NIEUW ' â quot;
II
gt; r :
P1
Raadselboekje,
BEVATTENDE DE GEESTIGSTE
iDSELS EN LHARADEN
GOUDA
G. B. VAN GOOR ZONEN.
yoORBERICHT.
Hoe geanimeerd en opgewekt ook dikwijl? de stemming in cm gezelschap moge zijn, zoo heeft er toch, men weet zelf soms niet hoe, eene staking in den gang der gesprekken plaats, die echter alleen aan gebrek van stof tot discours is toe te schrijven. Men neemt zijne toevlucht tot allerhande middelen, maar niets vermag de levendigheid weer op te wekken en dikwijls worden gastheer en gastvrouw daardoor in de pijnlijkste positie gebracht. Men zal dus niet willen beweren dat een, boekske ah dit als overbodig moet beschouwd worden. In de vaste overtuiging den gezelligen toon in gezelschap-
IV VOORBSBICHT.
pen bevorderlijk te zijn, Jiehben de Uitgevers gemeend deze verzameling van raadsels het publiek te mogen aanbieden. Door hunne geestigheid geven ze ruimschoots gelegenheid tot scherping van het vernuft, terwijl onder dat tal van raadsels niet een is, dat op de wetten van kieschheid en smaak inbreuk maakt.
In de hoop dat dit werkje een gunstig onthaal moge vinden bij alle liefhebbers van vroohjk gesnap en gezelligen kout, zende uitgevers het de wereld in.
Y R 1 G S K
1. Wat zette Adam het eerst in den hof
van Eden ?
2. Welk oog mist de mensch gaarne?
3. Welke menschen zetten hunne voeten
zoo sterk neer dat men het in de geheele stad hoeren kan?
4. Waarom zien de vlooien zwart?
5. Welke vijgen zyn het slechtst?
6. Wanneer heeft het schoonste meisje ter
wereld geleefd?
7. Wanneer was de wereld het meest in
angst ?
8. Waarom is het blad van een boom ge
lijk aan het mensehelijk lichaam?
9. Wat wordt langer door er aan beide
zyden af te nemen?
10. Welke lieden zijn altijd gastvrij ?
11. Wie stapt van ons het eerst in bed? Dit raad gij licht niet, naar ikjwed!
6 VRAGEN.
12. Ik ben morgen niet meer wat ik heden
nog ben; tafel, bed en huis zijn weg: zelfs mijn naam wordt mij ontnomen.
13. Wat doen de dooden zoowel als de
levenden ?
14. Wanneer was de dag het langst?
15. Waar woonde de tooveres van EndorV
16. Wie geniet op aarde de grootste vrij
heden ?
17. Wat heeft- elk menschenkind gezien, En zal 't niet wederzien ?
18. Welke steenen vindt men in de Elbe?
19. Wat kan geen mensch oververtellen?
20. Een blinde zag een haas loopen; een
lamme liep dien na en vong hem ? een naakte stak hem in den zak en droeg hem naar huis. Wat is dat?
21. Wanneer hadden de vossen hun kwaad
ste dag ?
22. Wat is zoowel het beste als het slecht
ste ter wereld?
23. In welke glazen is 't het best in
schenken ?
24. Wie breekt eer een been, die van een
tafel of die van een kerktoren valt ?
VRAGEN. 7
25. Zoo lang ik bij mijn' heer blijf help
ik hem niet, maar zoodra hij mij weggeeft, ben ik hem van nut.
26. Hoe kookt men eene watersoep ?
27. Wat is de oudste dag?
28. Waar zit de meeste visch?
29. Welke kinderen hebben hun vader zien
doopen ?
30. In welke vaten kan men geen wijn
doen?
31. Wat heeft in den beginne vier, later
twee cn eindelijk drie voeten.
32. Wat is ouder dan zijne moeder?
33. Wat is onrecht en toch geen zonde?
34. Wat is het moeielijkst ter wereld?
35. Welke visschen hebben de oogen het
dichtst bij elkander.
36. Waarom zijn sommige groote mannen
gelijk glimwormen ?
37. Bij welk woord moet ge iets bijvoegen,
wil het korter zijn?
38. Die het maakt behoeft het niet. Die het draagt, behoudt het niet, Die het koopt, die wil het niet. Die het heeft, die weet het niet.
VRAGEN.
39. Ik spreek zonder tong,
Ik roep zonder long,
Zonder zin en verstand,
Eoep 'k vreugd en leed door het land,
40. Ik blijf donker, wanneer het licht is, en
ben het warmst, als 't het koudst en het koudst wanneer 't het warmst is
41. Wij zijn een familie, die uit veel broe
ders bestaat; in onze jeugd zgn wij groen, in onzen ouderdom geel; als wij van ouderdom het hoofd buigen, dan is dit een zeker bewijs dat er spoedig een groote slag zal geleverd worden.
42. Wat was was voor was was was?
43. Waarom is de zon gelijk aan een man
van de wereld?
44. Wat doen wij allen voordat wij in
bed stappen?
45. Wat is lager met een hoofd dan zon
der hoofd?
46. Waarom is een nachtwacht gelijk aan
een molenpaard?
47. Waarom is een herberg gelijk aan een
begraafplaats r
48. Ik ben het nuttigst wel op de geheele
(aard.
8
VRAGEN.
Niet eene marteling werd me ooit he-(laas! gespaard, Want slagen en het rad heb ik vauk (uit te staan, Nu moet 'k door 't water heen en dan (door 't vuur weer gaan. En tot myn leed, voor 't nut dat ik (sticht in ieder land. Pijnt mij als zwaarste straf, het water (en de tand.
49. Hoeveel groene erwten gaan er in
een kop?
50. Wie gaat op den kop den trap op?
51. Wij hebben het in onze handen, wij
maken er mede wat wij willen, maar zelden zooals wij het wenschen.
52. Waarom eten in een Oude-Vrouwen-
huis de oude vrouwen meer dan de jonge?
53. Welke stand is de gemakkelijkste?
54. Wat is dat waar ieder mensch naar
verlangt, en dat hij tevens zoo spoedig mogelijk tracht kwijt te worden?
55. Waarom zyn menschen die stotteren
uiet tevertrouwen ?
56. Doet men het, dan is het gedaan; Doet men het niet dan gebeurt bet toch,
9
10 VRAGEN.
57. Volmaakt met een hoofd, volmaakt zonder een hoofd; volmaakt met een staart, volmaakt zonder een staart; volmaakt met een van beiden, met geen van beiden of met beiden.
58 Wat is bij een ongeluk beter dan te
genwoordigheid van geest?
59 Wat was de naam der modemaakster
van de grootmoeder van Pontius Pilatus ?
60. Wanreer zal de soep het eerst uit de
pan loopen ?
61. Eens wandlend door'n korenveld, waar
('t was bon ik vergeten, Raapte ik een voorwerp van den grond, (voor menschen goed te eten, 't Was vleesch, nooh visch, noch wild,
(noch been, 'k Bewaarde het tot het liep alleen.
62. Wanneer is het gevaarlijk een kerk
binnen te treden ?
6.5. Wat is verkeerd en toch geen zonde?
64 Wat zoudt go liever willen dat een olifant u doodde of een corilla?
65. Waarom is een olifant gelijk aan een steen?
VRAGEN.
66. Waarom zijn een locomotief en een dronkaard gel ij k V
67 Waarom is een edelman areliik aan een boek ?
68. Aan een fat: â Waarom zijn nwebee-
nen gelijk aan het orgel van een orgeldraaier ?
69. Wanneer kan men zeggen dat iemand
tot over zijn hoofd en ooren in de schuld steekt?
70. Wat heeft geen lichaam en is toch
zichtbaar ?
71. Wat doen wij, wanneer wij om het ge
volg grooter te doen zyn de oorzaak verminderen ?
72. Welk woord zal u ziek maken zoo gij
de eerste letter wegneemt ?
TS. Van welke, visch houdt eene liefhebbende vrouw het meest?
74. Wat loopt van Rotterdam naar den
Haag zonder zich te bewegen ?
75. Wat heeft ieder uwer gezien â zon
der het weer te zullen zien ? 76 Waarom zijn ware vrienden gelijk aan geesten ?
77. Wat is bij eiken maaltijd onmisbaar?
11
VKAQEN.
78. Waarom zijn uw neus en kin altijd
in onmin?
79. Waarom is een slecht epigram gelijk
aan een onaangeslepen potlood ?
80. Wat is scherper dan een scheermes?
81. Wanneer gij iemand uit het venster
â werpt, waartegen valt hij dan?
82. Waar schreeuwde de haan dat het de
geheele wereld kon hooren ?
83. Van welk woord van vijf letters blyft
slechts een over, wanneer men de beide eerste wegdoet?
84. Wat is de gevaarlijkste melk?
85. Waar sloeg Noach den eersten spijker
in de ark?
86. Waarom zijn de bedden van luie men-
schen altijd te kort?
87. Van welk gedeelte hunner kinderlijke
opvoeding hebben oude vrijgezellen en oude jongejuffrouwen het meest geprofiteerd ?
88. Waarom is de letter N gelijk aan de
dood?
89. Waarom zijn een speld en een pook
geiyk aan een blinde?
90. Welke visch zal eene dame die geën-
12
VRAGKN.
gageerd is voor haar ontbyt verkiezen.
91. Wat is het onderscheid tnsschen een
Chinees en een aap.
92. Wat was vroeger in Parijs de muts, die
het meest in de mode was?
93. Wat heeft vleeseh noch been en even
wel vier vingers en een duim?
94 Waarom is E gelijk een tweeslachtig dier?
05. Waarom wordt geologie als een diepe wetenschap beschouwd ?
96. Myn eerste duidt de gelijkheid aan.
mijn tweede den titel van een vreemd edelman, en mijn geheel wordt duizend malen per dag met evengroote onverschilligheid gevraagd als gegeven, terwijl het echter van zooveel gewicht is dat 't het leven van duizenden heeft gered.
97. Welk verschil bestaat er tusschen den
oorlog en de liefde?
98. Amsterdam begint met eene A, en
eindigt met eene E. Hoe kan dat ?
99. Waarom is liefde gelijk de poot van
een eendvogel?
13
14 VRAGEN.
100. Waarom is het huwelijk gelijk aan een
belegerde stad?
101. Wanneer is de dwaas het verstandigst?
102. Wat is het dat vijf of zes voet van
den grond geboren wordt en een teeken van verraad of vriendschap is?
103. Ik heb beide, aangezicht en handen en
beweeg mg voor uwe oogen; wanneer ik echter ga, staat mijn lichaam stil en als ik stilsta, lieg ik.
104. Van welk anker houdt een dronken
man het meest ?
105. Welke overeenkomst is er tnsschen
een Japannees en eene hollandsche baker?
