur ervan was echter groenachtig. Daar ik evenwel meende, dat men aan het gebruik van extractie-vloeistoffen, die hier te lande reeds bereid worden, de voorkeur moet geven, werden de proeven voortgezet met gebruikmaking van de, voor verlichting dienende, gazoline, zooals die toen hier ter plaatse te verkrjjgen was.
Met behulp van deze vloeistof werden inderdaad vrjj goede monsters verkregen uit de blaren van Palaquium Gutta en P. borneense. Ook leerde het onderzoek, dat men met succes de afgevallen blaren kan gebruiken en dat deze zelfs een hooger percentgehalte bevatten dan levende blaren. Trekt men de blaren eerst met kokenden alkohol uit en daarna met gazoline, dan is de opbrengst wel kleiner, maar de qualiteit van het product aanzienlijk beter. Het oordcel over de monsters, die naar Nederland gezonden werden, was over het algemeen zeer gunstig. (1) Quantitatieve bepalingen van getah pertja in de bladeren van Palaquium Gutta en P. borneense, die in de eerste plaats in aanmerking zouden komen voor de bereiding ervan, daar die van P. Treubii een minder goed product geven, leverden o. a. de volgende resultaten, allen berekend op volkomen droge blaren.
(1) De taxatie was van f 1.75.â f 3. per hall kilogram.
â 140 â
|
Ruw |
Gezuiv. | |||
|
Prod. (1) Prod. (2) | ||||
|
A. Jonge blaren |
van Palaquium borneense |
7.3 »/o |
6.5 0/o | |
|
n |
D 1) |
Gutta |
7.3 â |
5.7 â |
|
B. Volwassen v |
W D |
8.9 â |
6.3 â | |
|
V V |
n D |
borneense |
6.2 â |
4.8 â |
|
C. Afgevallen,, |
v n |
Y) |
10.6 â |
8.- â |
|
W V |
v » |
Gutta |
10.8 â |
8.2 â |
|
De afgevallen blaren hebben |
een grooter |
gehalte |
aan getah | |
pertja, omdat, zoowel bij het afsterven als bij het blootgesteld ziju aan zon en regen, een deel van de vaste stoffen verloren gaat.
Sérullas heeft in Duitschland patent genomen op een methode om de blaren vóór de extractie met toluol of benzol met eene 3 quot;/o oplossing van bijtende kali te behandelen, waardoor een groot deel van de bladsubstantie opgelost wordt en de extractie van het residu gemakkelijker gaat.
De bladopbrengst por jaar is echter bij de getah pertja-boomen niet bijzonder groot. Van drie soorten bepaalde ik den bladafval in 1893. Volkomen nauwkeurige cijfers kan men natuurlijk niet verwachten, daar nu en dan door den wind of door zware regens bladeren verloren zullen gaan.
De opbrengst aan droog blad van 150 9-jarige boomen van Palaquium Gutta en Pul. Treubii bedroeg resp. 490 â 500 KG., terwijl 130 exemplaren van Pal. borneense 230 KG. gaven. Daar de plantwijdte hier 12'Xl2' bedraagt, zou men dus uit de van een bouw te oogsten afgevallen blaren eene hoeveelheid zuivere getah pertja van 132 KG. kunnen bereiden.
Ik moet hierbij opmerken, dat, daar het de cultuur van een boschproduct gold, hier noch grondbewerking noch bemesting werd toegepast nadat de boomen behoorlijk waren aangeslagen.
Zooals ik reeds mededeelde, heeft men zich van de bereiding der getah pertja uit de blaren enorme voordeeion voorgesteld. De boomen zouden nu niet meer meedoogenloos door den Inlander
(1) Groen gekleurd product, direct uitgetrokken met gazoline. ('i) Wit gekleurde getah, verkregen door de blaren eerst met alkohol en daarna met gazoline te extrahoeren.
â 141 â
geveld worden, maar Inj zou zich tevreden stellen met telkens een deel der blaren er af' te plukken. Alsof liij zoo naiefzou zijn zich de moeite van het plukben van de blaren uit een vele meters hoogen kroon, van het drogen ervan te midden van vochtige, donkere wouden en van het transport dor zeer voluminouse bladmassa door liet dichte boscb te getroosten, met de kans, dat een ander, even na hem, donzelfden boom zou vellen, om zich van het veel kostbaarder en gemakkelijker te verwerken en te vervoeren melksap meester te maken. Uet doel zou slechts te bereiken zijn, als men den uitvoer van getah pertja geheel verbood en daardoor don prijs van het artikel zoodanig opdreef', dat het oogsten van blaren met voordeel kon geschieden en indien men tevens op een gemakkelijke â wijze do blaren der goede soorten van die dor waardelooze kon onderscheiden, om bedrog te voorkomen. Bereiding uit den bast zou dan eveneens vervallen.
Mij komt bet voor, dat de beroidings van getah pertja uit de blaren slechts op een onderneming, dio de beste soorten in cultuur gebracht heeft, met voordeel zal kunnen worden toegepast, wanneer het gebleken is, hoeveel de produtiekosten van het kilogram zuivere getah, op eenigszins groote sciiaal bereid, zullen bedragen. Men heeft daaromtrent o. a. in Holland en in Frankrijk proeven genomen, waarvan de uitslag mij echter nog niet bekend is. Natuurlijk kan men dan het tappen ook geregeld toepassen en bovendien bet winnen van getah pertja uit den bast van boomen, die men om do een of andere roden, bij v. uitdunning van don aanplant, minder goeden groei enz., gerooid heeft.
Ten slotte een woord over de cultuur der getah pertja leverende Palaquiutn's. Zoowel door zaad als door tjangkokans kan men ze voortplanten. De zaden zaait men in overdekte kweekbeddingen op een diepte van 1 cM. en op onderlinge afstanden van 25 cM. uit. Zij ontkiemen vrij spoedig. P. Treuhii bijv. na 17â23 dagen.
Indien de jonge plantjes eene hoogte van 25 eM. bobben, kan men ze in de tuinen, in vooraf goreedgemaakte plant-kuilen uitplanten. In den cultuurtuin is de plantwijdte 4 M.
â 142 â
Of het beter is bij liet uitplaaten den hoofdwortel af' te snijden, zooals men dit in Europa bij het overplanten van hoornen gewoonlijk pleegt te doen, dan wel dezen er aan te laten, zullen proeven nog moeten leeren. Wil men op een groote hladproductie werken, dan zal toppen van de hoornen wellicht een gunstigen invloed hebhen (1) Men zal dan echter de plantwijdte grooter moeten nemen. In hunne jeugd hehben de getah pertja-hooiuen schaduw noodig, vooral is dit het geval met Palaquium Treubii. Bij Pal. borneense kon de schaduw al na een paar jaar aanzienlijk verminderd worden. Beschaduwing van den aanplant heeft natuurlijk ook het voordeel, dat men minder onkosten aan onderhoud heeft. De moeielijkheid om nu reeds groote hoeveelheden zaad dezer hoornen te verkrjjgen staat een verspreiding op ruimen schaal wel in den weg. Heeft men echter een kleinen aanplant, dan kan men deze door tjangkokan's vrij gemakkelijk uitbreiden. Do ondervinding heeft hier geleerd, dat vooral jonge boomen geschikt zijn om er tjankokan's van te nemen.
Van Romburoh.
(I) Het is opvallend zooveel als de bladproductie bij boomen, die aan den rand van ilen aanplant staan en over de geheele stamlengtc van takken voorzien zijn grooter is dan bij de opgaande stammen binnen in den aanplant. De oude exemplaren van Palaquium Gutta in den TSotanischen Tuin hebben betrekkelijk een kleine kroon.
K LTNSTM ESTSTOFFEN.
Jaarlijks worden ten behoeve vau de tabakacultuur j^roote hoeveellieden kunstmest in Deli en ten behoeve van andere cultures op Java aangevoerd.
Met het oog op het belang, dat aan dit artikel gehoclit moet worden, zoowel door het resultaat op de plant, dat ervan verwacht wordt, als door zijn eigen geldswaarde, is liet voor sommigen wellicht niet ondienstig den weg te weten, waarop zij zich voor schade kunnen vrijwaren, voortvloeiende uit de aanwezigheid van schadelijke bestanddeelen of' door het niet of te weinig bevatten van de gevraagde voedingsstoffen.
Van bekendheid mag verondersteld worden, dat bedrog in den meststofhandel vroeger veelvuldig voorkwam, zoowel tot nadeel van den landbouwer (kooper) als van den eerlijken ver-kooper (fabrikant of' handelaar).
De eerste betaalde veelal duur voor stoffen, waarvan hij geen uitwerking kon verwachten, omdat de werkende bestanddeelen er niet in aanwezig waren en kreeg daardoor een groot wantrouwen in kunstmest; de eerlijke verkooper zag zijn afzet steeds verminderen door dat wantrouwen.
Het toenmaals nog alleen in Holland bestaande Rijksland-bouwproefstation te Wageningen deed wat het kon, om hierin verbetering te brengen; eerst na de oprichting van meerdere, dergelijke stations is het bedrog in den meststofhandel zoo goed als geweken, nadat verscheidene vervalschingen aan den dag waren gekomen.
Enkele voorbeelden mogen hier volgen:
Mineralen van weinig waardige (phosphorieten) werden met kooldeeltjes gekleurd om ze daarna voor Thomas-phosphaatmeel uit te geven.
â 144 â
Chili-aalpetor, eeu dure stikstofhoudcnde meststof, werd, met voor vele planten schadeljjk, ruw keukenzout vermengd.
Zoogenaamde Peru-guano werd in den handel gebracht, die in een Peru, ergens in Holland gelegen, vervaardigd was en vermengd werd met kippeveeren, om te toonen, hoe echt hij wel was.
Andere eveneens âEchte Peru-guanoquot;, was gemaakt uit gemalen dakpannen!
Producten, onder schoonklinkende namen in den handel gebracht, gingen begeleid van prospectussen, waarin o. a. vermeld werd, dat zij een geheim bevatten, dat door de scheikunde niet gevonden kon worden, de wereld in. Uit de bestanddeelen, die gevonden werden, bleek, dat men met een nietswaardige meststof' te doen had, zoodat liet (jeheim wel moet geweest zijn, voor hoeveel de koopers bedrogen werden.
Doch ook meststoffen, onder hun waren naam verkocht, bleken na onderzoek soms slechts een tiende van liet werkend bestanddeel te bevatten, dat verlangd en betaald was.
Door de oprichting van meerdere Proefstations werden dus zoowel koopers ala eerlijke verkoopers gebaat.
Kwam nog een enkele maal een bedrog of vervalsching voor, zoo werd de onregelmatigheid te spoedig ontdekt en te algemeen bekend gemaakt dan dat velen er schade door behoefden te lijden.
Thans zal eenigszins nader worden teruggekomen op de werkkring der lljjkslandbouwproefstations, omdat veel ervan van direct belang kan zijn voor Indische planters.
Van deze instellingen bestaan er thans in Nederland vier, aan ieder is een bepaalde kring (ongeveer van drie provinciën) als terrein van werkzaamheid aangewezen. Die werkzaamheid bestaat o. a. in het op bijzondere aanvrage onderzoeken vangrondsoorten, meststoffen, landbouwvoorbrengselen, zaden en alle andere grondstoffen ten behoeve van den landbouw.
- 145 â
(Hieronder vallen dus ook stoffen tot het bestrijden van plantenziekten bijv. bouillie bordelaise).
Do verhoudingen, waarin het proefstation komt te staan tot degenen, dio monsters ter onderzoek inzenden, kunnen van verschillenden aard zijn. Op het oogenblik wordt hier speciaal bedoeld de rubriek monsters âmeststoffenquot; en sommige âstoffen tot het bestrijden van plantenziekten.quot;
a. Wenscht een inzender, landbouwer zijnde, de samenstelling van een meststof te kennen, of het gehalte aan een of meer bestanddeelen, met wellicht eenige inlichtingen er op betrekking hebbende, zonder meer, zoo wordt hem tegen betaling voor het onderzoek, zulks medegedeeld, zonder dat het proefstation zich officieel inlaat met de gevolgen uit liet resultaat voortvloeiend. Het proefstation controleert slechts de door den landbouwer ingezonden meststof', het behoort tot de rubriek l'fivate Controle.
h. Wenscht een inzender, fabrikant of handelaar. in meststoffen zijnde, van een meststof'of grondstof tot bereiding ervan, de samenstelling te weten, zoo kan tegen betaling van een hooger tarief het onderzoek eveneens plaats vinden, en wordt hem zonder meer de uitslag van het onderzoek medegedeeld.
c. De derde verhouding is anders, die, voor de gevallen, dat verkocht wordt onder Openbare Controle.
Hoewel, om later te vermelden redenen, voor buiten Nederland hun bedrijf uitoefenende personen het onderzoek volgens Openbare Controle niet kan plaats hebben, zal er echter uitvoeriger bij worden stilgestaan, omdat vele der daaromtrent bestaande bepalingen door planters, buiten Nederland hun bedrijf uitoefenend, van nut kunnen zijn, bij het ontbieden van meststoffen, enz. uit Holland.
De Openbare Controle der Rijkslandbouwproefstations strekt zich uit over den verkoop van meststoffen, voederstoffen, zaden en alle andere grondstoffen en laiulbouwvoortbrengselen, die daarvoor vatbaar zijn (Dus ook van kopersulfaat en ongo-bluschte knik).
Er zijn twee vormen van verkoop onder Openbare Controle: Vil quot; II
â 140 â
x Verkool) op gehalte 1). De artikelen worden verkocht onder garantie, dat zij zekere eigenschappen of' hoedanigheden bezitten; de pi ijs van liet artikel wordt bepaald door het aantal procenten, bij liet onderzoek van het proefstation in de geleverde waar gevonden, tc vermenigvuldigen, met den eenheidsprijs per procent, dien de handelaar opgeeft.
/3. Verhoop onder tjarantie van bepaalde gehalten 2). De artikelen wordeh verkocht onder garantie, dat zij van bepaalde bestanddeelen een aangegeven gehalte bevatten. Voor hetgeen bij het onderzoek aan hot gegarandeerde gehalte, buiten bepaalde grenzen, blijkt te ontbreken, is de verkooper aan den kooper schadevergoeding verschuldigd, terwjjl de overeenkomst van koop en verkoop in stand blijft.
Bij verkoop, zoowel volgens .x als volgens /3 heeft het onderzoekend proefstation het recht om, onder opgave van redenen, de geleverde waar af te keuren en den verkooper tot terugneming daarvan te verplichten.
Door de garandeerende handelaren worden jaarlijks ter goedkeuring hun prijscouranten ingezonden aan den voorzitter van bet college van directeuren der proefstations. Deze pnjscou-raijten bevatten;
1 Ren volledige lijst van hunne onder Openbare Controle te verkoopen artikelen, met prijsopgave.
2 indien een gehalte wordt gegarandeerd, dit gehalte in procenten.
3 Hetgeen overigens wordt gegarandeerd.
Leverantiën van bovengenoemde artikelen geschieden mot
I) Voorbeeld, lüeii liuiidcliuir verkoopt aan eon landbouwer eene partij Uuinlot. waarvan hij opgeeft, dat zij ongeveer 12 0/o kali bevat. Bij onderzoek aan het Proefstation blijkt het kaligebalte te zijn 11,15quot; 0. De prijs van hot kainiet bedraagt dan il.8 X '''' prijs van 1 % kali in deze stol'.
tJ) Vim,'beeld. Dezelfde kainiet wordt verkocht onder opgave dat het gehalte aan kali 4*2 â bedraagt. Is het gevonden gehalte weer H,3 0/0, dan igt; do kooper verplicht do geheele waarde te betalen. Bedroeg daarentegen het gehalte li,6 dan kan de verkooper voor deze overmaat van (),ö quot; â geen betaling eischen.
â 147 â
inachtneming der bepalingen betreffende de Openbare Controle, tenzij anders is overeengekomen.
Het artikel, waardoor planters in Indiö zijn buiten gesloten van het koopen onder Openbare Controle luidt als volgt:
âIeder, die in Nederland zijn bedrijf'uitoefent, heeft het recht op kosteloos onderzoek door hot proefstation in zijn kring van artikelen door hem gekocht van de garandeorende handelaars of hunne vertegenwoordigersquot;.
Terwijl het bovendien onmogelijk wordt, omdat daarna in hetzelfde artikel wordt medegedeeld, dat uiterlijk 5 x 24 uren na aankomst van bet geleverde do monsterneming moet hebben plaats gehad. Is de partij in Indiö aangekomen, zoo is die termijn lang verstreken.
Kooper en verkooper erkennen bij do Openbare Controle het proefstation als onpartijdig controleur van de door de eene partij aan de andere geleverde meststoffen, welke bebooren te voldoen aan de eischen, die door de handelaars in hun van wege de proefstations goedgekeurde prijscouranten, zijn vermeld.
IJlijkt hieraan niet voldaan, zoo spreekt liet proefstation de verplichting uit tot schadevergoeding en bepaalt bot bedrag hiervan, of het kan de waar onder omstandigheden afkeuren en den verkooper tot terugneming noodzaken.
De verkooper betaalt jaarlijks een klein bedrag aan het Rijk; zijn afnemers, mits handelend volgens de gestelde bepalingen, hebben daarvoor recht op kosteloos onderzoek.
Bij mogelijke quaestie van verschil tusschen handelaar en proefstation, iieeft de eerste recht op hooger beroep.
Een Ijjst van handelaren, die zieli voor den verkoop hunner meststoffen onder .Openbare Controle hebben gesteld, wordt jaarlijks in de Noderl. Landbouwcouranten gepubliceerd.
Uit den aard der zaak zijn het in liet algemeen handelaren, die een onderzoek, een controle van iiunne meststoffen niet vreezen. Op aanvrage wordt door liet proefstation medegedeeld, of een handelaar zich onder Openbare Controle bevindt, wat zijn handel in bepaalde stoffen betreft.
Waar bet nu gebleken is, dat planters, niet in Holland hun
â 148 â
bedrijf uitoefenend, van do voordoelen dor Openbare Controle niet profiteeren kunnen, zullen hier enkele wenken worden gegeven, welke weg onder andere door hen kan worden ingeslagen om zooveel mogelijk zekerheid te hebben omtrent den aard on de samenstelling dor ontvangen meststoffen.
In liet algemeen neme men als regel aan, nooit een meststof te koopen, onder welken schoonklinkenden naam en van welke verleidelijke prospectussen ook begeleid, zonder te weten, welke de samenstelling is en wolk het gehalte is aan de gewichtigste planten voedende bestanddeelen (stikstof, kali, phosphorzuur).
Een plant is moer gevoelig voor een meststof slechts ecu half procent stikstof bevattend, dan voor een onder een schoonen naam in don handel gehrachten meststof (P) uit gemalen dakpannen bestaande.
In Holland worden door vele grootere Landbouwvereenigingen in de dagbladen per advertentie aanbestedingen gehouden van. de levering van bepaalde meststotfen, aan zekere voorwaarden, moetoude voldoen, welke aan belanghebbenden worden bekend gemaakt. In hot algemeen worden daarbij de bepalingen van levering onder Openbare Controle in hoofdzaak gevolgd.
Een dergelijke methode is voor Tabak-Maatschappijen, die in Holland (of ook daarbuiten) eene vertegenwoordiger of hare directie hebben, zeker wel aan te bevelen. Men verkrijgt, indien de gemachtigden in Holland partijen meststof vóór de inlading laten onderzoeken, do zekerheid, dat geleverd is, wat gevraagd werd, en heeft, indien zulks in de voorwaarden althans is opgenomen, nog gelegenheid, om als het door den uitslag van bet onderzoek noodig blijkt, een partij te doen terugnemen of te verruilen. Is een partij meststof eenmaal in Indië aangekomen, dan is zulks wel niet goed mogelijk, indien door een onderzoek blijken mocht, dat de partij niet beantwoordt aan de gestelde voorwaarden.
Behalve de hoeveelheid, de wijze van verpakking, event, liet gewicht in één baal, de leveringstijd, de betaling enz is een voor beide partijen geschikte methode np gehalte te koopen; men betaalt, wat men ontvangt, noch meer, noch minder.
â 149
Men geeft de grenzen op naar boven en beneden, tot waar het gehalte van een bestanddeel mag afwijken, zonder dat dc meststof wordt geweigerd.
Men neemt als graas aan bijv. 1 0/o voor kali en phosphor-zuur en 0,5 0/o voor stikstot.
Verder verlange men, dat dc meststof homogeen gemengd zjj, droog en fijn (dus zonder grove stukken).
Wordt dan aanbesteed, dat de partij moet bevatten: 5 0/0 stikstof,
5 0/0 in water oplosbaar phospliorzuur,
10 0/0 kali,
en een minimum cliloorgehalte (door do fabrikatie niet te vermijden),
en blijkt een partij te bevatten :
4,6 quot;jo stikstof,
5,8 0/0 in water oplosbaar phospliorzuur,
10,2 % kali en een minimum cliloorgehalte,
zoo bestaat geen reden tot weigering, omdat de afwijkingen liggen binnen de toegestane grenzen, indien althans ook aan de overige voorwaarden is voldaan.
Was de levering aangenomen voor den pnjs van:
f a per 0/o stikstof
â b per quot;jo in water oplosb. phospliorzuur â c por % kali
zoo zou dan de prijs zjjn per 10U KG. meststof (4,6 a -t-5,8 h 4- 10,2 c) gulden per 100 KGr.
De prijs varieert dus, naar gelang van de samenstelling, die de partij heeft blijkens onderzoek aan het Landbouwproefstation. Men bedinge dc voorwaarde, dat dc uitslag van het onderzoek van het betrokken Proefstation beslissend is, met toekenning van het recht van heronderzoek, voor den verkooper, van hot duplicaat-monster, mits de monsterneming door den verkooper is goedgekeurd. Men volge in het algemeen hetgeen daaromtrent bepaald is in de voorschiften der Openbare Controle. Men bedenke wel, dit de Proefstations officieel buiten de
per 100 KGr. meststof.
â 150 â
handeling stiian, omdat liet geen verkoop is onder Openb. Controle.
Ken tweede methode is te koopen onder garantie van bepaalde gehalten.
De gemachtigde in Holland besteedt de levering uit van een partij nioststot', die moet bevatten (hetzelfde voorbeeld wordt weer genomen);
5 0/o stikstof,
5 0/(, in water oplosbaar phosphorzuur,
10 0/0 kali,
een minimum chloorgehalte,
en moet voldoen aan verder aan te geven voorwaarden, waaronder dan ook voorkomen moot de bepaling der afwijkingen boven en beneden liet gevraagde gehalte, buiten welke do partij geweigerd wordt.
Men verlangt nu prijsopgave per 100 IvO.
l!ij deze wijze van koopen ontvangt do handelaar steeds dezelfde prijs, (waarvoor door hem is ingeschrovon) mits de grenzen niet overschreden zijn, waarbinnen het gehalte variceren mag, en ook aan de overige bepalingen is voldaan.
Uit het bovengenoemde volgt, dat zeer groote waarde gehecht moet worden aan het juist toepassen en opvolgen van de voorschriften omtrent het nemen van de monsters.
liet is dus van belang uan de handelaars uitdrukkelijk mede te deelcn, dat de monsterneming zooveel mogelijk behoort te geschieden volgens de daaromtrent bjj de bepalingen voor de Openb. Controle gegeven voorschriften en dat aan deze monsters, ingeval van goedkeuring door of van wege den leverancier, dezelfde waarde wordt toegekend als aan goedgekeurde monsters van onder Openbare Controle der Landbouwproefstations verkochte partijen.
Mocht iemand er prjjs op stellen van een reeds in Indië aangekomen partij te weten, in hoever zij beantwoordt aan de verlangde samenstelling, of wensclit hij te weten of door de
â 151 -
reis fle partij in waarde is achteruitgegaan of schade licet't geleden, zoo zal hij door het laten onderzoeken van een goed genomen monster deze wetenschap kunnen verkrijgen.
Wordt van een partij één baal als monster gezonden, zoo heeft dit geene waarde.
Ten eerste representeert één baal niet het gemiddelde van een partij.
Ten tweede is de verpakking dan zoodanig, dat bij opzending zoowel vocht opgenomen als verloren kan gaan, daargelaten nog dat bij blootstelling aan regen, werkzame bestanddeelen weggespoeld kunnen worden.
De volgende wijze van monsterneming, die in Holland gevolgd wordt bij het onderzoek onder Openb. Controle verdient aanbeveling.
Monsterneming.
De monsters worden genomen ter hoeveelheid van ongeveer 250 gram.
Bedraagt do te onderzoeken meststof cene hoeveelheid van ten hoogste 10 zakken, of eene daarmede gelijkstaande hoeveelheid, dan wordt uit eiken tweeden zak (of de daarmede gelijkstaande hoeveelheid) met behulp vau een monstersteker van 1 M, lengte en 2 cM. doorsnede, die in schuinache richting door do geheelc massa van don liggonden zak wordt gestoken, een monster genomen, en do verschillende zoo verkregen hoeveelheden worden op een schoon en droog vlak gebracht en aldaar zoo goed mogelijk met elkander vermengd.
Is de partij grooter, dan is tot 100 zak de vijfde zak, boven 100 de tiende zak op deze wijze te behandelen, met dien verstande, dat nooit meer dan 20 zakken, of een daarmede gelijkstaande hoeveelheid, voor monsternemen worden gebruikt.
Do zoo verkregen massa wordt daarna nog eens goed door elkaar gemengd. Van dit mengsel worden in de monsterHes-schen, die geheel droog en schoon moeten zijn, tenminste 250 gram meststof gedaan.
De verpakking der monsters geschiedt zoodanig, dat deze
â 152 â
niet alleen bij liet transport niet vochtig kunneu worden, maar dat ook verlies van voi'ht wordt voorkomen. De meest go-schikte wijze van verpakking is daarom in glas, bijv. in een scboone, droge wijnflescli.
Verpakking in blik, hout, papier, enz. is te vermijden; mestspeciën, bevattende in water oplosbaar phosphorzuur, gaan door verpakking in blik achteruit in gehalte.
Men make een behoorlijk verzegeld cn gewaarmerkt tripli-caat-monster, waarvan inou er twee ter onderzoek opzendt, met een brief, behelzende aanvrage tot onderzoek, gevraagd gehalte en wat verdere gegarandeerd is.
Mocht mogelijkerwijze zcescliadc zijn voorgekomen, zou kan aan de monsters, als zoodanig geen waarde worden gehecht. Evenmin mag, mijns inziens aan monsters in Indië genomen, waarde worden gcheclit tor bcoordeoling van een te1 betalen prijs, omdat achteruitgang door de reis, enz. niet is buitengesloten.
Wel moet waarde aan bet onderzoek worden toegekend, wanneer bet monster afkomstig is van een partij, omtrent welks samenstelling men niets weet, of wanneer de samenstelling alleen bekend is uit het onderzoek van een partijdig of niet op de juiste wijze genomen monster.
Onderzoek van wege den kooper blijft steeds geraden. (1)
in aansluiting met de hierboven gegeven wenken, welke tot de zekerheid kunnen leiden omtrent de samenstelling der
(1) Rijkslandliouwpniclstations zijn tot dusverre gevestigd in Wage-uitigen. Directeur Prof. Pr. A. Maijer, tevens Voorzitter van het College van ilireeteuren der Proefstations.
in (ines. (ironingen en Hoorn,directeuren resp. de iieeren Drs. Swaving. Sjollema en van der Zande.
Auisterdam en Rotterdam liggen in den kring, behoorende tot het station te Hoorn.
Waar in het bovenstaande wordt melding gemaakt van bepalingen omtrent de Openbare Controle der liijkslandbouwproefstatiens, zijn daarmede bedoeld de «Hepalingen, onder welke de Rijkslandbouwproefstations zich belasten met het uitoefenen der Openbare Contrólequot; (art. 15 van het Reglement op de Rijkslandbouwproefstations, vastgesteld bij Konink-lijk besluit van 'i'2 April 1892, Staatsblad No. 9't).
â 153 â
te gebruiken kunstmeststoffen, volgen thans eenige opmerkingen, op welke wijze aangewend, deze stoffen het moest aan de plant ten goede komen.
Do kunstmeststoffen moeten onder dak op oen droge plaats bewaard worden. Door vocht hebben de moeste de eigenschap, klonterig ol moeieljjk verdeeld te worden. Bij veel vocht loopt men de kans, dat in water oplosbare bestanddeelen door wegspoelen verloren gaan. Ook kan veel vocht het aangetast worden van de balen tengevolge hebben, deze krijgen gaten, de meststof verspreidt zich en men is later bjj gebruik genoodzaakt de hoeveelheden af te wegen, waar men in andere gevallen met een bepaald aantal balen volstaan kon.
Het op vele plaatsen voorkomen, dat men de kunstmest met asch vermengt en daarna gebruikt, moet in hot algemeen worden afgeraden. Bevat de kunstmest stikstof in den vorm van ammoniak, zoo wordt dit bestanddeel door de ascli uit zijn verbinding losgemaakt en ontsnapt in de lucht, kenbaar aan zijn scherp prikkelende reuk. Stikstof is het duurste bestanddeel uit den mest.
Bovendien loopt men gevaar, dat, zoo do meststof in water oplosbaar phosphorzuur bevat, dit bestanddeel de eigenschap verliest zoodanig door den bodem te worden opgenomen, dat het voor de tabaksplant het meest nuttig kan zijn.
1 let is in hot algemeen het best, eerst de asch op het land te brengen en later de kunstmest.
Soms vindt het mengen van do meststof met asch plaats om door hot ontstane kleurverschil met don bodem te kunnen controleeren, öt en hoe door den koelie, met het uitstrooien belast, dit inderdaad geschied is. In plaats van ascli zalmen nu tot een andere stof zijn toevlucht mooten nomen.
Donkergekleurde meststof op oen donkergekleurden grond, door te mengen met droge, fijne, witte klei; lichte most op een lichtgekleurden grond door mengen met zwarten grond, of mot kool (houtskool).
Krijt eu kalk zijn evenals asch af te raden.
De meststoffen kunnen verdeeld worden in twee groepen:
â 154 â
1°. De meststoffen, die behalve dat zij een of meer voedende bestanddeelen voor de plant bevatten, ook dienen tot verbetering van don bodem.
2quot;. Meststoffen, die uitsluitend als voedsel voor de plant dienen.
Meststoffen als sub 1 moeten reeds vroegtijdig uitgestrooid ou ondergewerkt worden, opdat hunne werking zoo gelijkmatig en op zooveel plaatsen als mogelijk kan geschieden.
Voor de tropen hebben deze meststoffen eenig bezwaar en wel dat zij don bodem verboterend en voedsel gevend, waarvoor langere tijd noodig is, aan niet gewilde gewassen en planten (lalang) in dien tusschontijd gelegenheid geven tot een weligen groei. Hij do groonbemesting wordt hiervan juist partij getrokken.
Meststoffen tot deze categorie behoorende, zijn de in Doli algemeen in gebruik zijnde ascli en het op zeer enkele plaatsen aangewende Thomasphosphaatmeel.
Asch (houtasch) hoeft de eigenschap den grond rijker te maken aan kali (eon voor tabak noodzakelijke voedingstof) doch tevens om den bodem te verbeteren o. a. om de op laaggelegen landen en op paija veel voorkomende zuurheid van den grond weg te nemen en nog langs anderen weg door zijn kalkgehalte den toestand van don bodem te verboteren.
Het Thoniasphosphaatmeel neemt ovenzoo zure eigonscliappen weg en levert bovendien phosphorzuur aan den grond, echter in oen vorm, dat het door alle planten niet even snol kan worden opgenomen.
In beide gevallen moet dus aan de meststoffen een zekeren tijd worden gegund, om hunne werking op den grond on later op de plant te doen plaats hebben.
Bemesting met Thomasphosphaatmeel tijdons den groei van de tabak zal weinig effect hebben.
Meststoffen, als sub 2., die nagenoeg uitsluitend als voedsel voor de plant dieueii.
Wordt oen land bemest, zoo bezitten do meeste bodems do eigenschap de bestanddeelen uit den mest vast te houden (te
â 155 â
abaorbeeren); valt er regen, zoo wordt or door liet in den ondergrond wegzinkende water betrekkelijk weinig meegevoerd, StilvHtot' in don vorm van salpeterstikstof maakt hierop echter een uitzondering; dit wordt door den grond niet geabsorbeerd; wordt dus wel door het naar onder zinkende water weggevoerd en gaat voor do plant verloren.
Dergelijke meststoffen (kalisalpeter of salpeterhondende mest-mengsels) moeten dus nooit lang van te voren worden uitgestrooid en ondergewerkt, wil men door de regens geen verlies lijden, hetgeen door de hooge temp. van den bodem, zoowel als van hot regenwater, zeer snel zal plaats vinden.
Als regel moge dus R'eldon, dat mestoffen, bevattende stikstof' in den vorm van salpeter of onmiddeljjk voor het planten moeten worden gegeven, óf' tijdens don groei van de tabak.
Bij de overige onder 2 behoorende meststoffen, zal men veel van de omstandigheden moeten laten afhangen, om uit to maken, welke wijze de beste is, vooraf uitstrooien en onderwerken óf plant voor plant geven.
liet volgende kan daarbij in acht genomen worden.
Het uitstrooien van de mest moet gevolgd worden door een onderwerken in den bodem.
Gronden, die zeer humusrijk zijn en uit den aard weinig bewerking behoeven, moet men dus nimmer ter wille van de meststof alleen, zoo deze noodig blijkt, omwerken. In dergelijke gevallen is den aangewezen weg den mest bij het planten te geven of tijdens don groei.
Gronden, die zich moeilijk lufen bewerken, doordat zij veel steenen bevatten en waar dus een gelijkmatig uitstrooien en onderwerken van den mest bezwaarlijk gaat, worden evenzoo beter op de wijze als hiervoor behandeld.
Hetzelfde geldt, bemesten plant voor plant eu niet te voren uitstrooien, voor hellingen van heuvels; ineu loopt dan noch do kans do dikwijls humeuze bodem te los te maken, noch, indien de humus reeds verdwenen is, dat met de bovenste laag ook de meststof wordt weggespoeld.
Fn de overige gevallen zal het betrekkelijk weinig ver-
â 156 â
schillen ot' men den mest te voren uitstrooit of plant voor plant geett.
De beste wijze is wellicht deze:
Men strooie den mest uit en werkt hem onder, bijv.
Va 0f 3h voc,:-Dat op deze wijze mest voor de plant verloren gaat, is niet
te vreezen, omdat bij het telkens plaats hebbende aanaarden steeds bovengrond uit de nabij held om de plant wordt gebracht. De wortels van deze planton bevinden zich dus in een medium, dat zeer gelijkmatig, overal mestende bestand-deelen bevat; dit zal de regelmatigheid (aangenomen dat do bodem goed bewerkt cn ontwaterd is) van het wortelnet ten goede komen; het kan zich gemakkelijk op oen groot oppervlak uitbreiden en ook uit ecu grooter oppervlak aarde het voor zijn groei noodige water verkrijgen.
Zooals reeds gezegd, behoeft geen vrees te bestaan, dat de plantenvoedende bestanddeelen wegspoelen, omdat deze (uitgenomen de salpeterstikstof) door den bodem worden vastgehouden (geabsorbee rd).
Wil men ascli en een kunstmeststof tegelijk gebruiken en de laatste ook onderwerken, zoo begint men eenige maanden voor het planten do asch uit te strooien en onder te werken en daarna kort voor het planten den kunstmeststof. Schadelijke invloed van de asch op den mest kan dan niet meer voorkomen.
Bezigt men een betrekkelijk geringe hoeveelheid kunstmest per veld en wordt een gelijkmatig uitstrooien of gelijkmatige verdeeling daardoor bemoeielijkt, zoo bestaat geen bezwaar de thans gevolgde methode om de most met eenige stof te vermengen, toe te passen. Alleen, men gebruike geen asch of kalk. liet best is wellicht goede bovengrond, rivierzand, zand van een pemataug, welke stoffen men van te voren verzamelt cn droogt om te beletten, dat zij met de mest klonters vormen.
Om verwarring te voorkomen neme men steeds eenvoudige verhoudingen: 1 kunstmest met 1 grond of 1 mot 2, enz. Thans volgen eenige opmerkingen omtrent de verschillende
II
â 157 â
wijzen, die men volgt, als lt;le kunstmest plant voor plant wordt gegeven.
Een op enkele plaatsen gevolgde methode, dat men in hot gat, waarin de bibif geplant wordt, een lepel droge mest doet, daarna met aarde de plant vastzet en liet geheel begiet, verdient geen aanbeveling. Mag men wellicht geen nadeelige gevolgen hebben waargenomen, zoo is dit waarschjjnljjk te danken aan de gunstige, losse gesteldheid van den bodem, wanrdoor een snelle verdeeling van de mest liet gevolg was.
Bedenkt men echter, dat het wortelstelsel van de jon^e tabaksplant zeer klein is en dat men door deze wijze van bemesten de wortels brengt in een betrekkelijk zeer geconcentreerde zoutoplossing, die altijd schadelijk is voor planten, en dat nog wel op een tijd dat men, tengevolge van liet overplanten, de wortels meer dan anders moet ontzien, dan volgt daardoor reeds bet afkeurenswaardige dezer methode.
Bovendien kan van oen overal gelijkmatig verdeeld worden van de mest in den bodem in dit geval geen sprake zijn. Ken regelmatig ontwikkeld wortelstelsel laat zich derhalve ook niet verwachten, behalve, wanneer ook zonder most de bodem de hiervoor noodige eigenschappen bezit.
Een tweede methode, die wordt toegepast, dat men bij de bemesting plant voor plant, een bepaalde hoeveelheid met water aangeroerde kunstmest (bijv een klapperdop vol) voegt, is ook niet aan te raden.
Daar de waterige bovenlaag een andere samenstelling heeft dan bet breiachtige of zandige deel, dat zich op den bodem van het vat bevindt, is een gelijkmatige verdeeling op deze wijze moeielijk te krijgen; onder overigens gelijke omstandigheden kan dus een onregelmatige groei er het gevolg van zijn.
De derde methode, die wordt toegepast, wanneer men plant voor plant bemesten wil en die de voorkeur verdient, is de volgende.
De droge mest, hetzij wel, hetzij niet met een onschadelijke stof gemengd, wordt droog aan de plant gegeven. Een bepaalde
- 158 â
maat, bijv. een glad at te strijken lepel, van het raestmengsel, wordt in een kring om do plant gestrooid, nadat men voorzichtig de grond ervan iets lieci't losgemaakt en daarna er ondergewerkt. Een aanhooging on een bemesting kan dan zeer goed gepaard gaan. Alleen drage men zorg, reeds aanwezige wortels niet te beschadigen. .Men behoeft de mest niet ouniid-deljjk tegen de plant te strooien; wanneer men van een volwassen boom voorzichtig het wortelnet uit den grond haalt, blijkt voldoende liet vrij groote oppervlak, dat nog met wortel-uitloopers bezet is en wijst er dus op, dat het meeste voedsel niet in de onmiddelijke nabijheid van den hoofdwortel wordt gezocht en verkregen.
Is de bodem door een pas gevallen regenbui vochtig zoo is gieten onnoodig. Is toevoeging van water, nadat de mest op bovengenoemde wijze ondergebracht is, noodzakelijk, zoo verdient begieten de voorkeur, omdat men minder kans loopt, dat er gaten komen om de pas aangehoogde plant, als plotseling een straal water er bij gegooid wordt.
In liet kort heeft men dus de volgende wenken in acht te nemen:
a. Kunstmest moet droog bewaard worden.
h. Kunstmest mag in 't algemeen niet met ascli gemengd worden.
c. Kunstmest en andere stoffen, die oen plantenvoedend bestanddeel bevatten, dat' niet direct door de plant opneembaar is of die dienen tot verbetering van den toestand van den bodem in 't algemeen, moeten te voren worden uitgestrooid en ondergewerkt (asch, Thomasphosphaat).
(/. Kunstmest, bevattend stikstof in den salpeter vorm moet plant voor plant gegeven worden, (kalisalpeter of een mengsel, waarin het voorkomt).
c. Kunstmest, op bodems gebruikt, waar omwerking minder gewenscht is, moet evenzoo plant voor plant gegeven worden.
â 159 â
Kunstmest, (behoudens de genoemde uitzonderingen) wordt het best kort voor het planten uitgestrooid en niet te diep l / 2 â 3 In voet ondergewerkt.
lt;/. Kunstmest, die plant voor plant wordt gegeven, wordt bij voorkeur droog om de plant gestrooid, ondergewerkt mot aarde en daarna wordt, zoo noodig, met water begoten.
Waar in hot bovenstaande werd aangegeven, hoe men zich zekerheid verschaffen kan, dat de verlangde ineststof' geleverd werd, en waar verder omtrent liet bewaren en de wijze, waarop de kunstmest voor de plant is aan te wenden, eenige opmerkingen werden gemaakt, rijst nu de vraag: âwelke moet de samenstelling en de hoeveelheid zijn van de te gebruiken kunstmest.quot;
üe beantwoording dezer vraag is thans nog niet mogelijk het aantal grondsoorten, waarop tabak geplant wordt, is groot; er zullen eerst meer gegevens dan tot dusverre het geval is, moeten verzameld worden, zoowel omtrent den grond als omtrent do daarop gegroeide tabak. Eerst daarna zal het mogelijk zijn te beoordeelen, of kunstmest noodig is, cn zoo Ja, welke en hoeveel.
Voorloopig gewenne men zich reeds aan liet idee, dat iu het algemeen aan kunstmeststoffen niet die groote waarde mag worden toegekend, die velen er aan hechten. Veeleer zijn de physische toestand van den bodem, het weder, en de juiste cultuur de hoofdfactoren en mOet kunstmest als een hulpmiddel beschouwd worden.
Du. A. vax Bijlert.
NOG EENS CITIIONELLA-OLIE.
De snollo toeneming van liet gebruik van citronella-olie in do parfumerie on zeepfabricage blijkt ten duklclijkste uit ile volgende cijfers, ontleend aan een artikel in do âDrogisten /eitungquot;. In 1880 was hot woreldverbruik 1,950.000 Eng. oneen. In 1890 was hot tot 14.560.000 gestegen en in 1894 bedroeg do uitvoer uit Ceylon 15.010.000 oneen en naar,men beweert, neemt het gebruik nog steeds too, zoodat do hoeveelheid van 1895 de grootste zal zijn tot nu too in do geschiedenis van het artikel opgetoekond. De met Citronolla-gras beplante oppervlakte op Ceylon moot omstreeks 10.000 acres groot zijn en hoowol eon grootor opbrengst dan ooit te voren verwacht wordt, is de prijs van de olie stijgende. {National Druggist 18!l(! No. 2.) /â .
Zou hot werkelijk onmogelijk zijn, dat Java, waar de Sereh ivangi zoo weelderig groeit, uit do bereiding dor olie op groote schaal voordooien trok, vraagt Kef'.
KERNHOUT VAN LOOFBOOMEN.
Mon geeft den naam kernhout {duramen au bols parfait) aan het centrale, donkergekleurde deel van den stam van sommige houtsoorten en wel speciaal van die houtsoorten, welke men volgens Mf.r in Frankrijk aanduidt met âbois dursquot;. Hot kernhout onderscheidt zich van rijphout en spint (te zamen naar hot schijnt door Mek mot den term âauhierquot; aangeduid) door hoogore technische waarde en door oen moer of minder donderbruine kleur. De bouw van kernhont verschilt in veel opzichten van hot spint en rijphout. liet kernhout bevat geen zetmeel meer, de hoeveelheid eiwitstoffen en asch is geringer on do samenstelling van de asch verschilt ; maar in hoof soul,- is het kernhout gekarakteriseerd doordat de celwanden (houtvezels, vaten enz.) sterk geimpregneerd zijn met tannine.
â 101 â
Voor liot niiorochemisch onderzoek bezigde Mbr do gewone tannine-roagentiën ijnerchlorido eu kaUumbichromaat.
Merkwaardig is hetgeen Meu nog mededeelt omtrent boomsoorten zonder (luidelijk waarneembaar kernhont.
Men meende namelijk dat sommige âessences a hois darquot; (zooals do beuk, haagbeuk, esch, ahorn) en vooral soorten zooals de linde on de populier, die men als âessences a hois tendrequot; samenvat, in het geheel geen kernhout (âduramenquot;) bezitten. Hot tegendeel is echter waar en een chemisch onderzoek op tannine leert bij al deze houtsoortert een duidelijk verschil kennen tusschen het centrale en peripherisehe stamgedeelte. Bovendien is liet eorsto gedeelte steeds, hoewel niet altijd oven duidelijk, donkorder gekleurd dan het laatste.
En dus bezitten volgons Mku alle loofhont-ioorten een meer of' minder gekarakteriseerd kernhout (âbeis parfait; duramenquot;).
(Comptes rendus, N0. 2, 18!)6).
A'.
In hot hollandseh noemt men soms het centrale hout kernhout als het opvallend donker gekleurd en rijphout, wanneer het nauw merkbaar donkerder gekleurd is; spint heet liet jongste peripherisehe houtgedeelte.
________ref.
BOOMEN-DAG IN JAPAN.
Wij hebben in dit tijdschrilt or reeds dikwijls op gewezen, welke achting men in verschillende lauden koestert voor boomen; welke moeite men doet om ze te kweeken, te verspreiden en te onderhouden. Hot groote nut, dat bootnon onder verschillende omstandigheden hebben, wordt hoe langer hoe tneer ingezien, zoo werd hier iil eenig'e malen gewag gemaakt van tien z. g. arbor day in Amerika, van een dergoljjken feestdag in Frankrijk enz.
Nu komt in onderstaand tijdschrift een opstel voor over âarbor dayquot; in Japan.
Het heeft allen schijn of de Japanners eene goede toekomst te gemoet gaan, het. ontbreekt hen niet aan energie; als land- maar meer nog als tuinbouwers hebben zij een goeden naam; de groote vereering. die zij voor de plantenwereld koesteren is bekend genoeg. Zjj willen nn ook een âarbor dayquot; stichten. De datum, waarop die zal gevierd worden, is nog niet vastgesteld, het zal zijn op den
VII 12
â I(i2 -
11⢠Februari, den jaardag der troonstieklimming van ilon eersten keizer van Japan, of op 11 April, don datum van den sterfdag vau genoemden keizer.
Men wil do zaak in Japan echter belangrijker maken dan in do Vereenigde Staten. Al de school-anti ritoiten zijn OTOreeng'eko-nien om de kinderen, zoowel jongens als meisjes in Japan, meer belang in te boezemen voor do âscientia amabilisquot; voor de studie der plantkunde.
Door do Japansche rogoering is aan do hoofden van scholen een uitvoerig programma gezonden, hoe die studie geleid moet worden; veel wonken voor het kweeken van planton worden daarin gegeven en zooveel mogelijk worden or bij iodere school kleine tuinen beschikbaar gestold, waarin leerlingen proeven van hunne bedrevenheid kunnen ail eggen, In dio tuintjes worden o.a. pépinières aangelegd van nuttige on fraaie boomen, dio dan later door do leerlingen op do er voor bestemde plaatsten uitgeplant worden, w.
{(lurdeners' Chronicle, No. 477, vol. XIX).
INLANDSCIIU MUülCIJNEN.
In onderstaand tijdschrift worden door den heer A. O. Vordorman, den verdienstelijken Inspecteur van den liurgerljjkon Gonooskundi-gen dienst, nu en dan eenige inlandsche geneesmiddelen besproken; zoo vind ik nu Fsidimn Guajava L., de hier overal welbekende,
(/juinboe hidji1.
Schrijver zegt, dat reeds lang een infuus van do djamboebla-deren en oen dococt van don wortel op Java bekend geweest is als een middel tegen diarrhea. Ook in Europa heeft men de bladeren beproefd en zo eene eerste plaats aangewezen onder do werkzame middelen tegen gastro-enteritis, vooral bij kinderen. Do sterkste brakingen en ontlastingon kwamen bij kinderen tot staan na hot gebruik van een infusum.
Er is in do djamboe bladeren tannine en een eigenaardige hars gevonden.
Caesalpinia Bonducella Flem.
Inlandsche benamingen, Klitji, Bat. Maleisch; .\fiita hiamj, Soen-daneesch; Koetoh of Kemroenggi, Javaansch; Tenfjloi', Madooreesch. Bij nagenoeg alle handelaren in Inlandsche medicijnen zijn de gedroogde zaden onder een der bovenvermelde namen te koop.
- 163 â
Kr bestaan tweo variëteiten dor plant, waarvan oeno, met golo zaden, zeldzaam aangetroffen wordt, doelt dozo is niet do hier bedoelde, wier zadon een lichtgrijze kleur bezitten. Deze zijn in Britsch-Indië in do PJiarmaeopoea opgenomen, hebben do grootte en den vorm van knikkers, doch zijn hier en daar ingedeukt of' afgeplat, /ij zijn steenhard en de grijze opperhuid is hij den navel van een klein bruinachtig vlekje voorzien, terwijl evenwijdig aan elkaar iets donkerder getinte strepen voorkomen, die loodrecht op do lengteas staan. De houtige zaadschil is dik en bestaat uit een buitenste laag en een liehtbruin binnenste. De zaadkern, die het eigenlijk gebruikelijke gedeelte uitmaakt, is wit en ligt in de oude vruchten los. Zij bestaat uit twee melige zaadlobben en een grooto radicula. De smaak is eerst als van boonen, doch spoedig doet zij zich als intens bitter kennen.
üe zaadlobben bevatten, behalve zetmeel en andere gewone be-standdeelen, 1.9 0 0 van een hitterstof en 25 0/0 vette olie. Do bitterstof, waarmode in Europa proeven zijn genomen met gunstig resultaat bjj intermitteerende koortsen, behoort niet tot de alcaloïdeu, zij lost in alcohol op, doch niet in water. Van daar dat een decoct niet aangewend wordt, doch wel het poeder dor zaden, dat vrij gemakkelijk te bereiden is, daar do droge zaadkernen gewoonlijk hard en broos zijn.
In Britscli-lndië worden do zaadkernen gepulveriseerd en met gelijke gewichtsdeelon poeder van zwarte peper gemengd. Dit mengsel stelt bol âpulvis bonducella compositusquot; daar, waarvan bij malaria-koortsen vooral aan inlanders met succes 3 maal daags 1 tot 2 gram gegeven wordt. Ook als tonicum bjj zwakte na malaria-koortsen zoude een alcoholische tinctuur, waarvan do dagelijks toe te dienen hoeveelheid de bestanddeelen van 1 gram zaad-kern bevat, voor volwassenen aan te bevolen zjjn.
Ipnmaea manimosa Chois.
Inlandsche benamingen: Bidara oppas of Widara oepüf; op .lava, Oehi soefoe in de Molukken, (volgens Miquel).
Komt op Java in de Vorstenlanden in gekweekten staat voor. Ook in de overige Residentiën van Java op erven van Europeanen, wordt do plant wel om de geneeskrachtige eiaonschappon der knollen, aangeplant, doch vrij zeldzaam. Op Bali schijnen do knollen, na toebereid te zijn, gegeten te worden. Ook in do Molukken is de plant ingevoerd.
â I(i2 -
11⢠Februari, den jaardag der troonstieklimming van ilon eersten keizer van Japan, of op 11 April, don datum van den sterfdag vau genoemden keizer.
Men wil do zaak in Japan echter belangrijker maken dan in do Vereenigde Staten. Al de school-anti ritoiten zijn OTOreeng'eko-nien om de kinderen, zoowel jongens als meisjes in Japan, meer belang in te boezemen voor do âscientia amabilisquot; voor de studie der plantkunde.
Door do Japansche rogoering is aan do hoofden van scholen een uitvoerig programma gezonden, hoe die studie geleid moet worden; veel wonken voor het kweeken van planton worden daarin gegeven en zooveel mogelijk worden or bij iodere school kleine tuinen beschikbaar gestold, waarin leerlingen proeven van hunne bedrevenheid kunnen ail eggen, In dio tuintjes worden o.a. pépinières aangelegd van nuttige on fraaie boomen, dio dan later door do leerlingen op do er voor bestemde plaatsten uitgeplant worden, w.
{(lurdeners' Chronicle, No. 477, vol. XIX).
INLANDSCIIU MUülCIJNEN.
In onderstaand tijdschrift worden door den heer A. O. Vordorman, den verdienstelijken Inspecteur van den liurgerljjkon Gonooskundi-gen dienst, nu en dan eenige inlandsche geneesmiddelen besproken; zoo vind ik nu Fsidimn Guajava L., de hier overal welbekende,
(/juinboe hidji1.
Schrijver zegt, dat reeds lang een infuus van do djamboebla-deren en oen dococt van don wortel op Java bekend geweest is als een middel tegen diarrhea. Ook in Europa heeft men de bladeren beproefd en zo eene eerste plaats aangewezen onder do werkzame middelen tegen gastro-enteritis, vooral bij kinderen. Do sterkste brakingen en ontlastingon kwamen bij kinderen tot staan na hot gebruik van een infusum.
Er is in do djamboe bladeren tannine en een eigenaardige hars gevonden.
Caesalpinia Bonducella Flem.
Inlandsche benamingen, Klitji, Bat. Maleisch; .\fiita hiamj, Soen-daneesch; Koetoh of Kemroenggi, Javaansch; Tenfjloi', Madooreesch. Bij nagenoeg alle handelaren in Inlandsche medicijnen zijn de gedroogde zaden onder een der bovenvermelde namen te koop.
- 163 â
Kr bestaan tweo variëteiten dor plant, waarvan oeno, met golo zaden, zeldzaam aangetroffen wordt, doelt dozo is niet do hier bedoelde, wier zadon een lichtgrijze kleur bezitten. Deze zijn in Britsch-Indië in do PJiarmaeopoea opgenomen, hebben do grootte en den vorm van knikkers, doch zijn hier en daar ingedeukt of' afgeplat, /ij zijn steenhard en de grijze opperhuid is hij den navel van een klein bruinachtig vlekje voorzien, terwijl evenwijdig aan elkaar iets donkerder getinte strepen voorkomen, die loodrecht op do lengteas staan. De houtige zaadschil is dik en bestaat uit een buitenste laag en een liehtbruin binnenste. De zaadkern, die het eigenlijk gebruikelijke gedeelte uitmaakt, is wit en ligt in de oude vruchten los. Zij bestaat uit twee melige zaadlobben en een grooto radicula. De smaak is eerst als van boonen, doch spoedig doet zij zich als intens bitter kennen.
üe zaadlobben bevatten, behalve zetmeel en andere gewone be-standdeelen, 1.9 0 0 van een hitterstof en 25 0/0 vette olie. Do bitterstof, waarmode in Europa proeven zijn genomen met gunstig resultaat bjj intermitteerende koortsen, behoort niet tot de alcaloïdeu, zij lost in alcohol op, doch niet in water. Van daar dat een decoct niet aangewend wordt, doch wel het poeder dor zaden, dat vrij gemakkelijk te bereiden is, daar do droge zaadkernen gewoonlijk hard en broos zijn.
In Britscli-lndië worden do zaadkernen gepulveriseerd en met gelijke gewichtsdeelon poeder van zwarte peper gemengd. Dit mengsel stelt bol âpulvis bonducella compositusquot; daar, waarvan bij malaria-koortsen vooral aan inlanders met succes 3 maal daags 1 tot 2 gram gegeven wordt. Ook als tonicum bjj zwakte na malaria-koortsen zoude een alcoholische tinctuur, waarvan do dagelijks toe te dienen hoeveelheid de bestanddeelen van 1 gram zaad-kern bevat, voor volwassenen aan te bevolen zjjn.
Ipnmaea manimosa Chois.
Inlandsche benamingen: Bidara oppas of Widara oepüf; op .lava, Oehi soefoe in de Molukken, (volgens Miquel).
Komt op Java in de Vorstenlanden in gekweekten staat voor. Ook in de overige Residentiën van Java op erven van Europeanen, wordt do plant wel om de geneeskrachtige eiaonschappon der knollen, aangeplant, doch vrij zeldzaam. Op Bali schijnen do knollen, na toebereid te zijn, gegeten te worden. Ook in do Molukken is de plant ingevoerd.
166 â
basis opgaande. Blaadjes kort .gestoeld, de onderste omgekeerd eivormig, do andere langwerpig, lancetvormig toegespitst, aan den rand een weinig omgeslagen, met duidelijke middennerf, doch weinig zichtbare zijnerven. De bloempjes zijn onaanzienlijk, okseistandig en geheel bedekt door de groote, groene, vleugelvortnige kelkbladen. Do wortel is dun, penvormig en vertakt, Bjj het versche kruid riekt zij sterk naar min jak yundopoero. Dit is bij meerdere Ja-vaansche Pulyyaluceae het geval.
IJet kruid wordt met wortel en al i» inf'usum dikwerf met goed gevolg als palliatief middel bij asthma gebruikt, terwijl het bij chronische bronchitis goede diensten bewijst. Men neemt daartoe 15 a 20 gram van hot versche kruid, snjjdt het klein en late hot op ^ liter kokend water in een kipsiau aftrokken. Deze hooveel-heid wordt als thee gedronken en in een dag opgebruikt. Do smaak is zwak aromatisch. to,
(Tijdschrift voor Inlandsche Geneeskundigen, No. 1, 1890).
EEN NIEUWE VARIÃTEIT VAN DJEROEK.
Een groot gedeelte der kusten van de Middellandsche zee leenen zich bij uitstek voor de cultuur van djeroeks. Ook in de Pransche koloniën in Noord-Afrika worden zij met succes gekweekt. Zoo is do beste aldaar gekweekte van Tanger afkomstig, hetgeen de naam âTangerinequot; waaronder zij plaatselijk bekend is. reeds aangeeft.
Deze Chinaasappel behoort tot de z.g. mandarijntjes; laatstgenoemde is eene variëteit van Citrus nohilis Lour, en nu zoude do z.g. Tangerine weer eene ondervariëtoit zijn van de mandarijn. In de âNatal Mercuryquot; geeft Hubard, een bekende autoriteit op dit gebied in Florida, waar zooals bekend is de djeroekcultuur in het groot gedreven wordt, deze bijzonderheid en nog meer over djeroeks ten beste. Hot feit echter, dat genoemde autoriteit do kleur der schil van do pompelmoes opgeeft als rood doet ons zijne opgaven wel wat wantrouwen Ik hob hier geen andere pompelmoes gezien dan de z. g Bataviasche, maar nooit bemerkte ik er een met een roode schil.
Hubard zegt dat zijne onderzoekingen er toe leiden dat alle gekweekte variëteiten van djeroek van vier soorten afstammen. Zco zoude de Cedratier de soort zijn, die op do andere veredelend gewerkt heeft. Een andere, do wilde citroen, Citrus niedica acida, wier vrucht de wrangste en zuurste van alle djeroeks
â 167 -
is, do ilordo, de z.g. mandarijn Citrus nohilis Lour, waarvan de schil losser om do vrucht zit; ook de schijfjes der vrucht kunnen gemakkelijk van otkaar gescheiden worden. Do vierde soort zoude dan do pompelmoes, Citms decumana zij n. Tusschen de mandarijn en de pompelmoes zoude dandez.g. âTangerinequot; staan. De roode schil van laatstgenoemde zoude zij aan de pompelmoes te danken hebben, Of deze opmerking juist is kunnen we daarlaten, wel is het een feit dat do z.g. âTangerinequot; de lekkersteen moest gozochtste d jeroek is, en dat het jammer is, dat wjj die variëteit hier niet bezitten. w.
{Revue Horticole, No. 4, 1890).
RAMI.
Het âBoston Journal of Commorcequot; wijdt een opstel aan do Rami
Het groote belang van de Rami-vezel voor de textiel-industrie blijkt uit do groote kapitalen van millioenen dollars, die besteed zijn om de Rami voor gebruik geschikt te maken. Voegt men hier nog bij do millioenen ponden sterling, die in Europa en in Oost-Indië voor hetzelfde doel aangewend zijn, dan blijkt hieruit dat men deze vezel wel als superieur beschouwt.
Do vezel is driemaal zoo sterk als Russische hennep, zij is lang en zijdeachtig, liet er van vervaardigde touw krimpt niet en schimmelt ook niet licht. Hot kan gemakkeljjk vermengd worden met wol of katoen en door vermenging met zijde krijgt men oen prachtig weefsel. Er zijn thans in Europa verscheiden fabrieken waar de vezel verwerkt wordt, o. a. twee ia Frankrijk, twee in Duitschland, één in Oostenrijk, één in Zwitserland en twee in Engeland. In Amerika is een maatschappij opgericht âthe United States Ramie Co.quot; met een kapitaal van 250.000 dollars voor het spinnen van de vezel. De beste der thans bestaande inrichtingen zijn die te Valabra in Frankrijk en te Enimendigen in Maden. De Valabra-spinnerij levert jaarlijks 150 ton garen af, meest fijne qualiteit, de fabriek wordt voortdurend uitgebreid. Eerst als het ruwe materiaal goedkooper wordt, kunnen er grovere zaken gemaakt worden, waarvoor reeds veel vraag begint to komen.
{Supplement Tropical Agi'ieulhtrht.) w.
Vol. VII, No. 8, 1895.
BEKNOPTE MBDBDEELINGRN UIT DE PRAKTIJK.
Met liet oo^' op ooii stuk over Liberia-koffiekultuur, dat in bo-werking is, zouden do lezers, die daartoe in de gelegenheid zijn de Redactie zeer verplichten met hot geven van een zoo volledig mogelijk antwoord op do volgende vragen:
a. Op welke hoogte liggen uwe tuinen, hoe groot is er do regenval (ook aantal regendagen op te geven) en welke is de grondsoort?
b. Op welke wijze is de grond voor den aanlog bewerkt; was het maagdelijke grond of reeds vroeger bebouwde en wat is erna het planten gedaan aan onderhoud, grondbewerking en bemesting. Is or ook kunstmest gebruikt en welke en in welke hoeveelheden?
c. Welke schaduwboomen zijn er geplant, zijn die in den grond gebracht vóór, togolijk met, of na do koltie. Hoe groot is de plant-wijdte der schaduwboomen ?
d. Is het Liberia-koffieznad mot of zonder hoornschil geplant en eerst op zaaibeddingen en daarna op kweekbeddingen overgespeend, dan wel direct op kweekbeddingen. Welke plantwjjdte is op de kweekbeddingen genomen ?
e. Zijn do planten met een kluit (poeterans) ot zonder deze (tjaboetans) in de tuinen geplant en waren er onder do jonge plantjes mot krommen of gekronkelden penwortol. Werd do pen-wortel vóór het planton afgesneden?
f. Hoe oud waren de plantjes toen ze in de tuinen werden overgebracht, welke hoogte hadden zij? Werden er andere gewassen tusschen geplant?
g. Hoe groot is de plantwijdte van de koffie in uwe tuinen; zijn de boomen getopt en zoo ja met welke resultaten?
h. Worden lt;io tuinen geheel zonder onkruid gehouden of gebruikt men hot opschietende onkruid voor groene bemesting?
i. Hoe groot is do opbrengst per bouw van tuinen van verschillenden leeftijd. Welken invloed heeft de plantwjjdte op de opbrengst.
J. Zijn er op uwe ( ndernoming ook aanplantingen van zoogcn. hybriden, dan wel van enten van âhybridenquot; op Liberia-onderstam ?
Ifoo zijn do resultaten dier aanplantingen?
k. Hebben bladziekte, djamoer oepas enz. of wel insecten schade aangericht? Is er iets tegen deze plagen gedaan?
Het zal overbodig zijn to zeggen, dat zoo de inzenders van antwoorden dit verlangen mochten, do namen dor ondernemingen van welke gegevens afkomstig zijn, niet genoemd zullen worden. De Red.
KIEM KR ACHT VAN ZAAD.
Een der belangrijkste perioden in het plantenleven is zeker de z.g. rustperiode van tiet zaad, dat is hot tijdperk, dat het zaad doorleeft van af' de rijping tot de kieming. Niet slechts voor ieder ontwikkeld menseh, voor den kruidkundige, maar meer nog voor den praktischen land- en tuinbouwer is die periode interessant. De invoer van verschillende planten hangt toch voor een groot deel af van den duur der kiemkracht van het zaad.
Keeds van af de vroegste tjjden is deze kwestie besproken, toch is zij nog bij lange na niet genoeg onderzocht en grooto serieën proeven door verschillende proefnemers op verschillende plaatsen onder allerlei omstandigheden genomen, zouden in staat zijn onze kennis in deze belangrijk te doen toenemen. Ik wil hier trachten mijne lezers kennis te doen maken met eenige dor belangrijkste van de reeds genomen proeven over de kiembaarheid van het zaad; al kan men er veel uit leeren, toch komt er echter ook de weinige kennis, die wij nog op dit gebied bezitten door uit.
Er is groot verschil in den tijd gedurende welke verschillende zaden het vermogen om te kiemen bewaren.
Zooals wij weten heeft het zaad zijn ontstaan te danken aan de bevruchting van het eitje door het stuifmeel. In rijpen toestand kan de kiem de geheele ruimte van het zaad innemen, zooals bjj do boon en vele anderen, of het is een klein lichaampje in het zaad, dat verder gevuld is met reservevoedsel, het kiemwit. In het eerste geval heeft de groeiende kiem, vcior de kieming of den eigenlijken groei van het jonge plantje reeds al het voedsel opgenomen en dat in de z.g. zaadlobben bewaard; terwijl in liet laatste geval, zooals bij het graan, de opname van het kiemwit eerst plaats heeft bij de kieming, dus tijdens VII. ' 13
â 170 â
den eersten groei van liet jonge plantje. Het plantje wordt dan niet die roservestottbn gevoed, totdat liare organen genoegzaam ontwikkeld zijn om zelf het benoodigde voedsel uit tie luclit en den bodem op te nemen.
Er zijn echter eenige z.g. levendbarende gewassen, waarvan het zaad reeds in de vrucht, die nog aan de plant bevestigd is, kiemen. Een voorbeeld hiervan geven de lihizophoren, die in do tropen aan liet strand groeien ; bij deze planten bestaat oene merkwaardige schikking naar de omstandigheden. Zoodra namelijk het eitje bevrucht is, groeit de kiem geregeld door; er is hier geen rustperiode, zooals bij de meeste andere zaden. In het oerate stadium worden de zaadlobben gevormd en is het worteltje door een klein puntje vertegenwoordigd; als de eerste, die zeer klein blijven, hunne normale ontwikkeling bereikt hebben, begint de laatste te groeien en neemt snel in omvang toe. In iedere vrucht bevindt zich slechts één zaad, waarvan het worteltje naar het ondereinde der vrucht groeit, weldra vindt het een uitweg en groeit uit in een dik spil vorniig lichaam, dat weinig op een wortel in den gewonen zin des woords gelijkt, het is vast en kan een aanzienlijke lengte bereiken; bij Rhizophora mucronata is het soms langer dan een voet. Als het zaad of hier hot jonge ])lantje met den krachtig ontwikkelden vreemdsoortigen wortel van de plant valt, zakt het ver in de modder, staat dus dadelijk vast en begint onmiddellijk door te groeien; terwijl de vrucht met do ledige zaadlobben aan den boom blijft hangen en verdrogen.
liet is nog een onverklaarbaar verschijnsel, waarom sommige zaden zoo uiteenloopend van vorm en inwendige structuur, als b.v. de boon en de graankorrel, nagenoeg even lang het vermogen om te kiemen blijven bewaren. Als hot zaad volkomen rijp is, zijn er zekere omstandigheden noodig om de slapende levenskracht op te wekken, de voornaamste factoren zijn vocht en warmte, zij werken niet mindere of meerdere snelheid op verschillende soorten van zaad. Er zijn zaden, die onder geen conditie langer dan een seizoen kiembaar blijven, en al de pogingen van belanghebbenden om dergelijke zaden kiemkrachtig naar ver verwijderde landen uit te voeren waren te vergeefs.
In Europa b. v. laat een eikenboom de eikels of do rijpe vruchten in het najaar vallen, de later afvallende bladeren bedekken de vruchten niet een beschermende laag, zoodat zij noch van te veel vorst noch van te sterke droogte te lijden hebben. Deze bladeren waaien op sommige plekken weg en komen daardoor op andere plaatsen te dik te liggen, in het eerste geval gaat de kiem verloren door vorst of droogte, in het tweede geval is te groote vochtigheid oorzaak van het bederf van het zaad.
Zoodra de omstandigheden gunstig zijn volgt bij de meeste zaden de kieming spoedig, or zijn er echter ook die het niet zoo snel doen, zoo b. v. de hagedoorn; do vruchten van deze plant bevatten normaal 3 a 5 zaadjes, die ieder in een harde beenachtige zelfstandigheid besloten zijn, zelfs onder de gunstigste omstandigheden zullen deze zaden niet binnen de twee jaar kiemen; het is meer dan waarschijnlijk, dat de oorzaak van dit verschjjnsel is toe te schrijven aan de harde wanden waardoor de zaden omgeven zijn.
Er is weinig noodig om een graankorrel te doen kiemen, cn juist dit zaad, dat volstrekt niet voorzien is van een bijzondere dikke zaadhuid, kan jaren lang het kiemvermogen bewaren.
De eerste voorwaarde voor liet bewaren van het kiemvermogen bij zaden is volmaakte rijpte. Onrijpe zaden kiemen dikwijls als zjj spoedig gezaaid worden vrij goed, men kan zo echter niet lang bewaren.
De gemakkelijkheid waarmede sommige zaden kiemen is dikwijls in hun nadeel; welke landbouwer heeft het als het gedurende den oogst zijner graanvruchten, zeer vochtig weelwas, niet tot zijne schade opgemerkt hoe de graankorrels nog in de halmen reeds kiemden, bij droogte heeft warmte of kou veel minder invloed op do zaden. Bij vruchten die zeer sappig vruchtvleesch hebben, komt het ook wel voor, dat de zaden in de vrucht beginnen te kiemen, b. v. bjj djeroeks.
Een eigenaardige wijze van bevruchting der bloem on rijpwording van het zaad heeft bij sommige waterplanten plaats, zoo handelt Vallisneria spiralis, een waterplant uit Italië, die
â 172 â
wij hier ook kweeken, al heel handig. De oenslachtigc bloemen ontwikkelen zich onder water, de vrouwelijke zijn geplaatst op zeer dunne, lange, in een spiraal opgerolde, stengels, die zich op het juiste moment ontrollen, zoodat de bloem aan de oppervlakte van het water komt, terzelfder tijd laten de mannelijke bloemen zicli los van hunne stengels en komen op het water drijven, waar dan de bevruchting plaats heeft; is deze geschiedt dan rollen zich de stengels der vrouwelijke bloemen weer op en de verdere ontwikkeling der vruchten heeft onder water plaatst. Ook de bloemen van verschillende andere waterplanten zooals Nymphaea's, komen boven water om te bloeien, na den bloei duiken zij weer onder en de vrucht komt onder water tot geheele ontwikkeling.
Het is bewezen, dat sommige zaden zeer lang in zeewater kunnen drijven zonder dat het kiem vermogen er door lijdt, o. a. van Convolvulaceeën enz. is bet aangetoond dat zij het wel een jaar lang kunnen uithouden, deze langdurige ondoordring-baarheid voor water verklaart de algemeene verspreiding van sommige kastplanten.
Er zijn zelfs zaden, die het kiem vermogen niet verliezen als zij een korten tijd in kokend water verblijven, dikwijls wordt dit paardemiddel bij zaden met steenharde schillen aangewend, om ze spoediger te doen kiemen; met succes geschiedt het hier mot de zaden vau Alhizzia mohcccana en anderen. In drogen toestand echter verdragen verscheidene zaden zonder nadeel een veel hoogere temperatuur. Zoo is het bewezen, dat zaden van zonnebloemen, peterselie, maanzaad, als zij goed droog zijn, gedurende 48 uur aan een temperatuur van 212° F. blootgesteld werden, zonder het kiemvermogen te verliezen; gedurende korten tjjd werd nog hooger temperatuur zonder nadeel verdragen. In 1877 werd op eene vergadering van de âLinncan Societyquot; een plantje vertoond uit zaad dat aan de intensieve koude van de Noordpool-expcditie van 1874 tot'76 blootgesteld geweest was. Wij dien dus, dat droge zaden vrij ongevoelig zijn voor warmte en kou.
Een voorname kwestie voor de praktijk is, hoe lang bewaren
â 173 â
zaden het kiemvormogen als zij behandeld worden, zooals zulks gewoonlijk in den handel ^escliiedt. Als regel verkiezen zaadhandelaren versch zaad, omdat daarvan een grooter percentage kiemt; hot vermengen van oud, overgohlovcji zaad mot het versche verraadt zicli zelf, door de onregelmatige kieming. Kr zijn echter verscheidene soorten zaad, dat, op de gewone wijze bewaard, 5 a 10 jaar goed kan blijven. Oud Balsamienen zaad heeft den naam meer dubbele bloemen te leveren dun versch; er zijn verscheidene kweekers, die beweren, dat men met oud komkommerzaad betere resultaten bereikt dan mot versch. Zooals reeds is medegedeeld zal goed rijp zaad langer goed blijven dan onrijp geoogst zaad, zoo houdt zich hot wortelzaad, dat in Frankrijk geteeld is langer tijd goed dan hot in Engeland gewonnene; de oorzaak is dat het klimaat in eerstgenoemd land zich beter eigent om het zaad goed rijp te doen worden.
Eigenaardig is 't ook hoe lang de zaden van eenigo soorten dennen en nog meer van sommige Proteaceeën in do vrucht besloten en met deze aan den boom kunnen blijven. Zoo vindt men in Noord-Amerika denneboomen met droge vruchten van verschillende jaren en slechts onder den invloed van buitengewone droogte of van boschbranden, openen zich de vruchten en laten het oude, doch goed kiembare zaad vallen; zoo meent men te kunnen constatoeren, dat er ongeopende vruchten zijn, die reeds 30 jaren aan den boom zitten. De bovengenoemde Proteaceeën maken het nog erger, daar zijn soorten onder, wier droge vruchten zich niet openen vóór de boom van ouderdom omvalt, zoodat éénzelfde boom, versch zaad en zaad van een halve eeuw oud kan dragen.
De kieming van de meer dan 3000 jarige tarwe uit de pyramiden van Egypte wordt betwijfeld, toch is het zeker dat sommige zaden hun kiemkracht buitengewoon lang kunnen bewaren, ieder schrijver op dit gebied noemt tal van voorbeelden op, zoo beweert men dat tuinboonen uit een herbarium van Tournefort kiemden, na minstens honderd jaar bewaard te zijn. Zaden van ons kruidje-roer-mij-niet, Mimosa pudica kiemden in den âJardiu des plantesquot; te Parijs, na 60 jaar op
â 174 â
do gewone wij zo bewaard to zjjn. Een lange lijst van zaden kan gegeven worden, die onder gewone omstandigheden 25 a 30 jaar bewaard bleven en hun levenskracht behielden. Als dit zoo is, dan is hot ook begrijpelijk dat zaden, dio diop onder de aarde begraven zijn en daar waar het niet vochtig is en waar zij zich buiten attnospherische invloeden bevinden, de kiemkracht nog veel langer kunnen behouden. Hot feit, dat op eens, na het graven van diepe kuilen, planten te voorschijn kwamen dio te voren in do streek onbekend waren, wijst op deze eigenaardigheid. Hetzelfde geschiedt soms als or veel dieper dan gewoonlijk geploegd wordt. Een vertrouwbaar schrijver zooals Lindley verhaalt, dat hij frambozenplanten gekweekt had, uit zaad, dat gevonden was in de maag van oen man wiens lijk 30 voet onder do aarde opgedolven was, te oordeelen naar de er bij gevonden voorwerpen moest dit zaad 1600 a 1700 jaar oud zijn.
Sprak ik er boven reeds over, dat men ook uit onrijp zaad planten kan kweeken, zeer interessante mededeeling over dit onderwerp kan men vinden in de Sept. en Oct. nornmers van do âAmerican agriculturistquot; van het vorige jaar. J. C. Arthur heeft alles verzameld wat over dit onderwerp al gepubliceerd is, en dat is niet gering, want Theophrastus, (300 jaar voor het begin onzer jaartelling,) wist reeds dat onrijp zaad kan kiemen.
Om ons slechts bij de jongeren to bepalen, kunnen we Duhamel noemen, dio iu 17(i0 reeds proeven nam omtrent het kiemen van onrijp zaad met de els en de walnoot, Sennebier in 1800 met erwten en Seyft'ier in 1822. De laatste verkreeg uit nog geheel groene jonge zaden van Sophora japonica 200 jonge plantjes. Eon grondiger onderzoek had door Cohn in 1847 plaats, het werd gepubliceerd onder den titel van âSymbola ad seminis l'hysiologiamquot;, van meer dan twintig verschillende plantensoorten, werden de zaden in verschillende stadiën van rijpheid gezaaid.
in Maart 1884 zaaide Gotl' in kistjes, in de serre, zaad uit van tomaten, een deel van het zaad was afkomstig van vruchten.
I
die liet vorige jaar nog geheel groen geoogst waren, er kiemde slechts 2 0/0 van, van de tweede partij, van vruchten, die de groene kleur begonnen te verliezen maar nog niet rood waren ontkiemde 28 0/o, terwijl van vruchten die geheel rood waren l00o/o kiemde. Nolibc oogste zaad van de gewone den, P/cm rulf/aris, van het midden van Juni tot 1 November en wel op den l⢠en den 15⢠van iedere maand. Hij zaade dit zaad in Januari in zijn laboratorium, van het zaad verzameld in Juni kiemde geen korrel, van dat in Juli, 15 0/o, 40 0/0 van het Augustuszaad, 75 o/0 van het September zaad, en 88 o/0 van het in November geoogste, slechts het laatste was geheel rijp.
Ofschoon zooals wij dus gezien hebben, onrijp zaad kan kiemen, is het een wel bewezen feit, dat de er uit ontstane planten zwak zijn. Hoewel verscheidene zaadjes kiemen, verdwijnen dikwijls al heel wat plantjes vóór zij boven de aarde gekomen zijn, de kieming gaat ook langzamer dan bij goed rijp zaad. Van nog groen tarwezaad ontkiemden op den 11a(!quot; dag na de zaaing 12quot;/0, van zaad dat geel begon te worden kiemde terzelfder tijd 19quot;/o cn van geheel rjjp 25 0/o. Tegenspoeden kunnen de plantjes uit onrijp zaad ook niet verdragen, in alle gevalle veel minder dan die uit rijp zaad verkregen; zoo bleek het dat van plantjes uit onrijp tomatenzaad gekweekt, *5 0/(1 stierven, die de zaadlobben reeds ontvouwd hadden, maar het derde blaadje niet te voorschijn konden brengen. Nagenoeg dezelfde resultaten verkreeg Wollny met zaad uvan eenige grassoorten.
Ook later herstellen de planten, uit onrijp zaad geteeld, zich niet geheel en ofschoon het niet zoo duidelijk aan de planten te zien was, bleek het als hun gewicht met dat van planton uit rijp zaad gekweekt vergeleken werd, dat zij zich niet hersteld hadden. Zoo gaven planten van tomaten, uit onrijp zaad gekweekt, vruchten van 17.5 Gr., uit halfrijp zaad vruchten van 17.9 Gr. en uit rijp zaad gekweekte planten, gaven vruchten, die gemiddeld 19.4 Gr. wogen.
Uit tal van proeven kan worden afgeleid, dat planten uit onrijp zaad gekweekt, zich niet zoo krachtig ontwikkelen en
â 176 â
dat de reproductie-organen zich in vergelijking met de vegotatie-organen krachtiger ontwikkelen. Ook de laatste stelling is door cijfers bewezen, zoo leverden planten van tomaten uit onrijp zaad geteeld op l a'bladeren, stengels on wortels 3 l/i ft* vruchten, terwijl de verhouding der planten van rijpe tomaten-zaden terzelfder tijd en onder dezelfde omstandigheden gezaaid, een geiieel andere verhouding aangaven, op 1 n: bladeren enz. kwam slechts P/g tfi vruchten. Er worden dus uit de planten, gekweekt van onrijpe zaden meer vruchten verkregen, zjj zijn echter evenals de zaden kleiner dan die van normale planten.
Een ander verschijnsel is, dat do planten uit onrijp zaad gekweekt vroeger, d. i. in korter tijd vruchten dragen, in verschillende Jaren droegen zij van 10 dagen tot 4 weken eerder vrucht dan normale planten. Van deze eigenschap kan door kweekers voor sommige planten in Europa wellicht partij getrokken worden; vruchten, die op een tijd rijpen als er nog weinig zijn, worden natuurlijk altijd goed betaald.
De resultaten van het gebruik van onrijp zaad worden als volgt samengevat; er is dikwijls een aanzienlijk verlies, omdat een kleiner percentage kiemt en een nog grooter aantal verloren gaat, daar de plantjes zwak zijn en al worden zij ook nog zoo goed verzorgd, nooit brengen ze het tot krachtige exemplaren. De reproductie-organen groeien in evenredigheid van de vegetatieve organen, veel krachtiger dan bij normale planten, daarom brengen zij meer en vroeger vruchten voort dan laatstgenoemde.
liet is een bekend feit, dat zich bij planten, gekweekt uit zeer oude zaden, dergelijke verschijnselen voordoen. Zoo is het bij tuinlieden ia Europa bekend dat versch zaad van meloenen aan planten het aanzijn geeft, die veel mannelijke bloemen dragen, terwijl uit oud zaad, planten gekweekt worden die meer vrouwelijke bloemen dus dientengevolge meer vruchten dragen, en waarvan de vegetatie-organen, blad en stengels zich minder krachtig ontwikkelen. Triewald, kreeg van 24 meloenzaden, die 41 jaar oud waren, 22 planten, de stengels
â 177 -
waren zwak, zij brachten echter voel en ^ootle vruchten voort.
Ook liet niet zoo snel kiemen van oude zaden is bekend, hiermede /-ijn tal van proeven genomen.
Een, zoover ik weet nog niet goed verklaard, feit doet zich bij de cultuur van Hedysarum coronarium voor. Het is een plant die in Algiers en in sommige andere Middelandsche zeelanden voor veevoeder aangeplant wordt. Er zijn ervaren planters, die do inecning verkondigen, dat de landbouw aldaar niet zonder de cultuur van genoemde plant kan bestaan, omdat geen ander voedergewas zoo goed tegen de droogte kan, waarvan men in die streken veel te lijden heeft.
In den jaargang van 1894 van dit tijdschrift komt er op pagina (588 een referaat over voor; in Algiers kon men met de cultuur van âsullaquot; niet goed overweg, omdat liet zaad zoo onregelmatig kiemde en men dientengevolge nooit een goed gesloten aanplant kreeg. Toch was liet geheim, om de plant regelmatig te doen kiemen, reeds eeuwen hekend in streken niet zoo ver van Algiers verwijderd. Do bewoners van Malta leerden van hunne Arabische voorouders de sulia-cultuur. Het zaad der sulla kiemt, zooals Josef in de dagen der Pharao's, reeds wist, eerst regelmatig als liet oud is, men zaait het niet voordat hot minstens twee jaren oud is, ook is het noodzakelijk de zaden lang aan de zon bloot te stellen. Dit is de oplossing van het lang bewaarde geheim, waarnaar de Algiersche landbouwers zoo lang zochten, en dat bij de oude Egyptenaren reeds bekend was. Het is daarom niet te verwonderen, dat de Franschea in Algiers, die altijd versch zaad zaaiden niet slaagden. Kort na de zaaiing onkiemden eenige korrels, eenige maanden later weer anderen, zoo ging het door, maar een regelmatigen aanplant kregen zij niet.
Uit het boven medegedeelde blijkt hoe weinig wij nog van het latente leven van het zaad weten, hoewel toch het zaad, het belangrijkste middel is voor de vermenigvuldiging onzer cultuurgewassen.
W.
OVER DE TEELT VAN DRUIVEN.
Do druif, Vitis vinifera L., is een gewas, dat met, ecnige zorg, in [ndië wel geteeld kan worden.
Ãm druiven te telen begint men eerst den grond diep om te werken en daarna niet verteerden compost-mest te vermengen.
Dan wordt eene plankensclmtting gemaakt, die niet veel hooger mag zijn dan 1 ' 3, hoogstens 4 M.; door het aanbrengen van hoogere schuttingen zoude men liet onderhoud der planten en het oogsten onnoodig bemoeielijken. Voor het maken dezer schutting zouden ook mot succes latten gebruikt kunnen worden, ik geef' echter de voorkeur aan planken, omdat de laatste den wind moer togeuliouden en de plant er gemakkelijker langs geleid kan worden. (1) De lengte van de seimtting hangt natuurlijk af van het aantal planten dat men er tegen op wensclit te leiden.
Indien men na de genoemde voorbereidende maatregelen, de plantjes voor de schutting plant, zullen zij spoedig doorgroeien, de krachtigste loot leidt men loodrecht naar boven terwijl de overigen weggesneden worden. De loot die er aan blijft wordt aan in de planken geslagen spijkers gebonden, men gebruike hiervoor zacht band b. v. Kaphia bast, gedebog pisang of andere dergelijke; rami of ander touw is te scherp en mag niet aangewend worden; men moet nooit te stjjf binden daar de groei hierdoor belemmerd wordt, ook is het boter onder een oog te binden dan er boven of erop. In den jeugdigen leeftijd moet do plant krachtig doorgroeien, indien het niet dagelijks regent, begiete men liaar, terwijl het soms noodig kan zijn de plantjes midden op den dag eenigszins tegen de zon te beschutten, dit laatste is zoodra het plantje krachtig doorgroeit niet meer noodig.
(1) Waarschijnlijk is in Indië eene latten scliutting beter, daar de planten het tegen de planken wat al te warm zouden krijgen. Red,
â 179 â
Den loodrechten stengel, die voor stam moet dienen, laat men doorgroeien tot hij boven aan de schutting komt, al wat daar boven uit komt wordt weggesneden. Bij normalen groei zullen nu in de oksels die de bladeren met den stam maken, takken ontstaan, deze moeten horizontaal langs de schutting geleid worden, terwijl men zorgt bij eiken snoei op vijf oogen te toppen. Toppen en insnijden moet altijd vlak boven een oog geschieden ; te oude takken worden weggesneden om voor jongere plaats te maken. De ranken, die geen bloemknop dragen neemt men zorgvuldig weg; van ranken waar twee bloemtrossen aankomen moet er één weggenomen worden. Heeft de bevruchting plaats gehad en hebben de vruchtjes zich gezet, dan gaat men over tot het uitdunnen, met een schaar snijdt men voorzichtig waar zij te dicht bij elkaar zitten conige vruchtjes weg, waardoor de overigen plaats krijgen en zich beter te ontwikkelen. Men kan dit uitdunnen der vruchtjes niet aan inlanders overlaten, liet moet met eenig overleg geschieden, daar in de tros geen ledige plekken mogen voorkomen.
Een andere methode is, als men in plaats van de opgaande stam een liggende stam kweekt Men leidt dan do eerste krachtige loot horizontaal langs de schutting en snijdt de overige loten weg. Bij iederen snoei, snijdt men den liggenden stam op 4 a 7 oogen in. De takken, die aan genoemden stam ontstaan, leidt men loodrecht naar boven en snoeit ze, de krachtige op 4 a 5 oogen, de zwakke op 2 a 3 oogen. Ontwikkelen zich takken aan den onderkant der stam, dan dienen deze weggenomen te worden. Op vierjarigen leeftijd worden de loodrechte takken weggesneden. Het is niet wenschehjk de eeno tak over den ander te binden, beter is het als de schutting te vol raakt er weg te snijden. Do loten, die boven de schutting uitgroeien, snijdt men af, evenzoo de takjes, die geen vrucht dragen, ook de z. g. dieven, de takjes in de bladoksels, moeten voortdurend weggenomen worden.
De loten, die uit den stam ontstaan dienen als leitakken, komen er echter twee of drie uit een punt dan mag er
â 180 â
maar een, en wel do krachtigste, blijven doorgroeien, de overige moeten weggenomen worden.
De wijnstok kan door stek en door afleggers vermeerderd worden; stekken worden genomen van de krachtigste takken en moeten op 4 ü 5 oogen gesneden worden, in een pot of bak gevuld met zand gestekt en dan in de scliaduw liefst onder ijlas geplaatst worden. Afleggers verkrijgt men door een of meer der loten om te buigen, op de bocht een reepje der bast weg te nemen en lien daarna in den grond te leggen. Zoodra de loot beworteld is, snijdt men hem van den stam af.
Bemesting met bloed, chilisalpeter of asch, van plantendeelen afkomstig, is nuttig. Tegen ziekten, door schimmels of insekten ontstaan, beschermt men de plant het beste, door stam en takken met kalk en bloem van zwavel te bestrijken.
Gf. Otïenhoff Jk.
DE STIKSTOF-VOEDING VAN KOFFIE EN ANDERE PLANTEN 1).
De onderzoekingen van de laatste jaren hebben aangetoond, dat van een aantal planten, tot de meest verschillende groepen behoorende, de wortels in symbiose leven met bepaalde soorten van schimmels. J [ieronder verstaat men, dat do myeeliumdraden dier schimmels en de wortels dor bedoelde planten in zóó innige verbinding met elkander treden, dat zij als het ware één geheel gaan vormen, zoodat zij niet dan bij mikroskopisch onderzoek van elkander te onderkennen zijn. Hebben zij zich op zoodanige wijze vereenigd, dan bljjven zij met elkander voortleven, waarbij beide, elk blijkbaar op hunne wijze, partij trekken van do gemeenschap welke zij aangingen.
Onze kennis omtrent deze symbiotisch levende wortels hadden wij tot nu toe, wat de hoofdzaken betreft ten minste, te danken aan de onderzoekingen van Prof. Frank te Berlijn. In een der voorgaande jaargangen van dit tijdschrift gaf ik reeds een overzicht van de resultaten welke het onderzoek van dezen geleerde tot op dat oogenblik hadden opgeleverd. 2).
De hierbedoelde wortels, aan welke Prof. Frank den naam gat van âmijcorhizaquot;, hetgeen beteekent: âschimmelwortelquot;, konden tot twee typen teruggebracht worden. Prof. Frank onderscheidde ze daarom in âectotrophequot; en in âendotrophe rnycofhizaquot; naar gelang de schimmel buiten om, dan wel binnen
1) Dit onderwerp werd onlangs door mij behandeld in een voordracht, gehouden in de Vergadering van de SoekaVioemische Landbouw-Veroeni-ging van 20 Maart 1896.
2) «Hoe voeden do jilanton zich mét humus?quot;, Teysmannia, 1803, Dl, IV, blz. 120-105; met 1 plaat.
â 182 â
in don wortel woonde. In liet boveu aangehaalde opstel vindt men (blz. l;57 en 1154) een meer uitvoerige beschrijving van de kenmerken en eigenaardigheden dier beide vormen.
De beteekenis en functie dezer veranderde wortels, waarover in dat opstel eveneens gesproken wordt (blz, 157), zoomede de experimenteele bewijzen, welke daarmede in verband staan (2() blz. 160), hebben daarentegen bijna uitsluitend betrekking op de ectotrophe mycorhiza, daar de endotrophe-vormen toen nog niet voldoende onderzocht waren.
In het naschrift (blz. 1 64) had ik nog de gelegenheid te vermelden, dat de bedoelde symbiose der wortels met schimmels ook hier in de tropen niet gemist wordt, daar ik ze hier bij verschillende pbinten had wuargonomen.
Kctotropbe mycorhiza vond ik toen nl. bjj Qnercus (jxtsmig) en Castanopm (saninfen) afkomstig uit het oerwoud van Tji-bodas 1), terwijl endotrophe mycorhiza's o.a. aangetroffen worden bij Podocai-pus (kipoetri), bij Liquidatnhar (rammnla) en ook bij koffie 2).
Het voortgezet onderzoek van de weinige, toen verzamelde wortels, waarbjj uitsluitend de endotrophe vormen in aanmerking kwamen omdat deze nog minder goed bekend waren, leverde allerlei nieuwe en naar mij toescheen belangrijke feiten op, zoo dat ik besloot deze studie voort te zetten en tot een groot aantal der meest verschillende planten uit te breiden. Ik ontleende die voor het grootste deel wederom aan het oerwoud van Tjibodas, ten einde zeker te zijn, dat de onderzochte wortels zich onder de meest normale omstandigheden ontwikkeld hadden.
liet mikroskopisch onderzoek van deze deelen is thans geëindigd; de resultaten daarvan worden dezer dagen in de âAnnalcs du Jardin Botanique de Huitenzorgquot; gepubliceerd.
1) Later vond ik zo ook aan de wortels van diezelfde boomsoorten, welke stonden op een erfpaehtsperceel in de Preanger Regentschappen, zoodat zij. evenals in Europa, ook lüer zeer algemeen blijken voor te komen.
2) De mededeeling aldaar, dat oude ras«waZa-wortels veranderd zouden zijn in ectotrophe mycorhiza 's is gebleken te berusten op een vergissing, bij het verzamelen van het onderzoekingsmateriaal begaan.
â 18:5 â
Overeenkomstig do strekking van deze Aanalos, draagt dat opstol oen geheel wetenscliappelijk karakter.
Aangezien echter de conclusies, waartoe het onderzoek leidde, in verband gebracht kunneu worden met verschillende, voor de praktijk belangrijke, vraagstukken zoo heb ik gemeend don lezers van Teysmannia geen ondienst to bewijzen, mot dit onderwerp ook hier te bespreken. Een korte beschrijving van de voornaamste eigenaardigheden van de in symbiose levende schimmel, en een vergelijking van deze gevallen van symbiose met andere meer bekende, wensch ik voorat' te laten gaan, ten einde daardoor aan te toonen hoe ik tot mijne conclusie gekomen ben en in hoeverre die aanspraak op waarschijnlijkheid kan maken.
Bjj de bespreking van de endotrophe mycorhiza zal ik dezen naam echter niet meer gebruiken, omdat hij mij, om verschillende redenen, welke ik hier niet nader uiteen zal zetten, ondoelmatig voorkomt. Ik zal liever spreken van de schimmel die in de wortels leeft, of van de endophytisch (d.i binnen in een plant) levende schimmel, of kortweg van den âendophytquot;.
Gaan wij nu eerst na hoe de bewuste schimmel leeft en hoe zij zich gedraagt tegenover de plant, die zjj bewoont.
In hoofdtrekken is hare levensgeschiedenis naar alle waarschijnlijkheid de volgende:
Alvorens iu de wortels binnen te dringen leeft de endophyt gedurende eenigen, misschien maar zeer korten tjjd, vrij in den grond, terwijl zij zich dan blijkbaar voedt met de organische be-standdeelen, vooral humus, welke zich in den bodem bevinden. De schimmeldraden verspreiden zich in alle richtingen door den grond en ontmoeten dan veelvuldig de jonge zuigwortels van de op die plaats groeiende planten. Komen zjj met zulk een worteltje» behoorende tot een voor hen geschikte plant, in aanraking, dan kruipen zij een eind weegs over diens oppervlakte heen, waarbij zjj zich nu en dan vertakken, om zich ten slotte in het weefsel dei-wortels te begeven. Die schimmeldraden dringen dan dwars door de opperhuidscellen heen, zetten vervolgens hun weg naar binnen
â 184 â
door het bastweefsel voort, maar houden daarmede op zoodra zij den vaatbundel bereikt hebben.
Men vindt den endophyt dus nergens anders dan in liet bastweefsel der jonge worteltjes.
Het is hem blijkbaar echter verre vau onverschillig in welk deel van den bast hij zich ontwikkelt, daar hij aau 'Ie inwendige lagen duidelijk de voorkeur geeft: de draden passeeren toch zoo spoedig mogelijk de buitenste gedeelten van dat weefsel en breiden zich eerst dan in de lengte zoowel als in de breedte uit, wanneer zij de binnenste cellagen bereikt hebben. In de buitenste cellen vormen zij slechts een enkele bocht of lus, maar in de binnenste lagen aangekomen, vertakken zij zich zóó herhaaldelijk, dat spoedig de cel geheel en al opgevuld is met een kluwen van fijne draden. De oorspronkelijke inhoud dier cellen is dan veelal niet meer te herkennen, maar toch zijn zij, nog volkomen levend. Die dunste draden welke do binnenste cellen opvullen, brengen ten slotte kleine blaasjes voort (de kleinste, die ik waarnam, waren niet grooter dan 1 /400 mM.), die, als zij rijp zijn, een aantal zeer fijne korreltjes inhouden, welke zich ten slotte vrijiiialven van de wand die hen omsloten hield, en zich in do celholte verspreiden.
Oorspronkelijk bevatten deze fijne korreltjes hoofdzakelijk eiwitstoffen, welke later daaruit verdwijnen, en blijkbaar dooide voedsterplant opgenomen worden.
Leefde de schimmel, toen zij zich uitsluitend in den bodem ontwikkelde, van de humusachtige stoffen daar aanwezig, nadat zij in de wortels binnengedrongen is, leeft zij hoofdzakelijk van het zetmeel, dat de plant haar aanbiedt en neemt zij geen voedsel meer uit den bodem op.
De levensduur van de schimmel is beperkt, doch niet zoozeer door haarzelve, maar veeleer als gevolg van de eigenschap van het weefsel waarin zij leeft; de bast der jonge znigwortels toch loeft ook slechts betrekkelijk korten tijd. De reden daarvan is tweeërlei. De meeste zuigworteltjes toch functioneeren slechts eenigen tijd en sterven daarna in hun geheel af, zonder dat zij dus iets toebrengen aan de blijvende uitbreiding van hot wor-
tel stelsel. Van het andere (kleinste) deel dezer zuigworteis, dat later houtig wordt en juist de uitbreiding van hot wortelstelsel bezorgt, blijft van elk der worteltjes wel het centrale deel over, dus do vaatbundel, maar ook van dezen gaat de bast te gronde; de oorzaak daarvan is, dat de bast der dikkere wortels zijn oorsprong neemt aan den buitenrand van den vaatbundel, dus binnen in en geheel afscheiden van den primairen bast der zuig worteltjes, zoodat dat weefsel in haar geheel sterft en afgestootcn wordt zoodra do secundaire verdikking, of wat hetzelfde is, het houtig worden der wortels een aanvang neemt. Hieruit ziet men dus, dat do schimmel, die in een bepaald deel van een worteltje ingedrongen is, reeds na betrekkelijk korten tijd moet te gronde gaan, omdat het weefsel waarin zjj zich nestelde sterft, zoodat, en dat is een gewichtig punt voor de praktijk, de jonge worteltjes van een plant elk oogenblik weer op verschillende plaatsen van buiten af geïnfecteerd moeten worden door de schimmel, daar de wortels zich anders spoedig geheel van haar bevrijd zouden hebben.
Wanneer de schimmel, met het bastweefsel waarin zij zich bevindt, afgestootcn wordt, sterft zij wel voor het grootste deel maar niet geheel en al af. In de meer uitwendige lagen van dat weefsel toch had zij reeds te voren een soort van sporen (cysten) gevormd, welke veel voedingsstoffen bevatten en een dikken wand hebben; deze zijn bestemd om het voortbestaan van de schimmel te verzekeren. Deze kiemen namelijk later, en de myceliumdraden, welke zich daarbij ontwikkelen, dienen weer tot infectie van nieuwe haarworteltjes.
In de wortels van een groot aantal planten heb ik naar den endophyt gezocht. In ongeveer 75 van de 80 werd deze schimmel aangetroffen. Al het onderzoekingsmateriaal werd ontleend aan planten, welke op hun normale standplaats groeiden.
De onderzochte planten waren varens, kruidachtige planten, klimplanten en boomen ; de wortels van deze hiat-sten, 49 in aantal, waren steeds alle bewoond door den endophyt.
â 186 â
Tot de onderzochte boomen behoorde ook de koffie, welke ook reeds inliet boven aangehaalde opstel genoemd werd. Later heb ik iiiijne onderzoekingen voornamelijk met koffie voortgezet; verschillende oorzaken brachten mij tot die keuze, onder andere liet groote belang, dat de koffie als cultuurplant voor J avii heeft.
Bij al deze onderzochte planten bleek de schimmel slechts in de inwendige lagen van het bastweefsel voor te komen, op de wijze zooals het hierboven beschreven werd.
Slechts bij Vaccinium en Rhododendron, werd zij alleen in de opperhuidscellen der wortels aangetroffen, evenals Prof'. Prank hot voor dezelfde geslachten vond, zooals in het vorige opstel (blz. 144) beschreven werd. Deze planten maken dus een uitzondering, de eenig waargenomcne, op den bovengestelden regel, dat de schimmel zich steeds in de inwendige lagen van het bastweefsel vestigt, doch deze uitzondering wordt voldoende verklaard door den veel eenvoudiger bouw van het bastweefsel dezer worteltjes.
Hoewel er nog geen onderzoek ingesteld werd naar het voorkomen van de hierbedoelde schimmel in andere doelen van Java, zoo mag toch wel aangenomen worden, dat de onderzochte planten zich elders niet veel anders gedragen zullen dan in het oerwoud van Tjibodas. Slechts van de koffie kan ik echter mededeelen, dat men de wortels, bewoond door den endoplyt over geheel Java vindt; de aanleiding, die het mogelijk maakte dit zonder mikroskopisch onderzoek te constateeren, berust op het volgende:
Wij hebben er reeds op gewezen, dat de schimmel in de bastcellen der worteltjes voorkomt en dat zij met deze voortleven, totdat de jonge bast op geheel normale wijze afgeworpen wordt.
In verreweg de meeste andere gevallen waarin zich een schimmel in het weefsel eener levende plant nestelt, heeft dit den dood der cellen tengevolge, omdat zij zich ten koste van de daar aanwezige voedingsstoffen ontwikkelt, en dus als parasiet leeft. Niet alzoo echter bij den endophyt, daar zelfs die cellen, welke zoo goed als geheel gevuld zijn met mycelium-
draden, even hiug in het leven blijven als de naburige, niet bewoonde cellen Dit is des te merkwaardiger omdat ook de endophyt, evenals Je parasietisehe schimmels, leeft van het voedsel en meer bepaald van liet zetmeel, dat in het bast-weef'sel aangetroffen wordt.
15ij alle onderzochte planten verdwijnt dit zetmeel onder den invloed van den endophyt, zonder dat men verder eenige verandering in de cellen waarneemt.
De koffie, maakt echter een uitzondering. Hjj deze plant treedt in elke cel welke door den endophyt bewoond is, en als het ware in de de plaats van het zetmeel, een geel gekeurde kogel op, welken men nergens elders vindt en welke dus kenmerkend is voor de door die schimmel bewoonde cellen. Deze kogels nu zijn de oorzaak, dat men in de koffiewortels op een uiterst eenvoudige wijze de door den endophyt geïnfecteerde plaatsen kan opsporen. Wanneer men nu mei ijk lovende worteltjes brengt in een oplossing van bijtende potasch, dan ziet men na enkele secunden donkerroode gedeelten en vlekjes optreden; het is op deze plaatsen, maar ook uitsluitend op deze, dat de endophyt zich in het inwendige bastweefsel genesteld heeft; de verkleuring wordt veroorzaakt doordat de bedoelde gele kogels met een donkerroode kleur in die vloeistof oplossen. In een oplossing van bijtende potasch bezit men dus een middel waardoor men gemakkelijk en voor liet bloote oog zichtbaar kan aantoonen welke gedeelten der koffieworteltjes, maar ook de worteltjes van koffie alléén, door den endophyt bewoond zijn.
Naar aanleiding hiervan had Dr. van Romburgh, bij zijn bezoek aan de Gouvernements-koffietuinen in Oost-Java, de welwillendheid voor mij na te gaan of de koffiewortels aldaar bij gebruik dier oplossing hetzelfde vertoonden als in West-Java. Het resultaat beantwoordde aan de verwachting, want overal bleken die worteltjes, bij behandeling met bijtende potasch, roode vlekken te krijgen.
Wij zagen boven, dat de schimmel bij hot doordringen in het levende wortelweefsel, aldaar blijkbaar bescherming zoekt tegen den eenen of' anderen voor haar minder gunstigen invloed
â 188 â
welke deze is, zullen wij later zien. De schimmel voedt zich in don wortel met het aldaar aanwezige zetmeel, tengevolge waarvan de plant dus een niet onbelangrijk verlies aan voedingsstoffen lijdt. Wanneer men nu echter ziet, dat de wortels desniettegenstaande niet alleen geen schade daarvan ondervinden, maar dat zij integendeel voortgaan niet zich krachtig te ontwikkelen, zoo mag men daaruit wel afleiden, dat het verlies aan zetmeel, dat zij ondergaan opgewogen wordt door een of ander voordeel hetwelk de endophyt hen aanbrengt, terwijl het bovendien zeer goed mogelijk is, dat de zoo verkregen voordeelen de geleden schade zelfs overtreffen.
liet is tot nu toe nog niet onderzocht welke de wederdienst is die de schimmel aan de plant bewijst, en deze kan ook slechts blijken uit opzettelijk daartoe ingestelde proeven. Daar deze echter veel tijd vereischen, en liet dus nog lang duren kan alvorens men hieromtrent voldoende is ingelicht, zoo is het geoorloofd te trachten op andere wijze zich nu reeds eenig licht te verschaffen iu de wederzijdsche verhoudingen tusschen de beide organismen welke van dit geval van symbiose samenstellen; de vergelijking van dit voorbeeld met andere, zooveel mogelijk overeenkomstige, gevallen van samenleving, in welke de onderlinge verhouding der beide organismen meer volledig bekend is, zal ons hierbij van grooten dicust zijn.
Grcvallen van symbiose, vergelijkbaar met de door den endophyt bewoonde wortels, zouden dezulke moeten zijn, in welke een schimmel zich vestigt te midden van de levende cellen van een andere plant. Wij zullen hier nu een drietal van zulke gevallen nader bespreken.
Het eerste geval betreft de knolletjes der Leyuniinosen, eigenaardige verdikkingen aan de wortels, over welke reeds herhaaldelijk in dit tijdschrift gesproken werd.
Deze knolletjes hebben eveneens hun ontstaan te danken aan het indringen in de wortels van een schimmel; deze is echter een geheel andere dan de hierboven beschreven endophyt. Die schimmel doet nl. in de haarworteltjes der Leguminosen een opzwelling van het hastweefsel ontstaan, welke weefsel woekering somtijds
â 189 â
langen tjjd voortgaat met in omvang toe te nemen, en waardoor zich niet zelden knollotjes van vrij aanzienljjken omvang vormen.
De schimmel volgt de vergrooting den knolletjes op den voet, maar ontwikkelt zich uitsluitend in do binnenste lagen van hot weefsel; in de meer uitwendige lagon treft men haar nooit aan en in deze omstandigheid zien wij dus een belangrijk punt van overeenkomst in levenswijze met den besproken endophyt.
In de bewoonde cellen van het inwendige bastweefsel der knolletjes, brengt de schimmel een zeer groot aantal, uiterst kleine lichaampjes voort, welke veel eiwitstoffen bevatten. Men lieeft ze den naam âbacteroïdenquot; gegeven, omdat zij in verschillende opzichten overeenkomst vertoonen met bacteriën.
Deze schimmel leeft ook ten deele van het zetmeel, dat zij in de wortels aantreft, en het is blijkbaar met behulp van deze voedingsstof dat zij het eiwit opbouwt, dat men in de bacteroïden vindt. Dit eiwit verdwijnt later uit deze lichaampjes blijkbaar doordat iiet door de voedsterplant opgenomen wordt die hot alsdan ten eigen bate gebruikt.
Talrijk zijn de onderzoekingen welke men reeds aan deze knolletjes gewijd heeft. Het belangrijkste van de daarbij verkregen resultaten is wel dit, dat die Leguminoxen, welke voorzien zijn van knolletjes, de eigenschap bezitten de vrije stikstof dor lucht te assimileeren, terwijl planten van dezelfde soorten, maar zonder knolletjes aan do wortels, die eigenschap ten eene male missen. Hieruit mag men dus afleiden, dat de assimilatie van stikstof toekomt aan de schimmel, wanneer zij zich in de levende wortels der Leguminosen genesteld heeft. De groote rijkdom aan eiwitstoffen der door haar gevormde bacteroïden mag dan zeker wel op rekening van die stikstof-assimilatie gebracht worden.
Ook bij de Leguminosen leeft de schimmel dus in de levende cellen en voedt zij zich met liet aldaar aanwezige zetmeel, evenals wij boven zagen dat dit met den endophyt het geval is. Dat toch de Leguminosen-^niet alleen geen bescha-
â 190 -
diging ondervinden vati den gast dien zij herbergen, maar er zelfs voordeel van trekken is nu duidelijk verklaard, omdat deze planten in plaats van het door haar verstrekte zetmeel, andere stoffen terugontvangt en wel stoffen, n.l. eiwit, welke voor de plant zeer zeker een hoogere voedingswaarde vertegenwoordigen.
Een tweede reeks van analoge gevallen vindt men bij de soorten van het geslaeht Elaeagnm 1) vertegenwoordigd. Hunne wortels dragen eveneens knollen, welke echter vaak veel grooter worden dan die der Leguminosen; aan een der exemplaren gekweekt in 's Lands Plantentuin vond ik er ter grootte van ongeveer 5 oM., terwijls de wortels zelve maar 4 tot 5 mM. dik waren. Deze knollen ontstaan nu niet, zooals bij de Leguminosen door een abnormalon diktogroei van den wortelbast, maar uitsluitend door een telkens herhaalde vertakking der worteltjes, welke zóó dicht opéén komen te staan, dat /,jj te zamen oen groeten, vasten, bijna bolvonnigen knol vormen, aan welks oppervlakte de punten van al die worteltakjes uitkomen.
De schimmel vult ook hier slechts ilo cclleii van de inwendige bastlagen. Zij vormt in deze dichte kluwens van lijne draden, welke kleine blaasjes voortbrengen; deze laatste bevatten een aantal eiwithoudende lichaampjes. Die eiwitstoffen verdwijnen later van daar en dan blijft er van den inhoud der cellen nog slechts een bruinachtige, gedesorganiseerde massa over.
Proeven nog slechts korten tijd geleden door Nobbe en Ililtner genomen (welke ingericht waren op dezelfde wijze als toen het gold do assimilatie dor vr jje stikstof door de Leguminosen te bewijzen) toonden aan dat Elaeagnus, mits voorzien van knol-dragende wortels, eveneens de eigenschap bezit de vrjje stikstof der lucht vast te leggen. Hieruit mag men dan wederom
1) Een drietal soorten van dit geslacht is in Indië bekend, n.l. .lUaeaynvs ferrugineus, Areuj komamlev (Soend.) of Areuj soesoe momding (Soenil.) of Hibir koedn (Mal.); El, latifolia en rigida bekend onderden naam van Areuj doedoerenan. Van alle deze soorten zijn de vruchten eetbaar.
191 â
afleiden, dat het ook hier de in die knollen levende schimmel is, welke deze omzetting van vrjje stikstof in eiwit (met behulp van het zetmeel aan de plant ontleend) bewerkstelligt, en dat zij vervolgens een groot deel van deze stof ter beschikking ste It van de voedsterplant, als wederdienst voor de door haar verleen de beschutting en in ruil voor het door haar verstrekte zetmeel.
Een derde geval, dat, wat de hoofdzaken betreft, groote overeenkomst vertoont met de vorigen is wel het meest eenvoudige en tevens het best onderzochte; dit geval heeft betrekking op de stikstof-assimileerde bacteriën.
üe kennis van deze bacterien, van hunne levenswijze en eigenaardigheden hebben wij uitsluitend te danken aan de zorgvuldige onderzoekingen van Prof. Winogradsky te St. Petersburg.
Uit die onderzoekingen bleek in de eerste plaats dat er nog slechts één bacterie bekend is, in staat om do vrije stikstof der lucht om te zetten in stikstof-verbindingen, en ten tweede dat deze bacterie in de meest verschillende terreinen, over de geheele aarde verspreid voorkomt; o. a. vindt men ze ook in 's Lands Plantentuin, daar ook op verzoek van lüer aard-monsters ter onderzoek aan Prof. Winogradsky waren opgezon -den. De bedoelde bacterie ontving den naam van Clontridium Pasteurianuin. Zij is wel is waar in staat de assimilatie van de vrije stikstof te bewerkstelligen doch slechts onder zeer bepaalde omstandigheden; de voornaamste dezer voorwaarden is, dat zij geheel afgesloten moet zijn van elke aanraking met vrije zuurstof, en dus ook van die met lucht. Deze Clostridium behoort dus tot die groep van bacteriën, aan welke door Pasteur den naam werd gegeven van anaërobiën, in tegenstelling van do aërohiën, (waartoe het grootste deel der bacteriën en verder alle andere lovende wezens behooren) dus van dezulke bij welke de voortdurende toetreding van vrije zuurstof een eerste levensvoorwaarde is.
De Clostridium Pasteurianuin kan dus uier leven in aanraking met vrije zuurstof. .Maar toch leeft zij overal in den bodem, hoewel deze steeds lucht bevat; hoe was dit te verklaren? Het is Prof. Winogradsky gelukt de oplossing van deze schijn-
bare tegenstrijdigheid to vinden: Clostridium loeft n.1. nooit alléén in den bodem, maar in kolonies, in welke zij steeds vergezeld is van andere soorten, nu eens van deze, dan weder van andore. In die kolonies echter komen die verschillende soorten bacteriën niet gemengd voor, integendeel, zij zjjn daar steeds zóó gerangschikt dat do Clostriiliuitt alleen de kern vormt, terwijl deze kern o mgoven is door oen omlmllondo laag welke uitsluitend uit de andere bacteriën bestaat. Hierin lag nu de oplossing van hot raadsel J want, daar de bacteriën, die de buitenste laag vormen, veel zuurstof noodig hebben, verbruiken deze de zuurstof van de lucht, die in de kolonies binnendringt, en doen zij dat zóó volledig, dat de lucht, als zij in aanraking komt met de kern van Clostridium, geheel bevrijd is geworden van haar zuurstof en dus nog slechts stikstof bevat.
Inderdaad bevindt de Clostridium zioh dus op deze wijze, niettegenstaande zij in den luchthoudonden bodem voorkomt, toch in een atmospheer van zuivere stikstof, hetgeen haar een dubbel voordeel verschaft: eerstens leeft zij buiten aanraking met zuurstof, en ton tweede heeft zij steeds voldoende stikstof, ter harer beschikking.
Prof. Winogradsky formuleert nu zijne conclusie omtrent het leven der anaërobien in do vrije natuur aldus:
Een anaërobie-bacterie kan in de natuur, dus in aanraking met do vrije zuurstof der lucht, leven en voortgaan zich te ontwikkelen, mits zij omringd is door een laag vau andere bacteriën, die de toetredende lucht van liaar zuurstof berooven, alvorens deze tot de anaërobie doordringt.
IJeze verhouding tusschen de Clostridium Fasteurianum en de andere bacteriën maakt dit geval dus tot een voorbeeld van symbiose, het eerste, dat tusschen bacterien onderling bekend is. Heide samenstellende deelen hebben hun voordeel bij die samenleving: de Clostridium wordt door de andere bacteriën beschermd tegen de aanraking met vrije zuurstof welke voor haar leven nadeelig zou zijn, terwijl de andere bacteriën van de Clostridium een deel der stikstof-verbindingen ontvangen, welke deze uit de vrije stikstof der lucht bereidt.
â 193
Wanneer men nu eens teru» ziet op de hierboven beschreven gevallen: 1° van don endophyt die in de wortels (o .a. van koffie) leeft, 2quot; van do knolletjes der Lefjutninosen en â¢'5° van de knollen van Elaniifinm-soorton, zoo komt het mij voor dat er oen opvallende overeenkomst bestaat, niet alleen tussohen deze drie gevallen onderling, maar ook tussohen hen en de kolonies van Clo-stridiwit Pasteurianuni, in welke deze bacterie omhuld is door een laag beschuttende bacteriën van een andere soort.
Deze overeenkomst is des te grooter omdat voor da Legtmtinoseu zoowel als voor Elaeagnus aangetoond werd, dat evenals do Glox-tridhun ook deze planten, wanneer hunne wortels do bepaalde schimmelsoort herbergen, in staat zijn de vrije stikstof der lucht vast te leggen.
Om deze redenen schijnt het mij toe, dat de beide schimmels, die de knolletjes bij dio beide plantengroepen doen ontstaan, niet slechts in de wortels indringen om daaraan hun voedsel te ontleenen, maar dat zij het niet minder doen ten einde te midden van dat levende weefsel besehut te zijn tegen de aanraking met de zuurstof der lucht; deze beschutting schijnt daarom ook voor hen onontbeerlijk te zijn, willen zij de vrije stikstof dor lucht assimileeren.
Neemt men nu hierbij in aanmerking, dat de hier beschreven endophyt in verscheidene belangrijke opzichten de meest opvallende overeenkomst vertoont met de schimmels, die in de knollen van Leguminosen en van Elaeagnus leven, zoo komt het mij voor, dat men thans vooloopig, in afwachting van nadere onderzoekingen, mag aannemen dat de endophyt in de wortels indringt, niet slechts om voedsel te zoeken, maar dat zij zich uitsluitend in de meest inwendige lagen van den wortelbast ontwikkelt, ten einde zich op deze wijze zooveel mogeljjken wen-scheljjk te beschutten togen de aanraking met de zuurstof der lucht. De levende cellen van het bastweefsel toch onttrekken aan de indringende lucht de zuurstof, welke zij voor de ademhaling gebruiken, zoodat slechts de stikstof doordringt tot in de binnenste cellen, in welke zich de endophyt ophoudt.
Met het oog op dezelfde punten van overeenkomst mag men
â 194
bovendien onderstellen (hoewel vooral dit pnnt nog nader oxperimonteol onderzoek vereischt) dat ook de endophyt, dio zicli in do wortels gevestigd heeft, in staat is de vrije stikstof der lueht vust te leggen en dat hij, in ruil voor het aan haar onttrokken zetmeel, aan de voedsterplant een doel van de door hem geassimileerde vrije stikstof in den vorm van eiwitstoffen afstaat, evenals men weet dat dit bij de boven aangehaalde knolletjes geschiedt.
In hot voorgaande gedeelte hebben wjj dus gezien, dat er aanleiding bestaat, om op theoretische gronden voorloopig althans aan te nemen, dat aan do jonge, door den endophyt bewoonde, wortels do eigenschap toekomt om de vrije stikstof der lucht vast te leggen; de zoo bereide stikstofverbindingen gebruikt zjj dan of ton deelo ton eigen bate, maar voor het grootste deel stelt zij die ten dienste van de plant die haar bescherming verleent.
Een zoodanige omzetting, van de voor do plant alléén onbruikbare viMje stikstof der lueht, ia stikstofhoudende voedingsstoffen, zou men dus tot op zekere hoogte kunnen vergelijken meteen dageljjkschen toevoer aan den bodem van kleine hoeveelheden stikstof-mest, in den voor de plantgeinakkeljjkst te verwerken vorm.
De door don endophyt bewoonde wortels treft men in hoofdzaak in de bovenste lagen van don bodem aan, hetgeen zich, ten deele althans, laat verklaren door do omstandigheid dat deze wortels, ton einde krachtig te kunnen functioneeren een voortdurendon toevoer van vrije stikstof, dus van lucht, noodis hebben, en deze voorwaarde in den bovengrond het best verwezenlijkt is.
Met het oog hierop zou men het wortelsysteem van elke plant in twee deelen kunnen verdeelen, namelijk in:
1quot; de diepgaande wortels, welke niet bewoond zijn door do schimmel, en
2quot; de oppervlakkige wortels, welke don endophyt herbergen, zonder daarmede echter te willen zeggen dat het mogelijk zou zijn een scherpe grens tusschen de beide groepen te trekken,
â 195 â
de overgang tusschen beiden is integendeel eene zeer langzame, daar de schimmel dos te minder veelvuldig in do wortels wordt aangetroffen, naarmate deze op grootere diepte leven. Aan de hier gemaakte tegenstelling tussclien de beide groepen doet dit gemis eener scherpe afscheiding echter geen afbreuk.
Het verschil tusschen de diepere en do minder diepgaande wortels openbaart zich uitsluitend in hunne functie:
De diepgaande wortels zorgen voor de bevestiging in den bodem, en nemen water en tegeljjkertjjd de heiioodigdo opscloHte stoffen (zouten, ook die van salpeterzuur en ammoniak) op.
De oppervlakkige wortels vervullen nu wel is waar dezelfde function, maar bezitten, wanneer zij door den endoph vt bewoond zijn, bovendien de eigenschap om de vrije stikstof der lucht vast te leggen en zich deze roe te eigenen.
Uit het bestaan van dit verschil volgt, dat de eene groep van wortels niet in staat kan zijn de andere in hun geheel te vervangen, zoodat alléén dan een plant zich zoo krachtig mogelijk zal kunnen ontwikkelen en zelfs, onder overigens de meest gunstige omstandigheden, eerst dan de grootst mogelijke opbrengst zal kunnen geven, wanneer er voor gezorgd wordt, dat elk dier beide groepen van wortels voor zich in staat is zoo krachtig mogelijk te functioneeren. Hierbij moet echter niet worden vergeten, dat de plant ook zeer goed loven en zich zelfs krachtig ontwikkelen kan zonder medewerking van den endo-phyt, dus wanneer aan de hoogere wortels geen andere eigenschappen, dus ook niet die der stikstofassiniilatie, toekomen dan aan de diepgaande wortels, bij de door de schimmel bewoonde planten. Maar, wanneer het er op aankomt om niet alleen krachtige planten te kweeken, maar men van hen eischt een zoo groot mogelijk product op te leveren, en wanneer dit product bovendien rijk is aan stikstofverbindingen (zooals de vruchten van koffie en cacao, en de jonge schouten welke bij do thee geoogst worden) dan is daartoe een grootere toevoer van stikstof noodig dan onder de gewone omstandigheden door de wortels aan de plant aangebracht worden
Deze vermeerderde toevoer kan nu plaats hebben : 1quot; door den
bodem kunstmatif? rijker tc maken, aan stikstof, m.a.w. door bemostiiie' met natuurljiken, clan wel met stikstofhondenden kunstmest, 2quot; door de plant gelegenheid te geven om te profiteeren van de assimilatie van de vrije stikstof der lucht, zooals deze geschiedt door do iiior besproken schimmel, wanneer zij do wortels bewoont, of 3° door deze beide methoden te combineeren, dus door don bodem te bemesten en tevens te zorgen voor de krachtige werking der stikstofassimilatie.
In het tweede van deze drie gevallen zon die assimilatie dan de stikstofbemesting geheel vervangen, terwijl deze in het derde geval slechts ten deele daarvoor in de plaats zou komen. In beide gevallen zou dus een goede, afzonderlijke verzorging der minder diepgaande wortels neerkomen op een besparing van stikstofhoudende meststoffen.
De vraag is nu: Hoe kan men in de praktijk het best partij trekken van de kennis, dat in do oppervlakkige wortels van tal van planten (laten wij hier bij wijze van voorbeeld blijven bij de ceniKe cultuurplant welke tot nu toe onderzocht werd, namelijk de koffie) onder medewerking van een schimmel, het vastleggen van vrije stikstof uit de atmospheer plaats grijpt. Om tot dit doel te geraken zou men het volgende moeten doen : 1quot; de oppervlakkige wortels zoo min mogelijk beschadigen, 2quot; hunne ontwikkeling bevorderen en 8quot; hunne stikstofassimileeronde werking begunstigen. Wij willen nu elk dezer punten afzondelijk aan een nadere bespreking onderwerpen. Herinneren wij ons echter vooraf, dat wij uit het voorgaande leerden, dat de schimmel voor hare ontwikkeling, zoowel als voor hare functioneering noodig heeft een vochtifjen, lossen, humus-houdenden bovengrond; en wel: vochtig, omdat zonder vocht de schimmel niet in de oppervlakkige lagen van den bodem kan loven; los, omdat een voortdurende toetreding van vrije stikstof, dus van lucht, voor de assimilatie daarvan noodzakelijk is en ten slotte humusboudend, omdat de schimmel een deel van haar bestaan vrij in den bodem doorbrengt en dan uitsluitend ten koste van de daar aanwezige organische stoffen moet leven.
â 197 â
Gaan wij nu elk dor genoemde punten afzonderlijk na:
1quot; De oppervlakkige wortels moeten zoo min mogelijk beschadigd worden.
Het is bekend, dat in do koffietuinen voortdurend zeer vele der, oppervlakkige worteltjes vernietigd worden. Do oorzaken dezer vernietiging zijn tweeërlei: grondbewerking en uitdroging.
Bij de grondbewerking is het voornamelijk door hot kor (Men on door liet patjollen, dat de wortels beschadigd worden.
Bij liet Icoretten wordt het onkruid evon onder de oppervlakte van den grond afgesneden; liet is duidelijk, dat daarbij tevens een groot aantal der fijne zuig worteltjes die in den bovengrond leven, afgesneden of beschadigd worden.
Ten oindo hetzelfde doel, verwijdering van bet onkruid te bereiken, maar zonder do oppervlakkige wortels to beschadigen, zou men evon goed, of ton minste bijna even goed het onkruid niet even onder, maar even boven den grond kunnen afsnijden (babat), of zou men misschien nog beter doen het met wortel on al uit te trekken (tjahoet). Om later te vermelden redenen zou het dan aanbeveling verdienen het onkruid gelijkmatig over den grond verspreid te laten liggen.
Bij het patjollen wordt in oen kring rondom den boom de ondergrond omgewerkt; hot doel daarvan is deu grond daardoor losser te maken ton dienste van de diepere wortels, welke zich daar ontwikkeld hebben. Het behoeft wol niet gezegd te worden, dat ook hij dozo werkwijze tal van de moer oppervlakkige worteltjes vernield worden.
Hoezeer het nu ook gewenscht schijnt juist ook deze worteltjes, aan welke tot nu toe zoo weinig aandacht geschonken werd, zooveel mogelijk te behouden, zoo zou liet in de hoogste mate voorbarig zijn, daarom nu ook het patjollen geheel te willen voroordeelen. De ondervinding toch heeft voldoende geleerd, dat zoodanige grondbewerking voor liet goed slagen van een aanplant noodzakelijk is, hoewel de eene soort van grond daaraan natuurlijk meer en veelvuldiger behoefte heeft dan de andere. Hot is hier wederom uitsluitend de ervaring dio de aanwijzingen moet geven, waarbij men echter
198
ook in aanmerking moet nemen, dat de ondervinding op liet cene terrein opgedaan, daarom volstrekt niet ook voor andere terreinen en grondsoorten moet gelden.
Nu echter liet patjollen steeds noodzakelijkerwijze met de vernietiging van een zoo groot aantal der oppervlakkig levende haarwortels samen gaat, verdient het ernstige overweging na te gaan of het misschien mogelijk is door toepassing van een veranderde werkwijze de voordooien, die hot patjollen oplevert, te combineeren met een geringere beschadiging dei-oppervlakkige wortels.
Een kof'Heplantor uit Midden-Java deelde mij mede dat hij voor het losser maken van den ondergrond gebruik maakte van mestvorken in plaats van patjols, juist met het doel de wortels welke in den bovengrond leven, zoo weinig mogelijk te beschadigen. Op verschillende plaatsen rondom eiken kot'fieboom werd de mestvork zoo diep mogelijk, rechtstandig in den bodem geslagen en vervolgens de grond een weinig opgewipt; deze werkwijze zou dan aan de diepere wortels voldoende lucht verschatfen.
Het komt mij voor, dat deze methode inderdaad meer aanbeveling verdient dan het patjollen, ten minste, wanneer men er dezelfde of ten minste bijna dezelfde mate van losmaking van den ondergrond mede bereikt, Ook hier kan echter geen algemeen geldende regel gegeven worden, daar de physische gesteldheid van den bodem in eerste plaats de meerdere of mindere uitvoerbaarheid van deze bewerking, zoowel als de uitkomsten daarvan bepaalt.
Met het oog op do wijze waarop de inlander gewoon is te werken, zou het echter misschien aanbeveling verdienen niet de eigenlijke mestvork te gebruiken, maar deze te vervangen door de alang-alangvork of pat jol tjagak, daar bij deze de tanden zoodanig omgebogen zijn dat zij loodrecht op de richting van de steel staan. Deze vork behoeft dan dus niet in den grond gestoken te worden, maar kan er ingeslagen worden evenals dit met den patjol geschiedt.
Intusschen zal bjj elke diepere grondbewerking in reeds aan-
â 199 â
gelegde tuinen, hoe ook uitgevoerd, steeds een aantal der oppervlakkige worteltjes beschadiging ondervinden. Om die reden is het dus vun belang te onderzoeken ot'er een andere, niet minder goede cultuurwijze te vinden is, welke maakt dat diepe grondbewerking in bestaande tuinen minder dan thans behoeft plaats te vinden. Zoo zou men hij liet aanleggen van nieuwe tuinen kunnen beginnen met den grond in zjjn geheel diep om te werken oi te ploegen, bijvoorbeeld tot op I ll2 a 2 voet. Is dit geschied zoo laat liet zich aanzien, dat het later veel minder arbeid zul kosten om den ondergrond bij voortduring los te houden met behulp van den patjol tjagak of ander dergelijk werktuig.
De kosten van ontginning van nieuwe tuinen zouden door zulk diep patjollen of ploegen van den geheelen tuin (in plaats van slechts plantgaton te maken) zeer zeker aanmerkelijk verhoogd worden. Daartegenover staat echter dat hot zeer goed mogelijk is dat deze meerdere ontginningskosten reeds zullen worden opgewogen door de besparing der kosten welke anders later het gewone diep patjollen zouden vorderen.
Bij het diep patjollen wordt de humusrijke bovenlaag vermengd met den humusarmeren ondergrond en dus de bovengrond humusarmer, hetgeen o. a. met het oog op de latere ontwikkeling der oppervlakkige wortels, minder gewenscht zou kunnen geacht worden.
Inderdaad, indien het mogelijk ware bij de diepe grondbewerking toch de humuslaag boven op den ondergrond te behouden, zou dit wenschelijker zijn. Maar, daar dit practisch zoo goed als onuitvoerbaar is, en men dus kiezen moet tusschen diep omwerken met vermenging der lagen en niet of niet diep omwerken met behoud van den humus als bovenlaag, zoo geloof ik, dat dan het eerste zeker de voorkeur ver dient.
Een tweede oorzaak van hot afsterven van talrijke wortels in de oppervlakkige lagen van den bodem is: gebrek aan water. Dit kan veroorzaakt worden door het uitdrogen van den bovengrond tengevolge van de zonnewarmte, dan wel door het
200
afspoelen van den lossen bovengrond op hellingen; door dit afspoelen toch komen de wortels veelvuldig in groot aantal op de oppervlakte van den bodem tc liggen en sterven dan spoedig af.
Beide oorzaken (dus uitdrogen en afspoelen van den bodem) zou men grootendeela kunnen tegengaan door te zorgen dat de tuinen zoo weinig mogelijk in hun geheel schoongemaakt worden, en dat er dus steeds een voldoende hoeveelheid onkruid blijft staan. Het is toch bekend dat laag onkruid steeds krachtig hot afspoelen van den humushoudeuden bovengrond tegenwerkt, terwijl het eveneens verhindert, dat de zon op den bodemoppervlakte schijnt en deze doet uitdrogen en scheuren.
Wel is waar verdampt er, onder overigens gelijke omstandigheden, op ecu gegeven oogenblik meer water uit begroeiden bodem dan uit onbegroeiden, maar daartegenover staat, eerstens: dat in het dan laatste geval slechts de bovengrond uitdroogt, terwijl bij een mot planten bedekten bodem het water vooral aan de diepere lagen, onttrokken wordt, maar ten tweede slaat op begroeiden bodem Yeel meer dauw neer dan op onbegroeiden, terwijl hierdoor, zoowel als door liet uitzweeten van water door de bladeren der planten (een verschijnsel dat den naam draagt van âdruppelenquot;) 1) de bladeren 's morgens met vele waterdruppels bedekt zijn. 1 let is daarom geen zeldzaamheid, dat iu koffietuinen, zoowel als elders, het lage onkruid des morgens tusschen 10 en 11 uur nog vele waterdruppels draagt, zelfs dau nog wanneer de zon er van 's morgens vroeg af op geschenen heeft, terwijl op minder warme dagen de bladeren nog langer nat blijven. De aanwezigheid van dat water op de bladeren van het onkruid maakt dat de luchtlagen, die met de oppervlakte van den bodem in aanraking zijn, en tusschen hot onkruid weinig aan stroomingen blootstaan, geheel met vocht verzadigd zijn, waardoor zoowel de verdamping van water uit den bodem als
1) Vergelijk hieromtrent een opstel van mijne hand getiteld: «Druppelenquot; in ilit Tijdschrift, 1891, Dl. II blz. 05.
â 201
ook die uit de bladeren nagenoeg-geheel tegengegaan, of althans aanzienlijk verzwakt wordt. Het is aan te nemen, dat onder deze omstandigheden en over langere tijden genomen, het totale waterverlies van een begroeiden bodem dat van den naakten grond zeker niet zal overtreffen, terwijl zooals reeds gezegd werd, bjj een bedekten bodem het water meer gelijkmatig aan verschillende lagen van den grond onttrokken wordt in plaats van aan de bovenste laag alléén. Om deze reden kan er dan ook van hot ontstaan van spleten in den bovengrond, en van liet seheuren der koffiewortels tengevolge daarvan, geen sprake zijn.
Het aan de zon blootstellen van den bodem kan echter nog meerdere, voor de cultuurplanten ongewenschte gevolgen hebben. Ten eerste bestaat dit daarin dat de humus, bij de hoogere temperatuur, van de aan de zon blootgestelde plaatsen sneller verteert, dan bij een lageren warmtegraad, zooals die beerscht op beschaduwden bodem. In de tweede plaats komt liet mij waar-schijnljjk voor, dat het blootstellen van de oppervlakte van den bodem aan de zon de stikstot'-assimileerende werking der boven (blz. 191) besproken bacteriën van Prof. VVinogradsky zal verhinderen of tenminste zeer zal verzwakken, een omstandighéid welke voorzeker niet van ondergeschikt belang voor de cultuur mag geacht worden.
Wij zagen dus dat het om verschillende redenen wenschelijk is den bodem der koffietuinen (om bjj ons voorbeeld van koffie te blijven) zooveel mogelijk beschaduwd te houden, door het onkruid aldaar niet uit te roeien; liet moet nu echter weder aan de planters overgelaten worden te beoordeelen in hoeverre dat wenscheljjk en mogelijk is met het oog op andere omstan-digbeden, waarmede door hen bij de cultuur rekening moet worden gehouden.
Mijns inziens zou liet, aan te raden zijn in de eerste plaats liet onkruid zooveel mogelijk te laten staan, vooral gedurende den geheelen Oost-moesson, totdat andere omstundigheden, als bij v. de koffiepluk, het te hoog opschieten van liet onkruid enz, het noodzakelijk doen zijn den tuin schoon te maken Moet; dit ten slotte geschieden, zoo zou het nog aanbeveling verdienen vooral
â 202 â
liet hooge alsook liet zoogenaamde slechte onkruid uit te trekken en het lage en goode onkruid I) te laten staan, tenzij wederom daartegen om overwegende redenen van anderen aard bezwaren mochten bestaan.â
In verband met liet bovenstaande wensch ik hier met een enkel woord ook van de schaduwboomen te gewagen.
De algemeen heerschende meening onder de planters, ten minste van die op Java, is wel die, dat de schaduwboomen, zooal niet onmisbaar, dan torh veel nut, zijn van voor liet welslagen van de cultuur van koffie (evenals o. a. ook voor die van cacao). De erkenning van dit nut berust uitsluitend op ondervinding: een wetenschappelijk onderzoek naar den invloed, welke de scha-duwboomen op de daartussclien geplante koffieboomen uitoefenen werd nog niet ingesteld, zoodat wij daaromtrent nog ^â ehopl in bet duister verkeeren. Alles wijst er echter op dat die invloed niot zoo eenvoudig is als men zou meenen, maar dat de verhouding tusschen koffie- en schaduwbooin van vrjj gecompliceerden aard is. Hierop wijst o. a. reeds het feit, dat die hoornen, van welke bij de cultuur voldoende gebleken is, dat zij goede diensten bewjjzen als schaduwboomen voor de koffie, alle behooren tot de groep der Legumnosev (slechts niet uitzondering van den IMia, hoewel het m.i.
nog niet voldoende bleek, dat deze werkelijk geheel met de
1) Het otidm'sdioiden van goede en slechte soorten van onkruid voor ile koffiecultuur, berust natuurlijk uitsluitend up ondervinding.
In West-Preanger rekent men tot liet goeile oukniid vooral de volgende soorten ;
djodoet rakèt, (Panicurn l'meure en P. javanicum)
djackoet bilde. (A;;omturn couyzoides)
slintronq of binst rong, (Kreet hit es valerianapfoliu.)
unluna, (Hydrocotyie spec.)
Iiareuqak, (Cosmos caudatus)
djoekoet hujonda. (Kchivochlou collonum).
Anilere daal entegen, worden tot de slechte onkruiileri gerekend zoools : a.iany-alatuj. (Imparata arundivueen)
kusoh of (iluiiah. (Saccharum spon tun cum)
iultiinpuejanyuu. (Puuiviuu tciiae).
â 203 â
goede schaduwboomen op oen liiu mag gestold worden), van welke plantengroep bekend is, dat himne wortels zeer alge-ineen de bekende knolletjes dragen 1).
In het 1' gedeelte van dit opstel werd reeds beschreven dat in deze knolletjes eveneens assimilatie van de vrije stikstof der lucht plaats lieeft. Men mag voorzeker met recht verwachten, dat dit samengaan van de stikstof-assimilatie in de knolletjes met de uitkomsten der cultuur op meer dan op bloot toeval berust.
Hoe hunne verdere werking echter ook zij, zeker is het, dat deze boomen in het plantsoen schaduw aanbrengen (welke naar gelang van de soort, meer of' minder dicht is) en als zoodanig houden zjj de oppervlakte van den bodem koel en vochtig, terwijl bovendien de afvallende bladeren humus aanbrengen. Hieruit blijkt, dat in dit opzicht, onkruid en schaduwboomen geheel in dezelfde richting werken en elkander ondersteunen; dit geschiedt nog te meer omdat ook deze laatsten de kracht van den regen aanzienlijk breken en daardoor alzoo ook de afspoeling van den bovengrond gedeeltelijk tegengaan.
Als verder middel om partij te te trekken van de stikstof-assi-inileerende werking der oppervlakkige wortels, welke den endophyt herbergen, hebben wij genoemd:
2° Do ontwikkeling dier wortels zooveel mogelijk te bevorderen.
Het voornaamste middel om tot dit doel te geraken bestaat in de vermeerdering van het humusgehalte van den bodem, vooral in de oppervlakkige lagen. In de eerste plaats toch is een zelfde grondsoort des te vochtiger en losser naar mate zij meer humus bevat. Onder deze omstandigheden zal de schimmel dan ook meer ongestoord kunnen voortleven en dan telkens de nieuwe jon^e haarworteltjes infecteeren, maar boven-
') Men tnag deze, trouwens zuiver oxperiinontoelen regel, echter niet uinkeeren en rlus zeggen, dat nu ook alle hnquminoscn goede schaduwboomen voor do koffie zonden zijn Ik behoef'hier sledits te herinneren aan den djoewar, Cassia f orkla, welke algemeen, zooal niet als schadelijk, dan toch ton minste als weinig gunstig voor de koffiecultuur bescliouwd wordt.
â 204 â
dien vindt zij dan grooterc liooveolheden voedsel, wnnrdooi' zij zich krachtiger ontwikkelen en zich verder uitbreiden kan, Wiiardoor dus de kans, dat zij ten slotte elk worteltje op verschillende plaatsen zal kunnen iufecteeren, zeer vergroot wurdt.
Rr is echter nog een reden waarom een vermeerdering van humus hier gunstig moet werken; deze berust nl. op de waarneming, dat de wortels van een plant, wanneer zij door een laag zand heendringen, zich slechts matig of zelfs weinig uitbreiden, doch dat diezelfde wortels, wanneer zij op een humus-houdende laag komen, dadelijk beginnen met zich herhaaldelijk te vertakken, zoodat spoedig die geheele laag overal door fijne wortels doorkruisd wordt. Door proeven heeft llöveler deze eigenaardigheid, dat de aanwezigheid van humus in den grond alléén reeds de vertakking der wortels in hooge mate bevordert, op overtuigende wijze aangetoond.
Die aanwezigheid van humus in den bodem werkt dus niet alleen in hooge mate gunstig op de ontwikkeling van de endo-phytisch levende schimmel, maar zij bevordert bovendien de de vertakking der wortels, en maakt daardoor alzoo om dubbele reden oen aanzienlijke vermeerdering mogelijk van het aantal plaatsen, waar assimilatie van vrjje stikstof plaats kau hebben.
Om deze redenen zou het dus aanbeveling verdienen te zorgen voor voortdurenden toevoer van humus, vooral op die plaatsen waar zich de jonge worteltjes ontwikkelen. Een gelijkmatige verdeeling van alle afgevallen bladeren van de koffie- en van de schaduwboven, alsmede van het afgesneden of uitgetrokken onkruid over de geheele oppervlakte van den bodem zou daarom aanbeveling verdienen.
Waar het dus ten sterkste aangeraden moet worden steeds voor geregelden toevoer van humus te zorgen, spreekt het wel van zelf, dat men er vooral op dient te letten, dat er aan den anderen kant geen humus verloren gaat.
Wij spraken reeds over het afspoelen van den bovengrond en over liet laten staan van liet onkruid als middel om dit te verhinderen. Intusschen geldt dit natuurlijk vooral voor vlakke of
â 205 â
voor weinig liolleiule terreinen. lt;)[) sterke liollingen is dit middel natuurljjlc niet voldoende en daur is liet maken van terrassen het middel waardoor men de afspoeling van den onigewerkten en beplanten bodem moet tegengaan.
Ook een andere wijze van veniieliging van humus moet ten allen tijde, waar het maar eenigszins mogelijk is, belet worden. Ik heb hier het oog op het veelvuldig gebruikte middel bij het voorbereiden van nieuwe terreinen, n.1 liet branden van omgekapte bosschen, zoowel als vooral het herhaaldelijk afbranden van rimboe ofglagah. Deze wijze van schoonmaken is zeker wel de meest eenvoudige uls ook de minst kostbare, maar er moet niet bij vergeten worden, dat door de warmte een groot deel van den humus vernietigd wordt, een nadeel dat voorzeker grooter geacht mag worden dan het voordeel verkregen door geringere ontginningskosten. 1)
Ifet laatste middel, boven aangehaald tot bevordering van het nut der oppervlakkige wortels voor de koffie, was:
3° De stikstof-assimileerende werking dier worteltjes zooveel mogelijk te bevorderen.
De hiertoe strekkende nüddelen behoeven echter niet meer afzonderlijk besproken te worden. Wij zagen toch, dat do schimmel een vochtigen, lossen, humus'oudenden bovengrond verlangt; hare function zullen dus bevorderd worden door dezelfde middelen als ook reeds boven besproken werden.
Vermeerdering van het humusgehalte maakt den bodem los, vergemakkeljjkt de luchtverversching. Waar deze bronnen van
I) Kon ander, voorzokor niet miiulor fiToot. «Hls missHiiim groolcr nadeel wordt no^ veroorzaakt duur liet branden van liet bosch. als vooral door het herhaaldHijk al'tiramlen van de telkens weer opschietenrle alang-alung en cjlagah. Dit nadeel bestaat in het vernietigen en verjafjen iler vogels, en daar verreweg de meeste liunner in lexige mate nuttig zijn. doordat zij zich met. voor de cultuur|ilanten scliadelijke, insecten voeden, zoo lijdt het geen twijfel, dat in vele gevallen waarin aanplan-tingen aanzienlijke schade ondervonden door aanvallen van zoodanige insecten, dit daaraan toegeschreven moet worden, dat hunne natuurlijke vijanden, de vogels, door bet branden naar de naburige bosschen verjaagd werden.
â 206 â
humus to kort schieten, zou het misschien mogeljjk zijn deze stoffen nu en dan van buiten af aan te hrengen. Heeft men wilde of andere pisangsoorten in de nabijheid ter beschikking, zoo zou men bijvoorbeeld do stammen en bladeren van deze, na ze in stukken gesneden te hebben, daartoe kunnen gebruiken omdat deze zeer snel verteeren en een zeer lossen waterrijken humus opleveren.
Blijkt dit bij ondervinding nuttig en uitvoerbaar te zijn, zoo zou men misschien zelfs met het oog daarop pisang kunnen aanplanten op zoodanige plaatsen van de onderneming, die om welke reden ook, niet geschikt zijn om er koffie te planten.
Hij de vraag ontrent den toevoer van humus aan den bodem, moet men ook nog in aanmerking nemen, dat er een niet onaanzienljjk verschil in voedingswaarde bestaat tusschen alge-vallen bladeren en afstervend onkruid aan de eene zijde, en levend afgesneden plantendeelen aan de andere zijde. Dit verschil berust daarop, dat kort voordat de bladeren afvallen en vóórdat liet onkruid afsterft (nl. hij het rijp worden der vruchten) allo voedingsstoffen, maar vooral alle stikstof, uit die bladeren getrokken wordt, welke dan ten dienste komt, in het geval van de afvallende bladeren, van de overblijvende organen van de plant, of aan de zaden in het geval van het onkruid.
Om deze redenen zijn dus afgesneden plantendeelen steeds rijker aan voedingsstoffen, en vooral dus aan organische stikstof- verbindingen, dan afgevallen bladeren of afstervend onkruid, en moeten dus de eersten de voorkeur verdienen.â
Wanneer men nu het bovenstaande samenvat, zou dus over het algemeen genomen, het volgende kunnen worden aanbevolen:
1quot;. liet goede onkruid moet zooveel en zoolang mogelijk in de tuinen behouden worden, vooral gedurende den Oostmoesson.
2quot;. Het te hoog opschietende, zoowel als het slechte onkruid moet men verwijderen, liefst door het uit te trekken.
3°. Moeten de tuinen noodzakelijk schoon gemaakt worden, dan verwijdere men het onkruid door het boven den grond at te snijden {Jxibat), of nog beter door het uit te trekken {tjahoetj,
- 207 -
(locli lute, zon mogelijk, steeds lier afsnijden onder den grond (koref) na.
4quot;. ilet uitgetrokken of afgesneden onkruid wordt, evenals de afgevallen bladeren van de koffie zoowel als die van de seliaduw-boomen, gelijkmatig over de oppervlakte verspreid; zoo mogelijk zou men deze kunnen vermengen met afgesneden of afgestorven plantendeelen van andere herkomst (pisangstanimen enz.).
5quot;. Het patjollen in reeds beplante tuinen, in de oudere, moet zooveel incgeijjk nagelaten worden, vooral dan wanneer liet gebleken is dat men door gebruik van den alang-alang-vork, of paf/jol tjaguk, nagenoeg geheel dezelfde uitkomsten kan verkrijgen.
