ocr page 1

n

/ ■

Het grappige

raadselboek

OOK VOOR

OM ZICH IN GEZELSCHAPPEN TE VERMAKEN

BIJEENG EEK ACHT DOOK

y- F.

Veritas delectat.

11 y !i Jes moments oil rien que des bagatelles tious reuvent amuser.

voltaire.

Achtste Druk.

ARNHEM—NIJMEGEN, y WEI GrEBR. E. amp; M. COHEN, \ - __________

f ^ raM ^ - wj

' quot;«JW- Afil ' .

ocr page 2

ylZs verscheidenheid smaak aanbrengt, en als Voltaike de waarheid spreekt, namelijk, dat er oogenblikken zijn in welke bagatellen alleen ons kunnen vermaken, dan durft de Verzamelaar dezes zich een goeden aftrek van dit boekske beloven; en hiermede allen, die deze bladen in handen nemen en lezen, vaartwel gezegd.

J. M. P. /

W. b. D.

October 1859.

ocr page 3

- RAADSELS.

1. Mijn woord drukt eeue bloedverwantschap uit,

en van achteren af gelezen drukt het dezelfde bloedverwantschap uit.

2. Waar in ons koninkrijk trouwen er meer vrou

wen dan mannen?

3. Wie is van edeler afkomst, de man of do

vrouw?

4. Wanneer is de leeuw een leeuw?

5. Welke wieg is de grootste die er bestaat of

heeft bestaan?

6. Wie praten meesttijds van zichzelven? X 7. Maak eens iets van niets.

8. In welk land van Europa hebben de meeste

misgeboorten plaats ?

9. Noem mij een goed Hollandsch woord, dat het

onderste boven gelezen, hetzelfde uitdrukt.

10. Ik ben noch pot, noch pan, noch ketel; echter

wordt er eiken dag in mij gekookt, en niemand kan mij missen om te koken.

11. Wie heeft de meeste vyanden?

ocr page 4

12. Wat is bij een zittend mensch, het meest te verwonderen ?

,,13. Een boer ging met eieren ter markt: — hij verkocht ze niet, hij brak ze niet, hij gaf ze niet weg, ook ontstal men ze hem niet; echter kwam hij zonder eieren thuis.

14. Waarom zegt men; »eon man een man, een

woord oen woord maar nimmer: »Eeu vrouw, een vrouw, een woord, een woord ?quot;

15. Ik ben met eene kroon geboren, wanneer ik

verrot ben, eerst dan ben ik in achting. IC. Mijn ouderdom is niet te bepalen; de tijd slijt mij niet af; men vindt mij in bijna alle kranten en in honderden boeken ; men vindt mij dikwijls als men mij niet verlangt te vinden, en men verlangt dikwijls dat ik gevonden zal worden.

17. Ik ben aan een vader dubbel noodig voor zijn

zoon, en nog eens dubbel noodig, wanneer hij zijn zoon aan eene broodwinning wil helpen.

18. Door drukken en persen word ik geboren. Door drukken en persen ga ik verloren,

mijn eigenaardige kleur heeft aanleiding tot een spreekwoord gegeven.

19. Welke worp van dobbelsteenen is de besteworp?

20. Hoe diep is de diepste diepte der zee?

21. Ik ben een nietig ding; maar ik heb negen vrien

den, en ieder van hen maakt mij vruchtbaar. Somtijds gebeurt het, dat mijne vruchtbaarheid ontzaglijk groot is, doch als ik den vriend die zich aan mij verbindt, den voorrang weiger, is er op mijne vruchtbaarheid niet te rekenen.

ocr page 5

5

22. Meest alle dingen worden kleiner of minder,

wanneer men er iets afdoet; ik echter word grooter hoe meer men van mij afneemt.

23. Ik ben somtijds een man, somtijds een vrouw;

doch wordt de voorlaatste letter van mijn woord weggenomen, dan ben ik een mans dracht, zelden de dracht eener vrouw.

24. Mijn woord drukt een zegen uit; doch mijne

voorlaatste letter weggenomen zijnde, drukt hei: een vloek uit.

25. Ik ben een algemeen bekende, smakelijke

vrucht; doch wordt mijn voorletter mij ontnomen, zoo geef ik een vocht of drank te kennen, mede algemeen bekend, en afkomstig van die vrucht.

26. Wat is lang, kort, traag en snel?

27. Ik ben geen vogel, ook geen insect, doch ik

beweeg mijne vleugels, mij van de natuur gegeven, gezwinder dan menige vogel.

28. Ik ben een mensch: doch van achteren af

gespeld, ben ik een vloeistof.

29. Ik weet wat gij zeker beleeft.

i 30. In welke steden sterven de meeste men-schen ?

31. Salomo had wijsheid, maar wat gaat er boven

wijsheid ?

32. Welke roos bevalt u het minst?

38. Wat heeft geen einde ?

34. Mijne hand en mijn neus zijn één.

35. Jacob had twaalf zonen; wie was van al die ^ zonen een braaf vader ?

36. Wien helpt £;ij iederen dag aan brood?

ocr page 6

i

' r,

12. Wat is bij een zittend menscli, het meest te

verwonderen ?

13. Een boer ging met eieren ter markt: — bij

verkocht ze niet, hij brak ze niet, hij gaf ze niet weg, ook ontstal men ze hem niet; echter kwam hij zonder eieren thuis.

14. Waarom zegt men : »een man een man, een

woord oen woord naar nimmer: »Een vrouw, een vrouw, een woord, een woord ?quot;

15. Ik ben met eene kroon geboren, wanneer ik

verrot ben, eerst dan ben ik in achting.

16. Mijn ouderdom is niet te bepalen; de tijd slijt

mij niet af; men vindt mij in bijna alle kranten en in honderden boeken ; men vindt mij dikwijls als men mij niet verlangt te vinden, en men verlangt dikwijls dat ik gevonden zal worden.

17. Ik ben aan een vader dubbel noodig voor zijn

zoon, en nog eens dubbel noodig, wanneer hij zijn zoon aan eene broodwinning wil helpen. Door drukken en persen word ik geboren. Door drukken en persen ga ik verloren,

mijn eigenaardige kleur heeft aanleiding tot een spreekwoord gegeven.

Welke worp van dobbelsteenen is de beste worp? Hoe diep is de diepste diepte der zee ?

Ik ben een nietig ding; maar ik heb negen vrienden, en ieder van hen maakt mij vruchtbaar. Somtijds gebeurt het, dat mijne vruchtbaarheid ontzaglijk groot is, doch als ik den vriend die zich aan mij verbindt, den voorrang weiger, is er op mijne vruchtbaarheid niet te rekenen.

.É^l

ocr page 7

5

22. Meest alle dingen worden kleiner of minder,

wanneer men er iets afdoet; ik echter word grooter hoe meer men van mij afneemt.

23. Ik ben somtijds een man, somtijds een vrouw;

doch wordt de voorlaatste letter van mijn woord weggenomen, dan ben ik een mans dracht, zelden de dracht eener vrouw.

24. Mijn woord drukt een zegen uit; doch mijne

voorlaatste letter weggenomen zijnde, drukt het een vloek uit.

25. Ik ben een algemeen bekende, smakelijke

vrucht; doch wordt mijn voorletter mij ontnomen, zoo geef ik een vocht of drank te kennen, mede algemeen bekend, en afkomstig van die vrucht.

26. Wat is lang, kort, traag en snel?

27. Ik ben geen vogel, ook geen insect, doch ik

beweeg mijne vleugels, mij van do natuur gegeven, gezwinder dan menige vogel.

28. Ik ben een mensch; doch van achteren af

gespeld, ben ik een vloeistof.

X 29. Ik weet wat gij zeker beleeft.

i 30. In welke steden sterven de meeste men-schen ?

31. Salomo had wijsheid, maar wat gaat er boven

wijsheid ?

32. Welke roos bevalt u het minst?

33. Wat heeft geen einde ?

34. Mijne hand en mijn neus zijn éón.

.35. Jacob had twaalf zonen ; wie was van al die ^ zonen een braaf vader ?

36. Wien helpt gij iederen dag aan brood?

ocr page 8

37. Ik draag lasten hoen en weder over het

water, en verroer mij echter niet.

38. Wie wordt er mooier na zijn dood ?

^39. Waar ging Mozes naar toe, toen hij 13 jaar oud was ?

quot;h 40. Wie is eer geweest, de baard of de man ?

41. Welke pop, zonder armen aan het lijf, is

echter eene volmaakte pop ?

42. Het is in de vrouw en niet in den man. En wel in het bier, maar niet in de kan.

43. Potschrapers en tafeldekkers komen niet in

den hemel.

44. In welken tijd heeft men de meeste sterfgevallen?

45. In welken vloed is het best zich te baden ?

46. Die mijne tanden vreezen zijn er erg aan toe.

47. Noem mij een woord van ééne lettergreep, \ dat negen letters bevat.

\ 48. Wat doet gij het eerst als gij 's morgens

opstaat ?

49 Een dag na mijne geboorte ben ik niet meer.

50. Wie was de eerste vrager ?

51. Wie hoort zonder ooren en spreekt zonder tong ?

52. Wie zag ooit een halven varkenskop met twee ^ oogen ?

53. Welke Nederlandsche provincie kan men nat en droog noemen ?

54. Wanneer, in den zomer, neemt men de vreemdste gezichten waar bij de menschen ?

55. Hoeveel is twee en twintig van twintig ?

56. Welke zijn de langste dagen in het jaar ?

57. Welke nacht is de langste?

58. Wie maakt de volste kerk leeg ?

ocr page 9

1

59. Welk onderscheid is er tusschen een horloge

maker en een lief meisje?

60. Wie laat alles groeien en bloeien ?

61. Wie is in een huishouden de oprechtste en

eerlijkste?

62. Een goed huishouder moet zorgen voor B. B.

B. B. B.

63. Van welke vellen houden de meisjes veel?

64. Twee maal twee is twaalf.

65. Noem mij eens een man of eene vrouw zon

der aangezicht!

66. Wie is er, behalve Henoch, geboren en niet

gestorven?

^67. Wie mij niet krijgt is somtijds zeer ontevreden, en krijgt hij mij, dan tracht hij mij weg te maken.

68. Zeven van twee, rest drie.

(59. Wat staat er midden in den hemel op drie pooten.

70. Gij hebt het voor u, op zijde van u en achter

u, en het is weg.

71. Wie zocht, toen hij wakker werd, zijne vrouw in

bed, en vond zijne zuster naast zich liggen ? y^72. Ik ga dikwijls uit; echter vindt gij mij altijd thuis.

73. Wat is vrijen ?

74. Welke vogel drinkt niet?

75. Hoe kan men van een paplepel een lepel pap

maken, zonder er pap in te doen?

76. Wat ruikt er al spoedig, wanneer gij ergens

komt, waar men aardappelen en nien schilt ?

ocr page 10

6

37. Ik draag lasten hoen en weder over het

water, en verroer mij echter niet.

38. Wie wordt er mooier na zijn dood ?

^39. Waar ging Mozes naar toe, toen hij 13 jaar oud was ?

quot;/. 40. Wie is eer geweest, de baard of de man ?

41. Welke pop, zonder armen aan het lijf, is

echter eene volmaakte pop ?

42. Het is iu de vrouw en niet in den man, En wel in het bier, maar niet in de kan.

43. Potschrapers en tafeldekkers komen niet in

den hemel.

44. In welken tijd heeft men de meeste sterfgevallen?

45. In welken vloed is het best zich te baden ?

46. Die mijne tanden vreezen zijn er erg aan toe.

47. Noem mij een woord van ééne lettergreep,

dat negen letters bevat.

48. Wat doet gjj het eerst als gij 's morgens

opstaat ?

49 Eet dag na mijne geboorte ben ik niet meer.

50. Wie was de eerste vrager ?

51. Wie hoort zonder ooren en spreekt zonder tong ?

52. Wie zag ooit een halven varkenskop met twee ^ oogen ?

53. Welke Nederlandsche provincie kan men nat

en droog noemen ?

54. Wanneer, in den zomer, neemt men de

vreemdste gezichten waar bij de menschon ?

55. Hoeveel is twee en twintig van twintig ?

56. Welke zijn de langste dagen iu het jaar?

57. Welke nacht is de langste?

58. Wie maakt de volste kerk leeg ?

ocr page 11

59. Welk onderscheid is er tusscben een horlogemaker en een lief meisje?

lt; 60. Wie laat alles groeien en bloeien ?

61. Wie is in een huishouden de oprechtste en

eerlijkste?

62. Een goed huishouder moet zorgen voor 13. B.

B. B. B.

63. Van welke vellen houden de meisjes veel?

64. ïwee maal twee is twaalf.

65. Noem mij eens een man of eene vrouw zon

der aangezicht!

66. Wie is er, behalve Henoch, geboren en niet

gestorven?

^gt;lt;.67. Wie mij niet krijgt is somtijds zeer ontevreden, en krijgt hij mij, dan tracht hij mij weg te maken.

68. Zeven van twee, rest drie.

69. Wat staat er midden in den hemel op drie pooten.

70. Gij hebt het voor u, op zijde van u en achtor

u, en het is weg.

71. Wie zocht, toen hij wakker werd, zijne vrouw in

bed, en vond zijne zuster naast zich liggen ?

72. Ik ga dikwijls uit; echter vindt gij mij altijd

thuis.

73. Wat is vrijen ?

74. Welke vogel drinkt niet?

75. Hoe kan men van oen paplepel een lepel pap

maken, zonder er pap in te doen?

76. Wat ruikt er al spoedig, wanneer gij ergens

komt, waar men aardappelen en nien schilt ?

ocr page 12

ê

77. Wat krijgt men met pijn, en verliest metl

doorgaans met pijn?

78. Hoe kan men rooden wijn in water veranderen?

79. Ik kom in den hemel, ofschoon ik dag op dag

stomdronken ben.

80. Welke deuren zijn het veiligst gesloten?

81. Hoe legt gij het aan om den Bijbel metvrucht

te lezen ?

82. Een meisje is een meisje, het geheele land

door, wat is raadzaam voor haar, als zij gaarne trouwen wil ?

83. Wien hoort men alle talen spreken ?

y84. Welk onderscheid is er tusschen een papiermolen en eene kroeg?

85. Welke dingen doen de menschen het] meest ?

86. Welke overeenkomst en welk verschil is er

tusschen advocaten en scharen ?

87. Welke menschen willen altijd hooger op?

88. Wie wist er, zonder dat iemand het bemerkte,

een groot kerkgebouw weg te halen, en twee boerenwoningen in de plaats te zetten ?

89. Met ons vijven maken wij zeven, ook met ons

vieren en met ons twaalven.

90. Ik heb mijn vader zien doopen en mjjne moe

der zien trouwen ?

91. Hoe ver is de zomer van den winter?

92. Aan drie heeren werden drie eendvogels, die

gebraden waren, voorgezet. Ieder at er een van, nu bleven er nog twee eendvogels over.

93. Hoeveel is de helft van drie?

94. Welk een onderscheid is er tusschen een klee-

dermaker en een herbergier ?

ocr page 13

9

95. Men hoeft mij nog nooit naar het leven afge-

teekend ; echter bestaan er vele afbeeldingen van mij.

96. God, die alles ziet, ziet het nimmer.

97. Hoe kan men een goeden maaltijd houden, zon-~f~ der eten?

98. Spel mij van voren of van achteren af, ik

blijf altijd eene juffer.

99. Of gij mij van de rechter- of van de linkerzijde

spelt, ik druk juist twee tegenstrijdige kleuren uit ?

100. Ik weet wie u naar het graf zal brengen.

101. Mijn geslacht is ouder dan Adam; ik loop 1

altijd blootvoets; ook doen dit mijne vrouwen. Trouwen doe ik nimmer, ofschoon ik een liefhebber van de vrouwen ben, en zij houden ook veel van mij. Twist heb ik er nooit mede ; doch dikwijls met hen die van mijn geslacht zijn, en dat geeft niet zelden den menschen een groot vermaak. Noem mijn naam eens, dan zal ik u den naam van eene mijner vrouwen noemen.

102. Abraham, Isaak en Jacob hebben mij gekend:

ook Mattheus, Markus, Lukas, Jacobus, Johannes en Paulus; de paus kent mij insgelijks; van Luther wil ik niets weten, doch wel van Calvijn.

103. Welke snijder gebruikt geene schaar, geene

naald, en geen draad ?

104. Ik en mijne zuster hebben samen den naam

van eene bekende specerij ?

105. Waarom heeft een bakker zijn ovenaltijd in huis?

ocr page 14

10

106. Ik beu eene stad in Zuid-Holland ; als mijn

beginletter mij ontnomen wordt, druk ik niets uit ?

107. Het kan gelukken om blinde menschen ziende

te maken. Hoe dan?

108. Ik bezit vier beeuen; en wanneer ik u die

geef, dan blijven mij nog twee beenen over.

109. Welk wild wordt nimmer geschoten, hoe lekker

het ook van smaak zij ?

110. Welk onderscheid is er tusschen Twee maal V- Twee en Zuurkool ?

111. Wat is er in uwe opperkleederdracht warmer

dan een duffelsche jas ?

112. Welke worsten mag men gaarne zien; doch

er van te snoepen probeert men niet ?

113. Welke dracht is bijna zoo oud als de wereld?

114. Wat kan er door de glazen vallen zonder ze Ys te breken ?

115. Noem mij drie psalmen, die te zamen 9 verzen

hebben !