106. Ik ben zeer willekeurig, nu eens zoet,
(dan eens zuur. Der huisvrouw ben ik nntlig, den kin-(d'ren goed op den duur, Vrij lijk, 'k beken het, 'k heb meer ver-(keerdheden begaan. Dan iemand op aarde tot nu heeft
(gedaan.
107. Waarom is een omnibus gelijk aan een
student?
108. Waarom is een spiegel gelijk aan een
onvoldane en ondankbare kennis?
VKABKN.
109. Waarom zijn dames gelijk aan kerken?
110. Welke lieden doen niets dan houwen
en steken en worden daarom toch niet gestraft?
111. Welke kaars brandt langer, een stea-
rinekaars, een waskaars of een smeerkaars ?
112. Welke vogel gelijkt het meest op een
ooievaar ?
113. Den jongeling ben ik dikwijls tot sie
raad en spel, den toornigen dien ik in zyne woede, den aangevallenen ter verdediging, den grijsaard tot steun.
114. Lieflijk is mijn voedsel, zoet de vrucht
my ner arbeid, gevaarlij k mijnewraak.
115. Wanneer wordt de aarde zonder re
gen, zonder sneeuw en zonder begieten nat ?
116. Vier broeders liepen den geheelen
dag met elkander, terwijl de een den ander niet kon inhalen.
117. Vier koningen regeeren hier tegelijk ! Bedenk eens, wat 'n onrustig rijk! Zij zijn zeer lui, maar als zij zich
(verroeren.
Dan is 'talleen om oorlog te gaan voeren.
15
VEAGBN.
118 Het laat zooals de nachtegaal,
By dag en nacht zich in de lente
(hooren,
En maakt daarbij een schrikkelijk
(kabaal,
Terwijl zijn lief gekweel ons maar (niet kan bekoren.
119. Waarom loopt een haas harder voor
witte- dan voor zwarte honden?
120. Nauwelijks groei ik weder Of men maait my neder,
Doet de maaier 't niet goed Zoo stort de akker bloed.
121. Welk wonder hebben de menpchen
God het meest willen nadoen?
122. Welk paard kan van achteren even
goed zien als van voren? 123 Waar wordt het water het duurst verkocht ?
124. Ik dien in keuken zoowel als in
kerk; op mynen adem doen zich stemmen hooren en het vuur geraakt in vlam ?
125. Zoo ik ben, zoo blijf ik; ben ik jong,
zoo blyf ik jong, ben ik oud, zoo blijf ik oud; ben ik schoon, zoo blyf ik schoon; zie ik donker, zoo blyf ik donker; ik heb oogen en
16
vrao.;'.n 17
zie niet; ik heb ooren en hoor niet, een mond en spreek niet.
126. Wie hadden 't het warmst in den oor
log van 1870 â de Fransohen of de Dnitschers?
127. Hoe kan men water in een zeef doen,
zonder dat het er door loopt?
128. Waarom regent het nooit twee dagen
achtereen ?
129. Wie veroorlooft zich op aarde de
grootste vryheden ?
130. Gij hebt my zeer dikwijls met genoe-
(gen genoten, Als plantensap ben ik aan de aarde (ontsproten.
Door kunst zoo hard gemaakt als steen. Zoo wit als sneeuw, zeg mij wat 'k
(meen ?
131. Wat is dat? Het heeft een mond
maar geen kop, armen en toch geen handen, het loopt en heeftgeenvoeten.
132. In de lente verkwik ik u,
In den zomer verkoel ik u,
In den herfst voed ik n,
In den winter verwarm ik n,1 123. Hoeveel nagels zyn er aan de hoef-yzers van een goed beslagen paard noodig ?
VEAGEN.
134. Ik ben het kind van een vader; ik
ben het kind eener moeder en behoort toch niet tot de zonen der raenfiohen
135. Wie is het die eteeds een kuil voor
een ander graaft en er eindelijk zelf in valt?
136. Waar zyn de eerste boomen gegroeid?
137. Waar smaakt de wijn het best ?
138. Myn eerste kent men wanneer men
(ziet naar den hemel, Mijn tweede is een deugd in het (krijgsgewemel, Voor myn geheel waarschuw ik mijn (legers overal, Die niet hooren wil komt jammerlijk, (lichtelijk ten val.
139. In welke maand eet de Hollander het
minst ?
140. Welke rijtuigen loopen niet op wielen?
141. Wat heeft een lichaam en is toch niet
zichtbaar ?
142. Welk dier is altyd te huis?
143. Drie personen speelden te zamen erij toen zij ophielden, had ieder ge,-W.onnen?,
18
VRAGEN.
144. Waarom ziet de haas om als de hon
den hem bijten ?
145. M ij n eerste is iets dat het dagelijksoh
leven onmisbaar is; mijn tweede wordt bij het boogschieten en teekenen gebruikt, terwijl mijn geheel mijn eerste bevat.
146. Zonder mijn eerste zou myn tweede
niet bestaan, mijn tweede bewijst der menschheid veel nut, terwyl mijn geheel dat ia, waarop velen zich trots verhoovaardigen
147. Wanneer blaast de torenwachter niet
in den toren?
148. Wanneer doen den haas de tanden
pijn ?
149. Wat is het verschil tu.sschen een koe
die de veepest heeft en twee kerels die ruzie hebben ?
1cO. Wat kan men niet nat maken?
151. Welke kooplieden gebruiken bij het
vervalschen hunner waren de zuiverste stof?
152. Wat is gevaarlijker landstorm of zee
storm ?
153. Wie gaat zonder dat hij met zijn voe
ten. den grond aanraakt ?
19
VRAGEN.
154. Lerum Larum falderaltit I Hoe schrijft
men dat met drie letters ?
155. Wat zijn de grootste gebouwen en
echter de minst sterke?
15G. Welke vogel heeft geen vleugels, geen veêren en geen snavel?
157. Wat wordt grooter hoe meer erafgaat?
158. Wie wordt gewoonlijk niet onder de
hooggeplaatste personen berekend hoewel hij er wel degelijk toe behoort?
150. Wat is het nuttigste deel der kleeding van den mensch en wordt het ondankbaarst behandeld?
1(50. Welke scharen worden door scharen-slijpers nooit geslepen?
161. Waarom draagt de infanterie geele
knoopen en de schutterij witte knoopen aan de jas?
162. Mijn eerste zit in mijn tweede, myn
tweede om mijn eerste, mgn eerste is een viervoetig dier, mijn Iweede hebben zoowel menschen als dieren, wat is nn mijn geheel?
163. Als myn eerste er niet geweest was,
waren wij er niet, myn tweede heeft het ongeluk van mijn eerste veroor-
20
VRAGEN.
zaakt, mijn geheel vindt men in Sicilië en Napels.
164. Mijn tweede was in vroegere lijden
een der eigenschappen van mijn eerste, mijn eerste is een deugd, die meer in naam dan in der daad bestaat, myn geheel is een stand in ieder rijk.
165. Welk artikel is in Duitschland be
paald onverkrijgbaar?
166. Wat doet de menschen zoo aan dat het
hun zonder verdriet te veroorzaken, de tranen uit de oogen perst ?
167. Wat is van al het geschapene het
lastigste maar ook het aangenaamste?
168. Maar wie is het langst in de kerk?
169. Welke vronw heeft twee harten ?
170. Welke menschen hebben oogen van
achteren ?
171. Welke ruiters ryden niet?
172. Welke wielen draaien niet?
173. Mijn eerste verkrijgt men zelden, wan
neer men iemand eene weldaad bewijst, myn tweede dient tot vervoer van allerlei voorwerpen die mijn eerste betoont, kan mign geheel on-
21
VRAGEN.
154. Lerum Lamm falderaltit! Hoe schrijft
men dat met drie letters ?
155. Wat zijn de grootste gebouwen en
echter de minst sterke?
15G. Welke vogel heeft geen vleugels, geen veêren en geen snavel?
157. Wat wordt grooter hoe meer er afgaat ?
158. Wie wordt gewoonlijk niet onder de
hooggef laatste personen berekend hoewel hij er wel degelijk toe behoort ?
150. Wat is het nuttigste deel der kleeding van den mensch en wordt het ondankbaarst behandeld?
lüO. Welke scharen worden door scharen-slgpers nooit geslepen?
161. Waarom draagt de infanterie geele
knoopen en de schutterij witte knoopen aan de jas?
162. Mijn eerste zit in mijn tweede, mijn
tweede om mijn eerste, mijn eerste is een viervoetig dier, mijn Iweede hebben zoowel menschen als dieren, wat is nu mgn geheel?
163. Als mijn eerste er niet geweest was,
waren wij er niet, mgn tweede heeft het ongeluk van mijn eerste veroor-
20
VRAGEN.
zaakt, mijn geheel vindt men in Sicilië en Napels.
164. Mijn tweede was in vroegere lijden
een der eigenschappen van mijn eerste, mijn eerste is een deugd, die meer in naam dan in der daad bestaat, mijn geheel is een stand in ieder rijk.
165. Welk artikel is in Duitschland be
paald onverkrijgbaar?
166. Wat doet de menschen zoo aan dat het
hun zonder verdriet te veroorzaken, de tranen uit de oogen perst ?
167. Wat is van al het geschapene het
lastigste maar ook het aangenaamste?
168. Maar wie is het langst in de kerk?
169. Welke vrouw heeft twee harten ?
170. Welke menschen hebben oogen van
achteren ?
171. Welke ruiters rijden niet?
172. Welke wielen draaien niet?
173. Mijn eerste verkrijgt men zelden, wan
neer men iemand eene weldaad bewijst, mijn tweede dient tot vervoer van allerlei voorwerpen die mijn eerste betoont, kan mijn geheel on-
21
22 VRAGEN.
der zijne goede eigenschappen rekenen,
174. Waar wenschen de gasten elkaar goe
den nacht ?
175. Wie komt 's morgens het eerst in de
kerk?
17G, Waarom is een trommel gelijk aan een koppigen jongen?
177. Wie blijft steeds leeren spellen?
178. Wie komen zeker in het koninkrijk
der hemelen?
179. Waarom zijn vrouwen gelijk aan som
mige planeten?
180. Welke uitvinding is de gewichtigste ?
181. Wie vertelt van alle anderen wat hij
van zichzelf niet kan zeggen?
182. Hoeveel eieren kon de reus Goliath
opeten, als hg nog nuchter was ?
183. Welk dier vliegt niet als het zelfs
hoog in de lucht is?
184. Welk voerman rijdt dag en nacht
rond zonder van paarden te verwisselen ?
185. Voor welke oogen worden geen bril
lenglazen geslepen?
vragen.
186. Welke ring is niet rond?
187. Wie doet dagelijksch ontdekkingen? '188. Voor welken ongenooden gast moet
men een oogje luiken?
189. Wanneeh leefde Godfeied van
Boüillon?
190. Eerst word ik geslagen, dan verplet
terd, eindelijk van mgn huid ontdaan, dan eerst ben ik bruikbaar. 191 Wie is geboren, heeft geboren, is niet gestorven en leeft toch niet meer?