6°. Bij den aanleg van nieuwe tuinen verdient bet in zijn geheel diep omwerken van den grond de voorkeur, boven het maken van plantgaten.
Ik herhaal hierbij echter met nadruk, dat hot slechts dan onbepaalde aanbeveling verdient deze aanwijzingen op te volgen, as zij niet te zeer in strijd zijn met werkwijze of gewoonten, welke op elk perceel voor zich, uit ervaring of zelfs om finantieele redenen, noodzakelijk gebleken zijn.
Komen zij echter in strijd met de bjj ondervinding deugdzaam gebleken wijze van werken, zoo kan het niet anders dan aangeraden worden om deze laatste zooveel mogelijk te behouden, terwijl dan elke planter voor zich zal moeten uitmaken in hoeverre die gewone werkwijze in overeenstemming te brengen zal zijn met de hier gegeven voorschriften, ten einde zoodoende te geraken tot een andere werkwijze, welke dan voor zijn perceel, dus voor de daar voorkomende grondsoort in verband met het daar beerschende klimaat, het uitzicht opent tot het verkrijgen van nog gunstiger resultaten.
in het eerste gedeelte heb ik er op gewezen, dat de punten van overeenkomst tusscben de bier besproken wortels, welke bewoond zijn door een schimmel, en de knolletjes der Legu-ntinoseii en die van iï/aeayiim (van welke beiden aangetoond is dat zij de vrije stikstof der lucht kunnen vastleggen), van
â 208 â
zoodanigen aard wareu, dat liet ons vergund scheen, in afwachting van nadere on nieor directe ondorzookingon, nu reeds hot vermoeden to uiten, dat ook de hiorbedoelde wortels in staat zouden zijn oen soortgelijke functie te vervullen.
Zoolang echter ook voor deze wortels niet proefondervindelijk aangetoond is, dat zjj eveneens-in staat zijn de vrije stikstof der lucht te assi mi loeren, zoolang is en bljjfr liet mogeljjk, dat deze niet de tunotie is welke zij te vervullen liebben, maar dat hunne werking eene geheel andore zjj.
Doch wanneer het ook al bewezen ware, dat do sehiminol die do wortels bewoont niet in staat is stikstof te assiraileeren, dan zoude het in dit tweede gedeelte besprokene, daarom toch niet ook noodzakelijkerwijze geheel onjuist moeten zijn.
Want, hot bljjfr oen feit, dat de symbiose tusschen de moer oppervlakkige levende wortels en do in deze lovende schimmel bestaat, evengoed als het zeker is, dat de wortels niot de minste schadelijke inwerking daarvan ondervinden on daarom mag men, evenals bij allo and ore gevallen van symbiose, aannemen dat beide partijen, elk op hunne wijze, hun voordeel doen met de samenleving. Urn die reden zullen de door do scliiinmel bewoonde wortels voor de plant van voordeel zijn, en zal het daarom van belang wezen deze zooveel mogeljjk te behouden en ze zoo goed mogelijk te verzorgen, geheel onafhankelijk dus van de vraag van welken aard het eigenlijke voordeel is, dat de plant van de schiminel trekt.
1)k. .1. M. .Iansi:.
SUIKER IN TABAK.
In een (Ier laatst vorsohonen afleveringen van het onderstaande tijdschrift komt; oen verhandeling voor over eeu in 18K.'i plaats «ehad hebbend onderzoek omtrent de aanwezigheid van suiker in tabak.
liet onderzoek vlooide voort uit een geschil van fiscalen aard. Door den fiscus werd tot dien tijd aan de meening vastgehouden, dat indien meer dan een spoor suiker in tabak gevonden werd, aangenomen moest worden, dat dit opzettelijk was toegevoegd en werd daarom de tabak geweigerd of' hooger belast.
Eenige importeurs kwamen in verzet, zich beroepend op onderzoekingen van Attfiold en anderen, waaruit bleek, dat suiker in tabak voorkwam.
Van Gouvernementswege werd daarna inlichting verzocht aan Prof. Church (Kew) en Dr. Müu.r.it (Londen).
Eerstgenoemde rapporteerde, dat uit tot dien tijd bestaande literatuur, moest besloten worden, dat hot voorkomen van geringe hoeveelheden suiker in tabak als normaal mag beschouwd worden.
Müller beantwoordde de vraag door het onderzoek van verschillende tabaksoorten, zoowel in gefermenteerd en als in ongefermen-teerden toestand.
In gefermenteerde tabak van verschillende herkomst werden de volgende suikergehalten gevoudon:
Tabak (gefermenteerd) Sul
Algeria
i k e r g e h a I afwezig
te
Kentucky
Orieksche
Turksche
Syrische
Chineesche
Virginia leaf
spoor
2.3 2,8 3,5
5.4 7,2 9,8
10,6
Bright Virginia
â 210 â
Bright Virginia 15,2
12,5
Hot siiiker^elialte iler Oosterscho tabak is tlas in 't algemeen zeor laag; dat van de Virginia opvallend hoog.
Volgens Müllkr ^aat een hoog suikergehalte gepaard met een betere qualiteit.
De behandelingswijze der Virginia-tabak (droging en fermentatie) was echter een geheel andere dan die der Oosterscho soorten.
Müllëk onderzocht daarna versch geplukte bladeren, voorzichtig in de zon gedroogd, zoodat zij vaalgroen gekleurd waren.
Do volgende soorten bevatten onderstaande hoeveelheden suikor-achtige stollen:
|
Nicotiana te.cana var. ni.itica |
1,5 quot;J |
|
Shiraz-tabak |
4,6 0| |
|
N. rustica |
4. |
|
N. Tahucum var. virginiana |
2,3 |
|
Maryland tabak |
5, |
|
Nicotiana Tahacum |
6,2 |
|
Bhilsa-tabak |
3,5 |
|
N. Tahacum var. attmuata |
3,2 |
|
S. yiyantea |
4,2 |
|
macrophi/lla purpurea |
4,5 |
Tabak, lie niet gebloeid had, onmiddollijk na hot plukken onderzocht, bevatte 2n/0; tabak, die gebloeid had, slechts eon spoor suiker.
Tabak, die zeer laat geplukt was, bevatte daarentegen iets over 90/o, terwijl ook zeor veel zetmeel aanwezig bleolc.
Voor dezelfde soort varieert het gehalte naar gelang van de ont-wikkoling, de groeikracht en het klimaat; evenzoo hebben do verschillende veranderingen, die in de cultuur gebracht worden, invloed op hot varieeren van dat gehalte.
Uit eene verhandeling van Ragland besluit hij, dat het drogings-on fermentatie-proces van grooten invloed is op de destructie van de suikerachtige stoften in de groene plant.
In hot bestaan van een nagenoeg constante verhouding van do hoeveelheid in koud water oplosbare stotfen tot do daarin onoplosbare, ook voor zeer verschillende tabaksoorten, lag oeno aanwijzing om kunstmatig toegevoegde suiker te kunnen ontdokken.
Omtrent don aard van do gevonden suiker deelt onderzoeker
- 211 â
nog eeniofo bijzonderheden mede, waaruit in hoofdzaak is af te leiden, dat de in tabak voorkomende suiker niet is laovulose nocli glucose, doch dat de geïsoleerdo suikcrachtige stof volgens hem uit drie verschillende soorten bestaat.
v. h.
(Royal Gardens, Ken:. Bull, of misc.
inform. No. 110 1896.gt;
UIT HET APRIL-BERICHT VAN SCHIMMEL amp; Co.
Kamfer. Do hoogo prijs van dit produet, zoomede do vrees, dat China en Japan, de landen waar het in 't groot gewonnen wordt, op den duur niet in de behoefte van de wereldmarkt zullen kunnen voorzien, maken het gewenseht naar nieuwe bronnen uit te zien. Tot nu toe werd kamfer alleen uit het hout en do wortels van zeer oude boomon gowonnen. 1). Hooper heeft de blaren en jonge twijgen van den kamferboom, die in Ootacamund groeide op 7300', onderzocht en verkreeg uit versehe blaren l''j0 van oen olie waarvan het kamfergehalte slechts 10-150/0 bedroeg. Uit blareu, die uit Naduvatum (630U'), aan do Nilgiris gelegen, kwamen bereidde hij oen olie die ongeveer 750/o kamfer bevatte. Vermoedelijk hoeft dus klimaat en standplaats invloed op de samenstelling der olie. Vroeger bereidden Schimmel amp; Co. reeds kamfer uit blaren afkomstig van Yokohama. (I)
Cananga-olie. Ue toevoer van .lava is in don laatsten tijd grooter geweest. In Holland is een voorraad van eenige honderden Hcsschen. De uitvoer uit Java zal in 1895, 500 KG. bedragen hebben,
Citronella-olie. Ook volgens Schimmel amp; Co. is het zeer waarschijnlijk, dat de betere prijzen voor dit product van langoren duur zullen zijn.
Vervalschingen van deze olie zijn weer aan de orde, naar het schijnt zoowel met een soort van Gurjunbalsem-olie als niet petro-leum-konlwaterstoffen. (2)
(1) Rof. manke er opmerkzaam op, dftt do wortels van don gewonen kancel-boom ook vry grooto hooveolhedon kamfer bevatten.
(2) In Londen bleek onlangs eon party niet minder dan 420/0 kerosene to bevatten I
â 212 â
l'atchouhj-olie. Do prijs hiervan is woer gestegen. Op Java schijnt men aan lt;lo cultuur der Patchouly-plant weer meer de aau-«lacht te willen wjjden. r.
BEN ZlÃICrE IN DK CACAO.
igt;r. A. Rimbach, dio korten tijd in de Znid-Amerikaansche iie-publiek Ecuador vertoofdo, beschrijft een daar voorkomende ziekte in de Cacao-vruchten, dio veel verwoestingen iianricht. üe oorzaak der ziekte is eon soort wants, die in de provincie El. Ora don naam van âMosquillaquot; draagt. Het insekt behoort tot de Phijtocoriden; liet inaniictje is van den kop tot do punt van hot achterlijf gemeten 7 inM., hot wijfje 8 mM. lang. Bij beide go-slachten zijn do kop on de tamelijk groote oogen zwart, do thorax met kort ruggoschildje en hot slanke abdomen zijn roodachtig geel; de snavel is circa 2 mM. lang. Do lange dunne boenen zijn bij de mannetjes zwart, bij de vrouwtjes zijn do twee voorste paren geelachtig en het laatste paar is zwart. Beide paren smalle dunne vleugels zijn bij hot mannetje zwart, bij het vrouwtje goolachtig en bobben zwarte punten on oen zwarte dwarsstreep over hot midden; de voorvleugels zijn in beide geslachten 3 mM. langer dan het abdomen.
Het Yolkomen, gevleugelde insekt voedt zich, evenals de larve met do cacao-vrucht, hot steekt zijn snavel meer dan 1 mM. diep in do schil om or sap uit te zuigen. Het wjjfjo, dat een 2 mM. lunge sabelvormige eierlogger bezit, dio in rust van voren dichtgevouwen in het abdomen verborgen is, legt de eieren, onregelmatig verstrooid, in do schil der vrucht. Ieder wijfje schijnt niet meer dan 30 eieren te leggen, loder eitje is I/2 mM. lang en 1/3 mM. dik, knodsvonnig, iets gekromd, van boven smal; het is loodrecht in de vrucht geplaatst, zoodat hot halsvormigo doel tot aan de oppei-vlakte der vrucht reikt, om dit uiteinde komen boven do vrucht-^chil uitstoken twee kleino horsteltjes van 1 mM. lengte, dio aan de uiteinden een kapvonnige verdikking hebben en niet precies oven lang zijn. Do rand van do kleine opening dor vrucht, waaruit de borsteltjes komen, is eenigszins zwart, zoodat do plok waar het eitje \erborgon is, altijd aan eon zwartachtig vlakje, 1/3 mM. middellijn groot, on aan de daaruit komende horsteltjes te herkennen is.
Hoe lang het duurt voor de larf uit hot oi komt, is nog niet
â 218 â
nauwkeurig' vastgesteld, langer dan 14 dagen schijnt liet niet te duren. Do larven komen bij het verlaten van het ei aan de oppervlakte dor vrucht, en zijn dan l'/j rnM. lang, ongevleugohl, bleek roodachtig van kleur en beginnen dadelijk aan de vrucht te zuigen. Later wordt de romp roodachtig gooi, oogon voelhoorns en pooten zwart; gedurende hun ontwikkeling tot volkoinon insekt die 3 ii 4 weken duurt, vervollen zij meermalen; het leven van het gevleugelde dier, dat bij de laatste vorvolling te voorschijn komt, schijnt zoowat 14 dagen to duren. In den loop van een jaar verschjjnon meerdere generaties; in ieder jaargetijde vindt men het insekt in elk stadium van ontwikkeling.
Het insekt is voor zijn voeding uitsluitend tot de eacao-vrucht beperkt, op andere doelen van don boom vindt men de larf nooit, en hot gevleugelde insekt zoldon. Larven en gevleugelde iiisokton zuigen bij gebrek aan vruchten ook aan de vruehtsteel of aan jonge sappige stengels en bladstolen, zij vinden daarin echter geen geschikt voedsel en sterven binnen 3 il 4 dagen; de wijfjes leggen soms ook eieren in do vruchtsteel, andere deelen der plant schijnen zij or niet voor te gebruiken.
De cacao-vrucht wordt in ieder stadium haror ontwikkeling door hot insekt aangetast on mot eieren belegd. Het leggen dor eieren op zich zolf brengt goen verandering to woog, de beschadiging ontstaat door hot aanzuigen dor vrucht; zoodra hot insekt zijn snavel in de vrucht gebracht heeft, verandert het weefsel in do omgeving van de wond en wordt kort daarna - het dier zuigt slechts oonigo minuten op dezelfde plaats â donker en vormt eindelijk een rondo zwarte vlek, die als hij veroorzaakt is door liet gevleugelde insekt 4 mM. en door een larve 1 2 mM. doorsnede heeft.
In dezelfde verhouding sterft hot weefsel tot op 1 mM. diepte af, wordt zwart en verhart.
Is een vrucht slechs van weinige vlekken voorzien, dan lijdt zij zelfs wanneer zjj jong is niet noemenswaardig, daarom veroorzaken de gevleugelde insekten geen groote schade, daar zij zich gewoonlijk slechts korten tijd op oen vrucht ophouden en er niet veel van zuigen. De eigenlijke schade richten larven aan, men vindt bijna altijd 20 tot 30 even oude exemplaren op oeno vrucht, omdat het wijfje al hare eieren in één vrucht schijnt te legscn en hot regel is, dat de eruit ontstane larven de vrucht niot verlaten maar hunne geheelo ontwikkeling hierop doorleven. Door hot groot aan-
â 214 â
tal steken wordt soms een aanzienlijk deel der geheelo vrucht zwart. Hot gevolg is, dat zij in groei achterblijft en niet tot ontwikkeling komt en vooral de zaden zich slecht ontwikkelen. In zioko vruchten ontstaat ook, waarschijnlijk ten gevolge dor verontreiniging door de excrementen der dieren eon bederf van het pericarpium, dat tot diep in de vrucht doordringt. Wordt een nog jonge vrucht door larven aangetast zoo blijft zij klein en sterft af. Hoe dichter de vrucht het moment dor rijpheid nadert, als zij door het insekt aangevallen wordt, hoe minder invloed hot er op heeft.
Gedurende do laatste tion jaar heeft zich het gevaarbrengende insekt in hot zuidelijkste deel dor cacao-streek van de kust van Ecuador vertoond, vooral in do cacao-bosschon, die van de kleino havenstad Machola naar het binnenland op de Cordillera's gelegen zijn, en wier product onder den naam vau cacao de Abajo in den handel komt. In die streek draagt de cacao het sterkst van Jan. tot Sept., terwijl in de maanden Oct. Nov. en Dec. slechts weinig vruchten aan den boom te vindon zijn. Do insoktcn vermeerderen of verminderen in gelijk mate mot de vruchten; er zijn streken waar zij in zulke groote hoeveelheden optraden, dat er hoogenaamd niets van den oogst terechtkwam. In andere streken van Ecuador schijnen zij niet in opvallende hoeveelheden voor te komen.
De aanwezigheid van het insekt in don eacao-boom is spoedig waar te nemen. Zij houden zich namelijk, daar zij zeer lichtschuw zjju, voornamelijk aan den onderkant der schecfhaugende cacao-vruchten op, daardoor komt het, dat vooral de onderkant der vruchten aangestoken en zwart zijn. De eenvoudigste wjjze van bestrijding zou zijn in do maanden als er slechts weinige vruchten voorhanden zijn, en dus ook minder insekten, alle vruchten, zoowel rijpe als onrijpe, verscheidene malen, in tusschenruimten van oenige weken af te plukken en zoodanig te behandelden, dut de er zich in bevindende eieren gedood worden. Het eenvoudigste zoude zjjn ilie geheel te verbranden, do larven zullen daardoor verdwijnen, evenzoo do gevleugelde insekten, daar de voeding en de gelegenheid tot eieren loggen hun ontnomen is; zoo kau men door eenige schade te lijden groot nadeel voorkomen.
(Xeitschrift für Pflamenkrankheiten) w.
V. Band, G Heft 1895 .
â 215
VERGIFTIGE WERKING VAN VERSCHILLENDE CYI'RIPEDIUMSOORTEN.
Mac Dougal toondo in 181)4 aan, dat do blaren van Ctipripedium spectabile en van C. pubescenx een giftige werking op do huid uitoefenen. Toon hij zijn arm met de blaren van Cyprijiedium spectabile bestreken had, bespeurde hij eerst eon prikkelend gevoel en na 24 uur was de arm sterk opgozwollen en niettegenstaande zorgvuldige verpleging had zij eorst na 10 dagen haren oorspronke-lijken vorm herkregen. Het microscopisch onderzoek der blaren deed twee soorten van haren kennen, waarvan de eone in een punt uitliepen torwjjl do andere met oen kogelvormige kliercel eindigden. Door nieuwe proeven heeft Mac Dougal aangetoond dat Cypripedium spectabile C. pubescenu en C. parvi/loruin de beschreven werking op de huid in dezelfde mate uitoefenen ook wanneer do planten in kassen zonder aanraking met andere giftplanten gekweekt waren. Verder kon hij aantoonen, dat ook do van de pliint losgemaakte klinrharen op do huid dezelfde prikkelende werking uitoefenen, zoodat men mag aannemen, dat do bij deze haren afgescheiden olieachtige zelfstandigheid het werkzame bestanddeel is. Do giftige werking is het sterkst tijdens de ontwikkeling der zaadkapsels. Werkelijk vindt men, dat ook dan do afscheiding van vocht door de klierharon het sterkst is.
{Minesota Bul. studies 1895, 450 r.
door Chew. Zeit. liep. 1896, 57.)
OOFTTEELT IN CEYLON.
De wijnstok.
De cultuur van don wijnstok, waarmede, zooals ik in de vorige aflevering reeds mededeelde, aan do landbouwschool te Colombo proeven genomen worden, blijkt niet zoo moei cl ijk. Do eerste oogst bevindt zicli aan de planten, ongeveer 30 trossen beginnen te rjjpen, het zijn deels witte, deels blauwe druiven. De planten, die nu vrucht dragen werden in Augustus, dat is zes maanden geleden geplant, het waren plantjes in 1894 van stekken gekweekt en voordat zij beworteld waren naar Ceylon verzonden, zij zijn nu ongeveer 18 maanden oud.
â 216 â
I)c tijd is daarom nog niet gekomen, de plantjes zijn nog to jong, om nu reeds oen gegrond oordeel te kunnen vollen over den groei en het vruchtdragen der nieuwe variëteiten, die door Zanetti in Ceylon geimporteord zijn; ook moet nog blijken of'Colombo wel het geschikste klimaat heeft voor de cultuur dezer planton.
In het begin bezocht de heer A. T. Pearson, een ervaren t'ruit-kweeker uit Australië, de Landbouwschool te Colombo. Zijn oordeel over de proeven mot de cultuur van den wijnstok aan genoemde inrichting luiden alleszins gunstig.
Hjj had weinig verwachting van deze cultuur te Colombo, toch vond hij dat do planten or even gezond en krachtig uitzagen als in Australië, en hij begrijpt niet hoe Zanetti or in geslaagd is nicttngonstaand de deprimoorende werking van een voortdurenden zomer, zonder rust voor de planten, deze zoo goed te doen groeien, tenzij hij op do een of andere kunstmatige wijze, b.v. door het; ontblooten der wortels, de planten de noodige rust verschaft heeft. Na hetgeen hij te Colombo gezien hoeft twijfelt Pearson er niet meer aan of do cultuur van don wjjnstok zal op do heuvels wel gelukken.
Een wijnstok to Matale droeg in Augustus zwaar, hjj werd in December gesnoeid en begon in hot eind van Januari nieuw blad te maken. De September-oogst had een halve Cwt. vruchten geleverd, en nadat geoogst was â de wijnstok was over latwerk gegroeid â, had men gezorgd, dat de plant eenige rust genoot; op kunstmatige wijze was hierin voorzien, door voorzichtig do wortels van de plant Idoot to loggen, 7 a 8 da^on bleven zij in dien toestand, waarna zjj met nieuwe aarde, vermengd met mest en kalk, weder bedekt worden.
In het droge klimaat van Calpentyn, worden ook op sommige plaatsen met succes druiven geteeld, men bericht ons van daar dat van twee stollingen bij ieder waarvan drie wijnstokken geplant waren, oen oogst van 1000 Eng. ponden druiven verkregen werd. Iedere druiventros woog gemiddeld twee Eng. 'jj;, zoodat Calpentyn een Eldorado voor de druivencultuur schijnt te zijn. Het heeft een bij uitstek droog klimaat, de jaarlijksche regenval bedraagt niet meer dan 30 inches, en de planten moeten regelmatig begoten worden.
Oranjes.
Do ooftteelt wordt op Ceylon evenals op .lava vrij wel verwaarloosd, en geheel aan inlanders overgelaten. Op eerstgenoemd
217 â
eiland beginnen zich in den laatston tijd eenigo Europeanen er mode te bemoeien, zoo is er een vruchtenkweeker uit Australië, die vroeger langen tijd op Ceylon vortoetde, daarna in Australië zicli op do teelt van vruchten toelegde, en nu zijn ervaring op Ceylon in praktijk brengt. Hij begint met de cultuur van oranjes en citroenen, en verwacht een winst van 50 pound per acre te maken.
Hij wil drie variëteiten van Chinaasappelen invoeren en wel, ,Washington Novel, Mediterranes sweet en de llomosassa oranje.'' Deze drie zijn do meest geachte verscheiden beden in Californië.
Washington Novel, is de populairste en de boste der thans in Californië gekweekte oranjes. Ilij rijpt in oen tijd als de vruchten het meest gezocht zijn, de pitten zijn er door do cultuur uit verdwenen en de vrucht is zoet en saprijk. Het is een krachtige groeier en een goede vruchtdrager, de vrucht is daarenboven duurzaam on bederft op reis niet spoedig. He twee andoren variëteiten zijn ook uitnemende planten; die om verschillende redenen do voorkeur verdienen. Wij hopen weldra meer van de proeven te vernemen, wellicht is er voor ons wat uit to leoren, do condities voor plantengroei verschillen op Ceylon niet zoo voel van de onze.
{Tropical agriculturist, Vol. XV, No. 8 1896). ir.
TECHNISCH HOUTONDKR/OKlv IN JAPAN.
Dat de nauwkeurige kennis van do technische eigenschappen van hout van even hooge waarde is voor den boschambtonaar als voor den houtconsument is boven allen twijfel verheven. En daarom is het zeer te betreuren, dat deze beide categoriën van personen zoo hoogst zelden samenwerken. Een gevolg hiervan is, dat do boschambtenaren niet zelden zeer slecht op de hoogte zijn van de eigenschappen van hot door hen geproduceerde hout, terwijl omgekeerd do houtverbruiker wel do eigenschappen kent van hot hout, maar onkundig blijft van het verband tusschen groeivoorwaarden, variëteiten, enz. van de betreffende boomsoorten en do houtqualiteit. In verband hiermede blijven technische houtonderzoekingen (.vooral ook door niet-boschambtenaren) van hout, «lat door boschambtona-ren is verzameld geworden en botanisch nauwkeurig bekend is, steeds Vc'in hooge waarde. In Japan zijn onlangs eenige dergelijke onderzoekingen ovor een 15-tal Japansche timmerhoutsoorten door
â 218 â
F. Koidk ingesteld. Die ondor/ookingen botrefi'en de uit een praktisch oogpunt hoogst belangrijke eigenschap van het zwellen en krimpeu. Ão methode van het onderzoek is door Koide gedetailleerd beschreven.
{Bulletin Vol, II No. 5 Imp. Univ.; k.
Collei/e of Agriculture).
Kef. maakt er opmerkzaam op, dat sedert een paar jaar ook op .lava dergelijke en andere technische houtonderzoekingen in aansluiting met hot op last der regeering ingestelde botanisch-boschbouwkundig onderzoek naar de booniHora van Java, ingesteld worden in den Artillerie Contructie Winkel te Soerabaja.
Hef.
KORTE BERICHTEN UIT 'S LANDS FLANTKNTUIN. Uitgaande van den directeik dek inrichting.
DE RUPSEN PLAAG IN KEÃlkl, VEROORZAAKT DOOR DEN OJOLAR DJARAN.
(Dierlijke vijanden deii Koffii.cultuur, No. 7).
Op de Noordwestelijke liellin^ van den Kloet zjju â en worden gedeeltelijk nog â sinds eenigen tijd de Java-koffieboomen van verschillende ondernemingen zwaar geteisterd door eeno rupsaoort, die bij de inlanders bekend staat onder don eigenaardigen naam van oelar djaran (paard-rups). Hot is niet de eerste maal, dat dit insect vernielend optreedt tegen de koffiecultuur; in vroeger Jaren moet hot in Midden-Java veel kwaad bobben gesticht, terwijl het in 1891â^92 ongeveer in dezelfde streek als thans een groot deel van den oogst deed mislukken.
Deze zonder twjjfel zeer spaarzame gegevens zijn voldoende om tot de gevolgtrekking te leiden, dat de oelar djaran in do streken, waar Java-kolfie op groote schaal wordt aangeplant, in omstandigheden verkeert, die voor zijn bestaan en zijne vermenigvuldiging bijzonder gunstig zijn en dat hij hijgevolg een blijvend gevaar voor do koffiecultuur oplevert.
Daar het kennen van het gevaar, in gevallen als dit, dikwijls van meer nut is dan de krachtigste hulpmiddelen ter bestrijding der eenmaal hoersehende plaag, kan het zjjn nut hebben meer algemeen de aandacht op dit dier te vestigen, dat over een groot deel van Indië, o. a. ovor geheel Java inheemsch is.
De oelar djaran is de rups van Orcta externa, Wik., een vlinder van de familie der Drepannlidae, tot de groote groep der Spinners (Botnbycida) behoorende. Levenswijze en ontwikkelingsgeschiedenis van het dier leveren, uit wetenschappelijk oogpunt beschouwd, zeer weinig bijzonders op. Do eitjes worden in groeten getale â soms
220 â
meer dan tiomlei'il door elk wijfje - togen do bladeren der koftie-boomen srelegd on wol bij voorkeur langs den rand van het blad ; zo zijn eylindrisch, aan beide uitoiiiden afgerond, hebben eone longte van 1 mM. en oene hreeilte van 0,1â-0,5 inM. Uo eischaal zelve is doorschijnend wit en vertoont, bij matige vergrooting beschouwd, zoor lijno gekartelde teekeningen. Behalve langs den rand, vindt men de oitjos afzonderlijk tegon do onderzijde van het blad; op do bovenzijde zag ik ze nooit. Onder den invloed der oitjos, of liever der stof. waarmode de/e zjjn vastgehecht, krijgt de bladrand eon sterker gegolfd voorkomon.
Zoodra do jongo rupsen voor den dag komen, beginnen zij te vreten en wol, in onderscheid met hotgoen gewoonlijk geschiedt, aan do bovenzijde van hot blad, bij voorkeur nabij don rand. Zij vreten dan de opperhuid dor bovenzijde on het gehoelo bladtnoes weg on laten de bladnervon, uok do fijnere, alsmede do opperhuid der onderzijde over. Na aldus aan hot blad, waarop zjj goboroii zijn, oene zoor karakteristieke beschadiging te hebben toegebracht in den vorm van bruine, halfdoorschijnende, van den rand binnenwaarts indringende vlokken, verspreidon zij zicb en beginnen hot groote vernielingswerk door don gohoelon boom kaal te vreten. Zijn de bladeren verdwenen, dan versmaden zij ook do jonge stengeltoppon en zelfs de stooltjes der vruchten niet.
Onder aanhoudend vreten groeien do rupsen snel en bereiken oene longto van 4 5 centimetei'. Hare kleur is verschillend; do oene ;8 licht, de andere donkerbruin, terwijl men allo denkbare overgangen tusschen beide kan aantroffen. Over de goheolo lengte van hot onbehaarde lichaam loopt in 't midden van don rug oen donkere streep; aan weerszijden loopen tweo dergelijke, fijnere strepen, die minder ver achterwaarts zijn te vervolgen. De kop is vrij klein on draagt twee stompe, korte hoornachtige uitsteeksels; op het achterste lid van den thorax verheft zich eon grooter uitsteeksel, dat achterwaarts is gekromd, terwijl de grootste eigenaardigheid der rups bestaat in oene ongeveer 1 centimeter lange, staartvormige verlenging van hot laatste lichaamssegmont, wolk verlengd gedeelte oen weinig is gekromd en schuin naar achteren opgericht wordt godragen, liet is verkeerd, deze verlenging to beschouwen als in de plaats tredende van het achterste paar buik-(jooioii; deze laatste zijn wel is waar weinig ontwikkeld, maar toch zeer goed waarneembaar.
- 221 â
Of de rups haren iiilrtiiJsclioii imam te danken hoeft aan het voorkomen van den kop, of aan dat van den staart of'wellicht aan beide durf ik hier niet to beslissen; zooveel is zeker, dat zij, mede door de gewoonte om tijdens hare rust do voorste en achterste lichaamssegrnenten opgericht to houden en slechts op de buikpooten te rusten, meer herinnert aan een zeepaardje dan aan don viervoeter, die in het Javaansch met djaran wordt aangeduid.
Na ongeveer 20 dagen zoekt de rups eon gaaf kolfioblad op, rolt door haar spinsel den rand daarvan op en sp nt zich in het opgerolde deel hare cocon, waaruit n» 5â7 dagen do vlinder to voorschijn komt.
Kop en pooten van den vlinder zijn oranje, thorax en abdomen zijn aan do onderzijde roodachtig, aan de bovenzijde donker gekleurd, liet basale gedeelte der voorvleugels en het buitenste gedeelte der achtervleugels zijn oranje, het overige is bruin. Do overgang van oranje in bruin is op do voorvleugels geleidelijker dan op de ach-terviougels, waar hij vrij plotseling en langs een zigzagsgewijs gebroken lijn plaats vindt. Van den top der voorvleugels tot hoi midden van den binnenrand ervan loopt een smalle oranje lijn Heide vleugelparen zijn overdekt met talrijke donkere stipjes, die vooral op de achtervleugels duidelijk uitkomen. Do vlucht der mannetjes is circa 40, die der wijfjes circa 50 millimeter. Het paren der vlinders heeft evenals het loggen dor eieren gedurende de duisternis plaats; overdag zitten ze onbewegelijk op do blaren iler koffieboomon, voor zooverre die er nog zijn en voorts op pagers, onkruid enz. Stoort men ze in hunne rust, dan laten zo zich vallen; jaagt men ze ten tweedon male op, dan vliegen ze een klein eindje maar gaan spoedig weer in hunne eigenaardige houding zitten, waarin zo bij oppervlakkige beschouwing nauwelijks als vlinders zijn te herkennen. Zij hebben namelijk de gewoonte, kop en sprieten onder de vleugels te verbergen en daar do vier vleugels iu half uitgeslagen toestand en horizontaal gehouden, schjjnbaar één geheel vormen en een zwak gegolf'den rand bezitten geijjkr het goheele dier met zijn bruingele kleur sterk rp oen verdroogd blaadje.
Toen ik in het begin van Maart de aangetaste streken bezocht, overtrof het aantal vlinders verre dat der rupsen en poppon. De vlinders waren klaarblijkelijk nog niet lang geleden uitgekomen; althans het aantal eitjes was â altijd naar verhouding â nog niet
- 222 â
groot. Reeds waren op verschillende ondernemingen, die aan de aanvallen der telkens terngkerrende nipsengenoraties hadden hloot-gestaan, de moest voor de hand liggende bestrijdingsmaatregelen toegepast. Do rupsen waren bij kisten vol verzameld en de vlinders waren dos avonds door lichten gelokt en gedood; vermindering dei-plaag was echter niet waar te nemen. Bedenkelijk was hierbij ook do omstandigheid, dat geen onkol verschijnsel op oene naderende vermindering wees. Sluipwespen waren niet te zien, er waren geen vogels, die op de rupsen aasden, slechts eenige weinige Tachiniden (eene groep van vliegen, wier maden parasitisch in rupsen even) vlogon in de tuinen rond, maar waren te gering in aantal, dan dat van hare zijde in de naaste toekomst krachtige hulp kon worden verwacht.
Mijne verrassing was daarom groot, toen (SO pCt. van een groot aantal (ruim 200) poppen, die ik naar Buitenzorg had medegono-men, oene zeer groote sluipwesp en 4 pCt. eone kleinere soort opleverde en bovendien uit de medegenomen eitjes bijna uitsluitend zeer kleine wespjes tevoorschijn kwamen. Het was mij bijzonder aangenaam op grond dezor waarnemingen aan belanghebbenden do mogelijkheid in 't vooruitzicht te kunnen stellen van eon naderend verminderen, zoo niet ophouden der rupsenplaag.
Dit vooruitzicht schijnt meer en moor te worden verwezenlijkt; naar luid van verschillende berichten, achtereenvolgons uit Kediri ontvangen, is op sommige ondernemingen de plaag roods zoo goed als geweken, terwijl op andere nog wel rupsen en poppen zijn, maar uit de laatste slechts sluipwespen te voorschijn komen. Bovendien schijnt zich bjj de wespen nog eon andere bondgenoot te hebben gevoegd en wol eene wants, die tot de familie der Lyi/aeidae (Langwantsen) behoort. Van dit rood en oranje gekleurde insect verzamelde ik eenige exemplaren zonder nochtans hare aanwezigheid mot die der rupsen in verband to brengen, daar de meeste land-wantsen van plantaardig eu niet van dierlijk voedsel leven; men berichtte mij eerst later, dat deze wantsen haar zuigsnuit in het lichaam der jonge rupsen steken en zich met hare sappen voeden.
Do oeIlt;ir dj a ran schijnt zich uitsluitend mot Java-koftie te voeden; noch de Liberia-koffie, noch de Cacao, nog eonigo andere in zijne onmiddellijke nabijheid voorkomende plant had van zijne aanvallen to lijden. Als eene merkwaardigheid dient hierbij te worden vermeld, dat de Liberia-kotlii) wel werd aangevallen, doch dat de
â 223 â
rupsen, die aan de bladeren begonnen te vreten, na korten tijd op do plaats zelve dood bloven. Of dit vcrschijnsol veroorzaakt wordt door verschil In scheikundige bestanddeelon (bijv. door liooger looizuurgehalte) of door de meer leerachtige consistentie van het Liberia-blad of door iets anders, is eonc vraag, die slechts beantwoord kan worden door oen afzonderlijk onderzoek, dat echter voorshands niet op onzen weg ligt.
Ten slotte een woord over de parasieten vau den oelur dj a ran. Het is mij niet gelukt mot behulp der hier aanwezige literatuur den naam van de groote sluipwesp, aan welke de beteugeling der plaag in de eerste plaats is te danken, zelfs maar bij benadering te bepalen. Het is eeu zeer fraai insect van do familie der Ich-neumonidae; de mannetjes hebben oene gemiddelde lengte (gorekend van de voorzijde van den kop tot aan hot uiteinde van het abdomen) van 12 mM.; bij do wijfjes bedraagt deze afstand gemiddeld 14 mM. De sprieten zijn ongeveer even lang als het lichaam, do vleugels zijn glashelder met uitzondering van een donkore randvlek nabij hot uiteinde der voorvleugels, waarover een zeer fraaie paarse gloed ligt. Het abdomen is zwart met dwarse gele strepen; de thorax zwart met twee kleine overlangsche gele strepen op hot voorste gedeelte, twee gele vlekjes daarachter en grootore gele vlokken op zijde van het lieliaam. De wijfjes hebben een lange logboor.
Behalve deze groote wesp verkreeg ik uit de poppen eenigo C/iate-exernplaron, dio zeer verwant zijn aan de soort, die vóór eenige maanden een einde maakte aan de ï'm'as-plaag in West-Java. Uit de eieren verkreeg ik twee soorten van zeor kleino wespen, waarvan de eene tot het geslacht Encyrtus, de andere tot de groep der Flalygastridac behoort.
J. 0. (Koninosberoek.)
Buitemorff, 8 April 189().
â 224
Henchikbuve Xadcn van yuttige Gewassen
Acrocarpus Iraxiiiifolius, Am. Madatuj pari.
Albizziu nioluccana, Mig. Djeundjini/ laid.
Albizzia stipnlata, Bth. Seni/oii.
AndropogDii muricatus, Kotz. Akar wanyi.
Canariiim commune, L. Kanari.
Caosal|.iiuia coriaria, Wild. Divi-divi.
, ilasyrachis, Miq. Pctah-petah.
Cassia Horida, Vahl. Djoeor.
Cediela serrulata, M i(|. Soeriuii.
Corehorus capsularis, L. Goeni, Jute.
Elaeis guineensis, L. Oliepalm,
Kriodendron antractuosum, D. C. Kapok.
Krythroxylon Cooa, Lam. Cora.
Euchlacna luxurians, Dur. Teosinte.
Fourcroya sp. Mauritius-hennep (in grooto lioeveelbeden, bolletjes).
llelianthus annuus, L. Zonnebloem.
Indigotera galegoides, Dl. Taroem oetan.
Melia Azedarach, L. Mindi.
Myristica Iragrans, lloutt. I'd la.
Myroxylon peruiferum, L. Peruhalsein.
Polygala oleifera, Heckel. Boterplant.
Schizolobium excelsum.
Sindora suraatrana Miq. Sindor.
Styrax Benzoin, üryand. Minjan.
Tamarindus indica, L. Asem.
Thea assainica, (Hybr. Ceylon). Thee.
Thoa chinensis, Sims. 'I'hee.
Theobroma Cacao, L. (in kleine hoeveelheden).
â bicolor, H. amp; B. T ,
Verschillendo varieteiten van:
Sorghum vulgare, L. Gandroeny.
Sesamum indicum. D. C. Widjen.
Aan alle aanvragen wordt, zoodra bet gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat bet overbodig is, bij niet spoedige ontvangst, op toezending aan te dringen.
Buitenzorg, Mei 1096.
PROF. STA HL OVER BONTE BLADEREN.
In do laatst verschenen aflevering van de Annales du Jardiv botaniqve de Buitenzory (vol. XIll 21'Partic) staat o.m. een uitvoerige verhandeling over bonte bladeren. In die verhandeling beschouwt Prot'. E. Stahl de niot-groen gekleurde bladeren vooral van een biologisch standpunt. Hij heeft zich de vraag gesteld welke voordeden een plant mot bontgekleurde bladeren in den strijd om het bestaan hoeft boven eerie met geheel groene bladeren en hij heeft na een studie van eenige jaren â gedurende welke hij o.a. ook te Buitenzorg in het laboratorium van 's Lands-Plantentuin dit vraagstuk bestudeerd heeft â het resultaat van zijn nauwgezet onderzoek, do hiervoor bedoelde verhandeling, in het licht gegeven en daarin de vraag in dien zin beantwoord, dat in zoor vele gevallen door proefneming aangetoond kan worden hoe het bezit van bonte bladeren Inderdaad een wapen kan zijn in den strijd om het bestaan.
Iloowel het nu uit den aard der zaak niet in do richting van dit tijdschrift valt, om technisch on gedetailleerd do experimenten en opgestelde hypothesen van Prof. Staiil woor te geven, zal toch een résumé van do resultaten dier proefnemingen de meeste lezers van Teysmannia ongetwijfeld wel interesseeren.
Tot goed begrip der zaak moeten hier echter een paar punten, het leven der planten rakende, in herinnering gebracht worden.
De meest overheerschendo kleur van bladeren en van andere plantendeelen, die voor de zoogenaamde assimilatie, d. w. z. de opneming van koolstof uit hot koolzuur van de lucht, dienen, is de (jroene kleur. Maar op dozen regel zijn, zooals op bymi eiken regel, uitzonderingen. Want ofschoon wel is waar vol-
VII 17
wassen bladeren bijna altijd groen zijn, weet ieder bij hoe vele planten de ontluikende jonge bladeren anders gekleurd zijn ; bijv. roodbruin, purper, violet, wit, enz. En eveneens weet ieder, dat er nog talrijke planten zijn, waarvan ook do volwassen bladeren niet groen zijn, maar bijv. purper zwart of /,ilverwit-bont gekleurd zijn. immers juist zeer vele onzer sierplanten behooren tot deze categorie, doordat niet zelden do kleurscliakeeringen van zulke bonte bladeren, vooral van tropische plantensoorten, met de schoonste bloeiuen kunnen wedijveren.
Twee verklaringen heeft men trachten te geven, om de voordeden aan te toonen van het bezit van bonte bladeren.
Volgens de eene verklaring dient de afwijking van de gewone groene kleur als verdedigingsmiddel togen plantetende dioren, in zooverre als deze door de eigen aardige bonte kleuren ufye-schrikt zouden worden. Daardoor zouden dus planten met bonte bladeren mindnr kans hebben opgegeten te worden door dieren dan groene en daardoor zouden dus de bonte planten in den strijd om het bestaan zegenvieren boven groene.
Volgens do andere verklaring zoude de afwijking van de algemeene, groene, kleur van bladeren en stengels in verband staan met de voeding (oi' met de afscheiding van water) in dien zin, dat planten met bonte bladeren nog krachtig zouden kunnen blijven groeien onder omstandigheden, waaronder planten met groene bladoren door gebrek aan voedsel (bijv. licht-armoede) te gronde zoudeti gaan.
Staan wij thans bij onze eerste verklaring even stil.
I Schrikverwekkende kleuren.
Het verschijnsel in hetgeheele plantenrijk, waarbij de bloemen en vruchten door fraaie kleur of teekening (z. g. lokkeuren) dieren trachten te lokken, die nuttig of noodig zijn om de bevruchting te bewerkstelligen of voor de verspreiding van zaden en vruchten, is zeer algemeen. Daarom ligt het voor de hand om aan te nemen, dat sommige planten zich ook togen de dieren zullen verdedigen door deze af te schrikken door zonderlinge teekening, bijv. door bonte bladeren. Maar toen Prof. Stahl oenigo jaren geleden zjjne proefne-
- 227 -
miiigeii over dit onderwerp aanving was er nog geen enkel bewijs voor laatstgenoemde hypothese bekend. Staiil nam eerst talrijke proeven mot slakken en rupsen, doch kroeg geen bevredigend resultaat. Daarna werden eenige knaagdieren en herkauwers voor het experiment gebezigd. Hierbij werden in enkele gevallen merkwaardige resultaten verkregen. Zoo bleek hetzelfde konijn de voorkeur te geven aan groene boven roodbonte bladeren, bij voederproeven met bladeren van beuken en berken en van Coleus. Proeven met geiten (o. a te Buitenzorg met, sedert deze biologische proefnemingen beroemd geworden, bokken van den Heer W,, de zoogenaamde chèvres biolo-(jiques de Monsieur W.) eu met damherten slaagden minder goed, doordat deze dieren alle schrikkleuren-hypothesen negeerden, vooral wanneer zij zeer hongerig waren en dan met even veel graagte de hun voorgehouden bonte als groene bladeren opvraten. Zeer interessant was echter een proef door Staiii. te Weltevreden in den Dierentuin genomen met den sapi oetan van de Minahasa (Anoa deprexsiconiis). Dit dier, ofschoon van nature zeer schuw, vrat gewillig gras uit de hand. Zoodra evenwel een slangachtig gevlekte bladsteel van een soort aronskelk {Amorphophalius) op liet grasbosje gelegd werd, keerde zich liet dier dadelijk, mee de hoornen dreigend, van het voedsel at'. Werden de schrikwekkend gekleurde bladstelen weggenomen dan toonde de sapi oetan geen vrees eu vrat hot hem aangeboden gras. Deze proef, die met volkomen hetzelfde succes 20 maal achtereen herhaald werd, toont op onwederlegbare wijze aan, dat er een schrikvcrwekkendo werking van slangachtig geteekende planten kan uitgaan. Maar desniettegenstaande is Stahl van meening, dat deze eigenschap meer als een toevallige beschouwd moet worden en dat dc bonte teekening van bladstelen nut heeft voor do voeding van de plant.
II P/insiologische heteekeni* ran bonte, niet eff'cnyroene phui-tendeelen.
Reeds van 1858 hebben zich onderzoekers met dit onderwerp bezig gehouden. Mokken, Pick, 1 Lassaok en Enöelmann hebben zich vóór HrAiu, vooral in dit opzicht verdienstelijk gemaakt.
Tot dusver bestaan er over de physiologische beteekenis van do roode kleurstof in de bladeren (stengels en bladstelen) twoe hypothesen.
Volgens de eone hypothese ligt het nut van het z. g. bladrood (de roode kleurstof der bladeren) vooral daarin, dat het bladgroen door het de bladgroenkorrels omgevende blad rood (z. g. orythrophyll) als liet ware door een scherm tegen te sterk zonlicht beschut wordt. Volgens de andere meening dient de roode bladkleurstof om bepaalde soorten van lichtstralen, die voor de plantenvoeding, voor de assimilatie in de bladgroenkorrels, nagenoeg waardeloos zijn, nog nuttig aan te wenden en wel zoodanig, dat juist die lichtstralen, die voor de z. g. assimilatie (zie boven) vrjj wel waardeloos zijn nog nut krijgen doordat zij door het bladrood geabsorbeerd worden en bijdragen tot een hoogerc temperatuur in de cel. Deze hoogeie temperatuur bevordert nu op baar beurt de chemische processen voor de voedselopname (assimilatie) door liet bladgroen, terwijl daardoor tevens do, voor do voeding belangrijke, verdamping van water bevorderd wordt.
Tot toelichting van het laatste diene, dat de z. g. opstijgende sapstroom (1), welke do voor de voeding onmisbare minerale stoffen uit den bodem aanvoert, door krachtiger verdamping bevorderd wordt.
Het bladrood is dus volgens Staiii. in bepaalde omstandigheden nuttig voor de plant omdat het als verwarmingstoestel (âHeizeinrichtungquot;) dient en omdat door deze verwarming de plant in twee opzichten gebaat wordt, namelijk in de eerste plaats door de krachtiger voedselopname uit de lucht en in do tweede plaats door de krachtiger voedselopname uit den grond ; het laatste tengevolge van de verhoogde verdamping van water en de bevordering van den opstijgenden sapstroom.
Do zilrc.yrlekken op do bladeren hebben, volgens Stahl, voor de plant een analoge verwarmende werking als het bladrood. Op do verklaring kunnen wij hier echter niet ingaan. Xog
(1) /.ie i). a. hot uitvoerigs artikel van Dr. ,1. M. Janse over opstijgende en neerdalende sapstroom in Tevsinannia Dl. I bl. 66;
22!)
dieut vermelding, dat de fluweelachtige kleur van vele, in diepe Hchaduw goedgroeiende, planten veroorzaakt wordt doordat de oppervlakte van liet blad dicht bedekt is met tallooze micros-kopische conische verhevenheden, waarvan elke vehevenheid als een lens werkt. Door die âlenzenquot; worden lichtstralen, die waardeloos zijn voor planten zonder zulke fluweelachtige bladeren, (bijvoorbeeld horizontaal vallende stralen) nog in hot blad opgenomen en zóó door de plant benut.
Evenals bij de meeste biologische planten-onderzoekingen is ook bij de studie van de beteokenis van bonte bladeren voor het leven der plant een nauwkeurige kennis van de standplaats vaak de sleutel tot oplossing van het probleem. Nu worden de planten niet tiuweelachtige en van boven /il verge vlekte bladeren bijna uitsluitend op zeer schaduwrijke en zeer vochtige plaatsen gevonden o. a. onder in diepe ravijnen, aan beekoevers in de schaduw van hoog geboomte, en aan den voet van water. Omgekeerd groeien zulke planten in die broeikassen juist het weligst waar de vochtigheid der lucht bijzonder groot en de temperatuur hoog (27quot;C.) is. Blijkbaar bestaat er dus een verband tusschen beide. Dit werd reeds herhaaldelijk door verschillende personen opgemerkt o. a. reeds door Kkrnkr een lOtal jaar geleden. Echter onlangs is voor het eerst door 8tahl door gedailleerd anatomisch onderzoek en physiologische proeven met een hooge mate van waarschijnlijkheid aangetoond, dat dit verband inderdaad bestaat en dat dus de bonte kleuren der stengels en bladeren van wild groeiende planten in het algemeen beschouwd mogen worden als hoogst doelmatige aanpassingsmiddelen, als wapenen, die ongetwijfeld ontstaan zijn door de natuuiljjke teeltkeus, door het overleven der in den strijd om het bestaan meest geschikte individuen.
Door die wapenen kunnen immers planten met bonte bladeren en stengels leven onder omstandigheden, waaronder groen-bladige planten te gronde gaan door gebrek aan voedsel.
Biütknzoro, 10 Mei 1890.
S. H. Koordebs.
V EZ F.I ,sr() F I; E V1: 11K NI) E Fl, A NT E N.
Het verdient wel de opmerkzaamheid van ieder, die belang stelt in de toekomst van onze zoo uitgebreide Tndische bezittingen, dat hier de cultuur van vezelstof produeeerende gewassen, waarmede in andere tropische landen millioenen verdiend worden, nagenoeg geheel verwaarloosd wordt. Kr zijn bieren daar wel proeven met de cultuur van enkele dier planten genomen en het is waar, niet altijd niet gnnstige resultaten. Zulks neemt eehter niet weg, dat indien men de elders verkregen lessen ter harte neemt en de zaak goed op touw gezet wordt, er nog wel wat met genoemde cultuur te verdienen y.al zijn.
Wij zyn in Indiö te veel gewoon alles op één kans te wagen; men bemoeit zich maar mot eene cultuur, in hoofdzaak, suiker, koffie, thee en kina, en wordt die cultuur om de oen ol andere reden minder winstgevend, dan is het dikwijls reeds te laat om met iets anders te beginnen. Rationeel zoude het zijn, reeds vóór het zoover is, de cultuur met andere planten, al was het ook maar in het klein, te beproeven; men zoude dan waarschijnlijk in staat zijn om, zooals het oude Hollandsche spreekwoord zegt, âals hot getij verloopt de bakens te verzettenquot;.
Onder do vele planten, die voortbrengselen leveren, waarvan aanzienlijke hoeveelheden op de markt geplaatst kunnen worden, behooron ook de gewassen, die vezelstof produceeren.
Do cultuur dier planten is reeds zeer oud, want al is hot waar, dat onze voorouders en andere oorspronkelijke bewoners van de koude en gematigde luchtstreken, zich mot dierenhuiden togen do koude beschutten, zullen zij echter zoodra zij zich begonnen te vestigen en oen begin van beschaving ontstond wel hebben omgezien naar andore gemakkelijker to verkrijgen.
231 â
stoffen uir het plantenrijk. Eenigo dier voortbrengselen nioet.en hun door lt;ie sterkte en buigzaamheid al spoedig opgevallen zijn.
In âTextrinum Antiquoruinquot;' van Vates, vinden we aange-teekend, dat in oude tijden toen do bewoner- van Kuropa en West-Aziö zich nog in dierenhuiden kleedden, de Chineezen reeds in zijden kleeren !ie{ien en de Scythen deze van hennep vervaardigden. In Egypte mochten de priesters niet anders dan linnen dragen, terwijl van de Indiërs gezegd wordt, dat zij hunne kleederen vervaardigden van plantenvvol, die in duurzaamheid en schoonheid de schapenwol overtrof. Dat hier katoen bedoeld wordt is wel waarschjjnlijk, daar het woord âcarbasusquot; (Sanskr. kurposurn) waarmede stof' aangeduid werd, er ook op wijst. In Indië stoud reeds 8UU jaar voor onze jaartelling, zooals uit verschillende mededeelingen in de Veda's blijkt, de spinnerij en de weverij op een vrjj hooge trap.
Do kuituur van katoen, hennep en andere vezel-producee-rende planten, heeft in verschillende landeu een hooge vlucht genomen, vele gewassen waarvan men vroeger de waarde niet kende, worden nu in het groot aangeplant, uitsluitend met het doel er vezels uit te bereiden, en met nog andere tracht men door een betere cultuur en doelmatige bereiding, nieuwe cultures ia het leven te roepen, die zeker, indien de bezwaren waarop de uitbreiding der cultuur nog stuit overwonnen worden, eene goede toekomst te gemoet gaan.
De lezing van een in het vorige jaar gehouden voordracht van Morris, den Assistent-Directeur van de Royal Hotanic Gardens te Kew voor de âSociety of Artsquot; te Londen, over tropische vezelstof leverende planten, bracht mij er toe dit opstel voor Teysmannia te schrijven. De lieer Morris is een bevoegd man op dit gebied, hij bracht langen tijd op Ceylon en op Jamaica door en maakte eenige jaren geleden eene reis naar West-Indië, om daar verscheidene knltnurtuinen (Botanical stations) op de Britsche West-Indische eilanden op te richten.
Behalve van de genoemde voordracht, heb ik gebruik gemaakt van de volgende werken:
The fibrous plants of India, by Dr. Forbes Royle. Tlie fibrous plants of India, Africa etc. by James H Dickson. Plantaardige vezelstoffen door F. W. van Eedon, Directeur van het Koloniaal Museum te 1 laarlem, on van eenige verspreide opstellen en referaten uit vroegere jaargangen van Teysinannia.
Een plant, waarop liier ui dikwijls de aandaelit is gevestigd en die zeker eene rerste plaats onder de tropisnhe vezelprodu-eeerende gewassen inneemt is Mma textilis, waarvan de /.. g. Manila-hennep afkomstig is; do cultuur en de bereiding van dit gewas zijn in eenige opstellen in dit tijdschriftâ pag. 491 en 497 van den tweedon jaargang door K. F. Holle, en op pag. 705 en 709 van den vijfden jaargang door P. K. II. Meerkamp van Embden, Consul der Nederlanden te Manila â uitvoerig behandeld. Ik zoude daarnaar kunnen verwijzen ; het is voor den lezer misschien gemakkelijker, liior do voornaamste daarin vervatte punten in liet kort te herhalen.
Mum te.rtilia, Ruiz.
âRr is wel geen cultuur, die zoo gemakkelijk en te gelij-âkortjjd zoo voordeelig is als die van Abaca en onder aanwezigheid van de daartoe vereischte omstandigheden, is de verbouw âvan dit artikel te verkiezen boven die van bjjna allo andere âgewassen.quot; Met deze aanbevelende woorden begint onzo consul te Manila zijn bovengenoemd rapport.
Men schrijft het goed slagen der cultuur in de Philippijnen toe aan don vulkanischen bodem; de plant groeit het best op plaatsen waar veel regen valt, zij verdraagt geen langdurige droogte, evenmin groeit zij op natte en zware niet voldoend gedraineerde gronden, zij groeit beter in het gebergte dan in de benedenlanden. Proeven op Java genomen, deden zien, dat hier te Buitenzorg op 800 vt. evenzoo op 2000 vt. hoogte, de Musn textiUs zeer goed groeit, op eene hoogte van 4000 vt. groeit zij minder welig, ook beweert men, dat de vezel van
â 233
planton uit liet hooggebergte afkomstig minder waarde heeft; oen zeer geschikte plaats vindt zij op borgheilingen, daar deze ids van zelve zeer goed gedraineerd zijn.
Mn sa texfilis Ruiz, is synoniem met -1/. Mindanwisis llnipii.; de volgende inlandsche benamingen vind ik opgeteekend; Kalè, Soendaneeseh; (iedong söpet, Javaansch; Koela abbal, Ambo-neesoh; Fana, Ternakonseh; IvoH'o in de M inahasa on Abacca in do Phillippijnen. Zij komt behalve op de Philippjjnen ook in ilo wouden van Mendano, Sangir, (Jilolo, Celebes enz. in het wild voor. Vroeger werd do cultuur van Manila-hennep met jjoed gevolg in de Minaliasa op Celebes gedreven, thans hoort men er daar weinig meer van.
Op driejarigen leeftijd is de plant volwassen en geschikt om gekapt te worden. Planten, die reeds in vrucht geschoten zijn, leveren geen goede vezelstof. Nadat de plant gekapt is, ontspruiten in korten tijd nieuwe loten uit den wortel, zoodat een goed onderhouden bosch tweemaal 's jaars een oogst kan leveren. De tronk wordt eenige centimeters boven den grond afgekapt, hij bestaat uit een aantal over elkander liggende reepen of strooken, die, nadat de stengel van de bladeren bevrijd is, er af gescheurd worden. Deze lappen zijn IJ a 4 cM. breed en 2 a 3'/2 M lang. Zij worden eerst in smallere roepen verdeeld en met de hand over een stomp mes getrokken, waartegen -zij met een onderliggend stuk hard hout gedrukt worden, terwijl do spanning door een treeplank wordt verkregen. Deze bewerking reinigt de vezels van het waterige gedeelte en er blijft slechts over hen in de open lucht te drogen, dan zijn zij voor den handel gereed. De reepen moeten twee a driemaal over het mes gehaald worden, voor zij geheel zuiver zijn. Twee werklieden, waarvan een aan het mes en de andere om de stammen te hakken, ze aan te brengen en de reepen er af te halen, kunnen ongeveer 12 KG. droge vezels per dai? bereiden. Een getal van 150 tot 200 stammen zjjn noodig voor de opbrengst van een picol en 3200 stammen voor een ton.
Uit het rapport van den Engelschen consul te Manila bljjkt, dat in 1890, voor een waarde van f 25,000,000 uit de Philip-
pijnen geëxporteerd werd. Holle ineoiit, dat behalve voor de groote cultuur, er ook voor den inlander hier met den naiiplant in het klein nog wel wat te verdienen valt, zoo zouden er met succes verscheidene zaken, die nu ingevoerd worden, o. a. koffiezakken enz , van vervaardigd kunnen worden; indien op Java eenvoudige touwslagerijen opgericht werden, zoude al het touw voor de groote en kleine scheepvaart, voor vischnetten en/, benoo-digd, hier gemaakt kunnen worden ; terwijl nu de grondstof eerat naar Kuropn gezonden en later bereid weer teruggebracht wordt.
Wat de bereiding betreft loopen de beschrijvingen iets uit elkaar, volgens Thomas Christy wordt de stam omgekapt als hij I '/2 jaar oud is, even vóór het verschijnen van den bloemstengel; de stammen blijven vóór zij bewerkt worden 1 a 2 dagen in de schaduw liggen. Daarna worden ze met een instrument van bamboe afgeschraapt, soms worden de vezels gewasschen en na gedroogd te zjjn, gesorteerd in grove en fijne.
Dr. llemster zegt, nieii legt de ruwe vezel zoodra zij van den stengel gescheurd is, het binnenste buiten op een plank en schraapt er de vleezige delen met een stomp mes, dat in een stuk bout besloten is, af Zoodra op deze wijze .een behoorlijke hoeveelheid vezel verkregen is, wordt die vlug onder ruimen toevoer van water gewasschen en er het nog aanwezige slijm afgewreven. Eindelijk worden de vezels dunnetjes uitgespreid of opgehangen om in den wind te drogen. Do nog vochtige vezels mogen niet in de zon komen, ze krijgen daarvan eene bruinachtige tint. die met blee-ken niet zoo spoedig is weg te krijgen. Het in den dauw leggen der vezels bevordert de bleeking, echter ten koste van de sterkte.
liet rapport van onzen consul, Oct. IS!(4, verschilt wat de bereiding betreft eenigszins met het voorgaande, als hjj zegt, nadat de schoone vezels gewonnen zjjn. worden zij eenigen tijd, 5 a (i uur in de zon gedroogd en in de loodsen gebracht om daar geheel te drogen.
Daar de planten, zooals van zelf spreekt, op ongelijke tijden des jaars rijpen, wordt er bijna het gebeele jaar door geoogst; droog weer is echter voor de bereiding onmisbaar, want droogt de hennep niet spoedig dan verliest ze aan deugdzaamheid.
â 235 -
Als hanclelaartikel heeft de witste ea fijnste hennep de grootste waarde. Er zijn vier hoofdsoorten : I iiipis, qui lot, gazan en de gewone abaca; deze soorten â /.\]n weder verdeeld in ]e, 2C en 3° qualiteit. Lupis gebruikt men voor de allerfijnste kleedingsstoffen, zij is zoo fijn als zjjde.
Quilot en gazan worden gebruikt voor het vervaardigen van hemden, alsmede voor fijnere soorten touw. I )e gewone abaca voor liet maken van touw; de kabels voor scheepsgebruik hiervan gemaakt worden in sterkte en duurzaamheid door geen andere overtroffen.
Do uitvoer neemt voortdurend toe, zij bedroeg in 1889, 1.137.000 en in 1893, 1.283.000 picols.
Ue inboorlingen in de Philippijnen verbouwen geen product zoo gaarne als deze hennep, vooral om het weinige dat zij zoowel aan de cultuur als aan de bereiding te doen hebben. Het is een gewone zaak, als een inlander geld noodig heeft, dat hij even eenige planten omhakt en wat hennep maakt; hierbij wordt niet gelet op de rijpte der stammen; hierdoor en ook door de zorgelooze bereiding wordt dikwijls veel hennep van inférieure qualiteit geleverd.
Wie er meer van wenscht te weten, leze de opstellen in het 2e en 5quot; deel van Teysmannia, waaraan ik voor een groot deel het bovenstaande ontleen.
Behalve Mam textills zijn er nog andere pisangsoorten, waarvan vezel, al is die ook van minder waarde, vervaardigd wordt. Zoo b. v. in Jamaica, verkrijgt men van Musa sapientum var. pardisica 1.81% vezel van de stengels, het is eene fijne wollige hennep, die echter hoogstens 12 pound porton opbrengt, zoodat de exploitatie weinig winst oplevert. Toch denkt de hoer Morris, dat het waarschijnlijk wel voordeelig zoude zjjn, de talrijke pisangstammen, men schat het aantal dat tc Jamaica jaarlijks weggeworpen wordt op 50.000.000, tot grof pakpapier of papier maché te bereiden. Hetzelfde kan gezegd worden van Mma sumatrnno, die in de Straits en in enkele deelen van onzen Archipel geheele wildernissen vormt. Nog moet hier Mma Bajno genoemd worden, waarvan de vezel in zuid-.lapan gebruikt wordt, zij moet zeer duurzaam zjjn.
â 236 â
Anaiiasrezel,
Eon der fraaiste vezels is zelcor die van de bladeren van de ananas at'konisti:?, /.ij overtreft in glans en duurzaamheid iedere andere, behalve die der rami. De bladeren van half wilde planten zijn beter, dan die van planten welke voor de vrucht gekweekt worden.
In het 4U doel van dir tijdschrift komt een referaat voor over ananasvezel, uit het âAgriculture Bulletin of the Malay Peninsula, May 189;5quot;, waaraan ik het volgende ontleen.
Ofschoon do cultuur dei' ananas in de Straits in het groot gedreven wordt, is de export der vezel van weinig belang, de vermoedelijke oorzaak van dit verschjjnsel is daarin te zoeken, dat men zich nicer toelegt op het kweeken van goede vruchten, die in blikken geconserveerd verzonden worden. De vezel uit de bladeren van dergelijke planten verkregen is te kort, ook de (jualiteit is inferieur. De beste bladeren voor vezel krjjgt men van planten, die tus-schen onkruid, lage heesters en kleine booinen groeien, de stekken worden voor dit doel in jong bosch op 5 voet afstand van elkaar geplant; het doet er niet toe of de grond arm is, bemesting schijnt niet noodig te zijn. Dorry nam proeven met het planten van ananas voor vezel op eene verwaarloosde Tapioca-onder-neining te Muchap op Malakka, lijj meende, dat daar een product van 12 Cwt. vezel per acre en er per jaar verkregen kon worden.
De eenvoudigste manier, om de vezel te bereiden is de bladeren acht dagen in water te weeken, ze zijn dan zacht en het bladmoes laar zich dan zonder veel moeite wegwnjven, dan houdt men de bijna zuivere vezel over. Door de lange onderdompeling verkleurt de vezel en gaat ook in sterkte, glans en duurzaamheid achteruit. Kon beter maar ook veel bewerkelijkere methode is, het blad met een niet te scherp mes af te schrapen; voor dit doel worden de bladen op een hard stuk hout gelegd en mot het mos geschraapt tot de opperhuid verdwenen is; met een breed mes kunnen de vezels er dan gemakkelijk uitgenomen worden.
Monsters van op deze wijze bereide vezels werden aan de firma Ido amp; Christy gezonden, hun rapport luidde als volgt:
De door scliraping verkregen vezel ziet er goed uit, waiir-schijnlijk kan de kleur nog beter worden. Ananasvezels /.ijn nooit in voldoende hoeveelheden in Engeland aan de markt gebracht, zelden kwam er moer dan eon paar balen te gelijk, zij vonden onder de touwslagers gretig koopers, doch deze lieden konden er op zijn hoogst 24 pound per ton voor betalen. De vezels zijn echter bijzonder geschikt voor allerlei fijne weefsels, zjj zouden daar ook voor gebruikt worden als zij maar in voldoende mate aangebracht werden, b. v. in zich regelmatig opvolgende bezendingen van 5 a 10 ton; eerst dan kunnen de fabrikanten er zich aan wagen.
Een andere tinna schrijft: goede ananasvozel in aanzienlijke hoeveelheden geïmporteerd, kan gemakkelijk 40 pond per ton halen.
In Indië en vooral in China, kent men de waarde van de ananasvezel beter, een stuk goed ervan vervaardigd is voldoende voor vijf Chineesche baadjes en kost te Singapore 22 Sh. Een monster te Singapore bereide vezels uit lange bladeren werd door een Chinees voor 22 Sh. de picol verkocht.
Ananasvezel wordt vrij veel bereid op Formosa en naar Swatow uitgevoerd, waar er een glanzig zijdeachtig linnen van gemaakt wordt, zeer geschikt voor kleeren in een warm klimaat.
Reeds in 1851 werden op de Londensehe tentoonstelling monsters van ananasvezel van Java en Celebes ingezonden, zij werden daar getaxeerd op /'60.= de 100 kilo, en zonden zeker veel hooger prijzen halen als de hoeveelheid maar groot genoeg was. De monsters daar ingezonden door den heer Weber van Tjogreg bij Buitenzorg, verwierven den eersten prjjs.
Het is bij de cultuur noodzakelijk, te werken op lange bladeren, eene lengte van 6 vt. is best te bereiken, indien er dan maar een genoegzame hoeveelheid aangevoerd kon worden, zoodat het voor de fabrikanten de moeite loonde de vezel te verwerken, zouden er zeker betere prijzen behaald worden, dan nu door de touwslagers besteed kunnen worden.
Even eenvoudig als de cultuur is ook de bereiding, waar-
schijnlijk zoude de laatste door machines nog vereenvoudigd kunnen worden. De machine van Death voor Mauritius-hennep schjjnt de geschiktste te zijn.
De Ananas behoort tot de familie der Bromeliaceeën, er zijn meer planten van dezelfde familie, die fraaie vezels leveren, o. a;
C(trlt;/iiat-urezel.
Deze is afkomstig van Bronielia argentea, de fraaiste vezel is zoogenoemde Cara(/uata Ibera. Lang voor men wist welke plant do vezel leverde, was deze laatste al bekend, reizigers die Paraguay bezoeken gewagen van de lange en zijdeachtige vezelstof; ook op de tentoonstelling van Parijs is 1889 wekte zij de bewondering der kenners op. I n een rapport van den liritschen consul wordt vermeld, dat de vezel voor inlandsch gebruik veel aangeplant wordt, dat er allerlei fraaie zijdeachtige stoffen van vervaardigd worden; toch bestaat er geen noemenswaardige uitvoer van, omdat men de vezel nog niet machinaal bereidt en alles met handenarbeid geschiedt, men krijgt daardoor wel fraaie waar, die aan alle eischen voldoet, echter te duur is voor export.
Bromelld sul Pestris Wild. levert in West-Indië en Centraal-Amerika eon fraaie vezel, die ook niet geëxporteerd wordt. Bromelia Pinx/uin L. is eene plant waarmede groote uitgestrektheden land in Jamaica begroeid zijn, do ervan gemaakte vezel is echter van inferieure kwaliteit. Karatas Phonieri daarentegen levert een fraaie en sterke vezel, de plant heeft bladeren van S a 10 vt. lang en is zeer algemeen in tropisch Amerika; de Indianen vlechten er zeer gezochte hangmatten van.
Howstring-hennep.
Verscheidene (S^wsmem-soorten leveren een uitstekende vezel, die, hoewel plaatseljjk veel gebruikt, nog weinig in den groothandel voorkomt. De planten van dit geslacht hebben een kruipenden wortelstok en oen roset dikke vloczige bladeren; eenige ervan worden hier in de tuinen wel voor versiering aangeplant, de bladeren zijn meestal bont.
- 239 â
De miiiin Bowstring, boogpees, goot'r, reeds aan, dat we hief toet een bijzondere sterke vezel te doen hebben. Voeg daar nog bij dat de plant in de schaduw groeit en al heel weinig eischen aan de cultuur stelt en dat zij, de massa in aanmerking genomen, veel vezel bevat, dan mogen wij wel aannemen, dat de cultuur van sommige »SVw.s,(;/;/«/vlt;-soorten eene toekomst heeft. Do bloemen zijn wit of groenachtig, do bladeren bevatten oen aanzienljjko hoeveelheid vezel, die uitmunt door elasticiteit, fijnheid en sterkte. Do meeste soorten zijn van Afrikaansehen oorsprong, door do uiterst gemakkelijke wijze waarop zjj zich vermenigvuldigen, zijn ze in bijna allo tropische tuinen verspreid. Voor do vermeerdering kan gebruik gemaakt worden van wortelstokken, die, in kleine stukjes verdeeld, spoedig doorgroeien, zelfs stukgesneden bladeren op vochtige plekken geplant, bow or tel en spoedig en geven dan het aauzjjn aan jonge plantjes. Zij worden op een afstand van 3 a 4 vt. van elkaar geplant; na drie jaren kunnen de eerste bladeren gesneden worden. In Indiö verkreeg men van tO kilo groene bladeren van Sameviera Hnrhurghiam, I kilo vezel, een acre kan tweemaal 's jaars geoogst worden, do gemiddelde opbrengst is 725 kilo zuivere vezel voor iederen oogst. Op Ceylon en aan de Westkust van Afrika, wordt de vezel voor het vervaardigen van bindgaren en touw gebruikt; van eene bijzondere goede kwaliteit is de vezel van Sonscviera Cylindricn, die voor koord voor diepzeepeilingen door geen andere overtroffen wordt.
Konje-hennep, afkomstig van Saiinericrn fjuiiieni.tix is een van de oudste en meest bekende soorten, de gestreepte bladeren zijn plat en leerachtig, ongeveer 3 a 4 vt. hoog en in het midden â ! eng. vt. breed; aan de Zambezi maakt men er een vezel van overeenkomende met Manila hennep, de plant komt daar in groote hoeveelheden onderdo schaduw van groote boomen in hei wild voor. Op Mauritius, Jamaica, Cuba en Trinidad is hei een half wilde plant, waar vooral vezel uit bereid wordt; een bericht van Jamaica vermeldt, dat een oogst van l1/2 ton per acre verkregen werd, die voor 45 pound per ton verkocht werd,
- 240
I
inacliiiiiial bereide Konje-liennep van Cuba bracht 80 pound per ton op, terwijl voor een monster uit Trinidad slechts 20 pound bedongen werd; kleur en kwaliteit van laatstgenoemd monster was ver beneden liet normale.
Sanneriera longiflora, behoort in tropisch Afrika te huis, de bladeren gelijken veel op die van S. gui)ieënsisâ ze zijn wat .,
grooter en platter; een beter ondersclieidingsteeken is do bloem,
die viiu eerstgenoenide is 21j2 a i5 dm. lang, terwijl die van de tweede niet meer dan 2 dm. haalt. In Londen werd iu , j
liSiST een partij vezel dezer plant verkocht voor 30 pound per ton.
I'angane-henuep, San-ie i lam Klilrii, waarvan het blad ec;!
bruinen rand heeft, hoornachtig van weefsel en aan beide zijden gevlakt is. Deze plant werd ontdekt door Sir John Kirk, hjj zegt er van, zij groeit overvloedig op het vaste land tegenover Zanzibar, de bladeren worden soms tot fl vt. lang, daardoor produceert zij meer vezel dan do andere soorten, die korter bladeren hebben, de inboorlingen gebruiken de vezel voor allerlei doeleinden, in 1887 werd een monster te Londen getaxeerd op 27 pound per ton.
Neyaiula-hennep, Sanseriero zeylanico Willd., een plant die sinds jaren op Ceylun en ook hier in de tuinen geplant wordt. De Singaieezen maken op allerhande wijze gebruik van de vezel dezer plant, voor bindtouw, koord, vlechtwerk, kleeren enz.
Gewoonlijk worden de bladeren eerst in water geweekt en daarna de vezel er uitgehaald, een betere, maar bewerkelijker methode is het schrapen der versche bladeren; daar do bladeren kort zijn, heeft de vezel in Europa minder marktwaarde.
Ifé-hennep is van Sannevlcra cylindricti Boj. Deze plant ziet er geheel anders uit dan de overige van haar geslacht, zij heeft cylindervormigo bladeren, die in een punt uitloopen, ze zijn ;5 t\ 4 vt. lang. De geheele plant doet denken aan een collectie scherp gepunte stammetjes; zij komt in het wild voor in de uitgebreide landstreken tusschen Zanzibar en Angola. I )e vezel is goed en werd te Londen getaxeerd op 28 pound per ton.
1
â 241
Sisal-hennep.
Sisal-hennep, Henequen, Yucutan-hcnnep zijn allen namen van het product van een plantensoort, waarvan rle gewone Agave americana, do z. g. hondordjarige Aloë de type is. Er worden twee, zoo niet meer, soorten planten gekweekt waarvan de vezel
iiFkoinstig- is, de bekendste is do z. g. Sacqui, Agave rigida var. longifolia en do andere Yaxqui, Agave rigida var. sisalam. Bij de eerste zijn de bladeren aan den rand van stekels voorzien en eindigen in eeno scherpe punt; de tweede eigenschap heeft laatstgenoemde variëteit ook, do bladeren zijn echter gaafrandig.
Zij worden vermenigvuldigd door uitloopers, door zaad of door bolletjes (pole plants), welke laatste in groote hoevoelhedon aan do bloemstengels voorkomen.
De grond waarin deze Agave het weligst groeit is geheel verschillend van die, welke voor Manila-hcnnep gewenscht wordt. De beste vezeldistrikten in Yucutan hebben een droog klimaat en eon zand-, steen-of rotsachtigen grond, zjj liggen slechts een paar voet boven de oppervlakte dor zee en het is er zeer heet. liet is een wel geconstateerd feit, dat op deze gronden meer en beter vezel geteeld wordt dan op vruchtbare gronden iu een ietwat koeler en vochtiger klimaat.
De bovengenoemde bolletjes worden eerst op onoverdekte kweek-beddingen uitgeplant, als zjj 18 a 20 dm. hoog zijn, worden zij op rijen van (! a 12 vt. afstand uitgezet, zoodat er 600 tot lOOOop een acre gaan. Breede wegen worden overal tusschen den aanplant opengelaten voor den aanleg van trams of Decauville-spoorwegen, om do bladeren later naar do fabriek te brongen, waar de vezel er uit bereid wordt. Een aanplant begint op 3 a 5 jarigen leeftijd te produceeren; zulks hangt grootendeels af van de grootte der plantjes bij het uitplanten cn van de wijze van bewerking.
Bij den oogst worden tien a twaalf bladeren, van beneden af beginnende, van de plant genomen, al naarmate de groei der planten wordt 3 ö, 4 maal 'sjaars gesneden; zoodra eeno plant neiging toont om te bloeien, wordt zij voor vezelberoi-ding waardeloos. Zooals men weet, komt er bij den bloei een dikke stengel voor den dag, die zeer snel groeit, waar-
242
II
'I
aan later bloemen en eindelijk vruchten of bolletjes komen. De stengels worden er uitgesneden, de blaren voor vezels er afgenomen en de planten weggegooid. Ten einde voortdurend oogstbare planten te bobben, worden zoodra 3/4 van den leeftijd eener plant voorbij is, jonge plantjes in do onmiddellijke nabijheid dor oudere geplant, zoodat als de eerste opgeruimd wordt, er dadelijk weer een in de plaats staat. De leeftijd eener plant is van 5 tot 10 jaar, het to veel afsnijden der bladeren, dwingt dc plant vroesor te bloeien en maakt haar dus eerder waardeloos.
üe bladsnijdors ontvangen voor 200 bladeren â zoowat een dagtaak â 25 dollarcents; de bladeren worden op muilezels of op trams geladen en naar de fabriek gebracht; een muilezel draagt 200 bladeren en op do trams geladen trekt hij er 3000. De moeste ondernemingen in Yucutan zijn voorzien van eenvoudige kleine trams, systeem Decauville.
Do meest gewone machine om do vezels uit de bladeren te winnen is de z. g. âraspadorquot;, waarvan het doel is het blad-moes te verwijderen, zoodat slechts de vezel overblijft. Me( dit zeer eenvoudige werktuig van 1.1 paardekracht, kunnen twee werklieden 7000 tot 9000 bladeren per dag zuiveren. Van 1000 gewone bladeren krijgt men 50 iC droge vezel, bij groo-te uitzondering wel eens 100 lÃ. Als Ho vezel gezuiverd is wordt zij in de zon uitgespreid on als zij goed droog is, door middel van een schroef of een hydraulische pors, in balen van 350 ü 400 li: geperst, dezo hebben eon oppervlak van 22 viork. voeten.
In Yucutan is eoue oppervlakte van ongeveer 24.000 acres met Sisalhonnep beplant; in 1894 bedroeg de oogst circa ,i.)0.0f)0 balen, die gemiddeld i375 tà zwaar waren, terwijl do oogst van 1895, bijna 400.000 van dezelfde balen bedroeg.
Dc middenpnjs was in don laatsten tijd als volgt:
;i sli
IP
24 pound per ton 27 50 17.1
1^79 1883 1889
1894
1895
14.1
terwijl in de laatste
â 243
maanden van het vorige jaar weer partijen tegen 17 pouiul verkocht werden.
lionthdi/ Aloë-vezel.
Van ileze vezel is voor den handel nog niet veel goeds te /eggen, zij is afkomstig van Ayctve v'mpera; hoewel do plant uit Amerika afkomstig is, vindt men haar in Indië overal verspreid. In Bombay en in de Noord-Westelijke provinciën wordt zij veel in hagen geplant. Do bladeren zijn lang en smal, zij zijn voorzien van vrij ver van elkaar staande bruine stekels en hebben een scherpe punt. Toen er eenige jaren zoo veel vraag ontstond voor witte vezel, werden do bladeren uit de hand bereid, er was echter geen hooge prijs voor te bedingen In 18!K) lagen er over de 1000 ton in de pakhuizen, de prijs was van 5 tot 12 pound, per ton. Goed bereide waar kan echter wel van 25 tot 30 pound per ton opbrengen. Uit Natal (Zuid Alrika) werd een dergelijke vezel aan de markt gebracht waarschijnlijk afkomstig van Ayave ainencana, zij was slecht bereid en nagenoeg onverkoopbaar.
Manila Aloë-rezel.
Deze vooral niet te verwarren met Manila-hennep van Mn^a textilis afkomstig. Even als die van Bombay wordt ook deze vezel van Agave vivipera verkregen; hoewel iets beter bereid, kon zij ook in de goede jaren niet meer dan 17 8h. per Cwt halen. Een prijs, die de onkosten nauwelijks dekt; zij is daarom ook van de markt verdwenen. In Manila wordt zij voor inheemsch gebruik nog wel bereid, men maakt er daar o. a. vioolsnaren van.
Mau r it iuti-hennep.
De cultuur van de plant, die bovengenoemd product levert is voor ons niet van belang ontbloot, daar zij hier zeer welig groeit, zooals door eenige proeven met do cultuur ervan in het klein bewezen is. De Mauritius-hennep wordt verkregen van de z. g. groene Aloë, Fourcroya gigant ca, bij de Pranschen ia zij ook als Aloé vert bekend. Sedert 1837 verspreidde de plant
zich langzamerhand in Mauritius cn in 1872, vond men in de verlaten suikerriettuinen oen zoo groot aantal planten, dat eenige ondernemende lieden, het denkbeeld opvatten uit de bladeren ervan vezel te bereiden. Reeds liet eerste jaar bedroeg dc export 214 ton ter waarde van 4.034 pound en thans is de waarde van den jaarlijkschen uitvoer tot 50.000 pound gestegen.
De Foureroya gelijkt in alle opzichten op dc Agave; dc bladeren hebben echter in tegenstelling met die der laatstgenoemde ecne heldergroene kleur, zij hebben niet vee! stekels, welke minder scherp zijn, ook do bladspits is stomper. De bladeren bereiken eenc lengte van 4 tot 5 voet en zijn in het midden 5 a 8 Mng. duim breed, de groenachtig witte bloemen komen aan eenc 10 a 12 \t. hooge, sterk vertakte stengel (pole), waaraan evenals bij de Agaves, tal van kleine bolletjes ontstaan, waardoor de plant vermenigvuldigd wordt.
Evenals bjj dc cultuur der Sisalhennep worden er regelmatige tuinen van aangelegd, tenvjjl de planten, die gebloeid hebben als waardeloos weggegooid worden; in de plaats daarvan '/ijn cr op de kweekbeddingen steeds vrij groote planten in voorraad die in do hiaten voorzien. De planten bereiken een leeftijd van 7 a 10 jaar, terwijl de oogst begint in het 5e jaar; door te veel to snijden Ijjilt de plant eu gaat zij te vroeg bloeien.
De industrie is krachtig vooruitgegaan door een ter plaatse uitgedachte machine, âgrattequot; genoemd. Deze kost ongeveer 20 pound en wordt door water of stoom in beweging gebracht; het werktuig komt in hoofdzaak overeen met den âraspadorquot; van Vucutan. De machine wordt bediend door twee man, dio er bij afwisseling de bladeren in doen, een der werklieden moet links zijn. De gemiddelde productie-en bereidingskosten van een ton vezol bedragen op Mauritius 225 roepies.
In den eersten jaargang van dit tijdschrift komt op pag. 232, de beschrijving voor van dc op Mauritius in gebruik zjjnde machine. Zij bestaat uit een cylinder van 2 vt. diameter, bij 1 vt. breedte, waarop 12 stalen bladen van 1 Eng. dm. ziin lt;reklonken. Do cvlinder wordt niet ffroote snelheid rond-
â 245 â
gedraaid (gemiddeld 700 wentelingen iu do minuut), waarbij de stalen bladen dicht langs een ijzeren toevoerbak âservantequot; strijken. Deze eenvoudige machine âschrapperquot; (gratte) genoemd, waarvoor water cl' stoom als beweegkracht dient kost tor plaatse ongeveer 250 roepies. Zij wordt door verschillende fabrikanten in de kolonie vervaardigd, doch hoofdzakelijk door do âForges et Fondories do M'niinoequot;, waarbij do hoor Regis de Chazal ingenieur is. Aan dezen ingenieur zijn ook nauwkeurige gegevens omtrent de machine te danken.
Nadat do Foiireroya- bladeren met do âgrattequot; zijn behandeld, is de verdere reiniging der vezels blijkbaar zeer eenvoudig. Korst worden zij in warm water, of wol in koud water met zoop gedaan en voorts in koud water gereinigd, om daarna in do zon gedroogd te worden. Men op de âgrattequot; gelijkende, maar eenvoudiger machine dient oindeljjk om do droge vezels van alle onreinheden te zuiveren.
/ooals uit het behandelde op pag. 44ti vat» denzelfden jaargang blijkt, is er liior in Indië reeds eono proef in hot groot mede genomen en wel in de Residentie lliouw. in 1S84 worden door den hoor K., 7500 planton van Mauritius-hennep geplant, in 1885, 10.000, en 1880, 10.000 en 1887. 13.500 en in 888, 5000. Daarvan waren er op liet einde 1887, circa Kt.000 groot genoeg om verwerkt te worden, hetgoon door omstandigheden slechts mot enkele planton kon geschieden, op het einde van 1888 waren 20.000 planters voor don oogst geschikt.
J)o toestellen voor do bereiding van het garen uit Engeland verkregen voldeden zeer goed. Tot zoover ging alles uitstekend, maar nu verkocht de hoer K. do gohcolo onderneming aan een Chinees, zonder aan dezen eenige inlichtingen omtrent cultuur of bereiding te verschaffen. De Chinees waarschijnlijk onbekend met de voordooien dor cultuur, roeide de Kourcroya's uit en plantte ananas voor do markt te Singapore.
Er is toen door don Directeur van 's Lands plantentuin nog moeite gedaan om er achter te komen, welke reden de heer K. had om zijne ondernoming toen zij begon te rondeeren van de
â 24(3 â
hand te zetten, deze pogingen mislukten en de zaak kon nier tot klaarheid gebracht worden.
Hoewel de vezel zeer sterk is, wordt Mauritius-hennep weinig tut het vervaardigen van touwwerk gebruikt, de reden hiervan is haar geschiktheid voor fijnere weefsels. Niettegenstaan-de prijzen van alle vezelstoffen in de laatste Jaren sterk achteruit zijn gegaan, heeft de prijs der Mauritius-hennep zich gehand-iiaafd. In 1895 waren de prijzen van goede witte qualiteit 21 tot 24 sh. por Cwt., gewone qualiteit 17 a 18 sh. en inférieure 14 Sh.
In de West-Tndische eilanden, vooral in Anguila (eilanden beneden den wind) zijn groote aanplantingen aangelegd, dio weldra beginnen te produceeren.
Sillc-gras.
Ofschoon bovenstaande term ook wel gebruikt wordt voor lt;le vezels van eenige Bromelia-soorten, wordt zij meer algemeen toegepast op die van Fowcroya cuhertxi*, oen andere groene Aloë, die veel gelijkt op de Mauritius-hennep. Zij komt in iropisch Amerika voor en wordt op Jamaica en Tabago voor de \ezels gekweekt. De bladeren zijn 5 a lt;3 vt. lang,gewoonlijk gewapend met stekels; er is eene variëteit de z. g. inennis, «lie geen of zeer weinig stekels bezit, en daarom bizonder gemakkelijk behandeld kan worden. In 1884 werd zij in Londen getaxeerd op 27 pound per ton, zij wast beter dan Sisal-hennep. Fonrcroya selloa, met bladeren van 3 tot 5 vt. lang, komt veel op Ceylon voor, zij schijnt niet de s'csciiikste plant voor vezelbereiding te zijn.
\ieuiv-Zeelandsch vlas, {Phormium tmo.r).
De plant waarvan bovengenoemde vezel afkomstig is, behoort tot de natuurlijke familie der Leliaceeën] zij groeit, zooals de naam reeds aangeeft, wild in Nienw-Zeeland. De lange zwaardvormige bladeren zijn tegenover elkander geplaatst en omgeven elkaar aan don voet. liet is een sierlijke plant, de bladeren
â 247
zjjii 5 a 10 vt. lang, zij hebben aiiu den bovenkant een hel-dergroene en hmii den achterkant eon blauwgroene tint; de bloemstengel wordt 12 a 1G vt. lang, is afwisselend vertakt en hoeft roode bloemen; de kleine, platte zaden, hebben een zwarte kleur en zijn besloten in een driekleppige doosvrucht.
Men zegt dat de Maori s ongeveer 55 verschillende variëteiten van Phormimn's onderscheiden; zij hebben er verschillende namen voor. Door do Europeanen worden die talrijke kleine verschillen niet, opgemerkt, deze hebben lang niet zooveel verscheidenheden aangenomon. ledergoed uitgegroeide pol bestaat uit 10 uitloopera, die ieder zoowat 5 bladeren hebben ; een goed uitgegroeide stoel kan dus 50 bladeren bezitten. Slechts bij uitzondering bereiken deze eene lengte van 10 vt. gewoonlijk zjjn zij 5 a 7 vt. lang. De plant is nog weinig^)i niet in cultuur, zoodat de vezel van in het wild groeiende planten wordt gewonnen. In don laatsten tijd tracht men de Plionniutii onder geregelde cultuur te brengen, om daardoor do productie niet slechts te vermeerderen, maar ook en vooral om do qua-liteit der vezel te verbeteren.
Nieuw-Zeelaudsch vlas is sedert laug een onderworp geweest van tal van onderzoekingen, die ten dool hadden betere mt'-thoden van bereiding te vinden, waardoor het gebruik dor vezel uitgebreid zoude worden ; de verkregen resultaten beantwoorden nog niet in alle doelen aan de verwachting.
In 185)0 werd een prijs uitgeloofd van 1750 pound, voor eene verbetering der tot heden gevolgde bereidingswijze, waardoor de kosten van het marktwaardig product verminderd zouden worden.
In een nog betrekkelijk jonge kolonie zijn de omstandigheden voor de uitvinding van nieuwe machineriën niet zoo gunstig, als in de groote fabriekscentra's in Europa. In Engeland werden proeven genomen, om de vezels te bereiden uit droge bladeren, die ook al niet meevielen, waarsehjjnlijk zoude hot met versche bladeren beter gaan.
Nieuw-Zeelandsch vlas is een dor oudste uitvoerartikelen
vaa de kolonie, ofschoon in de jaren 1828 â 18152, Niouw-Zeoland slechts door walvischvaarders on oeni^e weinige handelaars bezocht werd, bedroeg do uitvoer reeds voor eene waarde van 50.000 pound van genoemde vezel. In dien tjjd behaalde de door de Maori's uit de hand bereide vezel, op de hngelsche markten, aanzionlijko prijzen. Dc bladeren werden toen met voel zorg verzameld; slechts rijp blad, waarvan dc vezel het boste is, word afgesneden. Hoe is het later gegaan: men sneed in iedor Jaargetijde, er niot op lettemlo of do bladeren voor don oogst geschikt waren, do goheele stoel af. Dat de waarde dor vezel, door oen dergelijke ondoordachte werkwijze achteruitging, behoeft geen betoog.
Machinaal bereide vezel kwam niot vóór 18lt;il in den handel en toen slechts, om in het te kort van Manila-hennep to voorzien, werd de vezel naar de Pliilippijnen uitgevoerd en daar tot touw verwerkt.
Men berekent, dat een acre ongeveer 10 ton in de zongedroogde bladeren oplevert en dat de gewone opbrengst van vezel 12 Cwt. per acre is. I']r is geen plant bekend wier bladeren een zoo groot vezelgehalte hebben; dit bedraagt niet minder dan 15 a 2()o/0 van de groene bladeren.
Do Maori's bereiden de vezel zoo goed, dat zij als damast en in allerlei fijne stoffen verwerkt kan worden, in het Kew-Museum zijn dergelijke voorbeelden aanwezig. Do machinaal bereide vezel staat verre ten achter bij het evengenoemde fraaie werk.
I'ji' doet zich hier het eigenaardige feit voor, dat een half beschaafd volk, zooals do Maori's, een vezelstof van hooge waarde uit dezelfde plant bereiden, waarvan de Europeanen slechts een product van inférieure kwaliteit verkrijgen. De oorzaken zijn boven reeds aangegeven.
Men heeft in Australië en in Engeland de overtuiging, dat het laatste woord in deze nog niet gezegd is, en dat do volle waarde van de vezel door doelmatiger machinale bereiding en door eene chemische behandeling, toegepast op zorgvuldig uitgezochte en goed rijpe bladeren, eerst verkregen zal worden.
â 249 â
Het âNew-Zealaad official Year-Hookquot; van 1894, laat er zich als volgt over uit.
De grootste verbetering van het tegenwoordige systeem, dat een vezel aflevert van zooveel minder waarde dan de vroeger door de Maori's bereide, kan eerst verkregen worden door een geregelde cultuur, door een zorgvuldigen oogst der bladeren en door een chemisch procédé in plaats van liet lange wasschen en bleeken in de zon, dat nu gevolgd wordt.
De uitvoer der vezel is sedert 1893 achteruitgegaan; omdat slechts van in 't wild groeiende planten geoogst werd, en er sinds 1889 zulke groote hoeveelheden op onoordeelkundige wijze gesneden werden, gaan de wilde planten achteruit en indien niet spoedig uitgebreide aanplantingen aangelegd worden, zullen de groote uitvoeren weldra tot de geschiedenis behooren. In 1894 bedroeg do uitvoer slechts 7000 balen, tegen 70.945 balen in 189:-{. Hieronder volgt eono opgaaf van den uitvoer sinds 188! :
1881â 1308 ton voor eene waarde van 26.285 pound.
1888- 4042 â â â â â 75.269 â
1889-17084 â â â 361.182 â
1890-21185 â â 381.798 â
1891-15809 â â B , 281.540 â
1892-12798 , â 214.542 â
1893-12587 â â â â 210.375 â
Er bestaat eenige gelijkheid in structuur tusschen Nieuw-Zeelandsch vlas en Manila-hennop; beide soorten zjjn bijzonder geschikt voor het vervaardigen van wit touw Dit feit wordt nog bewezen, door hetgeen in den handel plaats heeft: als de prijs der Manila-hennep stijgt, wordt het N-Z. vlas ook dadelijk boter betaald. Het is echter geen schitterend vooruitzicht, want do cultuur van Manila-hennep is nog voor aanzienlijke uitbreiding vatbaar; al worden de prijzen van laatstgenoemd product lager, de cultuur is zoo gemakkelijk en de bereiding zoo eenvoudig, dat er altijd nog wol winst op overschiet. Do oenige toekomst voor het N.-Z. vlas is, zooals boven reeds gezegd werd, te zooken iu verbeterde cultuur en bereidingswijze.
â 250 â
waardoor dc vezel weer de kwaliteit van vroegere jaren herkrijgt; gelukt zulks, dan is er nog veel van N.-Z. vlas te wachten.
Sedert jaren werd in dc bergtuinen to Tjibodas, Nieuw-Zeelandsch vlas gekweekt, en al is hot geen plant voor onze benedenlanden, op 4000 vt. en hooger groeit zij zeer goed. Hot is daarom ook voor ons zaak, na te gaan, hoe inon er in Xieuw-Zeeland in slaagt het vlas weer eene toekomst te bezorgen; dat men slagen zal is, bij de bekende energie der Australische kolonisten, niet twijfelachtig.
Palmvezels.
Van verschillende palmen leveren de bladeren een zeer tijne vezel, die ongebleekt wel wat op vlas gelijkt, maar veel fijner en zachter is; slechts jonge bladeren leveren de gezochte kwaliteit, zjj mogen nog niet hard of bros zijn. Het bereiden dor vezels is een zeer lastig en tijdroovend werk, de prijs beloont echter dc moeite. Het is merkwaardig welk een sterkte en duurzaamheid eenige dezer vezels hebben.
In de vorige aflevering van dit tijdschrift pag. 541, komt een referaat voor over vezels, afkomstig van eenige palmen uit het geslacht liaphia, die in Londen voor hot vervaardigen van tij|ie matten voor wandversiering gebruikt worden.
De Oliepalm, Elaeis guineënsis is een der nuttigste planten uit West-Afnka; in het grootste gedeelte van tropisch Afrika komt hij in het wild voor. De waarde van den uitvoer der olie en der pitten van don boom afkomstig bedraagt jaarlijks gemiddeld 2.000.000 pound. De prachtige vezel, verkregenvan de jonge blaadjes van den oliepalm, is in Afrika reeds lang bekend, er zjjn echter slechts zeer kleine hoeveelheden van uitgevoerd.
Men begint met de jonge blaadjes van tic middennerf te ontdoen, daarna worden ze horizontaal gespleten en de fijne vezels liggen bloot; men kan ze er zoo uitnemen. Gewoonlijk worden zjj dadelijk tot koord gevlochten; het is een heel stuk werk als men uit 'Ui Eng. pond. ruw materiaal 0 Eng. onzen vezel per dag bereidt. De op zich zelf staande zeer dunne draden zijn
/,oo fijn on elastisch als inensclienliuar. Voor vischlijneu on fijne koordon is zij wol Je bosto van alle tropische vezels. Do prijs van «leze, uit do hand beworkto vezel, is 75 pound por ton.
De boröemde (iri-Gri-vezel is afkomstig van Astrocari/trin-soortoTi uit Wost-lndië. Ln 1801 word op eene tentoonstel ling to Jamaica deze, door do Caraïben bereide, vezel, tentoongesteld, zjj werd daar beschouwd als do fi jnste en de kostbaarste van allo geëxposeerde vezelstoffen. Uit de bladeren van Asfro-caryum Tvcuma maken de Indianen in tropisch Zuid-Amerika oen vezel, waaruit zij luxe-hangmatten vervaardigen; aan één hangmat werken twee personen drie a vier maanden, minder dan 3 pound per stuk worden zij zelden verkocht. De vezel wordt nagenoeg op dezelfde wijze als die van den oliepalm verkregen.
Palmyra-vezel hoeft veel overeenkomst met beide genoemde, zij wordt vervaardigd uit de jonge bladeren van den Palmyra-palm, door de l'ortugeezen, âpalmora par excellencequot; genoemd, hot is do bier wel bekende Loitlar, Borassus flabelli/onnis.
Deze palm is in den Indischen Archipel inheemseh, op West-Java komt hij weinig voor, meer op Oost-Java, Madoera, de kleine Soenda-oilanden en do Molukken. Hoewel op Java en in de Molukken als Lontar bekend, is de eigenlijke .lavaanschc naam Soewalen, op Timor, Kali of Toeahoea, (van toeak, palmwijn.) liet nut dat in onzen Archipel van den Lontar wordt getrokken is bekend genoeg, uit do bloomkolf wordt een verbazende hoeveel heid suikerhoudend vocht getapt en tot suiker bereid, van do halfrijpe pitten wordt een verkoelende drank gemaakt en het vleezig gedeelte der vrucht wordt rauw en gebraden gegoten. Do bladoren worden als papier gebruikt, soms worden zjj in boeken gebonden. Aan den voet van den bladsteel vindt men eene harde en stijve vezel, die in den handel als Hassine-vezel voorkomt en wel moet onderscheiden worden van de Bass-vezel der Amerikaanscho Piassava-palni. Toen in 1891 zoor hooge prijzen voor de vezels van laatstgenoemde palm besteed werden, werd de aandacht op de liassine geves-
tigil ea sinds dion tijd is de uitvoer langzamerhand toogeno-men; in 1895 betaalde men voor Baas-vezel 14 a 23 pound per ton, terwijl voor do Palmyra-vezel, eerste (jualiteit 2f) a 34 pound, middensoort 22 a 25 pound en inférieure van 15 tot 19 pound per ton betaald werd.
In de laatste tijden heeft, tengevolge van de zorgelooze behandeling door de inboorlingen, de vezel op Ceylon eenige schade geleden; door haar nl. te verpakken vóór zij goed droog was kwaüi zij geheel bedorven in Engeland aan. Indien dergelijke praktijken moer geschieden, moet do handel or door Ijjdon en wordt de prijs gedeprimeerd.
Kittool-vezel wordt vorkregen van Canjota urens. Jackson de bekende curator van het Museum te Kew, geeft er in zijn âCommercial Hotanyquot; de beschrijving van. Kittool-vezel is sedert 30 a 40 jaren in Rngeland bekend; eerst in de laatste jaren is het een handelsartikel geworden waaraan geregeld behoefte bestaat. De fijnste vezels worden, verinongd met paarde-haar, gebruikt voor het vullen van kussens, stoelen enz. Eerst ziet de vezel er bruinachtig uit, zoo wordt zjj ook geïmporteerd, na gezuiverd en gekamd te zijn dompelt men de lange vezels ia lijnolie, zij worden, daardoor recht gemakkelijk te bewerken en krijgen een zwarte glanzende kleur. Deze vezel wordt gebruikt om er haarborstels van te maken, die van zulke goede qualiteit zijn, dat zij met driemaal den prijs der gewone haarborstels betaald worden.
Het gebruik van Ivittool-vezel noemt niet slechts in Engeland, maar ook op hot Vasteland toe. Uo prijs was in het najaar van 1895, 10 a 101/2 d. por Engelsch pond voor lange vezel, 7 a 71/â d. voor le kwaliteit, 2 a 2,/2 d. 2e soort en de inferieure waar 1 a l'/o d., alles per Engelsch pond.
Cocosvezel.
Wij komen nu op bekend terrein, want ook hier is de kalapa een der meest algemeene palmen; ofschoon hier overal en dagelijks in iedere huishouding de vruchten gebruikt worden, wordt aan de dikke vruchtschil, die zulk eene goede vezel bevat, geen
â 253 â
waarde gehecht. Slechts hij uitzondering maakt men hiiu-gebruik van dit zoo nuttiquot;: materiaal, dat meestal eenvoudig verbrand wordt.
Ofschoon cocosYezol, het z. g, (Joir van den handel, reeds in do 16° eeuw in Europa bekend was, wordt er echter eerst sedert 1K42 meer notitie van genomen, nadat de St. Georgehall in Windsor, hij gelegenheid van den doop van den Prins vati Wales, met coeosmatten belegd was. Ren flinke stoot werd in 1851 aan den handel in het artikel gegeven door de eerste internationale tentoonstelling te Londen.
Cocosvezel is buigzaam, elastisch en gemakkelijk te bewerken; allerlei zaken waarvoor lichtheid, zuiveriieid en duurzaamheid vereischt worden, moeten van deze vezel gemaakt worden. Het is jammer dat zij het bleeken niet verdraagt; toch kan men wel verschillend gekleurd weefsel krijgen, door liet gebruiken der ongebleekte vezels afkomstig van verschillonde streken./ou zjjn er in liet Kew-Museum fraaie matten waarin verschillende tinten gebracht zijn, door zeer donker Piji-coir, gewoon Ceylou-Coir en licht Cohin-Coir door elkander te vlechten.
De hoeveelheid vezel in iedere schil hangt van allerlei omstandigheden af. In Ceylon rekent men dat 1000 vruchten 150 Eng. ponden vezels leveren; do schil wordt met eonijzeren pon. die vast in den grond bevestigd is van de noot genomen, door een man kunnen op deze wijze ongeveer 1000 noten per dag ontbolsterd worden. Men begint met de schillen to weeken, somtijds (» maanden lang, vervolgens gaan zij door eene braak-machine, worden gedroogd, gehekohl en in bundols verpakt voor den handel. De vezel is dan nog ruw en slechts voor borstelwerk geschikt, door andere werktuigen w orden zij later gezuiverd en voor de spinnerij gereed gemaakt. De spinmachines /.ijn tegenwoordig tot groote volmaaktheid gebracht, zij kunnen na eenige oefening door inlanders worden behandeld.
De bereide vezels worden in balen van 200 Eng. ponden geperst on zoo verzonden. De pogingen om de eenvoudig gedroogde vrucht-schil in Engeland tot vezel te verwerken zijn mislukt. Do meeste Coir is uit Ceylon afkomstig, doch groote ladingen worden in
tien laatsten tijd ook van uit Bombay on van de Westkust van Indië naar Engeland verzonden.
Een groot aantal fabrieken voor hot weven van Coir-garen zijn in Kritsch-lndië gevestigd. Het spinnen wordt op de productie-plaatsen goedkooper uit de hand gedaan. Op de Engelsche cocosinatten-fabrieken wordt het garen gesorteerd in verschillende tinten. Het weven geschiedt door hydraulische kracht. In Lancashire is men nu begonnen zulks door middel van stoomkracht te doen. Het weven der goedkoopste matten geschiedt meestal in de gevangenissen. De verschillende tinten, roomkleur, roodbruin, zwartbruin enz., worden eerst zorgvuldig gescheiden, daardoor krijgt men in de matten do zoo fraaie afwisseling in kleuren. Kabels van Coir zijn uitstekend tegen den invloed van zeewater bestand, zij zijn licht en veerkrachtig.
Zooals men weet, bestaan er tal van variëteiten ol gekweekte vormen van de üocos, deze hebben ook een vrij groot verschil in kwaliteit en kleur der vezels. Zoo teelt men in Cochin (een kleinen staat op de kust van Malabar) eene variëteit, die zeer licht gekleurde Coir levert en die thans de hoogste prijzen behaalt. Nog andere invloeden kunnen op de kwaliteit en de kleur invloed uitoefenen, b. v. de ouderdom, de graad van rijpheid der vruchten, als zij geplukt worden, de tijd die verloopt russchen den oogst der vrucht en de reiniging der vezel enz.
De lange vezels hebben do meeste waarde, daar zij gesponnen kunnen worden, kortere zijn geschikt voor borstels, onregelmatige en gedraaide vezels voor vulling van kussens enz., terwijl het nog overblijvende stof gaarne in don tuinbouw gebruikt wordt.
Nog geheel nieuw is hot volgende voorstel in Engeland geopperd voor de benutting van den afval van Cocosvezel, men wilde het namelijk, nog niet geheel droog, aan groote drukking blootstellen, zoodoende zouden er platen van verschillende dikte uit vervaardigd kunnen worden. Deze platen zouden een uitstekend materiaal vormen als achterwanden voor dc stalen bo-kleeding der oorlogschepen. Onder de waterlijn zwellen zij op en verhoogen het weerstandsvermogen van het schip. Indien
â 255
ilezo toepiissing werkelijk kan geschieden, dan bestaat de gelegenheid om den afval, waarvan nu duizenden tonnen verloren i^aat, op een voordeelige wijze van do hand te zetten, hetgeen natuurlijk op den prijs van de vezel een gunstigen invloed zal uitoefenen.
Zooals boven gezegd is, wordt de vezel langen tjjd in water geweekt, om dit proces te bespoedigen, zijn er met goeden uitslag prooven genomen met het weeken der vezel in bakken waarin zjj door stoom verhit wordt; door deze werkwijze verbetert do kleur on de kwaliteit.
In 1^84 werd uit Ceylon geëxporteerd:
Coir touw, 10.419 Cwt.
Ooir garen 84.057 â
Coir vezel 12.732 â
Uit Madras werd in 1880â81, voor eene waarde van 2.179.798 roepies, en in 1881-82, voor een waarde van 2.354.202 roepies aan cocosvezel uitgevoerd. Alleen van de kust van Malabar is de gemiddelde jaarlijksche uitvoerwaarde van Cocos-vezel 2.243.000 roepies. Deze cijfers toonen ten duideljjkste de handelswaarde van don cocosvezcl aan.
De waarde der verschillende van de vezel afkomstige producten was in Sopt. 1895 te Londen als volgt:
Coir garen, gewoon 11 a 14 pound por ton
â zeer goed, 20 a 25 â â â
Coylon â â goed, 17 iï 20 â â
Cochin coir vezel 14 a 20 â â n
Will MAS.
EEN RÃPSENPLAAG EN RUPSENZIEKTE IN EEN KINAPLANTSOEN.
Op een ondei'neming in do Preanger kwamen in October 1895, in een kinaplautsoentje, 18 bouw» groot, te midden van boscli en koffietuinen gelfegen, vele rupsen voor, bij den inlander tot nogtoo bjj naam onbekend. Uozf rupsen waren ongeveer allen 5 e.M. lang; kleinere zag men niet, wellicht doordat do kleinere pas uitgekomen rupsen, door hun vraatzucht gedreven, den eersten tijd zich alleen ophouden in de toppen der kinaboomen en daardoor min ot' moer aan het ooj;' waren onttrokken. De kleur dor rupsen is Huweeiachtig donker beige, terwijl vlak achter den kop te beginnen, boven over het lichaam evenwijdige zwarte strepen loopen, die bij don 3°quot; ring zich verwijden, om dan verder over het geheele lichaam door te loopen en bjj het achterlijf in oen vernauwing te eindigen. De tusschenruiinten (op het lichaam) tusschon de beide strepen bedraagt ongeveer '/, cM.
Bij bovenbedoelden i5quot;M ring komt een haarbosje voor, dat zeer puntig toeloopt, in hot midden op hot lichaam is ingeplant on uit zulke stugge haren is samengesteld, dat bij aanraking die haren zelfs in de vereelte hand indringen, daardoor afbreken en den plaaggeest of verdelger doen genieten van eene hevige jeuking. Dat de rupsen van hun wapen bewust zijn, bewijst het feit, dat, indien men eene Hinke rups meteen fijn stokje togen het lijf stoot, zij direct het bovenlijf met dien haarbos begroeid, opbrugt, als het ware om den indringer die haartjes in het lijf te boren.
Dezelfde puntige haarbos geeft aan do rups ook een eigenaardig voorkomen. Daar de eigenlijke kop klein is en de eerste 2 opvolgende geledingen telkens iets grooter worden om
- 257 â
ton leste bij den overgang van den 2e» en 3('n ring afgesloten to worden door dien haarborstel, zoo lijkt het of'van af dien 3⢠tot liet einde van den eersten ring alles âkopquot; mag genoemd worden, on dan gelijkt zeer zeker die denkbeeldige kop voel op eon varkenskop.
Bij iedere verdere geleding nu, vindt men op de evenwijdig loopende zwarte lijnen kleine haarborstels ingeplant, terwijl als togonhanger van den kophaarborstel ookaohtorop het lijf zich een grootore, doch ^cen puntigo haarborstel bevindt. Ook deze kleine haarboratoltjes veroorzaken jeuking.
Zoowel aan don kop als aan hot achterlijf komen lange, onregelmatig ingeplante, dunne en buigzame haren voor, die wellicht de rups als voelers dienen.
Op «/a der lengte, van achteren afgerekend, komt hoven op het lichaam, in do ruimte door de twee zwarte strepen gevormd, oen door zuiver witto lijnen samengesteld figuurtje voor, dat volkomen gelijkt op twee mot een punt aan elkaar geschakelde âruitenquot;.
De levenswijze dezer rups is zeer gezellig. Honderd o rupsen vormen eene familie, die 's avonds op roof uitgaat en's ochtends terugkeert; om zich dan zeer gesloten togen hot laagste doel van den stam to verzamelen, waardoor zjj reeds van verre zichtbaar zjjn on zich blootstellen aan gomakkolijke algoheelo vernietiging.
Vuil deze gewoonte der rupsen werd geprofiteerd om in October, tegelijk mot hot spitten van bedoeld kinaphmtsoon, do rupsen door afschraping van den stam on ondergraving to dooden.
Bijzonder vraatzuchtig kan men deze rupsen niet noemen, maar het zijn zéér zeker geen bedachtzame huismoeders! 't Schijnt voor hen geen bezwaar te zjjn een kinablad zoodanig te doorknagen dat b. v. de voorste helft op don grond valt en zjj dus gedwongen zijn zich met do resteerende helft te vergenoegen.
In October richtten deze dieren geen noemenswaardige schade aan. De aanval werd geweerd on schijnbaar bevonden zich geen rupsen meer in de kinaboomen.
- 258 â
Ot' wij echter ons iu dit opzicht vergisten of dat eeue andere generatie vroeger op boschboomen geleefd hebbende rupsen zich daar tot pop en vlinder ontwikkeld hadden, om na hot leggen van eieren in dit kinaplantsoen ons wederom een koopje te bezorgen, weet ik niet, maar het is een slechts al to waar feit, dat M0. Februari, toen bet kinapl mtsoen weder voor bewerking in aanmerking kwam, wij de rnpsenplaag weder kondon constateeren. Vlinders hadden wij te voren niet zien vliegen, geen wonder, want het vlindertje is een beklagenswaardig slecht vliegend nachtvliudeitje; zoodat wij daardoor niet gewaarschuwd waren.
Thans echter was de aanval zwaarder, waren de rupsen talrijker en géén boom was gespaard gebleven van bezoek van logees. Op enkele hoornen kwamen vier a vijf honderd grooteen kleine rupsen voor, en vooral do complexen van kinaboomen, die het minste aan wind waren blootgesteld, waren liet hevigst aangetast.
Do oude Ycrdelgingsmethode word weder toegepast. Thans echter verzamelde ik rupsen en later cocons, om de soort der vlinders te kennen. Enkele cocons kwamen reeds uit en stelden mij in staat de vlindersoort te constateeren en van die vlie-gende onruststokers een schets te maken.
Hij dezen tweeden aanval en den verdelginsstrijd kwam de natuur ons prachtig te hulp en het is daarom vooral, dat ik mijne ondervinding deponeer, ton einde ook andoren aan te sporen, om te zien of' niet kunstmatig aan de natuur eone hulp verstrekt zoude kunnen worden, om direct op haren steun te kunnen rekenen bij een rnpsenplaag in een of ander cultuurgewas.
lt; gt;p een gegeven dag, nadat sinds enkele dagen hot weder zeer betrokken was geweest, ontdekten wij, dat in het nog te behandelen terrein sommige rupsen dood tegen de kinaboomen zaten aangeplakt, gewoonlijk op ' /van achteren, ter hoogte van hot op den rug voorkomende wit figuurtje, tof een draad-dikte ingedroogd, zoodat verondersteld kou worden alsof die diertjes juist daar, door een tik van stok of tak gekneusd en gedood waren. Tiet betrekkelijk groote aantal en het verspreid voorkomen dier individueön, sprak die onderstelling tegen.
â 259 -
De loupe gaf echter zekerheid! Men kon eene, naar do lichtere boige tint gaande, verkleuring bij enkele rupsen con-stateeren, hier en daar verspreid hangende tusschen de zich tot koeken aan den stain verzamelende confraters. Ook sommige hadden het voorkomen van mot een licht waas overdekt te zijn. Raakte men nu dezo diertjes aan, dan waren ze minder actief in hunne verdediging dan de donkerder natuurlijk gekleurde rupsen. Bekeek men met de loupe zulk een rups dan zag men op den zijkant van liet diertje, op de hoogte van de ruitfiguur op den rug, eene ontharing van het lichaam, of het uitzweeten van vocht op de geledingsovergangen der ringen of soms ook om den kop een wit groene plek, alsof eene groene erwt in het lichaam zichtbaar was door de dunne huid heen. Van alle soorten verzamelde ik exemplaren. Den daarop volgenden dag zag men reeds meerdere zieke dieren en kon men geen boom haast aantreffen zonders lijders of gestorvenen.
Nog eenige dagen later, en men zag reeds boomen vol met doode rupsen; zoodat het groote aantal dier afstervende, in staat van ontbinding verkeerende, rupsen een ondragelijkcn stank veroorzaakte; ten leste zag men geen levende rups, en waren de boomen behangen met doode en half verdroogde rupsenlij keu.
De rupsenplaag was dus door eene natuurlijke oorzaak verdwenen. Toch werden veiligsheidshalve alle doode dieren be graven, tot groot verdriet van de daarmede belaste koelies, die nu overal en steeds op de dieren trapten en wier voeten vol raakten met die jeukveroorzakende haren. De aangeboren handigheid der inlanders deed hen wel spoedig zich schoenen of muilen van diverse boombasten maken, waardoor het werken iets minder gevaarlijk werd, doch zonder verwonding kwamen ze niet van het slagveld terug.
Welke ziekte heeft echter deze rupsen zoo spoedig verdelgd ? Eerst dacht ik aan een heirleger van sluipwespen, die wellicht hun eitjes in het lichaam van de rups hadden gedeponeerd, om zoodoende ten koste van liet leven van de rups, haar nakomelingschap in de cocon, waarin de rups zich spoedig daarna
â 2()0 â
terugtrekt, oeno veilige schuilplaats te bezorgen. Doch dan zouden er in de cocons jonge wespen gevonden moeten worden en dat is niet het geval.
Toevallig echter herinnerde ik mij, dat de onvergetelijke Pasteur voor jaren lier, voor rekening van hot Fransche gouvernement, belast was geworden met een onderzoek naar eene ziekte onder de zoo kostbare zijderupsen, met wier teelt het bestaan van een groot gedeelte der bewoners van Lyon, en omstreken staat oi' valt.
Toen ik dan ook het rapport daarover nalas, vermeende ik direct een paar oorzaken door Pasteur voor dat afsterven opgegeven, ook op dit geval te kunnen toepassen en wel de pcbrine of vlekziekte en de fiacherie, beide door infectie veroorzaakt.
Zijn, zoo schrijft Pasteur, de rupseneieren of vlinders door pébrine aangetast dan /ij n ze doortrokken van kiemen van de Psorospermia, eene parasiet die zich door kiemen voortplant, die de eieren binnendringen en steeds toenemend van rups op pop en vlinder overgaan.
Do besmetting zoude uitgaan van de vochtige uitwerpselen der rupsen (wellicht i. c. in 't bijzonder door do vele regens en het druilerige weder van de laatste dagen van Februari en Maart), die overladen zouden zijn van parasitaire lichaampjes.
Hij de rupsen herkent men de ziekte door het ontstaan van vlekken op het lichaam!
Hij fhxeherie ontstaan geen vlekken en geen parasieten zooals bij pébrine. De rupsen worden traag, verliezen hun eetlust en sterven met hun lichaam vol onverteerd voedsel (ook hier geconstateerd). Met hot voedsel komen rozenkransvormige microben in 't darmkanaal om óf verteerd en vernietigd te worden of zich te ontwikkelen en dan verkeert de rups spoedig in toestand van rotting of gisting. De minder krachtige rupsen bezwijken het spoedigst. Het geneesmiddel zoude voor de zijdeworm bestaan uit frisch voei1 en reinheid!
De overeenkomst in verschijnselen is zeker treffend, doch een néér geoefend oog zal met behulp van het microscoop eerst
â 2(51 â
positief' kunnen besluiten. Voor belangstellenden heb ik een 20-tal zieke rupsen ter beschikking.
Het gelukte mij nog ecnige cocons te vimlen â die, daar zij als met stekelvarkenspennen beplant zijn met do haarborstels der verpopte rups, niet bijzonder handelbaar zijn â en die te laten uitkomen.
De vlinder is niet groot, één klein exemplaar, vermoedelijk het mannetje, is vrij kort gevleugeld en boige-achtig getint met een vierkante donkere plek op de bovenvleugels. Een grooter exemplaar m. i. vrouwelijk, dat tevens ook door opstaande beharing van het middenstuk, waarop de vleugels zijn ingeplant méér dat varkenskopachtige voorkomen had, heeft een betrekkelijk korter lijf of' langere vleugels, de zwarte vlek op de bovenvleugels is ook daarbij grooter. lijj beide exemplaren was lichaam en kop verder donzig behaard; zij hebben nachtvlinderstype en de laatste lichaamsring is van franje voorzien op de wijze zooals bij de pauwstaarten onder de duiven.
Niet alle cocons, die ik trof, waren gezond, velen bevatten een half vergane rups of' ontbonden pop; dooli nog een l()-tal-goede poppen resten mij. Komen ze uit dan kan daarover ook door belanghebbenden beschikt worden, i)
T. W. April 1896.
W. Iv.
1) De bedoelde cocons en poppen gingen weldra in ontbinding over. Wellicht een gevolg der parasieten of microben?
DE âLEPPETTquot;-T1IEE VAN BURMA.
Het grootste gedeelte der thee, die door de inwoners van Burma onder den naam van âLeppettquot; gedronken wordt, groeit in de Young Baing State van de noordelijke Shan-staten. Nagenoeg ieder inwoner is daar in do cultuur of in den handel van genoemd artikel betrokken. De tuinen zjjn aangelegd op, voor hetmeeren-deel, vrij steile hellingen; hot blad wordt geoogst tot de boonion ongeveer GO vt. hoog zijn, de beste waar is echter afkomstig van jonge heesters, waaruit de moeste tuinen bestaan. Twee oogsten worden in het jaar verkregen; in do maandon Moi en Juli worden de jonge blaadjes geplukt. De groene bladeren worden gekookt in speciaal voor dit doel vervaardigde sinalhalzige potten. Als zij goed gekookt zijn, wordt de inhoud der potten in vooruit ge-gravcno kuilen in den grond gestort. Deze kuilen zijn vierkant en ongeveer 6 vt. diep, de kanton en de bodem zijn zorgvuldig bedekt met pisangbladeren, zoodat de thee niet met den grond in directe aanraking komt. Als de kuil vol is mot do gekookte thee en het vocht uit de potten, wordt lijj bedekt met een dikke laag pisangbladen, waarop aarde komt, die men belast met groote steenen en andere zware voorwerpen.
Hierin blijft de thee eonige maanden; als het handelsseizoen begint, opent men do kuilen en wordt de thee verkocht, do kooplieden komen met karavanen buffels en transporteeren do waar naar do markt te Mandelay. Voor het transport wordt do thee in lange manden verpakt waarvan iedere buffel er twee draagt Do manden bobben geen deksels, zij worden stevig dicht gebonden met bambootouw, op eene wijze, dat er een wrig ingedreven kan worden, waardoor do massa vastgeporst wordt, hetgeen de fermentatie tegengaat. Dagelijks worden de wiggen er verder ingeslagen, zoodat niettegenstaande do thee onderweg droogt en minder volume krijgt, de persing hetzelfde blijft.
De prijs der thee in de tuinen is van 15 tot 25 roepies de 1Ã0 viss. Te Mandalay echter wordt de thee verkocht voor 60 tot 100 soms tot 140 roepies por 100 viss. Daar de thee door indro-
â 263 â
ging gedurende het transport van Youug Baing in gewicht Yerliest, leggen de handelaars de manden voor een ol twee dagen in de nabijgelegen rivier, waardoor zij weer even zwaar worden als vroeger.
In Opper-Burma wordt een groot deel dezer thee gekocht, het artikel wordt daar droog verkocht, in een aarden ketel gekookt en, na met zout vermengd te zijn, gedronken. Het grootste deel echter wordt door do kooplieden uit Mandalay naar Beneden-Burma gevoerd; daar maakt men een mengsel, bestaande uit de Leppett-theebladeren, gedroogde visch enz., hetwelk een der meest gezochte lekkernijen uitmaakt van de Birinaneezen. Behalve voor de bereiding van deze heerlijkheid, speelt âLeppettquot; oen voorname rol in het leven der bevolking; er is geen feest denkbaar, zij het bij geboorte, huwelijk of sterfgeval, zonder hot gebruik van â Leppettquot;. De thee blijft zoolang zij in het groot verhandeld wordt in dezelfde manden; aan de oevers van do Irawady kan men overal dergelijke manden zien liggen.
(Boyal Gardens Keir. Bull. No. 109.) te.
DE HANDEL IN ASSAM-THKE/AAD
Uit de volgende dorpen, al Ion in Upper Chid win gelegen, is het beste theezaad afkomstig: Kanngkan, Tingin, Kawvk, Maungkan, Tason, Onbet, Mainwe, Tamauthe en Malin.
Do traditie zegt, dat ongeveer 200 jaar geleden do tuinen daar aangelegd zijn, afkomstig van zaad uir Palaung (Noordelijke Shan-i-Staten). Niemand heeft daar ooit gehoord van in hot wild groeiende thee in de bosschen; de tuinen werden oorspronkelijk aangelegd voor het maken van de leppett. Ongeveer 20 jaar geloden begon er vraag naar hot zaad van Assain-thee te komen, eerst was do vraag niet regelmatig; sedert heb land onder Engelsche heerschappij is gekomen, is de handel in theezaad de voornaamste bron van inkomsten voor de bevolking.
Voor nieuwe aanplantingen wordt gezocht naar de goede soort grond, bekend onder den naam van âmyeniquot;, letterlijk roode aarde. In dezen grond groeit de thee bijzonder goed, bet is een soort van roodkleurig, brokkelig leem; overal waar men dozen grond vindt is thee geplant en hebben zich dorpen gevestigd. Nadat de grond gezuiverd is van de er op groeiende gewassen, worden op afstanden van 2 of 4 cnbets (1 cubit 46 c.M.) gaten gemaakt in ieder waar-
van 3 of 4 zaden gelegd worden. Het eenigste wat er vervolgens geschiedt is het te welig groeiende onkruid verwijderen; snoeiing hoeft niet plaats, uitgezonderd als de planten geteisterd worden door een parasitische ziekto âChibaungquot;, waardoor een groot gedeelte der takken afstorvon; dan worden allo aangetaste deel en afgesneden. Op achtjarigen leeftijd begint de plant zaad te dragen, op 15-jarigen leeftijd geeft zij Hinke oogsten en als zij niet aangetast wordt door bovengenoemde ziekte, draagt zij tot op 40 a 50 jaar door. Een lichte schaduw is gunstig voor den groei der planten, zij vermindert den groei van het onkruid, waardoor de tuinen met minder arbeid schoongehouden kunnen worden. Hevige eu aanhoudende regens verhinderen de regelmatige ontwikkeling van het zaad, dat dan grootendeels onrijp afvalt; als de zaadoogst gering is, is de bladproductie grooter en zoo ook omgekeerd.
Do oogst der bladeren heeft driemaal 'sjaars plaats, de eerste maal geeft do lieste qualiteit. De methode van plukken is de geheele jonge tak te nemen, uitgezonderd het onderste blad, als zulk een tak jo dus drie bladeren heeft, wordt het juist beneden het tweede blad afgenepen, leder planter plukt zijne bladeren zelf en doet ze in een ijzeren ketel met kokend water, zij blijven daar zoolang in tot zij een geelachtige kleur krijgen, het water wordt dan afgegoten en de bladen met de hand op een mat gerold. Het product wordt dan in bamboemanden of in kokers vao Deiidrocalamiis Hamilton li verpakt en is voor verkoop geschikt. Om ze goed te bewaren, begraaft men di- tliee in den grond of legt de bamboe-manden onder water. Het grootste product wordt geleverd door Kawaja, waar jaarlijks 20.000 viss van deze soort Leppett-thee uitgevoerd worden.
Het zaad rijpt in October en November, het wordt dan geoogst, in de zon gedroogd en aan de handelaars uit Burma verkocht. De marktwaarde van het zaad is van 3 tot 10 roepies per basket. De handel wordt op een eigenaardige wijze gedreven: de kooper komt reeds in Januari of Februari zelf tor plaatse voor don oogst, die ia November nog binnengehaald moet worden. Zoo mogelijk sluit hij een contract met de planters, die hem van den geheelen oogst verzekeren; zoo hadden zjj in Januari 1894 hun oerst in November te oogsten zaden reeds voor 5 roepies per maand verkocht, zij ontvangen den prijs dan vooruit, onder conditie, dat, indien de planters het zaad niet leveren, zij 100 0!0 rente van het ontvangen voorschot moeten betalen. Voor de tusschenhandelaars schieten er aanzienlijke winsten over.
- 265
Do planten zion or bijzonder krachtig uit on mot uitzondering van do gonoenulo parasitische ziekte, hebben zij weinig mettogen-spoeden in do cultuur te kampen. De weinige zorg, die de in-landsche eigenaar aan zijne planton besteedt in aanmerking nemende, is de groeikracht der planten verbazend. Grond en klimaat schijnen er bijzonder geschikt voor de theeplant; Europeesche cultuur zoude hier ontegenzeggelijk aanzienlijke voordooien afwerpen. De kwestie van voldoende werkkrachten is daar echter niet zoo gemakkelijk op te lossen. w.
{Royal Gardens Kew. Bulletin .\u. 109, 1890).
HOE KO.MT II KT, DAT SOMS JONÃK l'LANTJES NA 'T VEUPOTEN /00 SLECHT VOOliUTT WILLEN.
Prof. Kitzoma Bos deelt in het interessante Tijdschrift t oor l'lunten-zieh'tcn, le jaargang, over bovenstaand onderwerp, bet volgende mode, waarvan de kennismaking ook hier te lande voor vele lezers van Teysmanuia van belang kan zijn. âWat ik hier neerschrijf, zal voor den ervaren tuinman niets nieuws opleveren, maar misschien wel voor dezen of genen, die een grooteren of kleineren tuin bezit en daarin, bij wijze van verpoozing of afwisseling, zelf wel eens werkt. Hot is mij gedurig voorgekomen, dat zoo'n tuinliefhobber mij kwijnende of stervende jonge kool- of augurkenplantjes of ook jonge bloemplantjes zond, dio na het verpoten aan't sukkelen waren geraakt. Nu gebeurde het somwijlen, dat ik aan of in de mij gezonden plantjes geen onkel organisme kon ontdekken, 't wolk met eonigen grond als de oorzaak van het kwijnen of sterven zou mogen golden. Volgons mijne overtuiging lag in die gevallen de schuld eenig en alleen in de wijze van verpoten. Men moet nooit eeno jonge koolplant, eene jonge augurkeuplant, enz. bij 't verpoten weer even diep in den grond plaatsen als zij er in stond; maar altijd voel dieper: eeno augurkenplant zelfs zóó dat do zaadlobben bijkans op de bodemoppervlakte komen te liggen. Men zal misschien zeggen: maar dan komen do jonge planten in een'geheel onnatuurl ij ken toestand! 't Is zoo; maar 't verpoten zeifis ook iets onnatuurljjks, en wat voor oen vastgewortelde plant goed is, is het daarom nog niot voor eeno plant, die zoo juist verpoot werd. Bij de jonge plant zjjn vóór 't verpoten de worteltjes in de deolen van den omgevendon
â 266 â
grond ingedrongen; hot plantje voedt zich behoorlijk en het staat volkomen vast. Maar een plantje, dat pas verpoot is, staat volstrekt niet vast en heei't ook versterking van zijne hulpmiddelen voor voedsel-opnarae dringend noodig. Zet men het jonge plantje vrij diep, bijv. tot vlak onder do zaadlobben, in den grond, dan staat het veel steviger; het stengeltje is dan meer beschut en heeft de gelegenheid worteltjes te vormen. Op deze wijze verpoot, zullen de jonge plantjes gewoonlijk goed aanslaan, â vooral wanneer men ze met een Hink kluitje aarde uit den grond heeft genomen, en zoo min mogelijk tijd heeft laten verloopen tusscheii het opnemen en het weer uitplantenquot;. r.
TO WASSING VAN HRT IMIOTOdk Al'IIKKIilCN .MKT DE STRALEN VAN RÃNTGEN OP IIKT OXUBRZOEK VAN PLANTA UiDIÃE STOFFEN.
De aan allo lozers van dit tijdschrift welbekende X-stralen kunnen, volgens Fernand Kauwez, belangrijke diensten bewijzen bij het zoeken naar veelvuldig voorkomende vervalschingen in plantaardige voedingstolfon. n.l. die, welke men ploegt door bijvoeging van minerale stotfon. Doze methode heeft verscheidene voordeelen: zij vereiseht slechts weinig oraderzoekiugs-materiaal, houdt de monsters ongeschonden en laat in korten tijd vele bepalingen toe. Eindelijk gocf't het cliché, dat men verkrijgt, een overtuigingsstuk, dat, ook voor personen niet mot analytische bewerkingen bokeml, uitermate duidelijk is.
Do proeven door Ranwoz genomen hadden betrekking op ver-valschto saffraan uit den handel. De monsters bestonden uit mengsels van zuivere en van met zwaarspaath omhulde saffraan, zoodanig, dat men er op hot oog niets van kon bemerken. De monsters werden naast zuivere saffraan aan de donkere lioht-stralen blootgesteld. De zuivere gaf op het cliché nauwelijks zichtbare schaduwen, terwijl met tie vervalschte duidelijke beelden van de omhulde stampers verkregen werden naast en te midden van do flauwe omtrekken der zuivere. Photografiën waren bij de verhandeling aangeboden, waarop de duidelijkheid der resultaten niet te wenschen overliet.
{Compi. Rend, de VAcad. des Sciences,
no. 15. 18(J(;,) /â¢.
â 2(i7 â
GRASSFARM8.
In don voi'igoii jaargang van dit tijdschrift word in eeu opstel over âTropische voedergrassenquot; gewezen op hot nut en iiot voordeel, dat in Britsch-Indië van de hovengenoemde inrichtingen voor de cavallerie was verkregen. Ik noem iu lt;lo eerste plaats hetnnt, omdat door de paarden te voeden met gras door eigen cultuur verkregen, men oneindig veel minder gevaar loopt van epidemiën onder do paarden, waaraan hier evenals elders menig paard van waarde bezwijkt.
Nu komt aan den heer A. M. Vermast, paardenarts le klasse, de eer toe, liet denkbeeld van grassfarms in een doorwrocht opstel voor Indië pasklaar gemaakt te lieliben. In de rVeeartsenij-knndige bladenquot; Deel X, AH. 2 is het geplaatst; ik weet niet of er ook afzonderlijke afdrukken van te krijgen zijn, het verdient echter door ieder, die zich voor paarden interesseert, gelezen te worden.
üe heer Vermast heeft in het opstel alles bij elkaar gebracht wat betrekking heeft op de grasvoeding der paarden m de tropen.
Hij zegt, de grasflora van do natuurlijke velden in Indië bestaat hoofdzakelijk uit alang-alang, Imperntu (ifundinacea^ oedoelan, ////-menachfte mlerntpla; roenipoet kebo, iJiirtiiluc/einiiiii ueyyptiaeum; djampang koeda, lïlciisiiw. indien \ roompoet palias,
crinitiun; roompoet raemerakan, l'Jcliinochloa stdi/iiinu; lompee-jangan en tal van Cyperus-, Scirpus- en Carex-soorten.
liet kaseoran-gras, Isachne inihdcea; roompoet malele, l'iinirtini UwiKlceiim; grintingan ook wel kakawatan een (l)
en roompoet Bengala, I'iispalum mallicniiniin, dn zoo waardige representanten van goed voedzaam paardenvoedsel, vindt men onder de grassoorten verreweg in de mind 'rheid.
De waarde derhalve van bet gras op ongeeultiveerde landen is zeer problematisch, omdat bet, evenals iedere voedingsplant, wil men oene behoorlijke voedingswaarde verwachten, eene bepaalde verzorging vereischt. Verder wjjst schrijver er op, dat bepaald schadelijk voor do gezondheid zjju, lampoejangan, roenipoet pait en vele grassen der rawa-vegetatie, met name woedhoelan, wadheran, ploempoeng, lingi, djoedjoeloek, domdoman. De wetenschappelijke determinatie der grassen laat in Indië nog wel wat te wensehen over.
(1) Stunt in 's Lands PlanteTituin onder ilen naam van Ci/iioiloii Dactyhm Pers. ijhihriilii.
â 268 â
De heer Vermast heeft een nuttig werk verricht en het is te hopen, dut spoedig een proef genomen wordt met hot aanleggen van z. g. âgrassfarms.quot; iv.
(Veeurtsenijknndige hinden Deel A', Afl. 2).
PISANG.
In allerlei land- en tuinbonw-tijdschriften wordt, in den laatsten tijd, do aandacht gevestigd op de cultuur der pisang. Hoewel de pisang zeker een der nuttigsle planten is en het bepaald aan te bevelen is, op plaatsen waar de vruchten aan den man gebracht kunnen worden, meer zorg aan de cultuur to wijden, is hetgeen men er nu en dan over leest niet van overdrijving vrij te pleiten.
/00 vond Stanley in Middon-Afrika een pisang waarvan één vrucht een zeer voldoende maaltijd opleverde voor een neger, nadat hij gedurende 10 dagen van een gering rantsoen had moeten leven; aan één tros kwamen 50 u 100 stuks van zulke vruchten voor. Over wijn van pisang sprekende, zegt Speke in zijn âNile-journalquot;, de smaak is nagenoeg als die vau Rijnwijn. Te Fiji maakt men er een raousseerende wijn van, die zeer gezocht is.
Een plant waarvan men Manila-hennep, kant, zakdoeken, hoeden, merk-inkt, champagne, meel en confituren kan maken, zegt de âBritsch North Borneo Heraldquot; verdient wol aangeplant te worden.
Een feit is liet echter dat do uitvoer van Manila-hennop thans eone waarde van drie millioen pond sterling vertegenwoordigt.
w.
(Tropical agriculturist,
April 1890.)
OVER DE STIKSTOFVOEDING DER LEGUM1NOSEN.
Door v. Bozdejczer is over bovenstaand onderwerp eene dissertatie geschreven, waarin hij de uitkomsten van oen reeks van proeven mededeelt. In glazen vaten, gevuld met drie grondsoorten, waarvan het stikstofgehalte zeor verschillend was, n.1. zandgrond, leemgrond en humusrijken tuingrond, werden erwten geplant. Do
â 269 â
proef werd in twee groepen uitgevoerd. Bij de eene groep werd de grond onbemest gebruikt, bij de andere kreeg hij een bemesting inet stikstof' en minerale bestanddeel en bevattende mest. Ue conclusies tot welke scbr. komt zijn do volgende: Bij onvoldoende hoeveelheden opneembare stikstof in den grond en bij voldoende hoeveelheden van andere plan ten voedingstoffen worden de erwten in staat gestold aanzienlijke hoeveelheden van vrije stikstof uit de atmosfeer te assimileeren en zoo den grond daaraan rijker te maken. Deze geschiktheid neemt met toenemend stikstof gehalte van den grond af en de erwten gebruiken dan een deel van den stikstofvoorraad van den grond voor hunne voeding.
Is hot gehalte aan stikstof in den grond aanzienlijk dan gedragen de eersten zich als alle andere niot-logumiuosen d. w. z. zo ontnemen do stikstof, die zij behoeven, aan den grond en slechts weinig of zelfs in 't geheel niet aan de atmosfeer.
In dit geval wordt do grond dus door het verbouwen van erwten niet rijker aan stikstof. Deze uitkomsten zijn in overeonstemming met de waarnemingen van Hellriegel, Nobbe en Liebscher.
Voor den landbouw zijn hieruit tie volgende besluiten te trekken:
Met moet de leguminosen rijkelijk niet kali en phosphorzuur bemesten, opdat zjj zooveel mogelijk stikstof assimileeren en op deze wijze zooveel mogelijk putton uit de goedkoope stikstofbron van de atmosfeer.
Op hnmus- en stikstofrijke gronden waar het niet om verbetering van den physischen toestand te doen is, is de groen-bemesting, wanneer men daarmede een stikstoftoevoer op 't oog heeft, niet rationeel.
De leguminosen nemen dan de stikstof dio zij behoeven uit den grond, die dus armer wordt en men verliest bovendien de opbrengst van den oogst, dien een ander gewas had kunnen geven op hot met leguminosen beplante stuk. Evenmin zal het voor-deelig zijn erwten te planten op grond waarin men versche stalmest gebracht heeft.
(Bof. Centralbatt
1890, no. 14). r.
KORTE UK IJ IC UT MN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN.
Uitga an de van hkn diuecïeuh iii:i; i.srichtino.
DIERLIJKE VIJANDEN DER KOFFIECULTUUR.
8. DE Es'dEiti.iMiKN (OEUETS).
Wanneer ik hieronder eonig'e opmerkingen over dit lioogst belangrijke onderwerp laat volgen, moet ik beginnen met eene herinnering aan hot voorloopig karakter dezer mededeelingen. Bedenkt men namelijk, dat de tijd, dien de engerling noodig heeft om van den toestand van het ei tot dien van het volwassen dier te geraken hoogstwaarschijnlijk langer is dan de tijd, sedert den aanvang mijner landbouwdierkuiulige onderzoekingen op Java ver-loopen, dan zal men moeten toegeven, dat het oogenblik voor de publicatie van een afgesloten onderzoek nog niet is gekomen.
De zeer talrijke aanvragen om inlichtingen aangaande de levens-geschiedenis der engerlingen on da middelen, waarmede men ze zou kunnen bestrijden, hebben mij echter doen besluiten, reeds thans een en ander dienaangaande mede te deelen.
Wat men op Java engerlingen of oorets noemt, zijn de larven van verschillende LacUnosterna-moHsn en waarschijnlijk ook wel van soorten van andere, verwante geslachten, die eveneens tot de keverfamilie der Lamellicornia (Bladsprietigen) en wel tot de on-derfamilie der Mehlonthidae (Bladkevers) behooren. Vrij dikwijls wordt echter hot begrip engerling in ruimeren zin opgevat.
Men bepaalt zich dan niet tot de larven van het zooeven genoemde geslacht on zijne naaste verwanten, maar bestempelt met denzelfden naam ook de larven van kevergeslachten, die tot de onderfamilie der Dynmtidae (Reuzenkevers) en die der Pasaalidae bohooron. Doze ruimere opvatting is zeer goed houdbaar; zoo vond ik de reusachtige larven van den Atlaskever (Chalcosoma Atlas, L.) meermalen vretende aan en in de wortels van de dadap, terwijl Passaliden-larven in don bodem van koffietuinen in't geheel
niet zeldzaam zijn. Aangaande do laatste bestaat eekter het vermoeden, dat ze zich slechts niet afgestorven plantendeelen voeden.
In het navolgende wensch ik te spreken over de engerlingen in meer beperkten zin on meen zo, boter dan door do wetenschappelijke namen, to kunnen omsehrijvon als die in den bodem levende kevorlarven, die zich van alle andere L(iinellicornia-]ar\on ondor-seheiden door don eigenaardigon, ioderen planter wolbekenden, opgezwollen toestand dor achterste lichaamssegmenten, welke laatste, in onderscheid met de daarvoor geplaatste, door eeno dunne, doorschijnende huid zijn bekleed.
Hoewel wij na dezo beperking ongetwijfeld nog de larven van een aanzienlijk aantal Melolonthiden-soorten in do volgende bespreking samenvatten, meen ik toch, afgaande op hetgeen de waarnemingen mij tot dusverre hebben geleerd, dat de levenswijze van allo soorten nagenoeg hetzelfde algomeene verloop heeft. Wij willen hierbij uitgaan van do volwassen kevers, die in het einde van don drogen tijd en in hot begin van den regentijd rondvliegen, althans omstreeks dien tijd talrijker zijn dan gedurende de andere maanden. Plaatselijke gesteldheid van het klimaat, met name de duur van den drogen tijd, do grootte van den regenval en de verdeeling van de hoeveelheid regen over de jaargetijden spelen hier eene grooto rol en zijn van overwegenden invloed op tijd en wijze van verschijnen der kevers, zelfs in die mate, dat het niet mogelijk is voor betrekkelijk kleine landstreken algomeene regels op te geven. Houden wij ons echter aan hetgeen vrij wol voor geheel Java geldt, dan mogen wij aannemen, dat de meeste eieren in hot begin van den regentijd worden gelegd; men ziet alsdan tegen de avondschemering de kevers vliegen en mot graagte de bladeren van allerlei boomsoorten nuttigen.
Tegelijk heeft de paring plaats, die spoedig wordt gevolgd door het leggen van een bij verschillende soorten tamelijk niteenloopend, aantal eieren.
Voor deze laatste bezigheid kiezen de wijfjes lossen, vruchtbaren grond met kruidachtige vegetatie. Ue eieren zijn vuilwit, ovaal en verschillond in grootte naar gelang der soort, waarvan ze afkomstig zijn; de gemiddelde lengte is 3â4 mM. Na 10â16 dagen komen uit deze eieren diertjes te voorschijn, die, bij eenige vergrooting gezien, volmaakt hetzelfde voorkomen blijken te bezitten als de groote engerlingen. Inderdaad bestaat het leven dezer
â 272
dioroii geduronde do lango oorsto periodo hunner ontwikkeling iti niet voel mooi- dan eeno voortdurende maar langzame toename in omvang, waarbij het de logge, onsmakelijke larve, niet in staat met hot zestal zwakke pooten het zware lijf' voldoende te steunen, onder aanhoudend vreten op zijde lilijf't liggen.
De jonge engerliugen, wier raondwerktuigen in den aanvang tamelijk zwak zijn, voeden zieh gedurende do eerste maanden van hun bostaau met allerlei iu ontleding verkeerende plantendeelen; daarna beginnen zij jonge worteltjes, bij voorkeur die van kruidachtige gewassen, aan te valk n en eindelijk vallen ze ook houtachtige wortels aan, die ze of' geheel opvreten, of van de bast berooven.
Het is van algemeene bekendheid dat do levensduur dor engerlingen als zoodanig tamelijk lang is; do West-Buropeesche Meike-verlarvo verpopt zich eerst in haar derde, do Noordduitsche eerst in haar vierde levensjaar.
Voor zooverre ik tot dusverre heb kunnen nagaan, verpoppen zich de engerlingen op Java, die in grootte met de Europeesehe Moikevorlarve overeenkomen, na verloop van anderhalf jaar, torwjjl de larvenperiodo der grootere soorten tweo en een halfjaar, die der kleinere ongeveer tiou maanden en minder moet bedragen. Bedenkt men hierbij, dat do vreterij der engerlingen in de tropen niet door winterperioden wordt onderbroken, dan komt de duur ervan tamelijk wel met die der gematigde luchtstreken overeen.
Het behoeft wel nauwelijks gezegd te worden, dat de schade die door do engerlingen in eene meerjarige cultuur als die der koffie kan worden aangericht, zoo mogelijk nog van ernstiger karakter is dan bij éénjarige culturen.
Kan men bij de laatste telken jare na don oogst met den grond als 't ware doen wat men wil, desnoods door het doen verzamelen van het ongedierte de plaag stuiten, wanneer men niet tegen de onkosten opziet, bjj het eenmaal uitgeplante koffieplantsoen moet men den bodem nomen, zooals hjj is, met al hot zich daarin bevin-dende of ontwikkelende ongedierte. Elke spado in do nabijheid dor boomen in den grond gebracht tot de diepte, waarop zich de engerlingen bevinden, vernielt oen gedeelte van het wortelstelsel, zooveel te zekerder, naarmate do boomen oen hoogeron leeftijd hebben bereikt. De koffieplanter hoeft dus in zijn strijd tegen deze plaag naar andere hulpmiddelen om to zion ; wij willen in de volgende bladzijden eonige van deze bespreken.
â I. Vangen en hooüex ok it kevers.
/00 eonig' middel kans hooft tot oen at'doeudcn maatregel to worden, dan is dit zeker hot vangen on doodon der volwassen kevers; dit is hot middel, dat het moest voor do hand lifft en zonder eeniae beperking aanbeveling verdient. Iedere inlander weet des avonds de kevers to vinden, waarvan, indien ik wel beu ingelicht, soitimigo soorten zelfs door hem aan een stukje bamboe worden geregen, geroosterd cu opgegeten. Met middel is in de praktijk zoer goed uitvoerbaar; meermalen heb ik bijgewoond, hoe de kevers bij kisten vol werden ingeleverd en, daar tellen niet meer mogelijk was, bij het gewicht werden betaald. Hot dooden dor kevers geschiedt hot eenvoudigst door zo te overgieten met kokend water, terwijl mon op ondernorningen, waar hot brandhout niet zeer gemakkelijk te krijgen is, zijn toevlucht zou kunnen nemen tot zwavelkoolstof, dat door Aijor.f Maijer on Kitzema Bos voor dit doel wordt aanbevolen. Men kan de doode ke/zors als meststof gebruiken ; sommige planters werken ze onmiddellijk ter bestemder plaatse onder der grond, maar het is beter, eerst mestk uilen te graven en daarin de kevers, laagsgewijze met aarde en zoo mogelijk vooraf mot gebluschte kalk vermengd, door tamelijk vochtig houden tot verrotting te doen overgaan.
