ifiïip!
i
i
XTT XXX ,XI X.XJ...r
im.
N
â¢gt;afquot;-quot; /â quot;.....V
J ® 1^1 §1
I; ijl
li /*
Wi
X
PI
*1 i |
i â¢li u iii i ® li
f yx.XK3
VniïCKf
mm
IfN
litis
III
XX
â¢â ' ; â â :â â â¢
mmmwWl
'â 1 it â ; .quot;â â â :.
J.
mmké
vy-c.i
Miiwi
amp;m WÃÃ
à vt' ⢠7; 'lt;
JMÃ | , - s
GEÃLLUSTREERD HOENDERROEK.
GEÃLLUSTREERD ROENDERROEK
Bevallende alles wat op de Hoenderteelt betrekking heeft
als:
Inrichting1 der hoenderhokken, aankoop van hoenders, hunne behandeling,
verzorging, ziekten, enz. enz.
door
JULIUS VÃLSCH AU
Voorzitter van de Hamburg-Altona'sche Vereeniging voor Hoenderteelt, Eerelid van de eerste Oostenrijksche Vereeniging voor Hoenderteelt te Weenen en van de Sleesw ij k-Holsteinsche Vereeniging voor Hoenderteelt âFaunaquot; te Kiel.
Met 40 nauwkeurige afbeeldingen in kleurendruk en vele houtsnêefiguren naar oorspronkelijke teekeningen van CHRISTIAN FÃRSTER
en
Een aanhangsel bestaande uit mededeelingen van beroemde kweekers, benevens een voorrede van Prof. Dr. ZÃRN.
voor nedkruvanid bewerkt door
Dr. A. C. OUDEMANS Jzn.
Directeur van hel Koninklijk Zoölogisch-Botanisch Genootschap te 's Gravenhage.
H. TEN BRINK â MEPPEL.
deze strook niet verwijderen
signatuur:
/C jtu
âRIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2219 7226
Vl VOOKBERICHT.
voor do platen van dit werk, heeft zich niet alleen hierdoor ten zeerste verdienstelijk gemaakt, maar ook vooral, doordat hij uit den schat van kennis, verzameld door eigene veeljarige en rijke ervaring, den tekst van het iverk putte, die alles, wat een vriend van pluimgedierte noodzakelijk iveten moet, kort, boeiend en volkomen duidelijk weergeeft. De tekst toch, ivaarbij de heer Völschau door de af doding: âTeeltuilkomsten en ondervindingen van beroemde en bekende kweekersquot; ondersteund werd, is van goede houtsnee-figuren, zelfs grooter in aantal dan aanvankelijk in den prospectus was aangegeven, rijkelijk voorzien.
Hoge het voltooide werk gelukkig van stapel loopen en zijne vaart volbrengen, tot genoegen van menigen liefhebber van pluimgedierte en tot eere der duitsche vogelteelt t
Leipzig, December 1883.
Prof. Dr. Zürn.
V (J ü II W OORD
VAN DEN BliWlSKKER UEU NEDIfiKLANDSCIIK UITOAVE.
Niet zonder schroom werd door mij de bewerking van dit hoenderboek op verzoek van de Uilgevers-Maatschappij âElsevierquot; ondernomen. Hel onderwerp toch maakte nog geen jaar een deel mijner studiën uit; maar na met het duitsche werk kennis gemaakt te hebben, overwon ik mijne aarzeling; nam do uitnoodiging van de Uitgevers aan, en thans is de uitgave van een werk gereed, dat in den laatsten tijd in Duitschland algemeen in handen van vakmannen te vinden is.
Ik zoude mijnen voorganger, wijlen den Heer J. C. J. Van Ogïen, onrecht aandoen, indien ik niet mededeelde, dat hij tijdens zijn verblijf te Winterswijk met de vertaling van dit werk een begin maakte. Zooveel hoofden, zooveel zinnen, en daarom zal het niemand venoonderen, dal ik de eerste 80 bladzijden, door den Heer Van Ogïen vertaald, geheel naar mijnen zin omwerkte.
Met hel oog op het besluit der Maatschappij âElsevier'', dat denederlandsche uitgave geene vertaling, maar eene beiverking zonde zijn, werd mij de meest mogelijke vrijheid gelaten, om vorm en inhoud te icijzigen. In de opvolging der hoofdstukken meende ik hoegenaamd geene verandering te moeten maken; ivel eenige in die over algemeene voorschriften. Het gedeelte over de ontwikkeling van het ei heb ik letterlijk vertaald, omdat het aangehaalde woorden zijn van Baumeyer. Ik verzoek dus wetenschappelijke mannen verschooning, wanneer zij zich niet geheel met den inhoud van dit gedeelte kunnen vereenigen.
Bij de beschrijving der verschillende rassen heb ik Maitlanu's âHand- en Standaardboek voor den Hoenderliefhebberquot; steeds naast mij gehad en daaruit veel overgenomen vooral de vreemde namen en de opsomming der raskenmerken, die in het oorspronkelijke werk van Völsghau hier en daar wat stiefmoederlijk behandeld zijn.
Enkele ârassenquot; van Völschau loerden, omdat het slechts onderrassen of variëteiten zijn, ook als zoodanig behandeld, en omgekeerd.
Van de Wyandottes, het nieuive, prachtige en geliefkoosde ras, verscheen in de
voorwookd.
nederlandsche taal nog gecnc beschrijving. De Heer Job Van deu IIavk te yieuwerkerk bij Zierikzee deelde mij met de meeste welwillendheid den oorsprong van dit ras mede en gaf er mvj eenc zoo nauwkeurig mogelijke beschrijving van; later stond hij mij op mijn verzoek gereede toe, dat ik, bijna zonder eenige verandering, zijn opstel in dit Hoen derboek opnam. Voor een en ander breng ik Z.E. hier openlijk mijnen tvarmen dank.
Door dd alles onderging het hoofdstuk over de verschillende rassen cene niet geringe uitbreiding.
Daarentegen werd het laatste gedeelte van hel werk verkort. Verscheidene schrijvers van deze losse stukken gaven min of meer volledige beschrijvingen van het ras, het onderras of de variëteit, waarvan in hun opstel sprake ivas. Deze liet ik vervallen en venvees den lezer aldaar naar de uitvoerige beschrijvingen vóór in het iverk.
Een opstelletje over de hoenderteelt van het jaar 1783, dat eigenlijk niet veel meer bevat dan eene opsomming van raskenmerken en nuttige wenken, die reeds in hel iverk voorkomen, alsmede een langdradig verhaal van een bezoek in Egypte aan de broedovens, welke laatste ook afzonderlijk uitvoerig in het werk beschreven worden, meende ik eveneens gevoegelijk te kunnen leeglaten, zonder in het minst aan de waarde van hel geheel afbreuk te doen.
In de volgorde der platen, alsmede in hunne plaatsing meen ik ook ten gerieve van den lezer eene goede verandering gebracht ie hebben. In de duitsche uitgave waren hvee derde der platen in het hoofdstuk der rassen geplaatst en het andere derde deel bij de beschrijvingen van enkele hoendersoorten, door verschillende kxoeekers van naam den Heer VöIjSCHAU voor zijn werk welwillend afgestaan. Elke plaal was zooveel mogelijk tegenover een gedeelte van den leksl geplaatst, waarin het door de plaat voorgestelde dier behandeld iverd. Theoretisch voorzeker eene goede plaatsing; doch daar op die wijze de platen in twee groepen en tamelijk dicht op elkander stonden en daarenboven op dik karton ivaren gedrukt, deed ik de onaangename ervaring op, dat het boek in betrekkelijk zeer korten tijd uit elkander lag, en besloot ik om die reden de platen door hel geheele werk op gelijkmatige afstanden van elkander te insereeren. Had ik van alle in het werk beschreven rassen eene plaat, ik zoude ze alphabetisch gerangschikt hebben, evenals Maitlanü deed, hetgeen hel opzoeken gemakkelijk maakt. Daar dit niet hel geval is, en daarenboven van eenige rassen hvee of meer platen voorkomen, besloot ik de platen dezelfde volgorde te geven als de beschrijvingen.
Moge dit Hoenderboek, evenals in Duitschland hel geval is, zich weldra in de handen van vele liefhebbers en kweekers bevinden, en moge het menigeen opwekken, zich te ivijden aan de lashoenderfokkerü, die in Nederland reeds eene zekere hoogte bereikt heeft, maar nog niet in die mate, als bij voorbeeld in Engeland het geval is.
's Gravenhage, 12 Augustus 1888. A. C. Oudemans Jzn.
viii
IN li O U D.
Biz.
Voorbericht van Prof. Dr. Ziirn.........................v.
Voorwoord van den bewerker der nederlandsche uitgave...........vu.
Lijst der 40 kleurendrukplaten....................xr.
Errata............................xir.
Het nut der hoenderfokkerij.....................1
Het hoenderhok .........................5
Welke hoenders moet men zich aanschaffen?...............10
Het voeder en de voedering der hoenders ................14
Over het eierleggen............ ...........21
Over het broeden.........................25
Over het uitkomen dor kuikens....................32
Over het grootbrengen der hoenders..................4(5
Beschrijving der verschillende hoenderrassen................53
Cochinchina's.........................53
Brahmapoetra's........................58
Langshans . , .......................G1
Maleiers..........................(33
Yokohama's.........................05
Spanjaarden.........................09
Bergsche Kraaiers.......................73
Dorkings................................75
Dominiqucs...................... . . 80
Plymouth-Rocks...........................81
INHOUD.
Blz.
Wyaudottes ................... .....85
La Flèche's.........................87
Crèvecoeurs.........................89
Houdans........... ..............91
Kortpooten.........................93
Kraaikoppen........... .............94
Padua's..... ....... ............95
Serails . , ................... .... 99
Witkuiven.............. ..........100
Engelsche Vechthoenders . ..................102
Belgische Vechthoenders............... .... 10G
Hamburgers.........................107
F azanthoenders...... .................109
Pellen..........................110
Lakenfelders.....'...................112
Italianen..........................112
Ratnelslohers.........................115
Uilebaarden . . . ..... ............117
Bolstaarten.........................118
Krulveeren.........................119
Zijdeveeren.........................120
Negers...........................121
(Veldhoenders)........................122
(Krielen in het algemeen).................. ⢠12G
Bantams..........................127
Hollandsche Krielen......................128
Antwerpsche Krielen . .....................129
Sabelpoot-Krielen.......................130
Javaansehe Krielen......................130
Porcelein-Krielen.......................131
Japansche Krielen.......................132
(Naakthalzen)........................136
De ziekten der hoenders en de middelen daartegen.............141
Over kruisingen en bloedverversching .... ............177
Nuttige wenken voor hoenderfokkers..................181
De winterkuikenfokkerij......................190
Het kunstmatig uitbroeden........... .........102
X
Luxe-hoenderhokkon .......................200
Teeltuitkomsten, ondervindingen, mededeelingen van beroemde en bekende hoenderkweekers 217 Over het broeden.......................217
INHOUD. XI
Blz.
Over teeltkeus, teelt onder bloedverwanten en andere bij het fokken gebruikelijke
uitdrukkingen .......................219
Over de waarde en het fokken van Fransche hoenderrassen........224
De teelt der Cochinchina's....................228
De huishoudelijke waarde van Cochinchina's en hunne kruisingen......237
Witte Minorka's.......................239
Andalusiërs en Minorka's......... . . .......240
Opmerkingen over huishoudelijke pluimveefokkerij en opsomming van de kenmerken
der Minorka's.......................244
Over Witte Dorkings .....................247
Over Yokohama's . . ......... ..........248
Over Maleiers ........................240
Ondervindingen in de fokkerij van Chamois l'adua's opgedaan.......251
La Flèche's en Goud- en Zilverpellen ................250
Goud- en Zilverlakensehe Bantams.................257
Teeltuitkomsten ...................... . 265
Kruisingsproeven met kipfazanten.................270
Register............................283
LIJST DER KLEURENDRUKPLATEN.
1. Gele Cochinchina's.............. .....Titelplaat
Blz.
2. Witte Cochinchina's.........................................1
3. Patrijsveerige Cochinchina's....................8
4. Donkere Brahmapootra's. (Donkere Brahma-poutra's)...........16
5. Lichte Brahmapoetra's.....................24
6. Langshans met gladde pooten...................32
7. Langshans met beveerde pooten...................... 40
8. Roode Maleiers (Maleiers)................................... . 48
9. Goudlakensche Phoenixhaan . ................56
10. Zwarte Spanjaarden (Spanjaarden) ... ... .........04
11. Zwarte Roodwang Spanjaarden of Zwarte Minorka's (Minorka's) .... 72
12. Blauwe Roodwang Spanjaarden of Blauwe Minorka's of Andalusiërs.....80
13. Donkere Dorkings (Dorkings)...................88
14. La Flèche's.........................96
XII
inhoud.
Crèvecoeurs .â¢â¢â â â â
Houdans . â¢.....
Goudlakenscbe Padua's . â¢
Zilverlakensche Padua's Chamois-Padua's
7te HoUandsche Witkuiven . . â¢
Goudlakensche vri.tlo.nde,.
Goudlakenscbe Vechtknelen . â â â
Zilverlakensche Vechtknelen . â â â â
Goudlakenscbe Hamburgers . .
Zilverlakensche Hamburgers .
Zwarte Hamburgers
Goudpellen . â ⢠â
Zilvcrpellen
Witte Italianen
Koekoekveerige Italianen .
Patrijsveerige Italianen......
Ramelslohers ......
Japansche Zijdeboenders . Goudlakenscbe Bantams . ⢠⢠â¢
Hollandsche Krielen (Zwarte Bantams) ⢠Antwerpscbe Krielen (Koekoeksveer Bantams) . â Sabelpoot Krielen (Knelboenders) . â¢
Zwarte
E 11 K ATA.
BI/-104 . 112
. 120 , 128 . 130 . 144 . 152 , 100 1GB . 170 . 184 . 192 . 200 . 20G . 212 . 218 . 224 . 230 . 230 , 242 . 248 . 254 . 200 . 200 . . 272 . 278
15.
1G
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
20.
27.
28,
29.
30.
31.
32.
33.
34.
35. 3G.
37.
38.
39.
40.
Zilverlakensche Bantams
Zwarte
Bk. 50. Cocbinchine-cbamoix -- lees: Padoue chamois urn, » 97. Padoue cbamoix uni,
Padoue chamois maillé.
, i ⢠ââ0 lees; Poule faisane.
8 m- PüUV T n B-SyriscbesHubn.
, 124. Svricbes Huhn - lees. uy
lees: Szeremley.
,, 230. Szerembey
HET NUT DER HOENDERFOKKERIJ.
De hoenderteelt was reeds in de vroegste tijden in zwang. In Indiö, China en Japan was zij van oudsher eene winstgevende zaak. Vandaar breidde zij zich over Midden-Azië naar Egypte en verder naar Europa uit. De Vechthoenders van Medië, Tanagra en Chalkis stonden, zoowel bij de Grieken als bij de Romeinen, in hoog aanzien. Aristoteles, Plinius en anderen maken melding van Kriel- en Vechthoenders; ten tijde van Cato en Varro bestonden reeds uitgebreide hoenderfokkerijen. De Egyptenaren broeiden reeds toen hoender-en ganzeneieren uit in broedmachines. In de mythologie der Grieken en Romeinen nam de haan door zijne waakzaamheid eene belangrijke plaats in. Hij was. daar hij steeds voor den strijd gereed stond, aan Ares, den God van den Oorlog gewijd, en zijn gekraai beschouwde men, vooral met betrekking tot den oorlog, als een voorteeken der overwinning. Eene sage vertelt:
âToen Themistokles tegen de Perzen ten strijde trok en bemerkte, âdat zijne soldaten weinig strijdlustig waren, wees hij hen op den ver-âwoeden strijd van eenige hanen. âZietquot;, zeide hij, âden ontembaren âmoed van deze dieren, en toch is hun ééniye drijfveer de lust om te âoverwinnen, en gij, die voor uw vaderland, voor de graven van uwe
1
HOENDERBOEK.
âvoorvaderen, voor de vrijheid te velde trekt...quot;. Deze weinige woor-âden wakkerden den moed van het leger op nieuw aan en Themistokles âbehaalde de overwinning. Ter nagedachtenis aan deze gebeurtenis stel-âden de Atheners een feest in, dat met hanengevechten werd opgeluisterd.quot;
De haan was eveneens gewijd aan Apollo, den Zonnegod, aan Athene, de Godin der waakzaamheid, aan Aeskulapius, den God der Geneeskunde, aan Hermes, den llegengod, ja zelfs aan den Nacht en aan de Laren, de beschermgeesten vau wegen, straten en huizen en ook van den Staat.
De Grieken brachten, wanneer zij van eene ziekte hersteld waren, aan Aeskulapius eenen haan ten offer.
Eerst in de laatste jaren is men er in Frankrijk, Engeland, Nederland, Duitschland enz. toe gekomen, om zich in eene bepaalde richting op de hoenderfokkerij toe te leggen, zoodat men aldaar tegenwoordig het hoen onder de nuttigste huisdieren rangschikt.
Wie weet niet, dat een versch ei zulk eene goede voeding is ? Hoevele zieken hebben niet hun behoud aan hoendereieren te danken en hoeveel herstellenden niet het terugkrijgen van hunne krachten!
Waarlijk, wij kunnen het Opperwezen niet dankbaar genoeg zijn, dat Het ons in het hoen een huisdier schonk, dat bij zulke geringe kosten van onderhoud zóó heilzaam is voor de geheele menschheid. Als krachtig en smakelijk voedingsmiddel weten onze huismoeders de kippeneieren het best te waardeeren en te gebruiken; het verbruik is verbazend groot, vooral in onzen tijd, waarin de weelde eene massa spijzen en dranken heeft uitgevonden, waarvan de eieren een onontbeerlijk bestanddeel uitmaken. Maar ook voor menigen tak van industrie is het ei onmisbaar. Het ei speelt in de handelswereld eene veel belangrijker rol dan menigeen wel denken zou.
Het hoendervleesch is zeer fijn en smakelijk en wordt door menigeen te recht als lekkernij gegeten. Ook de veeren, ofschoon ze met de ganze-veeren niet op eene lijn kunnen gesteld worden, hebben toch nog eene betrekkelijk groote waarde. Het hoen, vroeger ternauwernood aangekeken, of ten minste niet genoeg op prijs gesteld, heeft zich thans, om ons zoo eens uit te drukken, eene plaats in de maatschappij verzekerd. Men heeft ingezien, dat de hoenderfokkerij, mits oordeelkundig beoefend, al zijn er geene schatten mee te verdienen, toch zeer nuttig is; eene matige winst is gemakkelijk daarmee te verkrijgen.
2
JAP A NKSISC11E SI-ID E N11V H N E R.
!
IIOKM'I Mi' KK.
âvoorvaderen, vo(§ de vrijheid t(gt; M-ld- trckl... Deze wciuiu'e woor-âilen wakkerden den moed van hei
âbehaalde de oxenviuuiug. Ter nagedachtenis aan deze gebenrtenis steleden de Atheners een feest in, dat met hanengeverhten wi-rd opgeluisterd.quot;
L)e liaan was eveneens gewijd aan \polio, den Zonnegod, aan Alhene, de tlodin der waakzaamheid, aan Ao.-éÃulapius. den (iod der lt; leneeskuude. Hennes, don llegeugod, Ja zells aan den j\'a,('ti1 en aan de baicii, de beschermgeesten van wegen, straten en huizen en ook van den Staat.
De (irieken brachten, wanneer zij van eenc ziekte hersteld waren, aan Veskulapius eenen haan ten offer.
Kerst, in de laatste1 jaren is men er in Frankrijk. Kngeland. Nederland. Duitschland enz. toe gekomen, om zich in eene bepaalde richting op de hoendorlokkerij toe te leggen, zoodat men aldaar tegenwoordig het hoen ondor de nuttigste ^nisdieren rangschikt.
W ie weet niet. dat een versch ei zulk eenc goede voeding is Hoevele zieken hebben niet hun behoud aan hoendereieren te danken en hoeveel herstellenden niet het terugkrijgen van hunne krachten!
Waarlijk, wij kunnen het Opperwezen niet dankbaar genoeg zijn, dat Het ons in het hoen een huisdier schonk, dat bij zulke geringe kosten van onderhoud zóó heilzaam is voor de goheele menschheid. Als krachtig en siitakelijk voedingsmiddel weten onze huismoeders do kippeuoieren het best te waardeeren en te gebruiken; hel verbruik is verbazend groot, vooral in onzen tijd, waarin de weelde eene massa spijzen en dranken beelt uitgevonden, waarvan do eieren een ononlbeernjk bestanddeel uitmaken. Maar ook voor menigen tak van industrie is het ei onmisbaar. Het ei speelt in de handelswereld eene veel belangrijker rol dan menigeen wel denken zou.
Met boenderv 1 eescb igt; zeer lijn en -miakelijk en wordt door menigeen to recht als lekkernij gegeten. Ook de voeren, ofschoon zo mot de gauzo-veeren Hiel op eene lijn kunnen gesteld worden, hebben toch iioi,r eene bel n-kkclijk gr.'oto waarde. Het hoen. vroeger ternauwernood aangektdcen, ol ten minste niet genoog op pi'ijs gestold, heell zich thans, om ons zoo ⢠â¢en- uil te drukken, eene plaats in de maatschappij verzekerd| Men heelt iuui zien. dat de hoenderfokkerij, mits oordeelkundig beoefond, al zijn er â¢crue rhatlen mee te verdienen, toch zeer nuttig is; eene matige winsl is gemakkelijk daarmee te verkrijgen.
HOEN DEKBOEk'.
Hoe groot de inkomsten zijn in Frankrijk, in welk land de hoenderteelt het hoogste punt bereikt heeft, hiervan kan de volgende mededeeling getuigen, ontleend aan eene voordracht van den Heer Schuster, leeraar aan de Keizerlijke School voor Praktische Opleiding te Wasselheirn in Elzas-Lotharingen, gehouden te Straatsburg in eene vergadering der Vereeniging voor Pluimvee- en Vogelteelt voor den Elzas:
âFrankrijk is bizonder rijk aan rashoenders en mestkippen; hierin âovertreft het de geheele wereld. Alleen de hoenderstapel vertegenwoordigt âeen kapitaal van 400 000 000 francs.quot;
âIn de Halles Centrales te Parijs werden in 1880 circa 300 000 000 eieren âen 15 000 000 mestkippen ten verkoop aangebodenâeene waarde van circa â80 000 000 francs in ééne stad! Welk eene kolossale som moet dat voor âgeheel Frankrijk worden!quot;
âDeze bron van inkomsten heeft zich slechts in de laatste 30 jaren onder âden boerenstand zoo ontwikkeld. In 1850 voerde Frankrijk nauwelijks âvoor 8000000 francs aan eieren uit, in 18(50 reeds voor 12 000 000, in 1865 âvoor 40000000, in 1866 voor 60000 000, in 1879 voor 160 000 000 francs. Wat âeen bron van zegen voor een land, waaraan men nog de ettelijke milli-âoenen moet toevoegen, opgebracht door pluimgedierte, als poularden, kapoe-ânen, hoenders, kalkoenen, enz., en dan nog al die fijne uitstekende ras-kogels, die buitengewone prijzen opleveren!quot;
Over de hoenderfokkerij in en om Houdan, een vlek van nog geen 3500 inwoners, niet ver van Mantes en Versailles, zegt Delafosse, grondbezitter te Houdan, het volgende :
âOp de markt te Houdan wordt jaarlijks voor 1 920 000 francs vetgemest âgevogelte verkocht, dat is 160 000 francs in de maand en 40 000 francs per âweek ! Bovendien kan men nog op eenen wekelijkschen omzet van 300 francs âminstens rekenen door den verkoop van legkippen, om niet van de kuikens âte spreken, die op zich zeiven eenen tak van bestaan vormen en niet ter âmarkt worden verkocht, een handel die belangrijke sommen afwerpt. Op âde markt te Houdan werden van 21 Mei tot 13 Mei van het volgende âjaar, dus op 52 marktdagen, 411 130 stuks' vetgemest gevogelte verkocht. âVolgens den gemiddelden marktprijs, waarvan geregeld aanteekening werd âgehouden, werd per stuk 5 tot 6,5 francs betaald, waaruit eeu bedrag van â2 125 275 francs is af te leiden. Men kan verder aannemen, dat bovendien,
3
HOENDERBOEK.
ânaar de geringste schatting, wekelijks 1 500 stuks vetgemest gevogelte door âde kweekers uit de hand worden verkocht. De prijs, voor deze 1 500 stuks âtegen 5 francs, geeft een jaarlijksch bedrag van 300 000 francs, waarvan minstens Vs gedeelte aan Houdau ten beste komt. De zoogenaamde magere âmarkt, waarop niet-gemest pluimvee van allerlei soort voorkomt, heeft âin hetzelfde tijdsverloop 720 700 francs opgebracht. Uit een en ander âkomt men tot een gezamenlijk bedrag van 2 401 265 francs.quot;
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk, hoe winstgevend de met oordeel geleide fokkerij van hoenders en ander pluimvee, niet alleen voor enkele personen, maar ook voor een geheel land zijn kan. Wel is waar kunnen wij niet ontveinzen, dat het klimaat van Frankrijk uiterst gunstig voor de hoenderteelt is.
Men heeft thans ook in Duitschland ingezien, dat de fokkerij van hoenders en ander pluimvee in 't algemeen van veel grooter belang voor den landbouw te beschouwen is, dan men in vroeger jaren wel meende, en daarom worden ook de Vereenigingen voor Pluimvee (in Duitschland bestaan er ongeveer een honderdtal), waaraan men dan ook hoofdzakelijk de verbreiding van nuttige winstgevende vogels te danken heeft (eensdeels dooi tentoonstellingen, anderdeels door den verkoop van broedeieren), dooi allo regeeringen, welke het nut van de zaak hebben ingezien, op de meest bereidwillige wijze ondersteund, hetgeen niet genoeg op prijs kan gesteld worden.
4
HET HOENDERHOK,
Heeft iemand, die hoeaders wil houden en wel meer dun één ras, over een uitgestrekt terrein te beschikken, dan kan hij niet beter doen dan aan eik-hok een groot afgesloten stuk land of grasveld te verbinden. Het spreekt vanzelf, dat ieder toom eenen dergelijken loop moet hebben, door latten of rasterwerk van de andere gescheiden. Hoe grooter nu natuurlijk die loop is, des te minder gevoelen de dieren het gemis hunner vrijheid. De kosten van afrastering, die over het algemeen niet gering zijn, worden evenwel weder vergoed, doordat de vogels bij eenen grooteu loop gezonder blijven en meer eieren leggen, dan die, welke in eene kleine ruimte ziju opgesloten.
Het hok zelf kan van steen of van hout gemaakt worden ; de eerste bouwstof is wegens betere verwarming het verkieselijkst. De grootte van het hok moet evenredig zijn aan het aantal hoenders, waarmede het bevolkt zal worden en zoo hoog, dat een man gemakkelijk daarin staan kan. Voorts moet het hok luchtig zijn, versche lucht moet steeds kunnen worden toegevoerd door twee zoo hoog mogelijk aangebrachte, tegenover elkander geplaatste raampjes, welke gedurende den dag steeds geopend moeten zijn, daar anders, vooral bij warm weder, de hoenderluis zich in het hok zeer snel voortplant. Een
HOENDERBOEK.
hoofdzaak is het, dat het hok goed dicht is, want tocht kunnen de hoenders doorgaans uiet verdragen. In één woord, het hoenderhok moet zóó ingericht ziju, dat de dieren zelfs bij het ongunstigste weder niet alleen daarin eene schuilplaats kunnen vinden, maar er zich ook op hun gemak gevoelen. Het is voor hoenders in het algemeen, doch vooral voor fijne raskippen,
zeer schadelijk, bij aanhoudenden regen steeds buiten te moeten loopen ; zij worden verkouden en juist uit die verkoudheden ontstaan evenals bij de menschen, de meeste ziekten. Schrijver dezes let er nauwkeurig op, zijne diereu bij aanhoudend nat weder opgesloten te houden, vandaar komen ziekten bij zijne hoenders weinig of niet voor.
Bij hevige koude, vooral wanneer het kippenhok van hout is, moet
6
HOENDERBOEK.
men nog voor bizoudere dekking zorgen door liet hok van buiten met stroo te bekleeden. Ten einde deze bewerking gemakkelijk uit te voeren, bevestigt men dwarslatten tegen de zijwanden van het hok en vult daarna de ruimte tusschen de wanden en de latten met stroo op. Het hok wordt daardoor aanmerkelijk warmer. In het voorjaar verwijdere men het stroo, opdat het ongedierte, dat zich misschien reeds daarin genesteld heeft, te gelijk daarmee verwijderd worde. Zoodra men ontdekt heeft, dat de kippen-luis in het hok voorkomt, bestrijke men het geheele hok van alle kanten met eene oplossing van Va kilo carbolzuur op 10 kilo, dat is ongeveer een emmer, water; het ongedierte vindt dan oogenblikkelijk den dood en voor geruimen tijd is men er van bevrijd. Een uitstekend middel daartegen is ook in het hok fijne, tot poeder gestooten muurkalk te strooien en tevens eenige handen vol daarvan tegen de wanden te werpen. De fijne, scherpe stof dringt in alle reten en naden en doodt het ongedierte. Op den vloer van het hok strooie men zand en turfstrooisel; in den winter stroo, opdat, wanneer de een of andere vogel, door de andere verdrongen, van den stok afvalt, en dan, wijl hij er in het donker niet meer opvliegen kan, genoodzaakt is het verdere gedeelte van den nacht op den grond door te brengen, hem het stroo tot zachte en warme rustplaats diene. Op den killen zandbodem zou het dier licht verkouden worden. De zitstokken moeten niet, zooals vroeger meestal de gewoonte was, laddervormig zijn, maar alle op gelijke hoogte en minstens op eenen afstand van 85 c.M. van elkander geplaatst zijn, anders bevuilen de vogels elkander.
Verder moeten de stokken van boven afgerond en minstens 7 c.M. breed zijn. Dikwijls ziet men zitstokken die slechts 2 c.M. breed zijn; hierop zitten de vogels niet vast genoeg en schommelen heen en weder, waardoor zij geene nachtrust genieten, en die moeten ze hebben om gezond te blijven. Door te smalle stokken krijgen de vogels ook zoogenaamde klem-klauwen. Op de 7 c.M. breede zitstokken rust het geheele lichaam en de vogels slapen dan ongestoord door.
De bij wijze van ladders aangebrachte zitstokken zijn ook daarom af te keuren, omdat de hoenders de gewoonte hebben zoo hoog mogelijk te willen zitten en daarom steeds trachten den bovensten stok te bereiken, en zoodoende dikwijls zoo dicht op elkander, ja zoo beklemd zitten, dat er van eene gemakkelijke nachtrust geen sprake kan zijn. Hierbij moet nog
7
HOENDEKBOEK.
worden opgemerkt, dat de geschiktste hoogte van de zit- of springstokken ruim een meter van den grqnd is, alleen bij Cochinchina's en Brahmapootra's moeten ze lager worden aangebracht, daar deze vogels bijna in het geheel niet kunnen vliegen.
De grootte van het hok moet, zooals wij reeds opmerkten, evenredig zijn aan het aantal hoenders, opdat al de vogels gemakkelijk onder dak kunnen komen.
ïlet hok moet, behalve de deur, eene opening hebben, waardoor de dieren in- en uit kunnen gaan; deze opening moet van eene sluiting voor-
zien zijn. Men moet er gestreng de hand aan houden, dat die opening bij het vallen van den avond gesloten wordt, opdat geen roofdieren binnen kunnen sluipen. Voor nesten gebruike men houten hokjes, waarvan de grootte overeenkomt met die van de hoenders; hierin legt men wat strooen hooi en een van die porseleinen kunsteieren, die men tegenwoordig zoo fraai vervaardigt, dat ze voor werkelijke eieren kunnen worden aangezien en overal voor zeer weinig geld te krijgen zijn. Boven de nesten brengt men eene plank aan, even breed als de nesten en wel zóó schuin, dat de vogels er niet op kunnen blijven zitten, als zij dat
beproeven en de plank derhalve niet kunnen bevuilen. Die plank is hoofdzakelijk om te voorkomen, dat de nesten verontreinigd worden; de hoenders kunnen nu niet op den bovensten rand van de nesten gaan zitten.
Ook kan men tonnetjes, b.v. gebruikte botervaatjes, waarin men eene opening zaagt, voor nesten inrichten. De hoenders kruipen, om te leggen, heel graag in deze tonnen, daar zij aldaar geheel ongestoord ziju en ongezien het ei kunnen nederleggen. De legton heeft nog een overwegend voordeel, nl. dat, wanneer de kip zich tot broeden zet, men de ton met de broedhen kan verplaatsen waar men wil, opdat, bij het uitkomen der kuikens, zoomin mogelijk verplaatsing noodig zij.
Tevens moeten wij nog aanstippen, dat men het hok, zoo het eenigszins
8
HOENDERBOEK. ()
mogelijk is, voor de zonnewarmte met de deur en de opening naar het
zuiden moet bouwen. Ook is het zeer aan te bevelen, dat de loop van het
hok voor een gedeelte overdekt zij, opdat de hoenders bij aanhoudenden
regen toch nog eens van de versche lucht kunnen genieten. Het beste is,
de loopen door gegalvaniseerd vlechtwerk af te scheiden, opdat in het
voorjaar de zon vrijelijk kunne binnentreden, daar alsdan de hoenders de
meeste behoefte aan zonnewarmte gevoelen. Daarbij is do vlechtdraad-
omrastering gemiddeld niet duurder dan eene andere. Wanneer men nu
velschillende toornen van hoenders er op na houdt en de parken liggen
naast elkander, zoo is het aanbevelenswaardig, het onderste gedeelte van
de tusschenschotten geheel dicht te maken, anders kunnen de hanen
elkander zien. Het is nu eenmaal de gewoonte van hanen vooral in den
paartijd, dus het grootste gedeelte van het jaar, met elkander te willen
vechten. Wanneer zij nu alleen door vlechtwerk van elkander gescheiden
zijn, zullen ze den ganschen dag trachten elkander te bijten, zoodoende
kwetsen ze hunnen bek en kam, zijn verder onophoudelijk in overspannen
toestand, hetgeen zeker niet bevorderlijk voor hunne gezondheid is, en
dientengevolge kunnen zij zich niet, zooals 't behoort, aan hunne hennen wijden.
Men denke er aan, de omrastering minstens 2 meter hoog te maken, anders vliegen de hoenders er over.
De loop of ren (en wanneer er geen loop voorhanden is, het hok) moet dik met zand bestrooid zijn, waarin de vogels een zandbad kunnen nemen, hetgeen voor hen eene levensbehoefte is. Wanneer we nu na eenen langen winter eens den eersten warmen dag met zonneschijn hebben, dan is het een lust om te zien, hoe de vogels in het zand kroelen, ze schijnen als het ware te herleven. Heeft men nu eenmaal een zoo in alle opzichten doelmatig verblijf voor hoenders, dan kan men er aan gaan denken, zich hoenders aan te schaften; alleen rijst de vraag: âwelke soorten zal men koopen V Dit zullen wij nu in het volgende hoofdstuk zien.
|
Wêmmêmïm |
i i i 1 | |
WELKE ÃÃOEOERS MOET MM ZICH AANSCHAFFEN?
Vroeger kende men alleen de gewone boerenkip. Wel is waar werden nu en dan uit, overzeesche gewesten vreemde hoenderrassen ingevoerd, doch over liet algemeen waren deze weinig bekend. Alléén is het een feit, eu zoo wordt het ook door oude liefhebbers verzekerd, dat van tijd tot tijd door scheepsgezagvoerders uit Japan, China en andere vreemde gewesten boenders werden medegebracht. Hierop werd echter weinig achtgeslagen, daar de fokkerij van hoenders, eu vooral van ander pluimvee, weinig te beteekenen had en men vrij algemeen bet met het spreekwoord eens was: âEen ei is een ei, een kip is een kip!quot;
Eerst in het jaar 1847 zijn de eerste vreemde hoenders, om ons zoo eens uit te drukken, officieel geïmporteerd. Het waren namelijk de Cochinchina's, die de Koningin van Engeland ten geschenke werden aangeboden â Hare Majesteit staat trouwens als boenderlief hebster bij uitnemendheid bekend. Dit nieuwe hoenderras bracht als het ware onder de liefhebbers eene opschudding te weeg, niet alleen door zijnen kolossalen lichaamsbouw, maar vooral wegens zijnen grooten broedlust. Zoo iets had men nog nooit gezien; met het meeste geraak kon men zoo'n Cochinchinahen hare pas uitgekomen kuikens afnemen en haar weder nieuwe eieren geven, toch bleef zij
HOENDERBOEK.
rustig doorbroeden. Dit kon uien gerust nog eens doen, ja wij zijn zelfs in het bezit van Cochinchinahennen geweest, die vier nesten achter elkander uitbroedden, m. a. w. gedurende twaalf weken op eieren zaten. Daarom kan men die vogels gerust levende broedmachines noemen. Vroeger was men al tevreden, als eene gewone boerenkip een nest met zorg gedurende drie weken bebroedde; want het gebeurde maar al te dikwijls, dat de hennen reeds na veertien, ja soms reeds na acht dagen hunne eieren verlieten; zoo iets kwam ten minste bij ons genoeg voor. Daarom is het licht te begrijpen, hoe welkom de Cochinchina's waren! In het jaar 1852, of misschien nog iets vroeger, kwamen de eerste Cochinchina's te Hamburg en daarna zijn zij vrij spoedig over Europa verspreid. Het zijn juist deze vroeger niet bekende dieren, die er als het ware den stoot aan hebben gegeven, dat men aan de hoenders in het algemeen moer de aandacht wijdde, en het zijn tevens de Engel-schen, die er op uit waren, nieuwe onbekende hoenderrassen op te sporen. Sedert de laatste twintig jaren werden vele nieuwe hoenderrassen ingevoerd. Ook zijn er vele soorten door kruising ontstaan, die door zorgvuldige kweeking zich tot zelfstandig ras gevormd hebben. Het lijdt dan ook geen twijfel, dat er voortdurend nieuwe rassen ontdekt worden, o.a. werden in 1879 of 1880 door iemand uit Hamburg, uit het wonderland Japan, hoenders medegebracht, waarvan de haan staartvederen van 6 voet lengte had. Uit deze hoenders â in Japan zijn zij onder den naam van Phoenixhoenders bekend â is reeds rijkelijk gekweekt, maar of het den eigenaars, die, laten we het hun ter eere nageven, kosten noch moeite gespaard hebben, gelukken zal, hanen te krijgen met dergelijke lange staarten, dat moeten we afwachten. Het klimaat heeft ook zijn invloed: de tot nu toe geteelde hanen hebben - we moeten het erkennen â wel veel langere staarten dan eenige andere soort, maar niet van zes voet.
Wie zich nu hoenders wil aanschaffen, niet zoozeer uit liefhebberij, maar om veel eieren te krijgen, moet geen Cochinchina's koopen, om de eenvoudige reden, dat ze voortdurend broedsch zijn en natuurlijk in die periode geen eieren leggen. Als tafelhoen zijn ze evenwel bizonder aan te bevelen, want een haan van één jaar, die â l'/a kilogram weegt is hierbij niet zeldzaam. Verder zijn deze vogels volstrekt niet zwak, maar leggen zelfs in den winter, als het hok maar eenigszins warm gehouden wordt, geregeld door. Aan de Cochinchina's zijn de Brahmapootra's
11
HOENDERBOEK.
nauw verwant; zij worden gewoonlijk alleen met den luuim van Brahma's betiteld. Dit hoen heeft eveneens eenen forschen lichaamsbouw en ongeveer dezelfde eigenschappen als de Cochinchina's. Zoowel Brahma- als Cochin-china-kippen zijn uitstekende moeders; zij gaan zeer zorgvuldig met hunne kuikentjes om.
Eene hoendersoort, die betrekkelijk kort geleden is ingevoerd, n.1. de Langshan, is een zeer aan te bevelen ras. Daar zij bizonder malsch vleesch en fijne beenderen hebben en verder buitengewone eierlegsters en trouwe broedhennen zijn, zoo kan men gerust zeggen, dat deze kip al datgene in zich vereenigt, wat men redelijkerwijze van haar kan eischen.
Wanneer men evenwel hoenders hebben wil, die, ofschoon van middelmatige grootte, zeer veel eieren leggen, dan moet men Italianen nemen; wat eierleggen aangaat, wordt deze soort door geene andere overtroffen.
Gemiddeld legt elke kip jaarlijks circa 100 eieren, de eene wat meer, de andere wat minder. De Italianen evenwel maken hierop eene zeer gunstige uitzondering; zij leggen jaarlijks 150, 180, ja zelfs tot 200 eieren. Ik heb zelf nooit Italianen gehouden; maar ik heb deze mededeeling van de meest geloofwaardige personen ontvangen, die nauwkeurig daarvan aanteekening hielden. Evenals alles in de wereld overdreven wordt, zoo treft men ook kweekers aan, die beweren, hoenders te bezitten, welke jaarlijks oOO eieren leggen. Anderen daarentegen hebben er onder hunne hoenders, die eieren van 90 tot 100 gram geven. Al dergelijke opgaven zijn evenwel niet van overdrijving vrij te pleiten. Een normaal ei zal zelden zwaarder wegen dan 75 a 80 gram. Eieren, welke zwaarder zijn, zijn abnormaal en bevatten twee dooiers en zijn dus als broedeieren van nul en geener waarde. De Italianen broeden evenwel in het geheel niet, of slechts zeer zelden; men doet dus verstandig, bij Italianen enkele Cochinchina-of Brahma-hennen te houden, om die als broedhennen te gebruiken. Aangezien zoowel de Cochinchina's als de Brahma's gele eieren leggen, is dat juist goed ; want de eieren der Italianen zijn helderwit; vergissingen kunnen dus niet plaats hebben.
Eene kip, die ook zeer goed legt, is de Ramelsloher; zij legt mooie groote eieren en broedt uitstekend. Wie daarentegen bizonder groote eieren wil hebben, schaffe zich Spanjaarden, Maleiers, La Flèche's, Crëvecoeurs of Houdans aan. Al deze soorten leggen zeer groote eieren, maar broeden
12
HOENDERBOEK.
weinig. La Flèehe's, Crèvecoeurs en Houdans zijn Fransche hoenders, zeer geschikt om vet te mesten. Deze drie hoenderrassen verschaffen de beroemde Fransche kapoenen en poularden, die door hun fijn en smakelijk vleesch zeer gezocht zijn.
Ook is de Dorking een zeer goed mesthoen, vandaar dat hij in Engeland tafelhoen wordt genoemd ; het is een groot, lijvig hoen, maar het opkweeken der kuikens levert vele bezwaren op. De onder den naam van Hamburgers bekende soorten, namelijk Goudlakensche Hamburgers, Zilver-lakeusche Hamburgers en Zwarte Hamburgers, en de Goud- en Zilver-pellen leggen alle goed, maar de eieren zijn klein. Deze hoenders broeden niet; het zijn sierlijke rassen van middelbare grootte, die zeer in trek zijn. Waaraan de eerste den naam van Hamburgers ontleenen, is niet met zekerheid te zeggen, waarschijnlijk, omdat zij uit Hamburg verder over Europa verspreid zijn geworden. Kuifkippen zijn ook zeer fraaie hoenders ; behalve de reeds genoemde Crèvecoeurs en Houdans, behooren daartoe witte en gele Padua's, Goudlakensche Padua's, Zilverlakensche Padua's, Zwarte Hollandsche Witkuiven en Serails. Al deze soorten maken een bizonder aangenamen indruk, broeden niet, maar leggen best. Ofschoon het oog gestreeld wordt door deze kuif hoenders, zijn ze voor den landbouwer ongeschikt en wel om de volgende reden. Van hoe fijner ras deze hoenders zijn, des te zwaarder is hunne kuif. Dit belet hun echter de roofvogels, zooals kuikendieven enz., die steeds, op buit belust, rondvliegen, te zien, waardoor zij dan ook zeer dikwijls eene prooi van deze roovers worden. Behalve bovengenoemde rassen zijn er nog verscheidene, die alle min of meer goede eigenschappen bezitten; we behoeven slechts te noemen Yokohama's, Vechthoenders, Kraaikoppen, Zijdeveeren, enz. Als echte rassen kunnen nog genoemd worden Negers, bij welke alles zwart is, tot de beenderen toe, Krulveeren, waarvan het gevederte gekruld is en de Naakthalzen. Deze hebben eenen geheel onbevederden hals, zien er dus onoogelijk uit, zoodat ze weinig gezocht zijn, ofschoon men over hun leggen en broeden niet te klagen heeft.
Behalve de vele reeds genoemde rassen bestaan er nog vele kleine soorten, die men de Lilliputters onder de hoenders zoude kunnen noemen. Dikwijls niet veei grooter dan eene duif, maken deze diertjes met hun prachtgewaad een alleraangenaamsten indruk. Zeker kan men zich niets
13
HOENDERBOEK.
14
bekoor]ijkers voorstellen, dan eenen toom Krielen, die den geheelen dag vroolijk rondhuppelen en vlijtig hun voeder zoeken. Onder de meest bekende kan men rangschikken de Goud- en Zilverlakensche Bantam's, Witte en Zwarte Hollandsche Krielen (Antwerpsche Krielen zijn zeldzamer), Japansche Krielen, Goud- en Zilverlakensche Vechtkrielen en Sabelpoot-krielen. Deze kleine soorten leggen naar verhouding van hunnen kleinen lichaamsbouw groote eieren. Vooral zijn zij daardoor gezocht, dat zij uitstekend broeden en hunne kuikens goed groot brengen. Uitstekend zijn zij geschikt voor het grootbrengen van fazanten en patrijzen. Dengene, die slechts over eene kleine ruimte kan beschikken, is het zeer aan te bevelen zich een van deze kleine hoenderrassen aan te schaffen; aan voeder kosten zij niet veel, zij leggen zeer goed en voor het oog zijn zij door hun fraai gevederte en levendige natuur zeer bekoorlijk.
HET VOEDER M DE TOEDEEIM DER HOENDERS.
Heeft men nu naar zijnen zin eenige hoenders gekocht, dan is men ook verplicht hun geschikt voedsel te geven; want wanneer men zijne hoenders niet behoorlijk verzorgt, mag men hun ook geene groote eischen stellen.
Wanneer men dieren opgesloten houdt, die steeds aan de vrije natuur gewoon zjjn geweest, moet men er des te meer voor zorgen, hun voedsel te geven, dat zooveel mogelijk overeenkomt met hetgene zij vroeger in de vrije natuur vonden.
Hoenders voeden zich met graan, groenvoeder, insecten en wormen. Voornamelijk is het zaak, voor veel afwisseling te zorgen ; want altijd hetzelfde te eten, staat evengoed vogels als den mensch tegen.'s Morgens geve men zacht voeder, bijvoorbeeld tarwemeel, geweekt brood, enz., en als men ze bij de hand heeft, gekookte aardappelen. Dit voeder moet des zomers met koud, des winters met warm water worden natgemaakt; maar vooral moet men er op letten, dat het mengsel niet te nat is; het geheel moet alleen vochtig, maar geen soep zijn. Dat geweekte voeder moet in den winter goed warm zijn, dan eten de vogels het zeer gaarne, en te oordeelen naar wat wij er van gezien hebben, heeft warm eten eenen zeer
â¢h
16 HOENDERTiOEK.
gunstigen invloed op hunnen gezondheidstoestand. Steeds was onze ondervinding, dat wanneer bij strenge koude aan de hoenders warm eten werd gegeven, zij den geheelen dag veel vroolijker waren dan op dagen,
waarop zij geen warm voeder kregen.
Op den raiddag voedere men gerst, haver en boekweit, tegen den avond versche tarwe of gebroken maïs ; de maïs is daarom gebroken beter, omdat zij in dien toestand veel beter te verteren is, dan wanneer zij in heele korrels gegeven wordt. Het graan moet niet zoo maar op den grond gestrooid worden, omdat daar altijd overal mest ligt, dat zich dan met
het neergeworpen graan onwillekeurig vermengt en dan tegelijkertijd dooide hoenders mede wordt opgegeten, wat natuurlijk voor de dieren schadelijk is. Het beste is, het graan in eenen volgens nevensgaande teekening inge-richten bak te storten; iedereen kan zich voor weinig geld zoo'n bak laten maken.
Als groen voeder geve men des zomers gras en salade, in den winter kool. Des winters behoeft men niet altijd precies eiken dag den dieren groen voeder te geven, dikwijls is men zelfs in de onmogelijkheid het te krijgen. Minstens tweemaal per week dienen zij het toch te hebben. Inden zomer evenwel is steeds groen voeder voorhanden, en al heeft men niet altijd salade, gras kan men toch altijd gemakkelijk krijgen. Wanneer wij salade of koolbladeren voederen, werpen we ze niet in de ren, doch hangen of binden ze zoodanig vast, dat de hoenders er juist bij kunnen komen. Het is opmerkelijk, dat de dieren het zóó liever eten, ze willen het liever afpikken dan van den grond oprapen. Tegenwoordig is men er zelfs op bedacht, om, wanneer 's winters met geeue mogelijkheid groenvoeder te krijgen is, kort gesneden hooi, in water geweekt, te geven. Dit wordt ook door hen gegeten, doch natuurlijk niet zoo graag als versch groen-
DONKERE BRAHMA- PO (quot;TIE VS.
IIOKNÃEUHOEK.
voeder. Als ander plantaardig voedsel voor de hoenders kan men koolrapen bezigen die zooals bekend is bijna de grootte van een kinderhoofd bereiken. Men snijdt ze in tweeën en hangt ze zoo in do ren op. Met ijver pikken de dieren aan die rapen en weinig laten zij er van over. Het ophangen van kool, koolrapen enz. heeft nog het groote voordeel, dat de vogels bij het afpikken in voortdurende beweging zijn, hetgeen zeer goed is bij koud weder. Wij trachten trouwens onze hoenders bij strenge koude voortdurend in beweging te houden, door ze van tijd tot tijd groote stukken brood of vellen van vleesch te geven. Natuurlijk komt dan de geheele troep in beweging, het eene dier neemt een stuk van het andere weg en zoo voort. Het doel wordt bereikt, de dieren loopen zich warm.
Verder moet men niet verzuimen, den hoenders stukgestooten muur-kalk of' fijngedrukte eierschalen te geven, dit is voor hen noodzakelijk voor de vorming der eierschalen. Want wanneer hoenders geene kalkstoffen genoeg eten, ziet men dikwijls, dat zij zoogenaamde windeieren leggen; dat zijn eieren, die in plaats van ook door de schaal, alleen door de binnenhuid omgeven zijn. â Het is boter de eierschalen goed fijn te drukken; werpt men de schalen heel in den loop, dan komen de vogels allicht in de verzoeking, ook hunne eigen eieren op te eten, en deze slechte gewoonte, de slechtste die kippen hebben kunnen, is hun niet dan zeer moeielijk al' te leeren. Wanneer men onder zijne hoenders zulk eene eiervreetster heeft â en deze vergenoegt zich niet alleen met het opeten van hare eigene eieren, maar verorbert ook die dor andere kippen â dan is het het beste, haar onmiddellijk te slachten. Is hot evenwel een kostbaar exemplaar, dan beproeve men het volgende: men blaast eieren uit, en vult ze met sterke mostaard, en om er nog een smaakje aan te geven, vermengt men die met wat peper, daarna plakt men de openingen toe en geeft dan dit lekkernijtje aan do eiervreetster. Gretig valt zij daarop aan, doch na dit twee- of driemaal herhaald te hebben, laat zij dit lekkerbeetje onaangeroerd liggen. Den volgenden dag herhalo men deze proefneming; waarschijnlijk zal zij de eieren niet meer aanraken, en misschien wel voor goed van de kwaal genezen, nooit meer eieren opeten. Een engelsch kweeker deed mij dit middel aan de hand; ik heb het gelukkig nog niet behoeven toe te passen. Wanneer men er maar voor zorgt, dat de hoenders steeds van kalk of eier-
17
IIOENIIERBOEK.
schalen voorzien zijn, dan blijven zij ook vrij van deze onhebbelijke gewoonte.
Eveneens is het eene slechte gewoonte, als de hoenders hunne eieren, in plaats van in de leghokken ergens op eene verborgen plaats leggen. Bespeurt men eene hen, die zich hieraan schuldig maakt, zoo voelt men even of ze een ei bij zich heeft, en sluit ze dan op in het hok, waar de legnesten zijn. Zij zal nu gaarne in een der nesten leggen. Daarop laat men haar weer los, doch den volgenden morgen ouderzoeke men ze weêr, en voelt men een ei, dan wordt ze weder opgesloten. Wanneer men dezen maatregel eenige dagen herhaalt en daardoor de hen gedwongen heeft haar ei in een nest te leggen, dan is zij daaraan weder gewoon, en zij zal hare eieren niet meer op eene andere plaats leggen.
Soms kan het gebeuren, dat de boenders iets inslikken, wat zij niet kunnen verteren b. v. een stuk zwoord of iets dergelijks. De vogel wordt dan traag in zijne bewegingen, laat de vleugels hangen, en zijn krop wordt zoo hard als steen. In dit geval beproeve men het dier daardoor van het onverteerbaar voorwerp te bevrijden, dat men het veel water in de keel giet, dan den krop met de hand kneedt en daarna het dier met den kop naar beneden houdt. Tegelijkertijd met het water, dat het dier nu kwijtraakt, komt dan gewoonlijk het onverteerbare voorwerp te voorschijn. Zoo dit niet het geval is, opent men den krop en wel op de volgende wijze : na op de bewuste plek eenige vederen te hebben uitgetrokken, snijdt men eerst de huid even boven den krop met een scherp mes door en dan den krop zelf, ledigt dien, spoelt hem met wat lauw water uit en naait vervolgens met zijde eerst den krop en dan de opperhuid weder dicht. Bij deze operatie behoeft geen bloed te vloeien, en zij is dus voor den vogel gewoonlijk niet van nadeeligen invloed; het geopereerde dier zal over weinige uren zoo vroolijk onder de andere hoenders rondloopen, dat men niet meer zien kan, wie de patiënt geweest is. Wanneer men evenwel eenen dergelijken- vogel bizonder goed wil verzorgen, dan sluit men dien gedurende eenen dag op, en geeft hem in melk geweekt brood te eten.
Ten einde de hoenders nu ook van dierlijk voedsel te voorzien, behoeft men ze dagelijks, indien men ten minste eenen tuin heeft, slechts een of twee schoppen met aarde te geven; deze aarde moet evenwel van eene vochtige, schaduwrijke plek komen. Niet alleen bevinden zich in dien hoop eene massa regenwormen van allerlei grootte, maar ook ettelijke andere insekten.
13
nOENDEIJ HOEK.
die door de hoenders zorgvuldig worden opgezocht en gretig gegeten. Ook kan men in eenen hoek van den tuin eenen wormkuil aanleggen, waarbij men op de volgende wijze te werk gaat: men graaft een gat van eenige voeten in het vierkant en vult dat laagsgewijze met paardemnest en bloed of ingewanden van geslacht vee. Deze lagen bedekt men weder met aarde, en de wormkuil is klaar. Men moet er evenwel voor zorgen, dat de put tegen den regen beschut is. Na eenige warme dagen ontwikkelen zich daarin eene ontzaggelijke hoeveelheid maden, waarvan men nu den vogels dagelijks wat geeft. Heeft men geene gelegenheid, om eene wormput aan te leggen, of ziet men ertegen op, omdat zoo'n wormput eenen vreeselijken en walgelijken stank verspreidt, dan kan men den hoenders, eenige malen per week, rauw, doch beter gekookt afval van vleesch geven, natuurlijk in kleine stukjes gesneden, of wel kleine, in zout gekookte vischjes, die in waterrijke streken over het algemeen gemakkelijk te verkrijgen zijn; dit voedsel vergoedt volkomen het gemis aan wormen.
Er zijn echter menschen, die de eieren van kippen, die vleeschvoeder genieten, zooals wormen, insekten, vleesch of visch, niet lusten. Zij houden veel meer van de eieren van kippen, die zuiver graan en groenvoeder eten, en vinden, dat die eieren frisscher van smaak zijn. Zij moeten er dan natuurlijk voor zorgen, dat hunne kippen niets anders krijgen dan zuiver graan en groenvoeder. Het is waar, dat de eieren van vleeschetende kippen eenen sterkeren smaak hebben, vooral die van vischetende, maar dat vinden anderen nu juist lekkerder en noemen de eieren van andere kippen op hunne beurt smakeloos en laf. Men bedenke echter wel, dat de volkomen onthouding van vleeschvoeder de kippen langzamerhand verzwakt. Zij hebben het nu eenmaal noodig, dus men moet weten, wat men doet en er de gevolgen van ondervinden.
Dat men steeds voor frisch drinkwater moet zorgen, behoeft wol geen betoog. Door frisch drinkwater verstaan wij echter niet water, dat dagelijks nit eene beek of sloot wordt gehaald, maar wel degelijk schoon drinkwater. Zelfs geheel zuiver beekwater houd ik in den regel nog voor ongezond, daar dit water dikwijls dampen en gassen bevat, welke schadelijk voor de dieren zijn. Het water moet men vooraf wat in de lucht laten staan; het moet, om het zoo eens te zeggen, uitgewasemd zijn, vóór men het aan de hoenders geeft. Bekende engelsche kweekers geven steeds water, dat lang
19
IIOENDKHP.OEK.
gestaan heeft, of wel gekookt drinkwater. Door het water te koken, ontdoet men het van alle schadelijke bestanddeelen.
Voor drinkbakken gobrvtike men het allerbest zinken fonteinen, welke van boven gesloten zijn en van onderen eene opening hebben, waaraan een zoogenaamd mondstuk is gesoldeerd, dat door den druk van het water steeds gevuld is. Deze fonteinen zijn beter dan kommen of schotels, vooreerst kunnen de hoenders het water niet vuil maken, en wanneer men er kuifhoenders op nahoudt, zijn zij onontbeerlijk daar deze dan hunne kuif niet nat kunnen maken, waaruit zeer gemakkelijk oogziekten kunnen ontstaan.
Dergelijke fonteinen, ter grootte van eenen kleinen emmer, moeten opgehangen worden, anders valt er soms vuil in. Deze drinkbakken worden eerst gevuld, wanneer zij leeg gedronken zijn, hetgeen eerst na verloop van verscheidene dagen plaats heeft. Bij groote hitte wordt het water daarin toch spoedig bedorven en doet men wel, ze dagelijks op nieuw te vullen, na ze ter dege met zand en steentjes te hebben omgeschud, ten einde den aanslag te verwijderen.
Is men nu genoodzaakt, hoenders in beperkte loopen te houden, en men verzorgt ze op do hierboven aangegeven wijze, zoo missen de vogels niets dan hunne vrijheid, en het gemis daarvan getroosten zij zich ook zeer spoedig.
20
OVER HET EIERLEGGrEN.
Bij den iitinkoop van hoeudors moet men or vooral op letton, dat moii gezonde, sterke vogels krijgt. De haan moot levendig vau aard zijn, eenen trotscheu gang hebben en vlug in al zijne bewegingen zijn. Ook do hennen moeten vroolijk eu levendig zijn; want dan alleen zijn do vogels gezond. Eeue zwakke of misvormde hen kan geen gezond ei leggen, en daaruit is gemakkelijk af te leiden, dat men van haar geen krachtig kuiken kan teelen.
Men kan gereedelijk aannemen, dat eene kip gedurende haar leven 500 a oOO eieren kan leggen. De meeste eieren leggen ze in hunne eerste vier levensjaren; men doet dus goed, de hoenders te slachten, wanneer zij dien leeftijd bereikt hebben, aangezien zij in de daarop volgende jaren nauwelijks de kosten van hun voeder opbrengen. Heeft men evenwel bizondere lievelingen of kostbare voorwerpen, zoo laat men ze langer in het leven. Als ze zeer oud worden, houdt toch het eierleggen geheel op. Wij haddon bv. eene hen, die 14 jaar oud was, eene kruising van Cochinchinahaan met boerenkip. Deze vogel had altijd zóó vlijtig gebroed, dat wij besloten haar het genadebrood te geven. Genoemde hen legde in het laatste jaar van haar leven wel slechts weinige, doch zeer groote eieren. Ofschoon zij in de laatste jaren ook niet meer gebroed had, scheen zij dit nog eens te
â w
I
.k
HOENDERBOEK.
willen probeeven. Wij gaven haai' een nest eu legden er eieren in, waarop zij onmiddellijk ging broeden, doch /ij liep na acht dagen broedens van de eieren af, daar zij misschien inzag, dat het op haren leeftijd toch niet meer paste om nog jongen ter wereld te brengen.
De hoenders beginnen gewoonlijk in Januari of in het begin van Februari te leggen, doch dit hangt er ook al zeer veel van af, of er een strenge dan wel een zachte winter is geweest, en of het hok warm ot koud is gelegen. Evenzoo draagt een goed voedsel zeer veel daartoe bij. Een zeer goed voeder in den legtijd zijn aardnoten. Men vermengt deze, na ze gespleten te hebben ongeveer in eene verhouding van 1 : 10 met tarwezemelen ot griesmeel. Deze wijze van voederen is van buitengewoon gunstigen invloed op het eierleggen; wij hebben er de verrassendste uitkomsten door verkregen. Gedurende den legtijd is het onze gewoonte aan onze hoenders een aldus bereid voedsel te geven, hetgeen ze met smaak eten. Op den middag en 's avonds moet men hen, zooals te begrijpen is, nog graan geven.
Zoo lang het kond blijft, worden de hoenders niet gemakkelijk broedsch. Wanneer men evenwel in den winter eene hen heeft, die broedsch is, zal men toch verstandig doen, ze niet te zetten, daar het toch nog zeer moeie-lijk gaat de kuikens die ze krijgt, groot te brengen. Zulk een broedsel gelukt maar zeer zelden. Men kan ons evenwel tegenwerpen, dat er menschen zijn, die den geheelen winter door kuikens teelen; volkomen waar, doch deze kweekers voeden alleen vogels op voor keukengebruik. Deze kuikens worden kunstmatig groot gebracht en gemest door ze met grutten, met melk, visch of eieren te voederen, en als ze 5 a 0 weken oud zijn, geslacht en naar de markt gebracht. Voor teelvogels zijn deze op dergelijke kunstmatige wijze grootgebrachte dieren evenwel nimmer geschikt. Wij kunnen hier aanstippen, dat de boeren, die zich op de kuikenteelt toeleggen ongeveer geen van allen broedmachines gebruiken voor het uitbroeden der eieren. De meeste, zoo niet alle, van die winterkuikens, zijn Ramelslohers; ook worden Ramelslohers als broedhenneu gebezigd. Wij zeiden reeds vroeger, dat Ramelslohers uitstekende broedsters zijn; zij brengen 3 a 4, ja soms nog meer broedsels achter elkander voort. De winterkuikenteelt in de onmiddellijke nabijheid van Hamburg, en verder op Hamburgsch grondgebied, alsmede in Hanover, is werkelijk grootsch te noemen eu zeer
22
HOENDEKBOEK.
belangrijk-; in een volgend hooldstulc stellen wij ons vour, breedvoerig te beschrijven. Voordat de kip nog mot leggen begint, krijgt zij eenen rooden kam, een zeker teeken, dat zij spoedig zal beginnen te leggen. Een of twee dagen vóór het leggen van het eerste ei, neemt de hen de nesten, welke natuurlijk tijdig in orde gemaakt zijn, in oogenschouw, als wilde zij er een uitzoeken. Bijna altijd leggen de hoenders alle eieren in het eenmaal gekozen nest. Dikwijls gebeurt het, dat twee hennen hetzelfde nest kiezen en tegelijk willen leggen. Men moet ze maar rustig haren gang laten gaan ; ze zullen elkander in dat eene nest zeer goed verdragen. Natuurlijk moot men in verband niet hot getal hoenders oen genoegzaam aantal nesten gereedmaken, en wel voor elke drie kippen één nest; de vogels leggen toch niet alle tegelijk.
Eene kip legt per dag nooit meer dan één ei, doch geen regel zonder uitzonderingen ; de mogelijkheid bestaat namelijk, dat eene kip des morgens zeer vroeg en dan nog eens op den laten avond legt, doch dit behoort tot de groote zeldzaamheden. Het tweemaal per dag leggen wordt door enkele deskundigen geheel bestreden; het geval heeft zich bij mij toch voorgedaan. Ik hield eenen haan en drie hennen Goudlaken-Paduahoenders in ééue ren, welke voortdurend afgesloten was, en waarin dus geene andere hen kon komen. Dagelijks nam ik zelf tegen den avond de eieren weg en had verscheidene dagen achter elkander drie eieren uit de leghokken gehaald, toen ik op den volgenden avond tot mijne groote verbazing vier eieren in de nesten vond. Do kippen leggen bijna altijd in den voormiddag en geven, nadat ze het ei gelegd hebben, dit door een geluid te kennen, dat men âkakelenquot; noemt. Wanneer van een aantal hoenders de eerste hen, welke met het eierleggen begint, het allereerste ei heeft gelegd, dan kakelt zij gewoonlijk niet alleen, doch dan vallen alle in koor in, en de haan vooral doet dapper mede. Eon oningewijde zou dan allicht denken, dat alle hennen tegelijk gelegd hadden, vol blijdschap gaat hij op hot leghok af, doch ziet zijne dwaling spoedig in, daar hij slechts één ei vindt. Men kan wel aannemen, dat de vogels hunne blijdschap over het gelegde oi te kennen geven, en hot niedokakelen verklaren als eene belofte van do andere hoenders, om ook spoedig met leggen te beginnen, uit dankbaarheid dat zij den geheelen winter door zorgvuldig gevoederd zijn. Dikwijls vindt men niot eens een ei: de legtijd is ondanks het kakelen nog niet eons
23
IKIKNDKKHOKK'.
begonnen; maar men moet zich nu niet na de mislukte i'eiw naar het hoenderhok de haren uit liet hoofd trokken, men moet maar liever deuken, dat de hennen him eierlied alleen eens hebben bestudeerd. Als de hoenders een dergelijk gekakel aanheffen, komen /.e ook spoedig aan den log, eu hoe genotvol is het dan niet. de eerste eieren te rapen! Wanneer eeue hen, die gaarne broedt, een aantal eieren gelegd heeft, toont zij hare neiging tot broeden. Hoe men dit zien kan, welke eieren men verder voor het broedsel moet uitzoeken en over de behandeling der broedhenneu enz., hierover zal het volgende hoofdstuk handelen.
wjmmm
msmmsÃsmm
WÃÃmmÃm
OVER, HEÃ BROEDEN.
Wanneer eeue kip bioedsch wordt, herkent men dit hieraan, dat zij op liet nest blijft zitten, waarin zij gewoonlijk hare eieren legt. Nadert men haar, dan rijzen hare vederen overeind, en wanneer zij zuiver klokt, kan men ze gerust aanraken j zij zal het nest niet meer verlaten.
Evenwel is het aanbevelenswaardig, de hen, alvorens men ze voui' goed zet, d. vv. z. haar broednest in gereedheid brengt, rustig nog eenige dagen op haar eigen nest te laten zitten; zoodoende zal zij vaster broeden. Nimmer moet men eene hen in het hoenderhok te broeden zetten, aangezien zij door de andere hoenders gestoord zoude worden, daar deze in het broednest hare eigen eieren willen leggen; daarbij tracht de haan,vooral wanneer het eene zijner lievelingshelmen is, haar van het nest te jagen, enz. Wanneer men nu evenwel niet over eene plaats beschikken kan, waar men de kloek rustig kan laten broeden, en men derhalve genoodzaakt is, het hoenderhok toch te moeten gebruiken, zoo dient men eene inrichting te maken, waarin men de hen opsluit, zoodat zij ten minste door de andere hennen niet lastig gevallen kan worden.
Is dit afgescheiden gedeelte groot genoeg, dan zet men daar ook wat voeder en water in en vooral wat zand. Is dit niet het geval, dan moet
HOENDEHBOEK.
men de broedheu dagelijks eenmaal van liet nest nemen, eten en drinken geven, en haar in do gelegenheid stellen, zich in liet zand te baden; daarna zet men ze weder op hot nest. Wanneer do hen bij liet eten, enz. wat lang van hot nest afblijft, laat men haar stil begaan. Sommigen zijn bang, dat de eieron te kond worden en dat daardoor do vrucht sterft; doch deze vrees is geheel en al ongegrond.
liet allerbeste is evenwel, do broedhon niet in het hoenderhok te plaatsen, maar naar eeno rustige plaats te brengen, waar zij van de andere hoenders niets hoort of ziet. Maar aangezien haar dit verblijf en de omgeving daarvan geheel vreemd is, zoo moot zo eerst vast broeden, alvorens men ze er heen brengt; want als ze niet zoor goed broedsch is, dan zal zij door de nieuwe zaken, welke zij om zich hoon ziet, niet licht op de eieren blijven zitten. Wanneer zij echter roods eenigo dagen op haar nest in het hoenderhok rustig heeft zitten broeden en dit niet verlaten hoeft, wanneer men haar aanraakte, dan is haar lust tot broeden zóó groot, dat zij zich door niets meer zal laten alleidon, en met gerustheid kan men haar op do broedoioren zetten. Het best zet men ze op den grond, maar vooral op eene rustige plaats, waar zij door niets gestoord wordt. Om een goed nest te maken, legt men metselsteenon in oenen kring op den grond en vult don kring met wat hooi op, waarna men daarop de uit te broeden eieren plaatst. In plaats van steenen kan men ook een laag kistje of eene mand nemen, als men er maar op bedacht is, dat de rand van het nest niet te hoog wordt, omdat anders de broodhen, als ze eens van de eieren af is geweest en er weder op zal gaan zitten, van don rand in het nest moet springen en daardoor allicht eieren kan breken. Op do volgende wijze kan men oveneens een zeer goed broednest maken: na oenen strooring ter dikte van oenen arm ongeveer gevlochten to hebben, waarvan de middellijn zoowat met de grootte van eene kip overeenkomt, legt men op don grond eene flinke laag hooi of stroo en daarop den krans; om den krans logge men oenige steenon, zoodat hij vastligt. Op zulk een nest willen de hoenders zeer gaarne broeden.
Eieren, die men wil laten uitbroeden, moeten liefst niet ouder zijn dan hoogstens veertien dagen. Bij dagelijksche omkeering en koele bewaarplaats kunnen eieren van zelfs eene maand oud nog zeer goede resultaten opleveren. Geheel versche eieren zijn echter altijd het beste; vorder moeten
26
IlOENUEKBOEk'.
zij niet vuil zijn; is dit het geval, dan moet men ze zorgvuldig atwartscheu vóói' ze ouder de hroediiou te leggeu. (lebarsten eieren getuigen vaneeue dunne schaal en zijn voor uitbroeden ongeschikt. Als de scheur slechts zeer klein is, kan men die in allen gevalle dichtmaken, doch dit doet men uatuurlijk alleen hij zeer kostbare broedeieren; hot is toch altijd at te keuren, want gewoonlijk verongelukken deze eieren toch onder het broeden. Uebeurt het, dat de broedhen een ei aan stukken trapt, waardoor natuurlijk de andere eieren en het nest bevuild worden, dan moet men behoedzaam de eieren uit het nest nemen, ze met lauw water voorzichtig afwas-schen zonder ze te veel te schudden, waarna men ze weder aan de broedhen in een nieuw nest geeft, dat men vooraf in gereedheid heeft gebracht. Men gebruike voor broedeieren liefst die van tweejarige hoenders. 0ollt; moet men er vooral op letten, dat de hoenders, waarvan men de broedeieren verzamelt, gezond en zonder gebreken zijn. Dragen de oude hennen b.v. de staarten scheef, zoo zullen de daaruit getrokken kuikens al zeer licht hetzelfde gebrek hebben; want scheeve staarten zijn erfelijk, en vooral erven de jongen deze fout, wanneer de haan aan dat gebrek euvel gaat, omdat de kuikens bijna altijd meer op den haan gelijken dan op de hen. De eerste eieren, die door de hen gelegd worden, zijn zelden bevrucht; men gebruike die dan ook liever niet voor broedeieren.
Bjj de boeren heerscht nog steeds het bijgeloof, dat men uit langwerpige eieren hanen en uit ronde hennen kweekt; dit toch is een sprookje; bijna iedere hen legt een anders gevormd ei, de eene geeft over het algemeen ronde, de andere weer langwerpige eieren. Zelf heb ik-'t is lang geleden de proef genomen, om aan eene broedhen twaalf uitgezochte ronde eieren te geven. Hiervan kwamen tien kuikens uit, doch juist met hot tegenovergestelde resultaat; er waren slechts twee hennen en daarentegen acht hanen bij deze kuikens. Eene proefneming met zorgvuldig daartoe uitgezochte spitse eieren leverde eene zelfde uitkomst, in plaats van enkel haantjes kwamen er voor twee derde henkuikens uit. De vorm van liet ei doet er ons inziens dus niets toe, of er een haan of eene hen van komen zal. In den regel kan men aannemen, dat van eenen jongen haan meerendeels hanen en van eenen ouden haan meer hennen gekweekt worden.
Menigeen, die nog een leek is in de hoenderfokkerij meent, dat aan de broedhen slechts eieren moeten te broeden gegeven worden van hetzelf-
27
IIOHNHKUIUIKK.
de ras, waartoe deze behoort. Dit is werkelijk eeue dwaling. Eene broedhen broedt alle eieren uit, die men haar geeft, onverschillig hoe de kleur dei-eieren is, en ook of het hoender-, fazant-, kalkoen-, eenden-of ganzeneieren zijn. Toch is het verkeerd om aan eene groote hen kleine Bantam-eieren te broeden te geven. Eene Cochinchina- of Brahmapoetrahen zal door haren forschen lichaamsbouw uiet alleen zulke eieren dikwijls breken, maar ook vooral de pas uitgekomen kuikentjes dooddrukken.
Zoo doet ook het praatje de ronde, dat men eeue hen een oneven getal eieren moet geven, doch ook dit is natuurlijk eene fabel ; de hoofdzaak i.s, eene broedhen niet meer eieren te broeden te geven, dan zij behoorlijk bedekken kan. Wanneer de kloek wat wild is, doet men goed, om ze des avonds bij het invallen van het duister op het nest te plaatsen; ze blijft dan beter zitten, dan wanneer men ze overdag zet. Wil zij dan nog uiet op het nest gaan, terwijl men toch de overtuiging heeft, dat ze goed broedsch is, omdat zo verscheidene dagen op het nest in het hok heeft gezeten, dan plaatst men haar met geweld op hot broeduest en bedekt haar met eene platte mand, zoodat zij moet blijven zitten. Zeer vroeg in den ochtendstond, liefst nog met schemerdonker, neemt men do mand weg en dan zal zij hot nest niet meer verlaten. Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat men trachten moet eene dergelijke wilde broedhen nog minder te storen dan eene andere. Wanneer men in hare onmiddellijke nabijheid iets te verrichten heeft, moet men zacht te werk gegaan, vooral alle geraas vermijden eu de plek, waar zij zit te broeden zoo spoedig mogelijk weder verlaten. Alvorens kostbare broedeieren te doen uitbroeden, legt men eerst gewone eieren in het nest, opdat de hen dit hiermede eerst naar haren wensch kunne schikken. Den volgenden dag neemt men de voorloopig gegeven eieren weg, en legt daarvoor de gewenschte broedeieren in de plaats. Heeft men verscheidene broedhennen, dan doet men goed twee kloeken te gelijk te zetten; bij het uitkomen geeft men aan ééne hen al de kuikens. Zijn de broedhennen van het Cochinchina- of Brahmapoetraras of van eene broedlustige kruising, zoo geeft men aan de hen, wier kuikens zijn afgenomen, terstond weder nieuwe eieren en zet tevens nog eeue hen op een ander nest. Na verloop van drie weken vertrouwt men de hen, die reeds twee broodsels uitbroedde, al de jongen toe en zet tegelijkertijd met de overgebleven kloek weder eene nieuwe broedhen op eieren. Op deze wijze
28
HOENPRRBOEK.
heeft men steeds twee hennen te gelijk aan het broeden en behoeft tocli maar voor eene nieuwe bvoedhen te zorgen.
Als broedhennen munten uit, zooals reeds meermalen gezegd is, do Cochinchina's en Brahmapootra's on de kruisingen van Cochinchina- en Brahmapoetrahanen met boerenkippen, verder Ramelslohers, Zijdehoenders en alle Bantamsoorten.
Ook kalkoenen gebruikt men veel, om eieren uit te broeden, en dikwijls worden deze door menig liefhebber verkozen boven elke andere hoendersoort. Niet te verwonderen; want men kan onder eene kalkoen 25 a 30 hoendereieren leggen, en ze zal ze alle goed bedekken. Ook is de kalkoen eene onvermoeide broedster, en kan men de uitgekomen kuikentjes van haar wegnemen en haar opnieuw versche eieren geven; zij zal rustig voort-broeden. Dit kan men gerust vier of vijfmaal, ja soms nog meerdere malen herhalen. Kalkoenen zijn dikwijls zóó sterk broedsch, dat zij er niet aan denken het nest te verlaten, om to gaan eten. Dikwijls is het dan ook gebeurd, dat, wanneer ze niet van het nest genomen werden, zij daarop doodhongerden. Wanneer dus eene kalkoensche hen gedurende een paar dagen het nest niet verlaten heeft, moet men ze er afnemen en haar voedsel en water toedienen. Wanneer ze nu niet vrijwillig eet, dan moet men ze stoppen, zooals men eene vet te mesten kip of gans doet. Wij voor ons zijn niet zoozeer met kalkoenen als broedhennen ingenomen, hoe ze ook elders worden aangeprezen; bij ons braken ze zeer veel eieren en drukten zij verscheidene kuikens dood. Wij geven boven ééne broedsche kalkoen de voorkeur aan twee goede hoenderkloeken; de uitkomsten waren in dit geval steeds gunstiger. Broedhennen van de hierboven aangehaalde soorten zullen in den regel de eieren niet ontijdig verlaten ; toch kan dit wel eens gebeuren, of eene broedhen kan op het nest dood blijven, hiervan heeft ieder kweeker van eenigen naam de ondervinding; maar dan moet men de eieren niet dadelijk verloren achten, want het kuiken heeft grootere levenskracht dan menigeen wel deuken zou. In de tweede helft van hot broedproces (de broedtijd duurt 21 dagen) is het bewezen, dat do bobroede eieren zelfs twee dagen lang door de kloek kunnen verlaten zijn, d. w. z. in den vollen zomer, niet in het koele voorjaar; de diertjes zullen dan nog leven. Doch zoolang behoeft het dan ook waarlijk niet te duren, voor dat men eene nieuwe broedhen heelt, vooral
29
HOENDERBOEK.
wanneer het niet al te vroeg in het voorjaar gebeurt; in April en Mei is men steeds goed van broedhennen voorzien. Broedeieren nu, die oin de eene af andere reden door de kloek verlaten zijn, hebben iets langer tijd noodig, misschien éénen dag, om uit te komen. Broedeieren, die even oud zijn, komen te gelijk uit. Niet versche eieren hebben altijd eenen dag langer noodig.
Wanneer men nu reeds eene hen gezet heeft en men krijgt eenen dag later geheel versche eieren, die men gaarne wil uitbroeden, zoo kan men die gerust nog bij die hen leggen, daar zij, pas gelegd zijnde, te gelijk met de andere zullen uitkomen. Men plaatse de kloek in eene ruimte, die zoo groot is, dat zij telkens naar goedvinden het nest kan verlaten om te eten en aan hare dierlijke behoeften te voldoen. Behalve voedsel moeten de vogels ook een hoopje droog zand tot hunne beschikking hebben, ten einde zich te kunnen baden. De uitwerpselen moet men dagelijks verwijderen, anders trappen de broedhennen er in, en bevuilen op die wijze de eieren. Tiet voedsel moet alleen uit graan en water bestaan, geen geweekt ot groenvoe-der, omdat ze daarvan dikwijls diarrhee krijgen en dan de eieren licht vuil maken. Dagelijks moet men de nesten onderzoeken; daartoe lichtte men de kloek onder de borst wat op, om te zien of er ook eieren gebroken zijn. Tiet geschiktste tijdstip daartoe is echter het oogenblik, dat de kloek het nest heeft verlaten, om te eten. Wanneer er eieren gebroken mochten zijn, dan handele men zooals reeds boven is aangegeven. Wanneer eene kloek zóó broedsch is, dat zij op den derden of vierden dag het nest nog niet verlaten heeft, dan moet men ze voorzichtig van het nest lichten en bij het voedsel op den grond zetten. Wanneer de vogel echter niet eetlustig i« en weder op het nest wil, laat men haar stil begaan, eindelijk zullen honger en dorst haar wel dwingen.
Eenige jaren geleden deed zich een zonderling geval bij mij voor. Eene kloek, kruising van Cochinchinahaan en boerenkip, zat bij mij te broeden on wel zóó ijverig, dat zij er niet aan dacht om te eten. Of ik haar al van het nest nam, het hielp niet; dadelijk zocht zij de eieren weder op. Den negentienden dag at zij voor het eerst en voldeed zij voor het eerst ook aan hare natuurlijke behoefte. Tk was bang, dat het dier zou verhongeren of zoo mager worden, dat zij te weinig warmte van zich zoude afgeven ; deze vrees bleek evenwel ongegrond, daar van de veertien onder-gelegde eieren op den juisten tijd tien kuikens uitkwamen.
30
HOENDERBOEK. ;{]
Het verdient groote aanbeveling, op den grond en tnsschen het stroo van het nest wat perzisch insektenpoeder te strooien, ten einde ongedierte te weren. Laat men dit na, dan komen vooral bij heote zomerdagen ontelbare zoogenaamde kippenhuzen, eene soort van mijten, opzetten, die het arme dier zoo kwellen, dat zij geen lust heeft, om verder te broeden en het nest verlaat. Het is een evengoed middel om onder het nest zeer fijn kalkpuin te strooien. De scherpe kalkstof belet dan het ongedierte zich daarin te nestelen.
In het heete jaargetijde doet men goed, wanneer de vogels niet buiten zitten te broeden, het nest op eene versch gestoken graszode te plaatsen en deze dan natuurlijk, aan de buitenzijden een- of tweemaal in de week nat te houden. De aarde van de graszode zuigt het water op en houdt de eieren zoodoende ook vochtig. Met is namelijk bewezen, dat, wanneer bij groote hitte de eieren te droog worden, de kuikens in de eieren sterven, alvorens hunnen vollen wasdom te hebben bereikt.
Droge warmte doet menig broedsel teloor gaan. Ook kan men do eieren met een met lauw water bevochtigden doek verfrisschen, doch het eerste middel is beter, daar de kloek hierbij het minst gestoord wordt. De kloeken, die buiten vrij zitten te broeden, gaan steeds 's morgens van de nesten af, bevochtigen alsdan in den morgendauw hunne buikvederen en deelen zoodoende de benoodigde vochtigheid aan de eieren mede.
Wanneer men geen goed verwarmde plaatsen heeft, waar men de kuikens kan grootbrengen, doet men verstandig, niet te vroeg in het voorjaar met broeden te beginnen. Al is het weder in den beginne fraai en al hebben de kuikens reeds den leeftijd van eenige weken bereikt, en wordt het weer dan guur en koud, dan houdt het groeien der kuikens op, en men haalt dit verlies niet weder in. De meest geschikte tijd, om met broeden te beginnen is April of Mei. Al kan dan het weder ook nog wol eens guur zijn, dan duurt dat toch zoo lang niet. Is het najaar mooi, dan kunnen do zoogenaamde herfstkuikens nog goed worden; toch blijven zulke vogels meestal zwak en krijgen niet do natuurlijke grootte.
|
iKiFröSS............................... .................... |
4 | |
|
1 H i | ||
|
â ' v.- wn --------------- ----- -- . |
OVER HET UITKOMEN DER KUIKENS.
Tiet valt niet te ontkennen, dat ieder kweeker zonder onderscheid, liefhebber of niet, met oene zekere spanning den dag tegemoet ziet, waarop het broedproces afgeloopen zal zijn en de kuikens het daglicht zullen aanschouwen, en daarom is het van het grootste belang te weten, of men kuikens te verwachten heeft; de eieren kunnen namelijk onbevrucht geweest zijn, en van deze is natuurlijk niets to verwachten.
Ten einde nu zekerheid te hebben, of de ondergelegde eieren al of niet bevrucht zijn, neemt men de eieren, nadat ze zes ïi zeven dagen bebroed zijn, in de volle hand en beziet ze tegen de zon of tegen een of ander licht. De bevruchte eieren zullen dan ondoorschijnend en troebel, de onbevruchte daarentegen even helder en doorschijnend zijn als pas gelegde. Wanneer de kloek zeer wild is, laat men dit onderzoek liever na, ol' men vergenoegt zich een paar eieren te onderzoeken. Levert dit onderzoek een gunstig resultaat op, dan moet men hiermede tevreden zijn, en verder afwachten. De onbevruchte, zoogenaamde schiere eieren verwijdert men, en gebruike ze in het huishouden, waarvoor zij nog zeer goed geschikt ziju. Wil men dit niet, vindt men het toch altijd min ol'meer onsmakelijk, dau bewaart men ze en gebruikt ze later als kuikenvoeder.
f
LANGSHANS MET GLADDE POOTEN.
Rechtstreeks uit Noord-China ingevoerd.
HOENDKRBOEK. 33
Bijna bij elk broedsel bevinden zich eenige onbevruchte eieren. Heeft men nu, wat zeer aan te bevelen is, twee kloeken te gelijk gezet, en toont het onderzoek der eieren aan, dat slechts ongeveer de helft van ieder broedsel bevrucht is, dan geeft men aan de eene hen al de bevruchte eieren en aan de andere een versch nest broedeieren. Men verzuime niet, het nest weder van insektenpoeder te voorzien. Het niet bevrucht zijn van eieren komt overigens slechts dan voor, wanneer men den haan te veel hennen gegeven heett. Heeft hij er zes of hoogstens acht, dan kan men bijna zeker zijn, dat, indien de haan volkomen gezond en krachtig is, alle eieren bevrucht zullen zijn.
Sommige hanen hebben veel meer geslachtsdrift en zijn vruchtbaarder dan andere. Een kennis van mij heeft bij éénen haau dertig hennen loopen ; het is een vurige Italiaansche haan. Dertig eieren van deze kippen werden onder twee kloeken gezet. De uitkomst was schitterend: 21) sterke kuikens kwamen er van uit.
Men kan met recht zeggen, dat liet ei op zichzelf een wonder der schepping is, wanneer men de snelle ontwikkeling nagaat van het daarin ontstaande dier. Deze ontwikkeling is uitstekend weergegeven in het volgende, dat ontleend is aan het uitgelezen werk: âDas kiinstliche Aushrüten und die Hühnerzuchtquot; (âd e kunstmatige b r o e i e r ij en de hoenderteeltquot;) door Hermann Baumeijer te Dresden (Hamburg, uitgave van I. F. Richter). Baumeijer zegt over âde v o r m i n g van het e m b r y o van het hoen in hete i,quot; âde beschouwing van het levende embryo in het ei vervult iedereen met de grootste bewondering.quot; De duitsche dichter Eberhard te Balie zegt in zijn werkje: â Hcinnchen und die Kilchleinquot; (â J a n s j e en de kuikentjesquot;) het volgende:
«Hiitte mir,quot; spracli sie, «dei' Himrael verehrt die Gabe der Dichtkunst;
Hier, beiin Neste des Hulms, in Bewnnderung freudig versunken,
Sollte das heiligste Lied zum Preise des Schopfers erldlngen.
So viel Kier das Huhn ausbrütet im schweigenden Neste,
So viel Wunder entstehen daim plötzlich den lilicken entsehleiert.quot;
«Had mij,quot; zoo sprak zij, »de Hemel vereerd met de gave der dichtkunst:
Hier, bij hot nest van het hoen, in stomme bewondering verzonken.
