-r
1
f
'TV-
$
t I éH
pr
LEVEN
ö £
quot;p* van den Ircluk/aliii'cn
BERNARDINUS REALINO,
J Belijder der Sociëteit van Jezus. 3
?/i\^
Naar liet Pransch van A. F.
â¢Â«0
a
door
ih» J. C. A I b e r il i n g k T ii i j m S. .1. «| ---------
53=
2
T
T). O. M.
CHRISTO HOMINTJM SALVATOR1 ÃNIOO
NEC XOX HKTPAR.E VIRGIN 1 QU/E SERVIJM SüUM IIKAT('M ÃERXARDIXIIM REALIXO
SÃ(;iETATIS .TESU I T! KILIUM MATER AMAXTTSSIMA (.â¢HAUr.SMATIBtJS (JTIMIJLAVTT IXXUM ER IS.
A. F.
S. ,1.
Gemerti, die Maü 1895.
('nm pennissii Superioruni.
(iehoorl.e en eerste kiiulorjaren.
e Gelukzalige, wiens leven wij gaan
sclietseu, behoort niet tot het getal dier uitverkorenen, van wie liet God behaagt de toekomstige deugden en wonderbare heiligheid reeds bij hun intrede in de wereld te openbaren. Niets buitengewoons onderscheidt zijne geboorte; geen straal van hemelsch licht weerschittert van zijn voorhoofd, en om zijn wieg zien wij geen enkel dier blijkbare teekenen van voorbeschikking blinken, welke men somtijds onmisbaar waant om zich tot hooge volmaaktheid geroepen te achten.
â 4 â
Eene kindsheid, doorgebracht in de vreezc Gods; eene smettelooze jeugd, die alleen den hartstocht voor studie vrij spel geeft; dan eene niagistraatsbetrekking', met eere tot het 34quot; levensjaar vervuld : ziedaar de eenvoudige paden, langs welke God zijn dienaar opvoerde tot de verheven roeping, waartoe Hij hem bestemde. Deze roeping was bet religieuze en apostolische leven. Dit zou hem eene heiligheid doen bereiken, waarvan reeds bij zijn leven wonderen zonder tal en wellicht nimmer geëvenaarde blijken van hoogschatting
en vereering lulde zouden getuigen.
*
* *
Aloyslus Bernardinus Kealino werd den 1quot; December 1530 In bet stadje Carpi In Lom-bardije geboren. Zijne ouders, Franclscus Healino en Elizabeth Bellintani, stamden uit twee oude, patricische geslachten, waarin de echte eer en de christelijke deugden als de kostbaarste erfenis van ouders op kinderen overgingen. Als eene eeuw vroeger de H. Bernardinus van Siemia te Carpi kwam prediken, verbleef hij bij voorkeur bij de familie 1 Bellintani en genoot er eene gastvrijheid, die
evenzeer jiloittc voor hun s'r0,|t seloof als voor Inmno uitstekende lioffelijldieid. Van dat tijdstip af was do beroemde zoon van Sint Franciscus een voorwerp van innige vereering-in die christelijke familie. Elizabeth vooral droeg hem cene bijzondere godsvrucht toe. Daarom wilde zij. dat haar oudste zoon den naam van Hcrnardinus dragen zon.
Franciscus voegde orden naam van A/oysms bij. ter herinnering aan prins Aloyslus Gonzaga, (1) bij wien hij destijds do betrekking van opperstalmeester vervulde.
Het kind ontving het doopsel op den 8quot; December 1530. Deze datum was cene beschikking der Voorzienigheid. Kcrnardinus' ziel moest van de smet der erfzonde gezuiverd worden op denzelfden dag, waarop de Onbevlekt Ontvangen Maagd er voor gevrijwaard werd. die goede Moeder, van wie hij later zulke wonderbare gunstbewijzen zou ontvangen.
Bernardinus was, zooals spoedig bleek, een kind van zegening. Hij had van den Hemel
(1) Bloedverwant van den Heilige, die ter wereld kwam in 1568.
m ---------------^
â 6 â
een gelukkigen aanleg ontvangen en eene ziel, met de schoonste eigenschappen toegerust. Bij een helderen, doordringenden geest bezat liij een gezond oordeel en een hart vol goedheid en edelmoedigheid. Wel is waar bemerkte men bijna even spoedig, dat hij eenmaal te strijden zou hebben met oen vurig karakter en een licht ontvlambaar gemoed. Maar zijne ouders waren vast besloten hom voor dien strijd te wapenen. Vóór alles stond bij hen vast, hun kind eene ernstige en door en door christelijke opvoeding te schenken.
Gaarne zou Franciscns zelf zich met dLo opvoeding hebben belast ; maar daar zijn ambt aan het hof des prinsen hem daarin verhinderde, moest hij do eerste zorgen aan de moeder van don knaap overlaten, en dit bleek voor onzen Bernardinus een geluk.
Elizabeth Bellintani toch was eene Christin van den echten stempel. Vol liefde en, met verloochening van zichzelve, alle goede werken beoefenend, was zij bezield met een geest van oprechte, verstandige en practische vroomheid. De tijdelijke toekomst van haar zoon was niet hare voornaamste zorg: haar hoofdstreven
ü -m
â 7 -
was haren lieveling onvergankelijke goederen te verzekeren.
Daar zij als ware Cliristin wist, dat do godsvrucht tot de allerheiligste Maagd, naar het oordeel der Kerk, een zeker onderpand van voorbeschikking is, was zij er op uit haren zoon eene innige kinderliefde tot Maria in de ziel te prenten. En zij slaagde daarin uit-mnntend. Tot het einde zijns levens immers zou Bernardinus voor de Koningin der Engelen die hartelijke genegenheid blijven koesteren, welke hij, om zoo te spreken, met do moedermelk had ingedronken; en wanneer hij eenmaal, door den ouderdom gebroken, geene andere mondgebeden meer zal kunnen uitspreken, zal hij zijn geluk nog vinden in het bidden van den H. Rozenkrans, zooals hij dit op den schoot zijner moeder geleerd had.
Elizabeth ging gaarne bidden in de kerk der Minderbroeders, aan den H. Nicolaas toegewijd. Zoodra do kleine Bernardinus oud genoeg was om haar te vergezellen, bracht zij hem daarheen, en, zich in eene meer afgelegen kapel met hem afzonderend, deed zij hem nederknielen en leerde hem, hoe hij met
â 8 -
Gotl spreken, zijn geweten onderzoeken en dit van de kleinste fouten zuiveren moest. Tehuis gekomen wist zij in hem de gfoede gevoelens te onderhouden, welke zij hem in de kerk had ingestort. Haar moederoog verloor hem, om zoo te zeggen, nimmer uit liet gezicht. Zij sloeg acht op de minste opwellingen zijner ontkiemende driften en leerde hem die krachtig beteug'elen.
En met welke volgzaamheid luisterde Ber-nardinus naar de lessen zijner moeder, hoe vaardig' bracht hij hare wenken ten uitvoer! Het was verrukkelijk te zien, hoe een zoo jeugdig kind de uitvallen van zijn vurigen aard bedwong, alle geveinsdheid schuwde en zich jegens iedereen vriendelijk en gedienstig betoonde.
Twee trekken zijner kinderjaren hebben de aandacht zijner levensbeschrijvers vooral gewekt: zijne versterving en zijne liefde voor de armen. Keeds als heel klein kind, was hij uiterst sober bij zijn maaltijden, en zonderde van de spijzen, welke men hem voordiende, het beste steeds af, om dit vervolgens aan de armen uit te deelen.
m
^-----â-------m
â 9 â
Zijne moeder, wel verre van die vroegtijdige verstervingen liaars zoons af te keuren, gaf hem integendeel het voorbeeld aller christelijke deugden. Bernardinns beminde en vereerde haar dan ook immer als eene heilige. Later, ja wanneer reeds do ouderdom zijn hoofdhaar zal doen vergrijzen, zal men hem nooit over zijne moeder kunnen spreken, zonder hem tranen te zien storten, en die tranen werden hem ontperst zoo door teedere kinderliefde als door dankbaarheid jegens God.
=E
en ïSt.
-ïde in ler-:iet â el--de
^er--ioe 3r! | :oo -en en
â¢en Tal quot;de md,
-en 5m sr-
â 1U â
(ö VX Jy G
CCP âcosâtktPât^/r quot;ccpâ
II.
Loven van godsvrucht en vurigen werklust.
cCx. 'â 'â 'd . c^x- c.*-» 'S'a___cV3__xlt;.'3_âna? «â¢'.'a. -tOa.-
Zoodra Beriiardiuus de jaren van onderscheid bereikt had, werd hij toeg-elaten tot de eorsle H. Communie. Met veel zorg' had hij zich daartoe voorbereid, deed ze inot groote vurigheid en gevoelde van dat oogenblik af een onverzadigbaren honger naar het Brood der Engelen. Voortaan naderde hij, volgons den raad zijns biechtvaders, zoo dikwerf hij kon tot dit hemelsche gastmaal.oodra Beriiardiuus de jaren van onderscheid bereikt had, werd hij toeg-elaten tot de eorsle H. Communie. Met veel zorg' had hij zich daartoe voorbereid, deed ze inot groote vurigheid en gevoelde van dat oogenblik af een onverzadigbaren honger naar het Brood der Engelen. Voortaan naderde hij, volgons den raad zijns biechtvaders, zoo dikwerf hij kon tot dit hemelsche gastmaal.
Maar hoe ijverig bereidde hij zich dan ook tot die veelvuldige communiën voor! Hij vermeed zorgvuldig de kleinste fouten; om in zijn hart eene grootere reinheid te bewaren, nam hij van die prille kinderjaren af de gewoonte aan. welke hij nimmermeer zal laten
varen, van dagelijks zijn gewetensonderzoek in te stellen.
].»e luidruchtige bijeenkomsten van kinderen ' van dien leeftijd bezaten overigens geenerlei | aantrekkelijkheid voor hom en hij gunde zich geene andere ontsiianning dan het kerkbezoek en het godvruchtig onderhoud met sommige religieuzen, die hij kende, en vooral met zijn biechtvader, een pater Minderbroeder van St Franciscus.
Zijne vroomheid had nochtans niets af-stootends. Vol goedheid voor iedereen, koesterde hij eene voorliefde voor de kleine, arme scholieren en schoiite er genoegen in hun do i noodige boeken te verschaffen. âHad God,quot; zoo sprak hij dikwijls, âmij groote rijkdommen geschonken, dan zou ik er een goed deel van besteden om aan begaafde jongelingen het middel te bezorgen /.ich aan de studie te wijden en zoodoende den naaste van dienst tc zijn.quot;
Zelf legde hij zich met veel vuur op de studie toe, zoowel uit natuurlijke neiging als om aan de verlangens zijner ouders te beantwoorden. Het was een lust te zien, hoe hij,
m-------------
â 12 â
van oen edelen wedijver bezield, zijn best deed al zijn schoolmakkers vooruil te streven, Nooit echter ging- bij do grenzen der bescheidenheid te buiten, en daar zijn loven, naar het woord van een zijner levcnsbeschrijvers, (W/ wonder van zachtzinnige en innige liefde was, dacht niemand er aan hem to benijden. Verre vandaar; zijne mededingers zolven verheugden zich over den uitslag zijner studiën.
Die uitslag was schitterend. Binnen zeer korten tijd was Bernardinus do moeiolijkhoden der spraakkunst te boven. Welhaast bezat hij de twee klassieke talon: Latijn en Grieksch, zoo volkomen, dat hij met gomak van't Grieksch in 't Latijn vertaalde on als spelend de beste oude schrijvers las. In eene zoo uitmuntende school gevormd, schroef hij spoedig zelf zeer sierlijk in proza en verzen. Zoo gebeurde hot meer dan eens, dat men hom in een of anderen letterkundigen kring, waar hij tegenwoordig was, dwong stukken, dour hem zeiven vervaardigd, voor te lozen en hij ging op die eischen vol eenvoud en welwillendheid in.
Op zestienjarigen leeftijd had hij zijne studiën in de letterkunde en welsprekendheid voltooid, en daar hij nu in zijne geboortestad niets meer leeren kou. verliet hij Carpi om de wijsbegeerte te gaan bestudeereu aan de hoogeschool te Modena. Hij verbleef echter slechts twee jaar in die stad. Ziehier wat daartoe aanleiding gaf.
Eeuige losbandige jongelieden aan deze hoogeschool zagen in het reine en arbeidzame leven van Realino als een voortdurend verwijt hunner buitensporigheden. Zij besloten daarom hem mede te sleepen in het kwaad en hem den kostbaren schat der onschuld te ontrooven. Maar als echte trawanten van Satan wachtten zij zich wel eene zoo hechte deugd openlijk aan te vallen. Langs omwegen op hun doel afgaande, wenschten zij, naar zij voorgaven, alleen kennis met hem aan te knoopen, oiu over letteren en wijsbegeerte te spreken eu aldus in hunne studiën vooruit te komen.
Den strik niet vermoedend, die zijner onschuld gespannen werd, leende Bernardinus zich tot alles met zijn gewone vriendelijkheid, totdat hij op zekeren dag inzag, waar deze
onwaardige vrienden heen wilden. Eensklaps verschrikt over liet dreigende gevaar, riep hij de hulp in van dc Koningin der maagden en van zijn Engelbewaarder, en door boven-aardsche tussclifinkonist ontsnapte hij aan dit ernstig gevaar. âIk ging,quot; zegt hij in zijne aantoekeningen, »eeii glibberig' pad op. toen de Engel des Hoeren mij mijne dwaling deed beseffen en mij van de poorten der hel op den weg des hemels terugvoerde.quot; Terstond brak-hij allen omgang met die ellendelingen af en verliet zelfs de stad Modena, om zijne studiën aan de hoogeschool van Bologna voort te zetten.
