\7 ___________________... w
1 ' i , 1 *---- --/u'/-â 'â - J
SXELSCHIM FT.
vi;ii\oi.c ui'
I
X 1 HU W K O KTSC II R l F rr, f
XAAR DK BESTE STELSELS VIKlit NiCDEIiLANI) ItEWEEKT
P. R. GOUDSGILVAL
K. WIUIKLM lil'SSAIAW.
er
li
ft
'P H
I.EEUWAIIDEN
li r (i o s i; i; i .\ c a i:.
i N s 7.
- -WV--A/W-------
n
Bij HUGO SURINGAR te Leeuwarden en verder bij alle boekhandelaren ;
P. K. GOUDSCHAAL en E. W. BUSSMANN , Nieuw
kortschrift, naar de beste stelsels voor Nederland
bewerkt............Æ 1.25
Lees- en scliryfoefcningeu bij bovenstaand . . . â ,.60
IJ ILK ENS, De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen beschouwd. Nieuwste uitgave, bewerkt ^ door Prof. F. Katser , Dr. E. M. Beima , Prof. C. J. Matthes , Prof. J. v. d. Hok ven , Prof. H. G. v. Hall en Prof. F. A. W. Miquel. 5 deelen met platen. Ingenaaid f 1G.50; gebonden in 5 linnen
banden ............/21.â
Hiei'uit afzonderlijk :
KAISER, Beschouwingen van den sterrenhemel. â BEIMA, Natuurk. beschrijving van onzen aardbol . f 7.50 MATTIIES, Over de eigenschappen en de bestauddeelen der lucht en de verschijnselen in onzen dampkring ..............G.90
VAN DER HOE VEN, Natuurlijke geschiedenis van het dierenrijk. Met 12 platen en ongeveer 300 houtsneden .............f 8.85
VAN HALL, Natuurlijke geschiedenis van het plantenrijk.
Met 40 houtsneöfiguren......./5.75
MIQUEL, Beschouwingen over de delfstotfen en de geschiedenis der aarde. Met 18 platen en vele hout-
sneêfiguren...........f 8.50
Prof. W. E. R. SURTNGAR, De kruidkunde in hare betrekking tot de maatschappij en de hoogeschool. f 0.50 H. MASIUS, Natuurstudiën. Schetsen uit de planten- en dierenwereld ; bewerkt door A. Winkler Prins. Met vier platen naar Geoegy. In linnen band /'5.80. In geïllustreerd omslag........f 4.80
U.R. UTRECHT ASA 3734
SNEL^^xijx±JD X.
VERVOLG OP
NIEUW KOETSCHKIFT,
NAAR DE BESTE STELSELS VOOR NEDERLAND BEWERKT DOOR
P. R. GOUDSCHAAL
EN
E. WILHELM BUSS AI ANN.
LEEUWARDEN
HUGO S U R I N G A R. 1 8 8 7.
Leeuwarden. â Coöperatieve Handelsdrukkerij
VOORBERICHT.
De gunstige ontvangst, die aan âNieuw Kortschriftquot; ten deel viel, heeft verre de verwachting overtroffen en vol vertrouwen in de toekomst der nieuwe nederlandsche stenographie, bieden wij thans het vervolg op die handleiding aan.
Met dit boekje heeft men het middel in de hand om sneller, veel sneller te leeren schrijven dan met het gewone kortschrift mogelijk is. In zooverre mag het worden beschouwd als een antwoord op de ongeduldige vragen van hen, die zich door middel van het kortschrift willen bekwamen voor den werkkring van verslaggever van beroep.
Wie overigens inlichting mocht verlangen, wende zich tot het vroeger vernielde adres.
Leeuwarden. Altenbuuch.
P. E. GOUDSCHAAL. E. W. BUSSMANN.
Het snelschrift ontstaat uit liet kortschrift door:
I. Vereenvoudiging van de spelling.
II. Weglating van woorddeelen bij de veran
derlijke woorden.
III. Nieuwe schriftteekens en merken.
IV. Samenstelling van verkortingen.
Door ruimere toepassing van deze beginselen in verband met de leer der zinverkorting wordt het snelschrift verheven tot de hoogste macht der stenographic en ontstaat, wat wij zullen noemen het ijl schrift. Dit echter maakt een onderwerp uit van latere beschouwing.
I. Vereeiivoudigiiig van de spelling.
§ 1. In snelschrift is elke spelling geoorloofd, die groots schrijfsnelheid aan vlotte leesbaarheid paart. Bij de beoordeeling van de leesbaarheid van een woordteeken mag en moet rekening worden gehouden met het verband van den volzin waarin het woord voorkomt.
§ 2. Men schrijft in 't algemeen van een woord slechts datgene wat werkelijk gehoord wordt en zooals het gehoord wordt. Toonlooze en voor de uitspraak overtollige letters worden dus weggelaten.
De uitzonderingen op dezen regel â en dit geldt voor alle volgende regels â wijst de praktijk van zelf aan.
Afgescheiden van de andere verkortingsmiddelen, schrijve men alzoo :
enkele â enkl; eenige = eeng; notulen â nótlen; mogelijk = móglijk; gerechtigheid â grechtgheid; teleurstelling â tleurstelling; vleesch â vlees; breedte â breete; enz.
§ 3. Vreemde letters en lettergroepen worden zoo mogelijk en voor zoover dienstig door andere daarmee overeenkomstige vervangen.
Men schrijve bijv. melancholie, rheumatisch, thaler, tableau , troubadour, whiskey en phlegma als melan-kolie, reumatisch, tuier^ tablo, troebadoer, wiski en flegma. Onderscheidingen als doctor en dokter,
6
locaal en lokaal, praclijJc en praktijk e. m. d. kent het snelschrift niet.
§ 4. De vervanging van dubbele klinkers, zoowel als medeklinkers door enkele, wordt regel. Waar men in snelschrift een klinker ontmoet, hetzij met het eigen teeken geschreven, hetzij zinnebeeldig uitgedrukt, moet dan ook in de eerste plaats aan een dubbelen medeklinker of althans aan een langen klank worden gedacht.
§ 5. De vluchtigheid van de teekens voor aan, een, aas en ees doet daarvan een ruim gebruik maken, niet alleen door veelvuldige toepassing van de samentrekking, maar ook , soms met belangrijke wijziging van de spelling, door het weglaten of veranderen van letters.
Zoo schrijft men paden, daden en den uitgang heden als paan, daan en heen; reeds, steeds, vergeefs , eerst en laatst als rees, stees, vergees, eest en laast; lezing als leesing.
Hetzelfde geldt voor de teekens voor ein, eun, nun , uin , eis, eus, ons en uis. De uitgangen ijs, eisch, ijsch , eids , ijds, eidsch en ijdsch kunnen bijv. allen worden uitgedrukt door het teeken voor eis; voor tvijze en keuze schrijft men wijs en keus; voor homren en trouwens, houn en trous.
Met het oog op de later te vermelden verkortingsmiddelen bij de veranderlijke woorden wordt deze verkortingswijze inzonderheid tot het vormen van merken toegepast.
7
§ 6. Waar twee of meer medeklinkers op elkaar volgen, die niet door een enkel schriftteeken kunnen worden uitgedrukt, late men zoo mogelijk die letters weg, welke door haar vorm daartoe het eerst in de termen vallen. Men schrijve bijv. herfst-vreugde, sleepboot, slijpsteen, schaafbank, doodziek, loodzwaar als herstvreug, sleeboot, sly steen, schaa-hank, dooziek en loozwaar.
§ 7. Het onderscheid tusschen ei en ij, ou en au vervalt; men schrijft steeds ei en ou, en het verband van den zin moet dan uitmaken, wat daarmee bedoeld wordt.
§ 8. Verbindingsletters en -klanken worden weggelaten. Men schrijft dus: hoek...kast, woord... boek, dorp.kerk, fiesch.bakje, mijn...w eg e, nau. keurig, enz.
§ 9. De letters f en p kunnen in het midden der woorden meestal en als sluitletters altijd vervangen worden door v en h.
§ 10. Door het streven naar vereenvoudiging van de spelling zal als vanzelf de schrijfwijze voor sommige merken worden vereenvoudigd, terwijl nieuwe verkortingen ontstaan. Zoo zal men het voorvoegsel voor veelal schrijven als ver; de achtervoegsels iv aart of ivaarts en haf tig aanduiden door de teekens voor waar en av; de uitgangen ij, nij lei, teit en heid allen door het teeken voor ei, zoo noodig meer of minder verlengd.
8
II. Weglating van woorddeelen by de yeranderlyke woorden.
§ 11. Alle buigingsuitgangen, voorzoover zij uit de verbuiging of vervoeging kunnen worden afgeleid, zoomede de meervoudsvormen na telwoorden kunnen worden weggelaten. Bijv. Zijn die vrucht rijp ? Er zit 20 kind in elk der beide klas,
§ 12. Het voorvoegsel ge bij verleden deelwoorden kan meestal wegvallen. Evenals in sommige Nederlandsche dialecten schrijft men dus: ik heb hem zien; hij heeft onwaarheid sproken.
§ 13. Eenvoudige woorden â woorden namelijk die niet uit twee of meer woorden of met voor- en achtervoegsels zijn samengesteld â kunnen worden verkort door in het teeken voor de beginletter den hoofdklank van het woord uit te drukken. Men schrijft daartoe dat teeken op de plaats die het tot aanduiding van dien klank in een woord zou innemen â boven, op of onder de lijn â en brengt bovendien bij «, ou en ui de verdikking aan, bij o en oe de ronding, bij ee, ei en en de rechte, of bovenwaartsche streep. Ter onderscheiding van enkele merken wordt het teeken, dat op die wijze een woord voorstelt, zoo noodig van een ophaal-of eindstreepje voorzien.
De verkorting op de beginletter wordt bij voorkeur toegepast op woorden met een langen hoofd-
9
spraak / struif e blijven ^ schrijven ^ brieschen ^
stout ^ bloem ^ schreien klein ^ trouw
/ F-
klank en een samengesteld letterteeken voor do beginletters ; in 't algemeen bij gemakkelijk op die wijze herkenbare woordén.
Woorden met een korte e als hoofdklank worden zelden op de beginletters verkort; daarentegen zijn vele woorden in het verband van den zin kenbaar genoeg uit de beginletters alleen en is de aanduiding van den hoofdklank onnoodig.
Voorbeelden :
spreken £
schoon ^
wreed kleur brief
§ 14. Woorden met één voorvoegsel worden verkort door het voorvoegsel te hechten aan het op de beginletter verkorte hoofddeel van het woord.
|
Voorbeelden: beschaafd ^ opstuiven / afscheeren / |
verkouden ? |
uitstoomen doorbijten betreurd ^ overschoen.^ geleiden ^ |
§ 15. Is een woord met twee of meer voorvoegsels samengesteld, dan worden alleen die voorvoegsels geschreven. Zijn deze daartoe, in het verband van den zin, te weinig kenmerkend. dan
10
wordt bovendien de verkorting op de beginletter van het hoofddeel toegepast.
Voorbeelden:
|
onuitgegeven |
onuitgewerkt |
gt; | |
|
onbescheiden |
y |
onbeschaafd |
gt; |
|
onbeschoft |
onovertroffen |
~.o | |
|
onmeedoogend |
achteruitslaan |
amp; | |
|
vooruitloopen |
overbeleefd | ||
|
verontwaardigd |
r |
verontreinigd |
9 |
§ 16. Bestaat de samenstelling uit twee zelfstandige woorden, waarvan â zooals meestal het geval is â het eerste dient tot nadere bepaling van het tweede, dan wordt het eerste als een voorvoegsel behandeld â voor zoover noodig voluit geschreven en met of zonder hoogplaatsing â en overigens het woord geschreven als bij § 14. Daarbij zal het dikwijls doelmatig zijn, de beide deelen te scheiden: het eerste deel op de schrijflijn, het laatste hoog of laag, naar gelang de hoofdklank van dit deel zulks eischt. Bij enkele woorden evenwel kunnen beide deelen of wel, kan slechts het eerste deel met voordeel op de beginletter worden verkort; dit geschiedt dan natuurlijk met inachtneming van de plaats ten opzichte van de schrijflijn, die aan elk deel toekomt.
Voorbeelden:
strijdvraag /6 hoogmoed ' â quot; hoofdzaak gt;
11
schrijftafel strijdleus ^ houtteelt /ji
tuinmuur rozenstruik e'' zoutzieder j'
§ 17. Woorden alleen met een achtervoegsel samengesteld, worden op de beginletter verkort en daarna â hetzij door aanhechting, hetzij afzonderlijk â van het achtervoegsel voorzien.
Voorbeelden;
breekbaar amp; blijdschap ^ spraakzaam blauwachtig ,/' heidendom 6^
deugdelijk . schoonheid
§ 18. Woorden met voor- en achtervoegsels kunnen worden verkort door alleen die deelen te schrijven.
Voorbeelden:
onbeiWisihare waarheid V' onoverkomelijk
bezwaar J pauselijke onieWhaarheid lt;4
§ 19. Sommige uitgangen kunnen in het verband van den zin worden weggelaten, anderen daarentegen het geheele woord vervangen.
Voorbeelden :
ofschoon zeer rijk, leeft die man zuiâ. Deze zakken zijn versleten en niet meer âbaar. Die knaap is vlijâ. Hij schrijft zeer onduiâ ; zijn schrift is bijna niet âhaar. Alle menschen zijn sterfâ of Alle menschen zijn âlijk.
12
§ 20. Het verkorten van veellettergrepige samengestelde woorden met voor- en achtervoegsels geschiedt naar de vorenstaande beginselen. Vooral bij die woorden zijn doelmatige woordteekens noo-dig; de beoefening daarvan wordt daarom bijzonder aanbevolen.