Zon dan het heiligste lieu tot lof van den Schepper weêrklinken.
Zooveel eieren 't zwijgende hoen in zijn nest uitbroedt,
Zooveel wondren worden er plots'ling onzen blikken ontsluierd.quot;
3
HOENDKRHOEK.
Wij hebben ons voorgenomen deze ontwikkeling na te gaan en uitvoerig te bespreken; vooraf echter willen wij eene afzonderlijke beschrijving van de samenstelling van het ei geven, aangezien de bekendheid met de verschillende deelen van het ei noodzakelijk is, om beter de verschillende gebeurtenissen te begrijpen, die bij de vorming van het embryo plaats hebben.
Het inwendige van het ei is veel samengestelder dan eene oppervlakkige beschouwing daarvan zou doen verwachten.
Figuur 1 stelt de doorsnede van een hoender- of eenig ander vogelei vergroot voor. In deze figuur is:
a de schaal. Deze bestaat uitsluitend uit koolzure kalk; zij is bij hoendereieren helderwit, uitgezonderd bij eieren van Cochinchina-hoenders en bij die van andere aziatische rassen, die eenigszins geelachtig gekleurd zijn ;
h de p er k a m e n t a ch t i g e huid, welke vlak onder de harde schaal ligt en deze van binnen volkomen bekleedt. Deze huid bestaat zelf weêr uit drie huidjes; waarvan men zich kan overtuigen, door ze in water te weeken. Onder den mikroskoop blijken deze drie huidjes niet te bestaan uit eene gelijkvormige massa, zooals glas, maar zijn opgebouwd uit in elkander verwarde vezeltjes, evenals papier;
c het buitenste eiwit, dat het meest vloeibare is en bij het stukslaan van een ei het eerst wegvloeit. Hierop volgt:
34
HOENDERBOEK.
d het dikkere eiwit, dat na het dunne wegloopt en hierbinnen ligt;
e het dikste eiwit, dat aan den dooier schijnt te hangen, en f de zoogenaamde hagelsnoeren insluit, die te herkennen zijn aan hunne witte vlokkige hoedanigheid en waardoor de binnenste bestanddeelen van het ei in hunnen normalen vorm en ligging gehouden worden. Evenals de kiemschijf worden ook de hagelsnoeren wel eens hanetreden genoemd.
Aan het stompe gedeelte van het ei bevindt zich:
cj eene luchtlaag, omtrent wier bestemming en werkzaam aandeel in de ontwikkeling wij later bij de verklaring van de vorming van het embryo zullen uitweiden.
Midden in het ei ligt:
l de dooier, die door
m de d o o i e r h u i d, een zeer fijn huidje, ingesloten wordt.
Op den dooier vindt men:
h de hanetred of hanetreê, de kiem, waaruit het kuiken gevormd wordt. Deze kiem bestaat uit drie laagjes: het slijmblad, het bloedvatenblad en het bloedweiblad.
Onder de kiem bevindt zich:
i de holle gang, die naar
k de centraalholte voert. Deze is met een weinig eiwit-houdende vloeistof gevuld.
Wij stellen ons voor later meer breedvoerig terug te komen op de plaatsing van de kiem en het doel van den hollen gang.
Wanneer het ei door warmte van buiten, hetzij door de natuurlijke warmte der broedhen, of door de kunstmatige warmte van de broedmachine bebroed wordt, dan wordt door de inwerking van die warmte de schijnbaar doode massa van het eiwit en van den dooier door de levenskracht omgezet in vleesch, bloed en beenderen, zonder dat van buiten iets anders tot die gedaanteverwisseling bijdraagt dan de warmte, en zonder dat, zooals men vroeger beweerde, kalk van de eierschaal daartoe zoude dienen. Van eenen physieken invloed van den broedenden vogel op het embryo is evenmin sprake; tot die overtuiging ben ik gekomen dooide uitkomsten van talrijke en nauwkeurige onderzoekingen. De kunst-
35
HOEN OERBOEK.
matig bebroede eieren en uitgebroede kuikens onderscheiden zich in niets van de natuurlijk bebroede eieren en uitgebroede kuikens; beide zijn elkander in elk opzicht volkomen gelijk. Nog steeds vindt de stelling, dat de broedende vogel op het embryo eenen physieken invloed heett, talrijke verdedigers; doch deze stelling wordt ook door andere proefnemingen voldoende tegengesproken. Dikwijls laat men door hoenders eendeneieren en door eenden hoendereieren uitbroeden. De jonge eend zoowel als de jonge kip verliezen hierdoor geenszins de door de natuur hun toebedeelde eigenschappen, zij behouden dezellde geaardheid, die zij zouden hebben, als zij door individuen vau hare eigene soort uitgebroed waren.
Onder den invloed van de warmte van buiten rijst de dooier, welke bij een versch ei steeds in het midden van het ei zweeft en die aan alle zijden gelijkmatig door eiwit is omgeven. Hij komt nu vlak tegen de schaal aan te liggen, waardoor de op den dooier rustende kiem de van buiten komende warmte onmiddellijk opvangt. De doeltreffende samenstelling van den dooier (figuur 1 l, h, i, k) moet wel de bewondering opwekken van den nadenkenden en onderzoekenden mensch, wien het hierdoor opnieuw duidelijk wordt, hoe de natuur ook in het schijnbaar kleine en onbeduidende grootsch en verheven is.
Ouder de kiem (fig. 1 lï) loopt, zooals wij reeds aangaven, eene holle gang (fig. 1 i) naar het middelpunt van het ei. Deze holle gang houdt de kiem steeds naar boven gericht, omdat aan het benedeneinde van de gang zich het zwaartepunt van den dooier bevindt, waardoor de kiem steeds naar en loodrecht op het horizontale bovenvlak wordt gericht, ledereen kan zich zeer gemakkelijk hiervan overtuigen. Indien men namelijk met een mes op de lange zijde van het ei bij het stompe gedeelte de schaal voorzichtig stuk slaat, zoodat er een beetje lucht kan ontsnappen, en dan op de lange zijde van het ei de schaal zachtkens doorbreekt en daarvan zooveel wegneemt, dat men het binnenste gedeelte van het ei zien kan, zoo neemt men op den dooier een lichtgeel vlekje waar; dit is nu de hanetreê of kiem. Nu kan men het ei draaien naar welke zijde men ook wil en toch zal men de kiem steeds aan de bovenzijde zien.
Door de inwerking van eene warmte van 32quot; Reaumur (40quot; Celsius, 104:quot; Fahrenheit) rijst dus de dooier en komt onmiddellijk tegen de schaal te liggen. De dooier begint er nu na korten tijd geheel anders uit te zien;
86
nOENDEKBOEK.
rondom de kiem vormen zich donkere wolken en strepen (flg. 2). Het kiemblad splijt zich nu in de drie vroeger genoemde bladen: in het bloed-weiblad, het slijmblad en het bloedvatenblad.
Na een twintigtal uren broedens ziet men op den dooier donkere strepen en rondom de kiem vertoonen zich donkerbruine stippen. Na dit tijdsverloop heeft zich de inhoud van het ei reeds belangrijk veranderd. Dit kan men het beste zien, wanneer men een on bebroed ei daarmee vergelijkt.
Na 24 uren broedens (flg. 2) heeft zich om de kiem en daarboven, terwijl deze laatste een weinig gezakt is, eene dunne vloeistof gevormd, welke als een kleine, donkere kring zich om de kiem vertoont, terwijl do na 20 uren broedens aanwezige bruingeverfde stippen reeds bij de 24 uren broedens eene roode kleur aannemen. Na 30 uren beginnen deze roode stippen, wier aantal reeds aanzienlijk is vermeerderd, door zich te vereenigen, aderen te vormen. Deze aderen vormen de bloedvaten van de navelstreng van het jonge diertje. Verder ziet men ongeveer in het midden eene groote, roode stip, die in onze figuur aangewezen is; dit is de eene helft van het hart. Deze stip heeft de eigenschap van afwisselend te verschijnen en te verdwijnen. Dit spel ontstaat daardoor, dat het bloed afwisselend van de eene helft van het hart naar de andere overloopt. Het hart is hier namelijk nog langgestrekt, nog niet normaal gevormd en de andere helft ligt meer naar binnen gekeerd, dichter bij het middelpunt van het ei. zoodat men de eerste als de voorste en de laatste als de achterste helft van het hart kan beschouwen.
De beide voorkamers of boezems van het hart hebben zich nog niet
37
HOENDERBOEK.
vereenigd, en alleen de voorste hartkamer is zichtbaar, terwijl de achterste nog aan het gezicht onttrokken is. Vandaar dat men het bloed niet van de eene hartkamer in de andere kan zien loopen en omloopen; alleen het stroomeu in de voorste hartkamer en het daaruit wegvloeien openbaart zich door het verschijnen en het verdwijnen.
Na 36 uren bemerkt men twee roode stippen (hg. 3), die afwisselend verschijnen en verdwijnen. De bloedvaten van de navelstreng en over 't
algemeen alle bloedvaten zijn intusschen merkbaar grooter geworden en thans is ook het hart zoo geplaatst, dat men de beide kamers kan zien. Het embryo zelf is ook reeds zichtbaar als eene lang-gestrekte, witte geleiachtige massa.
Na 45 uren begint het langwerpige embryo krom te worden. De ligging van liet embryo wordt daardoor reeds duidelijk.
Op den derden dag worden de bloedvaatjes van den kop en van andere lichaamsdeelen zichtbaar (fig. 4.)
Op den vierden dag komen de oogen en de hersenblazen te voorschijn, en ziet men ook iets van de vleugclstompjes.
Fig. ba is eene vergroote afbeelding van het embryo buiten het ei.
Horsen blaas.
Fig. bb embryo in het ei; a amnionvloeistof (lamsvliesvocht).
Op den 3Cquot; en 6en dag beweegt het embryo zich reeds in het ei. De oogen hebben zich niet onbelangrijk ontwikkeld, terwijl in beide een ring zichtbaar is geworden, liet eiwit is dikker geworden en de dooier heeft een geheel ander aanzien gekregen. De bovenkaak is reeds duidelijk zichtbaar, daarentegen is de onderkaak nog niet goed zichtbaar. De
38
HOENDERBOEK.
vleugels en pootjes zijn grooter geworden, en men ziet de hersenblazen nu volkomen duidelijk.
Kig. 6 embryo vergroot, a onderkaak, A vleugel, c pooten, r/chorionhuid of glashuid zonder lamsvliesvoclit.
Met den 7quot;quot; dag is de ontwikkeling van het embryo en het grooter worden van de verschillende deelen zeer zichtbaar. De glashuid heelt den dooier reeds voor de helft ingesloten.
Op den 8quot;quot; en 9quot;quot; dag is de onderkaak duidelijk zichtbaar. Eik oog is
39
HOENDERBOEK.
nu van twee kringen voorzien. De hoeveelheid eiwit is merkbaar verminderd. Fig. 7, embryo met dooierzak, a, bloedvaatjes in den dooierzak, h bloedvaatjes in de glashuid; deze zijn helderder rood dan die in den dooierzak.
Op den 10⢠dag vertoont zich het oog nog meer ontwikkeld. Het spierweefsel wordt zichtbaar. Het begin van den aanleg der veeren kan opgemerkt worden. Ook kan men het oor waarnemen.
Op den 11quot;quot; dag krijgt men den aanleg der staartvederen enz., te zien.
Het oor wordt meer en meer zichtbaar. Boven de oogkassen bespeurt men de vorming van veertjes en tevens ziet men die nu ook op de andere deeien van het embryo.
(Fig. 8, zonder glashuid).
Op den 12'!quot; dag is de ontwikkeling van het diertje zoo ver als in tig. 9 wordt vertoont. Het eiwit, dat nu van het diertje gescheiden is, is geheel dik geworden. In fig. 9 ziet men den geheelen inhoud van het ei op den twaalfden dag.
a en h dooierzak, c bloedvaatjes in de glashuid.
Op den 13quot;quot; dag vormt zich op de pootjes de hoornigehuid en de teenen krijgen nagels.
Fig. 10 stelt nu weder de vrucht in het ei voor.
40
LANGSHANS MET BEVÃERDE POOTEN.
HOENDRKBOEK.
41
Op den 14quot;quot; dag omvat de glashuid of âmembrana Incidaquot; het binnenste gedeelte van het ei geheel en al, daar zij zich voortdurend onder de schaalhuid uitgebreid heeft. De dooierzak valt in elkander. Slechts
nog maar weinig eiwit is op te merken. De bovenste en onderste oog-leden komen tegen elkander en bedekken het oog. De klepjes boven de neusgaten, die de familie der hoenders karakteriseeren, worden duidelijk zichtbaar.
HOENDEKBOEK.
Op den 15on eu 16pquot; dag is het eiwit geheel en al verdwenen (lig. 12). De kop heeft zich naar de borst toegekeerd en bevindt zich ook reeds gedeeltelijk onder den rechtervleugel (lig. 13).
Van den 17⢠tot den 19lM' dag dringt zich de dooierzak door den navel in het lijf van het kuikentje (fig. 13).
Van den 19üquot; tot den 21''quot; dag heeft het uitkomen van het kuiken plaats; dit gaat bij het eene diertje vlug, bij het andere langzaam. In sommige gevallen duurt dit proces slechts één uur, meestal drie tot zes uren, soms duurt het wel 24 uur.
De luchtmassa, welke zich aan het stompe einde van het ei bevindt, en die trapsgewijze tot den 19'quot; dag in afmeting is toegenomen, zal nu bewijs geven van hare gewichtige beteekenis; nu is het oogenblik gekomen, waarop zij eigenlijk niet gemist kan worden. Want alleen de slechts met lucht gevulde ruimte kan het kuikentje gelegenheid geven zich in het ei te bewegen, zoodat het met den snavel tegen de schaal pikken kan. Zonder het aanwezig zijn van deze met lucht gevulde ruimte zoude het het kuiken niet mogelijk zijn, door krachtsinspanning bewegingen te maken, om zich uit zijnen kerker te bevrijden. Het kuiken pikt met den snavel tegen de schaal, terwijl het den kop nog onder den linkervleugel heeft. Hierdoor breekt in den regel de schaal in den vorm van een driehoekje ter grootte van eene erwt open. Daarna schuift of draait het kuiken zich langzamerhand in de schaal om, terwijl het gaandeweg naast de aangepikte gedeelten van de schaal blijft doorslaan. Met de pooten, die vóór den kop liggen, schuift het diertje zich telkens iets verder in de rondte, steeds doorgaande met pikken. â Door deze bewerking wordt gewoonlijk de schaal in twee deelen doorgebroken, waarvan het stompe gedeelte het kleinste en de spitse punt van het ei het grootste deel is.
Vroeger was men algemeen van oordeel, dat het voor het kuiken eene zware taak was, om uit het ei te voorschijn te komen, en geloofde men, dat de broedhen bij het uitkomen van de kuikens hun hulp bood ; zoo heeft men zich in beschouwingen verdiept en veronderstellingen gemaakt, die in geenen deele op waarnemingen en praktische ondervinding gegrond zijn en die geheel en al op eene dwaling berusten. Niet alleen dat hulp van buiten overbodig is, ze is zeer zeker nadeelig. De bloedvaatjes in de membrama lucida of glashuid bevatten nog bloed, als het kuiken een
42
HOENDERBOEK.
begin maakt om de schaal van het ei te verbreken. Wilde men in de schaal van buiten ergens eeue opening maken dan zou men zeer licht daardoor een bloedvaatje in de membrana lucida kunnen kwetsen, hetgeen den dood van het kuikentje tengevolge zou hebben.
])e krachtsinspanning, welke het kuikentje aanwendt, om uit het ei te komen, is werkelijk niet zoo groot, als men oogenschijnlijk wel denken zou. De stevige, harde schaal kan men niet beter dan met een gewelf vergelijken. Dit van buiten iu te drukken zou niet gemakkelijk gaan dooide spanning, waarin ieder doeltje tot het geheel staat; een lichte stoot daarentegen aan de binnenzijde heft de spanning op en verbreekt het gewelf.
Thans nog een enkel woord over de zich in het stompe gedeelte van het ei bevindende luchtbel, aangezien omtrent hare bestemming of baardoel door sommige natuurvorschers meeningen gekoesterd en veronderstellingen worden geopperd, welke ik door mijne talrijke en grondige waarnemingen gedaan, gedurende mijne veeljarige uitoefening der kunstmatige broeierij en der hoenderteelt, op zijn minst genomen in twijfel moet trekken. Sommige natuuronderzoekers namelijk beweren, dat de vrucht of het embryo dampkringslucht opslurpt, en deze tot hare ontwikkeling noodig heeft, en daarvoor zou de luchtbel dienen in het stompe gedeelte van het ei.
Legt men een ei te broeden, dan neemt de luchtbel bij het stompe gedeelte daarvan steeds in grootte toe, of het ei bevrucht is of niet, of zelfs wanneer het ei te oud is, waardoor de levenskiem zich niet meer kan ontwikkelen. Het grooter worden van de luchtbel heeft dus mechanisch plaats. Naarmate het ei door verdamping in volume afneemt, dringt daarvoor bij het stompe gedeelte eeno evenredige hoeveelheid lucht in. Indien dus de luchtbel niet tengevolge van de verdamping der eimassa ware ontstaan, en lag werkelijk eene physiologische werking van de luchtbel op de vrucht hier tot grondslag, zoo zoude toch ontegenzeggelijk een verschil van grootte der luchtbel op te merken zijn bij een bebroed en bij een nietbebroed ei.
, Indien werkelijk het embryo de zuurstof van de lucht absorbeerde, zoo zou hiervan het natuurlijk gevolg zijn, dat zich gassen zouden moeten afscheiden, die noch in de vrucht kunnen blijven, noch zich tot eene vaste stof kunnen verdichten. Deze gassen moesten zich door hunne physische eigenschappen steeds boven aan het gewelf van het ei bevinden, omdat ze specihek lichter zijn dan de eimassa en door deze zouden heendringen.
43
HOENDERBOEK.
En nu leert de ondervinding, dat zich daar alleen lucht bevindt, wanneer het ei bedorven is; maar dan baant zich deze lucht ook dikwijls bij het springen van de schaal met eeneu knal eenen uitweg.
Neemt men nu toch aan, dat de door de vrucht opgeslurpte lucht zich geheel tot vaste stof verdichtte, dat dus geene gassen afgescheiden werden, dan moest het gewicht van het ei uiet gaandeweg atnemen maar grooter worden, aangezien de verbruikte lucht bij het stompe gedeelte van het ei steeds evenredig wordt aangevuld. In alle geval zou het gewichtsverlies van het ei niet zoo groot zijn, als de zwaarte van de verdampte vochten. Tot staving van do meening, dat het embryo lucht tot zich neemt en voor hare ontwikkeling noodig heeft, beroept men zich op het teit, dat, wanneer men een ei met vernis bestrijkt, de vrucht dan sterft, daar alsdan geen lucht in het ei kan binnentreden. Doch door deze bewerking wordt do verdamping van het ei verhinderd en daardoor wordt do vrucht gedood.
Ten slotte valt hierbij nog op te merken, dat or in hot ei geen organen aanwezig zijn, om van buiten naar do vrucht dampkringslucht toe te voeren, waardoor de stofwisseling van hot ei gemeenschap met de buitenwereld zou hebben.
Nu zij het verre van ons, om afbreuk te doen aan het nut van het bestaan van de luchtbel aan het stompe gedeelte van het ei; doch wij houden vol, dat haar werkzaam aandeel in het broedprocos en het gewicht van haar bestaan eerst op den voorgrond treden bij het uitkomen van het kuiken. Zonder deze luchtbel â wij merkten het reeds vroeger op â zou het diertje geen beweging kunnen maken, om zich uit zijnen kerker te bevrijden. Bovendien zou ook de kleine vogel bij zijnen bevrijdingsarbeid in het ei noodwendig moeten stikken, .als de luchtbel er niet was, aangezien het diertje reeds ademt gedurende het doorbreken van de schaal. Dit verschijnsel vooral kan als bewijs dienen, dat de luchtbol gedurende de geheelo ontwikkeling van de vrucht niet daardoor gebruikt is geworden aangezien de daarin aanwezige lucht nog voor het ademen volkomen geschikt is. En dat de kuikens, als zij met het doorpikken van de schaal bezig zijn, reeds ademen, kan men als volkomen zeker aannemen, daar het dikwijls voorkomt, dat de kuikentjes, die tegen de schaal pikken, beginnen te piepen, voordat de schaal aan stukken is.
a
HOENDERBOEK.
De waarnemingen van Baumeijer zijn daarom alleen als zeer verdienstelijk aan te merken, omdat hij daardoor eenen vasten leiddraad heeft kunnen aangeven voor do kunstmatige broederij.
Voordat de broedmachine van Baumeijer bekend was, werd er geen bi-zondere aandacht gevestigd op de wijze van verwarming der eieren; thans evenwel legt men er zich bij het vervaardigen van broedmachines op toe, deze zoo te construeeren, dat de inwerking van de warmte op de eieren alleen van de bovenzijde plaats heeft.
Het is een noodzakelijk vereischto, nu en dan eens na te gaan, of bij het uitkomen geen bizondere voorvallen plaats hebben. Dikwijls komt het toch voor, dat de schaal, waaruit een kuikentje is gekropen, door de eene of andere beweging van de broodhen over een reeds aangepikt ei is heengeschoven. Zoo men dan niet de tweede schaal wegneemt, zal het diertje zeker omkomen; het heeft geen kracht genoeg, om de dubbele eierschaal door te breken. Men moet dus een paar malen per dag nazien of er kuikentjes zijn uitgekomen en dan de ledige eierschalen wegnemen. De kloek laat zich dit alles welgevallen, met de linkerhand krabbelt men haar aan de borst, wat de hoenders gaarne hebben en met de rechterhand neemt men de eierschalen weg. Toch is het aan te bevelen, dat 't een en ander wordt uitgevoerd door iemand, die steeds de kloek heeft verzorgd en haar dus bekend is en niet door vreemden. Is evenwel de hen zeer wild â er zijn hennen, die zeer trouw broeden, doch zich niet laten aanraken â dan verstore men haar maar in hot geheel niet; want, wanneer de hen vreesachtig van het nest is gevlogen en daar dan weder opkomt, doet zij dit met zulk eene haast, dat er gewoonlijk ongelukken plaats hebben. Zeer goed is het ook, de eieren even voor het uitkomen te laten drijven, om te zien, of alle kuikens leven. Hiertoe legt men zeer voorzichtig de eieren in eene met lauw water gevulde bak. De eieren nu, die zich heen en weder bewegen of zoogenaamd op het water dansen, bevatten alle levende kuikens. Blijven evenwel de eieren stil liggen, zoo kan men daaruit geen kuikentje verwachten. Bovendien hoeft dit zoogenaamde zwemmen het voordeel, dat de vochtigheid van het water door de poreuse schaal naar de huid dringt, hierdoor wordt deze week, en is gemakkelijker door het kleine diertje door te pikken. Vooral bij Cochinchina-en Brahma-poetra-eieren is deze methode zeer aan te bevelen, aangezien deze eene zeer
45
HOENDERBOEK.
dikke liuid hebben. De huid is soms zoo dik, dat de jonge vogels de kracht niet hebben eene opening daarin te maken, groot genoeg om er den kop door te steken; men moet ze dan helpen en de opening zooveel grooter maken, dat door het wegnemen der schaal ruimte genoeg voorhanden komt, om den kop door te laten. Verder moet men ook niets doen, want stroomt er maar één droppeltje bloed, dan is het diertje reddeloos verloren. Men moet dus in het algemeen de kuikentjes niet eerder helpen, dan wanneer men bespeurt, dat zij na eenen arbeid van zes tot «acht uren de schaal niet kunnen doorbreken.
Hierbij dient te worden opgemerkt, dat bij zeer warm weder het ontwikkelingsproces iets sneller afloopt; reeds den 19⢠dag vindt men dan
enkele aangepikte eieren.
Het is zeer aan te bevelen, het nest, wanneer het eerste kuiken zich vertoont, rondom af te sluiten. De tijd van duur van het uitkomen is vooral, wanneer de eieren niet oven oud zijn, soms een geheele dag. De kuikens, die het eerst uitkomen, zijn echter reeds ua zes of acht uren zoo vlug, dat zij pogingen doen om het nest te verlaten. Is dat nu aan een van de diertjes gehikt, dan piept het van koude en ook van vrees steeds door. Op zijn hulpgeroep verlaat de kloek het nest om het te verwarmen en tot rust te brengen. Naar de in het nest achtergeblevene pas uitgekomen kuikens en de andere eieren ziet de moeder niet verder om, en zoodoende zouden deze, als er niet ten spoedigste hulp werd verleend, treurig omkomen.
We zullen in het volgende hoofdstuk zien, hoe men handelen moet, wanneer men met eene makke kloek te doeu heeft, van welke men de kuikens kan afnemen.
40
OVER HET GROOTBRENGEN DER HOENDERS.
Nadat er een paar kuikens zijn uitgekomen, handelt men verstandig, de diertjes, zoodra zij opgedroogd zijn, voorloopig van de moeder weg te nemen, en ze in een kistje met eene laag watten op den bodem te plaatsen; daarna dekt men ze weer met watten of met een donzig kleedje toe. Naarmate er nu wederom kuikentjes uitkomen, voegt men ze bij de eerste. Deze methode past men daarom toe, omdat, vooral bij groote broedsels, het bijna steeds voorkomt, dat kuikens worden doodgedrukt, wanneer meu ze bij de kloek laat. Men moet echter oppassen, niet te veel kuikens tegelijk in het kistje te plaatsen, anders stikken ze. Zijn nu alle kuikentjes uitgekomen, dan geeft men die, welke uit het nest zijn weggenomen, aan de moeder terug; doch nu laat men de kloek niet meer op het nest, maar brengt haar naar eene kuikenren, waar zij de eerste weken met hare jongen moet blijven. â Ik bezig daartoe kuikenrennen naar een fransch systeem, die zeer praktisch blijken te zijn. Deze rennen zijn 5 voet lang en 2V2 voet breed en zoo hoog, dat elke broedhen, van welke soort ook, daarin gemakkelijk rechtop kan staan; zij zijn door een met vlechtdraad bespannen raam gedekt. Ook behoort daarbij een waterdichte kap, die by regen en voornamelijk des nachts over de ren gelegd wordt. Om nu licht
48 HOENDERBOEK.
iu de reu te krijgen, als de kap ei' boven op ligt, is aan de voorzijde eene glasruit aangebracht, die in- en uitgeschoven kan worden. Wil men de kuikentjes bizonder goed verzorgen, door hun allerlei krachtige versnaperingen te geven, en tevens beletten, dat de kloek daarvan mede eet, zoo scheidt men het achterste gedeelte van de ren door middel van een
beweegbaar hekje van latwerk af van den overigen loop. Deze afgeschoten ruimte moet evenwel zoo groot zijn, dat de kloek er zich gemakkelijk in bewegen kan, en de latjes van het scheidingshekje moeten zoo ver van elkander zijn, dat de kuikens bij de kloek kunnen komen. Deze kan dan zelf ook kop en hals er door heen steken, om bij het eten en het drinken te komen, dat altijd onder haar bereik moet zijn.
Het is trouwens ook geen vereischte, dat de broed hen voortdurend opgesloten is; dat behoeft maar alleen te gebeuren, als de kuikens bizon-dere lekkernijen, als mierenpoppen (zoogenaamde miereneieren) krijgen.
koen debboek. 49
Zulk eene kuikeureu kan een ieder zich voor zeer billijken prijs aanschaffen, of' gemakkelijk zelf maken.
Begeert men evenwel eene kuikenren van meer smaakvollen vorm, zoo laat men er een maken, zooals in nevensgaande fceekening is aangegeven, met glasraampjes, welke men kan openzetten. Het behoeft zeker wel niet gezegd te worden, dat eene dergelijke ren eveneens van eene bedekking
van fijn vlechtdraad moet voorzien zijn, ten einde, als de raampjes openstaan, het ontsnappen der kuikens te voorkomen, terwijl des nachts en bij regen de raampjes gesloten moeten zijn.
Vooral moet men er voor zorgen, dat de ren, voordat het begint te regenen, gesloten is, opdat de diertjes niet nat worden. Het natworden is hoofdoorzaak, dat er zooveel kuikens in hunne eerste jeugd sterven. In de eerste zes weken kunnen de kuikens geen regen verdragen; zijn zij daarvoor niet beveiligd, dan sterven de diertjes, al is het niet terstond, dan toch in het najaar aau de tering.
Mijne kuikens blijven ongeveer acht weken in de uükonren, zelfs als de kloek al weggenomen is, waaraan de diertjes gewoonlijk geen behoefte meer hebben, wanneer ze eenige weken oud zijn en het weder warm is Op den bodem moet de ren dik met droog zand bestrooid zijn, dat van tijd tot tijd, liefst tweemaal per week, ververscht dient te worden,
4
HOENDERBOEK.
Ook bestaan er kuikeurennen, waarbij alleen de kloek is opgesloten cn de kuikens daarentegen geheel vrij naar buiten kunnen loopen. Zulk eene kuikenren verdient boven alle andere de voorkeur, daar de diertjes vrij in den tuin rond kunnen loopen, waar zij wormen en insekten vinden, hetgeen voor hen het meest geschikte voedsel is. Men belioeft niet bevreesd
te zijn, dat zij schade in den tuin zullen aanrichten, aangezien zij in hunne eerste jeugd nog geen kracht genoeg bezitten, om planten uit den grond los te woelen. Bij regenachtig weer moet men de diertjes binnenhouden en er voor zorgen, dat de ren alsdan ongeveer eenen voet boven den grond op een paar leggers staat, of nog liever brengt men ze bij nat weder veiliger onder dak.
Wat de wijze van voederen aangaat, hierbij neemt men het volgende in acht: den eersten dag geeft men aan de kuikens hoegenaamd niets; men tracht ze ook niet onder de moeder weg te lokken; warmte komt hun nu meer dan iets anders te stade. Den tweeden dag geeft men hun wat boekweitgrutjes, gierst en fijngemaakt, hardgekookt ei; toch eten zij den tweeden dag zeer weinig en geven nog steeds aan de moederwarrnte de voorkeur. Op den derden dag zien de diertjes er al veel vlugger en levendiger uit, herhaaldelijk komen ze van onder de moeder te voorschijn, om een stukje ei of een paar korreltjes gierst of grutten op te pikken. Natuurlijk mag het den kuikens van den beginne af niet aan drinkwater ontbreken, doch beter doet men hun melk te geven, deze mag echter niet
50
HOENDERBOEK.
zuur zijn, dan is zij nadeelig. Een uitstekend kuikenvoeder is ook dikke melk, die goed is uitgeperst, of ook wel versche kaas. Is men in de gelegenheid, veel kikvorschen machtig te worden, dan doet men die in eenen pot, en begiet ze met kokend water, dat hen plotseling doodt. Dan geeft men ze aan de kuikens, die bij deze voeding hard groeien. Men moet er evenwel op bedacht zijn, zulk krachtig voedsel niet iu te groote mate toe te dienen. Twee- hoogstens driemaal per week wat vleesch, visch of kikvorschen is voldoende. Dikke melk kan men gerust eiken dag geven. Als men ei voedert, dan heeft men per dag aan een ei voor tien tot twaalf kuikens genoeg. Het is een waar woord: âAl te veel is ongezondquot;, hetgeen hier volmaakt van toepassing is. Zijn de kuikens vijf ïi zes dagen oud, dan moet men ze reeds wat groenvoeder geven en wel fijngesneden gras ol salade. Het is aan te bevelen, eeue krop salade aan eenen spijker, die in eene plank is geslagen, te hangen en ze zoo aan de kuikens voor te zetten. Allervermakelijkst is het, om te zien, hoe de kleine diertjes daarop aanvallen, en het eene over het andere heentuimelt.
Dikwijls gebeurt het, dat de uitwerpselen van de kuikentjes aan hot dons blijven hangen en zoodoende den aars verstoppen. Men kan dat den diertjes spoedig aanzien; zij verliezen hunne levendigheid en zitten in elkander; als men ze niet helpt, sterven ze gewoonlijk reeds den volgenden dag. Bespeurt men derhalve uitwerpselen aan het achterlijf van den vogel, dan pakt men hem op, houdt met den duim der linkerhand de huid vast en weekt de uitwerpselen voorzichtig met lauw water af. Eenig dons kan men gerust uitplukken, de uitwerpselen zitten daarin duchtig vast; aangezien men de huid vasthoudt, doet men het diertje hoegenaamd geen pijn, zoodat het gewoonlijk bij deze operatie niet eens piept. Juist door het uittrekken van eenig dons zal het blijven hangen van vuil voor het vervolg belet zijn, en de vogel blijft in het leven.
Nadat men nu de kuikens gedurende een veertien dagen met grutjes en hardgekookt ei gevoederd heeft, moet men ze in plaats van ei, van tijd tot tijd wat fijngehakt gekookt vleesch, of gekookte kleine vischjes geven. Uitstekend voeder zijn versche miereneieren, 1och helaas voor velen te duur. Geweekt brood moet men den jongen diertjes niet geven ; dikwijls heb ik bemerkt, dat het hun als spons in de maag ligt, ze kunnen het niet verteren en sterven er maar al te dikwijls door. Nog een goed
51
HOENDEHBOEK.
voedsel is fijngewreven droog roggebrood ; dat geef ik aan mijne kuikens van den eersten dag af, en ze bevinden er zich best bij. Als de diertjes drie a vier weken oud zijn, dan geve men ze, in plaats van grutjes, fijne tarwe, boekweit of geklopte fijne maïs en van tijd tot tijd een hardgekookt ei met do schaal er om fijngehakt. Het eten van eierschalen bevordert zeer de ontwikkeling van het beengestel.
Zijii de vogels zes weken oud, dan brengt men ze op eenen mooien, zon-nigen dag in het vrije veld, maar men moet er op letten, dat zij bij aanhoudenden regen niet altijd buiten blijven loopen. Aangezien de kuikentjes nu nog eone bizondere verzorging noodig hebben, plaatst men in den hoenderhof eene groote mand, waarin men zulke groote gaten maakt, dat wel de kuikens, maar niet de volwassen hoenders daardoor kunnen kruipen ; ouder de mand zet men eenen bak met stukjes vleesch, brood of andere lekkernijen, waaraan de jonge vogels zich nog eens kunnen vergasten.
Op dezen leeftijd raag men aan kuikens gerust geweekt voedsel geven; nu kunnen zij hot wel verdragen; men neemt daarvoor hetzelfde wat de groote kippen krijgen, doch men doet er wat beendermeel (beenpoeder) doorheen.
Zoo er eenigszins mogelijkheid toe bestaat, is het zeer aan te bevelen, een grasveld te omrasteren en dit te bestemmen voor de grootere kuikens. Zoodoende kan men de jongere dieren eene bizondere verzorging geven en men behoeft niet bang te zijn, dat de groote kippen hun de lekkerste beetjes zullen afhandig maken. Een ruim, luchtig hok met flink afdak moet natuurlijk op dit grasveld voor de kuikens aanwezig zijn, zoodat zij bij veel regen niet genoodzaakt zijn, den geheelen dag in het hok te blijven, of in den regen rond te loopen. Men moet de dieren ook niet te vroeg, als het gras nog te nat is, loslaten. In den zomer minder, doch meer in den herfst vak er des nachts een sterke dauw, waardoor het gras zeer nat wordt. Het is voor de jonge vogels bepaald schadelijk, in dit dooiden dauw nat geworden gras rond te loopen; men doet dan beter, ze nog wat opgesloten te houden, totdat het gras droog is geworden.
Wanneer men in de eerste levensdagen van de kip kosten noch moeite spaart, dan krijgt men eenen krachtigen vogel, die de kosten, welke voor hem gemaakt zijn, ruimschoots vergoedt. Een gezond, krachtig hoen van welk ras het ook moge zijn, zal niet alleen volop eieren leggen, doch steeds een sieraad van den hoenderhof uitmaken.
52
BESCHRIJVING DER VERSCHILLEUDE HOENDERRASSEN.
C O C HI N C H1N A 'S.
Gallina gallus ') cochinchinensis. â Cochinchina, Kochin-China. â Cochin-China, Strauszen-Uiihn. â Cochin-Chine, Poule de Nankin.
Toen, nog niet, lang geleden, slechts de gewone boerenkip bekend was, kan men zich voorstellen, hoe vreemd men stond te kijken bij de invoering der eerste Cochinchin a- of S h a n g h a i-hoenders, zooals ze in het begin genoemd werden. Zijn wij goed ingelicht, dan had deze invoering omstreeks 1847 en wel in Engeland nit Cochinchina plaats. Vijf jaar later deden deze schoone vogels hunne intrede in Dnitschland en werden zij spoedig algemeen verspreid.
Verbazing wekten deze dieren voornamelijk op door hunne buitengewone grootte, en toen men tot de ontdekking kwam, hoe bizonder geschikt zij waren om er mede te broeden, werden zij spoedig de lievelingen van menig
') Gallina L. 1735, Gallus L. â 1740. â Gallina is dus outler. â Gallina gallus T,., omdat Linnaous het hoon in zijne Systema Naturae, Ed. A'quot;, 1747, waarin hij voor 't eerst de biuomenclatiiur grondvestte, Phasianus gallus noemt. â Verdere synoniemen ; Gallus domesticus Gmel., Gallus gallorum Less. â
HOENDEKBOEK.
hoendervriend. Rekende men zich vroeger gelukkig, wanneer eene boerenkip haren vollen broedtijd van drie weken uitzat â hoe dikwijls gebeurde het toch, dat zij eerder de eieren verliet, en daardoor natuurlijk het geheele broed bedierf â zoo kwam zoo iets bij de Shanghai-, of, zooals ze nu algemeen genoemd worden, bij de Cochinchin a-hoenders niet alleen niet voor, doch kon men van deze broedhennen de uitgekomen kuikens wegnemen en ze weder nieuwe eieren geven, toch broedden zij rustig door! Zelfs kon men deze proefneming gerust nog eenige keeren herhalen. Begrijpelijk is het dus, dat dit hoenderras met vreugde begroet en terecht eene levende broedmachine genoemd werd. Verder waren deze diereu zeer vruchtbaar, gemakkelijk groot te brengen en uitstekende tafelhoenders. Iedereen moest nu Cochinchina's hebben, en het is niet te verwonderen, dat er in den eersten tijd fabelachtige prijzen besteed werden voor eenen enkelen toom, ja zelfs voor één paar.
Evenwel niets ter wereld is volmaakt, en weldra kwamen ook van de Cochinchina's de gebreken aan het licht. Was men alleen in het bezit van Cochinchina's zoo was dat eeuwigdurend broedsch zijn al zeer onaangenaam, het huishoudelijk nut werd daardoor ook geringer, daalde vogels, zoodra zij broedsch worden, natuurlijk ophouden met leggen. Daarbij waren b it voor menigeen te dure kostgangers, want men had er vooruit niet aan gedacht, dat zulk een groote vogel meer voedsel noodig heeft dan een klein gewoon hoen. De groote voorliefde voor dit hoenderras verminderde dan ook spoedig aanmerkelijk.
Het valt evenwel niet te ontkennen, dat de voordeelen, die een Cochinchina oplevert, zeer wel tegen hare nadeelen opwegen. Wie nu in het bezit is van hoenders, die bijna nooit broedsch zijn, kan niet beter doen, dan daarbij eenige Cochinchina's te houden, om door hen het uitbroeden te doen plaats hebben. Wel is waar gebeurt het wel eens, dat zulk eene kip eieren en ook wel kuikens stuk-of dooddrukt, doch in andere opzichten is zii dan ook weder onbetaalbaar; zij neemt b. v. vreemde kuikens zachtzinnig onder hare bescherming en is over het algemeen zeer vreedzaam van aard ; er zijn zelfs reeds voorbeelden geweest, dat de hanen van deze soort kuikentjes aannamen, een feit, dat zeer zeker bij de andere hoendersoorten nimmer zal zijn voorgekomen. Zooveel is zeker, dat indertijd de Cochinchina's er den stoot aan hebben gegeven, om op de hoenderteelt meer
54
HOENDERBOEK.
de aandacht te vestigen. Al was het alleen maar daarom, moeten vvy voor dat ras dankbaarheid gevoelen.
Bij de beschrijving van dit ras kunnen we in de eerste plaats vermelden, dat het gewicht der hanen op -i a 5, dat der hennen op 3 a 4 kilo's geschat wordt. Met dit gewicht kan men tevreden zijn, toch treft men nog wel eens vogels aan, die zwaarder zijn. Het lichaam is rond en vol, de borst breed ; eene smalle borst is een gebrek. â De hoogte van den haan is tot aan den schedel 0,00â0,70 meter. Zijne gestalte is zwaar en gedrongen, het achtergedeelte van den rug (zadel) een weinig hooger dan het midden; de veeren van den romp zijn aan de onderzijde als in afzonderlijke groepen geplaatst, zoodat het dier als uit verschillende kussen-vormige deelen schijnt te bestaan. Zijn kop is klein en goed gevormd. Zijne oogen helder en levendig; zijn bek kort, nabij de punt sterk gebogen, geel; zijn kam enkel, scherp en diep uitgetand, dun, helderrood en rechtopstaande, zijne wangen naakt en rood, zijne oorlellen dun, rood, bijna even lang als de keellellen, deze zelve lang, dun, aan de ondereinden zuiver afgerond. Zijn hals is kort, fraai gebogen eu rijkelijk van lange, smalle sierveeren voorzien, zijn rug breed, kort en ingevallen; zijn zadel lang, sterk ontwikkeld, naar den staart toe hooger wordende en met dezen ééne lijn, geenen hoek vormende en rijkelijk voorzien van lange, smalle sierveeren. Zijn buik is met eene groote menigte groote, zachte, donsachtige veeren bekleed. Zijne vleugels zijn klein, bijna onder de veeren van den romp verborgen. Zijn staart klein, zonder stijve schachten in de veeren en met de zadel veeren als 't ware één geheel vormende; bij de gel e Cochin-china's ontbreken de groote sikkelveeren bijna geheel; bij de overige zijn zij eenigszins meer ontwikkeld. Zijne dijen zijn sterk gebouwd en met eene menigte donsachtige veeren bekleed, die als het ware aan weerszijden van het lichaam een kussen vormen; deze mogen niet recht en stijf zijn en naar achteren uitsteken, hetgeen algemeen wordt afgekeurd onder den naam van sperwersokken (Vulture hocks, manchettes). Zijne pooten geel, kort, sterk gebouwd en dik, wijdbeens staande en langs de buitenzijde van het gewricht tot de buitenste en middenste teenen mot vrij lange veeren bekleed; zijne teenen lang, geel, dik, recht en ver uit elkaar. De gestalte van de h e n is zwaar, gedrongen en vierkant; de hoogte 0,50 a 0,60 meter, overigens met uitzondering van kop, staart eu
55
IIOENriEKHOEK.
sierveeren hoofdzakelijk als de haan gebouwd; kop klein en schrander; kam enkel, recht, fljngetand en zoo klein mogelijk; hals zoo kort mogelijk, sierlijk gebogen en naar voren gestrekt en rijkelijk met smalle, pnu-tige veeren bekleed. Zadel als bij den haan, doch zonder sierveeren, daarentegen ruimschoots bekleed met weeke en zachte veeren. Vleugels nog kleiner dan hij den haan, doch met de schouders meer zichtbaar vooruit-springende. Staart klein en uit zachte veeren bestaande, die bijna dooide zadelveeren worden bedekt.
De hoofdkleur van de C o c h i n c h i n a 's is geel en wel in verschillende schakeevingen van het zeer heldere geel (zandkleurig) tot het d o n k er geel (kaneelkleurig). Meestal hebben de g e 1 e Go c h i n c h i n a 's zwarte einden aan de staartveeren, maar bij fijne rasvogels mag dit niet voorkomen. De vogel moet, wanneer hij werkelijk fraai wil heeten, geen andere kleur dan de zuiver gele hebben. De lichtgele 0 o c h i nc h i n a's (Silver b u f f C o c h i n c h i n e, L e m o n-C o c h i n c h i n e; C o c h i n-c h i n e-c h a m o i x; Victoria; H e 11 g e 1 b e C o ch i n china) moeten de kleur hebben van zand of van zeemleder en geheel vlekkeloos zijn ; kop, kraag, rug- en zadelveeren mogen iets donkerder van kleur zijn dan de overige veeren, de staart zelfs nog iets donkerder dan de kop. â Donkergele C o c h i n c h i n a 's (B u f f-C o c h i n c h i n e, C i n n a m o m-Co chinch ine) zijn donker lederkleurig geel, overigens vlekkeloos; kop kraag, rug-, en ;,.tdelveereu mogen iets donkerder van kleur zijn dan de overige veeren, de staart zelfs nog iets donkerder dan de kop. Zwarte veertjes tusschen de zadelveeren en zwarte einden aan de staartveeren zijn af te keuren, al komen zij zeer veel voor. â Behalve de gele bestaan er nog w i 11 e, z w a r t e, k o e k o e k s v e e r i g e en patrijsveerige Cochinchina's. â De witte C o c h i u c b in a's zijn in den regel iets kleiner dan de gele; zij moeten zuiver wit zijn, vooral geen gele tint hebben. Kam, wangen en lellen helder rood, bek en pooten citroengeel. â De zwarte moeten zuiver zwart zijn en glanzende veeren hebben. Zelden ziet men eene groote verzameling fraaie zwarte Cochinchina's; zij zijn moeilijk te fokken en krijgen dikwijls rosachtige veeren. Dikwijls zijn de pooten zwartachtig en dan gebeurt 't wel, dat zulke exemplaren voor Langs hans worden aangezien. Een goed kenner wordt evenwel zoo gauw niet bedrogen, daar de teenvliezen van zulke Cochinchina's met zwarte
GOUDLAKEN PHÃNIX-HAAN.
Rechtstreeks uit Japan ingevoerd door den Heer N. D. WicriMANN te Hamburg
1
.
HOENDERBOEK'.
57
pooten geel zijn, hetgeen bij de Langs hans niet het geval is. â De koekoeksveerige Cochinchina's of Prins-Albert-H oenders hebben eene loodgrijze kleur, dwars gestreept met een donkerder tint. De hanen hebben meestal eene lichtere kleur, of, wanneer zij donkerder zijn, hebben zij geelachtige veereu aan den hals en op den zadel, of wel zwarte of witte veeren in den staart. Dit zijn gebreken, die de haan (hennen hebben slechts zeldeu boute veereu) niet hebben mag; een geheel zuivere, donkere, koekoeksveerige haan, zonder gele kleur aan hals en zadelveeren, is evenwel eene zeldzaamheid, vandaar dat de veelkleurige niet minder geacht worden dan de ééukleurige. â De patrijsveerige Cochin-chiua's (Partridge-Cochin, Grouse-Cochin) zijn ontegenzeggelijk de meest effekt makende van dit ras. De haan heeft iu kleur zeer veel weg van den welbekenden boereuhaau. Kop, rug en schouders helder oranjerood; kraag- en zadelveeren goudgeel met eene zwarte streep over de lengte van elke veer; borst en buik zwart met groenen weerschijn; staart- en vleugeldekveereu glimmend groenachtig zwart, de laatste over eiken vleugel een dwarsbaud vormende; veeren der pooten dof zwart; vleugels rood van buiten, zwart van binnen en aan de uiteinden. Bjj de hennen is de hals helder oranjegeel met breede, zwarte, overlaugsche streep over elke veer; alle overige veereu zijn van eene helderbruinegroudkleur, met donker- ol zwartachtig bruin geschakeerd. Verder onderscheidt men nog het Shanghai -hoeu (Shangai-hoen; Gray Shaugae, Shanghai, Shangai, Caugai): wit, doch elke lange, smalle kraag- en zadel-veer met eene overlaugsche, zwarte streep geteekend; do staart van den haan glimmend groenzwart met witte randen, van de hen zwart, eveneens met witte randen. Deze worden hier te lande gewoonlijk met Brahmapootra's verward, met welke dit ras groote overeenkomst heeft wat kleur en teekeniug der veereu betreft; doch de enkele diepuitgetande kam onderscheidt ze onmiddellijk van de Brahma's. â Haarveerige Cochinchina's (Zijdeveerige Cochinchina's, Emu fowl, Silky Cochin; Seiden Shangae, Seiden Shanghai) onderscheiden zich door hunne haarachtige veeren; het gewicht dezer vogels bereikt zelden 3 kilo, doch de vorm is dezelfde. â Co ch inchina-kriel en (reking-Bantam, Cochin-Bantam). Deze oorspronkelijke soort werd in 1860 uit Peking iu Engeland ingevoerd eu baarde veel opzien, daar ze, behalve
hoendekuoek.
58
de grootte, geheel gelijk zijn aan de donkergele Cochinchina's, hoewel de pooten naar evenredigheid korter zjjn dan bij de ware Cochinchina's. In Dnitschland zijn deze zeer zeldzame vogels nog nooit op tentoonstellingen geweest; de prijs, die daarvoor in Engeland werd betaald, als ze tenminste nog te koop werden aangeboden, was zoo hoog, dat een gewoon sterveling er wel niet aan denken kon, eenen toom er van te koopen. Maar de beschrijving van deze vogels in de bladen voor vogelliefhebbers en hoenderkwee-kers wekte de belangstelling op en den wensch zulke dieren te bezitten. Een van de grootste duitsche Bantamkweekers poogde langs knnstraatigeu weg, door kruisingen deze dieren te krijgen, maar het is hem nooit gelukt en hij heeft ook na jaren vergeefsche proefnemingen de zaak opgegeven. Danvers-white zijn bastaarden van gele Cochinchina's met witte Dorkings. Het Siebenbilrger Sperber-Huhn is een bastaard van Cochinchina's en veldhoenders.
De Cochinchina's leggen middelmatig groote eieren van eene geelroode kleur; het vleesch is grover dan van menige andere hoendersoort, ook hebben zij weinig vleesch op de borst, doch veel aan de dijen. Daar de Cochinchina's goede winterlegsters zijn, zoo broeden zij ook vroeg in het voorjaar, wat voor kweekers van groote waarde is.
B R A H M A P O E T R A 'S.
Gallina gallus Brahma-Pitira. â Brahma-Poetra, Amerikaansche hoen. Brahma. â Brahma-Putra. â Brahma-Poutr a. â Brahma-Poolra, Chiltagong (N. Amerika.)
Dit ras is nauw verwant aan het Cochinchina-ras. â Sommigen houden het slechts voor eene kruising van Cochinchina's met andere kippen, anderen voor een zelfstandig ras. â De eerste dezer fraaie dieren kwamen uit Engelsch-Indië over Amerika naar Engeland en wel eenige jaren later dan de Cochinchina's. Zij hebben dezelfde forsche gestalte, doch staan wat hooger op de pooten. Die van den haan is sterk ontwikkeld, gedrongen, met hoog opgeheven kop, waardoor hij er trotsch uitziet, terwijl de dij
HOENDERBOEK.
59
en de onderbuiksveeren kusseuachtige massa's vormen, zijne hoogte is tot boven op den kop 0,70 meter. Die van de hen is zwaar en opgedrongen, zonder er plomp uit te zien, daar kop en staart in de hoogte gehouden worden. â De kam heeft eeuen eigenaardigen vorm ; hij is een zoogenaamde erwtenkam en bestaat uit drie kleine, naast elkander staande kammetjes, waarvan de middelste iets hooger is dan de beide andere; hij moet laag en breed zijn; de drie rijen zijn aan het vóór- en achtereinde samengegroeid. Bij de hennen moet de kam zoo klein mogelijk zijn; slap neerhangende kammen zijn bizonder at' te keuren. â Vroeger werden ook Brahmapoetra's (kortheidshalve ook Brahma's genoemd) met enkelen kam voor echt erkend. Sedert geruimen tijd eischt men echter bij alle Brahma's den erwtenkam, als zij ten minste aanspraak willen maken op zuiverheid van ras. â De pooten zijn, evenals bij de Cochinchina's, aan de buitenzijden rijkelijk van stijve, groote veeren voorzien, fraai oranjegeel van kleur, vrij kort, sterk gebouwd en ver van elkaar staande; de bevedering begint boven aan het gewricht en eindigt langs de buitenste en middelste teenen. De pooten van de hen, overigens volkomen gelijk aan die van den haan, moeten zoo kort mogelijk zijn. â Van beide zijn de dijen onder de buik-veeren verborgen, dicht en rijk met zachte veeren bezet, doch zij moeten geheel vrij zijn van pennen, die door hunne dikke schachten stijf zijn. â De sperwersokken aan de knieën zijn dus, wanneer het werkelijk veeren zijn, zoowel bij de Brahma's als bij de Cochinchina's ïils eene fout aan te merken; zijn het echter zware, overeindstaande donsveeren, dan hinderen ze niet, en uit zulke vogels teelt men gewoonlijk exemplaren met sterk bevederde pooten. De bek van den haan is kort, gebogen, sterk aan den wortel en geel, die van de hen iets korter dan van den haan, eveneens geel. â De kop is klein, kort en intelligent. De oorlellen zijn groot en hangen af tot aan of even voorbij de kinlellen; ook bij de hen zijn zij sterk ontwikkeld. - De kin- of keellellen zijn dun, middelmatig, lang, afgerond, kort, zonder plooien. â De wangen onder de oogen rood. De hals is kort, sierlijk gebogen en dicht bezet met over schouder en rug afhangende sierveeren. De rug is breed, vlak en kort; het zadel breed en groot, naar den staart toe hooger wordende, zoodat zadel en rug, zonder eenen hoek te vormen, in elkaar overgaan; bij den haan heeft het zadel sierveeren, evenals die van den hals, maar zij zijn langer en dichter bezet;
ÃOENDEKBOEK.
de hen heeft geeu sierveereu aan heb zadel. De borst, bij beide breed en vol, is bij den haan naar voren gebogen, bij de beu naar beneden. â De vleugels zijn vrij klein, doch grooter dan bij de Cochinchina's en sierlijk, met de slagpennen tusschen de zachte veereu van den romp verborgen. â De staart van den haan is vrij klein, met de beide middelste staartpennen naar buiten gekeerd; de groote sikkelveeren zeer kort en weinig gebogen, zoodat ze niet laag neerhangen, doch eerder schijnen overeind te staan; de kleinere vereenigen zich met de zadelsierveeren ; deze schijnen dus in die van den staart over te gaan en voor een gedeelte daartoe te be-hooren. De staart van de ben is vrij kort en klein, in de hoogte gedragen en ter nauwernood buiten de stuit- of zadelveeren uitstekende.
De haan weegt 5 tot 7, de beu 4 tot 6 kilogram.
Men onderscheidt de volgende Brahma-soorten:
Bij de d o n k e r e B r a h m apoetra's (D u n k 1 e B r a h m a-P u tra; B r a h ma i n v e r s, B r a h m a d' A1 f o r d, B r a h ma d' A 1 f o r t; Checked B r a h m a-P o o t r a, Black Java, dark pencilled B r a h m a) heeft de bek bijna altijd in het midden eene zwarte streep. De haan heeft eeuen witten kop, witte hals- en zadelveeren, elk over langs zwart gestreept, eene zwarte borst en grauwzwarte buik. Er bestaan ook donkere Brahma's, die eene zwarte borst hebben met witte vlekken ; dit mag niet zijn, al wordt het niet altijd onder de groote gebreken geteld. Jonge hanen met bonte borst verliezen dikwijls bij den tweedeu rui de bonte veeren, zoodat men ze niet te spoedig moet verwerpen als niet ras-zuiver genoeg. De kop- en balsveeren der hen zijn evenals die van den haan geteekend, doch ze zijn niet zoo langwerpig, maar meer afgerond. De grondkleur der hennen is grauw met zwarte stippen. â De teelt der donkere Brahma's is ondankbaarder dan die der andere en lastiger ; want het is in den regel moeilijk, vogels te kweeken, welke geeuen bruinen gloed over de veeren hebben.
Bij de lichte Brahma's (Helle Brahmaputra; B r a h m a her miné. Light Brahma) is de grondkleur helderwit en de hals-veereu hebben daarbij zwarte overlangsche strepen, evenals de zadelveeren. De vleugels zijn langs den onderrand wit, langs den binnenrand zwart; de vleugelslagpenneu zwart; de staart heeft eeuen fraaien, groenen weerschijn, de sikkelveeren zijn zwart, de staartpennen eveneens xwart met witte
60
HOENDERBOEK.
randjes en witte toppen. Bek en pooten hooggeel. â In Engeland zijn de lichte Brahma's wel van alle hoendersoorten de meest gezochte. Vooral hebben de engelsche pachters eene bizondere voorliefde voor die diereu.
Bij de blauwe Brahmapoetra's (Brahma ardoisé) is alles als bij de lichte geteekend, doch do grondkleur is lichtgrijs in plaats van wit.
De witte Brahmapoetra's (Weisze Brahmaputra) zijn helderwit, over het algemeen zwakker en niet zoo sterk gebouwd als de overige onderrassen. Bij do witte Brahma's moeten de pooten donker oranjegeel zijn; juist hierdoor krijgen ze een schitterend uiterlijk. De bek moet dezelfde kleur hebben, terwijl de zwarte streep in het midden daarvan, die bij de donkere Brahma's een kenmerk is, hier volstrekt niet mag voorkomen.
Een dwergvorm der Brahmapoetra's komt onder den naam van K a-n a d a - K r i e 1 (Ca n a d a -kriel) voor; hij is geheel gelijk aan de donkere Brahma's met uitzondering der grootte.
De Brahmapoetra's leggen, evenals de Cochinchina's, geelroode eieren, maar zijn trouwer eierlegsters dan deze en zijn derhalve meer gezocht.
Als broedhennen zijn zij eveneens zeer aan te bevelen. Soms komt het ook voor, dat enkele hennen in het geheel niet broeden, iets wat bij Cochinchina's eene groote zeldzaamheid magheeten. De jongen zijn gemakkelijk groot te brengen en groeien zeer snel.
LANGSHAN S.
Gallina gallus slbirica. Langshan, Lang sham, Siberisch hom.
Het Langshan-ras is eeue uitstekende hoendersoort en tot mi toe betrekkelijk nog weinig bekend en verspreid; evenwel gaat dit ras eene buitengewone toekomst tegemoet, en men treft het hier en daar reeds bij den landbouwenden stand aan. Deze fraaie hoenders komen van het noorden van China, van de grenzen van Siberië.
Zij hebben de grootte en het uiterlijk van de Dorkings, roode wangen, tamelijk groote, fijngetande, helderroode, fijne kammen en lange helderroode, zuiver afgeronde kinlellen. Zij zijn 0,55 tot 0.60 meter hoog,
61
HOEN KERBOEK.
slanker dan de Cochiuchina's, doch liooger op de pooten en van onderen met minder donsachtige veeren bekleed. Hun gewicht is van 4'/2â5 kilogram. Hun kop klein, langwerpig, net van vorm. Hun bek donker hoorn-kleurig, hunne oorlellen rood, hun hals zacht gebogen, vrij lang, rijkelijk met lange, zijdeachtige sierveeren bekleed ; hunne borst sterk ontwikkeld, hun rug breed en kort, naar deu staart toe rijzend, hun buik en schenkels of dijen bekleed met donsachtige veeren, welke echter niet zulke groote, kussenvormige massa's vormen, als bij de Cochiuchina's. De vleugels zijn klein, de staart grooter en met langere sikkelveeren dan bij de Cochiuchina's. De pooten zijn leikleurig zwart, geheel glad of'aau de buitenzijde met eenige, doch niet zeer lange veeren bezet.
Hun kleed is fluweelachtig zwart, fraai groen en purper metaalglanzend, behalve aan buik en dijen, die matzwart zijn, en de groene glans is zelfs zóó sterk, dat men op 't eerste gezicht de veeren niet zwart, maar groen zou noemen.
De hen is in alles aan den haan gelijk, doch iets kleiner, zonder sieren sikkelveeren en met kleine kam en lellen.
Er zijn twee soorten van L a n g s h a n s: Langs hans met gladde pooten en Langshans met be veerde pooten. â Beide soorten zijn, direkt ingevoerd, in het bezit van den heer Völschau.
De Langshans hebben een levendig karakter, vooral de hanen zijn zeer vurig. De hennen zijn uitstekende legsters; zij geven groote, gele eieren en broeden zeer goed. Het zijn in den regel zeer zorgvuldige, zachte broedsters; door geen der negen hennen, welke wij te broeden hebben gezet, werd een enkel ei gebroken of een kuiken doodgedrukt, hetgeen bij de Cochiuchina's en Brahmapootra's dikwijls voorkomt. Voor hunne jongen zijn zij zeer zorgvuldig, het zijn voortreffelijke moeders, maar als zoodanig ook bizon der verwoed, als men het beproeft, een van hare kuikens weg te nemen. De kuikens groeien snel op. Deze hoenders zijn bizonder geschikt voor een koud klimaat en verdragen de grootste koude met gemak, welke eigenschap zij wel aan hun noordelijk gelegen vaderland verschuldigd zullen zijn.
Er is zeker geen ras, dat zooveel tijd heeft noodig gehad, om algemeen bekend te worden, als de Langshans. De eer en de verdienste, deze fraaie vogels te hebben ingevoerd, komt toe aan Majoor Croad. Deze stelde reeds in 1872 in het Crystal-Palace te Londen Langshans ten toon. Zij werden
62
HOENDERBOEK.
toeu niet bekroond, want men zag ze voor eene kruising van Cochinchina's met andere hoenders aan. Eerst in 1875 werden Langshans tot een bepaald ras verheven, en van dien tijd zijn zij als zoodanig erkend. In Engeland is dit fraaie hoen reeds zeer in trek, in Duitschland nog maar weinig bekend; het zal zich evenwel aldaar spoedig vele vrienden maken. Is men eenmaal in het bezit van Langshans, dan zal men er niet spoedig toe overgaan, ze tegen andere hoenders te ruilen. Wij voor ons bevestigen gaarne, wat verschillende engelsche schrijvers over de kuikens zeggen. Van al onze kuikens â wij kweekten er gedurende 1882 en 1883 cii-ca 200 â is er geen enkel gestorven. Een troep jonge Langshans is een vroolijk en kloek volkje, waar men met pleizier naar kijkt, vooral als men daarbij denkt, dat al die bevallige diertjes volwassen zullen worden. Zooals bij alle andere soorten moet men ook bij de Langshans er op letten, dat van jonge hanen ook veel hanen te verwachten zijn. Is men derhalve te ruim van jonge Langshanhanen voorzien, dan moeten er enkele voor keukengebruik worden bestemd. Het is een heerlijk gebraad! Deze vogels hebben zeer fijne beenderen en veel sneeuwwit, malsch vleesch. Dit is zeker, zoo ooit, dan gaat het Langshanras eene schoone toekomst tegemoet. Redelijkerwijze kan men van eene hoendersoort niet meer verlangen, dan wat de Langshans ons opleveren. Behalve dat zij uitstekende eierlegsters zijn, broeden zij goed en verzorgen hun broedsel voorbeeldig, geven een overheerlijk gebraad en wat nog hoofdzakelijk moet opgemerkt worden â wij herhalen het - zij zijn gemakkelijk groot te brengen en voor een noordelijk klimaat als geknipt, omdat men dit ook in hun vaderland heeft.
Zoogenaamde blauwe Langshans zijn eigenlijk geen ras, maar ontstaan door kruising van Langshans met andere hoenders.
M A L E I E B S.
Gallina gallus gigantea. Gallina gallus malaccensis. Gallina gallus malayana.
Maleisch hom, Maleisch vechihoen, Maleisch slryjdhoen, Braziliaansch hoen; Malaie, Malaisches Kampfhulm, Malaischcr Kdmpfer, Malaisches rothes Kampflmhn, Indianisches
63
HOENDEKBOEK.
Halblmhn, Indisches Halblmlm, Goldkiimpfor, Grünlmlm, Kidm-Hauslnihn, Strauszhuhn, Brasïlianer; Poule Américaine, Poule malaise, Poule de Beng ale, Porde de Brésil, Poule de Gros Morne, Poule de Malacca, Poule de la Reunion, Poule de Russie, Poule de Tran-quehar; Indian Game, Malays Rangoon Fowl, Rangoon Fowl, Ostrich Fowl, Begum, Pilly Gaguzes (in Deccan), Kulmfowl (in Deccan), Xolo (in Deccan) ; Aijam djalak (maleisch), Aijam idjoe (maleisch, wanneer er een groenachtige glans op de veeren ligt.)
De Maleiers zijn vau alle hoeuderrasseu de grootste of hoogste (0.60â 0.70 Meter). â Door hunne hooge pooten namelijk kijken zij over alle andere hoenders heen.
Hun voorkomen is slank, uittartend, bizonder rechtopgaand, hun gewicht 8â4 kilogram. Hun kop betrekkelijk klein, doch lang en breed met sterk vooruitspringenden bovenrand der oogkassen, waardoor een roofvogelachtig voorkomen ontstaat. De bek is kort, sterk, haakvormig gebogen en geel. De kam is breed, dik, laag; het is eene platte, kussenachtige, ongelijkvormige, roode vleeschmassa met kleine wratjes, die zich ver over den bovensnavel uitstrekt. De oogen zijn geel. â De wangen, oor- en kinlellen zijn rood en naakt, de laatste weinig ontwikkeld. â De hals is zeer lang en uitgerekt met korte, harde sierveeren, de borst breed en weinig gebogen,de rug bij de schouders breed, bij den staart smal, sterk naar achteren afdalende; de vleugels zijn sterk gebouwd, met het opperarrabeen vrij van het lichaam afstaande; de staart klein, hangende, met middelmatig lange sikkelveeren; de pooten lang, sterk gebouwd, naakt, oranjegeel. De veeren zijn in het algemeen kort, hard, plat tegen het lichaam aansluitende en bizonder glimmend.
Het maleische ras is een werkelijk wild en strijdlustig ras, dat, wanneer het met andere hoenders in aanraking komt, in voortdurenden strijd leeft. De hennen broeden ontegenzeggelijk zeer goed; zij moeten echter vooral uit de nabijheid gehouden worden van kloeken, die haar broed begeleiden, daar zij anders de vreemde kuikens onbarmhartig vermoorden.
En toch zijn er voorde Maleiers nog vele liefhebbers te vinden, juist wegens hunne wilde natuur. Als eierlegsters zijn ze niet bizonder aan te bevelen; vleesch hebben zij echter rijkelijk. De Maleiers zijn dus met recht luxe-hoenders te noemen en zijn als voordeelaanbrengende vogels niet aan te bevelen.
64
HOENDERBOEK.
De meestbekonde zijn de R o o d e M a 1 e i e r s (B r u i n e M a 1 o i e r s, Roodbruine Maleiers, Black reds, Brown reds, Poule de Russie, Russisches Huhn), in teekening en kleur geheel overeenkomende met de Goudlakensche Engelsche Vechthoenders met zwarte borst. De geheele kop en ook het grootste gedeelte van den hals en de zadelveeren zijn glimmend donkerrood bruin, hetgeen er veel toe bijdraagt, dat de dieren er zoo wild uitzien. Rug en schouders glimmend roodachtig kastanjebruin, borst en buik matzwart of bruinachtig, staart- en vleugeldekveeren zwart met groenen metaalglans; de hen meer patrijsveer van kleur.
Verder heelt men Bonte Maleiers (Pile Malay Gr a me, Malai-sches Schecken Kampfhuhn), waarbij alle veeren van den nek, rug en schouders helderroodbruin, die van hals, borst, buik en staart wit zijn. Witte Maleiers (Gangeshoen, Poule Napoléon, Poule de Paris, Poule de Grange, Poule du Gauge, Franzosen-Huhn, Weis-ser Pariser, Weisser Franzose) geheel wit. Men zegt, dat Keizer Napoleon lil eene bizondere voorliefde voor deze schoone dieren had, en dat ze daarom Napoleons of Napoleonhoenders heeten. â Zwarte Maleiers, geheel zwart, alleen de haan heeft een weinig rosachtig bruin op de schouderveeren. Koekoeksveer-Maleiers, geheel koekoeksveer. Door sommigen worden zij verkeerdelijk Chitagong genoemd. Columbian fowl of Columbisches Huhn is een bastaard van Spanjaarden en Maleiers. Zij zijn zwart met eenen uilebaard en roode wangen. â Duke of Leeds lowl of Shake bag is de naam van gekruiste Maleiers in Engeland.
ï 0 K 0 H A M A 'H.
Gallina gallus Yokoharnensis.
Jokohama, Japanesisches Huhn, Yo-Ko-Hama.
Deze hoenders hebben veel overeenkomst met Maleiers, vooral wat vorm en voorkomen betreft; over het geheel genomen zijn zij echter veel fijner gebouwd. De gestalte is slank met vooruitgestrekten kop en slepen-
5
65
HOENDEBBOEK.
den staart bij den haan; de hoogte tot boven den kop 0.55â0.00 meter; het gewicht 1.5 tot 2 kilogram; de kop klein en langwerpig; de bek sterk aan het begin, haakvormig aan de punt; de kam klein, helderrood, uit eene dikke, ronde, kussenachtige vleeschmassa bestaande, dus bijna gelijk aan die van de Maleiers; bij de hen is de karn zeer klein, enkel en fijn-getand ; de wangen rood met kleine, witte veertjes begroeid ; de oorlellen helderrood, weinig ontwikkeld en hangende; de kinlellen eveneens helder-rood, zeer kort; de hals lang, vooruitgestrekt en rijkelijk van bizonder lange, smalle, fladderende sierveeren voorzien; de borst smal en recht, door de halssierveeren bijna bedekt; de rug plat, lang, nabij den hals breed, naar achteren toe smal en sterk afhellende; zadelveeren als die van den hals; de vleugels lang en boog opgedragen ; de staart horizontaal; de staartpennen lang, een weinig naar beneden gebogen; de sikkelveeren bij den haan bizonder, soms 1 meter, lang, smal, fladderende en langs den grond slepende; de staart bij de hen horizontaal met de middelste pennen vrij lang en puntig; de pooten bizonder lang, kaal, gespierd, heldergeel.
Het vaderland der Yokohama's is Japan; daarom leggen zij, evenals alle aziatische hoenderrassen, roodachtige eieren. Voor de huishouding zijn zij niet aan te bevelen, daar zij weinig eieren leggen ; ze broeden evenwel voortreffelijk ; vandaar, dat men ze gerust kostbare fazanteneieren kan toevertrouwen. In den Dierentuin te's Gravenhage broedde een Yokohoma-hen van zes eieren van het glanshoen (L ophophorus r e f u 1 g e n s G o u 1 d) er 4 uit; de beide andere eieren waren niet bevrucht; zij bracht de vier kostbare vogels voorbeeldig groot, zoodat deze later voor Æ150.â per stuk verkocht werden. Als luxehoenders zijn echter de Yokohama's een van de fraaiste rassen, en het is een verrukkelijk gezicht, eenen troep witte Yokohoma's buiten te zien rondloopen. Het is daarom zeer te betreuren, dat dit fraaie hoen hoe langer hoe zeldzamer wordt, waarvan de hoofdoorzaak is, dat het een zeer teere vogel is, en de jongen bovendien zeer moeilijk zijn groot te brengen.
Men vindt: G e z a d e 1 d e Y o k o h a m a 's (Z a d e 1 h o e n d e r s, G e-s a 11 e 11 e J o k o h a m a 's, Pile Yokohama); deze zijn wit met heider-bruinachtig gelen of lichtroodbruinen kop, hals, schouders, borst, rug, zadel en dijen. De nek is wit. â Witte Yokohama's, geheel zuiver-wit, zeldzamer en zwakker dan de gezadelde. K o e k o e k s v e e r-Y o k o-
6(gt;
fioenderboek. 07
ham a's, geheel koekoeksveer. Goudlakense he Yokohama's, roodachtig bruin is de hoofdtoon, groenglanzend aan de slagpennen en zwart aan de staartveeren.
Tot de laatste atdeeling, de Gr o u d 1 a k e u s c h e Y o k o h a m a 's. behoort voorzeker het P h o e n i x-h o e n.
Van al de nieuwe hoendersoorten, die in de laatste jaren bekend zijn geworden, hebben de Phoenix-hoenders voorzeker de meeste belangstelling opgewekt. Op eeue reis om de wereld bezocht de heer Nquot;. D. Wichmann van Hamburg in Mei 1878 de kunst- en handelstentoonstelling te Osaka, de rijkste stad van Japan. Behalve de voortbrengselen van kunst en nijverheid waren er ook zeldzame dieren tentoongesteld, o. a., in eene hooge kooi, twee hanen. Wat uiterlijk aangaat, geleken deze dieren veel op gewone hoenders, doch wat ze echter zoo bezienswaardig maakte, warende zadelveeren, die eene lengte van ongeveer B voet, en de staartveeren, die gemiddeld 6 voet lang waren. De zadelveeren waren al zeer bizonder gevormd; want ze geleken meer op koorden of op touw, dan op veeren. De heer Wichmann kocht deze vogels, alsmede eenige zadelveeren en staartveeren van deze hanen, die sinds het vorige jaar waren uitgevallen en bewaard en die eveneens tentoongesteld waren. Evenzoo kocht de heer Wichmann twee hennen, waarvan men verzekerde, dat ze bij de lianen behoorden. De vogels werden met groote moeite naar Hamburg overgebracht, waar zij, al was het dan ook in minder goeden staat, toch levend aankwamen.
De heer Völschau zag de vogels spoedig na hunne aankomst, en al geloofde deze niet dadelijk aan de verhalen van de buitengewoon lange zadel- en staartveeren, die de hanen zouden hebben, maar die op de reis uitgevallen of stukgegaan zouden zijn, zoo werd die twijfel geheel opgeheven bij het zien van de veeren van het vorige jaar, die spoedig daarna aankwamen.
De veeren stonden op de verkoop-rekening als âPhoenix-veeren,quot; en daarom heeft de heer Wichmann deze hoenders ook Phoenix-hoenders genoemd. Dat de Phoenix-hoenders in Japan zelf zeer zeldzaam zijn, wordt bewezen door het teit, dat zij te Osaka als iets bizonders waren tentoongesteld, en verder had niemand vroeger dergelijke vogels gezien, zelfs niet de Professor in de Zoölogie te Yeddo. De heer Völschau beschreef toen deze eigenaardige hoendersoort in de pluimvee-tijdschriften als volgt;
hoenderboek.
âDe vogels hebben het voorkomen en ook de grootte van de gewone âboerenkip; de hanen hebben enkele, de hennen maleische kammen, ter-âwijl beide gele pooten hebben. Een van de beide hanen heeft hetzelfde âveerenkleed als een zilverlakensch vechthoen en daarbij het witte gezicht âvan de Spanjaarden. De bij dezen haan behoorende hen is niet zuiver getee-âkend, om zoo te zeggen, als een bastaard zilverlakensch vechthoen. Aan âde hen ontbrak ook het witte gezicht, dat bij den haan zoo in het oog âviel. De andere haan is, wat pluimage aangaat, het evenbeeld van het âgoudlakensch vechthoen, zuiver geteekend, en de bij hem behoorende hen âdonker koekoeksveer zonder verdere uiterlijke kenteekenen. Over het alge-âmeen is liet eenige bizondere bij deze hennen de gele pooten en de maleische âkam. Ik drukte den heer Wichmann mijnen twijfel uit over het al ot niet âbehooren van die hennen bij de hanen, vooral wat betrof de koekoeks-âveerige hen en den goudlakenschen haan. De heer Wichmann gat mij de âverzekering, dat hij er eveneens zoo over gedacht had en zijne meening âook aan den tusschenpersoon, die de hennen later bezorgde (alleen de âhanen waren tentoongesteld), medegedeeld had. Deze persoon verklaarde âevenwel beslist, dat de hennen afkomstig waren van dengene, die de âhanen tentoongesteld had en hij stond voor de echtheid daarvan in.quot;
De heer Wichmann Jr., alsmede de heer Du Roi uit Brunswijk, wien de heer Wichmann jonge vogels afstond, hebben eenen goudlakenschen Phoenix-haan met twee goudlakensche vechthennen gekruist en hiermede allerverrassendste uitkomsten verkregen. De hanen, door deze kruising verkregen, gepaard met jonge hennen van den ingevoerden toom, leverden afstammelingen, waarbij de hanen reeds zeer lange zadel- en staartveeren hadden, er waren er bij van bijna 4 voet lengte. Deze hanen waren in 1883 pas twee jaar oud, en vermoedelijk zullen zij op verderen leeftijd wel eveneens veeren van 6 voet lengte gekregen hebben. Zorgen en moeite worden door de heeren Wichmann en Du Roi niet gespaard; hiervan gaven de in 1881 verkregen dieren het zekerste bewijs. Doch ook wellicht â wij durven bijna zeggen zeker - zijn hier invloeden van het klimaat in het spel, en wie weet, of wij hier niet met een geheim van den japanschen kweeker te doen hebben.
Uit het land der wonderen, Japan, zijn ons reeds zooveel zonderlinge zaken ter core gekomen ! Men deuke slechts aan de japansche miniatuur-
68
HOENDERBOEK.
tuinen. Zou het niet mogelijk zijn, dat de buitengewone lengte der veeren kunstmatig verkregen werd 1
Later hebben ook andere ijverige liefhebbers van pluimvee Phoenix-hoenders direct doen importeeren, en wij willen hopen, dat het moge gelukken, deze fraaie vogels inheemsch te maken. Een Phoenix-haan met geheel uitgegroeiden staart zal voorzeker steeds het grootste sieraad zijn van eiken hoenderhof.
SPANJAARDEN.
Gallina galias hispanica, Gallina gallus lusitanica, Spaansch hoen; Spanisches Huhn, Spanier, Elephanten-Huhn, Mexicanisches Huhn, Portorico-Huhn, Poule espagnole, Spanisch fowl.
Of werkelijk het oorspronkelijke vaderland van deze hoenders Spanje is, hieromtrent bestaat nog geene zekerheid. Het voorkomen van deze vogels, vooral van den haan, is slank, recht en sierlijk, en zóó trotsch, dat men iets dergelijks bij een ander ras moeilijk kan aanwijzen. Vrij zou men, bij het zien van eenen raszuiveren Spaanschen haan, mogen uitroepen : âTrotsch als een Spanjaard!quot; - De hoogte tot boven den kop is 0.55â0.60 meter, het gewicht 272-3 kilogram, de kop breed en lang, de bek lang, sterk, donker hoornachtig leigrauw. De kam is zeer groot, bizonder lang en hoog, enkel, vuurrood, tusschen de neusgaten beginnende en tot aan het achterhoofd reikende, van onderen dik, aan de randen dun, van het begin tot aan het einde regelmatig en diep uitgetand. Bij den haan moet hij stijf zijn en rechtop staan en bij de hen aan ééne zijde overhangen. Bij jonge hanen, die men voor de teelt denkt te behouden, moet men er vooral op letten, dat de kam bij den wortel goed vleezig en breed is. Jonge hanen met eenen zwakken, dunnen kam zullen dezen, als zij ouder worden, niet rechtop dragen en nimmer forsche jongen met ataanden kam voortbrengen. Zeer zuivere Spaansche hennen hebbeu zulk eenen grooteu kam, dat aan die zijde, waar de kam overhangt, het oog geheel bedekt is. Een merkwaardig verschijnsel is, dat de kam bij de hennen, doch alleen bij deze, niet bij de hanen, des winters geheel inkrimpt, en iu het voorjaar,
69
HOEN DEKBOEK.
zoodi-a de legtijd aanbreekt, langzamerhand weer zijue natuurlijke grootte aanneemt. Zoowel de hanen als de hennen hebben lange keelleilen, welke zeer .fraai rood gekleurd zijn behalve het gedeelte onder de kin, dat wit is.
Bij de S p a n j a a r d e n is voorzeker liet witte gezicht een zeer in het oog loopend kenmerk. Dit begint reeds ver boven het oog bij den kam en breidt zich vervolgens naar onderen uit, dikwijls tot en soms nog verder dan de lange keelleilen. De wangen zijn met de oorlellen samengegroeid en hebben eeuige kleine, donkere veertjes nabij de gehoorgangen. De oorlellen zelf zijn ook wit, zeer lang, hangende, van onderen breed en afgerond, zonder groeven of plooien. Soms doen zich in het witte gezicht roode vlekken voor; zulk een vogel, hoewel hij overigens, wat gedaante, kam, enz., aangaat, onberispelijk moge zijn, kan niet als een raszuiver exemplaar in aanmerking komen. Dikwijls hoorden wij beweren, dat jonge hanen, die reeds een wit gezicht hebben, doch boven de oogen rood zijn, dit rood bij het ouder worden verliezen. Dit is evenwel in den regel niet het geval; gewoonlijk vertoonen zich op verderen leeftijd ook in het overige gedeelte van het gezicht roode vlekken. Bij jonge vogels is het gezicht in het eerst blauwachtig, daarna wordt het steeds lichter en eindelijk sneeuwwit. Een bizonder kenteeken van schoonheid is een geheel glad, witgezicht; in de meeste gevallen is het evenwel knobbelig en rimpelig. Een haan met een gerimpeld gezicht is zelden langer dan twee jaren voor de voortteling te gebruiken: het vel van het gezicht groeit namelijk over het oog en daardoor kunnen de dieren dan slecht of in het geheel niet zien. Wanneer zich bij Oenen haan een dergelijk geval voordoetâbij eene hen heeft dit nimmer plaats â en het is een zeer kostbaar voorwerp, waarvan men nog gaarne kweeken wil, dan kan men het witte gezicht opnaaien of opbinden, zoodat de oogen weer vrijkomen. Deze bewerking geschiedt op de volgende wijze: men neemt eene naald en eeneu sterken zijden draad, die men boven het oog door het witte gezicht en daarna door den kam steekt, en vervolgens weer door het witte gezicht vlak boven het andere oog. daarna weer door den kam, waarna men de twee einden, na den draad stevig aangehaald te hebben, aan elkander knoopt. Het witte gezicht wordt daardoor in de hoogte getrokken en de oogen komen vrij. Met het beste gevolg heb ik eens dit middel toegepast. Men mag evenwel deze operatie, als ik ze zoo noemen mag, niet alleen doen; men moet hulp hebben; eene krachtige hand moet den haan stevig vasthouden, daar de
70
HOENDERBOEK.
steek in het witte gezicht zeer pijnlijk is, en de haan daardoor heftige bewegingen maakt, zoodat men licht het oog zoude kwetsen, wanneer de vogel niet goed vastgehouden wordt. Bloed stroomt er bij deze kleine operatie niet, en de pijn duurt ook slechts gedurende een oogenblik; want zet men den haan daarna op den grond, zoo zal hij dadelijk weer vroolijk en trotsch heenstappen vol vreugde, dat hij nu weer zien kan. Sommigen willen beweren, dat men het gezicht rondom de oogen kan afsnijden, wij voor ons gelooven echter niet, dat het dier deze in allen gevalle pijnlijke operatie zal kunnen doorstaan.
De hals is sierlijk gebogen en rijkelijk van lange, zijdeachtige sierveeren voorzien; de rug vrij rond, breed nabij de schouders, naar achteren toe smaller en afhellende; de zadelveeren evenals de halsveeren; de borst rond, sterk vooruitspringende; de vleugels lang, goed ontwikkeld en plat tegen het lichaam gedrukt; de staart groot, overeind staande, met groote, sterk gebogen sikkelveeren; de dijen lang met kleine veertjes bekleed; de pooten fijn, naakt, leikleurig zwart bij de Zwarte Spanjaarden en vleeschkleurig bij de Witte Spanjaarden.
De Spanjaarden zijn over het algemeen teer van aard, vooral de raszuivere, wat voor beide soorten geldt. Men moet er dus goed op letten, dat de jonge vogels bij regenachtig weer over het algemeen niet buiten loopen. Vooral zorge men, dat de jonge hoenders een goed ingericht, warm toevluchtsoord hebben, omdat vooral de jonge hanen tamelijk veel tijd noodig hebben om geheel in de veeren te komen. Wanneer de kuikens 14 dagen oud zijn en afkomstig van ouders, die zeer groote kammen hebben, dan kan men reeds met zekerheid de hanen van de hennen onderscheiden ; want op eeneu leeftijd van 14 dagen vertoont zich de kam reeds bij jonge hanen.
Dikwijls gebeurt het bij de Spanjaarden, evenals bij de andere hoenderrassen, dat zich valsche veeren, gewoonlijk witte, vertoonen; dergelijke vogels gebruike men liever niet voor de teelt.
Als eierlegsters worden de Spanjaarden zeer op prijs gesteld; zij leggen vele en zeer groote eieren. Vroeg beginnen zij evenwel niet te leggen behalve wellicht wanneer men ze in een verwarmd, of zeer warm gelegen hok huisvest. Jarenlang heb ik Spanjaarden gekweekt, doch steeds eerst op het einde van Maart, of in het begin van April eieren gekregen. Span-
71
HOENDERBOEK.
jaardeii broeden in het geheel niet of ten minste zeer weinig. Evenwel zou hier het oude gezegde: âGeen regel zonder uitzonderingquot; van toepassing kunnen zijn. Jaren geleden had ik zelf eene uit Engeland geïmporteerde, zeer raszuivere Spaansche hen, welke zich broedlustig toonde en welke, toen ik ze uiet te broeden zette, zes tot acht weken rustig op het legnest bleef zitten. Dit is echter slechts eene uitzondering, daar overliet algemeen de Spaansche hennen zoo levendig en onrustig van natuur zijn, dat zij het vervelende broeden liever aan anderen overlaten.
De Z w arte Spanjaarde n moeten volkomen zwart zijn, de sierveeren met groenen en purperen metaalglans. Gezicht wit, kam en keellellen rood, pooten leizwart. â De Witte Spanj aard en zijn zwakker dan de zwarte. Zeer zelden treft men eenen toom raszuivere Witte Spanjaarden aan; ofschoon alles soms vlekkeloos is, bevinden zich gewoonlijk in het gezicht, al ware het slechts boven de oogen, roode vlekken. Dit is de reden, waarom zij slechts zelden gehouden worden. De sierveeren aan hals en rug zijn zeer glansrijk, de pooten vleeschkleurig. â Zwarte Minorca's (Sc h war ze Minorca, Schwarzes Tscherkessen-Huhn) komen in alles met de Spanjaarden overeen zoowel wat voorkomen, kam, kleur, etc. aangaat. De kam is eigenlijk nog grooter dan bij de Spanjaarden. Het eenige onderscheid bestaat daarin, dat terwijl de Spanjaarden een geheel wit gezicht hebben, dat der Minorca's scharlakenrood is zonder het minste wit. Minorca's, een onderras der Spanjaarden, gaan voor nog betere eierlegsters door dan deze. Witte Minorca's (Weisse Minorca, Weisses Tscherkessen-Huhn) zijn zeei' zeldzaam. Zij zien er uit als Witte Spanjaarden, maar hebben een geheel rood gezicht. â Andalusiërs (Andalusisch hoen, Andalusiër; Poule Andalouse, Jersey blues, Jersey fowl, Yersey fowl) hebben evenals de Minorca's een rood gezicht. De veeren zijn helder lood blauw met donkere randen; hals, rug, vleugels en staart bij den haan donker leiblauw, zeer glansrijk met purperen metaalglans. Zelden ziet men eeuen werkelijk smetteloozen toom Andalusiërs; of de hennen zijn te licht, óf wel de haan heeft gele of roode hals-en rugveeren. Zij leggen evenwel zeer goed en wel groote, witte eieren. â De An con a's (Ancona-h oen) zoude men koekoeksveer-Spanjaarden met rood gezicht kunnen noemen, of koekoeksveer-Minorca's. Iedere veer heeft op blauw-giauweu ondergrond donkere blauwgrauwe dwarsstrepen. Evenals bij alle
72
MINORKA'S.