In deze stad op het einde des jaars 154S aangekomen, hervatte hij den arbeid niet des te grooter vurigheid, naargelang die valsche vrienden hem meer tijd in beuzelarijen hadden doen verliezen. Na voltooiing zijner wijsgeerige studiën, was hij een oogenblik in beraad om zich aan de geneeskunde te wijden, maar besloot eindelijk tot de studie van het recht. Zijn vader keurde dit besluit zeer goed en schafte hem eeue boekerij aan. welke in die dagen een ware schat mocht gelden. Bernardinus was dan ook, om zoo te spreken,
,,!Oe engel des 35 co ren voerde mij op den weg des hemels terug.quot;
gr
niet van zijn boeken weg Tc krijgen. Hij vergat er eten en slapen om, en meer dan eens moest zijn gastheer hem, op het uur van het middagmaal, als met geweld medesleepen om hem te dwingen zich aan tafel te zetten. Van dit tijdstip zijns levens dagteekent de gewoonte, welke hem tot den dood bijbleef, vau dagelijks slechts één maaltijd te houden. Zijn gezondheid leed er niet ouder; integendeel, sinds hij niets meer op het uur van het avondmaal gebruikte werd hij langzamerhand verlost van eenc ingewandspiju, die hem tot dan toe gekweld had. Hij besteedd? die overwinst van vrije oogenblikken om niet alleen aan zijn dierbare studiën, maar ook aan de godsvrucht meer tijd te schenken. Hij maakte een veelvuldig gebruik van de Sacranienteii en deed dagelijks zijn gewetensonderzoek. Dan, in die stonden als de andere studenten zich in vroolijke ge-zelschappen gingen ontspannen, begaf hij zich gaarne alleen, ver van het stadsgedruisch, naar het klooster der Paters Jezuïeten of naar de St. Michielskerk in Bosco, bij de monniken van deu Olijfberg. Daar in de eenzaamheid bad hij meer op zijn gemak en vond zijn
zoetste iiitsiianning in liet onderhoud met de religieuzen dier kloosters. De godvruchtige overdenkingen, buitenshuis begonnen, zette hij, thuis gekomen, voort. âO eeuwigheid,quot; riep hij somtijds uit, ,.o eeuwigheid! Van hoe groot gewicht is dat altijd, en hoe goed is het, zich van eeuige voorbijgaande genoegens te spenen, om zich de eeuwige vreugden te verzekeren en do straffen der hol te ontkomen!quot;
Wellicht troffen die ernstige gedachten hem sterker, sinds zijne vrome moeder den 24quot; November 1550 gestorven was. Bernardinus had haar in hare laatste ziekte bijgestaan en met al do zorgen omringd, tot welke do liefde den beste dei- zonen kan aansporen. Toen zij de oogen gesloten had, liet hij zijn tranen den vrijen loop en beweende bitterlijk de moeder, die hij zoo innig had bemind. Zich daarop tot zijn vader wendend, die van droefheid overstelpt was, richtte hij hem woorden van geloof en vertrouwen toe, die den beproefde
bijzonder sterkten en troostten.
* *
*
Do beide reizen, welke Realino bij die gelegenheid naar Carpi deed, vielen hem zeer
smartelijk. Bene derde, die weldra volgde, zuil bij hem oen nog' bitterder herinnering achterlaten. Bij de/.e ééue gelegenheid zou hij de lessen zijner n;oeder vergeten, maar hoeveel tranen zal hij in het vervolg daarom schreien!
Ziellier het voorval. Eene veelvermogende familie had Realino een onrechtvaardig proces aangedaan. Aanzienlijke bezittingen waren er mede gemoeid en reeds had Franciscus zijn zoon Bernardinus naar Ferrara gezonden, om dil rechtsgeding te voeren en tot een spoedig einde te brengen, toen hij van meening veranderde en besloot de zaak aan een scheidsrechter in handen te stellen. In die hoedanigheid aanvaardde bij zelfs Hieronvinns Galli, een nabestaande der tegenpartij, op nitdrnkke-lijke voorwaarde echter, dat deze. alvorens het vonnis uit te spreken, een uitmuntend rechtsgeleerde zon raadplegen. Docb deze man, zijn belofte in den wind slaande, besliste in aller ijl de zaak ten gunste zijner bloed-verwanten.
Tiat was een schreeuwend onrecht. Toen dan ook in den volgenden vacantietijd onze
twintig-jarige stiuleiit den scheidsrechter ontmoette, kon hij niet nalaten hem daarvan rekenschap Ie vragen. Voor antwoord ontving' hij slechts scheldwoorden en beleedigingen. Diep gekrenkt, gevoelt Bernardiuns zich het bloed in de aderen koken, en door drift vervoerd, trekt hij zijn degen en treft zijn tegenstander vlak in het gelaat. De verwonding was slechts licht, doch hij werd niettemin daarom uit de staten des hertogs van Perrara verbannen, krachtens een decreet, dat eerst vele jaren later herroepen werd.
De menschen hadden recht die daad streng te beoordeelen. quot;Was echter Bernardinns zoo grootelijks schuldig in de oogen van God? Hij had gehandeld onder den plotselingen invloed eeuer opwelling van ongeduld: ontbraken daaraan niet de volkomen bewuste kennis eu vrije wil, voor een waarlijk /ware beleediging Oods vereischt? Op deze vraag heeft Healino, dunkt mij, zelf her antwoord gegeven.
Eens dat hij, reeds priester geworden, door eenige medebroeders uit scherts geplaagd werd, omdat hij in zijne groote goedhartigheid altijd een middel vond om ook de klaarblijke-
lijkstc fouten van anderen te verontsehulfligen, vroeg- hem een der aanwezige Paters: âMaar zog nu eens. indien een penitent zicli liij u beschuldigde van een mensch verraoord te hebben, zondt gij hem dan van do zonde van doodslag vrij|ileiten? en zoo ja. waarom zoudt gij hom dan de absolutie geven Vquot;
âTk zou hem de absolutie geven over hetgeen hij beleden had,quot; hernam Bernardinus, âmaar wel wetend dat in zekere omstandig-hedon zulk eene biiitonsporighoid zonder voel schuld bedreven kan worden, zon ik toch allijd gaarne van dien penitent zoo weinig kwaads mogelijk onderstel Ion.quot;
â 20 â
___S_ 6Jj _amp;____
=lt;=rlt;=lt;=lt;=lt;rlt;=:lt;=-lt;=lt;r:lt;=:lt;r-crlt;=:lt;rlt;rlt;rlt;zlt;=lt;rlt;rlt;=:lt;=^lt;
-x,*pâXCP âW--ZCP~Z^J- ~c.yi--TOT--co^râ--c^P -âco'quot;âr.-,; -
Voltooiing dor ^liidiën. 0|ieiil»iiro iiinhien.
Ivocpiiig tot den religieuzen staat.
Tn _ i'.'j c'.'i cC-i f.-j_ 1.C3 . i'.'j lO; _ c': j , lt;'.gt;1
=:lt;^lt;=:lt;rlt;=lt;=lt;=«:lt;r:lt;rlt;=lt;zlt;=c:lt;=:lt;=:lt;=lt;rlt;=lt;rlt;=:lt;rlt;=lt;=:lt;
Na zijne zwakheid aldus ondervonden te hebben en meer dan ooit besloten de hartstochten te beteugelen, die hem zoo ver konden medesleepen, kwam Bernardinus te Bologna terug en hervatte er zijn loven van arbeid en godsvrucht.a zijne zwakheid aldus ondervonden te hebben en meer dan ooit besloten de hartstochten te beteugelen, die hem zoo ver konden medesleepen, kwam Bernardinus te Bologna terug en hervatte er zijn loven van arbeid en godsvrucht.
De studie der burgerlijke en kerkelijke wetten nam zijn tijd niet dermate in beslag, dat hij er geen deel van besteedde aan de fraaie letteren, liet een ontwikkelden geest en uitmuntenden smaak bedeeld, vond hij zijn lust in den omgang met de groote schrijvers der oudheid. Hij las en herlas hunne werken, vertaalde die of maakte er zorgvuldig zijne
~ 21 â
aanteckenin^cn op. Zoo vertolkte hij, behalve liet, blijspel /'/nius van Aristophanes, tic gehcele Ui/ys.sca van Homerus, cn schreef aanteekeningen op al de verhandelingen van Plato en verscheiden andere beroemde werken van Aristo-teles, Catullus, Sallustius, Petrarca enz. Hij vervaardigde ook, behalve andere werken, twee bundels met Latijnsche en twee met Italiaanschc verzen.
Alleen zijn uitlegging op den Bruiloftszang van Thetis en Pcleus, in 155J te i3ologna verschenen, werd gedrukt. Deze was aan Kardinaal Madrucci opgedragen en verwierf den schrijver groote loftuitingen vanwege do letterkundigen vau zijn tijd. Maar hoezeer betreurde Realino later een zoo kostbaren tijd, zooals hij zeide. aan dergelijke ijdelheden verkwistte hebben! Hij had al de exemplaren van dit geschrift terug willen koopen om ze aan de vlammen prijs te geven. Toch bevat het niets, dat den meest kieschen lezer zou kunnen kwetsen.
Daarenboven was zijn letterarbeid niet altijd aan ongewijde of zuiver wijsgeerige onderwerpen gewijd. Voor zijn broeder Jan
- 22 -
Ba|)tist, die zich in het huwelijk ging- begeven, stelde hij over het christelijk htnvelijk een werkje vol goede raadgevingen samen.
In 1501 vervaardigde liij een uitstekende redevoering over do ijdelheid van al het aardsche; en daar hij een volijverig lezer der H. Schrift was, schreef hij achtereenvolgens korte verklaringen op al de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament.
Al die handschriften zijn verdwenen. Zijn ootmoed deed hem bij de zijnen zoo dringend aanhouden op do vernietiging dier vruchten van zijn geest, dat zij ten laatste al de geschriften, welke hij hun gelaten had, verbrandden.
* *
*
Inmiddels waren do jaren zijner vorming verloopen en Bernardinns, den 3n Jnni 155() tot Doctor in de beide rechten bevorderd, trad kort daarop zijne openbare loopbaan in. Hij vervulde achtereenvolgens de betrekkingen van podrsta te Felizzano in het Milancesche. van advocaat-fiscaal in het stadje Alessandria, van gouverneur te Cassine en eindelijk van rechter te Castiglione in Lombardije.
â quot; --âiEi
â 23 â
Deze laatste post was bijzonder hachelijk. De inwoners toch, in woedende partijschappen verdeeld, waren in opstand tegen het gezag en om hen in het goede spoor te doen weder-keeren, werd eene even voorzichtige als vaste hand gevorderd. Rcalino ondernam do netelige taak en de uitslag was verwonderlijk. Spoedig herbloeiden recht en vrede te midden dier bevolking en toen. na twee jaren, de ambtstijd huns rechters verstreken was, vroegen en verkregen juist diegenen, die aanvankelijk tegen hem gekant waren, dat hij in zijne bediening gehandhaafd bleef.
Dit welslagen zal niemand verwonderen, die denkt aan de rechtschapenheid en goedhartigheid. de belangeloosheid en de hoogere bedoelingen, welke dezen voorbeeldigen overheidspersoon bezielden.
Nimmer werd hij beheerscht door hartstocht, nimmer gedreven door gunstbejag noch eenige persoonlijke neijriny. De rechtvaardigheid alleen zat bij zijne uitspraken voor. Dit wist iedereou zoo wel, dat men voor hem veilig eene uitzondering kon maken op den regel, die wil dat niemand rechter zij in zijne eigene
zaak. Vandaar dat, toen een deel der 011-roerigen, van wie wij zooeven spraken, hem in het openbaar durfde beschimpen, liij zelf' belast werd hun proces op te maken en die ongeregeldheden te doen ophouden.
Bernardinus' goedheid matigde steeds de vonnissen, welke de gerechtigheid hem dwong te vellen. Vijand van preventieve gevangenschap, haastte hij zich onschuldig erkenden te ontslaan. Op de schuldigen paste hij de wetten met veel onizichtigheid toe, zooveel doenlijk de gestrengheid dor toenmalige rechtspleging verzachtend. Somtijds zelfs verwierf hij hun volkomen vrijspraak, als zij teekenen gaven van oprechte bekeering.
Zijne onbaatzuchtigheid was boven allen lof. Zijn grondbeginsel wat. dat men niet te gelijk zich kan verrijken en eerlijk blijven. En inderdaad, verre van den staat zijns vermogens verbeterd te hebben, was hij armer bij het verlaten dan bij het aanvaarden zijner openbare bediening.
Wat evenwel deze kostbare eigenschappen bijzonder verhoogde en van liealino een man maakte, waarlijk machtig in werk en woord :
â 25 â
hij verhandekle eerst geruimen tijd met God do /.aken, welke hij te behandelen had niet de menschen. Dagelijks woonde deze jeugdige magistraat de H. Mis bij, bad hij den Ro/.eri-krans en hield lange overwegingen over het lijden des Heeren. Is het dan te verwonderen, dat zijne ondernemingen door den Hemel gezegend werden, dat (iod er behagen in nam al zijne smeekingen te verhooren, ja hem iets te schenken, wat in Bernardinus nimmer was opgekomen te vragen: de uitstekende genade der roeping tot het religieuze leven?
De eerste roeping daartoe was een inwendig woord, dat (iod hem deed hoeren, 't Was op het oogenblik, dat de Gelukzalige zijn ambt te Felizzano verlaten had. Daar hij een afkeer gevoelde van het leven aan :t hof, wilde hij zijn beschermer, Kard. Madrucci, niet volgen naar Rome en was hij dns voor 't oogenblik zonder betrekking. Terwijl hij zich nu in 't gebed Gode aanbeval, vernam hij duidelijk deze woorden: âRicht een smeekgebed tot die koninklijke Majesteit, die de ongelukkigen helpt, en vrees niets.quot; Bernardinus hoorde die woorden wel, doch nog weinig bedreven in
do wegen Gods, begreep hij den zin dier roeping niet.
Het volgende feit verschafte hem meer licht. Realino had te Bologna eene jonkvromv gekend, die zijn smaak voor wijsgecrige en letterkundige studiën deelde en deze aan de oefeningen der hoogste godsvrucht wist te paren. Zij had hem doen afzien van de studie der geneeskunde; en sinds dien tijd waren deze beide zuivere /.io.len met elkander in betrekking gebleven en wisselden zij brieven in proza en zelfs in verzen, om elkander tot deugd en vul-maaktheid op te wekken. Op het tijdstip nu, waarvan spraak is, overleed Clara â zoo heette Bernardinus' vrome vertrouwelinge â in geur van heiligheid en verscheen aan Bernardinus tot driemaal toe. Zij was van een lieniclscli licht omstraald en maande hem met zachte woorden aan, zich van de bekommering der aardsche zaken te ontdoen en geheel aan God te schenken.
