ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2942 581 O

ocr page 5

VAK Soj . I

K: O IR.TIE

TEN DIENSTE VAN KATHOLIEKE SCHOLEN.

UTRECHT

COLL. THOMAASSe

T1 L B U E G ,

Stoomdrukkerij van het K. K, Jongens-Weeshuis. 1891.

/

ocr page 6

1 M P K 1 M A T U R.

Wl. F. de Beer , Sup. Gen. et Dec ad hoc delegatus.

Tilburgi, 12 Januarii 1801.

Volgens Art. 25 der wet van 28 Jnni 1881 (Staatsblad nquot; 124) is het eigendom gewaarborgd.

ocr page 7

VOORBERICHT.

Gelijk de titel can deze korte Geschiedenis des Vaderlands genuegzaam te kennen geeft, had de vrroaardiger bij het samenstellen dezer lessen enkel leerlingen op het oog, welke tot den Roomsch-Katholieken godsdienst behooren. Zijn doel was niet uitsluitend eene eeneoudige schets te leveren van de voornaamste gebeurtenissen op den Nederlandschen bodem voor-ge Kallen in betrekking tol den Staat; hij wilde te zelf der tijd aan de jeugd eenig denkbeeld geven van de bijzonderste feiten, welke sedert de vestiging van het Evangelie onder onze hei-densche voorouders tot op onze dagen ten aanzien van den Katholieken godsdienst in deze gewesten hebben plaats gehad. Het is zonder twijfel te bejammeren, dat men zich met dit gedeelte der geschiedenis in onze scholen zoo weinig bezig houdt. Be kennis van dergelijke voorvallen is immers den leerlingen van onbesefbaar meer nut dan de verhalen der roemrijke wapenfeiten van het voorgeslacht.

ocr page 8

Wij koederen daarom de gegronde hoop, dat de oerschijning van dit leesboek aan allen, die zich met hel onderricht in Katholieke scholen bezig houden, hoogst welkom zal zijn. Bij quot;ene nadere inzage zal men ook bemerken, dat de voorstelling en waardeering can sommige gebeurtenissen merkelijk verschilt can die, welke tot hiertoe in de meeste schoolboeken van dezen aard werd aangetroffen. Onze wegwijzers in die gewichtige taak waren de geschiedkundige werken van Dr. Ncyens, Professor David van Leuven, Caveines , Stbada , Bknti-voglio , Smet , Geklache , Abend, Bildeedijk en anderen. Wat verder de verdeeling en den inhoud betreft, gelieve men in acht te nemen, dat hef een lees- en geen leerboek is. Wilde men het echter tot dit laatste einde gebruiken, dan zou dit naar ons inzien zeer gemakkelijk kunnen geschieden, door hier en daar wat aan te vullen. Aldus zou het tevens tot een handboek kannen dienen , dat niet alleen voor lagere scholen, maar ook voor de opvoedingsgestichten van meer uitgebreid onderwijs niet geheel zonder nut zoude zijn.

Dat deze weinige bladzijden iets mogen bijdragen tot het geestelijk en tijdelijk welzijn der Katholieke jeugd, voor wie zij geschreven zijn , is de vurige wensch van

den Schrijver.

Tilburg, 16 November 1868.

ocr page 9

KORTE GESCHIEDENIS

des

V AXgt;ERL ANDS.

--

Inleiding.

Het koninkrijk der Nederlanden is iu vergelijking met vele andere landen zeer klein ; het neemt ternauwernood één driehonderdste gedeelte van Europa in , en is op vele plaatsen zoo laag, dat het niet dan met de uiterste moeite tegen doorbraak en overstrooming kan beveiligd worden.

Men denke daarom evenwel niet terstond, dat dit land voor ons van geene beteekenis is. Alwie juist oordeelt, meet de waarde of de belangrijkheid van een land niet af naar de uitgestrektheid van deszelfs grenzen, noch naar het aantal zijner bewoners, maar volgens de meer of min gewichtige herinneringen, welke daaraan voor hem door zijne godsdienstige of burgerlijke betrekking verbonden zijn. Alzoo zien wij in Palestina het bij uitstek bevoorrechte, het heilige Land, door de Ivoetstappen van Jezus en Mabia geheiligd ; in Rome, de zetelplaats van den Paus, het groote middelpunt der Katholieke Kerk, waarop door alle tijden heen het oog zoowel van den ongeloovige als van den Katholiek gevestigd is : in Nederland eindelijk het land . de plaats onzer geboorte , de dierbare plek , waar wij bij onze intrede in de wereld het onwaardeerbare geluk genoten, in de wateren des H. Doopsels van de vlek der erfzonde

ocr page 10

6

gezuiverd en tot kinderen van God en van de heilige Kerk te worden aangenomen.

Daarenboven weet een ieder, dat, al is ons Vaderland klein, het evenwel geene geringe plaats in de geschiedenis der volken inneemt. De Nederlandsohe naam is door alle eeuwen heen vermaard geweest; ja er was zelfs een tijd, dat ons land onder de machtigste en bloeiendste gewesten van Europa kon gerekend worden ; zijne schepen doorkliefden alle zeeën , zijn handel breidde zich uit bij alle bekende volken ; overal zag men zijne koopwaren ten toon gesteld.

Wij vertrouwen dan ook , jeugdige landgenooten , dat het u aangenaam zal zijn, in de volgende lessen eenigs-zins nader met dit Vaderland bekend te worden en te zien , welke groote en gewichtige gebeurtenissen in don loop der tijden op dit kleine plekje gronds zijn voorgevallen. Gij zult daardoor vernemen , welke de eerste bewoners dezer landen waren , welke hun aard in godsdienst was, hoe zij verder zijn beschaafd geworden, hoe het Christendom in deze streken doordrong en met welken ijver de zendelingen uit de naburige gewesten kwamen toegesneld, om het kruis op deze woeste kusten te planten en onze heidensche voorouders met de alleen zaligmakende leer van het Evangelie bekend te maken. Behalve de namen van de heilige Geloofsverkondigers Willibboedus en Bomfacius, welke u reeds van elders bekend zijn, zult gij er ook de namen in aantrefi'en van mannen , zooals : de HH. Wilfkidus, Lambeetus, Wulfeanxüs, Suitbeetcs, Plecheemus en anderen , welke de eersten in hunne prediking ondersteund en hunnen ijver gedeeld hebben.

Verder zult gij kennis maken met een Civilis , die zich in den kamp tegen de Romeinen onverschrokken aan het hoofd zijner dappere landgenooten stelde, om de gehate onderdrukkers wegens hunnen meineed te straflen ; een Adgilu s , die met mannenmoed de onrechtvaardige bevelen van een Frankischen dwingeland trotseerde ; een Kakel den Groeten , wiens gebied zich over half Europa uitstrekte : een Djihk I, don stamvader der Hollandsche Graven; een Willem II, die om zijne lid-

ocr page 11

7

derlijke deugd en bekwaamheid tot de Jioomsch-Konink-lijke waardigheid opklom; een Floeis V, Gehaedub Geoote , Albeecht Beiling , Jan van Schaffeiaae , Kaeel den Stouten , Kaeel V , Filips II, Willem van Oranje, Mauhits , Tromp, De Eüijtee , koning Willem, den held van Waterloo, en eene menigte andere groote en vermaarde mannen , die u elk op hnnne beurt eenige oogenblikken zullen bezig houden.

Welaan dan, jeugdige landgenooten, leest dikwijls met opmerkzaamheid de volgende lessen. Zij zullen u niet alleen de namen en groote verrichtingen uwer voorouders te binnen brengen, maar u daarenboven eene warme liefde voor uwen geboortegrond inboezemen; zij zullen u in menig voorbeeld het schoone der deugd en het hatelijke der ondeugd voor oogen stellen , maar boven alles zullen zij n met eene innige hoogachting en liefde voor onzen heiligen godsdienst bezielen, dien heiligen godsdienst, door den arbeid en het lijden van zoovele ijverige zendelingen in deze streken geplant, door onze Katholieke voorvaderen in latere dagen tusschen kwelling en vervolging standvastig bewaard, en eindelijk ten koste van velerlei opoffering als het dierbaarste kleinood op de erfgenamen huns geloofs overgegaan.

De eerste bewoners.

De eerste bewoners dezer landen waren van Duitschen oorsprong en in verschillende stammen verdeeld, die ieder hunne eigene opperhoofden hadden, doch in aard en levenswijze nagenoeg overeenkwamen. Over het algemeen waren het ruwe, onbeschaafde menschen, sterk van lichaam en gehard tegen alle ongemakken.

De voornaamste onder hen waren de Friezen en de Batavieren.

Hoe en wanneer de eersten in Nederland gekomen zijn, weet men niet met zekerheid. Wat de Batavieren be-

ocr page 12

8

treft. dezen woonden vroeger in Hessen, waar zij gednrig door hunne naburen, de Katten, verontrust werden. Zulks deed hen het besluit nemen , dat land te verlaten en elders een rustiger oord op te zoeken. Zij zakten in uitgeholde boomstammen den Rijn af en vestigden zich in het zuiden van Gelderland, vanwaar zij zich spoedig over een gedeelte van Zuid-Holland en Utrecht uitbreidden.

Hier leefden zij nu vele jaren vreedzaam en rustig bij elkander in het ruime veld of in de bosschen, en brachten den tijd door met visschen en jagen , hetgeen buiten den oorlog hunne liefste bezigheid was. Voorts bebouwden zij hunne akkers, voornamelijk geholpen door hunne slaven , alsook door hunne vrouwen , die tevens met de zorg voor de huishouding waren belast.

Te paard rijden en met de speer werpen waren de gewone uitspanningen der jonge lieden. Hierin stelden onze voorouders het grootste belang. Ook als boogschutters waren zij gunstig bekend. Men verhaalt onder andere van zekeren Sobanub , dat hij in het bijzijn van keizer Adrianus een pijl in de lucht schoot, en dien tot verwondering van allen door een tweeden zoo juist wist te treffen , dat hij hem in tweeën kliefde.

Van hunne woningen maakten de Batavieren niet veel werk; de meeste waren rond evenals een bijenkorf, en enkel uit hout en klei samengesteld.

Om voor overstroomingen beveiligd te zijn, bouwden zij ze veelal op hoogten of terpen , vanwaar ons woord dorp zijn oorsprong ontleent. In deze hutten was het gewoonlijk zeer duister , want deur en schoorsteen waren de eenige openingen. Daarbij stond liet huisraad ook niet in den weg. Aan bedden hadden de oude Bataven geene behoefte; en stoelen en tafels kenden zij niet. De koude grond was hunne zitplaats en eenige dierenvellen dienden hun tot legerstede. Des zomers namen zij hunne maaltijden in het groene gras , en des winters zooals het 't geschiktste voorkwam.

Hunne spijzen waren zeer eenvoudig. Behalve van visch

ocr page 13

en wildbraad leefden zij van melk , boter , kaas , vleesch, spek en eenige wilde vruchten , zooals appelen en peren, die het land in genoegzame hoeveelheid voortbracht. Hun gewone drank was water; doch zij hielden ook van bieren lieten bij openbare volksfeesten den welgevulden horen vroolijk rondgaan.

Ofschoon het hier te lande gewoonlijk nog al guur, en in den winter meestal vrij kond is, kenden de Batavieren geen verschil tusschen zomer- en winterkleeding.

De mannen droegen een soort van mantel van dieren-vel, waardoor omtrent het geheeie lichaam bedekt werd. Deze mantel werd met een haak of doorn op de schouders vastgemaakt. De meer aanzienlijken hadden daarbij nog een onderkleed met mouwen en ook eene broek, die met een paar kousen van dezelfde stof, benevens een wambuis slechts één geheel uitmaakte, en zeer nauw om het lichaam sloot.

Het kleedsel der vrouwen verschilde weinig van dat der mannen , maar het was fijner, en soms met purperen boorden afgezet.

Bij deze eenvoudigheid in voedsel en kleeding hadden onze voorouders meer dan ééne goede hoedanigheid. Vooral roemt men hunne gastvrijheid en gulhartigheid: nooit zouden zij hun huis voor een vreemdeling sluiten. Klopte iemand aan eene deur, dan was hij welkom. Kon men hem niets te eten of te drinken aanbieden . dan bracht men hem eenvoudig naar zijnen buurman , die den gast met evenveel liefde opnam.

De oude Batavieren waren ook oprecht; leugentaal en veinzerij konden zij niet dulden; de openhartigheid stond op hun aangezicht te lezen. Zonder twijfel eene sehoone les, die de jeugd wel ter harte mag nemen.

Daarbij waren onze voorouders getrouw aan hun gegeven woord, zoodat naderhand de Komeinsche keizers hen dikwijls verkozen om deel te maken van hunne lijfwacht. wijl zij op hunne eigene onderdanen niet vertrouwen konden.

Ongelukkig werden 'deze voortreflelijke hoedanigheden.

ocr page 14

8

treft, dezen woonden vroeger in Hessen, waar zij gednrig door hunne naburen, de Katten, verontrust werden. Zulks deed hen het besluit nemen , dat land te verlaten en elders een rustiger oord op te zoeken. Zij zakten in uitgeholde boomstammen den Rijn af en vestigden zich in het zuiden van Gelderland, vanwaar zij zich spoedig over een gedeelte van Zuid-Holland en Utrecht uitbreidden.

Hier leefden zij nu vele jaren vreedzaam en rustig bij elkander in het ruime veld of in de bossehen, en brachten den tijd door met visschen en jagen , hetgeen buiten den oorlog hunne liefste bezigheid was. Voorts bebouwden zij hunne akkers, voornamelijk geholpen door hunne slaven , alsook door hunne vrouwen, die tevens met de zorg voor de huishouding waren belast.

Te paard rijden en met de speer werpen waren de gewone uitspanningen der jonge lieden. Hierin stelden onze voorouders het grootste belang. Ook als boogschutters waren zij gunstig bekend. Men verhaalt onder andere van zekeren Sohanus , dat hij in het bijzijn van keizer Adrianus een pijl in de lucht schoot, en dien tot verwondering van allen door een tweeden zoo juist wist te trelfén . dat hij hem in tweeën kliefde.

Van hunne woningen maakten de Batavieren niet veel werk; de meeste waren rond evenals een bijenkorf, en enkel uit hout en klei samengesteld.

üm voor overstroomingen beveiligd te zijn, bouwden zij ze veelal op hoogten of terpen , vanwaar ons woord dorp zijn oorsprong ontleent. In deze hutten was het gewoonlijk zeer duister , want deur en schoorsteen waren de eenige openingen. Daarbij stond het huisraad ook niet in den weg. Aan bedden hadden de oude Bataven geene behoefte; en stoelen en tafels kenden zij niet. De koude grond was hunne zitplaats en eenige dierenvellen dienden hun tot ]eger?tede. Des zomers namen zij hunne maaltijden in hel groene gras , en des winters zooals het 't geschiktste voorkwam.

Hunne spijzen waren zeer eenvoudig. Behalve van visch

ocr page 15

9

en wildbraad leefden zij van melk , boter , kaas , vleesch, spek en eenige wilde vruchten , zooals appelen en peren , die het land in genoegzame hoeveelheid voortbracht. Hun gewone drank was water ; doch zij bieldon ook van bier gt; en lieten bij openbare volksfeesten den welgevulden horen vroolijk rondgaan.

Ofschoon het hier te lande gewoonlijk nog al guur, en in den winter meestal vrij koud is, kenden de Batavieren geen verschil tusschen zomer- en winterkleeding.

De mannen droegen een soort van mantel van dieren-vel, waardoor omtrent het geheele lichaam bedekt werd. Deze mantel werd met een haak of doorn op de schou-ders vastgemaakt. De meer aanzienlijken hadden daarbij nog een onderkleed met mouwen en ook eene broek, die met een paar kousen van dezelfde stof, benevens een wambuis slechts één geheel uitmaakte , en zeer nauw om het lichaam sloot.

Het kleedsel der vrouwen verschilde weinig van dat der mannen , maar het was fijner, en soms met purperen boorden afgezet.

Bij deze eenvoudigheid in voedsel en kleeding hadden onze voorouders meer dan ééne goede hoedanigheid. Vooral roemt men hunne gastvrijheid en gul hartigheid ; nooit zouden zij hun huis voor een vreemdeling sluiten. Klopte iemand aan eene deur, dan was hij welkom. Kon men hem niets te eten of te drinken aanbieden . dan bracht men hem eenvoudig naar zijnen buurman , die den gast met evenveel liefde opnam.

De oude Batavieren waren ook oprecht; leugentaal en veinzerij konden zij niet dulden; de openhartigheid stond op hun aangezicht te lezen. Zonder twijfel eene sehoone les , die de jeugd wel ter harte mag nemen.

Daarbij waren onze voorouders getrouw aan hun gegeven woord , zoodat naderhand de Eomeinsche keizers hen dikwijls verkozen om deel te maken van hunne lijfwacht, wijl zij op hunne eigene onderdanen niet vertrouwen konden.

Ongelukkig werden deze voortreffelijke hoedanigheden

ocr page 16

10

door hatelijke ondeugden ontluisterd; deze waren vooral het spel en de dronkenschap. Als zij des winters lui en werkeloos in hunne hutten lagen, sleten de Batavieren den meesten tijd met dobbelen. Dikwijls verspeelden zij op eenen dag hunne gansche bezitting, ja verloren daarbij zich zeiven , dewijl zij soms hun eigen persoon op het spel zetten.

Hunne geneigdheid voor den drank was niet minder groot. Hadden zij eenmaal eenen goeden voorraad bier of ander sterk vocht opgedaan , dan mochten zij er niet aankomen. Zoo zij er eens van proefden, dan was het gedaan. Zij klonken en dronken, totdat de geheele voorraad verteerd was. Deze dronkenschap had meermalen zeer gevaarlijke twisten ten gevolge ; zij keven en vochten , en brachten elkander wel eens zulke gevaarlijke wonden toe, dat menigeen op de plaats dood bleef; doch deze treurige gevolgen verbeterden die woeste men-schen niet. In het voldoen van hunne booze lusten stelden zij hun grootste geluk en hiervan konden zij alleen genezen worden door de leer van het H. Evangelie, die eerst later onder hen verkondigd werd.

Hun godsdienst was als die van alle heidensche volken ; de meesten wisten niet eens, wie hen geschapen had. Bij hunne komst in Nederland aanbaden zij, behalve Wodan, die als de opperste god doorging, en Thob , die onweders stilde en de strijders bezielde, ook nog de zon , de maan , het vuur en vele andere voorwerpen. Later bewezen zij goddelijke eer aan houten en steenen beelden . welke soms de afzichtelijkste gedaanten hadden. De vereering dier valsche godheden geschiedde altijd in groote bosschen , die nimmer mochten gekapt worden. Witte paarden werden door onze voorouders als halve goden beschouwd ; raven , ooievaars en zwaluwen voorzegden volgens hunne meening de toekomst, en somtijds namen de goden , zoo zij voorgaven , de gedaante dezer vogelen aan , om den menschen goed of kwaad te doen . naarmate dezen zulks verdienden.

Ziet, aan deze en dergelijke dwaasheden sloegen die

ocr page 17

11

arme lieden geloof, voordat zij zich bekeerd hadden. Wat erger is, op bepaalde tijden droegen zij ook aan Wodan menschenofiers op, welke men te zijner eer verdronk of aan de boomen ophing , om den raven en gieren tot voedsel te dienen. Tot zulke afschuwelijke en ont-eerende misdaden bracht de dnivel door het heidendom den mensch ! Gelukkig dus de volken, die door de leer van Jezüs, den eenigen Zoon van God, Verlicht den alleen waren God aanbidden , en offers brengen afin Hem . die Hemel en aarde en alles, wat daarin is, geschapen heeft!

Komsi der Romeinen hier te lande.

Ongeveer vijftig jaren konden de Batavieren rustig en vreedzaam in hunne nieuwe woonplaats doorbrengen. Weldra aan de streken gewoon, die hen zoo herbergzaam hadden opgenomen , vergaten zij hun vorig land geheel en dachten niet meer om in hetzelve terug te keeren.

Maar zie — onverwachts werden zij door een verward geschreeuw van krijgslieden en het geweldig gedruisch van wapenen verontrust.

De Romeinen, die hunne veroveringen reeds in al de deelen der bekende wereld hadden uitgebreid , waren onder hunnen veldheer Julius Cesak met een machtig leger België binnengerukt. Te vuur en te zwaard verwoestten zij dat gewest, brachten een groot aantal inwoners ter dood en rustten niet , voordat alles zich naar hunnen wil gebogen had.

Weldra lagen nu ook de noordelijke streken aan de beurt, en de Batavieren konden ieder oogenblik den vijand op hun eiland verwachten. De Tenkteren en Usipeten waren reeds onder het zwaard van Cesar gevallen.

Deze volken, die evenals de Batavieren Duitschers waren, hadden zich in den winter van het jaar 55 vóór Gheistus, ten zuiden der Maas in het tegenwoordige Noord-Brabant

ocr page 18

12

neergezet. Hun getal bedroeg bij de vijfmaal honderd duizend man. Beducht, dat die groote massa lieden. waaronder ook veel geoefende ruiters waren, de zuidelijke gewesten weer tot opstand zonden brengen, besloten de Eomeinen die barbaren , gelijk Cesak ze noemt, met geweld vandaar te verdrijven.

Toen de vreemdelingen dit vernamen , zonden zij een gezantschap totquot; den Romeinschen veldheer met verzoek van hun die landstreek af te staan. Cesak bleef echter bij zijn plan en eischte , dat zij terstond dit gewest verlaten zouden, hetwelk den Tenkteren en üsipeten in het geheel niet aanstond. Zij vroegen dan drie dagen uitstel om zich te bedenken ; doch dit was slechts eene list, want te vertrekken zochten zij niet; zij wilden enkel tijd winnen, wijl het grootste gedeelte hunner ruiterij over de Maas getrokken was, om voorraad van levensmiddelen te zoeken. Cesak had spoedig begrepen , waar hun de schoen wrong, en gaf zijn leger bevel om vooruit te trekken. Dit bracht de vreemdelingen opnieuw in angst. Zonder toeven zonden zij een tweede gezantschap tot Cesae en stemden er in toe , om naar hun vaderland terug te keeren. Als eenige gunst verzochten zij den veldheer, dat hij zijne troepen zou gelasten , niet verder te gaan. Cesak beloofde dit, doch zijne belofte werd slecht nagekomen.

Nauwelijks waren de gezanten weg , of de Romeinsche ruiters, die de eersten waren, raakten met de Tenkteren en üsipeten handgemeen. Maar wat gebeurt er P Na een kort, doch hevig gevecht krijgen het de aanvallers te kwaad, en worden met een aanmerkelijk verlies teruggedreven. Dit was zonder twijfel eene groote schande : want de Eomeinen waren 5(KX) man sterk, terwijl het aantal hunner tegenpartij slechts 800 bedroeg. Cesak nu oordeelde, dat die schande met het bloed dier onge-lukkigen moest afgewasschen worden. Wat doet hij daarom P Zonder toeven trekt hij aan het hoofd der zijnen naar het vijandelijk kamp. Onderweg ontmoet hij eenige grijsaards, die hem wegens het gebeurde verschoo-

ocr page 19

13

ning komen vragen. Dit baat niet. Hij laat de afgezanten zelfs gevangenzetten en vervolgt zijnen weg. — Verbeeldt u den angst en de ontsteltenis dier arme lieden , toen zij Gebak daar op eenmaal voor hun kamp zagen. Een ijselijk gejammer en gehuil steeg uit hun midden op; aan ontvluchten was niet meer te deuken. Eenigen der vurigsten verkochten hun leven duur en stierven met de wapens in de hand : maar verreweg de meesten dachten aan geen tegenstand.

Met ontbloote zwaarden dreven de Romeinen hen vooruit, en versloegen alles wat er voorkwam: mannen , vrouwen, kinderen, grijsaards ; niets werd gespaard. Velen van deze ongelukkigen sprongen in het water, om zich door zwemmen te redden, maar het getal dergenen, die ontkwamen , was zeer klein ; de meesten vonden hun graf in de golven en het grootste gedeelte van den stam was uitgeroeid.

Zulk een treurig einde verschrikte de Batavieren. Zij hielden eene groote vergadering , en er werd besloten alles aan te wenden , om dergelijke rampen te voorkomen. Te dien eide zonden zij eenige mannen tot Cesak , met het doel om zijne vriendschap te winnen. Dit gelukte. De afgezanten sloten een verbond met den gednchten veldheer, en de Batavieren ontvingen den titel van Vrienden en Broeders der Eomeinen. Zij bleven een vrij volk en behoefden geene schatting te betalen; alleen moesten zij den veldheer jaarlijks eenige manschappen leveren , om hem op zijne tochten te vergezellen.

Wat er van dit verbond geworden is , zult gij in de volgende les vernemen.

Opstand der Batavieren.

De Batavieren dienden de Romeinen trouw en bewezen hun meer dan eens gewichtige diensten.

Daar zij vooral goede zwemmers waren . trokken zij

ocr page 20

14

menigmaal de grootste stroomen met paard en wapens over, en deden daardoor niet zelden de oorlogskans ten gnnste hunner meesters keeren. De Homeinen, die dit zeer wel beseften , schatten hen daarom hoog en behandelden hen met onderscheiding. Er werd in hnn land eene school gesticht, om de Bataafsche jeugd in de ge-brniken der Romeinen te onderrichten; daarbij werden er dijken opgeworpen, wegen aangelegd, bruggen over rivieren geslagen, moerassen drooggemaakt, en dergelijke zaken moer. Onze voorouders verloren daardoor langzamerhand de woestheid , welke hnn zoo eigen was, doch zij namen tegelijkertijd van hnnne nieuwe meesters ook vele ondeugden over, zoodat zij er meer schade dan voordeel bij hadden.

De goede verstandhouding tusschen de Batavieren en de Eomeinen duurde een geruimen tijd; eerst in het jaar 69 na Christus werd dezelve op eene ernstige wijze gestoord.

De Batavieren , die langzaam aan het juk waren gewoon geraakt, vroegen naar geene verandering; maar allengs werden de Eomeinen overmoedig en schonden het verdrag. Zij vernietigden de vrijheid onzer voorvaderen geheel en al, en vorderden zooveel soldaten, als zij goedvonden ; ja , het liep zoo erg, dat vele jongelingen met geweld uit hunne woningen werden gerukt. Zulk eene snoode handelwijze verbitterde een edel Bataaf, die voor den dapperste der natie gehouden werd. Zijn naam was Claudius Civilis. Hij trok zich de zaak van zijne verdrukte landgenooten op eene ernstige wijze aan , doch werd spoedig gegrepen en in de gevangenis geworpen. Dit lot trof ook zijn broeder Julius Paulus , die kort daarna onthoofd werd. Civilis zelf werd naar Rome gezonden en daar gevangen gehouden tot na den dood van keizer Neeo , toen hij zijne vrijheid terugbekwam.

In zijn land wedergekeerd, is zijne eerste gedachte , om zijn volk van den overlast der Eomeinen te bevrijden. Te dien einde laat hij een groot gastmaal aanrichten en roept de voornaamsten zijner landgenooten op , om daar-

ocr page 21

15

aan deel te nemen. Deze laten zich niet wachten, en in het midden Tan den nacht heeft het feest onder den blooten sterrenhemel plaats. De groote daden der vooronders worden Inide bezongen, de beker gaat lustig rond, de harten zijn vol vrengd.

Te midden van die groote blijdschap staat Civilis eensklaps op , en alles wordt stil

„Bataven, dns spreekt hij , hoort naar mij. De wreedheid onzer verdrukkers roept om wraak, het uur van strijden is aangebroken ! denkt aan den moed nwer vooronders ! denkt aan die onde Bataven ! zij waren vrij ; zij lieten zich door niemand de hand boven 't hoofd leggen. Doch wij P wij worden verdrukt, onder de voeten getrapt, verplet. Dit kan , dit mag zoo niet langer duren. Wel boe , gij talmt nog ? Gij zijt dus lafaards ? — Komt, grijpt naar de wapens, en jaagt uwe onderdrukkers het land uit, dan eerst zult gij weder vrij zijn.quot;

Nauwelijks had Civilis deze woorden gesproken, of de geheele vergadering rees als een enkel man op ; allen zwaaiden hunne wapens en zwoeren, niet te zullen rusten, voordat de laatste Romein uit hun land verdreven was. Daarop ging ieder naar huis.

Civilis bereidde nu alles in stilte voor en wilde den strijd nog wat uitstellen, doch de Kaninefaten, zijne bondgenooten, die langs de zee woonden, waren zoo geduldig niet. Onder aanvoering van zekeren Bbinio overvielen zij onverhoeds de Eomeinsche winterkwartieren, overrompelden die en joegen de gansche bezetting op de vlucht. Door zulk een gunstig begin aangemoedigd, riep nu ook Civilis zijne wakkere Bataven op en zette de vluchtelingen na. Op den Rijn vond hij eene vijandelijke vloot van 24 schepen , die , naar men zegt, met wapenen gevuld was. Civilis tastte dezelve oogenblikkelijk aan , en geholpen door de roeiers, die meest allen stam-genooten waren, had hij ze in eenige uren bemachtigd. Kort daarop versloeg hij ook een leger, dat tegen hem afgezonden was, en maakte zich daardoor zoo geducht , dat zijn naam door het gansche land bekend

ocr page 22

16

werd en iedereen hem den redder der vrijheid heette.

Twee jaren lang hield de held den strijd vol, en deed den Romeinen veel afbreuk. Nu eens bestormde hij ze in hun kamp, dan sloeg hij hen in 't open veld; nu maakte hij gebruik van eene list, dan tartte hij den vijand openlijk uit tot den strijd. Op zekeren dag bemerkte hij , niet verre van de legerplaats Cant ra Vetera, eene menigte wagens met een groot aantal soldaten, uitgezonden om koren te halen voor de bezetting. De officieren zoowel als de mindere krijgsknecliten liepen zorgeloos door het veld en hadden hunne wapens op de karren geladen, juist alsof' het vrede was. Civilis zet ze aanstonds achterna, valt hen op het lijf en drijft alles uit elkander, zoodat slechts een klein gedeelte en dat nog met de grootste moeite op de plaats der bestemming aankomt.

Om de rust weder te herstellen, zond de Komeinsche keizer in het jaar 70 na C. den dapperen Ceeealis naar deze landen; maar Civilis vreesde hem niet. Eenmaal drong de held midden in den nacht tot de legerplaats des vijands door , wierp de voorposten overhoop , verbrijzelde de omheining en verspreidde alom schrik en wanorde.

Eenigen tijd later vocht hij twee dagen achtereen op een stuk land, dat geheel onder water lag. Zijne Bataven weken geen voetstap achteruit, en zonder twijfel zouden zij de zege bevochten hebben, waren zij niet door een overlooper verraden geworden.

Vervolgens bracht Cehealis op eene behendige wijze den oorlog naar het eiland der Batavieren over, waar hij schier alles verwoestte. Civilis , die juist om dezen tijd door vele bondgenooten verlaten werd, moest vrede maken. Dit geschiedde waarschijnlijk op eene half afge-brokene brug over den Uxel in het jaar 71 na Chhistus. De Batavieren werden hierbij in hunne onde voorrechten hersteld en traden weder in Bomeinsohen dienst evenals te voren.

ocr page 23

De Franken.

Zonder twijfel luidden de Batavieren in den vorigen strijd veel roem behaald. Zij hadden hunnen dapperen stamgenooten geleerd, dal de macht der gevreesde Bomei-nen slechts een ijdel schrikbeeld was, en dat de meesters der wereld, al mochten zij er ook soms wat geducht uitzien . toch maar sterfelijke menschen waren evenals zij . die met een weinig overleg en goeden moed , benevens eene behoorlijke eendracht, gemakkelijk in bedwang konden gehouden worden. Deze les werd niet licht vergeten ; spoedig kregen de Üomeinen druk werk; er ging bijna geen jaar voorbij of er moest gevochten worden en niet zelden droegen de barbaren de overwinning weg. De meeste Duitsche stammen langs den Itijn schudden het gehate juk af en werden dagelijks stouter. In het begin der derde eeuw* waren het vooral de Franken en de Saksers , die de hoofdrol spoelden.

De Franken, vermoedelijk aldus geheeten naar het woord frank, dat zooveel als vrij beteekent, maakten aanvankelijk geen bijzonder volk nit. Zij waren veeleer een mengelmoes van onderscheidene volken. die geen gezag erkenden; echte roovers, die er op roemden de schrik hunner naburen te zijn. Een handwerk uitoefenon ot den grond bebouwen paste hun niet; zulks was enkel goed voor slaven en vrouwen. Een vrij man, aldus luidde hunne spreuk, moest van zijn zwaard leven : buiten dit Iiad hij niets noodig.

Zoodra dan ook hun voorraad verteerd was, gingen zij met honderden te gelijk op roof, overvielen de arme landbewoners en namen weg, wat hun aanstond. Was iemand onverschrokken genoeg om zijne bezittingen te verdedigen, dan was hij veelal een verloren man, Het leven van een mensch schatten zij niet hooger dan zijn goed ; ja veelal werd hot laatste nog boven het eerste gesteld.

Zoolang de woeste horden aldus door plundering in haar onderhoud voorzagen, kozen zij geen vast verblijf; de

v quot; 2

ocr page 24

18

meesten zwierven langs den Rijn ot' in het noorden van Duitschland rond, en vormden daar een machtig bondgenootschap, dat spoedig voor de Homcinen zeer gevaarlijk werd.

Omstreeks het jaar 260 vertoonden zich de Franken voor het eerst in Ouerijsel; zij trokken van daar zuidwaarts en bezetten tien jaar later het land tnsschen Uijn en Maas, welk gewest hun door de Komeinsche keizers in eigendom afgestaan word. Van de oude bewoners dezer landstreek vindt men na dien tijd geen molding meer gemaakt; men gist dat de Batavieren , evenals de meeste andere volken, zich bij hunne overwinnaars aansloten . en in vervolg van tijd in de lotgevallen dier roofzuchtige horden gedeeld hebben.

Intusschen was de rust, welke de Franken in ons Vaderland genoten, niet van langen duur. Na eenige jaren waren zij de nieuwe landstreek moede, trokken meer en meer naar het zuiden en drongen allengs voort in noordelijk Gallic, waar zij zich eindelijk voor goed vestigden, en de grondslagen logden van een machtig rijk , dat nog heden ten dage naar hen genoemd wordt.

Het was natuurlijk , dat de Franken , eenmaal tot rust gekomen , door den omgang met de Galliërs , die binnen hun gebied woonden , en grootendeels Christenen waren . langzamerhand iets van hunnen wilden aard verloren. Die verandering werd echter eerst bijzonder merkbaar, toen zij zeiven, op het voorbeeld van hunnen aanvoerder Ct.ovis, zich in menigte tot het geloof hadden bekeerd. In 49(i namelijk behaalde Cr.ovis , in den slag bij ïolbiat-, door de zichtbare bescherming van Jezus CiiiiiSTUs, dien hij had aangeroepen , eene schitterende overwinning ; hij lier zich nu met 300(1 der zijnen te Rheitns door don H. Ui'-migius doopen , en dit voorbeeld werd kort daarop door een groot gedeelte zijner onderdanen gevolgd.

Do zuidelijke streken van ons Vaderland, die mode tot liet Frankische rijk behoorden, werden nu insgelijks door ijverige geloofsverkondigers bezocht. De H. Ei.igius , bisschop van Noyon en Doornik, verscheen omstreeks 650

ocr page 25

19

in Zeeland, terwijl de H. AmaNDLS terzell'der tijd in de tegenwoordige provinciën Limburg en Noord-Brabant het licht des Evangelies verspreidde. De H. Amandds wijdde zelfs eene kerk of bidplaats op den zoogenaamden Oever-berg, waar de H. Gbutkcdis, dochter van den Frankischen hofmeester Pepijn van Landen, dikwijls haar verblijf hield. Deze Geverberg wordt thans algemeen onder den naam van Sint-Geerlruidenberg aangeduid , en is eene stad niet verre van 's-Boseh gelegen.

Het goede, door deze beide ijverige zendelingen in die streken uitgewerkt, ging echter grootendeels verloren. De H. Lambeetus , derde opvolger van den H. Ajianüüs als bisschop te Maastricht, vond bij zijne komst in Noord-Brabant bijna geen enkel teeken van het Christendom.

De inwoners der Kempen vooral . die geene samenhan-deling met hnnne naburen hielden, vereerden eene menigte afgoden, en hunne domme onwetendheid in alles wat den godsdienst betrof, vermeerderde nog hunne aangeborene wreedheid. Toen de H. Lambeetus bij hen kwam prediken, gedroegen zij zich juist als wilde dieren : zij zouden hem verschenrd hebben. Niettemin heeft die heilige man hen allen door zijne onwankelbare verduldigheid tot zich getrokken , in de waarheden des geloofs onderwezen en door het H. Doopsel in de Kerk van Jezus binnengeleid.

De Friezen.

De Friezen , een dapper en vrijheidminnend volk , behielden hunne onafhankelijkheid langer dan de Batavieren.

Eerst in het jaar 10 voor Chkistus, toen de veldheer Drusus in deze streken kwam, moesten zij evenals do andere volken bukken en de Romeinen als hunne meesters erkennen. De Friezen, die zeer op hunne vrijheid gesteld waren, genoten evenwel het recht, om naar hnnne eigene instellingen te leven: en behoefden slechts eene matige schatting in ossenhuiden op te brengen. Gedurende

ocr page 26

•Ju

verscheidene jaren ginf; ook alles goed; de Friezen brachten ieder jaar geregeld de liniden bijeen en de Romeinen namen die, zooals zij aankwamen, zoodat alles rustig bleet'. In liet jaar 28 na Chbisttts verklaarde evenwel de nieuwe landvoogd Olennius , dat de aangebrachte huiden niet goed waren , en eischte dat men in het vervolg grootere zou brengen. De triezen kwamen hiertegen op. en beweerden dat dit niet zijn kon, wijl hun vee slechts middelmatig van grootte was. Doch de landvoogd stoorde zich daar niet aan, schreef dat zeggen enkel aan onwilligheid toe, en bleef bij zijn opzet. Al de huiden moesten voortaan de grootte van een buffëlvei hebben, en kwam er soms eene die kleiner was, dan ontving .men ze niet . Dit verdroot den Friezen ; weldra staken ze de hoofden bijeen en namen het besluit, geen enkele ossenhuid meer te leveren. Zoodra dit aan Olennius ter oore kwam, werd hij woedend; hij beval nu, hunne beesten zeiven in beslag te nemen, en toen dit niet hielp, eigende hij zich ook hunne weilanden toe.

Zulk ocne eigendunkelijke handelwijze konden de fiere Friezen niet verdragen. Als een enkel man stonden zij op en dreven de onderdrukkers uit hun land. De Komein-sche bevelhebber Apronius, toegesneld om Olennius te helpen, werd zoo duchtig geslagen, dat hij met een groot verlies terugtrekken moest en verder niets meer tegen de Friezen durfde ondernemen. Vijftig jaren na Ciikistus onderwierpen zij zich evenwel vrijwillig aan Cobbulo , een ander Romeinsch veldheer , doch men leest niet, dat zij sinds nog ossenhuiden opbrachten. Do Friezen, die zich dood zouden gevochten hebben voor hunne vrijheid, waren overigens hunne meesters zeer getrouw en durfden er openlijk voor uitkomen, dat geen enkel volk hen in gehechtheid aan de Romeinen overtrof. Zoo leest men onder andere, dat zich op zekeren dag twee hunner gezanten te Rome bevonden, juist toen er eene groote tooneelvertooning zou gegeven worden. De keizer wetende dat zoo iets in hun land nooit plaats had, gaf hun een geleider om hen derwaarts t« brengen. Zooals licht te

ocr page 27

denken is, netten de .Friezen groote oogeu op ea be-sohonwden alles zeer nauwkeurig. Terwijl zij zoo rond-zagen, viel liun oog op eenige deftige mannen, welke op eene eereplaatg te midden der Raadsheeren zaten. „Wat zijn dat toch voor lieden?quot; vraagden zij hunnen geleider, met den vinger naar die mannen wijzende. ... Dat zijn de afgezanten van een volk, dat vooral iu dapperheid en trouw jegens de Romeinen heeft uitge-mnnt,quot; antwoordde deze. „Welnu,quot; riepen de Friezen, „dan moeten wij daar ook zijn; want geen enkel volk kan met liet onze in getrouwheid vergeleken worden !quot; — en tot verwondering van een ieder gingen zij op de zetel? der Raadsleden plaats nemen.

Tijdens de herhaalde invallen der woeste Germaansche volksstammen in Nederland, mocht het den Friezen gelukken voortdurend hunne onafhankelijkheid te 'bewaren. Na de verwijdering; der Franken slaagden zij er zelfs in , hunne heerscliappij tot aan de Maas en de Schelde uit te breiden , en niet zelden deden zij verwoesi ende invallen op liet Frankisch grondgebied.

Om hen deswege te straffen , viel koning Dagobert J omstreeks 031 met een mai'htig leger in hun Jand, en dreef hen tot WHtenburg terug, waar hij een sterk kasteel lanlegde, om dat wrevelige volk in toom te houden, De onderwerping der Friezen was echter maar schijn, en meer dan eens durfden hunne vorsten de trotache verlangens der Frankische gebieders in den wind «laan. Het volgende geval levert ons daarvan een merkwaardig voorbeeld op.

In lt;)78 landde de H. Wilfridüs , bisschop van York, door tegenwind op de Friesche kusten. Zijn doel was naar Jiome. te gaan , doch vermits het jaar reeds te ver gevorderd was, besloot hij zijne reis tot den volgenden zomer uit te stellen. Om echter zijn tijd niet in ledigheid door te brengen , verzocht hij koning Adgillus verlof om voor diens onderdanen te mogen prediken. De vorst stond dit gaarne toe , en Wilveidus won vele der aanzienlijkste personen voor hot geloof. Adgilt.üs zelf.

ocr page 28

alhoewel een heiden, achtte den bisschop hoog en ontbood hem dikwijls. Toen nn Wilfuidds op zekeren dag als naai- gewoonte bij den koning was, meldden zich daar ook eenige vreemdelingen aan, die uit Frankrijk kwamen. Het waren afgezanten van Ebeoïn , een wreed en bloeddorstig man , die onder den naam van hofmeester aan het hoofd der Franken stond, en die een doodelij-ken haat tegen den H. Bisschop van York had opgevat. Zoodra zij bij AixiiLi.us waren toegelaten, overhandigden zij den vorst een brief van hunnen meester, in welken deze den koning eene groote som gouds aanbood, bijaldien hij WiLVKiDrs levend of dood in zijne handen leverde. De vorst voelde zijn aangezicht gloeien op het vernemen van zulk een voorstel; hij las den brief in het bijzijn der Friesche edelen , der gezanten van Ebeoïn en van Wilïkidus voor, verscheurde dien voor hunne oogen en wierp hem in het vuur, terwijl hij met verontwaardiging uitriep; „ Dat de goden het rijk van die verraders verdelgen, en dat hun een gelijk lot als dezen brief wedervare!quot;

Beschaamd en verlegen verlieten nu do gezanten van Ebeoïn het paleis. Wilfhidus bleef den geheelen winter in Friesland, en predikte rustig het Evangelie, totdat hij in den volgenden zomer zijne reis naar Rome kon voortzetten.

De H. Willibrordus en zijne medehelpers.

Tien jaren na de aankomst van Wilïeidus werd ons Vaderland bezocht door een Jersch priester. met name Wigbeetus. Deze ijverige zendeling werkte met de grootste inspanning twee volle jaren aan de bekeering der Friezen, doch zijn arbeid bleef nagenoeg vruchteloos. De goede koning Adgillus , waarvan in de vorige les gesproken is en die zich voortdurend als een beschermer

ocr page 29

23

der Christenen had doen kennen , was in 688 door zijn zoon Radboud opgevolgd.

Deze Eadboto , een onstuimig en opvliegend man, wilde met de nieuwe leer nieta te doen hebben en gebood, dat al zijne onderdanen slechts de plechtigheden hunner voorvaderen zonden volgen. Hij stelde daarenboven aan de verkondiging van het Evangelie zooveel hinderpalen in den weg, dat Wigbebtds den moed opgaf en in 690 naar Ierland wederkeerde. Deze onverwachte tijding schrikte de andere geloofsverkondigers niet af. Nauwelijks was Wigbebtüs in Ierland aangekomen, of de H, WiLLUiEOJiDUs scheepte zich met nog elf medehelpers in om het bekeeringswerk onder de Friezen voort te zetten. Toen hij evenwel te Utrecht kwam, vond hij de sterkte Wiltenhurg in de macht der Friezen , de bidplaatsten der Christenen verwoest en de belijders der nieuwe leer vermoord of over de grenzen gedreven. Daarbij was de woeste Radboud ongenegen den zendelingen gehoor te geven. Zij begaven zich daarom eerst tot Pepijn van Herstal, die het oppergezag over deze gewesten in handen had, en verzochten hem om diens bescherming tegen Eadboud.

Pepijn ontving de nienwe geloofsverkondigers met vreugde en beloofde hun in alles zijne medewerking. Hij liet den H. Wit.libboedus naar Rome vertrekken, om van den Plaatsbekleeder van Jezus Cueistus zeiven zijne zending te erlangen, en wees zijnen elf medehelpers de gewesten langs den Rijn als eerste werkplaats aan. Daar evenwel die streek nog voor een groot gedeelte in de macht van Ivadboud was , toog Pepijn in het begin van 6lt;.gt;2 met zijne Franken daarheen en versloeg de Friezen, zoodat de H. Willibkoedus bij zijne terugkomst uit Rome onmiddellijk zijn Apostolisch werk beginnen kon. De prediking van den ijverigen priester en zijne onvermoeide medearbeiders bleef niet zonder vrucht. Na vele bekeeringen bewerkt te hebben, vertrok hij in den zomer van het jaar 695 andermaal naar Rome en werd daar op aanbeveling van Pepijn door Paus Sebgius 1 tot Aarta-bisachop der Friezen gewijd.

ocr page 30

24

In Nederland teruggekeerd, hervatte Willibkokdus met nieuwen moed het aangevangen werk ; doch nauwelijks had hij daarmede een begin gemaakt, toen de oproerige Friezen , onder aanvoering van hunnen koning Eadboüd , een nieuwen inval op het Frankisch grondgebied ondernamen. De wakkere Pepijn gaf hun echter den tijd niet, om veel kwaad te doen. Weldra stond hij met zijn leger op de Friesche grens en bracht den on-rustigen Eadhoud zulk eene nederlaag toe, dat hij in allerijl naar het binnenste zijner staten de wijk nam , en het land ten zuiden van het meer Vleoo (thans de Zuiderzee) aan de Franken overliet. Pepijn schonk de sterkte Wiltenburg, die bij deze gelegenheid weder in zijne macht geraakte, aan den H. Wilubkokdus , welke aldaar zijn verblijf vestigde, en op deze wijze de stad Utrecht tot zijnen zetel verkoos.

Men nieene echter niet, dat de ijverige Apostel voortdurend in de stad verbleef; o neen , als een onvermoeide missionaris doorkruiste hij de gansche streek , drong tot in de afgelegenate plaatsen door en had geen rust, zoolang er nog heidenen waren. De kerken , door hem te Vlaardingen , Kerlcwerce, Vet zen , Oegsfgeest, Petten en Hei-loo gesticht, getuigen alle van zijnen onbegrensden ijver . terwijl de voortdurende wonderkracht van het water uit het putje te Heiloo, dat op zijn bevel gegraven werd. ten duidelijkste doet zien, welk vermogen zijne voorbede voor ons bij God zal uitoefenen, indien wij met een nederig vertrouwen zijnen bijstand inroepen.

Intusschen waren de medehelpers van den H. Wn.u-2eobdd8 niet minder ijverig. Terwijl de H. Suitbeeïü? de bewoners tusschen Maas en lliju voor het geloof won, predikte de H. Enoelmundus het Evangelie te Fclzen, de H. Adblbebtus te Egmond, de H. Wbhenfeidus te Medemblik en de H. Pleciielmüs te Oldenzaal. Allen waren met denzelfden geest bezield , ja geen hunner zou geaarzeld hebben , de H. Leer, welke hij verkondigde, met zijn bloed te bezegelen. En wie weet, hoe dikwijls zij in de gelegenheid zonden geweest zijn dit offer te

ocr page 31

brengen, zoo dc goede God hou niet beaoheiiad had Tweemaal zelfs geraakte de H. Willibboedüb in een oogenschijnlijk levensgevaar.

Zekeren dag op het eiland Walcheren, zijnde , kwam hij te Westkapelle, waar de heidenen een afschuwelijk beeld vereerden, dat voor heilig doorging , en aan hetwelk zij nn en dan nog menschenoüers brachten. De H. Aartsbisschop kon zijnen' ijver niet inhouden. Om aan die blinde heidenen een duidelijk bewijs van de onmuclu hunner goden te geven , grijpt hij den afgod aan , rukt hem van zijn voetstuk, smijt hem ter aarde en vergruist hem in de tegenwoordigheid der wachters. Een kreet van ontzetting en wraak doet zich aanstonds hooren. Een der dienaars van den afgod springt op den Heilige aan, trekt zijn zwaard en brengt hem een geweldigen slag op het hoofd toe, hetgeen evenwel den heiligen Kerkvoogd niet verhinderde zijn bekecringswerk met ijver voort te zetten.

Op een anderen tijd landde Wir.u ijrohdus op een der eilanden, welke ten Isoorden van ons Vaderland gelegen zijn, en waar de koning der Friezen op dat oogenblik zijn verblijf hield. De bewoners van dit eiland waren heidenen en zeer bijgeloovig. Evenals op Walcheren vereerde men ook hier op eene openbare plaats een afzichtelijk beeld, hetwelk men Fosite noemde en dat een ware geescl voor de bevolking was. Zoodra de eene of andere bewoner, zelfs de meest onverschrokken held, in de nabijheid van dit schrikbeeld kwam , werd hij aanstonds stil en scheen zijn adem in te houden , uit vrees dat de verbitterde Fosite hem hooren en op hetzelfde oogenblik straiten zon. Al het vee , dat in den omtrek graasde, werd als heilig beschouwd en mocht door niemand gedood worden, terwijl het iedereen verboden was, uit eene naburige beek anders dan in de diepste stilte water te scheppen. De H. Wili.ibeordus , ten uiterste getroffen over de verblindheid dier heidenen , toonde aan het volk do dwaasheid van hun bijgeloof, en doopte eenige nieuw bekeerd on in het water van die beek onder het

ocr page 32

26

luide uitspreken der lieiiige woorden. Daarna gat' hij aan zijne mannen het bevel om daar ter plaatste eenig vee te slachten, ten einde hem en zijnen reisgenooten tot voedsel te dienen, zonder dat hun daarbij eenig letsel overkwam. l)e heidenen stonden verslagen, en wisten niet wat te denken; doch Radboud werd woedend , en liet aanstonds het lot werpen, om een hunner aan de wraak van Fosite op te olieren. De priester, op wien het lot viel, werd onmiddellijk door de afgodendienaars vermoord, doch Williuboeuds bleef gespaard en keerde met de overigen ongehinderd tot Pepijn terug.

De Frankische vorst was verheugd over de terugkomst van den Heilige en verzocht hem met de uitroeiing van den afgodendienst voort te gaan in al de streken van

Friesland, welke aan de beide oevers van den Rijn gelegen waren.

Dood van Radboud.

De Apostel der Nederlanden werd vooral in zijnen arbeid ondersteund door den H. Bisschop Wdl in annus. Deze kwam waarschijnlijk in Friesland, kort nadat Had-boud ten derden male verslagen was en plechtig beloofd had, den zendelingen geene beletselen meer in den weg te stellen.

Wui.feaknüs trok dan vrij rond en predikte overal. tot zelfs onder de oogen van Radboud. Op zekeren dag vond hij den koning in het ruime veld , te midden eener talrijke vergadering. Men vierde een dier afschuwelijke heidensche feesten , welke gewoonlijk met menschenofiers vergezeld gingen. Op bevel dos konings was nu ook juist het lot geworpen , en een jongeling, met name Ovo. zou opgehangen worden. W ülfbannus verzocht den vorst het leven van dien jongeling te sparen. ., Het betaamt niet,quot; dus sprak hij , ,, dat een mensch, naar het

ocr page 33

27

beeld van God geschapen , aan den duivel opgeofferd wi de.quot; — Radboud antwoordde : „ Mijne voorzaten en ge el het Friesche volk hebben vastgesteld, dat degene» op wien bij plechtige feesten het lot valt, zonder uitstel moet sterven.quot; Niettemin hield de bisschop aan, doch zijn verzoek werd afgewezen. „ Indien uw God zoo machtig is als gij voorgeeftschreeuwden de heidenen . „en hij dien jongeling redden kan, zal hij n voor altijd toebehooren.quot; Dit gezegd hebbende, hingen zij hem op. Twee volle uren bleef de jongeling aan de galg hangen en al dien tijd bracht Wulfkanxus met bidden door. Daarna brak het touw , en Ovo viel ter aarde. De bisschop ging nu tot hem , nam hem bij de hand en riep , .. In den naam van Jezus Christus sta op,quot; en oogen-blikkelijk stond Ovo op zonder eenige pijn te gevoelen.

Door dit en andere wonderen getroflén, kwamen de Friezen in groote menigte tot Wüi.feannus en verzochten het H. Doopsel. Onder de nieuwbekeerden bevond zich ook een zoon des konings, die weinige dagen daarna stierf. Eaduoud , door dit sterfgeval geschokt, gaf insgelijks het verlangen te kennen, om onder het getal der Christenen opgenomen te worden. Hij liet zich onderwijzen en kwam op den bepaalden dag ter kerke om het H. Doopsel te ontvangen. Heeds had hij den eenen voet in de doopvont, toen de ongelukkige zich omkeerde en den bisschop vraagde, waar zijne voorouders zich bevonden , die toch allen buiten het christendom gestorven waren. Wulfkankus antwoordde, dat volgens de leer van Jezus Chkistus, het getal der uitverkorenen klein is, en dat niemand hiertoe kan behooren , dan die door het Doopsel onder het getal der Christenen is opgenomen.

„Welnu,quot; riep Eadboud, terwijl hij zijn voet terugtrok, .. dan wil ik liever bij mijne voorvaderen in de hel, dan met uw gering getal arme Christenen in den Hemel zijn.'

De bisschop deed alle moeite om den koning tot andere gedachten te brengen, maar hij vermocht niets op zijn verhard gemoed ; Eadboud verliet de kerk en volhardde in het heidendom. Eenigen tijd daarna liet hij evenwel

ocr page 34

Jen H. Wiixibbüedus bij zich roepen: want zijn geweten liet hem geen oogenblik rust. De H. WirxiUEOEDUs voldeed aan het verlangen des konings en begaf zich op weg; doch nauwelijks had hij eenige mijlen afgelegd , of men kwam hem berichten , dat de vorst plotseling overleden was. De Heilige keerde dan weder terug, en beweende het vreeselijk uiteinde van denman, die de genade Gods zoo zichtbaar verstooten had.

Marteldood van den H. B 0 n i f a c 1 u s.

Nadat de fl. Willibkokdüs omstreeks 739 overleden was, werd hij door den H. Bonifacius in het bestuur van het bisdom Utrecht opgevolgd.

Deze ijverige zendeling, reeds in 716 bij de Friezen aan wal gestapt, vond toenmaals koning Eadboud in zulke slechte stemming, dat hij het niet waagde lang in diens staten te vertoeven. Hij ging daarom weder naar Engeland terug, begaf zich kort daarop naar Itome en verkreeg van Paus Geegobiüs 11 verlof om overal, waar hij zulks verkoos, het Evangelie te verkondigen. Biinifaciup maakte daarvan een ijverig gebruik ; hij ging naar Duitsch-land, predikte met den besten uitslag in Thwringen en Hessen, en bekeerde daar vele heidenen. Toen hij echter in 719 den dood van Radboud vernam, dreef zijn ijver hem ten tweeden male naar Friesland. Hij bleef aldaar drie jaren, om de moeilijke taak van den Apostel der Nederlanden te verlichten; doch zoodra hij bemerkte, dat deze hem tot zijn opvolger wilde bestemmen, keerde hij naar Duitachland terug. Zijne prediking was zoo gezegend, dat de Paus hem in 723 naar Roiiie riep, en hem de bisschoppelijke wijding gaf, terwijl hij tevens den naam van Winfbied , welken de zendeling tot dan toe gedragen had, in dien van Bonifacius , dat is weldoener , veranderde.

In Duitsehland weergekeerd, hervatte de Heilige zijn verheven werk en doopte met eigen handen in den tijd

ocr page 35

van veertig jaren vele duizenden heidenen. Zijn ijver kende geen hinderpalen. Dikwijls rukte hij met levens-gevaar de altaren der afgoden omver , verbrijzelde hunne beelden en deed de reusachtige eiken, waaronder zij vereerd werden, uitroeien. Tot in zijn hoogen ouderdom i;ing hij aldus rusteloos voort, en reeds was hij zijn vijf en zeventigste jaar ingetreden, toen hij het verlangen te kennen gaf, om zijne laatste krachten aan de bekeering der Friezen te wijden. Hij begaf zich te dien einde met den H. Eobanus en eenige andere geestelijken te scheep op den Rijn. Zijn ijver voor de zielen scheen hem de krachten, die hij door ouderdom en vermoeienissen verloren had. weder te geven. In korten tijd won hij vele duizenden heidenen voor het ware geloof , en bepaalde reeds dag en plaats, waarop hij aan de nieuwe geloovigen het H. Vormsel zou toedienen. In alle haast werd in de nabijheid van het tegenwoordige Dokkvn eene groote tent opgeslagen en alles voor de plechtigheid in gereedheid gebracht. Maar ziet. -— terwijl de eerwaardige grijsaard aldaar in het gebed was en de nieuwbekeerden afwachtte , hoorde men op eens het geroep van vele stemmen. Het waren eenige heidenen , die, met zwaarden en pieken gewapend. de tent van den heiligen bisschop omsingelden Zijne dienaren wilden de heidenen met geweld te keer gaan; doch zoodra Bonifacicb dit vernam . ging hij in gezelschap van zijno geestelijkheid naar buiten en riep den zijnen toe: ,, Mijne kinderen , vergeldt geen kwaad met kwaad. Ziet, de dag, waarnaar ik zoo lang gewenscht heb. is aangebroken. Stelt al uw betrouwen op den Heer en verzet u niet tegen zijnen heiligen wil.quot;

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken ot de barbaren vielen op hem aan, en vermoordden hem met twee en vijftig zijner metgezellen den 5 Juni van het jaar 755. Ongeveer eene eeuw later bouwde men aldaar te zijner eer eene kerk, die gedurende 700 jaren een der drukst bezochte bedevaartsplaatsen van ons Vaderland geweest is.

ocr page 36

30

Karei de Groote.

iKakel de Groote, zoon van Pepijs den Korten, was een man van hooge gestalte, heerlijk van aanzien . innemend van manieren en onderricht in al de kundigheden van zijnen tijd.

^ Op 2(!jarigen leeftijd koning geworden , regeerde hij een tijd lang met zijnen broeder Kaeloman ; doch toen deze in 771 gestorven was, kwam Kabel aan her hoofd van het geheele Frankische rijk, dat weldra zeer machtig werd. Heeds in het tweede jaar na den dood zijns broeders begon hij eenen krijgstocht tegen de Saksers. Deze onbeschaafde volken, die zich tusachen den Rijquot; en de Elbe gevestigd hadden, waren nog altijd woeste heidenen, die vooral jegens de Christenen zeer vijandig gezind waren. Bijna iederen zomer vielen zij verwoestend in het rijk der franken, sleepten eene menigte Christenen met zich, en droegen die als slachtoffers aan hunne valsche godheden op. De dappere Kakel meende verplicht te wezen zijne onderdanen van dien geesel te verlossen en trok tegen de Saksers te velde. De vorst zegevierde volkomen over hen, en stelde als eerste voorwaarde van den vrede, dat zij den zendelingen volle vrijheid zonden schenken , om door het gansehe land het Evangelie te verkondigen. De Saksers beloofden dit: doch zoodra was Ka1!El niet weg, of zij wierpen het jnk weder af en verjoegen de geestelijken.

Nauwelijks had de koning dit vernomen , of hij kwam terug en herstelde de rust, doch evenals vroeger slechts voor korten tijd; het dnnrde dertig jaren, alvorens hij dip woeste volken volkomen onderworpen had.

Behalve deze verschillende veldtochten tegen de Saksers, deed Kauel in 774 ook een inval in Italic. , en bood den Paus hulp tegen de Longobarden, die een gedeelte zijner staten overweldigd hadden. Hij streed vervolgens ook tegen de Arabieren in Spanje, tegen den Beierschen hertog Tassii.lo en eindelijk togen de Noormannen , die in de

ocr page 37

!'

laatste jaren zijns lovens zijne onderdanen verontrustten.

In het jaar 800 herstelde de Frankische vorst pitu -Leo JII, die door eenige muitelingen verdreven was , weder op zijnen zetel. Hij kwam in persoon naar Home en strafte de plichtigen op eene voorbeeldige wijze. Toen Kabel nu op het daaraanvolgende Kerstfeest in de Sint-Pieterskerk de H. Mis bijwoonde, kwam de H. Vader naar hem toe, zette hem eene prachtige kroon op het hoofd en al de aanwezigen riepen als uit éénen mond : Heil en roem aan Kabel, den grooten en vredestiohten-den keizer der Romeinen, gekroond door den wil Gods!' Groot was zonder twijfel de eer, welken den Frankischen koning door die onderscheiding te beurt viel; doch geen vorst verdiende dezelve ook meer dan Kabel. Niet alleen onderscheidde hij zich door zijne aangeborene dapperheid en moed, maar vooral ook door zijn edel streven, om zijn volk waarlijk godsdienstig en gelukkig te maken. De geleerdste mannen van dien tijd waren zijne bijzonderste vrienden. Deugd en bekwaamheid golden bij hom voor de beste aanbeveling ; rijkdom alleen achtte hij als niets. Toen hij op zekeren dag een schoolbezoek deed en bevond, dat sommige adellijke kinderen nog ver achter die der burgers waren , moesten zoowel de eenen als de / anderen bij hem komen. Hij plaatste de ijverige aan zijne rechter- en de trage aan zijne linkerzijde, terwijl hij de eersten prees en bemoedigde en den laatsten eene strenge vermaning gaf. „Luie en onverschilligemenschen,quot; zeide hij onder andere, ,, bezitten bij mij noch stand, noch eer ; rekent dus noch op uwe geboorte, noch op den rijkdom uwer ouders, maar verbetert u , want zoo gij niet ten spoedigste uwe nalatigheid herstelt, zult gij nooit iets goeds van mij te hopen hebben.quot;

Deze groote vorst was ook een ijverig voorstander van de schoone kunsten en bevorderde die zooveel hij kon. Te Nijmegen , waar hij wellicht dikwijls zijn verblijf hield, treft men nog eenige overblijfselen aan van zijn prachtig lustslot, hot Valkenhof genaamd.

Kabel stierf in den ouderdom van 72 jaren , algemeen

ocr page 38

geacht en bcmmd door zijne onderdanen. Toen hij voelde, dat zijne laatste oogcnblikten naderden , maakte hij zelf nog een kruis, legde de armen over elkander op zijne borst, sloot de oogen en zeide met eene stille stem de woorden van den stervenden Verlosser; ..Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot;

/ Aldus ontsliep de vrome vorst den 2s Januari 814 , na eene luisterrijke regeering van '16 jaren. Hij werd in i-enen geweltden kelder van de l ievc-Vrouwekerk te Aken begraven. Omtogen met een ruw boetekleed, dat Kakel heimelijk gedragen had, en het aangezicht bedekt met aenen zweetdoek, werd zijn lijk in het graf geplaatst op eenen gouden zetel met het Evangelieboek in de handen en met de kroon op het hoofd. De schouders en het lijf waren bekleed met den keizerlijken mantel, en om zijn hals hing de gouden pelgrimstasch, die de vorst gewoonlijk meedroeg op zijne reizen naar Home. Vóór het lichaam hing een gouden sehepter met een gouden schild, door paus Leo gewijd.

Kabel werd beweend, niet alleen van zijne eigene onderdanen , maar ook van de geheele Christenheid en zelfs van de heidenen , die in hem den grooten man erkenden. Groot was hij inderdaad als Christen, als vorst, als krijgsman , als wetgever, als volkbeschaver, als stichter van een rijk, dat nagenoeg geheel westelijk 'Europa omvatte en zich over Frankrijk, België, Nederland, het noorden van Spanje, Italië, Zwitserland en het grootste gedeelte van Duifsehland uitstrekte.

Uitbreiding van het Katholiek geloof in Nederland.

Na den marteldood van den H. Bonieacius werd zijn leerling, de H. Gbegokiuh , door paus Stefhanub III met de zorg over de Utreehtsche Kerk belast.

Als een uitmuntend navolger van zulk een verheven meester. wiens lessen hij reeds van zijn vijftiende jaar

ocr page 39

genoten had, kende Gkegoeids geen grooter genoegen dan do kennis en den dienst van den waren God onder de nog overgebJeven heidrnsche bevolking van Fritslaad te verspreiden. Hij zond den H. Lkbdïnds , omtrent het midden der Slt;' eeuw uit Engeland herwaarts gekomen , benevens den H. M akcelljntjs , die voor een kweekeling van den Apostel der Nederlanden gehouden wordt, naar de boorden van den Usel, waar men nog vele afgodendienaars aantrof'. De ijver dezer beide heilige zendelingen droeg in korten tijd de rijkste vruchten. Op vele plaatsen richtten zij bidplaatsen en altaren op Ier eeie van den waren God , en Lebdïncs zelf stichtte te Deventer eene kerk, die echter weldra verwoest werd. De heidensche Saksera namelijk hielden jaarlijks te Mar/du aan den Wezer eene algemeene vergadering. Toen zij nn weder bij elkander waren, begaf de H. Lebcïnus zich derwaarts, hield voor hen eene treilende toespraak en bedreigde hen met de oordeelen Gods, indien zij in hunnen boozen wandel voortgingen. De Saksers, hierdoor woedend geworden, staan op, loopen naar een bijgelegen bosch , en snijden reeds stokken af, om den heiligen man het leven te benemen , doch de goede God redde hem op eene wonderbare wijze. Eenigen tijd daarna vielen echter de Saksers in Ooerijsel, en koelden hunnen euvelmoed op de nieuwgebouwde kerk te Deoenter, die zij in asch legden.

In 772 landde ook de H. Willehaddus op de Friesche kust. Hij begon zijne prediking niet ver van de plaats waar de H. Bonifacids den palm der Martelaren behaald had. Van daar ging hij naar Drente en won daar ook vele heidenen voor het geloof. Zijne leerlingen, door ontijdigen ijver vervoerd, wierpen op vele plaatsen de afgodsbeelden omver, en verwoestten alles, wat maar aan het heidendom herinneren kon. Dit bracht den heiligen zendeling in groot gevaar. De heidenen vielen woedend op hem aan, sloegen hem met stokken , en één van hen wilde hem zelfs met een sabel het hoofd afhouwen ; doch het zwaard beschadigde enkel het koord, waaraan de V 3

ocr page 40

34

zendeling eenige overblijfselen van Heiligen om den hals droeg , zonder verder eenig nadeel toe te brengen.