Een eerste vereischto bij het toepassen van dit bestrijdingsmiddel bestaat hierin, dat er samenwerking zij tusschen de planters in de door engerlingen aangetaste streek. Indien A de kevers laat vangen, terwijl zijn buurman B. hot niet doet, omdat hij nog geen last van engerlingen hooft, meent te hebben of voorgeeft te hebben, dan kan het niet anders, of het middel helpt slechts gedeeltelijk of in't goheel niet. En wat geschiedt dan gewoonlijk? B brengt A onder het oog, dat hij, niettegenstaande al zijn vangen en de daaraan verbonden onkosten toch engerlingen in zijne aanplanting heeft en het einde van de zauk is, dat het middel als ondeugdelijk wordt veroordeeld, terwijl de fout eenvoudig in de wijze van toepassing schuilde.
B. Besmettelijke ziekten.
Hot moge hier de plaats zijn oonige bijzonderheden mede te doelen aangaande eene dikwijls beproefde bestrijdingswijze, dio echter voor do praktijk nog niet veel resultaten hooft opgeleverd noch, naar ik vrees, zal opleveren. Ik bedoel hot besmetten dor engerlingen door parasietischo schimmels, waarvan in het algemeen zoer vage en dikwijls verkeerde denkbeelden in omloop zijn,
VrH 20
Hot is reods lauyoii tijd bekeml, ilat vole iutiocton nu on dan to lijden hebbon van /ickten, die door schimmelplantjes worden veroorzaakt en gemakkelijk door ile sporen der laatste van het eene insect op het andere worden overgebracht; wij herinneren daartoe slechts aan de als âmuseardinequot; bekende ziekte der zijdewormen. De pogingen, dergelijke besmettelijke ziekten langs kunstraatigen weg onder schadelijke insecten te doen uitbreken, dateeren echter van den lateren tijd; ten opzichte der engerlingen is men eerst de goede richting ingeslagen, toen Pkfu.ikux, Dni.Antoix, Uiard, e. a. hunne infectie-proeven begonnen to uemen niet een natuurlijken parasiet, d.vv.z. met een schimmel, die in de vrije natuur op de engerlingen levende was gevonden. Of deze schimmel dou naam moet dragen van Jlotrijtis lianskuut, van Boti'ijtis tenella of van l*uria densa willen wij hier geheel in hot midden laten, eveneens of zij in doodende kracht andere (Cordyceps-soovten) overtreft; wij zullen der naam har ia densa gebruiken, die door Giaku gegeven word in een uitvoerig in 1893 verschenen onderzoek.
Deze parasietischo schimmel doet zich in do natuur onder zeer eigenaardige vormen voor, die in de eerste plaats afhankelijk zijn van den vochtigheidstoestand van den bodem, In drogen, zandigen bodem is het lichaam der engerlingen, die door de Isuria gedood zijn, hard, bros en voor euu groot deel bedekt met eene witte poederachtige stof. Soms blijft slechts de bruine chitinehuid van kop en pooten onbedekt. In vochtigen bodem daarentegen vormt de schimmel naar alle richtingen vaalwitte uitloopers, oie 6 en meer cM. lang kunnen worden en zich door hunne draderigheid innig vermengen met klompjes aarde en lijne worteltjes, zoodat hot bjj de omwerking van den bodem den schijn heeft, als of zich kalkachtige concrementen in dou laatste bevonden. Ook deze uitloopers laten bij aanraking oen fijn wit poeder achter, uit de sporen van den schimmel bestaande.
Dezen toestand van zeer krachtige ontwikkeling verkrijgt do schimmel echter eerst eenigen tyd na den dood van den aangetasten engerling; zijne aanwezigheid verraadt zich het eerst door do rose tint, die het dier kort voor, soms kort na zijn dood aanneemt. Do diepte, waarop do zieke engerlingen voorkomen, varieert tusschon 20 en 30 c.M. Ook poppen en kevers worden door do ziekte aangetast en gedood.
Men kan nu twee wegen inslaan om de Isuria te verpreiden en
- 275 -
ilaardoor op kunstraaHfje wijze eone ziekte onder de engerlingen to doen ontstaan. In de eerste plaats kan men sporendragende stukkün van engerlingen, die door den sohimmel gedood zijn, in den te besmetten bodem brengen; iu de tweede plaats kan men zich voor het besmetten van den bodem bedienen van kunstmatig gekweekte culturen van den schimmel. Beide methoden, over welker techniek ik hier niet verder wil sproken, zijn toegepast; de uitslag is echter zelden van dien aard geweest, dat er uitzicht bestond op het meester worden der engerlingenplaag.
Ook op Java heeft liet niet aan pogingen ontbroken om zich de schimmelziekte ten nutte te maken tot verdelging van ongedierte; meei' in het bijzonder van den wawalan, de larve van Apoyonia destructor, Bos, een der kleinste engerlingsoorten, die voor de suikercultuur al niet minder schadelijk is dan zijn grootere verwanten voor de kotHe. Tal van proeven, door Konrs en later door Wakkeu te Pasoeroean genomen, hebben echter niet het gewenschte resultaat opgeleverd. Ik zoH' heb eens op eene kotfieonderneming bij het uitgraven van een zieken boom oen engerling gevonden, die klaarblijkelijk door oen schimmel was aangetast en nauwelijks teekenen van leven meer s'af, zelfs bij vrij onzachte aanraking. Na dit dier naar mijn laboratorium te bobben medegenomen en mij overtuigd te hebben van do aanwezigheid van talrijke sporen, liet ik eon aantal gezonde nngerlingon verzamolen en besmette deze op allerlei wijzen.
Met een fijn lancet bracht illt; op verschillende plaatsen sporen onder do huid, bij andere bestreek ik do ademlialingsoponingen, bij weder andere werden de sporen nabij en in de mondopening gebracht; ook waren er, die twee of drie dezer verschillende bewerkingen ondergingen. Een aantal dezer inentingen gelukte en ik verkroeg eeuige engerlingen, die inderdaad vrjj zwaar door den schimmel waren aangetast. Toen ik echter na eene afwezigheid van eenige weinige dagen de engerlingen weder onderzocht, vond ik tot mijne groote teleurstelling de schimmel vegetatie zoo goed als verdwenen en kon voor dit verschijnsel geene andere verklaring vinden dan de aanwezigheid van een groot aantal Luis-mijten, dio ook in de natuur steeds op ou nabij de engerlingen te vinden zijn. Vandaar mijne reeds vroeger (Teysmannia 1895 pag. 385) uitgesproken onderstelling, dat do Lnismijten geen parasieten maar bondgenooten der door hen bewoonde insecten zijn.
â 270 â
Op grond van het hier kortelijk uitoongezetto komt het mij voor, dat vooralsnog van do zijdo dor parasiet ische schimmols weinig iiulp in don strijd tegen de engerlingen is te verwachten.
C. Inspuitingen in oen bodem.
De omstandigheid, dat, uitgezonderd gevallen van zeer ernstigen aard, do engerlingen plaatselijk in greoten getale voorkomen en dus bepaalde plekken der aanplanting het vooral zwaar te ver-antwoordeu hebben, maakt de toepassing van dit middel uitvoerbaarder dan men aanvankelijk zou vermoeden.
Hoewel ik in het algemeen geen voorstander ben van dergelijke repressieve maatregelen en do voorloopige, door mij genomen proeven mot kottioboomon in potten, waarin zich engerlingen bevonden, geon schitterende resultaten hebbeu opgeleverd, is het mijn voornemen, deze proeven op grooter schaal en met een uit Europa ontboden instrument, den zoogenaamden âpal injecteurquot; te hervatten en later de uitkomsten ervan bekend to maken. De verwachting, dat op deze wijze iets goeds tot stand kan komen, wordt gerechtvaardig door eone modedeeling van Kitzema Mos, waarvan ik hier een deel laat volgen.
Dc lieer Tntoin Noltlic.nius, Rentmeester van het Kroondomein Apeldoorn, ilie mij In do eerste dagen van Juni berichtte, dat eenjarige verspeende grove dennen in dim grond dooi' engerlingen waren doorgeknaagd, sebreel mij na 't nemen van zijne bestrijdingsproeven 't volgende: «Het resultaat dor inspuitingen mot benzine heelt mijne verwachting ovcrtrolVen .... Naicwkcun'ije opgave aangaande kosten, enz. kan ik U dit jaar niet meedeelen, en aan de cijfers, die hieronder volgen, mag dus geen ;il te groote waarde gebeebt worden. De kosten per i(KM) inspuitingen (ieder van li gram) bedroegen circa Æ 1,75 (lien-zine . ⢠f â¢1,40, arbeidsloon Æ0,85) en de inspuitingen vonden plaats op een' ouderlingen afstand van r 7-0 cM. De injecties werden toi^gepast tegen engerlingen en aardrupsen, die de dennenz.aailingon en de eenjarige verspeende dennen beschadigden: on niettegenstaande eenige perceelen tweemaal en onkel» zelfs driemaal w.erden ingespoten, beeft de benzine hoegenaamd geen' nadeeligen invloed op de jonge planten uitgeoefend.quot;
Ik zelf heb met medewerking van collega Dr. Pitseh een klein stukje grond, IC) Meter lang en IU Meter breeti, waarop de lupinen door eenjarige engerlingen werden geteisterd, met benzine liebandeld.
Er werden benzine-inspuitingen gedaan op plaatsen, die telkens in dezelfde rechte lijn 1 Meter van elkaar verwijderd waren, terwijl de rechte lijn, waarop de volgende inspuitingen geschiedden, telkens 1/2 Meter van de vorige verwijderd was. Wij gehrnikten op die 160 vierk. Meter oppervlakte ongeveer '/2 Liter benzine. De lupinen leden niets,
.Va enkele dagen vond ik slechts nog weinige levende ergerlingen. Dit bewijst echter niet dat de overigen dood waren; immers het was toen reeds in 'l begin vnn November: en de mogelijkheid bestaat, zeer
goed (lat di' andfit ongerlingen tnen reeds liunnc vreterij haddi'ii gestaakt en dieper in den -{rond waren weggekropen.
Mogen nu. gelijk uitliet bovenstaande blijkt, bovenstaunde pinelneiniiigen nok nog volstrekt niet iiji voliedigheid bogen, zi'ióvoel seliijnt ertoeli uit te blijken: Iquot; dat de inspuiting van benzine in't algemeen zonder gevaai-voor de planten kan gesebieden cd sommige planten er gevoelig voor zijn, moet nog worden in't midden golaten), en 2°. dat het inogel.ijk is. met ben-zine-inspiiiting vreterij én van engerlingen én van aard rupsen te beteugelen.
D, Afleiding oooa andere i'i.antkn.
Vóór eonige maanden kwam mij bij geruchte ter oore, dat in eeu opstel in een der op Java verschijnende dagbladen werd voorgesteld den bodem der koffietuinen met aardbezieplanten te beplanten. Trots verschillende pogingen is het mij niet gelukt bedoeld opstel in handen te krijgen, zooilat het mij geheel onbekend is, met welk dool dit werd voorgesteld en in hoeverre do schrijver zijn voorstel wenschte te zien toegepast. Ik maak hier molding van deze zaak, vooreerst omdat ik ongeveer in denzelfden tijd op eene koffie-ondernoming in Kediri eene stelselmatige bodem beplanting â echter met ecMie andere plantensoort â zag toegepast en ten tweede omdat, mede omstreeks dien tijd, in ditzelfde tijdschrift een opstel verscheen, getiteld âGrondbewerking in jonge tuinenquot; (Teysmannia 1895 pag. 530) waarin werd gewezen op een groot nadeel, verbonden aan het geheel onkruidvrjj houden van jonge aanplantingen. Hoewel dit nadeel, bestaande in achteruitgang van bet humnsgehalte van den bodem, gevolgd door eene snelle wegvoering dor oplosbaar geworden stoffen, met bet hier te behandelen onderwerp niet in onmiddellijk verband staat, bracht de lezing van dit opstel mij op de gedachte, verband te zoeken tusschen de intensiteit der grondbewerking, voor zooverre deze het schoonhouden der tuinen betreft, aan de ééno, en de voorwaarden, waarin hot in den bodem levende ongedierte verkeert, aan de andere zijde.
Vele, men mag wel aannemen de meeste planters op Java hebben de gewoonte hunne tuinen zooveel mogelijk schoon te houden. In vele gevallen mag men deze gewoonte goed noemen; er zijn echter gevallen denkbaar, waarin hot wenscblijk is, ervan af te wijken en zulk een geval doet zich voor op plekken, die door engerlingen worden geteisterd. Immers, waar niets dan koffie groeit, valt voor de dieren ook niets dan koffiewortels te vreten ; daarentegen zullen de wortels van eenig goedaardig onkruid voor de engerlingen, die in 't geheel niet kieskeurig zijn, eene afleiding vormen, die aan de koffieplanten ten goede komt.
278
Mou versta mij iiitussclieii wol; kwaliliooonlo ik liet to iliildou (inkruid roods als goedaardig, het is misschien niot overbodig hieraan toe te voegen, dat men het onkruid niet goheol vrij spel m ag laten waar het ton allen tijde meester moot kunnen worden. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarin do aanwezigheid van het onkruid meer schade aanricht dan de engerlingen en Iijj-H'evolf;' het middel erger zou worden dan do kwaal.
Ik denk hierbij in do oerste plaats aan het invallen van don regentijd; alsdan moot het gedulde onkruid onmiddellijk worden verwijderd, liever nog roods verwijderd zijn en ontwikkelt de bodem-vegetatie, hoe krachtig ook bestreden, zich toch sterk genoeg om do vraatzucht dor ongerliiigen voor oen dool van do koffie af to leiden.
Eeno matige bodem vegetatie kan echter nog verder dienstbaar gemaakt worden aan de bestrijding der engerlingen. Zooals wij hierboven zagen, worden de meeste eieren gelegd in bet begin van don regentijd. Do wijfjes kiezen daartoe bij voorkeur do plaatsen, waar voor de uitkomende jongen overvloedig voedsel is te vinden en daar zelfs bij de best georganiseerde pogingen tot verzamelen Hor kevers vóór den legtijd altijd een groot aantal dieren ontkomt, kan het nuttig zijn do wijfjes naar bepaalde plaatsen te lokken ton einde aldaar hare eieren te leggen. Wanneer men nu het korten tijd tevoren afgeslagen of afgesneden onkruid met aarde vermengt on op bepaalde afstanden in den bodem begraaft, hot met oen dunne laa^' aarde bedekkend, vormt men een groot aantal geschikte plaatsen, om na verloop van eonigen ti jd de jon^e enger-lingou op te sporen en te vernietigen.
De wijfjes toch zullen bij voorkeur hare eieren op of nabij de zo plaatsen loggen en de jonge engerlingen zullen er gaarne vertoeven on zich aan do half vergane plantendeolen to goed doen. Gestold echter, dat men dit begraven van het onkruid om deze of gene reden mmgt;t nalaten en dus niet verhindert, dat de jonge dieren zich in den bodem verspreiden, dan valt toch het tijdperk, waarin ze schadelijk beginnen te worden, m. a. w. waarin ze lovende plan-tendeelen beginnen te vreten, ongeveer samen met einde van den rngentijd, ills wanneer men weder eonig onkruid kan dulden, dat op zijne beurt de schadelijkheid der engerlingen kan verminderen.
Men zal het intusschen niot altijd in do hand hebben, goedaardige onkruiden tc laten groeien on de schadelijke afwezig te
â 27!) â
hfiudou, te mooi' daar omlor do laatste mliriok do hardnokkigsto en raoeielijkst te verwijderen vallen. Zoo kan men in aanplan-tingen, waar planten als alang-alang telkens voor den dag komen, dc hier voorgestelde handelwijze niet zonder «jToot gevaar ten uitvoer brengen en is hot daarom wenschelijk een anderen weg in te slaan.
Ik kom hierdoor terug op hetgeen ik hierboven noeinde âstelselmatige bodembeplantingquot;, namelijk het aankweekeii tusschen koffie-hoesters en schaduwboomen van eeno laagblijvende, kruidachtige plaiitoiisoort, die aan bepaalde, hieronder nader te omschrijven eischen voldoet (1). Heeft men aan deze plantensoort op de plaatsen, waar men zo kweekt, de alleenheerschappij weten te vorzekeron, dan kan men er geheel mede te werk gaan, als voor het spontane onkruid werd aangegeven. Om echter zóóver te komon. is een eerste voreischte, dat de aan te kweeken plantensoort in de omgeving, waarin men ze plaatst, de algehoele vervulling vindt der voorwaarden, waaraan haar bestaan is gebonden; zij moet er zich minstens even goed thuis gevoelen als het onkruid, dat er van nature groeit. Is dit het geval, dan kan de hulp van de zij do des plantors den doorslag geven en mag mon verwachten, dar zij spoedig de oenige bodembedekking vormt. Van de overige eischen, waaraan de bodem-plant moet voldoen, noemde ik reeds de twee voornaamste; zij moet laagblijveud zijn, opdat zij de ontwikkeling der koffieheesters niet in den weg sta en het loepen daartusschen niet belemmere en zij moet kruidachtig zijn, opdat zij ten allen tjjde zonder veel moeite of kosten kunne worden afgesneden of weggeslagen. Verder raag hare ontwikkelingsporiode, d.w.z. hot tjjdsverloop tusschen bare
(I) liet komt mij voor, lt;Ijii eene bo iumbeplHiithi£ ook in uiKlor opxidit haar nut kan hebben. Men denko, behalve aan liet verdrijven van ander, schadeljjk onkruid, aan afspoeling van don bovengrond, aan aardstortingen enz. De zaak wordt van veel algemeener belang, wanneer mee r haar in verband brengt met de regeling fier voehtbewe^ins: in den «yrond, met de Immusvoi-minquot;»- en met he' onderhoud daarvan. Men ver^eljjkc^ dieaaangaando bet )'elt;'(ls «(^noomde opst(»l âOrondbe-werking' in jonge tuinenquot;. (Tejjsmannia is'j.j).
Men vergelijke verder het opstel van Dr. Jaxsk, in de vorige aflevering verschenen on «etiteld. w|)«' stikstof-voeding van koffie on andere plantenquot;. Het mug zeker een merkwaardig samentreffen genoemd worden, dat Dr, Jansken ik, geheel onnfhnnkeijjk van elkander, op grond van geheel andere beschouwingen en ter bereiking van geheel andere doeleinden nagenoeg geljjktjjdig dezelfde hand el wijze ten aHnzicn van het onkruid in koffietuinen voorslnnn.
â 280
kieming on liot voorlbrengen van rijpe zaden, niet meer dan oen paar maanden bedragen, terwijl hot wen schol ij 1lt; is, dat do zaden spoedig na het rijpen voor kieming vatbaar zijn en hun kiomvormogen niet na zeer korten tijd verliezen.
ALet het oog op don eersten der genoemde eischen ligt hot voor do hand, onder de natuurlijko onkruiden zelve naar een bodomplant te zoeken. .Vaar hot mij voorkomt, zijn er onder do talrijke, naar het uiterlijk veelal zeer bescheiden vertegenwoordigers van do grooto familie der Compositae (Samengesteld-bloeraigon) een aantal vormen, ilie voor het besproken dool in aanmerking komen. Ik heb van deze plantensoorten dos te meer verwachting, omdat de bodomplant op do onderneming in Ivediri, waarvan hierboven sprake was, tot dezelfde familie behoorde; het was Galinsoi/a parviflova, Cav. een zeer cosmopolitisch plantje, dat ook Java in het wild voorkomt. De omstandigheid, dat deze plant aldaar met goed gevolg werd uitgezaaid tot wering van andere onkruiden, bewijst voldoende, dat zij voor bodomplant geschikt is, wat gemakkelijkheid van groei en vermenigvuldiging betreft; bovendien voldoet zij zeer goed aan de andere voorwaarden, hierboven gesteld.
Men beschouwo intusselien het hierboven aangaande bodemvege-tatie natuurlijke ot kunstmatige geopperde niet als een voor-sclirilt, welks toepassing in de praktijk reeds resultaten heeft geleverd of als de modedeeling van een middel, dat door proefnemingen afdoende of althans helpend is gebleken.
Proefnemingen als deze vallen namelijk vooralsnog buiten het bereik van oen laboratorium; zo liggen meer op den weg der planters zeiven. De verschillende waarnemingen, in talrijke doelen vau .lava aangaande de engerlingenplaag gedaan, hebben de gedachte aau dit in de meeste gevallen gemakkelijk en zonder groote kosten toe te passen bestrijdingsmiddel bjj mij doen ontstaan en de talrijke aanvragen om inlichtingen hebben mij doen besluiten het bovenstaande in ruimeren kring bekend te maken. Mocht iemand ertoe overgaan, de engerlingen op de voorgestelde wijze te bestrijden, dan zal hot mij zoor aangenaam zijn den uitslag dier pogingen te vernemen.
9. DK SI.AKKUl'SEN.
(Rupsen der Limacodidué)
Do vlinderfamilie der Liinacodidae, die tot de groep der Spinners behoort, telt in tropisch Azië een vrij aanzienlijk aantal vertegen-
- 281 â
woordigers, waarvan de volwassen vormen in liot algemeen nocli door grootte, noch door schoonheid nitmunten. Zij ontleent haren naam aan het woord Limax, den wetenschappelijken naam van de in Europeesche moestuinen welbekende en veelvuldig voorkomende naakte aardslakken, en wol op grond eener overigens weinig sprekende gelijkenis, die do rupsen dezer familie met scholploozc slakken vortoonen. Op Java trof ik tot dusverre hoofdzakelijk de volgende Limacodidae aan:
Miressa nilem, Walker.
Scopelodes nnicolor, Westwood. {Scopelodet palpalix, Walker.)
Parasa hicolor. Walker.
Parana lepidu, Cramer. (Limacodes graciosa, Westwood.)
Orthocraspeda frima, Moore. (Parasa trima, Moore.)
Belippa luleanu, Moore. (Parasa laleana, Moore.)
'l'hosea sinensis, Walker. (Parasa loesa, Moore.)
Van de andere, door verschillende lepidopterologen (Moork, Pik-peks. Snellen, Paoenstbcuer, Hampson) voor Java inheemseh opgegeven soorten vond ik nog geene of slechts weinige exemplaren en dan niet op koffie of dadap.
Kr zijn wij slechts twee gevallen bekend geworden, waarin de slakrupsen ernstige schade hebben aangericht; het eerste geval deed zich voor in eene aanplanting in de Preanger, waar verleden jaar de dadap veel van de merkwaardige rupsen van Jlelippa laleana te lijden had, het tweede op eene onderneming nabij Malang, waar zoowel koffie als dadap werden kaalgevreten door de rupsen, van Parasa hicolor, die zeer goed als het type der slakrupson kunnen beschouwd worden.
Verder trof ik andere der genoemde soorten hier en daar in zoodanig aantal aan, dat do waarschijnlijkheid volstrekt niet is uitgesloten, dat zich meer dergelijke gevallen zullen voordoen. Ik wil daarom de slakrupsen kortelijk bespreken en daarbij Miressa nitens als voorbeeld nemen; deze zeer algemeen voorkomende vorm is mij hot best bekend geworden.
Den 26st⢠November vond illt; op een koffieboompje vijf jonge rupsen, waarvan de grootste eene lengte had van 8 mM; zij vraten aan de onderzijde der bladeren en verteerden allo bladweefsels mot uitzondering van do opperhuid der bovenzijde, die als een doorschijnend vliesje aanwezig bleef. Op dozen jeugdigen leeftijd waren de rupsen bruingeel en was slechts over den rug een donkere stroop
â 282 â
waar to tiemon. waarnaast zich aan weerszijde een duuner streepje van lichtoi' tint vertoonde. Ho niiddonstreep sin^ na eenige ilagon in hot hlauwttclitige ovor, terwijl aan hare randen, telkens op eeiio lichaamsgeleding, oon helder geel puntje ontstond; bevoudien vormden zich aan weerszijde van het lichaam acht roodbruine, smal lensvormige, scheet' geplaatste vlekken.
Do grootste eigenaardigheden dor rups van Miirssa en in het algemeen dor Lhnacodidae-vmpsen zijn hot bezit van een aantal vleezige doornon, die tal van brandharen dragen en het nagenoeg afwezig zijn van pooten. Aan dezo laatste eigenschap heeft do familie haren naam te danken. Wanneer men do rupsen overeen stuk trlfis laat loopen en ze van de onderzijde waarneemt, ziet men hoe zij zioh evenals eene slak door golfvormige bewegingen van den zachten buikwand voortbeweegt. Weliswaar zijn ook aan de buikzijde de lichaamsgeledingen onderscheidbaar, maar van pooten is niets waar te nemen. Slechts op hot laatst, na de laatste, of do voorlaatste vervelling, komen rudimentaire voorpooteu in den vorm van kleine haakjes te voorschijn.
Men kan bij Miressa twee soorten van dooruon onderscheiden, die, welke op bot rnggedeelte en die, welke rondom het buikgedeelte van do rups zijn geplaatst.
liet aantal der eerste bedraagt steeds acht, waarvan twee groote, voorwaarts gerichte boven den kop, twee groote, achterwaarts gerichte nabij bet achtereinde en twee kleinere op ^ on | der lichaamslengte aan elke zijde van den rug.
Het aantal der laatste hangt at' van den ouderdom der rups en klimt na elke vervelling om ton slotte tot twintig te stijgen. Ook hier zijn do voorste eu lt;le achterste grootor on van langer
baren voorzien dan do andore.
De volwassen rups van Miressa nitem is eon zeer Iraai dier; wanneer zij ongestoord zit te vreten zijn de brandharen dor doorns penseolsgowijze samengevouwen; nauwelijks echter bespeurt zij oenig onraad, of do haren worden straalsgewijze uitgestoken en wanneer men haar op liet midden dor rug aanraakt, buigt zij kop on staart bovenwaarts tot elkaar om hot vijandnlijk voorwerp geheel tusschen baar brandharen to grijpen. Aanraking mot deze laatste veroorzaakt stokende pijn on opzwelling.
Einde Doeember verpopten zich do rupsen in eene bruine, ronde cocon mot gladde oppervlakte, waaruit na 18-20 dagen do vlinders
to voorschijn kwamou, doukorbruin on zeer onaanzionlijk van voor komeu. Sommige Limncodidac notnoii in rust ecne vreemde iiouding aan; het sterkst zag ik dit bij Partmu Irinui, die zich overdag aan de achterpooten ophing en op alles meer geleek dan op een vlinder. Ook Miressa nitem rust met den kop naar bonedon hangend. De eieren der Limacodidae, voor zooverre die mij bekend zijn geworden, zijn plat en met een doorschijnend laagje of vliesje bedekt. De vlinders leggen ze bij voorkeur tegen de onderzijde van een blad.
De overige slakrupsen zjjn in liet algemeen minder fraai dan de rupsen van Miressa nitens; de brandhareu zijn korter en haai' lichaam is aan beide uiteinden eenigszins afgerond, terwijl de rupsen van Parasa loesa zelfs ovaal en afgeplat zijn. Do rups van Scope/odes imicolor geeft den indruk alsof doornen en brandhareu achterwaarts waren gestreken, terwijl die van l'ura.sa biculor aan het achtereinde van het lichaam vier korte bundels van bruinzwarte haren draagt. Afzonderlijke vermelding verdienen de rupsen van Belip/ia la lea na ; deze zonderlinge dieren bezitten geen doornen of brandbaren maar het ruggedeelte van het lichaam doet zich voor als eeue half doorschijnende, hooge, koepelvormige massa, die ook in breedte het buikgedeelte verre overtreft en oen aantal op overlangsche rijen geplaatste witte stipjes vertoont.
De cocons zijn alle naar hetzelfde type gebouwd; sommige zijn glad, zooals dio van Miressa nitens, andere zijn min of meer behaard; de vlinder komt er uit te voorschijn door een cirkelronde opening.
Eenige soorten van slakrupsen dragen bij de Javanen den naam van oelar serrt; het is mij niet bekend ot' dit misschien de algemeene naam voor deze merkwaardige rupsengroep is.
Parasa bicolor, hierboven genoemd als schadelijk voor kottie en dadap op eene onderneming nabij Malang, is een vlindertje van 30â40 mM. vleugelspanniiig.
De meeste soorten van hot geslacht l'arasa ziju gemakkelijk te herkennen aan de lichtgroene kleur van den kop, den thorax en de voorste helft der voorvleugels, terwijl het basale gedeelte der laatste aan den voorrand eeue bruinzwarte, langwerpig driehoekige plek vertoont. De vlinders zijn niet zoo gemakkelijk van elkander te onderscheiden als de rupsen; ik wil mij echter niet in eene détail-beschrijving begeven, noch van de eerste, noch van de laatste.
Waar de bestrijding der slakrupsen noodzakelijk is, verdient het
â 284 â
wellicht de itioest^ aanbeveling de poppen te vernietigen, daar de inlanders ongaarne do rupsen aanvatten. 15ij de door Purasa hicolor veroorzaakte plaag bevonden do poppen zich in groeten getale bij elkander op de takken van dadap en koffie en konden dus gemakkelijk op groote schaal gedood worden. Intnsschen schijnen ook hier roofvliegen en slnipsvespou het hunne tut beteugeling van het kwaad bij to te dragen.
J. C. KoNtNQSBERGER.
Mei 1896.
NASCHRIFT.
Terwijl bovenstaande mededeeling reeds voor de pers gereed lag, ontving ik liet bericht dat ook op oone andere onderneming nabij Malang slakrupsen in het geheel niet zeldzaam zijn. Ze zijn aldaar bekend onder don inlandschen naam van odar lintamj. Uit het toegezonden materiaal heb ik niet met zekerheid tot den naam van den vlinder kunnen concludeeren; het komt mij echter zeer waarschijnlijk voor, dat het I'm-nsa lepida is.
OVER DE STOORNIS IN DE ONTWIKKELING VAN DEN KOFFIE BOOM DOOR OVERDRACHT.
Hen, die betrokken zijn bjj of zicii bezig te houden hebben mot de particuliere koffiecultuur op Java, treft en ontmoedigt misschien niets zoozeer als de wisselvalligheid, welke de uitkomsten daarvan kenmerkt. Zelfs de meest bevoorrechte streken, waar deze cultuur goede baten afwerpt, zijn daaraan onderhevig. In andere, minder gezegende complexen is die wisselvalligheid een bepaald gevaar voor dezen tak van landbouwnijverheid. Giroot zijn de teleurstellingen, die daarmede ondervonden, nog grooter de verliezen, die daardoor geleden /jjn.
Hoevele verwachtingen, opgewekt door een grooten bloei in fraaie koffietuinen, zijn niet eenige maanden daarna in rook vervlogen, toen do zwaar dragende boomen hunne bladeren verloren, daarna de nog kort te voren frissche, groene bes aan de kale, met vrucht beladen takken verschrompelde tot een vooze, zwarte schil en eindelijk na den oogst van de weelderige schoonheid der tuinen niet veel meer overbleef dan naakte, van de meerderheid hunner takken beroofde en nagenoeg bladerlooze stammen! Het gelukt dan wel door samenwerking van de natuur met den mensch een nieuw leven in deze plantsoenen te doen ontwaken, maar de volgende oogst daarvan is gering. In het gunstigste geval hebben do boomen zich het daarop volgende jaar gerestaureerd en tot bloeien bekwaam gemaakt. En is deze bloei, zooals dikwijls het geval is, wederom groot, dan begint de lijdensgeschiedenis op nieuw.
Alsof de bezoekingen, waaraan de koffietuinen bloot staan, tot de onafwendbare beschikkingen van liet noodlot behooren, ziet men de opvolging van overdracht, kale en kwijnende boomen, vruchtverlies, misoogst en nieuwe overdracht zicli bjj
VII 21
â 286 â
voortduring herhalen, telkens met grooter schade voor de boomen. Alleen het besef van machteloosheid tegen deze beproevingen kan de lijdelijkheid verklaren, waarmede de daardoor veroorzaakte verliezen godragen worden, zonder dat dusver ernstige middelen ter voorkoming van herhaling zijn aangewend.
Wie is er, die niet beaamt, dat het eene hoogst bedenkelijke zijde der koffiecultuur is, dat hare uitkomsten zoo worden beheerscht door invloeden, waaraan do monschelijke macht geen paal en perk stelt, dat zij, die geroepen zijn het landbouwbedrijf uit te oefenen, de administrateurs, meestentijds niets meer hebben kunnen doen dan de aangerichte schade zoo goed en spoedig mogelijk te herstellen! Het kapitaal,dat belegging zoekt, verlangt een solieder grondslag dan de koffiecultuur onder deze omstandigheden kan aanbieden. Wordt op dezen weg voortgegaan, dan zal men komen tot den ondergang van menige onderneming niet alleen, maar vroeg of laat ook tot stilstand in de verdere ontwikkeling der koffiecultuur.
Dit laatste zou eene economiache ramp zijn voor moederland en kolonie beiden. Waar in liet moederland de landbouw telkens minder emplooi geeft aan arbeid en kapitaal en de rentestandaard tot een ongekend laag peil gedaald is, mag de gelegenheid om in de kolonie het landbouwbedrijf op winst-gevenden voet te drijven een waar sociaal redmiddel lieeten. En waar in de kolonie do inboorling zicii niet boven het peil van den kleinen boer of don boerenarbeider kan verheffen, is het eene verrijking van het land, wanneer de woeste grond door moederlandsch kapitaal en moederlandschen arbeid ontgonnen en met een gewas, dat een hoog waardig product aflevert, beplant kan worden.
Mag de beschouwing van een der voorname redenen, die de toekomst der particuliere koffiecultuur op Java bedreigen, daarom van wezenlijk actueel belang geacht worden, zij mag de verwachting op eene spoedige en eenstemmige oplossing niet opwekken. In landbouwzaken mag geene andere en hoogere wet gelden dan die van het experimenteele bewijs. De waarheden worden ook hier niet anders gevonden dan door onder-
â 287 â
zoeken, beproeven, nauwkeurig waarnemen en controleeren.
Mocht deze proeve velen opwekken om hunne krachten te wijden aan het experinientceren van methoden tot opkweeking van krachtige, vruchtbare, voor stoornissen bewaard blijvende
kotfieboomen, dan zal het dool daarvan ten volle bereikt zjjn.
*
* *
Tot de gevaarlijkste dierlijke vijanden van den koffieboom behoort in zeker opzicht do mensch, die onwillekeurig, door miskenning van de eischen van liet plantenleven, aan de koffiecultuur meer kwaad heeft godaan dan eeuige andere plaag. Met dogmatieke slaafschheid ziet men den mensch koffieboomen telen, waaraan telkens opnieuw dezelfde gebroken kleven, zonder zich rekenschap te geven van de natuurwetten, waarnaar zich de levensverschijnselen van het organisme, dat men koffieboom noemt, regelen.
Ongetwijfeld is de taak van iemand, die de leiding eener landbouwonderneming op zich genomen hoeft, veel omvattend. Hoe dikwijls verzwaart men zich die niet door het gemis der meest elementaire kennis van do fysiologische grondbeginselen der verschijnselen van het plantenleven! De verwaarloo-zing van studie en wetenschapljjke beoefening bij deu grooten landbouw op Java wordt misschien in geen enkelen tak van menscheljjk bedrijf geëvenaard.
Deze uitspraak moge hard klinken, zij mag evenwel niet achter worden gehouden. Want, zal de koffiecultuur zich boven haar tegenwoordig peil verheffen, dan zal zij moeten uitgaan van de erkenning, dat hare gebreken een gevolg zijn van menschelijko ongenoegzaamheid, die zich voor misgrepen en cultuurfouten niet hoeft weten te behoeden doordat zij het voorwerp harer zorgen, den boom zeiven, te weinig lieeft loeren kennen; dan zal het besef bij haar levendig moeten worden, dat, zoo zij verliezen lijdt door gebreken van den boom, het een eigen gebrek van haar zelve is daarin geene verbetering te brengen door boomen te kweeken, welke daarvan bevrijd blijven.
â 288 â
Het einddoel der exploitatie eener koitieonderncmin^ moet zijn een aanplant te verkrijgen, waarvan men, zonder groote kosten, langdurig en regelmatig vrucht trekt. Indien hot langdurig genot van goede, goedkoopo en regelmatige oogsten op vele, zoo niet de meeste koffielanden thans nog alles behalve verzekerd mag worden geacht, ligt de oorzaak in de hooiuen, die er niet op berekend zijn den velerlei stoornissen in hunne levensverrichtingen, waaraan zij zijn blootgesteld, zegevierend het hoofd te bieden.
Als de voornaamste oorzaak van zulke stoornissen beschouw ik niet de bladziekte. l)e waarneming leert, dat de bladziekte een secundair verschijnsel is, optredend wanneer de boom ten gevolge van andere oorzaken voor hare infectie gopredis-poneerd is geworden. Of ziet inen niet herhaaldelijk in denzelfden tuin naast vruchtdragende boomen, welke lievig zijn aangetast, boomen, die geen vrucht dragen, van de bladziekte bevrijd blijven? De primaire oorzaak, welke den boom voor een aanval van bladziekte vatbaar maakt, is verzwakking ten gevolde van een ziekoljjken toestand of vruchtdracht of wel beiden tegelijk. De blad/.iekte verergert liet kwaad, zij veroorzaakt het niet.
Indkn liet tot de normale levensfunctiën van den kof-tieboom evenals van andere vruchtboomcn behoorde om zicii met zijn vrucht te onderhouden, zoo zou aan de bladziekte veel minder aandacht geschonken worden dan thans liet geval is. Maar het schijnt wel, alsof het tot de normale levensverrichtingen van don koffieboom behoort om zich met zijne vrucht niet te onderhouden. Het is aan deze eigenaardigheid, dut de Hemileia vastatrix hare wijd vermaarde beruchtheid en hare gemaklijke overwinningen te danken heeft.
Het gedeeltelijk ontdoen van hunne vrucht van jonge boomen is een middel om ze te bewaren tegen schadelijke stoornissen in hunne ontwikkeling en tegen bladziekte. Hieruit blijkt andermaal, dat men den oorsprong van het kwaad, dat den boomen overkomt, niet heeft te zoeken in de bladziekte.
â 289 â
maar in don staat van verzwakking, waarin tic boom door zijn vruchtdracht vervallen is.
Ofschoon er zeer zeker goede gronden zijn ora aan te nemen, dat dikwijls met het rijpingsproces der vrucht een ziekelijke toestand der wortels zamentreft, ontstaan door eene schadelijke omgeving ten gevolge van de veranderingen in den chemischen en fysischen toestand, alsook van de teinpe-ratuur van den bodem na langdurige regens, wensch ik dit punt buiten beschouwing te laten. Liet is bij oogenschijnlijk gezonde koffieboomen met gezonde wortels reeds zichtbaar, hou zij zicii uitputten aan hunne vrucht, en niet bepaald noo-dig van dit verschijnsel eene verklaring te vragen aan de leer der plantenziekten. Zonder daarom het groote gewicht te ontkennen van do pathologische zijde van bet vraagstuk, bedoel ik hier slechts aan de fysiologie van den koffieboom rekenschap te vragen van het onvermogen des hoorns, om in vele gevallen tegelijkertijd zich in stand te houden en zijn vrucht te doen rijpen.
Het is mijne meening, dat men, met terzijdestelling van blad-en andere ziekten, in de levonsverschijnseleii zei ven van den koffieboom de reden voor zijn gebrek, om te bezwijken onder den last der vruchtdracht, en het middel ter verbetering heeft te zoeken.
*
* *
Volgt men een koffieboom van zijn begin af in zijn ontwikkelingsgang, dan valt ons voornamelijk op het verloren gaan op lateren leeftijd van de evenredigheid, welke in zijne jeugd tusschen zijne onderdeelon bestond. Het plantje, dat zich reeds laag bij den grond vertakt, zendt met het verlengen van zijn stam, op regelmatige, korte afstanden, telkens nieuwe takjes uit, wier eindpunten mot den top verbonden kunnen worden door de zijden eener bijna zuivere piramide. Maar nog voordat het boompje eene hoogte van 4 voet heeft bereikt ziet men veelal in deze regelmaat stoornis ontstaan. Terwijl de hooger geplaatste takken onder een eenigszins scherpen hoek forsch in den stam zijn ingeplant en door hun omvang en
rechten stuud getuigen van ecu krachtigen groei, vertooueu de boucdeustc takken ecu afwijkend type. De hoek, dien /ij maken met den stiiiu, is stomper, hun stand is minder opgeheven, dikwijls hangen zij min of' meer van den stam af cn zijn slap en krachteloos. Uoe hooger de plant wordt, hoe minder deze beuedeutakken blijken in lengte en dikte mede te groeien. Bij de meeste boompjes is hot op jeugdigen leet-tijd duidelijk zichtbaar, dat de ondertakken benadeeld worden in vergelijking met dc daarboven geplaatste.
Dit verschijnsel toont aan, dat de ondertakken minder in de sapbeweging deeleu dan de hooger gelegene takken, dat, zooals men zegt, de sappen de neiging hebben naar boven te trekken. Eone bevestiging vindt men in do boompjes, die in een ziekelijken toestand verkeeren. Steeds zal men de takjes van onder af zien dood gaan en den kruin hot langst gezond blijven. (*)
Deze neiging der sappen om zicli bij voorkeur naar boven te bewegen is oorzaak, dat een kottieboom, aan zich zelf overgelaten, nooit eone regelmatige, over zijne onderdeelcu evenredig verspreide ontwikkeling zal aannemen. Er zijn deelen, die bevoordeeld worden ten koste van andere, deelen, die andere overheerschen. Bij liooge, ongetopte boomen is liet zeer opvallend, hoeveel minder ontwikkeld dc benedenste helft van deu boom is dan de bovenste.
Dit gebrek aan evenwicht tusscheu de deelen van liet plan-tenlicbaam laat zich het best verklaren bij eene vergelijking vau deu koffieboom mot andere vruchtboomen b.v. mangga's en djeroeks. Het verschil, dat 't meest in 't oog valt, is, dat deze in denzelfden tijd meer stam maken en aan den stam minder takken dan do koffieboom. Na tien jaren zal de stam van een koffieboom misschien de helft in omvang zijn van dien
(') Meermalon hoort men bij dergelijke boompjes, welker ondertakjes zijn afgestorven of spichtig en seliaai zijn, de opmerking maken, dat zij te lang in liet onkruid gestaan hebben. Dc ware reden zal men wel te zoeken hebben in de wortels, die niet kunnen werken omdat de bodem na vele regens oi' te koud of te arm aan zuurstof geworden is.
- 291 â
eens manggabooms ol' djeroeks maar zal de eerste zich daarentegen menigvuldiger vertakt hebben.
Bij het gezonde jonge koffieboompje loopen, tegelijk met don eindknop, in de oksels van ieder nieuw bladpaar zijknoppen uit, die zicli tot takjes verlengen. Deze eigenschap der plant, om op korte afstanden vele takken uit te zenden, wordt oorzaak, dat do evenredigheid in haar takgestel zich later niet handhaaft. Daar de sapaandrang naar boven gericht is, zal het groeipunt van den stam zoomode de jongst gevormde takken, die nog het minst van do loodrechte richting afwijken, bevoordeeld worden. Een snelle lengtegroei, gepaard gaande met voortdurend nieuwe takvorming aan den top, is daarvan het gevolg, terwijl de onderste takken, die meer en meer de opgeheven richting hebben verlaten, den sapaandrang minder en minder zullen gevoelen, het eoi-st gebrek aan voedsel ondervinden, het eerst ophouden te groeien 011 hot eerst afsterven. In toenemende mate is dit het geval naar gelang de stam zich verlengt, zooals men kan waarnemen bij hoog, rechtstandig opgegroeide boornen. Blijft de stam, ten gevolge van zijn snellen lengtegroei en de overmatige splitsing in takken, slank en dun, ook de van hem afhankelijke doelen, de wortels, zullen daardoor minder gebaat worden.
De verstoring van liet evenwicht, die met het verleugen van den stam plaats grijpt, valt ook in den enkelen tak afzonderlijk op te merken. Zoolang hij kort is, blijft de tak niet een scherpen hoek in den stam ingeplant en is zijn top opwaarts gericht. In dezen stand wordt hij begunstigd door een krach-tigen sapaandrang en zal hij zich schielijk verlengen. Doch de vorming zij nor hout- en schorslagen houdt geen gelijken tred niet zijn lengtegroei. Vandaar, dat hij de noodige stevigheid mist om den opgeheven stand te behouden en zijn uiteinde zich nederbuigen zal. Zich meer en meer van de loodrechte richting verwijderend, beschrijft hjj ten laatste eene kromme lijn, die zich aan het groeipunt wederom tracht op te heffen. Het eerste gedeelte van den tak, dat de meeste stevigheid bezit, streeft eenigszins omhoog en trekt voldoende sap, dat op
â 292 â
zijn vvog de in de bladoksois aanwezige knoppen ontmoetend, dezen een prikkel tot groeien mededeelt. Zij dralen niet om nit te loopen tot takken, welke den sappen nieuwe wegen omhoog banen, tengevolge waarvan deze het nedergebogen deel van den tak meer en moer zullen verzaken. De tak vertoont dan duidelijk de neiging om zijn loven liever voort te zetten in zijne opwaarts gerichte zijtakken dan in zijn omlaag gericht uiteinde. Er ontstaat dan overheersching van den zijtak over den moedertak. Volgt men het verloop van een primairen tak, die weelderig zijhnut heeft gemaakt, zoo ziet men den kraohtigen bouw, dien hij heeft aan zijn oorsprong, na de eerste vertakkingen plaats maken voor eene verzwakte structuur en in de laatste leden schraal eindigen. De eerst gevormde zijtakken zijn meestal kloeker van bouw dan de laatste helft van den primairen tak zelt. De zijtakken werken als parasieten op den moedertak, dozen het voedsel voor zijne ontwikkeling ontnemend.
Dezetten de takken van een koffieboom zich nu met vrucht, dan zullen die doelen van hot plantenlichaam, welke overheerscht en benadeeld worden door andere, hunne bessen niet liet noodige voedsel kunnen toevoeren, zich uitputten en bezwijken. De einden der primaire takken, die de overheersching door het zijhout het meest ondervinden, bevinden zich in den ongunstigaten toestand. Daar begint ook de sterfte, welke bjj takken met overvloedig zijhout meer en meer voortschrijdt. Meestal blijft een gedeelte van den tak met een of meer der eerste zijtakken behouden, welke laatste dan het afgestorven deel van den primairen tak hebben te vervangen. Nadat de boom ontlast is van zijne vrucht, de wortels weer werkzaam geworden zijn. nieuw loot te voorschijn gekomen cn een levendiger sapboweging ontstaan is, zullen de knoppen aan den voet en later ook de hooger geplaatste zij knoppen van de behouden gebleven takken tot scheuten uitloopen, die steeds menigvuldiger worden en alle richtingen uitgaan. Hoe meer blad de boom maakt, hoe meer takjes zullen uitloopen, tot dat hij zich ton laatste weder vol met loof en takken bekleed
â 29a â
heeft. Maar dan is er geen sprake meer van een regelmatig takgestel. De in de praktijk gebruikelijke term vlt;in âkraaienestquot; is de meest juiste uitdrukking voor liet oven dicht als grillig dooreengeweven netwerk van takken en scheuten, dat dan aan don boom valt waar te nemen. Eenmaal in dozen vorm vergroeid, heeft een koftieboom veel van zijne waarde voor de toekomst verloren. In een bodem en cene luchtgesteldheid, die voor blad- en takvorming bevorderlijk zijn, zal hij zijne takken al dichter en dichter ineen weven on zijne vruchtbaarheid goeddeels inboeten, terwijl hij daarentegen, waar de omstandigheden gunstiger zijn voor vruchtvorming, na eene nieuwe, zware dracht vaak nog meer zal lijden dan vroeger. De voeding der velerlei, dikwijls uit één knop te voorschijn komende, takken en takjes is dan nog minder verzekerd en de sterfte nog grooter dan vroeger, lilijft do boom behouden, dan zal hij zich wel andermaal met nieuwe takken en bladeren bekleeden, doch iedere nieuwe ziekteaanval verzwakt hem meer en een lange levensduur is hem niet weggelegd.
Bovenstaande beschouwing is meer in het bijzonder toepasselijk op getopte boomen. Boomen, die hun stam ongestoord kunnen verlengen, ziet men, mede als een gevolg van do neiging der sappen om opwaarts te trekken, het meest vrucht dragen aan hun kruin, welks gewicht den stam doet buigen. De vorm van den boom is er niet op berekend om de takken te sterken. Zijn deze eeaigszins zwaar met vrucht bezet, dan is hun lot om te sterven. Men behoudt dan veelal na den oogst een boom over, die bestaat uit een langen, met schaarsche takken en een kleinen kruin bekleeden stam. Weldra zullen op vele plaatsen van dien stam en vooral ter hoogte waar hij zich buigt, vele knoppen uitloopen, die zich iu opwaartsche richting verlengen en evenals jonge stammen horizontaal vertakken. Men neemt in deze uitloopers het verschijnsel waar, dat het jonge, opwaarts gerichte deel bevoordeeld wordt ten kosto van de daaraan gevormde takken, die veeltijds ver uit elkander staan en schraal blijven. Een krachtige takvorming aan zulke nieuw uitgeloopen deelen is eene zeldzaamheid. Terwijl het
â 294 â
slappe on krachtelooze vruchthout van deze booiuon na eene dracht van eeniü:e beteekenis bezwijkt, breekt ook voor hen betrekkelijk spoedig het tijdstip aan, waarop zjj eene nieuwe werking verzaken. Soms geeft hot afhouten, het op stomp kappen, baat, doch in vele gevallen ziet men do uitloopers zich na korten tijd begeven.
*
* *
Natuurlijk is bovenstaande schets niet van absoluut algemeeno toepassing. Men zal evenveel verschillen in den habitus der boomen waarnemen als er verschillen zijn in de fysische en chemische zamenstelling van den bodem en in de meteorlo-gische toestanden, liet zal echter niet worden tegengesproken, dat in al te veel gevallen de feitelijke toestand aan don geschet-sten beantwoordt. En ook afgescheiden van hot meerdere of mindere nadeel, dat geleden wordt, zal ieder wel willen toegeven, dat hot karakteristiek is van de koffieboomon, zooals zij nu gekweekt worden, dat zij niet alleen niet tegen eeno overmatige, maar zelfs niet tegen eene de middenmaat eenigs-zins te boven gaande vruchtdracht bestand zijn, in dien zin, dat zij na don oosst gaaf en ongeschonden blijven en den nieuwen bloeitijd krachtiger dan te voren te gomoet gaan.
Indien periodes van vruchtbaarheid der boomen te voel worden afgewisseld door periodes van onvruchtbaarheid, is hot meestal omdat do boomen na eene periode van groote vruchtbaarheid vruchtdragende deelen verloren hebben. En zoo takken van een koffieboom hun vrucht niet tot rijpheid hebben kunnen brengen en bezweken zijn, is daarvan do roden, dat zjj do kracht misten om zich zelven met hunne vrucht te onderhouden. En eindelijk zoo zij die kracht misten, is het of omdat het voedsel hen niet bereikt, of omdat de boom onvoldoende voedsel geassimileerd heeft. In beide gevallen is er gebrek aan evenwicht tusschon de deelen van het plan-tenlichaam geweest, hetzij dat do voedende organen, de bladeren en do wortels, ontoereikend waren om dit plantenlichaam met de vrucht te voeden, hetzij dat sommige plantendeelen andere
â 295 â
overheerschten en dezen voedsel onttrokken, hetzij dat de organen, die het voedsel hebben te transporteeren, voor hunne taak geone gonoegzumo capaciteit hadden.
In den regel zullen al deze redenen wel samenwerken om de stoornis in hot leven der plant te bewerkstelligen. Het meeste gewicht hecht ik evenwel aan de beide laatste.
De bladeren zijn de organen, din do stoffen, welke zoowel zjj zelveu nit de lucht, als de wortels uit de aarde opnemen, tot planten voedsel bereiden, terwijl dit door de vaatbundels in het plantenlichaam verspreid wordt. De evenredige en gelijkmatige verdeeling van voedsel krijgt eene groote beteekenis, waar, zooals bij den koffieboom, declen van het plantenlichaam zich ten koste van andere daarmede trachten te verrijken. Alle vruchtdragende deelen moeten ruimschoots met voedsel bedeeld kunnen worden en gevrijwaard tegen parasieten, die het hun ontnemen. Is een onregelmatig takgestel oorzaak, dat eene regelmatige voeding van het plantenlichaam wordt belemmerd, dan moet daarin orde gebracht worden. Alle deelen van het plantenlichaam behooren bekwaam te worden gemaakt voor de functiën, welke zjj later zullen hebben te vervullen, en alle schadelijke of nuttelooze deelen te worden verwijderd. Slechts met inachtnamo van deze regelen, zal men boomen kunnen kweoken, die het vermogen bezitten zich gestadig te bljjven ontwikkelen en geene stoornissen in hunne levensverrichtingen te ondervinden gedurende don tijd, dat zij vrucht dragen.
De stam, die bestemd is voor voedsel- on saptransport, moet ruime capaciteit voor de geleiding daarvan bezitten. Zijne ontwikkeling zal voornamelijk moeten blijken uit toename van zijn omvang, welke getuigt van de vorming van telkens nieuwe hout-en schorslagen. Vooral voor den groei der wortels is een krachtige stam van het iioogste belang.
De takken hebben eene dubbele bestemming. Zij voeren bladereu en knoppen, hout- zoowel als vruchtknoppen, organen van eene hooge beteekenis voor den boom. Zijn do bladeren onmisbaar voor do voeding, do houtknoppen moeten zich kunnen
â 2S)6 â
verlengen tot nieuwe takken, welke met huu loof de afgevallen bladeren vervangen, en op hun lieurt vrucht dragen, terwijl de vruchtknoppen de bloemboginselen bevatten, waaruit eenmaal de vrucht moet ontstaan. Wil de primaire tak als draagster van bladeren, zij hout en vruchten aan hare bestemming beantwoorden, zoo zal hij over zijn gansche lengte krachtig van bouw moeten zijn om niet alleen zich zelf, maar ook al de van hein afhankelijke deelen, in stand te houden en te doen groeien.
Een machtige stam dus en kloeke takken, ziedaar de onmisbare grondslag voor do vorming van oen kotfieboom, die zich gedurende lange jaren in krachtigen toestand zal weten to bewaren en even goede als ruime oogsten moet voortbrengen.
Laat men den koffieboom zich aan de hand dor natuur vormen, dan zal hij te kort schieten in deze taak, zooals wij hierboven zagen en dagelijks in de praktijk kunnen waarnemen. Men-schelijke tusschenkemst is daarom voor het aangewezen doel noodig.
Met eerste desideratum, den machtigen stam, bereikt men door den boom al vroeg van zijn groeitop te ontdoen en te zorgen, dat hij zich niet door het uitloopen van zijknoppen op nieuw verlengt. Welke hoogte voor den stam de beste is, moet nog door nader onderzoek worden uitgemaakt. Voor generaliseeren heeft men zich hier te hoeden. De groeiverschijnselen zijn op de verschillende gronden, die voor de teelt van koffie gebruikt worden, zoo verschillend, dat van een algemeenen regel geen sprake kan zijn. Ook hangt veel af van den bijzonderen toestand der individueelc boomen in een zelfden aanplant. De boompjes met zwakke stammetjes zal men lager moeten toppen dan de exemplaren, die krachtiger groeien.
Het doel, de ontwikkeling van den stam te bevorderen, gaat verloren, wanneer men dien eene te groote lengte laat behouden. Bij vele boomen, die op eene hoogte van S'/j a 6 voet getopt zijn, kan men waarnemen, dat de stam, van onder dik beginnende, naar boven toe onevenredig dun verloopt. Dit bewijst, dat aan zulk een stam oen taak is opgedragen, welke boven zijne
krachten gaat. Men kan van een stam getuigen, dat lijj op eene goede hoogte getopt is, wanneer de omvang van zijn basis en van zjjn boveneinde weinig verschillen. Daaruit blijkt, dat hein geen voedsel wordt onttrokken, dat hij voor zjjne eigene vorming noodig heeft. Dergelijke stammen zullen in staat zijn den wortels ruimschoots voedsel toe te voeren en dientengevolge een meer ontwikkeld wortelstelsel bezitten.
Totdat de praktijk voor ieder bijzonder geval uitspraak zal hebben gedaan, zal men dus voorzichtig handelen met laag te toppen. Hoe luger men topt, hoe forschcr stam men zal verkrijgen Wel derft men dan natuurlijk takken, docli liet gemis is slechts oogenschijnlijk een verlies. Het minder getal takken, dat men aanhoudt, wordt meer gebaat door de voedingsstoffen; de takken groeien meer in de lengte en do dikte en vergoeden door hun grooter vruchtdragend oppervlak voor een deel wat door hun geringer getal uemist wordt. Zij vergoeden het gemis voorts doordat zij vrucht voortbrengen, welke beter rijpt en beter van qualiteit wordt. Maar bovenal vergoeden zij het doordat zij zich in ongeschonden toestand bewaren en dadelijk bekwaam zjjn op nieuw vrucht te produceeren.
De ontwikkeling der takken wordt in hooge mate bevorderd door het zijhout, dat uit hunne bladoksels uitloopt, te verwijderen hetzij met de hand wanneer het pas te voorschijn komt, hetzij met het snoeimes, wanneer het ouder geworden is. De tak, waaraan men in zjjne jeugd zijhout laat aangroeien, loopt groot gevaar daardoor overheerscht te worden. De zjjscheuten trekken gulzig het voedsel tot zich. Wil men het toekomstig leven van den tak verzekeren, dan is het onvermijdelijk hom van secundaire uitloopers gedurende den eersten tijd van zijn bestaan vrjj te liouden. De consequente toepassing van dit middel heeft eene hoogst voordeelige uitwerking Het blad wordt donkerder van kleur en grooit bovenmate; de tak, al het beschikbare voedsel voor zich zelf kunnende benutten, neemt ongestoord in lengte en omvang toe en vertoont van zijn begin tot den top een gelijkmatig verloop.
Het verwijderen van zijhout over do geiieelo lengte van den
â 298 â
tak worde volgehouden totdat zieli daaraan de vrucht heeft gezet. Daarna late men het zijhout voorbij de vrucht vrijelijk uitkomen, maar blijve do uitloopers verwijderen, die zich op liet vruchtdragend gedeelte van don tak vertoonen. Vooral gedurende don tijd der vruohtdracht is liet noodig ruimschoots voedsel beschikbaar te stellen en te waken togen onttrekking daarvan door nuttelooze doelen. Eene weelderige bladvorming aan het einde van don tak zal vermeerdering van voedingsstoffen en eene levendige sapbeweging bewerken en daarom bevorderlijk zijn voor het rijpen der vrucht, terwijl de daar uitgekomen secundaire takkoii vruchthout voor den volgenden oogst zullen opleveren.
Takken, die op deze wijze zijn voorbereid en onderhouden, zullen hunne taak naar behooren kunnen vervullen. Niet alleen, dat zij zich in stand houden en krachtiger maken, zij brengen hunne vrucht tot volkomen rijpheid en leveren die in goede qualiteit af.
*
* *
Het bovenstaande is niet louter bespiegeling. Het berust op een feitelijken grondslag. Aanplantingen, op de beschreven wijze behandeld, leveren de levende bevestiging van de leer op. Ter illustratie laat ik hier eenige afmetingen volgen van stammen, takken en bladeren, die ik in staat was persoonlijk op te nemen.
In tuinen, 21/:j jaar oud, die op 4 voet getopt waren gehouden en gedurende een jaar de boven omschreven behandeling hadden ondergaan, heb ik bladeren genieten van eene lengte van 20 c.M. (zonder den bladsteel) en 14 c.M. breedte; stammen, die aan hun basis een omtrek hadden van 161/4 c.M hoven-takken, die eene lengte hadden bereikt van 1.65 M. en oen omvang van 4 i c.M. aan hun oorsprong.
Tn tuinen van 11 /2 jarigen leeftijd, op geljjke wijze behandeld, waren do karakteristieke bladeren zonder den bladsteel 18 c.M. lang en 71 /2 c.M. broed, hadden de stammen aan hun basis een omvang van 11 a 11.5 c.M. en waren de boventakken 0.75 M. lang met een omtrek van 3114 c.M. aan hun oorsprong.
â 299
De boomen, welke moQ met deze kweekwijze verkrijgt, onderscheiden zich dus door korte, dikke stammen en weinige, docii lange, forsoh gebouwde takken, wier secundair hout eerst op geruimeu afstand van den stam uitloopt. Ontdaan van de vrucht, vertoont zich het begin dor takken over eene groote lengte volkomen kaal Het blad, dat zich aan de uiteinden daarvan bevindt, omgeeft den stam als met een wijd kleed.
Xa den oogst zullen de wortels onder den invloed dor zonnewarmte een nieuwen prikkel ondervinden en in den boom, die vrij van stoornis is gebleven, een krachtig leven opwekken, dat zicli openbaart door het uitloopen van knoppen op de kale eenigszins opwaarts gerichte gedeelten der takken. In deze periode moet de boom bekwaam gemaakt worden voor een nieuwen, rijkelijken bloei en voor de hem wachtende taak om dezen oogst zonder nadeel tot rijpheid te brengen. Men beten-gele daartoe de vorming van nieuw zijhout in den eersten tijd na den oogst niet geheel, maar hoede zieli voor de fout om daarvan te veel aan te houden en don moedertak bloot te stellen aan het gevaar van overheersching door de secundaire takken. Vooral de zijtakken, welke zich in het eerste gedeelte van den primairen tak (d. i. het meest omhoog gerichte gedeelte) vormen, werken parasitair en moeten daarom verwijderd of wel, zoo dit mogeljjk is, door snoeiing kort gehouden worden.
Bovenal zorge men in deze periode voor den diktegroei van de primaire takken. Is de behandeling consequent volgehouden, dan zullen deze na den eersten oogst een voldoende lengte bereikt hebben (in de boven vermelde gevallen was die 1.65 M.) De diktegroei zal bevorderd worden door den primairen tak van zjjn groeitop te ontdoen en hem te beletten zich aan de jongste zijoogen te verlengen. Do uitwerking op den tak is dezelfde als op den stam. Er zullen zicli nieuwe hout- en schorslagen vormen, die een toename van den omvang des taks ten gevolge hebben. Is de tak met veel zijhout bekleed, dan zal de uitwerking trager zjjn en zou het doel slechts door gelijktijdige topping van hot zijhout vlug bereikt kunnen worden.
â suo â
üe behandeling, die de primaire takken in dit tijdperk ondergaan, bestaat derhalve in het tegengaan van den lengtegroei en liet matigen van secundaire takvorming. Dit laatste is niet alleen noodig voor liet behoud van den primairen tak, het is tevens in het belang van de bloemvorming. Deze wordt het meest bevorderd door oen trage sapcirculatie. Hoe meer blad, boe meer en sneller sapbeweging in de plant. En deze is oorzaak, dat telkens meer houtknoppen uitloopen en meer bloemknoppen of slapend blijven óf ontijdig ontluiken (sterretjes worden). (1)
Een vertraagde saploop wordt bewerkt door do hoeveelheid blad aan de takken te beperken. Door don tak te toppen belet men hem nieuw blad te maken, terwijl men hem aan dezelfde kuur onderworpen houdt door niet dan eene matige ontwikkeling van secundaire takken toe te laten.
Heeft do vrucht zich gezet, dan mogen de ingekorte takken zicli weer vrijelijk verlengen. Do in omvang toe^euonien stam en takken zullen beter voor het voedseltransport berekend zijn. Er bestaat minder gevaar, dat de takken door hunne secundaire scheuten zullen overlicorseht worden. Zij zullen
(1) Het is een nog onuitgemaakt vraagstuk, wat de naaste aanleiding is tut de vorming van sterretjes Wanneer men die toeschrijft aan het vochtgehalte der lucht, zal men liiei-bij m. i. niet moeten denken aan een rechtstreekschen invloed van regen of atmosferische vochtigheid op den bloemknop. Ik heb dezen bij droogte in nauwelijks mindere mate zich tot sterretjes zien vervormen dan bij natte weersgesteldheid. Daarentegen heb ik weken achtereen gedurende het hevigste van den Westmoesson. tijdens onafgewisselde regens bloemknoppen tot bloemen zien ontluiken en vrucht voortbrengen aan takken, die aan hnn top gesnoeid waren en van zijhout vrij gehouden werden.
Ik geloof daarom, dat de atmosferische vochtigheid indirect werkt doordat zij aanleiding is tot meerdere tak- en bladvorming en deze wederom een levendiger sapbeweging doet ontstaan, tengevolge waarvan houtknoppen uitloopen ten nadeele van vruchtknoppen. Omgekeerd zullen bij eene llauwe sapcirculatie de bloemknoppen beter slagen. Men heeft die van nature in tijden van droogte, maar kan ze ook door tak- en bladvorming te bedwingen kunstmatig in bet leven roepen bij vochtig weder.
â 301 â
dim ook minder zorg vorderen om daartegen beschermd to worden en bekwamer zijn om hunne vrucht te doen rijpen,
indien de boom zich na zijn tweeden oogst voldoenile in liet hout. gezet, d. w. z. een stam en primaire takken van bevredigende dikte verkregen heeft, zoo is voor zijne verdere vorming niets anders noodig dan telken jare na den oogst de primaire takken over een lengte van ± 40 cM., d.i zijn eenigszins opwaarts gericht deel, van den stam af bloot te leggen door wegsnoeiing van de daar aanwezige uitloopers en liet takgestel over de verdere lengte der primaire takken eveneens door stioeiing open te maken.
De boom heeft dan zijne mondigheid bereikt en behoeft slechts in den eenmaal door hem aangenomen vorm onderhouden te worden. 11 jj zal zonder stoornis regelmatig groote oogsten kunnen dragen en eene ongemeene groeikracht bezitten. Ik heb aan een boom van een stanihoogte van 1.25 cM. en eene stamdikte van 7J, cM. in diameter, welks bovenste tak aan zijn oorsprong een omtrek had van 92 mM., 3* maand na ondergane snoeiing een ontelbaar aantal nieuwe takken zien uitkomen, waarvan de eerst gevormden eene lengte hadden bereikt van bü cM. en zeiven reeds met 10 zijtakken waren bekleed. Bladziekte en andere schadelijk invloeden zullen dergelijke hoornen weinig meerderen. Hunne levenskracht zal hen alle ziekteaanvallen gemakljjk doen te boven komen en
hun een hoogen ouderdom waarborgen.
*
* *
Het antwoord, dat de fysiologie van den koffieboom ons geeft op de vraag, wat te doen om hem te vrijwaren tegen stoornis in zijn groei, is, dat men allereerst hem zijn hout moet laten vormen en rijpen. Hij behoeft een krachtigen, dikken stam en krachtige, dikke primaire takken om zijne levensverrichtingen ongehinderd te kunnen volbrengen. En daar nu juist de koffieboom den natuurlijken aanleg heeft om zijne krachten te versnipperen over een buitensporig aantal takken, wordt eene kweekwijze, die concentreerend op de houtvorming werkt, bij de cultuur dezer plant een gebiedende eisch. VII. 22
â 302 â
Oogenachijnlijk levert de beschreven kweekwijze eene bedenking op, daar zij medebrengt dat ton gevolge van het verwijderen van zijhout minder bladeren aan de takken gelaten worden. Inderdaad wordt deze bedenking in de praktijk we-derlegd. De bladeren, die men aan gesnoeide boomen verkrjjgt, overtreffen die van ongesnoeide boomen verre in grootte en chlorophyl-njkdom en zijn daarom voor de voedaolopname en voedselbereiding van meer waarde. Uit dit oogpunt, nl. de beteekenis der bladeren voor den boom, wordt het bedwingen van zij hout een bepaald voordeel, omdat dc boom nagenoeg niet meer, althans lang niet in dezelfde mate als ongesnoeide boomen aan bladverlies is blootgesteld. Togen bladziekte schjj-nen zij geheel immuun, terwijl ziektesymptomen, als hot aannemen van oene gele en bloeke kleur, veel minder voorkomen en eerder verdwijnen.
Uit het bovenstaande wenscli ik niet afgeleid te zien, dat het overal en altijd noodig is don boomen den laag getopten vorm te geven. Mijn doel is slechts om de overtuiging to wekken, dat de toekomst van don koffieboom niet is verzekerd tenzij op den aanwas van het hout gewerkt wordt. Heeft dit van nature reeds in voldoende mate plaats, zoo kan een andere boom vorm evenzeer bevrediging schenken. Intusschen is liet niet te ontkennen, dat men in de meeste gevallen het doel het best zal bereiken door don boom reeds op eene geringe hoogte te toppen. Do boom zelf geeft don tijd en de hoogte voor het toppen aan, wanneer bij zijne benedentakken verzaakt. Dan zou dralen met het toppon slechts schade geven. Ook andere omstandigheden kunnen over de hoogte beslissen, bv. windvang. Niets is voor jonge boomen wellicht schadelijker dan felle wind, die door de beweging, welke hij aan het plantenlichaam mededeelt, verbreking der haarwortels veroorzaakt en het wortelstelsel belet zich te herstellen. Op plaatsen, die aan wind zijn bloot gesteld, aarzele men niet den boom zoo laag te toppen, dat hjj daarvan bevrijd blijft. Desverkiezende kan men hem later, nadat zijn stam, takken en wortels zich krachtig gevormd hebben, hoogor op laten bouwen.
â 303 â
Ook op boomon, geplant in gronden, die minder rjjk zijn aan voedende bestauddeeien of fysisch in een minder gunstigen toestand verkeeren, en vooral op soelamans in oude tuinen is liet laag getopt houden van een voortrettelijke uitwerking. Wanneer dergelijke boomen en soelamans later slechts een kwijnend, krachteloos bestaan voeren, is daarvan meestal de reden, dat men ze aanvankelijk te hoog heeft laten doorgroeien. Men aarzelt-niet boompjes met stammetjes als breinaalden en spichtige takjes to toppen, ook al hebben zjj niet meer dan een of twee paar takken en deze vrij te houden vau zijscheuten. Daarmede wordt do grondslag gelegd voor een krachtiger ontwikkeling in de toekomst. De werking zal niet spoedig zichtbaar zijn, want boompjes van het bedoelde type zijn ziek aan hunne wortels ten gevolge van eeno schadelijke werking van fysische en chemische krachten, die in de omgeving daarvan plaats heelt. Zjj moeten zich herstéllen door nieuwe wortels te maken. En daartoe is een korte stam bevorderljjk. Zijn de boompjes er in geslaagd hun wortels te vernieuwen, dan wordt de werking merkbaar in het blad, dat eerst eene donkender kleur aanneemt en vervolgens geleidelijk in grootte toeneemt.
Oude, in een andoren vorm gegroeide of liever vergroeide boomen tot een gezond en levenskrachtig type terug te brengen zal even kostbaar als moeitevol zijn. Aan zulke boomon zullen nagenoeg geen gave primaire takken meer te vinden zijn. De stompen, die van de oorspronkelijke takken zijn overgebleven, zetten zich voort in zijtakken, die hetzelfde lot hebben ondergaan en hunne verlenging vinden in eene tweede generatie takken. Men kieze een of twee der best gevormde takken, die in de gewenschte richting loopen, uit om aan te houden en snoeie al het overige, dat van dien tak afhankelijk is, weg. De aangehoudene deelen zullen dan op de boven uiteengezette wijze behandeld moeten worden, totdat zich het gewenschte krachtige hout aan stam en takken gevormd heeft. Zijn er primaire takken van eene beteekenende lengte overgebleven, dan kan men volstaan met deze tot hun verder behoud tot een afstand van ± 40 cM. van den stam af te ontdoen van hun zjj hout en in de vertakking.
â 304 â
waarin zij uitloopen, regelmaat to brengen door weg te snoeien wat in oen verkeerde richting groeit en uit een knop buiten één enkelen tak, dio aangehouden wordt, ontspruit.
Men zij niet bevreesd om, wanneer het noodig blijkt, veel takken onder liet snoeimes te laten vallen. In plaats van verlies aan vrachthout zal men er winst aan hebben. Want alleen dat hout is vruchthout, dat bloot gelegd wordt en een tragen saploop mogelijk maakt. Het vruchtdragend vermogen, de vruchtbaarheid, van den boom staat in omgekeerde evenredigheid tot zijn bladnjk-dom. Hoe voller in het blad de boomen zijn, hoe meer gevaar, dat zij weinig vrucht zullen voortbrengen. Op hoovele landen, die, toen hunne aanplantingen jong waren, daarvan goede oogsten vorkregen, neemt men niet waar, dat die oogsten afnemen sedert do boonion zich in een dicht kleed van bladeren gehuld hebben ? Men wijt het dan aan het weder, dat de oogsten uitblijven, wat volkomen waar is, daar zulke boomen alleon na langdurige droogte instaat zijn bloem te vormen. Maar door het takgestel der boomen te openen, de sapbeweging te dwingen, to leiden en te temperen hoeft men het in zijne macht die boomen ook onafhankelijk van de weêrsomstandigheden hunne vruchtbaarheid te hergeven.
De gewichtigste bedenking, welke men togen de boven beschreven kweekwijzo zal aanvoeren, zal wel gelegen zijn in do daaraan verbondon kosten en arbeid. Ik kan daarop antwoorden, dat liet gestadig verwijderen van zijscheuten aan de primaire takken bij jonge, laag getopte boomen niet zwaaien zeer gomaklijk te controloeron is uit hoofde van den vorm der boomen zelf'. Eene vaste ploeg vrouwen, welke daarmede belast is, verkrijgt spoedig do noodigo bedrevenheid om hot werk vlug te doen. De kosten hangen natuurlijk af van verschillende omstandigheden, zooals de plantwijdte, de hoogte der boomen en vooral van de geregelde uitvoering. Door de boomen laag te toppen vergemaklijkt men de geregelde bij-houding van het werk en zullen de kosten belangrijk minder zijn dan bij boomen van een hoogeron stam en een grooter aantal takken. Waar de kweokwijze consequent werd toege-
BOquot;) -
past, is liet totaal dor onderhoudskosten daardoor niet vermeerderd geworden, omdat het gunstige etfoct op do boomen het toepassen van grondbewerkingen overbodig maakte. De boomen zullen gedurende twee jaren na het toppen gestadige zorgen vereischen, het eerste jaar voor den lengtegroei, het tweede jaar voor den diktegroei der primaire takken. Daarna kunnen zij grootendeels aan zich zeiven overgelaten worden en zal 's raensehen tusschenkomst slechts behoeven te strekken om den verkregen vorm niet verloren te doen gaan, waarvoor een jaarlijksehe schoonmaak na eiken oogst voldoende zal zijn.
Desverlangd kan men, na door hot kweekon van een zwaron stam en dikke takken den grondslag voor zijne verdere levenskracht te hebben gelegd, den boom hooger op laten groeien door een topsciieut aan den stam te laten doorgroeien en dezen op de gewenschte hoogte wederom te toppen. Dit verlengstuk zal gebaat worden door het verkregen machtige wortelstelsel en zich zeer spoedig tot krachtig hout vormen, wanneer het aanvankelijk op dezelfde wijze behandeld wordt als do oorspronkelijke boom. Men wachto zich evenwel om geen uitlooper aan don top van don stam te laten staan, wanneer zich bloemknop aan don boom bevindt, daar deze veel gevaar loopt te mislukken ten gevolge van do verlevendigde sapbeweging die ontstaat na nieuwen topgrooi.
Al moge tijdelijk eene toeneming van kosten het gevolg zijn van de toepassing der boven beschrevene kweekwijze, in het eind zal zij op ondernemingen, waar de boomen stoornis ondervinden van hun vruehtdracht, gewin geven door den waarborg, dien zjj schenkt, van gezonde en levenskrachtige aanplantingen, regelmatige en goede oogsten.
II. s' Jacob.
OVER PISANG.
Onder de tropische planten, die voor nuttige doeleinden gekweekt worden, neemt de Pisang een eerste plaats in.
De Musa, hier algemeen bekend onder den naam van Pisang, is niet slechts sedert onheuglijke tijden door de oude geschiedschrijvers beschreven maar ook in onzen tijd wordtin tal van brochures er op gewezen, hoe gemakkelijk en winstgevend de cultuur dezer plant is en dat zij in streken waar zij goed gedijt meer verdient aangeplant te worden. Weet men dus reeds veel van de pisang, wellicht komt onder het volgende nog een en ander voor, wat den lezers van dit tijdschrift minder bekend is.
Alpbonse de Candolle, deelt het volgende mede omtrent het vaderland en de verspreiding der pisang. Verscheidene Sans-kritsche namen wijzen or op, dat Azië de bakermat van deze nuttige plant is. Zoowel Grieken, Latijnen als Arabieren gewagen er reeds van als een der merkwaardigste en nuttigste Indische vruchtboomen. Van Plinius weten we, dat de plant bij de Grieken, door de krijgstochten van Alexander de Oroote in Azie bekend was, en door hem âpalaquot; genoemd werd, onder welken naam zij nog heden in Malabar bekend is. De botanische naam Musa komt van het Arabische mauz (vulgair: moz), dat eeuwen geleden reeds door Arabische auteurs vermeld wordt.
Daar de cultuur van pisangs sedert een niet te bepalen tijdstip in China en den Indischen Archipel gedreven wordt, is het niet te verwonderen, dat een zeer groot aantal variëteiten in den loop der tijden ontstaan is, die in de uiteen-loopende Aziatische talen verschillende namen dragen.
De cultuur der pisang is in Amerika ongeveer drie eeuwen
â 307 â
oud, zij kan in vergelijking met die in Azië betrekkelijk nieuw genoonni worden. Piso zegt dat Brazilië het land is waar de pisang in Amerika het eerst ingevoerd werd, jammer dat hij den juisten datum niet vermeldt. Volgens Oviedo werd zij van de Kanarische eilanden naar St. Domingo over-gebracht.
Xaar alle waarschijnlijkheid werden bjj de ontdekking van Amerika daar geen pisangs gevonden, tegenwoordig evenwel worden zij daar niet alleen evenveel, zoo niet meer, als in de oude wereld geteeld, zij komen daar ook in geen geringe hoeveelheden in half wilden staat iu de bosschen voor. De wilde pisang geljjkt veel op de gekweekte, de vruchten van eerstgenoemde zijn echter kleiner, zij staan ook verder van elkaar en bevatten een groot aantal kiembare zaden. Zij vermenigvuldigen zich echter evenals de gekweekte door uit-loopers; in de bosschen van Imlië, Ceylon, den Indischen Archipel, Cochin-China, Siam, enz. komen zij in groote hoeveelheden wild voor. Daar er onder de gekweekte variëteiten ook voorkomen wier vruchten kiembare zaden bevatten, is het verschil tusschen wilde en gekweekte variëteiten niet zoo groot, en is meer te zoeken in de hoeveelheid van het zaad en in den snniak van het vruchtvleesch.
Het grootste aantal variëteiten komt onder den equator voor en wel voornamelijk in de Ned. Oost-Indische bezittingen; hoe meer men zich ten noorden van den evennachtslijn verwijdert, hoe sterker het aantal variëteiten vermindert. Jn Britsch-Indië spreekt Roxburgh slechts van een drietal variëteiten, waarvan de âguirodyquot; in Madras als de fijnste soort bekend staat, de vrucht is klein rondachtig en heeft een zeer dunne schil, het vruchtvleesch heeft een fijnen geur en is van goeden smaak, een Hinke tros er van kan tot 1000? vruchten voortbrengen. Meer echter wordt ârustaliquot;, hoewel van mindere kwaliteit, als tafelvrucht gebruikt; terwijl âmoutheiquot; die zeer algemeen is en grootere afmetingen heeft, slechts gekookt gegeten wordt. Bojer beschrijft voor Mauritius en Madagascar 17 variëteiten. In Britsch-Guiana worden in hoofdzaak twee
variëteiten gekweekt, nameljjk de witte ook bekend als cow plantain, common plantain of maiden plantain en de zwarte, ook vindt men daar do reuzen-of paardepisang en de barooma, die zich door buitengewone groote vruchten kenmerken.
Do Chineesche of dwergpisang vindt op de markt te Georgetown den moesten aftrek, de vrucht is eenigszins gebogen en heett eene lengte van 0.17 a 0.225 M., is groenachtig geel van kleur, zij brengt groote trossen vruchten voort, die soms een gewicht van 40 kilo bereiken, do lengte der trossen is soms even groot als die van den stam. Door de moer gegoede burgers van Georgetown wordt do âLady's fingerquot; of kloino vijgpisang, die veel smakelijker, maar duurder is, zeer gewaardeerd; do vruchten van deze variëteit hebben eene lengte van 7 a 10 cM. Voor uitvoer wordt de groote âvijgpisangquot; of âCokoritoquot; aanbevolen, wier vruchten grooter zijn, van 10 tot 12 cM., terwijl zij zeer productief is, zoodat een tros a 400 vruchten kan dragen. Verder worden nog genoemd, Martinique- of Jamaica-, Surinaamsche of zure-, groene reuzen- en roodc reuzen of A.rraba-pisang. Voor Venezuela geeft Diaz, de volgende gekweekte variëteiten op. I^l plantano of plantano Arton, waarschijnlijk de gewone pisang, die over go-heel tropisch-Amerika verspreid is; Plantano dominico (do koninklijke of kleinvruchtigo pisang) die op de vorige gelijkt, kleiner vruchten heeft en beter tegen oen koud bergklimaat bestand is; Gambur manzano (appel-pisang) mot kleine smakelijk en geurige vruchten on het meest gezocht is; Plantano topoohö of Gambur marado (roode pisang), Gambor Criollo en Gambur pigmeo (dwerg-pisang); waarschijnlijk wordt mot deze laatste de boven reeds genoemde Chineesche pisang. Mum (Cavendishii bedoeld.
Indien men de pisang voor de vruchten wil kweeken, moet men beschikken over een vochtig, warm klimaat, zoowat tus-schen de (50 en 70quot; F. In Europa kweekt men de pisang wel als sierplant, zij wordt dan in het gazon geplant en sterft in den winter af. Somtijds dragen de eetbare variëteiten in de serres vruchten, waarvan echter de smaak niet vergeleken
â 309 â
kan worden met dien der in do tropen gecultiveerde. Wordt er echter do noodige zorg aan besteed en zijn de serres voor de cultuur geschikt dan kan er in den smaak der daar geteelde vruchten voel verbetering gebracht worden Zoo proefde ik een vrucht, die in de serres te Kew geteeld was, do smaak was zeer goed; men laat daar echter do vrucht niet geheel aan don boom rijpen, zoodra zij gooi begint te worden neemt men zo er af' en hangt ze op een donkere plaats tot ze go-heel rijp is. De planten zien er in do serres in Europa veel mooier uit dan iu Indië, waar men bijna nooit ecu pisangblad ziet dat niet gescheurd is, terwijl in de serres do bladeren nagenoeg allen gaaf zijn.
Te schrale zandgronden zjju niet geschikt voor de pisang-cultuur, de planten bloeien er wel, maar dragen weinig of geen vrucht; op zware kleigronden gaat het beter, daar dragen zij wel vruchten, die echter minder geurig zijn, bij aanhoudende vochtigheid ziju zij in zulke gronden ook licht aan ziekte onderhevig. Een humusnjke grond is do gewenschte voor pisang-cultuur, zij iiouden van veel organische stof' in den bodem, om do twee a drie jaren moet de grond tusschén de planten goed omgewerkt worden, dan dient er tevens compost, uit humusachtige stolten bestaande, doorgemengd te worden; begietingen met koemest in water zjjn zeer bevorderlijk voor den groei en de vruchtzetting der planten.
Al is een plant nog zoo vruchtbaar, tocli kan hij soms juist daardoor ecu slechten naam krijgen, zoo beweren enkele Amerikanen, dat iiier en daar om de huizen en in de dorpen, de pisangs zoo welig groeien en zulke ruime oogsten produceeren, dat de bezitters daarin voldoende voedsel vinden om in hnnno behoeften te voorzien, hetgeen aanleiding geeft tot luiheid Btho devil's agent.quot; Het is niet gemakkeijjk het iedereen naar den zin te maken.
Volgens het Jamaica-Bulletin brengt een veld van 4047 M', dat met !J;$9 pisang-stoelen beplant is, jaarlijks eene som op van / '525, voor verschillende onkosten worden / !{:$,â berekeml, waardoor er eene nettowinst van / 292. â overblijft!
â 31Ã â
Een pisang-aanplant vereiseht weinig onderhoud, wieden, liet afsnijden van droge bladeren en het stutten van te zware vruehttrossen door gevorkte stokken is zoo wat alles. Iedere stengel draagt slechts eens vrucht. In Amerika raadt men dezen stengel na den oogst niet af te snijden, maar liever om te buigen, ten einde te veel sapverlies te voorkomen.
De heer A., van der Gon Netseher, die in 1855 eigenaar was van de plantage Klein-Poederoojen aan den westelijken oever der Demerara rivier, gaf na een tienjarige ervaring in de pisang-cultuur, de volgende aanteekeningon. Zijn aanplant was 400 a 450 acres groot.
1quot;. liet jaarlijksch product van een pisangtuin, die goed onderhouden wordt, bedraagt 300 goede en 50 mindere trossen per acre.
2° Men mag per acre niet meer dan 400 uitloopers, op een ouderlingen afstand van 10 voeten planten, een dichtere stand werkt nadeelig op de ontwikkeling der planten.
3° Van de 100 planten groeien er gewoonlijk 25 niet door, zoodat die ingeboet moeten worden.
4quot; In twee jaar tijds kan men bij goede verzorging op vijf oogsten rekenen.
5quot; Het onderhoud van een plantage op groote schaal zal jaarlijks per acre /'70 kosten.
De enorme aanplantingen van pisang in aanmerking nemende komen er weinig ziekten in voor, Een zwam, Glaeosporum Musaruni Cooke en Massee, die de eigenschap heeft zich buitengewoon snel over de levende planten te verspreiden, gelijkt op roet, zij richtte in Queensland eenige verwoestingen aan. Het eenige middel er tegen zoude zijn de aangetaste planten-deelen, dadelijk nadat de schimmel zich vertoont, te verbranden. Komt de schimmel echter v eel voor dan is het nuttig den geheelen aanplant op te otteren, alles te verbranden, ook de afgevallen reeds bruine of zwarte plantendeelen, daarna het land vrij diep om te ploegen en het eenigen tijd met andere gewassen te beplanten. Dit is het eenige middel om met succes tegen de groote uitbreiding dezer ziekte op te treden. In de buurt
â 311 â
van Brisbane werd in Musa maculata (figue mignonne van Mauritius) eon nematode aangetroffen, die de wortels aantast en de overal bekende aaltjesziokto veroorzaakt. Men raadde aan, tegen deze lastige kwaal, de gronden braak te laten liggen, of ze met andere gewassen, die minder gevoelig voor de aal-tjesziokte zijn, te beplanten, ook zoude men evenals in Europa wel gedaan wordt, tusschen de pisang zoogenoemde vangplanten kunnen plaatsen, dit zijn planten waarvan de aaltjes meer houden dan van de aangetaste gewassen. Er wordt echter niet aangegeven welke planten hiervoor in aanmerking kunnen komen.
De fijne pisangsoorten zijn in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika zeer gezocht als dessertvrucht, de vraag er naar stijft jaarlijks, in 1893 worden er 13 millioen pisang-trossen ingevoerd, die de aanzienlijke som van 36 millioen gulden opbrachten.
Dient de pisang om liet brood te vervangen, dan wordt zij afgeplukt als zij nog niet rijp is, maar de normale grootte reeds bereikt heeft, en daarna geroosterd of gekookt. Dikwijls wordt geroosterde pisang met versche te zamen genuttigd, waarvan de eerste dan de rol van brood en do tweede die van boter vervult. Door do vruchten overlangs door te snijden en ze dan in de zon te drogen, verkrijgen ze een smaak niet ongelijk aan dien van geconserveerde vijgen, ze kunnen in dien toestand lang bewaard blijven, ook hier op Java is deze delicatesse onder den naam van saleh bekend. Uit de gedroogde niet geheel rijpe pisangs verkrijgt men eene meelsoort, die voor het maken van puddings zeer gezocht is.
De Moskito-Indi anen, kneden de gedroogde pisangvruchten met water in een kalabas en verkrijgen daardoor een smakelijke en voedzame spijs, die zij mishlau noemen.
De pisang is hot hoofdvoodsel in West-lndië; men rekent voor iedoren arbeider 2 pond droog pisano-moel, met pond zout vleesch of visch, voldoende. De geliefkoosde kost der negers in Trinidad, zijn in de ascli geroosterde pisangs, dio zij warm eten en ver boven brood verkiezen. Een andere
hereuliiig Viiu pisatia: is, de rijpu vrucliteu iloor een fijne zeef te persen en daarna te drogen, de droge massa kan dan in bladeren gewikkeld lang bewaard worden, indien men deze gebruiken wil mengt men haar met water; en verkrijgt dan een znuraehtigen, verfrissclienden en tevens voedzanien drank.
Pisangs mogen niet aan den boom geheel rijp worden, beter is het ze, als zij geel beginnen te worden, af te plukken en in een overdekte kuil te hangen, indien zij bjj deze laatste periode ⢠Ier rjjping in de zon hangen, worden zij minder sappig en smakelijk. Deze wenk is voor de inlanders hier geheel overbodig, daar zij de vruchten gewoonlijk reeds oogsten als zij iio!gt;' geheel onrijp zijn, en ze dan kunstmatig doen rijpen; het behoeft geen betoog dat dergelijke vruchten verre beneden het middelmatige blijven; de bedoeling is bijna rijpe vruchten in donker nog wat na te laten rijpen.
In Calcutta wordt dagelijks een halve ton jonge, no^ niet geheel ontwikkelde, pisangbladeren verhandeld, de inboorlingen zijn er verzot op ; versch en gedroogd dienen de oudere bladeren, evenals bjj ons voor grof papier, om op de pasars allerlei kleinigheden in te verpakken, ook voor veevoeder, meer speciaal voor geiten, dienen de jongere bladeren. In Nieuw-Caledonia komt een eigenaardige pisangsoort voor, Musa oleracea, waarvan niet de vrucliteu, maar de vlcezige rhizonia's (wortelstokken) als voedsel gebruikt worden. De jonge kolf, van de Abyssinische pisang, Mksu msete, wordt als groente gebruikt, ook het hart van den stam wordt gekookt gegeten; de inboorlingen van Xyassa hebben de overtuiging dat zij door het eten van de pisang groot en mooi worden, de vruchten zijn niet eetbaar, maar van de groote zaden maken zij halssnoeren.
De buitenste schil der pisangstammen gebruikt men voor voedsel voor olifanten, terwijl het binnenste bij koeien de melkproductie vermeerderd.
De schil der vrucht, doet zoowel hier als elders dienst bij gebrek aan schoensmeer. Het sap der stengels geeft op kleeren donkere, bijna zwarte, vlekken, die door wasschen moeielijk te verwijderen zijn, men gebruikt het daarom voor stempelinkt.
â 313 â
Iti Bengalen verkrijgt racti uit de ascii der bladeren en vun den stengel eono verfstof', de gedroogde bladeren worden hici' en daar bereid om tabak in te rollen en als sigarettenpapict' dienst te doen, als voorbeeld hiervan kunnen de Padang-sigaret-ten dienen. Dr. Dynwoek bereidde uit liet sap van den stiim van Mtisa super ha suiker, dit sap bevat volgens genoemde autoriteit *2 a 83 0 U gistbare suiker.
Reeds lang geleden werd uit do pisang wijn, bier of cider verkregen, in IBquot;)? gewaagt Ligion in zijne geschiedenis van Barbados er reeds van. De vruchten worden voor dit doel ais zij goed rijp zjjn geoogst en na geschild te zijn in water fijn gekookt, vervolgens laat men liet mengsel, een nacht staan, doet liet in Hossclion en na een week gestaan te hebben is het voor gebruik geschikt. Het is eene aangename verkoelende drank, die echter nog al sterk is en waarvan slechts een matig gebruik gemaakt mag worden. In Midden-Afrika, West-indië, enkele Polynesische eilanden, Cayenne, do Antillen en in den Congostaat wordt deze cider gedronken, zij is bekend als âvino di bananaquot;. In Dampiers wordt pisang wijn gemaakt door 10 a 12 vruchten te schillen, fijn te Diaken en met 10 liters water te vermengen, in 2 uur tjjds begint de vloeistof te gisten ea na vier uur is zij gescliikt om gedronken te worden ; daar ze' niet langer dan 24 a 30 uur bewaard kan worden, heeft zij geen waarde als handelsartikel en wordt iederen dag versch bereid. In Awamba vondt Stanley op zijn ontdekkingsreis door Midden-Afrika, de negers bezig pisangs te persen door groote zeven met het doel er wijn van te fabriceeren. In Polynesiö schijnen de inlanders den pisangdrank niet te laten gisten, zij vermengen de geperste pisangs niet klapper-melk en verkrijgen zoodoende een smakelijken drank.
Pisangmeel verkrijgt men door de geschilde vrucht in dunne schijfjes te snijden, die in de zon te drogenen daarna fijn te malen. Door het sterke drogen krijgt het meel een aangenamen geur, die wel aan dien van goede thee doet denken, liet meel is zuiver en gemakkelijk verteerbaar, weshalve het voor kleine kinderen en invaliden aanbevolen wordt, het kan zeer lang bewaard blijven.
- 314
In Suriame was men begotmeu liet pisangmeel te laten onderzoeken, monsters werden verzonden en niettegenstaande de resultaten van het onderzoek gunstig genoemd werden, is het bevreemdend dat eerst vijftig jaar later een fabriek voor het bereiden van pisangmeel opgericht werd.
Prof. Johnston verklaart, dat pisangmeel eeue lichtbruin-achtige tint, en oen aangenamen geur heeft, die door bijvoeging van warm water eerst goed ia waar te nemen. Yoegt men er koud water bjj dan verkrijgt men oen deeg, dat kleveriger dan havermeel maar minder kleverig dan tarwemeel is, brengt men dit deeg op oen warme plaat dan verkrijgt men een baksel van een aangenamen smaak, door vermenging met boter en' suiker vervaardigt men er allerlei lekkernijen van.
In de nog groene pisang is liet vruchtvleeseh wit en smakeloos, het meel heeft hier de overhand, suiker' is nog bijna niet voorhanden, eerst bij de verdere rijping wordt een groot deel van dit meel in suiker omgezet. In asch geroosterd, kan het in de voeding de rol van brood, aardappels, maïs en andere meelspijzen vervullen. In Zuid-Amerika worden oen groot aantal van zulke onrijpe pisangs in ovens gedroogd, zij worden bjj deze bewerking hard, broos eu eenigszins doorschijnend, zij staan daar onder den naam van âfifiquot; bekend als uitstekende proviandeering voor lange reixen, daar zij gemakkelijk bewaard kunnen blijven. Het is moeielijk de kleurstof uit het pisangmeel te verwijderen, de middelen die hiervoor iijj andere meelsoorten aangewend w orden zij n voor pisangmeel niet voldoende.
Zooals boven reeds gezegd werd, is de vraag naar versche pisangvruchten in Amerika verbazend groot, in 1894 werden er in New-York in eene week 130.000 trossen pisang verkocht, wel is waar was er juist gebrek aan andore tropische vruchten, behalve ananas, toch zijn zulke groote omzettingen geen zeld-/,aamheid ; zelfs Canada wordt van uit New-York van pisangs voorzien.
De in Europa aangevoerde pisang is voor het grootste gedeelte afkomstig van Madeira en van de Kanarische eilanden.
315 â
Van het eiland (Iront-Kanarie worden jaarlijks 25.000 a 30.000 trossen te Londen aangevoerd, die bijna zonder uitzondering op Covent-Garden (de grootste overdekte markt te Londen) verkocht worden. Iedere tros pisang is verpakt in een lange smalle mand, vervaardigd van riet (Arundo Doiia.r)), dat speciaal voor dit doel op vochtige plaatsen op het eiland gekweekt wordt. Ten einde de vrachten togen boschadiging te behoeden, worden do manden aangevuld met goed droge pisangbladeren cn aan den bovenkant bij den stengel dichtgebonden, welke laatste een uitstekend handvatsel vormt. Met uitzondering van Juni, Juli en Augustus, gedurende welke maanden er in Europa overvloed van verscli fruit is, worden de pisangs geregeld het geheele jaar door aangevoerd.
Het bovenstaande, dat voor een groot deel ontleend is aan liet Kew Bulletin, en dat nog met veel voorbeelden van het gebruik, dat van pisang gemaakt wordt en van den handel iu het artikel vermeerderd zoude kunnen worden, bewijst ontegenzeggelijk met welk eene belangrijke plant wij hior te doen hebben.
Over pisangvezol vindt men in do vorige aflevering pag. 2:{2, belangrijke mededeelingen.
Bevreemdend is hot, hoe hier in de bakermat der Musa's, hier waar we, zoowel wat liet aantal variëteiten als wat de kwaliteit der vruchten betreft met ieder ander land kunnen concurreeren en zelfs waarschijnlijk ieder ander land overtreffen, zoo weinig van do plant profiteeren.
De reden van dit verschijnsel is niet te zoeken in de moeie-lijkheid der cultuur, zij vereischt al bitter weinig zorg, er moot een andere oorzaak voor zijn.
Zoover ik weet wordt de pisang hior slechts als toespjjs, als dessertvrucht, gebruikt en is er van export geen sprake. Onze ligging tusschen andere tropische landen, waar de cultuur der pisang ook geen bezwaren oplevert is waarsclijjnljjk een dor oorzaken; hoeveel gunstiger liggende West-Indische eilanden, die in de groote havenplaaten van de Ver. Staten van Noord-Amerika groote debouches vinden.
â 310
Voor tlcu kleinen landbouw hier zoude mogelijk de pisan^-eultuur nog wel aanbeveling verdienen, zij zal dan echter niet ver van groote plaatsen gedreven moeten worden, om de tranaportkosten niet te hoog te doen stijgen. Met twee bezwaren zal men hierbij te kampen hebben, in de eerste plaats met liet stelen der vruchten en in de tweede plaats met liet verkoopen, want het grootste gedeelte der winst blijft in huilden van de opkoopers.
J. R. Wigman.
KUNSTMATIG BEREIDE REI KSTOFFEX.
In alle tijden, van af de oudste, en bij de meeste volken heljben reukHtoften een groote rol gespoeld. Zoowel in het dage-Ijjksch leven als bij godsdienstige plechtigheden heerscht bij de Oostersühe volken een groote voorliefde voor geuren in 't algemeen en voor sterke geuren in 't bijzonder. Er bestaat echter niet alleen bij verschillende individuen, maar ook bij verschillende volkstammen, dikwijls een groot verschil in de waardeering van verschillende riekende stoffen. Do intensieve reuk die bijv. de doerian verspreidt is voor velen onver-dragelijk, terwijl anderen ze aangenaam vinden; de voor ons afschuwelijke asafoetida (duivelsdrek) wordt bij de Perzen en andere Aziaten als condiment gebruikt en zelfs âgoden voedselquot; genoemd.
Een zelfde reukstof geeft ons niet zelden verschillende indrukken al naarmate men ze in verdunden dan wel in gecon-eentreerden toestand ruikt. Het zuiverst kan men den reuk van een stof waarnemen wanneer ze zeer verdund is.
De bijzonder groote gevoeligheid van het reukzintuig maakt, dat men hoeveelheden, die met de fijnste weeg werktuigen niet meer gewogen kunnen worden, nog zonder moeite kan waarneming. Eene hoeveelheid van W0t, milligram rozenolie is voldoende om ons duidelijk rozengeur te doen herkennen; voor sommige zwavelhoudende verbindingen is die hoeveelheid nog aanzienlijk geringer en grenst aan het wonderbaarlijke; zoo is r,èo millioenste milligram âmercaptaanquot; in staat onze reukzenuwen zoo te prikkelen, dat wij aan de aanwezigheid dier stof' niet behoeven te twijfelen.
De aangename geur, die uit den grond opstijgt indien na VU. 23
oenigcn tijd van droogte rogen valt, is eveneens too te schrijven aan onweegbare hoeveelheden van een stof, die door een Fransch scheikundige, eenige jaren geleden, afgezonderd werd.
De reukzin is bjj verschillende menschen in verschillende mate ontwikkeld en naar beweerd wordt bij mannen sterker dan bij vrouwen.
Verreweg het grootste aantal der meest gebruikelijke reukstoffen is van plantaardigen oorsprong. Niet allen zijn echter in do levende plant als zoodanig reeds aanwezig. Sommigen worden eerst gevormd bij hot drogen, dit is bijv. het geval met vanielje, iriswortel, iieve-vrouwen-bedstroo, enkele varens. Soms moeten do plantendoelen eerst een zoogenaamde termen-tatie ondergaan voordat de geur optreedt, zooals thee- en tabaksblaren, bittere amandelen o. a.
Do verschillende methoden om de reukstoffen uit de planten te winnen zijn in dit tijdschrift nu en dan in 't kort besproken. Wellicht is er gelegenheid er meer uitvoerig op terug te komen in oen afzonderlijk artikel.
Do verbazende vorderingen, die do organische chemie in doze eeuw gemaakt heeft, hebben ook op bot gebied der reukstoffen hun invloed doen gevoelen. Van verscheidene loorde men de samenstelling kennen en toen deze bekend was, strooide men er naar ze kunstmatig te bereiden. In vele gevallen gelukte dit wel niet, maar niet zohlen hoeft men verbindingen opgebouwd wier reuk opvallend geleek op dien van bekende reukstoffen en soms was do overeenkonist zoo sterk, dat men zo als surrogaten kon gebruiken Zoo is bijv. een kunstmatige muscus, die met do natuurlijke niets anders dan den reuk gemeen had, een tijdlang oon sterke mededinger van de echte muscus geweest. De reuk van hyacinthen en van kamfer is eveneens aan verschillende kunstmatig bereide stoffen eigen. Intorressant zijn de door Prof. Tiemann gedane onderzoekingen over het riekende bestanddeel van den iriswortel. Nadat do samenstelling daarvan vastgesteld was, trachtte hij hot kunstmatig te bereiden. Ilij verkreeg echter oon stof die niet identisch niet do gezochte was, maar die in hoogo mate den geur van de welriekende
Maartsche viooltjes had. De stof' wordt sinds ia don handel gebracht onder den naam van lonon.
üe grootste overwinning op dit gebied is ecliter de bereiding van producten, die in geen enkel opzicht van de natuurlijke verschillen. Zijn soms de methoden om tot het doel te geraken moeielijk eu omslachtig, zoodat do kostprijs van het kunstmatig bereide product aanzienlijk hooger is dan die van het natuur-Ijjke, dit kan don chemicus niet deren, zijn voldoening is er niet minder groot om.
Met de ontwikkeling van de chemie zelve is echter die der chemische industrie hand aan hand gegaan en van methoden, die aanvankelijk op kleine schaal in hot laboratorium toegepast werden, maakte zij zich meester, verbeterde ze dikwijls belangrijk en zoo gelukte het meermalen den kostprijs zoodanig te verlagen, dat het kunstmatig bereide product als mededinger van het natuurproduct kon optreden. De lijst van zulke reukstoffen, die de industrie levert, is reeds een lange en ieder jaar voegt zij er weer een aantal nieuwe aan toe. Vooral in den laatsten tijd is de oogst een rijke geweest en op dit gebied speelt de bekende Leipzigsche firma Schimmel amp; Co. een groote rol, zooals in het volgende nog zal blijken.
De aetherische (vluchtige) olie die men uit bittere amandelen, perzikenpitten, laurierbladen, taroem oetan-blaren en nog vele andere planten verkrijgt, wordt sinds lang in het groot bereid en wel uit een der bestandeelen van steenkolen-teer. Het verkregen product, dat moeielijk volkomen zuiver te maken is, vindt echter geen of weinig toepassing in de parfumerie, maar wordt voornamelijk gebruikt om er kleurstoffen en andere producten uit te bereiden. Het is aanzienlijk veel goedkooper (4â5 maal) dan de natuurlijke olie.
Het hoofdbestanddeel van de Amerikaansche âWintergreen-oil en van de Javaansche Gandapoera-olie, het methylsali-cylaat, wordt eveneens in 't groot bereid en, door de goedkoopte van het salicylzuur, tegen een prijs, die de concurrentie van het natuuurlijke product onmogelijk heeft gemaakt, zoodat
â 320 -
dit, naar het schijnt, alleen nog voor therapeutische doelcinden in aanmerking komt.
Do zeldzame en kostbare Haros-kamfer, waarover in Dl. 1 van dit tijdschrift Dr. Greshoff een (gt;n ander mededeelde, wordt nu eveneens door de chemische industrie geleverd,
Cumarine, liet welriekende bestanddeel van Tonka-boonen en van tal van andere planten tot de meest verschillende families behoorendo, is al in 1867 kunstmatig bereid.
De kunstmatige bereiding van Vanilline, de stof die aan de vaniolje haren geur geeft, heeft tal van chemici bezig gehouden en telkens worden er nog patenten op genomen. Groote hoeveel lieden van dit product, dat in het gebruik vele voordoelen beeft boven do vanielje, worden jaarlijks, in den vorm van bijna kleurlooze kristalletjes, in don handel gebracht. De prijs ervan is steeds dalende, zoodat de tjjd vermoedelijk niet ver is, dat de nu reeds weinig voordeelen afwerpende vanielje-eultuur, die den strijd niettemin lang volaield, zoo goed als renteloos zal wezen. In eetwaren gebruikt men het meest in den vorm van een 2!, percentige vanilline-sniker, die in gehalte met de beste vanielje overeenkomt en waarvan men dus even veel gebruikt als anders van vanielje-stokjes. De bereiding dier suiker is zeer gemakkelijk; men lost het vanilline in alkohol op cn mengt de oplossing met fijne witte suiker. .Na verdamping van den alkohol wrijft men de massa zeer Hjn. Voor likeuren maakt men gebruik van eene oplossing van vanilline in verdunden alkohol, eveneens ter sterkte van 2i o/0.
In het vorige jaar is door de firma Schimmel amp; Co. te Leipzig, wier fabrieken zeker tot de voortreffelijkst ingerichte behooren, een product in den handel gebracht, dat noch wetenschappelijk, noch practisch te onderscheiden is van iSTéroli-olie, de aether-ische olio uit de versche bloemen van Citrus bigarradia.
Door verschillende onderzoekingen had men reeds verscheidene bestanddeelen van de Neroli-olie leeren kennen, maar toch was daarmede de vraag naar de samenstelling ervan niet opgelost, omdat het niet gelukt was den eigenlijken drager van den karakteristieken reuk der oranjebloesems te vinden.
321 â
Nu men dezen echter heeft loeren kennen en ook synthetisch kan maken, is men in staat een olie te vervaardigen die op do natuurlijke volkomen gelijkt, liet karakteristieke bestanddeel van de Néroli-olie is slechts in geringe hoeveelheid â â ongeveer 1^ 0/0 âdaarin aanwezig; liet heeft een krachtigen, aangenamen reuk, die vooral dun goed tot zijn recht komt, als men het mot de andere bestauddeelen in juiste verhouding mengt. Het nieuwe kunstmatige product wordt in den handel gebracht onder den naam van: Néroli, Schimmel amp; Co. Zoo-als ik mij aan een monster ervan overtuigde, heeft het een bijzonder tijnen aangenamen geur.
De bereiding van Néroli is dit jaar gevolgd door het in den handel brengen van een ander belangrijk product, nl. synthetische Cassi.i-olie (kaneel-aldohyde). Den eersten stoot tot fabricatie van dat product gaven de gewetenlooze vervalschingen van de door de Chineezen aan de markt gebrachte Cassia-oliën.
In Cassia-olie is het kaneel-aldehyde de stof, die de waarde ervan bepaalt. Hoe hooger hot gehalte daaraan is, hoe meer de olie waard is. Zuiver kaneel-aldehyde is dus een ideale vervanger van Cassia-olie, voor den verbruiker van het grootste belang, vooral indien men in aanmerking neemt, dat de meeste in den handel voorkomende Cassia-oliën slechts 30â50% bevatten, terwijl de rest in de meeste gevallen uit petroleum en hars bestaat. De Chineezen en speculanten in het artikel zullen het nu tot hun schade duidelijk ontwaren, dat bjj den tegen-woordigen stand der chemie de prijs van artikelen, waarvan de chemische samenstelling bekend en de fabricatie niet door patenten beschermd is, niet meer naar willekeur vastgesteld kan worden.
Derzelfde firma is ook do bereiding gelukt van een synthetische Jasmijn-olie, die in eigenschappen en samenstelling volkomen overeenstemt met de aetherische bestanddeelen van de versche jasiuijiibloem (Jasminum grandiflomm), een door cultuur veredelde variëteit van Jasminum odoratissimum L. De Jasmijn, inheemsch in Zuid-A.zië, wordt in Frankrijk op groote schaal gecultiveerd en is in de parfumerie bijzonder geschat. In de
literatuur wordt haar geur als heerlijk mild beschreven en zoo eigenaardig, dat zij mot niets vergeleken en dus ook niet kunstmatig nagebootst kan worden. Schimmel amp; Co, die in hun laatste Bericht deze uitspraak aanhalen, laten er niet /.onder trots op volgen, dat hij die zo deed zich moeielijk had kunnen droo-men dat 't der wetenschap zoo spoedig gelukken zou op dit tot nu toe onbetreden gebied resultaten te verkrijgen.
De bereiding van een zuivere aetherische Jasmijn-olie uit de versche bloemen was tot nu toe niet praktisch uitvoerbaar.
Hot parfum-gehalte der bloemen is zeer klein en de reukstof zelve zeer gevoelig, zoodat men er steods de entieiirage-methode, met beliulp van vet, op toepaste, wat het nadeel heeft dat men don jasmijnreuk slechts in fyroote verdunning krijgt.
Door do kunstmatige bereiding zal nu de jasmijn-geur ook in de toiletzeep-industrie ingevoerd kunnen worden.
Do opsomming der kunstmatig bereide reukstoffen kan waardig besloten worden met de vermelding van een zeer bekend en zeer geschat product nl. de Ylang-Yiang-oiie, die uir de op Manila groeiende Unona odoratissima bereid wordt en nauw verwant is met de Cananga-olic van Java. De boven genoemde firma is er in geslaagd een product te bereiden, dat voor do beste soorten uit den handel niet behoeft onder te doen, er zonder twijfel tegen zal kunnen eoncurreeren en als oen dei-best geslaagde kunstmatig bereide parfums beschouwd kan worden.
Uit het hier medegedeelde ziet men, wat ook op dit gebied, de organische chemie tegenwoordig vermag. Do verkregen schitterende uitkomsten, zoowel wetenschappelijk als praktisch, zijn ecliter niet do resultaten van een korte spanno tijds. Jaren en jaren van studie en dikwijls ook fjroote geldelijke offers zijn noodig geweest om het doel te bereiken.
De weg was soms lang en moeielijk, het succes is er des â te grooter om.
PLANTEN IN HUIS.
De liefde voor de plantenwereld, liet gevoel voor het schoone bij uitnemendheid, openbaart zich bij den niensoh op verschillende wijze. Velen zijn er, die do behoefte gevoelen hunne omgeving met fraaie planten te versieren, die behoefte is zoo groot dat zelfs in groote steden, met veel opoffering van tijd en kosten er aan voldaan wordt. Dat de liefde voor de plantenwereld niet uitsluitend een voorrecht der gegoeden is, bewijzen de eenvoudige werklieden, die op een plank, dikwijls voor hun eenig raam, hunne lievelingen verzorgen; iederen avond worden de planten naar binnen gebracht cn iederen morgen nemen zij hare plaats voor het raam weer in. Zulke kleine verzamelingen planten ziet men dikwijls op do vierde en vijfde verdieping hoog boven de straten. Er ligt iets poëtisch in die zorg van eenvoudige menschen voor hunne planten.
Tiet gebruik om planten in huis te kweekeu is volstrekt niet nieuw, reeds Plinius maakt gewag van planten, die dooide minder gegoede bevolking in potten gekweekt werden en dikwijls op de 5C of 6° étage in de huizen van het oude liome eene plaats vonden. In 1388 werd er te Parijs oen wet uitgevaardigd, regelende het begieten van planten voor de ramen op bovenverdiepingen, daar de voorbijgangers er last van hadden. In dien tijd waren hot Anjelieren, Bozemarijn, majolijn, die voor het dool gebruikt werden; later kwamen er nog meelsoorten, bij, vooral eenige welriekende tot de Lipbloemigen be-hooronde gewassen zooals Ochnum basilicum, 0. minimum enz., eerstgenoemde is hier ouder den naam van selasili boter bekend. In de middeleeuwen zag men voor de ramen, rozen, viooltjes, madeliefjes, goudsbloemen, aster, veryeet-mij-nietjes. Reseda
enz. die toen als de fraaiste bloomen golden. Tn 1()69 komt in do âJardinier Hollandaisquot;, oen verhaal voor over do wonderlijke planten, die voor de ramen der apothekers geëtaleerd werden, het waren verschillende variëteiten van z. g. Spaansche peper, Capsiciun annuuin. Nog wat later had men de gewoonte er een Ipotnoea bij te planten, dio zicli dan langs het hekwerk slingerde en met hare helderblauwe bloemen een fraai contrast vormde met de roode en gele anjelieren. Zooals men uit liet bovenstaande ziet waren liet vooral planten met welriekende bloemen of bladeren, die do voorkeur genoten.
Gedurende het beleg van Parijs in 1870 en '71, gaf een bekend geloerde den raad, om de z.g. hangende tuinen, waarmede toen evenals nu vele huizen versierd waren, met groente te beplanten, ten einde zoodoende in een deel der behoeften te voorzien. Hij gaf ook nuttige wenken iioe men het moest aanleggen om goede resultaten te verkrijgen; hot was echter wat laat; Parijs moest capituleeren, vóór de geplante salade hare blaadjes ontplooid had en de erwtjes tot ontwikkeling gekomen waren. De wenken zijn echter niet te vergeefs geweest, want moer dan één ainateur-tuinman hooit sedert dien tijd jonge groenten op zijn balcon geteeld, waarop hij trotsch is en die hem boter smaakten dan de beste op de markt gekochte groenten .
Op pag. 487 van den jaargang 189Ã van dit tijdschrift komt een kort verhaal voor, over den hangenden tuin van den lieer Lockroy te Parijs. Lockroy is de vader van den bekenden gedeputeerde van Parijs, den schoonzoon van Victor II ago. Zijn tuin ligt ongeveer 20 meter boven do straat, is eenig in zijn soort en bewijst hoever men liet met geduld on volharding brengen kan. Lockroy, eens de vervaardiger van geestige tooneelstukken en lieve operettes, hoeft nu slechts do eerzucht, de schoonste perzikken en do lekkerste peren en druiven te telen. Men ziet bij hem naast prachtige rozen, dahlia's en viooltjes; roodwangige abrikozen, kruisbessen van ongewone grootte, druiven, die nooit van Phylloxera te lijden hebben en fijne tafelperen, die nog moeten aanrijpen. Dergelijke resultaten zijn niet in een dag of in een jaar to
verkrijgen; wat oen aanhoudende zorg en wat een arbeid was er noodig, hoeveel moeite en teleurstelling moest hij overwinnen, voor dit resultaat zijn arbeid bekroonde.
Aan dezen balcontuin heeft Lockroy gedurende dertig jaren zijn meeaten tjjd gewijd. Eerst moest de ervaring loeren welke variëteiten der genoemde gewassen zich het host voor deze cultuur eigenden, dan moesten zo jaren lang verzorgd en verpleegd worden, opdat geen ramp het werk van jaren kwam verstoren. En de boomen wier wortels in kisten van geringen omvang besloten zijn, groeiden en gedijden en meer dan eens verheugde, de vuór zijn dood roods beroemde, nu half'vergetengroo-re zoon van Frankrijk, Victor Hugo, zich met hunne vruchten.
Hoeveel meer ruimte wij hier ook iiobben om in onze tuinen en op onze erven planten te kweeken, toch wenschen we onze woningen ook met fraaie gewassen te versieren, zij worden er gezelliger door.
De toestanden zjju binnen in onze huizen voor de moeste gewassen niet gunstig, vooral is er te weinig licht. Met het dool de warmte buiten te sluiten, worden zeilen, jalouziën enz. zoodra doenlijk gesloten, zoodat een groot gedeelte van den dag in de meeste huizen het licht slechts spaarzaam doordringt. Verder zjjn over het algemeen de daken laag, zoodat liet licht zeer schuin in de voorgaanderijon valt; ofschoon dit laatste niet altijd even nadeolig is en men dooide planten nu en dan om te draaien er eenigszins in te gemoet kan komen, is het toch voor vele gewassen geen gewonschte plaats.
Wij bobben er daarom op te letten welke planten zicli in in die omstandigheden schikken; door ervaring kennen we er oonigo, er zijn er zeker wel meer die zich hiertoe leenen.
Er is natuurlijk nog eon belangrijk verschil in welk godoolte van het huis men de planton wenscht to plaatsen en hoe liet huis gebouwd is. In enkele groote huizen vindt men soms hooge gaanderijen mot weinig vooruitspringend dak, indien doze niet door zeilen afgesloten worden vindon daar de meeste gewassen eene plaats waar zij goed kunnen groeien en bloeien.
Ik heb op dergelijke plaatsen dikwijls prachtplanten bewonderd, zelfs gewassen, die voor hunne normale ontwikkeling behoefte hebben aan veel licht, zooals Chrysanthemum's, Pelargonium zonale cn/. ontwikkelen, nis zij aan den voorkant een groot gedeelte van den dag in de zon staan, er zeer goed en geven fraaie, groote bloemen. Slechts weinigen behooren echter tot de gelukkige bewoners van dergelijke huizen, over het algemeen zjjn onze woningen laag van verdieping mot vooruitstekende daken; hier zijn de omstandigheden bjj lange na niet zoo gunstig, waardoor de keuze der planten lastiger wordt.
In de eerste plaats moeten we voor huisversiering dc Palmen noemen, verder komen in aanmerking Varens, Dieff'enbach'ui's AnihuriunCs, Brom (dia's, Hnjonia's, Alocasia's en nog andere bladplanten, enz, cn werkelijk vindt men onder genoemde geslachten planten genoeg om iedere gaanderij, al is zij nog zoo groot, van keur van planton tc voorzien.
Mot recht noemde ik in de eerste plaats dc palmen, want niet alleen groeien vele soorten bijna evengoed in de zon als in de schaduw, maar de keuze is ook zeer groot. Wel zien er sommige palmen geheel anders uit naarmate van hunne standplaats en zoude oen leek allicht denken dat hij met twee geheel verschillende planton te doen had, terwijl eenvoudig het verschil in de hoeveelheid licht, waarvan de planten genieten, de oorzaak is van deze dwaling. Keu goed voorbeeld, hiervan geeft Chri/salielocarpns lutescens, vroeger meer als Areca !ute?eens bekend, zij is volgens Carl Salomon âDie Palmen nebst ihren Gattungen und Artenquot; van Madagascar af komstig. ITet is een der fraaiste onder de kleinere palmen, zoowel voorpotcultuur als in den vrijen grond; de eigenaardige groeiwijze, die hij met weinige andere palmen gemeen heeft, is dat hij ecu boschje van ongeveer 1 a 2 Meter hoog vormt, eerst uit dit boschje komen een i ge stammetjes te voorschijn, van zoo wat 4 M. hoogte en waarvan de kroon lot of wat grover bladeren heeft dan die van het onderste gedeelte. In potten komt de plant zelden verder dan een boschje en verheffen zich de stammetjes er niet boven, eerst als de plant in zeer groote potten of tobben staat
â 327 -
en oud genoeg is komen do stammetjes voor den dag, maar ook zonder deze is hot een fraai gewas. De bladstengels even als de bladschoeden, die den stengel omvatten zjjn donker geel met zwarte stippen en strepen en de bladeren zijn fijn veervormig.
Plaatst men nu zulk eene plant in eon pot of ton in het volle zonlicht clan worden de blaadjes op den duur goudgeel, het is geen ziekelijk geel zooals men dit wel eens bij planten aantreft, die niet togen de. zon kunnen, neen hot is een frissche kleur, die met hot groen van andere planten een fraai contrast vorm. De planten, die minder aan het zonlicht blootgesteld worden blijven groen, alleen de bladsteelen en de stengel-omvattende bladsoheden zijn gekleurd.
De verschillende Crtryote-soorten zjjn ook elegante planten, als inlandsche namen vind ik voor C. furfuracea, sawarai, sarrai, Soend ; Gendoeroe klomboe, Soowankong, Jav., de laatste naam is meer van toepassing op C. maxima.
De verschillende Daemonorops en Calamus-aoorten, hier a'-gemeen als rotan bekend zijn ook elegante potplantjes. Er zijn hier zooveel soorten pa'men, dat aan iedere keuze en smaak voldaan kan worden, in vroegere jaargangen van dit tijdschrift heb ik de palmen uitvoerig besproken, ik moet voor ieder, die er meer van wenscht te weten daarnaar verwijzen.
Zooals bekend is worden de palmen nagenoeg uitsluitend uit zaad gekweekt, van de roode pinang, Cyrtostachys rendah worden wel eens bewortelde uitloopers voor de vermeerdering afgenomen, dit is echter eene uitzondering. Over het uitzaaien en het verder kweeken van palmen uit zaad vindt men in den jaargang 1893 uitvoerige beschouwingen.
Ook onder de varens komen verscheidene planton voor, die zich uitstekend leenen tot versiering onzer gaanderijen, in de eerste plaats kan ik de hier zoo bekende en geliefde Chevohires Adianttm's noemen; er zjjn echter onder de andere grovere soorten, planten, die minder eischen aan de cultuur stellen en die even decoratief zijn. Zoo b. v. vindt men onder de Asplenium's soorten die goed binnenshuis groeien, zoo is Anp. longissimum een in het wild groeiende plant, in een pot tegen den muur
â 328 â
in de voorgaaudcrij maakt zij niet hare zeer lange bevallig gebogen bladeren een werkelijk fraaie muur versiering uit. Zoo zijn er veel, men behoeft maar rond te zien; op boomen o|) oude muren en op schaduwrijke plekjes groeien tal van varens, die slechts in cultuur gebracht behoeven te worden om voor sierplanten te kunnen dienen, liet is niet altjjd uoodig nieuwe planten, die uit afgelegen streken komen te hebben, wel heeft het nieuwe iets aantrekkelijks, maar zooals het met varens is, is het met veel andere gewassen, veel fraaie planten groeien in onze onmiddclljjke omgeving, als wij ons de moeite geven er op te letten en ze te kweeken zal dikwijls de moeite ruim beloond worden.
Hot geslacht Die/fenbachia stond hier vroeger meer in aanzien dan tegenwoordig, deze planten worden niet zoo veel meer gekweekt, tocli schikken ze zich bijzonder goed binnenshuis on brengen door hunne bonte bladeren ceuigc afwisseling in het groen. De oorzaak waarom zjj minder algemeen zijn, is waarschijnlijk te zoeken in haren minder fraaien groei; zjj schieten te hoog op en krijgen dan lange stengcis met slechts eenige bladeren aan den top üit euvel is gemakkelijk te verhelpen, door den top te stekken, die dan al spoedig tot een goede plant opgroeit.
Anthuriiiins, werden vroeger en ook nu gaarne als sierplanten in de gaanderijen gekweekt, de moest gezochte zijn A. cfistal-linum, A. regale en A. magnificum, behalve deze zijn er tal van andere, die voor het doel geschikt zijn en om hunne grooto, dikwijls grillig gevormde bladeren een plaatsje op den bloementafel verdienen. De Anthuriuni's die we voor de fraaie bloemen kweeken zijn nog niet zoo algemeen, de variëteiten van A. Andreanum bloeien hier wel, die van A. scherzerianum slechts in de bovenlanden. Men kweekt de Anth. hier meest van zaad, dat Hink ontwikkelde planten voldoende voortbrengen; van stekken gelukt het ook wel, maar zij produceeren zeer weinig stek.
Bromeliaceeën waartoe ook onze Ananas behoort, vereischen jp al heel weinig zorg, eenige er van kunnen zeer goed dienst
W lip â 11
r
ml H li; li
f
® {
fill
h :
â 329 â
doen, zoo is b. v. de bontbladcrige ananas een zeer fraaie potplant, die in de schaduw witte randen aan de lange bladeren heeft, die in do zon eon roode tint krijgen.
Beyonia's groeien slechts goed op het lichtste gedeelte der galerij, de zoogenoemde Eer-Begonia's of bontbladerige zijn lang niet meer zoo algemeen als vroeger, een ziekte in de bladeren is oorzaak, dat zij hier en daar verdwenen zijn ; jammer genoeg want zij behoorden wel tot de fraaiste planten voor liet huis. Er zijn echter andere sterkere Begonia's, die hunne plaats kunnen vervullen; daaronder neemt de van de Padangsohe bovenlanden ingevoerde B. r/oyoensis eon eerste plaats in. Ook de heesterachtig of fraai bloeiende Begonia's zijn sierplanten, zij hebben echter behoefte aan meer licht en verdragen zelis heel wat direct zonlicht.
W.
AA.ITTEHKKNINGEN^ OVER NUTTIGE PLANTEN.
Dr. Trimen, do lgt;irecteiir van do botanische tuinon op Coylon deelt in zijn verslag over 1895 o. m. een en ander over do volgende planten mede:
Koffie. Do uitvoer van uit Ceylon toonde een belangrijke
vermeerdering, wat in vele jaren niet gebeurde, en bedroog het dubbel van dien in 1894, nl. 65833 cwt. Do hoeveelheid inlandsehe koffie was zelfs ongeveer vier maal grooter dan het jaar te voren. Dr. Trimen vestigt er do aandacht op, dat de toeneming niet toegeschreven moet worden aan uitbreiding van aanplant maar aan beter oogsten; waarschjjulijk heeft do koffie, met minder kans van infecties, minder aanvallen van bladziekte te doorstaan en is daardoor beter in staat hare vruchten te doen rijpen.
Liberia-koffie toont nog geen toenoming, dit zal echter spoedig veranderen want oen aanzienlijk oppervlak is in de laatste jaren ermede beplant en naar het schijnt niet goed gevolg.
Een kleine aanplant van 36 planten van Sierra-Leone of âUplandquot; koffie (Coffeu stenophijlla) in 18j4 (?) uit Kew ontvangen werd in April aangelegd en planten van Lonchocarpus sp. (in Trinidad als schaduwboom voor Cacao gebruikt) or tusschen geplant voor schaduw. Do grooi der koffleplanten was zeer onregelmatig en niet veol belovend. Zij zien er uit als planten, die niet in hun element zijn en alsof hot klimaat niet voor hen deugt. Daarentegen voelt Lonchocarpus zich zeer thuis en belooft een nuttige schaduwboom voor lage streken te worden.
Sommige van do spruiten groeiden in 9 maanden 8 voet.
Uit Ivew word in Augustus oen plant van de âAbeokutaquot; koffie van Lagos ontvangon.
Cacno. Een kist met Nicaragua-Cacao, die door Hart ontdekt was, werd van het (louvernomont van Trinidad ontvangen. Hot waren de volgende var iet ei ten : pontagona, angustifolia, Creollo en Forestero.
Para-rubher (Hevea hrasiliensis). Hot weder was voor don bloei niet gunstig. Toch konden ongeveer 100.000 zaden geoogst
worden, die voor 10 Its. per 1000 verkocht werden. Do boomen worden om het andere jaar getapt, maar schijnon nu sterk genoog om elk jaar die bewerking te ondergaan. Sommige hebben een omtrek van zes voet, op een voet afstand van den grond gemeten.
I'Ji'i/throxylon Coca Het is opmerkelijk, dat er geen pogingen gedaan worden om deze groot-bladige soort voor de markt aan te planton. De Hoor Christy te Londen rapporteerde over een partij uit Assam aangebracht. De blaren waren zeer rijk aan alkaloïde en 1 shilling waard per Eng. potui, terwijl de waarde van do kleinbladerige Java-Coca slechts 3 d. is.
COFFEA STENOPHYLLA.
In aflevering no. (gt;17 van Curlis's Botanical Magazine, welke onlangs versehenen is, vindt men een afbeelding en een beschrijving van de Colfea stenophijlla, een plant welke meer en meer de aa dacht schijnt te trokken van de koffieplanters over de geheelo wereld, en die misschien zal blijken ook voor onze gewesten van belang te zjjn. In Teymannia Dl. 4 blz. 498, werd zij reeds kort vermeld.
Aan de aangehaalde beschrijving zij hier hot volgende ontleend
Coff'ea slenophylla is een interessante plant, daar het een van de tweo in West-Afrika inheemsche Co//'ita-soorten is (do andere soort is de C. liberica) welke, met hot oog op hunne waarde voor den handel, groote concurrenten voor do C. arahica zullen blijken to zijn. Kerstgenoemde was reeds ongeveer een eeuw geleden ontdekt door Afzelius, maar zjj word eerst een 60-tal jaren geleden beschreven door Gr. Don, die ze zelf verzamelde in Sierra Leone.
De smalbladige âwild-,quot; âbush-quot; of ânative-quot;koHio vindt men somtijds in wildon staat op heuvelachtige terreinen, maar zij wordt or ook gekweekt, en zolfs meer dan de 6'. lihcricu. Zij groeit zeer welig on schijnt evonveol product op te leveren als deze laatste, hoewel het wat langer duurt alvorens C. stenophijlla begint vrucht te dragen Zoowel do â inlanders als do Fransche handelaren in Freetown zijn van meening dat de kolhe, die er van bereid wordt, geuriger is, zoodat zij ze verkiezen boven Liberia-koffie.
Toen dan ook een Fransch groothandelaar voor eenigen tijd oen zekere hoeveelheid ervan aan do markt bracht, verkocht hij zp
nis âprima Mokkaquot; voor den prijs van 4 fr. 50 het lb. Wanneer mon hierbij in aanmerking neemt, dat dezo koffie in Freetown 6 d. (frs. 0.00) hot Ih. kost, dan ziet men, dat do handel in dit product oen zeer voordeeli^e belooft te kunnen worden.
De plant schijnt het best te prooien op do hoogere heuvols bij Sierra Leone, en zij kan daar gekweekt worden op oon hoogte van 500 tot 2000 voet 1).
L)e boomen zijn vrij slank van bouw, worden tot 20 voet hoog on dragen lancet-vonnige bladeren, welke 5â74 la,18 en
0.8â1.5 cM. breed zijn.
De Royal Gardens to Kew ontvingen in Mei 1894 zaden van dezo plant door bemiddeling van den Gouverneur van Sierra Leone. Zij werden te Kew uitgezaaid, groeiden er voorspoedig op en bloeiden in de serres reeds in September van het volgende jaar. Do bladeren aan deze planten waren echter ongeveer dubbel zoo lang en evenveel maal breeder als die welke in Sierra Leono zeil verzameld waren.
Van uit Kew werden vervolgens zaden naar de Botanische tuinen in Indië en in de Koloniën verzonden, en wanneer het blijkt, dat zij tegen do koffiebladziekte bestand is on dat het product van zoo f;uedo kwaliteit is als de Fransche handelaren beweren, dan mogen
vim hare cultuur zokor de beste resultaten verwacht worden.,
_ j-
OVER DE IX WIR KINO VAN CHEMISCHE AGKNTIÃN OP DE KIEMING.
Door Dr. Signnind zijn daarover uitvoerige proeven genomen waarvan do mededeeling editor buiten het bestek van dit tijdschrilt valt. Zijne conclusies mogen hier echter plaats vinden.
1. Vrije zuron, zoowel minerale als organische, zijn schadelijk, alleen sommige graansoorten vertoonon tegenover zeor vor-dunde zuren (maximum 0.10/o)oen zeker weerstandsvermogen. Ook sterk zuur reageerende zouten werken ongunstig.
'2. Vrijo basen en basische zouten werken vergiftig.
;i. Neutraal reageerende zouten van de alkaliën en alkalische aardon zijn voor graansoorte n tot een concentratie van 0,5° 0 voor erwten en raapzaad daarentegen tot 0,3° '0 zonder schadelijken invloed, soms zelfs gunstig.
l) Deze hoogten gelden natuurlijk slechts voor West-Afrika.
- 33:5 -
4. Vetto on aetherischo oliën lioletton do kieming of werken vertragend.
5, Bedwelmende stoffen on koohvaterstoffen werken in dampvorm doodoljjk, in vloeibaren toestand (do zaden werden er voor het uitzaaien een tijdlang ingelegd) vertragend.
(i. Do alkaloïden en eouige soortgelijk werkende lichamen verzwakken en vertragen, in een concentratie van 0.10/0, meer of minder de kiemenergie.
7. De organische antisoptioa zijn gedeeltelijk nog in ü.l0/0 oplossingen schadelijk, in geconcentreerder oplossing echtcr allo.
8. üe teerkleurstoffen werken nog in een concentratie van 0,05°; 0 vergiftig.
9. üc kiemplant biedt aan organische vergiften nieor weerstand dan aan anorganische.
Zoo werkt bijv. een 0,5° 0 strychnine-oplossing niet zoo schadelijk als een 0,04o/0 sublimaat-oplossing en terwijl een 0,1° 0 kopervitriool-oplossing do kiemplanten van erwten en raapzaad doodt, is carbolzuur in dezelfde concentratie bijna zonder schade. r.
(Land uk Versuchsstationen lid. 47 5. IJ
PLANTAARDIGE PRODUCTEN IN PERZIK.
Er zijn landen, die op oene oude en eetbiedwaardige beschaving kunnen bogen, van wier niaatschappolijko toestanden thans weinig algemeen bekend is; zoo weten we b.v. van den landbouw in Perzië al hooi weinig; het is daarom niet van belang ontbloot, over dit onderwerp een on ander mede te doelen uit do Engelsche consulaire verslagen dor distrikten Ispahan, Yezd en Kerman.
Uit de verslagen blijkt, dat do cultuur en de bereiding van opium tot oen der belangrijkste takken van industrie in Ispahan behoort. Do oogst begint reeds in de oorsto dagen van Mei; 's namiddags hebben de insnijdingon in de jonge vruchten plaats, liet opium, dat dan voor den dag komt, wordt vroeg in den volgenden ochtend in koperen potten verzameld. Hierin cl in dik aarden vaatwerk wordt het tot de bereiding bewaard. Slechts aan bekwame handen wordt die bereiding toevertrouwd; het opium wordt dan uit genoemde
VII 24
â 334 â
potten genomen en gesorteerd en daarna in eon groote koperen pot gedaan; daar het opium uit verschillende dorpen afkomstig van zeer verschillende hoedanigheid is, verkeert men, om dezelfde kwaliteit te verkrijgen, in de noodzakelijkheid het goed te vermengen, ledore werkman heeft een effen gladde plank, van ongeveer 23 Eng. duimen lang en 11 breed, voor zich. Hij neemt van het ruwe opium ongeveer 1 (j; voor zich en wrijft het over de plank, legt het dan 10 minuten in de zon en wrijft en kneedt hot op dezelfde plank aanhoudend met een ijzeren werktuig, waaraan een houten handvatsel, tot het tot zekeren graad droog is. Eene massa die in een dag bewerkt is wordt dan bij elkaar gevoegd en in een schotel boven een zwak kolenvuur gedroogd tot het kleiachtig wordt. Daarna neemt ieder werkman ongeveer kneedt en
bewerkt dit met het bovengenoemde werktuig op de plank; tot liet den gewenschton graad van droogte en de goudgele kleur heeft. Dan wordt het gevormd tot koeken van 1 gj; deze verpakt men na een paar dagen in roze papier, dat met een koord vastgebonden in tinnen doosjes gedaan wordt, deze tinnen doosjes worden weder in kisten verpakt, aangevuld mot papaverstroo en zijn dan voorde verzending gereed.
Het verongelukken van den oogst, hetgeen niet zoo zelden geschiedt, is een groote ramp voor de bevolking; de oorzaken dezer geheele of gedeelteljjke mislukking zijn : vele en zware regens tijdons den oogst, waardoor het opium van de jonge vruchten spoelt, zware winden, die de vruchten doen vallen voor zij opium geleverd hebben en een insekt, dat aan de wortels knaagt en daardoor de planten vernielt. liet opium van Yezd heeft in Perzië een bijzonder goeden naam, aanzienlijke hoeveelheden ruw opium worden uit Ispahan, Hamadan en Khorassan gebracht, die na bereid te zijn als Yezd-opium uitgevoerd worJen.
liet vorige jaar werden 3000 mous (l mou is gelijk aan C'/.^ Eng. n;) in staven bereid voor consumptie in i'erzië. Deze vorm wordt in Yezd zorgvuldig gereedgemaakt en wordt in Perzië beter betaald dan in den gewonen vorm bereid opium. In China zijn de opiumstaafjes onbekend. Do inwoners van Yezd zijn groote opium-rookers, de consul zefft er van: onder mijne kennissen zijn vele hardnekkige opiumrookers, het zijn echter de vlugste en de werkzaamste menschon. Omgekeerd ziet men hier niet zelden ongelukkige, zwakke individuën, die door een overmatig opiumgebruik in dien
â 335 -
toestand gekomen zijn. To Yezd wordt do verbrande opium uit ile pijpen verzameld en verkocht te Khorazin, waar zij door onv.er-boterljjke eu verarmde opiumrookers gebruikt wordt. In Zuid-Oost-Perzië noemt iiot gebruik van opium toe, hier zijn vooral de vrouwen er aan verslaafd.
Amandels worden in aanzienlijke hoeveelheden van Yezd naar Bombay uitgevoerd, hot vorige jaar bedroeg de export 2.509.000 Eng. jï;. /ij worden meest in do sehil verzonden, gepeld worden zij echter ook uitgevoerd. Hot meest wordt de bittere amandel gekweekt.
Asafoetida werd jaarlijks gemiddeld 130.000 'jg uitgevoerd, in Perzië zolf' wordt het niet gebruikt.
Van rozenolie werden slechts 1000 miskals of'140 oz. uitgevoerd. Er is te weinig vraag naar, anders zoude er wel tienmaal meer geleverd kunnen worden.
Een belangrijke industrie in Perzië is de bereiding van Henna en Ring, twee kleurstoft'en algemeen in gebruik om het lichaam te versieren. Nagels, bandon, voeten en haar worden er mede gekleurd; in Perzië ziet men geen mannen met eerwaardige grijze baarden, ze zijn helder rood of zwart geverfd.
Henna bestaat uit de fijn gewreven bladeren van Lawsonia inermis, waarvan de eigenscbappen algemeen bekend zijn. In enkele plaatsen wordt het gebruikt om wollen stoffen geel of bruin te verven, in Yezd wordt het echter niet voor dit doel aangewend. Ongeveer 250 meug droge bladeren worden jaarlijks ingevoerd. Do plant groeit in 't wild in het Basu-distrikt.
Ring is een éénjarige plant, die in dezelfde streek gekweekt wordt; zjj produceert een zwarte kleurstof' en wordt als kleurmid-del voor bet haar aldaar algemeen gebruikt.
Jaarlijks worden 30.000 mous in Yezd geïmporteerd. De plant, waarvan het produet afkomstig is, is waarschijnlijk een Indif/o-soort. De bereiding der verfstof is voor beiden hetzelfde: het blad wordt in molens fijngemalen. In de stad zjjn 35 dezer molens, die gemiddeld twee steenon bezitten. De steonen worden uit de harde rotsen gehouwen, die bij Mehriz, 36 mijlen van de stad gelegen, voorkomen; zij hebben 8 vt. diameter en zijn l1/a a 2 vt. breed. De molens worden door kameelen in beweging gebracht; iedere steen kan 25 mous bladeren fijnmalen en vordert drie kameelen voor een dagtaak. Zoodra de bladeren tot poeder vermalen, zijn worden zij verpakt en naar alle deelen van Perzië en de Kaukasus verzonden.
- 33fi -
De gehoele bereiding Is bewerkelijk en gaat langzaam; de inférieure kwaliteit gaat naar Kurdistan en do fijnste wordt gebruikt in do paleizen in Teheran,
Fn sommige stroken van l'orziö teelt men uitstekende dadels, do uitgestrektheid van den aanplant kon gemakkelijk verdubbeld worden. Dadels beginnen roods op driejarigen leeftijd to dragon en geven hun maximum product als zij 3ü jaar oud zijn. Enkele booinon brengen 80 a 100 vruchten voort.
(Gardeners Chronicle
No. 481 â vol. XIX). iv.
ZIEKTE IN NOOTMUSKAATBOOMEN.
üo Hoer Ridley, Director of Gardens and Forests to Singapore, doot in hot âAgricultural Bulletin of the Malay Peninsulaquot; oonige modedeolingon over schadelijke insecten in nootmuskaatboomen. Als eon dor gevaarlijkste vernielers noemt hij oen klein kevertje van de familie dor schorskovers, waarvan de oioron onder den bast der hoornen worden gelegd.
Do jonge larven voeden zich ten koste van het saprijke Cambium, ton gevolge waarvan de bast loslaat en afvalt.
De kevertjes zelf horen zich in de takken eu doen deze afsterven. Intusschen schijnt de aauval onder don grond to beginnen en het eerst op de wortels der hoornen gericht te zijn, anders zou hot zich moeielijk laten verklaren, dat do boomon zoo spoedig sterven; wanneer de kevers en hunne larven den stam en do takken aanvallen, hooft do boom roods oen zware beschadiging aan de wortels geleden. Het meest voor do hand liggende bestrijdingsmiddel is het verbranden der afgevallen takken, het zal echter voel doeltreffender zijn do kevers te verhinderen hot wortelstelsel aan to vallen. Tegen dit laatste is echter nog geen geschikt middel gevonden,
{Ayr. Bull, of the Malay hhr.
Peninsula, 1896 No. 5.)
CAOUTCIIOUC-CULTUUK IN FLORIDA.
Kon schrijver in do New-Orloanselie âTimes-Democratquot; oppert hot denkbeeld om caoutchouc-boomon in Florida te planten, terwijl hij
â 337 -
vorklaart, dat het er vochtig en warm genoog is om caoutchouc van uitstekende qualiteit te winnen. Het schijnt, dat de eene generatie spoedig de ervaring van een vorige vergeet. Ongeveer veertig-jaar geleden plantte het Gouvornement van de Vereenigdo Staten eaont-chouc-boomeu in Florida en misschien zijn ze daar nog. Knkele worden aangetroffen op de Centennial-Exposition en enkele vindt men hier en daar in botanische tuinen, liet bezwaar is alleen dat zo geen caoutchouc voortbrengen.
Para ligt onder don evenaar en Florida buiten de tropen; in Para regent hot dagelijks, terwijl Florida zijn quantiteit regen vooreen groot deel in den winter en niet zoo veel in don zomer krijgt.
(Trop. Ayric. XV No. 11). r.
REN PROEF MET X STRA.LEN OP KIEMPLANTEN.
Alfred Schober heeft proeven genomen met deze stralen, om na te gaan of zij even als blauwe, violette en onzichtbare ultra-violette stralen eenc, met de heliotropische vergelijkbare, werking kunnen uitoefenen. Kiemplanten van haver zijn voor do inwerking van eenzijdige verlichting zeer gevoelig en vertoonen reeds na een uur een begin van kromming.
Deze werden nu ook voor de proef mot X-stralen gekozen, en in een zwart gemaakte kast, welks wanden 1 cM. dik waren, geplaatst, zoodat zo 2 cM. van de lichtgevende buis verwijderd waren. Nadat do stralen er een uur op gewerkt hadden was er geen spoor van kromming waar te nemen. r,
{Der, der d. hot. Gesellsch. 1896 Heft 3).
KOPEK IN PLANTAARDIGE STOFFEN.
In oen Duitsch vaktijdschrift is er een strijd tusschcn Vodrödi en Lehmann over hot kopergehalte van plantenstoffen. Do eerste vond volgens de door hem gevolgde methode honderd maal meer dan de laatste. Met het oog op hot kleuren van groenten, wat in sommige landen aanleiding tot vervolgingen kan geven, is het natuurlijk van belang, dat er geen twijfel bestaat omtrent het werkelijke kopergehalte van zuivere plantendeelen.
Vodrödi vond bijv. in erwten 00 â 150 m.G. koper por KO., do laatste hoeveelheid overtreft dus do hoeveelheid koper, dio men
â 338 -
bjj de groenten voegt om de fraaie groene kleur te behouden, en is 10 maal grooter dan de hoeveelheid dio Tschlrch vond in plan-tendoelen die op sterk koperhoudenden grond gogrooid waren.
Paul en Cownley vonden hierin aanleiding zelf een onderzoek te doen, waarbij zij een eigen methode volgden.
Zij bepaalden o. a. het koper in cacao en in ingemaakte erwten In de cacao vonden zij 0.47 en in de erwten 0,54 â1,44 por 10.000 dl, hoewel er monsters bij waren, die men niet met een koperzout behandeld had.
Het schijnt dus, dat de door Vedrödi gevonden waarden werkelijk vertrouwen verdienen.
(Phann. Journ. No. 1354).
KORTE BERICHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN Uitgaande van den Directeur der Inrichting.
Beschikbare zaden van nuttige gewassen.
Acrocarpus fraxinifolius Am. Madang pari. Albizzia Lebbek Bth. Kitoke.
n nioluccana Miq. Djeungdjing luoet. â stipulata Bth. Sengon.
Andropogon muricatus Rotz. Akar wavgi. Caesalpinia coriaria Willd. Divi-divi.
v dasyrachis Miq. Petah-petah. Calophyllum Iiiophyllum L. Njamploni/. Calosanthes indica BI. Pompohran.
Canarium conïnmiie L. Kanari.
Cassia Horida Vahl. Djoear.
â javauica L. Boengboengdelan.
Castilloa elastica Cerv. Caoutchouc.
Cedrela serrulnta Miq. Soerian.
Corchorus capsularis L. Goeni, Jute,
Elaois guineensis L. Oliepahn.
Elaeocarpus angustifolius BI. Djanitn.
Kriodoiulron anfractuosum DC. Kapok.
Erythroxylon Coca Lam. Coca.
Euchlaena luxurians Dur. Teosinte.
Fourcroya sp. Mauritius-hennep. (Bolletjes) Helianthus annuus L. Zonnebloem.
Hymonaoa Courbaril L.
Indigofera galogoides DC. Taroem oelau.
Intsia amboiuensis Thouars. Marahoh.
Lagcrstroenüa Reginae Rxb. Boengoer.
Maerotropis sumatrana Miq. Koepang.
Manihot Glaziovii Müll. Arg. Cereara-ruhher.
Melia Candollei A. Juss, Gr00te mindi.
340 â
Melia Azedarach L. Mindi.
Myristica fragrans lloutt. I'dla.
Myroxylon peruiferunt L. PemhdUem.
