IbMuuui vmȕ
lquot; f i'
gkanfii«a*i,,lt; inal-letterkunü»» aan Kijk^wiijv^rfit^u quot;
l tr**» '-â¢
I
SKEIREINS AIVA.G6ELJ0NS PAIRH JOHANNEN.
KMüotft 'oor Ov^gcrnsansa Taal- en LelietKmi ssn «la Riiksuniversiieil \g Utrscbt
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2927 047 1
a-_i_^..........- : - ......^ ^...........
Acf\ u uv\
OMTRENT
SKEIREINS AIVAGGELJONS PAIRH JOHANNEN.
VERTALING MET EENIGE OPMERKINGEN
! BIBLIOTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
TEKST EN TEKSTCRITIEE;.
DOOR '
H. Ct. VAN DER WAALS,
Leeraar bij het M. O. to Amsterdam,
Ie Ihrethlquot;
LEIDEN. - E. TL_BRILL. 1892.,
BOEKDRUKKERIJ VAN E. J. BRILL TE LEIDEN.
INLEIDING.
Voor wij tot de vertaling der âskeireinsquot; overgaan, wensch. ik, met een paar woorden, de aandacht te vestigen op een verschijnsel, dat met zijne gevolgen het juist begrijpen van het geheel schijnt te beheerschen: ik bedoel het feit, dat niet minder dan twintigmaal de vertaling bemoeilijkt wordt door een tegenwoordig deelwoord, dat of in een hoofdzin of in een zelfst. bijz. het werkwoordelijk deel moet uitmaken. Enkele dezer moeilijkheden zijn zoo groot en zoo algemeen erkend, dat men ze uit den weg tracht te ruimen door het aanvullen of het veranderen van den tekst. Meestal lascht men daartoe vormen van het werkwoord âwisanquot; in, éénmaal werkt men het participium tot een derden persoon enkelvoud om, terwijl men eindelijk van één zin het laatste gedeelte afneemt, om het met eene niet kleine wijziging by den volgenden te voegen, zonder m. i. de beteekenis duidelijker te maken.
Als men nu bedenkt, dat dit alles noodig is in nog geen zeven bladzijden druks, dan stemt dit ze-
Iriitttoiri foor CWgcrtnaanw en !-
«an de Rijksuri.ve.si
INLEIDING.
ker tot nadenken, te meer, daar deze bladzijden de eenige zijn, die wij als oorspronkelijk gesteld Gotisch bezitten; of liever, wanneer wij de rechtstreeksche aanhalingen wegdenken, blijft er tenauwernood een vijftal pagina's vrij geschreven Gotisch over en in deze vijf komen zoovele moeilijk te vertalen deelwoorden voor!
Ik ben er verre vandaan te beweren, dat de overschrijvers der oude manuscripten niet veel op hun geweten hebben; doch (al waren er geene passages, die, ondanks alle kunstbewerkingen, niet goed grammaticaal verklaard kunnen worden) hier zou ik hun slechts aarzelend de schuld geven; want deze zinnen leveren m. i. geene zwarigheden meer op, als men alle verbeteringen ter zijde laat en aanneemt, dat het tegemooordig deelwoord in hoofdzinnen en zelfstandige hijzinnen gebruikt werd, zooals bij ons in bij-woordelijke en bijvoegelijke bijzinnen, nl. met of zonder hulpwerkwoord, om een verl., een tegenw., of een toekomst. handeling uit te drukken. Aangezien het werkwoord âwisanquot; dat er zeker wel bijgedacht werd, door zijne verschillende vormen ook de wijs aangaf, kon het âdeelwoord alleen'' dus ook voor den optatief gebezigd worden. Ziedaar waarom ik bij voorbeeld (Heyne III, b. 41, achtsten druk) het voorgestelde idreigona verwerpen zou om het deelwoord Uausjandans viel verzwegen vorm van wisan als het werkwoordelijk deel te beschouwen. Daar, waar de âHerausgeberquot; was, wesun, ist, enz. inlaschten, zou ik evenwel deze aan-vulsels behouden, zoo er open ruimten op de bedoelde plaatsen in het handschrift gevonden wor-
6
inleiding.
den. In ieder ander geval zyn ze, dunkt mij, niet te verdedigen.
Vergelijkt men het Nederlandsche;
Opstijgende (wanneer hij opstygende zal zijn = zal opstijgen) zal hij kleine ballons oplaten (toekomst).
Schrijvende (terwijl ik schrijvende ben = ik schrijf,) zie ik u over mijn schouder gluren (te-genw. tijd).
De kamer binnenkomende (toen hij binnenkomende was â binnenkwam), struikelde hij (verl. tijd).
Zoo handelende (indien gij zoo handelend waart = zoo handeldet), zoudt gij schuldig zijn (irrealis), met het Gotische:
i)gt; }jo veihona vaurstva, unandsakana visandona, gasvikun])jandona |)is vaurkjandins dom, bairhtaba gabandvjandona, joatei fram attin insandi[)3 vas us himina,
dan zal het, hoop ik, in het oog springen, dat het deelw. gasvikun])]andona eenvoudig beteekent: openbaren zij.... Al neemt men aan, dat visandona bij het besproken participium te voegen is, dan blijft de zaak dezelfde, daar ook dat een deelwoord is.
Indien al het bovenstaande juist is, dan moet de zin, meen ik, vertaald worden:
âdoch de heilige werken, die onweerlegbaar zyn, openbaren de glorie van den werker enz.quot;
(Men ziet, dat ik hier doms neem in de betee-kenis, die het woord in het Angelsaksisch heeft. Indien het werkelijk door âoordeelquot; vertaald moet
7
INLEIDING.
worden, zoo zou men moeten verstaan: het oordeel, dat over den werker te vellen is).
Aan den volgenden zin, waarin men twee wijzigingen wil aanbrengen, zou ik niets veranderen:
If» fraujins laiseins anastodjandei af Judaia jah und allana midjungard gajiaih, and (sta])) hvarja-no(h) peihandei und hita nu, jah aukandei, all manne du gujos kun|)ja tiuhandei, inuh |)is skeirs visandei.
De moeilijkheid, die hvarjano oplevert, staat op zichzelf; maar men stelt buitendien voor: het eerste âjahquot; te verplaatsen; inuh |)is achter visandei te zetten, visandei in visands te veranderen en dan skeirs visands inuh J)is bij den eerstkomenden zin te voegen.
Ik kan echter niet zeggen, dat dit alles veel baat. De deelwoorden blijven deelwoorden en de betee-kenis blijft duister, omdat het taalkundig verband niet duidelijk wordt. Zou men den zin niet kunnen vertalen:
doch de leer des Heeren begon van uit Judea en breidde zich uit over de geheele aarde, breidde zich uit over elke plaats tot op den huidigen dag en zal, aangroeiende, alle menschen tot de kennisse Gods trekken en dus duidelijk blijven; in tegenstelling met de leer van Johannes, waarvan even te voren gezegd is, dat zij van korten duur was en alleen maar voorbereidde en waarvan later nog eens wordt vermeld, dat zij noodwendig onbekender worden moest.
8
INLEIDING.
Is het my gelukt van bovenstaande passages de ware beteekenis weer te geven, dan behoeft men in de volgende gasJceirjands niet te vervormen tot gasheirida.
Ij) nasjands fmna ana vairpan dom is gasaihvands jah Jiatei in galaubeinai feihan habaida gaskeirjands imma enz.
Het deelwoord beteekent dan toch gaskeirida en heeft reeds een gewettigden vorm.
Uit de omstandigheid, dat ik (2de voorbeeld) au-kandei vertaal door aangroeiende, ziet men, dat ik het deelwoord blijf beschouwen als eene verkorting van een bijwoordelijken of van een bijvoege-lijken bijzin, zoolang de beteekenis niet gebiedend eischt, er een onuitgewerkten hoofdzin of zelfzst: bijz: in te zoeken; vooral omdat ik niet gaarne jah, zelfs in gedachte, inlasch. Toch ben ik meer en meer tot de overtuiging gekomen, dat èn in de skeireins èn in de evangeliën het participium dikwijls door een persoonsvorm behoort te worden weergegeven, hoewel het in hoofdzinnen staat.
Van de bekende brooden en visschen sprekende, zegt de verklaarder: Aanzei nimands jah aviliudonds ga|HuJ)ida. Voetstoots overzettende: welke hij nemend en dankende zegende, wijkt men ten eerste van de evangeliën af. En bij Math, en bij Mare, en Luc. en bij Joh. vindt men, dat hij nam en ten hemel blikkende of dankende zegende. Men mag dus met eenigen grond aannemen, dat de verklaarder, die niet gewetenloos citeert, dit ook heeft wil-
9
inleiding.
len uitdrukken. Ten tweede is er in dit nemend
zegenen en nog eens dankend zegenen iets......
dat mij de eerste lezing verkieselijker doet toeschijnen.
Hier stond evenwel het zoo welkomen joh; doch Math. 8 : 7. leest men: Jah qa|) imma Jesus: ikqim-ands gahailja ina. Dit nu vindt men weergegeven: Ik wil komen en hem gezond maken Ich will kommen und ihn gesund machen I will come and heal him (oude vertaling) Jag will komma och bota honom Tirai et je le guérirai (naar vulgata)
Waarlijk men zou geneigd zijn met den âverklaarderquot; te zeggen: skulum nu veis at svaleikai
jah sva bairhtai insahtai.......indien men niet
bleef staan voor het groote bezwaar, dat geen Ger-maansche taal zulk een gebruik van het tegenwoordig deelwoord kent. Maar is dit niet te verklaren? Welke Germaansche tongval heeft, toen hij plotseling schrijftaal werd, zoo zeer den invloed gevoeld van een idioom, waarin om een haverklap vormen van het werkwoord âzijnquot; wegbleven, als juist het Gotisch?