III. Nieuwe schriftteekens en merken.
§21. Sommige letterverbindingen komen alleen in snelschrift voor, tengevolge van het wegvallen van letters; anderen daarentegen missen voor snelschrift de vereischte schrijfsnelheid. Om hierin te voorzien, zijn nieuwe teekens aangenomen, die naast die van het kortschrift dikwijls met voordeel zullen kunnen worden gebruikt.
§ 22. Tot de eerstbedoelde letterverbindingen behooren o. a. de navolgende; dâch e dâ9 Æ dâ2 j? tâch Æ tâg j stâg y st â t f strât ^ stâtg /* wât /- ivâtsch /
allen door eenvoudige samensmelting ontstaan uit de oorspronkelijke teekens. Alleen heeft bij de verbindingen met g en ch eene kleine afwijking plaats.
13
Voorbeelden :
doch Æ levendig deze ^ toch Æ
tegen J lastig staat / straat ^ stati^^ wet ^ wettisch / ouderwetsch V
wasch ^ wettig f zooveel ^
§ 23. Voor de verbindingen sd, s/quot;, sj, sk, sm en sn, die ook in het kortschrift voorkomen, kan, even als bij de verbindingen st en sp, van den lusvorm gebruik gemaakt worden: , 0 , , ? en . Om verwarring met gelijksoortige teekens te voorkomen, heeft het teeken voor sd, zooals men ziet, een afwijkenden vorm en moet overigens de lusvorm op kennelijke wijze worden uitgedrukt.
Voorbeelden:
des daags ^ 's jaars / sfeer ^ -
deskundig ^ 's maands ^ snaak ^
§ 24. De merken van het kortschrift blijven als zoodanig bestaan, doch kunnen, behalve door toepassing van § 10 naar hunne beteekenis, ook naar den vorm worden vereenvoudigd.
Door toepassing van § 19 worden de teekens voor de verschillende vormen der hulpwerkwoorden
zoo mogelijk tot den eenvoudigsten vorm terugge-
/
bracht: hebben, hebt , worden , ivordt quot; ,
zouden, zoudt quot; ; en, met gebruikmaking van de
14
7
verkorting op de beginletter, konden, kondet Door volgens de snelle uitspraak te schrijven, veranderen de têekens voor ander eri als in ^ en ~ of bij verbindingen in en ^ bijv.:
anderdeels ^ , alsmede 't ; voor hier en daar schrijft men, als de zin het toelaat, in verbindingen het teeken voor er, zoo noodig met den a-klank versterkt:
hierdoor ^ hiermede daarvoor ^
; voor wie het hooggeplaatste
; voor de voorvoegsels afge-, aange-
eenvoudig ag ? en ang x of, zooals veelal zal kunnen geschieden, alleen aan. Eindelijk kan, zoo als we reeds zagen, tot het vormen van nieuwe merken gebruik worden gemaakt van de nieuwe schriftteekens, vermeld in § 22 en § 23: toch J
tegen J daartegen J daarentegen y desnoods ^ somtijds 't-
Omtrent de nieuwe merken (zie Woordenlijst A) zij overigens opgemerkt, dat het getal gemakkelijk kon zijn uitgebreid; met voordacht echter zijn ook nu weer de vroeger gestelde perken in acht genomen.
§ 25. Aangezien in snelschrift de gewone lees-teekens vervallen, zou de enkele punt als schrift-teeken kunnen dienen: do punt op de lijn voor het
15
woordj e de . ; de verdikte punt op de lijn voor dat . ; de punt boven de lijn voor dit ' ; de verdikte punt boven de lijn voor zal ' . Naar hetzelfde beginsel zal ook voor hier en daar het r-teeken, gewoon en verdikt, kunnen worden gebezigd : â ; voor dit het verhoogde steil geplaatste Meeken ; voor dat het verdikte #-teeken / . Hoewel voor eigen gebruik al deze teekens mogen worden gebezigd, hebben wij gemeend, in het stelsel alleen de vier laatstge-melden te mogen toelaten. Overigens komt de vermelding te gemoet aan het vermeende bezwaar van hen, die juist voor die dikwijls voorkomende kleine woorden een meer vluchtig teeken hadden gewenscht.
IV. Samenstelling van verkortingen.
§ 26. Binnen zekere grenzen neemt de leesbaarheid , zoowel als de schrijfsnelheid toe in gelijke mate als het snelschrift in beknoptheid wint. De geoefende snelschrijver brengt daarom niet alleen de enkele woorden terug tot gemakkelijk herkenbare woordteekens van den eenvoudigsten vorm, maar
16
vereenigt zelfs geheele woordgroepen tot een enkel beeld. Daartoe dienen o. a. de volgende regels.
§ 27. De persoonlijke voornaamwoorden kunnen aan het werkwoord of hulpwerkwoord worden verbonden.
Voorbeelden:
Zijtgij over hem tevreden * Sgt; I -IL
Gij weet wat zij willen
Ikheb het niet geweten ^
§ 28. De hulpwerkwoorden â als zoodanig gelden hier die werkwoorden, welke in Kortschrift boven de lijn staan â kunnen onderling worden verbonden of, bij wijze van voor- of achtervoegsel, aan het werkwoord worden gehecht.
Voorbeelden:
Hijheeft reeds vroeg willenkomen C-
Wijhadden het geluk kunnenhebben ^ ^
§ 29. Woorden, die in het verband van den zin onafscheidelijk bij elkander behooren, worden zoo mogelijk aaneen geschreven.
Voorbeeld:
Opdiewijze zoudenzijzichzelven hetmeest ge-schaadhebben Fquot; ^ ^
§ 30. Woorden , waarvoor vaste verkortingen bestaan en die dikwijls naast elkander voorkomen,
17
zoomede die uitdrukkingen, welke, ofschoon geheel of ten deele uit veranderlijke woorden samengesteld, als 't ware een enkel woord vormen, kunnen door een enkel samengesteld woordteeken worden voorgesteld. Bij wijze van voorbeeld zijn hierachter eenige dergelijke woordteekens aangegeven.
I
Alvorens nu tot de eigenlijk gezegde oefeningen over te gaan, is het noodig kennis te nemen van de volgende tabellen :
A. Vaste verkortingen;
B. Voorbeelden van vrije verkorting;
C. Samengestelde woordteekens.
De eersten sluiten geheel aan bij de merken van het kortschrift en betreffen bijna uitsluitend onveranderlijke woorden. Eene nauwlettende beschouwing van elk teeken is genoeg om later zich vaardig daarvan te kunnen bedienen.
De voorbeelden van vrije verkorting behooren eigenlijk in het verband van een volzin te worden gedacht; deze woordteekens toch worden gewijzigd, naar gelang dat verband eene meer omslachtige schrijfwijze eischt of wel, verdere verkorting toelaat. Zooals de vorm thans is, kunnen ze dienen als een zeer leerzame toepassing van de vorenstaande regels.
De samengestelde woordteekens eindelijk moeten slechts worden beschouwd als eene voorloopige aanwijzing, hoe ze ontstaan. Dit is noodig te weten, opdat men zich wachte voor het eigendunkelijk kiezen van merken of het lichtvaardig toepassen van de vrije verkorting.
19
A. Vaste verkortingen.
|
Aaneen |
alvorens | |||
|
aanstonds |
r |
alzoo | ||
|
achteraan |
£ |
alleen | ||
|
achtereen |
allerlei | |||
|
achtereenvolgens ï- |
allereerst |
y | ||
|
achteraf |
allerlaatst |
â¢/ | ||
|
achterna |
2* |
allermeest | ||
|
achterin |
/ |
allerminst |
X | |
|
achteruit |
alleszins | |||
|
achterop |
Z |
als | ||
|
achterover |
alsdan |
â e | ||
|
achterom |
alsmede |
t- « | ||
|
achterwege |
/ |
alsnog | ||
|
achtenvaarts |
/ |
alsnu | ||
|
aanhe-, aange- |
sys |
alsof |
r | |
|
aange- ^ |
alsook | |||
|
afbe-, afge |
- t' |
ander |
syo | |
|
afge- |
gt; |
anders | ||
|
aldaar |
.9 |
anderdeels | ||
|
alwaar |
anderszins | |||
|
alhier |
Beneden | |||
|
aldus |
benevens | |||
20
|
betreffende ^ bovendien ^ buitendien * bijeen ^ bijaldien bijna Daaraan, er aan daarachter, erachter daarbij, er bij daarboven, er boven daarenboven t daartegen, er tegen daarentegen y daarmede, er mede daartusschen enz. Jï dadelijk ^ deels derwaarts ^ desgelijks desnoods destemeer ^ dewijl degene, dengene diegene dergene ^ desgenen 3 / 7 o(^ z7 |
dienvolgens ^ dientengevolge ^ dienovereenkomstig dikwijls ^ datzelfde ^ ditzelfde ^ diezelfde, dezelfde ^ doch ^ Eens â eensdeels eensklaps ^ eenmaal ^ eenerlei â^ eenigszins eenerzijds eertijds eigenlijk evenmin evenveel ^ eveneens £â evenzoo Gansch geen geenszins ^ Hadt, hadden hebt, hebbon 7^ /? 7 X 5L |
21
|
hieraan ^ |
minstens | |
|
hierin |
Na |
â t |
|
hierop ^ |
nabij | |
|
hierover amp; |
namelijk |
-quot;X*- |
|
hieronder ^ |
nagenoeg |
â¢5. |
|
hieruit gt; |
naderhand | |
|
hierbinnen ^ |
nauwelijks | |
|
hierbuiten ^ |
neder- |
â |
|
hiertoe, enz. ^ |
neen | |
|
hoewel v |
nevens | |
|
hoeveel |
nergens | |
|
hoezoo V |
niettegenstaande | |
|
hoedat ^ |
niettemin | |
|
hun |
nogmaals |
't |
|
hunner |
nu | |
|
Iedereen ^ |
Onlangs | |
|
inderdaad ^ |
ondertusschen | |
|
indien * |
ons, onze | |
|
integendeel Æ |
overal |
v_» |
|
intusschen ^ |
opdat |
/ |
|
Jegens X |
Sedert |
'3 |
|
Kondet, konden ? |
slechts |
n |
|
langzamerhand ^ |
sommige |
Ã? 0 |
|
Meerendeels gL |
somtijds, soms | |
|
meermalen |
sinds |
sV ' |
|
minder ^ |
Tegen |
/ |
Spraakkunsten, ingerigt tot zelfoefening.
d,lt;gt;or J-Vâ¢Â°1 Bleven, eene
v, cïaats- essf Jamp;£zzs:
Nieuwe Zweedsche Spraakunst, door J ' Vriem] R. ' ' ^2,80
bloemlezing uit de Zweedsche lptf-p.'tnâ 7 i , HeueveJlS 68110
1
0 ,1 en dc lllcest gebruikelijke woorden en spreekwijze,,. 3e uüjave./o!v5
D'tgaven vau Hugo Sarin gar te Leeuwarden ft|nm tâ
22
|
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
23
B. Voorbeelden van vrye verkorting.
|
Aanstootelijk |
/y y |
draagbaar (z. n.) ^ |
|
administratie |
draagbaar (b. n.) | |
|
administrateur |
% |
duurzaamheid , ^ |
|
afzetbaarheid |
dubbel ^ | |
|
antwoord T |
Eigenaardig /*gt; | |
|
April / |
eigendom ^ | |
|
artikel 4 |
eisch, ijs | |
|
Augustus |
ernstig -f | |
|
autoriteit ^ |
Europa t | |
|
acces, accept, |
enz. ? |
Europeaan |
|
Briefkaart |
Europeesch | |
|
bewaarheid |
Financiën ^ | |
|
bijzonderheid |
y |
Geleide, glijden gt; |
|
burgemeester |
i- |
gelijkheid |
|
burgerlijk |
geleidelijk v | |
|
Correspondent |
40 |
gelijkelijk X |
|
conservatie |
gelijktijdig ?- | |
|
conversatie |
Y' |
gelijkluidend |
|
Christen |
geloofwaardig â¢lt; | |
|
centimeter |
God | |
|
Deugdelijk |
amp; gt; |
goed |
|
December |
godheid gt; |
24
|
Indisch y Ja / jaarlijks y Januari a. Juni Juli ^ juistheid jongstleden / Klein 9-krijgen ^ kilogram ^ kilometer ^ ' kortelings ^ Leerzaam y Maatschappij y-matig y matigheid y Maart ^ mededeelzaam 2/ middelbaar 'óP middelaar Nauwkeurig nauwkeurigheid noodzakelijkheid November ^ October | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
25
|
's daags â ⬠'s jaars f societeit /V-i/ staat / straat strafwet f / scherpschutter ~ Toelaten v-t-toestaan / tijdstip // Uitmuntend /, uitzondering ^ Vaderland ^ vaderloos c_, vaderlandslievend ^ vergelijken ^ vergelijking ^ verhandeling verandering verschil ^ verschillend lt;y verscheiden â gt; verscheidenheid lt;gt;-Wasch / waterrijk ^ waterstaat ^ | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
26
|
wenschelijkheid^c-'' wettigheid ^ ' IJdelheid |
ijlings /5 ijveraar 9 Zelfstandigheid ui/ |
C. Voorbeelden van samengestelde verkorting.
|
In elk geval meer of min mijns inziens ^ in dat opzicht H in dier voege H. met het oog op met betrekking tot W nu en dan niet alleen ^ op staanden voet 't-onverrichter zake ten allen tijde ^ ten slotte /. |
willens en wetens f ten opzichte van /-hier en daar g ten overvloede /-â' opverre na ^04/ van verre t van tijd tot tijd 5^ te dien einde ten einde ^ tot nu toe /â zoo mogelijk ^ goedschiks, kwaadschiks van top tot teen ^ |
OEFENINGEN.