Bij eene andere verschijning deed eene hemelsche stem hem deze woorden hooren: âKom, mijn vriend, kom!quot;
Daar echter de markies van Pescara. wien
hot gebied van Oastiglioue toebehoorde, al het gocile vernomen had, dat Realino aan zijne leennianneu bewees, besloot hij een man van zoo groote verdienste in een nitgebreideren werkkring to verplaatsen. Tot, groote spijt der bewoners van Castiglione, die hem als eeu vader beweenden, zond hij Realino naar Napels en vertrouwde hem hier den post van algemeen rentmeester zijner uitgebreide bezittingen tue. De Gelukzalige kwam iu deze stad in 't begin van Juli IMU aan en trad aanstonds in zijne nieuwe betrekking op. Doch hij zon de vorsten dezer aarde niet meer dienen; voortaan verlangde de Koning des hemels hem in Zijn dienst.
Eens dat, onze intendant, nauwelijks in dienst, de stad doorwandelde, ontmoette hij twee jonge religieuzen, wier engelachtig voorkomen en beminnelijke zedigheid zijn hart verrukten. Hij volgde hen met de blikken zoolang hij kou en vernomen hebbend, dat het leden waren der onlangs door Ignatius van Loyola gestichte Sociëteit van Jezus, besloot hij de eerstvolgende predicatie in hun kerk bij te wonen. De preek werd op dien dag
gehouden door P. Oarmiuata. van Palermo, een machtig redenaar en een man van hooge deugd. Zijn levendig en doordringend woord bracht in zijn nieuwen toehoorder oene diepe ontroering teweeg. Als had Realiuo tot nn toe nog geen christelijk leven geleid, besloot hij zich zonder voorbehoud aan God te schenken en een nieuw leven te beginnen door eene algemeene biecht bij dien priester at' te leggen. Hij bereidde zich gedurende verscheidene dagen tot zulk eene gewichtige handeling voor en wilde, neergeknield voor de voeten van P. Car-minata, zijne belijdenis beginnen, toen deze hem vroeg, of hij niet eerst eenige overwegingen zou will en doen over de groote waarheden van het geloof'. Bernardinus nam dit voorstel aan en deed acht dagen lang de geestelijke oefeningen van den H. Ignatius.
Wonderbaar waren de vruchten dezer afzondering. De fielukzalige sprak zijn biecht onder een vloed van tranen en smaakte de zoetste vertroosting. God deed hem daarop in zulk een helder licht de ijdelheid van al het aardsche aanschouwen, dat hij besloot alles te verlaten en religieus te worden.
Dit besluit vervulde zijne ziel met oimit-sprekelijke vrede ou vreugde. Maar het religieuze leven is een zoo groote schat, dat men dien gemeenlijU niet zonder strijd en groote moeite verwerft. De duivel voorzag welk nadeel Bernardinns. eenmaal religieus geworden, hem zou toebrengen, en begon daarom zijn besluit vol woede aan te vallen, Vrede, vreugde, goddelijke vertroostingen, alles was in een oogwenk verdwenen, en in plaats dier zoetheden ondervond Realino niets dan verwarring, ongerustheid en angst. Kon hij nu den markies van Pescara verlaten, op het oogenblik zelf', dat deze hem een zoo schitterend blijk van vertrouwen had geschonken? En zal hij den moed hebben zijn geliefden broeder en zijn dierbaren vader vaarwel te zeggen, zijn bejaarden vader, nauwelijks van cene ziekte hersteld? Zou dat geen wreedheid zijn? Zou het geene monsterachtige ondankbaarheid wezen ?
De strijd was lang en zwaar, maar Jler-nardinus behaalde de overwinning. God roept hem tot het religieuze leven: religieus zal hij worden. Drie brieven, welke hij, kort daarop,
van zijn vader, van zijn broeder en van den markies van Pescara ontvangt, bevestigen hem in zijn voornemen, daar zij eenparig' zijn grootmoedig besluit goedkeuren en prijzen. Uit den lieincl zeiven echter moest hem de kostbaarste aanmoediging komen en tevens de oplossing der laatste moeilijkheid omtrent de keuze der Orde, welker kleed hij aanvaarden zou.
Eens het was een Septemberdag' van I5(J4 ââ bevond Realino zich alleen en bad met veel godsvrucht zijn rozenkrans. Eensklaps verschijnt voor hem de heilige Moeder Uods, in hare armen het goddelijk Kind Jezus dragend. Zij ziet haar getrouwen dienaar met eene onuitsprekelijke uitdrukking van goedheid aan, gelast hem vervolgens zoodra mogelijk in de Sociëteit van Jezus te treden en verdwijnt.
Vol blijdschap gaat Bernardinns zich voor de voeten zijns biechtvaders werpen en verzoekt zijne opneming in het noviciaat. Haar in eene zaak van zooveel gewicht is overhaasting misplaatst. P. Carminata stelt den postulant duidelijk de moeilijkheden voor, welke
'Voorstelling van den ©el. 33ernardinus aan de voeten van de âKoningin der Belijdersquot;, naar de schilderij van ^Int.'Verrius, te Ilecce in de kerk, door den ©cl. gebouwd, aanwezig.
3
Keal. h.
aan zijne onderueming' verbonden zijn en zendt hem eindelijk tot den Provinciaal van Napels, P. Alphonsns Salmeron. Deze selirijft daarover aan den Hoogeerw. Pater Igt;aynez, (reneraai der Sociëteit, en nadat men zorgvuldig eene zoo buitengewone roeping had onderzocht, werd Realino vergund zijn noviciaat te beginnen in het college van Napels, den 13quot; October 15U4.
S 5b a__
=lt;=lt;rlt;rlt;rlt;x:lt;=«lt;=lt;=:lt;=:lt;=lt;=:«:lt;=lt;=lt;rc:lt;=:lt;rlt;rcrlt;=lt;rlt;
.â¢â¢â¢,. E,-P -.-p- quot;toa--T0»3--r.-.T C-VT - -C0,5 âC^pquot;
IV.
Noviciaat en eerste jaren in het reliiiieiize leven.
c gt; L'.', tf?3â âtgaâC'.'J__tVa.. âc'.-i. _L'.-i _c03_ . (^ . -rOi-
=lt;rlt;=crlt;=:lt;rlt;=:lt;=:lt;=:lt;=;lt;=lt;=rlt;=:lt;=:lt;=:lt;=lt;=-c:lt;=:lt;r:lt;rlt;=:lt;=lt;=:lt;
s e
Ouder de Jezuïeten, diii toen te Napels verbleven. bevond zicli een man van groote kennis en hooge deugd, dien men P. Joannes Cola Piedelngo lieette. Hij had vroeger den graad van doctor in de rechten verworven; maiir toen hij eens een man had zien ter dood brengen, door de menschelijke gerechtigheid van een misdaad overtuigd, waaraan hij hem onschuldig kende, zeide hij een loopbaan vaarwel, waarin zijne eeuwige zaligheid hem niet genoegzaam verzekerd scheen. Hij deelde al zijne goederen onder de armen uit en trad in de Sociëteit van Jezus. Weldra bewogen zijne bescheidenheid, rechtschapenheid enuder de Jezuïeten, diii toen te Napels verbleven. bevond zicli een man van groote kennis en hooge deugd, dien men P. Joannes Cola Piedelngo lieette. Hij had vroeger den graad van doctor in de rechten verworven; maiir toen hij eens een man had zien ter dood brengen, door de menschelijke gerechtigheid van een misdaad overtuigd, waaraan hij hem onschuldig kende, zeide hij een loopbaan vaarwel, waarin zijne eeuwige zaligheid hem niet genoegzaam verzekerd scheen. Hij deelde al zijne goederen onder de armen uit en trad in de Sociëteit van Jezus. Weldra bewogen zijne bescheidenheid, rechtschapenheid en
m= m
- 33 â
gfoeHhartigc inborst do Oversten hem de zorp op te dragen de novicen te vormen voor het religieuze leven. Hij was de meester, dien de Voorzienigheid voor onzen Gelukzalige bestemd had. Bernardinus plaatste zich onder zijne leiding met de volgzaamheid van een kind.
Het noviciaat ving aan niet de groote Oefeningen van St. Ignatius en Bernardinus bracht zes weken in afzondering door. naar hartelust zich drenkend aan den stroom van melk en honig, die. naar zijn woord, in de Sociëteit van Jezus vloeit. Toen hij de Oefeningen voleindigd had, hunkerde hij naar vernederingen en versterving. P. Piedelugo bracht hem naar de keuken en terwijl de Broeder-kok hem eene armelijke, grove toog aanbood, sprak de Pator tot den novice; âMijn broeder, ziedaar hot bruiloftskleed, waarmede gij tot den bruiloft des Lams zult kunnen binnengaan.quot; Frater Healino knielde aanstonds neder en kuste innif,1, en herhaaldelijk die li vreieti derarmoede. Daarop zijn gewaad van edelman afleggend en zijn baard, dien hij tot dan had laten groeien afsnijdend. hulde hij zich in het nederige kleed, dat bom was toegereikt, en wijdde zich, onder
leiding' van den Broeder, aan de laagste bedieningen des linizes.
Zes maanden lang- bleef hij in dit nederig bedrijf en als men hem vroeg, of hij niet na /.Ijn noviciaat voor de studie â \vensclite bestenul te worden, sprak hij; âIk hoop van harte, dat men mij nier weder naar de boeken zal heen-sturen. Ik heb slechts één verlangen, geheel mijn leven in den staat van Broeder door te mogen brengen. Daartoe alleen ben ik geschikt.quot; Hij vroeg uitdrukkelijk deze gunst aan zijne oversten en herhaalde zijn verzoek zoo dikwerf, dat men hem verbieden moest er nog langer aan te denken.
Eens vroeg hij zijn novicenmeester een geestelijk leesboek. 1'. Piedelugo stelde hem een kruisbeeld ter hand en zeide: âZiedaar het boek. mijn zoon. dat gij moet lezen.quot; Realino bestudeerde dat boek en bracht zoo wel in beoefening de volmaaktheid, welke het hem ontdekte, dat hij verscheidene buitengewone genaden van den Hemel verwierf. Noemen wij slechts eene engelachtige kuischheid, voortaan ook van de lichtste bekoringen bevrijd: kostbare genade, welke de H. Paulus niet ver-
mocht te verkrijgen eu waarmee de Koningin der Engelen onzen Gelukzalige verrijkte bij een
be/.oek, dat zij hem omstreeks dezen tijd bracht.
* *
*
Het was echter niet de Hemel alleen, die den edelmoedigen novice met gnnsten overlaadde. Zij, die oii aarde bij hem de plaats van God bekleedden, gaven hen! slag op slag blijken van het groote vertrouwen, dat zijne deugd hun inboezemde. Niet alleen werd Bernardinus met de anderen, na verloop der beide proefjaren, tot het afleggen der eerste geloften toegelaten; maar nauwelijks had hij sedert achttien maanden zijne studiën hervat, of men gelastte hem, zich voor te bereiden tot het h. Priersterschap. Hij ontving inderdaad de priesterlijke wijding op de Quatertemper van H. Drievuldigheidsdag 1507, en âmet de vervoering en aandoeningen van oen serafijn,quot; zegt een zijner geschiedschrijvers, droeg Bernardinus, vijf dagen later, op den H. Sa-cramentsdag, zijn eerste h. Misoffer aan God op. Onmiddellijk daarna schreef hij zijn vader: âZoo ben ik dan priester! Ik sta verbaasd over mij zeiven, daar ik mijne onwaardigheid
® 3 gt;
â 36 â
ken..... Begeef u, bid ik u, terstond na
ontvangst van dit schrijven, naar eene kerk. om er neergeknield voor het H. Sacrament, de goddelijke Majesteit te danken voor hetgeen zij ten gunste van een uwer zonen gedaan heeft. Cüj noch ik verdienden zulk eene weldaad!quot;
Nauwelijks niet de priesterlijke waardigheid bekleed, werd P.Realino tot âgeestelijken vaderquot; van het college, biechtvader zijner medebroeders en novicenmeester benoemd. Daar hij echter zijne studiën nog niet voltooid had, kwam hij dagelijks ootmoedig op de banken nederzitten naast degenen, die hij in de wegen dor volmaaktheid te besturen had. Hij wilde, in weerwil van de overmaat zijner bezigheden, van geen vrijstelling op dit punt hooren. Altijd gereed de les van den leeraar te herhalen, redetwistte hij op zijne beurt in 't openbaar, zooals ieder ander.
Door aldus te handelen, verloor hij nochtans niets van zijn gezag noch van zijn aanzien. Zonder te spreken van de buitengewone talenten, waarmede hij begaafd was en die ondanks hemzelven in hem uitblonken â de nederigheid zelve, welke hij aan den dag legde.
M
r ^
N h
xfi
J N' lt;, v '
JZ -c
1
i ^
M '14 I-«tl lt; *
Jgt;J-J i
^ 3
. , J tl
X. i 5
i 4 s H
1 ï; j â lt; 4
3 li ^
l V-^ -5 ï
v.n^-.gt;
-i -v ^ ^r
R
. 3
verwierf hem aller hoogachting en vertrouwen. Geen wonder dat zelfs de meest gevorderden in leeftijd zich gaarne lieten leiden door dien jeugdigen geestelijken gids.
Wa.t zijne novici n aangaat, zij vereerden en beminden hom als eene moeder. Bernardinus toch ontving en aanhoorde hen altijd met zooveel goedheid en verstond zoo wel de kunst hnn harten te verruimen! In korte woorden loste hij hun bezwaren op, loonde hnn, waaide gelegenheid zich voordeed, den strik des bekoorders en ontvlamde hen van liefde en ijver voor de volmaaktheid. Overigens maakte zijn voorbeeld nog meer indruk op hen dan zijne woorden.