Vooral bij imperatieven zijn de voorbeelden niet zeldzaam, dat men zoo in het bijbelgrieksch als in het letterlijk vertaalde Gotisch een tegenw: deelw: aantreft, waar een Germaan een persoonsvorm gebruikt en waar Wulflla zelf zich daarvan bedient, zoodra de Grieksche tekst hem niet noodzaakt aan het partic. de voorkeur te geven.
10
INLEIDING.
b. v.: Math. 5 : 24. jah bi|)e atgaggands atbair ]jo giba
hat, tots sXamp;cov nQÃocpsQe kom dan en breng
Math. 9; 18 akei qimands atlagei handu ]ieina dXkd ihamp;av doch kom en leg
Math. 11:4 gangandans gateihijj Johanne 7ioGevdkvrea gaat heen en.
Math. 9 : 6 staat; urreisands nim joana ligr |)einana Math. 9:7; jah urreisands galaij) in gard seinana. Nu begrijp ik zeer goed, dat (T) door een bijwoordelijken bijzin vertaald kan worden; en opgestaan zijnde (nadat hij opgestaan was) ging hij naar huis; ik vind het evenwel vreemd, dat een Germaan gebiedend tot iemand zegt en (6) nadat gij opgestaan zult zijn, neem uw bed op en ga naar huis, wanneer zijn bevel moet beteekenen; sta op, neem uw bed en ga enz. En dit toch is de bedoeling; want Mare. 2 : 9 waar een imper. en geen deelwoord in het Grrieksch staat vindt men: urreis jah nim jmta badi beinata
daarentegen weder vers 12. zeer begrijpelijk jah urrais jah ushafjands badi usiddja Intusschen kreeg aldus het tegenwoordig deelwoord door het nauwkeurig vertalen van Wulfila de beteekenis van een persoonsvorm en waar men
11
12 INLEIDING.
het zoo gebruikt vindt in de evangeliën, behoeft men dus niet juist aan een fout van de overschrijvers te denken, vooral omdat de skeireins daar is, die krioelt van aldus gebruikte participia.
Teksten als Marcus 15 ; 24 Jah ushramjandans ina disdailjanclans vastjos is, vairpandans hlauta ana |)OS behoeven dus niet veranderd te worden tot: jah ushramjandans ina disdailjand enz. te meer, daar er toch nog een zin overblijft, waarmede men geen raad weet n.1.: Math. 27 : 53. Jah usgaggandans us hlaivasnom, afar urrist is inn atgaggandans in ]30 vei-hon baurg jah ataugidedun sik managaim. Het is waar Bernhardt stelt voor te lezen inn atgaggidedun;
maar dit is te recht een paardemiddel genoemd. Het praeteritum is niet inn atgaggidedun. Joh. 11 : 31 '
staat de gewone vorm iddjedunuh. Ik weet niet, of iemand zal durven beweren, dat de overschry ver hier inplaats van iddjedun, bij vergissing gaggandans moet hebben gezet. Wat mij aangaat, ik blijf het voor-loopig aanzien voor een tegenwoordig deelwoord,
dat in de Gotische schrijftaal de beteekenis van een persoonsvorm had gekregen.
En wat nu de âskeireinsquot; betreft, als meii nagaat hoe groot de invloed van den bijbel op het Neder-landsch is, zal men zich nog slechts een gering denkbeeld kunnen vormen van de gevolgen der Gotische overzetting op de schrijftaal althans van een volk, dat geen letterkunde bezat en dat op eenmaal in het bezit kwam van een geschrift, dat eeuwen na eeuwen het boek der boeken genoemd is door millioe-nen. Dubbel heilig moet het geweest zijn voor lieden,
INLEIDING.
wien het heidendom nog versch in het geheugen lag en die, bij al hun bijgeloof, den vurigen ijver van denieuwbekeerdennog bezaten. Daarenboven öf Wul-fila is (wat ik niet geloof) de schrijver der âskeireinsquot; en dan is het, als bovenstaand beweren waarheid is, meer dan waarschijnlijk, dat hij zijn stijl naar het bijbelgrieksch had gevormd, öf de lateren hebben den grooten voorganger nagevolgd, ook in het kleine, ook in het berispelijke. Was niet hun bijbel voor hen dè godsdienst1? Zou het dan onmogelijk wezen, dat meergemeld gebruik van het tegenw. deelwoord, zoo ongermaansch als het is, door den invloed der vertaalde heilige hoeken in de Gotische schrijftaal het burgerrecht verkregen heeft?
En nu, voordat ik deze inleiding besluit, moet het mij van het hart, dat niemand met meer wantrouwen het medegedeelde kan ontvangen, dan ik het geef!
ISTist siponeis ufar laisarja!
En hier is geen sprake van eén leermeester.
De vele geleerde mannen, die bedoelde wijzigingen heliben aangebracht en goedgekeurd zijn immers voor mij evenzoovele leermeesters; niemand gevoelt meer dan ik, dat ik een eerstbeginnende ben.
Moge men slechts niet te veel het recht hebben van mij te zeggen: svasve unvita qijnf)!
13
tekst.
I.
â saei frajjjai aif^au sokjai gu|). Allai usvandide-dun, samana unbrukjai vaurjaun jah ju uf daujmus atdrusun stauai.
Inuh [lis quam gamains allaize nasjands allaize fravaurhtins afhrainjan, ni ibna, nih galeiks unsa-rai garaihtein; ak silba garaihtei visands, ei gasal-jands sik faur uns hunsl jas-sauj) gu|ia, |)izos ma-nasedais gavaurhtedi uslunein. I'ata nu gasaihvands Johannes ]jo, sei ustauhana habaida vairpan fram fraujin, garehsn, mi]) sunjai qaf): sai, sa ist vij-irus gujjs, saei afnimi]) fravaurht fjizos manasedais. Mah-tedi svejjauh jah inu mans leik, valdufnja |)ataine gudiskamma galausjan allans us diabulaus anamah-tai; akei (a) kunnands jmtei svaleikamma valdufnja mahtais nau]js ustaiknida vesi jan-ni jjanaseilos fas-taida garaihteins garehsns ak nau]Dai gavaurhtedi manne ganist.
* Jabai auk diabulau fram anastodeinai nih nau|gt; jandin, ak uslutondin mannan jah jaairh liugn ga-hvatjandin ufargaggan anabusn, |)atuh vesi vijtra [mta gadob, ei frauja qimands mahtai gudiskai jah valdufnja [jana galausidedi jah naupai du gagudein gavandidedi; ne auk Jmhtedi |)au in garaihteins gaaggvein ufargaggan j)0 faura ju us anastodeinai garaidon garehsn?
* Zie bladz. 33.
14
15
I.
â die, welke verstandig is, of God zoekt. Allen wendden zicli af, werden gezamenlijk onbruikbaar en waren reeds tot het oordeel des doods vervallen.
Daarom kwam aller gemeenschappelijke redder allen van zonden reinigen, niet evengelijk, noch soortgelijk aan onze gerechtigheid; maar zelf de gerechtigheid wezende, opdat hij, zich offerende als een offer voor ons aan God, de verlossing der mensch-heid zou bewerken. Johannes dan het plan (voorziende, dat uitgevoerd zou worden door den Heer, sprak met waarheid: zie, deze is het lam Gods, dat de zonde der menschheid zal wegnemen. Hij vermocht, wel is waar, ook zonder menschelijk lichaam, alleen door de goddelijke kracht allen uit de macht des duivels verlossen; maar hij wist, dat door zulk een machtsbetoon nooddwang uitgeoefend zou worden en dat niet langer het plan der gerechtigheid behouden bleef; maar dat hij met geweld de redding der menschen zou bewerken.
Daar nu ook de duivel van den beginne den mensch niet had gedwongen maar verleid en door leugen verlokt om het gebod te overtreden, zoo zou het ongepast geweest zijn, dat de Heer komende met goddelijke macht en heerschappij hem verloste en met geweld tot de vroomheid terugbracht; zou hij dan ook niet den schijn op zich laden door de (ó) beperking der gerechtigheid het plan te overschrijden, dat reeds vooraf van den beginne was vastgesteld?
TEKST.
Gadob nu vas mais, |)ans svesamma viljin uf-hausjandans diabulau du ufargaggan anabusn gu|)S, {janzuh aftra svesamma viljin gaqissans vairpan nasjandis laiseinai jah frakunnan unselein bis faur-}jis uslutondins, ij) sunjos kun])i du affcraanastodei-nai [;)ize in gujja usmete gasatjan.
Inuh bis nu jah leik mans andnam, ei laisareis uns vaii'bai pizos du gu^a garaihteins;
sva auk skulda, du galeikon seinai frodein, jah mans aftra galabon vaurdam jah vaurstvam jah spilla vair ban aivaggeljons usmete.
Ib in jjizei nu vitodis gaaggvei ni [jatain gavan-deinai...........................
16
VERTALING.
Het paste dus meer, dat zij, die uit eigen wil den duivel gehoorzaamd hadden om Gods gebod te overtreden, weder uit eigen wil zouden instemmen met de leer des Heilands en de boosheid zouden verachten van hem, die hen te voren had verleid; en dat de kennis der waarheid tot vernieuwing des wan-dels in God zou gegrondvest worden. Daarom nam hij dan ook een menschelijk lichaam aan, opdat hij ons een leermeester zou worden der gerechtigheid, die tot God is; want zoo moest hij, om zijn wijsheid gelijk te blijven, de menschen weder noodigen met woorden en werken en een verkondiger worden van het evangelie van den wandel (in God).
Doch wijl nu de {b) beperking der wet niet alleen tot bekeering.......................