HOENDERBOEK.
andere koekoeksveerige hoenders moet men er bij de An co na's op letten, dat zij geene gele veeren hebben, welke zich hoofdzakelijk aan den hals en op den rug vertoonen. Dergelijke voorwerpen moet men weer niet voor de voortteling gebruiken, wanneer men ten minste op raszuivere kuikens prijsstelt. Ook de Ancona's leggen vele groote, witte eieren. â H angle am men (Hangkam hoenders, Schlotterkilmme, Schlotter-kamm-Hühner, Bergische Schlotterkilmme) stammen vermoedelijk van Sp an j aar d en en Bergschekraaiers af. Zij zijn iu Westfalen voor het eerst gekweekt geworden. In grootte met de Spanjaarden overeenkomende, hebben zij, ook de haan, groote overhangende trillende kammen, vandaar de naam Hangkam men. Naar de kleuren onderscheidt men Witte, Zwarte, Bruine en Koekoeksveerige Hangkammen. Alle zijn bekend wegens hunne goede eierproductie; maar zij broeden niet of' hoogst zelden. â Barbarijsch hoen (Berberh uhn) heeten Spanjaarden met sabelpooten. /ij komen iu Noord-Afrika veel voor. â Poule de la Br esse heeten hoenders, verkregen door kruising van Minorca's met fransche veldhoenders. Zij zijn thans uitgestorven en worden niet meer geteeld. Holthöuser zijn gekruiste Spanjaarden, dus bastaarden, vrij groot, zwart met witte strepen. Zij komen voor in Westfalen.
BEKGSCHE K R A A 1 E 11S.
Gallina gallus vociferans.
Bergische Krdher, Kraker über 'n Berg, Poule d'Elberfeld.
liet oorspronkelijke vaderland van deze hoenders is het vroegere hertogdom Berg in Westfalen.
Het voorkomen, de grootte, de vorm van den kam, enz., wijzen op eene verwantschap met Spanjaarden, doch dit is nog niet met zekerheid vastgesteld.
De gestalte van den haan is gedrongen, naar achteren afdalende; de houding trotsch, rechtopgaande, evenals van het spaansche hoen; de hoogte tot boven den kop 0.45 a 0.50 meter; het gewicht 2 a 3 kilogram; de kop
73
HOENDERBOEK.
vlakte hebben zonder eene komvormige verdieping in het midden; de vorm van den rozenkam is breed, van voren vierkant, van achteren gepunt, met de punt eenigszins naar boven gekeerd. De wangen zijn rood en met kleine, korte, witte veertjes begroeid, de oorlellen middelmatig, tot op '/3 der keellellen afhangende; deze zijn bij dit ras zeer groot, breed en hangende. De hals is vrij kort, sierlijk gebogen, rijkelijk met lange, smalle, zijdeachtige veeren bekleed, die aan den hals, nabij de borst, een dik voorkomen geven, terwijl hij nabij den kop vrij dun is. De rug is breed en vrij lang, het zadel breed, naar achteren afdalende en van lange sierveeren voorzien. De borst bizonder breed en sterk naar voren gebogen ; de vleugels zijn lang en breed; de staart is groot, bijna rechthoekig uit den rug ontspringende, doch onmiddellijk daarna naar achteren omvallende en van breede, fladderende sikkelveeren voorzien. De dijen zijn sterk ontwikkeld en tusschen de veeren van den romp verborgen. De pooten zijn vleeschkleu-rig, kort, sterk en naakt, met de sporen een weinig binnenwaarts gekeerd. De drie voorteenen zijn lang en ver uit elkaar staande, de achterteen is dubbel. Er zijn dus 5 teeneu aan eiken poot, de '2 achterteenen zijn vol-komen van elkaar gescheiden, boven elkaar, de bovenste of óde teen moet bij raszuivere Dorkings lang, goed ontwikkeld en tevens naar boven gebogen zijn.
De Dorkings hebben eenen zeer weelderigen vederdos, lange hals- en rugveeren, groote en breede vleugels, terwijl de staart zeer vol en breed is en zeer fraai gedragen wordt.
Ook de hen heeft, doch natuurlijk niet in die mate als de haan, een zwaar lichaam. Haar gestalte is iets langer, het borstbeen lang en zeer sterk ontwikkeld, de hoogte tot boven den kop 0.4:5, tot boven den rug 0.35 meter, het gewicht bedraagt 8 a 4 kilogram. De kop is klein en levendig, met de vleezige aanhangsels minder ontwikkeld dan bij den haan; ook zij moet liefst eenen enkelen kam hebben en deze moet, evenals bij de Spanjaarden, naar ééne zijde overhangen. De rug is plat, recht en lang. De hals kort, met spits gepunte veeren bekleed; destaart goed ontwikkeld, breed en vol, in de hoogte gedragen en van breede pennen voorzien. De pooten zijn, met uitzondering der sporen, gelijk aan die van den haan, dus met vijf teen en.
Bij deze hoenders onderscheidt men donkere, lichte en witte. Dit zijn
7(5
HOENDERBOEK.
de meest bekende, doch meu heeft uog koekoeksveerige, die hoe langer hoe zeldzamer worden.
Bij de Donkere Dorkings (D u n k 1 e D o r k i n g; G r e y D o r k i n g, Speckled Dorking, Spang 1 ed Dorking, Lord Hill's colour. Coloured Dorking), die den enkelen kam moeten hebben, heeft de haan witte, lichtgele of stroogele halsveeren, die in de lengte fijn zwart gestreept zijn ; de zadelsierveeren zijn evenzoo geteekend ; de rug is verder stroogeel, of licht roodachtig geel, of kastanjekleurig, of grauw, of zwart; de schouders stroogeel, of stroogeel met zwart gemengd; de borst en het onderlijf glimmend zwart; de spiegel (eene vlek op de vleugel veeren) is zwart met groenen metaalglans; de kleine slagpennen zijn wit aan de buiten vlag, zwart aan de binnenvlag; de groote slagpennen zwart of zwart met witten zoom langs de buitenvlag. De staart is prachtig matzwart met uitzondering der kleine en groote sikkelveeren, die eenen donkergroenen, metaalach-tigen weerschijn bezitten. De hen heeft, evenals de haan, vuurroode keel-lellen, gezicht en oorlellen; de halsveeren zijn wit ot strookleurig en fijn zwart overlangs gestreept; de strepen kunnen zóó breed zijn, dat het is, alsof de halsveeren donkergrijs of zwart zijn met witte randen, óf er is aan de punt van elke veer eene donkergrauwe of zwarte, halvemaanvormige vlek geteekend. De vleugelslagpennen zijn in het midden blauwachtig grauw, met fraaie, smalle, bruine vlekjes geteekend en met breede, zwarte randen. Het overige lichaam is donkergrijs, soms bijna zwart. De schacht van alle veeren behalve die van de borst is roomkleurig wit en teekent zich scherp af op den donkeren ondergrond. IJe staartpennen zijn zwartachtig grauw met donkere, smalle streepjes en vlekjes, terwijl de buitenste veeren met lichte vlekjes bezaaid zijn.
Men ziet, dat de Donkere Dorkings zeer verschillen in teekening en in grondkleur, om welke reden men niet veel waarde aan de kleurver-deeling der veeren moet hechten, te meer, daar deze ook bij de afstammelingen onderling verschillen en zeer uiteenloopend zijn. Zelfs vindt men onder de hanen eenige, die eene witte spiegelvlek op de vleugels hebben, en onder de hennen, hoewel zeldzaam, eenige, die eene zwarte borst hebben.
In Engeland noemt men Japanned Dorking de Donkere Dorkings, wanneer de hals- en zadelveeren glimmend stroogeel zonder zwart zijn, en de borst, buik en staart effen zwart. PencilledDo rk i n g zijn Donkere
77
HOENPEKBOEK.
Dorkings niet zwart en witte grondkleur en eene roode tint op de borst. Redspeckled Dorkings (John Cathcarts Colour) noemt men Donkere Dorkings, wanneer bij den haan de borst zwart en wit is, de buik zwart; de sierveeren en het lichaam rood met wit gemengd of gespikkeld zijn, en bij de hen de grondkleur chocoladebruin is met witte spikkels ; G olden Dorkings noemen de Engelschen Donkere Dorkings, indien bij den haan hals- en zadelsierveeren goudachtig rood, rug en schouders kastanjebruin zijn en het overige lichaam zwart is; de hen is patrijskleurig; noch haan noch hen mogen één enkel wit veertje bezitten.
Lichte 1) o rk i n g (S i 1 b er gr au we D ork iug, D o rk ing ar gen té, Silver Grey Dorking). Bij deze zijn kam, keel-eu oorlellen schitterend rood. De kam moet liefst enkel zijn. De pooten zijn vleeschkleurig en hebben 5 teenen. De haan heeft zuiver zilverwitte hals-, rug-, schonderdek-en zadel-veereu zonder geel of zwart; de schouders zilverwit. De vleugeldekveeren glimmend zwart met groenen of paai'sen gloed, de kleine slagpennen wit aan de buitenvlag, zwart aan de binnenvlag, terwijl aan de punt van iedere veer een zwart vlekje is. Wanneer de vleugels langs het lijf gesloten liggen, moeten de punten van de vleugels helderwit zijn met zwarte randen. De groote slagpennen zwart en niet wit, zooals door eenige fransche liefhebbers wordt beweerd, hoogstens met witte punten aan de buitenvlag. De borst en het onderlijf glimmend donkerzwart; de staart en het overige lichaam dofzwart, behalve de sikkelveeren, waarover een groene of paarse gloed ligt. Bij de hen zijn de randveeren langs de oorlellen en de wangen wit; zij vormen een kraagje, dat zich tot onder de kinlellen uitstrekt; de bals-veeren zijn zilverwit met aschgrauwe randen, of fijn zwart overlangs gestreept ; de borst is zalmkleurig, naar den buik toe in het aschgrauwe overgaande ; de rug- en vleugelveeren zijn fraai donkergrijs gepareld op licht-grijzen grond; doch er mogen geene roode of bruine veeren tusschen zijn. De staartpennen zijn donkergrauw met kleine zwarte streepjes en vlekjes; de binnenveeren zijn zwart. Alle schachten der veeren zijn helderwit.
Bij de Witte Dorkings (We is se Dorking, Dorking b lanes. White Dorking) komt het vuurroode van den kam, de keel-en oorlellen nog meer uit dan bij de andere soorten; zij hebben meestal eeneu rozenkam. Deze is eenigszins afgeplat, van voren breed, wordt naar achteren toe smaller en eindigt spits; hij bestaat geheel uit naast elkander liggende
7H
HOENDEKBOEK.
knobbeltjes en puntjes. Bek en pooten geelachtig of licht vleeschkleurig en alle veeren zuiver wit zonder gele tint.
Ook de Ko ekoeksveer - Dorkings (Blue mottled Cuckoo, Blue Shell, Cuckoo Dorking, Dorking Coucon, Gesperberte Dorking) hebben eeneu enkelen rooden kam, een rood gezicht en dito oor- en keellellen. Zij zijn geheel zuiver koekoeksveerig, dat is licht loodkleurig, met donkerder loodkleurige stippen of dwarse strepen op de veeren zonder eeuige gele of bruine tint in de sierveereu. De pooten zijn vleeschkleurig en hebben 5 teenen. Evenals bij alle koekoeksveerige hoenders is ook hier de haan meestal iets lichter van kleur. Eeneu gelijkmatig donker koekoeksveerigen haan ziet men zelden.
Donkere Dorking Krielen, Lichte Dorking Krielen, Witte Dorking Krielen, Koekoeksveerige Dorking Krielen (Little Dorkings). In alles gelijk aan de Dorkings, behalve in grootte, even groot als Bantams of Vechtkrielen.
Indien de koekoeksveerige Dorkings slechts 4 teenen hebben, noemt men ze Scotch Greys (Graue Schotten, Schottisch Graue). Deze fraaie hoenders zijn eerst sedert eenige jaren bekend. De pooten zijn loodkleurig. Het vaderland is Schotland, waar ze zeer in den smaak vallen; zij leggen en broeden goed en hebben malsch, smakelijk vleesch.
Scotch Grey Krielen (Scotch Grey Bantam) zijn dwergvor-men van de gewone Scotch Grey's, en in alles aan deze gelijk behalve in grootte.
Het Kenthoen (Surrey fowl, Sussex fowl, Kent fowl, Engli-sches Kukuks-Huhn) is een engelsch gekruist ras, geen zuivere Dorking, in alles gelijk aan Dorkings, doch langer van lijf en meestal met 4 teenen.
F ra n s c he D o r k i n g s zijn gewone fransche veldhoenders met 5 teenen.
79
HOENDERBOEK.
I) O M I N I Q U E S.
Gallina Gallus dominicensis.
Dominiques; Bominikaner; Poule coucou américaine.
Aan Amerikanen danken wij het bestaan van deze fraaie hoendersoort; door hen wordt dit ras sinds jaren overvloedig gekweekt. De Dominiques zijn koekoeksveerig van kleur, forsch en vierkant gebouwd, evenals de Dorkings, maar toch zijn zij sierlijk. Het zijn levendige, stoutmoedige vogels; een troep gezonde, goed uitgegroeide Dominiques levert een prachtig gezicht op, vooral door het fraaie koekoeksveerige gevederte, de gele pooten en den rooden kam. â Het zijn voordeelige hoenders; zij leggen trouw, groeien verbazend snel op en leveren fijn vleesch. â De hoogte tot boven den kop is 0.50 meter. Het gewicht van den haan bedraagt 3 a 4, dat van de hen ± 3 kilogram. â üe kop is plat, fijn, niet dik ; de bek middelmatig groot en geel; de kam een goed gevormde rozenkam, evenals bij de Witte Dorkings en de Hamburgers, van achteren in eene opgewipte punt (staart) uitloopende; bij de hen is de kam eenigszins minder ontwikkeld; het gezicht is rood door de kale en roode wangen, de middelmatige, bijna cirkelronde keellellen, die bij de hen kleiner zijn dan bij den haan, en de roode middelmatige en ronde oorlellen. De hals is middelmatig lang, rond, bij den haan rijkelijk met sierveeren bekleed, die ver over de schouders neerhangen. De rug is breed en plat; bij de hen naar den staart toe een weinig hooger dan nabij den nek; de zadelveeren bij den haan evenals zijne halssierveeren; de borst vrij sterk voorwaarts gebogen; de staart hij den haan met lange, fladderende sikkelveeren bezet, doch niet boven over den rug gebogen; door de hen wordt de staart vrij recht overeind gedragen. De pooten zijn slank, naakt en geel.
so
HORN OERBOEK.
P L Y M O ü T H-lt O C K S.
Gallina Gallus Plymouth-RocUi.
Eveneens van amerikaanschen oorsprong en waarschijnlijk verkregen door kruising van Dominiques met Cochinchina's. Zij kenmerken zich door mime grootte en zwaarte, hebben eene forsche ineengedrongene figuur, zijn slank en deftig en staan in vorm tusschen de Italianen en Spanjaarden.' Hun kleed is leikleurig koekoeksveerig met donkere naar het zwart overhellende dwarsbanden; de hanen zijn altijd veel lichter van kleur met smallere en lichtere dwarsbanden dan de hennen. Zij hebben eenen enkelen kam, die vuurrood en regelmatig getand is en rechtop staat. Hunne wangen zijn vuurrood, met weinige korte veeren bezet; de oor-en keellellen eveneens vuurrood, de eerste vrij kort, de laatste vrij lang, breed, van onderen goed afgerond. De pooten zijn middelmatig lang, sierlijk, naakt en heldergeel. Hun staart is kort, doch langer dan bij de Cochinchina's en Brahma-poetra's; die van den haan heeft niet zeer lange sikkelveeren; bij de hen
woidt de staart horizontaal gedragen. De haan weegt 4â5, de hen 8__^1 j.1
kilogram, dikwijls zijn zij evenwel zwaarder.
De hoogte tot boven op den kop is 0.50â0.60 meter. De kop is klein en opgeheven. De bek sterk bij het begin, aan de punt haakvormig gebogen, heldergeel; de hals vrij lang, sierlijk gebogen, dik door de menigte sierveeren, die lang en fijn zijn en tot op de schouders neerhangen ; de kleur der halsveeren is zilverachtig wit met kleine, donkere dwarsbandjes geteekend. De rug is plat, breed en vrij lang, naar den staart toe een weinig afdalende; de borst breed, goed ontwikkeld en vooruitspringende; de vleugels zijn middelmatig, en in de rug-, borst- en buikveeren gedeeltelijk verborgen; de dijen bizonder sterk ontwikkeld en dik beveerd, doch niet donsachtig.
De Plymouth-Rocks zijn zoowel vlijtige legsters als goede broedhennen, en voor de keuken bizonder geschikt: hun overvloedig vleesch is zeer malsch' en sappig. In den laatsten tijd komt dit ras meer en meer in zwang.
ü
Si
HOENDERBOEK.
De heer Ernst Rode te Hamelu in Hanover deelt in het Tijdschrift voor Pluimgedierte en Vogelbescherming : âDer Praktische Geflügelzüchterquot; zijne zeer belangrijke ondervindingen mede omtrent het Plymouth-Rock-ras, hetgeen we hier gaarne onveranderd laten volgen:
âOmstreeks Mei 1879 bracht een vriend mij als geschenk nit Amerika twee toornen Plymouth-Rocks mede; iedere toom bestond uit eenen haan en twee hennen. De vogels hadden eene stormachtige en gevaarlijke stoombootreis achter den rug, waren afkomstig van twee zeer beroemde kweekers en te New-York aan boord gekomen. Eerst had men de vogels op het dek geplaatst in eene groote kooi met houten bodem en dak en vier houten pijlers, welke met zakkenlinnen waren omspannen, en die door middel van een tusschen-schot in tweeën verdeeld was. Het vervaarlijk gekraai van de beide vijandelijke buren belette evenwel, dat het geluid der misthoorns van tegemoetkomende schepen gehoord werd ; de dieren moesten dus verhuizen en werden na lang heen- en weersjouwen, eindelijk in een leeg groentenhok gebracht. Nadat de vogels daarin eenige dagen hadden doorgebracht, vond mijn vriend ze op eenen goeden morgen tot aan den buik in het water staan en, ofschoon dadelijk flink afgedroogd, stierf er eene hen reeds den volgenden dag, waarschijnlijk tengevolge van het lange ongevraagde bad; de andere vogels herstelden zich spoedig en toonden zich later weer vroolijk en tierig. Twee dagen na aankomst te Bremerhaven had ik de hoenders in mijn bezit, en reeds den volgenden dag had ik de eerste echte Plymouth-Roek-eieren.quot;
âDe bovenstaande mededeelingen, die wellicht menigeen overtollig zullen voorkomen, heb ik met opzet neergeschreven, om het krachtige gestel der Plymouth-Rocks te doen uitkomen. Misschien kan ik hierover later nog meer berichten.quot;
âDe Plymouth-Rocks waren in dien tjjd in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika het meest verbreide en geliefkoosde ras, dat ook in andere landen, vooral in Engeland en Duitschland, menig liefhebber in verrukking heeft gebracht. Dr. Baldamus noemt ze bastaarden, ontstaan door kruising van Dominiques en Donkere Brahmapootra's, en die, ofschoon reeds meer dan dertig jaren zelfstandig gekweekt, toch niet overal constant zijn gebleven. Hoogstwaarschijnlijk bedoelt Dr. Baldamus hiermede de eerste
82
iioenderhoek.
Plymouth-Rocks; want de tegenwoordige amerikaansche Plymouth-Rocks kwamen eerst in 18()9 te voorschijn. Aan Dr. Bebmett komt de eer toe, de eerste Plymouth-Rocks gekweekt te hebben uit eene kruising van eenen Cochinchina-haan met eene bastaardhen, verkregen uit Dorkings, Maleiers en Indische hoenders. Tengevolge van hunne afstamming waren deze vogels over het algemeen bontkleurig, hadden kromme, grijze pooten en vijf teenen. De voortteling van deze vogels leverde groote bezwaren op, en men kwam tot geen resultaat, zoodat men de proefneming staakte. Eindelijk verschenen de eerste nieuwe Plymouth-Rocks in 1860 op de pluirnveetentoonstel-ling te Connecticut en vonden dadelijk opgetogen liefhebbers, koopers en kweekers. Dat deze Plymouth-Rocks eene kruising zijn, staat vast; maar het is niet met zekerheid te zeggen uit welke rassen, en zóó constant als dit ras tegenwoordig is, is het vroeger nooit geweest; een jarenlang voortgezette, zorgvuldige teeltkeus heeft uit kruisingen eindelijk een constant ras gevormd.quot;
âWegens hun groot en stevig voorkomen maken de Plymouth-Rocks al dadelijk eenen gunstigen indruk. Mijn oude tweejarige haan had oen gewicht van circa 5 kilogram; het was een kolossaal dier, en daarbij wekte hij ieders bewondering op door zijne fiere houding en bewegingen. De hennen zijn eveneens buitengewoon forsch van uiterlijk; voornamelijk is het achterlijf zeer ontwikkeld en de dijen zijn vleezig en malsch; de grootste van de drie hennen woog meer dan 8'/2 kilogram. Het vleesch is buitengewoon malsch en sappig, en daar deze vogels zich gemakkelijk laten vetmesten, kan men ze spoedig zeer vet en zwaar krijgen ; zelfs heeft het vleesch van oude hoenders niets van de onaangename eigenschappen van dat van andere oude hoenders. Ook door hunne vruchtbaarheid zijn de Plymouth-Rocks aanbevelenswaardig, en daarom staan zij dan ook in Amerika in dat opzicht bovenaan.quot;
âDen dag van aankomst (:;51 Mei) begonnen de vogels reeds met leggen en gingen hiermee tot den ll'len Juli voort. Op dien datum werd een van de hennen broedsch; doch aangezien mij dit voor dit groote ras te laat voorkwam, belette ik haar dit, en omstreeks drie weken later legde zij weer oen ei. Het leggen ging door tot den rui in Augustus en begon latei-weer in November. Gedurende den winter lieten zij het leggen alleen op zeer koude dagen na, en toch vond ik dikwijls eieren bevroren in hot nest.
HOENDERBOEK.
als ik het rapen eens oversloeg. De eieren hebben een gemiddeld gewicht van 60 gram; alleen de grootste hen legde gewoonlijk eieren van 73 gram, en zoowat het vierde of vijfde ei woog 78â80 gram. Bij het leggen van een ei van meer dan SO gram had dit fraaie dier eens groote moeite, en toen wij het ei ondanks alle moeite en toegepaste middelen niet konden verwijderen, moest het dier worden afgemaakt. De kleur der eieren is dezelfde als die der Cochinchina's, doch veel lichter; soms vindt men bijna witte en ook wel eens geheel witte.quot;
âMijne Plymouth-liocks hebben maar ééns gebroed, doch toen ook zeer goed, en bij die gelegenheid hebben zij zich leeren kennen als uitstekende moeders. De kuikens komen gemakkelijk uit het ei en vereischen weinig zorg; ze groeien om zoo te zeggen van zelf op. Daar de moeder gaarne in de weide loopt, worden de kleine vogels al dadelijk daaraan gewend; derhalve hebben ze ook eene flinke ruimte noodig om op te groeien; dan worden ze gauw groot en zijn spoedig in de veeren. Eigenaardig is de kleursverandering bij deze vogels. Als zij uitkomen, zijn de jongen verschillend gekleurd, sommige zijn donker, andere licht, weer andere bont: zwart met bruin en geel. Ik heb opgemerkt, dat donkere kuikens meestal hennen, lichte hanen worden. De hanen zijn ook hier, evenals bij alle andere koekoeksveerige hoenders, lichter dan de hennen, zoodat men bij het vormen van eenen toom hierop vooral moet letten.quot;
âBij den eersten rui, die vlug en gemakkelijk van stapel loopt, krijgen de jongen het kleed der ouden; de veeren hebben eene blauwachtiggrijze grondkleur, waarover doukerblauwgrijze, bijna zwarte dwarsstrepen loo-pen ; de halsveeren hebben doorgaans vier strepen; hoe regelmatiger die strepen loopen, des te fraaier wordt de vogel. Elke afwijking van de aangegeven kleur is eene fout. Oude hanen krijgen dikwijls geelachtige of roodachtige veeren boven op de vleugels.quot;
âDe bek is tamelijk kort, aan den wortel buitengewoon sterk, en komt, vooral van ter zijde gezien, veel overeen met eenen papegaaibek. De klem-is lichtgeel, evenals die der pooten, die zeer krachtig gevormd zijn en groote, ver van elkander staande teenen hebben. Aan de pooten is geen spoor van veeren te zien; bij mijne Plymouth-Rocks heb ik nog nooit een enkel veertje aan de pooten ontdekt, en dit is voor mij al bewijs genoeg om aan te nemen, dat de bewering van eenen Cochinchina-kweeker, alsof
84
hoendekboek.
Plymouth-Kocks verloopen koekoeksveerige Cochinchina's zijn, van allen grond ontbloot is. Op eene vergadering te Kiel werden in 1881 Plyrnouth-Rocks en eene kruising daarvan met koekoeksveer-Cochinchina's en Italianen bij elkaar gebracht; ze hadden oppervlakkig zeer veel overeenkomst met elkaar; ik heb helaas tot dusverre nog niet vernomen, ot' er van die gekruiste hoenders jongen zijn gekweekt en hoe die er. uitzien. Dat deze kruising vele der goede eigenschappen der Plymouth-Rocks zal hebben, hieraan behoeft niet getwijfeld te worden.quot;
âDe kop heeft veel overeenkomst met dien van de Cochinchina's; de kam is enkel, niet zeer groot, maar iets hooger dan bij de Cochinchina's, staat volkomen strak overeind, is regelmatig getand en diep uitgesneden ; hij is fijn, prachtig rood en zonder een enkel uitwas. Evenals het gezicht met de heldere oogen en oorlellen vuurrood is, zoo zijn dit ook de fraaie, ronde, dunne, afhangende keellellen. De Plymouth-Rocks onderscheiden zich van de Cochinchina's ook nog door hunnen staart, die wel is waar niet veel grooter dan die van de Cochinchina's is, maar echte sikkelveeren heelt, welke, ofschoon korter dan gewoonlijk, toch breed en sterk zijn. Tot op de geslachtskenmerken na, geljjkt de hen op den haan.quot;
Uit dit verhaal van den Heer Rode kan men afleiden, dat de Plymouth-Rocks werkelijk nuttige hoenders zijn. Tot nu toe zijn ze niet overal bekend; de invoer uit Amerika is steeds met bezwaren verbonden. Als dit fraaie hoen maar eerst wat meer bekend is geworden, dan zal het wel eene eerste plaats onder de hoenderrassen bekleeden.
W Y A N I) 0 T T E S.
Gallina gallus Wyandotti.
De beschrijving der Wyandottes verscheen tot dusverre nog niet in een werk over rashoenders. Die, welke wij hier geven, is den bewerker dezer nederlandsche uitgave van het Hoenderboek van Völschau medegedeeld door den Heer Jou van der Have te Nieuwerkerk bij Zierikzee, die haar zelf putte uit de drie tijdschriften: Chasse et Pêche, dat te Brussel,
85
HOENDERBOEK.
BlJltter für Geflügelzucht, dat te Dresden, en Pfalzische Gre-flügelzeitung, dat te Kaiserslautern verschijnt.
De Wyandottes zijn van amerikaanschen oorsprong en, zooals men zegt, afkomstig van 2 kruisingen, te weten van Sebright Bant am-haan met Cochinchina-hen en van Zilverlaken Hamburger-haan met Donkere Brahmapoetra-hen. De heer J. K. Feluh moet nauwkeurig den oorsprong en de samenstelling hebben nagegaan. In de landstreek ten noorden van de beneden-St. Laurenz-rivier ontstond onverwachts eene kruising vaneenen Sebright Bantam-haan en eenegele Cochinchina-hen. Deze kruising was zeer groot en had den grondtoon der Bantams behouden. Men noemde ze Sebright-Cochin. Tegelijkertijd had de kruising plaats van eenen Zilverlakenschen Hamburger-haan en eene Donkere Brahmapoetra-hen. Deze kruising ontving den naam van H enr êk a. Toen liet men S e br ight-C o ch in met H eu r êka kruisen. De voortgezette teelt van deze kruising, wellicht met een weinig meer Hamburger-bloed, heeft de Wyandottes te voorschijn gebracht.
In den beginne kon men het niet eens worden over den naam, aan het nieuwe ras te geven; men stelde voor, ze H a m b 1 e t o n i an, Columbia, Am bright, enz. te noemen; later werd besloten, het den naam Wyandotte te geven naar eenen Indiaanschen stam, de Wyandots, die in vroeger tijd het landschap bewoonde, waar dit nieuwe ras het eerst werd gekweekt.
In 1878 werden deze nieuwe dieren (wanneer we goed onderricht zijn) aan de American Poultry Association voorgesteld, om onder het tal van zelfstandige rassen te worden opgenomen. Ze werden toen echter afgewezen. Eerst in 1883, dus na 5 jaren, waagde men het, ze weder voor de tentoon-stellings-jury te brengen, in welken tijd men zich alle moeite gegeven had, ze te verbeteren; ze werden toen aangenomen en hun type vastgesteld, zoodat ze nu als zelfstandig ras hunne sporen verdiend hebben.
Voor zooverre ze mij bekend zijn, hebben de Wyandottes veel overeenkomst, wat do veeren betreft, met S e bright-B ant am ; maar ze zijn veel sterker en grooter en hebben eenigszins den vorm van Brahmapootra's, doch met langoren hals, rozenkam (zooals de Hamburgers) en zuiver gele pooten. Volgens PAur, Mousedl te Haine St. Pierre (Henegouwen) moet iedere veer zuiver wit zijn met zwarten rand zond er grijs;
86
iioendekboek.
de rozenkam loopt in eeue piuit uit, de gele pooten zijn naakt. De staart moet zwart zijn. De slagpennen der lsto orde van buiten wit, van binnen zwart, die der 2rl0 orde bijna wit met zwarte strepen in het midden, welke zich verwijden en dubbele strepen dwars over den vleugel vormen.
De Wyandottes leggen vele lichtgele eieren, broeden zeer goed en zijn onverbeterlijke moeders.
Er zijn ook Witte Wyandottes en in den laatsten tijd ook Koekoe k s v e e r i g e.
De heer Job van der Have voegt hier nog bij, âde Wyandottes, die ik heb, geven bijna geen terugslag, ten minste heb ik verleden jaar niet één kuiken gehad, dat niet ten volle thuis te brengen was. Het is echter zeer moeilijk ze zonder grijs te krijgenquot;.
L A F L Ã C H E 'S.
Gallina gallus andagavensis.
Poule Gornette, Flèchoise, Poule du Maine, Gehörntes Huhn.
Dit sierlijke ras ontleent zijnen naam aan het dorpje La Flèche in het departement der Sarthe in Frankrijk, waar het voor het eerst gefokt werd.
De gestalte is trotsch en krachtig, hoog en schoongevormd ; de hoogte O.CO meter; het gewicht 4 a 5 kilogram ; de kop heeft kleine, dunne, stugge veertjes achter den gehoornden kam; de bek is lang, sterk, zwart en donker-hoornkleurig; de kam bestaat uit twee vuurroode, van boven van elkaar wijkende, 5 centimeter lange, hoornvormige punten; vóór deze bevindt zich nog een klein, rood, vleezig wratje even boven de neusgaten. Soms zijn de hoorns aan de binnenzijde eenigszins vertakt, zooals bij de Crève-coeurs. De wangen zijn kaal en rood ; de gehoorgang is door kleine, zwarte veertjes bedekt; de oorlellen zijn groot, zuiver wit, de kinlellen vuurrood, 8 centimeter lang; de hals is middelmatig lang, recht, rijkelijk met lange, smalle, glansrijke sierveeren bekleed; de borst gewelfd, de rug breed, vrij lang, naar achteren toe afdalende; de zadelveeren zijn evenals de sierveeren aan den hals lang, smal en glanzend ; de vleugels sterk ontwikkeld, plat tegen het lichaam aansluitend; de staart is niet groot, doch heeft lange sikkelveeren ; de pooten zijn lang, gespierd, naakten donkerleikleurig.
87
HOENDEKBOEK.
De kleur is zwart met groenen en violetteu weerschijn ; debuikveeren zijn vaalzwart.
Met recht schrijft Dk. Baldamus over dit fraaie ras het volgende:
âAls tafelhoen verdient dit ras ontegenzeggelijk den eersten prijs, en daarin bestaat dan ook zonder twijfel zijne groote waarde. De huid is zoo fijn en teer, dat men bij het plukken zoo voorzichtig mogelijk te werk moet gaan, om haar niet stuk te trekken en daardoor het gebraad te ontsieren; het vleesch is kort van vezel, malsch en sappig; wel is waar groeien de kuikens langzaam, maar het vetmesten gaat gemakkelijk en ving; de eier-opbrengst is belangrijk; de eieren zijn groot, wit en goed van smaak.quot;
De kuikens zijn bij het uitkomen zwart; alleen de borst en het onderlijf zijn lichtgeel, zooals trouwens alle kuikens, die uit zwarte rashoenders voortspruiten, in den beginne altijd eene lichtgele borst en onderlijf hebben, bijv. die van Spanjaarden, Crëvecoeurs, Langshans, enz.
Sedert eenige jaren bestaan er behalve de zwarte La Flèche's ook witte, die evenwel niet zoo groot en krachtig zijn. De kuikens zijn bij het uitkomen lichtgeel en hebben op den kop een zwart vlekje, dat die diertjes allerliefst staat. De heer Völschau kan naar eigen ondervinding getuigen, dat de witte La Flèche's niet gemakkelijk groot te brengen zijn; de kuikens moeten in den eersten tijd met de grootste zorg opgekweekt worden.
Bastaarden van La Flèches met Crëvecoeurs worden Race d'Angers genoemd.
Poule de Barbezieux is eene kruising van veldhoenders in Frankrijk met La Flèche's; zij hebben eenen diep uitgetanden kam.
li ace Cauchoise, Poule de la Caussade, Poule de Caux, Cauxner Huhn, is een fransch hoen, getrokken uit La Flèche en Crève-coeur, glimmend zwart, met kleinen kop. vrij grooben, enkelen kam, fijn getand en helderrood, evenals de keellellen, die afgerond zijn ; de oorlellen zijn wit met blauwachtigen rand. De pooten leikleurig en naakt.
Poule du Mans, Le Mans, zijn in alles, behalve in den kam, gelijk aan La Flèche's; maar ze hebben eenen grooten rozenkam met vele wrattige uitwassen er aan en van achteren in eene punt uitloopende, evenals de Hamburger pellen.'
88
hoenderboek.
C R Ã V E C O E U J1 S.
Gallina gullus cameracensis.
Poule de Pavilly, Poule de Crèvecoeur.
Ook dit traaio fransche ras is zeer in trek en wordt evenals de La Heches in Duitschiaud veel gekweekt. In Frankrijk wordt het in de omstreken van Crèvecoeur, een dorp in het departement der Oise veel gehouden ; zijn naam is ook aan dat dorp ontleend.
Robert Oettel, de bekende Nestor der hoenderkenners, beschrijft in de zesde uitgave van zijn voortreffelijk werk: âDer Hühner-oder Geflügelhofquot; de Crèvecoeurs als volgt:
âDit hoen heeft een vol rond lichaam, niet te hooge, donkere of lei-kleurige pooten, eenen breeden, vrij horizontalen rug, zwarte veeren, twee vei vooruitstekende kamspitsen, nu eens glad, dan weder oneffen gevormd, eenen tamelijk langen onderkam, eene zwarte kuif en eenen baard van zwarte veeren. De tamelijk groote kuif staat bjj den haan des te rechter op, naarmate de kamspitsen meer ontwikkeld zijn. Bij de hen is de vorm van de kuit verschillend, de oogen min of meer bedekkende ; de kam is veel kleiner dan bij den haan.quot;
Vroeger was het in de oogen van juryleden geen gebrek, als de kam van den haan geweivormig was, dat is, als aan de groote, rechtopstaande spitsen zich weder kleinere vertoonden. Thans echter erkent men slechts twee rechtopstaande spitsen, geheel zonder uitwassen, voor echt.
Het is jammer, dat zich dikwijls reeds bij tweejarige vogels witte veeren in de kuit vertoonen, die, hoe ouder de dieren worden, steeds in aantal toenemen. De dieren verliezen hierdoor aan fraaiheid. Daar dit leelijke gebiek echter steeds bij oude dieren - en ik durf zeggen zonder uitzondering â voorkomt, moet men daarop bij bekroningen ook bedacht zijn. lleett de haan bruinachtige of roodachtige zadelveeren, dan is dit een gebrek, dat niet over het hoofd mag gezien worden ; met een dergelijk voorwerp mag men ook niet telen, indien men prijsstelt op het kweeken van een zuiver ras.
De gestalte van den zuiveren rashaan is kort, breed en vierkant, de
89
HOENDERBOEK.
houding en de gang trotsch, de hoogte met de kuif 50 tot 55 centimeter, het gewicht 3'/2â4 kilogram, de kop groot en lang, de kuif glimmend, goed ontwikkeld en rond, evenals bij de Padua's, de bek middelmatig, donker hoornkleurig; de kam, zooals boven beschreven is, moet bestaan uit twee hooge, aan den grond samengegroeide, naar boven toe zich van elkaar verwijderende, helderroode, vleezige hoorns; de oorlellen zijn klein, wit eu gedeeltelijk onder de bakkebaarden verborgen; de kinlellen vrij lang, zuiver afgerond, prachtig rood ; de baard is goed gevuld, onder de ooren beginnende (zulke baarden noemt men bakkebaarden), en onder de kin tot voorbij het eind der kinlellen zich uitstrekkend. De hals is middelmatig lang, recht, met smalle, glimmende sierveeren bekleed ; de rug breed, zeer zacht naar achteren hellende ; het zadel rijkelijk van smalle, glanzende sierveeren voorzien; de borst sterk ontwikkeld en breed ; de buik zeer zacht bevederd ; de vleugels zijn goed onder de dekveeren verborgen; de staart is groot met lange, glanzende sikkelveeren; de pooten zijn kort en sterk, zwart of donker leikleurig. De hen is in alles gelijk aan den haan, maar de dubbel gepunte kam en de kinlellen zijn veel minder ontwikkeld; de sierveeren aan hals en zadel en de sikkelveeren van den staart ontbreken. De hoogte met de kuif is 40â45 centimeter, het gewicht 2V2 tot 3 kilogram.
Men heeft zwarte, zoogenaamde blauwe (blauwgrauwe) en witte Crèvecoeurs. De kleuren moeten onvermengd zijn. Laatstgenoemde zijn zeer fraai, waarschijnlijk direct uit zwarte ouders getrokken en door zorgvuldige, verdere teelt constant geworden.
De Crèvecoeur hennen leggen groote, witte eieren, maar broeden zelden-Wat de waarde van dit ras vooral verhoogt, is het gemakkelijk grootbrengen en de snelle groei der kuikens. Ook zijn ze uitstekende tafelhoenders; zij hebben een fijn beengestel, zeer veel malsch vleesch en worden gemakkelijk vetgemest.
De bastaarden van Crèvecoeurs met Houdans en La Flèches worden Race d'A n g e r s genoemd.
Eene afwijking der Crèvecoeurs met minder ontwikkelde kuif en geheel zonder baard, terwijl de keel- of kinlellen langer zijn, heet Poule de Caumont of Poule de Merlereaux.
Poule de Gouruaye is aanverwant aan de Crèvecoeurs. De beschrijving hebben wij tevergeefs gezocht.
90
HOENDEUIiOEK.
Blauwe Crèvecoeurs met bevederde pooten worden Blauwe Vos-hoenders genoemd. Zij werden door den heer W. H. Vos te'sGraveland in den handel gebracht.
H 0 U D A N S.
Gallina gallus houdanemis.
Poule Hoadun, Poule nor mande; Nor manner, Normannisches lïuhn, Polnisches Schleierhuhn, Haubenschlelerhuhn; Normandy fowl.
Ook deze hoenders ontleenen hunnen naam aan den naam van het stadje Houdan in het departement van Seine en üise in Frankrijk. Van al de fransche hoenderrassen is dit wel het meest uitverkorene en het meest verspreide. Ook in Duitschland wordt dit ras zeer veel gehouden en is daar meer bekend onder den naam van Wanzenauer; deze naam is ontleend aan het dorp Wanzenau bij Straatsburg, waar sedert jaren de Houdans zeer op prijs worden gesteld en veel gefokt.
Houdans zijn groote, sterk gebouwde, trotsche, deftige vogels. Hun gevederte is zwart eu wit, onregelmatig gevlekt of liever gespikkeld. Ze zijn het mooist, wanneer geene dezer twee kleuren de overhand heeft. In den laatsten tijd heeft men deze fraaie hoenders zoo donker mogelijk, ja bijna zwart gefokt, hetgeen ze in ons oog veel in fraaiheid doet verliezen. Dit is evenwel eene quaestie van smaak, en het kweeken van donkere Houdans is eenvoudig eene modezaak geworden. Zij moeten niet anders dan zwart en wit gekleurd zijn; maar dikwijls gebeurt het, dat de hals-en zadelveeren, vooral bij oude banen, eene gele tint krijgen. Ofschoon dit nu ook niet als een bepaald gebrek moet aangezien worden, zoo ziet toch een waar liefhebber niet gaarne gele veeren.
De hanen zijn 0.55âO.öO meter groot en hebben een gewicht van 3â4 kilogram; de kop is groot; de kuif bestaat uit lange, smalle, naar achteren gebogen veeren; de bek is middelmatig, aan den wortel donker, aan de punt licht hoornkleurig; de kam bestaat óf uit twee rechtopstaande punten, óf uit twee zeer groote, helderroode lappen, die aan de buitenzijde sterk getand zijn en zeer veel gelijken op de bladen van een open-
91
HOENDERBOEK.
geslagen boek. In het midden van die punten of lappen zit een groot aardbeivonnig uitwas, en hiervóór tusschen de neusgaten ziet men nog een klein, rond wratje, zoo groot als eene erwt. De laatste soort van kam, bladkam genaamd, is eigenlijk veel mooier dan de hoornkam; maar gewoonlijk bezitten de Houdans met eenen grooten bladkam niet zulke groote kuiven als die met hoornkammen. De wangen zijn rood, kaal, met dikke bakkebaarden, uit gekrulde veertjes bestaande; de oorlellen klein, onder de bakkebaarden verscholen; de kin heeft eenen sterk ontwikkelden baard, die de kinlellen van elkaar scheidt; deze zijn vrij lang, rood, van onderen afgerond. De bals is kort, dik, gebogen en rijk met lange, zijdeachtige sierveeren bekleed; de rug breed en plat; de zadelsierveeren als die van den hals; de borst is breed met vooruitspringend borstbeen. De staart heeft vele lange en breede sikkelveeren. De pooten zijn vrij kort en sterk gebouwd, bij jonge dieren vleeschkleurig, daarna zwart gevlekt, en bij oudere leikleurig; zij hebben 5 teenen, waarvan de beide achterste boven elkaar geplaatst zijn, evenals bij de Dorkings.
Do hen is 0.40 meter hoog, heeft een gewicht van 2 tot 3 kilogram. De kam en de kinlellen zijn evenals die van den haan, maar veel kleiner. De kuif is vrij groot en bolrond, eenigszins naar achteren gekeerd en uit meer ronde veeren bestaande, dan die van den haan. De bakkebaarden zijn kleiner dan bij den haan, de kinbaard is goed gevuld eu kort.
Ook de Houdans zijn gemakkelijk groot te brengen; zij leggen bovendien, vooral als zij vrij kunnen rondloopen, vele groote eieren, en zijn uitstekende mestvogels; zij worden in dit opzicht door menigeen boven de Crèvecoeurs verkozen.
De Houdans, de la Flèche's en de Crèvecoeurs leveren de beroemde fransche kapoenen en poelarden. Dit staat vast, dat geen ras zoo spoedig vet wordt, als de drie bovengenoemde; daarbij hebben zij een fijn beengestel en buitengewoon veel zacht en sappig vleesch. Geen wonder dus, da,t deze fraaie hoenders zoo algemeen gewaardeerd worden. Van de drie soorten zijn de Houdans de sterkste; vandaar dat men hun in de meer noordelijk gelegen landen de voorkeur geeft en men ze daar veel ziet.
Bastaarden tusschen Houdans en Crèvecoeurs worden in Frankrijk aangetroffen onder den naam van Poule d' A n g e r s.
92
HOENDEIiBOEK.
K O IIT P O O T E N.
Gallina gal his brevipes.
Korlpoothoen, kortpootig hom; Gourla paltes, Coq de Cambodge,
Ghdlons; Hüpfer, Kriecher.
Deze ziju eveneens van fransche afkomst en onderscheiden zich voornamelijk door hunne korte pooteu. Deze ziju zoo kort, dat de onderbuiks-veereu bijna den grond raken. Zij zijn zoo groot als kleine boerenkippen en komen in alle kleuren voor. Men noemt zo in Holstein âKrüperquot; (d. i. kruipers) omdat hun gang veel op kruipen gelijkt; zij worden daar dooide boeren veel gehouden en zijn er zeer gezocht wegens hun vast broeden. Hun gewicht bedraagt 1 Va tot 2 kilogram. De kam is dubbel, d. i. in twee punten uitloopende, evenals bij de Crèvecoeurs, en met een klein kuifje er achter. De hennen, hebben evenals de hanen, bizonder sterk ontwikkelde staarten.
In Engeland en Schotland komt eene varieteit voor met eenen enkelen, rechtopstaanden, diepgetanden kam. Zij worden Schotsche dwerg-hoenders of Schotsche krielen genoemd, ook wel D u m p i e s, B aki es, Go-laighs. Hun gewicht is 3 kilogram, de pooteu zijn slechts 4 tot i) centimeter hoog; de kleur is wit, zwart of bruin, doch bij voorkeur koekoeksveer.
Eene andere varieteit heeft kromme pooten, is roodbruin of grauw van kleur, heeft eenen enkelen kam en sterk ontwikkelden staart met lange sikkelveeren. Deze heeten Das hoenders, in het duitsch Dachs-h ü h n e r.
Al deze hoenders schijnen thans bijna niet meer voor te komen.
HOENDEKBOEK.
KRAAIKOPPEN.
Gallina gallus coracina-
Breda's; Poule d tête de corneüle, Krühenlmhn, Krühenschnabel,
Krühenkopf, Rlesenhuhn, Beluister Hollander; Breda fowl.
Vroeger werden deze hoenders, vooral in Duitschland, Olifantshoenders genoemd. Vanwaar deze eigenaardige naam komt, kunnen wij niet zeggen. Het is een nederlandsch ras, dat veel overeenkomt met La Flèche's. Het heeft eene krachtige, slanke, rechtopstaande en trotsche gestalte, eene hoogte van 50 tot 55 centimeter en een gewicht van 3 tot 4 kilogram. De kop is klein ; op de kruin vormen eenige kleine, stijve, haarachtige veeren een begin van eene kuif. De bek is sterk gevormd, donker of licht naar gelang van de grondkleur der veeren. De kam ontbreekt, doch er is bij den haan eene zadelvormige, hoornachtige verhevenheid over het voorhoofd en den wortel van den bek, en dit is zeker het meest eigenaardige van deze hoenders. De wangen zijn rood met eenige zwarte, korte en harde veertjes onder het oor (een begin van bakkebaarden); de oorlellen wit of rood, afhangende; de kin- of keellellen helderrood en zeer lang; de hals is kort, doch recht, rijk voorzien van lange, zijdeachtige sierveeren, zoo ook het zadel; de rug is breed; de borst rond en breed ; de staart goed ontwikkeld en van groote sikkel- en sierveeren voorzien. De pooten zijn vrij lang, aan de binnen- en buitenzijden met lange, rechte, naar achteren en buitenwaarts gekeerde veeren bezet; de kleur der pooten is donker- of lichtgrauw naar gelang van de grondkleur der veeren.
Over het algemeen zijn de Kraaikoppen zwart met weinig metaalglans op de veeren, met uitzondering van die aan hals en staart bij den haan. Doch er zijn ook witte en blauwe Kraaikoppen (Irisches Huhn, Bred a-B 1 a u h u h n, Elephantenhuhn). De laatste zijn 1 icht loodkleurig blauw, met alle sierveeren en vleugeldekveeren donker leikleurig blauw. Ook koekoeksveerige (Gelderlanders, Poule de Gueldre, Gel-derlander, Hermelin-Breda, Englisches Kukukshuhn) met gele bek en pooten. Vroeger merkten wij reeds op, dat de koekoeksveerige kleur zelden of nooit constant is, en zoo gebeurt het ook bij de koekoeks-
94
HOENDREBOEK.
veerige kraaikoppen dikwijls, dat uit zuiver koekoeksveerige vogels zwarte en witte getrokken worden.
Op duitsche tentoonstellingen ziet men behalve de zwarte, ook nog wel de blauwe, welke evenwel, vooral bij de hanen gele hals- en zadelveeren te zien geven.
Al zijn de Kraaikoppen geen vogels, die veel vertoon maken, zoo levert toch een toom zuivere, blauwe Kraaikoppen een fraai gezicht op, vooral wanneer de haan zeer donkergrauwe hals- en zadelveeren heeft zonder den minsten gelen weerschijn.
Voor de consumptie zijn deze hoenders zeer aan te bevelen, evenals voor het eierleggen; de eieren zijn groot en wit; voor broeden deugen de hennen niet, daar zij in dat opzicht zeer onverschillig zijn.
Heelt de hoornachtige verhevenheid boven de neusgaten eenen platten rand, dan noemt men ze Schulpneuzen (M u s c h e 1 h ü h n e r). Is die rand daarenboven nog omgekruld, dan noemt men ze Bril neuzen, en vertoont zich behalve de verhevenheid daarachter nog een kleine, roode kam, die uit twee vleezige punten bestaat, dan heeteu ze Toornsche ofDoornsche hoenders.
PADUA'S.
Gallina gallus patavina.
Poule da Padoue, Poule de Pologne; Bahia-Huhn, Paduaner, Padua mit Krohnhaube, Paiavlnisches Huhn, Peguanisches Huhn, Haubenhuhn, Schleierhuhn, Hollenhuhn, Koppenhuhn, Kappenhuhn, Lombardisches Huhn, Persisches Huhn, Bhodisches Huhn, Wellsches Biesenhuhn; Polands, Polish fowl, Lady foivl.
Men verstaat onder den naam van Padua's die hoenders, welke groote, volle kuiven en baarden hebben en daarbij gladde pooten. â Als deze nu regelmatig geteekend zijn, kan men zich voorstellen, dat zij een prachtig gezicht opleveren. Voora! dames dwepen met de Padua's, die daarom in Engeland âLady f o w 1quot; genoemd worden. Zij zijn dan ook een waar sieraad. Wat hunne waarde voor huishoudelijk gebruik aangaat, deze is bitter klein; zij leggen niet bizonder veel en dan nog maar middelmatig
95
HOENDEKBOEK.
KRAAIKOPPEN.
Gallina gallus coracina-
Breda's; Poule d tête de corneüle, Krühenlmhn, Krühenschnabel,
Krühenkopf, Rlesenhuhn, Beluister Hollander; Breda fowl.
Vroeger werden deze hoenders, vooral in Duitschland, Olifantshoenders genoemd. Vanwaar deze eigenaardige naam komt, kunnen wij niet zeggen. Het is een nederlandsch ras, dat veel overeenkomt met La Flèche's. Het heeft eene krachtige, slanke, rechtopstaande en trotsche gestalte, eene hoogte van 50 tot 55 centimeter en een gewicht van 3 tot 4 kilogram. De kop is klein ; op de kruin vormen eenige kleine, stijve, haarachtige veeren een begin van eene kuif. De bek is sterk gevormd, donker of licht naar gelang van de grondkleur der veeren. De kam ontbreekt, doch er is bij den haan eene zadelvormige, hoornachtige verhevenheid over het voorhoofd en den wortel van den bek, en dit is zeker het meest eigenaardige van deze hoenders. De wangen zijn rood met eenige zwarte, korte en harde veertjes onder het oor (een begin van bakkebaarden); de oorlellen wit of rood, afhangende; de kin- of keellellen helderrood en zeer lang; de hals is kort, doch recht, rijk voorzien van lange, zijdeachtige sierveeren, zoo ook het zadel; de rug is breed; de borst rond en breed ; de staart goed ontwikkeld en van groote sikkel- en sierveeren voorzien. De pooten zijn vrij lang, aan de binnen- en buitenzijden met lange, rechte, naar achteren en buitenwaarts gekeerde veeren bezet; de kleur der pooten is donker- of lichtgrauw naar gelang van de grondkleur der veeren.
Over het algemeen zijn de Kraaikoppen zwart met weinig metaalglans op de veeren, met uitzondering van die aan hals en staart bij den haan. Doch er zijn ook witte en blauwe Kraaikoppen (Irisches Huhn, Bred a-B 1 a u h u h n, Elephantenhuhn). De laatste zijn 1 icht loodkleurig blauw, met alle sierveeren en vleugeldekveeren donker leikleurig blauw. Ook koekoeksveerige (Gelderlanders, Poule de Gueldre, Gel-derlander, Hermelin-Breda, Englisches Kukukshuhn) met gele bek en pooten. Vroeger merkten wij reeds op, dat de koekoeksveerige kleur zelden of nooit constant is, en zoo gebeurt het ook bij de koekoeks-
94
HOENDREBOEK.
veerige kraaikoppen dikwijls, dat uit zuiver koekoeksveerige vogels zwarte en witte getrokken worden.
Op duitsche tentoonstellingen ziet men behalve de zwarte, ook nog wel de blauwe, welke evenwel, vooral bij de hanen gele hals- en zadelveeren te zien geven.
Al zijn de Kraaikoppen geen vogels, die veel vertoon maken, zoo levert toch een toom zuivere, blauwe Kraaikoppen een fraai gezicht op, vooral wanneer de haan zeer donkergrauwe hals- en zadelveeren heeft zonder den minsten gelen weerschijn.
Voor de consumptie zijn deze hoenders zeer aan te bevelen, evenals voor het eierleggen; de eieren zijn groot en wit; voor broeden deugen de hennen niet, daar zij in dat opzicht zeer onverschillig zijn.
Heelt de hoornachtige verhevenheid boven de neusgaten eenen platten rand, dan noemt men ze Schulpneuzen (M u s c h e 1 h ü h n e r). Is die rand daarenboven nog omgekruld, dan noemt men ze Bril neuzen, en vertoont zich behalve de verhevenheid daarachter nog een kleine, roode kam, die uit twee vleezige punten bestaat, dan heeteu ze Toornsche ofDoornsche hoenders.
PADUA'S.
Gallina gallus patavina.
Poule da Padoue, Poule de Pologne; Bahia-Huhn, Paduaner, Padua mit Krohnhaube, Paiavlnisches Huhn, Peguanisches Huhn, Haubenhuhn, Schleierhuhn, Hollenhuhn, Koppenhuhn, Kappenhuhn, Lombardisches Huhn, Persisches Huhn, Bhodisches Huhn, Wellsches Biesenhuhn; Polands, Polish fowl, Lady foivl.
Men verstaat onder den naam van Padua's die hoenders, welke groote, volle kuiven en baarden hebben en daarbij gladde pooten. â Als deze nu regelmatig geteekend zijn, kan men zich voorstellen, dat zij een prachtig gezicht opleveren. Voora! dames dwepen met de Padua's, die daarom in Engeland âLady f o w 1quot; genoemd worden. Zij zijn dan ook een waar sieraad. Wat hunne waarde voor huishoudelijk gebruik aangaat, deze is bitter klein; zij leggen niet bizonder veel en dan nog maar middelmatig
95
HOENDERBOEK. ()7
Gr o u d 1 a k e n s c h e P a d u a 's (Gr 01 d 1 a c k P a d u a n e r, Gr O l d-T u p f e u-
Paduaner, Padoue dorée, Gold spangled Polauds) hebben eene fraaie, goudbruine grondkleur. Het einde der veeren in de kuif loopt in eene zwarte punt uit. De hals- en zadelveeren hebben iets meer zwart. De borst- en rugveeren met groote, halvemaanvormige, grauwzwarte randen; de vleugeldekveeren meer groenglimmende, zwarte randen, die aan de punt breeder worden en twee zwarte dwarsbanden over de vleugels vormen. De slagpennen hebben zwarte randen; de staartpennen ensikkel-veeren zwarte toppen; de dekveeren van den staart breede, zwarte, groenglimmende randen. De veeren der kuif zijn bij de hen in het eerste jaar-zwart met smalle bruine randjes, later goudbruin met breede zwarte randen.
liet gebeurt wel eens, dat witte veeren in de vleugels en den staart voorkomen; doch dit is een onverschoonbaar gebrek.
Zilver lak ens che Padua's (Silberlack Paduaner, Silber-Tupfen Paduaner, Padoue argentée. Si 1 ver Spangled Polands) zien ei juist zoo uit als de vorige, alleen is de grondkleur zuiver wit. Het is af te keuren, indien de haan â bij de hen doet zich dit gebrek nimmer voor â geelachtige hals- en zadelveeren heeft. Beide soorten treft men veel op tentoonstellingen van pluimvee aan, wel een bewijs, dat deze vogels gezocht zijn.
Gele Padua's (Victoria's, Padoue chamoix uui, Padoue chamoix maillé. Chamois Paduaner, Bi smarck-Huhn, Hohen-zollern'sHuhn, KaiserWilhelm'sH u h n, W e 1 f e n h u h n). Wat voorkomen en raskenteekenen aangaat, gelijken zij op de hier boven beschrevene, doch men treft ze niet zoo menigvuldig aan, daar het zeer moeilijk is, zn gelijkvormig van kleur te krijgen; daarom geeft menig liefhebber de teelt op. De grondkleur is zeemleerkleurig; men heeft er, die geheel die kleur hebben, maar meestal zijn de veeren wit gespikkeld, of, wat nog mooier is, met witte randjes. Door hunne zachte kleur zien deze hoenders er prachtig uit. Evenwel krijgt men zelden, hetzij op tentoonstellingen of elders, eenen zeer zuiveren toom van dit fraaie ras te zien.
Witte Padua's. Zooals de naam het aanduidt, zijn deze dieren sneeuwwit. Als ze volkomen wit zijn, zooals men ze helaas in de stad niet houden kan, zien ze er prachtig uit. Het is evenwel zeer te betreuren, dat de haan in de meeste gevallen sterk geel gekleurde hals- en zadelveeren heeft. Eenen raszuiveren, witten Paduahaan kan men dan ook
7
IIOENDEIillOEK.
gerust tot de zeldzaamhedeu rekenen, en als hij clan nog een geheel zuiver wit kleed draagt, dan kan men er wel van verzekerd zijn, dat kam- of keellellen te groot zijn of dat de kuif scheef is. Een mijner vrienden, die er zich reeds gedurende een twaalftal jaren op toelegt, om door zorgvuldige teelt witte Padua's te krijgen, is het in den laatsten tijd niet mogen gelukken, eenen raszuiveren haan te fokken; ook zijn zijne pogingen, om uit den vreemde in het bezit van zoo'n exemplaar te komen, niet met den ge-wenschten uitslag bekroond.
Zwarte en Blauwe Padua's zijn, zooais de namen aanduiden, zwart of blauw. Zij zijn wel niet zóó zeldzaam als de witte, maar toch blijven zij schaarsch; zoo ook de Koekoeksveerige Padua's (Padoue périnée), bij welke de kuif alleen aan de achterhelft eenige witte veertjes heeft, en de II ermel ijn-Pad u a's, die geheel wit zijn behalve aan de halsveeren, die overlangs zwart gestreept zijn, evenals bij de lichte Brahmapootra's, eu aan den staart, die zwart zijn met eenig wit gemengd.
Brabanders (Brabanter, H elm hu h n, Pa du a mi t Stehhaube). Deze komen met de Padua's in vorm, teekening en kleur overeen. Het eigenlijke verschil bestaat in de kuif, die niet vol en rond is, maar smal en voorovergebogen en in den vorm van eenen helm over de lengte van den kop loopt. Zij komen het meest in Duitschland voor.
De kleine, roode kam is van den bek af gespleten en hertshoornachtig getakt.
De Witte Brabanders heeten daar Brabanter Albino Hu hu of A1 bion-H u hn.
Oettei, schrijft over deze vogels het volgende:
âEr zijn eigenlijk slechts twee variëteiten, namelijk zilverlakensche en goudlakensche, en uit de kruising van deze ontstond eene derde lichtgele of zeemkleurige en gespikkelde. De spikkels zijn rond en zoo regelmatig mogelijk. Zeer schoon zijn de zilverlakensche, als de staart wit is met zwarte toppen, en de witte vleugels zwarte dwarsbanden hebben. De Brabanders zijn krachtig, leggen goed, en broeden niet veel, maar als ze het doen, doen ze het goed. In Saksen-Oberlausitz zijn ze zeer gewild, worden zoo zuiver mogelijk gehouden en staan als zeer nuttige vogels geboekt.quot;
Bastaarden van Padua's en Pellen heeten in Duitschland Hamburger Pr ach th ü li n er. Zij komen in alle kleuren voor.
us
IIOENMiEKIiOEK.
Als de Brabander geenen baard heeft, wordt hij in Duitschland Moskauer Huhn genoemd. Het komt eveneens in alle kleuren voor.
SERA 1 L S.
(Inlliva gallus turcica.
Smtil-hoender*, Turkschc hoenders. Turken, Sullanhoenders, Sultan»; THrken, Snltan»hüJiner, Serailhilliner, Astrakaner Hilhncr, Weisse THrkische Hilhner ;
Poule du Serail, Poule Sultane; Sultan Foivt; Sera): Taook.
De naam duidt reeds aan, dat dit ras uit Turkije komt. In hun voorkomen zijn zij geheel als Witte Padua's; zij zijn echter kleiner, maar toch sierlijk en trotsch van houding. De hoogte is tot hoven den kop gemeten 25 tot 30 centimeter; het gewicht 2â272 kilogram. De kop is dik, kort, eigenaardig gevormd met bizonder groote kuif, bij den haan bestaande uit lange, smalle, rondom afhangende veeren, bij de hen uit eene groote, bolvormige massa goed afgeronde, recht overeindstaande veeren. De groote haard bestaat uit fijne, gekrulde veertjes. De wangen zijn met naar boven gekeerde, baardvormige veertjes bekleed. De hals bij den haan en de hen en het zadel bij den haan rijk voorzien van lange, smalle, zilverwitte sier-veereu. De bek is kort, gebogen, licht vleeschkleurig, de kam met twee kleine, roode, hoornvormige punten, somtijds met een klein, rond wratje tusschen de punten, als bij de Houdans; de oorlellen klein, rond, door de wangveeren bedekt; de keellellen klein, vuurrood; de hals middelmatig lang; de rug breed en plat; de borst vooral bij de hen sterk naar voren gebogen; de vleugels aan de punt eenigszins hangende; de staart sterk ontwikkeld, bij den haan met lange, goedgebogen sikkel veeren, bij de hen bizonder groot, van eene menigte rondo dekveeren voorzien. De pooten zijn vrij kort, lichtvleeschkleurig met lange, stijve veeren aan de dijen en zeer lange, de voeten bedekkende veeren; de sporen sterk ontwikkeld. De Sultans hebben quot;gt; teenen. De kleur moet helderwit zijn zonder do minste gele tint.
Deze kleine, bevallige hoendersoort vindt men nog niet veel; ze zijn als nuttig ras niet aan te bevelen; de hennen leggen matig en broeden weinig of in het geheel niet.
Eene variëteit met langere ponten en kleinere kuil'heet 1'tannigan.
IIOENDEIinOEK.
W T T K III V E N.
Gallina gallus albocristaia.
Will'iiifhoen, flollandsche loitkulf, Pool sch hoen; Padour Iiollandaise; ITolldvdcr, Holhindischcs llnlin, HollandiscJie Weiszhaube, Pol-Hnlm, SchlcicrliitJm, Tollm-Huhn; Dutch Polands, Polisch fowl.
Witkuiven zijn korte, sierlijke, trotsche vogels. Hunne grootte varieert van 85 tot 40 centimeter; hun gewicht is circa kilogram. Zij hebben eene zuiverwitte kuif, alleen nabij het voorhoofd staan enkele zwarte of blauwgrijze veertjes, die bij de zuiverwitte witkuifhoenders echter ook wit zijn. Bij den haan bestaat de kuif uit smalle en lange veeren, die aan alle zijden langs den kop neerhangen, en bij de hen uit recht overeind-staande, ronde veertjes, die te zamen eene groote, bolronde kuif vormen. De bek is leikleurig zwart of lichter, naar gelang van de grondkleur van den vogel. De kam is nauwelijks zichtbaar en bestaat slechts uit twee punten, soms ontbreekt hij geheel; de wangen zijn rood; de oorlellen klein, rond en wit; de kinlellen rood, lang, dun en hangende; de hals is recht en rijk bevederd en wordt trotsch gedragen; de rug breed aan de schouders, smal bij den staart; de borst rond en sterk naar voren gebogen; de staart is bizonder sterk ontwikkeld en wordt bijna loodrecht gedragen. Do vleugels zijn goed geëvenredigd; de pooten vrij kort, dun, naakt en evenals de bek gekleurd. Een baard ontbreekt geheel.
De gewone kleur der Witkuiven is zuiver zwart. Zij zijn algemeen onder den naam van Zwarte Hollandsche Witkuiven bekend en worden ook Aleppo hoenders genoemd. Men vindt echter, hoewel zelden, ook blauwe (Sch weizer-Huhn, Polnisches Silberhuhn, S i 1 b e r s c h 1 e i e r h u h n, Polnisches S i I b e r s c h 1 e i e r h u h n, T ü r k i-sches Blauhuhn, Duns), koekoeks veerige(Mohnsperber, Sperbel-Pol an d),w itte (P olnisches Weiszhuhn)en gele (Chamois-Wit-kuif, Gold-Schleierhuhn, Polnisches Prachthuhn, Spangled S t. J ago). Deze zijn zeemleerkleurig met eene witte vlek op elke veer. Alle hebben witte kuiven.
Al deze Witkuiven zijn goede eierlegstcrs, doch slechte broedhennen.
11)0
nOENDEHIJOEK.
Ook zijn zo ongeschikt om vetgeinost te worden. J)e teelt is zeer moeilijk; ze zijn zeer teer, en hebben eene zorgvuldige verpleging noodig.
Men beweert, dat er vroeger in Engeland ook witte Witkuiven hebben bestaan, die echter zwarte kuiven hadden. Men zou ze dus gevoegelijk Witte Zwartkuiven kunnen noemen. De Engelschen noemden ze St. Jago Fowl. Sommigen willen, dat ze een echt ras vormden, maar als dat werkelijk zoo was, dan is het zeer te betreuren, dat dit edele ras uitgestorven is. Het is echter moeilijk aan te nemen, dat het een constant ras was; want dan hadden de Engelschen het zeker wel verder gekweekt. Het is waarschijnlijker, dat het zonderlinge spelingen der natuur waren, die hier en daar voorkwamen. Men beweert, dat er nog liefhebbers zijn, die met veel moeite trachten dergelijke vogels door teelt te verkrijgen. Zoo heb ik vóór jaren iemand gekend, die zich deze ondankbare taak ten doel stelde. Hij kruiste zwarte Witkuiven met witte Padua's en gat' den mannelijken nakomelingen weer witte Padua-hennen. Ten slotte bracht bij het zoo ver, dat hij eenige dieren kweekte die zuiver wit waren zonder baard met groote kuiven; maar ongelukkig hadden zij grijze halsveeren en geen zwarte, maar grauwzwarte kuiven. Verder kwam hij niet, en dan waren het slechts zeer weinige exemplaren, die er zoo uitzagen.') In Amerika komen zwarte Witkuiven voor met eenen baard. Zij zijn daar bekend onder den naam van Bavarian Fowl.
') De bovengenoemde bekende van den lleei- Volsciiau beging eene onvergefelijke fout. Hij luid er volstrekt geen Padua's in moeten mengen; want al kreeg bij bot resultaat, dat bij wensebte, namelijk witte hoenders met zwarte kuif zonder baard, witte oorlellen en onbeveerde pooten, dan waren bet tocb geen Witte H o I I a n tl s c h e Witkuiven m et zwarte kuif, maar een eebte b a s t a a r d, tusscben zwarte Hollandsche Witkuiven en witte Padua's!
Verkrijgt men eenmaal dooi' zorgvuldige teelt dergelijke boenders, die zicb constant voortplanten, dan kan men er wel op bogen, een ras gevormd te hebben, maar men mag daarvan niet zeggen, dat het eene variëteit is van Hollandsche Witkuiven; want het is ontstaan uit eene kruising van Witkuiven en Padua's. Noot van den bewerker der nederlandscbe uitgave.
101
HOENDERBOEK.
K N (J E L S C U E V K C 11T 11 O E N I) E R S.
GuUinu gallus uiKjlicuua bellicosa.
Panic ilc combal anylaisa; lïnr/lisches Kampfhuhn, linglinchvr Kümpfer; (hum fowl, Yorkshire Gaine; Slrydhoen.
Dib sierlijke hoenderras is overal zeer gewild, niet oin zijae groote huishoudelijke waarde, maar om zijnen sierlijken vorm, zijnen zeer leven-digen aard en dikwijls zeer fraaie kleuren.
De gestalte van den haan is slank, krachtig, strijdlustig en rechtopstaande ; naar achteren stomp kegelvormig toeloopende. De hoogte tot boven den kop bedraagt 15 tot 50 centimeter; het gewicht 2'/2 tot :? kilogram. De kop is lang en dun, naar achteren breed, naar voren spits toeloopende ; de bek is sterk gebouwd en zacht gebogen; de kam is enkel, dun, voor op het hoofd geplaatst, tijngetand en rechtopstaande. Gewoonlijk is de kam afgesneden, dit moet net en glad geschied zijn, zonder achterlating van wratjes aan de hoeken. De kin- en oorlellen zijn klein, rood, dun en glad; de hals is vrij lang, zacht gebogen, met korte tot aan de schouders reikende en glad aanliggende sierveeren. De oogen zijn nu eens donkerbruin, dan weder rood of geel. De rug is plat, naar achteren toe afhellende en smaller wordende; het zadel smal, met weinige en korte sierveeren bekleed; de borst bij het borstbeen sterk gewelfd en van daar naar de buik toe zacht wegvloeiende. De vleugels zijn sterk, van middelbare grootte, met het einde der slagpennen onder de sierveeren van het zadel verborgen. De staart is middelmatig ontwikkeld en wordt rechtop gedragen; elke sierveer bereikt bijna de daaropvolgende; alle veeren zijn stevig, hard en sterk glimmend. De dijen zijn lang en sterk ontwikkeld; de pooten glad, gespierd doch niet dik; de sporen sterk, zoo laag mogelijk zittende.
De hennen zijn ook slank te noemen, doch zij loopen niet zoo rechtop als de hanen. Zij zijn kleiner en wegen 2 tot 21/2 kilo. De kam is dun, stijf, klein, zaagsgewijs uitgetand en staat rechtovereind; de staart wordt bijna horizontaal gedragen. Bij zeer oude hennen ontwikkelen zich sporen
102
HOENDERBOEK.
De Vechthoenders vaviöeren sterk; wij zullen de voornaamste behandelen en ze onder den engelschen naam noemen.
15lack lleds zijn goudachtig donkerrood zonder zwart in kraag- of zadelveeren. De borst, de buik, de staart en de slagpennen zijn zwart; de pooten zijn wit, blauw, geel of olijfkleurig. De laatste kleur verdient verreweg de voorkeur. De kop is oranjekleurig, het gezicht fraai rood, de snavel hoornkleurig; de rug is iets donkerder dan de hals en heeft eenen paarsen weerschijn. De hen heeft eenen gelen kop met fijne, zwarte streepjes; het gezicht is rood, de snavel hoornkleurig, de hals goudgeel, zwart gestreept; de borst fraai zalmkleurig, naar den buik langzamerhand in het grauwbruine overgaande; overigens is het kleed bruin met donkere teekening.
Brown Reds (Brown breasted red Game) zijn goudachtig donkerrood; de schachten der hals-, zadel- en borstveeren zijn zwart; staart-en slagpennen zwart; borst roodachtig bruin met zwarte strepen; elke veer is lichtbruin gezoomd; de pooten olijfkleurig brons; de hen in alles bruiner, gezicht donkerrood; de bek donker-hoornkleurig, bijna zwart.
G ingerReds. Slagpennen bruinrood, staart zwart, borst geelachtig rood.
Yellow Duck-wing (Gele Eenden vleugel, Gelbe Entenfln-gel). Gezicht rood; kop-, hals- en zadelveeren stroogeel zonder zwart; rugveeien rood-kastanjebruin; borst en buik zwart; vleugeldekveeren staalblauw of glanzend zwartgroen, oenen breeden band over de vleugels vormende; slagpennen aan de binnenvlag zwart en grauw, aan de buiten-vlag stroogeel en wit. Pooten geel of groenachtig geel. De hen meer grauwachtig grijs dan de haan, met zwarte strepen over de halsveeren en met zalmkleurige borst.
Silver Duck-wing (Witte Eendenvleugel, WeiszeEnten-flügel). Gezicht rood, bovenzijde zilverwit zonder eenigzwart; onderzijde en staart zwart; schouders met eeno witte vlek; slagpennen aan de binnenvlag zwart, aan de buitenvlag wit. Soms zijn de halsveeren zeer fijn zwart gestreept, maar zoodra de strepen niet zeer fijn zijn, is dit af te keuren. De borst is zwart met paarsen weerschijn. De vleugeldekveeren staalblauw of glanzend zwartgroen, eenen breeden band over de vleugels vormende. De hen is meer grauwachtig ; de halsveeren hebben altijd zwarte strepen ; de rug grijs met donkere teekening; de borst zalmkleurig; de staart is donkergrijs en gepareld.
I OH
nOENDEHBOEK.
Birchen Yellow Game (Birchen Yellow Duck-wing, Donkergele Vecht hoenders). Donker stroogeel met purperrood gezicht; hals- en zadelveeren roodbruin gestreept; borst roodbruin met de schacht en den rand der veeren roomkleurig; staart zwart; vleugeldekveeren roomkleurig met roodbruine spikkels en chocoladebruine punten; slagpennen chocoladebruin; pooten donker olijfkleurig of geel. De hen is donkerbruin.
Roodbonte Vechthoenders (Red pile Game, Cheshire Game, Cheshire pile Game, Staffordshire Game; Roth ge-scheckte Kilmpfer). Hals- en zadelveeren licht-kastanjebruin; de buitenvlag der veeren bruin, het midden van elke veer tot aan den top wit. Borst van boven rood en wit gemarmerd, van onderen wit; rug glimmend rood; vleugeldekveeren wit met roode punten; slagpennen, staart en buik wit; pooten wit, vleeschkleurlg, of hoornachtig geel. Oewoonlijk vertoonen zich in den staart der beunen, die evenzoo gekleurd zijn als de hanen, roode veeren.
With on te Vechthoenders (White Pile Game, Worcestershire Game; Weisz gescheckte Kilmpfer). Geheel wit, de hals een weinig met helderrood geteekend; de vleugeldekveeren glimmend rood, of oranje met bruinrood gemengd. De hen is geheel wit, alleen de borst licht-kastanjebruin.
Furness Game of Polecats geheel zwart met goudgele sierveeren bij den haan, en dito halsveeren bij de hen.
Henny Game of Hennies zijn vechthoenders, waarvan de hanen er uit zien als hennen; zij hebben namelijk aan hals, zadel en staart geene sierveeren.
Wh eaten breasted Game heeten Engelsche Vechthoenders met stroogele borst.
Behalve de hierboven beschreven soorten heeft men, zooals wij reeds zeiden, Vechthoenders in allo mogelijke kleuren, zooals w it te (W h i te Game) met gele bek en pooten, koekoeksveerige (Cuckoo Game), zwarte (Lancashire Game), brousvleugel ige (Brassy wringed Game), Goud 1 akensch e (G old Spangl ed Game), zi 1 verlakensche (Silver Spangled Game), enz.
De Engelschen hebben het meest werk gemaakt van de vechthoenders, omdat ze die bij hunne hanengevechten, waarvoor ze eenen ongekenden harts-
m
HOENDERBOEK.
tocht bezitten, noodig hebben. Doch ook de Amerikanen zijn liefhebbers van deze wreede schouwspelen. Ook zij hebben hunne vechthoeuders en kennen er verscheidene vormen, variëteiten en onderrassen van. De meest bekende zijn White legs Bakers, Billy beards, Bob Mace Shufflers, Claiborns, Clippers, Conkeys, Counterfeits, County-fowl, Gee dominiques, Old nicks, Susquehama reds.
De door voortgezette teelt zeer klein verkregen variëteit der engelsche vechthoenders zijn de welbekende Engelsche Vechtkrielen (Game Bantam, Zwerg-Engliluder, Zwerg-Karapfer, Kampf-Bantams).
Zij komen in bijna al de hierboven beschrevene kleuren der Engelsche Vechthoenders voor. De zwarte heeten in Engeland Game-Dandies, de blauwe: Ely fishers. Eene beschrijving van deze kleine, fraaie, zeer gezochte en veel gehouden krielen is in zooverre overbodig, daar zij op de groote vechthoenders gelijken. Zjj missen alleen de buitengewoon rechtopstaande gedaante der Vechthoenders, overigens zijn ze âvechthoenders in miniatuur , en men kan zich licht voorstellen, hoe sierlijk ze daarom zijn. De meest bekende zijn patrijsveerige, goudlakensche en zilver-lakensche Engelsche Vechtkrielen.
Als de Vechthoenders volwassen zijn en dus minstens den ouderdom van zes tot acht maanden hebben bereikt, knipt men hun met eene zeer scherpe schaar den kam en de lellen bij den wortel af. De versche wond bestrijkt men nu voorzichtig met helschen steen, opdat de zeer sterke bloeding, die hierbij plaats heeft, spoedig gestuit worde. Het schijnt, dat deze operatie den vogel niet veel pijn veroorzaakt; want laat men hem los en zet men hem bij zijne hennen, dan kraait en krabt hij weder en gedraagt zich, alsof er niets gebeurd is. Eigenlijk heeft dat afsnijden van den kam geen bizonder nut meer, daar thans in het beschaafde Europa geen hanengevechten meer plaats hebben en ze bovendien bij de wet verboden zijn. Men beweert, dat deze wreedaardige liefhebberij in Engeland, hoewel in het geheim, nog steeds in zwang is. De hanen werden daarom gesneden of liever strijdvaardig gemaakt, omdat zij bij het vechten altijd het eerst den kam en de lellen aangrijpen, en deze dan sterk bloeden, waardoor de vogel verzwakt.
ISTu, ik moet bekennen, dat een Vechthaan zonder kam, mijns inziens, een veel strjjdhaftiger voorkomen heeft dan een meteenen kam. Misschien
105
IlOENDEIiBOEK.
komt het, omdat men altijd hanen zonder kammen ziet (hennen worden niet gesneden) en dan weet men niet beter of het behoort zoo. Zoo gaat het ook met de smaushonden of' rattenvangers; ook daarbij maakt een hond, waarvan de ooren niet afgesneden zijn, don indruk, alsof hij niet echt is. Maar ik wil met dit alles nog niet zeggen, dat ik een voorstander ben van het kammen-afsnijden; als een Vechthaan toch niet vecht, dan dient het afsnijden van den kam ook tot niets.
Zooals wij boven reeds opmerkten, hebben de vechthoeuders geen bizondere huishoudelijke waarde. De eieren zijn middelmatig groot en wit van kleur. Als moeders zijn de vechthennen uitstekend; zij zullen steeds hun broed tot het uiterste verdedigen, zelfs tegen honden en katten, ja zelfs tegen nog grootere dieren, als zij hunne kuikens in gevaar zien. Men wachte zich daarom, eene Vechthen te dicht bij andere kloeken te brengen, daar zij de vreemde kuikens onbarmhartig zoude verscheuren.
It E L 01 S (; II E VEC II T II 0 E N I) E 11S.
Gallinu gallus bdyica hdlicom.
Gomballanl da Nordt Poule de Gombal du Nord, Poule de Bruyvs;
Bunter Franzosen, Slelzhiihn: Belgian Game.
De kenmerken, die de Belgische Vechthoeuders onderscheiden van do Eugelsche, zijn de hoogte, die 55â60 centimeter, het gewicht, dat 4 tot 5 kilogram bedraagt, de zwartachtig roode kam, die een tusschenvorm is van eenen enkelen en eenen rozenkam, en de eveneens zwartroode wangen, oor- en kinlellen.
De gestalte is groot, sterk gebouwd en staat tusschen die van de Maleiers en Eugelsche Vechthoeuders in. De bek sterk, donkergrauw. De kam klein, een weinig zijdelings overhangende, is bij jongen meer zwart dan rood, bij ouden meer rood dan zwart. De oor-en keellellen vrij lang ; de hals lang met glad aanliggende sierveeren; de zadelsierveeren zijn gelijk aan die van den hals; de staart is van tamelijk ontwikkelde sikkelveeren voorzien; de pooten zijn lang, sterk ontwikkeld en leikleurig. Alle veeren sluiten glad tegen het lijf aan.
106
HOENDERBOEK.
De kleuron zijn rood, donkerbruin, blauw, zwart, wit, geel, grijs, koekoeksveerig niet zeven dwarsbanden op elke veer, enz.
II A M li U 110 E 11 S.
Gallina (jallus hanibarfjcnsis.
Hmiburgvr pel; Deutscher AlUagsleger, Deulsches Ballon lluhn, Sitiniuellwsr, Gdüpfle llainbavyer, Fasanenhuhn, Mooshnhn; Spangled llamburghti, Mooii cyca, Pheasant-Foxvl, Yorkshire Pheasant-Foivl; llamboury papillot,
Hamboiirrj palllelé, Calotte de Velours.
Dit zeer fraaie ras is overal verspreid en valt zeer in den smaak. Waaide naam âHamburgersquot; vandaan komt, is nog niet uitgemaakt; men neemt aan, dat zij uit Engeland in het allereerst over Hamburg verzonden zijn, en daarom in Europa don naam van âHamburgersquot; dragen. De Hamburgers zijn van middelmatige grootte; zij zijn van 40 tot 45 centimeter hoog, hebben eenen vroolijken en levendigen aard, eene sierlijke en kloeke houding, zijn uitstekende legsters van middelmatig groote eieren, en broeden nooit of hoogst zelden. Het gewicht bedraagt tot 2'/2 kilogram. De kop is vrij kort en platgedrukt; de bek is vrij lang, smal en hoornkleurig. Allo Hamburgers moeten eenen rozonkam hebben, die helder rood, groot en van voren zeer breed en afgerond is (wat hen van de Pellen onderscheidt); van achteren moet hij in eene punt uitloopen, van boven plat zijn, en geheel uit eene menigte kleine, puntige uitwassen van 2 millimeter hoogte bestaan. De punt moet iets naar boven gekoerd zijn; als ze hangt, staat dat loolijk. Vorder moet de kam goed rechtop staan, niet schuin naar ééne zijde overhellen, hetgeen zoo dikwijls plaats heeft, en goed vlak op don kop liggen. De oorlellen moeten zuiver wit zijn; loopt er oen fijn, rood randje omheen, dan is dat nog te vorschoonen, doch geheel roode oorlellen zijn beslist af te keuren. Do keellellen lang, dun, van onderen afgerond. Do hals is vrij lang, achterovergebogen en vol lange, smalle, fladderende sierveeren. Do rug is plat, gedeeltelijk door de halssierveeren bedekt en naar achteren afhollende. Het zadel breed en rijk met lange sierveeren bekleed. De borst breed onnaar voren gebogen. De vleugels sterk
107
UOENDEKBOEK.
ontwikkeld; de pooten zijn vrij kort, lijn, leikleurig of' blauw. Alle hanen moeten eenen grooten, prachtigen staart hebben, die overeind gedragen wordt en van lange, sterk gebogen sikkelveeren voorzien is.
Men onderscheidt drie verschillende soorten: (ioudlakensche. Zilverlaken sche en zwarte.
De Gr on dl aken sc he Hamburgers (Hambourg doré; Golden Mooney; Golden Pheasant; Golden Pencilled, Golden S p a n g 1 e d ; K o r a 11 e n h n h n) hebben tot grondklenr een roodachtig goudbruin; de halsveeren van den haan roodachtig goudbruin met zwarte strepen. De rug, schouders en borst zijn zwart gevlekt, d. i. aan het uiteinde van iedere veer bevindt zich eene zwarte vlek met groenachtigen weerschijn. De staart is eveneens zwart en schitterend groenglanzend. De groote, groenzwarte, ronde vlekken op het einde der vleugeldekveeren en slagpennen vormen te zamen zwarte dwarsbanden over de vleugels. Van de hen, die eveneens prachtig goudbruin gekleurd is, zijn alle veeren, ook die van don staart, regelmatig zwart gevlekt.
De grondklenr van de Zilver lakense he H a m b u r g e r s (G e-sprenkeltes Silberhnhn, Silberfasan, Lancashire Mooney; Yorkshire Pheasant) is sneeuwwit; alle veeren, ook die van den staart, zijn zwart gevlekt. De sikkelveeren van den haan hebben ook alle aan het uiteinde eene zwarte vlek. Veelal heeft de staart eenen grauwen gloed ; dit is echter af te keuren en bij raszuivere vogels komt zulks nimmer voor. De hennen zijn sneeuwwit, terwijl alle veeren aan het einde zwart gevlekt zijn.
108
De z w arte H a m b u r g e r s (P o u 1 e Ph ai san e; 15 lack pheasant f owl; B 1 a c k H a m b n r g h) hebben â de naam duidt het reeds aan â zuiver zwarte veeren. Dit veerenkleed heeft echter zulk eenen prachtigen, groenen weerschijn, dat, als de zon er op schijnt, zij er groen uitzien. Zeer aanbevelenswaardig is het, om zwarte Hamburgerhennen met eenen Le Manshaan te kruisen, daar deze eveneens zwarte veeren en ook eenen rozenkam heeft. Met eene dergelijke kruising vangt men twee vliegen in éénen klap, zooals het oude spreekwoord zegt. In de eerste plaats brengt men versch bloed in den toom, en ten tweede kweekt men, daar de Le Mans groote hoenders zijn, sterke exemplaren. ')
') Eigenlijk is dit niet veel meer dan knoeien en bastaarden vormen. Om verseli bloed in den
HOENDERBOEK.
Tu hot Engelsche graafschap Lancashire komen zwarte Hamburgers voor met blauwen in plaats van met groenen weerschijn. Zij worden Mazarines genoemd.
Roodkapjes (Re d-c ap, Ro th k ap p e, lio t h m ü t ze)zijngoud-lakensche Hamburgers met donkerder groudkleur en zulk eenen sterk ontwikkelden kam (soms 7'/2 centimeter hoog en 10 lang), dat hij naar ééne zijde overhangt.
Zooals reeds boven gezegd werd, zijn alle Hamburgers uitmuntende eierlegsters. Doch dit is niet alles; zij hebben ook een zeer malsch, blank vleesch, en zijn om deze twee goede eigenschappen in elke huishouding zeer gezocht.
Men vindt dit fraaie ras bijna op alle tentoonstellingen in alle bekende kleuren ruim vertegenwoordigd, wel een bewijs, hoezeer deze vogels gezocht zijn.
F A Z A N T H () E N I) E11S.
Gallim dallus phasicmoïdcs.
Poule faisanm russe; Russian pheasant fowl; Fasan-Malaycn.