116. In welke maand wordt het minste vleesch

gegeten ?

117. Hoe moet men honderd vijftig ezels schrijven,

om daarvoor zeven letters te gebruiken?

118. Noem mij een paar mansnamen, die van voren

of van achteren gespeld, altijd dezelfde blijven!

119. Welk mensch ik ben, kunt ge spoedig weten. Lees mij verkeerd, dan zult ge mij graag eten.

120. Wie was de zondaar, die zijne moeder den

dood heeft aangedaan, zijn vader heeft helpen

ocr page 15

11

van kant maken, en daarna zijne zuster getrouwd heeft ?

121. Welk ambacht is het zedelijkste ?

122. Daar is geen kluis, zonder luis.

123. Wanneer zijn de kleine visschen het best om

te eten ?

124. Mijn woord drukt een meervoud uit ; doch

van achteren af gespeld, drukt het een enkelvoud uit.

125. Mijn woord geeft eene kleur te verstaan;

maar spelt men mij van achteren af, dan heb ik eene andere kleur.

126. Welk slag van menschen hebben ons het

meest bij den neus ?

127. Ik ben eene stad in Holland; doch wordt

eene van mijne voorletters weggenomen, dan ben ik een visch.

128. Men vraagt een zelfstandig naamwoord, mins

tens van twee letters, zonder medeklinker ?

129. Wie had, na zijn slaap geen rust meer ?

130. Mijn woord van twee lettergrepen geeft een

huishoudelijk voorwerp te verstaan, dat men van hout, van blik, somtijds van koper, nooit van goud of zilver, in gebruik heeft ; plaats mijne laatste bij mijne eerste letter, en dan mijn woord van achteren af gelezen, vindt gij wederom wat mijn woord uitdrukte, toen gij het van voren af hebt gelezen.

131. Hoe moet men het volgende getal uitspreken

6,593,784,931,872 ?

132. Hoe zou men zich zeiven tot vader maken

van zijn vader ?

ocr page 16

i2

133. Welke zijn de kortste woorden, die een

goeden zin opleveren, waarin alle vijf do klinkletters voorkomen ?

134. Noem mij een woord, dat in het Pransch

en in het Hollandsch eveaeens gespeld, en eveneens uitgesproken wordt, en in de beide talen dezelfde beteekenis heeft ?

135. Ik lach met n, — ik huil met u, — ik kus

met u, — ik snuif met u, — ik brei en ik naai met u. — Wie ben ik ?

136. Het is gisteren nieuwejaar geweest en moi'gen

is het kerstdag.

137. Het graf leefde,

Die er in was beefde.

Het graf at.

Die er in was bad.

138. Wat doen alle menschen tegelijk ?

139. Mijn woord, uit vier letters bestaande, drukt

een zeer bekenden mansnaam uit; ontneem mij mijne laatste letter, dan ben ik, of kinderkost, öf goed tot verzachting en genezing.

140. Als uw meisje en gij u te zamen alleen be

vindt, is het gemakkelijk te raden, waar gij uwe hand en waar zij hare hand houdt.

141. Ik heb geen lichaam, echter ik ben er: men

kan mij noch ruiken noch proeven, noch voelen noch hooren; maar wel mij zien.

142. God gaf een gebod en meende het niet,

Het werd volbracht, schoon het niet is geschied.

143. Mijn meisje heeft tien nagels aan iedere hand

vijf en twintig aan handen en voeten. (Eer

ocr page 17

13

men dit als raadsel voordraagt, moet men zich bekend maken met de oplossing.)

144. Binnen den tijd van een jaar ben ik geboren,

en was ik vrouw en moedor.

145. Naar welke zaligheid verlangt niemand ? 14ü. Welke jakjes zijn de warmste?

147. Welke bieren maken de moeste schuim ? \

148. Wie staat het vrij om zich met stelen op

te houden ?

149. Hoe meer ik mijn voordeel behartig, hoo meer

ik terug ga.

150. In welk beroep vallen de -meeste wisselval

ligheden voor ?

151. Wij hebben mot ons beiden twee hoofden on

slechts twee armen; zes voeten en slechts tien teenen.

152. Als gij mij slaat dan kruip ik weg, maar

mijn hoofd verraadt altijd waar ik ben.

153. Spel mij van don rechter-of van den linkerkant,

ik heb altijd eene opening.

154. Ik blijf zoo als ik eenmaal ben. Ben ik jong,

dan blijf ik jong; ben ik oud dan blijf ik oud; ben ik vriendelijk dan blijf ik vriendelijk; ben ik stuursch dan blijf ik stuursch. Ik heb oogen, ooren, mond, kin en handen.

155. Wie werkt er om zijn brood altijd tegen hot

licht in ?

15G. Welk ambacht is er uit do eerste van do zeven doodzonden geboren ?

157. Kunt gij uitspreken: 10 □ 5?

158. Ik heb meer bezoek van jonge lieden dan van

ocr page 18

14

bejaarden; uit den hoogen en lagen stand komt men tot mij; doch ik ben een zeer gezochte visch, als men de voorlaatste letter van mijn woord ontneemt.

159. Mijn woord bestaat uit zes lettergrepen, en

het is gansch niet vreemd, dat men de beide eerste lettergrepen dubbel uitspreekt.

160. Wat volgt er op de eeuwigheid?

161. In de kaartspellen, die men thans ver-

koopt, treft men geen schoppenboer meer aan.

162. Ik weet waarom gij lacht.

163. Noem mij een vrouwelijken naam, die van

achteren of van voren af gespeld eveneens klinkt!

164. Om 45 van 45 af te trekken en 45 over to

houden ?

165. Hoeveel kaarsensnuiters kan meu van het ge

tal 155322 maken?

166. Wat is de gansche wereld door voor acht?

167. Hoeveel borrelglaasjes maakt men van het

getal 2220 ?

168. Hoeveel is de helft van twee en dertig?

169. Kuni gij, als gij een gezelschap hebt verla

ten, bij het terugkomen precies zeggen, welke lichaamsdeelen, degeen door wien gij wordt weder geroepen, in uw afzijn verroerd heeft ?

170. Wiens middel van bestaan is het, dat men

zijn werk met voeten trappe ?

171. Hoe kan men oen getal verminderen door

bijvoeging?

172. Kunt gij een stuk geld uit de eene hand in

ocr page 19

15

de andere brengen, zonder de handen tot elkaar te voegen.

173. Hoe moet men elf centen leggen in den vorm

van de t, zoodat men altijd, van onderen af naar boven tellende, met inbegrip van de helft van de dwarsstreep der t het getal negen verkrijgt ?

174. Hoe kan men een cent of een ander stuk

geld van onder een schotel wegnemen zonder den schotel aan te raken ?

175. Onder Koning Willem I zijn de centen in ge

bruik gekomen, die met zijn naamletter versierd zijn; en toen hij afstand van zijn troon deed, naar buiten 's lands vertrok en hertrouwde, begonnen de naamletters van eenige centen, met een blinden of afgesloten cent in hun gezelschap, van dat vertrek naar buiten 's lands en zijn hertrouwen te spreken. Onderricht ons eens, op welke wijze dit toeging, en hoeveel centen er bij elkander waren ?

176. Kunt gij zitten waar uwe partij niet zitten kan ?

177. Hoe moet men stok met drie letters schrijven ?

178. Hoe kunnen de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7,

9, door vermenigvuldiging tot eenerlei cijfer gebracht worden ?

179. Mijn buurman heeft een licht bruin hondje van

Engelsch ras. Hoe is zijn naam ?

180. De hel is in den hemel, niet de hemel in de

hel.

181. Als gij vier stukken in de hand neemt; hoe

kunt gij ze teruggeven en er vijf behouden ?

ocr page 20

16

182. Ik beu eeu groote schat, bestaaudo in twee

lettorgrepen; mijn laatste lettergreep drukt den uaam van een afgod uit; het Oude Testament maakt er melding van. Men vraagt naar den naam van dieu schat ?

183. Mijn hoofd is dikker dan mijn lijf; maar ik .

deug evenmin zonder hoofd als zonder lijf, en ben het meest bij vrouwen in gebruik.

184. Hoe kan men met drie letters het woord

ooievaar schrijven ?

185. Waarom houdt de haan altijd zijne oogen dicht

als hij kraait ?

186. Wanneer ziet gij een menschelijk lichaam

zonder hoofd ?

187. In welk beschaafd land is het trouwen aan

de meisjes verboden ?

188. Wat is bij het stilzwijgen overtollig?

189. Welke ezel heeft ooit het hardst geschreeuwd?

190. In hetzelfde oogenblik, dat ik verschijn, verdwijn

ik en die mij achtervolgt, doet het met donderend geweld.

191. Ik vraag een Hollandsch woord van vier en

twintig letters.

192. W elke dieven laten zich het gemakkelijkst

vangen ?

193. Ik ben bij alle ongelukken. Bij den loodgie

ter laat ik mij meer dan bij den goudsmid vinden; doch in het geheel niet bij den zilversmid.

194. Noem mij een woord, dat in de Hollaudsche

taal doorgaans enkelvoudig gebruikt wordt, doch in de Pransche taal altijd meervoudig?

ocr page 21

17

'195. Vertaal iu het Pransch don navolgenden vul-zin : »Bene vrouw is ook een mensch.quot;

196. Hoe schrijft men Amsterdam zonder a ï

197, Welk getal geeft u even veel, hetzij van vo

ren, hetzij van achteren gespeld ? '198. Ik ben een bekend, doorgaans 'schadelijk dier; een tuinliefhebber mag mij gansch niet lijden ; gij verheft mij tot een mensch, indien gij mijne derde letter wegneemt.

199. Ik bon eene bloem, maar de laatste helft

van mijn woord geeft een groot en nuttig dier te kennen.

200. Ik ben een scheut of uitspruitsel van een

boom of plant; doch zoo mijne voorlaatste letter mij ontnomen wordt, dan doe ik uw geluk of ongeluk van mij afhangen.

201. Mijn woord drukt een visch uit; doch zoo

mijne voorletter wordt weggenomen, dan duid ik een hemellichaam aan.

202. Wij zijn zusters en hebben bijkans gelijken

ouderdom. De helft van ons getal staat mot het hoofd omhoog, en de andere helft van ons getal, met den voet naar boven. Wij houden ons meesttijds bedekt, doch ongekleed en naakt laten wij ons ook kijken. Wij kunnen veel kwaads doen, doch veel goeds doen wij ook 1

203. Wij zijn twee broeders, bestemd om lasten

te dragen : doch zelden op de straat, altijd in huis. 13ij feesten, concerten en danspartijen zijn wij contrabande; vrouwen zoowel als mannen houden veel van ons.

ocr page 22

18

204. Welke menschen vervelen zich zeiven?

205. Wclko bloem eet men zeer gaarne?

206. Ik ben eene Hollandsche stad; doch wordt

mijne middelste letter weggenomen, dan ben ik een dier, wiens steek u ter dege kan zeer doen.

207. Ik ben een gevaarlijk beest, doch indien gij

mij mijne eindletter ontneemt, dan ben ik het nuttig voortbrengsel van een gansch niet gevaarlijk dier.

208. Ik ben een drank; doch als gij de opwaart-

sche streep van eene mijner letters laat afdalen, dan geef ik een worm te kennen.

209. Welke menschen zijn de grootste leugenaars ?

210. Mijn woord, uit vijf letters bestaande, drukt

een redeloos dier uit; wordt mijne middelste letter weggenomen, dan druk ik eene zeer goede hoedanigheid van dat dier uit.

211. Mijn woord drukt oneven uit, maar als gij

mijne beginletter wegneemt hebt gij even.

212. My a woord geeft een hatelijk wijf te kennen;

doch wanneer gij de opwaartsche streep van mijne laatste letter laat afdalen, dan verander ik in eene stoffaadje welke tot den rouw gebruikt wordt.

213. Hoe kan men met een zak zand twee zakken

vullen die even groot zijn als de zak zand is ?

214. 'k Ben, rechts gespeld, meest altijd in t gesprek. En spel mg links, zoo ben ik in 't vertrek.

215. Aan welken der twee kanten hebben de scha

pen de meeste wol ?

216. Over eene rivier ligt eene brug, zonder welke

ocr page 23

19

men den overkant niet wel anders dan met een vaartuig, of door zwemmen kan bereiken. Wanneer nu deze brug weg ware, wat raad dan voor iemand, die niet varen durft noch zwemmen kan, om aan den overkant te komen ?

217. Ik heet zoo als ik bon, en ben zoo als ik heet; Raadt gij niet wat ik ben, gij weet toch hoe ik heet.

218. Toen gij niet hadt, mocht ik n niet geven;

nu gij echter niet hebt, en ik ook niet heb, wil ik u geven, wat ik, toen ik had, u niet geven mocht.

219. Men make van de drie volgende regels, van

welke men de woorden naar eigen believen verzetten mag, vier wel sluitende volzinnen! Knecht, Berg, Heer,

goed boven al,

knecht, dal Rechter.

220. ïwee vaders en twee zonen gingen op de

jacht. Zij schoten drie hazen en verdeelden ze onder elkaar ; toen bekwam elk een haas. Hoe ging dit toe ?

221. Die mij maakt, begeert mij niet, die mij

bestelt, wil mij niet; die mij koopt, behoeft mij niet; die mij gebruikt weet er niets van.

222. Wit word ik geboren ; daarna word ik groen

en gij versmaadt mij, vervolgens word ik rood of zwart, en krijg een hart, dat zoo hard is als een steen, en dan bemint gij mij.

223. Ik heb geen hoofd, doch wel een mond; ik

heb ook armen, doch geen voeten; echter loop ik dikwijls sneller dan gij.

ocr page 24

20

224. Een tweeling, beide ten zelfden tijde geboren

en die ook ten zelfden tijde sterven, kunnen echter, de eene meer dagen dan de andere geleefd hebben. Hoe dan ?

225. Wie loopt er 's morgens op vier, 's middags

op twee, 's avonds op drie voeten ?

226. De weelde heeft mijn beroep voortgebracht.

Nu ik er ben, dien ik aan drie zintuigen genoegen te geven, en wanneer ik dat niet weet te doen, dan deug ik in mijn beroep noch ter rechter- noch ter linkerzijde.

227. Links gespeld drukt mijn woord een belasting

uit, spel mij rechts, en hot moge u welgaan !

228. Beklaag mij, wanneer ik ooit word wat mijne

linksche spelling uitdrukt, en ik wil u toe-wensehen, dat gij nimmer moogt worden wat mijne rechtsche spelling te kennen geeft.

229. Mijn woord bevat twee lettergrepen : de eerste

van deze drukt eene werking uit in de natuur ; wat de tweede beteekeut, vindt gij bij een bakker ; mijn geheel is een ondragelijk mensch.

230. Iemand heeft eene dochter, die door vier min

naars tegelijk tot vrouw wordt gevraagd; het meisje mag hen allen even gaarne lijden, eu het is den vader onverschillig aan wien hunner hij zijne toestemming zal geven. Hij komt op den inval, hun vijf letters op te geven ; met deze zullen zij een goeden volzin moeten vervaardigen, eu hij belooft zijne dochter aan dengene, wiens volzin hem het meest zal behagen; de letters zijn: G-. T. M. W. K.

ocr page 25

21

Dejongelieden gaan volgonderwijze aan hot werk; A brengt den volzin voor don dag: »Ga tot

mijne wettige kerk!quot;

Gij krijgt haar niet, zoide do vader ; dewijl gij mijne dochter, die oeno andere religie dan de uwe belijdt, tot oeno afvallige wilt maken. C brengt den volzin voor den dag; »Ga tot

mijnen wijnkelder 1quot;

Ook gij krijgt haar niet, zoide de vader, dewijl mijne dochter nimmer in hot gevaar mag gebracht worden om zich te bedrinken. C brengt den volzin voor den dag; »grooto tooiioii mogen wijde klompen.quot;

(jij krijgt mijne dochter evenmin, zoide do vader, dewijl gij zulke vieze woorden aan een fatsoenlijk meisje uitkraamt.

D begrijpt om met de letters van achteren af den volzin klaar te maken ; hij slaagt daarin zoo gelukkig, dat de vader hem zijne docht er dadelijk toewijst.

Welke goede volzin is uit do letters G. T. M. W. K. van achteren af te beginnen, te bewerken ?

231. Mijne eerste twee lettergrepen hebt gij aan de

koe, mijne derde lettergreep aan het varken te danken. Jood en Christen, rijken en armen, doe ik smullen aan mijn geheel.

232. Welke mogendheden stelden in 1830 Nederland

op de proef? Men verlangt dat de voorletters dier mogendheden het woord proef uitdrukken.

233. Noem mij een in het huishouden onmisbaar

ocr page 26

22

voorwerp, dat eeu hoofd heeft als een knikker, een lijf als een bikkel en beenen als een ooievaar.

234. Het is in de vrouw, en niet in den man. Het is in het bier en niet in de kan.

Het is in het varken en niet in het spek, • Het is bij den verstandigen en niet bij den gok.

235. Ik ben hooger aan een huis, kleiner dan een muis, Ik ben zoo groen als gras en tevens witter dan

vlas.

236. Ik beu bij ieder in verdrukking: ooren heb

ik uiet, ik zou u anders eene menigte sermoenen kunnen mededeelen; dat hedeu mijn ingewand is, was vroeger eene bekleeding.