De ïï. Gbegohius , innig verheugd over het bezit van zulke uitstekende mannen, was evenwel hiermede nog niet tevreden. Hij richtte te Utrecht eene kweekschool op , om al degenen , welke zich aan de verkondiging van het Evangelie wenschten toe te wijden, op eene waardige wijze tot het aanvaarden van hunne verhevene bediening voor te bereiden. Deze kweekschool werd weldra zeer beroemd. Uit onderscheidene gewesten werden aan Gee-Gorids leerlingen toegezonden, met het doel om hen voor den godsdienst en de wetenschappen op te leiden. Een dier leerlingen was de H. Ludgerus, uit een der aanzienlijkste geslachten van Friesland voortgesproten. Na den dood van den H. Grbgorius tot priester gewijd, werd hij door diens opvolger, den H. Albeeictjs , naar hukkum gezonden , om de Christen gemeente, die aldaar gevormd was , te besturen. Hij arbeidde onderscheidene jaren aan de bekeering der Friezen , bracht vele slechte Christenen tot eenen beteren levenswandel, stichtte kloosters en bouwde alom kerken op de puinhoopen van het heidendom. Maar een verwoestende inval der Saksers verplichtte hem zijn Apostolisch werk te staken en buiten het land eene schnilplaats te zoeken. Hij vertrok nu naar Italië , ging eerst naar Rome en vervolgens naar den berg Cassino in een klooster van den H. BENEDirrus, ten einde zich daar eenigen tijd in de eenzaamheid meer bijzonder op de beoefening der deugd toe te leggen. Ruim drie jaren daarna vernam hij, dat Eahel de Groote de Saksers overwonnen had , en keerde naar Friesland terug. Hij hervatte met nieuwen ijver zijne zending onder de heidensche volksstammen en trok ook naar het vroeger vermelde Fosite-eiland, waar een der metgezellen van den H. Wrr.-librordus als martelaar gestorven was. Het volk luisterde ditmaal aandachtig naar zijne woorden, en door de genade Gods overtuigd van de valschheid van Fosite, verbrandde het de tempels en altaren , weleer te zijner eer opgericht.

ocr page 41

35

Ludgehus had de voldoeiiinlt;;, het grootste Eiedoelte der bevolking te doopen in die zelfde hron, waar zij kort geleden niet dan met huivering en in de grootste stilte water gingen putten. Men zegt zelfs , dat Landeicus, de zoon des hoofdmans, den ijverigen Evangelieprediker vergezelde, en zich later aan den geestelijken stand toewijdde. Ludgehus ging daarop naar Saksen , werd in 802 tot bisschop van Munster gewijd, en stierf den 26 Maart van het jaar 809 een heiligen dood.

Een ander beroemd Nederlander uit dit tijdvak treilen wij aan in den H. Feedeeicus , insgelijks uit een zeer voornaam Friesch geslacht afkomstig. Na het overlijden van den H. kerkvoogd Bicfbidus , omstreeks 820, met eenparige stemmen tot deszelfs opvolger gekozen, werd hij in do tegenwoordigheid van keizer Lodewijk den Vromen met veel plechtigheid gewijd. Deze vorst wekte hem vervolgens op , om de overblijfselen der afgoderij in zijn bisdom geheel uit te roeien en den ergerlijken levenswandel van vele naamchristenen , vooral op het eiland Walcheren, te doen opbonden. Maar zulk eene opwekking of aanmaning had de deugdzame bisschop niet noodig. Zonder toeven vertrok hij naar het hem aangeduide gewest, predikte onvermoeid met zijne geestelijken tegen de aldaar heerschende misbruiken en deed al wat hij kon , om de bewoners tot hun plicht terug te brengen. Kiet dan met groote moeite lieten zich eenigen overhalen , om den weg der ondeugd te verlaten en openbare boete te doen. De meesten hieven halsstarrig, grepen naar de wapens, ruiden het gemeene volk op en dwongen den bisschop door eene overhaaste vlucht zijn leven in veiligheid te stellen. Met een weemoedig hart verliet Feedeeicus dit eiland en keerde naar Utrecht terug. Hij hield echter niet op door tranen en bidden de bekeering dier ongelukkigen van God af te smeeken. Hij zond hun ijverige priesters om het eenmaal begonnen werk onder hen voort te zetten, en had ook weldra den troost zijne pogingen met den ge. wenschten uitslag bekroond te zien.

■

ocr page 42

36

Fkedkuicds begaf zich vervolgens in gezelschap van den R Odulphüs , pastoor le Oorschot en later kanunnik te Ulrech', naar de noordelijke streken van ona Vaderland, waar eenige ketters begonnen waren eene valsche leer te prediken. Ook hier ondervond hij in het begin grooten tegenstand, en wist niet wat aan te vangen: maar allengs werden de Friezen meer gedwee : zij luiaterden naar hem en keerden bijna allen tot He alleen zaligmakende Kerk terug.

De ü. Fkedericus bestuurde de kerk van Utrecht gedurende 18 jaren en eindigde zijn leven door den marteldood.

Terwijl hij op zekeren dag gereed was om de H. Olle-rande der Mis te gaan opdragen , kwamen twee vreemdelingen in de kerk , met het boos opzet, om deu Heilige van het leven te berooven ; zij hielden zich alsof zij den bisschop iets te vragen hadden en lieten hem verzoeken even bij hen te komen; maar Fbedebicus liet hun zeggen, dat hij hen na do Mis zou aanhooren Hij begaf zich daarop naar het altaar, las de H. Mis en ging vervolgens in de kapel vim den H. Joannes den Dooper zijne dankzegging doen. Toen het volk uit de kerk was , kwamen de booswichten toegesneld, en brachten hem met een moordpriem verscheidene steken toe. üe H. bisschop was doodelijk gewond. Men zegt dat hij , op den grond vallende, deze woorden uitsprak: „Ik ben vermoord, om de waarheid , de zachtzinnigheid en de gerechtigheid !quot; Hij voorlegde aan de toegesnelde geestelijken, dat de Denen en do Noormannen de stad Utrecht en meer andere plaatsen zouden komen verwoesten en uitplunderen , gaf hun voor de laatste maal zijnen bisschoppelijken zegen , en stierf, den 18 Juli 838, ouder het uitspreken dezer woorden: ,Jk zal den Heer behagen in het land der levenden.'

ocr page 43

De Noormannen.

Onder de zwakke opvolgers van Kabel den Grooten werd Nederland herhaalde malen door de Noormannen verontrust. Deze woeste volkeren, die vooral de knsten van Denemarken en Noorwegen bewoonden , versohenen omstreeks dezen tijd in allo zeeën, voeren de monden der rivieren op , overvielen de dorpen en niet versterkte steden, roofden en plunderden wat kostbaar was, en stelden hun vermaak in alles te verwoesten en uit, te moorden. Hunne woede viel eehter het meest op kerken, kloosters en feestelijke gestichten , die zij te fielijt met vele oude schriften en gedenkstukkeu vernielden en aan de vlammen prijs gaven,

In 834 hunnen eersten tocht in ons Vaderland ondernomen hebbende, verspreidden zij zich als een zwerm spriukhanen over het gansche land, drongen tot bij Utrecht door en legden Wijk-bij-Duurxtede, destijds eeue voorname stad , in asch

Van dien tijd af verzuimden de zeeschuimers niet, gedurig te komen en hunne strooptochten te hernieuwen. Nadat zij in 857 andermaal Wijk-bij-Duurstede overmeesterd hadden , besloten zij ook Utrecht aan te vallen . hetwelk hun tot dan toe door deszelfs sterkte nog altijd ontzag had ingeboezemd. De inwoners , die renen kloek-moedigen wederstand boden, konden het echter tegen de woeste Noren niet volhouden Weldra was de sterkte in de macht der belegeraars, en schrikkelijk was uu het lot der stad. Bijna geen enkel gebouw bleef overeind : kerken, torens, muren, poorten, de burcht, alles werd omvergehaald. Een groot gedeelte der bevolking en de meeste geestelijken stierven door het zwaard , terwijl de H, Bisschop üdngeeds benevens eenige kanunniken slechts met groote moeite aan de algemeene slachting ontkwamen.

De Noormannen intusschen versterkten de stad en vestigden daar hot middelpnnt hunner macht in Nederland. Zij herhaalden onophoudelijk nu hier , dan daar

ocr page 44

38

hmme rooftochten, en er ging bijna geen dag voorbij , of men hoorde van nieuwe rampen spreken.

Onder hunne woeste aanvoerders tot bij Egmond doorgedrongen . verwoestten zij aldaar de kerk van den H. ADELBEaTua. Te Noordtoijk doodden zij op eene wreedaardige wijze den heiligen priester Jeeoen , die wegens zijnen deugdznmen levenswandel algemeen in achting stond, en te Voorburg verwoestten zij een sterk kasteel. Twee dappere graven, Geeoik en Dietbold , die hen met een klein leger van Christenen wilden tegenhouden , werden verslagen en sneuvelden met de meesten hunner krijgers.

Woedend trokken daarop de Noren verder en liepen die landstreek te vuur en te zwaard af. Al de mannen , die zij in hunne macht- konden krijgen , werden op eene vreeselijke wijze mishandeld en vermoord , terwijl de vrouwen en kinderen tot eene harde slavernij veroordeeld werden.

Twee jaren daarna bezochten zij ook de overige streken van ons Vaderland , verontrustten de beide oevers der Schelde en plunderden de Betuwe, waarop zij den roof verder in veiligheid brachten.

Van dag tot dag stoutmoediger geworden, vreesden zij ten laatste niemand meer en zagen naar de vorsten niet eens om. Nadat zij iu 881) de stad Nijmegen bemachtigd hadden , kozen zij daar hun winterkwartier in het paleis des keizers. Tot meerdere veiligheid versterkten zij zich op hunne wijze met stevige muren en wallen , om in geval van nood eene belegering te kunnen dóórstaan. Vruchteloos beproefde dan ook koning Lodewijk de Jongere , de plaats met geweld te hernemen ; hij moest zich tevreden honden met dezelve nauw in te sluiten en den vijand uit te hongeren. Dit gelukte. De Noormannen kregen weldra gebrek en deden voorstellen om vrijen aftocht te verkrijgen. Lodewijk stond dit toe , op voorwaarde, dat zij terstond zijn grondgebied zouden verlaten. De belegerden slechtten daarop de verschansingen, die zij zeiven aangelegd hadden , zakten de rivier de Waal

ocr page 45

39

nj , weder af', doch staken te gelijker tijd het paleis in brand,

dat hun zoolang tot schuilplaats gediend had.

or- In 881 voeren eenige andere henden van die zeeschui-

H. mers de Maas op en kwamen tot bij Easloo, thans het

ed- dorp Elslou in de provincie Limburg. De plaats beviel

;n8 hun , en weldra was hun kamp daar opgeslagen. Onder

;ng twee voorname aanvoerders, Siegfkieu en Güdfkied,

(el. trokken zij moordende en brandende uit tegen de nabu-

en rige steden en spaarden niets. Koning Lodewijk was

n , niet bij machte hunnen moedwil paal en perk te stellen ;

ler hij lag te Frankfort ziek en stierf aldaar den 20 Januari 882. Wijl hij geene kinderen naliet, kwam zijn rijk aan

en Karei, den Dikken , die met een talrijk leger naar deze

n , landen afkwam , om eenen algemeenen tocht tegen de

ne Noormannen te ondernemen. Hij wilde hen echter eerst

de in hun kamp aantasten. Het beleg der legerplaats nam

gt;r- een begin in de eerste dagen van Juli 882. Hasloo werd van alle kanten nauw ingesloten en gedurende twaalf

•e- dagen gingen de werkzaamheden zoo voorspoedig, dat

rs men hopen kon , weldra meester van de sterkte te zijn.

in Maar Karei was de man niet oui tegen de Noormannen te vechten. De hitte , die juist zeer drukkend was, deed

quot;j hem het beleg al spoedig te lang vinden. Tot overmaat

et van ramp brak er op den 21 Juli een verschrikkelijk

:d onweder los, waarbij de geheele omtrek als in vuur scheen

is te staan. Een ijselijke stortregen , eene bui van hagel-

ih steenen , vuisten dik , en een dwarlwind, welke de daken

e- afrukte en de hoornen ontwortelde, verspreidden een alge-

i- meenen schrik onder de belegeraars. Eene menigte tenten

i, werden tegen den grond geslagen , de loopgraven liepen

e- vol en over, de oorlogswerktuigen dreven weg, de man-

d schappen stonden op vele plaatsen tot de knieen in het

n water, de paarden braken los en liepen her- en derwaarts

it door het veld. Karei voelde zijn hart krimpen , en had

, weinig lust om het werk voort te zetten. Hij bemerkte

e wel, dat het bij den vijand niet beter ging dan bij hem,

ij en dat de storm ook daar zijne verwoestingen aanrichtte; tl

I

ocr page 46

to

maar hij verlangde naar rust. Hij trad met Godkbikd , den aanvoerder der Noormannen , in onderhandeling en deze verscheen met een vrijgeleide in Kariïl's legerplaats. Wel verre van hier de voorwaarden aan te hooren, waarop de keizer zou aftrekken , eischte hij stoutmoedig den afstand van een grondgebied in Friesland, benevens een aanzienlijken schat in goud en ziher, om die aan zijne krijgsmakkers uit te deelen. Op deze en andere even vernederende voorwaarder. verbond hij zich , om gedurende Kakel's leven geen voet meer in diens staten te zetten. Jn plaats van zulke voorstellen met verachting van de hand te wijzen , stond de keizer alles toe. Gon-kkied ontving het gevraagde landschap en Kabel telde meer dan twee duizend pond goud en zilver aan diens woeste benden uit, welke bij hunnen aftocht twee honderd schepen. met buit en gevangenen beladen , voorop naar hun land zonden.

Treurig was alzoo de toestand van land en volk : rouw en ontsteltenis vervulden aller harten , en met weemoedige blikken staarde men elkander aan. De ongelukkige bewoners vonden bijna geen troost dan in den godsdienst. De bidplaatsen waren dagelijks opgevuld met menschen , en uit aller borst steeg hetzelfde smeekgebed , dat in de litanie van alle Heiligen was ingevoegd : „Van de woede der Noormannen verlos ons, fleer.quot;

Deze nederige bede om ontferming en genade vond eindelijk gehoor. De Duitsche koning Abnulf bracht den barbaren in 891 bij Leuven eene verschrikkelijke nederlaag toe. Duizenden en duizenden lieten hun leven op het slagveld , en de overgeblevenen waren zoo weinig in getal, dat zij geene belangrijke schade meer aan ons Vaderland konden toebrengen.

ocr page 47

41

Het leenstelsel.

Kort na de verdrijving dor Noormannen ontstonden in ons Vaderland vele kleine vorstendommen. i)e voornaamste waren Holland, Friesland, Utrecht, Gelder en Hrahant.

Behalve in Utrecht, waar de bisschop tevens een wereldlijk gebied bezat, stond het volk onder het bestunr van hertogen . graven en andere gezagvoerders, welke door de Daitsche en Frankische vorsten waren aangesteld , om in deze gewesten de rust te handhaven en de bewoners der kust tegen de invallen der zeeschnimere te beveiligen. Jn tijd van oorlog waren deze bestuurders ook gehouden hnnnen vorst op zijne krijgstochten te vergezellen. Zij riepen dan al de vrije lieden van hun gewest, die tot den krijgsdienst verplicht wurcn , op , en trokken aan derzelver hoofd naar het leger, waar zij niet zelden hunnen opperheer gewichtige diensten bewezen. Tot belooning hiervoor ontvingen zij menigwerf uitgestrekte landgoederen in leen , waarvan zij gedurende hun leven de inkomsten trokken. De schenker van zulk een leen , of de Leenheer bleef eigenaar van zijn goed, dat hij enkel voor zekeren tijd wegschonk , en om reden van ontrouw ook weder terugnemen kon. Die ontrouw liad plaats. wanneer do leenman of vasal, die het leen ontvangen had, aan zijn eed te kort bleef Het uitgeven van een leen ook wel verlei geheeten, geschiedde in de eerste tijden heel eenvoudig, doch naderhand werden hierbij meer plechtigheden in acht genomen.

Voordat de leenman in het bezit van eenig gewest gesteld werd , verscheen hij voor zijn vorst. Deze was op een stoel of troon gezeten en de leenman knielde vóór hem. Vervolgens legde hij zijne rechterhand in de uitgestrekte rechterhand van zijnen heer, welke deze weder met zijne linker dekte, en de drie handen in de hoogte hief, als een bewijs, dat hij den Hemel tot ge-

6

ocr page 48

42

tnige riep van de belofte des leenmans. Daarop ontving de begiftitrde de teekenen zijner waardigheid. Aanvankelijk was dit eene graszode met een tak, welke de leenheer zijnen vasal overreikte, als zinnebeelden van hetgeen in den grond gezaaid of' geplant was en tot hem overging. Later geschiedde de beleening veelal met eene banier of oenen schepter, tot teeken van de heerschappij over de uitgeleende gewesten.

De groote verplichting van den leenman jegens zijnen heer bestond in zijne trouw, en van deze trouw moest hij te allen tijde door raad en daad bewijzen geven. Hij verbond zich, het leven , liet goed en de eer van zijnen vorst als zijn eigen te verdedigen , hem in persoon en met een bepaald aantal manschappen in den strijd te vergezellen en goed en bloed veil te hebben voor diens belangen. De leenheer daarentegen was gehouden zijnen vasal te beschermen en in zijn leen te handhaven.

Indien de leenman een gedeelte van zijn gebied aan een ander opdroeg, dan werd dit een achterleen genoemd. In de twaalfde en dertiende eenw gaven de vorsten ook leenen , waarin vrouwen konden opvolgen. Zulke leenen kregen den naam van vrouwe- of sjnlleleenen , ter onderscheiding van de zwaardleeneu, welke alleen op mannen mochten overgaan.

Gewoonlijk behield ieder vasal het leen zoolang hij leefde. Veelal ook werd hij hierin door zijn zoon opgevolgd , vooral als deze bekwaamheid bezat en de vader door trouw en dapperheid had uitgemunt. In vervolg van rijd werden echter sommige leenmannen zeer machtig. Niet zelden geschiedde het, dat eenigen pogingen aanwendden, om zich aan het gezag hunner vorsten te onttrekken en naar eigen goeddunken te regeeren. Zij gingen te werk als kleine koningen , en durfden zelfs met elkander samenspannen , om hunne meesters te beoorlogen. Dikwerf ook beschikten zij naar goedvinden over hunne leenen. Vóór hunnen dood hadden zij menigmaal hunnen opvolger reeds benoemd , zonder den leenheer daarover te raadplegen. Weinige vorsten durfden

ocr page 49

43

ujT rich tegen dit misbruik verzetten, yelen waren daartoe

an. te zwak; anderen hadden hunne leenmannen noodig,

de om de herhaalde invallen •der woeste --volksstammen af te

.all weren , en alzoo werden de meeste leenen langzamerhand

em erfelijk.

me _

Pij

en Holland onder de eerste Graven. Abdij van Egmond.

est

Jij Het graafschap Holland, dat eerst in de elfde eeuw

en onder dien naam voorkomt , was aanvankelijk zeer klein,

en Het strekte zich , naar men gist, van Zuid-Beveland tot

te Alkmaar uit, en bepaalde zich enkel tot de kusten. De

n8 vroegste geschiedenis van dit gewest ligt geheel in het

en duister. Als eersten graaf noemt men gewoonlijk zekeren Diedemk of Uikk , een trelf'elijk eu deugdzaam man,

an die voor een kleinzoon van den vroeger vermelden Gb-

.d, eolf gehouden wordt. Door een giftbrief van Kakel den Eenvoudigen, in 922 te Bladel gegeven, verkreeg hij

en de kerk van Egmond met alle lieden, landen, bosschen ,

.r. weiden , wateren en sluizen , die er volgens recht bij be-

;n hoorden , om dit geheel en onafhankelijk voor zich en zijne nakomelingen te blijven bezitten, met de macht

iij om daarmede naar welgevallen te handelen, zoowel als

e- met zijne overige goederen , welke hij door erfrecht ver-

er kregen had.

lg De vrome Diek, een groot vereerder van den H. Adel-

h- bertus , liet de kerk , die waarschijnlijk sedert de inval-

■n 'en der Noormannen nog altijd in puin lag , boven het

ce graf van dien heiligen zendeling herstellen. Naast het

;ij nederige bedehuis, evenals de meeste gebouwen van

fg dien tijd in hout opgetrokken , stichtte hij een klooster

e- voor Benedictijner zusters , aan hetwelk hij een gedeelte

n van de hem afgestane goederen schonk.

y. Diek ] 1 , zijn zoon en opvolger in het graafschap,

j. deed nog meer. Nadat hij de West-Friezen , die tegen n

ocr page 50

44

hem waren opgestaan , verslagen had , liet hij de kerk , welke door de oproerigen aan de vlammen prijs gegeven was , in steen herbouwen.

Hij schonk verder aan de gevluchte kloosterzusters een veilig verblijf te Hemiehroek, niet ver van Enarlem gelegen . en verving haar te Eg mond door monniken van dezelfde orde, aan wier hoofd een abt geplaatst was, wijl dezen minder van den overlast der West-Friezen te duchten hadden.

rr De vestiging der nieuwe kloosterlingen in die woeste landstreek was een ware zegen voor het graafschap Holland. Het gansche leven der Benedictijnen was buiten den tijd hunner godsdienstoefeningen nagenoeg geheel aan het geestelijk en tijdelijk welzijn hunner medemen-schen toegewijd. Beurtelings met de bijl, de schop, het truweel en den hamer gewapend , waren zij nu eens houthakkers en landbouwers, dan metselaars en bouwmeesters. Zij velden de groote bossi hen neder , maakten onderscheidene moerassen droog, ontgonnen de woeste streken en legden alzoo den grondslag tot die stoffelijke welvaart, welke een trroot gedeelte van Europa in de Middeleeuwen genoot. Bovendien waren deze kloosterlingen de bewaarders der wetenschappen en wetenschappelijke schriften gedurende de invallen der barbaren. Zij waren de Apostels der heidenen , de beschavers der volken, de hervormers der samenleving. Door hen is Engeland, Duitschland en ook ons Vaderland tot de kennis van het ware geloof ajekomen. De H. Willibbobdus , BoNll'ACIüS , SUIÏBBRTUS , WEKEfTFIilTU'S , AdELBEBTUS en vele andere treffelijke zendelingen in Nederland waren leden dezer nuttige orde. Het was dan ook geen wonder, dat de vrome Benedictijnen bij graaf Diek en zijne opvolgers in zulke hooge achting stonden.

7 De Hollandsche vorst, die hen te Egmond gevestigd had , vermeerderde nog de giften, weleer door zijn vader aan het klooster gedaan , en schonk hetzelve uitgestrekte landerijen. Hij verrijkte de kerk der monniken met een

ocr page 51

45

afschrift der vier Evangeliën in een gouden , met edelgesteenten versierden band, terwijl zijne gemalin Hilde-gaabde haar eene goaden tafel, met edelgesteenten ingelegd , vereerde.

Door deze en andere giften van dien aard, nam de abdij van Egmoud weldra zeer in aanzien toe. Volgens de thans nog van haar bestaande teekeningen , bevatte zij , behalve de kerk en de vertrekken voor de kloosterlingen, ook een godshuis voor de vreemdelingen , met eene daarbij behoorende kapel, brouwerij, wapenhuis en vele andere gebouwen. Zij prijkte met drie hooge torens, waarvan een tegen hot einde der twaalfde eeuw reeds een klokkenspel bezat, lang het eenige in het graafschap Hulland. Wat de kerk betreft, deze overtrof alle andere gebouwen in schoonheid en pracht; alles blonk er van goud , zilver en andere kostbaarheden. De Hollandsche graven, die haar veelal tot hunne begraafplaats kozen, schenen er vermaak in te vinden, dezelve zooveel mogelijk te begiftigen. / Dikk II , ook wel de Jongere genoemd, stierf in 988 en liet twee zonen na : Aknouü of Akndlf , bijgenaamd de Gentenaar, omdat hij volgens sommigen te Getd geboren werd en aldaar burggraaf geweest is, en Egbeetüs, die op den aartsbisschoppelijken zetel van Trier verheven werd. Aunüuu, die zijn vader opvolgde, geraakte eenigen tijd na zijne verheffing in strijd met de West-Friezen, die hem weigerden te erkennen. In hun land doorgedrongen , legerde hij uithoofde van de vele moerassen met zijne troepen op eene hoogte , waar hij onvoorziens door den vijand werd ingesloten. Het leger van AbnoüI) geraakte hierdoor in groot gevaar van bij gebrek aan drinkbaar water om te komen.'^ln dezen uitersten nood , zegt men , viel de godvruchtige vorst, begaan met de ellende van zijn volk, voor de oogen zijner soldaten op de knieën en deed een vurig gebed. Daarop ontsprong op de plaats zelve eene bron , die zooveel water gaf, dat Abnodd en de zijnen zich in ruime mate verkwikken konden. Niet lang daarna geraakten de Hollanders met de West-Friezen slaags ; doch de zegepraal bleef aan den vijand. Abnoud

ocr page 52

46

kwam met een groot gedeelte zijner troepen om. Zijn deerlijk verminkt lichaam werd naar de abdij van Eymoud vervoerd en in den grafkelder zijner familie bijgezet.

Het sticht Utrecht.

De voornaamste Utrechtsche Kerkvoogden gedurende de 10lt; eeuw, waren de H. Radbodus met zijn leerling Bal-debicds , bijgenaamd de Vrome , en de TL Anbfbidds.

De H. Ra nnoDUS stamde af van de Friesrhe koningen , en wel van dien EADBCtrc, welke den geloofsverkondigers zoovele hinderpalen in den weg gesteld bad. Van zijne jeugd af in de vreeze des Herren en in de wetenschappen opgevoed, werd hij voor een der heiligste en geleerdste mannen zijner eeuw gehouden. Zijne nederigheid, matigheid , liefde voor de armen , godsvrucht en andere deugden, waren algemeen bekend. Dit spoorde de Utrechtsche geestelijkheid bij den dood van hunnen bisschop Egilbol-dus aan, Eadbodus tot zijn opvolger te verkiezen. De Heilige, die bij deze keuze niet tegenwoordig was, hield zich in eene afgelegene plaats schuil, ten einde die waardigheid van zich af te schuiven. Maar kort daarna ontdekt zijnde, moest hij tegen zijnen wil het bisschopsambt op zich nemen. De schoone verwachting, die men van hem had opgevat, werd niet teleurgesteld. Onvermoeid Jn de vervulling van alles wat zijne heilige bediening betrof, reisde Radbodtjs gedurig rond, om de Christenen van zijn bisdom te versterken , de ongeloovigen te be-keeren en de armen door milde giften te ondersteunen. In het bijzonder deed hij ook zijn best, om de stad Utrecht weder uit haren vervallen toestand op te beuren, doch hierin kon hij niet slagen. Door de Denen en Noormannen, welke zich nog in Nederland ophielden, uit zijne hoofdstad verdreven , zag hij zich genoodzaakt naar Deventer de wijk te nemen. Hij hield echter niet

ocr page 53

47

op door woord en voorbeeld de hem toevertrouwde ge-loovigen aan te moedigen. Eens ontmoette hij op zijnen weg eene menigte Denen ; hij vermaande hen op eene liefderijke wijze en hield hun voor , dat zij , om na hun dood gelukkig te zijn den katholieken godsdienst omhelzen en zich van alle wreedheden jegens de onschuldige Christenen onthouden moesten, üe barbaren, hierdoor in woede ontstoken , dreigden den heiligen bisschop met den dood , en stelden alle pogingen in het werk , om hun boosaardig opzet ten uitvoer te brengen. Toen Ead-bodus zag , dat goedheid deze ondeugende lieden nog boozer maakte , kondigde hij hun Gods straffen aan . en de Heer wreekte zijnen dienaar op eene zichtbare wijze. Op hetzelfde oogenblik werden al degenen , welke op zijn leven waren uitgeweest, door het vuur des Hemels gedood. De H. R.adbodus stierf te Oolmarmm den 29 November 918. Kuim drie jaren vroeger had hij voorzegd j dat zijn leerling en opvolger Baldeeicds de kerken van Utrecht zou herstellen en aan de stad haren vroegeren luister wedergeven. Zoo als Kadbouus voorspeld had , geschiedde. Baldeeiods , zijn leerling , werd bisschop , en heerlijk herrees Utrecht uit zijne puinhoopen. Muren, poorten en bolwerken werden hersteld en tegen de aanvallen des vijands met grachten en torens versterkt. De ijverige kerkvoogd liet de bouwvallen der verbrande bedehuizen wegruimen en andere in derzelver plaats oprichten. Hij riep de gevluchte en verstrooide kanunniken naar Utrecht terug , liet zooveel hij kon de kostbare overblijfselen van onderscheidene geloofsverkondigers en andere uitstekende dienaren Gods opsporen en uil de aarde verquot; heffen , stelde die aan de openbare vereering der geloovi-gen voor , en trachtte den ouden ijver voor den godsdienst bij de Christenen weder op te wekken.

Hendrik 1 van Duitschland hernieuwde ten gunste van Baldebicus al de voorrechten, vroeger aan de Utrechtsche kerk geschonken. Otto I, zoon van genoemden vorst, die zijne wetenschappelijke opleiding aan Baldebicus ver-

ocr page 54

1.8

schuldiftd was, scheen in zijne dankbaarheid jegens zijnen ouden leermeester geene palen te kennen. Hij schonk aan hem en zijne opvolgers de landstreek tusschen Lek en Usel tot aan de uitwatering der Maas in de Noordzee; de gronden langs de beide oevers der Vec.ht, waarbij in later tijd nog J,oenen en Muiden gevoegd werden ; het klooster met de nieuwe van steen gebouwde kerk te 'Hel, en al wat den keizer verder behoorde in de stad Wijlc-bij-Duurslede. Hel iiezag der bissehoppen nam daardoor aanmerkelijk toe, en het Sticht werd een der aanzienlijkste vorstendommen van Nederland. De vrome Baldeeicos overleed na een werkzaam bestuur van 59 jaren. Hij werd bij zijne heilige voorgangers begraven , en is bekend als een man van uitstekende begaafdheden, onvermoeiden ijver en zeldzame geleerdheid.

De H. Ansfbidcb , ook wel Aüfkidus genoemd , derde opvolger van Baldkuicus , was vóór zijne verhefling tot de bisschoppelijke waardigheid een beroemd krijgsman en een der machtigste edellieden uit Brabant. Hij hield veelal zijn verblijf op den burcht van Uriel, waar hij eene kapel gesticht heeft, die tijdens de Kalvinistische overheersching voortdurend het eigendom der Katholieken bleef.

In 995 op den zetel van Utrecht verheven , liet Ansfki-dtjs te Hohorst, in de nabijheid van Amersfoort, de grondslagen legsen van een klooster voor Benedictijnen. Hij stond aan hetzelve af al wat hem toebehoorde in de buurtschap Driel, benevens onderscheidene vlekken , hoeven , bosschen, enz. Later werd dit klooster, uit vrees voor vijandelijke aanvallen, naar de stad verplaatst

en heette sedert dien tijd de Sin t-PACLi,:a-abdij. De abten van dit gesticht genoten insgelijks een groot aanzien , en namen op de landdagen plaats onder de voornaamste edellieden.

Ansfhiucb , oud en blind geworden, bracht de laatste jaren zijns levens in dit klooster door; hij stichtte ieder door zijnen voorbeeldigen levenswandel en diende dage-

ocr page 55

49

lijks 72 armen met eigen hand. Hij stierf den 3 Mei 1008 en wordt als heilig vereerd. Deze kerkvoogd stond in hooge achting bij de keizers Otto 11J en Hendkik il, die het bisdom van Utrecht ter wille van Ansfeidos met nieuwe gunstbewijzen vereerden.

Verzet der Hollandsche graven tegen hunne leenheeren.

Dikk III , die waarschijnlijk bij den trenrigen dood zijns vaders nog slechts een kind was, geraakte weldra in onmin met zijne naburen.

Al te voortvarend en driftig van aard, had hij omtrent 1015 de stad Dordrecht gesticht op eene plaats aan de Merwe, die buiten zijn rechtsgebied lag. Bovendien had hij daar zonder voorkennis van den Duitsohen vorst, die zijn leenheer was, een tol geheven van al de goederen, welke over de rivier vervoerd werden. De kooplieden van Tiel lieten hierover luide klachten hooren, maar graaf Diek bekreunde er zich niet om. Zij zonden dan een gezantschap naar Nijmegen, waar keizer Hesdkik JI in 1018 het Paaschfeest was komen vieren en rijksdag houden. De kooplieden werden hier ondersteund door Adelbold , bisschop van Utrecht, wiens rechten door den Holland-schen graaf insgelijks verkort waren. De keizer stelde alles in het werk om die zaak in der minne bij te leggen, maar zijne pogingen waren vruchteloos. Dikk, die op den rijksdag tegenwoordig was, bleef onverzettelijk en ■wilde met niemand in schikking treden.

Poen de keizer zag , dat hij op deze wijze niet tot zijn doel kwam , besloot hij geweld te gebruiken en den on-willigen graaf door de wapens tot zijn plicht te brengen. Hij gelastte Godeeied, hertog van Lothurinnen, onder medewerking van eenige leenmannen , met een leger naar Holland te trekken, de nieuw aangelegde stad te vernielen en die geheele landstreek in de handen van den Utrecht-schen bisschop te stellen.

V 4

ocr page 56

50

' Men kan zonder moeite begrijpen , dat graaf' Diek de uitvoering van dit besluit niet stilzittend kon aanzien. Hij hield zijne krijgslieden in de nabijheid van Dordrecht gereed : en pas was de hertog met zijn volk ontscheept, of hij viel hem zoo onstnimig op het lijf, dat het leger des keizers in de grootste wanorde geraakte. Hertog Godfried zelf viel zwaar gewond in de handen van Dikk en deze bleef' meester van het betwiste grondgebied , totdat hij in 1039 stierf' en hetzelve ongestoord overbracht op zijnen oudsten zoon. die hem onder den naam van Diek ] V opvolgde.

J)e nieuwe graaf, even onstuimig als zijn vader, hervatte weldra den krijg. De toenmalige keizer , Hendrik III, om liillijke redenen op den graaf' verstoord, ontnam hem onder andere de steden Dordrecht en Vlaardingen, en schonk die aan den opvolger van Adelbold , den H. Bee-nclphüs. Dirk sloot zich inmiddels bij eenige oproerige leenmannen aan en joeg den keizer, die met eene vloot naar Vlaardingen gekomen was, op de vlucht, terwijl een zijner bondgenooten naar Nijmegen trok en daar het vorstelijk paleis in brand stak. Ka alzoo den keizer vernederd te hebben , hernam Dibe de weggeschonken steden en begaf zich eerlang met een prachtig gevolg naar Luik, waar hij op een steekspel genoodigd was. De driftige graaf had echter het ongeluk bij deze gelegenheid een der Keulsche edellieden doodelijk te kwetsen. Vele ridders schreven zulks aan moedwil toe en vermoordden eenige lieden van zijn gevolg, terwijl de graaf enkel door eene overhaaste vlucht het gevaar ontwijken kon. Woedend over den hem aangedanen hoon , liet Dirk , te Dordrecht teruggekomen, al de Luiksche en Keulsche kooplieden in hechtenis nemen en hunne schepen verbranden. De keizer, wien dit ter oore kwam, zond onmiddellijk een leger naar Holland, dat zich van Dordrecht meester maakte. Diek slaagde er evenwel in , met behulp van Gerard van Putten, de stad te hernemen; doch toen hij daags daarna met een klein gevolg langs de muren wandelde, werd

ocr page 57

51

hij eensklaps door eenen vergiftipden pijl getrofien , aan welke wonde hij drie dagen later , den 14 Mei 1049, overleed. De straat, waar dit ongeluk plaats had, draagt sedert dit voorval den naam van Gravenstraat.

Ka den dood van Dikk IV werd het graafschap gedurende twaalf jaren door zijn broeder JTlokis bestuurd. Deze dappere vorst handhaafde met kracht den bovenge-melden tol ; doch werd hierdoor in eenen gevaarlijken strijd gewikkeld. In 1058 onverhoeds door zijne naburen overvallen , had hij maar even den tijd om zijne hoofdstad Dordrecht voor eenen vijandelijken aanslag te dekken. Voorziende welke wegen zijne tegenstanders kiezen zouden , liet hij overal diepe kuilen graven , welke daarna zorgvuldig met takken en graszoden bedekt worden. De vijanden rukten onbezorgd voort, stortten in de kuilen en aldus viel het Flobis gemakkelijk eene volkomens zegepraal weg te dragen.

; Drie jaren na deze gebeurtenis kwamen echter dezelfde

vorsten met een groot aantal manschappen terug. FLOHia, ditmaal beter op zijne ho?de, trok hun te gemoet en bracht hun bij het dorp Neder-Hemert andermaal eene geduchte nederlaag toe. Afgemat van vermoeienis en geene vijanden meer ziende, verlangde de graaf naar

e rust, legde zich zorgeloos onder een boom, en sliep in.

r In dezen toestand werd hij door Hekman van Eüik , die

b zijne vluchtende soldaten weder vereenigd had , ontdekt

0 en lafhartig van het leven beroofd.

e De ontijdige dood van Flobis stortte zijne familie in

li grooten rouw. Zijn minderjarige zoon Dirk werd weldra

\t 0P 'a8t des keizers, door hertog Godfried den Bultenaar

n uit zijne staten verdreven en moest eenige jaren in den

»e vreemde rondzwerven. Toen echter Godfried , na vijf

in jaar over Holland geheerscht te hebben , op eene verra-

e. derlijke wijze vermoord was, keerde Dibk zonderschroom

N terug, en bleef in het ongestoorde bezit van zijn graaf-

ia schap , totdat het bij zijnen dood in 1091 aan zijn zoon

■([ Flobis , bijgenaamd de Vette, overging.

ocr page 58

52

Kruistochten.

Van de eerste tijden der Kerk af bestond bij de vrome Katholieken het gebruik , om op eene godsdienstige wijze de plaatsen te bezoeken , door de tegenwoordigheid en de smarten van den Godmenseh en zijne gezegende Moeder geheiligd. Deze prijzenswaardige gewoonte nam mettertijd nog meer toe, en werd tegen het einde der 10e eeuw zoo algemeen, dat vorsten en onderdanen als om strijd ter bedevaart trokken 'en einde het H. Graf des Verlossers te gaan vereeren.

Nadat evenwel in 1070 het H. Land door de Turken veroverd was, zagen de pelgrims zich onophoudelijk aan knevelarij en mishandeling blootgesteld. Aan vele bedevaartgangers , die uit de afgelegenste oorden der wereld gekomen waren , werd niet eens de toegang tot Jeruzalem vergund; en zij, die op de gastvrijheid en het medelijden der Oostersche Christenen gerekend hadden, moesten veelal buiten de poort van honger en ellende omkomen.

Petek van Amiens, een arme kluizenaar, die in 1093 zelf dien tocht gemaakt had, was door zulk een gezicht levendig getroffen. Hij ging naar Tfowe en trok vervolgens met toestemming van den Paus in een armoedig gewaad door gansch het Westen rond, schilderde in mannelijke taal de schromelijke rampen, welke de pelgrims en de Christenen van Palestina wegens hunnen godsdienst van de Turken te lijden hadden, en noodigde vorsten en volkeren uit, om met vereende macht hunne arme broeders te hulp te snellen en liet graf des Verlossers aan de handen der ongeloovigen te ontrukken.

Toen de volkeren aldus voorbereid waren, belegde Paus TJebakus II te Clermont eene groote Kerkvergadering. Hij sprak aldaar met zooveel kracht over de noodzakelijkheid om de Turken uit het H. Land te verdrijven, dat iedereen bewogen werd. Bij het eindigen zijner rede, hoorde men slechts één geroep. „ God wil het! God wil het 1quot; klonk het van alle kanten, en zonder

ocr page 59

moeite werd nn de eerste kruietocht tegen de onge-loovigen vastgesteld.

Zij , die aan de heilige onderneming deelnamen , hechtten een kruis van rood doek op hunnen rechterschouder vast en maakten zich gereed , om bij den eersten oproep te vertrekken. Om hen nog meer aan te moedigen . verleende de Paus een vollen aflaat aan allen, die deze vrome krijgsverrichting met een oprecht gemoed zouden volgen , en stelde hunne goederen onder de bijzondere bescherming der Kerk.

Graaf Floris 11 , een zeer inhalig en pfierig vorst. van wien een ïijdgenoot zegt, dat hij slechts met zilveren koorden van zijne plaats kon getrokken worden, nam aan die algemeene geestdrift geen deel. Zulks belette evenwel niet, dat een Van Bokselen uit /eeland, een Buede-bode en Van Aekel uit Holland, benevens de Fokteman's, Bothnia's en Galama's met hun gevolg uit Friesland den degen aangordden en den 15 Augustus 1096 onder de banier van den dapperen Godfeieü van Bouillon , naar Konstantinopel oprukten. In Mei 1097 belegerden zij met de Duitsche , Fransche , Italiaan scha en andere kruisvaarders de stad Nicea en namen ze stormenderhand in. Daarop volgde een bloedige veldslag, waarin zij andermaal de zege wegdroegen , en niet minder dan 40,000 ongeloovigen buiten gevecht stelden. Vervolgens kwam Anüochié aan de beurt. Ook deze plaats bezweek , en nu konden de kruisvaarders veilig naar Jeruzalm optrekken. Den 10 Juni 1099 bereikten zij den top eens bergs en kregen van verre de H. Stad in het gezicht. Terstond wierpen allen zich op de knieën , kusten met eerbied den grond en stortten tranen van vreugde en aandoening.

Vervolgens zetten de heldhaftige strijders hunnen weg voort en bereikten onder groote vermoeienissen de stad. Daar was het einde van hunnen tocht, maar geenszins van hunnen arbeid. Het leger der kruisvaarders bestond nog ternauwernood uit 40,000 man, terwijl Jeruzalem door eene bezetting van 60,000 strijders verdedigd werd. Maar

ocr page 60

54

de geestdrift van het Christen leger overwon alle zwarigheden; op den 7 Juli 1099 werd de stad omsingeld, en zoo goed mogelijk ingesloten. Daarna haalde men met ongeloofelijke inspanning hout bijeen om stormtuigen te maken ; en toen alles gereed was, trokken de vorsten met de overige pelgrims in hunne beste wapenrusting, door al de geestelijken voorafgegaan . onder het zingen van heilige lofzangen rondom de stad. Eindelijk den 14 Juli waagde men eeae algemeens bestorming. Als onverschrokken krijgers, die nog niets geleden hadden, stormden de Christenen tegen de muren aan; maar de ongeloovigen wierpen hun aanhoudend steenen , balken , potten met brandende zwavel en kokende olie op het hoofd , terwijl zij bovendien de oorlogswerktuigen met vuurpijlen in brand schoten.

Bij het vallen van den avond moesten de kruisvaarders van vermoeienis terugtrekken , doch den volgenden dag togen zij met nieuwen moed aan het werk. Na een moorddadig gevecht van zeven uren begonnen echter eenigen aan den goeden uitslag te wanhopen , toon eensklaps boven den Olijfberg een ridder in schitterende wapenrusting verscheen, die zijne wapenen naar de stad uitstrekte, alsof hij de Christenen tot voortzetting in den strijd wilde aansporen. ,. Z'et! riep Godfbied van Bocillon eensklaps uit: ziet. dit verzekert u van den bijstand des Hemels !quot; — en eenige oogenblikken later sprong hij op de muren. Op dit gezicht vluchtte de ontstelde vijand; de kruisvaarders achtervolgden hem onder hot luide geroep van ; „God helpt, God wil het!quot; en weldra was het Graf des Zaligmakers in hunne macht. Dit geschiedde den 15 Juli 1099, op een Vrijdag, des namiddags te drie uren. Tien dagen later, werd de dappere Godfbied met eenparige stemmen tot koning van Jeruzalem verkozen ; de nederige vorst iiloeg echter die waardigheid van de hand, en noemde zich sinds dien tijd nooit anders dan; Beschermer van het H. Graf.

ocr page 61

55

De Graven van Holland en van Gelder in geschil met de Utrechtsche Bisschoppen.

Het uitgestrekte gebied der Utreehtsche kerkvoogden was den naburigen vorsten voortdurend een doorn in het oog en niet zelden berokkenden dezen aan de bisschoppen vele moeilijkheden. Zoo viel in 1114 Otto van Bentheim, op aansporing van DriiK VI, graaf van Hulland, met zijne troepen in Onerijsel en richtte daar vele verwoestingen aan. De toenmalige bisschop IIeribkktus zond onverwijld eenige kloeke ruiters naar die landstreek, ten einde den stroopers het verdere indringen te beletten. Jn de nabijheid van Ootmarsum ontmoetten dezen de roofzieke horden, tastten hen oogenblikkelijk aan, en namen hunnen aanvoerder gevangen . dien zij onder veilige bedekking naar Utrecht zonden. De graaf van Holland, over zulk een uitslag gestoord , trok zich de zaak van Otto aan en vorderde zeer onstuimig zijne vrijlating. Maar de bisschop , oordeelende dat zulks voor de veiliglieid zijner eigen onderdanen niet raadzaam was , gaf den aanzoeker geen gehoor. Verbitterd trok nu Diük tegen de bisschoppelijke zetelstad op , sloot haar nauw in en stond reeds op het punt van haar te bestormen , toen de vrome Hekibeutus, vol betrouwen op God, aan het hoofd zijner geestelijkheid de stad verliet en onverschrokken tot de tent van graaf DtRK doordrong. Verbaasd en ontsteld staarden de Hollanders den bisschop na, en vroegen, wat er zou gebeuren; doch weldra werd hun het raadsel opgelost. Nauwelijks was de kerkvoogd in de tegenwoordigheid van den Hollandschen vorst, of — ongewapend en weerloos tegenover eeneu vijand , die geheel in staal en ijzer gehuld was, verhief Hekibektus zijne stem en dreigde den van toorn blakenden graaf met den kerkelijken ban, zoo hij niet aanstonds van zijn boos voornemen afzag.

Zijne woorden maakten op den anders onbeschroomden

ocr page 62

56

Dibk zulk een indrak , dat hij , met eene godsdienstige vrees bevangen, de wapens uit de hand liet glijden en bevend aan de voeten van Heuibertus nederviel. De vrome bissehop echter richtte hem goedwillig op , ontving de belofte, dat aan de stad geen verder onheil zon geschieden , en keerde God dankend naar zijne in angst zittende onderdanen terng.

De vrede, die nn volgde, duurde een geruimen tijd. Floets III, opvolger van Diek , ondersteunde zelfs den Utrechtschen kerkvoogd, Godefeidcs van Rhenen, tegen de booze aanslagen van diens tegenstrever Hendetk van Oelder , welke de bisschoppelijke hoofdstad acht maanden lang tot een tooneel van moord en schrik maakte.

Dan , tegen het einde der 12' eeuw ontvlamde de oorlog opnieuw. Diedeetk of Diek van der Aare, in 1198 bisschop geworden , vond bij zijne aankomst in het Sticht de schatkist geheel uitgeput. Daar hij behoefte aan geld had , wekte hij het volk op door milde bijdragen en liefdegiften daarin te voorzien, en trok naar Friesland, om aldaar in persoon een inzameling te doen. Dit stond Willem, stadhouder van dit gewest en broeder van den Hollandschen graaf Diek VII , gansch niet aan : hij overviel den kerkvoogd , terwijl deze zich in het klooster van den H. Odulphcs te Sfaooren ophield , en zette hem gevangen in den burcht van Oosterzee. Maar sommige kloeke Friezen, dir bemerkt hebbende, overrompelden eenige dagen later het slot, redden den bisschop en voerden hem, ten spijt van Willem, in veiligheid naar Utrecht.

Hiermede nam de krijg een aanvang, ütto van Oelder en Diek van Holland kozen de partij van Willem en berokkenden den kerkvoogd veel leed. In korten tijd overmeesterde de Geldersche graaf geheel Ooerijsel, verdreef alom de dienaren van den Utrechtschen bisschop en legde zelfs eene talrijke bezetting in Deventer. Diek, van zijnen kant, verwoestte geheel het land aan den linkeroever van den Usel en sloeg vervolgens het beleg om Utrecht. Gelukkig had Diek van der Aare gelegenheid

ocr page 63

67

e gevonden om in tijds zijn bondgenoot, Henukik van

n Brabant, te waarschuwen en diens hulp tegen zijne ver-

e drukkers in te roepen.

t- Hendrik zond onmiddellijk een bode tot ütto van Gel-

l1 der , die zijn leenman was, met het bevel den bisschop

n gerust te laten. Daar dit echter geen gevolgen had, liet de hertog hem op ecne reis heimelijk oplichten en

I. gevankelijk naar Brabant voeren.

a Graaf Dirk lag nog met zijne troepen voor Utrecht,

q toen hem dit nieuws ter oore kwam. Van spijt ontstoken,

a brak hij aanstonds het beleg op, trok naar Tiel, dat toen

q eene Brabantsche stad was, en legde haar in asch. Daarna rukte hij voort tot 's-Bosch, hetwelk hij insgelijks na korten wederstand tot de overgave dwong, en er onder

8 anderen twee van Hendriks bloedverwanten gevangen

t nam. Niet lang daarna vernomen hebbende, dat de hertog

i van Brabant zelf met een talrijk leger in aantocht was,

f- wilde hij ijlings met den buit over de Maas naar Holland

a trekken ; doch Hendrik belette hem dit. Dirk werd bij

i Beusden achterhaald en moest slag leveren , hetgeen ten

i gevolge had , dat hij in 's hertogs handen viel en eerst in het begin van 1203 op zeer vernederende voorwaarden

1 met zijn vriend Otto ontslagen werd.

i- De beide graven, aldus door het ongeluk wijzer ge-

ö worden, verzoenden zich nu ook met den ütrechtschen

b bisschop. Zij onthielden zich sedert van alle vijandelijk-

! heden jegens het Sticht ; doch dit belette niet , dat zij en

; hunne opvolgers gestadig een begeerig oog op de uitge-

r strekte bezittingen der ütrechtsche Kerk gevestigd hielden, i

1 -

? De helden van den Godsdienst.

Onder de groote en roemwaardige personen van dit i tijdperk verdienen ook de zalige abt Fredebicds en de

1 H. Geelachus onze opmerking.

De zalige Feedericus , omtrent twee mijlen van Leeu-

ocr page 64

58

warden te ITallum geboren, ondersclieidde zich van jongs af door eene bijzondere zuclit tot de godvruclitigheid. De beoefening der deugd beschouwde hij immer als zijn eersten plicht, en hij vermeed met de grootste zorg al hetgeen hem daarvan kou aftrekken Priester geworden, werd hij kort daarop door zijn bisschop tot pastoor van zijne geboorteplaats aangesteld. In deze hoedanigheid was hij gedurende vele jaren voor zijne medeburgers een voorbeeld van alle deugden en niet zelden deed God' wonderbare dingen door zijne tusschenkomst.

Zoo gebeurde het op zekeren middag , wanneer Fbede-bicus aan tafel ging , dat iemand hem kwam berichten , dat een kind in Hallum zonder doopsel gestorven was. Verschrikt sprong de deugdzame pastoor op, liep naar de kerk , wierp zich voor het altaar van de Moeder Gods neder en smeekte haar op de hartroerendste wijze om bijstand voor het arme kind. .Nadat hij een tijd lang aldus gebeden had , stond hij vol vertrouwen op , begaf zich naar het huis, waar het doode kind lag, legde zijn boek en stool op hetzelve neder , aanriep nogmaals de goedheid des Zaligmakers door de voorspraak van de Allerheiligste Maagd, en o wonder! op hetzelfde oogen-blik herleefde het reeds betreurde kind, ontving het H. Doopsel en bleef in het leven tot den volgenden dag.

Na den dood zijner ouders legde Fredebious met toestemming van zijnen bisschop in zijne geboorteplaats de grondslagen eener kapel, welke hij aan de vereering der Moeder Gods en van den H. Joannes Hoangelut toewijdde. Bij de kapel bouwde hij vervolgens een klooster,' hetwelk hij met eene gracht omringde en den naam van hof can Maria of Mariëngaarde gaf. Behalve dit gesticht vestigde hij nog een tweede te Menie en een ander in de nabijheid van Dokkum onder de aanroeping van den H. Bonifaciub , volgens de algemeene overlevering op de plaats zelve, waar die H. Bloedgetuige den palm der Martelaren behaald had.

Eindelijk bouwde hij nog een vierde klooster voor godvruchtige vrouwen en noemde het ter eere van de Moe-

ocr page 65

59

der Goda Bethlehem. Door de treffende vermaningen en opwekkingen van den dengdzamen stichter heerauhte in hetzelve zulk een geest van eendracht en liefde , dat het door ieder als een waar afbeeldsel der eerste Kerk werd aangezien. De zalige Fhedebicus stierf als abt van zijn klooster te Mariëngaarde den 3 Maart van het jaar 1175. De nieni^vuldige mirakelen, waarmede God zijn graf verheerlijkte, en die volgens de getuigenis van Siuuan-dus 6'quot; abt van Mariëngaarde, ontelbaar waren, maakten zijnen naam alom bekend en bekrachtigden de vereering, welke hem sedert dien tijd in de Kerk bewezen werd.

Wat den H. Geblachus betreft, deze was een voornaam edelman uit Limburg, die in zijne jeugd een zeer losbandig leven leidde. De onverwachte dood van zijne echt-genoote trof hem ; hij kwam tot nadenken , erkende de ijdelheid van alle wereldsche vreugde en besloot tot eene ernatige boetvaardigheid. Nadat hij orde op zijne zaken gesteld had , deed hij eene bedevaart naar de graven der HH. Apostelen Petucb en PiüLüa, en biechtte zijne zonden aan den Paus, waarna hij deze verzocht hem eene zware boete op te leggen. De Paus voldeed aan zijn verlangen , en zond hem naar Jeruzalem , waar hij gedurende 7 jaren in een gasthuis de nederigste diensten verrichtte. De boete volbracht hebbende, keerde Geblachcs over Rome naar zijn vaderland terug, verdeelde al zijne bezittingen onder de armen en verkoos tot woning eenen ouden hollen boom in de nabijheid van Valkenburg. Zijn voedsel bestond slechts uit gerstebrood , en zijne kleeding was zeer ruw. Des morgens zeer vroeg, eer de zon opkwam, ging hij naar Maastricht, om daar de godadienatoefenin-gen in een klooster bij te wonen.

Intusachen werden eenige booze lieden nijdig over do zeldzame levenswijze van Geelacuus ; zij klaagden den deugdzamen man bij den bisschop aan, en zeiden , dat hij een huichelaar was, die een grooten schat van goud en zilver in den boom verborgen hield. De biaachop gebood de zaak te onderzoeken en liet den boom omhakken : maar gelijk men denken kon, werd er niets

ocr page 66

60

gevonden. Ku verlangde de bisschop, dat men voor Geblachxis eene kleine cel zou bonwen, waarin de dienaar Gods de overige dagen van zijn leven in strenge boetvaardigheid doorbracht. Hij smaakte evenwel in die enge klnis met God meer genoegen , dan hij vroeger te midden van al den glans en de pracht der wereld zonder God genoten had.

Willem I. Zijn kruistocht.

Dihk VIJ liet bij zijn overlijden in 1203 slechts eene eenige dochter na , Aua genaamd. Daar de meeste edelen niet genegen waren , haar als hnnne gebiedster te erkennen , werd haar oom Willem , de langdvoogd van Friesland, tot de regeering geroepen. Deze liet zijne nicht Ada naar Tessel verbannen en toen hij vreesde, dat zij vandaar zou ontsnappen , heimelijk naar Engeland overbrengen, vanwaar zij eerst in 1207 mocht wederkeeren.

Graaf Willem I heeft zich vooral door zijnen heldhaf-tigen strijd tegen de ongeloovigen beroemd gemaakt.

]n het jaar 1217 ondernam hij aan het hoofd van eenige Hollandsche , Friesche en Duitsche kruisvaarders eenen tocht naar het H. Land. Daar hij den weg over zee nam, had hij dikwijls met hevige stormen te kampen. Aan de kusten van Spanje gekomen, bezocht hij met zijne tochtgenooten , de beroemde bedevaartsplaat» van den H. Jacobus te Composlella en zeilde vervolgens naar Lissabon. Terwijl hij daar eenigen tijd vertoefde, riepen de bisschoppen en edelen des lands zijne hulp in tegen de Mooren, welke zich van Jlkazar, eene sterke vesting in de nabijheid der hoofdstad , hadden meester gemaakt. De graaf gaf terstond aan hun verzoek gehoor en ondernam met zijne dapperen de belegering van het sterke Alkazar. Dan , weldra kwamen vier Moorsche koningen , elk met eene geduchte legermacht, opdagen, om de vesting te ontzetten. Zonder hun groot getal in aanmerking te

ocr page 67

61

nemen, trokken de Christenen onverschrokken den onge-loovigen te gemoet en behaalden den 11 September 1217 eene volkomene overwinning; twee Moorsche vorsten en 14,000 Saracenen bleven op het slagveld. Ook de bezetting van Alkazar moest zich overgeven , en de Portugee-zen zagen zich bevrijd van de wreede schatting van honderd Christen slaven, die jaarlijks aan den Sultan van 'Marokko moesten uitgeleverd worden. Kort daarop zette Graaf Willem zijnen tocht naar het Oosten voort. Hij vereenigde zijne troepen met die der andere vorsten, stevende met hen naar Afrika en hielp hen in de verovering van Damiate, welke stad na eene belegering van ruim zestien maanden aan de kruisvaarders overging, ofschoon de sterkte door een zwaren toren, die in het midden van den Nijl stond, beschermd werd. Gedurende dit merkwaardig beleg vindt men melding gemaakt van zekeren kloeken Fries, met name IIajo , die, gewapend met een dorschvlegel van ijzeren kettingen voorzien, eiken Muzelman , die hem onder de oogen durfde komen , ter-nedersloeg en een vaandrig des sultans den standaard uit de hand rukte. Tien andere Friezen vernielden te zamen eene nieuwe schipbrug, welke de Saraeeensehe aanvoerder over den Nijl had doen slaan , om de vrije vaart op die rivier te stremmen. In het gezicht der beide legers, welke over hunnen moed evenzeer verbaasd stonden, roeiden de dapperen in een klein vaartuig naar de brug, beklommen dezelve, maakten haar onbruikbaar, en namen vier der schepen , op welke zij gerust had, zegepralend met zich.

De ^Nederlanders, welke aan dezen kruistocht hadden deelgenomen, werden daarom ook bijzonder geprezen. Een ooggetuige verklaarde van hen, dat zij zich voor Damiate door ijver voor de goede zaak , wilwillendheid , gehoorzaamheid en stoutmoedigheid hadden onderscheiden ; terwijl zij schrikkelijk waren voor de Saracenen en bemind door de Christenen. De patriarch van Jeruzalem, eenigen tijd later aan de abten van Friesland schrijvende, bevestigde deze getuigenis.

ocr page 68

62

Intnsschen was graaf Willem naar zijn vaderland terug-gelteord . en genoot gedurende de twee laatste jaren zijner regeering eenen gewenseliten vrede. Als eene herinnering aan zijnen tocht naar het Oosten schonk hij , naar men beweert, aan do stad Huarlem eenige klokjes, die den naam van Damiaafjes dragen en nog tegenwoordig aldaar gevonden worden. Willem I overleed in 1222 en werd door zijn oudsten zoon Flohis opgevolgd.

F 1 o r i s IV. Ridderspelen.

Flobis IV maakte vooral zijnen naam bekend door een roemvollen krijgstocht tegen de Stadingers. Deze Stadingers waren een samenraapsel van vreemdelingen, wien de aartsbisschoppen van Bremen bij den mond der Wezer grond hadden afgestaan, op voorwaarde dat zij daarvoor, behalve de tienden, jaarlijks eene zekere som aan de kerk zouden opbrengen. In het eerst ging alles goed ; doch opgezet, naar het schijnt, door den graaf van Olde/iburg , weigerden zij weldra alle schatting. Zij joegen de priesters met geweld uit het land en bedreven straffeloos de schandelijkste wreedheden, üit haat tegen de geestelijken sproot ook haat tegen bet Christendom Sommigen vielen allengs van het ware geloof af, vereerden beeldjes van was, gingen duivelskunstenaars, waarzeggers, toovenaars en dergeHjke lieden te rade, en oefenden de schrikkelijkste ontheiligingen uit jegens alles wat aan God toegewijd was ; in één woord , het kwaad steeg in korten tijd zoo hoog, dat Paus Gbegokius IX onderscheidene vorsten uitnoodigde om de orde in die landstreek te gaan herstellen.

Hendeik van Brabant was een der eersten, om zich daartoe aan te bieden. Behalve meer anderen voegde zich bij hen ook Flobis IV , die met ongeveer driehonderd schepen derwaarts voer. Met vereende macbt vielen zij in het land der Stadingers en leverden hun slag in de maand Juni 1234. Men behoeft niet te zeggen, wie

f

ocr page 69

63

de zege wegdroeg. De Stadingers verloren meer dan zeshonderd man , terwijl de anderen hun heil in de vlucht zochten, en de overigen zioh met den aarlsbisschop van Bremen verzoenden.

Graaf Flobis overleefde deze roemrijke overwinning niet lang. Weinige maanden daarna werd hij te Corbiè op een steekspel genoodigd. Aan zulke vermakelijklieden, ook wel tornooien genoemd, mochten alleen ridders deelnemen , en in dien stand werd men doorgaans eerst na eene langdurige oefening opgenomen. Eeeds op zevenjarigen leeftijd werd de zoon eens edeimans onder het opzicht van een vreemden ridder gesteld, om ais edel-knaap de plichten van zijnen stand te leeren. Hij bediende zijnen heer en de gasten aan tafel , toomde de paarden , spande den boog, hield de wapenen schoon en bracht den overigen tijd in ridderoefeningen door. Als hij zijn veertiende jaar bereikt had , kreeg hij een zwaard en ontving den naam van schildknaap , volgde als zoodanig zijnen heer in de kampspelen en in den strijd , vocht aan zijne zijde en bood hem in alles eene behulpzame hand. Eerst in den ouderdom van een en twintig jaren kon hij ridder worden en dit geschiedde, zooals men in de volgende les zal zien, doorgaans zeer plechtig.

Hot grootste vermaak , dat de meeste ridders kenden , waren de zooeven vermelde ridderspelen. Deze werden veelal ter gelegenheid van een feest, zooals de kroning van een vorst of de geboorte van een prins gehouden.

Nadat het steekspel was aangekondigd, moest ieder ridder, die daaraan deel wilde nemen, zich intijds bij den bestuurder van het feest laten inschrijven en zijne wapens overzenden , om dezelve te laten onderzoeken. In sommige landen geschiedde het tornooi op de markt,, of wel op eene andere openbare plaats in de stad; in Frankrijk daarentegen, buiten de poort in de opene lucht, terwijl de plaats met eene dubbele heining was afgesloten; rondom en iets hooger waren de zitplaatsen voor de aan-schouwers. Wanneer alles in gereedheid was, kondigde

ocr page 70

64

het geschal der trompetten de komst der ridders aan. De vanen en banieren wapperden door de lucht, en op Bchnimbekkondo paarden kwamen de helden, in eene schitterende wapenrusting en met een wapperenden vederbos op den helm, aanrijden. Alles was nu in gespannen aandacht en met ongeduld verwachtte men, dat do heraut een teeken tot den aavang van het spel zou geven. Zoo-dra dit geschied was, verschenen twee ridders ieder aan eenen kant in de baan, en reden eenige oogenblikken stilzwijgend op en neer. Maar weldra begonnen de paarden te steigeren , de ridders vielen in vollen galop met de lansen vooruit elkander aan, doch konden uit hoofde van de ijzeren wapenrusting moeilijk gewond worden, liet was dan ook meer te doen om elkander met een geweldigen stoot uit den zadel te lichten en op den grond te werpen. Wie hierin gelukken kon of zijne lans tegen het stalen harnas van zijne tegenpartij brak, had de overwinning behaald. Het gebeurde aldus meer dan eens, dat een ridder bij de vijftig lansen op een dag brak. De tornooien duurden gewoonlijk drie achtereenvolgende dagen , en eindigden met het uitdeelen van de prijzen , aan alwie het meest had uitgemunt. Deze prijzen bestonden veelal in een helm, een xwaard , een gouden keten of iets dergelijks. Vervolgens werd de overwinnaar onder den toeloop des volks naar het kasteel van den heer geleid, die het tornooi gaf, en het feest eindigde met een kostbaar maal, waarbij de overwinnaar voorzat.

Ofschoon bij deze kamp- of ridderspelen alle voorzorgen werden genomen om elkander niet te kwetsen, waren zij echter niet zonder groot gevaar en hadden meermaals een treurig einde. Menig ridder stortte in zijne zware wapenrusting van zijn paard en brak hals ofbeenen, terwijl sommige vijandig gezinde edelen het er juist op toelegden , om hunne tegenpartij een doodelijken steek toe te brengen, waaruit dan niet zelden een gevaarlijke strijd ontstond, die de kampplaats in een bloedbad veranderde. De E.erk verzette zich daarom ook sterk tegen

ocr page 71

die spelen en bepaalde , dat men aan al degenen , ivelke daarbij zouden omkomen , de kerkelijke begrafenis moest weigeren. Jn vervolg van tijd werd echter dit vonnis, om grooter kwaad te voorkomen, verzacht; de Paus liet onder zekere voorwaarden de steekspelen toe , doch verlangde uitdrukkelijk , dat dezelve met geen ander doel zouden bijgewoond worden , dan om zich in het hantee-ren der wapenen te oefenen.

Graaf Flokis IV van Holland behaalde op het tornooi te Corbiè grooten roem. Hij brak , naar men gist, onderscheidene lansen en behaalde den prijs op eiken mededinger.

Dit verwekte den nijd en de afgunst van den ouden graaf van Clermont, die met eenigen zijner edelen den jeugdigen ridder op eene verraderlijke wijze overviel en aan zijne jaloerschheid opofferde. Op zulk eene treurige wijze eindigde do dappere Ploeis zijn leven , terwijl hij nauwelijks den ouderdom van 24 jaren bereikt had. Zijn vriend 1)ibk van Kleef, bracht het lijk naar Bolland, waar het in de abdij van Rijnsiurg begraven werd. De abdij van Rijnsburg was een klooster van adellijke juffers, weleer door Petboneixa van Saksen, eehtgenoote van Flouts .II, gesticht, en evenals de abdij van ligmond door de Hollandsche graven in groote eer gehouden.

W i I i e m !l , Roomsch-koning.

Willem II, .die bij den dood zijns vaders nog nauwelijks zijn zevende jaar was ingetreden , toonde van zijne vroegste jeugd eene groote geneigdheid voor den wapenhandel. Hij was een jongeling van ridderlijken aard, rijk aan verstand en schitterende begaafdheden, van wien men alles verwachten mocht.