109
Hun voorkomen is gelijk aan dat der Hamburgers, de hoogte bedraagt tot 4-quot;) centimeter, het gewicht 2I/2 tot 3 kilogram. De bek is geel, de kam een rozenkam, doch klein, de oorlellen zijn wit. De staart is groot, goedgevuld en van fraaie sikkelveeren voorzien; hij moet, zooals men dat bij fazanten ziet, horizontaal gedragen worden. Bij de hennen zijn de twee middelste staartveeren langer dan de overige en eenigszins naar beneden gebogen, waardoor ook bij deze eenige overeenkomst met den fazanten-staart ontstaat. Do pooten zijn geel. De kleur is, zoowel bij den haan als bij de hen, purperachtig roodbruin, zooals die van den boschfazanthaan; de veeren hebben eenen zwarten rand met groenen weerschijn en kleine roode puntjes.
toom to brengen, schalï'o men zich oenen haan van hetzelfde ras, en om groote knikons te krijgen, een groot exemplaar aan. De bewerker der nedoriandsche uitgave.
IIOENDEKIIOKK,
P E L h E N.
(laüinu (jallus belgica.
Oeieone prJ, Pel ran Hoogslraten, Weiten (i» Friesland); Hambonrg crayonvée;
Hnocjsiraeler Huhn, Gcmalte TIa.Uander, AUlagsler/er, Todtler/rr, npuplillerlc Uamlmrf/er, Gcsprenkelte Uamhurgor, Bolton llnhn; DuIrJi fowl, Dutch every day layer, Everlasting, Pencilled Hamburgh, Bolt ons, Creels.
Zij hebben zooveel overeenkomst met de Hamburgers, dat sommige hoenderkenners ze voor variëteiten van dit ras houden. Hun voorkomen is trotsch en statig, de hoogte 4:5â50 centimeter, hun gewicht 2â27.2 kilogram. De kop is klein, eenigszins platgedrukt; de bek kort, hoornachtig blauw met witte punt; de kam een rozenkam, groot, van boven plat, van vele even groote, puntige wratjes voorzien, van voren vier kant (wat hen van de Hamburgers onderscheidt), van achteren in eene opgewipte punt uitloopende. De wangen zijn naakt, rood, van kleine oorveertjes voorzien; de oorlellen rond, plat tegen de wangen aangedrukt, zuivervvit; de kinlellen breed, middelmatig lang, goed afgerond, helderrood. De hals is vrij lang, sierlijk gebogen en bij den haan rijk voorzien van glimmende sierveeren, zonder zwarte punten aan de uiteinden dier veeren. De rug is breed en plat. De zadelsierveeren zijn gelijk aan die van den hals. De borst is goed ontwikkeld en naar voren gebogen. De vleugels zijn vrij groot; de pooten middelmatig lang, leiachtig blauw. De staart is lang en rechtopstaand, zwart met groenen metaalglans en met smalle, witte randen om de sterk gebogen sikkelveeren. De teekening der veeren, met uitzondering der sierveeren bij den haan en de halsveeren bij de hen, bestaat uit kleine, donkergrauwe streepjes, die als het ware rondom den vogel schijnen getrokken te zijn.
De goud lak en sc he pel haan heeft over zijn geheele lichaam eenen fraaien roodachtig goudbruinen gloed, alleen de vleugeldekveeren en dijen zijn eenigszins zwart gespikkeld. De staart is zwart met eenen groenen weerschijn; de veeren er van, ook de sikkelveeren met een fijn geelachtig of wit biesje omzoomd. De grondkleur der hen is oranjegeel; de halsveeren hebben dezelfde kleur, terwijl het overige gedeelte van het
11(1
HORNhEUBOEK.
lichaam, alsmede de staarfcveeveu, fijn zwart gespikkeld zijn. In Friesland noemt men ze Rood Weiten, in ünitschland Goldsprenkel, Gold-huhn. Creolen, Kreolen of Gold gesplittertes Hamburger, in Engeland Bolton Bnff of Corals.
De zil verlakensche pelhaan (Wit Weiten in Friesland, Si 1 ber-sprenkel, Silberhnhn, Si 1 berfasanenhnhn, Silbermö ve,Bolton Gray, Chitteprat), is zuiver zilverwit, alleen de vleugeldekveeren en de dijen zijn eenigszins zwart gespikkeld. De zwarte staart heeft eenenpraeh-tigen, groenen weerschijn; de veeren er van, voornamelijk de sikkelveeren, zijn van eenen smallen, witten zoom voorzien. De hen heeft eveneens een zuiver zilverwit tot grondkleur; de halsveeren zijn ook zoo gekleurd, terwijl weder het overige gedeelte van het lichaam, de staartveeren daaronder begrepen, met fijne, zwarte spikkels bezaaid is. Bij raszuivere vogels moeten die spikkels donkerzwart en niet grijsachtig zijn, wat maar al te dikwijls voorkomt. Eveneens moeten de spikkels op de staartveeren der hennen niet bruinachtig zwart zijn, maar donkerzwart. Dergelijke onberispelijke exemplaren treft men zelden aan. Ook zijn er hanen, die evenzoo geteekend zijn als de hennen; deze noemt men âhenveerige hanen.quot; Vroeger werden deze hanen op hoogen prijs gesteld, voornamelijk in Engeland; later wat minder, maar in den nieuweren tijd komen ze echter weder in zwang.
Hebben de pellen in plaats van eenen rozenkam eenen enkelen, dan noemt men ze boerepellen of staartpellen (Poule de la Campine, Compènes-Huhn). Die kam moet helderrood zijn, recht, hoog, van het midden van den bek tot het achterhoofd reikende, van groote, diep ingesnedene tanden voorzien, en van achteren in eene opgewipte punt of staart uitloopen. De vogels zijn gewoonlijk minder zuiver geteekend dan die met rozenkam, omdat er bij de liefhebbers minder werk van gemaakt wordt.
Hamburger Prachthühner zijn bastaarden van Padua's en Peil en.
Ill
1I()K\|IEI!1!0EK.
L A K E N F E L I) E K S.
Gallina gallus rhenana.
Rhcinhlnder Huhn, Rhenisch Hamburgh, Poule de Jerusalem.
Zij gelijken zeer veel op pelhoeuders. Hun gewicht bedraagt 2'/2 kilogram. De bek is loodgrijs; de kam bestaat uit 3 overlangsche strooken. De wangen zijn naakt; de keellellen vrij lang en afgerond; de oorlellen klein en wit; de halssierveeren langwerpig, puntig, overlangs zwart gestreept. De rug is middelmatig lang en plat; de borst vrij sterk naar voren gebogen ; de vleugels zijn min of meer hangende; de staart heeft groote sikkel veeren ; do pooten zijn leikleurig; de kleur is melkwit; de halssierveeren met eene overlangsche, zwarte middenstreep ovenals bjj Lichte Brahmapoetra's. De sikkelveeren zijn bij den haan zwart met groenen weerschijn. 15ij haan en hen beide zijn de uiteinden der slag- on staartpennen zwart gepunt.
1 T A L 1 A N E N.
Gallina' r/allus ilalica.
Lirornn-hoon, Florenee-hnen; Poule de Livourne; Ilulienisches Tlulni,
Ila.liener; Lecjliorn Fowl, Leghorn.
Verwekten de Cochinchina's indertijd door hunnen buitengewonon lust tot broeden veel verbazing, niet minder was dit hot geval bij de invoering der Italianen, die bewezen, dat zij zulke uitstekende eierlegsters waren. Eerst omstreeks 1870 zijn de Italianen meer algemeen bekend geworden. Zooals door den naam wordt aangegeven, is het schoone Italië hun vaderland. Zij zijn zoo groot als onze gewone boerenhoendors en komen in alle mogelijke kleuren voor. Die, welke het eerst werden ingevoerd, hadden meestal gele veeren, dikwijls waren zij daarbij zwart gestreept. Minder algemeen kwamen de witte, de koekoeksveerige, zwarte en andere soorten voor. Daar deze hoenders echter door bijna alle liefhebbers dadelijk gezocht waren, steldn men alles in het werk, om teelhoendors van zooveel mogelijk gelijke kleur
112
hoenderboek. ] \
bij elkaar to brengen, en zoodoende is het gelukt, van de verschillend gekleurde Italianen constante onderrassen te kweeken, zooals men ze heden ton dage op alle tentoonstellingen aantreft.
i)o Italianen hebben eene houding als de Spanjaarden, vlug en slank; hunne hoogte bedraagt 50 centimeter, hun gewicht 3 a 3V.2 kilogram. De kop is breed en lang; de bek vrij lang, sterk en geel; de kam bij den haan zeer groot, dikwijls eene hand breed, enkel, diepuitgetand en rechtopstaand, bij de hen aan ééne zijde overhangende en het gezicht bedekkende. De wangen zijn naakt en vuurrood; de oorlellen middelmatig, hangende, dun, glad, zonder plooien, plat tegen den kop gedrukt en zuiverwit; de keel-lellen lang, dun, bij de hen korter dan bij den haan. De hals is lang, wordt rechtop gedragen en is bij den haan rijk van sierveeren voorzien; de borst rond en naar voren gebogen ; de rug vrij rond, naar den staart toe hellende. De zadelveeren zijn lang en talrijk; de vleugels groot en goed tegen het lichaam aansluitend; do pooten vrij lang, naakt en geel. Do staart is groot, bij den haan mot lange, fladderende sikkel veeren.
Witte Italianen moeten zuiverwit zijn zonder eeuige bijmenging van geel. De kam, het gezicht en de lellen zijn prachtig rood. Bek en pooten zijn oranjegeel, de oorlellen helderwit.
De kookoeksveerige Italianen mogen slechts de zuiver koe-koeksveerige kleur vertoonen: donkergrauw of lichtgrauw. Zeer dikwijls komt het voor, dat de hals- en rugveeren van den haan geelachtig zijn; dit is bepaald eene fout. Kam, gezicht en lellen prachtig rood. Bek en pooten oranjegeel, oorlellen sneeuwwit.
De zwarte Italianen moeten zuiverzwart van kleur zijn en mogen evenmin veeren van andere kleur hebben. De sierveeren van den haan hebben eenen metaalglanzend groenen weerschijn. Men ziet echter zeer zelden eenen ouden zwarten Italiaanschen haan met zuiverzwarte staart-veeren; gewoonlijk zijn enkele dier veeren min of meer wit. Evenals bij de overige soorten moeten kam, gezicht ou keellellen fraai rood, bek en pooten oranjegeel zijn. Eenen geheel zuivergelen bek ziet men echter bij zwarte Italianen zelden of nooit, in het midden van den bok bevindt zich namelijk bijna altijd eene geelbruine streep. Dit mag niet als een gebrek worden aangezien. Evenzoo komt het voor, dat de Italianen, vooral de zwarte, in plaats van sneeuwwitte oorlellen, geelachtige heb-
8
HOENDERBOEK.
ben. Ook dit is geen gebrek; maar zij mogen volstrekt niet rood '/ijn.
De patrijsveerige Italianen zijn de meest gezochte, tenminste men ziet ze op alle tentoonstellingen zeer talrijk vertegenwoordigd. De haan heeft roede kopveeren en oranjeroode halsveeren, de laatste zijn fijn zwart gestreept; rngveeren en schonderveeren donkerder rood, meer roodbruin. Vleugel dek veeren groenachtig zwart; zij vormen eenen dwarsband over den vleugel. Zadelveeren fraai oranjerood; borst en buik zuiver-donkerzwart. Staart zwart, prachtig groenglanzend. De hen heeft gele halsveeren, die fijn zwart gestreept zijn. Het overige gevederte is lichtbruin, overal met fijne, zwarte teekening. De borst is fraai zalmkleurig. Ook de patrijsveerige Italianen hebben eenen prachtig rooden kam en dito gezicht en lellen; pooten en bek zijn oranjegeel. De bek heeft evenals bij de zwarte Italianen in bet midden eene geelbruine streep. Oorlellen zniverwit. dikwijls geelachtig.
In den nienwsten tijd ziet men ook blauwe Italianen; deze zijn echter zelden fraai; zij vertoonen meestal een meer grauw dan wel blauw gevederte, en zelfs dit grauwe is niet eens fraai te noemen.
Zoodra de pooten blauw in plaats van geel zijn, worden de Italianen La Motte's genoemd, waarvan men dus eveneens witte, zwarte, blauwe, koekoeksveerige en patrijsveerige heeft.
De Italianen zijn uitstekende eierlegsters; men kan aannemen, dat ééne hen jaarlijks 100 tot 180 eieren legt. Daarbij zijn de eieren, al zijn ze niet zoo groot als die der Spanjaarden en La Flèches, toch aanmerkelijk grooter dan die der boerenkippen. In ons klimaat broeden Italianen slechts zelden; daarom is het goed, naast de Italianen eenige hennen te houden van een broedlustig ras. Het grootbrengen der kuikens is zeer gemakkelijk; ze zijn gauw in de veeren. Niet zelden gebeurt het, dat eene hen, die nog pas vijf maanden oud is, reeds met eierleggen begint, natuurlijk zijn de eieren in het begin zeer klein. De hanen van dien leeftijd leveren eenen heerlijken schotel op. Dat de Italianen om die verschillende goede eigenschappen zeer gezocht zijn, is dus geen wonder. Jaarlijks worden er duizenden uit Italië, uitgevoerd; men moet echter niet te gauw met directe bestellingen zijn. Dikwijls krijgt men, misschien wel uit onkunde van den verkooper, dieren, die als raszuiver worden aangeprezen, maar het niet zijn, en ook dikwijls kleine zwakke exemplaren. Daarom is het beter, wat
114
HOENDEKBOEK.
meer te betalen en zich tot eenen vertrouwbaren, reizendeu handelaar te wenden. Nog beter is het, Italianen te koopen van eenen bekenden hoender-kweeker; want de sinds jaren gekweekte Italianen zijn geacclimatiseerd, en men behoeft niet bang te zijn, wat dikwijls bij de ingevoerde dieren voorkomt, dat ze door verwisseling van klimaat ziek worden en sterven. De Italianen zijn vurig en zeer levendig. Als ze zich niet geheel vrij kunnen bewegen, wat natuurlijk het beste is, hebben ze eene zeer hooge omrastering noodig, anders vliegen zeerover. Het is zelfs goed, don geheelen hoenderhof een dak te geven van gegalvaniseerd ijzeren vlechtwerk, wat gemakkelijk te maken is en weinig kost.
R A M E L S L 0 H E IIS.
Gallina gallus ramelslohensis.
Dit fraaie hoen is een echt Duitsch landras. Menigeen gelooft, dat het eene kruising is van eenen boerenhaan met Cochinchina-hennen. Het is mogelijk, dat vroeger zulk eene kruising door leeken voor Ramelslohers werd aangezien. Naar mijne meening stammen de Ramelslohers af van eene soort van boerenhoenders, die vroeger Vierlilnders werden genoemd. De âVierlandenquot; behooren tot het Hamburger staatsgebied, beroemd dooide aardbeziën- en bloemenkweekerijen, maar ook door de fokkerijen van allerlei soorten van hoenders. In de Vierlanden nu, worden sedert onheugelijke tijden, en ook nu nog, des winters kuikens gefokt. Dit bedrijf wordt in Duitschland âWinterkiickenzuchtquot; genoemd en zouden wij âwintevkuiken-fokkerijquot; kunnen noemen. De hoenders, die daarvoor de eiereren leverden, heetten Vierlanders. Dezen naam hadden ze reeds voor meer dan eene eeuw. Het was een prachtig constant ras. De dieren hadden geheel het voorkomen van Spanjaarden, ook zulke kammen, die bij den haan rechtop staan en bij de hen naar ééne zijde overhangen. De veeren waren altijd zuiverwit, de pooten zeer fraai donkerblauw. Wat den dieren echter zoo'n heerlijk uiterlijk gaf, was het groote, gitzwarte oog, dat grooter was dan bij alle tegenwoordige rassen. Het vleesch was wit en zeer malsch; de kuikens waren zeer gezocht en duurder dan alle andere. Jammer, dat dit ras.
115
1I0ENDEUB0EK.
hetwelk waarschijnlijk sedert eeuwen iu de Vierlandeu zuiver werd gehouden, thans uitgestorven is. Men vindt tegenwoordig in die streken niet meer zulke hoenders met die kenmerkende groote, gitzwarte oogen.
Ongeveer 30 jaar geleden heb ik dit ras nog gehad en verscheidene jaren gefokt. Op eenen goeden dag kreeg ik eene massa Cochinchina-kruising cadeau, prachtige dieren. Dit was in 1855, toen Cochinchina's nog zeldzaam waren. Die prachtige hoenders pakten mij heelemaal in; iedereen bewonderde die groote dieren en ik verwaarloosde mijne Vierlanders! Later heb ik dikwijls genoeg aan die mooie dieren teruggedacht, deed zelfs in 1869 eene reis naar de Vierlandeu, om daar zelf Vierlanders uit te zoeken, maar tevergeefs. Wel zag ik zeer fraaie dieren, zooals onze tegenwoordige liamels-lohers, hennen met hangkammen, ook zuiverwit, maar zonder die groote, zwarte oogen, die dien dieren zoo fraai stonden. Oude kweekers iu de Vierlandeu verzekerden mij toen, dat ook zij sedert jaren de echte, oude soort niet meer gezien hadden en betreurden, evenals ik, dat zij uitgestorven was.
Ramelslohers zijn groote, fraaie dieren; er zijn witte en gele. De witte zijn algemeener en meer gezocht. Alle Ramelslohers van zuiver ras hebben groote kammen, bij den haan staat de kam rechtop, bij de hen hangt hij. Iris geel, pooten blauw. Het is een zeer gehard ras, zoo geheel voor den landbouwer geschapen. De hen legt zeer veel eieren, broedt uitstekend en levert een heerlijk gebraad op. Het grootbrengen der kuikens is gemakkelijk; ze groeien, om zoo te zeggen, vanzelf. Evenals vroeger de bovenvermelde Vierlanders, zoo leveren thans de Ramelslohers de broed-eieren voor de winterkuikenfokkerijen. Tegenwoordig vindt men de Ramelslohers vrij algemeen verspreid; men ziet ze niet alleen slechts in Duitschland op zeer vele boerderijen, maar ook iu andere landen, zooals in Oostenrijk, Denemarken, enz.
110
HOENDEli BOEK.
U1 L E « A A K1) E N.
Gallina gallus barbata.
Cosaque, Poule Faisane anglaise; Bartkuhn, Bausbilclcchen, Thüringer Bausbackchen, Pausbdckchen, Eulenhuhn, Russisches Landhuhn;
Bussian Foivl, Varna-Fowl, Cossacks,Dutch Pheasanl-Foivl.
PJen fraai ras, dat eenigszins op Crèvecoeurs gelijkt zonder kuif. Do hoogte tot boven den kop bedraagt 35 tot 40 centimeter, het gewicht 2â274 kilogram. De kop heeft korte, eenigszins overeindstaande veeren en eenen grooten, zwarten ringbaard over de wangen en onder de kin door-loopende. De bek is middelmatig, hoornachtig van kleur. De oorlellen zijn plat, roodachtig, door de wangveeren of bakkebaard geheel bedekt; de kinlellen lang en rond. De hals is vrij lang en rijk beveerd ; desierveeren bij den haan eindigen in eene zwarte punt; de rug slank, lang en plat, bij den haan met lange, hangende, zwartgepunte siervieren. De vleugels zijn vrij lang; de staart bij den haan met goed ontwikkelde sikkelveeren. De pooten vrij lang, dun en hoornklenrig.
Duitsche Uilebaarden hebben eenen grooten, diep uitgetanden, enkelen, rechtopstaanden kam. Men kent zwarte met groenen weerschijn, goudlakensche en zil verlakensche, die evenals de Hamburgers geteekend zijn.
Dit ras wordt voornamelijk in Thüringen veel gefokt en is daar zeer gezocht. Men zegt, dat het ook in den winter uitstekende leghennen zijn eu ook voortreffelijke broedsters en moeders.
Hollandse he Uilebaarden hebben eenen kleinen kam met twee hoornvormige puntjes. De goudlakensche en zilver la kensche zijn evenals de Hamburgers geteekend, de witte zijn geheel wit.
117
HOENDERBOEK.
Z IJ D E V E E R E N.
Gallina gallus seiacea.
Zijder,ccren, Haarveeren; Scidenhühner, HaarhUhner, Sciden-Haarhühner, Englischc Sddcn-Haarhnhner; Poide Soycuse; Silky fowl.
Dit ras wijkt daarom van alle andere af, doordat de veeren zóó fijn zijn, dat ze meer op haren gelijken; daarom worden ze haarveerige of zijdeveerige hoenders genoemd. Van de Japaneesche Zijdeveeren (J a p a n e s e n, J a p a n e s i s c h e S e i d e n h ü h n e r) is de kleur wit, do huid en de beenderen blauwzwart. De kam is eene soort van rozenkam, echter meer knobbelig, nooit zoo fijn als bij de Hamburgers, en zijne kleur is niet fraai rood, maar donkerblauwrood, als de kleur van moerbeien. Op den kop staat eene kuif, die bij den haan naar achteren spits toeloopt. Pooten donkerblauw, licht bevederd, met 5 teenen.
Bij de S i a m e e s c h e Z ij d e v e e r e n (S i a m e s e n, Siamesische S e id. e n h ü h n e r) is de kleur ook wit, maar zij hebben eenen enkelen, dikwijls wat hangenden, rooden kam, gelen bek en gele pooten.
De A f r i k a a n s c h e Z ij de hoenders (M o o r e n h o e n d e r s, M a r o c c o h o e n d e r s, M o z a m bic f o w 1) zijn zwart.
De dwergvorm heet natuurlijk Z ij d e v e e r k r i e 1 (H a a r v e e r k rie 1, Z w e r g-S e i d e n h u h n, Japanesisches Seiden-Dachshuh u). Zij hebben een rood gezicht, zijn niet moer dan 30 centimeter hoog, wegen niet meer dan S hectogram, hebben eenen kleinen, langwerpigen kop met gebogene kuif, eenen sterken, langen, gekromden, vleeschkleurig witten bek, oenen heldervuurrooden rozenkam, die van boven plat, van voren vierkant is en van achteren in eene opgewipte punt uitloopt; vuurroode wangen met enkele, witte, donzige veertjes bezet; sterk ontwikkelde oorveertjes, die bijna bakkebaarden vormen, kleine en witte oorlellen, vuurroode, middelmatig lange en goed afgeronde kinlellen; eenen middelmatig langen hals, die goed gebogen is en met lange haar-, dons- of zijdeachtige veeren bekleed, eene goed ontwikkelde, naar voren gebogen borst, eenen breeden rug, die met zadelveeren bekleed is, gelijk aan de halsveeren, vrij lange
120
GOUDLAKEN-PADUA'S.
HOENDERBOEK. 121
vleugels met slecht ontwikkelden baard aan de veeren, eenen opwaarts gedragen, grooten staart met lange, zijdeachtige sierveeren, en naakte korte pooten. Witte Zijdeveerkrielen hebben vleeschklenrige pooten, zwarte daarentegen leikleurige.
Zoodra de kammen, lellen en wangen zwartachtigblauw zijn in plaats van vuurrood, heeten ze N e g e r-H aarvee r krielen of Neger-Z ij v e e r k r i e 1 e n.
li/ene variëteit van de Zijdeveerhoenders heeft veeren, die meer op wol dan op haren of zijde gelijken. Zij heeten daarom Wolhoenders (P o u 1 e a Duvet, W o 11 h u h n, C h i n e s i s c h e s Hu h n, C h i n e s i-s c h e s W o 11 h u h n).
Zjjdehoenders kunnen slecht of in het geheel niet vliegen ; daarom zijn ze zeei vertrouwelijk en tam. Voor regen moeten ze beschut zijn en zelfs bij ruw en mistig weer moet men ze liever opsluiten. De eieren zijn slechts klein, lichtgeel. Het zijn goede legsters en goede broedhennen. Eene moeder met hare jongen levert een fraai gezicht op.
N E G E 11S.
Gallina gallus Morio.
Ccylonsch Negerhoen; Negerhuhn, Mohrcnhuhn, Calcutta's Negerhuhn, Indisches Negerhuhn, SelmarzMiutiges Hulin van Kalkutta; Poule-Nègre; Negro fowl.
Het Negerhoen onderscheidt zich van alle overige rassen door de eigenaardige kleur der huid, kam en keellellen, die in plaats van rood, paarsachtig donkerblauw, bijna zwart gekleurd zijn; zelfs het vleesch en de beenderen zijn zwart. De kleine, platte oorlellen zijn fraai blauw, met kleine witte, oorveertjes bekleed. Men vindt ze in verschillende grootten, van den krielvorm af tot even onder de grootte van eene boerenkip; zelden wegen zij zwaarder dan 1 kilogram.
De kleine kuif is bij den haan achteroverliggende en in eene naar boven gekeerde punt eindigende, bij de hon bolrond; de kam is een rozen-kam, de kin- en oorlellen zijn doorgaans weinig ontwikkeld; de blauwzwarte, korte pooten, van eenige wolachtige veertjes voorzien, moeten 5
hoenderboek.
teeuen hebben, evenals de Dorkings en Houdans. Be veeren zijn gewone veeren en zwart van kleur. Het geheele dier is dus volkomen pikzwart en verdient dus ten volle den naam van Neger hoen.
De groote hoenderkenner Oettei, neemt aan, dat dit ras ontstaan is uit eene kruising van Japansche Zijdeveerhanen met zwarte boerenhennen. Hij zegt: âHet duidelijkste bewijs voor kruising met eene gewone zwarte hen ligt daarin, dat het, afgezien van alle inwendige en uitwendige zwarte kleuren, zeer zelden met dons- of zijde-, maar veel meer met gewone voeren wordt aangetroffen.quot;
VELDHOEN 1gt; E R S.
Gallina gallus rustim.
Boercnhomders; LandhUhncr, Eauerhühner; Barndoorfowl.
in vroegeren tijd kende men eigenlijk slechts de gewone veldhoenders. Het was een klein ras, dat men tegenwoordig bijna nergens meer vindt. De eieren waren niet veel grooter dan de tegenwoordige Bantam-eieren. Als broedhennen waren ze somtijds zeer vast, maar ook zeer dikwijls verlieten ze na 8 dagen broedens het nest, wat Schrijver dikwijls genoeg ondervonden heeft. Wel waren er, wat de kleur betreft, zeer fraaie dieren onder, ja zelfs regelmatig geteekende. Zoo had ik eene zeemleerkleurige Veldhen, waarvan bijna elke veer een wit randje had. Ook had de hen eene kleine, witte kuif. Eveneens kwamen er exemplaren voor, die geheel zuiver gestippeld waren en andere zuiver-koekoeksveerig.
Bat zulke exemplaren gebruikt werden, om door kruising met andere gelijkgekleurde exemplaren de tegenwoordige constante rassen te vormen, moet als zeker aangenomen worden. Baarom mogen we niet met verachting op die kleine Veldhoenders neerzien, wat maar al te dikwijls gebeurt. En dan een mooie, bonte Veldhaan! Iets fraaiers kon men niet vinden! Zijn fraai gevederte, evenals dat van goudlakensche Vechthanen gekleurd, verrukte de oogen; groote kam en lange kinlellen verhoogden zijne schoonheid. En dan zijne houding, zijn vurige, moedige aard! Onder de
122
riOENPERBOEK.
tegenwoordige rashanen is er niet één, die er zóó fraai uitziet, als een echte Veldhaan! En dit is geen idee van mij alleen, â ik heb haar ook door anderen hooren uitspreken.
Deze hoenders hadden eene eigenschap, die men helaas weinig bij tegenwoordige rassen vindt; zij waren zeer gehard, verdroegen elke gril van het weder met gemak en waren daarom zelden ziek. Toen nu de nieuwere hoenderrassen meer bekend werden, vooral degene, die groote eieren legden, kwam het kleine Veldhoen langzamerhand in discrediet: ieder wilde hoenders hebben, die groote eieren legden. Al wilde nu de landman, die aan het oude hangen bleef, niet meegaan met de beweging, om rashoenders te houden, hij ontving toch dikwijls buiten zijnen wil kruisingen. De landheer, of iemand, die in de buurt woonde en veel deed aan hoenderfokkerij, gaf den landlieden rashanen, die hun bevielen en die dan bij de hennen werden gezet. En zoo stierf langzamerhand het echte ras der Veldhoenders uit. En tegenwoordig zijn er heel veel landbouwers, die rashoenders houden of eene voordeelige kruising, deels uit liefhebberij, deels omdat het hun zooveel voordeel aanbrengt. Iedereen wil gaarne vele en groote eieren hebben, en des zondags een zoo groot mogelijk hoen in den pot!
In Noord-Duitschland had men ook vroeger reeds een grooter ras gekweekt: de Vier landers, waarvan wij bij de Ramelslohers spraken. Maar ook in Bohemen en Oostenrijk waren en zijn er nog heden ten dage onder de boerenkippen hoenderrassen van groote huishoudelijke waarde, namelijk het Boheemsche en het S tier mar ksche Veldhoen.
Het Boheemsche Veldhoen heeft eenen enkelen kam en is over het geheele lijf behalve aan den hals fljngrauw gespikkeld. De pooten zijn loodkleurig en de sikkelveeren in den staart goed ontwikkeld.
Het S t i e r m a r ksche V e 1 d h o e n is een groot hoen en levert, vooral op de markt te Weenen, de beroemde S t i er mar ksche Kapoenen! Er kunnen nog wel andere nuttige veldhoendersoorten zijn, die misschien minder bekend zijn, ik weet het niet; er ontstaan nog steeds nieuwe hoenderrassen! Zoo bij voorbeeld voor eenige jaren het Elsass er-Ho en. Dit ras, thans in Zuid-Duitschland algemeen verbreid, is vermoedelijk uit eene kruising ontstaan van den eenen of anderen grooten, franschen haan met Cochinchina-hennen, waarop het gelijkt. De hoofdkleur is meestal donker,
123
HOENDERBOEK.
tlikwijls zwart met bruine halsveeren, de hanen zeer groot, gewoonlijk de veeren aan de borst gevlekt, zooals de gondlakensche Hamburgers, dikwijls ook donker. Men zegt, dat een Pransche grondeigenaar voor eenige jaren deze kruising medenam naar den Elsass, en dat het zich daar spoedig verbreidde en zuiver hield, zoodat het als een constant ras kan aangezien worden.
Dergelijke constante vormen onder de boerenkippen of veldhoenders komen overal voor. Het is voornamelijk in Duitschland, Frankrijk, Engeland en Amerika, waar zeer veel aan hoenderfokkerij gedaan wordt, dat men aan die constante vormen namen heeft gegeven.
V e 1 d h o en ders of b oer en h o en d er s worden in Duitschland 13 a u e r-h ü h n er of L a n d h ü h n e r genoemd, in Noord-Duitschland G e e s t h ü h n e r s, in Engeland Barnd oor-fo wl. De veldhoenders van Noord-Afrika heeten in Algiers en in Frankrijk Bédouines, in Duitschland C o n s t antiner.
B 1 aufuss of E ishuhn (IJshoen) heeten in Duitschland lichte, zilvergrijze veldhoenders met lichtblauwe pooten. â Bosnier-Huhn is een veldhoen met korten, doch hoogen rozenkam, waarachter eene groote kuif, lange kinlellen en kleinen staart. - Epauletten-Huhn is een zwart of wit veldhoen met goudgele of roodgele schoudervlek. â Gr o 1 d-H u h n is een veldhoen bij welke de haan goudgele sierveeren bezit. â Kragenhuhn oflrlündisches K r a g e n h u h n is een in 1842 uit Engeland in Hannover ingevoerd, sterkgebouwd veldhoen met halsveeren, die achter den gladden kop eenen kraag vormen; de haan heeft eenen zeer kleinen kam, de hen geen. Dit ras schijnt uitgestorven te zjjn. â Kalkutta-Huhn is een in Duitschland ingevoerd tam Indisch veldhoen in alle kleuren. â L er ch en-Kam h uhn is een veldhoen met kleinen kam en kuif, die vrij ver achter op den kop staan. â Mohnsperber is een Boheemsch veldhoen met vrij groote, witte kuif; verder zijn alle veeren wit met grauwe en zwarte spikkels.â S c h e u n t h o r-H u h n is een Duitsch veldhoen van gemengd ras. â S tr a s z-burger-Huhn is een veldhoen in de omstreken van Straatsburg gekweekt en aldaar op de markt zeer gezocht. â Sy riches Huhn, een groot, sterkgebouwd goudlakensch veldhoen met rozenkam en sabelpooten. âUnga-risches Huhn, een wit Hongaarsch veldhoen met rechtopstaanden, sterk getanden kam. â Wetter auer Huhn, een Duitsch veldhoen in Hessen-Darmstadt gekweekt en veel gehouden. â Wit twen, weduwen, zijn
124
HOENDEHBOEK.
kuifhoenders met witte, ronde vlekjes als parels op bruinen of zwarten grond.
Je ddo-hoen ders noemen wij een reusachtig wit Japansch veldhoen.
Onder de Fransche veldhoenders zijn bekend: Poule des Ardennes, Poule des Land es, Poule de Provence, Poule de Solo-go n t e; enz.
Onder de Fransche veldhoenders van gekruist ras : Po u 1 e d' A r g e n t an, Poul e d'Arthêge, Poule de Bousse, Poule de Brakel, Poule de Cour cel les. Poule de Gascogne, enz.
Vermeldenswaardig zijn verder in Frankrijk: Poule deBretagne: veldhoenders met korte pooten ; C o u c o u d e F r a n c e, Co u c o u fr a n ^ a i s e, Concou de France ombré, Coucou fran^aise ombré,Fransche Koekoeksveereu: sterkgebouwde veldhoenders, koekoeksveer van kleur, met bizonder sterk ontwikkelden rozenkam, die zich ver over den bek uitstrekt, van voren breed is en van achteren in eene punt uitloopt, en waarbij de oorlellen wit zijn met roode spikkels ; Co ucou d e Hennes, Coucou de Hennes ombré, Koekoeksveereu van Hennes: sterkgebouwde veldhoenders, koekoeksveerig met witte, roodgespikkelde oorlellen, eenen enkelen, grooteu. stevigen, rechtopstaanden, diep en puntig uitgetanden kam, en met stroogele sierveeren aan hals en zadel, doorzaaid met bruinroode vlekjes, die er eene gouden tint aan geven. â Poule ïi cinq d oigts, een veldhoen met 5 teenen, in Noord-Frankrijk zeer algemeen, enz. enz.
Mongrels noemt men in Engeland veldhoenders van gemengd ras, en Tassel een veldhoen met eene puntkuif, zooals de kuifleeuvvrikken en kievitten hebben.
B i g s noemt men in Amerika veldhoenders van gemengd ras, J a v a-F o w 1 zwarte bastaardhoenders, en N u I» Co m b s of Jersey N u b Coinbs oen veldhoen met langen, achteroverval lenden kam.
125
HOENDERBOEK.
tlikwijls zwart met bruine halsveeren, de hanen zeer groot, gewoonlijk de veeren aan de borst gevlekt, zooals de gondlakensche Hamburgers, dikwijls ook donker. Men zegt, dat een Pransche grondeigenaar voor eenige jaren deze kruising medenam naar den Elsass, en dat het zich daar spoedig verbreidde en zuiver hield, zoodat het als een constant ras kan aangezien worden.
Dergelijke constante vormen onder de boerenkippen of veldhoenders komen overal voor. Het is voornamelijk in Duitschland, Frankrijk, Engeland en Amerika, waar zeer veel aan hoenderfokkerij gedaan wordt, dat men aan die constante vormen namen heeft gegeven.
V e 1 d h o en ders of b oer en h o en d er s worden in Duitschland 13 a u e r-h ü h n er of L a n d h ü h n e r genoemd, in Noord-Duitschland G e e s t h ü h n e r s, in Engeland Barnd oor-fo wl. De veldhoenders van Noord-Afrika heeten in Algiers en in Frankrijk Bédouines, in Duitschland C o n s t antiner.
B 1 aufuss of E ishuhn (IJshoen) heeten in Duitschland lichte, zilvergrijze veldhoenders met lichtblauwe pooten. â Bosnier-Huhn is een veldhoen met korten, doch hoogen rozenkam, waarachter eene groote kuif, lange kinlellen en kleinen staart. - Epauletten-Huhn is een zwart of wit veldhoen met goudgele of roodgele schoudervlek. â Gr o 1 d-H u h n is een veldhoen bij welke de haan goudgele sierveeren bezit. â Kragenhuhn oflrlündisches K r a g e n h u h n is een in 1842 uit Engeland in Hannover ingevoerd, sterkgebouwd veldhoen met halsveeren, die achter den gladden kop eenen kraag vormen; de haan heeft eenen zeer kleinen kam, de hen geen. Dit ras schijnt uitgestorven te zjjn. â Kalkutta-Huhn is een in Duitschland ingevoerd tam Indisch veldhoen in alle kleuren. â L er ch en-Kam h uhn is een veldhoen met kleinen kam en kuif, die vrij ver achter op den kop staan. â Mohnsperber is een Boheemsch veldhoen met vrij groote, witte kuif; verder zijn alle veeren wit met grauwe en zwarte spikkels.â S c h e u n t h o r-H u h n is een Duitsch veldhoen van gemengd ras. â S tr a s z-burger-Huhn is een veldhoen in de omstreken van Straatsburg gekweekt en aldaar op de markt zeer gezocht. â Sy riches Huhn, een groot, sterkgebouwd goudlakensch veldhoen met rozenkam en sabelpooten. âUnga-risches Huhn, een wit Hongaarsch veldhoen met rechtopstaanden, sterk getanden kam. â Wetter auer Huhn, een Duitsch veldhoen in Hessen-Darmstadt gekweekt en veel gehouden. â Wit twen, weduwen, zijn
124
HOENDEHBOEK.
kuifhoenders met witte, ronde vlekjes als parels op bruinen of zwarten grond.
Je ddo-hoen ders noemen wij een reusachtig wit Japansch veldhoen.
Onder de Fransche veldhoenders zijn bekend: Poule des Ardennes, Poule des Land es, Poule de Provence, Poule de Solo-go n t e; enz.
Onder de Fransche veldhoenders van gekruist ras : Po u 1 e d' A r g e n t an, Poul e d'Arthêge, Poule de Bousse, Poule de Brakel, Poule de Cour cel les. Poule de Gascogne, enz.
Vermeldenswaardig zijn verder in Frankrijk: Poule deBretagne: veldhoenders met korte pooten ; C o u c o u d e F r a n c e, Co u c o u fr a n ^ a i s e, Concou de France ombré, Coucou fran^aise ombré,Fransche Koekoeksveereu: sterkgebouwde veldhoenders, koekoeksveer van kleur, met bizonder sterk ontwikkelden rozenkam, die zich ver over den bek uitstrekt, van voren breed is en van achteren in eene punt uitloopt, en waarbij de oorlellen wit zijn met roode spikkels ; Co ucou d e Hennes, Coucou de Hennes ombré, Koekoeksveereu van Hennes: sterkgebouwde veldhoenders, koekoeksveerig met witte, roodgespikkelde oorlellen, eenen enkelen, grooteu. stevigen, rechtopstaanden, diep en puntig uitgetanden kam, en met stroogele sierveeren aan hals en zadel, doorzaaid met bruinroode vlekjes, die er eene gouden tint aan geven. â Poule ïi cinq d oigts, een veldhoen met 5 teenen, in Noord-Frankrijk zeer algemeen, enz. enz.
Mongrels noemt men in Engeland veldhoenders van gemengd ras, en Tassel een veldhoen met eene puntkuif, zooals de kuifleeuvvrikken en kievitten hebben.
B i g s noemt men in Amerika veldhoenders van gemengd ras, J a v a-F o w 1 zwarte bastaardhoenders, en N u I» Co m b s of Jersey N u b Coinbs oen veldhoen met langen, achteroverval lenden kam.
125
HOENDEltBOEK.
zijn, óf ze hebben sikkelveeren. Al zijn al de veereu aau het geheele lijf, zooals ze zijn moeten, dan ziet men toch bij de meeste, dat de staartveeren, behalve den zwarten rand, nog eene zwarte schadnweering of waas hebben, clie ze niet hebben mogen. Daarom geven zeer nauwgezette fokkers dikwijls de teelt dezer lieve dieren op, omdat zij nooit een bevredigend resultaat verkrijgen.
HOLLANDSCH E K 111E L E N.
Gallina gallus nana unicolor.
Gewoonlijk ook Bantams genoemd.
Zwarte Hollandsche Krielen (Zwarte Bantam, Schwarze 1} a n t a m, B a n t a m N o i r, Poule naine n o i re, Black Bantam), een zeer gezocht ras met zwart, groenglanzend gevederte, rozenkam (minder goed is een enkele kam), sneeuwwitte oorlellen, roode iris, blauwe, naakte pooten, donker leikleurigen bek, geen bakkebaarden, vuurroode wangen en kinlellen. Sierveeren bij den haan sterk ontwikkeld.
Witte Hollandsche krielen (Witte Bantams, W e i s s e Bantam, K ru p p - H u h n, Bantam b 1 an c. Poule naine b 1 a n-c h e, White B a n t a m) hebben een sneeuwwit gevederte, eenen rozenkam (minder goed is een enkele kam), witte oorlellen, roode iris, eenen lichten, bijna witten, hoornkleurigen bek, vleeschkleurige, naakte pooten, geen bakkebaarden, vuurroode wangen en keellellen. Sierveeren bij den haan sterk ontwikkeld.
Gele Hollandsche Krielen (Nankin B a n t a m). De haan heeft een lichtgeel of isabelkleurig gevederte en eenen rozenkam (minder goed is een enkele kam); de rug is donker goudgeel, soms met eene bruine tint. De -groote slagpennen zijn zwart en raken even den grond aan. De staart is glimmend zwart of bruinachtig zwart met sikkelveeren. â De hen is eveneens isabelkleurig met donkerder halsveeren, die soms overlangs zwart gestreept zijn en met zwarte stippels op de staartpennen. Beide hebben lichtblauwe, naakte pooten.
128
hoendehroeif.
K o e k o e k s v e er i g e li o 11 a a cl s c h e Krielen (U es p or be v t e B a ii t a m). Koekoeksyeerig met rozenkara (minder goed is een enkele kam). Zij zijn zeldzamer dan de drie vorige soorten.
Kaap-kriel (Kap-Huhn, Cap-Hnhn) is een donkerbruine kriel met lichtgele sierveeren aan hals en zadel; kam enkel, pooten naakt.
Fransche kriel (Französisches Zwerg-huhn) is een bonte kriel met enkelen kam.
Duif-kriel (Taubenhuhn) is een witte Amerikaansche kriel zonder kam.
A N T W E R P S C H E K R I E L E N.
Gallina gallus nana antioerpiensis.
Goucnu d'Anvers; Cuckoo Bantam; Kukuckshühnchen.
Volgens Maitland zijn liet koekoeksveerigekrielen meteenen rozenkam, met of zonder uilebaard en zeer korte sikkelveeren in den staart; de lichtgrijze veeren zijn met 4 donkergrauwe banden geteekend. Bek en pooten geel. Völschau zegt alleen âhebben bakkebaarden of eenen kin-baardquot; en teekent op de plaat echte ringbaarden, geeft ze verder roze-roode pooten en bek in plaats van gele.
Völschau zegt verder: De teelt van deze kleine, aardige dieren is moeilijk en ondankbaar; dit kan ik uit eigen ondervinding bevestigen, daar ik verscheidene jaren achter elkaar dit ras geteeld heb. Zeer vele eieren waren onbevrucht; de kuikens werden meer zwart of wit dan koekoeks-veerig, en dan waren deze laatste ook nog te licht van kleur. Het grootbrengen was ook moeilijk, zoodat het mij zelden gelukte, ze volwassen te krijgen, ondanks de beste verzorging.
129
ii
hoenderboek.
SAKE L P O O T - K RI E L E N.
Gallina gallus pusïlla.
Engelsche Kriel; Booted Bantam, Featherlegged Bantam; Poule naine patlue.;
Amerika,nisches Zwerg-Huhn, Düszlchuhn, G-artenhuhn, Englisches Garten-linhn, Erdhuhn, Gestiefeltes Huhn, Halhhuhn, Steppenhuhn, Indisches Steppenhuhn, Latchen- Zwerghuhn, Rauchfussh ühnchen, Schots-hühnchen, Weisze Zwerg-Englümler.
Moewei in gestalte bijna niet grooter dan de Bantams, onderscheidt zich dit ras toch aanmerkelijk daarvan. Hebben alle voorafgenoemde krielen naakte pooten, de Sabelpoot-krielen dragen langere en meer vee-ren aan de pooten dan eenig ander hoenderras. Keurt men bij de rassen, die beveerde pooten hebben, sperwerpooten at', /.ij worden bij de Sabelpoot-krielen vereischt; de veeren moeten zoo lang zijn, dat ze den grond vegen. In Engeland vindt men er met veeren van 15 centimeter lengte.
Er zijn Sabelpootkrielen in alle mogelijke kleuren, met enkelen en met rozenkam, met en zonder baard. Vroeger was eene geheel witte soort mot bakkebaardjes zeer gezocht. Ik vond vooral, dat de witte met roode vlekjes er alleraardigst uitzagen en liet ze daarom voor dit werk afbeelden. Er zijn ook Sabelpoot-krielen, die op witten grond alle mogelijke kleuren vertoonen. Sabelpootkrielen zijn goede legsters en uitstekende broedsters.
JAVAANSCHE KRIELE N.
Gallina gallus nana javanicu.
Chineesche kriel; Java Bantam, Eulenhühnchen, Kleines Huhn von Pegu;
Poule naine de Java; Birmah-Bantam.
Het zijn zeker de kleinste van alle krielen; men ziet ze zelden. Oettel geeft zwarte, witte en roodachtig gele op (geelachtig bruine of patrijsveerige); ik heb tot dusverre slechts gele gezien en durf dus alleen over die oordeelen. Het zijn aardige diertjes; de hennen zien er
IIOENDEHBOEK.
daarom zoo aardig uit, omdat ze deu staart zoo hoog dragen. Bek en pooten lichtgekleurd. Goede eierlegsters, uitstekende broedsters. Het grootbrengen der kuikens moet echter niet gemakkelijk gaan.
Het zijn korte, gedrongen diertjes van 25 centimeter hoogte en niet zwaarder dan 1 kilogram, met licht hoornachtig-vleeschkleurigen, witten bek, witte oorlellen, meer breede dan lange kinlellen, vrij lange halssierveeren, een weinig hangende vleugels en vrij korte, naakte, licht hoornachtig-vleesch-kleurige pooten. De kam is een rozenkam, vrij groot bij het haantje, weinig ontwikkeld bij de hen; de wangen zijn rood en hebben gekrulde veertjes; de staart wordt zoowel bij de hen als bjj den haan rechtop gedragen en heeft bij het haantje eenige sikkelveeren, die iets langer zijn dan de staartpennen.
PO RCELE IN-KRIEL EN.
Gallina gallus nana albo mandala.
Dengaalsche kriel; Mille flours; Por cellan- Bantam; Porcellan-Ilühnchen.
Zeer fraaie krieltjes met sabelpooten en als met sneeuwvlokken bezaaid, daar de zwarte of donkergekleurde veertjes alle eene ronde, witte vlek hebben. Kop en staart zijn flink opgeheven, de kam is enkel, rechtopstaand en getand; de oor- en keellellen zijn niet bizonder ontwikkeld, rood. Borst en buik zijn zwart met groenen metaalglans of donkerbruin. De vleugels zijn bizonder lang en slepen bijna langs den grond. De staart heeft middelmatig lange, meest witte sikkelveeren; de staartpennen zijn zwart met groenen metaalglans, doch aan het einde ontbreekt de ronde, witte vlek niet. De pooten zijn geel; de sabelveeren aan de pooten hebben aan de punt eene ronde, witte vlek; de veeren aan de teenen zijn geheel wit. Het gewicht niet meer dan 9 hectogram.
IIOENOEli HOEK.
J A P A N S C H E K 111 E L E N.
Gallina gallus nana japonica.
Poule de Cambodge, Poule de Nangasald; Birmah Bantam, Japanese Bantam, Creeper, Jumper, Nangasald fowl; Japanesen, Japanesisches Dachshuhn, Japanesisches Zwerghuhn; Chabo.
Dit allerliefste hoenderras is zeker door geen pluimveefokker in Duitschland zoo ijverig en met zooveel oordeel geteeld geworden, als door Mevrouw de Baronesse van Ulmâ Erbach op het slot Erbach bij Uhn. Deze beminnelijke dame is zeker wel aan alle liefhebbers van pluimvee bekend. In No. 25 van de âPfillzische Geflügel Zeitungquot; heeft deze dame een artikel gepubliceerd over alle tot dusverre bekende Japansche Krielen, dat zeer belangwekkend is, en dat ik hier woordelijk laat volgen:
BERICHT OVER DE UIT JAPAN NIEUW INGEVOERDE CHABO'S
doch
MEVR. DE BARONNESSE VAN ULMâERBACH.
De tijding, dat het gelukt was, verscheidene in Europa nog onbekende hoendersoorten uit het verre Japan bij ons in te voeren, werd zeker door alle vrienden der hoenderfokkerij met levendige vreugde begroet, en men las er over in de nieuwere werken van den Heer Hofraad Dr. A. B. Meijer, Dr. Balbanuis, C. St. Einekt en meer anderen. Deze nieuwigheden op het gebied der hoenderfokkerij zijn voornamelijk van veel beteekenis voor den Sport, zooals over het algemeen alle kleine hoenderrassen meer als luxe-vogels voor liefhebberij gehouden worden. Maar hieronder neemt ontegenzeggelijk de Japansche Kriel eene eerste plaats in, zoowel door zijn allerliefst, sierlijk voorkomen, als door zijnen levendigen, vertrouwelijken aard, en zijne tevredenheid, wat de ruimte en het voeder aangaat.
Dit kleine hoenderras, dat in zijn vaderland in verschillende variëteiten voorkomt, wordt daar âCha b oquot; genoemd, terwijl het in Duitschland den naam
HOENDERBOEK.
van Japan-B a ut am, Naugas ak i-Bau tam ot' Dachshuhn draagt. Zoo kenmerkend ik den laatsten naam vind om de uiterst kleine pooten, zoo onjuist is het, ze ouder de Bantams te plaatsen, daar ze niet van de Residentie Bantam op het eiland Java komen. Het is genoeg bekend, dat de Japauees zeer veel belangstelt in alle natuurverschijnselen, en er van houdt, schoone planten en merkwaardige diereu in zijne onmiddellijke nabijheid te hebben. Daar zijne bescheideue woning niet veel ruimte heeft, kwam hij op do gedachte, om prachtige tuintjes in miniatuur van nog geen vierkanten voet oppervlakte tot stand te brengen, waarin zich onder andere vijvers, grotten en dwerg-vruchtboomeu bevinden. Daarom kweekt hij ook kleine dwerghoenders, waarvan hij meestal slechts één paar in ceue sierlijke bamboezen kooi, iu zijn vertrek houdt, en dat zoo tam wordt, dat het uit de hand eet en zich laat streelen.
De Chabo's zijn ontegenzeggelijk de dwergen ouder de hoenders, daar de hou van de spits van den kam tot op den grond ongeveer 15 en de haan 25 centimeter meet. Bij den laatste is vooral de reusachtige kam, die eeneu Spanjaard-haan alle eer zoude aandoen, in het oog vallend en, evenals bij dezen, enkel, rechtopstaand, diepuitgetand en, evenals het gezicht ou de zeer lange keellellen, hoogrood. Kenmerkend is verder bij den haan, die cone zeer trotsche houding heeft, de waaierstaart, die zich in eeneu sierlijken boog over den rug heen buigt, zoodat de lange sikkelveeren bijna den kam aanraken. Bij beide geslachten is het zeer kleine lijf kort en gedrongen, en worden de zeer korte, naakte, vierteeuigo pooten, die evenals de bek meestal geelachtig zijn, door do laag neerhangende vleugels, die bij het loopeu twee regelmatige vorens in het zand trekken, bijna geheel bedekt. Van deze Japansche Krielen was tot voor korten tijd slechts ééne soort, wit met zwarte staartveeren en vleugelspitsen, in Europa bekend, hetgeen wij te danken hebben aan eene Engelsche dame. Mevrouw Woodcock, welke soort echter door langjarige teelt zonder bloedverver-sching eindelijk verbasterde en aan oorspronkelijkheid verloor. In deu zomer van 1877 gelukte het eeneu bekenden wereldreiziger, na eene zeereis van zes weken, uit Japan drie heerlijke toornen van deze krielen op de hoenderfokkerij te Erbach bij Ulm te brengen, waarop iu December 1881 drie andere variëteiten van Chabo's volgden, welke, nadat ze de wederwaardigheden der verre reis doorstaan hadden, zich weldra goed schikten.
IIOENOEli HOEK.
J A P A N S C H E K 111 E L E N.
Gallina gallus nana japonica.
Poule de Cambodge, Poule de Nangasald; Birmah Bantam, Japanese Bantam, Creeper, Jumper, Nangasald fowl; Japanesen, Japanesisches Dachshuhn, Japanesisches Zwerghuhn; Chabo.
Dit allerliefste hoenderras is zeker door geen pluimveefokker in Duitschland zoo ijverig en met zooveel oordeel geteeld geworden, als door Mevrouw de Baronesse van Ulmâ Erbach op het slot Erbach bij Uhn. Deze beminnelijke dame is zeker wel aan alle liefhebbers van pluimvee bekend. In No. 25 van de âPfillzische Geflügel Zeitungquot; heeft deze dame een artikel gepubliceerd over alle tot dusverre bekende Japansche Krielen, dat zeer belangwekkend is, en dat ik hier woordelijk laat volgen:
BERICHT OVER DE UIT JAPAN NIEUW INGEVOERDE CHABO'S
doch
MEVR. DE BARONNESSE VAN ULMâERBACH.
De tijding, dat het gelukt was, verscheidene in Europa nog onbekende hoendersoorten uit het verre Japan bij ons in te voeren, werd zeker door alle vrienden der hoenderfokkerij met levendige vreugde begroet, en men las er over in de nieuwere werken van den Heer Hofraad Dr. A. B. Meijer, Dr. Balbanuis, C. St. Einekt en meer anderen. Deze nieuwigheden op het gebied der hoenderfokkerij zijn voornamelijk van veel beteekenis voor den Sport, zooals over het algemeen alle kleine hoenderrassen meer als luxe-vogels voor liefhebberij gehouden worden. Maar hieronder neemt ontegenzeggelijk de Japansche Kriel eene eerste plaats in, zoowel door zijn allerliefst, sierlijk voorkomen, als door zijnen levendigen, vertrouwelijken aard, en zijne tevredenheid, wat de ruimte en het voeder aangaat.
Dit kleine hoenderras, dat in zijn vaderland in verschillende variëteiten voorkomt, wordt daar âCha b oquot; genoemd, terwijl het in Duitschland den naam
HOENDERBOEK.
van Japan-B a ut am, Naugas ak i-Bau tam ot' Dachshuhn draagt. Zoo kenmerkend ik den laatsten naam vind om de uiterst kleine pooten, zoo onjuist is het, ze ouder de Bantams te plaatsen, daar ze niet van de Residentie Bantam op het eiland Java komen. Het is genoeg bekend, dat de Japauees zeer veel belangstelt in alle natuurverschijnselen, en er van houdt, schoone planten en merkwaardige diereu in zijne onmiddellijke nabijheid te hebben. Daar zijne bescheideue woning niet veel ruimte heeft, kwam hij op do gedachte, om prachtige tuintjes in miniatuur van nog geen vierkanten voet oppervlakte tot stand te brengen, waarin zich onder andere vijvers, grotten en dwerg-vruchtboomeu bevinden. Daarom kweekt hij ook kleine dwerghoenders, waarvan hij meestal slechts één paar in ceue sierlijke bamboezen kooi, iu zijn vertrek houdt, en dat zoo tam wordt, dat het uit de hand eet en zich laat streelen.
De Chabo's zijn ontegenzeggelijk de dwergen ouder de hoenders, daar de hou van de spits van den kam tot op den grond ongeveer 15 en de haan 25 centimeter meet. Bij den laatste is vooral de reusachtige kam, die eeneu Spanjaard-haan alle eer zoude aandoen, in het oog vallend en, evenals bij dezen, enkel, rechtopstaand, diepuitgetand en, evenals het gezicht ou de zeer lange keellellen, hoogrood. Kenmerkend is verder bij den haan, die cone zeer trotsche houding heeft, de waaierstaart, die zich in eeneu sierlijken boog over den rug heen buigt, zoodat de lange sikkelveeren bijna den kam aanraken. Bij beide geslachten is het zeer kleine lijf kort en gedrongen, en worden de zeer korte, naakte, vierteeuigo pooten, die evenals de bek meestal geelachtig zijn, door do laag neerhangende vleugels, die bij het loopeu twee regelmatige vorens in het zand trekken, bijna geheel bedekt. Van deze Japansche Krielen was tot voor korten tijd slechts ééne soort, wit met zwarte staartveeren en vleugelspitsen, in Europa bekend, hetgeen wij te danken hebben aan eene Engelsche dame. Mevrouw Woodcock, welke soort echter door langjarige teelt zonder bloedverver-sching eindelijk verbasterde en aan oorspronkelijkheid verloor. In deu zomer van 1877 gelukte het eeneu bekenden wereldreiziger, na eene zeereis van zes weken, uit Japan drie heerlijke toornen van deze krielen op de hoenderfokkerij te Erbach bij Ulm te brengen, waarop iu December 1881 drie andere variëteiten van Chabo's volgden, welke, nadat ze de wederwaardigheden der verre reis doorstaan hadden, zich weldra goed schikten.
11üenijekb0ek.
hobbeu zich uitstekend geacclimatiseerd; maar men moest ze in een verwarmd hok overwinteren en hebben zich gewend aan het voeder, dat ook de andere kippen kregen, ofschoon ze aan rijst, hetzij rauw of gekookt, de voorkeur geven.
De in 1877 ingevoerde Chabo's zijn aan ouderdom gestorven; maar hunne nakomelingschap is verzekerd, en de oorspronkelijke dieren zijn opgezet en hunne skeletten zijn bewaard in de Koninklijke Natuurhistorische Verzameling te Dresden.
Op de tentoonstellingen hebben de Chabo-hoenders steeds opzien go baard eu bewondering afgedwongen en ziju steeds bekroond geworden. Wij zullen al ons best doen, deze verrukkelijke, kleine vreemdelingen goed te verplegen, opdat ze zich voortplanten en in Europa verspreid worden, daar zij ontegenzeggelijk eiken hoenderhof tot sieraad strekken.
NAAK T H A L Z E N.
Gallina gallus J X Meleagris gallopavo ï.
Kendermagas; Nackthalse, Siebenbiirger Nackthdlse, Türkenhuhn, Siehenbürger Sperberhuhn, Szerembty-Huhn; Turken; Punic a com nu.
Ds reden, waarom wij de Naak thai zen achter allo hierboven beschreven hoenderrassen plaatsen, ja zelfs achter de Krielen, is, omdat ze geen hoenderras zijn, maar vruchtbare bastaarden van hoenders en kalkoenen. Bastaarden zijn onvruchtbaar, gelooft men algemeen. Dat dit niet juist is, bewijzen behalve de bastaarden van enkele andere dieren, die niet tot ons gebied behooren, de bastaarden van hoenders en kalkoenen, bekend onder den naam van Naakthalzen of Naakthal sho ouders en die van hoenders en boschfazanten, bij ons bekend onder den naam van kipfazanten. Over deze bastaarden staat aan het einde van het werk een opstel van Baron van Washington. De mededeeling, dat Naakthalzen bastaarden zijn, ontleenen we aan de verhandelingen, diedestads-chirurg Joiiann Klusch te Schiiszburg in Zevenbergen (Hongarije), een hartstochtelijk hoenderfokker, die met veel kennis en oordeel te werk gaat.
136
II OEN DEK BOEK.
in het te Dresden verschijnend Tijdschrift âBlatter für Greflügelzuchtquot;, Jaargang 1879, geschreven heeft. Een en ander nemen wij daarvan over. Hij schrijft:
âHet is zeer begrijpelijk, dat op groote landgoederen, waar allerlei pluimvee in groot aantal vrij rondloopt, zeer veel gelegenheid bestaat voor verbastering, vooral omdat het niet zelden gebeurt, dat van de eene of andere soort hot aantal mannetjes in geene verhouding staat tot het aantal wijfjes. Zoo vindt men dikwijls bij 18 tot 20 wijfjes-kalkoenen hoogstens 2 mannetjes, terwijl eenige gewone hanen moestal in tamelijk groot aantal in ruime mate gebruik maken van hunne vrijheid. Zoo gaat het bij ons toe, bij die groote, landelijke pluimveeliefhebbers! De landheer bemoeit zich hoogstzelden met zulke âkleinighedenquot;, en degenen, die over het pluimvee gesteld zijn, kunnen er geen acht op slaan, omdat ze veel te veel te doen hebben, en zoo leeft onze haan op zulke hofsteden een waar harem-leven. Er zijn echter voortdurend bewijzen voorhanden, dat het voor dit volk voordeeliger is, als ze alles aan de natuur overlaten, dan wanneer de dwang der kunst hun dikwijls onverstandige ideön doet uitvoeren, zonder eenigen regel. Zooals gezegd is, heerscht in dit opzicht bijna op geen der pluimveefokkerijen eene goede controle ; op eenige hofsteden bemerkte men, dat sedert eenigen tijd hoenders rondliepen, die er uitzagen alsof ze kale koppen hadden, alsof ze geplukt waren; maar overigens bekommerde men er zich niet over; want men geloofde, dat ze dat door ouderdom gekregen hadden, of dat ze aan het ruien waren, en men verkocht ze, of men hoopte, dat ze in den winter wel weer beveerd zouden worden.quot;
âBij ons vindt men onder de goede Israëlieten talrijke kooplui van oude en vette hoenders; de boven beschreven zonderlinge hoenders kwamen nu meestal en uitsluitend in hunne handen. Deze Israëlieten bemerkten al zeer spoedig, welk een buitengewoon nuttige vogel dit toen zeer leelijke dier was, hielden er eenige voor zich, kweekten en fokten ze en aten ze zelfs eenen geruimen tijd lang, totdat op eens een Ukase uitgevaardigd werd, die hun het eten van het vleesch van dezen vogel verbood. Sedert dezen tijd, ik meen in 1876, bevonden zich bij de Israëlieten slechts weinige of in het geheel geen exemplaren van deze hoenders, en kwamen ze daardoor ook des te meer in de handen van het volk, dat eindelijk inzag, dat dit hoen in voordeel alle andere overtrof.quot;
HOENDERBOEK.
âDe tot zoover gevorderde resultaten van mijne nasporingen brachten mij tot de vooronderstelling, dat op verscheidene plaatsen van Zevenbergen, voornamelijk in de streken aan de zoogenaamde Goudrivier, hoenders moesten zijn, die de voorouders waren van onze tegenwoordige Naakthal-zen; ze hadden echter in het begin waarschijnlijk niet die regelmatigheid in hunne bevedering aan den hals, maar waren dikwijls slechts als geplukt en hadden den hals vol schachten zonder veeren, of'wel slechts eene naakte keel en bovenborst.quot;
âHet is dus verklaarbaar, dat het eerste voortbrengsel van deze kruising zoowel uit- als inwendig in vele opzichten van de gewone boereu-kippon verschilde. De bewoners van die streken beweren, dat reeds vroeger hier en daar hoenders te zien waren, vooral hanen, die niet alleen hooger op de pooteu waren, maar ook overigens er geheel anders uitzagen dan hunne overige hoenders; maar ze konden het zich niet verklaren, waarom die dieren zoo aan hals en borst geplukt schenen, waarom de veeren daar niet groeien wilden, zelfs niet in den winter. Daar die eerstelingen gevoelig wareu voor weersinvloeden, in den winter hunne geplukte deelen in elkander gehurkt verborgen hielden en voor regen vluchtten, zoo was het een natuurlijk gevolg, dat op die plaatsen hunne huid niet alleen harder, maar door de prikkels van lucht, koude en hitte bloedrijker werd, en die deelen dus rooder schenen en worden moesten. Zooals ik reeds boven zeide, gaf dit leelijke voorkomen aanleiding, dat de meeste van deze vogels niet gehouden, niet eens geslacht, maar, zoo mogelijk, verkocht werden. Toen werd er hier en daar verteld, hoe vlijtig en welke bizonder groote eieren deze afschuwelijke hennen toch legden, en daarom werden ze hier en daar toch gehouden, hier een haan, daar eene hen; er kwamen kuikens, die niet alleen slechts geplukt, maar ook dikwijls tot aan de borst geheel naakt bleven; men gewende daaraan, leerde ze naar waarde schatten en tegenwoordig worden de Naakthalzen niet alleen gewaardeerd, maar zijn ze zeer gewild.quot;
âTerwijl ik hier het Zevenberger Naakthalshoeu, of, zooals men het hier ook algemeen op zijn Hongaarsch hoort noemen; puka truk (Kalkoen-hoen), als een natuurlijk kruisingsproduct houd van Veldhaneu met Kalkoen-henuen, zoo moet ook deze bastaard in verscheidene opzichten zijne dubbele afkomst rechtvaardigen, en dat het dit gedaan heeft (of het
138
HOENDERBOEK.
dit nog heden doet, is niet met zekerheid na te gaan) wil ik nu trachten te bewijzen.quot;
âDe eerste Naakthalzen â als zoodanig gereed â die ik zag, verscheidene hanen en hennen, vertoonden zich dadelijk, zoowel in grootte, als in de kleur der veeren, maar vooral in den vorm en de houding, verschillend van andere hier voorkomende hoenders. Alleen uit dezen grond âom het kaf van het koren te onderscheiden â vind ik de uitdrukkingen echt en onecht niet juist genoeg, en daar deze hoenders geenen stamboom hebben en ook andere zekere raskenmerken missen, en de naakte hals daarentegen door kruising op alle mogelijke hoendersoorten overgebracht zoude kunnen worden, zoo houd ik alleen het Naakthalshoen dan voor echt, wanneer het, behalve de zoo straks te noemen kenmerken, als zoodanig zuiver gefokt is, dus zuiver bloed draagt, zoodat ook de kenmerken van zuivere afstammen, en het zijnen oorsprong zoo nabij mogelijk komt. Heeft zulk een hoen deze voor iedereen waarneembare, uitwendige eigenschappen, dan is het overeenkomstig het oorspronkelijke.
Ontvangt hij voorbeeld iemand Naakthalzen, dan zal het toch moeilijk voor hem zijn te beweren, dat ze niet echt zijn; want ze hebben toch eenen naakten hals, en daar de naakte hals er is, heeft hij geen gronden voor verdere eischen, omdat de Naakthalzen van veldhoenders afstammen. Maar zoo mag men niet redeneeren. Een rashoen wordt door den kenner onmiddellijk herkend; het Naakthalshoen biedt kenmerken aan, die alleen zijn ras of soort eigen zijn; bij de zoogenaamde bastaarden echter komen weder eigenaardige uitwendige kenmerken voor, die afkomstig zijn van twee verschillende ouders en veroorzaakt door de opheffing van de natuurlijke voortplantingswetten. Het product echter heeft constante kenmerken, die alleen bij iedere nieuwe generatie gewijzigd worden.quot;
âEen volwassen N a a k t h a 1 s h a a n heeft, wanneer hij het origineel moet voorstellen, allereerst de grootte van eene kleine kalkoen-hen, hooge, sterke, naakte of weinig beveerde pooten en een lang, gestrekt lichaam. Denkt men zich bijvoorbeeld den kam van den kop afgenomen, zoo ziet hij er, vooral in zijne voorste lichaamshelft, bijna precies uit als eene kalkoenhen. Het langgestrekte lijf wordt zelden met den hals rechthoekig gedragen, maar vormt meer een schuin vlak, waarvan de borst, hals en staart niet zeer veel afwijken.quot;
139
hoenderboek.
âDe beweging van het lichaam, vooral van den hals en de pooten, gelijkt weder het meest op die van eeno kalkoen-hen, hetgeen het duidelijkst te zien is aan nog niet volwassen dieren. De langgestrekte, volle, ronde hals, die voor twee derde eene harde, dwarsgerimpelde huid heeft, draagt eenen middelmatig grooten, platten kop, deze eenen langen, naaide punt toe gebogen bek. De staart heeft lange ponnen, waarop naar het midden toe in grootte toenemende sikkelveeren liggen; zonder geheel een stompe staart te zijn, zijn toch zelden hooggedragen, lange sikkelveeren aanwezig, en als ze er zijn, dan worden ze nooit zóó hoog gedragen, als bij andere hoenders. Onvruchtbaarheid komt dikwijls voor.quot;
De geachte lezer zal door bovenstaand uittreksel uit de zeer belangwekkende opstellen van den Heer Klusch genoegzame kennis van dit merkwaardige ras opgedaan hebben.
Er zijn Naakthalzen in alle mogelijke kleuren. De fraaiste zijn de w i 11 e en zuiver zwarte, ook de koekoeksveerige. De kam is meestal enkel; er zijn echter ook Naakthalzen met rozenkammen. Dikwijls staat op den kop ook eene kleine kuif. Uit ondervinding kan ik bevestigen, dat do Naakthalzen veel eieren leggen en goed broeden. De eieren zijn middelmatig groot en geelachtig.
Het Naakthalshoen breidt zich daarom zoo langzaam uit, omdat de naakte hals bij de meeste menschen eenen onaangenamen indruk maakt. Er zijn echter liefhebbers, die de Naakthalzen volstrekt niet leelijk vinden, ze graag houden, en van dezen hoort men steeds met zeer veel lof over dit oorspronkelijk ras spreken.
140
DE ZIEKTEN DER HOENDERS EU DE MIDDELEN DAARTEGEN.
Hardlijvigheid. Verslopping. Ricinusolie (wonderolie) is het bijna zeker werkende en geheel onschadelijke afvoermiddel voor hoenders. Wie het verstaat, hoenders drankjes in te geven, wat met groote voorzichtigheid moet gebeuren, kan het met eenen lepel toedienen ; wie liet niet kan, moet ze stukjes wittebrood geven, geheel gedrenkt in ricinusolie, of men kneedt meel of zemelen met ricinusolie tot pillen. Eén, zelden twee eetlepels vol, is genoeg voor een volwassen hoen.
Jalappeknol ('^ gram), zuiver Jalappehars ('/, gram) met Jalappezeep of met meel en water tot pillen gekneed, voeren ook af, even goed als poeder van rhabarberwortel ('A gram) met meel en water tot pillen gekneed, die na elkaar of ineens ingegeven worden. Wil men nu bij een hoen snel afvoerend werken, dan kneedt men 0.06â0.12 gram calomel met poeder van maluwwortel of met meel en water tot pillen. Wil men een aantal hoenders tegelijk flink en week laten afgaan, dan geve men hun geweekt voeder, waarin men voor 10 hoenders éénen eetlepel bloem van zwavel mengt.
Huismiddeltjes zooals boter, reuzel, boter met schoorsteenroet, spek, olie werken weinig of in het geheel niet. Wat olijfolie of lijnolie is nog het
HOENDERBOEK.
best van alles. â Bij het ingeven van boter moet men voorzichtig zijn, dat men niet te veel in eens geeft, maar stukjes als eene erwt, en dat men die stukjes niet al te hard in de keel van het hoen duwt, anders kan het licht gebeuren, dat men het stukje in het verkeerde keelgat stopt, waardoor het dier kan stikken.
Zijn kleine kuikens erg verstopt, dan steekt men eene stompe visch-graat of eene breinaald, die in ricinusolie gedoopt is, twee centimeter diep achter in den darm; dan zijn ze geholpen.
Aderlating. Het snijden in den kam of de keellellen, of het geheel afsnijden van eenen nagel aan zijnen wortel, om ader te laten, is verkeerd; want dat is niets dan dierenplagerij. â Aan den binnenkant van het eerste vleugelbeen ligt de vleugelader naast en onder de vleugel-slagader. Men legt in de nabijheid van de boi'st om den vleugel met een sterk touwtje eenen strik, dien men tamelijk sterk aantrekt; daardoor zwelt de vleugelader op ; dan steekt men met een fijn lancet, naar gelang van do grootte van den vogel, 2 tot 4 millimeter diep in het midden van den opgezwollen vleugelader en tapt 8 tot hoogstens 40 gram bloed af. Daarna legt men een propje gele bloedstillende watten (pengawar djambi, in iedere apotheek en bij iederen drogist te krijgen) op het wondje, bindt dat daarop vast en snijdt of knipt den aangehaalden strik bij de borst af.
Blaren aan bek en poolen. Als de bek- of de klauwziekte onder de huiszoogdieren heerscht, komt het dikwijls voor, dat de hoenders, doordat ze uit de etens- en drinkbakken van die zieke dieren gesnoept hebben, binnen in den bek en onder aan de pooten blaren krijgen, die met een geelachtig vocht gevuld zijn, openbreken en zeer langzaam genezen. Die blaren hinderen hun bij het eten, het loopen en het staan.
Bij het doorbreken van de blaren krijgen ze koorts. De ziekte geneest gewoonlijk vanzelf. Men kan den bek van binnen en de voetzooien, na het openbreken der blaren, voorzichtig met een penseel uitwasschen met een mengsel van evenveel azijn als water, of met kopervitriooloplossing van 2 procent of met salicylzuuroplossing van Va procent.
Gebrek aan eetlust kan zelfstandig bij hoenders optreden, maar gaat
142
HOENDEKBOEK.
meestal samen met andere ziekten. In het eerste geval neemt men minder eetlust, eenen bruinen, harden afgang en minder levendigheid bij de dieren waar. Een flink afvoerniiddel (zie bij âverstoppingquot;) brengt in den regel de snelste genezing aan.
Huismiddeltjes tegen gebrek aan eetlust, die dikwijls zeer goed werken, zijn: groenvoeder, fijngehakte, groene salade onder het vveeke voeder gemengd, 2-3 peperkorrels, met boter tot 2â3 pillen gemaakt, in eens in te geven, het voederen van fijngesneden uien, fijngesneden knoflook, alsmede spaansche peper (3 spaansche pepers op 2 liter water afgekookt, de vloeistof door eenen linnen doek laten loopen en daarbij dan 8 liter water gevoegd en dat te drinken geven).
Oogontsteking. Ontsteking van den geheelen oogappel komt nogal dikwijls voor; de zieke dieren zien niet good, en als de ontsteking beide oogeu aantast, bijna geheel niet. Zij pikken naast de korrels, die ze eten willen. Het zieke oog is grooter, puilt uit en glinstert ongewoon.
De iris is gewoonlijk rood geworden of heeft hare kleur veranderd; de pupil trekt zich niet meer samen, of ten minste niet zooals bij gezonde vogels. De ziekte ontstaat uit nog onbekende oorzaken; het zijn vooral de binnenste deelen van het oog, die aangetast worden, niet zooals bij stooten, slagen of snavelhakken op het oog het geval is, waarbij meer de buitendeelen van het oog ziek gemaakt worden, en in welk geval men het oog telkens en telkens zoo koud mogelijk moet houden. Bij de inwendige oogziekte gebruiken wij zwavelzure atropine, waarvan wij 0.025 gram in 20 gram gedestilleerd water oplossen, en dat wij dagelijks tweemaal 5âG druppels op het zieke oog druppelen. Verder geeft men het zieke dier een flink afvoerniiddel, houdt het van de andere hoenders af en zet het in een donker vertrek.
Ooglidontsteking wordt dikwijls door kouvatten veroorzaakt. De bindhuid is erg gezwollen en warm, schijnt geheel vochtig en erg rood; bij aanraking doet men het dier pijn; de kniphuid (derde ooglid) is ook gezwollen; het oog traant, het dier is lichtschuw, wat men aan het herhaaldelijke oogknippen zien kan.
Behandeling: Men wascht de zieke doelen met lauwwarm chloorwater
143
HOEN'DEliBOEK.
of met eene oplossing van 2 procent aluin in water, of met zink vitriool-oplossing (0,12 gram zinkvitriool op 20 tot 30 gram gedestilleerd water). Het chloorwater werkt meestal het best. Het bestrijken der oogleden met een stukje kopervitriool moet men liefst niet doen. Bij ontsteking van de bindhuid komen dikwijls zweertjes voor op de doorschijnende hoornhuid. Het zieke oog dikwijls schoonmaken, wasschen met slappe zinkvitriool-oplossing (0,0(5 gram zinkvitriool op 100 - 150 gram water) en bij lang aanhouden der ziekte het inblazen van caloinelpoeder door eene vederschacht.
In de bindhuid vormen zich somtijds harde, witgele knobbeltjes, zoo groot als gierstkorrels op de plaats, waar de talkkliertjes uitmonden. Die harde knobbeltjes doen het dier erge pijn en veroorzaken meestal zware bindhuidoutsteking. Deze knobbeltjes knipt men met eene scherpe schaar weg en wascht de wondjes, of men brandt ze weg met helschen steen.
Ituikvliesoiitsteking:. Deze komt voor bij hoenders, die een scherp voorwerp, zooals eene naald, eene speld, een spijker, een stukje metaaldraad doorgeslikt hebben, welke voorwerpen zich door den maagwand heenbooren en nu het buikvlies doen ontsteken. Ook na ontsteking van den eierstok, namelijk wanneer een dooierblaasje breekt en de dooier in de buikholte vloeit; ook door ingewandswormen. De hoenders die aan buikvliesontsteking lijden, verliezen allen eetlust, hebben grooten dorst, zijn zwak op de been, hebben koorts, halen moeilijk adem, liggen veel en verstoppen zich graag in donkere en koele plaatsen ; drukt men de zieke dieren aan den buik, dan steunen ze van pijn, ook bij den afgang kreunen ze. De behandeling bestaat in het toedienen van een koudwaterklysteer, het inwikkelen van het lijf in doeken met koud water, en het 2 maal daags ingeven van 5 druppels aconitumtinctuur; ook kan eene aderlating goed doen (zie bij âaderlatingquot;'). Veel verwachting moet men van de behandeling niet hebben.
Zwakke pooien herkent men aan den onzekeren gang, aan het struikelen, aan het niet gaarne loopen en aan het telkens op de knieën vallen. Het verschijnsel komt bij zeer vele ziekten voor, bij voorbeeld bij ziekte in den eileider, bij tering, beenzwakte en rheumatiek. Het niet kunnen loopen is zeer dikwijls slechts het teeken van algemeene zwakte, vooral bij reeds lang bestaande tering.
144
HOENDERBOEK. 145
Eigenlijke beenzwakte. De beenzwakfce komt meestal voor bij zeer jonge, 2 tot 3 maanden oude kuikens, vooral bij kuikens der zware rassen. Het is dezelfde ziekte als de zoogenaamde engelsche ziekte bij kinderen. De zieken hebben geeneu lust in loopen, liggen en zitten veel, en als ze zich bewegen, gebeurt het nooit met .lie levendigheid, die wij bij gezonde kuikens waarnemen. Eindelijk gaan ze voor goed liggen, staan met de grootste moeite op, en nu ziet men been verkrommingen: aan de vleugels, de pooten, het borstbeen â dat meestal Svormig wordt - de ruggegraat, het bekken, de ribben. De gewrichten zijn dikwijls gezwollen. Uittering en' bloedarmoede gaan samen, of zijn er de gevolgen van.
Behandeling. Goed, licht verteerbaar voedsel, zooals zemelen, gepelde gerst, vleesch (vleeschafval, vleeschbrood, geen vleeschmeel, of dit slechts in zeer kleine hoeveelheden en steeds als het voldoende afgekookt is), geen aardappelen, geene mais, geen wortelen; bij de geweekte zemelen kan men beenmeel voegen (1 theelepel per hoen per dag) of wat phosphorzure kalk (een mespunt per hoen per dag). In het drinkwater der kuikens doet men een wemig ijzervitriool (2 gram op I liter water) of witte wijn, waarin men eemgen tijd draadnagels heeft laten roesten (2 eetlepels op I liter water) Alle middelen, die de nog niet erg aan beenzwakte lijdende kuikens dwingen om zich te bewegen, helpen werkelijk mede tot de genezing Men strooie dus het voedsel niet op den grond, maar op lage kisten en banken en op verschillende plaatsen, zoodat ze onophoudelijk moeten op-en afspringen en vliegen. Men houde het hok zindelijk en de lucht frisch.
Bramlwoiulen. Brandwonden bestrijkt men met een mengsel van gelijke deelen azijnzuurlood en olijfolie of van geljjke deelen kalk water en olijfolie. Als men kan, bindt men op de wond watten, die met een mengsel van vaseline en kalkwater bestreken zijn, of carbol verbandwatten.
laiclitiHjpoiitstekiiig. De onderste, dikwijls vertakte einden der luchtpjjp, die een deel van de longen uitmaken, zijn met eene slijmhuid bekleed, die dikwijls door kouvatten of door ontsteking veroorzakende deeltjes ziek kan worden. Bij de kwaadaardige slijmhuidontstekingen (zie aldaar) komt niet zelden eene luchtpijpontsteking voor. Deze wordt echter ook veroorzaakt door luch t-z a k m ij ten en sc li i m m e 1 s, of is het gevolg van eene zware verkoudheid.
10
HOENDERBOEK. 145
Eigenlijke beenzwakte. De beenzwakfce komt meestal voor bij zeer jonge, 2 tot 3 maanden oude kuikens, vooral bij kuikens der zware rassen. Het is dezelfde ziekte als de zoogenaamde engelsche ziekte bij kinderen. De zieken hebben geeneu lust in loopen, liggen en zitten veel, en als ze zich bewegen, gebeurt het nooit met .lie levendigheid, die wij bij gezonde kuikens waarnemen. Eindelijk gaan ze voor goed liggen, staan met de grootste moeite op, en nu ziet men been verkrommingen: aan de vleugels, de pooten, het borstbeen â dat meestal Svormig wordt - de ruggegraat, het bekken, de ribben. De gewrichten zijn dikwijls gezwollen. Uittering en' bloedarmoede gaan samen, of zijn er de gevolgen van.
Behandeling. Goed, licht verteerbaar voedsel, zooals zemelen, gepelde gerst, vleesch (vleeschafval, vleeschbrood, geen vleeschmeel, of dit slechts in zeer kleine hoeveelheden en steeds als het voldoende afgekookt is), geen aardappelen, geene mais, geen wortelen; bij de geweekte zemelen kan men beenmeel voegen (1 theelepel per hoen per dag) of wat phosphorzure kalk (een mespunt per hoen per dag). In het drinkwater der kuikens doet men een wemig ijzervitriool (2 gram op I liter water) of witte wijn, waarin men eemgen tijd draadnagels heeft laten roesten (2 eetlepels op I liter water) Alle middelen, die de nog niet erg aan beenzwakte lijdende kuikens dwingen om zich te bewegen, helpen werkelijk mede tot de genezing Men strooie dus het voedsel niet op den grond, maar op lage kisten en banken en op verschillende plaatsen, zoodat ze onophoudelijk moeten op-en afspringen en vliegen. Men houde het hok zindelijk en de lucht frisch.
Bramlwoiulen. Brandwonden bestrijkt men met een mengsel van gelijke deelen azijnzuurlood en olijfolie of van geljjke deelen kalk water en olijfolie. Als men kan, bindt men op de wond watten, die met een mengsel van vaseline en kalkwater bestreken zijn, of carbol verbandwatten.
laiclitiHjpoiitstekiiig. De onderste, dikwijls vertakte einden der luchtpjjp, die een deel van de longen uitmaken, zijn met eene slijmhuid bekleed, die dikwijls door kouvatten of door ontsteking veroorzakende deeltjes ziek kan worden. Bij de kwaadaardige slijmhuidontstekingen (zie aldaar) komt niet zelden eene luchtpijpontsteking voor. Deze wordt echter ook veroorzaakt door luch t-z a k m ij ten en sc li i m m e 1 s, of is het gevolg van eene zware verkoudheid.
10
lIOENnEKBOEK.
DannoiitRteking: komt alléén voor, maar ook tegelijk met andere ziekten, zooals met hoenderpest, hoendertyphus en kwaadaardige slijmhuidontste-king. De meeste darmontstekingen ontstaan door het eten van vergiftige zaken (zie bij Vergiftiging).
OntsmeUing van hokken en loopen is hoog noodig, wanneer besmettelijke ziekten onder de hoenders heerschen of geheerscht hebben en men de in woonplaatsen der zieke hoenders zich bevindende smetstoffen, die meestal enorm kleine, plantaardige of dierlijke wezens zijn, wil vernietigen. Bij hokken is het allereerst noodig, ze geheel schoon te maken en te wasschen met eenen borstel en warme zeepziedersloog, verder bet houtwerk af te schaven en den bodem, de wanden, de zoldering of het dak, de zitstangen, de nesten, de broedplaatsen, enz., met het eigenlijke ontsmettingsmiddel af te wrijven of af te wasschen; hiervoor gebruikt men eene 5 tot 10% oplossing van carbol in water of eene verzadigde oplossing van dubbelzwaveligznre kalk (met 5 tot 10 deeleu water verdund) of eene waterige ijzervitriooloplossing (10°/,, bij pest en cholera) of eene kwiksublimaatoplossing (1 op 300 tot 1 op 1000; bij tering of tuberculeuse gebruikt men altijd sublimaat). Ook moet men allo hokken opnieuw witten. De ontsmette hokken moeten een paar dagen geheel openstaan, zoodat de wind er flink door kan spelen. Houdt men het voor noodig, bij zeer besmettelijke ziekten, de hokken nog met ontsmettin gsgassen te behandelen, dan gehruike men geen chloorgas, maar zwaveligzure dampen, die men het best verkrijgt door draden met zwavel overal in het hok op te hangen, alle gaten, luiken en venstertjes te sluiten, de draden zoo snel mogelijk met eene brandende kaars aan te steken, de achterste het eerst, en dan snel het hok te verlaten en de deur te sluiten. Na eenen vollen dag opent men de deur. doch komt niet dan na een kwartier in het hok, daar men eenen zeer gevaarlijken hoest kan krijgen dooiden verbazenden prikkel der scherpe zwaveligzure dampen.
Bij zeer gevaarlijke ziekten moet men 4 tot (i weken lang elke week 2 maal ontsmetten.
Vlechtwerk moet met ontsmettingswater goed gewasschen, de grond der hokken en der loopen met ontsmettingswater uit eenen gieter goed nat begoten, omgewerkt en weer begoten worden. Men zij niet onvoorzichtig om plekken, die met gras begroeid zijn, te sparen !
148
HOENDERIiOEK.
Diarrhee. Diarrhee is meestal het gevolg vau darm catarrh en, die door slecht voeder, zooals te veel wormen of insekteu (meikevers bij voorbeeld), ongekookt of bedorven vleeschmeel, beschimmeld brood, beschimmeld graan, zuur geworden geweekt voeder en door kouvatten (het drinken van te koud water, het eten van gras met dauw of rijp er op) ontstaan. Maar de diarrhee vertoont zich ook meestal bij bijna alle zware, zeer langzaam verloopende ziekten en is een gewoon verschijnsel bij eenige ziekten, zooals hoendertyphus, hoenderpest of hoendercholera. De diarrhee wordt gekenmerkt door den waterigen afgang, die zich in het begin als eene dunne, geelachtige brei vertoont, gemengd met slijm, daarna hoe langer hoe wateriger, wit (kalkachtig) en eindelijk groen wordt, meestal den aars doet ontsteken en tusschen de veeren om den aars gaat zitten, eu ze bij het opdrogen aan elkander kleeft. Dikwijls is de mest met bloed gemengd, wat een slecht toeken is en het gebruik van ijzerchloriedoplossing (4â5 druppels, 3 maal daags) eischt.
De spijsvertering der aan diarrhee lijdende hoenders is altijd gestoord, de krop is altijd min of meer gevuld, zoolang ze nog eten. Later is de krop dikwijls geheel leeg; de eetlust verdwijnt; daarentegen drinken ze veel, zooveel, dat dikwijls een gedeelte van het water weer uit bek en neusgaten loopt. Ze gaan veel in de legnesten liggen. Bloedarmoede, zwak-heid, uitputting, vermagering gaan hand aan hand, en eindelijk volgt de dood.