192. Dan oud, dan jong, dan weder oud. Dan diep ellendig, dan vol goud. Dan hoogst gewichtig, dan weer gering. Dan bedelaar, dan hoveling
193. Eens plant, dan stof, zoo sluiten goud
(en tin
Edelgesteent en zilver, lood en papier,
(mij in.
Den eenen ben ik tot bezwaar. Den ander maak ik 't hoofd weer klaar.
194. Ofschoon ik meer verdelg dan 't zwaard, Ben ik toch den menschen lief en waard.
195. Ik leef zonder lijf, en ik hoor zon-
(der ooren,
Ik spreek zonder mond, 'k ben uit de (lucht geboren.
23
22 VRAGEN.
der zijne goede eigenschappen rekenen.
174. Waar wenschen de gasten elkaar goe
den nacht?
175. Wie komt 's morgens het eerst in de
kerk?
17G. Waarom is een trommel gelijk aan een koppigen jongen ?
177. Wie blijft steeds leeren spellen?
178. Wie komen zeker in het koninkrijk
der hemelen?
179. Waarom zijn vrouwen gelijk aan som
mige planeten ?
180. Welke uitvinding is de gewichtigste ?
181. Wie vertelt van alle anderen wat hij
van zichzelf niet kan zeggen?
182. Hoeveel eieren kon de reus Goliath
opeten, als hg nog nuchter was?
183. Welk dier vliegt niet als het zelfs
hoog in de lucht is?
184. Welk voerman rijdt dag en nacht
rond zonder van paarden te verwisselen ?
185. Voor welke oogen worden geen bril
lenglazen geslepen ?
vragen.
186. Welke ring is niet rond?
187. Wie doet dagelijksch ontdekkingen? '188. Voor welken ongenooden gast moet
men een oogje luiken?
189. Wanneer leefde Godfried van
Bouillon?
190. Eerst word ik geslagen, dan verplet
terd, eindelijk van mgn huid ontdaan, dan eerst ben ik bruikbaar. 191 Wie is geboren, heeft geboren, is niet gestorven en leeft toch niet meer?
192. Dan oud, dan jong, dan weder oud, Dan diep ellendig, dan vol goud. Dan hoogst gewichtig, dan weer gering. Dan bedelaar, dan hoveling
193. Eens plant, dan stof, zoo sluiten goud
(en tin
Edelgesteent en zilver, lood en papier,
(mij in.
Den eenen ben ik tot bezwaar. Den ander maak ik 't hoofd weer klaar.
194. Ofschoon ik meer verdelg dan 't zwaard, Ben ik toch den menschen lief en waard.
195. Ik leef zonder Igf, en ik hoor zon-
(der ooren,
Ik spreek zonder mond, 'k ben uit de (lucht geboren.
23
VRAGEN.
196. Waar heeft uw grootvader de eerste
lepel gebruikt?
197. Welke steken zyn het mensc.helijk
lichaam zeer nuttig?
198. Wanneer heeft men zes en gaat men
met vier beenen?
199. Wie bouwt bruggen zonder balken ?
200. Ik ben doof, blind en stom. Ik heb
nooit gelezen, heb nooit geleerd, kan gaan noch staan en reis toch in vele landen en weet vele en gewichtige dingen te verhalen.
201. Geheimen en schatten zijn onder mijne
bewaring meestal zeker en toch kan een kind mg overweldigen.
202. Veel nieuws vertel ik u, want dit toch
(is myn plicht; Veel waars? â Het antwoord op die vraag valt mij voorwaar niet licht.
203. Waarom hebben de molenaars witte
mutsen ?
204. Ik heb water en ben niet nat, Ik heb vuur en ben niet heet.
Ik hang aan 't krnia en ben niet dood Ik geld tonnen gouds en weeg geen lood.
205. Men haalt mg ver van hier uit mijner
(moeder schoot,
24
VRAGEN.
Ontneemt mijn rein gewaad en dan (eerst diene ik bloot, Den woeker en der ijdelheid;
Als 'n regenboog zoo schoon, speel ('k in den zonneschyn, Eu bied ik wederstand niet slechts (aan staal en steen Maar aan den grootsten storm en aan
(den tyd.
206. Hoe kan men des zomers het scha-
penvleesch goed houden?
207. Men kookt het niet, men kauwt het
niet, men slikt het niet in en toch smaakt het velen goed.
208. Welk dier loopt nooit zijn neus na
en houdt dien toch altijd tusschen zgn pooten?
209. Een molenaar kwam in zijn molen,
die vier hoeken had; in iederen hoek zag hij drie zakken staan, op iederen zak zaten drie oude katten en iedere oude kat had drie jongen by zich â Hoe veel voeten waren er nu in den molen?
210. Weet gij 't, zeg 't dan rond en open: Waar de ganzen in 't water loopenj
211. Welk dier schaamt zich eerst na zijn
dood ?
25
26 VRAGEN
212. Wat zijn de slechtste vestingen?
213. Met 'n enkel woord noemt Hans
(zijn Lijsje, Doch daar zij hem niet lijden kan, Noemt zy hem ook zoo, 't looze meisje, Maar zet een letter nog vooraan.
214. Welk verschil is er tusschen een snip en een Gommis-Voyageur?
215. Wat kust men bij meisjes gaarne,
wat blinden missen?
216. Welke voet is de gevaarlijkste? 217 Op vierentwintig beenen loopt het vlug;
maar als 't naar huis gaat loopt het (op zijn rug.
218. Wat is de kortste maand?
219. Welke overeenkomst bestaat er tus
schen een ezel en de dag?
220. In welke verhouding staan wagen en
paard tot elkander?
221. Wat zijn de vreedzaamste menschen ? 222 Als een paard, een hond en een gans
bij elkaar staan, wie van de drie staat dan in het midden?
223. Welke schapen vreten meer, de witte
of de zwarte ?
224. Terwijl het heen en weer schudt zon-
(der zich te vermoeien.
VBAGKN. 27
Ziet het onder zich gestadig een hoopje (aangroeien ?
225. Waarom zijn studenten en luitenants
zulke goede dierentemmers?
226. Waarom wordt de baard later dan
het hoofdhaar grys?
227. Wat gelijkt het meest op een halven
stroohalm ?
228. Wie gaat met zes beenen en toch
slechts met vier?
229. Wat hebben de drie verbonden mo
gendheden met Turkije uitgemaakt?
230. Van welk land spreekt men in alle
werelddeelen ?
231. Men ziet my gaarne boven ieder huis; Maar er iti noemt ieder mij een kruis.
232. Aan welken kop ontbreekt de her
senpan ?
233. Waarom komen slechte schrijvers niet
in den hemel?
234 Welke gelykheid bestaat er tusschen een advocaat en een wagenrad?
235. Welk oordeel is het meest te laken?
236. Welke trommelslagers trommelen met
den neus?
VRAGEN.
237. Waar begint de geschiedenis?
238. Ofschoon de werkman met genoegen
(aan mij denkt, Ziet hy niet gaarne, dat men 't hem (als eernaam schenkt.
239. Waarom laten oude jongejutfrouwen
zich zoo gaarne triseeren?
240. Niemand dan ik zelf kan zeggen wie
ik ben?
241. Wat is de beste zanger?
242. Is een hnis eer opgebouwd of afgebro
ken ?
243. Wien komt alles te rechter tijd?
244. Waarin zijn de maan en de el aan
elkaar gelijk?
245. Zeg, is er een dag in uw leven Tot nog toe zonder nacht gebleven?
246. Wat is de meest verlichte natie ?
247. Hoe heet de looper van Koning David?
248. Hoe heet de bovenste steen van een
huis?
249. Van welke taille houden dames niet
veel ?
250. Wat is gewoonlijk 'snachts open, bij dag
echter met menschenvleesch gevuld ?
251. Welke overeenkomst vindt men soms
28
vbagen.
tusschen een pruik en eene pastei?
252. Over het water gaat het,
En toch stil staat het,
Weet gij wat het is â dan : raad het!
253. Wat zijn de gevaarlijkste menschen ?
254. Welke schoone vrouw heeft reeds dik
wijls den dood veroorzaakt ?
255. Wat is het zuiverste dier?
256. Wie heeft tanden en kauwt nooit?
257. Wie laat niet alleen dieren maar zelfs
levenlooze voorwerpen spreken ?
258. Welk water is dikwijls zeer bedrie-
gelijk?
259. God ziet het nooit, de koning ziet
(het zelden.
De boer ziet het alle dag, wanneer (hij gaat te velde.
260. Welke spijs kan men niet eten ?
261. Van boven ziel, van onder ziel, mid
den in leder?
262. Bij welk spel worden tranen gestort ?
263. Wat zijn de voornaamste heiligen ?
264. Hoe schrijft men bevroren water met
twee letters?
265. Hoeveel wegen gaan naar de kerk ?
2*
29
VBAGEN.
266. Gij vindt me aan 't kabinet, aan
(deur en kast en kist; Ontneem mij 't hoofd, dan wordt zeer (veel door mij beslist.
267. Wat brandt helderder dan twee lichten?
268. Nu eens groot en dan eens klein, Moet het steeds een voet lang zijn ?
269. Wat. regeert de beste vrouwenharten,
met een onwederstaanbaar geweld ?
270. Wanneer zijn de oude vrouwen het
vergevenstgezind ?
271. Wat is de aantrekkelijkste lectuur?
272. Wat zyn do goedkoopste ververschin-
gen?
273. Niet door koude of door winter,
(maar door een bijzondere kuur, Ben ik van water in sneeuw veranderd door hitte van vuur.
274. Wat is het duurste gedeelte aan een
toren ?
275. Het is het koudste en warmste kleed
(te gelijk;
Onmatig wijd; toch wordt geen snij-(der daarbij rijk.
276. De schoone eed'le daad, De allerzwaarste moord.
30
VRAGEN.
En eens font in 'tspel,
Dit alles noemt een woord.
277. Welke wet wordt het strengst nage
leefd en het spoedigst weder afgeschaft ?
278. Waar groeit de beste wijn?
279. Wat heeft men als men de St. Jans-
kerk te Grouda binnentreedt, het eerst aan zijn rechterhand ?
280. Water dient anders om brand te
(blusschen;
Ik wordt door water eerst brandend (intusschen.
281. Wie heeft 't het gemakkely kste, thee
of koffie?
282. Wie is een ijzervreter?
283. Waar worden de pannekoeken slechts
aan een kant gebakken ?
284. Hoe wordt een moor, wanneer men
hem in water doopt, waar zout in opgelost is?
285. Waar blijft de maan steeds in het
eerste kwartier?
286. Wie is de ware phoenix, die na zijn
dood altijd weer herleeft?
287. Van voren naar achteren gelezen, ben
(ik nooit wit te wasschen;
31
VRAGEN.