Toen hij den ouderdom van negentien jaren bereikt had , werd hij den 29 iSeptember 1247 door eenige gees-V ' 5

ocr page 72

60

telijke eu wereldlijke rijksvorsten van DuUschland tot eii

Roornseh-koning of plaatsvervanger van den Duitsclion D

keizer gekozen. va

j Daar hij echter uit hoofde zijner jeugd nog niet in

onder het getal der ridders was opgenomen , had deze rii

plechtigheid vooraf in de domkerk van Keulen met on- li

! gemeenen luister plaats.

quot; Nadat alle vorsten en heoren aanwezig waren, werd v(

jonkheer Willem, zoodra het Evangelie der Hoogmis zi

gezongen was, door den Koning van Buhemen voor den hlt;

Kardinaal en Pauselijken legaat Pj:thus Capctitis ge- b

bracht, met verzoek den edelen jongeling in het gezel- d

schap der ridders op te nemen. De Kardinaal, met zijn re

bisschoppelijk gewaad bekleed, hield nu aan Willem de zi

eigenschappen en verplichtingen van een goed ridder b

voor. leder, zoo sprak de Prelaat, die ridder wil w

worden , moet van edele afkomst, milddadig, eerbaar , n

standvastig in tegenspoed , oprecht en dapper zijn. Hij g

moet den dag beginnen met het bijwonen der H. Mis o

en het overdenken van het lijden onzes Heeren ; hij moet o

tot verdediging van het katholiek geloof zijn leven te o

pand stellen, de H. Kerk en hare bedienaren besclier- ij

men , do weduwen en weezen in den nood bijstaan , de t

onrechtvaardige oorlogen vermijden , de ongepaste giften gt;3

afwijzen, voor de vervolgde onselmld in het strijdperk 1

treden, geene steekspelen bijwonen clan tot ridderlijke l

oefeningen , den Eoomschen keizer of zijnen stadhouder a

in tijdelijke zaken gehoorzamen , de algemeene rust be- v

waren , geene rijksleenen vervreemden en voor God en c

de wereld een onberispelijk leven leiden.quot; I

Nadat Willem beloofd had deze verplichtingen naar 1

zijn best vermogen te onderhouden , las hij met luider s

stem den voorgeschreven riddereed, waarop de koning 1 van Bohemen nader kwam en den jeugdigen vorst drie

slagen met het vlakke zwaard op hals en schouderen i

gaf, waardoor deze onder het getal der ridders was opge- !

nomen. Hierop werd de H. Mis voortgezet en toen zij ge- 1

i

ocr page 73

67

eiuJigd was , kondigrle dc krijgsmuziek een steekspel aan. Driemaal trad de jonee ridder met den zoon des konings van Buhemen in het strijdperk en toonde zijne vaardigheid in het hanteeren van het zwaard, waarna hij onder de rijksgrooten kostbare freschenken uitdeelde. In November 12-18 werd hij met veel plechtigheid te Aken gekroond.

Koning Willem had voortdurend eene bijzondere liefde voor zijne Ncderlandsche onderdanen; de toegang tot zijn persoon was voor elk hunner vrij, en ieder vond in hem een onpartijdigen verdediger zijner rechten. Hij bouwde in zijne hofstad 's-Har/e een prachtig paleis, vaardigde wijze wetten uit en schonk aan onderscheidene gemeenten groote voorrechten. Daarbij liet hij als een blijk zijner genegenheid zijn nanm in do lijst der 1'trechtsche burgers opschrijven en spaarde geene moeite, om het welzijn van zijn volk te behartigen. . Onbeschrijfelijk groot was dan ook de droefheid, toen men vernam, dat de geliefde vorst in een gevecht tegen de West-Friezen was omgekomen. In Januari 1256 tegen dat ontembare volk opgetrokken zijnde , reed bij zwaar geharnast, en zittende op een strijdpaard, dat om zoo te zeggen geheel met ijzer bekleed was , aan het hoofd van zijne troepen. De tocht ging over liet ijs en dus aanvankelijk zeer langzaam. ^Dan weldra werd Willem ongeduldig ; evenals elders op het veld rent hij zijn volk vooruit, doch onverwachts breekt het ijs onder zijne voeten en zijn paard zinkt tot aan den buik in de modder. Aanstonds snellen eenige woedende Friezen toe, en eer de koning den tijd heeft om zich te doen erkennen, is hij onder hunne knotsslagen bezweken. Zijn lijk werd vervolgens nit het water gehaald en heimelijk te Uuugwoude onder eene boerenhaard-stede begraven , waar het ruim zes en twintig jaar verborgen bleef.

Koning Willem was een rechtschapen en godvruchtig vorst, goedhartig, weldadig, rondborstig, afkeerig van alle onrecht, verheven boven alles, wat naar valschheid, laaghartigheid of onedelheid zweemde, grootmoedig jegens

ocr page 74

68

zijne vijanden , en bovenal erkentelijk voor bewezen dien-aten , welke deugd zooveel te bewonderenswaardiger is, naarmate zij zeldzamer in de grooten der aarde gevonden wordt.

F I o r i s V.

Deze voortrefielijke vorst gaf in den aanvang zijner regeering een schitterend bewijs van kinderlijke liefde. Nadat hij onderscheidene malen tegen de West-Friezen was opgetrokken en hen ten eenemale verslagen had, deed hij alle moeite, om de moordenaars zijns vaders op te sporen en te straffen. Aan een oud man schonk hij evenwel genade, onder voorwaarde, dat deze de plaats zou aanwijzen , waar het lijk des konings verborgen lag. De grijsaard nam dit aan ; doch wie schetst de vreugde en ontroering van den graaf, toen hij de plek aanschouwde , waar de stoffelijke overblijfselen van den hem zoo dierbaren overledene rustten. „ Viermaal achtereen, aldus schreef hij aan den Engelschen vorst, heb ik de Friezen geslagen en geheel overwonnen; doch dit verheugt mij niet zoozeer als het wedervinden van het lijk mijns vaders, hetwelk mij dierbaarder is dan alle aardsche goederen.quot;' De deugdzame zoon liet nu de gevonden beenderen met eerbied reinigen , ging met dezelve naar Utrecht, en liet aldaar een piechtigen lijkdienst houden, waarop's konings overblijfselen naar Middelburg gevoerd en met groote pracht in do abdijkerk bijgezet werden.

Graaf Flobis was in vele opzichten het evenbeeld zijns vaders. Hij voltooide het Hof te 's-IIage, bouwde het prachtige lusthuis de l'oyelenzmig, tusschen Leiden en Haar-tem, stichtte onderscheidene kasteelen en was een voortdurend begunstiger van koophandel en nijverheid. De vrije burgers vonden vooral in Floeis een ijverig beschermer hunner rechten en ontvingen van hem vele vrijheden. Dit wekte de afgunst der edelen op, die meenden , dat

ocr page 75

00

alleen him stand op voorrechten aanspraak had. Gkkabd vak Vet,zen , Gijsbeecht van Ajistel , Jan van Ktjik , Hekman van Woeeden en eene menigte anderen verbonden zich , om den graaf in stilte op te lichten , en als een gevangene naar Engeland in te schepen. Er bood zich weldra eene gelegenheid aan om dit boos opzet uit te voeren. Flokis kwam naar Ulreeht, ten einde eene verzoening tnsschen eenige twistende edelen te bewerken. Na den maaltijd, welken hij aldaar met eenigen dier snoodaards gehouden had, nam hij, ondanks de waarschuwingen eener onde vrouw , deel aan de valkenjacht. Nauwelijks was hij even buiten de poort of Van Woeeden sprong voor 's graven paard, greep het bij denteugel en riep: „Uwe hooge sprongen zijn uit, heer meester! gij zult nu niet meer den baas spelen , gij zijt onze gevangene.quot; „Ik weet wol beter,quot; zei Fi.oiiis , die dit alles voor scherts hield. „En ik zweer u, dat het ernst issprak een ander. Nu eerst gingen den ontstelden graaf de oogen open; hij greep naar zijn zwaard, maar op hetzelfde oogenblik werd hij omsingeld, van zijne wapens beroofd en gevangen genomen. Men voerde hem in allerijl naar het kasteel Kroonenburg aan de recht en vervolgens naar het slot te 'Muiden, om hem vandaar naar Engeland te brengen. Inmiddels was het volk uit den omtrek op de been gekomen, en wilde den geliefden vorst met geweld uit de handen der verraders redden. De samengezworenen, hierdoor verschrikt, maakten haast; zij trokken den graaf eenen grauwen rok aan , stopten hem een handschoen in den mond , bonden hem aan handen en voeten op een paard vast, en voerden hem aldus weg. Doch bij Muiderberg gekomen, schoten de Naardingers en Gooilanders toe en eischten met nadruk hunnen graaf terug. Van Velzen , die vooruitgereden was, antwoordde hun, dat dit niet zon gebeuren, rende spoorslags tot de anderen weder, en hief zijn zwaard omhoog om den vorst het hoofd te klieven, Ft.obis trachtte den slag te ontwijken en deed

ocr page 76

70

zijn best om met zijn paard over eeue sloot to geraken , doch het dier stortte er in, en nu hieuw Van Velzen den weerloozen graaf de beide handen af. Daarop vielen ook de anderen op den ongelnkkigen Floeis aan . en brachten hem met meer dan twintig steken wreedaardig om het leven.

Zijn lijk werd vervolgens door de trouwe Gooilanders . die hem beschermen wilden. uit het water gehaald en naar Alkmaar gebracht, waar het aanvankelijk in het koor der kerk bijgezet, doch later door zijn zoon Jan te Rijns-burg plechtstatig begraven werd. Al degenen, die aan den moord hadden deelgenomen, werden vroeg of laai gestraft. Gusbbecut van Amstei, , Hekman van Woeb-dbn en Jan van Kuik verlieten het land en moesten hun leven lang als ballingen rondzwerven , terwijl Gebaed van Velzen en velen zijner medeplichtigen gegrepen werden en op het rad hun loven verloren.

Strijd tusschen R e i n o u d van Gelder en J a n van Brabant wegens het hertogdom Limburg.

-Nu den dood van Orro J , graaf van Gelder, die in het begin der 13« eeuw met zijn vriend Dibk VII van Bolland eenigen tijd in de Brabantache boeien moest doorbrengen, bestuurde diens zoon Gebabd gedurende 22 jaren het graafschap. Otto II, die Gebabd opvolgde, genoot de achting en het vertrouwen der naburige vorsten , en werd niet zelden tot middelaar in hunne geschillen gebruikt. Gestadig op het welzijn zijner onderdanen bedacht , wendde hij alle middelen aan , om dezelven tegen den overmoed en de roofzucht van eenige plunderzioke edelen te beschermen; hij trachtte het zoogenaamde vuistrecht onder zijn volk uit te roeien en liet onderscheidene steden , zooals : Arnhem , Roermond, Ilarderwij/r en Wapeningen, met mnren omringen. Zijn zoon E kinoüd I

ocr page 77

71

betrad denzeifden wee, en de Geldersche gewesten bevonden zich in de eerste jaren van zijn bewind zeer ge-lukkisr. Maar weldra werd de landsheer in een oorlog gewikkeld, die voor hem en zijne onderdanen de verderfelijkste gevolgen had.

Omstreeks 1280 namelijk stierf Walham IV, laatste hertog van Limburg. Zijne eenige dochter Ehmkngakde , die met Reinoud gehuwd was, volgde hem op ; maar ook deze overleed drie jaren daarna , zonder kinderen na te laten. Nn trad haar neef Adolf van Berg als naaste bloedverwant op , om de landen zijner nicht in bezit te nemen. Maar Reinoud, die reeds tijden? het leven zijner eehtgenoote den titel van hertog van Limburg had aangenomen , ging voort met dit gewest te bestieren, zonder zich aan de eischen van Adolf te storen. De graaf van Berg, niet in staat om zulk een machtigen tegenstrever het hoofd te bieden, verkocht met toestemming zijner broeders zijne rechten op Limburg aan Jan I, hertog van Brabant. Reinoud van Gelder kreeg nu met een geduchten en onversaagden mededinger te doen. Hot was daarom ook voor hem van het grootste belang intijds naar goede bondgenooten uit te zien. Hij vond die in den Keulschen vorst, siearuikd van Weslerburg, in Adolf, graaf van Nassau, Hendrik I. V van Luxemburg en eenige anderen. Hertog Jan van zijnen kant vond steun bij Flokis V van Holland, de vorsten van Luik , van Berg, van Hessen en van I.oon, benevens eenige Fransehe heeren en baronnen.

Terwijl men zich van weerszijden strijdvaardig maakte, liet hertog Jan aan zijnen tegenstander eenige voorstellen doen om de zaak in der minne bij te loggen. Maar Rkisocd wees die van de hand en de krijg begon. Hertog Jan opende de vijandelijkheden door de verovering van eon slot in het land van Valkenburg, welks heeren niet genegen schenen hem te erkennen. De Geldersche graaf schoot onmiddellijk toe, en was op het punt om den hertog op het lijf te vallen , toen eenige minderbroeders uit een bijgelegen klooster met tranen in de oogen en.

ocr page 78

liefc kruis in de hand de krijgszuehtige bende tegenhielden en do beide aanvoerders, bij alles wat heilig was, bezwoeren, hnn geschil door een bekwaam scheidsrechter te doen beslissen en zich aan diens oordeel te onderwerpen. De graaf van Gelder stemde ditmaal toe, en wijl ook hertog Jan hierin berustte, kwam het voor eenigen tijd tot wapenstilstand.

Daar men evenwel tot geen gewenscht akkoord kon komen, werd de krijg eerlang hervat, en het hertogdom Limburg was gedurende vijf achtereenvolgende jaren het tooneel van verschillende kleine gevechten. Na eens bleef Eeinoud , dan weder Jan van Brabant overwinnaar, doch immer ten nadeele der Limburgers, De bewoners zagen voor hunne oogen hunne velden door de legers plat ge-loopen en vernield, hunne beesten uit de weide gehaald , hunne schuren leeggeplunderd, de huizen in brand gestoken. Eindelijk toch schenen de beide partijen moede , en de vrienden van de twistende vorsten belegden in den zomer van 1288 eene groote vergadering, om, zooals zij voorgaven, aan alle geschillen wegens het hertogdom voorgoed een einde te maken. Hertog Jan toog daarom met zijne troepen naar Maastricht; doch aldaar aangekomen , vernam hij , dat de aanhangers van REiNOud, te Falkenburg vereenigd, op aanraden van Siegfiued van Keulen het betwiste grondgebied aan Hendbik TV van Luxemburg hadden toegekend, op voorwaarde dat deze daarvoor aan den Gelderschen graaf eene schadeloosstelling in geld zou geven. Driftig brak alsdan de hertog met zijn leger op en ijlde naar Valkenburg, om zijne tegenstrevers te verrassen ; maar hij kwam te laat.

Zonder toeven zette hij de vluchtelingen na, viel op het Kenlsche grondgebied, verwoestte er de hoven en wijngaarden van Siegfhied van Westerburg, en liet daar zelfs eene jacht aanleggen en feesten houden , als om zijne vijanden uit te tarten.

Terwijl hij alzoo zijne wraaklust voldoening gaf, kwamen onderscheidene aanzienlijke Keulenaars hem verzoeken

ocr page 79

73

om met zijne manachappen naai- Woeringen te treliken. ten einde een kasteel, hetwelk aan Siegfried toebehoorde, en waar haast niemand voorbij kon /.ouder uitgeschud te worden , met den grond gelijk te maken, üe hertog toonde zich aanstonds bereid en ging er met zijn volk heen. In de meening, dat zijn vijand hem thans onmogelijk kon ontsnappen, riep de Keulsche vorst oogen-blikkelijk Eeinoud van Gelder en diens bondgenooten op, om, gelijk hij voorgaf, aan eene gewisse zegepraal deel te nemen. .. Daar was, zoo luidde zijn bericht, niet ver van Keulen een walvisch gestrand, zoo ver op het droog, dat hij nog wel woelen en draaien kon , maar wegkomen niet meer. Hij verzocht daarom den buren, hot gedrocht te helpen afmaken, zullende er voor ieder een goed deel mede te nemen zijn.quot; Eeinoud en zijne vrienden begrepen deze spotternij en lieten zich niet wachten. Zij brachten reeds bij voorraad groote wagens en boeien mede, om de gevangenen veiliger te kunnen wegvoeren. Het duurde echter niet lang, of zij bemerkten, dat hunne berekeningen wegens den vijand onjuist waren. Het gevecht nam in den vroegen morgen van den 5 Juni eenen aanvang, en weldra waren de beste strijders van üeinotjd gedood of buiten gevecht gesteld. Hendkik IV van Luxemburg, een der vurigsten om hertog Jan in handen te krijgen, word door een Brabantschen ridder overhoop geworpen ; ook zijne beide broeders Jan en BouDEWi.rn schoten er het leven bij in.

Siegfeied van Westerburg verweerde zich, wel is waar, kloekmoedig tegen de Bergsche landlieden, die met zeisen, hooivorken en knotsen gewapend, onstuimig op hem aanvielen ; maar eindelijk geheel ingesloten , moest hij zich op genade aan 's hertogs broeder, Godfried van Brabant, overgeven. De graaf van Nassau, een der stoutste ridders zijner eeuw, werd almede ontwapend. Ku bleef nog alleen de graaf van Gelder over. Hoewel zwaar gewond . vocht hij nog altijd dapper voort. Immer de eerste in het gelid, sprak hij van wijken nog overgeven, totdat zijn

ocr page 80

vaandrig aan zijne zijde dood ter aarde stortte. Eeinouh dit

zelf, door het godrang van zijn ros geworpen, raakte er da:

onder, maar stond weldra weder overeind en streed nn hn

een poos te voet, totdat de graaf van Loon hem een ander mc

paard liet bezorgen , waarmede hij uit het gedrang ge- ha

raakte. Vier Brabantsclie ridders, die daar iets van aa

merkten, ijlden terstond den vluchteling na, haalden zo hem in, en brachten hem gevangen tot hertog Jak , • 1 dc

welke hem naar Brabant deed overvoeren. li!

Aldus eindigde de veldslag bij Woeringcn, die voor een fa

der merkwaardigste uit de Middeleeuwen gehouden wordt. «■

flij bezorgde den gelukkigen overwinnaar niet alleen 0

veel roem , maar ook het geruste bezit van het hertog- /,

dom Limburg met al zijne riddersloten en leenen ; want j het was enkel tegen den afstand van al zijne aanspraken

en rechten op dit gewest , dat graaf Eeinoxtd zijne vrij- ,]

heid terugbekwam. j

Huis van Henegouwen.

' Daar Jak 1, zoon van Flo ais V, na eeue kortstondige regeering van slechts drie jaren kinderloos overleed, ging met zijn neef Jan II, graaf van Henegouivcn, de jegeering van het graafschap in een ander stamhuis over.

Onder het bestuur van dezen vorst werd Holland en Zeeland hevig door de Vlamingen en Brabanders verontrust. üe eersten drongen zelfs zegevierend tot bij Haarlem door. Zij maakten reeds het plan , om ook Utrech' binnen te rukken, toen Witte van Haamstede-, een koen ridder van grafelijke afkomst, met eenige dapperen in verscheen en den vijand bij het Mannepad, nabij Haarlem, eene geduchte nederlaag toebracht. 5 Dit wekte den neergeslagen moed der bevolking weder op, meu greep naar de wapens , en binnen acht dagen was geheel Holland door de Vlamingen ontrnimd. Tn /celand ging

ocr page 81

75

dit echter zoo gemakkelijk niet. De vreemdelingen waren daar bijna geheel meester; alleen Zierikzee wederstond hun nog. Daar zij echter geene kans zagen, om die stad met geweld machtig te worden , namen zij het besluit haar uit te hongeren. Dit middel scheen him in den aanvang te zullen gelukken. Dan , weldra kwam 's graven zoon, Willem, met eene aanzienlijke vloot tot ontzet der stad opdagen.quot; 'Een verschrikkelijke strijd van ander-halven dag, die aan vele duizenden Vlamingen het leven kostte, noodzaakte den vijand tot den aftocht, en Zeeland was vrij. Jan II stierf nog in hetzelfde jaar, en werd

opgevolgd door don dapperen Willem , bijgenaamd de Goede, die met leedwezen moest zien, dat zijne staten in 1315 geweldig door hongersnood en pest geteisterd werden.

' De nieuwe graaf verstond in hooge mate de kunst om de liefde zijner onderdanen te winnen. De Friezen, die in het begin ongenegen schenen hem te erkennen , en zelfs zijne beambten wegjoegen , wist hij door innemendheid en zachtheid zoo ver te brengen , dat zij uit eigen bewoging verzochten met den landsheer in onderhandeling te treden, en zich van dan af zeer onderdanig toonden. /00 dikwijls de graaf in het vervolg een Fries bemerkte, al was het ook op straat, riep hij hem tot zich, en liet bom op zijne klachten terstond recht wedervaren. Wanneer zijne edelen daarover morden, zeide hij : „ Dit volk is de grootste schat van mijn gebied; mijne voorzaten hebben hot mot hun zweet en bloed gewonnen, ik alleen ben er heer van. Ik zal dus niet dulden, dat het door iemand verdrukt worde.quot;'quot;Deze woorden, met klem en nadruk gesproken , doden genoegzaam zien , dat het den vorst ernst was: hij toonde het ook bij menige gelegenheid. Zoo had, onder andere , een zijner ambtenaren bij een landman eene koe uit de weide gehaald, en daarvoor eene andere van veel minder waarde in do plaats gesteld. De boer, hierover niet tevreden , ging naar den graaf en deed hem zijne klachten. Aanstonds liet deze den ambtenaar ontbieden en veroordeelde hem niet

.

ocr page 82

slechts, om door betaling van 100 gonden kronen den boer schadeloos te stellen, maar gat' hem daarenboven nog eene geduchte straf, wijl hij als rechter dubbel verplicht was de wetten na to komen.

■'/ Door dezen ijver voor het recht en voor de belangen zijner onderdanen maakte Willem zich zeer bemind en de goede burgers hadden alles voor hem over. Op zekeren tijd om geld verlegen zijnde, verzocht hij aan zijn volk de som van duizend gulden. Men bood er hem aanstonds tienduizend aan, doch de belangelooze graaf wilde dezelve niet aannemen, zeggende, dat hij met zulke brave lieden nimmer te kort kon komen.

' Willem III overleed in 1337 aan eene kwijnende •ziekte. Weinig tijds voor zijnen dood riep hij zijn opvolger bij zijn sterfbed en drukte hem met eene vaderlijke teederheid de volgende les op het hart: „ Mijn zoon , dus sprak hij , bemin God bovenal, eer de geestelijkheid, handhaaf het recht en houd rust en vrede in uwe landen.quot; Alzoo waren de laatste gedachten van den grijzen vorst nog aan het welzijn van zijn kind en aan het gelnk zijner onderdanen gewijd.

Willem IV volgde echter de lessen van zijnen stervenden vader niet getrouw op. Hij was een liefhebber van pracht en weelde, gaf dikwijls groote feesten en maakte vele schulden. Daarenboven getuigen de ge-Bchiedschrijvers van hem, dat hij den strijd beminde, zonder de kunst des oorlogs te verstaan, hetwelk voor een vorst zeker niet lofwaardig is. quot;'Ook kwam de strijdlustige Willem op eene ellendige wijze om het leven. Toen hij in 1345 de muitende Friezen wilde gaan bedwingen , werd zijne vloot door storm verstrooid; hij geraakte echter met groote moeite to Hfaoorei/ aan wal, doch zich al te lichtvaardig in een gevecht gewaagd heb-bende, sneuvelde hij reeds, alvorens het grootste gedeelte zijner troepen aan land gestapt was.

ocr page 83

Groote Oneenigheid in ons Vaderland.

Dc algemeene zucht naar grootheid en de voortdurende naijver tussehen burgers en edellieden hadden sinds eenigen tijd in Nederland eene gevaarlijke tweespalt verwekt. Op de meeste plaatsen was het volk als in twee vijandelijke kampen verdeeld. In Friesland, waar de twistende partijen onder den naam van Schieringers en Vetkoopers werden aangeduid, streed men soms met eene verwoedheid , die niet uit te drukken is. Waar men elkander ontmoette, viel een bloedig gevecht voor, en niemand werd gespaard. Een oneffen woord was soms genoeg, om op hetzelfde oogenblik doorstoken te worden.

In het graafschap Holland was de verdeeldheid niet minder groot. Maegaeeta van Henegouwen, die met toestemming van haren keizerlijken echtgenoot, Louewijk van Beieren , haar broeder in 1345 was opgevolgd , stond eenige jaren later het bewind over Holland, Zeeland en Friesland aan haren tweeden zoon Willem af, onder voorwaarde, dat deze haar daarvoor jaarlijks eene zekere som gelds zou uitkeeren. Willem echter betaalde niets, deels omdat hij niet goed kon , deels omdat men hem tegen zijne moeder had ingenomen.

Zoodra Maegaeeta zag , dat de bedongen gelden niet verschenen, kwam zij naar Holland en vorderde het bewind terug. Willem onderwierp zich, en deed te Geer-truideuberg afstand van zijn gezag. Niet lang daarna trok hij echter zijn woord weder in, en geraakte in openlijk verzet tegen zijne moeder. Zijne vrienden en bondgenooten, die meestal tot den burgerstand behoorden, noemden zich Kabeljanwschen, en wilden mogelijk daardoor te kennen geven, dat evenals de kabeljauw aan onze kusten eene zekere heerschappij over de kleine visscheu uitoefent, zij op dezelfde wijze hunne tegenstrevers zouden belieer-sehen en ten onder brengon.% De aanhangers van Maegaeeta daarentegen , waaronder de meeste edelen geteld

ocr page 84

78

werden , kozen den naam van Hookschcn, naar den hoek of angel, waarmede de kabeljauw gewoonlijk gevangon wordt, en die voor hem het meest te vreezen is. In la^er tijd onderscheidden zich die twee partijen veelal door hun hoofddeksel , daar do Hoekschen eene roode en de Xabeljauwschen eene grauwe muts droegen.

s' Mabgareta , niet wetende wat aan te vangen, zocht hulp hij haren schoonbroeder, den koning van Engeland. In eene eerste ontmoeting versloeg zij de troepen van haren zoon in eenen scheepsstrijd bij Veere, doch zes weken later onderging zij zelve zulk eene geduchte nederlaag op de Maas, dat ten gevolge van dien strijd, zoo men schreef, de rivier drie dagen lang bloedroode golven voortstuwde, j Intnsschen zag de diepbedroefde moeder kort daarop geheel van hare rechten af, en verzoende zich met Willem , die de betwiste landen behield en de regeering over die gewesten in het Beiersche stamhuis overbracht. Wat echter do oneenigheid en de twisten onder het volk betreft, deze namen met die bloedige worsteling geenszins een einde. De hatelijke benamingen van Hoekschen en Kabeljauwschsn bleven bestaan; en de partijschappen , met zulke onstuimigheid in 1350 begonnen , waren omstreeks anderhalve eeuw een geesel voor het graafschap Holland en zijn slechts met moeite in 1492 geheel uitgedoofd. Ook graaf Willem, die zich op zulke strafwaardige wijze aan zijne moeder vergrepen had, moest weldra zwaar boeten voor zijnen opstand. In 1357 krankzinnig geworden. bracht hij ruim dertig jaren in dezen rampzaligen toestand door, en is een waarschuwend voorbeeld voor alle kinderen, welke het groote gebod des Heeren : „ Eert vader en moederquot; zoo lichtvaardig uit het oog verliezen.

Evenals de beide vorige gewesten werd ook Gelderland omstreeks dienzelfden tijd door burgeroorlog geteisterd.

Na don dood van Beinoüd II, te wiens behoeve het graafschap in 1339 door keizer Lodewije in een hertogdom veranderd was, ontstond er een zwaar geschil tus-

ocr page 85

soben zijne beido zonen. E.KixorD III, die de oudste was en zijn vader opvolgde, schonk bij zijne komst aan de regeering zijn voile vertrouwen aan de familie der Heeckekens. Een der aanzienlijkste geslachten uit Gelder. de Beonkhobsten geheeten , toonde zich hierover gestoord. Men begon weldra eene samenspanning te vormen , en zette Edtjaud , quot;s hertogs jongeren broeder, aan, om Reinoud , het gezag afhandig temaken, terwijl men hem hierbij allo hulp beloofde. Eddaud liet zich zonder moeite overhalen ; hij stak de vaan des oproers op, en behield na een elfjarigen strijd do overhand. Kkinoud , bij Tiel geslagen , stond de regeering aan zijn broeder af, welke hem op het slot Nijenbeek, niet vei van Zidfen , in zulk een eng hok liet opsluiten , dat hij zich nauwelijks bewogen kon.

Ka den dood van Eduaru , in 1371 voorgevallen , werd Keinodd weder uit zijnen kerker verlost. Hij was evenwel door de gedwongen rust en het werkeloos leven zoo zwaarlijvig geworden, dat men verplicht was de deuren weg te breken, om hem het uitgaan mogelijk te maken. Hij stierf reeds na vier maanden , en liet het hertogdom Gelder aan zijn neef Willem van Gülik , die door minzaamheid , billijkheid en zachtmoedigheid aller harten won , en aan de gedurige woelingen der Heeckekens en Bronkuobstkn een einde maakte.

Gerard us Groote en zijne Volgelingen.

Wenden wij thans voor eenige oogenblikken onze gedachten van die bloedige krijgstooneelen af, en begeven wij ons in den geest naar het oude Deoenler, waar wij omstreeks dien tijd een man aantreffen , die wegens zijne deugd en hooge geleerdheid aller aandacht tot zich trok. Zijne vrienden noemden hem Geeaedds Magnüs , dat is Groote, en deze naam is hem sedert bijgebleven.

In de maand October 1340 uit een aanzienlijk geslacht

ocr page 86

to Deventer geboren, ontving Geeaedds liet eerste onderricht in zijne vaderstad, waarna hij ziuh naar de hooge-sohool te Parijs begaf.

Ka aldaar drie jaren door vlijt en leerzaamheid te hebben nitgemunt, keerde hij op auhttienjarigen leeftijd naar Deventer terug; maar dit was voor korten tijd. Weldra begaf hij zich naar de aartsbisschoppelijke school te Keulen, voltooide daar zijne studiën en begon zelf les te geven. Zijne geleerdheid lokte een groot getal toehoorders rondom zijnen leerstoel en zijn naam was weldra in ieders mond. Die groote roem had echter een nadeeli-gen invloed op zijne levenswijze. Ofschoon aan den dienst des Heeren toegewijd, en Diaken der heilige lierk, gaf hij niettemin een ontstichtend voorbeeld. Hij leefde in overvloed en weelde, droeg schoone, zachte kleederen en sierlijk opgekapte haren. In zijne geboortestad teruggekeerd, overviel hem eene zware ziekte, die hem eenigszins tot nadenken bracht. Hersteld zijnde, volgde hij allengs weder zijne oude levenswijze en vestigde zich te Utrecht.

Doch weldra kwam hij voorgoed tot inkeer. Een vroom Karthuizer, die hem vroeger gekend had en te Parijs zijn biechtvader geweest was, bracht hem op zekeren dag een bezoek. Met leedsvezen had hij vernomen, welke verandering in het gedrag van Gebaudds had plaats gehad ; hij deed daarom zijn best, om hem op het goede pad terug te brengen en zeide met eene ontroerde stem: „ Mijn zoon, ach, mijn zoon , Iaat ge n zoo door de wereld medeslepen! Zie, alles is ijdelheid , behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen. De hoogste wijsheid bestaat daarin , dat men het aardsche veracht, en naar liet eenwige verlangt. IJdelheid is liet dus, naar eer te streven en te jagen naar hooge bedieningen. Het is ijdelheid , datgene lief te hebben , wat zoo spoedig voorbijgaat , en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig duurt. Wat jaagt gij hier de ijdelheden na! — Maar neen , gij zult een ander mensch worden; gij zult uw gedrag veranderen en van dit oogenblik een

ocr page 87

SI

sieraad der Kerk, een getrouw navolger van Cjikistüs zijn.quot;

Gek.vedus voelde zich getroil'en ; de goede God had zijn hart geraakt. Op staanden voet volgde hij den pater naar het klooster Monnikhinzen bij Arnhem, trok een ruw boetekleed aan en leidde een zeer verstorven leven. Nadat hij alzoo drie jaren in de oefening van alle deugden had doorgebracht, gaven eenige wijze en verlichte mannen hem den raad , om zijne uitstekende bekwaamheden voor liet heil der zielen aan te wenden en het woord Gods in de steden en dorpen van Nederland te gaan verkondigen.

Gebardds volgde zonder toeven dien raad. Met verlof van zijnen Bisschop , predikte hij beurtelings in Utrecht, üeoenter, Zwol, Kampen , Amersfoort, . tmsterdam , Haarlem , Gouda, Leiden, Delfl, Zutfen en vele andere plaatsen : doch immer met zulk oen toeloop van volk, dat de kerken veelal te klein waren, om de toehoorders te bevatten. Niet zelden predikte hij tweemaal op éénen dag , en zijne sermonen duurden dikwijls twee of drie uren. Ontelbare personen werden door zijne krachtige taal bewogen ; zij zegden aan hunne boosheden vaarwel, en leidden van dan al' oen geheel ander leven. Niet lang daarna voegde zich bij Gekahdüs een zeer ijverig priester, Floris Radewijns geheeten, die weldra door andoren gevolgd werd. Zij vestigden zich eerst te Deventer en langzamerhand ontstond daar eene vereeniging van priesters on broeders, die, wijl zij samen woonden en alles in het gemeen bezaten, Broeders van het gemeenzame leven genoemd werden. Hun arbeid bepaalde zich voornamelijk tot het geven van kosteloos onderwijs aan arme kinderen en het afschrijven van boe. ken , waaraan in dien tijd, toen de boekdrukkunst nog niet was uitgevonden , eene groote behoefte bestond.

Gekahdüs vormde op dezelfde wijze in 1371 eene inrichting voor vrouwen, welke buiten den tijd , dien zij aan het gebed besteedden, met naaien . spinnen en andere handwerken den kost verdienden.

Hij overleed in 1381 aan eene besmettelijke ziekte, welke hij in den dienst der liefde had opgedaan. Zijn V' C

ocr page 88

i

S3

lijk werd in hot koor der Lieve-Vrouwekerk, waar hij \ Jev zoo dikwijls gepredikt had . ter aarde besteld , doc-h later Ui naar de kerk van den h. Leuuïnus overgebracht. lt;loi flokis Eadewijns nam nu het bestuur over de nieuwe vai stiehtinp; op zich; hij volvoerde het plan van zijnen deugd- Hc zamen meester, stelde wijze regelen vast, en gaf aldus i roe aan de vereeniging meer vastheid on kracht. Ook andere | he' steden mochten zich spoedig in hot bezit dezer broeders ' vo: verheugen. - | mc Zij verspreidden zich door België, Duitschland, Frankrijk, 1 eei Jlaiïé en Sicilië, niettegenstaande de tegenkantingen , aan he welke zij waren blootgesteld. Overal waar zij zich neder- | nii zetten, richtten zij scholen op en bewezen daardoor aan | Bi de maatschappij eenen gewichtigen dienst, wijl zij met de | op kennis en de' wetenschap tevens dengd en godsdienstzin f be onder het volk verspreidden. Vele beroemde mannen heb- 1 pr ben ook aan deze stichting hunne vorming cn opleiding gr te danken. Onder hen onderscheidt zich vooral onze groote ge landgenoot, do vermaarde Thomas van Kempen, die meer | ge dan 70 jaren in het klooster der 11. Agnks bij Jfvot doorbracht. Behalve het leven van Oebahdüs Ma as is en dat do zijner eerste volgelingen schreef deze eerwaardige man he ook eene verhandeling over de Navolging van Ciuusti's. zo Dit klein, doch heerlijk werk, in vier doelen gesplitst, m is na do H. Schriftuur hot schoonste boi'k, dat wij be- ve zitten , en bevat in de eenvoudigste bewoordingen de ver- in bovenste lessen van deugd en volmaaktheid. Het werd k O in do meeste beschaafde talen der wereld overgezet, en T w was weldra het gewone handboek van alle christelijke gt huisgezinnen. la ____________ni

Huis van Beieren. | z(:

tc

Albhkcjiï van Beieren, broeder on opvolger van Wil- ec

ocr page 89

I

hij 3 leven, tot groot misnoegen van adel en onderdanen,

ter Hieruit ontsproot insgelijks eene afgekeerdheid tnssehen den graaf en diens zoon Willem van OostercarJ, welke

we van dit gevolg was . dat de laatste naar Frankrijk week.

;d- t Het duurde echter niet lang, ot' Willem werd terugge-

ns roepen. Het gebeurde namelijk, op Driekoningen van

;re | liet jaar 1395, dat de jonge prins bij den Franschcn

n'9 | vorst op een feestmaal genoodigd was. Zoodra hij nu | met de andere genoodigden aan tafel zat, verscheen er

ik, ' een schildknaap en sneed vlak vóór hom een stnk van

an het tafellaken weg , zeggende dat geen ridder aan 's ko-

sr- i nings tafel mocht zitten , die zijne wapens verloren had.

an I lüj het hooren dezer woorden sprong Willem gramstorig

de I op en riep; „Wat zegt gij daar? — ik heb mijne eer

;in 5 bewaard, zoo goed als iemand ter wereld.quot;— „Jvocn,

■b- f prins, hernam de schildknaap , roem daar niet op , want

ng graaf Willem, uw oudoom, is te Sfncorc/i door de Friezen

'te geslagen, en niet een van uw huis heeft die woestelingen

er gestraft of hot gebeente van den vorst teruggehaald.quot;

)r- ' Dit alles was eebter maar een opgemaakt werk , om

at | den zoon in zijns vaders gunst hersteld te krijgen. Jonk-

in heer Willem verliet schijnbaar gestoord het hof, en

rs. I zond iemand tot zijn vader om dit voorval bekend te

it, maken. De oude Alurecut deed hom weten, dat hij

ie- verng kon komen , schonk hom vergiffenis en trok reeds

3i'- in het volgende jaar met een machtig heir naar Vriesland.

rd k Ofschoon de Friezen een krachtigen wederstand boden,

sn r werden zij niettemin overwonnen, doch daar de graaf

ko geen genoegzame krijgsmacht in hnn land kon achter

laten, wierpen zij weldra het juk weder af. zoodat hij niets dan Slnooren behouden kon.

Alukecht stiert in 1401 en liet het bestuur aan zijn i zoon Willem. Deze graaf was niet bij machte de Friezen tot onderwerping te brengen, en moest nog daarenboven [i.- een geweldigen strijd voeren met de Heeren Van' Aükel.

en Bij zijnen dood in 1417 verviel de regeering aan zijne

id J zeventienjarige dochter Jakoba , die reeds weduwe was van oenen Franschen prins en in de geschiedenis van die

ocr page 90

dagen zulk eene treurige vermaardlioid verworven heeft.

Eer wij echter deze vorstin moer in het bijzonder loeren kennen . moeten wij twee gebeurtenissen vermelden , die in het begin van haar bestuur plaats hadden. De eerste wordt aldus verhaald :

In den nauht van don 18 ISroveruber 1421 , werd ten gevolge van een verschrikkelijken orkaan de landstreek tusschon Dordrecht en Geertruidenherg geheel onder water gezet. Heze watervloed , in de geschiedenis onder den naam van Sint-Elizabeths-vlood bekend , bracht grooto schade teweeg. Onderscheidene dorpen werden voor immer verzwolgen , en er werd een waterplas gevormd, die nog heden den naam van Biesbosck draagt. Als een bijzonder blijk van Gods Voorzienigheid verhaalt men , dat bij deze gelegenheid te Hoi'weniiigeu, bij DnrdreM, aan den zoogenoemden Kinderdijk, eene wieg kwam aandrijven , waarin een meisje lag , en op welker rand eene kat gezeten was, die gedurig van den eenen naar den anderen kant sprong. Het kind, dat later den naarn van Beatrix ontving, droeg een kruisje aan den hals. waarop het wapen barer ouders stond , doch alle nasporingen wegens hare afkomst zijn vruchteloos gebleven.

De andere gebeurtenis, die nog meer onze aandacht verdient, is de uitvinding der boekdrukkunst. Deze nuttige uitvinding had plaats omstreeks het jaar 1423 door onzen beroemden landgenoot Laueens Jaxszoox Kostki! van Haurlem. Men zegt, dat deze vernuftige man bij eene zijner wandelingen in den Haarlemmer Hout op den inval kwam, om eenige letters op schors uit te snijden. Hij wikkelde ze vervolgens in een papier en stak ze bij zich. Te huis gekomen, bevond hij, dat de letters door het vochtige hout verkeerd op het papier waren overgedrukt. Terwijl hij hierover nadacht, sneed hij in een ander stuk hout eenige letters verkeerd, drukte die wederom af, en zag nu , dat alles recht en leesbaar voor hem stond. Hierop ging hij verder, en begon op houten platen allerlei (iguren en spreuken te snijden, bestreek die met inkt, bracht ze vervolgens op papier over, en

ocr page 91

niet lanp; d.-uirna was hij in het bezit van eene kunst, die meer dan eenige andere tot bevordering van kennis en wetenschap heeft bijgedragen.

J a k o b a van Beieren.

Gravin Jakoiia vond weldra eenen geduchten tegenstander in haar oom Jan van Beieren. Nauwelijks had deze vernomen, dat zijn broeder overleden was, of hij ijlde naar hordrechf. en liet zich door de Kabeljauwschen als graaf huldigen. Te zwak om zulk een machtigen vijand alleen het hoofd te bieden, trad de jeugdige gravin eerlang met Jan van Brabant in het huwelijk. Deze verbintenis beantwoordde echter geenszins aan hare verwachting. Haar nieuwe gemaal dacht slechts aan jachtpartijen en feesten en zag naar de regeering niet om. Hierdoor was Jakoba genoodzaakt een verdrag met haren oom aan te gaan , dat gansch niet voordeelig was. Geldgebrek deed daarenboven haren echtgenoot in 1420 een groot gedeelte van HoUcmd verpanden : doch dit nam ile Here Jakoba zoo euvel op , dat zij in stilte het Bra-bantsche hof verliet en naar Henegouwen trok.

Van nu af gevoelde Jakoba een hevigen afkeer van haren man en wenschte er van bevrijd te zijn. Zij reisde heimelijk naar Engeland en verbond zich daar met Hümfbei van 6 locester, ofschoon haar tweede gemaal. Jan van Hrntjant, nog leefde. Zulks was zonder twijfel eene zware overtreding van het goddelijk en kerkelijk gebod. en de treurige gevolgen van zulk eene dwaze en misdadige handelwijze konden voor de gravin niet achterwege blijven. lu 1125 stierf haar oom Jan van Beieren, maar dit redde haar niet. Hij had bij uitersten wil al zijne rechten op het graafschap aan JFilips van Hou,-gondii:, .1 akoba's neef, afgestaan De Bourgondische prins, verbolgen over haar ergerlijk gedrag, hetwelk zijn geslacht onteerde,

ocr page 92

86

kwam haar kort nu hare wederkomst uit Engeland te Bergen belegeren . en rustte niet, voor hij haar in handen had. Te Gent in een kasteel opgesloten, wist zij evenwel in manskleederen te ontsnappen en spoedde zich naar Holland. waar zij vele aanhangers telde , vooral bij de Hoeksehen. Hare vrienden ondernamen ook voor haaide belegering van het kasteel te Schoonhooen. Albbeciit Bi:ili.\g , die aldaar slotvoogd was , bood c.chter dapper wederstand. Eindelijk door honger en gebrek genoodzaakt met do Hoekschen te onderhandelen , zag hij zich op de onrechtvaardigste wijze van liet verdrag uitgesloten , dat aan de gansche bezetting het leven waarborgde. Hij werd veroordeeld om levend begraven te worden. Bedaard en kalm, hoorde de edele man dit vonnis aan, en verzocht cene maand uitstel om zijne bloedverwanten vaarwel te zeggen. Dit werd hem toe-gestaan. In alle haast sloeg hij nu den weg \\a.av Zeeland in, bracht aldaar zijne zaken in orde, en keerde op den bepaalden tijd naar Schoonhoven terug. Zijne vijanden stonden over zulk een edel gedrag verbaasd , doch hun haat werd cr niet minder door. Nauwelijks was de duisternis ingevallen, of hei wreede vonnis werd voltrokken ; tot eeuwige schande van .Takoua , die den dapperen slotvoogd met een enkel woord had kunnen redden.

Intusschen hielden de rampen geen oogenblik op, de schuldige gravin te vervolgen. Paus Mautinüs V, tot wien Jan van Brabant zich gewend had, om uitspraak over zijn huwelijk te doen, verklaarde, dat. de verbintenis van Jakoba met Glocesteu onwettig en misdadig was, en gebood hun van elkander te gaan. De Engel-sche prins onderwierp zich en verliet Jakoba. Haar neef Fu.ii's van Bourgondic bracht haar daarop meer en meer in het nauw. In 142S dwong hij haar zelfs tot een nadeelig verdrag, waarbij zij hom als ruwaard en erfgenaam over Holland, 'Zeeland en Henegoaweu moest erkennen en tevens beloven , geen nieuw huwelijk meer aan te gaan zonder zijne toestemming. Jakoba behield nu slechts den titel van gravin. Wijl haar wettige ge-

ocr page 93

maal sinds eenigen tijd overleden was, hield zij zich van nu af meestal te Gves op , waar zij raenigwerf an n de volksvermaken deelnam.

Maar weldra schond zij het verdrag met haar neef aangegaan. Fe ank van Boeselen , die haar menigwerf in hare benarde omstandigheden met geld ondersteunde , won van lieverlede hare genegenheid en zij sloten samen een geheim huwelijk. Zoodra Filips dit vernam, liet hij Van Borselen oplichten en naar het kasteel van Rvpel-mnudc overvoeren, waar hij zoolang gevangen gehouden werd , totdat Jakoba ook den titel van gravin had afgestaan. De laatste dagen van haar treurig leven sleet zij nu op haar slot te Teilingen bij Leiden,, en stierf aldaar den 9 üetober 1436, zonder kinderen na te laten.

De gelukzalige L i d w i n a.

Tijdens het bestuur der Beiersche vorsten leefde iu het zuidwestelijk gedeelte van Holland eene vrome maagd, met name Lidwina. Zij was den Maart 1380 te Schiedam geboren, en had van hare vroegste jeugd eene teedere godsvrucht tot de H. Maagd Ma ut a . Zoo dikwijls zij uit de school terugkeerde, waarheen zij voor hare broeders het eten brengen moest, ging zij in de kerk en bad daar cenigen tijd voor een beeld van Onze Lieve Vrouw, dat door de inwoners van Se/nedau, bijzonder vereerd word. Op zekeren dag langer dan naar gewoonte uitgebleven zijnde, kreeg zij van hare moeder een klein verwijt, doch het schuldelooze kind antwoordde, dat zij in do kerk was gegaan , om Makia te begroeten , en dat doze haar daarvoor had toegelachen. Dit kinderlijk antwoord stelde de moedor tevreden en verheugde haar zoor.

Toen de goede Lidwina 15 jaron oud was, overkwam haar oogenschijnlijk oen groot ongeluk. Het was winter ; de grachten lagen dicht en do liefhebbers van hot. schaatsenrijden vermaakten zich naar hartelust. Ook Lidwina

ocr page 94

bevond zich met eenige harer gezellinnen op het ijs. Vroolijk en vlug ging het nu op en neer over de gladde haan, totdat een onhedveven vriendin, zich niet op de been kunnende houden, haar bij de hand greep eu zoo onzacht tegen eenige ijsschollen deed aanvallen , dat zij eene der korte ribben in de rechterzijde brak , en zwaar gekwetst naar huis gedragen werd. Van dat oogenblik af tot aan haren dood toe, die eerst 38 jaren later voorviel , was Lidwina gestadig ziek. Hare bedroefde ouders stelden alle pogingen in het werk, om hunne dochter té doen genezen, doch het was vruchteloos. Meester A\-deeas, een zeer ervaren geneesheer uit Betfl, voorspelde , dat zij nooit en op geenerlei wijze weer gezond zou worden , en zoo geschiedde het ook. Weldra openbaarden zich allerlei ongekende kwalen, die door geene geneeskundige hulp konden weggenomen worden. Er was bijna geen deel aan haar lichaam, dat niet eenige kwaal had. Haar rechteroog was geheel blind en haar linker zoo zwak, dat zij noch bij dag. noch bij nacht eenig licht verdragen kon. Daarom lag Lidwina ook altijd in het duister, en er was voor haar bed oen eenvoudig voorhangsel , zoodat zij maar zelden van de menschen gezien werd. /ij had gestadig onverdraaglijke hoofdpijnen, hevige tandpijn, vele koortsen, eene langdurige waterzucht en zulke afzichtelijke wonden , dat het verhaal alleen ons met walging zou vervullen.

In de drie eerste jaren van hare ziekte had Lidwina veel verdriet. Zij was dikwijls ongeduldig en klaagde herhaalde malen over de langdurigheid harer pijnen. Maar een eerbiedwaardig priester, die baar dikwijle bezocht, raadde haar, dat zij zich aan Gods heiligen Wil zou onderwerpen en zich oefenen in de overweging van de smarten van Citkistcs . haar verzekerende, dat zij daarin veel troost zou vinden. Lidwina deed dit, en spoedig was zij door dit middel zoover gekomen , dat zij eens in vertrouwen tot iemand zeide: „ Indien ik door een enkel gebed de volmaakte gezondheid des lichaams kon venverven , zou ik het niet doen , noch wenschen.'quot;

ocr page 95

89

Do ongehoorde ellende van deze rrome maagd lokte rele nienwsgierigen naar hare woning. Ofschoon dit ^Jiaar dikwijls veel last veroorzaakte, ontving zij echter iedereen met de grootste minzaamheid. Zoo gebeurde het in 1428 , toen Filips van liourgondu met een groot leger in Holland kwam , dat eenige booze lieden van zijn i gevolg den wensch te kennen gaven om Lid win a te zien. | In het vertrek der lijderes aangekomen, begonnen die rnwe menschpn haar op verschillende wijze te beleedigen. Zij rukten met gewold het voorhangsel weg, ontstaken licht en bedreven allerlei moedwil aan haar, zonder ontzag voor God , noch voor de menschen. Hiermede niet tevreden, lasterden zij de eerbare maagd, gaven haar scheldnamen en brachten haar vele slagen toe.

J)e gelukzalige maagd verdroeg dit nieuw lijden met zeer veel geduld, en verbood alle menschelijke wraak. Poch de booswichten ontvingen niettemin kort düarop hunne welverdiende straf, en stierven nog dienzelfden winter een haastigen dood.

Lidwina overleed den 14 April 1433 in het 53e jaar li aars levens. Nauwelijks had zij den geest gegeven , of hare wonden verdwenen , en er bleef bijna geen toeken van hot vroegere lijden op haar lichaam zichtbaar. iemand twijfelde of zij behoorde reeds onder de zaligen. De heerlijke glans, die haar aangezicht omstraalde, werd door de meesten beschouwd als een zeker bewijs, dat hare

ziel de glorie des Homels was binnengegaan.

-

Het Bourgondische huis.

Filips dc Goede, hertog van Bourgondü, had oen zeer uitgestrekt gebied, en behoorde tot de aanzienlijkste vorston van zijnen tijd. Zijne regoering was over het algemeen een tijdperk van voorspoed en bloei voor deze gewesten. Alles leefde hier van handel en nijverheid.

ocr page 96

SS

bevond zich met eenige liarer gezellinnen op liet ijs. Vroolijk en vlug ging het nn op en neer over de gladde baan, totdat een onbedreven vriendin, zich niet op de been kunnende honden , haar bij de hand greep en zoo onzacht tegen eenige ijsschollen deed aanvallen , dat zij eene der korte ribben in de rechterzijde brak , en zwaar gekwetst naar hnis gedragen werd. Van dat ocgenblik af tot aan haron dood toe, die eerst 3S jaren later voorviel, was Lidwika gestadig ziek. Hare bedroefde ouders stelden alle pogingen in bet werk, om hunne dochter té doen genezen, doch het was vruchteloos. Meester An-deeas, een zeer ervaren geneesheer uit Delft, voorspelde , dat zij nooit eu op geenerlei wijze weer gezond zou worden , en zoo geschiedde het ook. Weldra openbaarden zich allerlei ongekende kwalen, die door geene geneeskundige hulp konden weggenomen worden. Er was bijna geen deel aan haar lichaam, dat niet eenige kwaal had. Haar rechteroog was geheel blind en haar linker zoo zwak, dat zij noch bij dag, noch bij nacht eenig licht verdragen kon. Daarom lag Lidwina ook altijd ia het duister, en er was voor haar bed oen eenvoudig voorhangsel , zoodat zij maar zelden van de menschen gezien werd. Zij had gestadig onverdraaglijke hoofdpijnen, hevige tandpijn, vele koortsen, eene langdurige waterzucht en zulke afzichtelijke wonden , dat het verhaal alleen ons met walging zou vervullen.

Jn do drie eerste jaren van hare ziekte had Lidwi.na veel verdriet. Zij was dikwijls ongeduldig en klaagde herhaalde malen over de langdurigheid harer pijnen. Maar oen eerbiedwaardig priester, die haar dikwijls bezocht, raadde haar, dat zij zich aan Gods heiligen Wil zou onderwerpen en zich oefenen in de overweging van de smarten van CiriiisTi's. haar verzekerende, dat zij daarin veel troost zou vinden. Lidwina deed dit, en spoedig was zij door dit middel zoover gekomen , dat zij eens in vertrouwen tot iemand zeide: „ Indien ik door een enkel gebed de volmaakte gezondheid des lichaams kon verwerven , zou ik het niet doen , noch wenschen.'quot;

ocr page 97

S9

Da ongehoorde ellende van deze vrome maagd lokte vele nienwsgierigen naar hare woning. Ofschoon dit ^haar dikwijls veel last veroorzaakte, ontving zij echter iedereen met de grootste minzaamheid. Zoo gebeurde het in 1428 , toen Filips van lionrgondü met een groot leger in Holland kwam , dat eenige booze lieden van zijn gevolg den wensch te kennen gaven om Lid win a te zien. In het vertrek der lijderes aangekomen , begonnen die rnwe mensohen haar op versrihillende wijze te beleedigen. Zij rukten met geweld het voorhangsel weg , ontstaken licht en bedreven allerlei moedwil aan haar, zonder ontzag voor God , noch voor de menschen. Hiermede niet revreden, lasterden zij de eerbare maagd, gaven haar scheldnamen en brachten haar vele slagen toe.

J)e gelukzalige maagd verdroeg dit nieuw lijden met zeer veel geduld, en verbood alle menschelijke wraak. Poch de booswichten ontvingen niettemin kort daarop hunne welverdiende straf, en stierven nog dienzelfden winter een haastigen dood.

Lidwina overleed den 1-1 April 1433 in het 53quot; jaar haars levens. Nauwelijks had zij den geest gegeven , of hare wonden verdwenen , en er bleef bijna geen toeken van het vroegere lijden op haar lichaam zichtbaar. Niemand twijfelde of zij behoorde reeds onder de zaligen. De heerlijke glans, die haar aangezicht omstraalde, werd door de meesten beschouwd als een zeker bewijs, dat hare ziel de glorie des Hemels was binnengegaan.

Het Bourgondische huis.

i'ii.i i'S de Goede, hertog van Bourgondië, had een zeer uitgestrekt gebied, en behoorde tot de aanzienlijkste vorsten van zijnen tijd. Zijne regeering was over het algemeen een tijdperk van voorspoed en bloei voor deze gewesten. Alles leefde hier van handel en nijverheid.

ocr page 98

90

Dordrecht, Amsierdaui, Middelburg, Rotterdam, Vlissingen en Zicrikzee wedijverden met do machtigste koopsteden van Europa; Leiden, Delft en Haarlem muntten uit door hunne weverijen, terwijl de groote visseherij, sinds de uitvinding van het haringkaken door Willem Beükkls-zoon van Biervliet voor Hoorn en Medenhlilc, ja voor gansoh Noord-Holland een bron van welvaart werd, die vele eeuwen heeft voortgeduurd. Ook de macht ter zee was niet minder groot. In een oorlog , dien Filips met de Engelschen te voeren had, rustten do Zeeuwen en Hollanders op last van den Hertog eeno vloot uit, welke den Engelschen ecne volslagen nederlaag toebracht. De Nederlanders , aldus meester van de zee gebleven, voerden tot teeken, dat zij die schoon geveegd hadden , een bezem op den mast.

Filits' zoon en opvolger , Karei, do stoute , was van eenen vurigen aard. Rusteloos en onverpoosd werkzaam, gnndo hij slechts weinige uren aan den slaap en was des morgens vóór alle andoren aan hot werk. Nooit scheen tij vermoeid, nooit kende hij vrees. De toegang tot zijn persoon stond aan ieder vrij ; hij hoorde naar al de klachten zijner onderdanen zonder onderscheid en deed recht zonder aanzien van persoon : de edellieden duchtten hem evenzeer als de burgers. Te Middelburg liet hij eenmaal in zijne tegenwoordigheid drie broeders onthoofden , die zich aan eenen manslag hadden schuldig gemaakt. Dit verwekte opschudding onder het volk; doch de Hertog schoot met zijne strijdbijl toe, en dadelijk was alles stil.

Ofschoon Eaeel veel hield van uiterlijke praal, was zijne eigen kleeding meestal zeer eenvoudig. Ju zijne houding jegens de grooten toonde hij zich trotsch en streng, doch ten opzichte van de goringeren was hij minzaam. Zekeren dag op de jacht verdwaald zijnde, kreeg hij honger en trad met den stadhouder van Holland eene armoedige hut binnen. Eene oude vrouw, die Karei. niet kende en hem misschien wel voor een knecht hield . zocht zonder toeven het beste uit haar huis bijoen en bood dit den stadhouder aan. Maar Kakel , die grooten

ocr page 99

91

honger liad , begon zich terstond te bedienen. „ Ach. heer, riep dc oade, men kan wel zien, dat gij weinig opvoeding genoten hebt, daar gij de hand naar den schotel uitsteekt vóór mijnheer den atadhonder.quot; Kakel begon te lachen, doch zweeg. Maar zijn jachtgezel zeide: ..Stil, stil , moedertje , gij weet zeker niet, dat die heer onze hertog van Bourgondic is.quot; Geheel ontsteld wierp zich de goede vrouw op de knieën en vroeg om vergiffenis. „ Sta op, voegde Kaeel haar minzaam toe, ik zie met genoegen, dat gij achting hebt voor mijnen stadhouder , ik zal voor u zorgen en u weldoen.quot;

Kaeel zou dus met deze schoone eigenschappen een zeer goed regent geweest zijn, doch zijne verregaande heerschzucht stortte hem in het ongeluk. Meenende, dat hem niets onmogelijk was, had hij het denkbeeld opgevat , om een Bourgondisch koninkrijk te stichten en zijne bezittingen tot aan de Middellandsche see uit te breiden. Ten einde dit plan te verwezenlijken . werden vele schatten verkwist, en om deze te bekomen moest Kaeel zijne toevlucht nemen tot drukkende belastingen. En toch bereikte de hertog ziju doel niet. Keizer ['quot;eedkkik Ut , die hem in de hoofdkerk van Trio- tot de koninklijke waardigheid zou verhellen, verliet heimelijk de stad in den nacht, die de kroning voorafging. Kaeel werd bovenmate vertoornd, toen hij zulks vernam; doch er was niets aan te doen. Hij trok dan naar Lotharhigcn , welks vorst hij verjoeg . en maakte zich vervolgens gereed om de Zwitsers te straffen , die den moedwil zijner stadhouders niet verdragen konden. Hij werd echter herhaalde malen door die liere bergbewoners geslagen, en vond op den 5 Januari 1477 onder de muren van Nancy het einde van zijn onrustig en woelziek leven. JJrie dagen daarna zag men eerst zijn lijk terug : het was op drie plaatsen gewond, en lag met het aangezicht in eenen modderpoel, waarin hij gestikt was, vastgevroren.

Mabia , de eenige dochter van den hertog, volgde baron vader in de moeilijkste omstandigheden op. De l' ransche koning betwistte haar een deel van hare staten ,

ocr page 100

gt;

quot;J2

fle geldmiddelen waren uitgeput, en eene groote menigte harer onderdanen schenen niet geneigd haar bijstand te verleenen, indien de vorstin hnn geene nieuwe voorrechten schonk , en de oude nog nader bevestigde. Mauia was dns genoodzaakt veel toe te geven. Zij verleende aan het volk het dusgenoemde grnole privilegie, en trad nog hetzelfde jaar in den echt met Maximtmaax van Oosienrijk, zoon van l'quot;i!edei!ik III. Ongelukkig stierf' zij reeds in 1182 ten gevolge van een val van het paard, latende de regeering aan haren eenigen zoon, Filips , bijgenaamd de Schoonquot;, onder voogdijschap van zijn vader Maxuui.iaan.

Ontaard gedrag van Adolf van Gelder.

Hertog A dn oud van Hg mond, die sinds 1423 het land van (ield'-r bestierde, leefde in gedurige spanning met zijne onderdanen. De immer aangroeiende tegenwerking der steden, de onophoudelijke verdeeldheden en klachten van allerlei aard deden hem menig verdrietig oogen-blik doorbrengen. Wat hem echter boven alles ter harte ging en zijn leed ten toppunt voerde, was de tweedracht in zijn eigen huisgezin. Adolf, zijn zoon, was bovenmate heerschzuchtig. De vader was i'eeds meermalen getuige geweest van zijne oproerige gezindheid , en had hem omftreeks 1462 als pelgrim naar het H. Land gezonden , in de hoop dat hij met hetero gevoelens vandaar zou wederkeeren , maar dit gebeurde niet. In 1463 teruggekomen, gaf hij eerlang nieuwe blijken zijner booze ziel. Twee broeders, die in hoedanigheid van boden voor den hertog naar Arnhem reisden, werden op last van den ontaarden zoon in de kerk van /ellem aangehouden , gebonden naar Mjmegen gevoerd en aldaar op de onrechtvaardigste wijze ter dood gebracht. Deze nieuwe wandaad griefde den vader zeer. Door tusschenkomst van zijn broeder Wtu.em van 'Egmond, liet hij zich echter bewegen.

ocr page 101

den ondankbare andermaal vergiüeuis te schenken. Nadat Adolt met al de uiterlijke teekenen van een oprecht berouw aan zijne voeten was gevallen, richtte do goede man hem vriendelijk op, en gaf hem de duidelijkste blijken zijner vaderlijke toegenegenheid.

Het bleek evenwel maar al te spoedig, dat de zoon een lage huichelaar was. Door medewerking zijner nietswaardige moeder had de booswicht in de voornaamste steden een grooten aanhang verworven. Hij wilde hiervan gebruik maken om zijn ouden vader heimelijk op te lichten en zelf de regeering over Gelder in handen te nemen. Dit schelmstuk werd den 10 Januari 1465 uit-\ gevoerd.' Te midden van een kouden winternacht, nadat vader en zoon in het paleis te Grave het feest der verzoening gevierd hadden, drongen drie verkleede dienaar? van Adolf met uitgetogen zwaard het slaapvertrek des grijsaards binnen, en rukten dezen op eene ruwe wijze uit zijn bed. De oude hertog, die meende, dat het slot door den vijand overrompeld was, riep met eene ontstelde stem zijn zoon Adolf. De booswicht kwam aanstonds Toegeloopeu , en zegde mot oen huichelend gelaat: „Ach vader, geef u maar over, het moet nu toch zoo wezen.quot; — „ Wat heb ik dan gedaan, om zoo behandeld te worden?quot; vraagde Aenotjd weder. Maar op een gegeven teeken werd de halfgekleede grijsaard over het ijs buiten de stad geleid. Aldaar stond een paard gereed om den hertog te vervoeren. Men wierp hem er haastig op, en bracht hem naar het slot te Buren, waar hij ruim vijf jaren moest doorbrengen.

Middelerwijl verwekte dit schandelijk gedrag van Aenoüds zoon eene algemeenc verontwaardiging. Paus Padluh II, vergeefs getracht hebbende den snooden Adoli-op eene zachte wijze tot betere gevoelens te brengen, deed hem in den ban en verzocht Kabel den Stouten , zich de zaak des vaders aan te trekken. Dit geschiedde. Do Bourgondische vorst liet in 1471 de beide partijen voor zich komen , en stelde Adolf voor, om zijn ouden vader den titel van hertog te laten en hem tevens een

ocr page 102

behoorlijk jaargeld te schenken, zullende hij zelf aln regent of verbeider het hertogdom besturen en al de voordeelen der regeering genieten. Maar de ontaarde zoon antwoordde, dat hij liever zijnen vader in eenen put zou werpen en zich zeiven er boven op, dan in zulke voorwaarden toe te stemmen. ,. Mijn vader, voegde hij er bij, is ruim veertig jaren hertog geweest; het wordt meer dan tijd, dat ik aan de beurt kom.quot; Wijl hij echter vreesde. dat Kakel dwangmiddelen zou gebruiken, verliet hij heimelijk het paleis en wilde, als monnik verkleed, naar Gelder wederkeeren: doch te Namen, erkend zijnde, werd hij gevat en op last van Ka het. te Vilooorden opgesloten.

De oude Abnoüd , nu niets meer te vreezen hebbende, trok in vrede naar zijn land, waar hij weldra denzelfden tegenstand ontmoette. Hij verpande daarom zijne staten aan Kabel den Stouten, vestigde zijn verblijf te Grace en stierf na een leven van kommer en ellende den 23 Februari 1473. Zijn booze zoon werd vier jaar later door de Gentenaars uit zijnen kerker verlost, en aan het hoofd van een leger gesteld , dat tegen de Franschen zou te velde trekken. Maar dit werd juist de oorzaak van zijn ongeluk. De Eeuw;ge Waarheid, die gezegd heeft: „Eert vader •'ti moeder, updat het u wclya quot; heeft ook verklaard, dat, „ al wie zijn vader of zijne moeder slaat of vloekt, moet *terve?r ; en deze laatste godspraak werd weldra letterlijk aan Adolv vervuld. In eene schermutseling met de Franschen werd hij onder de muren van Doornik doodelijk gewond, en door zijn paard naar de stad teruggesleept, waar hij ellendig den geest gaf.

ocr page 103

Het Oostenrijksche huis.

/ Gedurende het regentschap van Maximiliaan werden de Nederlandsche gewesten door herhaalde opschuddingen zwaar geteisterd. De Hoekschen, die van dag tot dag hun aanhang sterk zagen afnemen, beproefden eene laatste worsteling. Door hunne machtige tegenstanders uit het graafschap Holland verdreven, hielden zij zich veelal te Amersfoort op, en deden daar en in den omtrek veel kwaad. Op zekeren dag als naar gewoonte in de velden rondzwervende, bemerkten zij in de verte eene kleine bende Kabeljauwsche soldaten , IS of 19 man sterk , die zonder toeven werden nagezet. Met groote moeite geraakten de vervolgden uit de voeten, en verschansten zich met hunnen dapperen aanvoerder Jan van Schaffelaab in den toren van Barneeeld. Nauwelijks hadden de Hoekschen dit bemerkt, of zij kwamen hen belegeren. Van Schaffelaak verdedigde zich moedig tegen den steeds aangroeienden vijand; doch ziende dar er onmogelijk hulp te krijgen was, besloot hij met zijne vervolgers in onderhandeling te treden. ,3Ue Hoekschen eischten daarop, dat de belegerden hunnen aanvoerder door een der kijkgaten naar beneden zouden werpen, terwijl zij enkel op deze voorwaarde aan de anderen lijfsbehoud toezegden. De metgezellen van Van Schaffelaab. wezen echter dit aanbod met afschuw van de hand; doch de edele aanvoerder stond al gereed om het oflbr te brengen. „Spitsbroeders, riep hij , ik moet toch eens sterven ; ik wil u in geene

ongelegenheid brengen. Vaartwel.....quot; en — eer zijne

makkers hem konden tegenhouden , sprong hij naar beueden , waar hij door zijne verwoede vijanden wreedelijk werd afgemaakt.

Groot en edel vertoont zich de held, die zijn eigen leven voor dat zijner broeders opoffert; zijne nagedachtenis zal immer in zegening zijn.