(«) kunnands Cod.; vas kunnands Vollmer. Bernh. (zie inleiding).
{h) beperking der gerechtigheid versta de beperking van den gerechtelijken eisch [dixaloiiua). De mensch had gezondigd en staat voor den rechterstoel van God, die tegen hem de doodstraf eischt en hem ook ais opperrechter ter dood veroordeelt. Jezus wil evenwel de menschheid redden en om nu te maken, dat God bij zijn eersten eisch kan blijven volharden, wordt de redder mensch, leeft als mensch, lijdt als mensch en.... sterft als mensch. Hij had wel redding kunnen aanbrengen zonder een menschelijk lichaam aan te nemen, maar dan zou de oorspron-kelijke eisch (requisitoir) beperkt geworden zijn.
17
TEKST,
II.
â seinai galaubeinai vairjjands ju faur ina balf)ei[3 in mela raihtis Jjulainais, leik is afar |)ulain svi-kunlmba mi|) Joseba usfilhands, (o) gasvikun];)jancls ei ni afvandida sik iu fauramajdje hvotos.
Inuh |)is jah nasjands nauh mi]3]3an anastodjands ustaiknida Jjana iupa briggandan in (nudangardjai vig qijmnds: amen, amen qijta [ms, niba saei ga-bairada iupajjro, ni mag gasaihvan (midangardja guj)s.
lupajaro jmn qa|) |)0 veihon jah himinakundon gabanrf) an|)ara ^airh [jvahl usjjulan.
l'aramuh ])an ni fro]) Nikaudemus, (c) in |)is ei miji^an frumist hausida fram laisarja, inuh jjis qa|); hvaiva mahts ist manna gabairan al|)eis visands?
ibai mag in vamba aipeins seinaizos aftra galei-joan jag- (d) gabairaidau.
18
VEKTALING.
garaihtei komt nog tweemaal voor in de betee-kenis van Sixalafia, n.1. Luc. 1 :6 en Rom. 8 : 4. Het woord zelf beteekent evenwel niets anders dan dixaioQvvri. De vraag is nu: hebben de Gotische schrijver en vertaler het min of meer technische 8iy.aio)/ua begrepen, hebben zij het niet verward met dixccioQvvri en aldus garaihtei vertaald, waar een ander woord wellicht beter op zijn plaats geweest zou zijn?
II.
â zijn geloof wordend, is reeds stoutmoedig voor hem in den tijd namelijk van het lijden, na het lijden zijn lichaam openlijk met Jozef begravende, toonde hij duidelijk, dat hij zich niet afwendde om de bedreiging der overheidspersonen.
Daarom, nog toen hij begon, wees de Heiland den weg aan, die naar boven leidt naar het koninkrijk (Gods) zeggende: amen, amen zeg ik U, tenzij iemand wedergeboren worde van boven, kan hij Gods ko-ninkryk niet zien.
Van boven dan noemde hij de heilige en hemel-sche wedergeboorte, (die men verkrijgt) door den doop te ondergaan.
Dit dan begreep Nicodemus niet, (en) om hetgeen, dat hij toen eerst van den leeraar hoorde, daarom sprak hij, hoe kan een mensch, oud wezende, geboren worden?
kan hij soms in den buik van zijn moeder weder ingaan en weer geboren worden?
19
TEKST.
Unkunnands auk nauh visands jah ni kunnands biuhti jah |)0 leikeinon us vambai munands gabaurjj in tveifl atdraus, inuh pis qa]j:
hvaiva mahts ist manna aljjeis visands gabairan? ibai mag in vamba aijjeins seinaizos aftra galeijjan jah gabairaidau 1
If) nasjands [jana anavair]ban dom is gasaihvands jah ]oatei in galaubeinai [)eilian habaida (a) gaskeir-jands imma sve mispan unkunnandin, qipands; amen, amen, qipa ])us, niba saei gabairada us vatin jah ahmin, ni mag inn galei[mn in jnudangardja gups. Naudijjaurfts auk vas, jah gadob vistai du garehsnai daupeinais vato jah ahman andniman; at raihtis mann us missaleikaim vistim ussatidamma, us saivalai raihtis jah leika, jah anpar jaze anasiun visando, anbaruh pan ahmein, duppe gatemiba and ])ana |)ize laist jah tvos ganamnida vaihtins, svesa bajojmm du daupeinais garehsnai, jah pata raihtis anasiunjo vato jah ].iana andapahtan ahman, ei raihtis }jata gasaihvan.................
20
Vertaling.
Nog onervaren zijnde en de gewoonte (van Jezus om niet eigenlijk te spreken) niet kennende en de vleeselijke geboorte uit den buik bedoelende, verviel hij in twijfel, daarom sprak hij:
hoe kan een mensch oud wezende geboren worden? kan hij wellicht in den buik zijner moeder weder ingaan en weer geboren worden?
Doch de Heiland zijne toekomstige opinie ziende, en dat hij in het geloof zou gedijen, verklaarde (het) hem, als aan een, die nog onkundig was, zeggende: voorwaar, voorwaar, zeg ik U, tenzij iemand wedergeboren worde uit water en geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods. Want het was een noodzakelijkheid en overeenkomstig de natuur als plan van den doop water en geest aan te nemen; daar de mensch namelijk uit verschillende elementen gevormd is, uit een ziel en een lichaam, en het een ervan zichtbaar is, en het andere geestelijk, daarom noemde hij, dienovereenkomstig, terecht ook twee dingen, passend voor beide (elementen) als het plan des doops en wel het zichtbare water en den abstracten geest, opdat namelijk dat te zien......
(a) inleiding.
(c) in pis ei heeft hier een goeden zin en is dus, dunkt mij te verkiezen boven het voorgestelde: in pizei.
(a) jag-gabairaidau wordt vertaald en weer geboren worden. Het Nederlandsch dat zeer ongevoelig is voor den irrealis zet hier den infinitief. In het Gotisch evenwel werd de optatief-vorm gebruikt, zoo-
21
TEKST.
m.
â managa vesun jainar; ]3aruh qemun jah daupi-dai vesun, ni nauh|)anuh galagijjs vas in karkarai Johannes. I'atuh f)an qijjands aivaggelista ataugida, ei so garehsns bi ina nehva andja vas jmirh Herodes birunain.
Akei faur |)ata at bajojimm daupjandam jah ain-hva[)arammeh seina anafilhandam daupein, mi|) sis misso sik andrunnun sumai ni kunnandans hvafmr skuldedi maiza. (e) i^a^roh [)an var]} sokeins us (Æ) siponjam Johannes mi]5 Judaium bi sviknein, in {)izei ju jah leikis hraineino inmaidijjs vas sidus jah so bi gu|) hrainei anabudana vas, ei ni |)anasei[)s ju-daiviskom ufarranneinim jah sinteinom daupeinim brukjan usdaudjaina, ak Johanne hausjandans (y) panama faurrinnandin aivaggeljon.
Vasuh f)an jah frauja ])o ahmeinon anafilhands daupein; ei|)an garaihtaba var]) bi sviknein sokeins gavagida; unte vito]) ])ize unfaurveisane missadede ainaizos (/) raudaizos raidida azgon kalbons gabranni-daizos utana bibaurgeinais; afaruh ]jan ])o in vato (a) vairpandans hrain jah hyssopon jah vullai raudai ufartrusnjandans, svasve gadob ])ans ufarmiton munandans.
22
vertaling.
dra twee werkwoorden op elkander volgden, waarvan het eerste in de onbepaalde wijs stond en het tweede het gevolg van de eerste werking uitdrukte. *
III.
â vele (wateren) waren daar; en daar kwamen zij en werden gedoopt; nog was Johannes niet in den kerker geworpen. Dat dan zeggende toonde de evangelist, dat de beschikking aangaande hem nabij het einde was door Herodes' aanslag.
Maar daarvóór, toen beiden doopten en elk van de twee zijnen doop aanbeval, kwamen sómmigen onderling in strijd, niet wetende wie van beiden grooter zou zijn. Daarop dan ontstond er geschil (ttis-schen eenigen) uit de jongeren van Johannes en de Joden omtrent de reiniging, wijl èn reeds de gewoonte der reinigingen des vleesches veranderd was èn de reinheid naar God, geboden was, opdat zij niet meer zich beyveren zouden gebruik te maken van de Joodsche besprenkelingen en dagelijksche wasschingen, maar naar Johannes zouden hooren, den voorlooper van het evangelie.
De Heer beval dan ook den geestelijken doop aan; dus werd er met recht een strijdvraag over de reiniging opgeworpen; want de wet op der onopzet-telijken zonden schreef voor de asch van een rood kalf, verbrand buiten het kamp; daarna dan wierpen zij deze in rein water en besprenkelden met hysop en roode wol, zooals het betaamde, degenen, die voornemens waren (hun zonden) te vergeten.
* Zie bladz. 33
23
TEKST.
Johannes idreigos daupein merida jah missa-dede aflet [mim ainfaljiaba gavandjandam gahaihait; if) franjins daupeins at afleta fravaurhte jah fra-gift veihis ahmins jah (a) fragibands im [mtei sun-jus [jiudangardjos vair|jaina.
Svaei sijai daupeins Johannes ana midumai tvad-dje (a) ligandei, ufarfjeihandei raihtis vitodis hrai-nein, minnizei (2) filaus aivaggeljons daupeinai,
inuh f)is bairhtaba (J) uns laiseif), qi^ands: a|)|oan ik in vatin izvis daupja, i|) sa afar mis gagganda, svin|)Oza mis ist, f)izei ik ni im vair^s ei anahnei-vands andbindau skaudaraip skohis is, sah fan izvis daupeib in ahmin veihamma Bi garehsnai nu ... .
24:
VERTALING.