Van achtren naar voren gelezen maak (ik groote plassen
288. Een musch vreet eerder een maat
haver dan een paard ?
289. Mij dood steeds mijne kunst; ik graaf
(mijn eigen graf, Ik spin en snijd ook zelf mijn levensdraad weer af.
290. Welke visscher komt met zijn net
ter wereld?
291. Wie kan Europa, als het gescheurd
wordt, het best repareeren ?
292. Een boer zaaide erwten en zeide ⢠ko
men zij, dan komen zij niet; komen zy niet, dan komen zy.
293. Hoe kan men met éen zak koren twee
evengroote zakken tegelijk vullen?
294. Met een zware vracht beladen kan ik
(geregeld gaan. Maar neem die vracht my af dan (moet ik stil blyven staan.
295. Wat behoort vooral tot een goed be
werkte laars?
296. Wat maakt men wanneer men van
bed opstaat?
297. Wat kan nog beter zwijgen dan Pytha
goras?
32
VKAGEN
'298. Den rijken dient het als lastdier op
(zijn reis,
Den armen voedt het als plantje op
(zijn spijs,
299. quot;Wat loopt hard en komt niet van
zyn plaats ?
300. Wat is het verschil lusschen een groot.
spreker en een winkelbediende?
301. Een rood stalletje Vol witte kippetjes â
Ea, ra, wat is dat?
302. Wie is ongehoorzamer aan de wetten
de arme of de rijke ?
303. Waar heeft de rook zyn begin en
het vuur zyn einde?
304. Zes letters klinken ja als titel wel
(wat grof,
Maar neem een letter weg, zoo is 't (de grootste lof.
305. Wanneer zijn er de meeste liefhebbers
voor kleine appelen en peren ?
306. Wanneer behoeven arme lieden zoo
veel niet te spreken als de rijken?
307. Wat is het zwaarste stuk hout?
308. Dat gij niet schrijven kunt is onbe-
(twistbaar waar;
33
VRAGEN.
En lezen kunt gij niet â ook dat (is zonneklaar.
309. Welke neuzen hebben addellijken ?
310. Wanneer de molenaar en een schoor
steenveger elkp,ar ontmoeten, omarmen en hun nood klagen, wie van beiden heeft dan recht?
311. Hoe schrijft men re.r, Ze®, dux en lux
met éene X?
312. Eerst wit als sneeuw,
Dan groen als gras.
Dan rood als bloed.
Dan eerst smaakt 't goed.
313. Stof is het, maar het kan de zwak-
sten krachten geven ;
Stof is het, en den sterksten ontneemt het kracht en leven.
314. Van vorm is zij gansch kogelrond, Doorschijnend licht en heerlijk bont, Een ademtocht blaast haar uit elkaar. Een enkele stoot vernietigt haar.
315. Als gij dit niet weet is het schande: Welke bieren maken by ons te lande Het meeste en witste schuim?
316. Wat is het gulzigste dier?
317. Wij zijn vijf dienaars, ieder heeft Een ambt bij n, dat natuur hem geeft.
34
VKAGEN.
Ja zonder ons gevoelt gij niets, hebt (gij geen vreugd. En slechts door uwe schuld, bedorven we uw geneugt.
318. Wie is hooggeboren?
319. quot;Welk wapen is het vroolijkst?
320. Ik ben in gymnastische toeren be
dreven.
Van 't menschdom kan 'k een juiste (beschrijving geven, Daarbij ook verricht ik menig heldendaad.
Zoodat zelfs mij vreest de koenste
(soldaat,
Maar 'k ben meestal in bed en maar (zelden op straat En thans voor het eerst is het dat (ik eens praat.
321. Wat zgn de kostbaarste beambten?
322. Twee hoofden, twee armen.
Vier hoofden, zes voeten;
Hoe zult gij dit verklaren moeten?
323. Welke appel is het meest waard?
324. Wanneer beginnen de jonge eenden
te zwemmen?
325. Waarom bouwt men nieuwe huizen?
35
VEAOKN.
En lezen kunt gij niet â ook dat (ia zonneklaar.
309. Welke neuzen hebben addellijken ?
310. Wanneer de molenaar en een schoor
steenveger elkaar ontmoeten, omarmen en hun nood klagen, wie van beiden heeft dan recht?
311. Hoe sohryft men rex, lex, dux en lux
met éene X?
312. Eerst wit als sneeuw,
Dan groen als gras.
Dan rood als bloed.
Dan eerst smaakt 't goed.
313. Stof is het, maar het kan de zwak-
sten krachten geven ;
Stof is het, en den sterksten ontneemt het kracht en leven.
314. Van vorm is zij gansch kogelrond. Doorschijnend licht en heerlijk bont, Een ademtocht blaast haar uit elkaar, Een enkele stoot vernietigt haar.
315. Als gij dit niet weet is het schande: Welke bieren maken by ons te lande Het meeste en witste schuim?
316. Wat is het gulzigste dier?
317. Wij zijn vijf dienaars, ieder heeft Een ambt bij u, dat natuur hem geeft.
34
VKAGEN. 35
Ja zonder ons gevoelt gij niets, hebt (gij geen vreugd. En slechte door uwe schuld, bedorven we uw geneugt.
318. Wie is hooggeboren?
319. Welk wapen is het vroolijkst?
320. Ik ben in gymnastische toeren be
dreven,
Van 't menschdom kan 'k een juiste (beschrijving geven. Daarbij ook verricht ik menig heldendaad.
Zoodat zelfs mij vreest de koenste
(soldaat.
Maar 'k ben meestal in bed en maar (zelden op straat En thans voor het eerst is het dat (ik eens praat.
321. Wat zyn de kostbaarste beambten?
322. Twee hoofden, twee armen.
Vier hoofden, zes voeten:
Hoe zult gij dit verklaren moeten?
323. Welke appel is het meest waard?
324. Wanneer beginnen de jonge eenden
te zwemmen?
325. Wraarom bouwt men nieuwe huizen?
VRAGEN.
326. Waarom houden de vrouwen van uit
gevers zich voor zoo geluk ?
327. Wat is dat wanneer een stoel op de
voorste pooten voortgescho ven wordt?
328. Welke helft is een geheel?
329. Wat gaat over het water,
En wordt toch niet nat?
330. Wien kan men zonder bezwaar den
hals breken ?
331. Hoe diep is de zee?
338. Waar bloeien des winters de boomen ?
333. Wat maken de twaalf apostelen iu
den hemel'?
334. Wat zijn de vroolijkste spiegels?
335. Wat is de vlugste schilder'?
336. Gij vindt my in het kippenhok, Met l er voor op schooien;
Zet dan een k er voor, en wis, Wie op een natten akker is Krijgt steeds mij aan zgn zolen.
337. Wat is het beste aan de vloo?
338. Wat is hel beste aan een kalfskop?
339. Waarin gelijken hovelingen en astro
nomen elkander'?
34ü. Welke hoed heeft meer danéengat?
36
VRAGEN.
341. In welk opzicht zijn de dieven dik
wijls bekwamer dan de dokters?
342. Vijf gasten krijgen vijf eieren. Ieder
moet éen ei hebben en toch moet er een in de schotel blijven; hoe moet dat'?
343. Geen reekning zonder my;
Green deur, of 'k ben er bij; Hij die een ambt bejaagt,
Heeft vaak om mij gevraagd; Een bode en ik zijn éen,
'k Ben schildwacht, zoo ik meen; En wijst ge een standplaats aan, Ik wordt er door verstaan;
Dit alles in 't gemeen Vereenig ik in éen.
344. Waar heeft het paard de meeste haren?
345. Waarin zijn dieven en katten elkan
der gelij k ?
346. Welke gelijkheid is er tnsschen paar
den, tooneelspelers en deserteurs?
347. Met mijn geheel mag men spreken
(en schrijven. Maar verboden is 't met mij handel (te drijven.
348. Welke knecht ontvangt geen loon'?
349. Wat zijn tegenwoordig veelraadhrnzen'?
37
'
VRAGEN.
350. Zoo goed., als 'iemand kan verlangen Roep ik âmiauwquot; â dus 'k ben .. .
(raad wat!
Weet. ook dat 'k muizen knap kan
(vangen;
Nu raad... maar 'k ben geen kat.
351. Voordat de vader geboren is, is de
zoon reeds op het dak.
352. Wie is geboren en niet gestorven?
353. Welk booswicht doodde het vierde ge
deelte der menschheid?
354. Wat slaat zonder handen, wat loopt
zonder voeten, wat wijst zonder vingers?
355. Wat is het beste kruid?
356. Wat is het werkzaamste oog?
357. Ik blgf gedurig vier jaar uit; Dan ziet gij mij verschijnen.
Om weer voor vier jaar te verdwijnen Zeg nu wat dit beduidt!
358. Voor mij openen de vorsten zelfs de
ooren en niemand bengd mij daarom?
359. Welke overeenkomst bestaat er tus-schen een pronker en een blaasbalg ?
360. Wat is het meest algemeene landen stadsgerecht?
38
VRAGEN.
361. Wat schiep God in het aangezicht
aller menschen ?
362. Voor wien moet ieder den hoed af
nemen ?
363. Hoe ligt de kat op den muur?
364. Het gaat te water en laat zijn buik
t'huis?
365. Wat zgn de langste bedden?
366. Welk onderscheid bestaat er tusschen
dwaallichten en uithangborden van herbergen ?
367. Zes kalven kosten Æ 80, op hoeveel
komt een te staan ?
368. Vol of leêg ben ik evenzwaar?
369. Wie heeft zoo geschreeuwd dat de
geheele wereld het hoorde?
370. Mijn doel is bedrog, en een leelijk
(gelaat
Vindt bij mij, wil 't schoon zijn, in ('t minste geen baat.
371. Overdag kan ik rusten met goed fat-
(soen,
Want dan heb ik niemendal te doen, Maar 's avonds en 's nachts is het (niet van 's gelijken. Dan ben ik genoodzaakt om aanhoudend door de glazen te kijken.
39
VRAGEN.
372. Een ezel komt op zes gulden, hoe komt
dan de staart?
373. Waarom zijn voorname dames het
meest vaderlandschgezind'?
374. Waarom benijden kokette dames ci
piers ?
375. Wel hem voor wien mijn eerste zoo
(zeer mijn tweede is, Dat 't verlies van mijn geheel hem (zorg baart noch gemis.
376. Hoe schrijft men een levende muizen
val met drie letters ?
377. Wie heeft den wolf over den berg
gedragen ?
378. Een houten rug,
Een harige bnik.
Op 't gevoel stug,
En wordt kaal door 't gebruik.
379. T. T. T. T. T. t. t. T. T f, Wat
is dat?
380. Holle mathijs, dikke machiel, drie
kinderen zonder ziel.
381. Welke dracht staat man en vrouw
het best V 38'i. Wie is de beste bouwmeester? 383. Wanneer zal recht en tevredenheid in alle landen wonen ?