Tien jaren lang gingen de Hoekschen voort het land in onrust te brengen. Jonker Fkans van Brederode

ocr page 104

'.»6

veroverde zelfs de stad Rullerdam , en maakle haar tot den schuillioek van alle misnoegden. Maar de plaats ging weldra voor de opstandelingen verloren. Bhedeeodio onderging eene geduchte nederlaag bij Hronioershaven, en stierf ten gevolge der bekomen wonden, terwijl een ander opperhoofd, Filips van Kxekf geheeten, de wijk naar Frankrijk nemen moest, waardoor de bloedige twisten tusschcn de Hoekse hen en Kabeljauwsehen voorgoed een einde namen.

In hetzelfde jaar (1492) werd ook de opstand van het dusgenoemde Eaas- en Broodvolk gedempt. Eenige Noord-Hollandsche landlieden , die uit hoofde van misgewas en zware belasting niet wisten, hoo zij hun gezin de noodige levensmiddelen zouden verschaffen , lieten kaas en brood op hunne vaandels schilderen , en brachten de ganscho streek in oproer. Zij richtten verschrikkelijke verwoestingen aan te Alkmaar, Hooru en 'Enkhuizen, maakten zich meester van Haarlem, vermoordden daar den burgemeester Van Kuiven met een zijner schepenen, en drongen verder tot bij Leiden door. Gelukkig werden zij in de nabijheid dezer stad door de geregelde troepen van Maximiliaan? bevelhebber, Albkecuï van Saksen, tot staan gebracht en geheel verslagen, zoodat er aan dit oproer spoedig oen einde kwam.

intnsschen was Maximiliaan na den dood zijns vaders keizer van Duitschland geworden, en liet de regeering over de \ederlanden aan zijn zoon Filips. De jonge vorsl werd in alle gewesten gehuldigd, behalve in Gelderland. Jn dit hertogdom heerschte sinds eenigen tijd de zoon van den beruchten Adolf, Kakel van Eg mond, die omtrent 40 jaren lang oen hardnekkigen strijd met de Aartshertogen van Oosienrijk te voeren had. In 1496 trad Ïilips de Schoone in het huwelijk met Joanna, dochter van Febdinand van Ar rag on en Isabella van Kasiilir. Door den dood zijner schoonmoeder in 1504 erfgenaam van hare staten geworden , vertrok hij eenigen tijd later naar Spanje, om de regeering over het koninkrijk Kasiilir op zich te nemen. Hij stierf te Buryos in het jaar 1500

ocr page 105

aan de gevolgen van oenen koudon dronk, dien liij nam, toen hij verhit was.

Zijn zoon Kabel II , als Duitsoh vorst meer bekend onder den naam van Karel V , kwam ovenals zijn vader onder de voogdij van keizer Maximiltaan , die het bestuur over deze landen aan zijne dochter Makoaueta opdroeg. Hij zorgde daarenboven op cene trefl'elijke wijze voor de opvoeding van den jongen prins , daar hij hem als leermeester gaf den verdienstelijken priester Adbianüs Flokiszoon Bovens van Utrecht, die later den pauselijken stoel beklom onder den naam van Adbianus VI.

Karei V.

Do jeugdige Kabel had nauwelijks den ouderdom van vijftien jaren bereikt, toon zijn grootvader hem reeds bekwaam oordeelde, om zelf als vorst op te'treden. JJoor don dood van FEEniSAND van Arragon in 151G koning van Spanje geworden, werd hij na het overlijden van Maximiliaan in 1519 tevens tot keizer van Duilschland gekozen, zoodat hij reeds op twintigjarigen leeftijd de voornaainsto vorst van Europa was.

Maar al die weroldsehe grootheid en luister schonken den grooten Kakel geen rust. Frans I, koning van Frankrijk, zijn mededinger naar de Duitsche heerschappij, gaf hem al aanstonds de handen vol werk. Gedurig door afgunst en jaloerschheid aangezet, kende Fbans geen grooter genoegen dan vreemde vorsten tegen den keizer op te ruien. Viermaal groep hij zelf naar het zwaard, doch viermaal word hij door Karel ook met hot zwaard tot rede gebracht. In den slag van Pavia door de troepen des keizers gevangen gemaakt, werd hij ongeveer een jaar lang te Madrid onder streng toezicht gehouden. Kabel van Kgmond, door den Franschen koning ondersteund , had mede de wapens opgevat. De Utreclitscke Bischop , Hendrik van Beieren , geene macht V. 7

ocr page 106

98

genoeg bezittende, om den Gelderauhen het hoofd te bieden, stond in 1528 Ooerijsel en Utrecht aan keizer Xahei, af. Groningen en Drente stelden zich mede onder de bescherming van het Oostenrijlische huis en onttrokken zich daardoor aan het gezag van den Gelderschen hertog, die zich haastte om vrede te maken.

-.Na den dood van Kahel van 'Egmond, die in 1538 kinderloos te sterven kwam , beproefde Willem van Gdlik om zijne aanspraken op diens hertogdom te doen gelden, doch de keizer trok tegen hem op en dwong hem tot afstand. Aldus vereenigde Kakel V in 1543 de zeventien Nederlandsche gewesten onder één bestuur.

Acht jaren vroeger had de vorst een tocht naar Afrika gedaan, ten einde de Mahomedanen te straflen, wegens de gewelddadigheden en zeerooverijen , waaraan zij zich plichtig maakten.

Wijl Kakel wist, van hoeveel belang het is, zijne onderdanen gade te slaan, bezocht hij dikwerf zijne legerplaats. Op zekeren nacht een schildwacht willende beproeven , hield hij zich alsof hij van den vijand kwam, en naderde zoo stil mogelijk. „ Werda!quot; riep do soldaat. „ Houd u stil, ik zal u gelukkig maken sprak Kabel met eene nagebootste stem. Doch de schildwacht loste zijn geweer, dat gelukkig zijn doel miste , maar Kakel in het vervolg voorzichtiger deed wezen. Ten einde zijne troepen aan te moedigen, ging de keizer ook soms voorop in het midden der voorhoede. Een zijner generaals , met recht voor zijn leven bevreesd, zeide hem eens: „Vorst, als veldheer beveel ik u, dat gij bij den standaard in het midden des legers gaat.quot; En Kabel gehoorzaamde zonder iets te zeggen1, ten einde de krijgstucht niet te verzwakken , welke hij zelf had ingevoerd. Niet lang daarna behaalde de vorst eene schitterende overwinning. Hij versloeg den aanvoerder der roovers en verloste te Tunis meer dan 20000 Christen slaven, die in zegepraal met den keizer naar hunne familiën wederkeerden

ocr page 107

9'J

]S a dit alles kreej; Karei, nog mei een geduchter vijand te kampen. Maarten Ldthee , Jan Kalvijn en andere nieuwigheidszoekeis hadden door hnnne verderfelijke dwalingen in kot geloof een groot gedeelte van Europa in oproer gebracht. Vele Duitsche prinsen, hnnne gevoelens toegedaan , voerden die nieuwe ongerijmdheden in hunne staten in, verbanden don katholieken godsdienst en zijne bedienaren en schaften deszelfs eeredienst en plechtigheden al. Deze omwenteling in het godsdienstige kreeg weldra een schoonen naam. Men noemde haar eene hervorming; doch daar men overtuigd was, dat de keizer eene zoodanige hervorming niet zou goedkeuren , sloten de afgevallen prinsen een verbond van onderlinge hulp en verdediging tegen ieder, die hen om geloofszaken zou aanranden. Het bleek weldra , dat zij zich niet vergist hadden. Keizer Kabel, die met waren ijver het geloof zijner vaderen voorstond, verzette zich krachtig tegen de verspreiding dier valsche leer. De protestanten vlogen nu te wapen, doch werden na verschillende kleine gevechten in 1547 geheel geslagen. De trouwelooze Matj-liixs van Saksen, welke zich eerst vóór, doch later tegen den keizer verklaarde , deed echter de oorlogskans eene andere wending nemen. Kakel zag zich in 1555 gedwongen eenen algemeenen godsdienstvrede toe te staan, die te Augsburg geteekend werd. Al deze tegenwerkingen en beslommeringen deden den vorst naar rust verlangen. Hij had, gelijk hij zelf getuigde, gedurende zijne veertigjarige regeering negen reizen naar Duitschland gedaan, zes naar Spanje, tien naar de Nederlanden, vier naar Frankrijk, twee naar Tingeland en twee naar Afrika. Bij dit alles had hij achtmaal de Middellandsche zee doorkruist en driemaal den Atlantisehen oceaan bevaren. Zooveel vermoeienissen en oorlogen hadden eindelijk zijne gezondheid gekrenkt, en hem het besluit doen nemen de regeering neder te leggen, ten einde zich in stille eenzaamheid tot den dood te kunnen voorbereiden.

Eene maand na het sluiten van den godsdienstvrede , stond hij te Brussel in eene plechtige vergadering de Ne-

ocr page 108

100

der landen aan zijn zoon Fii.ips af, terwijl hij hom. als een niet te verzuimen pliuht, de handhaving en do be-schermint; van het katholiek geloot'aanbeval. Driemaanden later schonk hij hom ook de koninkrijken Napels en Spanje mot al derzelver bezittingen, en zond de keizerlijke aioraden en kroon aan zijn broeder Ferdinand , die sinds eenige jaren tot Roomseh-koning verheven was.

In September 1556 stak Karel naar Spanje over en begaf zich in het klooster to ïuste in Eüremadura. Hier vergat hij , om zoo te zeggen , wat hij geweest was, en sleet zijnen tijd met wandelen, hot kweoken van boomen en planten , hot lezen van stichtelijke boeken, het bijwonen der godsdienstoefeningen en hot vervaardigen van allerlei kunstwerken. Hij bereidde zich mot den grootsten ijver tot een zalig einde voor, en liet zelfs kort voor zijnen dood in zijne tegonwoordighoid zijne uitvaart houden. Daags daarna overviel hem eene koorts , waaraan hij den 21 September 1558 in de gevoelens van een waar christen overleed.

De Wederdoopers.

Niettegenstaande de loffelijke pogingen van Kakel V om den voortgang der zoogenaamde hervorming te stuiten, en zijne Nodorlandsche onderdanen tegen het vergift der nieuwe ketterij te behoeden, vond de valscho leer allengs ook hier hare aanhangers. De Wederdoopers, eene zeer oproerige en woelzieke sekte, die zich door geestdrijverij en buitensporigheid boven al do andere van haren tijd onderscheidde, waren reeds vroeg bekend.

David Jouis , in 1501 te Delft geboren, wilde op 24-jarigen leeftijd het volk doen gelooven , dat hij de ware Messias, de derde David was. De Hemel, zeide hij, stond ledig , en nu was hij naar do aarde afgezonden om bewoners voor dit eeuwige rijk aan te werven. Indien

ocr page 109

101

men hem gelooven mocht , dan werd ieder, die zijne leer aannam, onfeilbaar gelukkig, hoedanig voor het overige ook zijne levenswijze was. Het eenige wat men te doen had, was een tweede doopsel te ontvangen; moer werd daartoe niet vereiseht.

Na vele menschen bedrogen en verleid te hebben , werd hij op last der regeering gegeeseld en verbannen, zoodat hij verplicht was do wijk naar Zwitserland te nemen , waar hij in 1556 overleed.

De Wederdoopers vonden evenwel spoedig een ander hoofd. Jan Matthijszoon . een bakker uit Haarlem , die voor Mozes wilde doorgaan , verbond zich met Jan Bethels , een kleermaker van Leiden, om het volk te bedriegen. In 1534. bemachtigden zij bij verrassing do bisschoppelijke stad Munster en plnndeiden daar de. voornaamste Imizen en kerken. Jan Bkukels deed zich. vervolgens tot koning van Sion uitroepen. Hij zette eene gonden kroon op, kleedde zich in zwart fluweel, dat rijk met edelgesteenten was versierd, en hing eene groote gouden keten om , die op den rechterschouder vastgemaakt, schuins over het lijf langs de linkerzijde afhing. Met gouden sporen aan, reed hij op een rijk getooid paard door de stad , gevolgd door een grooten stoet en voorafgegaan van twee bedienden , waarvan de eene een bijbel droeg, en de andere een ontbloot zwaard, om ieder, die niet voor den koning boog, het hoofd af te slaan. Zijne eerzucht aldus bevredigd ziende, zond hij eenige mannen uit, om ook in de voornaamste steden van Nederland de overhand te krijgen, hetgeen eehter door de waakzaamheid der hooge overheid mislukte. Te Amsterdam, Leiden, Dordrecht, Deventer en elders, waar de Wederdoopers geheime vergaderingen hielden, werden dezelve van regeeringswege verboden , verscheidenen werden gebannen en sommigen zelfs met den dood gestraft. Dit verwekte op eenige plaatsen eene gevaarlijke beweging. De stad Amsterdam, werd door een zoogenaamd profeet, Dirk dk Snijdee, geheel in rep en roer gebracht. Hij liep met nog twaalf anderen , als waanzinnigen over

ocr page 110

102

de straat, gedurig roepende: Wee! wee! de wraak Gods! de wraak Gods! Doch de wraak Gods trof hen zeiven eerder dan zij gedacht hadden. Zij vielen allen in de handen van het gerecht en werden zoowel om hunne schending der openbare rust, als om andere nog veel zwaardere gruweldaden ter dood veroordeeld.

Ook het rijk van Jan Beckels te Munster viel weldra in duigen. Terwijl de stad door een talrijk leger werd ingesloten, hielden de dwepers nog schouwspelen en luidruchtige feesten en paaiden het volk met ijdele beloften en eene hersenschimmige hulp uit den Hemel. Doch deze daagde niet op. Den 23 Juni 1535 werd de stad hernomen, en Jan Beukels geraakte levend in de macht der overwinnaars. Dezen voerden hem een tijd lang als een zeldzaam dier van stad tot stad rond, en brachten hem vervolgens naar Munster terug, waar hij wreedelijk ter dood gebracht werd. Zijn lijk werd in eone ijzeren kooi, die men heden nog zien kan, aan een der torens opgehangen. Aldus ging het kortstondig rijk der NVederdoopers te niet. Sinds dien tijd hielden zij zich meestal schuil, verspreidden hunne leer in het geheim en werden eerlang vervangen door de K.alvinisten , die zulk eene geduchte rol in de gebeurtenissen van die dagen gespeeld hebben.

De gelukzalige Petrus C a n i s i u s.

De naam van dozen beroemden Nederlander is u zonder twijfel bekend. Op den 8 Mei 1521 te Nijruegeu geboren , scheen hij reeds in zijne jeugd tot iets groots bestemd. Hij was bovenmate levendig en vurig van geest, oprecht in woorden en handelingen, beminnelijk in zijnen omgang en van eene engelachtige zoetaardigheid. In spelen en. beuzelachtige vermaken vond hij weinig genoegen; ziju grootste lust bestond in bidden en studeeren: hij zou

ocr page 111

103

er zijne nachtrust aan opgeotferd hebben. Hierdoor kwam het ook, dat hij in latere jaren als een wonder van deugd en geleerdheid beschouwd werd. Zoodra Canisios den ouderdom van 22 jaren bereikt had , trad hij in dc orde der Jezuïeten, en twee jaren later werd hij priester. Thans begon voor onzen grooten landgenoot die loopbaan van opoficring en arbeid, die eerst bij zijnen dood in 1597 een einde nam. Meer dan 50 jaren lang ging hij als een ware Apostel in alle streken van Duilschlaudrond. Oostenrijk , Bohemcn , Hongarije, Tyrol, Beieren, de Rijn-provincicn, ja zelfs Polen en Zwitserland zagen hem binnen hunne grenzen. Vijfmaal kwam hij in Italië en te Rome, eens te Messina op Sicilië, en als verkondiger van Gods H. Woord ook eenmaal te Nijmegen, zijne vaderstad. In het midden van den winter reisde hij dikwijls langs wegen, door sneeuw en ijs onbegaanbaar geworden , en huisde en at met arme landlieden , met herders of houthakkers. Voor kleeding en onderhoud des liohaams was de vrome priester het minst bezorgd. Hiervan gaf' hij een schoon bewijs in 15(35, bij gelegenheid dat hij zijne geboorteplaats bezocht. Zoodra hij te Nijmegen aankwam, snelden zijne broeders en bloedverwanten hem te gemoet, en verzochten hem dringend, dat hij bij hen zijnen intrek zou nemen; maar de heilige man bedankte hen vriendelijk , en ging als een arme pelgrim naar het algemeen gasthuis. Hij bleet' daar acht volle dagen, predikte bijna dagelijks voor het volk en hoorde, de biecht van allen, die tot hem kwamen. Zijne bloedverwanten, g sticht door zijne liefde en zijnen ijver, wilden hem nu ten minste een feestmaal bereiden , en twistten onder elkander wie hem het eerst aan tafel zou hebben. Canisics maakte aan den strijd een einde , zeggende , dat hij hun verzoek aannam, op voorwaarde , dat ieder zijn aandeel naar het gasthuis zou brengen om daar gezamenlijk te spijzigen. Bij het aanbreken van den bepaalden dag predikte de eerbiedwaardige man eerst voor de zieken, hoorde hunne biecht en gaf aan allen de H. Communie. Op het uur van den maaltijd diende hij met al zijne bloedverwanten die

ocr page 112

104

ongelulikigen , en schonk hun het grootste eu beste van hetgeen er aangebracht was. Daarna zette hij zich met de zijnen aan een sober maal en hield niet op hen te vermanen , nooit een ander doel te hebban dan God , en immer getrouw te blijven aan het geloof hunner voorvaderen , dat hen alleen gelukkig kon maken.

Dequot; ijver van Canisius kende geene grenzen. Gansche steden en provinciën waren aan hem het behoud des geloofs of den terugkeer tot de Katholieke Kerk verschuldigd. Hij predikte in de steden en in de dorpen , vermaande en onderrichtte de verdwaalden, schreef boeken en verhandelingen over het geloof en dit alles met het geze-gendste gevolg. Op drie verschillende rijksdagen voerde hij het woord voor de vorsten en grooten des lands en moedigde hen aan om den overmoed der nieawsgezinden te beteugelen. Te Worms trad hij openlijk met de hoofden der ketterij in eenen woordenstrijd, en bracht hen door zijne geleerdheid zoozeer in het nauw , dat zij als waanzinnig werden en in de grootste wanorde uiteenliepen.

Woedend over zulk eene nederlaag , strooiden nu die hatelijke lieden allerlei lasteringen en verdichtsels wegens Cajjisius onder het volk uit. Meermalen legden zij zich in hinderlagen om hem te vermoorden ; zij hitsten het gemeene volk tegen hem op ; en onophoudelijk moest de dienaar Gods de grofste mishandelingen verduren. Op zekeren dag in eene kleine stad aangekomen , werd hij onder schoppen en slagen schandelijk uit de kerk gejaagd. In eene andere plaats wierp men hem met steenen naar het hoofd en bracht hem onderscheidene wonden toe. Hier met slijk en vuiligheid overdekt, daar op eene onwaardige wijze aangevallen , scheen de deugdzame priester nergens meer veilig , en keizer Ferdinand , die hem ongaarne zou verloren hebben, achtte zich verplicht hem eene lijfwacht te geven , ten einde den onverschrokken prediker voor de listen zijner vijanden te behoeden. De nederige Canisiüs liet zich dit welgevallen , doch was overigens voor zijn leven niet bevreesd. „ Ach , hoe gaarne, zeide hij op zekeren dag ,

ocr page 113

105

zou ik mijn leven geven voor Jezus Cheistus en voor het heil van dit volk ! Maar, voegde hij er bij , ik hen znlk eene eer niet waardig.quot;

Door ouderdom en arbeid nitgeput, stierf eindelijk de vrome man te Freiburg in Zwitserland den 21 December 1597. Hij werd den 11 Augustus 1861 door Z. H. Pirs IX onder het getal der zaligen opgenomen.

Filips il. Zijn verblijf in de Nederlanden.

Filips III, als koning van Spanje meestal Filips II genoemd, was reeds in den aanvang zijner regeering niet gezien. De nieuwe vorst had evenals zijn vader een goed hart en goede bedoelingen. Hij was zacht van aard, rechtvaardig, mild. werkzaam en bij uitstek godsdienstig. Bij voorvallen , die velen in hev'gen toorn hadden doen opstuiven, bleef hij gewoonlijk kalm. Zoo had hij eens den ganschen nacht met een zijner geheimschrijvers gewerkt, om eonige stukken, waarbij spoed vereisoht werd, naar Frankrijk te kunnen afzenden, toen de geheimschrijver bij ongeluk over het laatste en gewichtigste vel den inktkoker in plaats van den zandkoker uitstortte. Zonder boos te worden nam de koning de beide voorwerpen in de hand, hield hem die voor de oogen, en zeide heel bedaard: „Zie, dit is de inktkoker, en dat is de zandkoker.quot;

Voor het overige bezat Filips een geheel ander karakter dan zijn vader. Hij was geheel Spanjaard. In 1527 te Valladolid geboren , had hij het grootste gedeelte zijner jeugd in Spanje doorgebracht; hij ging immer op zijn Spaansch gekleed, volgde in alles de Spaansche manieren en was zelfs in Nederland altijd door Spanjaarden omringd. Gedurende zijn verblijf alhier deed hij veel moeite, om zich naar den volksaard te schikken en zich aangenaam te maken , doch kon daarin niet slagen. De Nederland-sche edelen vonden weinig genoegen bij hem. Hij was

ocr page 114

106

naar hun zin te statig, te afgetrokken, vol van mistrouwen jegens ieder, dien hij niet wel kende en daardoor moeilijk te naderen. ]n zijne woorden was hij uiterst karig; zelden zou hij iets te veel zeggen. Dit kwam echter voornamelijk daaruit voort, dat hij in de landtaal niet goed bedreven was en zich derhalve niet gemakkelijk kon uitdrukken. In Spanje toonde hij zich ook geheel anders. Daar was hij lieftallig en aangenaam in den omgang, vooral ten opzichte van de edelen , aan wier feesten hij dikwijls deelnam.

Nauwelijks had de nieuwe koning eenigen tijd de regeering in handen, of hij geraakte in oorlog met de Fransehen. In dezen strijd werd Filips getrouw door den Neder-landschen adel bijgestaan, en had hij het geluk volkomen te zegevieren. De eerste veldslag viel voor bij Sint-Quentin op het feest van den II. Lauhentiüs in 1557. De koning nam aan denzelven geen werkelijk deel. Terwijl zijne soldaten aan het vechten waren, lag hij ootmoedig in eene kapel te bidden, ten volle overtuigd dat de zege alleen van God kan komen. De Kranschen werden geslagen en moesten met een zwaar verlies terugtrekken. Deze eerste overwinning werd door eene andere gevolgd. Bijgestaan door een twaalftal Engelsche schepen , bracht Lamokaal , graaf van Ec/mond, in den loop des volgenden jaars den vijand zulk eene geduchte nederlaag bij Greoel'.nge» toe, dat de i'ransi-he veldheer gevangengenomen en ziju gansche leger vernietigd werd. Egmond zelf verloor bij die gelegenheid nauwelijks 500 man.

Kadat de vrede in 1550 hersteld was. maakte Filii-s zijne toebereidselen om naar Spanje te vertrekken. Tegen den zin van Willem van Oranje, dien wij in de volgende les nader zullen leeren kennen, en die met een begeerig oog naar de hoogste posten uitzag, benoemde de koning zijne zuster Maugaeeta van l'arma tot landvoogdes over de Nederlanden , terwijl hij een Raad van State aanstelde, om haar in het bestuur behulpzaam te zijn. Bovendien moest zij in zaken, die spoed vereischten , drie voorname personen raadplegen : Gkanvelle , een der grootste sta:al-

ocr page 115

107

kundigeii zijner eetiw, later Aartsbisschop van Meckeleu, Vi-gf.n , een vermaard rechtsgeleerde, en Karel ÜAiiLAisioHT.

ï rrs voorzag verder in het bestnur der onderscheidene prov.nciën, hetzij door do aanstelling van nienwe stadhouders , hetzij door de bevestiging van dezulken , welke reeds vroeger benoemd \va ren. Vlaanderen en Artois vertrouwde hij aan den graaf van Egniaiul: Holland, Zeeland en Utrecht aan den prins van Oranje, en zoo met de andere quot;gewesten. Na aldus de zaken geregeld te hebben, beriep de koning een landdag te Gent, waar hem een groot ongenoegen wachtte. Ingeblazen door den prins van Oranje, verzochten de Staten bij monde van den advocaat Bokluut, dat het den vorst behagen mocht alle vreemde krijgslieden af te danken of te verwijderen, en onze grenssteden enkel door inboorlingen te laten bewaren. Dit doelde natuurlijk op de Spanjaards, welke Filips in den vorigen oorlog gebruikt had, en die hij tot meerdere veiligheid der burgers in het land wilde achterlaten.

Eene dusdanige vraag stiet den koning tegen do borst, „Waarom spreekt men ook niet van mij af te danken, die hier insgelijks een vreemdeling en een Spanjaard ben ?quot; riep hij uit, terwijl hij opstond en de vergaderzaal verliet.

De vorst bedaarde echter spoedig, en beloofde, dat hij het volk genoegen zou geven. Daarop nam hij afscheid van zijne Nederlandache onderdanen, en vertrok met een groot gevolg naar Vlisuugcn., waar hij zich met de eerste gunstige gelegenheid naar Spanje inscheepte.

Willem I. prins van Oranje.

Willioi 1 , prins van Oranje. graaf van Nassau en heer van onderscheidene plaatsen in Nederland, werd den 14 April 1533 te Dillenburg in Nassau geboren. Zijn vader was Willem, graaf van Nassau-Dillenburg, en zijne moeder Juliana van Stolberg , die beiden de Luthersche dwaling waren toegedaan. Zij toonden zich daarom ook zeer

ocr page 116

108

vijandig jegens de Katholieken eu duldden niet, dat hunne kinderen andere dan Lutersehe leermeesters hadden. Op elfjarigen leeftijd kwam de jeugdige Willem evenwel aan het hot' van Kahel V te Brussel, en werd sinds dien tijd in den waren godsdienst opgevoed. Door zijne bevallige manieren won de prins weldra de liefde van zijnen grooten meester, die er meermalen vermaak in vond , den veelhelovenden jongeling zelf te onderrichten. Toen hij een en twintig jaar oud was, stelde de keizer hem reeds aan het hoofd van eenige troepen , die tegen de Fransehen moesten te velde trekken. Hij gat hem zelts de voorkeur boven eenige oudere veldheeren , die hun leven in het kamp gesleten hadden.

Koning Filips behandelde den gunsteling zijns vaders met niet minder onderscheiding. Hij stelde hem niet slechts tot stadhouder aan over Holland, Zeeland en Utrecht, maar benoemde hem daarbij nog tot lid van den staatsraad , om hem door deze gunstbewijzen voor zijne belangen te winnen ; maar dit was onmogelijk.

Prins Willem was bovenmate trotsch en heerschzuchtig. Zoolang hij onderdaan moest blijven , scheen hij niet voldaan ; hij moest gebieder wezen ; dit alleen kon zijne eerzucht tevreden stellen. Om tot dit doel te komen, gebruikte hij allerlei middelen, voegde zich naar alle omstandigheden , nam hier deze , daar geene gedaante aan , al naar het hem dienstig toescheen. In de kunst om menschen naar zijnen wil te voegen en de harten des volks te winnen, werd hij door niemand overtroffen. Als hij sprak, wist hij iedereen te boeien en mede te sleepen. Hij was beleefd, mild, prachtig in zijn manier van leven, had niets terugstootends, noch zag minachtend op iemand neder. Hij scheen zelfs voor zijne minderen de hem aangeborene trotschheid af te leggen , toonde zich zeer gemeenzaam in omgang en gesprek , en wist ook aan den geringsten man de eer te geven , die dezen toekwam.

Zijn eigen voordeel stelde hij immer voor de belangen van zijn vorst of van het land. In de vergadering der Staten werkte hij gewoonlijk de goede bedoelingen des

ocr page 117

109

konings legen , ofschoon hij daar nooit openlijk roor uit durfde komen. Jn da kunst van veinzen on het uitdenken van looze streken kon hij aan elk zijner tijd-genootcMi tot meester dienen.

Fii.ips il liegreep dit reeds in 1559, eer li ij deze landen verliiien i.-i.l. Men verhaalt namelijk, dat toen de vorst te VU^iiujan «as en zioh naar de haven begaf om scheep te gaan, hij , gelijk het betaamde, uitgeleid werd door zijne zuster Mahgareta en de voornaamste hoeren des lands welke zich in twee rijen schaarden om hem bij het doorgaan den afscheidsgroet te geven. Onder hen stond ook de prins van Oranje, welke door den koning aangesproken werd. Iulips verweet hem onder andere, dat hij door heimelijke streken de plannen zijns meesters tegengewerkt had. De prins, een weinig verlegen, antwoordde op zachten toon , dat zulks niet aan hem, maar aan de Staten te wijten was. ., Neen , neen , hernam de koning , hem de hand schuddende , de Staten niet, maar gij . g'j - gij alleen.'quot;

Daar Willem voor niemand onder wilde doen , leefde hij te Brussel als een vorst van don eersten rang. Hij had tot zijnen dienst 21 edellieden , 18 hofjonkers en zooveels koks, dat hij er eens bij wijze van bezuiniging acht en twintig wegzond. Daarenboven hield hij den geheelen dag open tafel voor een stoet van vrienden en dienaren, wier getal met den dag toenam. Allo uitheem-sohe en Nederlandsche edelen, regenten van steden en voorname burgers , die aan het hof der landvoogdes iets te verrichten hadden, genoten vrijen toegang tot hem en werden op do minzaamste wijze onthaald.

Wat het punt van godsdienst betreft, hierin toonde Willem zich vrij onverschillig. „Wanneer het te doen is om de macht in handen te krijgen , moet men zooveel niet om den godsdienst geven,quot; schreef hij aan een .Fransehen prins , en hierin schijnt zijne gezindheid duidelijk genoeg uit. Om iedereen tot vriend te houden scheen hij aanvankelijk met de Eoomschen lioomsch en met de Luthorschon Luthersch ; doch in 1573 ging hij tot de Kal-

ocr page 118

110

vinigtcn over, wijl deze partij hem do stoutmoedigste solieen en do meeste kans van slagen gaf. Groot zijn en heerschen, ziedaar het eenige dool van al zijne handelingen.

Nauwelijks was Filips naar Spanje vertrokken oiNederland geraakte ter prooi aan hevige onlusten. Uiterlijk keurde de Zwijger (aldus werd de prins ook genoemd, wijl hij zijne plannen zoo goed verborgen wist to houden,) elke daad van opstand af, en strafte zelfs eenige muitelingen met den dood , doch in het geheim blies hij het vuur des oproers aan , en was de ziel van alles , wat er tegen den koning gesmeed werd.

Margareta van Parma. Samenspanning der grooten tegen G r a n v e 11 e. Smeekschrift der edelen. Beeldstormerij.

De nieuwe landvoogdes geraakte weldra in de moeilijkste omstandigheden. Vóór zijn vertrek had de koning ten sterkste aangedrongen op de handhaving van alle plakkaten of wetten, tijdens de regeering zijns vaders tegen de ketters uitgevaardigd; ook had hij tot behoud van den Katholieken godsdienst voor de oprichting van veertien nieuwe bisdommen gezorgd. Deze beide maatregelen mishaagden aan de nieuwgezinden en zelfs aan vele trefl'elijke Katholieken ; waarvan eenige grooten des lands met Okaïjje aan het hoofd gebruik maakten, om de gemoederen tot onrust te brengen , en de menigte op te ruien, ten einde daarna zelf in troebel water te kunnen visschen. Zij beschouwden Geanvetj.e , die met bijzonderen ijver de belangen des konings en der Nederlanders ter harte nam , en die door zijne waardigheid als Kardinaal en Aartsbisschop van Mechelen ver boven hen verheven was, als de voornaamste oorzaak van deze verordeningen. Altijd op zijn post en altijd werkzaam en oplettend, kon de Kerkvoogd ook door niemand bedrogen

ocr page 119

Ill

of misleid worden. Menigmaal wist hij zelfs de geheime listen cn kuiperijen van Ouanju en diens aanhang te raden en aan het licht te brengen, zoodat hij hun weldra tot last werd. Do prins verbond zü'h daarom met de graven van Egmond en Boorne om den Kardinaal tegen te werken en hem nit het land te doen verwijderen. In korten tijd waren allerlei leugens cn verdichtsels onder het volk verspreid. Men sprak alom van benlen en moordschavotten , van Spaansche inquisitie en brandstapels, welke de koning eerstdaags op verzoek van zijnen Minister tegen de onschuldige Nederlanders zou doen woeden. Spotprenten , schimpschriften , gemeene liedjes , niets werd gespaard om den Kardinaal in minachting te brengen. Herhaalde malen dienden de misnoegden klachten in bij koning Fir.ips , en verzochten hem Grax-velle terug te roepen. Maar de Spaansche vorst weigerde langen tijd hun hierin te voldoen; hij antwoordde, dat hij niet gewoon was een dienaar zonder goede reden te ontslaan. Sa lang dralen en op het dringend aanzoek van Maeraeeta en van den Kardinaal zeiven, gaf Fiups einde-, lijk toe, en Gbanvelle verliet in 1561, de Nederlanden.

Oogenschijnlijk was nu het land in rust. Obakje , Eomond en Hoohne , die zich uit haat tegen 's konings Minister uit den raad verwijderd hadden, keerden thans terug, en betuigden aan de landvoogdes, dat de zaken nu weldra een geheel ander aanzien zouden krijgen , wijl alles veel beter zoude gaan. Maegabeta van 1'arma sloeg lichtvaardig geloof aan deze schoone betuigingen , maar zij werd deerlijk teleurgesteld. Wijl de koning, gelijk zijn plicht het vorderde , immer onverzettelijk bleef op het handhaven van den Katholieken godsdienst, en den voortgang der ketterij niet wilde gedoogen , zag men weldra andere tooneelen.

Op den 6 April 156G trokken ongeveer 300 edelen, onder aanvoering van Mexdbik van Brederode en Lodewltk van Nassau, broeder van Willem van Oranje, naar het paleis der hertogin te Brussel, en boden de landvoogdes een smeekschrift aan , waarin zij ?p de afschaffing der straf-

ocr page 120

112

wetten tegen de ketters en andere zoogenaamde grieven aandrongen. Mabgaeeta gaf ten antwoord , dat het niet in hare macht was deze bede in te willigen, maar dat zij hun verzoek ten spoedigste aan den koning zou voorstellen. In afwachting daarvan zou zij bij de rechtbanken op meer zachtheid aandringen , opdat niemand te klagen hadde.

Toen de landvoogdes de edelen had zien binnenkomen, was zij een weinig ontsteld geworden. Met ontroering bemerkte zij , dat het meestal vrienden en aanhangers van Oeanje waren , zoodat zij geen woord kon uitbrengen , en de tranen haar in de oogen stonden. Om haar gerust te stellen, zeide de graaf van Barlaimonl in het Fransch : „ Vrees niet. Mevrouw, het zijn maar geuzen, of bedelaars, die iets komeu verzoeken.quot; In plaats van zich door dien scheldnaam beleedigd te achten, schenen de edelen er door vereerd te zijn. Gedurende eenen maaltijd , welken zij nog dienzelfden dag te zamen hielden , dronken zij gestadig op de gezondheid der geuzen. Ouanje, Egmond en Hoobne , die tegen het einde van het feest ook binnenkwamen , werden onder een luid geroep van : „ Leve de koning! Leve de geuzen ontvangen, en mochten niet heengaan, dan nadat zij evenals de anderen uit don houten nap van Hekdmk van Hrcderodc gedronken hadden. Om hunne ingenomenheid met dien schoo-uen naam nog meer aan den dag te leggen , vonden de edelen zelfs eene spreuk uit, die later op eeno looden of tinnen medalje gegraveerd, hunne borst versierde. Aan den eenen kant der medalje zag men het beeld van den vorst met de woorden : Getrouw aan den koning ; aan den andere, twee samengevoegde handen en een bedelzak , met het overige der spreuk : tot, aan den bedelzak. Deze medalje droeg don naam van geuzenorde. Sedert dien tijd werden ook de Kalvinisten vooral in de Noordelijke provinciën meestal geuzen genoemd, zoodat geuzen en Kalvinisten woorden van dezelfde betcokenis waren. Y Niet lang na deze gebeurtenis, traden de dwaalleeraars voorgoed op. Jeder, die maar spreken kon en durfde, gaf zich voor predikant uit. Hoedenmakers, leerlooiers ,

ocr page 121

113

blauwververs en andere ambachtslieden, wierpen hnnne gereedschappen weg en liepen steden en dorpen af, om, gelijk zij voorgaven, het znivere Evangelie te verkondigen. Evenals vroegere ketters schaften zij alles af, wat den rnensch natuurlijk tegenstrijdt; zij verwierpen niet alleen de H. Mis, maar ook het vasten, het biechten en andere zaken, die gewoonlijk aan de tragen tot grooten laat verstrekken. Daarbij vergaten zij niet, hevig over do gebreken der geestelijken uit te varen. Wie van hen het best kon schelden op de priesters en den Katholieken godsdienst, werd het liefst aangehoord. V erbazend was ook het aantal menschen, dat die preeken bijwoonde. Te Antwerpen zag men er eens 18000 bij elkander. De hoofden van die arme lieden geraakten eindelijk geheel op hol. Men had hun wijs gemaakt, dat de Katholieken allen afgodendienaars waren , wijl zij de voorspraak der Heiligen inriepen en hunne overblijfsels en beelden vereerden. Het onwetende volk hechtte geloof aan deze ongerijmdheden, en de Kalvinisten wisten hiervan op eene looze wijze gebruik te maken, om hunne woede tegen de Roomschgezinden bot te vieren. In do maand Augustus 1566 verwoestten zij in Vlaanderen alleen in den tijd van 10 dagen meer dan 400 kerken. Alles wat heilig en eerbiedwaardig was , sloegen zij aan stukken : de beelden werden verbrijzeld, de kostbare priestergewaden verbrand, de biecht- en predikstoelen omvergehaald , de heilige Hostiën op den grond geworpen eu vertreden, de grafplaatsen onteerd , de kostbare gedenkstukken der kunst vernield : in een woord, de razernij was zoo groot, dat ieder meende de Noormannen der negende eeuw terug te zien. , Van Vlaanderen sloeg het kwaad over naar Antwerpen, waar de dolzinnigen in de Lieve-Viouwekerk alleen, voor 400000 dukaten schade aanrichtten ; vervolgens naar Mec.helen , Doornik en andere plaatsen; eindelijk naar 's-Bosch en zoo over geheel Noord-Nederland. In Amsterdam begon de beeldstormerij den 23 Augustus. De schout met een zijner dienaren poogden V. 8

ocr page 122

114

de kwaadwilligen uiteen te jagen , maar hunne krachten schoten te kort. De ketters drongen de kerk en het klooster der Minderbroeders binnen en joegen de monniken met stokslagen er uit. Daarna liepen zij de andere heiligdommen at', en kwamen met groot gedruiscli in de kerk, waar het H. Sacrament van Mirakel bewaard werd. Hier ontmoetten zij evenwel een hevigen tegenstand. Eene menigte vrouwen, toegesneld om het H. Sacrament te verdedigen, schaarden zich manmoedig rondom het altaar en verklaarden, liever op de plaats te willen sterven , dan toe te laten , dat het Allerheiligste Sacrament onteerd werd. Hierdoor verschrikt, verlieten do ketters in alle stilte de kerk, en het heiligdom bleef verschoond. Dit schoone voorbeeld vond echter weinig navolging. Vlrechl, Leiden, Groningen, Leeuwarden en honderden andere pla atsen zagen weldra dezelfde tooneelen; op het eiland Walcheren bleef zelfs niet eéne kerk in haar geheel.

Zoodra de koning van Spanje door de brieven van Margaketa van dit alles bericht gekregen had, was zijn geduld ten einde. Hij zond den hertog van Aha, die bij zijne uitstekende bekwaamheden als veldheer, eene uiterst gestrenge en trotsche inborst voegde, met een leger van 10000 man naar Nederland, om de oproerigen en kerkschenders te straffen. De prins van Oranje, voor zich zeiven het ergste vreezende, legde zonder toeven zijne posten neder en week naar zijne Duitsche staten , terwijl de graaf van Itymond, te veel op 's konings goedwilligheid vertrouwende , in deze landen achterbleef.

ocr page 123

115

Eerste daden van A I v a.

De aankomst van dezen geducliten veldheer w as niet zeer gewenscht. Velen, die aan de vorige woelingen hadden deelgenomen , verlieten het land ol zochten eene schnilplaats in de bossehen van Vlaanderen en Henegouwen , vanwaar zij hunne woede tegen de priesters en koninklijke rechtsbeambten bot vierden.

Intusschen had Alva de graven van Egmond en Hoorne doen aanhouden en naar het kasteel van Gent overvoeren. Maegabeta , welke door deze daad haar gezag miskend aehtte, legde hare betrekking neder en vertrok, terwijl Alva hare plaats innam. Hij stelde aanstonds een Raad van Beroerte in , welke onderzoek moest doen naar alles, wat op de vorige onlusten en beroerten betrekking had. De prins van Oranje en andere aanzienlijken , die in het buitenland omzwierven, werden gedagvaard om binnen zes weken te Brussel voor den hertog te verschijnen, ten einde zich over de hun te last gelegde misdaden te verantwoorden. Daar echter niet een hunner aan de oproeping voldeed, werden zij ton eeuwigen dage gebannen en al hunne goederen verbeurd verklaard. Filips Willeji , Ohanje's oudste zoon , die te Leuven studeerde, werd daarenboven door den hertog opgelicht en naar Spanje gezonden, waar hij volgens zijnen stand en rang onderhouden en door koning filu's , die bij het Doopsel zijn peter geweest was , steeds minzaam behandeld werd.

De prins van Oranje meende nu een voorwendsel te hebben om het zwaard tegen zijnen heer te kunnen aangorden. Hij verzamelde in aller haast een leger en zond zijn broeder, Lodewijk van Nassau, met 6000 man naar Groningen. Deze versloeg den 23 Mei löOS, in de nabijheid van hot klooster te Heiligerlee, de Spanjaarden, die door Aeembekg werden aangevoerd. Aeembebg zelf schoot er het loven bij in, zoowel als Adolf van Nassau, die zijn broeder Lodewijk aan het hoofd van 200 ruiters gevolgd was.

ocr page 124

11(3

Zoodra Alva het bericht van deze nederlaas; ontving, maakte hij toebereidselen om zijne tegenstrevers in persoon te gaan bevechten. Voor hij echter Brussel verliet, deed hij den 1 Juni negentien gevangen edellieden op het schavot ter dood brengen. Vier dagen later trof ook hetzelfde lot de graven van Egmond en Hoorne ; hnnne hoofden bleven eenigen tijd op staken ten toon gesteld, docli daarna weggenomen zijnde, werden hunne lijken naar ieders bijzondere heerlijkheid overgebracht , om daar begraven te worden.

De dood van deze twee groote mannen stortte geheel Nederland in rouw. Egmond vooral werd diep betreurd. Hij was de lieveling des volks , een edelmoedig en goedaardig man en innig gehecht aan zijn vaderland. Alva zelf, die slechts blindelings de bevelen zijns meesters volbracht, kon zijne tranen niet wederhouden , toen het vonnis voltrokken werd.

Eenige dagen na daze bloedige terechtstelling toog de landvoogd naar de jN'oordelijke provinciën om Lodewijk van Nassau op te zoeken. Hij vond dezen met zijne troepen te JenmingeH aan de Eems, tastte hem zonder toeven aan en versloeg hem geheel en al. Zeven duizend manschappen van Lodewmk's hulpbenden kwamen op het veld of in het water om, en zestien stukken geschut, benepens eene menigte vaandels en de geheele voorraad van levensmiddelen vielen in de handen der overwinnaars, terwijl Okakje's broeder zelf zich ternauwernood door de vlucht redde. De hertog van .Una daarentegen had in alles slechts zeventig dooden te betreuren. Hij had zoodoende de nederlaag van Akkmtiebo ten volle hersteld, maar moest nu ook zonder dralen die gewesten verlaten, om in het Zuiden aan den prins van Oranje het hoofd te bieden. Deze stak den G October met een leger van 28000 man bij Stockem over de Maas. Ai.va , zijn volk willende sparen, leverde den prins geen slag, maar hield hem gestadig in het oog, zoodat deze eindelijk door geldgebrek genoodzaakt was zijn leger af te danken. Door die dubbele overwinning opgeblazen, liet de landvoogd

ocr page 125

11quot;

voor zicli zeiven te Antwerpen een standbeeld oprichten. Dit standbeeld, vervaardigd nit liet gesehnt, dat te Jemmiugen veroverd was , verbeeldde den hertog niet een dreigend gelaat, in de linkerhand den bevelhebbersstaf voerende en de reehter naar de stad nitstrekkende. Het gansche gedenkteeken droeg den stempel zijner trotsoh-heid, en was een doorn in het oog der Nederlanders. Daarenboven verbitterde Alva het volk door zijne buitengewone strengheid. De Baad van Beroerte zette immer zijn gehaat werk voort. Duizenden mensrheu werden gevonnist en verloren hun leven op het schavot, terwijl het heffen eener buitengewone belasting, ook wel de tiende penning geheeten, de misnoegdheid ten top voerde. Ieder burger moest in eens de waarde van het honderdste gedeelte zijner bezittingen opbrengen, benevens een twintigste der onroerende, en een tiende der roerende goederen , zoo dikwijls die verkocht werden. Deze maatregel vond bij niemand goedkeuring; de koophandel, meende men, zou er door te gronde gaan. In Brussel zelf sloten de winkeliers hunne huizen, en de tegenstand werd zoo groot en algemeen , dat de langdvoogd ten laatste verplicht was van zijn ontwerp af te zien.

Herman de R u y t e r. De Watergeuzen veroveren den Briel.

Te midden van dit heerschend ongenoegen zaten de -Kalvinisten niet stil, maar deden meer dan ééne stoute onderneming.

In 1570 beproefde Heeman de Bttytek , een moedig üssenkooper uit 's-Bosch , op last van Okanje, een aanval op het slot LoeBestein. Vergezeld van ongeveer twintig personen , wist hij heimelijk tot bij het kasteel te komen. H.j vertoonde zich met zes of zeven der kloeksten voor de poort, en vroeg den slotvoogd, of hij ook tot de

ocr page 126

us

partij des prinsen behoorde. Op liet antwoord, dat men op het kasteel geen anderen prins kende dan den koning, nam De Euïteb zijn pistool en brandde op den slotvoogd los. Deze viel aanstonds zwaar gekwetst op den grond, werd nu zonder moeite overmand en het kasteel overrompeld. Toon de gouverneur van 's-Bosch dit voorval vernam, zond hij onmiddellijk vijftig soldaten derwaarts, en later op Alva's bevel nog zestig andere. Dezen heroverden het slot in ééne week , na een moorddadig gevecht, waarin De Rüvtek on a) de zijnen sneuvelden. Het hoofd van den verslagen aanvoerder werd van het lijk gehouwen, en evenals dat van een straatschender aan de galg ten toon gehangen.

De prins van Oranje, die tot hiertoe al zijne pogingen had zien mislukken , beproefde nu een ander middel.

Onderscheidene Kederlandschc bannelingen, welke het zwaard van Alva ontvlucht waren, hadden een veiliger verblijf op zee gevonden. Zij noemden zich Watergeuzen, en waren grootendeols menschen van een woest karakter. Kalvinisten . fortuinzoekers , berooide edelen , lieden , die hunne schuldeischers ontloopen waren , in een woord het slechtste volk uit Nederland. In haat, trouweloosheid en dorst naar bloed en buit, deden zij voor niemand onder. Van tijd tot tijd kwamen zij aan land , en voerden dan dikwijls mannen . vrouwen . kinderen en grijsaards met zich naar hunne vaartuigen , om van derzelver bloedverwanten oen zwaar losgeld te kunnen vorderen. De meeste ongelukkigen, die op zee in hunne handen vielen, werden zonder genade in het water geworpen; anderen bonden zij aan den mast hunner schepen, om ze tot mikpunt hunner kogels te doen dienen. Het meest van allen waren zij echter op de Span jaarden gebeten; doch onder dezen naam verstonden zij ook alle Nederlanders , die de zijde des konings hielden en den Katholieken godsdienst getrouw wilden blijven. Het was met dit soort van lieden , dat de prins van Oranje zich verbond . teu einde in Nederland meester te worden. In 1569 randden deze vrijbuiters eene rijke Nederlandsche

ocr page 127

119

vloot aan, die met koopwaren geladen, uit de Oostzee huiswaarts keerde. Zestig vaartuigen vielen daarbij den Geuzen in handen. Weinige dagen later wedervoer ditzelfde lot aan eene andere vloot van veertig schepen. De zeeschuimers brachten het geroofde in Engeland ter markt, en de prins van Oranje, die als hun hoofd doorging , ontving van alles zijn aandeel, waardoor hij in staat gesteld werd, om den oorlog tegen zijnen vorst voor te zetten.

In den loop van 1571 voegde zich bij deze benden een berucht edelman uit Luik, met name Wtxi.em van dek Maiuk . graaf van Lumey. Deze woestaard onderscheidde zich weldra door zijn onstuimig karakter boven al zijne bondgenooten. Hij liet baard , haren en nagels groeien totdat hij den dood der graven van Egmond en Hoorne op Ai,va zou gewroken hebben. Op zijn vlag stonden tien penningen afgebeeld , als zinnebeeld der nieuwe belasting , waarvan hij het land verlossen wilde.

Tot groot genoegen der Watergeuzen , ontving Lumey weldra het bevel over een gedeelte hunner vloot, waarna zij met nieuwen ijver aan 'trooven gingen. Koningin Elizabeth intusschen verbood hun in Maart 1572, uil vrees voor den Spaanschen vorst, met wien zij vrede, wensehte to houden, het binnenloopen in de Engel-sche havens. Op raad hunner aanvoerders besloten zij nu naar het eiland Tesscl te varen , met het plan om de eene of andere Hoori-liollandsche stad te bemachtigen. Op hunnen weg daarheen kaapten zij den 2S Maart nog twee Spaansche schepen; doch weldra liep de wind hun tegen en zij namen hunnen koers meer zuidwaarts, zoodat zij vier dagen later den mond der Maas binnenzeilden. Omstreeks twee uren na den middag wierpen zij het anker voor den Uriel. Lumey en de zijnen eischten de stad in naam van den prins van Oranje op , doch daar de regeering na verloop van den vastgestelden tijd om zich te beraden , nog geen antwoord gaf, staken de Watergeuzen de Noorderpoort in brand , en liepen haar vervolgens open met den mast van oen schip, waar-

ocr page 128

120

na zij de stad binnen h'okken. Aan de burgers geschiedde echter geen kwaad, want dezen zocht men te winnen; maar des te meer koelden die woestaards htmnen haat op de priesters en monniken, die den volgenden dag voor een groot gedeelte vermoord werden. Onmiddellijk na de inneming van den lit-iel werd de plaats behoorlijk versterkt, en de hoofden der Watergeuzen verspreidden zich door het gansche land om overal oproer te verwekken. Vele steden in Holland en Zeeland werden door hunne onvermoeide pogingen voor den prins gewonnen. Vlis-singen, Veere, Zierikzee , Etikhnizen , Oadewater, Dordrecht en andere schaarden zich onder de vanen van Oeanje , die daardoor eene sterke partij in de Noordelijke provin-ciën verkreeg.

De H. Martelaars van Gorkum.

De nieuwe gebieders deinsden voor niet eene misdaad terug.

Op den 2(i Juni verscheen Makinds Bkaxdt , een aanvoerder der Watergeuzen, met dertien schepen en nagenoeg honderd vijftig manschappen voor de stad Gorkum. Wijl' de Kalvinisten overal uitgestrooid hadden , dat zij niet als vijanden, maar als bevrijders van het Spaansche juk optraden, en dat niemand wegens de uitoefening van zijnen godsdienst zou lastig gevallen worden , kwamen zij nog dienzelfden dag in het bezit der stad. Daags daarna luid ook de overgave plaats van het kasteel, nadat de hoofdman der Watergeuzen onder eede verklaard had, dat al de daar aanwezig zijnde personen, zoowel geestelijke , als wereldlijke , zonder onderscheid , vrij en ongehinderd konden aftrekken. Maar Brandt , eenmaal meester van het kasteel geworden , stoorde zich geenszins aan deze overeenkomst. Hij liet Dikk Bomjiek en Arnoud de Koninck , twee Katholieke burgers, die zich in de sterkte bevonden , op de openbare plaats aan eene galg

ocr page 129

121

ophangen. Gasl'ae Tcjjck, de bevelhebber, vrerd in boeien geklonken , en de overigen moesten in do gevangenis hun verder lot afwachten. Niet lang daarna werden echter de wereldlijken tegen een groot losgeld ontslagen ; maar de priesters en de kloosterlingen moesten in het kasteel achterblijven.

Men bracht de gevangenen eerst naar een vuil en afzichtelijk hol , en liet hen bijna van honger omkomen , terwijl zij gedurig aan den ruwen moedwil der soldaten waren blootgesteld. Eenige slechte burgers uit Gorkum hadden het krijgsvolk wijsgemaakt, dat onderscheidene Katholieken der stad eene groote som gelds in het kasteel verborgen hadden. Begeerig om dien schat machtig te worden , trokken de beulen des nachts naar den kerker en eischten met groote onstuimigheid, dat de gevangenen dit geld zouden aanwijzen; maar er werd niemand gevonden, die hun verlangen kon inwilligen. In hunne verwachting teleurgesteld, begonnen zij nu de dienaren Gods te mishandelen. Een hunner greep Nicolaas van Poi'pel , den jongsten pastoor der stad, aan, zette hem een geladen pistool op den mond, en eischte , dat hij terstond zijn geloof zou afzweren. Maar de heilige priester bleef onverschrokken. Op de vraag zijner vijanden , of hij bereid was , al hetgeen hij geleerd en gepredikt had , met zijn bloed te bezegelen, antwoordde hij ; ..Ja, ik zal gaarne voor het Katholieke geloof sterven , en bijzonder voor het geloofspunt, hetwelk ons zegt, dat het H. Lichaam en Bloed van onzen Heer Jezus Cniiisius, wezenlijk onder de gedaanten van brood en wijn in het hoogwaardige Sacrament tegenwoordig is.quot; Wijl dit laatste punt door de Kalvinisten geloochend werd, meende JN'icolaas , dat hij nu zeker zou moeten sterven; maar de Heer behoedde hem, en de sol (Ui at durfde zijn pistool niet afschieten. De barbaren lieten evenwel deu pastoor hiermede niet vrij. Zij ontnamen een der Franciskanen zijne koord , sloegen die den ijverigen herder om den hals, en trokken hem gedurig op en neer over eene deur, totdat hij geheel

ocr page 130

122

bewusteloos was. Daarop kwam de beurt aaa deu overste der Minderbroeders, Nicoi.aab Pieck , die nog wreoder misbandeld werd.

De beulen sleurden en. trokken den Gardiaan evenals Nicolaas van Poi'pel , staken ten laatste een dik hout in de deur, en bonden er bet touw aau vast, zoodat de Martelaar weldra met een geweldigen plof ter aarde viel. Hiermede was hunne woede geenszins gestild. Om te onderzoeken of' hij dood was, plaatsten de booswichten hem met zijn rug tegen den muur, brandden hom met flambouwen het voorhoofd , den schedel, den mond , do ooren , de oogen , ja geheel zijn aangezicht. Vervolgens braken zij hem den mond open, staken er eene brandende kaars in , en verzengden zijne tong en zijn gehemelte, waarna zij hem als dood achterlieten.

De heilige kloosterling had echter den geest niet gegeven. De goede God behield hem zonder twijfel in het leven om zijne broeders tot het laatste oogenblik van den strijd aan te moedigen.

Eenigen tijd later kwam een beschonken Fries in de gevangenis en gaf deu Martelaars zulke geweldige vuistslagen op de wangen, dat bij velen het bloed uit den mond sprong, zonder dat de wreedaard bewogen werd.

li ij al deze mishandelingen bleven nochtans de Martelaars altijd even tevreden en geduldig. Een der kloosterlingen , Willehaüdus geheeten, een grijsaard van omtrent 90 jaren, sprak bij iederen slag niets dan: God zij dank; en toen een ruwe soldaat , hem na eene gevoelige versmading vraagde, wat hij hierop te zeggen had , antwoordde de Martelaar rustig : ,.1 k zal den Heere God voor u bidden.quot; Nauwelijks echter had de woest-aard die woorden gehoord . of hij riep : „Zult gij voor mij bidden ?quot; en aanstonds ging hij als een woedende tijger op den ouden man los, en bracht hem zulke onbarmhartige slagen toe, dat deze bijna in onmacht viel.

Intusschen was het aan eenige Gorkumsche Katholieken gelukt, den oudsten hunner pastoors, Leonaedus van Ve(;hel, voor veel geld uit de gevangenis ie bevrijden.

li

ocr page 131

123

Hij moest evenwel in de stad blijven en zich onthouden van de H. Mis te lezen. Op het feest van Mama's bezoeking, den 2 Juli, beklom hij niettemin den predikstoel en hield onder een grooten toeloop van volk een sermoon over de verhevenheid der H. Maagd, terwijl hij zijne hoorders gestadig tot volhai-ding in het Katholieke geloof aanspoorde. De Kalvinisten, hierover gestoord, zochten hem nu weder in hunne macht te krijgen. Dienzelfden dag ontving Leoxaedus de tijding, dat zijne moeder te 's-Bosch gevaarlijk ziek lag. Zijne vrienden wieten van Brandt een paspoort te verkrijgen, waarmede de pastoor veilig vertrekken kon. Kanwelijks was hij echter weg, of eenige nienwsgezinden zetten hem achterna , overvielen hem aan de overzijde der Maas bij Woudnchem , verscheurden het paspoort van Bhandt , en voerden hem onder schimp en mishandeling naar Gorkum terug. Zonder toeven werd hij vervolgens weder naar het kasteel geleid, om vandaar met de overige Martelaars naar den Brie!, het roofhol van Ltjmev , te worden overgebracht. In den vroegen morgen van den 7 Juli kwamen zij in laatstgenoemde stad aan. Toen de bevelhebber vernam , welke mannen men aanbracht, stond hij haastig op en ontving de gevangenen onder schimp en hoon. De priesters werden door de soldaten twee aan twee gebonden, en bij wijze van processie rondom de galg geleid, terwijl men hen hierbij dwong, om eenige kerkgezangen aan te hellen. Vervolgens beval Lumeï , dat men hen in eene gevangenis zou werpen, waar zij nog twee andere priesters aantroifën, welke de Kalvinisten in do omstreken van Dordrecht opgelicht hadden. Een half uur later werd hun getal nog met twee vermeerderd. Maar daags daarna ontving Lcmev van den prins van Oranje eeuen brief, waarin deze het bevel gaf om de gevangen priesters op vrije voeten te stellen. De woeste Lumev begon hierop te razen , en zeide , dat hij het gezag des prinsen niet erkende, dat hij alleen meester in Holland was, en dat hij gezworen had geen enkelen monnik te sparen. Hij weigerde nu ook het losgeld,

ocr page 132

124

dat hem voor den overste der Minderbroeders werd aangeboden , en gaf in den nacht tussehen den 8 en 9 Juli na eene onstuimige drinkpartij hot bevel om de gevangenen tor dood te leiden. Dit onrechtvaardige vonnis werd oogenblikkolijk volvoerd , en in den vroegen morgen van den 'j Juli telde de kerk van Sedcrland negentien heilige bloedgetuigen meer.

Zijne Heiligheid paus Pius JX heeft hen den 29 Juni 1867 op eene plechtige wijze aan de openbare vereering der gansche Katholieke Kerk voorgesteld.

Nog eenige andere Martelaars.

Na den dood der Martelaars van Gorktm drong de woeste Lujiev tot in het binnenste van Holland door. In do eerste dagen van October 1572 kwam hij met zijn krijgsvolk naar Schoonhooen, waar men weldra de bloedige tooneelen van den Brie! zag vernieuwen. De kloosterlingen van zeker gesticht buiten de stad waren tot meerdere veiligheid binnen hare muren gevlucht. Hier zagen zij zich echter spoedig aan den moedwil van Lujiey's rooverbenden blootgesteld. Twee hunner werden aan een noteboom tegenover het raadhuis opgehangen, een ander werd doorstoken, en een vierde aan den staart van een paard naar Go/'da gesleept, waar hij na vele martelingen den geest gaf. Toen Lumev vervolgens naar diezelfde stad gekomen was, legerde hij het grootste deel zijner iroepen bij de Broeders van het gemeenzame leven, en verontrustte de kloosterlingen op eene verschrikkelijke wijze. In dezen bedroefden toestand ging de overste Joannes van ilixtei. met nog een anderen pater tot LcMEi, om hem te verzoeken aan de baldadigheden zijner krijgsknechten een einde te maken. De graaf, die hen van verre zag aankomen , riep spottend : „ Ziet, de schapen komen bij den wolf geloopen !quot; Vervolgens gaf hij zijnen, soldaten een teeken; en de beide kloosterlingen werden

ocr page 133

125

met de blanke sabels nagezet. De woestaard.s joegen hen over de binnenplaats en door den tnin des kasteels , sleepten hen door doornen en distels voort, en wijl zij na al deze mishandelingen nog eenige teekens van leven gaven, sneden de onmenschen hun het hart nit het lichaam, waardoor de roemrijke Martelaars hunnen strijd voleindigden.

Zoovele gruweldaden brachten intusschen Lumey's naam al meer en meer in verachting. Wat hem echter boven alles gehaat maakte, was de afgrijselijke moord, aan Coeneliüs Musics , bestuurder van het klooster der H. Agatha te Delft, gepleegd. Deze eerbiedwaardige man weid op last van den dwingeland met de uitge-zochtste folteringen gemarteld. Nadat de beulen den 72jarigen grijsaard met koorden op eene ladder haddon vastgebonden, rukten zij diens leden met geweld nit elkander, hingen hem aan do teenen op, schroeiden en brandden zijn lichaam met fakkels, sneden zijne teenen één voor één af, en hingen hem eindelijk in het midden van den nacht aan eene galg, ofschoon niemand de geringste misdaad aan den deugdzamen geestelijke kon ten laste leggen.

Wijl de prins van Oranje vreesde, dat zulke ongehoorde gruwelen zijne partij voél kwaad zouden doen, liet hij Lfmby gevangennemen , en verbande hem uit Holland. De booswicht nam nu de wijk naar het land van Luik , waar hij vijf jaren later rampzalig aan zijn einde kwam. Hij werd door zijn eigen hond gebeten en deerlijk gewond ; deze wonde had brandende koortsen en zulk een zware ziekte ten gevolge, dat hij als razend werd , en in wanhoop uitriep : „ kan er wel iemand gevonden worden, die zoozeer gepijnigd wordt, als ik ?quot; Te midden van deze en dergelijke uitroepen, gaf hij den geest, zonder een enkel teeken van boetvaardigheid te geven.

Wie orkent hier niet de wrekende hand van God, die zelfs reeds in dit leven de vervolgers zijner dienaren op zulk eene zichtbare wijze straft.

ocr page 134

126

De graaf van Liimei/ ■was intiisschen uiet de eenige vevvolgei'. Den 16 April , 1572 werd Petrus Janssens , naar zijne geboorteplaats ook Pethüs yam Calmpthout geheeten, en pastoor van üaaren bij Oosterwijk, gedurende den nackt in zijne pastorij door eene bende geuzen overvallen. Terwijl de overige huisgenooten gebonden lagen, onderging de pastoor de wreedste mishandelingen Op zijne standvastige weigering om tot de partij der nieuwsgezinden toe te treden, werd hij door het bandelooze krijgsvolk deerlijk verminkt, en eindelijk onthoofd. Tc Alkmaar in Noord-Holland, dat in het begin van Juni tot de partij van Obanje overing, werden zes Minderbroeders uit het klooster gesleept, en te Knkhuizen op bevel vau SoNOV, 's prinsen stadhouder, opgehangen.

In de maand October van hetzelfde jaar, moesten zeven kloosterlingen derzelfde orde te Zatfen een gelijk lot ondergaan. Dit geschiedde op last van graaf Willem van den Berg, welke deze stad, benevens eene menigte andere plaatsen , als : Harderwijk, Mburg, Haltem, Zaolle, Kampen, 's Heerenberg, enz., voor den prins van Oranje gewonnen had.

Zoodra deze laatste het bericht ontving, dat de opstand meer veld begon te winnen, achtte hij het oogenblik gunstig om den krijg te hernieuwen.

Den 23 .Inli 1572 stond hij met een leger van 23000 man voor de muren van Roermond. De stad werd ingenomen , en door de ruwe soldaten geheel uitgeplunderd. Twaalf Karthuizers, twee Franciskanen en twaalf andere geestelijken stierven als Martelaars. De beulen rukten hun op eene barbaarsche wijze het vel van den schedel, sneden onder een honend gelach kruisen op hunne borst en doodden hen vervolgens met een kogel. Eenigen tijd daarna vaardigde Ohanje een plakkaat uit tegen deze bandeloosheid; doch het kwaad was geschied, en de misdadigers werden wegens het gebeurde niet gestraft.

Niet minder wreed toonden zich de Kalvinisten in 1573 bij de verovering van Oeertruidenberg. Nauwelijks hadden zij deze plaats in hunne macht, of hun eerste werk was

ocr page 135

127

de stad te doorloopen , en alle sclinilhoeken nauwkeurig te doorsnuffelen , ten einde priesters, monniken en koninklijke soldaten te ontdekken, en dezen aan hunne wraaklust op te offeren. De eerste priester, dien zij vonden, was W iliiei.mcs van Galex , welken zij onverwijld doodsloegen. Het lichaam van den waardigen geestelijke bleet' twee dagen op straat liggen , en werd ten laatste met de lijken van 150 koninklijke krijgsknechten buiten de vesting in het water geworpen. De priesters, welke in de stad achtergebleven waren , werden gegrepen en in den kerker opgesloten, uitgezonderd twee kanunniken, die door de vlucht aan de handen dor vervolgers ontkwamen. Een dezer, met name Arnoldtjs Swaans , was van de stadsmuren in de gracht gesprongen, en' moest daar veertien uren tot aan het hoofd in het water doorbrengen ; de andere, Kasi'ak Jakobs, door zijne vrienden heimelijk langs den wal afgelaten, school den ganschen dag in eene moerassige weide, en kon eerst tegen hot vallen van den avond een beter verblijf opzoeken.

Onder de gevangen priesters van Geertnddenherg bevond zich ook een Minderbroeder, Wilhelmus van Gouda geheeten, die bij de Kalvinisten bijzonder gehaat was. De soldaten, door zijne standvastigheid in het geloof verbitterd, wierpen hem onder de snoodste mishandelingen in een afzonderlijk vertrek, waar zij hem ijzeren boeien aan de voeten legden. Hij werd den 4 September te gelijk met een soldaat der koninklijke troepen opgehangen. Met zulke ergerlijke en schrikverwekkende tooneelen ging de overgang der meeste steden aan de Kalvinisten gepaard.

Onderscheidene steden wegens haren afval gestraft.