Wanneer bedorven voedsel gegeten is geworden, geve men eerst een fiink afvoermiddel, bij voorbeeld wonderolie, daardoor verwijdert men uit krop, maag en darmen in eens alle ontstekingaanbrengende stoffen, dan neemt men al het drinkwater weg; ijskoud water, waarnaar ze zeer begeerig zijn, mogen zij volstrekt niet hebben, maar alleen gekookt geweest of gedestilleerd lauw water, nog beter slijmerig water (water, waarin lijnzaad of kweepitten geweekt zijn) of eene '/4 tot '/2 quot;/â ijzervitriooloplossing. Verder zijn van geneesmiddelen in de eerste plaats de weinig samentrekkende (astringeerende) te kiezen, zooals roode wijn; eten de dieren nog, dan geve men hun stukjes brood, die in rooden wijn gedoopt zijn of maïskorrels, die eenen vollen nacht in rooden wijn geweekt zijn. Bij zeer scherpen mest, die den aars ontstoken heeft, moet men pillen vau dubbelkoolzure soda ingeven (2 tot 3 pillen daags, elke pil met 0,5 gram dubbelkoolzure soda, met boter gemengd). Anders geve men pillen, gemaakt van 0 centigram
149
HOENDEUBOEK.
(bij kuikens slechts 3 centigr.) ijzervitrioolpoeder. wittebrood en boter ot van â » tot 5 centigram tannine, 2 tot 3 maal daags. Cieen geweekt voeder geven, de hoenders zorgvuldig voor alle kou beveiligen, ze goed warm houden. De bokken moeten zuiver worden gehouden, de vloeibare mest dagelijks meer dan eens verwijderd, de bodem met zand bestrooid worden.
Do bevuilde veeren aan het achterlijf moeten schoongemaakt, of, als het noodig is, afgeknipt worden, de ontstoken dealen met zachte olie (olijfolie, geen lijnolie) of met ongezouten boter of vet, beter nog met vaseline, bestreken worden.
Ziekten van den eierstok en den eileider komen dikwijls voor hij de zware asiatische rassen en bij de goede eierlegsters, vooral Italianen. De eileiderziekten beginnen zich meestal in het voorjaar te vertoonen en komen niet alleen voor bij hennen, die veel, maar ook bij zulke, die buitengewoon groote eieren leggen. Het leggen van vreemd gevormde eieren en zoogenaamde schieteieren of windeieren toont ook ziekte van den eileider aan.
De pas ontstane en snel verloopende eierstokziekten zijn bijna niet aan do kippen waar te nemen. De zieken zijn zwak en lusteloos en zoeken donkere hoekjes op of kruipen in het legnest. Men ziet, dat de dieren sneller ademen dan gezonde; het achterlijf is warmer dan gewoonlijk en dikwijls ook dikker. Bij langzaam verloopende eierstokziekten is de buik min of meer gezwollen; men voelt duidelijk, dat er in de buikholte harde knobbels liggen, of dat er zich water heeft opgehoopt. Kankerachtige gezwollen, tuberkels (teringpuistjes) enz., worden zeer dikwijls aan eierstokken waargenomen. Bij eierstokziekten en chronische eileiderkwalen neemt men het zoogenaamde foppen der hoenders waar. Ze gaan namelijk naar het nest, alsof ze een ei wilden loggen, gaan er een oogenblik later vandaan en kakelen, alsof ze het werkelijk gedaan hadden, wat nooit het geval is; want kippen met ziekten aan den eierstok leggen niet.
Tegen eierstokziekten is niet veel te doen; bij juist ontstane heeft men wol afvoermiddelen, kondwatercompressen op den buik, het plaatsen van de kip in een koel, donker vertrek beproefd, maar zelden met gevolg. Gewoonlijk hebben er hevige bloedingen in den ontstoken eierstok plaats, of springen er een of meer eierblazen in den stok, waardoor eidooier in
150
HOENDERBOEK.
de buikholte komt en eeue hevige buikvliesontsteking doet ontstaan, waarbij de kippen den dood vinden. Bij sterke aanzweliingen van het achterlijf, maar vooral wanneer men in den buik een hard gezwel voelt, aarzele men niet om de kip te slachten; vindt men kankerachtige gezwellen, dan mag er volstrekt niet van die kip gegeten worden.
Eileiderziekten komen dikwijls voor, wanneer de kip oenen tijd lang tamelijk vele en groote eieren gelegd heeft, of wanneer windeieren, eiwit, kalkachtige massa's, vreemd gevormde eieren, enz. uit den eileider te voorschijn gekomen zijn. Meestal gaat met eileiderziekte legnood gepaard; de mond van den eileider en de cloake, die zich vlak boven den mond van den endeldarm bevindt, is gezwollen en rood. Do zieken hebben veel dorst en weinig eetlust; ze worden hoe langer hoe lusteloozer en zwakker; hun mest is week of dun vloeibaar; bijna altijd loopen de patiënten mank of vertoonen beenzwakte; steeds is eene eigenaardige houding van het achterlijf bij zieke hoenders merkbaar; de anders rechtopstaande staart wordt in eenen boog naar omlaag gehouden; de rug is gekromd; dikwijls hangt niet alleen de staart, maar ook de vleugels.
Eene kip nu met eileiderontsteking moet men allereerst apart zetten in een koel en donker hok, zoodat geene andere kippen bij haar kunnen komen, en zij eenige weken alleeu blijft zitten; verder geve men haar een Hink afvoermiddel, later een clysteer van dun slijm (lijnzaad-of kweepitten-water) of van eene lauwe 2 u/0 aluinoplossing of van eene zwakke salicylzuur-oplossing in den eileider; men vergisse zich niet door de clysteer in den darm aan te leggen. Ook het laten instroomen van warmwaterdampen in de cloake of in den eileider (een maal per dag tien minuten lang) is zeer aan te bevelen.
Uitzakking van den eileider. Somtijds komt de eileider uit den aars te voorschijn, en met hem stulpt zich de cloake om, waarin zich zoowel de eileider als de endeldarm, ieder met eenen afzonderlijken uitgang monden, en maakt dus een deel uit van de uitzakking. De uitgezakte gedeelten moet men zorgvuldig schoonmaken, met een lauw mengsel van wijnazijn en water (gelijke hoeveelheden) verwarmen, dan met olie of vaseline bestrijken, en met den wijsvinger weer op hunne plaats trachten te duwen. De zieke kip moet eenige dagen apart opgesloten worden, zoo weinig
].quot;)1
HOENDERBOEK.
mogelijk voedsel hebben, en uls de uitzakking nog eeus plaats heeft, moet men haar opnieuw in orde brengen, zonder dat men er met naald eu draad bij komt. Het opsluiten van de kip is noodig, omdat zij dan ophoudt te drukken eu te persen, en de uitzakking dus niet zoo gauw weder plaats heeft; verder omdat de kameraden van do kip er een waar genoegen in vinden, aan de uitzakking te pikken, wat het omgestulpte gedeelte van eileider en cloake hevig kan doen ontsteken en vermeden moet worden, en eindelijk omdat een haan zulk eene zieke kip niet mag treden.
Ingewandsworinen. In de lichaamsholte en ingewanden der hoenders komen 5 soorten van lintwormen, soorten van zuigwormen eu bijna een dozijn soorten van rondwormen voor. De zuigwormen schaden het minst, de rondwormen het meest. De lintwormen zoowel als de rondwormen veroorzaken catarrhen van den darm, die eindelijk tot uitputting, bloedarmoede en uittering voeren, tengevolge waarvan de hoenders sterven. Voortdurende dorst, diarrhee, bleeke kam en keeilellen, bleeke zichtbare gedeelten van slijmhuiden, vermagering kenmerken deze soort van darm-catarrhe. Men is van het feit, dat er ingewandswormen in het hoen zijn, eerst dan overtuigd, wanneer met den dunnen, gewoonlijk rijk van geel slijm voorzienen mest, wormen oi' gedeelten van wormen voor den dag komen (bijv. de leden van lintwormen, of eieren van wormen, die alleen met den mikroskoop te vinden zijn). Hoenders, die veel lintwormen hebben, lijden veel aan krampen of zelfs aan vallende ziekte. Eenige ingewandswormen veroorzaken geen ziekten; om dat te doen, moeten ze in zeer grooten getale voorhanden zijn. Onder de rondwormen zijn de zoogenaamde spoelwormen (H ete ra k i s), de baarhalsworineu (T r ichoso m u m), die zeer dun en slechts met vergrootglazen te bemerken zijn, en de gepaarde luchtpijpwormen (Syngamus) vooral nadeelig. De spoelwormen en haarhals-wormen veroorzaken hevige darmcatarrlien en darmontstekingen, de spoelwormen ook hardnekkige verstoppingen.
Vinden wij bij een geslacht en opengemaakt hoen rondwormen, dan is het geraden, alle zieke of verdachte hoenders van de gezonde te scheiden, en ze eerst in de hokken, waarin ze daarna gebracht zijn, de kuur te doen ondergaan; de hokken en loopen, waarin de zieke of verdachte geweest zijn, moeten door en door schoongemaakt en ontsmet worden; want do
152
I
HOENDERBOEK.
zieke hoenders raken tegelijk met hunnen mest de eieren der rondwormen kwijt; deze worden door de gezonde hoenders met het voeder opgepikt, en zoo worden ze, als ze in genoegzaam aantal in de darmen van het gezonde hoen uitkomen en zich ontwikkelen, voor die weder de oorzaak van de ziekte.
Voor jonge, maar ook voor oude hoenders is de gepaarde luchtpijp-worm zeer gevaarlijk. Hij bewoont de luchtpijp van hoenders en van eene menigte andere vogels. De door deze wormen aangetaste dieren hoort men hoesten en ziet men telkens den bek wijd opendoen, terwijl ze daarbij den kop in de hoogte steken; later halen ze moeilijk adem, happen naar lucht, hijgen en enkele stikken zelfs. De luchtpijp worm en zitten gewoonlijk op de sljjrahuid van de luchtpijp bij hoopjes, waardoor zij den toegang voor de lucht bij de ademhaling gedeeltelijk of geheel versperren. Ook gebeurt het, dat de wormen zich in de slijmhuid der luchtpijp inboren en bloed zuigen, waardoor niet alleen de hoenders zeer verzwakt worden, maar ook in de luchtpijp de slijmhuid ontstoken wordt en opzwelt, zoodat nu de luchtpijp door de gezwellen afgesloten wordt. Eindelijk stikken de zieke hoenders. Gezonde worden aangetast, wanneer ze de slijmdeelen, die door zieke hoenders bij het kopschudden en hoesten worden verwijderd en honderden eieren van de luchtpijpwormen bevatten, oppikken.
De mannetjes en wijfjes van deze wonnen hangen paarsgewijze aan elkander; het 4â5 millimeter lange mannetje omklemt namelijk met zijn staarteinde de geslachtsopening van het 12â18 millim. lange wijfje, welke opening op ongeveer 4 m.m. van haar kopeinde verwijderd is. De wormen zijn rood gekleurd. In de luchtpijp van een kuiken kan men ze zien zitten, wanneer men met duim en wijsvinger der rechterhand ondersnavel en tong en met die der linker het kuiken zelf vasthoudt en nu den uitgestrekten hals tegen eene brandende kaars of het zonnelicht bekijkt. De huid en de luchtpijp van een kuiken zijn doorschijnend en de wormen zijn ondoorschijnend, zoodat men ze dadelijk zien moet, als ze er in zijn. De aangetaste hoenders moet men streng van de gezonde scheiden en de hokken en loopen, waarin ze verblijf hebben gehouden, zorgvuldig schoonmaken en ontsmetten.
Als geneesmiddel tegen de luchtpijpwormen heeft men aanbevolen, knoflook en asa foetida (duivelsdrek) onder het voeder te mengen en wat salicylzuur in het drinken op te lossen. Als men met een dun stroohalmpje voorzichtig in de luchtpijp van het hoen eenige droppels brengt van eene
153
HOENDERBOEK.
8â10 % alcoholisclie salicylzuuroplossing, dan worden de wormen gedood en door het hoen al hoestende verwijderd ; hierdoor genezen de hoenders, al houden ze eeuige dagen met hoesten aan. Het laten inademen van wanne dampen van 2 â 5 kreosoot otquot; toer in water helpt ook zeer goed. Eene operatie der luchtpijp en de verwijdering der wormen langs dien weg kan natuurlijk ook uitstekend zijn; maar wie niet goed opereeren kan, moet het liever laten. Het volgende middeltje is ook eonvondig en doeltreffend: men snijdt van eene veer het dikste schachteindo at en verwijdert met eene schaar of door aftrekken de beide baarden ot vlaggen der veer tot op een klein gedeelte na, niet aan de punt van de veer, maar juist aan het dikste gedeelte der schacht. Zeer voorzichtig laat men dit gedeelte nu in de luchtpijp zakken en trekt tamelijk vlug de veer terug, waardoor de wormen verwijderd worden. Den volgenden dag kan men aan het gapen van het hoen bemerken, of er nog wormen ingebleven zijn.
Tegen lint en rondwormen gebruikt men arecanoten (betelpalmnoten). De noten moeten zoo versch mogelijk zijn; men stoot ze tot kleine stukjes, die de hoenders meestal vrijwillig oppikken. Volwassen hoenders hebben 3 gram, kuikens Va gram noodig. Pikken zij ze niet op, dan maakt men ze tot poeder en draait er met meel en water pillen van, die men de hoenders laat slikken. Ziet men na (5 uren niets te voorschijn komen, dan geelt men hun een Hink afvoermiddel.
Hot bevriezen. Meestal bevriezen de punten van den kam en de randen der keellellen, als het in den winter zeer koud is en het hok niet genoeg tegen koude is ingericht. De bevroren gedeelten worden eerst donkerrood, dan blauw, drogen uit en vallen eindelijk af. Ook de teenen kunnen erg van de vorst lijden. Deze worden eerst warm, zwellen op, zijn bij aau-raking zeer pijnlijk, worden rood, dikwijls donkerrood, en de vogels kunnen slecht loopen, nog minder op de ruststokken zitten. Dikwijls sterven de bevroren teenen af; meestal blijven knobbels, zoogenaamde vorstknobbels achter.
Behandeling- Bevroren deelen moeten met sneeuw, sneeuwwater of ijs water gewreven ot gewasschen worden; als men dat eenige dagen lang, eeuige malen per dag gedaan heeft, wrijft men dagelijks een of tweemaal de zieke deelen flink in met ongezouten vet, boter of olie (slaolie, beu-
154
â¢gt;
HOENDERBOEK. 155
kenolie, raapolie, geen lijnolie!) of vaseline; vorsbknobbels penseelt men herhaalde malen met sterke nitrasargentioplossing, nadat men ze eerst met sneeuw- ot' ijs water heeft gewasschen.
liet bevriezen kan voorkomen worden, wanneer men de hokken warm inricht, den bodem mot eene laag stroo bedekt, om do 2 of 3 dagen den kam en de keellellen met vet of vaseline insmeert, de drinkbakken zóó maakt, dat de keellellen bij hot drinken niet nat worden, en de hoenders niet dan gedurende don middag vrijgelaten worden.
Windeieren zijn eieren zonder of met eene slechts zeer dunne kalkschaal. Meestal zijn windeioren het gevolg van eileiderziekten. Windeieren kimnen dikwijls niet gelegd worden, of het duurt eenige dagen, oor dit gebeurt; dan vertoonen do zieke hoenders de kenmerken van eiloiderontstoking, namelijk oenen gebogen rug, oenen laaggehouden staart en zwakke pooten. Anders komt het leggen van windeieren alleen voor bij hoenders, die to veel door den haan worden getreden, of die te vet of overdreven goed gevoerd zijn geworden; eindelijk wanneer in de voeding niet genoeg van die stoffen aanwezig is, die do kip noodig heeft tot vorming van de eischaal. Zijn eileiderziekten do oorzaak van het leggen van windeieren, dan moot men de kip daarna behandelen (zie bij Eileiderontstekingen); maar anders moet men de kip 6â8 dagen lang in een halfdonker, koel hok apart houden; eerst geeft men haar een afvoormiddol; heeft dat gewerkt, dan moet de kip week voeder hebben waarin men ééns per dag oenen eetlepel vol zoor fijn gestooten eischaal of fijne muurkalk of geslibd krijt mengt. Als windeieren gelogd worden door te veel eten van mais of gerst, geve men daarvoor in de plaats haver, en als do kippen dat niet eten willen, omdat ze er nog niet aan gewoon zijn, gekneusde haver.
Yoetzoolgezvvellen. Deze komen dikwijls voor, vooral bij Cochinchina's, Brahrnapoetra's, Houdans on Dorkings. Zij ontstaan door ontstekingen in het voetgewricht, en deze worden veroorzaakt door hot groote gewicht van het dier zelf (hanen krijgen ze daarom meer dan hennen), of door herhaalde aanraking van de zool aan harde voorwerpen, grove kiezel of puin, scherpe kanten der zitstokken, of door andere mechanische prikkels; doch ook kouvatten kan er oorzaak van zijn. Vijfteenige hoenders
HOENDERBOKK.
schijnen in het bizonder door deze ziekte aangetast te worden. Wordt deze kwaal niet vroeg genoeg opgemerkt en verholpen, dan worden de voetzoolbanden, pezen en zelfs het been aangetast. Het gezwel is eerst hard, zeer warm en bij aanraking pijnlijk. Na 2 of 3 dagen wordt het week, men voelt er vocht in; maakt men het open, dan vloeit er een geelachtig vocht uit, vermengd met bloed en etter; wacht men langer met het openmaken, dan komt eene dik vloeibare, geelachtige massa te voorschijn of een meer vaste, gele, kaasachtige inhoud. Prof. Dr. Zühn (Dresdener Blatter fur Gehügelzucht 1S82 p. 228) geeft den raad, eerst de gezwellen sterk af te koelen, daarna in te wrijven met jodoformzalf, en ze niet te openen dan wanneer het hoog noodig wordt, daarbij den inhoud voorzichtig uit te halen (bijvoorbeeld met een beeuen oorlepeltje) en bij bloedingen bloedstillende watten in de wond te leggen, anders zoo dikwijls mogelijk warme voetbaden te geven, olie en was in de wond te stoppen, bot gezwel daarmede ook van buiten in te smeren en met zwachtels te omwinden. Paui.y (Allgemeine GeHügelzeituug 18S2 p. l-l) beveelt aan, het gezwel te openen, als het zeer slap wordt, voorzichtig uit te lepelen, dagelijks lauwe voetbaden van kamillenthee te geven, de holte te vullen en het gezwel van buiten te bestrijken met eene zalf, samengesteld uit 1 deel boter, iU deel gele was, '/4 deel pik, en verder alles te omzwachtelen.
Hersenziekten. Bij hoenders komen verschillende hersenziekten voor. Wij zullen hier slechts gewag maken van de meest voorkomende, namelijk van congestie (het stroomen van te veel bloed naar de hersenen) en van bloeduitstortingen in de hersenen, die voornamelijk tegen den paartijd bij jonge hanen plaats hebben, ot in het algemeen bij hoenders, als ze te veel slagen of stooten op den kop hebben gehad. Dan ontstaan verschijnselen, die men licht aan andere ziekten zou toeschrijven, en die namen hebben gekregen als âdraaien met den hals,quot; âverrekking van de halswervels,quot; âdraaien van den kop,quot; enz.
Reeds bij gewone congesties, maar nog meer bij bloeduitstortingen (door het springen van een adertje in den kop), ziet men de hoenders tuimelen, achteruitgaan, kop, hals en oogen verdraaien en bewegingen maken, alsof ze dronken zijn. De kop is op het gevoel zeer warm en soms letterlijk onderstboven gekeerd. Behandeling: De patiënt moet alleen in
156
HOENTIEKBOEK.
een halfdonker, koel hok gezet worden; men moet hem aderlaten en een krachtig afvoermiddel geven en verder den kop steeds met zeer koud water bedruppelen, bij voorbeeld door eene met zeer koud water gedrenkte spons boven zijnen kop uit te drukken, of'op eene andere manier zijnen Itop sterk afkoelen, bij voorbeeld door klei op den kop te strijken en dat vochtig te houden, of eene spons vol water op zijnen kop vast te binden.
Geel zucht. Het geel worden van den kam, de keel- en de oorlellen, de bindhuid en de witte, ondoorschijnende hooruhuid van het oog komt voor bij langdurige leverziekte en is meestal te verdrijven door het geven van zoo weinig mogelijk voedsel, dat in het geheel geen vet mag bevatten en nu en dan Jalappe als afvoermiddel. Bij het openen van een aan geelzucht gestorven hoen vindt men de lever zeer groot en licht gekleurd of verschrompeld en geel gekleurd, en de galblaas sterk gevuld.
Jiclitige gewrichtsontsteking:. Jicht, d. i. afzetting van piszuur (urinezuur) in verschillende gedeelten van het lichaam, is geene zeldzaamheid bij hoenders. Bij hen komt jicht voor in de ingewanden en in de gewrichten der pooten en der vleugels. Zoodra de knokkeljicht voorkomt, ziet men aan een of meer gewrichten eene rond om het gewricht heengaande, ringvormige opzwelling, die op het gevoel zeer hard en warm en voor het dier bij aanraking pijnlijk is. Dit gezwel wordt steeds grooter, en mocht het in het begin wat week geweest zjjn, het wordt hoe langer hoe harder, eindelijk zoo hard als steen. Tevens kunnen aan de gewrichten verdikkingen en kwaadaardige zweren voorkomen. Het kleiner worden der gezwellen toont beterschap. Als de hoenders jicht hebben in de pooten kunnen ze niet goed, of in het geheel niet loopen of staan; ze liggen dus veel, soms zooveel, dat ze borst en buik doorliggen. Zit de jicht in eenen vleugel, dan laat het hoen dien slap hangen en kan hem niet tot vliegen gebruiken.
Behandeling: Alleen als de jichtgezwellen nog zeer jong, week en zeer warm zijn, kan men een zeer sterk afkoelen der knokkels wagen; maar zoodra do knokkels hard aanvoelen en niet meer zoo warm zijn, wikkelt men er werk, wol, watten, enz. om heen, en als het zeer erg is, bestrijkt men ze eerst met jodoformzalf (1 deel jodoform, 20 -30 deelen vaseline)
157
â¢15S IIOENnEHHOEK.
alvorens ze te omwikkelen. Inwendig geve men tweemaal per dag eene pil, die 2 decigram salicylzuur bevat, in spiritus opgelost, met wat brood en boter klaargemaakt, en als .het zeer erg is, eenmaal per dag 5â16 druppels tinctura colchici.
Ontsteking van het hartezakje. - Hartziekten komen dikwijls bij hoenders voor. maar zijn moeilijk te herkennen. De meest voorkomende ziekte
is eene ontsteking van het hartezakje, die zelden zelfstandig optreedt, maar
meestal samengaat met andere ziekten en meestal daaraan te herkennen is, dat de patiënt zeer treurig is en zwak, snel en zwaar ademt, een duidelijk voelbaren, snellen hartslag heeft en zwak op de pooten is. Driemaal daags 3 of 4 druppels tinctura digitalis (vingerhoedskruidtinctnur) kan
hierbij dienst doen.
Hoeiulerpest (H oe n der choler a, H o en d e r typh o i d e, H oen d er-typhus) is de gevaarlijkste hoenderziekte, die soms geheele hoenderfokkerijen uitroeit, en dus de schrik van den fokker is. Zij is besmettelijk en kan langs allerlei wegen overgebracht worden; maar meestal geschiedt de overbrenging daardoor, dat de gezonde hoenders wat eten, dat met den drek van een ziek hoen in aanraking kwam. Daarom is het zaak, den mest zeer dikwijls weg te halen en te verbranden, verder nauwgezette ontsmetting der hokken, loopen, eetbakken, drinkwater, enz.; en deze ontsmetting om de twee of drie dagen te herhalen.
Het hoen, dat door het eten van smetstof besmet is. wordt na eenige, soms eerst na elf dagen ziek, is dikwijls binnen 24 uren dood, maar kan ook
weken lang ziek blijven.
Gewoonlijk verloopt de hoenderpest zóó snel, dat de eigenaar den plotselingen dood niet begrijpen kan, en wie bij zijne hoenders ééns deze verschrikkelijke ziekte heeft waargenomen, ziet licht in, waarom een liefhebber in den regel meent, dat zijne kippen vergiftigd werden. Zoo even zag men een hoen nog gezond en 5 ïi 6 uur daarna is het dood! Niet altijd verloopt deze ziekte zoo snel; ze kan dagen, ja soms weken duren. Dan neemt men de volgende verschijnselen waar: de zieken zoeken donkere hoekjes op, of gaan in een nest zitten. Daar blijven ze dan, treurig in elkaar gedoken, met de veeren in de hoogte en schijnen uiterst zwak en uitgeput.
HOENDERBOEK.
Meestal eten ze niet meei- of slechts weinig; maar soms eten ze zelfs nog eenige uren vóór hunnen dood vast voedsel. Dorstig zijn ze bijna altijd. De oogen tranen en dikwijls zijn de patiënten lichtschuw, wat men aan het telkens dichtknippen der oogen zien kan. Uit den bek en soms ook uit de neusgaten vloeit een glazig slijm of een stinkend vocht, slechts zeer zelden braken ze. Bijna nooit ontbreekt de diarrhee. Eerst is de mest witgeel of bruingeel en dun, later groenachtig of chocoladebruin, is dikwijls met bloed gemengd en zoo vloeibaar als water. Al de veeren rondom den aars zijn vuil geworden en kleven aan elkaar. De aars zelf steekt uit, is bezaaid met roode puntjes of blauwrood gekleurd. De diarrhee verzwakt de reeds slappe dieren zeer, zoodat ze de vleugels laten hangen, als een beschonkene loopen. tuimelen en in de knieën knikken. Bijna alle patiënten ademen snel en zwaar, daar de longen sterk aangedaan zijn. Catarrhe in den bek, den slokdarm en de luchtpijp is geene zeldzaamheid, zoodat men bij de ademhaling duidelijk hoort rochelen en reutelen. De nadering van den dood herkent men meestal aan krampen, waarbij kop en hals sterk tegen den rug of tegen den buik worden gedrukt. Vlak vóór den dood verdraaien kop en hals zich meestal krampachtig. De kam en de keellellen zijn meestal blauwrood.
Reeds uit de hierboven herhaaldelijk gebruikte uitdrukking âmeestalquot; moet do lezer afleiden, dat niet al de genoemde verschijnselen aanwezis? m oete n zijn, maar ku n non zijn. Dit geldt voornamelijk van de kenmerkende verschijning: de diarrhee. Zij is zeer dikwijls zóó weinig in het oog vallend, dat ze eenvoudig over het hoofd wordt gezien. Zooals men in den regel eerst dan weet, dat de gevaarlijkste van alle ziekten, de hoenderpest, heerscht, als reeds een aantal hoenders snol achter elkaar gestorven zijn, zoo kan en moet ook alleen de opening van versche i d en e hoenders de zekerheid geven, dat de heerschende ziekte de pest is. De secties der aan pest gestorvene hoenders geven volstrekt niet altijd een gelijkluidend resultaat; maar wij zullen toch overeenstemming vinden in vele en de meest kenmerkende ziekelijke veranderingen der ingewanden. Deze zijn; do aderen onder de huid zijn met donker bloed gevuld, zoo ook de boezems van het hart en de meeste bloedvaten. De slijmhuid van bek en slokdarm is blauwachtig mot glazig, dik, etterig slijm, dat soms ongelijkmatig, bij hoopjes, over de slijmhuid verdeeld is. De longen zijn donkerrood, met bloed overvuld, of waterachtig en vochtig, of er is duidelijk
159
HOENDERBOEK.
longontsteking te zien. Het hart toont in den regel voode, bloedige vlekken onder het hartezakje; soms is het hartezakje zelf ontstoken, en vindt men gele, kaasachtige uitzweetingen tusschen hart en hartezakje. De nieren zijn dikwijls door bloed sterk gezwollen. De voornaamste veranderingen hebben aan de darmen plaats. Daar heerscht soms darmcatarrhe, maar meestal darmontsteking, die men herkent aan puntvormige, vlekkige bloedingen in de slijmhuid ; dikwijls is er bloed in d e d arme n aanwezig, dikwijls zweren op de darmslijmhuid (dus aan den binnenkant). De darmontsteking vindt men soms in den dunnen en den dikken darm beide, maar meestal slechts in een gedeelte van den darm, het allermeest in een gedeelte van den dunnen darm, soms ook in den endeldarm. Aan de spiermaag vindt men ook bloederige vlekjes of hoopjes geel slijm aan de binnenzijde van de harde maaghuid. Eindelijk vertoonen zich soms bloeduitstortingen in de schedel-beenderen of in de schedelholte. Nog eens wijzen wij er op, dat al deze verschijnselen niet in één hoen behoeven aanwezig te zijn; daarom zeiden wij boven reeds; slechts de opening van v er sche i d en e hoenders kan ons de zekerheid geven, dat de hoenderpest heerscht.
Behandeling: de zieke vogels moeten dadelijk van de gezonde gescheiden worden; de zieke late men, waar ze zijn, de gezonde brenge men in gezonde stallen, zoover mogelijk van de zieke af. Degeen, die de zieke vogels behandelt, mag niet met de gezonde vogels in aanraking komen. Zoowel bij de zieke als bij de gezonde vogels moet telkens de mest worden weggehaald en verbrand. Vier tot zes weken lang, tweemaal 's weeks, moeten alle hokken, loopen en bakken ontsmet worden (zie bij ontsmetting). Om den grond te ontsmetten, kan men behalve de onder âOnts m etti n gquot; genoemde middelen, ook zwavelzuur en water (1 op 20) gebruiken. Sterke voeding: vleeschafval (geen vleeschmeel!), wormen, mierenpoppen (zoogenaamde miereneieren), gerst, tarwe, van tijd tot tijd wat hennep. Het schijnt, dat ijzervitriool het eenige geneesmiddel is. Dit wordt in poedervorm met wittebrood en boter tot pillen gedraaid. Ben kuiken krijgt tweemaal daags eene dosis van I) centigram, een volwassen hoen twee- of driemaal daags G centigram. Vijf of zes weken lang geeft men den hoenders op eiken liter water 5 gram ijzervitriool.
Kalkpooieii (Schurftpooten. Elephantiasis). Hieronder verstaat
IGO
HOENDERBOEK.
men eenen door mijten veroorzaakten huiduitslag, die zich in den regel tot de pooten beperkt, zelden kam, keel- en oorlellen aantast. De ziekte is aanstekelijk, daar de jonge mijten van de pooten afloopen en zich in spleten van het houtwerk verschuilen, waar zij zeer lang kunnen blijven leven. Kruipen ze op de pooten, dan bemerkt men, dat eerst daaraan, later ook soms aan kam en keellellen kleine, grauwe vlekjes zichtbaar worden, die langzamerhand grooter worden en zich eindelijk met witgrijze of bruingrijze korsten bedekken ; deze worden hoe langer hoe dikker en puisterig en splijten eindelijk. De schilden der pooten worden daarbij verschoven, en de pooten zien er ten slotte uit, alsof ze met gedroogde klei of met metselkalk bestre-keu waren. De hoenders toonen duidelijk door wrijven, krabbelen, schuren aan de pooten, dat het daar jeukt; vooral 's nachts, want dan zijn de mijten het ergst bezig.
IJehandeling: De korsten weekmaken, verwijderen en verbranden. Het weekmaken der korsten krijgt men gedaan, door ze met groene zeep te besmeren, dat 24 uren te laten zitten en het dan met warm water al'te wasscben, of door ze in te smeren met vaseline of ongezouten reuzel. Als nu de grootste korsten afgenomen zijn, smeert men de pooten duchtig in met een van de volgende middeltjes: in spiritus verdunde perubalsem, zalf van 1 deel kreosoot op 20 deelen vet, zalf van 1 deel carbol/uur op 10 deelen vet. Dit moet éénmaal per dag drie dagen lang gebeuren. Naar gelang van de hevigheid der ziekte moet het afweeken van do korsten eu het insmeren met het mijtendoodeud middel een-of meermalen geschieden. Later smeert men de van korsten schoongemaakte deelen in met zuiver vet of met eene zachte olie. Om te maken, dat de gezonde hoenders geen kalkpooten krijgen, moet men zorgen, dat de zieke worden afgezonderd en de hokken ontsmet. Een in den laatsten tijd zeer aanbevolen en uitstekend geneesmiddel is het flink insmeren der aangetaste deelen met petroleum, waarmede men ook de zitstokken bestrijkt.
Witte kam (Uitslag, Favusziekte). Door eene plantaardige parasiet, de Favusschimmel, wordt een witte huiduitslag veroorzaakt, die zich allereerst aan den kam, de oor- en keellellen vertoont en zich van den kop wel eens over den romp uitbreidt, in welk geval de ziekte in den regel ongeneeslijk is. Het schijnt, dat deze ziekte voor huisdieren en
11
I Dl
HOENDERBOEK.
menschen besmettelijk is. De uitslag begint met kleine, witte of grauwe vlekken aan den kam, de keel- en oorlellen; de vlekjes worden grooter, vloeien in elkaar, en in een paar weken is het, alsof de aangetaste deel en besmeerd zijn met een dik, gedroogd deeg, waarop witte korsten zitten. Grijpt de ziekte verder om zich heen, dan ziet men, hoe de veeren op de zieke gedeelten in de hoogte staan, langzamerhand droog, zacht en broos worden, afbreken of uitvallen en in den regel aan het ondereind van de schacht omgeven zijn vau een buisje witgrijze, asbestachtige massa. Slechts door mikroskopisch onderzoek is de ware natuur der ziekte en het aanwezig zijn van de Favusschimmel met zekerheid vast te stellen. Menigmaal rieken de hoenders, die deze ziekte sterk hebben, naar schimmel ; want overal waar zich zulke hoenders ophouden, bevinden zich hide lucht de sporen (kiemen, zaadjes) van de schimmel.
Behandeling: de aangetaste deelen insmeren met carbolzalf (1 carbol op 20 vaseline) of met eene oplossing van zwavelig^ure kalk (zie bij ontsmetting) of met witte praecipitaatzalf (1 op 8 vaseline).
Voorbehoedmiddel: Ontsmetting van de hokken en loopen, het best met zwaveligzure kalkoplossing (zie bij ontsmetting) en met zvva-veligzure dampen.
Catarrheii. Wanneer naar een gedeelte eener slijmhuid door eenen of anderen prikkel bloed wordt toegevoerd, dan zondert deze gezwollene en rooder geworden plek, die eerst droger wordt en buiten functie treedt, eindelijk herhaaldelijk dik slijm af. Deze toestand noemt men catarrhe. Het zijn voornamelijk de slijmhuiden der voorste luchtwegen, van den eileider on van den darm, die het meest voor catarrhen vatbaar zijn (zie bij Eileiderontstekingen en bij Diarrhee). Het laten inademen van warmwaterdampen, teerwaterdampen en het gebruik van licht samentrekkende middelen ('/2-20/o aluinoplossing of tannineoplossing), die al naar gelang van de plaats der catarrhe ingegeven, gepenseeld of ingespoten moeten worden, kan bij kwaadaardige catarrhen helpen; lichte genezen vanzelf, als men de zieke dieren maar voor kouvatten beschut.
Beenderbreuk. Het gebeurt wel eens door eenen stoot, eenen slag of eenen steenworp, dat een der bsentjes aan den vleugel of de poot breekt.
lf)2
IIOÃNDERUOEK.
Is het gebroken gedeelte beveerd, dan moet het geschoren worden; is een der onderarmbeenderen gebroken, dan bindt men de lange pennen slechts te zamen. Is de breuk ingewikkeld, dan gebruikt men spalken van dik bordpapier of van hout. Meestal is het echter niet noodig. Het hoen nu, dat verbonden moet worden, legt men op den rug, het gebroken been wordt in zijnen natuurlijken stand gebracht, de huid, waar het verband zal aangelegd worden, met olie bestreken, en dan wordt een stuk wollen band tweemaal om de breuk gelegd, vervolgens een in waterglasoplossing gedoopte, smalle, linnen band 4â8 maal hieromheen gelegd, en tijdens de omwinding nog eens met waterglas bestreken en met geslibd krijt bestrooid. Het verband moet natuurlijk wel 3 maal breeder zijn dan de breuk groot is. Het eerste wollen verband kan ook weggelaten worden.
Als het verband nergens drukt en daardoor het gebroken lid doet zwellen, laat men het vier weken zitten. Is er een verband gelegd om een der vleugelbeenderen, dan moet die vleugel aan het lijf worden vastgebonden. Dit geschiedt het best met eenen breeden band, waarin twee gaten gesneden zijn, waardoor men de pooten van het hoen steekt en dien men dan op den rug vastbindt of naait. Door nu kussens van werk onder den vleugel te stoppen, zet men hem terdege vast. Ook gips- en schrijnwerkerslijm-verbanden kunnen bij beenderbreuken van vogels gebruikt worden. Bij kuikens is het voldoende, om goed klevende en verwarmde hechtpleister een paar malen om het gebroken en in goeden stand gezette been te wikkelen.
Tering (Uittering, Tuberculeuse). Eene dikwijls voorkomende, dikwijls geheele hoenderparken verwoestende, absoluut ongen ees 1 ijke, besmettelijke en erfelijke ziekte. Zij wordt gekenmerkt door uittering van het hoen bij ongestoorden eetlust. Verder vertoonen zich de volgende kenmerken: Kam, keel- en oorlellen woi'den bleek of zijn met bleeke vlekken geteekend; de vogels hebben eenen grooten trek naar bizonder voedsel, zooals vleesch of wormen; eindelijk vertoont zich de diarrhee, die den vogel geheel uitput, dikwijls zóózeer, dat de dieren niet meer kunnen staan of gaan, maar op de zoogenaamde knieën voortschuiven.
Als de longen aangetast zijn, ademen ze snel en zwaar. Opent men een hoen, dan vindt men totale uittering en bloedarmoede; verder tuber-kels (dat is verschillende groote, gele, weeke of harde knobbeltjes met
1G8
HOENDERBOEK.
kaasachtigen inhoud) in verschillende organen, maar het meest in de vergroote, zeer week geworden lever, in de milt, aan en in den darm, aan den eierstok, zelden in de longen, enz. Die tuberkels zijn hij massa's voorhanden in de zelfstandigheid der bovengenoemde organen, of vertoonen zich als propjes op de oppervlakte van de lever, de milt, den darm, slechts overtogen door het iijne huidje, dat deze organen bedekt. De grootte van deze knobbels verschilt tusschen die van eenen gierstkorrel en van eene okkernoot. Daar de ziekte erfelijk is, moeten alle nakomelingen van ouders, die aan tering leden, zonder uitzondering van de teelt worden uitgesloten. Daar de ziekte besmettelijk en ongeneeslijk is, doet men het best, elk teringachtig hoen te dooden en te verbranden. Elk dier, ook de mensch, dat het vleesch eet van eenen teringachtigen vogel, kan tering krijgen. Hokken en loopen moeten zorgvuldig worden ontsmet (zie Ontsmetting).
Kanker. Kankerknobbels komen dikwijls bij hoenders voor; soms zijn ze buitengewoon groot; het meest vindt men ze aan het buikvlies, aan den eierstok, aan de lever, aan het darmscheil. Kanker is ongeneeslijk; de kiem van deze ziekte, die vroeg of laat voor het individu doodelijk is, is overerfelijk, zoodat alle naaste verwanten van een kankerachtig hoen zonder onderscheid van de teelt moeten uitgesloten zijn. Kanker komt ook uitwendig voor, zooals aan den kam, de oorlellen, in de hoekeu van den bek, aan de oogleden. Hier kan slechts aanbevolen worden het wegsnijden van do kankerknobbels, het branden van de ontstane wond met een mineraalzuur, carbolzuur, of in lichte gevallen met een stukje helschen steen of met een gloeiend ijzer; eindelijk het wasschen en bestrijken van de brandwond met 2â4% carbolwater of carbololie of carbolzalf (1 op 20 vaseline).
Pokken. Bij kwaadaardige slijmhuidontsteking in den bek gebeurt het wel, dat de ontsteking zich naar buiten voortzet en wratvormige, water-inhoudende puisten op de huid vormt. Deze worden door de kweekers pokken genoemd. Het zijn door Gregarinen veroorzaakte epitheliomen. Zij behooren dus niet tot de kankerachtige gezwellen,
Kropziekteu. De twee meest bekende kropziekten zijn de weeke krop en de harde krop. Bij beide vermaalt de krop het voedsel niet, of zooals men dat zegt: de krop verteert het voedsel niet.
164
IIOENDEBBOKK.
De we eke krop komt niet zelden voor. De kenteekens zijn: de zieken zijn treurig, houden zich van de andere hoenders af, drinken veel, doch eten weinig of niets en zitten veel op den grond; de krop is gezwollen en is op het gevoel week; men neemt duidelijk waar, dat er veel vocht in zit en weinig vaste stof. Dikwijls maken de zieken eene beweging, alsof ze stikken en krijgen kleine brakingen, waarbij een zuur, stinkend vocht uit bek en neusgaten loopt. Als het dier niet dadelijk geholpen wordt, teert het langzaam uit en sterft. De weeke krop ontstaat door catarrhe der kropslijmhuid of door kleine zweertjes. Deze catarrhe ontstaat dikwijls na voedering van zuur geworden, week voeder, spoeling, te versch brood, enz. De inhoud van den krop moet nu verwijderd worden. Dit gaat het best op de volgende manier: men houdt het dier hij zijne pooten vast en laat den kop hangen; nu strijkt men met de andere hand, al knedende, den inhoud uit den krop naar den bek. Is de krop eindelijk leeg, dan geve men salicylzuurpillen (0,5 gram salicylzuur in spiritus opgelost en met meel en wat water tot pillen gekneed), of in lichte gevallen eenen eetlepel 10/0 alcoholische salicylzuuroplossing. Zoo noodig, dan geve men een paar uur daarna nog een weinig samentrekkend middel in (1 eetlepel 2â3n/0 aluinoplossing, tweemaal per dag). Men zet het zieke hoen apart, geeft het eenen dag lang geen eten; dan krijgt het een weinig week voeder met stukjes ui en wat knoflook en graan. In zijn drinkwater moet op 600 gram 1 gram salicylzuur opgelost worden.
De harde krop. Ook hierbij ziet men het hoen dik in elkaar zitten, treurig, afgezonderd en met gezwollen krop. De krop is hard, en dat komt meestal, omdat er niet alleen al het voedsel van eenige dagen nog inzit, maar ook allerlei onverteerbare dingen, zooals glasscherven, steenen, stukken been, werk, touwtjes, enz. Ze hebben geenen eetlust, en aan het herhaaldelijk gapen ziet men, dat ze moeielijk ademhalen.
Behandeling. Soms steekt men eene groote prop boter of ongezouten vet, meestal met roet vermengd, in de keel; men vol ge dit voorbeeld niet! Het is beter, een aantal kleine stukjes wittebrood op een bord te leggen en er een weinig goede slaolie over te gieten. Dit geeft men te eten. Den krop wrijft men zachtjes met warme olie langen tijd achter elkander. Bemerkt men, dat er zeer veel korrels in den krop zijn, dan geve men eenen eetlepel vol sterke pepermuntthee met 2
HOENDERBOEK.
druppels zoutzuur, een uur daarna nog eens. Meestal is men genoodzaakt den krop open te maken. Op den gezwollen krop worden de veeren aan den wortel afgeknipt. Het hoen wordt op den rug gelegd; met twee vingers trekt men de fijne huid op den krop in de hoogte, zoodat er eene dwarsplooi ontstaat. Hierin snijdt men met een scherp mes eene over-langsche snede van 3 centimeter, zonder den krop te raken. De snede wordt opengehouden, en nu wordt in den krop, zooveel mogelijk aan den kopkant, eene snede gemaakt van 2V2 centimeter; nu moet men met eenen theelepel, waarvan de randen goed afgerond zijn en de steel loodrecht op den lepel staat, alles voorzichtig uit den krop lepelen; voorwerpen, die in de slijmhuid vastzitten, verwijdere men met een pincet of met eene steentang, die men van eenen geneesheer ter leen vraagt. De krop wordt dan uitgespoeld met eene %â'/2% alcoholische salicylzuuroplossing ofeene l0/,, carbolzuuroplossing, en nu worden de twee sneden dichtgenaaid, eerst die van den krop en dan die in de huid. De steken in den kropwand moeten niet verder van elkaar zijn dan '/2 centimeter; de slijmhuid moet niet tusschen de lippen van de snede beklemd raken. Heeft men Catgutdraad bij de hand, dan gebruike men die voor den krop, daar die draad er later niet behoeft uitgenomen te worden. De snede in de huid naaie men met eene dubbele hennepdraad; hier zijn 3 steken, een centimeter van elkaar voldoende, en men prikke 6â8 millimeter van den rand der lippen af in de huid. Men houde de woud voortdurend schoon. Meestal is de woud in 3 of 4 dagen genezen. Men behoeft zich over den draad niet te bekommeren: hij valt vanzelf uit.
Legnood. Het gebeurt meermalen, dat eene kip haar ei niet kwijt kan raken, óf omdat het stompe einde te breed is, öf omdat het ei te groot is, öf omdat het dwars in den eileider ligt, óf omdat de slijmhuid van den eileider ontstoken en gezwollen is; meestal komt het alleen, omdat het ei niet met het stompe einde vooruit ligt. Bij eene kip, die legnood heeft, ziet men eenen krommen rug en eenen hangenden staart, evenals bij ontsteking van den eileider, en men voelt aan den buik duidelijk het ei, dat vastzit. Soms helpt het, als men warm waterdampen in den eileider laat komen. De volgende behandeling is echter beter: men legt de kip op eene tafel op den rug, steekt den wijsvinger, goed met olie of week vet
166
HOENUfcUBOEK.
ingesmeerd, in den eileider en smeert den binnenwand op die wijze goed in, of men spuit wat olie direct in den eileider. Dan tracht men voorzichtig met drie vingers het ei naar buiten te wrijven of te drukken. Meestal gelukt dat gemakkelijk, maar soms ook niet. In dat geval zit het ei vast in eene in den eileiderwand ontstane verdieping met opgezwollen randen, of de eileiderwand is gescheurd. Zoodra er slechts iets van het ei van buiten zichtbaar is, neme men twee schoone, lange haarspelden; met het stompe einde van eene der haarspelden schuift men nu langs de eischaal, en op dezelfde wijze met de andere haarspeld aan de andere zijde van het ei. Zoo kan men het ei omstrikken en het er uittrekken. Ook helpt het, do kip slechts in sterk verwarmde wollen doeken te wikkelen, vooral den buik te verwarmen en haar in een warm vertrek te houden. Zoodra de kip het ei kwijt is, moet zij 24 uur in een verwarmd vertrek apart gehouden worden. Dikwijls heeft eene kip legnood, doordat de eileider uitgezakt is. Dan reinige men zorgvuldig de cloaca van aanhangende mestdeelen, bette de uitgestulpte deelen met lauwen vruchtazijn en drukke met eenen met olie ingesmeerden vinger de uitgezakte cloaca en den eileider naar binnen op hunne plaats. Een klein stukje ijs verhindert meestal, dat do eileider en de cloaca nog eens uitzakken.
Uitzsikking van don cmleldiirm. Deze wordt evenzoo behandeld als do uitzakking van den eileider, komt tamelijk zelden voor, maar wordt meestal voor eene uitzakking van den eileider aangezien.
Longontsteking. Hoenders, die longontsteking hebben, vertoonen dezelfde verschijnselen als die, welke aan luchtpijpontsteking lijden. De behandeling is bij beide dezelfde; alleen vermijde men het laten inademen van prikkelende dampen.
167
Nierziekten der hoeders zijn voor leeken onherkenbaar; ook weten wij zoo goed als niets over doelmatige behandeling.
Yerharding van de tong. Deze bestaat daarin, dat de punt van de tong-zeer sterk verhoornd is. Geen dommer en kwellender behandeling is er dan het zoogenaamde tongtrekken of tongbreken, dat daarin bestaat, dat
hoenderboek.
men de hoornige punt met geweld aftrekt en ze dan in boter gehuld het zieke dier op laat eten! Eene echte oude-wijven-behandeling! Deverhoor-niug wordt veroorzaakt, doordat de hoenders veel te warm, week voeder gegeten hebben, en de tong daaraan branden. Dan verhoornt ze, en scheurt, zoodat de flarden er bij hangen. Deze moet men voorzichtig met eene fijne schaar afknippen eu de tong met olijfolie insmeren.
Beroerte komt meestal voor na eene plotseling ontstane bloeding in de hersenen, en doodt in den regel snel, als men niet spoedig eene aderlating doet.
luvaadnimligc slijmliuidoiitstekiiigen zijn na de hoenderpest de gevaarlijkste, besmettelijke, door Bacteriën of Gregarinen veroorzaakte ziekten. Al naar gelang van de plaats der ontsteking heeft men er verschillende namen aan gegeven: kroepeus-diphtherische ontsteking, kroep, diphtherie, oogontsteking, oogsnot, aanstekelijk gapen, snot, niezen, chanker, mondzweer, gele mondzweer, gele puisten, pokken, hoenderziekte, besmettelijke hoenderziekte, enz.â Deze ziekten komen meestal van buitenlandsche, ingevoerde hoenders, door hoendertentoonstellingen zonder controle en worden door den hoen-derhandel verspreid.
Prof. Zoen heeft in de Dresdener Blatter für Geflttgelzucht (1882 p. 877) en in het Zeitschriit für Thiermedicin (1882 p. 189) het volgende over deze ziekten medegedeeld:
âWanneer deze ziekte spoedig bemerkt wordt, dat is, wanneer nog slechts een paar hoenders daaraan lijden, heeft ze niet veel te beduiden. AVie het kleine verlies dragen kan, doet het best, onmiddellijk de zieke dieren te slachten, de lijken te verbranden, dan de hokken en loopen, waarin de zieke dieren huisden, herhaaldelijk en goed te reinigen, uit te boenen en te ontsmetten met 5â10quot;/,, carbolzuuroplossing of met sublimaatoplossing (2 op 1000) of met 5% dubbelzwavelzure kalkoplossing. De overgeblevene dieren moet men goed bewaken en onderzoeken; zoodra er een verdacht voorkomt of ziek wordt, brengt men het dadelijk in een afzonderlijk hok, liefst met eeuen loop, houdt het streng van andere hoenders af en laat het oppassen door eenen man, die niet bij de gezonde
HOENDERBOEK.
dieven komt. Wil men de eerste ziek geworden dieren niet slachten, dan moet men ze geheel van de andere afgezonderd houden.
De volgende vormen van kwaadaardige slijmhuidontsteking komen onder de hoenders voor:
1. Ontsteking van de slymhuid in den bek. Kenteekenen: aan en onder de tong, aan het verhemelte, achter in den bek gele, op de ontstoken slijmhuid vastzittende stoffen. De ziekte gaat gaarne op de hoeken van den bek over, van daar op den kam, de keel- en oorlellen en onbeveerde gedeelten van den kop, en vertoont zich dan in den vorm van wratten (gewoonlijk pokken, wratten, kankerknobbels genoemd) van de grootte van eenen gierstkorrel tot aan die van eenen aardappel. Het eten en drinken gaat tamelijk goed, maar ze zijn treurig.
2. De kroepetis-diphiherische ontsteking van den bek, de koel, het strot-tenhoofd, den slokdarm, de luchtpijp, de luchtpijpvertakkiugen en de luchtzakken. Kenteekenen: treurig zijn en zwakte, zwaar en snel ademhalen, gapen, het voortdurend openhouden van den bek, een zingende toon of snorken bij de ademhaling, vervolgens een zeer moeilijk ademhalen met reutelen, rochelen, happen naar lucht, stikkingstoevallen, eindelijk stikkings-dood. Daarbij dikwijls het hoesten, het uitspuwen van dik, geel, onaangenaam zoet riekend slijm en het schudden met den kop. Grele massa's, die de leek verkeerdelijk voor schimmel aanziet, terwijl ze door Bacteriën worden veroorzaakt, vertoonen zich op de slijmhuiden der bovengenoemde ontstoken deelen.
3. Ontsteking van de slymhuid in den neus. Kenteekenen: schudden met den kop, uitspatten van slijm uit de neusgaten; geelgroen, dik slijm dringt uit de neusgaten en droogt tot korsten op, die de neusgaten verstoppen. Dikwijls worden de weefsels onder in de oogholten, die met den neus samenhangen, ook aangetast. Heeft dit plaats, dan vertoont zich eene buil aan den kop, onder het oog, bij den bek, meestal slechts aan ééue, zelden aan beide zijden. Deze buil breekt dikwijls vanzelf open, er vloeit een dik, stinkend, groengeel slijm uit, en men vindt de buil met gele kroepstof gevuld. De ontsteking van de neusslijmhuid komt meestal te gelijk voor met de onder 1 en 2 opgenoemde ziekten.
4. Ontsteking van de oogbindhuid (kwaadaardige oogziekte, oogsnot). Kenteekenen: lichtschuw, het dikwijls knippen en sluiten der oogen;
1(59
HOBNUEKBOEK.
oogleden gezwollen en warmer dan gewoonlijk, bindhuid rood en gezwollen; uit de oogspleet vloeit een kleverig, dik slijm; de ooglidranden kleven aan elkaar en op de oogleden zit een gele uitslag. Eindelijk verzamelt zich onder de oogleden vaste, droge, korrelige, gele kroepstof', vooral in den voorsten ooghoek op de kniphuid; het oog is dan sterk gezwollen, dikwijls is de oogbal verplaatst of door de persing klein geworden. De hoornhuid is dof of met zweertjes bezet.
5. Darmontsteking volgt in den regel op andere kroepeus-diphtherische slijmhuidontstekingen. Kenteekenen: treurigheid, slapheid; de zieken zonderen zich af en gaan in donkere hoekjes zitten; diarrhee, in het begin brijige, met slijm gemengde ontlasting, daarna dunvloeibare, met bloed of bloedige etter gemengd, die erg stinkt; vandaar het sterke verval van krachten, volledige zwakte en gevoelloosheid. Als de diarrhee erg is, laat de dood in den regel niet lang op zich wachten; dikwijls houdt de diarrhee op eens op, om voor eene hevige verstopping plaats te maken; dan vindt men bij de sectie der gestorven dieren in den regel de blinde darmen en den endeldarm geheel gevuld met gele kroepstof in lagen vast tegen den darmwand, die altijd sterk ontstoken en dik is.
De ziekte duurt meestal 14 tot 20 dagen, soms ook 2 tot 3 maanden. Dikwijls meent men dat de patiënten genezen zijn, maar dan storten ze plotseling weer in. Dikwijls gebeurt het, dat de kroepeus-diphtherische ontstekingen in den bek, den neus en aan de oogen genezen schijnen, en dat dan plotseling de darmontsteking komt, die meestal doodelijk is.
Behandeling: Afzondering van de zieke hoenders van de gezonde. Zorgvuldige ontsmetting der hokken. De zieke moeten droge, warme, goed geventileerde verblijfplaatsen hebben. Eiken dag moet de mest der patiënten opgeveegd worden en verbrand, of diep in den grond gestopt, nadat hij met carbolzuur begoten is geworden.
Hoe de ziekte te voorkomen: Geen hoenders naar eene tentoonstelling sturen, die niet gecontroleerd wordt door zaakkundigen. Het houden van een geheel afgezonderd gelegen hok, waarin alle pas gekochte of pas van eene tentoonstelling teruggekomen hoenders voorloopig geborgen worden, totdat men zeker is, dat ze gezond zijn.
Geneeskundige behandeling. Lichte gevallen van deze ziekte genezen vanzelf. Daarom is het verklaarbaar, hoe er beweerd wordt,
170
HOENDERBOEK.
dat het kwaad bestreden kan worden met citroensap, met slappe melkzuur-, carbolzuur- of salicylzuuroplossiugen, met glycerine, azijn, met het voederen van uien en knoflook. Ook worden dikwijls schijnbare genezingen verkregen, later storten de patiënten opnieuw en heviger in. Ook worden gewone catarrhale aandoeningen met deze kroepeus-diphtherische verward, en dan kunnen veel eenvoudiger middelen baten. De ernstige gevallen wordt men nooit meester, en wie kan bij het begin van de ziekte zeggen, of het een licht of een ernstig geval is!'J
Ik beveel bet volgende middel aan: 15 gram walnotenbladeren worden in 1 liter water afgekookt en gefiltreerd; hiervan worden 150 gram gemengd met 20 gram glycerine, 5 gram chloorzure kali, 0,5 gramsalicyl-zuur, dat in 15 grain gerectificeerde spiritus opgelost is. Al naar gelang van de grootte van den patiënt geeft men van dit mengsel tweemaal daags een kwart theelepel tot eeneu vollen eetlepel in. Met hetzelfde mengsel penseelt men dagelijks twee- tot driemaal de met gele stof bedekte slijm-huiddeelen in, voor zoover ze bereikbaar zijn, wascht daarmede de zieke oogen of sproeit met het bekende sproei-apparaat in de zieke oogen, den bek, de neusgaten, enz. Wordt de besproeiing in den bek 2â3 minuten aangehouden, dan behoeft men niet nog afzonderlijk in te geven, of men geeft slechts eenmaal daags eene kleinere hoeveelheid in.
Voor het insmeren van zeer dikke, hardnekkig vastzittende stof en van de aan den kam, de keel- en oorlellen, de oogen en de mondhoeken zittende puisten (pokken, epitheliomen) kan men een mengsel van 2 gram beukenhoutteerkreosoot, 5 gram boorzuur, 15 gram spiritus, 20 gram glycerine en 100 gram gedestilleerd water gebruiken. Men wage het niet, dit mengsel in te geven! Hier zij nog opgemerkt, dat men wel beproeven mag met een stomp houtspateltje tie gele stof in den bek, de keel, de ver-heineltespleet, aan de tong, aan het strottenhoofd voorzichtig af te krabben, maar haar nooit met geweld mag afrukken. Bloedingen mogen niet plaats hebben. Zit de ziekte voornamelijk in de luchtpijpen en in de luchtzakken, dan moet de patiënt teerwaterdampen of teerdampen inademen.
Bij kroepeus-diphtherische darmontstekingen geve men het eerste mengsel iu of pillen van ijzervitrioolpoeder, boter en wittebrood (tweemaal daags 6â12 centigram ijzervitriool in éeus). Daar de darmontsteking meestal de andere kroepeus-diphtherische ontstekingen volgt, moet men
171
hoenderboek.
zich uooit bepalen bij het behandelen van den bek alleen. Bij oogziekten moet men de korsten op de oogleden weekmaken en voorzichtig wegnemen, de gele stoffen, die onder de oogleden zitten, voorzichtig uitdrukken of uitpenseelen, dan de bindhuid met 3 0/o aluin- of kopervitrioolop-lossing, of met chloorwater of met het bovengenoemde eerste mengsel, afpenseeleu of wasschen, of met eene aangepunte stift van helschen steen bestrijken. Bij deze behandeling moet men de oogen met koud water afkoelen. Gezwellen onder aan de oogkas moet men opensnijden, de kazige stof er uithalen en de wond bestrijken met het bovengenoemde tweede mengsel of met sterke carbolzuuroplossing.
Pauu beveelt (in de Allgemeine Geflügelzeitung 1S82) behalve het aparthouden der zieke hoenders, do ontsmetting der hokken, enz., voornamelijk aan: een mengsel van evenveel glycerine en water voor het bestrijken der ontstoken slijmhuiden en tot ingeven.
Von Tkeschkow beveelt (in zijn Krankheiten des HausgeHügels) aan: het schoonwasschen der ontstoken deelen, het penseelen met kopervitriool-oplossing of met carbolzuuroplossing, of in lichte gevallen met een mengsel van 80 gram rozenhonig, 4 druppels zoutzuur, 1 gram boorzuur; bij ontsteking der bindhuid eene oplossing van chloorzure kali of van kopervitriool; bij stikkingstoevallen moet de luchtpijpoperatie plaats hebben; bij bronchitis het dikwijls inademen van dampen van 5 % chloorzure kalioplossing of van 4â5 quot;/ü carbolzuuroplossing, en het ingeven van pillen van salmiak en zoethoutextract.
Ongedierte. De hoenders worden voornamelijk door twee soorten van insecten geplaagd, door mijten en door luizen. Bij de âkalkpooteuquot; is reeds gezegd, dat deze uitslag der pooten, die soms ook op den kam, de keel- en oorlellen voorkomt, door eene soort van mijt (Derm atoryctes mutans) wordt veroorzaakt. Ook de gele uitslag met zeer dunne korsten op den kam wordt veroorzaakt door eene mijt (D er mat ophagus ga 11 inarum). Deze uitslag, die beveerde huiddeelen kaal doet worden, bij den kop en den hals van het hoen begint en zich verder over den romp verbreidt, kan doodelijk zijn. Js het geheele lijf aangetast, dan teert het dier uit, en de dood volgt spoedig. Men heelt deze ziekte door het geheele hoen in te smeren met in spiritus verdunde perubalsem of benzine-
172
nOENDEIUiOEK.
olie (1 op 15) of cavbolzalf (1 op 10) of met petroleum en olie, terwijl men telkens vooraf het geheele dier met zeep wascht. De mijten, die aan de veeren vastzitten of in de schachten verscholen zijn, zijn moeilijk te verdrijven; verdunde perubalsem of verdunde benzineolie (1 op 2quot;)) werken nog het best. De hoendermijt (Dermanyssus gallinae) is een dei-gevaarlijkste parasieten bij de hoenders. Zij zuigt niet alleen bloed bij oude en jonge vogels, maar kruipt bij kuikens in de neusgaten en daarmee in verband staande ruimten, ook in den gehoorgang en brengt daar ontsteking teweeg. Deze mijt verschuilt zich overdag in reten en spleten van het houtwerk en de muren der hokken en zit bij hoopjes aan den onderkant der zitstokken, aan de planken der leghokjes, terwijl ze 'snachts de kippen opzoekt om bloed te zuigen. De beste zitstangen tegen de sterke verspreiding der mijten zijn die, welke aan ijzeren staven hangen, waarvan de einden eenen halven meter van de wanden van het hok afzijn. Vlak bij het dak van het hok, waaraan de ijzeren stangen vastgemaakt zijn bestrijke men de stangen een paar handen breed met vogellijm of met brumatalijm. Elke mijt, die langs de staven naar boven mocht klimmen om planken te bereiken, blijft aan do lijm kleven en komt nooit weer bij de kippen terug!
Tegen het ongedierte in het algemeen neme men do volgende voorzorgsmaatregelen: de hokken moeten dikwijls goed schoongemaakt en twee, drie keer in het jaar gewit worden; op den grond, de zitstangen, het deksel der leghokjes enz., moet kalk gestrooid worden; ook is het zeer goed, al het hout- en muurwerk te bestrijken met verdunde benzine, carboloplossing, 2âB'V,, sublimaatoplossing. Met dit laatste middel zij men voorzichtig, daar het zwaar vergif is, en alles moet goed gedroogd zijn, voordat men de kippen weer in het hok laat. Stof baden, zand, fijne asch, droge, zuivere run of zand, waarop eenmaal petroleum of slappe carbol-zuuroplossing gegoten is, zijn de beste middelen, waardoor de kippen, als ze daarin kroelen, hun ongedierte kwijtraken. Ook helpt het, de kippen in te smeren met een mengsel van 1 deel aetherische amjsolie en 5â10 dealen raapolie, en het strooien van insectenpoeder mot l0/,, fijne naphthaline tusschen de veeren (maar niet te veel, want dat zou ontsteking veroorzaken) of het wasschen met afkooksel van insectenpoeder. Men strooie geen carbolzand tusschen de veeren, zooals wel gedaan wordt, want daardoor kan carbolvergiftiging ontstaan.
173
TtOKNUERflOEK.
Slechte spijsvertering. Zij is het gevolg van ziekten in den krop (zie aldaar), in de maag en den darm en wordt gekenmerkt door weinig of' geenen cetlnst, dorst en verstopping. Middelen daartegen: het voederen met kleine stukjes uien of knoflook, het ingeven van 2â3 peperkorrels ineene pil van boter; 2â3 spaansche pepers worden fijngestooten en in 2 liter water uitgekookt, het uitkooksel wordt gefiltreerd en met 6 tot 8 liter water gemengd, en dit wordt als drinkwater voorgezet. Ook de pepermuntthee, 2â3 maal daags van eenen theelepel tot eencn eetlepel ingegeven, waarbij 2 druppels zoutzuur in eiken lepel gemengd zijn, is aan te bevelen. Bij bi zond ere hardlijvigheid moet eerst een afvoermiddel gegeven worden.
Vergiftigingen hebben plaats, wanneer men den hoenders met opzet de volgende stoffen heeft gegeven, of wanneer zij die bij toeval zelf op pikten: rattekruit, bitterzout, lood, keukenzout, haringpekel, koper, phosphorus, kwik, zwavelzuur, zink, of plantaardige vergiften, die zich bevinden in tarwebrand, maïsbrand, beukenootjes, taxisvruchtjes, dollekervel, vliegen-zwam en andere vergiftige paddestoelen, aardappel vruchten, aardappel-uitloopers (die in vochtige kolders ontstaan en dan dikwijls aan kippen worden gegeven), braaknoten, bittere amandelen, moederkoren, beschimmeld eten. De vergiften werken verschillend. Bijna alle minerale vergiften veroorzaken hevige maag- of darmontstekingen, waarop de dood volgt. De uitwerkselen zijn; verloren eetlust, kwijlen, dorst, stikken, braken, diarrhee, angst en ongerustheid, tuimelen, stuipen, krampen, snelle dood. Planten, die bedwelmende vergiften bevatten, werken schadelijk op het bloed in en dooden bijna plotseling, omdat ze verlammend werken op hersenen en ruggemerg. Er zijn ook vergiften, die zoowel de slijmhuiden der spijsverteringsorganen hevig prikkelen en ontsteking veroorzaken, als verdoo-vend en verlammend werken. Eenige vergiften, bijvoorbeeld het moederkoren, hebben werkingen, die hun bizonder eigen zijn; het moederkoren werkt samentrekkend op de wanden der fijne aderen en veroorzaakt daardoor het vuur op verscheidene plekken van het lichaam.
Bij vergiftiging door scherp prikkelende en plantaardige vergiften geve men eerst een afvoermiddel (wonderolie), dan veel slijmwater of eiwit en water, terwijl bij de vergiftigingen door bek wel men de vergiften begietingen met koud water helpen kunnen en het ingeven
174
HOENDEUBOEK.
van azijn en water, 2â3% tanuineoplossing of chloorwater, kort achter elkander telkens eenen theelepel. Kent men het vergif, dat de kip gegeten heeft, bij voorbeeld rattekruit, omdat men dat tegen muizen en ratten uitgezet heeft, dan kan redding nog mogelijk zijn; suikerwater, eiwit, veel slijm (afkooksel van 2 hectogram 'lijnzaad op 2 liter water), koelwater van de smeden, maar nog beter het in alle aphotheken te krijgen tegengif voor rattekruit (30 deelen ijzerchlorideoplossing, 7 deelen gebrande magnesia, 133 deelen water); dit moet met water verdund herhaaldelijk bij theelepeltjes ingegeven worden. Bij vergiftiging door phosphorus geve men chloorwater, elk half uur eenen eetlepel of gebrande magnesia in water opgelost, zoodat eene melkachtige vloeistof ontstaat, met gelijke deelen chloorwater gemengd. Bij een aan phosphorus gestorven dier rieken de ingewanden duidelijk naar phosphorus, en zij geven in het donker licht van zich af. Bij vergiftiging door kenkenzo ut (pekel, haringpekel) begiet men de dieren met koud water, geeft ze een koudwaterklisteer, doet eene aderlating en geeft ze slijm en olie te eten. Bij vergiftiging door koper (kopergroen, groene verf) geve men het wit van een ei, met 42 centigram zeer fijn ijzervijlsel en 2-1 centigram bloem van zwavel tot een papje gemengd 2 of 3 maal in, of slijm met olie. Bij kwikvergiftiging: suikerwater, eiwit, slijm, 2quot;/,, ijzervitriool-oplossing, elk uur eenen theelepel. Bij 1 o odvergiftiging : wonderolie tot afvoermiddel, daarna slijm en olie, eiwit en een koudwaterklisteer. Bij zinkvergiftiging: melk, eiwit of suikerwater. Bij strychninevergiftiging (door braaknoten) eene aderlating, 2â37,, tanuineoplossing, elk half uur eenen eetlepel, lucht in den bek blazen en de borst samendrukken, dit telkens herhalen, dus: kunstmatig doen ademhalen.
Waterznclit der groote lichaamsholten is dikwijls slechts eene bijkomende verschijning van andere ziekten, vooral van inwendigen kanker. Het aftappen van het water, alleen door een kundig veearts te ondernemen, kan, doch zeer zelden, genezing aanbrengen.
Wonden door knellen, schrammen en snijden veroorzaakt, komen dikwijls voor. Groote wonden met effene randen worden dichtgenaaid. Daarbij gebruikt men fijne, kromme wondheelersnaalden en gewast hennepgaren
175
ItOENDEUBOEK.
176
of dubbele zijdedraden. Men moet altijd ongeveer 0 tot 8 millimeter van den wondrand af in de huid prikken, anders scheurt ze. Men prikt aan de eene zijde van buiten naar binnen, en aan do andere van binnen naar buiten en legt bij eiken steek eenen knoop. Vooraf moet de wond natuurlijk gewasschen worden. Bij het leggen van den knoop trekt men aan, totdat de twee wondranden elkander goed aanraken, dus niet zóó sterk, dat de huid rimpelt, en legt den knoop nooit op de randen, maar zijdelings. Desteken moeten Vaâ1 centimeter van elkander liggen; ze blijven 4: tot 8 dagen aan de wond; dan neemt men ééneu steek weg; zijn de wondranden vergroeid, dan kan men eenen tweeden steek wegnemen, enz. Zoolang de steken op de wond zijn en ook eeuigen tijd daarna is het goed, de wond eiken dag te wasschen. Bij schrammen, bij wonden aan den kam en de keellellen, maar vooi'al bij die aan de teenen, bestrijkt men de wond met loodcollo-dium of eene oplossing van arabische gom met 5n/0 boorzuur. Sterk bloedende wonden met gele bloedstillende watten (penghawar djambi) of met in ijzerchlorideoplossing gedrenkte watten of werk bedekt; desnoods wordt het er op vastgebonden. Bij alle andere wonden is het voldoende, dat men ze schoonhoudt met 1â2% carbolzuur- of boorzuuroplossing, en ze bestrijkt met vaseline of olie of, bij knelwonden, met vet, nadat men de wond met kond water heeft gebet. Beginnen wonden te zweren, dan moet men ze wasschen met 2% carbolzuuroplossing of carbololie, of ze bestrijken met zinkzalf of met 20/o carbolzalf, of brandt ze met eene stift van helschen steen. Hoenders, die wonden hebben aan kam of oorlellen, moeten niet bij andere gezet worden.
OVER KRUISINGEN M BLOEDVERVERSCHIÃÃGr.
A. KRUISINGEN.
Wie kruisen wil, moet vooraf goed weten, wat hij met het kruisen beoogt, of hij een nieuw ras wil vormen, clan wel een beter leg- of' mest-hoen verkrijgen.
Een nieuw ras te willen vormen, is een plan, waarbij geduld behoort. Dat een nieuw, constant ras niet door twee of drie kruisingen ontstaat, ligt klaar voor de hand. Hoe lang bij voorbeeld zal het wel geduurd hebben, voordat de constante vorm der Engelsche Vechtkrielen ontstond, die toch een kruisingsproduct moeten zijn van Vechthoenders en een of ander klein ras.
De meeste kruisingen hebben plaats om de huishoudelijke waarde der dieren te verhoogen, hetzij om grootere eieren te hebben, hetzij om een grooter gebraad voor de keuken te verkrijgen. Elene zeer aan te bevelen kruising is die van Cochinchina- of Brahmapoetrahanen met veldhennen. De nakomelingen leveren mooie, groote, gele eieren, broeden uitstekend, al is het niet in die mate als de Cochinchina's of Brahmapootra's en worden zonder bizondere voeding vanzelf vet. fk bob deze kruising jarenlang gehouden ;
HORNHElitlOEK.
zij leverde mij het geheele seizoen door uitstekende broedhennen en in den herfst, zonder bizondere mesting, het schoonste gebraad.
De kruising van eenen Spanjaardhaan met eene hen, die kleine eieren legt, levert eene nakomelingschap, die grootere eieren geeft. Behoort de hen tot een broedlustig ras, dan gaat de broedlust grootendeels verloren. Daarom is het niet raadzaam, deze kruising te beginnen, als men broedhennen hebben wil. Een van mijne vrienden hield deze kruising; de hennen begonnen wel met broeden, maar verlieten regelmatig na 8 of 10 dagen het nest. Eene kruising van Cochinchinahanen met Spanjaardhennen geeft betere broedhennen.
Eene zeer nut afwerpende kruising is die van Dorkinghanen met Co-chiuchina- of Brahmapoetrahennen. Het is bekend, dat de Dorkings uitstekende tafelhoenders zijn, omdat ze veel malsch en sappig vleesch hebben. Deze kruising levert dieren, die veel grooter zijn dan de Dorkings, en daarom zijn ze voor de keuken zeer gezocht.
De meest aan te bevelen kruising om veel eieren te krijgen, is die van Italiaansche hanen met Brahmapoetrahennen. De nakomelingen leggen uitstekend. Een ijverig pluimveeliefhebber te Hamburg houdt deze kruising en kan ze om hunne groote eierproductie niet genoeg prijzen. Bij eene koude van ISquot; Réaumur (â 22° Celsius, â 8l/20 Fahrenheit) hielden ze niet met leggen op, en daarbij zijn de hokken niet verwarmd, maar staan buiten en zijn van steen en hout gebouwd.
]{. BLOEDVERVERSCHING.
Wie zijne hoenders steeds fraai wil houden en vooral de goede eigenschappen daarvan bewaren wil, heeft ontegenzeggelijk daarvoor te zorgen, dat hun vreemd bloed wordt toegevoerd. Dit geschiedt daardoor, dat men, zoo mogelijk, jaarlijks eenen vreemden haan bij zijne hennen plaatst, eeu dier, dat met die hoenders hoegenaamd niet verwant is. Bij iedere teelt van alle dieren is dit van groot gewicht. Laat men zulk eene bloedver-
17S
IIOENDEHBOEK.
versching na, dan wordt de nakomelingschap van jaar tot jaar zwakker en ontaardt eindelijk geheel.
Toen ik vóór bijna 30 jaren mijne eerste Cochinchinahanen en hennen, die eene kruising waren van Cochinchinahanen en veld hennen, kreeg, kweekte ik er dapper op los! Wat wist ik toen van bloedververschingaf! De dieren werden van jaar tot jaar zwakker, kleiner van stuk, legden minder en kleinere eieren, verloren de mooie, gelepooten geheel, die eerst vleeschkleurig, daarna grijs werden, zelfs de veeren aan de pooten gingen weg ; in één woord, men kon er geen Cochinchina's meer uit kennen. Alleen behielden ze den grooten broedlust, en de jonge haantjes bleven altijd nog zeer lang naakt, bijna onbevederd.
Nog een paar voorbeelden; Bij de Spanjaarden uit zich de teelt onder verwanten daardoor, dat het fraaie, witte gezicht kleiner wordt, meer rood begint te vertoonen en eindelijk al het wit verliest. De groote, rechtopstaande kam van den haan begint spoedig naar ééne zijde over te hellen; de hang-kam der hennen verdwijnt langzamerhand en wordt op het laatst zoo klein als bij gewone veldhoenders. Door voortgezette teelt onder verwanten verliezen de Padua's niet alleen de schoone, regelmatige teekening van iedere veer, maar de groote kuif en de baard worden hoe langer hoe kleiner. Dat de dieren eindelijk ook hunnen fraaien lichaamsvorm verliezen, behoeft nauwelijks gezegd te worden. Bij do kleine Goudlakensche en Zilverlakensche Bantams bestaat de ontaarding door teelt onder verwanten daarin, dat het fraaie zwart op elke veer grijs wordt, de regelmatige teekening hoe langer hoe meer verdwijnt, de staart sikkel veeren krijgt en de rozenkam, na eerst eenen leelijkeu vorm aangenomen te hebben, een enkele wordt. Kortom, wie fijne rasdieren heeft en daarvan de jongen steeds onder elkaar laat paren, behoeft zich niet te verwonderen, als zo eindelijk alle raskenmerken verliezen.
Nu komt het er nog op aan, hoe de haan, dien men tot bloedverversching koopt, er uitziet en waar hij van afstamt. Het moet niet de eerste de beste haan zijn van hetzelfde ras; hij moet zoo mogelijk den ouden haan in schoonheid overtreffen. Verder moet men zijnen stamboom nagaan, zich er van vergewissen, dat hij van edel bloed is, dat de ouders en grootouders echte rasdieren waren; want het is bekend, dat men altijd terugslag krijgt van grootouder op kleinkind. Als men zich maar moeite geven wil, dan is een
179
HORNDKKliOKK.
raszuivere haan, tenminste van de bekende rassen, altijd wei te krijgen, hetzij door ruil of door koop. Bekende kweekers zullen wel steeds zelf voor bloedverversching zorgen en dus ook altijd in den herfst rashanen kunnen missen.
Bij nieuw ingevoerde rassen is het verkrijgen van vreemd bloed zeer moeilijk, ja soms niet mogelijk. Als men dan slechts bij de keuze derteel-dieren zorgvuldig te werk gaat, alleen de fraaiste en krachtigste exemplaren daarvoor gebruikt, dan zal men ook eenige jaren lang eene fraaie nakomelingschap behouden. Maar zoodra het mogelijk is, moet toch voor vreemd bloed gezorgd worden.
ISO
NUTTIGE WENKEN VOOR HOENDERFOKKERS.
1. Voorzorg bij don koop en verkoop van hoenders.
Wie hoenders wil koopen, zij ev op bedacht, dat hij zich niet de eerste de beste dieren in de hand laat stoppen, maar ieder dier onderzoekt, ol' het gezond is en geene gebreken heeft.
Een gezond hoen heeft eenen rooden kam, heldere oogen en is levendig in al zijne bewegingen. Een dier, dat loom is, in elkaar gedoken zit, is niet gezond. Vervolgens moet men het dier opnemen, om te zien, of het goed in zijn vleesch zit; men versta mij wel: het moet niet bepaald vet zijn, maar toch ook niet mager; want zulke dieren lijden dikwijls aan wegkwijning of tering (eene ziekte, waarvan zij niet kunnen genezen) zonder dat men het hun kan aanzien. Dan moet er op gelet worden, of de dieren geen krom borstbeen, krommen rug, scheeven staart, of scheefstaande teenen hebben, en of daaraan de nagels niet ontbreken. De beide helften van den bek moeten op elkander passen; zij mogen niet gekruist zijn. Al kan een dier met eenen gekruisten bek ook goed vreten, zulk een verminkte bek is verre van sierlijk.
De ouderdom van eenen haan blijkt uit de sporen : hoe ouder de haan,
llUENDKRIiUKK.
hoe langer de sporen. Bij oiule hanen staan de schilden aan de pooten iets op, bij jonge dieren liggen ze plat.
Het is raadzaam, in den herfst volwassen kuikens te koopen; men is er dan zeker van, dat men jonge dieren heeft.
Eindelijk moet ik nog den raad geven, geen geld vooruit te zenden, als men van onbekenden koopt, hoewel het dikwijls verlangd wordt. Men moet de dieren eerst zien, voordat men ze betaalt; want er zijn geweten-looze menschen, die goede waar aanbieden en slechte leveren. Opdat de verkooper niet behoeft te vreezen, dat hij geen geld zal ontvangen voor geleverde waar, zoo moet het hem vrijstaan, de dieren per rembours te verzenden. Verkiest de kooper dit niet te doen, dan zou hij, als hij in eene stad woont, waar eene plnimveevereeniging bestaat, het geld bij den voorzitter van zulk eene vereeniging kunnen deponeeren. De voorzitter moet den verkooper dan een bewijs geven, dat dit gebeurd is (ieder zal zich zeker gaarne die geringe moeite willen getroosten); zijn de dieren naar wensch, dan wordt het geld gezonden. Als deze methode overal werd gevolgd, dan kwam ieder tot zijn recht; oneerlijke verkoopers en luie betalers bestouden dan niet meer.
2. Verzending vim hoenders.
De verzending geschiedt het best per spoor. Al zijn de kosten wat grooter dan met andere gelegenheden, de dieren zijn eerder op de plaats hunner bestemming. Dit moet men wel in het oog houden, daar het niet onverschillig is, of de dieren eenen dag langer of korter onderweg zijn.
Gebruikt men een schip als vervoermiddel, dan moet men de dieren zeli aan boord brengen en zich met een der lieden in verbinding stellen; gewoonlijk neemt de scheepskok de zorg er voor op zich, als men hem eene kleine vergoeding geeft en hem er ook eene belooft van dengene, die ze in ontvangst neemt. Dan kan men er zeker van zijn, dat de dieren zorgvuldig verpleegd worden. Ik heb dikwijls dieren langs dien weg van
182
IIOENIIBKBOKK.
overzoesclic vrienden ontvangen, en de dieren werden mij steeda in uitstekenden toestand overhandigd.
Voor de verpakking is eene lichto mand, van teenen gevlochten, zoo-als de figuur hier naast haar vertoont, het doelmatigst. Op den bodem moet men stroo of hooi leggen,
en het is raadzaam, de mand met linnen te voeren, om de dieren voor tocht te vrijwaren; want al staan ze gedurende den overtocht in eenen dichten goederenwagen, zoo kan een kort oponthoud, b.v. bij het overbrengen van den eenen trein naaiden anderen, niet vermeden worden. Dikwijls plaatst men in de manden, waarin hoenders verzonden worden, bakjes met water (dat er op de reis gewoonlijk toch uitstort) en graankorrels of geweekt brood, omdat men gelooft, dat de dieren, één of meer dagen zonder voedsel, veel zouden lijden. Dat is volgens mijne ondervinding eene geheel verkeerde voorstelling. Wanneer men de dieren, die natuurlijk vóór de verpakking flink moeten gevoederd worden, op reis geweekt brood meegeeft, dan wordt dit, als het warm weer is, spoedig zuur, en dan is het eer schadelijk dan nuttig. Voorziet men hun van graankorrels, dan vreten ze uit verveling, omdat ze niets anders te doen hebben, aan één stuk door, en daar ze geen beweging kunnen nemen, ontstaat er dikwijls eene storing in de spijsvertering, die niet zelden ernstige ziekten ten gevolge heeft.
Ik vind het beter, wanneer de reis nl. niet al te lang duurt, de dieren geen voedsel mee te geven; het doet hun volstrekt geen kwaad, als ze één of zelfs meer dagen honger lijden. Men moet niet verzuimen, bij wijze van eene kleine verfrissching, eenige kroppen salade of stronken kool in de mand te leggen. Als men evenwel zeer jonge dieren verzendt, dan is het eene andere zaak; deze kunnen niet zoo lang voedsel ontberen, zonder er
IIOKNDUHHOKK.
onder to lijden. Natuurlijk moet men hun niets anders dan licht te verteren kost meegeven, b.v. wat boekweitegort, met droog, fijngemaakt brood vermengd. Bindt men dan nog eenige kroppen salade in de mand vast, dan heeft men zijnen plicht gedaan; de natte saladebladeren lesschen den dorst, dienen als aangename verfrissching en houden de dieren gezond.
Wil men hoenders naar eene tentoonstelling zenden, dan moet men goed onderzoeken, of ze gezond zijn. Zeer dikwijls komen er dieren aan, waarvan men zeker kan zeggen, dat ze bij de afzending al ziek waren. Er zijn helaas gewetenlooze menschen, die zulke dieren verzenden, zelfs met de vaste overtuiging, dat ze gedurende den tijd van de tentoonstelling zullen blijven leven en verkocht worden. Zulk eene handelwijze is niet genoeg af te keuren; eenige dergelijke gevallen geven dikwijls aanleiding tot het gezegde: âmen moet niets op tentoonstellingen koopen; want de dieren zijn alle ziek.quot;
Hezit men dieren met zuiver witte veeren, en woont men in eene groote stad, dan zullen ze niet langen tijd in het gewaad der onschuld rondwandelen, maar zeer spoedig een grauw vederenkleed dragen, vervaardigd door het roet, dat onophoudelijk uit de schoorsteenen valt. Zulke verkleurde dieren kunnen onmogelijk eene tentoonstelling versieren! Men moet er dan voor zorgen, de dieren hun oorspronkelijk zuiver wit weer te geven, wat men door afsponzen gemakkelijk verkrijgt. Men neemt daartoe eenen borstel en warm zeepsop; omdat het water in het begin vooral zeer vuil wordt, moet men telkens een nieuw sopje nemen. Op die manier kan men de dieren goed schoonmaken, daar de veeren alleen bovenop vuil zijn. In den zomer moet men ze dan onder eene mand in de zon zetten, in den winter bij de warme kachel; want voordat men hun de vrij-heid geeft, moeten de dieren goed opgedroogd zijn, daar men ze anders aan verkoudheid blootstelt.
Het is raadzaam, niet te veel hoenders in ééne mand te pakken; de dieren mogen niet gedrongen zitten. Vervolgens mogen in eeue mand slechts dieren gepakt worden, die elkaar niet vreemd zijn, opdat ze elkaar onderweg niet bijten. Zelfs de heeren hanen mogen in iedere mand slechts door één exemplaar vertegenwoordigd worden: zij takelen elkaar doorgaans geweldig toe.
HOEN IlKKBOEK.
'i. Hot licliniulclcu van nieuw aaiigokoincno hooudors.
Bij hunne aankomst zullen de hoenders gewoonlijk eenigszins onder den invloed van de reis zijn en honger hebben bovendien. Het is dan niet geraden, hun dadelijk graankorrels te geven, daar zij zich licht zouden kunnen overeten; het is daarom beter, hun eerst geweekt brood en groen-voeder voor te zetten. Dan moet men ze niet dadelijk bij de andere hoenders plaatsen, maar wachten, totdat het donker is geworden en hen dan bij de andere voegen. Men mag ze natuurlijk niet in het hok, maar op de zitstokken zetten, zoodat de dieren den nacht niet op den kouden grond doorbrengen, waar bovendien mest ligt. Door deze handelwijze bereikt men het doel, dat de vreemde hoenders door de andere als kameraden behandeld worden, wanneer ze ééneu nacht met elkaar in hetzelfde hok hebben doorgebracht. Brengt men overdag vreemde hoenders bij de andere, dan worden de nieuw aangekomene niet met open armen ontvangen, maar vervolgd en gebeten.
Een vreemde haan mag nooit aan een stel toegevoegd worden, waaronder zich al een haan bevindt. Door afgunst gedreven, zou de oude haan den nieuwen met groote woede aanvallen, en de dieren zouden zoolang vechten, totdat oen van de twee bezwijkt; gewoonlijk eindigt zulk een gevecht met den dood van den zwaksten.
4. Om hoenders van het broeden af te brengen.
Zoo aangenaam als het voor den fokker is, gedurende den legtijd een voldoend aantal broedhennen te bezitten, even onaangenaam is het voor hem, wanneer de hennen na dien tijd steeds willen doorbroeden. Dat verschijnsel komt zeer dikwijls voor bij broedlustige rassen, zooals bij Cochinchina's, Brahmapoetra's, enz. Niet alleen gaan zulke dieren op het nest zitten, dat voor het leggen bestemd is en dat andere hoenders als
185
IIOENDEKUOEK.
dagelijksche legplaiits uitgezocht hebbeu, maar iu dien broedlustigen tijd houden ze ook op met eieren leggen. Om den hoenders nu die âbroed-maniequot; af te leeren, worden verschillende middelen aangewend. Sommigen dompelen zulke hennen eenige keeren per dag in koud water, in de meening, dat ze hun daardoor het broeden afieeren; anderen stoppen dergelijke hennen onder eenen omgekeerden emmer, enz. enz. Al deze middelen helpen niet en gelijken meer of minder op dierenplagerij. Een eenvoudig, doeltreffend middel kan ik aan de hand doen: men moet zulk een dier in eene ruimte opsluiten, waar het wel op en neer kan loopen, maar waar zich geen nest bevindt. Na zulk eene afzondering van acht dagen kan men het gerust weer bij de andere brengen, daar het aan broeden niet meer zal denken. Het is nog beter, om eenen reservehaan met de hen alleen op te sluiten; de lieftalligheid van den haan brengt haar op andere gedachten; reeds na eenige dagen verliest ze den broedlust, en het zal niet lang duren, of de hen begint weer als vanouds eieren te leggen.