40
VEAGEN.
384. Wat staat tnsschen berg en dal?
385. Hoe meer men er bijdoet Des to kleiner wordt het,
Hoe meer men er afneemt Des te grooter wordt het.
386. Wie maant zijn schuldenaar dage
lijks meer dan eens?
387. In welke maand eten de Elzassers
het minste?
388. De zon kookt het, de hand breekt het De voet treedt het, de mond geniet het_
389. Wat is het sterkste dier?
390. Die het niet heeft, zal 't niet bekomen Door wenschen of door geld,
En wie het heeft is soms in het nauw, Hoe hij dien drang tevreden stelt.
391. Wat zyn de beste soldaten?
392. Als krijt zoo wit voor 't gezicht. Als het lichtste dons zoo licht, Als de zachtste zijde zoo zacht.
Als schuim zoo vochtig â zoo word (ik in de wereld gebracht.
393. Wie is somtijds noch op de aarde, noch
in den hemel?
394. Welke schoenen passen aan geen en
kelen voet.
395. Welk woord volgt op eene vraag?
3
41
VEAGEN.
396. Wat gaat nog zekerder d an een horloge?
397. Welke stad is de oorsprong der snaren?
398. Lirnm, Larum, ladderum, hoe schrijft
men dat met drie letters?
399. Een gzeren paardje
Met een vlassen staartje,
Hoe vlugger het paardje wordt
Des te gauwer is zijn staartje kort.
400. Op welken weg heeft nog geen mensch
gereden en stuift het ook niet?
401. Welke menschen beginnen hun arbeid
verkeerd, terwijl hij hun toch gelukt'?
402. Wie het heeft, zogt het niet. Wie het neemt, weet het niet. Wie het kent, wil het niet?
403. Hoeveel zyn er apostel geweest?
404. Wanneer is de zon op- en niet on
dergegaan ?
405. Waarom sluit de haan, onder het
kraaien, zijn oogen ?
406. Ben ik er door, dan maakt meteen mijn staart het gat dioht â wat is dat ?
407. Waarom was Eva de beste zangeres? 408 Anders komt de hulp van boven, wanneer komt ze van beneden ?
409. Wanneer is de eensgezindheidteneinde?
42
VEAQEN.
410. Welke val heeft iets verheffends?
411. Wie het slaat, dien stoot het, Wie het maakt, verdriet het.
412. Het komt van leven, heeft geen leven. En kan n zwijgend antwoord geven ?
413. Het loopt op vier des morgens vroeg, 't Heeft 's middags juist aan twee
(genoeg.
Maar 's avonds hompelt het op drie â Nu moogt gij raden wat of wie.
414. Welke boom is zonder bladen, bloeit
niet en draagt toch vruchten?
415. Mijn eersten zit aan den arm, mijn
tweede aan den voet en mgn geheel aan de hand?
416. Hoe heet de moeder aller kunsten en
beroepen ?
417. Welke raad is overbodig?
418. Wanneer een mensch mij rooft, dan
(heb 'k den roover lief. Maar nooit of nimmer val ik in han-(den van den dief. Dan eens ben ik beklemd, dan ruim (en dan weer open, Green sterv'ling voor het eind kan (ooit te zien mij hopen?
419. Hoe maakt men dat iemand uit he*
43
VRAGBN.
gezelschap het licht niet kan zien 1
420. 'k Ben niet in bezit van twee beenen; Ik heb er maar éen, zonder teenen; Ik heb wel een hoofd, maar geen haar, En éen oog slechts â is dat niet raar'?
421. Van binnen zwart Tan buiten zwart
vier hoeken en geen staart.
422. Oprechtheid is hem wet, die plicht
(verzaakt hg niet Hoezeer de vrouwen ook naar zijne (lofspraak dorsten. Haar vleien doet hg echter niet. Maar zegt zelfs aan de hoogste vorsten. De waarheid koen in het aangezicht.
423. Al spreekt mgn tong ook niet Ik kan haar niet ontberen.
Ik moet wat recht is of ook niet Onmiddelijk aan de menschen leeren.
424. Wie alles heeft, die heeft mg niet. Hem ben ik onbekend.
Ik schilder in het schoonst verschiet En zie in het verste land.
425. Bekend als ik, is wel geen stad op aarde Want in mij moet, naar Gods bevel. Elk mensch geboren worden.
426. Wanneer heeft een haas tandpijn?
427. Wie slechts éen dag mg weg ziet blijven
44
VHAGEN.
Is niet meer in zijn element; En nauwlijks ben ik weer present Of hg begint mij te verdrijven.
428. Welk' water is zonder zand of steenen'.'
429. Hoeveel soorten van visschen zyn er?
430. Waar heeft de koe het meeste vleesch'?
431. Tot welk handwerk behooren orgel
trappers en hardloopers?
432. Wie kan achter de kachel een waag
hals zijn'?
433. Welke kaarzen branden langer, die
van was of van talk, de getrokken of gegoten?
434. Wat komt niet op tafel en toch voe
den zich koning, edelman en boer er mede'?
435. Welke bergen kan men zonder dat
de beklimming zwaar valt, gemakkelijk bereiken?
436. Welke lieden nemen iemand alls van
den mond weg'?
437. Van welken regen houden vele
schoonen'?
438. Welke motieven werken hetkrachtigst?
439. Waar woont een man met dertien
(hoofden,
45
VKAGÃN.
Die zes en twintig talen spreekt, Dien adders van 't gezicht beroofden; En die graniet als knapkoek breekt, Die dertien lieel-gebraden schapen Als avondspijs verslinden kan En dadelijk daarop gaat slapen â Zeg mij: waar woont die monsterman ?
440. Gij, Dames, schat mij zeker zeer. Maar mis ik mijn eerste toch nog meer.
441. Leest gij mij goed dan ben ik een
(godennaam.
Maar bebt ge m' omgekeerd, ik breng (twee zeeën saam.
442. Waarom staan de meisjes gaarne?
443. Mij kweek een ver verwijderd land Op een boom: tot u gezonden. Wordt ik, bewerkt door !n vlijtig hand Geschikt voor kleedingstof bevonden _
444. Zes voeten heb ik meegenomen. Met drie ben ik teruggekomen.
Dat het twee waren, dat wenschte
(ik vooral Liever dan drie, dat heilige getal.
445. Ik verspreid licht en bescherm u te
gen den regen, terwijl mijn geheel n in schemering hult.
446. Met éen rijdt hij, die weinig wil spenderen ;
46
VRAGEN.
Met twee rijdt wie 't betalen kan; Met vier rijdt nooit een burgerman; Dat doen Alleen de groote heeren; De koning rijdt met zes â maar 'k (wil te raden geven; Wie draaft door stad en land dag in (dag uit met zeven?
447. Waarom is bij het trouwen een klein
meisje altijd boven een groot te verkiezen ?
448. Die 't eerste heeft kan rustig leven, Naar 't tweede moet men eerlijk streven, 't Geheel wenscht hij zich op den duur. Die niet tevreên is van natuur.
449. Wie is de eerste landontdekster ge
weest ?
450. Wie van onze generaals is de ge
zondste ?
451. Wat gaat in het hout op?
452. Ik ben een verfrisschende zure bron, Q-evat in een kleine goudgele ton, En wordt in het verre Zuiden gevonden En naar alle oorden der wereld verbonden.
453. Hoe heette Jan van der Plas Toen hij een kleine jongen was?
454. Welke dag staat niet in den almanak
47
VEAGEN.
455. Wat zijn er meer, levenden of dooden ?
456. Waarom is een bakker die nitver-
kocht heeft te beklagen?
457. Wat maakt iemand die in de sneeuw
valt'?
458. Wie isltweemaal gestorven?
459. Hoe kan men een zadel tussohen twee
ezels brengen?
460. Het ig een vaatje klein en rond, Maar zonder hoepels, zonder hoom; En wat het inhoudt is gezond, Zoo kostelijk als de beste room; Wanneer het zich van zelf ontsluit Dan komt er een lief beestje uit; Doch breekt ge 't â 't is een knappe
(man,
Die 't vaatje dan weer maken kan.
461. Wat ziet men niet, als men ziet, en
wat ziet men, als men niet ziet?
462. Wanneer is een vos een vos?
463. Ik zoek een ieder te bevallen, Dan ben ik zwart, dan wit, dan bont, 't Zelfde toch behaagt niet aan allen. Dan eens ben ik spits en dan weer rond.
464. Wat doet den slager het eerst, als hg
den os geslacht heeft ?
465. Waarin is een vrouw aan een over
ste gelijk?
48
VBAQEN.
466. De liefde roept my in het leven Ook dikwijls toorn en nood;
Maar nauw' begin ik op te zweven, Of 'k ben reeds weder dood.
467. Van buiten glad, maar ruw van binnen ; Mijn buik is opgevuld met baar En pluis en snippers, o zoo raar! Zoo raar kunt gij het niet verzinnen. Nooit krijg ik eten, dikwijls slaag; En toch, mijn meester mag mij graag.
468. Wat is de langste viseh?
469. Welke menschen leven van water en
wind'?
470. Ik ben somtijds oud en somtijds jong,
ben koning en bedelaar, maar toch altyd dezelfde.
471. Eerst werd ik uit de moeder geboren En toen de moeder uit mij.
472. Van menig dichter, niet waar 7 neemt
men aan.
Dat hij niet schry ven en niet lezen kan.
473. Wat brandt voor den staat, voor de
handelswereld, voor het gezellig verkeer en voor het buitenland?
474. Een huia zonder kelder en keuken
(en kasten, 3-
49
VRAGEN.
En ook zonder kamers voor vrienden
(of gasten,
In trek by geen mensch, en toch, (pas is 't voltooid, Of 't wordt reeds betrokken â lang (leeg staat het nooit. En wie het bewoont Blijft altijd verschoond Van zorg en verdriet en van allerlei lasten.
475. Wat is leelijk en toch goed?
47(3. Wat is dat, wanneer vier lucifers bij elkaar liggen?
477. Welke kunst is de smaakvolste?
478. Welke overeenkomst is er tusschen
dieven en agenten van politie?
479. In welk rijk zyn geen dieven?
480. Welke gang is verderfelijk?
481. Het gaat met een gespleten hoef Steeds over gladde paden;
Als 't dorst krijgt laat men 't iedren
(keer
In troeble vijvers baden;
Dan loopt liet weer van nieuws af aan. En 't spoor, dat daarvan blijtt bestaan. Kan dikwijls oorzaak wezen Van hopen of van vreezen.
50
V KAGEN.
482. Op welk pand wordt geen geld ge
geven
483. Wat deed men om te maken dat liet
des winters niet in de hand vriest'?
484. Wat is het trouwste dier'?
485. Wat zijn de vroolijkste menschen'?
486. Wat is aan den mensch kleiner en
toch hooger dan hij ?