Het bedrogen volk moest weldra voor zijn opstand boeten. Alva zond zijn zoon , don Feedebik , naar de Noordelijke provinciën, ten einde dezelve tot onder-

ocr page 136

12S

werping te brengen. Den Ui November 1572 bemachtigden de Spaansehe troepen de stad ZiUfen en richtten daar znlk een ijaelijk bloedbad aan, dat de bewoners der omstreken er geheel door verschrikt werden , en al de Oeldersche en Overijselsche steden zich haastten, om onder de gehoorzaamheid des konings terug te keeren. Graaf Willem van den Bertj, die zich zoo onversaagd betoonde , als hij slechts met weerlooze burgers te doen had , nam ijlings de vlucht. Hierdoor-aangemoedigd, zette don Feedeeik zijnen tocht voort , en maakte zich ook meester van Naarden, dat men als een schuilhoek van de wederdoopers beschouwde , en dat nn door de krijgsknechten van Alva bijna geheel uitgemoord werd. Na deze beide overwinningen lag Haarlem aan de beurt. De regeering dezer stad, welke zich zelve en de burgerij voor oenen gewissen ondergang wilde behoeden , zond jonker Chkistoffel van Schagen , Dikk de Vkies , oud-burgemeester en Adeiaan van Assendelft naar Amsterdam tot don Fkedeiuk , om met hem te onderhandelen. Nauwelijks was dit echter in de stad ruchtbaar geworden, of Wvbolt Ejpperda , die bij den beeldstorm van Groningen een der voornaamste opruiers geweest was, riep al degenen, welke evenals hij geene genade verwachten konden, onder zijne banieren , en wist zich weldra tot bevelhebber van Haarlem op te werpen. Hij verzocht hulp aan den prins van Oranje, en om te toonen, dat hij in geen verdrag met don Feedeeik zou bewilligen, plunderde hij met zijne aanhangers de prachtige Sint-Bavo-kerk, en verklaarde den Katholieken eeredienst afgeschaft.

Daags na deze beeldstormerij kwamen twee der afgevaardigden uit Amsterdam terug; de derde, Diek de Veies, bleef uit bezorgdheid voor zijn leven buiten de stad. De uitkomst bewees ten duidelijkste, dat zijne vrees niet ongegrond was. Rippeeda liet op eigen gezag Cheistofel van Schagen en Adeiaan van Assendelft in hechtenis nemen, en zond hen geboeid naar Delft gt; waar de eerste, na vele gruwzame martelingen geleden

ocr page 137

129

te hebben, in de gevangenis overleed , en de laatste dooiden prins van Oranje tereclitgesteld werd.

Intussclien was don Fhedekik aan bet hoofd van 300011 man de stad genaderd , en het beleg nam een aanvang. Driehonderd gewapende vronwen, die zich onder aanvoering van zekere weduwe Keuac Simons Hasselaae bij de bezetting gevoegd hadden, deden meer dan eens de Spanjaarden terugdeinzen. Ook Oeanje liet niets onbeproefd om de benauwde stad te ontzetten, dooh zijne troepen werden telkens teruggeslagen. Na de eerste nederlaag der Calvinistische troepen in de nabijheid van Haarlem vorderde Alva's zoon de stad op, doch wijl men hem ten antwoord gaf, dat de bevolking zich tot den laatstcn man verdedigen zou, liet hij de kanonnen planten, en beschoot de stad drie dagen lang. De bezetting van Ilaartem deed haar best om de gemaakte openingen aanstonds weder dicht te maken, en gebruikte hiertoe bij voorkeur de beelden en sieraden der kerk, hetgeen de belegeraars zeer verbitterde. Een Spaansch soldaat, verontwaardigd, dat een beeld van de H. Maagd in eene bres geworpen was, klom er ondanks de kogels der vijanden heen, omarmde het beeld , dat zeer groot was , en liet er zich mede van den muur vallen. Den 4«quot; dag gaf don Fee de eik aan zijne troepen het bevel om storm te loopen, doch nauwelijks kwamen zij onder de muren der stad, of er viel een regen van steenen, brandende pek en kokende olie op de hoofden der aanvallers neder, zoodat zij met een aanmerkelijk verlies teruggedreven werden. De Spaansclie bevelhebber zag nu van- deze gevaarlijke onderneming af, en besloot de stad door mijnwerken aan te tasten. Daar elke toevoer van levensmiddelen zorgvuldig afgesneden werd, deed zich de honger spoedig op eene verschrikkelijke wijze gevoelen. Uitgeteerd en vermagerd liepen velen als schimmen langs de straat, en vielen somtijds dood op de wallen neder. Ongelukkig maakten eenige muitelingen van deze rampen gebruik, om de hartstochten nog meer op te winden.

V. 9

ocr page 138

128

werping te brengen. Den l(i November 1572 bemack-tigden de Spaanscbe troepen de stad Zidfen en richtten daar zulk een ijselijk bloedbad aan, dat de bewoners der omstreken er geheel door verschrikt werden , en al de Geldersche en Overijselsche steden zich haastfen, om onder de gehoorzaamheid des konings terug te keeren. Graaf Willem van den Berg, die zich zoo onversaagd betoonde , als hij slechts met weerlooze burgers te doen had , nam ijlings de vlucht. Hierdoor aangemoedigd, zette don FitEDEiiiK zijnen tocht voort, en maakte zich ook meester van Naarden, dat men als een schuilhoek van de wederdoopers beschouwde , en dat nu door de krijgsknechten van Alva bijna geheel uitgemoord werd. Na deze beide overwinningen lag Haarlem aan de beurt. De regeering dezer stad, welke zich zelve en de burgerij voor eenen gewissen ondergang wilde behoeden , zond jonker Christoffbl van Schagen , Dirk de Vbies , oud-burgemeester en Adriaan van Assendelft naar Amsterdam tot don Fkedeiuk , om met hem te onderhandelen. Nauwelijks was dit echter in de stad ruchtbaar geworden, of Wybolt Eippeeda , die bij den beeldstorm van Groningen een der voornaamste opruiers geweest was, riep al degenen, welke evenals hij geene genade verwachten konden, onder zijne banieren, en wist zich weldra tot bevelhebber van Haarlem op te werpen. Hij verzocht hulp aan den prins van Oranje, en om te toonen. dat hij in geen verdrag met don Fbedebik zou bewilligen, plunderde hij met zijne aanhangers de prachtige SiNT-BAVO-kerk, en verklaarde den Katholieken eeredienst afgeschaft.

Daags na deze beeldstormerij kwamen twee der afgevaardigden uit Amsterdam terug; do derde, Diek de Veies, bleef uit bezorgdheid voor zijn leven buiten de stad. De uitkomst bewees ten duidelijkste, dat zijne vrees niet ongegrond was. Rippeeda liet op eigen gezag Cheistgfel van Schagen en Adbiaan van Assendelft in hechtenis nemen, en zond hen geboeid naar Delft) waar de eerste, na vele gruwzame martelingen geleden

ocr page 139

129

te hebben, in de gevangenis overleed , en de laatste dooiden prins van Oranje terechtgesteld werd.

Intussehen was don Fkedejiik aan het hoofd van 30000 man de stad genaderd , en het beleg nam een aanvang. Driehonderd gewapende vronwen, die zich onder aanvoering van zekere weduwe Kenac Simons Hassülaae bij de bezetting gevoegd hadden, deden meer dan eens de Spanjaarden terugdeinzen. Ook Oranje liet niets onbeproefd om do benauwde stad te ontzetten, doch zijne troepen werden telkens teruggeslagen. Na de eerste nederlaag der Calvinistische troepen in de nabijheid van Haarlem vorderde Alva's zoon de stad op, doch wijl men hem ten antwoord gaf, dat de bevolking zich tot den laatsten man verdedigen zou, liet hij de kanonnen planten, en beschoot de stad drie dagen lang. De bezetting van Haarlem deed haar best om de gemaakte openingen aanstonds weder dicht te maken, en gebruikte hiertoe bij voorkeur de beelden en sieraden der kerk, hetgeen de belegeraars zeer verbitterde. Een Spaansch soldaat, verontwaardigd, dat een beeld van de H. Maagd in eene bres geworpen was, klom er ondanks de kogels der vijanden heen , omarmde het beeld , dat zeer groot was , en liet er zich mede van den muur vallen. Den 4en dag gaf don Feedebik aan zijne troepen het bevel om storm te loopen , doch nauwelijks kwamen zij onder de muren der stad, of er viel een regen van steenen , brandende pek en kokende olie op de hoofden der aanvallers neder, zoodat zij met een aanmerkelijk verlies teruggedreven werden. De Spaansche bevelhebber zag nu van- deze gevaarlijke onderneming af, en besloot de stad door mijnwerken aan te tasten. Daar elke toevoer van levensmiddelen zorgvuldig afgesneden werd, deed zich de honger spoedig op eene verschrikkelijke wijze gevoelen. Uitgeteerd en vermagerd liepen velen als schimmen langs de straat, en vielen somtijds dood op de wallen neder. Ongelukkig maakten eenige muitelingen van deze rampen gebruik, om de hartstochten nog meer op te winden.

V. 9

ocr page 140

130

Zij wezen de beste Katholieke burgers aan als de oorzaak van deze ongelukken. Eenige razende soldaten en het opgewonden grauw ijlden daarop naar de gevangenis, en koelden hunne woede aan eenige weerlooze vrouwen en grijsaards. De Sijarige Lambektus Eoesenveld , weleer burgemeester der stad , benevens Quieinus Talesiüs , op wier gedrag niemand iets te zoggen had , werden in het gezicht der Spanjaarden opgehangen ; een priester, een gevangen jongeling en vijf koninklijke soldaten ondergingen hetzelfde lot; terwijl de dochter van Talesiüs met nog eene andere vrouw in het water gesmoord werden. Daarbij meldde de hertog van Aloa aan zijnen vorst, dat de bezetting van Haarlem op zekeren dag voor aller oog een kruisbeeld, twaalf geestelijken en eenige burgers, aan de galg ophing. Dit gezicht verontwaardigde de belegeraars bovenmate en deed hunne verbittering tegen de Kalvinistische troepen nog meer toenemen.

Eindelijk na een beleg van 7 maanden gaf de stad zich den 12 Juli 1573 op genade en ongenade over. De burgerij werd weinig of geen leed gedaan; slechts eenigen der meest schuldigen werden gestraft. De bezetting werd, met uitzondering van 600 Duitsche soldaten, geheel over de kling gejaagd, en 300 personen, twee aan twee gebonden , in het Haarlemmermeer geworpen ; ook de woeste Ejppebda moest zijne euveldaden met het hoofd boeten. Zoo wrang zijn de vruchten van afval en ongehoorzaamheid!

Van Haarlem trok don Feederik met 16000 man naar Alkmaar , hetwelk door Jakob Kabeljauw , Diek Duivel en anderen, meestal quot;Watergeuzen of beeldstormers, verdedigd werd. Doch hier stiet de Spaansche bevelhebber geweldig het hoofd. De inwoners hadden aan Sonoy doen verzoeken, de zeesluizen open te zetten, als het eenige middel om de stad te behouden. Oeanje's vertrouweling gaf daaraan gehoor en de Spanjaarden, die reeds eenmaal een zwaar verlies hadden ondergaan, braken den 8 October het beleg op en moesten naar Haarlem terugtrekken. Deze vernedering werd drie dagen later

ocr page 141

131

nog door eene nieuwe ramp gevolgd. Alva bad namelijk te Amsterdam eene vloot van 30 schepen doen nitrneten, ten einde daarmede de Hollanders ook ter zee aan te tasten. De vloot geraakte onder bevel van Bossc met de mannen van Coenelis Dibks/oon van Mo/mikendam slaags, en werd deerlijk gehavend. Het admiraalschip , dat op eene zandbank was vastgeraakt, moest zich overgeven , en de graaf van Bossu werd naar Hoorn vervoerd, waar hij drie jaren lang in een voormalig klooster opgesloten bleef. Deze onverwachte voordeelen deden den moed der bevolking bovenmate zwellen , en de wreedheden der Spanjaarden , bij onderscheidene gelegenheden gepleegd, waren de voornaamste oorzaak, dat zoowel Katholieken als Kalvinisten zich vaster aaneensloten , om htm het hoofd te bieden.

Don Louis de Requesens.

De koning van Spanje , door wijze en verstandige mannen van den ellendigen staat des lands onderricht, zag eindelijk in, dat de hertog van Alca niet geschikt was, om de Nederlanders tot hunnen plicht terug te brengen. De hertog zelf scheen hiervan ten volle overtuigd, en verzocht bij herhaling om van de landvoogdij ontslagen te worden. De vorst stemde daar eindelijk in toe, en benoemde tot zijn opvolger don Louis de Requesens , die den 17 November te Brussel aankwam. Eene maand later verliet Alva dit land, te gelijk met zijn zoon 1'redeeik , die met zijn vader naar Spa7ije wederkeerde. De nienwe landvoogd was van een geheel ander karakter dan zijn voorganger. Hij zocht het volk bij voorkeur door zachtheid te winnen, en toonde zich bij iedere gelegenheid inschikkelijk en vredelievend. Het trotsche standbeeld , dat Ai/va voor zich zeiven te Antwerpen had opgericht, werd weggenomen , de tiende penning met toestemming des konings afgeschaft, en de Eaad van

ocr page 142

132

Beroerte geheel buiten werking gesteld. Deze en meer dergelijke maatregelen misten evenwel voor een groot gedeelte hunne uitwerking. De verandering in het bestuur bracht geene verandering in do gezindheid des volks te weeg, en de afkeer tegen de Spanjaarden bleef even groot, vooral in Holland en Zeeland, waar men niet genegen scheen de wapens zoo spoedig neer te leggen.

fi elt;;ukskns besloot dan ook den oorlog mot ijver voort te zetten. Zijne eerste onderneming werd echter met geen gelukkigen uitslag bekroond. De stad ,

sinds zes maanden door do troepen van Oranje ingesloten , eischte eeno spoedige hulp. De landvoogd zond er die onmiddellijk hoen, doch de vloot, welke de manschappen moest overbrengen, word door do Zeeuwen onder bevel van Boisot bij de thans verdronken stad Roemerswaal geslagen, en Middelburg viel in de handen van den prins , die er tot toeken zijner heerschappij de uitoefening van den Katholieken godsdienst deed ophouden. Eeno tweede onderneming van Eequesens liep boter af. Graaf Lodewijk van Nassau en diens broeder Hendrik hadden in Lidtschland een nieuw leger geworven. Na vele wisselvalligheden sloegen zij zich den 13 April 1574 met 6000 man voetvolk en 3000 ruiters bij het dorpje Mook aan de Maas neder. Hier ontmoetten zij Sanchio d'Avila , opperbevelhebber dor Spaansclie legerbenden , die hun het voorttrekken beletten. Torugkeeren was voor Lodewijk bijna onmogelijk , en den strijd aannemen niet zonder gevaar. Hij wilde evenwel beproeven, om de legermacht van d'Avila te vernietigen en zich vervolgons bij zijn broeder Willem in den Honmelerwaard aan te sluiten. Tot zijn ongeluk begonnen de Dnitsche huurlingen op hetzelfde oogenblik om hunne soldij te schreeuwen. Hij streed evenwel moedig voort, en dreef meer dan eens de vijandelijke troepen terug, zonder hun echter grooto schade toe te brengen. Verbitterd over dien tegenstand , drong d'Avila's ruiterij vooruit, wierp het paardenvolk van Lodewijk omver en richtte zulk eene slachting onder diens voetvolk aan, dat er meer dan

ocr page 143

133

3000 Nassanwers den dood vonden. Te midden van het grootste gewoel verdwenen ook de beide aanvoerders, Lodewijk en Hendrik , zonder dat men hunne lijken heeft kunnen wedervinden.

De dood zijner beide broeders trof Oranje zeer; hij was er zichtbaar door gesehokt, doch wel verre van den aangevangen strijd op te geven, toonde hij zich veeleer bereid de worsteling met nog grooteren ijver voort te zetten.

Beleg van Leiden.

Ifa de nederlaag van Lodewijk van Nassau in de omstreken van Mook werd de stad Leiden , die reeds van. JTovember tot Maart eene belegering had uitgestaan, andermaal door de Spanjaarden ingesloten. Het bevel over dit beleg was toevertrouwd aan Valdes , die binnen korten tijd twee en zestig schansen rondom de stad liet opwerpen. Zulks bracht de inwoners van Leiden in groote verlegenheid. De plaats was op dit oogenblik nagenoeg zonder bezetting, zoodat de bevolking, die bij de 14000 zielen telde , zelve voor hare veiligheid te zorgen had. Aan het hoofd der schutterij stond Jonkheer Jan van deb Does , terwijl Pieter Adriaanszoon van der Werf den post van burgemeester bekleedde. Wijl de stad zeer schaars van levensmiddelen voorzien was, bepaalde het bestuur, dat ieder burger in de twee eerste maanden slechts een half pond brood zou ontvangen , en dat niemand de melk tot een ander einde, dan tot het maken van boter mocht aanwenden. Er werd daarenboven eene papieren munt van 14 en 28 stuivers waarde in omloop gebracht, benevens eene koperen noodmunt van twee en een halvon cent, welke later door de regeering zou ingewisseld worden.

Ten spijt harer vijanden verduurde de burgerij de hieruit ontstane ongemakken met een bewonderenswaardig geduld. De onverzettelijke hardvochtigheid, met welke

ocr page 144

131

de andere steden gestraft waren , bracht hiertoe veel bij. De Leidenaara weigerden elke onderhandeling met den Spanjaard, en schenen vast besloten, den laatsten druppel bloeds voor de verdediging hunner belangen veil te hebben. In de laatste dagen van Mei riep de regeering der stad door dringende brieven de hulp in van Oranje , die zich toen te Rotterdam ophield. De prins antwoordde , dat hij alles zou aanwenden om de stad te redden, mits zij het drie maanden kon uithouden. De burgerij achtte zich hiertoe in staat en toonde eenen grooten moed; doch de gestelde drie maanden verliepen, en de beloofde hulp kwam niet opdagen. Oranje zag geen kans, om de plaats door krijgsvolk te ontzetten. Niettemin bleven de Leidenaars standvastig en sloten het oor voor elke voorstelling dos vijands. ïegen het einde van Augustus was al hun graan verteerd en het rundvee in grooten deele geslacht, zoodat de hongersnood weldra met al deszelfs afgrijselijkheden voor de deur stond. Het arme volk behielp zich reeds met paardenvleesch, dat op gezette tijden in zeer geringe mate werd uitgedeeld. Maar weldra ontbrak ook dit, en de uitgehongerde menigte wierp zich nu op alles, wat maar eetbaar was. Honden en katten behoorden tot de zeldzame gerechten , bladen van boomen golden voor lekkernij , ja , het walgelijkste voedsel werd met gretigheid verslonden, om het ellendig leven nog eenige dagen te rekken. Tot overmaat van ramp brak er in de stad eene soort van pestziekte uit, welke nagenoeg do helft der bevolking ten grave sleepte. Eenige misnoegde burgers ijlden hierop naar het stadhuis , en vorderden met onstuimigheid , dat de regeering tot de overgave besluiten zou. Doch de burgemeester Pieter Adriaanszoon van der Werï liet zich door dit dreigen en schreeuwen niet afschrikken. Door zijne fiere houding en krachtige taal wist hij die wanhopige kreten te verstikken en den neergeslagen moed weder op te beuren.

De prins van Oranje had intusschen aan de Staten van Holland het voorstel gedaan om de dijken door te steken,

ocr page 145

135

en do wateren der zee toegang naar de stad te verleenen. Ofschoon de uitvoering van dit plan groote bezwaren medebracht, en eene schade van 600000 Gld. ten gevolge moest hebben , werd het nochtans den 30 Juli door de vergaderde leden goedgekeurd en vier dagen later zonder hinder ten uitvoer gebracht. De IJseldijken werden in de nabijheid van Kappelle cp zestien plaatsen doorgestoken en een groot gedeelte van Zuid-Holland aan de golven prijs gegeven. Terzelfder tijd had Okaxje omtrent tweehonderd platgebodemde vraehtscliepen uit Zeeland ontboden , om krijgs- en levensbehoeften naar de belegerde stad te brengen. Dit gaf echter aan do benauwde plaats nog weinig hoop. Het land rondom Leiden was veel hooger, dan de streken, vanwaar het water komen moest; daarbij was de wind zoodanig tegen , dat het dwaasheid scheen eenig vertrouwen in den goeden uitslag te hebben. Doch zie ■—• tegen den 29 September keerde de wind eensklaps naar het Zuidwesten, en deed de binnenwateren zoodanig zwellen , dat de belegeraars er last van kregen. Zij verlieten hunne schansen, en den 3 October bereikten de Zeeuwsche schepen ongehinderd de stad, ton einde de uitgehongerde burgers met de aangevoerde levensmiddelen te verkwikken.

Den volgenden dag kwam de prins zelf naar Leiden , prees de ingezetenen wegens hunne trouw en schonk de stad als een roemrijk aandenken harer standvastigheid en ook ter vorming van protestantsche leeraars , eene hooge-school, welke den 8 Februari des volgenden jaars met groote plechtigheid geopend werd, en vele bekwame man nen aan Nederland geschonken heeft.

Schrikbewind van S o n o y.

Het juk der Kalvinisten werd voor het Nederlandsche volk weldra een zware last. De bloeddorstige Sonoy , die van JWaalsche afkomst en 's prinsen stadhouder in Noord-Bolland was, oefende in zijn gewest een waar schrik-

ocr page 146

136

bewind uit. Te Medemblik wilde hij den zoon van een burger laten ophangen, omdat deze over de stadsmuren geklommen was. De inwoners trokken zich echter liet lot van hunnen medeburger aan, en wendden zich tot Oranje , door wiens toedoen de zaak werd bijgelegd. ïe Hoorn was men niet zoo gelukkig. De stadhouder zette daar op eene gewelddadige wijze achttien der voornaamste burgers buiten de stad . terwijl hij hunne bezittingen verbeurd verklaarde, omdat één hunner aanmerking maakte op het afleggen van een eed, waarbij men zich verplichtte de wapens te dragen. Den bewoners van het platteland ging het nog erger. Nauwelijks was T.nkhuizen in 1572 tot de prinsgezinden overgegaan, of Sonot zond zeventien of achttien zijner manschappen in de omliggende gemeenten rond, om de boeren te brandschatten. Elk dorp moest eene bepaalde som gelds bijeenbrengen, en zoo iemand weigerde hieraan te voldoen, werd hij te vuur en te zwaard vervolgd. Daar onderscheidene steden zwarigheid gemaakt hadden, om zijne bandelooze soldaten in te nemen, legerde hij een groot gedeelte zijner troepen in de abdij van Egmond, terwijl hij do monniken verplichtte onder den blooten hemel te verblijven ; het overige van zijn krijgsvolk werd bij de dorpelingen gehuisvest. Sedert dit oogenblik was niemand meer zeker van zijn eigendom. Wee den landman, die den naam had van rijk te zijn! Hij werd onverhoeds overvallen, door de bandieten opgelicht, en met den strop bedreigd, indien hij zich niet voor een aanzienlijk losgeld vrijkocht. De stadhouder was met dit alles bekend , doch bekreunde er zich niet om. Hij verbood zelfs op doodstraf aan de landlieden hun goed te bergen ; zij mochten slechts voor veertien dagen levensbehoeften in huis hebben; al het overige moest naar de steden gebracht worden. Gedurende den strengen winter van 1575 beval hij het ijs van Pelten tot Alkmaar, en voorts langs de Schermer en de Beemster tot aan Vurmerend en Monnikendam, open te houden. Tot dit werk werden de dorpelingen met geweld aangezet, onder bedreiging, dat de onwilligen als vijan-

ocr page 147

137

den des Vaderlands gestraft en hunne huizen verbrand zonden worden.

Weinig tijds daarna deden de Spanjaarden eenen inval in Noord-Holland, welke echter zonder gevolg bleef. Te gelijk verspreidde zich het gerucht, dat de vijand eenige lieden van de slechtste soort gehuurd had , om. de voornaamste dorpen van het gewest in braud te steken. Zonder toeven werden meer dan twintig personen , die een kwaden naam hadden , aangehouden. Om hen tot do bekentenis dier wandaden te dwingen , stelde Sonoy eene bijzondere rechtbank aan, die hare taak met zulk eene wreedheid uitvoerde, dat zij eerlang, evenals Alva's Eaad van Beroerte, den naam van Bloedraad kreeg. Terwijl de beschuldigden op de pijnbank uitgestrekt en deerlijk gepijnigd werden , vraagde men hen , of zij in den omtrek ook eenige burgers kenden. Werd die vraag met ja beantwoord , en kon men de namen van eenige dier personen te weten komen , dan onderzocht men of dezen hen niet tot brandstichten hadden omgekocht. Dit werd echter altijd ontkend tot groot leedwezen der rechters. Men wist evenwel spoedig raad , en beloofde den aangehoudenen de vrijheid, mits zij de waarheid bekenden. Dit was voldoende om verscheidene welgestelde lieden te doen betichten. Eén der gevangenen bleef bij zijne ontkenning , hetgeen de rechters verbitterde. Hij werd nu, met de armen achterwaarts omgedraaid en met een gewicht van tweehonderd pond aan zijne groote teenen, drie uren achtereen aan eene ladder gehangen, totdat hem ten laatste zijne standvastigheid verliet. Hij en eenige zijner makkers, wien het niet gelijk sommige anderen gelukt was, uit den kerker te ontsnappen, werden in weerwil der gedane beloften tot het vnur veroordeeld. Ter dood gaande betuigden zij evenwel tot hunnen laatsten adem toe , dat noch zij, noch de aangeklaagde personen aan de gewaande brandstichting eenig deel hadden , hetgeen ook later gebleken is. Niettemin werden de betichte landlieden aangehouden en voor den Bloedraad gebracht. De rechters ondervraagden hen, en wijl zij niet aanstonds

ocr page 148

138

liet verlangde antwoord ontvingen , werden die onachuJ-dige lieden op de pijnbank geworpen , met berkenroeden gegeeseld en van het hoofd tot de voeten geblakerd . totdat zij zoo zwart als kolen waren. Aldus gemarteld liet men de lijders eenige nachten op den blooten vloer liggen, en hield hen door aanhoudende slagen wakker. Voor voedsel gaf men hun enkel pekelharing en andere zoute spijzen, terwijl men hun hardnekkig allen drank weigerde, hoezeer zij er om verzochten.

Hiermede waren echter die onmenschen niet tevreden. Onderscheidene andere meer walgende, smartelijke en ont-eerende folteringen werden in het werk gesteld , om hen tot de bekentenis der gewaande brandstichting te dwingen. Een der beschuldigden, Jacob Koppe Koeneliszoon, door al dat lijden afgemarteld, viel dood voor de voeten zijner rechters. Zijn zoon Nanking , zelf zwaar mishandeld , bekende daarop alles, wat men verlangde, doch werd toen in naam van Sonot veroordeeld om het hart uit het lijf gerukt en gevierendeeld te worden , welk vonnis te Hoorn, ofschoon met weerzin der stedelijke overheid , is ten uitvoer gelegd. Ziedaar hoe Sonoy en zijne aanhangers de vrijheid verstonden; dusdanig was het lot, hetwelk een volk verwachten kou, dat zich zonder nadenken in de armen van zulke gebieders wierp !

Voorspoed der Spaansche wapenen. Dood van Requesens. Groote verwarring hieruit ontstaan.

Na den mislukten inval der Spaansche troepen in iVoorrf-Uolland, trokken deze, onder aanvoering van Hieeges , stadhouder des konings in Gelderland, naar het stadje Buren, dat den 26 Juni stormenderhand werd ingenomen. Drie dagen later maakte Mondkagon , een ander bevelhebber, zich meester van Fijnaart en de Klundvrl, welke als zeer voorname stellingen werden aangezien.

ocr page 149

13Ö

Van Buren trok de Geldersche atadliouder naar Oudewater , dat na eene dappere verdediging den 7 Augustn-s insgelijks in do maeht der Spanjaarden viel. Daags te voren had Hieeges aan de bezetting en de burgerij volkomen vergifi'enis aangeboden, indien zij zich wilden overgeven; doch wijl dit van de hand geslagen was, werd het geheels garnizoen over de kling gejaagd en de inwoners zeiven voor een groot deel vermoord. De verbittering der belegeraars was vooral daardoor opgewekt , dat de belegerden , om hen te tergen , op de muren de beelden der Heiligen, benevens de kruisen en kerksieraden bijeengebracht en verbrand hadden.

De stad Schoonhoven, die ongaarne het juk der Kalvi-nisten droeg, keerde zonder moeite onder de gehoorzaamheid des konings terug en bleef gespaard. Ook Krimpen werd door de Spaansche troepen bezet. De belangrijkste onderneming van het jaar 1575 was evenwel de stoute tocht der koninklijke soldaten naar het eiland Schouwen. Om aldaar te komen moesten zij de kreek, welke Philipsland van Duioeland afscheidt, doorwaden. Vijftienhonderd manschappen ondernamen op bevel van Kequeseks dit waagstuk, leder van hen had behalve zijne wapenen, ook brood en kaas voor zes dagen, benevens het noodige kruit in ftesschen en een paar schoenen bij zich. De tocht nam om middernacht een begin quot;en was in den aanvang zeer voorspoedig, doch naarmate de Spanjaarden hun doel naderbij kwamen , ondervonden zij ook grooter moeilijkheden.

Niet alleen hadden zij te kampen met het water , maar zij moesten nog een hevig geweervuur uitstaan van de ZeeuwBche vloot, die acht en dertig schepen groot was, en aan de beide zijden der ondiepte had post gevat. In weerwil van al deze tegenkantingen vervolgden de Spaansche troepen hunnen weg, doch zagen tot hunne ontsteltenis, dat meer dan duizend vijandelijke soldaten hen aan den oever opwachtten. Aan terugkeeren was niet meer te denken; zij moesten vooruit naar het eiland Schouwen of hun graf vinden in de golven : er was geen

ocr page 150

140

middelweg. Aan den dijk gekomen, stormden de voorste gelederen, met don Jan u'Osohio aan hun hoofd, zoo onstuimig op Oeanje's krijgsvolk aan , dat het haastig de vlucht nam. De overige afdeelingen kwamen nu zonder letsel aan wal en bemachtigden een groot gedeelte des eilands. De stad Zierikzee bezweek na eene belegering van negen maanden ; doch Heqüeskns beleefde hot einde dezer onderneming niet, hij stierf reeds den 5 Maart 1576 , zonder dat er een opvolger benoemd was.

De dood van dezen bekwamen staatsman bracht het land in een hachelijken toestand. De Spaansche soldaten , die sinds langen tijd niet meer betaald waren, geraakten in volslagen opstand, weigerden op vele plaatsen hunnen dienst en trokken roovende en plunderende door het land. De gruwelen, welke zij in Maastricht en Antwerpen bedreven, gaan alle beschrijving te boven. In de laatste stad hield het moorden drie dagen aan ; de straten lagen bedekt met dooden; zeven duizend burgers en soldaten lieten er het leven, terwijl vijfhonderd huizen eene prooi der vlammen werden. Daarop plunderden de muitelingen de voornaamste woningen der stad en richtten in weinige dagen eene schade aan van vier en twintig millioen galden.

De prins van Oranje maakte zonder toeven van deze verwarring gebruik, om de Zuidelijke gewesten over te halen, zich met Holland en 'Zeeland tegen de vreemdelingen te verbinden. Het verdrag, dat hierop tot stand kwam en reeds den 8 November 1570 geteekend werd , is in de geschiedenis bekend onder den naam van pacificatie of bevrediging van Gent. Bij deze overeenkomst werd bepaald , dat ieder gewest het zijne zou bijdragen om de Spaansche troepen uit de Nederlanden te doen vertrekken; dat de Katholieke godsdienst, behalve in Holland en Zeeland, de heerschende zou zijn; dat men de strenge plakkaten tegen de ketters zou schorsen ; dat de schulden , door üeanje in zijne veldtochten gemaakt, ten laste der Algemeene Staten zouden komen ; dat de prins zijne waardigheid van admiraal en stadhouder over de

ocr page 151

J 41

hem opgedragen provinciën zou behouden , en dat al de verbeurd verklaarde goederen , welke nog niet verkocht waren, aan de eigenaars teruggegeven zouden worden.

Vijf dagen voor het sluiten van deze bevrediging was de overwinnaar van Lepanlo , Don Jan van Oostenrijk, als opvolger van ÜEyüESENS in Luxemburg aangekomen.

Don Jan van Oostenrijk . landvoogd. De aartshertog Matthias.

De nieuwe landvoogd was naar deze gewesten gezonden, om door zachte middelen den vrede aan de zwaar geteisterde provinciën weer te geven.

Met dit doel sloot hij in de eerste plaats een verdrag met de afgevaardigden der Staten, dat veel overeenkomst had met de bevrediging van Gent, en gewoonlijk Eeuwig edict genoemd wordt. Daarbij was een zijner voornaamste zorgen de Spaansche troepen weg te zenden, ofschoon hij zeer wel inzag, dat hij hierdoor zijn hechtsten steun verloor.

De prins van Oranje, die met spijt de benoeming van don Jan vernomen had , liet niets onbeproefd om do verschillende Staten tegen den nieuwen landvoogd op te zetten. Hij gaf hun zelfs den raad om zich in tijds van don Jan meester te maken. Velen, wien het aan genoegzaam doorzicht ontbrak om 's prinsen bedoelingen te raden, sloten zich bij hem aan en volgden meestal blindelings zijne raadgevingen. Daarbij liad Ouanje te Hrussel eene groote menigte handlangers, met wie hij gedurig briefwisseling hield, en die het volk op zijne zijde wisten te brengen. De landvoogd daarentegen en zijn gevolg moesten herhaalde malen de grofste beleedigingen verduren; zijne bedienden konden niet meer veilig op de straat verschijnen, en er liep zelfs een gerucht, dat de prins van Oranje volk had uitgezonden , om don Jan op te lichten en gevankelijk naar Zeeland te voeren. Om uit dezen neteligen toestand te geraken en zijn persoon

ocr page 152

142

in veiligheid te stellen, verraste de landvoogd het kasteel van Namen. Tevergeefs deed hij echter ziju best om ziju gedrag te rechtvaardigen. De Algemeene Staten, die geheel onder den invloed van Oranje stonden , wilden hem niet langer als landvoogd erkennen , en noodig-den Willem uit, om naar Brussel te komen. Deze gaf met veel genoegen aan die nitnoodiging gehoor en wist zich door geheime listen tot Ruwaard van Brabant te doen benoemen, terwijl de algemeene landvoogdij aan den onervaren aartshertog Matthias van Oostenrijk, broeder van den Duitschen keizer, werd opgedragen. Matthias had echter zoo weinig macht, dat de aanhangers van don Jan hem spottend den griffier des prinsen noemden.

De koning, door zijnen landvoogd van alles onderricht, zond weldra een leger af onder de bevolen van Alexander Faexese, zoon van Makgaeeta van Parma, om de oproerigen tot hunnen plicht te brengen. Den 25 Januari 1578 verklaarde don Jan den oorlog aan de Algemeene Staten , die reeds troepen geworven hadden , om hem het hoofd te bieden. De beide legers ontmoetten elkander bij Gemblonrs, in de provincie Namen, en de Spaansche troepen behaalden eene volkomene overwinning. Niet lang daarna verloor do koning evenwel verschillende steden in Holland en Zeeland, en hieronder ook het machtige Amsterdam. De regeering dezer stad onderwierp zich aan het gezag van Oeanje op de volgende voorwaarden ; Binnen derzelver muren en hetgeen tot haar gebied behoorde , zou alleen de Roomsche godsdienst uitgeoefend worden , doch daar buiten moest ieder vrij zijn. Ook zou aan de andersgezinden eene geschikte begraafplaats binnen de muren toegestaan worden. De stad zou, behalve de vijf of zeshonderd soldaten , uit de ingezetenen zeiven geworven, niet dan bij hoogen nood meer krijgsvolk behoeven in te nemen. Do ballelingen mochten vreder in do stad komen wonen; de wereldlijke overheid zou den eed doen aan den koning als graaf en aan den prins als zijnen stadhouder. doch de geestelijkheid zou zich regelen naar de voorschriften van den

ocr page 153

143

Bissuhop van Haarlem. Deze en andere punten, door den prins zeiven bekrachtigd , werden echter weldra geschonden. JSanwelijks was de overeenkomst gesloten , of een groot aantal uitgeweken kooplieden keerden naar Amsterdam terug. Hierdoor overmoedig geworden, verwekten de Kalvinisten eene hevige opschndding. Zij beschuldigden de regecring van kwade trouw, en gaven voor, dat zij in hunne billijkste rechten verkort werden, doordien men de aangegane overeenkomst niet nakwam. Willem Babdes, het hoofd der opruiers, verzocht Sonot, wiens stedehouder hij tijdens zijne ballingschap in Noord-Holland geweest was , om wapenen en tevens om krijgsvolk. Sonoy voldeed aan zijn verlangen , en gebood aan de troepen van Monnikendam, Zaandam en elders, zich gereed te houden. Bakdes begaf zich nu den 26 Mei mot eenigen zijner vrienden naar het stadhuis, ten einde te beproeven of hij de aldaar vergaderde regeeringsleden voor den opstand kon winneu. Na vele vruchtelooze pogingen hiertoe aangewend te hebben , komt hij schijnbaar ontmoedigd naar buiten, doch eensklaps gaat er een schot af, en bij dit sein springt een matroos voor den dag , die eene ontrolde vaan in de hand houdt en roept: „ Wie Oranje lief heeft, toone het en volge mij!quot; Dadelijk stuiven alle Kalvinisten op straat, doch de ballingen vooraan. Een deel loopt naar het tuighuis en sleept het geschut naar den Dam. Daarop beginnen de anderen met steenen te smijten naar do getraliede vensters , waar de raad gezeten was , om de wacht te verdrijven , die aldaar in tijden van onrust gewoonlijk een stuk geschut bewaarde. Doch bemerkende dat er van dien kant geen vuur gegeven werd , stormde de menigte het stadhuis in, haalde den schout en de regeeringsleden van daar, en bracht hen benevens onderscheidene priesters en al de Minderbroeders, tusschen twee gelederen soldaten naar het Water, terwijl het opgehitste grauw schreeuwde, dat men ze naar de galg voeren moest, waar zij zoo menigeen aan geholpen hadden. De gevangenen hadden ook geen beter lot verwacht, doch de aanleiders hiel-

ocr page 154

144

den zicli terreden met hen buiten de stad te brengen. Het gemeen stoof daarop naar het klooster der Minderbroeders , waar de gruwelijke tooneelen der beeldstormerij vernieuwd werden. Weldra werd er ook eene nieuwe regeering aangesteld , die geheel uit Kalvinisten bestond en Willem Bardes aan haar hoofd had.

Na den overgang van Amsterdam tot de zijde van den prins, volgde er insgelijks eene hevige beweging te Haarlem, waar do soldaten eene groote baldadigheid bedreven en zelfs den priester Peteus Balling wreedaardig vermoordden. In Friesland werd de Bisschop van Leeuwarden , CüNEiiCs Petei , op eene verraderlijke wijze in hechtenis genomen en te Tlarlingen opgesloten.

Jan van Nassau , oudste broeder van Obanje , die in het begin van Maart 1578 stadhouder van Gelderland werd , had bij do aanvaarding van zijn ambt gezworen, den Katholieken godsdienst te zullen handhaven, doch zijn eerste werk bestond hierin, dat hij alles aanwendde, om de verspreiding der nieuwe leer in dit gewest te bevorderen. Om hiertoe te komem voorzag hij de soldaten , die meestal Duitschers en Kalvinisten waren, van predikanten. Welhaast sloegen dezen aan het beeldstormen , en wel met zulk eene woede, dat de voornaamste leden der ridderschap, met de afgevaardigden der steden Venlo , Zalf en , Boesburg , Doetichem , Lochem , Groenlo en andere , daarover klachten deden bij de Alge-meene Staten , terwijl zij de medeplichtigheid van den stadhouder Jan van Nassau , die alles door de vingers zag, in het helderste daglicht stelden. Maar de Alge-meene Staten, door Oüanje beheerscht, schenen er zich weinig aan te storen en de gewelddadigheid tegen de Eoomschgezinde burgers bleef aanhouden.

Onderscheidene tooneelen van openbaar geweld en onderdrukking der Katholieken hadden ook in hetzelfde jaar plaats in Zeeland , doch vooral in Vlaanderen en Antwerpen, waar de razernij der Kalvinisten alle palen te buiten ging.

ocr page 155

Alexander Famese. Dood van den Aartsbisschop F r e d e r i k S c h e n k van Tautenburg.

Don Jan van Oostenrijk stierf reeds den 1 October 1578, en werd door Alexander Faene.se , prina van Parma, opgevolgd. Het grootste gedeelte der Nederlanden was op dit oogenblik voor den koning verloren. Van de zeventien gewesten, waarnlt ons Vaderland toen bestond , waren er slechts drie getrouw gebleven: maar de gruwelen der Kalvinisten en hun boosaardig streven om den voorvaderlijken Godsdienst geheel uit te roeien deden menigeen de oogen opengaan, in de Waalsche streken vormde zich eerlang eene kleine partij , die den naam van Malkontenten of onteoredenen droeg. Deze partij nam met iederen dag in getalsterkte toe, en voerde met goed gevolg krijg tegen de Gentenaars en de Vlaamsche beeldstormers. De Staten van eenige zuidelijke gewesten sloten daarenboven den C Januari 1579 het vermaarde verdrag van Al recht. De onderteekenaars van dit verdrag betuigden eenen uitersten afkeer van alles, wat de ketters hadden aangewend, om het Boomsch-Katholiek geloof in Nederland te vernietigen en de valsehe leer ingang te doen vinden. Zij verklaarden in niets te willen deelnemen aan het kwaad van anderen , noch den blaam van trouweloosheid op zich laden. Daarom zwoeren zij als Christenen en eerlijke lieden de vroeger gemaakte bepalingen der Gentsche bevrediging getrouw te zullen nakomen , het Eoomach-Katholiek geloof en de verschuldigde gehoorzaamheid aan den Koning te handhaven en daarin te volharden en elkander de behulpzame hand te bieden, om met behoud van vroeger verkregen gunsten en voorrechten het welzijn en de rust van hun Vaderland te bevorderen. Weinig tijds daarna zonden zij ook gezanten tot deu prins van Parma, om over hunne verzoening met den V. 10

ocr page 156

146

vorst te bandelen. Dc landvoogd ontving hen met goedheid en wist het door inschikkelijltheid en minzaamheid zoover to brengen, dat zij , ondanks de kuiperijen der Kalvinisten , in bun genomen besluit volhardden en vrede met den koning maakten.

De prins van Oranje, wiens invloed door deze gebeurtenis sterk begon te verminderen, had het raadzaam geoordeeld in de Koordelijke provinciën een gelijk verbond tot stand te brengen. Dit geschiedde ook. werkelijk te Utrecht, door 's prinsen broeder en plaatsvervanger Jan van Nassau, den 23 Januari 1579. Dit verbond , onder den naam van Unie van Utrecht bekend, werd echter niet terstond door alle gewesten onderteekend. De afgevaardigden van Friesland deden het eerst twee maanden later, die van Ooerijsel, Zidfen en Drente in het volgende jaar, en die der stad Gro-ninyen, welke in 1580, door den terugkeer van den graaf van Eennenbbeg onder 's konings gezag weder in de macht der Spanjaarden viel, niet vóór het jaar 1595, nadat zij door prins Maukiïs , Oeanje's zoon, hernomen was.

Bij de genoemde Unie werd bepaald, dat deze gewesten vereenigd zoude blijven , alsof zij slechts één landschap uitmaakten, echter zoo , dat elke Staat zijne afzonderlijke vrijheden en rechten kon behouden. De bondge-nooten zouden elkander ondersteunen en bijstaan , onder welk voorwendsel men hen ook mocht aanranden. De Staten van ieder gewest zouden elk in hunne provincie het oppergezag uitoefenen: doch de gewichtige zaken, welke de geheele Unie aangingen , zooals het sluiten van bondgenootschap en vrede, het voeren van oorlog en dergelijke, waren aan de beslissing der Algemeene Staten of afgevaardigden dor verschillende gewesten voorbehouden. Ten aanzien van den godsdienst mochten Bolland en Zeeland naar goedvinden handelen, doch in de andere provinciën moest alles zoo geregeld worden, dat ieder vrijheid genoot.

ocr page 157

147

Maar de ivoecie der Kalvinisten tegen de Katholieken was nog niet verminderd, en de rechtgeloovigen konden niet dan in liet grootste geheim aan himne godsdienstplichten voldoen. Twee jaren later vaardigde de prins van Oranje zelfs een plakkaat uit, waarbij de nitoefening van den Katholieken godsdienst in de provincii n tfol-iand en Zeeland verboden werd.

Te midden dezer droevige gebeurtenissen stierf de doorluchtigen Kerkvoogd Fbedekik Schenk , baron van Tautenburg, die den 25 Mei 1561 door Paus l'rrs TV tot Aartsbisschop van Utrecht was aangesteld. Hij had zijne verhevene bediening ruim negentien jaren bekleed , en had gedurende al dien tijd met groote moeilijkheden te kampen gehad. Ongeveer vier jaren vóór zijnen dood, moest hij in zijn eigen woning eene gevoelige beleediging ondervinden. Eenige burgers van Utrecht, die de partij van Oeanje toegedaan waren, veronderstelden , dat de Aartsbisschop veel geld moest bezitten, wijl hij tot een zeer voornaam adlelijk geslacht behoorde en toch hoogst eenvoudig leefde. Zij gaven voor, dat die schatten lichtelijk door het krijgsvolk konden geroofd worden, en dat het dus raadzamer was dezelve ten nutte der stad aan te wenden. Er werd dan spoedig een geschrift opgesteld, waarbij men den Kerkvoogd eenige duizenden gulden, tegen zestien ten honderd, in leen verzoekt. Vervolgens werden tegen het vallen van den avond alle toegangen tot het paleis door burgers bezet, terwijl eenigen der meest onbeschaamden naar den Bisschop gingen, om hem het voorstel te doen. Daar de grijze Kerkvoogd in zijne kamer bleef, sloegen zij de deur open en drongen met geweld tot hem door. Op eene huichelachtige wijze stelden zij hem thans den nood der stad voor en de gevaren , welke zijn geld bedreigden, waarna zij hem de som van vijftig duizend gulden verzochten. l)e Kerkvoogd bood er terstond vijf duizend aan; doch wijl hun dit niet genoeg scheen , verzocht hij tijd tot den volgenden morgen , om zich te kunnen bedenken. Men ant-

ocr page 158

148

woordde, dat dit niet zijn kon, en begon dadelijk alles te doorsimü'eleu.

Bij deze gewelddadige en smadelijke handelwijze gedroeg de doorluchtige prelaat zich zeer gelaten. Geene enkele klacht ontsnapte aan zijne lippen. Alleen toen men des morgens het geld zou wegvoeren , zeide hij , dat hij het aan God overgaf, die de dienaars der ondeugd niet ongestraft laat; hij bekommerde zich niet over het geld , maar vond het onredelijk, dat men hem zelfs geen tijd van beraad had willen gunnen.

De waardige Kerkvoogd overleed den 25 Augustus 1580, ruim een jaar voor dat het bovengenoemde plakkaat tegen de Katholieken door den prins van Oranje werd afgekondigd.

Banvonnis tegen Oranje. Afzwering van F i i i p s II. De Hertog van Anjou.

Onder bemiddeling van keizer Rudolf II had er kort na het sluiten der beide Unie s, te Keulen een vredehandel plaats, die door de listen van Oeaxje geheel verijdeld werd. De prins had sedert lang een geheel ander plan. Hij wilde namelijk zijnen wettigen vorst de regeering over deze gewesten onttrekken, en zich zeiven de grafelijke kroon opzetten. De koning, hiervan onderricht, vaardigde den 15 Maart 1581 een banvonnis tegen hem uit. Hij verweet den prins zijne verregaande ondankbaarheid, meineedigheid, huichelarij en andere ondeugden, noemde hem den eenigen aanstoker der Nederlaudsche onlusten, den bestrijder van zijnen wettigen heer, den verrader van zijnen vorst en van zijn geloof; in het kort, een vijand van het land , van God en van de H. Kerk. Hij stelde daarom diens hoofd op prijs, en beloofde 25000 gouden kronen, be-

ocr page 159

H.9

nevens de vcrheüïng tot den adelstand , aan ieder , die hem levend of dood zon overleveren.

De prins van Oranje beantwoordde dit vonnis 7net een verdedigingsgeschrift, dat hij naar alle hoven van Bu/'opu zond , en hetwelk vol was van de onbeschaamdstf: lasteringen tegen zijnen vorst. Hij bewoog vervolgens de Algemeene Staten, om Filips 11 , den 26 Jnli 1581 plechtig af te zweren. De koning werd van allo macht en gezag in deze landen vervallen verklaard, zoowel voor zijne nakomelingen als voor hem zeiven. Alle leen-manneil, ambtenaren en verdere ingezetenen werden van hunnen eed , aan hem als graaf gedaan, ontslagen , en men noodigde den hertog van Aujou, broeder van den Franschen vorst uit, naar deze gewesten te komen, om voorloopig als souverein der Nederlanden gehnldigd te worden. De aartshertog Matthias , die gednrende vier jaren eene nietsbednidende rol vervuld had, legde nu zijne waardigheid neder, en vertrok weder naar Duitschland.

De hertog van Aniou kwam eenigen tijd daarna met eene aanzienlijke krijgsmacht naar deze landen. Hij zag echter spoedig in, dat hij evenals zijn voorganger, eukel den titel van gezagvoerder had , en dat hij overal de tweede was. Het stiet hem tegen de borst, dat hij , een Fransc.he prins , in het land geroepen om als souverein te gebieden, bij de Staten zoo weinig ondersteuning vond, terwijl Okanje alles gedaan kreeg, en overal den voorrang had. Op raad zijner vrienden besloot hij spoedig hieraan een einde te maken , en zich tegen eiken prijs als meester te doen eerbiedigen. Zijne soldaten , welke hier en daar in garnizoen lagen , maakten zich eensklaps van onderscheidene steden meester, doch toon de hertog zelf dit in An!werpen beproeven wilde, werd hij deerlijk te leur gesteld. Terwijl zijne troepen op een gegeven teeken de poorten binnentrokken , raakten al de burgers in beweging, ieder maakte zich gereed om den Franschman het hoofd to bieden. Zulk een wederstand had de hertog niet verwacht; zijn krijgsvolk vlood in wanorde naar de poorten terug, doch het

ocr page 160

150

gedrang was zoo groot en het musketvuur der burgers zoo hevig , dat men niet dan met groote moeite uit de stad geraakte. Vijftienhonderd Fransehen en bijna honderd burgers verloren bij dien aanslag het leven, terwijl Ak.iou , met schande overladen, de wijk naar Frankrijk nam, waar hij den 10 Juni 1584 overleed.

Dood van W i I i e m 1.

Onmiddellijk na het vertrek van den hertog van Anjou geraakte ook Willem van Oranje te Antujerpen in groot gevaar. De haat en de woede des volks was zoo lievig, dat men elk, die met de Fransehen in betrekkina; gestaan had, als een vijand beschouwde. De prins, die het eerst op de gedachte gekomen was, om die vreemdelingen te hulp te roepen, bleef hiervan niet uitgezonderd. Men schold hem voor een verrader en aanhanger der Franschen, die met dat volk heulde, om het land ongelukkig te maken. Men ging zelfs zoover, dat meu bij helderen dag zijne woning doorzocht, om te ontdekken of er ook Franschen verborgen waren. Deze openbare beleediging kon de prins niet verdragen ; hij verliet eerlang de stad en begaf zich naar Middelburg, doch kort daarop naar Delft, waar hij in het St. Agatha-klooster zijnen intrek nam. Het was hier , dat de dood hem wachtte. Sa de afkondiging van 's konings banvonnis in 1581 was zijn leven geen oogenblik meer veilig geweest. Eeeds den 18 Maart 1582 had Jan Jauekgci , een jonkman van 23 jaren , waarschijnlijk door geldzucht gedreven , te Antwerpen een aanslag op 's prinsen leven gewaagd. Met een pistool onder den hoed, aldus verhaalt men , was hij, zonder opgemerkt te worden , tot in de eetzaal doorgedrongen , juist toen de prins van tafel opstond en zich naar eene zijkamer begaf. Jadiiegüi volgde hem op den voet en reikte hem een verzoekschrift over ; doch terwijl Oeanjk dit las, greep de Spanjaard zijn pistool en schoot hem naar het voorhoofd. De kogel drong den

ocr page 161

151

prins onder het rechteroor in , ging langs het verhemelte , en kwam beneden het linkerkakebeen weder uit. Door het schot bedwelmd, viel hij terstond in onmacht, terwijl de Spanjaard door een hellebaardier werd afgemaakt. Maar de prins herstelde in minder tijd dan men gedacht had; hij verliet in het volgende jaar de Zuidelijke provinciën, en stond reeds op het punt om als erfelijk graaf over Holland, Zeeland en Utrecht gehuldigd te worden, toen een treurig voorval de uitvoering daarvan verhinderde.

Balthasae Geeard, een Bourgondiër van geboorte, was er sinds eenigen tijd in geslaagd, het vertrouwen van Okan.ik te winnen. Hij had zich onder een verdichten Franschen naam bij hem ingedrongen en eenig geld gekregen om kousen en schoenen te koopen. De huichelaar schafte zich hiervoor een paar pistolen aan, en begaf zich vervolgens weder naar hot St. Agatha-klooster onder het voorwendsel van een paspoort te halen. De prins zat juist aan tafel; te twee uren stond hij op , doch aan de trap der eetzaal gekomen, bemerkte hij Gekard , die in reisgewaad voor hem stond. De Bourgondiër maakte eene diepe buiging , als wilde hij hem groeten , nam gezwind een pistool en brandde los. Het schot werd oogenblikkelijk door don dood gevolgd; drie kogels hadden te gelijk het hart van den prins doorboord ; geen teeken van leven was meer in hem te zien. Aldus viel op den 10 Juli 1581 een der bekwaamste staatsmannen der 16l' eeuw, in het 52!!le jaar vau zijnen ouderdom, nadat hij ruim zestien jaren een zeer hardnekkigen strijd met een der machtigste vorsten van Eitropa gevoerd had. Hij werd met meer dan koninklijke pracht te Delft begraven. Wat den Bourgondiër betreft, deze was in de eerste verwarring ontvlucht, doch werd weldra gegrepen en moest nu eene zeer verschrikkelijke doodstraf ondergaan. Eerst werd hem de rechterhand met een toesluitend gloeiend ijzer afgeschroeid, daarna het vleesch op zes plaatsen met gloeiende tangen uit zijn lichaam gehaald , en eindelijk werd hij gevierendeeld. Gerakd onderging

ocr page 162

deze vreeselijke straf met groote koelbloedigheid, eu liet, naar men beweert, zelfs in het midden der hevigste folteringen, geen enkel teeken van smart hooron.

M a u r i t s.

/ Door den onverwachteu dood van den prins van Oranje geraakten de verschillende Staten der Noordelijke gewesten in groote verlegenheid. Alexandek Faenese, die na het afsterven zijner moeder den titel van hertog voerde, maakte van de verwarring gebruik, om zijne veroveringen in het Zuiden voort te zetten. 5 Met uitzondering van Sluis en Oslende, bracht hij in korten tijd geheel Vlaanderen onder het gezag des konings terug en herstelde in die gansche provincie den Katholieken godsdienst. Hetzelfde geschiedde te Brussel, Mechelen, Nijmegen , Doesburg en Antwerpen , welke laatste stad hij na een merkwaardig beleg van zes maanden den 27 Augustus 1585 zegevierend binnentrok.

Door dit alles verloren evenwel de Noordelijke provin-cien den moed niet. Terstond na Obanje's dood werd er een Eaad van State aangesteld met Maubiïs, Willem's tweeden zoon aan hun hoofd. De zeventienjarige prins had nog wel een ouderen broeder, Filips Willem ge-heeten, die zich in Spanje bevond, maar deze was Katholiek , en de Kalvinisten begeerden geenen aanvoerder, die niet tot hunne sekte behoorde.^Daar men echter beducht was , dat de jeugdige Madeits niet tegen den hertog van Partna bestand zou zijn , zag men andermaal naar vreemde hulp uit. Men wendde zich tot Hendbik III, koning van Frankrijk; doch wijl deze vorst zwarigheid maakte, om het oppergezag aan te nemen, nam men zijne toevlucht tot Elizabeth van Engeland, die eenige hulptroepen zond. Aan het hoofd dier troepen stond de graaf van Leicester, wiens bevallig voorkomen deu Nederlanders zoodanig beviel , dat zij hom bij zijne aankomst tot Gouverneur-generaal over de zeven Veree-

ocr page 163

153

nigde gewesten benoemden. quot;De Staten van Holland zagen echter weldra in, dat zij bedrogen waren; Lek esteh was de man niet, dien zij noodig hadden. Gelukkig hadden zij in tijds op voorstel van den bekwamen Joiian van Oldenbabnevelt, den jeugdigen Maueits van Nassau tot stadhouder en admiraal over Holland en Zeeland aangesteld. Deze maatregel mishaagde bovenmate aan Ei.i-zabeth's gunsteling ; hij wilde , naar het schijnt, evenals weleer Anjou, niemand boven zich hebben, en streefde al aanstonds naar het oppergezag. Om beter zijn doel te bereiken , nam hij zijn verblijf te U!recht, bedroog de grooto menigte door eene gehuichelde vroomheid , en hield zich als een ijverig protestant. .\a aldus eenen kleinen aanhang verworven te hebben, wist hij eenige overheidspersonen in zijn belang te winnen , en trad onbeschaamd als gebieder op. Zonder op de voorstellingen zijner raadslieden acht te geven , matigde hij zich een veel grooter gezag aan, dan hem van rechtswege toebehoorde ; hij zette het volk tegen de Nederlandsche gezagvoerders op; stremde den handel, bemoeilijkte de scheepvaart en verbitterde de inlandsche krijgslieden mot hun Engelsche officieren te geven. / Door deze en andere hatelijke verordeningen kwam er in het land eene groote spanning. De hertog van Par ma veroverde Grave, Venloo, Nuis en Deventer, terwijl de krijgsverrichtingen van den Engelschman, uit hool'de van de slechte medewerking der Staten, grootendeels schipbreuk leden ; DuesOury was de eenige stad, welke hij den Spanjaarden afhandig maakte, ƒ Tot zijn innige spijt droegen nu de Staten aan Maurits het opperbevel over het leger op en lieten de soldaten eenen nieuwen eed afleggen. Om zijn verloren gezag te herwinnen, trachtte Leioesteb eene omwenteling tot. stand te brengen; doch eenigen zijner handlangers werden te Leiden gevat en aan den scherprechter overgeleverd. Weinig tijds daarna keerde hij naar zijn land terug, en de Staten der vereenigde Provinciën hadden de voorzichtigheid, geene vreemde gebieders meer aan hun hoofd te stellen.

ocr page 164

154

De onoverwinnelijke vloot.

De koning van Spanje was hevig gestoord, toen hij vernam, dat Elizabeth de Nederlanders met hulptroepen had bijgestaan. Om haar deswege te tuchtigen en ook om haar te straffen voor den moord, aan hare deugdzame nicht Makia Stuart gepleegd, rustte de koning eene ontzaglijke; vloot uit, welke door de Spanjaarden met den trotschen naam van onoverwinnelijke bestempeld werd. Deze Vioot, welke insgelijks togen de Noordelijke Nederlanden gericht was, bestond, naar men zegt, uit 135 groote oorlogsschepen en was met ongeveer 20000 soldaten en 7000 matrozen bemand. Aanhethootd dier uitrusting stond de hertog van Medina Sidonia, een der voornaamste edellieden des rijks, die echter meer door rijkdom en aanzien, dan door schitterende bekwaamheden uitblonk.

In Spanje hield men zich volkomen zeker van de overwinning , te meer wijl de hertog van Panna zich met 30000 man voetvolk en 1800 ruiters bij de troepen van Sidonia zou aansluiten. Intusschen ging de vloot in Mei 1588 onder zeil, doch werd reeds op de kusten van Gallicië door zulk een hevigen storm overvallen , dat zij genoodzaakt was terug te keeren. Zoodra men de schade hersteld bad, koos zij andermaal zee, en vertoonde zich na eenige weken aan de zuidkust van Engeland. Indien de Spaansche scheepsbevelhebber onverwijld de vijandelijke vloot bij Plymouth aangetast had , dan ware het ongetwijfeld met Elizabeth's heerschappij gedaan geweest; doch do lastbrief des admiraals hield in, dat hij geen aanval wagen mocht, voordat Pabma zich met hem ver-eenigd had. Zoodra de Engelschon bemerkten, dat zij niet verontrust worden , vielen zij de Spaansche vloot van alle kanten aan, en brachten haar in onderscheidene kleine gevechten gevoelige verliezen toe. Daarbij kwam nog, dat de landvoogd Pabma door de Hollandsche en

ocr page 165

mi*- j.-wf1- . ...... i1.1 1

Zeeuwsche vaartuigen in de haven van Duinkerken als gevangen gehouden werd , terwijl Medina Sidonia geene kans zag , om hem uit dien neteligen toestand te verlossen.

Intusschen waren de Engelschen niet zonder vrees. Beducht dat de hertog van Parma van de duisterheid des nachts gebruik zou maken, om door de Ncderlandsche schepen heen te boren, liet Howaeu acht zijner meest gehavende vaartuigen met kruit en brandstoffen vullen , en in stilte naar de Spaansche vloot sturen. Zoodra deze in derzelver nabijheid gekomen waren , stak men ze in brand en verspreidde daardoor schrik en ontsteltenis onder het vreemde scheepsvolk. Vele onderbevelhebbers van Sidonta kozen zelfs de ruime zee en brachten zoo doende alles in verwarring. Daarenboven brak er nog een hevige storm los, zoodat ieder aan het behoud der vloot wanhoopte. Te gelijk door de woedende golven en het vuur der Engelsche en Nederlandsche schepen geteisterd , waren de meeste schepelingen buiten staat om zich te verdedigen; onderscheidene vaartuigen werden veroverd of in den grond geboord , en een groot gedeelte der bemanning verloor het leven in de golven.

De hertog van \ledina Sidonia , wiens vloot thans zeer gehavend was, nam het besluit met eenige der best voorziene vaartuigen langs het noorden van Schotland om, naar Spanje terug te keeren. Op do terugreis had hij evenwel nog voortdurend met de grootste moeilijkheden te kampen , waardoor ternauwernood 53 schepen met de helft der bemanning in de Spaansche havens terugkeerden.

Toen Fimps II de tijding van deze onverwachte nederlaag ontving, bleef hij geheel kalm. Hij schonk aan de arme gekwetste soldaten en matrozen eene som van 5000O dukaten, en onderwierp zich gelaten aan de beschikkingen der goddelijke Voorzienigheid, terwijl hij Haar tevens bedankte, dat zijne vloot niet geheel vernietigd was.

ocr page 166

156

Verrassing van Breda.

gt;3 de vernieling der Spaansehe vloot werd de oorlog van 's konings zijde hier te lande met minder hevigheid voortgezet. Ite hertog van Parma was verplicht een groot gedeelte zijner troepen naar Frankrijk te zenden, ten einde den voortgang der protestantsche wapenen in dat koninkrijk te stuiten. Deze gebeurtenis stelde MiüBiTS . die reeds stadhouder over vijf provinciën was, in de aelegenheid om zijne veroveringen uit te breiden. Zijne eerste voorname ondernemiDü was tegen Breda gericht. Eenige schippers, die aldaar gewoon waren de Spaansehe bezetting van turf en hout te voorzien , hadden hem te kennen gegeven, dat zij kans zagen om heimelijk eenig krijgsvolk in het kasteel te brengen. Maceits sprak hierover met den bekwamen Oldenbaexetelt , die dir plan goedkeurde en den kapitein HEEirGOtÊEE aanwees als den geschiktsten persoon . om hetzelve uit te voeren. Kapitein HebaCoièbe achtte zich ten hoogste vereerd door deze keus ; hij ontbood terstond Adeiaan van Bee-gek . met wiens schip de zaak moest uitgevoerd worden , en overlegde met hem, hoe dezelve aan te leggen. Ka een kort onderhoud besloot men het schip van eene zoldering te voorzien, waaronder een zeventigtal soldaten konden verborgen worden, terwijl de boven hun hoofd gestapelde turf de krijgslieden aan ieders oog onttrekken zou. De zaak aldus geregeld zijnde , betrokken de daartoe uitgekozen manschappen op Maandag den 26 Februari hun zonderling verblijf. Daar het weder gunstig was , meende de schipper, dat de tocht zeer kort zou zijn; doch nauwelijks had men een eind wegs afgelegd, of de wind keerde eensklaps om , zoodat men genoodzaakt was drie dagen stil te blijven. Gedurende dezen tijd hadden de soldaten veel te lijden. Zij kwamen echter behouden te Breda, en daar de bevelhebber, die insgelijks over Geertruiden-herg gebood , juist dien dag afwezig was , werd het schip door den korporaal der wacht niet behoorlijk onderzocht. De grachten waren nog vol ijs , en daarom hielpen, zelfs

ocr page 167

1-57

eenige Spaansche soldaten om liet vaartnig binnen het kasteel te trekken. Hierop ging men terstond aan't lossen. Het scheelde echter weinig . of alles ware verraden geworden : het schip had onvoorziens een lek gekregen . waardoor de manschappen, die tot de knieën in het water stonden, zoo verkonden werden. dat zij den 'noest onmogelijk konden bedwingen. Zeker luitenant Matthus Heit, die bniten staat was zich van hoesten te onthouden, trok zijn zwaard en verzocht zijnen tochtgenooten hem te dooden , wanneer hij oorzaak mocht zijn, dat de onderneming zou mislukken. Gelukkig behoefden de soldaten tot zulk een uiterste hunne toevlucht niet te nemen. De schipper, een vroolijke gast, liet gestadig pompen, en wist door zijne zonderlinge kwinkslagen en aardige grappen de turfdragers zoo te verlustigen. dat dezen geene de minste achterdocht opvatten. Intnsschen begon de turf zichtbaar te verminderen en Vax Bergen was beducht, dat de zoldering weldra voor den dag zon komen. Hij hield zich dus vermoeid , en de invallende schemering te baat nemende , sprak hij tot de dragers : Sa ; mannen . 't wordt duister en 't weer is guur ; ziedaar eenig drinkgeld , morgen zullen we de rest wel aan wal brengen. De dragers lieten zich dit aanstonds welgevallen . namen het geld, en verwijderden zich.

Tegen middernacht kropen nu Hekacgièee en zijne manschappen uit hun somber verblijf, overrompelden de wacht, en dreven de Spaansche soldaten, welke op het gerucht kwamen toegesneld , in het kasteel terug. Nauwelijks was dit geschied . of men zond er bericht van aan Maubits. Deze kwam in allerijl met eene groote legermacht aanrukken, en geholpen door die van binnen, was hij weldra meester van de stad. Deze zonderlinge inneming had plaats op den 4 Maart 1590. Allen . die tot het welslagen der onderneming hadden bijgedragen . werden mild beloond; Matthus Helt kreeg den graad van kapitein, terwijl Hehaugièbe tot bevelhebber der veroverde vesting werd aangesteld.

ocr page 168

158

De oorlog wordt voortgezet. Dood van den hertog van Parma en van Filips II. Al bert us en Isabella.

'/Do laatste jaren der zestiende eeuw waren voor de Nederlandsohe wapenen zeer voorspoedig. In 1591 veroverde Maueits Zutfen , Beoenter , Hulst en Nijmegen ; in de twee volgende jaren Koevorden en Qeertniidenherg, en in 1594 ook de stad Groningen, waardoor dit gansche gewest weder met de Unie vereenigd werd.