5. Het bewaren van eieren.
Eieren, die den geheelen winter door bewaard moeten worden, moet men voor dat doel niet te vroeg verzamelen. De maanden September en October zijn daarvoor het meest geschikt, omdat de temperatuur dan meestal koel is. Vooral op het land bewaart men ze dikwijls in kalkwater, waarin ze langen tijd versch blijven, als men er slechts voor zorgt, dat ze in eene kamer bewaard worden, waar de temperatuur niet onder nul daalt. Als het kalkwater bevriest, dan bevriezen ook de eieren; de schaal barst, het kalkwater dringt in de eieren en maakt ze onsmakelijk. Er zijn nog verscheidene andere middelen, om eieren te bewaren. Sommigen bestrijken ze met gom, met eiwit, met lijnolie, enz.; de poriën worden daardoor verstopt, bet binnendringen van lucht verhinderd. Zijn evenwel zulke voorzorgsmaatregelen noodig, om eieren maanden lang versch te houden1? Ik beantwoord die vraag ontkennend. Ik heb eieren van Augustus, September en October in gevlochten manden gelegd en ze
IIOENDEUfïOEK.
187
op eene koude, maar vorstvrije plaats ^ezet. De eieren waren in Februari nog volmaakt versch, niet één enkel was er onder, dat een begin van bederf vertoonde. Het is misschien nog beter, de eieren in een zoogenaamd eierenrek te bewaren, omdat dan ieder ei afzonderlijk ligt, of liever rechtop staat.
Er bestaat eene nieuwe methode, om de eieren in een net te leggen, dit met eieren gevulde net op te hangen, liefst op eene plaats, waar het tocht. Eens in de week moet het net gekeerd worden, zoodat het onderste deel boven komt. Deze eenvoudige behandeling houdt de eieren, zooals men weet, langen tijd versch.
(5. Hei verzüiidon van eieren.
Ieder, die eieren, vooral broedeieren verzendt, moet dat met de noo-dige voorzorgen doen. Broedeieren mogen niet meer dan acht dagen oud zijn; hoe verscher, hoe beter. Bij oudere eieren is de dooier losser; daalde eieren onderweg toch min of meer geschud worden, zal de dooier steeds vloeibaarder worden, zich eindelijk met het eiwit vermengen, en het ei is bedorven. Verzendt men de eieren in eene kist, dan mag deze niet te klein zijn. Ik heb herhaalde malen broedeieren ontvangen, een heel dozijn in een gewoon sigarenkistje gepakt; natuurlijk was de geheele inhoud tot moes geworden, niet één ei heel gebleven. Men moet in een voldoend groote kist of mand onder op den bodem hooi of stroo leggen en daarop de eieren, die men eerst in papier, daarna in hooi stevig gewikkeld heeft; de overgeblevene ruimte moet men met hooi of baksel aanvullen, totdat het deksel er nog goed op past. Bij zulk eene verpakking liggen de eieren onbewegelijk, en wanneer men ze dan na de ontvangst nog eenen dag laat liggen, voordat men ze onder de broedhen legt, om de dooier tot rust te laten komen, kan men met zekerheid van zulke ingepakte eieren, als ze natuurlijk bevrucht zijn, kuikentjes verwachten.
HOENDEHBOEK.
7. Hol Yoimostvii.
Er ziju verscheidene nianieven om hoenders vet, voor de tafel smakelijker te maken. Eenige rassen, zooals Cochiuchina's, Brahmapoetra's, enz. worden vanzelf vet, zoodra zij in den herfst met eieren loggen ophouden.
Andere moeten vetgemest worden. Men kan dat gedaan krijgen, als men de dieren in eene kleine ruimte opsluit, zoodat zij zich niet vrij kunnen bewegen ; maar het is nog beter, als men ieder dier in een afzonderlijk hok stopt, en hun als
voedsel alleen aardappelen, geweekt brood en maïs, liefst gekookt, voorzet.
Om het spoedig vet worden te bevorderen, stopt men de dieren, waarvoor men ook gekookte maïs zeer goed kan gebruiken. Nog beter zijn balletjes, van haver-of boekweitemeel bereid. Men kneedt het meel met melk tot een dik deeg en rolt daaruit de balletjes, die niet te lang en niet te dik mogen zijn. Opdat y.e beter zullen glijden, doopt men de balletjes in melk en schuift ze in de keel van het dier, terwijl men met den vinger wat meehelpt. Het stoppen gebeurt driemaal per dag, 's morgens, 's middags en 's avonds. In het begin geeft men iederen keer twee balletjes na eenige dagen vergroot men de portie, zoodat eindelijk de maaltijd van ieder hoen uit acht tot tien balletjes bestaat. Voordat men de dieren nieuw voedsel toedient, moet men aan den krop voelen, of het vorige voedsel verteerd is. Als dat niet zoo is, stopt men het dier dien keer niet en slaat dus eenen maaltijd over. Na ongeveer 16 dagen zal het dier vetgemest zijn, als het tenminste niet al te mager was, voordat het stoppen begon. Om het vetmesten te bespoedigen, moet men de hoenders in het donker zetten, en hun melk in plaats van water te drinken geven.
De jonge dieren, die men vetmest, moeten volwassen zijn. Bizonder goed voor het mesten geschikt zijn de frausche rassen : La Fleche's, Grève-
188
HOKNDEKBOEK.
cn'urs en Houdans. Zulke diereu levereu eeuen uitgezochten schotel, zoolang zij tenminste jong zijn. Het is vergeofsche moeite, oude hanen en hennen te braden; ze blijven altijd hard en taai, voor soep of' IVicassée zou men ze kunnen gebruiken.
8. Hel slacliten van hoenders.
Er zijn verscheidene middelen, om hoenders te dooden. Sommigen draaien den dieren den nek om, anderen snijden hun zelfs den kop af. De eenvoudigste en snelste behandeling is de volgende. Men maakt eene lus van touw. haalt de pooten van de kip, die geslacht moot worden, erdoor heen en hangt die met het dier op. Dan neemt men den kop van het dier zóó in de hand, dat de schedel in de palm van de hand komt te liggen, opent met duim en wijsvinger den bek, steekt een dun, scherp mesje in de keel en maakt daarin eene snede van ouderen naar den kop toe. Men treft daardoor eene hoofdader, waaruit hot bloed weldra met veel kracht stroomen zal, en binnen weinige oogenblikken is het dier doodgebloed. Het geslachte dier moet dadelijk geplukt worden; als het nog warm is, kan men de veeren gemakkelijk verwijderen. Om te voorkomen, dat de teere huid inscheurt, houdt men onder het uitplukken der veeren de huid met de linkerhand tegen. Kan het dier door de eene of andere omstan-digheid niet dadelijk na het slachten geplukt worden, dan legt men het even in kokend water; de veeren laten dan nog gemakkelijker los.
ISO
BE WIUTEEKUrKEBFOKKERLT.
In de omstreken van Hamburg, de Vierlanden genoemd, l)loeit sedert overoude tijden een tak van bestaan, die menigeen veel voordeel bezorgd heeft. Ik bedoel de winterknikeufokkerij. Ik geloof mij niet te vergissen, wanneer ik meedeel, dat dat middel van bestaan in âde Vierlandenquot; ontstond. Ik ken aldaar oude menschen, wier groot- en overgrootvaders zich reeds met de winterkuikenfokkerij bezighielden. Later verbreidde zich deze nijverheid over de Elbe naar Hannover, waar zij thans zeer bloeit. In de dorpen Ramelsloh, Maschen, Fletstedt, Helmstorf, Harmsdorf, enz. worden gedurende den winter minstens een half millioen kuikens gefokt. Ik ontving dit bericht van eenen kuikenboer (zoo worden de opzichters van de winter- of kamerkuikens genoemd).
De broedhennen, die de kuikens uitbroeden, zijn gewoonlijk Ramels-lohers, ook wel Brahmapoetra's of kalkoensche hennen. De eieren, die uitgebroed worden, leveren de Ramelslohers, welke zeer fijn, zacht vleesch hebben. Als de kuikens uit het ei gekropen zijn, legt men dadelijk weer andere eieren onder de broedhennen. Ze broeden vier tot zes keer achter elkaar, ja, ik kocht eens van eenen kuikenboer eene kalkoensche hen, die den geheelen winter door gebroed had. Het dier was van het langdurige
HOENDERBOEK.
zitten letterlijk veriarad eu moest in het begin weer leeren loopen. Zoodra de kuikens uitgekomen zijn, worden ze 24: uur in een vat, of ook wel in eene zeef boven op de kachel gezet eu met eene wollen deken toegedekt. Rondom die kachel staan kooien, waarin de kuikentjes grootgebracht worden. De kooien zijn van hout en ijzerdraad gemaakt; onderin bevindt zich eene lade, die dik met zand bestrooid is en die men er kan uittrekken. Tweemaal per dag moet het zand vernieuwd worden; want uiterst groote zindelijkheid is eene van de voorwaarden bij het fokken van kuikentjes. Aan de buitenzijde is een trog aangebracht, even lang als de kooi zelf, waaruit de dieren het voeder pikken; daarom moeten de tralies van de kooi zóó ver uit elkaar staan, dat de diertjes er gemakkelijk den kop kunnen doorsteken. Het voeder, dat driemaal per dag gegeven wordt, bestaat uit een papje van boekweitegrutten en melk. Door die brij mengt men kleine stukjes visch, die met graat en al gekookt en fijn gehakt worden. Het is bekend, dat visch zeer voedzame kost is; als door harde vorst b. v. geen visch te verkrijgen is, dan geeft men daarvoor in de plaats vleesch of een hard gekookt ei; beide zijn evenwel duurder en niet zoo goed als visch.
Den tweeden dag, nadat de kuikentjes uit het ei gekropen zijn, worden zij in de boven beschreven kooi gebracht. Er wordt natuurlijk dag en nacht gestookt; toch is het niet ondragelijk warm in de broodkamer ; er heerscht eene aangename kamerwarmte. Al zijn er nu en dan in zulk eene kamer ook 200 kuikens bijeen, de lucht is er niet onaangenaam of bedorven; daarvan is de groote zindelijkheid oorzaak.
Als de diertjes 5 of 6 weken oud zijn, worden ze geslacht, geplukt, in manden gepakt en naar de poeliers of handelaren in wild gezonden. Onder den naam van Hamburger hoentjes komen ze dan in den handel; ik ken poeliers, die ze niet alleen naar Oostenrijk en Italië, maar ook naar Zweden en Rusland verzenden.
De prijs, dien de fokkers bedingen, verschilt van zeventig penningen tot een mark. De winterkuikenfokkerij kan met recht een winstgevende nijverheidstak genoemd worden, en de klein gehuisde man kan zich daarmee in water- of vischrijke streken eene aardige extra-winst verzekeren, daar ook de vrouw, zooals het ook dikwijls geschiedt, behalve hare huiselijke plichten, mee kan doen aan het grootbrengen der kuikens.
101
HET KUNSTMATIGE UITBROEDEN.
Het zal den meesten hoenderliefhebbers bekend zijn, dat de Egyptena-ren zich reeds in de grijze oudheid met het kunstmatige uitbroeden van hoenders bezighielden, evenals de Chineezen met het kunstmatig uitbroeden van eenden. Het werd Europeanen zelden toegestaan, zulke Egyptische broedovens te bezichtigen, omdat de Egyptenaren het kunstmatige uitbroeden als hun geheim beschouwden. Daarom zullen menigen lezer onderstaande beschrijving en daarbijgevoegde teekening zeker niet onwelkom zijn, zooals die voorkomen in het werk van professor Joiian Samuel Halle over de hoenderteelt, in 1783 te Berlijn uitgegeven.
T)e Egyptische manier om lioendereieren uit te broeden.
In Egypte, de bakermat van vele kunsten, gold het als regel, dat iedere kunst in één en hetzelfde geslacht beoefend werd, om haar tot eenen toestand van volmaaktheid op te voeren. Vandaar dat de kunst om hoender-
iioendekboek.
eieren uit te broeden zelfs in Egypte verloren is gegaan en in het dorpje Her me als een geheim bewaard wordt.
Van de nieuwere schrijvers geveu Monconys, Thevenot, Vessing, Siccakh, (riunoeii en Paul Luccas van deze wijze van uitbroeden dezelfde beschrijving.
13 e r m e ligt '20 mijlen van C a ï r o in het N ijl delta en bewaart dit geheim voor vrienden en naburen. In het begin van den herfst neemt het broeden eenen aanvang, en eenigen tijd van te voren verzamelen de inwoners zooveel eieren, als zij maar krijgen kunnen; men mag hunne broedovens vrij bezoeken; maar in hun eigen belang blijft het uitbroeden hun heiligdom. Het komt voor, dat zij 30,000 en meer eieren te gelijk uitbroeden. Daardoor wordt de eierenhandel in Egypte zóózeer begunstigd, dat 1000 eieren soms (â énen thaler kosten. Hoe komt het nu, dat men zich in Europa met de zaak nog niet goed vertrouwd heeft gemaakt, terwijl men den bouw van de egyptische broedovens, zoowel in- als uitwendig kent, de goede thermometer-warmte van 32quot; R. weet, en verder alle voorwaarden voor de hoendervermeerderiug ?
Wanneer men onder eene hen eenden- of kalkoeneneieren en omgekeerd onder kalkoenen hoender- of eendeneieren legt, dan komen de jongen niet vroeger of later uit, dan onder hunne eigene broedmoeder het geval zou zijn; de reden hiervan is, dat de broedwarmte van alle vogels dezelfde is. Hoeveel tamme hoenders worden niet jaarlijks in groote steden en op het land, en hoeveel eieren of nog niet volwassen hoenders worden et-niet, vooral in katholieke landen, gebruikt! Door die kunst zouden meer hoenders uitgebroed en dientengevolge ook meer eieren gelegd worden. Op de 50 hennen komen jaarlijks nauwelijks 4 broedhennen voor. Eene broedhen brengt ongeveer drie maanden met broeden enz. door; in dien tijd zou ze 90 eieren hebben kunnen leggen, die wij nu verliezen. Om dus 15 eieren te gelijk te laten uitbroeden, verliezen wij 90 eieren. En dientengevolge kost een broedei zesmaal zooveel als een gewoon ei; welk een nadeel dus in het groot!
De ovens van het Nijldelta zijn 11,5 voet hoog en staan voor het grootste gedeelte in den grond; zij zijn lang en breed en van steenen opgebouwd. Door het midden loopt een nauwe, overdekte gang, die 9,5 voet hoog en 3 voet breed is. Die gang geleidt naar het binnenste van den oven; aan weerszijden zijn 2 rijen kamers boven elkaar, de onderste
194
HOENDEIiliOEK. 195
zijn 3 voet hoog, 4 voet breed en 12 voet lang, de bovenste 4 voet boog, 4 voet breed en 12 voet lang. Ieder van die kamers heeft een rond gat, waardoor men kruipen moet, om er in te komen, en kan ongeveer 400(1 eieren te gelijk bergen. In de onderste kamers liggen de eieren op vlokken werk of watten. Iedere bovenkamer heeft eene afzonderlijke stookplaats; van daar deelt de warmte zich door een gat in den vloer aan do beneden-broedkamers mee, nadat men het vuur in de twee gleuven van den vloer der bovenste kamer heeft aangemaakt. In die gleuven brandt men droge kameel-, koe- of andere mest met stroo vermengd; onze run zou even goed voldoen. Iedere bovenkamer heeft dus een groot gat in den vlooi', waardoor de warmte naar beneden stroomt, en nog een klein gat in de zol-deiing, dat men dicht maakt, zoolang het vuur aan is, terwijl do rook door een gat in den gangmuur in den gang komt en door den schoorsteen verdwijnt. Al deze gaten maken zij met vlokken werk dicht. In die gleuven stookt men een uur 's morgens en een uur 's avonds. Monconv.s meent, dat men in de koude maanden meermalen stookt, omdat men in Egypte verscheidene maanden achtereen met broeden voortgaat. In tie egyptische broedovens komen de kuikentjes evenals onder broedhennen na 21 dagen uit; alleen de acht eerste dagen wordt er gestookt; na den achtsten dag brengt men de op elkander liggende eieren van de benoden-kamers naar de bovenkamers, terwijl men de gaten dadelijk met werk dicht maakt. De bewoners van het dorp Berme kruipen dagelijks door het gat in den vloer naar beneden, om do eieren te keeron. In Egypte zijn :)S(5 dergelijke broedovens, die Mamels genoemd worden, welke men van den A g a van berme pachten moet; gedurende (gt; maanden leveren zij S broedsels. Een pachter moet 2/3 van het aantal eieren aan levende hoenders uitbetalen; gedurende zes maanden ontvangt hij 30 thalor en vrije kost. In het geheel worden er in Egypte jaarlijks 92 millioen 040 duizend hoenders uitgebroed. Door de broedhennen wordt naar berekening slechts % of 7« van de ondergelegde eieren uitgebroed; daarom hebben do eigenaars van de broedovens recht, slechts voor % van het broed in te staan, hoewel de kippen er meer stuk zitten, of ze zelfs opeten; ook zijn er moeders, die uit gemakzucht wegloopen, en weer andere, die met den bek de eieren openrijten.
ITOENDEliROEK'.
Do Chineesche inanior 0111 eenden- en hoomlereieren uit te broeden.
De Chiueezen slaan iu ceueu tochtvrijen hoek van het huis /4 el lange paaltjes in eenen kring van 1 el doorsnede in den grond, zoó dicht bij elkander, dat zij met stroo of bamboesbladereu doorvlochten kunnen worden. Dat vlechtwerk bedekken ze van binnen en van buiten met eene laag natte klei van 2 duim dikte; dien kleiwand verwarmen ze door kolen. Vier stevige planken, OV4 el lang en 1 el breed, omgeven den oven als een vierkant. In iederen hoek graaft men XU el van den oven af in den grond eenen kleinen ronden haard, 10 centimeter diep en 1/l4 el in doorsnede. Twee henuepmanden met eenen rand, die '/4 el hoog is, en die zelf /4 el hoog en even zoo breed zijn en handvatsels hebben, passen als zeven in den gevlochten kleioven; alles wordt met een stuk vilt bedekt, dou bodem van den oven rust eene 5 centimeter dikke laag tarwezemelen cn hierop staat eene mand met 5 centimeter kat en eenen doek. De hennep-mand dient als deksel. Iedere stookplaats voorziet men van een handvol kaf en licht ontvlambare stoffen. Het geheele vierkant is met vilt bedekt, en men houdt het vuur steeds op dezelfde hoogte. Dm de ü uren worden twee handen vol gloeiende kolen bijgegooid. De manden zijn met verscho eendeneieren gevuld, en men opent om de G uur het vierkant van den oven om de diepe manden met eieren te onderzoeken. Deze broedovens broeden zelfs in December cn Januari eendeneieren uit, en in China is het dan even koud als bij ons. Telkens als men de eieren keert, verwarmt men zich vooraf de handen.
Europeesclie manieren om eieren uit te broeden.
Tiii.im heeft, volgens de Berliner Ileal Zeitung van 1753, bij eene gewone kachel, waar om heen, op 4 voet afstand, een scherm stond, eieren, die in schuifladen boven elkander lagen, uitgebroed; door de deur van het papieren scherm las hij do graden af van eene flesch met boter en talk (tegenwoordig gebruiken wij thermometers), en door diezelfde deui ging hij
190
HORNIlKKBOEK.
om de eioi'eii te keei'en. Ju do kachel onderhield tneu dag en nacht een zacht vuur.
De hoer Sulzek maakte zich de dampen van kokend water ten nutto om te broeden. Hij gebruikte oene blikken bus van lü centimeter breedte eu hoogte, die hij op oenen aarden oven met gloeiende kolen zette, in deze bus kookte het water. De stoom ging door een 2 72 centimeter breede buis, die tweemaal rechthoekig omgebogen was en uitkwam iu de blikken broedmachine. Deze was 2 voet lang, 13 centimeter hoog en P/a voet breed. Vijf centimeter boven den bodem was horizontaal een overal aau de wanden vastgesoldeerd, blikken schot aangebracht: een tweede bodem. In de holte tusschen deze twee bodems kwam de bovenvermelde stoompijp uit. Aan de andere zijde van die holte of kamer was een gat aangebracht, waardoor de stoom weer ontsnappen kon, en in den ondersten bodem was een gaatje, om het aangeslagen water weg te laten loopeu. Boven was de broedmachine open, en op de cS centimeter hooge randen was een doek stijf gespannen. Hierop lagen do eieren, die met eenen anderen doek en met werk bedekt werden. Zoo zweefden dus de eieren boven eene verwarmde kamer.
Beuuun gebruikte eene olielamp bij het uitbroeden van eieren. Hij had oon houten kastje; bovenin bevond zich in het midden een rond gat, ongeveer 8 centimeter groot. Om hot gat waren 8 houten blokjes aangebracht van '6 centimeter hoogte. Onder in het kastje was eene lade van KJ centimeter hoogte, waarin vlak onder hot gat eene 5 centimeter hooge lamp stond met oude, goede raapolie en eene pit van 2 wollen draden. Vlak boven de lamp sloeg de vlam tegen een 5 centimeter hoog, gebogen stuk blik. Op de 3 blokjes stond een aarden pot, waarin 5 centimeter hoog, fijn gewasschen en gedroogd zand gestrooid werd; een doek lag op liet zand en daarover 10â12 centimeter hoog, fijn mos. Men stak de lamp aan, waardoor de pot met den geheelon inhoud warm word. Eerst dan legde men de eieren, die hoogstens 3 dagen oud moesten zijn, onder het mos. In de lade hield men de lamp 21 dagen lang dag en nacht aan het branden. Na eene week werden do helder geblevene eieren verwijderd. De uitgekropen kuikentjes werden in oene lade met vilt gelegd, die boven op den pot kwam te staan, om ze te verwarmen.
Zonder twijfel heeft het koude klimaat de Duitschors der vorige eeuw
llt;)7
hoenderboek.
ai'geschrikt, eveiiiils do Egypteuami kunstmatig te broeden, of ze geraakten in verlegenheid bij de vraag, wat men beginnen moest met de iftgekomene kuikentjes, om ze zonder vuur groot te brengen. Do Heer de Re au.m uk. in Frankrijk beeft deze vraag door zijne proeven opgelost. Het is zeker waar, dat de nachtkoude en do regens voor de kuikens dood el ijk zijn, vooral in den zomer, waarin ze het best groeien. Daarom hield bij ze de eerste 1 weken in den broedoven en liet ze er 5 of G keer per dag nit-komeu, om ze in eene kist zonder deksel te voederen. De eerste 24: uren na bet uitkruipen eten ze niets; want hun navel heeft nog gouoeg dooier bij zich. Voor het verder opkweeken maakte de Reaumur eeno zoogenaamde kunstmatige moeder van eene lange, platte kist, die hij in mest ingroef, en aan wier eeno zijde een schuinstaand afdak werd bevestigd, op pootjes. De hooge pootjes waren ] 2 72, de lage 5 centimeter hoog. De kist was van binnen met langharige lamsvelletjes bekleed, waartegen de diertjes hunnen rug verwarmden. Ook hier diende de flesch met boter en talk tot thermometer, en do kuikens begaven zich, als de mestte warm was, onder het pelsdak. Do kist had een gevlochten deksel, waardoor genoeg licht en lucht doorviel, maar die de kuikens tegen katten en grootere hoenders beveiligde. Oudere kuikens moesten eene hoogere kist of afdak hebben. Weder na eene maand zette hij ze onder groote manden, die op most stonden, eu gaf hun ook een afdak, om ze voor koude of vocht te hoeden, en bij goed weder gaf hij hun de vrijheid. De kisten hadden alle deksels van wasdoek of taf tegen den regen. Alle afdakjes hadden aan den ingang een afhangend nachtscherm, dat door de kuikens werd opgetild.
Ecue broedhen zit, zooals men weet, stil, maar moet de vleugels uitgespreid houden, en dikwijls doetze de teere, uitgekropen kuikentjes stikken ; dit komt vooral bij kalkoenen voor. Men is dus al zeer gelukkig, als van een broed van 15 eieren 12 uitkomen; want dikwijls gebeurt het, dat er maar 1 of 2, en eene huisvrouw is al zeer tevreden, als er 8 of 9 van uitkomen. En dan worden er nog bijna altijd van die uitgekomene doodgedrukt of verstikt. Dit kan natuurlijk niet plaats hebben bij eene kunstmatige moeder.
Bevruchte eieren worden niet zoo gauw vuil als onbevruchte; de onbevruchte kiem is dus meestal de schuld van het vuilworden. De verdamping heeft over de geheele oppervlakte van het ei plaats. Aan het stompe einde zit
19S
iioenuerhoek. 10;)
tusscheu de huid, die sum de schaal kleeft, en de huid, die den oiïnhoud omgeeft, eene leege ruimte, die bij de verdamping van het ei grooter wordt door het binnendringen van lucht. Een vuil, stinkend ei verdampt ook en kan een geheel broed aansteken, zoowel onder eene kloek als in den broedoven. Men moet dus de eieren om de 2 of 3 dagen nazien en een mogelijk vuil geworden ei verwijderen.
Hermann Baümeijer, apotheker te Dresden, was de eerste, die in Duitsch-land de kunstmatige broeierij beproefde. FTij vond eene broedmachine uit, die wij hierbij afbeelden en beschrijven, en verkreeg daarmede de schitterendste resultaten. De ondervinding, die Baumeuek op het gebied van viinstmatig broeden en kunstmatig opkweeken der kuikens opgedaan heeft, eeft hij in een werkje bekend gemaakt, dat algemeen de aandacht trok. Baümeijer komt de verdienste toe, dat het kunstmatige broeden algemeen ingang gemaakt heeft.
De broedmachine van Baumeuek bestaat u i t eene houten kast A, waarin zich eene blikken kast bevindt voor water ; hiermede zijn (gt; caoutchoucbui-zen h h waterdicht verbonden, waardoor het warme water circuleert, dat in de blikken kast door de lamp D op 41quot; C gehouden wordt. In de blikken kast bevindt
zich op den bodem de verwarmingsbuis met haren schoorsteen C. De lucht in die verwarmingsbuis wordt door de vlam der petroleumlamp ]) verwarmd.
De thermometer lt;j dient om de warmte af te lezen, die de eieren
hoenderboek.
ai'geschrikt, eveiiiils do Egypteuami kunstmatig te broeden, of ze geraakten in verlegenheid bij de vraag, wat men beginnen moest met de iftgekomene kuikentjes, om ze zonder vuur groot te brengen. Do Heer de Re au.m uk. in Frankrijk beeft deze vraag door zijne proeven opgelost. Het is zeker waar, dat de nachtkoude en do regens voor de kuikens dood el ijk zijn, vooral in den zomer, waarin ze het best groeien. Daarom hield bij ze de eerste 1 weken in den broedoven en liet ze er 5 of G keer per dag nit-komeu, om ze in eene kist zonder deksel te voederen. De eerste 24: uren na bet uitkruipen eten ze niets; want hun navel heeft nog gouoeg dooier bij zich. Voor het verder opkweeken maakte de Reaumur eeno zoogenaamde kunstmatige moeder van eene lange, platte kist, die hij in mest ingroef, en aan wier eeno zijde een schuinstaand afdak werd bevestigd, op pootjes. De hooge pootjes waren ] 2 72, de lage 5 centimeter hoog. De kist was van binnen met langharige lamsvelletjes bekleed, waartegen de diertjes hunnen rug verwarmden. Ook hier diende de flesch met boter en talk tot thermometer, en do kuikens begaven zich, als de mestte warm was, onder het pelsdak. Do kist had een gevlochten deksel, waardoor genoeg licht en lucht doorviel, maar die de kuikens tegen katten en grootere hoenders beveiligde. Oudere kuikens moesten eene hoogere kist of afdak hebben. Weder na eene maand zette hij ze onder groote manden, die op most stonden, eu gaf hun ook een afdak, om ze voor koude of vocht te hoeden, en bij goed weder gaf hij hun de vrijheid. De kisten hadden alle deksels van wasdoek of taf tegen den regen. Alle afdakjes hadden aan den ingang een afhangend nachtscherm, dat door de kuikens werd opgetild.
Ecue broedhen zit, zooals men weet, stil, maar moet de vleugels uitgespreid houden, en dikwijls doetze de teere, uitgekropen kuikentjes stikken ; dit komt vooral bij kalkoenen voor. Men is dus al zeer gelukkig, als van een broed van 15 eieren 12 uitkomen; want dikwijls gebeurt het, dat er maar 1 of 2, en eene huisvrouw is al zeer tevreden, als er 8 of 9 van uitkomen. En dan worden er nog bijna altijd van die uitgekomene doodgedrukt of verstikt. Dit kan natuurlijk niet plaats hebben bij eene kunstmatige moeder.
Bevruchte eieren worden niet zoo gauw vuil als onbevruchte; de onbevruchte kiem is dus meestal de schuld van het vuilworden. De verdamping heeft over de geheele oppervlakte van het ei plaats. Aan het stompe einde zit
19S
iioenuerhoek. 10;)
tusscheu de huid, die sum de schaal kleeft, en de huid, die den oiïnhoud omgeeft, eene leege ruimte, die bij de verdamping van het ei grooter wordt door het binnendringen van lucht. Een vuil, stinkend ei verdampt ook en kan een geheel broed aansteken, zoowel onder eene kloek als in den broedoven. Men moet dus de eieren om de 2 of 3 dagen nazien en een mogelijk vuil geworden ei verwijderen.
Hermann Baümeijer, apotheker te Dresden, was de eerste, die in Duitsch-land de kunstmatige broeierij beproefde. FTij vond eene broedmachine uit, die wij hierbij afbeelden en beschrijven, en verkreeg daarmede de schitterendste resultaten. De ondervinding, die Baumeuek op het gebied van viinstmatig broeden en kunstmatig opkweeken der kuikens opgedaan heeft, eeft hij in een werkje bekend gemaakt, dat algemeen de aandacht trok. Baümeijer komt de verdienste toe, dat het kunstmatige broeden algemeen ingang gemaakt heeft.
De broedmachine van Baumeuek bestaat u i t eene houten kast A, waarin zich eene blikken kast bevindt voor water ; hiermede zijn (gt; caoutchoucbui-zen h h waterdicht verbonden, waardoor het warme water circuleert, dat in de blikken kast door de lamp D op 41quot; C gehouden wordt. In de blikken kast bevindt
zich op den bodem de verwarmingsbuis met haren schoorsteen C. De lucht in die verwarmingsbuis wordt door de vlam der petroleumlamp ]) verwarmd.
De thermometer lt;j dient om de warmte af te lezen, die de eieren
HOENDERBOEK.
201
uitvinding van dien heer: âeene zeKVegaleerende hroedniachino met chemische verwarmingquot; veel opzien, zijne nieuwste uitvinding: âzelfregulee-rende, electrische broedmachinequot; moet zeker als eene der belangrijkste uitvindingen van den nieuweren tijd genoemd worden.
Aannemende, dat ieder pluimveefokker met deze uitvindingen zijn voordeel kan doen, laat ik hier beschrijvingen en afbeeldingen volgen.
In eenen metalen standaard hangt een, zeker wel een ieder bekend, hoendernest, uit duurzaam mandewerk gevlochten, met HJn stroo of hooi gevuld, om de broedeieren te bevatten; in dit natuurlijke nest kan do buitenlucht vau alle kanten binnendringen; verder wordt door de kleine buis r, die met frisch water gevuld is, dat door de bloedwarmte verdampt, de noodige vochtigheid aan de eieren medegedeeld. Het ronde, houten deksel bevat een metalen toestel, dat met een handvatsel daarin wordt
IIOKN DKKBOEK.
bevestigd, met een dicinisc-hc wannto uitstralend middel gevuld en luchtdicht gesloten is. Dit toestel vervangt de broedhen ; zijn inhoud geelt de eieren, die er onder liggen, de uoodige warmte.
Nu worden 25 tot 80 eieren in het nest gelegd, het metalen toestel, dat gesloten blijft, wordt uit het houten deksel gehaald, ongeveer 15 mimi-ten lang in kokend water gelegd, de temperatuur wordt afgelezen van eenen zich aan het toestel bevindenden thermometer, het toestel wordt weder in het houten deksel bevestigd, de kleine buis r wordt met frisch water gevuld en het deksel op het nest gezet.
Na verloop van 18 tot 24: uur legt men ecu tweede reservetoestel ongeveer 15 minuten lang in kokend water, haalt het eerste uit het deksel, vult de buis met frisch water bij, keert alle eieren en zet het reservetoestel in het deksel vast.
Zijn de kuikens uitgekomen, dan worden ze in de kunstmatige moeder gezet (in de figuur links van het nest geteekend), die van hout gemaakt, niet flanel gevoerd is en op dezelfde wijze verwarmd wordt als het nest. De wisseling van warmtetoestel heeft hier om de 30 uren plaats.
Stohbeck's zelfreguleerende. electrische broedmachine bestaat uit een zoogenaamd nest (fig. 1), dat met hooi of fijn stroo gevuld is en waarin de eieren worden gelegd, en dat dus het natuurlijke nest van eeue broedhen nabootst. Het eigenlijke broedtoestel (fig. 11) is het deksel van het ne«t; het is aan do onderzijde dik met kippedons bezet. Dit toestel wordt nu door twee metaaldraden, die met de batterij (lig. IV) in verbinding staan, electrisch verwarmd. Het gewicht van het deksel is 1â2 kilogram, dus als dat van eeue broedhen. Evenals deze, zit ook het deksel met de verwarmde veereu op de eieren; daarbij zorgt het deksel, door eene bizon-dero inrichting, tevens voor de noodige vochtigheid. Van groot gewicht is echter de aan het toestel verbondene, zelfwerkende, electrische warmtero-gulator. Op het deksel ligt namelijk een thermometer, waarvan de bol onzichtbaar is; want die bevindt zich midden in het dons aan de onderzijde van hot deksel. Men kan dus op het deksel aflezen, hoe warm het daaronder is! In de glazen thermometerbuis zijn op de hoogte van 10quot;en 82° Reaumur platinadraden ingesmolten, die met eenen electromagneet in verbinding staan. Zoodra de warmte in het nest 82° Ueaumur is geworden, en de kwikzuil de platinadraad bij het streepje van 82° aanraakt, ontstaat
202
HOENDERBOEK.
ei eeu electrische stroom tusschen den therinomefcer ea den elecfci'oraag-neet, en de hoofdstroom tusschen de batterij en het deksel wordt afgebroken. Daardoor
208
vermindert de warmte in het deksel; maar zoodra die minder dan 32quot; 11. wordt, en de kwikzuil den platina-draad niet moer aanraakt, herstelt zich de stroom tusschen de batterij en het deksel, en dit wordt weer warmer. 1 l ier-nit blijkt, hoe eenvoudig, maar tevens hoe volkomen vertrouwbaar het toestel werkt. Alleen moet men om tie 12 uur, bij voorbeeld eiken morgen en avond, eeneu knop aan de batterij eenen halven slati omdraaien om de stroomen te verwisselen, dagelijks de eieren keeren, en om de twee dagen, volgens voorschrift wat frisch water in het nest gieten. Pig. Ill is de kunstma-
HOBNUEKBOEK.
204
tigo moeder, die op dezelfde wijze als heb nest verwarmd wordt. J)e veeren aan do onderzijde zijn langer dan die van het nest, zoodat de kuikentjes evenals bij cene kloek er onder kunnen kruipen; door eene inrichting kunnen die veeren bij het groeien der kuikens hooger gehangen worden.
Voor pluimveefokkers, die over kracht van water beschikken kunnen, is het van belang te weten, dat eene electrische broedmachine met eene diuamomachine verbonden, dus de grootste kunstmatige broederij op wetenschappelijke leest geschoeid, gemakkelijk in te richten is.
Hot ii i t li u in e ii.
De hen is zeer in haren schik, als zij het jong in de schaal hoort piepen en laat daarom niemand aan do eieren raken; ze maakt de eieren met den bek niet open, maar keert ze er mee om en werpt dan de leege schaal uit het nest. Het kuikentje ligt als een balletje in het ei, de hals omgebogen tot aan het midden van den buik, de bek rust onder den rechtervleugel, evenals bij slapende vogels het geval is; de pooten liggen onder den buik; de teenen raken den kop bijna aan, en het kuikentje ligt opgesloten in een dik vlies. Wanneer het uit het ei wil kruipen, geeft hot met den bek eenige tikjes tegen de eierschaal. Gewoonlijk springt de schaal het eerst in het midden, iets dichter bij het stompe einde; bij de barst springen eenige stukjes eischaal af; maar het vlies, dat meegeeft, blijft nog in zijn geheel; intusschen draait het kuiken steeds in éénerichting langzaam rond, terwijl het de pooten tegen de schaal aandrukt. Sommige werken er zich in twee of drie uur uit, gewoonlijk duurt het evenwel eeneu halven dag. Gedurende de eerste 24 uur hebben de kuikentjes nog eene zekere hoeveelheid dooier bij zich; die het niet hebben, blijven zwak. Eindelijk doet het zich uitzettende lichaam het gewelf barsten; het kuikentje rekt de pooten en den hals uit, kan in de eerste uren den kop nog niet rechtop houden en leert op zijne pooten staan. Als het kuikentje in het ei door de rest van het eiwit aan de schaal blijft kleven, kan het
I10ENDEKH0EK.
zich niet in het ei omdraaien en sterft. Ziet men, dat dit na 5 uur nog gebeurt, hoewel de schaal gebarsten en het vlies verbroken is, dan moet men met eenen sleutel de schaal zachtjes verder open kloppen en het vlies met eene schaar open knippen, maar heel voorzichtig, zonder de huid van het kuikentje te beschadigen; ook kan men met een lapje met lauw water de plaats, waar het kuikentje vastkleeft, los weeken.
Men rekent er op, dat eene goede hen per jaar 120 eieren legt, dat gewoonlijk de helft van de hennen broedt, en iedere hen 10 kuikens geeft.
205
|
i'' gt; ' V, 1 J â 1 Tl . r, f. ' ' 1 1 ' lil ! ij 1 i u i \ 1 1 ' | ||
|
mMSSM | ||
|
, , ............. w.. â , J . ^ MVW-WOfiil |
LUXE-HOENDERHOKKEN.
Om in allo opzichten voovtrefTolijko exemplaren te fokken, behoort men in de eerste plaats te zorgen voor hokken, die aan alle eischen voldoen. Want evenals alle levende wezens moeten ook de hoenders voor hun welzijn de noodige lucht, warmte en zindelijkheid hebben.
Door de welwillendheid van eenige pluimveefokkers van naam ben ik in staat gesteld eene uitvoerige schildering te geven van enkele luxe hoenderhokken, die den toets der praktijk doorstaan hebben. Bij den aanleg van dergelijke gebouwen is het noodzakelijk, dat ze op zonnige en droge plaatsen komen te staan en door hunnen stand tegen gure winden van alle zijden beschut zijn.
In den nieuweren tijd besteedt men ook veel zorg aan het uitwendige van deze gebouwen, zoodat ze door hunne smaakvolle vormen uit een architectonisch oogpunt elke bezitting tot sieraad strekken, zooals men uit de volgende afbeeldingen kan zien. Ik heb, om met den inwendigeu bouw kennis te maken, uitvoerige plattegronden en doorsneden er bijgevoegd, waardoor de geëerde lezer zich zeker goed oriënteeren kan.
Ik laat hier eenigo teekeningen van volières volgen, omdat het voor menigeen van belang kan zijn, de plannen en teekeningen voor oogen te
IIOENDEKBOEK.
hebben, om voor zijne lievelingen ook eens een dergelijk verblijf te doen houwen.
De plattegrond van de volière vertoont rechts en links van den ingan-,le warm droog gelegen woon- en slaapvertrekken A en B, ieder VOO) .)() hoenders; de vertrekken zjjn 3 nieter breed, 4 meter diep hebben dus eono oppervlakte van 12 M2, dat is 0,24 M2 per hoen.
n ö
4â4-
overdekt zandbad f hebben, moeten zoo mogelijk naar het zuiden liggen.
De hoogte der loopen is voor hoenders op 2,50 M., voor waterwild op 2,10 M. vast te stellen. 1
Aan den wand der middengang zijn in elk der vertrekken A en /gt;' 8 legnesten h, met eene daarvóór gelegen, 15 centimeter breede loopplank aangelegd. Het zijn bonten hokjes van 84 centimeter lengte en breedte en 14
207
HOENDERBOEK.
hoogte, onbedekt, die naast elkander op een ijzeren voetstuk staan. De nesten zijn van elkander gescheiden door eene opstaande plaat blik, die tevens tot steun dient van de schuin daar boven liggende, afneembare dekplank.
De nesten worden met versch kalk water gewit en met zacht stroo of hooi belegd. Dat stroo of hooi moet dikwijls ververscht worden en de
nesten dikwijls opnieuw gewit, nadat ze alle schoongemaakt en met verdund carbolzuur gewasschen zijn, om het ongedierte te weren.
In elk vertrek zijn 4 zitstangen a aanwezig, parallel aan de legnesten en voor zwaar gevogelte 50 centimeter, voor licht 1 meter van den grond af. Het zijn 5â7 cM. breede, van boven vlak afgeronde of van gebroken kanten voorziene, eikenhouten, geoliede latten. Zij rusten op een licht gebouwd, ijzeren voetstuk. Alle latten staan op gelijke hoogte, leder pluim-veefokker weet bij ondervinding, dat trapvormig geplaatste zitstangen on-
208
HOEN DEUBOEK.
doelmatig zijn. Alle wanden en daken der hokken moeten van binnen behoorlijk gewit, en de vloeren moeten van cement of asphalt gemaakt zijn en eenigszins schuin afloopen naar de gietijzeren roosters, die toegang verleenen tot de onderaardsche, aarden buisgeleidingen k, die bij hetwas-schen en schrobben der hokken tot afvoer zijn aangelegd. De gangen kunnen met harde mozaïektegels belegd worden. Voor de ventilatie dienen vensters, die des zomers van vlechtwerk, des winters van glas zijn. Daarenboven zijn vlak onder het dak en vlak boven den vloer aan de voorzijde en aan den tegenoverstaanden wand verscheidene 10 tot 12 cM. wijde gietijzeren ventilatierozetten aangebracht.
Bij buitengewone koude kunnen aan den middelsten lengtewand van de gang twee kachels gezet worden. De deurtjes, waardoor de hoenders uit- en ingaan, moeten van buiten gesloten kunnen worden en gemaakt zijn van plaatzink of plaatijzer, dat in gleuven of sponningen op en neer kan schuiven. Voor de voedering dienen de troggen c.
Het naar het zuiden gelegen afzonderlijke woon- en slaapvertrek N is voor kalkoenen, 2.75 M. lang, 3.45 M. diep en van gelijke inrichting als die der hoenders. De legnesten liggen op den grond, hebben ook geene loopplank, en de zitstangen zijn 10 cM. breed, opdat de dieren bij het zitten hun borstbeen niet verkrommen. E en F zijn broodkamers. Zij moeten zoo rustig mogelijk zijn en matig verlicht, tochtvrij, maar goed geventileerd zijn.
De vertrekken C en D dienen voor kloeken met kuikens; hier is do geheele voorzijde, om zooveel mogelijk zonnewarmte te genieten, van glas. De grond moet met eene dikke laag droge aarde, of zand en asch bedekt zijn. Zjjn de kuikens zoo gegroeid, dat de kloek ze verlaat, dan komen do jonge hanen en hennen gescheiden in de hokken G en O, die evenals de vertrekken A en B zijn ingericht zonder de legnesten, en met zitstangen, die 30 centimeter van den grond staan.
11 en K zijn twee hokken voor eenden en ganzen. Met de hokken zijn de donkere leg- en broedvertrekken JJ doelmatig verbonden.
In de ruimte M worden de ganzen vetgemest.
De trap T voert naar de tweede verdieping, die 3 vertrekken heeft â van 2,50 M. hoogte, waarvan 2 ingericht zijn voor den persoon, die voor het gevogelte moet zorgen. Het derde vertrek dient tot voedermagazijn. Onder de trap worden de gereedschappen geborgen.
209
14
HOENPERBOEK.
De 1,86 M. hooge omrastering der loopen op massive eénsteens fundamenten is gemaakt van smeedijzeren staven en gegalvaniseerd vlechtwerk. Onderaan is tot op eene hoogte van 02 centimeter zoogenaamd muschdicht vlechtwerk aangebracht, om de kuikentjes te verhinderen naar buiten te gaan, en om de ratten te weren. Het vlechtwerk daarboven kan van 5 cM. maaswijdte zijn. Iedere loop heeft eene deur van 00 cM. breedte.
De volgende teekening en korte beschrijving der plattegronden en doorsneden van het luxe-hoenderhok van Du. ïraun zal zeker daarom menigeen belang inboezemen, omdat de muren van het gebouw geheel gemaakt zijn van slakken, een materiaal, dat niet alleen duurzaam en goedkoop is, maar het mogelijk maakt, dat het geheele bouwwerk uit één stuk bestaat zonder naden en spleten.
Bij zorgvuldige behandeling krijgt deze stof eene vastheid, draagvermogen en dichtheid, die alle verwachtingen overtreft.
210
HOENDERBOEK.
212
HOENDEKBOEK.
EERSTE BLAD.
--â 3,n».............]
Ts ?gt; r» 5»* ja
gt; -^e -22®
I
S ^ lt; § ?
G. o a ^
t 3 p quot;* O- P t M C ~t 'C (
^ 2 !
3 â 3 â % *â
3 CTi O O ^ O *1 «^*- (T quot;«
P t m
S.B o-?
Oq ^ OQ fC . t
3 3 5 ^
ii?s â¢^quot; 2 *â⢠1/3
=: I
-3 3 ?
c X-tS
NV g »
n ^
3 3 P
S-O quot; ^ 3 ^
3- ^ :
lt;quot; (6 3 3 lt;
_a e sgt;^ r- ïs'fs
Ngt; OfO^ ïquot;? = S « S
sUït
O 3
H p â¢-- 65
Cu lt; Tquot; O P fC
IIOENDERIiOEK.
VERKLARING:
M. Atgoschoton ruimtu voor do legnoston mot zoor schuinstaundo dekplunk.
tt, u\ Zitstokkon 6.5 cM. brood, van boven afgorond,
a. Scliimuorun 011 hakou, om do voorstu ïitstokkuu tu verwijderen gedurende hut imaien en het scUooumaken der nesten.
m
TWEEDE BLAD.
Deze volière is eeue veelhoekige, en daarom zoo praktisch, omdat de bewaking en voedering van het midden uit zoo vergemakkelijkt wordt, liet inwendige van het gebouw wordt geheel verlicht door bovenlicht, omdat boven in het rondeel vensters zijn aangebracht en daardoor het gevaar vermeden wordt, dat de ruiten door het tegenaanv liegen van het gevogelte breken. Daarbij komt het voordeel, dat men boven steeds twee vensters tegenover elkaar kan openen, waardoor een luchtstroom ontstaat, die tot ventilatie dient, zoodat ofschoon er over de 100 hoenders in dezelfde ruimte bij elkaar zijn, er zelfs bij de grootste hitte eene steeds frissche en zuivere lucht heerscht, wat voor den gezondheidstoestand der dieren van onberekenbaar nut is. De inwendige vertrekken zijn, om ze goed droog en zindelijk te houden, van cementbodems voorzien, terwijl de loopen mot zand en kalk bestrooid zijn. De zitstaugen kunnen alle gemakkelijk weggenomen worden, wat het schoonmaken vergemakkelijkt, en zijn allo op ééne hoogte aangebracht, zoodat de hoenders elkander niet kunnen bevuilen, liet geheele gebouw is van metselsteen en met zink gedekt.
Het bestaat uit 1(5 afdeelingen, zoodat even zoovele rassen geheel gescheiden kunnen gehouden worden, hoewel het natuurlijk ieder vrijstaat, al naar gelang van de grootte van liet gebouw meer of minder afdeelingen to maken. In elke afdeeling is ruimte genoeg voor 12 hoenders, die door
HOENDÃKBOEK.
215
een valdeurfcje, dat van binnen door een koord opgehaald wordt, naar buiten kunnen komen in den loop. De hokken hebben van achteren houten tralies, zoodat de warmte vau de kachel gemakkelijk binnen kan dringen; de loopen zijn alle omrasterd door gegalvaniseerd vlechtwerk; ook de deuren der loopen zijn daarvan gemaakt.
Om de hoenders echter nog meer beweging te geven en toch do rassen zuiver te houden, zijn alle loopen verbonden door deuren. Zet men alle
deuren open, dan kunnen afzonderlijke rassen eene aanzienlijke uitgebreidheid afloopen. Alle andere houdt men dan opgesloten, of men houdt alle hanen met de hennen, die aan het leggen zijn, opgesloten en laat alle overige hennen te gelijk los. Boven de 16 afdeelingen zijn in de tweede verdieping even zoovele, doch kleinere vakkeu gebouwd tot vetmesting van kapoenen, enz. Deze vakken krijgen licht en warmte door traliedeurtjes, waarheen men met eene ladder kan komen. Het is gebleken, dat het stoken van de kachel nadeelig is voor het broeden. Bij eene poging, om in Januari vroegbroed te verkrijgen, bleek het, dat de kachelwarmte te droog was; het binnenste huidje van het ei was geheel perkamentachtig geworden, zoodat de kuikentjes het niet konden stuk maken en stikten. Daarom is het goed, om op de kachel eene pan te plaatsen, waarin steeds water moet zijn. Het water verdampt door de hitte en houdt de lucht voldoende vochtig.
llOENDKIiliUÃK.
216
Mocht door de valdourtjes bij sterken wind tocht ontstaan, dan sluit men ze natuurlijk aan de windzijde. Bij sterke koude sluite men alle valdeurtjes. In de doorsnede-hguur ziet men de kachel, die midden in het gebouw staat. De beste kachels zijn, zooals men wel begrijpt, de regnleer-vulkachels, waarnaar men uren lang niet behoeft om te zien, en die men door kan laten branden, bijna zonder dat ze warmte verspreidon.
TEELTTJITKOMSTEÃÃ, OIDERVIOINGEN, MEDEDEELIN6EN VAN BEROEMDE M BEKENDE HOEUDERKWEEKERS. :i:)
OVER HET «ROEDEN.
DOOK DEN HEEK ROBERT OETTEL, TE GÃRL1TZ.
Het is algemeen bekend, dat reeds de Egyptenaren en Chiueezen sedert eeuwen kippen- en eendeneieren kunstmatig uitbroedden. Men heeft in Europa en vooral in Duitschland ook beproefd, kunstmatig te broeden en allerlei machines daarvoor bedacht, die steeds door nieuwere vervangen werden, een bewijs, dat ze niet volkomen waren, en men er naar streefde ze te verbeteren. Een der eersten, die zich met de kunstmatige broe-derij bezighielden, was de heer Baumeijer, apotheker te Dresden; zijne inrichtingen waren zeer doelmatig, zoodat het grootste gedeelte der in zijne machine gelegde eieren uitkwamen. Alleen bij het grootbrengen der kuikens was hij niet gelukkig; want de kuikentjes werden niet zeer oud ondanks allo moeite, die hij zich gaf. Nu hebben anderen na hem dit kwaad trachten te verhelpen door eene zoogenaamde kunstmatige kloek; intusschen is zulk eene kunstkloek slechts voor den eersten tijd goed, en als de kuikens grooter worden, komt het zeer op de verdere behandeling
*) Deze incdcdeeluigen ontving de Hoer Volschau op verzoek welwillend voor zijn Hühnerbuch.
HOENDERBOEK,
aan, namelijk den kuikens de juiste afwisseling te geven van moederwannte en vrije lucht, wat voor het groeien onontbeerlijk is.
Bij de groote neiging tot broeden, welke Cochiuchina's en Brahraa-poetra's bijna te dikwijls toonen, zoude men zich zeer goed met deze en andere broedlustige soorten kunnen behelpen, om reeds met broeden langs natuurlijken weg te beginnen, als men het grootbrengen later toch langs den natuurlijken weg moet doen geschieden.
In Frankrijk, waar zulke enorme massa's pluimvee grootgebracht worden, bedient men zich voornamelijk van kalkoensche hennen, die veel voordeelen aanbieden. Vooreerst worden zij reeds in Januari gedwongen te broeden, dan broeden zij drie- tot viermaal achter elkaar, en eindelijk zijn zij gewoon, zich dikwijls en meer dan gewone hennen, te zetten, om hunne pleegkinderen te koesteren, wat voor de kuikens zeer goed is; daarvan komt het ook, dat jonge kalkoenen zoo dikwijls gekoesterd willen worden. Het vroege dwingen tot broeden gebeurt daarom, omdat tafel-kuikens duurder betaald worden, naarmate zij er vroeger zijn. Men gaat op de volgende wijze te werk: in een net klaargemaakt nest wordt eene partij kunsteieren gelegd, de kalkoensche hen daarop gezet en gedwongen daarop te blijven, doordat men haar met een netje vastzet. Nadat ze twee tot drie dagen gezeten heeft, is ze broedsch geworden en geeft men haar 20 tot 24: echte eieren. In groote inrichtingen worden 12, 15 tot 20 kalkoensche hennen te gelijk gezet, en als de broedtijd om is, geeft men aan do zwakke hennen *10 tot öö kuikens, om ze op te voeden, en aan de sterke een nieuw broedsel, wat men drie- tot viermaal herhalen kan, zonder de kalkoensche hennen te benadeelen.
Ik heb het gewoonlijk op de volgende wijze gedaan: ik zette eene kalkoensche hen en eene Cochinchinahen tegelijkertijd; zoodra de kuikens uitgekropen waren, gaf ik ze alle aan de Cochinchinahen om ze op te voeden, en aan de kalkoensche hen versche eieren en zette weder eene Cochinchinahen op een nieuw broedsel, wat ik gewoonlijk driemaal herhaalde. De kuikentjes gewenden zich spoedig aan de kalkoensche hen, aan wie ze toevertrouwd waren, en na al mijne ondervindingen pleeg ik te zeggen: kalkoensche hennen zijn de beste levende broedmachines.
218
HOENDERBOEK,
aan, namelijk den kuikens de juiste afwisseling te geven van moederwannte en vrije lucht, wat voor het groeien onontbeerlijk is.
Bij de groote neiging tot broeden, welke Cochiuchina's en Brahraa-poetra's bijna te dikwijls toonen, zoude men zich zeer goed met deze en andere broedlustige soorten kunnen behelpen, om reeds met broeden langs natuurlijken weg te beginnen, als men het grootbrengen later toch langs den natuurlijken weg moet doen geschieden.
In Frankrijk, waar zulke enorme massa's pluimvee grootgebracht worden, bedient men zich voornamelijk van kalkoensche hennen, die veel voordeelen aanbieden. Vooreerst worden zij reeds in Januari gedwongen te broeden, dan broeden zij drie- tot viermaal achter elkaar, en eindelijk zijn zij gewoon, zich dikwijls en meer dan gewone hennen, te zetten, om hunne pleegkinderen te koesteren, wat voor de kuikens zeer goed is; daarvan komt het ook, dat jonge kalkoenen zoo dikwijls gekoesterd willen worden. Het vroege dwingen tot broeden gebeurt daarom, omdat tafel-kuikens duurder betaald worden, naarmate zij er vroeger zijn. Men gaat op de volgende wijze te werk: in een net klaargemaakt nest wordt eene partij kunsteieren gelegd, de kalkoensche hen daarop gezet en gedwongen daarop te blijven, doordat men haar met een netje vastzet. Nadat ze twee tot drie dagen gezeten heeft, is ze broedsch geworden en geeft men haar 20 tot 24: echte eieren. In groote inrichtingen worden 12, 15 tot 20 kalkoensche hennen te gelijk gezet, en als de broedtijd om is, geeft men aan do zwakke hennen *10 tot öö kuikens, om ze op te voeden, en aan de sterke een nieuw broedsel, wat men drie- tot viermaal herhalen kan, zonder de kalkoensche hennen te benadeelen.
Ik heb het gewoonlijk op de volgende wijze gedaan: ik zette eene kalkoensche hen en eene Cochinchinahen tegelijkertijd; zoodra de kuikens uitgekropen waren, gaf ik ze alle aan de Cochinchinahen om ze op te voeden, en aan de kalkoensche hen versche eieren en zette weder eene Cochinchinahen op een nieuw broedsel, wat ik gewoonlijk driemaal herhaalde. De kuikentjes gewenden zich spoedig aan de kalkoensche hen, aan wie ze toevertrouwd waren, en na al mijne ondervindingen pleeg ik te zeggen: kalkoensche hennen zijn de beste levende broedmachines.
218
IIOUNDKliUOKK.
rassen. Eene hoofdvoorwaarde van een zuiver ras is de eigenschap van voortplanting van typische raskenmerken. Hoe meer deze hoofdvoorwaarde van voortplanting van typische raskenmerken in een ras voorhanden is, met des te meer recht kan men dit ras constant noemen.
5. Bij alle rassen, zelfs bij die, welke als constant aangenomen zijn, zooals Cochinchina's, Brahmapoetra's, enz., komen bij de nakomelingen afwijkingen voor en wel in slechteren zin: gebreken, die de ouders wel niet bezaten, maar die de voorouders bezeten hebben en die de fokkers te-nigslag noemen. Neemt deze terugslag in slechteren zin bij een ras in den loop des tijds toe, dan heet het: het ras is verbasterd.
6. De neiging tot verandering, die ieder ras bezit, stelt den fokker in staat het ras te veredelen, zoowel met het oog op eigenschappen als op lichaamsvorm. Veredeling in den eersten zin staat dus gelijk met verbetering voor practische doeleinden (grootere eierproductie, betere geschiktheid tot vetmesting, enz.) met terzijdestelling van schoonheid der lichaamsvormen. Heeft de fokker daarentegen bij de veredeling voornamelijk ideale doeleinden op het oog, dan is verbetering van het ras in practischen zin niet het noodwendig gevolg der veredeling. Beide hier genoemde richtingen der teelt liggen in de volgende woordverklaring van Wükheruin opgesloten: âEdel zijn die dieren of rassen, die de bij de soort als doelmatig en schoon erkende, harmonische verhoudingen in den lichaamsbouw en de van hen gewenschte hoogere eigenschappen zóó volkomen bezitten, dat ze zich boven andere dieren verhellen, welke laatste tegenover de eerste gewone genoemd worden.
7. Paring;. Met het begrip paring, d. i. de vereeniging van twee individuen van verschillend geslacht, om zich voort te planten, is bij de fokkerij steeds opzettelijke (kunstmatige) teeltkeus verbonden. Door erfelijkheid worden over het algemeen de eigenschappen der ouders bij de nakomelingen teruggevonden.
8. De wet der erfelijkheid, d. i. hoeveel van de mannelijke en de vrouwelijke eigenschappen op de jongen worden overgebracht, is tot dusverre een geheim der natuur: âWij kunnen wel de werkingen, niet de oorzaken waarnemen. Wij hebben waarnemingen over eenige verschijnselen der erfelijkheid, die voor den fokker van belang zijnquot;, hiertoe behooren (vergelijk H. von Nathusius, Vortrilge uber Viehzucht): a. Natuurlijke eigen-
hoenderboek.
schappen, die om zoo te zeggen de fundamenten van de gestalte zijn, zijn met zekerheid over hot algemeen erfelijk. Hiertoe behoort zoowel de rastype als andere eigenaardigheden aan het skelet, b. Physiologische eigenschappen, d. i. zulke, die de zoogenaamde cultuurrassen van natuurlijke onderscheiden, zijn in hunnen aanleg erfelijk; maar zullen ze tot ontwikkeling komen, dan moet die ontwikkeling door de houding van het individu ondersteund worden, c. Individueele eigenschappen, die toevallig ontstaan zijn, zijn of in het geheel niet, óf slechts zeer zelden erfelijk. Hiertoe behooren al de toevallig of met opzet veroorzaakte kwetsuren, d. Zekere ziekten zijn in hunnen aanleg erfelijk; daarom moeten slechts volkomen gezonde dieren voor de teelt gebruikt worden, e. Temperaments- en karaktereigenschappen zijn meestal erfelijk, f. in het algemeen hebben bij de voortplanting de beide ouders gelijken invloed op de kinderen. In de nakomelingschap wil de fokker zooveel mogelijk die eigenschappen ver-eenigd zien, die de beide ouders bezitten. Hoe meer de ouders in dit opzicht elkander dus gelijken, des te meer is het resultaat van de teelt gunstig. Om het midden van twee verschillende eigenschappen van de beide ouders in de nakomelingschap te verkrijgen, en dit te willen bereiken door ongelijke eigenschappen te pareu, is slechts in enkele gevallen goed, maar mag volgens Nathusius nooit als eene algemeen principe gelden, y. Hoe meer goede voorvaders een teeldier heeft, des te grooter is de waarschijnlijkheid, dat', het goede nakomelingen zal voortbrengen. Hierdoor is het begrip van volbloed gegeven: het mag alleen gebruikt worden, wanneer men het op daadzakelijke verschijnselen, dus historisch wil vaststellen. Volbloed is niet afhankelijk van zuiverheid van ras; de verwarring der begrippen van raszuiverheid en volbloed was het overwonnen standpunt van do zoogenaamde leer der constantheid. Hoe langer zekere eigenschappen bij de voorvaders voorhanden waren, met des te meer waarschijnlijkheid zullen diezelfde eigenschappen ook bij de nakomelingschap zichtbaar zijn; dat is de constantheid, zooals ze nooit door eenigen fokker betwijfeld wordt (Vergelijk Nathusius).
9. Beinteelt. Paart men dieren, die tot hetzelfde ras behooren, dan noemt men deze teelt r e i n t e e 11. Bij de r e i n t e e 11 kan men zeer goed dieren paren, die met zekerheid niet met elkander verwant zijn. Re inteelt wordt alleen dan verwantschapsteelt, wanneer dieren gepaard wor-
221
1t0en11eke0ek.
den, die in eenigeu graad, hoe ook, bloedverwant zijn. âR e i n t e e 11 is onafhankelijk van vervvantschapsteelfcquot; (Vergelijk Natiiusius' Vorfcrilge fiber Viehzucht). Hetzelfde beweert ook Settegast in zijn werk over de fokkerij âInteelt in engeren zin is hetzelfde als verwantschapsteelt, die noch met de rein teelt noch niet de inteelt noodwendig samengaat.11
10. Inteelt: Het oorspronkelijke begrip van het woord inteelt, of zooals de engelsche uitdrukking is: breeding in and i n , beeft alleen betrekking op familieteelt. Daarentegen wordt door duitsche schrijvers, zooals Nathüsiüs en Settegast, dit begrip op de volgende wijze vastgesteld.
Natiiusius merkt omtrent inteelt op: âIedere reiuteelt is inteelt, maar niet iedere inteelt is reiuteelt; beide begrippen echter: reiuteelt en inteelt, zijn onafhankelijk van hot begrip verwantschapsteelt. Vervvaut-schapsteelt en familieteelt gaan somtijds samen met inteelt, maar zijn het daarom niet.quot; Settegast zegt: âInteelt in uitgebreiden zin behoort tot het wezen der reiuteelt, maar niet omgekeerd, en reiuteelt is niet identiek aan inteelt. Naar gelang van den graad der verwantschap, die do gepaarde dieren verbindt, is de verwantschapsteelt losser of inniger. Eindelijk neemt zo den vorm van familieteelt aan, die haar toppunt bereikt in do incest-teelt. In de fokkerij verstaat men onder familie de nakomelingschap van dezelfde moeder. Tot de familie behoort dns do stammoeder, hare kinderen, zoowel eigen als halve broeders en zusters en do kinderen van die eigen en halve broeders en zusters.quot;
11. Onder Tncestteelt verstaat men de paring van naaste bloedverwanten, bij voorbeeld van ouders met de kinderen, van eigen broers en zusters onder elkander, enz. â Dat deze paring verderfelijk kan zijn op den lichaamsbouw en de huishoudelijke eigenschappen dor nakomelingen, is reeds elders uitvoerig aangetoond. Daarentegen zal zorgvuldig geleide inteelt, al is ze in meer of minderen zin verwantschapsteelt, nooit de achteruitgang van een ras ten gevolge hebben. Het nadeel, van verscheidene zijden aan inteelt toegeschreven, vindt zijne oorzaak in de kweekers zeiven, hetzij doordat ze geen verstand van inteelt hebben, hetzij doordat ze aan de keuze hunner teeldieren niet de noodige opmerkzaamheid hebben gewijd. In Engeland, waar de dierenfokker ij nog heden grooter rol speelt dan in eenig ander land, hoeft de reiuteelt, waarbij inteelt en verwantschapsteolt niet uitgesloten zijn, eerlang voel tot veredoling en volmaking van de
222
IIOENIJEKIiOEK.
dierenrassen bijgedragen. Wanneer nu de fokker, die zich met reinteelt wil bezighouden, .alleen afgaat op inteelt in engeren zin, of zelfs op incest-teelt, wanneer hij eenige geslachten achter elkander familieteelt voortbrengt, en niet van tijd tot tijd dieren van hetzelfde ras uit andere teelten (familiën), die door klimaat, gesteldheid van den bodem verschillend, en tegenover de zelfgeteelde dieren meer als vreemden te beschouwen zijn, tot verdere teelt gebruikt, wanneer hij elke bloedverversching met oorspronkelijke dieren nalaat, dan, ja dan treft eindelijk deze teelmethode de vloek, die op incestteelt rust. In Engeland wordt de reinteelt wellicht langs twee geslachten door verwantschapsteelt (inteelt in engeren zin) gedreven, maar daarna worden de beste hanen met hennen van eenen vreemden toom van hetzelfde ras gepaard, en geeft men aan de beste hennen uitstekende hanen van eene vreemde teelt van hetzelfde ras. Door van tijd tot tijd ingevoerde oorspronkelijke dieren, d. i. zulke dieren, die óf in hun vaderland geboren, of tenminste daarin zijn grootgebracht, zorgt de engelsche fokker steeds voor de noodige bloedverversching en verzekert der nakomelingschap op die wijze de kenmerken van het ras en de lichamelijke eigenschappen en capaciteiten van den oorspronkelijken stam. Om eenige dergelijke toelmethoden door te voeren, moet men natuurlijk stamregisters of stamboomen der verschillende individuen maken van het ras, dat men fokt.
12. Bloedververscliing;, d. i. het toevoeren van nieuw bloed van hetzelfde ras door invoering van een mannelijk dier uit eenen niet bloedverwanten toom en hierna voortgezette reinteelt.
13. Itlocdiinneiiging door voortdurend gebruik van mannelijke teeldie-reu uit een en hetzelfde andere ras, met uitsluiting van de mannelijke nakomelingen uit deze paring voor verdere teelt. Wilde men bijv. het Yokohamaras door inmenging van Phoenixbloed verbeteren, dan zoude men den hennen van het eerste ras Phoenixhanen moeten geven, den vrouwelijken nakomelingen uit deze paring weder Phoenixhanen geven, en zoo voort.
14. Kruising. Paring van verschillende rassen tot vorming van een nieuw ras. Hier verschijnt bloedinmenging als eene gewijzigde kruising.
Dit zijn de in de diereufokkerij meest gebruikelijke technische uitdrukkingen. Nog even zij hier omtrent de verwantschapsteelt opgemerkt, dat in het belgische postduiven-tijdschrift Epervien een zeer verbitterde
223
HOENDERBOEK.
strijd ontstaan is tusschen twee autoriteiten der postduiventeelt over de vraag, ot' deze methode gerechtvaardigd is of niet, waarbij de verdediger van deze methode den ongeloovigen tegenstander tracht te dwingen, een duel aan te gaan op pistolen, indien hij niet zijne trouwens rechtmatige kritiek terugneemt. Het antwoord van den ongeloovigen kriticus bereikt den hoogsten graad in de uitspraak: pereant errores, vivant homines 1 (dood aan de dwalingen! leve de menschen!), zoodat te verwachten is, dat over den bovengenoemden strijd geen bloed zal vergoten worden.
OVER DE WAARDE EN HET FOKKEN VAN FRANSCHE HOENDERRASSEN.
DOOR DEN HEER SABEL, GEP. 1quot;» LUITENANT TE TRIER.
Wanneer men de waarde van hoenderrassen beoordeelen gaat, moet men twee voorwaarden van liefhebbers en fokkers in het oog houden, dio dikwijls zeer moeieljjk te vereenigen zijn, n.1.; en den uiterlijken vorm en de schoonheid èn de eigenschappen, die nut en voordeel aanbrengen. Inderdaad vindt men beide zeer zelden in een en hetzelfde ras vertegenwoordigd, en waar dit het geval is, zal men do eene eigenschap tocii altijd in meerdere of mindere mate aantreffen, dan de andere. Volmaakt is evenwel niets op deze aarde, dus ook geen hoen.
Bovendien is het begrip volmaakt betrekkelijk, afhankelijk van onze eischen. Deze worden beheerscht door inzicht en gewoonte en door den invloed van beroemde fokkers en liefhebbers, zoodat bij het vormen van oen oordeel over de waarde van hoenderrassen, de smaak van enkelen, eene goede dosis eigenbelang, als ook mode en vooroordeel van grooten invloed zijn.
Niettegenstaande hunne goede eigenschappen ondervonden en ondervinden de fransche hoenderrassen nog grooten tegenstand door de vooringenomenheid voor groote aziatische rassen, waarvan de Cochinchina's het eerst bij ons zijn bekend geworden. In het hoofdstuk van dit werk: Welke
224
noKxnEnnoEK. 225
hoenders moeten wij ons verschaffen?quot; hebben wij reeds gehoord, welk eenen opgang zij bij hoenderliefhebbers maakten door hunnen kolossalen bouw niet alleen, maar ook door hunnen buitengewonen broedlust. Doordat wij deze hoendersoort hebben ingevoerd, is er ontegenzeggelijk de stoot aan gegeven, dat do aandacht er meer op gevestigd is, dan vroeger het geval was. Lang hoeft het evenwel geduurd, voordat men algemeen tot het fokken dier soort overging, zoodat er natuurlijkerwijze weinig acht geslagen werd op het groote nut der hoenderfokkerij. Eerst in do laatste 10 jaren is men tot de overtuiging gekomen, dat zij van groot gewicht is.
Onder de hoendorsoorten nu, die in dat opzicht belangrijk zijn, nemen de franscho waarlijk niet de laatste plaats in. Ook wat lum uiterlijk aangaat, staan zij bij weinige achter. Maar dat is, zooals reeds gezegd is, eene rinaestie van smaak en mode. De mode behandelt deze nuttige hoenderrassen evenwel nog een weinig stiefmoederlijk.
Daar het goede steeds zegeviert, hebben ook de franscho hoenderrassen reeds veel waardeering afgedwongen. Het valt niet te onkennon, dat zij ook hunne schaduwzijde hebben.
In de volgende bladzijden willen wij ons onpartijdig bezighouden mot hunne deugden en gebreken, zonder to lotton op hoerschonden smaak en mode.
Volgens hot gelijkluidende oordeel van alle kenners on fokkers munten de franscho hoenderrassen, waartoe voornamelijk het LaFlècho-, hotCrove-coouiâ, hot Houdan-, het Le Mans- en iiot Bressohoon behooron, alle uit door grootte en gevuldheid van hot lichaam, dunne beenderen en door wit, zeer smakelijk vleesch, dat vooral hot borstbeen rijkelijk: bedekt. Bij Crovecoeurs en Houdans bedraagt het gewicht der beenderen oen achtste van de gehoole zwaarte van het lichaam.
Al waren deze hoenders maar zeer middelmatige eierlegstors, dan zouden zij, naar de meening van vele fokkers, door bovengenoemde eigenschappen reeds veel voorhebben boven de meeste andere rassen, do Dorkings uitgenomen. Een vetgemeste, volwassen La Flèche-haan van acht of tien maanden weegt niet zelden 4 ii 5 K,G.; eene bon van hetzelfde ras 3,5 a 4 K.G. Ongeveer even zwaar zijn een Grèvecoeur- en oen Houdanhaan en hen; zij hebben nog dit voor, dat ze na 4 of 5 maanden volwassen zijn en dus vetgemest kunnen worden.
Grèvecoeur- en Houdankuikentjes zijn op den leeftijd van drie maanden
15
IIOENDEUIiOEK.
al vrij groot, en dan kan men reeds beginnen, ze vet te mesten. Zonder ze te kapoenen, kan men dat met jonge La Plèche- en Houdanhanen ook zeer goed doen. De vetgemeste jonge hanen en hennen van deze drie rassen leveren een groot deel van de beroemde ponlarden, die den franschen fokkers jaarlijks groote sommen opbrengen. In dat opzicht zijn de onderrassen van Le Mans en van Bresse niet minder belangrijk, die aan het la Flèche-ras verwant zijn. De ponlarden en kapoenen van eerstgenoemd onderras staan zeer goed bekend; in fijnheid van vleesc.h worden ze door kleinere Bresses overtroffen. Volgens zekere opgaven bezorgt het kweeken van ponlarden en kapoenen van het Bressehoen het Pransche departement Aix jaarlijks meer dan 700,000 francs. Zoolang men bij ons het groote voordeel van het vetmesten van kippen niet inziet, zal men ook de hooge waarde van de genoemde rassen niet genoeg op prijs stellen.
Daarbij komt nog, dat deze rassen volstrekt geene slechte, voor een groot deel zelfs zeer goede legsters zijn. Men heeft wel eens beweerd, dat hoenders, die uitstekend geschikt zijn, om vetgemest te worden, geen goede legsters zijn, omdat aanleg tot vet worden niet samen kan gaan met volop eieren leggen. Het is waar, dat neiging tot vet worden het eieren leggen beperkt. Maar daar de drie eerstgenoemde hoendersoorten niet broeden, of zeer zelden, zooals Houdanhennen, is het vanzelf duidelijk, dat het aantal eieren, door de hennen van die rassen in een jaar gelegd, zeer aanzienlijk is. Houdans, die hunne bezitters reeds in het midden van den winter met eieren verheugen, leggen even goed als de beroemdste Ttali-aansche leghennen. De grootte en zwaarte en de overheerlijke smaak van de eieren dezer rassen, die, zooals bekend is, altijd hand aan hand gaat met het smakelijke vleesch van de legster, wegen ruimschoots op tegen het minder productieve. Alleen de Spanjaarden leggen eieren, welke in gewicht die van de La Flèche's overtreffen; het gemiddelde gewicht van de eieren der Crèvecoeurs en der Houdans bedraagt 75 gram. Hoewel de Bressehen broedt, is zij toch eene uitmuntende legster, die in Januari al eieren geeft. Deze zijn echter niet zoo zwaar, als die der Italianen. Van alle kippeneieren vind ik, dat die der La Flèche's het fijnst en het smakelijkst zijn.
Het grootbrengen van Crèvecoeurs en Bresses is doorgaans zeer gemakkelijk; de Houdankuikens hebben soms zwakke pooten, gewoonlijk
220
HOENDERBOEK.
het gevolg vau te suelle lichaamsontwikkeling en neiging tot vet worden. Zelden zijn kromme teenen er oorzaak van; deze komen ook bij andere hoendersoorten voor, maar verdwijnen gewoonlijk weer vanzelf. De kuikentjes van genoemde rassen komen ontzettend gauw in de veereu, een voordeel, dat men niet genoeg roemen kan. La Flèche- en Le Manskuikens komen wat langzamer iu de veereu eu gedijen niet zoo spoedig; het grootbrengen gaat evenwel niet met zooveel moeielijkheden gepaard, als dikwijls beweerd wordt. Men heeft het wel eens als een gebrek van de La Flèche's beschouwd, dat het zoolang duurt, voordat zij volwassen zijn. Ik vind het een voordeel voor hen, die ze fokken, om ze als tafelkuikens te verkoopen; want wanneer de tijd van het vetmesten en het verkoopen van andere hoendersoorten voorbij is, dan geven de la Flèche-poulardeu nog eenig voordeel.
De hoenders van al deze soorten hebben in den regel een zeer goeden eetlust en zijn niet kieskeurig. Daarom moet men hun op eens niet te veel voeder geven, omdat zij zich licht overeten, waardoor de krop gaat hangen, wat aan de schoonheid niet bevorderlijk is. Het komt zeer dikwijls voor, dat zij er oenen harden krop door krijgen en aan de gevolgen daarvan sterven. Vooral is dit veel het geval met de La Flèche's.
Dat zijn evenwel geen bizonder groote gebreken. Daarentegen vatten de La Flèches en Crèvecoeurs zeer licht kou en krijgen daardoor het gevreesde snot, dat bij verwaarloozing in diphterische aandoeningen kan overgaan. Crèvecoeurs hebben ook veel last van kroep. Wanneer de La Flèches in een groot park vrij kunnen rondloopen, dan zijn zij bijna even gehard, als onze veldhoenders. De Houdans zijn sterker dan de Crèvecoeurs, hoewel de kuif bij nat weer den kop afkoelt en aanleiding geeft tot verkoudheid. Geen hoenders evenwel, die zoo onverstoorbaar gezond zijn, als de Hresse-hoenders. Ik fok ze sedert vier jaar en heb er nog nooit een zieke onder gehad.
De Bresse's acclimatiseeren ook zonder voel moeite; mot de Houdans en La Flèche's is dat eveneens het geval. Als de Crèvecoeurs uit Frankrijk bij ons overgebracht worden, dan moeten zij zorgvuldig en geregeld verpleegd worden, voordat zij het koudere klimaat kunnen verdragen.
Kruisingen van Crèvecoeur-, La Flèche-en TToudan-hanen met Italiaan-sche of gewone boerenhennen leveren doorgaans jongen met zeer veel malsch vleesch; hunne paring met de groote aziatische rassen geeft
227
IIORNDEIiBOEK.
tamelijk groote jongen, die eene breede borst en fijne beenderen hebben, minder broedlust toonen en vrij groote eieren leggen. Al deze bastaarden missen gewoonlijk de elegante houding en fraaie kamvorming. Bastaard-Crëvecoenrs erfden soms den zuiveren tweehoornigen kam ; van de la Flëches slechts een enkele nakomeling, wiens moeder eene Italiaansche hen was. 'tWas een prachtige haan met de houding van de la Flèche's en de donkerbruine voeren met gelen hals en zadel van de Italiaansche hanen!
Hecht men er waarde aan, om fiere houding en zuivere kamvorming te vereenigen met malsch vleesch en geschiktheid, om vetgemest te worden, dan moet men den Bressehaan paren met boerenhennen, Italiaansche of Cochinchinahennen, alle met eenen enkelen kam. De groote, rechtopstaande kam van den Bressehaan deelt zich ook aan zijne jongen van Cochinchinahennen mede. Daar het Bresseras geheel zwart is, of zwart en wit gespikkeld (de haan in het laatste geval wit met geelachtigen hals en zadel en aschgrauwe staartvederen) heeft men het, door de keuze van hennen, in do hand, mooi gekleurde bastaarden te fokken.
Omdat de beschrijving van do genoemde rassen, over wier eigenschappen ik zooeven gesproken heb, reeds in dit boek voorkomt, wil ik niet in herhalingen treden.
DE TEELT DEK COCHINCHINA'S.
DOOR Dn. A. MAAR TE GENT IN BELGIÃ.
De teelt der Cochinchina's levert onloochenbaar vele en niet geringe bezwaren op, maar de fokker, die zijn best doet deze bezwaren te boven te komen, die met oordeel te werk gaat, en geone moeite daarbij spaart, zal eindelijk door een gunstig resultaat van zijne teelt voor zijne moeite on volharding ook rijkelijk beloond worden. Daarbij wordt de teelt dooide vertrouwelijkheid der Cochinchina's gemakkelijk gemaakt. Deze vertrouwelijkheid en vreedzaamheid onderscheiden de Cochinchina's van alle andere rassen en maken den omgang met ben niet alleen gemakkelijk, maar ook aangenaam.
228
HOEN OERBOEK.
Dij dit ras komt, welke kleur wij ook fokken, in de eerste plaats de grootte op den voorgrond. Worden de kuikens van het begin af eenigszins zorgvuldig verpleegd en goed gevoederd, dan groeien ze bijna zonder uitzondering tot groote dieren aan, aangenomen dat de overige teeltregelou nagekomen zijn. Het meest komt het aan op de goede samenstelling van den teeltvorm. Om zoo groot mogelijke exemplaren te verkrijgen, moeten voor de teelt slechts twee- of driejarige dieren gebruikt worden; jongere en oudere geven geene groote nakomelingen. Vooral de teelhennen moeten groot zijn; want de grootte is meestal meer van de hen dan van den haan erfelijk. De hanen mogen nooit jonger dan twee jaren zijn; eene afwijking van dezen regel is alleen dan vergefelijk, wanneer de haan reeds na zijn eerste levensjaar bizonder krachtig is en zich buiten verwachting ontwikkeld heeft. Eenjarige hennen mag men echter nog niet tecl-baar achten. Nooit pare men nog jonge dieren van gelijken leeftijd met elkaar, maar, wanneer geene teeldieren van beiderlei kunne en van bovenbedoelden ouderdom voorhanden zijn, pare men jonge hennen met eenen onderen haan en oude hennen met eenen jongeren haan. Twee- of driejarige hennen geven met eenen eenjarigen haan krachtiger en grooter kroost dan jonge hennen met eenen ouden haan. Menigeen beweert, dat uit de eerste paring meer hanen, uit de laatste meer hennen zullen komen, eene bewering, die volgens mijne ondervinding geen steek houdt. Dit zijn de regels, die met betrekking tot den leeftijd van de teeldieren in acht genomen moeten worden.
Om groote dieren te kweeken, moet er verder van tijd tot tijd gezorgd worden voor g o e d e b 1 o e d v e r v e r s c h i n g, en moet voortgezette verwantschapsteelt streng vermeden worden. Ik zeg âgoede bloed-ververschingquot;; want neemt men minder goede, of niet volkomene dieren, of zulke, waarvan men den stamboom niet kent, dan kan men daardoor dikwijls zijne geheele teelt voor jaren bederven; zulk eene bloedverver-sching kan meer kwaad dan goed doen. Kan men voor het oogenblik geene goede bloedverversching krijgen, dan doet men beter met eigen materiaal verder te teelen, met verstand de teeldieren uitkiezende. In dit geval paart men de moederhen met den jongen haan, de jonge hen met den vaderhaan. Wie het kan, houde twee paralleltoomen, die niet met elkaar bloedverwant zijn; dan kan hij jaren achtereen zich zelf bloedverversching ver-
229
HOENDEHBOEK.
schïiffcu, zonder om te zien naar vreemd teel materiaal, waar dikwijls bedrog onder schuilt.
Om de jonge dieren zoo groot mogelijk te maken, moeten ze niet later dan in April uitgebroed zijn. Later broed, reeds dat van het eind van Mei, wordt nooit zoo groot en krachtig als vroeger broed. Bij jonge hennen mag het vroege eierleggen niet gedwongen worden door het geven van te veel of te heet voeder, door het plaatsen van de hennen in verwarmde hokken, daar hennen die in nog te jongen ouderdom beginnen te leggen en daarna te broeden, in groei achterblijven nog vóór ze volwassen zijn. De hanen moeten, zoodra ze geslachtsrijp zijn, van de hennen gescheiden worden en minstens een vol jaar oud zijn, vóórdat ze eene hen krijgen, daar hanen, die te vroeg treden, eveneens in groei achterblijven. Om dezelfde reden moeten de hennen in hun eerste jaar bij geen hanen gezet worden.
Naast de grootte moet gelet worden op de gedaante en de s c h o o n e vormen. Tegenwoordig heeft men twee soorten van Cochinchina's; bij de eene is de gestalte iets slank, minder massief; de dieren staan wat hooger op de pooten, bereiken doorgaans eene grootere hoogte en hebben ook gewoonlijk minder sterke bcvedering aan de pooten, dan bij den anderen vorm met gedrongen gestalte; de dieren van den laatsten vorm zijn zeer massief, plomp, uiterst loom, tamelijk laag op de pooten, niet zoo groot, maar zeer breed en hebben meestal sterke bevedering aan de pooten. Aan den laatsten vorm wordt tegenwoordig door de mees-ton de voorkeur gegeven. Zooals in alles, moet ook hier, ik ineen in de gestalte der Cochinchina's, gelet worden op de juiste maat. Eene al te lange is bij alle zware rassen, maar vooral bij de Cochinchina's af te keuren, daar bovenmatige lengte met smalle schouders samengaat. Ik kan evenmin mijne goedkeuring hechten aan al te kort gebouwde, te plompe, en te laag op de pooten staande Cochinchina's, en daarom heb ik bij do teelt getracht het juiste midden te bereiken; dat is, dieren te fokken, die aan eene gepaste, massieve, niet al te korte gestalte de noodigc sierlijkheid van vorm en zekere gemakkelijkheid in bewegingen paarden. Daarom heb ik tot dat doel slanke hennen op hooge pooten samengebracht met zeer massieve hanen, die laag op de pooten waren en eenen breeden en korten rug hadden. Een lange hals is niet fraai; hij is
230
llOENDEKliOEK.
nog leelijker, wanneer tie rug bizonder breed is. De kop mag niet lang, maar moet klein zijn en eene aangename ronding hebben. De borst moet breed en laag zijn, de staart kort en weinig rechtop gedragen worden. Hanen met meer langen en bijna rechtop gedragen staart, zooals dit dikwijls voorkomt, mag men niet bij de teelt gebruiken, tenzij men eenen toom houden wil, die geheel met dit gebrek behept is. De vleugels moeten klein en zeer vlak aangesloten zijn, en de pooten krachtig, om als gepaste dragers te dienen voor het massieve lichaam.
Dat zijn de hoofdpunten, waarop men bij de samenstelling van den foktoom moet letten.
Nu komt de bevedering aan de beurt, die de meeste zwarigheden oplevert. Zij is voor de fokkers van Cochinchina's, wat de kuif is voor de fokkers van kuifhoenders. Jn het algemeen moet het geheele ge-vederte zacht zijn; vooral moet de bevedering der dijen, die zeer dicht met donsachtige veeren, in den vorm van eenen bol opgeblazen, bezet moeten zijn, zeer zacht, donzig zijn. Dieren met harde veeren zijn van eene slechte qualiteit en toonen aan, dat het ras verbasterd is. Hoe meer opgeblazen en voller de bevedering van de dij is, des te beter, en aan deze dijveeren moet zich eene zoo sterk mogelijke bevedering van pooten en voeten aansluiten.
Eene juiste en voldoende bevedering der pooten is de hoofdzaak, waarop de fokker moet letten; want zij is uit aesthetischen grond noodzakelijk, om tot voetstuk te dienen van het massieve lichaam. Tegenwoordig eischt men, dat de middelteen zelfs sterk beveerd moet zijn ; de voetveeren moeten gelijkmatig zijn, zich vol om den voet leggen en als eene slof zich aan den buitenteen vertoonen.