Pahudia javanica Mit|. Kidjoelaiuj.
Parkia at'ricaua li. Br. J'eioideuj.
Pithecolobium Saman Bth. Regenhoom.
Pterocarpus saxatilis Rmph. Leugoa ba toe.
Sapindus saponaria L.
Schizolobium oxeelsuin Vog.
Sindora sumatrana iMii|- Sindor.
Spathodea campanulata Beauv.
Styrax Beuzoin Dryaud. Minjan.
ïamarindus indica L. A sou.
Tectona grandis L. t'. Djati.
Terminalia Catappa L. Katajxnii/.
â sumatrana Mirj.
Thea assamica (Hybr. Ceylon) 7Vr.
â chinensis Sims. Thee.
Thoobroraa bicolor II. et B. (iu kleine hoeveelheden).
â Cauao L. » » »
Verschillende variëteiten van;
Sesamum indicum DC. Widjen.
Sorghum vulgare L. Gandroeny.
Aan alle aanvragen wordt, zoodra hot gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat het overbodig is bij niet spoedige ontvangst op toezending aau te dringen.
Buitenzorg, Juni 1890.
I[RT NUT VAX EOOMHN.
Er zijn onderwerpen waarvan niet licht te veel kan gezegd worden en waarop men niet te dikwijls kan terugkomen, omdat zij zulk een groot belang vertegenwoordigen en de toekomst van geheele landstreken er mede gemoeid is. Ik meen dit te moeten doen voorafgaan tot verontschuldiging, dat ik op een onderwerp terugkom, hetgeen al dikwijls in dit tijdschrift besproken is.
Het nut van boomen cn andere houtachtige gewassen behoort zeker tot bovengenoemde onderwerpen. Er is hier altijd meer gelet op hot nut van boomen als leveranciers van timmer- cn brandhout, als schaduwboomen in koffietuinen, als sier-en seha-duwboomen op erven en langs wegen. Zij vervullen echter in de natuur eene rol, die hoewel minder algemeen bekend toch veel gewichtiger is dan de bovengenoemde.
Boomen zijn de aristrokraten der plautenwereld, zij vormen de krachtigste schakel tusschen de zon cn dc aarde, tusschen de organische en do anorganische natuur. Zonder boomen zoude het grootste gedeelte van don aardbodem in eene onvruchtbare woestenij veranderen, door boomen, vooral indien zij verecnigd in bosschen voorkomen, is de aarde vruchtbaar en eene geschikte woonplaats voor mensch cn dier geworden. Tot de planten die deze rol vervullen behoeven we niet slechts de groote, die veel schaduw geven, te rekenen, al de diepwor-telende houtige gewassen, die als heesters of struiken bekend staan, kunnen we er bij rekenen. Nauwkeurig uitgedrukt moet een boom éénstammig zijn, terwijl we door struiken en heesters meerstammige houtige gewassen verstaan. Door echter een boom vroegtijdig te toppen, groeit hij hcesterachtig en door een heester op één stam te snoeien, groeit hij boomachtig; zoo-
VII. 25
- 342 â
dat tl(! jgt;Tmis tusschen kleine boomen 011 groote lioesters niet altijd met juistheid te trekken is,
lier is verbazond welke kracht een groote boom ontwikkelt, (luizende liters water, waarin vocdingszouteu opgelost zijn, worden door de wortels opgenomen en stijgen op tot in de bladeren der hoogste kruinen, door de bladeren wordt dan een deel verdampt of uitgestooten, terwijl een ander deel daar mot andere stoffen beladen tot zelfs in do kleinste worteltjes als plantenvoedsel teruggevoerd wordt De kleinere gewassen zijn slechts helpers, die allen, hoewel in veel mindere mate en met minder kracht, hetzelfde doel nastreven. De boomwortels verspreiden zich in don grond, zij dringen door tot zelfs in den on vruchtbaren, z. g. dooden ondergrond, en vormen dam-een netwerk van kleine kanaaltjes waarin hot overtollige water kan wegzinken, daar blijft het bewaard tot het later noodig is. Door het afvallen van bladeren en takken en eindelijk door het afsterven van den boom zelf, wordt diens weefsel in humus omgezet, die zooals wij weten buitengewoon gunstig op den plantengroei werkt. Werkelijk schijnt de humus, in voreeniging met lagere organismen, het krachtigste middel te zijn om onvruchtbare gronden vruchtbaar te maken en in staat te stellen oogsten te leveren, waardoor het leven van mensch en dier mogelijk wordt. Zoodra deze humusachtige stof vernietigd wordt, hetzij snel door het vuur, of langzamerhand door de zonnewarmte en weggespoeld door den regen, zal do grond als het laatste deeltje humus verdwenen is, weer in zijn oorspronkelijken, onvruchtbaren toestand terugzinken.
Er is echter moer, als we nagaan welke rol boomen vervullen in de verhouding tot het water in den bodem. De bladerkroon beschaduwt het omliggende terrein, dat wil zeggen het verhindert een zekere hoeveelheid zonlicht den bodem te bereiken en te verwarmen, het blijft koeler op die beschaduwde plekken, veel minder water verdampt, en dus blijft er meer beschikbaar voor den plantengroei. Onbegroeide, kale terreinen, die niet in de onmiddellijke nabijheid van rivieren of bronnen liggen, worden hard en op den duur onvruchtbaar. Afgevallen bla-
deren en andere plantendeelen, bedekken onder boomen den grond, zij bescliuttea wormen en andere minder ontwikkelde diersoorten, die op verschillende wijze tot de vruclitbaarmaking van den grond medewerken. Zoo dringen de wormen diep in den grond, brengen humusrijken grond naar de diepte en omgekeerd ook naar boven, zij graven overal kanaaltjes waardoor het overtollige water tot diep in den grond kan wegzinken en daar bewaard blijven. Zoo voorzien de boomen bjj droogte niet slechts in hun eigen behoefte aan water, maar ook in die der talrijke kleinere gewassen, die er onder groeien; bovendien geeft dit water aanleiding tot liet ontstaan van talrijke kleine bronnen, die weer de omliggende terreinen van water voorzien.
De overstroomingen, waarvan wij tegenwoordig veel meer last hebben dan in vroegere tijden, hebben geen andere oorzaak dan ontwouding. In de bosschen is, zooals we gezien hebben, de grond poreus; do oevers der kreken en rivieren zijn dicht begroeid met boomen, heesters en allerhande gewassen, dikke lagen mos en varens bedekken den grond; terwijl zelfs de ondergrond dikwijls los en doorlatend is. J3jj zware en aanhoudende regens vindt het water op zijn weg naar lagere streken tal van hinderpalen, het stroomt slechts langzaam, wordt overal tegengehouden, do grond is daar gelijk een spons, een groot gedeelte van het water wordt opgezogen en in den ondergrond bewaard. Bij zulk een toestand komt her water eerst langzamerhand in de bedding der rivieren en behalve dit sleept het niet veel modder, bestaande uit allerlei stollen, die voor een groot deel uit geschikt plantenvoedsel bestaan, mede, maar daar het eerst door de planten, als het mos en door den poreuzen grond gefiltreerd is, komt het in veel zuiverder toestand in de rivier. Het waterniveau is dan niet aan zulke groote schommelingen onderhevig, het blijft meer gelijk.
Ik behoef er hier niet op te wijzen, wolkeen groote rol her water in den landbouw en meer speciaal in den tropischen landbouw vervult, zonder water onvruchtbaarheid; terwijl wij met water de hoogste productie van onze velden kunnen ver-krjjgen.
Al is hot waarschijnlijk niet waar, dat in boschrijke streken meer regen valt dan in boscharme, liet is wel te begrijpen boe dat denkbeeld bjj oppervlakkige waarnemers wortel goschoton heeft. Hot feit toch, dut bronnen en rivieren in boschrijke streken altijd volop water geven, terwijl in landen waar de bosschen uitgeroeid zijn, dikwijls gebrek aan water heerscht, is niet te loochenen. AVij verkeeren hier in bijzonder gunstige omstandigheden wat regenval betreft en ondervinden hier niet zoo direct de groote nadoelen van ontwouding, die er in minder gezegende streken op gevolgd zijn, toch behoeft het geen betoog welk groot belang wij ook hier bij een geregelde waterverdeeling hebben.
Do voorbeelden van geheele landstreken, die door ontwouding onvruchtbaar geworden zijn, behoeven we niet ver te zoeken, liet is niet noodig onze onderzoekingstochten naar vroegere eeuwen uit te strekken, in den tegenwoordigen tijd zijn ze wel te vinden.
In een dor laatste nommers van de Agriculture Gazette of New South Walesquot;, komt een verslag voor waarin aangegeven wordt iioe liet in sommige streken dier kolonie, ten gevolge van ontwouding op groote schaal, gestold is. Verslaggever zegt, hoewel in de gemiddelde jaarlijksche regenval van voorheen en thans weinig verschil valt te constateeren, men vroeger zelden hoorde van de vernielende watervloeden, die in de laatste tijden zulke ontzettende rampen veroorzaken en waarvan als eenige oorzaak, ontwouding op groote schaal, opgegeven kan worden.
De heuvels, die vroeger allen begroeid waren, zoo luidt het verslag verder, zijn geheel ontwond, do grond is hard en vast geworden, do oppervlakte is kaal of met weinig schraal gras begroeid, de oevers van rivieren en kreken zijn al even kaal, derhalve vindt het water in zijn loop hoegenaamd geen hindernissen, het sleept in zijn vaart nog alle losse deeltjes van den bodem mede, maakt die daardoor nog onvruchtbaarder en komt met geweld in het vlakke land. De beddingen der rivieren kunnen al liet water niet afvoeren, ook hier spoelt liet den vruchtbaren grond weg en zet dien op plekken in de
- 345 â
rivieren of aan de mondingen daarvan af, zoodat de schoepvaart belemmerd wordt. Met groote kosten is men genoodzaakt daar de modderbanken op te ruimen, die uit vruchtbaren grond bestaan welke, indien hij op de plaats waar hij behoorde go-bleven was, aan duizenden landbouwers een bestaan had kunnen bezorgen.
En zoo is het niet slechts in New South Wales, in verschillende streken hebben dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen. In een werk van recenten datum van âGeo P. Marshquot; onder den titel âthe Earth as modified by human actionquot; komen belangrijke mededeelingen over deze kwestie voor, ook in het voornaamste Pransche tijdschrift over boschbouw, wordt aanhoudend op hetzelfde aambeeld gehamerd en door tal van voorbeelden, de verschrikkelijke gevolgen van ontwouding aan het licht gebracht.
Een der sterkste voorbeelden levert z. g. Groot Huchara in Centraal-Azië; daar lag een uiterst vruchtbare streek, die aan eene woestijn grensde en die door ontwouding nu ook geheel in een onbewoonbare woestijn is veranderd. Reizigers, die in 1826 en voor dien tijd die streken bezochten, verhalen wonderen van de groote vruchtbaarheid er van. Iban Hankob zegt: de provincie Soyd, naar de rivier die haar besproeid genoemd, is wel een der vruchtbaarste, fraaiste en welvarendste streken, die op den aardbodem te vinden zijn. De reis door de provincie, die acht dagen duurde, geleek wel eene wandeling door een reus-achtigen, fraai aangelegden tuin; overal zagen we welvarende dorpen en rijke korenvelden, afgewisseld door boomgaarden waarin de fijnste fruitsoorten geteeld werden, ontelbare villa's, weidegronden, schaduwrijk geboomte, hier en daar uitgebreide waterreservoirs, terwijl het land doorsneden werd door talrijke kanalen. Zoo was het beeld, dat zich voor de oogen van den reiziger in 1826 ontrolde. De rijke vallei van Soyd, leverde overvloed van vruchten op; druiven, meloenen, peren en appels werden in aanzienlijke hoeveelheden naar Perzië soms wol naar Hindostan uitgevoerd. Een bezoek aan Kohandes, de oude hoofdstad van Buchara was de moeite overwaard, nergens
â vuml men frisschcr (^u daar, talrijke villa's versierden
den omtrek en de vruchtbaarheid van den grond was er spreekwoordelijk. En in 1876, vijftig jaren later, wat een treurige verandering.
I)(i volgende beschrijving ervan, komt, evenals de vorige, in het vertrouwbare werk, âMalte Bran's Univ. Geography, 1, 470quot;' voor. liet Khanaat van Buciiara, levert wel een der treurigste voorbeelden op, van de gevolgen van ontwouding op groote schaal, lluim dertig jaren geleden was het een der vruchtbaarste streken van Centraal-Azië, een land, dat een aardsch paradijs kon genoemd worden. Er is in de laatste vijftig jaren echter onder de bewoners een ware manie van boschvernieling ontstaan, die door een zwak en niet voor zijne taak berekend bestuur, niet werd tegengegaan. Al de groote bosschen werden geveld en het weinige, dat nog bleef bestaan, werd later door vuur vernield. De gevolgen deden zich spoedig gevoelen eu do geheele landstreek is in een onvruchtbare woestijn herschapen. i)e rivieren hebben evenals de kanalen geen water meer, het zand dor woestijn, door geen uitgestrekte bosschen meer tegengehouden, wint iederen dag meer veld, dooiwind en storm gedreven bedekt het alles en het land is nu gelijk aan de woestijn die het eertijds van Khiva scheidde.
Dergelijke voorbeelden zijn nog met tal van andere te vermeerderen, maar ook hier kunnen we er leering uittrekken, ik herhaal hot, al zijn waarschijnlijk door ons gelukkig eilanden-klimaat de gevolgen van ontwouding niet zoo verschrikkelijk als in landen die een vasteland-klimaat hebben en vooral zooals Buchara, dat aan een groote woestijn grenst, toch doen zieii de gevolgen der ontwouding ook hier door overstroomingen gevoelen.
Opwekkender zijn de mededeelingen in do âRevue scientitiquequot; van Februari van dit jaar, over de met succes bekroonde pogingen der Pranschen in Algiers, tot beplanting van enkele woestijnstreken.
Zooals bekend is leveren de zich bewegende duinen een
1547
S'i'oot gevaar op voor de oasen en andere er aan grenzende vruchtbare streken. Al zijn de legenden der Arabieren en Berbers, die verhalen dat duinen van meer dan 100 M. hoogte zich bij hevige stormen in enkele uren verplaatsen en karavanen en dorpen diep onder liet zand bedelven, overdreven; een goed geconstateerd feit is hot, dat do duinen zich langzaam en zeker verplaatsen en binnen eenige tientallen jaren vruchtbare oasen niet zand overdekken en zoodoende onvruchtbaar en onbewoonbaar maken. Een ooggetuige, Paul Privat Deschanel, die Algiers in 189'5 bezocht, deelt over de verwoestingen van het zand der woestijn het volgende mede: âeen doel der buitengewoon vruchtbare Ouargla is thans door zand bedekt, alle cultuur is verdwenen, slechts de verdroogde toppen der palmen steken nog boven het zan 1 uit en getuigen van vroegere welvaart op een plek, die nu als uitgestorven is, evenzoo bewijzen do doode boomstronken te El-Golea de waarheid der verhalen, dat deze o.ise een veertigtal jaren geleden vijf of zes maal grooter was en dat zij langzamerhand geheel door zand bedekt zal warden, indien er geen hinderpalen in den weg worden gelogd.quot;
De Fransche Regeering is nu sinds eenige tientallen jaren bezig, die hinderpalen het bewegelijke zand in den weg te leggen, de oasen te beschermen en zoo mogelijk uit te breiden en daardoor de welvaart der bevolking te vermeerderen.
Vroeger meende men, dat de woestijn geheel onvruolitbaar was, dit is nu gebleken uiet geheel juist te zijn, er zijn wel vruchtbare plekken en ook de genoemde duinen zijn wel te beplanten, de kwestie is dat men het masj' goed aa ilegt en een goede keuze der te planten gewassen doet. Dat men in het begin met tegenspoeden te kampen had was geen reden, om bet plan op te geven en zoo is men nu na eenige mislukte pogingen geslaagd. Kerst meende men dat Tunarlx, Acac/'a, l'lataan en cle (jrootc Hnniin de aangewezen planten waren; de proeven met den aanplant dezer gewassen hadevenwel niet het gewenschte gevolg, men moest iets anders zoeken. Na vele proeven kon men de volgende gewassen als geschikt
348 â
aanbevelen, de Barbarysclic gt;'ijj, wilg, spaansche Braam, Bohiuia pseia/o-Acacia en de Ifaliaansche populier; vooral en meer speciaal schijnt de laatste de aangewezen boom te zijn.
Al wist men nu welke boomen men planten moest, toch scheen alle moeite noiquot;' te vergeefs, dc Jonge boompjes waren natuurlijk niet dadelijk groot, in het begin hadden zij weinig invloed op liet beweegbare zand, dat zich bleet' verplaatsen, waardoor een gedeelte dor jonge planten ontworteld werd en een ander deel geheel onder het zand geraakte, bij beide met hetzelfde resultaat, zij bezweken
De kapitein (Jodron kwam toen op het gelukkige donkbeeld de te beplanten duinen met een laag mest, bestaande uit half vergaan gras, te bedekken, men gebruikte hiervoor het z. g. âAlfaquot; en waar dit niet voorkwam âAvmnquot; Aniharthemm pungem twee in de woestijn groeiende grassen, een laagje van een paar cM. dikte bleek voldoende om ook bij de heftigste stormen liet zand op zijn plaats te houden.
Hiermede was de kwestie opgelost, men bedekte den grond met bovengenoemd materiaal en plantte in hoofdzaak populieren; zoodra de laatsten zich ontwikkeld hebben kan de zandbedekking weggelaten worden.
Te St. Sofra plantte men in 1886, 87000 boomen, liet volgende jaar 50,000 stuks, te Ouarga werden ook 150 H. beplant, te Laghonat en El-Golea eveneens en zoo wordt voortgegaan. Men hoopt hierdoor niet slechts de oasen te beschermen, dit resultaat is hier en daar al bereikt, maar ze langzamerhand uit te breiden on zoodoende de volkswelvaart te vermeerderen.
Het is ontegenzeggelijk, dat de invloed van lanen, kleinere boomgroepen of alleenstaande boomen niet vergeleken kan worden met dien van uitgestrekte wonden, toch hebben zjj ook bun groot nut en wat meer zegt niet ieder is in staat groote bos-sciien aan te leggen of voor vernieling te behoeden, terwijl er hier to lande velen zijn, die door liet aanleggen van lanen, het planton van boomgroepen of van alleenstaande boomen onzen boomrijkdom kunnen vermeerderen. Het is een geheel verkeerd
:-U9 â
denkbeeld als zouden boomen den grond uitputten, integendeel, indien do omstandigheden niet al te ongunstig zijn, dringen zij mot hunne wortels soms tot vrij diep in den ondergrond en zoeken een deel vun hun voedsel op plaatsen, waar andere planten-wortels niet kunnen komen, zij geven dat in den vorm van bladeren en andere afvallende plantendeelen aan den bovengrond terug. Deze bovengrond, die de eigenlijke bebouwbare aarde vormt, wordt zoodoende humusnjker en daardoor vruchtbaarder. In de nabijheid van woningen is het soms noodzakelijk het blad op te ruimen, omdat hot niet fraai staat, uit een schoonheids oogpunt is zulks te verdedigen, uit een utiliteits oogpunt zeker niet.
Uitgebreide vlakten moeten, vooral in tropische landen, afgewisseld worden door boomgroepen, zij verkoelen de omgeving en breken de kracht van den wind. De door de schaduw te weeg gebrachte koelte in do nabijheid van boomen is hier ook geen gering te schatten eigenschap.
Er is echter geen zaak ter wereld te bedenken, hoe nuttig en noodzakelijk ook, waaraan geen nadoelen verbonden zijn, zoo is het ook met boomen. In de eerste plaats zullen de landbouwers klagen, wier te veld staande gewassen onder de schaduw van langs den weg geplante boomen staan, het is waar vele cultuurplanten verdragen schaduw minder goed; aan padi b. v. is het zeer goed te zien; hot in do volle zon staande veld produceert meer dan het gedeeltelijk beschaduwde, terwijl als de schaduw te sterk is er nagenoeg geen normale ontwikkeling van de padi plaats heeft. Onder boomen in weidegronden zal allicht het, voor paarden en vee minder gewenschte, roempoet puit zich krachtiger ontwikkelen en de betere grassoorten verdringen. Op drukke wegen zal het flink beschaduwde gedeelte niet zoo spoedig opdrogen en meer onderhoud kosten dan zonniger doelen van den weg, ofschoon hiertegen door het bol aanleggen der wegen wel wat gedaan kan worden.
Al die kleine nadeelen wegen echter niet op tegen do groote vooideelen, die de boomen ons verschaffen en mogen ons niet weerhouden, waar het doenljjk is, boomen te planten. In do
eerste plaats vruchtboomen, daarna andere nuttige en fraaie boomen.
Door een goede keuze te doen, kan men aan enkele der bovéngenoemde bezwaren eenigszins te gemoet komen, men zoude voor lanen langs wegen, die men mot het oog op het onderhoud van den weg, niet te zwaar wenscht te beschaduwen, boomen kunnen kiezen met minder zware en minder dichte kruinen, voor de aan den weg grenzende landerijen zoude dan ook het nadeel tot oen minimum terug gebracht wordeu.
Maandelijks komt in Teysmannia oen lijst van zaden van boomen en andere nuttige gewassen, die in 's Lands Plantentun beschikbaar zijn. Van verscheidene nuttige en fraaie boomen zijn in dit tijdschrift korte populaire beschrijvingen gegeven en wij gaan daarmede geregeld voort, hierdoor worden allen, die zich voor de zaak intoresseeren, in staat gesteld eene keuze te doen.
W.
BLOEMEN OM TM S.VIJDKX.
In het ondervolgende stol ik rajj voor de voornaamste, mjj tot nog- toe bekend geworden planten te vermelden, die geschikt materiaal opleveren voor het maken van verschillende bloemwerken, met eene korte beschrijving der soort en vermelding van de beste kweekwijze. Ik heb mij bepaald tot die soorten, die inderdaad aanbeveling verdienen door geinakke-lijjken groei of rijken bloei, hoewel er ook eenige opgenomen zijn, die niet zoo gemakkelijk te kweeken zijn, maar de meerdere moeite door de fraaie bloemen dan ook ruiinachoots beloonen. Bloemen, die slechts zeer kort goed blijven, vooral die slechts overdag bloeien, zijn als regel buitengesloten, omdat men hier toch voornamelijk bloemstukken 's avonds gebruikt.
Voor hot gemak heb ik de verschillend gekleurde bloemen niet door elkaar geplaatst, maar ze in rubrieken verdeeld. Planten, in wier bloemen veel kleurverschillen voorkomen, zooals Chrysanthemiim, Zinnia, enz. zullen in eene afzonderlijke rubriek opgenomen worden.
I
Witte bloemen.
Achillea squarrosa tit. {Composiiae). Laag blijvende, veeljarige plant met fijn verdeelde, smalle bladeren en platte tuilen van kleine, zuiver witte bloemhoofdjes. Zij gelijkt zeer veel op het in Nederland algemeen in het wild voorkomende duizendblad, verlangt eene zonnige standplaats in den vollen grond en laat zich gemakkelijk voortkweeken door scheuren en stekken. Afkomstig van Japan.
Artemisia lactiflora Wall. {Composiiae). Lage, overblijvende plant met tot stijve pluimen vereenigde, lange aren van kleine,
witte, zeer welriekende bloemlioot'djes. De plant is zeer na verwant met den llollandsclien alsem', «vis vaderland wordt opgegeven Riouw, China en Bengalen.
Baccharis sp. ((Jompositaé). Een uit Brazilië afkomstige heester, die tegenwoordig zeer algemeen in West-Java aan kanten van wegen en bij rivieren op zonnige plaatsen in het wild gevonden wordt. De kleine, witte bloemhoofdjes vormen groote tuilen, die, hoewel niet tot de fijne bloemen behoorend, toch wel te gebruiken zijn, vooral de takjes, waarvan alle bloemen nog niet geopend zijn. Voortkweeking door stekken, tjangkokans of zaad.
Beaumontia (jrandiflora Wall. van Oost-Indië en Beaumonfia multifiora 7'. cl. /lt;. (Apocipiaceae) van .lava, zijn beide zeer groote klimheesters, die niet zelden in de tuinen hier worden aangetroffen; zij hebben zeer groote, plat klokvor-mige, witte bloemen met vijf wat naar achter omgekrulde kroonlobben. In niet te kleine bloemwerken voldoen zij bij-zonder goed. De verinenigvukliging gesehiedt door tjangkokans. Begonia ricinifolia A. IHr. en
Beyonia Verschafj'eltiana Bgl. zijn twee grootbladerige soorten, die algemeen als sierplant gekweekt worden. De zeer lange bloemstengels eindigen in groote tuilen van kleine, witte bloemen, die aan bouquetten een zeer los voorkomen geven. De voortkweeking gaat zoowel door scheuren als door bladstekken zeer gemakkelijk en op ecne lichte, niet te zonnige standplaats groeien de planten best. Inderdaad wordt er van deze Hefjonia'* als snijbloemen veel te weinig gebruik gemaakt, Calanthe veratrifolia L'. Br. (Orchldaceae). Eene welbekende aardorchidee met breed langwerpige of elliptische, kruidachtige bladeren, en opstaande bloemstengels, aan wier fop de bloemen tor pyramidevormige trossen bijeenstaan. In kleur en grootte vertoonen deze bloemen bij de verschillende individu's nogal afwisseling; zoo zijn er zuiver witte en geelwitte, al of niet met een donkerder of lichter getint, rood of geel vlekje op de lip. (Zie ook Teysmaunia 18!gt;3, blz. 044). Men kan ze in potten kweeken, die vrjj groot moeten zijn, omdat de planten zeer
â 3515 â
veel dikke wortels maken, of ze eenvoudig in den vollen grond op eene beschaduwde plaats planton; men zij er dan op bedacht, dat zij liefst in een lossen, liumusnjken bodem groeien. Het zijn geen moeilijke planton, wier vermenigvuldiging evenwel niet zeer snel daar dio alleen door scheuren van grootere exemplaren kan plaats hebben. Zij komen echter in den geheelen Archipel veelvuldig in liet wild voor, zoodat het vrij gemakkelijk is, zich er cenige te verschaffen.
Clematis paniculata Thh. {I'anunculaceae). Eene allerliefste, Japansche klimplant met gevinde bladeren, waarvan de stelen der blaadjes zich als ranken om dunne voorwerpen heenslin-geren. De uiterst sierlijke bloemranken, welke men ervan kan snijden, behooren tot het mooiste, wat we hier van witte bloemen hebben. De bloemen zelf zijn middelmatig groot en bestaan uit vier wijd uitgespreide blaadjes en talrijke meeldraden en stampers; een paar goede eigenschappen ervan zijn bovendien, dat zij lang goedblijven en welriekend zjjn. Het best doet men de plant tegen eon toestellotjo van bamboe of ijzerdraad te planten op eene zonnige plaats, üe voortkweeking heeft plaats door tjangkokans, stekken of zaden.
Cosinus bipinnatus fi. albo. (Compositae). Een tengere, éénjarige plant uit Mexico, die hier wel zaad geeft, maar waarvan men toch goed doet af en toe nieuw zaad uit Europa te bostellen, üe bladeren zijn in draadvormige slippen verdeeld, de zeer lang gesteelde bloemhoofdjes gelijken veel op die van de oorspronkelijk eveneens uit Mexico afkomstige, maar nu hier ovei'al verwilderde Cosmus sulphurem Cav., doch zijn belangrijk grooter en de gele schijf is in verhouding kleiner dan bij C. sulphurem. Do zaden moeten terstond bniten in goed toebereiden grond op eene zonnige plaats uitgezaaid worden.
Crinim asiaticum L. (Amaryllklaceae). Bakoeng. Een bolgewas, dat in Indië met vele andere planten, zooals Hippe astrum, Eucharis, Hytnenocallis, enz., met den naam van lelie bestempeld wordt. De bol is lang gerekt en draagt een rozet van groote, stijf opstaande, vrij vloezige, smalle bladeren; de lange, dikke bloemstengels eindigen in een scherm van
â 354 -
talrijke, sroutc, witte, welriekende bloemen met lijnvormige kelken kroonslippen. De stengels kunnen of'in hun geheel in vazen gebruikt worden, öt' de bloemen afzonderlijk in bloemwerken. Do vermenigvuldiging kan plaats hebben door zaden, ot'zooals bij de meeste boldragende planten mogelijk is, door Jonge bollen, welke aan «Ion voet der oude ontstaan.
Er zijn nog verscheiden witbloemige CWmMW-soorteu, die gemakkelijk te kweeken zijn, maar waarvan de namen inden Tuin nog niet geheel zeker zijn, zoodat ik die maar niet afzonderlijk zal vernielden.
Dendrohium luatabile Lndl. (Orchidaceae). Eene algemeen op Java voorkomende orchidee, die wel de moeite waard is hier en daar in booruen te worden gebonden, omdat de bloemtrosjes, bestaande uit talrijke, hoewel niet groote bloemen, uitstekend in bouqnetten te gebruiken zijn. De bloemen zijn zuiver wit of meestal met wat paarse tint, en hebben een geel vlekje op de lip (zie ook Teysmannia, 1S94, blz. :397). Dc plant bloeit bijna voortdurend, en vormt talrijke jonge plantjes aan de oude stengels, zoodat de voortkweeking vrij snol gaat.
Duranta Plurnierii Jack. //. alho. (Verhenaceue). Dc Duranta's met paarse bloemen en gele vruchtjes zijn welbekende en veelvuldig aangeplante, gedoomde heesters. De hier vermelde, witbloeiende varieteit wordt veel zeldzamer aangetroffen, hoewel do mooio, witto bloemtrosjes als snijbloemen lang niet verwerpelijk zijn. Voortkweeking door tjangkokans, stekken eu zaden.
Eucharis ijrundillora Planch. (AmanjUidaceae) is een Zuid-Amerikaansch bolgewas, dat hier ten onroehto onder de lelies gerangschikt wordt; hot gevoelt zich bier uitstekend thuis en brengt op eene beschaduwde plaats inden vollen grond kwistig zijn bloemstengels voort, die aan hun top eeaige groote, hangende, prachtig witte, welriekende bloemen dragen. In het midden van deze bloemen, bevindt zich een in hoofdzaak lichtgroen gekleurd, komvormig deel, dat bestaat uit de samenhangende, verbreede helmdraden. De bladeren zijn breed langwerpig tot eivormig en lang gestoeld. Vermeerdering door jonge bollen.
- 355 -
Fagraea liftoralis HI. (Loc/aniaceae). KiteroHg. Een groote klimmende heester met leerachtige, donkergroene bladeren, en witte, vijHobbige, klokvormige bloemen, die zich tegen den avond openen en dan een sterken, eigenaardigen geur verspreiden, in den loop van den volgenden dag langzamerhand eene roomkleurige tint aannemen en eindelijk afvallen. De vruchten zijn langwerpig, hebben eene mooie, porseleinachtig blauwgrijze kleur en gelijken wel wat op te rong vruchten. Behalve genoemde soort komen er in den Archipel nog tal van andere voor, die alle door tjangkokans gemakkelijk te kweeken zjjn. Het best is de jonge planten dicht tegen een boom te planten; de takken hechten zich dan door middel van hechtwortels vast, terwijl zij van wat schaduw, mits deze niet al te donker is, niet afkeerig zjjn.
Gardenia flor id a L. ft. pi. (liuhiaceae). Ka tja piring. Deze mooie, uit China afkomstige heester met zjjn groote, dubbele, witte, welriekende bloemen is hier zoo algemeen bekend, dat er wel niets verder ter aanbeveling van gezegd behoeft te worden. Voortkweeking door stekken en tjangkokans.
Gardenia radicans Thh. Een zeer laag blijvend, half kruipend heestertje uit Japan, met kleine, glimmend donkergroene blaadjes en bloemen, die in alle opzichten veel met die der bovenstaande soort overeenkomen, alleen wat kleiner zijn. Kweekwijze als G. /lorida.
Hedyciiinm coronarimi Koen. (Zinr/iberaceae). Gandasoli. De uit deu kruipenden wortelstok dezer bekende plant oprijzende stengels dragen aan hun top een korte aar van groote, teerc, zeer welriekende bloemen, die of bijna geheel zuiver wit zijn, of eene lichte of donkerder gele vlek bezitten; eene andere variëteit is geiieel lichtgeel. In bouquetten zijn de bloemen alleen afzonderlijk op oen stokje of jjzerdraad gebonden te gebruiken. Door het deelen van den wortelstok kan men spoedig een aantal planten kweeken.
Heynia sumatrana Miq. (Meliaceae). Een kleine boom, op Sumatra thuis behoorend eu daar tangisan haroeh geheeten, die zich een paar maal per jaar met tallooze langgesteelde, jjle
â 356 â
bloempluimen, samengesteld uit zeer kleine witte bloempjes, overdekt. Deze bloempluimen leveren een uitstekend materiaal om aan bloemwerken een losser voorkomen te geven Door zaad, dat in overvloed voortgebracht wordt, gaat de vermenigvuldiging gemakkelijk.
Ho ij a excavata T. et B. (Asclejnadaceae). Aretij kikandcl. Wasbloetn. Eene van Boeroe in den Plantentuin ingevoerde klimplant met vleezige bladeren en zeer mooie schermen van witte, vleezige, stervormige bloemen. Daar de bloeiwjjzen langs een groot deel der stengels tegelijk bloeien, kan men er zeer sierlijke, lange ranken van snijden. Hoewel deze Hoy a-mort vrij veel zon kan verdragen, is het toch wenscheljjker haar op eene wat beschaduwde plaats te planten. Stekken zoowel als tjangkokans slagen goed.
HjjmenocalUs Uttoralis Salish,
Hymenocallis caribaea Herb. (Anwrt/llklaceae) en eenige andere soorten zijn bolgewassen (hier lelies genoemd), die voornamelijk in tropisch Amerika voorkomen, met lintvormige bladeren, en groo-te, witte bloemen met zes lijnvormige, lange bloemslippen, terwijl do meeldraden, evenals bij Eucharis, tot een boker vereenigd zijn, welke hier echter zeer teer is. De bloemen openen zich steeds, als het donker begint te worden, doch blijven ook den volgenden dag nog frisch en verspreiden een aangenanien vanieljegeur. Vermeerdering door jonge bollen.
Isotoma ln)i(/iflora Prsl. (Lobeliaceae). Eene West-Indische, kruidachtige, evenals zoovele soorten dezer familie, vergiftige plant met wit melksap, die, tenminste in West-Java, veel verwilderd voorkomt. De bloemen gelijken zeer veel op de in Europa als snijbloemen veel gekweekte Bouvardia Rimboldti-, zij zijn zeer mooi, zuiver wit en bestaan uit eene lange kroon-buis met vijf smalle, uitgespreide slippen. Aangezien de stengel zeer dik is en er niet veel bloemen tegelijk aan open zijn, doet men het best deze afzonderlijk af te plukken en op te binden. Door uitzaaien verkrijgt men spoedig zooveel planten, als men wil.
Jusminum grandifiorum L. (Oleaceac). Melati gambir. Deze
â 357 â
niet hoog groeiende klimplant wordt hier zoowel als in de Europeesche kassen om de vrij groote, zeer welriekende bloemen gekweekt. De plant zelf is in den regel niet zeer mooi, maar de bloemen komen bijna het gcheele jaar door, hoewel den eenen tijd wat meer dan den anderen, te voorschijn. Door stekken en tjangkokans kan zij vermeerderd worden.
Jasminum Samhac A it. Me lat i. Dit heestertje behoeft in Indië zeker geen nadere beschrijving. De bloempjes zijn voor bouquetten in hoofdzaak alleen om den heerlijken geur van waarde.
Jdsininuni parviflorum Den., eene Javaansche soort, onderscheidt zich door rjjkbloemige pluimpjes van zeer kleine, witte bloempjes, die zeer sierlijk zijn. Zij zotten geregeld vrucht, zoodat deze plant behalve gestekt, ook uitgezaaid kan worden.
Jasminum c/labriusculuni BI. Gambir oef an, die als genees-middel, hoewel misschien ten onrechte, eene zekere vermaardheid heeft gekregen, en eenige andere verwante soorten hebben tuiltjes van vrij groote, zuiver witte bloemen, dio een minder aangenamen, hoewel niet juist hinderlijken geur verspreiden; in elk geval zjju zij voor bouquetten wel te gebruiken.
Latvsonia al ha Lam. (Lythraceae). Patjar koekoe. Dit is een middelmatig groote, sterk vertakte heester met kleine, grijsachtig groene bladeren en eindelingsche pluimen van kleine geelwitte, welriekende bloemen, die rijkelijk gevormd worden. Hij wordt vermenigvuldigd door zaden of tjangkokans, maar op de eerste wijze verkrjjgt men mooiere planten, die echter wel wat langoren tijd noodig hebben, eer zij bloeien.
Lonicera oxtj lep is Miq. en
Lonicera jaranica DC. {Caprifoliaceae). Kiserok, Kamperfoelie. Een paar welig groeiende klimplanten. De welriekende bloemen zijn aanvankelijk wit, doch verkrijgen weldra eene goudgele tint. Deze en nog een paar soorten komen op Java in het wild voor, bovendien zijn er nog een paar Japansche, die hier ook slagen.'
Lagerstroemia regime Rrb. jl. albo. (Lgthraceae) Witte boe-ngoer. Van deze witbloemige verscheidenheid van den gewonen hoengoer zag ik nog geen levend exemplaar, doch wel VII. 26
â 358 â
herbarium, dat ons toegezonden werd en dat met de beschrijving, die eraan toegevoegd was, de overtuiging vestigde, dat men hier met een zeer fraai bloeiondcn boom te doen heeft. Mogelijk komt bij al op meer plaatsen voor. Do Lagerstroe-mia-takkm zijn vooral afzonderlijk in een groote vaas mooi.
Neluinhiiini speciosim Wild. //. al.ho. (Ni/mphaeaceae) Witte tarate. Lotus. Eene waterplant met langen, kruipenden wortelstok, groote schildvormige, ver boven het water uitstekende bladeren en eveneens lang gesteeldo, groote, witte, sterk riekende bloemen. Veel kan men hiermede evenwel niet doen, daar zij alleen gedurende de morgenuren geopend zijn. Wel kan men, om ze 's avonds te gebrnilven, van de knoppen de bloembladeren één voor één voorzichtig naar achteren omslaan, maar deze kunstmatig geopende bloemen kunnen de vergelijking met de natuurlijk ontlokene niet doorstaan. De zaden worden, zooals men weet, gegeten.
Ni/mphaea iMtus L. //. (dho. {Nymphaeacmé) Tarate ketjil. Waterlelie. Veel meer dan aan Neluinbimn heeft men aan deze hier even welig groeiende waterplant; de bloemen openen zich n.1. 's avonds tegen zeven uur en blijven zoo tot den volgenden morgen ongeveer 11 uur; dan sluiten zij zich om 's avonds hun kroon weer te ontplooien. Ook kunnen zij quot;â¢emakkelijker in groote potten en bakken met water gekweekt worden, omdat do wortelstok kort blijft; wel groeien zij zóó niet zoo krachtig en zijn do bloemen meestal niet zoo groot als buiten, maar niemand behoeft zich toch liet genot van het bezit dezer planten tc ontzeggen. In de Europeesche bloemenwinkels wordt veel met waterlelies gewerkt; door eene kunstbewerking schijnt men erin geslaagd te zijn de bloemen
te beletten zich te sluiten.
Eenige Nymphneahloemm van verschillende kleur met een paar stengels der Papyrusplant in een vaas voldoen altjjd uitstekend als versiering. (Zie voor uitvoerige meedeelingen over Waterlelies, Teysmannia 1895, blz. 112).
Nerium odonm Soland. //. alh. (Apoctjnaceae). Oleander. De witte oleander komt met enkele on dubbele bloemen voor.
â 359 â
Jlet is een heester, die om good fce bloeien veel zon verlangt en het schijnt, dat eone vochtige standplaats gunstig op den groei ervan werkt. Vermeerdering door tjangkokans. In Holland ziet men dikwijls stekken in tlesclijcs met water, welke wijze van kweeken zeer goed gaat.
Pali cour ea (jardenioides B. et H. (Ruhiaceae) is een heestertje, waarvan mij geen inlandache of Hollandsclie naam bekend is; het gelijkt echter wel wat op Pavetta (sokn, santen) doch de mooie, witte bloempjes, die tot tuiltjes vereenigd zijn, hebben vijf in plaats van vier kroonslippen. Stokken bewor-telen zich gemakkelijk.
Pavetta. {Ruhiaceae) Sol-a, Santen. Een plantengeslacht, dat voor een goed deel in onzen Archipel thuis behoort, doch ook elders vertegenwoordigers telt, o. a. op Madagaskar en omliggende eilanden. Hot zjjn heesters, die over liet algemeen dikwijls en mild bloeien en waarvan vele een plaatsje in den tuin overwaard zijn. Over het algemeen gaat do vermenigvuldiging niet zeer gemakkelijk; door tjangkokans en soms door stekken slaagt men daarin nog het best. Wel geven vele soorten zaden, maar de jonge plantjes groeien zeer langzaam. De bloemen bezitten eene lange, dunne kroonbuis, die aan den top in vier uitgespreide ot teruggeslagen slippen eindigt. Van de witbloeiende soorten zijn o. a. aan to bevelen:
Pavetta incarnata BI. //. a lbo. Een sterk vertakte, Javaan-sche heester met bloemtuilen van 7 c.M. doorsnee, waarvan de bloomen alle in één vlak uitgespreid zijn.
Pavetta arhorea BI. Eene eveneens op Java thuis behoorende soort, waarvoor Teysmann en Binnendjjk in den laatsten catalogus van 's Lands Plantentuin don Socndaneeschen naam gledok pantoh opgeven, liet is een boom met half bolvormige, 1 d.M. breede bloemtuilen; de kroonslippen zjjn naar achter omgebogen.
Pavetta littovea Miq, Heester met groote, losse, eindeling-sche bloeiwijzen; de zeer welriekende bloemen, wier smalle kroonslippen teruggebogen zijn, hebben aanvankelijk eene witte kleur, welke echter langzamerhand in roomgeel overgaat.
Pavetta nigricani R. Br. Java. Heester met gesloten bloemtuilen van 9 c.M. doorsnee; de bloemslippen zijn teruggeslagen.
Favetta Wijckii Hssld. Noesa Kembangan. Vrij kleine heester met half bolvormige tuilen van 8 â9 c.M. doorsnee ; kroon-slippen smal en teruggeslagen.
Pontas pad on Motleyi Hook. F. (Anacardiaceae). Een groote, van Sumatra afkomstige boom, die zich eenige malen per jaar overdekt met prachtige, groote, losse pluimen van kleine, witte bloempjes. Zoowel in bouquetten, als afzonderlijk in vazen geplaatst voldoen zij zeer. Om jonge planten te verkrijgen, moet men ze zaaien.
Phalaenopsis amahilis BI. (Ovchidaceae) wordt door de inlanders anggyeh hoelan, door do Europeanen soms âMoonlight genoemd. Het is eene onzer mooiste en meest bekende, Ju-(UbcIio Oi'chideeën, die aan een zeer korten stengel oen paar groote, vleezige bladeren draagt. De grooto, witte bloemen staan aan lange stengels, en zijn in mandjes zeer mooi. (Zie voor beschrijving Teysmannia, 1894, blz. 485). Do beste wijze om zo te kweeken is de planten eenvoudig op boomen te binden, waarbij men erop moet letten, dat zij vooral niet eene te donkere standplaats krijgen; men zorge slechts, dat zij, behiilvo 's morgens en 's avonds, niet door de direkto zonnestralen getroffen worden. In West-Java komt de soort nog genoeg voor, maar op do gemakkelijk bereikbare plaatsen is zij tocli zeer zeldzaam geworden door bet vele zoeken ; overigens is zij over den geheelen Archipel verspreid.
Plwniera alha L. (Apocynaceaé). Een klein, uit Amerika ingevoerd boompje, dat zeer na verwant is aan de gewone samodja {Pluniiera acntifolia Poir.) maar in tegenstelling van deze, zijn do lang gestoelde bloemtuilen, die bijna nooit ophouden voortgebracht te worden, voor bloemwerken bijzonder mooi. Dc gclieele plant toont aan, dat ze eene droge, zonnige standplaats verlangt; daar wordt het een regelmatig, sterk vertakt boompje, dat meestal zeer weinig blad draagt. Do bloemen bobben veel smaller kroonslippen dan de gewone samodja, zijn zuiver wit, behalve diep in de keel, waar zij
â 361 â
goudgeel gekleurd ziju, en nagenoeg reukeloos. De vermenigvuldiging gaat niet zoo heel gemakkelijk; wel komt er af en toe rijp zaad aan, maar liet liet duurt lang, eer men daarvan bloeibaro planten heeft.
Polyanthes tuherosa L. (Atnaryllidaceae) Sedaji nuilain Th-berozen. Een bolgewas, dat algemeen bekend is door de tegen den avond aangenaam, doch zeer sterk riekende, witte bloemen. Over het algemeen vindt men hier slechts eene oude, klein-bloemige, weinig dubbele variëteit, die ver achterstaat bij eene nieuwere, welke wij ongeveer l'/j jaar geleden uit Europa ontvingen onder den naam van âthe Pearlquot;. Do planten bloeiden al ecu paar maal en houden zich nog goed, zoodat do vrees, dat ze hier langzamenhand achteruit zouden gaan, ongegrond schijnt te zijn.
Pohjijala variabilis 11. B. K. var. alhiflora (Polyt/alaoeae) is een klein, éénjarig plantje, dat oorspronkelijk in lirazilië thuis behoort, doch nu algemeen op zonnige plaatsen op Java voorkomt, zoowel in de warme als in de koelere streken. Het wordt slechts een paar d.M. hoog en deelt zich in talrijke, dunne takjes, die smalle baadjes dragon en allo eindigen in een trosje zeer kleine, witte bloempjes, die allerliefst voor bouquetten zijn. Het is eene zeer gemakkelijk te herkennen plant, ook aan den aromatischen geur der wortels, welke eigenschap deze Pohjgala met andere soorten van dit geslacht gemeen heeft. Vernrenigvuldiging door uitzaaien.
Polygonum chinense L. (Polijgonaceaa) Titiivoeav, Duizendknoop. Eene zeer welig, groeiende, overblijvende, kruidachtige plant met lange, kruipende stengels en tot eindelingsche, sterk vertakte, ijle bloeiwijzen vereenigde bloemaartjes, die samengesteld zijii uit kleine, dicht bij elkaar geplaatste bloempjes. Zeer mooi zijn deze nu juist niet; maar om hier en daar te laten uitsteken, kunnen zij toch wel gebruikt worden. Een voordeel is, dat de plant zoo goed als altijd bloeit en gemakkelijk door stekken of scheuren vermeerderd kan worden.
Puli/gomini chinense L. rar. coryinhosuin. De plaat, welke
wij in den Plantentuin onder dezen naam kweeken, is voor snijbloemen veel mooier dan laatstgenoemde, waarvan zij zicli onderscheidt door geringere afmetingen, minder wilden groei, grootere bloemaartjes, die eeue min of' meer rose tint liebbon, vooral bij liet ouder worden. De kweekwijze is als die der vorige soort.
Polygonum oriëntale Ij. (Djangkoeny) is eene ijle, wijd vertakte, geheel met zachte haren bezette {dunt, met opgerichte stengels, aan de toppen waarvan de lange, dichte, rolronde bloemaren tot wijd vertakte pluimen vereenigd zijn. Voort-kweeking door zaden of' stekken. Deze soort komt zoowel in geheel Indië als in Afrika euNieuw-Holland voor.
Porana voluhilis Bnnn. (Convolvulaceae) Witte bruidstranen. Widomri. Eene prachtige, mild bloeiende, Javaanscbe klimplant, die zeker geen aanbeveling meer noodig heeft. Jammer is het alleen, dat de sierlijke, iets geelachtig wit getinte bloem-pluimen niet wat langer goed blijven. Eenige losse takken in een vaas of een mandje alleen met Bruidstranen opgemaakt zijn zeer mooi, hetgeen echter niet belet, dat zij ook in vereeniging met andere bloemen uitstekend te gebruiken zijn. Stekken eu tjangkokans maken zeer gemakkelijk wortel; dikwijls wortelen do op den grond liggende takjes van zelf, zoodat de vermeerdering al zeer weinig moeite kost.
Porana paniculata Itxb. van Bourbon onderscheidt zich van de vorige soort door behaarde in plaats van gladde bladeren; bovendien zijn de bloemen wat kleiner en zuiverder wit, maar eveneens in pluimen vereenigd. Dikwijls kan men er zeer fraaie, lange ranken van snijden. De kuituur is even gemakkelijk als van de Javaansche soort.
Baphistemma puchellnm Wall. (Asclepiadaceae). Eene klimplant met vleezige wortels en dikke bladeren, welke eene bijzondere lekkernij voor rupsen schijnen te zijn. De klokvormige, vijfslippige, middelmatige bloemen vormen armbloemige, kort gestoelde tuiltjes aan de stengelknoopen; soms zijn zij geheel wit, dikwijls evenwel in de keel voorzien van eenige roodpaarse stippen. Ook deze plant levert
mooie ranken, b. v. voor hot omwinden van hengsols van mandjes. Af' en toe geeft zij zaad, maar ook door stekken gaat het vermeerderen niet moeielijk.
Rhododendron indicum Sweet. {Ericaceae) meer bekend als Azalea, behoort tot de in Europa het meest in groote massa's en in talloozc kieurverscheidenheden gekweekte planten. Hier in de warmte schijnen slechts twee verschillende goed te willen bloeien, n.1. eene zuiver witte en eone paarse. Hot zijn kleine heesters, die zich zeer sterk vertakken en wier bloemen bijzonder geschikt zijn voor bouqetten, aangezien zij, niettegenstaande hun toeren bouw, toch buitengewoon lang, n. 1. ongeveer eene week, f'risch blijven. Men kan zo voort-kweeken door stekken, welke zich echter niet spoedig be-wortclen. Zooals bekend is, is Japan het vaderland dezer Azalea's.
Ruhua romefolius Sik. //. jil. {Rosaceaé). Een laagblijvende braamsoort {hareueus), die spoedig tot eeno breede plant uit-stoelt. Zooals de naam aangeeft, hebben de bladeren voel overeenkomst met die vau rozen; torwjjl ook de dubbele witte bloemen veel op roosjes gelijken. Jammer is het, dat deze niet in wat grooteren getale te voorschijn komen. Voortplanting door scheuren.
Spathiphyllum cannaeforme Enyl. van Zuid Amerika en.
Spathiphyllum commutatum Schott. uit don Archipel zijn een paar Aroideëen (Aromkelken) met kruipenden, korten wortelstok en groote, langwerpige, lang gesteeldo bladoren en bloeiwijzen, waarvan de kolf en de binnenzijde der schoede wit, do buitenzijde dezer laatste groen gekleurd zijn. De bloemen zijn alleen in groote bloemstukken te verwerken, maar brengen daarin door hun bijzonderen vorm eene gewenschto afwisseling. Zij laten zich gemakkelijk kweeken op eene beschaduwde plaats, zoowel in potten als in den vrijen grond, en ook als sierplant in de voorgalerij verdienen zij alle aanbeveling.
Stephanotis florihunda Bryn. (Asclepiadaceae). Deze zeer fraaie, op Madagaskar inhoemsche klimplant, behoort tot die gewassen, welke in Indië bij ieder, die van bloemen houdt, worden aangetroffen, en dat is volstrekt geen wonder. (Jok in Europa
worden de mooie, witte, klokvormige, welriekende bloemen zeer op prijs gesteld. Gewoonlijk kweekt meu de planten hier in potten of kuipen, welke gevuld moeten worden met ⢠vruchtbaren grond, terwijl af en toe gieren zeer bevorderlijk is voor oen goeden groei. Eene hoofdzaak, waarop gelet moot worden, is, dat de zon vrijen toegang heeft. Vermenigvuldiging door stekken en tjangkokans.
Tahernaemontana coronaria R. Br. /I. pl (Apocyuaceaé). Keinhdiifj mantega. Dit is een Oost-Indisch heestertje met mooie, dubbele, witte bloemen, die iets aan die van Gardenia (katja â pirinji) doen denken. Zaad geeft de plant niet, zoodat men zijn toevlucht moot nemen tot stekken en tjangkokans.
Telanthera striijosa Miq. (Amaraiitacenc) Tang tan ij joela. Onder de fijne bloemen kan deze zeer welig groeiende, overblijvende soort niet bepaald gerekend worden, maar onaardig zjjn do bloemen (eigenlijk bolvormige bloemaartjes) die volkomen gelijken op kleine Gomphrena {Kemhang kantjing) bloemen toch niet. Waar zij zich eenmaal genesteld lieeft, noemt zij spoedig eene groote ruimte in beslag; vooral heggen schijnen eene geliefkoosde groeiplaats te zijn en de talrijke witte knoopjes, die er dan overal uitsteken, maken inderdaad een vroolijk ettekt.
Vatica Lamponi/a. Brei:. (Dipterocarpaceae). Een Sumatraan-scho boom met dicht en donkergroen gebladerte, die van tijd tot tijd zeer rijk bloeit met eindelingsche, hangende, slappe pluimen van talrijke vrij kleine, witte, sterk doch niet onaangenaam riekende bloemen.
Vinca rosea L. //. a I ho (Apocytiaceae) Kemhang fembagu. Maagdcpahn. Er zijn twee witbloemige verscheidenheden dezer welbekende, overblijvende plant, de eene is geheel wit, terwijl do andere een karmijnrood vlekje in het midden heeft. Zoowel door zaden als door stekken gaat de voortkweeking zeer goed en op eene zonnige plaats geplant, houdt zij nooit op mot bloeien. Elke bloem afzonderlijk duurt wel niet zoo lang, maar als de eene afvalt, is er weer eene andere in de plaats, en dat gaat ook bij afgesneden stengcis verscheiden dagen achter elkaar voort. Het is eene plant van Madagaskar.
â 3ti5 â
Vittadenia triloba Hort. (Compositae). Eene overblijvende, zicli sterk uitbreidende, Nieuw-Hollandsche plant met kleine, smalle bladen en bloemhoofdjes, die in vorm en kleur zeer veel op de Hollandsche madeliefjes gelijken. De neerliggende stengeltjes drijven overal wortels,
Zephyranthus Candida Herb. (Auiarijllidaceae). üit bolge-wasje, dat in Zuid-Aiuerika thuis behoort, gelijkt zoowel dooide grasachtige bladeren als door de vrij groote bloemen op Crocus. Het mooist zijn deze bloemen met licht en donker rose gekleurde soorten gemengd in een vaasje.
(Wordt vervolgd).
J. J. Smith Jr.
EEX BOEK VOOR OPZICHTERS BIJ DE KOFF1ECULTUUE.
Onder den titel van: âWerkzaamheden op eene koffieondor-neiuingquot; heeft de Heer F. W. Morren, eono handleiding voor opzichters bij de koffiecultuur geschreven en bij de firma J. H. de Bussy het licht doen zien. In dit boek heeft de auteur getracht allo werkzaamheden, die op koffie-oudernemingen aan opzichters worden opgedragen, uitvoerig en tevens zooveel mogelijk objectief te beschrijven, waarbij, daar schnjver's ondervinding zich nagenoeg alleen tot Java bepaalt, de mededee-lingen bijna uitsluitend betrekking hebben op den toestand aldaar.
Ik geloof, dat de lieer Morren met liet schrijven van dit boek een zeer nuttig werk beeft verricht. Opzichters zullen er veel leerrijks uit kunnen putten en ook voor administrateurs bevat het nog wel een en ander, dat wellicht van de door hen gevolgde werkwijze afwijkt en aanbeveling verdient.
Maar vooral voor hem, die âiu het landelijkequot; en meer in't bijzonder âin de koffiequot; wil gaan, is bet boek van den lieer Morren van waarde. In Nederland toch heeft zulk een jong-menscb dikwerf geen flauwe voorstelling van do werkzaamheden, die hom hier wachten en van do moeiohjkheden, dio hij te overwinnen zal hebben en al spreekt het wel van zelve, dat in een zoo bij uitstek praktisch vak als de koffiecultuur, de ervaring eu het zelf-moeten-doen zeer belangrijke factoren zijn, toch zal liet doorwerken en geregeld raadplegen van dit boek voor don aanstaanden en den jongen opzichter goede vruchten afwerpen.
Een kort overzicht van don inhoud zal den lezers van dit Tijdschrift vermoedelijk niet onwelkom zijn.
Het eerste hoofdstuk behandelt de ontginning van verschil-lendo soorten van terreinen nl. oude, afgeschreven koffietuinen, oorspronkelijk bosch en alang-alangvelden en dergelijke, mot of zonder struikgewas, waarbij de daartoe noodige bewerkingen besproken worden, welke incest ook met de Javaansche namen genoemd zijn. De bruikbaarheid van het boek zou nog groo-ter zijn geweest, indien de schrijver, tevens de Soendaneesche namen, voor zooveel ze van de Javaansche verschillen, had opgenomen. Tal van raadgevingen zullen den opzichter, die ze opvolgt, voor veel onaangenaams behoeden.
In het volgende hoofdstuk komt de aanleg dor tuinen ter sprake. Hierin volt de schrijver, afwijkend van ziju objectief standpunt, een sterk veroordeelend vonnis over het planten in ruitverband. Of inderdaad de gevolgen daarvan zóó slecht zijn, dat het einde is: âgeheel te niet gaan of afschrijven van den tuinquot;, meen ik wel eenigszins te mogen betwijfelen. Verder wordt in dit hoofdstuk bij liet graven en vullen der plant-kuilen en het maken van wegen, afvoergoten en terrassen uitvoerig stilgestaan.
In hoofdstuk III en IV vindt men behartigenswaardige wenken over keuze en behandeling van het plantmateriaal, do inrichting der zaad- en kweekbeddingen en het overplanten.
Het planten der koffie met poetoraus (plantjes met aardlaiuit om de wortels) en met tjaboetans (uitgetrokken, van de aanhangende aarde bevrijde, plantjes) wordt besproken, terwijl eenige bladzijden aan de schaduwboomen gewijd worden en verder iets gezegd wordt over enten, zoogenaamde hybriden en variëteiten.
Het volgende hoofdstuk houdt den lezer bezig met de bespreking van het onderhoud dor koffietuinen, waarbij tevens het snoeien en het toppen, alsmede do bemesting behandeld worden.
âHet geldelijk belang der ondernemingen,quot; zegt schrijver, âis bij het bemestingsvraagstuk ten zeerste betrokken en het zal dus zeker geen tegenspraak ontmoeten wanneer wij zeggen, dat bemesting een der voornaamste factoren is voor het voort-
â 368 â
durend succes eener onderneming. Voor doze aangelegenheid vooral, is hot te betreuren, dat de ernstige pogingen, een tiental jaren geleden, in liet werk gesteld, om een of meer proefstations speciaal voor de koffiecultuur in het leven te roepen schipbreuk hebben geleden.quot;
Indien liet boek weinige maanden later geschreven ware, zou de Heer Morren zeker met ingenomenheid vermeld hebben, dat die pogingen eindelijk geslaagd zijn en door particulieren de voor 5 jaar noodige fondsen voor een proefstation voor de koffiecultuur ter beschikking van den Directeur van 's Lands Plantentuin gesteld zijn, zoodat do oprichting ervan nog in den loop van dit jaar tegemoet gezien kan worden.
Het 6e hoofdstuk, over de vijanden van de koffiecultuur handelend, zou zekerlijk, wat de vijanden uit de insectenwereld aangaat, vollediger geweest zjjn indien door schr. reeds opgenomen ware, wat in liet vorige jaar door Dr. Koningsberger, landbouw-zoöloog aan 's Lands Plantentuin, over dit onderworp medegedeeld werd.
In do beide volgende hoofdstukken wordt uitvoerig stilgestaan bij den pluk en do bereiding van het product. Hier zouden â trouwens deze opmerking geldt wel eenigszius voor hot geheele werk - eenige uitweidingen over Liberia-koffie, voor opzichters, die op ondernemingen waar deze koffiesoort geteeld wordt plaatsing vinden, zeker welkom geweest zijn.
Een drietal hoofdstukken over gebouwen, établissement en administratie bevatten eengroote hoeveelheid practische wenken en nuttige gegevens. Ook voor jonge administrateurs zal daaruit nog wel wat te loeren zijn.
In een aanhangsel worden do ei.schon besproken waaraan een goed opzichter moet voldoen en de kundigheden, die hij zich eigen gemaakt moet hebben. Eene opgave van maten, gewichten en munten in verschillonde landen nog in gebruik, ver-hoogcu de waarde van het boek, waarvoor vele jonge lieden den schrijver zeker dankbaar zullen zijn. v. R.
KOPAL UIT DU IT SCH OOST-AFRIKA.
Een belangrijk exportartikel vormt kopal in Duitsch Oost-Afrika. De uitvoer bedroeg volgens statistische opgaven:
In 1891 345.000 Eng. ponden tor waarde van 88.000 dollar
1892 472.000 , â 142.000 â
1893 431.000 â â â 90.000
1894 363.000 , â 77.000 â Do Oost-Afrikaansehe kopal wordt deels uit den grond gegraven,
in streken, waar de kopalboomen niet meer groeien, deels vindt men zo onder do levende kopalboomen of' zelfs daaraan hangend. Met is do uitzweetende hars van Trachylohhim Uornemanniuniiin, die zeer snel hard wordt eu lang in den grond goedblijf't. De fossile kopal is door een witte verwoeringskorst omgeven, waaronder zich zuivere kopal bevindt, waarvan do oppervlakte facetten heeft als oen s'anzevel. Do fossile kopal heeft de meeste waarde, /'90 â /' 120, in natuurlijken, ongowasschen toestand, naar de (|ualiteit; gewassehen, d.i. na verwijdering van de verwoeringskorst door alkaliën, kosten do roodachtige stukken /' 240 â /quot;270 per 100 KG-., de lichter gekleurde zelfs f 300 â f 3G0. De nieuwe kopal is veel goedkooper, do kogelvormige stukkon kosten ongezuiverd Æ 72 â-f 135; de vlakke stukken ongezuiverd Æ 60â f 120, naar de qualiteit. De Oost-Afrikaansehe kopal dient voor de bereiding van fijne oliolakken; uit de fossile kopal worden bijv. de beste rijtuig-lakken bereid; in den handel wordt ze als Zanzibar-kopal verkocht en geldt zij als de beste van allo kopal soorten.
Soms vindt men in de Zanzibar-kopal kleinere dieren, insecten, o. a. spinnen ingesmolten; er moet op Zanzibar een industrie zijn om insecten in kopal in te smolten; zulke kopalen zijn daar goedkoop te krijgen en worden elders als kostbare rariteiten duur betaald.
Do Kameroen-kopal speelt in don handel een veel ondergeschik-tor rol, daarvan werden uitgevoerd in 1892 ongeveer 1400 KQ-. en in 1893 ongeveer 3100 KG.
- 370 â
Dezo kopal heeft veel minder waarde en wordt slechts met f 33 â /quot;78 per 100 KG. betaald, al naarmate de qualiteit. Men graaft zo eveneens uit, daar ze zich in sub-fossilen toestand bevindt; ze stamt echter zonder twijfel van oen anderen, overigens tot nu toe niet met zekerheid bepaalden boom.
(v Die aas den cl. Koloniën expoiiirfen r.
I'rodnliequot; von Dr. O. W'tirhnry.)
WETENSC11 A.P EN PRAKTIJK IX DEN LANDBOUW.
Over de noodzakelijkheid, dat een goed landbouwer zoowel theoretische als praktische konnis moet hebben, schrijft tie Villiors de l'islo Adam een opstel in âGazette dos Campagnesquot;. Hij zegt, de praktijk kan men verdoelen in die van den werkman, die ploegen en spitten kan, die het vee verzorgt en alle dagelijksche bezigheden verricht en de meer intellectueelc praktijk, die al dat werk beheert. Zoo kan iemand uitnemend in staat zijn een landbouwbedrijf te dirigeeren, zonder zelf te kunnen ploegen. Dit alles is echter niet voldoende, het is voor een groot dool routine, een goed landbouwer moot in staat wezen profijt te trekken van de talrijke ontdekkingen, die door de mannen van de wetenschap gedaan zijn. Tusschen deu geleerde en den eenvoudigen prakticus moet een bemiddelaar staan, iemand die zoowel van theorie als van praktijk op de hoogte is, die de wetenschap op den landbouw kan toepassen en zulke wijzigingen aanbrengen als plaatselijke omstandigheden noodig maken. Hot is de ontwikkelde landbouwer, die onderwijs genoten heeft op landbouwscholen, en zich door boekou en tijdschriften op de hoogte houdt. De wetenschappelijke studiën hebben voor den landbouwer hot groote voordeel, dat zij hem beter leeren opmerken en leeren proeven nemen. Do studie dor biologische wotenschappon is onontbeerlijk voor hen, die planten en dieren moeten vermenigvuldigen. Als een jongmensch van de landbouwschool komt is hij nog geen landbouwer, maar hij is in hot bezit van do noodzakelijk kennis om hot spoedig te worden, hij moet eerst praktische ervaring voegen bij zijn reeds opgedane kennis, en zich vervolgens op de hoogte houden van de vorderingen der Landbouwwetenschap.
(Hevue .tcientifique No. 0. 1896). u\
Tl MX HKGULS WAAKOI' Bl.l II KT BOOMS NO KI KX GELET MOET WOUDEN.
1. Dc volkomen gezondheid van een boom hangt voor een groot deel af van do regelmatige verdeeling der sappen in zjjne takken.
2. Do volkomen gezondheid van een boom hangt ook voor een groot doel af van hot bestendig evenwicht tusschen zijne takken en wortels.
3. Do sappen trachten steeds loodrecht van do wortels naar de takken op te stijgen en zijn daarom in rechtopstaande takken in overvloed voorhanden, ten koste der overige.
4. Door hot sap ontwikkolen zich aan oen kort gosnoeiden tak loten, welko veel krachtiger groeien dan die welke aan oen langen tak voorkomen.
5. Do vochten trachten altijd do toppen der takken te bereiken, daarom ontwikkelt zich de eindknop veel krachtiger dan de zij-knoppen.
6. Neemt men een tak weg, dan komen de sappen ten goedo aan de dichstbij staande takken en twijgen.
7. De takken welke overvloedig vocht krijgen maken veel hout en dragen weinig vruchten, terwijl zij, wanneer minder vocht wordt toegevoerd, weinig hout vormen en meer vruchten dragen.
8. Hoe moer hindernissen de vochten op hun weg ontmoeten, hoe meer vruchttwijgjes en knoppen zich aan eon boom ontwikkelen.
9. Iedere tak, welko afgenepen of van een doel zijnor twijgen beroofd wordt, brengt door do vochten, die niet voor houtont wikkeling kunnen dienen, een groote menigte vruchttakken en knoppen voort.
10. Hoe meer men echter oen boom dwingt, vruchten voort te brengen, hoe moer hij wordt uitgeput. Zorgt men echter voor eene goede houtvorming en eeno regelmatige verdeeling der takken, dan nemen zijne krachten toe.
(Sempervirens Xo. 23, 1890). w.
11 KT LATENTE LKVEN DEIl ZADEN.
Over dit onderwerp deelt do lieer Jodin in het hieronder aangehaalde tijdschrift o. a., het volgende mede;
â 'M2 â
Onder do gewone omstandigheden in laboratoria en collecties, bovatton de daar bewaarde zaden 10â12 0/0 water.
Deze hoeveelheid is onvoldoende om de kieming op te wekken en aan de eerste behoeften der plant te voldoen, daar deze voor hare ontwikkeling groote hoeveelheden water noodig heeft. Maar vele geleerden schijnen te raeenen, dat zij voldoende is, om een zwakke ademhaling te onderhouden, welke karakteristiek is voor het latente leven der zaden. Dit zou een soort van vertraagd leven zijn, dat op den duur hot verlies van de kiemkracht ten gevolge zou hebben door hot verbruik van en de omzettingen in do organische stof, die deze physiologische verbranding zou teweegbrengen. De feiten schijnen echter met deze zienswijze niet in overeenstemming te zijn zooals uit hot volgende blijkt.
20 erwten wegende 3.58 gram en ongeveer 11 0 â water bevattende, worden gedurende meer dan 4^ jaar in een kleine, boven kwik geplaatste, klok bewaard. Na dien tijd hadden ze hun kiemkracht niet verloren; de lucht in de klok had hare samenstelling niet merkbaar veranderd en er was slechts een spoor koolzuurgas gevormd.
Bij een andere soortgelijke proef 'werden zaden genomen van tuinkers. Na ruim jaar bleek er eeno hoeveelheid van ü. 13 cM3 zuurstof (d. i. 0,18 mG.) per gram zaden verbruikt te zijn of 0,05 mG. per jaar.
Erwten in een buis, met kwik gevuld gebracht, bleken na 4^ jaar hun kiemkracht nog niet verloren te hebben, terwijl na ruim 10 jaar nog 20 0 â ontkiemden. Dat de kiemkracht achteruit was gegaan moot zonder twijfel daaraan toegeschreven worden, dat do zaden het natuurlijke eindo van hun latent leven bereikt hadden. Yolgeus de Vilmorin behouden grauwe erwten, onder gewone omstandigheden, hun kiemkracht niet langer dan acht jaren.
Hoe is nu dat verlies van de kiemkracht bij zaden, die aan de inwerking der zuurstof onttrokken zijn en niet van gewicht veranderen, te verklaren? Zonder twijfel aan intramoleculaire omzettingen en reacties dor eiwitstoffen.
Er blijft nu nog over te weten of het voor deze veranderingen noodig is, dat do zaden de geringe hoeveelheid van 10 â 12 0â water bevatten en of, zooals Oiglioli meent, volkomen droge zaden hun kiemkracht onbeperkt lang zouden bewaren.
Armand Gauticr merkt naar aanleiding van het boven aangehaal-
â 373 â
tie op, dat hij reeds vier jaren geleden soortgelijke boscliouwingen gaf en dat ook hij van meening is, dat het verlies der kiemkraeht van zaden een gevolg is van een toestand van chemische spanning, waarin de bestanddeelen verkeeren en die zich langzamerhand verandert.
(Compt. rend, de VAcad. d. Science*,
CXX1I p. 1349). r.
DE BLOEMENWEELDE DER l!)c EEUW.
De weelde van bloemen heeft in do groote Amerikaansche steden een ongekende hoogte bereikt, zooais men zelfs to Londen en te Parijs niet kont. Zoo werden onlangs bjj hot huwelijk van eone rijke erfdochter te New-York, niet minder dan 17.000 a 18.000 dollars aan ruikers en versieringen van bloemen besteed. Do boste zaken worden met nieuwjaar en in den Carnavalstijd gemaakt.
De minste prijs voor oon handruiker is 15 dollars, terwijl die van 100 dollars en meer volstrekt niet tot de zeldzaamheden be-hooren. Voor een tamelijk mooie tafelversiering worden 500 a 600 dollars betaald. Een rozenknop kost 's winters 3 a 4 dollars, een dozijn viooltjes, reseda, heliotroop enz. betalen de kleinhandelaars met 1 a 2 dollars. Groote zaken werden dit jaar gemaakt met z. g. Meibloemen of Lelietjes der dalen, Convallaria majalis, die zeer gezocht zijn. Een bloemist buiten New-York zond op één dag 10.000 bloeiende stengels van de Lelietjes van dalen naar de stad, waar zij togen 30 ct., van onze munt, het stuk betaald werden en dus het aanzienlijke bedrag van 3000 gulden opbrachten. Een ander bloomkweekor buiten New-York heeft dit jaar 80,000 van die bloemstengels verkocht.
Men kan zich uit deze cijfers eenigszins voorstellen, welk oen omvang de tuinen buiten New-York gokregon hebben; mon berekent, dat alleen in den omtrok van genoemde stad de gezamenlijke tuinen en kassen een waarde van 30 millioen dollars vertegenwoordigen.
{Sempervirens No. 24, 1896 ) w,
OVER CA.NNA-ZAAD.
Do hoer C. Sprenger, chef van de firma Damman amp; Co. te Napels, deelt het volgende uit zijne ervaring omtrent Canna-zaad mede.
Do kiemkraeht van Canna edulis en ook van Canna indica duurt 30 jaren, wanneer men de zaden in het vruchtomhulsel
VII. 27
â 374
stofvrij on droog bewaart. Moii hooft do zndeii viin Camui s, n.1. van gedroogde planten, in hun vaderland verzameld en in een herbarium bewaard, nog na 30 jaar zion kiemen. Canna-zaad van aliorloi hybriden kiemden bij mij nog na 15 jaar, hoewel in don aanvang wat ongelijk en onregelmatig, zij kiemden toch, voor zoover ze glad waren, korrel voor korrel. De zaden waren volkomen rijp geplukt.
Toch overkomt hot don kweeker en den handelaar niet zelden dat hij moet hoeren: van deze zaden kiemde geen korrel. Zulks toont aan de cono zijde onwetendheid aan over de kiemkraeht van het zaad en aan don anderen kant ooiie onbekendheid met do behandeling dor hardschalige zaden, die men tegenwoordig niet zoude verwachten.
Do zaden van al de Ca nna's zijn hardschalig of liever hardvleezig,
want oen eigenlijke schaal, gelijk men die bij do Leguminosen vindt, bezitten deze zaden niet.
Do zaden zijn geelachtig wit of melkwit van binnen en zwart van buiten, glanzend ol zwartbruin. In het midden zit de kleine, zwak ontwikkelde kiem, die oen verbazend taaie levenskracht bezit. Hot schijnt niet zoozeer do hardheid van het zaad te zijn, waardoor het zoo hardnekkig weigeren kan te kiomen, maar veel meer de vettige substantie waarmode de oppervlakte omhuld is en die aan hot indringen van vocht krachtig weerstand biedt. Opvallend harde zaden brengen byna allo Scitamineeën voort. Zoo
ook Musa, welker zaden echter trots hunne hardheid spoedig kiemen. Zeer harde en ongoregolmatig kiemende zaden brengen ook de Maranta's voort cn bijzonder harde do Heliconin^. Evenzoo kiemen Havenala en Strelitzia mooiolijk.
Om allo Canna-zaden snel en zoo gelijkmatig mogelijk te doen kiemen is er maar één middel en dat is aanvijlen. Deze arbeid is niet moeieljjk en kan, indien men wat handig is, snol geschieden, liet moet echter met zoor veel zorg gedaan worden. Men neemt de rondo korrels tusschon duim en vinger en wol zoo dat zjj niet bjj aanraking met de vijl wegrollen, en vijlt er een paal maal HinK overheen, liefst niet tot op het witte vlecsch; door dit te wonden kan iiieu alios bederven. Er moet niots dan de buitenste vette omhulling doorbroken worden.
Het is hier zaak, den juisten middenweg te kiezen, vijlt men te diep, dan loopt men gevaar, flat do zaden in den grond verrotten zonder to kiemen. Het water en de warmte doen dan de vooiia-
diyo Toedingsmassa zoo snol vergaan, dat do kiem goen tijd hooft die o)) te neraon en te grondo moet gaau.
Daar do meosto Canna's oover- of moorasplanton zijn, schijnt do natuur aan liet dikwijls op don natten grond of in hot water vallend zaad do olio to hebben modegegeveii, opilat de kieming niet te spoedig plaats zal hebben.
Canna-zaden kunnen 14 dagen in hot water blijven zonder op te zwellen, wanneor mon zo er daarna uitneemt is er niet het minste aan het zaad veranderd, do moeste andere zaden nemon zulk een bad ernstiger op en neemt men zo niet spoedig uit het water, dan springen z[j van ergonis uit hunne huid.
Heeft men kostbare Canna-zaden en vertrouwt men het aanvijlen niet, dan kan men ze gerust ook zonder dat in luchtige zandige aarde uitzaaien. Zijn zij versch, dan znllen zij, wol is waar soms vrij lang na elkaar, toch allen kiemen. Zij kiemen, wanneer zij oud zijn, minder vlug en de jonge planton groeien ook minder snel, overigens is or geen onderscheid.
Vijlt mon ze echter aan volgens hot bovon aangegeven voorschrift, dan kiemen zo reeds na vijf dagen, in 14 dagen heeft men dan reeds aardige jonge plantjes. Willen gezaaide Canna-zaden niet kiemen, dan noemt mon zo uit do aarde, vijlt ze even aan en legt ze weer in versehe aarde, in weinige dagen zullen ze dan ontkiemen.
(Het Nederlandsch Tuinbouwblad, No. 23, 1896.) w.
IETS OVER HET FERMENTEEREN V.\N CACAO VOOR K L El NE ON D E RN EM ING EN.
Ben voornaam punt waarop diont gelet te worden, is dc juiste graad van rijpte der eacao-vruehten, men kan zulks bjj eenige ervaring aan dc kleur zieu; ids met hot plukken gewacht wordt, tot men bij schudden het rammelen «lor pitten kan hooron, dan zijn zij overrijp. Bij onrijpe vruchten is do toestand van dien aard, dat de slijmerige massa die do zaden omringt niet gemakkelijk fermenteert, evenmin is zulks het geval bjj overrijpe vruchten. Een gewoon meelvat kan voor hot doel gebruikt worden, indien men in den bodem een dozijn gaten, van oen halven duim diameter, boort en dezen met een laag van lü dm. pisangbladoren bedekt, met hetzelfde materiaal moeten de wanden van hot vat
- 376 â
bekleed worden. Na deze voorbereidende maatregelen kunnen de cacao-vruehten geopend en do pitten in het vat gedaan' worden, deze worden weer met pisangbladeren bedekt. Hot vat kan dan twee dagen met rust gelaten worden, men neemt er dan '/3 van de pitten uit, roert dezo goed om en noemt er vervolgens de rest ook uit, de lagen worden echter afzonderlijk gehouden, daar zij, nadat de pisangbladeren ververscht zijn, weer in het vat gedaan worden en wel in dier voege, dat men do pitten, die onder in het vat lagen nu bovenop brengt 011 omgokoerd moeten do bovenste onder in het vat. Na weer twee dagen gefermenteerd te hebben, waarna op dezelfde wijze gehandeld wordt als boven aangegeven is, neemt men tie pitten er uit en waseht zo flink. Deze bewerking moet 's morgens in de vroegte geschieden, omdat den eersten dag van hot drogen zooveel mogelijk van de zon geprofiteerd moet worden, daar de pitten anders gemakkelijk beschimmelen. Het oogenblikkelijke wasschen der pitten, nadat zjj uit hot vat komen, verhoogt de kwaliteit.
De pitten van 1000 stuks middelmatige vruchten zijn gewoonlijk voldoende om het vat te vullen. Wanneer er veel meer pitten tegelijk in één vat gedaan worden, fermentoeron zij te sterk en worden zij zwart. Indien oen kleinere hoeveelheid in het vat gedaan wordt, b.v. de pitten van 700 vruchten, kan de fermentatie bevorderd worden, door er wat meer pisangbladeren op te loggen en die te belasten met oen gewicht, liefst niet zwaarder dan 28 pond.
Bij hot drogen is hot minder wenschelijk de pitten aan te grooto hitte bloot te stellen, als het genoog droogt zoude het binnenhalen der pitten tegen negen uur on ze dan na drieën eerst weer in de zon te brengen, zijn aan te radon; in stroken waar, eu ineen tijd van 't jaar als, het veel regent 011 de lucht vol waterdamp is, kan men echter niet altijd zoo handelen, maar moet men van iedere gelegenheid om te drogen gebruik maken. Ook zij, die hunne pitten op andore wijze dan in de zon drogen, hoeden zich voor te grooto hitte.
Bij het oogsten make men gebruik van een scherp mes, omdat bij het losdraaien dor vruchten van don stam, zooals het dikwijls geschiedt, men het deel van den stam of tak waaraan de vruchten zitten gemakkelijk beschadigt 011 er zich dan op dezelfde plaats geen bloesom meer kan ontwikkelen; doze beschadiging kan voorkomen worden, door het afsnijden der vruchten mot een scherp mes.
(Trop. Agriculturist 1896.) r. w.
â 377 â
11KT BENUTTEN VAN VEliSCll ILLENUE BODEM-BACTEEIÃN VOOR DEN LANDBOUW.
Uit onderwerp is in Jeu laatsten tijd door Hollriegel, Saalf'cld on Nobbe nauwkeurig bestudeerd. Met een der bacteriën, welke voor de ontwikkeling van Loguminosen noodig zijn, zijn do proeven zoo bevredigend uitgevallen, dat Nobbo zo in het groot laat aankwoeken door de âHöchstor Earbwerko'' en deze zullen do Loguminosen-bacteriën-reinculturen weldra in don handel brengen. Door de uitzaaiing daarvan zul men nu veel goodkooper hot land geschikt maken voor leguminosen-cultuur (ongeveer /' 6.ââ per H. A.), dan door hot indertijd beproefde inenten niet daarvoor go-schikte aarde. Zoo blijken mocht, dat de methode steekhoudend is, dan zal zij natuurlijk voor velerlei uitbreiding vatbaar zijn, bijv. voor de aankweeking van bacteriën, die een rol spelen bij de stikstof-verwerking, hetzij om deze voedigsstof gemakkelijk te doen opno-nien uit den bodem of uit do lucht.
{Centra Iblatt für Xuckerindustrie 1896) r.
door Arch. v. d. Juva-Smkerindustrie, 15 Juli 1896).
EEN ZW AYELKOOLSTOF-V ORMEN DE CU AM WGNÃN.
Een Schizophylliiin-Hoort komt op Java zeer verspreid voor. Dr. Went, van wien do ondervolgende mededeelingen afkomstig zijn, vond deze zoowel in West- nis in Oost-Java, in de vlakte en in het gebergte zelfs tot op een hoogte van 2500 M. In de vlakte komt zij veel op doode bamboe-stengels en ook op dood suikerriet voor. Waarschijnlijk is zij dezelfde, die door den Houtvester der 2°klasse S. H. Koorders aan prof. Brefeld in Miinster gezonden werd, dio haar den naam Schizophyllmn lolatum gaf.
Bij de cultuur ervan op suikerriet in glasdoozen viel Dr. Went een aan zwavelkoolstof herinnerende reuk op. Deze werd ook waargenomen bij âreinculturenquot; op suikerpeptonagar. Het voortgezet onderzoek leerde, dat werkelijk zwavelkoolstof gevormd was, waarvan de hoeveelheid bij verschillende proeven nogal uiteenliep. Wellicht staat de zwavelkoolstof-vorming in verband met do aanwezigheid van eigonnardigo op het mycelium voorkomende âklierenquot; en zal de zwavelkoolstof als een excretie-product bij de stofwisseling beschouwd moeten worden.
â 878 â
Do champignon kan ook bij afwezigheitl van zuurstof lovon on vormt dan evcnoous zwavelkoolstof. Uit welke zwavolvor-bimling (lo/e stof gevormd wordt, kon nog niet mot zekerheid uitgemaakt worden.
Bovendien geeft deze Schizophyllum een stof met skatolachtigen reuk on alkohol, waarsehijulijk aethylalkohol. Uo laatste stof treedt onder haar invloed in suikerhoudende vloeistoifen bij afwezigheid van lucht in sterkere mate op.
{Her. d. deutschen Bot. Gesellsch. XIV, S. 1 58).
WIJNBOUW IN NOOHU-CHINA..
Keu Chineescho firma zal in Noord-Chiua oen groot etablissoinent stichten om daar wijn to bereiden. De wijnbouw wordt iu die streken wel reeds sedert lang uitgeoefend, maar alleen om tafeldruiven to produceeron. Reeds in 1893 werden proeven genomen om wijn en zelfs champagne uit die druiven te bereiden, en die prooven zijn sedert met zoo gunstigen uitslag bekroond, dat do bedoelde firma aan do Chinoesche Ue^eoring hot monopolie verzocht hoeft van do levering van wijn uit druiven. Thans verneemt men, dat dit mono-polio haar verleend is en dat op voorstel van don Oostonrijkscheu Consul to Singapore door het Oostenrijksehe Handels-museum eou vakman gevonden is iu baron Max von Babo, die op hot gebied der oonologic en pomologie een goeden naam heeft on nu eerstdaags naar China vertrekt om do technische leiding van don wijn bouw in Noord-China op zich te nomen.
Do qualiteit der daar grooioiido druiven moot uitstekend zijn.
{De Nijverheid 1806, Nquot;. 2fi). gt;'â
KORTE BERICHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN
rrTO AiVN'DE VAX DEN DlltH CTHL'R DKIl IMUCHTINO.
KOFFIESCIIILLEN ALS MEST IN KOFFIETUINEN.
Het streven van elk good landbouwer, en niet minder van den koffieplanter, moet zijn de door hom bebouwde gronden voort du-rond in don bost mogelijken cultuiirtoestaud te bondon, opdat de opbrengsten van zijn land zoo regoimatig en zoo groot inogoljjk blijven. quot;Waar jaarlijks aan den grond, door don oogst, grootero of'kleinere boevoollieden anorganische voedingsstoffen onttrokken worden, zal, na korter of' langer tijd, het oogenblik aanbreken, dat de daarop gecultiveerde planten aan een of ander bestanddeel gebrek krijgen. Juist bij veeljarige gewassen, waar men tie voordooien van wisselbouw mist, moot mon op deze eventualiteit bedacht zijn. Wat do organische bestanddeelon betreft, afgescheiden van do vraag of die direct door de plant geassimileerd kunnen worden nadat ze in humus zijn overgegaan, zal er door den invloed van klimatologische omstandigheden verlies plaats bobben. Dit kan echter voor een groot dool â en soms zelfs gehool â gedekt worden door de humusvorming uit de afgevalion blaren en hot snoeisel van den aanplant en de schaduwboomen, alsmede van het neergeslagen of uitgetrokken onkruid.
Alle deze stoffou geven tevens op don koop toe een kostelooze bemesting mot anorganisch voedsel, dat zij, voor eon dool althans, uit diepere grondlagen getrokken hebben en gemakkelijk bereikbaar maken voor do minder diepgaande wortels dor hoornen uit don aanplant.
Toch zal lt;le balans op den duur een nadeclig saldo kunnen aanwijzen on om dit te voorkomen, zal de planter tot bemesting moeten overgaan. Hot oogenblik, waarop mon most zal moeten Loopen, zal men natuurlijk zoolang mogelijk trachten te verschuiven en er zal omgozion worden naar meststoffen, die men zich gemakkelijk eu mot de minste kosten kan versohaffen. Gaat men eindeljjk tot
â 380 -
hot koopeu van mest OYer, tlau zal eerst de kouze vallen op natuurlijken mest en pas als men deze niet of tegen te hoogen prijs kan maehtig worden, zal men zijn toevlucht nomon tot kunstmest, dio natuurlijk niet zorg zoodanig gekozen moet worden, dat men geen noodelooze uitgaven doet voor bestanddeelen, die in den te berncs-ten grond nog in voldoende hoeveelheden aanwezig zijn. Ook zal bovendien eerst uitgemaakt moeten worden in welken vorm do voedingsstoffen op den duur het meest geschikt zijn voor de aangeplante gewassen. Bij veeljarige gewassen vooral, zijn dezo vraagstukken niet zoo gemakkelijk en spoedig op to lossen.
Het heeft bij vorschillonde gelegenheden mijn aandacht getrokken, dat men bij de koffiecultuur er niet overal voldoende acht op geeft, om het verlies, dat de grond door het weghalen van den oogst lijdt, zoo gering mogelijk te doen zijn en dat men dikwijls materiaal verloren laat gaan, dat inderdaad, uit een bemestingsoogpunt, vrij wat waarde hoeft. Nu bob ik moer in het bijzonder de onverschilligheid op 't oog waarmede door velen mot de koffie-schillon wordt omgesprongen.
Daar ik er, eenigon tijd geleden, de anorganische bestandeelon van bepaalde, verricht ik waarschijnlijk een nuttig werk hier do uitkomsten van hot onderzoek mede te doelen en de conclusies, die men er uit kan trekken.
Weegt men (in den Oostmoesson) Liboria-kof'fioschillen (1) in ver-schen toestand, dan blijkt het gemiddeld gewicht van de schil per bes 3.3 gram tc zijn; droogt men ze op 100° C. dan wegen zo nog slechts gemiddeld 0.75 gram. Hot watergohaltc bedraagt dus ongeveer 77 0â.
Verbrandt men de droge schillen, dan houdt men 7.3o/0 aan zoogenaamde âruwe aschquot; over.
Deze bevatte 23.2quot;; â koolzuurgas en 1 0/H onverbrande kool -f-zand, zoodat men voor het gohalte aan âreinaschequot; vindt: 5.5° â.
Ueze laatste bevat:
Kiezolzuur........0.9 0â
Zwavelzuur........5.9
Phosphorzuur.......5.3
(1) De onderzochte schillen waren afkomstig uit den Cultuurtuin. Leeftijd der hoornen, zeehoogte der groeiplaats, klimaat, en aard van den grond zijn allen factoren, die op het gewicht, en waarschijnlijk ook op do samenstelling van de asch, der schillen van eenigen invloed kunnen zijn. Het betoog blijft echter evengoed van kracht.
â 381 â
Chloor.........3.3
IJzeroxyde -1- aluinaarde ... 0.7
Mangaanoxyde.......0.1
Kalk..........12.7
Magnesia........3.4
Natron.........0.4
Kali..........67.7
|
100.4 quot; â | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Kalk..........0.4 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
â 382 â
Magnesia........0.45 K.G.
Natron.........0.03
Kali..........1.89.
terwijl het gehalte aan stikstof 2.33° 0 bedraagt. Neeml mon nu, wat niet ver van de waarheid is, het gemiildeld gewicht van een volkomen droge Liberia-koftiebes op 1.5 Gr., dan bestaat deze uit 38° 0 koffie 16° 0 hoornscliil
40° 0 vruchtsehil.
De lioornsehil is zeer arm aan asch en de/e is bovendien niet rijk aan voor de plant gewichtige voediugsstott'en, (100 KG. dezer schillen bevatten slechts 0.04 K.G. phorphoszuur, 0.37 K G. kalk en 0.16 KG. kali), zoodat we die bij dezo beschouwingen buiten rekening kunnen lateu. Toch doet men natuurlijk goed ook deze in do tuinen terug te brengen. Op elke K'O K.G. Liberia-koffie, die men oogst, ontneemt men, in do vruchtschillen, bovoiidieu aan den grond hoeveelheden van de ondorvolgendc, voor de plant belang-rjjke, bestanddeelen, als aanwezig zijn in hot daarachter geplaatste aantal i iloyrammen koffie :
Phosphorzuur.......70.
Stikstof'.........64.
Kali..........240
Kalk..........230
Magnesia........ 50
Zwavelzuur........ 240.
Dezo getallen zijn zóó sprekend, dat ze geen verdere toelichting behoeven.
Sommigen beweren, dat de koffieschillen, in den grond gebracht, niet verrotten, andereu vinden hot bewaren ervan bezwaarlijk om den ongenamen reuk, dien zij gaan verspreiden. Daargelaten nog, dat in den grond, al mocht de verrotting slechts langzaam plaats vinden, oen groot deel der anorganische bestanddeelen in oplossing gaat, kan men aan beide bovengenoemde bozwaren te gemoet komen door de schillen met andere plantaardige en ook dierlijke afval tot compost te bereiden, die, behalve door de minerale bestanddeelen, ook door de organische, humusvormonde, een zeer gunstigen invloed op den grond uitoefent.
Het hierboven voor Liboria-koffie gezegde geldt, behoudens enkele wijzigingen in de verhoudingen der bestanddeelen, ook iu hoofdzaak
â 383 â
voor Coftea arahica. Van doppen van in hot Tenggor-goborgte gegroeide Java-koffio bestaat o. a. oene analyse van Hekmeyer, ') welke aantoont, dat ook daarin zcer voel kali (S.Q'/g) voorkomt, terwijl eonigen tijd geloden door Dafort 1) scliilloii van Braziliaan.sche koffie geanalyseerd werden, waarvan do asch voor 54.460/o uit kali bestond. Volgons dozen chemicus bedraagt het gewicht van de lucht-droge schil 42.83° 0 van dat der vruchten, is dus geringer dan bij Liberia-koffie. 01' deze verhouding bij onze Java-koffie dezelfde is heb ik niet bepaald.
üc ('hef der lil' Afdeelini/, 1'. van Komhurqu.
Beschikbare zaden van nuttige gewassen.
Acrocarpus fraxinifolius Arn. Madang pari.
Albizzia Lobbek Bth. Kitoke.
â molueeana Miq. Djeungdjing laucl.
â stipulata Bth. Scngon.
Andropogon nardus. Sereh irant/i.
Caesalpinia coriaria Wilid. Divi-divi.
â dasyrachis Miq. Petah-petah.
Calophyllum Inophylliim L. Ajamplonc/.
Calosanthos indica BI. l'ompohran,
Canarium commune L. Kanari.
Cassia florida Vahl. Djoear.
â fistula L. Tanggoeli.
â javanica L. IJoengboengdelan.
Cedrela sernilata Miq. Snerian.
Corchorus eapsularis L. Gneni, Jnh'.
Elaeis guineensis L. Oliepalm.
Elaeocarpus angustifolius BI. Djanitri.
Eriodendon anfractuosum DC. Kapot'.
Erythroxylon Coca Lam. Coca,
Euohlaena luxurians Dnr, Teosinte.
Eourcroya sp. Mauritins-hénnep. (Bolletjes).
Helianthus annnus L. Zonnebloem.
1
Landw. Jahrb. XXIJl (1891) S. 34.
â 384 â
Hymenaea Courbaril L.
Imligofera galegoides DC. Taroem oetan.
Intsia amboinensis ïhouars. Marahoh.
Lagerstroomia Uoginao Rxb. Boengoer.
Macrotropis sumatrana Miq. Koepany.
Mauiliot Glaziovii Miill. Arg. Cereara-rnhhcr.
Melia Candolloi A. Juss, Groote mindi.
Molia Azedarach L. Mindi.
Myristica fragrans Houtt. 1'alu.
Myroxylon peruiferum L. Penilalsem.
Pahudia javanica Mi([. Kidjoelanq.
Parkia africana R. Br. Feundeuj.
Pithecolobium Saman Bth. Regenboom.
Ptorocarpus saxatilis Rmph. Lengoa ha toe.
Sapindus saponaria L.
Schizolobium oxcelsuin Vog.
Sindora sumatrana Miq. Sindov.
Spathodea campanulata Beauv.
Styrax Benzoin Dryand Minjan.
Taniariudns indica L. Asem.
Tectona grandis L. f. Djati.
Terminalia Catappa L. Katapang.
, sumatrana Miq.
Thoa assamica (Hybr. Ceylon) Thee.
â cliinensis Sims. Thee.
Thoobroma bicolor H. et 15. (in kleine hoeveelheden).
ij Cacao L. n v v
Verschillende variëteiten van:
Sesamum indicum DC. Widjen.
Sorghum vulgaro L. (randroeng.
Van Zea Mays L. {Djagoeng) zijn cenigen tijd geleden uit Amerika een aantal variëteiten ontvangen, die in den Cultuurtuin uitgezaaid werden en waarvan nu kleine hoeveelheden verstrekt kunnen worden.
Aan allo aanvragen wordt, zoodra het gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat hot overbodig is bij niet spoedige ontvangst op toezending aan te dringen.
Bi itenzorq, Juli 189G.
DE WORTELS IN HET HUISHOUDEN DER PLANT.
In het dagebjksch leven hoeft mon zoo do gewoonte, alios wat van een boom of plant oniler den grond verborgen is, niet den naam van wortel te bestempelen. Onder dit algemeen begrip schuilt echter menig plantenorgaan, dat eigenlijk niets mot een wortel, in zuiver botanische beteekenis heeft te maken. Er zijn echter eenige gegevens, welke reeds bij oppervlakkige beschouwing ons op den weg kunnen helpen.
In de eerste plaats vinden wij bij een echten wortel nimmer bladeren. Treffen wij bjj een onderaardsch plantendeel eenig bladorgaan aan, hoe veranderd het ook moge zijn en hoe onschijnbaar dikwerf ook, dan is dit reeds voldoende om met alle zekerheid te zeggen, dat het geen wortel is, hetgeen wij voor ons hebben. 1)
Vorder draagt de wortel aan zjjn top liet zoogenaamde wortelmutsje, bestaande uit een laag cellen welke aan het groeipunt worden gevormd en het groeiende uiteinde omgeven. Wanneer de wortel, bjj hot voortdringen in den bodem, zich schaaft langs scherpe aarddeeltjes, dan wordt slechts het wortelmutsje beschadigd, de weeke cellen, welke het groeipunt vormen, blijven op deze wijze ongedeerd.
Bij enkele waterplanten, waar do wortels vrij in het water neerhangen, ontbreekt dit wortolmutsje, evenzoo bij enkele orcbidëen op de boomen groeiende, waar de wortels in de lucht hangen. In beide gevallen is eon bescherming van hot groeipunt geheel overbodig, water noch lucht kunnen do weefsels beschadigen.
i) L)o weinige uitzonderingen op dezen algomeenen regel doen liij lt;l(gt; liier gevolgde wijze van beliandeling van ons onderwerp niet ter zake af.
VII 28
â 386 â
Allo luchtwortels zouden dus liet wortolmutsjo kunnen ontberen. Menigeen zal echter bij de wortels, welke van de takken eeuer waringin afhangen, een bruin vliesjo opgemerkt bobben, dat den worteltop omgeeft en liet wortelmutsje is.
Daar ook deze wortels vrij in do luclit bangon, zoude het ons hier vrijwel overbodig kunnen toescliijnon, later moeten echter deze luchtwortels in den grond dringen en dan kan het wortelmutsje zijn dienst doen.
Trekken wij een plantje, dat in lossen grond groeide, voorzichtig uit en spoelen bet wortelnet schoon van de aanhangende aarde, dan vinden wij het nog ongekleurde jongste wortelgedeelte, mot oen aantal fijne haren bozct, de wortolharon.
Verder zal oen ware wortel slechts zij wortels voortbrengen, nimmer andere organen, zooals b.v. de stam, takken, bladeren en bloemen draagt.
Laten wij dus de anatomische kenmerken en physiologische eigenschappen voorshands rusten, dan zjjn do echte wortels steeds te herkennen door:
het bezit van een wortelmutsje, van wortelbaren en de vorming van zij-organen van gelijke morphologische waarde.
Niet alleen wortels, welke onder den grond voorkomen, ook luchtwortels, klim of hechtwortels, allen stemmen in deze eigenschappen overeen, zoo het ware wortels zjjn.
liet kenmerk van wortels, dat zij slechts onder den grond zouden voorkomen, is vrij relatief. Nagenoeg allo boven-aardsebe deelen van oen plant zijn in staat wortels voort te brengen. Uit den stam en takken is het een alledaagsch verschijnsel voor ons hier onder de tropen; dat zij uit hot blad ontstaan komt nu wel niet zoo algemeen voor, maar toch is hot een ieder bekend op welke wijze o.a. begonia's worden voortgeplant.
Ook bij sempervivum vinden wij een voorbeeld van wortels, welke aan een blad hun ontstaan danken.
quot;Wij weten dus nu wat wij onder wortels te verstaan hebben en zullen dus een aardappel niet tot de wortels rekenen, in de zoogen. oogen toch zijn kleine schubjes van bladachtige natuur.
â 387 â
Wanneer wij oen plant uit den groml nomen wier wortelstelsel nog niet te veel verward is, dus b.v. een forscb ontwikkelde kiomplant, dan vinden wij daaraan, ten eerste een hoofdwortel welke lang gestrekt, zicli recht naar beneden een weg baant in den bodem. Daarvan uit gaan min of meer regelmatig geplaatste vertakkingen, welke de zij-wortels vormen.
Uit den aanleg dien wij, bij het doorsnijden van een zaadkorrel, bij do kiem vinden, ontwikkelde zich het kiemwortcltje. Pas te voorschijn gekomen, vertoont dit reeds de neiging om steeds naar beneden te groeien.
Deze eigenschap, een gevolg der (positieve) geotropie van den wortel, is van het grootste belang voor het jeugdige plantje. Daardoor toch wordt het gedwongen zich in don grond te boren, de wortelharen bevestigen het dan aan aarddeeltjes enz.
Deze (positieve) geotropie blijft de wortel, ook bjj zijn ontwikkeling tot lioofd-of pon wortel, verder behouden. Do zij wortels daarentegen verspreiden zich in min ol meer horizontale richting.
Door liet wortelstelsel wordt dus een gedeelte van den aardbodem doorwoeld, dat, konden wij liet in zijn geheel, als een kluit optillen, een kegelvormige pyramide zoude vormen, met het uiteinde van den hoofdwortel als top, en de sterkst ontwikkelde oudste zij-wortels als basis
Tevens zouden wij dan zien, dat do verdoeling en de opvolgende vertakking der zij-wortels van dien aard is, dat zooveel mogelijk elk gedeelte dezer pyramide, van grover of fijner wortels is voorzien.
Dit is echter slechts theorie, in werkelijkheid vinden wij zelden zulk oen regelmatig vertakt wortelstelsel. Menige wortel wordt gedwongen van zjjn theoretischen gang af te wijken; gekromd en verbogen, zijn hoofdwortels en zij-wortels dooréén gegroeid en is er van regelmaat niet veel meer te bespeuren.
Ten slotte houdt de hoofdwortel op met groeien en ontwikkelen zich slechts do zij-wortols verder. Terloops zij opgemerkt dat bij do één-zaadlobbige planten de hoofdwortel reeds zeer spoedig verschrompelt, terwijl bij do twee-zaadlobbige gewassen meest een mechanische stoornis, harde ondergrond, water, rots enz.
â 388 â
paal on perk stellen aun het verdere voortdringen van den hoofdwortel in den bodem. Eveneens kunnen zij-wortels een mechanische stoornis tegenkomen en daardoor gedwongen zijn, zich in velerhand bochten te wringen.
Komen wij echter nog even terug op de geotropische eigenschap van den hoofdwortel; wellicht zoude men meenen, dat het slechts de zwaartekracht is, welke hier in het spel was. Men zoude slechts behoeven te wijzen op de zij-wortels, welke zich in loodrechte richting op deze kracht ontwikkelen, om op liet zwakke van zulk eene verklaring de aandacht te vestigen.
Langs zuiver experimenteelen weg leverde men echter het bewijs, dat een eigen kracht (geen zwaartekracht alleen) den hoofdwortel naar beneden zich deed richten.
Kwikzilver is zwaarder dan een kiemwortel, legt men b. v. een gekiemde boon iu een glas gevuld met kwikzilver, dan blijft de boon daarop drijven. Bevestigt men nu het oudere gedeelte van den kiemwortel dusdanig, dat alleen het jongst groeiende deel vrij is in zijn bewegingen, dan zien wij dit onder vrij rechten hoek in het kwik indringen.
Eigen gewicht (zwaarte-kracht) was hiertoe niet voldoende, het is de positieve geotropie welke hier aan de wortelspits de noodigo kracht verleende.
Ook in het dagchjksch leven wordt dikwerf teu nadeele van onze sierplanten, door menigen een proef genomen over deze positieve geotropie. Bij menige potplant, welke een sterk groeienden hoofdwortel bezit, vindt men, wanneer de plant gaat kwijnen en de pot wordt verwijderd, den wortel in een spiraal op den bodem der bloempot opgerold.
De bovengemelde kracht deed eerst de wortel zich rechtstandig naar beneden ontwikkelen, eindelijk stootte de worteltop op den bodem der pot en moest, verder groeiende, zijdelings zijn weg zoeken.
Deze horizontale groei, tegen wil en dank, werd echter weldra weder gestuit door den zijwand der pot. Als een gevangene, een uitweg zoekende, kroop nu de wortel langs den zijwand verder, vormde eerst één omgang van een spiraal, weldra door meer-
â 389 â
doren gevolgd. Men moot ontwillekcurig raedelijdon krijgen, wannoer men zulk oon wortol ziot, welke ulle mooito deed om mot geduld zich togen het noodlot te verzetten en te ontkomen uit de nauwe steenon gevangenis.
Hoe groot deze geotropische kracht kan zijn, blijkt, wanneer de hoofd wortel, op den bodem eoner bloempot stuitend en daarover voortkruipend, langzamerhand de gelieele plant, met aardkluiten al, oen eindweegs boven de pot uitdringt.
Zeer verkeerd is het dan, met geweld do plant met de aarde, weder in de pot terug te persen. Meest toch wordt hierbij de wortel gebroken en geeft dit licht aanleiding tot verrotting.
Het best is voorzeker aan potplanten zooveel mogelijk de gelegenheid to geven op normale wijze hun wortelnet te ontwikkelen. Daarom gebruike men ruime bloempotten, geëvenredigd aan de grootte en de ontwikkeling der planten. Men lotto er op de planten zoo zuiver mogelijk in liet midden der pot te plaatsen.
Op. het gewicht dezer schijnbare kleinigheid werd reeds ter andere plaatse (1) met nadruk gewezen.
Men heeft echter getracht in de kweekerjjen praktijk en natuur te vereenigen, daar het gebruik van groote potten dikwerf omslachtig zoude zjjn. Bij planten welke in verhouding tot hun zij wortels een langen pen wortel trachten te vormen, wordt deze namelijk bij het spenen of repikeeren afgeknipt en daardoor de ontwikkeling in de diepte van het wortelnet tegengegaan. Tevens wordt door dezen maatregel die in de breedte door de zij wortels, zooveel mogelijk opgewekt. De wond welke op deze wijze ontstaat, kan weieens tot verrotting aanleiding geven, maar is meestal zoo gering, dat zjj zich spoedig sluit.
Nu wjj hier toch do inwendige eigenschappen, wanneer wij het zoo mogen noemen, der wortels behandelen, kunnen wij met een enkel woord, de lichtschuwlieid der wortels aanstippen.
Kweekt men b. v. kiemplanten buiten den grond in een vochtige ruimte, welke geheel donker gemaakt is en laat men door een spleet een lichtbundel binnenvallen, dan zal zich het
(1) Teysm. Jrg. 6. pag. 'J9i
â 300 â
worteltje net zoo lang krommen tot het weder in het duister is.
Do gevoeligheid voor vocht is te bekend, dan dat ik iiier verder op boliocf te wijzen. Evenals door water, zoo worden do wortels nog door enkele andere stoften aangetrokken ot afgestooten en bezitten zij de eigenschap op zoogen. chemische prikkels te reageeren. Dat zulks van groot belang is, waar in den bodem zoo verschillende stoffen voorhanden zijn, of' door bemesting worden ingebracht, behoeft geen nader betoog.
Komen wij nu nog even terug op den vorm van het wortelstelsel, wij onderscheidden dus hoofd- en zij-wortels. Deze wortels hebben zoowel een mechanische als een physiolo-gische rol te vervullen. Zij moeten dienst doen om do plant stevig in den bodem te bevestigen en tevensom het noodige voedsel uit den bodem aan de bovenaar dsche organen toe te voeren.
Men hoort wel eens beweren, dat een plant met haar wortels even diep gaat als haar kruin hoog is, ja, nog onlangs stond in een veel verspreid tijdschrift te lezen, dat een Amerikaan, na zorgvuldige ontgraving van allo wortels van enkele boomen, bevonden had dat richting en uitbreiding der hoofden zij-wortels overéénstemden met die van den stam en takken.
Dat dit in het brein van den schrijver wellicht zoo schoen, is mogelijk, de werkelijkheid ia verre van dien.
De hoofd wortel streeft er naar, door zich in de diepte te begeven te verhoeden, dat de plant topzwaar wordt. Waren er slechts zjj-wortels aanwezig, dicht nabij de oppervlakte, dan zoude met oen hevigen windstoot do boom, vooral wanneer deze een zwaren kruin heeft, licht buiten den evenwichtstand komen en omvallen.
Vooral bij zware boomen hoeft de hoofdwortel zich sterk ontwikkeld en is zoo stevig, ook door de zij-wortels, in den bodem vastgeankerd, dat er een groote inspanning toe behoort, om de wortels los te wrikken en dan uit den grond te trekken.
De bouw van het wortelhout is daarbij bijzonder stevig, bekend is de hardheid.
ï\a een windhoos vindt men ook zelden boomen mot wortel en al losgerukt, maar meestal afgeknapt boven den grond.
â 391 â
Wol oen bewijs hoe uitstekend do mcchunisclie bevestiging van het wortelstelsel was.
Uit liet onderscheid in bouw en bladerkroon, vooral van onzo Indische één- en twee-zaadlobbige planten, blijkt wel 't beste welke rol hot wortel stelsel speelt.
Reeds met een enkel woord vermeldden wij, dat bij do één-zaadlobbige gewassen, het kiemworteltje spoedig afsterft en dus geen penwortel kan worden gevormd. Alléén door hunno horizontale zij-wortels worden deze planten in den bodem vastgehouden.
Nu bebooren tot deze planten bijna uitsluitend betrekkelijk laag blijvende gewassen, wel verheffen de palmen hoog hun blad-kroon, maar bun gevederd blad vangt relatief weinig wind, terwijl de buigbare stam gemakkelijk medegeeft. Vergelijken wij hiermede een der zwaar gekruinde boschboomon tot do twee-zaadlobbige planten behoorende, waar wij wel een hoofdwortel met diepgaand wortelstelsel vinden. Zijn bladerdak geeft den wind alle mogelijke vat, de stam is stevig en onbuigbaar.
Onwillekeurig denkt men bij het zien van zulk oen woudreus aan de kracht, die hem in don bodem vastmetselt; do hoofdwortel vervult hierbij de voornaamste rol. Ontbreekt deze steun dan kan één windvlaag hem ter neder vellen.
Wanneer na een storm enkele boomen zijn omgewaaid, dan zal men in negen en negentig van de honderd gevallen vinden, dat de hoofdwortel verrot was of om andoro redenen het wortelstelsel zijn functiën niet kon verrichten.
Velo onzer Indische wuudboomen moeten hun stam ettelijke tientallen meters hoog verheffen, alvorens hun bladerkroon do noodigo licht-en luchttoevoer kan krijgen. Al is nu het wortelstelsel nog zoo stevig, toch zal het heel wat te verduren hebben, wanneer de wind in den kruin rond loeit. Do stammen geven weinig mede en alles steunt op do kracht der wortels, door een eigenaardige on doelmatige inrichting aan do basis van den stam worden zjj echter in hun taak bijgestaan.
De zoogen. wortelplanken, welke als lange platte lijsten, naar
beneden broed uitloopond, aan het ondereinde van don stam voorkomen, dienen als atutsels om stam en wortels oen nog stovigeron ouderlingen band te verleenen. Deze wortelplan-kon doen ilus dezelfde dienst als do hoekijzers bij hot verbinden van balkon cn geven het geheel moer stevigheid.
In de praktijk ondervindt menig planter do gevolgen van een slecht ontwikkeld wortelstelsel, wanneer de wind in zijn aanplant schade aanricht.
Aan do slochto ontwikkeling van de wortels, waardoor do plant to onstevig stond, moet dan do schuld gegeven worden.
Het afsterven van nog betrekkelijk jeugdige boomon moot ook dikwerf op rekening geschreven worden van dit zelfde euvel, wanneer hetzij minder goede terrein-keuzo of te harde ondergrond, do ontwikkeling dor wortels belemmerde.
Wij komen nu tot de vraag op welke wijze zich de wortel een weg baant in den bodem. Do krachtige geotropie vervult hierbij een hoofdrol en doet roods menigen weerstand overwinnen, waartoe eigen gewicht niet voldoende was.
Uij do toename in lengte hoeft or eon eigenaardige bewoging plaats van den groeiendon top van den wortel, welke zich voortdurend in een spiraal bewegend, zich verder begeeft on op deze wijze oen gat boort in do vaste aardkorst.
Wij wezen er reeds op hoc, om zich liierbij te beschutten togen de sterke wrijving on slijtage welke de top zoude ondervinden, liet wortolmiitsje grooten dienst doet. Het bescher mt don worteltop waarin deze grooi-bewegingen plaats grjj pen en hot zal nu ook duidelijker zijn, waarom dit wortolmutsje bij wortels, welke vrij in het water noderhangen of in do lucht groeien, kan ontbroken.
Vorder wordt door worteltop cn wortolharon een stof afgo-schoidon, welke door hare werking op de gesteenten deze gedeeltelijk oplost en weck maakt.
Menigeen zag roods wortels binnendringen in het stevigste motselmerk en de voegen geleidelijk losmaken. Het is juist door de wortolafscheiding, waardoor de kalk opgelost werd,
â ;}93 â
dat zulks kan geschieden. Is eenmaal een wortel in de voegen tussehen de steenen ingedrongen, dan wordt weldra de verdere samenhang verbroken op een wijze, welke reeds voor menig bouwwerk noodlottig werd.
Het worteltje toch, dat zich tussehen de voegen indrong, behield niet altijd zijn geringe afmetingen, maar nam zoowel in lengte als dikte toe. Deze dikte-groei verschafte de kracht, waardoor soms ettelijke kilo's konden opgeheven worden.
Dat deze krachten in den bodem werkende, waar meestal zooveel minder gewicht drukt, voldoende zullen zijn om den grond los te maken en te verbreken en zoodoende een weg te openen voor jongere en toedere wortels, zal ons dus duidelijk genoog zjjn. Wij behoeven slechts oen scheef gezakten muur of ondorgroeiden pilaar te aanschouwen om overtuigd te worden.
Wij moeten ons hier ontiiouden eene beschrijving te geven van hetgeen in het inwendige der wortels voorvalt, waarvan deze krachtsuitingen de zichtbare teekenen zijn, wij zouden te speciaal worden.
Laten wij daarom nu liever nagaan welke rol de wortels nog meer vervullen in het plantenleven, behalve de min of meer mechanische werkingen, welke wij tot nu beschouwden.
Bij de verspreiding der wortels in den bodem wezen wij er reeds op, dat behalve bevestiging, deze ook ten dool had een zoo groot mogelijk bodemgedeelte op de nuttigste wijze door de wortels te doen cxploiteeren, tot het opnemen van voedsel.
Deze voedselopname geschiedt voornamelijk door de wortel-haren; daar deze slechts nabij den worteltop voorkomen, blijkt ook hieruit hoe gewichtig het voor een plant is een aantal jonge wortels te hebben.
In het water, dat in den bodem voorkomt, zijn een groot aantal stoffen opgelost, door dit water tot zich te nemen 011 daaraan de stoffen te ontrekken waar zij behoefte aan hoeft, voorziet zich do plant van de voedende bestanddeelen, welke de atmosfeer haar niet kan verschaffen. De overmaat van zuiver water, noodig om sommige stoffen te kunnen oplossen,
â 394 â
wordt meerendeels door de transpiratie dor bladeren weder verwijderd.
Daar de wortelharen bij deze wortelfunctie zulk een groote rol spelen, verdienen zij wel eenigszins nauwkeuriger beschouwd te worden.
Wanneer wij een jong plantje uit den grond trekken en voorzichtig het wortelstelsel schoon spoelen, bljjt't er aan hot uiteinde van de wortels steeds eenige aarde vastzitten. Het zijnde wortelharen welke de aarddeeltjes zoo vast omklemd houden, dat zij niet zonder letsel zijn los te maken.
Als lange dunne, uiterst fijne haren dringen zij tusschen do fijnste gronddeeltjes in en kleven hier tegen vast. Hierdoor kunnen zij zelfs dc geringste hoeveelheid water, welke door don grond nog wordt vastgehouden, opzuigen on tot zich nemen.
De wortelharen geven dit water weder af aan de epider-miscellen waarop zij zijn ingeplant en dan wordt het door de andere weefsels tot in het binnenste van de plant gevoerd, waar het onder grooten druk, naar boven wordt geperst. Een verklaring trachten to geven van de wijze waarop zulks geschiedt, zoude ona te ver buiten ons bestek voeren.
De worteldruk kan men dikwerf reeds waarnemen, wanneer bij een wond in den stam voortdurend vocht te voorschijn treedt. Dat dit geen water is, dat uit het gedeelte van den stam boven den wond lekt, blijkt o.a. wanneer do boom geheel omgehouwen is en toch de snêevlakte geruimen tijd vochtig blijft.
Wanneer men een pisangstam omkapt, dicht nabij den grond, blijft de wond voortdurend vochtig, al is de aarde in do naaste omgeving ook nog zoo droog. Ook hier is het de worteldruk, welke hot water uit doorgesneden stengel en bladscheeden perst.
Zullen wortels en wortelharen naar behooren hun functie kunnen vervullen, dan moeten zij in den bodem do noodige voedingsstoffen vinden en deze hetzij in water opgelost voorhanden zijn, hetzij door de afgescheiden zuren kunnen oplossen. Enkele planten zjjn er wie deze opname van voedsel en wel vooral va n stikstof houdende stoffen gemakkelijker wordt gemaakt.
â 395 â
Zoo bezitten peulgowassen de wortelknolletjes, waarvan hot langs wetenschappelijken wreg en in de praktijk bewezen is, dat zij do planten tot voordeel strekkon. Eveneens wordt beweerd, dat een wortelschimmol of raycorrhiza sommigen planton nut zoude doen.
Zooals wij het in de voorgaande bladzijden voorstelden, zoudo het kunnen schijnen alsof wij maar een plant in den grond behoefden te plaatsen, om zich doze zelve verder to laten ontwikkelen.
De krachten welke in do wortels schuilen zouden voldoende moeten zijn om voor hen don weg voor te bereiden, zoodat zij naar hehooron hun functies konden verrichten.
Het is echter ven-e van dien, de hoogst eigenaardige en gedwongen toestanden, waarin wij onze cultuurgewassen brengen noodzaken ons ook in deze richting (d.w.z. voor het wortelstelsel) zoo niet do natuur te corrigeeren, dan toch te gomoot te komen om liet welgeslaagde kunstproduct te verkrijgen, dat men een goed gecultiveerd gewas noemt.
Wij verlangen in korten tijd groote oogsten, daartoe is meer voodsolopnamo noodig, dan normaliter zoude geschieden. Ton einde deze verhoogde wortelfunctie te verkrijgen, moeten wjj wel het wortelstelsel onder bijzondere omstandigheden brengen. Wij moeten den bodem bewerken om de voedingsstoffen hetzij gemakkelijker bereikbaar te maken, hetzij hen meer geschikt te maken voor do opname door do plant.
Bij do cultures welke in liet groot onder do tropen worden gedreven, vinden wij vertegenwoordigers zoowel van één- als twee-zaadlobbige gewassen, dus van planten zonder en met penwortel. Koffie on tabak mogen van de Inastge-noemde groep een voorbeeld opleveren, rijst en suiker dor eerste.
Speciale voorschriften te geven hoe men terreinen heeft uit te kiezen en hoe deze bewerkt moeten worden met het oog op productie en wortelstelsel, zoude bezwaarlijk gaan. Daarvoor heeft elk stukje grond te zeer individueele eigenschappen, zelfs algemeene raadgevingen zijn vrij gevaarlijk zoo zij niet
â 396 â
mot hot noodige overleg en beleid worden toegepast en aan de omstandigheden worden geadopteerd.
Enkele opmerkingen mogen echter hier ten slotte volgen.
De bodem van Indië, generaliter genomen, is vrij arm, slechts een betrekkelijk dunne laag aan de oppervlakte is rijk aan voedende bestanddeelen. De onderliggende aardlagen bevatten dikwerf wel deze /.elfde bestandeelen, ecliter in een vorm onge-schikt om ommiddellijk door de plant te worden opgenomen. Verweering door water, warmte en atmosfeer kunnen hen eerst ter opname geschikt maken. Men houde verder in het oog, dat wij steeds over cultuurplanten spreken; vreemd zoude liet anders wellicht schijnen, dat gronden zonder meer ongeschikt b.v. voor koffie, na ettelijke jaren met zware boschboomen bedekt kunnen zjjn, wier wortels wel het noodige voedsel vonden.
Hierbij zjjn echter zulke verschillende eischen gesteld, dat het te ver zoude voeren om de redenen uitéén te zetten, waarom een terrein wel geschikt voor reboisatie, toch ongeschikt voor onze koffiecultuur kan zijn.
Beiden zjjn wel is waar boomen, maar in het eene geval is de natuur alleen administrateur, in liet andere geval een mensch, die de natuur moeielijk als super-intendent naast zich duldt.
Men staat dns voor de vraag, hoe 't bost overeenstemming te brengen tusschen de zucht van het wortelstelsel om zich hetzij in de breedte, hetzij in de diepte uit te breiden en de slechts betrekkelijk geringe laag, waarin de wortels zich naar hartelust kunnen ontwikkelen.
Daarbij voegt zich nog do kwestie op welke wijze de planten stevig genoeg in deu bodem kunnen bevestigd worden, om den noodigen weerstand te bieden aan windvlagen en slagregen.
In de meeste gevallen leverde de praktijk reeds de gewenschte oplossing, volmaakt is zij ecliter nog in geene deele.
Zoo leerde men plantkuilen maken voor do koffie en plant-goten voor de suiker.
De koffie met langen penwortel moet gelegenheid vinden in de diepte door te dringen, moet met zijn diepgaande wor-
â 397 â
tels zich daar vastankeren. Veel voedsel zullen de onderste wortels niet tot zich nemen, op de meeste terreinen is de grond op een voet of' drie reeds te vast en nog onverweerd.
Nu wordt de plantkuil met losse aarde, soms met mest gemengd, weder gevuld; brengt men teveel ondergrond boven in het gat, dan zal liet jonge koffie-plantje weinig voedsel vinden in de voet aarde, welke hoogstens voor zijn pas ontwikkelden wortel beschikbaar is.
Om een goed regelmatig ontwikkeld wortelstelsel te ver-krjjgen, zorge men dus de wortels den noodigen lossen grond, met de noodige voedingsbestanddeelen gemengd, aan te bieden.
Houdt men bij liet voorbereiden van den aanplant niet genoegzaam liet oog op de latere ontwikkeling van het wortelstelsel dan plukt men wellicht na jaren, maar zeker eens do wrange vruchten van deze zorgeloosheid.
Er is echter reeds zooveel geschreven en mot zulk een nadruk opmerkzaam gemaakt, ook in dit tijdschrift, op liet gewicht van goede grondbewerking en rationeele bemesting, dut het overbodig is nogmaals hierop terug te komen.
Wel mag gewezen worden op een slechte gewoonte bij het planten, namelijk het vast aandrukken der plantjes in den bodem, nadat men het plantgat met aarde heeft aangevuld. Niet alleen dat men de kans loopt hierbij tie wortels te breken, maar meestal drukt men ook den penwortel tegen don vasten bodem onder in het plantgat aan. Hierin kan deze niet doordringen en krijgt dus wanneer men het stammetje van boven drukt, een s-vormige kromming, die later ernstige groeistoringen kan teweegbrengen en het stoftransport soms geheel belemmeren. In de eerste jaren zal men hier nog weinig van bemerken, maar later ziet men de boomeu kwijnen en soms onverhoeds afsterven.
Bij de koffie dus, een twee-zaadlobbigc plant, hebben wij te zorgen het wortelstelsel de gelegenheid aan te bieden, zich gedurende zijn jarenlange ontwikkeling in voldoende losse en zoo mogelijk vruchtbare, verweerde aarde uit te breiden.
Bij de één-zaadlobbige planten, waarvan ons het suikerriet
â 398 â
tot voorbeeld moge strekken, worden ganscli andere eischen gesteld. Ton eerste verbreidt zich hot wortelstelsel niet zoo in do diepte, ten tweede is do ontwikkelingstjjd der plant van slechts korten duur en moot do plnnt trachten in dien tijd, zoo-voel mogelijk en zoo nuttig mogelijk, do voorhanden voedingsstoffen binnen hot bereik zijnor wortels te gebruiken.
Is dus de ondergrond maar doorlatend en blijft het water er niet op staan, dan is dit voor ons doel voldoende daar toch do bouwkruin slechts de noodige stoffen kan leveren.
liet zoude te lang duren vóór dat deze zelfde stoffeu, in ongeschikten toestand in den ondergrond aanwezig, door ver-weering geschikt konden gemaakt worden om door'het riet te worden verwerkt. Van de zoogen. bouwkruin moet dus een zoo nuttig mogelijk gebruik gemaakt worden.
Volgens het gewijzigde Keynoso-systeem begint men dus een plautgeul te maken, waarbij de bovengrond ter zijde wordt opgestapeld, benevens een weinigje ondergrond, daar de plant-geul zich hier nog eeuige centimeters in uitstrekt.
Nu wordt do bibit in do plantgeul uitgelegd en toegedekt, in den eersten tjjd met den ondergrond, welke op de zoogen. goeloetan 's liet meest voor de hand lag.
Do wortels en het plantje gaan zicli nu ontwikkelen, vinden echter voorshands in de moeder-bibit hun voedsel, dat de aangebrachte ondergrond hun zoude onthouden.
Nu wordt verder gebruik gemaakt van een eigenschap bij de éóu-zaadlobbige planten vrij algemeen, t. w. om adventief-wortels te vormen uit de stengelledon, liefst bij de knoopen, zooals bjj het suikerriet.
Suceossieveljjk wordt nu de bovengrond, welke eerst ter zijde was gelegd, tot aanhoogen gebruikten vinden de wortels, welke zich voortdurend hooger en hooger aan don stengel gaan ontwikkelen, hierin voldoende voedsel.
Ten slotte is de voorraad grond welke uit de plantgeul kwam, uitgeput; nu wordt de bovengrond, welke vroeger bedolven lag door do aarde uit de plantgeul, tot aanhoogen gebruikt.
Afgezien van eenigo praktische details en wijzigingen is
â 399 â
dit do .algemeen gevolgde methode, waarbij de praktijk reeds aangaf wat de theorie eerst later verklaarde. Door de aaahoo-gitigeu wordt tevens aan do plant een stevigen steun verleend tegen winddruk enz.
Het blijkt dus uit 't bovenstaande, dat men de plantgeulen zoo wijd moet maken, dat de wortels niet stooten tegen de zjj-wanden der geulen, welke dikwerf te hard zijn, tenzij eerst het veld van te voren in zijn geheel diep is omgewerkt.
Verder, dat bjj het planton van suikerriet en andere planten waar in 't zaad of de stek genoog roserve-voedsel voorhanden is voor de eerste ontwikkelingsphasen, men plantgeulen kan maken tot in den ondergrond en dezen voor eerste aanhooging kan gebruiken.
Ook zal het duidelijk zijn, dat planten zonder reserve in de bibit, niet op deze wijze kunnen gecultiveerd worden en hun dadelijk hot voedsel in den verweerden bovengrond aanwezig, moet aangeboden worden.
Eene bespreking der andere cultures ligt niet binnen liet bestek van dit opstel.
Reeds herhaaldelijk werd gewezen op de voordeelen van goede grondbewerking, maar men kan ook do perken te buiten gaan en den bodem zoogen. doodwerken. Men wete dus hierbij de juiste maat te betrachten en den toestand van den bodem zoodanig voor te bereiden, dat deze voor de cultuur, welke men op het oog heeft, het meest geschikt zij.
Theorie leerde ons, dat wij planten met diepgaand wortelstelsel en langzame ontwikkeling, de gelegenheid moeten aanbieden zich in den ondergrond met don penwortel en terzijde door de zij-wortels geleidelijk uit te breiden, terwijl wij voor planten met oppervlakkig wortelstelsel en snelle ontwikkeling, zullen trachten den vruchtbaren bouwkruiu zoo profijtelijk mogelijk te maken.
Gaan wij de voornaamste onzer cultures na, dan zien wij, dat ook reeds zonder theorie de praktijk soms bovengestelde eischen ten volle bevredigde, wellicht echter, dat de kennis der theorie ook nog hier en daar eenige rationeele verbetering
â 400 â
zal doen aanbrengen. Zeer zeker zal zulks het geval zijn waar de inlanders, nog sleur en gewoonte volgende, yeel minder oogsten van hun velden dan deze bij rationeele bewerking konden opbrengen.
J. van Breda de Haan.
CAUSERIE OVER ROZEN.
De tijd, dat men hier, om snijbloemen voor bouquetten te verkrijgen, bij uitsluiting rozen kweekte, is lang voorbij. Tegenwoordig nemen tal van andere bloemen een eervolle plaats naast dc rozen in, vooral Chrysanthemum's worden hier voor ruikers gaarne gebruikt.
Toch is en blijft dc roos de koningin der bloemen, door alle tijden heen heeft zij dien rang behouden en zij is nog door geen mededingster verdrongen. Zulks zal ook wel nooit geschieden, zoolang er rozen bestaan, die door sierlijken vorm, prachtige kleur en heerlijken geur onze zinnen streelen, zoolang er rozon bestaan als: La France, Maréchal Niöl, Devonicnsis, Souvenir de la Malmaison en tal van anderen, blijft de roos de koningin der bloemen.
Wij zien hier echter dikwijls rozenbloemen, die nauweljjks dien naam verdienen, ze zijn afkomstig van schrale verarmde planten en ik vraag mij wel eens at, of in den laatsten tijd de roos door bloemenliefhebbers niet wat verwaarloosd wordt. Er wordt soms vreemd met de planten omgesprongen, als zij b. v. op een plek geplaatst worden waar zij niet behooren, waar de toestand voor haren groei ongunstig is, kunnen zij onmogelijk welig groeien en nog veel minder goede bloemen voortbrengen. Ofschoon de cultuur der rozen niet zoo bijzonder moeiehjk is, vereischt zjj, wil men krachtige planten en Hink ontwikkelde bloemen hebben, veel en aanhoudende zorg, de planten betoonen zich door fraaien groei en milden bloei daar dankbaar voor.
Zooals bekend is verlangen de rozen een open standplaats, vooral in de ochtenduren moeten zij van liet volle zonlicht genieten, door deze eerste levenskwestie te verwaarloozen is het onmogelijk goede rozen te kweeken, al behandelt men
VII. quot; 29
â 402 â
ze overigens nog zoo rationeel. Dezer dagen zag ik iemand, die minstens dertig jaren in Indië doorgebracht had, een rozenvak aanleggen ten westen van een boomgroep en nog wel gedeeltelijk er ouder, zoodat eerst midden op den dag de zon ze beschijnen kan. liet behoeft geen betoog, dat door eene dergelijke handelwijze van de rozen niet voel terecht kan komen. Heeft men op zijn erf of in zijnen tuin geen geschikte plaats voor rozen, dan plantte men ze liever niet, zij geven in dat geval slechts reden tot ergernis.
Al dikwijls heb ik in de verschillende jaargangen van Teys-mannia over rozen-kuituur geschreven, zoodat ik hierover wel eens een ander aan het woord wenschte te laten; die gelegenheid biedt zich nu aan. De heer W. Nock, superintendent van de Hakgoda Gardens op Ceylon, gaf onlangs een en ander ten beste over rozencultuur en daar het klimaat van genoemd eiland niet zooveel met het onze verschilt, is hetgeen hij te berde brengt ook op onze toestanden toepasselijk.
Hij begint te zeggen: Ofschoon de rozen hier bijna overal groeien, kunnen zij zich echter niet krachtig ontwikkelen en geen forsche bloemen voortbrengen, als de plaats waar men ze plant niet zorgvuldig gekozen is. Rozen houden van eene open, zonnige standplaats, die echter eenigszins tegen zware winden besehut moet liggen. Onder de schaduw van hoornen, muren of iiooge gebouwen groeien zjj niet normaal. Zij groeien het liefst in een niet te vasten, leemachtigen grond, minder goed gedijen zij in zwaren klei-, zand- of in steenaciitigen bodem; laatstgenoemde gronden kunnen echter door doelmatige bewerking en bemesting verbeterd worden; is de grond al te slecht dan moet hij door anderen vervangen worden. Staand water in den grond kunnen rozen in het geheel niet verdragen, zorgvuldige drainage is bijna altijd gewenscht.
Rozen houden ervan dikwijls en zwaar bemest te worden, zij zijn daarvoor zeer gevoelig, bjj voorkeur gebruike men goed verganen mest; voor lichte gronden liefst koemest met zwaren grond vermengd en voor zwaardere gronden is behalve koe- of paardemest, vergaan blad en zand nuttig.
â 403 â
De grond, waarin men de rozen wenscht te planten, moet zorgvuldig bewerkt worden, in de meeste gevallen is het wen-schelijk, hem 4 5 vt. nit te graven en er daarna eerst onderin een laag groote steenen te leggen, deze te bedekken met een laag zand en er daarna een gedeelte van den ouden grond, vermengd met mest en goed vergaan blad, op te brengen. Het overtollige water verdwjjnt in zoodanig aangelegde vakken spoedig, de planton kunnen met hare wortels er diep indringen en een krachtige groei kan niet uitblijven.
Liefst make men het vak niet breed, op zijn hoogst 6 vt., de grond mag zoo min mogelijk betreden worden, bij wordt daardoor vast en geraakt in eenen toestand, die voor den groei der planten niet gewenscht is.
Hoe minder krachtig de rozen groeien, hoe korter ze ingesneden moeten worden; alle doode takjes, al het zwakke hout snijde men geheel weg, alleen goed gevormde krachtige takken, die in de gewenschte richting groeien, laat men er aan blijven, van deze snijdt men de minst sterke tot op 2 a 3 oogen en de sterkste tot op 6 è, 12 oogen, al naarmate hun groeikracht, in. Genoemde regel is van toepassing op bijna alle hybr. remontant. Bourbon, en op de meeste theerozen. Onder de wildgroeiende theeën zijn er eonige die gaarne klimmen, zooals Maréchal Niël, Lamarque, Céline Forestier, Cloth ot' Gold en andere, de meeste noisetrozen hebben ook dezelfde groeiwijze; dit genre rozen mag niet veel gesnoeid worden, het wegsnijden van doode en van dunne zwakke twijgen, benevens het insnijden der krachtige tot op ongeveer ll3 hunner lengte is voldoende; zij groeien en bloeien liet boste als zij niet te veel gesnoeid worden.
De rozenvakken moeten voortdurend van onkruid gezuiverd en bij aanhoudende droogte begoten worden; bij zulk droog weer is het nuttig ze uu en dan met vloeibaren mest te begieten, beter is het deze sterk te verdunnen en het te herhalen. Bij zware regens loopt men gevaar, dat een deel van den vloeibaren mest wegspoelt. Op plaatsen waar een langdurige droogte heerscht, kan hot zijn nut hebben den grond onder de rozen met een dun laagje half verganen mest of blad to be-
â 404 â
dekken, aan het minder fraaie uiterlijk dat het vak hierdoor krijgt, kan te gemoet gekomen worden, door er een weinig fijne zwarte aarde over te strooien.
De rozen worden hier ook wel eens aangetast door de z.g. meeldauw, de blaadjes zien er dan uit alsof zij met een witachtig laagje overdekt zijn, liet best bekende middel tegen deze ziekte is ze te bestrooien met fijne zwavel, door een enkele maalde zwavel als voorbehoedmiddel te gebruiken, voorkomt men de ziekte, liet zorgvuldig dagelijksch nazien der planten is noodzakelijk om de talrijke vijanden der rozen als rupsen en andere insekten te verwijderen, vóór zij veel nadeel aan de planten veroorzaakt hebben.
Vervolgens geeft de heer Nock eene lijst van rozen, die voor het klimaat van Ceylon geschikt zijn en wel beneden 2500 vt. hoogte boven de zee, ik laat die lijst hier volgen.
Thekrozen
|
Adam Al ba rosea Amazone Anna Olivier Belle Lyonnaise Ca Ui. Menn et Chesitant hybride Devoniensis Gloire de Bordeaux Celine Forestier Cloth of Gold Lamarque |
Henry Bennet Homère Igabelle Sprunt Jean Ducher Mad. Bravy â Camille , Ducher â Falcot â Margottin Noiset-rozen Lamarque janne Mad. Car. Kil ster Salfatare Bourhou-rozen |
Mad. Villennoz Maréchal Niël Mud. Levet Marie van Houtte Nip het os Rubens Saffrano Souvenir de Paul Neyron Bève d'or Triomphe de Eennes |
|
Apoline Caroline liiquet Empress Eugenie Miss. Bosanquet |
Souvenir de la Mal- maison Victor Emanuel Camelia hlanc |
Clara Sylvius Virginal V iridi flora |
â 405 â
-w-
|
Ahel Grund Alfred Colomh Baron Ad. de lloth- schild Beauty of Waltham Black Prince Camille Bernardin Capt. Christy Centifolia rosea Charles Lefèbre Col. de liougemont Coquette des Alpes Dr. Andry |
HybridE-eemontant Duo de Rohan Duke of Edinghurgli Eugène Appert Grant des Batailles Général Jacqueminot Gloire de Due her Gloire of Waltham Jean Jerpin John Hopper La France Lord Baylan Louis van Hontte |
Mad. Alex Dnreau â Eufjène Ver dier â Victor Verdie)-Maréchal Vaillant Marie Bouman Paul Neyron Pierre Not tiny Prime Camille de liohan Prince of Wales Queen Victoria |
Wij hebben hier een ruime keus, de streek echter waar deze rozen goed zouden gedijen, namelijk van de kust tot 2500 vt. boven de zee is mijns inziens wei ruim genomen, en ik geloof dat er onder de opgegevene hybride-remontant-rozen, verscheidene zullen zijn, die op onze warme kustplaatsen geen schitterende resultaten geven. Zoo heb ik hier op 800 vt. wel krachtige planten gehad van Général Jacqueminot, maar er nooit bloemen aan gezien, misschien bloeit zij wel op 2500 vt.
Ia Europa neemt do roos een eerste plaats in de tuinbouw-literatuur in, verscheidene tijdschriften zijn geheel aan haar gewijd; in Frankrijk heeft men het fraai geïllustreerde âJournal des rosesquot;, in Duitschland, âdie Rosenzeitungquot;, ook in Nederland geeft de vereeniging âNos jungunt llosaequot; een orgaan over rozen uit.
Zoo nu en dan wordt er in verschillende landen van Europa een rozen-plebescit gehouden, dat wil zeggen, men verzoekt dan aan een groot aantal rozenliefhebbers, b.v. 25 namen van rozen op te geven, die bij hen het best groeien, het mildst bloeien en de fraaiste bloemen geven; soms worden nog andere vragen gedaan, bv. welke rozen geven de welriekendste, welke
â 406 â
de grootste bloemen enz. De eerste vraag is echter de meest praktische, zij wordt ook het meest gedaan. De rozen, die de meeste stemmen op zich vereenigen, kunnen dan als de beste worden aangenomen. Een dergelijk plebescit zoude hier zeker ook zijn nut hebben, indien iedere rozenliefhebber, de namen opgaf der rozen, die bjj hem het beste groeien en bloeien, en de fraaiste bloemen geven ; hier zoude echter bijgevoegd moeten worden, op welke hoogte boven de zee de waarnemingen gedaan zijn. Wij zouden zoodoende langzamerhand te weten komen, welke soorten rozen hier, op de verschillende hoogten boven de zee, het best voldoen.
In de catalogi der Europeesche rozenkweekers worden telkens nieuwe verscheidenheden opgegeven, die dan warm worden aanbevolen, zij voldoen echter lang niet altijd aan de verwachtingen, welke men er dientengevolge van koestert. Ten einde de rozenliefhebbers hierin voor te lichten, is er door de Vereeni-ging âNos jungunt Rosaequot; eene commissie benoemd, ter beoor-deeling van weinig bekende en nieuwe rozen. De commissie bestaat uit de heeren II. ö. Gratama, lid der firma Gebroeders Gratama, rozenkweekers te Hoogeveen, D. Keuchenius, id. to Hoogeveen, E. E. Lijnhart, id. te lieerde, G. A. van Rossum, id, te lieerde en N. do /waan te Utrecht.
Het doel der commissie is, de aandacht te vestigen op werkelijk mooie verscheidenheden. Verscheidenheden door de commissie aanbevolen, kunnen alle aangeschaft worden, men is dan zeker een prachtige roos rijker te worden.
Voor rozenliefhebbers in Nederland heeft deze instelling zeker veel nut, voor ons is het voordeel maar betrekkelijk. Zooals iedereen weet zijn niet alle rozen, die in Nederland aanbeveling verdienen, voor ons klimaat geschikt. De thee-, noiset-en Bourbonrozen, die de commissie aanbeveelt zouden wij kunnen bestellen, en mag er eens een onderloopen, die minder geschikt voor de tropen is, de meeste der tot genoemde afdeeling be-hoorende rozen, gedijen hier goed. Wat echter de hybride-remontant-rozen aangaat, daarvan zijn we niet zoo zeker en kunnen we hetgeen de commissie ons aanraadt, slechts onder
â 407 â
voorbehoud aannemen. Er zijn onder laatstgenoemde afdeeling rozen, die hier mild en fraai bloeien, er zijn er echter ook vele die hier slechts zelden en andore, die hier nooit bloeien. Waaraan dit ligt en waaraan men kan weten welke geschikt en welke niet geschikt zjjn voor ons klimaat, zoude ik niet durven zeggen. Onder do genoemde eatagorie komen rozen voor, die wel onder de hybride-remontant, (remontant wil zeggen doorbloeiend) gerangschikt worden, die echter niet altjjd doorbloeien maar het slechts doen onder bijzondere gunstige omstandigheden; het denkbeeld is wel eens bjj mij opgekomen ot' nu voor hier alleen de flinke doorbloeiers geschikt zijn. Het is echter slechts een vermoeden, dat door niets bewezen is, en waarschijnlijk zal liet bjj een zorgvuldig onderzoek blijken, dat het verschijnsel aan geheel andere oorzaken moet worden toegeschreven.
In Xo. 2(1 van liet âNcderlandsch Tuinbouwbladquot; van dit jaar, worden eenige nieuwe rozen aanbevolen, die ik hier laat volgen.
Belle Siebrecht (Thee-hybride) is door de heeren Siebrecht en Wadley in den handel gebracht, naar men zegt, werd zij verkregen uit Lu France en Lady Marie FitzicilUaiu, zjj is dus van goede familie, üe kleur der bloem is moeie-lijk te beschrijven, zij is prachtig donker rose, heeft een fraaien vorm en is zeer welriekend, zjj beiioort met de crèmewitte Kaiser in Augusta Victoria tot de beste rozen, die inde laatste jaren in den handel zijn gebracht.
Thalia is een variëteit, verkregen uit liosa Pohjantha Sar-mentosa en A'. /'. Pacqüerette, gewonnen in de kweekerij van Lambert te Trier, zij werd het vorige jaar in den handel gebracht. Evenals de een paar jaar geleden nogal besprokene Crimbson Rambler, is het een fraaie klimroos, zij wordt ook wel White Rambler genoemd. De bloemen zijn klein, daar zij echter in groote schennen te gelijk bloeien maken zij tocli een goed eifect; zij tooien de muur of veranda waartegen zij groeien als met een laken van witte halfdubbele bloempjes, waarop de goudgele meeldraden goed uitkomen. De geur der
â 408 â
bloemeu is aangenaam; zij kan ook in den vorm van treurroos gekweekt worden. Een even mildbloeiende verscheidenheid is Euphrosine, gewonnen uit It. P. Sarmentosa en B. P. Mignonette ook te Trier door denzelfden kweeker. De groeiwijze is dezelfde als die der vorige, zij verschillen alleen in kleur der bloempjes, die hij laatstgenoemde zacht rose is.
Ofschoon do kleine Polyantha-rozen, zooals Pacquerette, Mignonette enz. hier goed bloeien, weten we weinig van de klimmende Polyantha-rozen, bet is daarom niet zoo zeker, dat genoemde nieuwe variëteiten voor de tropen geschikt zijn. Eene proef hiermede is wel aantebevelen.
Een prachtige goedgevormde en fraaie gekleurde roos is Mrs. P. G. Sharman Crawfurd, eene in 1895 door Dickson amp; Son gewonnen hybride-remontant. Geur bezit zij weinig, in vorm en grootte doet zij aan Paul Neyron denken, zij verkreeg de groote gouden medaille van do âNational Pose Societyquot;.
Bosomane Ali.r. Hug ui er in 1895 door Bonnaire in den handel gebracht, is een hijzonder schoone Thee-hybride waaraan hooge waarde moet worden toegekend. De vorm der bloem is vooral als knop fraai, de kleur is zacht zilverachtig rose en zij is zeer welriekend.
Madame E ml lie Charrin in 1895 door Pcrrier in don handel gebracht, is een fraaie theeroos van zalmkleurig rose, een moóieljjk te omschrijven tint, de bloem is niet buitengewoon groot, als snijbloem veidicnt zij echter alle aanbeveling, in Juni van dit jaar verkreeg zij te Amsterdam een certificaat le klasse.
Souvenir du Président Carnot, werd het vorige jaar door Pernet Dueher te Montpellier in den handel gebracht. Do bloem is wit, met vleeschkleurige tint en zeer welriekend. Het is een krachtig groeiende plant, die mild bloeit en wier bloemen zeer geschikt zijn voor bouquetten.
Fiametta Nahonnand. Deze roos is in 1894 door Nabon-nand gewonnen, zij stamt af van de witte Niphetos en van de roode Papa Gontier; de bloem heeft een witte geelachtige tint, terwijl de randen der bloemblaadjes rose zijn. Zij groeit krachtiger dan P. Gontier en heeft langer en steviger bloem-
â 409 â
stengels, zij is zooals de meeste rozen van Nabonnand niet bijzonder dubbel. Men noemt haar wel, ofschoon zjj niet zuiver wit is, Witte 1J. Gontier,
Dr. Grill, door Vicq in 1892 gewonnen als eene sport vau Impératrice Elisabeth d'Autnche, is een constant blijvende roos, waarvan de goedgevormde bloemen een rose kleur hebben met donkerder streepjes en nuanceeringen.
Turner'a Crimson Ramhlcr is een fraaie klimroos, nog weinig bekend, ofschoon zij reeds in 1884 op de tentoonstelling te Ant-werpen furore maakte. Zij is van Japanschen oorsprong, de bloemen hebben een vurig roode kleur en komen in groote trossen te voorschijn, zij kan voor bedekking van muren cn veranda's niet genoeg aanbevolen worden.
In het Engelsche tuinbouwtijdscbrift âGardeners' Chroniclequot; komen uitgebreide opstellen over rozententoonstollingon voor. De âNational Rose Societyquot; hield twee expositie's, oen te Reeding en een in het Crystal Palace te London, waarvan de eerste dc mooiste was. Duizenden bloeiende rozen werden daar tentoongesteld, in genoemd tjjdschrift worden er veel genoemd, die bekroond werden, wij zouden tc uitgebreid worden, al noemden we er hier slechts een klein gedeelte van. Voor minstens 12 bloemen van de fraaiste nieuwe roos, werd do l1' prijs behaald door de roos J/rs. Shannan Crawfurd en de 2U door Marchioness! of Londonderri/ en Jeannie Dickson.