J) Sedert dien tijd zette de prins onverschrokten zijne krijgsverrichtingen voort, en durfde zelfs de Spanjaarden buiten de grenzen der Vereenigde provinciën aanvallen. De hertog van Parma , zijn geduehtste tegenstrever, overleed den 3 December 1592 en werd in den tijd van vier jaren door drie verschillende landvoogden opgevolgd^ Eindelijk benoemde de Spaansche vorst zijn neef Albehtub van Oostenrijk, in wiens gevolg ook Filips Willem, Oeaxje's oudste zoon, in de Nederlanden wederkeerde. Albektus zette den oorlog moedig voort: hij veroverde de stad Hulst in Zeeland, en zond kort daarna den graat De Vabas met 3500 man naar Turnhout, om aan de knevelarijen der Bredasche bezetting in de omstreken dier stad een einde te maken.Nauwelijks had Maueits hiervan bericht gekregen, of hij snelde met ongeveer 7000 zijner krijgsknechten daarheen , en behaalde in minder dan een uur eene volkomene overwinning. In hetzelfde jaar bemachtigde hij ook Rijnberk, Meurs, Groenlo, Enschede, Ootmarsum en andere plaatsen in Gelderland en Overijsel. Door al deze roemrijke wapenfeiten werd zijn naam alom bekend, en onderscheidene jongelingen der aanzienlijkste familiën kwamen uit vreemde landen tot hem , om onder zijne leiding de krijgskunst te leeren.

EiLirs JI, die inmiddels zijn einde voeldenaderen, had in de laatste jaren zijns levens een nieuw ontwerp beraamd , om aan den oorlog een einde te maken. Hij gaf namelijk zijne dochter Isabella aan den aartshertog

ocr page 169

15'.)

Albeetus ten huwelijk, en sc-honk hnn met toesteming van zijn zoon en opvolger de Nederlanden als huwelijksgift. De nieuwe vorston mochten evenwel geen anderen dan den Katholieken godsdienst in hunne Staten dulden, en indien zij zonder kinderen kwamen te overlijden , zouden de afgestane gewesten weder met de Spaansche kroon vereenigd worden.

Kort na deze schikking overleed de grijze vorst aan eene zeer smartelijke ziekte. Twee jaren lang was hij reeds aanhoudend geplaagd geweest door jichtpijnen en waterzucht, doch hij staakte daarom zijne gewone -werkzaamheden niet. In den zomer van 1598 kreeg hij evenwel zulke groote gezwellen aan de borst en aan de knieën, dat hij verplicht werd het bed te houden.. Zijne veelvuldige wonden veroorzaakten hem de hevigste smarten , doch zijn geduld en zijne overgeving aan Gods H. Wil waren zeer voorbeeldig. Gedurende meer dan 50 dagen lag hij gestadig op den rug en deed haast niets dan bidden, totdat hij, na het ontvangen der laatste H. Sacramenten , op den 13 September 1598 in het 72stl' jaar van zijnen ouderdom stierf. Zijn dood bracht geene verandering te weeg in het bestuur dor JSTederlandsche gewesten. Albeetus en Isabella voltrokken hun huwelijk en werden in den herfst van het volgende jaar met ongehoorde plechtigheid te JSncsselge!iuldigd. :'Gaarne zouden zij van nu af in ongestoorden vrede met de Noordelijke provinciën geleefd hebben, doch Maubits verkoos dit niet. Op het einde der maand Juni van het jaar 1600 drong hij eensklaps met 15000 man in Vlaanderen door, en sloeg zich bij Nieuwpoort neder. Albeetus had dit zoo haast niet vernomen, of hij verzamelde zijne troepen en trok den prins te gemoet. De eerste schermutseling was den aartshertog gunstig, 's Prinsen veldheer Ehnest van Nassau, dien Matteits vooruitgezonden had om Albeetus tegen te houden, werd met zijne 800 manschappen verslagen.

--Maubits hield deze nederlaag voor zijn volk zorgvuldig verborgen ; hij stelde zonder toeven zijn leger in slag-

ocr page 170

160

orde, en om bij iedereen de hoop van ontvluchten weg te nemen , deed hij de vloot, welke hen overgebracht had, vau wal steken. Er bleef dus niets over dan te sterven of te overwinnen //Gelukkig had M a i; rits eene zeer gunstige stelling gekozen, zoodat de wind al het stof en den rook deu Spanjaarden in het aangezicht joeg , waardoor dezen in hunne werkzaamheden zeer gehinderd werden. Na eene zware worsteling van vier uren behaalde de prins eene luisterrijke overwinning, doch niet zonder groote opofl'ering. Van de zes duizend doo-den , die het slagveld bedekten, hadden er ongeveer 3(XX gt; tot zijn leger behoord. Gering waren dan ook de voor-deelen van dezen slag.-''/De stadhouder moest bij gebrek aan krijgsvolk het beleg van Nieuwpoort laten varen en naar Holland aftrekken. Ten einde Maueits de terugkomst in Vlaanderen te beletten , omsingelde Albkrtus in het volgende jaar het sterke Ostende. De Vereenigde gewesten , die aan het behoud van deze plaats een groot gewicht schenen te hechten, zonden haar over zee gedurig nieuwe troepen, totdat de dappere Spinola eindelijk dien toevoer afsneed en de stad innam. De belegering had drie jaren en tachtig dagen geduurd, en , naar men berekent, aan meer dan honderd duizend menschcn het leven gekost.

Gebeurtenissen op zee.

/ Omtrent dezen tijd geraakten de Nederlanders ook door hunne stoute zeetochten bekend.

De 1'ortugeezen , gedurende vele jaren de voornaamste zeevaarders van Europa, hadden sinds de ontdekking van de kaap de Goede Hoop, door hunnen handel op Indie groote schatten verworven. Lissabon, de hoofdstad van hun gewest, was het middelpunt van den Europeeschen handel en de stapelplaats der Indische voortbrengselen. De meeste volken van ons werelddeel kwamen daar ter

ocr page 171

161

markt, en ook de Nederlanders bleven niet achter.,,quot; Dit duurde zoo tot 1580, wanneer Forluyal bij Spanje werd ingelijfd , en luurs II den Nederlanders allen handel met dit rijk verbood. Geen wonder dat de Nederlanders nu op de gedachte kwamen, om zeiven den weg naar het afgelegen Indië te zoeken. Tot driemaal toe beproefde men door de Noordelijke IJszee heen eene doorvaart naar dat verre gewest te vinden, doch telkens vruchteloos. Heïaiskeuk en Baeekds , die na vele moeilijkheden en gevaren tot bij Nom-Zembla waren doorgedrongen, geraakten in de nabijheid van dit eiland door groote ijs-schotsen zoodanig ingesloten, dat hun schip verbrijzeld werd, en zij den geheelen winter in die barre streken moesten doorbrengen. Een groot gedeelte der bemanning stierf van koude en gebrek ; de wakkere Babends zelf, die reeds aan drie tochten had deelgenomen , was van dit getal; de groote vermoeienissen hadden zijne krachten uitgeput. Heemskeek kwam met eenige weinigen behouden in het Vaderland terug , en liep den 29 Octo-der 1597 de Maas weder binnen.

Middelerwijl hadden Coknelis Houtman met vier, en na hem Van Neok met acht schepen de reis langs de kaap de Goéde Hoop gedaan , die gunstig was uitgevallen. Nu werd de handel op Indic weldra algemeen; onder, scheidene kleine handelgenootschappen kwamen tot stand, en hieruit ontstond mettertijd de groote üost-ln-dische Compagnie, die het recht verkreeg om uitsluitend op de Oost te varen en handel te drijven. De Nederlanders verjoegen de Bortugeezen uit vele streken. In 1600 vestigden zij eene volkplanting aan de Kaap; vier jaren later veroverden zij de kust van Guinea , ontdekten Nieuiv-Holland en maakten zich in 1607 meester van de Molukken. Omstreeks dien zelfden tijd deed ook Oliviek van Nooet eene reis romdom de wereld , en maakte den Nederlandschen naam bij vele afgelegen volken bekend-ïen einde den opkomenden Jndischen handel te be-Sthermen en den Spanjaarden zooveel mogelijk afbreuk V. ' 11

ocr page 172

162

toe te brengen , zonden de Staten van tijd tot tijd eenige schepen in zee. Ofschoon het geluk hun dikwijls gunstig ■was , ondervonden zij toch meermalen grooten tegenspoed. In 160G onder andere werd de vice-admiraal Eeiniee Et.aassen door eenige Spaansche galeien aangevallen. De Kederlandsche schepen, welke hem vergezelden , gingen ijlings op de vlucht; doch Slaassen verdedigde zich als een kloek zeeman , zoolang hij kon. Twee dagen lang vocht hij tegen den overmachtigen vijand en bracht hem geduchte schade toe. Toen hij evenwel zag, dat er voor hem geene hulp kwam opdagen , stak hij voorbedachtelijk den brand in het kruit en vloog met zestig man in de lucht. Door deze roekelooze en wanhopige daad bracht hij echter den Staten geen het minste voordeel aan. In het volgende jaar geraakte ook Jakob van Heemskerk op do hoogte van Gibraltar met de Spaansche vloot onder d'Avila slaags, en behaalde eene luisterrijke overwinning. Maar in het heetste van het gevecht werd zijn been door een noodlottigen kogel weggerukt, en hij overleed reeds aan zijne wonde , voordat de slag geëindigd was.

Twaalfjarig besiand. Oidenbarnevelt.

De aartshertog Albehtus en zijne echtgenoote haakten intusschen vurig naar den vrede. Eeeds meermalen hadden zij op eene schikking tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden aangedrongen, doch wijl dit telkens mislukte, zonden zij tegen het einde van 1606 , Pater Joannes jSTeven naar 's-Hage, om aan de veree-nigde gewesten een voorstel tot vrede te doen. 's Lands Advocaat, Oldenbaenevelt en de Staten van Holland leenden daaraan een gunstig oor , doch Macbits was er tegen , en wilde met geweld den krijg voortzetten. De prins moest evenwel toegeven; er werden onderhandelingen aangeknoopt, en den 24 April 1607 was men zoover

ocr page 173

163

gevorderd, dat er een wapenstilstand voor ac;lit maanden te land en te üee afgekondigd werd. Aan een dunrzamen vrede was ecliter voor het oogenblik nog niet te denken : de vaart op Indiè en de vrijheid van godsdienst waren te belangrijke pnnten , om dezelve op eenmaal te beslissen. Door bemiddeling van de Fransche en Engelsche gezanten kwam het evenwel den 29 April 1609 te Antwerpen tot een Twaalfjarig bestand, waarbij de vrijheid en onafhankelijkheid der zeven Vereenigde gewesten erkend werden. Men kon dus zeggen , dat er voor de Noordelijke provinciën een nieuw tijdperk was aangebroken; zij hadden voor het grootste gedeelte het doel hunner -wenschen bereikt.

De tijd van rust en verademing , welke men thans genoot, werd echter grootendeels in godsdienstige geschillen en staatkundige twisten doorgebracht. Twee protestant-sche hoogleeraren van de Leidsche hoogeschool, Abminius en Goiiaetjs , geraakten in een bevigen twist over eenige punten des geloofs, waardoor het geheele land in opschudding kwam. Onderscheidene predikanten, die het gevoelen van den eerste waren toegedaan, werden van hun ambt ontzet; er hadden samenrottingen en oproerige bewegingen plaats, er ontstonden vechtpartijen, en niet zelden moest de wereldlijke macht met geweld tusschen-beide treden, om de twistende partijen uiteen te jagen. Ongelukkig geraakte in 1617 de regeering des lands zelve verdeeld. Oldenbaenevelt en de Staten van Holland kozen de partij van Aejiinius, die de gematigdste was ; Matjbits daarentegen meende niets beters te kunnen doen, dan zich bij de Gojiaeisten aan te sltiiten , ten einde eerlang( door deze machtige partij ondersteund , het opperbewind in handen te krijgen. De grijze Oldenbaenevelt deed echter zijn best om de aanmatigingen van Matjbits te keer te gaan , zóó zelfs, dat er van lieverlede eene vijandschap tusschen de twee voornaamste personen der Eepu-bliek ontstond, die de treurigste gevolgen na aich sleepte-Om de rust en de orde bij de toenemende beweging beter te kunnen handhaven, stelde Oldenbaenevelt den Staten

ocr page 174

164

van Holland voor, om aan de steden de vrijheid te ver-gnnnen, eenige gewapende troepen of in dienst

te nemen. Dit voorstel, door de meeste leden der vergadering goedgekeurd, werd aanstonds op onderscheidene plaatsen in werking gebracht. Maukits echter stelde zich met kracht tegen dezen maatregel en ontbond de Waard-gelders. Hij maakte daarenboven vele veranderingen in de stedelijke regeeringen, plaatste daarin personen van zijne partij , en liet Oldenbaenevelt , Hugo de Gkoot , Hoogeebeets en eenige anderen, welke zijne inzichten tegenwerkten, in hechtenis nemen. De Staten van Hol-laud verzetten zich tegen deze eigendunkelijke handelwijze, doch zonder gevolg. Er werd eene bijzondere rechtbank benoemd van 24 leden, 13 uit Holland en 12 uit de overige provinciën . om het vonnis der gevangenen op te maken. De leden dezer rechtbank waren vrienden van Matjbits , en droegen den beschuldigden een kwaad hart toe : doch men sloeg daar geen acht op. Maueits bad den val zijner tegenstrevers besloten, en wilde hen zoo diep mogelijk vernederen. Nadat de aangestelde rechters de zaak schijnbaar zeer nauwkenrig onderzocht hadden, brachten zij den 13 Mei 1619 hun eerste vonnis uit: het betrofOlden-baekevelt. Den een en zeventigjarigen grijsaard werd om verscheidene verdichte misdaden de dood aangezegd : de rechters wilden het zelfs doen voorkomen, alsof hij een landverrader was. Dit trof den edelen man op eene gevoelige wijze. ,. Wel hoe, riep hij uit, is dit dan de belooning voor den drie en veertigjarigen dienst, welke ik het land bewezen heb 1quot; Maar een der rechters onderbrak hem en zeide; „Uw vonnis is gelezen, voortl voort!'' en terzelfder tijd wees men hem naar de deur. Olden-babnevelt ging. Met waardigheid beklom hij de trappen van het schavot. Op de hoogste trede gekomen sloeg hij voor het laatst de oogen ten hemel, en zuchtte : „O God, ■wat komt er van den mensch !quot; Daarna vestigde hij zijne blikken op het volk en riep ; „ Mannen, gelooft niet, dat ik een landverrader ben, ik heb oprecht en vroom gehandeld als een goed patriot, en zoo wil ik sterven.quot; Toen

ocr page 175

165

hij deze woorden gezegd had, knielde bij neder, ont. blootte zijnen hals, en eenige oogenblikken later viel zijn hoofd door de hand des scherprechters. Zulk een treurig uiteinde had de groote Oldesbaknevblt.

Hugo de Groot.

Vijf dagen na deze bloedige strafoefening stond het schavot nog overeind. De rechters maakten met het vonnis der overigen geen spoed ; zij Trilden dezen enkel schrik aanjagen, opdat zij zich tot Maukits zouden wenden en vergifienis verzoeken; hierdoor zouden de gevangenen zich zeiven plichtig erkend en de handelingen hunner tegenstrevers gerechtvaardigd hebben. De Geoot en Hoogebdeets lieten zich evenwel in dien strik niet vangen ; zij waren onschuldig aan de misdaden , hun ten laste gelegd, en behoefden dus in dit opzicht geene vergifienis ; zij vorderden enkel, dat mon hun recht zou laten wedervaren. De rechters , aldus in hunne verwachting bedrogen, wendden zich tot derzelver bloedverwanten, doch ondervonden daar dezelfde teleurstelling. Zelfs Mama vax Keigeksbeegen, de echtgenoote van De GkooTi betoonde eene gelijke onverschrokkenheid. Aan een hooggeplaatst persoon, die er wat sterk op aandrong, dat zij voor haren man vergiffenis zou verzoeken, antwoordde de fiere vrouw : „ Ik zal het niet doen ; heeft mijn man den dood verdiend, men sla hem het hoofd af.quot; De rechters brachten evenwel De Geoot en Hoogeebeets niet op het schavot, maar veroordeelden hen tot eene levenslange gevangenschap op her slot Loemste'm. De majoor der vesting ontving de beide vrienden met zeer veel onderscheiding, en schonk aan hunne bloedverwanten vrijen toegang tot de gevangenis. Zulk eene handelwijze viel geenszins in den smaak van 's prinsen vrienden, die liever gezien hadden, dat de veroordeelden met

ocr page 176

160

meer strengheid behandeld werden. Het duurde dan ook niet lang, of er kwam eene aanmerkelijke verandering in hun lot; de majoor werd afgezet en vervangen door den luitenant Pboüxinck , een stuurach en aohter-dochtig man, die wel in staat was om den veroordeelden het leven bitter te maken. Van het oogenblik af, dat Peouhtnck in bediening trad, mochten de gevangenen zonder toestemming van den slotvoogd geene brieven meer schrijven, hunne nabestaanden en vrienden konden' hen niet zoo vrij meer bezoeken , en indien zij eenigen dienst van hunne echtgenooten verlangden, moesten dezen bij hen opgesloten blijven, en mochten den kerker niet zonder vergunning verlaten. Na een herhaald aandringen werd echter aan deze laatsten toegestaan geregeld tweemaal per week iemand uit te zenden, of zeiven uit te gaan om zich het noodige aan te schaliën.

l)e hulp , welke Hoogeebeets en De Gkoot aldus van hunne echtgenooten ontvingen , was voor hen een ware troost en verzachtte in grooten deele het verdrietige hunner afzondering. De Guoot evenwel had nog eene andere afleiding, namelijk de studie. Zijn geloerde vriend, Van Ekp uit Leiden, bezorgde hem van tijd tot tijd eenige boeken , welke hij De Geoot met toestemming des slot-voogds in een koll'er toezond. Deze kofl'er werd echter weldra het middel tot zijne bevrijding. In den beginne werd de kist bij het heen en wederzenden zorgvuldig nagezien; doch zooals het gewoonlijk gaat, werd men er allengs aan gewoon en niemand lette er meer op. Dit werd aanstonds door de schrandere Maeia van Eeigees-behgen opgemerkt. Zij kwam op de gedachte, dat haar man lichtelijk met die kist zou kunnen ontsnappen, en sprak er over met De Geoot, die den inval zijner vrouw voortreö'elijk vond.

Hij nam weldra de proef, en na eenige oefening kon hij het zoolang in de kist uithouden, als noodig was om behoorlijk de vaart van Loevestein naar Gorkum te doen. Dit was zonder twijfel voldoende. Op zekeren

ocr page 177

107

dag liet hij zich voor het oog zijner wachten uit het fort dragen ; zijne trouwe dienstmaagd Elsje van Houwexijtg vergezelde hem. Te Gorkum aangekomen, droeg Elsje zorg, dat de kist aanstonds door eenige knechten van den schipper in het huis van zekeren Daatsklaak , een goed vriend van De Gboot , werd binnengebracht. De vluchteling stapte hier zonder letsel uit zijn somber verblijf, stak zich in een metselaarspak , en ging onverwijld naar Brabant, waar hij in veiligheid was. Hij week vervolgens naar Parijs en eindelijk naar Zweden, waar hij met de grootste toegenegenheid ontvangen werd. De koningin Cueistima benoemde hem zelfs in 1634 tot haren raad, en zond hem later als afgezant naar Frankrijk. Hij overleed in 1615 te Rostock in den ouderdom van 62 jaren, toen hij op het punt stond om openlijk tot de Katholieke Kerk weder te keeren. In 1777 heeft men te Delft eene prachtige graftombe tot eer van dezen beroemden quot;inn opgericht.

Eene Katholieke zending in Holland.

De toestand der Katholieken in de Vereenigde provinciën was nog weinig veranderd. De priesters , die zich heimelijk in deze streken durfden wagen, hadden veelal geen vast verblijf. Strenge plakkaten verboden op zware boeten elke uitoefening van den Roomschen godsdienst; de geloovigen moesten veelal te midden van den nacht in eene afgelegene woning, op zolders, in kelders of schuren ter sluik bijeenkomen, om de H. Diensten bij te wonen. En toch maakten de Katholieken in den aanvang der zeventiende eeuw nog het grootste deel der Kederlandsche bevolking uit.

Daar het echter te vreezen was , dat ter oorzake van het gering getal geestelijken, vele zwakke Roomschen mettertijd tot de partij der Kalvinisten zouden overgaan.

ocr page 178

168

gelastte Paus Clemens VIIJ in 1592 aan den generaal der Jezuïeten eenige leden zijner orde derwaarts te zenden. De eersten , die daartoe uitgekozen werden , waren Wilhelmus de Leecw en Coenelius Duvst , beiden ZSederlandera. Om niet gezamenlijk in de handen der Ealvinisten te vallen, drong ieder van hen langs een verschillenden weg in de Vereenigde provinciën. Even buiten Anticerpen werd pater De Leeuw door eene bende kwaaddoeners overvallen , die hem alles ontnamen , wat hij bij zich had. Vervolgens stampten zij hem met hunne voeten en sloegen hem zoo onbarmhartig rn et stokken , dat hij half dood op den weg bleef liggen. Hij zette niettemin zijnen weg naar Holland voort, en kwam in zulk een ellendigen toestand te Dordrecht bij zijne ouders aan , dat zijn vader groote moeite had om hem te erkennen. Kauwelijks was hij evenwel een weinig hersteld, of hij begaf zich naar Utrecht en Ocerijscl, terwijl pater Düïst in Holland achterbleef. Twintig Jaren lang arbeidden deze vrome zendelingen met een onver-moeiden ijver aan de zaligheid der zielen. De goede God alleen weet, wat zij in dien tijd te verduren hadden. Men kan zich daarvan licht een denkbeeld maken , als men de zware moeilijkheden leest, welke een hunner medearbeiders, met name Theodoeus Tack, die van 1608 tot 1624 in 'x-Graoeahage werkzaam was, aanhoudend moest ondervinden.

Terwijl deze ijverige priester op zekeren dag ergens eene onderrichting hield, kwam men hem berichten , dat de baljuw (of ambtenaar van het gerecht) onvoorziens het huis was binnengekomen. Wat zou de zendeling nu aanvangen ? Vol vertrouwen op God, en met den kelk nog in de hand , kroop hij niet zonder de grootste moeite en met kneuzing zijner borst, door eene opening in het daarnaast gelegen huis , alwaar hij eene geschikte kamer vond, en zoo aan het gevaar ontsnapte. Daags daarna , toen hij in een ander huis de H. Mis had opgedragen en nog aan het altaar stond, drong de onder-baljuw met zijne mannen dezelfde woning binnen. Wijl

ocr page 179

169

de portiei' begreep , ivaar het om te doen was , paste hij wel op, dat de beambte niet aanstonds naar boven ging, maar hij gaf met de bel een teeken van de aanwezigheid des officiers. De Pater, dit teeken kennende, zocht spoedig eeae schuilplaats , en hoorde bijna op hetzelfde oogenblik in zijne nabijheid de stem van den heer des huizes, die zich zeer beleedigd toonde , dat men in zijne woning eenen priester durfde zoeken. De beambte ging nu terstond heen, vroeg om verschooning en beloofde voortaan niet meer zoo licht aan verklikkers geloof te zullen slaan. Evenwel gebeurde het in dat zelfde jaar nog onderscheidene keeren, dat de baljuw tot drie- en viermaal op éenen dag pogingen aanwendde, om den Pater te overvallen, maar het was telkens verloren moeite. Zoo drong de ambtenaar op oen Zondag, na de deur met een hamer te hebben opengeslagen, verraderlijk in het huis van een der bloedverwanten des Paters, en dwong dezen een geschrift te onderteekenen , waarbij hij beloofde 600 gulden boete te betalen.

Zoodra Pater Tack deze handelwijze van den baljuw vernam , vertrok hij uit de stad, want hij wilde niemand in gevaar brengen , en hij ging bij de bewoners van het platte land een onderkomen zoeken. Vandaar trok hij menigmaal bij het vallen van den avond , nu eens als een landman , dan weder als een soldaat verkleed , naar 's-Hage, oefende daar gedurende den nacht zijne priesterlijke bedieningen uit, en keerde vervolgens, eerdat de zon nog aan den hemel stond , naar zijne schuilplaats terug.

Na aldus veertien jaren aan zijne belagers ontkomen te zijn , viel de zendeling ten laatste in do handen van het gerecht. Den 31 Augustus 1623 in het huis van zeker deftig burger eeno godsdienstoefening gehouden hebbende, maakte hij zich gereed om tegen tien uren des avonds een ander verblijf te zoeken. Zonder twijfel was dit ontdekt door oen bespieder, welke zulks ter konnis gebracht had van oen officier der politie. Deze had den ganschen avond met een dienaar de wacht gehouden, totdat de Pater met zijn gastheer naar buiten kwam. Nauwelijks

ocr page 180

170

waren zij op de straat, of de ambtenaar, die hen op den voet volgde, greep eensklaps beiden vast. De gastheer wist door Gods beschikking gelukkig te ontkomen , doch de zendeling werd in boeien geklonken en in een zeer onzindelijk hok opgesloten. Na eenigen tijd bekwam hij nochtans een minder afschuwelijk verblijf, en zelfs het gezelschap van een ander zendoling, met name pater Maillaed , die in Got'da was gevangen genomen. In denzelfden kerker, doch in een ander vertrek, zat de beroemde Oi'Hovius, later bisschop van 's-Bosch.

Bij de uitwisseling der krijgsgevangenen in 1G24 werden de drie priesters op vrije voeten gesteld. Zij mochten echter hunne priesterlijke bediening binnen de grenzen der Eepnbliek niet uitoefenen, en bleven bij de overtreding van dit verbod gelijk vroeger aan de zwaarste straflen blootgesteld. Alle priesters, doch inzonderheid de Jezuieten, waren voor goeden prijs verklaard, en bij inhechtenisneming veroordeeld tot eene willekeurige boete, die gewoonlijk van 600 tot 900 gulden bedroeg. Eene gelijke som moesten ook zij betalen , die een priester huisvesting gaven, terwijl allen, die bij de godsdienstoefening tegenwoordig werden bevonden , 25 gulden verbeurden. Sasboldus Vosmeee, in 1583 tot Apostolisch Vicaris over de Noordelijke provinciën aangesteld, was in 1002 te Home met de Aartsbisschoppelijke waardigheid bekleed , doch nauwelijks hadden de Staten hiervan kennis gekregen , of hij werd tot ballingschap veroordeeld en zijne goederen verbeurd verklaard. Zijnen opvolger Piulippus Eoveniüs trof hetzelfde lot. De groote zorg, welke hij voor de Katholieken van Nederland betoonde, en zijne wijding tot Aartsbisschop werd hem door de Staten van Utrecht met eeuwigdurende verbanning en berooving van al zijne goederen vergolden. Na vele vervolgingen en bittere kwellingen overleed hij nochtans te Utrecht, waar hij zich veelal met groot gevaar had opgehouden.

ocr page 181

171

Laatste levensjaren van M a u r i t s.

Zoodra de wapenstilstand in 1621 was ten einde ge-loopen , maakte men van weerszijden toebereidselen om den oorlog te hervatten, dot-h de krijgsverriehtingeu leverden aanvankelijk nog weinig belangrijks op De dood van Filips 111 en van den aartshertog Albertus was oorzaak, dat men in de Zuidelijke gewesten niet zeer ernstig op het voortzetten van den krijg bedacht was.

In het volgende jaar sloeg echter Spinola het beleg voor Bergen-op-Zoom, hetwelk hardnekkig verdedigd en eindelijk door Maueits ontzet werd. Maar de stadhouder verloor weldra zijne vroegere veerkracht en moed. De heillooze twisten, waarvan in de vorige lessen gesproken is, hadden hem vele vijanden berokkend en onder deze vooral de zonen van Oldenbabnevelt , die door den dood hnns vaders een aanzienlijk gedeelte hnnner bezittingen verloren hadden. Willem , heer van Stoutenhurg, de jongste dezer zonen , haalde in 1623 zijnen ouderen broeder Reiniee van Groeneveld, over, om met eenige anderen een aanslag op 's prinsen leven te wagen. De misdadige toeleg werd ontdekt door vier matrozen, die een kotter met wapens naar Rijswijk hadden gebracht. Willem van Sloutenburg ontvluchtte naar de Zuidelijke provinciën, en trad daar in den dienst des konings, nadat hij vooraf tot den Katholieken godsdienst was wedergekeerd. Reiniee daarentegen, die minder schuldig was, werd, als een visscher verkleed , op het eiland Vlieland gegrepen en ter dood veroordeeld. Zijne oude moeder had dit nauwelijks vernomen, of zij begaf zich tot Maueits, en smeekte om genade voor haar schuldig kind. ,, Het verwondert mij, sprak Maueits , dat gij thans voor uwen zoon komt vragen, wat gij geweigerd hebt te doen voor uwen man.quot; — „ Ik heb, hernam de weduwe bedaard , voor mijn man geene genade verzocht, wijl hij onschuldig was, maar mijn zoon is schuldig, en daarom roep ik voor

ocr page 182

hem uwo goedgunstigheid in.'quot; Dit fiere antwoord maakte Traarschijnlijk op den stadhouder een pijnlijken indruk. Hij verzuimde de schoone gelegenheid om zich grootmoedig te toonen en liet aan het gerecht zijnen loop. Eenige dagen later werd de ongelukkige met het zwaard gestraft. Het verdriet , dat Mauiuts over dit voorval, gevoelde, en de geringe achting, welke hem sedert de terechtstelling van Oldexbaexetelt bewezen werd , verbitterde zijne laatste levensjaren. Daarenboven beproefde hij te vergeefs de stad Breda, welke in 1624 door Spinola ingesloten was , te ontzetten. Om den Spaanschen veldheer naar elders te lokken, zond de stadhouder een duizendtal voetgangers en tweehonderd ruiters als Spanjaarden verkleed naar Antwerpen, om de citadel aldaar te overrompelen. In het holle van den nacht kwamen zijne troepen ter bestemde plaats aan, beklommen de ladders , die in alle haast tegen de wallen werden opgericht . en stonden gereed om het kasteel aan te vallen , toen een oud soldaat, die op wacht stond, de indringers bemerkte. Oogenblikkelijk loste de krijgsman zijn geweer, waardoor de bezetting gewaarschuwd werd; een plotselinge schrik beving daarop de bestormers en zij trokken ijlines af.

Verslagen en onthutst over het mislukken dezer onderneming , welke hij zorgvuldig geheim gehouden had, zag Maukits van alle andere krijgsverrichtingen af. Zijne gezondheid was merkelijk verzwakt en hij verlangde naar rust. Hij liet daarom het opperbevel over de troepen aan zijnen broeder Feedeeik Hendrik en keerde naar 's-Hage terug , waar hij den 23 April 1625 overleed.

Maubits werd door velen als de eerste veldheer van zijnen tijd beschouwd. Hij zelf scheen hiervan zoozeer overtuigd, dat hij aan zekere vrouw, welke hem vrij onbescheiden vraagde , wie de grootste veldheer was , ten antwoord gaf: „ Spixola is de tweede.quot;

ocr page 183

173

Frederik Hendrik.

Na den dood van Maurits werd diens broeder ïeede-sik Hendbik door de Algemeene Staten tot stadhouder over vijf gewesten en kapitein-generaal der Unie aangesteld. In Groningen en Friesland, waarbij zieh ook het landschap Drente aansloot, werd de waardigheid van stadhouder vervuld door Eknst Casiiiiu , tweeden zoon van öeanje's oudsten broeder , Jan van Nassau.

De eerste daad van Fe edeeik Hexdeik in zijne nieuwe betrekking was eene poging om Breda te ontzetten , doch deze mislukte; de stad moest zich eerlang aan de Spanjaarden overgeven. Met een beter gevolg sloeg hij in 1626 het beleg om Oldeuzaal, dal weldra ingenomen werd. Ook Groenlo moest een jaar later voor zijne zegevierende wapenen bukken. Wat hem echter den meesten roem bezorgde, was de verovering van het sterke 's-Bosch. Het beleg dezer plaats ving aan den 1 Mei 1629 , nadat Spi-kola in den vorigen winter uit de Nederlanden teruggeroepen was. Feedeeik Hesdeik toonde vooral bij deze gelegenheid, dat de moed zijner voorouders ook op hem was overgegaan. Hij bevond zieh gestadig op die plaatsen, waar zijne tegenwoordigheid het dringendst gevorderd werd, en ontzag zich hierbij zoo weinig, dat de Algemeene Staten hem daarover eene opmerking maakten. In den tijd van drie weken waren dan ook de meeste verschansingen voltooid; het water van de Dommel en de Aa, dat afgeleid was , liep in de grachten , welke de belegeringswerken omgaven, en Feedeeik Hesdeik bevond zich in zijn kamp geheel veilig. De aartshertogin Isabella , die na den dood van haren gemaal de Zuidelijke ^eder-laudeu in naam van den Spaanschen vorst bestuurde, zond daarop graaf Hendeik van den Beeg met 30000 man naar 's-Bosch om de sterkte te ontzetten. Maar de graaf kon aldaar niets uitrichten en rukte met zijn krijgsvolk naar Gelderland, waar hij , door een keizerlijk leger versterkt, grooten schrik teweegbracht. Dit gevaar kon evenwei Feedeeik Hendeik niet bewegen, om het beleg op te

ocr page 184

174

breken : de eer der Republiek en de zijne , meende bij , bing van deze onderneming af, en bij wilde dezelve niet roekeloos op bet spel zetten. De stadhouder bleef dus op zijn post, en liet zich door de treurige tijdingen , Tvelke bem dagelijks van alle kanten werden aangebracht, niet afsebrikken. Tot zijn groot genoegen werd bij weldra uit deze verlegenheid getrokken. Otto van Gent , beer van Bieden, bemachtigde bij verrassing het stadje Wezel, dat thans tot bet koninkrijk Pruisen behoort. Door den over-gang dezer gewichtige plaats tot de zijde der Staten, konden do vreemde troepen moeilijk eenigen toevoer van levensmiddelen of krijgsbehoeften meer ontvangen, zoodat zij verplicht waren op eenen spoedigen terugtocht bedacht te zijn.

De prins zette vervolgens het beleg van 's-Bosch met nadruk voort. De baron Van Geobbendonk , die in de vesting het bevel voerde en tevergeefs naar ontzet had uitgezien, moest zich den 15 September 1629 overgeven en verliet drie dagen later de stad aan het boofd der gansche bezetting, welke overeenkomstig het gemaakte verdrag met alle krijgseer de plaats ontruimen mocht.

De verovering van zulk een gewichtig punt als 's-Bosck was van groot belang voor den nieuwen Staat, maar terzelfder tijd ook drukkend voor de Katholieken, welke daar en in de omstreken woonachtig waren.

In het verdrag van overgave was bepaald, dat alle geestelijke personen van bet mannelijk geslacht, zoowel wereldlijke priesters als kloosterlingen, binnen den tijd . van twee maanden uit de stad moesten vertrokken zijn , en dat al de goederen, welke aan eenig geestelijk gesticht behoorden , met uitzondering van de beelden en sieraden der kerk, aan de Staten zouden vervallen , om door ben naar goedvinden te worden aangewend.

De Katholieken van 's-Bosch vleiden zich inmiddels met de hoop, dat zij door de tnsscbeukomst van den koning van Frankrijk de vrije uitoefening van hunnen godsdienst zouden verkrijgen. Maar de lofwaardige pogingen van den deugdzamen Lodewijk XJII leden schip-

t:

ocr page 185

175

breuk op den overzettelijken afkeer, welke de hoofden der Kalvinisten den Eoomsclien godsdienst toedroegen.

De mannen , die liet bestuur in handen hadden , waren niet gezind , hnnne nieuwe onderdanen met eenige toegevendheid te behandelen. Do prachtige St.-Janskerk en nog twee andere bedehuizen werden terstond voor den dienst der Kalvinisten ingericht , terwijl de overige kerken en kapellen tot bergplaatsen van krijgsbehoeften, tot stalling voor de paarden of andere lage oogmerken werden aangewend.

Zoodra do nieuwsgezinden zich voor goed in 's-Bosch genesteld hadden , besloten zij verder te gaan. De Staten haddon bij do inneming bedongen, dat behalve do stad ook de dusgenoemdo Meierij , voor zooverre die van 's-Bosch afhankelijk was, aan de Republiek vervallen zou. Jfu verscheen er den 20 October 1629 van wege de Algemeene Staten een bevelschrift, waarin den üoomschen priesters gelast werd de kerken der Meierij te ontruimen , met verbod van in dezelve voortaan eenigen dienst te verrichten. Zij moesten die daarenboven aan de Ivalvinis-tische predikanten overgeven met eene duidelijke lijst van al de goederen, welke aan die kerk toebehoorden. Tegen dit hoogst onrechtvaardig bevel verzette zich de koning van Spanje met alle kracht; hij beweerde, dat de vier afdeelingen of kwartieren, waaruit de Meierij bestond, in geenen deele tot de stad 's-Bosch behoorden , en verbood daarom aan de geestelijken het gebod, der Staten uit te voeren. Voor het oogenblik bleef nu alles op don ouden voet, doch wijl Filipb IV zijne rechtmatige aanspraken niet wilde opgeven, werd het bevelschrift der Staten in Mei 1681 hernieuwd. Al de pastoors , welke men ontdekken kon, worden vastgegrepen en niet dan tegen een aanzienlijken losprijs vrijgelaten: de overigen moesten zich schuilhouden en betere tijden afwachten. Ook de Bisschop Ophoviub , die na de inneming van 's-Bosch meestal te Geldrop vertoefde, achtte het raadzaam een veiliger oord op te zoeken.

ocr page 186

176

Voortzetting der vijandelijkheden. Vrede van Munster.

De verovering van 's-Bosch was door eene belangrijke gebeurtenis op zee voorafgegaan. Jn navolging der Oost-Indische Compagnie hadden de TVoord-Nederiandsohe kooplieden ook eene dergelijke Maatschappij voor de West opgericht, welke van 1623 tot 1636 ongeveer 80u schepen uitrnstte. De admiraal Will ekens en zijn onderbevelhebber Piet ïïet.v bemachtigden in 1624 de hoofdstad van Brazilië, waar zij een aanzienlijken buit maakten. Drie jaren later versloeg de laatste eene Spaansch-Portugeesche vloot van 26 schepen, en veroverde er 23 van , terwijl hij in 1628 nog een veel gewichtiger voordeel behaalde. De held maakte zich namelijk zonder slag of stoot meester van de Spaansche zilvervloot, die bij het eiland Cuba in de baai van Mafanzas gereed lag, om met eene aanzienlijke lading goud , zilver en andere kostbaarheden naar Spanje weder te keeren. De waarde der buitgemaakte goederen beliep meer dan elf millioen gulden, zoodat het niemand verwonderen kan, dat de held van Mafanzas, bij zijne terugkomst in het Vaderland, alom met groot gejuich ontvangen werd. Pibt Hein sneuvelde echter reeds in het volgende jaar in een gevecht tegen eenige vijandelijke schepen.

Terwijl de Nederlandsche zeevaarders op deze wijze hunnen naam bij den vreemdeling geducht maakten, zette Ibedebik Hendbik ook te lande den strijd met een goed gevolg voort. In 1632 veroverde hij Ve/do, Sittard en Roermond, waarna hij zijne wapenen keerde tegen Maastricht, dat na eene belegering van tien welceu over-ging. Een nieuwe vredehandel, in hetzelfde jaar met goedvinden der Aartshertogin tusachen de Noordelijke en Zuidelijke JSTederlanden aangevangen , ten einde eene vereeniging tuaschen de beide gewesten te beproeven , bleef zonder gunstig gevolg. Isaisella stierf in 1633 zonder kinderen na te laten ; zij was 67 jaren oud. Hare zachtmoedigheid, voorzichtigheid en rechtvaardigheid

ocr page 187

hadden haar bij het Zuid-Nederlandsche volk eene groote achting verworven. Zij werd opgevolgd door Febdinand, broeder van Filips IV , welke zich spoedig door zijne wapenfeiten beroemd maakte.

Om den krijg met meer kracht te kunnen voeren , sloot Feedkeik Hendrik in 1635 een verbond met den Franschen vorst, die insgelijks met de Spanjaarden in oorlog was en aan den stadhouder een hulpleger zond. De prins van Oranje trok nu in hoedanigheid van opperbevelhebber der beide legers verder in Brabant, on zegepraalde op onderscheidene plaatsen. Biest werd ingenomen , Thienen stormenderhand veroverd en geplunderd, en Leuven nauw ingesloten. Terwijl men hiermede bezig was, ontstond er een misverstand tusschcn de hoofden der verbonden troepen, het gebrek aan leeftocht deed zich gevoelen , en men moest het beleg opbreken. Meer dan de helft der Fransche soldaten kwam door ziekte en ellende om. Men vond onder hen edellieden , welke hunne paarden voor een rijksdaalder verkochten; anderen moesten door de liefdadigheid der ingezetenen ondersteund worden. De dappere Febdinand maakte hiervan gebruik, om de ingenomen plaatsen te hernemen ; hij bemachtigde verder in 1037 de steden Limburg, Venlo en Roermond, terwijl Fbedeeik Hendeik van zijnen kant Breda innam.

Twee jaren later onderscheidde zich de onverschrokken Nederlandsche zeeheld Maakten Haepeetszoon ïbomp. Bijgestaan door Joost Banckebt en Witte Cobneliszoon de With , bijgenaamd Vechtgraag, vernietigde hij den 21 October 1639 bij Duins eene vloot van 67 oorlogsschepen, welke Filips IV tegen ons Vaderland had afgezonden.

Na den gunstigen afloop van dezen strijd begon evenwel de lust tot den oorlog al meer en meer te verflauwen. In 1644 veroverde Fbedebik Hendbie Sas-van-Gent en in het volgende jaar ook Hulst, welke beide steden in dien tijd geenszins onbelangrijk waren; doch de voordeelen, welke uit die zegepralen voor de Vereenigde Provinciën ontsproten , konden tegen de gemaakte onkosten niet op-V 12

ocr page 188

178

wegen. Men verlangde daarom algemeen naar rust. Munster was ditmaal de plaats, waar men met de afgezanten des konings onderhandelen zon. Na vele beraadslagingen en tegenkantingen werd men het over de voorwaarden eens , en do vrede kwam tot stand den 30 Januari 1648.

Bij dit verdrag werden de Vereenigde Provinciën als eene vrije republiek erkend en behielden al de bezittingen , die zij tijdens den oorlog in Oost- en West-Indië bekomen hadden. Do veroverde gedeelten van Brabant, Limburg en Vlaanderen werden als wettige eigendommen aan den nieuwen Staat toegevoegd, en hem tevens het recht toegekend de Schelde voor vreemde schepen gesloten te bonden.

De stadhouder Fbedeeik Henbkik had deze gewichtige gebeurtenis niet mogen beloven; hij was den 14 Maart 1647 te 's-Hage overleden en door zijn eenigen zoon Willem II opgevolgd.

Eenige beroemde mannen uit dit tijdperk.

De eerste helft der 17''» eeuw was voor de Vereenigde Provinciën in vele opzichten een schitterend tijdperk.

Zoowel te water als te land gaven onze dapperen aanhoudend de heerlijkste bewijzen van bekwaamheid en moed. De vlag der Republiek wapperde in alle oorden der wereld, en hare schepen voorzagen de meeste Europeesche Staten van de Indische voortbrengselen, zoodat de bevolking van ons Vaderland eene tot dan toe ongekende stoffelijke welvaart genoot.

Bovendien was het onder liet stadhouderschap van Fbedeeik Hendbik, dat de kunsten cn wetenschappen op eene voortreflelijke wijze aangemoedigd en beoefend werden. Eembbandt , Gebaed Dou , Pottee , Fbans Hals en Jan Steen muntten uit als schilders; Jakoe

ocr page 189

179

vak Kampen en De Keyzeb als bouwmeesters : ]/aak en Gekaedus Vos , benevens de beide Heinsiussen , als letterkundigen; Pietek Bon en Pietee Coüneliszoon Hooft als geschiedschrijvers , terwijl Hugo de Gboot als rechtsgeleerde en staatsman eenen grooten roem verwierf', ofschoon sommige zijner werken, wegens daarin voorkomende dwalingen , door de Kerk veroordeeld zijn. Onder de dichters (wier geschriften echter niet alle zonder gevaar knnnen gelezen worden) , telt men: Hooft, Huygens , Beaal, Van Baeble en Cats, welke laatste gedurende twee eeuwen de lievelingsdichter van Nederland geweest is, tot groot nadeel van de eerbaarheid en goede zeden. Voorts heeft men Spiegel , Eoemee Visscheb met zijne beide dochters Anna en Maeia Tesselschade , die mede als dichteressen bekend zijn, en bovenal den grooten Vondel, welke terecht als de vorst der Nederlandsche dichters beschouwd wordt.

Deze waarlijk beroemde man werd den 17 ^November 1087 uit eene Nederlandsche familie te Keulen geboren. Zijne ouders, die de leer der Doopsgezinden volgden, keerden tien jaar later in het Vaderland terug , en vestigden zich te Amsterdam, alwaar zij eenen kousenwinkel opzetten. De jonge Vondel gaf vroegtijdig blijken van een zeer verheven geest, en werd door al de groote vernuften zijner eeuw hooggeschat. Toen hij evenwel op meer gevorderden leeftijd tot de overtuiging was gekomen, dat de Katholieke geloofsleer de ware is, en in 1641 tot den godsdienst zijner vaderen wederkeerde , kreeg hij vele vijanden. Zelfs de verdienstvolle Hooft , die meer dan veertig jaren zijn vriend geweest was, vermeed van dan af zijnen omgang, en bejegende hem voortdurend met bitsheid. Dit belette echter niet, dat de ijverige nieuwbekeerde met Gods hulp aan zijn besluit getrouw bleef en tot zijnen dood in het Katholiek geloof volhardde.

Intusschen hadden de groote gebeurtenissen, in zijn Vaderland en elders voorgevallen. Vondel gelegenheid

ocr page 190

180

gegeven om zijn talent als dicliter te doen liennen, Het trenrig uiteinde van den edelen Oldenbaenevelt kad hem met eene diepe verontwaardiging vervuld. Hij vervaardigde een treurspel onder den naam van Pulu-medes of de vermoorde onnoozelheid, waarin hij op eene bedekte wijze aan alle tegenstanders van dien grooten Staatsman, de onrechtvaardigheid hunner handelwijze onder het oog bracht. De dichter werd wegens dit stuk hevig vervolgd, doch zulks nam geenszins weg, dat het in weinige jaren tot dertigmaal herdrukt werd. In 1C29 bezong Vondel de inneming van de steden 's-Bosch en Wezel door Fkedekik Hendeik ; in 1637 , de verwoesting van Amsterdam en de ballingschap van G-us-bbecht van Amslel na den dood van Floeis V; terwijl hij een weinig later een treurspel op de ongelukkige Mabia Stuaet in het licht gaf.

Sedert zijne bekeering maakte Vondel meestal godsdienstige gedichten. De voornaamste waren ontleend aan de Bijbelsche Geschiedenis, zooals: koning David in ballingschap, koning David hersteld, Samson of de heilige wraak , Adam in ballingschap, KoË , of de ondergang der eerste wereld, i.ft£cti;ee, Jozef in Dothccin en 'Egypte, Joannes de Boetgezant en vooral zijn voor-trefl'elijk leerdicht, de Altaargeheimenissen, hetwelk de H. Offerande der Mis tot onderwerp heeft.

Isa vele wederwaardigheden en gestadige miskenning stierf Vondel den 5 Februari 1679 in het 92quot;t1, jaar van zijnen ouderdom. Onderscheidene dichters vereerden zijne nagedachtenis door schoone lijkzangen, en in 1867 heeft men tot zijne eer in de stad Amsterdam een heerlijk standbeeld opgericht.

ocr page 191

181

Willem II.

De vrede van 1648 schonk aan de Vereenigde Provinciën weinig rust. Wijl de oorlog nu ten einde was , drongen de Staten van Bolland op eene sterke vermindering van het krijgsvolk aan. De andere gewesten stemden hiermede in , doch vermits de eerstgenoemden daarin verder gingen, dan de prins van Oranje en de Algemeene Staten zulks verlangden, ontstonden daaruit andermaal zeer droevige geschillen. Eene bezending aan de steden van Bolland om met hen over de zaak te onderhandelen, mislukte geheel en al. Willem II, die zich op eene onvoorzichtige wijze aan het hoofd der bezending had doen stellen , werd op de meeste plaatsen, zeer onheusch bejegend, zoodat hij gramstorig aftrok.

Weinig tijds daarna keerde de Hollandsche admiraal Witte Counelisz. de With zonder toestemming der regeering uit Brazilië terug. De prins liet hem op last der Algemeene Staten te 's-Bage in hechtenis stellen, gelijk ook eenige zijner officieren te Amsterdam. De Staten van Bolland beschouwden deze handelwijze als eene schending hunner rechten, terwijl de regenten van Amsterdam de deuren der gevangenis openbraken en den oflicieren de vrijheid schonken. Om alle verdere onaangenaamheden te voorkomen , liet de prins den admiraal op vrije voeten stellen, doch besloot tegelijk door een stoutmoedigen stap zijnen wil te doen zegevieren. Hij liet onverwachts zes der voornaamste leden uit de Staten van Bolland oplichten en naar Loeoestein brengen , terwijl de Friesche stadhouder, Willem Feedebik, op zijn bevel heimelijk met troepen naar Amsterdam oprukte, om die stad te overrompelen en derzelver regeering haren overmoed betaald te zetten. Een gedeelte der troepen geraakte des nachts door duisternis en regen op de Gooische heide verdwaald, en kwam eerst tegen den middag zeer vermoeid te Amsterdaui aan. De Hamburger postbode,

ocr page 192

182

welke daar voorbij getrokken, doch waarschijnlijk door de soldaten niet gezien was , had de tijding hunner aankomst in de stad verspreid. Willem Feedeeik kwam dus met zijn krijgsvolk te laat; hij vond, gelijk men denken kan, de poorten gesloten , de brnggen opgehaald en het geschut op de wallen gebracht. Zoodra de stadhouder hiervan bericht ontving, kwam hij zelf toegesneld om de onwillige bevolking desnoods door eene belegering te dwingen. Hij leende echter het oor aan een verdrag, dat grootendeels te zijnen gunste uitviel. De regeering van Amsterdam beloofde, dat zij den prins met alle onderscheiding in haar midden zou ontvangen . en wegens het besluit tot afdanking van het krijgsvolk zich naar het gevoelen des stadhouders en der Algemeene Staten zou schikken. Daarop werden de zes vermelde heeren uit hunne gevangenis te Loeoesteiu ontslagen , en de prins trok met zijne krijgsbenden af.

WiLLKjr II overleed den 6 November 1650 in den ouderdom van 21 jaren. Zijn vroegtijdige dood wierp alles, wat hij te Amsterdam en elders verricht had, in duigen. Op den 13 Januari 1651 werd onder de leiding van den raadpensionaris Jacob Cats te 's-Bage eene groote vergadering gehouden. Deze vergadering bestona uit de afgevaardigden der zteven provinciën, te zamen driehonderd in getal, en duurde ruim zeven maanden. De voornaamste punten , welke daar ter sprake kwamen waren de Unie, de godsdienst en het krijgswezen. De tegenstanders van het huis van Oranje behielden hier de bovenhand. Behalve iu Groningen en 'Friesland werd voorloopig geen nieuwe stadhouder aangesteld, en de jeugdige erfgenaam van Willem JI bleef gedurende 22 jaren van de waardigheid zijner vaderen uitgesloten.

Met betrekking tot den godsdienst werd bepaald , dat de leer van Kalvijn' de heerschende zou zijn , terwijl de andere gezindheden geduld zouden worden, doch alleen in die plaatsen , waar zij reeds bestonden. Omtrent het krijgswezen kwam men overeen, dat de Algemeene Staten het oppergezag over het leger zouden hebben, terwijl

ocr page 193

183

de provinciale Staten de oHicieren mochten benoemen bij die krijgsbenden , welke van hen soldij ontvingen.

Na op deze wijze de zaken geregeld te hebben , ging de vergadering uiteen. Jacob Cats legde zijne waardigheid van raadpensionaris neder, en werd daarin vervangen door Adeiaan Padw , die in 1053 stierf. Men benoemde in zijne plaats Jau de W itt , een man van uitstekende begaafdheden en kennis , die een zeer belangrijken invloed in den nieuwen Staat verkreeg.

Eerste Engelsche oorlog.

De al te groote naijver tusschen het Engelsche volk en de Nederlandsche kooplieden, alsmede de weigering der Algemeene Staten om onze provinciën met de Engelsche republiek te vereenigen , deden weldra een nieuwen oorlog uitbarsten.

De beruchte Oliviek Ckomwell , de moordenaar van zijnen wettigen vorst, had zich door list en kuiperij aan het hoofd der Engelsche regeering gesteld. Ten einde het volk zijne euveldaden te doen vergeten, besloot hij de Engelsche natie tot eone groote zeemogendheid te maken. Om hierin te slagen vaardigde hij in 1652 de dusgenoemde Akte van Scheepvaart uit, volgens welke de Europeesche volken alleen voortbrengselen uit hun eigen land in de Britsche havens mochten binnenbrengen, terwijl do producten uit de Oost en West uitsluitend door Engelsche vaartuigen moest ingevoerd worden. Deze akte bracht aan onzen handel een gevoeligen slag toe. Alle pogingen om dien af te weren bleven vruchteloos ; Ceomwell werd in zijne eischen voortdurend stouter. Aldus vorderde hij , dat de Nederlandsche visschers van de haringvangst op de Engelsche kusten tienden zouden geven , en dat onze zeelieden , bij het naderen van een

ocr page 194

Engelsch schip, hetzelve zonden groeten met de vlag te strijken. Dit laatste pnnt gaf het sein tot het uitbarsten der vijandelijkheden. Maaeten hakreetszoon Teomp , met een gedeelte der vloot in zee gestoken , om eenige koopvaardijschepen te beschermen, ontmoette op de hoogte van Lover den Engelschen admiraal Blake , en voer voorbij, zonder eenig teeken van eerbied te toonen. Om hem te waarschuwen leste Blake een schot, dat van onzen kant met een tegenschot beantwoord werd. Hieruit ontstond een algemeen gevecht, hetwelk een oorlog van twee jaren ten gevolge had. In dezen ge-duchten strijd, waarin niet minder dan zeven groote zeeslagen geleverd werden, deed zich de groote Michiel Adeiaanszoon de Euytee voor de eerste maal als een bekwaam en onverschrokken vlootvoogd kennen. Deze uitstekende zeeheld was den 24 Maart 1607 te Vlissingea uit geringe ouders geboren. Op elfjarigen leeftijd als kajuitsjongen op een schip geplaatst, was hij zoo oplettend en vlijtig geweest, dat hij na achtervolgens de mindere rangen doorloopen te hebben, eindelijk tot scheepskapitein bevorderd werd. Acht reizen naar West-Indië en twee naar Braziliii verwierven hem in 1641 den rang van schout-bij-nacüt.

In den oorlog, waarvan hier gesproken wordt, tastte De Euytee den 26 Augustus 1652 de Engelsche vloot aan in het Kanaal, en joeg haar na een hardnekkig gevecht tot Plymouth terug. Op den 8 October daaraanvolgende moest hij echter met De With, wegens de lafheid van onderscheidene oflloieren, voor den vijand wijken. Een driedaagsche zeestrijd in het voorjaar van 1653 tus-Bchen Blake en Teomp , op de hoogte van Portland geleverd , was ook niet gelukkig. De Edttee enterde bij deze gelegenheid een reusachtig schip, doch geraakte hierbij zoodanig tusschen de vijandelijke vaartuigen , dat men hem verloren achtte. Hij werd slechts met groote moeite gered. Eenige dagen later behaalde een ander scheepsbevelhebber. Jan van Galen, eene schitterende overwinning bij Livorno. De held schoot er evenwel het

ocr page 195

185

leven bij in, want al te voortvarend op den vijand indringende, Icreeg hij een kogel in het been en overleefde de dnnr bevochten zege slechts negen dagen.

In een gevecht bij Nieuivpoorl en Duinkerken moest de groote Teomp andermaal wijken. De Engelschon, hierdoor stonter geworden , kruisten nu op onze kusten , om aan De With het uitzeilen te verhinderen. De wakkere Teomp tastte hen daarom nogmaals aan bij het eila'nd lexel; doch do strijd leverde weinig voordeel op. Twee dagen later, nadat De With er in geslaagd was zich met hem te vereenigen, werd het gevecht op de hoogte van Ter Heide of Scheveningen hervat. Tromi' werd in dezen laatsten slag dooi* een musketkogel doodelijk getroffen. Weinige maanden later nam de oorlog een einde. Jan de Witt trad met Cbomwell in onderhandeling en den 15 April 1654 kwam de vrede te Westminster tot stand. De akte van scheepvaart behield echter hare volle kracht en de Staten van Bolland moesten Cbomwell beloven, dat zij den jeugdigen prins van Oranje , die door zijne moeder met den ter dood gebrachten Engelschen koning vermaagschapt was, nimmer tot stadhouder en kapitein-generaal zouden verheffen.

De Staten bieden hulp aan den koning van Denemarken, Tweede Engelsche oorlog

Fkedebik III, koning van Denemarken, geraakte in 1658 in oorlog met den Zweedschen vorst, Kabel Gtjstaaf. De Algemeene Staten, niet zonder reden beducht , dat de handel op de Oostzee daardoor lijden zou, sloten zich bij Denemarken aan, en zonden eene vloot naar de Sont onder het opperbevel van den luitenantadmiraal Jakob van Wabsenaaiï , heer van Obdam. In een hevigen zeestrijd nabij Koppenhagen, waarin de voor-

ocr page 196

186

treffelijke onderbevelhebber Witte Coe.xki.iszoon dh With het leven verloor, werd de Zweedsche admiraal Wkangsl tot den aftocht genoodzaakt. In het volgende jaar landde ook De Küttek met eene nieuwe vloot op het eiland Funen, verdreef de Zweden uit de stad Nyhorg en bracht daailloor veel bij tot den vrede van Koppenhagen , die den 6 Juli 16G0 geteekend werd,

In 1661 vereffenden de Staten een langdurig geschil met den koning van Portugal wegens Brazilië, en stonden hem hunne rechten op dat rijk voor acht millioen gulden af.

Vier jaren later moesten zij andermaal het hoofd bieden aan 'Engeland. Ivarel 11 , zoon van den vroeger onthoofden vorst, was op den troon zijner vaderen hersteld, en vorderde van Jan de Witt, dat deze de met Ceomwell aangegane verbintenis, om zijn neef Willem van Oranje van het stadhouderschap uit te sluiten, zou vernietigen. De raadpensionaris stemde hierin toe, doch belette tevens, dat de jonge prins tot de waardigheid zijner vaderen verheven werd.

Ten hoogste hierover gebelgd, liet de Engelsche vorst onze bezittingen in Afrika en Amerika aanranden en onzen handel belemmeren. De hertog van York, zijn broeder, nam vele onzer koopvaardijschepen weg, en legde daarenboven beslag op al de ICederlandsche vaartuigen , welke in de Engelsche havens lagen. Om de Britten te straffen zonden de Staten in Juni 1665 Jakob van Wassenaar , met eene vloot in zee. Nauwelijks was de admiraal met den vijand in het strijdperk getreden , of zijn schip vloog met een vreeselijken knal in de lucht. De ontsteltenis hieruit ontstaan, en de weinige eensgezindheid tusschen de verschillende vice-admiraals veroorzaakten terstond eene algemeene verwarring , en de Nederlanders moesten met een verlies van 17 schepen en 4000 man aftrekken.

In den dusgenoemden vierdaagschen zeestrijd, die in Juni 1666 onder het opperbevel van De Rdytee geleverd werd, verloren de Engelschen op hunne beurt 23 schepen en 5000 man aan dooden, terwijl de Nederlanders

ocr page 197

187

bovendien nog 3000 krijgsgevangenen maakten. Deze overwinning kostte nochtans liet leven aan den Ini tenant-admiraal Cobnelis Evketsen en den onderbevelhebber Van dee Hclst, twee dappere zeehelden.

Een volgend treffen op de hoogte van Duinkerken was niet zoo voordeelig. Terwijl Cobnelis Tbomp geheel eigenzinnig de achterhoede der Engelschen aanrandde, werd de Edïteb door de vijandelijke overmacht aangetast én op de vlucht gedreven.

Niet lang na dezen strijd verbrandden de Engelschen op eene roekelooze wijze 140 onzer schepen , die in het Flie ten anker lagen, /nik eene stoute daad eischte voldoening, en ofschoon de vredesonderhandelingen reeds begonnen waren, werd Cobnelis de Witt , broeder van den raadpensionaris, als gevolmachtigde der Staten in zee gezonden, om aan De Kuyteh last te geven de Engelschen in htin eigen land te gaan aantasten. Niettegenstaande deze onderneming uiterst gevaarlijk was, werd zij echter met geestdrift aangevangen. Den 17 Juni kwam de Nederlandsche vloot aan den mond der Theems en voer onverschrokken de rivier op. Jn de sterkte Sheerness, welke de onzen bemachtigden , vond men een grooten voorraad scheepsbehoeften, die aanstonds buit gemaakt werd. De Eüytee zeilde nu verder tot dicht bij Chattam, waar de meeste koningsschepen lagen. De Engelschen hadden hier twee groote vaartuigen laten zinken , waardoor de vaart zeer gehinderd werd , terwijl de stroom verder met eene zware ijzeren ketting op katrollen afgesloten was. Onder hot geweldig schieten des vijands zeilde Jan van Beakel met een zeer slecht schip al de anderen voorbij zonder een enkel schot te doen; doch tot de ketting genaderd , brandde hij eensklaps los, klampte een groot fregat aan boord en veroverde het in eenige oogenblikken. Van Eijn , die hem gevolgd was, zeilde nu met zulke kracht tegen de ketting aan. dat dezelve aan stukken sprong. Een oorlogsschip, dat daar dicht bij lag , zette hij met zijn brander in vlam ; drie andere trof weldra hetzelfde lot,

ocr page 198

188

terwijl het grootste, dat gediend had om koning .Kaeel naar Engeland over te voeren , veroverd werd. Zulk een stoutmoedig wapenfeit bracht eene groote verslagenheid onder de vijanden. Zij dachten waarschijnlijk, dat de Nederlanders nog hooger zeilen, en de hoofdstad zelve aantasten zouden, doch dit geschiedde niet. Kadat De ScriEE den volgenden dag nog eenige andere schepen vernield had, voer hij ongehinderd de rivier weder af, en keerde met roem beladen in het Vaderland terng. Tot innig genoegen der Nederlandsche kooplieden , werd kort daarop do eensgezindheid hersteld. Dit had plaats te Breda den 31 Juli 1667. Ofschoon de vredesvoorwaarden niet zoo voordeelig waren, als men hier te lande verwachtte, had Kaeel II zijn dool niet kunnen bereiken. Willem van Oranje bleef voortdurend van alle posten uitgesloten , en weldra verscheen er een besluit vanwege de Staten van Holland, waarbij de stadhouderlijke waardigheid in hun gewest voor altijd afgeschaft werd. Deze verordening , onder den naam van Eeuwig Edict bekend , berokkende aan Jan de Witt vele vijanden , en was zonder twijfel eene voorname oorzaak van zijnen val.

Treurige toestand der Republiek. Willem lil , Stadhouder. Jan en Cornells de Witt vermoord.

De oorlogzuchtige plannen van Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, brachten de Vereenigde Provinciën weldra opnieuw in angst. Jan de Witt, wegens de invallen van dien heerschzuchtigen vorst in de Spaansche Nederlanden , voor de onafhankelijkheid der Nederlandsche üepubliek bezorgd, sloot een verdrag met de koningen van Engeland en Zweden, ten einde aan de veroveringen der Franschen paal en perk te stellen. Dit drievoudig Verbond had werkelijk den vrede van Aken ten gevolge.

ocr page 199

189

Het haalde ons ecliter dermate de gramsehap van den Franschen vorst op den lials , dat hij het korte besluit nam, de Vereenigde provinciën geheel bij zijne staten in te lijven.

Hij slaagde niet alleen om door slinksehe wegen het drievoudig verbond te vernietigen , maar hij wist tevens den Engelschen koning over te halen , om in vereeniging met de Fransche troepen een inval in ons quot;Vaderland te doen. De twee kleine vorsten van Munster en van Keulen zouden hem insgelijks behulpzaam zijn. Aldus gesterkt , haastte de Fransdie koning zich om onzen Staat aan te randen. Op zee behield de Eepubliek nochtans de bovenhand. Den 7 Juni 1672 geraakte de Engelschc vloot bij Solebay met De Etjyïer slaags en werd zoo deerlijk gehavend, dat zij haar heil in de vlucht moest zoeken. Maar dit eerste voordeel werd zeer spoedig door eene groote nederlaag gevolgd.

Vijf dagen na deze zegepraal trok Lodewijk XIV in persoon met eene krijgsmacht van meer dan 100000 man over den Rijn, terwijl zijne Duitsche bondgenooten in de Oostelijke provinciën binnendrongen en zonder slag of stoot een gedeelte van Gelderland, Overijsel en Drente in bezit namen. In dezen algemeenen nood werd de prins van Oranje voor eenen enkelen veldtocht tot kapitein-generaal aangesteld. Hij stond met een zeer zwak leger van nauwelijks 22000 man nabij den Usel t om den vijand in zijne vaart tegen te houden , doch de overwinningen van den Franschen vorst waren ditmaal zoo snel, dat de prins maar even tijd had, om naar Holland terug te trekken. Hier aangekomen liet hij onmiddellijk de dijken tusschen Gorkun en Muiden doorsteken , als het eenige middel tot behoud. Geheel ontsteld zonden de Staten vervolgons een gezantschap tot Lodewijk , die reeds in Utrecht was, en stelden pogingen in het werk, om een bestand te treflen. De eischen van den trotschen vorst schenen echter zoo buitensporig , dat men die niet wilde aannemen. Zoodra het volk hiervan onderricht was, geraakte het in woede;

ocr page 200

190

iiet suhreef al die rampen toe aan de gebroeders De Witt en drong er bij de regeering op aan, dat het Eeuwig Edict vernietigd en de prins van Oranje in al de waardigheden zijner voorvaderen hersteld zou worden. Jan de Witt legde nog dienzolfden dag zijne betrekking als raadpensionaris neder, doch bleef niettemin aan al den haat eener dolzinnige menigte blootgesteld. Veertien dagen vroeger , in den nacht van den 21 Jnni, toen de raadpensionaris zeer laat nit de vergadering van Holland naar huis had willen gaan, was hij onverhoeds door vier booswichten aangegrepen en zoodanig verwond, dat hij eenige weken het bed had moeten houden. Een dezer snoodaards, met name De Geaav , de zoon van een der voornaamste raadsheeren, was aangehouden en gevonnist om onthoofd te worden. Jan de Witt was niet te bewegen , om voor den schuldige gratie te verzoeken, ofschoon zijn eigen vrienden daartoe herhaaldelijk bij hem aandrongen. De verbittering van het vooringenomen volk was hierdoor nog meer opgewekt. Willem ïichelaae, een berucht booswicht, die barbier en wondheeler te Plershil in Zuid-Holland was, betichtte Coenelis de Witt , burgemeester van Dordrecht, van eenen aanslag op het leven van Willem III. Terstond na deze aanklacht werd de beschuldigde door het hof van Holland aangehouden en op de pijnbank geworpen; doch geene folteringen waren in staat den burgemeester de bekentenis eener misdaad af te persen, waaraan hij niet plichtig was. Maar de rechters sloegen daarop geen acht, en veroordeelden hem tot eene levenslange ballingschap. Nauwelijks was het vonnis uitgesproken , of men zond iemand naar Jan de Witt , met het bericht, dat zijn broeder vrij was en hem verlangde te spreken. De gewezen raadpensionaris kwam aanstonds toegesneld, doch nauwelijks hadden de beide broeders elkander gezien, of de onstuimige menigte bestormde onder aanvoering van den verachtelijken Tichelaae de poort, stoof de trappen op en sleurde de beide broeders naar buiten , waar zij in weinige oogenblikken onder de

ocr page 201

191

ruwste mishandelingen den dood vonden. Hunne deerlijk misvormde lijken werden vervolgens onder gejoel en getier langs de straten en pleinen van 's-Hage rond-geslenrd, en eindelijk aan eene galg opgehangen. Te midden dezer moordtooneelen hield zich de regeering stil, en durfde zelfs geene vervolging tegen de schuldigen in hot werk stellen , zoo groot was hun getal. De voornaamste bewerkers van dit gruwelstuk werden echter reeds op deze wereld voor Imnne misdaad zwaar gestraft. Zoo moest Willem Tichelaae in zijnen hoogen ouderdom, van iedereen verlaten, op krukken zijn brood gaan vragen, terwijl hij beleed, dat hij den edelen Cornelis de Witt meermalen valsch beschuldigd had.