487. Geen mensch kan zonder my, 't zij
(jong of oud, 'k Ben in der armen spijs en op der (rijken tafel; Ik ben in vleesch en brood, in pan-(nekoek en wafel, Kortom in al wat ge eet, hetzij dan (warm of koud; En zocht gij zoutevisch waarin ik (was vergeten. Dan zou men u voorwaar wat 'k zon-(der U ben heeten
488. Welk muziekaal wezen is de os in de
dierenwereld ?
48'J. Wie wa-s de grootste smousjasser uit
het oude testament'?
4'JO. Wat is de middelste letter van het abc?
51
52 veagen.
491. Welke armen kleedt de gierigaard
zonder morren?
492. Wie kan duizend man op een wagen
in de stad rijden?
493. Wie t heeft kan op geen rijkdom
(roemen,
Wie 't niet heeft is veel beter af: Wie 't weet is waarlijk dom te noemen, Waar 'tleeg is woont dit ongelukskind. Wie 't hoort is doof, wie 't ziet is blind.
494. Wie was de grootste lap uit het oud
testament ?
495. Zonder voeten heb ik vier voeten
noodig om twee voeten te dragen?
496. Wanneer is de man heer in huis?
497. En dapper, moedig man, komt u in
nood te hulp,
Wiens naam men zoo naar voren als naar achteren lezen kan?
498. Wie is er op een vastendag het slechts
aan toe?
499. Welke vogel legt geene eieren ? 50ü. Wie noemt my het klooster van rots-
(harde steen. Bewoond door veel nonnetjes, schit-(trend als goud?
VKAGBN.
Een ridder van staal klopt er aan, (kloek en boud'.' De nonnetjes komen terstond om
(hem heen
En springen en dansen, en gloeien
(zoo rood,
Maar dansen, helaasquot; al zeer spoe-(dig zich dood.
501. Welke menschen bouwen het duurst
en het onzekerst'/
502. Welke tong groeit op het veld'.'
503. Wien wordt de broodzak met een
zijden strik toegebonden 't1
504. Wat gaat gewoonlij k met de zon onder?
505. Welk water loopt het vroolijkst atquot;.'
506. Hoe hoog is de afstand tusschen he
mel en aarde?
507. Mijn haar stond vroeger op een hoog
(verheven hoofd. En mocht, omkranst met groen, zieh (in het zonnelicht baden; Maar nu ben ik, helaas! van al het (groen beroofd. En wordt ik zelfs met slijk en mod-(der overladen; Nu wordt ik met geweld gejaagd (door dik en dun,
53
VRAGEN.
En 'k heb een treurig lot, dat 'k aan (geen ander gun.
508. Waar zijn de hoogste bergen?
509. Wat zijn de kostbaarste paarden?
510. Wat zijn de armste handwerkslieden ?
511. Voorwaarts gelezen, hoor 'k tot den
(adel, zeer oud, Rugwaarts, o, dan ben ik, niet anders
(dan hout
512. Wat zijn de wapens van meisjes?
513. Mijn beide eersten bederven veel
(zaken
Het derde dient om ze schoon weer'
(te maken.
Het geheel ie echter schoon wit en rood, Maar draagt toch in zich gif en dood.
514. Zonder kop en zonder staart,
Zonder beenderen â dat 's mijn aard! Louter vel en vleesch en bloed.
En toch smaak ik drommels goed; 't Zij 'k nog warm ben of reeds koud Ieder lust mij, jong en oud.
'k Word gemaakt metmenschenhanden Ed eten kan mij zelfs de grijsaard (zonder tanden.
515. Wie verlangt éénoogig te zijn ?
516. Waar verlangt een ieder naar, en is er
54
VEAGEN.
niet mede tevreden als hy het heeft?
517. Welk dier kan naar evenredigheid
de grootste sprongen maken?
518. Wat is de gelukkigste menseh?
519. Laat af, my zoolang aan te staren, Of u verblindt mijn hel dre schijn, En wilt gij, staand' mg lang bezwaren, Ik zal dan dra myn moeder zijn.
520. Hoeveel zacht gekookte eieren kan
men nuchteren eten?
521. 'k Kom nergens verder dan de deur ; Doch ware ik éene ei minder lang, 'k Zou minder wel zyn dan in rang Dan meenge stad, maar 'k had toch
(keur
Van huizen; doch van R ontdaan. Kom 'k van de kip, niet van den
(haan,
En wie naar 't ei verlangt moet me (eerst aan stukken slaan.
522. Hooveel letters zyn er in den bijbel?
523. Welk onderscheid is er tusschen den
mensch en den kameel?
524. Waar is het oudste koninkrijk?
525. Welke vensterluiken vallen, zonder
geruisch te maken, van zelf toe?
526. Wat is het duurste water?
55
56 YBAGEN.
527. Oogen heb ik, maar ik kan nietzien; Ooren heb ik, maar ik kan niet hooren; Armen heb ik, twee als de uwe, geens-
(zins tien,
En een neus aan mijn gezicht van voren 'k Heb een mond, maar spreken doe ik
(niet;
Iedereen, die my slechts vluchtig ziet. Vindt dat gij en ik juist op elkaar
gelyken;
Of dat waarheid is kunt gij best zelf
(bekijken.
528. Welke staan heeft twee stemmen'?
529. Waar komen alle zakken te zamen?
530. Wat is het beste in de bakkerij'?
531. Bij welke dansfiguur hebben de mui
zen het 't benauwdst?
532. Wie schuift zijn werk op de lange
baan en komt toch gereed'?
533. Welke overeenkomst is er tusschen
een correspondentie en de zaak vau een bankier?
534. Even lang als mijn gestalte Is bijna mijn haar.
Maar 't wordt nooit geflikt door olie of
(pommade. Nooit gekort door mes of schaar.
VRAGEN.
Ik kerf gestaag aan vreemde darmen, Maar 'tdoet hnn hoegenaamd geen pijn; Wel rillen zij, maar doen geen klaagtoon hooren, Zij juichen luid â zeg nn, wie kan ik
(zijn.
535. Welk gemak bevalt het minste?
536. Welk onderscheid is er tnssohen het
alphabet en het menschelijk leven?
537. Wat zijn de kleinste visschen? 538 Wat vindt een gek zeker?
539. Wanneer ontmoeten bergen en dalen
elkander?
540. Mijn eerste lettergreep is iets van
(steen of ijzer. Mijn tweede lettergreep is lood. Het gansche woord is zeven letters
(groot,
Maar daarmee zijt gij nog niet wijzer,
541. Waarom schreef de apostel Paulus den
tweeden brief aan de Corinthiërs?
542. Wat is voor éen te benauwd, voor twee
van pas, voor drie te veel!
543. Waar gaan de eenden in het water?
544. Wie was de eerste apotheker?
545. Wie houdt altijd het laatste woord?
57
VBAGBN.
546. Welke vijgen kan men het geheele
jaar verscli krijgen!
547. Het eerste is eer» vokaal;
Het tweede kunt ge op 't schip ont-
(waren;
Het derde is een metaal;
Een noot zal 't laatste u openbaren, En voegt gij nu deez' vier te zaam, Dan vindt gij ras een vrouwennaam,
548. Wie kan alle talen spreken?
549. Welk haar heeft een zwarte hengstV
550. Hoe doet men, als men geen vliegen
wil hebben?
551. Welk water is niet vloeibaar, niet
druipbaar ?
552. Welke overeenkomst is er tussehen
koks en au ten ra?
553. Mijn eerste is meel, mijn tweede een zak, en mijn geheel toch geen meelzak.
554. In welk geval is 2 maal 2 gelijk 6 ?
555. Welke baarden groeien niet?
556. Welke worsten zijn oneetbaar?
557. Waarom hangt de dief?
558. Waarom zenden dokters hunne patiën
ten op het land ?
58
VEAGEN.
559. Wat belet den ruiter op het paard
te ritten ?
560. Waar is God niet?
561. Wanneer men het geheele a. b. c. ten
eten vraagt, waarom komen dan de zes laatste letters steeds te laat?
562. Wat maakt bij verloofden eu bij amb
tenaars een diepen indruk?
563. Welke dracht zal nooit ophouden?
564. Wat is in baden aan de orde van
den dag?
565. Wie is behalve vorsten heer en mees
ter over leven en dood?
566. Waar raakt men een koe, als men
haar slaat, het eerst?
567. Van welk stadhuis zou een boer zeggen
âHier moet de hemel zijnlquot;
568. Wat is de sterkste drank en die toch
niet bedwelmt?
569. Wanneer eindigen de dagen der men-
schen ?
570. Wat is de hoofdzaak aan het men-
schelijk lichaam?
571. Wie heeft een ader meer dan andere
menschen ?
572. Met 'n last beladen kan ik gtian,
59
60 VRAGEN.
Ontneemt men die, dan blijf ik staan. 573. Hoever is het van het eene einde der wereld naar het andere?
574' Welke overeenkomst is er tusschen een schilder en een jager?
575. Waar blazen de postillons niet door
de stad?
576. Waarom moeten snniffabrikanten en
brillenhandelaars (iod dagelijks bidden ?
577. Welke toren had geen spita?
578. Waarom ziet de haas om, wanneer hij
vervolgd wordt?
579. Wien kan men het zekerst een ge
heim toevertrouwen?
580. Wat ia het oudste republiek?
581. Wat kan een vat het slechtst missen ?
582. Waar legt een schutter altijd aan en
treft nooit?
ANTWOORDEN.
1. /ün voet.
2. Exter00!?en.
3. De orgeltrappers en zü die het carillon bespelen, i. Omdiil ze steeds over fainilie-leclen In den rouw zyn.
5. Oorvügen.
6. Tusschen haar gehoorten- en sterWaij.
7. Toen Noacli pas in de ark zat.
S Onidat hot aderen bezit.
!). Ken gracht.
In De bedelaars, want die zyn steeds van gasten vrü.
II. Een onzer voeten.
li Eene bruid.
13. Met de wereld rondgaan.
14 Toen do zomer de zon deed stilstaan.
15 Tc Endor.
16. De vlieg; want zU zet zich by keizers en koningen
op den neus.
17. De dag van gisteren.
18 Natte
19. Dat by gestorven is.
30 Een leugen.
21. Toen Simsom bundels stroo aan hunne staarten gebonden had, en die in brand stak.
22 Het goud.
23 In de leege. (grond is 2i. Die van een tafel valt, omdat hy spoediger op den 2S. Het geld.
20 Men zot een pot met water op het vuur, legt er
4
ANTWOOBDEN.
een stuk ijs In, en als die door elkaar gekookt zijn, zout men ze met sneeuw. Elk ander toevoegsel geeft geen zuivere soep.
il. De eerste dag der wereld 28 Tusschen kop en staart.
â 21) De domlné's kinderen.
HO. In do volle.
SI. De menscb.
:i2. De azijn.
Wanneer men den linkerhandschoen aan de rechter hand doel.