* *
*
De deugden van onzen heiligen novicen-moester schitterden in zoo helderen glans, dat, bij buitengewone gunst, de H. Franciscus de Borgia, destijds Generaal der Sociëteil, hem nog vóór het einde zijner studiën tot de plechtige professie dor vier geloften toeliet. Op den 1quot; Mei InTO ging hij deze laatste verbintenissen aan en tot het einde zijns levens bleef hij standvastig daaraan getrouw.
Pe armoede was zijne geliefkoosde gezellin. Hij beschouwde haar als een krachtdadig middel ter volmaaktheid. Nimmer wilde hij nieuwe kleed eren dragen. Een enkele maal was men er in geslaagd hem eene nieuwe toog te doen aantrekken, maar daartoe was eon uitdrukkelijk bevel van den P. Provinciaal noodig geweest. Zijn werktafeltje was zoo klein, dat wanneer hij zijne boeken opensloeg om (e studeeren, hem geen plaats meer overbleef om zijn papier te ontvouwen en te schrijven. Ontving hij brieven, dan bewaarde hij met zorg de omslagen en de wit gebleven bladzijden om die nog, in een geest van armoede, te gebruiken. Eens schreef hij zelfs op zulk een strook aan zijn broeder, een vermaard genees heer geworden : âTk schrijf u op dit stukje papierquot;, zeide hij, âomdat men in het huis der armen niet in overvloed leeftquot;.
Zijne gehoorzaamheid kende nimmer eenige aarzeling. Hij verklaarde zich bereid, op den minsten wenk zijner oversten, zonder reisgeld tot het uiteinde der wereld te gaan. Riep hem de klok terwijl hij met iemand sprak, dan voleindigde hij zelfs het begonnen woord
niet, maar verontschuldigde zich beleefd en ging heen. Nimmer sprak hij tot zijne oversten, tenzij staande en met ontbloot hoofd, fn de gerechtelijke verklaring van P. Annibal Vitale, die jarenlang met hem geleefd had. leest men: â1*. Uealino, hoewel uitmuntend in alle deugden, beoefende de gehoorzaamheid met zoo groote volmaaktheid, dat ik hem uit dien hoofde alleen reeds als een groot heilige beschouw.quot;
Ook als een uitstekend heilige beoefende hij de kuischkrid. Zijn aanblik alleen reeds boezemde liefde in tot die schoone deugd. De voorwerpen, door hem gezegend of eenvoudig aangeraakt, verdreven onmiddellijk alle onzuivere bekoring. Talrijke getuigen hebben verklaard, dat zij zich hetzij van een brief des Paters, hetzij van een rozenkrans, door hem gezegend, bedienden als van een ondoordringbaar schild tegen de schichten des helschen vijands. Zijn lichaam en alle voorwerpen in zijn gebruik ademden een geur uit van hemel-sche zoetheid.
Verwonderlijke gaven, ongetwijfeld! Wat men echter hier het meest bewonderen moet, vooral wanner men denkt aan 't zeldzaam
voorrecht waarvan wij spraken, is de zorg. waarmede de Gelukzalige den schat zijner kuischheid bewaakte. Hij was met eene teedere zorg aan al zijne regels getrouw, vooral aan die, welke de H. Ignatius voor de âzedigheidquot; geschreven heeft.
Hij behandelde zijn lichaam mot de uiterste gestrengheid. Om niet te spreken von zijne haren boetekleederen en bloedige geeselingen, willen wij alleen vermelden, dat hij nimmer de vliegen of muggen verjoeg, die in de streken, waar hij lange jaren verbleef, zeer talrijk en lastig zijn. En toen een zijner medebroeders, die hem in een ziekte verpleegde, liem van die insecten wilde verlossen, sprak hij; âLaat ze begaan, dat is een kleine oefening van geduld.quot;
Hij gunde zich iederen nacht slechts drie of vier uren rust, en nog nam hij die geheel gekleed eu dikwerf uitgestrekt op den blooten vloer.
Zijne overvloedigste maaltijden bereikten niet het gewicht van een half pond. Brood, groenten en, als hij eens voor zichzelven uit wilde halen, een weinig kaas âziedaar zijne
--------------â -S§
â 41 â
volledige spijskaart. Nimmer at hij vleesch, noch eieren, noch viseh. Behalve de vastendag-en, welke hij hield op den vooravond der feesten van den Zaligmaker eu zijner zeer talrijke Beschermheiligen, vastte hij nog geregeld driemaal per week. waarvan tweemaal op water en brood. Gedurende een geheele vasten at hij niets dan broodkruim, ter wille, zeide hij. van zijn slecht gebit.
En terwijl hij zich aldus behandelde, volbracht hij inmiddels den arbeid van een krachtig missionaris. Prediken en catechismus geven, gasthuizen en gevangenissen bezoeken, dag en nacht biecht hooren, geestelijke at-zonderingen van kloosterlingen leiden eu het besturen eener talrijke en bloeiende broeder-schap; ziedaar de bezigheden, waaraan hij zich onverpoosd wijdde. Zoodanig was zijn leven te Napels, zoodanig zal het blijven op de door Gods Voorzienigheid hem aangewezen plaats, waar wij hem voor het overige zijns levens zullen aantreffen.
è- â â-â .....è
_ ^ lt;£ ^ G
=lt;Zlt;ZZlt;z^^lt;Z^^lt;Z^lt;Z^lt;Z^lt;Z^CZlt;=CZGXZ.lt;Zlt;Z:lt;
~wy~ ' t03--â quot;' quot;CO^quot; quot;XOJ---COquot;1quot; quot;XCP--Ci*p~ ^X^j3--COP---COP--CüS-
V.
Stichting van liet huis te Lecce. De heilige Kector.
i'.'i. iCb. i-.'a s'-'i... _c'.^__t'.rj____cVa__c.n . r'.i l'.-j
=lt;=:lt;=lt;=:lt;=:lt;rlt;r:o:lt;=lt;=:lt;=:lt;=:lt;rlt;rlt;=lt;=:lt;=lt;=lt;r^:lt;=lt;=lt;=-crlt;
Het jaar 1574 liep ten einde. P. Realinü had tien jaar te Napels doorgebracht en was gevormd voor al de bedieningen zijner roeping. Op dit tijdstip wendde de stad Lecce, hoofdplaats van het Land van Otrante, bij de overheid pogingen aan om een huis van de Sociëteit te bekomen. De Provinciaal-Overste liet aanstonds zijn oog ü)) den Gelukzalige vallen, en benoemde hem tot overste der nieuwe stichting. In afwachting van nieuwe medehelpers, voegde hij hem twee gezellen toe: Br. Alphonsus, met de zorg voor het tijdelijke belast en een priester, P. Jacobus Abbate. Daar deze laatste reeds in het Land van Otrante werkzaam was.et jaar 1574 liep ten einde. P. Realinü had tien jaar te Napels doorgebracht en was gevormd voor al de bedieningen zijner roeping. Op dit tijdstip wendde de stad Lecce, hoofdplaats van het Land van Otrante, bij de overheid pogingen aan om een huis van de Sociëteit te bekomen. De Provinciaal-Overste liet aanstonds zijn oog ü)) den Gelukzalige vallen, en benoemde hem tot overste der nieuwe stichting. In afwachting van nieuwe medehelpers, voegde hij hem twee gezellen toe: Br. Alphonsus, met de zorg voor het tijdelijke belast en een priester, P. Jacobus Abbate. Daar deze laatste reeds in het Land van Otrante werkzaam was.
ging Bernardinus op weg met Br. Alphonsus eu kwam op 19 December 1574 te Lecce aan.
Zijne faam was hem vooruitgesneld. Men bereidde hem eene schitterende ontvangst, waarvan zijn ootmoed veel te lijden had. Doch hij wist zich welhaast voor zooveel eerbetoon schadeloos te stellen. Nauw had hij de noodzakelijke bezoeken afgelegd, of hij ging een groot gedeelte zijner dagen in de gevangenissen en hospitalen doorbrengen, bewees er den zieken de walgelijkste diensten, stond de gepijnigden bij en kuste de wonden, hun door den beul toegebracht. Zonder te spreken van zijne predicatiën in de kathedraal en van de voordrachten over de zedenleer, welke bijvoorde priesters hield, gaf hij meermalen in de week catechismusles aan de kinderen, bij welke spoedig vele volwassenen zich kwamen aansluiten. Zelfs de Turken en Moorsche slaven waren van zijne zorgen niet uitgesloten. Dank zijn heldhaftig geduld, gelukte het hem aan een goed aantal dier verbasterde naturen do poorten des hemels te openen. Vijf volle dagen moest hij gebruiken om een dier ongelnkkigen deze vier woorden:
Real. h. 4
Ave Marin, gratia p/rna, te iceren. Iemand bewonderde zijne volharding in liet onderrichten eens negers. âEn ik,quot; hernam de Pater. ,.bewonder dien ougeloovige, die mij blijft dulden, terwijl ik hem den ganschen dag met mijn onderricht liet hoofd breek.quot; Na de werk-/.aaii'heden van den dag, bracht hij een aanzienlijk deel van den nacht bij het bed der zieken door. daar niemand te Lecce wilde
sterven zonder door P. Realino te zijn bijgestaan.
* *
*
Zooveel toewijding prikkelde de inwoners tot erkentelijkheid. Keeds hadden zij door onderlinge samenwerking den Paters een vrij doelmatige woning bezorgd. De bisschop had er de gift van een aangrenzend tuintje en het kerkje van Maria-Boodschap aan toegevoegd. Weldra echter bevond men dat alles te bekrompen. Vooral de kapel was onvoldoende voor den toevloed van geloovigen en het weid dringend noodzakelijk eene ruimere kerk te bouwen. Met behulp van nieuwe gronden, door een weldoener geschonken, kon men deze ouderneining tot een goed einde brengen. De eerste steen werd gelegd den 21quot; September 1575.
Twee jaar nadien waren de werkzaamheden voltooid en de kerk â ecne der ruimste eu schoonste van Lecce â werd gewijd onder den titel van den zoeten Naam van Jrzns.
Degeheele stad jubelde en tocli â hetg'eluk der inwoners was nog niet volkomen. Lecce wenschte vurig een college der Sociëteit te bezitten. Maar lioe zou men in eene stad, die nog geen 20000 zielen telde, de noodige fondsen bijeenzamelen om zulk een werk te slichten eu te onderhonden? P. Realino troostte de inwoners; âBinnen kort,quot; sprak lüj. âzal uwe stad een prachtig college bezitten, het schoonste der geheele provincie, na dat van Napelsquot;. De voorspelling kwam weldra uit. Ziehier op welke wijze.
Onze Gelukzalige had te Napels de kennis gemaakt en meermalen de biecht gehoord van een edel en rijk burger, uit Lecce afkomstig. Raphael Staivano. zoo was zijn naam, kwam zijn biechtvader eens bezoeken en was gelukkig met eigen oogeu te aanschouwen al wat zijne medeburgers voor de Sociëteit van Jezus gedaan hadden; en, daar hij meer dan iemand zijne geboortestad met een college wenschte
verrijkt te zien. bood hij tot stichting' daarvan een jaarlijksche rente van 1000 dukaten. Die grootmoedige daad werd beschouwd als eene nitdiiging. waaraan men zich iiaastte te beantwoorden. Iedereen wilde inschrijven en als in een oogwenk had men alles bijeen, niet slechts wat noodig was om den leeraars, wier onderwijs volstrekt kosteloos moest geschonken worden, eene gepast onderhoud te bezorgen, maar ook om een uitgestrekt en schoon college geheel af te bon wen.
Het werk werd zonder uitstel begonnen en men zette het met geestdriftigen ijver door. Buitendien bleek zichtbaar de zegen des Hemels. De metselaars stonden verwonderd over de snelheid, waarmede de muren om-iioogrezen en eene bovennatuurlijke tnsschen-komst vermoedend, namen zij op een avond â zorgvuldig de maat der muren. Des anderen daags bevonden zij, tot. hun groote verbazing, dat de hoogte ongeveer 30 centimeter was toegenomen. Ongetwijfeld wilden, op P. Rea-lino's gebed, de engelen hun hulp bieden ter opbouwing van een huis, waaruit zooveel jongelingen zouden voortkomen met engel-
achtige zeden, een ontwikkelden geest en gereed om in alle rangen der maatschappij de goede zaak van Gcid en godsdienst te verdedigen.
* *
*
inderdaad snelden do leerlingen in groeten getale naar dit college heen, waarin hun een volledig onderwijs tot aan de godgeleerdheid verstrekt werd; en onberekenbaar is het goed. door de Sociëteit van Jezus gedurende twee eeuwen hier onder de studeerende jeugd tot stand gebracht.
Terzelfdertijd werkten de Pators in hunne kerk tot niet geringere glorie Gods door prediking. voorlezingen over de H. Schrift, christelijke leering en vooral door het toedienen der Sacramenten, dat zij er in eere wisten to brengen. Om boter aller belangen te behartigen, richtten zij niet minder dan zeven schoone Congregaties der H. Jlaagd op. dio alle zeer bloeiend werden. Men kwam niet alleen uit de gansche stad. maar ook van de omstreken toegestroomd om daarin te worden opgenomen.
De ziel van al dat goede was P. Realino, Hij spoorde door voorbeeld en leiding zijne
broednrs aan. En nog' tal van jaren 7,on rlat zoo blijven. Tevergeefs vraagt Napels hem terug', tevergeefs doen andere steden aanzoek om hem te bezitten. Dod wil hom te Lecee. Hij echter, gehoorzam als immer, wil tot allen prijs het bevel tot vertrek, dat hem slag oji slag herhaald wordt, ten uitvoer brengen. Maar eens wordt hij op het oogenblik van vertrek door eene hevige koorts aangegrepen: een ander maal, heeft hij reeds een kwartier afgelegd en is men verplicht hem nogmaals over geheel zijn lichaam sidderend, in het college terug te brengen. Een derde keer is hij reeds gelukkig door de stad gekomen, waar onder de strengste straffen verboden is hem een paard of ander voertuig te verschaffen. Nu is hij in het open veld en zal den voet in den stijgbeugel zetten. Eensklaps barst een vreeselijk onweder los. De Pater houdt stand: het onweder is bedaard. Hij wil zijn weg vervolgen: daar hult zich de lucht opnieuw in duister en ratelt do donder met vernieuwd geweld.