Oorlog met Frankrijk. Engeland , Munster en Keulen. Vrede van Nijmegen.

De nieuwe stadhouder deed het volk eene groote verwachting van zich opvatten. Hij raadde den Staten elk verdrag met de Franschen zeer sterk af; en toen de Engelsche gezanten hem eenmaal te kennen gaven, dat het lot der Republiek zoogoed als beslist was, antwoordde hij : „ Ik ben overtuigd, dat het land in groot gevaar verkeert, maar ik ken ook een zeker middel om deszelfs ondergang niet te beleven, en zal, zoo de nood het vordert, bij do laatste schans omkomen.quot;

Deze stoute taal had reeds eene goede uitwerking gehad, de verflauwde moed der burgers was weder opgewekt , en Lodewijk XIV, die voor het oogenblik goene kans zag om in Holland door te dringen, keerde den 26 Juli 1672 naar Frankrijk terug. Hij gaf het bevel over zijne troepen te Utrecht aan den hertog van Luxemburg , terwijl Tueenne eenigen tijd later naar den Rijn gezonden werd, om den keurvorst van Brandenburg, die

ocr page 202

een verbond met de Kepubliek gesloten had, in het oog te houden. Daarop vormde Willem III het plan om de achtergebleven Fransche troepen door eene krijgslist buiten de grenzen der Vereenigde Provinciën te lokken. Hij trok onverwachts met een leger van 30000 man door de Spaanscho Nederlanden naar Charleroi, om die vesting te veroveren , doch de strenge koude noodzaakte hem het beleg op te breken. Eene bijna gelijke teleurstelling ondervond ook de maarschalk LrxEjiBUEa; Deze was in December van hetzelfde jaar aan het hoofd zijner troepen opgerukt, om over het ijs in de provincie Holland door te dringen. Nauwelijks was hij echter op marsch, toen de invallende dooi hem verhinderde zijnen tocht voort te zetten. Hij trok nu over Ztoammerdam en Bodegraven naar Utrecht terug, terwijl de beide dorpen aan moord en plundering werden prijs gegeven.

Ook de Munstersche en Keulsche legertroepen zagen zich omtrent denzelfden tijd in hunne overwinningen gestuit. Zij waren zegevierend tot bij Groningen voort-gerukt , en hielden die stad reeds zes weken ingesloten; doch de kommandant Eabenhaupt verdedigde de plaats zoo wel, dat de vijand met een verlies van 10000 man moest aftrekken. Eort daarop werd hun ook Koevorden ontrukt door medewerking van Mijndeet van deb Thienen , onderwijzer en landmeter te dier stede, die bij de komst der Munsterschen naar Groningen gevlucht was.

In 1673 geraakte De Euyteh driemaal slaags met de Engelschen. De twee eerste gevechten waren niet beslissend , doch het derde , op de hoogte van Den Helder en Kijkduin, deed de Engelschen naar hunne kusten de wijk nemen. Kabel II neigde nu meer tot den vrede , die dan ook reeds in Februari 1674 gesloten werd. Te lande was het geluk aan de Vereenigde Provinciën niet minder gunstig. De prins van Oranje veroverde de vesting Haarden en kreeg weldra zulke machtige bondgenooten, dat de Franschen geheel Utrecht ontruimden en de twee kleine Duitsche vorsten zich haastten vrede te maken.

ocr page 203

193

Het tooneel dos oorloga werd nu naar de Zuidelijke Nederlanden verplaatst. Willem III, die aan het hoofd der verbonden troepen stond , leverde den Franschen in Augustus van hetzelfde jaar een geduchten veldslag bij Senef, die echter niet beslissend was. Twee jaren later onderging de Bepubliek een groot verlies door den dood van De Rutteh. Deze dappere zeeheld was in 1075 naar de Middellanchche zee gezonden , om de Spanjaarden tegen dre Franschen te ondersteunen. Op den S Januari 167fgt; ontmoette hij niet ver van het eiland Stromboli de vijandelijke vloot en tastte haar aan, zonder merkelijk voordeel te behalen. In April daaraanvolgende had er een gevecht plaats in hot gezicht van den berg Et/ia. Hier werd De Etjytee door een vijandelijken kogel getroffen en stierf ze.ven dagen later, den 29 April 167G , in de haven van Syracuse, nadat hij, gelijk men schrijft, negentien groote zeeslagen en zes en twintig kleinere gevechten had bijgewoond.

De strijd te lande werd na dien tijd nog twee jaren voortgezet, en eindigde in 167S met den vrede van Nijmegen, waarbij de stad Maastricht, welke vijfjaren in de macht der Franschen geweest was, teruggegeven werd.

Will em lil. koning van Engeland.

Eabel II, koning van Engeland, stierf in 1085 en werd door zijnen broeder, den hertog van York, onder den naam van Jacobus II opgevolgd. De nieuwe vorst, die in 1671 tot den Katholieken godsdienst was overgegaan , wilde kort na zijne troonsbestijging aan zijne Koomsch-gezinde onderdanen hunne verloren rechten wedergeven. Deze maatregel mishaagde ten hoogste aan vele grooten des rijks en vooral aan de Anglikaansche geestelijkheid, welke in vroegere jaren een groot gedeelte van de goe-V. ' quot; 13

ocr page 204

194

deren der Kerk in bezit genomen had. De misnoegde Engelschen onderhandelden met den prins van Oranje, die met eene dochter des konings gehuwd was , en noo-digden hem in stilte uit, om met eene geduchte legermacht de zee over te steken en zijn schoonvader van den troon te stooten. Willeji III leende zeer gaarne het oor aan dit voorstel. Met behulp der Algemeene Staten verzamelde hij eene talrijke vloot en ging tegen het einde van October 16SS met nagenoeg 14000 manschappen onder zeil. In Engeland aangekomen , rukte hij onmiddellijk naar Londen op , ten einde zijn schoonvader te overvallen. Maar Jacobus , dit vernomen hebbende, vluchtte naar Parijs en vond hulp bij Lodewijk XIV, die zich andermaal tot den krijg uitrustte. Weldra verscheen Jacobus II met eene Pransche vloot op delersche kusten , waar hij nog de meeste aanhangers telde. Zijne troepen werden door den Ilollandscheii stadhouder, dio intusschen tot koning van Engeland was uitgeroepen, verslagen , en de verdreven vorst moest ten tweeden male zijn land ontruimen.

quot;Willkm III bewerkte daarop het zoogenaamde Groot verbond van Weenen, waarbij Spanje, Oostenrijk, Branden-hurg, Savoye en eenige kleine Duitsche vorsten zich met Engeland en de Vereenigde Provinciën verbonden, om Lodewijk XIV het hoofd te bieden. De bondgenooten waren in dezen strijd niet gelukkig. In 1690 behaalden de Franschen twee groote overwinningen, de eene te land bij Fleurus in de provincie Henegouwen, onder aanvoering van den maarschalk Lüxembubg , de andere tien dagen later ter zee op do zuidkust van Engeland. Den 29 Mei 1G92 bracht de Engelsch-Nederlandsche vloot op hare beurt den Franschen bij kaap La Ilogue de nederlaag toe ; doch de slag bij Steen/cerken in hetzelfde jaar geleverd , gelijk ook die van Landen en Neerwinden in 1693, was weder geheel ten nadeele der bondgenooten.

De Fransche kaper-kapitein Jan Babt , voorheen een geringe visscher uit Duinkerken, bracht daarenboven onzen

ocr page 205

195

handel gevoelige slagen toe, en uam vele onzer haring-bnizen weg. Wijl de oorlog dns geenszins aan de verwachting beantwoordde, begonnen de bondgenooten vnrig naar den vrede te verlangen , die tot wederzijdsch genoegen in 1697 te Rijswijk, nabij Den Haag, getaekend werd.

In hetzelfde jaar werd ons Vaderland bezocht door Petee I , keizer der Russen, die begeerig was, om de nuttige inrichtingen van het buitenland zelf' te gaan bezichtigen. In Amsterdam bezocht hij de winkels en magazijnen der kooplieden , de werkplaatsen der kunstenaars , de schepen , molens , dijken , sluizen en vaarten. Te Zaandam, waar men nog hel huisje aantoont, dat hij eenigen tijd bewoond hoeft, werkte hij gedurende zeven weken onder den eenvoudigen naam van Pieterbaas op de scheepstimmerwerven , en onderscheidde zich daar van de overige gasten enkel door eene grootere leerzucht en vlijt.

In den winter van het volgende jaar deed hij ook een locht naar Tingeland en keerde daarna over HoUand, waar hij een groot aantal officieren, kunstenaars en ambachtslieden voor zijnen dienst aangeworven had . naar zijne Staten terug.

Dood van Willem lil. Spaansche Successie-oorlog.

Het kinderloos overlijden van den Spaanschen koning , Kakel II, bracht opnieuw geheel Europa in beweging. Om alle verwarring in het rijk te voorkomen, had de vorst kort voor zijnen dood Fiui's van Aujou , kleinzoon van Lodewijk XI V, tot erfgenaam van al zijne landen verklaard. Toen echter Leopold I , keizer van üuilsch-'(tnd, als mededinger der Spaansche monarchie optrad en de kroon vorderde voor zijnen tweeden zoon Kakel , schaarde koning quot;Willem zieh onverwijld aan de zijde

ocr page 206

196

van den Dnitaclien vorst en bewerkte andermaal een groot verbond tegen Lodewijk XJ V.

Willem ill kon zich echter niet meer aan het hoofd des legers stellen. Hij stierf kinderloos den 19 Maart 1702 en zijne schoonzuster Anna beklom den Engelschen troon. In de Vereenigde Provinciën had hij eenigen tijd vroeger Jan Willeü Feiso , zoon van den Frieschen stadhouder Hendrik Casimib , tot zijn opvolger aanbevolen , maar de Staten namen het besluit de regeering te herstellen, gelijk zij onder Jan de Witt geweest was, zoodat thans de raadpensionaris Heinsius een grooten invloed verkreeg.

De oorlog tegen Frankrijk, die voor de bondgenooten meestal gelukkig was, werd op vijf verschillende punten van Europa gevoerd. Prins Edgenil's, de grootste held van zijnen tijd en aanvoerder der keizerlijke troepen, opende dien in Italië en behaalde onderscheidene luisterrijke overwinningen. De Engelschen en Nederlanders streden vooral in de Zuidelijke Nederlanden onder de bevelen van den beroemden Maslbobough. in 1704, bemachtigde eene Engelsch-Nedeiiandsche vloot de sterke vesting Gibraltar, welke na dien tijd immer in de macht der Britten gebleven is.. lu hetzelfde jaar verloren de Franschen den veldslag bij Hochstiidt in Beieren en moesten geheel Duitschland ontruimen. Verder bleven de bondgenooten meester in den strijd bij Ramillies en bij Turin in 1706, bij Oudenaarden in 1708 en bij 2)laquet in 1709. In het laatste gevecht muntte vooral Jan Willem Feiso door zijne dapperheid uit. Men verhaalt , dat hij tot tweemaal toe mot groot levensgevaar van zijn doodelijk gewond paard geworpen zijnde, eenige oogenblikken daarna een Zwitsersch vaandrig den standaard uit de handen rukte , en dien onder een regen van kogels op de vijandelijke verschansing ging plaatsen, terwijl hij den zijnen met luider stemme toeriep; ,, Volgt mij , vrienden , volgt mij , hier ia uw post!quot;

IVee jaren later kwam de dappere prins op eene treurige wijze om het leven. Toen hij zich uit de leger-

ocr page 207

197

plaats naar Den Haag begaf, om eenige familiezaken te regelen, sloeg het vaartuig bij het overzetten aan den Moerdijk om , en Feiso vond zijn graf in de golven.

Loueïvijk XIV had reeds verscheidene malen voorslagen van vrede gedaan ; doch deze waren telkens van de hand gewezen , toen eindelijk de Engelsche vorstin den oorlog moede werd , en MABLBOEorGH in ongenade verviel. Bovendien was Jozef I, keizer van üuitsehland, in 1711 gestorven en opgevolgd door zijn eenigen broeder, onder den naam van Kabel VI. De zeemogendheden , die tot dan toe voor dezen vorst geijverd hadden, drongen er nu niet langer meer op aan, om den beheerscher van zoovele landen nog de kroon van Spanje toe te voegen. Hierdoor begonnen de zaken van den Fransehen koning een geheel ander aanzien te krijgen. Lodewijks voorstellen werden beter aangehoord, en bij den vrede van Utrecht in 1713 bleef zijn kleinzoon Filipb van Aujou in het bezit der Spaansche kroon ; de Zuidelijke Nederlanden werden aan Oostenrijk afgestaan, en de Kepnbliek verkreeg het recht om in de voornaamste vestingen van België langs het Zuiden , troepen in bezetting te leggen , ten einde daardoor een bolwerk te vormen tegen de aanslagen van het machtige Frankrijk.

Oe Katholieken bij het begin der 18Je eeuw.

De eerste groote strijd , dien Lode wijk XIV in 1672 tegen de Vereenigde Provinciën ondernam , was den Ea-tholieken in vele opzichten niet ongunstig geweest. Uit vrees voor de Fransche legers, die een groot gedeelte des lands bezet hielden , durfden de gezagvoerders der Eepubliek de plakkaten tegen de Roomschen niet met de uiterste gestrengheid ten uitvoer brengen. Onderscheidene plaatsen , welke tot dan toe geene priesters mochten hebben, konden toen zonder gevaar van geestelijken

ocr page 208

i,

198

voorzien worden , en vele dezer geestelijken kregen aa het aftrekken der Franscken verlof, om op hunne nieuwe standplaatsen te blijven. Ook in de provincie Holland en elders , waar weleer de vervolging liet hevigst geweest was hadden de priesters meer vrijheid bekomen. In verschillende gemeenten verkregen de Xatholieken ook verlof om schuren en huizen tot uitoefening van hunnen godsdienst in te richten. De bedehuizen , aldus tot stand gekomen, mochten echter nimmer het aanzien' eener kerk hebben. Lengte , breedte en hoogte moesten vooraf nauwkeurig aan de Staten bekend gemaakt en door dezen goedgekeurd worden. De grootte der deuren, de vorm en het getal der ramen , de vloer, het dak , in een woord , alles werd tot in de kleinste bijzonderheden bepaald; en wanneer de bouwmeester onvoorzichtig van het gegeven plan afweek, werd het bedehuis door de gerechtsdienaars gesloten, en er mocht geene godsdienstoefening in gehouden worden, voordat de zaken naar het voorschrift waren afgewerkt. Iedere vernieuwing , vertimmering of verbetering zonder aangevraagd verlof werd op dezelfde wijze gestraft. De sluiting volgde insgelijks, wanneer men buiten het gebouw eenige openbare godsdienstoefening had gehouden, zooals bedevaarten, processiën, enz., doch bovenal wanneer een protestant tot het ware geloof was teruggekeerd. De geestelijken hadden hierbij doorgaans nog veel meer te lijden, zonder dat echter de vrees voor de vervolging de herders of de geloovigen van het ijverig vervullen hunner godsdienstige plichten kon afschrikken. Zoo werd in 1607 aan alle priesters van 's-Bosch de uitoefening hunner geestelijke bediening verboden, wijl men aldaar eene dochter in de Katholieke leering had onderwezen. Een der zendelingen werd zelfs ter gevangenis opgezocht, en de vervolgiug nam geen einde, voordat de schout en zijne bedienden door eene aanzienlijke som gelds waren tevreden gesteld. De ijverige priester schroomde echter niet twee jaren later eene Kalvinistische vrouw in haar uiterste bij te staan, en haalde zich daardoor opnieuw dezelfde onge-

ocr page 209

l'JO

legenheden op den hals. In Jannari 1690 ondervond een ander zendeling, met name Van dek Pol , groote moeilijkheden , wijl hij aan drie Turksche jongelingen het ïï. Doopsel had toegediend. Joannes tan Bijlevelt , kapelaan te Arnhem en later Apostolisch Vicaris der Holland-ache zending, werd in IC98 , toen hij in eerstgenoemde stad de H. Mis opdroeg, door den schout en eenige gerechtsdienaars overvallen. Hij had nog even den tijd om lïet H. Lichaam en Bloed des Heeren te nuttigen -. doch onmiddellijk daarop werd hij gegrepen , eu zag tot zijne groote ontsteltenis de H. Hostiën uit den tabernakel halen en met voeten vertreden. Vier en twintig dagen zuchtte Van Bijlevelt in den kerker en werd toen na het betalen van 1800 gulden in ballingschap gezonden.

Een ander voorval uit hetzelfde tijdperk, hetwelk vooral zeer veel gerucht gemaakt heeft, is het volgende:

Sofia At.hkechts , de dochter van zekeren notaris uit Hclmoud, had in 1699 de dwaling afgezworen en belijdenis gedaan van het Katholiek geloof. Om hare godsdienstplichten ongestoord te kunnen volbrengen , was zij kort daarop naar de Zuidelijke Nederlanden vertrokken, doch niemand wist, waar zij zich gevestigd had. Zoodra de Algemeene Staten hiervan kennis kregen, vorderden zij zonder uitstel hare wederkomst. De Katholieken begrepen , welk gevaar hun te wachten stond , indien Sofia niet wederkwam, en stelden dus alle middelen in het werk om de schuilplaats der gevluchte te ontdekken. De Znid-Nederlandsche regeering hielp hen hierbij zooveel zij kon , en zegde zelfs eeue groote belooning toe , aan alwie het gelukken zou de dochter op te sporen. De moeite die men zich allerwegen gaf, bleef echter vruchteloos. Sofia Albrechts werd niet ontdekt; zij had zich) gelijk later gebleken is , in het Zuiden van Frankrijk nedergezet.

Intusschen was de tijd verstreken, welke de Algemeene Staten voor de wederkomst bepaald hadden , en de stadhouder van 's-Bosch kreeg last, eenige priesters van zijn rechtsgebied te doen oplichten, en niet op vrije voeten.

ocr page 210

200

te stellen, voordat de vluchtelinge wedergekeerd zonde zijn. Aanstonds werden nu onderscheidene pastoors en andere geestelijken uit de Meierij aangehouden. Een hunner , niet name Peteus Janssens , werd zelfs des nachts door 36 ruiters te Helmond uit de pastorij gehaald en als een kwaaddoener naar 's-Bosc/t gevoerd. Met dit alles nog niet tevreden , liet de stadhouder onderscheidene bidplaatsen der Katholieken sluiten, en verbood den Jezuïeten en anderen kloostergeestelijken op zware strafi'en de uitoefening hunner heüiga bediening. Deze toestand duurde eenen geruimen tijd voort. Enkele dezer geestelijken werden wel is waar kort daarop ontslagen ; doch de meesten hunner moesten vele jaren in den kerker zuchten.

Sofia Albeechts stierf in 1708 en toen dit overlijden den Staten door echte brieven gebleken was , werden de nog gevangen priesters op vrije voeten gesteld ; zij moesten nochtans de moeder, die nog in leven was, het gemis harer dochter vergoeden , welke vergoeding in Mei 1710 door de Algemeene Staten op 7600 gulden bepaald werd.

De Jansenisten.

Omtrent denzelfden tijd werd in de Hollandsche zending eene droevige kerkscheuring voltrokken , ten gevolge der hardnekkige verkleefdheid van eenigen aan de dolingen van Cornelius Jansenius. Deze, in 1585 te Acquoi in Gelderland geboren, had leermeesters gehad, die zich wel niet van de Katholieke Kerk hadden afgescheiden , maar toch eene groote zucht toonden naar nieuwigheden in het geloof; onderscheidene leerstukken gaven zij voor beter te verstaan dan de vroegere Katholieke leeraars. Kort na den dood van Jansenius , die in 1638 te Iperen voorviel, gaven zijne vrienden een nagelaten werk van hem in het licht, waarin de nieuwe en valsche leeringen

ocr page 211

201

Trerden voorgestaan ; onder andere loochende Jansenics daarin den vrijen wil van den mensch en zeide, dat Cheistus niet voor alle mensclien gestorven was, nodi voor allen de noodige genaden ter zaligheid had verdiend. Dit boek werd door al diegenen, welke met dezelfde dwaling besmet waren, hoog geprezen, doch door de oprechte Katholieken hevig aangevallen. Weldra verscheen er eene plechtige veroordeeling van het boek en de leer daai'in vervat, door den H. Stoel; dit vonnis bracht sommigen tot inkeer, doch anderen waren te trotsch en tc veel aan hun eigen inzicht gehecht, om zich te onderwerpen. Deze laatston vormden eene partij, die den naam van Jansenisten heeft gekregen, en deze partij vond ook hier te lande hare aanhangers. Onder diegenen, welke zich vooral berucht maakten en door wie eindelijk de geheime weerspannigheid tot openlijke kerkscheuring oversloeg, moet men tellen Putbus Codde en Joannes van Ekkel.

De eerste, ongelukkig niet tijdig genoeg als Jansenist gekend , werd in 1688 Vicaris der Hollandsche zending , welke waardigheid hij tot 1702 behield. Eenmaal aangesteld , begunstigde hij zooveel mogelijk de dwaalleer; doch hij werd eindelijk ter verantwoording naar Home geroepen , in zijne bediening geschorst en Titeodoecs de Cock , met den titel van Provicaris , in zijne plaats daarmede belast. Diegenen , welke de dwaling voorstonden, voorzagen, dat de nieuw aangestelde Provicaris hen zou verplichten het Jansenisme af te zweren of hunne herderlijke bediening te verlaten; zij besloten dus, hem niet te erkennen , en sleepten ook een klein gedeelte der ge-loovigen in de ongehoorzaamheid mede. Om den wettigen Provicaris te bemoeilijken, namen de wederspannigen hunne toevlucht tot het wereldlijk gezag. Joannes van Eekel , de onstnimigste der partij, begaf zich met eenige wereldlijken naar Den Haag, en schilderde daar De Cock en de getrouwe priesters af als handlangers van den Pans, die, zeide hij , de Staten aanzag als kettersche overweldigers, en hun het bestuur der Vereenigde Pro-

ocr page 212

202

vinciën zon trachten te ontnemen. Hij slaagde zoo wel, dat de Staten aclitervolgens onderscheidene plakkaten ten gunste zijner partij uitvaardigden. Er werd verboden De Cock als Vicaris te erkennen , en hem zeiven werd de uitoefening van zijn ambt ontzegd; later kreeg hij last, te zorgen dat Petkus Codde , die zich nog altoos te Home ophield, spoedig terugkeerde: drie dagen na dien terugkeer, den 29 Juni 1703, werd er bevel gegeven om den wettigen Provicaris De Cook gevangen te nemen ; en toen deze, tijdig hiervan onderricht, zich door de vlucht redde, beloofde men een prijs van 3000 gulden aan alwie hem in handen van het gerecht zou leveren.

De H. Stoel beproefde, doch tevergeefs , door brieven . door tusschenkomst van den Nuntius te Brussel, en eindelijk door den Apostolischen Vicaris van 's-Bosch, Petkus Govahts , de gemoederen te verzoenen , en de Staten te bewegen om aan de oproerigen hunnen steun te onttrekken. De Jansenisten van hunnen kant hadden nog altoos gehoopt door list de herstelling van Codde in zijne waardigheid te verkrijgen , doch toen eindelijk alle hoop verdween , kwamen onderscheidenen tot inkeer; en hoewel Codde in een wijdloopig schrijven , aan alle Katholieken der Vereenigde Provinciën gericht, zich trachtte te verdedigen , en aan te toonen dat het vonnis van den Paus onrechtvaardig was, kon hij niet beletten, dat vele priesters , hem verlatende, zich aan den wettigen Provicaris onderwierpen , en dat een gedeelte der misleide geloovigen zich van de valsche leeraars afscheidde, om zich onder het bestier der gehoorzame priesters te stellen. Dit verbitterde de hoofden der wederspannigen niet weinig, zoodat zij zich opnieuw tot de Staten wendden , en eene hevige vervolging tegen hen verwekten. Eenigen werden in hunne bediening geschorst, anderen uit het land verbannen ; niemand mocht voortaan buiten zijn district eenige kerkelijke bediening uitoefenen. Doch de trouwe geloovigen, die in de districten van onwettige herders woonden, begaven zich nu voortaan naar naburige plaatsen om de heilige Sacramenten te ontvangen ; zelfs de zieken

ocr page 213

203

lieten zich derwaarts dragen , om ook in hun uiterste met de schismatieken geene kerkelijke gemeenschap te hebben.

Peteus Codde stierf den 18 December 1710 ; maar met hem stierf niet de scheuring. Zij werd veel meer bevestigd, toen de wederspannigen in 1723 zich een eigen Aartsbisschop van Utrecht kozen , en middel vonden om hem te doen wijden. Ofschoon nu de Paus die keuze en wijding aanstonds plechtig veroordeelde , hielden zij zich eohter hardnekkig daaraan ; in 1742 en 1757 richtten zij zelfs nog twee andere bisschopszetels op te Haarlem en te Demnter; bij den dood der Bisschoppen verkozen zij telkens nieuwe , wier keuze en wijding echter altijd opnieuw door don H. Stoel werd veroordeeld , terwijl de verkozenen buiten de gemeenschap der Kerk gesloten werden. Zoo duurt de scheuring , hoewel haar aanhang tot op weinigen is versmolten, nog heden voort.

Verval der Republiek. Willem IV. stadhouder.

De menigvuldige oorlogen der laatste jaren hadden den Staat aanzienlijke offers gekost. Innig verheugd over den vrede ; die men eindelijk genoot, besloot men thans den zwaren schuldenlast , welke het land drukte, door bezuiniging zooveel mogelijk te verminderen. Men vermeed alles , wat tot eenige buitegewone uitgaven kon aanleiding geven. De land-en zeemacht werden verwaarloosd, de sterkten liet men vervallen en de regeering gaf zich over aan eene schandelijke zorgeloosheid. De Algemeene Staten sloten verbonden met Frankrijk en Engeland en meenden nu genoegzaam tegen elke aanranding beveiligd te wezen, te meer, wijl men in de Zuidelijke jN'ederlanden de grensvestingen bezat, welke door de troepen der Pe-publiek bewaard werden. jSiet lang echter behoefde men te wachten , om te zien . hoezeer de invloed en het aanzien van onzen Staat waren afgenomen. De Algerijnsche zee-

ocr page 214

204

roovers begonnen nagenoeg strafleloos hunne zeerooverijen uit te oefenen. In den tijd van weinige jaren hadden zij veertig koopvaardijschepen bemachtigd , zonder dat men hier te lande tot eenige krachtige maatregelen overging. De vice-admiraal Aakents , die tegen hen afgezonden was , keerde in 1721 onverrichter zake terug. De schont-bij-nacht Giuve nam in het volgende jaar twee Algerijnsche kapers; Cobnelis Smibijveii bemachtigde er insgelijks een in 1724 en joeg een tweeden op het strand. Eenigen tijd daarna werd de vrede getroflen , doch op voorwaarde dat men het opperhoofd der roovers eene jaarlijksche schatting zou uitbetalen. Zoo diep was toen reeds de Eepubliek gezonken !

De onmacht der Vereenigde Provinciën bleek echter nog meer in 1722 , toen keizer Kaeel VI te Ostende eene Oost-Indische Compagnie oprichtte. De Algemeene Staten brachten den keizer onder het oog, dat znlks strijdig was met de bepalingen van den Munsterschen vrede, doch hierop werd geen acht geslagen, en de onderneming ging door. Toen echter Kakel VI een verdrag sloot met den Spaanschen vorst, waarbij zij elkander de vrije vaart op alle zeeen toestonden, sloten Engeland, Frankrijk, Pruisen en Hannover een verbond om de plannen van den Duitschen keizer tegen te gaan. Ka lang dralen nam ook de Bepubliek daaraan deel en zag nn eerlang haar doel bereikt. Na vele onderhandelingen moest Kabel VI toegeven en de Belgische Oost-Indische Compagnie ging te niet. Dit geschiedde in 1732 door het verdrag van Wrenen, waarbij de zeemogendheden van Europa, waaronder ook de Republiek der Vereenigde Provinciën gerekend werd, zich verbonden om 's keizers oudste dochter , Maeia Teeesia , als toekomstige beheerscheres zijner erflanden te erkennen.

De dood van Kabel VI bracht niettemin geheel Eu-ropa iu gisting. Kanwelijks had deze vorst de oogen gesloten, of Pruisen, Frankrijk, Beieren en Saksen verklaarden zijne jeugdige erfgename den oorlog. De Staten bleven lang besluiteloos in het kiezen van eene partij.

ocr page 215

205

Een groot gedeelte des volks , en vooral de aanhangers van het hnis van Oranje waren er voor, dat men de gedane belofte zou nakomen. Toen nu de ontevredenheid van dag tot dag grooter werd, nam de regeering in 1743 het besluit, Mabia ïeeesia met 20000 man te ondersteunen. De troepen kwamen evenwel te laat om aan de zegepraal der Oostenrijkers bij hellingen te kunnen deelnemen. De koning van Frankrijk , Lode wijk XV , toonde zich niettemin over die hulp gestoord, en bedreigde onzen Staat. Hij maakte zich reeester van een gedeelte der Oostenrijk-sche Nederlanden en bezette vervolgens Slaals-Vlannderen en een gedeelte van Noord-lira bant. Het volk weet al deze rampen , evenals in 1672 , aan de lafheid der Staten en drong op de benoeming van eenen stadhouder aan. Ofschoon eene machtige partij daartegen was , moest men echter toegeven, en kort daarop werd Willem Ivaeel Hexdkik Fkiso , onder den naam van Willem IV, tot erfstadhouder der Vereenigde Provinciën uitgeroepen.

De prins maakte zich gereed tot een krachtigen wederstand , doch zijne pogingen werden slecht ondersteund. De Franschen rukten gestadig vooruit en sloegen in Juli 1747 het beleg om Bergen-op-Zoom , welke vesting vroeger door Paema en Spinola vruchteloos belegerd was , doch thans reeds na negen weken ingenomen werd. Ook Maastricht moest in het volgende jaar voor de zegevierende wapens der Franschen bukken. Gelukkig kwam de vrede van Aken in October 1748 aan de vijandelijkheden een einde maken. De Fransche vorst zag van al zijne gemaakte veroveringen af, en de Eepubliek werd in het bezit hersteld van alle verloren steden en grensvestingen.

Willem IV had gedurende de overige jaren zijner regeering met groote moeilijkheden te kampen ; hij trachtte door wijze maatregelen de nijverheid en den handel uit den kwijnenden toestand op te beuren, de gehate verpachting der belasting te doen afschaffen en de vloot en het leger weder op een goeden voet te brengen ; maar zijne beste bedoelingen werden veelal miskend en tegengewerkt.

ocr page 216

2(J6

Hij stierf den 22 October 1751 en liet zijne waardigheid aan zijnen minderjarigen zoon Willem V , die hem onder de voogdijschap zijner moeder, Anna van Engeland, opvolgde.

Willem V. Oorlog met Engeland. Onbillijke eischen van Jozef If.

Tijdens de minderjarigheid van Willem V viel er hier te lande weinig merkwaardigs voor. ]Sfa den dood van Anna van Engeland, in Januari 1759, kwam de jeugdige prins geheel onder de leiding van ï,odewijk Eenst , hertog van Brunswijk- Wolfenbuttel, die in 1750 op aanbeveling van Willem IV tot veldmaarschalk was aangesteld.

Willem V, meerderjarig geworden, aanvaardde in 1766 zijne hooge betrekking en huwde in het volgende jaar met Fbedebika Sofia Wilhelmina , dochter van prins August van Pruisen. Prins Willem aanvaardde het bestuur onder gunstige vooruitzichten, en toch was het land gedurende zijn langdurig stadhouderschap niet zeer gelukkig. De geest van tweedracht en verdeeldheid, die in latere jaren zulke verderfelijke vruchten zou voortbrengen , begon zich toen voorgoed te openbaren. Evenals zijn vader drong ook Willem V herhaalde malen op eene vermeerdering van land- en zeemacht aan, doch zijne pogingen werden met geen gunstig gevolg bekroond. Holland en Zeeland, die aan zee gelegen waren, boden wel eenig geld tot herstelling der vloot, maar van nit-gaven voor het leger wilden zij niet hooren. De andere gewesten daarentegen , langs de grenzen van Duitxchland en de Zuidelijke Nederlanden , zouden gaarne het hunne bijgedragen hebben tot verbetering der landmacht, maar niet voor de vloot; zoodat er in de Staten veel beraadslaagd en weinig uitgevoerd werd.

ocr page 217

207

De gevolgen van zulk eene handelwijze konden niet dan hoogst nadeelig wezen voor de Kepnbliek. Eenige jaren later had er in Noord-Amerika eene gewichtige gebeurtenis plaats. De bewoners der Engelsche volkplantingen , zeer ontevreden, omdat de Britsche regeering hun tegen wil en dank allerlei belastingen zocht op te dringen, staken in 1773 de vaan des oproers op en erklaarden zich onafhankelijk. Zij sloten weldra een verhond, en vormden eene Republiek onder den naam van Vereenigde Staten. Deze opgestane gewesten vonden steun bij Frankrijk en ook bij sommige Hollandsche kooplieden , welke hen in het geheim van krijgsbehoeften voorzagen. Eenige aanzienlijke regeeringsleden uit Am-s'erdam maakten daarna zelfs het plan op van een handelsverdrag tusschen de Vereenigde Staten en de Republiek , doch dit plan, den Engelschen in handen gevallen zijnde, wikkelde den Staat in eenen krijg, die hem nieuwe offers kostte.

In korten tijd verloren de Kederlandsche kooplieden alle schepen welke zich in zee bevonden; verscheidene eilanden in de quot;West werden door de Engelschen veroverd , en de buitenlandsche handel stond nagenoeg geheel stil. De vijandelijkheden namen echter geen dreigend aanzien; slechts eenmaal geraakten de onzen met de Engelschen in een hevig gevecht. Het was den 5 Augustus 1781. De Schout-bij-nacht Johan Aenoi.d Zodtman , met zeven linieschepen in zee gestoken, ten einde eene vloot van 72 vaai-tnigen naar de Oostzee te vergezellen , ontmoette bij Doggersbank do Britsche vloot, insgelijks zeven schepen sterk , onder het bevel van den vice-admiraal Hïde Paekeb. Oogenblikkelijk tastten de heide vlootvoogden elkander aan en streden gedurende drie en een half uur met gelijken moed. De aftocht der Engelschen stelde een einde aan het gevecht, doch de onzen hadden zooveel geleden , dat zij niet bij machte waren den vijand te vervolgen. Aldus kon geen der twee partijen zich de overwinning toeschrijven. De vrede van 1784 schonk geen voordeel aan de Eepubliek. Negajiat-

ocr page 218

2 OS

nam, liet middelpnnt van onzen katoenhandel in Oost-Indi'è, bleef aan de Britten; de Nederlandsehe kooplieden kregen geene vergoeding voor de geleden verliezen, en aan de Engelsc-lien moest de vrije vaart op de Indische zeeën toegestaan worden.

Nog waren deze geschillen niet vereflend, toen ook Jozef II , keizer van Dnitschland, eene vijandelijke houding tegen onzen Staat aannam. Deze willekeurige vorst, die zijne eigene onderdanen als een dwingeland bestuurde en de rechten der Katholieke Kerk op de schandelijkste wijze met voeten trad , vorderde in 1781, dat de troepen der Algemeene Staten de grensvestingen der Zuidelijke Nederlanden zouden ontruimen. Dit bekomen hebbende, maakte hij ook aanspraak op de stad 'Maastricht en eischte voor zijne onderdanen de vrije vaart op de Schelde. Wijl deze vorderingen niet aanstonds ingewilligd werden , zond hij een leger van 40000 man naar onze grenzen, om daardoor zijnen wil kracht bij te zetten. Door de tusschenkomst van den Franschen koning kwam het echter in 1785 tot eene schikking. JozEr II zag van zijne gewaande rechten af, en de Vereenigde Provinciën kochten den vrede voor de som van negen en een half millioen gulden, benevens den afstand der forten LHlo en Lie/kenshoek.

Binnenlandsche twisten.

Niet lang na deze gebeurtenis ontstond er in de ver. eenigde Provinciën eene groote verwarring. In Frankrijk waren sedert eenigen tijd onderscheidene goddelooza schrijvers opgestaan, die door het vervaardigen van allerlei slechte werken de grondslagen van den godsdienst en de maatschappij geheel trachtten te ondermijnen. Hunne geschriften waren zeer spoedig door geheel Europa verspreid, en vonden ook in ons Vaderland een groot aantal lezers. Het gevolg hiervan was , dat er in het land twee partijen

ocr page 219

209

ontstonden; zij , die de belangen des stadhouders verdedigden , heetten Oranjeklanten of prinsgezinden, en werden door hunne tegenpartij als vijanden der volksvrijheid uitgekreten. De anderen noemden zich Patriotten, dat is: vrienden des Vaderlands, ofschoon zij enkel hunne eigene grootheid beoogden en voor het Vaderland niet de minste liefde hadden. Zij werden door de burgers doorgaans Keeze/i genoemd. Deze zoogenaamde volksvrienden richtten op de meeste plaatsen genootschappen en vereenigingen op, waar de aanzienlijksten met de ambachtslieden bijeenkwamen, om te spreken over de landbestiering, de rechten der burgers, de gebreken dei-vorsten, enz. Men verzuimde niet de ongelukkige uitkomsten van den laatsten oorlog en de geschillen met Jozef II aan den stadhouder toe te schrijven. Men zegde openlijk, dat het land door zijn toedoen in een weer-loozen toestand was geraakt, en dat hij geene geschiktheid tot regeeren bezat. Door al deze bijeenkomsten en gesprekken ontstond bij den gewonen man de neiging tot ledigheid , de verwaarloozing van zijne beroepsplichten , de zucht om nieuws te hooren, de vermindering van eerbied voor de wettige overheid en vele andere verkeerdheden , waarvan de patriotten meesterlijk partij wisten te trekken. Onder voorwendsel van openbare veiligheid hadden zij tijdens de oneenigheid met den Duitschen keizer op verschillende plaatsen zoogenaamde vrijkorpsen doen oprichten, om de burgers in den wapenhandel te oefenen. Deze maatregel was echter alleen tegen den stadhouder gericht. Jn 1785 ontnamen hem de Staten van Holland het opperbevel over de troepen van 's-Hage. De prins vertrok naar het Loo in Gelderland, waar hij zich een geruimen tijd ophield. Maar weldra hadden er ernstige ongeregeldheden plaats. Hattem en Elburcj, twee Geldersche steden, die zich tegen den stadhouder en het provinciaal bestuur verzet hadden, moesten met de wapens beteugeld worden. De Staten van Holland, die de oproerigen in bescherming namen , schorsten nu den prins V. 14

ocr page 220

210

ook in zijne betrekking van kapitein-generaal over hunne provincie. Kort daarop kwam het te Vreeswijk aan de Vaart tot een treffen tusschen de krijgslieden van den stadhouder en do Hollandsche en Utreehtsche burgers, waarbij de laatsten meester bleven. In Zuid-Holland liepen terzelfder tijd eenige benden gewapende patriotten rond , om at de stedelijke regenten , welke prinsgezind waren , gevangen te nemen en anderen in hunne plaats te stellen. Do moedwil van deze zoogenaamde vrienden des Vaderlands overschreed eindelijk alle grenzen. De gemalin des stadhouders, van het Zoo naar Uen Haay willende reizen, werd tusschen Schoonhoven en Gouda aangehouden en genoodzaakt terug te keeren. De koning van Pruisen eischte voldoening voor den hoon zijner zuster aangedaan, en wijl deze niet gegeven werd , zond hij den hertog van Brunswijk met een leger van 20000 man herwaarts. Aanvankelijk spotten de patriotten met de krijgstoerustingen van den Pruisischen vorst, want zij meenden een steun te vinden in Frankrijk. Maar nauwelijks hadden zij de aankomst der vreemde troepen in de Vereenigde Provinciën vernomen , of hun moed was geheel verdwenen, en zij kozen schandelijk de vlucht.

Willem V werd thans plechtig in al zijne waardigheden hersteld en men vernietigde de vrijkorpsen. Wegens de buitengewone strengheid, waarmede de zegevierende partij op vele plaatsen tegen de overwonnenen te werk ging, verlieten duizenden patriotten het land, om in Frankrijk en elders eene veilige schuilplaats tegen de vervolging op te zoeken.

De Franschen in ons Vaderland.

De Nederlandsche uitgewekenen vonden spoedig eene gewenschte gelegenheid om in hun Vaderland weder te keeren.

ocr page 221

211

In 17S9 viel in Frankrijk eene groote staatsomwenteling voor. Lieden , die alle gevoel van schaamte en godsdienst verloren hadden, wierpen de oude instellingen omver, namen Lodewijk XVI gevangen en veranderden Frankrijk in eene Kepubliek. Onder de leus van vrijheid, gelijkheid en broederschap vermoordden zij de priesters, schaften don Eatholieken godsdienst af en brarhten ieder, die hnn tegenstond, op het schavot. Ook de deugdzame Loèewijk XVI en zijne gemalin werden door die woeste Republikeinen terechtgesteld. Oostenrijk en Pruisen sloten daarop een verbond om de koningsmoorders wegens hunne misdaden te straffen ; doch zij werden verslagen , en de Fransohen maakten zich meester van de Zuidelijke Nederlanden. De overwinnaars stelden vervolgens de Schelde open , en wijl de Algemeene Staten in het belang van den handel hiertegen opkwamen, trok een Fransch leger ouder het bevel van den generaal Dumoceiez , ons Vaderland binnen. Limburg, Staafs-Brabant en een gedeelte van Zeeland waren spoedig bezet; maar door de wijze voorzorgen van Willem V waren al de vaartuigen aan den Moerdijk en omstreken , waarvan de vijand gebruik had kunnen maken, om verder in do Eepubliek door te dringen, aan den overkant gebracht.

Daarenboven deed de nadering van een nieuw Oosten-rijksch-Pruisisch leger in België, Dumoueiez weldra weder naar de Zuidelijke Nederlanden vertrekken. Hij leed bij Landen en Keertcinden eene geduchte nederlaag , en eer het jaar ten einde was, hadden de Franschen geheel België ontruimd. Maar in het volgende jaar kwamen zij met nieuwe krijgsbenden terug, en hunne veroveringen waren zoo snel, dat zij in November daaraanvolgende weder van de voornaamste plaatsen van Staats-Brabant meester waren. Na de verovering van '.s-Bosch wilde Pichegeu , die aan het hoofd van het Fransche leger stond, zijne soldaten eenige rust geven; doch het gedurig aanhouden der uitgeweken patriotten, welke met hem teruggekomen waren, deed hem besluiten zijne krijgsverrichtingen ook in den winter voort te zetten.

ocr page 222

212

Ju de eerste dagen van 1795 trok hij over de toege-vroren rivieren Gelderland binnen, en was weldra meester van het geheele gewest. Willem V, buiten staat om zijn gezag te handhaven , deed voor zich en zijne zonen afstand van het stadhouderschap en verdere waardigheden , en scheepte zich naar Engeland in. Hier vertoefde hij zes jaren, en vertrok toen naar Brunswijk, waar hij in 1S06 overleed.

Bataafsche Republiek.

Twee dagen na het vertrek van Willem V deed Pi-ciiEGRU onder het luide gejuich der misleide burgers zijne intrede te Amslerdajii. Aanstonds werd alles naar de Fransuhe mode ingericht; de patriotten juichten en dansten om vrijheidsboomen of lange staken met driekleurige linten versierd : alle eeretitels hielden op; de voorrechten van stand en geboorte werden vernietigd, en ieder ingezetene heette voortaan burger of burgeres. Ook de waardigheid van stadhouder werd voor altijd afgeschaft. Men herinnerde zich de tijden onzer dappere voorouders, die niemand tot meester wilden, en gaf het land den naam van Bataafsche Eepubliek. De Fransche gezagvoerders lieten zich overhalen, om de onafhankelijkheid der jNeder-landsche provinciën te erkennen. Die erkenning geschiedde echter niet, dan tegen de betaling van 100 millioen gulden voor oorlogskosten, het voortdurend onderhouden van 25000 Fransche soldaten, den afstand van Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo , en eenige andere plaatsen, benevens de vrije vaart op Maas, Rijn en Schelde. Uit deze voorwaarden kon men aanstonds merken, dat het verbond met Frankrijk voor de Nederlanders niet zeer gunstig zoude zijn. Maar hierop sloegen de zegevierende patriotten geen acht. In Maart 1796 kwam de eerste Nationale vergadering te 's-Hage bijeen. Zij was

ocr page 223

213

bestemd om de Algemeene Staten, die tot dan toe de wetten voorgeschreven hadden, te vervangen, doch er heersohte zoo weinig eensgezindheid onder hare leden, dat zij niet lang in stand kon blijven. De Goddelijke Voorzienigheid intnsschen , die immer de gebenrtenissen naar haren wil weet te regelen , wist ook hier het goede nit het kwade te trekken. Onderscheidene leden dei-Nationale vergadering wenschten niet alleen gelijkheid in de burgerlijke zaken , maar ook in het godsdienstige. Daarom werd op den 5 Angnstns van hetzelfde jaar na eene hevige woordenwisseling de vrijheid van godsdienst tot wet verklaard, de reeks van plakkaten en besluiten tegen den Roomschen godsdienst afgeschaft en de uitsluiting der Katholieken van alle staatsambten opgeheven.

Deze eerste maatregel van het nieuwe bestuur, welke aan een groot deel der bevolking zijne verloren rechten wederschonk, verwekte geene geringe bezorgdheid bij vele protestanten. Niettemin bleef de vrijheid van godsdienst bestaan, en twee jaren later kregen de Katholieken zelfs op vele plaatsen de kerken terug , welke zij door de hervorming verloren hadden.

Voor het overige waren de eerste jaren , die de komst der Franschen opvolgden, een tijdperk van jammerlijke verwarring en ellende. De Engelschen bemachtigden het meerendeel van onze overzeesche bezittingen, en noodzaakten den vice-admiraal Lucas , die met negen oorlogsschepen in de nabijheid der Kaap de Goede Hoop verscheen , zich over te geven. Ongeveer een jaar later overkwam dit zelfde ongeluk aan De Winter. De Engelschen , die hem ontmoetten op de hoogte van Kamperduin, dwongen hem slag te leveren en vernielden een groot gedeelte zijner vloot. Zij namen Dn Winter gevangen en voerden hem naar Londen, waar hij echter met alle onderscheiding behandeld werd. Twee jaren later, te weten in 1799, beproefden de Engelschen en Kussen eene landing in Noord-Holland. Het overschot der Ne-derlandsche vloot, hetwelk onder Stoky bij het eiland

ocr page 224

214

Wleringen lag, gaf zieh zonder slag of stoot over. De vijand rukte daarop dieper landwaarts in , en sloeg liet Fransch-Bataafech leger op de vlneht. Docli daarna geraakten de vreemde troepen verdeeld. Do Enssen, die zich van liet dorp Bergen meester gemaakt hadden , werden niet ver van daar geslagen , en hun aanvoerder Hebjian viel met eene menigte zijner krijgslieden in de lianden der overwinnaars. Te gelijk werd de Bngelsehe generaal Abeecbombie , die op Hoorn aangetrokken was , tot den terugtocht genoodzaakt. Toen nu de Engelschen zich weder met de Kussen vereenigd hadden, drongen zij gezamenlijk tot bij Alkmaar door, docli de slag bij Castrictim, welke vier dagen later werd geleverd, was hun zoo ongunstig, dat zij zich haastten naar hunne schepen terug te keeren.

De aftocht der vreemde troepen schonk het land een weinig rust. De dertigjarige generaal Napoleon Bona-paete , die door zijne schitterende wapenfeiten in Italië en ty.'/ptquot; gt;' zich zeiven en den Franschen naam beroemd gemaakt had, en thans met den naam van Eersten Consul aan het hoofd der regeering stond , bracht in korten tijd de vijanden van Frankrijk tot onderwerping, Jn 1801 dwong hij Oostenrijk tot het verdrag van Lunemlle, terwijl hij in het volgende jaar eene overeenkomst sloot met Engeland door den vrede van Amiens. Bij deze laatste schikking kreeg de Bataafsche Republiek al hare buiten-iandsche bezittingen terug, met uitzondering van het eiland Ceylon. Maar de blijdschap over deze gunstige verandering van zaken was van korten duur. In 1803 werd de strijd tusschen Engeland en Frankrijk hervat, en wij verloren wederom al onze koloniën.

Te midden dier droevige vooruitzichten werd de eerste consul in Mei 1801 tot keizer der Franschen uitgeroepen. Afkeerig van den Republikeinschen regeeringsvorm , verlangde hij ook hier te lande het éénhoofdig bestuur te herstellen. Men gaf aan zijnen wil toe ; en Eutgeb Jan fscjiimmelpenninck, dien Napoleon als gezant te Parijs had leeren kennen , werd voor den tijd van ö jaren met

ocr page 225

215

den titel van raadpensionaris aan Let hoofd van den Staat gesteld. Schimmelpenninck was een man van groote bekwaamheden; hij bezorgde het land een algemeen stelsel van belastingen , benevens eene wet op het lager onderwijs, die echter in latere jaren een groot aantal bestrijders gehad heeft. Maar zijn bewind was zoo kortstondig , dat het ternauwernood in aanmerking verdient te komen. Nauwelijks had hij een jaar zijn post met ijver waargenomen , of de Fransche keizer zocht allerlei voorwendsels, om Schimmelpenninck van zijne waardigheid te kunnen ontzetten , en een lid zijner familie aan het hoofd des bestuurs te plaatsen. Hij gaf voor, dat de raadpensionaris te zwak van gezicht was, om zijn ambt behoorlijk te kunnen waarnemen. Ditmaal deed men nochtans eene poging om Napoleon tot andere gedachten te brengen. De admiraal Veehüell werd naar Parijs gezonden met den last om bij den keizer aan te dringen , dat hij de bestaande regeering in Nederland niet zou veranderen. Maar Vebhtiell kwam eerlang weder met het bericht, dat de keizer vast besloten had , deze gewesten bij Frankrijk in te lijven, zoo men zijn broeder Lodewijk niet tot koning verzocht. De regeering des lands durfde nu niet langer weerstand bieden ; men voegde zich naar den wil des keizers, en weldra werd de Bataafsche -Republiek vervangen door het koninkrijk Holland.

Schimmelpenninck, die thans zijne taak geëindigd had, legde zijne betrekking van raadpensionaris neder, en vertrok naar zijne landgoederen in Overijsel, waar hij geruimen tijd als een ambteloos burger leefde.

Het koninkrijk Holland.

Lodewijk Napoleon werd bij zijne aankomst te 's-Hage met zeer veel koelheid ontvangen. Velen meenden in hem niets andera dan een gedienstig werktuig van

ocr page 226

216

's keizers heersohzuehtige bedoelingen te zien , en waren om deze reden vol achterdocht.

De vorst van zijnen kant had een onbestendig karakter ; hij was een liefhebber van luister en pracht; daarbij verkwistend en zeer wispelturig van aard. Kadat hij rnim een jaar te 's-Har/e zijne residentie gebonden had, was hij het verblijf aldaar moede en verplaatste het hof naar Utrecht, om het zes maanden later naar Amsterdam over te brengen, waar het prachtige stadhnis tot een paleis werd ingericht.

Koning Lodewijk bezat voor het overige een goed hart. Hij was zacht en minzaam van aard , schikte zich zooveel hij kon naar de gewoonten des lands, leerde zelfs de ÜN'ederlandsche taal en trachtte zoodoende zijnen onderdanen te doen vergeten, dat hij een vreemdeling was. Zijne deelneming in de rampen zijns volks bleek vooral in 1807 bij het ongeluk , dat de stad Leiden trof, door het springen van een schip met bnskruit, waardoor een aanzienlijk gedeelte der stad in puin verkeerde en honderd vijftig menschen het leven verloren. De koning begaf zich terstond derwaarts en moedigde allen door zijn voorbeeld aan, om de diep bedrnkte inwoners hulp toe te brengen. Hij zegde zelfs eene belooning van tien dukaten toe aan ieder, die een ongelukkige, welke onder de puinen begraven was, het leven redde.

Bij eene overstrooming, die in 1809 Gelderland en Zuid-Holland teisterde, bracht hij twee dagen en twee nachten op de gevaarlijkste punten door , bezocht al de dorpen, die door het water geleden hadden, en liet overal de schoonste bewijzen van zijne koninklijke milddadigheid achter.

Lodewijk deed ook voortdurend zijn best om den handel uit zijnen kwijnenden staat op te beuren. De keizer had den 21 .November 1806 een besluit uitgevaardigd , dat men het vasteland-stelsel noemde, waarbij alle handelsbetrekkingen tusschen de Engelschen en de overige Staten van Europa verboden werden. De koning van Holland moest zich ook aan deze verordening onder-

ocr page 227

217

Tverpen; doch. wijl hij overtuigd was, dat velen zijner onderdanen door dien maatregel ten gronde zouden gaan, was hij niet zeer stipt in het volbrengen der keizerlijke bevelen. Zulks was oorzaak, dat Napoleon hem spottend den naam van Hollandschen slniker gaf.

In Juli 1809 dreigde daarenboven ons Vaderland opnieuw het tooneel des oorlogs te worden. De Engel-schen deden met 38000 man eene landing op het eiland Walcheren , en veroverden de stad Vlissingen na een hevig bombardement. Zij wilden vervolgens geheel Zeeland bemachtigen, de Fransche vloot op de Schelde vernietigen , en de magazijnen en scheepstimmerwerven , door Napoleon te Antwerpen aangelegd, onbruikbaar maken. Deze onderneming liep echter hoogst ongunstig voor hen af. De kwade koortsen richtten zulke verwoestingen onder hen aan, dat zij nog voor het einde des jaars ons Vaderland verlieten. De keizer verweet zijn broeder, dat hij den inval der Engelschen niet krachtig genoeg tegengegaan en den handel met 'Engeland begunstigd had. Hij dwong hem in 1810 de provinciën Zeeland, Noord-Brabant en een gedeelte van Gelderland af te staan, en 6000 F ransche soldaten in zijn rijk te onderhouden ter wering van den sluikhandel. Door den nood gedwongen, gaf Lodewijk aan dit onbillijk verlangen toe , doch toen Napoleon meer krijgsvolk zond, dan te voren bepaald was, deed de koning afstand van de regeering ten behoeve van zijn oudsten zoon. Hij vertrok naar Ordtz in StiermarJeen en stierf te I.iwrno in 1840.

Nederland bij Frankrijk ingelijfd.

Acht dagen na den afstand van koning Lodewijk verklaarde Napoleon de beschikkingen van zijnen broeder nietig en lijfde ons geheele Vaderland bij Frankrijk in. Aan het hoofd van het bestuur plaatste hij een gouverneur-generaal, met name Le Beun , welke met

ocr page 228

218

hem consnl geweest was. Hij verhief Schijimelpennixck, den gewezen raadpensionaris, tot lid van den Senaat en graaf des rijks, terwijl de admiraal De Wintke benoemd werd tot inspecteur-generaal van de kusten der Noordzee en opperbevelhebber van de zeemacht, welke bij Te.rel verzameld was. De keizer verklaarde voorts de stad Amsterdam voor de derde des rijks, verdeelde Nederland in zeven departementen, zond er prefecten heen, en met dezen ook een heir van Fransche ambtenaren en-agenten , bestemd om over de trouwe naleving zijner bevelen te waken. Treurig voorzeker was toenmaals de toestand van ons Vaderlaud. De dienaren des keizers hadden den last, om alle Engelsche koopgoederen, waar zij die ook aantroffen , te verbranden , en moesten daarenboven van de vreemde waren, die uit de Oost en West kwamen , vijftig ten honderd voor het rijk invorderen. De staatsstukken mochten alleen in de Fran-sche taal opgesteld worden; in de scholen moest men niet alleen het Nederlandsch, maar ook het Fransch onderwijzen; de staatsschuld werd voor twee derde vernietigd, de haringvangst verboden, de vrijheid der drukpers belemmerd, de toenmaals zoo gehate loting voor den krijgsdienst ingevoerd, en een groot deel der Nederlandsche jongelingen bij het Fransche leger ingelijfd en genoodzaakt den overweldiger op zijne verre tochten te vergezellen.

Napoleon bezocht deze gewesten in September 1811 en werd overal met groot gejuich ontvangen. De zucht om eenen man te zien , die door zijne schitterende wapenfeiten zulk een buitengewonen roem verworven had, bracht alom het volk in beweging en deed het den droevigen toestand vergeten , waarin ons Vaderland door zijne willekeurige handelwijze vervallen was.

Het scheen echter don trotschen keizer niet genoeg, in het burgerlijk bestuur geheel meester te zijn; hij wilde ook in het kerkelijke niemand boven zich hebben. In Juni 1809 had hij Pans Pius VJI, die zijne bevelen wegens den handel niet in aanmerking nam, van zijne

ocr page 229

•219

Staten beroofd en naar Frankrijk doen wegvoeren. Sedert dat oogenblik kende de heersohzuclit des keizers geene grenzen meer. Onderscheidene Kardinalen en Bisschoppen , die zich tegen zijne willekeur aankantten, werden in ballingschap gezonden of tot den kerker veroordeeld. Ook in Nederland moesten eenige achtenswaardige geestelijken de uitwerking van zijnen toorn ondervinden. Op den 4 April 1S10 werd Antonius van Alphen , apostolisch Vicaris van 's-Bosch, door de gewapende macht uit zijne woning gehaald en in de gevangenis van Vincen-nes nabij Parijs opgesloten. Twaalf dagen later teekende Napoleon een besluit, waarbij hij de oprichting beval van een nieuw bisdom in de tegenwoordige provincie Noord-Brabant, waarvan 's-Bosch de hoofdplaats zoude wezen. De keizer maakte deze verordening zonder de goedkeuring van den Paus, die alleen de macht bezit, om. nieuwe bisdommen op te richten. Het besluit van den geweldenaar bleef daarom ook zonder kracht en de geestelijke, die reeds op zijn bevel tot Bisschop was aangesteld , kou bij gemis van wettige zending niets uitrichten. Napoleon beval daarop den gevangen Vicaris zijn geestelijk gezag aan den benoemden Bisschop af te staan, doch ook hierin werd zijn wil niet nagekomen.

Vol verbittering liet nu de keizer onderscheidene kerken in de stad 's-Bosch sluiten, en de geestelijken, die met den onwettigen kerkvoogd geene gemeenschap wilden houden , van de uitoefening hunner bediening ontzetten. Hiermede nog niet tevreden, liet hij eenige priesters, welke men als de voornaamste tegenstrevers zijner plannen beschouwde, op eene meer bijzondere wijze zijne wraak ondervinden. Joannes Baptist van Velde de Melroy , 141, Bisschop van Roermond , werd in 1811 naar Parijs ontboden en daar gevangen gehouden, omdat hij weigerde tot de volvoering van 's keizers verlangen mede te werken. Geeardds Molemakees , pastoor der parochie van St. Jakob te 's-Bosch, zag zich eerst uit zijne kerk gesloten, en werd daarna met een zijner

ocr page 230

220

kapelanen in ballingschap weggevoerd. De wijdberoemde hoogleeraar Axtonius van Gils , eerste president en oprichter van het Seminarie in het Vicariaat van 's-Bosch , alsmede zijn ambtgenoot Caspar Moseb , moesten den 10 Jnni 1812 voor den prefect van hnn gewest verschijnen, en kregen vijf dagen later bevel binnen tweemaal vier en twintig uren naar 'Mechelen af te reizen , om daar tot nader orde onder het toezicht der regeering te blijven. Men zon ook den nieuwen bestuurder van het Seminarie, Joannes Henkicus Smits, met geweld opgelicht en naar Rotterdam verdreven hebben, indien deze zich niet door eene overhaaste vlucht aan het gevaar onttrokken had. Op den 27 December van hetzelfde jaar ontvingen Van Gils en Mosek de aanschrijving, om op hunne eigene kosten, onder geleide van twee soldaten en een politie-commissaris , naar Dljon, 48 uren zuidoostwaarts van Parijs, te vertrekken. Om de uitgave van zulk eene lange reis te verminderen, besloten zij den geheelen weg te voet af te leggen, en evenals alle andere gevangenen des avonds in de kerkers opgesloten te worquot; den. Door de tusschenkomst van twee achtenswaardige priesters , die voor hen borg bleven , werd het hun nochtans vergund, om zonder geleide naar Bijon te gaan. Zij kwamen na twintig dagen op de plaats hunner bestemming en mochten een jaar later naar hun vaderland weder-keoren. De trotsche Napoleon was op eene zichtbare wijze door God vernederd geworden.

Val van Napoleon.

Nadat de Fransohe gebieder zijne handen aan het zichtbaar opperhoofd der H. Kerk geslagen had , scheen ook de voorspoed , dien hij tot dan toe genoten had, geheel van hem geweken. Hij ondervond dit voor de eerste maal in zijnen strijd met de Eussen. Keizer Alexandek I,

ocr page 231

221

die ondanks de strenge bevelen van Napoleon aan zijne onderdanen weder verlof gegeven had, om met de Engel-schen handel te drijven, moest zich weldra op een gednchten oorlog voorbereiden. Den 23 Jnni 1812 trok Napoleon met eene ontzettende legermacht van 600000 man over den Russische grenzen.

Na op den 7 Sept., in eene bloedige ontmoeting met den vijand , het veld behouden te hebben, rukte hij eenige dagen later zegevierend de oude keizerlijke hoofdstad Moskou binnen, en nam zijn verblijf iu het paleis des keizers. Ternauwernood had hij zich daar gevestigd , of de Russen staken als op een gegeven teeken de stad op onderscheidene pnnten in brand. De vlam was zoo geweldig , dat men aan geen blusschen denken kon. Napoleon had het plan gevormd , om met zijn leger den winter in Moskou door te brengen , doch zag zich nu tegen wil en dank tot den terugtocht genoodzaakt. Ongelukkig had hij zelf den weg, | welken men nemen moest, vóór eenige maanden als in eene woestijn veranderd ; zoodat er voor menschen noch paarden voedsel te vinden was. Daarbij richtte de koude, welke meestal in die streken buitengewoon hevig is , eene groote slachting onder zijn krijgsvolk aan. Duizenden en duizenden kwamen door gebrek en vermoeienissen om, of bezweken onder het zwaard der Russen, welke hen zonder mededoogen nacht en dag vervolgden. Men berekent dat van de 600000 manschappen , die met Napoleon naar Rusland vertrokken wai-en, nauwelijks een twintigste gedeelte behouden bij hunne familie wederkeerden.

Alsof dit verlies niet veel te beduiden had, bracht Napoleon in korten tijd een nieuw leger van 350000 man op de been. üm zich van de tronw der Nederlanders , welke hem niet zeer onderdanig toeschenen gt; te verzekeren , richtte hij eene eerewacht op , en dwong onderscheidene jongelingen van de aanzienlijkste huizen , zich daaronder te laten opnemen.

De koning van Pruisen had intusschen zijne troepen met die van den Russischen keizer vereenigd. Dit voor-

ocr page 232

222

beeld werd weldra ook door Oostenrijk en Zweden gevolgd. Kapcleos's krijgsmacht werd na eene hardnekkige worsteling van drie dagen , iu October 1813 , bij Leipzig ten Tweeden male vernield, en de legers der bondgenooten rukten naar Frankrijk op , om den geweldenaar in zijn eigen land aan te tasten.

De tijding van deze kort opeenvolgende gebenrtenissen deed eene groote gisting onder het Nederlandsehe volk ontstaan. In het begin van November vertoonden zich eenige Bnssische rniterbenden of Kozakken aan de oostelijke grenzen van ons Vaderland. De Pransche generaal Molitok achtte zich nu in Amsterdam niet meer veilig. Hij trok den 14ei' met al zijne troepen naar Utrecht en liet de bewaring der hoofdstad aan de gewapende burgermacht. Daags daarna zag men reeds eenige personen, die met oranjelinten versierd waren, en den 16equot; brak er een geweldig oproer uit. Overal waar men Fransche wapenborden zag, werden dezelve afgerukt en vernield , de wachthuizen der gehate tolbeambten verbrand en de woningen van sommige ambtenaren uitgeplunderd. De algemeene kreet: Oranje Lovenweergalmde overal, en niemand waagde het, zonder een oranjeteeken op de borst of aan den hoed , op de straat te komen.

Te midden dier spanningen verliet ook de gouverneur-generaal Le Deun de stad, en men stelde voorloopig een eigen bestuur aan, om voor de openbare rust te zorgen. Uit vrees voor Molitoe , die nog altijd te Utrecht was, durfde echter de nieuwe regeering niet openlijk de zijde van den prins van Oranje kiezen. De eersten , die daartoe overgingen , waren eenige aanzienlijken uit 's Hage. In den morgen van den 17 November kwamen de zonen van Kabel van Hogendobp met de Oranjekokarde op den hoed openlijk voor den dag ; de Fransche bezetting verliet de stad , en de nationale burgerwacht verklaarde zich voor den prins. Te gelijk namen eenige treffelijke mannen , waaronder de heeren Van Hogendobp en Van deb Dutn van Maasdam, in naam van den oudsten zoon des overledenen stadhouders het hoogbewind in handen.

ocr page 233

223

terwijl de graaf' Van Lijibubg Stteuji tot gouverneur van Len Baag benoemd werd. De heeren Fagel en Pebponchek gingen naar Engeland, waar dc prins zich ophield, om hem tot eene spoedige overkomst naar het Vaderland uit te noodigen.

Eenige dagen daarna rukte eene bende Kozakken , op uitnoodiging van het voorloopig bestuur, uit Ooerijsel naar Amsterdam. Molitob wachtte hen te Utrecht niet af, maar trok met zijne troepen naar Gorkum. De Pruisische veldheer Bulo w bemachtigde daarop de Gel-dersche steden Doesburg en Zutphen, nam Arnhem stormenderhand in en verplichtte de Fransche krijgsbenden over den Rijn terug te trekken.

Nederlands herstelling.