De eerstvolgende oefeningen dienen hoofdzakelijk tot toelichting van de regels voor het snelschrift. Aangezien deze echter in den meest beknopten vorm zijn vervat en daardoor vooral met betrekking tot de taalkundige onderscheidingen, wellicht minder juist schijnen, zijn onder Verwijzing naaide verschillende paragrafen, een aantal voorbeelden gekozen, die als een aanvulling van die regels kunnen worden beschouwd. Zonder zich nu juist daarover in beschouwingen te verdiepen, is het noodig dat de leerling zich daarvan volkomen rekenschap geve, daarbij in 'toog houdend, dat de voorbeelden buiten het verband van een volzin voorkomen, zoodat dikwijls eene andere en betere schrijfwijze voor de hand ligt. Daarentegen moeten sommige voorbeelden juist in een volledig verband van een in behandeling zijnd onderwerp worden gedacht om de verkorting, die anders allicht te gewaagd schijnt , te verklaren.
28
§ i-io.
1. Apotheek. 2. Thuis. 3. Theater. 4. Agathe. 5. Eischeresse. 6. Flesschen. 7. Hemel. 8. Moedig. 9. Woning. 10. Leeuwerik. 11. Quadrilleeren. 12. Classicaal. 13. Lorgnet. 14. Chocolade. 15. Shako. 16. Photographie. 17. Tramway. 18. Shawl. 19. Physisch. 20. Sympathie. 21. Dejeuner. 22. Aarde. 23. Hooren. 24. Eeren. 25. Bleeker. 26. Koos. 27. Dubbel. 28. Vonnissen. 29. Wasschen. 30. Letterzetter. 31. Beurs. 32. Grazen. 33. Verkouden. 34. Vouwen. 35. Hoogerzijdsch. 36. Harerzijds. 37. Leidsch. 38. Weidsch. 39. Krijschend. 40. Rozen. 41. Muizen. 42. Reuzin. 43. Goedgeefs. 44. Leidsel. 45. Stijfsel. 46. Stoutst. 47. Gluipsch. 48. Vijzel. 49. Deugd. 50. Maagdelijk. 51. Bankbiljet. 52. Landbouw. 53. Geldtasch. 54. Paus. 55. Saus. 56. Kous. 57. Prijs. 58. IJken, eiken. 59. Pijl, peil. 60. Mondeling. 61. Mannelijk. 62. Bruggenhoofd. 63. Eendenei. 64. Pennemes. 65. Boompje. 66. Zinneloos, zinloos. 67. Eikenhout. 68. Kastijden. 69. Bespieden. 70. Nadering. 71. Zwaarder. 72. Kindschheid, kindsheid. 73. Vierderlei (1). 74. Lippen. 75. Lijfland. 76. Cijfer. 77. Rif. 78. Pijp. 79. Veinzaard.
1
Het weglaten van ingelasohte letters of klanken, ofschoon bij algemeenen regel voorgeschreven, is niet altijd een voordeel. De juiste toepassing wordt alleen door de praktijk verkregen.
29
80. Diefegge. 81. Slijtage. 82. Krijgshaftig. 83. Strijdbaar.
/ �./quot; 3. iJo i 91 7.1 lt;9.y P.Csy JO uf?
//. â %amp;,, 1Z. -ïvl. 43. iS(S. Ji. W iS.n, /« ClfiC // â fll- IS f. 49 fa
(/
lo.n/ll, li ZZ. -t 23 f_n.. 2f.^ ZS iA, Z6.'~K Z7. ^ ZS. Z9.(p, 30. 3/.U. 32 SW 33. \ M. JS. quot; 3e 371 ^ 38. 0^~ 39. W.Q.r^ i3. 3-, ii ^ M ^
ns.fir y^M. cS* 49. so. i/i si. 'quot;tv .sz .a ^.s*
33.^06.^57.^ SiS. y^- 59. Is 60. ^ lt;?/. ^ 61. ^ OC e3^â¬/ 6i. L/ln 63. lt;M 66. 67. '^ 68. 7/Ja 7Z
73 cA ?* 7S 7# /y^ zsgt; lt;yâ^4o e/^
9^^S3 ^
§ 11 en 12.
1. Wij vreezen. 2. Zij lezen samen. 3. Wij dronken. 4. Zij stalen. 5. Zij hebben gelezen, 6. Wij lijden. 7. Ze zijn gegoten. 8. Wij varen. 9. Zij zijn gevallen. 10. Wij lieten. 11. Zij hebben geloopen. 12. Zij zijn gescheiden. 13. Het waren tranen van berouw. 14. Dat zijn mijne ouders. 15. Wij moesten uws vaders oordeel vragen. 16. Zij hebben twee meisjes die hare opvoeding krijgen in een klooster. 17. Twee cirkels, â bezems, â wagens , â lezers, â dienaars, â kruideniers, â grijsaards, â boekjes, â boden, â wijzen, â tantes, - modes, â lentes, â raas, â canapé's, â duo's, â zeeën, â theeën, â reeën, â genieën, â officieren, â korporaals, â koks, â ooms, â
30
zoons, â smeden, â heidens, â knechts, knechten, â letters, â tafels, â wapens, â vaders, â wortels, wortelen, â waters, wateren, â bladen, bladeren, â beenen, beenderen, â eieren, â gemoederen, â gelederen, â hoenders, hoenderen, â kalveren, â kinderen, â lammeren , â liederen, â raden, â raderen, â runderen , â volken , volkeren , â kleeden, â blaadjes , â redenen , â vlooien, â, koeien , â voerlieden, â staatsmannen, â museums, musea, â steden, â schepen, â leden, â schoonheden, â dagen, â putten, â spellen, â spelen, â bazen, â huizen, â duiven, â hoven, â pausen, â sausen, â kousen, â golven, â ganzen, â gemzen. 18. Hij wordt begraven, â geloofd, â erkend, â⢠herinnerd, â onderhouden, â omringd , â vrijgesproken , â hooggeacht, â gevrijwaard , â geherbergd, â gerechtvaardigd, â geblinddoekt, â gewantrouwd, â gedwarsboomd.
â /. z. n s.csn tJS « rJ1 ssc*
/a c ^ ^ IX /-e IJ / C
^. öto ^ 16 ) * sgt; sr. C-A, L/l, (X,
LJM, (Jl/j C^, /y, U , ^/7. iS«_. ^
L, JI, CA ij, Cio,
Mo, u.,y, (C-, ^-yt, A o£,oamp;gt;, o^. ov,
f-é, o£,, Os, h, C^tfj ^V. ^^
1
^^ ^ 'f'
31
§ 13.
1. Drank. 2. Dwang. 3. Klank. 4. Kramp. 5. Slang. 6. Stang. 7. Stelen. 8. Breken. 9. Zwaar. 10. Spraak. 11. Spreuk. 12. Wraak. 13. Stuk. 14. Schaar. 15. Drijven. 16. Dreef. 17. Grijpen. 18. Greep. 19. Rijden. 20. Lijden. 21. Reed. 22. Leed. 23. Splijten. 24. Spleet, 25. Wijken. 26. Week. 27- Wrijven. 28. Wreef. 29. Klieven. 30. Liegen. 31. Schieten. 32. Schuit. 33. Tuig. 34. Ruiken. 35. Rieken. 36. Vliegen. 37. Vleugel. 38. Vloot. 39. Vriezen. 40. Buigen. 41. Duiken. 42. Druipen. 43. Kruipen. 44. Snuiten. 45. Spuiten. 46. Zuigen. 47. Stuiven. 48. Vroor. 49. Boog. 50. Dook. 51. Droop. 52. Kroop. 53. Snoot. 54. Spoot. 55. Zoog. 56. Stoof. 57. Kreupel. 58. Keuze. 59. SleuteL 60. Groeve. 61. Grauw. 62. Blauw. 63. Trouw. 64. Stout.
i sn z fh 3.r?i.45..-na. n r.t s.i- 9. J10.1
rt.n té. fy-iO. t- -17. 9- 19. O/ZO. ZS. / 15. C/
â 16. C- Zr.^ZS.T- Z9. *30.'$.^31^ 33 '3i. quot;35. ^36 MO. i3 i7. SO-amp;-
ÃJ.tL. L S6 L 57.^. 38. 39.^ 60. 6/.^ 6X^
63.^ 61,
32
§ 14â16.
1. Antwoord. 2. Afgrond. 3. Afbraak. 4. Gebroeders. 5. Geschreeuw. 6. Geschiedt. 7.Getrouw. 8. Onweer. 9. Wanklank. 10. Oorsprong. 11. Aartsvader. 12. Erkennen (1). 13. Beantwoord. 14. Afbetalen. 15. Begeleiden. 16. Wanbetalen. 17. Verontwaardigd. 18. Onbewust. 19. Onbekwaam. 20. Aartsbedrieger. 21. Herbenoeming. 22. Paardenstal , paardestal. 23. Schapenvleesch, schape-vleesch. 24. Bokkenwagen. 25. Gravenkroon. 26. Leeuwenklauw. 27. Kattestaart. 28. Heereboer. 29. Hagedoorn. 30. Brilledoos. 31. Beukeboom. 32. Eikeboom. 33. Pruimeboom. 34. Brandspuit. 35. Rundvee. 36. Eierschaal. 37. Watersnood. 38. Waarheidsliefde. 39. Ouderliefde. 40. Hoogmoed. 41. Kleinzoon. 42. Zuurkool. 43. Grootmeester. 44.Hoogeschool. 45. Roodhuid. 46.Blauwkous. 47. Slaapkamer. 48. Loopjongen. 49. Dwaalbegrip. 50. Scheidsmuur. 51. Leidsman. 52. Scha-renslijp. 53. Vierspan. 54. Tweeklank. 55. Vijfhoek. 56. Duizendpoot. 57. Tehuiskomst. 58. Spoortrein. 59. Schijndoode. 60. Zeeziek. 61. Grasgroen. 62. Doodsbleek. 63. Doodeenvoudig. 64. Doofstom. 65. Roodbruin. 66. Lichtgroen. 67. Raadplegen. 68. Liefkozen. 69. Paardrijden. 70. Waarzeggen. 71. Hoogachten. 72. Kwijtschelden. 73. Schoorvoetend. 74. Druipstaartend.
1
Men houde niet te angstvallig vast aan de taalkundige bepalingen; doch beschouwe als voor-en achtervoegsels, verbindingsklanken enz., die deelen van het woord, welke daarvan voor het gehooi het karakter dragen.
33
/ Tz. 3. %, i. V « P z^g.'Z. 9. 'v /lt;?. 'V'». 'X n. 'r
/i. f «t WdL^/Z //.â¢gt;. yï lo -*6 sa^S-.., ^
«5t %-^S ^ /// .«* Z9. £4C 30. Ã^ÃJ. ^ 3a. '/1033.b'/^ 3'/. f,r^35. o^sa.^S/.^ 3S.lt;- if. CL M. ^LiZp i3.
n.Cp*«.i^ ft vamp; jf-'i. 3/.^ .it.p óóf'/i
61. SS.amp;CA!. eL S7. f^lÃS. tt^~S9. ^L- 60.1'61. 6t. ^ 63.ejL~^ ei. 65. 66^-^67. ^C- 68. quot;'l Lfamp;^W. fa 71. c/ nL.frrf73.^C^ Vi.fy
§ 17â20.
1. Leugenaar. 2. Huichelaar. 3. Schuldenaar. 4. Woesteling. 5.Kloosterling. G.Kwoekeling. 7.Bloemist. 8. Kruidenier. 9. Lutheraan. 10. Schrijfster. 11. Godin. 12. Stijfsel. 13. Schoeisel. 14. Kleeding. 15. Vrijage. 1G. Leugentje. 17. Schaartje. 18. Boekske. 19. Staatkundig. 20. Wreedaard. 21. Grijsaard. 22. Goedheid. 23. Schoonheid. 24. Grootheid. 25. Laagheid. 26. Broederschap. 27. Christendom. 28. Graafschap. 29. Schijnbaar. 30. Breekbaar. 31. Deugdzaam. 32. Duurzaam. 33.Buigzaam. 34. Leerzaam. 35.Draaglijk. 30.Sterfelijk. 37. Ouderloos. 38. Spoorloos. 39. Vreesachtig. 40. Beusachtig. 41. Blauwachtig. 42. Zuurachtig. 43. Onbuigzaam. 44.0nverdragelijk. 45. Afgodisch. 46. Wederrechtelijk. 47. Ontoon(baar). 48. Onomstootelijk. 49. Openbare (vijand)schap. 50. Breedsprakigheid. 51. Tentoonstellingsgebouw.
3
34
52. Ondernemingsgeest. 53. Timmermansgereedschap. 54. Anti-Thorbeckiaan. 55. Anti-dienst-vervangingsbond.
/. e z. s ij6- ^ *â * «(z
/3 ^,. a. -ï-t «/in. a /*gt;/ /«(L.quot; /; -«a u
/ â gt; lt;f O / 9
VS. ry Zi 'SL-S Zï- O- Z«. l^- ' 2' M. «â '- M-é^ 31. .K-)
l/A S 1° 1 â 4 /gt;
19 JAtquot; M. A* .«w- C-/W. /M, f it. ..4 4,1.quot;
V quot; / LA' /-.v
jf ^ « 'X^ J#. j6 ^.5ft '-i' â }/. 0-^
/gt; lt;? * ve.
SA/Ã*. $- Jl. M SS. 0, Ut
§ 21â25.