Zijn Generaal - Overste evenwel. P. Mer-curianus, wil hem volstrekt aan het hoofd van
het professenhuis te Rome plaatsen. âVertrek'. zoo schrijft hij hem; wordt gij ziek. neem dan tijd tot herstel, maar zet daarna uw afreis voort.quot; Inderdaad maakt de ziekte zich van don Pater meester en biedt zij, acht maanden lang, aan alle geneesmiddelen weerstand: maar, nauwelijks heeft do Oeueraal zijn hevel teruggetrokken, of zij verdwijnt. Eenige jaren later neemt een volgende Generaal. 1quot;. Aquaviva. dezelfde proef met den-zelfden uitslag; toon legden de geneosheeren de verklaring af: F. Kealino bevelen Lecce te verlaten, staal gelijk met hem prijsgeven aan eene koorts, tegen welke wij geen geneesmiddel bezitten. Het bevel werd 1111 ook niet meer hernieuwd én de Pater bleef tot zijn dood op denzelfden post.
* *
*
(gt;nze Gelukzalige ontsnapte aan eerbewijzen dor buitenwereld, maar kon zich niet vrijwaren tegen die. welke Leccc zelf hem bood. Oedu-rende een lange reeks van jaron was hij belast met het bestuur van hot college, hetzij als vice-roctor, welke bediening hem meer dan IS malen werd opgedragen, hetzij met hot
volle gezag- van rector. Maar welk een bestuur was dat van P. Realino! Hoezeer wist dat ware vaderhart in zijno communauteit vrede, eensgezindheid en opg-eruimdheid van geest te doen heerschen! Men genoot er een voorsmaak des hemels, en in de Kapelsche provincie ontstond nis een edele wedstrijd om onder de leiding des heiligen rectors te mogen leven.
Niet tevreden met teedere bezorgdheid in de gemeenschappelijke belangen van allen te voorzien, bezocht P. Bernardinus dikwerf de kamers, om te zien of niemand iets ontbrak. Meer dan eens beroofde hij zich van een gedeelte zijner kleederen, om daarmede een zijner broeders te gerieven.
Hij moedigde jonge leeraren vol liefde aan en schroomde niet hun talenten en deugd den verdienden lof te geven. Had iemand hunner zijne krachten aan een buitengewonen arbeid besteed, dan overlaadde de Overste hem met voorkomendheden en blijken zijnertevredenheid.
Niet minder groot was zijne deelneming ten opzichte van missionarissen, die terugkwamen van hunne zending. Hij ging hun
te gemoet. wiesch hun de voeten, ondervroeg' hen omstandig-lijk en luisterde mot de levendigste belangstelling naar het verhaal hunner werkzaamheden.
Bovenal echter jegens zieken legde hij de teederste liefde aan den dag. Hij bezocht hen soms twaalf' ja vijftien malen per dag, waakte bij hen des nachts en bewees hun alle denkbare diensten. Hij bracht metterdaad in uitvoering wat hij beloofd had, toen hij in 1595 tot rector werd aangesteld ; âIk wil'', had hij gezegd, âniet de Overste, maar aller dienaar en vader zijn.quot;
Feitelijk onderscheidde hij zich van zijne medebroeders slechts door eene grootere nederigheid en liefde. Hij tas voor en diende aan tafel, evenals de anderen, en dikwijler dan do anderen was hij den kok, den verzorger van het linnengoed en den anderen Broeders in hun bediening behulpzaam.
Tc aller uur kou men tot hein komen, zonder vrees van hem tot last te zijn. Hij ontving iedereen met eene ware en ongeveinsde goedheid, die allen op hun gemak zette en ook den schroomvalligste den mond opende,
Nimmer weigerde hij iets van hetgeen hij toe kon staan. Vroeg men hem iets wat nadeeiig zou zijn geweest, dan weigerde hij 't zonder menschelijk opzicht, doch met zooveel welwillendheid, dat de vrager steeds tevreden heenging.
Groot minnaar der regeltucht, hield hij aan de stipte naleving der li. rebels vast. Liever verleende hij in zekere gevallen eeno algemeene vrijstelling van een of andere verplichting der uitwendige tucht, dan zijne broeders aan liet gevaar van tekortkoming bloot te stellen. Betrapte hij een der zijnen op een misslag, dan bracht een blik vol liefde en ernst op den overtreder geslagen, meer tot diens verbetering bij dan eene gestrenge berisping gedaan zon hebben.
Toch bestrafte hij. schoon ongaarne, do fouten die vergoeding vorderden. Maar somwijlen ook gaf hij, tegen de klaarblijkelijke eischen der gerechtigheid in. slechts gehoor aan de barmhartigheid, door hoogere inzage overtuigd, dat hij aldus boter de genezing van den schuldige bewerken zou. Eens dat hij aan een Broeder een vrij zware, maar
welverdiende boete had opgelegd, weigerde deze hardnekkig en barstte zelfs in klachten en gemor tegen zijn Overste los. Realino ziende, dat hij niet een verbitterd gemoed te doen had, gelastte eerst den P. minister den weerbarstige te zeggen, dat de Overste hem zijn fout vergaf en do boete kwijtschold. Toen vervolgens het uur van den maaltijd gekomen was. trad hij, ten aanschouwen der geheele communauteit, recht op dien Broeder toe, omhelsde liem hartelijk en vroeg hom vcrgiffenis voor het leed. dat hij hem veroorzaakt had. Bij dit tooneel kon geen der aanwezigen zijne tranen bedwingen. âHet is waarlijk een heilige!quot; rie]) een hunner uit. Doch do diepst ontroerde van allen was de arme Broeder zelf. Weenend en snikkend wierp hij zich aan de voeten zijns Oversten, smeekte duizendmaal vergiffenis, bood zich aan tot de meest vernederende boetedoeningen en werd, van dit oogenblik af, buigzaam en gezeggelijk als een kind. De ootmoed en liefde van den dienaar Gods hadden enne roeping behouden.
â 54 â
vg ajA
VI.
De Biechtvader en VVomlercloener,
-cOa___rCo__rt'a__cOa__rOa-^cOaâ,cCa_-x9a-__cCbâ fOi
=lt;=:lt;=ci-lt;=-cilt;=râ¬rlt;=:lt;=:-c:crlt;=:-czc:c=:lt;=lt;=:-crlt;^lt;=lt;rrlt;=:lt;r-lt;
â¢Â¥
\ O)
Bij zijne intrede in den religieuzen staat koesterde P. Realino slechts éen verlangen: zoo spoedig mogelijk naar Indië vertrekken en zicli toewijden aan de bekeering der on-geloovigen. Jleennalen had hij zijne Oversten daarom aangezocht. Nog dikwijlor had hij bij God die gunst afgesmeekt. Doch, wij zagen het, niet aldus was Gods beschikking. Voortaan zal Bernardinus er dan ook alleen op bedacht, wezen zich zonder voorbehoud aan het heil der zielen te wijden daar, waar de Voorzienigheid hem zoo klaarblijkelijk wilde.ij zijne intrede in den religieuzen staat koesterde P. Realino slechts éen verlangen: zoo spoedig mogelijk naar Indië vertrekken en zicli toewijden aan de bekeering der on-geloovigen. Jleennalen had hij zijne Oversten daarom aangezocht. Nog dikwijlor had hij bij God die gunst afgesmeekt. Doch, wij zagen het, niet aldus was Gods beschikking. Voortaan zal Bernardinus er dan ook alleen op bedacht, wezen zich zonder voorbehoud aan het heil der zielen te wijden daar, waar de Voorzienigheid hem zoo klaarblijkelijk wilde.
Reeds weten wij met welken arbeid Bernardinus zijn apostolaat te Lecce begonnen was. Die werkzaamheden zette hij onverpoosd
1
=§8
fc{cluc afbeelding van den ©el. Bernardinus, volgens de schilderij in olieverf (60X46 ern), die in het bisschoppelijk paleis te Qarpi bewaard wordt.
_
voort rot in zijn hoogsten ouderdom, en zoo dikwijls Gods eer en het heil der zielen het vorderde, voegde hij er telkens nieuwe aan toe.
Hij had van ftod een bijzondere gave ontvangen om twisten te beslechten en de hache-lijkste vraagstukken to ontwarren. Vandaar dat men zich van alle kanten tot hem wendde als tot een engel van goeden raad; en zijne faam van heiligheid was zoo groot, dat de elkander meest vijandige partijen zijne beslissingen als godsspraken aanvaardden.
De bediening, in welke hij echter het meeste goed deed. was het bescheiden en lastige apostolaat van den biechtstoel. Hij noemde dit de âbediening der engelen,quot; hoe grooten weerzin hij er aanvankelijk ook van gevoelde. Doch de gehoorzaamheid en zijne liefde voor Christus en de zielen deden hem dien overwinnen, en al spoedig vond hij in de toediening van het Sacrament van boetvaardigheid eene bron van vertroosting en geestelijk genot; zóó zelfs, dat toen hem -uit eene ziekte een volslagen doofheid was overgebleven, hij God onder tranen smeekte hem van dat ongemak te verlossen. Zijn gebed vond verhooring: en
Gods goedhoiil liet licm ten einde toe, met zijn geheugen en gezond oordeel, een zeer scherp gehoor bewaren, zoodat hij biecht kon blijven hooien tot op den derden dag vóór zijn dood.
De penitenten stroomden hem uiet alleen uit de stad en omstreken, maar zelfs uit verwijderde oorden toe. Op sommige dagen bleef hij dan ook gedurende acht tot tien uren bezig om ze te aanhooren. Somwijlen viel hij, bij het verlaten van den biechtstoel, als halfdood van afmatting neder. Dan bracht men hem in zijne kamer. Hier nam hij dan, om zich te versterken, slechts eenige beten broods met wat rozijnen, on keerde zoo spoedig hij kou naar de kerk terugquot;.
Altoos vriendelijk, scheen hij in den biechtstoel het levend beeld van den barmhartigen Zaligmaker der menschen. Gaarne volgde hij de mildere zienswijzen en zeide dikwerf, dat hij niet gierig wilde zijn met den schat van Christus' kostbaar bloed. Hij gebruikte met voorliefde de vergelijkiug van den H. Dionysius den Areopagiet, die zegt, dat de zondaar een 1 blinde is en men dus medelijden niet hem moet
...... ^
â 57 â
hebben, als met iemand, die van het gezicht beroofd is. Hem na zijn val met barschheid behandelen, is hem tot wanhoop drijven of althans hem voor altijd van het Sacrament van boetvaardigheid verwijderen.
Halen wij een enkel voorbeeld van P. Re-alino's goedheid voor de zondaars aan, een voorbeeld, door den persoon zeiven met wien het plaats had, aan den dag gebracht. Een jongeling van goeden huize had een afschuwelijke misdaad begaan, welker gevolgen hem met eene eeuwige schande zouden overdekken. Om aan de beschaming te ontsnappen, maakte de ongelukkige zich wijs, dat het voldoende zou zijn de persoon, die alleen van zijn wandaad kennis droeg â en deze behoorde tot zijne naaste bloedverwanten â van liet leven te berooven. Alvorens echter dit monsterachtig voornemen ten uitvoer te brengen, wilde hij het den Gelukzalige openbaren. De dienaar Gods gevoelde bij het aanhooren van dit jammerlijk 1 verhaal zijn binnenste ontroeren; âMijn zoon,quot; sprak hij, âgij hebt die zware zonde niet bedreven ; neon, neen, gij hebt die niet bedreven.quot; â âJawel, Vader, ik heb ze werkelijk be-
Real. h.
dreven.quot; â âNeen, niet gij, maar de bedorven natuur, die u heeft medegesleept.quot; fin hierop schilderde hij zoo krachtig de menschelijke k wakheid eenerzijds en daartegenover de goddelijke barmhartigheid, dat de boeteling, tot dan in oen sombere wanhoop gedompeld, begon te snikken en een vloed van tranen stortte. En toen hij ootmoedig zijn geheele biecht voleindigd had, verklaarde hem de Pater, niet tevreden met hem de h. absolutie te geven, dat zijn goede naam geen schade zou lijden van een misstap, uitgeboet door zulk een oprecht en levendig berouw. En zoo geschiedde inderdaad, dank aan eene blijkbare bescherming van den God der barmhartigheden.
Aldus hechtte de Hemel zijn goedkeuring aan het gedrag van den Pater ten opzichte der zondaren. Verscheidene malen riep de stem van God zeiven hem naar den biechtstoel of geschiedden er wonderen ten gunste zijner biechtel ingen. Een dezer h ad zijnbiecht geschreven, maar daar de avond begon te vallen, kon hij ze niet goed meer ten einde toe lezen. Eensklaps weerstraalt een geheimzinnig licht aan zijne zijde, dat hem in staat stelt de lezing
te voltooien. Andere keeren deelde do heilige biechtvader zelf zijn penitenten inwendige verlichtigen mede. openbaarde hun den toestand hunner ziel en de zonden, welke zij in hun biecht verzwegen.
Hij bezat eene wonderbare gaaf om gewetens van angstvalligen tot rust te brengen. Ben vreemde priester, die dikwerf van P.Eealino had hooren spreken, kwam hem opzoeken, om hem over inwendige kwellingen, die hem veel lijden veroorzaakten, te raadplegen. De Pater, die hem nimmer gezien had, ontving hem met groote goedheid, noemde hem bij zijn naam en deelde hem aanstonds in de kleinste bijzonderheden alles mede. wat hem verontrustte. Na hem daarop de geschikte geneesmiddelen voor zijn kwaal te hebben aangegeven, zond liij den priester, vol troost en tevens vol verbazing over hetgeen hem overkomen was, henen. * *
*
Maar is het te verwonderen, dat 1*. Realino in de gewetens zijner medemenschen kon lezen, hij, wiens blik doordrong tot in de geheimen Gods? De stukken van het apostolisch proces zijner Zaligverklaring bevatten niet
â 60 â
minder dan 150 voorspellingen, door den dienaar Gods gedaan en van punt tot punt in vervulling gegaan. En dat is nog slechts een gedeelte zijner voorzeggingen; hij deed er nog vele andere, ja, zij die hem van nabij kenden, beweerden, dat hij den geest van profetie niet bij onderbreking, maar als voortdurend scheen te bezitten.