En Johannes predikte den doop des berouws en beloofde vergeving der zonden dengenen, die zich op-rechtelijk bekeerden; doch 's Heeren doop schonk behalve de vergeving der zonden èn de verleening des heiligen geestes èn dat zij zonen des koninkrijks zouden worden.
Zoodat de doop van Johannes als het ware tus-schen beide in lag; hij overtrof, wel is waar, de reinheid der wet, maar was veel minder dan de doop van 't evangelie,
derhalve leert hij ons duidelijk, zeggende: want ik doop U in water, maar die na mij komt, is sterker dan ik, ik ben niet waard, dat ik neerknielende den lederen riem van zijn schoen ontbinde, deze zal U doopen in den heiligen geest. Volgens het vastgestelde nu.......................
(«). zie inleiding.
(e). het werkwoord zijn, dat zoo vele malen verzwegen wordt, kan ook hier gemist worden, zie (inl).
(Æ). Ook de statenbijbel voegt in: âeenigenquot;. Het heeft dus in den grondtekst niet gestaan en waarschijnlijk heeft de verklaarder, nauwkeurig citee-rende, de woorden niet neergeschreven.
(li). Het tweede woord vitoj) bederft de beteekenis van den geheelen zin. Er is dus of een zin öf een deel van een zin weggevallen, tenzij er inplaats van dit âvitojjquot; een ander woord heeft gestaan. Doch eerst dit: behoort ainaizos bij f)ize unfaurveisane missadede? De zin zou dan luiden: de wet op een der zonden van de onopzettelyken. Ik heb, naar ik
'25
VERTALING.
meen, alle plaatsen nageslagen, waar van deze misdaden en zonden gesproken wordt en nergens vond ik een wet op eén dier zonden. Overal staat op de zonden, op zonden enz. Het is dus waarschijnlijk dat ainaizos betrekking heeft op hetgeen, dat volgt. Nu komt in den bijbel slechts zesmaal yzop voor en wel Exod. 12 : 22; Levit. 14 : 4; Num. 19 : 6â18; Reg. 4 : 33; Psalm 51 : 9; Hebr. 9 : 19;
De eenige van deze plaatsen, waar over kalveren gesproken wordt, zijn: Hebr. 9: 19 en Num 19:6â18.
In Hebr. staat evenwel kalveren en geiten, ter-wijl Num. het volgende geeft.
(Ik neem den Engelschen tekst, omdat deze, zooals wel bekend zal zijn, het meest met den Gotischen overeenstemt, vergelijk o. a. Neh. 5).
Num. 19:2. This is the ordinance of the law, which the Lord hath commanded, saying: speak unto the children of Israel, that they bring thee a red heifer without spot, wherein is no blemish, and upon which never came yoke.
3. And ye shall give her unto Eleazar the priest, that he may bring her forth without the camp.
5. And one shall hum the heifer in his sight
6. And the priest shall take cedar wood, and hyssop and scarlet, and cast it into the midst of the burning of the heifer.
17 And for an unclean person they shall take of the ashes of the burnt heifer of purification for sin and running water shall be put thereto.
19 And a clean person shall take hyssop and dip it in the water and sprinkle it upon the tent and
26
VÃRTALING.
upon the vessels and the persons that were there a. s o.
Zou het te gewaagd zijn, aan te nemen, dat de verklaarder werkelijk op Num. 19 : 2 â18 doelt? â
Nu treft men bij zeer vele voorschriften omtrent offeranden de roode varre aan, bij bijna alle evenwel ook het woord volkomen. Veronderstellende dat het manuscript op de plaats in kwestie bijna onleesbaar is (Men stelt zelfs hrainein voor) blijft, dunkt mij, de kans bestaan, dat er eenmaal of rood of volkomen geschreven stond. Nu lijkt raudaizos , met Gotische letters geteekend, het meest op vitop. Van deletters voor de âoquot; kan men zeer goed een gedeelte uit-gewischt denkende, een v. i. t. maken. De o is in beide woorden; maar de overige letters leveren, ik erken het, zwarigheden op, als het woord niet verkort geweest is.
Blijft nu nog de vraag: is ainaizos te verdedigen, als het werkelijk bij kalbons behoort ? Er ligt in het Nederlandsch niet de minste klemtoon op een. In de âskeireinsquot; komen evenwel meer afwijkingen voor van het gewone gebruik der lidwoorden. Wat een aangaat verwijs ik naar (Heyne V. 44. a). at allamma vaurstve ainaizos anabusnais beidijj om aan te toonen, dat er twee personen zijn, zegt de verklaarder daar, dat de een (Jezus) op een bevel (niet op één) bevel van den ander (God) wacht bij al, wat hij doet.
(e) ik kan niet nalaten op jilaus de aandacht te vestigen met het oog op de bewering van Becke-ring Vinckers (Withney) dat veels te duur enz. niet
21
teksï.
IV.
â So nu faheds meina usfullnoda; jains skal vahsjan, i|) ik minznan (£). Ei|)an nu siponjam sei-naim )mim bi sviknein du Judaium sokjandam jah qi|)andam sis: Rabbei, saei vas mi|) [jus hindar Jaur-danau, Rammei Jm veitvodides, sai, sa daupei|) jah allai gaggand du imma, nauh unkunnandands |jo bi nasjand, inuh bis laiseij) ins, qijmnds: jains skal vahsjan, ij) ik minznan.
Abban so bi ina garehsns du leitilamma mela raihtis bruks vas jah fauramanvjandei saivalos {nze daupidane fralailot aivaggeljons mereinai; i|) frau-jins laiseins (a) anastodjandei af Judaia jah und al-lana midjungard gajmih, and stajj hvarjanoh (a)
28
VERTALING.
op ouder taalgebruik berust, omdat Jilaus mnis eene letterlijke vertaling van het Grieksch noXXov judl-lov zou zijn, filaus komt nog eens in de âskeireinsquot; voor n.1. YII, 50 c. Beide keeren buiten citaten. Eveneens V, 46 c.
Daarenboven komen soortgelijke woordverbindingen met den gewraakten vorm ieder oogenblik in Angs. teksten onder het oog, al is het ook juist niet het geval met veel.
(Æ) Men stelt voor: ins, uns moet m.i. blijven. Later V, 44 d. zegt de verklaarder met ronde woorden, dat het evangelie niet alleen de discipelen maar ook de lateren leert. Waarom dan hier uns te schrappen?
IV.
â Deze mijne vreugde werd dus vervuld; gene zal wassen en ik minder worden. Daarom, toen zijne jongeren, die over de reinheid met de Joden getwist hadden, tot hem zeiden: Kabbi, hij die met U was over de Jordaan, wien gij een getuigenis gegeven hebt, zie, deze doopt en allen gaan tot hem, leerde hij hen, die nog onkundig waren omtrent den Heiland, zeggende: gene zal wassen en ik verminderen.
Nu was het beslotene over hem voor korten tijd dienstig en voorbereidende liet het de zielen der gedoopten vrij voor de verkondiging des evangelies; maar de leer des Heeren begon van uit Judea en breidde zich over de geheele aarde uit, breidde zich
29
tekst.
|oeihandei und hita nu, jah aukandei, all manne du gu{)s kun[)ja tiuhandei, inuh [jïs jah skeirs {a) vi-sandei.
Mikildu|) fraujins vulkans kannida qi|jands: sa iupa])ro qimands ufaro allaim ist; ni ()atei ufaro visandan svare kanuidedi, ak jah svalauda is mikil-dupais maht insok jah himinakundana jah iupapro qumanana qi])ands, i|) sik air|)akundana jah us air jiai rodjandan, in |)izei vistai manna vas, ja|)|)e veihs ja])^e praufetus visands jah garaihtein veitvodjands, akei us airfiai vas jah us (/) vaurdahai vistai rod-jands: i|) sa us himina qumana, jahai in leika visan |)uhta, akei ufaro allaim ist, jah [mtei gasahv jag-gahausida jiata veitvodeifi, jah po veitvodida is ni ainshun nimip.
Jah pauhjabai us himina ana air [mi in manne garehsnais qam, akei ni ])e haldis airjoeins vas nih us air|)ai rodjands, ak himinakunda anafilhands fulhsnja f)oei gasahv jag-gahausida at attin.
to nu insakana vesun fram Johanne, ni in pis patainei ei fraujins mikilein gakannidedi, ak du gatarhjan jag gasakan po afgudon haifst [m] Sabail-liaus jah Markailliaus, paiei ainana anananpidedun qipan attan jah sunu.
Ip anpar sa veiha..................
30
VERTALING.
uit over elke plaats tot den huidigen dag, en zal aangroeiende, alle menschen tot Gods kennis trekken en dus ook duidelijk blijven.
De grootte van 's Heeren heerlijkheid maakte hij bekend, zeggende: die van boven komt is boven allen; niet zonder grond maakte hij bekend, dat hij boven allen was; maar ook toonde hij het zoo groote vermogen van zijn macht aan, noemende hem he-melsch en van boven gekomen; maar zich zelf aardsch en uit de aarde sprekende, wijl hij van nature een mensch was, en al was hij heilig, al was hij profeet en der gerechtigheid getuigenis gevende, toch was hij uit de aarde en zei, wat men met woorden zeggen kan; maar de uit den hemel gekomene, hoewel hij in een lichaam scheen te zijn, is toch over allen en wat hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij en zijne getuigenis neemt niemand aan.
En ofschoon hij uit den hemel op aarde kwam om hetgeen over de menschen besloten was, toch was hij daardoor volstrekt niet aardsch of aardsche taal sprekende, maar hij ontsloot de hemelsche geheimen, welke hij gezien en gehoord had bij den vader.
Dat alles nu werd door Johannes getoond, niet alleen, opdat hij 's Heeren grootheid bekend zou maken, maar om den goddeloozen strijd van Sabellius en van Marcellus af te keuren en te weerleggen, die het waagden den vader en den zoon één te noemen.