1.Aandachtig. 2.Tachtig. 3.Aardig. 4.Eigenaardig. 5. Dezelfde. G. Tochtig. 7. Nuttig. 8. Gunstig. P. Stutten. 10. Stout. 11. Stuiten. 12. Wet. 13. Wit. 14. Oudenvetsch. 15. Wettig. 16. Wettisch. 17.Wasch. 18. Wiesch. 19. Zooveel. 20. Zoover. 21. Alsdan. 22. Dusdanig. 23. Des daags. 24.'sJaars. 25. Sfeer. 20. Alsof. 27. Sjouwen. 28. Eensklaps. 29. Alsook. 30. Deskundig. 31. 's Maands. 32. Alsmede. 33. Destemeer. 34. Desnoods. 35. Alsnu. 36. Des nachts. 37. Hier. 38. Daar. 39. Hierdoor. 40. Hiermede. 41. Daarvoor. 42. Daartusschen. 43. Wie. 44. Wier. 45. Wiens. 46. Hebben, hebt. 47. Hadden, hadt. 48. worden, wordt. 49. Zullen, zult. 50. Zouden, zoudt. 51. Konden, kondet. 52. Werden, werd. 53. Ander.
35
54. Als. 55. Anders. 56. Anderszins,
57. Anderzijds. 58. Anderdeels. 59. Andersom. 60. Afgezaagd. 61. Aangeboren. 62. De man. 63. Dit kind. 64. Dat paard zal struikelen. 65. Leg dit hier, dat daar.
/gt; /,
/. y Z.J 3.J 9/ Wf //'JZ.ftt ii.J. JA/
/ /?.y iS. /i,9 o w i xi't *3 -e zf. f ia.quot; m. ^n j xj. i ZS.j 30.q 3/ ï M. t- 33. 'J/c JÃ. J- M A, .37 03S.c39. 10 t
^ 'tz.y M 'H. ^is. ^ te.t'i7 6iS.^ta.quot;soyamp;. 'sz.1^ te. â *gt; m â *
V / ,
5S £6 m.~l/60 'J til'Y.óX. .1~ 63 ^éi.oe
65. j9 /V .
§ 26â28.
1. Ik heb. 2. Gij hebt. 3. Hij heeft. 4. Wij hebben. 5. Zij hebben. 6. Ik had. 7. Gij hadt. 8. Hij had. 9. Wij hadden. 10. Zij hadden. 11. Ik zal. 12. Gij zult. 13. Hij zal. 14. Wij zullen. 15. Zij zullen. 16. Ik zoude. 17. Gij zoudt. 18. Hij zoude. 19. Wij zouden. 20. Zij zouden. 21. Ik werd. 22. Gij werdt. 23. Hij werd. 24. Wij werden. 25. Zij werden. 26. Ik was. 27. Gij waart 28. Hij was. 29. Wij waren. 30. Zij waren. 31. Ik zing â neem â geef â stijg â sluit â vaar â val â laat â heet â loop â roep. 32. Wij zongen â namen â gaven â stegen â sloten â voeren â vielen â lieten â heetten â liepen â riepen. 33. Ik heb gezongen â genomen â gegeven. 34. Ik ben
36
gevallen â geloopen â geroepen. 35. Ik heb willen helpen â mogen zwemmen â moeten beginnen â kunnen vinden â stelen â bevelen â nemen â breken â spreken â wreken â komen â zweren â eten â vergeten â geven â lezen â meten â genezen â wegen â bewegen â bidden â bijten â blijken â blijven â drijven â glijden â grijpen â snijden â strijden â strijken â wrijven â zwijgen â buigen - - kruipen â ruiken â sluiten â zuigen â bieden â bedriegen â liegen â genieten â schieten â- vliegen â brouwen dragen â graven â lachen â wasschen â vallen â hangen â vangen â houden â vouwen â slapen â braden â raden â heeten â scheiden â loopen â stooten â houwen â trouwen.
i* Va
^ 3,r~
':gt;// y -⢠v* l* __J/ tyO
V ^ »y ^ » *quot;« ^ Jt?- ltöhj
--.'U 9^â. lo
t. /yf ^^ ^^^
r/ y^tA ^ J3 yJ J t. bV (Ay 6^ { d Mal
37
§ 29 en 30.
Maak korte volzinnen in snelschrift waarin de volgende woorden of uitdrukkingen voorkomen :
Dat wil zeggen. Met dien verstande. Niet zelden. In den regel. Ten slotte. Ter een er zijde. Ter anderer zijde. Aan den eenen kant. Aan den anderen kant. Nu eens â dan weder. Hetzij â hetzij. Maar ook. Niet enkel. Niet slechts. Zoowel als. Zooals ook. Ten eerste. Ten tweede. Ten andere. Ten slotte. Te weten. Niet lang. Niet zoodra. Ter nauwernood. Uithoofde van. Ten einde. In die mate. In zooverre. Voor zooveel. Heinde en ver. Wijd en zijd. Naar boven. Naar beneden. Naar omlaag. Hier vandaan. In 'trond. In weerwil van. Uit kracht van. Ten spijt van. In naam van. Ten gevolge van. Zus of zoo. Ten minste. Op verre na. Hoe â deste. Het eerst. Binnen kort. Voor 't eerst. Rechtuit. Och of. Ter dege. Het liefst. Wel is waar. Te dien einde. Behalve dat. Bij voorbeeld. Ook niet. Dan eerst. Eerst daarna. Voorts nog. Wanneer namelijk. Dan ook. Zelfs dan nog. Zelden of nooit. Zoo ooit. Nooit of nimmer. Nooit te voren. Meer dan ooit. Minder dan ooit. Nu reeds. Altijd door. Her- en derwaarts. Heen en weer. Zoo zeer. Zooveel te meer. Van heden af. Gisteren nog. Jaar in jaar uit. Hier en daar. Al te veel. Niet genoeg. Hoe meer hoe liever.
De eerstvolgende bladzijden zijn er op ingericht, om tegelijk als schrijf- en leesoefening te kunnen dienen. Daarbij wordt op den voorgrond gesteld, dat de leerling-stenograaf met het kortschrift volkomen vertrouwd is en tevens uit het vorenstaande genoeg heeft geleerd, om de toepassing van de alge-meene beginselen van het srielschrift te begrijpen.
De eerste oefening dan bestaat hierin, dat men regel voor regel en woord voor woord, d. w. z. met de meest mogelijke aandacht den stenografischen tekst met den gewonen druk vergelijkt, zonder meer.
Om een maatstaf te hebben voor den daartoe benoodigden tijd, neme men voor elke bladzijde één uur oefening, zoo mogelijk twee oefeningen daags.
Na afloop daarvan wordt de stenografische tekst met papierstrooken bedekt en schrijft men alles regel voor regel â d. i. zonder door het gebruik van samengestelde woordteekens van den eenen regel op den anderen over te slaan â in zijn eigen snelschrift, zonder het voorbeeld te raadplegen. Ook hierbij rekenen wij niet meer dan ééne bladzijde per oefeningsuur; met dien verstande, dat de leerling het eerste oefeningsuur van eiken dag ge-
39
deeltelijk gebruike tot het herlezen van hetgeen den vorigen dag werd geschreven : waar zich dan moeilijkheid voordoet, wordt dit met gekleurd potlood aangeduid.
Aan het einde dezer oefeningen gekomen, wordt al het geschrevene op nieuw gelezen en bij gedeelten, naar gelang van den daarvoor benoodigden tijd , eene vergelijking gemaakt tusschen de minder goed leesbare teekens en de overeenkomstige teekens in het voorbeeld. Men zoeke daarbij de fout niet in de eerste plaats in het gebezigde teeken, maar veeleer in de onjuiste toepassing van een verkortingsmiddel in het verband van den volzin. In dien geest wordt dan ook nu de noodige correctie aangebracht.
Eene laatste reeks oefeningen is eindelijk gewijd aan het nauwkeurig in 't net schrijven van het aldus gewijzigde eigen schrift, om dit in zijn geheel nauwkeurig met het voorbeeld te vergelijken en daarin zoo noodig de minder doelmatige schrijfwijzen te verbeteren. Aangezien in het aldus verkregen schrift allicht teekens en verbindingen zullen voorkomen, waarmee de leerling te weinig vertrouwd is, wordt dit ten slotte, alweer bij betrekkelijk kleine gedeelten, nauwkeurig op nieuw overgeschreven. (1)
1
Voor toezending van laatstbedoelde proeve aan meergemeld adres, bij voorkeur in denzelfden kolom vorm, bevelen wij ons beleefdelijk aan. G. en B
WENTELING DER AARDE OM HARE AS.
-b-v
/9
/~r tref â x
WCéW-
'/Xu'v
/k-j-CM
A. n
Het is iedereen bekend, dat alle hemellichten zich dagelijks rondom onze aarde schijnen te bewegen, en ieder onzer heeft reeds in zijne jeugd vernomen , dat die schijnbare beweging des hemels door eene wenteling der aarde om hare as veroorzaakt wordt. Het heeft echter veel tijds en arbeids gekost, zelfs om alle sterrekundigen van die waarheid te overtuigen. Duizenden van jaren achtereen meende men, dat een zoo groot lichaam als onze aarde vast en onbewegelijk moest wezen, en geen denkbeeld van de aantrekkingskracht bezittende, kon men ook niet begrijpen, hoe, bij eene wenteling der aarde, alles wat haar toebehoort aan haar verbonden kon blijven. Toen men eenig begrip van den afstand en de grootte der overige lichamen des hemels had verkregen,
41
werd men wel gedwongen het oude vooroordeel, dat onze aarde onbewegelijk moest zijn, op te geven, en de gemeenschappelijke dagelijksche beweging van alle hemellichten als een zinbedrog te beschouwen, voortvloeiende uit eene wentelende beweging der aarde. Vele bedenkingen tegen die beweging, aan welke men vroeger eene groote Avaarde had toegekend, betoonden zich ongerijmdheden, toen men de krachten en wetten der natuur nauwkeuriger had leeren kennen, en ten laatste werd alle twijfel omtrent die beweging geheel uit den weg geruimd. De waarnemingen met den slinger gaven een zuiver wiskundig bewijs voor die beweging, eerst op een tijdstip toen men zulk een bewijs eigenlijk niet meer behoefde; maar het had toch eenige beteekenis, nademaal het niet aan de hemellichten, doch aan de aarde zelve werd ontleend.
F. Kaiser , in: Uilkens, de volmaaktheden van den Schepper.
L
6-
quot;V'f
/ (gt;__ 9-~~
e-
â C0^ioe
_'Pf9
AL 2/^
à ' Jti' ,rj llrfyt 6-
42
ZEELAND.
Bijna de geheele provincie bestaat uit polders, en behalve de smalle duinzoom op Walcheren en de breede duinreeks op Schouwen is al dat ingedijkte land vruchtbaar en bebouwd, zoodat slechts één-veertigste woest of ongebruikt ligt. Zware kleibodem is het karakter der eilanden en Vlaamsche polders, veel arbeid vorderend, maar ook veel voortbrengend; op de eilanden zijn de landhoeven meestal minder uitgestrekt dan op het vasteland, alwaar ze gemeenlijk 40 tot 60 hectare groot zijn; veel zorg wordt zoowel hier als daar aan den landbouw besteed en de braakligging meer en meer vermeden, maar de toestand der weilanden is minder gunstig, daar de kunstmatige gelijkmaking van die gronden dikwerf wordt nagelaten.
Breede stroomen scheiden de verschillende deelen en vorderen zware kosten voor dijken en waterkeeringen; gelukkig bes'chutten op vele plaatsen
óeo-tamp;ivx '*/
(y
'/â¢Mi
£-2, ko O
'i,
'i/i
va.
â¢/60
oJO
y O O ^
^olt;y~'rQp
Voes'-'L
r /
' '3âv
43
uitgestrekte schorren voor de woede der opgeruide golven; doch op hunne beurt worden ook zij ingedijkt, wanneer de overdekkende kleilaag dik genoeg is, en eindelijk slibben geheele kreken en rivier-armen toe, gelijk de lange havens van enkele handelsteden reeds lang deden zien, doch thans nog duidelijker merkbaar zal worden, nu een spoorwegdijk Zuid-Beveland en Walcheren aan het vasteland verbindt en het kleine St. Philipsland ook reeds door een dam aan Noordbrabant werd gehecht.
Kuyper , Nederland, zijne provinciën en koloniën. Land en volk beschreven.
DE LAARS.
Te Greonterp (spreek uit; Grjonterp) in Wonseradeel vindt men een boerenplaats die âde Laarsquot; heet. Hier woonde oudtijds een boer die schraal bedeeld was met aardsche goederen en altijd had te kampen met geldgebrek. Dit deed hem dikwijls zuchten en knorrig en
e
3
0Crë
XL
'eg
â¢z/^_
44
ontevreden zijn; het wenschcn naar meer geld benam hem niet zelden allen levenslust. Eindelijk verscheen hem eens de duivel, die aanbood hem ruim van geld te voorzien, als de boer daarvoor zijne ziel aan satan wilde verpanden. Maar nu begreep de boer dat hij op zijn hoede moest zijn. De ziel was toch ten slotte het kostbaarste wat hij te verliezen had. Zou hij die verpanden dan moest er al heel veel geld voor komen. Maar veel mooier zou hij 't vinden, wanneer hij den duivel van een flink sommetje kon afhelpen en tevens zijne ziel behouden. Bij zijn boerenbedrijf deed hij ook nu en dan aan visschen op de meren en poelen daar in de nabijheid, en hield er voor dat werk een paar groote hooge waterlaarzen op na. Zulk een laars vol geld eischte de man voor zijne ziel. 's Nachts te half twaalf uur zou hij zich bevinden voor een der vensters in zijne oude voorkamer, waar niemand sliep. Dat venster zou .hij even openen en de
X'Z ^62
/â '-f .~k(y
i
-sozcmc /(fé
- 'V.
t- '-r-vâ
O'Jeïs.cLP lt;KlY^
/Olo ^ TsWv-t/
45
laars gereed houden, die dan door den duivel met geld gevuld moest worden, geheel tot aan den bovenrand toe. Werd deze bepaling niet strikt nagekomen, vóór middernacht, dan was 't accoord weêr uit en de boer bleef vrij. De satan nam dit voorstel aan; hij achtte 't eene kleinigheid zoo'n laars met geld te vullen binnen 't half uur. Maar de boer gebruikte voor zijn doel een oude laars , waar de zool onder weg miste. De duivel paste op zijn tijd en had een zak vol geld meegebracht, zoo groot dat hij dacht in eens klaar te zullen komen. Mis gerekend! De zak werd geledigd in de laars, maar deze werd met het geld pas half gevuld. De duivel vloog heen en haalde meer, maar ook de tweede bezending was ontoereikend. De domme duivel begreep er niets van, dat de laars van den boer een trechter was. En toen de klok middernacht sloeg was de laars nog niet tot boven toe vol. De duivel was zijn geld vergeefs kwijt, en de boer
6- L# L- Gsamp;yf tr/'k 'hCCo
; /7
____
fit
o-
e
.1)
Æ
vj/U^g ee
46
was eigenaar van een mooi kapitaaltje geworden voor niemendal. Uit pure blijdschap liet hij een knap nieuw huis bouwen, met een steentje in den gevel, waarop een laars was uitgehouwen. Daarom heet dat huis nog altijd âde Laars.quot;
Waling Dijkstra , in : Friesland en de Friezen.