Ik ben er verre van, mij hier in den strijd te mengen, die over de laarzen nog niet uitgevochten is â daarvoor is het ook hier de plaats niet -maar ik kan uit eigen ondervinding bevestigen, dat, om dieren te fokken met sterke poot- en teenbevedering, ook gelaarsde dieren tot de teelt moeten gebruikt worden en ik stem geheel in met de bewering van den heer Du Roi, lid van de Kamer van Koophandel, dat Cochinchina's 7, o n d e r laarzen, maar met voetbevedering het hoogst geschat en het duurst betaald worden, maar het moeilijkst te kweeken zijn. De ware fokker moet er steeds naar streven, het ideaal zooveel mogelijk nabij
'Jol
IIOENIIKKUOHK.
te komeu, ot' liet zelfs te bereiken, cl. i. dieren te fokken, die de rus-kemnerken iu de grootste volkomenheid vertooneu, in dit geval Cochin-china's te fokken met volkomen juiste, sterke poot- en voetbevedering, dus zonder laarzen. Dit ideaal te bereiken, is zeer moeilijk, en het constant te maken, mag wel onmogelijk genoemd worden. Om de sterke poot- en voetbevedering te behouden, moet van tijd tot tijd tot bloedverversching een sterk gelaarsde haan toegelaten worden. Matige laarzen maken overigens de gedaante van de Cochinchma's niet leelijk; hot komt er slechts op aan, hoe do laarzen er uit zien, en of de overige lichaamsvorm daarbij past.
Langjarige ondervinding heeft mij bewezen, dat de invloed van den haan op de bevedering der nakomelingen bij lange na niet zoo groot is, als menigeen wel gelooft. Ik heb integendeel gevonden, dat de hen op de poot- en voetbevedering evenveel invloed heeft, als de haan. Zoo heb ik eerst in het afgeloopen jaar eene hen met zeer sterke poot- en voetbevedering met eenen haan gepaard, waarbij die zeer gebrekkig was, en alle nakomelingen, zoowel hanen als hennen, hadden zeer sterke poot- en voetbevedering. Daarentegen paarde ik eene hen met zwakke poot- en voetbevedering met eenen haan met zeer sterke voetbevedering en kreeg daaruit dieren, die alle op één na zeer slecht beveorde pooten en voeten hadden. Hierbij valt nog op te merken, dat de teeldieren a,lle even oud waren. Hieruit moet men besluiten, dat men vóór alles hennen met juiste, sterke poot- en voetbevedering tot de teelt moet gebruiken; dan zal men veel zekerder, ja, ik durf beweren, altijd zeker op eene nakomelingschap kunnen rekenen met sterke poot-en voetbevedering, dan wanneer men zwak beveerde hennen mot sterk beveerde hanen paart.
Do in dit gedeelte besproken punten gelden bij de teelt van al de kleuren van Cochinchina's.
Van do verschillende kleuren is ontegenzeggelijk de Patrijs voer ige de prachtigste en in Engeland ook de moest gezochte. Zij is in volkomen juiste teekeniug het moeilijkst te teelen, vooral sedert algemeen geëischt wordt, dat do borst en de buik van don haan zuiver donkerzwart moeten zijn, en niet bruin. Ook de dij-, staart- en pootveeren moeten bij don haan zwart zijn. Witte voeren in den staart en bruine aan de borst en dijen zijn af te keuren.
HOENDEHHOEK.
Wie twee toornen houdt, om van den eenen jonge hanen, van den anderen jonge hennen te fokken, moet voor den h a n e n t o o m eenen haan kiezen, waarvan de borst-, buik-, poot- en dousveeren zuiver donkerzwart, de halsveeren zwart met fraaie, donkerroode, breede randen, de nek- en zadelveeren oranje zijn. De hennen van den hanentoom moeten eene zeer donkere en fraaie, koffiebruine grondkleur hebben ; de halsveeren moeten fraai roodoranje, de algemeene kleur tamelijk donker zijn. Wit in den staart der hanen mag niet geduld worden, en zulke dieren mag men niet voor de teelt gebruiken; want zit die fout eenmaal in de teelt, dan is het zeer moeilijk haar er weer uit te krijgen.
Bij den h e n n e n t o o m moet de h a a n meer roodoranje, dan roode halsveeren hebben met breede, zwarte schachtstrepen. liet meest komt het op de h enne n aan, waarbij vooral de borstvederen zeer dicht met verscheidene volkomen zuivere halvemaantjes geteekend moeten zijn. De overige veereu moeten evenzoo geteekend, zoo groot mogelijk en donker gekleurd zijn. De teekening der halsveeren kan verschillend wezen, de rand echter moet fraai donkergoud zijn, en de donkere teekening zooveel mogelijk tot boven op den kop zich uitstrekken. De grondkleur van het overige gevederte moet lichtbruin, geheel vrij van eene lichtgele tint zijn. De bevedering der pooten, die in allen gevalle geel zijn moet, moet evenals de overige bevedering geteekend zijn.
Het is evenwel niet volstrekt noodzakelijk, twee toornen te houden, wanneer hot niet geschiedt, om bloedverversching uit eigen teelt te kunnen hebben. Men kan zeer goed hanen en hennen uit éénen toom tokken. Men kiest daartoe oenen haan, zooals die van bovenbedoelden hanentoom, en geeft hem 2 of 3 hennen, die er uitzien als die, welke bij den hanentoom behooren, en nog 2 of 3 andere hennen, die de eigenschappen hebben van den hennentoom. Van de kuikens, die men van de eerste hennen krijgt, kiest men de hanen; van die, welke men van de laatste hennen krijgt, neemt men de hennen tot verdere teelt, natuurlijk alleen zulke exemplaren, die aan de eiechen voldoen. Daarna kan men dan eens eenen haan met meer roodoranje dan roode halsveeren nemen, en dezen iets donkerder hennen ter paring geven.
De Patrijsveerige Cochin china's kunnen buitengewoon groot gefokt worden, en hoe grooter ze zijn, hoe beter, lianen kunnen een
IIOKNDKUHOEK.
gewicht van G tot 7 K.G. bereiken; doch men kan mot een gewicht van 5 K.G. voor den haan en 4 K.G. voor de hen tevreden zijn.
Van de Gele Cochinchina's kan men zeggen, dat ze het gemakkelijkst te fokken zijn. Vóór alles moet er hier op gewezen worden, dat de nakomelingen van gele hoenders doorgaans lichter gekleurd zijn, dan de ouders; daarom moet men teeldieren kiezen, die donkerder zijn, dan de kleur, die men wenscht. De gele kleur komt in verschillende schakeeringen voor, maar de haan moet altijd precies zoo gekleurd zijn, als de hennen. Lichtgele hennen, gepaard met eenen donkeren haan, geven meestal geen fraai gekleurde jongen; de kleur is dan meestal bij de jonge hennen over alle lichaamsdeelen geheel gelijk, en toch moeten de halsveeren der hennen, evenals die der hanen, donkerder zijn, dan het overige gevederte. Fraaie, donkere halsveeren, als het overige gevederte licht is, staan zoowel bij hennen, als bij hanen zeer schoon. Worden de nakomelingen eindelijk te licht van kleur, dan blijft er ten slotte niets anders over, dan bij lichte hennen eenen donkeren haan te brengen; vallen de hennen te donker uit, dan zal men eenen lichteren haan daarvoor moeten kiezen. Toch blijft het beter, alleen dieren van gelijke kleur te paren, of van zoo gelijk mogelijke; uitersten zijn te vermijden.
Gele Cochinchina's moeten eigenlijk zuiver geel zijn, d. i. geene anders gekleurde veeren hebben tusscheu de gele. Men mag zwarte veeren in den staart bij beide geslachten toelaten, maar hoe minder hiervan, hoe beter; witte veeren zijn sterk af te keuren; zulke dieren mogen niet tot de teelt gebruikt worden. In België en Frankrijk treft men overigens Cochinchina's aan, die zuiver geel zijn, geen enkele anders gekleurde veer hebben, noch in do vleugels, noch in den staart. Door zorgvuldige teeltkeus is dit ook zoo moeilijk niet, maar verwantschapsteelt zal hierbij wel niet altijd vermeden kunnen worden. Bij de donkergele Cochinchina's komen menigvul-diger zwarte veeren in den staart voor, dan bij de lichtgele. De Gele Cochinchina's kunnen evengroot en zwaar gefokt worden, als de Patrijs veerige.
Bij de teelt van Witte Cochinchina's moet men er vooral op letten, dat de kleur zuiver wit moet zijn. Dieren, die eene gele, of zelfs eene roode tint vertooneu, mogen niet voor de teelt gebruikt worden. Vooral de hanen vertooneu dikwijls eene stroogele tint in de bovendeelen. Daarom moet men zijne teeldieren zeer zorgvuldig kiezen, en alleen die nemen,
m
HOENDERBOEK.
welke zoo niet geene, dau toch eene zoo min mogelijk gele tint hebben. Hennen zonder gele tint treft men menigvuldiger aan dan hanen, en de stroogele kleur komt bij hennen eerst in den hoogen ouderdom voor den dag.
Bij geene andere kleur is het zóó moeilijk om de laarzen kleiner te maken of geheel te doen verdwijnen, dan bij deze, en gewoonlijk lijdt daaronder de voetbevedering. Men heeft dan altijd slechts de keuze tus-schen dieren met gebrekkige, en zulke met goede voetbevedering, maar met sterke laarzen. De kenmerkende eigenschappen der Cochiuchina's worden in deze kleur niet zoo zuiver aangetroffen, als bij de Gele en Patrijsveerige. Zoo vindt men dikwijls, vooral bij hennen, den kam te groot, bij haan en hennen den staart te lang en te veel rechtop staande. Om deze gebreken zooveel mogelijk te doen verdwijnen, moet men onder de aanwezige dieren slechts die tot de teelt gebruiken, welke deze gebreken niet, of in slechts zeer geringe mate bezitten. Wat de grootte en de zwaarte betreft, zoo staan daarin de meeste Cochinchinasoorten achter de (iele en Patrijsveerige. Ik heb toch ook al Witte gezien, die ware reuzen waren, en heb ze zelf van buitengewone grootte en uiterst massieven lichaamsbouw gefokt, die hierin zelfs mijne Gele en Patrijsveerige niet weinig overtroffen. Ik heb slechts van de grootste dieren en van driejarige hennen en tweejarige hanen gekweekt en niet later laten broeden dan in Februari en Maart.
De K o e k o e k s v e e r i g e C o c h i n c h i n a' s of Prins Albe r t-hoenders zijn wel de minst voorkomende kleur. Zij zijn moeilijk te kwee-ken en vertoonen de kenmerken van het ras nooit in die volkomenheid als de andere kleuren. Het is reeds zeer moeilijk de schoone teekening van het gevederte geheel juist te verkrijgen, vooral om hanen te fokken, waarvan de halsveeren vrij zijn van eene gele of roodachtige tint, en de staart geene zwarte of witte veeren draagt. Donkere hanen zijn voor de teelt zeer aan te bevelen en in ieder geval boven lichte te verkiezen.
De Zwarte C o c h i n c h i n a 's hebben tegenwoordig niet meer zoo veel aftrek, als vroeger. Het moeilijkste bij de teelt dezer kleur is, het zwart der veeren, vooral bij den haan, geheel zuiver te houden, eveneens het zuiver geel aan de pooten te verkrijgen. Bij de hanen komen
285
HOENllKKIiOEK.
meestal reeds iu het tweede jaar aan den hals en de vleugels geel-, rood-, of witachtige veeren. Niet zelden treft men donkergekleurde pooten aan. Eene donkere schaduw over het geel is bij de pooten van deze kleur altijd te vergeven, maar blauwe, grauwe, ot zelts zwarte pooten zijn at te keuren.
Om de geel- en roodachtige veeren te doen verdwijnen, beveelt Baldamus aan, deze kleur met Witte C och inch i na s te kruisen. Do proef hiervan heb ik genomen, maar tot mijne niet geringe teleurstelling vertoonden zich nu witte. Daarom blijft hot altijd het best, om een genoegzaam aantal kuikens te fokken, ten einde daaruit de niet met zulke gebreken behepte dieren te kunnen uitkiezen.
Met grootbrengen der kuikens der Cochinchina's geschiedt op dezelfde wijze, als dat der kuikens van andere rassen. Hoewel ze langzaam in de veeren komen, zijn ze taai en tegen weersinvloeden bestand, en niet moeilijk te verzorgen. Om de bevedenng te bevorderen ot te versnellen, geef ik den kuikens van tijd tot tijd wat hennepzaad, maar niet te veel. Boekweit, zoolang ze nog niet in de veeren zijn, heb ik als slecht bevonden; zo werden daardoor te vet, waardoor het gelijkmatig voortgaan van de bevedering gestoord werd. Daarentegen heb ik met gestooten rijst de prachtigste resultaten verkregen. Groen voeder moeten ze steeds hebben, verder heb ik wekelijks tweemaal gekookt paardevleesch gegeven, en het weekvoeder werd met de bouillon daarvan aangemaakt. Cochinchina s hebben eene bizondere neiging, om vet te worden, wat onvruchtbaarheid, ziekten, ja zelfs tien dood na zich kan sleepen. Daarom moet men ze niet te veel eten geven; mais is geen bizonder aan te bevelen voedsel voor hun, vooral wanneer ze zich in eene kleine ruimte moeten bewegen, dan moet men ze niet te dikwijls en slechts weinig mais toedienen.
Eindelijk wil ik nog doen opmerken, dat ik altijd 6 hennen bij éénen haan houd en daarbij een zeer hoog procentgehalte bevruchte eieren verkrijg. Ook heb ik reeds 8 hennen bij éénen haan gehouden, als hij jong en vurig was. Minder dan 4 hennen bij éénen haan moet men niet houden, omdat ze dan te veel getreden worden, waardoor ze er zeer leelijk uit gaan zien en meer onbevruchte eieren geven, afgezien van ziekten, die
daardoor nog kunnen ontstaan.
Dit zijn de resultaten van mijne ondervindingen in de Cochinchina-
m
HOENllKKIiOEK.
meestal reeds iu het tweede jaar aan den hals en de vleugels geel-, rood-, of witachtige veeren. Niet zelden treft men donkergekleurde pooten aan. Eene donkere schaduw over het geel is bij de pooten van deze kleur altijd te vergeven, maar blauwe, grauwe, ot zelts zwarte pooten zijn at te keuren.
Om de geel- en roodachtige veeren te doen verdwijnen, beveelt Baldamus aan, deze kleur met Witte C och inch i na s te kruisen. Do proef hiervan heb ik genomen, maar tot mijne niet geringe teleurstelling vertoonden zich nu witte. Daarom blijft hot altijd het best, om een genoegzaam aantal kuikens te fokken, ten einde daaruit de niet met zulke gebreken behepte dieren te kunnen uitkiezen.
Met grootbrengen der kuikens der Cochinchina's geschiedt op dezelfde wijze, als dat der kuikens van andere rassen. Hoewel ze langzaam in de veeren komen, zijn ze taai en tegen weersinvloeden bestand, en niet moeilijk te verzorgen. Om de bevedenng te bevorderen ot te versnellen, geef ik den kuikens van tijd tot tijd wat hennepzaad, maar niet te veel. Boekweit, zoolang ze nog niet in de veeren zijn, heb ik als slecht bevonden; zo werden daardoor te vet, waardoor het gelijkmatig voortgaan van de bevedering gestoord werd. Daarentegen heb ik met gestooten rijst de prachtigste resultaten verkregen. Groen voeder moeten ze steeds hebben, verder heb ik wekelijks tweemaal gekookt paardevleesch gegeven, en het weekvoeder werd met de bouillon daarvan aangemaakt. Cochinchina s hebben eene bizondere neiging, om vet te worden, wat onvruchtbaarheid, ziekten, ja zelfs tien dood na zich kan sleepen. Daarom moet men ze niet te veel eten geven; mais is geen bizonder aan te bevelen voedsel voor hun, vooral wanneer ze zich in eene kleine ruimte moeten bewegen, dan moet men ze niet te dikwijls en slechts weinig mais toedienen.
Eindelijk wil ik nog doen opmerken, dat ik altijd 6 hennen bij éénen haan houd en daarbij een zeer hoog procentgehalte bevruchte eieren verkrijg. Ook heb ik reeds 8 hennen bij éénen haan gehouden, als hij jong en vurig was. Minder dan 4 hennen bij éénen haan moet men niet houden, omdat ze dan te veel getreden worden, waardoor ze er zeer leelijk uit gaan zien en meer onbevruchte eieren geven, afgezien van ziekten, die
daardoor nog kunnen ontstaan.
Dit zijn de resultaten van mijne ondervindingen in de Cochinchina-
m
238 IIOENDKHBOEK.
met hetgeen andere rassen leveren, omdat de Cochinchina s winter!egsters zijn, en de eieren in den winter meer waard zijn, dan in den zomer. Met dit'vroege leggen gaat samen, dat ze vroeg broeden, en hiermede bewijzen ze den kweekers uitstekende diensten; want zij zijn voor hen levende broedmachines.
Van Cochinchina's zijn ook reeds verscheidene kruisingen gefokt, gedeeltelijk prachtige, zware exemplaren, gedeeltelijk zulke, die, óf omdat ze zoo goed leggen, óf omdat ze zoo geschikt zijn voor het vetmesten, verdienden constant gefokt te worden. Dit laatste is tot dusverre nog niet gelukt; het ontbreekt den kweekers aan volharding en zoo zijn de prachtige kruisingen weder verloren gegaan. De kruisingsproducten van Cochinchina-hanen met boerenkippen zijn uitstekende legsters; zij leggen evenals echte Cochinchina's zeer vroeg, zeer vele en groote, smakelijke eieren, van 70 tot 80 gram zwaarte. Zij broeden goed en brengen de kuikentjes voorbeeldig groot, en als ze de kuikens 4 weken lang geleid hebben, leggen, broeden
en brengen ze de kuikens weer groot.
De kuikens zijn gemakkelijk groot te brengen, komen sneller in de veeren, dan de echte Cochinchina's, zijn zeer geschikt, om vetgemest te worden en leveren een uitstekend gebraad.
De Ramelslohers zijn eene constant gefokte kruising van Cochinchina's met boerenkippen en uitstekende tafelhoenders. Do kuikens zijn onder den naam van âHamburger hoentjesquot; algemeen bekend; zij worden in ontzettend aantal reeds in den winter gefokt en geniest op de markt gebracht. Houdt men dus het kruisen van Cochinchina's met oordeel en volharding vol, dan zal men eindelijk een hoen verkrijgen, dat èn als leg-i'n ais mesthoen niets te wenschen overlaat.
Tien regels van te voren -/.egt .Ie lieer Meijer, .lat hot tot ihisverre nog niet gelukt is, eene kruising van Cochinclnnas constant to fokken, en hier wordt het tegendeel feitolijk beweerd! - De heer Völscha.i ziet in de liainelslohors geeno Coehino.hina-kn.ising. Zie Ramelslohers bij de beschrijving der hoenderrassen. â De bewerker der Nederl. Uitgave.
hoenderboek.
WITTE MINORKA'S.
Weledelgeboren Heer,
Gij wenscht een kort verhaal van mijne Witte Minorka's â Witte Roodvvang-Spanjaarden â voor uw belangrijk Hoenderboek. Ik begin dan TJ mede te deelen, dat ik ze sedert 1877 van een drietal gefokt heb, dat ik ze van den voor de pluimveefokkerij helaas te vroeg overleden landvoogd Köiu.er te Weiszenfels kreeg, die deze soort sedert jaren als het beste oeconomische hoen fokte. Dit drietal werd mij door mijnen onver-getelijken vriend direct van de tentoonstelling to Halle, waar het den eersten prijs behaalde, als dankoffer vcor mijn juist verschenen boek (eerste deel) toegezonden. Ik heb toen zorgvuldig verder gefokt, en ze vooral trachten te harden tegen vorst en ander slecht weder. Reeds dadelijk bevonden zich in den eersten kweek eene zwarte en eene gevlekte hen. Köiiler placht al dergelijke terugslagen te slachten. Ik liet ze loven, legde eenige eieren van de zwarte hen te broeden en verkreeg A n d a 1 u s i ë r s en één gevlekt hoentje (zie blz. 18 en 19 van mijn âHausgeflügelquot;). Hoewel mijne Minorka's geene winterlegsters zijn â ik gaf hun met opzet geen verwarmd hok â begonnen zij regelmatig in het begin van Februari te leggen en bezorgden mij per jaar nooit minder dan 1G0, maar soms meer dan 200 groote, dikke eieren. Hiernevens zend ik u 2 eieren van 79 en 84 gram, gisteren en eergisteren gelegd.
Mijne hoenders loopen 9 maanden van het jaar los in een groot grasveld, eenen moestuin en eenen boomgaard, en worden met de plak, waarvan zij het gebruik spoedig leeren kennen, van verboden afdeel ingen afgehouden â alleen een thans driejarige haan is niet te dresseeren â; ook in de 3 maanden, dat zij opgesloten zijn, krijgen zij dagelijks groen-voeder of beetwortels. Evenwel geloof ik, dat ze bij dat groenvoeder en over het algemeen afwisselend goed voeder weinig van hunne vruchtbaarheid verliezen.
Witte Minorka's zijn in onze streek, vooral op het platteland, tamelijk verspreid, daar ik met vele landlieden tegen gewone eieren, nakomelingen van mijne Minorka's heb geruild, om ze te kweeken. Allen zijn âzeer tevreden
240 IIOENIIEKBOEK.
met die mooie kippen, alleen zo willen niet broedenquot;, en inderdaad, nog niet ééne hen heeft daartoe kunnen besluiten.
Opvallend is de onevenredigheid tusschen de grootte der eieren en der henlien, want ze zijn uauwclijks grootor dan italiaansche hennen,
Eene beschrijving van deze huishoudelijk zoo hoog in waarde staande soort zal wel overbodig zijn, daar Gij die, Weledelgeboren Heer, mocht Gij ze noodig hebben, in mijne werken over pluimveeteelt kunt vinden.
Ik wil hier alleen nog doen opmerken, dat de roode wangen van tijd tot tijd witte vlekjes en puntjes vertoon en.
Geloof mij... enz.
Dn. E. Uai.damus.
Kobtinj, 20 Augustus 1883.
ANDALUSIÃRS EN MTNOUKA'S.
DOOR DEN IIKER ANDREAS RÃSS TE SCHWARTAU.
Eene tot vóór korten tijd in onze fokkerijen zelden gehoudene en daarom weinig bekende hoendersoort zijn de Andalusiërs en Minorka's. Eerst sedert 4 of 5 jaren is deze door groote eierproductio huishoudelijk zoo nuttige soort meer gezien geworden. Men heeft hare voortreffelijkheden leeren kennen; daardoor wordt ze meer en meer gevraagd en schijnt met recht eenmaal de plaats in te zullen nemen van de vroeger zoo hoog geprezen Italianen. De Andalusiërs, Minorka's en Anconas zijn slechts verscheidenheden van Spanjaarden; zij worden dikwijls, door het onderscheid in de kenmerken, als afzonderlijke rassen aangezien. Zij zijn ook niet zoo teer en gevoelig voor weersinvloeden, als de witwangige of eigenlijke Spanjaarden, eene reden te meer, die hunne huishoudelijke waarde verhoogt.
Eene meer uitvoerige beschrijving der Andalusiërs en Minorka's zullen wij hier nalaten, omdat die reeds in dit werk bij de beschrijving der Spanjaarden gegeven is. Omdat nu echter juist deze soorten in den laatsten tijd meer door liefhebbers gehouden worden,
HOENDERBOEK.
waarvoor hot meer herhaaldelijk optreden in tentoonstellingen spreekt; zoo gelooft Schrijver van dit hoofdstuk aankomenden kweekers van deze dieren eenige wenken te kunnen geven, door in de volgende bladzijden datgene mede te deelen, wat hem bij de zevenjarige teelt der Andalusiërs en Minorka's als merkwaardig is voorgekomen.
Hoewel bij deze fokkerij mijn hoofdoogmerk gericht was op de eischen der liefhebberij, werden toch nooit de voornaamste huishoudelijke eigenschappen verwaarloosd, en werd hierop telkens bij de keuze der teeldieren gelet. Bij deze richting in de teelt is de beroemde eierproductie volstrekt niet afgenomen, veelmeer is de waarneming gedaan, dat bij veredeling van het lichaam en het meer volkomen maken der raskenmerken, ook de eierproductie vergroot wordt, als verder al het noodige voorhanden is voor het welzijn der hoenders en voor het goed grootbrengen der kuikens.
De fokker, die de Andalusiërs en Minorka's uit liefhebberij houdt en teelt en exemplaren fokken wil, die aan de tegenwoordige eischen voldoen, en aan prijswaardige dieren gelijk gesteld worden, heeft met veel bezwaren te kampen. Het spreekt vanzelf, dat dit meer voor de Andalusiërs geldt, dan voor de Minorka's, omdat ze zulk eene moeielijke kleur hebben, en toch is de liefhebberij voor Andalusiërteelt de grootste. Werkelijk is dan ook een schoone, staalblauwe haan met donkerzwarte hals- en zadel-v eer en en eene trotsche gedaante een waar sieraad voor een hoenderhof.
Naar mijn inzien, gesteund op de resultaten mijner teelt, is de blauwe kleur ontstaan uit eene vermenging van zwart en wit. Vandaar dan ook, dat er b|j de nakomelingen van zuiver blauwe hoenders zooveel terugslag voorkomt in het wit, het zwart en het bont en niet het minst bij de 7\n-dalusiërs. Het is iederen opmerkzamen fokker bekend, dat bij het aanwenden van zuiver donkerblauwe dieren voor de teelt het grootste procentgehalte der jongen van jaar tot jaar lichter wordt. Dit euvel is alleen door herhaalde bloedverversching met zwartgekleurde dieren te herstellen.
Behalve het verkrijgen en het behouden van de zuivere staalblauwe kleur geeft nog het roode gezicht naast sneeuwwitte oorlellen veel moeite. Is het zuiver roode gezicht aanwezig, dan zijn de oorlellen dikwijls roodachtig; zijn deze zuiver wit, dan vertoonen de roode wangen zich, alsof ze geblanket zijn. Vooral de hanen krijgen dikwijls roode oorlellen. Door het vechten der hanen onderling, door eene wond door ijzerdraad of struiken,
1G
241
HOENDERBOEK.
ja zelfs door den invloed der zonnestralen kunnen de oorlellen wel eens plotseling rood worden. Zelden ziet men eenen Hjarigen haan, die zuiver roode wangen en zuiver witte oorlellen heelt. Daarom kan een oude haan met oorlellen, die een rood waas vertoonen, zeer goed voor de teelt gebruikt worden. Bedenkelijker is hot gebruik van eenen haan met wangen, die een wit waas vertoonen, en in geen geval mogen die gepaard worden met de witwangige Spanjaarden. Het is den fokker van Andalusiërs aan te raden, als hij zijne moeite goed beloond wil zien en eenigszins over ruimte kan beschikken, dubbele teeltoomen te houden. Alleen daardoor kan hij rekening houden met de verschillende individueele eigenaardigheden, en door aanpassing der teeldieren zooveel mogelijk gebreken wegmaken, waardoor hij zijn doel spoediger zal bereiken.
Van een zeker gebruik der teeldieren en eene geschikte paring hangen alleen de gevolgen af. Wien het uit gebrek aan ruimte niet gegeven is, verscheidene teeltoomen te houden, moet vooral daarop letten, dat zijne teeldieren in de voornaamste eigenschappen overeenkomen. Zulke kweekers moeten liever Minorka's houden, omdat bij hen wegens de eenvoudige kleur gebreken gemakkelijker weg te maken zijn. Het ligt voor de hand, dat in dit geval de haan, die als stamvader zal dienen, met nog meer zorg moet worden uitgezocht. Bloedverversching zal hier spoedig noodig blijken, daar de kweeker zelf niet in staat is, door eigen verwisseling verwantschapsteelt te vermijden. De paring van naaste bloedverwanten werkt bij Andalusiërs beslist verderfelijk. Niet alleen dat de neiging tot albinisme (witwording) sterk wordt, maar ook de schoone lichaams- en kamvorm gaat dikwijls verloren, en vóór alles vermindert de productiviteit. Bij het uitkiezen van het dier, dat voor bloedverversching dienen moet, moet met bizondere kennis van zaken te werk worden gegaan, zullen de gevolgen niet twijfelachtig zijn.
Het is hot best, eenen haan te nemen van eenen ouden, beroemden teeltoom, waarvan de eigenaardigheden bekend zijn en die overeenstemmen met die van den eigen toom. Ook de huishoudelijke waarde moet in het oog gehouden worden, zoodat ook daarnaar de keuze moet worden gedaan.
De keuze en samenstelling der teeltoomen geschiede op de volgende wijze: de haan moet in de hoogste mate alle raskenmerken vertoonen, de hennen daarentegen alle eigenschappen van goede leghennen. Wat de
242
Lithogr. u. Druck v. J. F. Richter, Hamburg
GOLDBANTAM.
HOENUERBOEIf.
liaan mist, moeten de hennen des te sterker vertoonen, en omgekeerd. Wanneer nu een teeltoom naar alle grondregels der teeltkeus samengesteld is, over eene groote ruimte beschikken kan, de dieren gezond zijn, en het hun niet aan goede, zorgvolle verpleging ontbreekt, dan zullen de gevolgen niet uitblijven. Ofschoon deze hoenders ook met eene kleine ruimte tevreden zijn, zijn ze toch dankbaar voor toegestane vrijheid, wat ze door een grooter aantal eieren te kennen geven.
Broedlust vertoont zich bij Andalusiërs en Minorka's zelden; mocht eene hen broedsch worden, dan is het beter, haar toch niet voor uitbroeden te gebruiken; ook is het beter, de eieren van zulk eene hen niet uit te broeden, om het goede legvermogen in het ras te houden. Eene eigenaardigheid is nog de taaiheid van de huid der eieren van deze soort. Het is raadzaam, om de kuikentjes het uitkomen gemakkelijk te maken, de kloeken te laten broeden op den blooten grond, of de eieren telkens vochtig te maken. Het grootbrengen der kuikens is volstrekt niet moeilijk, omdat ze snel in de veeren komen en niet gauw ziek worden, In enkele gevallen van zwakte in de pooten wordt die gemakkelijk bestreden door het mengen van basisch phosphorzure kalk in het voedsel. Het is goed, de kuikens vrij rond te laten loopen, vooral wanneer de dieren voor eene tentoonstelling zullen moeten dienen. De beste broedsels zijn van Maart en April, opzijn laatst die van Mei; zij worden het sterkst. Daar ze, totdat ze volwassen zijn, en dikwijls vóór den tweeden rui veranderen, oordeele men niet te vroeg over de waarde der dieren: reeds menige kweeleer heeft zich bedrogen door hierin te voorbarig te zijn geweest. Wie nu behalve het genoegen, dat een kweeker van zijne lievelingen heeft, ook op voordeel uit is, trachte Andalusiërs en Minorka's te fokken.
Door bovenstaande voorschriften te volgen, zal hij zeker tevreden zijn over zijne teelt en zijne onkosten spoedig gedokt zien door het voordeel, dat ze afwerpen.
21:!
hoenderboek.
OPMERKINGEN OVER HUISHOUDELIJKE PLUIMVEEFOKKERIJ EN OPSOMMING DER KENMERKEN DER MINORKA'S.
DOOR DEN HEER KARL PETERMANN TE ROSTOCK IN MECKLENBURG.
De meest onschatbare eigenschap der hoenders is ontegenzeggelijk de eierproductie; want ze neemt ongetwijfeld in de huishouding der mensche-lijke behoeften eene hoogere plaats in, dan de vleeschproductie, en toch wordt juist op het land de pluimveefokkerij nog dikwijls gering geschat, daar, waar toch tegenwoordig ook reeds angstvallig wordt berekend, wat noodzakelijk is of niet; de landbouwer leeft nu eenmaal over het algemeen nog altijd in den kortzichtigen waan, dat de pluimveefokkerij toch slechts een noodzakelijk kwaad is, zonder verder te bedenken, dat behalve de niet onaanzienlijke verkoopen der dagelijksche opbrengsten, ook zijne tafelbehoeften voor een groot deel daaruit geworven kunnen worden. Door dergelijke beschouwing wordt het productieve hoendervolkje onrecht aangedaan, vooral daar het op het land toch voor het grootste deel zijn eigen voedsel zoekt en alleen in den winter, als er sneeuw ligt, of als het vriest, een aandeel moet hebben in den oogst. Wil nu de pluimveefokkerij ook betrekkelijk grootere winsten afwerpen, wat toch minstens in dezelfde verhoudingen te bereiken is, als bij ander landelijk vee, dan is het niet genoeg, eenvoudig in den blinde kippen te houden ; eene pluimveefokkerij, berekend op grootere winst, verlangt veel meer eveneens eene voorstudie van het pluimvee, als het fokken van ander vee, en deze voorstudie wordt zeer zeker enorm verlicht, als men een hoenderboek te hulp neemt, dat op de hoogte is van zijnen tijd. Als grondbeginselen gelden hier, zooals vanzelf spreekt, o. a. het houden van productieve rassen of kruisingen; ook de ouderdom der dieren speelt eene niet geringe rol, en de hokken verdienen ten zeerste de aandacht.
Als bizonder uitmuntend legras zijn de Spanjaarden reeds sedert lang bij ons bekend en gezien; daarop volgde in 1869 de invoer van Italianen door Rumpf Auszeksihl. Het valt niet te ontkennen, dat de naturalisatie van de eerste op onze landelijke pluimveefokkerijen, vooral doorliet moeilijke grootbrengen der kuikens tegengewerkt werd, waarbij nog andere
244
hoenderboek.
bezwaren kwamen, dat daarentegen de Italianen, die bijna even taai zijn als onze veldhoenders, doch veel meer en veel grootere eieren leggen, bij ons snel het burgerrecht verkregen hebben. Als naaste verwanten der Spanjaarden komen vooral de huishoudelijk uitmuntende Andalusiörs en Minorka's hier ter sprake, van welke de fraaie, blauwgrauwe vogels der eerste soort sedert een tiental jaren, waarin wij ze het eerst op tentoonstellingen ontmoetten, door hunne indrukwekkende gedaante, maar niet minder door hunne goede eigenschappen spoedig algemeen verbreid werden ondanks de bezwaren, waarmede men te kampen heeft, om voorbeeldig fraaie dieren in de blauwe kleur te fokken. Veel eenvoudiger is de teelt der Minorka's, omdat de zwarte kleur veel gemakkelijker te kweeken en te behouden is. De Engelscben hebben ook bij de teelt van deze zwarte variëteit hun bekend meesterschap doen uitblinken en voeren bij ons heerlijke dieren in van matigen lichaamsbouw, waarmede wij den lezer hierna nader bekend zullen maken. In het bizonder verdienen hiervan twee toomen vermeld te worden, die als model dienden voor de groote plaat in dit werk, de zwarte Minorka's voorstellende. De eerste toom was tentoongesteld door den heer Marten op de tweede tentoonstelling te Lübeck, verwierf zich den bijval van alle kenners en ging daarop over in het bezit van Mevrouw de Baronesse von Stench,in te .Schwerin; uit de nakomelingen van dezen toom kwamen prachtige exemplaren van dit ras te voorschijn; de andere toom werd door den handelaar F. W. Schmidt te Flensburg direct uit Birmingham besteld en verwekte op de tentoonstellingen van Greifswald, Hamburg, Flensburg, enz., niet minder opzien; het leverde eveneens prachtige nakomelingen.
De Minorka-haan vertoont in tegenstelling met de hooger en slanker gebouwde Spanjaarden eene stevige, krachtige gedaante, met breede, naar voren gedragen borst, waarop de korte, sierlijk gebogen hals met goed geëvenredigden kop als met kunst geplaatst zijn; de indrukwekkende bouw wordt echter nog in schoonheid verhoogd door den diep en gelijkmatig ingesneden, grooten, enkelen kam, die bij deze soort in de hoogste volmaaktheid aanwezig is en met de lange, afhangende keellellen een van de schoonste sieraden van hoenders is. De keellellen, tie kam en het gezicht of de wangen zijn vuurrood, waarbij de zuiver witte oorlellen prachtig afsteken. De iris is levendig kastanjebruin; de matig afvallende
245
'24(J HOENDEHBOEK.
vug is kovt en breed; de flink opgehouden vleugels sluiten aan de punten aan elkaar; de bijna loodrecht gedragen staart is met fraai gebogen sikkel- en sierveeren versierd. De veeren aan de bovenzijde hebben eenen metaalachtigen glans, die ook bij de hennen zichtbaar is. Stevige dijen staan op een paar krachtig ontwikkelde pooten met uit elkaar staande teenen. Kleur der pooten en teenen blauwgrijs. Hoe ouder de haan wordt, hoe meer de wangen met witblauw worden overtogen, en hoe donkerder de pooten worden. Het temperament stemt volkomen met de gedaante overeen: vurig, uitdagend; de vorm van de hen past ook bij dien van den haan; hare hangkam is daarbij tevens bizonder ontwikkeld.
De geheele vorm der Minorka's herinnert veel meer aan dien dei-Italianen, dan aan dien der Spanjaarden. Ook de huishoudelijke waarde is veel grooter. De jonge hennen beginnen reeds zeer vroeg te leggen. Het gebeurde bij ons wel, dat vroegbroed-kuikens reeds op den leeftijd van i'U maand de eerste eieren leverden, en dit ondervonden ook andere kweekers. De eierproductie staat minstens gelijk met die der Spanjaarden; ook zijn zij slechte broedsters; hunne groote, witte eieren wegen (50 tot 7;) gram.
Over het grootbrengen kunnen wij ons ook zeer gunstig uitlaten, daalde bekende bezwaren, die bij de Spanjaarden in den weg staan, hiei niet voorkomen. Het gewicht van den volwassen haan bedraagt 3 tot '.VU. dat van de hen 272 tot 3 kilogram. Als tafelhoenders zijn zij niette versmaden.
Om al die redenen kunnen wij de Minorka's met volle recht als eene soort aanprijzen, die voor de huishouding van buitengewoon veel nut is en iedere pluimveefokkerij tot groot sieraad strekt. Het spreekt vanzelf, dat wij hier alle zoogenaamde Minorka's uitsluiten, die door inteelt of incon-stantie als zwarte verbasteringen van Audalusiërs te voorschijn komen, die dan ook meestal niet grooter worden dan veldhoenders en evenmin iets waard zijn, als de witte en bonte bastaarden van echte Minorka's.
IIOENDEH HOEK'.
OVER WITTE DORKINGS,
DOOK DEN HEER H. SïlJDM TE SIEGEN.
Van alle rassen, die ik gehouden en gekweekt heb, is geen mij zóó dierbaar geworden, als de witte Dorkings. Dit hoen verbindt mot zijn fraai uiterlijk: de kolossale, maar elegante gedaante, het helderwitte, volle ge-
vederte, de vuurroode, naakte deelen en de vleeschkleurige pooteu.....- eene
zóó groote vertrouwelijkheid, dat het spoedig de lieveling van den fokker wordt.
Ook zijne huishoudelijke eigenschappen verdienen bizondere vermelding: als mestkippen nemen de Dorkings ontegenzeggelijk de eerste plaats in, waartoe het kolossale lichaam, de fijne beenderen, de gemakkelijke en snelle vetmesting en het smakelijke, kortvezelige vleescli zeer veel bijdraagt. Echter vordert het snelle vetworden bij het voederen der leghennen groote voorzichtigheid, daar vette hennen niet alleen minder leggen, maar ook hiermede hetzij tijdelijk, hetzij voor goed ophouden. Daarentegen leggen matig gevoederde hennen zeer veel eieren, zelfs in den winter. Werden ze in den zomer niet zoo dikwijls broedsch, voorwaar, ze zouden voor de beste legsters door kunnen gaan. Maar als broedsters en moeders zijn ze onovertroffen. Door hunnen omvang en hun rijk gevederte dekt de hen een groot aantal eieren en broedt die met evenveel volharding uit, als ze later de kuikens met buitengewone opmerkzaamheid, trouw en zorg leidt. De vruchtbaarheid van den Dorkinghaan is zeer groot; ik vond bijna alle eieren van 7 tot 10 hennen, die bij éénen haan behoorden, bevrucht.
De kuikens komen snel in de veeren, groeien bij eenigszins goede verpleging evengoed, als die van boerenkippen en zijn tegen weersinvloeden goed bestand, als men ze maar in de prilste jeugd niet nat laat worden. De beste broedtijd voor Dorkings is April en Mei; hennen van dit broed leggen dikwijls reeds in November.
Ik moet hier nog van eene opgedane ondervinding gewagen. Ik heli namelijk bevonden, dat de eieren der Dorkings bij inteelt van geslacht tot geslacht kleiner worden. Mijne uit Engeland geïmporteerde hennen legden eieren van 75 tot 80 gram, terwijl die der nakomelingen tot op 50 gram
llOENIIEKliOEK.
verminderden. Daarom is herhaaldelijke bloedverversching noodzakelijk! Dat men hierbij niet te voorzichtig kan zijn, heb ik zelf tot mijn groot nadeel en tot mijne groote ergernis ondervonden. Terwijl de talrijke nakomelingen van mijnen ouden, van eenen bekenden engelschen fokker bestelden toom, met ééne enkele uitzondering, tot in het vierde geslacht allo raskenmerken volkomen zuiver vertoonden, moest ik bij het gebruik van eenen haan tot bloedverversching, dien ik van eenen engelschen handelaar als prima qualiteit kocht en betaalde, de droevige ervaring opdoen, dat niet alleen vele eieren onbevrucht, maar ook de nakomelingen niet meer raszuiver waren. Er waren o. a. bonte kuikens onder, ook eenige met enkelen kam en andere zonder vijfden teen, ot slechts van een klein stompje voorzien. Het is daarom aanbevelenswaardig, alleen bij vertrouwbare fokkers hanen voor bloedverversching te koopen.
OVER YOKOHAMA'S.
JJOOU DEiN HEER A. PROSCHE TE DRESDEN.
Van alle in de laatste jaren ingevoerde rassen is dit verreweg het meest sierlijke. Het werd in 1864 door den zendeling Girard uit Yokohoma naar den Jardin d'Acclimation du üois de Boulogne te Parijs gezonden, ik zag het daar in 18G9 en kocht eenen haan en twee hennen, die ik naar Dresden zond.
Zijne gedaante herinnert onwillekeurig aan het Maleische ras, met hetwelk het den bouw, de houding, het horizontaal dragen van den staart, den zeer kleinen kam, enz. enz. gemeen heeft. Bij nauwkeuriger beschouwing onderscheidt het zich wezenlijk hiervan door geringere grootte, edeler houding, maar vooral door het sierlijke voorkomen, dat veroorzaakt wordt door den langen, gestrekten hals en door den langen, vollen staart.
Hoewel strijdlustig van aard, is de Yokohamahaan lang niet zoo moedig als de Maleier, voor wien hij ook spoedig onderdoet, daar hij zwakker is.
De huishoudelijke waarde der Yokohama's beteekent niet veel; het zijn meer luxe-hoenders. Al is de hen eene uitstekendste broedster, zij legt
248
Ui
JIOENDEKKOEK.
niet bizonder en kan daarom volstrekt niet eene eerste plaats in onze fokkerijen innemen. Wel zullen deze dieren door hunne schoonheid en hun bevallig voorkomen steeds een sieraad uitmaken van eiken hoenderhof. In kleur en teekening verschillen de hanen nogal; het zadel is bij vele oranjegeel; maar ik heb er ook gefokt, die geheel chamoiskleurig waren en alleen witte sierveeren aan deu hals en eenen witten staart hadden. Ook geheel witte hanen heb ik verkregen.
In Japan, zijn vaderland, is dit hoen tamelijk algemeen verbreid en komt daar in verschillende kleuren voor: wit, bruin, zwart, euz. De roodbruine zijn daar echter de meest voorkomende.
Het grootbrengen der jongen is moeilijk; zij moeten, vooral in hunne prilste jeugd, zeer zorgvuldig verzorgd en vooral niet nat worden.
OVER MALE1EUS.
DOOR DEN HEER A. SCHOLL TE ÃETMOLÃ.
Hoewel de liefhebberij voor Maleiers in de laatste tien jaren iets toegenomen is, is ze toch over het algemeen weinig verbreid; want terwijl op bijna alle groote tentoonstellingen Cochinchina's en Brahmapootra's in grooten getale en in goede exemplaren vertegenwoordigd zijn, treft men Maleiers steeds schaars aan. En dit is des te meer opvallend, daar toch goede Maleiers door hunne trotsche houding, hun metaalglanzend kleed, hunnen valkenblik en zoovele eigenschappen, die andere hoenders missen, het oog boeien.
De Maleiers leggen slechts weinige en daarbij kleine eieren; dat kan intusschen voor den liefhebber geene reden zijn, dit ras niet te fokken, daar vele andere meer geliefde rassen in dit opzicht niet veel beter zijn, en ook niet om de eieren, of om het vleesch gehouden worden, maar alleen, omdat de fokker veel van de dieren zelf houdt. Men verwijt den Maleiers, dat ze strijdlustig zijn, en dat zelfs de hennen dikwijls op leven en dood vechten; dat verwijt kan gegrond zijn; toch zijn de dieren beter, dan de roep, die van hen uitgaat. De strijdlustigheid en volharding in den strijd zijn bij den Maleier groot; toch verdragen dieren, die aan elkander gewend
249
250 HOENDERBOEK.
zijn, elkaar zeer goed en zijn even vreedzaam, als die van audeie i.issen. Het is natuurlijk gevaarlijk, om vreemde exemplaren, ot zulke, die tijdelijk gescheiden geweest zijn, zonder voorzorgsmaatregelen bij elkaar te brengen, ontvleesde koppen, afgerukte sporen, verwonde pooten zijn steeds het gevolg daarvan, laat staan zelfs de dood van een der dieren; want aan uitscheiden denkt geene der beide partijen. Integendeel, de woede stijgt m het gevecht, hoe meer de wonden toenemen, zoodat dieren, die in het gevecht van elkaar genomen worden, geruimen tijd niet willen eten en steeds hunnen tegenstander zoeken. Te zamen opgegroeide eu aan elkander gewende hennen verdragen elkander zeer goed en zullen nooit vechten, tenzij men er eenen vreemden haan bijbrengt; want dan gaat gewoonlijk de geheele bende aan het vechten. Evenmin als bij elk ander ras, kunnen twee of meer hanen bij elkaar blijven. Heeft een fokker meer dan eenen haan, dan doet hij verstandig, daarvan verscheidene toomen te maken.
Ieder, die er meer dan eenen toom Maleiers op nahoudt, richte overigens zijne hokken zóó in, dat de dieren der verschillende atdeelingen elkander in het geheel niet zien; dat kan hij hierdoor bereiken, dat de loopen aan hun onderste gedeelte 0.8 tot 1 meter hoog door planken van elkander gescheiden zijn. Hierdoor vermijdt hij de voortdurende onrust der dieren en spaart zich zelf veel spijt over daardoor ontstane schade. Met deze voorzorgsmaatregelen laten Maleiers zich zeer goed houden, en er zijn weinig rassen te vinden, die door hun moedig voorkomen, hunne voortdurende waakzaamheid, hunne ten allen tijde trotsche, rechtopgaande houding zóó voor zich innemen, als goede Maleiers. Wij kunnen ze daarom iederen fokker, wien het minder te doen is om de eieren, dan om zulke dieren, die het oog verrukken, ten zeerste aanbevelen. Wat de bij de Maleiers voorkomende verschillende kleuren betreft, kan men daarover naslaan, wat in dit werk bij de beschrijving van dit ras is gezegd geworden.
De fokkerij der Maleiers is in zooverre eene zeer dankbare, dat goede teeldieren een groot procentgehalte goede nakomelingen leveren; de eigenschappen der ouders zijn gewoonlijk op de jongen erfelijk, zoodat het grootbrengen der kuikens veel genoegen geeft. Zij zijn in den eersten tijd teeder, en daarom is het raadzaam, niet al te vroeg te laten broeden, maar zich te beperken tot broed van April of Mei; later broed is niet aan te bevelen, omdat het zich bij het invallen van het koudere jaargetijde
IIOENDEKBOEK.
nog niet genoeg ontwikkeld hoeft, om tegen het gure weder bestand te zijn. Volwassen Maleiers zijn ondanks hun stijf aan het lichaam zittend vederenkleed volstrekt niet teer en hebben geen betere verzorging noodig dan andere rassen. Bij het grootbrengen moet men er alleen voor zorgdragen, dat men hun voedsel geeft, hetwelk eenen krachtigen lichaamsbouw verzekert, dus voedsel, dat een groot aschgehalte bezit en derhalve het geschiktst is voor de vorming der beenderen. En dit moet vooral het oogmerk zijn van kweekers, die de dieren niet in do vrije natuur kunnen laten rondloopen, waar ze alles vinden, wat ze noodig hebben.
Wat betreft de samenstelling der teeltoomen, kan niet genoeg aanbevolen worden, alleen zulke dieren te gebruiken, die aan alle eischen voldoen. Mocht eene of andere eigenschap niet in hooge mate ontwikkeld zijn bij den haan of bij de hen, dan is het noodzakelijk, dat die eigenschap in de hoogste mate bij het andere geslacht zichtbaar is, daar anders op eene goede nakomelingschap niet valt te rekenen, veelmeer op eene, waar zich die eigenschap nog minder vertoont.
Eerst na het strenge achtslaan op de raskenmerken kan men aan eigenschappen van schoonheid denken, zooals aan het fazantachtig gevederte der Bruine Maleiers, aan zuiver gele bekken der Witte, enz.
Om eene fraaie kleur en teekening bij de Bruine Maleiers te krijgen, is het niet absoluut noodig, gelijkmatig geteekende of gekleurde teeldieren te gebruiken; van eenen donkeren haan en lichtere, tarwekleurige hen komen zeer vele fraai geteekende kuikens, evenzoo van eenen lichten haan en donkerder hen. Daar intusschen de donkere kleur bij de Bruine Maleiers de meest gezochte is, moet men de teeldieren zoo donker mogelijk kiezen.
ONDERVINDINGEN IN DE FOKKERIJ VAN CHAMOIS-PADUA'S
OPGEDAAN.
DOOR DEN HEER II. BÃTTCHER TE COLDITZ IN SAKSEN.
Vóór alles moet ik den lezer doen opmerken, dat hij niet iets nieuws, of zelfs een wetenschappelijk artikel van mij kan verwachten. Ik zal mij streng aan het opschrift van dit artikel houden, om slechts zelf opgedane
HOENDERBOEK.
ondervindingen in mijne veeljarige teelt van enkel Chamois-Padua s te vermelden en het geheel in drie deelen neer te leggen, namelijk: de Cha-mois-Padua's in het algemeen, de teelt en verzorging en het nut.
De Chamois-Padua's in het algemeen behooren ontegenzeggelijk tot sieraad van elke pluimveetentoonstelling; ik spreek natuurlijk alleen van die, welke aan alle eischen beantwoorden, die men hun stelt, en niet van den eersten den besten toom gele kuifkippen, die helaas te dikwijls op tentoonstellingen den onverdienden naam van Chamois-Padua's dragen. De haan en de hen hebben voorname, kenmerkende verschillen in hun vederenkleed (zie bij de beschrijving der verschillende rassen), en toch stellen sommige kweekers eenen toom van gelijkvormige dieren tentoon! Bij het zien van zulk eenen toom kan men zich niet weerhouden eens hartelijk te lachen, en met recht. Doch ter zake, en thans over de teelt en de verzorging.
Het is niet voldoende, dat wij deze fraaie dieren in eenen welgeval-ligen, om zoo te zeggen nieuwverkregen vorm naar de tentoonstelling brengen, neen, wij moeten trachten, deze hoenders ook in den hoenderhof ot' fokkerij in eenen vorm te houden, die het oog verrukt.
Om dat te bereiken, mag men de hoenders niet vrij laten rondloo-pen, wat vanzelf spreekt, daar ze door hunnen grooten kuif, om zoo te zoggen, noch hooren noch zien kunnen. Men moet ze in eene omrasterde en van boven met vlechtdraad overdekte ruimte houden, waar ze volop groen te eten hebben en geen gelegenheid, om naar eenen mesthoop of andere plaatsen te gaan, waar ze zich vuil kunnen maken; verder moeten ze een oud tuinhuisje of een voorloopig opgesteld schuurtje hebben, waaronder ze zich voor regen kunnen verschuilen. De drinkbakken moeten zóó gemaakt zijn, dat zij hunne kuiven niet nat kunnen maken. Hierop moet men vooral letten; de kuiven droog te houden is de hoofdzaak; daarom moet men met zorg vervaardigde drinkfonteinen hebben. Eerst had ik groote glazen fonteinen, maar dit kwam te duur uit, omdat ze telkens braken; toen liet ik ze van zink maken, die duurzaam en praktisch bleken te zijn. Deze moeten een- of tweemaal daags, al naar gelang van het aantal hoenders of het jaargetijde, geducht uitgespoeld en eens in de week geheel schoongemaakt worden, d. i. men vult ze 's avonds half met zand, half met water, en schudt ze den volgenden morgen daarmee om; daar dan
HOENDERBOEK.
'snachts door het water de aanslag ten deele opgelost is, zullen zeeerder schoon zijn, dan wanneer men op eene andere wijze te werk gaat. Ook doe ik eiken morgen een weinig salicylznnr door het drinkwater. Neemt men deze voorzorgen in acht, zoo houdt men de hoenders niet alleen schoon in de veeren, maar men zorgt daarmee tevens, dat ze geene oogziekten krijgen: de meest voorkomende ziekte bij kuifkippen.
Ik fok deze soort sedert 5 jaren en heb er het grootste geluk mee gehad, zoodat ik mij veroorloof, mijne waarnemingen van deze teelt weder te geven.
Bij de samenstelling der teeltoomen ging ik steeds uit van de grondstelling, van het goede steeds het beste uit te kiezen en ben tot heden hierbij niet slecht gevaren. Wel is waar heb ik in den nieuwsten tijd gelezen, dat men, om de goede eigenschappen van een hoen op de nakomelingschap over te brengen, het met een ander moet paren, dat die eigenschappen in mindere mate bezit; maar hoewel ik gaarne gelooven wil, dat deze teeltkeus goede gevolgen kan hebben, is deze kleine omweg voor den fokker, die genoeg materiaal heeft, geheel doelloos. De echte fokker zal echter ook nooit tevreden zijn met de resultaten van zijne teelt; hij vindt de dieren nooit fraai genoeg; hij wil ze altijd nog fraaier hebben. Zoo moet het ook zijn; want als oen mensch over eene zaak tevreden is, is een eind gekomen aan het belang. Zoo ging het ook mij; want hoeveel Chamois-Padua's ik ook fokte, tentoonstelde en de hoogste prijzen daarmede behaalde, nooit was ik zelf over eenen toom tevreden: steeds vond ik er war, op te zeggen. Daardoor blijft de liefhebberij er in, en het geeft nieuwen moed om verder te gaan. Ik zou onwaarheid spreken, als ik zeide, dat ik tot heden één enkel hoen geheel onberispelijk gekweekt had, d. i. in den strengsten zin van het woord. Een voorbeeld: vóór twee jaren stelde ik in het buitenland eenen toom ten toon, waarover men in het tentoonstel-lingsverslag las, dat het voor eenen schilder niet gemakkelijk zou zijn, eenen toom nauwkeuriger in teekening te schilderen, en toch wist ik zeker dat de hennen in teekening verschilden. Zoo iets kan echter alleen de kweeker zien, die ze alle dagen onder de oogen heeft. De kuikens laat ik niet gaarne vóór de maand Mei uitbroeden ; ze groeien, evenals onze boeren-kippen, gemakkelijk en worden toch nog volwassen. Genoeg zorg kan men er niet aan besteden, en hoe meer zorg, des te beter groeien de kuikens.
253
254 HOENDERBOEK.
Vooral moet men ze des morgeus voor regen, vorst en itoude behoeden; dat bereikt men bet best hierdoor, dat men de kuikens van de oudere hoenders afzondert en voor hen een ander gedeelte van den tuin gereserveerd houdt. In de eerste vier weken houdt men ze in een hok, dat er uitziet als een broeibak van eenen tuinier, met een schuin dak, dat een venster heeft; in ieder van die hokken komt slechts ééne kloek met hare kuikens. Elk hok heeft eene deur, om uit- en in te gaan, dienaar eeue kleine afgesloten ruimte voert; op die wijze kunnen verscheidene hokken opgesteld worden; iedere kloek behoudt hare kuikens voor zich en kan bij slecht weder
schuilen. Des morgens mogen ze niet eerder losgelaten worden, dan wanneer de temperatuur het veroorlooft, en bij regenachtig weder kan een voorloo-pig dak over den loop geslagen worden. Zijn de kuikens hierin nu vier of vijf weken oud geworden, dan laat ik ze met gerustheid met hunne kloek vrij loopen, en iedere kloek zoekt dan 's avonds zelf haar hok op. Na weder eeii paar weken verlaat elke kloek vanzelf hare kuikens, en deze zijn dan aan zich zelf overgelaten. Nu moet de fokker zelf meer op de kuikens passen, vooral bij het gaan slapen, opdat ze niet al te vroeg in de hokken der oudere hoenders komen, waardoor menig krakeel ontstaat. De voedering is, zooals bij alle kuikens, in de eerste dagen hard gekookt en fijngemaakt eigeel, dan gierst, haverdegort, fijn wittebrood, tarwe, enz. Ik zorg steeds voor 'afwisseling in het voeder, om den eetlust er in te houden; dit is in de eerste vier of zes weken hoofdzaak; ook heb ik hier de gelegenheid, m de eerste weken voor het grootste deel versche mierenpoppen te voeren. Ik geloof, dat dit voor kuikens in de eerste levensperiode het beste voeder is' jammer, dat het tevens het duuiste is.
Nog moet ik een oogenblik stilstaan bij de groote plaag voor hoenders: de hoenderluis; wie ze eenmaal in de hokken heeft, wordt er zoo gemakkelijk niet meer van bevrijd, vooral als de hokken van hout zijn. Bij oudere hoenders mag het nog gaan, maar bij kuikens geven ze den fokker veel last- ze houden de dieren in den groei tegen, enz. Vroeger wist ik mets van'deze parasieten, totdat voor twee jaren deze plaag door eene vreemde broedhen in eens in mijn hof verscheen. Ik heb alle aanbevolen middelen beproefd, maar met weinig gevolg, totdat mij door eenen landman een zeer eenvoudig middel aan de hand gedaan werd, dat hierin bestaat, dat men de deelen der jonge hoenders, waar zich de luis hoofdzakelijk ophoudt.
. ^K/. Mil-J;
HOENDERBOEK.
namelijk kop en hals, met eemge druppels raapolie insmeert, waardoor de luis gedood wordt.
Nu is echter niet voldoende, dat de kweeker eenen fraaien toom bezit en daarvan fokt, neen, hij moet trachten, de raszuiverheid er van to behouden, en dit kan hij slechts door bloedverversching gedaan krijgen. Men kan bij het aankoopen van hanen voor bloedverversching niet voorzichtig genoeg zijn; want krijgt men daarvoor een dier, dat uitwendig alle raskenmerken draagt, maar niet van edele afstamming is, zoo heeft in den regel de fokker daarvan zeer veel verdriet, omdat bij de nakomelingschap de terugslagen der onedele afstamming zoozeer te voorschijn komen. Daarom kan ik ieder den raad geven, zich bij het aankoopen van hanen voor bloedverversching slechts te wenden tot vertrouwbare, beroemde fokkers en handelaren. De Chamois-Padua's zijn goede legsters; eene hen legt jaarlijks gemiddeld 110 tot 120 eieren. Zij broeden niet, of slechts zeer zelden. Ik kan ze natuurlijk niet als huishoudelijk hoen aanraden, daartoe hebben ze te veel zorg en verpleging noodig; ik beschouw en houd ze slechts als luxe-hoenders en ben overtuigd, dat, wie zich eenmaal met de teelt van deze belang inboezemende soort bezighoudt en zich die eigen gemaakt heeft, haar niet licht zal verlaten.
Ik heb nog iets over de bij mij voorgekomen ziekten mede te deelen, voornamelijk over de verschillende graden van snot, en daarvan had ik alleen te lijden bij dieren, die ik pas gekocht had, en bij die, welke ik van de tentoonstellingen terugkreeg. Ik heb verschillende tincturen daartegen aangewend, maar meestal met zeer weinig of geen resultaat. Lijdt een hoen aan het snot, dan brenge men het in eene droge, verwarmde ruimte; zit het snot aan het oog, zoodat het dicht en gezwollen is en er wit slijm uitloopt, dan neme men helder water, het liefst beekwater, losse daarin een zeker procentgehalte salicylzunr op, en met dit water wassche men eenige malen per dag de oogen met een linnen lapje. Men geve den patiënt geweekt voeder en vergete niet, ook in het drinkwater een weinig salicylzunr te doen. Heeft het snot zich tot in de keel uitgebreid, wat te hooreu is aan het rochelend ademgeluid, dan deed ik 5â6 druppels in spiritus opgelost salicylzunr in eenen eetlepel vol water en gaf dit alle twee uur in, en met het beste resultaat. Daarom raad ik iedereen bij bovengenoemde hoenderziekte dit eenvoudige salicylzunrmiddel ten zeerste aan, niet omdat
256 HOENDEKBOEK.
het veel goedkooper is dan alle andere, maar omdat het sneller en zekerder heelt.
Dit zijn mijne eigen ondervindingen op het gebied der Chamois-Padua-teelt, en mocht een beginner, liefhebber of kweeker hierdoor, al is het ook nog zoo weinig, gediend zijn, dan is het doel van dit opstelletje bereikt.
LA FLÃCHE'S EN GOUD- EN ZILVERPELLEN
DOOR DEN HEER DR. LAX TE HILDESHEIM.
De La Flèche's, wier vaderland Frankrijk is, behooren wel met recht tot de meest geliefde rassen, omdat ze eene statige gestalte hebben, een goed gebraad leveren en vele groote eieren leggen.
De beschrijving vinden de lezers op blz. 87 van dit werk. De kleur is zuiver zwart, met fraaien metaalglans. Op den kop mogen witte veertjes voorkomen; bruine en witte veeren op andere gedeelten van het lichaam zijn echter onvergefelijke fouten. Witte, blauwe en bruine La Flèches zijn tot heden nog niet als constante verscheidenheden gefokt geworden.
Als tafelhoenders staan zij met de Crèvecoeurs bovenaan. Van deze beide rassen leveren de haantjes van 5 tot ü maanden oud het smakelijkste gebraad; zij bereiken een gewicht van 3% tot 4% kilogram.
De La Flèche's broeden nooit. De fokkers van dit ras moeten dus, als ze niet kunstmatig broeden, Cochinchina's, Yokohama's, of kruisingen daarvan als broedsters houden, waarvan ze de eieren toch licht aan de
gele kleur kunnen herkennen.
Zij behooren daarenboven tot de beste legsters, daar ze gemiddeld 177 eieren leggen van gemiddeld 69 gram zwaarte. Dat is het resultaat van twaalfjarige ondervinding. Het gemiddelde gewicht zal wel hooger zijn, als men alleen de eieren weegt van 2- tot Bjarige hennen, wat ik bij mijne berekening niet gedaan heb. De eieren worden namelijk in het tweede jaar eenige grammen zwaarder.
hoendekboek.
Het grootbrengen der kuikens is over het algemeen op eenen drogen grond gemakkelijk en dankbaar. Zij moeten vroeg, zoo mogelijk in Maart of April, uitgebroed zijn. Broed van Juni en Juli is te laat: het wordt in de ontwikkeling gestoord.
Het eenige gebrek bij dit ras is, dat de broedresultaten niet zoo gunstig zijn, als bij andere rassen, waarbij meer kuikens uitkomen. Dit zal wel liggen aan de licht breekbare en betrekkelijk dikke schaal, alsook aan de eihuidjes.
De grootte der Pellen is die van onze gewone veldhoenders. De beschrijving vinden wij op blz. 110 van dit werk. Zij zijn goede leghennen, daar zij volgens mijne ondervinding jaarlijks 157 eieren van gemiddeld 52 gram leggen.
De kuikens zijn wat teer en kunnen vochtigheid niet goed verdragen.
De teelt der Zilverpellen is zeer moeilijk, daar het vederkleed, zelfs van het fraaiste ouderpaar, dikwijls bij de nakomelingen met gebreken terugkomt, terwijl dit bij de Goudpellen minder gebeurt.
GOUD- EN ZI liVERLAKENSOHE 11ANTAMS.
DOOR DEN HEER KARL IIUTH TE FRANKFORT AAN DEN MAIN.
Deze twee prachtige verscheidenheden van het Bantamras hebben wij te danken aan het vernuft en do vlijt van den beroemden engelschon fokker John Sebright, wien het gelukt is, deze heerlijke soorten te kweeken en constant te maken.
Goud- en Zilverlakensche Bantams dragen daarom den gemeenschap-pelijken naam van Sebright-Bantams.
Langs welken weg het Baron Sebright gelukt is, de van deze soort kenmerkende teekening der veeren te verkrijgen â elke veder hoeft namelijk eenen rand, en de randen der veeren vormen lijnen of banden â is tot dusverre geheim gebleven. Sebiuoht scheen tijdens zijn leven het vast besluit genomen te hebben, niemand eene verklaring te geven van de methode en het resultaat van zijne teeltproeven; onder het voorzitterschap van den
17
257
hoenderboek.
heer B. Sebright werd na zijnen dood de zoogenaamde Sebright-Bantam-Club opgericht, die zich speciaal ten doel stelt, dit nieuw gevormde onderras verder te teel en.
Onder deze gunstige omstandigheden hebben de Sebright-Bantams tot op den huidigen dag onveranderd hunne fraaiheid behouden, hoewel de slordige fokkerij van eenige onverstandige lieden ook dieren te voorschijn bracht, die meer op boerenkippen gelijken. In den kring der werkelijke fokkers en liefhebbers nemen de Sebright-Bantams echter steeds nog den eersten rang in, en het is nog geene andere krielsoort gelukt, hen op zijde te streven.
De beste maatstaf hiervoor is de prijs der Sebright-Bantams, die door geene andere soort bereikt wordt. Werkelijk onberispelijke Goud- en Zil-verlakensche Bantams behooren dan ook tot de edelste rashoenders.
Om nog eens terug te komen op de afstamming dezer kostbare dieren, in de hoop om eenmaal te ontdekken, welke kruisingen Sehhiöiit deed plaats hebben, zoo houdt do heer Robert Oettel te Görlitz het er voor, dat de Zilverpellen het grootste aandeel hebben in de prachtige bevedering der Sebright-Bantams. Dit wordt ten stelligste wedersproken door den beroemden natuuronderzoeker en hoenderkenner Du. Baldamus, die beweert, dat Sebright de Zilverlakensche Padua's gebruikt moet hebben voor de vorming zijner Bantams.
In allen gevalle is de meening van Dr. Baldamus de meest waarschijnlijke; want ik kan mij niet begrijpen, hoe men met Zilverpellen, waarvan geene enkele veer randjes heeft, maar vlekken. Bantams kan krijgen met randjes om de veeren.
Daarentegen zijn Zilverlakensche Padua's van alle hoenders deéénige, die randjes om de veeren hebben, en daarom is het hoogst waarschijnlijk, dat zij eene groote rol gespeeld hebben bij de vorming der Sebright-Bantams.
Doch de heeren liefhebbers zijn er volstrekt niet op gesteld, zich het hoofd te breken met het vraagstuk over het ontstaan der Sebright-Bantams. Het ras bestaat in zijne volle zuiverheid, en wie het zich ten doel stelt, ze te teel en, vindt goede adressen genoeg, om het gewenschte teelmateriaal te verkrijgen.
Bij de beschrijving der Bantams op blz. 127 van dit werk kan de lezer vinden, wat er van raszuivere Sebright-Bantams verlangd wordt. Het is
258
HOENDERBOEK. 251)
onnoodig, dit alles hier uitvoerig te herhalen. Alleen kan hier op enkele bizonderheden gewezen worden. Zoo geldt het sidderen van den hals, zooals de pauwduiven doen, voor bizonder fraai. Zoo moeten witte oorlellen wel het ideaal blijven, waarnaar een fokker streven moet; maar dat wordt zelden bereikt, omdat er bijna geen witoorige Bantams meer bestaan. Meestal hebben de oorlellen roode randen en soms zóó sterk, dat slechts in het midden nog een wit waas zichtbaar is. De moeilijkheid, om geheel witte oorlellen te verkrijgen, is oorzaak, dat daarop zoo nauw niet5 meer gelet wordt, en de juryleden geven tegenwoordig aan Bantams met roode
oorlellen even goed eerste prijzen, als vroeger aan Bantams met witte oorlellen.
Gewichtig is de algemeene teekening van do veeren. Goud- en Zilver-lakensche Bantams staan in dit punt gelijk; want van beide verlangt men, dat elke veer geheel in eenen zwarten rand staat. Dat geldt ook voor de slag- en stuurpennen. De rand moet smal, donkerzwart en groenglanzend 'Min. De vleugel- en staartpennen hebben meestal eenen zeer onvolkomen rand, vooral bij hanen, en daarom zijn fraai geteekende vogels, die aan die pennen slechts eenige zwarte vlekken in plaats van den rand hebben nog aannemelijk. Maar de hennen moeten, als ze voor fijn willen doorgaan, den rand volkomen hebben.
Ik heb gevonden, dat de rand van de veeren bij de Goudlakensche
constanter is dan bij de Zilverlakensche; de laatste hebben dikwijls in plaats
van den donkerzwarten rand eenen rand van fijne, zwarte puntjes, alsof er een zwart poeder op zat, wat den rand minder scherp doet uitkomen
Wat de zwaarte der Bantams betreft, mag een haan niet meer dan
66nG h6ii niet iii66r dan 500 grcirn wegen.
Hoewel de Goudlakensche met geelroode grondkleur eigenlijk meer vertoon maken en meestal ook kleiner zijn dan de Zilverlakensche kan men toch met zeggen, dat door liefhebbers in het algemeen hun de voorkeur wordt gegeven. Velen houden meer van de Zilverlakensche. maar hierin heeft ieder zijnen smaak. Als regel kan vastgesteld worden dat uit een huishoudelijk oogpunt de beide soorten gehjke waarde hebben.' Zij zijn goede legsters, broeden uitstekend en hebben een lieftallig innemend voorkomen. Men moet er vooral voor zorgen, dat ze vrij kunnen rond-loopen, anders zal men weinig vreugde van hen beleven; want als ze opge-
HOENDERBOEK.
sloten /.ijn, zien ze er nooit zindelijk uit en verliezen daardoor alle fraaiheid. Hebben ze daarentegen eenen tuin met een grasveld ot eene weide tot hunne beschikking, dan blinken ze letterlijk. Een droog, tochtvrij hok, dat zindelijk gehouden wordt, moet natuurlijk ook aanwezig zijn.
Bij dit ras moet men niet te weinig hennen bij eenen haan houden; acht hennen is niet te veel; daarvoor bestaat eene bizondere reden, die ook bij andere verwante krielen geldig is; de Bantams leveren namelijk gemiddeld veel meer hennen dan andere rassen, hetgeen men algemeen toeschrijft aan eene krachtige geslachtsontwikkeling van den haan.
Om hieraan tegemoet te komen, geeft men deu haan meer hennen dan gewoonlijk, en hiermede bereikt men zeker zijn doel, als men daarenboven er voor zorgt, dat het haantje niet te oud is. Van wetenschappelijke zijde tracht men dit verschijnsel hierdoor te verklaren, dat de hanen der wilde Baukiva-hoenders, waarvan de Bantams afstammen, de hevigste gevechten leveren, dikwijls mot doodelijken afloop; om in deze verliezen te voorzien, zoude men het als eene wijze inrichting kunnen aanzien van moeder Natuur, als het aantal der mannelijke dieren dat der vrouwelijke overtreft.
De door liefhebbers dikwijls aangeheven klacht over onvruchtbaarheid van den haan, die men ook toeschrijft aan te groote vreedzaamheid der hennen, heb ik bij mijne teeltproeven nooit kunnen gewaarworden. Mocht ze werkelijk hier en daar voorkomen, dan breng ik ze op getieel iets anders terug. Fijne Zilverlakensche Bantams zijn door de voorzorgsmaatregelen en angstvalligheden, die men bij het grootbrengen pleegt te hebben, veel te teer geworden en toonen daarom zelden die frischheid, die ze anders met onze veldhoenders zoo gemeen hebben.
In zulk een geval aarzele men niet: men laat ze onmiddellijk vrij rondloopen, voedere ze flink met vleesch en zij niet te veel bezorgd voor weersinvloeden. Bij die behandeling zal men spoedig inzien, dat er van gedeeltelijke onvruchtbaarheid geen sprake is.
Meer dan alle andere krielsoorten vertoonen deSebright-Bantamsneiging tot verbastering-
In de eerste plaats neemt men dit waar aan de zoogenaamde valsche te ek enin g der veeren; zij treedt dikwijls zóó sterk op, dat men in de jongen do ouders niet wedervindt. In plaats van veeren met scherp geteekende, zwarte randen komen veeren voor den dag met zeer lichte of zeer donkere
260
â Sir.'AJÃW;
MM IH»
»WïP
M^MMi
»PSi«IS
jSrA,;»....quot;;
HaMwP
IMWHH
r^wSB^ss?quot;'1
iWMM
lE.-I'E'C- /'
HOENDEKBOEK.
stippen, zoodat do geheele teekening ineengevloeid of verdwenen is; ook de randen der vleugel- en staartpennen ontbreken, en alle vreugde over het uitgebroede kroost is weg!
Hier wordt de âpluimveeliefhebberquot; op de proef gesteld! Het oogen-blik is gekomen, waarin hij moet bewijzen, of hij met recht zijnen naam draagt! Hij zou het liefst de geheele Bantamteelt er aan geven! Maar hij, die werkelijk wat tracht te bereiken en ware liefhebberij in de zaak heeft, mag in zulk een geval allerminst wankelen.
Volharding is en blijft bij rasfokkerij altijd hoofdzaak! Neen, deze mislukte proef moet integendeel voor iedereen een prikkel zijn, om nu eerst met volle ijver nieuwe proeven te doen.
Als er niet menschen geweest waren, met edele volharding bezield, waarvandaan zouden dan onze rassen gekomen zijn?
Verder heeft men te kampen met onvolkomen kammen. In plaats viin eenen fraai en rozenkam krijgen de hanen kammen, die puisterig zijn: de kam gelijkt op een hoopje roode wratten en komt in geene vergelijking met eenen echten rozenkam. Ook enk el e kammen komen plotseling, zelfs van de beste ouders, te voorschijn, zelfs van zulke, die door eenige geslachten heen zuivere rozenkammen hebben!
De meest voorkomende gebreken kunnen samengevat worden in het volgende: âAl te krachtige figuur, valsche teekening der veeren, echte sierveeren aan hals en zadel, echte sikkelveeren, geheel roode oorlellen, te sterk gekromde snavel, geen echte rozenkam.quot;
Over de beste wijze om Bantams groot te brengen, verschillen de inzichten zeer veel van elkander, en ieder haalt daarin zijne eigene ondervindingen als voorbeeld aan.
Dikwijls zoude het voor eenen beginner gemakkelijker zijn, zich de wenken en raadgevingen van eenen ondervindingrijken fokker ten nutte te maken, om daardoor veel leergeld te sparen â maar neen â meestal werkt hij voort naar eigen inzicht en zal eerst na zeer veel verliezen den rechten weg inslaan.
Het grootbrengen van Bantams is namelijk eene geheel andere zaak dan het grootbrengen van andere rassen; bij de laatste wordt er slechts op gelet, om de kuikens door goede voeding spoedig groot te krijgen, en dat
201
HOENOÃBBOEK.
ze vóór den inval van den winter den eersten rui achter don rug hebben.
Omgekeerd moet men met de Bantams te werk gaan. Deze moeten vooral klein blijven, en men moot dus naar middelen zoeken, zo in hunnen groei zoo mogelijk wat tegen te gaan.
Het voornaamste middel, om ze klein te houden, zoeken de Bantam-fokkers hoofdzakelijk in voortgezette inteelt; in de tweede plaats geven ze nauwelijks genoeg voeder en weinig voedzame kost, en in de derde plaats kiezen ze voor de teelt hennen, die hunne moederlijke plichten wat laat in het jaar nakomen.
Niemand zal tegenspreken, dat men met deze methoden de jonge diertjes klein houdt; maar het zal hem bij dergelijke proefnemingen ook duidelijk geworden zijn, wat het is, om iets te fokken met zulke regelen tegen allo gezondheidsprincipes in!
Wie denkt, bij het zien van pas uitgekomen kuikens van Bantams, niet onwillekeurig aan de zorg, de eerste voeding en de keuze van het voedsel'! Het ligt zoo voor de hand, deze kleine, zwakke schepseltjes dadelijk voedzame kost voor te zetten! Maar neen, de Bantamfokker moet consequent tegen deze natuurlijke ingevingen in handelen. Zijn streven moet van het begin af daarop gericht zijn, de ontwikkeling der kuikentjes niet te begunstigen, hoewel hij aan de andere zijde er op bedacht moet zijn, alles to doen, wat voor hunne gezondheid noodig is.
Hij staat dus met zijne verpleging tusschen twee tegenstrijdige grondstellingen in en komt daardoor licht in gevaar, aan eene der twee zijden to veel te doen; laten bij voorbeeld eenige kuikentjes de vleugeltjes hangen en blijven ze wat achterlijk, dan vraagt hij zich dadelijk angstig af, of dat niet het gevolg is van al te karige kost, en ontwikkelen zich do kuikentjes toch ondanks hunne geringe voeding goed, dan bevalt hem dat ook volstrekt niet, en gaat hij voort met minder voeding te geven, totdat aan zijne methode eene aanzienlijke schatting betaald wordt!
Wat dan nog van al zijne kuikentjes overblijft, hoeft recht op zijne schoonste verwachtingen; wanneer men echter bedenkt, hoeveel tijd, moeite en teleurstelling het gekost heeft, om een paar van die onberispelijke hoentjes te krijgen, kan men niet beweren, dat do Bantamtoelt tot de dankbaarste behoort!
En al deze dingen, welke in den goeden zomertijd nog eenigszins
2(52
hoenderboek.
goede resultaten kunnen geveu, moeteu ook in den herfst doorgevoerd worden! Het koele en weinig voor den groei der kuikens geschikte jaargetijde wordt, zooals gezegd is, juist gaarne gebruikt. Voegt men hier nog bij, dat de ouders van het groot te brengen broed misschien reeds door herhaalde verwantschapsteelt in hunne ontwikkeling behoorlijk gestoord zijn, dan moet men toegeven, dat het grootbrengen van fijuo Bantams gebonden is aan de meest gewaagde proeven. Nu zoude men mij kunnen tegenwerpen, dat het niet noodig is, de aangegeven methoden zoo tot het uiterste door te voeren; hiertegenover moet ik echter aan het feit herinneren, dat alle krielvormen de neiging hebben in hunne nakomelingschap steeds grooter te worden, en men dus om die reden geen middel ongebruikt moet laten, ze klein te houden. Dit. Bamumus wil overigens van deze herfstbroedsels niets weten; hij verklaart zich sterk tegen al die middelen en beweert, dat met het kunstmatig kleinhouden noodwendig afbreuk wordt gedaan aan andere eigenschappen. Hij beveelt daarom voor gunstige resultaten eene zorgvuldige keuze der teeldieron zeiven, waarbij behalve op de noodzakelijke raskenmerken gelet moet worden op eene zoo klein en zoo sierlijk mogelijke gestalte. Met deze voorzorgsmaatregelen meent Dn. Baldamus hetzelfde resultaat te moeteu krijgen en gelooft, dat geene der boven aangevoerde middelen gebruikt behoeft te worden. Het is hier de plaats niet, om na te gaan, met welke der twee methoden iemand het eerst zijn doel bereikt; maar in allen gevalle zal hij het verst komen, die de meeste middelen tot kleinhouding tot zijne beschikking heeft, en die vooral geleerd heeft, ze in de praktijk met voordeel aan te wenden.
De heer Whkioht, wien men zonder nadeel blindelings geloof kan schenken, noemt de Sebright-Bantams in den volsten zin van het woord âkunst-hoendersquot; en merkt hierbij op, dat behalve den eigenlijken rasvormer Sehkkuit, een zekere heer Hewitt geheel bizondere verdiensten heeft in het volkomen maken van deze variëteit. Deze autoriteit prijst bij de Sebright-Bantamhanen de neiging tot sikkelveeren en wil opgemerkt hebben, dat hanen met volkomen hennenstaart dikwijls geheel onvruchtbaar zijn.
In mijne praktijk heb ik hiervan niets kunnen bemerken, daar ik van mijnen voorbeeldigen haan zeer zelden onbevruchte eieren kreeg; ik heb dit reeds boven medegedeeld. Over de Sebright-Bantams maakt de heer
hoenderboek.
Hewitt nog de volgendo twee opmerkingen: âAls de dieren ongeveer drie jaar oud zijn, krijgen ze meer of min eene grijsgespikkelde kleur met wit vermengd en zijn daarom voor tentoonstellingen niet meer te gebruiken, boewei van zulke exemplaren nog zeer fraaie jongen te teelen zijn. Ten tweede kan als regel aangenomen worden, dat men van de bost ge-teekende ouders minder goede nakomelingen krijgt, dan van eene nauwelijks voldoende geteekende hen en eenen volkomen raszuiveren haan.
Ik voor mij ben op het punt van kleurveranderingen, die volgens den heer Hewitt in het derde jaar plaats grijpen, nooit zoo ver gekomen; want ik ging uit van het grondbeginsel, om voor de teelt haantjes en hennen te gebruiken van ruim één jaar oud. Zij gaven volgens mijne ondervinding de beste resultaten; in de eerste plaats wel wat betreft de grootte. Ook kies ik voor de teelt liever volkomen zuiver geteekende hanen en hennen, hoewel ik aan de waarheid van de bewering van Hewitt ~ ik heb het er niet voor over en ben er ook te angstig voor, hiermede proeven te nemen â niet den geringsten twijfel voed.
Thans wil ik eens inededeelen, hoe ik mijne Bantams fok. Vóór alles moet hierbij gelet worden op de plaatsing; verscheidene goed ingerichte hokken moeten ter beschikking staan. Verder een gedeelte van eenen tuin of een stuk grond, waarop men de kloek en kuikens vrij kan laten rond-loopen.
Men zal zich misschien verbazen, als ik tot kloek voor mijne Bantam-kuikentjes ten zeerste kalkoenen aanbeveel, en waarschijnlijk alle mogelijke bezwaren opperen over deze, ten opzichte der Bantams, kolossale dieion. Toch kan iic den lezer slechts verzoeken, eens de proef te nemen met
deze uitstekende moeders.
Heeft men nu aan de kalkoensche hen een flink aantal kuikentjester bescherming gegeven, dan moeten ze een ruim, licht, droog hok hebben en in eenen hoek eene oude stroomat, om tenminste niet op den kalen bodem te zitten.
In de eerste drie weken voed ik de jonge Bantams slechts met goede, gepelde gierst en versche miereneieren en laat ze, zelfs met fraai weder, niet vrij. Houdt men het hok zindelijk en luchtig, dan is dit veel beter,
dan ze te laten rondloopen.
Na drie weken geef ik fijngehakt, gekookt runderhart en in melk ge-
HOENDERBOEK.
weekte gierst. Als ze 4 weken oud zijn, laat ik zo niet de zeer zorgvolle kalkoen-moeder in den tuin los, en zoo ontwikkelen ze zich zonder noemenswaardig verlies.
Natuurlijk moet men zich, als de kuikens volwassen zijn, niet verwonderen, indien er onder de exemplaren cenige zijn, die hunne ouders in grootte verre overtreffen ; daartegen bestaat geen onfeilbaar middel; slechts wanneer vlijt, zorg en geduld samenwerken, en de fokker een zeer groot aantal kuikens heeft laten uitbroeden, kan hij op een werkelijk bevredigend resultaat neerzien.
TKELTUITKOMSTEN.
TJOOH DKN 11 EER J. M. NOACK TE DESSUNGEN BIJ DARMSTADT.
Met voorliefde teelde ik steeds krielvormen, daar deze in eenen tuin door hun vroolijk uiterlijk een sieraad zijn en ook door hunne neiging tot vliegen meer van ongelukken verschoond blijven. Hield ik daarenboven nog van tijd tot tijd het eene of andere groote ras, dan was dat hoofdzakelijk, om er door kruising den dwergvorm van te verkrijgen. Zoo kreeg ik van de groote Cochinchina's in drie jaren, tamelijk wel de zoogenaamde Peking- of Cochinchina-krielen. Helaas moest ik ze alle verliezen door hunne teerheid en door de legnood, die zich bij de hennen dikwijls openbaart.
Jarenlang fokte ik nagenoeg alle krielsoorten, terwijl ik er vroeger slechts 4 of 5 soorten van hield.
Om nu in het vervolg van mijne mededeeling op verschillende teeltuitkomsten te kunnen wijzen, geloof ik, dat het doelmatig is, eerst in het bizonder acht te slaan op de verschillende krielsoorten.
Van alle krielen fokte ik steeds met bizondere voorliefde de Goud-lakensche Bantams; ik stelde ze zelfs vóór de Zilverlakensche, hoewel de laatste door hunne scherp begrensde teekeuing het oog meer bekoren.
265
hoenderboek.
Hewitt nog de volgendo twee opmerkingen: âAls de dieren ongeveer drie jaar oud zijn, krijgen ze meer of min eene grijsgespikkelde kleur met wit vermengd en zijn daarom voor tentoonstellingen niet meer te gebruiken, boewei van zulke exemplaren nog zeer fraaie jongen te teelen zijn. Ten tweede kan als regel aangenomen worden, dat men van de bost ge-teekende ouders minder goede nakomelingen krijgt, dan van eene nauwelijks voldoende geteekende hen en eenen volkomen raszuiveren haan.
Ik voor mij ben op het punt van kleurveranderingen, die volgens den heer Hewitt in het derde jaar plaats grijpen, nooit zoo ver gekomen; want ik ging uit van het grondbeginsel, om voor de teelt haantjes en hennen te gebruiken van ruim één jaar oud. Zij gaven volgens mijne ondervinding de beste resultaten; in de eerste plaats wel wat betreft de grootte. Ook kies ik voor de teelt liever volkomen zuiver geteekende hanen en hennen, hoewel ik aan de waarheid van de bewering van Hewitt ~ ik heb het er niet voor over en ben er ook te angstig voor, hiermede proeven te nemen â niet den geringsten twijfel voed.
Thans wil ik eens inededeelen, hoe ik mijne Bantams fok. Vóór alles moet hierbij gelet worden op de plaatsing; verscheidene goed ingerichte hokken moeten ter beschikking staan. Verder een gedeelte van eenen tuin of een stuk grond, waarop men de kloek en kuikens vrij kan laten rond-loopen.
Men zal zich misschien verbazen, als ik tot kloek voor mijne Bantam-kuikentjes ten zeerste kalkoenen aanbeveel, en waarschijnlijk alle mogelijke bezwaren opperen over deze, ten opzichte der Bantams, kolossale dieion. Toch kan iic den lezer slechts verzoeken, eens de proef te nemen met
deze uitstekende moeders.
Heeft men nu aan de kalkoensche hen een flink aantal kuikentjester bescherming gegeven, dan moeten ze een ruim, licht, droog hok hebben en in eenen hoek eene oude stroomat, om tenminste niet op den kalen bodem te zitten.
In de eerste drie weken voed ik de jonge Bantams slechts met goede, gepelde gierst en versche miereneieren en laat ze, zelfs met fraai weder, niet vrij. Houdt men het hok zindelijk en luchtig, dan is dit veel beter,
dan ze te laten rondloopen.
Na drie weken geef ik fijngehakt, gekookt runderhart en in melk ge-
HOENDERBOEK.
weekte gierst. Als ze 4 weken oud zijn, laat ik zo niet de zeer zorgvolle kalkoen-moeder in den tuin los, en zoo ontwikkelen ze zich zonder noemenswaardig verlies.
Natuurlijk moet men zich, als de kuikens volwassen zijn, niet verwonderen, indien er onder de exemplaren cenige zijn, die hunne ouders in grootte verre overtreffen ; daartegen bestaat geen onfeilbaar middel; slechts wanneer vlijt, zorg en geduld samenwerken, en de fokker een zeer groot aantal kuikens heeft laten uitbroeden, kan hij op een werkelijk bevredigend resultaat neerzien.