Hetzelfde geldt van zijn mirakelen. Hij heeft die in ontzaglijke hoeveelheid gewrocht. Sedert zijn komst teLecce tot aan zijn dood. zegt P. Boero, is het leven van onzen Gelukzalige slechts eene aaneenschakeling van wonderen geweest. Do grootste wonderwerken schenen bij hem iets gewoons te zijn en gemeenlijk zeide men: het zou een wonder zijn als P. liealino geen wonder meer deed. Toen men dan ook het onderzoek begon voor het proces der Heiligverklaring, bevond zich geen enkele familie in de stad, die niet een of meer mirakelen had op te geven.
Een groot aantal dier wonderen wrocht Bernardinus door aanwending van relikwieën of afbeeldingen van onverschillig welke Heiligen, voornamelijk van de medalje van
m
- 61 -
den H. Ignatius, van de afbeelding van O. L. V. van Keggio on van de relikwieën der H. Irene, maagd en martelares, die teLccce eene groote vereering genoot. Maar dikwerf ook was hem het maken van een eenvoudig kruisteekcn voldoende om de wonderbaarste uitwerkselen te doen plaats hebben.
Zekere P. Petrus, leeraai- in de wijsbegeerte, was ernstig ziek geworden en zeide tot P. Realino, toen deze hem kwam bezoeken: âVader, O. H. heeft tot zijne apostelen gezegd: âGij zult den zieken de handen opleggen en zij zullen genezen.quot; Doe dit bij mij, bid ik u.quot; Aanstonds strekte do Gelukzalige de hand over den zieke uit, met de woorden; âSuper aegrum mannm imponit Bernardinns, ergo sana-bitur. Bernardinus legt den zieke de hand op; dus zal deze genezen.quot; En op hetzelfde oogcnblik was dc zieke genezen.
Terwijl P. Realino te Locco verbleef, werd dc edelman Thomas Mastrilli, die hem kende, te Nola gevaarlijk ziek. In zijn nood roept hij den dienaar Gods aan, die eensklaps bij zijn bod verschijnt, hem vertroost en hem zijne aanstaande genezing aankondigt.
â 62 -
Bij versohilleiule andere gelegenheden was de Pater insgelijks op twee plaatsen te gelijk aanwezig. Het verwonderlijkste dier verschijnselen is onder eede betuigd door Jozef Passina. Telken male, zei hij, wanneer ik op het punt stond onder eene bekoring, waarmede ik dikwijls te kampen had. te bezwijken, verscheen P. Realino. die toon in het college verbleef, vóór mij en en spoorde mij met enkele krachtige woorden aan te strijden en te overwinnen.
Het gezicht alleen van den Pater joeg de duivelen op do vlucht. Een bezetene lag op sterven. Zoodra Bernardinus bij hem kwam, werd de zieke, die woedend was. kalm en legde een groote blijdschap aan den dag. Want hij zag de duivels, die hom gekweld hadden, zich ontzet in een hoek der kamer dringen, en vervolgens, terwijl hij bij den Pater biechtte, een voor een de kamer ontvluchten. Kort daarop stierf hij in de beste stemming.
Op een morgen ontdekt eene arme moeder bij haar ontwaken tot haar hevige ontsteltenis, dat zij haar klein kind, dat aan haar zijde sliep, verstikt heeft. Bijna wanhopig zelve
gg = y
â 63 â
de oorzaak van dit ongeluk te zijn geweest, noemt zij het reeds koude lichaam van haar zoon in de armen en loopt naar liet college. P. Rcalino, haar snikkend aan zijn voeten ziende, maakt het kruisteeken over het lijkje en terstond keert het kind tot liet leven terug.
Elders plaatst men den rozenkrans van den Pater op het lijk eener dame, voor wie do doodsklok reeds luidde. En zie, die aanraking doot haar herleven voor tal van jaren.
Al wa,t den Pater ten gehruikc had gediend, zijne kousen, mutsen en andere kleeding-stukken werden gebezigd tot het doen van wonderen. Maar van al die voorwerpen was zonder twijfel het beroemdste zijn stok of liever zijn stokken, want gedurende de dertig jaren, dat hij zich daarvan bedienen moest, wisselde men dien zeer dikwijls bij hem om.
Als de heilige grijsaard de stad verliet, kwamen scharen van kinderen, door hun ouders daarop afgericht, om hem heen loopen en springen. Ieder hunner droeg een stok, dien de schalken hem achtereenvolgens in de hand stopten, na hem den stok, dien hij droeg, ontfutseld te hebben. Onschuldige spelen,
dacht de Pater, niet bedenkend dat dit bedrijf geen ander doel had dan aan vele huisgezinnen de relikwie van een heilige te bezorgen.
Eene verwonderlijke bijzonderheid is deze:
wanneer de stok. die hem werd aangeboden,
'
nog slechts gedeeltelijk ontdaan was van bast of bladeren, viel de bast, zoodra de man Gods den stok ter hand nam, in eens er af en hoorde men het geluid als van eene onzichtbare hand, die van boven tot onder langs den stok heenstreek. Dit feit is door een groot aantal ooggetuigen bevestigd.
Deze stokken van den Pater dienden tot het wrochten van zooveel wonderen, dat vijf jaar voor Keali no's dood. een uitstekend religieus, P. Jlarcellus del Prato, Provinciaal der Caim-cijnen, in 't openbar op den preekstoel ongeveer het volgende durfde zeggen: âVelen zijn er niet genoegzaam op bedacht boetvaardigheid te doen. Zoodra zij ziek worden, is het: gauw. haal mij relikwieën, breng mij den stok van P. Roalino, opdat ik niet sterve en zoodra mogelijk van deze ziekte geneze!quot; â Zoo groot, zoo algemeen bekend was de wonderkracht der stokken van den Gelukzalige!
â 65 â
____@__^ a___
=:crlt;=lt;r-er lt;=:lt;=lt;rlt;=:lt;=lt;^ lt;=lt;=:lt;= lt;^lt;z:-c:lt;rlt;=lt;=-crlt;=:lt;rlt;=lt;
âC,VÃ_ââQJJ--âtklPâCCPâquot;CCP--t^pââc^T ccp cöa-
VII.
Uitslekciide heiligheid van l'. Real in o. Wonderbare gunsten, welke hij van Jezns en diens H. Moeder ontvangt.
m
=lt;=:lt;rlt;=:-c:lt;=:-cr^:lt;=:lt;=:lt;=lt;=:-c=cr lt;=lt;=lt;=lt;=lt;=lt;=:lt;=lt;=:lt;=:lt;=:lt;
m
Dc faam van Realino had sinds lang het grensgebied van Otrante overschreden. Zijne heiligheid verlichtte, als een schitterende ster, geheel Italië en tot de verst afgelegen oorden der Christenwereld. âHet is dertig jaar geledenquot;, schreef in't hartje van Indië de Gel. martelaar Carolns Spinola.quot; dat ik te Lecce loefde onder het bestuur van 1'. Bernardinus, en reeds toen sprak men van hem als van een groot heilige.quot; Men noemde hem gewoonlijk: c faam van Realino had sinds lang het grensgebied van Otrante overschreden. Zijne heiligheid verlichtte, als een schitterende ster, geheel Italië en tot de verst afgelegen oorden der Christenwereld. âHet is dertig jaar geledenquot;, schreef in't hartje van Indië de Gel. martelaar Carolns Spinola.quot; dat ik te Lecce loefde onder het bestuur van 1'. Bernardinus, en reeds toen sprak men van hem als van een groot heilige.quot; Men noemde hem gewoonlijk: â// Santo di Lecce,quot; den Heilige van Lecce. De Eerbiedw. Pater Bellarminns plaatste zich.
â 66 -
toen hij P. Realino's Provinciaal-Overste was, eens voor hem op de knieën om hem te omhelzen, en dit verwekte tusschen beide heilige j religieuzen een wedstrijd van ootmoed en leverde een hartroerend schouwspel op. Bol-larminus legde vervolgens eene algemeene biecht van geheel zijn leven bij hem af, en ving een briefwisseling met hem aan, waarin de zorgen van het Cardinalaat onderbreking noch vertraging konden brengen. De Paters Mer-curianus en Aquaviva,beiden Generaal-Oversten der Sociëteit, raadpleegden dikwijls dengene, dien zij âdon engel van Leccequot; noojnden. P.Vitolleschi, destijds Provinciaal en toekomstig Generaal der Sociëteit, wilde een zijner stokken bezitten. De Eerbiedw. Pater Lancicius nam eenige zijner relikwieën naar Polen mede, waar de koning ze in een kostbaar schrijn bij de overblijfselen der grootste Heiligen deed inzetten. Spreken wij niet eens van de brieven vol hoogachting en eerbied, die hij ontving van keizer Rudolf, koning Hendrik IV van | Frankrijk, den koning van Polen en vele andere doorluchtige personen; vermelden wij slechts, dat Paus Paulus V zijn eigen persoon en de
-m
â B7 â
gelieele Kerk dikwerf in de gebeden âvan den lieilig'en grijsaardquot; aanbeval.
Dien algemeenen roep van heiligheid verdiende Bernardinus ten volle. Wij zagen met welke heldhaftigheid lüj de drie religieuze geloften en de versterving, welke de ziel van het religieuze leven is, in beoefening bracht. Hij behandelde zichzelven zoo hard, dat men zich afvraagt, hoe hij zijn 86e levensjaar heeft kunnen bereiken. Maar zoo hard als hij voor zichzelven was, zuo goed was hij voor anderen, vooral voor de armen.
Zoolang hij overste bleef, zond hij minstens eens per week een voorraad soep en brood naar de arme gevangenen en gaarne deelde hij dien zelf onder lien uit. In het college wilde hij niet dat men iemand ooit een aalmoes weigerde. Het gebeurde, dat hij op een dag tot vijfmaal toe brood voor de armen deed bakken. Wat don wijn betreft, ofschoon er toen voor zijne comraunauteit slechts één vat voorhanden was, waaruit sinds lang was getapt, gaf Bernardinus last, dat men ervan gebrniken zou voor al de zieken en behoeftigeu, die ervan zouden verlangen. De Broeder-
........................-=§3
â Ã8 -
reftermeester gehoorzaamde, overtuigd, dat de al te edelmoedige Overste spoedig in verlegenheid zon geraken. Maar hoe groot was niet zijne verrassing, toen hij, op het oogenblik dat het vat ledig moest zijn, het ten boorde toe gevuld vond! Eens, dat er op het uur van den maaltijd geen enkel brood meer in huis was, bracht eene onbekende dame acht en veertig schoone brooden, die versch waren en van een geheel anderen vorm dan die te Lecce gebruikelijk was.
Kealino deed vele wonderen; doch het wonder, dat met recht het meest onze verbazing verdient, is de nederigheid des wonderdoeners zeiven. Hij beschouwde zich als een nietswaardige, ten hoogste goed om als noodhulp in de keuken te dienon. Wat meer is, hij achtte zich in alle oprechtheid den grootsten zondaar der wereld, hij, die zich gewoonlijk van niets kon beschuldigen dan van fouten, die geen voldoende stof tot absolutie opleverden; hij, die eens in vertrouwen tot een zijner neven kon zeggen, dat hij zich niet herinnerde ooit een leugen gesproken te hebben, daar hij wist dat dit eene beleediging Gods is!
§5
tw â
Hij bad zijn vurig-karakter zoo wel bedwongen, dat velen hem voor flegmatiek bielden. Maar het was genoeg zijne nederigheid te kwetsen om zijn aard te zien uitkomen. Een Broeder veroorloofde zich eens tot hem te zeggen: âVader, gij zijt waarlijk een heiligequot;. â âO Broederquot;, riep hij uit, âzulk een fout zal niet ongestraft blijven. Hoe kunt gij den naam van heilige aldus verlagen? Gij zult u van dien misslag in 't openbaar beschuldigen.quot;
Eens hoorde men hem in zijne kamer luid jammeren en snikken. âHoe zou ik mij niet beklagen?quot; sprak hij; âin dezen brief noemt inenBernardinus een heilige, die wonderen doet. quot;Welk een vreemde vervolging tegen dien Bernardinus!quot; En hij ging voort met weeklagen. Voegen wij er aanstonds bij, dat dit de oenige vervolging was. die hij te verduren had, daar God, volgens het woord van Bellarminus, hem niet langs den gewonen weg der Heiligen leidde. Slechts twee menschen waren laaghartig genoeg den nederigen en zachtmoedigen Bernardinus te vervolgen; een Broeder, die later zijne roeping, en een leek, die het geloof verloor.
Ziehier uog een voorbeeld dier vervolging.
m
m-
â 70 -
welke Healino zoozeer verafschuwde. De Eer-biedw. Pator Bernardus Colnag'o, zelf een heilig' en beroemd wonderdoener, hem te Lecce bezoekend, had een onderhond met hem, zooals de zaligen in den hemel met eikander wisselen. Terwijl zij nn elkander wederzijds ontvlamden van het vuur der goddelijke liefde, nam de Eerbiedw. bezoeker, naar hij meende onopgemerkt, den zoom van Bernardinus' kleed en kuste dien eerbiedig'. De Gelukzalige echter had het bespeurd. Een oogenblik scheen hij onthutst; daarop raakte hij zijn heiligen vriend even met zijn stok aan en sprak met ecu beminne-lijken glimlach: âMaakt gij ook al van dieijdele plichtplegingen?quot; En hij ging voort: âGij zijt Bernardus en ik Bernardinus. Aan mij derhalve, als aan den kleinste, komt het toe van u de deugd te leeren, zooals ongeletterde scholieren zich
door uitmuntende meesters laten onderrichten.quot;
* *
*
De ootmoed is de grondslag' der volmaaktheid en de maatstaf van alle deugd; de bekroning-echter van het gebouw der heiligheid vormt de goddelijke liefde. Realino beminde God met eene oprechte, edelmoedige, heldhaftige liefde.