RECHTVAARDIGHEID EN ZELFZUCHT.
In Frankrijk werd het volk onderdrukt door de koningen, den adel, en de geestelijkheid. Men verdroeg dit met het lijdzame neerslachtige goduld, dat den mensch eigen is, verdroeg het uit den eerbied voor âden God die des konings hart neigt tot al wat Hij wil,quot; uit een edel ontzag voor den adel, en uit eerbied voor de waardigheid van den priester. Maar weinig jaren later vergat de beleedigde menschheid haar lijdzaam neerslachtig geduld, en schudde zij den drievuldigen beul van zich , â evenals Paulus na zijne redding uit de
a,__
W-U
cepc^
47
schipbreuk de slang van zijne hand schudde, en het giftig dier in het stof trapte. Toen kwam Napoleon, de koning van het volk. De rechtvaardigheid was zijn zwaard, en rechtvaardig was een tijd lang ook zijn gedrag. De natie schaarde zich rondom hem, en gaf hem haar schatten en haar vertrouwen. Hij was sterk door het volksvertrouwen. Zijn vijanden vielen voor hem neer; oude troonen waggelden en wankelden en vielen daverend tegen den grond. De naam der rechtvaardigheid, de naam van het menschelijk recht, rukte die troonen omver en verzekerde hem de overwinning bij eiken voetstap. Maar zoo hoog geklommen , wordt hij stoutmoedig ; in zijn raad neemt de zelfzucht zitting op de plaats der rechtvaardigheid; een bastaard-reus zit op den troon, waarvan het volk de âwettigequot; onderdrukking had afgeworpen; hij strijdt niet meer den strijd der menschheid; en de rechtvaardigheid wordt gebannen uit het hof, dat
â /ienic/st
?/,/£/. e'i
c/órëoflyquot;
?quot;tl, KI*
quot;
C/fa
/ A. % gt;
o i/b
amp; oM'
48
'V
inderdaad een gelukskind was geweest. Het volk valt hem af; de overwinning volgt zijne banieren niet meer. Ruslands sneeuw vernielde zijn leger; maar het was Napoleons eigen onrechtvaardigheid, die hem te gronde richtte. De kundigste monarch na Karei den Groote zit, daar nu, door eigen schuld van zijn grootheid beroofd, op een eiland in de tropische zee, en hij sterft op een eenzame rots. Zijn leven is een waarschuwing , die de menschheid vermaant om rechtvaardig te zijn en niet met God te spotten. De macht van zijn genie kon hem niet redden, afgesneden als hij was van de zedelijke kracht der menschheid. Kan het eenig tiran goed gaan waar zulk een meester viel ?
B. W. Golenbrander, in: De godsdienst in het leven, naar Theod. Parker.
*eo/cen
DE MENSCHELIJKE STEM. £2^-
Zeer zelden worden in éénen mensch al de goede eigenschappen van de stem vereenigd aangetroffen; doch men kan
amp;âSfy'J
iJf-vliJVyA)
(S / /â
49
door aanhoudende oefening leeren haar te beheerschen, te besturen en zonder dwang of inspanning te doen rijzen en dalen, zoo dat men meester wordt van hare buigingen en ook die halve toonen in zijne macht krijgt, die haar zoo bekoorlijk en zieldoordringend maken. De stem heeft, even als het lichaam, haren wasdom en hare toenemende krachtsontwikkeling ; elke rol heeft haren leeftijd, hare uitdrukking, hare stem; de volmaaktheid der kunst vordert van den acteur het gelaat, de stem en de gebaren, passende aan den leeftijd, de kracht en de uitdrukking van al zijne rollen. Van dit moeilijk werk hangt grootendeels de tooverkracht van de tooneelspeelkunst af. Is de acteur goed in zijne rol ingedrongen en geheel bezield door het gevoelen dat er in heerschende is, dan komen de spieren van het gelaat, de gebaren en de stem gezamenlijk in werking; alles vormt een voortreffelijk geheel, en werkt in overeenstemming
«--o P
{quot;U.L^.ye
^/â ^en.ev â4^64--
^ C -0 QJ C
_ t PC/
L-Jp 'amp;y
713 fa/9/?
)
4
50
met elkander. Dan eerst treedt de acteur, de groote acteur, in al zijne volkomenheid te voorschijn , of liever â de acteur verdwijnt, en het opgetogen publiek ziet en hoort in hem slechts den persoon, dien hij voorstelt.
f/1 fkJï-e-Cyy ^
i A
Larive, De kunst van declameer en.
Het gebruik van de nu volgende schrijf- en leesoefeningen vereischt wel geen nadere toelichting. De voorbeelden zijn voor het meerendeel ontleend aan voordrachten , redevoeringen en toespraken van zeer verschillenden inhoud en strekking; in de eerste plaats toch zal het Snelschrift dienst moeten bewijzen bij het opteekenen van 't aldus gesproken woord. Maar dat ook een meer losse stijl, ja dat zelfs een dichtstuk in dit snelschrift met de noodige nauwkeurigheid kan worden teruggegeven, blijke uit de overige voorbeelden.
51
1. DE WAARHEID EN HET VERSTAND.
Matig te zijn is godvruchtig te zijn naar het lichaam; het is het bewaren van de goddelijke orde in het lichaam. Het is de harmonie van al de deelen er van; de ware overeenstemming en juiste evenredigheid van het eene deel met het andere, van elk deel met het geheel, en dus het dienen van God met elk lid van het lichaam. De wijsheid is voor het verstand wat matigheid in dezen zin is voor het lichaam; het is verstandelijke godsvrucht; het bestaan van een goddelijke orde in het verstand; de harmonie van al de vermogens er van ; de ware overeenstemming en juiste evenredigheid van het eene vermogen met het andere , van elk vermogen met het geheel.
Theodore Parker , de godsdienst in het leven.
2. DE HUISKAT.
De kat. oefent zich van hare jeugd af ijverig in de muizevangst, evenals een vlijtige leerling op de school allerlei kennis opdoet , die hem eenmaal in staat zal stellen met eere zijn beroep of werk te verrichten. Eerst grijpt poes naar haar eigen staart, vervolgens naar alles, wat zich beweegt, â een stroohalm, een rollende bal, een kluwen garen,â daarna poogt zij vliegen en vlinders, eindelijk muizen en vogels te vangen. Zij meet nauwkeurig den afstand tusschen haar en haren buit, kruipt voorzichtig op den buik tot op zekeren afstand, â dan werpt zij zich met een forschen sprong op hare prooi en pakt ze met tanden en klauwen.
52
Heeft zij eindelijk haar eerste muis gevangen, dan brengt zij die gaarne in de woonkamer, ten einde ieder tot getuige harer eerste heldendaad te maken. Vele katten doen ook later nog hetzelfde, en verslinden niet dadelijk hare prooi, maar laten de gevangen muis eerst nog telkens, als speelswijze, een eindje wegloopen, om zich in het vangen te oefenen.
Door eene hoogst-merkwaardige inrichting, worden de klauwen der kat teruggetrokken, als zij ze niet gebruikt en worden deze daardoor nooit stomp. Wil zij toepakken, dan steken ze als zoovele dolken naar buiten. In die klauwen bezit de kat haar voornaamste wapentuig; is zij vertoornd, dan bijt zij echter ook op gevoelige wijze. Zij begeeft zich niet gaarne in het water of op onreine plaatsen, en is zij nat of bemorst, dan lekt en wascht zij zich, zoodra zij daartoe een oogenblik de gelegenheid heeft. Zij duldt geen vlekje op de huid en strijkt met poot en tong elk haartje te recht, dat verschoven mocht zijn.
J. F. Jansen, Ontdekkingsreizen in de icoonkamer.
3. DE NEDERLANDSCHE TAAL.
De Nederlandsche taal is die van het geheele volk. Aanmerkelijk is het verschil tusschen de spreek-en schrijftaal, daar de laatste nog maar al te veel aan zekere stijfheid en pedanterie, de eerste daarentegen aan slordigheid lijdt. De schrijftaal is vooral door mannen als Beets, Kneppelhout, van Lennep en anderen van het stijve kanselkleed ontdaan en nadert de beschaafde spreektaal, zooals
53
die zonder inmenging van dialekt behoort gesproken te worden. Bijna overal, zelfs in de beschaafdste kringen, is de spreektaal eenigermate vermengd met plaatselijke of gewestelijke eigenaardigheden. die vooral in den mond der vrouwen iets eigenaardig bekoorlijks kunnen hebben.
De hoofdtongvallen der Nederlandsche taal zijn: 10. het Hollandsch, dat door de in de 17e eeuw vooral in Holland bloeiende letterkunde een grooten invloed op de schrijftaal heeft verkregen, en in Holland en een deel van Utrecht wordt gesproken; â 2°. het Zeeuwsch, dat met het Hollandsch de meeste overeenkonist heeft, doch in Staats-Vlaanderen naar het Vlaamsch overhelt; â 3°. het Brabantsch, dat gewijzigd ook in een deel van Limburg en het zuiden van Gelderland wordt gesproken; â 4°. het Ne-derrijnsch dat in drie hoofdtakken kan worden verdeeld: het G elder sch, het O v er ij se Is ch en hot Drentsch; â 5°. het Groningsch, dat zich door eigenaardig breede uitspraak der vokalen onderscheidt, als in het gebruik van ou voor oe. Meer dan de vorigen wijkt deze tongval, ook door het gebruik van andere woorden, van hot Hollandsch af; welk Hollander toch weet dat de zegswijze: een nu ver wicht, eene lofrede opeen meisje is? â Het Boeren- of Land-friesch is eene geheele afzonderlijke taal, van denzelfden stam als het Friesch dat in Sagelterland en Slees-w ij k wordt gesproken, voor zooverre het daar niet, als hier door het Nederlandsch, door het Duitsch of Deensch werkelijk verbasterd is; ook met het Noord-Engelsch, zooals dit in Northumberland wordt gesproken, heeft het veel overeenkomst, een natuurlijk gevolg van de nauwe verwantschap van het Oud-Frieseh met het An-
54
gelsaksisch; zie hier een voorbeeld: âWaem God in hert joch foar Frieslans tael, dy scil det erf fen tuwzenen jierren biwarje , hoask , als 't heiligst pan.quot; In het Nederlandsch: âWien God een hart gaf voor Frieslands taal, die zal 't erf van dnizende jaren bewaren, trouw, als 'theiligst pand.quot;
J. Kuyper, Nederland.
4. LANDBOUW-PR OEFSTATIONS.
Een belangrijk deel van de Physiologie der planten heeft betrekking op hare voeding, op de stoffen welke door elke plant worden opgenomen en de wijze waarop zij in het organisme worden verwerkt. Wie ziet niet in, van boe groot belang die kennis zijn moet voor den landbouw, ja, dat de rationeele landbouw hierin haren vasten grond moet vinden! Echter waren èn in de vorige eeuw èn in het begin van deze, tal van belangrijke onderzoekingen op dit gebied verricht, voor en aleer die overtuiging werd gevestigd. Toen zij het eerst door eenige helderziende mannen werd aanbevolen en verdedigd, vond zij bij den praktischen landbouw niet dan tegenstand. Thans is het gelukkig anders; zelfs was reeds vóór eenige jaren de verhouding zoover omgekeerd, dat, voor de wenschen van den landbouw, de plantenphysiologie niet eens meer snel genoeg vooruitging. Men had gelijk. Eensdeels was, bij de levendige belangstelling in het anatomisch onderzoek en de ontwikkelingsgeschiedenis, de chemische en physische physiologie wel eenigszins op den achtergrond geraakt. Anderdeels waren de wetenschappelijke instellingen voor kruidkunde op physiologische onderzoekingen niet voldoende be-
55
rekend. Vroeger verworven uitkomsten had men verkregen met eenvoudige, weinig kostbare hulpmiddelen , die voor de gelegenheid zelve konden worden bijeengebracht. Slechts bij uitzondering waren zoodanige experimenten verricht, die een meer uitgebreiden apparaat meer kostbare toestellen vorderden. Aan een enkelen kruidtuin was eene opzettelijke physiologische inrichting verbonden geworden, doch dit goede voorbeeld was â en is ook thans â niet of nauwelijks nagevolgd.