237. Is eeu huis eer af te breken of te timmeren?

238. Mijn tweede lid verkleint mijn eerste, dat

dikwijls klein genoeg is.

239. Twee goede vrienden, dertig uren van elkan

der, wasschen op hetzelfde oogenblik hunne handen in één water, en waar de een zijne handen droogt, droogt ook de andere zijne handen.

240. Mijn geheel is kinderen en dienstbaren gausch

niet onverschillig : mijn eerste deel past bijzonder aan jonge heeren en jonge juffrouwen ; doch mijn geheel is van eene ernstiger be-teekenis, en de Christen zoowel als de Turk, de Chinees en de Jood, zelfs vele Heidenen, nemen mijn geheel als een tijdvak aan hunne godsdienstige hulde waardig.

241. Kunt gij cijfers 1-2-3-4-5-6-7-8-9, in drie

reeksen zoodanig stellen, dat iedere reeks

ocr page 27

23

altijd de som van 15 oplevert, hetzij men iedere reeks van onderen af, of naar den rechter- of naar den linkerkant optelle ? 242. Hoe moet men de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, in vijf reeksen zoodanig stellen, dat iedere reeks altijd de som van 15 oplevert, hetzij men elke reeks van onderen af, of naar den rechter- of naar den linkerkant optelle V 243.5, 3, 5, i Van deze cijfers verlangt men 19, vier malen weg te vegen, zoo-3, 5, 3, : danig, dat er altijd 19 overschiet.

244. Men wenscht de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9,

tot eenerlei cijfer te brengen, en wel tot het cijfer 6 ?

245. Welke twee dingen van het mensohelijk lichaam

of daartoe behoorende, kan iemand zich gedeeltelijk kwijt maken zonder pijn te lijden ?

246. Op welke wijze kan men eene geheime brief

wisseling houden ?

247. Welk huisdier heeft de kleur van een kat ?

248. Noem mij eenige Hollandsche spreekwijzen, die - -

volstrekt onzin uitdrukken, ofschoon zij in de samenleving toegelaten zijn.

249. Ik- ben een vogel; mijn naam van achteren

af gelezen drukt uit wat ik bijkans onophoudelijk doe.

250. Hoe vele woorden vormt gij uit de letters van

den naam Johannes, zonder andere letters te gebruiken ?

251. Hoe kan men lachen en zuur zien op het

zelfde oogenblik ?

ocr page 28

22

voorwerp, dat een hoofd beeft als ecu knikker, een lijf als een bikkel en beenen als een ooievaar.

234. Het is in de vrouw, eu niet in den man. Het is in het bier eu niet in de kan.

Het is in het varkeu en niet in het spek, Het is bij den verstaudigeu en niet bij den gek.

235. Ik ben hooger dan eeu huis, kleiner dan een muis, Ik beu zoo groen als gras eu tevens witter dan

vlas.

236. Ik beu bij ieder in verdrukking: ooren heb

ik niet, ik zou u anders eene menigte sermoenen kunnen raededeelen; dat heden mijn ingewand is, was vroeger eene bekleediug. -f—. 237. Is een huis eer af te breken of te timmeren?

238. Mijn tweede lid verkleint mijn eerste, dat

dikwijls klein genoeg is.

239. Twee goede vrienden, dertig uren van elkan

der, wasschen op hetzelfde oogenblik hunne handen in één water, en waar de een zijne handen droogt, droogt ook de andere zijne handen.

240. Mijn geheel is kinderen en dienstbaren gansch

niet onverschillig : mijn eerste deel past bijzonder aan jonge heeren en jonge jufïrouwen ; doch mijn geheel is van eeue ernstiger be-teekenis, en de Christen zoowel als de Turk, de Chinees en de Jood, zelfs vele Heidenen, nemen mijn geheel als eeu tijdvak aan hunne godsdienstige hulde waardig. % ; 241. Kunt gij cijfers 1-2-3-4-5-6-7-8-9, in drie reeksen zoodanig stellen, dat iedere reeks

ocr page 29

altijd do som van 15 oplevert, hetzij men iedere reeks van onderen af, of naar den rechter- of naar den linkerkant optelle ? 242. Hoe moet men de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, in vijf reeksen zoodanig stellen, dat iedere reeks altijd de som van 15 oplevert, hetzij men elke reeks van onderen af, of naar den rechter- of naar don linkerkant optello ? 243.5, 3, 5, j Van deze cijfers verlangt men 19, vier malen weg te vegen, zoo-3, 5, 3, i danig, dat er altijd 19 overschiet.

244. Men wenseht de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9,

tot eenerlei cijfer te brengen, en wel tot het cijfer 6 ?

245. Welke twee dingen van het menschelijk lichaam

of daartoe behoorende, kan iemand zich gedeeltelijk kwijt maken zonder pijn te lijden ?

246. Op welke wijze kan men eene geheime brief

wisseling houden ?

247. Welk huisdier heeft de kleur van een kat?

248. Noem mij eenige Hollaudsche spreekwijzen, die - •

volstrekt onzin uitdrukken, ofschoon zij in de samenleving toegelaten zijn.

249. Ik ben een vogel; mijn naam van achteren

af gelezen drukt uit wat ik bijkans onophoudelijk doe.

250. Hoe vele woorden vormt gij uit de letters van

den naam Johannes, zonder andere letters te gebruiken ?

251. Hoe kan men lachen en zuur zien op het

zelfde oogenblik ?

ocr page 30

24

252. Waarin staat het zintuig des menschelijken

gezichts achter bij zijne overige zintuigen ?

253. Welke dingen koopt men gewoonlijk het laatst

en verkoopt men het eerst ?

254. Hoe kan men Engeland spellen met de be

ginletters van acht verschillende Nederland-sehe steden ?

255. Spel eens Frankrijk met de voorletter van acht

verschillende straten ?

256. Als eene klok heel- en halfslag voluit slaat

en hot kwartier naar gewoonte ; hoeveel slagen laat zij dan in vier en twintig uren hooren ?

257. Ik ontleen mijn naam van mijne tanden, en

om mijne tanden ben ik gezocht.

258. Ik kan mijne prooi noch zien, noch hooren,

noch ruiken; echter weet ik haar goed beet te krijgen.

259. Ik kan u aan eene tafel brengen, die van de

heerlijkste spijzen voorzien is ; gij overziet alles, maar uw mond en uwe maag blijven ledig, en zoodra gij weet wie ik ben, is er geene kans op om u iets van het gerecht te doen proeven.

260. Wat loopt tegelijk leêg en vol?

261. Wanneer ik rust, ben ik ongesteld of ik raak

ongesteld; daarom laat mij loopen, de rust kan u dienstig zijn.

262. Wat ik van mij geef is grauw en wordt

zwart; wat ik overlaat is grijs, en dan geven de meeste menschen mij weg.

263. Wat brandt nog vreeselijker dan vuur?

ocr page 31

'25

264. Men krijgt het niet door zorg en oppassen ;

doch men kan het, door zorg en oppassen, tot in een hoogen ouderdom behouden.

265. Wat was het grootste wonder toon Elias ton

hemel opvoer ?

266. Wie zaait niet ?

Wie maait niet ?

Wie ploegt nooit een veld ?

Wie heeft geen cent te borgen,

En leeft steeds zonder zorgen, Van honderden verzeld ?

267. Wat was was, voor was was was ? -h

268. Wat moet er noodwendig met haast ge

schieden ?

269. Wanneer wordt een mensch bedrogen.

Schoon hij ziet met bei' zijn oogen ?

270. Wat hebt gij als kind gedragen, dat u op

zijne beurt droeg?

271. Wie droeg er twee honderd pond gewicht

tusschen zijne tanden en liep er vlug mede voort?

272. Zou een kip niet spoediger een zak haver-/

opeten dan oen paard ?

273. Kent gij zes Nederlaudsche dorpen, welker be

ginletters te zamen het woord Zweden vormen ?

274. Noem mij drie Nederlandsche rivieren op,

waarvan de beginletters het woord mes samenstellen.

275. Welke kaarsen branden langer, de smeer- of'^,

de waskaarsenquot;?

270. Noem mij eeno diersoort, tot welker spelling alleen klinkletters gebruikt W)rden?

ocr page 32

26

277. Van welken Psalm heeft ieder vers een gequot;

lijkluidend slot.

278. Welk onderscheid is er tusschen den menscb

en salpeterzuur?

279. Otn uit het cijfertal XVII te lezen: »Ik ben

niet meer.

280. Noem mij een woord, waarin zevenmaal de

letter e voorkomt!

281. Ik leef slechts een oogenblik, maar laat een

talrijk kroost na.

282. Welk onderscheid is er tusschen een schilder

en een soldaat ?

283. Eene enkele Letter meer vernedert eene verhe

ven wetenschap tot eene keukenwetenschap ; welke letter is dat ?

284. Hoeveel woorden vormt gij van het woord

Teerpot, mits geene andere letters gebruikende, dan die in dat woord gevonden worden ?

285. Hoeveel woorden vormt gij met de letters van

het woord moede rlijk, mits geene andere letters gebruikende, dan die in dat woord voorkomen ?

286. Hoeveel woorden vormt gij uit de letters van

het woord b rand, mits geene andere letters gebruikende, dan die dat woord oplevert ?

287. Het vermogen van den afgetreden Koning der

Nederlanden, Willem I, werd begroot op twee honderd millioen gulden. Hoeveel had zijne Ex-Majesteit dan jaarlijks — maandelijks — wekelijks — dagelijks — ieder uur — elke minuut en eiken polsslag inkomen ? De rente berekend a vijf percent, en do polsslag

ocr page 33

27

op eeno seconde. Om in gecue germglieUen te vervallen worden geene gedeelten van oenten gevraagd.

288. Ik leef op het land en in het water; van

braafheid gesproken, behoor ik er bij; doch komt bet op deugd aan, dau moogt gij mij thuis laten; voor deugd heb ik niets over; evenwel ben ik gezet op vermaak; gij moogt mij op de straat, maar zult mij nooit in de open lucht vinden; ik ben bij dag zoowel als bij den nacht zichtbaar.

289. Hoeveel is de helft van nul ?

290. Mijn woord bestaat uit twee syllaben : de eerste

zegt u, dat ik niet bestand ben tegen vuur — de tweede doet u gaarne gelooven, dat ik voor water moet zwichten; mijn eerste deel moet voor mijn tweede, en mijn tweede voor mijn eerste onder doen; mijn geheel, uit zoo strijdige deelen bestaande, drukt een Hol-landschen mansnaam uit.

291. Mijn woord bestaat uit drie syllaben : de eerste

syllabe drukt een voorwerp uit, van teenen samengevlochten; mijn tweede verheugt eiken vrijer; mijn derde schuilt in het hart ; myn geheel doet aan een man denken! van wien ik de jongste zoon ben.

292. Een heel is zoo veel als een half, bij voorbeeld

een heele koe is zoo veel als een halve koe.

293. Waarom dragen de pastoors, bij het doen der

kerkdiensten altijd zwarte kousen ?

294. Ik ben in alle visoh ; bij fluit en viool ben ik

op de proppen ; met orgel, harp en trompet

ocr page 34

28

ontwijk ik; vadurs en moeders hebben mij niet, maar kinderen wel.

295. 't Hoofdje rond, en dikker

Dan een knikker ;

Beenen lang Als een tang;

Handen rond en plat,

Wat is dat ?

296. Een jongen die noch oogen noch armen had,

zag zijn meisje aankomen: hij liep naar haar toe, kuste en omarmde haar.

297. De beroemde Washington stierf het laatste uur

van den laatsten dag der laatste week in de laatste maand van het laatste jaar der laatste eeuw. Wanneer stierf hij ?

298. Welk vers in de boeken van het Oude Testa

ment is het kleinste ?

299. Welk vers in de boeken van het Nieuwe Tes

tament is het kleinste ?

300. Napoleon I had vier broeders ; noem mij hunne

namen, en zeg wat er van hem en zijne vier broeders geworden is.

301. Gij ziet mij altijd in eene schuit, echter nim

mer op het water; ik houd mij op bij het vuur, doch warmte ken ik niet; slechts bij guur en nooit bij mooi weder kom ik voor den dag; met ontevredenheid en klachten heb ik niets te maken, doch waar gehuil is ben ik tegenwoordig; gij ziet mij in ieder huis, in iederen tuin; gij kunt geen kusje vragen, of pakken, of ik ben jDresent; uwe buren hebben mij ook, zoowel uwe naaste als uwe overburen.

ocr page 35

29

302. Ik bun eene aardvrucht, somtijds lang, som

tijds rond, somtijds wit, somtijds goel ; doch mij omgekeerd lezende ben ik hot dubbel van mijn enkel.

303. Zou het waarheid zijn, dat de witte en zwarte

koeien eene mindere hoeveelheid melk ople-X veren dan de bonte ?

304. Een vierendeel is meer dan een geheel.

305. Welke goede gedachten kan het kaartspel ople

veren ?

306. Wie geeft ons gewillig, hetgene zij van ecu

ander leenen moet ?

307. Hoe kan men het even getal twintig door een

oneven cijfer doen opgaan ?

308. Ik ben nooit in den krijg, echter altijd in

't geweer en ook in het leger, men ontmoet mij gewis bij dobbelspel en oneenigheid; hoewel ik zeer voor eensgezindheid ben.

309. Gij kent mij als een dier, dat in den grond leeft;

ik ben bekend als een vrouwennaam, indien gij mij mijne eindletter ontneemt, en als een mensch, wanneer ik mijne beginletter verlies.

310. De naam van mijn beroep heeft dezelfde klank,

als de naam van zeker beest in de Fransche taal ; hoe heet ik ?

oil. Om met de beginletters van vier verschillende eilanden in ons koninkrijk gelegen, het woord mast te spellen.

312. Een hond vervolgt een haas, die 60 sprongen vooruit is. De haas doet 5 sprongen tegen 3 sprongen van den hond. Wanneer nu twee hondensprongen, gelijk zijn aan drie hazen-

ocr page 36

30

sprongen, hoeveel sprongen moet dan de hond doen om den haas te achterhalen ?

313. Welke is de grootste tegenstrijdigheid in de

vrouwelijke natuur ?

314. Iemand die lijf en ziel kwijt raakt, wat heeft

die vooral noodig?

315. Welk onderscheid is er tusschen eene slak en

eene kreeft ?

316. Zouden er in do maan ook aardbevingen zijn ?

317. Mijne eerste lettergreep duidt een viervoetig

dier aan, — mijn tweede herinnert u een gebak, — mijn geheel is een vogel, die zich meer hooren laat dan zien.

318. Als men twee van duizend afneemt, hoeveel

houdt men dan over ?

319. Juist als men mij den mond stopt mag mijn

praat gevreesd worden.

320. Men vindt in mijn woord het tegenoverge

stelde van wijs, het tegenovergestelde van laag, het tegenovergestelde van lafheid, het tegenovergestelde van kwaad, het tegenovergestelde van nederigheid, het tegenovergestelde van rust; wijders vindt men in mij, behalve eenige kleine woordjes, eene maat aangeduid, mitsgaders een hond, en een inwendig deel van een visch.

321. Welke overeenkomst is er tusschen een schoou

meisje en een locomotief?

322. Wie gaat,

Wie staat,

Wie ligt en zet zich nevens u,

Is altijd om u been,

ocr page 37

In stad of dorp, te land, op zee,

Gij zijt er nooit alleen ?

Betast gi) hem, — o doe het niet!

Hij is zoo koud als steen.

323. Mijn woord van slechts ééue lettergreep drukt

eene woning uit; doch wordt mijne hoofdletter mij ontnomen, dan herinner ik u eene bloem.

324. Gij vindt mijn geheel in mijne helft.

325. Mijn woord doet u aan eene kerkelijke plechtig

heid denken ; maar gij hebt ongelijk, indien gij mij, van achteren gespeld, geen beest noemt.

326. Wat is het onderscheid tusschen een krupp-

kanon en een roode neus.

327. Iemand had een paard, dat hij wilde verkoo-

pen bij de twee on dertig spijkers die hot beest in zijne hoefijzers had. Hij vraagt een penning voor den eersten spijker, twee penningen voor den tweeden, - vier voor den derden, acht voor den vierden, — zestien voor den vijfden, — twee en dertig voor den zesden, — vier en zestig voor den zevenden, — honderd acht en twintig voor den achtsten, — twee honderd zes en vijftig voor den negenden, — vijf honderd twaalf voor den tienden, — duizend vier en twintig voor den elfden, ■— twee duizend acht en veertig voor den twaalfden, — vier duizend zes en negentig voor dou dertienden, — acht duizend een honderd twee en negentig voor den veertienden, — zestien duizend drie honderd vier en tachtig voor den

ocr page 38

32

vjjftienden; en zoo bij iederen volgenden spijker verdubbelt hij telkens de penningen. Vraag :

Hoeveel penningen moest hij nu voor den laat-sten of' twee en dertigsten spijker bekomen, en dewijl hij op zijn voorslag een kooper gevonden heeft, welke som brengt het paaM in guldens aan den verkooper op ?