En een ander (is) de heilige (geest).........
(/â ) seiponjans seinans enz. niet overgenomen; maar de (;) in een (..) veranderd.
31
VERTALING.
(a) (zie inleiding).
(/) vaurdahai niet in manniskai veranderd, vergelijk: de goddelijke natuur =
de natuur van God een menschelijke dwaling =
de dwaling van een tnensch de woordelijke aard =
*de aard van het woord.
Johannes, al was hij nog zoo welsprekend, kon veel minder zeggen dan Jezus, die door zijne goddelijke macht over wonderen beschikte. Daarenboven wat Johannes predikte, had hij moeten lezen of hoo-ren. Woorden hadden het hem moeten leeren zoo moest dus zijne prediking door het woord beheerscht worden. Jezus daarentegen vertelde, wat hij in den hemel had gezien en gehoord. Later komt de âverklaarderquot; nog eens op hetzelfde terug n.1. VI, 47 b.; 48 c.; Unte hvarjatoh vaurde at mannam innumam maht ist anjiarleikein inmaidjan, ip ])0 veihona vaurstva enz.
O) Marcellus, bisschop van Ancyra in Galatië, leefde in de 4de eeuw, woonde in 325 het concilie te Nyceen bij, waar de leer van Arius werd veroordeeld en sprak in 335 op het concilie te Tyrus heftig tegen de wederaanneming van Arius. Vandaar de felle haat der Arianen. Hij stierf in 372.
Sabellus leefde te Pentapolis en verliet de kerk in 257. Hij predikte één God door drie verschillende namen aangeduid. In 261 verscheen hij vooreen provinciale synode te Alexandrië samengeroepen. Hij stierf waarschijnlijk in hetzelfde jaar.
* Zie bladz. 33.
32
33
* Zie bladz. 14.
In den zin; Jabai auk diabulau fram anastodeinai nih naufjandin, ak uslutondin enz. is het woord jabai geheel misplaatst. Zoo hier iets den absoluten datief moest voorafgaan, zou het »atquot; zijn, dat dikwijls ter -versterking van zulke derde naamvallen dient.
** us vaurdahai vistai rodjands beteekent dus: sprekende naar den aard van het woord of zeggende, wat de aard van het woord toelaat = zeggende, wat men met woorden zeggen kan. (bij bladz. 32).
*** Vergelijk het gebruik van den consecutieven optatief in de andere Germaansche talen en in het Fransch; vooral als het nog niet daarzijnde, gewenschte gevolg (doel) uitgedrukt moet worden, (bij bladz. 23).
TEKST.
V.
â ma du attin (n) sverij^os, at allamma vaurstve ainaizos anabusnais beidij». I]) ]3atei raihtis anjta-rana ])ana frijondan an|mraim}i ban jaana frijodan, an]mrana taiknjandan anbaranuh [jan galeikondan jainis vaurstvam qi|)i|), patuh ban insok kunnands bize anavairl)ane airzein, ei galaisjaina sik bi bamma tva andvair]gt;ja attins jab sunaus andhaitan jab ni mij) qijmina.
Andub ban a laist skeiris brukjands vaurdis qa]): svasve ank atta nvraiseijj danjmns jab liban gatan-jijj, sva jab sunns banzei viü liban gatanjif), ei, svesamma viljin jab svesai mabtai galeikonds bamma faur])is gaqiujandin daujians, silba gaqinjan dau))ans gabaitands, ]jize nngalanbjandane [jrasabaljiein and-beitands gasoki.
Nib ban atta ni stojib ainobun, ak staua alla atgaf snnan. 1]) nu ains jab sa sama vesi bi Sabail-liaus insabtai, missaleikaim bandvijjs namnam, bvaiva stojan jab ni stojan sa sama mabtedi?
ni ank Jiatainei namne inmaideins tvaddje and-vairbje an^arleikein bandveib, ak filaus mais vanrst-vis ustaikneins, an|)arana raibtis ni ainnobun sto-jandan, ak fragibandan snnan stanos valdufni, jab is («) andnimands bi attin bo sverijm jab alla staua bi jainis viljin («) taujands, ei allai sveraina sunn, svasve sverand attan.
34
VEKTALING.
V.
â mogen tot den vader der eer, wacht hij bij al, wat hij doet op een gebod (van den vader) Dat hij namelijk den een den liefhebbende en den ander den beminde, den een den aanwijzende en den ander den nabootser van de werken van gene, noemt, dat dan duidt hij aan, daar hy de dwaalleer dei-nakomelingen kent, opdat zij daardoor zouden lee-ren de twee persoonlijkheden van vader en zoon te erkennen en niet onderling te twisten.
En tot dat doel een duidelijk woord gebruikende zeide hij: want gelijk de vader de dooden opwekt en doet leven, zoo ook doet de zoon leven, die hij wil, opdat hij, met eigen wil en met eigen macht dengene nadoende, die vroeger reeds dooden levend maakte, zelf dooden levend te maken belovende, de twistzucht der ongeloovigen afkeurend zou bestraffen.
Ook oordeelt de vader niemand, maar alle oordeel gaf hij den zoon. En indien hy nu, volgens de bewering van Sabelius een en dezelfde ware door verschillende namen aangeduid, hoe zou dan dezelfde kunnen oordeelen en niet oordeelen?
Want niet alleen wyst de verandering (het anders zijn) der namen op twee verschillende personen, maar veel meer (wijst) de vermelding van het werk (er op,) dat nl. de een niemand oordeelt en den zoon de macht over het oordeel overgeeft; en hy neemt de eer van den vader aan en spreekt overeenkomstig 's vaders wil alle oordeel, opdat allen den zoon eeren, zooals zij den vader eeren.
35
tekst.
Skulum nu allai veis at svaleikai jah sva bairh-tai insahtai gu|)a unbauranamma audsatjan baura-nana jah ainabaur sunn gnjts gu|) visandan kunnan;
ei ]jan galaubjandans sverij^a ju hva]mramma usgibaima bi vair])ida, unte [mta qi];)ano; ei allai sveraina sunu svasve sverand attan, ni ibnon, ak galeika sverijja usgiban uns laiseij).
Jah silba nasjands bi siponjans bidjands du attin qa]): ei frijos ins, svasve Mjos mik, ni ibnaleika frija^va ak galeika pairh ])ata ustaikneif).
36
ï'ammuh samin haidau..........
VI.
â usfullnands, unsvikunjjozei var|) bi nau]jai jainis insahts, sve silba is qijjif): jains skal vahsjan, i|) ik minznan; in jüzei nu du leitilai hveilai galaub-jan Johanne hausjan [mhtedun, ij) afar ni filu ufar-maudein ]jo bi ina atgebun;
eijmn vaila ins mandei]) qijjands:
VERTALING.
Wij zullen nu allen bij een zoodanige en zoo duidelijke verklaring den ongeboren God, den geborenen tegenover stellen en den eeniggeborene, den zoon van God, als God erkennen;
opdat wij dan, geloovende, aan elk van de twee eer geven naar hunne waarde, want het gezegde; opdat allen den zoon eeren, zooals zij den vader eeren, leert ons niet een evengelijke maar een soortgelijke eer te geven.
En de Heiland zelf voor de discipelen biddende tot den vader, sprak; opdat gy hen liefhebt, zooals gij mij liefhebt, duidt daardoor niet een geheel gelijke maar een soortgelijke liefde aan.
Op dezelfde wijze..................
(a). zie inleiding.
(n). zooals het fragment ons behouden gebleven is, kan het, dunkt mij, niet anders vertaald worden. Het is evenwel zeer waarschijnlijk, dat de ware be-teekenis niet weergegeven is en dat sveri^os afhangt van een voorafgaand werkwoord.
VI.
â vervuld wordende, werd noodzakelijkerwijze de prediking van deze minder bekend, zooals hij zelf zegt: gene zal wassen en ik minder worden; weshalve zij nu Johannes schenen aan te hooren, om voor korten tijd te gelooven; doch na niet veel (tijds) al, wat hem betrof aan de vergetelheid prijsgaven;
daarom herinnert hij hen terecht (er aan) zeggende :
37
TEKST.
jains vas lukarn brinnando jah liulitjando; i]) jus vildedu]) svegnjan du hveilai in liuhada is. Apjaan ik haba veitvodi|:ta maizein jjamma Johanne: ])0 auk vaurstva jjoei atgaf mis atta ei ik taujau ])o, 1)0 vaurstva J)oei ik tauja, veitvodjand bi mik, jjatei atta mik iusandida.
Jains auk manniskaim vaurdam veitvodjands tveifljan Jjuhtu, sunjeins visands, fjaim unkunnan-dam . mahta; i]) attins Jaairh meina vaurstva veit-vodei all ufar insabt manniskodaus Johannes un-andsok izvis undredan mag kun])i.
Unte bvarjatoli vaurde at mannam (o) innumaw mabt ist anjjarleikein inmaidjan, i]i ])0 veibona vaurstva, unandsakana visandona, (a) gasvikunj)-jandona ]jis vaurkjandins dom, bairbtaba gabandv-jandona jjatei fram attin insandijjs vas us bimina.
Inuh ])is qi]jij): jah saei sandida mik atta, sah veitvodei]) bi mik. Apljan missaleiks jah in missa-leikaim melam attins bi ina varj) veitvodeins, su-man ])airh praufete vaurda, sumanuh Jaan jtairh stibna us bimina, sumanuh ]3an ]jairh taiknins; ij) in jjizei jjaim sva vaurjjanam hardizo jjizei unga-laubjandane varp bairto,
inuh ])is garaihtaba anaaiauk qijjands: nih stibna is hvanhun gahausidedu];), nih siun is gasehvuj) jah vaurd is ni habaij) visando in izvis, jjande ]3anei insandida jains, [mmmiih jus ni galaubeijj, unte at paim gahvairbam frakunnan ni skulds ist.