34. Dit uit te vinden.
33 De kleinste.
3U Omdat bet donker moet zgn, willen zij schitteren.
37. Kort er.
38. Een doodkist.
39. De klok,
40 De kelder.
il. Het graan.
ii. Belenvoedsel.
'â¢3 Omdat beiden den dag tot nacht maken.
ü. Een Indruk maken.
45. Een peluw.
ili Omdat hü de ronde doet.
4quot;. Omdat de vermoeide reiziger daar rust vindt.
48. hrood.
49. Geen een, ze worden er in geworpen.
50. De scboenspüker.
51. De speelkaarten.
3*2 Omdat er meer oude zijn.
S3. De kerk, omdat bet gemakkelijker Is te preeken dan in practyk te brengen.
62
ANTWOOEDBN.
54. Een goede eetlust.
55. Omdat zü hun woord breken.
oti. Handen droogcn.
57. Een pruik.
58 Afwezigheid van het lichaam Uil. Dat weet niemand.
CO. Als er een lek in Is.
til. Een el.
lis. Als er een mortier in het koor en een kanon In
de preekstoel staat 0:1 Als men de rechter laars aan de linkervoet wil 6i Liever een corilla. (trekken
65. Omdat geen van belden een boom kan beklimmen (16 Omdat beiden dikwijls hun keel nat maken en
veel vocht gebruiken 67. Omdat hij een titel heeft.
68 Omdat ze eon aap door de stralen dragen. 69. Wanneer zün pruik nog niet betaald ts.
71) Onze schaduw.
71 Dan snuiten wij de kaars.
Ti. Muziek.
73. Van haring, (haar-rlng).
74. De weg.
75 De dag van gisteren.
76 Omdat men er veel van ziet, maar weinig van hoort
77 De mond
78. Omdat er altijd woorden tusschen hen zijn. 7!). Omdat het niet puntig is.
80. Honger.
81 Tegen zgn zin.
82 In iNoach's ark.
83 Stâeen.
63
A.NTWOOKDEN.
84. De Wolfsmelk (giftplant).
SS. Op zp kopse. Omdat zy er te lang in liggen.
S7. Van het loeren alleen loopen.
88. Omdat zü het einde van leven is.
89. Omdat zü een hoofd (kop! hebben maar geen oogen !)0. Haring (haar-ring).
91. De Chinees draagt den staart achter aan het hoofd
en de aap onder aan den rug.
9-i. De muts die bet gepeupel droog toen er geen koning was. De JacobUnen-muts.
93. Een handschoen. (vonden wordt.
94. Omdat ze zoonel in de aarde als in water ge-93. Omdat zü in de aarde doordringt.
9C. Pardon.
97. De eene breekt hoofden, de andere harten.
98. Het woord Eindigen begint mei een E.
99. Omdat zij dikwyis onder bet hart verborgen ligt. 1quot;0. Omdat zy die er in zijn er uit willen, en zü die
er uit zyn er in willen.
lilt. Als hij zwügt.
102. Een kus.
103. De klok.
tol. Van een anker brandewgn. (staan.
10S. Beiden hebben den neus voor aan bet aangezicht 10«. De appel. (worden.
10quot;. Omdat belden eerst volgepropt en dan doorgelaten
108. Omdat bij u altyd blijft aanstaren, al behangt gy
zyn rug met zilver.
109. Omdat zy een aanhoudend gek lapper In haar bo
venste verdieping hebben.
110. Beeldhouwers en koperslagers.
64
ANTWOORDEN.
111. Geen van (irieen, want zij branden alle korter. 112 Het w(jfje van den ooievaar.
113. De slok.
114. Oe bei.
11». Wanneer de dauw valt.
116. Dc wielen van een wagen.
in. De vier koningen in bel kaartspel.
118. De kikvorscb.
119. Omdat bij zich verbeeld, dat die hun buis uitge
trokken hebben, ten einde harder te kunnen loopen.
HO. De baard.
121. Water in wjjn te veranderen
122. Een blind paard
123. In de apotheek.
12i. De blaasbalg.
123. Het portret.
120. De Franschen, want die hadden geen vorst en
waren overdekt met mollen.
127. Bevroren.
128. Omdat de nacht tusschenbelde komt.
129 Een vlieg, want zü gaat keizers en koningen op den neus zitten.
130. De suiker.
131. Een rivier.
132. De boom.
1.33. Niet een, want die er aan noodig waren zitten er al onder, anders was bet paard niet goed beslagen.
134. Eene dochtea.
135. De doodgraver.
136. Op den stam.
137. Op de tong.
65
antwooeden.
138. De hoogmoed.
139. In Februari, dewül die maand 28 dagen Iieefl.
150. Die slilstaan.
141. De luebt.
142. Do slak.
143. Drie muziekanten.
144. Omdat by van achteren geen oogen heeft. I4ö. Een inktkoker.
146. De stamboom.
141. Nimmer, want hu biaast in zün hoorn.
148. Als de honden hem byten.
149. De eerste wordt afgemaakt, lerwyi do twee laat
ste zich dit zelf doen.
1B0. Water.
151. De wgnkoopers.
152. De zeestorm, de landstorm heteekent niet veel.
153. Een schaatsenrgdcr.
154. DAT.
155. De luchtkasteelen.
156. De spotvogel.
157. Een gat in de kous.
158. De torenwachter.
159. Het schoeisel, want bet wordt met voeten getreden.
160. Kreeftscharen.
161. Om de jas dicht te doen.
162. Ren koehuid
163. Adamsappel.
464. Adeldom.
165. Eenheid.
166. Een ui.
167. De vrouw.
168. Die bulten de kerk ook het langst Is.
66
ANTWOOEDEN.
169. De hartenvrouw tn ons kaartspel.
no. Die een negenoog in den nek hebben.
Hl. Een zandruiter.
172. Die van een stilstaand voertuig.
173. Dankbaar.
174. St. Nicolaas poppen.
175. De sleutel van de kerk.
178 Omdat geen van beiden antwoorden voordat zij geslagen worden.
177. De straatmakers, want die houden zich steeds
met klinkers bezig.
178. Do pasgeboren Chineezen, want die komen reeds
by hunne geboorte in het Hemelsche ryk.
179. Omdat zy dikwyts van salellielen vergezeld zyn.
180. Die der gewichten.
181. De aanspreker.
182. Slechts een, want als hy aan het tweede begint
was hy niet meer nuchler.
183. Het haantje van den toren.
184. Apollo.
185. Voor eksteroogen.
186. De haring.
187. Ieder mensch. wanneer hy zich ontkleedt.
188. Voor den slaap.
189. Als hy niets anders had.
190. Een noot.
191. Loth s hulsvrouw.
192. Een tooneelspeler.
193. Snuif.
194. De dronkenschap.
193. Do echo.
196. By den steel.
67
ANTWOORDEN.
197. De steken ('.er naalden.
198. Wanneer men te paard zit.
199. De winter.
2(10. De courant.
SOI. Het zegel.
â¢209. De courant.
503. Om op te zetten.
20{. De diamant.
â¢205. De diamant.
206. Als men Set schaap niet slacht. 201. De rooktabak.
208. De kreeft.
209. Twee, want de katten hebben pooten.
210. Waar het niet diep genoeg is om te kunnen
zwemmen.
â¢211. De kreeft.
212. Vrouwenharten, die gemakkelijk zün in te nemen
want men houdt hetdaarnietgemakkelijkln uit.
213. Engel, Bengel.
214. Gene strykl alleen In het yoorjaar, deze echter
het geheele jaar neer.
215. Het gezicht.
21(1. De \oet van oorlog.
217. De egge.
218. Mei, 3 letters.
219. Belde worden grauw geboren.
221). In gespannen verhouding
221. Kaalkoppen, die vliegen elkaar nooit In het haar.
222. De gans, want die heeft hare pooten In het midden.
223. De witten; die zijn er meer.
294. De zeef.
225. Omdat z(i veel met beeren omgaan.
68
ANTWOOEDEN.
â 22G. Omdat hy twintig jaar jonger is.
227 De andere helft.
228. De ruller
229. Vier.
230 Van den Heiland.
2:)1 De rook
2112. Aan den püpekop. (koml.
2X1 Omdat men daar slechts door zijne goede werken 235. Dat helden gesmeerd moeten worden.
ilia. Het vooroordeel
2:tC. Alle, want geen doet z.ün neus weï, als hij begint te trommelen â 237. Waar de mythe eindigt.
23S. Schoft.
239 Omdat zij gaarne lokken willen.
2SO. De tong
2il De vogel, want hij zingt alles van hel hlad
242. Opgehouwd, anders kan men het niet afbreken
2i3. Hem, die wachten kan
244. Keiden hebben 4 vlerendeolen
245 De dag van heden
24« De illuminatie.
217. Smart, want er slaat: mijn smarl gaal steeds
voor mij uit.
248 Schoorsteen.
249. Van de balallle.
230 Schoenen en laarzen
231. Dat er dikwijls een scbapekop onder zit.
232. liene brug.
â¢2'i3 De mliilatuurscbilders, omdat zij alles verkleinen 234 De Belladonna.
253. De haan, want die heeft steeds een kam by zich
4*
ANTWOORDEN.
2S6. De zaag.
â¢237. Do fabeldichter.
â¢258. Vrouwentranen
230. Zijns gelijken.
â¢200. Klokspijs.
261. Kuiter, paard en zadel.
202. Hij een treurspel.
20.1. St. George en St. Maarten; want die ryden te
paard, terwijl de anderen te voel gaan.
26i. Ms.
20quot;) Geen; zij blijven alle liggen.
200. Slot.
207. Drie.
â¢20S. De schoen.
200 De Mode.
â¢27(i. In tiet kaartspel; daar vergeven zij licht. 271. De spijskaart.
â¢272. Lucht en water.
â¢273. Zoul.
â¢275. Do spits, terwijl zij hel hoogst te staan komt.
â¢275. Sneeuw.
2'6. Vergeven.
â¢277. De wet der mode.
â¢278. Nergens, want druiven groeien.
27!). Vijf vingers.
280. Ongebluste talk.
â¢281. De laatste, want die zet men, terwijl men thee
laat Irekken.
â¢282. De ioest.
'283. Daar, waar aan de andere zijde der slraat geen
huizen zyn-â¢284. Nat.
70
ANTWOORDEN.
28:;. In hot Turkscho wnpen.
â¢2S(l. De mode.
â¢287. INeger
288. Natuuriyk; zij cot zeker geen paa-il â¢280. De zgdeworm.
â 230. De pelikaan.
â¢201. Rusland, want liet heefl de Lappen.
202. De duiven, de erwten.
â¢203. Door den vollen in den leegen te steken.
â 20i. Een staande klok.
293 Do andere.
â¢20(i. Een vacalure.
â¢201. Zijn standbeeld.
208 De schimmel.
200. Molenwieken en molenraderen.
WO. De eerste snydt op, de andere af.