Ziet, daar verrezen, van wege den landbouw zeiven, niet slechts landbouwscholen, maar ook do zoogenoemde proefstations, ruim gedoteerde inrichtingen , met de noodige hulpmiddelen voorzien, waaraan , met anderen , planten-physiologen werden verbonden, om proeven en waarnemingen te doen op groote schaal.
Men wane niet, dat die proeven en waarnemingen beperkt werden tot dezulken, waarvan men onmiddellijk vruchten voor de praktijk verwachtte. Neen, 't is eene beweging, ofschoon van de praktijk uitgegaan en met de praktijk tot doel, in echt wetenschappelijke richting, zoodat een goed deel der aanwinsten, die de wetenschap op dit gebied in de laatste jaren heeft verworven, inderdaad aan die praktische instellingen te danken is.
Zoozeer heerscht daar de overtuiging, dat de vruchten voor de praktijk van zelve moeten voortvloeien uit eene ruime en geregelde ontwikkeling der wetenschap.
W. F. R. Suringar , Be kruidkunde in betrekking tot de maatschappij en de hoogeschool.
56
5. SCHILDEREN.
't Hééft gebreken; 't Is immers menschlijk werk. Wie is er vrij van ? Gij-zelf misschien ? Ontbreekt u mooglijk niets ? Maakt dan alleen de Teekenaar den Schilder? Wat is de bloote Teekning toch? Een middel Tot hooger doel, iets onnatuurlijks. Neen, Er zijn geen lijnen! Want wij noemen lijnen. Waar 't lichaam ophoudt. Maar het lichaam-zelf. Het koloriet en 't leven, licht en bruin,
Dat geeft de Schilder! Schoonheid, en Gedachte, Der deelen Harmony, dat is Genie! . . .
Ontbreekt die hier?
Ten Kate , Oelilenschlayers Treurspel Correggio, in metrische verzen overgezet.
6. VOORRECHTEN.
Stelt u een mensch voor in het bezit van alles wat de aarde begeerlijks heeft: zijn woonplaats een paradijs, zijn rijkdom en macht als die van een koning, zijn lichaam in vollen bloei van jeugd en kracht en gezondheid, zijn geest verrijkt met al de wetenschap van Salomo, of wie er wijzer dan Salomo is geweest, zoodat hij al de wonderen der natuur kent â van den ceder tot de mosplant, van den olifant tot den worm, van den orion en het zevengesternte tot de nevelvlekken, â en de talen en zeden der volken, en hunne geschiedenis tot waar ze zich in nacht verliest, en de geheime roerselen en al de schuilhoeken van het menschelijk hart! Ik wil dat de kunst zijn borst doorgloeie en zijn leven verheerlijke; hij smake al het genot
57
der zinnen en de hoogere genietingen van vriendschap en liefde, zijn omgang zij met de uitnemend-sten van ons geslacht en onder die allen blijve hij de eerste; kortom, al wat gij uit kunt denken van aardsche grootheid en levensvreugde, zij hem in volle mate en voor altoos geschonken! Wat dunkt u van dien hoog bevoorrechte? Heb ik de schets van zijn geluk voltooid, of zal hem nog iets ontbreken? Verplaatst hem voor een oogenblik in de eenzaamheid, 't Is avond; het is de tijd des nadenkens. Van gindschen heuveltop overziet hij alles wat hem omringt; 't is het zijne; hij kent en hij bezit het; op zijn wenk staat het hem ten diénste. Maar wie heeft het hem gegeven, wie het voor hem toebereid? Hij is boven allen, maar wie is boven hem? Allen buigen zich voor hem, voor wien zal hij zich buigen? Hij aanschouwt de natuur en wil haar maker kennen; hij peilt de diepten des hemels en ziet naar den grooten bouwheer om. Hij heeft ontvangen, hij moet danken; hij bewondert, hij moet aanbidden; hij is een mensch en zoekt zijn God.
Abm. des Amorie van der Hoeven Jr.,
Nagelaten leerredenen.
7. DE NAALDBOOMEN.
De nacht des wonds neemt ons op in zijne schaduwen. Hier verheffen zich talloozc zuilen, en vormen er schemerachtige gewelven. Hier heerscht eene eerbiedige tempelstilte, eene sombere eenzaamheid, eene plechtstatige duisternis, en ons oog staart verbaasd en onderzoekend bij die pilaren omhoog, wier zwarte takken als rouwvendels naar beneden hangen. Alleen onder de dennen en
58
sparren verschuilt zich de geheimzinnige sphinx van het wond. Met onweerstaanharen drang vestigt hij onze aandacht op de raadselen der natuur, en hij vraagt rekenschap van elke zucht, die oprijst uit den boezem der schepping. Indien er eene plek bestaat, waar wij onwillekeurig worden aangespoord om te peinzen over den aard en de bestemming der geheele natuur, dan vinden wij die in de eeuwige duisternis, in de huiveringwekkende stilte van deze wouden.
Dr. H. Masius, Natuurstudiën.
8. IDEAAL.
Zie hier wat ik mij als het ideaal voorstel in een godsdienstig mensch. Vooreerst getrouwheid jegens zich zelf; een bestuur over het lichaam zoowel als over den geest, geheel ingericht naar zijn natuurlijke wetten; een ontwikkelen, een gebruiken, een genieten van al de krachten ons geschonken, zoodat ieder onzer vermogens in de juiste verhouding staat tot de overige, zoodat zij te zamen harmonisch werken en tot die hoogte zich ontwikkelen, als onder de bepaalde omstandigheden des levens mogelijk is.
Theodore Parker.
9. IN 'T ACHTERHUIS.
In 't achterhuis van eene kleine boerenwoning is een jongeling van achttien jaren bezig met de ruwe greenen planken saam te voegen, die zijn vaders laatste woning zullen uitmaken. Zijne moeder staart met stomme smart naar het droevige
59
werk van haren eerstgeborene. Daar gaat do lage achterdeur open en Sjoerd, de smid, treedt binnen.
Dag samen! zegt Sjoerd, en neemt even zijn stommeltje uit den mond. Meindert, de jonge timmermansknecht, heeft even opgezien, toen de klink van de achterdeur rammelde, maar dadelijk daarna is hij met zijn arbeid voortgegaan. Zwijgend treedt Sjoerd nader; er verloopen eenige minuten, vóórdat er een woord wordt gesproken. Eindelijk vraagt de smid op een toon, dien de steedsche beau monde zeker koud, onverschillig, misschien ruw zou noemen: Ben je daar met de kist doende? een aanstootelijk werkje, man, braaf aanstootelijk!
Een groote traan ontvalt den jongeling, en rolt langs het blanke ijzer van de zaag, die hij hanteerde.
De moeder snikte luid. Och, Sjoerd, zegt ze, wat is me dat een slag! Nog drie schapen van kinders, en de kostwinner weg â wat is 1t bitter!
Ja, mensch, 't is een heel verlies, dat is maar waar ! Gisteren morgen hoorde ik 't van den jongen van Thies, maar kijk, 't heeft mij den ge-heelen dag in den weg gezeten, dat kan 'k je zeggen, 't was mij dan maar niet uit de gedachten!
En dat zoo onverwachts, klaagt de weduwe.
Vergangen zondag is hij nog naar de kerk geweest, voegt Meindert er bij.
'k Heb hem gezien, verzekert Sjoerd, ja, als je daar aan toe komen, geen oogenblik ben we zeker. Maar als ééne schrede, zegt de Schrift, is er tus-schen mij en tusschen den dood.
Wèl is 'twaar, Sjoerd! En als hij nog maar goed mag aangeland wezen! spreekt de moeder weer.
Dat moeten we aan de genade van den Heer overlaten, zeg ik maar altijd, die genade is Immers groot genoeg!
60
Ja, nu dat denk ik dan ook al. Och, ik hoop zoo, als dat de Heer hem maar mag aannemen! Kijk, we hadden wel eens wat met elkander, maar in wat huis is dat niet zoo ? maar in 't algemeen kan 'k toch zeggen, dat we geen verschil hebben gehad, zoolang als we getrouwd zijn, geen mis woord, man!
Ja, hij was een fiksche kerel, daar heb 'k hem altijd voor gekend. â Nu, ik ben wat driftig, â dag samen!
Wil je niet eens eerst even opsteken ?
Dankje, neen, 'k zou naar den dokter, die wou een nieuw slot op zijn schuur hebben â nou, goen dag met 'n ander â het beste.
Dag Sjoerd â de groetenis aan Geertje.
Frans Tinablo, Knutselwerk.
10. EEN SCHOENMAKER , DIE ZICH NIET BIJ ZIJNE LEEST HOUDT.
Ik krijg veel bezoek van vele mij onbekende menschen, handwerkslieden en armen. Men doet mij velerlei mededeelingen, men vraagt allerlei vreemde dingen. Men komt voor den dag met veelvuldige, meest onbekookte plannen.
Daar komt er één, die het land zal redden. De groote schuld zal binnen weinige jaren tot op de helft zijn verminderd, en te gelijk de belastingen voor een goed deel afgeschaft. â Wel man! zei ik, gij hebt den steen der wijzen gevonden. Waar de knapste man verlegen voor staan blijft, daarover zijt gij heen gesprongen. â Ja, zeide hij, maar mijnheer moest ook weten wat al hoofdbreken het gekost -heeft. Wel honderd nachten heb ik half
Cl
wakende doorgebracht , maar nu ben ik ook daar ik wezen moet. Mijne vrouw heeft mij krachtig geholpen. Ik heb eene vrouw, die van zessen klaar is. Mijnheer moet weten, zij heeft ook verstand van de politiek. Wij lezen trouw de krant, en bestudeeren de zaakjes van het Land. Mijne vrouw kan redeneeren over de wetten en financiën, dat het een lust is om te hooren. Waar haalt het mensch alles van daan ? â Past uwe vrouw nog al goed op de etenspot ? â Mijnheer ! om de waarheid te zeggen , ik kauw wel eens op aangebrand eten, maar als 't Land gered wordt, dan heb ik er dat voor over. Och , mijnheer! ik zie het nu zoo klaar als den dag, wat al domme menschen onder die groote heeren zijn. Cijferen kunnen ze geheel niet. Millioenen kunnen ze uitsparen voor het Land, maar ze doen het niet. De soldaten stuur ik allen naar huis. Ik geef aan duizend menschen werk. Daar heb ik een plan van gemaakt. Ze zullen ieder zes gulden in de week verdienen. â Hebt gij al berekend, dat gij dan alle weken zes duizend gulden aan arbeidsloon noodig hebt. Waar komt dat geld van daan ? Hoe veel geeft gij er zelf toe ? â Ik ? geen cent! ik heb het niet. Maar wat is zoo'n bagatel voor die schatrijke menschen , die tot over de ooren in het geld zitten ? â Wat is uw beroep, mijn vriend ? â Schoenmaker, mijnheer. â Hoe gaat het met de schoenmakerij ? Is er drukte aan den winkel? â Niet te best, mijnheer! de klanten verminderen. â 't Verwondert mij niet. Als gij het zoo op de groote heeren gemunt hebt, waaronder waarschijnlijk van uwe broodheeren, zult gij de klandisie niet aanwakkeren. Als gij de heeren zoo met de sporen steekt, zullen zij de laarzen niet bij u laten maken. Hoe zoudt gij over uwe knechten denken ,, indien gij eiken zaturdag-avond trouw hun weekloon uitteldet en zij des zondags, ongevraagd en onge-
62
roepen, u als een dommen baas, die niet cijferen kon, aan anderen afschilderden. Zij spraken wellicht waarheid, en toch was die waarheid in hun mond ongepast. Om u zeiven niet weg te cijferen en tot nul te maken, raad ik u aan wat meer aan de klanten, wat minder aan de kranten te denken. Veeg eerst hot stof uit uw eigen winkel vóór gij u met den grooten winkel van het Land bemoeit. Pas maar op dat uwe nering toeneemt vóór en aleer alle soldaten te huis keeren. Dan komen er nog meer schoenmakers, en de spoeling wordt nog dunner. Gaat gij voort met land en stad te regeeren, dan zult gij zelf weldra uw land op muilen moeten doorsukkelen. Gij zult van hooge en lage belastingen volstrekt geen last hebben, want gij staat onder de insolvente posten. Wat uwe vrouw aangaat, beveel keuken en wasch aan hare ijverige zorg, dat is een ministerie waar vrouwlief op hare plaats is. Ik kon u meer zeggen, maar mijn geduld is ten einde. Waart gij hier gekomen om, als hulpbehoevend handwerksman, over uwe schoenmakerij te spreken, 'k zou u nog langer, ware 't noodig, hebben aangehoord en ten beste geraden. Nu heb ik geen anderen en beteren raad dan dezen: Schoenmaker houd u hij uwe leest.
W. H. Suringar, Armen en Rijken.
as
y amp; t/-/^
yi ^ /Jyi/lrce'? oé// fê'U.C^tL
J^c/^ ^ iLgt;l/1L-^ I ^cni/gt; J (/J0 tr^'un /â¢Æ/ f^nquot;cJfJ,'£rCjri'Lc^r?-3(,/lt;£,£*ulc.aC/L'C amp;( ^o-cT't t/^cvb'U/^
lo~^OV l/\)ö0{f^'/uk'
zetni
6,j. i ^ivtz,â^ ^ y%f ^ i in, f if z4,
lc Xgt;^ ^vrgt;gt;
5l^6 ^ t, ^
i,, fai//^_ ^ 7^-flice*.t/L)i.Q Ã0/C~ 1
^rquot; b !llt;Lex,i4ft^
^ Jfi^___^ z (yft^
amp;*â -^i/L-fXidi^//ry ^
/ ^ hsvy^ quot;'^'j r ^
amp; s^yây I^P
e^U-'IC/jco ~v}'/^Ãf-lev,
S Cs fst* 'aj^^ C ^sv/~ (/^ 'Asv?quot;
bitïse'iA^cëus/'amp;l,^yo ley^'elf^i
VSI l/LróvS^t C, ^ /Vquot;?