Ij) sumai jah stibna is gahausidedun, sumai jmn is siun sehvun; audagai auk jsan qaj3 jmi hrainja-
38
VERTALING.
gene was een brandende en lichtende kaars en gij wildet korten tijd CJ verheugen in zijn licht. Doch ik heb een getuigenis grooter dan die van Johannes: want de werken, welke de vader mij gat, opdat ik ze doe, deze werken, die ik doe, getuigen voor my, dat de vader mij gezonden heeft.
Daar deze met menschelijke woorden getuigde, kon hij den onwetenden het geweten doen twijfelen, hoewel hij waar was; maar de getuigenis des vaders door mijne werken, kan U de onweerlegbare kennis geven, die verre (staat) boven de bewering van de(n) mensch(elijkheid) van Johannes.
Want ieder woord kan in het binnenste der men-schen tot iets anders worden, doch de heilige loer-ken, die onweerlegbaar zijn, openbaren de glorie van den werker, daar zij duidelijk aantoonen, dat hij door den vader gezonden was uit den hemel.
Daarom zegt hij: en de vader, die mij zond, die getuigt voor mij. Want de getuigenis des vaders hem aangaande geschiedde op verschillende wyzen en tijden, nu eens door der profeten woorden, dan eens door een stem uit den hemel, dan weder door teekenen, doch wijl, dat alles zoo geschiedende, het hart der ongeloovigen harder werd,
daarom voegde hij er met recht bij zeggende: zijne stem hebt gij nooit gehoord, noch zijn gezicht aanschouwd en zijn woord verwijlt niet onder U; want in dengeen, dien hij gezonden heeft, gelooft gij niet; want onder de gehoorzamen zal hij niet veracht worden.
Doch sommigen hebben ook zijn stem gehoord, zijn gezicht gezien; hij zeide dan ook: gelukkig (zijn)
39
TEKST.
hairtans; unte jmi guf) gasaihvand. Jah ju jjaJ^ro sve vadi jsairh.........................
VIL
â...........ahun kunnandins fraujins
maht jah andjjaggkjandins sik is valdufneis. Mh Stains ains, ak jah Andraias, saei qa]): ist magula ains her, saei habai[) -equot; hlaibans barizeinans jah tvans fiskans, analeiko sve Filippus gasakada, ni vaiht mikilis hugjands nih vairjndos laisareis and])aggk-jands, Jjairh |)oei usbar, qipands: akei j^ata hva ist du sva managaim?
I}) frauja andtilonds ize niuklahein qa]D: vaurkeiji jjans mans anakumbjan.
Ija eis, at hauja managamma visandin in jjamma stada, ]30 filusna anakumbjan gatavidedun, fimf |ju-sundjos vaire inuh qinons jah barna,
Sve at mikilamma nahtamata («) anakumbjandans at ni visandein aljai vaihtai ufar Jjans fimf hlaibans
40
VERTALING.
de reinen van harte. Want zij zullen God zien. En vandaar reeds als een pand door...........
(«) zie inleiding.
(o) de letterlijke vertaling is: in de inwendige menschen. Versta: Johannes predikte met woorden en dikwijls wekt een gezegde bij verschillende menschen geheel verschillende denkbeelden op, soms zelfs juist het tegenovergestelde van hetgeen de spreker zeggen wil; daarom konden de toehoorders twijfelen. Jezus daarentegen toonde zijne werken en deze bewezen, dat hij de goddelijke was.
VII.
â...........van een, die de macht des
Heeren kende en bedacht, wat hij vermag. Niet Petrus alleen, maar ook Andreas, die zeide: éen knaap is hier, welke vijf gerstebrooden heeft en twee visschen, werd evenals Filippus bestraft, omdat hij (aan) niets groots dacht en zich de waarde van den leeraar niet bewust was, waardoor hij antwoordde, zeggende: maar wat is dat voor zoo-velen ?
Doch de Heer zich regelende naar hunne kinder-lijkheid, sprak: laat deze menschen aanliggen.
En zij, daar er veel gras op die plaats was, deden de menigte aanliggen, vijf duizend mannen behalve de vrouwen en kinderen.
Zoo lagen zij aan als aan een groot avondmaal, terwijl er niets anders was dan de vijf brooden en de
41
TEKST.
jah tvans fiskans, ])anzei (a) nimands jah aviliudonds ga])iuljida
jah sva managai («) ganohjands ins vailaviznai ni jiatainei gananhan Jmurftais im fragaf, ak ftlaus maizo;
afar jiatei matida so managei, bigitan vas |)izei hlaibe -ib* tainjons fullos ]jatei afiifnoda.
Samaleikoh J^an jah ]Aze fiske, sva filu sve vilde-dun. Nih ]jan ana (mim hlaibam ainaim seinaizos mahtais filusna ustaiknida ak jah in jmim fiskam; (p) sva filu auk sve gamanvida, ins vair])an (svaei ain-hvarjammeh sva filu sve vilda andniman is) tavida;
jah ni in vaihtai vaninassu jüzai filusnai vairpan gatavida. Akei nauh us ^amma filu mais siponjans fullafahida jah an])arans gamaudida gaumjan, J^atei is vas sa sama, saei in aujüdai, â m* jere attans ize fodida.
tanuh, bi])e sadai vaurjmn, qaj) siponjam seinaim : galisijj ]dos afiifnandeins drausnos, ei vaihtai ni fra-qistnai. tanuh galesun jah gafullidedun ib. tainjons gabruko us |)aim e. hlaibam barizeinam jah b. fiskam, ]Datei afiifnoda at joaim..........
42
VERTALING.
twee visschen, welke hij nam en dankende zegende
en zoo verzadigde hij hen met veel goed voedsel ; niet alleen gaf hij him genoeg voor de behoefte; maar veel meer;
nadat de menigte gegeten had werd bevonden, dat er van deze hrooden 12 volle korven overbleven.
Desgelijks dan ook van de visschen, zooveel als zij wilden. Dus niet aan de brooden alleen toonde hij de grootte zijner macht, maar ook aan de visschen; want zooveel als hij (er) bereidde (alzoo voor ieder zooveel, als hij er van nemen wilde) hij deed ze ontstaan;
en hij maakte dat er volstrekt geen gebrek voor die menigte kwam. Maar nog veel meer voldeed hij daardoor de discipelen en herinnerde hij de anderen eraan - te bemerken, dat hij dezelfde was, die in de woestijn 40 jaar hunne vaderen gevoed had.
En toen, nadat zij verzadigd waren, sprak hij tot zijne jongeren: leest de overgeblevene stukken samen, opdat niets verloren ga. En zij dan verzamelden ze en vulden 12 manden brokken, van die vijf gerstebrooden en die twee visschen, hetgeen overbleef, nadat men.....................
(a) Zie inleiding; ganohjands zou evenwel ook als het werkwoord van een bijwoordelijken bijzin beschouwd kunnen worden.
(p) Ik nam letterlijk over wat het manuscript geeft, zette evenwel een komma achter gamanvida en bracht haakjes aan voor: svaei en achter: is.
43
TEKST.
VIII.
â ainshun uslagida ana ina handuns, at veihai auk is mahtai unanasiumba unselein ize nauh dis-skaidandein jah ni uslaubjandein faur mei sik ga-haban. Gali]3un [lan ])ai andbahtos du jjaim auhu-mistam gudjam jah Fareisaium.
t'aruh qe])un du im jainai:
duhve ni attauhujj ina?
Andhofun ]jan Jjai andbahtos qijiandans: ])atei ni hvanhun aiv rodida manna, svasve sa manna.
Soh ]jan andahafts du gasahtai, maizuh jjan du afdomeinai jainaize ungalaubeinai varjj. Andhofun auk jainaim anahaitandam im, in jaizei ni attauhun ina, ni andsitandans jainaize unselein pize anahai-tandane im, ak mais sildaleikjandans fraujins laisein svikun])aba in allaim alamannam fauravisan rahni-dedun
I]3 jainai in unseleins seinaizos baljiein ize ni usjiulandans, mij) hatiza andhofun vi}3ra ins qijtan-dans: ibai jah jus afairzidai sin])? Sai, jan ainshun J)ize reike galaubidedi imma ai|)|)au jjize Fareisaie? Alja so managei, Jmiei ni kunnun vito]), fraqi}ianai sind. toh pan mi]) baitrein |)vairheins rodidedun in jjammei liugandans bigitanda, ei ni ainshun reike
44
VERTALING.
Zeer vele veranderingen worden in dezen zin voorgesteld. Wellicht is de woordschikking, die ik den zin liet behouden naast mijne vertaling, echter al te ongewoon,
VIII.
â (n)ieniand legde de handen aan hem, daar zijne heilige macht op onzichtbare wijze hunne boosheid tegenhield en niet veroorloofde hem voor den tijd te vangen. De dienaars dan gingen naar de hooge-priesters en Farizeeën.
En toen spraken dezen tot hen:
waarom hebt gy hem niet meegebracht? Dan antwoordden de dienaars zeggende: nooit sprak een mensch, als deze mensch.
Dit antwoord strekte tot weerlegging en (nog) veelmeer tot veroordeeling van het ongeloof van genen. Want dengenen, die hen bestraften, omdat zij hem niet meegenomen hadden, antwoordden zij, zonder- vrees voor de boosheid van die hen berispten, maar veeleer vol bewondering erkenden zij, dat klaarblijkelijk de leer des Heeren in alles hooger stond dan de geheele menschenwereld.