328. Om aan den navolgenden, oppervlakkig hoogst

brutaal opgestelden uieuvvjaars-zegengroet van een minnaar aan zijn meisje, door eene andere dan gewone lezing, een goeden zin te geven :

Mijnhart wenscht u een jaar, datreden geefttotklagen, Nooit wenscht het u een jaar met vele blijde dagen ; Het wenscht u dus een jaar, van pijn en droefenis, Nooit wenscht hut u een jaar dat rijk in zegen is ; Een jaar, om fallen tijd mV Schepper te verstoren. En nooit een dag of uur naar Godes Woord te hooren. Een jaar van ongeluk, ja dit beleve gij ? (mij. Een jaar dat vreugde schenkt, wensch ik alleen voor Gezondheid, lieve meid ! zal ik u nimmer wenschen. Maar altijd ziek te zijn, wensch 'k u en alle menschen. Ik wensch u in dit jaar, een zee van smart en zeer. Vooral niet wensch ik u, den zegen van den Heer! Ten slotte wensch ik u, dat gij u zelv' mishage, Eu nimmer is mijn wensch, dat God u onderschrage. Ik wensch, dat gij nooit ziet het hemelsch firmament. Doch dat uw ziel geniet de hel met zijn torment!

329. Waarorö is de schoone kunne niet als de

mannen gebaard ?

330. Hot eerste van mijn geheel, dat uit twee let-

ocr page 39

11

33

tergrepen bestaat, drukt den naam uit eens mans, het tweede den naam eener vrncbt, van welke reeds in den Bijbel wordt gesproken, en die bij ons als eene drogerij bekend is, drukt mijn geheel uit.

331. Ik heb een kleinen mond, maar mijn adem

kan zoo vreeselijk afschuwelijk zijn, dat noch menschen noch dieren hem kunnen uitstaan, lij,

zelfs niet op een groeten afstand?

332. Met vracht kan ik gaan,

Zonder vracht blijf ik staan.

338. Kunt gij de cijfers 1, 2,- 3, 4, 5, 6, 7,

8, 9, 10, H en 12 tot beginletters gebruiken bij het schrijven van een brief?

334. Hoe zult gij van acht of negen woorden, die

allen dezelfde beginletter hebben, een goeden volzin maken?

335. Een jonkman die geen handen had,

En oogen evenmin,

Kwam in een tuin, en zag aldaar,

Een appelboom er in ;

Hij nam een stok in zijne hand,

En sloeg een appel neör,

Hij zag hem vallen in het zand,

En sloeg er nog naar meer.

Wil mij toch eens zeggen,

Hoe dit uit te leggen!

336. In het machtig Engeland,

Heet ik een man van groot verstand ;

Doch ik ben ook een hondennaam,

Hoe gaat dit een en ander saam?

Als men omgekeerd mij spelt,

i

ocr page 40

34

Bell ik iets dat afkeer baart,

De beteekenis van mijn woord,

Worde nu, door ü verklaard !

337. Hoe moet men het aanleggen, om nooit rat

ten of muizen in een huis te krijgen ?

338. Het gaat met mij zoo wisselvallig als zich

maar denken laat: ik was knecht, ik was heer, ben wederom knecht en wederom heer geworden, en in die veranderingen van staat, at ik mijn brood altijd met tevredenheid.

389. Vijf studenten, wier toeleg het was om voor weinig geld, een zeer langen tijd lekker te eten en te drinken, vroegen den kastelein van een voornaam logement, hoeveel zij te zamen, in eens, zouden moeten betalen, indien hij hun voor zoovele achtereenvolgende dagen een goed bereid middagmaal opdischte, telkens mot een halve flesch goeden Bordeaux-wijn, voor ieder persoon daarbij, als het hun mogelijk zoude wezen om in eene andere orde aan te zitten, in dier voege dat zij nooit op dezelfde wijze geplaatst zouden zijn ? De kastelein vordert zestig gulden, en verzoekt de heeren, om voor die som, hoe eerder hoe liever hem te begunstigen. Er ware wellicht een bagatel te beknibbelen geweest op die vordering, doch algemeen wordt besloten hem dezelve too te staan, met de kennisgeving dat zij reeds morgen het eerste middagmaal zullen opnemen, en van dag tot dag terug zullen komen.

Hoeveel maaltijden zal de kastelein moeten

ocr page 41

35

opdisschen en tevens hoe vele halve flesschen wijn zal hij moeten leveren om aan het getroffen accoord te voldoen, en hoeveel geniet hij telkens daarvoor ? Hoe dikwijls kunnen vijf personen, telkens in eene andere orde aan tafel aanzitten, zoodanig dat zy nooit op dezelfde wijze geplaatst zijn ?

340. Welk onderscheid is er iu de vraag naar spek

en in de vraag naar ham ?

341. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen ?

342. Wie is er geboren, die geen jongen en ook

geen meisje was ?

343. Hoe kan uien de letters van het woord zo en op

vier en twintig wijzen, telkens onderscheiden plaatsen ?

344. Men vraagt de lezing van het volgende Raad

sel in een doolhof! De oplossing is: Een Voorsnijder.

bij

lijf

raakt

maat

men

ook

aan

van

pleizier

den

niet

onder

den

hebben

en

noch

zoude

snijder

het

den

weet

zoude

daarmede

groot

doen

persoon

die

draad

een

genoemd

rok

iemand

ook

men

nemen

zonder

zich

gezelschap

een

van

schaar

nauwer

naald

wie

en

gaarne

maken

het

te

te

bedienen

luid

weet

zegge

het

een

ocr page 42

36

345. Op welke eenvoudige wijze zoudt gij de beide

einden van den regenboog aan elkander kunnen knoopen?

346. Mijn woord van eene enkele lettergreep drukt

een geheel uit; doch van achteren af gespeld. ben ik slechts een deel van mijn geheel?

347. Ik wensch u hartelijk toe, dat de linksche

spelling van mijn eenlettergrepig woord, nimmer uw deel zij ; hoe heet ik ?

348. Het laatste deel van mijn tweelettergrepig

woord, wordt door mijn eerste deel vernietigd ; mijn geheel voorspelt mij een zeer kort bestaan ; kent gij mij nu ?

349. Het tweede en derde deel van mijn drieletter

grepig woord wedersproken mijn eerste deel! kunt gij mij noemen ?

850. Van welken kant gij mij gelieft te spellen, ik druk altijd eene ongezondheid uit ; noem mij nu eens.

351. Het eerste deel van mijn woord, uit vier letter

grepen bestaande, geeft iets te kennen dat nooit bestaan heeft en nooit zal bestaan ; in vereeniging met mijn tweede deel drukt het een uitslag uit, dat het begin van verderf aanduidt; mijn derde deel kan op geene school, ook op geen kantoor gemist worden, en dit derde deel met mijn laatste deel verbonden, behoort in de verzamelingen van kunstliefhebbers te huis. Mijn geheel herinnert den naam van een beroemd Nederlandsch Staatsman.

352. Of gij mij rechts of links spelt, ik druk het-

ocr page 43

37

zelfde uit; ook hebt gij mij ter rechter- en ter linkerzijde van nw persooi), en gij zoudt mij volstrekt niet willen missen.

353. Hoe kan men het onderste van een stoof, die

door een ander boven zijn hoofd in de hoogte wordt gehouden, kussen ?

354. Mijn eenlettergrepig woord is somtijds benau

wend, ook somtijds vroolijk ; doch links gespeld bedu:.d ik een vreeselijk misdrijf.

355. Noem mij een woord, dat zoowel rechts als

links gespeld, altijd iets zachts te kennen geeft.

a

ocr page 44

OPLOSSING DER RAADSELS.

1. Neven.

2. Nergens ; want het huwelijk neemt eóue vrouw

eu één man tegelijk op.

3. De vrouw ; want zij werd uit den mensch ge

schapen ; de man ontving zijn aanwezen slechts uit stof.

4. Indien hij niet in gezelschap van zijns gelijken

is, want dan zijn het altemaal leeuwen die men ziet.

5. AziJi, als zijnde de wieg van het gansche mensch-

dom.

6. Verliefden.

7. Men neme dc eerste letter, N, slechts weg. 8- In Engeland ; want daar heet ieder meisje eene

Miss.

9. HOOY.

10. De maag.

11. Bene medicinae docter ; want elke ziekte is zijn

vijand.

12. Dat hij op een gat zit eu er niet in valt.

13. Hij was met twee eieren ter markt gegaan,

verkocht er slechts één, en kwam met één, derhalve zonder eieren thuis.

14. Omdat de vrouwen geen enkele zaak met één

woord kunnen afdoen.

ocr page 45

39

15. Een mispel.

16. Niets.

17. De letter o.

18. Een sneeuwbal; men zegt; zoo wit als sneeuw.

19. nen weg te werpen.

20. Een steenworp.

21. De nul.

22. Een gat.

23. Peet—pet.

24. Heil—Lel.

25. Razijn—-azijn.

26. De tijd.

27. Een vliegende visch.

28. Neger—regen.

29. De opstanding.

30 .In de bedsteden.

31. Een hoed, muts of pet.

32. Roos aan uw lichaam.

33. Een bal.

34. De snuit van een olifant.

35. Jacob zelf.

36. Uwe maag.

37. Eene brug.

38. Eene kreeft.

39. Naar zijn veertiende jaar.

40. De baard, want de bok en alle dieren zijn

vroeger dan de mensch geschapen.

41. Het wijfje van een kanarievogel.

42. De letter r.

43. Lepels en tafellakens of tafelkleeden.

44. Ten tijde van den zondvloed.

45. In den overvloed.

ocr page 46

40

46. Een kam en een zeer hoofd.

47. Scbuinsch.

48. Eene ledige plaats maken.

49. Heden.

50. De duivel. (Genesis 3. vs. i.)

51. De Echo.

52. Gij en ik.

53. Zeeland.

54. Als zij tegen de middagzon opkiikeu.

55. 88, men zette XX en trek dan 22 af.

56. Die de kortste nachten hebben.

57. De nacht des grafs.

58. De laatste man.

59. De een doet den tijd opmerken, de andere doet

den tijd vergeten.

60. Wij menschen ; maar God doet het groeien en

bloeien.

61. Een spiegel.

62. Voor Bed, Brood, Brand en Bekleeding.

63. Van ulevellen.

64. Men schrijve het in letters, en telle die.

65. Een geguillotineerde: bij voorbeeld Lodewijk

XVI en Antoinette van Frankrijk.

66. Gij en ik.

67. De honger.

68. Zoo gij zeven vingers van uwe twee handen

afneemt dan blijven er drie.

69. De letter M.

70. De weg.

71. Vader Jacob.

72. Een slak met zijn huisje.

73. Zoetjes praten en hard liegen.

ocr page 47

41

74. Een geschilderde.

75. Men spelle het woord paplepel van achteren af!

76. De neus.

77. De kiezen en tanden.

78. Door den wijn op te drinken.

79. De letter e komt altijd in het woord hemel.

80. Die men het veiligst kan open laten.

81. Door een appel of peer in de hand te nemen.

82. Zij neme de eerste van een meloen, do tweede

van een ham, de derde van eene hen.

83. De echo.

84. Naar den molen brengt men de lappen, uit de

kroeg komen de lappen.

85. Klagen en wenschen.

86. Advocaten en scharen snijden nimmer elkander,

maar altijd vvat er tusschen komt.

87. De kleedermaker. Zij moeten altijd een beun of

eene tafel hebben.

88. Een schilder.

89. Zeven, het meervoud van eene zeef.

90. Een predikantszoon, wiens moeder hertrouwde.

91. Eene hondslengte, deze is heet aan zijn achterste.

en koud aan zijn neus.

92. De opeter heette ieder ; de andere heeren had

den niets van de eendvogels gebruikt.

93. Drie; doch in Romeinsche cijfers, aldus gezet :

III, en de bovenhelft gaat weg.

94. De eerstgenoemde mag eene schaar gebruiken ;

de laatstgenoemde niet.

95. Du dood.

96. Zijn wederga. (naar!

97. Wilt gij het weten, ga dan in dienst bij een mole-

ocr page 48

42

98. Non.

99. Room — moor.

100. De tijd.

101. Een haan.

102. De letter a.

103. Een voorsnijder aan een maaltijd.

104. Ka, Nee], kaneel.

105. Om dat zijn buis niet in den oven kan.

106. Leijden — eijden beteekent niets.

107. Men maakt een slapende goed wakker.

108. Ben ruiter te paard. Hij houdtzijne tweebeenen

over, als bij u de vier van zijn paard geeft.

109. Dat buiten schot blijft.

110. Twee maal twee is uitgemaakt, vier, — zuur

kool is ingemaakt, kool.

111. Twee duffelsche jassen.

112. Hansworsten.

113. ïweedracht.

114. Het licht.

115. Psalmen 131, 133, en 134.

116. In Februari, die 28 dagen telt.

117. C. L. ezels.

118. Otto — Reinier.

119. Moor.

120. Een jongeling wiens moeder in het kraambed

was gestorven, word in zijns vaders beroen tot slachter opgeleid ; naar zijn tegenzin in dat beroep deed hem besluiten geestelijke te worden, in welke waardigheid hij het huwelijk van zijne zuster kerkelijk voltrokken heeft.

121. Welk ambacht anders dan het kleermaken?

ocr page 49

43

122. Het woord luis ligt in hot woord kluis op

gesloten.

123. Wanneer men geen gvoote heelt.

124. Paar — raap.

125. Rood — door (van een ei).

126. Barbiers.

127. Delft.

128. Bi.

129. Adam; want in zijn slaap werd zijne vrouw

geschapen, en de wereld weet hoe zij het gemaakt heeft.

130. Emmer.

131. Zes billioen, vijf honderd drie en negentigdui

zend, zeven honderd vier en tachtig millioen negen honderd een en dertig duizend, acht honderd twee en zeventig. (Billioen drukt uit: duizendmaal duizend millioen.)

132. Stel u eene weduwe Anna voor met haar

dochter Betje, en Jan, een weduwnaar, met een zoon Cornells.

Cornells huwt met Anna.

Jan hnwt met Betje.

Ergo wordt de vrouw van Cornells de moeder van Jan, en Cornelis, die haar gehuwd heeft, de vader van Jan.

133. Half uitdoen.

134. Ho! (zooveel als hei daar!) ook houd op!

135. Een spiegel.

136. Het is gisteren ook, eergisteren en vooreer

gisteren nieuwe jaar geweest ; want op eiken dag na nieuwe jaar is het nieuwe jaar geweest; en eveneens zal het alle dagen, en

ocr page 50

44

dus ook morgen kerstdag zijn, totdat de eigenlijke kerstdag daagt, en dan is het

HEDEN.

137. Jonas in den buik van den visch.

138. Verouderen.

139. Papa — pap.

140. Gij houdt beiden uwe hand aan het gewricht van den arm.

14:1. De schaduw.

14:2. Abrahams offerande.

143. Met inachtneming der komma's, wordt hier

geene onwaarheid gezegd ; doch om het voor een raadsel door te laten gaan, spreke men ras en zonder acht te geven op komma's. Bij de oplossing doet men hooren: «Mijn meisje heeft tien nagels, aan iedere hand vijf, en twintig aan handen en voeten.»

144. Eva,

145. Naar armzaligheid.

146. Conjakjes.

147. De barbieren.

148. Tabakshandelaren en snuifmolenaars. 149 Een baander of lijndraaier.

150. In het beroep van comediant..

151. Een boer te paard.

152. Een spijker.

153. Eene pijp.

154. Het portret.

155. Een klompenmaker.

156. Het kleedermakersambacht.

157. Recht, rond, vierkant, krom.

158. School — schol.

ocr page 51

45

159. Dubbelziunigheclen.

160. Amen.

161. Men zal er geen schoppenboer meer dan vroe

ger in vinden.

162. Om de tanden.

163. Anna.

164. 555555555.ibij optelling 45.

123456789 bij optelling 45.

432098766 dit verschil levert wederom bij samentelling het getal 45.

165. Twee kaarsensnuiters; men halveere het opge

geven getal 155322, dan krijgt men 77661 tweemaal, en men veroorlove de omzetting der cijfers, dan levert iedere helft, of ieder getal van 77661 één kaarsensnuiter, 'lt;ie hier in ruwe trekken een duide-I

lijk voorbeeld □

db

166. Zeven. Bij het opgeven spreke men de woor

den voor acht zeer gauw uit, en dan wordt hot verstaan als of men zeide veracht, en dan zal liet niemand invallen om 7 te antwoorden.

167. T wee. Men halveere hot getal, dan komt er

1110 ; de cijfers IHO naar willekeur geplaatst, leveren een borrelglaasje op, zoo krijgt men van het volle getal 2220 twee borrelglaasjes. Zie hier in ruwe trekken een duidelijk voorbeeld v 1

O

168 Zeventien. De weggeveegde helft van XXXII

ocr page 52

46

hetzij men van onderen of boven de helft wegvege, levert VVVII.

169 . Ja, de lippen ; want deze zijn door deugene die terugroept zeker verroerd.

170. Een schoenmaker.

371. Men zette de cijfers 91 en plaatse nu een schuins streepje onder het cijfer 1, onder welk streepje men het cijfer 2 zet, waardoor men G'/a bekomen zal,

172. Neem met uw mond het stuk geld uit de eene

hand, en breng het alzoo in de andere hand over, — of laat het stuk geld uit de eene hand op de tafel vallen, en vat het met do andere hand op !