301. De mond,
302 De arme, wanl die heefl nood, en nood lireekl wet
3(13. In de letter R.
30i. Bengel, Engel.
305. Als er geen eroote züquot;.
3%. Wanneer deze hen onderhouden.
307. De bedelstaf.
308. Het woordje Niet
309. Menschenneuzen.
310. Do molenaar, want die heeft zwart op wit.
c
311 r e x n p
O
312. Kersen.
313. Buskruit.
314. De zeepbel.
71
ANTWOOEDEN.
31 ri. Do Larliier.
D(! tüias, want uy eel met twee lepels. 317. De zintuigen.
31S. De ooievaar.
319. Dn artillerie, want die laat haar seschut spelen. 320 De vlon.
321. Kaden, want goede raad is duur.
322. Ken ruiter tc paard
323. De oogappel.
324. Wanneer zij geen grond meer onder zicli hebben. 323. Omdat de oude niet jont jn.
32«. Omdat hunne mannen zich verheugen wanneer
zg nieuwe uitgaven hebben.
327. De loelaling.
328 De wederhelft.
329. De zon.
330 De flesch.
33t. Ken steenworp.
332. In de oranjerie.
333. Een dozün.
334. Uilenspiegels.
335. De spiegel.
33«. Ei.
337( Dat zij niet beslagen is.
338. Hot kalf.
339. Dat beWen sterren zoeken,
340. De vingerhoed.
341. Omdat zij nooit weggaan zonder te weten wat
de patienten mankeert.
342. Do laatste nam het ei met den schotel.
343. Host.
344. Uitwendig.
72
ANTWOORDEN.
3f5. Belde kunnen liet muizen niet laten.
34(i. Dat zy doorgaan.
347. Nadruk.
3i8. De iaarzenknecht.
349. Huizen, waar men raden moet wat er plaats vindt. Sün. Een kater.
35t. De rook, voordat liet vuur vlamt.
33-2. Wij.
333. Kaïn.
334. Het slaguurwerk.
35'). Het onkruid, want het vergaat niet.
33ï. Het eksteroog, want het is bestendig op de Leen.
357. Den 29*quot;quot; Februari.
338. De oorlepel
359. Reide zijn windbuidels.
3(in. Een schotel aardappelen.
361. Neuzen
302. Voor den friseur.
363. Hard.
36'(. Kussensloop.
365. Die der rivieren.
366. De eerste brengen bij nacht, de laatste des daags
en des nachts van het rechte pad af. 307. Op vier poolen.
368. De blaasbalg.
369. Do ezel in de ark â¢
370. Een masker. ' ri«-
371. De lantaarn.
372. Achteraan.
373 Omdat zy veel voor den stiiat doen.
374. Omdat zij ook gaarne willen boelen.
375. Bruidschat.
73
ANTWOORDEN.
376. Kat.
37quot;. De wolvin.
378. Een borstel.
379. Een Iheegezelschap.
380. Een üzerenpot.
381. Eendracht.
382. Een domkop, want dien valt nooit lets In.
383. Als wijsheid en gerechtigbeid op vorstenzetels
384. en (tronen.
385. Een gal.
386. Honger en dorst.
387. Ib Februari.
388. De w(jn.
389. De slak, want zy draagt haar huis op den rug.
390. Honger.
391. Franclskanen en Capneünen, want hun zinkt nooll
het hart in de schoenen.
39J. De sneeuw.
393. De ruiter.
394 Handschoenen.
395. Een antwoord.
396. Een luis, want die gaat op een haar.
397. Darmstadt.
398. Dat.
399. Naald en draad.
100 Op den melkweg.
401. De graveurs.
402. Valsch geld.
403. Slechts éen is het geweest. Judas; de anderen
zijn hot gebleven.
404. Van daag.
405. Om te doen gelooven dal hg het van bullen kan.
74
ANTWOOEDEN.
i06. De naald.
'lt;01. Omdat zy de Primadonna, (do eerste vrouw) op aarde was.
40S. Van den soulüeur in den gchounburR.
109. Na de D.
410 de bijval.
411. De bok.
41S. De veeren pennen.
413. De mensch.
414. De slagboom.
413. De handschoen.
110. Armoede.
417. Onraad.
41R. De leuningstoel.
ili». Men plaatst het op zijn hoofd.
420. Een naald.
421. Een lurf.
422. De spiegel.
423. De balans.
424. De hoop.
423. Leiden.
420 Wanneer de tanden der honden hem byten.
427. Honger.
428. Dat van Keulen en Mannheim.
429. 3; groote, middelsoort en kleine.
430. Tusschen kop en staart.
431. Tot geen zy doen voetwerk.
432. De speculant.
433. Alle branden korter.
434. De moedermelk.
43b. Herbergen.
430. De barbiers.
75
|
76 ANTWOORDEN. | |
|
437. Van den ponden regen. |
4C9 |
|
438. Locomotieven. |
470 |
|
439. Nergens, want hg beslaat niet. |
471 |
|
440. Di-amant. |
472 |
|
441. Zeus, Seus. |
473 |
|
442. Omdat ze niet gaarne willen hlgven zitten. |
474 |
|
443. Boomwol (Katoen). |
475 |
|
414. Een Cavalerist met een kruk. |
470 |
|
44S. Hol lichtscherm. |
477 |
|
44igt;. De koopman in zeven. (kiezen. |
478 |
|
447. Omdat men van twee kwaden het kleinste moet |
479 |
|
448. Veelmeer. |
480 |
|
449. De duif. |
481 |
|
450. Die nog niets ingenomen heeft. |
482 |
|
451. tiet deeg In den hakkersoven. |
483 |
|
552. De citroen. |
484 |
|
453. Jan van der Plas. |
485 |
|
45i. De sterfdag. |
481 |
|
455. Levenden, de dooden zijn niet meer. |
487 |
|
456. Omdat hy broodeloos Is. |
488 |
|
457. F.en Indruk. |
48! |
|
458. Lazarus |
490 |
|
4S9 Leg den zadel op den ezel en ga gij er op zitten. |
491 |
|
4«0. Een el. |
492 |
|
461 De duisternis. |
491 |
|
462. Als hy alleen Is; meer dan een heelen vossen. |
494 |
|
463. De hoed. |
495 |
|
464. De byi wegleggen. |
49(i |
|
465. Beide slaan naar het regiment. |
497 |
|
466. De zucht. |
49S |
|
467. Een kaatsbal. (het lijt hier. |
49a |
|
468. De stokvlsch, want de kop is In Noorwegen en |
3(K |
ANTWOOBDEN.
469. De molenaars.
i70. De tooneelspeler.
471. IJ*.
172. Het woordje niet.
473. Het lak 471. Doodkist.
475. De kelttinghond.
470. Een strUkquarlel.
477. De kookkunst.
478. Belde vangen.
479. In het hemelrijk.
48(1. De lediggang.
481. De schrijfpen.
482. Op een pand der liefde.
i83. Men maakt eene vuist.
4S4. De luis, want zij laat zich met ons hegraven. 48ö. Nonnen en monniken, want die zingen dag ennacht 48igt;. De hoed.
487. Zout.
188. Een hoornist.
189. David die roemde steeds in den Heere (de Heeren)
490. B.
491. Z^n eigen armen.
492. Eik, die er meer dan eens over rydl.
493. Niets.
491. David, want hü weende hitler. 49S. De draagstoel.
490. Wanneer de vrouw er niet in is.
197. De redder.
498. De maag.
499. De spotvogel.
MO. Een vuursteen.
77
ANTWOORDEN.
501. Spelers, want die bouwen op kaarten.
soa. De ossentong.
803. Hem, die in lurkye geworgd wordt.
Sfli. De herinnering aan genoten weldaden.
S05. Dat der paarden, als lij walerendan Duilraen erbü. SOli. Dat weet slecbls den duivel, die beeft het gemeten.
507. Een bezem.
508. Waar de diepste dalen zgn.
500. Stokpaardjes.
510. De baanders, hunne zaak gaal steeds achteruil.
511. Stamboom, boomstam.
512. De long, naalden en nagels.
513. De vliegen- of lorkenzwam.
514. Een worst.
515. De blinde.
516. Naar den ouderdom.
51quot;. De v!oo, want zij spring! 2ii0 maal verder dan zij lang is.
518. De arts, want iedere gelukkige kuurbeschijnlile
zon en lederen misslag bedekt de aarde,
519. De sneeuw.
520. Slechls éen, bij bet tweede Is men niet meer
nuchteren.
521. De dorpel.
522. vyf.
523. De kameel te zwaar belast, blpllggen,de memcli
staat op.
824. Dat der büen.
525. De oogleden.
526. Dat in de wün gedaan wordt.
527. Uw beeld in den spiegel.
528. Basalt.
78
ANTWOORDEN.
539. In den molen? neen, bij den naad.
330. Dat het brood niet spreken kan.
531. li ij de entre.chat.
832. De baander.
51(3. Beide staken als de posten niet geregeld Inkomeu. 53S. De strijkstok eener viool.
535. Het ongemak.
530. Hel eerste heeft slechts éen, het laatste vele wee s
537. Die de oogen het dichtst by den staart hebben.
538. Züns geiyken.
539. Wanneer een bochel in een kuil valt.
540. Een poliood.
541. Omdat hü niet by hen was; dan had hy het mon
deling gedaan.
542. Een geheim.
543. Waar het ondiep is; waar hel diep is, zwemmen ze.
544. De geit, die heeft hei eerst kruiden gezocht en
pillen gemaakt,
545. De echo.
548. Oorvijgen.
5n. Arabella.
548. De echo.
549. Paardenhaar.
550. Men grypt er langzaam na
531. Van den diamant.
352. Ze moeten dlkwyis roeren.
553. De poederzak.
554. In geen.
535. Die van sleutels.
556. Hansworsten.
557. Om zyn bals.
558. Omdat ze daar In het gras kunnen byten.
79
antwoorden.
359. De zadel.
5ti0. In Kome, daar heeft bi) een stedehouder. 561. Omdat ie eerst na de Itiee komen. 5«-2. Het afscheid SB3. Tweedracht.
564. Het jeuken en hügevolg het krabbelen.
565. Docters en heelmeesters.
566. Op het baar.
567. Van dat waar men op de vraag of by belaslint'
moet betalen, neen zegt.
568. Het water, het draagt schepen en brengt werk
tuigen in beweging.
569. Den -21'quot; Juli. dan beginnen de bondsdagen.
570. Het hoofd.
571. De dichter, die heeft oen dichtader
572. De hangklok.
573. Ken dagreis.
574. Beiden zoeken te treffen.
575. Overal, want zü blazen door den hoorn.
576. Om het behoud onzer neuzen.
377 Die van Babel.
578. Omdat by van achteren geen oogen heeft.
579, Den leugenaar, want niemand gelooft hem. 580 Die der luien.
581. De bodem.
58i. In den dierenriem.
80
f