Doch genen door hunne goddeloosheid de stoutmoedigheid van dezen niet duldende, antwoordden hun met toorn zeggende: zijt ook gij misschien verleid 1 Ziet of een der oversten of der Farizeeën in hem geloofd heeft? Maar de groote menigte, die de wet niet kent, is vervloekt. Dit dan zeiden zij met de bitterheid des toorns, waarin zij leugenachtig bevon-
45
TEKST.
ai])]mu Fareisaie galaubidedi imma, at Neikaudai-mau bi garehsnai gu|)S qimandin at imma in naht jah mi]) baljjein faur sunja insakandin jah qimandin im; ibai vitoj) unsar stoji)) mannan 1 at jai-naim qifjandam [jatei ni ainshun jjize reike jah Fareisaiei galaubida, ni («) frajijandans, [jatei sa raihtis Fareisaius vas jah ragineis Judaie jah ains reike ustaikni^s us ]mim fraqijianam, (a) vas galaub-jands fraujin, du gasahtai jainaize unseleins faur ina (a) rodjands. I];) eis ni us])ulandands })0 gasaht andhofun qipandans: ibai jah (m us Galeilaia is?
Ussokei jah saihv batei...............
46
VERTALING.
den worden dat namelijk geen overste of Farizeeër in hem geloofde, daar Nicodemus bij Gods besluit tot hem ging in den nacht en met stoutmoedigheid voor de waarheid streed en tot hen zeide: oordeelt soms onze wet een mensch .,. ? Toen genen zeiden, dat niet een der oversten of Farizeeën geloofde, bevroedden zij niet, dat deze, die wel degelijk een Farizeeër was en een raadsheer der Joden en een der oversten, uitgezonderd uit de vervloekten, in den Heer geloofde, en hem voorsprak ter bestraffing van hunne boosheid. Doch zij de bestraffing niet duldende, antwoordden, zeggende: Zijt gij wellicht ook uit Gralilea?
Onderzoek en zie dat................
(a) Zie inleiding.
(ff) voor fauravisan geeft Heyne alleen »vorhan-den seinquot; dat in den zin niet past. De dienaars willen zeggen, dat zij nooit zoo iets voortreffelijks gezien of gehoord hebben. Zij wenschen dus te getuigen, dat de leer van Jezus hooger staat dan alles, wat ooit in de menschenwereld verkondigd is. Nu beteekent faurarahnjan âhöher schatzen1' en ik vermoed, dat fauravisan in dezen zin door meer (waard) zijn moet vertaald worden. In hoeverre het onmiddel-lyk volgende rahnjan daarop van invloed geweest is, valt zeker moeilijk uit te maken. Neemt men niet aan, dat fauravisan bovenstaande beteekenis heeft, dan is de beste vertaling âvan kracht zijn'' in allaim alamannam behoeft dan niet gescheiden te worden. Ik kan evenwel niet nalaten te vragen: wilden dat de dienaars zeggen ?
47
WOORDENLIJST.
De woorden, die met gespacieërde letter gedrukt zijn, komen met gewijzigde beteekenis of alleen in de skeireins voor.
Achter elk woord is zooveel mogelijk een Germaansch woord gezet, waarin de wortel heden ten dage nog voortleeft. Alleen, wanneer ik geen Nederlandsch woord wist of de vorm te veel afweek, heb ik een Wester-Lauwers-Friesch â (Fr.) Duitsch (D.) Engelsch (E.) of Zweedsch (Zw.) gekozen.
De spelling van Heyne heb ik behouden.
|
af-airzjan; verleiden, (irren D). afar; na, {achter). af-domeins; veroordeeling {doemen). afguds; goddeloos, af-hrainjan; reinigen. af-Iets; vergeving{ajlaat). af-lifnan; overblijven, (leave E). af - niman; wegnemen. aftra, weder. aftra-ana-stodeins; vernie- wing, (staan). af-vandjan; afwenden. |
ahma; geest (acht. oplettendh.) ahmeins; geestelijk. aina-baur; de eeniggeborene. ain-falfaba: oprechtelijk, (eenvoudig). ain-hvajjar-uh,⢠elk van de twee (wat). ains; een. (ni)ainshun; (n)iemand. airpa; aarde. aii'pakunds; aardsch. airjieins; aardsch. ai|iei; moeder. |
4
WOORDENLIJST.
50
|
aip^au: of, (oder D.) aivaggelista; evangelist, aivaggeljo; evangelie. aivs; tijd, {eeuw). ak; doch. akei: maar. ala-mans; menschheid. alja; maar, (behalve dat). aljis; een ander, (eljesl Ziv ) alls: ieder, allen. alpeis; oud. ana; aan, op, in. (gewoonlijk een beweging). ana-aukan; er bijvoegen,(ö/;aw Zw.) ana-biudan; gebieden. ana-busns; bevel, (gebod). ana-filhan; aanbevelen, ana-filhan; ontsluiten, ana-haitan: bestraffen, ana-hneivan; knielen, {neigen). ana-kumbjan; aanliggen, ana-leiko; evenals, (dhnlichD.) ana-mahts; macht. ana-nan{)jan: wagen, ana-siuns; zichtbaar, ana-stodeins; begin, {aanstaande), {staan drukte vroeger ooh een beweging uit). ana-stodjan; beginnen. ana-vairps; toekomstig, {yoor)- waarts). and; in, op, over. anda-hafts; antwoord, {heffen). anda-pahts; abstract, {dacht). andbahts; dienaar, {ambacht). and-beitan; afkeuren, (bijten). and-bindan; ontbinden. andeis; einde. arrl-hafjan; antwiorden . |
and-haitan; bekennen. Andraias; Andreas. andrinnan; twisten, {rennen). and-satjan; tegenoverstellen, {zetten). and-sitan; zich ontzetten, and-tilon; zich regelen naar, {ziel D.) and-pagkjan sik; bedenken, anpar; ander. an Jj ar- leikei; iets anders {lijk). at; bij, lot, {staat bij absolut dat.) atgiban; prijsgeven. at-augjan; toonen, {zeigen D.) at-driusan: vervallen tot, {dross E). atta; vader, {heit Fr.) at-tiuhan; meebrengen, {getogen). apjian; nu, doch. audags; zalig, {kleinood). auhuma; hoogste, {augustus). aukan; vermeerderen. aupida; woestijn, {öde TJ.) aviliudon; danken. azgo; asch. bairan; baren. bairhtaba; duidelijk, openbaar, bairhts; helder, duidelijk, {Albrecht). baitrei; bitterheid. bajops; beiden. balpei; stoutmoedigheid, {boud). balpjan, stoutmoedig zijn. bandvjan; toonen. barizeins; van gerst, {barley E). barn; kind, {bern Fr) beidan ; wachten, {Verheider). bi; bij. bi-baurgeins; kamp, {burg). |
WOORDENLIJST.
51
|
bidjan; bidden. bi-gitan; bevinden, {get E). b i-r u n a i n s; aanslag,) (in het oor. geh; besluit, (ruinen). biuhti; gewoonte (buigen?) briggan; brengen. brinnan; branden. brukjan; gebruiken. bruks; dienstig. daupeins; doop. daupjan; doopen. daupus; dood. diabaulaus; duivel. dis-skaidan; tegenhouden, (scheiden). doms; opinie, glorie. drauhsna (acc; pl: drausnos) brok (tros). du; te, tot, naar, bij, in. du-bve; waartoe, waarom, dup-pe; derhalve. â¢e-; 5. ei; opdat, die. eipan; dus. faheds; vreugde, {feigen Zw.) Fareisaius; Farizeeër. fastan; vasten. faur; voor. faura; vooraf. fauramajleis. overheidspersoon, (melden). faura-manvjan; voorbereiden, faura-visan; meer waard zijn. faur-rinnan; voorlooper zijn. faurpis, voor dezen, (vroeger). Filippus; Filippus. fllu (afar ni filu); niet lang daarna. |
filusna; veel. menigte. fimf; vijt, {fem Zw). fisks; visch. fodjan; voeden. fra-giban; verleenen. fra-gifts; verleening. fra-kunnan; verachten. fra-leten; vrijlaten. fram; van, (from E) fra-qistnan; verloren gaan, (verkwisten). fra-qipan; vervloeken, (/;we(d)elen) (quoth E) frapjan; verstandig zijn, (vroed): frauja; heer, (vroon-water). fra-vaurhts; zonde, (gewrocht). frodei; verstand. frumist; eerste, (first E.) fulhsni, het verborgene, fulla-fahjan; voldoen, (fagna Zw.) fulls; vol. frijapva; liefde, (vriend). frijon; liefhebben, (vrijen). ga-aggvei; beperking, (eng). ga-bairan, baren, (berrie). ga-bandvjan; toonen. ga-baurp; geboorte. ga-brannjan; verbranden, ga-bruka; brok. ga-daban; betamen, (deftig). ga-fulljan; vullen. gaggan; gaan. ga-gudei; vroomheid, (god) gahaban; vangen. ga-hausjan; hooren. ga-hvairbs; gehoorzaam (wervelwind). |
WOORDENLIJST.