Hot is wel jammer, dat we hier in do benedenlanden de rozen meestal in potten moeten kweeken, op plaatsen waar de witte mieren in groot aantal voorkomen, gaat het uiterst moeielijk rozenvakken in den vrijen grond te planten. Indien er veel zorg aan den aanleg besteed wordt en men dc soorten kiest, die niet zoo spoedig door de mieren aangetast worden, gelukt het soms wel, want zelfs te Batavia, waar de witte mieren overal te vinden zijn, bestaan enkele goed geslaagde rozenvakken. De mieren schijnen voor sommige rozen een groote voorliefde te hebben, zoo vinden zij o. a. La France al bijzonder lekker; deze roos is meestal de eerste in een vak die aangetast wordt, terwijl zij andere rozen als de gewone Perzische-roos, General
â 410 â
Sherman Souvenir de la Malmaiaon en andere dikwijls onaangeroerd laten.
Met stukjes hout, stroo en dergelijke lokt men de witte mieren, het is daarom zaak zoowel bij den aanleg als bij het bemesten van een rozenvak, zorgvuldig acht te geven, dat dergelijke zaken niet in den mest blijven, het beste is ouden ver-ganen mest te gebruiken; dit neemt niet weg dat met versehen paardemest hier, zooals ik vroeger wel eens medegedeeld heb, goede resultaten verkregen zijn, men loopt echter meer gevaar de mieren aan te lokken. Verder weten we, dat de witte mieren, do roos altijd op dezelfde plek aanvallen, dat is aan hot gedeelte van liet stammetje, de z. g. wortelhals, dat zich even onder den grond bevindt. Door nu om de pas geplante rozen een kuiltje te maken, waardoor het stammetje geheel bloot komt te liggen, zoodat de worteltjes bijna zichtbaar zijn, ontneemt men don mieren de gunstige gelegenheid en maakt het hen in alle gevallen moeielijk. Indien men, na op deze wijze geplant te hebben, een paar maal daags, vooral in de vroege morgenuren, gaat zien of de witte mieren ook aarde tegen het stammetje brengen, waarmede zij gewoonlijk den aanval beginnen, dan kan men ze verwijderen en heeft men kans van slagen. Door bij de pas geplante rozen, root, houtasch of zoo iets te strooien, maakt men de mieren het leven lastig, afdoende zijn al die middeltjes echter niet.
De moeste zorg vereischen do jonge rozen, gedurende de eerste maanden na de uitplanting; zoodra zij krachtig doorgroeien worden zij veel minder aangetast.
quot;Worden de rozen niettegenstaande al die voorzorgsmaatregelen, toch door de witte mieren vernield, dan is er niet veel anders aan to doen, dan ze maar in potten te kweeken.
W.
EENIGE WENKEN VOOR HET SNOEIEN.
Het snoeien is een der voornaamste bewerkingen, die den landbouwer in staat stellen van zijne planten niet slechts op den duur de grootste hoeveelheid vruchten van de beste kwaliteit te krijgen, maar ouk om de hoornen of heesters niet door overproductie te doen verzwakken en ze daardoor voor allerlei ziekten en kwalen vatbaar te maken. Het snoeien wordt hier in de tropen nog weinig toegepast; met hot oolt;i' op den krachtigcn groei der planten, waardoor men hier zoo dikwerf boomen ziet die te veel takken en bladeren dragen, maar daarentegen weinig bloemen en vruchten voortbrengen, zoude hier eeno doelmatige snoeiing voorzeker niet misplaatst zijn.
Het is bekend genoeg, dat do krachtige uitloopers, zuigers of waterloten (sirongs), veel van do sappen der plant waaraan zij groeien ontnemen, buitengewoon welig groeien en weinig of geen vruchten dragen. Het wordt daarom algemeen als nuttig erkend deze waterloten spoedig te verwijderen, verzuimt men zulks, dan zal do tak waarbij of waarop de zuiger zich bevindt, achteruitgaan; eerst worden do bladeren kleiner, er ontwikkelen zich minder vruchttakken, terwijl de reeds bestaande zwakker worden.
Op boomen waaraan te veel takken en bladeren zijn, zoodat het licht in niet voldoende mate overal door kan dringen, ontstaan ook veel eerder allerhande soorten schimmels, terwijl zij tevens eene geschikte schuilplaats aan insekten aanbieden. Als lucht en licht overal vrijen toegang hebben, heeft men kans minder last van genoemde nadoelen te ondervinden.
Men mag bij het snoeien nooit den oorspronkeljjken vorm uit het oog verliezen: heeft een boom b. v. van nature een pyramidevorm, dan moet hij ook in dien vorm gesnoeid
- 412 â
worden, euz. Aan krachtig groeiende booraen ontstaan soms takken of twijgen, die niet de normale richting hebben, dat is, dat zij instede van naar den buitenkant van den boom naar den binnenkant groeien, dergelijke moeten er ook uitgesneden worden. Takken waarop een woekerplant groeit moeten eveneens verwijderd worden. Takken die bedekt zijn met tal van kleine varens moet men zuiveren, want hoewel de varens geen woekerplanten zijn, doen zij toch schade, omdat zij met hunne talrijke hechtwortels de takjes soms als met een net bedekken, waardoor de oogen verhinderd worden uit te botten.
Sterven door de een of andere reden de uiteinden der takken af, dan is liet wenschelijk ze af te snijden tot op het gezonde doel. Zwakke takken snoeit men korter en krachtige, stevige takken snijdt men niet zoo kort in. Er dient echter wel op gelet te worden geen vruchttakken weg te snijden, in enkele gevallen kan liet echter noodig zijn, als or b. v. drie of' meer diclit bij elkander groeien dan is het aan te bevelen slechta de krachtigste en die den gunstigsten stand hebben aan te houden en de beide andere te verwijderen. Het kan soms ook zijn nut hebben een z. g. waterloot te laten staan, indien zij groeit op eene plaats waar zich een tak moest bevinden; in dit geval snijdt men zo niet weg, maar tracht den al te weligen groei door toppen te matigen.
De boomen op één stam te houden en uitloopers die meer stammen kunnen vormen vlak bij den stam af te snijden is aan te bevelen. Door de takken dicht boven een oog af te snijden en zulks liever met een scherp snoeimes dan met een snoeisciiaar te doen, krijgt men wonden die snel genezen.
In liet algemeen kan het begin van den westmoesson als de beste tijd voor het snoeien aangegeven worden.
G. Otteniioff .Ir.
EENIGB CHINE ESC I IE SOJABOON EN- PR A.EPA RATEN.
De heer Prinsen Oeerligs te Kagok (Tegal) hoeft do bereiding en de samenstelling nagegaan van eenige uit sojahoonen (katjang kodole) door Chineezen bereide producten. De sojaboon, hoe rijk zij ook is aan voedingsstott'en, heeft de onaangoname eigenschap, dat zij zeer onverteerbaar en niet gaar te koken is. (1) Daarom laat men ze bewerkingen ondergaan, waardoor ze beter verteerbaar wordt of waardoor de voedingsstoffen in een gomukkelijker assi-muleerbaren vorm overgaan.
Tao-hu of hoonenhaas. Deze wordt bereid uit de witto variëteit (Soja hispida tumida fi-palUdn). De zaden worden 3 uur in water geweekt, waardoor ze sterk opzwellen en dan onder voortdurend opgieten van water tusschen twee harde steencn tot een brij gemalen, die gekookt en door een groven doek gezogen wordt. Een deel van de brjj houdt men ongekookt afzonderlijk en laat die zuur worden. De doorgezegen, op melk gelijkende, vloeistof stremt men door bijvoeging van gipawater of ruw zout, dan wel door de van de zooeven genoemde zure brjj afgefiltreerde, melkzuur-houdende vloeistof. Het onoplosbaar geworden legumine sleept het vet met zich mede en men verkrijgt eon zeer waterhoudende kaas, die deuzelfden dag nog verbruikt moet worden, tenzij men ze door drogen of roosten geschikt heeft gemaakt om bewaard te worden. De smaak is dan tevens verbeterd.
Chineesché Soja of 'Tuo-ju. Hierover vindt men in de literatuur geene opgaven. De heer Prinsen Goeriigs leerde de bereiding van de Chineesche fabrikanten. Men neemt daarvoor zaden van de zwarte variëteiten .S'o/« hispid» tumida ft-utrospet-ma en Soja hispida plalycarpa p-melanospennu, welker zaden gekookt worden. Men giet het water af en droogt de zaden een halven dag in de zon,
(1) In een opstel âDe Sojaboon en hare beteekenis als voedingsmiddel voor Ned.-Indiëquot; zegt G., dat de Sojaboon, mits goed gaar gekookt, voortreffelijk smaakt terwijl lifj bovendien aangeeft, dat volgens Ladd van hare eiwitstoffen 75 pCt. verteerd worden. (Tydschr. v. Land- en Tuinb. N.O.I. 1889-5)0. bl. 347.)
laat ze in de schaduw afkoelen en bedekt ze met blaren van Hibiscus tiliaceus (eene Waroe-soort). Daardoor ontwikkelt zieh eeu Aspergillus op de boonen; meu wacht tot deze blauw-groene conidiëndragers heeft, droogt de boonen weer godarende eenige dagen on brengt ze dan in eene sterke, koudo zoutoplossing. Dit mengsel laat men 8 dagen in de zon staan, kookt het dan, giot de vloeistof af, kookt de boonen nog een paar maal af en vereenigt de afkooksels, die na door een fijne zoef gegoten en gekookt te zijn met aren-suiker, steranijs en eenige bij de Chineescho drogisten voorhandene âSoja-kruidenquot; vermengd worden. Ton slotte wordt de zwartbruine aromatisch riekende saus zoo lang ingekookt, totdat zich aan de oppervlakte kristallen beginnen te vertoonen en do vloeistof dus mot zout verzadigd is.
Eigenaardig is do toepassing van de schimmel, welker myceliuin-draden in de cehvanden van de boon binnendringen, zoodat zich het logumine en zijn splitsingsproducten in het zout-water kunnen oplossen.
Bij de bereiding der Japanscho soja lost ook een schimmel de celwanden op. De bruine kleur wordt bij deze soja echter verkregen door bijvoeging van geroost meel, daar men de witte kedele-variöteit gebruikt.
Verder wordt Tao-tjiung, een boonenbrij, beschreven, die uit witte kedelo gemaakt wordt, door deze 2 dagen in koud water te weeken, dan van do schillen te ontdoen, te koken en ter afkoeling op tampah's uit te breiden.
Verder wordt een mengsel van rijst- en kleefrijstmeel in een ijzeren schaal zacht geroosterd en mot de boonen vermengd. Het mengsel doet men in een korf, die met dezelfde Waroe-blaren bekleed is en laat het twee dagen mot rust. Door een schimmel, die voel op Aspergillus Oryzae gelijkt, wordt het zetmeel van do rijst versuikerd. Jlen droogt do vochtige massa en brengt ze in zout water, waarin zo blijft totdat hot zout in het inwendige der boonen gedrongen is.
Als de boonen oranjekleurig zijn geworden en de massa de consistentie van een stijve brij heeft aangenomen is zij voor hot gebruik geschikt. Deze brij bevat bijna 13° 0 eiwit. Ook bij deze bereiding is door den invloed van de schimmel ile boon verteerbaar geworden.
Op soortgelijke wijze worden volgens schrijver op Java nog andere âschimmelsquot; gebruikt om leguminosen-zaden moer verteerbaar te maken. Zoo behandelt mon de aardnotenkoeken in Midden-
â 415 â
en Oost-Java met den Rhizopus Oryzae on in West-Java met een oranje goklcurdo schimmel, dio vermoedelijk tot do Oosporeae behoort. In 't eerste geval noemt men het voedingsmiddel âbongkrekquot; in het andere âontjomquot; on als men sojaboonen met don Rhizopus behandeld heeft âtempehquot;.
Do zaden worden gekookt, uitgespreid eu met een stuk van een vorige bereiding vermengd. Men laat hot mengsel aan zich zei ven over tot dat het door de schimmel tot een vasten koek is saaragekleefd.
Al deze schimmels hebben de eigenschap zetmeel en de pectine-achtige celwanden te versuikeren en op te lossen, zoodat ook hier de cellen geopend en do spijzen verteerbaarder gemaakt worden.
(Chem. Zeitung, 1896, No. U). r.
GE BK AN DE AARDE.
Bij het uitzaaien van fijno zaden en in hot bijzonder van de soorten, die niet spoedig kiemen, heeft men dikwijls last van allerlei onkruiden, wieren en zwammen, die zich ontwikkelen vóór het zaad kiemt. Deze onkruiden zijn dan niet gemakkelijk te wieden, daar het zaad dan ook verstoord wordt, en verwijdert men ze niet, dan loopt men gevaar het zaad te verstikken.
Onder de middelen om dit euvel te voorkomen is het beste het gebruiken van gebrande aardo. Men doet don grond, dien men er voor wenscht te gebruiken in een ijzeren pot en verwarmt dien zoodanig, dat alle zich er in bevindende onkruidzaden en sporen vernietigd worden.
Door hot gloeien ondergaat do grond een verandering en wordt minder vruchtbaar; het is daarom niet raadzaam den geheolon pot, waarin men wenscht uit te zaaien, met gebrande aarde te vullen. Gewoonlijk doet men gewonen grond in de potten en bedekt dien twee vingerbreed met gebrande aarde.
De zaden kiemen in deze aarde gemakkelijk en weken lang is er geen spoor van onkruid in te bemerken, zoodat, mochten er later met het water of op andere wijze nog sporen van algen of schimmels in komen, de gekiemde plantjes een zoodanigen voorsprong hebben, dat men zo desnoods kan verspenen en aan do nadeoligo gevolgen onttrekken.
(Giirtner Zeitung No. 15, 189GJ, ir.
- 416 â
OVWi HET VliUCHTVLEESCH VAN DE KOFFIEVRUCHT.
De onderzoeking, die licht over de vraag zou werpen of liet versche vruchtvleesch van de koffio op de plaats zelve, waar z[j gecultiveerd wordt, tot de bereiding van spriritus geschikt zou zijn, werd zoowol met gedroogd als met geconserveerd, en zich ruim drie maanden in gisting bevindend, materiaal genomen. Hot ruwe, gedroogd toegezonden vruchtvleesch, werd vóór de analyse nog gedroogd. Do resultaten daarvan waren als volgt: Water 3.64, eiwit 6.56, asch 7.80, phosphorzuur 0.28, vet 2.36, stikstof-vrije extractiefstoffen 64 64, koolhydraten, als dextrose berekend, 16.42 ° 0.
Met koud water geschud gingen 16.50;0 van het ruwe product aan extractiefstoffen in oplossing, met warm water 31 0 0. Met branderij- en brouwersgist aangezet, kon bij hot eerste extract zelfs na 5 dagen op 29° geen gewichtsverlies aangetoond worden; de gegiste extracten van een tweede proef bevatten na 4 dagen 0.09 0/0 alkohol.
Hieruit volgt volgens den onderzoeker, li. Fitze, dat hot vruchtvleesch der kollieboonon tot het winnen van spiritus niet bruikbaar is, daar 100 gram der droge massa slechts 1,8 gram alkohol gaven.
In do laatste jaren wordt een uit de versche schillen bereid extract door do vereeniging van Duitsche koffie-importeurs en koffiebranderij-bezitters als consorveeringsmiddel der koffieboonen met goed gevolg gebruikt.
{Zeitschr, Spintusind. 1896, S. ~J00.
liep. Chein., Zeit. 1896, No. 16 ). r.
Door refer, zjju indertijd proeven genomen, om uit de bij het fermenteeren der versch gepulpte Liberia-koffie gevormde vloeistof, alkohol te bereiden. Ook hier was de opbrengst niet groot, zoodat, afgescheiden van andere bezwaren, ook van fiscalen aard, aan een bereiding op grooter schaal wel niet gedacht kan worden, temeer daar hier te lande zeer goedkoope grondstof voor alkoholfabri-catie in overvloed voorhanden is.
BEKNOPTE MEDEDEELINGEN UIT DE PRAKTIJK.
Vraag 11.
Het is duidelijk, dat het voor een koffioplant, die in den drogen tijd in de toIIo zon staat zeer gewenscht is, wanneer de aarde om haren stam mul gehouden wordt. Evenwel kunnen er omstandigheden voorkomen, dio het omwerken van den grond niet den patjol ongewenscht maken; in dat geval is bedekking van den bodem mot plantenafval (dat geen wortel schiet) zoor gewenscht. Moet deze afval bij het doorkomen der régens verwijderd worden?
Hot behoud van vochtigheid in den bodem is zeker nuttig, deze kan echter te groot worden. Zoude nu zulk eeno bedekking van den grond do vochtigheid daaronder bij vele regens vermeerderen, of zoude hot doordringen van den regen er door belet worden en deze door verdamping in ruimer mate aan de atmosfeer teruggegeven worden?
Ook behoud van do warmte in den grond is gewenscht. Welko grond zoude nu warmer zijn: de onbedekte aan wind en regen blootgestelde grond of do op bovengenoemde wijze bedekte bodem ?
P. V.
Antwoord op vraag 11.
De beantwoording van eeno dergelijke vraag zoude, om geheel juist to worden, een plaatselijk onderzoek vereischen, want veel hangt in dergelijke zaken van den physischen toestand van den grond af.
quot;Wij kunnen alleen in algemeenon zin de vraag beantwoorden.
Er zijn zeer tegenovergestelde meeningen over het bedekken van den grond. Zoo levert de z. g. droge tijd de besto gelegenheid, om de in iedor geval zoo gewonschte toetreding der lucht in do diepere lager te bevorderen en is juist die tijd de gunstigste voor grondbewerking. Het is waar, de bovenste lagen van den grond drogen meer uit, vooral als de deeltjes fijn zijn, maar hij wordt niet weggespoeld, hetgeen bij grondbewerking in den Westmoesson al te dikwijls het geval is. De er op groeiende koffie lijdt dan bij
VII 30
aanhoudendo droogte soms wol, herstelt zich echter na de eerste regens spoedig eu haalt de geledon schade weer in. Er zijn echter anderen, die de meening verkondigen, dat eeiie grondbedekking nuttig is; voor éénjarige gewassen is bedekking van den grond zeker dikwijls van nut, maar voor overblijvende planten, zooals koffie, moet men plaatselijke omstandigheden in aanmerking nemen. Over hot algomeen zoude ik, voorzoover mijne ervaring reikt, de voorkeur geven aan eene Ãinko grondbewerking in den Oostmoesson, natuurlijk zonder de wortels te veel te beschadigen. In den tijd dat do boomon met vruchten beladen zijn moet zoo weinig mogelijk in den tuin gewerkt worden.
De voordooien echter van grondbedekking zijn ook niet gering te achton; de verdamping wordt verminderd en de bodem blijft er vochtig en poreus onder, do groei der planton wordt alzoo minder gestoord, terwijl er uit het vergane onkruid oen laagje humus gevormd wordt.
Of de laag weggenomen moet worden bij het invallen der regens, hangt niijns inziens af van do dikte dor bedekking. Is de bodem alochts oven bedekt, dan kan het gerust zoo blijven. Een oppervlakkige grondbewerking, waarbij hot half vergane onkruid met den bodem vermengd wordt, is niet kwaad. Voor hot geval echter, dat de laag vrij dik is, dan mag die er bij nat weer in geen geval op blijven liggen, de grond zoude er te vochtig worden. Het er op gevallon regenwater wordt door het halfvergane onkruid vastgo-houdon, de grond verdampt veel minder, zoodat hij nat en koud wordt. Bovendien biedt do bedekking aan allerlei ongedierte een schuilplaats. Is de grond slechts in de onmiddellijke omgeving dor koffieplanton met een dikke laag bedekt, dan zoude de bedekking over de geheolo oppervlakte van don tuin verspreid en door eene oppervlakkige bewerking met den bovengrond vermengd kunnen worden.
Ik herhaal hot echter, plaatselijke omstandigheden moeten hier aangeven hoe to handelen. Zoo is het in deze een groot verschil of men met een zwaron, kleiachtigen bodem, dan wel met zandgrond te doen heeft.
w.
KORTE BERICHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN.
UITGAANDE VAN DEN DIRECTEUR DER INRICHTING.
DE GRONDSOORTEN, WELKE IN DELI VOOR DE TABAKS-CURTUUR WORDEN GEBEZIGD, EN HARE EIGENSCHAPPEN
DOOR
DR. A. VAN BIJLERT,
Voorbericht.
Door Prof. J. M. van Bemmelen werd in 1890 oen onderzoek ingesteld naar de oorzaken van den achteruitgang der tabaksgronden in Deli. (1)
Do gegevens uit dit onderzoek verkregen steunden, uit don aard dor zaak, op analyses van toegezonden grondmonstors, en een niet door eigen aanschouwing verkregen terreinkennis.
Een moor ingrijpend onderzoek kon slechts tor plaatse zelve geschieden; uit de resultaten van zulk een onderzoek is hot wellicht mogelijk een leering te trokken voor het verbeteren vau minder goede tabaksgronden en eeue handwijzing, om de gronden, geschikt voor tabakscultuur, deze eigenschap te doen behouden.
Wil men echter met eenige zekerheid te werk gaan, dan zijn enkele analyses niet voldoende, maar moet ook worden nagegaan â welke verandering de bodem ondergaat, tijdens en na do cultuur niet tabak. Een onderzoek dus, dat niet alleen geruimen tijd kost door het analyseeren der verzamelde monsters, maar uit den aard der zaak over meerdere jaren moet loopon.
De analyses welke tot nu toe geschiedden, konden nog alleen eenig inzicht geven in de cheraischo en physische geaardheid van gronden, voorbereid voor de tabakscultuur. De gegevens hieruit te putten zullen binnen kort gepubliceerd worden, volledige conclusies kunnen echter eerst later getrokken worden.
^1) Zie: Die landwirtschaftlichen Versuchs-Stationen lid. 87, jmg. 374.
Tot recht verstand echter van deze latere mededeelingen is een overzicht van de grondsoorten en hunne verdeeling op Sumatra's Oostkust van hot hoogste belang.
In achterstaand rapport aan don Directeur van 'sLands Plantentuin uitgebracht, vindt men dus, als inleiding op latere mededeelingen, van de hand van Dr. A. van Bi.tlert, scheikundige aan de80Afd. van 's Lands Plantentuin, een overzicht en beschrijving van de ligging en van de algemeene eigenschappen der verschillende grondsoorten, waarop tabak wordt verbouwd op Sumatra's Oostkust.
De Chef der 8' Afd. van 's Lands Plantentuin, Lahoralorium voor onderzoekingen over Deli-tabah,
J. van Breda de Haan.
Buitenzorg, Augustus 1896.
BESCIIRIJVIXG VAN DE LIGGING EN' VAX DE ALGEMEEXE EIGENSCHAPPEN DEK VERSCHILLENDE GRONDSOORTEN, WAAROP TA1SAK WORDT VERBOUWD 01' SUMATRA'S OOSTKUST.
liet deel van Sumatra's Oostkust, waarover in liet onderstaande mededeeling wordt gedaan, oratreat de grondsoorten, die voor de tabakscultuur worden gebezigd, bestaat uit de volgende landschappen: In het Weston: Langkat, verder Oostwaarts: l)eli,Ser-dang, Bedagei en 1'adang.
Wil men zich duidelijkheidshalve een voorstelling maken van de onderlinge ligging der to besproken landschappen, zoo heeft men zich oon reehthockigen driehoek voor te stellen, waarvan de hypothonusa door het strand langs do straat van Malaka wordt gevormd. Do N-Z looponde rechthookszijde, die do uiterste grens van Langkat vormt, loopt van de Aroe-baai tot het hoogge-bergto in de longte-as van Sumatra. De O-W loopendo recht-hoekszjjde gaat aanvankelijk langs dit hooggebergte; verder, omdat dit gebergte Zuideljjk afbuigt, door een heuvelland tot do zee bij Batoe Bahara,
De volgorde is, zoo men in het Westen begint: Langkat, Doli, Serdatig, Bedagei en Padang.
Het oppervlak dor terreinen, die in de verschillende landschappen voor do cultuur zijn uitgegeven, wordt, volgens do uitgebreidheid gerangschikt, door dezelfdo reeks voorgesteld.
Hoofdzakelijk zal het landschap Deli met de aangrenzende gedeelten van Langkat on Sordang worden behandeld.
De redenen zijn do volgende; ten eorsto kon het onderzoek voor deze stroken plaats vinden tot het gebergte toe, wat bjj de andore niet mogeljjk is. Ten tweede bleek, dat de grondsoorten, waarop in de andere landschappen tabak wordt geplant, door hunne ligging voel overeenstemming bieden met de soortgelijk gelegene in Doli. Voor Westelijk Langkat, Oost-Serdang, Bedagei en Padang zijn het n.I. hoofdzakelijk do lagere gronden, uit water afgezet en die in het algemeen dichter bij do zee gelegen zijn, welke voor de cultuur gebezigd worden. Doze groep is in Deli evenzoo vertegenwoordigd.
â 422 â
Langkat is hierdoor gekarakteriseerd, dat, zonder geleidelijken overgang, een golTend heuvelland plotseling oprijst uit een laau^ vlak land, dat zich veel verder landwaarts in uitstrekt dan de even hoog boven de zee gelegen vlakte in het Deli'sche.
Deli, met de reeds genoemde strooken der aangrenzende landstreken, vertoont aanvankelijk van de zee uit een groote, zacht hellende vlakte, zonder heuvels, eerst dichter hij het centrale hooggebergte komen de uitloopers hiervan geleidelijk voor den dag.
In de Oostelijk gelegen landstreken moet wederom een heuvelland zijn, dat vrij plotseling uit de lagere vlakte oprijst, ongeveer zooals in Langkat.
De lage landen van alle landschappen vertoonen, wat do formatie betreft, in hoofdzaak hetzelfde type, alleen de afkomst der verweeringsprodukten is verschillend.
Het tegen do Westgrens buiten Langkat gelegen hooggebergte, is blijkens door do rivieren meegevoerd grind, van andere formatie dan het bij Deli in de lengte-as door Sumatra loopende gebergte.
liet is hoofdzakelijk deze streek in don hoek, gevormd door deze twee bergketens, welke soms door heftige wervelwinden, met hagel geteisterd wordt.
Verder loopen de rivieren in grooten getale van hot gebergte, evenwijdig aan elkaar naar do zee. Zjj vormen in hot algemeen de natuurlijke grenzen dor landcontracten, terwijl twee evenwijdige, rechthoekig er op loopende lijnen, den rechthoek voltooien.
Grondsoorten van het landschap Deli met de aangrenzende strooken can Lanylcat en Serdang.
Van het bovengenoemd gebied z|jn de grondsoorten in twee eategoriën te verdoelen.
De grondsoorten der cene categorie zijn nagenoeg zonderonderscheid ontstaan door het bezinken of afzetten van bestanddeelen, door het water van elders meegevoerd. Zij komen over het geheelo gebied verspreid voor, hoofdzakelijk echter in het lager bij do zee gelegen terrein, dat bijna uitsluitend uit deze gronden is samengesteld.
De grondsoorten der tweede categorie zijn ontstaan door do ver-weering van een oorspronkelijk uit vulcanischo sleenen, zand en
â 423 â
asch gevormileu bodem en door de verandering ten geTolgo van den plantengroei.
De laag, welke op deze wijze onstond, rust op de plaats, waar zij gevormd werd.
Tot de eerste categorie behooren de volgende onderdeelen, die door zeer verschillende eigenschappen van elkander onderscheiden zijn: 1°. Ue paja-grond, d. i. eon veenachtige moerasgrond. Zeer diepe paja's, waar de hoofdmassa van den bodem uit vergane plan-tendeelen bestaat en do door het water meegevoerde klei-doeltjes op den achtergrond geraken, moeten dus eigenlijk bij categorie II ingedeeld worden. Omdat met klei gemengde paja's echter de meerderheid uitmaken, zijn zo gemakshalve, alle onder categorie I te zamen gebracht. 2°. De pematangs, d. z. zandstrooken, overal in hot lagere land
voorkomend, in eene richting loodrecht op de zee. 3°. De kleigrond in wisselende verhouding met zandige mineraal-fragmenten of met plantenresten gemengd en in hot algemeen van een lichte of grijze kleur.
4e. De pama-gronden, vlakke zandige strooken tusschen de rivier en het hoogere land; zij komen voor in de hoogere streken, waar de bodem hoofdzakelijk uit grondsoorten bestaat, die tot categorie 11 bohooren.
Tot de tweede categorie zijn do volgende te rekenen: 1°. De meer of minder humusrijko of kleiachtige grond, die op een vulcanische asch- en zandlaag is ontstaan. Do kleur is in hoofdzaak rood, in verschillende tinten, tot bijna zwart toe; eveneens zwart gekleurde humeuze gronden. 2°. De gronden in de heuvel- en de bergstreek, uitgenomen, die aldaar uit het water zijn afgezet, zooals witte of lichte klei en de pama's.
Gronden van catuyorie 1.
liet dichtst bij do zee gelegen komen do paja-grondon voor; do rivieren voerden voortdurend van hoogere streken zand en slib mee, waardoor zich onder medewerking van de zee bij het strand uitgestrekte banken hebben gevormd; deze zijn na verloop van tijd met een plantengroei bedekt geworden. De rivieren, die tegen deze moerasachtige banken stuitten, hebben aldaar tot verhooging van den bodem bijgedragen door het laten bezinken van zand- en kleideelen. Aange-
â 424 â
zien nu oen zekere stroornsnelhoul yeëischt wordt, opdat oen rivier zand mee kan roeren, moet mon er uit besl uiten, dat er een bed zal bestaan hebben. Langs dit bod is door de rivier bij lioogeren waterstand het zand afgezet en zijn zoodoende zandige ruggen in de paja on in do klei ontstaan, loodrecht op de strandlijn.
Ook in hoogor gelogen streken zijn zandigo strooken van vrij groot oppervlak op soortgelijke wijze gevormd.
Waar zich stilstaand ot' langzaam stroomend water bevond, is de kloi eveneens tot afzetting gekomen, zoodat in de nabijheid der paja's bij de zoo uiterst fjjn slib is bezonken; op hoogoro plaatsen is de klei meer afwisselend gemengd met zandigo mine-raalfragmenten.
Aangezien de klei door een ver gevorderde ontleding on verweering van ijzerhoudende substantie ontstaan is, komt het op enkele plaatsen voor, dat zij geelachtig getint is. Over 't algemeen echter was de ontleding zoo ver voortgegaan, dat hot ijzer niet meer op de kleur invloed uit kon oefenen en men dus oen zoer witte klei kreeg. Was de kloi gemengd met donker goklonrde mineraal-fragmenten, of niet plantenresten, zoo hoeft zij oen grijsachtige tint aangenomen. Hoe dichter bij do zee, zooveel te lichter de kleur.
Aangezien de gemengde grondsoort, die hoofdzakolijk uit minc-raalfragmenten bestaat en door klei eonigszins plastisch geworden is, als een onderdeel dozer grondsoort kan beschouwd worden, zal zij bjj de kloi behandeld worden.
Tot op aanzienlijke hoogte in het bergachtige deel, wordt langs kleine riviertjes klei afgezet van een lichte kleur; evenzoo komt een zandigo grondsoort voor, die zich langs de rivieren hoeft afgezet en boven reeds onder den naam pama is vermeld.
Do verschillende onderdeelen van eatagorie I zullen aelitereen-volgens nader beschreven worden.
Paja.
Paja is het Maleische woord voor een moeras met plantengroei. Tabaksplanters verstaan onder paja-grond de zeer laag gologon, meestal onder water staande, turfachtige grondsoort, die in volo opzichten met veengrond overeenkomt.
Op alle plaatsen, waar onvoldoende waterafvoer is, heeft zich paja gevormd, men vindt het dus hoofdzakolijk in de lago bij de zoo gelegen streken, waar de gegevens aanwezig waren tot het vormen van moeras- en veengrond.
â 425 â
Ook meer landwaarts in (tot 35 K.M. van de zee cn 12 M. er boven gelegen) komen plaatsou voor, waar rivieren, uit Je henvelstreek de vlakten binnengetreileu, telkens van loop veranderen door de afwezigheid van dijken of andere normaliseeringsmiddolen. Het lager gelegen land wordt overstroomd, door de mindere stroomsnel-hoid bezinkt eerst hut meegesleepte zand cn vormt aldus een hooger gelegen terrein, waar achter door het stilstaande water ook de kleideoltjes worden afgezet on later voor veenvorming gelegenheid is.
De paja-gronden, die zich onmiddellijk aan de kleistreek aansluiten, zijn eenigszins als overgangen te beschouwen naar de eigenlijke veenachtige streok, en zijn mengsels van klei en veen, in wisselende verhouding; dichter bij de zee worden zij hoofdzakelijk veenachtig.
In de bjj de zee gelegou paja's komt ook klei voor, evenals zand; dit wijst dan op oude, sedert verdwenen rivierloopen en zijn deze klei- en zandruggen, welke zich onder het veen meer of minder diep uitstrekken, altijd scherp afgescheiden van do er boven of er naast zich bevindende turfachtige laag.
In de bij de zoe gelegen paja's komt dus gewone turfgrond voor (laagveen) op een ondergrond, hoofdzakelijk uit klei bestaande en soms afgewisseld door klei- en zandruggen, als overblijfsels van vroegere rivierloopen.
De diepte der veenlaag kan aanzienlijk zijn.
In een paja, gelegen 15 K.M. van do zee, die met tabak was beplant, kon men, zonder noemenswaardigon tegenstand te ondervinden, een stok meer dan 3 M laten indringen, zonder dat vaste grond bereikt werd. Aan eene zijde was deze paja door roodo heuvels begiensd, die de uitloopers vormen van het meer landwaarts in gelegen heuvelgebied.
Bij de dichter bij de zee gelegen paja's is de bodem zoo los en waterrijk, dat met baggermachine's de hoofd-afvoerkanalen kunnen worden gemaakt. Grroote stukken veen komen bovendrijven, evenzoo stukken boomstam. De laatste, aanvankeljjk steenhard, vallen in zeer korten tijd door don invloed van warmte en droogte tot een uiterst fijn, grauwzwart poeder uit elkaar. Do diepe paja-gron-den zijn in het algemeen bedekt met een ondoordringbaar, dicht netwerk van kleinere planten (moerasplantengroei); waar de veenlaag dunner is, of gemengd met klei, en dus groote boomen oen stevigen ondergrond vinden voor hunne wortels, is de paja bedekt
â 426 â
Tiiet een zeer dicht en hoog bosch. liet soort boomen is in het algemeen een ander dan dat in de hoogere streken; vooral komt voor een aldaar âkajoe lamèquot; genoemde boom, mot talrijke knievor-mige, boven don grond uitstekende wortels. Het hout is uiterst licht en poreus.
De diepe, meer zuiver veon bevattende, paja's zijn rijk aan oen zicli snol voortplantend gewas (kangkong genaamd), dat door zijn snellen groei gemakkoljjk do afvoerkanalen en parits (goten) verstopt en dus veel last kan veroorzaken. Is het land op nieuw onder water gezet, zoo komt het snel terug.
Wordt paja-groud voor do eerste maal bewerkt, zoo neomt men (volgens mondelinge mededeeling) herhaaldelijk een reuk naar bedorven eieren waar; ongetwijfeld wijst dit op zwavel waterstofgas. Herhaaldelijk werd het voorkomen van moerasgas geconstateerd. Ook de producten van andere reductie-procossen kondon worden aangetoond, bijv. zeer algemeen, in water oplosbare ferro-verbin-dingen. Door zorgvuldige drooglegging en voldoenden en spoe-digen afvoer van hemel- en kwelwater worden deze schadelijke stoften voldoende omgezet, of weggevoerd, zoodat de tabak er geen schade door ondervindt. Een sterk zure reactie komt in den ondergrond algemeen voor, in den bovengrond verdwijnt deze spoedig.
Om paja-gronden voor tabakscultuur geschikt to maken, wordt begonnen met den bodem droog te maken ; in het algemeen wordt het geheel met oen dijk met ringsloot omgeven, aan het laagste gedeelte met duikers of sluizen voorzien, In de paja uitloopende riviertjes worden buitenom afgeleid en do bestaande bedding, na normalisecring, gebezigd als afvoerkanaal van overtollig wator; zoo noodig, worden bovendien kanalen gemaakt. De afvoer geschiedt uitsluitend door open slooton, greppels of parits. Van draineerbuizen wordt om de kosten en andere praktische bezwaren, geen gebruik gemaakt. De buizen zouden slechts voor één oogst dienst kunnen doen omdat men «f niet of na zeer langen tijd op dezelfde plaats terugkomt en er dus alle kans bestaat, dat zij geheel verstopt zullen worden. Is door den waterafvoer do bodem eenigszins begaanbaar geworden, zoo vangt men aan de boomen te vellen en den kleineren plantengroei op te ruimen. Het verbranden van de gedroogde boomen moet met omzichtigheid op niet te groote stapels geschieden, omdat anders de veenlaag mee verbrandt.
Geraakt toevallig droge paja in brand, zoo brandt de turflaag
door tot do 'waterlijn of' tot de onbrandbare onderlaag. Is deze van klei, zoo houdt men een voor alle gewassen onbruikbaar land over, omdat het geheel met een laag kleine, scherpkantige, gruis-achtige roode baksteenstukjos, tor dikte van eonige cM. bedekt is.
De in de lagere streken gevonden klei wordt ook algemeen als materiaal bij hot bakken van steenon gebruikt.
Is het land schoongemaakt, zoo wordt tot een diepte van 30 cM. getjankold; is de turHaag dun, zoo verkrijgt men dus daardoor een bovengrond van turf met klei gemengd.
Bij diepe veenlagen blijft boven- en ondergrond turf en ziet men dus tabak planten en tabak groeien in turf.
In het algemeen wordt waargenomen, dat tabak op een grond uit tnrf en klei oi' turf'eu zand bestaande een boter soort oplevert, dan alleen op turf of alleen op klei, wanneer overigens do ondergrond en vooral do stand van hot grondwater goljjk zijn.
Gewoonlijk wordt niet bemest. Op eene onderneming werd bij wijze van proef bemost mot Thomas-phosphaat; ook met kalisalpoter en mot versch gebrande kalk werden proeven genomen. Om later te vemolden redonen, zijn deze stoffen niot aan te raden.
Hot planton geschiedt, mot hot oog op de dichter bij zee later invallende regens, eenigeu tijd nadat dit in de hoogero streek is aangevangen. Hot verschil bedraagt soms eonigo maanden.
De groei is snol; do planten ontwikkelen siich krachtig door den grooten voorraad gemakkelijk assimileerbare voedingstoffen en door het nimmer ontbreken van water, dank zij de lage ligging on de grooto water-capaciteit dezer gronden. Do grootste oogsten per veld zijn van paja-grond. Hevige regens, die in hoogere streken vallen, maken evenwel den oogst wisselvallig, door het veroorzaken van overstroomingen. Het op do onderneming zelf vallende water doet minder schade.
Evenzoo levert het bouwen van droogschuren soms niooieljjkhe-den op, wegens de grooto losheid en vochtigheid van den bodem. In don vochtigen ondergrond rotten de palen sneller weg dan elders en blijft een zelfde droogschuur veelal slechts twee jaren bruikbaar.
De paja-gronden bohooron bij uitzondering tot degene, waar lalang (alang-alang) niet groeien wil; ook werd medegedeeld, dat na de tabak hot land ongeschikt was voor de rijstcultuur, daar de padi dood ging; of dit geldt voor de met klei gemengde paja's evenals voor den veengrond alleen, is mij niet bekend geworden.
Waar voor volo tabaksgromien in Deli en aangrenzende landstreken geldt, dat tabak na tabak oen slechten of veel minderen oogst oplevert, is dit bij paja-grondeu in do hoogste mate het geval.
Uo volgende oorzaken kunnen daartoe medewerken.
De diepe paja-grondeu, dus waar niet een dunne veenachtige laag op klei of' zand rust, zijn zonder uitzondering laag gelegen, en dus slechts door een zeer goed ingericht en onderhouden water-afvoer-stelsol voor dc cultuur geschikt to maken. Zooals allo turfgrond noemt het volume door het droog worden zeer af, on komt dus de bovengrond dichter bij het afwateringsniveau. Is het land gedurende don langen tijd, die verloopen is, sedert hot in bewerking werd genomen, sedert er tabak op gegroeid is en sinds het weder voor don volgendon oogst in gereedheid is gebracht, voortdurend betrekkelijk droog gebleven, zoo is deze daling ongetwijfeld van betee-konis. Wol is het land doorgaans in het natte seizoen October-November overstroomd geweest, doch door de bestaande afwateringen droogt het sneller op dan voorheen. In hot algemeen zal door de drooglegging, hot land voortdurend zinken.
Volgt nu do planttijd, en daarna do warmte, dan wordt de zwarte of donker gekleurde grond door de zon zeer sterk verwarmd, de van waterplanten afkomstige vorvoende overblijfselen, vallen in oen uiterst tijn verdeeld stof uit elkaar, en worden door de inwerking der gemakkelijk toetredende lucht en de groote warmte, gepaard met vochtigheid, zeer snel omgezet. De snelle wasdom der tabak wijst er reeds op. Door herhaaldelijk aanaarden wordt telkens nieuwe bovengrond in nog gunstiger conditie gebracht om omgezet te worden, zoodat bjj het intreden van het regenseizoen na een periode van ongeveer een half jaar van groote warmte, een groot deel van de bovenlaag zal zijn omgezet en verdwenen. Ivonit men nu een volgend jaar op hetzelfde land terug, dan vindt men een land lagergelegen dan vroeger, hetgeen juist voor paja zoor schadelijk is en wordt de ontzuring van den bodem hoogst moeielijk, waarvan weder een slechte stand van de tabak het gevolg is. Heeft men geplant op paja met klei gemengd, dan zijn de plantenresten in den bovengrond grootendeels verdwenen. De bovenlaag is dunner geworden en men haalt dus bij het omtjankollen voor den tweeden oogst, een veel moer klei bevattenden ondergrond naar boven, die bovendien door zijn lagere ligging en hot bedekt zijn met een de lucht moeielijk doorlatende bovenlaag, minder gelegenheid had te ontzuren en
â 429 â
schadelijke bestanddeeleu te verliozen. Bovendien heeft do boven gekomen, dikwijls geelachtig gekleurde, vettige klei-ondergrond door de droogte een structuur aangenomen, geheel overeenkomcndo niet de boven beschreven onderlaag, waarop do turf is verbrand, alleen vindt nieu hier geen rood gebakkeu gruisachtige deeltjes, maar zijn zij lichtgeel, of grauw gekleurd. De ondergrond lilijlt zeer ondoor-laatbaar en steeds vochtig. Waar men nu op de hoogoro, meer landwaarts in gelegen kleigronden, welke bovendien meestal met grovere zandachtige deelen gemengd zjjn, reeds veel moeite heeft om den bodem voldoende droog te houden, moot hot niet bevreom-ilen, dat deze hoofdzakelijk uit zware klei bestaande ondergrond uiterst oiuloorlaatbaar en bij droogte zeer hard wordt. Do tabak vertoont dan ook dezelfde verschijnselen als op ondoorlaatbare klei; zij bljjft klein, bloeit snel, en do wrortels zjjn op vele plaatsen verrot. Door het verdwijnen van de turfachtige plantenresten, is de klei dicht en ondoorlaatbaar geworden.
Wil men op deze gronden na oen langen tijd terugkeeren, zoo kan men vrjj zeker een verbetering verwachten van don tweeden oogst, indien men, nadat eenmaal is afgeplaut, de afvoerkanalen dichtmaakt en daardoor don oorspronkelijken plantengroei laat terugkeeren. Laat men hen in don drogen tijd open en droog liggen, zoo verdwijnt de veenachtige laag of hot zich tusschen de klei bevindende veou zeer snel, en men houdt een onbruikbaren kleigrond over. Bij het afsluiten der afvoerkanalen komt, zooals reeds meermalen is gebleken, op den vochtigen bodem vrij snel een welige plantengroei terug.
Voor het gebruik van kunstmeststoften en van kalk moot op paja-gronden voorloopig worden gewaarschuwd. Aan eerstgenoemde bestaat geen behoefte, zooals voldoende blijkt uit do groote ontwikkeling van de tabak op allen paja-grond. Voor het gebruik van kalk moet gewaarschuwd worden, omdat zonder kalk, alleen door drooglegging, do zure reactie verdwijnt en verder, omdat men in de tropen, blijkens elders genomen proeven, met het gebruik van kalk uiterst voorzichtig moet zijn; uiet slechts om do veranderingen die in de organische doelen van don bodem worden gebracht, (in dit geval dus do turfachtige bestanddeelon), doch ook door het ouder don invloed van voortdurende grooto warmte en vochtigheid ontleed worden en oplosbaar worden der alcaliën. Door het uitstrooien van de asch wordt daarenboven reeds eenige kalk in den grond gebracht.
â 430 â
Uit den krachtigen groei van tabak op alle paja-gronden, die voor liet eerst in cultuur zijn gebracht, blijkt bovendien geen gebrek aan dit bestanddeel te bestaan, zooals door het onderzoek van een monster paja-grond ook bevestigd werd.
Waar in Europa kalk op turfgrond wordt aangeraden of voel kalk bevattende kunstmeststoffen (Thomas-phosphaat), bedenke men wel, dat men daar ren eerste met hoogveen op zand te doen heelt, zoodat de plantengroei waaruit dit veen is gevormd voel armer is aan plantenvoedende bestanddeelen, dan in het geval bij paja-gronden.
Hier heeft men hoofzakeljjk te doen met een veenachtige laag op een klei-ondergrond, waaruit door de veenvormende planten meer voedende bestanddeelen kunnen naar boven worden gebracht.
Ton tweede zal de omzetting, die de kalk teweegbrengt zooveel minder zijn door do koude en de veel kleinere hoeveelheid regen in eon gematigd klimaat.
Voor paja-gronden zijn dus kalk en kunstmeststoffen waarschijnlijk schadelijk of overbodig, bij het onderzoek van op paja-ge-grooide tabak, zal later hier nader op worden teruggekomen.
Pematang.
Een hoog en droog pad door of langs moerasgrond wordt in Sumatra oen penmtang genoemd.
Voor de tabakscultuur treden zij door hun gering oppervlak op den achtergrond, wat de quantiteit dor tabak betreft; de qualiteit van het gewas wordt zeer geroomd cn is wellicht de beste van het uit de lagere streken afkomstige produkt.
Behalve in do paja's, zooals de naam aanduidt, komen zij ook veelvuldig in de kleistreek voor, hetgeen verklaarbaar wordt door het niet bestaan van een scherp begrensd verschil tusschen paja-on kleigrond.
Zij danken hun bestaan waarschijnlijk aan vroegere waterloopen; onder do zandige poniataug komt dikwijls klei voor, evenzoo in de nabijheid veel grind, waar het vroegere rivierbed was. Bij hevige regens in hoogore streken word waarschijnlijk veel grind, zand en klei van de oevers weggeslagen en door den feilen stroom meegesleept; het grind blijft bij ingetreden stroomvermindering het eerst achter; komt de waterloop in het lagere terrein, dan treedt hij geniakkelijk buiten zjjn oevers en zullen door de mindere snelheid
â 431 â
do zandige deelen het eerst langs de rivier bezonken zijn, waardoor de vorming van boven den kleigrond of paja uitstekende ruggen verklaard wordt.
Zij zijn zonder noemonswaardigen overgang scherp begrensd en gescheiden van den klei- of veengrond. Zij strekken zich als smalle ruggen door hot land uit. De hoogte is betrekkelijk gering, het grootst in het midden, geleidelijk naar weerszijden afloopond on bedraagt gemiddeld ongovoer 0.5â 1 M.
Aan het einde verdwijnen zjj onder den omringenden grond.
Eenigszins gelijkend op pomatangs, zijn de smalle, lange, zacht glooiende uitloopers van heuvels, die soms, door hun roode kleur on humusrijkdom, welke tot oen donkere tint bijdraagt, scherp afsteken tegen den lichten kleigrond. Principieel zijn zij er van te onderscheiden; zij zijn van ouderen datum, rusten op hun eigen ondergrond, terwijl pematangs zoor jong zijn, op een andoren ondergrond rusten en van ver afgelegen plaatsen zijn aangevoerd door do rivieren. De structuur dezer pomatangs is door hun zandige geaardheid veelal zoo los, dat bij de bewerking de parits herhaaldelijk instorten.
Vergelijkt men don stand der tabak op een door oen klolland loopende pomatang, mot dien van do op de klei groeiende planten, zoo strekt do begroeide pomatang zich als een dijk van grootere, krachtig uitgegroeide planten uit tusschen de veelal kleinere, minder ontwikkelde exemplaren van den lagoren kleibodom.
Do pematangs in do paja leveren minder tabak dan de paja-groud, doch in qualiteit staan zij boven do meer dikke, donkere en olieachtige planten van vele paja's.
Duidelijk komt aan het licht, wat de fouton zijn van de lagere klei-, zoowel als van de paja-grondon, door ze met den, op dezelfde plaats gologen, pomatang-grond te vergelijken.
De hoogere ligging, do grootere doorlaatbaarheid, zonder dat vochtgebrek kan intreden en de lossere structuur maken dezo grondsoort uitstekend geschikt voor tabak. Daartegen hoeft men bij don kleigrond en de paja mot gebrekkiger waterafvoer, lagere ligging, zure reactie en ondoorlaatbaarheid te kampen, terwijl het verschil in structuur oveneens oen groote rol speelt.
De pematangs zijn daarenboven voor uitdrogen beschut, godcol-tolijk door den ondoorlaatbaren kloi-ondergrond, gedeeltelijk door hun ligging in de paja.
â 432 â
De boYongenoemdo goede eigenschappen, hoofdzakelijk uit structuur en ligging voortvloeiende, zijn indirect de oorzaak geweest van een soms in dozo grondsoort voorkomende fout. Zooals uit hot volgende blijkt, is de fout van betrekkelijk geringe beteekenis en gemakkelijk te verholpen.
De pomatangs waren, toon de omliggende landen voor de eerste maal in cultuur werden genomen, niet moor met bosch of een grooten plantengroei bedekt. Reeds vroeg hadden de oorspronkelijke bewoners (Maleiers), deze gunstig gelegen en vruchtbare strooken mot verschillende gewassen beplant, waardoor gebrek aan planten-voedende stoffen niet uit kon blijven. Het is aan te raden proeven te nomen, of het gebruik van kunstmest op zulke afgebouwde pomatangs verschillen geeft met onbemest land van dezelfde soort.
Aan phosphorzuur kan o. a. gebrek zijn, vooral, indien herhaaldelijk padi is geplant.
Kleigrond.
Reeds werd met een enkel woord medegedeeld, dat de dichtbij de zee gelegen kleigrond over het algemeen licht gekleurd is, zeer dichten ondoorlaatbaar kan zijn en laag is gelegen. Flooger neemt hij een moer grijsachtige kleur aan en bereikt hij, zachthellend oploopend van de zee af, een hoogte van 14 M. boven hot zee-peil. Dat hjj door aanslibbing en afzetting vau zandige en kleiachtige deelon is ontstaan, wordt hieruit bewezen, dat op een der hoogst gelegen plaatsen â bij het graven van een put â op een diepte van 7 M. hout te voorschijn kwam, dat veel gelijkenis vertoonde met het hout van bij de zee voorkomende hoornen. Vroeger was dus het niveau van het land op die plaats (Medan) 7 M. boven de zee in plaats 14 M. zooals nu. In de diepere lagen, zoowol hier als in de paja's, wordt door reductie in don ijzerhouden-don grond blauwachtige klei gevonden en komt een forro-reactio veelvuldig voor. Do klei is onder een veenachtige laag op sommige plaatsen geelachtig gekleurd; dozo kleur is waarschijnlijk atkoni-stig van liet door veen, bruin of geel gekleurde water, waarmede zij doortrokken is.
Do in do bergstreek voorkomende witte klei is van minder be-teekonis; waar tusschen heuvels geen voldoende afwatering mogelijk was, en de kleine riviertjes zoor langzaam stroomden, lieten zij in een dergelijk komvormig terrein de slibdeeltjes bezinken. Er komen licht gekleurde tufachtige massa's voor, die door verwce-
- 433 â
ring, eou dergelijke klei kunnen doen ontstaan. Van veel belang zijn deze terreinen echter niet, door hun gering oppervlak.
Do grijsachtig gekleurde kleigronden zjjn als mengsels te boschouwen van witte klei met donker gekleurde mineraalfraginenten, of met plantenresten, zij danken hieraan niet alleen hun kleur, doch wat van meer belang is, een zeer gunstige structuur.
Do geheel witte klei is uiterst fijn, zet zich in water moeiehjk af, en droogt tot eeu steenharde massa op.
Op de grens van den roeden grond en do witte klei, vindt men, vooral op lagere plaatsen, afzetting van groote hoeveelheden jjzer-oerachtige stukken, welke als een spons vele openingen vertoonen, die met de fijne omringende klei zijn gevuld. De stukken bereiken een aanzienlijke grootte en hardheid, en kunnen door de vorming van een ondoorlaatbare bank schadelijk worden. Do diepte, waarop zij voorkomen varieert; op twee door mij bezochte plaatsen bedroeg deze ongeveer 1 M. doch ook op geringer diepte komen dergelijke stukken voor.
Oe samenstelling der kleigronden is zeer wisselend. In aanmerking nemend, dat zij destijds afgezet zijn uit rivieren, die zonder belemmerd te worden door dijken, hun loop voortdurend hebben gewijzigd, vindt men zandachtige zeer doorlaatbare klei, naast lagere plekken, waar door hot bijna stilstaand water oen zeer dichte stijve klei werd afgezet. Daar in do verder van zee gelogen plaatsen de stroomsnelhoid grooter was, is door de rivieren daar ook meer zand afgezet, hetgeen tot de vorming van eeu uiterst guustigen, gemengden bodem hoeft bijgedragen. Deze grondsoort wordt afgewisseld door zandige strookon, welke dikwijls veel klei in den ondergrond bevatten; naar gelang van de meerdere of mindere hoeveelheid mineraalfraginenten is do plasticiteit kleiner of grooter. Op een enkele plaats komt in dezen hooger gelogen kleigrond een paja voor, gewoonlijk van een geringe oppervlakte, ook is hij op sommige plaatsen afgewisseld mot de uitloopors van hot hoogere roede land, die dan, als scherp begrensde slechts weinig zich verheffende ruggen, het laud doorsnijden.
Oorspronkelijk was het land mot oerbosch bedekt, doch de gevormde humuslaag is steeds aanmerkelijk dunner dan die welke in hooger gelegen streken in den choeoladoklourigen grond voorkomt. Wordt voor waterafvoer gezorgd, zoo doen ook hevige regenbuien weinig kwaad,
VII 31
â 434 â
Daarom behoort do strook mot de meer grijsachtig gekleurde, gemengde klei onder do heste tabaksgronden, in tegenstolling mot de togen de zee aan gelegene strook, waar do working dor rivieren nog te voel haar invloed doet gevoelen op de structuur en de vorming van den bodem.
üe strook tusschen het roodo hoogere on hot lagere bjj de zee gelogen land, is dus van een doorlaatbare grondsoort van korrelige structuur, gemengd zand- en kleiachtig, zooals die voor tabak gewild is. Hij vertoont de goedo eigenschappen A an klei en zand door het absorptievermogen cn de waterhoudendheid van de eerste, met de doorlaatbaarheid vau de tweede. Waar do klei meer op don voorgrond treedt op lagere plaatsen, wordt de bodem meer afhankelijk van het weer. Te veel regen schaadt door het veroorzaken van rotting; bet stagneerende water is na hot opnieuw doorkomen van do zon hoogst schadeljjk. Het wortelnet blijft klein on kan niet genoeg water uit don bodem opnemen in tijd van droogte. Bij droogte scheurt de grond bovendien, hetgeen aan do teere wortels grooto schade kan veroorzaken.
Dikwijls tracht men door kunstmest, in groote hoeveelheid aan to wonden, te vergoeden, wat door ondoorlaatbaarhoid, lage ligging-of ongunstig weer bedorven is. Te veel kunstmest in zware klei kan onder omstandigheden schadelijk worden voor do plant. Hot grooto absorptie vermogen, gevoegd bij do langzame circulatie van water on daardoor het minder verspreid geraken van den mest in den bodem, maakt, dat de planten zich in eon te geconcentreerde mestomgeving bevinden.
Do naast kleigronden gelegen pomatangs mot hun wcligen plantengroei, geven van zelf den weg aan om tot verbetering te geraken.
Tabak hoeft nu eenmaal een lossen bodem noodig om tot eene ontwikkeling to geraken, zooals die gewonscht wordt. Op verbetering van de structuur van den bodem zal men zich dus moeten toeleggen.
Daar het mij gebleken is, dat van vele oogenschijnlijk zware ondoorlaatbaro kleigronden, de ondergrond uit grof zand bestaat, zou het nomen van do volgende proef wellicht aanbeveling verdienen.
Mon bewerke den grond, hetzij door ploegen, hetzij met den tjankol, zoo diep, dat een vermenging van don zandigen, groven ondergrond mot de vaste kleilaag plaats vindt; daardoor komt men meer in de omstandigheden van de hooger gelogen, moor gemengde klei bevattende, gronden.
Dat enn dergelijke bewerking niet veld voor veld moet plaats vinden, maar alleen voor die, waar de kleilaag zoo ondiep is, dat zij geheel bij do bewerking wordt doorgebroken, spreekt van zelf.
Ook neme men voor controle eenige volden, waar men op de vroegere manier te werk gaat, â dus minder diep omwerkt â ter vergelijking en gebruike verder op beide dezelfde soort mest in even groote hoeveelheid.
Wanneer men door dc diepe bewerking niet bereikt, dat de onderliggende zandige laag gemengd wordt met de zware kleilaag, zal de uitwerking gering, onder sommige omstandigheden schadelijk kunnen zijn.
Ook wanneer do ondergrond klei is ou deze geen voldoende gelegenheid heeft om te ontzuren, is een goede opkomst van de tabak zeer twijfelachtig.
Het onderwerken van den altijd oenigen humus bevattenden bovengrond, waarvan in deze zware klei de hoeveelheid echter gering is, behoeft niet terug te houden van een diepe bewerking en menging van klei met zand. De humus kan door de grootere doorlaatbaarheid niet tot oen verzuring van den bodem aanleiding geven.
Waren do praktische bezwaren niet overwegend, zoo zou ook het brengen van zand op zware klei en ook op paja moeten worden aangeraden om de gunstige gevolgen, die ervan te verwachten zijn.
Heeft men te doen met een kleigrond, die vroeger zwaar was bemest, zoo zal na de ondcrwerking en vermenging van de kleilaag met het zand, aan een bemesting met kunstmest geen groote behoefte bestaan. Ook hier is het dan wenschelijk na te gaan of hot geven van een kleine hoeveelheid guano (eenige grammen), aan de jonge plant, verschil oplevert met op hetzelfde land in den zelfden tijd geplante tabak, zonder deze bemesting. Een gebrek aan voedende bestanddeelen zou door een verschil aan den dag komen.
Voorloopig moet gewaarschuwd worden voor het gebruik van kalk, hetzij alleen, hetzij, zooals voorkomt, door kalk mot mest-stoft'en te vermengen. Niet slechts, dat de kalk op den in den bodem zich bevindenden humus ontledend werkt, doch ook de minerale bestanddeelen worden in hooge mate, zeer ten nadeele van den plantengroei, op eene zoodanige wijze ontleed, dat door uitspoeling verarming intreedt.
Reeds elders is voor tropische landen door anderen op het groote gevaar van kalk op bouwland gewezen. Do hoeveelheid kalk in
â 436 â
den bodem is voldoende, zooals hij (/unstiy weer duidelijk uit de dan gegroeide tabak blijkt. Bovendien vergete men niet, dat de werking van kalk doorgaat, nadat de tabak van het land weg is; werden de door omzetting met kalk vrijgekomen produkten dan opgenomen door een hnmusleverend gewas, zoo zouden zij later ten goede komen aan een tweede gewas van tabak. .Nu is het lalang, die daarvan profiteert; wordt deze nn verbrand, dan spoelen de regens later de meeste bestanddeelen in den ondergrond tegelijk met wat niet door de planten was opgenomen, weg en wordt dus de bouwkruin door de kalk in hooge mate uitgeput en verarmd.
Is de tabak van het land, zoo slnite men bij zware en laag gelogen kleigronden de afvoerkanalen af, om een plantengroei, hetzij pajaaehtig, hetzij boscli, terug te krijgen. De weder intredende zure reactie en groote vochtigheid zijn gemakkelijker te verhelpen, dan oen droog gehouden, jaren lang aan de zon blootgesteld land, met lalang bedekt en herhaaldelijk gebrand, voor do cultuur geschikt te maken.
Verder komt het mij voor, dat vooreerst vau vermindering van lalang wel geen sprake kan zijn, omdat het vroegtijdig bewerken van den bodem (zoodat deze in een vochtige periode open ligt), maar al te veel gelegenheid geeft aan de lalang zich sterk te ontwikkelen, temeer omdat door het ploegen en tjaukollen do wortelstokken van do lalang in een zeer gunstige conditie worden gebracht, om veel bovenaardsche stengeldeelen te vormen. In den vochtigen tijd heeft men weinig kans, dat door de zon, do aan het licht gebrachte onderaardsche doelen zulleu afsterven of althans in hun verdere ontwikkeling verhinderd worden. Door ploegen of tjankollen wordt de lalanggroei dus wel tijdelijk gestaakt, doch niet belet.
Hot werd mjj bekend, dat op sommige koffielanden de alang-alang niet slechts werd gekapt, doch dat de wortels, na uit den grond te zijn getrokken en gedroogd, verbrand werden. Op deze wijze hield men hot terrein lalangvnj. 13jj koffie heeft men echter te doen met eon cultuur, die jaar in jaar uit op het zelfde land plaats vindt.
Do thans algemeen gevolgde manier, waarop in Deli tegen de lalang wordt gestreden is dus onvoldoende, bijna zou men geneigd zijn te zeggen, men bevordert door hot ploegen on tjankollen van lalangland, door het doorsnijden der wortelstokken den groei buitenge meen.
â 437 â
Bij hot aanleggen van Jong bosch traehte men de steeds opkomende lalang zooveel mogelijk tegen te gaan, door met een diepe bewerking de wortels boven te brengen, hen uit den bodem te vorwjjderen en te verbranden.
Hierdoor alleen voorkomt men, dat men veel moeite en kosten aan jong bosch besteed, in enkele uren ziet verdwijnen door oen lalangbrand.
Dat tabak een lossen bodem behoeft, blijkt ten duidelijkste uit den uitnemenden stand der planten op de gemengde en meer zandige boderas, die tusschen do zwaardere klei voorkomen. Te meer omdat ook de zeer zandige bodems veelal op klei rusten of van vroegeren plantengroei humus bevatten, die hen voor te sterke uitdroging behoeden.
Komt men in het ander uitsterste, waar de bodem gekenmerkt is door een dichte ondoorlaatbare structuur, dan moet men voor alles deze verbeteren.
Waar, zooals in Europa de cultuur in het klein geschiedt, en men, door omstandigheden gedwongen jaarljjks op denzelfden grond tabak plant, wordt aan verbetering van de structuur van den bodem de meeste zorg besteed. Door stalmest, bladaarde, compost, verbetert men zoowel dichten klei- als lossen zandgrond. Do cultuur geschiedt hier echter op een te groot oppervlak, dat anders dan bij uitzondering van deze middelen kan gebruik gemaakt worden.
Hier wordt de hoofdzaak dus, zich voor alles toe te leggen om te houden, wat men heeft; bij de hooger gelegen gronden welke nog in zeer gunstige conditie verkeeren, evenals de gemengde in lagere streken, moet men trachten de goede structuur blijvend te maken. Terwijl men bij gronden, waar zij ontbreekt haar te voorschijn moet roepen.
In beide gevalIen is herbossching noodig, gepaard met het uitroeien van lalang, om dit mogelijk te maken.
Pama,
De losse structuur van den bodem, tengevolge van den vulcani-schen oorsprong, is oorzaak geweest, dat in hooger gelegen streken door de rivieren diepe insnijdingen zijn gemaakt, welke veelal door vrij steile oevers begrensd zijn. Groote stukken van den oever werden bij boegen waterstand ondermijnd en stortten in. liet grootste
â 438 â
deel werd door de rivier meegevoerd, slechts grootore steenen bleven achter eu zoodoende word of hot geheele bed verplaatst, ot er ontstond tusschen het oorspronkelijke be'\ en het hoogere land oen alleen bij hoog water ondorloopendo, overigens vlakke strook grond. Bij zich sterk kronkelende rivieren, waar do stroom dus niet langs maar tegon den oever gericht is, wordt langzamerhand het geheele bed verlegd, waardoor, bij lagen waterstand, dit eon aanzienlijke mot groote steenen bedekte vlakte vertoont. Dat deze wegvoering van aarde zeer groote afmetingen kan aannemen, blijkt uit een voorbeeld, waar aan de buitenzijde van een bocht in eon rivier, in den loop van enkele jaren, een stuk van meer dan 15 M. landwaarts in, bij oen hoogte van 5 M. boven gewoon peil geheel was weggeslagen eu meegevoerd, waardoor een steile oever ontstond bij de rivier. Dozo groote hooveelheid grovero zandachtige doelen wordt nu door do rivier, wanneer zij vorder in haar loop lagoro gedeol-ten langs den oever, bjj vroegere gelegenheden gevormd, ovor-stroomt, door de ingetreden mindere stroomsnelheid weder afgezet en geeft dan aanleiding tot het ontstaan van paina's.
Pama's zijn dus strooken vlak land, gelegen tusschen het bed van eon rivier en den steiion, hooger gelegen oever, welke alleen bij beogen waterstand onderioopen en bij die gelegenheid, nadat het water weer is verdwenen, door een laagje zand en soms slib bedekt worden.
De samenstelling van do pama's komt dus in het algemeen niet ovoreon met die van het land, waaraan zij grenzen. De vruchtbaarheid dezer grondsoort is zoor groot, niet alleen door het bij hot zand gemengde slib, dat na overstroomingen achterblijft, doch ook, doordat van het hoog gelogen land, na regen, veol humusrijkeu eu verwoorden bovengrond naar bonedon wordt gespoeld op de pania. Bovendien is de zandige structuur zeer geschikt tot het bespoedigen dor verweering en is er zelden gebrek aan vocht door de lagere ligging. Het gevaar dreigt echter steeds, dat bij buitengewoon hoogen waterstand de te veld staande tabak schade lijdt; dat ook plaatsen in de pama, waar zich waterloopen bevinden, door don kleiachtigen, ondoorlaatbaren en voehtigon toestand geen produkt opleveren, spreekt van zelf.
De hoeveelheid zand, die na eon hoogen waterstand wordt achtergelaten, is soms aanzienlijk. Op een langs roeden heuvelgrond gelegen pama, die met tabak was beplant, werd na eene onderwa-
terzetting gedurende ± 1à uren, tusschou do tabak een zandlaag van ongeveer 4 cM. dikte afgezet, zoodat na dezen korten tijd liet tabaksland oen geheel ander aanzien had. In plaats van tabak op aanhoogingen van donkerrooden grond, was hot oen vlakke, bijna wit gekleurde, zandige strook geworden, waar do tabak nu groeide. Indien do hooge waterstand slechts kort duurt, horstellen de planton zich, dunk de hoogero ligging en grootere doorlaatbaarheid zeer spoedig.
Een ander geval word bekend, dat na een korte overstrooming door een rivier 5 cM. zand werd afgezet. Een dergelijk iets geelt in de lagere streken aanleiding tot de vorming van pematangs, indien het slechts alleen langs do rivier in een smalle strook plaats vindt.
In hooger gelegen terrein on wel speciaal in hot Langkat'sche, ontstaan op deze wijze zandvlakten met eenige klei gemongd, dio alleen bij hoogen waterstand onderloopen, doch overigens zeer vruchtbaar zijn. Meer benedenwaarts wordt klei afgezet ou bier achter sluit zich dikwijls paja-grond aan, in overeenstemming met de steeds mindere stroomsnelheid.
Bij dergelijkeu grond wordt hot geheel omdijkt en tracht men zoodoende de schade van hoogwater, tijdens do tabak te velde staat, te voorkomen.
Het zandige gedeelte, dat hooger is gelegen, komt geheel niet pama-grond overeen ; de dikte der laag kan l tot 1' 2 M. bedragen. Plaatselijk, vooral in de lagere gedeelten, komen grindbanken voor, waar vroeger waterloopen waren. Door hot bij regenbuien wegspoelen van het zand, staat de tabak dan dikwijls in aanhoogingen van grind, en daardoor zeer ongunstig.
Deze grootore pama's zijn doorgaans met een weligen plantengroei bedekt, tusschen het bosch, dat uit zeer oude boomen bestaat, bevindt zich een dicht net van kleinere planten. Zeer dikke boomen van een langzaam groeiende, hard hout leverende soort (Marbau), wijzen op het reeds sinds jaren bestaan van dezen plantengroei.
Toch wordt in dezen lossen, zandigen grond geen humuslaag gevonden; bij het maken van een insnijding vertoont zich een lichtgeel gekleurde, homogene, iets leemachtige zandgrond. Slechts het bovenlaagje, omstreeks één cM. dik, is donkerder gekleurd. Aangezien van door hoog water mechauisch wegvoeren van liumus-vormende bestanddealen, door het bedekt zijn met een beschuttende
â 440 â
plantoulaag, wel n'oon sprake kon zijn on toch door de aanwezigheid â yan oorbosch gelegenheid is, dat zich op en in den bodem humusle verende stoft'on Yerzamelen, is men geneigd het volgende aan te nemen.
In lossen zandgrond geschieden, ook in de gematigde luchtstreek, omzettingen uiterst snol (mon denke aan stalmest, enz. in hei- of duinzand), het moet dan niet verwonderen, dat in een zooveel warmer en vochtiger klimaat, waar bijna gedurende het goheele jaar door, de omzettingen in hooge mate kunnen plaats hebben, deze humusverbruiking gelijken tred kan houden mot dc humus-levering door hot plantendek.
Do losse, warme, van overmaat van vocht nimmer schade lijdende bovenlaag, is geen geschikt medium om humus to bewaren, terwijl do jaarlijks een- of tweemaal plaats vindende overstroomingen, door den korten duur en hot snel wegzinken van het water in den bodem, het verdwijnen van de humusleverende plantenresten niet zal kunnen tegenhouden. Een niet zure reactie in den ondergrond en hot afw ezig zijn van schadelijke, bij vochtigheid ontstaande verbindingen, wijzen er eveneens op.
Voor deze lager gelogen landen gelden dus in hot kort de volgende opmerkingen.
1. Als algemeene opmerking geldt, dat mon niet minder zorg moet besteden aan het behouden van eon goede structuur, dan aan het verbeteren van een slechte.
2. Van do in deze streek voorkomende gemengde en zandrijke gronden, beware of verbetere men do goede structuur door het aanleggen van jong bosch. Zoo mogelijk beperke men do lalang, om do schade door lalangbranden veroorzaakt tegen te gaan.
3. Kleigronden, waarvan de bovenlaag dun is, en op zandgrond rust, worden zoo mogelijk, tot eon diepte bewerkt, hetzij met een ploeg, hetzij met een tjankol, dat een vermenging van beide grondsoorten plaats vindt. Daarna wordt hetzij tabak, hetzij jong bosch geplant.
4. De laaggelegen gronden, klei zoowel als paja, worden nadat de tabak van het land is, door het dichtmaken der afwateringen in een zoodanigen vochtigen staat gebracht, dat een moerasplanten-groei of bosch, aan de vochtige streken eigen, terugkomen kan.
5. liet gebruik van kalk, hetzij alleen, hetzij gemengd met meststoffen, moet voorloopig vermeden worden, tot meer bekendis omtrent haar werking.
- 441 â
Grondsoorten van catejorie II.
Vroeger is reeds medegedeeld, dat do grondsoorten van duzo categorie zich volgens hun ligging en daaruit voortvloeiende eigenschappen, in twee onderdeelen laten splitsen.
De eoue is gelegen in de zacht hollende vlakte, die zicli uitstrekt van de grens der uit het water afgezette gronden, tot het honger gelegen geaccidenteerd terrein.
Do andere groop omvat do gronden in dit geaccidenteerd terrein zelf.
Van deze grondsoorten is de kleur in hot algemeen rood of bruin, in verschillende nuances tot chocoladekleurig toe, of zwartachtig.
Den vulcanischen oorsprong hebben zij met die dor vorige categorie gemeen, het verschil tusschen beide bestaat hierin, dat deze gronden ontstaan zijn door verweering eener dergelijke laag als waarop zij nu rusten, en dat men bij do andere te doen heeft met een door water van elders aangevoerden vorweeringsgrond.
Do laag, waarvan zij afkomstig zijn is van geologisch jongen datum; dit is destijds door het onderzoek van een monster hiervan, door l'rof. vak Bemmelen aangetoond.
De centra van vulcanische werking, waarvan het ontstaan dezer lagen het gevolg was, zijn gelegen in het in de lengte-as door Sumatra loopend, hooge gebergte.
Van do zee uit zijn de hooge kratortoppen zichtbaar.
Do gunstig gelegen, zacht hellende vlakte is hot eerst in cultuur gebracht, zoowel de donkerroode hooger gelogen helft, als de reeds besprokene, lager gelegene, die er onmiddellijk aan grenst. Toen voor uitbreiding der cultuur meer land werd verlangd, moest men zich zoowol naar do zee, als naar het bergland richten. Naar de zee had dit het iu cultuur brengen van de lagere kleigronden, paja's enz. ten gevolge; naar de bergstreek werd de cultuur uitgebreid op meer geaccidenteerd terrein.
Do tweede categorie omvat zoowel de zachthellende donkere en ehocolade-aehtig gekleurde vlakte, als de heuvels en plateau's van het bergland,
De donker gekleurde, zacht hellende, hnmusrijke vlakte.
Do overgang naar het geaccidenteerd terrein wordt gevormd door een weinig hellende vlakte, die op een enkele plaats een zachto golving vertoont.
â 442 â
Naar ile bergstreek toe, is de uit vulcanische asch eu zand be-staamle bodem ineor of minder rijk aan groote stoenou, welke naar do laagte geheel op den achtergrond geraken.
Roods vroeg zullen do rivieren diepe insnijdingen gemaakt hebben in don lossen bodera, waardoor do vlakte voor ovorstrooniiugen gevrijwaard is geworden.
Waar kleine riviertjes voorkomen, waarvan het bod doorgaans veel hooger ligt dan dat der grootore rivier, waarmede zij evenwijdig' loopen, wordt klei afgezet. Op do holling naar deze waterloopen toe, spoelt door regens de humushoudende bovenlaag weg on is liet dus aan te raden bij het planten van tabak, de richting der aanhoogingen zooveel mogelijk horizontaal langs do helling te maken.
Bij de groote rivieren zijn de hellingen zeer steil, zoodat het planten van tabak er onmogelijk kan worden en men langs trappen afdaalt naar de bij de rivier gelegen pama.
Do hoog gelegen hellende vlakte zelf vorkeerde onder zeer gunstige omstandigheden voor de vorming en het bewaard blijven van eou Iiumusrijko bovenlaag.
De oorspronkelijke aschlaag vormde na verweering een eenigszins gebonden bovengrond, die voor bosch zoor geschikt was.
Door de hoogere ligging bleef het land gevrijwaard voor over-stroomingen en kon dus noch humus worden weggespoeld, noch door het daarbij met zand bedekt worden, de structuur zoo los worden, dat de gevormde humus omgezet werd en verdween. Door herhaaldelijke overstrooming kan een zeer losse zaudige bodem ontstaan, in weikon do humusomzetting, niettegenstaande er oer-bosch groeit, sneller schijnt te zijn dan de aanwas.
Omdat bovendien do helling zeer gering is, was voor het mc-chanische meegesleept worden van de humeuze of verweerde aschlaag door don regen geen gevaar.
liet gevolg is geweest, dat alle gegevens voorhanden waren, voor de vorming van den zeer lossen, humusrijken bovengrond door het bosch, dat er spoedig op ontstaan zal zijn
Door oen niet dichte bevolking, die zich bovendien bij voorkeur in de nabijheid der rivieren vestigt, was ook voor ontbossching door deze geen gevaar.
Nadat het bosch gekapt is en de grond voor tabakscultuur in gebruik is genomen, zijn de omstandigheden veranderd.
In plaats van eene toeneming van den uiterst gunstigen boven-
grond in dikte, is langzamerhand op vele ondernemingen de gunstige bovenlaag verdwenen. Door het verdwijnen van do hurneuze doelen is zij veranderd in een verweerde aschlaag zonder meer; men heeft overgehouden een leemachtigen, eenigzins gebonden, rood of hel-oranje gekleurden kleigrond.
Do grond is weinig plastisch, valt bij geringen druk korrelig uit elkaar. Bjj regen wordt, wat van humeuzen bovengrond nog over is, met fijn slib in do parits gespoeld.
Mon heeft, door zeer diep ploegen, getracht verbetering aan te brengen. Het gevolg was echter, dat op oen dusdanig behandeld land, de planten kwijnden of stierven. De dichte structuur van deu grond, gevoegd bij de afhankelijkheid van op don juisten tijd invallenden regen en de mogelijkheid van hot bestaan van ferro-verbindingen kunnen hiervan de oorzaken zijn.
Men heeft hier dus hetzelfde verschijnsel, wat op kleine schaal zich in veel kortoren tijd op de helling voordoet van bovenbeschreven glooiingen. Daar was ook door omzetting en mechanisch verdwijnen van de hurneuze bovenlaag, een dergelijke roodachtige, eenigszins gebonden grond achtergebleven.
Waar dit een uiterste is, tot waar de cultuur, zooals deze tot dusverre geschiedt, het land brongen kan, zullen nu de overgangen besproken worden.
Reeds aan verschillende verschijnselen is waar te nemen, dat de physische toestand van don grond slechter begint te worden. Het is vooral de verhouding tegenover het water, die hierbij het meest verandert.
Bij regenbuien van 1U0 m.M. had men vroeger nimmer overlast vau water, omgekeerd werd bij groote en langdurige droogte do plant in hot door den bodem vastgehouden water voor schade gevrijwaard.
Op land, waar dus vroeger het maken van parits onnoodig was gebleken tot het afvoeren van regenwater, omdat de grond ook zelfs bij hevige buien het water kon absorbeeren, bleek nu bij een volgende beplanting, dat even groote buien schade veroorzaakten.
Door het ontbroken van voldoende parits en door de verandering in do bovenlaag, waardoor zij uiet langer zooveel water kon vasthouden en het dus stuitte op den leemachtigen ondergrond, word aan de te veld staande tabak groote schade veroorzaakt.
Sedert veranderde de bodemgesteldheid dusdanig, dat men ook
â 444 â
met het maken van diepere parits een begin moest maken en aldus in de noodzakelijkheid kwam, hot zeer kostbare water niet alleen ongebruikt te laten wegvloeien, maar bovendien lijdelijk moest toezien, dat het hij het wegstroonien de toch reeds meer en meer dun wordende hnmeuze bovenlaag meesleepte.
Dat een, na tabak, op deze gronden welig terngkeereud boseh grootendeels wordt uitgeroeid, door de verplichting om de velden voor ilo rijstcultuur af te staan, is reeds door anderen meegedeeld.
Zeer sprekend zijn de verschillen van land, dat voor de tweede maal (na ongeveer 10 jaar), op nieuw werd beplant mot tabak, indien al dan niet het jonge boseh door de rijstcultuur was verdwenen.
De met jong boseh bedekt geweest zijnde velden leverden een uitstekend gewas; die met rijst en de bijna steeds er op volgende lalang waren bedekt, gaven een gewas, dat de eigenschappen had van do op ronden kleigrond gegroeide tabak.
Op hot teruggeven aan den grond vau de verloren losse structuur moet men zich voor alles toeleggen.
Waar dit mogelijk is, moet men trachten te houden, wa1 men heeft.
Hiertoe moet ook bij dezen hoogen, lossen, donkerrooden grond aangeraden worden, na de tabak de verdiepingen tusschen de aanhoo-gingen, waar deze in de parit eindigen dicht te maken. Hierdoor voorkomt nion het wegspoelen van de bovenlaag. Mocht hot blijken, dat de grond door verlies van te veel humeuze bestand-deelen, te dicht is geworden, zoodat hot water te lang blijft staan, zoo zou hot overweging verdienen, in do verdieping tusschen de aanaardingen bij de parit eenige gedroogde lalang te leggen, daarop aarde, om zoodoende het water alleen kwijt te raken. Beter is, het water in den grond te houden en dus te dwingen er in weg te zinken.
Het is zeor te betreuren, dat door de verplichting het land voor rijst af te staan, het boseh verdwijnt en de lalang de overhand krijgt.
Is de lalang droog en geraakt ze in brand, dan blijft de grond blootgesteld aan de schadelijke invloeden van zon en regen. Dat een donker gekleurde bovengrond zeer warm wordt bij bestraling bevordert de omzetting van den humus.
Zoolang de beschreven roodbruine, chocoladekleurige grond oen gonoegzaino hoeveelheid humus bevat, is hij voor de cultuur uiterst geschikt. Do in de humus aanwezige anorganische bestanddoelen, zijn roeds door vroegere gewassen in een gemakkelijk assimileerbaren vorm gebracht en kunnen dus in een korten tijd door de
- 445 â
tabak worden opgenomen. Dat Je bodera voldoende water vasthoudt en bewaart, oin ook bij langduriger droogte geen abnormalen groei te veroorzaken van de veel vocht behoevende tabak, is genoegzaam bekend.
Hot bewaren en vermeerderen van den hunleuzen bovengrond, door het tegengaan, dat bosch, op welke wijze dan ook, wordt uitgeroeid, moet hier hot streven ziju.
In de onmiddellijke nabijheid van den rooden grond, vindt men strooken zwarte humusrijke meer zandige bodems. Deze liggen meestal dicht bij rivieren, hoewel 10 of' meer M. hooger. Wellicht zijn dit de overblijfselen van door deze rivieren gedeponeerde zandige doelen, toen zij aanvankelijk nog niet het diepe bed, waardoor zij nu loopen, hadden gemaakt. Deze grond is zeer liumusrjjk en oen uitstekende boschgrond; de tabak groeit er eveneens zeer welig.
ilet karakteristieke vau een vroegere pematang hebben zij verloren, omdat zij zich niet boven het andere terrein verhefien. Aan don voet van dergelijke strooken zwarten grond met grijsachtigen ondergrond, wordt dan ook dikwijls tegen de helling naar de rivier, roodachtige grond aangetroffen.
Waar deze roodbruine grondsoort overgaat in de vroeger beschre-veu grijze kleisoort, vindt men op een afstand van eenige honderden M. naast elkaar: langs de rivier hoosje, zandige, zwarte pörnatang-grond met bosch bedekt, daarnaast in een lagere strook witte zware kloi, daarna een smallen, hoogcren, rooden uitlooper van don boven beschreven grond, daarna weer klei, dan oen zandpomatang en weer een rivier. Uat onder omstandigheden als deze, de tabak van naast elkaar gelegen velden, zeer wisselende eigenschappen krijgt, behoeft goen nadere aanwijzing.
De bergstreek.
Do bergstreek is te beschouwen als eon complex van loodrecht op de hoofdketen staande uitloopers, zij staan dus ook loodrecht op de zee.
Dichter hij hot hooggebergte hebben zij veelal den vorm van plateau's aangenomen; meer ervan verwijderd, komen smalle heuvels voor met spitse kammen, die dikwijls slechts plaats bieden voor oen voetpad.
ïusschen do heuvels vindt men groote komvormige dalen, waar.
â 446 -
bij onvoldoenden waterafvoor, eon plantengroei ontstaat, die aan vochtige streken eigen is. Men vindt in die dalen rijst (sawah's) en bamboe. Andere dalen zijn zoo smal en door zulke steilwandige heuvels begrensd, dat zij voor geen cultuur geschikt zjjn.
De vorm dezer heuvels hangt at' van de grondsoort, waaruit zij bestaan.
In hoofdzaak kan men hier twee hoofdtypen onderscheiden, die schijnbaar zonder regelmaat naast elkander voorkomen.
lc Heuvels uit oen homogene tufsteenachtige massa opgebouwd.
2e Heuvels bestaande uit vulcanische steenen, zand en asch.
le Heuvels van een homogene steenachtiye massa.
Bij deze heuvels worden door do losse structuur van de steonachtige massa, door do rivieren diepe bedden ingesneden, terwijl ook vorming van holen door stroomend water plaats beeft.
De bovengrond is door gevormden humus over hot algemeen donker gekleurd. J)o dikte dor humuslaag is veelal afhankelijk van den hellingshoek. Jong bosch groeit er zeer welig; is de laag verweerde grond dikker, zoo treft mon er zeer groote boomen aan.
Grind van deze tufmassa afkomstig, treft men langs oude rivier-loopen aan tot dicht bij de zee, door ver weering valt het dan in een lichtgeel leemachtig poeder uit elkaar. Rolsteenon van deze weeko steensoort komen niet voor. Op hellingen van deze heuvels, waar tabak goed groeit, vindt men, op een diepte van minder dan een voet, dikwijls de onverweerde tufmassa. Door hot wegspoelen van het boven gevormde humeuze gedeelte en door de weinige inwerking van het water in de diepere lagen door de groote helling, kan deze dunne bovenlaag verklaard worden.
Is van een dergel ijken grond eenmaal het bosch gekapt en verbrand, zoo houdt men een betrekkelijk dunne bouwbare bovenlaag over. Omgewerkt behoeft deze losse bodem niet, schoonmaken is meestal voldoende. Na tabak komt jong bosch van zelf overvloedig terug.
Was de steensoort, waaruit de heuvel bestaat, harder, zoo komen gedeelten voor, die voor de cultuur minder geschikt zijn. Plant men tabak, zoo lijdt deze veel aan watergebrek en te voel warmte. De regen loopt over hot land weg, bij zijn vaart de wortels blootspoelend. Op een dergelijk terrein vindt men doorgaans kleine, spichtige, snel in bloei schietende planten.
In liet algemeen zijn de hoofdzakelijk uit homogene, steenachtige massa's gevormde heuvels, niet zeer geschikt voor de tabakscultuur, vooral wegens het ontbreken van een genoegzaam dikke laag bouwbare aarde.
Op een plaats, waar door de rivier een diep bed was ingesneden, kwamen op don bodem basaltblokken voor don dag. Ruw geschat was do dikte dor bovenlaag 25 M. en kan het eenigszins voor die plaats een denkbeeld geven van de dikte dor laag, uit jongere eruptieprodLikten bestaande.
2C Heuvels uit vulcanische asch, zand en rolsteenen hestaande.
De hollingen van deze heuvels zijn in het algemeen minder steil, hiertoe zal hobben bijgedragen, dat de door de regens van boven meegosloopte losse doelen, aan don voot zich verzamelden. Do bodom dor rivieren is dicht bedekt met grooto rolsteenen, welke alleen achterblovon, van hetgeen door het stroomende water langs de helling is moegovoord.
Zoolang deze heuvels met een plantengroei bedekt zijn, welke haar beschutten togen de mechanische inwerking van het water, zijn zij langs de holling met een humuslaag bedekt. Hieronder bevindt zich een meestal geel of roodgekleurde verweerde asch- of zandlaag, gemengd met steenen. Naarmate de humusvorming op do roede of oranjeachtige vorwoerdo aschlaag langer hoeft plaats gehad, is de kleur van den bovengrond roodbruin, donkerbruin of chocoladekleurig, omdat de dikte van de humuslaag hier den grootsten invloed op gehad heeft.
Wordt nu de helling van hot beschermend plantondok beroofd en door het planten van tabak, hoe wToinig ook, bewerkt, dan vertoont zij na eenmaal beplant te zijn, weldra een geheel ander aanzien. Behalve door een snelle omzetting van den humus op de plaats zelf, door hot blootgesteld worden aan zon en regen, wordt ook een groot deel moegesleept door de heftige regens en vermeerdert zich zoodoende de aan don voet dor helling gelogen laag. Alleen roods door de ingetreden kleursvorschillen op do zelfde helling wTordt dit zichtbaar. Bij don top is in plaats van den vroegeron donkerbruinon, humouzen bodem een hol-oranje of helrood gekleurde grond voor den dag gekomen, welke meer en meer een donkore tint aanneemt, naarmate men don voet van den heuvel bereikt. Aan don voet vindt men een zwartbruine dikke laag van een zoor veel humus bovattenden grond.
â 448 â
Wordt nu oen dergelijke heuvel nogmaals met tabak beplant, zoo groeit deze in bet lagere, losse, humusrijke deel zeer goed, docb boe meer naar den top, zooveel slechter gewas. Men trachtte nu, door kunstmest te geven, het gemis aan oen goede structuur van den bodem te vergoeden; het blijven echter steeds kleine spichtige planten, welke veel van het weder te lijden hebben en zeer afhankelijk zijn geworden van het op juisten tijd invallen van kleine regenbuien.
Zjjn de groote steenen, die men steeds in deze heuvelstreek vindt, zoo dicht aan hot oppervlak gekomen, dat zij binnen de bouwlaag liggen, zoo is de tabak eveneens zeer van hot weder afhankelijk. Op plaatsen, waar door afstroomend regenwater de humeuze bovengrond is verdwenen, treft men op deze steenrijke, plaatsen veelal een dunne kleiachtige laag aan, door verweering ontstaan. De tabak vindt hier weinig' plaats tot het maken van een wortelnet, en kan dus uit den bodem niet voldoende water verkrijgen. Komt er regen, zoo spoelt deze over de steenen en de kleilaag weg en profiteert dus de plant ook dan slechts weinig. Door de groote losheid van den ondergrond, uit asch bestaande, is ook watertoevoer van die zijde niet te verwachten. Dat bovendien de aanwezigheid van vele steenen, het uitdrogen van den bodem zeer bevordert, moet als schadelijke factor worden beschouwd.
liij het beplanten van heuvels wordt zeer algemeen op deze wijze gewerkt, dat men de aanaardingen waarop do tabak groeit, in horizontaal verloopende rijen maakt.
Hierdoor wordt hot wegspoelen van bovengrond tijdens regens eenigszins voorkomen. O]) plaatsen, waar dit niet geschiedt, doch de rijen vertikaal loepen, neemt men het wegspoelen van humus-rijken bovengrond in hot klein waar, wat boven van het geheele hellende oppervlak werd meegedeeld.
Er kan dus niet genoeg gewaarschuwd worden togen deze plant-wijze, te meer, omdat men door de groote losheid van den bodem, zoowel van boven- als ondergrond, geen vrees behoeft te hebben voor stagn ;erend water. Op hellingen, die steil zijn en waar dus de kans voor wegspoelen ook grooter is, valt bovendien per gelijk oppervlak minder water dan op vlakker terrein. I iet zal in sommige gevallen aanbeveling verdienen, water, stroomend van terrein hooger gelegen dan de helling, die met tabak beplant is, op zoodanige wijze af te leiden, dat het niet door het beplante terrein loopt.
â 449 â
Is eenmaal do tabak van hot land weg, zoo lato men hot land niet aan zich zelf over, doch make door hot sluiten van afwateringen, door het rog-uloeren van bij veol rogen ontstane goten of langs anderen weg, dat het neorstroomende rogenwater zoo min mogelijk schade kan veroorzaken. Dat hot terugkomen van een plantondek voor een latere cultuur noodzakelijk is, blijkt voldoende uit do slechte resultaten, indien op do roode, humusarme, hoogere deelen van de helling voor de tweede maal wordt geplant.
In het algemeen komt jong bosch op de hellingen snel terug, mon spanne alle krachten in dit bosch te behouden.
Plateau 's.
Do hoogst gelegen terreinen, die voor do tabakscultuur worden gebezigd, zijn plateau's, zij liggen tot 400 M. boven do zoo en hot dichtst bij het hooggebergte. Do hellingen zijn zeer stoil, zoodat voor do karren kostbare wegen moeten worden aangelegd of hot transport door dragors moot geschieden.
Wat do grondsoort betreft, wijkt deze niot af van die der behandelde heuvels; men treft plateau's aan meer of minder rijk aan steenen in den ondergrond; afhankelijk van de dikte van de humus-laag is do grond zand- of kleiachtiger, zoodat weinig humus mot veel kloi of voel zand gepaard gaat en omgekeerd.
Door hun gunstige, vlakke ligging is hot horizontale gedeelte van onkelo reeds vroeg door Hatakkers bebouwd geworden; zij plantten er pisang, maïs, ook tabak of hebben de terreinen voor de drogo rijstcultuur gebruikt.
Onder sommige omstandigheden, kan dus het bezigen van kunstmest noodzakelijk worden. Zijn de terreinen motoerbosch bedekt, zoo bohoeft hiervan natuurlijk geen sprake te zijn, indien na ontbossching tabak wordt geplant.
Is de grond door herhaalde cultuur grootondoels beroofd van zijn losse, waterhoudende doch doorlaatbare bovenlaag, zoo wordt hij zeer afhankelijk van den regen.
Bij maagdelijken boschgrond doen regenbuien van 100 m.M. nog geen water in do parits verschijnen. Met hot aanloggen van parits kan men dus zeer spaarzaam zijn.
Is de tabak van het land, zoo is hot ook hier raadzaam, vooral in de minder humusrijke volden, waar de bodem moer kleiachtig is, de parits aan do laagste plaatsen dicht to maken cn verder op al VII 32
â 450 -
die plaatsen waar door royen luimusrijken of' vorwoerdou bovGngrond kan wegspoelen, dit tegen to gaan. Ook hier hooft men niet te vreezen, dat stagnoerond water schade zal doen, wegens de doorlaatbaarheid. Jong boseh zal in het algemeen even snel torugkeeren.
De plateau 's hebben in het algemeen een langgerekten vorm, zijn soms vrij smal en verloopen in een richting loodrecht op de zee, dus evenwijdig aan do boven beschreven heuvels.
Om voldoende water voor do kweekbeddon beschikbaar te hebben, worden deze zoo mogelijk dichtbij een rivier aangelegd. Waar dit niet mogelijk is, maar men aan het plateau zelf gebonden is, moet hot water om te gieten naar boven gedragen worden; dit veroorzaakt voel moeite, omdat het voorkomt, dat een plateau zich tot 100 M. boven do naastbij zijndo rivier verheft.
Een eukele maal werd een plateau gevonden, dat uit twee trapsgewijze in de lengte zich uitstrekkende kleinere bestond.
Evenals in dö nieosto roodo gronden, komt ook in don grond van do plateau 's magnetiet voor.
In hot O. van het landschap Doli gelegen Serdang werd in een dor hoogst gelogen plaatsen puimsteen gevonden. Tegen don wand in een hollen uitgekapten weg, die pas was aangelegd, kwam het als kleine stukken tusschcn do andere lagen voor.
De landschappen Lang kat, Serdany, Bedagei en l'adumj.
quot;Van hot landschap Langkat, voor zoover het niet in do strook langs Deli ligt, is slechts het lager gelegen deel voor tabakscultuur in gebruik.
De structuur van don bodem is een andere dan die van Deli, De aanwezigheid van grind en steenen van andere geaardheid wijzen er op, dat zij afkomstig zijn van oen oudere formatie. Evenzoo ontbreekt de vulcanische asch en hot zand, die voor Deli karakteristiek zijn.
Het land strekt zich vlak uit, tot een plotseling uit de vlakte vrij steil oprijzend heuvelland. Hot heuvelland zelf is zeer golvend, een goloidolijke overgang van het hooger terrein naar de zee bestaat hier niet. Onmiddellijk tegen den voot van heuvels vindt men fomatio's, die in het Deli 'sche oerst veel dichter bij do zee, voorkomen. Paja's komen voor, onmiddellijk begrensd door geel heuvelland. Do pama's zijn van een tamelijk groot oppervlak. Waar de pama in het Deli'sche vrij nauw begrensd was tusschen het hoogero land en do rivier, trad hier de rivier onmiddelijk de groote vlakte binnen
â 451 â
on kon dus hot zand op eon zoer groot oppervlak laton bezinken; bij do vroegere behandeling der pama's is hier reeds op gowozen.
De lion vols zijn tot dusverre voor de tabakscultuur niet in gebruik, omdat bij enkele proeven slechte resultaten worden verkregen.
Uo golo houvelgrond is iets gebonden, bevat geen humnslaag van betoekenis, hoewel er oud bosch voorkomt. De hellingen zijn vrij steil. Boven- zoowel als ondergrond reagooron zuur on bevatten schadelijke tbrro-verbindingen. Is hot bosch verdwenen, zoo spoelt de regen do bovenlaag weldra weg en is boven-zoowel als ondergrond, oen homogeeu hard gooi gekleurde, stork ijzerhoudende grond, ongunstig voor plantengroei.
Op de lager gelegen gedeelten wordt slechts tabak geplant; men vindt er dan ook dezelfde grondsoorten als in de lagere streek van üeli. Paja, pama, pomatangs, en kleigrond met de vorschillendeovergangen.
Voor deze golden dezelfde opmerkingen, dio reeds boven bij de Deli'scho gronden van deze soort werden gemaakt.
Do zacht hollende, uit vulcanisch asoh en zand bestaande, vlakte ontbreekt. Van hot hoogere bergland is mij weinig bekend geworden.
Meer naar hot Doli'sche bergland toe, komen do vormen voel overeen mot do daar voorkomende, alleen vindt men er meer rolsteenon, waartussehen oen geelachtige klei zich gevormd hoeft.
Overigens geldt ook hier, wat voor liet Doli'sche bergland werd medegedeeld.
De overgang van het hooger gelegen terrein in Langkat, dat meer Westwaarts is gelegen, bevat ook niet den zeer lossen humus-rijken bovengrond, die moor Oostwaarts voorkomt, doch neemt meer de kleur aan en de geaardheid van het lager gelegen golvend heuvelland.
Voor het Oostelijke deel van Sordang, evenals voor Bedagoi en Padang, geldt een dergelijk iets als voor hot bovenbeschreven deel van Langkat.
Ook hier mist men de zacht hellende vlakte uit vuleanische asch en zand bestaande, doch vindt men eenigszins do formatie van Langkat terug.
Naar do zee toe een vlak land, mot do daaraan eigen grondsoorten, paja, pomatangs en kleigrond, en daarna plotseling een zoor golvend rood heuvelland. Ook hier troft men paja's aan, onmiddellijk tegen rood heuvelland. Op enkele plaatsen worden zoor hu-
â 452 â
musrjjko op rooden, hoogoron grond gologon gronden aangetroffen; op do zandige, door humus donker gekleurde strooken, tussclion kleigrond en nanst paja, was de stand van do tabak zeer goed.
De zandige grond bestaat uit zoer grove glasachtige silicaten met fijner zand en humus; zij zijn buitengewoon doorlaatbaar. Ook voor deze gronden, waar jong bosch welig groeit, zal men tot het verkrijgen van een meer gebonden structuur, zich ernstig op het planten van jong boscb moeten toeleggen.
Langs bet strand te Bobongan (Serdang) is het door de rivieren aangevoerde grove zand, door de zoo als een stronk evenwijdig aan bot strand afgezet, dit hoogere zandige terrein is met tjemara's bedekt. Overigens is het strand langs do Oostkust moerasachtig, mot mod-derbanken en dicht bozet mot nipah's, mangrove's enz.
Do roede heuvels worden afgewisseld door lagere streken, zand-of kleiachtig met paja, zij loepen zonder waarneembare regelmaat tot op grooteren of kleineren afstand van do zee.
Do hellingen zijn steil, zoodat na het kappen van bosch, de humus-laag vrij snel verdwenen is. Hierdoor mist do bodem de groote voorraad gemakkelijk assitnileerbare voedingsstoffen en is de overblijvende laag op do helling, veelal van eon slechte structuur. Bovendien schijnt, zoowel bier als in Langkat, de grond minder snel te verwee-ren.
In bet algemeen geldt voor deze streken, zoowel als voorWest-Langkat, dat hot hoofddeel dor in cultuur zijnde landen, valt onder categorie I; hot bestaat dus uit door water aangevoerde en afgezeite grondsoorten.
Tiet verschil met de Deli-gronden van dezelfde afkomst treedt vooral op in de gemengde gronden en do meer zandige. In Deli zijn het kleinere mineraalfragmenten, in de overige zijn hot grove, glasachtige stukjes silicaat, die met klei een gebonden grond, of ill leen een zandigen bodem vormden.
Do vorming van gemengde gronden wordt bemoeieljjkt, men treft in hot algemeen meer gronden aan alleen uit zand of'alleen uit klei bestaande. De klei is doorgaans /.eer fijn en wordt moeielijk uit water afgezet; het zand is zeer grof en vormt een zeer doorlaatbaren bodem.
Hot heuvelland van deze landen, zoowel als dat van Langkat gaat geleidelijk over in de hoogere streken van Deli, vertoont echter het reeds gemelde verschil in uiterljjk.
â 453 â
Aan hot slot dozer medodoolingon, zal gotracht wordon eon antwoord to geven op de vraag:
âl[oo komt liet, dat do gronden van hot landschap Doli met do eraan grenzende dooien van Langkat en Serdaug, oen ander voor-koniou en oen andore structuur hebben dan die van do onmiddollijk er naast gelogen andere strokon.quot;
Oaat men de grondsoorten na, die voor allo op dezelfde wijze ontstaan zijn, dan zijn dit in het algenioen do lagere bij de zee gelegene, immers door hun vorming komen in allo, de paja, poma-tangs, en meer of minder gemengde klei- en zandgronden, gohool overeen. Douh treedt hier reeds voor de Deli-gronden een verschil op in de afkomst dor verweeringsprodukten, uit wier afzetting de gronden ontstaan zijn. Het zijn hier vulcanische asch envulcanisch zand geweest van andere eigonscliappon, dan do verweeringsprodukten, waaruit de lagere landen van do overige landschappen zijn ontstaan.
In Doli, mot aangrenzende strooken, was de gemengde kleigrond ontstaan uit klei en minoraalfragmenten van vulcanisch zand ou asch, die voor Doli karakteristiek zijn. In de andore streken is hot zand veelal grover en schoiilt ziuh daardoor sneller on meer volkomen van do klei. Een chemisch onderzoek zal de verschillen in klei van de beide landstreken moeten uitmaken.
Do reden van het groote 'verschil is mijns inziens hierin gelegen, dat hot landschap Doli juist aan het hooggebergte grenst, waar zich vulcanen bevinden. Bij een uitbarsting is hot dusookhoofd-zakelijk dit doel van de langs straat Malaka zich uitstrekkende strook geweest, dat bij een eruptie overdekt is geworden met steonen, zand en asch. Later zijn deze producten door het naar de zoo stroomondo water, vlak uitgespreid en hebben de zacht glooiende hol ling gevormd, die voor het landschap Doli karakteristiek is, doch die niet voorkomt in de oostelijk en westelijk ervan gelegen landstreken.
Do grenzen van deze vlak uitgespreide asch- en zandlaag strekken zich nog voor een deel uit op Serdang-en Langkat-gebied Naar hot Westen komen gele heuvels van geheel andore samenstelling, naar het Oosten een dergelijk helrood golvend heuvelland.
Het land van Doli is op oen afstand van do zoo, waar men in Oostelijker on Westelijker gelogen streken, laag land aantreft, even-
- 454 â
zoo vroogor veol lager gowoost. Ifot wordt bowezen uit liet vindon in Medan van hout op con diopto van 7
Dat vroogor deze hoogere bodem met een humuslaag bedekt kon worden, is verklaarbaar door het volgende:
Do vuleanische asch- en zandlaag levert zelf door verweering een loomachtigen grond, die voor langzaam groeiende gewassen zeer geschikt is.
De bodem is zoo los, dat reeds vroeg de rivieren eon bed hebben gegraven van zoodanige diepte, dat overstroomingen niet plaats konden bobben. Hierdoor werd onmogeljjlc, dat een gevormde humuslaag overdekt werd mot zand, hetgeen do toeneming orvan zoor tegengaat. Bovendien belette de geringe helling van het terrein dat door regens de bovengrond mechanisch werd meegesleept.
Do ondergrond was van eone gunstige geaardheid omdat deze uit een eenigszins gebonden, verweerde laag bestond, voldoende water doorlatend en evenzoo zeer waterhoudend.
Omdat bovendien een dichte bevolking ontbrak, was hot ongestoord voortbestaan van oen humuslevorond oerbosch verzekerd.
Op do buiten dit gebied gelogen landen had men ^ehoel andere verschjjnselen. Het heuvelland in Langkat, hoewel met oud bosch bezet, is slechts met een zeer dunne humuslaag bedekt; wordt hot bosch gekapt on hot land in cultuur genomen, zoo kwijnt de tabak en levert nagenoeg geen oogst.
In den ondergrond komen, zooals reeds werd meegedeeld, een sterk zure reactie voor en veel ferro-verbindingen; in don bovengrond evenzoo, doch in mindere mate.
Na eenmaal beplant te zijn, is de humuslaag nagenoeg verdwenen.
Men heeft zich dus tot nu toe moeten beperken tot den pama-, den paja- en den kleigrond en de overgangen.
Zuidelijk van Serdang in Padang on Bedagei werd roodo heuvelgrond aangetroffen, die waarschijnlijk tengevolge van een minder steile helling, met oen eenigszins dikkere humuslaag was bedekt en hetere eigenschappen vertoonde.
Over het algemeen wordt de cultuur buiten bot landschap Deli met de aangrenzende strooken, hoofdzakelijk op gronden gedreven van zeer jongen datum en die reeds daarom alleen, met uitzondering dor paja-gronden, minder organische stoffen bevatten. Verder zijn zij betrekkelijk laag gelegen en eischen dus veel zorg tot verbetering van don physischon toestand.
â 455 â
In do andero landstrokon ontbreekt de grondsoort, Jio haar gunstige eigenschappen ontleent aan het gemengd zijn van klei met zandige, gemakkelijk verweerbare, mineraalfragmonten, waardoor de losse, waterhoudende korrelige structuur ontstaan is, voor een gewas als tabak noodzakelijk.
Bij de andere landen heeft men meer de uiterste, of dichtere klei, of losser zand.
Door het aanleggen van jong bosch zal ook hier do structuur moeten verbeterd worden, en gelden dezelfde opmerkingen, die reeds boven voor de lager gelegen landen in hot Deli'scho gemaakt zijn.
Beschikbare zaden van nuttiye gewassen.
Albizzia moluccana Milt;j. Djenngdjing laoet.
â stipulata Bth. Seng on.
Andropogon muricatus Retz. Alar wawji. Caosalpinia coriaria Willd. Divi-divi.
b dasyrachis Miq. Petah-petah.
Canarium commune L. Kanari.
Cassia florida Vahl. Djoear.
â javanica L. Boengböengdelan.
Cola acuminata Hob. Brown. Kola.
Cyphomandra betacoa, Stdn. Terong blanda.
Elaois guineensis L. Oliepuim.
Eriodendron anfractuosum DC. Kapok. Erythroxylon Coca Lam. Coca.
Euchlaena luxurians Dur. Teosinte.
Pourcroya sp. Mauritius-hennep. (Bolletjes) Crrevillea Forsteri.
Helianthus annuus L. Zonnebloem.
Molia Candollei A. Juss. Groote mindi.
Melia Azedarach L. Mindi.
Myristica fragrans Iloutt. Fala.
Pipor nigrum L. Peper.
Pithecolobium Saman Bth. Regenboom.
Schizolobium excelsum Vog.
Spathodea campanulata Boauv.
Strophanthus dichotomus ü. C.
â 456 â
Styrax Benzoin Dryand. Minjan,
ïhea assamica (Hybr. Coylon) Thee.
â chinonsis Sims. Thee.
Theobroma bicolor H. et ot B. (in kloino hoeveelheden).
n Cacao Ij. n » n
Tristania conferta. li. Br.
Zoa Mays L. Djayoeng (verschillende variëteiten.)
Aan alle aanvragen wordt, zoodra hot gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat hot overbodig is, bij niet spoedige ontvangst, op toezending aan te dringen.
Bl'itknzouo, Aug. 1890.
WILLIAM ROXBURGH.
Do gewoonte om achter de soortsnamen der planten den verkor-ton auteursnaam te plaatsen, schoon zij geen ander dool heeft dan om aan te duiden wie geslachts- cn soortsnaam liet eerst in verbinding met elkander heeft gebruikt, geeft toch ook het voordeel dat door het dikwijls terugzien van zulk een naam de herinnering wordt levendig gehouden aan hen, die veel in een bepaalde Flora of in een bepaalde plantengroep hebben gewerkt. Voor menigeen zouden de namen van Linnaeus, De Candoi.le en 1 5lüme onbekende klanken zijn, zoo ze niet herhaaldelijk achter plantennamen de verkortingen L., DC., en BI. hadden aangetroffen. Zoo is ook zeker de naam van William Roxburgh, in zijn verkorten vorm Roxh., dikwijls velen onzer lezers voor oogen gekomen. Wel zijn hot voornamelijk planten van Engelsch-Indië, die door Eoxbuegh zijn gedoopt, doch vele daarvan komen ook in Nederlandsch-Indië voor, terwijl een gering aantal alleen uit de Molukken en van Sumatra afkomstig is. Was dus de persoon van William Roxhuroh, een man van beteekenis vooral voor de geschiedenis der kennis van de Flora van Engelsch-Tndië â zoozeer dat hij bij de Engelschen den naam draagt van den vader der Indische Botanie â ook op de ontwikkeling van de kennis der Flora \ an den Maleischen Archipel, is door hem een belangrijke invloed uitgeoefend en ook in dit opzicht is hij onze belangstelling alleszins waard. Toen de Flora van Nederlandsch-Indië, en vooral die van Java, nog zoo weinig bekend was, dat Blume in den tijd van eenige weinige jaren honderden nieuwe soorten kon beschrijven, vond hij in de litteratuur, die hij tot zijn beschikking had, met name in Willdenow's Species Plcnitarum reeds verscheidene VII 33
â 458 â
gegevens, ontleend aan Roxburgh's Plants of Corotnandel Coast en in zijn Bijdragen tot de kennis der Flora van Nederlandseh-Indie worden naast Blumk's nieuwe soorten ter vergelijking ook een aantal vermeld, welke door Uoxbugh's het eerst waren beschreven. De latere auteurs hebben alle op den arbeid van Roxburgh voortgebouwd en zijn werken bij hun studiën steeds moeten raadplegen.
Roxburgh wordt door velen als de grondlegger van de kennis der Indische Flora beschouwd. Evenwel moet men niet vergeten, dat hij in de studie dier Flora grondige voorgangers heeft gehad cu dat, voor de onder zijn naam uitgegeven werken vele gegevens aan anderen, vooral aan zijn vriend Koknig zijn ontleend. De naam van Linnaeus of India is misschien nog het best op hem van toepassing, daar in zijn Flora Indica bij zijn eigen waarnemingen een tal van verspreide weinig bekende berichten omtrent den arbeid van anderen voor het eerst systematisch geordend en bijeengevoegd waren.
Vóór Roxburgh waren over de Flora van Engelsch-Indië reeds verscheidene groote werken verschenen, zooals die van Riieede van Dhaakenstein, van Hermann en van do beide Burmans, liet eerste steunende op waarnemingen, gedaan aan de kust van Malabar en aldaar te boekgesteld, de andere op do Herbariën door Hermann uit Ceylon medegebracht, en op later van daar en van het vaste land van Indië naar Europa gezonden planton.
Het aantal van de laatste en hot ten dienste staande materiaal van elke soort, was uit den aard der zaak gering, zoodat do beschrijvingen veelal onvolledig waren en hetgeen men van de Flora kende, nog betrekkelijk weinig was. Voor hen, die zich in Roxburgh's tijd in Indië mot de Flora wilden bozig houden, was dus een ruim veld voor ontdekkingen open; en er werd in die periode door velen gewerkt. Behalve dien van Koenig, dien wij zoo even noemden, vinden we de namen vermeld van Anderson, Berry, Campbell, Carey, Colebrooke, Fleming Hardwicke, Kyd, Heyne, Hunter, Buchanan-Hamilton, John, Jones, Klein, Lesciienault, Rottler, Russell, Siiuter oh
â 459 â
Sonnekat. De meeste van deze hebben in Indië verzameld op liet eind van do achttiende en in het begin van de negentiende eeuw en hun planten, voor een deel naar Europa gezonden, dienden als materiaal voor de beschrijvingen van Linnaeus filius, Lamarck, Rotii, Rktz, Smith, en den oudsten De Candolle. Een ander deel ervan strekte tot vermeerdering van de verzamelingen, die den grondslag vormden voor Roxburgh's werken.
Volgens George King, den tegenwoordigen Superintendent van den Lotanischen Tuin te Calcutta, die in het Vu Deel der Annalen van die instelling een artikel aan Roxburgh heeft gewjjd (1), was voor de meeste van de genoemde verzamelaars en voor Roxuükgh zeker evenzeer, de aansporing tot den arbeid in die richting uitgegaan van J. G. Koenig, van wien we daarom met een enkel woord molding maken.
In Koerland geboren, had deze zijn opleiding genoten aan de Universiteit te Upsala, waar hij zoowel onder den ouderen als onder den jongeren Linnaeus gestudeerd moet hebben. Met den laatsten bleef hij ook tijdens zijn verblijf in Indië in correspondentie.
In 1765 deed hjj eeno reis naar IJsland en vertrok 1768 naar Indië, waar hij aan de Deensche nederzetting in de Carnatic eene aanstelling kreeg als arts en natuuronderzoeker. In 1774 ging hij over in den dienst van den Nabob van Arcot, in 1778 in dien van de Regeering van Madras en in 1780 in die van de Oost-Indische Compagnie. In de beide laatste betrekkingen was hij werkzaam als natuuronderzoeker. Gouvernement-botanist, zooals hij door King werd genoemd. In 1785 overleed hij aan dyssenterie, nog tot zijn laatste oogen-blikken zijn gedachten aan zijn lievelingsstudie wijdende. Gedurende zijn 17-Jarigeii diensttijd was door Koenig niet alleen verzameld en onder anderen aan den jongeren Linnaeus en aan Retzius ter bewerking gezonden, doch waren ook vele planten door hem zeiven afgebeeld en beschreven. Een doel
(1) George King, A brief memoir of William Roxuurgh, author of the Flora Inclica, 9 pag. with a portrait (Annals of the Botanical Garden of Calcutta, Vol. V. I 'ail 1, 1895).
(lier beschrijvingen zagen het licht in wetenschappelijke tijdschriften in Europa. Het grootste gedeelte ervan bleef echter tot aan zijn dood in zijne handen en werd met zijn plantou-vcrzamelingen en afbeeldingen vermaakt aan Sik Joseph Banks, den voorzitter van âthe lloyal Society of Londonquot;. Het schijnt dat Roxburuii aan den omgang met den ouderen vriend, dien hij reeds kort na zijne komst in Indië leerde koiincn, voor zijne ontwikkeling als botanist veel te danken heeft gehad. Van den dag hunner kennismaking af tot aan den dood van Koenig, zijn zij steeds in vriendschappelijke aanraking met elkander geweest cn hebben zij voel met eikander gewerkt.
William Roxhuroih was te Underwood in Schotland geboren en had zich aan do Universiteit te Edinburgh toegelegd op de studie der geneeskunde, zijn leertijd eenigc koeren afbrekende door reizen als assistant-surgeon op schepen van do Oost-Indische Compagnie, in wier dienst hij zich na afloop zijner studiën in 1776 naar Indië begaf'en zicii te Madras vestigde. Tot aan den dood van Ivoenig heeft hij hoofdzakelijk in verbinding met dezen een groot aantal planten bescliievon en afgebeeld zooveel zijn dienst als geneesheer dit slechts toeliet. Evenwel verscheen in dit tijdperk geen enkele publicatie van zijne hand. Daar Rüssell, Koeniq's opvolger in de betrekking van Gouvernement-Botanist, slechts korten tijd in functie bleef en Roxburgh weldra in zijne plaats werd benoemd, kou hij zich van toen aan voor goed aan zijne lievelingsstudie wijden. 11 ij zette dus den arbeid van Koenig voort met al don ijver, waarmede zij vroeger te zamen hadden gewerkt en zond achtereenvolgens aan den Court ot Directors van do Oost-Indische Compagnie van 1791 tot 1794 een reeks van 500 beschrijvingen en afbeeldingen van Indische soorten. Sir Joseph Banks, belast met de uitgave hiervan, deed daaruit eene keuze van 300 stuks, die te zamen het groot folio prachtwerk Plants of the Gonst of Coroimndel vormden, dat een tijdperk van vierentwintig jaar, van 1795 tot 1819, voor zijne uitgave heeft gevorderd. In Mei 1793 stierf Robert Kyd, de eerste Superintendent van den Botanischen Tuin te Calcutta en Box-
â 461 â
HüKGH werd als zijn opvolger aangewezen. In dezen nieuwen werkkring ging hij voort met het onderzoek van do Indische Flora, (locii reeds na vier jaren bleek, dat zijn gezondheid had geleden door de groote vermoeienissen en geestelijke inspanning in het ongezonde klimaat van de Carnatie, waarin hij in den aanvang voornamelijk gebotaniseerd had. Hij was gedwongen ter herstel van gezondheid naar Europa te gaan, waar hij tot 1799 bleef. Volgens eene niet volkomen zekere opgave maakte hij van dit verblijf gebruik om den graad van doctor in de medicijnen aan Universiteit te Edinburgh te verwerven. In Calcutta teruggekeerd moest hij zes jaren later in 1805, op nieuw wegens ziekte Indiö verlaten, waar hij toen eerst in 18ÃS terugkwam. Volkomen genezing had hij echter klaarblijkelijk niet gevonden. Ofschoon hij zijn arbeid niet opgaf scheen zijn gezondheid geknakt. Tot 181 3 hield hij zich evenwel staando. Toen dwong zijn ziekte hem op nieuw om in een koeler klimaat herstel te zoeken. Ofsciioon hij zich had voorgenomen zijnreis niet verder uit te strekken dan tot de Kaap de Goede Hoop, zag hij zich, daar zijn kwaal niet afnam, verplicht door te reizen tot St. Helena en van daar naar zijn vaderland, waar hij in 1815 overleed. Behalve liet groote, reeds genoemde werk en eenige weinige tijdschriftartikelen, zag Roxhurou de vruchten van zjjn onderzoekingen niet in druk. Bij zijn laatste vertrok uit Calcutta liet hij in handen van zijn vriend, den zendeling Dk. Carky, een manuscript voor een catalogus van den liotanischcn Tuin te Calcutta, Hortus Bengalensis getiteld en een tweede voor een Flora Indica en eindelijk ecne verzameling van 2533 levensgroote gekleurde af beeldingen van Indische planten, van uitstekende analyses voorzien. De Hortus Begt;i-galensis werd spoedig daarna door Carey in het licht gegeven. Het werk bevat eene opsomming van 3500 soorten, welke op dat oogenblik gekweekt werden in den Tuin, waarin bij de komst van Roxburoii slechts een 300-tal vertegenwoordigd was, verder eene lijst van 453 niot-gokweektc, meestal door Roxburgh ontdekte nieuwe soorten.
üe uitgave van de Flora Indica, die volgens het Linneaanacho
â 462 â
systeem was ingericht, begon eerst in 1820 onder leiding van Carey en deu Deen Wallich. De laatste was nadat Roxburgh's opvolger, Buchanan-Hamilton, slechts korten tijd zijne betrekking had bekleed, in diens plaats benoemd. Mij de uitgave van hot eerste deel waren aan liet manuscript van Roxburgh eenige weinige soortsbeseiinjvingen van Waijjcii toegevoegd. In hot tweede doel echter, dat eerst in 1824 verscheen, had Wallicu ingrijpende veranderingen in het manuscript van Roxburgh aangebracht en het aantal der soorten belangrijk vermeerderd. Daardoor was in de uitgave een oponthoud van vier jaren ontstaan, terwijl er slechts een deel van do Tetrandria en de Pentandrin in behandeld werden. Toen acht jaren later nog geen derde deel verschenen was eu het den schijn had, dat aan de voltooiing van het werk moest gewanhoopt worden, besloten de beide zoons van Roxburgh het manuscript van hunnen vader op hunne eigene kosten te doen drukken, zooals hij het had achtergelaten. Dit geschiedde in 1832 onder toezicht van Carey alleen. Deze zoogenaamde Carey-editie werd, daar ze spoedig uitverkocht en in slechts weinige bibliotheken voorhanden was, met het oog op hare belangrijkheid in i 894 voor rekening van den bekenden botanist C. 15. Clarke herdrukt en voor gcriiigen prijs in don handel gebracht. In dien herdruk vinden wc ook opgenomen Roxburgh's Cryptogatnia, welke niet in de origineele editie voorkwam, doch door Griffith in 1844 iu het vierde deel van Calcutta Journal of Natural Histonj was gepubliceerd. Ook andere artikelen van zijne hand zijn op deze wijze na zijn dood in verschillende tijdschriften geplaatst geworden, vele daarvan zijn gewijd aan de toepassing en de nuttige eigenschappen van plantaardige producten. Deze toch waren door Roxburgh bij zjjn botanische onderzoekingen steeds van het hoogste belang gerekend. De betrekking van Gouvernement-botanist, welke hij een tijd lang bekleedde, was ook vooral met het oog hierop ingesteld. Een groot deel van zijn waarnemingen hieromtrent zijn in de Flora India opgenomen en volgens King is deze als standaardwerk voor de kennis der oeconomische producten van het plantenrijk alleen in den
â 463 â
laatstcn tjjd overtroffen door de uitgave van Watt's Dictionary of Economic products of India. Wat de hooge beteekenis van liet werk betreft uit een systeniatiscli oogpunt, deze wordt door niemand betwijfeld en ze spreekt het duidelijkst uit do volgende beschouwing van George King, met wiens woorden ik deze schets meen te mogen besluiten.
âDe groote waarde van Eoxbukgii's .f7om als een botanisch â werk is sinds zoo langen tijd algemeen erkend, dat het noodeloos âschijnt daaromtrent in bizonderheden to treden. Ik wil er alleen âop wjjzen, dat Roxiu'roti's beschrijvingen van Indische planten âmeerendeels zoo nauwkeurig en kenschetsend zijn, dat men bij âhet identificeren van een plant met zijn Flora de volkomen âzekerheid kan verkrijgen de soort voor zich tc liebben, die door âden schrijver werd bedoeld; men eindigt den arbeid niet met âhoofdpijn door de inspanning en het onaangename gevoel, dat âde plant even goed tot een half dozijn verschillende soorten âzou kunnen gebracht worden. ]k beschouw Roxuukou's nauw-âgezetheid als iets buitengewoon merkwaardigs. Wanneer een âorgaan niet te klein is voor behoorlijke waarneming door middel âvan de betrekkelijk ruwe lenzen, welke in Roxüurgh's tijd te âverkrijgen waren, kan men zeker zijn, dat zijn beschrijving âdaarvan volkomen juist is geweest. Na Roxburgh hebben âvooral jonge auteurs en die voornamelijk met Herbarium-mate-âriaal werkten, eenige zijner soorten niet naar ik meen te groote âlichtzinnigheid ingetrokken. Ik heb veel met Roxburgh's Flora âen met Indische planten gewerkt en er is veel toe noodig mij do âovertuiging te geven van een dwaling door Roxburgh begaan. â Roxburgh's opvattingen o mtrent verwantschap waren schrander âin hooge mate en zoo hij eenige tientallen jaren later had ge-âleefd dan zou hij onget wijf'eld zijn Flora mot even goeden âuitslag hebben geschooid op de leest van het natuurlijke stelsel âals het nu was op dat v an Linnakusquot;.
J. G. Boerlagk.
Biutenzory, 16 Any, 1890.
VRUCllTRNTBELT.
Jk vraag mij wel eens af ot' liet wijzen op nüastanden in het laud- en tuinbouwbedrijf veel aanleiding tot verbeteringen geeft, en dan moet ik erkennen, dat die verbeteringen uiterst langzaam geschiedon. Waarschijnlijk in koloniën als do onze waar de meeste Europeanen slechts tijdelijk verblijven, gaat de verbetering van genoemde bolrijven nog langzamer dan elders.
Zoo komen reeds in den eersten jaargang van Teysmannia opstellen voor ovor vruohtencuituur en in tal van referaten wordt er op gewezen, welke voordeelen er met den aanplant van vruchtboomen in sommige tropisclie l inden verkregen worden, zoowel door de versclio vruchten aan den man te brengen of ze op eeu of andere wijze geconserveerd, tot geleien of marmelade verwerkt, te verkoopen of tot eigen gebruik aan te wenden.
Dergelijke cultures behooreu meer tot den kleinen landbouw of liever tot den tuinbouw en al zullen zij dengene, die er zicli mode bezigiioudt nu niet spoedig aan rijkdom helpen, toch kunnen er tal van menschen een bestaan in vinden.
Hot is wol waarschijnlijk, dat de wenken, die in Teysmannia gegeven worden op hot gebied van ooftteelt niet altijd onder de oogen komen van hen voor wie zij het nuttigst konden zijn. De in Indië geboren afstammelingen van Europeanen zouden mijns iuziens zicli mot vrucht op den tuinbouw kunnen toeleggen, ik bedoel, dat, behalve in hot landbouwdorp, waarvan op den duur groote verwachtingen kunnen gekoesterd worden, in de nabijheid van groote steden tal van personen in de teelt van vruchten en ook van andere zaken een bestaan zouden kunnen vinden.
Lang niet iedereen is voor dit beroep gesclii kt, men vergeto
â 465 â
niet, dat liet tuinbouwbedrijf iets geheel anders is dan andere vakken, oneindig gemakkelijker gaat het een goed schoenmaker, kleermaker, smid enz. dan eon goed planter te vormen. Van den laatsten vergt zijn bedrijf toewijding en inspanning van al zijn krachten; hij heeft mot planten, dat zjjn levende wezens, te doen. Kan een ander werkman zich vergenoegen met eenige uren arbeid, al naarmate de winsten, die zjjn werk hem oplevert on naarmate zjjno behoeften, niet aldus een planter, hij moet zich geheel opofferen, hij moet in zjjn bedrijf opgaan, hij moet altijd gereed zjjn tot het verzorgen en onderhouden zijner planten, tot het bestrijden van nadeelige invloeden, vooral van de vijanden zijner cultuurgewassen, zoowel die van dierlijken, als van plantaardigon oorsprong.
Zoo wordt het land- en tuinbouwbedrijf opgevat in Europa; zie eens hoe vroeg in den ochtend do groenteboer in do nabjj-heid van groote steden al op zjjn veld bezig is en meestal tot nog laat up den dag aan het werk blijft. Zoo moet het ook hier opgevat worden, wil men kans van slagen hebben.
Het is niet altijd zwaar werk, zooals grondbewerking, be-mosting, begieting enz., wat hij te doen heeft, er zjjn tal van lichtere bezigiieden, die niet zoo vermoeiend zijn, het snoeien, zaaien, overplanten, stekken, enten, oculeeren en tal van andere werkzaamheden, die echter meer ervaring en oplettendheid vorderen en daarom niot aan onkundige handen kunnen worden toevertrouwd.
Daartegenover staat, dat het tuinbouwbedrijf, behalve deer aan verbonden voordeolen, niet alleen door voortdurend verblijf in de open lucht den beoefenaar gewoonlijk eeue goede gezon-heid verschaft, maar hem ook volo genoegens doet smaken, die andere bedrijven niet kunnen geven. Het dageljjksch waarnemen van don groei, den bloei zijner planten, ze te zien beladen met prachtige vruchten, verzoet de er aan besteede zorg.
Het is in de eerste plaats de teelt van ooft waarin nog menigeen een bestaan kan vinden. Niet zoozeer het veredelen van vruchten als wel het mot zorg telen van goede soor-
â 466 â
ton en verscheidenheden moot de moeite Iconen; gewone, dikwijls halfrijp geoogste, vruchten worden door den inlander hier op West-Java in voldoende hoeveelheid aan do markt gebracht.
Er komen bij de vruchtenteelt zooveel, dikwijls moeilijk te verklaren, omstandigheden voor waarvan de planter konnis moot hebben en waaruit hij zijn voordeel moet trekken.
Zoo zijn er plaatseljjkc omstandigheden, die sterk intluen-ceeren up den smaak en den geur van sommige vruchten. Wie weet niet, dat de pompelmoes hier te lande nergens zoo smakelijk is als te Batavia, al neemt men tjangkokans (marcottes) van hoornen, dio te Batavia heerlijke vruchten opleveren, zoodat men zeker is de echte variëteit te bezitten, dan zullen de vruchten van die exemplaren hier te Buitenzorg geplant, een min ot' meer bitteren smaak krijgen en lang niet zoo saprijk zijn. Er is dientengevolge oen uitgebreide handel in Bataviasche pompelmoes; do vruchten blijven als zij in niet te rijpen toestand verzonden worden, zeer lang good zoodat ik in Holland wel Bataviasche pompelmoes gegeten heb. Nu bostiian er waarschijnlijk bezwaren, die een uitvoer in hot groot naar Europa in den weg staan, daar bij de gebrekkige zorg, die bij iiot vervoer naar Europa aan versche vrucliton besteed wordt, verreweg hot grootste deel ervan bedorven aankomt. In de toekomst, bij nog sneller vervoer, betere verpakking en verzorging onderweg is de mogelijkheid niet uitgesloten, do pompelmoes in goeden toestand over te brengen. In overleg met de besturen der groote stoomvaart-maatschappjjen zouden proeven genomen kunnen worden, die waarschijnlijk geen onbevredigende resnltaton zouden opleveren. Evengoed als Australië sommige tijne vruchten, goed verpakt en aan boord in koolkamers geplaatst, naar Engeland zendt zouden wij het ook kunnen doen.
In ieder geval is hier de handel in pompelmoezen nog voor aanzienlijke uitbreiding vatbaar, zij kunnen gemakkelijk naar alle havenplaatsen in den Archipel verzonden worden. Verder is het niet onmogelijk de kwaliteit door zorgvuldige cultuur te verbeteren ; er bestaat nog gelegenheid genoeg voor uitbreiding.
â 4f)7 â
Een andere djeroek, als desaertvrucht zeer geschikt, is djeroek djepoen, die te Garoet geteeld wordt; voor zoover mij bekend wordt deze verscheidenheid ook nergens zoo goed als daar gevonden; ook deze vruclit is zeer gezocht en wordt hier slechts zelden in goede kwaliteit aan de markt gebracht, slechts vruchten dezer soort van zeer inferieure kwaliteit zijn hier nu en dan te koop.
Het is niet noodig naar meer voorbeelden te zoeken, daar deze beide voldoende bewijzen, dat op bepaalde plaatsen sommige vruchten een volmaaktheid bereiken, die zij elders niet of slechts met veel zorg en moeite verkrijgen. Liggen die plaatsen zoo geschikt voor don handel als Batavia, dan bestaat er alle gelegenheid om de cultuur uit te breiden, of is men geheel van den spoorweg afhankelijk zooals te Garoet, om dan voor dergelijke vruchten een goedkoop tarief en snel vervoer te verkrijgen. De regeering, die den kleinen landbouw natuurlijk zal bevorderen, zal hierin ongetwijfeld hare hulp verleenen, als zjj overtuigd is, dat het hier een nieuwe tak van landbouw is, die aan velen een bestaan kan geven en verdient geholpen te worden.
De cultuur van oranjes, citroenen enz. wordt in sommige tropische en subtropische streken met veel succes gedreven. Het gaat er echter even als hier; op bepaalde plaatsen bereiken de vruchten een smaak en een aroma, zooals die elders met de grootste moeite niet verkregen kunnen worden; zij kunnen daarom gemakkelijk tegen goede prijzen verkocht worden.
Wjj weten hier nog zoo bitter weinig van vruchtenteelt, ongetwijfeld zijn er in Indië plekken waar sommige soorten, vruchten van uitnemende kwaliteit voortbrengen. Het zoude al zeer toevallig zijn, dat juist West-Java, met een vochtig klimaat, dat in algemeenen zin niet gunstig voor ooftteelt is, daar men van drogere streken de fijnste vruchten krijgt, een paar plaatsen kan aanwijzen waar vruchten voorkomen van supérieure kwaliteit zooals de pompelmoes te Batavia en
â 468 â
de djeroek djepoea te Ghiroet. liet komt er daarom op
aan de streken te kennen en daar niet kennis en zorfj; de teelt
der vruchten, waarvoor die streek in liet bijzonder geschikt
is, te drijven, of indien die cultuur er reeds bestaat haar uit te breiden on te verbeteren.
Onder de djeroeks die tegenwoordig in liet buitenland het meest gezocht zijn en het duurst betaald worden, neemt do Jatï'a-oranje een eerste plaats in; hot is een tamelijk groote eenigszins ovale vrucht met saprijk en heerlijk smakend vrucht-vleesch.
Jaffa, in oude tijden en in de middeneeuwen als Joppe bekend, is een der oudste havenplaatsen van klein-Azië, gelegen in het distrikt Saida (Sidon) 7'/2 geograpiiische mijl ten noorden van Jeruzalem, zij stond vroeger bekend als de haven van laatsgenoemde stad. Jaffa heeft hare opkomst in de laatste 25 jaren geheel aan de cultuur van oranjes te danken. Ilofc aantal inwoners bedroeg een kwart eeuw geleden niet meer dan 12.000, welk aantal thans tot 45.000 gestegen is. Het heerlijk zachte klimaat schijnt bijzonder gunstig te zijn voor de ontwikkeling der genoemde vrucht; liet is er echter zoo droog, dat gedurende een gedeelte van het jaar de boomgaarden ge-irrigeerd moeten worden.
Een 25 jaren geleden was de Jaffa-oranje slechts in Beyrouth, Alexandrië en Constantinopel bekend, tegenwoordig wordt zij overal naar Europa, Amerika tot zelfs naar Indië uitgevoerd, zij vindt overal gretig aftrek en behaalt goede prijzen. Vroeger kon de vrucht op ziju hoogst dertig dagen bewaard bljj-ven, door de vruchten voorzichtig te oogsten en voor de verzending slechts gave en gezonde vruchten te nemen en deze zorgvuldig te verpakken, is men er in geslaagd zo twee tot zelfs drie maanden goed te houden.
Aangelokt door het schitterend resultaat te Jaffa verkregen, waar alleen door liet telen van één vruchtsoort de welvaart in die mate toenam, dat waar vroeger slechts 12000 menschen
469 â
wonen cr nu bijna viermaal zooveel zijn, die voor liet grootste deel in do cultuur en den handel dier vrucht een bestaan vinden; trachtte men in andere aan de Middellandsche zee g'elegen streken de Jaffa-oranje te cultiveeren. Het is te begrijpen, dat hot succes slechts matig was, alleen op Malta verkreeg men betere resultaten en de teelt van deze vrucht behoort nu ook daar tot de voordeeligste.
Tot de familie der oranjes behooren nog andere planten waarvan de cultuur aan duizenden een bestaan verschaft, ik bedoel niet de cultuur dor in Europa zoo algemeen bekende Chinaasappelcn, die in Italië vooral in Sicilië, in Spanje en iti latere tijden ook in Florida geteeld worden. Deze vruchten schijnen in subtropische streken beter te gedijen dan in de echt tropische landen, ik wenschto bier te wijzen op de uitgebreide cultuur van citroenen en van lenimetjes, vooral de laatste zjjn in do tropische landen tehuis.
Er bestaat eenige verwarring in do botanische benamingen van sommige djeroek-en citroen-soorten. Een der duidelijkste soorten uit het geslacht Citrus is Citrus Medica L., waaronder de Citroen, de Lomoen en ook de Lemmetjes behooren, van deze zijn er zoete en zure. Volgens Roxeuroii zijn ze te kennen aan do kleine vleeschklourigo bloemen, die gewoonlijk vier bloemblaadjes hebben, de vrucht, die een bleek, zuur sap bevat, is zuiver rond en hooft eon dunne schil van een gele kleur. Sir Josiru II ook ek zegt dat het woord âlimequot;, dat ik niet beter dan door lenmietje kan vertalen, in Britsch-Indië gebruikt wordt voor verschillendo vruchten.
De zure lemmetjes, volgens allo waarschijnlijkheid uit Oost-Jndië afkomstig, hebben een nieuw tehuis gevonden in Wost-Indië; in hun nieuw vaderland worden zij op grooto schaal geteeld. In het âBotanical Magazinequot;, table G745, heeft Sir Joseph Hooker, de geschiedenis dezer plant geschreven. Het eerst wordt zij vermeld door Eumpiuus (Hortus Amboinonsis pag. 107 tabel 29 in 1750) onder den naam van Limonollus of lemoen met dunne schil. Cirtus is ook beschre
ven door MiQUEL,die zegt, dat zij overal in Ned.-Indië gekweekt
â 47Ã â
wordt. Dezelfde plant is afgebeeld door Wight onder den naam van C. Limetta liisso, Icones t. 958, die zegt dat zij in do Nilgiris in het wild voorkomt. In West-Indië beschrijft Mac F ad yen haar onder den naam van C. Lwmcï, als eon doornachtige heester met eivormige bladeren en vijfdcelige witte bloemen, kleine bijna bolvormige gele vruchten met een dunne schil en een overvloed van zuiver, zuur sap. Do plant is op Jamaica inbeemsch geworden, men plant er daar stevige hagen van. Niettegenstaande, zooals aangetoond is, vele kruidkundigen beweren, dat de zure West-Indische lemmetjes eone verschei-denhoid zomlen zijn van (J. Limetta liisso, heeft Bhahdis (Forest Flora of Jnd. p. 52) aangetoond, dat het eene variëteit van Citrus Medico, is en wel C. M. ncida.
Zooals gezegd is, bevatten de lemmetjes een zeldzaam zuiver zuur sap, de versche vruchten worden dadelijk na den oogst in geen geringe hoeveelheden uitgeverd, een ander gedeelte wordt ingezouten verzonden, hetzjj in zeewater, hetzij in pekel, beide naar de Ver. Staten.
Sir Joseph Hooker ze^t, dat de vrucht of liever het sap van de vrucht tot de geliefkoosde en gezondste versnaperingen van do bevolking van West-Indië en van de zuidelijke Staten van Amerika, behoort. Het sap is veel smakelijker dan dat van (ütroenen, bet wordt algemeen gebruikt in soep, in spijzen, om ver-frisschende dranken te bereiden en ook in alcoholische dranken om deze smakelijker te maken, bijzonder groot is het gebruik van het sap voor genoemde doeleinden. Vroeger werd bet sap in groote hoeveelheden uitgevoerd naar Glascow, waar het een onmisbaar ingrediënt was der beroemde Glascow-punch. Nu die punch door andere dranken is verdrongen, behoort de groote uitvoer naar Glascow tot de geschiedenis.
Het sap wordt verkregen door de vrucht tusschen zware rollers te persen, het wordt op twee wijzen voor den uitvoer bereid, het eerste is het sap zooals het uit de persmachine komt. Het tweede is meer geconcentreerd, men laat liet ruwe sap in koperen of geëmailleerd ijzeren pannen verdampen tot op 1/8 of '/, gder oorspronkelijke hoeveelheid. Hetgoon overblijft is een
â 47 1 â
donker kleverig vocht, dat de consistentie van melasse heeft, en niet gebruikt wordt evenals het geperste sap voor eet-ot'drinkwaren, maar de praeparaten van ei troenzuur, die veel gevraagd worden voor de katoonververjjen, levert.
Van de schil der versche vruchten wordt een fijne welriekende olie verkregen, die in koperen vaten verzonden woi'dt. De wijze waarop deze essence bereid wordt vindt men opgegeven in het âKew Bulletinquot; van 189!, pag. 107, naar de gegevens van JosErii Stuege, Directeur van de Montserrat Compagnie. De fijnste olie wordt door handenarbeid verkregen, vrouwen en meisjes wrijven de versche schillen iu oen koperen toestel, van binnen voorzien van talrijke verhevenheden in den vorm van koppen van spijkers, hierdoor worden de oliekliertjes gekneusd en de olie vloeit naar den bodem van den pot. Het proces gaat uiterst langzaam, er bestaan ook wel andere vluggere bereidingswijzen, de hiermede verkregen olie is echter van inferieure kwaliteit.
De boompjes houden van een niet te zware leemaehtigen grond, ecu ietwat steenachtigen bodem werkt gunstig op den groei; men plant ze in West-lndië van af hot zeestrand tot 500 vt. hoogte, op een ondorlingen afstand van circa 15 vt. Zij beginnen op hun 6° of 7° jaar vrucht te dragen, soms verkrijgt men reeds kleine oogsten van vijfjarige boompjes. Om groote en vooral regelmatige oogsten te verkrijgen, moet gesnoeid worden; het open- en loshoudcn van den grond onder de planten bevordert den groei.
De gemiddelde temperatuur in do benedenlandcn te Mont-serrat is 78° en de jaarlijksche regenval bedraagt 59 Eng. duim; deze omstandigheden schijnen voor de lerametjes bijzonder gunstig to zijn, want dan groeit do boom goed en brengt ruime oogsten voort.
De oogst is te Montserrat het grootst van September tot Januari, maar liet geheele jaar door levert de boom rijpe vruchten. De cultuur heeft hier in hoofdzaak ten doel de bereiding van het sap uit de vruchten. Er bestaan twee groote factorijen waarheen de vruchten zoo spoedig mogelijk na den
oogst getransporteerd worden, zij komen daar in door waterkracht gedreven machines, die do vruchten, na ze in schijven gesneden te hebben, persen, waarna het sap in vaten loopt, die spoedig afgesloten worden. De vlugge bereiding is in een tropisch klimaat een hoofdvoorwaarde, daar het sap aan de lucht blootgesteld spoedig bederft. Voor deze bereiding gebruikt men slechts gave vruchten. Ten einde het sap zuiver te houden en niet met fijne vezels te vermengen, worden do vruchten niet geheel uitgeperst, maar blijft er na de eerste bewerking nog ongeveer 1/g van het sap in. liet overige wordt er, met dat der minderjgave vruchten, later uitgeperst en verdampt tot het do consistentie van suikerstroop heeft, dat zooals boven reeds gezegd is, het citroenzuur voor den handel oplevert.
Aan een voordracht, die Morris over don landbouw op de Eilanden beneden den wind in 1891 voorde leden van âthe Royal Institutequot; hield, ontleen ik nog het volgende:
Een voel belovende tak van landbouw in Dominica is de cultuur van lemmetjes en het bereiden van sap daaruit. De leinmotjes behooren tot de meest algemeene vruchten in West-Indië, zij zijn afkomstig van Citrus Medica L. acida. In 1870 bedroog do waarde van den uitvoer slechts 1600 pound, in 1889 was die gestegen tot 8ü(il pound.
Een zorgvuldig bewerkte bogrooting, verkregen uit do gegevens van verscheidene ondernemingen, komt tot do volgende resultaten. Er Is ongeveer 1000 pound noodig, voor het in cultuur brengen vnn '20 acres goed land, het beplanten daarvan, het maken van huis, pakhuis met inrichtingen om hot sap te persen en te koken, en het onderhoud gedurende de eerste zeven jaar. Na verloop van dien tijd zal de onderneming gemiddeld jaarlijks opbrengen 40 okshoofden sap, die circa 12 pound per stuk waard zijn, dus eon product van een waarde van 480 pound, üejaar-Ijjksche onkosten van cultuur en bereiding beloopen ongeveer 240 pound, zoodat er ongeveer evenzooveel zuivere winst overblijft. Daar deze begrooting niet op eenige raming berust, maar opgemaakt is uit gemiddelde cijfers van reeds bestaande
- 473 â
ondernemingen is zij vertrouwbaar, en is een jaarlijksche winst van 240 pound op een kapitaal van 1000 pound een werkelijk goede zaak.
Zooals boven reeds gezegd is, worden er, behalve hot lemmet-jessap en hot citroenzuur, nog aanzienlijke hoeveelheden versche en ingezouten vruchten naar do Vcreonigde Staten uitgevoerd.
De berichten over de cultuur der oranjes loopen uit verschillende streken nogal uiteen.
lijj vele kweekers bestaat do meening, dat indien men zoete oranjes uit zaad teelt, aan do hieruit ontstiino planten bittere vruchten komen, zoodat zo gewoonlijk door enten vermenigvuldigd worden.
Dit blijkt wel wat overdreven te zijn, want in velo landen kweekt men altijd oranjes uit zaad en leveren de er uit geteelde planten dezelfde zoete vruchten als de moederplant. Reeds de proeven door Gallksiu in 1181 genomen, bewijzen zulks. Hij zegt: reeds gedurendo vele jaren teel ik oranjes uit zaad, deels ook afkomstig van zaaiplanten deels van geënte planten beide met zoete vruchten, maar onveranderlijk verkreeg ik planten, die weer zoete vruchten produceerden.
Mac Favden komt te Jamaica niet tot dezelfde resultaten, hij zegt, het is een bewezen feit, hetwelk door ieder belanghebbende bij de cultuur waargenomen is, dat uit zaad van de zoete oranje, dikwijls planten verkregen worden, die bittere vruchten voortbrengen, talrijke goed nagegane voorbeelden zijn daarvan te mijner kennis gekomen. Düchassaing beweert hetzelfde voor Guadeloupe, terwijl Dr. Ernst in Caracas beweert, dat uit zaad van zoete oranjes soms wel planten ontstaan met zure, maar nooit met bittere vruchten. Bkandis, die als een der beste autoriteiten op dit gebied wordt geacht, beweert dat in Khasia (Br. Indië) al do aanplantingen van zoete oranjes uit zaad waren gekweekt.
Het is moeiehjk uit deze elkander tegensprekende berichten eene juiste conclusie to trekken Zooals men weet, wordt in
Vil' 34
â 474
Florida, Califoruië en Louisiana de cultuur van oranjes op gToote schaal gedreven en do verrijkende ervaring van de planters in genoemde staten komt gclioel overeen met de liier-boven aangehaalde bewering van Gallesio. Onder de fijnste oranjes, die in do Vereenigde Staten aan de markt gebracht worden, staan die van Florida bovenaan. Minstens 1 4 der boomeu, die in het seizoen 1894 â 95, een biljoen vruchten droegen, zijn uit zaad geteeld. Het is in 1' lorida zoo algemeen bekend, dat planten uit zaad van zoete oranjes geteeld ook zoete vruchten voortbrengen, dat geen planter aarzelt uitgebreide aanplantingen geheel uit zaad te kweeken, (zooals men weet zijn in Florida in 1 895 de oranjeboomen door de vorst vernield).
Mr. W. Fawcf.tt, Directeur van den Hot. tuin te Jamaica, zogt, dat de bewering van Mac Fayden, als zouden uit de zaden van zoete oranjes soms planten ontstaan met bittere vruchten, een groote zeldzaamheid blijkt te zijn, bet gevaar om deze soort uit zaad voort te planten is dus uiterst gering.
Een paar jaar geleden stelde het departement van Landbouw in de Vereenigde Staten de vraag aan do consuls te Marokka Guerrero (Mexico), Ecuador, Jamaica, Guadeloupe, Porto-llico, Syrië, Philippjjnscho eilanden, Spanje enz. of in die streken ook oranjes uit zaad geteeld worden en met welke resultaten?