Met rassche schreden naderde thans het oogenblik, waarop ons Vaderland zijne vorige onafhankelijkheid weder zou herwinnen. De prins van Oranje had nauwelijks den wensch zijner vrienden vernomen, of bij scheepte zich in, en zette den 30 November 1813 te Schenenihgen voet aan wal, na ongeveer negentien jaren als balling in verschillende gewesten van Europa rondgezworven te hebben. Op de hartelijkste wijze te 's-Hage ontvangen , ging hij reeds den volgenden dag naar Amsterdam en werd daar nog laat in den avond tot Souvereinen vorst der Nederlanden uitgeroepen. Hij benoemde terstond eene commissie van veertien leden, ten einde voor den nieuwen Staat eene grondwet te vervaardigen , waarin de rechten des volks en de macht van den vorst omschreven zouden zijn. Kort daarna richtte hij een leger op van 20000 man, benevens een landstorm van alle weerbare mannen van zeventien tot vijftig jaren, die, met pieken gewapend, bestemd waren , om in den uitersten nood hulp te bieden. Bijgestaan door de Russische en Pruisische legerbenden,

ocr page 234

224

had men weldra de Franschen uit de meeste plaatsen verdreven. Brielle, Hellevoetsluis , Willemstad, Geertruidenberg, Breda, Bommel en Woudrichem zagen den vijand nog vóór het einde van 1813 buiten hare poorten. Zeeland werd door eene Engelsche vloot van 25 oorlogschepen geheel gezuiverd, terwijl Nijmegen, 's-Bosc/t en Gorkum in het begin des volgenden jaars insgelijks verlaten werden. Alleen de vestingen Bergen-op-Zuom, Grave, Naarden, Deventer, Koeoorden, Delfzijl, Maastricht en Den Helder bleven noeh door de Fransjhen bezet. Maar de dubbele nederlaag van Napoleon had geheel Europa in beweging gebracht. De meeste Duitsche vorsten sloten zich na den slag van Leipzig bij de overwinnaars aan , en dreven mot een goed gevolg de Fransche vluchtelingen tot den Rijn terug. Doch ook hier stonden de verbonden legers niet stil. Onder aanhoudende en bloedige gevechten drongen zij gestadig voorwaarts, totdat zij na eene laatste en bloedige worsteling in de nabijheid van Parijs, den 31 Maart 1814 Fr ankrijks hoofdplaats zegevierend binnenrukten. Van dat oogenblik was het lot van Napoleon beslist. Door de bondgenooten van den troon vervallen verklaard , werd hij met behoud van den keizerlijken titel en eene jaarwedde van twee millioen franken naar het eiland Elha, dicht bij de Toskaansche kust, verbannen. Lodewijk XVIII, broeder van den onthoofden Lodewijk XVI , beklom den Franschen troon en deed den 4 Mei zijne intrede in Parijs. Zes en twintig dagen later teekende de nieuwe vorst de vredesartikelen, hem door de bondgenooten voorgelegd, zag van alle veroveringen, die Napoleon in Duitschlaad, Italië, enz. gemaakt had, af, en zond onmiddellijk aan de Fransche bevelhebbers buiten zijne staten den last, de nog door hen bezette sterkten te ontruimen.

Op deze wijze werden de Nederiandsche provinciën geheel door de vreemde troepen verlaten , en ieder vleide, zich met eene gelukkige toekomst. De nieuwe grondwet was den 29 Maart met eene groote meerderheid van stemmen aangenomen en den volgenden dag door den

=

ocr page 235

•225

Souvereinen vorst bezworen , die thans opnieuw met groote plechtigheid te Amsterdam gehuldigd werd. Voi-gens de bepalingen van deze grondwet bestond Nederland voortaan uit negen Provinciën. Deze vormden echter niet gelijk vroeger elk een afzonderlijken staat, maar maakten te zamen slechts één rijk uit. Hare namen waren: Noord-Brabant, Gelderland, Holland (thans in twee deelen gesplitst) , Zeeland, Utrecht, Friesland, Ooerijsel, Groningen en Drente. Aan het hoofd van elke provincie kwam een gouverneur, die zijne aanstelling ontving van den Souverein. Eene vergadering van 55 leden , door de provinciale Staten gekozen, vertegenwoordigde het volk en kreeg den ouden naam van .Algemeene Staten of Staten-Generaal. Deze vergadering hield hare zittingen te 's-Hage, en onderzocht de wetten door den vorst voorgedragen , keurde die goed of af, en kon op hare beurt ook nieuwe voorstellen. Het hoogste gezag in den Staat werd aan Willem 1 , erfelijk in zijn geslacht, opgedragen.

Vereeniging der Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden.

Ons Vaderland, hetwelk thans weder in de rij der Europeesche Staten was opgenomen, kreeg in de maand Augustus door een verdrag met de Britsche regeering de meeste zijner koloniën terug. Tingeland behield alleen eenige overzeesche bezittingen in de West, benevens de Kaai) Goede Hoop aan de zuidpunt van Afrika, doch nam daarvoor ook ruim de helft der oorlogskosten over, ons door de bondgenooten voor de betoonde hulp opgelegd.

Bij den vrede van Parijs hadden de overwinnaars bepaald , dat Nederland, onder de heerschappij van het huis van Oranje, eene aanmerkelijke vergrooting van grondgebied zou bekomen. De Belgische provinciën, die aan Frankrijk ontnomen waren, werden als een over-V. ' 15

ocr page 236

226

wonnen land beschouwd. De vier groote Mogendheden (aldus noemde men de vorsten van Engeland, Rusland, Oostenrijk en Bruisen), die Europa weder tot rust gebracht hadden, meenden met de veroverde gewesten naar goedvinden te kunnen handelen. Zij stelden zo daarom bij verdrag onder het voorloopig bewind van Willem I als Gouverneur-Generaal.

Eenige maanden later hielden zij te Weenen een algemeen Congres. Hier verschenen de meeste vorsten van Europa , of in persoon of door hunne gezanten, om over de tijdelijke belangen der verschillende rijken te beraadslagen , en de grenzen van ieders gebied, die door de heerschzucht van jSapoleon zoozeer veranderd waren, weder voor goed vast te stellen.

Met betrekking tot Nederland bepaalden de Mogendheden, dat de voormalige republiek der Vereenigde Provinciën s met het veroverde België en het prins-bisdom Luik tot één koninkrijk zou verheven worden , onder het erfelijk bestuur van Willem I. Verder werd den Neder-landschen vorst ook nog het groothertogdom Luxemburg toegewezen, als eene vergoeding voor zijne Duitsche Staten , die veelal aan Bruisen kwamen.

Willem I toonde zich ten hoogste ingenomen met de beslissing der vorsten; hij haastte zich zijne onderdanen met die verandering bekend te maken en nam reeds den 16 Maart 1815 den titel van koning aan, terwijl hij tevens bepaalde, dat de kroonprins of vermoedelijke troonsopvolger dien van prins van Oranje zoude voeren. Vijf weken later werd de grondwet eenigszins gewijzigd , opdat zij voor de beide landen zou kunnen dienen , maar de veranderingen , die men maakte , waren van zeer geringe beteekenis. In Noord-Nederland werd zij daarom evenals vroeger met eenparige stemmen door de Algemeene Staten aangenomen, doch niet in België. Van de 1323 personen, die daar hun gevoelen uitbrachten , waren 527 vóór en 796 tegen de aanneming. De koning toonde zich hierover hevig gestoord, en kon

ocr page 237

227

niet begrijpen, waarom de wet zoovele tegenstrevers vond. Hij verklaarde haar aangenomen voor de beide dealen van zijn rijk en verplichtend voor al zijne onderdanen; ja, bij bedreigde zelfs met de strengste straflen al degenen, welke dezelve door woorden of geschriften zonden durven aanranden. Daai-na liet hij zich den 21 September 1815 te Brussel plechtig als koning uitroepen.

Maar alvorens dit gebeurde, had er in het nieuw opgerichte koninkrijk der Nederlanden een zeer gewichtig voorval plaats.

Slag bij Waterloo.

Keizer • Napoleon kon geen behagen vinden op het eiland Elba. Hij hoorde met groot genoegen, dat vele Franschen afkeerig waren van het nieuw bestuur, en. zocht slechts naar eene gelegenheid, om nogmaals zijn geluk te beproeven.

Terwijl zijn Engelsche bewaker op zekeren dag afwezig was, scheepte hij zich eensklaps in , en landde den 1 Maart 1815 met nagenoeg 1200 man in het zuiden van Frankrijk. Den eersten nacht bracht hij met de zijnen onder den blooten hemel door op eene plaats, die geheel met olijfboomen beplant was. De keizer beschouwde dit als een goed voorteeken. Zoodra de volgende dag aanbrak, rukte hij verder, en ontmoette nergens tegenstand. De steden openden hem hare poorten , de soldaten, die tegen hem afgezonden waren, sloten zich bij hem aan, Lodewijk XVIII vluchtte naar Gent, en eer de twintigste dag sedert zijne landing verstreken was, stond de eertijds zoo machtige gebieder weder voor de poorten van Parijs, en werd met een daverend gejuich op den Franschen troon hersteld.

Om zich thans in het bezit van het keizerrijk te handhaven, liet Napoleon onmiddellijk aan alle hoven van Europa den vrede aanbieden , doch er was niemand , die hem vertrouwen schonk. De Mogendheden, welke

ocr page 238

nog te Weenen vergaderd waren , verklaarden eenparig , dat de keizer door zijne terugkomst in Frankrijk alle bescherming verloren had. Zij noemden hem een vijand en verstoorder der algemeene rust, wezen de renboden af', die zijne brieven wilden overbrengen, en maakten zich aanstonds gereed tot den oorlog.

In de Zuidelijke Nederlanden, die het meest aan eenen inval bloot stonden, werden zonder toeven twee groote legers bijeengebracht. De Pruisische krijgsmacht, onder de bevelen van den veldmaarschalk Biaicheb, telde IITOW krijgers en sloeg zich neder in de omstreken van Naman ; de Engelschen. onder den hertog van Wellington en 910011 man sterk , stonden meer noordwaarts in de nabijheid van Brussel. Bij dit leger bevonden zich ook de troepen uit Nassau, Brunswijk, Hannover en Nederland. De laatsten werden door prins Willem van Oranje aangevoerd. De beide legerhoofden Wellington en Blü-ciieu hadden het plan gemaakt, om hunne troepen bijeen te trekken, zoodra het leger der Russen zon aangekomen zijn, om daarna gezamenlijk naar de Fransche grenzen op te rukken; de Oostenrijkers daarentegen zouden langs de oostzijde in het vijandelijk land binnendringen. Napo-ieon zag spoedig in, dat hij alleen door eene schitterende overwinning de kroon zou kunnen behouden. Hij trachtte daarom de bondgenooten te voorkomen , en hunne legers te vernietigen, alvorens die vereenigd waren. Hij trok den 15 Juni met een leger van 120000 man de Nederlanden binnen , en tastte de Pruisen aan, die op geenen aanval voorbftreid waren. Blücheu werd nog denzelt'den dag met zijne troepen over de Sambre teruggedreven. Den 16quot;' zegevierde de keizer nogmaals bij het dorp Lign/. De Pruisische generaal, die met zijn gewond paard op den grond stortte, kwam hierbij in groot gevaar van in de macht des vijands te vallen. Te gelijk viel de Fransche maarschalk Nev bij (luatre-Bra* eeno afdeeling van het Engelsch leger aan , juist op de plaats, waar Neerlands dappere kroonprins het bevel voerde. Hier stond de twee en twintigjarige held

ocr page 239

iüet eenige duizenden manschappen tegenover den meest ervaren veldheer des keizerrijks , die hem zijne driemaal sterkere legermacht ter bestrijding aanbood. Maar de prins, evenals een oud krijgsbevelhebber, kende geene vrees, en zag den vijand onverschrokken onder de oogen. Hij wist van welk groot belang het voor de bondge-nooten was, de ingenomen stelling te beliouden. Overal waar de strijd het heetst en de nood het dringendst was , daar zag men ook den prins. Eindelijk des namiddags -te 3 uren verschenen de Engelschen op het slagveld, en nu was de vijand weldra toe wijken gebracht. De groote slag echter moest nog geleverd worden , en dit had plaats op den 18 Juni. De Engelschen, die den vorigen dag bij het dorp Waterloo eene zeer gunstige stelling hadden ingenomen , zagen zich daar omstreeks tien uren des morgens door de Franschen aangetast. IS APOLEONs dapperen streden met eenen moed , die wel deed zien . welk een hoogen prijs hun meester ditmaal op de overwinning stelde. De prins van Oranje , die op dezen gedenkwaardigen dag het bevel voerde over 26000 Nederlanders, kweet zich ook hier als een ervaren krijgsoverste. De strijd had reeds onderscheidene uren geduurd en vele duizenden lagen van weerskanten verslagen , toen de Franschen gereed stonden zich van een belangrijk punt meester te maken. De prins reed spoorslags naar twee bataljons Nassauwers, om met dezen tegen het Fransch geschut in te stormen. Dan nauwelijks was hij daar aangekomen, of zijn paard begon te waggelen en stortte op den grond. Eerst bij het afstijgen bemerkte de prins , dat ook hij gewond was : een geweerkogel had hem dicht bij den schouder den linkerarm doorboord. Door bloedverlies in bezwijming gevallen , werd hij op eene deur naar Waterloo gebracht, en van daar verder naar Brussel gevoerd, waar hij na korten tijd weder genas.

Intusschen was de strijd nog niet geëindigd ; de Franschen brachten de Engelschen herhaalde malen in het nauw, en reeds stonden de laatsten op het punt om

ocr page 240

230

te wijken, toen de grijze Blüchee met zijne Pruiaen pp liet slagveld aankwam en aan het gevecht een einde maakte. Kapoleox zelf gaf' aan zijne troepen het sein tot den aftocht. Het was omstreeks 8 uren des avonds. Alles wat maar vluchten kon, nam de vlucht: zoodat het leger des keizers in weinige oogenblikken geheel ontbonden en vernietigd was. Kort daarna deden de bondgenooten ten tweeden male hunnen zegevierenden intocht binnen Parijs, en Lodewijk XVII] werd op den Franschen troon hersteld. Napoleon deed eene poging om naar Amerika te ontvluchten, doch hij moest zich aan de Engelschen overgeven. Volgens een besluit der verbonden Mogendheden werd hem thans het eiland Sint-Helena, midden in de Atlantische zee ten westen van Afrika gelegen, tot verblijfplaats aangewezen. Hij stierf aldaar den 5 Mei 1821. Zij 11 val was zonder twijfel het behoud van Nederland.

Willem i . koning der Nederlanden.

Ka den gelukkigen afloop van den slag bij Waterloo brak voor Nederland een tijdperk van vrede en welvaart aan, dat de vroegere ellende spoedig deed vergeten.

Op den 21 April 1816 trad de prins van Oranje te Petersburg in den echt met de Eussische Grootvorstin, Anna I'aülowna , zuster van keizer Alexandeb I. In dat zelfde jaar vereenigde de koning der Nederlanden zijne wapenen met die der Engelschen, om de Algerijnsche zeeschuimers wegens hunne herhaalde zeerooverij te straffen. Hij gelastte den vice-admiraal Vax dee Cai'Ellen zich met zijn eskader bij de Britsche vloot ouder lord Exmoütu aan te sluiten, om het opperhoofd dier kapers eens eene geduchte les te geven. De beide vloten kwamen den 28 Augustus in het gezicht van Algiers en bom-

ocr page 241

231

bardeerden do stad op eene schrikkelijke wijze gedurende acht uren. Do trotsche Moor zag zich genoodzaakt de voorwaarden der Engelschen en Nederlanders aan te nemen. Hij moest aan ruim duizend christen slaven de vrijheid schenken , en daarbij beloven nimmer eenige schepen op roof uit te zenden.

Ken oorlog met den sultan van Palembang in onze Oost-Indische bezittingen werd op den 20 Juni 1821 door den generaal-majoor De Kock insgelijks gelukkig ten einde gebracht ; maar een strijd op Java tegen den dapperen Diepo Neooko , die als voogd van zeker minderjarigen inlandschen vorst een gedeelte van dit eiland bestuurde, kostte meer werk. De krijg ving aan in 1825 en duurde bijna vijf jaren. Menigmaal was men op het punt het opperhoofd der muitelingen gevangen to nemen , doch telkens wist de looze Javaan, door zijne getrouwe aanhangers geholpen , het gevaar te ontkomen. Eindelijk toch liet hij zich overhalen om met de Nederlanders in onderhandeling te treden. Hij hield een mondgesprek met den generaal De Kock , doch zonder gevolg. Wijl hij met de gestelde voorwaarden geen genoegen kon nemen, stond hij reeds op het punt om heen te gaan, toen men hem onverwachts aanhield en als staatsgevangene naar de Molukken bracht , waardoor de strijd geeindigd werd. De oorlog had evenwel van don kant der Nederlanders bij de 15000 manschappen en 25 millioen guldon gekost.

Koning Willem J stelde inmiddels alle pogingen in het werk, om de stolf'olijke belangen zijner Nedorlandsche onderdanen te bevorderen. Hij vaardigde onderscheidene heilzame verordeningen uit, en liet vele nuttige en weldadige inrichtingen voor den bloei des rijks tot stand brengen. Hiervan getuigen de invoering van een eenparig stelsel van munten , maten en gewichten door het gohoelo rijk, de tentoonstellingen van voorwerpen tot opwekking dor volksvlijt, do begunstiging der haring-visscherij en walvischvangst, de oprichting eener handelmaatschappij , hot besluit om in alle inrichtingen van den

ocr page 242

232

staat niet dan inlandsolie lakens en wollen stollen te gebruiken , en vooral liet aanleggen van zoovele wegen , sluizen en kanalen, waardoor de gemeenschap te land en te zee aanmerkelijk verbeterd werd. Onder de kanalen, welke in die tijden gegraven zijn, rekent men het groote iïoord-HolIandsche kanaal, dat in 1810 begonnen en zes jaar later voltooid is; de Zuid-Willemsvaart, van 's-Bosch naar Maastricht; liet '/cdenk-kanaal van Oorkitm naar Vianen ; het kanaal van Voorne, op het eiland van dien naam; de Willemsoaart ter verbinding van het Zwarte Water met-den Usel, en eenige andere. Voorts kwamen in de heidevelden van Drente en Ooerijsel de koloniën Frederik soord en Willemsoord tot stand , terwijl de Ommersehans tot een bedelaarsgesticht werd ingeruimd.

De régeering van koning quot;Willem I was voor het overige niet zeer gelukkig: eene treurige verdeeldheid kwam weldra de inwendige rust van Nederland verstoren. De oorzaak van deze oneenigheid was vooral toe te schrijven aan de vereeniging van twee volkeren, die door godsdienst, zeden, belangen en taal zoozeer onderscheiden waren. De Belgen konden maar niet vergeten, dat hun land door de Mogendheden als een wingewest behandeld was, en beweerden, dat de regeering hunne belangen geheel uit het oog verloor. De invoering van de wetten der noordelijke provinciën in de zuidelijke had ook van den beginne in België een grooten tegenstand ontmoet. De onwaardige behandeling van den Bisschop van Gent, mareitirs de Beoglie , die reeds eenmaal onder de heerschappij van Napoleok wegens zijne kloekmoedige verdediging van de rechten der Katholieke Kerk, was vervolgd geworden, vermeerderde nog het ongenoegen. Hierbij voegden zich verschillende nieuwe belastingen, waarvan de Belgen eenen buitengewonen afkeer hadden, i n 1823 openbaarde zich in het groothertogdom Luxemburg eene gevaarlijke opschudding over de belasting op het gemaal. Eenige landlieden,, met stokken gewapend, stonden tegen de belastingontvangers op, joegen hen van de molens en lieten hun koren malen zonder iets

ocr page 243

233

aan liet rijk op te brengen. De regeerinp was verplicht eene sterke krijgsmacht daarheen te zenden. ten einde de rust weder te herstellen.

Voorts bepaalde het bestuur, dat de Fransohe taal, die door een groot deel der Belgen gesproken werd , bij de rechtbanken door de Nederlandsche zou vervangen worden; dat ieder, die eenig openbaar ambt wilde verkrijgen, eene behoorlijke kennis van die taal moest hebben, en dat niemand eenig onderricht mocht geven ZQnder toestemming der regeering.

In 1825 werden daarenboven door een koninklijk besluit alle inrichtingen van onderwijs, die niet erkend waren , gesloten; dit lot irof niet alleen de gewone scholen, maar ook de kleine Seminaricn, waar de jongelieden hunne eerste opleiding voor den priesterstand genoten. Al deze gestichten werden vervangen door een zoogenaamd Philosophisch college, hetwelk ook bezocht moest worden door diegenen , welke zich tot den dienst des altaars wilden voorbereiden. Eerst als zij eenige jaren op dat college hadden doorgebracht, mochten zij door de Bisschoppen in de groote Seminariën opgenomen worden. Het was aan iedereen ten strengste verboden buitenslands zijne stadiën te doen. Wie eene vreemde school bezocht, mocht nimmer eenige geestelijke bediening in de Nederlanden uitoefenen. De Broeders der Christelijke scholen , die vooral in de Waalsche provinciën hunne gestichten hadden, werden verdreven. De klachten, welke de verschillende Katholieke Kerkvoogden hierover inbrachten, werden niet in aanmerking genomen. Men begon zelfs te vreezen, dat de regeering eindelijk den Katholieken ook de gemeenschap met den Paus ontzeggen zou. Om de geschokte gemoederen nu eenigszins tot rust te brengen, sloot het Nederlandsch bestuur den 18 Juni 1827 door zijn gezant te Rome een Concordaat of overeenkomst met den H. Stoel. De vreugde over deze heuglijke gebeurtenis was algemeen, doch zij verminderde spoedig, toen men zag hoe traag de regeering zich betoonde, met de bepalin-

ocr page 244

234

gen van liet Concordaat uit te voeren. Velen maakten hiervan gebruik, om het volk tegen het Nederlandsch bestuur op te zetten. In het begin van 1829 vereenig-den zich door gansch België eene onnoemlijke menigte burgers, om aan de Kamers verzoekschriften of' petitiën in te zenden tegen de beperking der vrijheid van onderwijs , de belasting op het gemaal en geslacht, het gedwongen gebruik der ^Sederlandsche taal. enz. De koning deed kort daarop eene reis in de Zuidelijke Nederlanden en werd overal met onderscheiding ontvangen. Zulks deed hem gelooven, dat de klachten, in de verzoekschriften uitgedrukt, voor het meerendeel ongegrond waren. Hij schreef de beweging, die er in het land opgestaan was, aan de oproerige gezindheid van eenige bijzondere personen toe, die de menigte tot verzet tegen het Nederlandsch bestuur aanspoorden. Maar de veroordeeling van sommige voorname tegenstanders der regeering, die juist om deze reden bij het volk zeer gezien waren, voerde de opgewondenheid ten top.

Onder zulke omstandigheden brak op den 27 Juli 1830 te Parijs eene omwenteling los , waardoor Kaeel X van den troon gestooten werd. Deze gebeurtenis maakte een slechten indruk op de Belgen. De koning meende echter, dat zulks geene kwade gevolgen zou hebben , en toen hij omstreeks het midden van Augustus uit Brussel naar het Loo vertrok, scheen hij geenszins ongerust. Een zijner generaals, welke hem reeds twee jaren te voren had aangeraden voorzichtig te wezen , trachtte hem ook thans het gevaar zijner verwijdering te doen begrijpen. „ Sire, zeide de krijgsman, toen hij zag, dat deze gereed stond om in zijn rijtuig te stappen, er is iets dat mij zeer bekommert ; men is het hier in de hoofdstad niet eens. lederen dag kan er eene volksbeweging plaats hebben, en wie zal dan regeeren ?quot; De koning, ongeduldig om te vertrekken , gaf ten antwoord: „ Ja, ja, gij hebt gelijk, zij verstaan elkander niet te best, maar wij moeten afwachten , en ik hoop , dat alles beter zal gaan, dan gij denkt.'' De generaal stond op dit gezegde

ocr page 245

gansch verslagen en kon slechts met moeite zijne verontwaardiging bedwingen; hij maakte eene diepe buiging en sprak : „Ik hoop het ook, Sire.quot; Daarop verliet de koning de hoofdstad, welke hij nimmer zou wederzien.

Belgische opstand.

De onlusten braken uit te Brussel in den avond van den 25 Augustus na het eindigen eener zeer oproerige tooneel vertooning.

De muitelingen verwoestten iu hunne dolle razernij onderscheidene prachtige gebouwen, en onder deze ook de woning van den minister Van Maanen , die bij het volk zeer gehaat was. Toen zij echter den volgenden dag dezelfde tooneelen wilden vernieuwen, en eenige treffelijke burgers beducht begonnen te worden , dat de stad geheel iu de macht der opstandelingen zou geraken , vormde zich eene burgerwacht, die de orde herstelde. Men verving de Nederlandsche kleuren dooide Brabantsche en liet de oude nationale vlag weder van het stadhuis wapperen. Te gelijker tijd vertrok er een gezantschap naar '.t-Hage, om den koning te berichten , wat er voorgevallen was, en op een spoedig herstel der grieven aan te dringen. Willem ] beloofde het verzoek zijner Belgische onderdanen in overweging te zullen nemen, doch voegde er tevens bij, dat hij niets kon toestaan met het pistool op de borst.

Inmiddels plantte de opstand zich in de meeste Belgische steden voort , en ging op sommige plaatsen zelfs van moord en plundering vergezeld. Eenige duizenden soldaten rukten onder het bevel van den prins van Oranje en diens broeder prins Feedeeik naar het zuiden op. De troepen hielden bij Vilvoorden stand en de prins liet den bewoners der hoofdstad berichten, dat Brussel met zijne krijgsbenden zou bezetten, zoodra

ocr page 246

de onwettige kleuren en vlaggen zonden weggenomen zijn. Op dit bericht geraakte het volk andermaal in gisting. De menigte liep verward dooreen langs de straten, de winkels werden gesloten , de geheele stad kreeg een somber aanzien. In sommige wijken werden zelfs de straten opgebroken en barricades opgeworpen, ten einde de krijgsbenden tegen te honden. Om het volk tot rust te brengen , begaven zich eenige voorname personen naar Vilooorden ten einde den prins van besluit te doen veranderen.

Ifa een lang gesprok gaf deze eindelijk aan hun verlangen toe, en beloofde slechts met een klein gevolg naar Brussel te komen. In de nabijheid der stad werd hij door de burgerwacht, die hem te gemoet getrokken was, begroet. Men ontving hem met de gewone eerbewijzen , doch zijne tegenwoordigheid scheen de geestdrift niet in 't minst op te wekken. Nergens kon hij iets bemerken, dat hem aan het regeerende stamhuis herinnerde ; het was alsof hij zich in een geheel vreemd land bevond. Deze gedachte deed een pijnlijken indruk op zijn gemoed ; hij werd nadenkend en stil, en begon zelfs te vreezen, dat hij in eene hinderlaag was gevallen.

Na een langzamen en vervelenden marsch van onderscheidene uren te midden eener dubbele rij van burgerwachten , die herhaalde malen tegengehouden werden door de opgeworpen barricades, kwam hij eindelijk met den stoet op het groote plein voor het stadhuis. Nog altijd in de meening, dat zijn leven niet in veiligheid was, zocht hij onmiddellijk met de oogen naar een uitweg, en nauwelijks had hij dien ontdekt, of hij gaf zijn paard de sporen, en reed in vollen galop naar een ander gedeelte der stad , waar zijn paleis stond. Eenige dagen later begaf hij zich naar 's-Hage, doch zijn broeder Feedeeik bleef te Vilooorden met de troepen achter. Deze verscheen nu den 23 September met nagenoeg 10000 man voor Brussel, om door een stouten slag het gezag des konings te herstellen. Zijne soldaten rukten door vier poorten te gelijk de stad binnen, doch in

ocr page 247

237

plaats van de medewerking der burgers te erlangen, gelijk zij gehoopt hadden , vonden zij overal den hevigsten tegenstand. In zekere wijk hielden de inwoners zich schuil in hunne woning; doch zoodra de troepen voorbijtrokken , losten zij hunne geweren, wierpen de soldaten met steenen, begoten hen met ziedende olie of deden een stortvloed van kokend water door de vensters op hen neerkomen. Niettemin bezette prins Feederik met zijne troepen de koninklijke verblijven. Maar uit alle dcelen van Bel/jic snelden gewapende vrijwilligers naar Brussel, om de burgers in hunnen wederstand aan te moedigen. Hierdoor kwam de prins weldra in groot gevaar, en om niet ingesloten te worden achtte hij het raadzaam de stad te verlaten Dit geschiedde in den nacht van den 26 en 27 September, en sedert dien tijd was ook het gezag des konings over Belgic vernietigd. Te midden van den driedaagschen strijd, welke er in de straten van Brussel met de Kederlandsche troepen geleverd was, hadden de opstandelingen gezworen zich nimmer met het huis van Oranje te zullen verzoenen. Er werd zonder uitstel een voorloopig bestuur gevormd, waaraan geheel Belgic zich onderwierp , en nog vóór het einde van October was , behalve Antwerpen en Maastricht, geheel het zuiden door de Nederlandsche troepen ontruimd.

De koning nam nu eensklaps zachte middelen te baat, en benoemde den prins van Oranje om , indien het mogelijk was, met do Uelgen in onderhandeling te treden en eene gepaste schikking tot stand te brengen. De prins ging daarop naar Antwerpen, doch vond geen gehoor meer bij do opstandelingen. Het voorloopig bestuur verklaarde de Zuidelijke Nederlanden voor onafhankelijk , en verzette , zich met klem tegen elke verordening van den prins. Koning Willem wendde zich thans tot de groote Mogendheden, om hunne tusschenkomst in deze zaak in te roepen , en zond terzelfder tijd een leger van 100001) man naar de zuidelijke grenzen van Noord-Keder-land, om de aanvallen der opstandelingen met kracht at te weren.

ocr page 248

238

Bombardement van Antwerpen. Een treurig voorval op de Schelde.

De prins van Oranje verliet Antwerpen den 25 October , en twee dagen later scheen de burgerij dezer stad zich insgelijks met de opstandelingen te willen vereenigen. Eenige Belgische vrijwilligers namelijk waren in de nabijheid der plaats gekomen en aanstonds stelden eenige oproerige lieden zich in beweging , om alles in wanorde te brengen; zij ontwapenden verschillende Nederlansohe posten, maakten zich meester van twee poorten, en haalden hunne landgenooten met groot gejuich binnen.

Generaal Chassé , die met 5000 manschappen , in Antwerpen was achtergebleven, trok daarop in het kasteel terug. De opstandelingen wilden hem noodzaken die plaats te ontruimen, doch hun onbillijke eisch werd niet ingewilligd. De Nederlandsche troepen waren achter de muren der sterkte volkomen veilig, en daarbij nog beschermd door een eskader van 8 kanonneerbooten, die op de Schelde kruisten. Niettemin sloot Chassé met de regeering der stad een wapenstilstand, gedurende welken men van weerszijden de vijandelijkheden zou staken en middelen beramen, om tot een verdrag te komen. Eensklaps ontstond er echter een hevig geweervuur in dat gedeelte der stad, hetwelk nog door de Nederlanders bezet was, zonder dat men wist, vanwaar de eerste schoten kwamen. De Belgen vielen daarop een hospitaal aan, en bemachtigden het na een bloedig gevecht. Ten hoogste hierover verbitterd, gaf Chassé het bevel, om de ongelukkige stad te tuchtigen. Bijna op hetzelfde oogenblik brandden driehonderd vuurmonden uit de citadel, de omliggende forten en de acht kanonneerbooten op de Schelde tegen Antwerpen los. Eene hagelbui van bommen, gloeiende kogels en ander moordtuig verspreidden schrik en ontsteltenis onder de beangste bewoners , en vergruisden een groot aantal gebouwen. De verwoesting was zoo ontzettend, dat men de vlammen

ocr page 249

239

zelfs in Brussel kon zien omhoog stijgen. Na een bijna onafgebroken bombardement van zeven uren verzwakte eindelijk het vunr, en het gelukte aan eenige burgers den generaal een brief te overhandigen, die eene nieuwe overeenkomst ten gevolge had, waarbij Chassé meester bleef van de stad. De schade , door deze geduehte strafoefening aangericht, werd op ongeveer twintig millioen gulden geschat. De verwijdering tusschen de Belgen en Woord-Nederlanders werd echter van dag tot dag grooter.

De afgevaardigden van Engeland, Frankrijk , Oostenrijk, Pruisen en Rusland, die den 4 November te Londen eene vergadering belegden, handelden met de Belgen als met een vrijen staat, en stelden eene wapenschorsing voor, die door Willem I slechts met grooten weerzin werd aangenomen.

De Belgen namen dien tijd van rust waar, om een geregeld bestuur te vormen. Een nationaal Congres, te Brussel bijeengekomen, bevestigde de scheiding tusschen de noordelijke en zuidelijke provinciën, en verklaarde het huis van Oranje ten eeuwigen dage van de regeering over België uitgesloten. De vergadering der afgevaardigden te Londen keurde deze scheiding goed, en scheen nu enkel bedacht, om de grenzen der beide rijken te bepalen en de voorwaarden vast te stellen, waarop de Belgen hunne vrijheid zouden kunnen behouden.

Middelerwijl had er op de Schelde een voorval plaats , dat groot gerucht veroorzaakte. De acht kanonneerboo-ten, welke tijdens het bombardement van Antwerpen niet in gebreke gebleven waren, den bevelhebber Chassé te ondersteunen, en die zich ter oorzake van het ijs voor eenigen tijd verwijderd hadden, waren in het begin van 1831 weder voor de stad verschenen. De bevolking zou dit gaarne verhinderd hebben , doch zulks was niet in hare macht. Nu gebeurde het in den morgen van den 5 Februari, dat een dezer booten, onder het bevel van den kommandant Jan Kabel Jozef van Speyk , door een rukwind los geraakte, en tegen den wal der stad gedreven werd, waar zij op het droge bleef vastzittèn.

ocr page 250

240

De kommandant , die een der ijverigsten was geweest om Antwerpen te beschieten, had alle redenen om beducht te zijn voor de wraak des volks. Alles wat men echter aanwendde, om het vaartuig weder los te krijgen was vruchteloos. Vele Belgen sprongen op het schip en maakten zich gereed de jSederlandsche vlag met geweld naar beneden te halen. Van Speyk , die reeds den dood voor oogen zag en niet besluiten kon , zich aan de opstandelingen over te geven , ijlt daarop naar beneden , werpt eene lont in hot kruit en vliegt met vriend en vijand in de lucht. Ofschoon deze daad door velen hoog geroemd werd, is zij toch volgens de beginselen van den godsdienst niet te rechtvaardigen.

Tiendaagsche Veldtocht. Dwangmiddelen van Frankrijk en Engeland. Vrede met België. Afstand en dood van Willem I.

.Na vele beraadslagingen kozen eindelijk de wederspau-nige provinciën prins Leopold van Sakseii-Cohxrg tot hunnen koning. Verzekerd van de medewerking der groote Mogendheden, nam Leopold de hem aangeboden waardigheid aan, en werd den 21 Juli 1831 te Brussel gehuldigd.

Koning Willem beschouwde deze verhetKng als een inbreuk op zijne rechten. Hij brak plotseling alle onderhandelingen met de vergadering der afgevaardigden te Londen af, en deed zijne troepen het bevel afkondigen , voorwaarts te rukken. Onder aanvoering van den dapperen prins van Oranje stelde het leger zich reeds ^p den 2 Augustus vol geestdrift in beweging, om de beleedi-ging, zijnen koning aangedaan , te wreken. Overal waar de Belgische soldaten zich vertoonden , werden zij teruggedreven. Zonder moeite bezetten de Kederlandsche

ocr page 251

241

troepen de steden Turnhout en Biest, en toen op den vijfden dag het zoogenaamde leger der Maas onder den Belgisehen aanvoerder Daijje geslagen was, trokken de onzen over Hasselt en Sint-Trui jen zoo snel vooruit, dat de prins van Oranje reeds den 11 Augustus zijn verblijf te Thienen kon houden. Den volgenden dag kwam het te Bautersem in de omstreken van Leuven andermaal tot een gevecht. De prins van Oranje kwam bij deze gelegenheid in groot gevaar, wijl zijn paard, door een kogel getrofl'en, ter aarde stortte; de held zelf had echter geen letsel bekomen: hij was in een oogenblik weder te been, en nauwelijks had hij een acder ros bestegen, of hij gaf zijne bevelen even bedaard als te voren. Eindelijk den IS1'™ trokken de Nederlandsche troepen zegevierend de stad Leuven binnen. ÏSog dien zelfden dag kwam een Engelsch afgevaardigde den prins berichten, dat een Fransch leger van 50000 man, onder de bevelen van den maarschalk Géeahd , tot ondersteuning der Belgen in aantocht was. De prins staakte nu zijne verdere krijgsbedrijven; hij sloot een wapenstilstand met de Belgen, en gaf aan zijne troepen het bevel om naar de grenzen van Koord-Nederland terug te trekken.

Koning Willem zag zich thans genoodzaakt andermaal zijne toevlucht te nemen tot de groote Mogendheden. De vergadering te Londen maakte eenige veranderingen in een vroeger opgesteld tractaat van achttien artikelen, en bracht die op vier en twintig. Leopold nam ze zonder bedenken aan ; doch koning Willeji was daartoe niet over te halen. De Mogendheden besloten nu geweld te gebruiken en den Kederlandschen vorst te dwingen. Engeland en Frankrijk legden beslag (embargo) op onze schepen , en zonden eene vloot naar onze kusten om het in- en uitzeilen der Kederlandsche vaartuigen te beletten. Verder verscheen de maarschalk Géeaed met een sterk leger in België en sloeg den 30 November 1832 het beleg om liet kasteel van Antwerpen. Daar Chassé aan de eerste opeisching niet voldeed, brachten de Franschen

V. 10

ocr page 252

242

kunne vuurmonden in beweging. Meer dan veertig duizend bommen en granaten werden op de citadel geworpen; maar de grijze bevelhebber sprak van geen overgeven. Bijgestaan door het meergemelde eskader op de Schelde, onder den kapitein Koopman , deed hij den vijand bij herhaling zware verliezen ondervinden. Eindelijk na vier en twintig dagen , toen het geheele kasteel bijna tot een puinhoop geschoten was, trad Chassé met den maarschalk in onderhandeling. De citadel werd overgegeven, en hare dappere verdedigers gingen als krijgsgevangenen naar Sint-Omer in Frankrijk, waar zij ongeveer vijf maanden moesten vertoeven. Een dergelijk lot trof ook do bemanning der kanonneerbooten op de Schelde.

In Mei 1832 sloot Willem I eene overeenkomst met de Mogendheden, waarin hij beloofde tot aan de sluiting van een bepaald vredesverdrag de vijandelijkheden niet te zullen hernieuwen. Terstond namen nu de dwangmaatregelen van Frankrijk en Fngeland een einde; het beslag op de JSederlandsche schepen werd opgeheven, handel en scheepvaart werden weder vrijgelaten, en de krijgsgevangenen keerden naar hnn Vaderland terug.

Te midden van dezen droevigen toestand had men in Nederland ook sporen ontdekt van de cholera of Aziatische braakloop. Deze verschrikkelijke ziekte openbaarde zich het eerst te Scheveningen in de laatste dagen van Juni 1832. Van daar verspreidde zij zich naar 's-Hage. Rotterdam , Amsterdam en andere plaatsen, terwijl hare verschijning overal eene groote verslagenheid teweegbracht. In den zomer van het volgende jaar vertoonde zich de geesel opnieuw, en maaide vooral in de steden 'Rotterdam en Arnhem eene groote menigte slachtoffers weg.

Omstreeks dien zelfden tijd had er echter ook eene gebeurtenis plaats van een geheel anderen aard , die voor de Katholieken van Nederland zeer belangrijk was. De verdienstvolle en alom geachte geestelijke Coenelis Lroovicus, baron van Wijkerslooth en heer van Schalk-

ocr page 253

243

wijk, was den 7 Februari 1S32 door Pans Ghegoeics XVI ten behoeve der Noord-jSTederlandscUe Katholieken tot Bisschop van Curium benoemd, flij werd den 15 December 1833 te Munster gewijd, en sedert dit oogen-blik konden de geloovigen van Noord-Nederland met veel minder moeite het H. Sacrament des Vormsels ontvangen, de kerken konden gemakkelijker worden ingewijd en niemand behoefde meer buiten het koninkrijk te gaan, om tot de geestelijke waardigheid verheven te worden.

Willem I bleef intusschen ongenegen het tractaat der vier en twintig artikelen aan te nemen. Hij hield voortdurend aan de grenzen een talrijk leger op de been, waardoor men genoodzaakt was groote uitgaven te doen, die de staatsschuld van jaar tot jaar vermeerderden en het volk onder zware belastingen gebukt doden gaan. Deze toestand duurde vijf volle jaren. Eindelijk nochtans gaf de koning toe, en de vrede met België kwam tot stand op den 18 April 1839. Willem 1 behield den titel van koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg, terwijl de overzeesche bezittingen geheel het eigendom der ^Noordelijke provinciën bleven.

In den loop van hetzelfde jaar besloot de regeering tot het droogmaken van het Haarlemtiiermeer. Er werd ook werk gemaakt om de middelen tot vervoer te vergemakkelijken , en reeds in 1840 werd de eerste spoorweg hier te lande opengesteld. Niet lang 'aarna gaf de koning eenigermate aan het verlangen des volks toe, om de grondwet te doen herzien. Hij scheen echter door die inwilliging gekrenkt, en deed den 7 October 1840 op het Loo afstand van den troon , ten behoeve van zijn oudsten zoon, den prins van Oranje. Vervolgens vertrok hij naar Berlijn en werd aldaar door den dood verrast op den 12 December 1843.

Zijn s to J lel ijk overschot werd over zee naar het Vaderland vervoerd en in den koninklijken grafkelder te Delft bijgezet.

ocr page 254

244

Koning Willem II.

Ue nieuwe vorst toonde spoedig , hoezeer liem liet welzijn der JSederlandsuhe bevolkinji ter harte ging. 1'echt-vaardig en billijk ten opzichte van al zijne onderdanen , deed hij ook zijn best, om aan allen gelijke rechten te geven. Hij maakte hierin geen onderscheid tusschen de verschillende gezindheden, maar betoonde iedereen dezelfde toegenegenheid en hartelijkheid. Ook de Katholieken mochten zich voortdurend in zijne gunst verheugen. In de laatste jaren van zijns vaders regeering had de liooge geestelijkheid van Nederland klachten aangeheven wegens de inrichting van het lager onderwijs. Willem II kende deze klachten, en nauwelijks was hij koning geworden, of hij haastte zich om middelen in het werk te stellen, teu einde daaraan een einde te maken.

Eene andere zaak, die de vorst met ijver ter harte nam, was de uitvoering van het concordaat van 1827. Zoodra dit algemeen bekend werd, geraakten de gemoedereu der Protestanten in beweging, alsof den staat een groot gevaar te wachten stond. Do koning wilde niettemin de zaak vervolgen; doch de afgezant van den Paus , die in Den Ilaay was aangekomen , om met den vorst te onderhandelen, raadde hem zulks af, zoodat de uitvoering van het concordaat nogmaals verschoven werd. In afwachting dat het bisschoppelijk bestuur in Nederland zonder hinder zou kunnen hersteld worden , benoemde Paus Geegokius XVI op den 14 Januari 1812 drie nieuwe Bisschoppen, waarin de koning genoegen nam. De benoemden waren: de apostolische Vicaris van 's-Bosch, Henkiccs den Dubbelden , onder den titel van Bisschop van Emmaiis ; de pastoor van Tilburg , Joannes Zwijsen , als Bisschop van Gerra, en de Apostolische Vicaris van Breda, Joannes van Hoovdonk, als Bisschop van Bardanië. In het vorige jaar had ook het vicariaat van Limburg weder een eigen kerkvoogd gekregen in den persoon

ocr page 255

245

van Joannes Augüstinus Pake dis , doken van Roermond, die den 30 Juni 1841 de bisschoppelijke wijding ontving.

Koning Willem II ijverde met niet minder zorg, om het land uit den droevigen toestand te trekken , waarin het door de langdurige geschillen met België gewikkeld was. Om de geldmiddelen van den Staat op beteren voet te brengen, werd or door do zorgen van Minister Van Hall, eene geldleening uitgeschreven van 127 millioen tegen eene rente van drie ten honderd. De koning sloot handelsverdragen met Frankrijk, llusland en Belgic; te Delft werd eeno academie opgericht , om geschikte ambtenaren voor de Oost te vormen ; men ontwierp het plan om meerdere spoorwegen tot stand te brengen; de Wairt-en Groelgronden, nabij Kolhorn in Noord-Holland, werden ingedijkt, en de Anna Paulowna-polder benevens de Zuidpias droog gemaakt.

De jaren 1840 en 1817 kenmerkten zich door eene groote schaarschheid en duurte van levensmiddelen. Misgewas en aardappelziekte brachten velen tot armoede en deden inzonderheid de mindere standen kommervolle dagen beleven. De zucht tot landverhuizing , die zich toen meer dan ooit in liuropa deed gevoelen, werd door deze rampen ook in Nederland opgewekt.

In 1848 hadden er in vele landen van Europa weder zeer gevaarlijke omwentelingen plaats ; de geest van opstand en verzet tegen het wettig gezag openbaarde zich met nieuwe kracht. Uit vrees dat de vlam des oproers ook naar deze gewesten zou overslaan , liet Willem II uit eigen beweging in de grondwet alle veranderingen maken, welke men voor het heil des volks nuttig zou oordeelen. De aldus gewijzigde staatsregeling werd den 3 Jvovember 1848 plechtig afgekondigd.

Koning Willem II overleefde echter deze gewichtige veranderingen niet lang. Ofschoon reeds lijdende aan eene hartkwaal, vertrok hij den 13 Maart 1849 van 'n-Hage naar Tilburg, waar hij zoo gaarne, bevrijd van de zorgen der regeering , eenige dagen kwam doorbrengen. Zoodra

ocr page 256

2-16

de vorst te Tilbury was aangekomen , ging hij eerst het nieuw paleis bezichtigen, dat hij aldaar had laten bonwen. en begaf zich vervolgens naar zijne kamer. Tegen twee uren na middernacht werd de koning door eene doode-lijke benauwdheid overvallen ; de hulp der geneesheeren bleef zonder vrucht. Do algemeen beminde vorst stierf den 17 Maart 1849 in den ouderdom van ruim 56 jaren. Uit hoofde der belangrijke diensten, door hem bij menige gelegenheid aan het Vaderland bewezen, heeft men reeds in 1853 te 's-IIage te zijner eer een metalen standbeeld opgericht, dat den 23 Maart 1854 plechtig onthuld is.

Regeering van W i 11 e m III.

De prins van Oranje, die bij den onverwachten dood zijns vaders in Emjeland was , keerde nu spoedig naar het Vaderland terug, en werd met de gewone plechtigheid te Amsterdam als koning gehuldigd.

Eenige maanden na zijne verhelling ontving hij het blijde bericht, dat de oproerige vorsten van het eiland Bali in Üost-Indië na een driejarigen strijd door de Nederlandsche troepen waren tenondergebracht. Men had hiérbij echter het verlies te betreuren van den generaal-majoor Michiels , die bij gelegenheid eener nachtelijke overrompeling van den vijand sneuvelde. Een opstand dor Chineezen op de westkust van het eiland Borneo werd in het volgende jaar met een even gelukkig gevolg gedempt.

In het Vaderland zelf genoot men voortdurend eene gewenschte rust. In het vijfde jaar van 's konings regeering kon men de droogmaking van het Haarlemmermeer , waaraan nu ruim twaalf jaren met verbazende kosten gearbeid was, als voltooid beschouwen. Eenige gedeelten werden aanstonds tegen zeer hooge prijzen Terkocht, doch de vochtige bodem beantwoordde aan-

ocr page 257

247

vankelijk niet aan de verwachting, en leverde in liet begin slechts weinig voordeel op.

Het jaar 1853 was daarenboven nog bijzonder merkwaardig door het tot stand brengen van de reeds lang gewenschte kerkregeling der Katholieken. De Keder-landsche regeering had den Paus te kennen gegeven, dat deze geheel geestelijke zaak door het Opperhoofd der Kerk naar goedvinden kon geregeld worden. De H. Vader haastte zich dus hieraan gevolg te geven. Op den 4 Maart 1853 werd het bisschoppelijk bestuur of de dusgenoemde Kerkelijke hierarchic in deze gewesten hersteld. Z. H. Pius IX richtte in Nederland vijf nieuwe bisdommon op , te weten : dat van Utrecht, van Haarlem, van 's-Bosch , van Breda en van Roermond. Hij bepaalde , dat Utrecht, evenals in de 16c eeuw, een aartsbisdom zoude zijn, en benoemde voor dien zetel Z. D. H. Joannes Zwijsen , die zoodoende de vierde Aartsbisschop van Utrecht werd.

Nauwelijks waren deze beschikkingen ruchtbaar geworden , of eenige woelzieke protestanten vormden eene vereeniging, met het doel om het onwetende volk in beweging te brengen, en aan de uitvoering der pauselijke verordeningen allerlei hinderpalen in den weg te stellen. De middelen, hiertoe aangewend, veroorzaakten eene groote spanning onder de onkatholieken, wien men deed gelooven, dat de nieuwe bisschoppen overal pijnbanken , brandstapels en moordschavotten zouden oprichten , wijl zij, naar het voorgeven der opruiers, zich bij eed verbonden hadden, de protestanten te vuur en te zwaard te vervolgen. De opgewondenheid der menigte nam hierdoor dagelijks toe, en van alle zijden zond men adressen en petition naar den koning, ten einde den vorst te bewegen , om dezen gevaarlijken storm van hen af' te weren. De bisschoppen aanvaardden intusschen ongehinderd de waardigheid hun door den H. Vader opgedragen , en daar het misleide volk begon in te zien , dat het door zijne aanleiders bedrogen was , kwam alles binnen korten tijd weder tot rust.

m

ocr page 258

248

Vier jaren later, te weten den 13 Augustus 1857, werd de toenmalige wet op het lager onderwijs door eene nieuwe vervangen. Bij de invoering dezer wet werd echter het godsdienstig onderwijs geheel van de openbare scholen uitgesloten. Dit punt verwekte eene groote bezorgdheid bij dat gedeelte van het Nederlandsche volk , hetwelk nog altijd den godsdienst als den kostbaarsten schat en den hechtsten steun der maatschappij beschouwt. Men maakte daarom op vele plaatsen gebruik van het recht, dat de wet verleent, tot het oprichten van bijzondere scholen , ten einde de jeugd een godsdienstig onderwijs te kunnen verschallen.

Verder word de regeering van koning Willem 111 nog door onderscheidene bijzondere voorvallen gekenmerkt. Driemaal richtte het water in de lage streken van Gelderland en elders langs de rivieren groote verwoestingen aan. Treurig vooral was de toestand van de bewoners tusschen Maas en Waal in den winter van 1860 tot 1861. Heinde en ver stond alles onder water , en vele familiën zagen zich eensklaps van al hunne bezittingen beroofd. Nauwelijks had evenwel de koning hiervan bericht ontvangen , of hij begaf zich in persoon naar het tooneel der ramp, en trachtte door milde giften in den nood zijner ongelukkige onderdanen te voorzien. Het was ook bij deze gelegenheid , dat Z. H. Paus Piüa IX, begaan met den treurigen toestand dezer gewesten, den Nederlandschen vorst eene bijdrage van 10000 franken zond, om dezelve tot leniging der algemeene behoefte aan te wenden.

Bij deze verschrikkelijke rampen voegden zich weldra nog andere In Mei 1862 werd de stad Enschede door een ongelukkig voorval bijna geheel in asch gelegd; eenige jaren later maaide de veepest een groot aantal runderen weg en de gevreesde cholera richtte andermaal hare verwoestingen aan.

In den nacht van den 15 Juli 1863 had er daarenboven een misdadige aanslag plaats op het leven van Z. D. H. Joannes Zwijsen , die in den slaap door een

ocr page 259

249

pistoolschot getroll'en werd. De moordenaar, die zich met den grootsten spoed verwijderd had , bereikte echter gelukkig zijn doel niet. In korten tijd was de doorluchtige Kerkvoogd tegen ieders verwachting zoo volkomen hersteld, dat hij geen het minste letsel van de hekomen wonden overhield.

Behalve deze treurige feiten biedt ons het laatste tijdperk der Vaderlandsche geschiedenis ook nog eenige voorvallen aan , die meer bemoedigend zijn en zonder twijfel melding verdienen. Onder deze telt men vooral het vijftigjarig feest van de herstelling onzer onafhankelijkheid in de maand November 1863; de gedenkwaardige bijeenkomst der Nederlandsche bisschoppen, in concilie vergaderd te 's-Bosch, in 1865; den buitengewonen ijver der Katholieken in het bijeenbrengen van giften ten behoeve van het eerbiedwaardig Opperhoofd der Kerk, die door de boosheid zijner vijanden van het grootste deel zijner staten was beroofd : en eindelijk de algemeene geestdrift der Katholieke jongelingschap, om naar Rome te snellen , en zich onder de banier van Paus Pius IX te scharen , ten einde den hoogvereerden Opperherder , ten koste van bloed en leven , tegen het ruw geweld zijner goddelooze aanvallers te verdedigen. Het aantal onzer landgenooten, dat dienst nam bij de Pauselijke Zouaven , overtrof weldra dat van alle andere volkeren. Meer dan eens onderscheidden zij zich ook op eene treffelijke wijze in den strijd tegen de woeste Garibaldisten. Deze roofzuchtige horden, welke voorgaven, dat zij de Eomeinen van het snoode juk der dwingelandij kwamen verlossen , meenden strafteloos de ongehoordate gruwelen te kunnen plegen. Zij vielen gewapend in den Kerke-lijken Staat en spoorden de bevolking aan tot opstand tegen den H. Stoel. Zij plunderden de kerken, schonden de altaren , sloegen de kruisen en de beelden der Heiligen aan stukken , doorboorden den tabernakel met hunne bajonetten, en spaarden zelfs in hunne dolle razernij het H. Sacrament des Altaars niet. Maar zie , de woeste kerkschenders, die zoo moedig schenen als

ocr page 260

230

er geen gevaar te duohten was, stoven heen als kat' voor den vrind, zoodra zij met de Pauselijke Zouaven in aanraking kwamen. Zij konden den fleren blik dier moedige kampvechters van Piüs IX niet verdragen. En geen wonder, de hulp des Hemels was ditmaal zichtbaar mee de verdedigers van deu H. Wtoel. l)e gevechten van Bagnorea, Monte-Libretli, Nerola en Mentanu kunnen dit getuigen. Een onzer dappere landgenooten, Pietee Janszoon Jong uit lutjebroek in Noord-Holland, niet ten onrechte de schrik der Garibaldisten genoemd , gaf hun reeds alleen de handen vol werk. In den ge-denkwaardigen strijd van Monte-Tibretti (13 October 1867) gebruikte hij zijn geweer als eene knots, en sloeg links en rechts met zooveel kracht om zich heen, dat alles voor hem beefde. Eindelijk door vermoeidheid uitgeput zonk hij op de knieën, en eerst toen durfden de roovers hem naderen. Hij werd omsingeld en bezweek onder do bajonetsteken zijner vijanden ; doch toen men later zijn lijk wedervond, lag het tusschen veertien Garibaldisten, welke hij , naar verhaald wordt, met eigen hand verslagen had.

Het was echter niet alleen in den strijd tegen de aanranders van den H. Stoel, maar ook bij andere gelegenheden, dat vele IVederlandsehe Zouaven eenen buitengewonen ijver en heldenmoed aan den dag legden. Zoo brak in den zomer van 1867 in de stad Albano de cholera uit, en wel met zulk eene hevigheid, dat de inwoners geen moed bezaten, om iemand, die door dien geesel aangetast was , te helpen of de dooden ter aarde te bestellen. Velen, die gevlucht waren, kregen de ziekte onderweg , stierven daar en bleven onbegraven in het veld liggen. Ook in de meeste huizen van Alhano waren lijken , zonder dat er iets aan gedaan werd. De bisschop der plaats, die alles had aangewend om de ongelukkigen bij te staan en te helpen, was als een offer zijner menschlievendheid gevallen. In dezen hoo-gen nood kwamen eenige Zouaven in de stad, welke men derwaarts gezonden had om de rust te bewaren.

ocr page 261

251

Zi; meenden op dat oogenblik niets beter te kunnen doen, dan zich tot heil van de achtergebleven burgers op te offeren. Zonder toeven maakten zij een begin met het verplegen der zieken, en zochten overal de lijken op, om aan dezelve eene behoorlijke begrafenis te bezorgen. De bewoners stonden verbaasd op het gezicht van znlk een moed. Twee Xederlandsche Zouaven, Hexbicds Petebs uit Beek bij Nijmegen, en Jacobus van beu Meltden uit Drunen, bij 's-Bosch, bleven voortdurend op het kerkhof en legden de lijken, die door de anderen aangebracht werden , bij elkander in den grafkuil, waaruit gestadig eene verpestende lucht opsteeg. Wijl zij hierbij geen de minste ontsteltenis of vrees lieten blijken, vraagde een der ofilcieren, die meende, dat zij het gevaar van hunnen toestand niet begrepen : „Weet gij wel, mannen, dat het werk, hetwelk gij daar verricht, doodelijk is?quot; Doch zij gaven ten antwoord: „Wij weten hot, luitenant; maar wij zijn gereed.quot; Kort daarop door dezelfde ziekte aangetast , stierven beiden in de eerste dagen van Augustus 1867. Een ander Nederlandsch Zouaaf, met name G. J. Ophem uit Alkmaar, bezweek insgelijks aan dien geesel, nadat hij tot het einde toe met onbezweken ijver de cholera-lijders verzorgd had. Getroflen over deze heldhaftige zelfopofferingen en christelijken heldenmoed, heeft Z. H. Paus Pius IX iaat gegeven om te Albano eene prachtige graftombe voor deze moedige jongelingen op te richten.

O , moge hun edel en vroom gedrag in alle tijden vele navolgers vinden '.

ocr page 262

O^TIEIRZICIHIT

DEE

VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN.

V. Chr.

100 Komst der Batavieren hier te lande.

54 De Batavieren slniten een verbond met de Romeinen.

10 Drusus onderwerpt de Friezen.

Sa Ckr.

28 De Friezen staan tegen hunne onderdrukkers op, en behouden vele jaren hunne onafhankelijkheid.

69 Opstand der Batavieren onder Claudius Civilis.

260 Invallen der Franken. De naam der Batavieren verdwijnt langzamerhand uit de geschiedenis.

695 De H. Willibrordus tot Aartsbisschop der Friezen gewijd.

755 Marteldood van den H. Bonit'acius.

800 Karei de Groote wordt keizer.

810—891 Herhaalde invallen der Noormannen.

922 Ontstaan van het graafschap Holland.

1015 Dirk III sticht Dordrecht.

1096 Eerste Kruistocht.

1219 Graaf Willem 1 doet eenen tocht naar het H. Land. Verovering van Damiate.

1256 Willem II, Eoomsch-konine, vindt zijnen dood in een tocht tegen de West-Friezen.

1296 Floris V wordt vermoord.

1299 Met Jan I sterft het eerste stamhuis der Graven van Holland nit, en komt het Henegonwsehe huis aan de regeering.

1304 Witte van Haamstede verdrijft de Vlamingen uit Holland.

1345 Dood van Willem IV ; Margareta volgt hem op.

1340 Willem V, eerste graaf uit het huis van Beieren.

1350 Begin der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten.

ocr page 263

253

1423 Uitvinding der boekdrukkunst door Laurens Jans-

zoon Koster te Haarlem.

112S Jacoba van Beieren geeit het bestuur over Holland, Zeeland en Henegouwen aan Filips van Bour-gondië over, waardoor de regeering in liet Bourgondische huis overgaat.

1477 Karei de Stoute sneuvelt bij Nancy.

1492 Einde van de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten.

Kaas- en Broodvolk.

1504 Filips de Schoone wordt koning van Kastilië. 1506 Filips de Schoone sterft. Zijn zoon Karei volgt hem in de Nederlanden op, onder voogdij van zijn grootvader , keizer Maximiliaan.

1516 Karei wordt koning van Spanje.

1519 Hij wordt keizer van Duitschland onder den naam van Karei V.

1522 Adrianus Floriszoon Boy ens tot Paus verheven. Hij

neemt den naam van Adrianus VI aan. 1543 Karei V vereenigt al de Nederlandsche gewesten

onder zijn bestuur.

1555 Karei V staat de Nederlanden aan zijn zoon Filips II af.

1559 Filips JJ sluit vrede met Frankrijk. Hij stelt orde op het bestuur der Nederlanden en vertrekt naar Spanje'. Oprichting van vele nieuwe bisdommen.

1566 Smeekschrift der edelen. Opkomst der Geuzen.

Beeldstormerij.

1567 Komst van den hertog van Alva.

156S Begin van den tachtigjarigen oorlog.

1572 Inneming van den Briel door de watergeuzen. De

Martelaren van Gorkum. Beleg van Haarlem.

1573 Alkmaar wordt vergeefs belegerd. Slag op de

Zuiderzee. Alva vertrekt en wordt opgevolgd door Eeqnesens.

1574 Slag op de Mookerheide. Leiden ontzet.

1576 Dood van Eequesens. Pacificatie van Gent.

1577 Don Jan van Oostenrijk wordt landv. Matthias van

Oostenrijk door de misnoegden in het land geroepen.

ocr page 264

254

1579 Verdrag van AtrecLt. Unie van Utrei ht.

1581 Afzwering van Filips II. Anjou te hulp geroepen.

1584 quot;Willem I door Balthasar Gerard doodgesuhoten.

1585 Komst van Leicester. Hij voert weinig nit en ver

laat twee jaren later het land.

1588 De onoverwinnelijke vloot vernield. 1590 Verrassing van Breda door middel van een turfschip. 1595 Eerste tocht der Nederlanders naar de Oost. 1598 Filips staat de Nederlanden aan Albertns en Isabella

af. Hij sterft.

1600 Slag bij Nieuwpoort.

1604 Ostende na een driejarig beleg door Spinola inge-

1609 Twaalfjarig bestand. Godsdiensttwisten. 1618 Oldenbarnevelt, Hngo de Groot, Hoogerbeets en Ledenberg gevangengezet. De eerste sterft het volgende jaar op het schavot.

1621 Einde van het twaalfjarig bestand. Dood van den

aartshertog Albertns.

1625 Dood van Prins Manrita.

1628 Verovering van de Spaansche zilvervloot door Piet

Hein.

1629 Inneming van 'a-Bosch door Frederik Hendrik. 1639 Maarten Harpertz. Tromp slaat de Spanjaarden bij

Dnins.

1647 Dood van Frederik Hendrik. Willem II volgt hem op. 1048 Vrede vau Munster.

1651 Groote vergadering der Staten te 's-Hage.

1652 Eerste Engelsche oorlog. Tromp, De Rnyter,

Evertsen en Van Galen onderscheiden zich ter zee. 1654 Vrede te Westminster. Akte van seclusie. 1665 Tweede Engelsche oorlog.

1665 Driedaagsche zeeslag tnsschen De Enyter en Monk. 1667 Tocht naarChattam. Vrede te Breda. Eeuwig Edict. 1672 Oorlog met Engeland, Frankrijk, Munster en Keulen. Willem III, stadhouder. Jan en Cornells de Witt vermoord.

1674 Vrede met Engeland te Westminster gesloten.

ocr page 265

355

1076 De Tiuyter sneuvelt in de haven van Syracuse. 1678 Vrede te Nijmegen.

1088 Willem III verjaagt zijn selioonvader Jacobus II van den troon.

1692 Zeeslag bij kaap La Hogne.

1693 Slag bij Landen en Iseerwinden.

1697 Vrede te Rijswijk. Czaar Peter bezoekt ons land. 1702 Spaansche Successie-oorlog. Dood van Willem III. 1704—1709 Gibraltar veroverd.

De Fransehen worden achtervolgens te Hoclistiidt, Eamillies, Oudenaarden en Malplaquet door Maiborough en prins Eugenins geslagen. 1711 Jan Willem Friso verdrinkt aan den Moerdijk. 1713 Vrede te Utrecht.

1740 Oostenrijkscho Successie-ooriog.

1747 De Franschen bemachtigen Staats-Vlaanderen.

Willem IV Stadhouder.

1748 Vrede te Aken.

1751 Willem IV sterft. Zijn zoon Willem V volgt hem op onder voogdij zijner moeder Anna van Engeland.

1760 Willem V aanvaardt de regeering.

1780 Oorlog met Engeland.

1781 Slag bij Doggersbank, tusschen Zoutman en Parker. 1784 Vrede met Engeland. Geschillen met keizer Jozef

II. Patriotten en Prinsgezinden.

1787 De Pruisen in ons Vaderland.

1793 De Fransehen verklaren den oorlog aan den stadhouder. Dumouriez rukt in Staats-Brabant. 1795 De Franschen veroveren ons Vaderland. Willem V

vertrekt naar Engeland. Balaafsche Eepubliek. 1790 De vrijheid van godsdienst tot wet verklaard.

1799 Landing der Engelschen en Pussen in jNr. Holland. 1805 B-utger Jan Schimuielpenninek , raadpensionaris.

1800 Lodewijk Napoleon wordt koning van Holland.

1809 Landing der Engelsehen in Zeeland.

1810 Ons Vaderland bij Frankrijk ingelijfd.

1812 Tocht van Napoleon naar Eusland.

ocr page 266

1813 Bevrijding van Nedei'1. nit de FranscKe heerschappij.

1815 Vereenis;inf; van !Noord- en Znid-Jsederland. Wil

lem 1, kouinp. Slag bij Waterloo.

1816 Bombardement van Algiers.

1825 Oorlog op Java tegen Diepo jSegoro. Het Philo-

sopiiisrb collegie.

1827 Concordaat met den Paus gesloten . doch niet uitgevoerd.

1830 Opstand der Belgen. Bombardement van Antwerpen.

1831 Leopold van Saksen-Coburg , koning der Belgen.

Tiendaagsche Veldtocht.

1832 Beleg van de citadel van Antwerpen. Embargo.

1839 Vrede met België.

1840 Willem I doet afstand van de regeering.

1843 Dood van den graaf van Nassau (Willem I) te Berlijn.

1849 Willem 11 sterft te Tilburg.

1853 Herstel der Bisschoppelijke Hierarchie.

1890 Dood van Willem III.

Graven uit het huis can Holland. (922—1299.)

Dirk I. Dirk II. Arnoud. Dirk III. Dirk IV. Plorisl. Dirk V. Floris II. Dirk VI. Floris III. Dirk VII. Ada. Willem I. Floris IV. Willem II. Floris V. Janl.

Graven uit het huis van Henegouwen. (1299—1349.) Jan II. Willem III. 'Willem IV. Margareta.

Graven uit het kuis van Beieren. (1349—1433.) Willem V. Albrecht. Willem VI. Jacoba.

Graven uit hel huis van Bourgondië. (1433—1482.)

Filix^s de Goede. Karei de Stoute. Maria.

Graven uit het huis van Oostenrijk. (1482—1581.) Filips de Schoo'ne. Karei V. Filips II.

De stadhouders van Holland, Zeeland, enz.

Willem I. Maurits. Fred. Hendrik. Willem II, III, IV, V.

Koningen uit het huis van Oranje-Nassau.

Willem I, Willem 11 en Willem III.

ocr page 267
ocr page 268
ocr page 269
ocr page 270