173. OOOOO

O O O O O O

174. Men legge op eene tafel een cent en overdekke

dien met een schotel; men zegge dan met eene gebiedende stem eene reeks van vreemde woorden, Fransch, Latijn, Hebreeuwsch of andere vreemde taal, en gelastte nu op een forschen toon; »Geld ! ik wil dat gij verdwijnen zult.quot; Verzoek alsnu een der aanschou-wers, om den schotel maar weg te nemen, zoo wordt u gemakkelijk de gelegenheid verschaft, om het geld weg te nemen, zonder uwe hand aan den schotel te hebben gebracht.

ocr page 53

47

175. Men legge naast elkaar elf centen, één van

deze, te weten de blinde of afgesletene, telt slechts voor één, daarop beginnen de naamletters die naar boven gelegd zijn, volgen-dervvijze te spreken :

Wij Weten Wel waarom willem weggaat, Willem Wil Weër eene Wederhelft.

176. Als men gaat zitten op de knie van zijne partij.

177. Men scbrijvo : »Stok met drie letters.quot;

178. Met het cijfer 9 vermenigvuldigd, verkrijgt

men altijd het cijfer i, met 18 vermenigvuldigd het cijfer 2, met 27 vermenigvuldigd het cijfer 3, enz.

179. Men heeft het reeds gezegd ; »Hoe.quot;

180. De drie letters die het woord hel uitmaken,

vindt men in het woord hemel.

181. Men neme iemands vier vingers in de hand,

geeft men ze terug, zoo behoudt men vijf vingers.

182. De bijbel

183. Eene speld.

184. Ram, eene vaar van eene ooi of ooie, een vrou

welijk schaap of vrouwelijk konijn.

185. Om de kippen te laten zien, dat hij zijne les

van buiten kent.

186. Als iemand het hoofd buiten het venster steekt.

187. In alle beschaafde landen ; want de mannen

verrichten het trouwen, de meisjes worden getrouwd.

188. De lettergreep stil, zwijgen is genoeg.

189. De ezel die in de ark van Noach was ; want

alle menschen hebben hem kunnen hooren.

ocr page 54

16

182. Ik beu een groot,e schat, bestaande in twee

lettergrepen ; mijn laatste lettergreep drukt den naam van eou afgod uit; het Oude Testament maakt er melding van. Men vraagt naar den naam van dien schat ?

183. Mijn hoofd is dikker dan mijii lijf; maar ik

deug evenmin zonder hoofd als zonder lijf, en bon het meest bij vrouwen in gebruik.

184. Hoe kan men met drie letters het woord

ooievaar schrijven ?

185. Waarom houdt de haan altijd zijne oogen dicht

als hij kraait ?

186. Wanneer ziet gij een meuschelijk lichaam

zonder hoofd ?

187. In welk beschaafd land is het trouwen aan

de meisjes verboden ?

188. Wat is bij het stilzwijgen overtollig?

189. Welke ezel heeft ooit het hardst geschreeuwd?

190. In hetzelfde oogen'olik, dat ik verschijn, verdwijn

ik en die mij achtervolgt, doet het met donderend geweld.

191. Ik vraag een Hollandsch woord van vier en

twintig letters.

192. Welke dieven laten zich het gemakkelijkst

vangen ?

193. Ik ben bij alle ongelukken. Bij den loodgie

ter laat ik mij meer dan bij den goudsmid vinden; doch in het geheel niet bij den zilversmid.

194. Noem mij een woord, dat in de Hollandsche

taal doorgaans enkelvoudig gebruikt wordt, doch in de Fransche taal altijd meervoudig?

ocr page 55

'J 7

195. Vertaal iti het Pransch den navolgenden vul-

zin : »Eenc vrouw is ook een mensch.quot;

196. Hoe schrijft men Amsterdam zonder a V

197. Welk getal geeft u even veel, hetzij van vo

ren, hetzij van achteren gespeld?

198. Ik ben een bekend, doorgaans quot;schadelijk

dier; een tninliefhebber mag mij gansoh niet lijden ; gij verheft mij tot een mensch, indien gij mijne derde letter wegneemt.

199. Ik ben eene bloem, maar de laatste helft

van mijn woord geeft een groot en nuttig dier te kennen.

200. Ik ben een scheut of uitspruitsel van een

boom of plant; doch zoo mijne voorlaatste letter mij ontnomen wordt, dan doe ik uw geluk of ongeluk van mij afhangen.

201. Mijn woord drukt een visch uit; doch zoo

mijne voorletter wordt weggenomen, dan duid ik een hemellichaam aan.

202. Wij zijn zusters en hebben bijkans gelijken

ouderdom. De helft van ons getal staat met het hoofd omhoog, en de andere helft van ons getal, met den voet naar boven. Wij houden ons meesttijds bedekt, doch ongekleed en naakt laten wij ons ook kijken. Wij kunnen veel kwaads doen, doch veel goeds doen wij ook !

203. Wij zijn twee broeders, bestemd om lasten

te dragen : doch zelden op de straat, altijd in huis. Bij feesten, concerten en danspartijen zijn wij contrabande; vrouwen zoowel als mannen houden veel van ons.

ocr page 56

18

204. Welke mcnschen vervelen zich zeiven?

205. Welke bloem eet men zeer gaarne?

206. Ik ben eene Hollandsohe stad; doch wordt

mijne middelste letter weggenomen, dan ben ik een dier, wiens steek u ter dege kan zeer doen.

207. Ik ben een gevaarlijk beest, doch indien gij

mij mijne eindletter ontneemt, dan ben ik het nuttig voortbrengsel van een gansch niet gevaarlijk dier.

208. Ik ben een drank; doch als gij de opwaart-

sche streep van eene mijner letters laat afdalen, dan geef ik een worm te kennen.

209. Welke menschen zijn de grootste leugenaars?

210. Mijn woord, uit vijf letters bestaande, drukt

een redeloos dier uit: wordt mijne middelste letter weggenomen, dan druk ik eene zeer goede hoedanigheid van dat dier uit.

211. Mijn woord drukt oneven uit, maar als gij

mijne beginletter wegneemt hebt gij even.

212. Mija woord geeft een hatelijk wijf te kennen;

doch wanneer gij de opwaartsche streep van mijne laatste letter laat afdalen, dan verander ik in eene stoffaadje welke tot den rouw gebruikt wordt.

213. Hoe kan men met een zak zand twee zakken

vullen die even groot zijn als de zak zand is ?

214. 'k Ben, rechts gespeld, meest altijd in 't gesprek. En spel mij links, zoo ben ik in 't vertrek.

215. Aan welken der twee kanten hebben de scha

pen de meeste wol ?

216. Over eeue rivier ligt eene brug, zonder welke

ocr page 57

19

men den overkant niet wel anders dan met een vaartuig, of door zwemmen kan bereiken. Wanneer nu deze brug weg ware, wat raad dan voor iemand, die niet varen durft noch zwemmen kan, om aan den overkant te komen ?

217. Ik heet zoo ais ik ben, en ben zoo ais ik heet; Raadt gij niet wat ikben, gij weet toch hoeik heet.

218. ïoen gij niet hadt, mocht ik n niet geven;

nu gij echter niet hebt, en ik ook niet heb, wil ik u geven, wat ik, toen ik had, u niet geven mocht.

219. Men make van de drie volgende regels, van

welke men de woorden naar eigen believen verzetten mag, vier wel sluitende volzinnen ! Knecht, Berg, Heer,

goed boven al,

knecht, dal Rechter.

220. Twee vaders en twee zonen gingen op de

jacht. Zij schoten drie hazen en verdeelden ze onder elkaar ; toen bekwam elk een haas. Hoe ging dit toe ?

221. Die mij maakt, begeert mij niet, die mij

bestelt, wil mij niet; die mij koopt, behoeft mij niet; die mij gebruikt weet er niets van.

222. Wit word ik geboren ; daarna word ik groen

en gij versmaadt mij, vervolgens word ik rood of zwart, en krijg een hart, dat zoo hard is als een steen, en dan bemint gij mij.

223. Ik heb geen hoofd, doch wel een mond; ik

heb ook armen, doch geen voeten; echter loop ik dikwijls sneller dan gij.

ocr page 58

20

224. Een tweeling, beide ten zelfden tijde geboren

en die ook ten zelfden tijde sterven, kunnen echter, de eene meer dagen dan de andere geleefd hebben. Hoe dan ?

225. Wio loopt er 's morgens op vier, 's middags

op twee, 's avonds op drie voeten ?

226. De weelde hecfo mijn beroep voortgebracht.

Nu ik er ber, dien ik aan drie zintuigen genoegen te geven, en wanneer ik dat niet weet te doen, dan deug ik in mijn beroep noch ter rechter- noch ter linkerzijde.

227. Links gespeld drukt mijn woord een belasting

uit, spel mij rechts, en het moge u welgaan !

228. Beklaag mij, wanneer ik ooit word wat mijne

linksche spelling uitdrukt, en ik wil u toe-wenschen, dat gij nimmer moogt worden wat mijne rechtsche spelling te kennen geeft.

229. Mijn woord bevat twee lettergrepen : de eerste

van deze drukt eene werking uit in de natuur ; wat de tweede beteekent, vindt gij bij een bakker ; mijn geheel is een ondragelijk mensch.

230. Iemand heeft eene dochter, die door vier min

naars tegelijk tot vrouw wordt gevraagd; het meisje mag hen allen even gaarne lijden, en het is den vader onverschillig aan wien hunner hij zijne toestemming zal geven. iJij komt op den inval, hun vijf letters op te geven ; met deze zullen zij een goeden volzin moeten vervaardigen, en hij belooft zijne dochter aan dengene, wiens volzin hem het meest zal behagen; de letters zijn: G. T. M. W. K.

ocr page 59

21

De jongolioden gaan volgonderwijze aan het werk:

A brengt den volzin voor den dag; tot mijne wettige kerk!quot;

Gij krijgt haar niet, zeide do vader ; dewijl gij mijne dochter, die eeue andere religie dan do uwe belijdt, tot eeno afvallige wilt maken.

13 brengt den volzin voor den dag: »Ga tot mijnen wijnkelder !quot;

Ook gij krijgt haar niet, zoide de vader, dewijl mijne dochter nimmer in het gevaar raag gebracht worden om zich te bedrinken.

0 brengt den volzin voor den dag: »grooto teenen mogen wijde klompen.quot;

(jij krijgt mijne dochter evenmin, zeide do vader, dewijl gij zulke vieze woorden aan een fatsoenlijk meisje uitkraamt.

D begrijpt om met do lettors van achteren af den volzin klaar te maken ; hij slaagt daarin zoo gelukkig, dat de vader hem zijne docht er dadelijk toewijst.

Welke goede volzin is uit de letters G. T. M. W. K. van achteren af te beginnen, te bewerken ?

231. Mijne eerste twee lettergrepen hobt gij aan de

koe, mijne dorde lettergreep aan hot varken te danken. Jood en Christen, rijken en armen, doe ik smullen aan mijn geheel.

232. Welke mogendheden stolden in -1830 Nederland

op de proef? Men verlangt dat de voorletters dier mogendheden hot woord proef uitdrukken.

233. Noom mij een in het huishouden onmisbaar

ocr page 60

22

voorwerp, dat een hoofd heeft als eeu knikker, eeu lijf als een bikkel en beenen als een ooievaar.

234. Het is in de vrouw, en niet in den man. Het is in het bier en niet in de kan.

Het is in het varken en niet in het spek, -Het is bij den verstandigon en niet bij den gok.

235. Ik ben hooger dan een huis, kleiner dan een muis, Ik ben zoo groen als gras eu tevens witter dan

vlas.

236. Ik beu bij ieder in verdrukking: ooren heb

ik niet, ik zou u anders eene menigte sermoenen kunnen mededeelen; dat heden mijn ingewand is, was vroeger eene bekleeding.

237. Is eeu huis eer af te breken of te timmeren V

238. Mijn tweede lid verkleint mijn eerste, dat

dikwijls klein genoeg is.

239. Twee goede vrienden, dertig uren van elkan

der, wasschen op hetzelfde oogenblik hunne handen in één water, en waar de een zijne handen droogt, droogt ook de andere zijne handen.

240. Mijn geheel is kinderen en dienstbaren gansch

niet onverschillig: mijn eerste deel past bijzonder aan jonge heeren en jonge jufirouwen ; doch mijn geheel is van eene ernstiger be-teekenis, en de Christen zoowel als de Turk, de Chinees en de Jood, zelfs vele Heidenen, nemen mijn geheel als een tijdvak aan hunne godsdienstige hulde waardig.

241. Kunt gij cijfers 1-2-3-4-5-6-7-8-9, in drie

reeksen zoodanig stollen, dat iedere reeks

ocr page 61

23

altijd de som van 15 oplevert, hetzij men iedere reeks van onderen af, of naar den rechter- of naar den linkerkant optelle ? 242. Hoe racet men de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, in vijf reeksen zoodanig stellen, dat iedere reeks altijd de som van 15 oplevert, hetzij men elke reeks van onderen af, of naar den rechter- of naar den linkerkant optelle? 243.5, 3, 5, Van deze cijfers verlangt men 19, vier malen weg te vegen, zoo-3, 5, 3, i danig, dat er altijd 19 overschiet.

244. Men wenscht de cijfers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9,

tot eenerlei cijfer te brengen, en wel tot het cijfer 6 ?

245. Welke twee dingen van het menschelijk lichaam

of daartoe behooreude, kan iemand zich gedeeltelijk kwijt maken zonder pijn te lijden ?

246. Op welke wijze kan men eene geheime brief

wisseling houden ?

247. Welk huisdier heeft de kleur van een kat ?

248. Noem mi] eenige Hollandsche spreekwijzen, die -y._

volstrekt onzin uitdrukken, ofschoon zij in de samenleving toegelaten zijn.

249. Ik ben een vogel; mijn naam van achteren

af gelezen drukt uit wat ik bijkans onophoudelijk doe.

250. Hoe vele woorden vormt gij uit de letters van

den naam Johannes, zonder andere letters te gebruiken ?

251. Hoe kan men lachen en zuur zien op het

zelfde oogenblik ?

ocr page 62

24

252. Waarin staat het zintuig des menschelijken

geziclits achter bij zijne overige zintuigen ?

253. Welke dingen koopt men gewoonlijk het laatst

en verkoopt men het eerst ?

254. Hoe kan men Engeland spellen met de be

ginletters van acht verschillende Nederland-sehe steden ?

255. Spel eens Frankrijk met de voorletter van acht

verschillende straten ?

256. Als eene klok heel- en halfslag voluit slaat

en bet kwartier naar gewoonte ; hoeveel slagen laat zij dan iu vier en twintig uren hoeren ?

257. Ik ontleen mijn naam van mijne tanden, en

om mijne tanden ben ik gezocht.

258. Ik kan mijne prooi noch zien, noch booren,

noch ruiken; echter weet ik haar goed beet te krijgen.

259. Ik kan u aan eene tafel brengen, die van de

heerlijkste spijzen voorzien is; gij overziet alles, maar uw mond en uwe maag blijven ledig, en zoodra gij weet wie ik ben, is er geene kans op om u iets van het gerecht te doen proeven.

260. Wat loopt tegelijk leêg en vol?

261. Wanneer ik rust, ben ik ongesteld of ik raak

ongesteld; daarom laat mij loopen, de rust kan u dienstig zijn.

202. Wat ik van mij geef is grauw en wordt zwart; wat ik overlaat is grijs, en dan geven de meeste menschen mij weg.

263. Wat brandt nog vreeselijker dan vuur?

ocr page 63

'25

264. Men krijgt het niet door zorg en oppassen ; doch men kan het, door zorg en oppassen, tot in een hoogen ouderdom behouden. 205. Wat was het grootste wonder toen Eiias ton hemel opvoer ?

266. Wie zaait niet ?

Wie maait niet ?

Wie ploegt nooit een veld ?

Wie heeft geen cent te borgen,

En leeft steeds zonder zorgen, Van honderden verzeld ?

267. Wat was was, voor was was was? h

268. Wat moet er noodwendig met haast ge

schieden ?

269. Wanneer wordt een niensch bedrogen.

Schoon hij ziet met bei' zijn oogen ?

270. Wat hebt gij als kind gedragen, dat u op

zijne beurt droeg?

271. Wie droeg er twee honderd pond gewicht

tusschen zijne tanden en liep er vlug mede voort?

272. Zou een kip niet spoediger een zak haver-/

opeten dan een paard ?

273. Kent gij zes Nederlandsche dorpen, welker be

ginletters te zamen het woord Zweden vormen?

274. Noem mij drie Nederlandsche rivieren op,

waarvan de beginletters het woord m e s samenstellen.

275. Welke kaarsen branden langer, de smeer- oft,

de waskaarsen?

276. Noem mij eene diersoort, tot welker spelling

alleen klinkletters gebruikt vv irdeu ?

ocr page 64

26

277. Vaii welken Psalm heeft ieder vers een ge*

lijkluidend slot.

278. Welk ouderscheid is er tusschen den mensch

eu salpeterzuur?

279. Om uit het cijfertal XVII te lezen: »Ik beu

niet meer.

280. Noem mij een woord, waarin zevenmaal de

letter e voorkomt!

281. Ik leef slechts een oogenblik, maar laat een

talrijk kroost na.

282. Welk onderscheid is er tusschen een schilder

en een soldaat ?

283. Eene enkele Letter meer vernedert eene verhe

ven wetenschap tot eene keukenwetenschap; welke letter is dat ?

284. Hoeveel woorden vormt gij van het woord

Teerpot, mits geene andere letters gebruikende, dan die in dat woord gevonden worden ?

285. Hoeveel woorden vormt gij met de letters van

het woord moede rlijk, mits geene andere letters gebruikende, dan die in dat woord voorkomen ?