Uit do meeste antwoorden bleek, dat uit zaad van zoete oranjes ook planten, die zoete vruchten droegen werden verkregen. Als liet omgekeerde plaats had, is het waarschijnlijk, dat er toevallig andere zaden tusschen gekomen of dat zij het resultaat van toevallige hybridisatie waren. Zoete oranjes worden gewoonlijk geteeld in de onmiddellijke nabijheid van zure, van citroenen of van lemmetjes en het zoude niet to verwonderen zijn als er nu en dan eene kruisbevruchting plaats had. Stuhbs en Maroon (the orange and other Citrus fruits from seed to Market, Louisiana State experiment station, bulletin 1883, p. 1-) noemen zulks ook als oen der voornaamste oorzaken van het variceren der zoeto oranjes. Dat door het hybridiseeren der verschillende Citrus soorten kiembaar zaad wordt verkregen, bewijzen de volgende proeven door
â 475 â
liet Departement van Landbouw in do Ver. Staten genomen.
Parson's Navel oranyc, een plaatselijke variëteit van de gewone zoete oranje, die gewoonlijk geen zaad geeft, leverde na bevruchting niet liet stuifmeel van do gewone zure lommotjes, drie goed ontwikkelde zaden, waaruit vier plantjes verkregen werden, uit een zaad kwamen twee kiemen.
St. MichaeVs Blood oranye, gaf na bevruchting met het stuifmeel van Citrus decurnana, 15 zaden, waaruit 22 planten werden verkregen.
In beide gevallen overtreft het aantal plantjes dat der zaden, liet feit, dat er uit een zaad meer kiemen ontstaan, komt bij de Citrus-familie nog al eens voor. Krüqer, Schacht, Hofmkistek, Stkasburger en anderen hebben dit versclujnsel zorgvuldig bestudeerd en voor zoover men heeft kunnen nagaan, iieoft in ieder zaad slechts één kiem zijn ontstaan aan bevruchting te danken, de andere zijn zoogenoemde adventief-kiomen, die zicli aan den kant van den kiemzak ontwikkelen. Het is daarom waarschijnljjk, dat slechts de door geslachtelijken invloed ontstane kiem aan den invloed dor hybridtsatie onderworpen is; zoodat als er twee of drie kiemen uit eeu zaad komen, hot niet onmogelijk is dat slechts aan één der plantjes de gevolgen der hybridisatie is waar te nemen en dat de andere geheel geljjk zjjn aan de moederplant.
Niettegenstaande dus de planten gekweekt uit zaad van de zoete oranjes ook zoete vruchten produceeren, is er toch nog al variatie in die vruchten. Het verschil is gewoonlijk niet groot, soms zijn er onder, die vruchten geven van inferieure kwaliteit, zelfs krijgt men een enkele maal betere vruchten dan aan de moederplant. Deze onzekerheid in de kwaliteit der vrucht, maakt dikwijls liet enten wenschelijk. Er is echter bij lange na niet zulk een groot verschil in de vruchten van geënte en niet-geënte boomon als b.v. bij appels en peren.
Indien men goede oranjes uit zaad wil kweeken, moeten eerst zorgvuldig de boomen uitgekozen worden en van deze uit de beste vruchten hot zaad genomen, terwijl het voorts nog gewenscht is, dat zij zoover mogelijk verwijderd staan van boomen van andere variëteiten.
â 476 â
Do fijnste verscheidenheden zooals, Harts Late, Jaffa, Majorca en Rnhij, kunnen niet zuiver door zaad voortgeplant worden, deze moeten door enten of zooals in Indic de gewoonte is, door tjangkokans vermeerderd worden.
DE CACAO-CULT UUR IN GUADELOUPE.
In dc âBibliothcque d'agriculture colonialequot; is van de hand van Dr. Paul Ouurin, die 5 jaar in Guadeloupe doorbracht, waarvan één op een cacao-plantage, eene studie verschenen over de cacao-cultuur. Hoewel liet werkje uit don aard dei-zaak voel bevat wat den lezers van dit Tijdschrift of bekend of voor hen van weinig belang is, vindt men er tal van mede-deelingen in, berustende op persoonlijke waarnemingen van don schrijver, die wel waard zijn er kennis van te nemen.
Na eene korte historische inleiding en eene beschrijving van do plant, wordt in de eerste [)laats de keuze van liet terrein besproken. Het was een oude traditie, dat cacao alleen goed slaagt op maagdelijken grond. Men ging zelfs zoover, dat men terreinen, die vroeger wel gebruikt waren, maar reeds verscheidene jaren gerust hadden, ongeschikt verklaarde. In het begin der kolonisatie, toen men maagdelijken grond voor liet nemen luid, was aan deze traditie gemakkelijk te voldoen; tegenwoordig zou, indien men er aan vasthield, de cacao-cultuur onmogelijk zjjn. Gelukkig is het ook niet noodig. Toch heeft cacao een vruchtbaren, lossen, huniusnjken grond noodig, die liet water gemakkelijk doorlaat. In Guadeloupe schjjnt men boven een zeobnogte van 250 M. niet meer met succes cacao te planten.
Evenals hier te lande worden ginds in de cacao-tuinen andere boomen geplant, die óf als beschutting tegen den wind of als schaduwgevers moeten dienst doen. Over de keuze van den meest geschikton boom is men het nog niet eens. De Erythrina indica (immortelle géante), door de Spanjaarden in Zuid-Amerika âMadre del cacaoquot; genoemd, heeft op de Antillen hot bezwaar, dat zij zieh met plantaardige parasieten bedekt.
- 478 â
die later scliade doeu aan de cacao-boomcn. Do Cedrela o(lor((t(( (acajou du pays of acajou amer) on de acajou van St. Domingo (de Mahoni, Swieteuin Mahagoni) zijn sterker cn krijgen bovendien na 30â40 jaar een aanzienlijke waarde. 1)
Op Guadeloupe verliezen dezo boomen hun blaren als de cacao zou noodig hoeft.
Aanbeveling zou het daar verdienen afwisselende rijen der genocinde boomen tc planten, zouals o. a. veel geschiedt in Venezuela.
Nadat do schaduwboomen, die op 9 X 8 M. uitgezet werden, ongeveer een jaar oud zijn, plant men bananen tussclien de rijen van 8 M. en wel op onderlinge afstanden van 2 M. Nadat zo ongeveer manshoogte bereikt hebben zet men do rijen der cacao nit, die men op afstanden van 4 bij 3 M. plant, zoodanig, dat de schaduwboomen op 2 M. afstand van de cacao-njen blijven en do cacaoboom niet in do rijen dor eersten komen te staan.
In valleien dicht bij de borgen, waar de rogen overvloedig en de temperatuur betrekkelijk laag is, plant men geen schaduwboomen, maar alleen bananen om de jonge cacao gedurende de eerste twee of drie jaar te beschermen.
Om den wind te breken kan men dan rjjen van de boven-gonoemdo boomen planten, dan wel van Inylt;t laurhm (pois doux) of van Calophyllum Cnlahn (öalbas). Deze laatste is zoor sterk en biedt zelfs weerstand aan de cyclonen; men verliest er echter veel terrein door, daar op 7â8 M. van don stam af niets groeit. Nadat liet terrein nu behoorlijk in orde gebracht is, gaat men over tot het planten van de cacaoboomen.
De keuze der soort of variëteit is natuurlijk van groot
1) Van beide boomen vindt men in den Cultuurtuin aanplantingen. Cedrela odorata ontwikkelde zich zeer snel. Een jaar na liet uitplanten hadden de boomen reeds eene hoogte van 3â4.5 M. Behalve in de Verslagen van 's Lands Plantentuin, vindt men ook mededeelingen over deze hoornen in »Bijdrage No. 3 tot de kennis der boomsoorten van Java door S. H. Koorders en Dr. Th. Valetonquot;. (Batavia. G. KolII'. amp; Co. 1890.)
â 479 â
belang. Men vindt op Guadeloupe verschillende variëteiten. Do eerst ingevoerde, die volgons Pater Labat op Martinique tliuis hoort, was de âCréolequot;, een krachtige, snelgroeiende boom mot betroklcelijk kleine blaren on vele kleine ronde vruchten, die eerst groen zijn en bjj het rijpen goudgeel worden. De zaden zijn plat, maar blijven, welke zorgen men ook aan de bereiding besteedt, wrang en violet op de breuk. Een variëteit van dozo soort, met van onder eenigszins puntig toeloopende vruchten, verschilt er, wat betreft do vruchten on do eigenschappen der zaden, niet noemenswaard mede.
Alle andere soorten zijn op Guadeloupe bekend onder don, trouwens onjuisten, naam van âCayenne cacaoquot;. Zij zijn zeer talrijk. De schrijver somt do volgende op:
1° Groote boom met groote blaren on uitermate i^roote vruchten, die betrekkeljjk weinig platte zaden bevatten; de kleur dei-vrucht is in rijpen toestand rood, mot gele strepen in de groeven. Qualiteit niet bijzonder.
2 Boom als de voiige, met gele vruchten. Middelmatige qualiteit en opbrengst.
3quot; Als de vorigeu, met van onder puntige vruchten, waarin vrij veel platte zaden. Qualiteit iets beter dan do vorige; opbrengst middelmatig.
4° Boom als de vorigen, met ronde vruchten, waarin zaden die rond beginnen te worden. Kleur der rjjpe vrucht grijsgroen. Vrij goede qualiteit. Opbrengst middelmatig. De inboorlingen noemen ze cacao ladre.
5C Sterk ontwikkelde boom met lange, gepunte vruchten waarop diepe groeven. De onrijpe vrucht is groen, in rijpen toestand bleekgeel. Zaden rond. Opbrengst goed.
6° Fraaie boom mot kleinere blaren en vruchten, die van don beginne af rond zijn, beneden lang gerekt, maar rond aan het einde; half rondo zaden van vrij goede qualiteit Opbrengst middelmatig.
7° Zelfde soort boom. Ilijpe vruchten geel. Middelmatige opbrengst.
8° Fraaie, forsche boom niet groote blaren en zeer lange.
â 480 â
vim onder puntige, van jongs ut' roode vruchten, goed vol mot rondo ziiden. Zoor goodo opbrengst. Groljjkt voel op de zoo-genaauido Margariteno van Venezuela.
9° Als No. 8, maar met kleiner blaren, eveneens roode vruchten, die van ond-er sterk puntig toeloopen en niet sterk geribd zijn. De zaden zjjn rond. Deze soort nadert tot de Venczuela-rr/o//o. Goede ([iialitcit en grooto opbrengst. Deze twee soorten, die men nog al verspreid vindt, schijnen niet zoo lang geleden ingevoerd te zijn. Van 1890â1804 zijn zij opnieuw uit Venezuela ingevoerd.
10c /oor fraaie boom met groote blaren, weinig vruclitdrugend. De vruchten zijn lang, maar niet puntig, ter grootte van een meloen on in rijpen toestand bleek geel. Platte zaden, yiechto soort.
Eindelijk heeft men nog de zoogenaamde mannelijke cacao, die bijna steeds bloemen draagt, maar nimmer vruchten.
De beste keuze, die men doen kan, is of do Margariteno of de Criollo, althans de soorten, die deze hot moest nabij komen. In goeden grond geplant, geven zij gemiddeld jaarlijks honderd vruchten per boom, nl. GO ongeveer bij den eenen en 40 bij den anderen oogst.
In maagdelijken grond wordt een gat van 33 c.M. (1 voet) gemaakt, dat men met humusgrond aanvult en waarin do zaden gelegd worden.
Op reeds gebruikten grond maakt mon veel grootere gaten nl. van 1 M. middellijn en 0,5 M. diepte.
Voor het uitzaaien kiost men de best ontwikkelde zaden, waarvan men er 3, op 12â 15 cM. afstand in een driehoek, uitlegt, die men met een laagje aarde Viin 2 c.M. dikte bedekt on waarbij men zorg draagt, dat het uiteinde waarmode zo aan het midden der vrucht bevestigd waren beneden komt.
De plaats waar de zaden uitgelegd zijn wordt met een stuk pisangblad bedekt. Na 8 dagen beginnen zij te ontkiemen en moet men het blad wegnomen. Het planton moet twee of drie dagen vóór of na volle maan geschioden. Oe bij deze maan-phase geplante cacaoboomen zouden zeer goed groeien en zeer
â 481 â
spoedig vrucht dragen!? Sommige planters makon eerst pepinières ou planten de jonge boomeu uit als ze 8 â 12 maanden oud zijn. Dit is volgens den Schrijver verkeerd, omdat de penwortel, die dan eene lengte van 30â35 cJl heeft, licht beschadigd wordt eu do boom dan kwijnt 1). Na twee jaar begint de boom te bloeien, maar geen der bloemen zot vrucht vóór het derde jaar. Hoewel de cacaoboomen bijna het gehoele jaar door bloeien, heeft men tweemaal 's jaars grootere oogsten eu wel enn omstreeks Kerstmis â (van don bloei in Juni â September) ou een van Maart â Juni. Het onderhoud der plantages schijnt vrjj eenvoudig te zjju; zoodra do zaden ontkiemd zijn, wiedt men met de hand rondom de plant tot op een afstand van 15â20 c.M en vergroot den kring naarmate de plant zich ontwikkelt. Later maakt men gebruik van do hak, zorg dragende de wortels van de cacao niet te beschadigen. De eerste twee jaren plant men wel eenjarige gewassen tusschcu de cacao. In Guadeloupe is het in do vlakte uoodig de cacaoplantages te irrigeeren. Daar dit een kostbaren aanleg vereischt, redt men zich op de volgende wijze. Men graaft daartoe goten op 6â8 M. afstand van elkaar, waarin men water laat loopen en waaruit vrouwen liet putten om de boonicm te begieten.
Op vochtige terreinen legt men draineergoten aan.
Door de cacaocultuur worden vrij aanzienlijke hoeveelheden minerale stoffen aan den grond onttrokken. Om 1UOO KGK cacao-boonen voor de markt (10o/o water bevattend) te verkrijgen moet men 8130 IvG. versche vruchten oogsten.
De minerale bestanddeeleu in zulk een oogst zijn in de volgende tabel opgegeven in KG.
|
IMiosphorznur Zwavelzuur |
Chloor geheele vrucht zaden 6.35 1 .08 0.09 schillen 2.7 i» 3.11 U.36 9.14 4.19 0.45 |
1) De ervaring heelt ook hier geleerd, Jat bij cacao zeer goede resultaten verkregen worden als men de zaden direct in de tuinen uitzaait.
â 482 â
|
zaden |
schillen |
geheele vrucht | |
|
Kalk |
0.93 |
4,17 |
5.10 |
|
Magnesia |
3.12 |
5.09 |
8.21 |
|
Kali |
9.70 |
47.84 |
57.54 |
|
Natron |
0.31 |
4.24 |
4.55 |
|
Yzeroxyde |
0.07 |
0.14 |
0.21 |
|
Kiezel zuur |
sporen |
0.40 |
0.40 |
|
Stikstof |
16.24 |
9.70 |
26.â |
|
Men ziet uit |
deze opgaaf. |
dat de schillen |
aanzienlijke hoe- |
veelheden planten voedingsstoffen beviitten en dut men dus goed zal doen deze weer als mest in de tuinen te gebruiken. Opmerkelijk is het, dat door de schillen 5 maal meer kali aan den grond onttrokken wordt dan door do zaden.
Bemestingsproeven, die op enkele ondernemingen genomen zijn, o. a. met phosphorzuur en kali, schijnen geen bepaalde resultaten gegeven te hebben. Daar do gronden van Guadeloupe meest zeer arm aan kalk zijn, zou het uitstrooien van 40 â50 hectoliter kalk per hectare in dit gebrek kunnen voorzien.
Katoenpittenkoeken en stalmest verdienen boven kunstmeststoffen de voorkeur.
De eacaoboom is aan verschillende plagen onderhevig, waaronder genoemd worden: de boorden, die zich gangen vreet in de takken ot' in den stam; de mieren, die de wortels beschadigen; de ratten, welke de vruchten leeghalen, om de pulpe, die de zaden omgeeft, te eten; de landkrabben, die de jonge boomen vernielen. Soms bezwijken de boomen zonder dat de oorzaak bekend is. Dat vele vruchten, zooals hier te lande, zwart worden en te gronde gaan, wordt niet vermeld.
Indien de cacao vruchten rijp zijn, kunnen ze, zonder bezwaar, nog wel een tot twee maanden aan den boom blijven. Toch doet men goed om ze, zoodra ze rijp zijn, met een scherp mes af te snijden. Op vele plantages draait men ze van de boomen af, wat zeer is af te keuren omdat men dan dikwijls den bast beschadigt
â 483 â
Nadat ze binnen gebracht zijn, worden ze gebroken en van hun inhoud ontdaan. De met liet vruciitvleescii omgeven zaden doet men in houten of gemetselde bakken, waarvan de bodem eenigszins bellend is, ten einde de hij de eerste fermentatie gevormde vloeistof te doen aHoopon. Na twee of drie dagen gaat men tot de eigenlijke fermentatie over. Daartoe doet men de zaden in houten bakken, welks 6â7 cM. dikke wanden met pisangblaren bekleed zijn en bedekt ze eveneens daarmede, vervolgens perst men ze met planken, die mot steenon beladen zijn, of door middel van een hefboom.
Deze fermentatie is het teere punt van do bereiding. AVarmte, vochtigheidstoestand, soort van de cacao en hoeveelheid der boonen oefenen allen hun invloed uit. Zij kan vier tot vijf dagen duren en zelfs tot acht dagen gaan. De boonen moeten eeu gelijkmatige, fraai roodbruine kleur krijgen en op de breuk de violette kleur verloren hebben, die overgegaan moet zijn in stroogeel. Deze overgang is zeer afhankelijk van de soort en heeft 't gemakkelijkst plaats bij de ronde boonen. Na 48 uren neemt men de boonen uit de bakken, wat door een draaiend zijschot gemakkelijk geschiedt, werkt de fermenteerende massa om en herhaalt dit telkens om de 24 uur totdat het goede punt bereikt is Dit vereiseht een groote geoefendheid. Een te lange fermentatie geeft zwarte boonen; eveneens worden ze zwart als men zo niet op tijd omzet.
Soms beginnen de boonen te schimmelen; men moet dan do fermentatie onderbreken en de boonen dadelijk gedurende eenigo uren aan de zon blootstellen en vervolgens mot het fermenteeren doorgaan.
Het sap, dat bij de fermentatie â¬atioopt, wordt spoedig zuur en zou op grootere plantages op azijn verwerkt kunnen worden. 1) De bakken worden na elke fermentatie met kalkwater ge-wasschen.
Het drogen der gefermenteerde boonen moet met zorg geschieden. Den eersten dag is drie uren blootstellen aan de
1) In den Cultuurtuin is herhaaldelijk uit de versche fermentatievloeistof alkohol bereid.
â 484 â
zon voldoende, dan brengt men zo weer binnen op hoepen, en stolt ze de volgende dagen telkens wat langer aan do zon bloot, totdat ze geheel droog zijn. Do boenen moeten dan tusschen de tanden breken. Proeven, die men op Guadeloupe genomen heeft, om evenals op Ceylon de gefermenteerde cacao vóór het drogen te wasschen, gaven ongunstige resultaten; de boonen werden in de zon te droog en te bros Sommige planters laten hun cacao te kort fermenteereu, omdat ze meenen minder gewicht te verliezen, tie qualiteit is dan echter slecht.
Om een gelijkmatige qualiteit te verkrijgen worden de boonen gesorteerd, waarbij de âtrieur Cabassonquot; uitstekende diensten bewijst. Het âaardenquot; van de cacao, dat o. a. in Venezuela toegepast wordt en bestaat in het vermengen der boonen, op den derden dag der fermentatie, met droge gezifte i'oode aarde, komt op Guadeloupe niet voor.
De uitvoer, die in 1854 ruim 16000 KU. bedroeg, was in 1894 tot 300000 KG. gestegen.
Men moet echter niet vergeten, dat de groote cacao-plantages eerst sedert 1887 bestaan en nauwelijks het derde deel geven van hetgeen ze later zullen opbrengen.
Guadeloupe zal wel eenmaal een productie van 11 2 millioen KG., misschien van - millioen KG. kunnen bereiken, maar do gronden, die voor de cacao-cultuur geschikt zijn zullen waarschijnlijk s'een overschrijding van deze hoeveelheid toelaten. De koffiecultuur daarentegen zal er op grootere schaal gedreven kunnen worden. v. R.
DE MANGIRBOOM VAN JAVA
GanophylUuu falcatuiii Bl.
door
JJu. J. G. Boerlage ex 8. 11. Koorders.
In de eerst verschijnende Iconen Bogoriertsen zal eene uitvoerige botanische beschrijving met afbeelding dezer buitengewoon fraaie, voor cultuur in aanmerking komende houtsoort door ons gepubliceerd worden.
Hieronder volgen eenige aanteekeningen over het voorkomen, de inlandsche namen, enz. van die boomsoort.
Geogr. verspreiding: Volgens Radlkoper komt zij voor in Port Denison, Rockingham bay. Port Darwin en op de Philippjjnsche eilanden. Op Java, waar de soort tot dusver nog niet opgemerkt was, is deze door ons in het Oostelijk-en Middeu-deel van het eiland aangetroffen; o.a. in de residentie Sëmarang en liösoeki. Zij bleek ons in do afdeeling Banjoe-wangi van laatstgenoemde residentie zeer algemeen en in Sëmarang nogal algemeen voor te komen, in West-Java geheel te ontbreken en in Midden-Java niet verder westelijk te groeien dan in de residentie Pëkalongan; en zoowel in Oost- als in Midden-Java uitsluitend op 0â800 M. zeehoogte en bij voorkeur op 0â500 M. â Standplaats: Zoowol op periodiek nogal drogen als op constant vochtigen grond en zoowel in hoogstammig, heterogeen, altijdgroen als in loofverliczend homogeen oerwoud; o.a. in Banjoewangi in altijdgroen oerwoud en op eerstgenoemde standplaatsen en in Sëmarang in de djatibosschen. â Voorkomen: Niet gezellig, maar toch in vrij groot aantal in sommige bosschen (o.a. in Banjoewangi). â Bladafval: Altijdgroen. â Bloei- en vrucht tijd: Niet elk jaar bloeiend naar het schijnt. Door ons o* en § bloemen
â 486 â
in October on Novomber in Bësoeki verzameld. Rijk bloeiend, llijpe vruchten niet gemakkelijk in groote hoeveelheden te krijgen. In bloei- en vruchttjjd trekt de boom niet meer dan anders de aandacht. â Gebruik: Hout: zoowel in Sö-marang als in lianjoewangi om groote sterkte en duurzaamheid geroemd, en vooral in laatstgenoemde streek veel voor huis- en bruggenbouw gebezigd. In de residentie Bösoeki werden niet zelden een zeer groot aantal volwassen boomen dezer houtsoort door liet gouvernement gekapt voor bruggenbouw. Hout effen-wit (zonder kernhout), roukoloos, fijndradig; gemakkelijk in groote afmetingen en nog in vrij groote hoeveelheden te krijgen (o.a. in de residentie Bësoeki). In Sëmarang hout voor gevesten van wapens gebezigd. Dit hout verdient een nauwkeurig technisch onderzoek. In Ba-njoewangi wordt liet tot do beste bouwhoutsoorten gerekend. Zeer belangrijk is het resultaat van een onderzoek, door de firma Noothout amp; Co te Kediri, ingesteld naar de geschiktheid van eenige Javaansche houtsoorten en ook van dit hout voor de fabricatie van lucifers en lucifersdoosjes. Daarbij werden 5 rubrieken gemaakt âoubruikbaar, slecht, bruikbaar, goed, uitstekendquot; en daarbij bleek voor lucifersstokjes van alle 2!) onderzochte soorten het mangirhout de eenige soort te zijn, die tot de rubriek âuitstekendquot; behoorde, terwijl dit zelfde hout met slechts 2 andere soorten tot de rubriek âgoed voor lucifersdoosjesquot; gerekend moest worden. De cultuur van dit prachtige bouw-hout verdient dus ook met het oog op de lucifersfabricatie aanbeveling. Gebruik van de Schors enz. Volgens Prof. I!adlkofkr en volgens in 1896 gedaan onderzoek van Dr. Hooksma, Chef v. h. pharmacologisch laboratorium in 's Lands-Plantentuin, bevat de schors saponine evenals o. a. de vruchten van de verwante Sapindus li arak DO. Onlangs deelde ons Dr. VoKDEKMAN hot volgende mede : âIn enkele streken van Midden-Java (o a. in de residentie Holo) wordt uit de fijngestampte schors dor boomsoort, vermengd met eenige andere plantaardige bestaruldeelen, eene soort zeep bereid, die in den vorm van kleine balletjes bij de inlandsche medicjjnenverkoopers te
â 487 â
krijgen zijn en die vooral door hooggeplaatste inlandsche scliooneu gezocht zouden zijn voor het wasschon van het gelaat, omdat het teint daardoor fraai zoude blijven.quot; In lianjoewangi werd ons door do inlanders ook het gebruik van de schors als surrogaat van zeep medegedeeld en overtuigden wij ons van de bruikbaarheid voor dit doel. Bloemen, bladeren, enz. niet gebezigd. â Cultuur: Sterk aan te bevelen met het oog op het uitstekende bouwhout van groote afmetingen. Bij voorkeur te cultiveeren beneden 800 M. zeehoogte in Midden-en Oost-Java; op niet te onvruchtbaren grond. Tot dusver nog niet op Java gecultiveerd.âInl. namen: In geheel Midden- en Oost-Java o. a. in Hësoeki en Sömarang constant Mangir, j. md. geheeten. Vooral in deze beide resi-dentiën is do inlandsche naam zeer vast. In enkele streken worden ook nog een paar andere boomsoorten soms aldus genoemd. In Pökalongan bij Soebah is de boom slechts aan weinig inlanders bekend en wordt hij door velen met andere soorten verward. De Javaanscbe en Madoereesche naam Maugir evenwel van hooge praktische waarde voor de opsporing dezer boomsoort. â Habitus: Nogal eigenaardige, zeer hooge woudboom; o, a. te herkennen aan de karakteristieke schors (zie boven) en de gevinde bladeren met gaafrandige, zeer scheeve blaadjes. De manneljjke bloemen gelijken bedriegelijk op /^sa/Hi/'-bloemen {Schleichera trijurja Willd).
RAMI-YEZ15L,
Door het z.g. Gomess-proces schijnt de mooielijkheid, om uit rami-bast marktwaardige vezel te bereiden opgelost te zjju. Er is groote vraag naar genoemden bast, die volgens allo waarschijnlijkheid nog sterk zal toenemen.
De eigenaars van het Gomess-proces, die in Engeland vertegenwoordigd zijn door de âForeign and Colonialllhea Fibre Treatment Syndicate, Limited, 17 Shaftersbury Avenue, London W,quot; eu in Britseh-lndiö door de âIndian Fibre Patent Company, Limited, Bombay,quot; zijn in staat groote hoeveelheden droge Rhea-bast to koopen en hot London Syndicaat zegt het volgende van kwaliteit en prijs:
a. dat het ruwe materiaal in den vorm van linten moet zijn, dat wil zeggen, de geheele bast met de hand van den stam gehaald, eu door en door droog in balen verpakt:
1). dat zij de voorkeur geven aan bast van Boehmeria iiitea, maar dien van Jl. tenacissima en Ban Rhea? ook kunnen gebruiken.
c. dat de hoeveelheden, die gebruikt kunnen worden zeergroot zijn, om te beginnen met 10.000 ton.
(1. dat de prijzen thans zijn van 10 tot 12 pound per ton, vrachtvrij in Londen, of 7 pound, geleverd in een Indische haven.
Uit het bovenmedegedeelde blijkt, dat we aan hot begin staan van eene nieuwe industrie, die volgens alle waarschijnlijkheid een groote toekomst tegemoet gaat.
Hot is echter zaak voor de planters om spoedig proeven met Kami-cultuur te nemen. In sommige Fransche koloniën legt men zich er reeds met kracht op toe. /ooals men weet, gedijt de Kami lang niet overal goed; zij verlangt een vruchtbaren grond, veel vocht en naar sommigen beweren misschien wel eenige schaduw. Het eerste wat nu nagegaan moet worden is, hoeveel droge vezel men in den gewenschten vorm van een gegeven oppervlakte kan krijgen cn wat de kosten zijn van productie en bereiding voor de markt. Verder zoude men proeven moeten nemen met de verschillende soorten; ofschoon Boehmeria niveu de meest gewenschte blijkt te zijn, bestaat
â 489 â
mogeljjkheid, dat een andere soort in enkele streken een grootor product geeft.
Wat schrijver bedoelt met Ban Rhea is niet duidelijk.
(Planting Opinion, vol 1, No. 22). w.
PLANTAAKUIOE PRODUCTEN UIT BRAZILIÃ.
In de Amazone-distrikten bestaan do voornaamste uitvoerartikelen uit caoutchouc, cacao, indigo, vaniolje, aromatische en niedi-cinalo plantendeelen, kruidnagelen, Braziliaansche noten, (Hertholletia excelsa), Peru-balsem, piassava-vozels, sarsaparille en een groote verscheidenheid van uitnemend timmerhout. Gedurende de eerste zes maanden van 1895 werd uit genoemde districten 5 257.089 kilo caoutchouc uitgevoerd.
Do plantaardige producten van 1'ara zijn : caoutchouc, rijst, cacao, koffie, tapiocca, aromatische (tonka) en eetbare boenen, Braziliaansche noten, mais, tabak, honig sarsaparille, plantenivoor en houtsoorten. Klimaat en bodem zijn in Para zeer gunstig voor de teelt van cacao. Ofschoon deze er overal mot vrucht geteeld kan worden, zijn de mooiste aanplantingen op de rivierbanken van de Amazonen-rivier. Do caeaoboomen beginnen op hun dorde jaar yrucht te dragen en gaan daarmede voort, tot op 50a()0 jarigen leeftijd; het eenigo, wat men or aan doet, is het zorgvuldig schoon houden van onkruid. Twee malen wordt 'sjaars geoogst, de oogst van Mei en Juli is de grootste. ILet grootste gedeelte der cacao wordt naar Frankrijk verscheept. De Fransche chocolodofabrikan-ten verkiezen deze cacao boven ieder andere. Eenige kleine kavelingen gaan naar Hamburg en New-York. De Fransche markt heeft ongeveer 6.000.000 kilo cacao noodig, waarvan Para niet meer dan 3.500.000 kilo kan leveren. Do kleur van Para-cacao is lichter, do boon is minder breekbaar en het moes neemt gemakkeljjker de specerijen op, die gewoonlijk bij hot bereiden van chocolade gebruikt worden.
De Regeering heeft tot aanmoediging dor cacao-cultuur de uitvoerrechten van 10 0/o op 4 0/0 gebracht en daarenboven stelt zij groote uitgestrektheden land, onder zeer billijke condities voor de cacaoteelt, ter beschikking van planters.
(Gardener's Chronicle, No. 497, â vol. XX). u.
35
quot;VJI.
HET VERVAARDIGEN VAN KUNSTMATIGE ZIJDE.
Do concurrentie wordt bij iodorea tak van landbouw, bij iederen tak van industrie scherper. Do ontdekkingen om van goedkoop materiaal gezochte zaken te vervaardigen volgen snol op elkaar on hetgeen heden nog voor onmogelijk verklaard wordt, behoort morgen tot de werkelijkheid.
Zoo komt in een recent noinmer dor âTimesquot; een opstol voor over het vervaardigen van zijde uit houtpap. De Comte Hilaire de Chardonnet komt do oer der ontdekking toe. Vrij uitgebreide fabrieken zijn te Uesauvon door genoomdon edelman opgericht en ofschoon zij eerst sedert 1893 werken, neemt do vraag naar doze zijde zoo toe, dat een aantal Engolsche fabrikanten eeno commissie naar Bosamjoii zouden, met do opdracht do mogelijkheid to onderzoeken of ook in Engeland deze industrie ingevoerd kan worden. De commissie bestond uit eonigo fabrikanten, een ingenieur-werktuigkundige, een scheikundige en een rechtsgeleerde.
De resultaten van hot onderzoek waren zoo bevredigend dat besloten is tot oprichting van eeno fabriek voor Æ 360.000 in do nabjjheid van Manchester. De bedoeling is, in de fabriek uit hout-pap zijdegaren te bereiden en dit te verkoopen aan de wevers, die het op hun reeds bestaande machines tot zijde kunnen weven.
De pap wordt met heel veel zorg gezuiverd, zoodat zij er bijna uitziet als dikke gom, dan in cylinders gegoten, waaruit ze door pneumatische drukking door pijpen in de spiuafdeeling wordt gebracht. Do pijpen zijn voorzien van kleine, dicht bij elkaar staande kranen, en ieder kraantje is voorzien van een glazen buisje, aau welks uiteinde eene kleine opening is, waardoor de draad te voorschijn komt. Van deze buisjes, die men glazen zijdewormen noemt, zijn er 12.000 in de werken te Besancon aan wezig. Door den pneumatischen druk wordt de vloeibare massa niet slechts uit de cylinders in de pijpen gebracht, maar ook door do glazen buisjes gedrongen. Een zeer klein bolletje komt uit die glazen zijdewormen te voorschijn, dat door de spinster tot een uiterst Kjiio draad uitgetrokken wordt. Acht, tien of twaalf van die ragfijne draadjes worden tot een zijden draad gevlochten.
Het nieuwe product noemt gemakkelijker de kleuren aan dan gewone zijde van zijdewormen afkomstig, liet grootste verschil tusschen natuurlijke en kunstmatige zijde is de grootere glans van laatstgenoemde. Het succes, reeds in Frankrijk verkregen,
â 491 -
doet een geheelen omkeer in de spinnerijen to Lancashire verwachten, niet slechts in don handel, maar ook door meer werk te verschaffen aan do reeds bestaande eu nog op te richten fabrieken.
{Nature, No. 1386, vol. 54). w.
PELLOTINE.
Pellotine is oen slaapmiddel, dat niot zooals de moeste in den laatston tijd bekend gewordene langs chemischen weg kunstmatig bereid is, maar in een plant gevonden wordt. In Mexico gebruikt men, zooals bekend is, praeparaten uit verschillende Cacteeën als bedwelmingsmiddelen en wel onder don naam Pellote. De plant, die het hier bedoelde pellotine, een alkaloïde, levert, is do Anhalonium Williamsiï.
liet alkaloïde is gekristalliseerd en heeft een bitteren smaak. Proeven mot 40 zieken genomen vielen gunstig uit; zeer geringe hoeveelheden waren slechts noodig, welke, indien gewenscht, in den vorm van onderhuidsche inspuitingen toegediend konden worden.
(Ghem. Xe it. Chem. Rep. No. 18, 1896).
CAOUTCHOUC UIT MADAGASCAR.
Indien men do berichten geloovon mag, schijnt Madagascar eon onuitputtelijke bron voor caoutchouc te zijn. Do uitvoeren waren tot nu toe aan groote schommelingen onderhevig eu soms zoo gering, dat het schoon, alsof door de ruwe wijze van inzameling do voorraad spoedig uitgeput zou zijn. Door den heer Waller, die eenigon tijd Amerikaansch consul in Tamatave was, zijn over het voorkomen van caoutchouc aan hot hieronder genoemde tijdschrift de volgende medodeelingen gedaan. Hot eiland is mot maagdelijke bosschon bedekt vol van caoutchouc-leverende lianon, waarschijnlijk Landol-phid's, en boomen. Van de laatston is de botanische naam niet bekend. Wanneer de stammen geveld worden loopen er uit de wortels weer loten uit, die na weinige jaron weer groot genoog zijn om caoutchouc te leveren, zoodat voor uitroeiing van den boom geen vrees behoeft te bestaan. Om het product te winnen worden do boomen geveld, in stukken van 3â4 voet lengte gehakt of gezaagd, dio men boven emmers houdt om hot sa]) uit den bast optevangen. (1)
(1) Waarom men dan niet liever den boom schilt of wel eenvoudig tot op het liout insnijdt is niet duidelijk. Jief.
â 492
üe heer Waller beweert gezien te hebben, dat zulk een stuk meer dan 2 liters sap gaf? Door toevoeging van oen zuur doet men het stollen.
Genoemde heer heeft een concessie gekregen voor de exploitatie van 144000 acres.
De uitvoer van caoutchouc uit Madagascar bedroeg in 1894 en 1895 te zanien ongeveer 1 millioen kilogram.
(India Rubber World, Mei 1806). r.
DE PISANGHANDEL VAN JAMAICA.
In de vijfde atlovering van dezen jaargang in mijn opstel over l'isang, deelde ik mede al wat ik over de cultuur, het gebruik en den handel in doze nuttige vrucht kon vinden. Nu komt in een der laatste nummers van âHarpers Weeklyquot; een fraai geïllustreerd opstel voor over den pisang-handel in Jamaica, dat ik gaarne onder de oogen dor lezers van Toysmannia breng.
De geregelde aanvoer van pisang in de Vereenigde Staten, uit Midden-Amerika, Costa-Rica, van Bleekheid aan de Mosquito-kust, van Cuba en Jamaica, is nog van jongen datum, een 35 jaar geleden begon men cr mede.
In Jamaica, een verbastering van het indiaansche woord Hay-maca, hetwelk overvloed van water beteokent, heeft zich in de laatste jaren, wegens hot goed besproeide en vruchtbare, heuvelachtige terrein, waar zich niet alleen de pisang buitengewoon krachtig ontwikkelt, maar dat ook voor de verscheping zoo uiterst gunstig gelegen is, een belangrijke pisanghandel ontwikkeld.
In county Surrey, gelegen tusschon de John Crow-bergen en de zee, ligt de parochie van Portland. Daar heerschen nagenoeg het geheele jaar door de frissche, met waterdamp gevulde passaatwinden, die, als zij togen het gebergte aankomen, wolken vormen, die de voor de pisang zoo noodige regens in overvloed aanbrengen. Do cultuur der pisang heeft daar de vroeger zoo winstgevende suiker-rietaanplantingen geheel verdrongen.
Uo hoofdplaats der genoemde parochie is Port-Antonis, een vroeger onbeteokenend gehucht, dat aan een nagenoeg geheel door land ingesloten baai ligt, wiens diepe ingang slechts 200 vt. breed is; deze baai vormt een veilige haven en was vroeger een geliefkoosde schuilplaats voor zeeroovers. Thans is Port-Antonis door den pisang-handel een welvarende plaats geworden, waar jaarlijks 5.000.000 trossen naar de Vereenigde Staten worden uitgevoerd.
â 493 â
Ruim 20 jiiar gelodon kwam eou ondernomond koopman uit New-England op het donkboeld, om do vruchten geregeld uit de noordelijke havens van Jamaica naar Boston te transportecren, dit voorbeeld werd spoedig door anderen gevolgd, en hot duurde niet lang of de pisang werd eeu der populairste vruchten in Jamaica. Ken maatschappij met een kapitaal van 200.000 ponden sterling, die direct twee vlugge stoomschepen in de vaart bracht, werd in 1877 opgericht, om aan de groote vraag naar pisang te kunnen voldoen. Deze Maatsehappij werkt op 't oogenblik mot een kapitaal van 500.000 pound sterling, hooft 12 stoomers in de vaart en 2000 employés aan het werk. Door haar worden jaarlijks 4.000.000 pisangtrossen, 6.000.000 kokosnoten, groote hoeveelheden Pimenta officinalis, koflie en ook vroege groente geëxporteerd, '/ij teelt deze producten op 20 ondernemingen, een G00-tal muilezels zijn dagelijks bezig deze naar de havens te vervoeren. De man aan wien een dergelijke reusachtige onderneming haar ontstaan dankt, staat te Jamaica algemeen bekend als de pisangkoning.
De pisang-cultuur wordt te Jamaica op de volgende wjjze gedreven: men plant de jonge planten (uitloopers) in humusrijken grond in rijen van 15 vt. tusschenruimte, op 8 a 10 vt. afstand van elkaar. Een jaar na do planting wordt do eerste oogst verkregen en de stengels die vrucht gedragen hebben weggesneden; beter ware het ze omtebuigen. De middelmatige hoogte der planten is circa 15 vt., ofschoon eenige soorten, zooals do Abyssinische, een lengte van 30 voet kunnen bereiken, van iederen stoel laat men slechts twee jonge spruiten doorgroeien, de overige worden weggesneden. De aanplant laat men niet ouder dan 8 a 10 jaar worden, togen dien tijd is de grond zoo geheel volgegroeid met pisangwortels, dat na op nieuw geploegd te zijn eerst weer geplant kan -worden.
De pisangtrossen worden naar het aantal sisirs in verschillende soorten verdeeld, zoo behoort een tros van zeven ot meer sisirs tot de eerste, van zes sisirs tot de tweede en van vijf sisirs tot de derde soort; trossen met minder dan vijf sisirs zijn niet goed verkoopbaar. Van heinde en verre worden do pisangs uit het binnenland aangebracht, voor zoover mogelijk nemen stoomers, of op het land treinen, in de nabijheid van de ondernemingen de vruchten op, bamboevlotten met pisang beladen komen do rivieren afzakken, soms ziet men gehoele gezinnen beladen met pisangs van de heuvel s komen, hun kostbare vracht naar de havenplaatsen brengen.
â 494 â
In iedere havenplaats worden zij door do agenten der Maatschappij opgekocht en in luchtige pakhuizen bewaard tot het vertrok der eerstvolgende boot.
De yoornaarasto kantoren der Maatschappij zijn gevestigd to St. Annis, in do nabijheid van Peurto liuono, waar Columbus bij zijn laatste ongelukkige reis verplicht was voor den storm eeno schuilplaats te zoeken; vier mijlen verder te Kunaway-punt, vanwaar de laatste Spaansche Gouverneur in een open boot vluchtte, verder te Ocho Uios, waar do Spanjaarden hun laatsten wanhopigon strijd tot behoud van hot eiland voorden, en te Peurto Santa Maria, niet de prachtige baai, waar Columbus landde, toon hij den 3on Mei 1494 Jamaica ontdekte.
In deze en meer andere havens aan de noordkust van Jamaica, wemelt het van Amerikaansche stoomers, die er slechts weinige uren stoppen, want oogonblikkelijk na aankomst, hetzij dag of nacht, worden do pisangs geladen; zij vertrokken direct weer naar andere havens, om wanneer voldoende lading verkregen is koers te zotten naar de Vereenigde Staten. Zoo gaat het 't goheele jaar door, ofschoon van Maart tot Juli, wanneer de meeste vruchten rijpen, het vertier het drukst is.
Volgens West-Indische gewoonte geschiedt hot laden door vrouwen, op hunno hoofden dragen zij de pisangs uit de pakhuizen naar de booten en op de loopplank worden hun checks overhandigd, die op het kantoor tegen geld ingewisseld worden. De vruchten worden verscheept, als zij nog groen zijn, indien zij niet gedrukt en zoo geladen worden, dat de lucht vrije toetreding heeft, houden ze zich lang goed. Do trossen worden in rijen opgehangen of in doozen verpakt en in hot tusschendek der stoomers geladen.
Een enkele lading bevat gemakkelijk 50.000 trossen.
j. r. w.
BROM ELI ACEEÃN.
Onlangs verscheen oen nieuwe Monographie van de Uromeliaceeën, schrijver ervan is Dr. Caul Mez. Dezelfde merkwaardige planten-fmnilie is reeds door Karl Koch, Kegel, Ed. Morren, Wittmack en J. G. Baker bestudeerd.
Dr. Mez, noemt 45 geslachten en bijna duizend soorten, behalve de twijfelachtige horticultuurverscheidenheden.
â 495 â
Do Bromoliaceeën vormen oen goed afgescheiden familie, die gemakkelijk te herkennen is, de niet plantkundige lozers kan ik mis-Bchien op den weg helpen met de mededeeling dat onze gewone Ananas, Ananassa sativa er ook toe behoort. Do bladeren zijn gowoonljjk in een rozet geplaatst on slechts zeer zelden verlengt zich do bladdragende stengel zooals bij sommige l'inja'.s. Do moeste soorten bohooron onder do epiphyten, zij groeien op hoornen, een geringer aantal groeit in den bodem. i)e bloeiwijzo is gewoonlijk eindolings geplaatst, zij is soms kort, soms lang, do schutbladen zijn dikwijls' groot en bijzonder fraai gekleurd, zoonis in vele Tilkindsia'*, zij maken hot fraaiste dool dor plant uit. Do in een rozet geplaatste bl aderen, vormen aan don onderkant dikwijls kommen, waarin soms aanzienlijke hoeveelheden regenwater bewaard worden, dit water is gewoonlijk vermengd met plantaardige en dierlijke stoffen, die de plant aan voedsel schijnen te helpen. quot;Wijlen Prof. Mokken, deed in het water koolzure ammonia, waardoor zijne planten een weelderiger aanzien kregen. Dr. Mez, hield een plant zonder wortels, een geheel jaar niet alleen in het leven, maar ook goed aan den groei door een 1 20o sterke oplossing van koolzure ammonia, met zeer kleine hooveolhodon nitraat, phosphor-zuur, zwavelzure kalk, en ijzorzouton in de bladkommen te doen.
Ofschoon do Idoemon geen groote verschillen voor den kruidkundige vortoonen, hebben sommige groepen oen bovonstandig en andere een ondorstandig vruchtbeginsel, dit verschil is duidelijk genoeg om er sommige geslachten aan te herkennen, verdere herkonnings-toekons zijn zekere vliesjes aan de bloembladeren. Opmerkelijk is ook de kleur dor bloomen, namelijk dat in dezelfde groep, geel mot blauw, do xanthic en cyanic series, in dezelfde bloem voorkomt.
De stuifmeel korrels zijn soms gegroefd, soms poreus; Dr. Muz vond ook dit verschil groot genoeg om er de eerste onderverdeeling der familie op te bouwen. Hij deed eenigo interessante waarnemingen over de wijze, waarop de verschillende vormen van stuifmeelkorrels door insekten of door don wind op de stempels overgebracht worden.
I5ij de ananas vinden we een typisch voorbeeld, waarin de as van de blooiwjjze en de schutbladen vloezig worden en mot de vrucht-boginsels eeno vleozige, saprijke massa vormen, waardoor do combinatie ontstaat, die onder den naam van Ananasvrucht bekend staat Do schubbetjes, die in zulk een groot aantal op de bladeren voor-
â 496 â
komen, doen soms dienst ala absorbtie-or^anoti, terwijl zjj elders ong o wenschte verdamping tegengaan oti zoodoende de plant tegen droogte beschermen. Do Bromeliaoeeën zijn evenals de Oactoeën van Ameri-kaansche^i oorsprong, zij komen voor van 38° Noordor tot 43o /niderbreodte; Chili, Mexico, Ecuador, /uid-Oost Brazilië zjjn do hoofdzetels dezer meestal fraaie planten.
l)r Mkz verdeelt de groep eerst in die met onderstandige vruchf-beginsols, bij het rijpworden niet van zelf openspringende vruchten waarvan de zaden geen vleugels hebben, hiertoe behooreu de geslachten Bromelia, Nidularium, AecJtmeu, BiLherjia en eenige andere; in die met geheel of gedeeltelijk bovenstandig vruchtbeginsel, openspringende vrucht on gevleugelde naden waartoo Pilcairnea, Pnya en andere gerekend worden. Een derde afdeeling heeft oen bovenstandig vruchtbeginsel, oen openspringende vrucht en gepluimde zaden, o. a. Vriesa, Tillandsia, enz. Ondorvordoe-lingen worden weer gemaakt naar aanleiding van den vorm en de eigenaardigheden der stuifmeelkorrels.
Van de cultuur der planton wordt in hot werk weinig gezegd ofschoon er verscheidene soorten onder voorkomen, die uitonnato voor kamerplanten geschikt zijn. Zoo worden in do bekende groote kweekcrij van Wood te Rouaan, uitsluitend Bromeliaceeën voor de Parijsche markt gekweekt.
Als het vaderland van de ananas wordt zonder eenige aarzeling Centraal-Brazilië aangewezen. L)o zachtbladerige Cayenno-ananas en andere verscheidenheden met ongedoornde bladeren behooren tot de variëteit lucidus. Reeds spoedig na do ontdekking van Amerika schijnt de ananas naar Europa overgebracht te zijn; in werken, die vóór genoemde periode geschreven werden, is er nooit gewag van gemaakt.
Gardeners'1 Chronicle, No. 500 â Vol XX. w
VANIELJE.
Toen nu jaren geleden de bereiding van vanilline langs scheikundigen weg werd uitgevonden, verkeerde men in den waan, dat het er voor de toekomst der vanielje-cultuur droevig uitzag. Deze verwachting is niet uitgekomen, want niettegenstaande er veel vanilline bereid wordt, is het laatste product goedkooper dan ooit, terwijl voor de vanielje-vruchten sinds jaren niet zulke goede prijzen betaald worden als in den laatsten tijd.
â 497 â
De yaaielje-markt wordt voor een groot deel beheersoht door de oogsten van Reunion (Bourbon) en de Sechellen. De grootsie voorraad vanieljo bevindt zich gewoonlijk in Frankrijk; de Hourbon-vanielje wordt in commissie naar Parijs en Bordeaux gezonden, vanwaar nu en dan aanzienlijke partijen te Londen aan de markt gebracht worden. De oogsten zijn in de laatste jaren niet bijzonder groot geweest. De Vereenigde Staten van Noord-A merika gebruiken veel vanielje, van 130.000 tot 150.000 g;'s jaars, deze komt voor het meerendeol uit Mexico en andere tropische landen van de Nieuwe wereld; dikwijls moet Amerika nog in Europa komen koopen. Waarschijnlijk overtreft do behoefte van Amerika dio van alle andore landen; het wereldgebruik van vanieljo bedraagt circa 250.000 u;. Het eigenaardige bezwaar aan de vanieljo-eultuur verbonden, is do schommelin g in prijs; reeds herhaaldelijk is het gebleken, dat zoodra de prijzen hoog zijn, er een paar jaar later overproductie ontstaat.
Java, waar de vanielje in 1819 geimporteord werd, leverde vroeger aanzienlijke hoeveelheden, tegenwoordig heeft de cultuur er geen noemenswaardige betoekenis meer. Ook in Mauritius is do vanielje-cultuur sterk achteruitgegaan, de productie was in 189^ nog 37.700 jg, zij daalde in 1893 tot 15.400 'jg en in 1894tot9.100 jg. Reunion voerde haar eerste vanieljo uit in 1849, de hoeveelheid was toen slechts 7 fij, in I 870 bedroeg do export reeds 20.000 o;, in 1891, werd 190.000 ffi, in 1891 207.000 m on in 1892, 175.000 uitgevoerd, de laatste jaren was do oogst kleiner. Ue productie van de Sechollen is ook zeer variabel; de eerste vanielje werd van daar in 1885 in Europa ontvangen; in weinig jaren was de oogst tot 80 000 fi; gestegen; deze daalde echter weldra weer tot 17.500 (t per jaar. De vanielje van de Sechellen is korter en minderaromatis â h dan die van Kéunion. Zij wordt daarom gewoonlijk tegen iets lagere prijzen verkocht.
(Tropical Agriculturist, Juli. 189(5) ie.
HERBARIUM VAN DE CANDOLLE
Het herbarium van De Candolle werd gesticht in 1794 door Aug. Pyu. De Candolle in Montpellier en in 1816 naar Genève overgebracht. Het bevat: le een bibliotheek van 9000 nummers met etikotton-catalogus (/ettel-Catalog); 2e 340 pakketten
â 498 â
herbarium van do âautlienhiekequot; specimina van de Prodromus; iie 25 pakketten uitsluitend de soorten bevattend van de Suites au i'rodromus van Casimier Df, Camdolle; 4e 770 pakketten herbarium van andere planten; 5o een kryptogamen-berbarium met een afzonderlijke bibliotheek. Het totaal getal specimina bedroog in 1 894 bijna het enorme getal van 327900 stuks. Voor het conserveeren word geen sublimaat moer gebruikt; daartoe wordt alleen zwavelkoolstof gebezigd en wol zoodanig, dat de pakketten herhaaldelijk op hun beurt eenigon tijd in de zwavelkoolstof bewaard worden.
(Bolan. CentraIhlatt 1890 p, 341,). k-
EEN KONIJNENPLAAG IN AMERIKA.
Vulgens mededeelingen uit eonige distrikten in Californië, Colorado, Idaho, Oregon en Utali schijnt men daar al evenveel last te hebben van do konijnen als in Australië, liet zijn do z, g, âJack-rabbitsquot;, een der vijf soorten van het geslacht Lepus, dieinWest-Amerika voorkomen.
/ij leven in do prairiën, en daar zij zich niet ingraven, moeten zo voor hun veiligheid vertrouwen op hun fijn gehoor en hunne vlugheid; beide eigenschappen zijn bij deze dieren buitengewoon ontwikkeld. Soms vermenigvuldigen zij zich verbazend en richten dan grooto schade aan de te velde staande gewassen; het verlies in éen district in Californië aan een oogst door do konijnen toegebracht, wordt op 000.000 dollars geschat. In een district van Idaho werd het vorige joar 30.000 dollars besteed voor de uitroeiing dezer schadelijke dieren. Het Vieste middel schijnt te zijn, do dieren over grooto uitgestrektheid in een omheinde ruimte te drijven.
Aan iederen kant vim de omheinde ruimte worden twee lange vleugels van ijzerdraadversperring aangebracht, de lengte der ver-gt;porring bedraagt soms G a 7 mijlen.
Do geheelo bevolking van een distrikt wordt dan opgeroepen, zij vormen te zamen een lijn waardoor de konijnen tusschen de vleugels van do ijzerdraadversperring worden gedreven, zoodat zij gemakkelijk in de omheinde ruimte terecht komen. Het gebeurt wel, dat op die wijze 20.000 konijnen in een dag gevangen worden.
â 499 â
In liet laatst vorscheuen Bulletin van het departement van laml-liouw van de Vereenigde Staten, komt een staat voor, waaruit Idijkt dat liet vorige jaar op bovengenoemde wijze 370.000 konijnen onschadeljjk gemaakt zijn.
{Nature, No. 1382, Vol. 53). w.
HET CONS ERVE KR EN VAN GRASSEN MET ALUIN.
liet maken van boaquetten van gedroogde bloemen en vooral van grassen is een lief hebber jj, waarmede vele bloemenlief-hebsters zich beziglioudon. Veel minder werk wordt er hier gemaakt van het kristallieeren van bloemen en grassen, ofschoon dit ook niet zoo moeielijk schijnt en fraaier producten geeft dan het drogen,
In het onderstaande tijdschrift vind ik het volgende nieuwe recept voor het kristalliseeren van grassen.
In een vrij groeten pot doet men een quarter water en laat er 1 pond aluin (tawas) in oplossen; als het water warm is lost het meer aluin op. Laat het water koken en hang de grassen boven den pot, zoodat de stoom er Hink doorheen gaat. Het bundeltje grasbloemen moet zoo dicht mogelijk boven hot water hangen, maar mag er niet mede in aanraking komen. In deze positie moeten do grasbloemen verscheiden miuuten blijven, korter of langer naarmate de grootte van den bundel. Daarna brengt men de grassen op eene koele plaats en laat ze drogen, hot effect moet verrassend en veel fraaier zijn dan de oude methode, die bestaat in hot herhaalde malen dompelen van do te kristalliseeren voorwerpen in een sterke oplossing van aluin in water.
(The National Druggist
St. Louis, Vol XXVI No. 5.) w.
RUPSEN 01' KOOLPLANTEN.
Als de rupsen op koolplanten komen en deze beschadigen, begiet men de bladeren met pekel. De kool ondervindt daarvan geen nadoel, voor het ongedierte echter is het zout doodelijk vergif. {Sempervirens, No. 80, 1896.) w.
â 500 â
BALSEM VAN LIQUIDAMBAR.
In jaargang 1894 van dit tijdschrit komt een opstel van ilen Hoer Voiidbrman voor onder het opselinft B Rasatnalaquot;, waarin wordt mede â gedoold, dat do z. g. styrax of' storax der apothekers, de getahofmiujak rasamala dor iloekoens, afkomstig is van Liquidambar orientalis Mill, on niot van do hier in het wild voorkomende Liquidambar altingiamt (Altin//ia excelsa Nor.).
In hot âZoitschrift des Algemeinen Oostorroichisehen Apotheker Vereinsquot; lid. L. 189(), Heft I. u 2quot;, komt een ou ander over de plant voor. Liquidambar oriental is Mill., die de styrax of storax levort, komt slechts in tamelijk uitgestrekte bosschen in het landschap Kariën in IClein-Azië voor. Liquidambar slyraciflua Tr. de stam-plant van hot âSwoot gumquot; der Amerikanen, is in hot Oosten der Voreonigde Staten, in Mexico on in Centraal-Amerika te vinden, ook in Zuid-China en bij Formosa komen variëteiten van laatst-gomoldon boom voor.
Om do styrax te verkrjjgen worden in den tijd, als de sapstroom hot sterkste is, van krachtige boomen lange reopon bast afgesneden en wol ongeveer 1 4 van den omvang van den stam, het volgende jaar snijdt men weor 'Æ,, zoodat na vier jaar de stam geschild is. De boomen schijnen tegen deze operatie bestand te zijn, de schors seh ij ut spoedig weder aan to groeien. Deze bast wordt met water uitgekookt en daarna uitgeperst, do geperste bast komt onder den naam van âcortex Thymiamatiquot; in don handel.
Do balsem van Liquidambar stijracifiua L., wordt niet in hot groot verzameld en is in den handel ook haast niet te krijgen. De inzameling gaat zeer ruw in zijn werk. Do boomen worden op eenige voeten boven den grond geheel geringd, een ongeveer 8 dM. breodo strook wordt er van den bast en een deel van het spint a%o-nomen. Eerst eonigon tijd na deze manipulatie komt de gom tusscheii bast en hout te voorschijn, en verhardt langzamerhand van zelf.
Gezonde, onbeschadigde boomen van beide Liquidamhar-soortcn bevatten geen balsem, deze ontstaat eerst na de verwonding.
Uit onderzoekingen van Plodghox te Montpellier en van Moellek blijkt, dat do van de Liquidambar afkomstige balsem een pathologisch product der boomen is.
{Bot. Centralblatt, No. 25, 1896). w.
â 501 â
DP] VERSIERING VAN DEN PALMENGARTEN IN FRANKFORT.
quot;Wanneer we zien op welk een trap de versieringskunst in Europa staat, welke heerlijke bloemen-arrangementen daar bjj feestelijke gelegenheden gemaakt worden, dan wordt het ons maar al te duidelijk, hoe veel we hier missenon hoever we nog ten achter zijn.
Ofschoon wij hier over oen schat van bloemen on groen beschikken, worden er geen of'weinig planten speciaal voor versiering gekweekt, terwijl zulks elders wel het geval is, hij duizenden kan men ze tollen, do fraai bloeiende en fraai bebladerde gewassen, dio uitsluitend voor versiering dienen.
Do Botanische tuin te Buitenzorg is een wetenschappeljjke instelling, waar uit don aard der zaak slechts weinig aan vorsiorings-kunst gedaan kan worden; al zoude men het wenschon, er is geen personeel voor. Inlanders hebben voor versieren, zooals wij het opvatten al bitter weinig gevoel, sommige hebben hot in hot nabootsen van hetgeen zij zien al ver gebracht, maar om de gewenschte variatie of nieuwe ideeën in do versiering te brengen, daartoe zijn zij niet in staat en het Europcesch personeel aan genoonido afdeoling is zoo beperkt, dat het er niet aan kan denken, zijn tijd veel aan de kunst van versieren te besteden.
Hot lezen van do verhalen over âDer Kaisorempfang im Palmon-garten zu Frankfurt a. M.quot; gaven mij deze worden in do pen.
Er zijn hier zeker vele verlofgangers, die mot genoegen aan hun bezoek aan den âPalmengartenquot; denken, liet behoort ook bij mij tot de aangenaamste herinneringen. Al kunnen de palmen, die men daar ziet de bewondering niet opwekkon van degenen, dio ze in don Hortus Bogoriensis gezien hebben; alles is er zoo smaakvol gearrangeerd en met zooveel zorg onderhouden, dat het geheel een onvergetelijken indruk achterlaat.
Frankfort vierde 10 Mei feest, het was 25 geleden dat do vrede van Frankfort een einde maakte aan den bloodigen kijjg, dio zoovele offers gokost had. Uit het geheele land kwamen gasten en ook Duitsch-lands keizer was de gast van de oude vrije stad.
liet was niet te verwonderen, dat de Palmengarten voor het hooge bezoek, in feestgewaad word gestoken, ik zal trachten oenigo détails van do versiering terug te geven, ofschoon hot uiterst lastig is, er zich uit dergeljjke beschrijvingen oenig denkbeeld van te maken.
Zooals bekend, is wordt het groote Palmenhuis van do reusachtige
â 502 â
concertzaal door yrooto glazen deuren, die weggonomon kunnen worden, gescheiden. Hierdoor werd hot gemakkelijk de concertzaal en de palmenkas, als tot oen geheel te maken en do eerste als een voortzetting der laatste te doen beschouwen. Dezo zaal is echter architectonisch reeds zoo fraai versierd, dat men er van afzag, deze geheel in oen serro to herschapen. Op hot hoogste punt aan den ingang van hot palmonhuia had men hot plateau, waar een fraai uitzicht is over hot geheel, lots vergroot en vau dit punt voerden broedo trappen naar de wegen tusschen de palmen, terwijl daartusschen oen gazon van oen bijzonder fijne ranch, Selaginella upoda minor een schitterend groen tapijt vormde, waarover men den waterval bewonderde; langs do trappen stonden prachtige groepen bloeiende planten als Azalea's, Orchideeën, Genista's en anderen. Do ingangen van hot terras naar het palmonhuis waren gesloten en door fraaie groepen bloeiende planten bedekt. Langs de kanten van het terras en aan de binnenzijde in de nissen tusschen de ramen stonden ook hier en daar groepen planten, en in dc vazen prachtexemplaren van bloeioude Azalea's, die op zich zelf' al imponeerden. Ouder do andere gewassen dio uitmunten door fraaie vormen en prachtigon bloei, noemen we Rhododendron's, Lolie's, Pelargonium's, Cineraria's, Erica's Spiraea's, Violieren, Rozen, Genista's, Soringeu, Aster's en een menigte andore planton.
Al dc serres waren geplunderd, alles was in do zalen bjjeongebracht. daardoor alloen was het mogelijk eeno dergelijke feërieke versiering te verkrijgen, want ook de vestibule, de ontvangzaal en do andere zaleu waren alle evon fraai met bloeiende planten getooid.
De grooto zaal was geheel veranderd en voor de gewone bezoekers onkenbaar, tegenover don ingang van het palmonhuis was een baldakijn aangebracht, iu wier midden de rijksadelaar op gouden met zilveren gerand brokaatveld domineerde, Hinke stevige dennentakken scheidden deze versiering van fraaie gobelins, waarmede de wanden aan beide zijdon behangen waren, in de dennentakken waren op regelmatige afstanden bouquetton vau gele rozen aangebracht; ook dennen- en buxusgroen, getooid met gele rozen hing langs de gobelins. Do zaal waar oen diner van 250 personen plaats had, bood uog ruimte genoog aan om zich vrij te bewegen. Langs de zuilen waren eiloofranken geslingerd, die overal met uitgezochte bloemen getooid waren. Hiervoor werden gebruikt bloemen van La France, Maréchal Niël, van Houtte, en ook Anjelieren)
â 503 â
Prunus, Amygdalus, Violiorcn; kortom hot waren f'estoonon uit do hoorlijksto bloemen sainengostolii. Het zoude mij tc ver voeren al ilo verschillende planten te noemen en al de versieringen, in genoemde inrichting op dion feestdag aangebracht, to beschrijven; uit het zoor verkorte verslag blijkt reeds voldoende, hoe buitengemeen fraai de bloementooi was niot alleen, maar ook hoe prachtig en uitgezocht ile bloemen waren.
{Gartenfiora, Heft 13, 1896). w.
Vil.
KOUTE BERICHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN
uitqaan'dk van den dlrecteur der inrichting.
In de Lucifers-fabriek dhr firma Nootiiout amp; Co. te Kediri
verkregen resultaten hij het technisch onderzoek van hout van eenige Javaansche, in Kediui groeiende boomsoorten, met het 000 op de bruikbaarheid voor de fabricatie van lucifersstokjes en lucifersdoosjes.
Do nummers in do onderstaande opgave zijn die van de voor het onderzoek gemerkte boomen. De van den boom verzamelde, door de firma Noothout amp; Co. onderzochte, houtmonsters on de in het Museum der 7o afd. van 's Lands Plantentuin bewaarde herbarium-specimina dragen uit don aard dor zaak hetzelfde nummer. Daarachter volgen do locale inlandsche en de wetenschappelijke naam. De laatste is do sleutel om te komen tot de kennis der verdere gepubliceerde gegevens over de verspreiding der boomsoort, de inlandsche namen in andere streken van Java, enz.
Onhrtcikbaar voor lucifersstokjes.
8. * liandoe alas (Jav.) Bombax Malabaricum DC.
10. Bönda (Jav.) Artocarpus Blumei Trec.
11. Djingkat (Jav.) Laportea pcltata Gaud.
Slecht voor lucifersstokjes.
15. * PlRsa (Jav.) Butea frondosa Roxb.
30. * Waroe-gombong (Jav.) Hibiscus similis Bl.
Bruikbaar voor lucifersstokjes.
2. * Moenoeng (Jav.) Pterocymbium Javanicum R. Bu.
3.* Kloentjing (Jav.) Spondias mangifera var. Javanica K. et V.
5.* Badoet of Ki'doet (Jav.) Sideroxylon nitidum Bl.
6.* Wadang (Jav.) Pterospermum Javanicum Jungh (genuina).
â 505 â
9. Lösës (Jav.) Ficus melinocarpa lii,.
12.* Sengon (Jav.) Albizzia stipulata Boiv.
13. * TimFingii (Jav.) Kleinhovia lios])ita L.
14. Könanga (Jav.) Cananga oilorata IIook. ot, Tiioms.
18. Wïnong (Jav.) Tetrameles nudiHora U. Brown 20.* Wëroe (Jav.) Albizzia proeera Bentii.
22. Poetjoeng (Jav.) Pangium edule Ueinw.
23. Sëmboeng-koewoek (Jav.) Veruonia arborea Uamii.t.
27. * Lolohan (Jav.j Dysoxylum ? caulostachyum Miq.
28. * Jlimli (Jav.) Melia Azaderach var. Javanica K. etV.
Goed voor lucifernstukjes.
1. Kilmiri (Jav.) Aleurites Moluccana Forst.
4. Ujabon (Jav.) Naucloa!' cordata Bl.
7.* Dojii, (Jav.) Dysoxylum araooroides Mkj.
16. Ilat-Ilatan (Jav.) Ficus callosa wili.d.
17.* Dadap-bong (Jav.) Erythrina lithosperma Miq. (= E./»//)«-phorus Boerl.)
19.* Raoe (Jav.) Dracontomelum mangil'erum Br,.
25. * Sëngawè (Jav.) Adenanthera microsperma T. et 1}.
26. * Dali (Jav.) Stereospermum hypostictum Miq.
29.* Glingsöm (Jav.) Ifomalium tomontosum Vent.
Uitstekend voor liiciferssioljes.
24. Maagir (Jav.) Granophyllum falcatum Bl,.
Onhruikhaar voor lucifersdoosjes,
8. * Randoe-alas (Jav.) Bombax Malabaricum Dl.
10. Bi'iidii, (Jav.) Artoearpus Blumei Trec.
11. Djingkat (Jav.) Laportea poltata öaud.
15. * Plasa (Jav.) Butea froudosa Uoxb.
Slecht voor lucifersdoosjes,
1. Kilmiri (.Jav.) Aleurites Moluccana Forst.
2. * Moenoeng (Jav.) Pterocymbium Javanicum K. Bh.
5. * Badoet of Ki-doet (Jav.) Sideroxyion nitidum Bl.
9. Losës (Jav.) Ficus melinocarpa Bl.
13.* Timanga (Jav.) Kleinhovia hospita L.
14. KönangS (Jav.) Cananga odorata Hook, et Tiioms.
18. Winong (Jav.) Tetrameles nudiflora R. Brown.
19. * Raoe (Jav.) Dracontomelum mangiferum Bl. 22. Poetjoeng (Jav.) Pangium edule Reinw.
VII 36
â 506 â
27.* Ijolohan (Jav.) Dysoxylum y caulostachyum Miq
29. * Glingsëm (Jav.) Homalium tomentosum Vest.
30. * Waroe-gombong (Jav.) Hibiscus similis 13u
Brnilchaar voor lucifersdoosjes.
3.* Kloentjing (Jav.) Spomlias mangif'era var. Javanica K. et V.
4. Djabon (Jav.) Nauclear1 cordata Bi..
6.* wadang (Jav.) Fterospermum Javanicum Jungh. (genuina). 12.* Söngon (Jav.) Albizzia stipulata Benïh.
17.* Dadap-bóng (Jav.) Erythrina litliosperma Miq. (I)
2(1.* Wöroe (Jav.) Albizzia proeera Buxth.
23. Sömboeng-koowoek (Jav.) Vemonia arborea Hajiii.t.
25. * Sëgawè (Jav.) Adenanthera microsperma T. et B.
26. * Da li (Jav.) Stercospermum hypostictum Miq.
28. * 5[indi (Jav.) Melia Azedarach var. Javanica K. et V.
Goed voor lucifersdoosjes.
7. * üoja (Jav.) Dysoxylum ainooroides Miq.
16. Ilat-ilatan (Jav.) Ficus eallosa Wii.ld.
24. Jlangir (Jav.) Ganophyllum falcatum Bi.
t Hf stekend voor lucifersdoosjes.
Nihil.
Kediri, 4 September 1896.
(w.g.) Noothout amp; Co.
De door de firma Nootiiolt amp; Co. gebezigde houtsoorten zijn afkomstig van daartoe speciaal genummerde en geregisteerde boo-men in de bosschen van hot district Pare in Kediri. Vóór het vellen dor hoornen, dat onder nauwkeurig toezicht plaats had, werd van elk der hoornen herbarium verzameld.
Dit herbarium werd door de Heeren Koobders en Valeton gedetermineerd.
Daarna eerst werden de hoornen geveld eu het (versch gekapte) hout door het technische personeel van de firma Noothout amp; Co. onderzocht.
Een woord van dank aan den heer Noothout, die do liberaliteit had de belangrijke resultaten van zijne proefnemingen voor publicatie af te staan, is hier ongetwijfeld op zijne plaats.
(1) Beter is de door Dr. Boerlage voorgeslagen naam Erythrina hupafthorns.
â 507 â
Yoor do met een * gemerkte soorten der behandelde houtsoorten kan ik verwijzen naar Kookders en Valeton, Bijdragen tot Je kennis dor boomsoorten van Java, Deel [ t m IV en voor de aiot mot ecu * gemerkte soorten naar Koordeks Plantkundig Woordenboek voor de boomen van Java; heide verkrijgbaar bij de firma Kolpf amp; Co. te Batavia.
De Dincletir van 's Ldnd* Plantentuin, Tri, UB.
Beschikbare zaden van nnltiye yewassen,
Acrocarpns fraxinifolius Arn. Madany pari.
Alliizzia Lebbek Bth. Kitoke,
â moluccana Miq. Djeunydjing laoet.
â stipulata Bth. Senyon. (lu kleine hooveelhodou). Auacardium ocoidentale L. Djandioe monjet.
Adropogon muricatus Retz. Akar ivanyi.
Bixa Orollana L. Kasoemha Kliny.
Caesalpinia arborea Zoll.
â coriaria Willd. Divi-divi.
â dasyrachis Miq. Petah-pelah.
Calophyllum Inophyllum L. Njainplony.
Calosanthes indica BI. Fompohran.
Canarium commune L. Kanari.
Cassia Horida Vahl. üjoear.
â javanica L. Boenyboenydelan.
Castilloa elastica Cerv. Caoutchouc.
Cedrela serrulata Miq. Soerian.
Cola acuminata Rob. Brown. Kola.
Corchorus capsularis L. Gueni, Jute.
Elaeis guineensis L. Oliepaln.
Elaeocavpns angustifolius BI. Djanitri.
Eriodendron anfractuosum DC. Kapok.
Erythroxylon Coca Lam. Coca.
Eucalyptus alba. Reintc.
Euchlaena luxurians Dur. Teosinte.
Pourcroya sp. Mauritins-hennep. (Bolletjes)
Haematoxylon Campechianum L. Campèche-hout.
Helianthus annuus L. Zonnebloem,
Ilymonaea Courbaril L.
- 508 â
Lndigof'era galegoides DO. Taroein oetan.
Intsia amboinensis Thouars. Maraboh.
Lagei'stroemia Reginae Rxb. Boengoer.
Macrotropis sumatrana Miq. Koepancj.
Maniiiot Glaziovii JLiill. Arg. Cereara-rubber.
Melia Candollei A. Juss. Groots mindi.
Melia Azedarach L. Mindi.
Morinda citrifolia L. Ment/koedoe.
Myristica fragrans Iloutt. l'ala.
Myroxylou peruiferum L. Perubalsem.
Pahudia javauica Miq. Kidjoelany.
Panicum spoctabile Nees. Voedergras.
Piper nigrum L. Peper.
Pithecolobium Samau Bth. lieyenboom.
Pterocarpus saxatilis Rmph. Lent/oa ha toe.
Sapindus sapouaria L.
Scbizolobiuin oxcolsum Vog.
Sindora sumatraua Miq. Sindor.
Spathodea cainpanulata Boauv.
Styrax Benzoin Dryand. Minjan.
Tamarindus indiua L. Asem.
Toctona grandis L. t'. Djati.
Tenninalia Catappa L. Katapamj.
â sumatrana Miq.
Thea assaraica (llybr. Ceylon) Thee.
â chinensis Sims. Thee.
Tbeobroma bicolor II. et B. (in kleine hoeveelheden).
^ Cacao Ij. tt *1
Uncaria Gambir Rxb. Gambir.
Voandzeia subterranea P. Th. Katjanj Bojor.
Verschillende variëteiten van:
Araehis hypogaea L. Katjuny tanuh.
Sorghum vulgaro L Gandroeny.
Zea Mays L. Djagoemj.
Aan alle aanvragen wordt, zoodra hot gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat het overbodig is bij niet spoedige ontvangst op toezending aan te dringen.
Buitenzorg, Sept 1896.
OVER DE LIBERIA-KOFFIECULTUUR OP JAVA.
Inleiding.
In het jaar 1800 hield eon van ons (W.) in cene vergadering der Bataviasche Landbouwvereeniging cene lezing over Liberia-gt; koffie, die in don l011 Jaargang van dit tjjdsclirif't gepu
bliceerd werd.
In de zes jaar sedert dien tijd verloopen, heeft hare cultuur in vele streken eene aanzienlijke uitbreiding ondergaan en ofschoon er nog veel te leeren valt, is er nu toch in vele opzichten meer van bekend dan toen. Zoowel in binnen- als buitenlandsche tjjdschriften en brochures is dit onderwerp dikwijls behandeld en in het algemeen was het oordeel over do toekomst dier cultuur gunstig.
De cultuur der Liberia-koffie is eerst aarzelend, maar later met reuzenschreden vooruitgegaan. De pessimistische voorstellingen van sommigen over haar, zijn tot nu toe onjuist gebleken en het oordeel van ervaren planters is: âdo cultuur der Liberia-koffie is do cultuur der toekomst voor vele streken in Java's benedenlandenquot;. Zulks neemt niet weg, dat do bovengenoemde gunstige verwachtingen niet zonder inspanning verwezenlijkt worden; evenals ieder andere plant, stelt ook deze kotfio-soort hare eischen, die men niet ongestraft kan verwaarloo-zen. Onbekendheid mot de eisohon van cultuur en bereiding | der Liberia-koffie kan oorzaak zijn, dat de aanplant er van
weinig voordeel oplevert. Op nog een ander punt moet hier de aandacht gevestigd worden, namelijk op de te hoog gespannen verwachtingen, die sommigen van deze koffie koesteren; indien die tegenvallen, wordt op do planten afgegeven, alsof zjj het konden helpen, dat de planter er te veel van verwachtte.
Teysm. VII 37
â 510 â
Do Liboria-koffie boomcn zitten soms zoo beladen met vruchten, dat indien men er geen rekening mede houdt, dat do vrucht-schil zooveel dikker is dan die der Java-kofflo, do taxatie veel te hoog wordt.
In het kort zij hier herhaald hetgeen, in 1890, in boven aangehaald stuk van de Liberia-koffio gezegd word, vooral voor degenen, dio niet in liet bezit zijn van don eersten jaargang van Teysmannia.
In de eerste plaats is hot van belang te vormeiden, wat Buttikofer, die goruimen tijd in Liberia vertoefde, in zijn bekend work âlleisebilder aus Liberiaquot; van grond en klimaat zeide, want wil men mot succes eene cultuur drijvou, dan is liet nuttig to weten in welke soort van grond en van klimaat de plant in haar vaderland gedijt.
Do grond bestaat in Liberia grootendeels uit een roode, veel ijzer bevattende, klei.
liet land heeft een bijzonder vochtig klimaat, slechts de maanden Januari on Februari zjjn regenvnj, in het einde der laatste maand echter begint de lucht weer te betrekken, men hoort in de verte den donder rollen, totdat or eindelijk met storm en regen een z. g. tornado doorkomt. Van nu af onweert het dikwijls tot einde Maart, en nog meer in April behooron de onweders tot de digeljjkschc verschijningen. Do plantenwereld, die gedurende de maanden Januari en Februari in oen stadium van zomorslaap verkeerde, waarbij menige boom en struik bladerloos werd, ontwaakt door den krachtigen invloed der overvloedige regens en tooit zich op nieuw in den prachtigen dos, alleen aan do tropen eigen.
Dan is het gunstige seizoen voor de beplanting en bezaaiing van akkers aangebroken; in de eerste twee maanden desjaars is het boscli gerooid, de omgekapte booinen zjjn verbrand en vooral rijst en mais worden nu in den grond gebracht, waar zij zich snel ontwikkelen.
In Mei verminderen de onweersbuien en in de plaats daarvan treedt de eigenlijke regentijd in. Do lucht is voortdurend bewolkt en bijna aanhoudend regent het; regenvnje dagen zijn
â 511 â
zeldzaam. Tegen het muiden van Juli komen er weer mooie dagen on is do oogsttijd aangebroken; do landbouwer haast zich het product biimen to halen en te drogen, daar do spoedig wederom invallende regentijd hot hem weldra onmogelijk zoude maken.
Al to spoedig zijn de mooie dagen, wier aantal in verschillende jaren nog al varieert, weer voorbij en de regen begint met verdubbelde kracht te vallen, het water giet met stroomen uit de lucht, dagen en nachten, soms weken achtereen. De beekjes worden stroomen, geheelo landstreken staun onder water en do meeste wegen zjjn onbegaanbaar. Dagen achtereen is de neger als opgesloten in zijn hut, en tot werkeloosheid gedwongen, leeft hij van de rijst en de maïs, die hij boven onder het dak zjjner woning opgeborgen heeft. Zoo gaan de maanden Augustus en September onder aanhoudende regens voorbij. In October beginnen do tornado's weer, in November worden de regens zeldzamer, om in December langzamerhand geheel weg te blijven.
De thermometer wees gemiddeld 's morgens om 6 uur 25° Celsius, 's namiddags ton 1 uur 30° en 's namiddags om 6 uur 29°. 's Nachts daalt de temperatuur zelden beneden de 24° en stijgt in den warmsten tijd, tegen 1 uur, zelden boven de 31°.
Ziehier eene beschrijving van het klimaat van Liberia; men kan er op vertrouwen, dat do werkelijkheid getrouw weergegeven is; de waarnemingen en opgaven zijn gedaan door den lieer Buttikofer, een wetenschappelijk man, die geruimen tijd in het land zelf vertoefde. Andere verhalen, dio zeggen, dat het in Liberia niet zoo vochtig is, zijn niet te vertrouwen, en afkomstig van personen, die er slechts korten tijd vertoefden, waarschijnlijk in don korten drogen tijd.
Hot is goed, dat wij hier weten in wolk een vochtige on warme atmosfeer de Liberia-koffio tehuis behoort; al kunnen we nog niet met zekerheid zeggen, tot welke hoogte boven de zee de cultuur nog met voordeel gedreven kan worden, toch zullen do landstreken waarvan het klimaat het minst van dat van Liberia afwijkt, indien overigens de omstandigheden gunstig zijn, hot moest te verkiezen wezen.
Op de besclmjvins yan hot klimaat van Liberia afgaande, is liet duidelijk, dat het klimaat vim West-Java meer overeenkomst daarmede heeft dun dat van Oost-Java; het is «chter merkwaardig, dat de plant zich hij eene droogte zooals die van 1891, of vooral van 1890, vrij goed schijnt te houden; zeker zullen de planters van Liheria-koffio in Midden-en Oost-Java dienaangaande spoedig belangrijke inlichtingen kunnen geven, wat dit jaar betreft.
In Juli 1874 ontving 's Lands Plantentuin do eerste Li-beria-koHiezaden, door tusschenkomst van het Ministerie van Koloniën. Algemeen was do verwondering over do buitengewoon grooto zaden; de grootste hadden in de hoornschil eene lougto van 22 mM. en eene breedte van 12 mM. De zaden waren in twee kistjes verpakt, in het eene in droog zand en in het andere met houtskool, doch niettegenstaande al deze zorg, kiemde er, jammer genoeg, niet één.
In het volgende jaar, 1875, werd door Dr. Tlooker, directeur van den botanischen tuin te Kew, een kist niet kotfie-planten gezonden, waarvan echter, door achteloosheid van den gezagvoerder met het overbrengen belast, geen enkele levend overkwam. Later verzond Dr. Hooker weder een Wardsche kist met levende planten van Liberia- en Cape-Coast-koflio, die allo goed overkwamen.
In October van hetzelfde jaar werden eindelijk hier twee Wardsche kisten ontvangen, inhoudende 118 planten; allen verkeerden in den besten toestand.
Deze planten, die door de zorgen van den Heer Maarschalk, die de orders van zijn chef den lieer Hendrik Muller Szn., te Eotterdam mot toewijding opvolgde, in Liberia uit zaad gewonnen waren l) hadden een grooto reis gemaakt; eerst van Liberia naar do Kaap do Goede Hoop on van daar naar Nederland, waar ze in den Leulschen Hortus ontpakt werden om wat te restaureeren en daarna in Wardsche kisten per SS. Conrad naar Java gezonden werden. Dit waren, met eenige uit Kew,
1) Zio: Morren, Ind, Mere. 1894.
de eerste levende planten, die hier geïmporteerd werden en al kunnen we niet beweren, dat al de Liberia-koffie, die thans op Java groeit, van genoemde planten afkomstig is, daar er later door particulieren ook ingevoerd zijn, toch is zulks voor een groot deel wel het geval.
In liet voorjaar van 1876 worden do planton in don Cultuurtuin te Tjikeumeuh inden grond gebracht. Daar er nog bitter weinig van de cultuur bekend was, werden er natuurlijk wel eenige fouten begaan, o. a. werden zjj te dicht bij elkaar geplant; eerst was een plantwijdte van zes voet genomen, later werden ze weer overgeplant op eon ouderlingen afstand van 10 voet; dat ook deze afstand nog te gering was, bleek eerst, toen het voor overplanten te laat was.
In het begin van 1877 begonnen zich de eerste bloemen te vertoonen; aanvankelijk werd de vrees gekoesterd, dat deze koffiesoort weinig produet zoude geven, daar uit eiken bladoksel slechts één bloem te voorschijn kwam. Gelukkig bleek die vrees ongegrond, daar er zich weldra een groot aantal bloemen uit de oksels ontwikkelden. Do eerste oogst had in den Cultuurtuin plaats van half Juni tot half Augustus 1878.
Daar men beweerde, dat de Liberia-koffie geen schaduw noodig had, eene bewering die wel niet vertrouwd werd, maar waarvan de juistheid onderzocht moest worden, was de eene helft der planten onder de schaduw van Albizzia moluccam en de andere helft in de volle zon geplant. De oogst van de koffie in de schaduw bedroeg toen 21/3 picoel per bahoe, terwijl van de planten, die aan de volle zon blootgesteld waren een oogst van 3'/2 picoel per bahoe verkregen werd. De jonge planten in de zon produceerden meer; liet bleek echter woldra, dat de meerdere productie ten nadeele van hun groei was, daar een groot gedeelte na den oogst begon te kwijnen, hetgeen in de schaduw niet het geval was. Niettegenstaande er toen dadelijk Albizzia geplant werd, gingen er, vóór er voldoende schaduw was, nog verscheidene planten te gronde. Hot is voor liet klimaat van Buitenzorg en onze gronden een uitgemaakte zaak, dat schaduw noodig is; hoeveel en welke boomen hiervoor in aanmerking
â 514 â
komen, zullen we in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.
Men plaatst zich dikwijls bij do beoordeoling der Liberia-kottie op een verkeerd standpunt, door haar tegenover de Java-koffie te stellen, terwijl zo er naar onze meening naast kan staan. Hoewel het een feit is, dat Java-koffie, onder gunstige omstandigheden, wel in ile benedenlanden kan groeien, zooals men in de opstellen van dr. Burck kan zien, waar men vermeld vindt, dat de z. g. strandtuinen in Banjoewangi up 40 a 50 jarigen leeftijd nog voldoende product gaven en dat do Java-koffietuinen, het dichtst bij liet strand gelegen, nabij Pelabooan-liatoe (Sookaboemi) de beste waren van het gelieele district. Verder weten we, dat er een tijd geweest is, toen bijna alle koffie uit laag gelegen landen kwam, b. v. van Rijswijk en .Meester-Cornelis en dat er nog veel tuinen beneden 100 vt. liggen in Tenipeh en Loemadjang, die goed produceeren.
Toch zullen dit tegenwoordig wrel uitzonderingen blijven; over het algemeen schijnt do Java-koffie beter wat liooger te slagen en legt men dan ook do tuinen meestal in het gebergte aan. De Liberia-koffie daarentegen verdraagt meer warmte en vocht, en slaagt bij rationeele behandeling zeer goed in lagere streken, in iioogerc minder; tot welke hoogte Liberia-koffie nog met voordeel te planten is, kan niet gemakkelijk gezegd worden; er zijn te veel omstandigheden, die hierop influenceeren. Zeker is het, dat eenige Liberia-koffieplantjes, die in 1878 te Tjibodas op 4500 voet, in goeden, humusrijken grond uitgeplant werden, daar kwijnden, terwijl de Java-koffie er vrij goed groeit en in drojie jaren ook goed produceert.
Indien iemand een land bezat, dat zich van de kust tot hoog in het gebergte uitstrekte en hij wenschte daar koffie te telen, zoude hij goed. doen in het lage gedeelte Liberia-en hooger op .lava-koffie te planten.
Er zijn echter hier in de buurt, op particuliere landen, heel wat tuinen, tusschen 1000 en 2000 vt. waarop vroeger Java-koffie stond en die, toen de boompjes nog jong waren, vrij goed produceerden, echter toen zij oud begonnen te worden,
â 515 â
niettegenstaande grondbewerking en bemesting, langzamerhand achteruit gingen; daar heeft de Java-koffie voor veelbelovende aanplantingen van Liberia-koftie plaats moeten maken.
Er liggen in de benedenlanden nog duizende hectaren grond braak, waarop Liberia-koftie geteeld zoude kunnen worden. Het zjjn echter voor het meerendeel zware kompakte gronden, waarvan de physische toestand geheel veranderd moet worden, liet is noodig die gronden intensief te bewerken on zorgvuldig te draineeren; door het planten van schaduwboomen zal men den grond humusrijker en poreuzer moeten maken. Ook zid er van den beginne af aan op bemesting gerekend moeten worden; het is zeker, dat zonder bemesting, de cultuur op humusarme gronden niet slaagt.
Er is in den Cultuurtuin op vroegere saM'aligronden oen aanplant van meer dan twintigjarige boomen, die er nog goed uitziet; daarentegen behoeft men niet ver to gaan om elders 6 en 7 jarige tuinen te zien, die beginnen te kwijnen, waar zwakke, slecht-groeiende exemplaren staan, die bovendien nog geteisterd worden door bladziekte en djamoer oepas en waarvan hot met zekerheid te voorspellen is, dat ze, tenzij oen intensieve grondbewerking en fiinko bemesting nog helpt, spoedig te gronde zullen gaan.
Het Vermenigvuldigen.
«. Ongeslachtelijke vermenlyvuIdiyiny.
üe koffie wordt nagenoeg algemeen door middel van zaad voortgeplant en hoewel het niet onmogelijk is Liberia-koffie op andere wijze, bv. doormiddel van stekken of enten, te vermeerderen, hetgeen ook bjj uitzondering wel geschiedt, zoo is in algemeenen zin het vermeerderen door uitzaaien toch liet beste.
Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen, die het wen sch el ijk maken van de gewone vermeerderingswijze, door zaad, af te wijken. Zulks was het geval toen de Liberia-koffie hier pas ingevoerd werd; men wildo er gaarne meer van hebben en er werd toen gebruik gemaakt van eene eigenaardig-
â 516 â
hoid dczor planten om waterloten â sirongs â onder uit den stam to doen ontstaan. Om goede planton te krijgen moesten de waterloten toch weggenomen worden; deze werden gestokt en ofschoon lang niet alle stekken slaagden, gelukte het toch zoodoende een aantal jonge plantjes te verkrijgen. Rr werd daarbij op de volgende wijze te werk gegaan; in een grooten pot werd een kleinere geplaatst en wel omgekeerd, zoodat de bodem van den kleinen ongeveer in één vlak kwam te liggen met den rand van den grooten. De ruimte tusschen beide potten werd met zand gevuld; daarna werden de stekken er in geplaatst en nadat zo behoorlijk aangegoten waren, met een glazen stolp bedekt. Om het uitdrogen van het zand tegen te gaan, werden de potten bovendien op eene kweekbedding tot aan hun rand in do aarde begraven. Het kleine potje in den grooten geeft een goede draineering, het overtollige water verdwijnt spoedig langs don wand der potten; ook geven deze poreuze wanden toetreding van de lucht. Deze methode' is volstrekt niet nieuw; ook zullen er nog wel andere zijn, waardoor men stekken van Liberia-koffie kan doen be wortelen ; zo wordt hier eenvoudig medegedeeld, omdat het hier gelukte op deze wijze een aantal plantjes van Liberia-koHio te kweeken.
Toen de planten in den Cultuurtuin zaad begonnen te dragen, was er geen roden meer om met het stekken door to gaan; hot stokken is een veel gecompliceerder werk dan het zaaien en ook om andere reden is het zaaien verkieslijker. Het kweeken van planten uit zaad is hier meer de natuurlijke wijze van voortplanting; tcrwjjl hot stekken en enten meer kunstmatig zijn. Het vermeerderen der planten volgens laatstgenoemde wijze kan echter gewonsclit zijn, indien men eene variëteit verkregen hoeft met bijzonder goede eigenschappen en indien het blijkt, dat deze verkregen hoedanigheden bij uit zaad gekweekte planten geheel of gedoeltolijk verloren gaan, in één woord, dat do variëteit niet constant blijft.
Beide vermeerderingswijzen komen in zooverre mot elkaar overeen, dat zij niet de geheele soort voortplanten, zooals bij het zaaien waarbij allerlei afwijkingen, variaties, enz. kunnen
ontstaan, maar alleen het individu vermeerderen, zoodat do jonge plant zoowol de goede als de slcchto hoedanighéden van de moederplant overneemt; het is er als liet ware een tak van.
Bij het enten komen nog andere factoren dan hij het stekken in aanmerking; men heeft hier niet sleciits op de keuze van de ent te letton, maar ook en vooral van den stam waarop men ent.
In het werk van T. Ottolauder, âHot enten van vruchtboomen en heestersquot; komt over den invloed van de ent op den onderstam en omgekeerd het volgende voor.
âHet is tot nu toe niet gelukt, den invloed, dien de ent op den onderstam uitoefent, onder bepaalde regels te brengen. De verschijnselen, die zich in dit opzicht voordoen, zijn zóó buitengewoon en dikwijls zóó ongedacht, dat het wel altijd moeieljjk zal zijn, de juiste mate vap dien invloed te bepalen. Wij kunnen niet anders doen, dan eenige feiten opnoemen, lt;üe ons doen zien, hoezeer die verschijnselen uiteenloopen. Hetzelfde is van toepassing op don invloed, dion de onderstam op de ent uitoefent.
Het is algemeen bekend, dat als men een kweepeer als onderstam voor een pereboom gebruikt, zulks een zekeren invloed heeft op den smaak van de vrucht, maar vooral op den groei der plant. Vergelijkt men een pereboom op zaailing-peer (wildstam), met een op kwee geënten, dan zien we aanmerkelijke punten van verschil. Hier moet bij ih aanmerking genomen worden, dat de wilde peer nauwer verwant is niet do te enten peer dan do kwee. Wij zien bij do peer op den wildliag, den boom zich krachtig ontwikkolen, met stevige takken; het duurt echter geruimon tijd oor de boom vrucht draagt. Bij den peer op kwee, zien we een korten, ineengedrongen stam, mot kort gelede dikke takken; roods na verloop van drie of vier jaar begint do boom vrucht te dragen. Hij wordt niet groot; besteedt zijne krachten vroeg aan het dragen van talrijke vruchten en is daarom spoedig uitgeput. De abnormale toestand komt nog beter uit in den smaak der vruchten; die van do meeste soorten hebben een vreemden bjjsinaak gekregen. Sommigen zijn
lekkerder en geuriger geworden, anderen zijn te sterk en onsmakelijk. Wij kunnen dus hier niet aan den invloed van den stam op tie ent twijfelen.
Dergelijke resultaten vindon wc ook bij den appelboom. Een zekere soort op een appelzaailing geënt, zal normale vruchten voortbrengen, maar dezelfde soort op den Paradijsappel gegriffeld, geeft afwijkingen, die klaarblijkelijk aan den onderstam geweten moeten worden. De Paradijsappel is evenals de kwee, oen laagblijvonde boom, hij is dus niet in staat de ent van zooveel voedsel uit don bodem te voorzien als een wildgroeiende appelboom. Dit heeft tengevolge, dat de ent minder sterk groeit, spoediger oud wordt, maar ook veel vroeger vrucht draagt.
Zoo is hot van alle vruehtboomon bekend, dat de onderstam invloed uitoefent op do ent. Deze invloed is het duidelijkste en algemeenste zichtbaar aan den groei, den leeftijd, dien de boom bereikt en zijn vroegere vruchtbaarheid, minder algemeen aan don smaak der vrucht.
Ook bij andere planten is die invloed eveneens herkenbaar aan den groei en den vorm. Zoo zien we sommige heesters, die van zaad of stek voortgekweekt, langzaam groeien, op een hun voegzamon onderstam zich sneller ontwikkelen. Zoo is het altijd het boste, om, indien de een of andere plantensoort op verschillende plantensoorten kan geënt worden, dit op do sterkst-grooiende te doen, tenzij men, zooals zulks bij sommige vrucht-booinen het geval is, zijn bijzondere reden heeft voor het tegendeel.
Nauwkeurige onderzoekingen hebben geleerd, dat het sap van ent en onderstam van verschillende hoedanigheid is. Scheikundig is dit onderzocht door wijlen Bernelot Moons, vroeger Directeur der Grouvernoments Kinatuinen op Java. Zooals men weet ent men Cinchona Ledgeritnia op C. succirubru; nu is het bij scheikundige analyse gebleken, dat de bast van de ent en die van den onderstara een vorschillend alkaloïde-gehalte hadden, evenals zulks bij de niet geënto planten het geval was. Twee zulke verwante alkaloïden als chinine en cinchonine kwamen dus op eene plant in verschillende verhoudingen voor.
â 519 â
Het is derhalve zeker, dat de stam en de ent niet tot eóne plant opgroeien, in den waren zin van het woord. Zij blijven gescheiden op do plaats waar de kunstbewerking heelt plaats gehad. Er bestaat alzoo in elke geënte plant een grenseheiding tusschen ent en stam; en werkelijk is deze grens zeer goed zichtbaar bij iiet reeds gevormde hout. Van buiten blijft de grenslijn in vele gevallen ook zichtbaar en wel des te duidelijker naarmate de ent minder natuurlijke verwantschap heelt met den onderstam. Soms echter is er bij good gelukte entingen van mot elkaar na verwante soorten of' variëteiten, uitwendig niets van die grenslijn to zion; inwendig blijft deze altijd zichtbaar aan de kromloopende houtvezels.
Onder tuinlieden en boomkweekers, maar nog meer bij dilet-taut-tuinbouwbeoefenaars, bestaat dikwijls een geheel verkeerd denkbeeld van hot enten. Dit verkeerd denkbeeld is oorspronkelijk door oude schrijvers ingevoerd, door hunne napraters gevoed en wordt zelfs in onzen tijd, nu er meer licht over de lovensleor der planten verspreid is, nog aangetroffen en verdedigd. Het woord âveredelenquot; inplaats van enten te gebruiken geeft nog tot verkeerde denkbeelden aanleiding. Velen toch vatten âveredelenquot; in den letterlijken zin op endenken, dat door een tak van een minder goeden vruchtboom op een anderen onderstam te enten men beter, edeler vrachten krijgt. Uit bet voorgaande is ons reeds gebleken, dat zulke resultaten van het enten niet verwacht kunnen worden. Het woord veredelen beteekent in dit geval slechts het op wilden stam overbrengen van een fijner, edeler soort.quot;
Wie meer van het enten wenscht te weten, leze het werk hierover van den heer Ottolander, daar is alles wat hierop betrekking heeft op bevattelijke wijze behandeld.
Over hetzelfde onderwerp vindt men in een studie van Prof. Vochting (Uebor Transplantation am Pflanzenkörper, 1892) zeer belangrijke gegevens.
Het was hier slechts de bedoeling te doen uitkomen, dat bij het enten ook de kous van den onderstam van belang is.
Zoo zal het voor de koffie, indien men het, om boven ver-
â 520 â
melde roden, noodig aclit te enten, eu men een hybride of variëteit op deze wijze wonscht te vermeerderen, waarschijnlijk niot wenscheljjk zijn Java-koffio als onderstam te gebruiken, Liberia-koffie heeft daar moer geschiktheid voor. Do laatste groeit krachtiger en is minder kieskeurig in de grondsoort en kan daarom ook aan de er op geënte hybride meer voedsel toevoeren en hom krachtiger doen groeien dan eorstgenoomde.
liet enton wordt bij de cultuur der Liberia-koffie nog weinig in toepassing gebracht, toch is er op Midden-Java een onderneming waar liet op groote schaal in praktijk gebracht wordt en daar is reden voor. Eenige jaren geledon doden allerlei geruchten do ronde over nieuwe âhybridenquot; van Liberia-koffie, men meende als men zulk eene plant had, het voordeelig was die voort te planten.
Hot woord âhybridequot; had voor sommigen oen tooverkracht; als men maar een hybride had, dan zou mon een heel eind verder zijn. Niets is echter minder juist, dit zal don lozer blijken als wo hier trachten duidelijk te maken, wat we door een hybride te verstaan hebben.
Indien men mot hot stuifmeel eener bloom van eene soort, deu stamper dor bloem van eene andere soort bevrucht, en die bevruchting slaagt â wat bij lange na niet altijd het geval is â zullen de planton uit de zaden daarvan gekweekt, hybriden of basterden zijn. Het behoeft geen betoog, dat niet alle hybriden verbeteringen zijn, meestal is zulks niet liet geval, het is echter mogelijk, dat een dusdanige basterd een of meer eigenschappen hoeft, die hem voor de cultuur voordeelig doen zijn, alleen in dit geval is liet wenscheljjk hem voort te planten.
Hot is, hoewel zeldzaam, toch mogelijk, dat hybriden inde natuur onstaan, doordat op een of andere manier het stuifmeel der bloemen van eene soort op den stamper der bloemen van eene andere soort komt, en er bevruchting plaats heeft. Zoo zijn er op ondernemingen hier in den omtrek en ook elders, op kweekbeddingon van Liheria-hoffie planten gevonden, die tot boomen opgegroeid wel aanleiding gaven tot de voronder-
stolling, dat de bloem der Liberia-koffie, waarvan het zaadje afkomstig was, niet stuifmeel van een Java-koffiebloem bevrucht was, want de bedoelde plaat had van beule koffiosoorten eenige eigenschappen. Zoo zjjn er, die de groeikracht en de grootte der bladeren van de Liberia-koffie en het zachte vruchtvleesch van de Java-koffie hebben. Men wilde van deze koffie gaarne een aanplant hebben, de hybride of variëteit bleek echter niet constant te zijn, de uit zaad geteelde planten waren anders dan do moederplant en de gewenschte eigenschappen verdwenen bij de nakomelingen, zoodat bijna overal waar men begonnen is met de cultuur dezer z. g. hybriden uit zaad, haar weldra weder opgegeven heeft.
Nu is er op oene onderneming op Midden-Java, een jaar of tien geleden op eene kweekbedding van Java-koffie eene plant gevonden, die zoowat het midden hield tusschen Java-en Liberia-koffie. Indien we dus hier met een hybride â wat niet onwaarschijnlijk is â te doen hebben, dan is vermoedelijk do familierelatie een andere dan van do reeds genoemde z. g. hybriden. Daar de plant op eene kweekbed-ding van Java-koffie gevonden was, zal het zaad wel van eenhoorn van laatstgenoemde soort afkomstig zijn en zoude deze dan met stuifmeel van Liberia-koffie bevrucht zijn. 11 ier zoude dus,Liberia-koffie de vader-, en Java-koffie de moederplant zjjn, terwijl bij de bovengenoemde het omgekeerde geval zich voor deed. Daar er geen controle op bestaat, zjjn het waarschijnlijkheden, die slechts vermoedelijk juist zijn.
Het spijt ons, dat wij niet in de gelegenheid geweest zjjn, genoemde plant te zien, wij moeten ons daarom bepalen tot inlichtingen, die anderen zoo goed waren te geven.
Aan een schrijven over genoemde plant is hot volgende ontleend. âDeze hybride schijnt aan het toeval haar ontstaan te danken te hebben, zij werd het eerst opgemerkt in eene kweekbedding van Java-koffie. Door haar krachtigen groei en habitus, werd zij op liet erf van den opziener geplant, ten einde haar beter te kunnen observeeren.
Later bleek zij de volgende goede eigenschappen te hebben:
de schil der vrucht is dunner en saprijker dan die der L. koffie zoodat er niet den gewonen pulper gepulpt kan worden. Do plant is bovenmate vruchtbaar, zoowel in natte als in droge jaren, hetgeen mot de andere koffie niet het geval is. Tot nog toe werd zij niet door bladziekte aangetastquot;.
Daar do plant, door zaden vermenigvuldigd, niet constant bleef en de eigenaar er toch iioogen prijs op stelde haar constant te houden, werd er naar eenc andere vermeerderingswijze omgezien.
De hybride wordt nu voortgeteeld door âplakkenquot; op Libe-ria-stam. Daartoe neemt men eenjarige stammetjes, snijdt die schuin af, zoodanig dat het snijvlak een lengte van ± 2 cM heeft, plaatst daartegen een eveneens schuin afgesneden takje van den bastaard, waarvan de blaadjes gedeeltelijk zijn afgeknipt en omwindt de wond met hennep. De geënte plant wordt onder glas geplaatst.
Titans is er door de ijverige bemoeiingen van den bekwamen administrateur een vrij groote aanplant van in den grond; circa 150.000 geënte exemplaren zijn reeds uitgeplant, zij staan uitstekend en de oudere exemplaren zijn met vrucht beladen.
Op zesjarigen leeftijd bereikt do plant eene hoogte van aciit voet en cene doorsnede van twaalf voet. De boom maakt weinig stam; alles is vruchthout.
Het vorige jaar werd er van 4 zesjarige, 20 vijfjarige en 200 vierjarige boomon 2,i picoel koffie geoogst.
Er doet zich bij het kunstmatig vermenigvuldigen, nl. bjj het stekken en enten, eeno eigenaardigheid voor, waarop wij waarschijnlijk ook bjj Liberia-koffie te letten hebben. Hij eenige planten komt het voor, dat stekken of enten van takken genomen, niet normaal groeien, maar altijd min of meer den vorm van tak behouden en nooit oen krachtigen stam maken. De Araucnria1 s geven hiervan een sprekend bewijs, er staan in 's Lands Plantentuin oen paar exemplaren uit stekken van een tak gekweekt; deze blijven altijd den takvorm behouden zij groeien door zonder zich tot een normalen boom op te werken, en daar het bij Araucaria's om den fraaion vorm te doen is, neemt men zoowel voor enten als voor stekken alleen de toppen.
â 523 â
Hoc is hot uu met Libcria-koffic ? Do stokken vroeger hier genomen waren van waterloten; dozo groeiden tot normaal ontwikkelde planten op; indien we echter den groei nagaan der geënte planten op genoemde onderneming, dan is de veronderstelling niet te gewaagd, dat er hier ook geen normale groei plaats heeft. Planten van acht voet hoog en twaalf voet breed zijn niet normaal, de enten zijn waarschijnlijk van takken genomen en groeien daarom anders dan een zaailing of een ent van een top zoude doen.
Het is a priori niet uit maken, hoe die planten hot op den duur zullen maken het is waar, zij groeien abnormaal, maar een getopte boom heeft ook geen normalen groei; hier is waarschijnlijk hot toppen niet noodig, doch als we zien lioe vrucht-boomen in Europa soms gesnoeid worden, in welke vormen men zo dwingt te groeien en hoe zij juist daardoor vele en fraaie vruchten geven, dan kunnen we gerust zeggen, dat we ons hier op een gebied bevinden, waarvan vooruit weinig over de uitkomsten te zeggen is, waarvan we echter bij een meer intensievo cultuur nog veel kunnen verwachten.
Jn don Cultuurtuin te Tjikeumeuh is ecu kleine aanplant van allerlei uit zaad gewonnen âhybridenquot;.
Daaronder zijn er eonige van liet land Tjiomas afkomstig, die vruchten geven met vrij zachte vruchtschil. De boomen, hoewel aanzienlijk forscher en grover dan de Java-koffie liebbon toch veel dat daaraan herinnert. Hot uitzaaien van dc zaden dier vcrschillonde z. g. hybriden hoeft tot nu toe ook hier geen aanmoedigende resultaten gegeven.
In Mei 1892 zond dc controleur van Oengaran 25 stuks meest rondboonige âhybridequot; zaden. Aan liet einde van dat jaar waren 13 daaruit gekweekte planten in leven, waarvan 7 achterlijke, bladzieke, op Java-koffie gelijkende exemplaren bloken te zijn, terwijl een drietal der andoren zeer sterk het Liberia-koffio type vertoonden, en blaren hadden als de Liberia-koffie, maar sterk golfrandig, terwijl slechts drie van beide soorten afwijkend type vertoonden.
Van dc bovenbeschreven enten werden een aantal exemplaren
â 524 â
door 's Lands Plantentuin ten geschenke ontvangen, die in den Cultuurtuin uitgeplant, bijna allen zeer goed groeiden.
Proeven met hot maken van enten door gebruik te maken van verschillend entrijs zijn nog in gang. Eene methode, die op kleine schaal zonder veel moeite tot goede resultaten voorde, is het zoogenaamde âplakzoogenquot;. .Men plaatst de plant, waarop men wil enten en die in een pot staat, zoo noodig op een bamboe, bij den boom, waarvan men de ent wil uemen, snijdt zoowel van den stam van de eerste, als van een takje van don tweeden met een zuiver scherp mes een stukje bast met spint weg, drukt de beide wonden tegen elkaar en bindt er een draadje om heen. Zekerder nog is hot de vercenigingsplek met een weinig ontwas te bedekken, die men zich gemakkelijk kan bereiden door vioolhars met vaseline samen te smelten.
Heeft na 30â40 dagen de tak govat, dan kan men hem los- on hot stammetje boven do ent afsnijden.
Hot kunstmatig doen ontstaan van hybriden is niet gemakkelijk bij de koflio en de resultaten zijn hier tot nu toe weinig bevredigend geweest.
(Wordt vervolgd.) v. R, en NV.
GEMBER.
Een cultuur zeer geschikt voor den kleinen landbouw, of liever tuinbouw, waarvan in enkele tropische streken nog al werk gemaakt wordt, is die der Gember. Ofschoon de plant hier goed gedijt en ik wel ingemaakte gember geproefd heb, die hier gegroeid en ingelegd was en dio werkelijk onder do uitnemendstc qualiteit gerangschikt kon worden, maakt men hier weinig werk van de gember-cultuur.
In een der laatste nommers van de âIndian agriculturistquot;, deelt de heer J. G. Sawer een en ander over de Gember-cul-tuur mede, waaraan ik het onderstaande ontleen.
De gember wordt verkregen van den wortelstok van Zingiber officinale Roscoe, eene plant tot de familie der Zingiberaceeën behoorende, waartoe nog andere bekende nuttige gewassen als cardamom, curcuma enz. gerekend worden.
De waarde en de kwaliteit der gember verschilt veel, de plaats van herkomst, de methode van cultuur, van oogst en bereiding oefenen hierop grooten invloed uit. In al de warme en vochtige streken der tropen groeit de gember tot zelfs op eene hoogte van 4 a 5000 vt. boven de zee.
Voor de vermenigvuldiging neemt men de krachtigste en gezondste wortelstokken van den laatsten oogst, brengt die onder dak op oen hoop en bedekt ze met het een of ander materiaal om het sterke uitdrogen te beletten. De grond wordt eenige koeren geploegd en daarna in vakken verdeeld, stukken van den wortelstok van 3 tot 6 cJI. lang, worden dan op eene diepte van 8 a 10 eM. onder den grond gelegd op een ouderlingen afstand van ongeveer 25 cM., het veld wordt dan bedekt met een laagje blad, dat den grond vochtig houdt, soms legt men er nog een dun laagje mest over. In den
Teysmann. VII 38
â 526 â
regentijd wordt niet geirrigcerd, later wel. Gedurende de eerste drie maanden van den drogen tijd wordt driemaal gewied, na dezen tijd is de plant circa twee voet hoog en heeft meestal een wortelstok gevormd van ongeveer acht knolachtige uitwassen, deze worden uitgegraven en op eene andere plaats in den bodem gebracht. Na verloop van een maand neemt men ze uit den grond en als zij voor z. g. groene gember gebruikt moeten worden, is een dag droging in de zon voldoende. Is het echter de bedoeling z. g. droge gember te leveren, dan worden de verseh geoogste wortelstokken in een mand gedaan, die men aan een touw opiiangt, dat door twee man heen en weer getrokken wordt; gedurende drie of vier dagen, wordt de gember op deze wijze twee uur daags door elkaar geschud. Daarna wordt ze acht dagen in de zon gedroogd, na dan op de aangegevono wijze weer flink door elkaar geschud, eu na nog een paar etmalen gedroogd te zijn, is dc bereiding geëindigd.
In Jamaica, vanwaar de fijnste qualiteit gember afkomstig is, verkiest men voor de cultuur diepen humus; op maagdelijke bosehgronden, waarvan het hout pas gekapt is, wordt de beste gember geteeld. Om over dergelijke gronden te kunnen beschikken moet er voortdurend nieuw bosch geveld worden. Zoo ziet men in sommige districten, prachtige boomen van zes voet diameter op den grond liggen te verrotten, terwijl do gember-kweekers al weer bezig zjjn in het oorspronkelijke woud te vellen. Als een gember-planter nieuw bosch wenscht te kappen, noodigt hij zijne vrienden uit, â men noemt dat een âcutting matchquot; â, zij helpen hem dan, terwijl hij voor hunne voeding enz. zorgt. Na het kappen wordt gebrand, niet alleen omdat men zoodoende het loof en het dunnere hout spoedig opruimt, de planters beweren ook, dat de asch eene goede bemesting is en dat het vuur vele insektenlarven vernietigt.
Er zijn planters, die op een pas ontgonnen terrein slechts eens planten en dan weer nieuw terrein in cultuur brengen; eene dergelijke handelwijze is mogelijk goed voor de gember, doch moet op den duur zeer ten nadeele van het eiland werken.
â 527 â
Nog niet lang geleden was Alberttowu een centrum dor gember-cultuur, thans liggen de tuinen reeds 14 mijlen van de stad verwijderd. In sommige streken laat men de gember zonder er veel aan te doen maar in don tuin doorgroeien, de zoo geteelde gember is echter van zeer inferieure (jualiteit.
Er bestaat bij voel planters in West-Indië een veroordeel tegen het gebruik van mest, zij zeggen, dat door den mest insekten ontstaan of op het land gebracht worden en dat ook de mest niet in voldoende hoeveelheid te krijgen is. Waarschijnlijk zijn de bemestingsproeven niet goed genomen eu hobben zij te verschen mest gebruikt of dezen niet voldoende met aarde vermengd. Zij zouden een voorbeeld kunnen nemen aan den Chineeschen gemberbuer, die ieder deeltje mest als goud verzamelt en bewaart, niet slechts allerlei excrementen, maar alle rottende stoffen, zolfs het zeepwater gooit hij niet weg. Indien de planters in West-Indië in de nabijheid hunner tuinen coiupostboopen aanlegden, en daar bladeren, onkruid 011 allerlei ander afval in lagen opstapelden, deze hoopen met een dun laagje aarde bedekten om liet vervluchtigen der stikstof tegen te gaan en er een eenvoudige, weinig kostbare dakbedekking over maakten, zouden zij door hiermede te bemesten eene imitatie van boschgrond verkrijgen, waarop waarschjjnljjk wel goede qualiteit van gember te telen is.
In sommige streken van Jamaica verkiest men een goed gedraineerden, kleiachtigen bodem, de wijze van planten is dezelfde als de boven aangegeven van Indië. Na de toebereiding van den grond worden de stukjes van den wortelstok in Mei of April geplant, de bloemen komen in September tevoorschijn; zoodra in de maanden Januari en Februari de stengels beginnen te verwelken zijn de wortelstokken rijp en is het tijd om te oogsten. In dezen toestand zijn de wortelstokken vezolig eu alleen geschikt voor droge gember, wil men ze echter in suiker of stroop eonserveeren dan moeten ze eerder uitgegraven worden, als zij jonger, saprijker en nog niet vezelachtig geworden zijn. Do rijpe wortelstokken worden gewasschen, afgeschraapt en in
â 528 â
de zon gedroogd, dit laatste moet zorgvuldig geschieden, want als men in vochtige jaren niet voldoende kan drogen wordt slechts inferieur product verkregen.
Gedroogde gember bestaat uit platte rondachtige stukjes, die zelden grooter zijn dan 10 cM. De gember uit Barbados, Hengalen en Afrika is bedekt door eene droge eenigszins ver-schrompelde opperhuid, zij is in den handel bekend als âcoated or unscrapedquot;; terwijl Jamaica-en eenige andere gembers van Malabar geschraapt zijn en als âuncoated or scrapedquot; bekend staan. De kleur der droge gember varieert van lichtgeel tot donkerbruin, de bleekste soort, die het beste betaald wordt, komt van Jamaica, daarop volgt de Cochin-China gember, die eene lichtbruine kleur heeft. Volgens sommigen wordt de gember wel eens gebleekt door haar aan zwaveldamp bloot te stellen of te waschen met chloorkalk.
Het inwendige van de gember verschilt evenzeer in kleur, het liefst heeft men de lichte, verder maakt men verschil of hij op de doorsnede zacht of hard is, eerstgenoemde geniet de voorkeur.
In China wordt in de provincie Kwan-tung veel gember geteeld, de beste komt uit de distrikten Nan hal in de nabijheid van Canton. In China is het een groot verschil of de gember uit de vlakte of uit het gebergte afkomstig is. Do eerste in het Canton-dialect als âTenkeungquot; bekend is zacht en wordt in stroop geconserveerd uitgevoerd, terwijl de tweede âShan-Keungquot; genoemd, scherp van smaak is en door de Chineezen in azijn bewaard, voor eigen gebruik bestemd wordt.
Do totaio invoer van Gember in Engeland bedroeg in 1894:
Uit Indië, de Straits en Ceylon......... 57.922 Cwt. (1).
â Britsch West-Indië................. 6.848 â
â Hongkong en andere Britsche bezittingen 1.360 â
â Sierra Leona...................... 14.933 â
â verschillende streken............... 4.401 â
85.464 â
W.
(1; 1 Cwv. = 50.80 Kg.
HET ENTEN VAN KOFFIE-âHYBRIDENquot;.
Eeu bezoek aan do onderneming Klein Getas, gelegen in de Residentie Semarang, ± 3 paal van Bodja, en beheerd door den heer van Riemsdijk, bracht mij in kennis met eon hydride van Liberia-Java geënt op Liberia-stam welke do eigenschap bezit:
1°. Van een weelderigen struikvormigen groei.
2quot;. Een groote productiviteit gepaard aan de eigenschap der Java-koffiebes, nl. liet gemakkelijk loslaten der schil, zoodat de boon gemakkelijk mot de hand is uit te knijpen.
3°. Van niet door de Hemileia vastatrix te worden aangetast.
De oudste planten 8 jaar, en alle ook later geplante hybriden iiebben gedurende hun geheelen levensduur geen spoor van bladziekte vertoond, zoo beweert de lieer van Riemsdijk, terwijl ook tijdens mijn bezoekâik zag een groot gedeelte der hybridenaanplant â niettegenstaande mijn oplettend zoeken, geen enkel spoor van Hemileia vastatrix was te ontdekken, alhoewel de hybriden grootendeels zijn geplant tusschen bestaande produceerende Liberia-aanplantingen, die over het algemeen wel en plaatselijk zelfs hevig daardoor waren aangetast.
Volgens mijne bescheiden meening is het niet onmogelijk, dat dit moet worden toegeschreven aan de bladstructuur (Kleine Difie-renzen in der Structur der Oberhaut und der Zellwiinde, Abwei-chungen in derchemischen Zusammensetzungdes Zellsaftes, stiir-kere oder geringere Energie des Wachsthums und des Stoffwech-sels, werden die Umstande sein auf welche man die Zusammen-gehürigkeit gewisser parasitischer Pilze mit bestimmten Nahr-pflanzen, die Immunitat andere PHanzen, kurz, die Individuelle Disposition zu. den Infections-Krankheiten zurückführen kann. Dr. FLüGtGE die Mikroorgan ismen.)
â 530 â
Do door sommigen geopperde meening als zoude de eigenaardige groeivorm van deze koffie, waardoor de onderkant der bladen bijna niet, of niet zichtbaar is, de reden zijn, dat zjj niet door de sporen der bladziekte worden bereikt, komt mij niet aannemelijk voor.
De kleinheid en lichtheid dier sporen moot ten gevolge hebben, dat zij door den wind ook in de kleinste gaten en openingen worden gebracht, en dus ook aan den onderkant der blaren van deze hybride. â Voor mijne opinie zou het feit? spreken, dat de enten op de bedden, en de éénjarige planten ook niet worden aangetast, hoewel de bladen van deze planten volop gelegenheid hebben om de sporen op te vangen.
Do werkwijze door den heer van Riemsdijk gevolgd is de volgende:
Op overjarige Liberia-planten, staande op bedden, wordt op ± 3 duim afstand van den grond, door middel van een verscli afgesneden entrijs geënt.
Het entrijs is hier een jong twijgeinde van eiken onverschilligen twijg der hybride, lang drie geledingen.
Het plakken bestaat uit de volgende bewerkingen:
De eenjarige Liberia-plant, zoowel als het entrijs, snijdt men schuins af, terwijl men het snijvlak een lengte van 2 duim geeft; logt beide snijvlakken op elkaar, zorgende, dat de schors-deelen (cambiumlaag) én van plant én van entrijs op elkaar komen te liggen, waartoe de dikte van plant en entrijs ongeveer dezelfde moeten zijn en bindt ze dan met hennep (lawé) goed aan elkaar vast.
Van de ent worden de twee paar bladen (de eindknop niet) voor de helft of afgeknot.
]Na deze bewerking worden de plantjes óf als poeteran (met aardkluit uit te steken) óf als tjaboetan (zonder aardkluit) op 6 duim afstand van elkaar geplant in kuilen van 2 ^ voet diep en 4 voet vierkant, gevuld met rivierzand, en van boven voorzien van een goedsluitend glazen dak.
Na het planten wordt zwaar begoten; de planten blijven in deze gaten 3 dagen met het glazen dak gesloten, waarbij men
â 531 â
zorg draagt het glas steeds vrij van vocht te houden, en dan ± nog weken met de daken op ^ voet opengezet. â Van hieruit worden ze, als het topeinde (de poepoes) niet meer welk wordt bij geheel openstellen van het glazen dak, overgebracht naar kweekbedden onder dak, of als de planttijd er is, direct naaiden vollen grond, waarbij de voorzorg wordt genomen ze te dekken met rotan- of andere blaren.
Een man ent te Getas per dag 120 tot 200 plantjes, en haalt tevens het benoodigde entrjjs 's morgens vroeg uit de tuinen.
Deze enten, één jaar in den vollen grond, produceerden reeds vrucht en de twee-, drie- en meerjarige welke ik zag, droegen buitengewoon zwaar, zonder dat een zweem van lijden tengevolge van overdracht was te bespeuren. â De planten hadden, niettegenstaande het in den pluktijd was, donkergroen, frisch loof en waren een en al gezondheid.
Do heer van Riemsdijk schatte den oogst van 3â4 jarige boomen op één kati en van oudere boomen op 2 en 3 kati product per boom.
Zijn deze gegevens juist dan meen ik zijne vinding te mogen noemen eene gelukkige en voor allen die belang hebben bij de Liberia-koffiecultuur eene van groote waarde.
V.
EENE NIEUWE (?) KOPFIE-PLANTWIJZE.
Nu wij zoo langzamerhand don Westmoesson weder naderen, veroorloof ik mij een oordeel uittespreken over eene, naar ik vermeen nog nieuwe, wijze van planten mot âtjabotctmquot;.
Het oorspronkelijk denkbeeld hiervan ging, als ik mij niet vergis, uit van don heer Til. J. J. Roqué, Administrateur der koffieonderneming Karang Anjar, die reeds eenigo jaren oudere boomcn, zelfs van 5- tot 6-jarigen leeftijd, op gelijke wijze overplant, doch zulks nog niet toepaste bij het jonge plant-materiaal.
Do tot nu toe gevolgde wijze van planten met âtjabotansquot; heeft m. i. liet groote nadeel dat hot jeugdige plantje, welks levensfunctiön door het uittrekken (al geschiedt dit ook nog zoo zorgvuldig) reeds onderbroken zijn door het verlies van een klein gedeelte dor haarwortels, tegengewerkt wordt niet alleen in het horstellen dor geleden schade, doch ook in het vormen van nieuwe wortels, welke het in staat stellen zich behoorlijk van voedsel te voorzien en zich vorder te ontwikkelen. Daarbij komt dan liet menschelijk vernuft deze poging om zich te horstellen, radicaal tegenwerken door de plant te brengen in een gat van eenigo duimen middellijn en de wortels die naar beneden hangen (dus in eene onnatuurlijke richting) tegen den wand van dit plantgat samen te drukken door het inworpen van de noodige aarde en het gebruik van den solet. Kan het dan verwondering wekken dat de plant dusdanig mishandeld in den eersten tijd weinig groeit en eene periode van droogte onmiddolijk na het in den grond brongen, niet kan weerstaan?
Het planten daarentegen met âpoeteransquot; levert de bekende
â 533 â
voordeelen op, doch komt belangrijk duurder te staan dan met âtjabotans'quot;, van daar en terecht men er meer en meer toe overgaat do laatste plantwijze too te passen. Het ligt echter voor de hand dat men zou trachten zooveel als mogelijk de voordeden van de eerstgenoemde wijze to behouden, doch zie, de werkelijkheid is in schrille tegenstelling daarmede en de menscheljjke hand, instede van de plant te helpen doet het noodige om hare ontwikkeling togen to gaan.
Het is daarom dat ik hoop dat de navolgende wijze van planten door mij genoemd gereede navolging
zal vinden.
Daar do wortels bij normaal groeiende koffieboomen, zich in horizontale richting verlengen, ligt het voor de hand en dit is ook het lioot'dvoordeel der nieuwe plantwijze, dat men met deze natuurlijke neiging zooveel als mogelijk rekening houdt. Do man belast met het gelijkmaken van den gevulden plantkuil on hot maken van hot pootgat, maakt met zijn patjoel een rond ondiep gat van omstreeks 8 duim middellijn en ongeveer 3 duim diep, maakt verder in het midden daarvan met een klein pootstokje ter dikte van 2 duim, een gaatje ter diepte van eenige, zeg 4 duim waarin de pcnwortel geplaatst wordt met de zich daaraan bevindende weinig ontwikkelde worteltjes; de wortels daarboven tot aan den wortelkraag worden, terwijl de linkerhand de plant vasthoudt, met de rechterhand gelijkelijk in het bovenvermelde gat van 8X3 duim uitgespreid. Is dit geschied en staat de plant goed recht, dan blijft slechts over het vullen van dit gat met de daaromiieen liggende aardegt; zoomede het aandrukken met do vingers der beide handen. Voorwaar hoogst eenvoudig.
De belangrijkste voordeelen van deze plantwijze zullen blijken te zijn:
Dat de wortels onmiddeljjk in hunne normale richting komen te liggen, waardoor zjj zich veel spoediger kunnen herstellen en verder ontwikkelen.
Dat de plant steviger in den grond staat door hare meerdere aanrakingspunten.
â 534 â
En beter weerstand za' kunnen bieden aan ongunstige weersgesteldheid.
Summa summarum, de jonge plant kan zich voel sneller ontwikkelen, profiteeren van bijna don geheelen West-moesson en zich tot een krachtig boompje vormen, waar de mishandelde collegas ter nauwernood tijd hebben om zich te herstellen.
Duurder kan eene dusdanige plantwijzc nimmer zijn, alleen dienen de plantvrouwen aanvankelijk goed onderricht te worden en daarin eenige handigheid te krijgen alvorens even snel te kunnen arbeiden als op de oude manier.
Het nemen van oen proef is zeker aan te bevelen.
N. B.
A. K. (Blitar) 10 Oct. '96.
Toen ik dit voorjaar in de maand Maart de onderneming Karang Anjar bezocht, was do heer Koqüi5 nog druk bezig met het inboeten in zijn tuinen met 5-en 6 jarige boomen. Met een puntig stuk hout wordt de aarde voorzichtig van de wortels verwijderd, en daarna de plant, geheel van aarde ontdaan en zonder de takken in te snijden naar de bestemde plaats, die soms op een paar paal afstand gelegen is, overgebracht; alleen als de weg zeer zonnig is worden de wortels met een goenizak of iets dergelijks beschermd. Bij regen wordt met planten opgehouden, daar de wortels niet nat mogen worden. Het ondiepe plantgat wordt zoo wijd gemaakt, dat de zijwortels er geheel in uitgespreid kunnen worden; in het midden ervan maakt men een kleiner gat waarin het korte stompje penwortel wordt geplaatst. Hierna wordt de kuil gevuld met grond, die vermengd is mot wat vergaan blad. Aangegoten wordt en nooit, en zelfs als er na het planten eenige droge dagen volgen, lijden de boomen niet noemenswaard. Regel is, dat op deze wijze geplante boomen alle slagen. Ook met veel oudere boomen (de heer Roqué was zoo goed het mij met 15 jarige te toonen) verkrijgt met dezelfde goede uitkomsten, daar de kosten hierbij echter te hoog zouden worden, wordt dit alleen bij uitzondering gedaan.
Het inboeten met groote planton heeft het voordeel, dat zij gemakkelijk slagen, hetgeen van jonge plantjes niet gezegd kan worden. De heer Eoqué plant de bibit, die hij over heeft, tasschen de rijen in, en gebruikt later die welke daar terecht komen om in te boeten. Een ander voordeel is, dat de tuinen steeds een zeer gelijkmatig voorkomen hebben; open plaatsen zijn er niet.
Alle boomen zijn getopt.
De grond van den Kloet is zandig en poreus, zoodat hij hij het planten goed tegen de wortels aansluit; waarschijnlijk is deze grondgesteldheid een voorname faktor bij het verkrijgen van zulke prachtige uitkomsten.
J. J. Smith Jr.
DE LANDBOUW-PROEFSTATIONS EN HET DEPARTEMENT VOOR LANDBOUW
IN DE
VEREENIGDE STATEN VAN NOOR D-AMERIKA.
âGewoontequot; en âoverleveringquot;, de beide factoren welke vroeger het landbouwbedrijf en de daarmede in verband staande takken van nijverheid zoo geheel on al beheerschten, beginnen in de laatste jaren eon deel van hun invloed te verliezer. Vroeger toch uitsluitend naar bepaalde rogcis uitgeoefend, die van vader op zoon overgebracht werden zonder eenige noemenswaardige verandering te ondergaan, trachtte men nooit zich rekenschap te geven van wat men eigenlijk deed en waarom men zóó en niet anders handelde.
Enkele tientallen jaren geleden is daarin echter een begin van verandering gekomen. Wel is waar is hot cr nog verre van af, dat nu reeds landbouwers en planters hun wijze van werken zoo veel mogelijk doen berusten op redeneering en niet meer op overlev ering, maar toch neemt men waar dat de overtuiging meer en meer veld wint dat een meer rationeele behandeling van don bodem, zoowel als van de plant en hare producten, do kans opent tot het verkrijgen van meer bevredigende uitkomsten, welke een gemakkelijker overwinning in den steeds scherper wordenden strijd om het bestaan beloven. Voor de verdere ontwikkeling van den landbouw zijn echter twee zaken noodig: 1° meerdere kennis van de plant, van haar leven en van de eischen, die zjj aan do omgeving stelt, en 2° speciale onderzoekingen omtrent die punten, waar de praktijk alléén niet in staat is de vereischte kennis te verwerven.
Met andere woorden zijn het: bet Landbouwkundig onderwijs, gepaard aan Agronomische onderzoekingen, die bestemd
â 537 â
zijn in de naaste toekomst de grootste rol te spelen in don vooruitgang van het landbouwbedrijf.
Ook op Java is liet gebleken, dat de landbouw behoefte is gaan gevoelen aan hulp en steun, zooals uit de oprichting van particuliere proefstations blijkt. Do suikercultuur begon, do tabak, en koffiecultuur volgden, terwijl eveneens do Regeering een aanvang maakte met van haar zijde tot hetzelfde doel mede te werken.
Wanneer men echter de hier bestaande toestanden verge-Ijjkt met die in andere landen, waar eveneens de landbouw de grootste bron van inkomsten en van welvaart vormt, dan eerst ziet men hoe zeer wij hier nog bij hen ten achteren zijn, en hoeveel er nog gedaan moet worden, alvorens wij hun standpunt van ontwikkeling kunnen bereiken.
Het verschijnen van liet Jaarboek over 1895, uitgegeven door het âDepartment of Agriculturequot; in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, biedt mij een welkome aanleiding om hier het een en ander mede te deelon van wat er aldaar in het belang van het Landbouwonderwijs en van do wetenschappelijk agronomische onderzoekingen ondernomen wordt. Te eerder besloot ik er nu de aandacht op te vestigen, daar zich mij thans de gelegenheid aanbood om belangrijke mondelinge bijzonderheden te vernemen van iemand die van zeer nabij bekend is met het Landbouwonderwijs in do Vereenigde Staten en met den werkkring van het Departement van Landbouw aldaar.
De instellingen welke do Regeering dor Vereenigde Staten opgericht heeft ten dienste van hot Landbouwbedrijf, zoomede van alles wat daarmede samenhangt in den ruimsten zin des woords genomen, zijn de drie volgende:
1°. Do âAgricultural Collegesquot;
2°. De âExperiment Stationsquot;, en
3°. Het âDepartment of Agriculturequot;.
1°. De y,Agricultural Colleyexquot;.
De oprichting van een âAgricultural Collegequot; werd door de
â 538 â
Bondsregcering voor elk der Staten vorplichtcnd gesteld bij de wet vau 1862. De voldoening aan deze wet werd mogelijk gemaakt, doordat de Bondsregeering aan liet Bestuur van elk dier Colleges bjj haar oprichting verschillende stukken, door het Bestuur uitgezochte, woesten grond in eigendom afstond. Deze kon het Hestuur verkoopen terwijl dan de rente der verkoopsommen dienen moest om in een deel der uitgaven van de Colleges te voorzien. Het ontbrekende zou dan door eiken staat voor zich bijgepast worden; later in 1892, kwam de Bondsregeering deze instellingen echter nog verder tegemoet, door hen bovendien elk nog een jaarlijksche subsidie van 15000, jaarlijks opklimmende tot 25000 dollar te verleenen.
Van liet Agricultural College in de Staat Kansas, oen van do beste in Amerika, kou ik verdere opgaven verkrijgen omtrent de jaarlijksche inkomsten. Daaruit bleek dat deze in hun geheel ongeveer 80.000 dollar (= /'200.000) bedragen, waarvan bijgedragen werden: 20.000 dollar door den Staat, 50.000 door den Bond (met inbegrip van do bovenbedoelde rente, welke echter in de Bondskas gevloeid zoude zijn, wanneer de Bond de bedoelde stukken grond ten eigen bate verkocht had), terwijl de overige 10.000 dollar verkregen werden door verkoop der producten van land- en tuinbouw, geteeld op de terreinen (800 acres = 456 bouw groot) bij het College behoorende.
De Agricultural Colleges zou men ongeveer kunnen vergelijken met wat men in Nederland de Landbouwschool (te Wage-ningen) noemt; wat do leervakken betreft, verschillen zij in het algemeen niet veel van elkander.
Een eigenaardigheid der Colleges is echter het voorschrift, dat elke leerling gedurende de eerste drie jaren zich eiken dag minstens een uur moet bezighouden met een of ander handwerk, naar keuze, en waarin dan ook practisch onderwijs gegeven wordt.
Zoo kunnen de jongens kiezen tusschen timmeren, smeden, drukken, werken in den tuin en in den boomgaard, op den akker of' in de boerderij, terwijl de meisjes, die ook en in niet gering aantal de lessen dor Colleges volgen, ziich bezig moeten
â 539 â
houden met koken, naaien, bloemkweoken of ook met muziek.
üe lessen aan de Collegos worden overal geheel kosteloos gegeven, en zelfs worden de leerlingen, die op het land en in de tuinen werken per uur betaald, zoodat zij op die wijze een deel van hunne uitgaven voor woning en voeding er mede kunnen bestrijden; zoodoende zijn feitelijk de Colleges ook voor do armsten toegankelijk.
Het eindexamen dier Colleges geeft recht op den titel van Eachelor of Sciences, B. Sc.
Het aantal der Colleges bedraagt thans, evenals dat der Staten, 47. Neemt men de cijfers van het Kansas-college als gemiddelden, dan kosten die instellingen dus jaarlijks aan den Bond ongeveer 2.350.000 dollar ( = /'5.870 000) en aan de Staten gezamenlijk 940.000 dollar ( =/' 1.350.000).
De Colleges zijn alzoo geheel op zichzelf staande inrichtingen ; doch in die plaatsen waar tevens een Staats-Universiteit gevestigd is, zijn zij met deze vcreenigd geworden.
2° de Experiment Stations.
De Agricultural Colleges namen zeer in belangrijkheid toe, toen bij de wet van 1887 (Hatch Bill) bepaald werd, dat in eiken Staat eveneens een âExperiment Stationquot;moostopgericht worden. Daarvoor zou dan uit de Bondskas Jaarlijks voor eiken Staat een som van 15.000 dollar beschikbaar gesteld worden.
Het uitsluitende doel van de instelling dier Experiment Stations was de gelegenheid te openen tot het doen van wetenschappelijke onderzoekingen ten behoeve van den landbouw. Zij werden met de Colleges vereenigd, ten einde gebruik te maken van de werkkracht der wetenschappelijke beambten, die reeds aan deze Colleges verbonden waren.
Het personeel van deze Stations bestaat in do meeste gevallen uit de volgende personen: een directeur, een plantkundige, een scheikundige, een land- en een tuinbouwkundige, een entomoloog, een veearts en somtijds ook uit een bacterioloog.
De plantkundige houdt zich bezig met onderzoekingen omtrent de systematiek, de levensverschijnselen, en de ziekten der
â 540 â
cultuurplanten, benevens met de middelen welke deze laatste kunnen bestrijden of voorkomen.
Agricultuur-cheinische onderzoekingen, in den meest alge-meenen zin, worden door den scheikundige verricht.
Het maken van analyses van grondsoorten, meststoffen enz. behoort echter niet tot hun werkkring, omdat deze meer betrekking hebben op particulier belang dan op den algemeenen vooruitgang van den landbouw.
Om een voorbeeld te noemen van de onderzoekingen, welke door den scheikundige verricht worden, kan ik hier aanhalen, dat men in het Experiment Station van Kansas reeds verscheidene jaren bezig is, om, door zorgvuldige keuze van zaad en aan de hand van chemische analyses, te trachten een Sorghum-soort te verkrijgen, niet een suikergehalte hoog genoeg om haar cultuur in het groot loonend te maken. Thans is men reeds zoover geslaagd, dat men het gehalte aan suiker heeft kunnen brengen op het dubbele van wat het oorspronkelijk was.
De tuinbouwkundige doet onderzoekingen omtrent do soort van planten, die het best in een bepaalde streek groeien, ofwel tracht variëteiten voort te brengen, welke aan gestelde eischen voldoen.
De landbouwdkundige onderzoekt alle omstandigheden, die van belang zyn voor de cultuur der landbouwgewassen inden betreffenden Staat, en doet proeven omtrent roof- en wisselbouw, liet bepalen van den gunstigsten tijd van zaaien in een bepaalde streek, enz. Ook proeven omtrent dc voor die streek het moest geschikte rassen van koeien, schapen en varkens, van welke dieren er een 250-tal op het Station voorhanden zijn, worden door dozen Chef genomen.
De entomoloog bestudeert de ziekten der cultuurplanten voor zoover die door insecten veroorzaakt worden, evenals de middelen welke aan de praktijk ten dienste staan ter hunner verdelging.
De bacterioloog onderzoekt o. a. de ziekten van de kaas enz, bestudeert do gevolgen van het Pasteuriseeren, terwijl de veearts de ziekten van paarden, koeien, schapen enz. aan een wetenschappelijke studie onderwerpt.
Uit deze beschrijving van de werkzaamheden aan het weten-
â 541 â
schappelijke personeel van de Experiment Stations opgedragen, kan men reeds afleiden dat deze geheel iets anders zyn dan wat men bij ons de liijks-Landhouwproefstations noemt, welke ingesteld werden bjj de wet van 1889. Volgens het Keglement van deze laatste Proefstations hebben toch zij ten doel:
1°. het ten behoeve van den landbouw onderzoeken van grond- en watersoorten, meststoften, voedingsstoften, zaden en alle andere landbouw-grondstoften en voortbrengselen, op aanvrage van de Regeering ot' van bijzondere personen en instellingen;
2°. het verrichten van cultuur- en bemestingsproeven op de daarvoor door de Regeering ot' door bijzondere personen en instellingen beschikbaar gestelde proefvelden; en
3°. het instellen van wetenschappelijke onderzoekingen van meer algemeenen aard den landbouw betreffende.
Hieruit ziet men dus dat deze Proefstations in hoofdzaak slechts laboratoria zijn waar iedereen alle stoften, die maar eenigszins met den landbouw in verband gebracht kunnen worden, mag doen analyseeren. 't Zijn dus eigenlijk niet meer dan wat men in Duitschland âKontroll-Stationonquot; noemt.
Wel is waar moeten er volgens het Reglement ook wetenschappelijke onderzoekingen verricht worden, maar de talrijke zuiver praktisch-chemische onderzoekingen vorderen zóóveel tijd, vooral in den laatsten tijd nu ook het onderzoek van boter voor den handel tot den werkkring van het Proefstation is gaan behooren, dat het toch reeds geringe wetenschappelijke personeel volstrekt geen tijd beschikbaar heeft om zicli ook nog aan wetenschappelijke onderzoekingen te kunnen wijden.
De âExperiment Stationsquot; van Amerika geven elk voor zich âBulletinsquot; uit, waarin de uitkomsten van de aldaar uitgevoerde onderzoekingen gepubliceerd worden. De oplage dier Bulletins bedraagt ongeveer 5000 exemplaren, en elk inwoner van den betreffenden staat ontvangt op aanvrage gratis en franco een exemplaar daarvan.
Jaarljjks moeten de Stations een afschrift van hun zakelijk en finantieel verslag indienen bij het âOffice of Experiment Teysmann. VII 39
â 542 â
Stationquot;, dat een deel uitmaakt van liet âDepartment of Agriculturequot;, en waarover wij spoedig nader zullen spreken.
Behalve de 47 Experiment Stations, in verbinding met de Agricultural Colleges opgericht met subsidiën uit de Bondskas, bestaan er nog een 8-tal andere, welke reeds vóór de wet van 18cS7 bostonden.
Deze zjjn nu nog in werking, en worden uitsluitend door de betreffende Staten bekostigd.
Uit het hierboven medegedeelde blijkt reeds van hoe groot belang de Bondsregeering de steeds toenemende ontwikkeling van den landbouw acht, en hoe zjj een voortdurende aanraking met de wotenschap weet te waardeeren. En toch vormen die talrijke Agricultural Colleges en Experiment Stations slechts het kleinste doel van wat Amerika in liet belang van dien zoo hoogst belangrijke tak van nijverheid doet. Aau deze Colleges en Stations toch is slechts de behartiging van de plaatselijke belangen van eiken Staat opgedragen, doch de Bond heeft nu oen derde instelling doen verrijzen aan wie de centrale en algemecne belangen van den landbouw in geheel Noord-Amerika in don meest uitgebreiden zin van het woord, zijn opgedragen. Deze instelling, het âDepartment of Agriculturequot; is een zóó volledige en grootsche inrichting dat zjj haar wedergade nergens ter wereld vindt, en daarom een meer uitvoerige bespreking hier ter plaatse overwaard is.
Bij vergelijking mot onze Staatsinstellingen zou men het Department of Agriculture kunnen noemen een Ministerie van Landbouw. Toch zou dit dan slechts in naam daarmede overeenkomen, daar, zooals wij zien zullen, aan het Department of Agriculture tevens o. a. direct verbonden zijn alle laboratoria voor wetenschappelijke onderzoekingen.
De Chef van het Department is de âSecretary of Agriculturequot; die, wat zijn positie betreft, overeenkomt met onze Ministers, daar ook hij aftreedt bij plaats hebbende verandering in de politieke richting der Regeering. De âAssistant Secretaryquot; echter is het blijvende hoofd van het Department, dien men dus met den Secrotaris-Generaal van onze Ministeries zou
â 543 â
kunnen vergelijken. Intusschen is er een niet onbelangrijk verschil tusseheii beider werkkring, daar de Assistaut-Secrctary tevens heeft hot oppertoezicht over en de hoofdleiding van do wetenschappelijke onderzoekingen die in do verschillende afdeelingen uitgevoerd worden.
Deze afdeelingen (Bureaus and Divisions) zijn 1!) in aantal. AVij zullen nu in liet kort nagaan wat de werkkring van elk hunner is.
1°. Weather Bureau (Afdeeling voor Meteorologie).
Dezo afdeelig is belast met het voorspellen van hot weer, het verspreiden van berichten omtrent storm en vlood in het belang van landbouw, handel eu scheepvaart; het peilen der rivieren; het onderhoud en de behandeling der telegraaflijnen langs de kust, en de verzameling en overbrenging van marinerapporten ton behoeve van handel en scheepvaart; het verspreiden van berichten omtrent temperatuur en regenval met het oog op de cultuur van katoen, rijst, suiker en op andere belangen; het aankondigen van koude luchtstroomingen en van vorst, do verspreiding van meteorologispho berichten in het belang van landbouw en handel, en ton slotte het doen van zoodanige waarnemingen als noodig zijn om het klimaat van de Vereenigde Staten in alle bijzonderheden te leeren kennen.
Daar dit bureau in de eerste plaats op het voorspellen van het weer te letton heeft, spreekt het wel van zelf dat een enkel instituut te quot;Washington aan dien eisch niet voldoen kan. Over geheel Amerika verspreid, vindt men dan ook talrijke observatieposten, grootere en kleinere, waaraan een 400 tal gesalarieerde waarnemers zjjn verbondon. Het aantal stations bedraagt 3300, van welke er echter 2900 vrijwillig en kosteloos de waarnemingen verrichten, hetgeen dus geschiedt door personen die niet verbonden zijn aan het Departement. Daar de snelst mogelijke overbrenging van de waarnemingen een eerste vereischte is om betrouwbare weervoorspellingen te kunnen geven, is er bepaald dat overal in de Vereenigde Staten de telegrammen van of naar de observatieposten vóór alle andere gaan. Eén of twee maal daags worden van uit verschillende
â 544 â
centra als Washington, Chicago, Buffalo, St. Louis, San Francisco groote kaarten in het licht gegeven, en kosteloos aan belanghebbenden verspreid, met opgaven omtrent temperatuur en luchtdruk over geheel Noord-Amerika op dat oogenblik; en zelfs stolt men er zóóveel prijs op dat het te verwachten weer spoedig en tevens algemeen bekend wordt, dat men van plan is daartoe een nog beter, en tevens echt Amerikaansch, middel aan te wenden. Er schijnt n.1. voorgesteld te zijn* om, dadeljjk na het verschijnen der bovenbedoelde weerkaarten een verkleind stempel daarvan te laten maken hetwelk dan naar het postkantoor gebracht wordt en daar dienen moet om alle brieven enz. te stempelen! Ieder die een brief ontvangt, krijgt dan door het stempel op de postzegels een overzicht van den meteorologischen toestand der atmospheer over geheel Noord-Amerika zooals die slechts eenige uren geleden was.
In de laatste jaren is gebleken dat 80 0/0 der weervoorspellingen uitgekomen zijn; de zware storm o. a., die een paar jaar geleden in St. Louis woedde, was een tiental uren te voren in gciieel Kansas en Missouri bij expresse bulletins aangekondigd.
Van bijzonder belang voor den landbouw zijn echter de voorspellingen van koude luchtstroomigen en van hagel en vorst, omdat dan vaak tijdig maatregelen kunnen getroffen worden om de aanplantingen tegen belangrijke schade te behoeden. Zoo berekent men dat er in 1895 voor een waarde aan cultuurproducten van niet minder dan 6 millioen gulden door tijdige voorspelling van vorst is behouden kunnen worden. Weet men daarbij dat de uitgaven van het geheele Weather Bureau over dat jaar ruim 2 millioen gulden bedroegen, dan heeft men een duidelijk bewijs van het groote nut en voordeel dat zulk een uitgebreide en kostbare inrichting reeds op dit eéne punt oplevert.
Behalve al de bulletins die op weervoorspelling en op de samenvatting der waarnemingen betrekking hebben, worden nog tal van andere geschriften door het Weather Bureau gepubliceerd, als resultaten van wetenschappelijke onderzoekingen van verschillenden aard, do meteorologie rakende. Zoo in 1895 over bescherming tegen den bliksem, bescherming van land-
â 545 â
bouwproducten tegen warmte en kou gedurende het vervoer enz. enz.