ë^Ui /'quot;' 1?/f*y,/Ci?it-jrrG /(£^ L-, Jj^amp;y
gt;^/ó---egt;6^^ Z? /ff/?/amp;^e?/^7-fcCrsc
/Ut: 3?iU^i^r7,^cAp-J^c^/^/^gt; â¢' //^4^
% f^-/^ ^.0/«4 /^/1 /0
6_ tamp;.eca.C'f rwxy'^o^camp;Cyvt, sb- LdeW^ â~ Æ
^ Z7â ^A ^ 4^quot; ^ %y l c~- /Cl,M*~
~v- ^ /^/cA quot;e/^s ïu, rt-Wyi/^k 'quot;d^
£ 7C -â7--/ tgt; ^ v^/hVfl '0^ i?__
/^Kd amp;/J^/6SfL / r^y,^ ?.__
^ 'Xc fai' * '/ïo efv /.^1
Æ h^/o
4 ,v 4^
_'/% lt;l'c {La o bi ^
mj/jw -fa rjJ,c^vx * //^O.'-'.-y ^
vc/^ Tfé f^^LC/2/. /^aiCiAgt;rt~iâ/ c^o 1
^Q^â* óâ£-c^ (o ty. / Cs amp; Cfi / i\, Ãquot;'* nf ^(~*y/n^
L eï J/fU^ /rJ^^L. /w
^ A- e ^~f ^/^6 v'^, (Si Cp lt;tec rn/ ''^ %-
1/^ 1/ c e, 9^-^ ^ quot;t. ^
èl-TÃüi _____'7^ _ . 7x,_
JCr.^tó
yc^ Mê)xJfl ^^/f-^ â y'^.
y^^ ,6 ^ ^ ^
L (vJ /*Lt/'amp;iïL lsQ C 6
l/e./ ~X .. .Ji \3C
1-/^ e^
amp;â C 0 J / iy CJ, amp; C* iâ_ lt;1'_ $lt;gt;!
/
/lJ- /u: quot; ' ® / 'amp;,\-t
6 ^
^ 4, ^ ^6gt; ^ % Vquot;/'ygt;^~e/u y/'^
L^^Z^/LoC f'-rJ-' ^.../quot;4 lt;_i '*gt;''-4
/â ⢠^_* lt;si4/%) %/gt; quot;kXEhy / ér 6?r^
6 cA,
/'â 6 ^-'X, ^quot; X o^'
~-1L/,GL^C( 6dcroJL £^
y i--
^e#amp;,o^ V~. -dolty^rf ^rj_/- V/
'^_. ^yr/crfJ6'. e, ^rAs r quot;
/e^LL/a^-A?gt;/ ^gt;/ay0 r-.eCo\c^ â ' L Jl/^l/C^^-ró-t.,^! fr/Cy /^/
lt;Ui
GMj-h oj /amp; (*â - üs//uerJ. cl irtL U c
nH^ l ^ V ^y CZ-iSquot; L ^ dj?'
OZ ^ ^b' s ^ ^ ^ x
V/ 'W ~
l/h ^jji C O ytQ-t^rsC^
7. e^ec/u
e J.^^.x./. °l -i. '-a,/K -l tJ â_ M -1â1/- -'lt; «- -â »- 'iA/-
/tr\^'-'^-*sC-en.o-x,^'A-^ ('â¢e
/£6»
Jo (g U
1^0-.^ quot;J-cLf f
^ . f\
67
9
/ 'k ^ ^ c hi i//sW t
(amp; .-/c^ l/fölArJufitf C* M. C 0/amp;yl
ei/j-ir
zLiM^u enM'z^^.
e/^Cofyoamp;Ult;*quot;1/1% c'9 -Ji
Zy'''/ /O- ^y1 ^ (gt; ^ ^ Lnj -^vt ^ L/ls£ //
^ ^ywLiy
O
_ amp;lt;uls^()^Q/yi//W/°CXf:i'yu
6amp; J^quot;?DOJf iriüe, rLi
quot;/1% v^uizr^iy ^ Jy?l. U (o^Tl XJ/7^/?^ âÆ. yamp;e/
quot;Jly^a
quot; 6/S-f^Vl^-KT^Lcc amp;
jf, m^u^U^n/eéoii ^
i/6'iJL % tftrx Q 1/36
ttK
amp;7, ir* VI
/Lf
/
'Hj*
W /yL.Jé
l, CV O % Uè-sUfA,
uiuti/c u^L c Ti^ y^at 'trrfLc quot;Vy
^ij ÃU, y%^£o 00⬠/ U' 2v ^/C ^c gt;v: /
7^2/ quot;L^, ew
^ot'C fu/u^
y7^ ^ ^^r^^vquot;l, V {cTl-t A/ éfl^% tfc ^ frv
ivki'cc'ïr 'quot;.iï/?^*ckei^a(^Jgt;0sn/a (ëJ~C^l. 2f^y 1 %aJ' \/1 fâJw /fit- C 2y ^ Isk^} /
f L v^'-yi J/ ^ e ufquot;
\,
)rMquot;%y^r$^\~~e/lL-*Lj'/n -Xs^lJ'
t/ijje ~div- Lm eu. v ^ ^ dr/r^, / -f/h '.^cys ^ t L i~ir ^
so
^yic waiJ
^fLtAL^r-^r^ *cx^a^xj'uiz
-J* t-Wx.J'x^.u.oeamp;.fJu'^ i-^
Bij de vorenstaande oefeningen zal men opgemerkt hebben, dat nu en dan, behalve van de aangegeven verkortingsmiddelen, gebruik is gemaakt van enkele nieuwe verbindingen en teekens; zoo mede, dat soms voor een zelfde woord of woorden-groep verschillende schrijfwijzen zijn gebezigd. Men schrijve dit niet toe aan achteloosheid of toeval. Het snelschrift heeft â wat een leek niet zou vermoeden â ook deze eigenaardigheid met gewoon schrift gemeen, dat naarmate men zich langer daarvan bedient, de woordteekens gaandeweg een vasteren vorm, een meer kenmerkend karakter aannemen: ook de snelschrijver heeft een eigen hand; niemand die dit beter opmerkt dan hijzelf. Hij zal, om een voorbeeld te noemen, op zijne wijze de kromming geven aan het teeken voor tâch; eene kromming, die ver genoeg afwijkt van die voor het tâ(/-teeken, doch ook al weer niet meer
on
Loer*^
ML.e'sLyS^ w *
10 ULJ
r^-
7^
quot;^\/i//o 4 y /i/ A/ â¢--'/'
% ué-sum.
^iuti/c u^L
0 ^ 'rsiLt quot;Vy ^^/6-
Vj 61*/ ^ ^ o C^C/é { 7i// 2*; (yOamp; i^cp 'quot; '~^
1 y i vs~f/ ^ / yquot; / H ^ quot;7 o,
7^2/ quot;L. z ^ 'UT htó/St-^ ew _ ^ ^gt;r^ ^ ^ /-/^y 'C //v/ ^ //^yo^eic w-v-^r
^^/ ^ut^60^ J ^'^foT l t/J trj t» ^L
c ivX? 'ócw l/?^//96^*c ra
^quot;Z^l. 2f \^ 1 AaJ' ^HJ% lOt t/'l7^^ /O''^
f L ir^^yi Ji/ ^ ^
quot;X,
_e/hls~*tJ'/ngt;grf
/quot;«- ^'^f w y^/ /Cgt;^ t/v^Ax- d(/?r^ ^
l -r/h.^ci. ^ t L ^ -5
S'J
â^/l T-b, ly-yh %)Cjgt; l/
^ftodL^^ crc^a^xj^uiz ^ ffc~gt;â quot;^^r£j^*^quot;1.
Uf^/
Bij de vorenstaande oefeningén zal men opgemerkt hebben, dat nu en dan, behalve van de aangegeven verkortingsmiddelen, gebruik is gemaakt van enkele nieuwe verbindingen en teekens; zoo mede, dat soms voor een zelfde woord of woorden-groep verschillende schrijfwijzen zijn gebezigd. Men schrijve dit niet toe aan achteloosheid of toeval. Het snelschrift heeft â wat een leek niet zou vermoeden â ook deze eigenaardigheid met gewoon schrift gemeen, dat naarmate men zich langer daarvan bedient, de woordteekens gaandeweg een vasteren vorm, een meer kenmerkend karakter aannemen : ook de snelschrijver heeft een eigen hand; niemand die dit beter opmerkt dan hijzelf. Hij zal, om een voorbeeld te noemen, op zijne wijze de kromming geven aan het teeken voor tâch; eene kromming, die ver genoeg afwijkt van die voor het tâ(/-teeken, doch ook al weer niet meer
7 O
dan volstrekt noodig. Binnen de engst mogelijke grenzen zoekt hij op gelijke wijze, bij analogie, duidelijk onderkenbare teekens voor ns en tamp;, voor ft, ftâtg; kortom voor allerlei verbindingen âbuiten het boekje.quot; Volgens de regels van het snelschrift, maar toch ook weer geheel naar zijne inzichten, naar 't hem het best handt, schrijft hij zijne woord-teekens.
Wij hebben gemeend, deze eigenaardigheid niet kunstmatig te moeten verhelen, ons eigen schrift geen geweld te moeten aandoen. Altijd binnen zekere grenzen. Want, al aarzelden wij niet, den beoefenaar van het snelschrift den weg te wijzen, die leidt tot het einddoel; wy laten hem daarcm niet los. Vandaar dat men in de oefeningen, naast de stoutste verkortingen met behulp van nog niet vastgestelde teekens en schrijfwijzen, soms kort na elkander, voor 't zelfde woord geheel verschillende woordteekens vindt. De leerling moge daar kiezen , hoe hij, met inachtneming van de regels van het snelschrift, het liefst de woorden schrijft.
Het is op die wijze , meenden wij, dat men het best de grondstelling van het snelschrift in zich zal opnemen en leeren toepassen, dat daarbij niet alleen elke spelling, maar ook â wat eerst te dezer plaatse mocht worden gezegd â elke schrijfwijze geoorloofd is, zoolang de leesbaarheid daaronder niet lijdt.
Daartoe ook strekke ten slotte de navolgende
r/
VERHANDELING OVEE HET
GEZOND VERSTAND.
DOOR J. H. VAN DER PALM.
(ORATORISCHE WERKEN, 3e DEEL.)
^rsd ^
(ffC.'ï-lAyXi, C~ /j ?G^
V
yji'lA 'dL-O-^V /*ÃG£ /J^Co^VIC
Â¥lT~lyec'tf-J-^y-.W-iplfy-UCvL^ quot;
u^wioC^ciT'
__Ccamp;UW
lt;T c 1_yxy Co f/n9/'t~ amp; trcr ^sgt; ój'Ls
%! 'c. 9] ^ ^ C~jL 1~ T-Lo 1 r
4oL^. e^cj-j^Z iJ^f^iiJc â gt;£ 'je ^ y/^ J^-r^o icwu-ufy)
(JtJOoH^^£j\l o-Ygt;^
It
â samp;Jfo7cquot;£^~JM LA/^jt Æ/ L C
e *yt 26â
lö^ VU Vi^Ji^rX V' Cus1^. ^y '*^ /^ ^ÃJXo^/Ã'Yuquot;b'ry6*^L__lt;^/'
WZ ^ c^cCgt;% Xf 'lt;,,jJ~~L t-Zi t y /eo cuyzlt;gt;t^rr^Æ ^- /?L-|
V
/^ruVi i/Lr/ ~cs
n^ïe^cyyooétAVi
^ \ xbx^ óiex iTtp ^a. u c/yamp; r* %
4
.6J-1gt; 96^- / ft/^. 9 h.Zsl ^o/o 91
t^^vrtyiT-Z-
L.n
0 re^ 9i /jfo ^VrTn/
% ^/Jfa 't CTrJtJW Ctfo^, -gt;
G, -U, ÃlV . r, rquot;!' .famp;'Cj
t.^hoC^Co ¥
/C ^ ^ ^Z^d^y iS $-
'L V.^fi t/(amp;. Z00^ w-igt; ^
X ^7 01 V:^ _ //V. ^
^Ya ^ rJy CVK ^/1 'ÃSC0 tk, C* /1 /. w^- * ^
Z /v yCsYgt; lt;
gt;c ^ ^^ ^9^t/cf. cv
WfaL ^ r. y quot;1' C?
-tfJry^loUo tyvCu 6^ ^irVA «, ^Hn.. _ 6 ^ 3/ Ci^ t
y, /\Jy T^y/ *^/^1 6 In. t (LMj ^S tyy (njC J-^ no 9^
t/^ly, -p\^ LA ^ *L. lo LL ^-Zc_
t^ctb^ï- 'amp;(i\.llt;i^^ci -HL- ^JTT /1 Z fa 'Oty^.tm.Ccifl- I Ctf tjLL,LC.e^
L / ^] t/ï^L /l^
fL^/Z yin.^quot;^-/(L^^^Lr^ yt,S bsCM^-TLlJj Ã-C t ^ tf /
fj^en.i'W^k,^ *9/quot;o^
^ y^fyXlVJo (ën y-i. c^i, ênty
y iT'7^oe^^~^v
' /^k w2 A (S ^6 ^6 y t , ^
/'Vr£ /f. Jgt;Okj/
quot;V1^M iïlCh10lCl,'%^lt;L^JIrr'vl^rréSJtC lt;% ^ ^5 'v /yC/ -X ? -Ã/J^l/^ amp; quot;(i/j A ^ iS % lï/f 96^)£dcr'J^7-/ ^
/ f Jo
tk,(j;/A r^tl ^f9-r^o 'T___^^ 7/f//^
yf
^ ^ ^-vj; ^
ifljlC ^ Q^ Ltf 2 / ^ 2»^ ^ ^
~ Ugt;âÂ«Æ r',4^?