286. Hoeveel woorden vormt gij uit de letters van

hot woord b ran d, mits geene andere letters gebruikende, dan die dat woord oplevert ?

287. Het vermogen van den afgetreden Koning der

Nederlanden, Willem I, werd begroot op twee honderd millioen gulden. Hoeveel had zijne Ex-Majesteit dan jaarlijks — maandelijks — wekelijks —dagelijks—ieder uur — elke minuut en eiken polsslag inkomen ? Do rente berekend a vijf percent, en do polsslag

ocr page 65

27

op cone seconde. Om in gecnc geringheden te vervallen worden goene gedeelten van centen gevraagd.

288. Ik leef op het land en in hot water; van

braafheid gesproken, behoor ik er bij; doch komt bet op deugd aan, dan moogt gij mij thuis laten; voor deugd heb ik niets over; evenwel ben ik gezet op vermaak; gij moogt mij op de straat, maar zult mij nooit in de open lucht vinden; ik ben bij dag zoowel als bij den nacht zichtbaar.

289. Hoeveel is de helft van nul ?

290. Mijn woord bestaat uit twee syllaben : de eerste

zegt u, dat ik niet bestand ben tegen vuur — de tweede doet u gaarne geloovon, dat ik voor water moet zwichten; mijn eerste deel moet voor mijn tweede, en mijn tweede voor mijn eerste onder doen; mijn geheel, uit zoo strijdige deelen bestaande, drukt een Hol-landschen mansnaam uit.

291. Mijn woord bestaat uit drie syllaben : de eerste

syllabe drukt een voorwerp uit, van teenen samengevlochten; mijn tweede verheugt eiken vrijer; mijn derde schuilt in het hart ; mijn geheel doet aan een man denken! van vrien ik de jongste zoon ben.

292. Eeu heel is zoo veel als een half, bij voorbeeld

een heele koe is zoo veel als een halve koe.

293. Waarom dragen de pastoors, bij het doen der

kerkdiensten altijd zwarte kousen ?

294. Ik ben in alle viseh ; bij fluit en viool ben ik

op de proppen ; inet orgel, harp en trompet

ocr page 66

28

ontwijk ik ; vaders en moeders hebben mij niet, maar kinderen wel.

295. 't Hoofdje rond, en dikker

Dau een knikker ;

Beenen lang Als een tang;

Handen rond en plat,

Wat is dat ?

296. Een jongen die noch oogen noch armen had,

zag zijn meisje aankomen: hij liep naar haar toe, kuste en omarmde haar.

297. De beroemde Washington stierf het laatste uur

van den laatsten dag der laatste week in de laatste maand van het laatste jaar der laatste eeuw. Wanneer btierf hij ?

298. Welk vers in de boeken van het Oude Testa

ment is het kleinste ?

299. Welk vers in de boeken van het Nieuwe Tes

tament is het kleinste ?

300. Napoleon I had vier broeders ; noem mij hunne

namen, en zeg wat er van hem en zijne vier broeders geworden is.

301. Gij ziet mij altijd in eene schuit, echter nim

mer op het water ; ik houd mij op bij het vuur, doch warmte ken ik niet; slechts bij guur en nooit bij mooi weder kom ik voor deu dag; met ontevredenheid en klachten heb ik niets te maken, doch waar gehuil is ben ik tegenwoordig; gij ziet mij in ieder huis, in iederen tuin; gij kunt geen kusje vragen, of pakken, of ik ben present; uwe buren hebben mij ook, zoowel uwe naaste als uwe overburen.

ocr page 67

29

302. Ik bon eene aardvrucht, somtijds lang, som

tijds rond, somtijds wit, somtijds goel ; doch mij omgekeerd lezende ben ik het dubbel van mijn enkel.

303. Zou het waarheid zijn, dat de witte cn zwarte

koeien eeue mindere hoeveelheid melk ople-X veren dan de bonte ?

304. Een vierendeel is meer dan een geheel.

305. Welke goede gedachten kan het kaartspel oplc

veren'?

306. Wie geeft ons gewillig, hetgene zij van een

ander leenen moet ?

307. Hoe kan men het even getal twintig door een

oneven cijfer doen opgaan ?

308. Ik ben nooit in den krijg, echter altijd in

't geweer en ook in het leger, men ontmoet mij gewis bij dobbelspel en oneenigheid; hoewel ik zeer voor eensgezindheid ben.

309. Gij kent mij als een dier, dat in den grond leeft;

ik ben bekend als een vrouwennaam, indien gij mij mijne eindletter ontneemt, en als een mensch, wanneer ik mijne beginletter verlies.

310. De naam van mijn beroep heeft dezelfde klank,

als de naam van zeker beest in de Fransche taal; hoe heet ik ?

311. Om met de beginletters van vier verschillende

eilanden in ons koninkrijk gelegen, het woord mast te spellen.

312. Een hond vervolgt een haas, die 60 sprongen

vooruit is. De haas doet 5 sprongen togen 3 sprongen van den hond. Wanneer nu twee hondonsprongen, gelijk zijn aan drie hazen-

ocr page 68

30

sprongen, hoeveel sprongen moot dan do hond doen om den haas te achterhalen ?

313. Welke is de grootste tegenstrijdigheid in de

vrouwelijke natuur?

314. Iemand die lijf en ziel kwijt raakt, wat hoeft

die vooral noodig?

315. Welk onderscheid is er tusschen eeno slak en

eene kreeft ?

316. Zonden er in de maan ook aardbevingen zijn'?

317. Mijne eerste lettergreep duidt een viervoetig

dier aan, — mijn tweede herinnert u een gebak, — mijn geheel is een vogel, die zich meer hooren laat dan zien.

318. Als men twee van duizend afneemt, hoeveel

houdt men dan over ?

319. Juist als men mij den mond stopt mag mijn

praat gevreesd worden.

320. Men vindt in mijn woord het tegenoverge

stelde van wij s, het tegenovergestelde van laag, het tegenovergestelde van lafheid, het tegenovergestelde van kwaad, het tegenovergestelde van n e d e r igh ei d, het tegenovergestelde van rust; wijders vindt men in mij, behalve eenige kleine woordjes, eene maat aangeduid, mitsgaders een hond, en een inwendig deel van een visch.

321. Welke overeenkomst is er tusschen een schoon

meisje en een locomotief?

322. Wie gaat.

Wie staat,

Wie ligt en zet zich nevens n,

Is altijd om u heen,

ocr page 69

81

In stad of' dorp, te land, op zee,

Gij zijt er nooit alleen ?

Betast gij hem, — o doe het niet!

Hij is zoo koud als steen.

323. Mijn woord van slechts ééne lettergreep drukt

eene woning uit; doch wordt mijne hoofdletter mij ontnomen, dan herinner ik u eene bloem.

324. Gij vindt mijn geheel in mijne helft.

325. Mijn woord doet u ann eene kerkelijke plechtig

heid denken ; maar gij hebt ongelijk, indien gij mij, van achteren gespeld, geenbeestnoemt.

326. Wat is het onderscheid tusschen een krupp-

kanon en een roode neus.

327. Iemand had een paard, dat hij wilde verkoo-

pen bij de twee en dertig spijkers die het beest in zijne hoefijzers had. Hij vraagt een penning voor den eersten spijker, twee penningen voor den tweeden, — vier voor den derden, acht voor den vierden, — zestien voor den vijfden, — twee en dertig voor den zesden, — vier en zestig voor den zevenden, — honderd acht en twintig voor den achtsten, — twee honderd zes en vijftig voor den negenden, — vijf honderd twaalf voor den tienden, — duizend vier en twintig voor den elfden, — twee duizend acht en veertig voor den twaalfden, — vier duizend zes en negentig voor den dertienden, — acht duizend een honderd twee eu negentig voor den veertienden, — zestien duizend drie honderd vier en tachtig voor don

ocr page 70

32

vijftienden; en zoo bij iedoron volgenden spijker verdubbelt hij telkens de penningen. Vraag :

Hoeveel penningen moest hij nu voor den laat-sten of twee en dertigsten spijker bekomen, en dewijl hij op zijn voorslag een kooper gevonden heeft, welke som brengt het paaM in guldens aan den verkooper op ?

328. Om aan den navolgenden, oppervlakkig hoogst

brutaal opgestelden nieuwjaars-zegengroet van een minnaar aan zijn meisje, door eene andere dan gewone lezing, een goeden zin te geven:

Mijn hart wenscht u een jaar, dat reden geeft tot klagen. Nooit wenscht het u een jaar met vele blijde dagen; Het wenscht u dus een jaar, van pijn en droefenis, Nooit wenscht het u een jaar dat rijk in zegen is ; Een jaar, om fallen tijd mv Schepper te verstoren, En nooit een dag of uur naar Godes Woord te hooren. Een jaar van ongeluk, ja dit belevc gij ? (mij. Een jaar dat vreugde schenkt, wensch ik alleen voor Gezondheid, lieve meid ! zal ik n nimmer wenschen. Maar altijd ziek te zijn, wensch 'k u en alle menschen. Ik wensch u in dit jaar, eeu zee van smart eu zeer. Vooral niet wensch ik n, den zegen van den Heer! Ten slotte wensch ik u, dat gij u zelv' mishage, Eu nimmer is mijn wensch, dat God u onderschrage, Ik wensch, dat gij nooit ziet het hemelsch firmament. Doch dat uw ziel geniet de hel met zijn torment!

329. Waarorfr is de schoone kunne niet als de

mannen gebaard?

330. Het eerste van mijn geheel, dat uit twee let-

ocr page 71

33

tergrepen bestaat., drukt den naam uit eens mans, het tweede den naam eener vrucht, van welke reeds in den Bijbel wordt gesproken, en die bij ons als eone drogerij bekend is, drukt mijn geheel uit.

331. Ik heb een kleinen mond, maar mijn adem

kan zoo vreeselijk afschuwelijk zijn, dat noch mensehen noch dieren hem kunnen uitstaan, zelfs niet op een grooten afstand?

332. Met vracht kan ik gaan,

Zonder vracht blijf ik staan.

333. Kunt gij de cijfers 1, 2,- 3, 4, 5, 6, 7,

8, 9, 10, 11 en 12 tot beginletters gebruiken bij het schrijven van een brief?

334. Hoe zult gij van acht of negen woorden, die

allen dezelfde beginletter hebben, een goeden volzin maken?

335. Een jonkman die geen handen had,

En oogen evenmin.

Kwam in een tuin, en zag aldaar.

Een appelboom er in ;

Hij nam een stok in zijne hand,

En sloeg een appel neör.

Hij zag hem vallen in het zand,

En sloeg er nog naar meer.

Wil mij toch eens zeggen,

Hoe dit uit te leggen!

336. In het machtig Engeland,

Heet ik een man van groot verstand ;

Doch ik ben ook een hondennaam,

Hoe gaat dit een en ander saam?

Als men omgekeerd mij spelt,

o

jf

• . . ' V ... A - ..-.ju - -jü.

ocr page 72

34

Beu ik iets dat afkeer baart, De beteekenis van mijn woord,

Worde nu, door ü verklaard!

337. Hoe moet men het aanleggen, om nooit rat

ten of muizen in een huis te krijgen ?

338. Het gaat met mij zoo wisselvallig als zich

maar denken laat: ik was knecht, ik was beer, ben wederom knecht en wederom heer geworden, eu in die veranderingen van staat, at ik mijn brood altijd met tevredenheid.

339. Vijf studenten, wier toeleg het was om voor

weinig geld, een zeer langen tijd lekker te eten en te drinken, vroegen den kastelein van een voornaam logement, hoeveel zij te zamen, in eens, zouden moeten betalen, indien hij hun voor zoovele achtereenvolgende dagen een goed bereid middagmaal opdischte, telkens met een halve flesch goeden Bordeaux-wijn, voor ieder persoon daarbij, als het hun mogelijk zoude wezen om in eene andere orde aan te zitten, in dier voege dat zij nooit op dezelfde wijze geplaatst zouden zijn ? De kastelein vordert zestig gulden, en verzoekt de heeren, om voor die som, boe eerder hoe liever hem te begunstigen. Er ware wellicht een bagatel te beknibbelen geweest op die vordering, doch algemeen wordt besloten hem dezelve too te staan, met de kennisgeving dat zij reeds morgen het eerste middagmaal zullen opnemen, en van dag tot dag terug zullen komen.

Hoeveel maaltijden zal de kastelein moeten

ocr page 73

35

opdisschen en tevens hoe vele halve flesschen wijn zal hij moeten leveren om aan het getroffen accoord te voldoen, en hoeveel geniet hij telkens daarvoor? Hoe dikwijls kunnen vijf personen, telkens in eene andere orde aan tafel aanzitten, zoodanig dat zij nooit op dezelfde wijze geplaatst zijn ?

340. Welk onderscheid is er in de vraag naar spek

en in de vraag naar ham ?

341. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen ?

342. Wie is er geboren, die geen jonden en ook

geen meisje was ?

343. Hoe kan men de letters van het woord zoen op

vier en twintig wijzen, telkens onderscheiden plaatsen ?

344. Men vraagt de lezing van het volgende Raad

sel in een doolhof! De oplossing is: Een Voorsnijder.

hij

üjf

raakt

maat

men

ook

aan

van

pleiziev

den

niet

onder

den

hebben

en

noch

zoude

snijder

het

den

weet

zoude

daarmede

groot

doen

persoon

die

draad

een

genoemd

rok

iemand

ook

men

nemen

zonder

zich

gezelschap

een

van

schaar

nauwer

naald

wie

en

gaarne

maken

het

te

te

bedienen

luid

weet

zegge

het

een

ocr page 74

36

345. Op welke eenvoudige wijze zoudt gij de beide

einden van den regenboog aan elkander kunnen knoopen?

346. Mijn woord van eene enkele lettergreep drukt

een geheel uit; doch van achteren af gespeld. ben ik slechts een deel van mijn geheel?

347. Ik wensch u hartelijk toe, dat de linksche

spelling van mijn eenlettergrepig woord, nimmer uw deel zij ; hoe heet ik ?

348. Het laatste deel van mijn tweelettergrepig

woord, wordt door mijn eerste deel vernietigd ; mijn geheel voorspelt mij een zeer kort bestaan ; kent gij mij nu ?

349. Het tweede en derde deel van mijn drieletter

grepig woord wedersproken mijn eerste deel! kunt gij mij noemen ?

350. Van welken kant gij mij gelieft te spellen,

ik druk altijd eene ongezondheid uit ; noem mij nu eens.

351. Het eerste deel van mijn woord, uit vier letter

grepen bestaande, geeft iets te kennen dat nooit bestaan heeft en nooit zal bestaan ; in vereeniging met mijn tweede deel drukt het een uitslag uit, dat het begin van verderf aanduidt; mijn derde deel kan op geene school, ook op geen kantoor gemist worden, en dit derde deel met mijn laatste deel verbonden, behoort in de verzamelingen van kunstliefhebbers te huis. Mijn geheel herinnert den naam van een beroemd Nederlandsch Staatsman.

352. Of gij mij rechts of links spelt, ik druk het-

ocr page 75

37

zelfde uit; ook hebt gij mij ter rechter- en ter linkerzijde van uw persoon, en gij zoudt mij volstrekt niet willen missen.

353. Hoe kan men het onderste van een stoof, die

door een ander boven zijn hoofd in de hoogte wordt gehouden, kussen ?

354. Mijn eenlettergrepig woord is somtijds benau

wend, ook somtijds vroolijk ; doch links gespeld beduid ik een vreeselijk misdrijf.

355. Noem mij een woord, dat zoowel rechts als

links gespeld, altijd iets zachts te kennen geeft.

ocr page 76

OPLOSSING DER RAADSELS.

1. Neven.

2. Nergens ; want het huwelijk neenat eéne vrouw

en één man tegelijk op.

3. De vrouw ; want zij werd uit den mensch ge

schapen ; de man ontving zijn aanwezen slechts uit stof.

4. Indien hij niet in gezelschap van zijns gelijken

is, want dan zijn het altemaal leeuwen die men ziet.

5. Aziö, als zijnde de wieg van het gansche mensch-

dom.

6. Verliefden.

7. Men neme de eerste letter, N, slechts weg. 8-In Engeland; want daar heet ieder meisje eene

Miss.

9. HOOY.

10. De maag.

11. Eene medicinae docter ; want elke ziekte is zijn

vijand.

12. Dat hij op een gat zit en er niet in valt.

13. Hij was met twee eieren ter markt gegaan,

verkocht er slechts één, en kwam met één, derhalve zonder eieren thuis.

14. Omdat de vrouwen geen enkele zaak met één

woord kunnen afdoen.

ocr page 77

3d

15. Een inispel.

16. Niets.

17. De letter o.

18. Een sneeuwbal; men zegt: zoo wit als sneeuw.

19. Hen weg te werpen.

20. Een steenworp.

21. De nnl.

22. Een gat.

23. Peet—pet.

24. Heil—bel.

25. Razijn—-azijn.

26. De tijd.

27. Een vliegende visch.

28. Neger—regen.

29. De opstanding.

30 .In de bedsteden.

31. Een hoed, muts of pet.

32. Roos aan uw lichaam.

33. Een bal.

34. De snuit van een olifant.

35. Jacob zelf.

36. Uwe maag.

37. Eene brug.

38. Eene kreeft.

39. Naar zijn veertiende jaar.

40. De baard, want de bok en alle dieren zijn

vroeger dan de mensch geschapen.