52
|
ga-hvatjan; verleiden, (hvass Zw.) ga-kannjan; bekend maken, ga-lagjan; leggen. ga-laisjan; leeren. ga-la[)on; noodigen, {loeder). ga-laubeins; geloof. ga-laubjan; gelooven. ga-leikon; nadoen, {gelijk}. ga-leiks; soortgelijk. Galeilaia; Galilea. ga-leifan; gaan, {overlijden). ga-lisan; verzamelen, {aren lezen). ga-mains; gemeenschappelijk, ga-manvjan; bereiden, ga-namnjan; noemen, ganauha; het genoeg zijn. ga-nists: redding, {genezen). ga-nohjan; verzadigen, {genoeg). ga-qiss; overeenstemmend {quoth Ã). ga-qiujan; levend maken {kwik). ga-raids; vastgesteld {gereed). ga-raihtaba; met recht, ga-raihtei; gerechtigheid, » requisitoir, ga-rehsns; plan, {rekenen). ga-sahts; berisping, {zoeken). ga-saihvan; zien. ga-sakan, bestraffen. ga-saljan; offeren, {sell E.) ga-satjan; grondvesten, ga-skeirjan; verklaren, {schier) ga-svikun{)jan; openbaar maken, {kunnen). ga-tarhjan, afkeuren, {tergen?) ga-taujan; maken, {doen). ga-temiba; passend, {betamelijk). |
g a|i e i h a n; zich uitbreiden, {gedijen). ga|)iu]jjan; zegenen. gaumjan; bemerken (gömma Zw.) gavagjan; opwerpen, {waggelen). ga-vandeins; bekeering, {wenden). ga-vandjan sik; bekeeren. ga-vaurkjan; bewerken, doen. gudisks; goddelijk. gudja; priester. gut; god. haban; hebben. haidus; wijze, ( . .. . heid). haifsts; twist. hairto; hart. hal dis (ni Jie volstrekt niet), liever, {hulde). handus; hand. hardus; hard. hatis; toorn, {haat). hausjan; hooren. havi; gras, {hooi). her; hier. himina-kunds; hemelsch. himins; hemel. hinder; achter, {hinderlage). hita; de huidige dag. ,, . , \{ags. hlaford hlaibs, biood, | E lord_Laib n hrainei; reinheid. hraineins; reiniging, hrainjahairts; rein van harte, hrains, rein. hugjan; denken, {heugen) hunsl; offer. hvaiva; hoe. (ni)hvanhun; nooit. |
WOORDENLIJST.
53
|
hvarjizuh; ieder. hvafar; welk van de twee. hveila; tijd, (wijl). hvota; bedreiging, (hota Zw.) hyssopo; yzop. ib; 12. ibai; soms of, (if E.) ibnaleiks; evengelijk. ibns effen; gelijk. idreiga; berouw. idreigon; berouw hebben, in-m ai deins; iets anders, {vermijden ?). in-maidjan; veranderen. innuma; binnenste. in-sahts; prediking, (zoeken). in-sakan: beweren. in-sandjan; heen zenden. inuh; zonder, (ohne D). inuh fis; derhalve. if doch, en. iupa; naar boven. iupapro; van boven. jabai; als, indien, daar. jah; en. jainar; ginds. jains; gene. jajipe; hoewel. jau; of. judaius; jood. judaivisko; joodsch. kalbo; kalf. kannjan; bekend maken, karkara; kerker. kunnan; weten. kunpi; kennis. |
laisareis; leeraar. laiseins; leer. laisjan; (zich) onderwijzen. laists; doel, (leest). leik; lichaam. leikeins; vleeschelijk, leitils; klein, (luttel) liban; leven. ligan; liggen. liugan; liegen. liugn; leugen. liuhaj); lichtschijn. liuhtjan; licht geven. lukarn; licht {luchter). magan; kunnen, {mogen). raagula; knaap; (maagd). mahts; macht. mais; meer. managei; menigte. manags; menig. raanaseds; menschheid, (zaad). (ni)mannahun; niemand, manniskodus; menschelijk-heid. mannisko; tnenschelijk. matjan; eten, (maat). m au dj an; herinneren. meins; mijn, (v.n.w.) mei; tijd, (eenmaal). merjan; verkondigen, (vermaard). midjungards; aarde, (gaarde). miduma; midden. mikildufs; grootte. mikilei; grootheid. mikils; groot, (mycket Zw.) minniza; kleiner, (minder). minznan; kleiner worden, missadeds; misdaad. |
WOORDENLIJST.
54
|
missaleiks; verschillend; (misselijk). misso; elkander. mi]); met. mijj|)an; daarbij, toen, nog. nahtamats; avondmaal. nahts; nacht. namo; naam. nasjan; redden, [genezen). naudijiaurfts; noodig, (nooddruft). nauh; nog. nauhjianuh; nog. naupjan; dwingen. naups; nood. naufai; met geweld, (noode). nehva; nabij. nih; noch. niman; nemen. niuklahei; kinderlijkheid, (klokhen). nu; nu, reeds. prau fetus; profeet. qiman; komen. qino; vrouw, (qvinna Zw.) qi|ian; spreken qipano; het woord (gezegd). rabbei; rabbi. ragineis; raadsheer. rahnjan; rekenen. raid j an; bestemmen, voorschrijven. raihtis; namelijk, degelijk. rauds; rood. reiks; overste, {rijk). rodjan; spreken, (rede). |
sa; deze, die, {van allen, so da kamen). Len: Bürger. sai; zie. saihvan; zien. saivala; ziel. sama; dezelfde. sama-leiko; op dezelfde wijze, samana; te zamen. sandjan; zenden. saps; verzadigd. .saups- offer, (zieden). sidus; gewoonte, (zeden). sik; zich. silba; zelf. sildaleikjan; bewonderen, (zelden). sinteins; dagelijksch, (senegroen). siponeis, discipel. siuns; gezicht. skaudaraips; schoenriem, (reep). skeireins; verklaring. skeirs; duidelijk, (schier). skulan; zullen. sok eins; twistgeschil. sokjan; zoeken, twisten. s p i 11 a; verkondiger, (voorspellen.) stains; Petrus, (stern). staps; plaats, [stadhouder). staua; oordeel, (stouwen?) stibna; stem. stojan; oordeelen. sums; eenig. sunja; waarheid, [sann, Zw.) sunjeins; waar. sunus; zoon. sva; zoo. svaei; zoodat, vandaar. svalaups, zoo groot. |
Ckd germ aan se Taal- cn ^
san (Je ^ijksunivsfiüf'
55
Hi - ---
S^^SÃÃÃÃÃÃÃÃ
WOOEDENLIJST.
|
svaleiks; zulk. svare, vruchteloos, (zwaar'!) svasve; alsof, zoodat. svegnjan; zich verheugen. sveran; eeren, (zwaar?) sverijia; eer. s v i k n e i n s; reiniging, (snygg ? Zw.) svikunjiaba; klaarblijkelijk. svinjjs; sterk, (gezwind). # taikn; teeken. taiknjan; aanwijzen. tainjo; korf, (teen). taujan; doen. (zeemtouwer). tïuhan; trekken, {ziehen D.) tva; twee. tveifljan; doen twijfelen, tveifls; twijfel. pairh; door. pan; dan. (niJljanaseiJis; niet meer, (sedert). Jiande; wijl, zoolang als. Jjaruh, daar. pataine; slechts. {jatei; dat. paproh; daarop. Jjauhjabai; ofschoon. jiaurfts; behoefte (nooddruft). te; des te. {jeihan; uitbreiden, (gedijen). Jiuidangardi; koninkrijk; (duitsch gaarde). |i r a s a b al {) e i; twistzucht,(6o«d). ïgt;«. gij- pugkjan; dunken. puhtus; geweten. {julains; lijden, (dulden). |
Jjusundi; duizend. p v a h 1; afwassching, doop, (dweil). Jivairhei; toorn. uf; onder. ufar; over. ufargaggan; onvertreden, schrijden. ufar-maudei; vergetelheid, ufar-miton; vergeten. (melen). ufaro; boven. ufar-ranneins; besprenkeling. ufar-trusnjan; besprenkelen, u fa r Jj e i h a n; overtreffen, ufhausjan; gehoorzamen, un-ana-siuniba; onzichtbaar, unand-sakands; onweerlegbaar. unandsoks; onweerlegbaar, unbruks; onnut. und-redan; geven, unfaurveis; onopzettelijk,(toys), ungalaubeins; ongeloof, ungalaubjands; ongeloovig. unkunnands; onwetend. unselei; boosheid, (zalig). un-svikunps, onbekend. unte; zoolang als, want, wijl. urrists; opstanding; (rijzen). us; uit. us-bairan; antwoorden, usdaudjan; zich beijveren, us-filhan; begraven. us-fullnan; vervuld worden, us-giban; geven. us-lagjan; slaan aan. us-laubjan, veroorloven, us-luneins; verlossing, (loon). us-luton; verleiden. |
.........................
56
Sgt;A~- Ss» S
N A / WOORDENLIJST.
|
us-mot; handel en wandel, {meten) us-satjan; vormen. us-sokjan; zoeken, us-taikneins; vermelding, ustaiknjan; wijzen op. ustiuhau; uitvoeren. usjmlan; verdragen. us-vandj an; zich afwenden, utana; buiten. vadi; pand, {wedden). vahsjan; wassen. (ni)vaiht; niets, {wicht). vaihts; zaak. vaila; wel, goed. vaila-vizns; goed voedsel, vair; man. {wereld). vairpan; worden, ontstaan. vaii'|jida; waarde. vairjss, waarde. valdufni; macht, heerschappij, {geweld). vamba; buik, {wambuis). |
vaninassus; gebrek {want E.) vato; water. vaurd; woord. vaurdahs; woordelijk. vaurkjan; werken, doen. vaurstv; werk. veihs; heilig {wijwater). veitvodei; getuigenis. veitvodeins; gétuigenis. veitvodifa; getuigenis. veitvodjan; getuigen. vigs; weg. vilja; wil. viljan; willen. visan; wezen. vists; natuur. vitop; wet. vi])ra: tegen, {weerstaan). viprus; lam, (ram) (Bredero weerevleisch Widder D.) vu 11a; wol. vulgus; heerlijkheid. |
OuiJgermiiansft Saai- êil le!. san de
LftrfC hi
ua. quot;»quot;1
llt;ptM^rfe-UUfit^ mho â gt;lt; ,r
r