2.6 -^fo^ Ctt^sCCs-.jt-t.vM
crt^c V2quot;
ây? lt;2^-
^7f, y ^ A-/ ê c^. /â XVi7^, 7
/ y? 'Lr.L- 'i/s/,y^
/'^-_ *Ltyfd- ^gt; /:'ïJ^tfoCft
Cs£.camp; /^rJ^L /^ quot;Viettic^ tyoyZ-f-y*, rj-Wkal L.~JC lt;⢠^ -OïAjfa Lf ï ^ h(kj/
y//é__^j 2/^^^- t lA
iï/U L^Iaa.6 *2 c/,/1
^ygt; ^/%r Vlt;'^ IVO-K^^amp;^
tMiCfy ?* fau^-po ^ ej-^Jli lt;c
-^r;/ ij/-^e ^ ^ ^ /v^7 V ^ ^o-vi^ ?gt;â¢
tc^y^ QiScónoïyquot;
ftff 6 _'^y
Æ/ óA^lAofk-f
JO
2^o ^ ^ ^___A-vP ^7 /irlt;^ 5^ (%J^l ^ J~)Q lt;*£gt;£.
i^7^y'c^rJc'h^Cr^Cd i^XfOC l amp;.^i/^xKjMo* 'quot;''^ ZsMyk)
M ^ ^7 ^/, ^ ^^^ T' ^/
Æ/^v Lv^syi 1°^-^ ^r
Ãl^olXC^]c/amp;U^IJamp;y^A l
fVLc-10 IA, J ie ^ r wiJiyc* r/^
ctyasv^£^iJCie^oko^iJlftcl i^Jko quot;^Jl tiï- ^
^ (C_- W- JS lt;? Jv^Us'io. amp;ÃK
/.Lv^LjlCUl-kj^'OWM ^ tl 0â¬f
-u/ lamp;l^eMotrP^^^Wt
VT Lji^
Jï f^ ^C ^rxCw.^pUslLf kó- ^ JjL
Jgt;)9.gt;L, 4^quot; V% C^LCC'UI^^^ ^cxsi/y^ tü ^^IC^OCfly ^ ^t,1/l/I. A(/^cj'^ .6^l^ó^ffquot;-t'^ï'Ct%*lt;t ' u~ ij t/1 ^ J*amp; k
t V/6L \ 1. t C ^
.sWe^oj/ea, f c t ^
quot;O
di/w/x^
oy/7 1*0^,pr^ ^Ltfr.W
yy.i
//W^f, ^^ lt;6.
ZcSZ 6 iy?uy_ fly, 1L
_ ' f V t; ^/-^/, % ^z
^x^c-fcx0)^ Y^dcf ^/ ^A 6v ^ ^ f / rfn^^//rY
- Y ' - â¦vJ2~_- ^ ,1* -tfy^c/W
flo^z ^ /e ^o^ v/S
'â VS' (O - ^2â-^- z7^ /-^, o
ef^-wt'rvy/jdy^^ ^ v^c- /
^///^
^Uuwïn, ^ ^1 / ^ fjf£ A^ /gt;âCr6 /
nfia/t-#?/ ^Jlc l^t/l l fl %/_ faC 2~. 0
/^ Ui U *C.. q//o tv,
(.~rc.Jo gt;
r/tufa ^ifésl^yoz 9./vn wfJ's-n.r-^ rt^c^ïs⢠is-cj V/) 'v ^ /.^â6o ^
1'/
^ quot;LZ -ut amp;L# oV// r.__^ w'iW'ke
^oMC {(/W^ i t^J? - lt;e ^ 4- X//-
%gt; ^~Cs (A? Is lu (at^ O ^
vp/i^/^-Lf 7 / /^ n/oV'
Ltlii /tLZ^-.y^ c/10 L6
_Is /^y q ^-tstysLj^o»
/-^ h .yjc jâ lt; /v^ ^ ^IJ1u / z ^ t/s « ^rjJ^ i' ^y lt;/£
l' quot; '^~y^
^ °* (£_» 2'/ ^ f- 'Us M £ VL IX. h -ais l VlAy -tfV
~⬠-'(jtcfyCj l C L^' ^ 6 'quot;U^ XW/ iCyr^nl^ U^ 116W i f l ^ /'l-J^ (fa /^?
hvrrO^amp;n-l^y?^ W o^- ,^1 C~.ygt; ^
VCC/fC Æ^^ ^ tv i^f^loo^j Cl^- 'cJ^ ^Un/^se;^suamp;o/w
6' O^*6^ ^ W -A t^JC'k /^o ^ y MCvL^ /'yur, â â gt;^«/j,_.^O^ quot;^v -O ^ (rtu ^) /^ ru j
i {amp; ___ Æ #u^9- \ w
a,///quot;^^./-zJodi/* L ^6
1/*^ teth/xyx l/H)w
OC^.Ju^c^, k/oWj jp iy1^ y- ^c ^ A^ 52â' Hi %gt;o P vity ^y ^ 6-/-^ /^
^CU quot;V V'
7#
F rt^ C chCsâ- KJ%Stâ^ C^--^ ^
/ /^ y^C^hv J-k â L c-Vr. ^ ^ 4y G^VlT^ l^u -^Mlr ~X^ -v/ Jf
(u (/farruX^j C-â-quot;amp;-/''k /^ l/quot;?/ok/ho lo'U/l£^^
^Jamp;e-.amp;^'rr^iio'b't ~e*i-f ^lt;g*^ /yu'ijöP~^i/'^o~/'^amp;y,jfÄ-nJi /^//iw
i~^£')o^y
G iJ nJ^V
$ i y/o^ 6 /// y^/^y/x/0^
/^C- yW ^ ^ J-n^rv-t, l/1 U 9^1 amp; i/O' 'ylXjo^i^ /^ ^/K-^ 0-^s fa l/óT^/k^e* ïx-to ^
⢠(sv y/quot;r\ amp; (h iy/
Vr.fi/% ^V y^r ïnr.. ry^ â2r ^ /fj^^ch^' ^f'C^ticUlkX^( amp;vC
{s ^s, ix/H(sS
y ^ 2/^ v ^ ^
o'o^o-i^ty yy/CtfoJ.n^^
^/m.o oLC^n(j'^ti- f/^usvCquot;)
/fy o ^'U 9o*z ^/Z- ^ /-o^ ^zquot; ^'z-%c
quot;tyoc-^Mdyn^^â.(xrquot;
79
^ wx tâht A r% /q/'amp;i 6
~ ^y^cJc^ lO^Vf-^.^^Ln.t/h'fy
- amp; .*/, b Oi, 5-n - lyii cfa ^ o 'T^ ^ ^ rv. ^ ^
w. amp;amp; amp;â .lt;%.
iLtr^^oh-r ^rn^q^/n^
^ot-JCl rCt/^CrS^f c^o^
eq i^iffei fej,^
B'/y'//^ irv^e, Cs^, ^ ln^ IUJO ^ amp; Cs / 'W
»*gt; ~ r0 J Cs-^J} ^ 0 Q//ën,
o^i ^ ^ l w 'y^ ^y ^ ^^quot;fi ^^ Co ^ ^ amp;ó ^ kj I ^o /i/Cv ^c/t/i/ K
tyf^wJt-ecsiquot;
Zoo ongeveer zal een ervaren snelschrijver de verhandeling in schrift brengen.
Bij de beoordeeling van de leesbaarheid mag niet uit het oog worden verloren, dat. het geschrevene moet worden verondersteld, al schrijvende te zijn gehoord, gelezen of gedacht. Bij het herlezen komt dus allicht, zoo noodig, het geheugen te hulp.
Dan, wij zeiden het reeds, de snelschrijver heeft zijn eigen hand. Voor een groot aantal
D]3902-
letter- en woordteekens heeft hij , door de kracht der gewoonte, vaste sciirijfwijzen aangenomen, die anderen misschien aanvankelijk vreemd toeschijnen, maar waarvan hij met een oogopslag de beteekenis herkent. Zoo ook vindt men bij ons, in vorenstaande proeve, tal van oogenschijnlijk. moeilijk leesbare teekens: voor ns en ts of tz een teeken met lusvorm; voor het woordje de, vooral bij verbindingen, het tweevoudige «-teeken; voor dus het s-(eeken, benedenwaarts gebogen; voor de eindletters ift de steil opwaarts getrokken t. Wij gingen nog verder: het woord duisternis werd op de beginletter verkort onder bijvoeging van een klein, hooger geplaatst s-teeken; onkundig daarentegen werd aangeduid door on met het daaronder geplaatst teeken voor g; zelfs bleef van de uitdrukking âMijne Heeren!quot; een paar maal alleen het leesteeken behouden. Zóó werd op allerlei wyze te gemoet gekomen aan het onderstelde gemis aan den noodigen tijd, om de woorden volledig volgens de regels van het stelsel te schrijven. Wie evenwel de verhandeling goed heeft beoefend , weet by ervaring, hoe spoedig zelfs de oningewijde met al zulke schrijfwijzen vertrouwd raakt. Hoe veel te meer dan hij, die gewoon is zich daarvan te bedienen!
Overigens, wie zich niet sterk gevoelt, wage zich niet buiten de grenzen van het stelsel; tenzij onder ons persoonlijk geleide.
: !/ oJ.quot; ' tr /.OG')
.'.i-rviv.v. -i.»»
Bij HUGrO SURIKGrAR te L e e u w arde n en verder bij alle boekhandelaren:
J. KÃYPER, Nederland , zijne provinciën en koloniën. Land en volk beschreven. 2e druk.....f 2.20
FRIES LAM) EN 1)E FRIEZEN; door Mr. A. J. Andbeae , Mr. J. G. v. Blum J. Gz., G. Colmjon , Waling Dijkstra , D. Hansjia , H. de Jong , M. E. v. d. Meulen, S. K. Sipma , Joiian Winkler en anderen. 346 bladz., met plaatjes , in linnen bandje.....f 1.90
J. F. JANSEN, Ontdekkingsreizen in de woonkamer. Met plaatjes. 2e druk........./' 0.25
THEODORE PARKER, De godsdienst in het leven. Naar het engelsch door B. W. Colenbrander. Met portret; 2 deelen. f 3.60.....Gebonden, f 3.90
A. I)ES A3IORIE V. D. HOEVEN Jr., Nagelaten Leerredenen., 4e druk..........f 1.80
J. J. L. TEN KATE, Correggio. Treurspel, naar het deensch van A. Oehlenschl/eger.......Æ 1.90
LARIVE, De kunst van declameeren.....f 1.25
FRANS TINARLO, Knutselwerk. Elf schetsen . . f 1.80
W. H. SURINOAR, Armen en rijken. Vier bladen uit het levensboek van den menschenkenner ... Æ 0.40
J. H. VAN DER PALM, Oratorische werken. Redevoeringen en verhandelingen. 5 deelen. Ieder deel afzonderlijk
ingenaaid............f 1.50
In het derde deel, behalve de Verhandeling over het gezond verstand, ook: Over den koran. Ter nagedachtenis van Borger. Over het versmaden of veronachtzamen van do regelen der kunst. Over het middelmatige. Mijne herinneringen aan Bellamy. Het vierde eeuwfeest van de uitvinding der boekdrukkunst.
Lij HUGO SUHIMtAK te uwardoii gii \eixler hij allo I^OGkluuidokircii verkrijgbfia.r:
J lol. J. I»OSS( HA. Xi-fi'laiuls lu'kli.'nd.ulen le land, van de vroeirsle lijden al lui in onze dagen. Nieuwe geheel herziene en verlielerdé uitgave. Wel plans en kaarten. In wekelijksehe allevei'ingen , ieder a 40 Gents.
Igt;'gt;.-,sciia s werk is een inouiinient ^,al1 onzen natio-lialiai rncm en mag' aan niemand vreemd blijven, die genoegen vindt in onze \ aderlamlsclie Historie'
l'i: li mi v.\.\ Al,[iia;\\'ia:i.i.r.
Prof. T. HOOmU. Handleiding Int het ouderwijs in ,1e zins-oiilleding hij hel lager onderwijs. Tweede druk f 0.-i() Mr. A. \AN IIALMAKL. Bijdragen tol do geselliedenis van hel tooneel , de looncels|ie(dkunsl en de tooneolspeiers
in Aedei land.......... y | oq
l'lifIS Ihli. en wat nog in z:jii selirijllafel laa. Xaa'e-
gelaten en verspreide stukken: liet verjaarfeest der gravin. --- Brieven van den ouden hoer Brasig. â Vroegste geschiedenis van Mekkleuhurg en nog wat meer , verlaald door .\, (I. â I wee gedichten van het oorlogsjaar Is70. vertaald door Dr. E. Lauuili-ARD.
Twee deelen...........Æâ¢ 3.90
Prof. J. KAM1, De kracht van den wil in het hoheersclien van ziekelijke aandoeningen. Xaar den achtsten druk uit het Hoogduitsch vertaald. â Met aanteekoningen van G. \\. Hltelaxd, derde druk .... /â ().;](gt; lil' I'AN'X\ M'jilX , door Gd. Buskex Hukt. Zestig sehet-
^1'11............../â I.GO
Prol. VIN DLU PAL.X. Oratorische werken. Vijl'doelen in
twee handen.......
lOLLhNS, Gezamenhjke dichtwerken. Vc Ut^
/'(I. I 5
Prof. AIJni. DKS AMOUIE VAN DEK j
hij de onthulling van het ruiter-stan Willem den Eersten.....