41. Het wijfje van een kanarievogel.

42. De letter r.

43. Lepels en tafellakens of tafelkleeden.

44. Ten tijde van den zondvloed.

45. In den overvloed.

ocr page 78

40

46. Een kam en een zeer hoofd.

47. Scbuinseh.

48. Eene ledige plaats maken.

49. Heden.

50. De duivel. (Grenesla 3. vs. i.)

51. De Echo.

52. Gij en ik.

53. Zeeland.

54. Als zij tegen de middagzon opkijken.

55. 88, men zette XX en trek dan 22 af.

56. Die de kortste nachten hebben.

57. De nacht des grafs.

58. De laatste man.

59. De een doet den tijd opmerken, de andere doet

den tijd vergeten.

60. Wij mensohen ; maar God doet bet groeien en

bloeien.

61. Een : spiegel.

62. Voor Bed, Brood, Brand en Bekleeding.

63. Van ulevellen.

64. Men schrijve het in letters, en telle die.

65. Een geguillotineerde: bij voorbeeld Lodewijk

XVI en Antoinette van Frankrijk.

66. Gij en ik.

67. De honger.

68. Zoo gij zeven vingers van uwe twee banden

afneemt dan blijven er drie.

69. De letter M.

70. De weg.

71. Vader Jacob.

72. Een slak met zijn buisje.

73. Zoetjes praten en hard liegen.

ocr page 79

41

74. Eeu geschilderde.

75. Men spelle het woord paplepel vau achteren af!

76. De neus.

77. De kiezen en tanden.

78. Door den wijn op te drinken.

79. De letter e komt altgd in het woord hemel.

80. Die men het veiligst kan open laten.

81. Door een appel of peer in de hand te nemen.

82. Zij neme de eerste van een meloen, de tweede

van een ham, de derde van eene hen.

83. De echo.

84. Naar den molen brengt men de lappen, uit de

kroeg komen de lappen.

85. Klagen en wenschen.

86. Advocaten en scharen snijden nimmer elkander,

maar altijd wat er tusschen komt.

87. De kleedermaker. Zij moeten altijd eeu beun of

eene tafel hebben.

88. Een schilder.

89. Zeven, het meervoud van eene zeef.

90. Een predikantszoou, wiens moeder hertrouwde.

91. Eene hondslengte, deze is heet aan zijn achterste.

en kond aan zijn neus.

92. De opeter heette ieder ; de andere heeren had

den niets van de eendvogels gebruikt.

93. Drie; doch in Romeinsche cijfers, aldus gezet :

I I J, en de bovenhelft gaat weg.

94. De eerstgenoemde mag eene schaar gebruiken ;

de laatstgenoemde niet.

95. Du dood.

96. Zijn wederga. (naar !

97. Wilt gij het weten, ga dan in dienst bij een mole-

ocr page 80

42

98. Non.

99. Room — moor.

100. De tijd.

101. Een haan.

102. De letter a.

103. Een voorsnijder aan een maaltijd.

104. Ka, Nee], kaneel.

105. Otn dat zijn huis niet in den oven kan.

106. Leijden — eijden beteekent niets.

107. Men maakt een slapende goed wakker.

108. Een ruiter te paard. Hij houdtzijne tweebeeneu

over, als hij u de vier van zijn paard geeft.

109. Dat buiten schot blijft.

110. Twee maal twee is uitgemaakt, vier, — zuur

kool is INGEMAAKT, kool.

111. Twee duffelsche jassen.

112. Hansworsten.

113. Tweedracht.

114. Het licht.

115. Psalmen 131, 133, en 134.

116. In Februari, die '28 dagen telt

117. C. L. ezels.

118. Otto — Reinier.

119. Moor.

120. Een jongeling wiens moeder in hot kraambed

was gestorven, word in zijns vaders beroep tot slachter opgeleid ; naar zijn tegenzin iu dal beroep deed hem besluiten geestelijke te worden, in welke waardigheid hij het huwelijk van zijne zuster kerkelijk voltrokken heeft.

121. Welk ambacht anders dan het kleermaken ?

ocr page 81

43

122. Het woord luis ligt in het woord kluis op

gesloten.

123. Wanneer men geen groote beeft.

124. Paar — raap.

125. Eood — door (van een ei).

126. Barbiers.

127. Delft.

128. Ei.

129. Adam; want in zijn slaap werd zijne vrouw

geschapen, en de wereld weet hoe zij het gemaakt heeft.

130. Emmer.

131. Zes billioen, vijf honderd drie en negentigdui

zend, zeven honderd vier en tachtig raillioen negen honderd een en dertig duizend, acht honderd twee en zeventig. (Billioen drukt uit: duizendmaal duizend millioen.)

132. Stel u eene weduwe Anna voor met haar

dochter Befje, en Jan, oen weduwnaar, met een zoon Cornelis.

(Jornelis huwt met Anna.

Jan huwt met Betje.

Ergo wordt de vrouw van Cornelis de moeder van Jan, en Cornelis, die haar gehuwd heeft, de vader van Jan.

133. Half uitdoen.

134. Ho! (zooveel als hei daar!) ook houd op!

135. Een spiegel.

136. Het is gisteren ook, eergisteren en vooreer

gisteren nieuwe jaar geweest; want op eiken dag na nieuwe jaar is het nieuwe jaar geweest; en eveneens zal bet alle dagen, en

ocr page 82

44

dus ook morgen kerstdag zijn, totdat de eigenlijke kerstdag daagt, en dan is hot

HEDEN.

137. Jonas in den buik van den visoh.

138. Verouderen.

139. Papa — pap.

140. Gij houdt beiden uwe hand aan het gewricht van den ann.

14:1. De schaduw.

142. Abrahams offerande.

143. Met inachtneming der komma's, wordt hier

geene onwaarheid gezegd ; doch om het voor een raadsel door te laten gaan, spreke men ras cn zonder acht te geven op komma's. Bij de oplossing doet men hooren : «Mijn meisje heeft tien nagels, aan iedere hand vijf, en twintig aan handen en voeten.»

144. Eva,

145 . Naar armzaligheid.

146. Con jakjes.

147. De barbieren.

148. Tabakshandelaren en snuifmolenaars.

149. Een baander of lijndraaier.

150. In het beroep van comediant.

151. Een boer te paard.

152. Ben spijker.

153. Eene pijp.

154 Het portret.

155. Een klompenmaker.

156. Het kleedermakersambacht.

157. Recht, rond, vierkant, krom.

158. School — schol.

ocr page 83

45

159. Dubbelzinnigheden.

160. Amen.

161. Men zal er geen schoppenboer meer dan vroe

ger in vinden.

162. Om de tanden.

163. Anna.

164. 555555555.ibij optelling 45.

123456789 bij optelling 45.

432098766 dit verschil levert wederom bij samentelling het getal 45.

165. Twee kaarsensnuiters; men halveere het opge

geven getal 155322. dan krijgt men 77661 tweemaal, en men veroorlove de omzetting der cijfers, dan levert iedere helft, of ieder getal van 77661 één kaarsensnuiter, zie hier in ruwe trekken een duide-I

lijk voorbeeld □

db

166. Zeven. Bij het opgeven spreke men de woor

den voor aoht zeer gauw uit, en dan wordt hot verstaan als of men zeide veracht, en dan zal het niemand invallen om 7 te antwoorden.

167. T wee. Men halveere hot getal, dan komt er

1110; de cijfers 1110 naar willekeur geplaatst, leveren een borrelglaasje op, zoo krijgt men van hot volle getal 2220 twee borrelglaasjes. Zie hier in ruwe trekken een duidelijk voorbeeld v

I

O

168 Zeventien. De weggeveegde helft van XXXII

ocr page 84

46

faetzij men van onderen of boven de helft wegvege, levert VVVII.

169. Ja, de lippen ; want deze zijn door dengene

die terugroept zeker verroerd.

170. Een schoenmaker.

^71. Men zette de cijfers 91 en plaatse nu een schuins streepje onder het cijfer 1, onder welk streepje men het cijfer 2 zet, waardoor men bekomen zal.

172. Neem met uw mond het stuk geld uit do eene

hand, en breng hot alzoo in de andere hand over, — of laat het stuk geld uit de eene hand op de tafel vallen, en vat het met de andere hand op !

173. 00000

0 0 0 0 0 0

174. Men legge op eene tafel een cent en overdekke

dien met een schotel; men zegge dan met eene gebiedende stem eene reeks van vreemde woorden, Pransch, Latijn, Hebreeuwsch of andere vreemde taal, en gelastte nu op een forschen toon: »Geld! ik wil dat gij verdwijnen zult.quot; Verzoek alsnu een der aanschou-wers, om den schotel maar weg te nemen, zoo wordt u gemakkelijk de gelegenheid verschaft, om het geld weg' te nemen, zonder uwe hand aan den schotel te hebben gebracht.

ocr page 85

47

175. Men legge naast elkaar elf centen, één van

deze, te weten de blinde of afgealetene, telt slechts voor één, daarop beginnen de naamletters die naar boven gelegd zijn, volgen-derwijze te spreken :

Wij Weten Wel Waarom Willem Weggaat, Willem wil Weêr eene Wederhelft.

176. Als men gaat zitten op de knie van zijne partij.

177. Men schrijve : »Stok met drie letters.''

178. Met het'cijfer 9 vermenigvuldigd, verkrijgt

men altijd het cijfer 1, met 18 vermenigvuldigd het cijfer 2, met 27 vermenigvuldigd het cijfer 3, enz.

179. Men heeft het reeds gezegd : »Hoe.quot;

180. De drie letters die het woord hel uitmaken,

vindt men in het woord hemel.

181 Men neme iemands vier vingers in de hand, geeft men ze terug, zoo behoudt men vijf vingers.

182. De bijbel

183. Eene speld.

184 Ram, eene vaar van eene ooi of ooie, een vrouwelijk schaap of vrouwelijk konijn. 185. Om de kippen te laten zien, dat hij zijne les

van buiten kent.

186 Als iemand het hoofd buiten het venster steekt.

187. In alle beschaafde landen; want de mannen

verrichten het trouwen, de meisjes worden getrouwd.

188. De lettergreep stil, zwijgen is genoeg.

189. De ezel die in de ark van Noach was ; want

alle menschen hebben hem kunnen hooren.

ocr page 86

48

190. Het weerlicht.

191. Overalonitegenwoordigheid.

192. De dieven aan de kaars.

193. De letter o.

194. Eene schaar — des ciseaux, — eone tang — des

pincettes, en meer andere.

195. Une femme est aussi horame ; men laat het

lidwoord u n weg, dan geeft men te kennen : »Eene vrouwe is ook menschquot; (een redelijk wezen).

196. Men hebbe achtereenvolgend te schrijven;

^Amsterdam zonder a.quot;

197. Negen.

198. Rups — Eus.

199. Koos — os.

200- Loot — lot.

201. Steur — Ster.

202. De tanden.

203. Een paar kamermuilen of pantoffels. 204- Verliefden.

205. Die van bloemkool.

206. Weesp — wesp.

207. Wolf — wol.

208. bier — pier.

209. Die het drukst van zich zeiven praten.

210. Beest — best.

211. Zeven — even.

212. krib ~ krip.

213. Men steke den eenen zak iu den anderen.

214. Het woordje maar — raam.

215. Aan de buitenzijde.

216. Den weg begaan.

ocr page 87

49

217. Een raadsel.

218. Mietje had geeu minnaar, toen Willem, die thans tot haar spreekt, een meisje had, weshalve hij destijds aan Mietje zijn hart niet kon schenken ; nog is voor Mietje geen minnaar opgekomen., zoodat Willem, die zijn eerste meisje den zak heeft gegeven, of misschien den zak van haar gekregen heelt, haar zijn hart heden kan aanbieden.

219. Heer boven knecht,

Berg boven dal.

Rechter boven knecht,

Goed boven al.

220. Er waren slechts drie personen: de eerste was de vader, de tweede zijn zoon, de derde zijn kleinzoon.

221. Eene doodkist.

222. Eene kers.

223. Eene rivier.

224. De een reist de aarde rond naar het westen, de andere naar het oosten ; wanneer zij beiden terugkeeren, dan zal de eerste, die met den loop der zon meê is gereisd, twee dagen minder geteld hebben dan zijn broeder.

225. De mensch. Jong zijnde, kruipt hij op handen en voeten. In de lente zijns levens gaat hij op twee voeten, doch aan den avond van zijn leven, in zijn ouderdom, neemt hij tot behulp een stok of kruk als derde been.

226. Een kok. Deze immers moet zorgen, om zoowel den smaak en den reuk als het oog te voldoen, bij gebreke waarvan hij de rechte kok niet is ;

ocr page 88

50

ofschoon, hetzij ter linker- of ter rechter zijde gespeld, de naam van zijn beroep altijd kok luidt.

227. Tol.

228. Mal.

229. Windbuil.

230. Kom, wij inoeten trouwen gaan.

231. Boterham.

232. Pruisen.

Rusland.

Oostenrijk.

Engeland.

Frankrijk.

233. Eene vuurtang.

234. De letter r.

235. Eene nooit aan den boom hangende.

236. Een bed.

237. Het is eer te timmeren ; want men kan het niet afbreken, tenzij het eerst getimmerd is.

238. Stukje.

239. Zij wasschen hunne handen in den dauw en drogen ze in don wind.

240. Nieuwjaar.

15 - 15 — 15

241.4 - 9 — 2 | 15

15

ocr page 89

51

242.1 — 2—3— 4— öj 15 2—3—4—5—1 I 15

3 — 4 — 5-1— aj 15

4 — 5-1-2 - Sj 15 5—1—2—3 — 4 i 15

15 — 15 —15 —15 — 15

243. Men vege de streep van cijfer 9 weg, dan

behoudt men 10, wijders vege men de cijfers 5 weg, en nu bedraagt het overschietende getal 19.

244. Men vermenigvuldige het getal met 54, dan

verkrijgt men geene andere cijfers dan 6.

245. Het afsnijden van zijn hair en nagels.

246. Men vertegenwoordige de klinkletters door

nummers als a 1, e 2, i 3, o 4, u 5, ij 6, de medeklinkers worden behouden. Schrijf nu eens d2 mllg 2n d2 k221 z6n 4ng2mlkk216k2 sch51d233ch2rs, —- dan vindt gij den volzin: »De maag en de keel zijn ongemakkelijke schuldeischers.quot;

247. Een kater.

248. Een goud ijzer dragen, — aan het koud vuur

lijden, •— oen stroom van menschen.

249. Kip.

250. Tien, namelijk: Jan — Joan — Johan —

Jonas — hen — hoe — jas — ho — ja — na.

ocr page 90

251. Men heeft slechts wanneer men lacht, de oogen

op een lepel azijn gevestigd te houden.

252. Daarin, dat het ons bij zwaren nevel en bij

donker genoegzaam alle dienst weigert.

253. Juweelen en kostbaarheden.

254. Edam — Naarden — Gorcum —Elburg—Heij

den — Amsterdam — Nijmegen — Doesburg.

255. Pez — Rusland — Algiers — Napels — Kas

sei — Reuss — York — Kerkelijke Staat.

256. Drie honderd zestig slagen.

257. Eene zaag.

258. Een muizenval.

259. Een droom.

260. De wijn uit de flesch in een glas geschonken.

261. Eene klok.

262. De turf — do rook — het root en de asch.

263. Het geweten.

264. Het leven.

265. Dat hij zich niet braadde.

266. Een vogel in de vrije lucht.

267. Bloemensap,

268. Vlooien vangen.

269. Als hij dronken is.

270. Schoenen.

271. Niemand.

272. Gewis; want hij zal het opeten van eon paard

wel nalaten.

273. Zuilen — Waalwijk — Ede — Dalfsen —

Eist — Nieuwendam.

274. Maas — Eem — - Schelde.

275. Geene van beiden, de eene zoo wel als de an

dere brandt korter.

ocr page 91

53

276. Ooi (Een vrouwelijk schaap of vrouwelijk ko-

277. Van Psalm 136. „ijn.)

278. De mensch begeert zilver boven koper. Het salpeterzuur begeert koper boven zilver.

279. Het cijfer tal XVII aldus te verzetten : VIXI (Ik

lieb geleefd.)

280. Bereteekenen. [eren er.

281. Het oogeublik. Millioenen oogenblikken vol-

282. De een schildert met eeu penseel, de ander

schildert zonder penseel.

283. De letter g: astronomie — gastronomie.

284. Twee en twintig, te weten : teer — pot — reet ter — eer — top — pret — Po (eene rivier) — poüet — te — tot — toer — rot pet — peer — peet — tor — roet — reep — eet — op — o.

285. Vijf en zeventig, namelijk : moeder — lijk — de — der — er — moe — moede — eed — eek — Eem (eene rivier), — moer — mijl —-mol eer — meer — roe — roede — rede — roem — ijk — mode — moed — dom — dol — drol — drom — dolk -dor — dijk — krom — leed — deel — ree — edel — mede — rok — rel — kleed — lijder — kom — lek — mij — lok — dok — dek — drok — leer — leder — lor — rol — rijm — meel — ijdel — klem — melk — lijm — lij —■ doel — doek — dek — leek — keel — leem — koe — koel — kol — loer — rijk — om— Rome — rek — IJ (eene rivier), — moker — ode — oker.

ocr page 92

54

286. Veertien, te weten; ba — bard — ban — bad — band — rad — ra — rand — ra — nar — dra — ar — dan — bar.

287. In'^het jaar 10,000,000.

In de maand 833,333 — 33°.