èâ â â m
____
â 71 â
Vandaar zetelde in zijn binnenste, wat het wezenlijke en om zoo te spreken alles in de liefde is; een vurig verlangen om den wil Gods te volbrengen. Ieder oogenblik bood hij zich üode aan als een dienstknecht, bereid overal heen te spoeden waar de goddelijke Majesteit hem wilde zenden, en onophoudelijk herhaalde hij deze woorden. âParattim cor meum!quot; Mijn hart is bereid, o mijn God, mijn hart is bereid!
Vandaar ook eenerzijds de standvastige kalmte van ziel, welke zijn vertrouwen op God hem schonk en de gesteldheid, waarin hij verkeerde om altijd het welbehagen zijns Geliefden vol toewijding te omhelzen: en anderzijds die heilige haat tegen ziehzelven, het onverzadigbaar verlangen, dat hij koesterde om te lijden, ten einde zich aan zijn goddelijk Toonbeeld gelijkvormig te maken.
Vandaar mede Realino's behoefte om zicli zonder voorbehoud te wijden aan het heil der zielen: vandaar die predicaties. zoo vol zalving en te welsprekender naargelang zij meermalen door de tranen des predikers onderbroken werden.
Vandaar eindelijk het geluk, dat hij smaakte in het bijzijn van zijn God. Hij had vóór den
g---------------------------- . ^
r.»
m â â . . gj
â 72 -
tijd de banden willen verbreken, welke hem in deze wereld terughielden, en was verwonderd dat iemand den dood kan vreezen. In afwachting van den dag zijner verlossing, vond hij in het gebed eene schadeloosstelling voor zijn langdurige ballingschap. Om zich met God te onderhouden behoefde hij zich niet het minst in te spannen. Zijn eenige zorg, als hij in 't openbaar verscheen, was niets te laten blijken van de genaden, waarmede hij overstroomd werd. IJdele voorzorg! Zijne aanhoudende tranen verrieden hem. Nauwelijks had hij zich overigens in tfods tegenwoordigheid geplaatst, of hij was zich-zelveu niet langer meester. Dit overkwam hem vooral aan het altaar. Dikwerf zag men daarom lang vóór den bepaalden tijd de menschen in de kerk komen en er lang verwijlen, om het schouwspel te mogen genieten van een heilige, die de Slis opdraagt. Eu als zij hem dan aanschouwden. nu eens opgeheven van den grond of wegsmeltend in tranen, dan weder omgeven van een hemelsch licht, riepen zij uit: âHij is een andere Franciscus van Assisi! Hij is een Serafijn, uit den hemel neergedaald!quot; En zij gevoelden zich aangegrepen van verbazing en bewondering.
§)â ----1------- Ãii
^ = =3
- Ti -
De Patejs van het college waren minder door deze gunsten des Hemels getroffen. Zij hadden hem zoo dikwerf reeds in God verslonden gezien, dat zij er niet meer over verwonderd stonden. Somtijds beproefden zij, wanneer ze hem in verrukking vonden, hem tot zichzelven tedoen komen. Maar Bemardiniis bleef dan ongevoelig voor alles en de personen, die hot meest gehaast: waren om hem te spreken, moesten het einde afwachten der lange nren, waarin hij God als ware het van aanschijn tot aanschijn aanschouwde.
quot;Verschillende keeren scheen zijn kamer als in vlam te staan: zoo helder was het hemelsch licht, dat haar vervulde. P. Reatillo. eens van de reis terugkeerend, kwam bij den Zalige binnen om hem te begroeten; maar diens hoofd van een schitterenden stralenkrans omringd ziende, ging hij, van eerbied en eene heilige huivering doordrongen, weder henen.
Niet minder levendig was bij eene andere gelegenheid deindruk van 1'. JacobusBrancacci. Het was in 1605. P. Realino, die, na het geluk van de H. Mis te lezen, geen zoeter vertroosting kende dan zich niet Jezus in het h. tabernakel
©
te onderhoiiflcn, had vele uren onbewegelijk iieknield doorgebracht voor hot H. Sacrament, dat in de kerk was uitgesteld. Op hot tecken der klok echter, had hij zich aan zijne extatische beschouwing ontrukt, en besteeg een trap, om de geestelijke onderrichting der communauteit te gaan bijwonen. P. Brancacci nu getuigde, dat gedurende dezen tocht en tot oj) het oogenblik, dat de Zalige de zaal der bijeenkomst binnentrad, uit geheel zijn lichaam stralen schoten van verblindenden glans. Het waren als dichte vlamraenbumlels, die uit een gloeienden oven sloegen.
Die oven was niets anders dan Bernardinus' hart. En zoo brandend was die oven, dat hij zelfs met het leven des Gelukzaligen niet werd uitgedoofd. Drie en een halve maand na zijn gelukkig afsterven wilden de Paters van het college zijn lichaam verplaatsen. Niet slechts bevonden zij dit gaaf en buigzaam, maar zij waren getuigen, hoede borst in de nabijheid van het hart al hare natuurlijke warmte behouden
had. âcalorcm maximumquot;, zegt P.Venturi.
m â is
-lb â
De liefde tot Jezus is nimmer gescheiden van de liefde tot Jezus' Moeder. Realino beminde de H. Maagd, zooals een h. Bernardus en Bernardinus van Sienna haar wisten te beminnen. De naam alleen van Maria, in zijne tegenwoordigheid uitgesproken, vervoerde hem van vreugde. Hij werd niet moede het Ave Maria of âWees gegroetquot; te herhalen en was met talrijke leeraars van gevoelen dat dit zoete gebed verdiensten doet verwerven en verhooring vindt, niet alleen om wille der godsvrucht van dengene, die het bidt, maar uit eigen kracht, ex opcrc opcrato, zooals de godgeleerden zeggen. â Hij sprak zoo in't openbaar als in bijzondere gesprekken over Maria met eene inderdaad hemelsche zalving. Te harer eere vervaardigde hij, tot in zijn hoogsten ouderdom, klinkdichten en andere dichtstukjes. En hierbij riep hij de hulp in van zijn engelbewaarder, met wien hij in do zoetste gemeenzaamheid leefde en zonder wien, zeidc hij, de dichtader niet wil vloeien.
Doch wat te zeggen van de wederliefde, waarmede dc Moeder van barmhartigheid haar getrouwen dienaar beloonde! De gunsten.
m â ~ è
waarmede zij hem overlaadde, zijn ontelbaar en iedere gunst afzonderlijk is onschatbaar.
Eens, in den Kerstnacht, vond de Overste P.Eealino bibberend van koude in de kerk en beval hom naar zijne kamer te gaan. Hij gehoorzaamde, en terstond, zegt de oude Pater Lahier, âverscheen hem de Moeder van goedheid en legde het Kindje Jezus in zijn armen, terwijl de engelen zachtjes hemellicderen neurieden.quot; Wat er toen omging in Bernar-dinus' hart, zal geen menschentong verhalen.
31 en weet alleen, dat hij den ganschen winter geen kofi meer gevoelde, en dat een Broeder hem geheel buiten zichzelven vond en telkens herhalend: âNog een weinig, lieve Vrouw, nog een weinig!quot;
Eens, dat hij met de andere Paters de litanie bad, zag men hem vol ontroering de armen uitstrekken naar een afbeelding der Moeder Gods, door Matthaens van Sienna geschilderd. Die afbeelding werd bezield voor zijne oogen en uit de schilderij tredend verscheen zij hein zoo vol schoonheid, dat zij zijn hart verrukte.
Een ander keer, dat hij te bed lag, trad
- 77 -
een Broeder zijn kamer binnen, en vond hem overstelpt van geluk. âO Broederquot;, sprak hij, âhadt gij gezien wat ik gezien hebl Do Maagd dor maagden heeft zich aan mij vertoond niet eeno onuitsprekelijke schoonheid en majesteit, en heeft mij haar goddelijk Kind Jezus in de handen gegeven. O volzalig gezicht! . . . . O vreugden van het paradijs!quot;
Naarmate Maria's dienaar in jaren toenam, werden die bezoeken der Moeder Gods menig-vuldiger; zoozeer, dat hij eens een woord kon spreken, dat bijna ongelooflijk schijnt. Zich met P. Autonius Spinelli, destijds Provinciaal van Napels, onderhoudend, zeide hij, dat de Hemel aan zijn boogen ouderdom eene zeldzame gunst verleende, die nl. van de Moeder Gods altijd voor den geest te hebben. â âHoe is zij bij u tegenwoordig?quot; vroeg de Pater, âziet gij haar met den geest alleen of tevens met do oogen des lichaams ?quot; En blozend bekende Eealino vol zedigheid: âATet de oogen des lichaams met altijd, maar bijna altijd.quot;
=m
©_
-Vâcc,'---CCP âCCJ'
VIII.
De zegepraal in den dood.
lOj C'?2._C^1-
m-
cOo. -C01^_CC^____CT^)__«T-3___
(ö~
Middelerwijl kwam de dag nader, waarop lüj, die zoo dikwerf de natuur aan zijne wenken had doen gehoorzamen, eindelijk zelf haar den tol betalen moest, die allen mensehen is opgelegd.iddelerwijl kwam de dag nader, waarop lüj, die zoo dikwerf de natuur aan zijne wenken had doen gehoorzamen, eindelijk zelf haar den tol betalen moest, die allen mensehen is opgelegd.
Reeds had Bernardinus verscheidene zware ziekten doorstaan en meer dan eens een gevaarlijken val gedaan. Den 3quot; Maart 1010 daalde hij een trap of om zich naar de Vasten-pre-dicatie in de kerk te begeven, toen hij mis stapte en opniew neerviel, maar zoo ongelukkig. dat hij twee breede verwondingen aan het hoofd bekwam. Dc slag deed hem in bezwijming vallen en twee uur lang lag hij buiten kennis. Men bracht hem iu het naast-bijgelegen vertrek en riep in stilte de genees-heeren en heelmeesters, die bij de preek tegen-
âCCP--CÃ3--CCPâ
- 79 -
woordig waren. Toen echter het gehoor vernomen had. dat P. Ilealino iu levensgevaar verkeerde, werd de preek onderbroken en er ontstond een onweerstaanbare drang naar het binnengedeelte van liet college.
Do godsvrucht des volks ging bij deze gelegenheid tot in 't buitensporige. Niet slechts werd het bloed des Gelukzaligen, dat den vloer bedekte, met oen heilige gretigheid tot den laatsteu druppel opgevangen; maar de schaar stormde naar de kamer des heiligen en plunderde die letterlijk uit. Kleederen, meubels, boekon, handschriften, tot zelfs de deur der kamer toe, alles werd klein gemaakt en als een kostbare relikwie medegenomen. En gedurende de 50 dagen, dat do gevaarlijke toestand des Paters duurde, had men veel moeite om de beweging on al te onbescheiden godsvrucht van het volk te bedwingen.
De lijder had intusschen op den dag des ongevals en volgende dagen zeer veel van de heelmeesters te doorstaan. Verschillende malen werden zijne wonden gepeild, de gezwellen doorstoken en het levende vleesch na diepe insnijdingen, weder aaneengenaaid.
=m
m=-
Het â was een roerend schouwspel, aan den eenen kant liet geduld van den heiligen grijsaard, die, terwijl men hem aldus martelde, klacht noch zucht slaakte, en aan den anderen de vereering, welke de mannen der kunst voor den heiligen patiënt aau den dag legden. Ook zij waren begeerig naar relikwieën, en men zou bijna gezegd hebben, merkt een geschiedschrijver op, dat al die operaties niet zoozeer geschiedden om den zieke te genezen als om zich te verrijken met zijn bloed. Men vulde toen twee ileschjes daarmede, die nog bewaard worden. In een der twee begint het, bloed, dat gewoonlijk in een verharden en verdroogden toestand verkeert, op sommige dagen te zwellen en te schuimen, zoodat hot geheele Heschje ervan vervuld wordt. Uit wonder heeft zich in 1852 nog tweemaal herhaald, ten aanschouwen van talrijke getuigen.
De dagen, die Bernardinus aan zijn bed gekluisterd moest doorbrengen, waren voor hem te gelijk dagen van smart en van groote vertroosting. Hij overwoog voortdurend het lijden Onzes Heeren en deze overweging deed hem overvloedige tranen van godsvrucht storten.
Op een nacht, dat hij aldus bad, werd hij als ten hemel verrukt: zijne oogen zagen O. H. Jezus Christus vastgenageld aan het kruis niet een kroon van doornen op het hoofd, maar tevens omringd vau al den luister zijner heerlijkheid. De goddelijke Gekruiste legde aan zijn dienaar de verhevenste geheimen uit, en daarop een doorn uit zijne kroon nemend, drukte Hij hem dien in 't hoofd, en vroeg of dit hem lijden deed. Maar Bernardinus, dronken van geluk, riep uit; âO Heer, indien mijne krankheden mij zoo groote gunstbewijzen doen genieten, geef dan, dat ik nog langen tijd moge lijden!quot; ')
Na twee maanden lijdens nochtans bevond hij zich een weinig heter en kon weder opstaan en eenige schreden doen. Hij begon zelfs weder dagelijks de H. Mis te lezen en
') De 80jarige grijsaard vervaardigde, ter lier-iimeringaan deze uitstekende gunst, eenigeLatijnsche versregelen, waarvan wij het laatste tweetal hier overschrijven:
Longior inde, precor, mihi sit praesentia morbi, Longior ut mecum sit tibi, ('hriste, mora, âü, dat ik langer, Heer, nog ziekte en smarten lijde. Opdat uw zoet verkeer te langer mij verblijde!quot;
m--â ' ââ â®
â 82 â
dikwijls, geilurfttule de drie daaraanvolgende jaren, deed hij zich ter kerke drag-en om biecht te hooren en zielen te b( moedigen. Zijne zwakte was nochtans zeer groot en toen in 1613 zijn gezicht, merkelijk afnam, moest hij er in berusten zijne kamer te honden en Mis noch breviergebed meer te verrichten. Om zich voor dit offer schadeloos te stollen, ontving hij iederen dag de H. Communie en woonde verscheidene Missen bij in eene kapel, aan zijn kamer belendend. Het overige van den dag onderhield hij zich vertrouwelijk met Jezus en diens heilige Moeder Maria, bad dikwerf den rozenkrans en ontving met groote liefde de penitenten, die hnnne biecht bij hem
wenschten te spreken.