2°. Bureau of Animal Industry.
Dit Bureau is weder onderverdeeld in 4 afdeelingen: a. Dierlijke Pathologie, h. Inspectie (van dieren bij in- en uitvoer en ook van het slachtvee), c. Onderzoekingen omtrent de beste cultuurrassen en alles wat daarmede samenhangt, en d. Boerderij. Elk dezer hebben tot taak wetenschappelijke onderzoekingen omtrent die onderwerpen te verrichten.
Verschillende onderzoekingen omtrent dierlijke infectie-ziekten werden in het laatste jaar gepubliceerd; één dezer, over een ziekte onder de varkens handelende, werd in niet minder dan 90.000 exemplaren verspreid.
3°. Division of Statistics.
Dit Bureau zorgt niet alleen voor het verkrijgen en herhaaldelijk en geregeld publiceeren van de statistische gegevens omtrent oogst en veestapel, maar zij zorgt er ook voor om door speciale agenten, en door tusschenkomst van den consul-generaal te Londen, alle mogelijke soortgelijke inlichtingen omtrent de oogsten enz. in Europa en elders te verkrijgen.
Deze af'deeling heeft er ook voor te zorgen dat producenten zoowel als consumenten beschermd worden tegen combinaties en afzetterijen die bij den omzet in het groot van de landbouwproducten zouden kunnen plaats hebben (zoogen. trusts)
4°. Office of Experiment Stations.
Dit bureau vertegenwoordigt het Departement in hare verhouding tegenover de Experiment Stations in de verschillende Staten. Het tracht de belangstelling in landbouwkundig onderwijs en onderzoekingen te bevorderen. Det verzamelt gegevens omtrent die Stations en publiceert een overzicht van de onderzoekingen op dit gebied verricht, zoowel in Amerika als elders.
Deze uitgave welke in 8000 exemplaren overal, ook buiten Amerika, gratis verspreid wordt is het bekende âExperiment Station Recordquot;. Een zeer belangrijk deel van de werkzaamheden van dit bureau bestaat daarin dat het de richting van
â 546 â-
uitgebreide onderzoekingen over geheel Amerika aangeeft en coöperatief onderzoek in verschillende Staten regelt.
Buitendien is dit bureau belast met liet onderzoek van do voedings- en marktwaarde van verschillende voedingsmiddelen.
5°. Division of Chemistry.
Deze is wat prrsoneel aangaat de grootste van de afdeelingen, daar er ongeveer 100 gepromoveerde chemici aan verbonden zyri.
Aan deze afdeeling is opgedragen het onderzoek van do deugdelijkheid en vertrouwbaarheid der verschillende methoden welke gebruikt worden bij de analyse van grondmonsters, meststoffen en van landbouwproducten. Analyses ten behoeve van handel of landbouw worden er echter niet gemaakt; daarvoor hebben de particulieren zelve te zorgen.
Zelfstandige chemisch-agronomische onderzoekingen worden eveneens door hot personeel van deze Afdeeling uitgevoerd; zoo werden in 1895 verhandelingen gepubliceerd over het maken van /Son//mw-stroop, omtrent de cultuur van suikerbieten enz., alsook over de middelen om de boteropbrengst van do melk te verhoogen.
()0. Division of Entotnoloyy.
Het onderzoek naar do ziekten en plagen van dierlijken oosprong, welke de cultuurplanten teisteren is aan deze afdeeling opgedragen, zoo mede het aanleggen van een volledig museum op deze schadelijke insecten betrekking hebbende.
Op welk grootsche schaal ook hier de onderzoekingen gedreven worden moge uit het volgende voorbeeld blijken:
Enkele jaren geleden werden de oranjeappelboomen in Californië door een schildluis geteisterd, welke daar ontzaglijke verwoestingen aanrichtte. Onmiddelijk werd een van het personeel van deze afdeeling er heengezonden tot het instellen van oen onderzoek in loco. Daarbij bleek in de eerste plaats dat de oorzaak van de plaag oen schildluis was, maar verder kwam men te weten dat ditzelfde dier ook in Australië voorkwam. Dadelijk werd toen iemand daarheen gezonden om de levenswijze van die schildluis na te gaan, vooral om te
â 547
!r icii'cii te weten te komen of'dit dier ook natiuulijke vijanden had en welke. Het resultaat van een en ander was dat zulk een vijand gevonden werd in een Coccwc.lla-soovt (Onze Lieve Heers-beestje); dit werd in Californië op groote schaal geïmporteerd en de uitkomst was dat de oranjeappel-aanplantingen aldaar niet noemenswaard meer van de schildluis te lijden hadden.
Ziellier tevens een voorbeeld hoe snol en krachtig men op moet treden om een plaag oi' ziekte der cultuurplanten met hoop op succes te kunnen bestrijden.
7°. Division of Ornithology and Mammalogy.
Deze afdeeling heeft de opdracht ontvangen de geographi-sche verspreiding na te gaan van de verschillende vogels en zoogdieren, en die verspreiding in kaart te brengen. liet bestudeert verder de levenswijze van de dieren, ten einde daaruit af' te leiden welke nuttig en welke schadelijk zijn voor den landbouw, en beraamt maatregelen tor bescherming van de nuttige en ter verdelging der schadelijke soorten.
8°. Division of Forestry.
De afdeeling Boschwezen is belast met het doen van proeven en onderzoekingen op de Boschcultuur betrekking hebbende en met het uitbrengen en verspreiden van rapporten over dit onderwerp
9°. Division of Botany.
Aan do Plantkundige afdeeling is in de eerste plaats opgedragen de zorg voor het onderhouden en de uitbreiding van het Nationale Herbarium, dat als zoodanig dus de basis vormt voor alle zuiver botanische vragen welke zich in andere afdee-lingen kunnen voordoen. Verder heeft zij aanwijzingen to geven omtrent het uitroeien van diverse onkruiden, en leidt zij onderzoekingen en proeven met vergiftige en medicinale planten. Onderzoek van zaden van verschillende cultuuurplan-ten op hun zuiverheid en handelswaarde en andere dergelijke vraagstukken zijn tevens aan haar opgedragen. Een harer laatste uitgaven is o.a.: âWeeds and how to kill them.quot;
10quot;. Division of vegetable Physiology and Pathology.
Deze afdeeling behoort onder do meest belangrijke, daar aan
â 548 â
haar opgedragen is de levensvoorwaarden der cultuurplanten tot onderwerp van studie te maken en daarenboven te onderzoeken alle hunne ziekten en de middelen welke in het werk gesteld kunnen worden om deze te bestrijden.
Niet minder dan 10 gepromoveerde botanici zijn aan deze afdeeling verbonden, cu elk hunner heeft in opdracht de ziekten van één bepaalde cultuurplant te bestudeeren.
Belangrijke onderzoekingen omtrent de ziekten van de druiven, perziken, appelen, peren, oranjeappellen, citroenen en aardappelen zijn in de laatste jaren verschenen en hebben een met goeden uitslag bekroonde bescherming dier planten tegen de bedoelde ziekten tengevolge gehad.
In het laatste jaar werden bovendien o.a. ruim een duizendtal variëteiten van tarwe onderzocht op hun meerdere of mindere vatbaarheid voor roest, terwijl zij bovendien onderzocht werden op hun waarde voor het bakkersbedrijf.
Een verhandeling over een ziekte in de aardappelen werd in niet minder dan 175.000 exemplaren verspreid.
11°. Division of Agrostology.
Deze afdeeling werd eerst voor korten tijd in het leven geroepen en heeft ten doel het onderzoek naar [do levensvoorwaarden, geographische verspreiding en gebruik van grassen cn andere voederplauten, en naar do eisehen welke zjj aan grond en klimaat stellen. Verder heeft zij te zorgenvoorden invoer en de verspreiding van veel belovende inlandsche en vreemde soorten, en liet verspreiden van berichten daaromtrent.
Met het oog op het voorgestelde doel werden ook twee âExperimental Grass Stationsquot; opgericht, waar tot nu toe reeds moer dan 400 verschillende grassen en andere voederplanten gekweekt worden.
12°. Division of Pomology.
De Pomologiscbe afdeeling heeft dezelfde opdrachten ten opzichte der vruchtboomen, als de vorige ten opzichte van grassen en voederplanten.
1!50. Division of Agricultural Soils.
Deze Afdeeling is ook eerst kortelings opgericht geworden
â 549 â
on moet een onderzoek in stellen naar de structuur en de physische eigenschappen van den bodem, vooral in verband met de opbrengst der verschillende cultuurgewassen op die gronden geteeld.
14°. Office of Fiber Investigations.
Aan haar is opgedragen de taak om zooveel mogelijk gegevens te verzamelen en te verspreiden omtrent de cultuur van vezelproduceerende planten, het inleiden van proeven omtrent de cultuur van zoodanige nieuwe planten en het onderzoeken van de bruikbaarheid en aanbevelenswaardighcid van nieuwe machines en procédé's van vezelbcreiding.
15°. Office of Irrigation Inquiry.
Het ondernoek naar het beste stelsel van toepassing van irrigatie op den landbouw is haar tot taak gesteld. Deze Afdeeling verdient daarom thans groote belangstelling omdat men in Amerika juist in de laatste jaren proeven neemt met het systeem van irrigatie ook toe te passen op culturen, bv. van ooftboomen, zooals in Californiö, waarbij dit tot nu toe niet geschied was,
16°. Office of Road Inquiry.
Dit bureau moet alle gegevens verzamelen omtrent de verschillende wijzen waarop in Amerika de wegen worden aangelegd en onderhouden, ten einde daaruit de moest aanbevelenswaardige systeemen uit te kiezen en daaromtrent rapporten uitte brengen. Verschillende publicaties vei'schenen van deze afdeeling, die bjjna alle een oplaag hadden van niet minder dan 10.000 exemplaren.
17quot;. Gardens and Grounds.
Deze is belast met het onderhoud en do versiering van do terreinen bchoorende bij de gebouwen van hot Departement, en tevens mot de zorg voor de velden die gebruikt worden voor het onderzoek naar, en de verspreiding over A merika van nuttige planten.
18°. Division of Publications.
Het drukken en uitgeven van alle publicaties van het Departement ressorteert onder deze afdeeling evenals de verzending er van. Dat ook hot oprichten van een afzonderlijke afdeeling
â 550 â
voor dit doel gewettigd was, blijkt daaruit dat hot totaal aantal verschillende rapporten, brochures en verhandelingen in hot jaar 1895 gepubliceerd, niet minder dan 230 bedroeg. De oplage van deze wisselde van 100 tot 175.000 exemplaren, zoodat hot geheele aantal exemplaren in 1895 verspreid bijna 4 millioen bedroog. Deze werden tegen zeer geringe vergoeding, op verre na niet voldoende om de kosten van uitgave te dokken, aan belang-hebbenden toegezonden. Wel een bewijs hoezeer in Amerika de overtuiging gevestigd ia dat ruime, en vooral bijna kosteloozo verspreiding van resultaten der specialo onderzoekingen het gewichtigste middel is om den landbouw vooruit te helpen.
19°. Division of Accounts and Dishursiny Office.
Deze regelt do inkomsten en uitgaven van het Departement.
Het aantal personen aan hot geheele Departement verbonden bedraagt ongeveer 2000, waaronder ongeveer 500 ge-promoveerden die, belast zijn mot liet doen van wetenschappelijke onderzoekingen.
De uitgaven ton behoeve van bot Departement klommen in 1895 tot nagenoeg 5 millioen gulden. Telt men hierbij op wat door do Bondskas aan subsidiën wordt verstrekt aan de Experiment Stations en de Agricultural Colleges, en wat de Staten elk voor zich daar aan nog bijdragen, dan vindt men dat in do Vereenigde Staten van Regeeringswege wordt uitgegeven tot bevordering van landbouw en wat daarmede samenhangt, het zeker ook voor JNoord-Amerika niet onbelangrijke bedrag van bjjna IG1/^ millioen gulden.
Hoe grootsch de liegeering de landbouwzaken opvat moge ton slotte nog blijken uit liet Jaarboek van het Department of Agriculture over 1895 waarvan in den aanvang van dit opstel sprake was. In de zoo even genoemde cijfers der uitgegeven brochures, is dit boek niet inbegrepen.
Dit jaarboek vormt een boekdeel van ruim 650 bladzijden, van 10 platen en 134 afbeeldingen voorzien en in net linnen stempel-band gebonden.
Behalve een rapport omtrent de werkzaamheden en lotge-
â vallen van het Department over 1 895, bevat het 33 opstellen over de meest verschillende onderwerpen, welke tot den werkkring van liet Departement behooren. Onder deze zijn er verscheidene die zeker een groote belangstelling verdienen, cn ik meen te mogen vermoeden dat men in de volgende afleveringen van dit tijdschrift wel een of ander omtrent enkele dier opstellen zal kunnen aantreffen.
Het jaarboek eindigt met een aantal statistische tabellen omtrent den oogst en den veestapel, berichten omtrent het klimaat van Noord-Amerika, analysen van meststoffen, voedingsmiddelen van den inensch, middelen ter bestrijding van schadelijke insecten, behandeling van planten welke door schimmelziekten zijn aangetast, berichten omtrent irrigatie, over het vernietigen van twee honderd verschillende soorten van onkruid, enz. enz.
Overtuigd van de wenschelijkheid ook al deze gegevens zoo veel mogelijk tor algemeene kennis te brengen, is aan dit boek een buitengewoon groote verspreiding gegeven, door hot gratis en franco naar allo oorden der wereld te verzenden. Voor een zóó ruime verspreiding was echter een groot aantal exemplaren noodig, en daarom werd de oplage van dit boek bepaald op een half millioen exemplaren. Deze uitgave alléén kostte het Departement niet minder dan 400.000 dollars of ongeveer éi)i millioen gulden!
Dr. J. M. Janse.
INSNIJDEN VAN WORTELS BIJ HET OVERPLANTEN.
Aan eon correspondentie van den lieer Lotman uit Californië aan het onderstaande tijdschrift is liet volgende ontleend :
Elk kweeker weet bij ervaring, dat de vracht op boonien cn planten zeer hoog is, omdat alles met kluit wordt verzonden. En niet alleen is het vervoor kostbaar, maar ook de kosten van rooien en emballage zijn zeer aanzienlijk cn drukken den handel in deze artikelen meer dan men vermoedt. Het valt dan ook niet te verwonderen, dat do zoo vindingrijke Amerikanen reeds voorlang uitzagen naar middelen om die kosten te verlagen.
Nu is onlangs do hoer Springfellow, van Galveston in Texas, opgestaan als de apostel van een geheel nieuwe plantraethode. Hij beweert, dat de oude manier, waarbij zooveel mogelijk haarwortels aan de te verplanten boomen worden gelaten, op een dwaling berust. Deze verkeerde opvatting van het verplanten, zoo schrijft hij, heeft na eeuwenoud gebruik zoo diep wortel geschoten, dat zelfs een man als Charles Downing in zijn bekend werk heeft verklaard, dat hot moest voortreffelijke verplanten is: het opnemen van don boom met al zijn haarwortels.
Toch kan ieder zelf nagaan, dat dit juist alios behalve hot beste is. Neem slechts een handvol perepitten en zaai die uit. Van do zaailingen neemt ge er na verloop van tijd twee en plant die naast elkaar op het veld uit. De eerste met al de wortels er aan, goed uitgespreid, en in fijno aarde, de andere mot alle wortels ingesneden tot op 21/a cM. van den stam, ou den stam zelf ook tot op 30 cM. teruggesneden. Behandel ze nu overigens volkomen gelijk en go zult zien dat na verloop van circa 2 jaar de ingesneden plant met korte wortels heel veel grooter is, dau die, waaraan al de wortels werden gelaten.
Niet alleen, zoo verzekert de heer Springfellow, zullen de boonien beter groeien, maar ook meer en langer vrucht dragen. In 't kort zijn de voordoelen van deze nieuwe wijze van boom-planten, als volgt aan te geven.
11 Hl li
i i
- i
:f!
i
1. Belangrijke besparing bij het rooien.
2 Een even groote besparing bij bot emballeoren. In plaats van groote balen of groote kisten, mos, zakken, touw en veel arbeidsloon, nn weinig arbeidsloon en kleinere kisten, die dezelfde waarde inhouden.
3. De besparing voor den verkooper is nog grooter. Een enkel voorbeeld: Voor een aantal jaren bestelde ik aan een kweeker in Californië 5000 druiveplanten, met verzoek top en wortel zoo kort mogelijk terug te snijden, welke moeite ik hem extra zou vergoeden.
De kweeker, die van deze manier van doen nooit had gehoord hield me zeker voor niet wel bij hot hoofd, hij deed althans niet wat hom was gevraagd. Hij verzond de 5000 planten in 3 enorme balen, wegende 1300 pond, waarvoor ik, hoewel ze volgens het laagste tarief werden berekend, 67 dollar vracht moest betalen.
Zoodra ik de planten had ontvangen, liet ik ze insnijden en verpakte ze nu in één enkele baal, wegende 127 pond. Zo waren bestemd voor een plaats 250 mijlen van hier, waar ze trouwens in den besten staat aankwamen en spoedig werden geplant in goed toebereiden grond.
Zo groeien er welig en het a. s. seizoen zal reeds een zeer over-vloedigen oogst kunnen geven.
4. Duizenden dollars arbeidsloon worden bespaard bij het uit-planten. In plaats van groote, diepe gaten te moeten graven eu een zeer nauwkeurig uitspieiden van do wortels, enz. kan men nu met een eenvoudig poothout boomen planten, alsof men kool plant.
5. Do laatste is niet de minst belangrijke bezuiniging, nl. deze, dat het gevaar voor mislukking door insecten, enz. enz., tot een minimum wordt teruggebracht omdat deze zich het moest aan do wortels en aan de topeinden der takken nestelen.
Hier voeg ik nu volledigheidshalve nog een aanwijzing bij, hoe een boom volgens do nieuwe methode moet gesnoeid worden.
Men houdt hom met zijn kroon naar beneden en snijdt alle wortels tot op 2.5 cM. in, zoodat de snijvlakte horizontaal ligt als de boom is geplant. Do ondervinding heeft geleerd, dat do nieuwe wortels loodrecht op de snijvlakte ontspruiten. Deze insnijding moet kort voor de planting geschieden, opdat men oen versche snee hoeft voor de callusvorming. Indien men nu de boomen eenigen tijd moet bewaren, voordat zo kunnen worden
554
M
IS
, 1
1
goplant, is liet te verkiezen do wortels tot op 5 c.M. terug te snijden, dan kan men er bij het planten nog het overtollige tot O]) 2ll2 cM. afnemen. Boven don grond moot mon aan elke plant ongeveer 30 cM. stam laten. Iets meer of' minder maakt in de uitkomst geen verschil.
Willen do kweekers in Holland deze methode eens probeeren en er verslag van doen in Sempervirens? Ik kan uit eigen ondervinding reeds verklaren, dat het insnijden dor wortels mij nitne-inende resultaten heeft gegeven. Ik bemerkte dat hoornen, die met al hun wortels werden geplant, er dicht mee aan do oppervlakte bleven, terwijl omgokeord do boomen, met kortgesneden wortels, ze loodrecht naar benoden zonden, waar zo zich diep onder don grond vertakten
{Sempervirens 189(J, No. 33.)
i
1
m
II : :ii
â li
i
Het zal wol haast overbodig zijn er hier op te wijzen, dat dergelijke nieuwigheden, maar niet zoo onvoorwaardelijk aangenomen kunnen worden; hoewel hot insnijden der wortels in velo gevallen proef-ondervindelijk gunstig gebleken is, zoo mag toch eone methode waarbij hot geheele wortelsysteem, bij jonge boompjes, tot op 2^ cM. ingesneden wordt, niet dan na herhaalde en nauwkeurig genomen proeven toegepast worden.
Red.
I
m ii' in
m
OYER, WOHTELAFSCHEIDINGEN.
Dat de wortels van de hoogere planton niet alleen stoffen van buiten opnemen, maar ook bepaalde lichamen afscheiden, is reeds lang bekend en tegenwoordig weet men ook, dat doze laatste, die zure eigenschappen bezitten, een belangrijken invloed hebben op do opneming van voedingstoffen uit den grond. Een nauwkeurig inzicht in do chemische samenstelling dier door de plant afgescheiden stoffen ontbrak echter tot nu toe. Czapek heeft in hot hieronder aangehaalde tijdschrift eene studie over dit onderwerp gepubliceerd, waarin hij tot de volgende uitkomsten geraakt. Van de organisehestoffen, die de wortels afscheiden, kunnen genoemd worden: kali, kalk magnesia, zwavelzuur, zoutzuur en phosphorzuur. Slechts kali en phosphorzuur zijn in eenigermate grootere hoeveelheden
] i
â I I li 1
â 555 â
aanwezig on komen in den vorm van primair kaliumphospaat voor, in vele gevallen als overwegend bestanddeel van liet verdanipings-residu der wortelafscheiding.
Azijnzuur of' melkzuur wordt daarin niet aangetroffen, zooals door velen beweerd werd. Daartegen is raierenzuur, in den vorm van zijn kaliumzout niet zeldzaam. Dit diffundeert uit levende cellen van de jongste worteldeelen. In een enkel geval, nl. bjj Jlyucinthus orienlalis is oxaalzuur in den vorm van zuur kalium-oxalaat geconstateerd.
Hot bekende verschijnsel, dat de afscheidingen dor plantenwortels lakmoespapier blijvend rood kleuren berust op de zure reactie van liet monokaliumphosphaat.
Verder werd gevonden, dat het roodklouren van lakmoespapier en do corrosie van gesteenten door do wortels niet op de werking van een en dezelfde stof, maar op dio van twoo verschillende berust. De corrosie moet worden toogoschreven aan hot door de wortels afgo-scheiden koolzuur, dat dan in waterige oplossing zijne werking uitoefent. Een zure inwerking van de door de |)laiiten wortels afgo-scheidene stoffen op do omgeving waarin zij zich bevinden vindt echter toch ook plaats. Het grootste aandeel daaraan heeft hot primaire kaliumphosphaat, dat, door op sommige neutrale zouten in te werken, tot het ontstaan van kleine hoeveelheden minerale zuren aanleiding kan geven. Wel zijn dio quantiteiten zeer gering, maar toch kunnen zij voldoende zijn om in lange tijdruimten, in oen good mot wortels voorzienen bodem, noemenswaardige uitwerkingen to hebben, waardoor onoplosbare bodombestanddeelen aangetast en door de plant ton nutte gemaakt kunnen worden.
Eene afscheiding van diastatische of inverteerendo fermonton door de wortels kon door schrijver niet goeonstatoerd worden
(Jahrb. f. wissenschaftl. r.
Botanik 29. S. 321.)
CUBEBE (STAARTPEl'EK.)
Voor den handel in cubebe zijn in Europa de markten van Londen en Amsterdam van beteekenis. New-York, dat eveneons direct van Java invoert, dekt hot nog steeds belangrijke verbruik van Amerika bijna geheel alleen. Do verwachting, dat door de
â 556 â
buitengewoon lage prijzen van do laatste jaren, de uitvoer van Java eindelijk zou afnemen heeft zich niet verwezenlijkt; in tegendeel de export is zelfs toegenomen zooals uit de volgende opgaaf blijkt. De uitvoer bedroeg van 1 Juli â 31 Maart.
1891/92 1892-93 1893/94 1894 95 1895 96
1184 2192 1055 2298 2618 picol.
Noemt men bovendien in aanmerking, dat er overal nog groote voorraad is, dan valt er vooreerst aan een stijging in den prijs niet te denken.
Zoolang men er op Java niet op let slechts echte vruchten in te zamelen en uit te voeren, maar doorgaat ook die van andere soorten te verzenden zal de markt niet rijzen.
Dat men op Java zeer goed een onderscheid tusscheu echte en valsche cubeben weet te maken schijnt hieruit te volgen, dat men beide slechts zelden met elkaar vermengd aantreft. L)e valsche zijn voor medische doeleinden ongeschikt. Volgens Peinemann is het microscopisch onderzoek niet voldoende om vervalschingen te constateeren, maar moet men de reactie met geconcentreerd zwavelzuur toepassen. (1)
Do groothandel maakt van deze reactie reeds sedert eenige jaren gebruik bij de beoordeeling van staartpeper en hecht er ook waarde aan, dat do vruchtjes er verschrompeld uitzien en niet â zooals vele der onechte â kogelvormig zijn. Tegenwoordig zijn het voornamelijk de vruchten van l'iper Cuheha var. hudak, die voor vorval-sching in aanmerking komen. Sumatra-cubebe is geen geregeld handelsartikel; bij deze treedt als uitzondering op den regel de roode verkleuring met zwavelzuur ook op, zjj is echter microscopisch van de echte te onderscheiden. r.
(Handels-Bericht van Ge he amp; Co.
September 1896.)
(1) Zie hierover Teysmannia Dl. Ill, blz. 595 waar medegedeeld wordt, dut de Itinoe kuloeiiljur bedoelde reactie (kurmozijnrüode verkleuring) geeft.
OVER DE LIBERIA-KOFFIECULTUUR OP JAVA.
{Vervolg),
h. Vermenigvuldiying door zaad.
Dit is wel de algemeen gebruikelijke metliotle bij de Libe-ria-koffiecultuur. Men tlient te beginnen met eene uiterst /orgvuldigo keuze van het zaaizaad; hiervan hangt vooral bij deze koffiesoort meer af dan men oppervlakkig zou denken. In den 2⢠jaargang van dit Tijdschrift (1891) vindt men reeds door een van ons (W.) in eenige opstellen over âde verbetering der rassen onzer cultuurplantenquot; het ^roote belang in hot licht gesteld van zulk een keuze, terwijl sinds in Amerika 1) mot éénjarige gewassen proeven genomen zijn, die bewezen hoe voordeelig liet is, bjj planten die men om de zaden cultiveert, groote zaden voor het uitzaaien te gebruiken.
In de boven aangehaalde opstellen werd o.a. gezegd: âMen stelle zich eene plant voor, als ik mij zoo uitdrukken mag, als een ideale plant, en neme slechts van de planten, die dit ideaal het meest nabij komen, zaad voor do vermenigvuldiging. Hoe meer men dit beeld in details uitwerkt, hoe meer men zijn best doet, met de uiterste nauwkeurigheid zijne tuinen na to zoeken om de meest geschikte planten voor de voortteling te vinden, zooveel te sneller zal men het dool naderenquot;.
Wij zullen niet ver van de waarheid zijn, als wij ons zulk een ideale plant voorstellen als een krachtige groeier, die ecu goeden vorm hoeft, niet te hoog wordt, veel groote vruchten met niet te dikke schillen voortbrengt, en zoomin mogelijk
1) Zie o. a. Arthur, A new factor in the improvement of crops. Agric. Science IK'JS.
Teysm, VII. 40
â 558 â
vatbaar is voor do ziekten, waarvan de kofftoplant hier gewoonlijk te lijden heeft.
Jiot zal niet zoo gemakkelijk zijn, spoedig een ras Liberia-koiHe te verkrijgen, dat aan genoemde eischen voldoet, vooral daar we hier niet met een éénjarige plant te doen hebben. 15ij éénjarige planten toch, kan men ieder jaar iets nader bij het dool komen en al is die stap nog zoo klein, al is die vooruitgang nog zoo gering, men gaat jaarlijks vooruit. Met eene plant als de Liberia-koffio, die onder normale omstandigheden tot oen boom opgroeit en jaren lang loeft, gaat die vooruitgang dikwijls zeer langzaam, soms nauw merkbaar.
Indien we in een aanplant vau Liberia-koffio nauwkeurig rondzien, bemerken we al spoedig allerlei kleine en grooto verschillen en wij krijgen de overtuiging, dat do planten een bijzondere sterke neiging tot varieeren bezitten. In de eerste plaats is er een groot verschil in den groei en de gedaante der planten. Er zijn er, die spoedig hoog opschieten en zich weinig vertakkon, andere die zich goed vertakken en een fraaien, bijna pyra-midalen vorm hebben; sommige worden heftig door blad-ziekte, djamoer oepas en andere kwalen aangetast, daarentegen zijn er exemplaren, die, hoewel door zieke boonion omringd, krachtig doorgroeien en geon de minste sporen van ziekte vertoonen. Natuurlijk kan de voedingstoestand van don boom op enkele dier eigenschappen wel van invloed zijn en ook zijn er verschillen waarvan de oorzaak gemakkelijk is na te gaan; zoo zullen b. v. planten, die te dicht bij elkaar geplant zijn, of die te donkere schaduw hebben, spichtig opschieten. Van een der-gelijken aanplant zullen de aan de wegen staande exemplaren, die meer ruimte hebben en betor van licht en lucht genieten er krachtiger uitzien.
In den vorm en de grootte der blaren vindt men belangrijke verschillen. Het verschil in don vorm der vruchten is eveneens groot, zoo ziet men vruchten die aan den top plat zijn; het litteoken van don stijl is bij sommigen groot, bij anderen klein, ook de grootte der vrucht loopt zeer uiteen Zeer jonge boomen dragen veelal groote vruchten. Nquot;iet altijd
lovoron echter de planten met de grootste vruchten het meeste product, men hoeft hier bovendien te letten op de verhouding van het gewicht der vrucht tot dat der bereide koffie; ofschoon er nog een groot aantal afwijkingen en verschillen te consta-teeren zijn, is het aangehaalde toch voldoende om bij de keuze van dienst te zijn.
Niet onwaarschijnlijk zal do Liberia-koffie zicii hier langzamerhand naar bodem en klimaat schikken en men op plaatsen waar genoemde factoren het gunstigst zijn, op den duur een ras zien ontstaan, dat boter is dan de jarenlang in minder gunstige streken geteelde koffie. Dit zjjn natuurin-vloeden waarin editor dooi het werk van don bekwamen en vooruitstrevendon planter zeker ten goede ingegrepen zal kunnen worden.
Er kan daarom, bet zij hier herhaald, niet te voel zorg aan de keuze van het zaaizaad besteed worden.
In de eerste plaats moet men gezonde goeddragende, niet te oude noch te jonge boomen uitkiezen en daarvan de grootste en zwaarste zaden nemen. De bereiding van het zaad is zeer eenvoudig. De vruchten worden voorzichtig opengemaakt â het zekerste is 't wellicht ze te laten stuk bijten â en de versch gepulpte koffiezaden kan men dadelijk uitzaaien. Wil men ze verzenden, dan laat men ze 24 uur in niet te groote hoeveelheid op een hoop liggen. Dan wascht men ze ter deze en droogt ze in de schaduw. Soms vermengt men de versch gepulpte zaden wel direct met een ruime hoeveelheid asch of houtskoolpoeder en droogt ze dan in den wind. Het verschil in grootte en gewicht der Liberia-koffiezaden is zeer opvallend en proeven, door een van ons (v.R.) in de laatste jaren in den Cultuurtuin genomen, leerden, dat men uit kleine zaden zwakke planten krijgt. Het is trouwens een algcmeene regel dat groote zaden sterkere planten, met grooter geschiktheid voor vermenigvuldiging, voortbrengen dan kleine zaden der zelfde soort. Ihj aankoop van Liberia-koffiezaad zal men dus wel doen te verlangen dat 100 stuks zaden in do hoornschil minstens een volume van 75 cM3 innomen. Gewoonlijk geeft het
â 560 â
aantiil grammen, dat 100 zaden wegen, tevens ook aan het aantal cM8 dat zij innemen; maar daar het watergehalto dor zaden nog al verschillen kan, zal men beter doen ze te meten
Om zeker te zijn dat men goed kiemkrachtig zaad heeft â indien men 't ten minste niet zelf verzameld en bereid heeft â kan men van elke partij een honderdtal zaden in potten of in een kistje uitzaaien of, wat gewoonlijk sneller tot liet doel voert, een zelfde aantal op ceu donkere plaats tusschen voortdurend vochtig gehouden vloeipapier leggen. Men ziet dan, afhankelijk van den ouderdom of de hardheid van het zaad, na korter of langer tijd (1â5 weken) het witte kiempje in de nabijheid van het spitse uiteinde door den hoornschil heenbre-ken. Zaad dat langer dan twee maanden zonder bijzondere voorzorgen bewaard werd, heeft meestal zijn kiemkracht verloren.
Men heeft wel voorgesteld en door sommigen is liet ook toegepast, om vóór het uitzaaien de hoornschil te verwijderen, con bewerking die echter â vooral indien men veel zaden heeft uit to leggen, zoodat men ze niet behoorlijk controleercn ]{iXn â niet aan te bevelen is. De zaden ontkiemen niet noemenswaard eerder en zijn meer aan schadelijke invloeden blootgesteld.
De grond van de kweek- of kiembedden moet vruchtbaar en ter dege omgewerkt zijn, terwijl natuurlijk voor goede afwatering gezorgd moet worden. De somtijds verkondigde theorie, dat de jonge plantjes het in hun jeugd minder goed moeten hebben dan later berust op een dwaalbegrip. Natuurlijk is overdrijving aan den anderen kant evenzeer af te keuren.
De invloed van de vruchtbaarheid van het kweekbed op de jonge planten is duidelijk in het oog springend; men verkrijgt op vruchtbaren grond, bij overigens goede behandeling, sterke, donker groene planten, terwijl op schralen grond zwakkere, dikwijls door stikstofhonger geelgroene, individuen verkregen worden.
Men kan aan de kweekbedden niet te veel zorg wijden, het geld en de moeite, die men daaraan besteedt, worden dubbel en dwars vergoed. Het is aan te bevelen bedden te maken van 1 â1,10 M. broed, waarvan dan het midden gemakkelijk door
den niet het schoonhouden belasten werkman bereikt kan worden, en zo omstreeks een halven voet hooger te nemen dan de paden.
De bovengrond wordt bij de bewerking eerst tot 1' diepte weggenomen, dan laat men den ondergrond 1' diep patjoclen en brengt er na een of twee weken den, zoo noodig met een weinig stalmest of compost vermengden, bovengrond weder op. Om ruime keuze van krachtige planten te hebben is het raadzaam minstens twee maal meer zaad uit te zaaien, dan men planten noodig hoeft. De grootere uitgaaf, die men daardoor aan zaad en aan aanleg van kweekbedden heeft, wordt later ruimschoots opgewogen door de grootere opbrengst van de tninen.
Soms legt men de zaden eerst op behoorlijk bedekte, zoogenaamde kiembedden uit, op afstanden van 5â8 cM., en plant de ontkiemde zaden op de kweekbedden over. Proeven met deze methode gaven in den Cultuurtuin geen resultaten die haar aanbevelingswaardig doen schijnen. .Met hoeveel zorg de overplanting ook geschiedde, tocii bleken er later vele planten met krommen penwortel ontstaan te zijn. Afknijpen van den penwortel der kiemplanten, om hen te dwingen meer zij-en haar wortels te maken, had niet liet verwachte gevolg. Bij sommige planten was na 6 maanden de penwortel nog langer dan van de niet ingekorte en bereikte hij een lengte van 35 cM. Zijn er dus geen overwegende redenen, zooals het niet gereed zijn van de kweekbedden, gebrek aan voldoende water, minder goed zaad, zoodat men later veel hiaten zou hebben, enz., dan is liet af te raden. Enkele planters legden de zaden in vochtig zand of in dedek te kiemen.
De kweekbedden die men, zooals reeds vroeger door den lieer Kikyits werd aangeraden (Teysm. I. blz. 90), liefst in de richting Oost-West aanlegt, moeten door afdaken van alang-alaag, atap of soortgelijk materiaal tegen het zonlicht en de slagregens beschermd worden; op Java zoodanig, dat de hoogere zijde aan de noordkant komt. Aan de oostzijde kan men dan do bedden ook nog een weinig beschutten gedurende de eerste maanden na het uitzaaien.
â 5G2 â
Do zaden moot men vooral niet te diep uitleggen. Kan men, zoodra hot noodig is, behoorlijk begieten, dan kunnen ze iets ondieper uitgezaaid worden dan wanneer men niet over een voldoende hoeveelheid water te beschikken heeft ot' slechts afhankelijk van het hemelwater is. Een diepte van 2 cM. zal echter wel als maximum genomen moeten worden.
Gewoonlijk plaatst men de zaden met de platte zjjdo naar beneden. In den Cultuurtuin genomen proeven om door andere plaatsing â holle zijde naar bonedon, rechtop, mot hot spitse of niet bet stompe uiteinde naar boven â een minder percentage aan kromme ponwortels te krijgen, hebben geen noemenswaardige verschillen in dit opzicht gegeven.
Do plantwijdte iu de kweekbedden wordt door verschillende planters verschillend groot genomen en loopt uiteen van 15â 25 cM.
Totdat do zaden ontkiemd zijn boude men den grond los en matig vochtig, later kan men meer water geven. Wieden en losbonden der aarde blijven ecliter gowenscht. Waar men geen water heeft moot men door dichtere bedekking en vooral door tegenhouden van den wind, die do verdamping zoo sterk bevordert, er voor zorgen dat de bovenlaag, waarin de kof-tiezaden liggen, niet uitdroogt. Naarmate de planten grooter worden is het noodig do bedekking ijler te maken en tegen den tijd, dat men overplant, zal het licht waaraan men de planten blootstelt zooveel mogelijk moeten ovoreenkomen met dat, waaronder zij in de tuinen komen te staan. Indien de planton 1 âI J voet hoog zijn, wat, afhankelijk van verschillende omstandigheden, na 6â12 maanden het geval is, zijn ze geschikt om overgeplant te worden op hun blijvende standplaats.
Het overplanten geschiedt op West-Java veelal met kluiten (poeteran's), die met een stuk blad omwonden worden tijdens bet vervoer naar de tuinen. Maakt inen deze kluiten aan de onderzijde een weinig los, zoodat do ponwortcl bloot komt, dan kan men zien of deze beneden behoorlijk recht en gezond is. Velen snijden den penwortel, indien hij te lang is en uit de kluit steekt, af. Natuurlijk is bet niet te zien of de wortel in de
â 563 â
nabijheid van den stam reeds afwijkingen vertoont. Bij krach-tigo planten, die goed behandeld zijn, is de kans daartoe echter niet zoo groot. Zwak uitziende of gele planton moot men in geen geval in de tuinen brengen.
Vele planters geven de voorkeur aan liot gebruik van tjaboetan's, dat zijn planten die men voorzichtig uitgestoken of uitgetrokken heeft en die dus zonder aarde naar do tuinen overgebracht worden. Men heeft dan het voordeel hot wortelstelsel behoorlijk te kunnen nazien en planten met vergroeide of slecht ontwikkelde wortels te kunnen verwijderen. Do Liberia-koffieplant is zeer sterk, zoodat de uitgetrokken planten eenige dagen buiten de aarde kunnen blijven. Ja, zelfs berichtte een ervaren planter ons, dat van tjaboetans, die eerst 16 dagen na het uittrekken geplant werden, nog 95 0/0 slaagden ! Het spreekt echter wel van zelve, dat het beter is do wortels niet langer dan noodig is buiten den grond te laten.
Het is opmerkelijk dat er onder de jon^c Liberia-koffie-planten, zelfs al heeft men aan den grond in de kweekbedden veel zorg besteed en dien zooveel mogelijk fijn laten maken en doen zuiveren van steentjes enz., toch betrekkelijk zoovele met krommen, soms zelfs tot een lus vergroeiden, penwortel voorkomen.
Trekt men in een kweekbed de slecht uitziende plantjes uit den grond, dan vindt men daaronder een zeer groot percentage met krommen wortel. Plant men zulke exemplaren uit, dan verkrijgt men geen goed groeiende boomen, zij blijven achterl ijk en vormen weinige en dan meest geelachtig gekleurde blaren. Men doet daarom beter zulke planten niet te gebruiken en ze eenvoudig weg te gooien.
Onder de goed uitziende krachtige planten vindt men echter ook nu en dan wel eene waarvan de penwortel verkrommingen heeft, die dan echter minder slechten invloed schijnen te hebben.
Over de oorzaken dezer abnormale wortelontwikkeling is nog met zekerheid niets bekend. Soms kunnen natuurlijk uitwendige mechanische prikkels in het spel zijn, waardoor de
â 564 â
groei op enkele plaatsen gestoord wordt, zoodat er een verkromming optreedt. Zooals echter reeds werd opgemerkt komen dikwijls op kweekbedden, waarvan de grond met de meeste zorg behandeld werd, misvormingen even goed voor.
In 't algemeen zal men goed doen de kweekbeddingen op nieuwen grond aan te leggen; moet men echter do oude bedden gebruiken, dan zal door het opbrengen van een laag bladaarde of door bemesting met stalmest en compost de vorige vruchtbaarheid aan den grond weergegeven kunnen worden.
QllONDliEWEUKING.
Mag men over het algemeen in het landbouwbedrijf reeds niet generaliseeren, nog meer bijzonder is zulks liet geval bij liet geven van voorschriften voor do bewerking van den bodem.
Hot is juist bij de Liberia-koffie-eultuur zulk een uiterst gunstige omstandigheid, dat zij op zeer verschillende gronden goede resultaten geeft, ook daar waar de Java-koffie niet meer slaagt of slechts gedurende weinige jaren oogsten geeft.
Liberia-koitie wordt geplant, zoowel op pas ontgonnen bosch-grond, als in afgeschreven Java-koffie-tuinen en in oude theetuinen, op sawah- en tegalgronden, enz., bovendien kan er nog groote verscheidenheid in de grondsoort zelf bestaan. Men vindt tuinen op zand en klei even goed als op daartusschen liggende mcngsols.
liet ligt voor de hand, dat al deze grondsoorten niet dezelfde bewerking verlangen, wat voor de één goed is zoude voor do andere minder gewenscht kunnen zijn. Zoo kan men a priori aannemen, dat zware gronden meer bewerkt moeten worden, dan lichte gronden; dat zulks echter ook niet altijd opgaat zien we o. a. uit de interessante brochure over Liberia-koffie-cultuur van den heer F. W. Mokken (Maart 1894). ])o heer M. zegt, âzoo zagen wij op liet Kloetgebergte de beste resultaten met het 2 of 3 maal 's jaars diep omwerken van den bodem; terwijl wij op het Zuidergebergte eene onderneming bezochten, die prachtig stond, regelmatig schitterende oogsten afwierp en, het was in den vollen oostmoesson, waar de zware
â 565 â
eenigszins kalkachtige kleibodem vol scheuren was, in sommige waarvan men de hand tot over halfweg den ellohoog kon verbergen; de administrateur verklaarde, slechts eenmaal 'sjaars te laten patjoelen en zelfs weinig aan liet dichtmaken der scheuren te doen. In de Preanger is algemeen liet oordeel, dat do grond tusschen de boomen niet omgewerkt mag worden ââdan patjoelt ge de boomen doodquot;quot; zegt men daarquot;.
In Augustus 1894 verscheen er ceue zeer lezenswaardige brochure van den heer \V. Pelle van Palemhang over Liberia-koffie. Schrijver begon mot zeer primitieve grondbewerking en de resultaten waren bedroevend; hij kwam toen door evva-ring tot de overtuiging, dat een intensieve grondbewerking voor Liberia-koffie noodzakeljjk is. Hij zegt: âDe plantgaten moeten 2 a 3 voet diep zijn; ter aanvulling is het raadzaam alleen de bovenste aardlaag te gebruiken. Op leem en klci-houdende gronden, moet het lang openstaan der plantgaten vermeden worden, wijl de zon de met de patjol glad gehakte wanden geheel en al hard brandt, en de jonge plant later als het ware in een ketel komt te staan.
Zoodra do jonge planten ongeveer drie maanden na bot uit-planten beginnen door te groeien, moet do grond op I voet afstand van den stam rondom ongeveer drie voet breed, diep omgewerkt worden, na drie maanden bewerkt men den gr.ond verder, en nogmaals drie maanden later bewerkt men do rost van den grond tusschen de planten.
Indien dus de bodem het eerste jaar ongeveer 4 maal, in hot 2lt;i driemaal en in het 3e en 4° tweemaal doch op grooter afstand van de boomen diep bewerkt wordt, zal de kofïieboom spoedig rijke oogsten afwerpenquot;.
Ue hier aangeprezen werkwijze is dus, eerst goede, diepe plantgaten maken, en daarna langzamerhand den verderen grond diep omwerken, zoodat na verloop van een jaar de geheele bodem diep is omgewerkt; dit zoude dan in de eerste vier jaren herhaald worden, op grooten afstand van de koffieplanten. Verder zegt de lieer Pelle als de boomen een zekeren ouderdom en hunne wortels een daarmede overeenkomende diepte en
â 566 â
uitbreiding verkregen hebben, dan is eon verder woelen in den grond eer na- dan voordeelig. Ten einde nu oen oordeel te kunnen vormen omtrent de resultaten eencr intensiove ofoener primitieve grondbewerking, nam schrijver proeven met enkele hoornen en ook op grooter schaal, en bevond hierhjj, dat do hoornen en de opbrengsten bij diep bewerkten bodem geheel anders waren, dan die waarbij goeue bewerking geschied was. Ook veel later onderscheidden zich de eersten door schoonoren wasdom en rijkere opbrengst. Tot zoover do heer Pelle.
Een belangrijk opstel over het nut van grondbewerking komt voor in de âForschungen anf dem Gobioto der Agriculturphysikquot; XVI11 S. 63. De bekende landbouwkundige Prof. AVollny zegt, dat do invloed van do grondbewerking tot nog too slechts zelden een onderwerp van nauwgezette onderzoekingen geweest is. Hij nam tal van proeven met grondbewerking van 18 cM. tot 36 cM. diep en beplantte verschillend bewerkte stukken grond met éénjarige gewassen; het resultaat der prooven was:
1quot;. dat door het losmaken van den grond de vruchtbaarheid verhoogd werd en wel bjj do meerderheid dor vruchten in eon aanzienlijken graad.
2°. dat de diepe bewerking tegenover de oppervlakkige eene stijging van de opbrengst ton gevolge had; echter in zeer verschillenden graad.
In den Gen jaargang van dit tijdschrijft, 1895, pag 549, vindt men oen uitvoerig referaat over genoemd opstel.
In het Buitenzorgscho, waar zeer veel Liberia-koffie is geplant, geschiedt zulks voor een groot deel op tegal- en ook wel opsawah-gronden. Enkele planters meenden in het begin, dat men hier evenzoo te werk kon gaan als met gewone Java-koffie op humusrijke pas ontgonnen boschgronden in do bovenlanden, dat dus eene oppervlakkige grondbewerking voldoende was. De nadeelige gevolgen lieten zich niet lang wachten, hoewel de Liberia-koffie een krachtige plant bleek en in het begin wol groeide, begon zij editor spoedig te kwijnen; er kwam weinig van terecht. Door ervaring geleerd past men hier tegenwoordig bijna overal eene zeer intensieve grondbewerking toe.
Het ligt ook voor de hand; Je bovcng-onoomclo gronden zijn vast en weinig poreus, de physische toestand moet golieel veranderen zal de koffie er welig op groeien. Deze verandering verkrijgt men in de eerste plaats door intensieve bewerking, vervolgens door Immusbeiiiesting en eindelijk door hot planten van doelmatige schaduwboomen. Deze drie factoren met oordeel toegepast, kunnen den bodem in den gewensciiten toestand brengen, zoodat Liberia-koffie er welig op groeit en, zoo noodig mot bemesting, goede oogsten afwerpt.
Hot maken van ruime plantgaten en liet langzamerhand diep omwerken van den eerst van glagali en alang-alang gczui verden grond, zoodat na verloop van eenigen tijd liet gelieele terrein behoorlijk mul is, zal wel algemeen instemming vinden; hot wordt hier ook nogal ia toepassing gebracht. Een andere kwestie is echter de latere bewerking; als de koffie al groot is en de wortels der planten zich overal in den bodem verspreid hebben is de toestand geheel anders geworden; dan kan men door te zware grondbewerking de wortels beschadigen, waardoor do plant kan lijden. Over deze bewerking zijn de planters het vooral niet eens. Zij zeggen, zooals de heer Pelle, na het vierde jaar is grondbewerking eerder na- dan voordeelig. Zulks is echter niet geheel juist; het kan en zal op de meeste gronden, evenals bij de Java-koffie, hier later ook nog wol noodig zijn nu en dan eene flinke grondbewerking toe te passen, vooral indien door de zware regens en door het loopen in do tuinen de bovenlaag hard is geworden. Ãat zulks met eenige voorzichtigheid geschieden moet, opdat er niet moer wortels vernield worden dan noodzakelijk is, zal wel niet verder behoeven te worden aangetoond. 3[en gebruikt voor dergelijk werk hier gewoonlijk de z. g. patjocl tjagak, een patjoel evenals een mestvork mot tanden, waardoor aanzienlijk minder wortels besciiadigd zouden worden dan door de gewone patjoel. Hoe dikwijls en wanneer deze bewerking geschieden moet hangt van verschillende omstandigheden af; zulks moet plaatselijk uitgemaakt worden.
Ook hier loopen de meeningen der practici nogal uiteen; zoo
â 5C8 â
schrijft ons de lieer L. Bos Janszen van Loeboek Selasih, Padang:
âMeermalen hoort of leest men over de voordeolen van grondbewerking met vorkpatjols, omdat hierdoor do wortels minder beschadigd worden. (Zie o. a. Teysm. atl. 4, jaarg. 7 blz. 198). Het wil er bij mij niet in, dat men met een vorkpatjol de wortels minder beschadigt. Bij hot inslaan van de vork zullen vele wortels reeds door de tanden geraakt worden en leelijko kneuzingen bekomen.
De wortels dio tusschen de tanden liggen en onbeschadigd bleven, zullen veel te lijdon hebben bij hot optrekken van de vorkpatjol en liet oplichten van de aardkluit.
Het is zoo iets als 't trekken van een kam door een verwarde haarmassa.
Sommige wortels zullen afscheuren; andore, sterk genoeg om weerstand te bieden, worden allicht geraspt en gekneusd door de, er langs schuivende, tanden.
Met een gewone patjol, mits goed scherp, zal men de wortels niet verscheuren, schaven on uit elkaar rukken, maar eenvoudig afkappen on hierdoor vrij zuivere snijvlakken verkrijgen, waarop zich weldra oen groote menigte haarwortels ontwikkelen. Op deze wijze is grondbewerking tevens wortelsnoei, die even nuttig is als snoeien van stamdeelen. Maar men moet zorgen voor goed geslepen gereedschap, niet to dicht bij den stam komen en de bewerking niet te dikwijls herhalen. Mot een botte patjol zal men don wortel op 't punt waar hij afgeslagen wordt, min of meer verpletteren en zullen vele wortelstompjes rotten in plaats van callus te vormen. Men moet do nieuwe haarwortels volle gelegenheid geven in don omgewerkten grond to dringen en voedsel op te nomen, dus: ze langen tijd met rust latenquot;.
Over het algemeen wordt hier met succes eeno zware, open drainage bij de cultuur der Liberia-koffie toegepast, geulen tusschen de 2 a 3 voet diep worden dikwijls tusschen iedere rij koffie-boomen gegraven. Behalve dat hierdoor het overtollige water spoedig wegloopt, wordt de geheele bodem er poreuzer door en een
â 569 â
krachtige invloed op de verbetering van den physieken toestand is hiervan liet gevolg. Op hollende terreinen loopen gewoonlijk de geulen niet door, zjj zyn hier en Jaar onderbroken; door het snel stroomende regenwater zoude bjj doorloopende goten te veel grond medegevoerd worden en zjj zouden hoe langer hoe dieper worden. Nu daarentegen vullen die geulen zich langzamerhand met aarde, bladeren enz., die van tijd tot tijd er uitgehaald en mot den bovengrond vermengd worden. Elders laat men de geulen zich eenvoudig vullen met dit afval; zijn zij eenmaal vol, dan worden er weder andere gaten gegraven en zoodoende wordt het geheele terrein bewerkt en tevens bemost. Aanleg van terrassen is op hollend terrein natuurlijk noodig, wil men de vruchtbare bouwkruin op don duur niet verloren zien gaan.
AVij mogen wel aannemen, dat het op zware, vaste gronden zonder intensieve grondbewerking, en op schrale op den duur zonder bemesting niet gaat en dat minder goede of' slordige bearbeiding van den bodem zich steeds wreekt; minder krachtige groei, ziekte in het gewas en minder product zullen daarvan wel de gevolgen zijn.
Waar aanleiding der door ons in eenige vorige afleveringen gestelde vragen, hadden enkele II. H. planters de groote wel-quot;willendheid ons meer of minder uitvoerige modedeolingon te doen. Die over de ontginning komen bijna allen daarin overeen, dat plantkuilen gemaakt worden, bjj de meeste 2 voet in 't kubiek, terwijl de grond bovendien op meerdere of mindere diepte werd omgewerkt en schoongemaakt. Sommigen laten het geheele terrein op l'/g voet diepte omwerken on behoeven dan natuurlijk ook maar kleine plantgaten te laten slaan. Bjj de ontginning van het terrein moet men natuurlijk rekening houden met de plantwijdte die men kiezen wil. Op Java wordt bjjna algemeen aangenomen, dat een onderlinge afstand derboomen, van 12 vt. voldoende is. Ook hier geldt de regel,,niet gene-raliseerenquot;! Zoo schrijft de heer IliBiiius: (âRapport over een proef-aanplant van Liberia-koffie bjj Batoe Panggal, Koetei.quot;) âIn de tuinen van den Sultan van Koetei is de afstand van 12
vt. gebleken te gering tc zijn on is men daar nu op 14vt. af-stand gaan plantenquot;.
Indien wij hier bjjv. in 6 k 7 jarige aanplantingen, waar de koffie op 12 voet afstand staat, waarnemen dat de aanplant nog bij lange na niet gesloten is, den laat het zich aanzien dat een afstand van 12 voet waarschijnlijk wel voldoende zal zijn. Vruchtbaarheid van den grond en gunstige klimatologische omstandigheden zijn liierbjj van zeer grooten invloed. In deze streken plant men echter op sawah- en tegalgronden, terwijl men in Koetei over maagdelijke humusgronden beschikt; ook liet klimaat aldaar schijnt bijzonder geschikt voor do Liberia-koffie.
Er is echter meer. Als men ziet, dat 6 a 7 jarige boomen hier nog geen gesloten aanplantingen vormen, dat dus een groot gedeelte van den bodem onbenut en onbedekt blijft, dan komt onwillekeurig bij menig planter de vraag op, of niet gedurende de jaren, dat de Liberia-koffie liet geheele terrein nog niet noodig heeft, iets anders geplant kan worden, al maakt hot product daarvan slechts de exploitatiekosten goed. Ook zal het onderhoud dan goodkooper zijn, daar op bedekte gronden weinig of geen onkruid groeit.
Jlet ligt voor de hand, dat sommigen op het denkbeeld kwamen in het begin de Liberia-koffie dichter bij elkaar te planten om er zoodra zulks noodzakelijk zou blijken eeu doel uit te kappen. Er ziju hier in do buurt en in de Preanger Regentschappen ondernemingen waar bij wijze van prooi op enkele stukkon de Liberia kollie op (i voet afstand geplant is, en waarvan al eonige fraaie oogsten verkregen zijn; dergelijke aanplantingen brengen natuurlijk in de eerste jaren het viervoud op van tuinen waar dadelijk op 12 voet geplant is. De voordooien zijn in het begin niet gering tc achten, in de eerste plaats om hot moer-dere product en in de tweede plaats om liet mindere onderhoud. Wij vormoenen toch tot voorzichtigheid in deze te moeten aansporen; de mooieljjkheid ligt hier: men komt er ongedwongen niet toe de koffie tjjdig uit tc kappen; wie kapt oen boom om beladen mot jonge of met rijpe vruchten? En zulks is met
â 57] -
Liberia-koffie bijna altijd het geval. Soms komt hierbij dan nog liet bezwaar, dat men dikwijls minder goede exemplaren moet laten staan om een gercgelden aanplant to houden.
Uo boomen komen dientengevolge te dicht te staan, en men heeft groote kans al do schadelijke gevolgen van dien toestand te ondervinden, zooals daar zijn van onder kale, hoogop-schietende, zwakke boonion, ziekten enz.
Ooede resultaten zijn daarentegen op sommige ondernemingen verkregen door Liberia-koffie op 12 voet te planten en daar tus-schon Java-koffie, ook op 12 voet, zoodat er in het geheel 100Ã planten op een bouw kwamen. Enkele planten ook wel de Java-koffie er tusschen op G voet afstand. De bedoeling is natuurlijk zoodra zulks noodig is, de Java-koffie weg te kappen. Zooals bekend is, leeft hier in de benedenlanden en in verscheidene hooger gelegen streken tegenwoordig ook do Java-koffie niet lang; over het algemeen zal zij het tegen hare sterkere zuster in den strijd om het bestaan niet uithouden en zullen na eenige jaren een groot deel ervan zelf verdrongen worden. Ook de bezwaren aan het wegkappen verbonden zijn niet zoo groot; na ruime oogsten zien de boomen er gewoonlijk treurig uit en de planter gaat, wanneer het nuttig blijkt, zonder veel hartzeer tot hot verwijderen der Java-koffie over.
Wij zagen 4 en 5 jarige aanplantingen, waar vooral de Java-koffieboomen beladen mot vruchten -stonden en waar wel een paar picool por bouw van geoogst werd. Er was hier nog geen kwestie van, dat de boomen elkaar hinderden.
liet planton van éénjarige gewassen in do jonge koffietuinen verdient geen aanbeveling.
In het bovengenoemde rapport van den heer Ribbius, komen nauwkeurige borekeningon voor van de wijze van het uitzetten van houtjes voor het maken der plantgaten. Aangenomen wordt in Kootei de afstand van 14 voet, plant men in liet vierkant dan gaan er slechts 400 boomen op een bouw, plant men echter op den zelfden afstand in de ruit dan gaan
â 572 â
er 4()0 op, d.i. 600 per hectare, wat echter niet wegneemt dat iedere plant dan ook zooveel minder oppervlakte â cn dus ook gewicht grond â tot hare beschikking heeft (1).
De âHandleiding voor de plant wijzen ten bohoeve van alle cul-tuurgowassen door W. R. Hora Ademaquot;, geeft uitvoerige studiën over dit onderwerp. Schrijver geeft tabellen, waarop het verschil van de plantwijze in het vierkant en in de ruit ten gunste van laatstgenoemde manier wordt aangetoond. De grootste afstand, die in do tabellen voor koffie voorkomt, is 10 voet; dan gaan er in het vierkant geplant 720 en in de ruit 831 op een bouw, dus 111 boomen meer, werkelijk een gunstig verschil voor genoemde plantwijze, behoudens het boven opgemerkte. Wie meer van deze zaken wenscht te weten, leze genoemde handleiding.
Hoe men bij do ontginning en liet uitzetten der plantgaten enz. in de praktijk te werk gaat zullen wij hier niet behandelen. Do onlangs verschenen en in dit Tijdschrift (zie blz. 366 van dezen jaargang) besproken handleiding van don Heer Morren geeft voor hen, die in dit onderwerp belangstellen, tal van wenken.
Behalve met de koffieboomjcs zelven moet men bij de ontginning reeds rekening houden met het planten der scha-duwboomen. Over de keuze eu behandeling daarvan zullen wij in liet volgende hoofdstuk een cn ander mededeelen.
v. R. amp; W.
{Wordt vervolyd)
(1) De Heer Ribbius neemt ten onrechte aan, dat de boomen hunne wortels als 't ware in een cirkelvlak zouden uitbreiden, zoodat er bij de plantmethode in het vierkant grond onbenut zou blijven.
IETS OVER DE VERSCHILLENDE GROEPEN ONZER GECULTIVEERDE ROZEN.
Het boste middel om planten van elkaar te onderscheiden is in do praktijk te zoeken; iemand die dagelijks met planton omgaat, zal, indien lnj niet geheel van opmerkingsgave verstoken is, er spoedig een groot aantal kennen, zonder dat hij er zich speciaal op toegelegd heeft, do onderscheidingskenmerken te bestudeeren. Veel sterker komt zulks aan den dag bij personen, die zich slechts met één plantengeslacht, al iieef't dit ook nog zooveel soorten en variëteiten, bezighouden. Zoo zullen u rozenkweekers met langjarige ervaring, zelfs in een tijd als de rozen bladerloos zijn, de juiste namen noemen; zij herkennen ze eenvoudig aan liet hout. Voor sommige nog al uiteenloopende variëteiten is hot ook niet moeielijk; ieder rozenliefhebber op Java, zal ook zonder dat er bloemen aan do plant zijn, Paul Neyron, Madame More,au, La France, Gloire da Dy on, Flora en andere dergelijke, gemakkelijk alleen aan de stengels, liet blad en de groeiwijze herkennen. Ofschoon er dus tusschen een aanzienlijk aantal rozen verschil genoeg in de variëteiten valt waar te nemen, is hot voor een leek niet altijd even gemakkelijk de verschillende groepen rozen uit elkaar te houden. Zoo hoort hij spreken van hybride-remontant-, thee-, Bourbon-, Noisette-rozen enz. zonder zich goed rekenschap te kunnen geven tot welke dezer groepen zijne rozen behooren.
Ten einde hieraan eenigszins te gemoet te komen, heeft de heer Grosdemange eenige kenmerken dor genoemde groepen aangegeven in een opstel, dat hij in de âRevue Horticolequot; van 1 Sopt. 11. heett geplaatst. Ik noem hier een en ander uit genoeind opstel over, omdat het mogeljjk ook de rozenliefhebbers in Indië
Teysm- Vil. 41
â 574 â
op wog kan helpen. Voor eeue goede cultuur is het nuttig als hij weet tot welke groep zijne rozen behooren, daar er inde behandelingswijze en vooral in het snoeien nog al verschil bestaat.
De groepen zijn gerangschikt naar hun ouderdom, dat wil zeggen naar het tijdstip waarop zij hun intrede in den tuinbouw deden;
Itosu gallica, Provincieroos â centifolia, Houderdbladerige roos â damascena, Damascener roos â portlandica, Portlandsche roos.
Deze vier rassen zijn hier bij elkaar gebracht, omdat zij zeer veel op elkaar gelijken en van eenzelfde soort schijnen at' te stammen, wier oorsprong zich in den nacht der tijden verliest.
Eenige rozenkenners meenen dat deze soort de Rosa damas-cena is, andere nemen hiervoor Rosa centifolia aan, terwijl weer anderen Rosa t/allica als do oorspronkelijke soort aanwijzen. De laatste hypothese vindt de meeste aanhangers.
In de eerste helft dezer eeuw waren er bij lange na niet zooveel rozenvariüteiten als thans. In den âBon Jardinierquot; (een toongevend werk in die dagen) van 1840, vindt men oene opgaaf der toen bekende variëteiten, liet totaal hiervan bedroeg slechts 201 verscheidenheden, hieronder belioorden er 154 tot Rosa (/allica, 42 tot Rosa centifolia, 24 tot Rosa damascena en 41 tot Rosa porlandica; al deze rozen zoekt men thans te vergeefs.
Indien wij een Catalogus der tegenwoordige rozenkweokers ter hand nemen, zien wij dat de genoemde rozenvariëteitcn daar ver in de minderheid zijn en dat het grootste gedeelte der nieuwere rozen bestaat uit hybride remontant-, thee-. Bourbon-, Bengaalsche m Noisette-rozen.
Al de tot groep I. bohoorende rozen hebben een krachtigen groei, met rechtop groeiende stevige stengels, die weinig vertakt zijn en een aschgroene kleur hebben, zij zijn gewapend met een groot aantal stekels van verschillende grootte, de meeste stekels zijn klein en zwak, andere zijn langer, krachtiger en
â 575 â
cenigszins omgebogen, twee dier groote stekels staan dikwijls tegenover elkaar bij ieder oog.
De jongste bladeren en takjes dezer rozen zjjn gewoonlijk helder groen; vooral de Rose de province en centifolin liebben de eigenaardigheid, uitspruitsels â waterloten â uit het onderste deel van den stengel te doen ontstaan. Door deze uitspruitsels worden zij gewoonlijk vermenigvuldigd, liosa damascena en porflandica kunnen gemakkelijk van stek voortgeteeld worden, indien men ze onder glas in de volle zon stekt en dikwijls begiet.
Rosa (jallica en centifolia bloeien slechts eens in het jaar, Rosa damascena en portlandica daarentegen zijn doorbloeiers. Allen verdragen onbeschermd den winter in Midden-Europa. Verreweg de meeste variëteiten der genoemde rozen zijn minder geschikt voor de tropen, hoewel ze meestal goed groeien bloeien ze hier hoogst zelden of in het geheel niet.
( Rosa hengalensis, Bengaalsche roos l0C'5 ' I â indica, Indische of theeroos.
Ook deze beide rassen vertoonen voel overkomst, do eerstgenoemde is in Nederland meer bekend onder den naam van maandroos, beiden behooren tot de beste rozen voor ons klimaat.
De Bengaalsche roos werd omstreeks 1771 in Engeland geïmporteerd, terwijl van de theeroos het eerst gewag werd gemaakt in 1793, naar aanleiding van een exemplaar in het bezit van een Engelsch bloemenliefhebber. Beide soorten en vooral de laatstgenoemde hebben thans een groot aantal verscheidenheden, zij onderscheiden zich van eerstgenoemde groep door meerdere vertakking, door dunnere en slankere takken. Bij eenige is de groeiwijze gedrongen, terwijl er ook onder aangetroffen worden met lange buigzame takken, zooals bij de z.g. klimrozen, b.v. Maréchal Niel, Gloire de Dijon, Madame Bdrard, Reine Marie Henrieite enz. De takken hebben soms aan den lichtkant een rose tint, de stekels zijn ongeveer even groot en iets omgebogen, bij de laagblijvende variëteiten zijn zij talrijker, kleiner en van zeer scherpe punten voorzien.
â 576 â
Het jonge loot' is nog al karakteristiek, het is meestal min oi meer donkerrood getint. Zij kunnen zoowol door stekken, als door enten en oculeercn vermeerderd worden, zij verdragen onbedekt den winter in Midden-Europa niet.
Groep III. Rosa Borhonica, Bourhon-roze)i.
lieeds in liet begin dezer eeuw kwamen dc Bourbon-rozen in cultuur, zij verschillen van de vorige door hun stevige gladde stengels en Hinke vertakking, de takken hebben een donker groene kleur, zjjn spaarzaam voorzien van korte stekels met een grooten voet, donkerbruin gekleurd en licht omgebogen.
Het jonge loot heeft dikwijls een bronsachtig groene tint, zooals het bij Souvenir de la Mahnaison â een der beste typen van do groep â te zien is. Even als de Bengaalsche en de thee-rozen kunnen zij op verschillende wijze gemakkelijk vermeerderd worden en zijn zeer geschikt voor ons klimaat.
Groep IV. Rosa Noisettiana, Noisette-rozen
De Noisette-roos, die men veronderstelt haar ontstaan te danken te hebben aan eene kruising van Rosa moschata â muskaatroos â met een Bengaalsche, of thee-roos, volgens anderen van een der beide laatstgenoemden met Rosa setigera, werd door Noisette in 1814 uit Amerika naar Frankrijk gebracht.
Zjj heeft middelmatig dikke, slanke takken, van een helder glanzende groene kleur, die gewapend zijn met bruine krachtige stekels. Het jonge loof is gewoonlijk glanzend groen; ofschoon niet zoo gemakkelijk en vlug als de Bengaalsche-, thee-, en Bourbonrozen, kunnen zij wel door stokken en oculeeren vermeerderd worden. De meeste Noisette-rozen groeien en bloeien hier goed.
Groep V. Hyhride-remontant-rozen.
Onder deze groep met hare buitengewoon talrijke variëteiten, komen veel rozen voor, die ontstaan zijn door kruising van
â 577 â
al de bovengenoemde rassen. Hot is niet to verwonderen, dat er dus een groote verscheidenheid in heerscht, men zoude ze kunnen onderscheiden, in hybriden van Portland-, thee-. Bourbon- en Nquot;oisette-rozen.
Voor een zoo uitgebreide groep is het niet doenlijk algeinoene en duidelijke kentoekens te geven, echter zijn do thee- en dc Noisette-hybriden gewoonlijk wel te herkennen, de eerste aan hun middelmatige of' slanke takken met roodachtige tint aan de lichtzijde, die van talrijke meestal horizontaal staande en scherpe stekels voorzien zijn en waarvan het jonge loof dikwijls rose gekleurd is, voorbeelden hiervan zijn, La France, Beauty of Stapleford enz., de tweede aan de glanzend groene, slanke takken met talrijke korte en minder scherpe stekels, als: Madame Auguste Perrin, Pavilion de Precjuy, Madame A. de Rougemont enz.
Wat betreft de andere hybride-remontant rozen van onzekere origine, zij zijn te herkennen aan de korte stevige groeiwijze, de dikke en harde stengels van een aschgroene kleur die met talrijke korte sterke stekels zijn gewapend, zooals Baronne de l'ofJischild en hare variëteiten Merveille de Lyon en Mabel Morrison; deze zijn moeielijk door stekken te vermeerderen; anderen hebben minder zwaar hout met talrijke ongelijke stekels, die echter langer en iets omgebogen zijn, voorbeelden hiervan heeft men in; General Jacqueminot, Jules Margottin, Jean Liahaud enz., bij sommigen hebben de stengels weinig stekels, die echter min of meer gekleurd zijn, als Comtesse d,Oxfordi Victor Verdier enz., eindelijk vindt men er onder die bijna g^en stekels hebben, als Auguste Mie, Paul Neyron enz.
Ook in de kleur van het jonge loof bestaan allerlei verschillen, dit is heldergroen bjj Auguste Mie, gebronsd groen bij Camille Bernardin, min of moer rood bjj Eugène Appert, Souvenir du Dr. J amain enz.
Zooals uit het bovenmedegedeelde blijkt is het niet gemakkelijk duidelijke kenmerken van de groepen der gekweekte rozen te geven. De oorzaak hiervan is natuurlijk de talrijke kruising der groepen. Indien echter veel rozenkweekers zelfs
â 578 â
in den winter als de rozen bladerloos zijn, in de meeste gevallen kunnen zien tot welke groep eene roos behoort, dan is bet voor den opmerkzamen rozenliefhebber, niet onmogelijk, zij bet ook niet alle, dan toch een groot deel der door hem gekweekte rozen terecht te brengen.
W.
\
OP WELK THEO HET ISCLI EN PRAKTISCH STANDPUNT HEEFT ZICH DE BEMESTING TE STELLEN?
Nu men in onze koloniën op landbouwkundig gebied langzamerhand de resultaten, welke men elders, deels langs ex-perimenteelen, deels langs empirischen weg, verkregen heeft ter oplossing van het vraagstuk hoe de verschillende cultures in gegeven omstandigheden zoo rationeel mogelijk te doen zijn, gaat toetsen aan deze nieuwe omgeving, daar zal dit van merkbaren invloed worden op de cultuurwijze der verscliil-lende koloniale landbouwgewassen.
Wat van oudsher als algemeene regel gold, zal nu blijken wel voor een wijziging vatbaar te zijn, welke zich de producent ten nutte kan maken.
Welk een omwenteling heeft de toepassing van het vrucht-wisselstelsol niet te weeg gebracht! Waar zij werd toegepast kreeg do landbouw meer oen techniscli karakter. Van daar dat nu ook wetenschappelijke mannen, waarvan als baanbrekers hier gevoegelijk Liebig en Thaer genoemd kunnen worden, den landbouw in hun onderzoekingsveld trokken en haar aldus in de rij dor wetenschappen deden opnemen. Vooral met de leer der bemesting hebben zich vele onderzoekers bezig gehouden.
Onwillekeurig dringt zich nu de vraag aan ons op, hoe ver zijn wij thans met de leer der bemesting gevorderd en op welk theoretisch en praktisch standpunt heeft zij zich te stollen?
Een antwoord op deze vraag is indertijd door den onlangs gestorven Prof. Liebscher, in een door hom te Güttingen go-houden voordracht gegeven.
â 580 â
liet is zeker niet onbelangrijk wanneer wjj met don inhoud daarvan kennis maken, daar er onderwerpen in worden behandeld welke den vooruitstrevenden landbouwer niet onverschillig kunnen zijn.
Het is nog geen halve eeuw geleden, dat Liebig ons aantoonde, dat een krachtige ontwikkeling der planten alleen dan mogelijk is, wanneer alle planten voedende stoffen in voldoende mate voorhanden zijn; dat reeds het ontbreken van een hiervan, den groei der planten onmogelijk maakt, dat het in ^onvoldoende mate voorhanden zijn van een enkele voedingsstof den oogst beperkte, zoodat de grootte hierva n bepaald wordt door de hoeveelheid der in relatief geringste hoeveelheid aanwezige voedingsstof.
Vele vlijtige onderzoekingen zijn sedert door do talrijke leerlingen van den groeten meester aan de Duitsche proefstations uitgevoerd geworden, waardoor de Liebigscho loer als juist erkend en hier en daar gemodificeerd en uitgebreid werd.
Nieuwe eigenschappen der plantenvoodende stoffen, hun gedrag in den bodem, de hoeveelheid welke in den vorm van oogsten aan den bodem wordt onttrokken, hun mestwaarde cn vele andere landbouwkundig belangrijke vraagstukken worden nader onderzocht. De eenvoudigste landbouwer leerde op deze wijze de bemesting van do akkers opvat ten als een toevoer van plantenvoodende stoffen in de plaats van do hoeveelheden minerale stoffen (en stikstof), welke door do oogsten aan don bodem waren onttrokken.
Alhoewel niemand in 't algemeen do juistheid van deze loer in twijfel trok, was hot toch reeds lang allen denkonden land-bouwers bekend, dat de theorie der bemesting hen slechts op onvolkomone wijze kon inlichten omtrent de voedende stoffen en hunne hoeveel lieden, welke in speciale gevallen als bemesting moesten worden gegeven. .Men zag toch overal, dat hot gehalte aan plantenvoodende stoffen in den oogst van een gewas meestal niet, of slechts in beperkte mate, mocht aangezien worden als een uitdrukking voor zijn meststofbehoefte.
â 581 â
Hot gevolg hiervan is, dat er slechts weinig landbouwers aango-troffon zullen worden, welke de bemesting hnnner akkers, overeenkomstig de theorie, op statistische berekeningen, doen gronden. In de praktijk dient het empirisch gevonden recept als de zekere richtsnoer. Een sterk sprekend voorbeeld, dat het gehalte aan voedende bestanddeelen in den oogst met de meststof beiioefte van een gewas niet evenredig is, is liet vermogen der vlinderbloemige gewassen om den bodem met gebonden stikstof te verrijken.
De dringendste taak, welke zich de theorie der bemesting te stellen heeft, is den landbouwer, op juiste wijze te kunnen inlichten wat de meststofbehoefte van zijn grond en die van de cultuurplanten is.
Het is de verdienste van den te vroeg gestorven Lieb-scher, het eerst het belangrijk onderscheid tasschen de begrippen meststof behoef te van den bodem en meststofbehoefte van de. cultuurplant gemaakt te hebben.
Terecht deed hij opmerken, dat bij bijna allo beuiestings-proeven in de laatste tientallen van jaren door de praktici genomen, liet te bejammeren is, dat de proefnemers niet bjj het begin zicli de vraag hadden gesteld welke van deze beide vormen van meststof behoefte zij wenschten te onderzoeken. Deze verwarring heeft den proefnemers te vergeefs veel geld, tijd en arbeid gekost. Laat ons daarom thans nagaan wat Liebscher onder de beide begrippen meststof behoefte van don bodem en meststofbehoefte van do plant verstaat (Düngerbedürfnis des Bodens und Düngerbediirfnis der I'Hanze).
Gaan wij het gedrag van een on vruchtbaren zandgrond na, welke zeer weinig phosphorzuur bevat, zoo vindon wij dat wij dezen geregeld bij alle gewassen minstens zooveel phosphorzuur in de bemesting moeten geven nis ecu normale oogst van het betreffende gewas bevatten zou, d. w. z. deze grond heeft een sterke meststof behoefte aan phospliorzuur.
Een andere grond kan een groote hoeveelheid pliosphor-zuur in moeielijk opnoembaren of een middelmatige hoeveelheid in gemakkelijk opneembaren vorm bevatten.
Doze grond zal slechts dan op een phosphorzuurbemesting door oogatvermeerdering reageeren, wanneer men ook, in een den groei gunstig jaar, alle overige voedingstoffen rijkelijk heeft gegeven of' indien men gewassen verbouwt, welke zeer veel gemakkelijk opneembaar phosphorzuur in den bodem verlangen. In andere jaren en bij andere gewassen zal echter hier de phosphorzuurbemesting niet vermeerderend op de opbrengst werken. Een zoodanige grond heeft een meststofbehoefte aan phosphorzuur, dezelve is echter slechts matig groot. Met voordeel zal men bij zulk een grond slechts die gewassen een direkte phosphorzuur-bemesting kunnen geven, welke zelf een sterke behoefte aan phosphorzuur hebben en deze gewassen behoeven dan in plaats van een volle slechts een halve phosphorzuur-bemesting.
Een derde grond zij zeer rijk aan phosphorzuur van een gunstig karakter, zoodat zijn phosphorzuurvoorraad betrekkelijk gemakkelijk door het verweeringsproces in opneembaren vorm omgezet kan worden. Een zoodanige grond zal bij het gewone stelsel van exploitatie, waarbij geregeld met de stalmest altijd wat phosphorzuur in opneembaren vorm naar het land teruggevoerd wordt, tientallen van jaren op die wijze kunnen worden geëxploiteerd, zonder dat de aankoop van phosphorzuur houdende meststoffen voordeel geeft. Deze grond heeft geen meststofbehoefte aan phosphorzuur.
Het is nu echter maar de vraag welke middelen bezitten wij om deze meststofbehoefte van den grond te leeren kennen. Onwillekeurig zouden wij deze vraag willen beantwoorden door te verwijzen haar het chemisch onderzoek van den grond. Tot nu toe heeft echter het hierop doelend chemisch onderzoek weinige in alle opzichten bevredigende resultaten gehad. Zoowel de vroeger voorgeslagen proeven door middel van sterke mincraalzuren den grond te extraheeren, als de nieuwste pogingen van Jlaercker, het gebruik van een verdunde oplossing van citroenzuur, hebben tot geen zekere methode van onderzoek geleid.
In vele gevallen is het vermoeden juist, dat een grond, welke
â 583 â
slechts weinig voedingstoft'on aan het oplossingsmiddel afstaat, op eene bemesting met de betreffende voedingstoffen door opbrengstvermeerdering reageert, doch het komt dikwijls ook niet uit.
Evenzoo is de eene grond, ondanks door de analyse gevonden rijkelijke hoeveelheden voedingstoffen, dikwijls nog dankbaar voor eene bemesting met deze stoffen, terwijl hij het in andere gevallen bij een zelfde quantitatieve samenstelling niet is. Als voorbeeld hiervan kan het volgende tabelletje dienen, hetwelk Liebscher uit een publicatie van Maerckers onderzoekingen over liet verband tussehen het gehalte van den grond aan phosphorzuur en de werking van een phosporzuur-bemesting op de opbrengst, genomen heeft.
|
Naam v/h. bedrijf. |
1 KG. v/d grond bevat gr. Phosphorzuur. |
Totaal opbrengst | ||
|
Totaal. |
In 1 citroenzuur op losbaar. |
zonder | met ph osphorzuurbemesti ng. | ||
|
j Meinshausen. |
0.400 |
0.032 |
100 |
88 |
|
j Himburg. |
0.422 |
0.032 |
100 |
222 |
|
( Naguhn. |
0.765 |
0.117 |
100 |
94 |
|
) Hahndorf. |
0.883 |
0.138 |
100 |
115 |
|
( Palleben. |
1.250 |
0.279 |
100 |
117 |
|
( Delitz. |
1.190 |
0.272 |
100 |
103 |
|
j Mahndorf. |
3.325 |
0.125 |
100 |
103 |
|
| Gross-Jena. |
6. 35 |
4.173 |
100 |
113 |
In het eerste paar voorbeelden zien wij bij een zeer laag phosporzuurgehalte, dat eenmaal een enorme positieve, een andermaal een negatieve uitwerking van de phosphorzuurbe-mesting verkregen werd en hetzelfde merken wij op bij de drie volgende paren der onderzoekingsresultaten. Wanneer wij echter het bovenste getal met het onderste vergelijken, dan zien wij, dat in het eerste geval met een gehalte van 0,032 procent citraat-oplos-
â 584 â
baar phosphorzuur, de bemesting met phosphorzuur geen uitwerking iiad, terwjjl de bemesting bij het 130 maal grootore gohulte van 0.73 nog een opbrengstvermeerdering van 13 procent ten gevolge bad, zoo moeten we helaas erkennen, dat de chemische analyse ons omtrent de meststofbehoefte van den grond nog dikwijls in den steek laat. Do landbouwer zou in zulke gevallen altjjd nog verwezen moeten worden naar eigen be-mestingsproeven om de meststofbehoefte van zijn grond te leeren kennen. Doch wat een arbeid is voor dit doel in de laatste tientallen van jaren van do zijde der landbouwers niet besteed geworden en hoe mager en hoe onzeker zijn de meeste daarbij verkregen resultaten!
Wie de resultaten der vele bemestingsproeven, waar onze tijdschriften van gewagen, kritisch beschouwt, zal moeten erkennen dat hot als dringend noodzakeljjk geacht kan worden een exacte methode uit te werken, welke eenvoudiger en zekerder oen antwoord geeft op de ineststofbehoefte van den grond dan de thans gebruikelijke docii omslachtige en onzekere proeven in het vrije veld. Ondanks hare onvolledigheid is echter de veldproef tot heden onontbeerlijk.
Even als men, nadat de methode der kunstmatige vertering der eiwitstoffen was uitgedacht hare juistheid kon vaststellen toon men daarbij uitging van voederstoffen, waarvan men eerst de verteerbaarheid door voedingsproeven had bepaald, even zoo ook moet hier elke proef, waardoor men analytisch bepallen wil welke plantenvoedende stoffen de grond in voldoende of in onvoldoende mate bevat, uitgaan van de omslachtige methode dor analyse van den grond door den plantenwortel d. w. z. van de resultaten van do bemostings-proef.
Volgens de resultaten welke wij hierboven leerden kennen, kunnen wij aannemen, dat de dirokte onderzoeking van don grond nog tamelijk ver verwijderd ligt van de oplossing van ons probleem. Het is daarom voor de bevordering der zaak niet van belang ontbloot, dat in do laatste jaren met bepaald uitzicht op slagen meermalen beproefd is geworden de analyse
â 585 â
der oogstprodukten in de plaats te stellen van do grondanalyse, omdat men weet, dat de plant welke aan voedsel gebrek lijdt, met deze geringe hoeveelheid oeconomischer omgaat en daarom een aan de betreffende voedingsstof procentiseh arm oogstpro-dukt voortbrengt.
Dit feit beeft men op verschillende wijze gepoogd in toepassing te brengen. Reeds vroeger heeft men getracht te weten tusschen welke grenzen de samenstelling van de plant of hare afzonderlijke doelen zich bewoog, ten einde het minimum-gehalte en do beteekenis der afwijkingen daarvan te loeren kennen. De onderzoekingen werden echter niet systematisch, doch moor afzonderlijk uitgevoerd cn gaven daarom weinig te gebruiken resultaten. De echter nog volle bewijskracht behoevende algemeen heerschende opvatting, dat do planten 7iiot alleen bij het aanwezig zijn van voedsolovervlood doch soms zelfs bij gebrek aan voedingstoffen met de een of andere voedingstof verkwistend te werk kan gaan (Luxus consumtion), belette toen oen krachtig verder vorschen in deze richting, tot dat in den nieuwsten tijd weder eenige publicaties van Atterberg on van Dikow getoond hebben, dat de voortzetting der onderzoekingen in deze richting toch wol mettertijd tot een juiste methode voor do bepaling van do meststofbehoefte van den grond zal leiden.
Nu zijn ook in Giittingen door het landbouwkundig instituut sedert eenige jaren onder leiding van Inebschor onderzoekingen in deze richting uitgevoerd. De resultaten van het gezamentlijk onderzoek van Liebschor en Helmkampf, zijn assistent, kan men vindon in het Journal für Landwirth-schatt. Volgens deze onderzoekingen kunnen wij aannemen, dat er een normaal of maximaal gehalte aan voedende bestand-deelen van do plant bestaat, hetwelk door sterke bemesting van den grond bereikt wordt, doch door nog sterkere bemesting niet meer stijgt. Vorder is gebleken, dat de procenti-sche samenstelling der voedende bostanddoolen van don oogst in verschillende mate kan dalon, tengevolge van gebrek aan voedende bestanddoelon (meststofbehoefte) van den
â 586 â
grond of waarschijnlijk ook door do woersgesteldhoid en andere nog nader to onderzoeken factoren gewijzigd kan worden. Hetzelfde laat zieli editor ook omgekeerd aldus samenvatten: Wanneer een grond voldoende hoeveelheden van een voedend bestanddeel in geschikten vorm bevat, dan zal een toevoer daarvan in de bemesting, noch de opbrengst noch het proeentisch gehalte van dit bestanddeel in den oogst doen stijgen. Is evenwel oen voedingstof in te geringe hoeveelheden voor de plant in den grond aanwezig, zoo vermeerdert con rijkelijke toevoer daarvan in de bemesting gelijktijdig de opbrengst en het procentgehalte van den oogst aan dit bestanddeel.
Bevestiging vond dit op liet proefveld van het landbouwkundig instituut te Göttingen. De grond daarvan bevatte in 100 kilo evenveel phosphorzuur als in 1500 kilo stalmest van gemiddelde kwaliteit, daarentegen toonde hij zich altijd dankbaar voor kali en stikstof. Ook aan dezen bodem werd hot vraagstuk getoetst en word de proef met zomertarwe uitgevoerd, welke in den bloeitijd werd geanalyseerd. Nemen we uit de reeks van gegevens bij deze proef verkregen, kortheidshalve slechts de volgenden: Zonder stikstofbemesting bedroeg het stikstol-gohalte in procenten van de droge stof 1.64, daarentegen bij stikstofbemesting 1.98; zonder kalibemesting liet kaligehalte 3.0, bij kalibemesting 3.77 ; zonder phosphoizuurbemesting het phosphorzuur gehalte 0.8, niet phosphorzuurbemesting weer O.S. Verder is gebleken dat de opbrengst in de eerste gevallen was vermeerderd, doch daarentegen in het laatste geval niet. Overeenkomstige resultaten als deze hebben proeven mot winterrogge gegeven.
Door zulkeene proef, â nl. een stuk grond van slechts geringe afmetingen (50â^100 M2) zeer sterk met alle planten voedende stoffen te bemesten, â zou het dus zonder nog de geheole oogst-hocveelheid te bepalen, mogelijk zijn, met behulp van dc chemische analyse van de droge stof van een na den bloeitijd gesneden plantenbundel, uit te maken aan welke voedingstoffen do grond behoefte heeft. In denzelfden geest zou het ook mogelijk moeten zjjn nader vast te stollen hoe groot
â 587 â
men do hoovcclhcid voedingstoffen kan nemen, welke don verbouw van een bepaald gewas op een bepaalden grond nog loonend maken. Hiervoor behoefde men alleen een vergelijkende bemestingsproef te nemen met klimmende hoeveelheden voedingstoffen en de oogstprodukten dan te analyseeren. Zoolang een vermeerdering der bemesting met een stof, waaraan de grond een meststofbehoefte heeft, het procentgehalte aan droge stof van den oogst niet doet toenemen, is deze in elk geval rentabel, want de plant behelpt zich nog met oen relatief geringe hoeveelheid der voedingstof, zij hoeft nog honger aan die stof. Hij nog verdere vermeerdering der bemesting zal het procentisch gehalte der oogstbestanddeolen langzamerhand tot een maximum stijgen en do opbrengst zal gelijktijdig zoowol in quantitatieve als (jualitatieve richting stijgen. Een nog verdere vermeerdering der bemesting zal echter onrenta-bcl moeten zjjn, want zoodra het locale en tijdelijk mogelijke maximum van het procontgehalte is bereikt zal een meerdore opneming niet plaats hebben en dus zulk een vermeerdering noch het procontgehalte der oogstbestanddeolen noch de opbrengst doen toenemen.
Zoolang wij echter nog niet in staat zijn om langs dezen weg zekerheid te verschaffen omtrent de meststofbohoefte van den grond, zoo blijft ons geen andere weg ter bereiking van dit doel open als het nemen van bemestingsproeven in het vrije veld.
Hoe do door de zoogenaamde statistische berekening gevonden hoeveelheden voedingstoffen den bodem weer terug te voeren in den omloopstijd, kan ons de meststof behoefte der afzonderlijke cultuurplanten leeren.
Hebben wij nu door 't oog en de balans de waarschijnlijkheid verkregen, dat de een of de andere voedingstof aan onzen grond niet behoeft te worden teruggevoerd, dan zullen wij met die gewassen, welke aan deze stof' een duidelijk sterke meststof beliocfte toonen, een vergelijkende bemestingsproef nemen en hem dan, alvorens de vraag volkomen is opgehelderd, een zwakke bemesting met de betreffende stof geven. De overige
â 588 â
gewassen zullen we dan echter in 't geheel niet daarmede bemesten.
Wat hebben we nu te verstaan onder de uitdrukking mest-stofbehoefte van oen cultuurplant ?
Reeds langen tijd is bet den landbouwers bekend, dat de eischeti hunner veldvruchten aan den bemestingstoestand van het land verschillend zijn. Dat bijv. iiakvruchten en oliegewassen in veel grootere mate van een sterke stalmestbemesting weten te profiteeren dan graangewassen en daarom uit 't oogpunt der rentabiliteit de eersten in den omloop dichter bij de stalinestbeinesting worden geschoven dan de klaverachtige gewassen. Dat onder de graangewassen tarwe en gerst veel hoogero eischen aan don bodem voorraad stellen dan rogge, haver ot' gierst. Doch hoe kan ons do theorie der bemesting deze eigenaardige meststofbehoefte dev planten verklaren ?
Men verwachtte vroeger dat zulke verschijnselen hunne verklaring zouden vinden door het bepalen van het gehalte aan voedende bestanddeelen in den oogst, alsook door de hoeveelheid wortels en hunne verspreiding in de verschillende lagen en tot een zekere grens hebben deze onderzoekingen ook een antwoord op de vraag gegeven. Wij weten bijv. dat de haver meer wortels heeft, dat zjj dezelfde hoeveelheid grond intensiever vermag te extrabceron dan de gerst. Dat aan de diep-wortelende klaversoorten een grootere hoeveelheid grond ter beschikking staat dan aan de meer oppervlakkig wortelende granen, kan ons ter verklaring dienen dat de eersten een directe bemesting minder voordeelig makens maar de bieten dringen ook door tot in diepe lagen en toch verlangen zij meer mest dan liet graan. Ook wanneer wij denkeu aan do verschillende eischen die do cultuurgewassen aan de bemesting met afzonderlijke mineraalstoffen stollen, zoo zullen wij opmerken, dat de oude bemestingstheorie niet voldoende rekening heeft gehouden met de meststofbehoefte der planten.
Wjj hebben ons slechts bijv. hieraan te herinneren, dat men tegenwoordig algemeen van gevoelen is: de bieten zijn voor een kalibemesting minder dankbaar dan het graan en
toch toont ons een blik op de raesttabollon van I.ehrke, dat het kaligehalte van oen bietenoogst ongeveer drie maal zoo groot is als dat van een graanoogst. Xog een voorbeeld geeft ons liet phosporzuur.
Van deze voodin^stot' bevat een erwten- of boonenoogst niet meer dan oen rogge- of tarwe-oogst en tocli laat het zich niet ontkennen dat het vermogen der genoemde peulvruchten om op een phosphorzuurbemeating door opbrengstvermeer-dering te reageeren zeer voel sterker is dan dat der genoemde granen.
Wanneer wij zulks weten dan kan de praktische landbouw met recht verlangen, dat de theoretische beoefenaars van dit vak aan de specifieke meststof behoefte dor afzonderlijke cultuurgewassen meer aandacht wijden dan voorheen,
In deze richting is nu door Liebscher gewerkt. Als materiaal voor dit uitgebreid onderzoek dienden de resultaten dor bemestingsproeven, welke men gedurende tientallen van jaren aan do landbouwkundige instituten te llohenheim en Giittingen heeft genomen. Hier heeft men proefvelden, welke jaren achtereen steeds een zelfde bemesting hebben gekregen en waarvan de oogstresultaten zorgvuldig zijn verzameld. Zoo heeft men er velden, welke uitsluitend zijn bemest geweest met stalmest, phosphorzuur, kali, stikstof en combinaties van dezen. Reeds 20 jaren achtereen heeft men zulks in llohenheim en Göttingen uitgevoerd. Liebscher heeft nu voor verschillende gewassen nagegaan, wat de uitwerking was van phosphorzuur, stikstof en kali, om zoo doende hieruit te kunnen afleiden de specifieke meststofbehoefte dier cultuur-gewassen. Op grond van deze resultaten is door Liebscher dan het volgende afgeleid:
De graangewassen toonen in de eerste plaats een meststof-behoefte aan stikstof. In dit opzicht staat bovenaan do haver, dan volgen tarwe, gerst en het laatst komt rogge. Vervolgens aan kali â bovenaan staan tarwe en gerst, dan volgt rogge en ten slotte haver. â Een meststofbehoefte aan phosphorzuur toonen de graangewassen niet. Als regel kan
Teysmann. VII. 42
juen dus stellen, dat de graangewassen niet direkt met phos-phorzuuv behoeven bemest te worden.
De aardappelen zijn in de eerste plaats dankbaar voor een stikstofbemesting; hierin overtreffen zij alle andere gewassen. In de tweede plaats voor eene kalibemesting, doch minder zijn zij het voor een phosphorzuur-bemesting.
Do peulvruchten toonen zich vooral dankbaar voor een phos-phorznurbemesting. Ook hun meststofbehoefte aan kali overtreft dat van de andere gewassen, hetgeen trouwens iu de praktijk algemeen erkend wordt, sedert Schulz-Lupitz zulke enorme resultaten door bemesting met kainiet verkregen heeft. Opmerkelijk is het, dat wij ook de peulvruchten een meststofbehoefte aan stikstof moeten toekennen. Dit geldt alleen voor die peul-vruehten, welke op een stikstofrijken grond gecultiv eerd worden. Jieeds meermalen heeft men waargenomen, dat de peulvruchten eerst dan krachtig aanvangen met de assimilatie der vrjje stikstof van de atmospheer, wanneer zij geen voldoende hoeveelheden gebonden stikstof ter hunner beschikking hebben.
Men kan dit zien aan de hoeveelheid knolletjes aan de wortels.
Het vermogen der peulvruchten om van de atmospherischen stikstof te profiteeren, zal daarom voor de stikstofanne gronden grootere beteekenis hebben dan voor de stikstofrijkerc gronden en slechts voor dezen is het geldig, dat de peulvruchten een meststofbehoefte aan stikstof hebben.
Wanneer wij nu echter, ondanks deze bekende eigenschap der peulvruchten, welke eventueel hun stikstofverbruik geheel alleen dekken door de stikstof uit de lucht, van een ineststof-behoette dezer planten aan stikstof spreken, zoo beeft men onder deze uitdrukking niet uitsluitend te verstaan een verlangen der plant, hetwelk bevredigd moet worden, wil zij gedijen; onder do uitdrukking meststofverlangen eener plant zal bovendien moeten verstaan worden, dat de plant ook hot vermogen heeft de toegediende mest iu prodnktieven zin hoog om te zetten. Wij bemesten den akker niet om de planten te voeden of om de door do vroegere oogsten onttrokken stoffen te restituoeren, doch het is ons te doou om door middel van
ecu normalen plantengroei het kapitaal, hetwelk wij in het bedrijf' hebben gestoken zoo produktief mogelijk te doen zijn. De kennis der meststof'behocfte van den bodem moet ons leeren in welken vorm iphosphommr, stikstof, kali etc.) wij ons meststofkapitaal te brengen iicbben, opdat het grond-kapitaal zoo produktief mogelijk worde. De kennis van de meststofbehoefte dor planten moet ons daarentegen aanwijzen, welke gewassen de snelste omzetting van liet mcststofkapitaal ten gevolge hebben en zoodoende do hoogste rente afwerpen. Het zijn dus in de eerste plaats vragen omtrent het bedrijf, welke de bemestingsleer te boantwoorden hoeft, vragen naar de oorzaken der rentabiliteit der bemestingen, niet naar het chemismus der plant. Onderzoekingen welke hierop doelen, zijn daarbij slechts middelen tot liet doel.
Wanneer wij dus van een meststofbehoefto van den grond of van de plant spreken, zoo denken wij daarbij aan de oecono-mischo eigenschappen van bodem en gewas: bepaalde vormen van het mcststofkapitaal zoo produktief mogelijk te maken. Dat dit met het chemismus resp. met de physiologic van bodem en plant in verband staat spreekt van zelf, alleen mogen wij de vragen der plantenvoedingsleer niet voor het essen-tieele, niet voor identisch houden met de vragen der bemestingsleer.
De schijnbare tegenspraak, welke hierin ligt, wanneer men zegt dat erwten, wikken, paardeboonen etc. bij verbouw op een goeden bodem een meststofbehoefto aan stikstof hebben, niettegenstaande deze planten ook onder deze cnltuuromstan-digheden in een deel van hun stikstof behoefte kunnen voorzien door de assimilatie van de vrije stikstof der lucht, laat zich echter aldus verklaren, dat deze planten hun physiolo-gisch vermogen om vrije stikstof te assiniiloeren vereenigen met dat van een rentabele omzetting van de stikstof in de mest.
Om verder te dringen in dc kennis van de meststofbehoefto ccner cultuurplant, zal het niet alleen noodig zijn, dat wij nog meer materiaal verzamelen door proeven te nemen zooals zulks aeschiedt te Hohenheim en Göttingen, doch me moeten ons
ook hieromtrent licht trachten te verschaffen, â welke in de natuur der plant gelegen bijzonderheden het zijn, die veroorzaken, dat op denzelfden bodem in zoo verschillende mate op eene bemesting gereageerd wordt.
Het gehalte van den oogst aan vaste stoffen is niet op tc vatton als de eenige aanwijziging van de meststofbehoefte of van de âDiingei'-ausnutzungs Fahigkeitquot; der plant. Men heeft wel gezegd dat de planten zich met verschillende krachten do voedingsstoffen toeeigenen. Dit is echter blijkbaar slechts een andere uitdrukking, niet een verklaring voor hun verschillend gedrag ten opzichte der bemesting. Gedeeltelijk vindt dit echter een verklaring in de verschillende massa-ontwikkeling van het wortelsysteem ten deele ook in de nog weinig bestudeerde plantenzuren met wier hulp do wortels oplossend inwerken op de gesteenten. Verder wijst. Liebseher op dit feit, dat sommige planten hun voedsel geleidelijk gedurende de vegetatie opnemen, anderen daarentegen hebben een meer tijdelijk snelle stofopname, van welker intensiteit de grootte der opbrengst dan in do eerste plaats afhankelijk is. Dit is duidelijk; want â wanneer wij van twee planten, welke in't geheel gelijke hoeveelheden voedsel opnemen, do eene evenwel gedurende een kortere periode, de andere het meer over een langere periode volbrengt, zoo zal de eerste haar behoefte alleen dan kunnen bevredigen wanneer zij rijkelijk voedsel vindt ten tijde van haar grootste verbruik, terwijl de andere gedurende elk tijdstip van haren groei slechts een geringe hoeveelheid assimileerbaar voedsel in den bodem noodig heeft, om relatief zich even zoo voordeelig te ontwikkelen als do andere. De meststofbohoefte der eerste plant zal zich nog krachtiger doen gelden, wanneer de periode dor sterke stofopname te zamen viel met oen tijd van langzamen groei, of, wat hetzelfde beteekent, geringere produktie van organische stof resp. wateropname, daar hot water, hetwelk do wortels opnemen, steeds eene oplossing voorstelt, welke, deels door het verweerings-proces en chemische omzettingen in den grond, deels door de werkzaamheid dor wortelhaartjes, aanhoudend met plantenvoe-dingsstoffen wordt vermeerderd. Hoe meer van deze oplossing in
â 593 â
de tijdseenheid opgenomen en door de plant verwerkt wordt, dos te minder behoeft de bodem bemest te zijn, m. a. w. des te geringer kan de concentratie der opgenomen oplossing zijn, om een bepaalde hoeveelheid voedsel aan de plant toe te voeren.
Wanneer wij den loop der voedselopname en de produktie van organische stof graphisch zouden willen voorstellen, dan zou een steil naar boven gaan dor voedingstoflijnen een sterkere meststofbohoefte der plant beteekenen, dan een minder steil naar boven gaan dier lijnen in vergelijking met de produktie van organische stof.
Kwam een op deze wijze aangetoonde meststofbelioefte juist voor in een der koude groeiperioden, zoo kon zij door toevoer van gemakkelijk opneembare voedingstoffen in den vorm van kunstmeststoffen te bevredigen zijn.
Treedt zij daarentegen in 't midden of in 't laatste gedeelte van den zomer op, wanneer de hooge grondtemperatuur alle omzettingen iu den bodem bevordert, zoo zou men daaruit kunnen afleiden, dat de meststofbehoefte van de betreffende plant liet goedkoopst zou bevredigd worden door stalmest of langzaam werkende kunstmeststoffen.
Aau het slot van zijn belangrijke voordracht onderwerpt de spreker de door Wagner verkondigde meening aan ecu scherpe kritiek, als zou men den bodem vooral door sterke phosphor-zuur-bemestingen zoodanig moeten verrijken, dat zijn voorraad aan gemakkelijk opneembaar phosphorzuur toereikend zjj voor de denkbaar hoogste opbrengst en deze voorraad moet dc bodem blijven behouden door substitutie der phosphorzuurhoeveelheden, welke de oogst aan den bodem onttrekt. Op dit punt verder in te gaan, zou ons te ver voeren, doch liet zou waard zijn in een afzonderlijk opstel besproken te worden.
Met eene vergelijking tusscheu de leer der plantenproduktie en die der dierlijke produktie eindigt Liebscher zijn rede, waarin hij deed uitkomen hoe de resultaten dier onderzoekingen voor den intelligenten landbouwer als uitgangspunten van groote waarde zijn, doch we moeten echter daarbij niet vergeten, dat het den landbouw in de eerste plaats te doen is om oecono-
â 594 â
mische, om rentabiliteits-quaestiën, dat dus een bemestin^s-recept, ook dan wanneer liet op grond van exacte overwegingen aller theoretische resultaten berustte, toch eerst de bevestiging der door de rekenstift gecontroleerde praktijk behoeft om geldig te kunnen zijn voor elk bijzonder geval.
W. II. Tromp de Haas.
DE DETERMINATIE DER INDISCHE GRASSOORTEN.
Mot liet oog op do detcrniiuatie dor Indische grassen bevat het Kew Bulletin een belangrijk bericht n.1. het verschijnen van een nieuw stuk van do Flora of British India: Vol VII Part 1, waarin do groote groep der Paniceae in zijn geheel is behandeld. Voor deze groep, die bijna geheel bestaat uit nuttige grassen, waarvan vele als cultunrgewassen van groote beteekonis zijn, was men tot dusverre verplicht zijn toevlucht te nemen tot het in vele opzichten gebrekkige, veertig jaar oude werk van Steudel, dat voor het grootste gedeelte door compilatie van de toen bestaande bosehrjjvingen was sainen-gestold. De verschijning van het nieuwe stuk van de Flora of British India werd daarom ook sinds lang niet groote belangstelling door velen to gomoet gezien. lt; hu die reden geven wij hier de aankondiging weer van het werk in hot Juli en Augustus nummer van het Kew Bulletin.
In een korte mededeeling in Kew Bulletin van 1 89-t werd het feit in herinnering gebracht, dat de voltooing van deze uiterst omvangrijke taak door Sir Josei'II IIookkr ondernomen bij do uitgave van zijn Flora of British India nog alleen maar wachtte op de bewerking van do moeilijke familie der grassen. Deze, de bekroning van het gebouw, was misschien nog het moeilijkst van allen. De uitgave van oen eerste stuk van deel VII, dat de goheele groep der Paniceae bevat, zal daarom door alle botanisten met evenveel voldoening als bewondering worden begroet. Het volgende uittreksel van Sin Joskph Hookku's korte inleiding voor de familie kan oenig donkbeeld geven van de moeilijkheden waarmede hij te worstelen had. Zij zjjn waar-
â 596 â
schijnlijk oenig in de studie vim hot plantenrijk, ten minste voor zoover deze de phanerogamen betreft:
Jiij de bewerking; van de grassen voor deze Flora bleek mij âdat de vermenigvuldiging der soorten alle grenzen had over-âschreden en dat do nomenclatuur in gelijke mate ingewikkeld âwas geworden.
âDit was toe te schrijven aan twee oorzaken, vooreerst dat âdo schrijvers geen rekening hadden gehouden met het feit, dat âde soorten zich over zulk een groot gebied kunnen verspreiden âen ten tweede, dat de beschrijvingen der oudere en sommige âder latere schrijvers zoo bijzonder onvolledig waren.
âEr zijn ö2 jaar verloopen sinds Kunth zijn Agrostograpiiia âSynoptica (Tübingen 1833) in het licht gaf en dit is een âoncritiscbe samenvoeging van allo vroeger bekende onderstelde âgeslachten en soorten met onvolkomen beschrijvingen en syuo-âniemon. Het werd in 1835 gevolgd door een tweede deel, âwaarin eenige weinige honderden soorten van liet eerste deel âuitvoerig en nauwkeurig zijn beschreven en waaraan belangrijke aanteekeningen omtrent andere zijn toegevoegd. In 1855 âverscheen Steudel's Synopsis Graniinarum, welk werk in plaats âvan de studie der familie gemakkelijk te maken, deze in âtegendeel in vele opzichten bemoeilijkt. Van nieuwe werken âover de Gramineae zijn er alleen drie van groote waarde, ânamelijk Munro's zeer goede monograpiiie der Bambuseae â(Trans. Linn.-Soe. Vol XXVL 1868), Bentham's revisie der âgeslachten in Genera Plantarum. Vol III 1883, een werk van âmerkwaardige volledigheid en nauwkeurigheid, den chaotischen âtoestand in aanmerking genomen, waarin de schrijver de familie âvond, en Haeckel's bewonderingswaardige monographie van de âAndropogoneae in A. de Candou.e's, Monogr-Phanerogam. âVol. VI (1889) de grootste en moeilijkste tribus der grassenquot;.
Het is de vraag of er onder do levende botanisten nog één is, die bij een dergelijken arbeid zou kunnen beschikken over zulk oen buitengewoon vermogen als Sir Joseph Hooker om een zoo groote massa verwarde en ingewikkelde gegevens te bewerken en tot een heldere en bepaalde oplossing te
- 597 â
brengen. Aan Dr. Staff was opgedragen om Sir JosEi'it Hooker bij te staan in liet meer tijdroovende gedeelte van zijn taak. Aan de werkdadige hulp door hem verleend wordt door Sir Joseph Hooker een even vleiende als welverdiende luüde gebracht.
J. G. Boerlage.
DE OMZETTINGEN VAN DE STIKSTOFVERBINDINGEN IN DEN BODEM.
Naar aanleiding van liet verschijnen van liet jaarboek over 1805, uitgegeven door het Department of Agriculture in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, gaf ik in do voorgaande aflevering (blz. 536) een overzicht over de inrichting, de werkkring en de uitkomsten van do verschillende instellingen aldaar in het belang van den landbouw tot stand gebracht.
De verschillende opstellen welke men in dat jaarboek aantreft, en waarin de meest uiteenloopende onderwerpen, betrekking hebbende op landbouw, veeteelt en op alles wat daarmede samenhangt, besproken worden, zijn een aandachtige lezing overwaard. Zij geven onder meer een zoo volledig mogeljjk en afgerond overzicht over de resultaten der nieuwste wetenschappelijk agronomische onderzoekingen. Do feiten en beschouwingen worden er bovendien in zeer bevattehjken vorm gegeven, zoodat zij ook aan niet wetenschappelijk ontwikkelde personen een even voldoend als duideljjk inzicht geven in de nieuwste opvattingen van die landbouwvraagstukken, welke wel is waar nog niet afgesloten, maar daarom juist aan de orde van den dag zijn. De meer ontwikkelde landbouwers (en het onderwijs aan de talrijke, goed bezochte âAgricultural Collegesquot; maakt dat dit aantal betrekkelijk zeer groot is), worden daardoor in staat gesteld zelve te beoordeelen of, en in hoeverre liet gewenscht en mogelijk zou kunnen zijn de nieuwe uitkomsten der agronomische onderzoekingen bij hun eigen bedrijf in toepassing te brengen.
Ik meen daarom geen onnut werk te verrichten door hier de aandacht op één dezer opstellen te vestigen. Te eerder
besloot ik hiertoe over te gatui, omdat het jaarboek slechts als preseiit-exemphirea verspreid is en dus in den handel niet verkrijgbaar werd gesteld. De oplage bedroeg wel is waar niet minder dan 500.000 exemplaren, doch daar liet direct uitsluitend op de belangen der landbouw in de Vereenigde Staten van Xoord-Ainerika betrekking' heeft, zjjn er uit den aard der zaak slechts weinige exemplaren in het buitenland verspreid geworden.
Het hier bedoelde opstel is van de hand van den Heer H. W. Wiley, Chet' van do âDivision ot' Chemistryquot; van het Department of Agriculture te Washington. liet is getiteld: âSoil ferments important in Agriculturequot;, en behandelt de verschillende omzettingen waaraan de stikstof houdende stoffen in den bodem onderworpen zijn, als gevolg van de inwerking van bepaalde levende wezens.
In eenigszins verkorten, maar geheel gowijzigden, vorm zal nu hier het voornaamste weergegeven worden van hetgeen de heer Wiley ons omtrent die omzettingcu mededeelt, terwijl ik iioop dat het mij gelukkon zal dit op even eenvoudige en heldere wijze te doen, als do oorspronkelijke bewerker het deed, daar juist deze er niet weinig toe bijdraagt om zjjn opstel bijzonder lezenswaard te maken.
Het komt mij echter wcnsohelijk voor er met nadruk op te wijzen, dat het hier besprokene uitsluitend betrekking; heeftop de veranderingen, aan welke de *tikstof houdende stoffen onderworpen zijn. De gevolgtrekkingen, welke men hieruit zou willen afleiden, houden dus steeds in de eerste plaats verband met de stikstofvoeAmg der planten. De maatregelen welke men wellicht zou wenschen te gaan nemen tot verbetering van dien factor, zouden nu wel is waar misschien ook nog op andere wijze en om andere redenenen de ontwikkeling van de plant kunnen bevorderen, maar zeker is dit volstrekt niet; zelfs zou liet tegenovergestelde wel eens liet geval kunnen zjjn, en om die reden verdient het tea zeerste aanbeveling om, alvorens over te gaan tot het nemen van nieuwe maatregelen, goed te overwegen, of en in hoeverre deze niet alleen de sM'S^o/Voeding, maar ook het algemeeno welzijn van de plant kunnen bevorderen.
â 600 â
Vroeger, en 't is zelfs nog niet zoo lang geleden, beschouwde men algemeen den bodem slechts als een geboel levenlooze massa. De grond vormde, meende men, niet anders dan oen mengsel van zeer verschillende bestanddeelen, vooral anorganische, die zich aldaar zoo ongeveer onveranderlijk afgezet bevonden, en die als hot ware lagen te wachten of er misschien wortels zouden komen, die een deel er van zouden opnemen om alsdan voor de voeding der planten te dienen; de overige stoften bleven dan maar onveranderd achter.
Weinig kon men toon echter vermoeden dat de bodem volstrekt niet een zoo op zich zelf onveranderlijk mengsel was, want eerst de onderzoekingen van het laatste tiental jaren hebben een belangrijke wijziging in deze beschouwingen doen ontstaan. Gedurende dit tijdvak tocii werd er verschillende malen de aandacht op gevestigd, dat zich in den grond in den loop der tijden aanzienlijke veranderingen, zoowel physische als chemische) voordoen. Wel is waar moest men bij de opvatting blijven dat het plantenkleed steeds een zeer belangrijke rol vervult bij de omzettingen die in den bodem plaats vinden, maar er bleek dut bovendien bijna overal en aanhoudend zich talrijke verschillende, en vaak zelfs tegengestelde, processen in don bodem afspelen, die een voortdurende en ingrijpende verandering in zijn samenstelling teweegbrengen.
Het kan wel geen verwondering baren dat men onder die omstandigheden zich geneigd gevoelde om te gaan sproken van het âlevenquot; van den bodem, en van zijn âlevensgeschiedenis,quot; alsof men een georganiseerd wezen voor zich had.
Deze uitdrnkkingon, op den bodem aangewend, moeten dus als eenigszins overdrachtelijk opgevat worden. Tot op zekere hoogte is dit intusschen minder het geval, dan het in het eerste oogenblik wel schijnt, omdat de meeste dier processen, en in het bijzonder de meest ingrijpende en belangrijke, hleken uitingen te zijn van de levensfunctiën van bepaalde organismen. Zoo zijn het juist de omzettingen der stikstof-houdende bestanddeelen van den bodem, dus die welke wij hier nader zullen bespreken, die uitsluitend als gevolg van de werking
â 601 â
van verschillende soorten bacteriën moeten beschouwd worden.
Deze organismen, welke dus tot taak hebben de voorbereiding van de stikstofverbindingen die in don grond voorkomen, om hen alzoo in voor de plant bruikbare verbindingen om te zetten, zijn echter ook hoü; in een ander opzicht van groot belang voor den plantengroei in het algemeen.
Zij beginnen toch hun werking niet slechts wanneer de bodem reeds met een piantenkleed bedekt is, maar veel vroeger, want ook zij zijn het die de naakte rotsen en de moest onvruchtbare gesteenten gaandeweg voor plantengroei geschikt maken.
Uitgebreide onderzoekingen, vooral in Amerika ingesteld, hebben nl. aangetoond dat zij do verwoering der gesteenten inleiden, en dat dit geschiedt al of niet in directe samenwerking met de vochtigheid en het koolzuur tier atmospheer. Overal waar de onderzoekingen ingesteld werden, trof men deze bacteriën aan, op de oppervlakten van naakte rotsen zoowel als in de diepste spleten, waar zij dan tevens de eenige vertegenwoordigers der levende natuur vormden. Dit laatste feit moge vreemd schijnen, het wordt echter zeer verklaarbaar wanneer men in aanmerking neemt dat de voedingsvoorwaarden welke zulke plaatsen aanbieden van zóó bjjzonderen aard zijn, dat slechts die organismen in staat zijn onder zulke omstandigheden te leven, welke bepaald daarop ingericht zijn. Dit nu is juist mot de hier bedoelde bacteriën het geval en zelfs, voor zoover bekend, met hen alléén. De bronnen, waaruit zij bun voedsel putten zijn, behalve de minerale stoffen dio zij verkrijgen uit de gesteenten die zij aantasten, uitsluitend de lucht, de regen; en wel ontleenen zij hun koolstof aan het koolzuur der luclit, de stikstof aan de ammoniak die steeds in uiterst kleine hoeveelheden in het regenwater voorkomt. Uit deze elementen organische stof op te bouwen is, naar het scliijnt, aan geen enkel ander organisme gegeven dan juist aan de nitri-ficeerende bacteriën alléén, en zoo zijn zij het dan ook die do eerste sporen van humus doen ontstaan op de naakte gesteenten.
Is dit eenmaal geschied, dan noemt langzamerhand de hoeveelheid organische overblijfselen door hun voortgaande inwerking gestadig toe, en zoo wordt het terrein, wanneer hot op die wijze
â 602 â
voldoende voorbereid is, tenslotte toegankelijk voor andere, hooger ontwikkelde planten, als algen, korstmossen, en later ook bladen levermossen. ]s liet eenmaal zóóver gekomen dan gaat de humnsvorming met steeds toenemende snelheid voort, zoodat ton slotte ook de hoogst georganiseerde planten daar voldoende steun en voedsel vinden, en dan gaan deze het nieuw gewonnen terrein veroveren.
Bij deze beginnende verweering der rotsen treedt de werk-zaamheid der nitrificeerende bacteriën ten opzichte der stikstof' nog niet op den voorgrond, omdat dit element steeds in de gesteenten ontbreekt. Do eigenschap stikstofverbindingen om te zetten wordt eerst duidelijk merkbaar, wanneer er reeds iiumus gevormd is, en komt dus het bost uit in die terreinen, welke reeds met een piantenkleed bedekt zijn.
()in de groote beteekenis te doen uitkomen van de veranderingen welke die bacteriën in de stikstoflioudende stoffen te weeg brengen, dient er vooraf aan herinnerd te worden, dat de plant, hoewel omgeven door de atmospheer die voor 4/5 gedeelte uit stikstof bestaat, toch niet in staat is om zich ook maar hot geringste doel daarvan toe te eigenen '). Alle stikstof welke zjj voor hunne ontwikkeling noodig hebben, moeten zij dus aan den bodem ont-leenen. Doch de aanwezigheid dier stikstoflioudende stoffen in den bodem is op zich zelf no^ volstrekt niet voldoende voor de plant, omdat deze slechts dan voor de voeding dor planten kunnen dienen, wanneer zij daar of in één bepaalden vorm voorkomen, of wel daartoe teruggebracht kunnen worden. Die eene vorm, welke dus liet stikstoflioudend voedsel der plant bij uitnemendheid vertegenwoordigt, is het nitraat. Andere zouten dan nitraten worden door de plant niet opgenomen 1).
1
) Door opzettelijke proeven is wel is waar in de laatste jaren aangetoond dat de planten zich ook voeden kunnen met een humus-aftreksel en ook wel ammoniakzouten kunnen opnemen, maar daar deze wijze van voeding in de natuur niet of althans niet dan in hoogst onbelangrijke mate zal voorkomen, zoo kunnen wij deze hier buiten bespreking laten.
â 603 â
Zelfs in een zeer stikstofrjjken grond, maar die ontbloot is van nitraten, zouden de planten dus aan stikstofgebrek moeten te gronde gaan, wanneer de omzetting van de stikstofhoudende be-standdeelen in nitraten om de eene of andere reden niet kon plaats hebben, of ook wanneer die omzetting geen gelijken tred houdt met het verbruik van deze zouten door de planten. Wij zullen spoedig zien dat deze gevallen zich inderdaad niet zelden voordoen. Wanneer wij nu weten dat het uitsluitend bepaalde soorten van lagere wezens zijn die in den bodem deze omzettingen veroorzaken, en dat zjj alzoo hot aanwezige nog onbruikbare voedsel in voor de plant bruikbaren vorm doen overgnan, dan zal het duidelijk zijn waarom de aanwezigheid en de werkzaamheid dezer bacteriën van liet hoogste belang zijn voor een normalen plantengroei. Omdat deze organismen, elk voor zicii, er toe bijdragen om de omzetting van stikstofverbindingen in nitraten te bewerkstelligen, heeft men hen den collectief-naam gegeven van ânitrificeerende bacteriënquot;.â
De hoofdbron waaraan de planten hun stikstofvoorraad ont-leenen wordt gevormd door den humus.
Onder humus verstaat men, in den meest algetneenen zin van liet woord, alle overblijfselen van het plantaardig en dierlijk leven, nadat deze door den tijd verschillende omzettingen ondergaan hebben, waardoor zij veranderd zijn in een zwartachtige massa, waarin de oorspronkelijk vorm dier overblijfselen geheel of bijna onkenbaar geworde i is.
Veelal gebruikt men echter het woord humus in meer beperkten zin, en bedoelt daarmede dan slechts die orgamische restes welke van plantaardigen oorsprong zijn. Aan zulke van dierlijke afkomst geelt men dan den naam van most, (terwijl de term kunstmest die stoffen omvat, die bestemd zijn om de opbrengst van den bodem te verhoogen, en daartoe opzettelijk bereid worden in chemische fabrieken).
Op alle terreinen die niet in cultuur gebracht zijn, is de humus bijna uitsluitend van plantaardigen oorsprong, en afkomstig of van de gewassen die daarop staan of er stonden, dan wel van andere hooger liggende terreinen, van waar het door regen afgespoeld is.
â 604 â
De hocvecllioid humus in den bodem aanwezig, is om die reden zeer verschillend naar gelang van do terreinen, evenals trouwens ook zijn stikstofgehalto aan s'i'oote wisselingen onderhevig is. Dit hiiitste schijnt niet zelden, hoewel niet doorgaande, des te grootor te zijn, naarmate de grond armer is aan humus. Gewoonlijk bevat, volgons onderzoekingen in Amerika verricht, de humus 10°/oâ120/0 stikstof; in droge streken echter, waaide grond niet meer dan ln/o of 2° 0 humus bevat, houdt deze 14o/0 stikstof. In onbebouwden grond vond men ongeveer 40/0 humus mot 9o/0 stikstof, docli in den bodem den prairiën steeg het hunuisgehalte tot ongeveer 50/o met 100/,, stikstof. Inliet oerwoud was het humusgehalte echter natuurlijk no^' veel grooter, omdat de bovenste lagen van den bodem daar vaak uitsluitend uit half vergane bladeren bestaan, terwijl deze humus bovendien veelal door zijn buitengewonen rijkdom aan stikstof uitmuntte. Bij onderzoek, door de Hoeren van Romhurgh en Lohmaxn, van verschillende grondmonsters uit theetuinen, bleek het humus-gohalte te wisselen tusschen 2.7 en 8.1% (uitgezonderd een onvruchtbare grondsoort met slechts 1quot; â humus). Het stikstofgehalte van don humus was echter vrij constant ongeveer 4.50/o (Verslag van 's Lands Piantcutuin over 1895, blz. 105).
Wij zagen nu dat de werking der nitrificeerendo bacteriën bestaat in het omzetten der organische stikstofverbindingen uit den humus 1) en uit den niest (en zooals wij zien zullen ook van do ammoniakzouten uit de kunstmeststoffen) in salpeterzure zouten of nitraten. Eigenlijk beperkt zich de werkzaamheid dier bacteriën echter tot de bereiding van het salpeterzuur; de base benoodigd om met dit zuur bet nitraat to vormen moet in den bodem voorhanden zijn, 't zij vrij, dan wel gebonden mui zwakkere zuren. Zoo schijnt het dat vooral de calciuiiiphosphaten door die voortdurende vorming van salpeterzuur gaandeweg ontleed worden. Geschiedt dit dan out-
1
Overeenkomstig het spraakgebruik zullen wij hier aan het woord humus uitsluitend de beteekenis hechten van overblijfselen van plantaardige herkomst.
â 005 -
staan daarbij calciumnitraat en phosphorzuur, waardoor dus hot eerst onoplosbare ealciumphospbaat nu tevens in oplosbaren, en daardoor voor de plant opneembaren vorm wordt overgevoerd.
Meerdere der andere zouten die in den bodem voorbanden zijn, ondergaan soortgelijke omzettingen en zoo zjjn dan door deze bijwerkingen do nitrifieeerende bacteriën ook nog op verschillende andere wijzen van groot gewicht voor de voeding der planten.
Wij spraken boven reeds met een enkel woord over do verscliillendo soorten van nitrifieeerende bacteriën, waarbij opgemerkt word dat deze, elk voor zich, bijdragen tot do omzetting van stikstof houdende organische stoffen in salpeterzure zouten. Deze omzetting, welke in hoofdzaak berust op een oxydatieproces dor organische atof', geschiedt intusschen niet in eens, maar verloopt in verschillende pliasen. Die nitrifieeerende bacteriën hebben dus niet elk op zich zelf het vermogen om de organische stikstof-verbindingen in salpeterzuur om te zetten, maar de eene soort begint mot do organische verbindingen om te zetten totdat een zeker product bereikt is, dan komt een andere soort en oxydeert deze stof weer een weinig verder en zoo gaat het voort totdat het eindresultaat bereikt is.
De ânitrificatiequot;, zooals men liet hierbedoeldo proces in zijn geheel noemt, verloopt nu in drie zulke phasen; deze zijn de volgende:
1° Omzetting der organische stikstofverbindingen in ammonia of in koolzure ammoniak.
2° Oxydatie van koolzure ammoniak tot salpeterigzure zouten (nitrieten), en 3° Oxydatie van de salpeterigzure zouten tot salpeterzure zouten (nitraten).
Wij zullen nu elk dier drie omzettingen afzonderlijk iets nader gaan beschouwen.
1° De vorming van ammoniak.
Zooals reeds boven opgemerkt werd, zijn het bepaalde soorten onder de nitrifieeerende bacteriën die de vorming van ammonia en van ammoniak-zouten tot stand brengen als gevolg van do ontleding (oxydatie) der organische stikstofverbindingen uit den
Teysin. VII. 43
â 606 â
humus. Doze stikstofverbindingen zijn echter volstrekt niet dezelfde als die, welke men in de levende organismen aantreft. Want, even goed als bij den overgang der plantaardige en dierlijke overblijfselen in humus de stikatofvnje bestanddeeleneen diep ingrijpende verandering ondergaan (waarbij onder meer verschillende humnszuren gevormd worden), evenzoo worden ook de stikstofhoudende verbindingen tot andere vormen teruggebracht. De albuminaten toch, en in dien vorm komt de organische stikstof in hoofdzaak in do levende wezens voor, ondergaan gedurende het humificeeringsproccs ook ccn, hoewel minder diep ingrijpende, omzetting, waarbij zjj in andere verbindingen overgaan, die meer weerstand bieden aan ontledingen dan die albuminaten. Door de ammoniak-vormende organismen (dus onder de nitrificeerende bacteriën behoorende) worden zij echter gereedelijk aangetast en ontleed.
Deze ontleding berust zooals wij reeds zeiden, op oxydatie (en hydratatie) waarbij dan ammoniak als eindproduct optreedt. De andere elementen die de organische stikstofverbindingen opbouwen, en vooral do koolstof en de zwavel, ondergaan echter tevens de gevolgen dier oxydeerende werking. Zoo worden quot;â¢el jj kt ij dig koolzuur en verschillende organische zuren gevormd, terwijl ook de zwavel wordt omgezet in een of ander der verschillende zuren, met dit element tot grondslag. De gevormde ammoniak verbindt zich dan mot deze zuren en zoo ontstaan er verschillende zouten van ammoniak. liet in de grootste hoeveelheid aanwezige zuur, liet koolzuur, bemachtigt evenwel het grootste deel van de ammonia, en zoo is koolzure ammonia, hoewel niet het eenige, dan toch het meest algemeene en meest karakteristieke eindproduct van het eerste ontledingsproces der organische stikstofverbindingen.
Do wijze waarop deze verbindingen in ammonia omgezet worden is nog weinig bekend, zoodat eerst latere onderzoekingen ons daaromtrent licht moeten verschaffen. 2° De vorming van nitrieten.
Do overgang van ammoniak-zouten in nitrieten is een omzetting die chemisch van veel minder diep ingrijpenden aard
is dan de voorgaande. De waterstof uit de ammonia neemt eerst zuurstof op, eu terwijl uit dit oxydatieproduct dan een molecuul water uittreedt, bljjft er salpeterigzuur over.
De aanwezigheid van een overmaat van een of' andere base, bv. kalk, is bij deze omzetting noodzakelijk, daar or anders vrij zuur gevormd zou worden, dat een schadelijken invloed zou uitoefenen op de werkzaamheid der bacteriën.
Wanneer de hoeveelheid koolzure ammoniak, in den bodem voorradig, beperkt is, heeft de omzetting plaats zooals hierboven in ruwe trekken aangeduid werd. Anders is het echter wanneer er een groote overmaat van ammoniak voorhanden is. De analyses hebben nl. geleerd dat onder die omstandigheden wel de ammonia door oxydatie ontleed wordt, maar dat de stilcstof zich dan niet met zuurstof verbindt, maar integendeel vrij wordt en in gasvormigen toestand verdwijnt.
Een overmaat van ammoniakzouten in den bodem kan daardoor dus tot groote verliezen aan stikstof aanleiding geven.
De organismen welke de salpeterigzure zouten helpen vormen zijn veel beter bekend dan die welke de ammoniakver-bindingen doen ontstaan en over welke wij zoo even spraken. Zij behooren tot de grootste en de krachtigste der nitrificee-rende bacteriën.
3° Omzetting van nitrieten in nitraten.
De verandering van nitrieten in nitraten geschiedt eenvoudig door opname van zuurstof door liet nitriet, zonder dat dit dus eonige ontleding ondergaat, zooals hij do omzetting der ammoniak liet geval was.
Ook de bacteriën die deze verandering teweeg brengen, zijn goed bekend en hun oxydeerende werking kon bij daartoe ingestelde proeven duidelijk aangetoond worden. De organismen zelve zjju veel kleiner dan die welke do omzetting in nitriet bewerkstelligen.â
Om de geschetste veranderingen dor stikstofhoudende bestand-deelen van den humus teweeg te brengen, behooren dus allo drie de genoemde processen achtereenvolgens plaats te hebben.
â 608 -
Geen enkele dier omzettingen kan gemist worden, en zoo is dan om diozelt'ile redenen ook de aanwezigheid alle die drie groepen van bacteriën in eiken vruchtbaren bodem noodzakelijk.
Intnsschen moet men niet denken dat in den bodem die drie processen ook het een na het andere afloopt; met andere woorden die omzettingen geschieden niet zóó dat eerst alle organische stikstofverbindingen in koolzure ammoniak omgezet worden, dat dit product daarna in zijn geheel in nitriet overgaat en dat eerst dnn en ten slotte do nitraatvorming begint. Zij hebben integendeel steeds gelijktijdig plaats. Zoodra een weinig ammoniak gevormd is, komen de nitriet-vormende bacteriën zich van deze stof bemachtigen, en zoodra er een weinig nitriet is, beginnen de nitraat-vormers reeds het salpeterigzuur in salpeterzuur om te zetten.
Dat do processen alzoo gelijktijdig en overal in den bodem plaats hebben, is ook in het belang van het behoud der stikstof in den bodem; want bij ophooping van koolzure ammoniak kan deze zoodanig ontleed worden dat de stikstof vrij wordt en den bodem verlaat; en evenzoo worden de nitraten een prooi der (/enitrificeerende bacteriën, wanneer deze zouten in eenigszins belangrijke hoeveelheid in den bodem aanwezig zijn. Vinden die omzettingen dus met de gewenschio regelmatigheid plaats, dan zal men in een zoodanigen bodem noch koolzure ammoniak, noch ook salpeterigzuur knnnen aantoonen.
En is de bodem goed begroeid, zoodat al het zoo gevormde nitraat geleidelijk door de planten opgenomen wordt, dan zou men daar ook zelfs geen nitraat mogen vinden.
Dat in den bodem de hierboven beschreven processen plaats vinden, en dat deze uitsluitend plaats hebben tengevolge van de levensuitingen van lagere organismen, laat zich op eenvoudige wijze proefondervindelijk aantoonen. Men zou de proeven dan op de volgende wijze moeten inrichten : van een grondsoort, van welke men eerst het gehalte aan ammoniak, aan nitriet en aan nitraat bepaald heeft, brengt men een gelijke hoeveelheid in twee kuiven, welke met een prop watten gesloten zijn. De eene
â 609 â
wordt nu gesteriliseerd, dat wil zeggen eon voldoend langen tjjd aan zoodanige temperatuur blootgesteld, dat daarbij de kiemen van alle organische wezens gedood worden; vervolgens laat men de beide kolven onaangeroerd gedurende eenige weken of' maanden staan. Onderzoekt men daarna wederom beider inhoud op haar gehalte aan ammoniak, nitraat en nitriet, dan zal men bevinden, dat dit in de gesteriliseerde kolf onveranderd gebleven is, terwijl in de andere het totaal gehalte aan deze bestanddeelen duidelijk zal toegenomen zijn, natuurlijk ten gevolge van de ontleding, van de oorspronkelijk aanwezige organische stikstofverbindingen door de in die kolf levende bacteriën.
Het eindresultaat van de nitrificeerende omzettingen in den bodem is dus, zooals wij zagen, de vorming van nitraten. En hiermede is aan den eiseli der planten voldaan, die hun stikstofhoudend voedsel zoo goed als uitsluitend in den vorm van nitraten opnemen.
Is dus een bodem, waarin zich deze processen afspelen, begroeid, dan zullen die nitraten gaandeweg weer uit den grond verdwijnen naarmate zij nieuw gevormd worden, doordat zij in het plantenlichaam overgaan. Het hangt alzoo slechts af van de relatieve snelheid van vorming en van verbruik dior zouten, of de bodem nitraten zal bevatten of niet. Gaat de omzetting langzaam en is het terrein rijkelijk begroeid, dan zal alle nieuw gevormde nitraat dadelijk weer verbruikt worden. De plantengroei moet zich daar ter plaatse dan regelen naar de snelheid der nitraatvorming, zoodat elke versterking dezer omzetting door een krachtiger ontwikkeling der planten gevolgd zal kunnen worden.
Graat echter omgekeerd de nitraatvorming sneller dan het verbruik (en dat schijnt veelal het geval te zijn), zoo blijft er natuurlijk voortdurend een overschot, dat dan met den tijd toenemen zal. In alle andere gevallen zou een dergelijke ophooping van een voor de plant zoo gewichtige voedingsstof weinig bezwaar opleveren, want, wordt het dan al niet dadelijk verbruikt, zoo blijft het toch voor later beschikbaar. Dit is nu
â 010 â
echter met het nitraat juist niet het geval, en wel om twee redenen. In de eerste plaats omdat een overschot van nitraat, vooral als het langen tijd ongebruikt ligt, een welkome prooi wordt der denitrificecrende bacteriën, die het ontleden en de stikstof doen vrij worden. In de tweede plaats omdat juist de nitraten het gemakkelijkst van alle auderc zouten, en tevens ook volledig, door het regenwater uit den bodem uitgespoeld worden. Heeft zulk een overmatige nitraatvorming plaats in streken waar veel zware regens vallen, zoo zal daardoor al het nitraat gaandeweg uitgewasschen, en daarna in het drain water weggevoerd worden. Op die wijze gaat dan dus alle stikstof die in den bodemhumus voorhanden was, en niet door planten gebruikt werd, in het rivierwater over, zoodat alles ten laatste in den oceaan te zamen komt ').
Up plaatsen waar het niet of slechts weinig regent, en waar het nitraat dus niet door het grondwater weggevoerd kan worden, moet dit zout zich dus meer en meer in den bodem ophoopen. Hierbij gaat dun natuurlijk wel een deel door denitrificatie verloren, maar daar dit proces veelal slechts langzaam plaats heeft, blijft er altjjd nog een aanzienlijke hoeveelheid salpeterzure zouten ter plaatse achter.
Een ophooping van nitraten onder de laatstgenoemde omstandigheden komt nu niet alleen in het klein voor op niet begroeide terreinen, maar bij voldoende voorraad van organische stikstofverbindingen, kan de voorraad nitraten bijzonder groot worden.
Zoo vindt men in de regenarme streken van Zuid-Amerika terreinen die een zeer groote hoeveelheid aan salpeterzure zouten bevatten; bij de rijkste dezer is hot gehalte aan kalknitraat zelfs tot niet minder dan 30 0I0 gestegen.
i) Hoe groot op onbegroeide terreinen het verlies aan stikstof door uitloogen van den bodem kan zijn, moge uit de volgende cijfers (gemiddelden over waarnemingen gedurende 13 jaren) blijken. Op de onderzochte velden bevatte het drainwater per jaar en per bouw 28 kilo stikstof, hetgeen gelijk staat met 170 kilo Chili-salpeter. Dit water bevatte daarentegen ongeveer 6 kilo aan kali. en slechts 1.8 kilo phos-phorzuur.
â 611 â
De nitrificcerendo bacterien zijn echter niet alleen in staat om organische stikstofverbindingen in nitraten om te zetten, maar zelfs vormen zij ook in het groot hot beste middel om zoodanige veranderingen teweeg te brengen. Om die reden kan het dan ook niet verwonderen dat hun werking ook dienstbaar gemaakt werd aan de praktijk, en inderdaad berust de bereiding in liet groot van kalisalpeter (dat vooral gebruikt wordt voor het maken van buskruit, vuurwerk, enz.) ook uitsluitend op do beschreven nitrificatie van organische stoffen.
Zulke âsalpeter-plantagesquot; worden aangelegd, doordat men stikstofhoudende stoffen, als mest en andere plantaardige en vooral dierlijke afval, met grondstoffen die sterke bases bevatten (zooals houtasch, puin, mergel enz.) vermengt, zo op een voor den regen beschutte plaats op hoopen brengt en daarna herhaaldelijk met gier begiet. Na kortoren of langoren tijd (van 1 week tot 2â3 jaar) wordt do laag die liet rijkst aan salpeter is, verwijderd en met water uitgeloogd. Daarbij verkrijgt men dan een oplossing van een mengsel van verschillende nitraten, die daarna op bepaalde wijze alle in do gewone kali-salpeter worden omgezet.
Op soortgelijke wijze zijn waarschijnlijk ook do buitengewoon dikke en uitgestrekte lagen van Chili-(soda-) salpeter ontstaan welke men, zooals de naam het reeds aanduidt, vooral in Chili, maar ook in het Transkaspisch gebied vindt. Uit de aanwezigheid van jodium eu van keukenzout in die lagen, alsmede uit de afwezigheid van phosphoszuur (welke stof op een dierlijken oorsprong zou wijzen), zoowel als uit de plaats waar men die afzettingen vindt, nl. dicht bij de zee, heeft men de gevolgtrekking gemaakt dat deze salpeter zich gevormd heeft uit de ovorblijfsoleu van groote hoeveelheden zeewier. Door geleidelijke opheffing van den bodem zouden dan afgesloten binnenzeeën gevormd zijn, die vervolgens langzamerhand uitdroogden. De daarin levende, dikwijls zeer groote zeewieren,moesten dan ten slotte sterven en hunne stikstofrijke overblijfselen zouden, wederom onder de inwerking van de nitrificeerende bacteriën, aanleiding gegeven hebben tot de vorming dier uitgestrekte beddingen van Chili-salpeter.
Volkomen dezelfde omzettingen als in de salpeter-plantages hebben natuurlijk ook plaats overal waar dierlijke mest opge-loopt ligt. Vooral is dat natuurlijk het geval daar, waar de mest opzettelijk tegen regenbeschut wordt. In een opstel, voorko-mende in een der voorgaande deelen van dit tijdschrift (1894, 1)1. V, hlz. OOiS) gaf de lieer Wigman een beschrijving van do wijze waarop zulk een mestvaalt behoort ingericht te worden oin er het meeste nut uit to trekken. Wanneer men die beschrijving vergelijkt met hetgeen boven medegedeeld werd omtrent do bereiding van kalisalpeter, dan zal men bevinden dat er tusschen beiden nagenoeg geen verschil bestaat. Omzetting der organische stikstofverbindingen in de grootst mogelijke hoeveelheid nitraat is dus ook bij een rationeele bewaring van don mest hoofdzaak.
Guano, de terecht zoo hoog geroemde meststof, heeft haar ontstaan ook al aan geen andere omzettingen te danken dau aan do working dor verschillende nitrificeerende bacteriën. De uitwerpselen der levende en de overblijfselen der gestorven vogels dio zich eeuw aan eeuw ophoopten op de geliefkoosde verblijfplaatsen van een enorm aantal dezer dieren, waren ook aan nitrificatie onderworpen, en daar die vogels meestal grotten als verblijfplaats uitkozen, waar de regen dus niet kou binnendringen, zoo nam de hoeveelheid nitraten ook daar bij voortduring toe.
Als afkomstig van dierlijke overblijfselen zijn de nitraten in de guano ook gemengd met belangrijke hoeveelheden phos-phorzuur, en heeft deze daarom als meststof dubbele waarde.
Ook de losse, mulle laag die in de vogel (salanganen-) nestgrotten don bodem met een, wie weet hoe dikke, laag bedekt en waarin duizenden grootere en kleinere insecten leven, moet aanzienlijke hoeveelheden nitraten (benevens phosphaten) bevatten. Allo gegevens daartoe zijn er ten minste voorhanden als : groote hoeveelheid organische stof, vochtigheid,gunstige temperatuur, en het niet blootgesteld zijn aan regens. En daarom zal hot wel steeds de moeite en kosten loonen om deze grotten te exploiteeren, ten einde deze aarde als mest te gebruiken.
Een ander voorbeeld van talrijke plaatsen, die hier op Java voorzeker als even zoovele kleine fabrieken van nitraten mogen aangezien worden, zijn wel de vnilnishoopen die zich gaandeweg onder de huizeii der inlanders vormen, welke men gewoon is hier: âtalü kololl(f, te noemen. Allerlei afval van planten en dieren, en ook wel uitwerpselen, hoopen zich daar op, en omdat zij tevens daar ter plaatse tegen regen beschut zjjn, bestaat or geen gelegenheid voor de nitraten onï weggespoeld te worden. Ui] gebrek aan beter, en dit gebrek bestaat vaak g enoeg zooals bekend is, zou deze tahi kolong zeker met bevredigend gevolg kunnen aangewend worden, al mag men er natuurlijk niet steeds gelijke resultaten van verwachten als van goed geconserveerden dierlijken mest.
Niet alleen zullen op zulke plaatsen de verweerde overblijfselen een zeer gunstigen invloed op den plantengroei uitoefenen, maar ook de bodem zelve, waarop die overblijfselen lagen, zal van veel waarde zijn, omdat deze uit den aard der zaak langzamerhand gedrenkt is geworden met een oplossing van nitraten. Zelfs schijnt liet dat op sommige plaatsen die bodem opzettelijk afgegraven en uitgeloogd wordt om daaruit op die wijze het onzuivere, maar aan nitraten rijke, product te winnen dat dan in dien toestand als mest voor den aanplant gebruikt wordt.
Dr. J. M. Jaxse.
(Wordt vervohjd).
BOEKBESCHOUWING.
Les Orangers, Citronniers, Cédratiers et autres Anrantiacées a fruits comestibles, leur culture dans la region Méditerranésnne et dans le nord. Par Haphael de Notek, Paris. Octave Doin. Zoo luidt de ietwat uitvoerige titel van een nieuw verschenen werkje over djcrook-cultuur enz.
Schrijver zegt, dat Algiers, Spanje, Italië en andere aan do Middellandscho zoo gelegen stroken jaarlijks alleen 53 millioon kilo oranges voortbrengen. In Algiers groeien zij zeer goed, do cultuur kan daar echter niet uitgebreid worden zoolang er niet meer water voor irrigatie beschikbaar is.
In Corsica is de citroen hot hoofdproduct. Do aanvraag naar deze vrucht overtreft de productie, zoodat er nog gelegenheid tot uitbreiding dor cultuur bestaat.
Men oogst niet slechts de vruchten, maar ook de bladeren en do bloemen geven oen niet te versmaden bijproduct. In Zuid-Frank-rjjk wordt de er mede vervaardigde orangeade evenveel gedronken als de bij ons moor bekende limonade. Schrijver geeft recepten voor het maken van oranje-wijn, door het fermenteeren van het sap.
Er komen een aantal nuttige wenken over de cultuur in liet boekje voor, in hot laatste gedeelte beschrijft hij de insektcn en de schimmels die nadeelig voor do oranjoboomen zijn, ofschoon dit onderwerp reeds uitvoerig behandeld is door Ponzig in zijn âStudj sugli Agrumiquot;.
De classificatie van het geslacht Citrus schijnt een hopeloos werk, het is een chaos bijna nog erger dan bij rozen, en andere eeuwenlang in cultuur zijnde planten.
De geschiedenis van de importatie in Europa van do Citrus komt mij niet uitvoerig genoeg voor. Schrijver schijnt do Flora Amboinonsis van Rumphius waarin deze al de toen, het is ruim 200 jaar geleden, djeroek-soorten, die hom bekend waren beschreef, niet te kennen. De woorden Lemon en Lime komen uit het Maleisch. Uit een Fransche
â G15 â
brochure, door Mr. M. V. Loret Parijs 1891, ondor den titol van âLo Cudratien dans 1' Antiquité, blijkt dat do oude Egyptenaron al bekend waren mot de Lemoenbooni on do Lemocnea. Ook schijnt â¢'ij de uitvoerige moncgraphie van al do variëteiten van Citrus in Dr. Bonavia's work, over do in Indië on Ceylon gecultiveerde oranjes en lomoenen, waaruit hij voel had kunnen overnemen, niet gelozen te hebben.
Niemand schijnt den oorsprong van het woord pompelmoes, dooide Engolschen in Pommelous of Pommolnose verbasterd, te kennen. Vorscheidono soorten Citrus nu overal in cultuur schijnen afkomstig te zijn uit Zuid-China en door don Maleischen Archipel, Indië, do Perzische golf, Syrië en de Middollandsche zeo in Europa te zijn gekomen. Do Portugoozon hebben waarschijnlijk andoren ingevoerd via do Kaap de goedo Hoop.
Later hebben do Qenueosche horticultours eon aanzienlijk aantal variëteiten uit zaad gekweekt, do nieoston werden in die dagen als sierboomen beschouwd, slechts weinigen worden om de vruchten goteold.
Do beste oranje die nu te Londen aangebracht wordt is de navol-orange van Californië, zonder zaad, zij hoeft eono dikke schil waardoor zij in staat is lang te reizen zonder schade.
Over hot geheel heeft M. Raphael do Notor eon nuttig werk gedaan, want sedert de publicatie van do werken van Risso in Poiteau in Frankrijk en van Gallesio in het Latijn is er geen praktisch werk over de oranje-cultuur verschonen. Wij kunnen hier opmerken dat de schrijver op pag. 19 in dezelfde dwaling vervalt als Pliuius die het cederhout van Mount Atlas verwart mot dat van de Citrus.
Verder wordt er geen gewag gemaakt van do dunschalige Pum-melow van Bombay, Cliakótra genoemd, met een bloedrood vruchtmoes, en een fijnen smaak, ook de losschaligo Sintara-oranje van Maijpur die een enkele maal in London aangebracht is, wordt niet vermeld. w.
(Gardeners' Chronicle No. 507, vol. XX).
LEUCAENA GLAUCA BENTH.
Onder de uit don vreemde ingovoerdo gewassen, die hier burgerrecht verkregen hebben, kan ook bovengenoemde, tot de Legumi-nosen behoorende, plant gerekend worden.
â 616 â
Leucaena (jlanca behoort to huis in tropisch Amerika. In âBijdrage I. tot de keunis der Boorasoorton van Java door Koorders en Yale-tnnquot; vindt men het volgende over genoemdo plant aangeteokend. âSedert overoude tijden algemeen op Java in do lagere strokon âvoor levende heggen aangeplant (uit stekken). Aan don zoom van âbouwveldon soms verwilderd; op Java nooit iu oorwoud. Zeer âkleine boom. Hout algemeen hooggeschat voor wagonboomon â(ovenals walikookoenhout). Inlaudsche namen; Kéiulanding en âl'otó tjina; Lamtiim, Pöteuj-solöng, SolamtarS. De jonge vruchten worden gekookt soms als groente gegeten.quot;
Nu schrijft men in West-Indië eeue eigenaardige hoedanigheid toe aan hot boompje, zooals blijkt uit oone raededecliug van Dr. D-Morris, van do Kow Gardens.