TKELTUITKOMSTEN.
TJOOH DKN 11 EER J. M. NOACK TE DESSUNGEN BIJ DARMSTADT.
Met voorliefde teelde ik steeds krielvormen, daar deze in eenen tuin door hun vroolijk uiterlijk een sieraad zijn en ook door hunne neiging tot vliegen meer van ongelukken verschoond blijven. Hield ik daarenboven nog van tijd tot tijd het eene of andere groote ras, dan was dat hoofdzakelijk, om er door kruising den dwergvorm van te verkrijgen. Zoo kreeg ik van de groote Cochinchina's in drie jaren, tamelijk wel de zoogenaamde Peking- of Cochinchina-krielen. Helaas moest ik ze alle verliezen door hunne teerheid en door de legnood, die zich bij de hennen dikwijls openbaart.
Jarenlang fokte ik nagenoeg alle krielsoorten, terwijl ik er vroeger slechts 4 of 5 soorten van hield.
Om nu in het vervolg van mijne mededeeling op verschillende teeltuitkomsten te kunnen wijzen, geloof ik, dat het doelmatig is, eerst in het bizonder acht te slaan op de verschillende krielsoorten.
Van alle krielen fokte ik steeds met bizondere voorliefde de Goud-lakensche Bantams; ik stelde ze zelfs vóór de Zilverlakensche, hoewel de laatste door hunne scherp begrensde teekeuing het oog meer bekoren.
265
HOENÃEKBOEK. 267
JJe teelt der Witte Eugelsche Vechtkrielen met uilebaarden is oolc dankbaar, ofschoon ze meer aan verbastering onderhevig zijn; doch dit kan men vrij goed voorkomen, als men slechts de hennen, die daartoe noodig zijn, gebruikt. Over het algemeen klagen de fokkers, dat slechts een gering gedeelte der eieren bevrucht zijn; ik kan niet zeggen, dat ik daarvan in zeven jaren eenige ondervinding had; want van 10 eieren kwamen er altijd minstens 8 uit.
Ook teelde ik sedert jaren gewone bonte krielen met enkelen kam. Zi-' zÃn en komen in allerlei kleuren voor. De geheele lichaamsbouw is gediongener dan van andere krielen; de staart en halsveeren zijn langer, als ook de sikkelveeren van den haan. De beveering en kleur der pooteii veischilt zeer. De zwarte zijn de meest gezochte. De hennen leggen even goed als die der Eugelsche Vechtkrielen; de eieren zijn tamelijk groot; ik gebinikte ze voor de teelt der Peking-Krielen.
Als eeue der meest gevoelige soorten bleken bij mij in de teelt de kleine Japansche /ijdeveerkrielen, die ik uit Antwerpen outving. Zjj zijn wel de kleinste krielen, die ik keu, leggen slechts zeer weinige eieren eu wel met groote tusschenpoozen, zoodat men in het voorjaar slechts 10 tot 12 eieren krijgt, waarmede tevens de legtijd voorbij is. Het grootbrengen der kuikens was zeer moeielijk, en ik mocht van geluk spreken, als van de 12 eieren 5 uitkwamen. Om de kuikens in het leven te houden, voederde ik ze slechts met hardgekookte eieren met boekweit-grutten, en om den anderen dag met wat fijngehakt, gekookt vleesch. Do gele pootjes zijn zeer kort, nauwelijks S'/a cM. hoog. De veeren ziju zijdeachtig, eenigszins gekruld of gelokt.
Antwerpsche Krielen eu Koekoeksveerige Eugelsche Vechtkrielen hield ik ook, zij leggen beide goed en broeden goed; maar voor het leiden der kuikens zijn zij niet aan te bevelen.
Zeer vlijtige legsters zijn de drie meest voorkomende soorten van Eugelsche Vechtkrielen, en hunne kuikens hadden niet zooveel zorg noodig, als die van andere krielsoorten. Vechtkrielen zijn namelijk, evenals boeren-hoenders, zeer vlijtig in het zoeken van hun eigen voeder, waardoor ze eeue uitzondering op de andere genoemde soorten maken. Verder trachtte ik door kruising Peking- of Cochinchina-krielen te fokken, door in het eerste jaai eeuen niet al te krachtigen, maar goed gebouwden en beveerden
HOENDEKliOEK.
Cochinchiiiiiliaan to paron met doukevgele, krachtige Vechtkrieleu, en tegel ij kci'tijd eeneu donkeren Vechtkrielhaan te paren met zwakkere Cochinchinahennen. In het tweede jaar paarde ik de nakomelingen van de beide kruisingen, en wel, om sneller tot mijn doel te komen, eenen haan der eerste kruising met hennen der tweede, en eenen haan der tweede met hennen der eerste. Het spreekt vanzelf, dat ik hiervoor ook de meest geschikte dieren uitzocht. Evenzoo liet ik in het tweede jaar weer dezelfde kruisingen maken, als in het eerste, om in het derde jaar de kuikens der dubbele kruising weer te pareu met die der enkele, waarvan ik dan eindelijk de eigenlijke Peking-Krielen kreeg. Verder trachtte ik door kruisingen Yokohama-Krielen te fokken en bracht het ook tot'/«-bloed, maar was in deze teelt niet gelukkig, daar het grootste getal der Yoko-hamahanen, die ik hiervoor gebruikte, niet genegen schenen te zijn, met Witte Hollandsche Kriel- of met Zilverlaken Engelsche Vechtkrielhennen te paren. Onder het groot getal mijner hanen paarden slechts 2 met deze krielhennen, en wel slechts in den ouderdom van 1 tot 2 jaar. Daardoor was het zeer moeilijk, deze kruising en teelt door te voeren.
Het schijnt veel gemakkelijker, om van Phoenixhoenders krielen te krijgen, daar ze niet zeer krachtig zijn en daarenboven de neiging reeds hebben, om bij ieder broed zwakker te worden.
De Japansche Zijdeveeren, iets grooter dan alle andere Zijdeveeren, tel ik nog onder de kleinere hoendersoorten. Ik vond deze soort de minst teere onder de krielen, en de kuikens groeiden, in vergelijking met die van andere krielen, veel sneller op. Ik zocht voor de verdere teelt steeds die hanen uit, welke zoo intensief mogelijk blauwe wangen, kam en lellen, oenen fraaien, ronden, krachtigen rozenkam en eene groote kuif hadden. Zoo moesten ook de hennen er uitzien en sterk beveerde pooten hebben. Bij alle broedsels van dit ras waren steeds meer hanen dan hennen, ja zelfs was eens bij een broed van 12 kuikens slechts ééue hen aanwezig! De veeren waren steeds zuiver wit.
De Siamoesche Zijdeveeren zijn met recht slechts krielen. De veeren zijn meer geelachtig wit; de kam is enkel, rood, iets overhangend; en de kuif is onbeduidend; bij de hennen ontbreekt zij somtijds geheel. Wangen en keellellen zijn eveneens rood. De pooten zijn zelden goed bevederd. De staartveeren zijn bij haan en hennen goed ontwikkeld. Het grootbrengen
268
HOENDEKBOEK.
is moeielijker dan bij de Bantams; maar de kuikens zijn minder teer.
Ik moet hier nog van eene andere soort Zijdeveeren spreken, die ik van den Dierentuin te Luik kreeg, en die zich ook wezenlijk in gedaante van de andere onderscheidde. Zij waren klein, maar niet bizonder laag op de pooten; deze waren in verhouding tot het lichaam niet kort te noemen. De haan had eenen sterk ontwikkelden, enkelen, diep getanden, donkerrooden kam, roode wangen, roode keel- en oorlellen. Deze wai-en ook betrekkelijk groot. De vorm der staartvederen naderde dien der Cochinchma's, wat den vogel iets oorspronkelijks bijzette. De veeren waren zuiver wit; maar ze waren noch wollig, noch sluik te noemen. Deze Zijdehoenders waren ongemeen bewegelijk, maar toch zeer raak. De lichtleikleu-rige pooten waren zeer weinig en zeer kort bevederd. De hen legde vlijtig, en de eieren waren tamelijk donkerrood. Zij waren tegen alle weer en wind bestand, en ik herinner mij niet, dat er één ziek is geweest.
De gele Zijdeveerkrielen hebben de grootte en gedaante der gewone Krielen, donkergele, wollige veeren, die dicht op het korte, gedrongen lichaam zitten. De bevedering der pooten is tamelijk sterk. De hennen leggen lichtgele, rondachtige eieren. Het grootbrengen der kuikens is niet moeilijk.
De Krulveerkrielen zijn even oorspronkelijk als zeldzaam, evenals de vorige soort en werden omstreeks het midden van deze eeuw in Nederland, Belgié en Frankrijk gefokt. Dit onderras komt voor in bont en in geelachtig wit gevederte; alleen de laatste kunnen aanspraak maken op schoonheid. De randen der veeren zijn wit, en het overige gedeelte wordt tegen de schacht en de spoel hoe langer hoe donkerder geel. De veeren hebben niet dat vlokkige uiterlijk der groote Krulveeren, maar zijn regelmatig geplaatst en schelpachtig teruggebogen van staart tot kop. De staart wordt niet zoo hoog gedragen en ziet er uit, als die van gefriseerde pauwstaartduiven. De kam is groot, maar wel wat dun. De pooteu zijn tamelijk sterk bevederd en hebben laarzen. De hennen leggen niet vlijtig; het aantal eieren, dat eene hen in een jaar legt, bedraagt hoogstens 40 stuks. Het grootbrengen der kuikens gaat even gemakkelijk of moeilijk, als die dei-gewone Krielen.
Ik laat mijne hoenders in zelf vervaardigde broedhokjes broeden; het open gedeelte wordt met een houten traliedeurtje gesloten, zoolang de kip zit en wordt alleen opengezet, als de kloek eten moet.
2G9
HOENDERBOEK.
In elk hokje komt vóór het broeden eene vochtige graszode, die slechts met weiuig haver- of gerstestroo bedekt wordt, waarop de eieren gelegd worden. Gedurende het broeden wordt driemaal tabaksasch tusscheu de eieren gestrooid en wel op den eersten, den achtsten en den vijftienden broeddag.
Voor het grootbrengen der kuikens gebruik ik é'/a voet lange en 3 voet breede hokken, die door houten tralies in tweeën verdeeld zijn. De kleinste helft is voor de kloek, de grootste voor de kuikens. Aan de zijden zijn voor het in- en uitkruipen der kuikens een paar poortjes aangebracht, die met valdeuren kunnen dichtgemaakt worden.
Boven hebben deze hokken een venster, dat de geheele bovenzijde inneemt, en waardoor licht en zonnewarmte naar binnen dringt. Op warme dagen wordt dit venster iets verduisterd, en als het noodig is voor de luchtigheid opengezet. Op deze wijze heb ik het in do hand, de kuikens voor tocht en koude te behoeden, en al naar gelang van de weersgesteldheid en de temperatuur af en toe lucht toe te laten.
KRUIS1NGSP110EVEN MKT KIPFAZANTEN.
DOOll BARON STEFAN VON WASHINGTON OP SLOT PÃLS IN STIERMARKEN.
270
Het verkrijgen van bastaarden door de paring van fazanthanen met huishennen levert, zooals bekend is, geene bizondere bezwaren op, wat wel hieruit het best blijkt, dat het fokken van kipfazanten, zoogenaamde âcoquartsquot;, in Frankrijk met opzet en met oordeel plaats vindt. *) Het voortzetten van het begonnen werk daarentegen, hetzij dat daartoe door eene kruising der bastaarden met individuen der soort van een der ouders, of ook door de paring der bastaarden onderling den weg gewezen was, bleef door de volkomen onvruchtbaarheid der uit zoo heterogene menging
) Do nnnm «coquartsquot; wordt in Frankrijk ook aan honnon gogeven mot fnzantvoorcn.
HOENDERBOEK.
ontstane producten steeds zonder gevolg, en men geloofde daarom gerechtigd te zijn, de bastaarden van fazanten met huishoenders, evenals de meeste bastaardvormen, voor ongeschikt te houden zich voort te planten.
De mededeeling van een geval, dat met deze beschouwing in tegenspraak is en dat als een ontwijfelbaar feit op de uitnoodiging van den geachten uitgever van dit werk hieronder besproken zal worden, kan daarom niet alleen voor die der geëerde lezers, die dergelijke kruisingen reeds hunne bizondere opmerkzaamheid schonken, van belang zijn, maar ook den pluimveefokkers in het algemeen aansporen tot verdere proeven op dit natuurlijk nog duistere gebied, te meer daar de op onze pluimveefokkerij te slot Pöls iu Stiermarken ondernomen kruisiugsproeven door hunne gedeeltelijk bevredigende resultaten de mogelijkheid van eene âbastaardenfokkerijquot; volkomen vaststaat.
Voordat ik tot de bespreking daarvan overga, waarbij, om de voor den fokker meer gewichtige zijden der proeven beter te doen uitkomen, afgezien moet worden van de vermelding van vele, slechts voor de wetenschap belangrijke kleinigheden, wil ik in het kort een overzicht geven van de op het gebied der fazant-huishoen-kruisiugen tot dusverre gemaakte ondervindingen.
Niet alleen meer ot min getemde fazanthanen, maar ook volkomen in het wild levende hebben meermalen getoond, niet ongenegen te zijn met huishennen eene kleine verbinding aan te gaan, dikwijls niet zonder verbitterde gevechten met de gebieders van den hoenderhof, die toch, tenminste volgens onze ondervinding, zelfs bij zulke vechtersbazen, als bijvoorbeeld Yokohama's, steeds ten gunste der vermetele indringers uitvielen. Het is eene zonderlinge, maar vaste gewoonte der laatste, om altijd eene bepaalde hen met hunne liefdesverklaringen te vervolgen, eene zaak, die wij bij den aankoop van verschillende fazantsoorten, herhaaldelijk gelegenheid hadden op te merken. Zoo hield een zeer tamme goudfazant het steeds met twee Siameesche Zijdeveerkrielen, andere goudfazanten met Goudbantams, en een tamme zilverfazant hield zich steeds bezig met eene Patrijsveerige Cochinchinahen; dat hier of daar op deze hoogst opmerkelijke verschijning uitzonderingen waargenomen zullen zijn, willen wij gaarne aannemen.
De bastaarden nu van boschfazanthanen (P h a s i a n u s c o 1 c h i c u s)
271
hoenderboek.
en huishennen vertoonen volgens Hewitt in âthe Poultry Bookquot; (Uitgave van W. Tegetmeier te London 186(5. Gr. Qu. p. 165â167) gewoonlijk tamelijk overeenstemmend de volgende kenmerken:
âMeestal, zoo niet altijd, is aan de bastaarden een sterk overwicht van het fazantenbloed te herkennen; zeldzaam schijnen bastaarden voor te komen, die eene middenfiguur tusschen de beide ouders vertoonen, en eindelijk komen bastaarden, die meer haar de moeder aarden, bijna in het geheel niet voor. De bastaarden zijn altijd schuw, halfwild, liefst eenzaam levend, dikwijls ook in hoogen graad strijdlustig. Volgens Darwin werd aan dergelijke bastaarden herhaaldelijk een opvallende zucht tot broeden waargenomen, en wel even goed bij hanen, als bij hennen. De stem der hennen klinkt eigenaardig gebroken en krassend. De bastaarden kunnen zelfs tweemaal zoo groot als de moeder worden en zijn in allen gevalle veel sterker gebouwd. De vorm van den staart verschilt zeer; verlengde stuurpennen komen, hoewel niet al te dikwijls, meestal slechts bij de hanen voor, De staart wordt steeds samengeklapt en min of meer horizontaal gedragen. Kam, keel- en oorlellen zijn meestal slecht ontwikkeld, ontbreken somtijds zelfs geheel. De ledematen vertoonen zich bijna zonder uitzondering buitengewoon sterk ontwikkeld. Wat de kleur der naakte deelen aan den kop betreft, men heeft dikwijls bastaarden met een nagenoeg wit gezicht opgemerkt; maar de roode, ja zelfs de blauwe huidkleur aan den kop komt het meest voor. De kleur der veeren verschilt zeer, en gelijkt nu eens meer op die van den haan, dan weder op die van de hen; maar gewoonlijk is ze donker, donkerder dan die van de moeder. De bastaarden vertoonen zeer dikwijls eenen afschuw van paring, zelfs onder elkaar; over hunne onvruchtbaarheid werd reeds in het begin van dit opstel gesproken.quot;
Stemmen ook onze ondervindingen over den vorm, het karakter, enz., der fazantkippen in vele punten met de hierboven aangehaalde opgaven overeen, wij hebben toch in menig opzicht geheel tegenovergestelde resultaten mede te deelen, waarbij vooraf in het oog moet gehouden worden, dat onze kruisingsproeven juist niet met gewone boschfazanten (P h a-s i a n u s c o 1 c h i c u s), maar met de vertegenwoordigers van eene andere groep, met de goudfazanten (T h a u m a 1 e a pic t a) plaats hadden.
In Februari 1881 waren twee Cloudlakensche Bantamhennen nog opgesloten, terwijl een geheel vertrouwelijke, driejarige goudfazanthaan vrij
272
HOENDEKliOEK.
en huishennen vertoonen volgens Hewitt in âthe Ponlti-y Bookquot; (Uitgave van W. Tegetmeier te London ISöö. Gr. Qu, p. 165â107) gewoonlijk tamelijk overeensteinmencl de volgende kenmerken:
âMeestal, zoo niet altijd, is aan de bastaarden een sterk overwicht van het fazantenbloed te herkennen; zeldzaam schijnen bastaarden voor te komen, die eene middenfiguur tusschen de beide ouders vertoonen, en eindelijk komen bastaarden, die meer naar de moeder aarden, bijna in het geheel niet voor. üe bastaarden zijn altijd schuw, halfwild, liefst eenzaam levend, dikwijls ook in hoogen graad strijdlustig. Volgens Darwin werd aan dergelijke bastaarden herhaaldelijk een opvallende zucht tot broeden waargenomen, en wel even goed bij hanen, als bij hennen. De stem der hennen klinkt eigenaardig gebroken en krassend. De bastaarden kunnen zelfs tweemaal zoo groot als de moeder worden en zijn in allen gevalle veel sterker gebouwd. De vorm van den staart verschilt zeer; verlengde stuurpennen komen, hoewel niet al te dikwijls, meestal slechts bij de hanen voor. De staart wordt steeds samengeklapt en min of meer horizontaal gedragen. Kam, keel- en oorlellen zijn meestal slecht ontwikkeld, ontbreken somtijds zelfs geheel. De ledematen vertoonen zich bijna zonder uitzondering buitengewoon sterk ontwikkeld. Wat de kleur der naakte deelen aan den kop betreft, men heeft dikwijls bastaarden met een nagenoeg wit gezicht opgemerkt; maar de roode, ja zelfs de blauwe huidkleur aan den kop komt het meest voor. De kleur der veeren verschilt zeer, en gelijkt nu eens meer op die van den haan, dan weder op die van de hen; maar gewoonlijk is ze donker, donkerder dan die van de moeder. De bastaarden vertoonen zeer dikwijls eenen afschuw van paring, zelfs onder elkaar; over hunne onvruchtbaarheid werd reeds in het begin van dit opstel gesproken.quot;
Stemmen ook onze ondervindingen over den vorm, het karakter, enz., der fazantkippen in vele punten met de hierboven aangehaalde opgaven overeen, wij hebben toch in menig opzicht geheel tegenovergestelde resultaten mede te deelen, waarbij vooraf in het oog moet gehouden worden, dat onze kruisingsproeven juist niet met gewone boschfazanten (P ha-s i a n u s c o 1 c h i c u s), maar met de vertegenwoordigers van eene andere groep, met de goudfazanten (T h a u m a 1 e a piet a) plaats hadden.
In Februari 1881 waren twee Goudlakensche Bantamhennen nog opgesloten, terwijl een geheel vertrouwelijke, driejarige goudfazanthaan vrij
272
HOENDERBOEK.
rondliep. Het bleek spoedig, dat de goudfazanthaan met welgevallen telkens naar de kippen keek, en daarom werd hij tot proef' eens bij hen gezet. De volière, die dit trio tot verblijf' diende, werd toen, zoowel van binnen als van buiten, met jonge denneboompjes dicht beplant. De goml-fazanthaan leelde mot zijne twee gezellinnen in de beste verstandhoudingen pronkte zeer ijverig. Hoewel herhaaldelijk paringen waargenomen werden, scheen de proef niet tot gunstige resultaten te willen geraken, daar al de eerste dozijnen eieren onbevrucht waren. Eerst midden in den zomer, ongeveer in het einde van Juli, genoten wij de vreugde, uit twee broedsels, ieder van eeue der hennen, vier kuikentjes te zien uitkomen, die later een mannelijke en drie vrouwelijke bastaarden bleken te zijn.
liet donskleed was eenkleurig dofzwart, alleen op het voorhoofd was eene roestvlek duidelijk zichtbaar. De bek was donkerbruin, naar de spits meer in het gele overgaande. De pooten en teenen waren zwart, bronskleurig en opvallend sterk gebouwd; de iris was donker kastanjebruin.
Reeds in de prilste jeugd uiterst vroolijk en bewegelijk, groeiden alle vier de kuikens goed op en toonden, nauwelijks 3 weken oud, reeds zulk eene zelfstandigheid, dat, toen de nalatige kloek de bastaarden op dien leeftijd aan zich zeiven overliet, zij zich niet aansloten bij andere kuikens van dien leeftijd, maar geheel alleen in den tuin hun voedsel zochten en ook in de vrije natuur sliepen.
De volwassen mannelijke bastaard ziet er als volgt uit: do krachtige, op roodachtigwitte pooten rustende gestalte bezit geheel on al de type der Bantams en is slechts iets grooter dan eon Bantam haantje. De hoorn-kleurige bek is sterk en betrekkelijk lang. De kop vertoont alle aanhangsels der huiskippen zonder eenige verandering. In tegenstelling met den vorm vertoont de kleur en vooral de bevedering van het lichaam allerlei afwijkingen.
Aan den nek, den rug, de schouders en de vleugeldekveeren vertoont de bastaard een verschillend geschakeerd, glanzend goudbruin; keel, borst en onderbuik zijn geelachtig bruin gekleurd; iedere veer is daar met een glanzend zwart, halvemaanvormig vlekje geteekend. De slagpennen en de staart zijn groenglanzend, intensief zwart; de slagpennen der eerste orde zijn matzwart met bruine randen.
Wat de wijze van beveering betreft, valt dadelijk in het oog, dat
18
27:i
nOENPEUBOEK.
do schubvormige veeren, zooals die voorkomen aan den hals en het zadel dev Bantams, bij den bastaardhaan bijna geheel door lancetvonnige vee-ren vervangen zijn ; ook merkt men op, dat de hennenstaart der Bantams voor eenen sikkelstaart, al is het maar voor oenen met slechts twee paar sikkel voeren, plaats gemaakt heeft. De enkele sikkel veeren, die eerst in het tweede jaar hnnne volle lengte bereiken, zjjn opvallend smal en fraai half-cirkelvormig gebogen. Al deze van de beveering van den moedervorm afwijkende kenmerken zouden ook reeds te voorschijn zijn gekomen door kruising van verschillende Krielsoorten, en inderdaad kon aan den bastaardhaan slechts een enkel, maar dan ook zeer in het oog vallend verschijnsel waargenomen worden, dat direct op eene paring van verschillende soorten (in den zin der dierkundigen) wijzen moest. De eigenaardigheid, waarvan ik thans spreek, bestond hierin, dat zich te midden der halsveeren twee bevonden, die behalve in grootte volkomen geleken op halsveoren van Sonnerathanen (Gallina Sonneratü uit Achter-Indië en Java), en evenals deze niet alleen aan hun einde de eigenaardige hoornachtige spitsen droegen, maar ook door de volgorde der kleuren (zwart, geel. zwart), kenmerkend waren. Do twee met zulke hoornige spitsen of schacht voortzettingen voorziene veeren werden na den eersten rui niet door dergelijke vervangen ; maar de in hunne plaats te voorschijn geko-mene veeren waren aan hun einde eenvoudig wit gevlekt en hadden ook overigens niets bizonders, daar ze niet meer veelkleurig, maar evenzoo gekleurd waren als de overige halsveeren, namelijk glanzend goudbruin. Opvallend was het, dat na den eersten rui ook tusschen dezadelsierveeren zulk eene goudbruine veer met witte eindvlek te voorschijn kwam, zonder dat daar vóór den eersten rui ondanks nauwkeurig onderzoek eene veer mot hoornige spits gevonden was. Na den tweeden rui verdwenen ook deze witgevlokte veeren uit de hals- en zadelsierveeren.
Veel kenmerkender dan de bastaardhaan zien de bastaardhennen er uit, hoewel ze ook meer op Bantams, dan op goudfazanten gelijken. Zij vertonnen dadelijk den achteruitgang der kopaanhangsels; eene der drie heeft zelfs nog slechts een nauwelijks waarneembaar stukje van eenen kam! De sierlijke, buitengewoon smalle en tamelijk langgestrekte kop en de ook zeer slankgebouwde hals herinneren aan den goudfazant. Het lichaam, dat niet veel grooter is dan dat van Goudlakensche Bantams, ver-
274
HOENDERBOEK.
toont eenen meer sierlijken en meer buigzamen vorm. De vleugels worden, evenals bij den liaan, niet, zooals bij de Bantams, slepend, maar tegen het lichaam aangedrukt gedragen. Bij twee der bastaardhennen is de vorm en de houding van den staart zeer kenmerkend: hij is namelijk aanmerkelijk verlengd, en een der stuurpennen was 17.'5 millimeter lang. Aan het einde der overigens zeer smalle staartveeren is eene zwakke kromming zichtbaar, die hun het aanzien geven van de half cirkelvormige veeren van slechte Bantams. Van twee der bastaardhennen werden de stuurpennen vlak tegen elkaar aangehouden en bijna horizontaal gedragen. De derde hen daarentegen bood hierin niets bizonders aan. Wat de kleur der bastaardhennen betreft, moet in de eerste plaats vermeld worden, dat ze op kleine verschillen na bij alle drie bijna volkomen dezelfde was. De bek, de pooten en de teenen zijn donkerzwart, de iris kastanjebruin. De kleur der veeren is een mengsel van geelachtig bruin en zwart, dat in streepjes en vlekjes over het geheele lichaam tamelijk gelijkmatig verdeeld is; bier en daar neemt eene der kleuren duidelijk de overhand ; deze schijnt echter slechts uit tie verte gezien regelmatig; bij nadere beschouwing blijkt, dat iedere veer de beide grond kleuren vertoont, hoewel ongelijkmatig naast elkaar geplaatst.
Uit dit alles blijkt, dat het uiterlijk der bastaarden door het duidelijk overwicht van Bantambloed, ook bij nauwkeuriger beschouwing, zeer weinig aan hunne bastaardij herinnert, (leheei anders wordt het, wanneer men let op het karakter der dieren, op hunne gewoonten, enz. Reeds in hunue prilste jeugd vertoonden ze zich bewegelijk, voorzichtig, om niet te zeggen schuw. Ze komen nooit in de hokken, en duidelijk is hun streven, om zich aan de blikken van den mensch te onttrekken. Zij houden er van, om zich in de dichtste boschjes van den tuin op te houden en wel geheel afgezonderd van andere hoenders; deze hang naar afzondering vertoonden ze, zooals reeds gezegd is, reeds in hunne vroegste jeugd. Dikwijls ondernemen de bastaarden verre wandeltochten in het naastbij gelegen bosch, hoewel ze toch eiken avond terugkomen, en een boschje in den tuin opzoeken, in welks boomen ze, ook in den strengsten winter, overnachten. Worden ze zelfs licht gestoord, dan beginnen ze met wegloopen, en dit loopen gaat zóó snel, dat ze met het grootste gemak echte Bantams inhalen; worden ze vervolgd, dan maakt
275
HOENDERBOEK.
de mauuelijke bastaard terstond gebruik van zijne vleugels. Terwijl deze âeene stem lieet't als eene klokquot; en dikwijls kraait, hoort men van de vrouwelijke bastaarden slechts zeer zelden eeuige zeer vreemd klinkende, krassende of rochelende tonen; het kakelen van gewone kippen hebben onze bastaard hennen nog niet doen hooren. Strijdlust en opvallende bloedlust, die volgens andere beschrijvingen voor bastaarden kenmerkend moeten zijn, hebben wij aan onze exemplaren niet kunnen ontdekken ; toch mag niet vergeten worden, mede te deelen, dat de drie bastaard-bennen dikwijls door eigenaardige bewegingen, vooral als ze verontrust of geplaagd worden, eene treffende gelijkenis met fazanten vertoonen.
Hoewel zonder verwachting op eenig goed gevolg, werd in 1882, het jaar, dat op het eerste jaar van kruisingsproeven volgde, de kruising in dier wijze voortgezet, dat vóór alles de vruchtbaarheid der bastaarden beproefd werd, en wel zoowel onder elkaar, als met den moeder-vorm en naastverwante vormen; want eensdeels scheen deze richting of wijze van proefneming, van het standpunt van den pluimveefokker uit, de gewichtigste en de belangrijkste, anderdeels was het waarschijnlijk, dat dit doel langs dezen weg het snelst bereikt werd, mocht een resultaat verwacht worden.
Zoo werden dan 1°. de beide oudste bastaard hennen gepaard met een Zilverlakensch Bantamhaantje, 2quot;. de bastaardhaan eerst met zijne Jongste zuster, 3°. daarna met zijne moeder, en 4°. eindelijk met Zwarte Hollandsche Krielhennen.
De paring van den bastaardhaan en zijne zuster (paring nquot;. 2) scheen in het begin volkomen onvruchtbaar: geen der betrekkelijk groote eieren was bevrucht. Maar de proef mislukte niet! Onder ongeveer 40 later gelegde eieren bevonden zich 15 bevruchte, en van deze kwamen er helaas slechts twee uit. Van de 13 andere stierven de embryonen gedeeltelijk reeds in het laatste stadium.
De resultaten van paring nquot;. 1, 3 en 4, dus van echte hoenders met bastaarden, waren veel gunstiger, zoodat wij in het begin van den herfst van 1882 reeds ruim 30 bastaarden van de tweede generatie hadden; de beschrijving der individuen kan hier niet plaats hebben, omdat ze onderling zoo enorm verschillen. Ik bepaal mij dan ook daartoe, na eenige algemeene opmerkingen, de door ons voor verdere proefnemingen uitgezochte bestaarden der
276
HOENDEKBOEK.
277
tweede generatie te schetsen, al is het slechts vluchtig. Over het algemeen treedt bij bijna alle nakomelingen der bastaarden der eerste generatie, zooals begrijpelijk is, de Bantamtype nog sterker te voorschijn dan bij de ouders. De grootte en over het algemeen bijna ieder deel der bastaarden verschilt enorm. Het grootste gedeelte der exemplaren heeft bijna dezelfde grootte, namelijk die van gewone krielen ; eenige daarentegen worden bijna zoo groot als Pellen, en andere weder zijn ware dwergen en kunnen met Bantams van het fijnste ras concurreeren. liet valt op te merken, dat de grootte bij do mannelijke individuen veel grooter verschillen biedt dan bij de vrouwelijke, die bijna alle de grootte der ( ioudlakensche Bantams hebben. Kammen, kin-en oorlellen zijn bij alle hanen aanwezig, en slechts een enkel exemplaar vertoont hierin achteruitgang; bij de hennen ontbreken kin- en oorlellen dikwijls; kammen komen slechts als overgeblevene resten voor, maar ontbreken toch ook dikwijls geheel. Wat den vorm der kammen betreft, meestal zijn het rozenkammen; eenige dieren hebben hooge enkele kammen, die zelfs bij één exemplaar, eenen haan, naar ééne zijde overhelt. Het is kenmerkend, dat de meeste bastaarden, die achteruitgang in de kop-sieraden vertoonen, eene eigenaardig donkerblanwroode tot zwarte kophuid bezitten, wat de dieren er zeer vreemd doet uitzien. De wijze van beveering is onder die groote troep bastaarden ook zeer verschillend; er zijn zoowel henveerige hanen, als hanen met goed ontwikkelden sikkelstaart, en een groot aantal hanen zijn overgangsvormen tusschen deze beide uitersten, soms zeer merkwaardige, van welke ik slechts eenen bizonder kenmerkenden vorm schetsen wil. Deze bestaat hierin, dat de eigenlijke stunrpennen zeer sterk ontwikkeld zijn, terwijl de zwaardvormige sikkelveeren zóó kort zijn, dat hunne spitsen die der stunrpennen niet bereiken; het onderste paar sikkelveeren heeft daarenboven geheel en al de gedaante van do staartveeren der haantjes uit Nournberger speelgoed-doosjes. Hals- en zadelsierveeren vertoonen ook groote verschillen in den vorm der enkele veeren. De bij twee der bastaard-hennen der eerste generatie zoo eigenaardige, verlengde staartveeren hebben slechts eenige weinige bastaardhennen der tweede generatie overgeërfd ; zooging hot ook met de houding dier verlengde staartveeren. Alle bastaarden der tweede generatie munten uit door bizonderen glans en de meeste, ten minste de mannelijke, ook door levendige kleuren. De hennen der tweede generatie staan in dit opzicht met eenige weinige uitzonderingen
HOENDERBOEK.
278
achter de bastaardhennen der eerste generatie, alleen is de schaduweering van hnune veeren nog donkerder; ik heb zelfs eene hen, die geheel zwart is, zelfs de wangen zijn zwart. Vele der hanen dragen afzonderlijke tee-keningen, zoo heeft bijv. een tot op den zwarten staart na glanzend roodachtig, bruingekleurde haan, vlak bij de pnnt van elke slagpen, op het midden der buitenslag eene bijna volkomen cirkelronde, zwarte vlek. Het nestkleed van de bastaarden der tweede generatie had in de meeste gevallen dezelfde kleur, als die ik van de bastaarden der eerste generatie beschreef; maar vele kuikens misten de roode vlek op het voorhoofd, en de nakomelingen der onder elkander gepaarde bastaarden hadden bijna kanariegele nestveeren en op den kop een paar kleine, zwarte puntjes. De bastaarden der tweede generatie groeiden bi/,ouder snel op en geleken in hunne gedragingen sprekend op dc oude fazantbastaarden, alleen zijn zij nog schuwer geworden, en eenige dalden in het geheel niet, dat men hen nadert; ja, het is reeds voldoende, met haastigen tred op hen af te gaan, om zo op eens te doen opvliegen. Zij vliegen zeer goed en worden, zooals het schijnt, niet gauw moede. Dikwijls verheffen zij zich hoog in de lucht, om dan, geheel zooals wilde hoenderachtige vogels, vóór dat ze weer naar beneden komen, die eigenaardige zwenkingen uitte voeren, welke men op de jacht zoo dikwijls kan zien van fazanten on patrijzen. Ook in vele andere opzichten vertoonen zij in gewoonten veel overeenkomst met wilde hoenderachtige vogels. Zoo kropen, toen ik eens een juist uitgekomen broed van bastaarden naderde, de jonge diertjes direct onder de moeder uit en verscholen zich zoo snel mogelijk onder naastbijgolegen planken, steenen, enz., eene gewoonte, die kuikens van wilde hoendervogels hebben, om de moeder gelegenheid te geven, een naderend, dreigend gevaar te ontvlieden ; kuikens van huishoenders hebben dat instinct verloren. Eene proef, om twee toornen van onze bastaarden der tweede generatie in een uitgestrekt bosch te doen aarden, gelukte volkomen; zij waren na verloop van eene week geheel verwilderd en vlogen bij het gezicht van een mensch dadelijk in het dichtste gedeelte weg. Evenals de bastaarden der eerste generatie vermijden ook de nakomelingen daarvan alle andere hoenders, en vele leven geheel als kluizenaars; gewoonlijk echter blijven de verschillende leden van ééne familie, al zijn ze uit verschillend broed samengesteld, trouw bij elkaar. Uit het groote aantal bastaarden der tweede
ZWARTE ZEVENBERGSCHE NAAKTHALZEN MET KOZENKAM.
HOENDKKBOEK. 279
generatie werden voor proeven, in 1883 te doen, vier vormen uitgekozen, en deze wil ik nn trachten, kort te schetsen.
Voor de verdere tealt werden uitgekozen:
1°. De twee éónige nakomelingen der onder elkander gepaarde bastaarden der eerste generatie (paring nquot;. 2), die gelukkig een paartje bleken te zijn. Zij gelijken in gedaante op Engelsche Vechtkrielen, maar zijn ongeveer een derde grooter. De haan, die eenen hoogen, enkelen, iets overhellenden kam en goed ontwikkelde oor- en keellellen bezit, is niet henveerig, maar draagt in den staart drie paar zwaardvormige sikkelveeren. De onderzijde van den haan is geelachtig wit; de hals- en zadelsierveeren, de schouders, de rug en de vleugel dek veeren zijn glanzend stroogeel, op den rug en den zadel met eenen eenigszins roestrooden gloed; de halsveeren hebben ieder twee of' drie duidelijke, witte dwarsbanden. Do vleugels zijn wit, en er loopen twee zeer fijne, zwarte dwarsbanden over. De staart is glanzend zwart met groenen weerschijn. De bek en de pooten zijn blauwachtig, eu de iris is bruin. De hen, die op eene Engelsche Vechtkriolhen gelijkt, behalve dat ze iets grooter is en eenen korteren staart heeft, is aan borsten buik ezenzoo gekleurd als de haan, misschien iets donkerder. De nek en de geheele bovenzijde van het dier beeft op geelachtigen grond bruiugrauwe vlekken en banden. De staart is evenzoo gekleurd, maar hier treedt eeuo meer duidelijke teekening op, welke hierdoor ontstaat, dat do donkerbruine banden, die eenen intensief groenen weerschijn hebben, niet dwars, maar in de lengte over de vederen loopen, aan elke zjjde van de schacht één.
De zeer kleine kam heeft den vorm van eenen rozenkam. Pooten en bek zijn, evenals die van den haan, blauwachtig. Tot dusverre zijn van dit paar slechts twee kuikens gekomen, die in hun nestkleed er precies uitzien, zooals de ouders er in bun nestveeron uitzagen. Dat deze bastaardvorm zich slechts in zeer geringen graad vermeerderen zoude, was om meer
dan ééne reden te voorzien.
2quot;. De tweede teeltoom van de bastaarden der tweede generatie werd uitgekozen uit de nakomelingen van den ouden bastaardhaan met zijne moeder de Goudbantamhen (paring n». 3). Zij gelijken bijna geheel op de bastaarden der eerste generatie; maar de haan van dezen tweeden teeltoom is henveerig en zijn staart is niet geheel zwart, maar bruin en zwart gevlekt. De hennen gelijken op de goud fazant-bastaardhennen, maar zijn donkerder van kleur.
HOENDERBOEK.
8°. De derde teeltoom wordt uit de bastaarden gevormd, die uit de paring ontstonden van den bastaardhaan der eerste generatie met de Zwarte Hol-laudsche Krielhennen (paring nquot;. 4). Deze gelijken in hunnen vorm op Zwarte Hollandsche Krielen, maar zijn nog kleiner, en de haan munt uit door levendig gekleurd en glanzend gevederte. Zijne kleuren zijn lichter dan die van den ouden bastaardhaan; hij mist ook de zwarte borstvlekken. De werkelijk dwergachtige hen ziet er uit als eene echte Bankiva-h e n (Gr a 11 i n a f e r r u g i n e a G m e 1.) en niet als eene Goudlakensche Engelsche Vechtkrielhen.
Van den tweeden en derden teeltoom is het tot dusverre niet gelukt, nakomelingen te krijgen, daar de weinige door hen gelegde eieren onbevrucht bleken te zijn.
4°. De vierde teeltoom der bastaarden eindelijk was het gevolg van de paring van eenen Zilvcrlakenschen Bantamhaan mot de twee bastaardhennen der eerste generatie (paring nquot;. I). Do hanen van deze groep verschillen zeer in grootte, de sterkste zijn ongeveer zoo groot als I'ellen; de hennen zijn veel zwakker gebouwd. De moeste hanen bezitten goed ontwikkelde rozenkam-men, oor- en keellellen; de vrouwelijke individuen hebben gewoonlijk slechts weinig ontwikkelde of in het geheel geene aanhangsels aan den kop, en de gezichtskleur van alle tot deze groep behoorende exemplaren is donker, De staart is bij vele hanen geheel verschillend gevormd, maar sikkel-veeren ontbreken. Tot deze groep behoort ook do haan, wiens zonderlinge staart boven beschreven is. De kleur der voeren is zwart met oenen prach-tigen, lichtgroenen weerschijn en min of meer mot wit gemengd. Eenige der dieren hebben zulk een eigenaardig voorkomen, dat ze aangezien konden worden voor het grondmateriaal voor de teling van een constant rasâ als deze uitdrukking hier gebruikt mag worden â ook bestaat nu reeds gegronde hoop, dat eene proef in deze richting to doen en voort te zetten is, daar de vermeerdering van deze bastaarden buitengewoon bevredigend is, en er reeds een aantal nakomelingen zijn.
Ten slotte zullen wij de omstandigheden nog eens nagaan, waaronder, niet alleen volgens mijne eigene ondervinding, maar ook volgens die van vele anderen, het verkrijgen van fazautbastaarden het spoedigst geschiedt.
In de eerste plaats moet er op gewezen worden, dat men door de
280
HOENDERBOEK, 281
kruising van eenen fazanthaan met eene huishen onder alle omstandigheden lichter een resultaat zal verkrijgen dan omgekeerd, daar het genoeg bekend is, dat wijfjes-fazanten eenen schijnbaar onverwinlijken afkeer aan den dag leggen voor eene zoo onnatuurlijke paring met eenen gewonen haan, en dat deze tot de hoogste zeldzaamheden behoort. Fazanthanen daarentegen vertoonen dezen afkeer in veel geringeren graad, of zelfs in het geheel niet. Kiest men nu voor kruisingsproeven eenen fazant-haan, dan moet men er op letten, dat hij zoo tam en zoo vertrouwelijk mogelijk en aan het gezelschap van kippen gewoon is. Daarom zal men het best zijn doel bereiken met goud- of zilverfazanten, die reeds veel tammer zijn dan de overige soorten, welke nog weinig en eerst in den laatsten tijd ingevoerd werden.
De keuze der huishennen voor de kruisingsproef moet, om reeds vroeger gemelde redenen, geheel aan den fazanthaan ovei'gelaten worden, en hierin moet hij op den hoenderhof volle vrijheid hebben. Waar dit moeilijk is, kan men bij den fazant eenige hennen toelaten, daar het soms gelukt, hem op die wijze te dwingen, hennen tot zich te nemen. De eerste methode verdient in allen gevalle de voorkeur. Natuurlijk moot men den haan slechts hennen geven, of hem bij hennen toelaten, die óf nog nooit, of tenminste slechts door éénen haan getreden zijn. Eene volière geheel voor de proefdieren in te richten, zal wel altijd doelmatig zijn, maar is volstrekt niet noodig. Of men de eventueel gelegde eieren aan de hennen zelf voor het broeden kan overlaten, dan wel of men ze eene andere broedhen moet geven, moet op het oogenblik zelf uitgemaakt worden. liet grootbrengen der fazantbastaarden is, volgens onze ondervinding, steeds gemakkelijk en geschiedt zonder eenige moeite; zij groeien het best, als ze aan zich zeiven worden overgelaten.
R E G l S T E 11.
|
Illllllz. A Aimatekoljjk gnpon .... KIS Aderlftting .....1W AogyptiHclios Nuhn .... 118 AtViKamiBcli Zijdcliocn . . I'20 Alsnjjdon van den kam. . . 105 A ka Cliabo.......13i Albion (luim......9S Aleppohocn.......100 Alltngsloger ... ... 110 Alltagslogor (ünutHchor) . 107 Ambright.......H6 Amorikaansch Hoon .... rgt;8 Anicrikanisclica Zwergluilm . 130 Ancoim........72 Anoonahoon..............72 Aiulalusiër ... .72, 240, 245 Aiuialusiscli Hoon .... 72 Angers......S8, quot;.)(), lt;12 Antwerpscho Kriel . 14, 120, 267 Apoplexie.......1(!8 Ardennes (Poule des) . . . 125 Argontan (Poule d') .... 125 Arthège (Poule d') .... 125 Astrakaner llulm, .... 0!) A yam djalak......04 A yam idjoe.......04 B Bfihia-Mulin.......95 Hakies..................93 liankiva-hoon......280 1 ia ii tam 14, 80, 120, 127, 257, 205 Bantam argentó.....127 Bantam blanc......128 Bantam cilronné.....127 Bantam doré......127 Bartam noir......128 liarbanjBoh Hoen.....73 Barbezieux . . .... 88 Barndoorfowl......122 |
li 1 lilt A. linrthulm........117 Bauorhubn . .....122 liausbaokchon......117 Bavarian fowl......101 liédouines . . .... 124 Beenderbreuk..........102 Beenzwakto.......145 lieguni.........04 lieliöster Hollander .... 94 lielgian gaine......106 lielgisch Veelitboen ... 100 Bongaalach Kriel.....131 Bentam ........ 127 Bentham........127 Bentheim........127 Berberhulin.......73 Bergischer Kraher .... 73 liergiseher Sclilotterkamm. . 73 nergsche Kraaier.....73 Beroerte........167 Beschrijvingen dor rassen . . 53 liesmettelijke hoenderziekte . 168 Bevriezen van lichaamsdoelen, 154 Bevruchte eieren.....32 Bewaren van eieren .... 186 Bigs..........125 Billy beard.......105 Birchen yellow duck wing . 104 Birchen yellow game . . . 104 Birmah bantam . . . 130, 132 Bismarck-Iluhn......97 Black bantam......128 Black hamburgh.....108 Black Java.......00 Black pheasant fowl. . . . 108 Black reds......65, 103 Blaren aan bek en pooten. . 142 Blaufuss........124 Blauhuhn..............94 Blauw Belgisch Vcchthoen . 107 Blauwe Brahmapootra . . . 01 Blauwe Crèveeoeur ... 90 Blauw Kngelseh Vechtkriel 105 |
Hlmlz. ilauwe llollandsche Witkuif. 100 Blauwe Italiaan.....|H Blauwe Kraaikop.....94 Blauwe Na Motte.....114 Blauwe Langshan.....03 Blauwe Minorka.....72 Blauwe Padua......98 Blauwe Boodwang-Spanjaard. 72 Blauw Vechthoen . , 107 Blauw Vechtkriel.....105 Blauw Voshoen.....91) Blauwe Witkuif.....100 Bloedinmenging.....223 Bloedververschmg. . . 178, 223 Blue mottled cuckoo. . . 79 Blue shell........79 Bob maco shufflers .... 105 Boerenhoenders......122 Boerepellen.......||| Boheemsch Veldhoen. . . . 123 Bolstaart........lis Bolstaart Kriel. ... .118 Bolton.........lm Bolton buff.......M l Bolton gray.......Ill Bolton Huhn......110 Bolton I lull 11 (Deutschos) . . 107 Bonte Maleier......65 Booted bantam......130 Boschfazant.......271 Bosniër I luim......124 Bousse (Poule do) .... 125 Brabander.......9S Brabanter...... . 98 Brabanter Albino llulm . . 9^ Brahma........58 Brahma ardoigó.....01 Brahma d'Alford.....00 Brahma d'Alfort.....00 Brahma herminé.....00 Brahma invers..........60 Brahmapootra . 11, 29, 57, 58, 80 Brahmapoetrakriel .... 61 |
284
|
Bralimapootra..... liralinmpoulni..... liralimaputi'n..... linikol (Poule do). . . . lirandwondon..... lirasilianor..... lirassy wingod game. . liraziliaansch Hoen . . lireda........ liroda 131auliuhn . . . lireda fowl..... liresso ....... Brptagne (Poule do). . . lirilueus..... ISmodeieven...... üroeden (Over hot) . . Kroedmaehine van iiaumeier liroedmachino van Begulin Broodmachine van Storbeck Broedmaohine van Sulzor . Broedmachino van 'l'hym . Broedmachine (Electrische) Broedmothode van do Reaumu Broednesten..... Bvoodoven (Chineesoho). Broedovon (ICgyptische) Broodsche kip .... Bronchitis...... Bronsvlougelig Engolsch Voclit lioon........ Bronsvlougelig Voohthoon . Brown breasted rod game. Brown rods...... Bruges (Poule de) . . Bruine Hatigkam ... Bruine Kortpoot .... Bruine Maloior..... Buenos Ayros Hoen . . . Buil' oochinchine .... Buikvliesontstoking . . . Bunter Kranzosen. . . . Batch! Chabo.....
Calcutta's Nrtgerhulin . . . 121 Cambodgo.......03 Cambodge (Poule de) . . . 132 Campino........Ill Canada Kriel..........61 ('angai.........57 Canies llulin .... .118 Cap-Huhn..............120 Caprikukullo......110 Garnies-Huhn..........118 Catarrh en........102 (Janchoise................88 Caumont........00 ladz. 58 f)8 58 125 145 64 104 03 04 04 04 225 â¢125 05 30 217 100 107 200 107 10(1 202 â¢108 25 100 â¢103 24 146 104 104 103 103 106 73 03 65 110 56 144 â 106 134 |
Citronnó Bantam . . Chabo ...... Chalons..... Chamois Cochinchina j Chamois Hollandsehe Wit ^ Chamois Padua . . . Chamois Paduaner . . Chamois Witkuif . Chanker...... Checked bralimapootra. Cheshire game .... Cheshire pile game . . Chineesche broodoven . Chineesche Kriel . . . j Chinesiaches Huhn . . ; Chinesisches Wollhuhn . j Chitagong...... j Chittagong..... Chittoprat...... 1 Chokukukullo ... Cholera...... Chorionhuid..... Claiborns ...... Clippers...... Cochin bantam .... Cochin China . . . Cochinchina 10. 21, '20, Cochinchinaki'iol . . . Cochinehina's (Teelt dor Cochin-chine .... Coehinchino chamois Coloured dorking, . . Columbia...... Columbian fowl . . . Columbisches Huhn . Combat (Poule do) anglaisc Combat (Poule de) du Nord i Combattant du Nord. . ! Compènes Iluhn . . . Conkeys ...... Constant...... Constantiner..... Coq de Cambodge . . Coquarts...... Corals...... Cosaquo...... Cossacks...... Coucou d'Anvers . . . Coucou de France . . Coucou de Franco onibr Coucou de Hennes . . Coucou de Hennes ombr Coucou franjaiso . . . Coucou franijaise ombré Counterfeits..... County fowl..... lil' Courcelles (Poule de) . 02 |
iUail/. Culotto de velours . . . .107 D Dachshuhn......93, 133 Dachshuhn (Soiden) .... 120 Dan vors white......58 Dark pencilled brahnia. . . CiO Darmontsteking . . 118, 170 Darmuitzakking.....167 Dashoon........03 Diiszlehuhn.......130 Dermanyssus gallinao ... 172 Dermatophagus gallinnrmn . 172 Dermatoryotes mutans . . . 172 Deutsohor Alltngsleger . . .107 Deutsches Bolton Huhn. . 107 Diarrhee........140 Diphtheric.......160 Dominikaner.......80 Dominiques.......80 Donkere Brahmapoetra. . 60, 86 Donkere Dorking.....77 Donkere Dorking Kriel. . . 70 Donkerbruin Belgisch Vecht- hoen........107 Donkerbruin Vochtlioen. . . 107 Donkergeel Vechthoen . . . 101 Donkergele Cochinchina . . 56 Dooier .........35 Doornsch Hoen......05 Dorking.......13, 75 Dorking argentó.....78 Dorking blano......78 Dorking coucou.....70 Dorking Kriel......70 Drinkbakken ...... 20 Drinkfonteinen......20 Duifkriel........120 Duitsche Uilobaard . . . . 117 Duivclshoen.......110 Duke of Leeds fowl .... 65 Dumpies........03 Dunkle Brahmaputra ... 60 Dunkle Dorking.....77 Duns.........100 Dutch every day layer . . 110 Dutch fowl . .....110 Dutch pheasant fowl. . . 117 Dutch polands......100 Duvet (Poule a).....121 Dwarf fowl.......126 Dwerghoen.......93 E Edel..........2-.'O Edolhuhn........75 Egyptische broedovon . . . 103 Egyptisch Hoen.....118 Ei (Ontwikkeling van hot kuiken in het).......13 Ei (Samenstelling van het) . 34 Eierleggon (Over het) ... 21 Eierstokontstekingen. . . . 150 |
KEG I STEK.
285
Bladz.
Eierstokziuktci]......150 |
Kiorvreetstor....... 17 G-
Kilciilcrontstckitigon .... 150
luloidcruitzakking.....151 j Cinllimi lumiginou Gmol . .
Kiloidorziokton......150 ; Oallina gullus......
Eischaal........;14 üallina gallus x Meloagris
Eishuhn........1'24 i gallopavo.......
Eiwit.........:ii Gallina gallus albocristata
lilophantenhulm . . , . (i'J, 94
Elephantiasis.......100
Elsasser Hoon......123
iünlii'yn.......38â40
Emu fowl........57
281) 130
130 100 87 75
102 127 117 110
100
10' 09 91 112
09 03
109 1 17 109 107 101 101 109 130 87 87 112 105 150 125 125 1 125 125 79 125 129 100 105 129 119 119 119 119 119 119 104
03 Gewrichtsontstekingen Gezadelde Yokohama
121
126
120 01 99 77 85 05 274 105 105 102 05 108 130
I' asan Malaien .... Faisane (I'oulo) anglaise Fuisane (Poule) russo . Eusanenhuhn . . . , Eavusschimmol. . . .
I'avuaziekto.....
Fazanthoenders. . . . Eeatherlcgged bantam .
Flèohe (La).....
Fluchoise......
Florence-hoen . .
Fly fishers......
Foppen ...
I' ranraise (Coucou) . . Eran^aiso (Coucou) ombre France (Coucou do). . France (Coucou do) ombr Franscho Dorkings . . Eransche Koekocksveeron Fransehe Kricl.... Franzosen (Bunter) Franzosen lluhn . . . Franzosisches Zwerghuhn
Friescn. .....
Friesisches lluhn . . . Friesland low I . . . Friesland-lluhn. . . Frisirtcs lluhn .... Frizlcd fowl. . . , Furness game . .
Engelsche Kriel.....130
Engelsche Vechthoonders . . I0i2
Engelsche Vechtkrielen. 105, '200
Englisohes Gartenhuhn . . . IcO
Englischer Kampfer .... 102
Englisches Kampfhuhn. . . 10'2 Englisches Kukukshuhn . 79, 94
Englisches Hiesenhuhn ... 75
Englische Seidenhaarhiilinor . I'2()
Epaulettenhuhn.....1'24
Erdhuhn........lliO
Erfeljjkhcid.......220
Etensbak........10
Eulenhuhn.......117
Eulonhühijchon. . ,130
Everlasting.......110
Every day layer . . . . 110
andagavenis . . anglicana . . . anglicana belli-cosa . . . . bantamensis . . barbata . . . belgica. . , . bclgica bellicosa bcllicosa anglicana .... bellicosa belgica brahmaputra. . brovipes . . . cameracensis cochinchinensis. coraeina . . . crispa .... doininicensis doreinensis . . ecaudata . . . gigantea . . . hamburgensis hispanica . . . houdanensis . . italica .... lusitaniea. . . malayensis . . malayana. . . morio .... nana .... nana albomacu-
lata.....
nanaantwerpon-
sis.....
nana javaniea . nana Japonica . nana unicolor . patavina . . . phasinnoiilcs. . Plymouth Rockii pusilla .... â ramelslohensis .
â â rhenana . . .
â â rustica . . .
â - - sctacca
â â sibirica . .
â â turcica....
â â vocifcrans . .
â â VVyandotti . .
â â Vokoliamenais . Gallina Sonnoratii ....
Game bantam......
Game dandy.......
Game fowl.....
Gangeshoen.......
â apen
I üartenhulm
Iliad/,
Gascogno (Poule de). . . . 125 Gebrek aan eetlust .... 142
Gee dominiques.....105
Geelachtigbruine Javaanschc
Kriel.........130
Geelzucht........150
Geesthuhn ....... 124
Gehörntos Miibn.....(S7
Gelbe Entouflügel.....103
Gelderlander......94
Gelderlander......94
Gele Belgisch Voehthoen . . 107 Gele Cocliinchina. . 55, 58, 234 Gele Eendenvleugel . . . . 103 Golo llollandsche Kriel. . . 128 Gele Hollandsehe Witkuif. . 10(1
Gele mondzweer.....IliS
102 Gele Padua......13, 97
105 Gele puisten......108
58 Gele Ramelslohers .... 110
93 Gele Veehthoen.....107
89 Gele Witkuif......100
53 Gele Zijdeveer Kriel . . . 209 9i Gemuite Hollander . . . . 110 119 Gesattelte Jokohama. ... 00
80 Gesaumto Bantam.....127
75 1 Gesperberto Bantam .... 129 118 Gesperberto Dorking. . . . 79 031 Gesplitterte Hamburger. . . 110 Gesprenkelto Hamburger . . 110 Gesprenkeltes Silberhuhn . . 108
Gestiefeltes lluhn.....130
Getiipfte Hamburger. . . . 107
Gewone Kriel......207
Gewone Pel.......Ill)
Ginger reds.
131 Glashuid........39
Go-laighs........93
129 Golden dorking.....78
130 Golden mooney......108
132 Golden pencilled.....108
128 Golden pheasant.....108
95 Golden Sebright bantam . . 127
109 Golden spangled.....|U8
81 (iold gesplitterte» Hamburger l il
130 Goldhuhn....... . Ill
115 Gold-lluhn.......124
I 12 I Gold Kampfer. . ... 04
122 1 Gold laced bantam . . . . 127
Goldlack Bantam.....127
Goldlack Paduaner .... 97
Gold Sohleierhuhn .... 100
Gold spangled game, . . . I(H
Gold spangled polands . . . 97
Goldsprenkel......111
Gold l'upfcn Paduaner. . 97
Gondook........118
272 127,
. 157
. 00
Ghoondook.......118
. 10:i
Goudfazant Goudlakenschc Bantam 14,
257, 205.
Goudlakensche Bergsche Kraaier........
74
RKOISTKU.
286
lllildz.
lllmli'..
50 | Irisclios Hulm .... 00 Irliindischos Kragenhuhn
124 112 112 112
Italiaan......12, 85,
Italiener........
Italionisches lluhn ....
127
50 08 233 104 104 94 98 38 150 15ü 80
10 158
1
3
â¢1
133 120 132 lit'i 132 05
120 120 132
77 200 207 130 130 195 200 125
72 72 1 12 157
78 05
132
120,
2 1
152 I 20 120 57 120 35 118 â¢130 80
107 110
108 â¢*.07 107 107 110 110 107 111 107 110 112
lt;2 27 233 73 73 165 141 27 â¢158 158 05 91 118
129 97 119 23 29 138 100 124 105 105 102 102 01 50 104
129 95
118 134 118 118 â¢118
130 79 79
270 130 118
3 '
244
119
04
03
04 ;
Ulmlz.
Gouillakcnsclio Duitschc Ui-
loliaaid........117
Ooudlakensohe Kngolsclio
Voohthoen.......104
Goudlaltensohe Kngolseho
Veohtkriel.......105
Gondlakensclio Hamburger 13, 108 (loudlakensoho llollaiidsclie
Uilebaard.......117
Goudlakenscho Padua , . 13, 07
(loudlakeiiBclio l'ul . . . . 110
Cioudlakcnsche Voohthoen. . 104
Goudlakcnsoho Veohtkriel 14, 105
(loudlakensoho Yokohama. . tgt;7
Goud pel.......13, 250
Gournayo........00
Grauo Schotten......79
Gray fihanghae. .... 57
Grey dorking......77
Grootbrengen vim hoenders . 47
(Irouso coohin ............57
Grilnhuhii.......04
Grjjs lU'lgisoh Voohthoen. 107
Grijs Vochthoon.....107
H
liaan aan vorsohillendo goden
gewijd ... ... liaan iii do mythologie. . I laarhalswormen ...
Ilaarhuhn......
Maarvoerou......
Ilaarvoerigo Coclilnclilna . 1 laarveer-K riel . . . .
llagolsnoeren.....
Ilaies (Poule dos). . .
llalbhuhn......
lianibletoninn . . . .
llambourg.....
1 lainbourg erayonné . . llambourg doré .... 1 lambourg pailietó . . . llambourg papillutó . . . Hamburger .... 13, llamburgor (Gospiitterto) . Hamburger (Gesprenkelto).
Hamburger l'el.....
Hamburger Prachthiihner . '
Hamburgh......
Hamburgh (l'cnoilled) . . Hamburgh (lihenish). . . llanogevoehten bij deGrieke
I lanencieron......
Hanentoom......
Hnngkamhocn.....
1 langkam.......
Harde krop.....
Hardlijvigheid.....
Hart van hot enibrijo . .
Hartkwaal......
liartzakontsteking. . . .
1 laubenhuhn......
Ilaubenschloiorliuhn . . Hayes (Poule des). . . .
Heldergele Cochincliina.
Helle lirahmnputra . . Hellgelbo Bantam. . . iiollgolbo Coohinehina .
Helmhuhn.....
Hennentoom.....
Henny.......
Henny game.....
Hermeim Breda . . . Hermelijn Padua . . . Hersenbiazen .... Hersenziekten ....
Hoterakis......
Heurêka......
Hoenders (Welke) moet mei
zich aanschaff'on Hoendercholcra. Hoenderfokkerij (Geschiedenis
der) . .
Hoenderfokkerij in en om Hou
dan........
Hoenderfokkerij (Nut der). Hoenderfokkerij beschermd ei ondersteund door Ilegcerin
gen........
lloendorhokken(liirichtingdci
Hoenderpest......
Hoenderrassen (Eerste geïm
porteerde)......
Hoenderstapel in Frankrijk Hoendertyphoide ....
Hoendertyphus.....
Hoenderziokto.....
Hohenzollorn's lluhn. . .
Hollander.......
Hollander (Gemalte). . . Hollilndisches lluhn . . . Ilollandische Weiszhaube . Hollandscho Kriel. ... 1 Hollandscho Uilebaard . . Ilollandsche Witkuif. . .
Hollenhuhn......
i Holthiluser.....
Hoogstraeter lluhn . . Hoogstraten (Pol van) . Houdan (Hoenderfokkerij
en om)......
I Houdan.....12,
Huishoudelijke pluimvee-fol
kerjj . . .
Hüpfer. . .
Hurrican fowl
Incesttoelt.....
Indian game. . . . IndianischoB llalbhuhn Indisches llalbhuhn . Indisches Nogerhuhn. Indische» Steppenhnhn Ingewandswormen. . Inhalatiekastje . . . Inhalatietoestel .
Inteelt......
Kaapkriel .......
Kaisor VVilhelm's lluhn. .
Kafi'crhuhn......
Kakelen . . .... Kalkoen .... Kalkoen-Hoen ....
Kalkpooten......
Kalkutta-lluhn.....
Kam (Afsnijden van den' .
Kampt' Bantam.....
225 Kiimpfer.......
Kampfhuhn......
Kanada Kriel.....
Kaneelkleurige Cochincliina
Kanker.......
Kap-lluhn......
Kappenhuhn......
KarnicB-lInhn.....
! Katsura Ito No Cliabo . .
Kaulilrsche......
Kaulhuhn. . .... Kaulkarnics ......
121 Kendermagos.....
130 Kont-hoen......
152 i Kentfowl.......
147 Kipfazanten......
147 Kleines lluhn von Pegu 222 i Klomphoen......
Jngo (St) fowl ....
Japan liantam .... Japanoesehe Zijdeveer . Japanese bantam . . .
Japaneson......
Japanesisehes Dachshulin JapanesiseheB lluhn . . . JapanesischoB Seiden Dachs
hulin........
Japanesisehes Seidenhulm . .lapanesischos Zwerghuhn . Japanned dorking. . . . Japansoho Kriel . . 14, 131. Japansche Zijdovoer Kriel . Javaansche Kriel ....
Java Bantam.....
Java fowl.....
Java Kriel......
Jeddohoen ......
Jersey blue . . ...
Jersey fowl......
Jerusalem (Poule de) . . Jichtige gowrichtsontsteking John Catncarts colour . .
Jokohama.......
Jumper........
KEGI.STHH
287
Illmlz.
05 . 109 . 01 03, 2 49 . 03
51 129 ()i 04 219 192
108
88 . 120 . 134 . 109 . 130 30, 41
90 09 . 131
72
7'2, '210, 24i 100, 121 121 108 I 25
107
108 I118
127
05 250 112 114 104 108 125 122 i 1'gt;1 02 02 130 8 112 112 8 100 8 225 50 124 60
78
79 56 00 152
79 112 112 1 10 05 107 9 77 140 140 152 145 172 200
12, 87, '225,
88.
13,
Uliidz.
iCIümpui'........118
KliUliuhn........|1H
Kluutlioen.......118
Kocliiii-Chiiia . , ... 53
Kookoeksvoei' (Kransolio) . . 125
Koekocksveor van Renne». . 125 Koekooksveerige Uclgisoli
Vcclithocn.......1Ã7
Koükoeksveorige Cocliiiicliiim57,85, '235.
Kookooksveorige Dorking . . 79 Kookooksvecrigo Engelsche
Vcclithocn.......i()i
Kookocksvccrigo llnngknm 73 Kookooksvoerigo llollamlsclio
Kriel.........-129
ivockoeksvcerigo llollanclsclio
VV'itkuif .......100
Kookoekavccrigc Italiaan . . 113
Kockocksvccngo Kniaikop 94
Koekocksvccrigc Kortpoot. . 93
Kockocksvccrigo La Motte 114
Koekoeksvcerigo Maleier . 05
Kookocksvcfi-igo Minorka . . 7'2
Kookoeksvcorigo Nnnktlials I4Ã
Kockocksvccrigo Padua . . 98 Kockoeksvcerigo Rood wang
Spanjaard..........7'2
Koekocksvcerigc Vochtliocn I O'i I07
Kockocksvccrigo \\ itkuif . . I00
Kockoeksvcci'igc Wynndottc . 87
Kockocksvccrigo Yokohama . (W
Koppcnhuhn.......95
Korallcnhulin . , 108
Kortpoot...........93
Kortpoothocn ... 93
Kortpootig llocn.....93
Kraaikop......13, 94
Kragcnhuhn.......| '24
Kriihenhulm. ... 94
Krilhcnkopt'... . . 04
Kriihcnsclinahcl. . . 94
Ki'ilhcr ilbcr 'n lierg ... 73
Kraus'nuhn . . . 119
K rcolcn .... lil
Kricohcr ... ... 93
K riolen......I i . 120, 205
Kriclhocndcrs bjj Aristotclcs
cn Pliniu»..........|
Kroop . .............108
Kroepous diphtcrisclic ontsto-
Btckingen.......108
Kropzicktcn.......|{;4
Kruising.....177, 223
Kruisiiigsprocvcn met kipl'a-
zanteii.......'270
Krulvccr ......Ii9
Krulveer Kriel. . 119, 209
Krüpcr.........9i
Krupp-Huhn , 1 i8
Kugclhuhn.......118
Kuhlhulm.......118
Kuifkippcn......13
Kuiken(()nt\vikkcliiig in hetei) 33
Kuikenmi.......48
I.aced bantam Lady fowl La Flöcbe .
Lakenfcldor .
La Motte.......
Lancashire game.....
Lancashire niooney .... Landes (Poule des; . . .
Landhulin.......
Langshan.....12. 50
Langshan met bevcorde pooten Langshan mot gladde ponten Latchen Zwerghuhn .
Leghokjes ...
Leghorn ...
Leghorn fowl . .
Legnesten. . . .
Lcgnood .....
Lcgton.....
Lc Mans.....
Lemon coehhicliine Lorchonkamm lluhn Lichte iiruhina|)octra J.iohto Dorking. . .
Lichte Dorking Kriel Lichtgele Coehincliina liight brahma . . .
Lintwormen ...
Little dorking . .
Livorno llocn .
Livournc (l'oulo de).
Lockenhuhn .... ijombardischcs lluhn Longontsteking. . .
Loop of ren. . .
Lord IliU's colour. . Luohtpjjpoatarrhc. . Luchtpijpontsteking . . 14quot; Luchtpjjpwormen ^Gepaarde) Luchtzaknnjten ...
Luixcn.........
Luxehoenderhokken . . Luxe-hok van Karon von ülni-
Krbaeh........211
Luxe-hok van dr. Trnun . . 210 Luxe-hok van Graaf Kuno . '2Ã7
M
Malaio.........63
Malaischer Kiimpfcr .... 03
iMalaischcs Kampfhuhn. . . 03
Malaischcs liothos Kampfhuhn 03
Kuikcnvoodoi' . . . Kukuckshiilinchcn Kulm llaushulm . .
Kulm fowl .... Kunstmatige teeltkeus Kunstmatig uitbroeden Kwaadaardige sljjmhuid-ont stekingen......
Malaisches Schucken Kampfhuhn......
Malayen (1'asan) .
Malay's rangoon fow
Maloiers.....12,
Maleisch Hoen .... Malciseh Strijdhoen Maleisch Vcclithocn Manohettes . . .
Mans (Lo) . . .
Marocco Hoen Ma Siro Chabo Mazarines. . . .
Melcagris gallopavo Mcmbrana lucida .
Merleraux .
Alexicanischos lluhn MilleHcurs. . . .
Minorca ....
Minorka . . .
Mohnsperher . . Mohrenhuhn. . .
Mondzwcer . . .
Mongrels ....
Moon ey . .
Mooney (Golden) .
Mooney (Lancashire Moorenhoenders .
Mooshulin. . . .
Moskauer lluhn Motto (La) .
Mozambiu fowl. Muschelhiihncr . .
Mjjtcn.....
Naakthals.....
Nackthals.....
Naino ... . , Xaino (Poule) blanche Xaino (Poule) noire . Nangasaki liantam Nangasaki fowl. . . Nangasaki (Poule de) Nankin Bantam . . Nankinkleurige llantan
Napoleon.....
Napolconhoen . . Natuurlijke teeltkeu-Navelstreng ....
Neger ......
Neger liolstaart . . Neger llaarveer Kriel Negerhoon .... Negerliuhn .... Neger /ijvcer Kriel Nègro (Poule) . .
Negro fowl .... Nierziekten .... Nieuw aangekomen lioem
(Behandeling der) . Niezen ....
Normandy fow 1 Normiinncr ....
N
13,
UEGISTEK.
288
HlilllK. . id . I'25 1
. 181
li
hul/.
07 '208 05 00 04 147 81 108 95 104 100 100 100 91 100 100 100 95 100 '200 181
131 09
1 '25 130 1 '21 04 7-2 94
87 80
1'25 1-25
88 04
P25 I '25
04 1 '25 100 139.
90 88 88 118 10'2 100 125
89
05
I '25
90 04
94 !
II '2 I 73
III 04 73
112 04 ! 90
132 I 53 I
95
105 lt;)4 3-2 '2 111 17-2 148 15«
In
143 K)8 '108 119 64
97 97 97
97 100
98 95
111 95 98 95 â¢2-20 57 95 '23-2
105 114
130 114 105
117 89 95 57
'207 110 107 110 77 110 119
118 119 â¢158 '271 107 117 409 , 67
11
130 107
I'udouo urgenteo.....
I'adouo chamois nmilléo . . l'adoue chamois uni .... I'adouo dorce .... Padouc hollnndaisc . .
l'adoue pérince.....
l'adoue (1'oulo do) ....
Padua.....13, '23, 95,
l'adua mit Krohnhaubc. . . Padua mit Stehhaubo . . .
Paduaner.....
Paring.........
Partridge cochin.....
I'atavinisches lluhn .... l'atrjjsveerige Cochinchina 57, l'atrjjsveerigeEngclschoVecht-
kriel.......
Patrjjsveerige Italiaan . Patrjjsveerige lavaansche
Kriel.......
Patrijsvecrige La Motte. I 'atrijsveerige Vechtkriel Pausbiickchen .... Pavilly... ... I'cguanisches lluhn Peking Bantam. . .
Peking Kriel ...
I'el.........
I'el (Hamburger) . .
Pel van Hoogstraten. . Pencilled dorking. . . , Pencilled hamburg!) . . .
Perser . .....
Persian fowl......
Persisches lluhn . . 95, 11
Pest........
Phasianus eolchieus . . .
Pheasant fowl.....
Pheasant fowl (Dutch) . Pheasant fowl (Russian) . Phoenix...... 11
Old uicks........
ülifuntslioen.......
Onbevruclito eieren ....
Onderras......
Ongedierte.....
Ontsmetting.....
Ontsteking van bet hurtezakje. Ontwikkeling van het kuiken
in bet ei.......
Ooglidontsteking.....
Oogontsteking .... 14H, Oogsnot . . ... Orientaliscbes Schattenhulin . Ostrich fowl.......
NurmilnniBchuH lluhn .
Nub combs......
Nut der lioondcrfokkcrjj . Nuttige wenken voor fokkor»
Phoenix-1 loen .... Phoenix Kriel .... Pile malay game . . . Pile yokohama .... Pilly üaguzos ....
Pip........
Plymouth-Rocks . . .
Pokken.......
Polands......
Polecats......
Pol-lluhn......
Polish fowl.....
Polnisohes Prachthuhn Polnisches Schleierhulm Polnisches Silberhuhn Polnisches Silberschleierhi Polnisches Woiszhuhn . Pologne (Poule de) . . Poolsch Hoen .... Porcelein Kriel. . . . Poreellan Bantam. . . Porcellan llühnehen Portorico lluhn. . . . Poule a cinq doigts . . Poule i\ cou nu . . . Poule a duvet .... 1'oulo amóricaine . . . Poule andalouso . .
Poule a tête de corneillc Poule cornette .... Poule coucon amóricaine Poule d'Argentnn . . . Poule d'Arthègo . . . Poule de liarbezieux. . Poule de fiongale . .
Poule de Bousse .
Poule de Brakel . . . Poule de Brésil . . . Poule do Brotagne . . Poule do Bruges . . . Poule de Cambodge . . Poule de Caumont . . Poule de Caussado . . Poule do Caux .... Poulo de Oylon . . . . Poule do Combat anglaiso Poule do Combat du Nord Poule de Courcelles .
Poule do Crèvecoeur.
Poule do üango . .
Poule de Gascogno Poule do Gournaye .
1'oulo do Gros Morne Poule de Gueldre . .
Poule do Jerusalem .
Poule do la Brosse .
Poulo de la Campino Poule do la Reunion.
Poule d'Elberfeld . .
Poulo de Livourno Poulo do Malacca.
Poule do Morloraux Poule do Nangasaki .
Poulo do Nankin . .
1'oulo do I'adouo . .
Poule do Paris. . . Poule de Pavilly . . Poulo do Pologiu'. . Poule do Provence . Poulo do Russie . . Poulo do Sologonto . Poule do Tranquebar Poulo des Ardennes . Poule des Haies . . Poulo des Hayes . . Poulo des 1 jandes. . Poulo du Gnngo . . Poule du Maine . . Poulo du Mans. . . Poule du Sérail . . Poulo espagnole . . Poule faisane . . . Poule faisane anglaiso Poulo faisane russo . Poule friséó .... Poule Houdan . . . Poule malaise . . . Poule naino .... Poulo naino blanche Poule naino do Java . Poulo naino noire . . Poulo naino pattuo . Poulo Napoleon . . Poule nègre .... Poule normande . . Poulo phaisaiie. . . Poule sabot .... Poule soyeuse . . , Poulo sultane . . . Prachthuhn .... Prachthuhn (Hamburger) Prins Albert Hoen . Provence (Poule de). Ptarmigan .... Puka truk ...
l!ace d'Angors . .
l!aco cauchoise. . liamolslohor . 12, 22, 29 liangoon fowl . . .
lias.......
liauchfusshülmchen .
Redcap.....
Kod pilo game . . .
lied speckled dorking
lieinteelt .....
lien of loop . .
'tonnes (Coucou de) .
ionnes (Coucou de) onibro üennos (Kookoeksvoer van) liheinlandor lluhn . . . lihenish hamburgh . . . lihodisches lluhn ....
liicscnhuhn......
Rondwormen......
lioodachtiggole lavaainclic
Kriel. . . ...
Rood Belgisch Vechthoen
88,
R
REOISTRR.
289
I'ladz.
! Susquehama reds.....105
Sussex fowl.......79
I Syngamus........152
Syrisches Huhn.....124
Szeremley Huhn .... 130
T
Tassel.........125
Taubenhuhn .... 129
Teelt der Cochinchina's . . 228
Teeltkeus........219
Teeltuitkonisten.....2T)
Tering.........103
Terugslag........220
Thaumalea picta.....272
Thiiringer iiauBbitckchen . 117
Todtlegei'........HO
Tollenhuhn.......loo
Toornsch Hoen.....95
Transportmand......183
Trichosomum......152
Tuberculeuse......103
Turk........99, 130
Tlirken........99
Tiirkenhulin.......130
Tilrkisclies lilaiihulin . . . loo
Turksch hoen......99
Typhoide........15H
Typhus........158
U
Uilebaard........117
Uitbroeden (Kunstmatig) . . 192 Uitkomen van kuikens. .32,204.
Uitslag.........101
Uittering........10;gt;
Uitzakking van den darm . 107
Uitzakking vnn den eileider . 151
Ungarisches lluhn .... 124
V
Vallikiki........l|8
Variëteiten.......219 quot;
Varna fowl.......||7
Vechthoenders . . . 13, 102. 100 Vechthoenders van MediB, Ta-nagra en Chalkis . . . 1
Vechtkrielen......14, 105
Veldhoenders.....fjéj 122
Verbastering.......220
Veredeling.......220
Vergiftiging...... 174
Verharding van de tong . . 107 Verstopping ....... 141
Verzending van eieren . . . 187 Verzending van hoenders . . 182
Vetmesten.......188
Victoria.......50, 97
Vierlanders.....115, 123
Virginisches Hulm . . . . 118
Vleeschvoeder......19
Voeder voor hoenders ... 15
Bladz.
Siaineesche Zjjdeveer Kriel . 203
Siamesen........120
Siamesisches Seidcnhulin . . 120
Siberisch Hoen.....01
Siobenbürger Nackthals . . 130 Siobenbürger Sperberhuhn 58, 130
Silbcrfasan.......108
Silberfasanenhuhn . . . . 111 Silbergraue Dorking.... 78
Silberhuhn.......111
Silberhuhn (GoHprenkcltcR) . 108 Silberlack liantam . . . . 127 Silborlaok Paduanor.... 97
Silbermövo.......lil
Silberschleierhuhn .... 100
Silbersprenkel......111
Silber fupfen Padunner . . 97
Silky cochin......57
Silky fowl.......â¢120
Silver buff cochinchino . . . 50
Silver duck wing.....103
Silver grey dorking .... 78 Silver laced bantam. . . . 127 Silver Sebright bantam . . 127 Silver spangled game . . . 104 Silver spangled polands . 97
Siro Chabo.......134
Slachten........189
Slechte spijsvertering . . 174 Slijmhuidontstekiiig .... 108
Snot.........108
Sologonte (Poule de) . . . 125
Spaansch hoen......09
Spangled hamburgh ... 107
Spangled St. Jago.....100
Spanier........09
Spnniaches Mulin.....09
Spanish fowl......09
Spanjaard. . . . 12, 05, 09, 214
Speckled dorking.....77
Spcngled dorking.....77
Spcrber poland......100
Sperwersokken......55
Spoelwormen......152
Spray apparaat.....147
Spi'oeitocstel.......147
Spjjsvortering (Slechte) . . 174
Staarteloos Hoen.....118
Staartpel...... .111
Staflbrdshire game . . . . 104
Stelzhuhn........ 100
Steppenhuhn.......130
Straazburger lluhn .... 124
StrauBzenhuhii......53
Strauszliulin.......04
Sticrmarksch Veldhoen. . . 123
St. Jago fowl......101
Struppenhuhn ...... 119
Strupphuhn.......119
Strjjanoen.......102
Sultan.........99
Sultnii fowl ......99
Sultanhoen...... . 9!)
Sultanhuhn.......99
Surrey fowl.......7!)
nmnz.
Uoodbruino AFaloior .... (15
Roodbont Veclithopii.... lol
Roodkapje.......10!)
Roodo Maleioi'......05
liood Veohthoen.....107
Roodwnng Spanjaard ... li
Itood Weiten......I11
lioth gescliockto Kilmpfor. . 104
Rottikappe.......10!)
Hotlmintzo.......109
Rumpkin ... .... 118
liumplesH Ibwl......118
rtussinn fowl.......117
Runsian pheasant fowl . . , 109
Russinchca llulin.....05
Russische» Landhuhn . . . 117
S
Sabclpoot Kriel. . . . l i, 130
Sabot (Poule)......118
Samenstelling vim hot ei . . ÃH
Sanimethoso.......107
Schaal.........1)4
Schattenhuhn . . ... 119
Schounthorhuhn.....129
Schiero eieren . . ... 32
Schimmel (Favus-) .... 101
Schimmels.......45
Schleierhuhn.....95, 100
Schlotterkamm lluhn ... 73
Schotsche üwerghoen ... 93
Schotscho Ki iel.....93
Schotshilhiichen.....130
Schottisch Grauo.....79
Schulpneuzpn......95
Schurftpooten......ICO
Schwanzloflos lluhn . . . . 118
Schwarze Bantam.....128
Schwarze Minorca .... 72
Schwarzes Tscherkessenhuhn 72 Schwarzhiiutiges lluhn von
(Calcutta.......121
Schweizerhuhn......100
Scotch grey.......79
Scotch grey bantam .... 79
Scotch Grey Kriel..........79
Sebright bantam 80. 127, 257, 26quot;gt;
Sebright cochin.....8(')
Seiden Dachshuhn .... 120
Soiden llnnrhuhn.....120
Seiden lluhn......120
Seiden Shangae..........57
Seiden Shanghai . ... 57
Serai Taook.......99
Serail........-13, 99
Serailhoen......13, 99
Sorailhuhn..............99
Shake bag..............65
Shangai........57
Shaiigaihoen......53, 57
Shanghai........57
Shanghaihoon ..... 57
Shin Curo Chabo.....134
Siaineesche Zjjdeveer . . . 120
REGISTER.
290
|
Bladz. Voederbak..............16 Voedering van Iieoiiders . . 15 Voetzoolgezwellen.....155 Volbloed........221 Voorzorg bij den koop en verkoop.........181 Voshoenders.......90 Vulture hoeks......55 W Waarde van fransohc rassen. 1i\ Wallikiki........118 22, 190 . 104 , 100 13, 100 . 128 . 107 . 98 . 61 56, 234 . 90 78, 247 . ' 79 . 103 . 104 . 73 ,128,266 ' 117 100 VVallikikilli.......118 Wanzenauor.......91 Waterzucht.......175 Weduwen........124 Weeke krop.......1(35 Weisze Bantam.....128 Weisze Brahmaputra . . ⢠61 Weisze Dorking.....78 Weisze Entenflügel .... 103 Weisze Franzosen .... 65 Weisze gesclioekto Kilmpfor . 104 W'oisze Minorka.....72 Weisze Pariser......65 Weiszee Tscherkessenhulm . 72 Weisze Türkisohe Hühner. . 99 Weisze Zwerg Engliinder . . 130 Weiten.........110 Wolfenhuhn.......97 Welsches Riesenhuhn . . 95 Wetterauer Iluhn.....124 Wheaten breasted game . . 104 White bantam......128 White dorking......78 White game......104 White legs bakers .... 105 White pile game.....104 Windeieren......17, 155 Winterkuikenfokkerjj . . Witbonte Vechtlioenders Witkuif...... Witkuifhoen..... Witte Bantam .... Witte Belgisch Vechthoen Witte Brabander . . . Witte Hrahmapoetra, . Witto Coehinehina Witte Crèveeoeur. . . Witte Dorking . . 58, 7r Witte Dorking Kriel Witte Eendenvleugel Witte ICngelsch Vechthoen Witte Hangkam . . Witte llollandsche Kriel 14 Witte llollandsche Uilebaard Witte llollandsche Witkuif . |
Blndz. Witte Italiaan......113 I Witte Javaansche Kriel . . 130 Witto kam.......161 Witte Kortpoot......93 Witte Kraaikop.....94 Witto La Motte.....114 Witte Maleier......65 Witte Minorka..... 72, 23lt;.l Witte Naakthals.....140 Witte Padua.....13. 97 Witte Ramelsloher . . . . 116 Witte Hoodwang Spanjaard . 72 Witte Spanjaard . . . . 71, 72 Witte Vechthoen . . . 104, 107 Witto Witkuil'......100 Witte Wyandotte......89 Witte Yokohama..... Witte Zwartkuii'.....101 Witte Zijdoveer Kriel . . . 121 Wittwen........124 Wit Weiten.......111 Wolhoen .... ... 121 Wollhuhn.......121 Wonden........175 Worcestershire game . . . 104 Wyandotte.......85 X 64 103 72 125 65 248 208 102 108 107 124 Xolo Yellow duck wing Yersey fowl. . . Yersey nub combs Yo Ko ilama . . Yokohama . . . Yokohama Kriel . Yorkshire game . Yorkshire pheasant Yorkshire pheasant fowl Yshoen....... 12, 65 Zadelhoenders......66 Zandkleurige Coehinehina , . 56 Zeemleerkleurige Coehinehina. 56 Ziekten.........141 Zilverlakensche Bantam. 14, 127, 257, 265 Zilverlakensche Borgsche Kraaier................74 Zilverlakensche Duitsehe Uilebaard ........117 Zilverlakensche Engelsche Vechthoen.......104 |
Klad/.. Zilverlakensche iLngelsche Vechtkriel.......105 Zilverlakensche Hamburger. 13, 86, 108 Zilverlakensche llollandsche Uilebaard.......117 Zilverlakensche Padua . . 13â97 Zilverlakensche Pel . . . . 111 Zilverlakensche Vechthoen . 104 Zilverlakensche Vechtkriel 14, 105 Zilverpel.......13, 256 Zuigworm........152 Zuiver ras.......219 Zwakke pooten......144 Zwarte Bantam......128 Zwarte Belgische Vechthoen- ders ........107 Zwarte Bergsohe kraaier . . 74 Zwarte Coehinehina . . . 56, 235 Zwarte Crèveeoeur .... 90 Zwarte Duitsehe Uilebaard . 117 Zwarte Engelsche Vechthoen. 104 Zwarte Engelsche Vechtkriel. 105 Zwarte Hamburger . . . 13, 108 Zwarte Hangkam . . , . 73 Zwarte llollandsche kriel . . 266 Zwarte llollandsche kriel . 14, 128 Zwarte llollandsche Witkuif 13, 100 j Zwarte Italiaan......113 Zwarte .lavaansche Kriel . . 130 Zwarte Kortpoot.....93 Zwarte Kraaikop.....94 Zwartkuif........101 Zwarte La Motte.....114 Zwarte Maleiers.....65 Zwarte Minorka.....72 Zwarte Naakthals.....140 Zwarte Padua ..... 98 Zwaite Roodwang Spanjaard. 72 Zwaite Spanjaard. . . . 71, 72 Zwarte Vechthoen. . . 104, 107 Zwarte Vechtkriel.....105 Zwarte Witkuif .... 100 Zwarte Zijdeveerkriel . . . 121 Zwerg-Engliinder.....105 Zwerghuhn.......126 Zwerg-Kiimpfer......105 Zwerg-Kaulnuhn.....118 Zwerg-Kluthuhn.....118 Zwerg- Seidenhuhn.....120 Zwerg Strupphuhn......119 Zwergtauber.......118 Zijdehoen........29 Zijdeveer.......13, 120 Zijdeveel' Coehinehina . ⢠. 57 Zijdeveer Kriel. . 1'20, 267, 208 |
lil
li ii
t â