In de week Per dag

Per uur

20 — 66. - 34.

208,333 — 33. 29,701 — 90. 1,240 — 07.

Per minuut Per polsslag

288. De letter a.

289. Honderd; want de helft van O in de lengte doorgesneden, levert 0, dat is honderd.

290. IJsbrand.

291. Benj amin.

292. In het getal letters.

293. Om hunne beenen.

294. De letter i.

295. Bene tang.

296. Hij had slechts één oog en slechts één arm.

297. Den 21sten December 1799, te middernacht. 298.1 Chron. 1:1.

299. Johannes XI; 35.

300. Sjapoleon, keizer der Franschen.

Moachim, koning van Napels.

|l{ieronimus, koning van Westphalen. Hoseph, koning van Spanje.

fodewijk koning van Holland.

301. De letter r,. — 302. Ik ben een raap.

303. Gewis ; dewijl zij minder in getal zijn.

304. Niet in de lengte, noch in de zwaarte, maar in het getal letters.

ocr page 93

55

Dit vroeg een heer aan zijn knecht, en de knecht antwoordde :

CJwe weet, mijnheer dat er vierderlei kleuren in het kaartspel zijn, en wanneer ik die kaart-kleuren te zamen in handen krijg, brengt dat mij in de gedachten, dat er vier getijden in een jaar, en ook vier hoofdwinden zijn.

Krijg ik de twaalf beeldkaarten in handen, dan brengen zij mij in de gedachte, dat er twaalf maanden in een jaar zijn.

Krijg ik de dertien bladen, die er van elke kaartkleur zijn, in handen, dan denk ik er aan, dat er juist dertien weken in een vierendeel jaars zijn.

Krijg ik hot volle spel of al de twee en vijftig kaarten in handen, dan herinneren zij mij, dat er even zooveel weken in het jaar zijn.

Tel ik al de kaartoogen in het volle spel, dan bedenk ik, dat hun getal, gelijk staat met het getal dagen in een jaar, en multipliceer ik die kaartoogen met '24, dan krijg ik eene uitkomst gelijk aan het getal uren in een jaar, terwijl, wanneer ik, het gemultipliceerde kaartoogental met 60 vermenigvuldig, het product de minuten aangeeft, welke een geheel jaar bevat.

Krijg ik eene vrouw eu een heer in handen, dat brengt mij in de gedachte, hoeveel eene vrouw aan haren man verschuldigd is, en ook hoeveel ik, als knecht, aan mijnon heer en mevrouw verschuldigd ben, en hoeveel ik bovenal aan den hemel ben verschuldigd.

ocr page 94

56

Krijg ik den boer in handen, dan herinnert deze mij, dat er twaalf poppen in het spel zijn, en dat brengt mij in de gedachte: dat er eens twaalf apostelen waren.

Krijg ik de tien in handen, dan denk ik daarbij vooreerst: aan de tien geboden Godf, en ook dat God aan Abraham zeide : »Zoo er slechts tien vromen in Sodom eu Gomorra gevonden werden, deze steden gespaard zouden blijven.quot;

Krijg ik de negen in handen, dan denk ik hoe ondankbaar negen van de tien melaatschen waren, die de Heer gereinigd had.

Krijg ik de acht in handen, dan denk ik er aan, dat de Heere God acht menschen in de arke Noachs gespaard heeft.

Krijg ik de zeven in handen, dan brengt die mij in de gedachte de zeven vruchtbare eu onvruchtbare jaren, en insgelijks de zeven jaren die Jacob moest dienen, om Rachel, Labans dochter, te ontvangen.

Krijg ik de zes in handen, dan doet mij dit denken, hoe in zes dagen tijds, de hemel en de aarde geschapen werden, en dat ik daarom zes dagen in de week arbeiden moet.

Krijg ik de vijf in handen, dan herinnert mij dit, dat aan ons menschen vijf zintuigen zijn gegeven, die, helaas! te dikwijls, niet al te best gebruikt worden, en ik denk dan insgelijks aan de vijf boeken van Mozes.

Krijg ik de vier in handen, dan denk ik aan de vier elementen, en ook aan de vier Evangelisten.

ocr page 95

57

Krijg ik de drie in handen, dan stel ik mij voor hoe Jonas drie dagen in den buik van een visoh heeft doorgebracht.

Krijg ik de twee in handen, dan komt mij terstond in de gedachte het Oude en Nieuwe Testament, welke beide zoo vele heilrijke leeringen inhouden.

Krijg ik eindelijk de aas of een in handen, dan breng ik mij in de gedachte, dat er ééne ziel in mij huisvest, en wanneer die ziel verloren is, dan is alles verloren. De genadige Hemelvader neme haar in zijne bescherming.

306. De maan, zij leent haar licht van de zon.

307. Men schrijve het getal 20, op de volgende wijze:

mmilHUUmd li, als nu beginne men van achteren af te tellen, twintig, negentien, achttien, zeventien, enz. totdat met het oneven cijferl,heteven getal 20 schoon opgegaan is.

308. De letter e.

309- Mier — Mie — Ier.

310. Kok — Coq (een haan).

311. Marken, Ameland, Schokland, Texel.

312. Twee honderd veertig sprongen.

313. Dat men bij een doof meisje toch gehoor vindt.

314. Versterking. Men stelle zich eene vrouw voor,

die pas hare kraambevalling volbracht heeft, en het is ontegenzeggelijk dat zij versterking behoeft.

315. De eerste loopt langzaam voor, de andere

langzaam achter uit.

316. Onmogelijk! Doch misschien maanbevingen.

ocr page 96

58

317. Koekoek.

318. Vijf. Men zette M (duizend), ontneemt de

been en aan dat cijfer, dan rest er V (vijf).

319. Ben kanon.

320. Hoogmoed.

321. Beiden trekken een trein achter zich, en beide

verspreiden vonken.

322. De dood.

323. Stulp — tulp.

324. Elft — helft.

325. Mis. sim (Aap).

326. Een kruppkanon komt van Essen en een

roode neus van trinken.

327. 2147483648 penningen, 13421772 guldens vijf

tien stuivers en vijftien penningen. Men weet dat de guldens twintig stuivers, een stuiver zestien penningen heeft.

328. Men late de eerste helft van den eersten regel

op de laatste helft van den tweeden regel slaan, — de eerste helft van den tweeden regel moet slaan op de laatste helft des eersten regels, en op deze wijze ga men, bij de lezing, met alle volgende halve regels dalende en klimmende, te werk, als wanneer de zegengroet in optima forma is, en dus luidt:

Mijn hart wenscht u een jaar, met vele blijde dagen. Nooit wenscht het ueenjaar, dat reden geeft tot klagen. Het wenscht u dus een jaar, dat rijk in zegen is, Nooit wenscht het u een jaar van pijn en droefenis, Een jaar om t' allen tijd naar Godes Woord te hoeren, En nooit een dag of uur uw Schepper te verstoren.

ocr page 97

Een jaar vau ongeluk weuseh ik alleen voor mij; Een jaar dat vreugde schenkt, ja, dit belove gij! Gezondheid, lieve meid! wensch 'k u euallemenscben, Maar altijd ziek te zijn, zal ik u nimmer wenschen, Ik wensch u in dit jaar, deu zegen van den Heer! Vooral niet wensch ik u een zee van smart en zeer ! Ten slotte wensch ik u^ dat God u onderschrage! En nimmer is mijn wensch, dat gij u zelv' mishage, Ik wensch dat gij nooit ziet de hel met zijn torment, Doch dat uw ziel geniet het Hemelsch firmament! 329. Omdat zij eeuwig snapt, kon niemand haar ooit scheren, of het ging met doodsgevaar gepaard.

330 Manna.

331. Een schietgeweer.

332. Bene hangklok.

333 1 nig beminde Betje! deze is dienende om u te melden, dat de

2 spalt nog altijd blijft aanhouden ; maar als

het noodig wordt zullen wij er

3 st op inhakken, en zoodra als het grapje

voorbij is, krijg ik mijn paspoort, en wij

4 en dan, hoe eer hoe liever, onze bruiloft.

Weet gij wel, toen wij nog bij dien

5 tiger waren, en overrompeld werden door

uw heer ? Dat was eene gekke historie 1 Onder het schrijven van dezen brief, den

6 den, ontving ik uw letteren, geschreven uit

7 aar, mij meldende, dat Jan-neef liefde laat

blijken voor uwe zuster, geef toch goed

8 op haar! zij is nog jong, en hare ge

9 heid voor dien mallen knecht van Mar

ocr page 98

60

10 us, kan haar licht tot een verkeerden stap

brengen; den gerookten

11 t heb ik wel ontvangen, en bedank er u

zeer vriendelijk voor; maar daar slaat de klok

12 ure, ik heb geen tijd om meer hierbij te

voegen, ik breek af met de pen; doch niet met het hart

Vaarwel gezegd van uwen vurigen minnaar, KLAAS DROOGLEVER.

Kavallerist.

Ophelderingen: 'eenig — tweespalt — driest — vieren — vijftiger — zesden — zevenaar — acht — genegenheid — Tinus — elft - 12.

334. D rift doet dwalen, driftige Dirk dwaalt dikwijls. — Mietjesminnaar moet morgen met mijn molen mostaard malen.

335. De jonkman had slechts ééne hand en één oog.

336. Ben lord; (drol)

337. Ze te laten loopen, dan krijgt men ze niet.

333. Een tooneelspeler.

339. De kastelein is verbonden tot het leveren van honderd twintig maaltijden en zes honderd halve flesschen wijn, want honderd twintig malen is het ^'aan de vijf studenten doenlijk, om telkens in eene andere orde aan te zitten. Zie hier de opheldering:

Wij zullen de vijf studenten, door even zoo vele cijfers aanduiden:

ocr page 99

61

1,2,3,4,5 1,2,3,5,4

1.2.5.3.4 1,2,4,5,3

1.2.4.3.5

1.2.5.4.3 1,3,4,5,2 1,3,4,2,5

1.3.5.2.4 1,3,5,4,2

1.3.2.5.4

1.3.2.4.5

1.3.4.5.2 1,4,3,2,5

1.4.5.2.3

1.4.5.3.2

1.4.2.5.3 1,4.2,3,5 1,5,3,4,2

l.hAAZ 1,5,2,3,4 1,5,2,4,3 2,1,3,4,5

2.1.3.5.4

2.1.4.3.5

2.1.4.5.3 2,1,5,4,8

2.1.5.3.4 2,3,5,4,1

2.3.5.1.4 2,3,4,5,1

2.3.4.1.5 2,3,1,4,5

2.3.1.5.4 2,4,5,1,3 2,4,5,3,1 2,4,3,5,1

2.4.3.1.5 2,4,1,3,5 2,4,1,5,3 2,5,4,3,1

2.5.4.1.3

2.5.3.1.4 2,5,3,4,1 2,5,1,3,4 2,5,1,4,3 3,4,2,1,5

3.1.2.5.4

3.1.4.2.5 3,1,4,5,2 3,1,5,2,4 3,1,5,4,2

3.2.1.5.4

3.2.1.4.5 3,2,4,5,1 3,2,4,1,5

3.2.5.1.4 3,2,5,4,1

3.4.2.1.5

3.4.2.5.1

3.4.1.5.2 3,4,1,2,5 3,4,5,1,2

3.4.5.2.1 3,5,1,2.4

3.5.1.4.2 3,5,4,2,1

3.5.2.4.1 3,5,2,1,4

3.5.4.1.2 4,1,2,3,5 4,1,2,5,3 4,1,3,2,5

4.1.3.5.2

4.1.5.2.3

4.1.5.3.2 4,2,3,5.1 4,2,3,1,5

4.2.5.1.3

4.2.5.3.1 4,2,1,5,3 4,2,1,3,5 4,3,1,2,5

4.3.1.5.2 4,3,2,5,1 4,3.2,1,5

4.3.5.2.1

4.3.5.1.2

4.5.1.2.3

4.5.1.3.2 4,5,2,3,1

4.5.2.1.3

4.5.3.2.1

4.5.3.1.2 5,1,2.3,4

5.1.2.4.3

5.1.3.2.4

5.1.3.4.2

5.1.4.2.3

5.1.4.3.2

5.2.1.3.4

5.2.1.4.3 5,2,3,4,1

5.2.3.1.4

5.2.4.3.1

5.2.4.1.3

5.3.1.2.4

5.3.1.4.2 0,3,2,4,1 5,3,2,1,4

5.3.4.1.2

5.3.4.2.1

5.4.1.2.3

5.4.1.3.2 5,4,2,3,1

5.4.2.1.3

5.4.3.2.1

5.4.3.1.2


24 ml.

24 ml.

24 ml.

24 ml.

24 maal.

Ieders vooraanzitting vier en twintig malen, telkens op eene onderscbeiclene wijze, kunnende plaats hebben, levert het getal dier aanzit^Lugamp;n -m-et 5 vermenigvuldigd, honderd twintigaarizittingen ;gevolge-lijk honderd twintig maaltijdep op, waarbij iedere

\,.r;v

ocr page 100

62

keer 5 halve fiesschen wijn te pas komen, totaal zes honderd halve fiesschen wijn.

De kastelein geniet voor dat getal maaltijden en wijn, in eens zestig gulden, dat is vijftig cents voor iederen keer, zoodat ieder der vijf studenten tien centen voor zijne halve flesch wijn en zjjn aandeel aan den maaltijd te betalen heeft.

Wanneer wij nu aannemen, dat de kastelein eiken maaltijd, met inbegrip van den wijn, op zeven gulden en vijftig cents heeft berekend, komt de grap hem op acht honderd en veertig guldens te staan.

340. Bij de vraag naar spek kan men den mond

open laten ; bij de vraag naar ham, moet men den mond sluiten.

341. Bruin.

342. Adam ook Eva.

343. zoen, oezn, ezon, nzoe.

zeon, onze, eozn, noze.

znoe, ozne, enoz, nezo.

zone, ozen, ezno, nzeo.

zeno, oenz, enzo, noez.

zneo, onez, eonz, neoz.

Op soortgelijke wijze kan men de letters van het woordje kus indien er zes kusjens mede te verdienen zijn, op zes wijzen, telkens onderscheiden plaatsen, als : kus — ksu — uks — usk — sku — suk.

344. De lezing, die ons moet verzekeren, dat de

reeds gegeven oplossing juist is, geschiedt volgenderwijze :

»Men zoude gaarne den snijder genoemd

ocr page 101

63

hebben, men zoude daarmede een groot gezelschap pleizier doen, die iemand den rok nauwer weet te maken, zonder maat nemen, ook zonder zich van eene schaar, noch van een naald en draad te bedienen, ook raakt hij den persoon niet aan het lijf. Wie het weet, zegge het luid !

345. Laat iemand u de einden in de handen geven.

346. Peer — reep.

347. Deel — leed.

348. Brandhout.

349. Volledig.

350. Pip.

351. Schimmelpenninck. (Rutger Jan)

352. Kaak.

353 . Men verzoeke eene jonge juffrouw, om de stoof boven haar hoofd in de hoogte te houden, welke jonge juffrouw nu, als het onderste van de stoof, zachtjes gekust wordt.

354. Droom.

355. Pap.

ocr page 102

Bij GEBR. E. amp; M, COHEN, Magazijnon van goedkoope boeken te .Arnbem en te Nijmegen, -/.ij,; de wlgfnde 3ke„ tot franC0 Verkr^bMr' te«en toezending

DROOMBOEK Nieuw en volledigst, bewerkt naar de beste geee-vens van de beroemdste uitleggers, verklarende alle mogflifke «roemen, Nachtgezichten, Mijmeringen en Verschijningen De 1883eSSlng Van enden woorfien gevende. Arnhem-Nijmegen

ERNST EN SCHERTS of de nieuwe Nederlandsche ceremonie-meester op verschillende feestgetijden toegepast, 4e verm

Nijmegen ai883'. zant'stnkJes' voordrachten (120 stuks). Arnhem-........................

GRAPPIGE GOOCHELAAR (DE) of vroolijke kunstiesmaker Bevattende brjna 200 aardige %i.,•

Arnhem—Nijmegen 1884. .

-----cauiitiier,

en kluchtige goocheltoeren.

f o.so.

JORIS DE KOMIEK. Verzameling van ruim 400 grappige anec-doten, schalksche antwoorden, wonderlijke voorvallen koddiee kluchten, enz Bijeengezocht door een liefhebber van vermaak boert en pret. Arnhem—Nijmegen 1884 ....... /quot;o 30*

JURGEN DE SPOTVOGEL. Verzameling van ruim 400 lachwekkende anecdoten, grappige kluchten, snaaksche guiteriien LT Ffi ^e1z'!gde,,• koddige invallen enz. Bijeengezocht door' gen 1884 Yan ' ' m vermaak. Arnhem—Nijme-.................■ • fo.30.

KALIZCH (Dr J.). De Sybille van Vincennes, laatste bekentenissen van eene beroemde kaartlegster, bevattende de kunst ' kaarten da toekomst te voorspellen, benevens de gronden waarom dergelijke waarzeggerijen in de meeste gevallen moeten uitkomen; tot uitspanning in ledige uren en 4e dr^lSSS g ™n kringen. Met 4 kaartentabellen ....................fo.30.

SERVAAS Vermakelijke orakelen, of kortswijlige voorzegginffen 1883W llmig I'ad van avontuur. 4e druk.' Arnhem-Nijmegen .................... • fo.30.