Ton gevolge van het oton dor jonge takkou, bladeren, vruchten en zaden van de de z.g. wilde Tamarinde af Jumbai-plant (Lew caena (jlanca), verliezen paarden, ezels en muilezels het haar van de manen en staart; bij varkens is de invloed nog sterker, deze verloren na liet oton ervan al de harou. Paarden op bovengenoemde wijze misvormd ziet men dikwijls in de straten van Nassau; ofschoon overigons gezond en krachtig, verloren zij door genoemde misvorming zeer in waarde. Men beweert, dat als zij uitsluitend mot maïs en gras gevoed wordon, hot uitgevallen haar weer groeit, toch ziet hot er anders uit en zijn zulke dieren altjjd te horkennon. Op rundvee, schapen en goiton, die er veel mode gevoed worden, schijnt hot geen nadooligen invloed uit te oefenon, waaruit men zou opmaken, dat herkauwende dieren er dus geen last van bobben.
Do plant komt in Wost-Indië bjjna overal voor, veel langs wegen, op verlaten, woeste plokkon in geheel tropisch Amerika. De plant groeit in Bahama krachtiger dan in Jamaica en werd altijd aanbevolen als nuttig voor voevoeder.
Hot is wol vreemd, dat men hior nooit van dergelijke gevallen vernomen heeft, ofschoon juist do jonge bladeren en vruchten hior door do inboorlingen gaarne gegoten worden.
Filet zegt er van; âHet harde hout bezigt men voor stelen van âgereedschappen en scheden van wapens; de rijpe zaden eet men âgeroosterd.quot;
Dr. Morris zoekt hot vergiftige beginsel vooral in do zaden.
Zooals boven gozogd is komt Leucaenu r/lauca slechts in do bene-denlanden voor, op Oost-Java draagt Alhizzia montaua ook den
naam van kemlandiugan; deze groeit echter alleen hoog in het gebergte.
(Gardener''s Chronicle No. 510âvol XX.) w.
EEN VERGIFTIGE STOF IX DE ZADEN VAN CORCHORUS CAPSULARIS.
Volgens Tsuno bevatten de zaden van Corchorus capsularix, de plant welke de juto (goeni) levert en in China ook als voedingsmiddel gebruikt wordt, een glncoside, Corehorine, dat tot de sterkste vergiften te rekenen is. In China en Japan is hot reeds bekend, dat deze zaden op paarden en runderen een uiterst giftige werking uitoefenen, hoewel zij de plant merkwaardiger wijze gaarne eten.
{Beihefte Bot. Centrbl. r.
Bd. VI S. 287).
KAÃOENZAAD EN DE DAARUIT TE WINNEN PRODUCTEN.
In Amerika werden vroeger de katoenzaden, nadat de katoen ervan verwijderd was, uitsluitend als mest gebruikt, terwijl zij tegenwoordig een belangrijke rol in de Amerikaanscho industrie spelen.
In de Vereenigde Staten werden in het jaar 1804 als bijproduct van den katoenoogst vier en een half millioen ton zaad gewonnen welke na aftrek vnn de voor uitzaaiing benoodigde hoeveelheid 135 000 000 gallons olie en 1.200000 ton meel voor koeken gaven.
Het hieronder aangehaald bulletin geeft over de methoden der bewerking der verschillende producten uit katoenzaad mededee-lingen en bevat verder analyses daarvan en statistieken er over.
De olie vindt veelvuldige toepassing, het residu van de raftinee-ring der olie wordt in de zeepfabrikage gebruikt. De zaadschillen leveren een voortrefi'elijk brandmateriaal en de asch ervan wordt wegens den rijkdom aan phosphorzuur en kali vooral door tabaksplanters als meststof gebruikt. Het residu van do oliebereiding vindt ook toepassing als mest maar in vele gevallen is't voordeeliger het als veevoeder te gebruiken, daar het bij een klein gehalte aan vezelstof (5.44 0 0) gemiddeld 43.20 0/0 eiwit en nog 13.45 0/0 vet bevat.
(LT. S. Departm. of A/jric. r.
Farmers Bull, no. 36).
â 618 â
BLOEMVERSIERIXa.
In eon opstel in onderstaand tijdschrift wordt een en ander gezegd over jury's op bloemententoonstellingen, wat ons hier koud Iaat, aan hot einde van dit verhaal komon echter oonigo denkbeelden of liever wenken voor over het maken van bloemwerken, die hier ook verdienen bekend te worden.
Bloemen zijn geen materialen om er bepaalde voorworpen van te maken als, kussens, kruisen, paaschossen enz. Wat hooft het voor zin om een kruis van bloemen te maken ? Dat is ruikertimmor-mans-werk. Wat beteekent het om een kussen van bloemen te maken, of, zooals men in katholieke kerken wel ziet, een hart van bloemen? Do meest geschikto vormen om bloomen in te gebruiken, schijnen ons toe: het vaasbouqnot, do krans (corbeillo) en de schoof (gerbe); een enkele vorm nog zien we misschien over hot hoofd; maar wil men bij een begrafenis b. v. een kruis, dan kan dat boter op het lijkleed of op de kist aangebracht worden of op hot graf van metaal of hout. J^omon de bloemisten den smeden het werk uit de handen, dan moeten zij niet verwonderd zijn, dat deze revanche nemen, en ijzeren kransen gaan maken, mooi parelgrijs en groen geverfd, die dan geplaatst worden in ijzeren doozon met glazen deksel, zoodat oen grafzerk soms gaat lijken op een vitrine van een modiste.
üat wij Nederlanders goed met klouron kunnen werken, is bekend genoeg, wat kwam ons klein landje in de 17e eeuw niet kranig voor den dag, mot zijne dozijnen schilders van den eersten rang? En ook in onze eeuw, ten minste in de tweede helft, wat oen hoop kranige schilders. En heeft niet een onzer bloemisten op een der laatste grooto boui|uetteii-tontoonstelIingen te Antwerpen, verschillende medailles behaald voor zijn werk, dat van dien aard was, dat de koning der Belgen zich gedrongen voelde tot dien Hollander te zoggen: âon voit que vous otes artiste, Monsieurquot;? De bekroonde deelde ons later mode, dat zijne bloemstukken zonder eenige studio of verschikking gemaakt waren.
w.
(Het Nederlandsch tuinhomv-blad, jVo. 44).
KORTE BERICHTEN UIÃ 'S LANDS PLANTENTUIN
UlTOAAXDE VAN DEN DlREOTEÃR DER INRICHTING.
Beschikbare zaden van nuttige gewassen.
Acrocarpus fraxinifolius Arn. Madang pari,
Albizzia Lebbek Bth. Kitoke.
â moluccana Miq. Djeungdjing laoet. (In grooto hoeveol-
lieden.)
r stipulata Bth. Sengon.
Adropogon muricatus Retz. Akar wangi.
Bixa Orellana L. Kasoemha Kling.
Caesalpiuia coriaria Willd. Divi-divi.
r dasyrachis Miq. Pe.tah-petnh.
Calophyllum Inophyllum L. Njimplong.
Calosanthos iiulica BI. Pompohran.
Canarium commune L, Kanari.
Cassia fiorida Vahl. Djoear.
â javanica L. Boenghoengdelan.
Castilloa elastica Cerv. Caoutchouc.
Cedrela serrulata Miq. Hoer ia n.
Ciiinamomum zeylauicuin Breyn. Kaneel.
Corehorus capsularis L. Goeni, Jute.
Elaeis guineensis L. OUepalm.
Elaeocarpus angustifolius BI. Djanitri.
Eriodendrou anfractuosum DG. Kapok.
Erythroxylon Coca Lam. Coca.
Euchlaena luxurians Dur. Teosinte.
Fourcroya sp. Mauritius-hennep. (Bolletjes).
Orevillea robusta (Ideine Ijoevoellieid).
â Forstori.
Holianthus annuus L. Zonnebloem.
Ilymenaea Courbaril L.
â 620 â
Indigofera galogoidos DC. Taroem oetan.
Tntsia amboinensis Thouars. Maraboh.
Lagerstroeraia Roginae Rxb. Buenyoer.
Macrotropis. sumatrana Miq. Koepang.
Manihot Glaziovii Müll. Arg. Cereara-ruhber.
Molia Candollei A. Juss. Groute mindi.
â A.ze(larach L. Mindi.
Myristica fragraas lloutt. Pala.
Myroxylon peruiferum L. Perubalsem.
Paluidia javanica Miq. Kidjoelany.
Parkia africaua E. Br. Peundeuj.
Pterocarpus saxatilis Rmph. Lenyoa batoe.
Sapindns sapouaria L.
Schizolobium excelsmn Vog.
Sindora sumatrana Miq. Sindor.
Spathodea campanulata Beauv.
Styrax Benzoin Dryand. Muijan.
Taraarindus indica L. Asem.
Tectona grandis L. f. Djati.
Tenninalia Catappa L. Katapanj.
v sumatrana Miq.
Thea assamica (Hybr. Ceylon) Assam-thee.
â chinensis Sims. Thee,
Theobroma bicolor H. et B. (in kleine hooveolheden).
n Cacao L. n v v
Voandzeia subterranea. Katjang Boyor.
Verschiileuilo variëteiten van:
Sesamum indicura DC. ff id jen.
Sorghum vulgare L, Gandroeng.
Zea Mays L. Djacjoeng.
Aan allo aanvragen, te richten tot den Directeur van 's Lands Plantentuin, wordt, zoodra het gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat het overbodig is bij niet spoedige ontvangst op toezending aan te dringen.
Buitexzoko, Dee. 1896.
OVER DE LIBERIA-KOEFIECULTUUR OP JAVA.
{Vervolg en Slot.)
SCHADUWBOOMEN.
Het scliijnt wel niet aan twijfel onderhevig of de Liberia-koffie heeft hier op Java schaduw noodig. Door proeven, zoowel in den Cultuurtuin te Tjikeumeuh als op vele particuliere ondernemingen genomen, is zulks duidelijk genoeg aangetoond. Enkele planters, die zich door schoonklinkende redeneeringen lieten verleiden, deze koffiesoort zonder schaduwboomen te planten, hebben niet zonder schade ervaren, dat zulks hier op den duur niet gaat.
Evenals bjj gewone koffie het geval is, ontwikkelen jonge Liberia-koffieplanten zich beter in de volle zon, de stammetjes worden steviger, de takken staan dichter bij elkaar, kortom zij zjjn krachtiger; terwijl de jonge planten, die al terstond onder wat donkere schaduw uitgeplant worden, sneller in do lengte groeien ten koste van do stevigheid. De niet beschaduwde boomen zullen ook rijker bloeien en vrucht dragen, maar ten koste van hun gezondheid en levensduur. Of door doelmatige bemesting aan dit euvel te gemoet te komen zou zijn, is nog een open vraagstuk. Om krachtige jonge planten te krijgen is het dus niet wenschelijk te spoedig voel schaduw te geven. Gewoonlijk worden tegenwoordig de schaduwboomen te gelijk of een jaar na do koffie in den grond gebracht. Dit tijdstip hangt af van plaatselijke omstandigheden en van het soort schaduwboomen, dat men gebruikt.
Er is natuurlijk verschil in do hoeveelheid schaduw; op hooger gelegen ondernemingen zal minder noodig zjjn dan in de laaglanden. Het nut der bedoelde boomen moet echter
Teysm. VII. 44
uict onkel ^olcgcu zijn in liet geven van schaduw, men moot trachten zulke te kiezen, die den bodem verbeteren, met hunne krachtige wortels iu diepere aardlagen doordringen en daaruit voedsel opnemen, dat zij in den vorm van bladafval aan don bovengrond teruggeven, zoodat zij den bodem humusrijker en poreuzer maken.
Kiest men de schaduwboomen uit de familie der Legumino-sen, dan heeft men bovendien nog liet voordeel den grond mot stikstof te verrijken omdat zij door de knolletjes, die aan de wortels van sommige in zeer groeten getale voorkomen, vrije stikstof uit de atmosfeer kunnen opnemen. Door het afsterven dier knolletjes en door den bladafval komt deze dan ook den aanplant ten goede.
liet bladafval heeft verder nog liet voordeel den grond met een laagje te bedekken, dat aan de regens minder vat geeft om den bouwkruin weg te spoelen en daardoor grooter nadeel toe te brengen aan de tuinen dan een reeks van kofficoogsten.
O]) die plaatsen eener onderneming, welke in sterke mate aan den wind zijn blootgesteld, ton gevolge waarvan â dooide sterke verdamping vooral do koffleboomen veel te lijden hebben, znllen do schaduwboomen tevens den rol van windbrekers moeten vervullen en dus sterker behooren te zijn en aan de windzijde ook wat dichter geplant mogen worden.
Een inooilijke kwestie is daarom zeker de keuze der schaduwboomen. Het vraagstuk, wolken boom men planten moet, is nog niet opgelost en zal zoolang er koffie geteeld wordt ook wel niet geheel opgelost worden. Do eisclien, die aan do schaduwboomen gosteld worden, zijn toch zoo veelzijdig, flat we wel nooit een boom zullen vinden, die daaraan geheel voldoet, zoodat wij ons wel tevreden zullen moeten stellen met boomen, die zonder op volmaaktheid aanspraak te m iken, bruikbaar zijn.
Als eerste cisch wordt gewoonlijk gesteld snelle groei, daarbij mag do boom niet broos zijn, zoodat hij bij eenigszins zware winden omwaait, waardoor schade aan de koffioboompjes toegebracht kan worden.
â 623 â
Do schaduw ma» niet te donker zijn: boomen, wier likdoren zich 'snachts sluiten en zoodoende den dauw minder beloin-moron, verdienen de voorkeur.
Vorder mogon de wortels zich niet te veel aan de oppervlakte verspreiden. Ook hecht men er waarde aan, dat zjj in don Oostmoesson do bladeren verliezen. Hoezeer ook deze laatste eigenschap voor do gewone koffie voordeolig schijnt te zijn, weten wij niet zoo zeker, dat zij zulks ook is voor de Liberia-koffie; deze toch kent in haar vaderland geen eigenlijk gezegde rustperiode, groeit en bloeit bijna altijd door, zoodat door zulk een plotselinge blootstolling aan de felle zonnestralen, de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat de plant er onder lijdt.
Van sommige boomon zegt de inlander dat zij âpanasquot; zijn, anderen hecton âdinginquot;, en al is het ook niet altijd even duidelijk, wat hij er mede bedoelt, toch loert de ervaring, dat die boomon welke door hom onder do laatste categorie gerangschikt worden, dikwijls goedo schaduwboomen zijn; zoo noemt hij de dadap dingin en in werkelijkheid is dit ook een der beste schaduwboomen voor de koffie.
Vroeger, en op vele landen ook nu nog, wordt uitsluitend dadap voor schaduw geplant, evenzoo maakt men iu andere koffie-produceeronde landoa voel gebruik van deze plant. Een zoo algemeen gebruik en een zoo aanzienlijke verspreiding duidt wel op do geschiktheid van den boom voor hot doel.
De volgende boomon worden, voorzoover ons bekend is, op Java in koffietuinen geplant.
Erythrim, diverse species, [dada])).
Albizzia violuccana, (djeunydjiny laut, sengon sebrany).
AIhizzia stipulata, (djeungdjiny, sengon).
Caesalpinia dasyrhachis, uit do Lampongs afkomstig.
Caesalpinia arborea Zoll. is volgens Koorders en Valoton synoniem mot Caesalpinia ferruginea Decaisne, welk geslacht is veranderd in Peltophorum. In geheel Oost- en Middon-Java is do inheomsche naam Sogd, in West-Java ook tioga, men geeft daar echter aan enkele andere boomon donzelfdon naam.
â 624 -
Pithecolohhm Saman.
Parhia africana, (peandeuj).
Schizolobium excelsa.
Acrocarpus fraxinifolius.
Mei ia Azedarach, (inindi).
GreviIlea robusta eaz.
Van al deze boomen mag de dadap in de eerste plaats genoemd worden en op de meeste ondernemingen, waar hij goed groeit, gebruikt men hem niet ten onrechte als den eenigen schaduw-boom. Ook in andere tropische landen staat hij goed aangeschreven ; zoo stonden o. a. onlangs in hot Engelsch-Indische tijdschritt â Planters Opinionquot; eenigo losse aanteekeningen over koffiecultuur van den heer \'gt;. Nelson te Arieuhow, Shenkotta Ceylon, waarin gewezen werd op do groote moeielijkheid om uitgestrekte koffietuinen voldoende te bemesten. Schrijver gaf eenige middelen aan de hand om hierin, al was het dan slechts ten deole, te voorzien; onder deze middelen bekleedt de dadap geen geringe plaats.
Hij plant in zijne tuinen tegelijk met de koffie de dadap op 6 vt. afstand van elkaar; zij staan dan wel wat dicht, maar niet alle stekken slagen en hot is veel gemakkelijker om een dool der dadap op te ruimen dan om op een gegeven oogenblik meer schaduw te geven, als zulks noodig blijkt.
Al liet snoeisel moet natuurlijk in de tuinen blijven; door deze grondbedekking vermindert men de wegspoeling der fijne aarde en, wat niet vergeten mag worden, het levert eene hu-musrjjko bemesting.
Er is nog een punt, waarop schrijver de aandacht vestigt, namelijk op de werking der aardwormen in de schaduw en onder bladbedekking. Ilij wijst erop, dat reeds door Darwiu op het groote nut dezer wormen is gewezen; in Engeland heeft men aangetoond, hoe op bedekte terreinen een gewicht van meer dan tien ton aarde per acre jaarlijks door het lichaam der aardwormen gaat, zoodat binnen eenige jaren de geheele bovenlaag door hen bewerkt werd even goed als de beste tuinman het kan doen.
Hier op Java spelen de aardwormen zeker niet zulk een
- 625 â
rol. Opmerkelijk is het â en door een van ons zijn op tal van plaatsen grondboringen verricht â zoo weinig van deze dieren men aantreft. Daarentegen zijn, vooral in West-Java, do witte mieren ijverig in de weer den grond in alle richtingen van gangen te voorzien.
In Britsch Indië noemt men onze gewone dadap Erythrina lithosperma, ook Koorders on Valeïon geven dezen naam op. Dr. Boerlage geeft de voorkeur aan Erythrina ILj-paphorus Bkl. zie Teysmannia 1S94 pag. 21. Er schijnen gedoomde en ongedoornde variëteiten van te zijn. De zeer verspreide Dadap-Solo wordt door boven aangehaalde schrijvers eveneens voor eene variëteit gehouden. Verder zeggen zij over de inlandsche namen liet volgende: Zoowel de stamvorm als de ongedoornde variëteit heeten evenals een paar andere Erythrina-soovten Dadap (ml. s. j.) of fheufheuk (mad). De bijbehoorende inlandsche soortsnamen zijn echter meestal zeer onzeker. In Scmarang en Madioen heet do dicht gedoomde Dadap-ri (j.), de minder gedoomde Dadap-srt'p (j.) en de ongedoornde Dadap lenrja of dadap lisa. In de Preanger de gedoomde dadap-rangrang of tjoetjoek, de ongedoornde Dadap minjak (s. mal.) of eenvoudig dadap. Erythrina indica (dadap hleudoeuy) die sterk gedoomd is, wordt volgens Koorders en Valkton ook wel in koffietuinen geplant, maar is ecliter ongeschikt omdat de boom juist in het tijdperk, dat de koffie schaduw het moest noodig heeft, langer of korter tijd geheel bladerloos staat.
Er is echter op verscheidene plaatsen eene ziekte in de dadap uitgebroken, (zie Teysm. 1892 pag. 97, 1893 pag. 415 on 1894, pag. 499), die van zoo ernstigen aard is, dat men verplicht was naar een anderen schaduwboom om te zien.
Daar de dadap op sommige plaatsen tengevolge van do ziekte spoedig afstierf en daardoor de aan schaduw gewende koffie plotseling aan de zon blootgesteld werd, moest er ecu boom gezocht worden, die in den kortst mogelijken tijd in de behoefte aan schaduw voorzag. Hiervoor kwam Alhizzia moluccana Miq. in de eerste plaats in aanmerking; geen boom is cr bekend, die zoo snel groeit en zoo spoedig schaduw geeft.
Als een bewijs van den buitongewoun snellou groei der A. moluccam, moge hot oiulervolgcndo, aan een opstel van Koorders in dit tijdschrift, 1894, pag. 277, ontleend, dienen.
In 's Lands Plantentuin staan driejarige hoornen, gezaaid in Augustus 1891, geplant in Sept. 1891; op 10 Mei 1893 gemeten gaf oen dezer boomen do volgende cijfers:
Kruinhoogte van den grond tot de uiterste spits =1Ã M.
Stamdiameter op 1.3 M. boven don grond 44 cM.
Stamointrek op 1.3 M. hoven do grond 140 cM; deze boom was do grootste van den aanplant, do meeste waren 10 4 12 M. hoog. Wij komen hier dus tot een maximaal lengtegroei per jaar van bijna G M., maximaal diktegroei ruim 70 mM.
Een negenjarige boom in den Cultuurtuin to Tjikeumeuh, van 33 M. hoogte, produceerde aan hout een totaal van 6.6 M8; eene productie, die in Europa alleen enkele boomsoorten tusschon het SO»10 en lOO»'0 jaar opleveren.
Een feit, dat zeer ten gunste van Albizzia inoluccana, als schaduwboom in koffietuinen pleit, deelt Koorders mode uit Sigaplak. Er was daar in 1880 in verlaten koffie- en kinatuinen ecu bosch aangelegd bestaande uit Albizzia en andere boomen, on 1891 bleek het, dat alleen onder de Albizzia1 s de oude koffiestronken op nieuw uitgebot en er krachtige jonge planten ontstaan waren, bovendien waren alleen in de nabijheid dor Albizzia-hoomen een aantal jonge koffieplanten, die ergozond uitzagen, ontstaan uit zaad door de loeaks daar gebracht.
Schrijver eindigt mot te zeggen: âUit de hierboven modogo-deeldo waarnemingen in den gereboiseordon koffietuin te Sigaplak, blijkt de gimstigo invloed van het gemengde Albizzia mo?»cc«na-plantsoen te dezer plaatse op de vruchtbaarheid van den bodem bijzonder duidelijk.
Wij moeten hier nog bijvoegen, dat op de wortels van dezen schaduwboom een aanzienlijk aantal wortelknolletjes gevonden wordt; ook sluiten de blaadjes zich 's avonds.
Nu wij gewezen hebben op de deugden van A, moluccana als schaduwboom in koffietuinen, moeten ook de gebreken van den boom even aangestipt worden.
Hot ligt voor do hand dat een boom, die zulk een Imitcn-gewoon snellen groei heeft, niet bijzondei' sterk is, en bij zwaren wind onderhevig is aan omwaaien en afbreken van takken, waardoor schade aan de eronder groeiende koffie veroorzaakt wordt, bij nader onderzoek blijkt meestal de verwoesting veel minder erg dan men aanvankelijk meende.
Koorders resumeert in zjjn hier meergenoemd opstel do nadoelen van do Alhizzia moluccana als volgt:
De geringe levensduur in het algemeen en op sommige plaatsen in het bjjzonder; voor gunstige standplaatsen neemt hij aan 20 ü 25 jaar, voor ongunstige standplaatsen in het gebergte 12 a 17 jaar. In eon gesloten aanplant sterven veel boomen reeds tusschen 5 a 10 jaar.
liet gering weerstandsvermogen tegen wind.
De groote praedispositie om door de larven van oen boktor aangetast te worden.
Wij zouden nog veel in het voor- en nadeel van AU), moluc-cana kunnen zeggen ; wil men er meer van weten, dan moeten wij naar het hier meermalen aangehaalde opstel van den hoer Koorders verwijzen.
Het behoeft geen betoog, dat een boom mot zoovele goodo en kwade eigonschappon zijne wanne vereerders, maar ook zijne vijanden heeft. Hier ontmoet men planters, dio niets anders dan Albizzia voor schaduw in hunne tuinen planten, en elders weer, die ze zorgvuldig weren en zelfs zoo spoedig mogelijk diegenen laten kappen, die nog in hunne aanplantingen staan.
Een feit, waaruit men mag affeiden, dat de Alhizzia moluccana nog steeds goede diensten doet, is de voortdurende aanvraag van groote hoeveelheden zaad van hier door koffieplanters.
Alhizzia, stipulata lith. (inl. namen Sencjon; J., Sen'jon djawa; J; Djeungcljiny, s. of Djeugdjing soenda, s.
In Teysmannia 1891, pag. 161, beveelt Kievits dezen boom zeer aan; hjj zegt, de natuurlijke groeiplaats van dezen boom is op Java liet tertiaire gebergte (kalk- en mergelgronden) in de lagere streken van af het zeestrand tot ongeveer 2000 vt. hoogte, doch liij is het best op zijne plaats in den gordel tusschen 500 en 1500
â 628 â
voet; hjj groeit daar op die gronden minstens even vlug als A. moluccana.
Ook o]) vulkanische en alluviale gronden komt de boom van nature voor, doch hij groeit daar minder vlug dan op eerstgenoem-den bodem, ook vereischt de cultuur van de jonge planten, die hier wel eens iets kurigs hebben, eenigszins meerdere zorg.
Boven do grens van 1500 a 2000 voet neemt de snelheid van den groei af met de iioogte en gaat hij ook in ontwikkeling achteruit, zoodat hij van lieverlede in kreupelhout overgaat en dus voor hooggelegen koffietuinen als schaduwboom niet moer dienen kan. (1)
Voorts beeft A. stipulata de eigenschap van tijdens liet rijpen der peulen zijne blaadjes te laten vallen, hetwelk van hot hoogste belang is voor don bloei en de vruchtzetting van de daaronder groeiende gewassen. In een noot stelt de heer Kievits do vraag; âzou hot afvallen van de bladen der schaduwboomen âeens per jaar ook oorzaak kunnen zijn, dat de koffie haar âprimitieven aard, om op ongeregelde tijden te bloeien, in âverloop van tjjd verliest? Indien kon aangetoond worden, âdat de gewone koffiesoorten inderdaad die verandering ondor-âgaan hebben, zou men in billijkheid ook mogen verwachten, âdat de op ongeregelde tijden bloeiende Liberia-koffie, die in âhet land harer afkomst geen schaduw noodig heeft, hier onder âden invloed van periodieke schaduwloosheid zich gewennen âzal aan periodieken bloei.quot;
Hierop zou men kunnen antwoorden, dat de Liberia-koffie inderdaad reeds in bepaalde maanden van het jaar den grootsten oogst geeft en dit onafhankelijk van het afvallen der blaren van schaduwboomen. De vergelijking met gewone koffie gaat hier in zooverre niet op, dat deze haar vaderland heeft in een streek, waarvan hot klimaat ten eenemale verschilt met dat van Liberia.
liet hout van dezen boom wordt in de inlandsche huishouding tot allerlei doeleinden gebruikt. Junghuhn's meening, dat
(1) Volgens Koorders on Valeton (Bijdrage No. 1 p. 305j mat echter een ;!0-jango boom op 4000 vt. op den Galoenggoeng '2(5 M.
â 629 â
de witte mieren het niet aantasten wordt door den heer Kievits niet gedeeld.
Hier te Buitenzorg is liet verschil in groeisnelheid tnsschen A. moluccana en A. stipiilata nogal groot, ten nadeele van laatstgenoemde. Er schijnen echter variëteiten van te bestaan; daar zijn eronder die vlugger groeien, want meermalen werd door planters verzekerd, dat zij in liet bezit waren van enkele exemplaren, die bijna zoo snel groeiden als A. moluccana.
Vroeger zijn wol eens proeven genomen met den aanplant van Cassia fiorida, djoehar, deze boom bleek echter minder geschikt in den koffietuin; hetzelfde zegt Kievits van Parkia speciosa, de bekende pete-boom.
Caesalpinia dasyrhachis Miq. Door Teysmann uit de Lam-pongsche Districten, waar hij den naam draagt van Petah-Petah, in den Plantentuin geïmporteerd.
In de verslagen van 's Lands Plantentuin wordt opgegeven, dat do boompjes 11 /2 jaar na do uitplanting eeno hoogte hadden van 3 M. en een jaar later 4 a 5 M. De boom groeit hoog op en vormt geen uitgebreide kruin, ofschoon hij ook bros is, breekt hij niet zoo licht als A. moluccana.
Do schaduw van Caesalpinia arborea (Feltophovum ferrugi-neuin) is donkerder dan die van den vorige.
Pitliecolohium Sant an Bextu. In 1878 werd in don Cultuurtuin te Tjikeumeuh een aanplant van dozen boom gemaakt. De Ijoomon groeiden krachtig en bereikten in één jaar reeds eene hoogte van 4 M. Zij ontwikkelden zich echtcr onregelmatig, waarschijnlijk doordat de aanplant slechts aan 2 zijden open was en de planton het licht zochten. In 1892 hadden zo eene hoogte van 24 M. Als schaduwboom voor cacao schijnt de boom wel geschikt, do planten groeiden er welig onder. Aau de wortels van dezen boom worden de bekende wortelknolletjes der Loguminoscii aangetroffen. Op pagina 65 van dezen jaargang geeft de hoer C. J. do Jaagor oen beschrijving van een proef met den aanplant van dezen boom; do proef is slechts met weinig boomen genomen; schrijver zegt echter, dat iioowol hot door proefnemingen in liet groot in koffietuinen nog moet uitgemaakt
â C30 â
worden, liij cclitei' do hoop koestert, dat Fithecolobiuin saman aan do moeste eisclien, dio aan scliaduwboomen gesteld worden, zal voldoen. Schrijver wijst erop, dat do schaduw voor koffie wat donker zal zijn en do boom daarom van den beginne af wat gesnoeid moet worden.
Met Parhia Africana (peundeuj) en Acrocarpus f raxinifolius worden in den Cultuurtuin nog prooven genomen. Beide boomen groeien vrij snel. Do oersto heeft nogal van rupsen te lijden. Sclnzolobium excelsum die verbazend hoog opschiet, zal ver-moedeljjk wat te veel rchaduw geven.
In den laatsten tijd is in Wcst-Java veel Mindi, Melia Aze-darach in de Liiboria-koffietuinen geplant en do meeste planters verwachten voel van dezen boom. liet is jammer, dat hjj niet tot do familie der Lfiyuminosen behoort, waardoor men gratis stikstofbemesting mist. Planters vpn Midden-Java, die al jaren geleden proeven met den Mindi als schaduwboom in koffietuinen namen, deelen niet in die gunstige verwachting; zij beweren, dat de boom op den duur een ongunstigen invloed op den stand der koffieplantsoenen heeft. Voor ondernemingen, die behalve Liberia-koffie ook thee planten, iieeft de Mindi nog het voordeel goed theekisten-hout op te leveren.
Met (./reviIlea rolnisla, die o.a. op Ceylon gebruikt wordt als schaduwboom, zjjn nog maar zeer enkele proeven genomen.
Klimaat, regenval, heerschoude winden, aard van den grond enz. zijn faetoren, die grooten invloed op do keus van een schaduwboom zuilen moeten uitoefenen, zoodat er zeker scliaduwboomen zullen zijn, die voor do cone plaats aanbeveling verdienen, maar in andere streken in liet geiieel niet voldoen. Daarom zal mou verstandig doen proeven met verschillende boomen op kleine schaal in de koffietuinen te nemen en do boste uit te kiezen.
Van «^root belang zou liet zijn, indien men behalve schaduw ook geldelijke voordooien van den schaduwboom kon hebben. De bast van Feltophorum ferrugineum, Soya, wordt bij het verven van saroengs gebruikt en is op Java goed verkoopbaar (Koordors en Valeton loc. cit).
â 631 â
Onder de Caoutchouc-leverende boomon zijn er een paar, die in West-Java g-ood groeien en dieâmet andere schaduw-boom te zamenâook wellicht in koffietuinen te gebruiken zouden zijn, nl. Heven brasiliensis en Castilloa elastica. Onder de schaduw van de laatsten zijn in den Cultuurtuin eenige Liberia-koflie-en cacaoboomen geplant, die vrij goed staan. Een bezwaar van de Castilloa is, dat hij in zijn jeugd vrij lange, dunne afhangende takken heeft, die echter spoedig afvallen. Als de boom, ouder is heeft hij een niet zeer groote kroon.
Dat schaduwboomen onder zeer bepaalde omstandigheden ook wel eens een minder goeden invloed schijnen uit te oefenen op de Liberia-koffie, kan uit hot volgende blijken, dat ons door den Heer Netsciier medegedeeld werd. liet betreft hot feit, dat bij buitengewoon groote en aanhoudende droogte do koffie soms onder goed bebladerdo schaduwboomen meer te lijden heeft van watergebrek dan wanneer zij onbeschaduwd is.
De Heer Netsciier schrijft ons liet volgende:
âOp 1 Oct. jl. bevond ik mij in de omgeving van de Wijnkoopsbaai. Van Tjisolok landwaarts gaande, volgden wij een weg, die van het strand tot 1500 voet boven zee ging. Op dien weg passeerden wij tal van Gouvernements Liberia-aan-plantingen, waarbij tuinen van 5 tot 8 bouw groot. Ik was zeer benieuwd om te zien hoe die Liberia-aanplantingen zouden staan na de zoo langdurige droogte. Deze tocli was dit jaar veel heviger dan in andere jaren. Sedert einde April was er geen regen gevallen; in andere jaren hield vaak do Oostmoesson ook wel lang aan, maar dan vielen er toch van tijd tot tijd zware buien, wat dit jaar editor niet liet geval was.
âDe eerste tuin, dien wij bezochten, was op 700 voet gelegen; voor de helft stond de dadap daar Hink in blad, maar de rest was nagenoeg zonder eenige schaduw.
âHot eigenaardige geval deed zicli nu voor, dat alle Liberia-koffieboomen, die goede schaduw hadden, allertreurigst stonden: de bladeren hingen vertlenst langs do takken en de toppen waren uitgedroogd of begonnen uit te drogen. De bast wilde nauwlijks van den stam loslaten en zelfs was het cambium-
laagje bij vele boomen droog. Xaar de wortels toe werd dat beter en dicht bjj den grond vertoonden zjj neiging om nieuwe loten te vormen.
âDo toestand dor koffie buiten de schaduw was echter geheel anders:
âDe meeste dier boomen tocli stonden frisch en hadden donkergroene bladeren, en hier en daar bleek slechts een enkele door do droogte te lijden, en dat niettegenstaande de grond hier groote scheuren vertoonde, die in do beschaduwde plekken nauwlijks voorkwamen. De vruchten der beschaduwde boomen waren aan de takken verdroogd, doch op do plaatsen zonder scliadnw bevonden zjj zich in goeden toestand.
âAndere tuinen gaven gohool hetzelfde te zien, want ook daar verkeerde de beschaduwde koffie in zeer treurige conditie. Jonge tuinen echter, in Maart en April van dit jaar geplant, stonden uitstekend, geen boompje mankeerde en toch waren zij geheel en al van schaduw verstoken.
âNagenoeg alle de bezochte tuinen waren volstrekt schoon, on de grond was dus onbedekt. Daar waar afgevallen dadap-bladeren lagen, waren die om den boom verzameld, doch waar geen dadap stond, was er volstrekt niets, dat den grond bedekte.
âBlijkbaar was dus de schaduw de oorzaak van don ollen-digen toestand der koffieboomen. Een overtuigend bewijs daarvoor vind ik verder nog in den toestand der boomen, die stonden aan een breeden weg, dwars door don aanplant gaande: deze boomen stonden veel beter dan die binnen in, waar zij beschaduwd waren.
âGeheel hetzelfde deed zicli ook op mijne onderneming voor; ook daar waren de bladeren van Liberia-koffie slap gaan hangen op plaatsen, waar de schaduw toevalligerwijze dichter was dun gewoonlijk. In een tuin van ruim 40 bouw, waar 3-jarige Liberia tusschen Assam-thec staat en welke dus geen schaduw hebben, bad daarentegen geen enkele boom verwelkte bladeren. In het eind van October, na de eerste regens, hebben de boomen zicli alle weer hersteld.
âDeze opmerkingen gelden echter slechts voor Liberia-koffie,
â 633 â
want nergens zag' ik tuintjes vau Java-koffie, die door de droogte geleden hadden; eer zou ik liet tegendeel zeggen.
âEen geval, overeenkomende niet hetgeen bij de Liberia-kof'fie waargenomen werd, deed zich voor op het erf van den pasangrahan te Palaboean Eatoe. Op de aloen-aloen zag het gras er goed uit in vergelijking met dat voor liet huis, waar het door manggaboomen beschaduwd was; dit laatste zag er uit als oud iiooi. Een groote klappertuin, waaronder alang-alang stond, zag er geheel verschroeid uit; een eind verder, waar een alang-alang-veld schoongebrand was, en waar de alang-alang weer voor den dag kwam, stoud verse!i opgeschoten groen. Alléénstaande bamboestoelen stonden f'risch, terwijl ze overal daar er geheel verschroeid uitzagen, waar zij als tuinen voorkwamen.
âDo oorzaak van een en ander meen ik te moeten zoeken in den dauw. De dadap of schaduwboomen beletten, dat de dauw op den grond en op de koffieboonien neerslaat, zoodat de bladeren dier schaduwboomen alleen daarvan profiteeren. Op plaatsen waar geen schaduw is, ziet men, als het gedauwd heeft, ook op de bladeren der Liberia-koiHe dauw liggen, en wel tot op eeu hoogte van ongeveer 21/2 Meter, en in doste grooter hoeveelheid naarmate de bladeren zich dichter bjj den grond bevinden. Ook in de barsten van onbeschaduwden, gespleten grond dringt zoo veel vocht in, hetgeen men o. a zien kan aan de spinnewebben, die over die spleten uitgespannen zijn, en 's morgens vol met dauwdruppels zitten, evenals men die vindt aan de worteltjes, die in de spleten te voorschijn komen.
âMaar niet alleen derven beschaduwde koffieboomen alzoo den watertoevoer door dauw; er is nog een andere reden voor de waterarmoede, die zij kunnen lijden. Op onbeschaduwde terreinen toch is al het water, dat in den ondergrond aanwezig is (de bovengrond is in den Oostmoesson tot op zekere diepte droog) ter beschikking van de koffiewortels, maar wanneer er tusschen de koffie schaduwboomen geplant zijn, moeten zij dien watervoorraad onderling deelen. Niet alleen is dus voor elk hunner een kleinere hoeveelheid disponibel, maar er ontstaat
â 634 â
in don bodem een strijd tusschon do wortels, wie het snelst on liet krachtigst zich het voorhanden water kan toeëigenen. Do ervaring loerde nu, dat het onder zoodanige omstandigheden de dadapboomen zijn, die zich het langst het benoodigde water weten te verschaffen. De koffie neemt ook wel water op, maar eiken dag iets te weinig om het verdanipingsverlies te dekken, en zoo komt er ten slotte oen oogenblik, dat de bladeren slap gaan hangen.
âGeheel dezelfde redeneering kan toegepast worden op de boven aangehaalde gevallen van het gras en de alang-alang, alsook op het verschil tusschen alleenstaande bamboestoelen cn aanoongosloten bamboetuinen.
âEen koffieschaduwboom, die in don drogen tijd van bladeren verwisselt, zooals de mindi dat doet, zou dus met het oog op het bovenstaande aanbeveling verdienen. In tusschen komen de beschreven verschijnselen betrekkelijk zóó zelden voor, dat liet feit, dat onder bepaalde omstandigheden de koffie te midden van zekere schaduwboomen somtijds te weinig water krijgt en daardoor slap wordt, niet al te veel gewicht in de schaal mag loggen, wanneer deze schaduwboomen overigens zooveel mogelijk aan bepaalde eischen voldoen.quot;
Uit Midden-Java kwam ons ongeveer te gelijker tijd een soortgelijk bericht ter oore. Van Liberia-koffieboomen, die onder Alhizzia Moluccana geplant waren, hingen de blaren des te eerder slap naarmate ze dichter bij den schaduwboom stonden.
Toor de plantwjjdte der schaduwboomen laten zich ook al weer geen vaste regelen geven. Vele planters beginnen bijv. dadap op 12' X 12' te planten, anderen daarentegen kiezen een plantwijdte van 12' x 24' of 24' x 24'. Waar de dadap slecht gedijt cn dus weinig schaduw geeft, zal men natuurlijk dichter moeten planten dan in tuinen, waar zo welig groeit. Bij groote schaduwboomen, zooals bijv. do Alhizzia Moluccana zal do plantwijdte grooter kunnen zijn. Voor behoorlijk uit-dunnen en opsnoeien der schaduwboomen zal eveneens zorg gedragen moeten worden wil men door do te donkere schaduw ultlians don oogst niet zien verminderen.
â 6'i5 â
Onderhoud der plantsoenen.
{Schoonhouden, heinesten, snoeien, toppen).
In hot hoofdstuk over grondbewerking is reeds het ccn en ander besproken wat op het onderhoud, voor zooverre daar bewerking van den grond mot patjoel of vork bij te pas komt, betrekking hooft. We zagen daar dat, vooral in de eersto jaren, oen Hinke grondbewerking in vaste gronden uoodig schijnt. Sommigen laten gedurende de eerste drie jaren om de twee maanden de tuinen omwerken en maken dan tevens de blinde goten waarin het onkruid en de afgespoelde aardo opgezameld worden. Anderen geven er do voorkeur aan, vooral tegen het eind van den Westmoesson, don grond diep te bewerken en van onkruid wortels te zuiveren.
Wat liet schoonhouden der tuinen aangaat zijn de meeningen verdeeld. Terwijl velen er voor zijn de tuinen geheel van onkruid vrij te houden, bepalen anderen zich er toe liet onkruid met arit en patjoel geregeld onder den duim te houden, zonder te verlangen dat de tuinen geheel schoon zijn. Goede resultaten zijn ook verkregen door slechts rondom den boom, in kringen, bij elke bewerking steeds grooter te maken, don grond schoon te houden en te bewerken en er voor te zoi'gen dat zicli geen alang-alang in de tuinen nestelt, terwijl het onkruid verder door babatten wordt kortgehouden. Men heeft dan hot voordeel de kosten der bewerking over langer tijd te verdoelen, de afspoeling te verminderen, het verlies van plantenvoedsel door uitspoeling van den nog niet met wortels voorzienen grond tegen te gaan, humusvorming te bevorderen en schadelijk ongedierte van de koffieplanten af te leiden. Over grondbewerking in jonge tuinen gaf een van ons (v. R.) in den vorigen jaargang eenige beschouwingen, terwijl ook in dezen jaargang zoowel door Dr. Janse als door Ur. Koningsberger gewezen werd op do wensche-hjkheid om het onkruid in de tuinen niet geheel uit te roeien.
Indien men de Liberia-koffietuinen op vruchbare gronden lieeft aangelegd zal men natuurlijk er naar moeten streven die in denzelfden goeden toestand te houden. Moest men
â 63G â
cclitei- genoos'eii nemen met reeds vroeger bebouwde gronden dan moet men niet alleen er voor waken, dat zo niet achteruitgaan, maar om op den duur, jaar in jaar uit, bevredigende oogsten te maken zal men moeten trachten ze te verbeteren. Door do moesto Liberia-koffieplantera worden do tuinen gemest, rationeele proeven zjjn echter tot nu toe naar het schijnt niet genomen.
Zeer waarschijnlijk is het, dat op velo humusarme gronden do Liberia-koffie dankbaar zal zijn voor oene stikstof-bemesting, die wanneer zij in den vorm van stalmest ot'compost gegeven wordt, ook door de groote hoeveelheden organische stof', die daarbij in den bodem gebracht worden, goeden invloed uitoefent op de physischen gesteldheid van den grond. Het gehalte aan stikstof is in Indische stalmest niet groot vooral niet als er aan het opbewaren weinig zorg besteed is. Men moet dan door quantiteit goed maken wat aan qualiteit ontbreekt.
Waar men niet over voldoenden stalmest beschikt, zal men door het bereiden van compost in daartoe geschikte overdekte bakken of kuilen aan het gebrek aan mest moeten te gomoet-komen. Snoeisel, bladafval, onkruid, koffiesclnllen, asch enz. kunnen daarvoor gebruikt worden.
Eindelijk kan men trachten door zoogenaamde groene bemesting in het tekort te voorzien. Een keuze van een daartoe geschikte vlinderbloemige plant zal niet altijd gemakkelijk zijn, omdat op een beschaduwd terrein do groei van velen, die op een zonnige standplaats goed slagen, to wenschon zal overlaten. Toch is een proef met sommige indigo- en katjangsoorten wel aan te radon. Een onkruid, Crotcdlaria laburni-folia, in Midden-Java, orok-orok genoemd verdient volgens den I loer van Lookeren Campagne voor dat doel alle opmerkzaamheid 1), even als een ander; Phascolus semi ei'ectus, enteng-enteng genoemd.
1) In Oost-Java werd door mij, in 1893, in een niet donker beschaduwden koffietuin een van wortelknolletjes voorzien onkruid aan getroffen, dat volgens Dr. Burek eveneens een Crotallaria-soovt was. v. R'
â 637 â
Wat do wijze van bemesting betreft, zal men verschil moeten maken tusschen jonge ou oude tuinea. In jonge aanplantingen zal men den mest beter rondom eiken boom, op eenigen afstand van den stam, in den grond brengen, terwijl men dien in oudere tuinen meer gelijkmatig kan uitstrooien en daarna oppervlakkig onderwerken, dan wel tusschen de rijen der koffieboomen brengen.
In den laatston tijd is men ook begonnen op sommige ondernemingen zoogen. kunstmest te gaan gebruiken. Over de resultaten dier bemesting hebben wij echter nog geen op cijfers berustende gegevens kunnen verkrijgen. In Brazilië genomen proeven op Arabische koffie leerden echter, dat men bij het gebruik van minerale meststoffen hot toevoegen van stalmest niet mag verzuimen. Er zullen evenwel ook hier te lande reeksen van proeven noodig zijn om uit te maken welke meststoffen voor bepaalde grondsoorten liet nuttigst zijn en om alzoo den planter voor groote geldelijke verliezen, door noodelooze uitgaven voor plantenvoedsel, waaraan de grond geen gebrek hoeft, te vrijwaren. Men vergete eciiter niet, dat bij een veeljarig gewas, zooals de koffie, do eischon die door den boom in zijn jeugd aan den grond gesteld worden andere kunnen zijn dan op lateren leeftijd en dat beantwoording van vragen, die men bij de bemesting stelt, niet zoo spoedig verwacht kan worden als bij eenjarige gewassen.
Na onze aandacht op den grond gevestigd te hebben, moeten wij nu ook op de koffieboomen zeiven letten.
In de eerste plaats zal men er natuurlijk voor moeten zorgen, dat kwijnende exemplaren door gezonde vervangen worden, verder moet men de waterloten geregeld doon afsnijden. Deze onttrekken niet alleen aanzienlijke hoeveelheden voedsel aan den boom, maar geven bovendien aanleiding tot het ontstaan van boomen met weinig vruchthout.
De meeste planters verkiezen éénstammige boomen boven veel-stammigo. Sommige echter trachten 2âS-stammige boomen te verkrijgen, om zoodoende bij aanvallen van ziekten, die don
Teysm. VJI. 45
groei van don stam bedreigen, minder gevaar te loopen de boomen geheel te verliezen.
Over de al ot' niet wenscheljjkheid van toppen is men liet in de planterswereld al heel weinig eens. Te verwonderen is dit geenszins want er zijn natuurlijk zoo velerlei omstandigheden, die een administrateur er toe brengen om op een bepaalde wijze te werken. In vlakke tuinen, waar men krachtige planten heeft en in ruime mate over werkvolk beschikt, kan men zijne boomen gerust laten doorgroeien. Op geaccidenteerde terreinen moet men wel toppen, omdat anders het oogsten met te grooto bezwaren verbonden is. De hoogte waarop men de Liberia-koffieboomen topt is verschillend. Sommigen topten eerst op 8 vt. maar dit bleek hun te laag te zijn, de oogst viel niet mede en de takken groeiden te veel in elkaar, vooral ontwik-kolden zich te veel vertiknle, secundaire takken. Anderen snijden den boom op ± 2 M. hoogte, zoodra de top '2.20â2.30 M. is, voor de eerste maal, een jaar later voor de tweede maal op 2h M., meestal worden ze voor de derde maal nog eens getopt.
Het schijnt, dat een hoogte van 10 â 12 voet liet meest aanbevelingswaardig is. In den Cultuurtuin staan een aantal op die hoogte getopte boomen, die met krachtige takken prijken en rijkelijk vrucht dragen. Een planter schreef ons dat op zijn onderneming de getopte boomen beslist betere resultaten geven dan ongetopte, waarvan eenige duizenden op verschillende hoogte aangehouden werden. Het toppen wordt door enkelen pas toegepast als de stam op de hoogte waarop men hem wil afsnijden reeds houterig is, omdat groen hout lichter afsterft. Om scheuren te voorkomen snijdt men don boom niettusschen twee paar takken af, maar op de plaats waar zich een takkenpaar bevindt en dan zoodanig dat eon der takken blijft en als 't ware een verlenging van don stam vormt. Bij getopte boomen, moet men natuurlijk evenzeer er voor zorgen dat de waterloten bij tijcls afgesneden â worden.
Het is geraden dood en ziek hout te verwijderen, liefst te laten verbranden, en de stammen der boomen, die te sterk begroeid mochten '/jju met epiphyten, te laten reinigen.
â C39 â
Het Oogstex.
Hoewel de grootste oogst van Liberia-koffie van Juni tot September valt kan men liet geheele jaar door rijpe koffie plukken. Deze eigenschap van de Liberia-koffie wordt door verschillende planters zeer verschillend beoordeeld. Sommige vinden hot eene deugd, andere beschouwen het als een gebrek.
Het plukken van do koftiebessen geschiedt in niet getopte tuinen met behulp van bamboezen ladders. Ook laat men wel knapen in den boom klimmen, die de vruchten plukken en naar beneden werpen. Men moet slechts goed rijpe bessen laten inzamelen en goed toezien, dat ze van het steeltje afgedraaid en niet afgerukt worden daar anders de boom noodeloos beschadigd wordt.
Uver de opbrengst is het niet gemakkelijk gegevens te verkrijgen, daar de meeste ondernemingen tuinen van verschillenden leeftijd in exploitatie hebben en de oogsten daarvan niet afzonderlijk bepalen. Men zal echter bij goed onderhouden aanplantingen in West-Java mogen rekenen te oogsten:
van 3 jarige tuinen één picol per bouw
4 3
V ^ V W UT u V D V
5 - - 41
n ,J d ^ -H â¢) v v w
v ^ r li it ^ ' / i ii ii n
Bij 1Ã â 12-jarige tuinen kan de opbrengst stijgen tot 10 all picol. Sommige planters beweren zelfs van enkele stukken tot IC pic. geoogst te hebben. Zulke hooge opbrengsten kan men echter vooralsnog tot de uitzonderingen rekenen. Wat een groot voordeel van de Liboria-koffie-cultuur boven die der Java-koffie genoemd mag worden is â bij goed onderhoud en behoudens buitengewone omstandigheden natuurlijk â de standvastigheid van de opbrengst.
En hiermede meenen wij onze mededeelingen over dc cultuur der Liberia-koffie op Java voorloopig te kunnen besluiten. Over het pulpen der bessen, dat binnenkort ten gevolge van de invoering van den uitstekenden pulper des Heeren Butin
â 640 â
Scliaap een eenvoudige bewerking zal blijken te zijn en over do bereiding der Liberia-koffie zelve, alsmede over de ziekten en plagen, die de aanplantingen bedreigen, zullen volgende afleveringen, naar wij hopen, nog wel een en ander geven wat don planters belang in zal boezemen en van nut kan zijn.
Een woord van welgemeenden dank ton slotte aan allen, die door liet verschaffen van inliclitingen en gegevens onze taak vergemakkelijkten.
P. vax ROMliURGH.
Buitenzorg, Dec. 1896. H. J. Wigman,
OVER RANDEN MET BLOEIENDE PLANTEN, CANNA'S, CHRYSANTHEMUM'S, ENZ.
Zelden bloeiden de eenjarige en andere laa^blijvende gewassen hier zoo fraai en langdurig als in het afgeloopeu jaar. De langdurige droogte, die voor vele planten nadeelig was, bracht juist bovengenoemde plantjes tot eene hier ongekende ontwikkeling.
Phlox Drummondi, Anjelieren, vooral de talrijke verscheidenheden vau Dianthus chinensis, Zinnia elegans en andere ^mwia-soorten. Leeuwebekjes, Antirrhinum mqjus, Gaillardla's en nog vele andere bloeiden maanden lang aanhoudend door.
Alle omstandigheden waren voor de ontwikkeling van genoemde plantjes gunstig; er was een nieuw terrein voor beschikbaar gekomen, dit word diep (21 ^ vt.) omgewerkt en de bovenlaag behoorlijk bemest.
In dezen nieuwen, goedbewerkten en bemesten grond groeiden de plantjes uitstekend; in het begin regende het nogal, toen later de bloemen zich begonnen te ontplooien viel juist de voor Buitenzorg niet gewone droogte in â het was hier ocliter niet zoo droog dat het gras verdorde, zooals bijna overal elders in 1896 â, zij werden toen dagelijks begoten. De fraaie, maar teere bloemen, die toen niet, zooals hier gewoonlijk het geval is, door de zware regens vernield werden, ontplooiden zich prachtig cn bleven bijzonder lang goed.
In streken met een drogen Oostmoesson kan men veel genot hebben van verscheidene soorten dier éénjarige gewassen. Het zaad kost in Holland zoo weinig en het begint nu zoo langzamerhand tijd te worden om liet te bestellen; al de bovenvermelde soorten groeien hier, ofschoon in de bovenlanden beter, toch ook wel in de benedenlanden. Men zou er nog bij
â 642 â
kunnen vragen verschillende variëteiten van Helianthus annuus, zonnebloem. Ook voor wat hooger gelegen streken zijn Dahlia's fraai bloeiende planten, te meer nu er zulke groote verbetering in liet ras gekomen is, zoodat de z. g. Cactus Dahlia's, onder de geschiktste bloemen voor bonquetten en bloemwerken gerekend kunnen worden. In een postpakket kunnen de Dahlia-knolletjes zeer goed verzonden worden; zjj groeien en bloeien in de benedenlanden ook wel, maar boven zijn hot geheel andere veel krachtiger en sierlijker planten.
Wij zaaien de fijnere gewassen eerst in potten, bakken of kistjes uit; het is dringend noodzakelijk, dat deze op eene goed verlichte plaats buiten den regen enden drop staan; zoodra de jonge plantjes zich uit het zaad beginnen te ontwikkelen, hebben ze veel licht noodig; bij gebrek daaraan schieten ze spichtig op, kwijnen en sterven af.
Als de plantjes sterk genoeg zijn, kan men ze op hot vakje overplanten; indien zij na het planten goed aangegoten cn bij zonnig weer eenigszins beschaduwd worden, groeien zij spoedig door. Het is echter aan te raden behalve de plantjes op liet vakje er ook ecu partij in potjes te planton ; het komt namelijk dikwerf voor, dat er door do eon of andere oorzaak eenige in het vakje to loor gaan, de hiaten kunnen dan met do evenonde plantjes uit de potjes aangevuld worden.
In den jaargang 1894, op pag. (gt;70 enz. besprak ik een wijze van aanleg, die hier weinig toegepast wordt en die toch met het oog op onze hulpmiddelen en ons klimaat bijzonder geschikt is. Het zijn de z. g. randen van bloeiende gewassen.
Men plant dikwijls langs boonion of op andore wijze, b. v. om te maskeeren randen van heesters, welnu vóór die heesters vindon die plantjes eene geschikte plaats.
Het behoeven niet alle fraai bloeiende gewassen zijn, planten met fraaie, gekleurde bladeren voldoen er, mits niet te veel, ook zeer goed tusschen.
Het is noodig met de groeiwijze der planten, die men voor den rand gebruiken wil, eenigszins bekend te zijn, want
â 643 â
hoewol het geheel niet al te regelmatig behoeft te zijn, moeten toch de hoogstopsohietende achteraan en de kleinere op lt;len voorrand komen te staan. Ook met liet oog op den ouderlingen afstand, dient men met de groeiwijze bekend te zijn; een te dichten stand, waarbij de planton door elkaar groeien en elkaar verdringen, is niet gewonscht.
Om er slechts eonigo te noemen kan men achteraan eenige katja pirin/j, Gardenia florida eenige Pavette-soorten Iceiu-hany santen, eenige van de fraaiere ketnbang sepatoe-soorten Hibiscus rosa sinensis en lili ijle rus, oen kemoening, Murraya exotica, Patjar tjina of Putjar koekoe, Lawsonia alba, oen enkele fraaie Croton, eon bontbladerige Acalypha, of Eranthemum enz, planten. Wat laatstgenoemde bontbladerige gewassen betreft, met deze zij men in do groepen spaarzaam, het groen moet domineeren, terwijl de andere kleuren slechts tot afwisseling mogen dienen.
In de volgende rijen plant men dan lagere gewassen, er kan wel hier en daar een heestor staan vermengd met wat grootere kruidachtige planten, ook enkele bolgewassen vinden hier oen plaats, en eindelijk is de voorrand bestemd voor de bovengenoemde kleine, éénjarige plantjes.
Het komt natuurlijk dikwijls voor, dat men van die plantjes niet voldoende heeft voor een vakje, en juist dan komen zij in den voorrand van genoemde heestergroop uitstekend van pas, want hier is het gewenseht niet te voel van iedere soort of variëteit te hebben, eenige plantjes bjj elkaar is voldoende; men heeft hier dan allerlei soorten bloeiende gewassen bij elkaar. Al is in hot begin de keus wat lastig, langzamerhand vindt men soorten genoeg en wat niet hot minst te waardeeren valt, is, dat men altijd afwisseling hoeft. Zoodra do eenjarige gewassen uitgebloeid zijn, moeten ze verwijderd en door andere vervangen worden; verzuimt men zulks, dan ziet het vak er spoedig verwaarloosd uit.
Voor iemand, die weinig tijd of lust hoeft zich persoonlijk met de genoemde planten te bemoeien, is het niet aan te bevelen zich mot éénjarige gewassen in te laten, in dit geval
â 644 â
zijn heesters gemakkelijker; indien men die eens in het jaar snoeit en bemest, is er verder weinig meer aan te doen, terwijl de kleinere plantjes veel meer werk en zorg eischen.
Zoolang do heesters nog klein zijn, kan men in de achterste rijen van het vak, eenige zonnebloemen planten, ook Canna's kunnen, als er ruimte voor is, goede diensten bewijzen.
Het geheel mag natuurlijk niet onder boomen staan; de meeste der genoemde gewassen honden van eene open standplaats en ontwikkelen zich daar eerst ten volle.
Op een vak in het gazon zijn er weinig planten meer geschikt dan de nieuwe Canna's. Op pag. 717 van den vori-gen jaargang besprak ik met een kort woord de nieuwe Italiaansche variëteiten van Dammann amp; Co. te Napels.
Het is een geheel ander ras dan do hier in den laatsten tijd bekend geworden Crozy-variëteiten; de bloemen hebben een anderen vorm en zij zijn veel grooter; of zij voor ons klimaat beter zijn, moet de tijd nog leeren.
Dammann zegt in zijn Catalogus, dat zij zich eerst ten volle ontwikkelen in den vrijen grond, nu hebben twee variëteiten van genoemd ras hier gebloeid, zij waren echter in potten gekweekt en misschien minder forsch, dnn als zij op eene goede plaats in don vrijen grond gestaan hadden.
Voor zoover we er echter nu over kunnen oordeelen, zijn ze misschien voor ons klimaat minder geschikt dan de Crozy-variëteiten.
Dc Canna Italia en Austria hadden reusachtige, fraai gekleurde bloemen, die van de eerste rood en geel en van de tweede bijna elfen geel; de aanbeveling in genoemden catalogus was niet overdreven, maar de bloemen waren hier teer, zo leden van de zou en nog meer van den regen, waardoor gewoonlijk aan eéne tros slechts een bloem, soms twee, zelden drie tegeljjk geopend waren. Hoewel dus iedere bloem op zich zelf buitengewoon groot, fraai gevormd en gekleurd was, maakten zij bij lange na niet het fraaie elfect van de gewone Crozy-variëteiten zooals Mad. Crozy, Konigin Charlotte en andere, waarvan verscheidene bloemen te gelijk bloeien. Wij
â 645 â
moeten om bovengenoemde reden ons oordeel nog opschorten, zoolang wij nog geen forsche planten in den vrijen grond hebben zien bloeien.
Indien we nu de afbeeldingen dezer nieuwe Canna's in den Catalogus van de firma Dammann zien, waaraan 5 a6 bloemen te gelijk geopend zjjn, dan zoude hot kunnen zijn, dat het klimaat van Zuid-Italië gunstiger voor hen is.
Wij hebben nu knolletjes van de volgende nieuwe variëteiten ontvangen, die beginnen te groeien: v ij moeten nog eenigen tijd geduld oefenen, voor zij bloeien.
Alemanla; do grootstbloemige der tot nu toe gekweekte soorten; de plant wordt circa twee Meter hoog en heeft blauwgroene, op die van pisang gelijkende bladeren; de bloemen zijn grooter dan van C. Italia, zij zijn ook sterker en daardoor geschikter voor bloemwerken; de kleur ia scharlakenrood met breeden, goudgelen rand.
America, met roode, groen en bronskleurig gestreepte bladeren, do bloemen zijn zeer groot, prachtig vuurrood mot purper gestreept en oranje hart; de bloemen waren in het eerst niet normaal ontwikkelden zijn daarom vroeger niet goed beschreven.
Bavaria, met bijzonder groote bloemen, die goudgeel en met scharlakenroode vlakken gekleurd zjjn.
Bonissia, met reusachtige bloemen, waarvan de kleur kanariegeel met vuurroode vlakken is.
Burrjondia, met buitengewoon groote bloemen, van een diepe goudgele kleur voorzien van scharlakenroode vlakken.
La France, purpergekleurde bladeren, de bloemen hebben den vorm der Austria, zjjn echter helder oranje met rooden tint.
Pandora, donkerpurper en bronksleurige bladeren, de groote bloemen zjjn vuurrood, met purperkleurige randen en wat oranje in het hart.
Dit is de beschrijving van de firma Dammann, die ze in dén handel brengt; ofschoon we over de bloemen nog niet kunnen oordeelen, hebben de bladeren; vooral die der beide laatste soorten zulk een fraaie kleur, dat zij reeds daarom alleen aanbeveling
â 040 â
zouden verdienen. Ik stol mij voor, dat oen vak uitsluitend beplant met Canna La France, al kwamen er nooit bloornon aan, toch om de fraaie, ernstige kleur der bladeren al een bijzonder goed ortbct moot maken.
Ik heb nog geen opgaven ontvangen van tie nieuwere Crozy-variöteiten, men kan or echter zeker van zijn, dat ook hier vooruitgang is, daar Crozy zelf nog altijd tracht zijn ras te verfraaien en ook andere goed ter naam bekend staande kweekers als Vilmorin te Parijs en Phitzer in Uuitschiand er sedert jaren hunne krachten op beproeven.
Hier te Buitenzorg en te Batavia ziet men enkele goed geslaagde Canna-groepen in de tuinen; op do moeste andere plaatsen in Indië behooren ze, naar ik verneem, nog tot de zeldzaamheden, hetgeen wel te bejammeren is, daar er in de laatste jaren weinig planten ingevoerd zijn, waarvan men met zoo weinig moeite zulke fraaie resultaten verkrijgt. Voel moeite en kosten om ze te krijgen, zjjn ook niet noodig. Canna-zaad van de boste Crozy-varieteiten is bij de meeste zaad handelaars van eenige boteokenis te krijgen, terwijl voor hen die gesteld zijn op zuivere variëteiten bij groote bloemisten ook knolletjes te krijgen zijn, die gemakkelijk als postpakket te verzenden zijn. Hot is nu de tijd ze te bestollen. Op pag. 373 vindt men in een referaat over Canna-zaad, uit hot âNedorlandsoh tuinbouwbladquot; wenken bij het uitzaaien.
De Europeesche tuinbonwtijdschriften zijn in hot najaar altijd vol met opstellen over Chrysanthemums, mot verslagen van tentoonstellingen dezer planton, enz. Ik had indertijd het voorrecht eenige dier tentoonstellingen bjj te wonen en ieder, die zo gezien heeft, zal met mij erkennen,dat de Chrysanthemum-bloemen prachtig zijn; door zorg, teelkenze en cultuur heeft men er bloemen aan weten te kweeken, die het volmaakte naderen. Daarbij komt nog â en dat is geen gering voordeel â dat de bloeitijd juist invalt op een oogenblik, dat er gebrek aan bloomen, is. In het najaar, nadat de eerste nachtvorsten de bloemen die buiten stonden, vernield hebben en de planten die buiten ston-
â 647 â
den in de serres gebracht zjja om daar to overwinteren, beschikt men over weinig bloemen, zoodat do Chri/santheiiums niet alleen in eero gehouden worden, omdat zij zoo fraai zjjn of omdat zij zieli zoo buitengewoon lang goed houden, maar ook en vooral, omdat zij eeno leemte vullen.
Het is niet alleen in Europa, in Japan en in China, dat men de Chrysanthemum's met mcoos kweekt, ook Amerika blijft niet achter, zooals bljjlct uit eene particuliere correspondentie voorkomende in âSempervirensquot; van 20 November,
Op cene geheime vergadering van groote blooinisten moeten de boste middelen besproken zijn, die er too zouden kunnen leiden de geliefkoosde bloem uit de mode te helpen en zoo mogelijk uit te roeien. Niet dat de jeugdige aanbidder, die het voorwerp zijner genegenheid een doos bloemen zendt, veel van die goedkoopte merkt â losse Chrysanthemumbloemen kosten één dollar per stuk en een fraaie doos met een dozijn bloemenen versierd met oen strik van de kleur der bloemen kost 15 dollars op zjjn minst.
Doch een jaar of' wat geleden was de prijs nog veel hoo-ger, totdat de rage voor de bloem, liet algemeen kweeken en verbeteren er van âer de klad in brachtquot; zooals de kweekers daar zeggen. De Tentoonstelling in Madison-Square Garden te New-York, doet echter nog volstrekt niet denken aan het uitroeien der plant. Er is daar een keur der prachtigste soorten in alle kleursehakeeringen, waaronder eeno nieuwe soort do âGHory of the Pacificquot; genoemd, wier reu-zengroote bloemen eeno rose kleur hebben, zooals die nog niet bij Chrysanthemums is gezien.
Een andere nieuwigheid âPink Ivoryquot; werd voor 800 dollars verkocht.
Op de tentoonstellingen zijn Chrysanthemumbloemen vertoond, die 20 e.M. in middellijn waren.
Ook bier bestaat eenige liefhebberij in deze planten; ons klimaat leent zich echter niet bijzonder goed voor hare cultuur, en toch staat men verwonderd, hoever het enkele bloe-menliefhebsters in het kweeken dezer planten gebracht hebben.
â 648 â
Om hier goede planten te kweeken, moet men beginnen met krachtige, gedrongen stekken te nemen, liefst geen wor-teluitloopers; zoodra deze bewwrteld zijn, moeten ze in voedzame aarde geplant worden in niet te groote potten. Daar de wortels zich snel ontwikkelen, moeten ze spoedig in grootere potten overgebracht worden, altijd zorgende voor goeden, vetten grond, want daar houden zij van. Desnoods kan men de planten nu en dan eens begieten mot verdunde koe- of buffelmest. De planten moeten flink in de zon staan, tevens moet er voor gezorgd worden, dat zij nooit droog worden; hoewel men de planten ook wel te veel water kan geven, verdragen zij tijdens don groei droogte in het geheel niet; zij laten dan al spoedig een deel der oudste bladeren vallen, hetgeen niet strekt tot versiering der plant.
De planten moeten op één stammetje gekweekt worden; daar zij echter altijd en veel worteluitloopers maken, vereiselit het voortdurende zorg deze te verwijderen.
Op zekere hoogte topt men dan do plant, waardoor zij vertakt, verder mogen er niet te veel knoppen aan blijven, daar zulks het kleiner blijven der bloemen ten gevolge heeft; gewoonlijk laat men aan lederen tak slechts de eindknop staan en nijpt de zijdelingsche weg. Zoodra de knoppen zich tot zekere hoogte ontwikkeld hebben, begiet men niet meer met verdunden mest. Tijdens den bloei mogen de planten hier niet in don regen, wel in het volle licht staan; de bloemen ontwikkelen zich anders niet normaal en bederven ook spoediger.
Men ziet hieruit, dat liet niet zoo gemakkelijk is om Chrysanthemum''s te kweeken met goede bloemen ; over het algemeen zijn de resultaten der cultuur hier dan ook niet schitterend en blijven beneden het middelmatige, ofschoon, zooals ik boven zeide, er enkele gunstige uitzonderingen op bestaan, die wij te moer moeten waardeeren, daar ze door leeken bereikt zijn, onder minder gunstige omstandigheden.
W.
DE OMZETTINGEN YAN DE STIKSTOFVERBINDINGEN IN DEN BODEM.
{Vervolg en slot van hlz. 613).
De onderzoekingen, ingencht op de wijze als hierboven (blz, 608) beschre ven werd, hebben idzoo op overtuigende wijze aangetoond dat de omzettingen, door welke de organische stikstofverbindingen uit den humus trapsgewijze overgaan in ammoniak-zouten, in salpeterigzure zouten en teu slotte in nitraten, uitsluitend geschieden tengevolge van de inwerking van de verschillende soorten nitrificeerende bacteriën. Om deze reden ligt het voor de hand dat het verloop dier verschillende processen in hooge mate afhankelijk moet zijn van al die omstandigheden, welke op het leven dier bacteriën invloed uitoefenen.
Een nauwkeurige kennis van hunne levensgeschiedenis zal ons dus de grondslagen leveren voor de nauwkeurige kennis van het verloop der verschillende nitriticatie-processen in den bodem. Laat ons nu zien wat er thans reeds daaromtrent bekend is geworden.
De intensiteit waarmede de nitrificatie in den bodem plaats heeft, wordt bepaald zoowel door invloeden welke van buiten af op de bacteriën inwerken, als door dezulke die daarvan ten eenen male onafhankelijk zijn, en dus in liet inwendige dier organismen schuilen.
Van de eersten noemen wij: den rijkdom van den bodem aan werkzame bacteriën, de hoeveelheid der ontleedbare verbindingen (humus), licht, temperatuur, reactie van den bodem, enz.
Omtrent de inwendige invloeden, welke bij die omzettingen een rol spelen, is eigenlijk niets naders bekend. Wel spreekt
â 650 â
men van de âactiviteitquot; en de âvitaliteitquot; dier bacteriën, maar tot verduidelijking der begrippen brengen deze woorden in het geheel niets bij. Wij zullen ze echter ook hier nu en dan bezigen, omdat zij in hot gebruik zeer eenvoudig zijn, daar zij in do plaats treden van langere omschrijvingen.
Wij zullen nu eerst iets uitvoeriger de verschillende uitwendige omstandigheden nagaan welke op do intensiteit der stikstof-omzettingen van invloed zijn.
In de eerste plaats dient dan het verschil in rijkdom van don bodem aan nitrificeerende bacteriën besproken te worden.
Wij hebben boven reeds medegedeeld dat deze organismen overal over de geheele wereld verspreid zijn. Hieruit mag men echter niet afleiden dat er nu ook geen enkel terrein te vinden zou zijn, waar zij geheel gemist worden. J)it nu is niet het geval, want er zijn zeker vele plaatsen waar zij of in het geheel niet, of ten minste uiterst schaarsch voorkomen. Intus-scben zjjn dit slechts in hoofdzaak die terreinen, welke of nog steeds, of tot voor korten tijd in zoodanige omstandigheden verkeerden, welke hot leven en de vermenigvuldiging dier bacteriën daar ter plaatse onmogelijk maakten.
Dit is bijvoorbeeld het geval met die gronden, welke vroeger plassen of moerassen waren, en waar hot water steeds de toetreding van vrije zuurstof tot den bodem afsloot, zoodat de nitrificeerende bacteriën in de onmogelijkheid waren zich daar te vermenigvuldigen. Uet is dan ook bekend dat pas drooggelegde moerasgronden uiterst onvruchtbaar zijn, hetgeen, zooals nu gebleken is, blijkbaar toegeschreven moet worden aan het gebrek aan vorming van nitraten.
Wanneer men in zulk oen bodem de ontbrekende nitrificeerende bacteriën brengt, zij liet ook in (betrekkelijk) gering aantal, dan zullen deze niet alleen op dio plaats zelve den grond geschikt maken voor plantengroei maar door hun vermenigvuldiging zullen zij zich steeds verder verspreiden en zoo allengs liet geheele eerst onvruchtbare terrein in vruchtbaren bouwgrond kunnen herscheppen. Dit zal eerst dan geschied
â 651 =
zijn zoodra ze daar ter plaatse overal in voldoend aantal aangetroffen worden. Dat dit op deze wijze slechts zeer langzaam, eerst in den loop van jaren plaats kan hebben, ligt voor de hand, maar toch is dit waarschijnlijk de wijze waarop liet in de natuur plaats vindt wanneer de mensch niet ingrijpt. Gcschicdt dit laatste wel dan kan de grondverbetering natuurlijk in veel korter tijd tot stand gebracht worden. De praktijk weet reeds sedert lang dat men zulke onvruchtbare terreinen (mits zij overigens aan de eischen van goeden bouwgrond voldoen) zeer belangrijk verbeteren kan door over de oppervlakte gelijkmatig uit te spreiden een dunne laag aarde ontleend aan goed onderhouden tuingrond of aan vruchtbare akkers. Daarbij wordt het terrein dan tegelijk over zijn ge-heele uitgestrektheid geïnfecteerd, en kan het aantal nitri-ficeerende bacteriën dus spoedig ook overal in den oorspron-kelijken bodem zoo groot worden als in vruchtbare terreinen. De aanwezigheid van voldoende hoeveelheden humus in den oorspronkelijken bodem, maakt dan tevens dat de omzetting in nitraten dadelijk na de infectie een aanvang kan nemen, zoodat reeds vrij spoedig na liet aanbrengen van de nieuwe laag aarde, liet terrein voor cultuur geschikt wordt.
Op deze wijze kan men dus een onvruchtbaar terrein door liet bijbrengen van een geringe hoeveelheid goede bouwaarde gaandeweg in vruchtbaren grond herschapen. Die verandering wordt dan niet teweeggebracht door de geringe hoeveelheid voedingsstoffen, welke in de bijgebrachte aarde voorhanden zijn, maar bijna uitsluitend door de infectie van den oorspronkelijken bodem met de nitrifieeerende organismen, die tot op dat oogenblik niet daarin voorhanden waren.
De terreinen, welke liet niet aan nitrifieeerende bacteriën ontbreekt, vertoonen echter ook onderling zeer grooto verschillen in rijkdom aan deze organismen. Uit opzettelijk met dit doel ingestelde proeven aan het Department of Agriculture te Washington genomen, is het bestaan van deze verschillen ten duidelijkste gebleken.
In het kort samengevat, leerden deze proeven dat een bodem
des te rijker was aan nitriticeerende organismen, naarmate deze vruchtbaarder dan wel beter en meer geregeld bebouwd was, terwijl onder die omstandigheden ook hunne inwerking op de organische stoffen is den bodem krachtiger was.
De rijkdom aan bacteriën is echter op een zelfde terrein verre van gelijk op verschillende plaatsen, en zelfs op éénzelfde plaats is deze nog aan aanzienlijke wisselingen onderhevig, al naar mate men de grondmonsters neemt van do oppervlakte, dan wel op meer of minder groote diepte.
Een kleine tabel (reeds in een der vorige jaargangen van dit tijdschrift in een referaat opgenomen) geeft een duidelijk overzicht over het verloop dier veranderingen met toenemende diepten.
Een der onderzoekers bepaalde het aantal bacteriën in één gram grond, genomen:
aan de oppervlakte op 95.000 en op 0.25 M. diepte â 120.000;
terwijl een ander onderzoeker de volgende getallen vond, evenzeer op één gram grond:
op 0.20 M. diepte H50.000 â 0.50 â â 500.000
â 0.70 â â 270.000
â 1.00 , â 30.000
â 1.20 â â 5.600
â 1.40 â â 700 _
B 1.65 â â slechts weinige.
liet spreekt wel van zelf dat deze cijfers slechts gelden voor kunnen de grondsoort die onderzocht werd, zoodat monsters aan andere terreinen ontleend geheel andere uitkomsten zullen opleveren. Uit blijkt ook reeds daaruit, dat de tweede onderzoeker op ongeveer gelijke diepte ( 1I5 \r. onder de oppervlakte) ruim 5 maal meer bacteriën aantrof dan de eerste.
liet was dan ook niet zoo zeer te doen om de werkelijke getallen dat deze cijfcrs aangehaald werden, dan wel om hunne onderlinge verhouding te leeren kennen. Op die wijze opgevat leeren zij ons dat de bacteriën het menigvuldigst
â 653 â
zijn op geringen afstand (ongeveer 20 oM.) onder de oppervlakte cn dat zij van daar af naar beneden toe gestadig maar in steeds snellere mate afnemen, zoodat zjj bv. op een diepte van 1,25 ongeveer twintig maal schaarscher zijn dan op 1/6 M., terwijl zij op ruim l'/a M reeds zoo goed als ontbreken. De oppervlakkige lagen van den bodem bleken dus ook iets armer te zijn aan bacteriën, dan de iets dieper liggende deelen.
Bjj de hier aangevoerde getallen moet echter wel in aanmerking genomen worden dat deze betrekking hebben op alle bacteriën die in den bodem voorkomen. Zij geven ons dus geen directe aanwijzingen omtrent het voorkomen der nitri-ticeerende bacteriën alléén, omdat er naast deze zeker nog tallooze andere, en zeer verschillende, soorten van inikro-organismen voorkomen. Maar omdat deze, zoowel als de nitrificoerende batcriën, wezens zijn die voor hun loven een voortdurenden toevoer van zuurstof noodig hebben en do afneming van hun aantal bij toenemende diepte grootendeels samenhangt met de mindere toevoer van zuurstof in de diepere lagen van den bodem, zoo mag men als zeker aannemen dat het aantal nitrificeerende bacteriën in do verschillende lagen geheel gelijksoortige veranderingen ondergaat als uit do boven opgegeven getallen bleek. Alleen is het natuurlijk mogelijk, en misschien zelfs waarschijnlijk, dat bij de hier besproken organismen de afneming in aantal naar beneden toe nog sneller plaats heeft dan die getallen aangeven, zoodat dan reeds op veel geringer diepte de werking der nitrificeerende bacteriën prac-tisch zou blijken op te houden. Onderzoekingen speciaal op dit punt gericht ontbreken echter thans nog zoo goed als geheel.
W jj hebben er boven reeds op gewezen dat do snelheid dor nitri-ficatie niet uitsluitend bepaald wordt door het aantal bacteriën dat aan die omzettingen deelneemt. Want juist omdat deze processen plaats hebben door de inwerking van levende wezens is hot voor een anel verloop noodig dat die organismen zich bij voortduring in de meest gunstige levensomstandigheden bevinden. En zoo staat dus ook de nitrificatie indirect onder den
Teysm. VII. 4g
invloed van verscheidene van buitenaf inwerkende omstandigheden.
Ren eerste oisch, die do nitrificeorende bacteriën aan hun omgeving stellen, bestaat in den onbelemmerden toevoer van vnjo zuurstof. De reden van dien oisch lift't nu niet alleen daarin dat zij, evenals alle levende wezens (op slechts enkele uitzonderingen na, van welke enkele voorbeelden hier ook ter sprake zullen komen) steeds een voldoende hoeveelheid zuurstof noodig hebben om hun eigen ademhaling, dus hun leven, te onderhouden. De nitrificeerende bacteriën gebruiken namelijk voorzeker slechts het kleinste deel van de door hen opgenomen zuurstof voor dat doel, terwjjl het overige, grootste deel voor hen onmisbaar is om de drie besproken omzettingen te doen plaats hebben. Wij zagen toch reeds dat deze drie processen: de vorming van ammoniak uit humus, die van salpeterigzuur uit ammoniak en die van salpeterzuur uit salpeterigzuur alle hoofdzakelijk berusten op oxydatie, dus op een verbinding met zuurstof.
Het eenige verschil tusschen deze en de gewone oxydaties bestaat daarin, dat de laatsten veelal op directen weg plaats hebben, terwijl bij de nitriticatie de overbrenging van de zuurstof niet anders geschiedt dan door bemiddeling van bepaalde soorten vau bacteriën.
Do nitrificeerende organismen hebben dus oen veel grootere behoefte aan vrije zuurstof dan verreweg de meeste andere bacteriën en daarom is de ongehinderde toevoer van dit gas voor hen cn voor het tot stand komen dor door hen ingeleide omzettingen van nog veel meer gewicht dan elders.
Om deze reden mag men dus verwachten, dat elke omstandigheid, die den zuurstoftoevoer bevordert, ook een beguns-tigenden invloed zal hobbon op de nitraat vorming in den bodem. Zoo is dus het los houden van den bodem, vooral in de op-pervlakkige lagen, zoo bevorderlijk voor den plantengroei omdat dit het doordringen van ruime hoeveelheden zuurstof in de poriën van den bodem mogelijk maakt. Omgekeerd moet het bekende, en boven reeds aangehaalde feit, dat moerasgronden
â 655 â
zoo onvruchtbaar zijn, ^ruotendeels toe^osclireven worden aan de omstandigheid dat de poriën van den bodem daar met water aangevuld zijn waardoor do vrije toetreding van zuurstof dus onmogelijk gemaakt is. Onder die omstandigheden kunnen do nitrificeoronde bacteriën natuurlijk niet leven, en kan men dus ook in dien bodem geen stikstofverbindingen verwachten die direct geschikt zijn voor do voeding der gewassen; en zoo moeten lt;lcze terreinen noodzakelijkerwijze voor plantengroei zeer ongeschikt zijn on ook blijven.
De temperatuur der omgeving is een andere zeer gewichtige factor bij do salpetervorming.
Bij bacteriën, zoowel als bij alle andere levende wezens, is de betrekking die er bestaat tusschen de temperatuur en de intensiteit waarmede eono of andere levensfunctie wordt verricht, van oeiügszina gecompliceerde natuur.
Bij zéér lage temperatuur houdt allo levenswerkzaamheid op; bij langzaam stijgende warmtegraad begint elke functie zoodra een bepaalde temperatuur bereikt is. Neemt deze gaandeweg toe dan ziet men de omzetting steeds krachtiger worden, tot dat zij bjj een andere, voor elk organisme en soms zelfs voor elk harer levensuitingen verschillende, temperatuur haar grootste intensiteit bereikt. Neemt de warmtegraad der omgeving daarna nog meer toe, dan begint het proces te verzwakken, om ten slotte wederom geheel op te houden.
Het staken der processen bij te booge of te lage temperatuur vindt zijn oorzaak echter niet in den dood van hot organisme, hetgeen daaruit blijkt dat het proces op geheolo dezelfde wijze als vroeger een aanvang neemt, zoodra weder gunstiger temperaturen optreden.
Hij dc meeste der van temperatuur afhankelijke levensprocessen, kan men alzoo drie belangrijke warmtegraden onderscheiden, namelijk: do minimum-, de maximum-, en do optimum-temperatuur.
De miniinum-temperatuur is die warmtegraad, waar beneden hot proces niot moer plaats vindt, evenmin als hot voortgaat bij temperaturen boven liet maximum. De optimum-
temperatuur is dan die warmtegraad waarbij het bedoelde levensproces met de grootste intensiteit plaats vindt.
Uit een en ander bljjkt dat de proefondervindelijke bepaling van deze drie warmtegraden van groot belang is voor de kennis van het verloop van elk levensproces, eu zoo ook voor de nitrificatie.
Uit is te meer het geval omdat het in de praktijk somtijds, hoewel natuurlijk niet altijd, mogelijk is om door bepaalde maatregelen te bewerken, dat do temperatuur van den bodem binnen do ^cwenschte grenzen blijft.
liet onderzoek naar do afhankelijkheid van het nitriticatie-proees van de temperatuur der omgeving, heeft reeds plaats gehad, en daarbij werden do volgende uitkomsten verkregen.
De minimum-temperatuur ligt zéér laag in de nabijheid van het vriespunt daar het proces eerst ongeveer bij die warmtegraad ophoudt. Het optimum bleek te liggen tusschen 29° en 35° C. (85u â 95° F.); gemiddeld mag men dus als de optimum-temperatuur aannemen: 3'20 C. (90° F.).
De maximum-temperatuur ligt slechts weinig hooger dan het optimum, daar bij ongeveer 48° C. (110° F.) het nitri-ficatieproces ophoudt. Voor het dooden dier bacteriën zijn echter hoogere temperaturen noodig.
liet feit dat het verschil tusschen de minimum- en do optimum temperatuur ongeveer 32° C. bedraagt en dat tusschen optimum en maximum slechts 11°, leert dat bij stjjging der temperatuur boven het optimum do intensiteit van het nitri-ficatieproces ongeveer drie maal sneller afneemt, dan bij een gelijke daling der temperatuur onder het optimum.
Evenzoo zal een slechts geringe rijzing der temperatuur boven hot optimum dus oen gelijke vertraging van nitrificatie-proces bewerken, als een belangrijke daling beneden dat punt, en daarom bestaat er dus veol meer aanleiding om te waken tegen eon verhooging der temperatuur van den bodem boven het optimum dan tegen een verlaging onder dat punt.
Een al te sterke temperatuursverhooging boven het optimum kan echter behalve voorbijgaande, ook blijvende nadeelige ge-
â 657 â
volgen hebben, en het is natuurlijk zaak om te trachten vooral deze laatste te voorkomen. In de eerste plaats zou de temperatuur zoo hoog stijgen, dat de maximumtemperatuur van het leven der bacteriën bereikt werd. Intusschen zal dit geval zich wel niet dan bjj de hoogste uitzondering voor doen, en daarvoor behoeft men dus nauwljjks bezorgd te zijn. Doch ook lagere warmtegraden, dan die welke direct schadelijk zijn, kunnen op do nitrificatie in den bodem een blijvend schadelijken invloed uitoefenen.
Voor verschillende soorten bacteriën is het namelijk aangetoond, dat wanneer men hen blootstelt aan hoogere temperaturen, hoewol die nog liggen onder de grens van liet leven, zij een verzwakking ondergaan, zoodat zij bjj het weder optreden van gunstiger temperaturen niet meer in staat zijn hunne levensfunctiën met dezelfde intensiteit te hervatten, als vroeger het geval was bij diezelfde warmtegraden. Voor do nitriticeerende bacteriën zal voorzeker ook wel hetzelfde gelden.
Wenscht men daarom de nitrificatie bij voortduring zoo krachtig mogelijk te doen plaats hebben, dan dient men dus zorgvuldig te waken tegen oen eenigszins aanzienlijke verwarming, zelfs al is die slechts van geheel tijdelijken aard.
Een zoodanige verwarming kan in de praktijk natuurlijk slechts plaats hebben wanneer de zon direct op den bodem schijnt, en het eenvoudigste middel om dit steeds tegen te gaan bestaat in het beschaduwd houden van den grond, 't zij door gras, dan wel door struiken of hoornen Draagt men zorg dat dit plaats heeft, zoo kan men zeker zjjn dat de temperatuur van den bodem nooit stijgen zal boven het optimum der nitrificatie.
Intusschen behoeft men, naar het schijnt, hierop Java voor een te hooge verwarming zelfs van den naakten bodem door de zon weinig bevreesd te zijn. Naar het schijnt, komt de temperatuur van de oppervlakkige grondlaag, zelfs onder de gunstigste omstandigheden, slechts bij uitzondering hooger dan 42 a 43 (J. (108°-110 'F.), zoodat de verwarming dan dus niet verder gaat dan juist ongeveer de maximum-temperatuur der nitrificatie, zoodat de bacteriën dan wel geen blijvende schadelijke
verandering zullen ondergaan; vooral omdat zoodanige temperaturen toch slechts korten tijd aanhouden.
Do stijging der temperatuur hoven liet optimum, blijft echter ongewenscht, omdat deze liet omzettingsproces vertraagt. Buitendien, en zoo komen wij tevens aan een volgende eisch die de nitraat-vorming aan den bodem stelt, doet op geheel onbeschaduwde plaatsen de zon de bovenlaag van den bodem uitdrogen, en maakt daardoor reeds dio omzetting onmogelijk.
Want ook voor de bacteriën, evenals voor alle levende wezens, is de aanwezigheid van water een allereerste levensvereischte. De hoeveelheid water die voorhanden is, doet weinig ter zake. Als de grond slechts goed vochtig is, nemen de bacteriën daar reeds genoegen mede; en ook een overmaat van water schaadt hen niet, wanneer de grond maar niet zóó nat is, dat voortdurend de poriën van den bodem met water gevuld zijn, en dit zoo don luchttoevoer afsluit. Proeven hebben geleerd, dat de gunstigste vochtigheidstoestand voor de werking der nitrificee-rende bacteriën, die is, waarbij de bodem de helft tot een derde van tiet water bevat, dat deze vasthouden kan.
Ook hot licht kan invloed uitoefenen op den gang der nitri-ficatie. liet is nl. bekend voor de cultuur van vele andere bacteriën, en het werd ook bij de nitraatvormers aangetoond, dat hot licht een zeer schadelijke werking op do function als ook op het leven dier organismen uitoefent.
Werden cultures van de hierbcdoelde soorten aan helder daglicht (dus niet eens aan het dirccte zonlicht) blootgesteld, dan bleek het dat de omzettingen zeer vertraagd werden, en zelfs geheel tot stilstand konden komen.
Met het oog op hun werkzaamheid in den bodem is het dus een voordeeligc omstandigheid dat het licht slechts zoo weinig diep in den grond doordringt, zoodat zelfs vrij dicht bij de oppervlakte liggende bacteriën steeds tegen den schadelijken invloed van liet liclit beschut zijn. Maar toch, wil men de nitrificatie zoo krachtig mogelijk doen blijven dan mogen ook die, welke aan de oppervlakte voorkomen, slechts zoo weinig
mogelijk van hot licht to Ijjdon hebboii. Ook om deze reden zal dus een voortdurende, zij het ook lichte, beschaduwing der gohcelo oppervlakte ten voordeele komen van den plantengroei tor plaatse.
Ook de meerdere of' mindere rijkdom van den bodem aan die verbindingen, welke bjj de nitrificatie in salpeterzuur omgezet worden, dus in 't algemeen genomen het gehalte aan humus, oefent een belangrijken invloed uit op de snelheid waarmede die ois.zottingen plaats hobbben. Hoe grooter du vooraad aan humus is, des te krachtiger zal ook diens ontleding vorloopen en des te grooter hoeveelheden nitraten zullen voortdurend gevormd worden 1).
Een factor welke eveneens van groot belang is voor het tot stand komen van liet nitrificatie-procos is de reactie van den bodem. Evenals de groote meerderheid dor bacteriën, zoo worden ook hier besproken orgamismen in liooge mate in hun werking belemmerd door een zure reactie dor omgeving. Zoodanige reactie van den bodem belet hun groei en hun vermenigvuldiging, en daarmede dus ook de nitrificatie. In don landbouw is dit feit reeds sedert eeuwen bekend, zoodat zelfs een zure bodem bijna als het type van een geringe vruchtbaarheid geldt. Waarom die zure reactie zoo nadeelig is voor den plantengroei, was echter niet bekend, maar de kennis van de cischon die de bacteriën aan hun omgeving stellen, geeft ook hiervan weer een eenvoudige verklaring.
Bemesting met kalk is het bekende middel om die zure reactie weg te nemen. De reden dat men de productiviteit van den bodem ziet toenemen door bemesting met kalk, moot
1) Intussöhnn wensch ik hier nog even te wijzen, op het reeds boven medegedeelde, dat de aanwezigheid van een overmaat van ammoniak ol' van salpeterzure zouten (zonals [dit bij bewesting met kunstmest voor kan komen) niet aanbevelenswaard is, en wel eerstens omdat onder die omstandigheden beide zouten vaak een ontleding ondergaan waarbij de stikstof als gas vrij wordt en dus den bodem verlaat, en liet nitraat bovendien omdat het zoo gemakkelijk uit der grond uitgeJoogd wordt on dan in het drainwater overgaat. Eigenlijk is dus vooral een aanzienlijk luunusgehalte van den bodem van groot nut voor den aanplant.
â 660 â
dus niet zoozeer daarin gezocht worden, dat do planten behoefte hadden aan een grootere hoeveelheid kalk, dan zij uit den grond konden putten, want verreweg de moeste grondsoorten bevatten voldoende kalk voor dat doel, maar dat de kalk in de eerste plaats de humuszuren neutralisi ert, en vervolgens ook het door de bacteriën gevormde salpeterzuur. Hoopte zich dit in dea bodem op zoo zou hot voor henzelven schadelijk worden maar wordt dit geneutraliseerd naar gelang het gevormd wordt dan kunnen zij steeds voortgaan met de stikstofverbindingen voor te bereiden voor de voeding der planten. Bemesting met kalk verschaft ook nog wel andere indirecte voordeelen, maar deze willen wij hier niet bespreken daar dit buiten ons onderwerp zou vallen.
Nu wij hierboven een eu ander medegedeeld hebben omtrent de uitwendige omstandigheden, welke invloed hebben op de intensiteit waarmede nitrificatie plaats heeft, blijft ons thans nog over do veranderingen in de intensiteit van het nitrifica-tie-proces to bespreken, voorzoover die afhankelijk zijn van inwendige invloeden, welke hierboven reeds met den term âactiviteitquot; of âvitaliteitquot; aangeduid werden.
Dat zoodanige verschillen inderdaad bestaan, kon uit den aard der zaak slechts door opzettelijke daartoe ingestelde proeven aangetoond worden; zoodanige onderzoekingen werden vooral aan hot Department of Agriculture te Washington uitgevoerd.
De inrichting dier proeven behoeft niet ingewikkeld te zijn.
Wij beschreven boven (blz. 608) reeds op welke wijze men het bestaan der nitrificatie in den bodem en haar afhankelijkheid van liet voorkomen van levende organismen kan aan-toonen; de liierbedoelde vergelijkende onderzoekingen worden op geheel dezelfde wijze ingericht. Wanneer men eenige verschillende kolven op die manier gereed maakt, elk met een gelijke hoeveelheid van eenzelfde voedingsoplossing vult, in deze kolven dan een gelijke hoeveelheid grond, maar van verschillende herkomst, brengt en al deze kolven vervolgens aan geiieel overeenkomstige uitwendige omstandigheden (temperatuur, licht enz.) blootstelt, dan zal de vergelijking van
- 661 â
de hoeveelheden nitraat na eenzelfden tijd in elk dezer kolvea gevormd, de gewenschte aanwijzing geven omtrent de snelheid waarmede liet nitrificatieproces in elk der kolven plaats luid, en dus ook omtrent de meerdere of' mindere activiteit der nitrificeerende bacteriën welke in liet onderzochte grondmonster voorkwamen.
Zooals men ziet, de inrichting der proeven is eenvoudig genoeg; maar om juiste en vooral om vertrouwbare resultaten te krijgen, komt het op allerlei kleinigheden en voorzorgen aan, die de proeven inderdaad veel ingewikkelder maken. Vooral aan het nemen van liet grondmonster moet de uiterste zorg besteed worden, en bij alle op gelijke wijze geschieden.
Deze en soortgelijke onderzoekingen zijn reeds aan het Department of' Agriculture verricht, en worden aldaar blijkbaar nog voortgezet. Intusschen hebben zij reeds thans belangrijke resultaten opgeleverd, welke wij hier nu in liet kort zullen bespreken.
Vooraf dient er cciiter op gewezen te worden van welk belang de kennis vau de (relatieve) activiteit der nitrificeerende bacteriën is voor het grondonderzoek in hot algemeen.
Het hoofddoel van zoodanig onderzoek is de qualitatieve en quantitatieve samenstelling van den bodem te loeren kennen, ten einde daaruit af te leiden of' en in hoeverre deze voldoet aan de eischen die de eene of' andere cultuurplant er aan stelt. Daar wij reeds zagen dat de plant haar stikstof-houdend voedsel uitsluitend opneemt in den vorm van nitraten, en de meerdere of mindere ontwikkeling der planten voor een groot doel samenhangt met de hoeveelheid nitraten die op elk oogenblik voor haar disponibel zijn, zoo volgt hieruit dat do snelheid waarmede de nitraten gevormd worden, en dus de activiteit der nitrificeerende bacteriën, een grooten invloed zal uitoefenen op de weelderigheid van den plantengroei, dus op de vruchtbaarheid van het grondstuk.
Dat de vruchtbaarheid niet alléén afhangt van de hoeveelheid voedsel in den bodem aanwezig, verklaart tevens hoe hot komt dat men bij chemisch onderzoek van den bodem van onvruchtbare terreinen daarin niet zelden toch een zoo grooto
â 6G2 â
hoeveelheid voedsel aantreft, als voldoende zou zijn om een rijkcu oopst te verschaffen. Dat desniettegenstaande de opbrengst dier velden zoo laag' Idijft, moet dan vaak toegeschreven aan het uitblijven der omzettingen, die liet bedoelde, en meer bepaald het stikstofhoudende voedsel, geschikt maken om door de plant opgenomen te worden.
Om deze redenen zal van twee stukken land, die in physische en chemische samenstelling, in ligging en klimaat enz. geheel gelijk zijn, maar die verschillen vertoonen met betrekking tot de activiteit der daarin voorkomende nitrificoerende bacteriën, het eene stuk vruchtbaarder zijn dan hot andere, en tevens zal dan het verschil in vruchtbaarheid ongeveer aangegeven worden door de verhouding in activiteit der bedoelde bacteriën in beide stukken gronds.
Op grond hiervan zou men dus kunnen zeggen dat geen grondonderzoek, ten behoeve van den landbouw verricht, volledig kan zijn, wanneer daarbij niet rekening gehouden wordt met de activiteit waarmede het nitrificatie-proces aldaar plaats grijpt.
En zoo kan het wel niet anders of ook de bacteriologische wetenschap zal binnen niet al te langen tijd een vrij belangrijke rol gaan spelen bij de agronomische onderzoekingen.
Het experimenteel onderzoek in zake liet onderscheid in activiteit der nitriticeerende bacteriën van verschillende herkomst, is eerst sedert korten tijd aangevangen; hare uitkomsten bepalen zich daarom nog slechts tot enkele gegevens van meer algemeenen aard. Toch zijn ook deze reeds van veel belang, onder andere omdat zij ons een verklaring schijnen te beloven van velerlei feiten, op welke men door de praktijk opmerkzaam gemaakt was, maar waarvan tot nog toe vergeefs eenige opheldering gezocht was.
In de eerste plaats dan leerden do proeven, dat de activiteit der nitrificeerende bacteriën afneemt naarmate zij verder van de oppervlakte van den bodem verwijderd leven. Boven zagen wij reeds, dat het aantal bacteriën eveneens sterk afneemt met toenemende diepte, zoodat de nitraatvorming om dubbele reden
â 663 â
aan do oppervlakte verreweg liet krachtigst plaats heeft, en naar beneden toe snel afneemt. Eon bjjzondero zorg voor de oppervlakkige lagen van den bovengrond moot daarom zeer aanbevelenswaardig zijn.
De activiteit der bedoelde bacteriën bleek, in de tweede plaats, des te grooter te zijn naarmate de bodem rijker was aan organische voedingsstoffen en ook naarmate de grond beter en meer geregeld bebouwd en bemest werd. Ook onder deze omstandigheden vermenigvuldigen de werkzame bacteriën zich zoor snel, zoodat ook hierbij het nitrificatie-proces om twee redenen versterkt wordt.
De meest actieve bacteriën vindt men echter in dierlijken most, en hier zjjn zij tevens in buitengewoon groot aantal voorhanden. Dat in mestvaalten de omzettingen dan ook zeer krachtig plaats hebben, kan men reeds vaak aan den scherpen reuk bemerken, die zij in de omgeving verspreiden en welke afkomstig is, van do ammoniak die in zóó groote hoeveelheid gevormd wordt bij de ontleding der organische stoffen, dat zelfs een doel er van vrij wordt en in de atinospheer overgaat.
Het schjjnt reeds sedert lang de verwondering dor agronomen gewekt te hebben dat de gunstige invloed enner bemesting met dierlijken mest steeds veel grooter is, dan men uit de hoeveelheid organisch voedsel, die men daarbij op het land brengt, af zou leiden. In deze tot nog toe vrij duistere zaak, begint echter thans eenig licht te komen, nu aangetoond werd dat men met den mest niet alleen organisch voedsel, maar tevens een zeergroot aantal van de meest actieve nitriticeerende bacteriën, op het land brengt.
Wel is waar zullen do nitraten, nit de aangebrachte organische stoffen gevormd, een zeer gunstigen invloed op de ontwikkeling der planton hebben, maar niet minder worden deze gebaat door de krachtigere ontleding der in den bodem voorhanden humus, tengevolge van de inwerking der meer actieve bacteriën; die zich van uit den mest in den grond gaan verspreiden. Deze zullen dan in staat zjjn ook die organische stoffen gerecdeljjk te ontleden, welke door de zwakkere bacteriën uit den bodem niet of slechts langzaam omgezet werden.
â 664 â
Het is uit de praktijk genoegzaam bekend, dat om van eeu land bij voortduring een bevredigende opbrengst te verkrijgen niet steeds, jaren achtereen, hetzelfde gewas geplant moet worden, maar dat men steeds te zorgen heeft voor een gere-geldcn wisselbouw. Tevens zag men echter dat er bij het verbouwen van sommige gewassen meer behoefte bestond aan die afwisseling dan bij andere, zelfs wanneer tegelijk voor goede bemesting zorg werd gedragen. Zoo is gebleken dat de wisselbouw bijvoorbeeld, hoewel steeds in liooge mate wenschehjk en loonend, toch veel meer noodzakelijk is wanneer men peulvruchten verbouw t evenals bij de cultuur van zoodanige planten die om hunne wortels gekweekt worden als biet enz., dan wei bij liet verbouwen van granen.
De bovenbedoelde onderzoekingen hebben nu geleerd dat het verschillend gedrag van die twee groepen van cultuurplanten samengaat met een verschil in activiteit van de nitrificeerende bacteriën in den bodem. In gronden waarop sedert verscheidene jaren niet anders dan graangewassen gekweekt werden, bleken de nitriliceerende bacteriën krachtiger te zijn dan op gelijksoortige terreinen, die onafgebroken voor de cultuur van peul-gewassen enz. gediend hadden.
De omzettingen der organisciie bestanddeelen van den bodem, hierboven uitvoerig besproken, bestonden in liet overvoeren der zeer zamengestelde, stikstofhoudende stoffen in meer eenvoudige verbindingen. Ontleding was dus de hoofdstrekking dier processen.
In den bodem worden intusschen niet alleen organische stoffen ontleed, maar zjj worden er ook opgebouwd. Het uitgangspunt van die verbindingen vormt daarbij dan de vrije stikstof der lucht, die bij deze omzettingen vastgelegd en in een voor de plant bruikbaren vorm gebracht wordt.
Deze opbouw van organische verbindingen is echter, merkwaardigerwijze, evenzeer afhankelijk van de directe inwerking van bepaalde levende wezens, en komt alzoo in dat opzicht
â 665 â
mot- do ammoniak, nitriet- on nitraatvorming overeen. Op andere punten vertoonen deze organismen echter zocr belangrijke verschillen met de bacteriën die dc nitrificatie doen tot stand komen, zooals wij spoedig zullen zien.
De organismen, welke do vrije stikstof' der lucht vastleggen (assimileeren) en do bijzondere voorwaarden die voor het tot stand komen van die omzettingen vereischt worden, van welke hun symbiotische levenswijze wel de meest merkwaardige is, werden kort geleden door mij uitvoerig besproken 1); en aangezien dit opstel in dezen zelfden jaargang van dit tijdschrift voorkomt, zoo kan ik mij hier bepalen met de hoofdpunten in het kort samen te vatten.
De stikstof-assimileerende organismen die reeds voldoende onderzocht zijn, behooren tot een drietal groepen:
de eerste wordt gevormd door één enkele soort bacterie, de Clostridium Pasteurianum, wier levenswijze door Prof. Wino-gradsky in bijzonderheden bestudeerd werd; het is in de allereerste plaats dit onderzoek geweest dat ons het meest licht verschaft heeft omtrent de assimilatie der vrije stikstof uit de lucht, en omtrent de omstandigheden waaronder dit proces plaats heeft.
de tweede is de schimmel welke bij de meest verschillende, tot de groep der Leyuminosen behoorende planten, de bekende wortel knol lotjes veroorzaakt.
de derde is een andere soort schimmel, die bij eenige bepaalde planten Elaeaynns, Alnus, enz., eveneens uitwassen aan de wortels doet ontstaan; terwijl
Een vierde groep zou gevormd worden door de zoogenaamde âendotrophe mycorhiza'squot; 2), dat is een schimmel, wederom een geheel andere dan die van de Leguminosen of van Elaeaynus,
1) De stikstof-voeding van koffie en andere planten; Teysmannia, 1896, Dl. VII, blz. 181â'208.
2) Zie hieromtrent ook een ander opstel van mijne hand, getiteld: «Hoe voeden do planten zicli met humus?quot; Teysmannia, 1893, Dl. IV,
blz. 129âfGb, met 1 plaat.
â fjÃC) â
die in do wortels van do meest verschillende planton leeft zonder aldaar echter gezwellen te doe» ontstaan, 1)
Voor do drie eerstgenoemde organismen is hot reeds proof-ondervindelijk aangetoond dat zij in staat zijn de vrije stikstof'der lucht te assirnileeren. Mijne onderzoekingen omtrent de vierde groep zijii echter nog van te jongen datum om ook reeds op zoodanige uitkomsten te kunnen wijzen. Intusschen wordende proeven, die het bewijs daarvoor moeten leveren, voortgezet.
Dat ook deze laatste schimmel, wanneer zij de wortels haror voedsterplanten bewoont, in staat is zich de stikstof der lucht ten nutte te maken, is dus voorloopig nog een hypothese, welke in de allereerste plaats berust op de waarnoming dat z|j zicli ten opzichte van do voedsterplant steeds (en vooral wat de hoofdzaken betreft) op geheel overeenkomstige wijze gedraagt als dit bij de schimmels van de en .EZaeai/mts-knollen
het geval is. In het boven aangehaalde opstel over de âstikstofvoedingquot; werd in bijzonderheden uiteengezet hoever deze overeenkomst gaat en om welke redenen mij de conclusie van de stikstof-assimilatie dier schimmels waarschijnlijk voorkomt.
Een belangrijke eigenaardigheid der stikstof-assimileerende organismen, welke een scherpe tegenstelling vormt met de nitri-ficeerende bacteriën, bestaat daarin dat terwjjl laatstgenoemden veel zuurstof noodig hebben, zoowol voor hun eigen leven als
1) In mijn laatste opstel hel) ik onder de cultuurplanten, wier wortels door den endophyt (zoo duidde ik de hier besproken schimmel aan) bewoond worden, slechts gesproken van de koffie, omdat ik van do cultuurplanten toen nog slechts deze onderzocht had. Thans kan ik er bijvoegen dat die schimmel ook, en op geheel gelijksoortige wijze, gevonden werd bij verschillende anderen.
Zoo in de eerste plaats in de wortels van thee en cacao, afkomstig van een der particuliere ondernemingen in de Preanger, in kina (Ledge-riana zoowel als Succirubra uit de Gouvernements-kinatninen (en bovendien ook in tabak en dadap.
Ten slotte werd onlangs door Dr. Wakker in het âArchief voor de Java Suikerindustriequot; (4896, blz. 370) een schimmel (Wortelschirnmel no. 1) beschreven en afgebeeld, die een zoo opmerkelijke overeenkomst vertoont met onzen endophyt, dat ik niet aarzel haar ook als zoodanig te beschouwen.
â (gt;67 â
voor hot tot stiiml komen der door lien veroorzaakte (oxydutie-) processen, de eerst bedoelden niet alleen ^een vrije zuurstof noodig hebben, maar dat zij dit gas zelfs ontwijken, daar liet een ongunstigen invloed uitoefent op hun leven. Met andere woorden, in tegenstelling met de andere genoemde bacteriën die aërobiën zijn, zijn de stikstof assimileerende organismen steeds ««aërobiën.
Het raadsel hoe wezens die de zuurstof moeten mijden, toch kunnen leven in den bodem waar dit gas steeds in overvloed aanwezig is, werd door Prof. Winogradsky voor Clostridium opgelost; zij bereiken dit dool door zich te doen omgeven door een aaneengesloten laag, bestaande uit andere levende wezens die veel zuurstof noodig hebben; deze ontnemen aan de lucht zuurstof en dan kan tot de zoo geheel afgesloten kolonie van Clostridium Pasteurianum slechts de stikstof doordringen, welke deze dan gebruikt tot het opbouwen van organische verbindingen.
Deze opvatting, voor het geval van Clostridium geuit en naar alle richtingen proefondervindelijk volkomen bewezen, bracht mij tot het vermoeden dat de levende cellen van den wortelbast, die do schimmel in do drie andere groepen omsluit, een soortgelijke bescherming tegen de vrije zuurstof kunnen aanbieden, vooral omdat men de schimmel aldaar uitsluitend in het inwendige van de cellen der binnenste lagen vindt. Om die reden komt het mij voor, dat de aanleiding tot hun binnendringen in het inwendige dier wortels gezocht moet worden in hun wcnsch om beschut te worden tegen de aanraking met vrije zuurstof wijl deze de assimilatie der stikstof tegengaat. Uit oen biologisch oogpunt beschouwd, bestaat er dan de grootste analogie tusschen deze gevallen on do stikstof-assimileercnde bacterie van Winogradsky, en deze overeenkomst verleent aan de onderstelling, dat de endophyt ook tot de stikstof-assimileerende organismen gerekend kan worden, eveneens een zekere graad van waarschijnlijkheid.
Bij dit assimilatie-proces wordt de stikstof gebruikt tot hot opbouwen van organische verbindingen, welke voor een deel ton goede komen aan de oinhullonde bacteriën (in het eerste
â 6(38 â
der genoemde gevallen), ilan wel aan de wortels of knolletjes welke de schimmels herbergen (in de drie andere gevallen).
Hierin bestaat er dus ook een groot verschil met de mtri-ficeerende bacteriën; bij deze komen de omzettingsproducten direct in den bodem, doch bij de stikstof-assimilatie vindt men ze terug in de levende planten. Aan den bodem kunnen zij bij dit laatste proces dus niet anders dan op indirecte wijze ten goede komen; dit geschiedt slechts dan wanneer de plantendee-len, welke met behulp dier geassimileerde stikstof opgebouwd zijn, afsterven, in den grond in humus overgaan, die alsdan materiaal oplevert voor de nitraatvorming, door middel van de nitrificeerende bacteriën.
Zonder uitriticatio kan dus ook de stikstof-assimilatie geen nut opleveren voor den bodem, daar zij wel hot stikstofgehalte van den bodem verhoogt maar deze toename slechts teweegbracht door den aanvoer â van voor de plant niet direct bruikbare verbindingen.
In de laatste tijden wordt blijkbaar decultuur van Leyuminosen niet zelden aangewend, om in bepaalde gevallen tot grondverbetering te geraken, daarbij rekenende op de assimilatie van de vrije stikstof der lucht in dc wortelknolletjes. Ook hierbij moet men dus in aanmerking nemen, dat de producten dier omzetting niet direct in den bodem geraken, maar in de organen tier voedsterplant afgezet worden.
Wil men dus voor den bodem voordeel trekken van de cultuur van Leguminosen, zoo verdient het aanbeveling deze af te snijden of uit te trekken, zoodra zij het hoogtepunt hunner ontwikkeling bereikt hebben, en dan in den grond te werken. Dan gaat alles zeoi' spoedig in humus over, en wanneer deze dan vervolgens door de inwerking der nitrificeerende bacteriën ontleed is, en er nitraten uit ontstaan zijn, dan, maar ook niet eerder, kan men zoggen dat de bodem in vruchtbaarheid toegenomen is tengevolge van de cultuur der Legummosen. Hieruit volgt tevens dat zonder voldoende nitrificatie, die grondverbetering niet tot stand kan komen.
Voor kruidachtige planten kan men zeggen dat het hoogte-
â 669 â
punt hunner ontwikkeling bereikt is, teg'en den tijd dut zij zullen gaan bloeien. Dat zou dan alzoo het gunstigste tijdstip zijn om ze af te snijden. Wacht men daarmede langer, zoo wordt oen groot deel dor geassimileerde stikstofverbindingen in de zaden afgezet. AVel is waar zijn die stoffen ook dan niet voor ons doel verloren gegaan (ten minste wanneer men do zaden op den bodem laat vallen, en ze niet inzamelt), maar daar de zaden veel langzamer in humus overgaan dan de groene plantendeelon, zoo zou het tot stand komen der grondverbetering er eenigszins door vertraagd worden.
Behalve do nitrificatie en de assimilatie van de vrije stikstof der lucht is er nog een derde proces dat invloed uitoe-tent op het stikstofgehalte van den bodem. In 't kort werd reeds in de vorige bladzijden van dit proces melding gemaakt, dat bekend is onder den naam denitrificatie. Hadden de beide eerstbedoelde omzettingen een gunstigen invloed op den toestand van den bodem, het laatstgenoemde proces heeft daarentegen een ongunstige inwerking.
liet tot stand komen van dit proces is eveneens uitsluitend afhankelijk van de aanwezigheid van bepaalde soorten van levende wezens, de âdenitrificeerende bacteriënquot;. Zij trachten de nitraten (welke eerst door de nitrificatie uit den humus ontstaan zijn) verder te oxydeeren, waardoor ten slotte de stikstof vrij wordt en in de atmospheer verdwijnt; zij ontleden dus nitraten en daaraan hebben zij hun naam te danken.
Een directe vermindering van het stikstofgehalte van den bodem is dus hot gevolg van hunne inwerking.
Intusschen schijnt de werking dezer bacteriën vrij zwak te zijn, zoodat de verliezen welke zij veroorzaken betrekkelijk slechts weinig schade aanbrengen. Met de grootte van den voorraad salpeter in don bodem neemt liet ontledingsproces wel is waar toe, maar juist dan kan dit nauwelijks schaden, daar er dan toch genoeg nitraat overblijft voor den aanplant.
Daar proeven overigens geleerd hebben dat men veelal in den bodem meer of minder groote hoeveelheden nitraten vindt, Teysm. VIL 47
â «70 â
on dat liet drain water deze stof' eveneens bevat, zoo blijkt hieruit voldoende, dat de productie dier zouten steeds grooter is dan het verbruik, dus grooter dan hetgeen voor de voeding der planten noodig is, vermeerderd met het verlies dat door denitrificatie goloden wordt. Onder die omstandigheden kan or dus van gobrok aan nitraat niet gesproken worden en kunnen de denitrificeerende bacteriën dus nauwlijks cenigcn schadelijken invloed bobben.
De lovende wezens die deelnemen aan de omzettingen, welke de stikstoflioudonde bostanddeelen in den grond ondergaan, oefenen dus bijna uitsluitend een gunstigen invloed uit opdien bodem, en daarmede dus ook op het plantenkleed dat dozen bedekt.
Bij elke cultuur zal hot or dus op aankomen te zorgen dat die invloed, die liet moest waardevolle (voor plant en planter) element der plantenvoeding raakt, bjj voortduring zoo krachtig mogelijk medeworke om do vruchtbaarheid van den bodem te vorhoogon.
Het hier medogodoeldo, hoewel van geheel theoretischon aard, bovat eenigo gegevens en wenken welke er misschien toe kunnen bijdragen om de nieuwste uitkomsten der bacteriologische on argronomischo wetenschappen ten nutte van do praktijk to doen strekken.
Dr. J. M. Janse.
KAPOK-KOEK KX.
Door den Hoer van Pesch te Wageningen is in liet hieroiulor genoemde tijdschrift eeno niededoeling gepubliceerd over Kapok-koo-ken, die in Nederland slechts in geringe hoeveelheid gemaakt en zelden in den handel gevonden worden.
Doze koeken zijn een bijproduct van de kapokolie-fabrieatie en worden als veevoor gebruikt. Do nitpersinp; dor pitten schijnt op dezelfde wijze to geschieden als die van lijnzaad. De samen
stelling dor koeken was als volgt:
Water....................................................13.6° j0
Eiwit........................................................28.4
Vet..........................................................7.9
Stikstofvrijo extractiefstoif'en................17.5
Ruwe colstof...................... 26.1
Asch............................ C.4
Voor hot gebruik als veevoer zou het aanbeveling verdienen koeken van geschilde zaden te gebruiken.
Lnndw. Vers. Stat, XLVII S. 471). r,
Door sommige planters hier te lande worden de gestampte ka-pokpitten wel als meststof in koffietuinen gebruikt. Volgons Schao-dler (Die Technologie der Fette und Oolo) bevatten zij 25° â vet. Hekmojjer onderzocht vroeger de asch der pitten. Het gehalte daaraan is 4° zij bevat vrij veel phosphorzuur, kali en inngue-sia. Op luchtdroge pitten berekend bedroegen do hoeveelheden dezer bestanddeelen resp. 1.75, 1.48 en 0.70/o Uit do medegedeelde cijfers blijkt dus, dat deze pitten een vrij goede meststof opleveren.
Ref.
VERBOD TOT UITVOER VAN CAOUTCHOUC.
Ton einde do uitroeiing van do caoutchouc-boonion in de domein-bosschen te beletten en de ontwikkeling en uitbreiding van geregelde aanplautingen te begunstigen, heeft hef Gouvernement van Nicaragua een decreet uitgevaardigd waarbij van af 1 Jan. 97
do uitvoer van caoutchouc uit allo doolou der republiek verboden wordt, nis deze idot in aanplantingeu gecultiveerd is. 13e duur van dit verbod is op 10 jaar gesteld. Do overtreders ervan worden met tamelijk hoogo bouten bedreigd. De planters zijn verplicht ieder jaar in Januari aan den belastinggaarder van hun district het aantal on don leeftijd van hunne hoornen op te geven, terwijl voor hot vervoer van het product passou uitgereikt worden.
Monschen die bekend zijn met den caoutchoue-handel in Nicaragua meenen, dat do uitvoering van dit docroot praktisch onmogelijk zal zjjn. Ook zal de Regeering de opbrengst van de uitgaande rechten op caoutchouc moeielijk kunnen missen.
(Trop. Ajric, Nov. '96 p. o44). r.
DE DALING IN GAMB11I.
Do gambir-markt is in een toestand, die geen der bij dit artikel bëlanghobbendo partijen, zeli's niet de verbruikers, voldoet, Dezo laatsten hebben groote voorraden, die zij tegen hoogore prijzen kochten dan nu bedongen worden.
De tegenwoordige prijzen zjjn de laagste die in velo jarenâ misschien zelfs ooitâ⢠voorkwamen. De verlaging is toe te schrij-tou aan vermindering van work in de industriën die gambir gebrui-kon. Do handel was hot goheole jaar slap, maar toch gingen de vor-schopingou op de gewone wijze voort mot het te verwachten gevolg.
Do aanvoer van Jan.-.Sept. 1896 bedroeg uit Singapore 63000 balen tegen 660OO in iozolfilo tijdruimte in hot vorige jaar. De leveringen bedroegen daarentegen slechts 49000 tegen 91000 in 1895. Er is oen voorraad van 47800 balen.
{Trop. Ayi'ic. Nov. '96 p. 354). r.
COFFE\ STENOPUYLLA,
Op pag. 331 van dezen jaargang vindt men eenige mededeelingen over eene uiouwe soort koffie, uit West-Afrika, waarvan voor de toekomst goede verwachtingen gekoesterd worden.
Mon schrijft nu ecliter van een proofaanplant dezer koffie uit Ceylon, die niet al te bost slaagde. Do groei was zeer onregelmatig; toon zij uitgeplant werden, waren zij ongeveer even groot, sommige er van zijn slechts eonige c.M. gegroeid andere bijna I M. Zjj zien er uit alsof het klimaat niet bjjzonder geschikt voor hen is.
â 673 â
Uit de Straits daarentegen komen er betere berichten over, de planten groeien er goed, en ze zijn tot heden niet aangetast door kofflebladziekte.
{Km Bulletin No. 119, 1896.) w.
EEN KOSTBARE PLANT.
Een Amerikaansch blad, de âModern Societyquot;, weet mede te deelen dat Jliss. Holen Gould onlangs voor hare broeikassen een schoon exemplaar van de Eavenala madayascariensis hooft aangekocht. Dit exemplaar wordt op meer dan 100 jaar geschat en is 10 meter hoog. Men zegt, dat er door de rijke Amerikaansche niet minder dan 7000 pond sterling voor betaald is.
Itavenala madayascariensis, do travellers tree, 1' arbre des voya-geurs, is de hier wel bekende pisang kipas.
(Seinpervirens, No. 31, 1896). ir.
EEN NIEUWE METHODS VAX VANIELJE-BEREIDING.
Aan eene lezing van Dolabartz, administrateur van âLe Crédit Fon-cier colonialquot; in Reunion, over een nieuwe methode van droging der vanielje-vruchten, is het volgende ontleend.
In hermetisch gesloten flesschen of blikken wordt de vanielje gedroogd onder den invloed van chloorealciura, daarvan is ongeveer 1 kilogr. voor ieder kilogr. droge vanielje noodig. Het calcium-chloride is na het gebruik niet verloren, door verwarming kan het vocht er weer uitgedreven worden en is het weder bruikbaar.
Op deze wijze krijgt men van 2.981 kg. versche vruchten 1 kg. droge, geschikt voor den handel.
Men beweert, dat door de droging in luchtdichte vaten, er veel minder vanilline verloren gaat, dan bij do gewone wijze, waarbij de vruchten eenigc weken aan de open lucht blootgesteld worden.
(Keil' Bulletin No. 119, 1896).
EEN NIEUWE WIJZE OM KOOL TE PLANTEN.
Het bemesten alleen van onze cultuurplanten is niet voldoende, de bemesting moet zoo aangebracht worden dat er zoo min mogelijk van verloren gaat en dat de planten er het moest van profiteeren.
â (574 â
Zoo komt nu in hot âTijdschrift van den Belgischen Boomteelt-kringquot; liet onderstaande voor over een, door den heer Ch. Wendelen, toegepaste nieuwe cultuurmethode voor kool.
âNadat hot voor do planting bestemde bod omgedolven is, zonder bemesting, maken wij met do spade putten van een voet diep, voor de grootere koolsoorten op 70 tot 80 cM. en voor de kleinere op 50 cM. afstand. Die putten worden half gevuld mot goeden korten mest, vooraf vermengd met ongebluschte kalk in de verhouding van 1 20, daarbij voegen wij wollen lompen. Wij bewaren alle oude kleeron en verzamelen alles wat wij kunnen krijgen, daar we bij ondervinding weten, dat wollen lompen al zijn ze nog zoo oud, eon uitnemende mest zijn voor de kruisbloemigen, waartoe ook de koolsoorten behooren. Iedere put krijgt een stuk van ongeveer lü cM.; waarna hij met fijne aarde gevuld wordt. Daarna wordt do kool geplant.
Wanneer men, zooals gewoonlijk geschiedt, hot gcheele void bemest, dan gaat er een groot deel voor de planten verloren, dat slechts dient om den grond voor een volgenden aanplant te verbeteren ; hotgeon cohter nog zeer betwistbaar is. Het gebeurt dan niet zelden, dat er planten komen op plaatsen waar geen spoor van mest is, vandaar het groot verschil tusschen kooien van hetzelfde bod.
Mot onze handelwijze integendeel, vindt iedere plant ruim voedsel; terwijl er mest bespaard wordt, verkrijgen wij bovendien reusachtige kooien, die een buitengewone zwaarte hebben en ieders bewondering opwekken.
Do wol bezit do eigenschap do vochtigheid langer aan don voet der plant te behouden; kalk is mede vooral voor de kruisbloemigen nuttig; zij verwijdert de kool worm, waarvan do larven de knobbels voortbrengen, die men dikwijls op de wortels vindt, waardoor de groei gestuit wordt en de plant niet zelden bezwijktquot;.
(Sempervirens, 13 Nov. 1894) iv.
WAPENS OP VRUCHTEN.
Do tafels waaraan de keizer en de keizerin plaats namen, tijdens hun bezoek aan Parijs, konden aan de hooge gasten een goed denkbeeld geven van do vruchtencultuur in Frankrijk.
â 675 â
Dg kweekerijen van 1' Aiano verschaften voor doze feesten 50 druiventrossen Muscat cV Alexandrie, tot oen gewicht van 65 kilogr.; 50 trossen Black Alicante, wegende 95 kg. en eeuigo trossen van Gros Colman elk 3 kg. zwaar. Montreuil en Bognolet leverden de perziken, dio zoowel door kleur, smaak, geur en volume onovertroffen waren.
De peren waren afkomstig van Fontonay-sous-bois on Montmorency, liet waren do variëteiten: Crassone, Dnchesse, Bciiri'i Diel, die 8 a 900 gr. wogen.
Do appelen waren van Rosny, namelijk Calville blanc, Belle Josephine en Grand Alexandre. Deze laatste variëteit van Russischon oorsprong, heeft buitengewone groote vruchten.
Do perziken, peren en appelen droegen de Russische wapens.
Dit effect was verkregen, door eenige dagen vooraf de vruchten in papier te wikkelen, waarin do teekeningen uitgesneden waren.
Het door deze openingen dringende licht bracht alleen daar ter plaatse do gewonscht hoogere kleur.
Hoewel niet nieuw, moet de toepassing in dit geval verrassend geweest zijn.
{Seinpervirens, 20 A'oc. 1895) iv-
CHAMPS ELYSÃES.
Zooals do nieuwsbladen ons mededeelden heeft het bezoek van den Russischen Keizer aan Parijs aanleiding gegevou tot schitterende feesten zooals alleen de Parijzenaars, die weten te arrangeeren. Hot was te verwachten, dat de versieringen met bloemen en sierplanten, bij den bekenden goeden smaak dor Frau-schon, ditmaal wel onovertroffen zonden zijn.
Do versieringen hebben echter iu Frankrijk bij lange na niet overal bijval gevonden eu eenige der bost bekende artisten op het gebied van bloemenversiering, beschuldigen do decorateurs in de eerste plaats van overlading. Eu vrij algemeen was het protest tegen de wijze van versiering der âChamps Elysóesquot;.
Indien, zooals algemeen aangenomen wordt, do natuur werkelijk schoon is, dan, zegt de kritiek, was het ouuoodig talrijke guirlandes van bont papier in den vorm van rozetten aan de hoornen te hangen. Meer dan één invloedrijk blad verzocht aan de autoriteiten, doze be-
â 67(5 â
lcedig'iiilt;j aan do prachtige lanen te verbieden; hoe natuurlijk dezo decoratie ook aan de theaterversiorders, die er mede belast waren toesohoen. Eu toen hot eindelijk bleek, dat de g'oedo raad inden wind geslagen word, merkte hot âJournal des üebatsquot; cynisch op, dat daar vogels in de (Jliamps Elysées zeldzaam zijn, men bij de papieren bloemen ook eenigo honderd duizenden kunstmatige zangvogels moest plaatsen.
Dezo opmerkingen hebben meer de aandacht op de Champs Elysées gevestigd, waar nu meer dan 8000 boomen geplant zijn. In hot begin dor 17e eeuw was de plek waar nu die heerljjke wandelplaats is aangelegd, uog bouwland, waarop zich hier en daar geïsoleerde huizon met kleine tuinen bevonden. In 1(516, kocht do Koningin liegentes Maria de Medicis een dool van dit land, en liet er een lange laan planten bekend als âCours de la lieyne Merequot;, die tot do Revolutie een geliefkoosde wandeling dor aristocratie uitmaakte.
Do beroemde tuinkunstenaar Le Notre, voegde er do z. g. Grand Cours bij, en togen het einde der Regeering van Lodewijk XIV kwam do naam van Champs Elysées in zwang. De avenu werd in 17(54 verlengd door den architekt Gabriel on in 1792 ging het eigendom ervan, van do kroon over op de Staat.
In 1841 werd begonnen er nieuwe verfraaiingen on verbeteringen aan te brengen.
Louis Philippe was de eerste die toestemming gaf tot hot bonwen van Cafés en andore gebouwen voor publieke vermakolijkhoden. Onder het tweede Keizerrijk werd er o. a. het â1'alais de 1'Industriequot; gebouwd en thans ontvangt de stad Parijs voor groudhuur van de verschillende gebouwen jaarlijks de niet onbelangrijke som van /' 132.000.
(Gardeners' Chronicle w.
No. 512, vol XX.)
ONGEGISTE VRUCHTEN SAPPEN.
Prof M idler in Thurgau heeft het principe van de wijnbeliandeling volgens Pasteur toegepast op het conserveeren van druiven- en andere vruchtensappen, ilij vond, dat wanneer men het versch uitgeperste sap in Hesschen op een temperatuur van (iOâ70° Celsius gedurende 15 minuten verhit, de gistcellen en andere stollen die gisting kunnen veroorzaken onwerkzaam gemaakt worden.
Hot sap kan na die behandeling in goed gesloten Hesschen gedurende jaren worden bewaard zondor dat gisting optreedt. Om het sap helder te krijgen moet het gefiltreerd worden, eene bewerking die gemakkelijk gelukt omdat door de verhitting de slijmachtige stoften, die troebeliug geven, gestold zijn. Het gefiltreerde sap moet men echter opnieuw tot de boven aangegeven temperatuur verwarmen; het blijft dan in goed gesloten Heschen ook jaron lang helder. Een op deze wijze in 1882 behandeld monster druivensap is nu nog volkomen onveranderd. In Zwitserland heeft zich een maatschappij gevormd, die in den herfst van dit jaar reeds druiven- en andere vruchtensappen naar deze methode zou bereiden.
{Apoth. Zeitung XI.
doof Pharni. Journ. No. 1371) v.
ZWARTE KOEST.
Als oorzaak van het zwart worden en verdrogen der vruchten en het ontstaan van zwarte vlekken op de bladeren van Liberia-koffie, noemt dr. Went een alg In het begin verschijnen bruinroode, scherp omgrensde vlekken, die weldra donkerder worden en de vruchten doen verdrogen. Onder het microscoop zijn de chromato-phoren der wier gemakkelijk zichtbaar, of zij kunnen na het onttrekken der gele kleurstof mot absoluten alcokol spoedig herkend worden, Oe kleurstof is haematochroom.
De wier is een Chroolepidee en behoort tot het geslacht Cephalen rosdaar zij opvallend verschilt van de andere soorten van het geslacht, heeft dr. Went haar Gephakiiros Gofj'eae genoemd. Schrijver geeft de verschillende stadiën der ontwikkeling van do wier aan, zoo ook van de veranderingen, die zij in hot blad en in de vrucht van de koffie doet ontstaan.
(Botanische.* Centralbla/t tv.
Band. LXV1II, 2. 1896).
PHALAENOPSIS LEUCORHODA.
In onderstaand tijdschrift komt een goede afbeelding voor van deze fraaie Orchidee. Reichenbach meende dat hot een hybride was van Fh. mnahilis en Ph. Schilleriana en wel uit het zaad van laatstgenoemde.
â 678 â
Naar eon klein verschil dat later bleek niet eens constant te zijn, verdoopte Reichenbach de plant en noemde haar i'h. casta, welke naam dus voor een synoniem van L'h. leucorhoda gehouden moet worden, Volgens Hansen âThe orchid hybridsquot; zijn do Ph. Sanderiana. Ph, Cynthia, Ph, Younyiana, PU. Leda ön l'h. Schilleriuno-yluriosa, niets anders dan synoniemen van Ph. leucorhoda.
üe bladeren zijn gevlekt evenals bij sommige Ph. Schilleriana, de bloem heeft ook nagenoeg denzelfden vorm, is echter van rose stipjes en streepjes voorzien.
(Revue Horticole w.
No. 21, 1896).
ACACIA'S.
De meeste soorten van dit geslacht komen uit Australië, slechts weinige vindt men in Europa, Azië Afrika en Amerika.
De boomon uit de Afrikaansche woestijn, die de Arabische gom leveren zijn, Acacia arabica Willd, J. Senegal, Wilkl; A, vera Willd.
Acacia Farnesiana Willd. hier bekend als Djepoen. jav., kemhanij nagasari, mal. en soeud., is een tropische plant die overal in ludië gekweekt wordt, om de buitengewoon welriekende gele bloemhoofdjes» In Italië wordt de plant in hot groot gekweekt, om uit do bloemen reukessences te trekken.
In het zachte klimaat van de Riviera kweekt men eenige Australische Acacia's, dio het des winters buiten uithouden o. a, A. dealbata {do Mimosa dor Parijzonaars). In den bloeitijd worden bloeiende takken van deze Acacia in groote hoeveelheden verzonden, vooral Parijs wordt er als het ware door overstroomd. In de bergtuiuen te Tjibodas bezitten wij er eenige pracht-exemplaren van, die echter zelden bloeien. In de Uiviera schijnen do boomen op hun 6U a 7e jaar reeds hiermede te beginnen.
Acacia cnltriformis Hook, is ingevoerd van Nieuw-Zuid-Wallis, de enkelvoudige blaadjes zijn klein en hebben een blauwe tint, de gele bloemhoofdjes staan in dichte pluimen, hij wordt niet zoo hoog als de voorgaande, het is meer oen hooster, die tot ongeveer 2 a 3 Jleter hoog opgroeit.
Acacia pycnanlha Benth. of A. petiolaris, Lehm. onderscheidt zich door enkelvoudige lange bladeren, die zich tijdens den groei ombuigen; do bloemen komen ook in lange hangende pluimen voor
â G79 â
den dag, do plant is zeer decoratief, hot hout wordt in Australië hoog geschat. In Algiers gebruikt men hom voor reboisatie.
Acacia longifolia Willd., ook een Australische soort, die overal aan de kusten van do Middellandsche zee gevonden wordt; ua de bloemen van A. dealbata worden die van A. longifolia het meest naar het noorden verzonden.
Acacia tnelanoxyIon R. Br. Is een boom die 8 10 M. hoog wordt, en een groot aantal bleekgele bloempjes voortbrengt. Do bladeren zijn enkelvoudig. Ook deze soort groeit in onze bergtuinen.
Al deze planten zijn niet geschikt voor do benedenlanden, zij verdragen in Europa eenigo nachtvorst, en kunnen alleen hoog in het gebergte met hoop op succes geplant worden.
(Revue Horticole, w'
No. 21, 1896).
BEMESTING VAN POTPLANTEN.
Door H. Müller-Thurgau werden hemestingsproeven genomen mot verschillende potplanten en wol met zeer gunstigen uitslag. Niet alleen groeiden de planten veel weliger maar het was daardoor ook mogelijk kleinere potton voor hot kweeken te gebruiken.
Er werd gebruik gemaakt van twee mengsels en wel bestaande uit:
1°. Salpeterzure kali, phosphorzure kali, zwavelzure ammonia en salpeterzure ammonia in de verhouding van 30: 25: 10; 35.
2°. Hetzelfde mengsel met weglating van salpeterzure ammonia.
Door hel eerste mengsel verkrijgt men een weligen groei; het laatste moet gebruikt worden bij planten, welke men in bloei wil hebben. Eene voorname zaak is nog de oplossing, die echter steeds verdund moet zijn, in do juiste sterkte aan to wenden, naar gelang van de grootte en de ontwikkeling dor plant; hier moet echter de ervaring den weg wijzen.
(Hot, Centralblatt. 1896, No. 48). *â¢
OVER DE VOEDINGSWAARDE VAN HET MEEL UIT DE ZADEN VAN PARKIA BIGLOBOSA.
Aan eene dissertatie van Sophie Guttelson is het volgende ontleend :
â 6S0 â
Uit vorscliillcndo werken bljjkt, dat Parkia higlohosa (Nétc of Nérc') reeds in de Yorigo eeuw bekend was. Adanson in ziju âilistoire naturelle du Sénégalquot; spreekt or over als over oon grooton boom waarvan de vruchten door de negers zeer gezocht zijn. Men geeft ze wol den naam van Soedankottie.
Parkia behoort tot de Leguminosen, Afd. Mimoseae, zij behoort in de tropen thuis. De vruchten bevatten alle voor de voeding noodige stoften.
âParine de Netequot; wordt uit het vruchtvleesch (bedoeld zullen wel zijn de zaden, Rof.) van Parkia biylobosa bereid, het heeft een goudgele kleur en sterken reuk, dio doordringend maar aangenaam is; de smaak gelijkt eenigszins op dien van boonen, met iets zoutachtigs.
Dit Parkia-meel kan, evenals de negers liet doen, onder zeer verschillende vormen gebruikt worden, hetzij geroosterd bij vloesch; of als drank zooals chocolade of als kollio; eindelijk in sausen, in soep en in melk.
Op de spijsvertering hooft het een gunstigen invloed, terwijl het voor kinderen, vooral wanneer ze aan rachitis lijden een uitstekend voedsel is.
(Beihefte hof. Centralhl., r.
Bd. VI. S. 3G9;.
Volgens Koorders en Valeton (Bijdrage No. 1) komt P. higlohosa, Bonth op Java voor. Buiten Java twijfelachtig wegens de onzekere soortsbepaling. De zaden worden soms als surrogaat voor Pete (/'. speciosa) gegeten; ze zijn echter bitter.
Waarschijnlijk zal dus bovengenoemde Xutó-meel leverende boom niet met de Javaansche Parkia speciosa Benth. idcntisch zijn.
1!
Kef.
I
BHKNOPTH MFJDEDIOKLIXGEX UIT DK PRAKTIJK.
Het enten van koffie.
In de 10° afl. 7° jaarg. van Toijsra. wordt liet enten van koffie op Liberia onderstam besclireven. De entwijze, die in verscheidene kina-plantsoenen wordt toegepast, verdient m. i. ernstige overweging.
Op den onderstam (boompjes in den aanplant) wordt op -t- 1 voet van den grond een Tquot; snode gemaakt, zooals bij oculeeren.
Het entrijs, zondor blaren, van 3 a 4 oogen lengte, wordt aan één kant schuin afgesneden, zooals dit bij entrijs voor spleetgritt'e-ling aan twéé zijden gedaan wordt.
Do grift'el wordt dan in do ~ geschoven en niet hot liber van Waroe of' niet raffia verbonden. Boven de ent bindt men een blad aan don stam, dat als oen dak de wond tegen inregenen beschermt. Eerst als de ent uitloopt snijdt men den boom af.
De voordeelen zijn:
1° Mislukt de ent, dan kan men dadelijk op den zelfden onderstam (op een ander punt) do behandeling herhalen.
2° Beschadiging hij hot uitplanten van verenle boomen wordt voorkomen.
3° Na 't uitplanten gaan altijd somrnigo boomen dood. Dit komt bij onderstammen er niinder op aan; van reeds verente boomen is het jammer wegens de daaraan reeds bestede zorgen on kosten.
4° Geen kostbare glasbedekking is noodig.
Do koffiebast is wel is waar bros en bemooielijkt dus het oplichten der lippen van de T snede, maar bij jeugdige Liberia-planten is de bast nog soepel genoog, om, met wat voorzichtigheid, het openen mogelijk te maken.
B. J.
Zooals in het Verslag omtrent den staat van 's Lands Plantentuin over 1895 op blz. 34 is medegedeeld, zijn in don Cultuurtuin entinysproovon in gang. De boven door den Heer B. J. beschreven methode is daarbij o. a,, met eene kleine wijziging, mot succes toegepast. Binnenkort kunnen meer uitvoerige mededeelingen daarover tegemoet gezien worden, v. li.
â 682 â
Hel insnijden van wortels bij het overplanten.
Hierover werd iu ïeysiu. 10° all. 7° jaarg. geschreven on naar aanleiding daarvan kan ik hot volgende meedoelon.
Bon porcool word door mij beplant mot stumps van Arabische koffie.
Ik kocht do boomen uit kweekbedden, waar zij Hh 3 jaar hadden gestaan, Do stammen hadden een dikte van een dikken wandelstok en 't wortelgestel was zwaar ontwikkeld, üe boomen werden op f voet boven den grond afgekapt, de pen wortel J voet onder den wortelhals. Do zijwortels werden zoo dicht mogelijk weg-gosuoden, hot plantmateriaal had veel weg van talhouten.
Het planten ging uiterst vlug en goedkoop, in het mulle plaut-gat werd hot wortel gedeelte gestoken en aangedrukt, 't Resultaat was, dat er van deze stumps minder stierven dan bij 't planten van gewone bibit en dat er snel oen krachtiye aanplant van groeide.
B. J.
KORTE BERICHTEN UIT 'S LANDS PLANTENTUIN Uitgaande van den Directeur dek Inrichting.
Beschikbare zaden van nuttige gewassen.
Acrocarpus fraXinifolius Aru. Madam/ pari.
Alliizzia Lebbek lith. Kitoke.
â moluccana Miq. Djeunydjing laoet. (In grooto hoeveel heden.)
stipulata lith. Sevyon.
Andropogon murieatus Ketz. Akar wangi.
Bixa Orellana L. Kasoemba J â Cling.
Caesalpinia coriaria Willd. Divi-divi.
v dasyrachis Miq. Petah-petah.
Calophyllum Inophyllum L. Xjamplong.
Calosanthes indica BI. 1'ompohran.
Canarium commune L. Kanari.
Cassia tlorida Vahl. Djoear.
, javanica L. Boengboenydelan.
Cedrela serrulata Miq. Soerian.
Corchorus capsularis L. (loeni, Jute.
Elaeis guineensis L. Oliepalrn.
Elaeocarpus augustifolius BI. Djanitri.
Eriodendron anfraetuosum DC. Kapok.
Erythroxylon Coca Lam. Coca.
Euchlaena luxurians Dur. Teosinte.
Fourcroya sp. Mauritius-hennep. (Bolletjes).
Grevillea robusta (kleine lioeveelheid).
â Forsteri.
Helianthus aniiuus L. Zonnebloem.
Hevea brasiliensis Miill Avg. Caoutchouc.
Hymenaea Courbaril L.
Lndigofera galegoides DC. Taroem oelan.
â 684 â
Irtsia amboinensis Thouars. Mavaboh.
Lager.stroemia Reginae lixtl. Boengoev,
Macrotropis. sumatrana Miq. Koepang.
Melia Cantlollei A. Juss. (}route mindi.
â Azedarach L. Mindi.
Myristica fragrans Houtt. Fuln.
Myroxylün peruiferum L Perubalsem.
Pahudia javanica Miq, Kidjoelant/.
Palaquium spec. Getah pertja.
Parkia afi'ieaua K. Br. Peundeuj.
Pterocarpus saxatilis Kmph. Lemjoa batoe.
Sapiudus saponaria L.
Schizolobium excelsum Vog.
Siiulora Sumatrana Miij. Sindor.
Spathodea eampauulata Beauv.
Styrax Honzoiu Uryaud. Minjan.
Tamariudus indica L Asem.
Tectona graudis L. t'. Djati.
Terminalia Catappa L. Katapang.
â sumatrana Miq,
Thea assamica (Hybr. Ceylon). Assam-thee,
â chinonsis Sims. Thee.
Theobroma bicolor H. et B. (in kleine hoeveelheden).
Cacao L. ^ j)
Voandzoia subterranea. Katjawj Boyor.
Verschillende variëteiten van:
Sesamum indicum DC. Widjen.
Sorghum vulgare L. Gandroeny.
Zea Mays L. Djayoenj.
Aan allo aanvragen, te richten tot den Directeur van 's Lands Plantentuin, wordt, zoodra het gevraagde voorhanden is, onmiddellijk voldaan, zoodat het overbodig is bij niet spoedige ontvangst op toezending aan te dringen.
Buitknzoro, Jan. 1897.
,: â lt;. a.
w ^ Vlt;v
V ^ ' /^
.'/' ' V \ gt; ' ... '\ W V. V,
Ar:.^ \
W ^ 'lt;4,' . tx' vjbV
^â -.y-;v ^.â ïSkhi t
^/ If r . -f ^ ^ 1',^ V gt; w -V , , . .
1 v /quot;- â .'â ' â V' quot;quot;' ' 1 / â gt;-
lt;â¢,/ gt;' j|ir ⢠«gt; ^ «... V V
â,f V,,' 1».1 jr f â \ quot;^V 'v'quot;~ »⢠^ 'vl' '. ^»quot;' f vV. x- *quot;' ''1
^ V.'^V/.^ -J' 'â ' 'w ' â â¢quot;' V
-V., , , -â ;,i â¢lt;â \......y /'' 'â -⢠--
' V- â¢' 'w â¢, l'W V r \ ^ \»w
V - - ^ y V .*J ⢠^quot; quot; ; 'A
; !gt;v ⢠jM;. ...... f â ,⢠.-â¢
'T^ r igt;' /y-- '-â¢'/ / .
-ï- l' - V _____
. oA »⢠lt;*1.
-,/ ^
j 1 ⢠' --4
\ ' V v .gt;gt;gt;*â¢
.V^ y-^fcy,
*quot;quot;⢠l â ' â ! lt; ** .. \ ' i ^ A 'w*,^ 8
^ ^ quot; V ⢠TT^-. ^ :V\£^ 'V ^ gt;-â¢
â ^mmX\ iM:'!'**** 'quot;quot;^.....^ : v v
.,: gt;,,, 'quot;^â ' â â ^â¢gt;, .f rv w ^
' - r- ,. ^ ^ quot;â¢â ' T - â ;
i â â â '^L.. * â quot;''1 . - gt;s'iv ,â â.
... Vv-^ \ lt;â â¢, S 'S\- *«»- â W N._ ^l.' 'f
â yrM-P- .....'
M
- U
ï'V'
â ^' f j ' ^ .1, , X ^
/ â â â â 'â quot;quot; . ,.'vf â â , â â ^
gt; ^v / *'â '
â tM' ^,/x'-it-.' ,7f,v-'r v -V ,^'^'.....â :'
%/ '' M
Xv f -A/, «f' 'v .â 44quot;'
» ' , V-i gt; '^V-; ï-
'⢠\ â¢-quot;.
' \J
.'r.\7 i * yy'--lt;, gt; ^.., -jV/ V
Wï^r- -A. ,
' â¢' x quot; -«s. v '; .
M .....quot;â
⢠V'â¢â¢ â â¢quot;' v' ^ -
: V - ^ . X,.....^
/~~ ' \ W â¢gt;%«»'' 'kW , ^ -. , .
.quot;f'K'w x
v ;â¢;amp;, v
/' d.-.v-.r-s-'
^ % .
-V^- A- SM
^ ../ S-' quot;'⢠X v \ â -^v ^ quot; .
x, X»,.-' I 4' f -4 r gt;â¢
* , \ - . K
â¢-fi-Wy* â¢li,quot; , ^i, A
V gt;»4:
' 'T V
1
^