* *
*
Men had onzen Gelukzalige Br. Jozef Loria tot ziekenverpleger gegeven, en hij gehoorzaamde dezen in alles als een kind, stond op. ging naar bed en deed alles, zooals deze Broeder het verlangde. En hiertoe bepaalde zich zijne gehoorzaamheid niet. Men zal zich herinneren hoeveel leed hem vroeger sommige betuigingen van vereering berokkenden. Thans echter
4------------------------ ------a
schijnt Bernardinus' ootmoed boven iederen aanval verheven. Om aan zijn nieuwen overste te gehoorzamen, maakt hij geenerlei bezwaar zijn rozenkrans, zijne mutsen en alles af te staan wat men hem vraagt. Somwijlen plaatst de Broeder eenvoudig op Realino's bed een hoeveelheid rozenkransen en andere godvruchtige voorwerpen, welke men hem te dien einde heeft aangeboden, en na een paar uren neemt hij de relikwieën er af en zendt die aan haar eigenaars terug. Nog meer â wat kan een ziekenverpleger, die zulk een zieke te verzorgen heeft, zich niet veroorloven ? â eens vraagt hij den Pater, zonder de minste aarzeling âgezondheidsbriefjesquot; voor eenige zieken. âGezondheidsbriefjes?quot; Realino staat verwonderd en vraagt wat daarmede bedoeld wordt. âSchrijf eenvoudig op een briefje,quot; hernam de Broeder, âwat die personen moeten doen om te genezen en zet er uwe handteekening onder.quot; De Pater begrijpt het, offert zich blindelings op en schrijft deze woorden, welke wij letterlijk vertalen: âDat Jezus en Maria in ons gezelschap zijn/quot; â Dit driemaal zeggen en de zieke zal genezen zijn. Bernard inns. En Gods
Real. holl.
- 84 â
almacht hecht haar zegel aan diebrietjes. Allen, voor wie zij geschreven werden, zijn genezen.
Overigens, alleen de mirakelen, welke de Gelukzalige in het laatste jaar zijns levens wrocht, zijn zoo talrijk, dat ze niet te tellen zijn. Het was. zegt P. Boero. una dismisura, een ware âovermaatquot; van wonderen.
Toen greep eene gebeurtenis plaats, welke, naar wij meenen, in de geschiedenis der Heiligen haar wedergade mist. Den SIquot; December 1615 hielden de vertegenwoordigers van Lecce eene raadsvergadering, waarin zij met algemeene stemmen Bernardinus bij zijn leven reeds tot Patroon verkozen hunner stad. ïe gelijker tijd besloten zij. dat vier afgevaardigden tot den bisschop zouden gezonden worden, om hem te verzoeken zonder uitstel te beginnen met het onderzoek, vereischt om hun nieuwen Patroon te doen heilig verklaren, op bespoediging dei-zaak bij Paus Paulus V aan te dringen en voor geen moeite noch kosten terug te deinzen, om haar goeden uitslag te verzekeren. Een verwonderlijk feit ongetwijfeld, maar dat toch verklaarbaarder wordt, wanneer men bedenkt, dat de beeltenis van den ootmoedigen religieus
â 85 â
in alle huizen en zelfs hier en daar iu 't openbaar was ten toon gesteld, en men daarvoor gebeden stortte en smeekingen opzond tot God, als voor de afbeelding der grootste Heiligen.
Trouwens de rijen der Heiligen zouden weldra voor Bernardinus opengaan. Jlen was in de maand Juni 1616, en de zieke verkeerde in uiterst zwakken toestand. Toen in den morgen van 30 Juni de rector bij hem wilde komen biechten, vond hij hem ten prooi aan eene hevige koorts en van het gebruik der spraak beroofd. Op raad der geneesheeren, stelde men den zieke voor de laatste H. Sacramenten te ontvangen. Met teekenen van blijdschap nam hij dit voorstel aan. want hij was bij volle kennis en wist door openbaring, dal zijn ballingschap ten einde liep. De plechtigheid kon in stilte geschieden en bleef een onvergetelijk tooneel voor allen, die het geluk hadden daarbij tegenwoordig te zijn.
Intusschen vernam men in de stad wat er gebeurd was, en eene onmetelijke schaar begaf zich ijlings naar het college. De voornamen en het volk, iedereen wilde zien hoe een heilige sterft. Onder de eerste personen, die zich
m=
- Sfi â
vertoonden, bevond zich eene deputatie van den gemeenteraad. Zij kwam met het doel om in Kealino's tegenwoordigheid de beslissing te bekrachtigen, die eenige maanden vroeger genomen was. Zij kwam vooral den Pater verzoeken, dat hij zich, zoodra hij in Gods tegenwoordigheid zon zijn toegelaten, ais den Beschermer der stad Lecce mocht beschouwen. Beruardinus luistert welwillend naar de ontroerde taal van den burgemeester der stad, die hem dit voorstel doet, en geeft, door bovenaardsche liefde vervoerd, met een be-teekenisvol gebaar te kennen, dat hij het aanvaardt. En toen dezelfde personen daags daarna opnieuw bij hem aandrongen, gelukte het hem eindelijk deze twee woorden uit te spreken: âSignori, si! Ja, mijne heeren!quot; Ten toppunt van vreugde en onder het storten van tranen kussen de overheidspersonen ootmoedig zijne hand en verwijderen zich om plaats te maken voor nieuwe bezoekers.
Eene talrijke menigte inderdaad verdringt zich voor den ingang van de kamer des zieken. Van tijd tot tijd gaat de deur open en vult zich het vertrek met bezoekers. De meest
â 87 â
bevooirechten knielen bij den stervenden heilige neder, kussen hem de hand, brengen rozenhoedjes, bloemkransen, linnen doeken enz. met hem in aanraking. Anderen doen een menigte van dergelijke voorwerpen door de handen der Paters en Broeders gaan, die den zieke bijstaan. Wanneer ieder vervolgens den beminden Pater een laatsten maal aanschouwd en begroet heeft, wordt de kamer ontruimd, om zich aanstonds weder te vullen en beginnen dezelfde tooneelen opnieuw. Zoo gaan twee dagen voorbij.
In den avond van den 1quot; Juli komt de bisschop van Lecce, van de keur zijner geestelijkheid vergezeld, P. Kealino bezoeken. Hij omhelst hem teederlijk en beveelt zich in Bernardinus' gebeden; vervolgens, aan het voeteneinde der legerstede nedergeknield, veroorlooft hij zich een stukje van het beddelaken en den deken af te snijden. Dit was als een gegeven teeken, om alles wat zich in de kamer bevond, aan plundering' prijs te geven. In een oogwenk wordt al les weggenomen: prentjes, geschriften, meubelstukken, tot een gedeelte van het bed toe. Met groote moeite gehikt het den Paters de dekens en lakens, overigens
â SS â
reeds zeer gehavend, tegen dezen heiligen / roof te beveiligen.
* *
*
Realiuo's ordebroeders waren tehuis niet meer meester. Niettegenstaande de hulp vau de soldaten der koninklijke wacht, konden zij de orde niet handhaven noch den kranke de noodige zorgen schenken. Zoo werden zij wel gedwongen, den volgenden dag de deuren van college en kerk te sluiten, ja te versperren. Toon vulden zich de straten op met eene ontelbare menigte. Men kwam aangesneld uit de stad, toegeloopen van de naburige dorpen, en men stroomde naar het college met te meer spoed, wijl, zooals men zeide, lichtstralen het hoofd van den stervende omschitterden en een hemelsche geur de kamer vervulde.
Pat was waarheid. De glorie der uitverkorenen en de zwakheid van den stervende ontmoetten elkander in Bernardinusquot; persoon. Hij was gedrukt door den last der ziekte en zijn blik, op het kruisbeeld gericht, verried een onuitsprekelijk geluk. Hij ging den doodstrijd in en zijn voorhoofd omblonk een aureool van heerlijkheid. Zijn lichaam, welhaast een
prooi des doods, wasemde oen paradijsgeur uit. En zijn bed was, als een heiligen-schrijn, bedekt met tallooze voorwerpen van godsvrucht, welke de vereering der geloovigen daarop had nedergelegd. Aldus moest die groote dienaar Gods tot een hooger leven overgaan.
Het kostte hem steeds de uiterste moeite om te spreken. Toen P. Beatillo hem in den morgen van den 2° Juli zeide, dat de H. Maagd op dien dag niet zou nalaten hem te komen bezoeken om hem mede ten hemel te voeren, deed de naam van Maria hem trillen van vreugde en zich ten uiterste inspannend zeide hij: âO Madonna mia santissima! O mijne allerheiligste Vrouwe!quot; Dit waren zijne laatste woorden.
Kort na t middaguur trad de doodstrijd in en tegen vier uur, terwijl men hem het Lijden des Heeren voorlas, gaf hij zachtjes zijne ziel aan God weder. Het was Zaterdag, 2 Juli 1616, feestdag van O. L. Bezoek.
De tijding van dit overlijden vervulde de gansche stad met rouw en ontsteltenis. Bij de uitvaart waren de verzuchtingen, jammerkreten en het misbaar van dien aard, dat de
â 90 -
bisschop van Lecce zich in de onmogelijkheid zag- gesteld met zijne kanunniken de getijden der overledenen te zingen; en de Pater Car-meliet, die de lofrede op den overledene moest houden, genoodzaakt was den preekstoel te verlaten, zonder dat hij zich had kunnen doen verstaan.
De stad deed haren Schutspatroon een kostbaar praalgraf oprichten, en deze verwierf uit den hemel talrijke gunsten voor zijne beschermelingen. Kardinaal Bellarminus deed weldra bi] het Pauselijk hof de zaak der Zaligverklaring zijns heiligen vriends indienen; doch het proces moest menige vertraging ondervinden. Aan onze eeuw van ongeloof bleef het voorbehouden de verheerlijking te zien van een leven, zoo vol wonderen en waarin het bovennatuurlijke u op iedere bladzijde met zulk een glans tegenschittert, dat men er de oogen onmogelijk voor kan sluiten.
Den 27' September 1895 heeft Paus Leo XIII den naam van Bernardinus Healino op de lijst gt; der Gelukzaligen doen inschrijven.
5
91 â
Gebeden ter eere van tien Gelukzaligen Bernardiims Realino.
Driemaal liet Hies gegroet bidden, waaraan de Gelukzalige zoo groots waarde hechtte, en daaraan toevoegen:
|
V. Ora pro nobis. B. Bernardine. R. Ut digni effici-amur promissionibus Christi. Oremus. Largire nobis.Domi-ne, Beato Bernardino intercedente, spiritum deniissionis et carita-tis, quo eum divinitus repletum benignitatis tuse ministrum exi-mium effecisti. Per Christum Dominum nostrum. R. Amen. |
V. Bid voor ons, Gel. Bernardinus, Tt. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden. Laten wij bidden. Verleen ons. Heer, door de voorspraak des Gel. Bernardinus, dien geest van ootmoed on liefde, waarmede Gij hem door uwe genade hebt vervuld, om hem tot een uitmuntend werktuig uwer goedertierenheid te maken. Door Christus onzen Heer. R. Amen. |
Inhoud.
Bldz.
I. Geboorte en eerste kinderjaren.....3
II. Leven van godsvrucht en vurigen werklust 10
III. Voltooiing der studiën. â Openbare ambten.
â Roeping tot den religieuzen staat ... 20
IV. Noviciaat en eerste jaren in het religieuze leven...............32
V. Stichting van het huis te Lecce. â De heilige Rector............42
VI. De Biechtvader en Wonderdoener .... 54
VII. Uitstekende heiligheid van P. Realino. â Wonderbare gunsten, welke hij van Jezus
en diens H. Moeder ontvangt......65
VIII. De zegepraal in den dood.......78
Gebeden ter eere van den Gel. Bernardinus Realino..............91
hnprimatuy.
|
Sassenheim die 2 Juin isw. |
II. J. Borghols Ubr. Cens. |
NIEUWE UITGAVEN.
W. v. N1EUWENHÃFF S. J., Leven en brieven van den H. Franclscus Xaverlus, (apostel van Indië en Japan) met twee platen en een kaart ingen. Æ 4,â in fraaie linnen stempelband Æ 4,90,
W.v.NIEüWENHOFFS. J., Leven van den H. Ignatius van Loyola. 2 Declen met 2 platen. Ingen. Æ 6,â geb. Æ 8,â.
M. VAN DER HAGEN S. J., Waar is de kerk van Christus? 192 BI adz. Derde, herziene druk. Ingen. Æ 0,25, geb. Æ 0,50 ]2lt;ie duizendtal.
Wonderdadig Leven van den H. Antonlus van Padua met 16 plaatjes. Uit het Fransch vertaald door A. V., R.-K. Pr. Æ 0,15.
H. J. A. COPPENS, De Lessen mijner IVIoeder. Godvruchtige onderrichtingen, getrokken uit het leven van de Allerh. Maagd Maria, in 72 hoofdstukken, met gebeden enz. Prijs gebonden in linnen bandje / 0,90.
K. M. A. L. quot;VVULFINGH (Redemptorist), Meditatiën van den H. Alphonsus de Liguori. Opnieuw uit het Italiaansch vertaald en gerangschikt voor alle dagen van het Jaar. met een Alphabetisch Register. 4 Dln., ieder ruim 400 bladzijden. Prijs ingen. Æ 6,â geb. in linnen Æ 9,â.
Kort Overwegingen over het openbaar Leven onzes Heeren uit het Engelsch door Richard F. clarke S. J., met een voorrede van W. van Nieuwenhoff S. J., kerkelijk goedgekeurd mim 365 bladz. ingenaaid / 0,60, geb. /1,â.
Het Kruisbeeld of het schoonste van alle boeken, üit het Fransch vertaald door een R.-K. Priester. Prijs ingen. Æ 0,15, geb. / 0,25.
Al deze boeken worden bij getallen Veel minder gegeven.